REGEL,
DOOR
PAUS LEO X goedgekeurd,
VOOR DK
!J5iacbci-ft cn Zn^tcx^ bei Dcrbc O^rbc lian ben % jfranci^cu^;
die onder de drie wezenlijke geloften in Vergadering leven,
TOEGEPAST op Zusters derzelfde Orde, staande onder de Jurisdictie en Visitatie des Bisschops, MET DE
Constitutiën vcV ~
VOOR DE
,-⢠v i»
2-uötcifi penitenten ber Cdngtfcgatie
VAN HET
âHUIS VAN BETHLEHEMquot;
TE
(g emeente JVIegen],
in het Bisdom van 's Hertogenbosch. .
\ , x. ⢠v*. ' '.quot;y J
TYr. Jos. J. VAN ElNDER't. CüYK.
, ^ Cj 5
I 0 J *
VAK i\ 26
Deze Const[tutikx voor lt;le Zusters PENr-
tenten pee congregatie, geVCStio-d ill het
Klooster âBethlehemquot; te Haren (Gemeente Meg en), door Ons gezien en onderzocht, worden door Ons goedgekeurd en ter trouw e naleving dringend aanbevolen.
's-Bosch. den 14 Mei 1898.
De Bisschop van 's-Bosch, t W. VAN DE VEN.
S-feiJ* fc-'^'c *4ck'tfi-i'ri.à aacaS n 4 t/aji it â '**-xïfe tt V
lt;Tgt; ' rn ' «T» ' riï â «T» quot; fTS ⢠rfgt; rn - rn quot; #Tgt; quot; rTS â¢' rr» ' quot; lt;Tgt; â ' rr» quot; «TS quot; rTgt; quot; «T»
EE^l BEKLOPT VEf^HAflLt
DKR
Geschiedenis van liet Klooster Bethlehem,
TK
HAREN (Gemeente MEGEN).
In de voorrede, (zie biz. VIII), wordt aangegeven, hoe het kloosterlijk leven naar den inhoud des Derden Regels van den H. Franciscus van Assisië ontstaan is, alsmede dat Zijne Heiligheid Paus Leo X daarna den Regel herzien en voor Religieusen geschikt gemaakt heeft.
Hoe is nu deze Regel in het klooster Bethlehem ingevoerd? Deze vraag en andere, welke men zich aangaande den Regel en deze Constitutiën zou kunnen stellen, meent schrijver dezes het best â naar de gegevens, die hij heeft â te zullen beantwoorden, door hier met ecnige weglatingen en aanvullingen het beknopt en getrouw verhaal te plaatsen dat de ZEw. en Gel. Heer J. A. COPPENS in zijn werk âNieuwe Beschrijving van het Bisdom van 's Hertogenboschquot; IV Deel, blz. 63â66, over genoemd klooster geeft.
âDe plaats, waar dit klooster is gesticht, behoorde eertijds aan den graaf van Megen en werd de Cuiksche Hoef stad of Hofstad geheeten. Zij werd, met ongeveer drie en een halve bunder lands, in 1442 door Jan, graaf van Megen, aan zekeren Udo Talhout gegeven, welke gift den 24 October 1444 door Filip, hertog van Brabant, bekrachtigd is. Udo Talhout en zijne echtgenoote Ger-berga bestemden dit goed tot het oprichten van een vrouwenklooster, doch daar zij door den dood in de volvoering van hun voornemen werden belet, werd dit volbracht door hunne kinderen Gerard, Maria en Erm-gardis, welke twee laatste begijnen waren te 's Bosch en daarna, volgens haar verlangen, gewone zusteifin het door haar gestichte klooster. De oprichting des kloosters geschiedde met verlof der gravin van Megen, Antonia, weduwe van graaf Guido de Brumeu en van Adrianus,
IV
haar zoon, die hunne goedkeuring daaraan hechten bij een diploom, dat den 4 November 1500 te St. Omer was geteekend. Ook de bisschop van Luik, Joannes de Hornes, gaf den 30 Augustus 1501 de noodlge toestemming en richtte het vóórzeide huis onder den naam van âHuis van Bethlehemquot; op tot een klooster van Zusters der Derde Orde van den H. Franciscus, die de drie substantieele Geloften zouden afleggen. De bouw werd in 1504 begonnen, en de pastoor van Haren, Franciscus de Bruin bewilligde den 1 Juli 1505 in de bepaling, dat het klooster van de parochiekerk af gescheiden zoude zijn. Door toedoen van Godefridus van Goch, overste der broeders van den 3den Regel van den H. Franciscus, die een gesticht onder Horssen bewoonden, hetwelk de Berg van O. L. Vrouw werd genoemd, verkreeg men uit het klooster, dat te Heusden was gevestigd eenige Zusters, die denzelfden regel volgden. Deze betrokken den 23 April 1506 het nieuwe gesticht.
Tot omstreeks het jaar 1551 zijn de zusters bestuurd geweest door een pater uit het genoemd klooster te Horssen; doch toen dit gesticht in 1551 was verwoest, hebben zij zich tot den pauselijken nuntius gewend, die haar den 20 November 15 51 toestond, voortaan een biechtvader te kiezen, uit welk klooster der Orde van den H. Franciscus zij zouden goedvinden.
In de Nederlandsche onlusten der i6dc eeuw ten jare 1581, bij gelegenheid dat de krijgsmacht der staten Megen had ingenomen, werd het klooster van Haren vernield, terwijl de zusters zware kwellingen te onderstaan hadden. Onder anderen had men het bijzonder op de Overste des kloosters Christina Vos gemunt, die deerlijk werd mishandeld. Het baldadige krijgsvolk wierp haar in het water en doorstak hare handen, toen zij tot haar levensbehoud zich aan de takken vasthield. Zij ontkwam echter den dood, en vluchtte met nog zeven andere zusters naar de stad Grave, waar zij ter plaatse Lievendaal, in een kamer van zekeren Dirk van Someren eenige jaren in groote armoede hebben gewoond.
Toen in het jaar 1588 de gevluchte zusters op vijf na waren uitgestorven, zijn deze in het klooster dat te Grave bestond, opgenomen geworden, in hetwelk zij allen zijn overleden. Na 1603 was nog één van haar
V
in leven, welke 5 of 6 Maart 1618 stierf. Intusschen liet de graaf van Megen niet na, de herstelling van het verwoeste klooster te behartigen. Reeds in 1597 had hij een dochter, van Haren geboortig, tot dat einde laten inkleeden, welke echter, eenigeu tijd nadat zij geprofest was, in het klooster te Grave overleed. Hij deed ook door zijnen drossaard alle mogelijke middelen aanwenden tot herkrijging der renten en inkomsten van het klooster, die sedert het afsterven der gevluchte zusters van Haren, door die van Grave waren genoten. Vervolgens zorgde hij andermaal, dat er twee dochters voor het te herstellen gesticht van Haren werden opgeleid, die, nadat zij te Grave haar proefjaar hadden voleindigd, den 4 October 1634 in het verlaten kerkje des kloosters te Haren geprofest zijn geworden. Bij deze tweede voegde zich nog een derde, die in 1637 of '39 de kloostergeloften aflegde. Dit drietal, vergezeld van den biechtvader des kloosters te Grave, Henricus Staayakers genaamd, nam in 1642 op den feestdag der H. Anna bezit van het oude gesticht, het Huis van Bethlehem en leefde daar aanstonds of ten minste spoedig geheel afgescheiden van het klooster te Grave en van elk ander klooster. Dit laatste vinden wij wel niet uitdrukkelijk opgeteekend, maar ook nergens is er sprake meer van vereeniging of afhankelijkheid. Daarenboven in de Memorieboeken van het Huis van Bethlehem wordt vermeldt, dat reeds den 4 October 1644 alhier een postulante werd ingekleed.
Alvorens verder te gaan, zal het nuttig zijn te dezer plaatse iets aan te halen, dat den Regel betreft en geschied was, terwijl de laatste der zusters, die in 1581 uit het klooster te Haren moesten vluchten, in het klooster te Grave wellicht reeds gestorven was. De Regel nl. door Paus Leo X herzien en goedgekeurd voor de religieusen der 3'le Orde van den H. Franciscus was op verordening Mgr. Nicolaus Zoösius, Bisschop van 's Bosch van 1615â1625, den vrouwenkloosters dier Orde, welke stonden onder zijne jurisdictie, toegeëigend. Ook Haren behoorde tijdens het bestuur van genoemden Bisschop en later tot het jaar 1698 eerst tot het bisdom en daarna tot het vicariaat van 's Hertogenbosch. Duidelijk is het alzoo, waarom alhier in het âHuis van
VI
Bethlehemquot; de vertaling gebruikt wordt, welke van gemelden Regel in 1622 ingevolge of althans naar aanleiding van de verordening van Mgr. Züësius met kerkelijke goedkeuring (zie biz. IX) in druk verscheen en in welke de Regel van Leo X is toegepast op reli-gieuse zusters, staande onder de jurisdictie en visitatie van den Bisschop.
Deze Vertaling is trouw naar den oorspronkelijken tekst; alleen komen daarin om den Regel toe te passen de volgende afwijkingen voor; vooreerst weggelaten zijn deze woorden van het Opschrift: âAan de beminde Kinderen, Broeders en Zusters van de Derde Orde van den H. Franciscus, in vergadering levende onder de drie wezenlijke Geloften; ten 2de overal is het woord Provinciaal vervangen door Bisschop en waar in den oorspronkelijken tekst Visitator-Generalis of ejusdem Ordinis voorkomt, wordt alleen Visitator vertaald en ten 3dc alles is weggelaten, dat alleen op mannenkloosters van den Derden Regel betrekking heeft.
Bij voormelde vertaling is gevoegd een Voorrede (zie biz. VIII) en een Nota (zie biz. XVI). De Nota betreft het uitdrukkelijk gebod van het Slot te onderhouden, dat door verscheidene Pausen werd gegeven. Nochtans werd het hier niet ingevoerd, en het tegenwoordige slot begon eerst in het jaar 1844, toen Mgr. Joannes Zwijzen, destijds Administrator Apostolicus van de districten Grave en Ravenstein en Megen bepaalde, dat de zusters in het vervolg het slot zouden onderhouden. Zie over dergelijke vrouwenkloosters van den 3dlt;;quot; Regel cl. S.M. Vechiotti. Instit. Can. Ed. 17 t. 2 pg. 163 en 164 of lib. Ill cap. V § 65.
Hierachter wordt de vertaling van den Regel met de Voorrede en Nota, van welke boven spraak is, bijna woordelijk teruggegeven; alleen zijn â met behoud van zin en beteekenis â eenige niet meer gebruikelijke woorden, uitdrukkingen en zinwendigen veranderd en het woord fraternitas van den latijnschen tekst is niet meer vertaald Vergadering maar Broederschap.
Vervolgen wij nu de geschiedenis. De zusters, welke het drietal opvolgden, dat in het jaar 1642 bezit had genomen van het klooster âBethlehemquot; te Haren, bewoonden zonder onderbreking dit huis tot 1812. Ofschoon
VII
zij ook gedurende dien tijd stonden onder de jurisdictie der plaatselijke Kerkelijke overheid, hadden zij meestal een Pater Minderbroeder uit het klooster te Megen tot biechtvader en bestuurder.
Overigens valt van dit tijdperk hier nog op te merken, dat naar aanleiding van enkele visitaties eenige heilzame bepalingen werden gegeven. Daar deze nu, voor zoover zij nog bestaan, in deze Constitutiën zijn opgenomen, is het overbodig ze hier nader te vermelden.
In het jaar 1812 onderging dit klooster met verscheidene andere de suppressie, maar in 1814 keerden alle verdrevene zusters, die nog leefden (21 in getal) terug. Zij mochten in het klooster blijven, doch geene novicen aannemen. Dit verbod werd den 6 December 1840 opgeheven en verscheidene zusters, die reeds vóór de suppressie waren geprofest, hadden het geluk nog menigmaal tegenwoordig te zijn bij de professiën, welke sedert dien dag geschiedden.
In het begin van het jaar 1844 werd door de Kerkelijke Overheid aan het huis een wereldlijke priester in hoedanigheid van Rector toegevoegd. In hetzelfde jaar werd â gelijk hiervóór reeds is gezegd â bepaald, dat de zusters in het vervolg het slot zouden onderhouden en in 1858 stichtte de Congregatie met goedkeuring van haar Kerkelijken Overste hare eerste en thSfns nog eenige afdeeling in het klooster te Reek, waarin de Overste en nog vijf zusters den 26 Augustus van dat jaar haar intrek namen.
Rest nog de redenen aan te geven, om welke in 1896 tot de herziening der oude Constitutiën of Statuten werd besloten. Zeker is het, dat minstens sedert 1732 geene herziening had plaats gehad. In dien tusschentijd waren vele beslissingen en regelen voor het algemeen bestuur door den H. Stoel gegeven, welke ook de Congregatie der Zusters van Haren betroffen. Daarenboven waren bij meerdere veranderingen, zooals bij het invoeren van het slot, het stichten der afdeeling te Reek, de noodige voorschriften gegeven. Ook eischten sommige omstandigheden nieuwe bepalingen en veranderingen. Geen wonder derhalve, dat de zusters behoefte gevoelden om Constitutiën te hebben, gewijzigd naar die latere beslissingen en regelen van den H. Stoel en waarin de
VIII
voorschriften, welke haar achtereenvolgens waren gegeven of welke nog noodig of nuttig waren, zooveel mogelijk zouden zijn saamgevat. Met vóórkennis en goedkeuring van Mgr. Wilhelmus v. d. Ven, Bisschop van 's Hertogenbosch werd dit werk begonnen en in 1898 voleind. Hierbij is niet de indeeling van de oude Statuten maar van den Regel gevolgd.
Bij de samenstelling dezer Constitutiën was steeds het doel den eigenlijken geest der Penitentie te bevorderen, welke gegrond is op de zuiverheid des harten, de armoede des geestes, de versterving des lichaams en de onderlinge liefde (Pater Petru# Marchant in zijn zendbrief aan de Penitenten),
Beminde Zusters, geve de goede God, dat dit doel worde bereikt tot Zijne meerdere eer en de zaligheid uwer zielen. Dan zal ook een andere wensch vervuld worden, welke wij voor ons eigen welzijn koesteren: Gij zult in uwe gebeden gedachtig zijn allen, die tot het vervaardigen en invoeren dezer Constitutiën hebben bijgedragen. Zoo zij het!
Bemerking. Zie over de volgende Voorrede, vertaling van den Derden Regel met de bijgevoegde Nota hiervoor biz. V en VI.
VOORREDE.
Beminde Zusters in Christus-Jezus. Als de heilige en verlichte Belijder, Franciscus, den Eersten Regel had ingesteld voor de manspersonen, âMinderbroedersquot; genoemd, en den Tweeden Regel voor de vrouwspersonen âClarissenquot; geheeten, heeft hij daarna een Derden Regel gemaakt voor alle menschen, die in de wereld blijven, mannen en vrouwen, gehuwd of ongehuwd, in den priesterlijken staat of niet, in welken staat of stand zij ook zouden wezen, en heeft dezen genoemd den Regel van Penitentie.
Deze 3dlt;: Regel is in dien staat door verscheidene Pausen bevestigd en goedgekeurd, maar voor het eerst in schrift uitgegeven door Paus Nicolaus IV.
IX
In deze Orde zijn zeer veel heilige menschen geweest, sommigen ook zijn door de H. Kerk gecanonizeerd, als de H. Elisabeth, de H. Lodewijk, koning van Frankrijk, de H. Leo, priester en de H. Elzearius, graaf: Geen wonder dus dat deze Orde in alle landen der wereld zeer vermenigvuldigd is. Ja, wat meer is, sommige personen hebben van den Apostolischen Stoel verzocht om naar den inhoud van dezen Regel een kloosterlijk en Religieus leven te mogen aanvaarden, dat hun ook door den H. Stoel vergund is geworden en Paus Sixtus IV heeft verordend en verklaard, dat de zusters der Derde Orde van den H. Franciscus de drie essentieele geloften der religie belovende en te zamen collegialiter levende zijn waarachtige religieusen, hetwelk ook naderhand breedvoeriger verklaard heeft Paus Leo X, die ten laatste dezen Regel overzien en denzelven een weinig âhersteldquot; heeft voor de Religieusen en kloosterlijke personen volgens dezen Regel levende.
Daar nu in het Bisdom van 's Hertogenbosch eenige vrouwenkloosters zijn, die den Derden Regel van den H. Franciscus volgen, en ook mede onder de jurisdictie en visitatie des Bisschops zijn (evenals in sommige andere bisdommen en provinciën) zoo is op verordening van den Hoogwaardigsten Heer NICOLAUS ZOES, Bisschop van 's Hertogenbosch, deze Regel nu toegeëigend der religieuse zusters van de Derde Orde, die onder den Bisschop van 's Bosch staan en dit tot gerief der voorzeide zusters.
Vaartwel, beminde Zusters, lezende en onderhoudende dien Regel tot Gods eer en tot zaligheid uwer zielen.
GENSURA.
Tertiam hanc S. Francisci Regulam Monialibus teitii Ordinis Episcopo subjectis accomodatam utiliter ad majorem earumdem commoditatern edi posse, censeo hac 27 Martii 1Ã22.
Henricus van den Leemputte, S. Thoologiai Licentiatus Canonicus et librorum Censor Buscoducensis.
X
De Regel der Religieusen van de Derde Orde van den H. Franciscus, toegeëigend den vrouwenkloosters derzelfde Orde, die zijn onder de jurisdictie en visitatie des Bisscbops.
LEO X PAUS.
Beminde Doch Iers, zaligheid en AJgt;oslolischen Zegen.
Onder de andere zaken aan Ons Bestuur toevertrouwd, wekken deze Onze meeste bezorgdheid, door welke, na het bedwingen van de begeerlijkheden der wereld en des vlcesches, de staat der onschuld en dis vredes oorspronkelijk van den hemel geschonken, tot zijn eersten oorsprong kennelijk worde teruggebracht. Met dit inzicht heeft wel voorlang Paus Nicolaus IV, Onze Voorganger, bevestigd en goedgekeurd den Derden Regel van den H. Franciscus â door hem âvan Boetvaardigheidquot; genoemd â waardoor de H. Belijder, vol van den H. Geest, de geloovigen van beiderlei geslacht lot hunne zaligheid trachtte te brengen.
Doch aangezien bij verloop van tijd, door ingeving van den H. Geest, niet alleen gehuwden en wereldlijke personen, voor wie de voorzeide Regel door den H. Franciscus gegeven was, zich begeven hebben onder het juk der voornoemde Orde, maar ook â niet zonder menigvuldige vrucht en stichting voor de strijdende Kerk â vergaderingen van ontelbare maagden, die de drie wezenlijke geloften en sommige ook de belofte van het slot op ons gezag aangenomen hebben en zeer veel kloosters hebben gebouwd. En daar nu in den Derden Regel eenige zaken voorkomen, die wel voor gehuwden geschikt, maar voor den ongehuwden en maagdelijken staat, onder dezen Derden Regel den Heer dienende, geenzins passend zijn, waarom de reine genegenheden van kuische zielen somtijds afkeerig worden om in de gezegde Orde te treden, zoo is het, dat wij naar den Wil des Heeren, het kostbare van het geringe scheidende, denzelfden Derden Regel, op de volgende wijz- verdeeld, opnieuw bevestigen en goedkeuren, en aan u en aan uwe opvolgers overzenden om te onderhouden, welks inhoud is als volgt:
XI
I HOOFDSTUK.
Over hei Aannemen der Novicen.
De Zusters, die tot deze Orde zullen aangenomen worden, moeten geloovige katholieken zijn, niet verdacht van ketterij, vast in de gehoorzaamheid der Roomsche Kerk, niet gebonden door het huwelijk, vrij van schulden, gezond van lichaam, bereidvaardig van geest, met geen openbaren kwaden naam besmet, met de naasten verzoend. En van al deze zaken moeten zij, vóórdat zij aangenomen worden, nauwkeurig onderzocht worden door die de macht heeft van aan te nemen.
II HOOFDSTUK.
Over datgene, wat de Zusters beloven moeten in de Professie van dezen Derden Regel.
Nadat de Zusters gedurende een geheel jaar het proefkleed zullen gedragen hebben (dat van slecht laken naar het goeddunken van den Visitator moet zijn), indien haar levenswijze lofwaardig is geweest in hel convent, waar zij het proef kleed zullen gedragen hebben, zoo mogen zij naar raad der discreten van genoemd convent, tot de professie van voorzeide Orde toegelaten worden. In welke professie zij beloven zullen de geboden van God le onderhouden en te voldoen vo^r de overtredingen, welke zij in den toekomenden tijd zouden mogen begaan tegen dezen Derden Regel, wanneer zij daartoe door de Oversten opgeëischt zullen zijn, levende in gehoorzaamheid, zonder eigendom, en in zuiverheid.
III HOOFDSTUK.
Over de Vasten.
De Zusters zullen te allen tijde des Maandags, Woensdags, Vrijdags en Zaterdags (uitgenomen het feest van de Geboorte des Heeren) geen vleesch eten. En van het feest van Allerheiligen tot aan de Verrijzenis des Heeren zijn zij gehouden eiken Woensdag en Vrijdag te vasten. En insgelijks eiken Vrijdag van het gansche jaar. Zoo ook van het feest van den H. Martinus tot aan de Geboorte des Heeren zullen zij dagelijks vasten,
XII
benevens de Veertigd;iagsche Vasten van de algerneene Kerk tot aan de Verrijzenis des Heeren, welke vasten zij evenwel moeten beginnen van den Zondag quinqua-gesima. Op de dagen echter, waarop men niet vast, zullen zij slechts tweemaal daags eten. Doch van Paschen tot aan de maand October, mogen diegene, die moeie-lijken of zwaren arbeid verrichten, driemaal daags eten, de vastendagen altijd uitgenomen. Maar die op reis zijn, de zieken en de zwakken zijn in tijd van nood van zelf ontslagen van de onderhouding der vastendagen.
IV HOOFDSTUK.
Over den Goddclijkcn Dienst en het Gebed.
De zusters zullen in de kerk het silentium onderhouden, voornamelijk wanneer de H. Mis gedaan of het woord Gods verkondigd wordt. Op andere plaatsen echter zullen zij onderhouden, wat haar door hare oversten ten opzichte van het silentium is verordend. Zij moeten ook alle dagen 's avonds bij zich-zelven in Gods tegenwoordigheid nadenken, wat zij gedaan, gesproken of gedacht hebben. Alle dagen (als zij het gevoeglijk kunnen) moeten zij Mis hooren. Ook moeten zij zorgen, dat zij een geestelijke hebben, die haar op zekere dagen het woord Gods voorhoude en haar tot de boetvaardigheid en tot de deugden opwekke. Die de Kerkelijke Getijden kunnen lezen, moeten die bidden naar het gebruik der H. Roomsche Kerk. Maar die de Kerkelijke Getijden niet kunnen lezen, zullen bidden twaalf âOnze Vaderquot; voor de Metten, en voor elk van de andere getijden zeven, na elk âOnze Vaderquot; daar-bijvoegende âGloria Patriquot; en vóór de Prime en de Complete ook âCredoquot; en âMiserere mei Deusquot;, en die dit niet kan, moet driemaal âOnze Vaderquot; voor penitentie bidden. Zoo dikwijls zij echter maaltijd houden of eten, moeten zij God danken. Ten opzichte van het Sacrament der Biecht en het ontvangen der H. Communie zullen zij de verordening onderhouden van Paus Nicolaus IV, namelijk dat zij driemaal in het jaar biechten en communiceeren of ook de statuten door hare oversten hieromtrent voorgeschreven.
XIII
V HOOFDSTUK.
Over de Regeling der Oversten en der Bedieningen.
Ieder vrouwenklooster zal eene Overste hebben, die âMoederquot; zal genoemd worden. En deze zal gekozen worden door haar convent, of aangesteld worden door den Bisschop of door den Visitator, die daartoe door hem gemachtigd zal wezen, zoo nochtans, dat niemand overste zij voor haar leven, maar voor een zekeren tijd. Deze Moeders zullen in alles, wat dezen Regel aangaat, gehoorzamen aan den Bisschop en aan de Visitators, door hem aangesteld, zoolang zij in de voornoemde Bediening zullen zijn. Aangaande de andere bedieningen in het huis zullen zij haar statuten onderhonden.
VI HOOFDSTUK.
Over de Manier van binnen en bui/en 's huis zich te gedragen.
Daar de zusters van deze broederschap genoemd worden âZusters van Boetvaardigheidquot;, zoo behooren zij zich van alle bijzonderheid zoo in kleederen als in alle andere zaken te onthouden. En volgens den heil-zamen raad van den Prins der Apostelen, den H. Petrus, moeten zij, ns0 de overige ijdele sieraden dezer wereld afgelegd te hebben, geen enkel sieraad dragen, maar alleen een ootmoedig en noodzakelijk dekkleed van haar lichaam. Zij moeten zich ook volstrekt wachten van ten hove der Prinsen, Heeren of Vrouwen te komen, waar, zooals de Heer getuigt, het zinnenstreelende dezer wereld gevonden wordt. Ook mogen zij volstrekt nimmer tegenwoordig zijn bij danspartijen, spelen, kluchten en andere ij delheden van tooneelspelers. Zij moeten ook spaarzaam zijn in woorden en gesprekken, want veel spreken geschied zelden zonder zonde. En bovenal moeten zij zich wachten van alle leugentaal en van eiken eed volgens het gebod des Heeren, tenzij voor den vrede, voor de geloofswaardigheid, wegens laster en om getuigenis af te leggen. En dagelijks moeten zij 's avonds zich onderzoeken, onder anderen of zij een leugen of eenigen eed gedaan hebben, en voor iedere (leugen of eed) moeten zij driemaal âOnze Vaderquot; bidden.
XlV
VII HOOFDSTUK.
Over het Bezoeken en Verzorgen der Zieken.
Als een zuster dezer Broederschap in eene ziekte mocht gevallen zijn, dan zal de Moeder van het huis gehouden zijn haar eens daags of in persoon of door een ander te bezoeken, en haar van de gemeene goederen alle noodzakelijke dingen naarstiglijk doen toedienen. Zij zal ook gehouden zijn de zieke te vermanen tot boetvaardigheid en om zich waarlijk tot God te bekeeren, haar voorhoudende de nadering des doods, de gestrengheid van Gods oordeel en tevens de goddelijke Barmhartigheid.
VIII HOOFDSTUK.
Over de Visitatie, welke de Oversten aangaande de Zusters moeten honden.
De Bisschop of de Visitator, aan wien hij dat zal hebben opgedragen, zal elk jaar maar eens in ieder huis Visitatie houden in tegenwoordigheid van de ouderlingen en als de visitatie gedaan is, mag hij niet meer in de werkhuizen en andere binnenplaatsen d*r zusters gaan. De Visitator zal nooit alleen en afgezonderd blijven met eenige zuster. De Moeders moeten aan den Visitator de gebreken zeggen, welke verbetering behoeven. En insgelijks ook cïe andere zusters. En indien naar het oordeel der Discreten tan hel huis er eenigen onverbeterlijk zouden zijn, die zal men als schurftige schapen uit de Vergadering verwijderen.
IX HOOFDSTUK.
Over de Diensten voor Overledenen.
Nadat eenige zuster uit de wereld zal gescheiden zijn, zal de Moeder zorg dragen, dat haar uitvaart plechtig gedaan worde. Bij welke uitvaart alle zusters van liet huis, waar zij overleden is, persoonlijk moeten tegenwoordig zijn en niet mogen weggaan, voordat het
XV
lichaam begraven is. Voor de ziel van iedere overledene zuster zullen binnen acht dagen de zusters, die het psalterium kunnen lezen, gehouden zijn vijftig psalmen te lezen, maar zij, die dit niet kunnen, vijftig âOnze Vadersquot; met âRequiem aeternamquot; na elk âOnze Vaderquot; te bidden. Doch op het einde van elk jaar of binnen elk jaar moeten de zusters, die het psalterium kunnen lezen, eens het geheele psalterium lezen voor de overledenen, maar die het psalterium niet kunnen lezen, honderd âOnze Vaderquot; met âRequiem aeternamquot; na elk âOnze Vaderquot; bidden. En ten opzichte van deze diensten voor de overledenen en van de andere goddelijke diensten in dezen Regel beschreven, wordt aan de Moeders de zorg opgelegd, dat zij getrouwlijk voldaan worden.
X HOOFDSTUK.
Over de Verbinienis van hcigenc in dezen Regel begrepen is.
Alle en elk van de dingen in den tegenwoordigen Regel begrepen, zijn raden om de zielen der menschen, die nog op de reis dezer wereld zijn, gemakkelijker tot de zaligheid te brengen. En geene dezer dingen zijn verbindend op doodzonde of dagelijksche zonde, tenzij iemand anderzins door menschelijk of goddelijk recht daartoe verbonden ware. De zusters zijn nochtans verplicht de penitentiën haar door hare Oversten opgelegd, te volbrengen, als zij daartoe opgeëischt worden. Ook zijn zij gebonden tot de drie essentieele Geloften, tot de Armoede door niets in het bijzonder te hebben ; tot de Zuiverheid, want na de Gelofte mogen zij geen huwelijk aangaan noch zonder schending (dezer gelofte) zich eenige overtreding van het zesde of negende gebod veroorloven; en tot de Gehoorzaamheid in die zaken, zonder welke deze Broederschap niet gevoegelijk kan in stand gehouden worden. Ook zijn zij gehouden het slot te onderhouden, die dit uitdrukkelijk beloofd hebben te onderhouden. Welk slot wij aan alle Conventen in het algemeen en aan elk convent in het bijzonder toestaan, mits de gastvrijheid en liefde, welke zij jegens
XVI
zieken plegen uit te oefenen, tegelijk met de eerbaarheid (van den staat) geen schade lijden, (i)
Gegeven te Rome bij St. Pieter, onder den Visschers-ring, den 20 Januari 1521, het achtste van ons Opperpriesterschap.
(1) Nota. Dit is eertijds gesteld geweest ten aanzien van sommige Conventen, die daartoe gefondeerd en gedeputeerd waren om de zieken te dienen en gasthuizen naast de Conventen te onderhouden, welke Paus Leo X hier vrij houdt van de belofte van slot te doen, omdat dit met het slot niet kan te zamen gaan. Maar dit heeft nu geen plaats meer in de Conventen dezer Orde, want Paus Pius V heeft in het jaar 1566 uitdrukkelijk bevolen, dat de vrouwspersonen van den Derden Regel na haar professie zullen gehouden zijn te blijven en te leven onder een eeuwig slot, en heeft verboden de Conventen en Vergaderingen die het slot niet willen aanvaarden, voortaan nog eenige personen te mogen aannemen tot haar Orde, Religie of Vergadering; ja, wat meer is, hij heeft te niet gedaan de aanneming en de professie dergenen, die tegen dit verbod in zulke Conventen ontvangen zijn. Het gebod van het slot der vrouwenkloosters dezer Orde heeft dezelfde Paus Pius V wederom vernieuwd in het jaar 1568 en daarna Paus Gregorius XIII in het jaar 1572, hetwelk ook naderhand door andere Pausen bevestigd en vernieuwd is.
CONSTITUTIÃN
VOOR DE
^Hstsrs psaitsntsa
DER
CONGREGATIE geljcétigb In get filao^tcr â^ct^ïegcmquot;,
TE
HAREN (Gemeente Megen).
--as-
DOEL DER CONGREGATIE.
1. Het voornaamste doel dezer Congregatie is de heiliging harer leden te bevorderen.
Iedere zuster zal het als een groote genade Gods beschouwen in deze Congregatie opgenomen te zijn, en zich verplicht rekenen naar de volmaaktheid te streven en haar medeleden te stichten door in den geest van haar H. Insteller, Franciscus, getrouw te onderhouden den Regel, door Paus Leo X goedgekeurd, en de bijzondere Constitutiën dezer Congregatie. In welke Con-stitutiën de bevoegde Kerkelijke Overheid den Regel verklaart, afwijkingen daarvan toestaat, voor zoover deze om blijvende omstandigheden noodig zijn, en de zusters onderricht in de oefening der kloosterlijke deugden en goede werken.
2
2. Dewijl de Regel de liefdewerken aan de leden der derde Orde aanbeveelt, zullen de zusters met groote liefde voor het heil harer naasten bidden en goede werken opdragen en iri hare handwerken, onder andere godsdienstige en christelijke einden, het nut der armen en behoeftigen beoogen. Met dezelfde bedoelingen zullen zij van haar overvloed in tijdelijke goederen edelmoedig mededeelen. Zoo zullen zij te gemakkelijker den geest van haar H. Vader Franciscus bewaren en van de verleidingen des overvloeds bevrijd blijven.
3. Ook zullen met goedkeuring der Kerkelijke Overheid aan de huizen dezer Congregatie, inrichtingen voor de opvoeding der jeugd en voor de verzorging van oude en ziekelijke personen en voor andere dergelijke liefdewerken mogen verbonden worden, en eenige zusters met die liefdewerken worden belast; nochtans zoo, dat deze zusters de voorschriften, voor haar door den Kerkelijken Overste gegeven, kunnen onderhouden en de Communiteiten niet van den Regel en de Constitutiën behoeven af te wijken.
Constitution.
I Hoofdstuk.
Over het Aannemen der Novicen, Hare Inkleeding; en de Kleederen der Znsters.
1. Opdat deze Congregatie steeds moge groeien in de volmaaktheid en in den waren geest der kinderen van den H. Vader Fran-ciscus, zullen de Oversten zeer voorzichtig en bedachtzaam zijn in het aannemen der novicen. Zij zullen haar niet aannemen, die een der vereischten missen, gesteld in het Ie Hoofdstuk des Regels van Paus Leo X ; alsook niet haar, die den vollen ouderdom door het Concilie van Trente gevorderd, niet bereikt hebben, of niet uit een wettig huwelijk en van eerzame ouders geboren zijn ; noch haar, die het reli-gieuse kleed in een andere Congregatie gedragen hebben, ten ware de Kerkelijke Overste om goede reden in dit laatste punt zoude dispenseeren. Ook wordt gevorderd, dat de postulanten een goed verstand hebben om wel te onderscheiden, waartoe zij zich zullen verbinden, en gezond van lichaam zijn, zoodat zij ten minste met het gewone ontbijt, middag- en avondmaal zullen kunnen volstaan en overigens den Regel
4
en de Constitutiën zullen kunnen onderhouden. Indien iemand dit niet kan, dan zal men haar zonder verlof van den Kerkelijken Overste niet tot de professie mogen toelaten. Bovenal zal men acht geven op haar karakter, inborst en geest, en nagaan, door welken geest en tot welk einde zij tot het kloosterlijk leven Avorden getrokken.
2. Aangaande alle deze vereischten zullen de Oversten zelve of door geschikte personen nauwkeurig onderzoek instellen, alvorens een postulante aan te nemen. Daarenboven zal de Eerw. Moeder of hare plaatsvervangster eenige dagen vóór de inkleeding eener postulante en professie eener novice, deze ondervragen omtrent de hoedanigheden en voorwaarden om tot de inkleeding of tot de professie te worden toegelaten, en haar ernstig verklaren, dat zij verplicht is bekend te maken, of er onder haar naaste familie iemand krankzinnig is of geweest is; of zij zelve aan de vallende ziekte of aan een of meer verborgene of gewoonlijk terug-keerendekwalen, bijv. een maagkwaal, onderhevig is; of zij verplichtingen heeft, om welke zij niet tot de inkleeding mag worden toegelaten, bijv. van hare behoeftige ouders te helpen enz. â Indien vóór de professie blijkt, dat een postulante of novice in deze heeft willen bedriegen, zal men haar wegzenden; blijkt het
5
na de professie, zoo zal men tegen haar ten strengste te werk gaan.
3. Deze Congregatie zal maar één Noviciaat hebben en wel in het Moederhuis te Haren, thans gemeente Megen.
4. De Overste van het Moederhuis alléén zal de macht hebben postulanten aan te nemen met toestemming der discreten, echter onder voorbehoud der goedkeuring van den Kerke-lijken Overste, in wiens diocees het Moederhuis gevestigd is.
5. In het schrijven, dat men ter verkrijging dezer goedkeuring aan den Kerkdijken Overste zal zenden, zal men berichten: of de postulante zich heeft aangeboden voor koor- of leeke-zuster; haar ouderdom, hare geboorte- en woonplaats, de namen en woonplaats harer ouders, hoeveel zij kan inbrengen als dote, hoeveel voor het noviciaat en verder alle redelijke bezwaren tegen hare aanneming, benevens gezonde redenen, om Avelke de Overste en discreten hare aanneming desniettegenstaande wenschelijk oordeelen en â indien het noodig is â -dispensatie verlangen. In hetzelfde schrijven verzoeke de Overste, dat zij in geval van goedkeuring de postulante eerst eenigen tijd in wereldlijke kleeding in het slot moge toelaten, en zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid gelieve te laten weten, wie daarna het
canoniek onderzoek zal instellen en de plechtigheid der inkleeding verrichten.
6. Wanneer de postulante binnen hot slot wordt toegelaten, zal zij neergeknield ootmoedig deze gunst vragen, en de Overste met de zusters van het Moederhuis zullen haar volgens het Ceremonieel ontvangen.
Van dien tijd af zal de postulante worden genoemd met den naam des Heiligen of dei-Heilige, met welke haar wereldlijke naam zal verwisseld worden bij hare inkleeding, opdat zij leere zich van hare familie te onthechten en voor God alleen te leven.
7. Minstens veertien dagen en hoogstens drie maanden moet zij binnen het slot verblijven, alvorens hare inkleeding mag geschieden. Gedurende dezen tijd zal zij staan onder het bestuur der Novicenmeesteres, terwijl de overige zusters zich jegens haar zullen gedragen als jegens de novicen. Zij zal gekleed zijn met een effen zwart bovenkleed van gewone stof, een eenvoudig zwart mutsje, en in de kerk, refter en waar de welvoegelijkheid zulks verder vereischt, daarenboven met een zwart manteltje.
8. Als zij, de vereischten bezittende, blijft volharden, en zich doorgmrag tot de H. Religie heeft aanbevolen, zal de Overste voor hare kleeding de stemmen der stemgerechtigde koorzusters van het Moederhuis vragen, die
7
onder toezicht van den Rector des huizes of van een anderen daartoe aangestelden Priester elk afzonderlijk liet bewijs liarer stern voor of tegen de toelating zullen werpen in een bus, welke na het eindigen der stemming door den Priester-voorzitter in tegenwoordigheid der Eerw.Moeder en de Moeder-vicares zal worden geopend.
Indien de postulante de volstrekte meerderheid der stemmen bekomen heeft, zal zij op twee door de Eerw. Moeder te bepalen dao-en, aan de Overste en de zusters in den
O 7
refter vergaderd, ootmoedig geknield het H. Habijt verzoeken, en zal zij tot de inkleeding worden toegelaten, indien bij het Canoniek onderzoek of op andere wijze alsnog geene bezwaren bekend worden.
9. Het zij hier opgemerkt, dat het Canoniek onderzoek zal geschieden vóór de inkleeding en professie of minstens vóór de professie.
Bij het onderzoek vóór de pi-ofessie zal behalve den Gedelegeerde nog een Priester aanwezig zijn, en zullen de antwoorden der novice in schrift gebracht, door haar en de twee getuigen worden onderteekend.
In deze onderzoeken zal de postulante of novice openhartig antwoorden op de vragen, welke de Kerkelijke Overste of zijn Gedele-
8
geerde haar stellen zal, zooals: aangaande de vereischte hoedanigheden voor deze Congregatie, hare vrijheid om de professie af te leggen, of zij gedwongen of verleid is om het kloosterleven te aanvaarden, of zij weet, wat zij doet enz.
10. Zij, die tot de inkleeding wordt toegelaten, zal zich voorbereiden door een geestelijke afzondering van minstens drie dagen, gedurende welke zij nog tweemaal op dezelfde wijze als hiervoor omschreven, het H. Habijt en de gebeden der Zusters zal verzoeken.
11. De kleeding zal geschieden door den Kerkelijken Overste of een gemachtigden Priester volgens de in het Ceremonieel omschrevene gewoonte der Orde.
12. Opdat de novice vrijer blijve om het klooster te verlaten, als zij zich niet bekwaam oordeel|; den last van het kloosterleven te dragen, zal de Overste gedurende het noviciaat hare wereldlijke kleederen bewaren en heur het haar zoo laten behouden, gelijk zij in de wereld gewoon was.
13. De dag en het jaar der kleeding (hetzelfde geldt van de professie) zullen met de namen en voornamen van de novice (nieuw-geprofeste) en hare ouders, haar geboorteplaats en ouderdom in een boek daarvoor bestemd, worden geschreven en door de novice (de
9
nieuw-geprofeste) de Overste en een der dis-creten worden onderteekend.
14. Bij de kleeding en de professie mogen geene kosten gemaakt worden, tenzij voor een matige recreatie der Zusters en strengelijk is het geboden, bij of met het oog op deze en dergelijke gelegenheden, als het vieren van jubelfeesten of welke plechtigheden ook, geene maaltijden of feestdisschen voor buitenlieden â ook niet voor hun eigene rekening â aan te richten, zoo min te voren en later als op den dag zeiven, en daarenboven elk uitwendig vertoon zorgvuldig te voorkomen of af te weren. Op de dagen der inkleeding en professie zullen de bloedverwanten en kennissen de nieuvv-gekleeden of geprofest en niet mogen spreken; overigens echter zullen zij onthaald worden als bij gewone bezoeken.
15. Alles wat de dote en de vergoeding voor kosten gedurende het noviciaat betreft, zal aan het oordeel en de beschikking van den Kerkdijken Overste onderworpen worden.
Om zich te voegen naar de verordeningen van het Concilie van Trente, zullen de Oversten de dote niet aannemen gedurende het noviciaat. Zij moeten echter voorzorgen nemen, dat de dote zoo mogelijk voldaan is en alle voorwaarden zijn uitgevoerd of ten minste
10
dat hare uitvoering wettig verzekerd is vóór den tijd der Professie.
Bij de intrede mogen de Oversten iets vorderen ter vergoeding voor de kleederen, het voedsel en het onderhoud der novice gedurende den tijd, welken zij vóór de professie in het klooster zal verblijven.
Als een novice het klooster verlaat, zal haar behalve de waarde van het door baai-verbruikte en versletene alles worden teruggegeven, dat zij heeft aangebracht, en men zal alsdan â vooral indien zij behoeftig is â ook in acht nemen, wat de Christelijke rechtschapenheid en liefde vordert, gedachtig de woorden van onzen Goddelijken Zaligmaker: âzoekt eerst het rijk Gods en Zijne gerechtigheid, en dit alles zal u toegegeven worden.quot;
o o
16. Van hare inkleeding af zal de novice gekleed zijn gelijk de geprofeste zusters, behalve dat zij geen scapulier zal dragen en haar sluier wit zijn zal.
17. In de kleeding, welke dezelfde zijn zal voor koor- en leekezusters, zullen zij alle kostbaarheid schuwen, daar zij genoemd worden âZusters van Boetvaardigheidquot;. Haar scapulier, habijt, tuniek en de rok onmiddellijk onder het habijt zullen zijn van bruin laken, gering voor het oog en gering van prijs. Het ondergoed zal zijn van grof linnen, wol of
11
katoen, en het wit hulsel niet het wit bandje en den zwarten of witten sluier eveneens van geringe stof en eenvoudig.
Ook de wijze, waarop de kleederen worden gemaakt, moet eenvoudig zijn. Over gewoon ondergoed zullen zij dragen een hoog aan den hals en aan het bovenlijf sluitend onderkleed, tuniek genaamd, afhangend tot bijna aan de voeten en met nauwe mouwen, die tot aan de polsen reiken, en over dit onderkleed een rok, die van de lendenen nedervalt tot op de voeten. Het habijt, dat den tuniek en den rok tot op de voeten zal bedekken, moet zijn ruim en met lange, ruime mouwen, die over de handen kunnen worden geslagen, en zal om de lendenen omgord worden met een dikke gewone koord, welker een uiteinde met drie enkele knoopen ter linkerzijde zal neder hangen. Het scapulier zal van voren en achter ongeveer zoo lang zijn als het habijt. Het hulsel zal om het aangezicht vooruitsteken en den hals tot de kin bedekken, terwijl de zusters een wit bandje om het voorhoofd zullen dragen, dat haar de doornenkroning van den Godde-lijken Bruidegom zal herinneren. Over het hulsel zal een zwarte of witte sluier tot over de schouders afdalen.
De zusters zullen dragen zwarte kousen en sandalen of lage schoenen en op sommige
12
plaatsen klompen, naar gelang de Moeder toestaat.
De Overste zal om goede reden in de kleederdracht met bijzondere personen kunnen dispenseeren.
Het habijt, het scapulier, de koord en het hulsel met den sluier worden of bij de inkleeding of bij de professie of bij beide gewijd.
Op de kleederen mag niet de minste versiering worden aangebracht; zij dienen alleen tot zedige dekking des lichaams en om de zusters te herinneren, dat zij met Gods genade den ouden mensch moeten afleggen en den nieuwen aantrekken, die volgens God geschapen is, dat zij het juk van Christus op eene bijzondere wijze hebben aanvaard en zich in eeuwige zuiverheid den Hemelschen Bruidegom hebben toegewijd, om Hem als zijne trouwe bruiden onverdeeld toe te behooren.
II Hoofdstuk.
Over het Noviciaat, de Professie en de Geloften.
§ I-
Over het Noviciaat en de Professie.
1. Het noviciaat zal van de inkleeding tot de professie minstens twee jaren duren.
2. De Overste van het Moederhuis zal zorg dragen, dat de novicen wel voorzien zijn van alles, wat tot haar geestelijk welzijn kan strekken, en dat zij hebben eene voorbeeldige en bekwame Meesteres om haar te onderrichten wegens de plichten, de geloften, de voorschriften van den Regel en de Constitutiën, de uitwendige manieren, de ceremoniën en loffelijke gewoonten der Congregatie; maar voornamelijk om haar te onderwijzen in het geestelijk leven, in alles, wat den geest Gods aangaat en wat noodig is om haar gekruisten Jesus na te volgen. Zij zal derhalve haar ook grondige kennis verschaffen van de wijze van bidden en mediteeren, van andere geestelijke oefeningen en het beoefenen van deugden. Ook zal zij haar met wijsheid troosten en bemoedigen, indien het noodig is.
3. Dewijl men om op den weg der volmaaktheid te vorderen, zich ook moet oefenen, zal de
14
Meesteres bijzonder toezien of en zorgen dat de novicen zich toeleggen op het verzaken van eigen wil, op verstervingen der zinnen en der natuurlijke neigingen en op het nauwkeurig onderhouden der verordeningen. Zij zal haar beproeven zonder uitneming of aanzien van personen en de meest verworpen werken' laten doen, opdat niemand naderhand reden hebbe van zich te beklagen, en ieder na hare professie in waarheid zeggen kunne: âIk heb verkozen verworpen te zijn in het huis van God, liever dan te wonen in de woontenten der zondarenquot;.
4. Ook zal de Meesteres bezorgd zijn hare novicen volkomen te kennen: of zij God oprecht begeeren te dienen, naarstig zijn in het gebed, vlijtig tot de gehoorzaamheid, geduldig en ootmoedig bij bestraffingen, berispingen en tegenspraak; welke hare natuurlijke genegenheden zijn en of zij geen gebrek des geestes of lichamelijke krankheid hebben.
5. Zij zal de gebreken en onvolmaaktheden der novicen bestraffen, maar zich wachten iemand te berispen in de tegenwoordigheid van de Eerwr. Moeder, of penitentie in den refter te geven, tenzij zij voorzit. Acht zij het nuttig, dat een novice penitentie doet in de gemeente, dan zal zij deze meening aan de Eerw. Moeder voorstellen en zich aan haar oordeel onderwerpen.
15
6. Minstens eenmaal in de week zal zij de jonge religieusen, die onder hare leiding staan, met de novicen te zamen onderwijzen en deze zullen hare schuld spreken, gelijk in het kapittel van de Eerw. Moeder. De novicen zullen op groote straf zich wachten van te spreken zonder gevraagd te zijn en van aan andere religieusen later te zeggen, hetgeen in het kapittel der Meesteres gebeurt.
7. Dat de Meesteres geene bijzonderheid aan de jongeren toelate, zonder wel onderzocht en den raad van de Eerw. Moeder of den Biechtvader gevraagd te hebben. Dat zij geene nieuwe gebruiken invoere, maar de Constitu-tiën en ceremoniën ootmoedig volge en met eenvoudigheid leere. Dat zij zich niet bemoeie met de tijdelijke goederen der novicen zonder uitdrukkelijke toestemming der Eerw. Moeder.
8. Wanneer de zusters te zamen de kerk of den refter verlaten, zullen op het gegeven teeken de novicen en de religieusen, die onder de leiding staan der Novicenmeesteres ordelijk voor haar uitgaan, en achter de Meesteres zullen volgen de andere zusters en het laatst de Eerw. Moeder.
9. De zusters zullen geene lange samenspraken met de novicen houden, tenzij met toestemming der Overste of Novicenmeesteres, en bijzonder zullen zij zich wachten met haar
16
gemeenzaam te zijn. Gelijk ook de jonge religieusen en de novicen niet gemeenzaam zullen zijn met de oudere, maar zich te haren opzichte eerbiedig en ootmoedig zullen gedragen.
10. Vooral moeten alle zusters eerbied hebben voor hare Oversten, als voor haar de plaats bekleedende van God. Hiervan moeten de jonge religieusen en novicen zich diep doordringen. Als zij de Eerw. Moeder, de Moeder-vicaris of hare Meesteres ontmoeten, zullen zij steeds eerbiedig het hoold buigen, en wanneer zij door een van haar zullen berispt worden, zullen zij nederknielen en diep gebogen toehooren ; daarna hare schuld belijden en de aarde kussen, alvorens op te staan.
11. Het zij hier opgemerkt: deze en alle andere door den Kerkdijken Overste goedgekeurde gebruiken en oefeningen zal men onderhouden en handhaven, maar zonder Zijne goedkeuring geen nieuwe van eenige beteekenis invoeren.
12. De novicen zullen niets bijzonders doen zonder vóór of na kennis te geven aan haar^ Meesteres.
13. Als het haar geoorloofd is te spreken, zullen zij niet spreken over wereldsche zaken, die tot nadeel der zielen zouden kunnen zijn, maar zij zullen elkander tot stichting wezen en in den omgang alle onbehoorlijke manieren
17
der wereld trachten te vergeten.
14. Indien de Eerw. Moeder het betamelijk oordeelt, zullen de novicen achter de tralie en in gezelschap van een geprofeste zuster, welke de Eerw. Moeder aanwijst, mogen spreken met die haar bezoeken. Nooit echter alleen^ tenzij om gewichtige redenen met verlof der Eerw. Moeder. Gedurende de twee laatste maanden vóór hare professie, mogen de novicen vrijelijk alleen spreken met haar ouders en andere personen, die met eenig recht er belang in kunnen stellen haar besluit en meening te kennen.
15. Indien een zuster van eene novice iets zou zien of ondervinden, dat als eenig bezwaar tegen hare aanneming in aanmerking zou kunnen komen, zal zij dit niet aan de andere zusters, maar aan de Eerw. Moeder of aan een of meer der discreten zeggen. Deze zullen dan de aanklagende zuster alleen aanhooren, en later in het vergaderd Discretorie bekend maken, wat haar is aangebracht.
16. Vier, negen, vijftien en eenentwintig-maanden na de inkleeding zal de Eerw. Moeder de stemgerechtigde zusters van het huis, waar het noviciaat is, op de wijze in het le Hoofdstuk art. 8 omschreven, hare stemmen laten uitbrengen voor of tegen de langere toelating der novice in het klooster en den laatsten
18
maal voor- of tegen hare toelating tot de professie. â Vóór deze stemmingen zal de Eerw. Moeder telkens naar waarheid en met wijze voorzichtigheid aan de stemgerechtigde zusters bekend maken de aanmerkelijke bezwaren tegen de toelating van elke novice en deze zusters zullen dan, na rijpe overweging, volgens geweten, hare stem uitbrengen voor haar, die zij beschouwen als geroepen voor deze Congregatie, maar zonder aanzien van personen tegen haar, die zij ongeschikt achten.
Opdat zij dit te vrijer zouden doen, is het door Kerkelijke wetten aan de Overste en discreten ten strengste verboden, bekend te maken, wie voor- of tegengestemd hebben. Zij, die dit gebod zou overtreden, moet voor altijd van het discretorie worden uitgesloten.
17. Indien een novice de volstrekte meerderheid der stemmen niet bekomen heeft, zal men haar zonder uitstel wegzenden, nochtans met alle liefde en beleefdheid. Is één derde der stemmen tegen hare toelating tot de professie, dan zal men aan den Kerkelijken Overste dit en de gemaakte bezwaren melden, opdat Hij naar goedvinden beschikke.
18. Indien de novice het vereischte getal stemmen voor de professie bekomen heeft, zullen de Voorzitter der stemming, de Overste en de Overste-vicares van het Moederhuis een
19
schriftelijk bewijs hiervan onderteekenen en men zal het de novice bekend maken, alsmede haar dan laten beschikken over hare goederen, opdat zij na hare professie vrij zij van alle tijdelijke zorgen.
19. De Eerw. Moeder zal in tijds den Kerkdijken Overste van den uitslag der stemming verwittigen en Hem verzoeken het canoniek onderzoek in te stellen of te laten instellen en de professie toe te staan.
20. Hier zij herinnerd, wat in het le Hoofdstuk Art. 15 betreffende de dote. Art. 9 van het canoniek onderzoek en art. 2 van het onderzoek der Eerw. Moeder is gezegd. Ook zal de Eerw. Moeder in het kort onderzoeken, of de novice genoegzame kennis heeft van den Regel en de Constitutiën.
21. Tot voorbereiding voor de professie zullen de novicen zich gedurende minstens acht dagen in geestelijke afzondering begeven en zoowel vóór de inkleeding als vóór de professie een generale biecht spreken, tenzij de Biechtvader anders oordeele.
22. De professie zal geschieden op den bepaalden dag in de tegenwoordigheid van den Kerkdijken Overste of van zijn Gemachtigde en van de Eerw. Moeder en met de ceremoniën in het ceremoniaal dezer Congregatie omschreven.
20
De zusters der Congregatie zullen op dien dag communiceeren tot de intentiën van haar, die geprofest worden.
23. De drie wezenlijke Geloften, welke de Zusters dezer Congregatie afleggen, zijn altijddurend en voorbehouden aan den H. Stoel.
24. Het formulier der professie, waardoor deze drie geloften zullen worden gedaan, en tevens door alle zusters zal werden beloofd het eeuwige slot te zullen bewaren, indien en gelijk de Kerkelijke Overste het zal voorschrijven, zal zijn, als volgt;
âIn den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes: ik, zustér Maria N., beloof aan God almachtig, ter eere van de H. Maria, altijd Maagd, van den H. Vader Franciscus en van alle Heiligen al den tijd mijns levens met Gods hulp te leven in vrijwillige Armoede, in Zuiverheid en in Gehoorzaamheid overeenkomstig de Constitutiën dezer Congregatie. Bovendien beloof ik geheel mijn leven ter liefde Gods te onderhouden Zijne geboden en den Regel der Derde Orde van den H. Franciscus, gelijk hij in deze Congregatie, blijkens hare Constitutiën, gevolgd wordt; alsook te voldoen, volgens den wil mijner Oversten, voor de overtredingen, waaraan ik mij tegen genoemde Regel en Constitutiën en de wettige verordeningen en bevelen mijner Oversten zou
21
plichtig maken. Eindelijk zal ik leven onder het eeuwig slot, gelijk het mijn Kerkelijke Oversten zal believenquot;.
25. De nieuw-geprofesten zullen de drie eerste maanden niet toegelaten worden tot het kapittel der geprofeste zusters; maar zij zullen, na hare schuld gesproken te hebben, zich verwijderen met de novicen. Gedurende dienzelfden tijd zullen ook de koorzusters onder haar nietj zooals de overige koorzusters, stemrecht hebben tot het aannemen voor de inkleeding en de professie.
26. Zij zullen na de professie nog gedurende twee jaren onder de besturing blijven van de Meesteres der novicen en de oefeningen van ootmoedigheid en versterving doen, alsof zij nog novicen waren, opdat zij des te beter daarin volharden.
27. Om zich op te wekken getrouw de geloften barer professie te vervullen, zullen de geprofeste zusters dikwijls, ieder voor zielig deze geloften vernieuwen; en jaarlijks op den 16 April, den dag, waarop de H. Vader Franciscus zijne geloften heeft uitgesproken, zullen zij dit te zamen plechtig doen. De vernieuwing der geloften is een bevestiging der eerste professie en legt geene nieuwe verbintenissen op.
22
§ 2.
Over de Armoede en het Gebruik der 0
Noodzakelijke Dingen.
1. Dewijl de zusters de eenvoudige gelofte van armoede doen, moeten zij de verschillende desbetreffende Decreten of Besluiten, door de Congregatie der Bisschoppen en Regulieren achtereenvolgens uitgevaardigd, goed voor oogen houden.
Derzelver hoofdinhoud luidt als volgt:
1°. Zij, die eenvoudige geloften hebben afgelegd, kunnen den hlooten eigendom (dominium radicale) harer goederen behouden, maar derzelver beheer, zoomede gebruik en vruchtgebruik is haar geheel ontzegd. Zij moeten derhalve vóór hare professie, ook voor zich zeiven, afstand doen van het beheer, vruchtgebruik en gebruik aan wie zij verkiezen, ook aan haar Instituut (Gesticht), als ze zulks naar eigen beliefte goedvinden. Deze afstand zal echter geen kracht meer hebben, in geval zij het Gesticht verlaten. Bij dien afstand kan de voorwaarde gevoegd worden, dat deze te allen tijde herroepbaar is; maar een geprofeste zal (zoolang hare gelofte duurt) van dat herroepingsrecht in geweten geenszins gebruik mogen maken, tenzij met goedvinden van den Apostolischen Stoel.
23
2°. Zij, die eenvoudige geloften hebben afgelegd, kunnen ook over den eigendom barer goederen bij testament vrij beschikken, of ook, maarniet verlof der Algemeene Overste, door aeten onder de levenden. In dit laatste geval vervalt de gemaakte beschikking omtrent het beheer, vruchtgebruik en gebruik, tenzij ze deze, niettegenstaande den gedanen afstand van den eigendom een tijd lang naar goedvinden wenschen verlengd te zien.
3°. Al het bovengezegde is ook van toepassing op die goederen, welke zoodanige re-ligieusen na de professie bij erfrecht of op eenige andere wijze persoonlijk aankomen.
4°. 't Is haar, die de eenvoudige geloften gedaan hebben, ook vergund met verlof der Overste, die daden van eigendom te stellen, welke door de (burgerlijke) wetten worden voorgeschreven.
5°. Eindelijk, al wat zoodanige geprofesten door eigene nijverheid of met het oog op de Vereeniging mochten hebben verkregen, mogen zij zichzelven niet toeeigenen of voor zich bewaren; maar dat alles komt, even gelijk de ingebrachte dote, ten bate der Communiteit, ten algemeene nutte der Vereeniging. Zie verder Hand. en Besl. der Pros. Verg. te 's Bosch, 11 Nov. 1889, Hoofdst. II, Art. 6.111°.
Dat de zusters wel op hare hoede zijn tegen
24
de gevaarlijke verstrooidheden en andere bekoringen, die zouden kunnen ontstaan door een al te groote bezorgdheid betrekkelijk hare tijdelijke goederen en dat zij zich altijd herinneren, dat zij niet de minste aanmatiging mogen maken, onder voorwendsel meer ingebracht te hebben in de Congregatie.
2. Deze Congregatie mag gemeenschappelij k vollen eigendom bezitten; maar over de goederen en inkomsten der Congregatie mogen de zusters, ook de Eerw. Moeder niet als over persoonlijken eigendom beschikken. De Eerw. Moeder zal in gewichtige zaken, welke nader worden aangeduid in Hoofdst.V § 2 Art. 2, niets besluiten of beschikken zonder goedkeuring van den Kerkdijken Overste en van hare discreten.
De plaatselijke Oversten hebben daarenboven in zulke zaken de goedkeuring van het dis-cretorie der Congregatie â en in alle andere, in welke de Eerw. Moeder dit verlangt, hare goedkeuring noodig. â In alle besluiten en beschikkingen zullen de Oversten alleen het welzijn der Congregatie in het oog houden; en wel op de eerste plaats het geestelijk welzijn â ook met opoffering van het tijdelijk, â opdat zij door haar voorbeeld de ware deugd van armoede leeren, welke het hart neigt om zich los te maken van de gehechtheid aan tijdelijke goederen.
25
3. De zusters zullen het particulier gebruik van de minste zaak niet mogen hebben of nemen zonder vergunning der Overste, die haar van de goederen der Communiteit â voor zoover deze toelaten â ten gebruike en ver-bruike geven zal, wat haar noodzakelijk of nuttig is naar ziel en lichaam; maar het overige zal gemeenschappelijk bewaard worden.
4. Ook die zaken, welke de zusters voor particulier gebruik ontvangen, zullen zij buiten den tijd van gebruik niet voor zich in bewaring houden, dan voor zooverre de Overste om genoegzame reden zal veroorloven.
5. Diensvolgens mag op de cellen â welke niet met een deur mogen worden afgesloten â niets zijn dan een eenvoudige bedstee met een kaffcn bed of stroozak, kaflrcn of wollen oorkussens en de noodige lakens en dekking, tenzij de Overste wegens de gesteldheid of zwakte eener zuster het noodig oordeelt haar ander beddegoed te geven; verder een kruisbeeld met een paar eenvoudige religieuse beeldjes of plaatjes; een armoedig waschtafeitje met toebehooren en â indien het noodig is â een ander tafeltje; een stoel en een kastje of iets dergelijks, dat niet mag worden afgesloten.
De zusters zullen echter op hare cellen ook iets mogen hebben, dat zij mogen afsluiten, en waarin zij mogen bewaren een aanteeken-
26
boekje en wat verder de Overste ieder toestaat. Maar te allen tijde mag en niet zelden zal de Overste het in het hijzijn der betrokkene zuster openen en alles nazien behalve wat in het aanteekenboekje te lezen staat.
Met de zaken, genoemd in het eerstvolgende artikel zal men op de cellen in voorraad mogen hebben een stel ondergoed, een slechten bruin laken rok, een schoon hulsel met sluier, een paar kousen, een nachthulsel, en wat verder onontbeerlijk is; maar ook niet meer.
6. De zusters zullen voortdurend tot haar gebruik hebben eenige godvruchtige boeken, pennen, inkt, potlood en een aanteekenboekje, welke haar, gelijk alle andere benoodigdheden uit de gemeenschappelijke zaken zullen worden gegeven. Eveneens mogen zij met toestemming der Overste voortdurend hebben een schaar, naalden en dergelijke voorwerpen, welke zij zoo dikwijls noodig hebben, dat het slechts verwarring geven zou, indien zij ze telkens moesten vragen.
7. Niemand der zusters zal iets mogen geven aan -â of ontvangen van een ander, noch verruilen, verwisselen, breken of maken zonder verlof der Moeder, tenzij om genoegzame reden in dringende omstandigheden, waarin men niet tijdig verlof vragen kan. Zij, die zonder toestemming gehandeld heeft, zal dit
27
aan de Moeder op gesehikten tijd te kennen geven.
8. Alle ontvangene zaken zullen de zusters aan de Moeder ter hand stellen, ook wat zij ontvangen om de Gemeente te trakteeren; want het is streng verboden, dit ooit in den naam van eenige bijzondere zuster te doen. Zij zullen zich geen recht mogen aanmatigen wegens het gebruik van dergelijke geschenken, maar alles aan de Moeder geven en geheel aan hare beschikking overlaten.
9. Dat de zusters allen overvloed, bijzonderheid en kostelijkheid schuwen en in alles, wat zij gebruiken,, de armoede betrachten; de gebouwen, huisraad enz. mogen wel sterk eri geschikt voor het gebruik zijn, maar slechts van zulke stof en bewerking, dat daarin niet het minste teeken van weelde en zelfs niet van bijzonderheid te vinden is. De kerk echter en alles, wat dient tot luister van den Goddelijken dienst, mogen kostbaar zijn. Zie nog Hoofdstuk VI § 2 Art. 1.
10. Behalve het kistje, laadje of iets dergelijks in de cel â waarvan hiervóór art. 5, zal niemand gesloten kasten hebben, dan alleen diegenen, wier ambt het is de gemeenschappelijke zaken van het klooster te bewaren. Deze en alle zusters zullen goede zorg hebben voor al hetgeen haar wordt toevertrouwd, alsmede voor
28
de kleederen en andere zaken, welke haar van de Oversten ten gebruike worden toegestaan ; toonende ook hierdoor, dat zij zich van niets als eigenaressen beschouwen.
11. Dat zij zich echter niet bedriegen en nooit met de schoone namen van eenvoud, goede zorg en gepaste zuinigheid vergoeielijken, wat veeleer voortkomt uit gehechtheid of over-drevene zorg voor het tijdelijke, uit gehechtheid aan eigene opvatting, uit bemoei- en bedilzucht of andere dergelijke slechte neigingen; terwijl daarentegen de ware uitwendige eenvoud voortkomt, o. a. uit verachting van alle aardsche goederen en ijdelheden, en waarlijk goede zorg voor het tijdelijke steeds gepaard gaat met volle betrouwen op God en de Oversten. Mogen de zusters dus te allen tijde wel ter harte nemen de volgende vermaning, welke haar van ouds werd gegeven: âhet gebruik van âde gemeenschappelijke noodzakelijke dingen âzij zoodanig, dat men in alles en overal kan âbespeuren, dat de zusters kinderen zijn van âden armen, ootmoedigen Franciscus, die al âhare zorg op God werpen en de Oversten, âdie haar van Godswege besturen en al het ânoodzakelijke onderhoud haar wel zullen verschaffenquot;.
Ook is de gelofte van armoede niet juist eene gelofte van zuinigheid, en niet zelden zullen
29
de Oversten en zusters het minder zuinige moeten verkiezen, om den geest der Congregatie niet te verwaarloozen.
12. De Algemeene Overste en elke plaatselijke Overste zullen bijzonder zorg dragen, dat de volmaaktheid der religieuse armoede niet verslappe door hare toegevendheid. Zij zullen aan hare onderhoorigen tot alles, wat aan deze anders wegens de gelofte van armoede niet geoorloofd zijn zou, onder geen enkel opzicht veelvuldiger, uitgebreider verlof geven dan noodig of minstens wenschelijk is; derhalve niet meer in het algemeen en aan niet meer personen in het bijzonder, niet voor meer gevallen en soorten van gevallen, niet voor langeren tijd enz. dan tot den ordelijken gang der huishouding of om andere genoegzame redenen mag verlangd worden.
13. Daar de vijand de verslapping ook met kleine dingen tracht te bewerken, zal de Overste waakzaam zijn, dat de zusters geene gehechtheid koesteren aan de zaken, welke haar zijn toevertrouwd of ten gebruike toegestaan, en zal zij trachten dit te voorkomen, bijv. door van tijd tot tijd de bedieningen te veranderen, eene of andere zaak te ontnemen en door andere dergelijke middelen. Zij zal ook de overtredingen der H. Armoede bestraffen.
14. Mogen de zusters dezer Congregatie
30
de H, Armoede naar het voorbeeld van den menschgeworden Zoon Gods met groote vurigheid liefhebben, en niet uit gewoonte, maar, vervuld van deze liefde en van gevoelens harer onwaardigheid en van dankkaarheid jegens God^de bestaande gebruiken onderhouden om op gestelde tijden aan de Overste hetnoodige te vragen. Dat zij haren H. Vader Franciscus navolgen, die de H. Armoede met zulke liefde en ijver omhelsde, dat nooit iemand grootere zucht getoond heeft om goud en zilver te bezitten en te behouden dan hij om haar (de H. Armoede) te zoeken, te bezitten en te bewaren.
§ 3.
Over de Gehoorzaamheid.
1. Onder de bevelen, welke een Overste, bevoegd om uit kracht der gelofte van gehoorzaamheid op zonde tegen deze gelofte te verbinden, hare onderhoorigen geven kan, verplichten op zulke zonden alleen die bevelen, waarbij zij uitdrukkelijk verklaart: dat zij gebiedt uit kracht van de H. Gehoorzaamheid of zich van andere uitdrukkingen bedient, die duidelijk dezelfde beteekenis hebben. Alzoo zondigt een zuster alleen dan doodelijk tegen deze gelofte, wanneer zij in een zware stof met genoegzame kennis en vrijen wil zulk bevel overtreedt.
31
Onder de leden dezer Congregatie is alleen de Eerw. Moeder bevoegd uit kracht der gelofte van gehoorzaamheid te verplichten. De Moeders der ondergeschikte huizen zullen deze macht niet hebben-, maar zij zullen voor een bepaald geval in hare gemeente aan de Eerw. Moeder mogen voorstellen van hare macht gebruik te maken.
2. Het zij hier opgemerkt, dat behalve de macht, welke voortspruit uit de gelofte van gehoorzaamheid, de Eerw. Moeder nog een andere soort van macht bezit in hare hoedanigheden van hoofd der Congregatie en des religieusen huisgezins, alsmede, dat ook de plaatselijke' Oversten deze laatste hoedanigheid en bijgevolg de daaruit voortkomende macht hebben. Deze is als een moederlijke macht, die de Overste van eene gemeente veroorlooft over hare zusters en ook over de novicen en postulanten in hare gemeente te beschikken, gelijk eene moeder over hare kinderen ten dienste van het huisgezin. Alles wat zij voor-schrijft op grond van deze macht, is daarom nog niet verplichtend, want het is doorgaans in geenendeele de bedoeling eener moeder baar kind op straffe van zonde iets te bevelen; zij bepaalt er zich schier immer toe, haar wil kenbaar te maken. Echter al beveelt de overste niet uit kracht der H. Gehoorzaamheid en al
S2
wil zij niet op straffe van zonde tegen de deugd van gehoorzaamheid verplichten, zijn de overtredingen van haar wil meestal toch dagelijksche zonden om andere redenen, gelijk nader wordt verklaard in het Xdi: Hoofdstuk Art. 2 dezer Constitutiën; waar ook wordt gewezen op de treurige gevolgen te vreezen voor haar, die herhaaldelijk zulke overtredingen en overtredingen van den Regel en de Constitutiën vrijwillig begaan.
3. Doch niet alleen uit vrees voor zonden en Gods rechtvaardige straffen, maar vooral uit liefde tot God en voor de schoone deugd zullen de zusters gehoorzamen, en volgens de vermaning van den H. Vader Franciscus zullen zij zich steeds herinneren â bijzonder in moeielijke zaken â dat zij de gelofte van gehoorzaamheid gedaan hebben en ter liefde Gods aan haar eigen wil hebben verzaakt. Zij zullen derhalve nooit morren of onder elkander klagen over de bevelen der Overste, maar bereidwillig en met liefde haar wil volbrengen en zich naar haar oordeel voegen in alles, dat niet strijdt tegen eenig gebod, hetwelk eerder verplicht dan de wil der Eerw. Moeder of Moeder, of dat niet duidelijk buiten hare bevoegdheid is. Zij zullen ook onderdanig zijn aan allen, aan wie zij in eene of andere bediening zullen worden toegevoegd.
S3
4. De Moeder zal de ongehoorzaamheden bestraffen naar de grootte der schuld. Indien de fout openbaar geschied is en de Moeder zulks noodig oordeelt, zal zij de zuster hare schuld laten bekennen voor de Gemeente, en haar een heilzame penitentie opleggen, bijv. wie grootelijks weerspannig zal zijn aan het gebod der Overste of in eerbied jegens haar zal te kort schieten, zal eenige malen in den refter ter aarde eten in de teerenwoordig;-
O O
beid der Gemeente.
De Zusters zullen zich steeds ootmoedig aan de straffen onderwerpen, welke haar worden opgelegd; ja, moge eenieder, die eenigerwijs tegen den eerbied jegens de Overste of tegen de gehoorzaamheid misdoet, zonder uitstel tot betere gevoelens terugkeeren, voor God hare zonde of fout verfoeien, bij de Moeder hare schuld belijden en penitentie vragen.
5. Het strijd niet altijd tegen de gehoorzaamheid, het kan zelfs niet zelden nuttig en noodzakelijk zijn bij de Overste bedenkingen tegen hare verlangens of bevelen in te brengen, maar alvorens daartoe over te gaan, raadplege de zuster eerst God in het gebed, indien de tijd het toelaat, of ten minste stelle zij zich eerst in Gods H. tegenwoordigheid en zegge dan eerbiedig en bescheiden hare bezwaren of tegenbedenkingen, maar onderwerpe zich
34
daarna â ook in twijfel â volkomen aan de eindbeslissing en den wil der Overste.
6. In het V'l!! Hoofdstuk wordt verder verklaard, op welke wijze de Oversten moeten bestieren en haar gezag gebruiken.
7. Indien de zusters de gehoorzaamheid steeds met ijver beoefenen, zullen zij den last der Oversten zeer verlichten, die niet al zuchtende en weenende zullen hoeven te bevelen; hetgeen aan God voorzeker ten zeerste zou mishagen. Daarenboven zullen zij door God, Wiens plaats de Oversten bekleeden, worden geleid op den veiligen weg, die ter overwinning voert, volgens deze woorden der H. Schrift: âEen gehoorzaam man zal van zegepralen sprekenquot;.
§ 4.
Over de Zuiverheid.
1. Die de gelofte van zuiverheid getrouw onderhouden, zullen bijzondere genaden op aarde en een groot loon in den hemel ontvangen. De zusters moeten ook gedenken, dat zij, die tegen de gelofte van zuiverheid zondigen, plichtig worden aan twee zonden: de eene tegen het zesde of negende gebod, de andere tegen deze gelofte.
2. Dat zij dus zorgvuldig waken om in gedachten, woorden en werken niets te misdoen tegen deze engelachtige deugd. Uit liefde
S5
voor deze deugd zullen zij haar' oogen versterven, de zedigheid onderhouden; nooit anders dan welvoegelijk gekleed voor anderen, zelfs niet voor hare medezusters verschijnen; haar hart sluiten voor natuurlijke vriendschappen en afkeerig blijven van dwaze liefdeblijken en van vleiende en niet passende woorden. Indien zij zulke woorden hooren, zullen zij, als hadden zij dezelve niet gehoord, het gesprek op ernstige zaken brengen of wel de samenspraak kort afbreken en heengaan, of naar omstandigheden op andere wijze beslist handelen, gelijk zij tot Gods eer en voor haar eigen zieleheil en dat van anderen het best oordeelen.
3. Zij zullen allen twijfel, welke zij aangaande dit punt hebben, openhartig aan den Biechtvader verklaren en zijn raad volgen.
Ill Hoofdstuk.
Over het Vasten en de Onthouding, de Discipline, de Versterving, de Schnldbekentenis en het Kapittel.
§ I-
Over het Vasten, de Onthouding, de Discipline en de Versterving.
1. De zusters zullen onderhouden de vasten- en onthoudingsdagen des Regels, behalve dat zij op alle Maandagen vleesch mogen gebruiken, wanneer zulks ook aan de gewone geloovigen van hare woonplaats geoorloofd is.
Ook zullen zij onderhouden de vasten- en onthoudingsdagen, welke in de plaats, waar zij zullen wonen, geboden zijn.
2. In de wijze, waarop zij zullen vasten en zich onthouden, zullen zij zich voegen naar het bisdom, waartoe zij behooren, en naar de aldaar bestaande gebruiken van godvruchtige personen, voor zoover haar niet uitdrukkelijk anders zal worden voorgeschreven. Zoo zullen zij op plaatsen, waar op eenige Woensdagen in de Groote Vasten gesmolten vet mag gebruikt worden, ook gesmolten vet mogen gebruiken, en ook op alle andere dagen van het jaar, waarop zulks ook aan de gewone geloovigen harer woonplaats geoorloofd is, uitgezonderd op de Zaterdagen.
3. Op de dagen, dat men niet vast en
37
volgens den Regel tweemaal zal eten, zullen de zusters daarenboven des morgens een ontbijt mogen nemen.
4. Des avonds zullen zij nooit vleesch gebruiken.
5. De Benedictie-vasten van den H. Fran-ciscus, beginnende met Driekoningen en durende veertig dagen, welke onze Heer heeft geheiligd door Zijn heilig vasten, zullen zij alleen mogen onderhouden naar het voorzichtig oordeel der Moeder.
6. Buiten de gestelde tijden voor het ontbijt, het middagmaal (met koffie of thee, welke in de eerstdaaropvolgende recreatie gebruikt wordt) en het avondmaal zullen zij niets eten of drinken zonder verlof; welk verlof de Moeder op geheele recreatiedagen eens voor den middag en eens des avonds, en op halve alleen des avonds ook aan de geheele Gemeente zal kunnen geven tot een matig gebruik voor ontspanning. Overigens zal men, wat zal worden aangeboden om de zusters te trakteeren, ontvangen als een aalmoes, en zich daarvan bij de gewone maaltijden met matigheid bedienen.
Om water te drinken, zullen de zusters verlof vragen aan een medezuster, indien het gevoeglijk kan geschieden.
7. Dewijl de discipline gevoegd bij het vasten en andere verstervingen een krachtig
38
middel is. opdat het lichaam niet wederspannig worde, maar aan den geest onderworpen blijve, zullen de zusters ter gedachtenis aan de bittere geeseling des Heeren discipline nemen alle Vrijdagen (die geen feestdagen zijn) en nog tweemaal in elke week, en daarenboven â nooit echter tweemaal op denzelfden dag â op de vóóravonden der feestdagen van Kerstmis, Paschen, Pinksteren, O. L. Vrouw Hemelvaart, den H. Franciscus en Alle Heiligen. Zij zal geschieden met discretie en naar ieders sterkte, waarop de Moeder zal letten.
8. Tot buitengewone werken van boetvaardigheid zal niemand mogen overgaan, dan met vóórkennis en volgens het voorzichtig oordeel van den Biechtvader en der Moeder; maar ook niemand zal in het gebruik van de nooddruft eenig voorrecht boven anderen zoeken, niemand voor zich eenige verlichting in de voorgeschrevene boetewerken begeeren, tenzij wegens ouderdom, ziekelijkheid, zwakte of om andere wettige reden, om welke de Moeder met particuliere personen kan dispenseeren in alle boetewerken, alleen door den Regel en de Constitutiën voorgeschreven.
9. Aangezien de versterving de weg is tot de ootmoedigheid, zoo vermanen wij de zusters daarvoor zeer genegen te zijn en bijzonder op die dagen en tijden, wanneer de H. Kerk voor
39
alle geloovigen bijzondere verstervingen voorschrijft, zooals: tijdens den H. Advent, de Veertigdaagsche Vasten, de Quatertemperdagen en sommige Vigiliedagen. Doch dat zij zich niet alleen op bepaalde dagen maar te allen tijde zusters van Boetvaardigheid toonen door velerlei nuttige verstervingen te beoefenen, als zijn: steeds tevreden zijn met hetgeen wordt voorgediend; daaruit niet het beste kiezen; stipt het voorgeschrevene stilzwijgen onderhouden ; de onmatige nieuwsgierigheid bedwingen ; de zedigheid der oogen; in den geest van boetvaardigheid aannemen de lasten van koude en hitte en anderelaangenaamheden van het weder; 's morgens spoedig uit de rust opstaan ; bereidwillig aanvaarden en geduldig verdragen de vermoeienissen van het werk, het koor en andere kloosterlijke oefeningen, alsook de pijnlijkheden in ziekte; zich niet verontrusten, wanneer men meent miskend of achtergesteld, vernederd of vervolgd te worden enz. Mogen zij naar liet voorbeeld van den H. Franciscus te midden van allerlei verstervingen en beproevingen er steeds haar roem in stellen met Christus het kruis te dragen.
10. Daar de kennis van eigene geringheid door geene versterving beter bekomen wordt, dan door het verzaken aan alle eer en achting en eigenwil, zoo zullen zich de zusters
40
daarin voortdurend oefenen. Bijzonder als zij versmaad of berispt worden, zullen zij zich niet. te zeer bezig houden met zich te ver-schoonen, al ware het ook, dat zij geene schuld hadden, tenzij de omstandigheden anders ver-eischen.
11. Eens in de week en op dezelfde vigiliedagen, waarop zij de discipline zullen nemen, alsmede zoo dikwijls de eene tegen de andere iets miszegd of misdaan heeft, zullen zij elkander ootmoedig vergiffenis vragen.
12. Steeds zullen zij tevreden zijn, wanneer haar de nederigste bedieningen en bezigheden worden opgedragen; dat zij zich alsdan verheugen, omdat zij meer gelijkvormig zijn met haar Bruidegom Jesus, die de minste van allen geworden is om allen te verheffen.
13. De zusters zullen ook zorg dragen hare verstervingen niet uit gewoonte te beoefenen, maar met een zuivere meening, zooals: om daarmede te voldoen voor hare zonden; om de genade der bekeering van de zondaars te verkrijgen; voor de geloovige zielen in het vagevuur ; om hare kwade driften te bedwingen; de traagheid in geestelijke zaken af te leggen; eene deugd of bijzondere genade te bekomen; het voorbeeld der Heiligen na te volgen ; om grooter deel te hebben in het lijden en hierna in de glorie van Jesus-Christus.
41
§ 2.
Over de Schuldbekentenissen en het Kapittel.
1. Een bijzonder voortreffelijke en nuttige beoefening van versterving is het nederig erkennen en belijden zijner zonden, fouten en gebreken. De zusters zullen nederig verlangen en nu en dan verzoeken, dat hare medezusters en bijzonder de Overste haar deze zeggen, en met kinderlijke eenvoudigheid en oprechtheid zullen zij niet alleen hare grootere zonden, maar ook hare zwakheden met de beletselen barer vooruitgang aan den Biechtvader belijden om alzoo licht, hulp en onderrichting te ontvangen en alle heimelijke listen des vijands des te zekerder te overwinnen.
2. Wat de schuldbekentenissen aan de Oversten en in het Kapittel betreft, zullen de Oversten en andere bestuurderessen zorg dragen, dat zij zeiven en alle zusters met de meeste stiptheid naleven de voorschriften, gegeven door den H. Stoei in het Decreet van de H. Congregatie voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren 17 December 1890 IâIII.
3. Dit Decreet luidt vertaald, in zijn geheel, als volgt:
DECREET van de H. Congregatie voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren,
Qwegens de schuldbelijdenis, het biecht spreken en het min- of meerder communiceeren dan in de Regels is voorgeschreven).
Gelijk het gaat met alle menschelijke zaken, hoe loffelijk en heilig die ook zijn; zoo ligt het eveneens in de natuur van wijsselijk gemaakte wetten, dat ze door misbruik der menschen tot oneigenlijke en vreemde dingen overgebracht en verdraaid kunnen worden; en daarom gebeurt het soms, dat die aan het door den wetgever beoogde doel niet meer beantwoorden; ja zelfs nu en dan het tegenovergestelde gevolg hebben.
Het is voorzeker allermeest te betreuren, dat zulks ook geschied is met de wetten van vele Congregatiën, Genootschappen of Instellingen, zoo van vrouwen met eenvoudige of plechtige geloften, als van mannen wegens professie en bestuur van gansch leeken aard. Was somwijlen in derzelver Constitutiën de openbaring des gewetens toegestaan, opdat de kwee kelingen in twijfelachtigheden des te gemakkelijker den moeilijken weg der volmaaktheid van ervaren Oversten zouden aan-leeren; daarentegen is door niet weinigen van
43
hen het binnenste gewetensonderzoek, dat aan het Sacrament der Biecht uitsluitend is voorbehouden, ingevoerd geworden. Was desgelijks, overeenkomstig de HH. Canons, in derzelver Constitutiën voorgeschreven, dat men in dusdanige Communauteiten zijne biecht zou spreken bij de respectieve gewone en buitengewone Biechtvaders; van elders is de willekeur der Oversten zoover gegaan, dat ze aan hunne (hare) onderhoorigen een' buitengewonen Biechtvader ontzegd hebben, ook dan wanneer deze, voor de regeling van hun (haar) eigen geweten, daaraan groote behoefte hadden. Nog was (aan de Oversten) een regel van onderscheiding en voorzigtigheid gegeven, opdat ze hunne (hare) onderhoorigen ten opzichte van bijzondere boetplegingen en andere werken van godsvrucht naar» eisch en behooren zouden geleiden ; maar ook deze is door misbruiking zoover uitgestrekt, dat zij het naderen tot de heilige Tafel, of wel naar eigen goeddunken toegelaten, of wel somtijds geheel en al verboden hebben. â Daarom is het gekomen, dat dergelijke verordeningen, die ten nutte van den geestelijken voortgang der kweeke-lingen, alsmede tot bewaring en bevordering der eensgezindheid en overeenstemming in de Communauteiten heilzaam en wijsselijk gemaakt waren, niet zelden omgekeerd zijn ten
44
verderve der zielen, tot kwelling der gewetens, en daarenboven tot verstoring van den uit-wendigen vrede, zooals de beroepen der on-derhoorigen en de menigvuldige bij den H. Stoel ingebrachte klachten ten duidelijkste bewijzen.
Weshalve onze Allerheiligste Vader, door de goddelijke Voorzienigheid Paus Leo XIII, in zijne bijzondere bezorgdheid voor dit zeer uitgelezen gedeelte zijner kudde, bij gelegenheid eener mij. Kardinaal Prefect van de H. Congregatie voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren, den veertienden December 1890 verleende Audiëntie, na alles zorgvuldig en naarstig overwogen te hebben, het navolgende gewild, bepaald en vastgesteld heeft.
I. Zijne Heiligheid vernietigt, heft op, en verklaart voor het vervolg nul en van geene waarde alle mogelijke verordeningen in de Constitutiën, van vrome Genootschappen, van Instellingen voor vrouwen met eenvoudige of plechtige geloften, alsmede voor mannen van geheel leeke hoedanigheid, alhoewel de voormelde Constitutiën door den Apostolischen Stoel in welken vorm ook, zelfs gelijk men zegt op de meest specifieke wijze, waren goedgekeurd, voor zooverre namelijk deze de openbaring der geheimen van hart en geweten betreffen. Dat mitsdien de Bestuurders en Bestuursters van dergelijke Instellingen, Con-
45
gregatiën en Genootschappen ernstig gelast worden de voornoemde verordeningen in de hun (haar) eigene Constitutiën, Directoriums en Handboeken geheel en al te schrappen en daaruit t' eenemale te verwijderen. Zij (Zijne Heiligheid) vernietigt en schaft insgelijks af alle dusdanige gebruiken en gewoonten, ook die welke van onheugelijken tijd bestaanhebben.
II. Z. H. verbiedt bovendien gestrengelijk aan de voormelde Superioren en Superiorissen, van welken graad en voorrang zij ook mogen wezen, van immer te beproeven de hun (haar) onderhoorige personen rechtstreeks of zijdelings, door bevel, raad, vrees, bedreiging, of vleierij, over te halen tot eene dusdanige aan hen (haar) te doene gewetensopenbaring. Aan de onderhoorigen gebiedt Zij anderzijds, dat ze de mindere Oversten, die hen (haar) tot zulke daad durven aanzetten, aan de meerdere Oversten zullen bekend maken -, en mogt er sprake zijn van den Algemeenen Bestuurder of Bestuurster, dan zal die aanklacht door hen (haar) bij deze H. Congregatie (voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren) moeten ingediend worden.
III. Dit belet echter in geenen deele, dat de onderhoorigen hun gemoed vrij en uit eigen beweging aan de Oversten kunnen openleggen ten einde in twijfel en angstvalligheden van
46
hunne voorzigtigheid raad en leiding te erlangen wegens het aankweeken van deugden en het vooruit gaan in de volmaaktheid.
IV. Van kracht latende wat ten opzichte van de gewone en buitengewone Biechtvaders der Communauteiten in het heilige Concilie van Trente Sess. 25 cap. 10 de liegul. voorgeschreven en door Benedictus XIV z. g. in deszelfs Constitutie, beginnende met de woorden âPastoralis curoequot;, verordend is, vérmaant Zijne Heiligheid daarenboven de Prelaten en Oversten van nimmer aan hunne onderhoorigen, zoo dikwijls als deze tot geruststelling van hun eigen geweten daartoe genoopt worden, . een buitengewonen Biechtvader te weigeren; ja zelfs naar de reden van zulk verzoek geenszins te vragen, of te toonen dat ze dit kwalijk nemen. En opdat een zoo wijze maatregel niet verijdeld worde, spoort Zij (Zijne Heiligheid) de Ordinarissen aan in de plaatsen van hun eigen Bisdom, waar Vrouwen-Commun-auteiten bestaan, geschikte Priesters met de noodige faculteiten aan te wijzen, tot wie zij (de bewuste Religieusen) zich gemakkelijk voor het Sacrament der Biecht kunnen wenden.
V. Wat verder de vergunning of het verbod wegens het naderen tot de H. Tafel aangaat, bepaalt Zijne Heiligheid, dat zoodanig vergunnen of verbieden enkel en alleen aan
47
den gewonen of buitengewonen Biechtvader toebehoort, zonder dat de Oversten eenijx gezaquot;;
O O Ã
hebben om zich met die zaak in te laten, behalve het geval, dat iemand hunner (harer) onderhoorigen, na zijne (hare) laatste sacra-menteele biecht, der Communauteit tot ergernis zou verstrekt of eene zware uitwendige misdaad bedreven hebben, alvorens opnieuw tot het Sacrament van boetvaardigheid genaderd te zijn.
VI. Diensvolgens worden allen aangemaand van te zorgen voor het naarstig voorbereiden tot de heilige Communie en het daartoe naderen op de in de Regels gestelde dagen ; en wanneer de Biechtvader om iemands ijver en geestelijken voortgang het nuttig mocht oor-deelen, dat hij (zij) dikwijler daartoe nadere, dan kan zulks door den Biechtvader worden toegestaan. Evenwel, al wie van den Biechtvader de vergunning verkregen heeft om meerdere keeren of ook dagelijks te communi-ceeren, die is verplicht zijn (haar) Overste daarmede in kennis te stellen; en mocht deze vermeenen tegen zulke menigvuldigere Communiën billijke en zwaarwichtige bedenkingen te hebben, dan moet hij (zij) dezelve aan den Biechtvader blootleggen, in wiens oordeel men verder behoort te berusten.
VII. Zijne eenzelfde Heiligheid beveelt bovendien aan alle Generale, Provinciale en
48
Locale Oversten der voormelde Instellingen van mannen of vrouwen en aan ieder (Overste) in het bijzonder de beschikkingen van dit Decreet zorgvuldig en nauwgezet te onderhouden, op boete van anders de tegen de Oversten, overtreders van de bevelen des Apostolischen Stoels, gestelde straffen door de daad zelve in te loopen.
VIII. Eindelijk beveelt (Zijne Heiligheid),
dat in de moedertaal overgebrachte afschriften van dit haar Decreet in de Constitutiën der voornoemde Instellingen ingelascht, en minstens eenmaal 'sjaars, op gestelden tijd in elk huis, hetzij aan de openbare tafel, of wel in een afzonderlijk daartoe belegd Kapittel, met luide en duidelijke stem zullen voorgelezen worden.
En aldus heeft Zijne Heiligheid verordend en besloten, ongeacht alles wat daarmede in strijd mocht wezen, al verdiene dit ook eene bijzondere en afzonderlijke vermelding.
Gegeven te Rome uit de Secretarie van de voormelde H. Congregatie der Bisschoppen en Regulieren, den 17 dag van December 1890.
I. Kakdinaal VERGA, Prefect. fFu. Aloisius Bisschop van Callinico, Secretaris.
Door Ons gezien en voor echt verklaard.
De Bisschop van 'sBosch, f A. Godschalk.
's Bosch, den 18 Maart 1891.
49
4. In het Kapittel, dat de Moeder of hare Plaatsvervangster eens in de week, gewoonlijk des Vrijdags, houden zal, zullen de fouten der zusters met bescheidenheid en in den sreest
c~)
van liefde en zachtmoedigheid worden bestraft, zonder uitneming van personen.
5. Als het teeken gegeven is, en de recom-mendatiën met de gewone gebeden voor levenden en overledenen geëindigd zijn, zullen de zusters zich van hare uiterlijke overtredingen van den Regel en de â¢Consti-tutiën in het algemeen en in het bijzonder beschuldigen; maar de Moeder of Zij, die voorzit, zal alleenlijk een algemeene penitentie opleggen.
6. Eerst zullen de novicen, te beginnen met de laatstgekleede of aangenome hare schuld belijden en ootmoedig bidden, dat men hare gebreken wil te kennen geven; en als de novicen en de zusters, die in de drie laatste maanden geprofest zijn hare schuld gesproken en de vermaning en penitentie ontvangen hebben, zullen zij heengaan. Daarna zullen de geprofeste zusters â uitgezonderd de Moeder of Voorzitster â hare schuld spreken en de vermaning en penitentie ontvangen.
7. In het Kapittel zal men niet mogen spreken zonder verlof der Presidente, noch zich-zelve hardnekkio- verontschuldigen, noch
O o quot;
50
iets mogen inbrengen, dat het Kapittel niet aangaat, en geenzins iets, dat alleen de Biecht betreft.
8. Die oneerbiedig zal durven antwoorden aan de Presidente ot spreken in het Kapittel of eenig teeken van ongeduld zal geven, zal naar mate van hare fout voorbeeldig gestraft worden, als : eens ter aarde water en brood moeten eten, eenige dagen beroofd worden van haar scapulier.
Nochtans eenieder, die ten onrechte berispt wordt, mag na het Kapittel de Moeder in allen eerbied verzoeken om te mogen spreken en hare onschuld aan te toonen.
9. Men zal zich wachten een ander te beschuldigen van iets, waarvoor zij reeds penitentie gedaan heeft, of dat zij niet gedaan heeft, op straf van zelve penitentie te volbrengen.
10. De Presidente zal voorzichtig toezien, niemand te berispen of te straffen, vooraleer zij wel ingelicht is van de zaak; dat zij derhalve niet lichtvaardig zij om te gelooven, maar als het haar voorkomt, dat zij de waarheid nog niet volkomen kent, stelle zij uit, of wel ga ten rade bij hare Discreten, voordat zij eenig gerucht maakt in de Gemeente.
De heimelijke fouten bestraffe zij in het geheim, en de openbare of die aan velen be-
51
kend zijn, in het openbaar; ten ware de zuster de geheime penitentie niet zoude aannemen, noch zich verbeteren, want alsdan zoude zij verdienen in het openbaar gestraft te worden.
11. Verder zal de Presidente de zusters trachten aan te wakkeren tot de volmaaktheid. In hare vermaningen en berispingen wachte zij zich van gramschap, bijtende woorden en verwijtingen. De liefde en zachtmoedigheid overwinne in haar altijd de bitterheid; want gelijk de H. Vader Franciscus gezegd heeft: âtoornigheid en gramschap beletten de liefde in haar en anderen.quot;
12. Niemand zal aan een ander, die niet in het Kapittel of niet in het geheele Kapittel wordt toegelaten, bekend maken, hetgeen aldaar is geschied, op straf van hare schuld te zeggen, en van andere penitentiën naar het goeddunken der Overste. Ook zal men buiten het Kapittel onder elkander niet spreken over de gebreken in het Kapittel beleden, noch over de vermaningen en bestraffingen in hetzelve door de Presidente gegeven, tenzij het klaarblijkelijk noodig of gewenscht is; want hieruit volgt bijna altoos meer kwaad dan goed, als vermindering van het gezag dei-Overste en van de liefde enz.
13. Nadat alle zusters in het Kapittel hare schuld beleden hebben en de Moeder of Presidente
52
de vermaningen en bestraffingen gegeven heeft, zal zij (de Presidente) naar goedvinden aan de Gemeente iets voorhouden, hetzij betreffende eenige gebreken, die zij mocht opgemerkt hebben, hetzij iets anders uit den Regel of Constitutiën en hierna het Kapittel eindigen op de wijze en met de gebeden in het ceremoniaal aangegeven.
14. Op Kerstavond, nadat van de geboorte van Christus uit het H. Evangelie of een godvruchtig boek is voorgelezen, zal de Moeder, om de nederigheid van het Goddelijk Kind Jezus na te volgen, alléén hare schuld spreken. Als zij knielt, knielen alle zusters, en als zij hare schuld zegt, buigen allen zich tot de aarde, waarna de Moeder het teeken geeft om op te staan.
IV Hoofdstuk.
Over de Werken van Godsdienstigheid, met een voorafgaande § over de Dagorde.
§ 1-
Over de Dagorde van Werk- en Feestdagen.
1. In de kloosters dezer Congregatie zal de hiervolgende dagorde onderhouden worden, uitgezonderd in de gevallen, voorzien in art. 4 dezer §. Naar de dagorde, wordt elders in deze Constitutiën verwezen.
53
2. Dagorde voor de werkdagen.
Te 4-2 ure opstaan.
ïe vijf uren in de Kapel morgengebed met opdracht en de âAngelusquot;; een half uur meditatie, de huiszegen en het Kruisgebed. Na deze oefeningen zullen alle zusters tegelijkertijd minstens \ uurs het koor verlaten. Gedurende dit kwartier zullen zij trachten ook onder hare bezigheden met ijver â echter zonder overdrevene inspanning â godvruchtige gedachten in zich levendig te houden, bijv. aan de stof der meditatie, aan de H. Communie enz.
Ongeveer te 6 ure op algemeene Commu-niedagen de Primen en Tertiën, op andere dagen de Primen tot en met de Nonen. Te 6sh ure H. Mis, waarvóór op algemeene Com-muniedagen de H. Communie zal worden uitgereikt. Na de H. Mis mag een H. Reli-quie worden uitgesteld en vereerd. Vervolgens, terwijl eenige zusters alles gereed maken tot het ontbijt, blijven de overige nog hoogstens 15 minuten in de Kapel, gedurende welke deze zullen bidden de Sexten en Nonen, of alleen de Nonen, indien zij de Sexten nog voor 6.20 hebben kunnen lezen.
Ongeveer te 71 ure ontbijt. Voor en na het ontbijt (of wat men gebruikt om dien tijd op Vastendagen) zullen de zusters staande
te zamen bidden één âOnze Vaderquot; en één âWees gegroetquot;, en tijdens het ontbijt zal iets stichtends worden voorgelezen, o. a. onmiddellijk voor de dankzegging een puntje, dat de zusters gedurende den werktijd kunnen overwegen, (bf wat de goede God haar belieft in te storten.) Na het ontbijt tot vijf minuten voor elf handen-arbeid of andere bezigheden, welke zullen geschieden in het werkhuis, voor zoover het geschikt kan. Gedurende de werkzaamheden, onder welke het niet te bezwarend is, zullen de zusters nu en dan gemeenschappelijk bidden, echter niet langer dan hoogstens 1/3 gedeelte van eiken werktijd en l uur achtereenvolgens.
De plaatselijke Overste zal met voorzichtigheid beoordeelen, onder welke werken de gemeenschappelijke gebeden te bezwarend zijn.
Te 11 ure bezoek aan het H. Sacramenten bijzonder gewetensonderzoek in de Kapel. De gewone oefeningen voor en na het gewetensonderzoek zullen door een der zusters worden voorgelezen, en tot het onderzoek zelve, dat in den regel iedere zuster voor zich zal doen (d. i. zonder dat algemeene vragen zullen gesteld worden) zullen vijf minuten gegeven worden.
In de groote Vasten, wanneer de Vespers voor den middag gelezen worden, zal men
55
eenige minuten voor elf uren naar het koor gaan en de Vespers lezen, terwijl men na den middag voor de Completen een bezoek zal brengen aan het H. Sacrament.
Te 11 ure 20 min. middagmaal. Na het gebed, wanneer de zusters gezeten zijn, begint de lezing. Indien er zijn, die schuld moeten spreken, zullen zij geknield en het hoofd neergebogen op de bestemde plaats wachten, tot dat de Overste het teeken geeft van met de lezing op te houden. Dan zullen zij ieder op hare beurt het hoofd oprichten, met klare stem hare schuld zeggen en opnieuw het hoofd buigen om de penitentie aan te hooren. Eindelijk, als de Overste het toelaat, zullen zij de aarde kussen en aan tafel gaan. Vervolgens zal de lezing, worden voortgezet. Zie overigens § 4 van Hoofdstuk VI.
Na de dankzegging zullen zich de zusters ordelijk twee en twee naar de Kapel begeven, biddende de psalmen âMisererequot; en âDe pro-fundisquot; met het gebed âDeus, veniae Largitorquot; enz. voor de overledene weldoeners. Dan zullen zij in de Kapel nog bidden de âAngelusquot; en het Kruisgebed, en den overigen tijd tot half één onder gewoon silentium doorbrengen met eenig werk of afleiding naar het verlangen der Overste.
Te 12.2 ure tot ure recreatie.
56
Te I j Vespers of bezoek aan het H. Sacrament, Completen en Suffragiën, daarna werktijd tot vijf ure.
Gedurende dezen werktijd zal de Overste aan de zusters â zooveel mogelijk te gelijk â één halt' uur vrijen tijd in stilte geven, welken zij gewoonlijk zullen besteden voor geestelijke lezing of voor andere godsvruchtige oefeningen naar eigen verkiezing. Dit half uur vrijen tijd in stilte en op de gestelde dagen het Lof zullen gewoonlijk een van beiden zijn onmiddellijk na de Suffragiën omtrent te 1| ure, of te 4| ure, zoo nochtans, dat het Lof niet als vrije tijd zal worden beschouwd.
Te 5 ure Metten en Lauden en een half uur meditatie, daarna de âAngelusquot;.
Tc 6 ure avondmaal of Collatie. Alsdan zullen het gebed, het lezen, het schuldspreken enz. in dezelfde orde geschieden als gedurende het middagmaal.
Na de gratie zullen de zusters in dezelfde orde en biddende dezelfde psalmen met gebed voor de weldoeners als des middags uit den refter gaan; maar nu zullen zij zich begeven naar het werkhuis, waar zij, voor zoover dit gevoeglijk kan geschieden, en behoudens de hieronder vermelde uitzondering, bij elkander zullen blijven tot Vu om onder gebed en daarna onder recreatie lichten handenarbeid te verrichten. Gedurende dezen
57
tijd zullen zij hoogstens tot 7 uur gemeenschappelijk bidden: in den regel alleen de boetpsalmen met de litanie van alle Heiligen. Daarna recreatie van 7 tot l'yu uur, welke bij daglicht ook in den tuin mag genomen worden. Te 73?4 ure zal het teeken van silentium worden gegeven en dat de zusters zich gereed moeten maken om naar de Kapel te gaan, waar te acht ure begint het Rozenhoedje met avondgebed en gewetensonderzoek. Dit onderzoek zal, wat de oefeningen vóór en na, en den duur betreft, geschieden als het bijzonder onderzoek des middags. Daarna geschiedt de voorlezing der stof van de volgende morgenmeditatie. Vervolgens zullen de zusters nog in de Kapel mogen blijven tot 83/4 uur en op de gestelde dagen discipline nemen. Te negen ure zullen zich allen te ruste hebben begeven.
3. Dagorde voor de Zon- en Feestdagen.
Tot aan het ontbijt als op de werkdagen met dit onderscheid, dat na de H. Mis niet de Nonen zullen gelezen worden.
Na het ontbijt ongeveer 8|- in de Kapel de boetpsalmen met de litanie van alle Heiligen en vervolgens sermoon of onderrichting. Daarna tot 103/4 uur vrije tijd in stilte, zoo echter, dat in dien tusschentijd de zusters in den regel gemeenschappelijk zullen bidden een H. Rozenkrans. De Overste zal zorg dragen, dat
58
de gemeenschappelijke gebeden te zamen niet den H. Rozenkrans in dezen vrijen tijd niet langer dan sh uur duren, en op feestdagen zal zij een half uur voor de recreatie bepalen. Verder zal zij toezien, dat de zusters op Zonen Feestdagen, gedurende dezen en anderen vrijen tijd in stilte, niet overdreven, zich met geestelijke- of andere lezing of met godvruchtige óefeningen bezig houden, maar dat zij ook de noodige afleiding en ontspanning des geestes hebben en nemen in de noodzakelijke en andere geoorloofde bezigheden, als zangoefeningen, wandelingen in den tuin enz.
Te 103/4 ure Nonen, bezoek van het H. Sacrament, bijzonder gewetensonderzoek als op werkdagen.
Te 11 ure 20 min. middagmaal enz. tot het Kruisgebed in de Kapel als op werkdagen. Wat het spreken tijdens den maaltijd aangaat, zie Hoofdstuk VI, § 9, art. 5. Na het Kruisgebed vrije tijd in stilte tot 123/4 ure. Te 12s/4 tot l3/4 uur recreatie.
Te ls/4 ure wordt het teeken van silentium gegeven. Dan kunnen zij, die noodzakelijke bezigheden hebben, deze verrichten vóór 2 uur, de overigen begeven zich, zoo spoedig mogelijk naar de Kapel.
Te 2 ure Vespers en Completen, Suffragiën. Daarna kunnen de zusters, als de Overste het
59
goedvindt, te zainen den H. Kruisweg doen.
Op de Feestdagen echter, op welke de Vespers vóór den middag worden gelezen, zullen te twee ure geschieden het Lof, daarna de H. Kruisweg en vervolgens de Completen en SufFragiën worden gebeden.
Van ongeveer 3| tot 4s/4 uur vrije tijd in stilte. Dan zullen de zusters afzonderlijk ol gemeenschappelijk in den tuin of in de Kapel bidden de Vigilie van drie lessen voor de overledene weldoeners der Congregatie, indien zij het dien dag nog niet gedaan hebben. In plaats daarvan kunnen zij ook bidden 25 âPater Nosterquot; met telkens âRequiem aeter-namquot; enz.
De Overste kan van dezen vrijen tijd i uur besteden voor gemeenschappelijke geestelijke oefeningen. Te 43^ ure Metten en Lauden.
ïe 5^ een half uur meditatie en de âAngelusquot;.
Te 6 ure avondmaal. Gedurende het avondmaal als op de werkdagen, maar men zal, als' men in den refter blijft, daar staande bidden de psalmen âMisererequot; en âDe profundisquot; met het gebed voor overledene weldoeners. Daarna recreatie tot 7 ure 40 min. Te 7 ure 40 min. silentium en tijd voor noodzakelijke bezigheden voor acht uur. Die geene bezigheden meer hebben, zullen zich aanstonds naar de Kapel begeven.
60
Te 8 ure en vervolgens als op werkdagen.
4. In de huizen, waar de uren voor eenige oefeningen enz. in de dagorde bepaald, voortdurend of langen tijd niet kunnen onderhouden worden, zal de plaatselijke Overste in overleg en met goedkeuring van de Eerw. Moeder en hare discreten een andere dagorde of wijziging van deze dagorde opmaken, welke aan de goedkeuring van den Kerkdijken Overste zal onderworpen worden. In bijzondere gevallen echter kunnen de plaatselijke Oversten om wettige reden aan particuliere personen en aan hare Gemeente afwijkingen van deze dagorde toestaan, zoo nochtans, dat de tijd voor de geestelijke oefeningen en de nachtrust zooveel mogelijk niet verminderd worde.
5. De buitengewone en niet-dagelijksche geestelijke oefeningen, welke volgens den Regel en de Constitution of met goedkeuring van den Kerkdijken Overste in deze Congregatie geschieden, zullen in de Kapel of ten minste niet onder het werk worden gedaan, tenzij 't in de Constitutiën of door den Kerkdijken Overste uitdrukkelijk anders is toegestaan.
De Oversten zullen deze geestelijke oefeningen stellen op de werkdagen in den werktijd des morgens van 8â11 uur, des namiddags van ongeveer 1| tot 5 uur; op de Zon- en Feestdagen slechts gedurende den tijd, welke
61
daarvoor in de dagorde is aangegeven.
G. De Oversten zullen ook voor andere geestelijke oefeningen dan de hiervóór bedoelde den werktijd mogen verkorten. Zij zullen dit echter niet doen zonder eenige redelijke aanleiding en zonder een geheel buitengewone reden nooit meer dan één uur op denzellden dag.
7. Alle gemeenschappelijke geestelijke oefeningen onder het werk en met welke de werktijd wordt verkort, te zamen, zullen in den reo-el niet langer mogen duren dan één uur
O O O
voor en één uur na den middag.
8. De Oversten zullen zorg dragen, dat alles stipt op den vastgestelden tijd begint. Om de verdiensten der gehoorzaamheid te verwerven, zullen de zusters te allen tijde, ook wanneer de bedorvene natuur zich verzet, ter liefde Gods blijmoedig de dagorde onderhouden.
§ 2.
Over de Werken van Godsdienstigheid in 'it Algemeen,
en
over het H. Officie, de Meditatie, het Gewetensonderzoek en Andere Dagelijksche Geestelijke Oefeningen in V Bijzonder.
1. Alle zusters worden vermaand, dat zij in alle gebeden en oefeningen, zoo inwendige
62
als uitwendige, volgens den Regel van den H. Vader Franciscus, bovenal moeten zoeken den geest des Heeren en zijn heilige werking.
2. Zij zullen zich beijveren deze oefeningen steeds niet grooten eerbied en aandacht te verrichten en zullen hare harten voorbereiden door op het eerste teeken, dat haar tot deze oefeningen roept, des morgens hare rust, en gedurende den dag hare bezigheden te verlaten, en door zich in stilte en ingetogen naar het koor of de bidplaats te begeven.
3. Om het verheven voorschrift van den Goddelijken Leermeester te vervullen : âmen moet altijd bidden en niet verflauwenquot; (Luc. xvm), zullen zij zich erop toeleggen â zelfs onder de verstrooiendste bezigheden â het hart dikwijls tot God te verheffen om met Hem, den Algoede als het ware voortdurend vereenigd te blijven, ook door de zuivere meening en door schietgebeden.
4. Wie te laat komt in de kerk of bidplaats, als de oefeningen begonnen zijn, zal zich bij de Overste verontschuldigen, en indien zij geene verontschuldiging heeft, zal zij, als de Overste zulks dienstig oordeelt, bij het eerstvolgende middag- of avondmaal in den refter voor de Gemeente hare schuld spreken en de Overste zal haar penitentie opleggen naar de grootte harer onachtzaamheid.
63
5. Oneerbiedigheden tijdens de geestelijke oefeningen zullen streng berispt en gestraft worden.
6. Niemand zal zich uit de geestelijke oefeningen verwijderen of afwezig - blijven, tenzij om ziekte of om een ander beletsel en met verlof van de Moeder of hare plaatsvervangster. Indien een zuster niet van te voren verlof gevraagd heeft, zal zij daarna de reden van haar wegblijven of weggaan aan de Moeder te kennen geven.
7. Zij, die een of meer gemeenschappelijke geestelijke oefeningen geheel of gedeeltelijk niet hebben bijgewoond, zullen deze aanvullen, voor zoover en op die tijden en plaatsen als de Overste zal goedvinden. Deze zal zoo goed mogelijk zorg dragen, dat de koorzusters het H. Officie en deze en de leekezusters dagelijks minstens het morgen- en avondgebed, de H. Mis, de twee meditatiën, de twee gewetensonderzoeken en het Rozenhoedje in de Kerk bijwonen, of anders kunnen aanvullen en wel in de Kerk, als dit gevoeglijk kan geschieden.
5. De Overste zal toezien, ook wat de geestelijke oefeningen betreft, zoowel dat de eene zich niet te veel inspanne, als dat een andere niet te traag zij ; en de zusters zullen hare raadgevingen ootmoedig opvolgen en uit gehoorzaamheid hare
64
geestelijke oefeningen verminderen ; immers gelioorzaamlieid is beter dan offerande.
9. De plaatselijke Oversten zullen zonder de goedkeuring der algemeene Overste en deze zonder de goedkeuring van haren Ker-kelijken Overste geene blijvende geestelijke oefeningen in een der huizen invoeren, terwijl zij in de geestelijke oefeningen en kerkelijke diensten, welke niet in deze Constitutiën ger regeld zijn, de regeling zullen volgen, welke de Kerkelijke Overste daaraan gegeven heeft of geven zal.
10. In de kloosters dezer Congregatie zal eiken dag eens het kleine Officie van O. L. Vrouw koorsgewijze in het Latijn gelijkstem-mig â zonder noten â gelezen worden naar het gebruik der H. Roomsche Kerk. In dit Officie mogen de zusters ook bidden de Oratie en speciale commemoratie's van het Officie der Orde van den H. Franciscus van Assisië. Op de Zon- en Feestdagen mogen de Vespers en Completen worden gezongen. Ook de lee-ke'-zusters zullen het Officie lezen, echter wanneer het in het koor wordt gelezen, zal de Moeder de noodzakelijke werkzaamheden bij voorkeur door de leeke^zusters laten verrichten, dewijl deze niet voor het koor geprofest zijn. In de gevallen echter, dat zij anders beschikt, zullen de koorzusters zich
65
nederig onderwerpen. Zij, die bij het H. Officie in het koor niet tegenwoordig zullen zijn, of het wegens ziekte of anderszins niet mede kunnen lezen, zullen â als zij daartoe in staat zijn â alleen of te zamen bidden het Of ficie of naar verkiezing de âOnze Vader'squot;, gelijk de Regel toelaat.
Ofschoon de zusters niet op zonde verplicht zijn, het Officie of de gebeden, welke het vervangen, te lezen, zullen zij dit nooit nalaten, tenzij om ziekte of eenig ander beletsel, of met dispensatie, welke de Moeder ook om een twijfelachtig beletsel kan en zal geven.
11. Dagelijks zullen de zusters, indien zij niet onvermijdelijk verhinderd worden, de H. Mis bijwonen; en, wanneer zij dit niet werkelijk kunnen, dat zij dan, volgens de ver--maning van den H. Franciscus v. Sales, ten minste hare harten daarheen brengen om geestelijkerwijze erbij tegenwoordig te zijn. Mogen zij, indachtig de verhevenheid en wonderbare kracht der onbloedige vernieuwino-
O O
van het H. Offer des Kruises, zich daarvoor altijd naarstig voorbereiden. Dat zij, terwijl de Zaligmaker zich door de handen des priesters opoffert, bidden voor het heil der Kerk en in vereeniging met dit Goddelijk offer, nederig, eerbiedig, betrouwvol en overgegeven geheel haar - zeiven aan den Hemelschen Vader als
66
offer aanbieden, alsmede al hare voornemens bijzonder voor dien dag. Zij zullen in de H. Mis en ook in het Lof, de Vespers en Completen geen muziek maar enkel Gregori-aansch zingen.
12. Dewijl het inwendig gebed de moeder en voedster is aller deugden, zullen de zusters zich daarop naarstig toeleggen en zal dagelijks des morgens en des avonds een half uur meditatie gehouden worden.
Een zuster zal de punten der meditatie voorlezen uit een geestelijk boek, door de Eerw. Moeder of in hare plaats door de Moeder bepaald. Na de lezing zullen de zusters op hare plaats geknield en zonder toe te geven aan vrijwillige verstrooidheid of slaperigheid, zich bezighouden met godvruchtige overwegingen en met korte maar vurige schietgebeden, met akten van deugden en met goede gevoelens en voornemens, welke uit de overwejrins:
O O
volgen. Op het einde zullen zij door een kort smeekgebed tot God, tot de H. Maagd of tot andere Heiligen de gratie vragen, om deze voornemens getrouw te onderhouden en heengaande zullen zij zorg dragen de vruchten des gebeds door verstrooidheid niet aanstonds te verliezen. Vgl. âInleiding tot het Godvruchtig levenquot; van den H. Franciscus van Sales. Deel II, Hoofdstuk IIâIX.
67
13. Ten einde het Goddelijke voorschrift, dat luidt: âwaakt en 'bidt, opdat gij niet valt in bekoringquot;, volkomen te volbrengen, zullen de zusters bij het gebed voortdurende waakzaamheid voegen om de zonden en hare gevaren te vermijden en steeds te doen, wat Gode behaaglijk is. Zij zullen deze waakzaamheid o. a. uitoefenen door volgens de voorschriften des Regels in het IVde en VIde Hoofdstuk dagelijks naarstig het geweten te onderzoeken. â Eiken avond zullen zij voor God nagaan, welke fouten zij bedreven hebben door gedachten, begeerten, woorden, wei'ken of ver-zuimenissen, en over alle met Gods genade een oprecht berouw verwekken, met het voornemen zich te beteren. Voor de merkelijke gebreken, vooral van kwaadspreken, driftige woorden, leugentaal zullen zij zich eene boete van drie âPater noster of Onze Vaderquot; opleggen. .Ook zullen zij omtrent den middag een kort bijzonder onderzoek doen, om met meer oplettendheid haar heerschende drift of een bijzondere fout te verbeteren, of om eene of andere deugd met meer volmaaktheid te leeren beoefenen.
14. De overige dagelij ksche geestelijke oefeningen worden in de dagorden aangegeven. Dagelijks zullen door de Gemeente minstens geschieden het morgen- en
68
avondgebed in de moedertaal, driemaal het âAngelus of Regina cceliquot;, driemaal het kruisgebed, het rozenhoedje, het bezoek van het H. Sacrament, tweemaal de psalmen âMisererequot; en âDe profundisquot; met het gebed voor de overledene weldoeners en de gebeden voor en na de tafel.
Bij het morgengebed zullen gevoegd worden de opdracht der werken en de goede voornemens voor den dag.
15. Het morgen- en avondgebed en de suffragiën, van welke spraak is in de dagorde, zullen genomen worden uit het Ceremoniaal.
§ 3.
Over de H. Communie en de Biecht.
1. Aangezien het einde van het kloosterleven en deszelfs oefeningen is de vereeniging van de ziel met God, en deze op zeer verhevene wijze geschiedt door de H. Communie, zullen de zusters hare zielen tot deze heilige vereeniging met de grootste zorg voorbereiden. Zij zullen dit te meer doen, omdat de H. Communiën, welke haar worden toegestaan, zeker veelvuldig te noemen zijn, en volgens het den 4 Augustus 1888 uitgevaardigd Decreet van de H. Congregatie in zaken der Bisschoppen en Regulieren, moeten zij trachten zóó te leven, dat ze waardig zijn, ten minste
69
op die dagen (welke door de statuten zijn aangegeven) tot de H. Communie te naderen.
2. Communiedagen zijn;
1°. Voor de geprofeste zusters a) de Zon-, Dins- en Vrijdagen, alsook de Heiligdagen, die als Zondagen worden gevierd; en zijn er in dezelfde week van Zondag tot Zaterdag (beiden ingesloten) maar drie Communie-dagen, dan ook Donderdag in die week.
b) de dag der professie van een of meer zusters,
c) bij de begrafenis eener medezuster drie achtereenvolgende dagen, benevens de 30ste dag na haar overlijden en haar eerste jaargetijde.
d) de dag der algemeene verkiezingen.
e) behalve de feestdagen van O. L. Vrouw-Lichtmis, Boodschap, Opneming ten Hemel, Geboorte en Onbevlekte Ontvangenis, welke thans als Zondagen worden gevierd, ook de feestdagen van 0. L. Vrouw Visitatie (2 Juli) en Presentatie (21 Nov.), van den H. Joseph, de dag der Professie van den H. Vader Fran-ciscus (16 April), de feestdag van den H. Aloy-sius (21 Juni), van de Patrones der kapel van het Moederhuis, de H. Moeder Anna, de Allerzielendag, de feestdag van de H. Catharina (25 Nov.) en de volgende vijfendertig solemneels feestdagen der Orde van den H. Fran-ciscus:
70
16 Januari, H.II. Bei irdus en Gezellen.
30 » H. Hyacintha Mariscottae.
31 » Z. Ludovica Albertoni.
5 Februari, H.H. Petrus- Baptista en Gezellen.
22 » H. Margaretha van Cortona.
5 Maart, H. Joannes Josephus a Cruce.
6 » H. Coleta.
9 » H. Catharina van Bononiën.
3 April, H. Benedictus a Philadelphia. 13 Mei, H. Petrus Regalatus.
17 » H. Pascalis Baylon.
20 » H. Bernardinus van Senen.
13 Juni, H. Antonius van Padua. 19 » H. Michelina.
9 Juli, H. Nicolaus en Gezellen.
14 » H. Bonaventura.
24 » H. Franciscus Solan us.
2 Augustus, Feest van Portiuncula.
12 » H. Clara.
19 » H. Ludovicus, Bisschop,
25 » H. Ludovicus, Koning.
4 September, Translatie der H. Rosa v. Viterbo. 17 » Indrukking der H. Wonden in
het lichaam van den H. Franciscus. 24 September, H. Pacificus a St. Severino. 4 October, H. Vader Franciscus. 6 » H. M. Francisca der vijf Wonden.
13 0 H. Daniël en Gezellen. 19 » H. Petrus van Alcantara.
23 » H. Joannes Capistranus. 12 November, H. Didacus.
71
19 November, H. Elisabeth.
20 » H. Leonardus a Porto Mauritio.
28 » H. Jacobus a Marchia.
29 » Alle Heiligen der 3 Orden.
8 December, feestdag der Onbevl. Ontvangenis. 2°. Voor de novicen drie dagen in de week.
3. Wanneer eene of andere zuster met bijzon-dei'e vergunning van haar Biechtvader, behalve op de hierboven in art. 2 onder 1° en 2° genoemde dagen, doorgaans meermalen wenscht te coramuniceeren, dan zal zij naar het voorschrift van het Decreet der H. Congregatie voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren dd. 17 December 1890 hare Overste daarmede in kennis stellen. Tevens zal men, ook bij enkele gevallen, den Rector des huizes tot zijn naricht van te voren waarschuwen.
4. In genoemd Decreet van 17 December 1890, dat hiervóór in § 2 van het lllde Hoofdstuk geplaatst is, zijn door den H. Stoel onder V en VI aangaande het naderen tot de H. Tafel nog andere verordeningen en bepalingen gegeven, welke de zusters en vooral de Oversten zich steeds moeten herinneren en die zij stiptelijk moeten onderhouden.
5. Gelijk de Biechtvader de Communiën voor een of andere zuster kan vermeerderen ; zoo kan hij ze ook verminderen. Welk ook het oordeel van den Biechtvader zij, de biechtelinge
72
zal zich nederig naar zijn oordeel voegen, bedenkende, dat de nederigheid wel de eerste voorwaarde is om dikwijls te mogen com-municeeren.
6. De zusters zullen over het getal communiën nooit onder elkander spreken, alsook niet over den Biechtvader aangaande alles, wat de Biecht of het geweten betreft.
7. Eene zuster, die, om welke reden ook, van de H. Tafel wegblijft, zal gekleed gelijk de anderen, in de H. Mis verschijnen, maar zal niet verplicht zijn hiervan kennis te geven aan de Moeder. Als men bemerkt, dat dezelfde zuster dikwijls wegblijft van de H. Communie, zal de plaatselijke Overste hiervan kennis geven, hetzij aan den Biechtvader of aan de Eerw. Moeder.
8. De Oversten zullen de zusters hartelijk aanbevelen, dat zij ten minste eens in de maand de H. Communie opdragen voor de weldoeners der Congregatie, zoo geestelijke als wereldlijke, levende en overledene. Zoo ook eens in de maand voor Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid den Bisschop, onder Wiens gehoorzaamheid zij staan, tot ondersteuning van zijn last. Eveneens voor Z. H. den Paus, de geestelijkheid en de Christene Vorsten en in het algemeen voor al degenen, die werken aan de bekeering der zondaars, ongeloovigen en
73
ketters of op andere wijze aan de zaligheid der zielen arbeiden.
9. Als voorbereiding tot de H. Communiën en tevens om vele andere geestelijke voordeelen zullen de zusters in den regel eenmaal in de week aan den gewonen Biechtvader hare biecht spreken. Zij zullen trachten alle overtollige woorden te vermijden, en indien zij raad te vragen hebben, zullen zij de zaak openhartig en geheel voorhouden en zich aan het oordeel van den Biechtvader onderwerpen.
10. De gewone en buitengewone Biechtvader van elk huis worden door den Dioece-saan Bisschop aangesteld.
11. Tot vrijheid van geweten zal drie- of viermaal 's jaars een buitengewone Biechtvader komen en allen zullen bij hem gaan om te biechten of ten minste oin zijne vermaning en den zegen te vragen, (want ze zijn niet verplicht bij hem te biechten). Daarenboven, volgens het in het IIIde Hoofdstuk § 2 dezer Constitutiën inge-laschte Decreet, zullen de Oversten nimmer aan onderhoorigen, zoo dikwijls deze tot geruststelling van haar eigen geweten genoopt worden, een buitengewonen Biechtvader weigeren, ja, zelfs zal zij naar de reden van zulk verzoek geenszins vragen of' toonen, dat zij dit kwalijk neemt, maar bij de eerste geschikte gelegenheid daaraan voldoen.
74
12. De zusters moeten overtuigd en steeds indachtig zijn, dat deze verordeningen de biecht betreffende, volgens ulgemeene voorschriften van den H. Stoel gemaakt zijn voor haar welzijn. De ondervinding leert, dat van de algeheele vrije keuze van een Biechtvader niet zelden misbruik wordt gemaakt tot voldoening van nieuwsgierigheid en eigenzinnigheid, ter-w ij 1 God, door een rechtvaardig oordeel niet zelden toelaat, dat zij, die zulk misbruik maken van Zijne genademiddelen tot straf meer en meer in gevaarlijke duisternissen vallen en op den doolweg geraken.
13. De zusters zullen trachten zich in tijds voor te bereiden, opdat de Biechtvader niet behoeve te wachten.
14. De Biechtstoel zal in de kerk of kapel op eene zichtbare plaats gesteld zijn.
§ 3.
Over de Geestelijke Afzondering.
1. Alle zusters zullen zich elk jaar eens ongeveer acht achtereenvolgende dagen en maandelijks één dag (zooveel mogelijk op den derden Zondag der maand of op een anderen dag, door den Kerkdijken Overste te bepalen) in geestelijke afzondering begeven. Zij zullen deze dagen als de dagen van vele genaden
75
beschouwen en doorbrengen in heilige over-weging, in gebed, in stilzwijgen en boetvaardigheid.
2. Dewijl het gebed in vereeniging niet verstervingen zoo krachtig is, zullen alle zusters gedurende de jaarlijksche retraite zich op bijzondere wijze op verstervingen toeleggen, maar zij alléén zullen vasten, aan wie de Overste dit met voorzichtig oordeel toestaat.
$
V Hoofdstuk.
1 Afdeeling.
Over de Vereeniging en Vermenigvuldiging der Kloosters dezer Congregatie. Over haar Bestuur.
Over de Aanstelling der Oversten en eenige Regels voor de Oversten.
Voorafgaande bemerking en bepaling,
In alles, wat betreft de vereeniging en vermenigvuldiging der kloosters, het bestuur, het Moederhuis en het noviciaat van deze Congregatie zijn bij het opmaken dezer Constitu-tiën in aanmerking genomen de volgende omstandigheden :
Ten lste, dat het Moederhuis te Haren, gemeente Megen en het eenig afhankelijk huis te Reek dezer Congregatie, beiden in hetzelfde Bisdom gevestigd waren.
Ten 2de , dat het niet te voorzien was, dat deze Congregatie een of meer huizen in een ander Bisdom stichten zou, noch dat zij het Moederhuis of het noviciaat zou willen verplaatsen of een tweede Moederhuis of noviciaat zou willen oprichten.
Bijgevolg, indien een of ander in deze omstandigheden zou veranderen of wat niet voorzien is, toch gebeuren zou, zoo zal de Alge-meene Overste met hare Discreten op deze
77
bemerking de aandacht van haar Kerkdijken Overste vestigen, opdat met de door de H. Kerk vereischte regelingen ook in deze Constitution de noodige wijzigingen en aanvullingen door het bevoegde Kerkelijke Gezag worden aangebracht.
§ 1.
Over de Vereeniging en Vermenigvuldiging der Kloosters dezer Congregatie,
1. Deze Congregatie heeft en zal hebben maar één Moederhuis en één Noviciaat, welk Moederhuis en het daarin zijnde Noviciaat zijn en zullen blijven gevestigd te Haren bij Megen, thans in het Bisdom van 's Hertogenbosch.
2. Het huis van deze Congregatie te Reek en andere, indien zij er zal oprichten, zullen afhankelijk zijn van het Moederhuis te Haren en met hetzelve een Congregatie uitmaken,
3. De Oversten zullen trachten eene vol-komene gelijkvormigheid en vereeniging te bewaren onder de huizen en zusters dezer Congregatie. Geene zuster denke, dat zij geprofest is om in eene plaats of in een klooster te blijven, want de Eerw. Moeder met raad der Discreten zal haar mogen verzenden en van huis doen veranderen naar goeddunken.
4. De Eerw. Moeder zal over de goederen der ondergeschikte huizen kunnen beschikken
78
als over die van het Moederhuis, uitgenomen zulke gelden en goederen, welke een uitsluitende bestemming voor een of ander huis hebben, maar zij zal verplicht zijn ook aan die huizen al het noodige en tevens het nuttige voor ti-oio doel en werkzaamheden te verschaffen, in zoover zij niet van elders worden voorzien.
5. Het bestuur der afhankelijke huizen zal jaarlijks rekening en verantwoording moeten doen aan het bestuur der Congregatie, en zoo dikwijls zulks verlangd wordt.
6. Dat de zusters der afhankelijke huizen wel overtuigd blijven, dat zij zich met hart en ziel aan het Moederhuis moeten aansluiten, wil men de noodzakelijke eenheid behouden, welke de sterkte der Congregatie en het behoud van den waren kloosterlijken geest is.
7. Men zal geen nieuwe huizen aannemen of' stichten, waarin- en geene verplichtingen aanvaarden, waardoor de Regel en Constitutiën zonder merkelijke afwijkingen niet kunnen onderhouden worden. Men zal zich in deze aan het oordeel van den Kerkelijken Overste onderwerpen.
8. De reeds bestaande huizen zal men zoo geschikt mogelijk inrichten, om den Regel en de Constitutiën na te leven. Indien wegens
79
beletselen aanmerkelijke afwijkingen noodig zijn, zal men aan den Kerkelijken Overste dispensatie vragen en de beletselen met zijn raad wegnemen, zoodra het kan geschieden.
§ 2.
Kerkelijke Oversten.
1. De Religieuzen dezer Congregatie staan in volle gehoorzaamheid en onderwerping onder de bescherming, bestraffing en het bestuur van haar Diocesaan Bisschop of Ordinarius, opdat Hij haar volgens de regelingen van het Kerkelijk Recht en de Apostolieke Constitution bestiere. Zij moeten bijgevolg Hom erkennen en ootmoedig aannemen voor haar Overste, Bestuurder, Beschermer, Verbeteraar en Visitator. Hij wordt in deze Constitutiën steeds âKerkelijke Overstequot; genoemd.
2. De Oversten moeten zich tot haar Kerkelijken Overste wenden ; voor de toelating eener postulante binnen het slot en tot hare kleeding; voor de professie der novicen; voor de benoeming van den gewonen en buitengewonen Biechtvader ; om de algemeene kiezing der Eerw. Moeder en hare!}* Discreten voor te zitten en te bevestigen ; om merkelijke zaken te mogen aankoopen, verkoopen of' om andere contracten aan te gaan ; om Hem, wanneer hij het verlangt, de rekeningen te toonen, zoowel
80
buiten als in de Visitatie ; om groote buitengewone uitgaven te doen ; alsook om merkelijke leeningen te sluiten of schulden te maken ; om nieuwe huizen te stichten; alvorens met de burgerlijke autoriteit in eenige onderhandeling te treden; om Zijn raad te vragen en Zijn gezag in te roepen wegens onverbeterlijke zusters; om de grenzen van het Slot te verleggen en verder alles, wat het Slot betreft; om lasten met verplichting, als gebeden, het laten celebreeren van H.H. Missen en andere lasten voor het klooster aan te nemen voor langer dan drie jaren, en zelfs voor korter, indien zulke lasten te bezwarend zouden kunnen zijn om daarbij den Regel en de Constitutiën te onderhouden, en in andere gewichtige voorvallen.
3. De zusters zullen grooten eerbied en hoogachting toedragen aan de Biechtvaders en de Rectors, die de Kerkelijke Overste voor hare huizen zal aanstellen. Zij zullen niet zoeken veel omgang met den Rector en andere geestelijken te hebben; evenwel zal de Overste haar niet weigeren nu en dan met hen alleen te spreken, tenzij om een reden, die zij voor den Kerkelijken Overste wil verantwoorden.
4. Ofschoon de zusters niet staan onder de . gehoorzaamheid van de Provinciale Ministers
81
dei' Minderbroeders, onder wier bestiering Paus Leo X de religieusen, die den Regel, door Hem goedgekeurd, volgen, geplaatst had, zullen zij grooten eerbied hebben voor de Orde der Minderbroeders en met hen eene geestelijke vereeniging van gebeden en goede werken bewaren. Ook betaamt het, dat de Oversten somtijds haar Kerkelijken Overste verzoeken, dat nu en dan een Pater Minderbroeder aan de zusters het woord Gods zal prediken en haar vermanen tot penitentie en andere deugden, opdat mede door dit middel de geest der Seraphijnsche Orde en de bijzondere godsvrucht jegens den H. Franciscus in deze Congregatie bewaard blijven.
§ 3.
Over het Bestuur der Congregatie en over de verkiezing der Oversten.
1. De geheele Congregatie wordt bestierd door de Overste van het Moederhuis, die den naam zal dragen van âEerwaarde Moederquot;. In het bestuur van het Moederhuis en van de Congregatie wordt zij bijgestaan door de Moedervicaris, de Meesteres der novicen en nog twee Discreten. welke vijf te zamen het Discretorie uitmaken en in het Moederhuis zullen wonen.
82
2. Ofschoon om het klein getal leden van de Congregatie de kiezende zusters voor de keuze der Eerw. Moeder hare stem mogen uitbrengen op een der koorzusters, die minstens dertig jaren oud en vijf jaren geprofest zijn, zal echter de Kerkelijke Overste â om zich te voegen naar het Decreet van het Concilie van Trente âniet dan om bijzondere reden de keuze tot Eerw. Moeder bevestigen van haar, die niet minstens veertig jaren oud en acht jaren geprofest is. De overige leden van het Discretorie worden gekozen uit de koorzusters, die minstens twee jaar geprofest zijn.
3. Het staat de kiezende zusters vrij, de Eerw. Moeder, de Moeder-vicaris en de andere Discreten te herkiezen voor dezelfde of een andere bediening, of allen of gedeeltelijk anderen te kiezen.
Om zich te voegen naar het Vde Hoofdstuk van den Regel, waar voorgeschreven is, dat de Oversten alleen voor zekeren tijd zullen worden aangesteld, zal echter de Kerkelijke Overste, die de herkiezing, zoowel der Eerw. Moeder als der andere leden van het Discretorie, om wettige reden mag verbieden of hare bevestiging weigeren, slechts zelden de herkeuze bevestigen tot Algemeene Overste van haar, die reeds zes of negen jaren dezelfde bediening achtereenvolgens heeft gehad, indien zij respectievelijk niet met twee derde of drie vierde der stemmen herkozen is, en alleen om geheel bijzondere reden van haar, die reeds twaalf achtereenvolgende jaren Algemeene Overste geweest is.
83
4. Wij vermanen de zusters, volgens den ouden grondregel van het kloosterlijk leven, geene bediening te vragen of te weigeren. Indien iemand zoo vermetel is van het verlangen uit te drukken om in eene bepaalde bediening te komen of daarin te blijven, zoo iemand zal men als onwaardig tot die bedieni ng beschouwen. Van den anderen kant zullen zij, die tot eene bediening welke ook, gekozen of benoemd worden, dezelve zonder tegenspreken met de verdiensten der gehoorzaamheid aanvaarden en met betrouwen op God vlijtig uitoefenen. In geval iemand groote onbekende reden heeft of meent te hebben tegen het aanvaarden eener bediening, mag zij dezelve ootmoedig voorstellen ; maar verder is zij gehouden te gehoorzamen aan de beslissing der Oversten.
5. Opdat niemand zich-zelve beschouwe als eigenares van het ambt of de bediening door haar bekleed, zoo zal het aan het Discretorie vrij staan, de Meesteres der novicen en de plaatselijke Oversten binnen de drie jaren te ontslaan en door anderen te vervangen, â en zal de Eerw. Moeder te allen tijde de overige bedieningen kunnen geven en ontnemen. Deze macht zullen ook de plaatselijke Oversten hebben, voor zoover de Eerw. Moeder zulks aan haar kan en zal overlaten.
Het zal aan alle zusters streng verboden zijn over zulke veranderingen ten voor- of ten nadeele van iemand te spreken onder bedreiging van daarvoor gestraft te zullen worden. Zij, die ontslagen worden, zullen zich nederig onderwerpen
84
uit liefde voor de gehoorzaamheid en toonen, dat zij zich niet het minste recht boven hare medezusters aanmatigen.
0. Het Discretorie zal minstens een maand vóór den tijd der Algemeene Verkiezingen den Kerkelijken Overste hieraan herinneren en laten weten, hoelang de aftredende Eerw. Overste achtereenvolgens hare bediening heeft bekleed, opdat Hij, vooral met het oog op art. 3 van deze §, reeds vóór de kiezingen kunne bepalen, wat Hij wenschelijk acht.
7. Wanneer de tijd voor de verkiezingen door den Kerkelijken Overste is bepaald, zal de Eerw. Moeder gedurende 14 dagen in alle communiteiten gebeden voor den goeden uitslag voorschrijven, zooals het âVeni Creatorquot; met de gebeden van den H. Geest, van de Onbevlekte Ontvangenis en van den H. Vader Franciscus. Tot hetzelfde einde zal de dag der kiezing een algemeene communiedag zijn.
8. Alvorens de stemmingen beginnen, zal, nadat nogmaals de H. Geest is aangeroepen, de Eerw. Moeder in de tegenwoordigheid der stemhebbende zusters komen nederknielen voor den Kerkelijken Overste (of zijn Gedelegeerde) en hare bediening afleggen met deze woorden ; âHoog (Zeer) Eerwaarde Vader, ik leg mijne bediening neder in uwe handen, ik bedank de zusters voor het betrouwen, dat zij mij geschonken hebben en ik vraag vergilfenis van de fouten, die ik heb bedreven gedurende de uitoefening van mijne bedieningquot;.
85
De Voorzitter antwoordt: âDe Congregatie ontslaat u van de bediening van Eorw. Moeder, In den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amenquot;. Op dienzelfden oogenblik zijn ook de Moeder-vicaris, de Novicenmeesteres en de andere Discreten van hare bediening ontslagen. De plaatselijke Oversten zullen, â tenzij zo bij de Algemeene Keuze met een andere bediening worden belast, â voorloopig in hare bediening blijven, totdat zij herbenoemd worden of de nieuw-benoemden haar vervangen.
0. De kiezing, die daarna zal plaats hebben, zal gehouden worden in het Moederhuis en worden voorgezeten door den Kerkelijken Overste of Zijn Gedelegeerde met één of twee Priesters als getuigen, onder wier toezicht de kiezende zusters elk afzonderlijk haar geslotene briefjes zullen werpen in een gesloten bus. Opdat de vrijheid van stemmen nog beter gewaarborgd zij, zal iedere stemgerechtigde daags vóór de kiezing een genoegzaam aantal stembriefjes ontvangen, bedrukt of door dezelfde hand beschreven met de noodige teekenen en met de namen van alle verkiesbare zusters, behalve van haar zelve, omdat niemand op zich zelve stemmen mag.
10. Stemgerechtigden bij de Algemeene Keuze zijn alle minstens twee jaren geprofeste koorzusters. Zonder verlof van den Voorzitter der kiezing mag niemand van haar zich aan de stemming onttrekken. Zij moeten indachtig zijn, dat van de keuze der Oversten het voor- en nadeel der Congregatie grootelijks afhangt en
86
dat zij wegens het geven harer stem aan God zullen verantwoorden. Zij mogen hare stem niet geven of weigeren uit rnenschelijk opzicht of uit persoonlijke vriendschap of afgekeerdheid, maar zij moeten kiezen, die zij voor God als de bekwaam-sten en geschiksten oordeelen. Zij mogen voorzichtig raad vragen om te weten, wie de geschikste personen zijn voor de verschillende bedieningen. Nochtans zij, die vóór of na de stemming hare keuze zoude bekend maken, zou zware straffen verdienen en nog meer maken zij zich plichtig, die verdeeldheid of partijschap stoken.
11. De stemgerechtigde zusters kiezen eerst de Eerw. Moeder alléén, daarna de Moeder-vicaris ook alléén en eindelijk de drie Discreten gezamenlijk, bij volstrekte meerderheid van stemmen, voor den tijd van drie jaren. De keuze der vijf leden van het Discretorie heeft de bevestiging noodig van den Kerkelijken Overste, welke de gedelegeerde Voorzitter der kiezing niet zal kunnen geven zonder bijzondere volmacht ontvangen te hebben.
12. Indien bij de afzonderlijke stemming der Eerw. Overste of der Moeder-vicaris â ook na herhaling â niemand de Vereischte meerderheid van stemmen verkregen heeft, zal eene gezamenlijke stemming plaats hebben, respectievelijk van vijf leden, nl. der Eerw. Overste met de Moedervicaris en drie Discreten, â of van vier leden nl. der Moeder-vicaris met drie Discreten. Bij deze gezamenlijke stemmingen, en eveneens bij die van drie en minder leden, zullen de zusters
87
hare stembriefjes indienen in éénzelfde enveloppe en zal oen vastgesteld toeken aanduiden of een stembriefje is ingeleverd tot keuze der Eerw. Overste, der Moeder-vicaris of van één der Dis-oreten. Bij de gezamenlijke stemmingen van vijf, vier en gewoonlijk ook van drie leden zullen de kiezenden één of twee zusters onder haar, op wie zij stemmen, aangeven, welke zij vooral bekwaam achten voor Novicenmeesteres.
13. Zou nog bij de gezamenlijke stemming van vijf leden iemand als Eerw. Overste, of bij die van vier leden iemand als Moeder-vicaris de volstrekte meerderheid van stemmen verkrijgen, dan zal in het lste geval alléén de gekozene als Eerw. Overste en in het 2de geval alléén de gekozene als Moeder-vicaris als zoodanig worden bekend gemaakt en zullen de stemmingen op de gewone wijze worden voortgezet. Indien echter niemand in het lste geval als Eerw, Overste, in het 'irtc als Moeder-vicaris of bij de gezamenlijke stemming van drie of minder leden als Discrete de volstrekte meerderheid van stemmen verkreeg, zullen geene stemmingen meer plaats hebben, en zal de Kerkelijke Overste, nadat Hij door zijn gemachtigden Voorzitter relaas der stemming ontvangen heeft, naar goedvinden beslissen, wie als Eerw. Overste, Moeder-vicaris en als Discreten moeten erkend worden.
Wanneer bij een gezamenlijke keuze toevallig meer zusters als Discreten de volstrekte meerderheid van stemmen bekomen hebben, dan er nog moesten gekozen worden, zal ook in deze
88
de verdere beslissing aan den Kerkelijken Overste zijn.
14. Wordt na de kiezing de keuze niet aanstonds bevestigd of wordt niet aanstonds beslist, wie als Eerw. Overste enz. moeten erkend worden, dan zal de Kerkelijke Overste naar goedvinden een voorloopig Bestuur der Congregatie aanstellen. Doet Hij dit niet, dan zal de gekozene als Eerw. Moeder of â wanneer niemand als Eerw. Moeder gekozen is â het aftredende Discretorie het Voorloopig Bestuur uitmaken. Dit Bestuur zal één der voor het Discretorie verkiesbare zusters voorloopig tot Meesteres der novicen benoemen en de andere voorloopige benoemingen doen, die noodig zijn. Overigens zal het de gewone zaken regelen, maar niets belangrijks ondernemen en niets veranderen.
15. Nadat de Algemeene Keuze door of namens den Kerkelijken .Overste bevestigd is, zal het Discretorie in zijne eerstvolgende zitting één zijner leden tot Meesteres der novicen aanstellen. De Eerw. Moeder zal niet te gelijk deze bediening mogen hebben, tenzij de Kerkelijke Overste dit om bijzondere reden goedkeurt. De zuster, welke de Eerw. Moeder voor deze bediening wil voorstellen, zal niet in de zitting van het Discretorie zijn, zoolang over haar wordt beraadslaagd en mag in dit geval niet stemmen. In dezelfde zitting zal het Discretorie de plaatselijke Overste benoemen of herbenoemen uit de koorzusters, die minstens dertig jaren oud en vijf jaren geprofest zijn. Men zal zonder bijzondere
89
reden niet meermalen achtereenvolgens denzelfden persoon als plaatselijke Overste herbenoemen in hetzelfde huis. De Eerw. Moeder zal ten spoedigste aan de zusters van elk klooster te kennen geven, wie tot hare Moeder is benoemd en wanneer dezer benoeming intreedt.
16. Wanneer de bediening van Eerw. Moeder door overlijden of anderszins openvalt, zal de Moeder-vicaris voorloopig mot hare bediening belast zijn. Zij zal echter zoo spoedig mogelijk den Kerkdijken Overste verzoeken nieuwe kiezingen te houden en zich naar zijn antwoord voegen. â Indien de Moeder-vicaris ontbreekt, zal het Discretorie één der Discreten als Moeder-vicaris aanstellen. Vervolgens en telkens, wanneer slechts een of twee Discreten overig zijn, en er nog een jaar verloopt voor de volgende kiezingen, zal door de overige leden van het Discretorie een andere koorzuster, die minstens twee jaren geprofest is, worden gekozen om in den tusschentijd de plaats aan te vullen. Deze keuze zal geschieden met meerderheid van stemmen, en vereischt de goedkeuring van den Kerkdijken Overste, die ook beslissen zal, wanneer twee zusters evenveel stemmen blij von hebben.
Daar alle leden van het Discretorie in het Moederhuis moeten wonen, zoo zal een lid dat naar een ander klooster verplaatst wordt, daardoor van zelf ophouden, lid te zijn. Dit zal echter niet mogen geschieden dan met goedkeuring dor meerderheid van de overige Discreten en van den Kerkelijken Overste.
90
§ 4.
Over het Discrelorie der Conyrecjalie.
1. De Eerw. Moeder zal eenmaal in de maand have Discreten vergaderen, om haar over alle gewichtige zaken te raadplegen. Voor onvoorziene voorvallen, waarover zij aanstonds raad wil inwinnen, kan zij haar ook buiten den ge-stelden tijd te zamen roepen.
2. Na het gebed begint de Eerw. Moeder voor te stellen, wat er te verhandelen is. De Discreten zullen in de vergadering vrijmoedig, maar zonder eigenzinnigheid haar gevoelen zeggen en met liefde en bescheidenheid aan de Eerw. Moeder opmerken, wat zij vermeenen tot het geestelijk of tijdelijk welzijn der Congregatie of Gemeente te behooren.
3. In geval dat de gevoelens der vergadering aangaande een gewichtig punt verdeeld zijn, kan de Eerw. Moeder de stemmen vragen. Indien deze gelijk verdeeld zijn, kan zij de zaak zoo laten, of wel in de vergadering verklaren, welk gevoelen zij volgen zal.
4. In zeer gewichtige punten moet de Eerw. Moeder niet alleen raadplegen, maar ook de toestemming bekomen van minstens de helft der Discreten, alvorens zij mag handelen. Zoodanige punten zijn voornamelijk; het aannemen van postulanten; het wegzenden van novicen zonder dat de stemmen der Gemeente gevraagd worden ; bet benoemen en ontslaan van de Meesteres der novicen of van een plaatselijke Overste en andere dergelijke gevallen, waaromtrent in
91
de Constitutien gewoonlijk gezegd wordt, dat de Eerw. Moeder niet alleen den jfcaad, maar ook de toestemming der Discreton bekomen moet. Behoort het punt, waarover is gestemd tot â of staat het in verband met een der gevallen, in welke daarenboven de goedkeuring van den Kerkelijken Overste vereischt wordt, dan moet aan hem ook worden gemeld, hoeveel stemmen ei' voor en tegen zijn uitgebracht.
5. Wanneer de zaken, door de Eerw. Moeder voorgesteld, in de zitting afgedaan zijn, zal zij vragen of iemand nog iets te bemerken heeft en vrijheid geven het voor te stellen.
6. Beslissingen van bijzonder gewicht zullen in het kort in een daartoe bestemd boek aan-aangeschreven en door alle aanwezige leden onderteekend worden.
7. De Discreten moeten geheim houden, wat haar is toevertrouwd, vooral aangaande bijzondere zusters en buiten de vergadering daarover met anderen geenszins, en onder elkander niet lichtvaardig spreken. Die hiertegen misdoet, zal door de Eerw. Moeder in het geheim of in de volgende vergadering van het Discretorie streng berispt worden, en zelfs, indien de fout merkelijk is, voor eenigen tijd of voor altijd, naar het oordeel der overige Discreten en met goedkeuring van den Kerkelijken Overste uit het Discretorie gesloten worden.
Dit geheim strekt zich ook uit tot zaken, welke de Gemeente moet kennen, want het behoort niet aan de andere leden van het Discretorie,
92
maar aan de Eerw. Moeder zulke beslissingen af te kondigen «p den tijd, dien zij goedvindt.
§ 5-
Regels voor de Eerwaarde Moeder.
1. De Eerw. Moeder zal de macht hebben om het Moederhuis en de geheele Congregatie te besturen. Er rust derhalve op haar groote verantwoordelijkheid. Dat zij niettemin hare bediening met groot betrouwen op God aanvaarde en vervulle, maar tevens met groote nederigheid. Zij vertrouwe niet te veel op zicli-zelve, maar bevele zich in alles aan God aan en, als het kan geschieden, vrage zij, bijzonder in moeielijke zaken, raad en hulp; bepaaldelijk bij personen, die haar als raadgevers of raadgeefsters zijn aangewezen, nl. de Kerkelijke Overste, de Rector des huizes, wien het is opgedragen haar met raad en daad bij te staan, en de Discreten.
2. Alle zusters, ook de leden van liet Dis-cretorie, de plaatselijke Oversten en andere, die een bediening hebben, ziju gehouden haar te eerbiedigen en te gehoorzamen.
3. Uitgenomen zulke bedieningen, welke dooide algemeene verkiezingen worden toegewezen, en het geval voorzien hiervoor in het Vdu Hoofdstuk § 3, art, 16, deelt zij de andere uit, hetzij alleen, hetzij met raad, hetzij met toestemming harer Discreten.
4 Zij zorgt, dat do archieven en fondsen behoorlijk bewaard, de inventarissen en registers bijgehouden en van een en ander nauwkeurige aanteekeningen gemaakt worden. Zij ziet toe.
93
tlat de gebouwen en andere versletene zaken op tijd hersteld worden. Zij zal jaarlijks vóór den lsten April aan hare Discreten in schrift nauwkeurig rekening doen van den tijdelijken of geldelijken toestand, zoowel van het Moederhuis als van de afdeelingen. Zij zal visitatie houden in de huizen der Congregatie, gelijk in het VIIIslt;e Hoofdstuk bepaald is.
5. Zij zal zelden penitentie opleggen op straf van zonde. Ook zal zij zelden gebieden uit kracht der Gelofte van Gehoorzaamheid, ofschoon de Regel met deszelfs wettige uitleg haar die macht toekent. Wanneer zij om gewichtige reden van deze macht gebruik maakt, zal zij met duidelijke woorden hare meening uitdrukken.
0. Dat zij zich bevlijtige door haar voorbeeldig gedrag de zusters tot de deugd aan te moedigen, en trachte overal den eerbied voor de Oversten, de liefde onder de zusters, den geest van eenheid en van hoogachting voor de Congregatie, den ijver voor het onderhouden van den Regel en de Constitutiën te bewaren en te vermeerderen. Dat zij waarlijk een moeder zij voor allen; zonder te vergeten, dat zij te gelijkertijd als Overste voor God verplicht is, alle zusters, zoowel die in bediening zijn als anderen, over hare fouten te berispen en te bestraffen ; zij wachte zich alzoo van te groote toegevendheid.
7. Dat zij ook toezie, dat geene koor- of leekezusters onder ijdele voorwendselen van arbeid of andere aanwezig zijn van de geestelijke oefeningen der Gemeente of door werkzaamheden,
94
welke de liefde of de nood niet vereischt, daarvan weerhouden worden.
8. In het schrijven van brieven en in andere bezigheden mag zij zich door hare Discreten laten helpen. De Discrete, welke zij zal laten helpen in het ontvangen en uitgeven van geld en anderszins, zal haar getrouw dienen. Als aan deze of een andere Discrete het ook wordt opgedragen met buitenlieden over tijdelijke zaken te spreken en te handelen, zal zij dit altijd heuschelijk en stichtend doen, en niemand door hare onvoorzichtigheid of schuld verwekken tot gramschap of kwaadspreken. Zij zal in de Gemeente geene nieuwstijdingen aanbrengen, tenzij duidelijk onschadelijk nieuws, dat tijdens de recreatie tot vermaak der Gemeente dienen kan.
9. Indien het noodig is om de algemeene belangen beter te kunnen bevorderen, is de Eerw. Overste ook bevoegd het bestuur van het Moederhuis door de Moeder-vicaris geheel of gedeeltelijk te laten waarnemen.
10. Zoolang zij in bediening is, zal zij in alle huizen der Congregatie de eerste plaats bekleeden. Wanneer zij ophoudt Eerw. Moeder te zijn en niet tot lid van het Discretorie gekozen is, zal zij plaats nemen achter de Discreten van liet Moederhuis en achter de plaatselijke Overste van het huis, waar zij is.
§6.
Regels voor de Moeder-Vicaris.
1. Na de Eerw. Moeder volgt de Moedervicaris, welke zal presideeren in de Gemeente,
95
als de Eerw. Moeder belet of afwezig zijn zal. Ingeval het beletsel of de afwezigheid langdurig is, kan de Eerw. Moeder haar aanstellen om de Congregatie te besturen; ook kan zij, gelijk hierboven gezegd is, haar het bestuur van het Moederhuis geheel of gedeeltelijk opdragen.
2. Wanneer de Moeder-vicaris voorloopig met de bediening der Eerw. Moeder belast is, zal zij geene buitengewone zaken beginnen, noch veranderingen invoeren. Wat haar te doen staat, indien de bediening der Eerw. Overste openvalt is hiervóór in § 3 art. 10 van dit Hoofdst. aangegeven.
3. De Moeder-vicaris, als hulp der Eerw. Moeder, zal zich jegens haar gedragen met alle liefde, eerbied en getrouwheid; zij zal den Regel en de Constitutiën en de geboden der Eerw. Moeder naarstig onderhouden. Zij zal niemand berispen of vermanen in de tegenwoordigheid der Eerw. Moeder, noch de zusters aanhooren, die tegen de Overste murmureeren.
4. Wanneer zij de plaats vervangt der Eerw. Moeder, zal zij niets tegen haar wil doen, en zal zij de zusters voor de gewone gebreken met goedheid en liefde vermanen, zonder die over te dragen aan de Eerw. Moeder. En de zusters zullen haar gehoorzaamheid en eerbied verschuldigd zijn.
5. Bij afwezigheid der Eerw. Moeder of Moeder zal in elk huis de eerste in rang der aanwezige koorzusters voorzitten in het koor, den refter,
96
iuu4w«wge- JiooHMnrteus i «iu- -koov,
lt;ikwi üMiftwif, het werkhuis en waar zulks verder kan te pas komen. Zij zal gehonden zijn de goede orde en manieren der Congregatie te doen onderhonden. Zij zal de voorvallende kleinere fouten met zachtheid verbeteren en de grootere zal zij aan de Overste zeggen.
De zusters, bij welke zij voorzit, zullen haar, wanneer zij te laat komen of vóór den bepaalden tijd zich moeten verwijderen, hiervan kennis geven, bv. door eerbiedig voor haar te buigen.
§ 7.
Regels voor de Discretm der Congregatie.
1. De Discreten zullen zich in de vergadering van het Discretorie gedragen, gelijk in § 4 van dit Hoofdstuk gezegd is.
Zij zullen zich geen gezag aanmatigen dan dat haar door de Constitutiën of de Overste o'eo-even is. Dat zn zich in alles als ware
O O quot;
Discreten voorzichtig en voorbeeldig gedragen en met de Eerw. Moeder toezicht houden op de religieuze tucht om met alle oprechtheid haar in het bestuur bij te staan. Zij zullen haar goeden raad geven en haar voorzichtig bekend maken, hetgeen zij zullen oordeelen het welzijn van het huis te raken. Als haar raad gevraagd wordt, zullen zij dien geven
97
naar God en geweten met allen ootmoed en eerbied.
2. Indien een zuster haar iets toevertrouwt om in het Discretorie voor te stellen, mogen zij zich daarmede belasten, maar in het Discretorie zullen zij den naam dier zuster geheim houden, tenzij de zaak anders niet konde behandeld worden. Ondertusschen zullen zij zulke zusters met weinige, maar goede woorden wegzenden en zich wel wachten van haar vóóraf onvoorzichtige beloften of toezeggingen te geven aangaande de beslissing, welke het Discretorie zal nemen.
3. Na de Meesteres der novicen zullen de twee overige Discreten in rang volgen naar
de orde van hare professie.
§ «â¢
Over het Bestuur der afhankelijke Huizen en Regels voor dat Bestuur.
1. Elk huis zal een Overste hebben, die Moeder genoemd wordt, aan welke de Eerw, Moeder zal toevoegen één of twee Discreten of Raadzusters, naar gelang van het getal leden der Gemeente.
2. Tot plaatselijke Overste of Moeder is verkiesbaar elke koorzuster, die vijf jaren geprofest en dertig jaren oud is en tot hare
98
Discreten zijn verkiesbaar de koorzusters, die twee jaren geprofest zijn. Hoe de plaatselijke Oversten worden aangesteld en ontslagen, zie in § 3 van dit Hoofdstuk,
3. Door hare aanstelling bekomt de Moeder het noodige gezag om hare Gemeente te besturen, en de zusters onder haar gebied zijn verplicht haar te gehoorzamen en te eerbiedigen. Alzoo rust op de Moeder groote verantwoordelijkheid. Moge zij op God en niet te veel op zieh-zelve betrouwend, zich steeds aan God aanbevelen en vooral in moeielijke zaken raad vragen.
4. Gelijk in dit Hoofdst. § 5 art. 2 is gezegd, moeten de Moeder en de zusters der afhankelijke huizen in alles, wat hare personen en bedieningen betreft aan de Eerw. Moeder gehoorzamen. De plaatselijke Overste, die zich be vlijtige in alles door een voorbeeldig gedrag hare onderhoorigen tot de deugd aan te moedigen, zal vooral in gehoorzaamheid aan de Eerw. Moeder een stichtend voorbeeld geven en hoogachting voor de Congregatie, voor de Algemeene Overste en het Moederhuis in boezemen.
5. Dat zij (de plaatselijke Overste) met de Eerw. Moeder in hare Gemeente den eerbied voor de Oversten, de liefde onder de zusters.
99
den geest van eenheid, den ijver voor het onderhouden van den Regel en de Constitutiën trachte te bewaren en te vermeerderen. Dat ze ook waarlijk een moeder zij voor allen, zonder haar plicht voor God als Overste te vergeten in het bewaken, vermanen, berispen en bestraffen. Zij zorge bepaaldelijk, dat geen koor- of leekezusters. onder ij dele voorwendselen van arbeid of andere, afwezig zijn van de geestelijke oefeningen der Gemeente, of door Averkzaamheden, welke de nood en de liefde niet vereischen, daarvan weerhouden worden.
G. Zij zal zelden penitentie opleggen op straf van zonde en zal en kan niet gebieden uit kracht der H. Gehoorzaamheid, dan als tusschenpersoon van de Eerw. Moeder in een bepaald geval.
7. Zij deelt de bedieningen uit in hare Gemeente, tenzij de Eerw. Moeder, die hare Discreten benoemt, meer of minder uitzonderingen daarop maakt.
Zij zal geene nieuwe eenigszins bezwarende bezigheden mogen aannemen of beginnen zonder vóórkennis en goedkeuring der Eerw. Moeder. Van deze bepaling zal zij onder geen voorwendsel of in geen geval hoegenaamd afwijken.
100
9. Om aan de Eerw. Moeder alle zes maanden, en zoo dikAvijls deze het verlangt, verslag te kunnen geven, zal de plaatselijke Overste aanteekeningen houden: over de gedane werkzaamheden, over het gedrag en de gezondheid van iedere zuster van haar huis, voor zoover over dit alles iets bijzonders valt op te merken; zoomede over de dispensation en uitzonderingen van den Regel en de Constitutiën, welke zij gemeend heeft te moeten of te mogen verleenen met de opgave der reden of redenen, welke voor die dispensatiën of uitzonderingen hebben bestaan; ook welke zusters in de spreekkamer zijn geroepen en om welke redenen; verder over alles, wat zij tot bevordering van het geestelijk en tijdelijk welzijn barer Gemeente zal vermeenen, dat de Eerw. Moeder behoort te weten. Men zal zorg dragen, dat de goede naam der zusters, die men heeft moeten vermelden in deze aanteekeningen, niet benadeeld worde in de Gemeente, en dat de aanteekeningen worden vernietigd, welke niet meer nuttig zijn.
10. De plaatselijke Overste zorgt, dat de aanwezige archieven en fondsen behoorlijk bewaard, de inventarissen bijgehouden en van een en ander behoorlijke aanteekeningen gemaakt worden. Zij zie ook toe, dat de gebouwen en versletene zaken op tijd hersteld worden, echter zonder
101
vóórkennis en goedkeuring der Eerw. Moeder mag zij geene buitengewone uitgaven doen voor gebouwen, reparation, meubelen en voor andere dergelijke zaken of om welke reden ook. Zij zal jaarlijks vóór één Maart aan de Eerw. Moeder zenden een behoorlijke rekening van de ontvangsten en uitgaven van haar huis, opgemaakt en geteekend door haar en harjt Discrcten.
11. Uitgenomen, wanneer de Eerw. Moeder aanwezig is, of eene zuster, die de plaats dei-Eer w. Moeder vervangt in de Visitatie, heeft de Moeder altijd de eerste plaats in hare Gemeente. Buiten hare Gemeente zal zij volgen na de Discreten van het huis en onder elkander â indien er meer zijn â zullen zij houden de orde barer professie.
12. Ten minste eens in de maand vergadert de plaatselijke Overste met bare Discrete of' Discreten, om haar over alle zaken van eenig gewicht te raadplegen. De Discreten zullen in de vergadering bescheiden haar gevoelen zeggen; zij mogen zich echter niet ontevreden toonen, als de Moeder haar gevoelen niet volgt. Zij moeten ook zorgvuldig geheim houden, wat haar is toevertrouwd, en nooit daarvan met andere zusters spreken, en zelfs onderling buiten de vergadering daarop niet lichtvaardig terugkomen.
102
13. De Discrete of Discreten der afhankelijke huizen moeten alle zes maanden aan de Eerw. Moeder een onpartijdig verslag geven van de wijze, waarop de plaatselijke Overste zich van hare plichten kwijt. In dit verslag zal men ook voegen al datgene, wat men voor God oordeelt nuttig te zijn, dat aan de Eerw. Moeder worde bekend gemaakt.
14. In geval van overlijden of afwezigheid der plaatselijke Overste, alsmede wanneer zij verhinderd is, zal de eerste der Discreten, en indien ook deze verhinderd is, de tweede voorloopig met hare bediening belast zijn. In deze orde zullen zij ook steeds in de Gemeente, waar zij zijn aangesteld, volgen na de Moeder van het huis of na een gewezene Eerw. Moeder.
15. De Discreten zullen zich geen ander gezag aanmatigen dan dat, hetwelk haar opgedragen is, en zij worden ten strengste aangemaand zich altijd zeer eerbiedig jegens de Moeder te toonen, geheel met haar in geest en handelingen vereenigd te zijn en door nederige onderwerping aan haar wil en door stipte naleving der Regels en Constitutiën en wettige gebruiken van het huis aan anderen tot voorbeeld te strekken.
103
II Afdeeling.
Over de Volgorde der Zusters buiten het Bestuur. Over het Onderscheid tusschen Koor- en Leekezusters. Regels voor eenige Bedieningen buiten het Bestuur. Met een Aanhangsel:
Regels betreffende de Dienstboden.
§ 1-
Over de Volgorde der Zusters buiten het Bestuur en over het Onderscheid tusschen Koor-en Leekezusters.
1. De geprofeste koor- en leekezusters buiten het Bestuur â uitgezonderd alleen de gewe-zene Eerw. Moeders â volgen door elkander naar de orde harer professie.
2. De leekezusters zijn ten lste, wel gebonden tot het onderhouden van het slot, maar de Overste des huizes kan haar bepaald of onbepaald verlof' geven, oin buiten het slot te gaan in de plaatsen, welke binnen de omheining van het klooster gelegen zijn.
Zij zijn ten 2de niet voor het koor geprofest, en ten 3do, niet verkiesbaar tot leden van het bestuur en in geen geval stemgerechtigd. Overigens zijn zij in alles gelijk aan en met de koorzusters wegens tafel, bed, kleeding enz.
3. De koorzusters en leekezusters zullen elkander zonder onderscheid beminnen en dienen, en ook bereidwillig gehoorzamen, wanneer
104
de Overste de eene over de andere in zekere bezigheden zal aanstellen.
§ 2.
Regels voor sommige Bedieningen buiten het Bestuur.
1. Algemeene regels voor de werkzaamheden der zusters zijn gegeven in § 5 van het VI Hoofdstuk.
2. De zuster of zusters, die belast is of zijn spijs en drank te bezorgen, zullen dit zonder de toestemming der Overste nooit doen, maar zij zullen beleefd en vriendelijk en zonder teekenen van afkeuring geven wat toegestaan is.
3. In elk huis, waar de Eerw. Overste het nuttig oordeelt, zullen zijn een zuster portierster buiten- en een andere binnen het slot. Indien twee portiersters worden aangesteld, zal de Eerw. Moeder bepalen, waarmede elke der twee portiersters in 't bijzonder belast is.
De portierster buiten het slot zal hoogstens één jaar aehtereenvolgens in hare bediening blijven, waarna zij minstens gedurende drie maanden door een of meer andere zal worden vervangen.
Deze portierster zal alle eerst aankomende zaken, personen, brieven of mondeling gedane boodschappen ontvangen en aan de Overste onmiddellijk ter kennis brengen. Zonder
105
haar verlof zal zij nimmer aan iemand laten blijken, wat zij aan de poort of in de spreekkamers vernomen heeft, noch daarover met iemand spreken, noch boodschappen doen van zusters aan buitenlieden. Ook zal zij zonder vóórkennis en verlof der Overste niemand in de spreekkamer roepen. Zij vergete nooit, dat zij kan zondigen met geheime zaken van het klooster en van de zusters bekend te maken. Indien zij hierin misdoet, zal zij naar mate der overtreding gestraft of afgezet worden. Dat zij beleefd en vriendelijk zij en in alles omzichtig, steeds zedig en nooit uitgelaten. Zij spreke of lache nooit luidruchtig en, wanneer er meer zusters aan de deur zijn, dat ze dan niet te gelijk spreken. Zij zal zich steeds spoeden om niemand aan de deur te laten wachten. Altijd blijve zij geduldig, al wordt zij herhaaldelijk om kleine zaken aan de bel geroepen, en welwillend jegens eenieder, maar vooral jegens de armen. Deze zal zij met toelating der Oversten bijstaan met milde aalmoezen volgens de middelen der Gemeente en hen troosten met goede woorden, als zij niets te geven heeft.
Zij zal zeer dankbaar zijn jegens degenen, die iets brengen hoe weinig ook, aangezien niemand verplicht is iets te geven dan uil goedgunstigheid en ter liefde Gods. Zij zal
106
hen ootmoedig danken, zeggende: âGod zij uw loonquot;.
Dat zij vooral zich wachte van bijzondere vriendschappen, hetzij met geestelijken of met wereldlijken; van nieuwsgierigheid in wereldlijke dingen te vragen of te hooren en van langdurige en nuttelooze gesprekken. Zij zegge en verbale niets aan hare medezusters, wat niet behoort.
De personen, die in de spreekkamer worden toegelaten, zal zij beleefd daarheen wijzen of brengen, hun den naam vragen en daarna zal zij de Overste venvittigen.
Indien deze toestemt, dat een gevraagde zuster naar de spreekkamer gaat, zal de portierster haar niet luidop, maar stilletjes persoonlijk roepen. Indien de Overste het niet toestaat, zal zij (de portierster) zulks aan den persoon in de spreekkamer beleefd aankondigen, maar aan de gevraagde zuster niets bekend maken. Ontvangt de portierster zelve onverwacht bezoek van bloedverwanten of andere personen, dan zal zij hen naar de spreekkamer geleiden, maar vervolgens zonder toeven de Overste verwittigen en hen niet meer dan achter de tralie spreken.
4. De kosteres zal bezorgen hetgeen noodzakelijk is voor het altaar en in de sacristie en verder alles, waarmede de Overste haar zal belasten.
107
Zij zal zich benaarstigen, dat in alles, lijnwaad, kasuifels, het altaar, de kerk enz., de netheid uitschijnt. Zij zal niets mogen uit-leenen zonder uitdrukkelijk verlof der Overste. Zij zal zich beleefd en ootmoedig gedragen jegens de Priesters en hetgeen noodig is voor de kerk of kapel en het altaar gedienstig geven. Wanneer er een priester in de sacristie is, zal zij daar niet verwijlen dan om de noo-dige zaken te geven en ze met teekenen aan te wijzen, tenzij eenige weinige woorden volstrekt noodzakelijk waren.
Voor het overige zal zij de sacristie verlaten, en in geval iemand haar langer wil spreken, zal zij beleefd verzoeken in de spreekkamer te komen of zeggen, dat het spreken aldaar haar uitdrukkelijk verboden is. Zij lette immer op zich-zelve, opdat zij in de kapel en sacristie zich steeds eerbiedig, ingetogen en stichtend gedrage. Zij zal daar hare bezigheden in stilte verrichten en niet noodeloos en slechts met zachte stem spreken.
5. Een of meer zusters zullen heiast zijn met de zonj der kleederen, opdat deze naar be-hooren gewasschen, hersteld, bezorgd enz. worden, terwijl het aan niemand toegelaten zal zijn zonder verlof der Overste in het bijzonder te wasschen.
Zij zal of zij zullen, met inachtneming van
108
hetgeen in Hoofdstuk II § 2 art. 5 al. 3 is voorgeschreven, het noodige linnengoed en andere kleederen uitdeelen aan de zusters, die alle weken van lijnwaad zullen veranderen en die het gebruikte op den gestelden tijd op de bestemde plaats zullen brengen, zonder iets daarvan in hare cellen te behouden.
Overigens zullen zij of zal zij zich in hare bediening en uitdeeling moeten gedragen volgens de schikking der Overste, die de zusters met Franeiscaansehe matigheid van het noodige zal voorzien, en niets ter hare beschikking geven of laten zal dan redelijkerwijze noodig is.
6. Indien andere bedieningen worden ingesteld, als van onderwijzeres en dergelijke, voor welke bijzondere regels dienstig zijn, zal de Eerw. Moeder deze van den Kerkdijken Overste verzoeken.
AANHANGSEL.
Reyels betreffende de Dienstboden.
1. Zonder vóórkennis en toestemming der Eerw. Moeder zal men in geen huis vaste dienstboden houden.
2. Zij zullen niet in het huis mogen vernachten, tenzij op een geschikte en genoegzaam afgescheidene plaats.
3. Men zal letten op derzelver ouderdom, zedelijk gedrag en manieren en zorgen ver-
109
trouwbare en bekwame personen te hebben, aan wie men de zorg van datgene, waarvoor zij gesteld zijn, kan en in de boerderij ook zooveel mogelijk zal overlaten.
4. Men zal hun voorzichtig laten weten, dat zij geene boodschappen van bijzondere zusters mogen aannemen.
5. Dat men hen ook onderrichte, op welk uur zij binnen moeten zijn, wanneer zij de deuren moeten sluiten, op welke plaatsen zij mogen komen, tot wien zij mogen spreken en welke werken zij moeten verrichten.
6. Men voorkome, dat zij niet met reden kunnen klagen. Al moet men zich hierin ook van overdrijving wachten, men geve en be-handele hen in alles toch met zooveel liefde en mildheid, dat alle brave dienstboden er prijs op stellen in dienst te kunnen blijven.
VI HOOFDSTUK.
Over de Manier om binnen en buiten het Klooster te verkeeren.
§ 1
O oer het Slot.
1. Tot het jaar 1844 was in deze Congregatie geen slot, maar bestond voor de zusters het volgende voorschrift, dat zij ook thans en te allen tijde wel ter harte zullen nemen; âZij zullen het slot des harten onderhouden, door in de eenzaamheid en in vereeniging met God te blijven en het schuwen van veel verkeeren en spreken niet alleen met wereldlijke personen en vrienden, maar ook met bijzondere zusters, daar de zuiverheid des harten â dat het oog is, waarmede men God ziet â lichtelijk verloren gaat door veel spreken en verkeeren niet alleen met wereldlijke maar ook dikwijls met geestelijke personen, aan wie men zich met eene natuurlijke genegenheid zou hechtenquot;. â Geheel overeenkomstig den Regel van Paus Leo X, die het slot toelaat, en de voorschriften van latere Pausen aangaande het slot heeft de Kerkelijke Overste in 1844
Ill
bepaald, dat de zusters in het vervolg het slot zullen onderhouden, hetgeen de zusters ook gaarne hebben aangenomen als tot de kloostertucht behoorende en om de menigvuldige geestelijke voordeden, welke het aanbrengt. Immers met het slot valt het veel gemakkelijker om te onderhouden, wat hierboven uit de vorige Constitutiën is overgenomen, om de wereldsche verstrooidheden en gevaren te vermijden en met ingekeerdheid des geestes God alleen te dienen en te beminnen; in een woord, om zoo rein en brandende van liefde voor God te leven, dat men met den H. Vader Franciscus zeggen kan: âMijn God en alquot;.
De zusters dezer Congregatie zullen derhalve het slot als het sieraad harer kloosters en als een der grootste middelen harer volmaaktheid beschouwen, hetzelve hoogachten en nauwkeurig onderhouden, gelijk het in deze Constitutiën is voorgeschreven, of door de Kerkelijke Oversten naar omstandigheden zal worden gewijzigd, hetzij zij een strenger of minder streng slot zullen voorschrijven. Opdat de zusters de verplichtingen van het tegenwoordige slot wel zouden kennen, volgen hier de voorschriften over de plaatsen, welke onder het slot begrepen zijn, over het binnenlaten van vreemden en over het uitgaan der zusters.
112
Voorschriften over de plaatsen, die onder het slot begrepen zijn.
2. De plaatsen, welke in elk klooster onder het slot, zijn begrepen, zijn die, welke als zoodanig door den Kerkelijken Overste of zijn Gemachtigde aangewezen zijn of zullen aangewezen worden. Tot deze zullen op de eerste plaats behooren de refter, de keuken, de werk-plaats, de slaapzaal, het ziekenhuis, het kapittel, het koor, de bidplaats en de tuin der zusters.
3. De deuren en andere toegangen, waardoor men komt in het slot, zullen, zoo dikwijls dezelve worden geopend, wederom aanstonds worden gesloten. Indien geen genoegzame reden anders vereischt, zullen deze toegangen met het nachtslot worden afgesloten : de hoofdingang van 's avonds half negen en alle overige van zons ondergang tot 's morgens half vijf.
4. Men zal niet voor- of in de geopende toegangen blijven staan om gesprekken te houden. Indien het noodig is, zal men door de tralie of rol spreken.
5. De vensters van de cellen en van andere vertrekken, die tot het slot behooren, zullen zoo geplaatst worden, dat dezelve niet op een openbare straat uitkomen. Waar dit niet gevoeglijk kan geschieden, zullen ze zoo bedekt
113
blijven, dat de zusters de voorbijgangers en de voorbijgangers de zusters niet kunnen zien.
Kan ook dit voorschrift niet volkomen uitgevoerd worden, dat dan de zusters zich wachten van. voor de vensters te blijven staan.
G. De tuin der zusters zal afgesloten zijn met een muur of ten minste met een dichte heg of' afpaling, en daarenboven met een gracht, als het gevoegelijk kan geschieden.
7. In de kerk des kloosters, indien deze voor personen van buiten toegankelijk gesteld wordt, zal er een afgesloten plaats zijn voor de zusters.
8. Men zal rollen en ijzeren of houten traliën plaatsen om daardoor een of ander over te reiken of om te spreken met buitenlieden. De traliën zullen hebben kleine vierkante openingen en voorzien zijn van een schuif, deur of dichte gordijn. Er zal in de tralie mogen zijn een klein vensterke.
9. Het zal goed zijn, de plaatsen binnen het slot, waar de werklieden dikwijls noodig zijn, als bergplaatsen, zoo in te richten, dat dezelve toegangen hebben van buiten- en van binnen het slot, en dat zij zonder hinder voor de orde in het klooster van de overige plaatsen binnen het slot kunnen afgesloten worden, alsmede dat de buitenlieden van uit die plaatsen de zusters in het slot niet kunnen zien. In
114
deze plaatsen mogen buitenlieden vrijelijk toegelaten worden, zoolang zij aan den kant van het slot afgesloten zijn en blijven met Moten, wier sleutels de Moeder alsdan zal beAvaren.
Welke personen men wel en welke personen men niet mag binnenlaten.
10. In de plaatsen, onder het slot begrepen, mogen geene personen, mannen of vrouwen, priesters of wereldlijken, zelfs geene kinderen, hoe jong ook, binnengelaten worden dan om werkelijke reden met verlof der Moeder.
Alzoo mogen binnengelaten worden; de
sfeneesheer om zieken te bezoeken; de Biecht-
1 â¢â¢
vader of Priester met zijn dienaar, wanneer hij noodig is om de zieken bij te staan en de H.H. Sacramenten toe te dienen, alsmede om bij gelegenheid der begrafenis het lijk af te halen en de plechtigheden op de begraafplaats te verrichten; de noodige werklieden voor werkzaamheden, welke de zusters niet gevoeglijk kunnen doen en in andere dergelijke gevallen.
Ook mogen de Oversten personen met wereldlijk gezag bekleed binnenlaten, wanneer zij ambtshalve vergen het klooster te bezichtigen; nochtans in zulke gevallen zullen de Oversten, wanneer de tijd het toelaat, verdere onderrichting vragen aan den Kerkelijken Overste.
11. De Overste of een door haar aangestelde zuster zal den geneesheer of den Biechtvader
115
zonder omwegen dooi* de gangen en vertrekken heen- en teruggeleiden naar- en van de zieken. Laat men den Biechtvader naar de ziekenkamer gaan, zonder dat hij door gangen en vertrekken binnen het slot moet komen, dan zal men hem niet behoeven te begeleiden, maar de ziekenverpleegster in tijds waarschuwen.
12. De ziekenverpleegster zal gedurende het bezoek van den geneesheer bij de zieken zijn, om zijne orders te ontvangen; en'terwijl de Biechtvader de biecht der zieke zusters hoort, zal zij zich ver genoeg verwijderen om niets te hooren, maar toch in de nabijheid blijven, om aanstonds hulp te kunnen bieden, als deze noodig is.
13. Ook de werklieden zullen zonder omwegen naar hun werk gebracht worden, uitgenomen de dienstboden en vaste daglooners en de werklieden, die meer langdurige werkzaamheden binnen het slot hebben : aan deze mas
; O
de Overste voor bepaalden tijd aanwijzen, waar zij mogen komen om hun werk te doen; maar zij legge hun alsdan op en late toezien, dat zij (de dienstboden en andere werklieden) telkens den toegang tot het slot achter zich sluiten, zoo dikwijls zij in- en uitgaan.
14. De Overste of een andere gestelde zuster zal aan de werklieden de noodige aanwijzingen voor hun werk doen, echter zonder nutteloos
116
vertoeven. Geenc der zusters mag zonder uitdrukkelijk gebod of verlof der Overste met de werklieden gesprekken houden of er bij blijven om het werk na te zien ; maar, wanneer het noodig is, mogen zij alleen met weinige woorden vragen en antwoorden. Kan het worden voorzien, dat men langer dan tien minuten erbij zal moeten blijven, dan zullen zij minstens met twee te zamen zijn.
15. Als personen in het Slot komen, dat de zusters verre van te blijven staan om hen te zien, zelfs op passende wijze hen ontwijken om niet gezien te worden, opdat zij door deze voorzorgen altijd een grooten eerbied voor het Slot bewaren en den vreemden geene gelegenheid geven binnen het Slot zonder nood te spreken of naar plaatsen te gaan, waar zij niet noodig zijn.
16. Waar scholen zijn binnen het Slot, zullen de kinderen in deze mogen kómen, maar niet verder dan in de bestemde plaatsen, in welke ook zullen worden toegelaten de Pastoor en anderen, die daar noodig of' nuttig kunnen zijn, niet echter de Ouders en anderen, die de scholen willen bezoeken. 'Dezen zal men vriendelijk naar de spreekkamer verwijzen.
17. Personen, die, zonder het te mogen, de afsluiting overschrijden, zullen verzocht worden zich te verwijderen.
117
Over het uitgaan der zuster en hoe zij zich op reis moet gedragen.
19. De koor- en leekezusters zullen niet buiten het Slot mogen gaan dan in de volgende gevallen:
Ten lslc, om brand, overstrooming van water, gevaar van vijanden, besmettelijke ziekten en andere dergelijke onheilen te ontvluchten ;
Ten 2de, de Eerw. Moeder om op den gewonen tijd of' om bijzondere reden Visitatie te houden in de huizen der Congregatie, alsook de zusters, welke zij daarmede belast. Die Visitatie houden, mogen met de plaatselijke Overste en een andere zuster der Gemeente alle plaatsen, als stallen, schuren enz., die van het klooster afhangen, bezoeken;
Ten 3de, de plaatselijke Oversten, om de j aarlij ksche retraite in het Moederhuis bij te wonen, indien de Eerw. Moeder haar dit toestaat ; alsmede zij en andere stemgerechtigde zusters, om in het Moederhuis deel te nemen aan de algemeene verkiezingen;
Ten 4de, Avanneer de zusters naar een ander klooster verplaatst worden;
Ten 5dc, wanneer eene zuster buiten het Slot en de omheining van het klooster mag gaan, dan behoeft men van den Kerkdijken Overste geen verlof te vragen voor de zuster, die haar
118
moet vergezellen; alsmede niet voor een derde, in geval eene zuster anders alleen zou moeten
terugkeeren.
Om in andere dan deze vijf gevallen buiten het Slot en de omheining van het klooster te gaan, zullen zoowel de Oversten als de andere zusters verlof moeten bekomen van den Kerke-lijken Overste. De Overste van het klooster eehter mag aan de leekezusters toestaan te gaan buiten het Slot in de plaatsen binnen dc omheining van het klooster, om daar haar werk te doen. Ook zij-zelve mag in alle plaatsen binnen de omheining komen, maar zij zal dit niet doen dan om een goede reden, als om Visitatie te houden, om het werk aan te wijzen of na te zien en nooit om gesprekken te houden, die zij evengoed achter de tralie houden kan. Zij mag zieh alsdan van een andere koorzuster laten vergezellen.
29. Overigens kunnen de Oversten aan koorzusters nog verlof geven om buiten het Slot binnen de omheining te komen in de gevallen, waarvoor- en met inachtneming der bepalingen, waaronder de Kerkelijke Overste haar hiertoe macht gegeven heeft of geven zal. Zoo kunnen zij thans toestaan, dat koorzusters buiten het Slot gaan, om het lijk eener overledene zuster in de kerk van het klooster te brengen en daaruit af te halen, alsmede oni
119
te helpen bij gelegenheid der kleeding en Professie.
20. Voor elk klooster wordt bepaald, welke plaatsen binnen de omheining mogen geacht worden.
21. Wanneer de Overste de leekezusters binnen de omheining haar werk lant doen, zullen de volgende regels worden in acht oenomen: de zusters zullen daar in liet gezicht der bezoekers geene werkzaamheden vorrichten, welke minder passend aan haar staat kunnen schijnen; zij zullen slechts komen, waar het voor haar werk of de uitoefening li are r bediening uoodig of nuttig is en alle gesprekken met dienstboden en buitenlieden vcmijden, in zoover dit gevoeglijk kan geschieden. De Moeder zal zorgdragen, dat de leekezusters zoo zelden mogelijk komen in het Luiten het Slot gelegene gedeelte der boerderij en derhalve, dat zij daar haar weg niet meer nemen, dan noodig is en geene werkzaamheden verrichten, welke daar meer passend door de dienstboden of andere personen kunnen gedaan worden.
Een zuster, die zonder voorafgaand verlof' in het buiten het Slot gelegene gedeelte der boerderij geweest is, zal de reden hiervan aan de Moeder te kennen geven, uitgezonderd zijn de gevallen, welke uit hare bediening of het
O O
haar opgelegde werk als van zelf volgen.
120
22. Geen zuster der Congregatie zal op reis mogen gaan zonder gebod der Eerw. Moeder, die voor grootere reizen zulk gebod gewoonlijk in schrift en met duidelijke bepalingen geven zal.
Wanneer de zusters naar een ander huis verzonden worden of om andere wettige reden voor langeren tijd eene Gemeente verlaten, zullen zij vriendelijk afscheid nemen van hare medezusters en ootmoedig hare gebeden Verzoeken. In het huis der Congregatie, waar zij komen, zullen zij de Overste en de medezusters beleefdelijk groeten, en door haar als zusters ontvangen worden.
23. Zij zullen altijd met twee of meer te zamen reizen, tenzij in een bijzonder geval de Kerkelijke Overste anders veroorlove of dringende noodzakelijkheid anders vereische. Onderweg, waar zij iets te doen hebben, zullen zij niet van elkander scheiden. Buiten de huizen der Congregatie zullen zij gehoorzamen aan de eerste in rang of volgorde onder haar.
24. Zij zullen zich overal zeer welvoegelijk, stichtend en godvruchtig gedragen, niets doen tegen of buiten den wil der Oversten en van de geschikte gelegenhederr gebruik maken om te bidden. Over straat gaande, zullen zij de oogen zedig nederslaan en het stilzwijgen onderhouden; alleen onder elkander zijnde.
121
mogen zij samen spreken, maar met vreemden zullen zij gewoonlijk aan de eerste onder haar het woord laten. Stil en minzaam zijnde in woorden en manieren en tevens geduldig in alle ongelijk en stuurschheid, zullen zij aan ieder een goed voorbeeld geven.
25. Indien zij op lange reizen o^langdurige afwezigheid in vreemde huizen moeten verblijven, zullen zij zieh wachten van eenige vrijheid in haar omgang te toonen, vooral met ongelijke personen. Ook in dergelijke huizen zullen zij behoorlijken tijd aan het gebed besteden en zich niet van elkander scheiden. Om geene hoegenaamde reden, tenzij alleen uit nood zal het geoorloofd zijn aan de zusters, die op reis zijn van den weg, haar gesteld af te wijken ; bloedverwanten, kennissen of plaatsen te bezoeken of langer uit te blijven, dan haar door de Eerw. Moeder is voorgeschreven. Die zich zouden verstouten dit voorschrift te overtreden of die anderszins op reis zich niet behoorlijk zouden gedragen, zullen als ongehoorzamen streng gestraft worden.
§ 2-
Over de Spreekkamers en de Brieven.
1. De spreekkamers met alles, wat dient voor het gebruik van buitenlieden, behooren te zijn passend voor een beleefde ontvangst.
122
maar tevens eenvoudig en zonder het minste uiterlijk vertoon.
2. De vrije tijd van spreken voor de tralie met iemand van buiten het klooster is bepaald van 's morgens acht tot elf ure en na den middag van een tot vier ure. Te elf en vier ure zal daarom een teeken met de bel gegeven worden. Op de zon- en feestdagen door het jaar wordt geene vrije tijd van spreken met iemand van buiten toegestaan, tenzij om dringende reden naar het oordeel der Overste, en op alle Woens-, Vrij- en Zaterdagen door het jaar, alsmede gedurende den Advent en de Groote; Vaste zal men de bezoeken zooveel mogelijk trachten te voorkomen. Tot vermijding van ongenoegen zal men de bloedverwanten en kennissen met deze bepalingen in kennis stellen.
3. Dewijl de portierster zonder verlof der Overste aan niemand mag laten blijken, wat zij aan de poort of in de spreekkamers vernomen heeft, noch daarover met iemand mag spreken, noch boodschappen mag doen voor de zusters aan buitenlieden, zoo mag geene der zusters haar vragen, wie aan de poort of in de kamers geweest is, noch welke zaken er verhandeld of welke gesprekken er gehouden zijn ; noch haar boodschappen voor buitenlieden opdragen.
123
4. Een zuster zal nooit met iémand der bloedverwanten en andere wereldlijke personen, die haar bezoeken, mogen spreken zonder permissie van de Overste, Als zij die permissie bekomen heeft, zal zij, alvorens naar de spreekkamer te gaan, telkens moeten wachten, totdat de Moeder of wel zich-zelve in persoon of wel een andere zuster haar zal hebben toegevoegd ; welke zuster moet achtgeven op de gesprekken en redenee ringen, die er gehouden worden en waarvoor zij moet verantwoorden aan de Moeder om alzoo allen schadelijken invloed te weren en af te wenden. In dit punt zal de Moeder niet ontslaan dan in eenige gevallen, wanneer zij weet, dat een geprofeste zuster om zaken van hare bediening voor korten tijd in de spreekkamer geroepen wordt. Maar zoowel de Oversten als de anderen zullen daarheen niet gaan zonder gezellin, om personen te ontvangen, noch om met hen te spreken, die haar als bloedverwanten of kennissen bezoeken.
5. Terwijl de zusters spreken, mag de gordijn, deur of scliuif der tralie open zijn, maar zij zullen in hare oogen, woorden en manieren eene stichtende zedigheid bewaren. Vooral moeten zij zich wachten van te spreken over zaken, die het klooster of de zusters aangaan met personen, die daarmede niet noodig hebben.
124
zoomede van iets te zeggen tegen de liefde, en van nieuwsgierig navragen van wereldlijk nieuws. Zij zullen zich ook vrij bewaren van bekommernissen aangaande den voor- of tegenspoed der bloedverwanten. Wanneer zij hun voorspoed vernemen, zullen zij zich daarover niet verheffen, of dwazelijk verheugen, maar God bedanken en bidden, dat de aardsche voorspoed hun niet tot eeuwig nadeel zij. Hooren zij hun tegenspoed, dan zullen zij zich niet bedroeven, alsof zij geen geloof en hoop hadden, doch tevreden zich aan Gods H. Wil onderwerpen, die ook het kwaad ten goede keert voor die op Hem vertrouwen; aan de bloedverwanten zullen zij met troostende woorden haar gebed beloven.
6. De zusters mogen in de spreekkamer niet eten of drinken. Zij mogen daar niet langer blijven, dan noodig is. Wanneer het teeken gegeven wordt, zullen zij met beleefde woorden de samenspraken afbreken en weggaan. Zulke nauwgezetheid zal stichten.
7. De zusters zullen indachtig zijn, dat zij de wereld verlaten en zich tot het onderhouden van het Slot verbonden hebben, om met ingekeerdheid van geest God te dienen en dat deze ingekeerdheid door de bezoeken der bloedverwanten gevaar lijdt. Zij zullen derhalve alle gehechtheid aan hare bloed- en
125
aanverwanten en kennissen matigen, om daardoor niet verontrust of verstrooid te worden. Zij zullen het als strijdig met den geest harer instelling beschouwen zulke bezoeken zeer te verlangen en zelfs gepaste middelen aanwenden om maar zelden bezocht te worden. Diensvolgens zullen de zusters niet dan om geheel buitengewone reden op meer dan twee achtereenvolgende dagen met dezelfde bloedverwanten of kennissen mogen spreken. Ook zullen zij hare bezoekers niet mogen uitnoodigen een tweeden dag te blijven zonder verlof'der Overste, die belast is veelvuldige en langdurige bezoeken niet toe te laten en te voorkomen.
8. In elk klooster dezer Congregatie mag men slechts die personen laten overnachten, voor wie de Kerkelijke Overste zulks aan dat klooster heeft toegestaan of toestaan zal.
9. Dewijl de geest van ingekeerdheid ook lijdt, indien men met bloedverwanten en kennissen veel briefwisseling onderhoudt, zoo zullen de zusters zonder bijzondere reden slechts zelden in het jaar brieven verzenden en er niet op gesteld zijn tijdingen te ontvangen.
10. Niemand der zusters mag éen brief schrijven, verzenden of ontvangen zonder verlof der Moeder, aan wie alle aangekomene en te verzenden brieven moeten getoond worden en die dezelve naarstig zal lezen, tenzij zij in
126
sommige gevallen het betamelijk oordeele dit niet te doen. Bij het lezen zal zij o. a. toezien of de te verzenden bineven een goeden indruk zullen maken bij de lezers en de achting voor het kloosterleven vermeerderen.
11. Alle zusters, waar zij ook verblijven, mogen schrijven aan den Kerkelijken Overste en aan de Eerw. Moeder, als zij dit in het belang van het huis of van hare personen noodig of raadzaam oordeelen. De Moeder â ook de Eerw. Moeder, voor zoover het de brieven aan den Kerkelijken Overste betreft â zullen het recht niet. hebben die brieven te lezen of de verzending te weigeren of te vertragen ; de zuster zal denzelven gesloten overhandigen aan de Overste, die den inhoud niet mag vragen of trachten te weten, noch zich daarover bekommeren.
12. Ingeval een zuster om beuzelingen dikwijls aan de Eerw. Moeder zou schrijven, zal zij haar hierover vermanen.
13. De brieven van den Kerkelijken Overste of van de Eerw. Moeder, welke aan een zuster gericht zijn, moeten haar gesloten overhandigd worden.
14. Mogen alle zusters de regelen in deze § gegeven, â al vallen zij misschien zwaar â met liefde aannemen, en door haar voorbeeld â de Oversten ook door hare vermaningen â
127
samenwerken, dat zij getrouw worden nageleefd. Dat zij vooral den geest dezer regelen in het oog houden, welke voornamelijk is, den geest van onthechting en ingekeerdheid in de Congregatie te bewaren. Dat zij zich daarvoor gaarne geweld aandoen naar het voorbeeld van den H. Vader Franciscus, die zelfs om de verwenschingen zijns vaders de levenswijze niet verliet, welke hij ter liefde van den gekruisigden Jesus had aanvaard, al vielen hem deze verwenschingen â gelijk hij latei-verklaarde â smartelijker dan elke andere beschimping en smaad,
§ 3.
Over de Slaapzaal.
1. De zusters zullen allen op de slaapzaal slapen. Alleen wegens ziekte of om andere wettige reden mag hierop uitzondering worden gemaakt. De slaapzaal zal gesloten zijn 's avonds te negen ure en er zal den geheelen nacht licht branden. Te negen ure zullen allen, die niet wegens wettige verhindering verlof' hebben later te gaan slapen, zich te ruste hebben begeven. De zusters en novicen zullen slapen in de tuniek. Niemand zal zonder verlof de slaapzaal verlaten, voordat er des morgens gewekt is.
2. Niemand zal gaan in de cel van een
128
andere zuster zonder toestemming der Overste, tenzij om dringende reden, welke men later aan de Overste zal te kennen geven.
3. Alleen de cel van de Moeder mag met een slot gesloten zijn.
4. De Oversten zullen toezien, dat de zusters hare cel zuiver en ordelijk bewaren en dat de cellen van haar, die zelve wegens ouderdom of om andere reden het niet kunnen doen, door anderen zuiver en in orde gehouden worden.
5. De zusters zullen hare cellen in orde brengen, eer zij zich naar het morgengebed begeven of, indien het dan wegens gebrek aan tijd of om een andere reden niet kan geschieden,
dp een tijd, door de Overste te bepalen.
§ 4-
Over den Refter.
1. Op de gestelde tijden,* als het teeken wordt gegeven, zullen de zusters naar den refter gaan. Daar zullen zij staande of â als het gevoeglijk kan geschieden â geknield wachten, totdat de Presidente het teeken zal geven en zij zelve of de hebdomadarisse de psalm âDe profund isquot; en de gebeden vóór tafel zal beginnen.
2. De gebeden vóór en na het middag- en avondmaal zullen geschieden in het latijn en volgens den Roomschen Brevier. Vóór en na
129
het ontbijt en de collatie zal men één âPater nosterquot; en één âAve Mariaquot; bidden en vóór de collatie daarenboven de bede: âV. Benedicite. R. Cibum et potum ancillarum suarum benedicat Rex Angelorum. In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. R. Amen.
3. Wie onder het gebed vóór het ontbijt, middag- of avondmaal in den refter komt, zal alleen den grond kussen, maar wie na dit gebed komt, zal daarenboven geknield blijven, totdat zij een âOnze Vaderquot; en een âWees Gegroetquot; gebeden heeft en de Presidente haar het teeken geeft om naar haar plaats te gaan.
4. Niemand mag zonder verlof der Overste uit den refter blijven of hem, voordat de dankzegging geëindigd is, verlaten.
5. Aan tafel zal men lezen de levens der Heiligen en andere godvruchtige boeken en geschriften en de zusters zullen aandachtig aanhooren, opdat, terwijl zij de nooddruft voor het lichaam nemen, hare onvergelijkelijk kostbaardere zielen geestelijke spijs ontvangen.
G. Deze lezing zal in den regel gedurende een aanmerkelijk gedeelte tijds van het ontbijt, middag- en avondmaal worden voortgezet en gedurende den overige^ tijd zal het stilzwijgen onderhouden worden; uitgezonderd zijn eenige gevallen, nader bepaald in § 9 van dit Hoofdstuk. waarin de Overste aan de zusters verlof
130
mag geven op zedige wijze met elkander te spreken.
7. De Overste zal de boeken voor de lezing in den refter aanwijzen, tenzij de Eerw. Moeder, om meerdere gelijkvormigheid in alle huizen te bewaren, goedvindt dezelven voorte schrijven.
8. De Overste zal zorgen, dat de zusters gezond en genoegzaam voedsel ontvangen, zoo nochtans, dat de Franciscaansche armoede zelfs op de feestdagen, zoowel in de hoedanigheid der spijzen als in het getal gerechten onderhouden worde.
9. Uit liefde van de H. Armoede zal ook alle tafelgerief hoogst eenvoudig zijn en zonder eenige overvloed op tafel geplaatst worden. Het zal van hout of aarde zijn, voor zoover dit eenigszins gevoegelijk kan geschieden.
10. Wanneer de zustei's in den refter iets gebruiken, zullen zij ook buiten de gewone maaltijden dit zittende en welgemanierd doen en het stilzwijgen onderhouden. Zij zullen aan tafel verstervingen beoefenen, niet alleen in spijs en drank, maar ook der oogen, door niet naar alle zijden rond te zien, en van den eigenwil, bijv. door zich geene verstervingen op te leggen tegen den wil der Overste. Mogen zij tevens indachtig zijn, dat onze Zaligmaker gal en azijn heeft willen smaken om onze zinnelijkheid te veroordeelen.
131
11. Zonder noodzakelijkheid of gewichtige reden zal de Overste aan niemand toestaan in een andere plaats dan in den refter te eten, zelfs niet aan haar, die wegens zwakte of om een andere reden buiten de bepaalde tijden iets mogen gebruiken.
12. Wegens de manier van zijne schuld te spreken en andere gebruiken in den refter te onderhouden, zal men het Ceremoniaal volgen en de voorschriften, op blz. 55 van deze Con-stitutiën gegeven.
13. Op het einde van den maaltijd, op het teeken der Overste, zullen de zusters, welke door de Overste daarmede belast zijn, het tafelgerief wegdragen en de tafels zuiveren. Daarna zal de Overste weder een teeken geven en zullen allen staande de dankzegging bidden, gelijk in den brevier is voorgeschreven.
§ 5.
Over het Werkhuis en de Werkzaamheden.
1. De zusters, die niet belet zijn door bezigheden, welke elders moeten geschieden of anderszins, zullen in quot;het werkhuis komen open blijven gedurende de in de dagorde vastgestelde tijden.
2. Om de ledigheid, de wortel van alle kwaad, te vermijden, moeten zij haar tijd wel besteden, en naar den raad van den H. Vader Franciscus naarstig arbeiden met hare handen.
132
Zij moeten echter zorg dragen, dat door den lichamelijken arbeid de geest van ingekeerdheid en des gebeds niet vermindere; want alles moet dienen om dien geest te bevorderen. Daarom moeten zij nauwkeurig toezien, dat zij door den ijver en de drift tot het werk niet van God afgetrokken worden, noch zijne heilige tegenwoordigheid uit het oog verliezen. Daarom ook zullen zij, indien de werkzaamheden het toelaten, nu en dan gemeenschappelijk bidden en gedurende den arbeid dikwijls denken op het bitter lijden des Heeren, alsmede deugden beoefenen en schietgebeden zeggen, terwijl zij ter liefde Gods en met vaste hoop op het eeuwig loon nederig en getrouw zullen verrichten, hetgeen haar zal worden opgelegd.
3. Alle zusters zullen zich bezighouden met de gemeenschappelijke werken van gehoorzaamheid en niemand mag voor zich zelve werken, dan voor zoover de gemeenschappelijke werken dit medebrengen, of tenzij haar dit wordt opgelegd. Nooit mag iemand meenen, vrije beschikking te hebben over haar eigen arbeid en zijne vruchten.
4. De Oversten mogen zulke werkzaamheden aannemen en opleggen, welke passend zijn voorden staat der zusters en zonder merkelijke afwijkingen van den Regel en de Constitutiën kunnen worden uitgevoerd. Voor belangrijke,
133
als bijv. het geven van onderwijs, waar dit nog niet geschiedt, zullen zij de goedkeuring van den Kerkelijken Overste aanvragen.
De plaatselijke Oversten moeten daarenboven in acht nemen art. 8 van § 8, afd. I van het V Hfdst.
5. De zusters zullen elkander in ootmoedige werken zoeken te overtreffen, zonder nochtans een anders werk of' bediening te verrichten. N iemand zal zich met de werkzaamheden van anderen bemoeien noch daarop aanmerkingen maken, tenzij haar het toezicht is opgedragen of' om dringende reden. In dit geval zal men met zachtheid zijn gevoelen zeggen. Wel zal men zijne aan- en opmerkingen aan de Moeder mogen voorstellen, maar overigens alles aan haar oordeel overlaten zonder zich te verontrusten of met andere zusters er over te spreken.
6. Reeds elders is in deze Constitutiën bepaald, dat de zusters onderdanigheid verschuldigd zijn niet alleen aan de Oversten, maar aan allen, aan wie de Overste een of ander werk of bediening heeft opgedragen. Zij die op deze wijze over een of meer zusters staan, zullen niet gebieden als meesteressen, maar met zachte woorden het werk uitdeelen en aanwijzen en deze zullen zonder tegenspreken het werk aannemen en volgens haar wil uitvoeren.
134
7. De zusters zullen door haar ijver de zorg verlichten, welke de Overste hebben moet, dat hare onderhoorigen zoo weinig mogelijk om de werkzaamheden van de gemeenschappelijke geestelijke oefeningen afwezig zijn. Opdat ook zij hierin niet verflauwen, die doorgaand verlof hebben afwezig te blijven of te laat te komen telkens, wanneer zij genoegzame reden hebben, zullen deze minstens eens in de week aan de Overste opgeven, hoe dikwijls zij afwezig geweest en te laat gekomen zijn.
§ 6.
Over de Keuken.
1. In de keuken, welke net en zindelijk zijn zal, mag niemand eten noch buiten de recreatietijd spreken zonder nood, noch binnengaan zonder goede reden.
2. Iedereen, die naar het oordeel der Overste het doen kan, zal op orde de schotels helpen wasschen. De zusters zullen dit werk van ootmoedigheid volgens het oud gebruik der orde van den H. Vader Franciscus met devotie verrichten. Onder het wasschen zullen zij de psalmen âMisererequot; en âDe profundisquot; en de oratie âFideliumquot; bidden en verder stilzwijgend zich met goede gedachten bezighouden, als bijv. dat hare zielen mogen gezuiverd zijn in het dierbaar Bloed Onzes Heeren Jcsus Christus.
3. Zij zullen alle dingen op hunne plaatsen
135
zetten en zich wachten tegen de H. Armoede te misdoen met iets vrijwillig of door schuldige onachtzaamheid te breken. Die iets breken, zullen daarover hare schuld bekennen in het Kapittel.
§ 7.
Over de Verwarming.
1. Er zullen vuren, kachels of andere verwarmingstoestellen zijn, waar het voor de gezondheid der zusters noodig is. Zij zullen ook mogen zijn in het werkhuis, den refter en de kamer der novicen en volgens het oordeel der Overste gedurende den dag ontstoken worden. Stoven mogen worden gebruikt met verlof der Overste.
2. De. zusters zullen acht geven, dat zij stiptelijk het stilzwijgen onderhouden, als zij buiten den recreatietij d zich verwarmen.
3. Alleen die zusters zullen voor de verwarmingstoestellen zorgen, welke daarmede belast zijn; de overige niet, tenzij in nood.
§ 8.
Over den Omgang der Zusters onder elkander,
1. In het Vr'0 Hoofdstuk van den Regel worden de zusters vermaand oprechte eenvoudigheid te beoefenen in kleederen en manieren, in woorden en werken. Zij zullen derhalve zich wachten van alles, wat opvallend is of waardoor zij de aandacht zouden trekken. Zoo zullen zij in de kleederen niet alleen alle ij del-
136
heid, maar ook alle slordigheid vermijden, vooral wanneer zij in de Gemeente verschijnen en nog meer, wanneer zij zijn bij dienstboden of vreemden of op plaatsen, waar zij door buitenlieden kunnen gezien worden. In den refter en het koor zullen zij, als de Gemeente daar vergaderd is, niet komen, zonder het bovenste habijt nedergelaten te hebben.
2. Met de eenvoudigheid zullen zij in alles de ware welvoegelijkheid en beleefdheid onderhouden, welke aan Religieusen past en welke voorkomt uit ware deugd, uit liefde en eerbied jegens God en jegens de evennaasten en zich-zelven om God.
3. De zusters zullen elkander eer bewijzen naar den rang van 't officie of' van den ouderdom der professie in de Congregatie. Zij zullen elkander oprechte liefde toedragen, en bijzonder de Oversten zullen zij uit beweegredenen van deugd eeren, beminnen en gehoorzamen, want, zooals de H. Bonaventura zegt: âeerbied zonder liefde is slafelijk, en liefde zonder eerbied is kinderachtig,quot;
4. De geheele conversatie der zusters onderling moet zoodanig wezen, dat zij altijd in liefde en vrede te zamen leven, elkander eerende als tempelen Gods; terwijl zij zich benaarstigen één van hart, van wil en van begeerte te zijn en elkanders zwakheden met
137
zachtmoedigheid en geduld te verdragen. Zij zullen zich niet de meeste zorg wachten van bijzondere vriendschappen cn persoonlijke afge-keerdheden.
5. Vooral de Overste zal in dit alles aan de anderen een goed voorbeeld geven; zij zal zich gedurig oefenen in gelijke onpartijdige liefde jegens allen en in oot- en zachtmoedigheid, om niemand iets kwalijk te miszeggen of zonder nut of onnoodig te bedroeven en om de eendracht en den vrede in de Gemeente des te beter te bewaren.
6. In geval iemand een medezuster een fout zag begaan, die wat groot ware, dan zal zij haar alleen of afzonderlijk waarschuwen en met liefde vermanen, indien zij eenige vrucht mag verwachten. Maar is dit zoo niet, of verbetert zij, vermaand zijnde, zich niet, dan zal men het aan de Overste te kennen geven, geenszins aan de andere zusters.
7. Om de liefde van Jesus zullen de zusters zich wachten van twisten, driftige woorden en gekijf, ehzal de eene voor de andere gaarne wijken, liever dan iets te doen, dat met de liefde strijdig is. Dat zij ook schuwen alle vleierij, leugentaal, afgunstigheid en lichtvaardige oordeelen over anderen, en ieder volgens den raad van den H. Franciscus liever zich-zelve oordeele, en versmade.
138
8. Wanneer iemand een harer medezusters bedroefd of iets miszegd heeft, zal zij terstond of zoo spoedig dit , gevoeglijk kan geschieden, geknield haar om vergiffenis bidden en de andere zal haar die van ganscher harte ootmoedig schenken. Desbetreffende zal de Overste bijzonder waken, opdat er toch geen onmin of tweedracht tusschen de eene en de andere blijve bestaan.
9. Al wie de liefde of den vrede in de Gemeente zal storen door kwaadspreken, achterklap, gemor, verwijt, spijtige woorden of onbetamelijken twist worde streng en voorbeeldig gestraft.
Over het stilzwijgen en de Recreatie.
1. Het stilzwijgen wordt door de oude religieusen genoemd de bewaarder der deugden, en is volgens de leer der Heiligen, het k^n-teeken van een welgeregeld klooster; het helpt ons de aandacht te vestigen op God en op de beoefening van hetgeen Hem welgevallig is.
2. De zusters zullen derhalve naar de vermaning van den Regel spaarzaam zijn in woorden en samenspraken, welke zelden zonder zonde vermenigvuldigd worden, en op de bepaalde tijden en plaatsen het stilzwijgen streng onderhouden.
3. Onder het groot silentium mag niemand
139
spreken, tenzij het noodzakelijk is en niet kan worden uitgesteld. Dit groot silentium zal onderhouden worden: a) van 's avonds na de recreatie tot 's morgens na de H. Mis, om met meer ingetogenheid de geestelijke oefeningen bij te wonen en de H. Communie te ontvangen; 6) onder alle gemeenschappelijke oefeningen van godsvrucht buiten de werkzaamheden; c) in de kerk; d) in den refter aan tafel, en t') als de zusters overdag om een of andere reden ieder naar hare cel gaan, ook in de slaapzaal.
4. Het gewone silentium zullen de zusters onderhouden op alle overige tijden en plaatsen, waarop haar het spreken in deze Constitutiën niet uitdrukkelijk is toegestaan, alsmede gedurende den recreatietijd op alle plaatsen behalve op die, Avaar de recreatie genomen wordt door de Gemeente, of door eenige Zusters met verlof der Overste. Onder het-hetzelve zal men geen woorden spreken of samenspraken houden, welke niet noodig zijn; hetgeen noodig is, zullen de zusters zeggen en vragen met weinige woorden en zachte stem.
5. De zusters mogen spreken onder de gewone recreatie-uren, welke in de dagorde voor de werkdagen en voor de zon- en feestdagen zijn bepaald, alsmede wanneer de
140
Oversten haar hiertoe verlof kunnen en zullen geven. Op alle feestdagen, welke zij als Zondagen moeten vieren, benevens op de feestdagen van den H. Patroon of Patrones der kloosterkerk en op 4 feestdagen van de Orde, welke in deze Congregatie zonder verplichting als Zondagen gevierd worden, mogen de plaatselijke Oversten in den vóórmiddag een half uur recreatie bepalen. Op dezelfde dagen en nog twintig in het jaar mogen zij (de plaatselijke Oversten) bij het middagmaal gedurende de helft van den tijd laten spreken en de geestelijke oefeningen vóór het avondmaal zooveel vervroegen, dat na het dankgebed van het avondmaal en de daaropvolgende gebeden voor de weldoeners de recreatie te zes ure kan beginnen. Daarenboven mag men aan den Kerkdijken Overste of zijn Gedelegeerde, alsook aan de Eerw. Moeder, wanneer zij visitatie houden of een klooster bezoeken, vragen één of twee volle recreatie-dagen, d. i. met zooveel recreatietij d als op de hooge feestdagen enz. hierboven is toegestaan. Wanneer de Eerw. Moeder verscheidene dagen in het klooster blijft, zal zij zulke re-creatiedagen niet vermenigvuldigen, zoowel om te stichten als om den gewonen gang der Gemeente te leeren kennen. Ook zal de Eerw. Moeder met de Discreten elk jaar nog vijf
141
recreatiedagen mogen bepalen, maar voor het overige zal zij geene geheele en halve recreatiedagen toestaan dan om buitengewoon groote reden, waarvoor zij wil verantwoorden bij den Kerkelijken Overste.
6. De recreatiedagen zullen altijd zoo gehouden worden, dat de Goddelijke Diensten, de geestelijke oefeningen en de liefdewerken er niet door verwaarloosd of verhinderd worden.
7. De recreatie dient om den geest te ontspannen en nieuwe krachten te geven zoowel voor de geestelijke oefeningen als voor den arbeid. Zij draagt ook veel bij om de eenheid en de algemeene liefde onder elkander te bewaren,
8. De zusters zullen de recreatie, als een oefening der Gemeente uit gehoorzaamheid en met een zuivere meening bijwonen. Buiten wettig en gekend beletsel zal niemand van de recreatie zonder verlof der Overste wegblijven. Het is geen goed teeken, wanneer zulk'verlof onder ijdele voorwendsels dikwijls wordt gevraagd. Nooit dan'om geheel bijzondere reden zal de Overste toelaten, dat twee of meer zusters zich onder de recreatie afzonderen, wat al te licht aanleiding geeft tot bijzondere vriendschappen en kwaadsprekerij. Doch allen zullen bij elkander ontspanning nemen.
Onder de recreatie zal men zoowel de dwaze
142
uitgestortheid als de koude onverschilligheid vermijden. Nochtans zullen de oudere en meer bedaarde zusters de meer levendige vroolljk-held der jongere niet te spoedig afkeuren. Dat allen zich verheugen In den Heer met een oprecht en liefdevol hart en met een eenvoudigheid, als aan kinderen van den H. Fran-
o 7
clseus past.
Vil HOOFDSTUK.
Over het Bezoeken en Verzorgen der Zieken.
1. Aangezien de liefde naar de ziel en naar het lichaam der arme zusters behoort uitgeoefend te worden, zoo worden alle zusters vermaand in Christus Jesus, dat zij zich altijd onder elkander lieftallig toonen en getrouw als huisgenoofen, bijzonder in ziekte. Te allen tijde, maar vooral in ziekte zullen de zusters, met alle vrijmoedigheid haar lichamelijken nood aan de Oversten openbaren, die haar goedertieren en minzaam gehoor zullen geven, en met alle toegenegenheid, moederlijke liefde en medelijden haar van dokter, medecijnen en van al wat noodig is, zullen voorzien en haar allen noodigen dienst bewijzen.
2. In alle huizen zal zooveel mogelijk een ziekenhuis of ten minste een kamer zijn voor de zieke zusters en een zuster om haar té bedienen.
3. Ofschoon men overal de armoede moet in acht nemen, zullen toch de Oversten zorg dragen, dat de ziekenkamer altijd voorzien zij van het noodige gerief en â ook als er geene zieken zijn, â altijd genoegzaam in gereedheid zij om bij onverwachte voorvallen daarin zieken te plaatsen.
144
4. Volgens het voorschrift van den Regel in het VII Hoofdstuk zal de Moeder de zieke zusters dagelijks of ten minste van tijd tot tijd bezoeken en haar met liefderijke woorden vermanen tot geduld en lijdzaamheid en om zich in den geest van boetvaardigheid over te geven in Gods H. Wil, gedenkende de bittere smarten van den stervenden Jesus. Wanneer de ziekte gevaarlijker wordt, zal zij haar zachtjes bereiden tot een zaligen dood, en nadat zij voorzien zijn van de laatste H. H. Sacramenten, zal zij gedurende de drie eerste dagen en daarna, als het gevaar dreigender wordt, voor haar tweemaal daags een rozenhoedje in de gemeente doen bidden. Zulks zal ook geschieden in de andere huizen der Congregatie, indien het naar het oordeel der Eerw. Moeder gevoeglijk kan. Alle zusters zullen de zieken in de gewone gebeden, verstervingen enz. gedenken.
5. Voor het overige mag de Overste zich in de verzorging der zieken doen vervangen door de ziekenmeesteres, die groote toewijding behoort te toonen. Deze zal de zieke zusters zoo helpen, dienen en bijstaan gelijk zij zelve in haar nood zou willen geholpen en gediend worden. Zij zal dus groote zorg dragen, dat zij ze niet verwaarlooze, maar altijd Christus en zijne liefde in de zieken beschouwen.
145
6. Zonder verlof der Overste zal de zieken-ineesteres geene zieken in het ziekenhuis ontvangen, tenzij om dringende reden. Zij zal ook zorgen voor degenen, die niet zoo ziek zijn om in de ziekenkamer te wezen, indien de Overste voor dezen niet een andere zuster aanstelt. Zij zal haar voorzien in al haar nood, hetzij in de Gemeente of in hare collen volgens de vergunning der Overste. Wanneer de ziekenmeesteres te veel werk heeft, of hare gezondheid door lang waken zoude verzwakken, zal de Overste één of meer zusters belasten, haar te helpen.
7. De ziekenmeesteres zal aan de Overste het noodige gerief voor de zieken vragen en hetzelve zorgvuldig bewaren om het op tijd te gebruiken.
8. Laat de staat der zieken het toe, en is het noodig of dienstig, dan zal een zuster haar helpen om het morgen- en avondgebed te bidden, en van tijd tot tijd voor haar een goede lezing doen.
9. De zieken behooren dankbaar en tevreden te zijn, ootmoedig de liefde erkennende, welke men haar bewijst, en zij zullen de ziekenmeesteres gehoorzamen in hetgeen de gezondheid aangaat.
10. Alle zusters zullen medelijden toonen met hare zieke medezusters, die zij met verlof
146
der Overste mogen bezoeken, en liefderijk zullen troosten, zoo nochtans, dat zij zich wachten van de zieken door ij dele woorden te verstrooien. Dat zij ook met groote zorg ver-, mijden alle onvoorzichtigheden, waardoor zij zonder reden de zieken zouden moeielijk vallen, bedroeven of verontrusten.
11. De zusters zullen wel, gelijk in art. 1 van dit Hoofdstuk gezegd is, met alle vrijmoedigheid haar lichamelijken nood aan de Overste openbaren, nochtans zullen zij als arme dochters van den H. Franciscus en als ware penitenten, zich niet door zinnelijkheid laten verleiden, en geene dispensatie of verzachtingen vragen zonder goede reden, noch dezelve langer gebruiken dan noodig is.
12. De zusters, wier gezondheid verbetert, zullen met blijdschap den dag te gemoet zien, waarop zij in alles, zonder uitzondering, de oefeningen der Gemeente zullen mogen volgen. Wanneer een zuster zieker wordt, en vooral als de ziekte gevaarlijk schijnt te worden, zal de ziekenmeesteres de Moeder in tijds verwittigen, opdat, bij aldien het noodig is, haar de H.H. Sacramenten der stervenden worden toegediend. Bij de bediening en de uitvaart der zusters zal men het Ceremoniaal volgen.
VIII HOOFDSTUK.
Over de Visitatie.
§ 1-
Over de Visitatie door of namens den Kerkelijken Overste.
1. Wanneer deze Visitatie zal geschieden, zullen alle leden dezer Congregatie, drie dagen voor den bepaalden dag, bidden de litaniën van den H. Geest en van O. L. Vrouw van Loreto, opdat zij van God mogen verlicht worden en de Visitatie heilzame vruchten voortbrenge voor de kloostertucht en den voortgang in de religieuse volmaaktheid.
2. Op het gestelde uur zullen zij alles in gereedheid hebben, wat de Visitator noodig heeft om op de in het bisdom voorgeschrevene wijze visitatie te houden, tenzij Hij van deze wijze zou willen afwijken, In dit geval zullen zij zijne regeling volgen.
3. Terwijl de hymne âVeni Creatorquot; en andere gebeden geschieden, en de Visitator zijn aanspraak houdt, zullen alle zusters tegenwoordig zijn.
4. In het vertrek voor de traliën, waar de Visitator de zusters afzonderlijk wil hooren, zal men op een tafel een crucifix en de noodige
148
schrijfbehoeften plaatsen, alsmede een lijst van alle personen, die door den Visitator moeten gehoord worden.
5. De koor- en leekezxisters, alsook de novicen, zullen op orde, gelijk de Visitator haar roept, gehoord worden. Allen zullen met volle vertrouwen en zonder omwegen aan den Visitator bekend maken, wat zij voor haar eigene zaligheid of het welzijn der Gemeente voor God noodig of nuttig oordeelen. Op zijne vragen, welke de orde, de regulariteit en de tucht van het huis betreffen, zullen zij volgens geweten antwoorden.
G. Daarna zullen de Oversten, indien de Visitator het vraagt, de rekeningen van de ontvangsten en uitgaven van het klooster geven, opdat Hij dezelve moge onderzoeken, en, na ze goed gekeucd te hebben, met zijne hand-teekening bekrachtigen. Ook zullen zij Hem op zijn verzoek de boeken toonen, waarin de kleeding en de professie der zusters aange-teekend worden, alsmede eene lijst der boeken van godsvrucht en andere boeken en geschriften, welke tot stichtende lezing worden gebruikt.
7. Als de visitator zulks verlangt, zullen de zusters Hem binnen het slot laten om de kerk en alle plaatsen te bezichtigen. Bij dit bezoek zal de Overste met één of twee zusters Hem vergezellen.
149
8. Op het gestelde uui-, wanneer Hij de Visitatie zal sluiten, zullen de zusters samenkomen om zijne vermaning te hooren en de plechtigheid der sluiting bij te wonen.
9. Indien na de visitatie eenige voorschriften door den Visitator ot' door den Kerkelijken Overste tot nut der Gemeente worden afgekondigd, zullen de zusters dezelve met eerbiedige onderdanigheid ontvangen.
10. De zusters zullen het diepste geheim bewaren aangaande alles, wat zij aan den Visitator gezegd of van Hem gehoord hebben.
§ 2-
Over de Visitatie door de Eerw. Moeder.
1. Ten minste om de twee jaren en buitendien om bijzondere reden zal de Eerw. Moeder zoowel in het Moederhuis als in de ondergeschikte huizen visitatie houden, om in dezelve alles behoorlijk op te nemen en, hetgeen noodig is, te verbeteren. In de visitatie der ondergeschikte huizen zal zij zich doen vergezellen van een barer discreten of van een andere door haar gekozene zuster.
2. Zij zal iedere zuster afzonderlijk bij zich roepen om haar te ondervragen, haar te onderwijzen en hare bemerkingen aan te hooren. Verder zal zij onderzoeken de rekeningen van ontvangsten en uitgaven, of de noodzakelijke
150
en nuttige aanteekeningen gemaakt zijn, welke boeken van godsvrucht, geestelijke lezing enz. worden gebruikt. Kortom, zij zal nagaan, wat te verbeteren is.
3. Zij mag zich in de visitatie van alle of van eenige huizen door een harer dis-creten laten vervangen, die haar volledig verslag zal geven.
§ 3.
Over de Visitatie en het Overzicht door de plaatselijke Oversten.
1. Onze H. Vader Franciscus vermaant alle Oversten op de dringendste wijze dikwijls visitatie te houden, d. w. z. dikwijls de cellen en alle andere plaatsen van het klooster te bezoeken om overal goede orde te bewaren, weg te nemen wat te veel is, en te verbeteren wat noodig is; alsook de zusters gade te slaan om te weten, hoe zij zich van haar werk en geestelijke oefeningen kwijten; om haar aan te moedigen met goede woorden en degenen, die het verdienen, te berispen en te bestraffen, niet uit drift of grammoedigheid, maar uit liefde voor de kloosterlijke regeltucht en voor de zaligheid der zusters.
2. Zonder deze gedurige visitatie dei-Oversten blijven de beste Regels en Constitu-tiën een doode letter, de overtredingen worden
151
gewoonte, de zusters vallen, bijna zonder het te weten, in een betreurenswaardige lauwheid en verslapping tot groot nadeel harer zaligheid, waarover de nalatige Oversten voor God zullen hebben te verantwoorden.
3. Aan liet einde van het VIII Hoofdstuk schrijft de Regel voor, dat de onverbeterlijke zusters als schurftige schapen uit de Congregatie moeten weggezonden worden. Indien er zulk een onverbeterlijke zuster â hetgeen God verhoede â ooit in de Congregatie zijn zou, zullen de Oversten op de eerste plaats voorzorgen nemen, dat de andere zusters door haar slecht en ongeregeld gedrag niet geërgerd of bedorven worden. Daarenboven zullen de Oversten niet nalaten, deze zusters op gepaste tijden te vermanen en te bestraffen om haar tot beternis te brengen; maar in geval dit alles vruchteloos zoude blijven, zal de Eerw. Moeder met raad harer discreten het slecht gedrag der onverbeterlijke zuster aan den Kerkdijken Overste bekend maken en Hem een omstandig verslag geven van de vermaningen en bestraf-iingen, welke ter harer verbetering vruchteloos zijn aangewend,
4. Indien de Kerkelijke Overste oordeelt, dat zij als onverbeterlijk uit de Congregatie moet worden weggezonden, zal Hij zorgen, dat zij van alle kloosterlijke verbintenissen
152
worde ontslagen, waarna zij het kloosterlijk habijt zal moeten afleggenen, beroofd van alle geestelijke voordeelen der Orde, naar de wereld zal wederkeeren, zonder hoop van nog ooit in de Congregatie te worden ontvangen.
5. De Oversten zullen haar de dote, welke zij ingebraeht heeft, zonder intrest wedergeven. Men zal niet gehouden zijn giften en aalmoezen weder te geven, welke zij of anderen om harentwille uit vrije verkiezing aan de Gemeente geschonken hebben.
IX HOOFDSTUK.
Over de Uitvaart der Zusters en over de Gebeden voor de Overledenen en voor de Weldoeners.
1. Zoodra eenc zuster overleden is, zal de plaatselijke Overste aan alle huizen der Congregatie hiervan kennis geven. De Eerw. Overste zul zorgen, dat een plechtige uitvaart geschiede en voor iedere overledene zuster nog 52 H.H. Missen worden opgedragen, van welke er minstens twee zullen geschieden in de kapel van het huis, waar de zuster overleden is, nl. als het gevoegelijk kan, één op den 30stlt;:n dag en één een jaar na het overlijden. Alle leden der Congregatie zullen naar het voorschrift des Regels voor de zielerust harer overledene medezuster bidden. Daarenboven zullen zij op de drie eerstvolgende dagen, nadat, haar overlijden bekend is, alsook op den 80stcquot; dag en één jaar na haar overlijden, voor haar tot de H. Tafel naderen, discipline nemen of de gewone discipline opofferen en de Vigilie van 9 lessen lezen. Tot hetzelfde einde zullen zij allen binnen het jaar na haar overlijden vijf H.H. Missen hooren en vijfmaal de gewone H. Communie en discipline opofferen.
2. Nog zullen de zusters bidden:
154
1°. Volgens het voorschrift des Regels voor de overledenen eens in het jaar honderdmaal ,,Pater nosterquot; en âRequiem aeternamquot;. Dit zullen zij doen omtrent den feestdag van den H. Franciscus.
2°. Voor alle geloovige zielen in het vagevuur en op de eerste plaats voor de overledene weldoeners:
a. Op Allerzielendag of op den vooravond de Vigilie van 9 lessen.
h. Viermaal 's jaars, omtrent de Quatertemperdagen, de Vigilie van 9 lessen. Alsdan zal de Eerw. Moeder tot hetzelfde einde telkens een H. Mis laten lezen.
c. Wekelijks éénmaal de Vigilie van 3 lessen en dagelijks tweemaal de psalmen âMisererequot; en âDe profundisquot; met de oratie: âVeni, Largitorquot;.
3°. Voor Z. H. den Paus, den Kerkelijken Overste en de levende en overledene weldoeners dagelijks drie âOnze Vadersquot; en âWees gegroetquot; of de psalm, versen, responsoriën en gebeden na de litanie van alle Heiligen, welke zij gewoonlijk 's avonds lezen in de werkkamer.
Verklaring: Onder âweldoenersquot; worden in deze Constitution verstaan allen, aan wie de zusters bijzonder liefde en dankbaarheid behooren te bewijzen, of om een andere reden bijzondere verplichting hebben. Tot dezen
155
behooren hare levende en overledene ouders en naastbestaandcn, de levende en overledene leden en weldoeners der Congregatie, de levende en overledene ouders van overledene zusters, enz.
4°, Voor de overledene Broeders en Zusters der 3 Orden van den H. Franeiscus den 29 ^ ovember. Allerzielendag der Orde, de Vigilie van 9 lessen.
5°. Voor de overledene ouders eener nog levende of overledene medezuster, zoo spoedig mogelijk na ieders overlijden, op twee dagen de Vigilie van 9 lessen.
6°. Voor een broeder of zuster eener nog levende medezuster, als men hun dood verneemt, eens de psalmen âMisererequot; en âDe profundisquot; en te geschikter tijd eenmaal de Vigilie van 9 lessen.
7°. Voor de overledene Religieusen, die niet tot de Congregatie behooren, indien zij worden aanbevolen, eens âDe profundisquot;.
In plaats van een voorgeschreven Vigilie van 9 en 3 lessen mogen in de moedertaal of in liet latijn respectievelijk gebeden worden 50 en 25 âPaternosterquot; met âRequiem aeternamquot; na elk âPaternosterquot;. â Wanneer de zusters de Vigilie koorsgewijze bidden, zullen zij dit in het latijn doen.
Wij vermanen de zusters zich niet te be-
156
palen bij de voorgesehrevene werken van dankbaarheid jegens hare weldoeners en van liefde jegens de zielen in het vagevuur, maar dat zij hen allen dikwijls in hare gewone geestelijke oefeningen gedenken; voor hen hare goede werken opofferen; aflaten, bijv. van den H. Kruisweg, voor de geloovige zielen trachten te verdienen, enz. Zij zullen zich echter wachten van onvoorzichtig verplichtingen aan te gaan, als; dat de langstlevenden zoo- of zooveel moeten bidden voor de kortst levenden en dergelijke.
3. De Eerw. Moeder en de plaatselijke Oversten moeten zorg dragen, dat de jaargetijden en andere verplichtingen, welke op de Congregatie rusten, volgens de overeenkomsten geschieden.
4. Bij het aanvaarden van fundatiën, bezwaard met jaargetijden of andere verplichtingen, die, op welke wijze ook, komen ten laste dor Congregatie, moet behalve de goedkeuring van den Kerkdijken Overste, nog met de volgende algemeen e bewoordingen openlijk en duidelijk aan de stichters als voorwaarde worden gesteld, dat, als de gelden of goederen verloren gaan of geen renten of vruchten meer opleveren, de lasten ophouden, en dat, wanneer zij slechts onbeduidende of onvoldoende renten of vruchten opbrengen, het aan den Bisschop of Kerkdijken Overste zal vrijstaan, naar hij billijk oordeelt.
157
de lasten te verminderen of door andere te vervangen. In het boek der fundatiën moet worden opgeteekend, of deze voorwaarde al dan niet is gesteld.
5. Er zal in elk klooster een register zijn, waarin men de namen van de overledene zusters der Congregatie schrijven zal, alsmede het jaar en den dag van haar overlijden. Ook zal men daarin de namen van bijzondere weldoeners der Congregatie aanteekenen.
In het wekelijkseh Kapittel zal een zuster de namen lezen van hen, wier sterfdag op een der veertien volgende dagen valt. Deze zijn daardoor in de gebeden der gemeente aanbevolen. Ook zullen alsdan de namen worden genoemd dergenen, van wie eenige aalmoezen zijn ontvangen. Daarna zullen voor deze en ook voor alle geheime weldoeners, die niet verlangen genoemd te worden, zoo levende als overledene, de gebeden worden verzocht.
De personen, die in het register staan opgeteekend, zullen gedurende honderd jaren op deze wijze worden aanbevolen. Na dit tijdsverloop zal men hunne namen teekenen met een kruisje en ze in het Kapittel niet meer aflezen, tenzij men zich jegens een of anderen persoon tot langer verplicht had. In dit geval zal men er bij schrijven, voor hoelang de verplichting is aangegaan.
158
6. Op een plaats van elk klooster, waaide zusters veel komen, zal men een lijst ophangen, waarop de namen der overledene zusters geschreven zijn en haar ouderdom met den dag en het jaar van haar overlijden, opdat de Religieusen bij het zien dier namen, zich zouden herinneren, dat zij voor hare overledene zustei's moeten bidden, en dat zij zichzelve moeten bereiden tot een heiligen dood.
X HOOFDSTUK.
Over de verbintenis des Regels en der Constitutiën,
met nog eenige Bepalingen, deze Constitutiën en het Ceremoniaal betreffende.
1. Ten einde alle bezwaren van gewetensangst weg te nemen, en opdat de zusters meer worden gedreven door liefde voor God, dan door de vrees voor straf, wordt verklaard, dat noch de Regel noch de Constitutiën verplichten op zonde, hetzij groote of kleine, ten ware de overtreding geschiedt te gelijk tegen de onderhouding der geloften of tegen een Goddelijk of menschelijk gebod, dat op zonde verbindt, of vergezeld gaat met verachting, of ergernis veroorzaakt.
2. De zusters die dikwijls en uit gewoonte den Regel, de Constitutiën en de bevelen dei-Oversten overtreden moeten echter hierop wel letten, dat zulke herhaalde overtredingen en involgingen van eigen wil meestal voortkomen lïit ongeregelde beweegredenen en driften, welke strijden tegen de Christelijke deugden en de wet Gods. Daarenboven een zuster, die zich aan gedurige overtredingen plichtig maakt, veroorzaakt in den regel aan hare Oversten veel verdriet en aan hare medezusters niet zelden ergernis, en valt gewoonlijk zelve in
1G0
lauwheid, die leidt tot afkeer van het kloosterlijk leven en tot vele andere ongelukkige gevolgen.
3. Moge echter zulke onverschilligheid en zonden met haar treurigen nasleep te allen tijde verre zijn van de zusters, en zij allen steeds het vaste voornemen hebben den Regel, de Constitutiën en de geboden der Oversten stiptelijk te onderhouden, in zoover de men-schelijke krankheid dit toelaat.
Om in dit voornemen getrouw te blijven, zullen zij volgens hare Professie, de penitentie die haar voor overtredingen zullen worden opgelegd, met liefde volbrengen, ook dan, als de Overste haar niet wil verplichten. Zelfs indien iemand onschuldig zou zijn, neme zij de penetentie gaarne aan, om meer gelijkvormig te worden aan Jesus, het Lam Gods, dat zich zonder tegenspraak ter slachtbank liet geleiden om de zonden der wereld weg te nemen. Mogen daarenboven alle zusters uit boetvaardigheid en om verslapping te voorkomen volgens den geest van haar Regel zich zeiven bestraffen, wanneer zij overtredingen begaan.
4. De goedgekeurde Constitutiën mogen niet veranderd worden zonder toestemming van het Kerkelijk gezag, waarmede zij zijn goedgekeurd en waaraan het Moederhuis onderworpen is.
161
5. Wanneer de Eerw. Overste van een of ander voorschrift des Regels of der Constitu-tutiën verklaring vraagt aan den Kerkelijken Overste, zal men dat voorschrift schriftelijk opgeven en zorgdragen, dat ook het antwoord in schrift gegeven worde en bewaard blijve.
G. De Regel, gelijk hij door Paus Leo X is ingesteld en de Religieusen dezer Congregatie is toegeëigend, zal eens in de maand, in den refter worden voorgelezen en de Con-stitutiën met het gedeelte van het Ceremoniaal, dat bevat de Ceremoniën en gebruiken, driemaal 's jaars, te weten: in Januari, Mei en September. Het Decreet van Paus Leo XIII, dat in § 2 van Hoofdst. III dezer Constitutiën is ingelascht, moet jaarlijks minstens eenmaal aan de Communiteit voorgelezen worden. Vgl. t. a. p.
De zusters zullen een exemplaar van den Regel en van de Constitutiën ter harer beschikking hebben, en die ieder voor zich naarstig lezen.
7. In het Ceremoniaal mag niets worden opgenomen zonder goedkeuring van den Kerkelijken Overste. Het zal behelzen de Ceremoniën en rubrieken, die in het H. Officie onderhouden worden, loffelijke gebruiken van de Orde en van de Congregatie, de gewone gebeden en suffragiën of ten minste aanwijzingen van dezelve en wat verder de Kerkelijke
162
Overste goedvindt, dat daarin worde geplaatst.
8. Niemand zal de oude gebruiken mogen afschaffen of nieuwe invoeren zonder rijp overleg van het Discretorie en alle plaatselijke Oversten en zonder goedkeuring van het Discretorie en van den Kerkdijken Overste.
9. Dewijl de mensch vooral door stichtende voorbeelden tot het goede wordt getrokken, vermanen wij ten slotte de zusters zich dikwijls voor oogen te stellen de verhevene voorbeelden van haar H, Vader Franciscus en van zoovele Heiligen, die in Zijne Orden tot volmaaktheid gekomen zijn en nu onze voorsprekers zijn in den Hemel. Wat dreef hen tot zulk volmaakt leven? Zeker de heilige vrees, meer echter de zalige hoop, het levendig besef der algeheele afhankelijkheid van ons, nietige schepselen, van onzen Schepper, de dankbaarheid, die hen vervulde bijzonderlijk voor hunne H. Roeping ; maar bovenal de liefde tot den oneindig beminnelijken God, tot Jesus, onzen Zaligmaker. Dat ook de zusters zulke gevoelens, vooral van de liefde, dikwijls in zich verlevendigen en zij zullen, geholpen door Gods genade, die niet zal ontbreken, steeds met moed, ijver en kracht bezield worden, de Oversten om naar plicht de onderhouding van den Regel en van de Constitutiën te handhaven en door haar voorbeeld te bevorderen, â en
163
de onderhoorigen om door ootmoedige onderwerping Gode welgevallig, en aan hare Oversten tot troost en vreugde te zijn. â Zoo zal haar loon wezen de vervulling der schoone belofte, welke de bedienaar der H. Kerk aan ieder van haar heeft gedaan op den dag harer Professie met deze woorden: âZuster, indien gij deze dingen onderhoudt, beloof ik ü van Godswege het eeuwige levenquot;.
Zegen en Vermaning van den H. Vader Franciscus.
Deze leest de Overste maandelijks nadat de Regel gelezen is, terwijl de zusters, staande met samengevouwen handen, toeluisteren.
DE ZEGEN.
âEn al wie deze dingen zal onderhouden hebben, dat hij vervuld worde in den Hemel met den zegen van den Allerhoogsten Vader; dat hij op de aarde vervuld worde met den zegen van Zijnen Zoon, en van den H. Geest den Vertrooster, en van alle Machten des Hemels en van alle Heiligen. En ik, broeder Franciscus, uw geringe dienaar, vestig op U in-en uitwendig, zooveel ik kan, deze Allerheiligste benedictie. Amen.
gt;
164
DE VERMANING.
O, beminde en in de eeuwigheid gezegende kinderen! aanhoort mij, aanhoort destemuws Vaders:
Wij hebben groote dingen beloofd,
Maar grootere zijn ons beloofd.
Laat ons de beloften volbrengen,
En verlangen, naar hetgene ons beloofd is.
Het genoegen (der zonde) is kortstondig ;
De pijn is altijddurend.
Het lijden (van een boetvaardig leven) is
gering.
De Glorie oneindig.
Vele zijn geroepen ;
Weinigen zijn uitverkoren.
Voor alle dingen (voor het goed en kwaad) is vergelding. Amen.
BLADWIJZER.
Bladz.
ten beknopt verhaal der Geschiedenis van het klooster Bethlehem te Haren.......UI
Bulle van Paus Leo X, behelsende den Regel voor Religieusen der Derde Orde van den H. Fran-ciscus, naar een vertaling, welke met bijgevoegde Voorrede en Nota in 1622 te 's Bosch in druk verscheen..............VIII
CONSTITUTIÃN:
Doel der Congregatie.....1
I Hoofdst. Over het Aannemen der Novicen,
Hare Inkleeding en van de Kleederen der Zusters .....3
II Hoofdst. Over het Noviciaat, de Professie en de Geloften.
§ 1. Over het Noviciaat en de Professie. 13 § 2. Over de Armoede en het Gebruik
der noodzakelijke dingen ... 22 § 3. Over de Gehoorzaamheid .... 30 § 4. Over de Zuiverheid......34
III Hoofdst. Over het Vasten en de Onthouding,
de Discipline, de Versterving, de Schuldbekentenis en het Kapittel. § ï. Over het Vasten, de Onthouding,
de Discipline en de Versterving. 36 § 2. Over de Schuldbekentenis en het Kapittel.........
Decreet van de H. Congregatie voor de zaken der Bisschoppen en Regulieren van 17 Dec. 1890 . 42
IV Hoofdst. Over de Werken van Godsdienstig
heid, met een voorafgaande § over de Dagorde
§ 1. Over de Dagorde of Werk-en Feestdagen ..........52
166
^ 2. Over de Werken van Godsdienstigheid in het algemeen, en over het H. Officie, de Meditatie, het Gewetensonderzoek en andere Da-gelijksche Geestelijke Oefeningen
in het Bijzonder......61
§ 3. Over de H. Communie en de Biecht. 68 § 4. Over de Geestelijke Afzondering . 74 V Hoofdst. Afd 1. Over de Vereeniging en Vermenigvuldiging der Kloosters dezer Congregatie. Over haar Bestuur.
Over de Aanstelling der Oversten en eenige Regels voor de Oversten.
Voorafgaande bemerking en bepaling. 76
§ 1. Over de Vereeniging en Vermenigvuldiging der Kloosters dezer Congregatie .........77
§ 2. Over de Kerkelijke Oversten . . 79 § 3. Over het Bestuur der Congregatie
en over de verkiezing der Oversten. 81
§ 4. Over het Discretorie der Congregatie. 90 § 5. Regels voor de Eerw. Moeder . . 92 § 6. Regels voor de Moeder-Vicaris . . 94 § 7. Regels voor de Discreten der Congregatie .........96
§ 8. Over het Bestuur der Afhankelijke
Huizen en Regels voor dat Bestuur. 97
Afd. 2. Over de Volgorde der Zusters buiten het Bestuur en over het Onderscheid tusschen Koor- en Leeke-zusters. Regels voor eenige Bedieningen buiten het Bestuur. Met een Aanhangsel: Regels betreffende de Dienstboden § 1. Over de Volgorde der Zusters buiten het Bestuur en het Onderscheid tusschen Koor- en Leekezusters . 103
167
§ 2. Regels voor sommige Bedieningen
buiten het Bestuur.....104
Aanhangsel. Regels betreffende de
Dienstboden.......108
VI Hoofdst. Over de Manier om binnen en buiten het Klooster zich te gedragen.
§ 1. Over het Slot...........
§ 2. Over de Spreekkamers en de Brieven. 121
§ 3. Over de Slaapzaal......127
§ 4. Over de Refter.......128
§ 5. Over het Werkhuis en de Werkzaamheden ........131
§ 6. Over de Keuken.......134
§ 7. Over de verwarming.....135
§ 8. Over den Omgang der Zusters onder
elkander.........^
§ 9. Over het stilzwijgen en de Recreatie. 138 VII Hoofdst. Over het Bezoeken en Verzorgen der
Zieken.........J43
VIII Hoofdst. Over de Visitatie.
§ 1. Over de Visitatie door of namens
den Kerkelijken Overste . . .147 ^ 2. Over de Visitatie door de Eerw.
Moeder.........I49
^ 3. Over de Visitatie en het Overzicht
door de plaatselijke Oversten . 150 IX Hoofdst. Over de Uitvaart en de Gebeden voor
de Overledenen en Weldoeners . 153 X Hoofdst. Over de Verbintenis des Regels en der Constitutiën, met eenige Bepalingen, deze Constitutiën en het Ceremoniaal betreffende, enz. . 159 Zegen en Vermaning van den H. Vader Franciscus .... 163