tev 1887,5, V}
|
-- -=------ | |||
|
1 i |
M WM BEBI)|MCtT. | ||
|
LEERREDE | |||
|
over | |||
|
2 Tim. Ill : 14, 15; | |||
|
(er bevestiging van den WelEerw. Ijeer L. J, VAN RH1JN Jr., | |||
|
in de Herv Gemeente Vlaardingen en Vlaardinger-Ambacht, |
1 | ||
|
den Isten Februari 1885, | |||
|
door | |||
|
E. H. VAN LEEUWEN. Theol. Ur. bn P.ued. te Zuïphen. | |||
|
li i| |
vlaardingen. A. VAN DER METJDEX. | ||
|
Prijs 30 Cent. | |||
|
i | |||
' 'vr
⢠; â - . , v ' ^ quot;â L-'-
: â â â - , ⢠. ^ - ⢠â¢â â .â '-
7~quot;
â K' Z
? \ - â¢lt;: quot;â ;â¢â ⢠quot;'â
V-,
.'i'i
Vquot;
i
i'
I/ â )â
/ lt;â
â¢a
V
)
f
I 'l-''
'v,
%iquot;
r\ . 1
â¢V
f
;, K â ' . â . ,-i â
v\, gt;
â Tâ¢â¢- y â .quot;, ⢠â¢â .â .â 'r;- 'i
*
'I i
1
'.Xr
â¢-r V â¢
A :gt;V:'
i
V- â
r .:}
'tóV,..,,/1'
V..
-. | r â . â â
â , A^-- - t-'.
â : A
â¢lt;\ '-â â
C
t
â V 1 gt; 7
â¢Â»
C
r.- â
⢠' 4 â '
r 1
'gt;â
'v
gt; \ ' -- \ ,
â C...
â¢i ,
l\ -K.'
:â â¢gt; â 'â
.(l
j, ' r
(
S bS â¢W» â â
;
I-' ' â -r1
c-i'
;â a- ⢠â
â - o,
i-.r
- â I' ,
4 v -â --
A-A' .;:;-
; 7 A, -
r-
'r f:
'壉
' â ^
^ â
N â ' 1 ⢠-V â
A '
- 7
' . i --⢠.X â ⢠O
'i, _ âu-
gt; â . - â - 1 .
- y â¢â¢
a. -.â
â 5' ^
v.t,.
'X'
DE WARE BEHOUDZUCHT.
Dl mi EE
LEEBREDE
OVEli
2 Tim. Ill : 14, 15;
ter bevestiging van den WelEerw. f^eer L. J. VAN RH1JN Jr., in de Herv. Gemeente Vlaardingen en Vlaardinger-Ambacht,
den Isten Februari 1885,
DOOll
E. H. VAN LEEUWEN,
TtraoL. Dr. en Peed, te Zutphkx.
VLAARDINGEN.
A. VAN DER MEI.TDEN.
imim
Psalm 111 : 1, 5.
Looft, Halleluja! looft den Heer,
Mijn gansohe hart verheft zijn eer; Ik zal zijn' naam en grootheid prijzen, 'k Zal, met d' oprechten onderling Vereend, in hun vergadering En raad. Hem plechtig eer bewijzen.
't Is trouw, al wat Hij ooit beval; Het staat op recht en waarheid pal, Als op onwrikbre steunpilaren.
Hij is het, die verlossing zond Aan al zijn volk: Hij zal 't verhoud Met hen in eeuwigheid bewaren.
Gelezen; 1 Co ft. III : 5â15.
Psalm 105 : 1, 2.
Looft, looft, verheugd, den Heer der heeren Aanbidt zijn' naam, en wilt Hem eeren.
Doet zijne glorierijke daan Alom de volkeren verstaan ,
En spreekt, met aandacht, en ontzag. Van zijne wondren, dag aan dag!
Juicht, elk om strijd, met blijde galmen; Zingt, zingt den Hoogsten vreugdepsalmen; Beroemt u in zijn' heilgen naam! Dat die Hem zoeken nu te saam Hun hart vereenen tot zijn eer.
En zich verblijden in den Heer!
Deze blijde lofpsalm, Gel., is ook mij genomen uit het hart. Want het is mij eene oorzaak van hartelijke blijdschap, dat het mij vergund is, heden in uw midden te zijn om één uwer nieuwe leeraren tot u in te leiden en, gelijk men dat noemt, te bevestigen. Want al wordt het al spoedig negen jaren â wel mogen wij vragen: waar blijft de tijd? â al spoedig, zeg ik, negen jaren sints ik wegging uit uw midden; en al is er in dien korten, en toch betrekkelijk ook wêer langen tijd voorzeker niet weinig veranderd, ook in dien zin, dat er velen zijn weggevallen, die ik onder mijne vrienden mocht rekenen â toch, nietwaar? gemeente van Vlaardingen! wij hebben toch nog genoegzaam betrekking op elkander, om hel verklaarbaar te maken, dat ik met die betuiging van hartelijke blijdschap begon. Daarom ook, mijn jeugdige vriend en broeder in de heilige bediening! kon uwe vraag, dat ik u zou inleiden tot deze mijne voormalige, nog altoos geliefde gemeente, mij niet anders dan welkom zijn, en heb ik ook niet kunnen aarzelen, aan dezen uwen wensch te voldoen, te minder daar ik u met goede hoop en verwachting zie ingaan tot den voorzeker niet ge-makkclijkeu, maar ook belangrijken arbeid in deze gemeente.
R
Maar daarom ook beu ik u, mijn oudere vriend eu ambtgenoot! met en naast wien ik in vroeger jaren in bioeder-lijke gezindheid deze gemeente gediend heb, een woord van dank verschuldigd, dat gij mij uwe taak der bevestiging bereidvaardig hebt willen afstaan, al wist ik ook van te voren, dat gij het doen zoudt zonder aarzeling eu met liefde.
Maar dank bovenal aan Hem, uit wien, door en tot wien alle dingen zijn, eu wien wij voor alle dingen nu dan ook willen toebrengen de dankzegging en aanbidding onzer harten.
[Gebed.)
3 Tim. Ill: 14, 15.
Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hehl, eu waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt;
En dat gij van hinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, het-welk in Christus â¢Jezus is.
De beide brieven van Paulus aan ïimotheus, te samen met dien aan Titus, zijn, wegens hun strekking en inhoud, van ouds met een gemeenschappelijken naam de pastorale of herderlijke brieven genoemd. Déze eigenaardigheid toch hebben zij gemeen, dat ze in hoofdzaak vermaningen eu aanwijzingen bevatten betreffende de rechte bediening van het herderlijk ambt, zoowel met het oog op de gezonde christelijke leer als op een gezond christelijk leven. Nu, een man als Paulus, toegerust als hij was met de rijke ervaring zijner apostolische loopbaan, en onderwezen in dozen weg door den Geest der wijsheid en des geloofs, hij had het recht niet alleen om over deze dingen meè te spreken, maar hij was ook in staat, om aan een jongen man als Ti-
7
motheus te dezer zake wenken en lessen te geven, die liern uitnemend te stade konden komen al de dagen en jaren dat hij nog werkzaam wezen zou in de bediening van liet Evangelie, liet destijds, gelijk ook heden nog, zoo treffelijk, maar niet minder moeilijk ambt.
Dat ,/herderlijkequot;' maakt zich dan ook doorloopend kenbaar als do grondtoon ook van dezen brief, en het verloochent zich niet, van het begin tol, het eind. Daarop is alles aangelegd, en het wordt nimmer uit het oog verloren, ja een treffend getuigenis daarvan geeft ook inzonderheid het woord van onzen tekst, waar de apostel zijn geliefden ïimothens met zooveel ernst en aandrang vermaant en op het hart drukt, te blijven in hetgeen hij geleerd heeft en hetgeen ook bij hem geworden is tot eene welgegronde overtuiging.
Dit laatste toch is de bedoeling der woorden, die daar voorkomen in liet 1 J-de vers: //en waarvan u verzekering gedaan isquot;. De uitdrukking, die Paulus hier bezigt, be-teekent niet maar verzekert))// dooi, maar verzekerdheid hebben. Anders ook ware dit slechts een matte herhaling van het onmiddelijk voorafgaande: //hetgeen gij geleerd hebtquot;. Immers datgene wat men iemand leert, daarvan doet men hem de verzekering â dat spreekt van zelf. Maar men kan iets geleerd hebben of ook aan anderen leeren, men kan in de waarheid onderwezen zijn of ook anderen daarin onderwijzen, zonder dat men er zelf nog van verzekerd is, zonder dat het nog is overgegaan tot eene welgevestigde overtuiging. Zoo dan, zegt Paulus, was het niet bij Timotheus. Datgene wat hij geleerd had, hij had het niet maar geleerd, hij had het niet maar b'j overlevering, maar hij had het innerlijk gegrepen, het was een deel van hem zelf, het was zijn geestel'jk eigendom geworden, het was, in één woord, geheiligd tot eigen christelijke overtuiging.
Welnu M.HH., het is mij voorgekomen, dat wij hier een woord hebben, bijzonder gepast voor deze gelegenheid; een
8
woord, gepast zoowel voor u, mijn jeugdige broeder! wien ik het mij een voorrecht reken, tot deze gemeente in te leiden, als ook voor u, gemeente! die dezen leeraar ontvangt. O, de bedienaar van bet Evangelie heeft in de dagen, die wij beleven, eene meer dan immer moeielijke taak. Ook gij, nietwaar? mijn broeder! hebt in de enkele jaren uwer ambtsbediening in twee verschillende gemeenten reeds de ondervinding daarvan kunnen opdoen, en gij rekent er niet op â ik ben er van overtuigd â dat gij hier te Ylaardingen zijt gekomen om die ondervindingen te ontgaan. O neen, al is in Gelderland, niet alleen de natuur, maar ook liet geestelijk aanzien der bevolking, in menig opzicht verschillend van die van Zuid-Holland, die twee provincies van ons kleine vaderland liggen toch dicht genoeg bij elkander, om uwe ervaringen van daarginds u leerzaam en nuttig te maken voor uwe toekomstige ervaringen hier. En wat in het bijzonder deze gemeente betreft, waarheen God u thans riep â al mag ik u, op grond van eigen veeljarige ervaring, aan de ééne zijde bemoedigen door de verzekering, dat deze gemeente niet weinig heeft wat voor een bedienaar van het Evangelie moedgevend en opwekkend, aangenaam en verkwikkend is, daartegenover, het spreekt van zelf, komen ook de schaduwen te scherper uit, met al de schakeeringen van donker en licht.
Welnu, waaraan heeft de bedienaar van het Evangelie, waaraan heeft ook de gemeente zich te honden, naar welken regel zich te gedragen, inzonderheid in deze dagen, die den zegen en de rechte vrucht van het Evangelie zoo veelvuldig bedreigen door den strijd, door de gisting, door de botsing der geesten, door ver-uiteenloopende inzichten en meeningen, die met elkander om den voorrang dingen, en vooral ook door de booze hartstochten, die maar al te vaak zich daarin mengen? Vergunt mij. Gel., dat ik het een en ander daarvan zegge, dat ik althans de grondlijn
9
u teekeue, die de gedragslijn behoort te regelen, beide van den Evangeliedienaar en van de gemeente, om ook in dézen tijd te komen tot den recliteu zegen en de rechte vrucht. Laat mij het doen met het woord van Panlus in onzen tekst, waarin bij â ik vertrouw, dat gij het reeds verstaan hebt -â handelt over het rechte volharden bij de eenmaal verworvene christelijke overtuiging. Laat mij het kortelijk noemen de ware behoudzucht, en naar dit Apostolisch woord u trachten duidelijk te maken 1°. loaarin zij lestaal en 2°. op teelleen grond zij rust.
Gez. 9-1.
Sla, o God vol mededoogen!
Sla uw oogen Nu genadig op ons neer.
Daar wij, in uw huis verschenen,
Ons vereenen.
Naar uw voorschrift, tot Uw eer.
Dat ons hart uw' Geest verheide.
Die ons leide In uw waarheid, naar uw woord;
Schenk uw' bijstand tot gelooven Nu van hoven;
Spreek dan, uw gemeente hoort.
I. Toen Panlus dit schreef zat hij te Home in de gevangenis. Hij had den marteldood voor oogen, en hij wist het zoo goed als zeker: het zou niet lang meer met hem duren, en dan was hij verlost uit élken kerker, gelijk hij zelf het ook uitdrukt aan het einde van dezen brief: âde Tleer zal mij verlossen van alle boos werkquot;.
Met het oog op zichzelf kon hij dus juichen in het aangezicht van den dood, gelijk de genade des Heeren dat leert aan ieder Christen, dan wanneer hij dat noodig heeft â ik zeg aan ieder christen, die weet in wien hij gelooft.
Doch al was Paulus los van alles wat hem nog binden
10
kon aan dc aarde, daarom was liij nog niet onverschillig omtrent de aangelegenheden der gemeente, maar tot den einde toe gingen die hem ernstig ter harte. Vooral ook was hij niet zonder zorg omtrent de gemeente te Ephese, waar hij den nog jeugdigen Timotheus als opziener der gemeente had achtergelaten. Want daar te Ephese, Panlus wist het van nabij, waren velerlei verleidende geesten gt; gevaarlijke dwaalleeraars, wier woord voort-at gelijk de kanker, en waardoor velen zich afkeerden van de eenvoudigheid in Christus.
Tegen hen nu waarschuwt de apostel zijn geliefden zoon in het geloof, met heiligen ernst, en bemoedigt hem tevens op zijn moeielijken post door zijn vaderlijk woord. Terwijl die dwaalleeraars immer verder gingen, van kwaad tot erger, verleidende en wordende verleid, moest Timotheus daarentegen blijven in hetgeen hij geleerd had â en die vermaning heeft hare beteekenis en is van blijvende kracht voor eiken christenleeraar en voor elke christengemeente ook uit den tegenwoordigen lijd, dus ook voor u mijn vriend en broeder! en ook voor u, o gemeente! die dezen leeraar ontvangt.
âBlijven bij hetgeen gij geleerd hebtquot; â hoe dan en in welken zin? Moeten wij dan, zoo zal men vragen, altijd maar blijven bij het oude, en is cr dan, ook op christelijk gebied, geen vooruitgang, geen ontwikkeling van het lagere tot het hoogere, geen verandering, die goed en heilzaam is en meer in overeenstemming met de eischen en behoeften van dezen tijd?
Ziedaar in hoofdzaak de vragen, M.HH., die men met zekeren ophef gewoon is te doen, en daarmede meent men dan elke verandering, elke nieuwigheid, waarmede men voor den dag komt, ook op christelijk gebied, gerechtvaardigd en verdedigd te Lebben tegenover hen, die daar niet mede zijn ingenomen en die het dan ook geenszins verhelen, dat zij blijven willen in hetgeen zij geleerd hebben.
11
Welnu, wat zullen wij zeggen? Dergelijke vragen M.HH., laat ons in de eerste plaats daarop aclit geven, bevatten gewoonlijk eene schromelijke overdrijving, die reeds de zwakheid verraadt van datgene wat men wil verdedigen. O, daar is in dat woord âvooruitgangquot; eene betooverende kracht, wegslepend voor allen, die onnadenkend genoeg zijn om zich te laten vangen door groote woorden en die schrikken bij de gedachte, dat men hen zou indeelen bij degenen, die geacht worden niet te zijn op de hoogte van hun tijd. Maar daarom te méér is het noodzakelijk, dat wij de dingen goed onderscheiden eu nauwkeurig rekenschap vragen van wat men eigenlijk en wezenlijk bedoelt. TV aut met algemeenheden komen wij niet verder. In het algemeen genomen, voorzeker, wie zal het niet erkennen? overal waar leven is, daar is gestadige verandering en daardoor ontwikkeling en vooruitgang. Stilstand is er alleen op het gebied van den dood. Zoo is het in de natuur, en niet anders is het ook op het geestelijk gebied. Zie het geboomte. Het oud gebladerte heeft het van zich afgeschud, en elke lente en iedere herfst doen het ons duidelijk genoeg aanschouwen, dat het leven zich openbaart in gestadige verandering, gestadige wisseling, en dat het niet komt tot ontwikkeling dan dóór den dood van het oude heen. Alleen de doode boomen staan onveranderd daar, totdat de storm of de bijl ze velt, als brandhout bestemd voor â¢'t vuur. Welnu, niet anders is het ook op geestelijk gebied. Heeft ook niet de Heiland zelf het Koningrijk der hemelen vergeleken bij een mosterdzaad, dat opwast tot een boom, waarin de vogelen des hemels komen nestelen? Eu wie zou durven bewee-ren, dat liet Christendom, dat ook de Christelijke kerk, wat hun uiterlijk aanzien, wat den tijdelijken vorm betreft, onveranderd gebleven zijn sints de apostolische eeuw, en dat wij niet ernstig op onze hoede moeten zijn tegen de versteening van het oude, het groot gevaar, dat daar schuilt in den verleidelijken toeleg van velen, om de waarheid
12
te willen wegsluiten in een onbeweeglijkcn vorm, om alles weer te vervormen tot hetgeen weleer is geweest? Voor-waar, de H. Geest, die de Geest des levens, des levens in Christus Jezus is, de H. Geest kent geen stilstand, geen teruggang door versteening, maar schept zich altoos nieuwe vormen, nieuwe bedeelingen, nieuwe krachten, dee-lende aan een iegelijk, ook aan eiken tijd in het bijzonder, ge-lijkerwijs Hij wil, en daardoor juist behoudt het Christendom zijn eeuwige frischheid en jeugd. En ook ieder christen in het bijzonder â o, waar is de geloovige, die het Tiiet als een doodelijk teeken beschouwen zou voor zijn geestelijk leven, indien hij aangaande zichzelf bekennen moest, dat er stilstand bij hem heeft plaats gehad, dat hij in geen opzicht veranderd, in geestelijke ervaring niet toegenomen, in kennis en in helderheid van inzichten niet vooruitgegaan, in één woord: dat zijn geestelijk kapitaal niet vermeerderd is, en dat aan hem alzoo niet bevestigd is het woord van den Zaligmaker: «wie heeft, die zal ontvangen, en hij zal overvloediglijk hebbenquot; ?
Eu toch, of laat mij liever zeggen: juist daarom, zal elke. waarachtig christelijke overtuiging beamen en ter harte nemen het woord van den apostel, dat hij aan Timotheus toeroept: âblijf gij in hetgeen gij geleerd hebtquot;. Let wel op M.HIL, ik spreek van overtuiging, gelijk ook Paulus daarvan spreekt, terwijl hij er namelijk bijvoegt; âen waarvan gij de verzekerdheid verkregen hebt.quot; Want zie, dat is het nu juist, wat onmisbaar is om te blijven in datgene wat men geleerd heeft, indien men althans geleerd heeft hetzeltde als Timotheus: het Evangelie van Jezus Christus. O, men heeft zich menigmaal er over verwonderd, dat zoovelen onder de christenheid niet gebleven zijn in wat zij geleerd hebben, en dat zoovelen zich laten wegslepen door iederen waan van den dag, zoodat zij of het oude, welbeproefde Evangelie inderdaad hebben laten varen, bf hun heil zoeken in allerlei nieuwigheden, die men hun
13
komt aanprijzen als liet eigenlijk oude. En toch, niets is minder te verwonderen, als wij er goed over nadenken. Wanneer datgene wat men geleerd lieeft; niet geworteld is als overtuiging, dan mist het nit den aard der zaak de rechte vastheid en kracht, en liet wordt weggeblazen en omvergeblazen door den eersten den besten wind. En zóu nu is het bij maar a.1 te velen. Zij zeggen of meenen wel, dat zij hun godsdienstige overtuigingen hebben, mnar als gij het wel beziet, dan zijn het niets meer dan denkbeelden. Wat is een denkbeeld? Een beeld van het denken. Dat zit in het hoofd; maar een overtuiging zit dieper â dat is een verzekerdheid van het hart, en die laat zich zuu maar niet ontwortelen, evenmin als zij iemand zoo maar aanwaait, hetzij dan op de schoolbanken of op de banken der catechisatie, hetzij zelfs in de studeerkamer of op de banken der hoogeschool. O neec, eene welgewortelde overtuiging, eene innerlijke verzekerdheid van het Evangelie dat men geleerd heeft â dat, M. HEL, kost niet maar wat inspanning van het geheugen of oefening van het denken, maar dat kost ziele-arbeid in den strijd dezes levens, in den strijd met de zonde, met de bedenkingen en twijfelingen van liet verduisterd verstand, met de ergernissen van het vleesch, met de tegenstribbelingen en arglistigheden van het hoogmoedige hart. O ziet, wanneer hetgeen men uitwendig geleerd beeft van het Evangelie van Christus, inwendig geworteld is tot een overtuiging der ziel, dan eerst heeft men een fundament, waarop dan verder kan worden voortgebouwd; en al is het dan ook, dat hetgeen daarop gebouwd wordt, niet altoos blijkt te bestaan uit kostelijke steen en, die de vuurproef doorstaan kunnen, maar ook wel eens voor een deel uit bout, hooi en stoppelen, die vergaan door het vuur, het fundament blijft toch onaangetast, en een iegelijk, die daarop gebouwd heeft, hij lijde dan tijdelijk eenige schade, maar zelf wordt hij behouden, zij het ook als dóór het vuur heen. Zie, dat is de ware behoudzucht, en ook liet ware behoud, zoodat
14.
men, wat er dan ook verandere en wat er ook moge wegvallen, gefundeerd en geworteld blijkt in Christus Jezus, en niet kan aflaten van Hem, den eenigen Eots des beliouds. Maar ach! hoe schaars wordt dat gevonden, en hoe weinig kan men tegenwoordig op de menschen rekenen, omdat men in het geheel niet kan rekenen op hetgeen zij noemen hun overtuiging, maar wat menigmaal heel wat anders blijkt te zijn. Hoe weinig vastheid is er van beginsel; hoe velen worden als de vloed bewogen en omgevoerd met allen wind der leer, om nu nog te zwijgen van al den schijn, die zich met allerlei verkeerde bedoelingen zoo vaak verbergt achter een ijveren voor de eere Gods. Hoevelen trekken hunne zoogenaamde overtuigingen aan eu uit als een kleed, zoodat gij werkelijk nooit recht weet, wat ge eigenlijk aan hen hebt. Ach! daar komen de veranderingen niet van binnen-uit, maar van buiten-af, en worden ze bepaald door allerlei uiterlijke invloeden: een persoonlijke voor- of tegen-ingenomen-heid, de macht der openbare meening, eenig tijdelijk belang, de gunst van den een of ander, de mode of het fatsoen â het zij wat het wil, maar alles behalve de leering en de leiding van den H. Geest.
Is het wonder. Gel., dat er onder zulke omstandigheden niet velen gevonden worden, die beantwoorden aan hetgeen Paulus wil, d. i. voorwaar geen stilstand, maar innerlijke vastheid; geen onbeweeglijkheid, maar gestadige wasdom, d. i. de ware verandering en ontwikkeling, de ontplooiing en gedurige vernieuwing des levens, door de levensgemeenschap met Christus Jezus, de Levensbron, ja het Leven zelf, gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid? O, gelukkig wie Hem is ingeplant door een oprecht en levend geloof, en wie alzoo verheven is boven alle wisselende meeningen van èen altoos wisselenden tijdgeest. De uitwendige mensch mag dan verdorven worden, de inwendige wordt nochthans vernieuwd van dag tot dag â en dan eerst kent men het Evangelie als de blijde boodschap des heils, een
15
kraclit Gods tot zaligheid voor een iegelijk, die gelooft.
Gez. 55 ; 2.
TrotscLe bergen zullen wijken,
Vaste rotsen eens vergaan:
Zijne trouw zal nooit bezwijken,
Zijn verbond blijft eeuwig staan;
Laat de wereld zelfs vergaan.
Zijne trouw blijft eeuwig staan.
Wat ooit wanklen inoog of wijken.
Zijn verbond zal nooit bezwijken.
II. Wij hebben, naar ik hoop, verstaan, wat en waarom het is, dat Paulus in ons tekstwoord ïimotheus vermaant te blijven in hetgeen hij geleerd heeft, en wat ik kortelijk de ware behoudzucht genoemd heb. Laat ons nu verder zien, op zoelken grond zij, volgens Paulus, rust.
Het is allereerst dit, gelijk hij er nog bijvoegt in het 14de vers: ,/wetende, van wien gij liet geleerd hebtquot;. Hij zegt niet maar: âbedenkendequot; of âu herinnerendequot;, maar wetende, van wien gij het geleerd hebt; en ook deze uitdrukking is niet zonder opzet door hem gekozen. Want er is hier sprake â het is noodig, dat wij het ons even herinneren â van eene wezenlijke, echte, christelijke overtuiging; niet van een uiterlijk aangenomen leer, of inzicht, of meening, maar van een innerlijk overtuigd zijn, eene zekerheid voor de zie!. Welnu, daarom en met het oog duurop zegt de apostel: âwetende, van vfien gij het geleerd hebtquot;, en daarmede bedoelt hij, dat de overtuiging, waarvan hij sprak, zulk eene wezen moet en ook werkelijk is, die weet, waarop zij gegrond, vanwaar zij afkomstig is, en die zich dus ook rekenschap vermag te geven aangaande zich zelf. Het moet, met andere woorden, een welbewuste en Mare overtuiging zijn, zulk eene, die niet schroomt, zich zelve te beproeven aangaande haar grond en herkomst.
Nu, dit reeds, M. H1L, is van het grootste gewicht, ja.
16
als wij liet â goed bezien, dan lieeft Paulus met dat âwetendequot; ons werkelijk reeds veel te zeggen. Datgene wat gij uwe overtuiging noemt, lioe zijt gij er aan gekomen, in welke leerscliool hebt gij liet geleerd, waarop is het gegrond? â deze vragen, ik bid u, leg ze den een en ander eens aan het hart, en gij zult bevinden, dat er maar al te velen zijn, die ja wel hoog opgeven van hun overtuiging, maar die in de verte niet in staat zijn, zich daar rekenschap van te geven, en dat het vaak niets anders is dan eene uiterlijk-aangenomen leer, een opgeraapte meening, een napraten van den esn of ander, een van buiten geleerde les. Eu ook dan zelfs, wanneer het dieper geworteld en beter gefundeerd schijnt, ach! hoe menigmaal blijkt het, dat het toch de rechte klaarheid en vastheid mist, daar het niet gegrond is en niet rust op den eenig-vasten en betrouwbaren bodem, maar op den wankelen en veranderlijken bodem van een donker, schemerachtig, onbestemd gevoel. 0,M. HH., men spreekt veel eu ook wel veel goeds, van het godsdienstig gevoel. Eu wie zou ook willen zeggen, dat liet Evangelie der genade Gods geen aanspraak maakt op geheel onzen innerlijken mensch, en dus ook niet het gevoel van den mensch aangrijpt, eu hem verootmoedigen en verheifen, ontroeren eu verblijden kan tot in het diepst van de ziel? Maar daarmede is nog niet gezegd, dat onze innerlijke mensch alleen bestaat uit gevoel, en dat dit de bodem zou kunnen zijn, waar de christelijke overtuiging en het christelijk leven op rusten. Ach! waar het zoo is â een aandoening van het oogenblik, een voorbijgaande opgewektheid, een wiegelen op gevoeligheden â het is het zaad, waarvan de Heiland spreekt, in steenachtige plaatsen, waar het geen diepte van aarde heeft, en waar het wel spoedig opwast, maar ook spoedig verdort. O neen, waarlijk, een gevoels-christendom eu gevoelschristenen ââ ik bid u, wat geven al die gemaakte opwekkingen, ja zelfs de ,/legers des heilsquot;, en wat blijft er over van de opwindingen en gemoedsbewe-
17
gingen, die de menschen misschien een oogeublik verheffen in een ingebeelden hemel, maar om hen straks te doen ervaren, dat ze toch eigenlijk geen grond onder de voeten hebben, en om hen zoo welhaast wêer te doen ontwaken uit den kortstondigen droom in de donkerheid van den nacht ?
O neen, nog eens: de waarachtig christelijke overtuiging, die zichzelve gelijk blijft bij alle ontwikkeling en geestelijken wasdom, moet rusten op een vasten bodem, en zichzelve daarvan klaar bewust zijn, gelijk ook Paulns zelf getuigt: //ik weet, in wien ik geloofd hebquot;, en gelijk Johannes schrijft: ,/wij weten,, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen,quot; ja gelijk de Heiland zelf zegt tot zijne jongeren: z/de Trooster, de H. Geest, welken de Vader zenden zal in mijnen naam, die zal u alles leeren, en zal u indachtig maken alles wat ik u gezegd heb.quot;
Welnu, daarom schrijft ook Paulns hier aan Timotheus: //wetende, van wienquot; â of, naar eene meer waarschijnlijke lezing, van wie, in het meervoud â //gij het geleerd hebt.quot; Van wie dan had hij het geleerd? O voorzeker, Timotheus wist het, en erkende het ook zelf met dankbaarheid: van Paulns, zijn leermeester en geestelijken vader, en te voren alreeds van Loïs en van Eunice, zijne geloovige grootmoeder en zijne godvruchtige moeder, aan wie hij het middelijkerwijze te danken had, dat hij van kinds-af de heilige Schriften geweten had, die wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof in Christus Jezus. Zonder twijfel, Paulus bedoelt uok dat, hoewel dat niet alleen, gelijk wij nader zullen zien; en ook voor ons is het van bcteekenis, dat hij Timotheus hier indachtig maakt aan het onderwijs, dat hij genoten had als kind reeds van zijne moeder en van zijne grootmoeder, en later nog van hemzelf. Waarom is dat van gewicht? Ach! M.HH., het is een groot gebrek van onzen tijd, dat men over het algemeen zoo weinig eerbied heelt
18
voor de lierinneringen zijner jeugd, voor datgene wat men eens geleerd heeft van ouders en leermeesters, en dat men zich maar al te gemakkelijk losmaakt van hetgeen waarin men onderwezen is door menschen, die niet alleen ouder in jaren zijn, maar ook menigmaal gerijpt in christelijke ervaring. O, men spreekt tegenwoordig veel van een eigen, zelfstandig inzicht, en mij dunkt, ik heb het reeds duidelijk genoeg gezegd, dat het niet kan gemist worden tot eene waarlijk christelijke overtuiging. Maar weet gij, wat ik zoo ongelukkig vind? Dat men, met al dat gepraat van een eigen, zelfstandig inzicht, zichzelf en anderen maar al te vaak den weg afsnijdt om daar waarlijk toe te komen. Of wat wordt ei' van dat zelfstandig inzicht, wanneer verwatene jonge menschen â en zij zijn er niet weinigen i â het beschouwen als iets wat bijna van zelf spreekt, dat zij het beter weten dan hunne ouders en leermeesters, en dat zij de hoogste en diepste vraagstukken van het christelijk denken en van het christelijk leven kunnen oplossen of ten minste van de baan schuiven met een grimlach of met een aardigheid, althans, op zijn best genomen, met een weinig wiskunde of natuurkunde, of wat men méér op de scholen leert? Voorwaar, voorwaar! dat is de kanker van dezen tijd: die verwaandheid, die geestelijke voornaamheid, dat oppervlakkig vooroordeel, waardoor men leert, uit de hoogte neêr te zien op de geestes-schatten van het voorgeslacht, en zich in te beelden, dat men vanzelf reeds behoort tot het ontwikkelde en verlichte deel der menschheid, als men maar verwerpt wat men vroeger eerde, en maar loslaat wat men weleer vasthield. O, ik kan geeu achting hebben voor den jongeling of de jonge dochter, voor den man of voor de vrouw, die met minachting spreekt van het geloof van gerijpte christenen, zelfs van vader of moeder. Daar is een overlevering, die eerbiedwaardig is â het is die van het ouderlijk huis. Daar is een leering en onderwijzing, die zich niet straffeloos laat beleedigen â het is die, welke God
19
ons deed toekomen door leermeesters, wier cliristelijke ervaring liet getuigde, divt liet beginsel van ullo 'wijsheid nimmer elders gevonden wordt dn.n in de vreeze des lieeren.
Daarom, lant ons allen gewanrsclmwd willen zijn Aroor onszelven en voor onze kinderen! Laat ons niet voorbijzien liet woord van den apostel, dat hij hier schrijft aan iimo-theus: //Wetende, van wie gij het geleerd hebt , en niet minachten of doen minachten de christelijke onderwijzing, de leering der gezanten Gods!
Evenwel, is dat nu reeds voldoende? Is dat de eigenlijke grond en bron der overtuiging, waarvan ik sprak.quot;' O, indien ik zeide van ja, dan zou ik zekerlijk spreken tegen de bedoeling van Paulus zelf. Deze Paulus, hij is op clui-stelijk gebied ongetwijfeld ecu degelijke en welbetrouwbare autoriteit. Maar waar het aankomt op den diepsten en laatsten grond des geloofs, daar treedt hij zeli altoos eer-biedilt;lt;lijk in de sohaduw, om al hut licht te laten vallen op de eenig-waarachtige autoriteit, het gezag van God zelf. Of zou hij ook hier, terwijl hij schnjit aan limotheus: //wetende, van wie gij het geleerd hebtquot;, niet zijn doel hebben met de bijvoeging, waarmede hij hem wijst op de heilige Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof m Christus Jezus? ie kan het betwijfelen.' wie van een man als Paulus, die zelf leefde in de Schntt, en die dus ook de waarheid ervaren had van datgene wat hij hier getuigt?
Zoo wijst hij ons dus terug op eene andere, betere en hoogere leering, dan die van ouders en leermeesters, al ware het ook van Paulus zelf â hij wijst ons op de leering Gods, den eenigen Leermeester, die dat wat wij moeten leeren, kan heiligen en doen gedijen tot waarachtige vrucht voor onszelven eu anderen. O, dit is het, wat de Heiland zegt: //er is geschreven in de profeten: en zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd hceit, die komt tot mijquot;. Ja,
20
dan eerst worden wij de rechte godgeleerden, wanneer wij van God geleerd worden; en ook een jeugdig leeraar, al is hij jong als Timothens, mag er dan veilig op rekenen, dat zijne bekwaamheid zal zijn uit God, om ook anderen te leeren, en dat zijn arbeid niet ijdel wezen zal in don Heer.
Van God geleerd te worden â is dat mogelijk? O, daar is een wolke van getuigen in den hemel en op aarde, die het ons luide verkondigen: ja, het is mogelijk, en bet is eene heerlijke werkelijkheid voor een ieder, die het oprecht begeert. Hoe dan en waardoor ? Daar is maar één leerboek, M. H H., waaruit God ons wil onderwijzen, en dat Hij gebruikt wil hebben in zijne school, om ons wijs te maken tot zaligheid, door het geloof in Christus Tezus. Het is de H. Schrift, en ook Christus zelf heeft het gezegd: âonderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van mij getuigenquot;. Hier is de eerste, oorspronkelijke afdruk van het goddelijk leven, dat gekomen 'is in de gevallen wereld, en dat zich voltooid heeft in Christus, het vleescbgeworden Woord; in die Schrift is het rechte standpunt, vanwaar-uit wij het geheel der goddelijke heilsopenbaring overzien kunnen, en waar alles zich aan ons vertoont in het licht der leiding en der verlossende liefde Gods. Maar om dat leerboek waarlijk te kunnen lezen, en om dus recht te verstaan wat God daarin spreekt tot ons, zie, daartoe is nog wat méér en nog wat anders noodig, dan vleeschelijke oogen en wat men noemt een helder verstand; daartoe is noodig een cog, dat verlicht en geopend is door en voor het licht des H. Geestes, een hart, dat begeerig en bereid is om de stemme Gods te verstaan. Maar immers ook die weg is niet gesloten, nu, in den dag van de bedeeling des Geestes, diens Geestes, die, naar de belofte van Christus zelf, alles neemt uit zijne volheid, om het aan ons te verkondigen.
quot;Welnu, Gel., ook deze leeraar, dien ik ga bevestigen, is gekomen en u van God gezonden, om naar dezen eenigen
21
geloofsregel en uit deze eenige rechte bron u te onderwijzen, u te vermanen, u te vertroosten en te bemoedigen, om voor u en voer zichzelven te begeeren liet licht en de genade des H. Geestes, tot de rechte leiding en wijding van al zijn woord en werk in den dienst van het Evangelie, en zoo dan oot zeker tot gezegende vrucht. O, het is mij tot blijdschap, dit te weten en te mogen zeggen, en alzoo dezen leeraar tot u te mogen inleiden in het bemoedigend bewustzijn, dat de tijd niet zil uitblijven, dat ook hij in zijne mate met Panlus zal rnogen zeggen: ,/gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle menschen; als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods; niet in steenen tafelen, maar in vleeschen tafelen des harten.quot;
In dat vertrouwen willen wij nu dan ook overgaan tot het werk der bevestiging, nadat wij gezongen hebben uit:
Psalm 146 : 4.
't Is de Heer, wiens alvermogen 't Groot heelal beeft voortgebragt;
Die, genadig, uit den boogen Ziet, wie op zijn' bijstand wacbt,
En aan elk, die Hem verbeidt,
Trouwe houdt in eeuwigheid.
(Bevestigings-Tormulikr.)
Psalm 72 : 11.
Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen!
Men loov' Hem vroeg en spa!
De wereld hoor', en volg' mijn zangen Met Amen, Amen, na!