MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING DER BOUWKUNST
i
RAPPORT
der Commissie, door de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst benoemd om een antwoord te geven op de vraag:
Welke eischen dient men te stellen aan een goede
i
regeling van vak-onderwijs voor handwerkslieden in de bouwambachten ?
AMSTERDAM,
Gedrukt bij De Erven H. van Munster amp; Zoon. 1886.
ü '1 3
â s:\'- '. ⢠lt;: v,quot; V ⢠: â ' . ⢠^ . â : - ⢠N-- ⢠' - ^ : â¢
.
v-c'' gt;â -, ⢠â ,. ⢠/â =...'â â â¢â ; 'â¢/
â -⢠'⢠⢠;.. ⢠⢠'⢠' , rk ' ' ⢠⢠â¢
. ⢠'⢠â â â â â â ,
- V- ' V' ⢠,⢠V,quot;- ⢠⢠' -⢠. â . ⢠⢠⢠â ,lt; ' ⢠. ... ⢠-
p%-'- \ i'. - ⢠â â - , ⢠â ' ' -
m
sl'S:
. .i ⢠a- - r'-v: â¢
⢠â
. ! â \ ⢠â V . v ⢠:
. ,V'- % i
' ' 'i 'â¢/ 'â
quot;4
⢠⢠⢠. ⢠. . v . â â¢â¢ - : v . ⢠, - .
V:--'
;-v/-/â ', â¢;
/'⢠).' . ï^y.- 'â - : â â ⢠v- J â¢- ,
amp;,vW : â¢,
.â¢v;
ramp;sih-
'j ygt; - r,/.: -T..- ' ^ V
' '
v . quot;V-
'4 â :; ;-
-
Wâ /'i: â m--MXf-,;lt; â
_
__
MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING DER BOUWKUNST
RAPPORT
der Commissie, door de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst benoemd om een antwoord te geven op de vraag:
Welke eischen dient men te stellen aan een goede regeling van vak-onderwijs voor handwerkslieden in de bouwambachten ?
AMSTERDAM,
Gedrukt bij De Erven H. van Munster amp; Zoon. 1886.
De Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst, opgericht in het jaar 1842, die ongeveer 900 leden telt door geheel ons vaderland verspreid, tracht haar doe!, de bevordering dei-bouwkunst, volgens artikel 2 van hare statuten mede te bereiken door; het bevorderen van het onderwijs in de bouwkunst.
Het Bestuur en vele leden der Maatschappij hebben meermalen bewijzen gegeven van warme belangstelling voor dat gedeelte van de schoone taak, die de Maatschappij op zich heeft genomen; de in het licht gegeven werken leggen daarvan blijvende getuigenis af.
Die belangstelling werd in de laatste jaren niet weinig verlevendigd, toen de behoefte aan goed ambachtsonderwijs in de bouwvakken zich ai meer en meer deed gevoelen.
Men verschilde echter zeer in meening omtrent den weg, dien men met dit onderwijs moest inslaan.
De algemeene vergadering der Maatschappij, gehouden te Amsterdam op den 21sten Mei 1885. nam daarop het besluit om de vraag :
«Welke eischen dient men te stellen aan eene goede regeling van vakonderwijs voor de handwerkslieden in de bouwambachten?quot; in handen te stellen van eene Commissie.
Deze werd kort daarop door het bestuur benoemd, waarbij werd gestreefd om voorstanders van de verschillende richtingen in de commissie te vertegenwoordigen.
Het Bestuur mag hier niet onvermeld laten, dat de beide Inspecteurs van het Middelbaar Onderwijs, wijlen de heer Hoogleeraar Dr. M. Salverda en de heer Dr. A. T. van Aken, de vergaderingen der Commissie hebben bijgewoond.
4
De Commissie bestond uit de volgende leden :
Dr. P. J. H. CUYPERS, architekt der Rijks-Museumgebouwen, vice-voor-zitter der Maatschappij tot bevordering der bouwkunst te Amsterdam; C. M. I) R O O G L! â quot;- F, V E R FORTUYN, architekt, timmerman en onderwijzer aan de Akademie voor beeldende kunsten en technische wetenschappen, lid van het bestuur der ambachtsschool, te Rotterdam; C. DYSERINCK, voorzitter van de Maatschappij voor den Werkenden Stand en van het bestuur der ambachtsscholen van die Maatschappij, te Amsterdam,
F. H. VAN MALSEN, fabriekant en aannemer, lid van den gemeente
raad, te 's Gravenhage;
W. C. METZELAAR, ingenieur-architekt voor de gevangenissen en rechtsgebouwen, oud-leeraar aan de bouwkundige avondschool te Deventer, lid van het bestuur der Maatschappij tot bevordering der bouwkunst, te 's Gravenhage;
J. E. G. NOORDENDORP, directeur der gemeentewerken, lid van het bestuur der ambachtsschool en voorzitter der afdeeling van de Maatschappij tot bevordering der bouwkunst, te Leeuwarden;
G. A. SCHOLTEN, architekt. leeraar aan de hoogere burgerschool en
burger avondschool, correspondent der Maatschappij tot bevordering der bouwkunst, te Tiel.
Deze Commissie heeft aan het bestuur der Maatschappij tot bevordering der bouwkunst het volgende antwoord op de gestelde vraag gegeven, dat, naar aanleiding van het prae-advies van het bestuur, door de 54stlt;: Algemeene Vergadering der Maatschappij, gehouden te Utrecht op 23 September 1886, werd goedgekeurd Dit prae-advies luidt als volgt;
«Kennis genomen hebbende van het Rapport der Commissie, benoemd naar aanleiding van een besluit der Algemeene Vergadering van de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst gehouden op den 21«=quot; Mei 1885, aan welke Commissie werd opgedragen, om een antwoord te geven op deze vraag: «Welke «eischen dient men te stellen aan eene goede regeling van het «vakonderwijs voor de handwerkslieden in de bouwambachten?quot;
verklaart het Bestuur der Maatschappij zich ten volle te vereenigen. zoowel met dit rapport als met de conclusiën, die daaruit zijn voortgevloeid.
Het Bestuur betuigt zijn oprechten dank voor den ernst en den ijver, waarmee de Commissie de van haar gevorderde moeielijke taak heeft volbracht, daarbij den wensch uitende: dat deze arbeid moge strekken tot heil van den Nederlandschen werkman, en de aanleiding moge zijn, om tegemoet te komen aan eene reeds lang gevoelde behoefte.
5
en noodigt de Vergadering uit. het Bestuur der Maatschappij te machtigen, bij de Regeering de noodige stappen te doen tot regeling van het ambachtsonderwijs bij de Wet.quot;
Het Bestuur der Maatschappij voornoemd:
C. MUYSKEN, Voorzitter.
C. T. J. LOUIS R1EBER, Secretaris.
Door het bestuur zullen, ingevolge de verkregen machtiging, bij de Regeering de noodige stappen worden gedaan om het ambachtsonderwijs te regelen bij de Wet.
AAN
het Bestuur der Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst te Amsterdam.
M. H.
De Commissie, door U benoemd ingevolge het besluit der algemeene vergadering van de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst, dd. 21 Mei 1885, tot beantwoording der vraag:
»Welke eischen dient men te stellen aan eene goede regeling nvan vakonderwijs voor de handwerkslieden in de bouwambachten?quot;
heeft de eer U het resultaat van die vereerende opdracht bij deze aan te bieden, in het hier volgende antwoord, met daarbij gevoegde memorie van toelichting en verdere bijlagen.
Het is der Commissie aangenaam, daarbij te kunnen mededeelen, dat alle conclusiën met algemeene stemmen werden aangenomen.
Moge haar arbeid strekken tot heil van den Nederlandschen handwerksman.
De Commissie voornoemd;
5 Juli 1886. Dr. P. J. H. CUYPERS, Voorzitter.
C, M. DROOGLEEVER FORTUYN.
C. DYSERINCK.
F. H. VAN MALSEN.
J. E. G. NOORDENDORP.
G. A, SCHOLTEN.
W. C. METZELAAR, Secretaris.
6
ANTWOORD.
Het ambachtsonderwijs worde zoo algemeen en degelijk mogelijk gemaakt, en daartoe ten spoedigste geregeld bij de wet.
Die wet op het ambachtsonderwijs zal, voor zooverre zij het onderwijs voor toekomstige handwerkslieden regelt, onder meer andere, de navolgende bepalingen moeten bevatten:
Art. I. Het onderwijs wordt gegeven op;
a. ambachtsavondscholen.
b. ambachtsdagscholen.
Art. II. De oprichting en instandhouding dier scholen geschiedt van gemeentewege, behoudens het nader bepaalde in art. X, en met een Rijkssubsidie, naar vaste regelen nader te bepalen.
In elke gemeente, waar de bevolking 8000 zielen te boven gaat, wordt door het gemeentebestuur een ambachtsavondschool opgericht. Mocht de bevolking eener gemeente van boven de 8000 zielen zoo ver uitéén wonen, dat op bezoek der school weinig te rekenen valt, dan kan zoodanige gemeente door ons van die oprichting tijdelijk worden vrijgesteld.
In elke gemeente, waar de bevolking 30000 zielen te boven gaat, moet door het gemeentebestuur bovendien een ambachtsdagschool worden opgericht.
Art. III. Bepalingen voor de ambachtsavondschool.
a. Het onderwijs wordt gegeven van half September tot minstens half Maart, gedurende 5 avonden per week, en 2 a 3 uur per avond aan eiken leerling.
b. Er is eene vacantie van 24 December tot 3 Januari.
c. Het aantal jaren, waarover de cursus van onderwijs voor elk ambacht zal worden verdeeld, moet afhankelijk zijn van de eischen voor dat ambacht, doch minstens 3 jaren duren.
d. Geen leerlingen worden toegelaten, dan die overdag op een ambacht zijn, behoudens eenige nader te regelen uitzonderingen voor gemeenten beneden de 12000 zielen, zoolang daar het teeken-onderwijs niet op de lagere school wordt gegeven.
Voor hunne toelating wordt vereischt: een examen, waarop zij doen blijken, dat zij behoorlijk kunnen lezen, schrijven, rekenen en teekenen,. .. het laatste voor zoover het in die gemeente als leervak bij het lager onderwijs is opgenomen.
Het bezit van een getuigschrift van loffelijk ontslag, na aflcop van de lagere school, ontslaat den leerling van dit examen.
e. Het schoolgeld moet laag worden gesteld, met recht tot vrijstelling, nader door ons te regelen.
Art. IV. Het onderwijs voor de ambachtsavondschoien omvat de volgende leervakken:
a. Het handteekenen.
b. Het rechtlijnig teekenen.
c. Het rekenen, toegepast op het ambacht.
d. Het maken van opstellen, toegepast op het ambacht.
e. De kennis van grondstoffen, bouwstoffen, gereedschappen en werktuigen.
f. Het teekenen, toegepast op het ambacht.
g. Het boetseeren.
Art. V. Onderwijs voor het timmer-, metsel-, smids- en verwers-ambacht is verplichtend voor elke ambachtsavondschool; dat voor andere ambachten regelt zich naar de behoeften en volgens later door ons vast te stellen regelen.
Het onderwijs in Art. IV sub g. genoemd, is voor ambachtsscholen in gemeenten beneden 12000 zielen, als daaraan geen behoefte bestaat, niet verplichtend.
Art. VI. Bepalingen voor de ambachtsdagscholen;
a. De cursus is een driejarige.
b. Er zijn drie vacantiën n.1. ééne van Goeden Vrijdag tot Dinsdag na Paschen; ééne zomervacantie van hoogstens 15 dagen, en ééne vacantie van 24 December tot 3 Januari.
c. Het aantal lesuren mag voor eiken leerling hoogstens 9 per dag bedragen.
d. Leerlingen worden alleen toegelaten, als zij op een examen doen blijken, dat zij behoorlijk kunnen lezen, schrijven, rekenen en teekenen,.. . het laatste voor zoover het in die gemeente als leervak bij het lager onderwijs is opgenomen.
Het bezit van een getuigschrift van loffelijk ontslag, na afloop van de lagere school, ontslaat den leerling van dit examen.
e. Het schoolgeld moet laag worden gesteld, met recht tot vrijstelling, nader door ons te regelen.
Art. Vil. Het onderwijs voor de ambachtsdagscholen omvat de volgende leervakken:
De vakken a. tot en met g. in art. IV genoemd.
h. Oefeningen in het hanteeren van gereedschap en het gebruik van werktuigen ten behoeve van die ambachten, waarvan de
praktijk op eene school kan worden onderwezen, en voor zooverre er in de gemeente, waar de school is opgericht, voldoende behoefte aan onderwijs in de praktijk van een ambacht bestaat, te bepalen volgens nader door ons vast te stellen regelen.
Art. VIII. Het timmeren, meubelmaken, smeden en verwen zijn de ambachten, waarvoor onderwijs in de praktijk, genoemd sub h in art. VII, verplichtend is.
Art. IX. Ambachtsdagscholen, opgericht in gemeenten met eene bevolking van minder dan 30000 zielen, en ambachtsavondscholen, opgericht in gemeenten met eene bevolking van minder dan 8000 zielen, worden, ten opzichte van de Rijkssubsidie, gelijkgesteld met de verplichte scholen, indien zij voldoen aan de eischen, aan die scholen hierboven gesteld.
Art. X. Bijzondere ambachtsdag- of avondscholen, mits geheel voldoende aan de eischen, hierboven aan de gemeentescholen gesteld, ontheffen het bestuur der gemeente, waarin zij gevestigd zijn, van de verplichting tot oprichting van gelijknamige ambachtsscholen. Deze inrichtingen worden alsdan ten opzichte van de Rijkssubsidie gelijkgesteld met de verplichte scholen.
Art. XI. Het hoofdtoezicht over alle ambachtsscholen geschiedt van Rijkswege, door een of meer door ons te benoemen deskundige personen, die den titel voeren van Inspecteur van het ambachtsonderwijs.
Het dagelijksch toezicht wordt opgedragen aan eene commissie van minstens drie leden, te benoemen door den Raad der gemeente, waarin de school of scholen gevestigd zijn.
Art. XII. Voor de oprichting van ambachtsscholen in gemeenten boven de 20000 zielen, wordt een termijn gesteld van 3 jaren, binnen welken tijd, na afkondiging der wet, zij in werking moeten zijn. Voor gemeenten van 12000â20000 zielen bedraagt die termijn 6 jaren; voor die van gemeenten van 8000â 12000 zielen 9 jaren.
Art. XIII. a. Het onderwijs aan de ambachtsscholen wordt gegeven door een directeur-leeraar, leeraren en onderwijzers.
b. Leeraren zijn zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid tot het geven van onderwijs, waartoe zij benoemd zijn.
Onderwijzers zijn zij, die geen akte van bekwaamheid bezitten.
9
t c. Tot het geven van onderwijs in de vakken Art. IV sub a
en Art. Vil sub a genoemd, benevens Art. IV sub Æ en Art. VII sub f genoemd, de beide laatste voor zoover betreft het voortgezette en toegepaste handteekenen, zijn bevoegd zij, die in het bezit zijn eener akte M, van de wet van 2 Mei 1863, Staatsblad N0. 50.
d. Tot het geven van onderwijs in de vakken Art. IV sub g en Art. VII sub g genoemd, zijn bevoegd, zij, die in het bezi', zijn eener akte O der wet van 2 Mei 1863 Staatsblad N°. 50,
e. Tot het geven van onderwijs voor de bouwambachten in de vakken, genoemd in Art. IV sub b tot en met /, en Art. VII sub b tot en met /, wordt vereischt: een akte van bekwaamheid, benevens een bewijs, dat men, gedurende minstens drie jaren, als architect, ambachtsbaas, opzichter of onderbaas werkzaam is geweest.
Deze akte van bekwaamheid wordt verkregen door een examen t in het navolgende:
1°. De kennis van grondstoffen, bouwstoffen, gereedschappen, en werktuigen bij de bouwambachten in gebruik.
20. De kennis van samenstellingen in de burgerlijke bouwkunde voorkomende, en van die van eenvoudige waterbouwkundige werken. 30. De beginselen van projectieleer en het projectieteekenen. 40. De kennis der toepassingen van de wiskunde op het ambachts-rekenen.
50. Voldoende kennis der Nederlandsche taal.
Het bezit van het diploma als architekt, volgens de wet van 2 Mei 1S63, Staatsblad N0. 50, stelt vrij van dit examen.
Æ. Voor onderwijs in alle andere vakken der ambachtsscholen wordt geen akte van bekwaamheid vereischt.
g. Leeraren en onderwijzers zijn minstens 23 jaren oud. De Inspecteur van het ambachtsonderwijs kan hiervoor vrijstelling verleenen.
Art. XIV. Aan het hoofd van elke ambachtsschool staat een leeraar, in het bezit eener akte. genoemd in Art. XIII, sub e, of diploma volgens de wet van 2 Mei 1863, Staatsblad N0. 50, die den titel voert van directeur.
Voor het geven van onderwijs in de bouwambachten voor de vakken Art. IV sub b tot en met /quot;, en Art. VII sub b tot en met/, kan vrijstelling worden verleend van de daartoe gevorderde akte van bekwaamheid voor scholen in gemeenten van minder dan 24000 zielen, met dien verstande, dat, behalve door den directeur, in die vakken nog onderwijs wordt gegeven door : minstens 1 leeraar in gemeenten van 12â16 duizend zielen; minstens 2 leeraren in gemeenten van 16â20 duizend zielen; en minstens 3 leeraren in gemeenten van 20â24 duizend zielen.
IO
De Inspecteur van het ambachtsonderwijs kan, zoo dit noodig mocht zijn, de eerste 3 jaren na het in werking treden dezer wet, nog tijdelijk gedeeltelijke vrijstelling verleenen van het minimum getal leeraren voor elke school, hierboven genoemd.
üe benoeming van directeur, leeraren en onderwijzers geschiedt aan gemeente en gesubsidieerde ambachtsscholen, door den raad der gemeente, waarin de school is gevestigd. De benoeming van directeur en van onderwijzers van alle ambachtsscholen, ook van bijzondere niet-gesubsidiëerde, behoeft de goedkeuring van dien Inspecteur.
Art. XIII en XIV worden 15 jaren na de invoering der wet herzien.
Art. XV. De kosten van het ambachtsonderwijs aan gemeente of gesubsidieerde scholen worden door het Rijk en de gemeente ieder voor de helft gedragen, voor zoover het niet door particulieren wordt bekostigd.
Art. XVI. Het ambachtsonderwijs maakt deel uit van het Middelbaar onderwijs.
Aldus opgemaakt door de commissie, benoemd door het bestuur der Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst.
Dr. P. J. H. CUYPERS, Voorzitter.
C. M. DROOGLEEVER FORTUYN.
C. DYSERINCK.
F. H. VAN MALSEN.
J. E. G. NOORDENDORP.
G. A. SCHOLTEN.
W. C. METZELAAR, Secretaris.
Memorie van toelichting.
De vraag, door het bestuur der Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst den ondergeteekenden ter beantwoording gegeven, spreekt alleen van bouwambachten. Zij hebben echter geineend, dat het hun vrijstond, de vraag in ruimeren zin op te vatten, zoodanig, dat, bij de beantwoording er van, ook op de eischen en behoeften van andere ambachten kon worden gelet, en dat, waar zij ten slotte eene regeling van het ambachtsonderwijs, volgens hunne
11
denkbeelden, meenden te moeten voorstellen, die regeling niet alleen de bouwambachten, maar ook nog vele andere ambachten ten goede zoude kunnen komen, en dus het meest veelzijdig nut zou verspreiden.
Terwijl echter de bouwambachten bijna overal worden beoefend, en hun beoefenaars verreweg het grootste gedeelte van den hand-werksstand uitmaken, zoodat voor hen dus de eischen van goed ambachtsonderwijs het meest klemmen,is het niet meerdan natuurlijk, dat de bouwambachten bij eene regeling van het ambachtson-derwijs de kern uitmaken, waarom de andere ambachten zich als 't ware groepeeren, of waaraan zij zich aansluiten ; is het ook met recht, dat die bouwambachten het meest op den voorgrond treden, en aan hen het eerst moet worden gedacht.
De ambachtsstand vertegenwoordigt zeer zeker een belangrijk-deel van ons Nederlandsche volk. De bloei van dien stand is dus met recht een groot nationaal belang te achten.
Eene regeering, die dien bloei met gepaste middelen tracht te bevorderen, bewijst het land eene weldaad.
Zij kan dit, naar het oordeel van de ondergeteekenden, niet krachtiger en volgens gezonder beginselen doen, dan door van overheidswege zoo algemeen mogelijk voor ambachlsonderwijs te zorgen, zoodat de werkman ten voile in staat zij, om, na volbrachten leertijd, zijn ambacht naar behooren uit te oefenen, flink in zijn dagelijksch onderhoud te voorzien, en buitenlandsche concurrentie het hoofd te kunnen blijven bieden.
Eene wet tot regeling van het ambachtsonderwijs, met het doel dit zooveel mogelijk overal binnen het bereik te brengen van den toekomstigen ambachtsman, ?iedaar wat hun het moest wenschelijk voorkomt, en waarvoor zij den tijd alleszins rijp achten. Zulk een wet zou een zegen zijn voor ons volk en krachtig medewerken om een groot maatschappelijk vraagstuk op vreedzame en gezonde wijze tot oplossing te brengen.
In ' de verschillende artikelen van hun wetsvoorstel hebben de ondergeteekenden bepalingen gemaakt, die, naar hunne meening, in zulk een wet dienen te worden opgenomen. Die bepalingen doen, huns inziens, duidelijk uitkomen, welke eischen zij aan dat ambachtsonderwijs stellen, en naar welke beginselen het moet worden ingericht. Toch zal een korte toelichting dier bepalingen haar nut kunnen hebben.
ad art, I en II. De ondergeteekenden wenschen tweeërlei am-
12
bachtsscholen, n. 1. Ambachtsavondscholen (A A S) en Ambachtsdagscholen (ADS).
Aan de AAS wordt alleen onderwijs gegeven in de theoretische leervakken; terwijl de werkplaats daarbij voor de opleiding in de praktijk moet zorgen.
Aan de A D S wordt, naast en in verband met de theoretische leervakken, onderwijs gegeven in de praktijk van die ambachten, welke daarvoor geschikt zijn.
Voor wie bekend is met het maatschappelijke leven van den handwerksman, is hetduidelijk, dat, wii men scholen stichten, waarin alle toekomstige ambachtslieden kunnen worden opgeleid, dit avondscholen zullen moeten zijn en meer bepaald winter-avondscholen.
In den regel toch moeten de jongens, zoodra zij de lagere scholen hebben verlaten, wat gaan verdienen, om daardoor in de kosten van het gezin te kunnen bijdragen.
Het bezoek van dagscholen is daarom voor het grootste gedeelte der ambachtsleerlingen een werkelijk onoverkomelijk bezwaar.
Bovendien is de dagschool slechts geschikt voor het onderwijs in de praktijk van enkele ambachten en dus eenzijdiger van karakter. De oprichting van A A S is dus wenschelijk in alle gemeenten met eene bevolking van meer dan 8000 zielen, omdat de kleinsten van zulke gemeenten zeker nog een voldoend aantal leerlingen aan deze scholen zullen leveren, en zij tevens de centra kunnen zijn van de omliggende kleinere gemeenten, waaruit tevens leerlingen voor die scholen kunnen worden verwacht.
In de overtuiging echter, dat over 't algemeen in groote gemeenten de werkplaats van karakter is veranderd, en in vele opzichten daar niet meer, zooals voorheen, die goede opleidingsplaats is voor den toekomstigen ambachtsman, om zich in het han-teeren van het gereedschap te bekwamen, achten de onderge-teekcnden de oprichting van ADS in die grootere gemeenten in het belang van den ambachtsstand; want, over den omvang van het euvel van vele werkplaatsen in de opleiding moge tusschen hen en andere bouwkundigen verschil van gevoelen bestaan, evenals over de bewering, dat daarin van de zijde der werkbazen, bij goeden wil, verbetering ware aan te brengen,. .. zóóveel is zeker, dat ambachtsdagscholen zich aldaar een burgerrecht hebben verworven.
Door particulier initiatief in het leven geroepen, en door particuliere krachten en geldmiddelen gesteund, zijn zij reeds menigen werkman ten zegen geweest, en mogen zij aanspraak maken op waardeering van allen, die het wel meenen met den werkman.
Dergelijke inrichtingen echter, gewijzigd en verbeterd, zijn daarom, naar het oordeel der ondergeteekenden, daar gewenscht, waar de
13
resultaten in eenige verhouding kunnen zijn tot de meerdere kosten dezer inrichtingen, boven die der A A S, waar, bij eene bevolking van minstens 30000 zielen in die gemeenten en omliggende plaatsen, een genoegzaam getal ouders zal worden gevonden, die hef loon hunner zonen eenige jaren langer zullen kunnen ontberen.
ad art. Ill, IV, V. Bij het opmaken van het programma voor de A AS, is gestreefd naar vermijding van alle overlading van leerstof en van datgene, wat, hoe wenschelijk op zichzelf voor den werkman, niet bepaald onmisbaar is te noemen. De leertijd is toch ook te kort, dan dat niet alles beschikbaar zou blijven voor het hoog noodige en om dit vooral goed en grondig te leeren.
De basis van het ambachtsonderwijs moet het teekenen zijn, niet ten onrechte de meest cosmopolitische taal ter wereld genoemd, onmisbaar voor allen, en zonder welke een grondige ambachtsstudie zoowel voor de bouwambachten als voor alle anderen, onmogelijk is. De ondergeteekenden meenen er hier met klem op te moeten wijzen, dat aan dezen gewichtigen tak van onderwijs, het teekenen, nog niet die zorg wordt besteed, waarop het aanspraak heeft, om het veelzijdig nut dat in de beoefening er van is gelegen.
Ook dient, volgens hen, het onderwijs in het teekenen naar eene redegevende methode op de lagere scholen algemeen te worden ingevoei_d, ook om de redenen, helder ontvouwd door den heer W. B. G. Molken-boer, in zijn uitstekend geschrift, onderden titel «Waarom moeten wij leeren teekenen?quot; door de «Maatschappij tot nut van 't algemeenquot; uitgegeven, welk geschrift zij in veler handen wenschen.
Toch moet ook ander onderwijs het teekenen krachtig steunen in de ontwikkeling van den ambachtsleerling. Het programma geeft hiervan de bewijzen.
Zijn in het wetsvoorstel de leervakken genoemd, zonder meer, de navolgende korte omschrijving er van zal nog duidelijker maken waartoe dat onderwijs strekken moet.
ad a en b. Het hand- en rechtlijnig teekenen. Oefening van hand-, oog- en voorstellingsvermogen, vooral met het doel, om teekeningen te leeren verstaan, en den vorm van voorwerpen te leeren weêrgeven, ad c. Het rekenen, toegepast op het ambacht. Het maken van toepassingen van reken- en meetkunst op het door den leerling gekozen ambacht. Nauwkeurig cijferen en vaardig rekenen uit het hoofd is voor den ambachtsman van groot belang ; evenzoo de kennis der inhoudsberekening van de voornaamste meetkunstige figuren en lichamen, die de grond 'ormen uitmaken van de te behandelen onderdeelen in de praktijk.
ad d. Het maken van opstellen, toepasselijk op het ambacht. Oefenin-
H
gen in het mondeling en schriftelijk uitdrukken der gedachten door het vertellen, het maken van opstellen, het schrijven van brieven, enz.,
over en met betrekking op het door den leerling gekozen ambacht.
Hierdoor moet men den leerling gewennen, zijn gedachten eenvoudig maar juist weer te geven, en hem tevens de verklaring geven van de in de praktijk algemeen gebruikte eigenaardige uitdrukkingen en uitheemsche woorden.
ad Dc kennis van de grondstoffen,bouwstoffen, gereedschappen en werktuigen. De kennis van de eigenschappen en het gebruik der grond- en bouwstoffen, van de inrichting en het gebruik van gereedschappen en werktuigen, in verband niet het door den leerling gekozen ambacht.
Het is wenschelijk dat dit onderwijs worde gesteund, waar dit te pas komt, door eenige zeer elementaire begrippen van werktuigkunde en natuurkunde, om zich rekenschap te kunnen geven ⦠van verschijnselen en uitwerkingen.
ad f. Het teekenen, toegepast op het ambacht. Verklaring van,
en oefening in de samenstelling van de onderdeden van werkstukken betreffende het gekozen ambacht, door het maken van uitslagen, zooveel mogelijk op ware grootte.
De ondergeteekenden meenen hier vooral te moeten waarschuwen tegen te groote uitvoerigheid in het opwerken van teekeningen.
Het maken van uitslagen in potloodlijnen is in den regel geheel voldoende. Het opwerken met arceeringen en kleuren, â waarbij getracht wordt, de draad van het hout na te bootsen â zooals zij bij het bezoeken der voornaamste ambachtsscholen in de gele-legenheid waren hier en daar op te merken, kan hunne goedkeuring niet wegdragen. Dit geldt ook voor het streven naar het ⢠vervaardigen van teekeningen op kunstindustriëel gebied, dat naar hunne meening, op de ambachtsschool niet te huis behoort. ^
De beschrijvende meetkunst wenschen zij, volgens hun programma,
vooral niet als afzonderlijk leervak behandeld te hebben, maar beperkt te zien tot het allernoodzakelijkste, om een goed begrip te krijgen van het projecteeren van de later te maken eenvoudige figuren. Evenzoo wordt, naar hun oordeel, het onderwijs in het handteekenen in menig opzicht te ver opgedreven.
Het maken van uitvoerige teekeningen, bijv. van ingewikkelde fijne ornamenten naar plaat en pleister, nog te meer naar pleisterkoppen, achten zij voor het meerendeel der ambachten niet te verdedigen. Zij zouden wenschen. dat, zoowel bij het teekenen naar plaat als naar de natuur, meer nadruk werd gelegd op de behandeling van onderwerpen, die meer en onmiddellijk in verband staan lot het door den leerling gekozen ambacht.
15
De ondergeteekenden meenen er nogmaals op te moeten wijzen, dat dit programma geldt voor verreweg de meeste ambachten, ook voor die, welke niet tot de bouwambachten worden gerekend; dat zij daarom verplicht onderwijs voor minstens 4 ambachten wenschen, om zeker te zijn, dat de scholen veelzijdig zullen werken, en niet tegen de bedoeling van den wetgever in, te bekrompen zouden worden toegepast. Zij voegen hierbij tevens â zie bijlage A â eene proeve van een tabel tot verdeeling van de lesuren, waaruit nog duidelijker kan blijken, welk een gewichtige plaats het ambachtsteekenen in dat onderwijs moet innemen, alsmede welken tijd zij voor de overige leervakken voldoende achten,
ad art, VI, VII, VIII. Het theoretisch onderwijs voor de ADS stemt geheel overeen met dat der AAS. In beide scholen moet ^ dat onderwijs ook geheel gelijk zijn, en kan dienaangaande dus
naar de toelichting ad III. IV. en V worden verwezen. Wat het in art. VII sub h bepaalde betreft, de ervaring heeft meer dan voldoende bewezen, dat er verscheidene ambachten, vooral bouwambachten, zijn, waarvoor schoolonderwijs, wat het praktische gedeelte betreft, niet wel mogelijk is, b. v. metselen, steenhouwen, stucadooien, enz., anderen echter, zooals het meubelmaken, smeden, timmeren en verwen leenen zich daarvoor, öf geheel, öf zeer goed gedurende een drietal jaren. Naar het oordeel van de ondergeteekenden, moeten plaatselijke toestanden uitmaken, welke ambachten praktisch op de school, in verband met de daarmede gepaard gaande uitgaven, zullen worden onderwezen, en heeft de wetgever alleen te zorgen, door dat onderwijs voor minstens 4 voorname allerwegen beoefende bouwambachten, die daartoe geschikt zijn, verplichtend te stellen, dat deze inrichtingen, uit den aard der zaak kostbaarder dan de AAS, niet al te eenzijdig worden, en slechts een of twee ambachten ten goede zouden komen.
Met het oog op de verkregen ervaring aan bestaande ambachtsscholen, ook al zullen deze min of meer moeten worden gewijzigd, om aan het hierboven gestelde programma te voldoen, meenen -f zij, dat een driejarige cursus voor deze scholen voldoende is. Wat
verder het praktisch werken aan de school betreft, veroorloven zij zich den wensch uit te spreken, ook naar aanleiding van het waargenomene op bestaande ambachtsscholen -. dat de werkstukken of onderdeelen daarvan, zooveel mogelijk vervaardigd mogen worden op ware grootte, in de praktijk in gebruik, en dat er naar moge worden gestreefd, om op die scholen een zelfde veelzijdigheid van arbeid van allerlei aard te bereiken, die ook in het dagelijksch leven, vooral in het bouwvak, voorkomt. De
i6
bovengenoemde, als bijlage A bijgevoegde tabel kan, huns inziens, ook gelden voor de in art. VII sub a tot en met g. genoemde vakken der A 1) S. Zij wenschen, dat het getal leswen daarvoor per week, voor eiken leerling, het getal van 15 niet overschrijde, en alle overige uren â 30 a 36 per week â voor de praktische oefeningen beschikbaar blijven.
ad art. IX, X en XII. De bepalingen in deze artikelen vervat, zijn gemaakt, om de invoering eener wet op het ambachtsonderwijs zoo geleidelijk en gemakkelijk mogelijk te maken; om bestaande inrichtingen, hetzij avond- of dagschool, die thans min of meer in de behoeften voorzien, gelegenheid te geven, om, door hervormingen, onder de nieuwe wet te kunnen blijven voortwerken, en de zeer gewaardeerde, niet te verwerpen particuliere krachten, die zich de zaak voor het ambachtsonderwijs hebben aangetrokken, voor dat onderwijs te behouden.
ad art. XI en XVI. Omdat, huns inziens, onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid der onderwijzers noodzakelijk is, wenschen de ondergeteekenden dat het ambachtsonderwijs deel zal uitmaken van het Middelbaar onderwijs.
Nadat het ambachtsonderwijs regeeringszaak zal zijn geworden, ook door de van Rijkswege te verstrekken subsidieën naar vaste regels, dient eveneens het hoofdtoezicht aan het Rijk te blijven.
Het dagelijksch gemeentetoezicht omvat alle ambachtsscholen,... de niet gesubsidieerden alleen wat betreft de bevoegdheid dei-onderwijskrachten.
ad art. XIII en XIV. De ondergeteekenden wenschen, dat de onderwijskrachten voor de ambachtsscholen zoo degelijk, maar ook zoo eenvoudig mogelijk zullen zijn ingericht.
Het onderwijs in oefeningen â zie art. VII sub h â kan voor alle ambachten zeer gevoegelijk worden gegeven door bekwame ambachtslieden, uit wier geleverde werkstukken, gedurende vele jaren in de praktijk, men beter dan door een examen kan oor-deelen over hun al of niet geschikt zijn als onderwijzer in cit gedeelte van het ambacht.
Evenzoo is het, huns inziens, bezwaarlijk, examens en akten van bekwaamheid in het leven te roepen voor het theoretisch vakonderwijs in de soms uiteenloopende ambachten, niet tot de bouwambachten behoorende, maar waarvan het toch wenschelijk is, dat ze naar gelang van plaatselijke omstandigheden mede op de ambachtsschool, ten bate van velen, worden onderwezen.
17
Iets anders is het met het theoretisch onderwijs voor de bouwambachten.
Voor een klein deel kan daarvoor zeer goed worden gebruik gemaakt van leeraren, in het bezit eener akte M. O. handteekenen, on die eener akte boetseeren.
Voor het verder en overwegend grootste gedeelte is echter, blijkens de ervaring, de akte rechtlijnig teekenen M. O. ten eenen-male ongeschikt, en moet daarvoor een andere akte in de plaats worden gesteld, zooals door hen is aangegeven, die beletten zal, dat personen, geheel onbekend met de bouwambachten, voor dat onderwijs zuilen worden aangesteld.
Zij hebben er den eisch aan toegevoegd, dat de leeraren praktische ervaring zullen hebben opgedaan, door daadwerkelijke leiding van een bestuur over bouwwerken, gedurende minstens drie jaren,... een eisch, waaraan zij groote waarde hechten.
Zoodoende toch zal dit onderwijs in hoofdzaak worden verstrekt door praktisch gevormde en goed theoretisch ontwikkelde bouwkundigen. Wordt nu bovendien slechts uit hen den directeur dei-school gekozen, dan is men verzekerd, dat de richting der school eene degelijke en praktische zal zijn, en behoeft men voor ontaarding, of te hooge opvoering van dat onderwijs niet bevreesd te zijn.
Verschil in titel tusschen hen, die een akte of diploma van bekwaamheid bezitten en hen, die daarvan verstoken zijn, kwam den ondergeteekenden wenschelijk voor.
ad art. XV. Zonder de finantiëele gevolgen hunner voorstellen te hebben nagegaan en overwogen, beschouwden de ondergeteekenden hunne taak als onvoltooid.
Vandaar, dat zij getracht hebben, daaromtrent vertrouwbare gegevens te verzamelen. Zij hebben er vooral naar gestreefd, niet te laag te ramen, om teleurstellingen te voorkomen, die nadeelig konden worden voor het onderwijs.
Hunne beschouwingen hierover zijn vervat in bijlage B.
Daaruit blijkt, dat zij de jaarlijksche uitgaven van deze onderwijswet ramen op f 800.000.
Deze mogen echter worden verminderd met die uitgaven, welke nu jaarlijks door gemeenten, provinciën en Rijk worden gedaan voor inrichtingen, waarvan de ambachtsstand tot nu toe voor zijn opleiding gebruik maakt, na bezoek der lagere school, zooals o. a. ambachtsscholen in hun tegenwoordigen vorm, teeken-scholen onder verschillende benamingen, enz. Zij mogen h. i. ook worden verminderd met een belangrijk deel der jaarlijksche kosten van de burger- dag- en avondscholen, inrichtingen, wel
l8
voor den ambachtsman in het leven geroepen, doch die daarvoor niet voldeden, en naast goede AAS en A D S nog meer uit gebrek aan levensvatbaarheid zullen gaan kwijnen, ja, sterven 1
Het bedrag van zulke verminderingen, in totaal, naar matige berekening, op Æ250.000 stellende, zullen de meerdere kosten, voortvloeiende uit eene ambachtsonderwijsvvet, geschoeid op den leest, door hen aangegeven, op / 550.000 per jaar mogen worden geschat.
Oprichtingskosten kunnen, huns inziens, veilig achterwege blijven, als men slechts dadelijk, van af de invoering der wet, rekent op dit maximum bedrag. Er is toch door hen een vrij ruime tijd voorgesteld voor de verplichte oprichting der scholen.
In de eerste jaren komen er dus zeker aanzienlijke bedragen vrij voor inrichting, die in de meeste gevallen wel bestaan zal in uitbreiding van reeds aanwezige localiteit, voor dit of een ander doel, tot dusverre in gebruik geweest.
Dat het Rijk de helft der kosten van dit onderwijs betaalt, is, huns inziens, billijk. Zijn aandeel in het professioneel onderwijs der hoogere standen â opleiding tot advocaat, geneesheer, docent met academischen graad, ingenieur, enz. â bedraagt in verhouding zelfs meer, ja! wordt bijna geheel door het Rijk bekostigd; evenzoo is 's Rijks aandeel in de kosten van gymnasiaal en Hoogere Burgerschool onderwijs niet onbelangrijk. De kosten der Rijks landbouwschool komen geheel voor zijn rekening.
Dat dus het Rijk voor een ander groot deel der burgers, vertegenwoordigd door den ambachtsstand, zich eenige kosten van beteekenis getrooste, is geen overdreven eisch. Het nationaal belang is daar eveneens zeer mede gemoeid.
Van den anderen kant wordt goede behartiging van den dage-lijkschen gang van dat onderwijs ten zeerste bevorderd, en do belangstelling der gemeentenaren in zulk onderwijs krachtig opgewekt, indien ook de gemeente-finantiën daarbij naar behoo-ren zijn betrokken en de gemeenten aldaar op dat onderwijs een gepasten invloed kunnen uitoefenen
De Commissie voornoemd:
Dr. P. J. H. CUYPERS. Voorzitter.
C. M. DROOGLEEVER FORTUYN.
C. DYSERINCK.
F. H. VAN MALSEN.
J. E. G. NOORDENDORP.
G. A. SCHOLTEN.
W. C. METZELAAR, Secretarie.
19
Bijlage A.
Proeve van een tabel van lesuren in de bouwambachten aan de A. A. S.
;
I ü O j to ri
Toelichting.
VAKKEN.
ffi H 33
I
â¢T
Onder hel teekenen, toegepast op het ambacht, wordt ook nog verstaan: het schetsen en in teekening brengen van bouw-deelen^ werktuigen en gereedschappen, op het gekozen vak betrekking hebbende.
|
Voor alle leer- ( ie i 4 |
6 |
2,3 | ||
|
lingen. j 1 2= 1 4 |
3 2 |
6 | ||
|
8 |
6 |
5 5 |
6 | |
|
l 5C 2 |
2 1 |
10 | ||
|
Timmerlieden. { 4^ |
2 |
'3 | ||
|
1 15= j |
12 | |||
|
Totaal. 10 |
5 |
7^5 |
41 | |
|
j CO u |
2 1 |
9 | ||
|
Smeden. ' 1,, i |
2 |
'3 | ||
|
1 se |
2 ! |
'3 | ||
|
Totaal. ii |
6 |
764 |
41 | |
|
3« |
2 |
j- 3 |
9 | |
|
4gt;= |
2 1 |
: 3 |
10 | |
|
5e |
1 3 |
12 1 | ||
|
6e |
3 |
12 |
|
Totaal. |
IQ 6 |
10 |
6 8 49 | ||
|
/ |
3= |
3 j |
1 1 quot; | ||
|
* Meubelmakers. | |
4e |
2 |
i 2 ; 9 |
2 | |
|
( |
5e |
9 |
6 | ||
|
Totaal. |
13 6 |
5 |
6 2 35 |
8 | |
|
/ |
3* |
3 i |
1 11 | ||
|
Ververs. ] |
4= |
3 12 | |||
|
j |
5e |
I 2 j 13 | |||
|
Totaal. |
11 6 |
5 |
6 i 5 i 42 |
Machinisten.
20
|
! v | |||||||
|
1 v . : ^ |
ïnz. |
0 U 1 | |||||
|
VAKKEN. |
O IH |
V « c *-* 0 bo quot; A V 1 ⢠â' |
N e u 5 |
Icn, enz |
c .4J O |
ü J3 ⢠2 B . gÃI § |
Toelichting. |
|
quot;1 ' ^ |
u rX |
V |
1) _= % | ||||
|
à I X 1 |
X |
O |
O P5 |
lt;u 0 1 0 C-1 j CQ 1 |
|
Metselaars, Lood-en Zinkwerkers.' Totaal. Steenhouwers. Totaal. Stucadoors. Totaal |
|
Bijlage B.
Kostenberekening van het amtaachtsonderwijs.
A. De kosten voor een AAS. van - - 120 leerlingen, verdeeld over 5 studiejaren, zijnde die eener school met goed bezette klassen,
worden geraamd op:
90 lesuren per week, betaald ad Æ 50 per lesuur . . . / 4500 â
Toelage voor den directeur-leeraar............» 600.â
Uitbreiding en onderhoud van leermiddelen......» 200.â
Brandstoffen en licht.....................» 600.â
Schoonhouden en bewaking van lokalen........« 250.â
Commissie van toezicht en administratie........» 200.â
/ 6350.-
Opbrengst van 80 schoolgelden..............» 200.â
Saldo / 6150.â
Of per leerling .....................» 51.â
* Voor Lood-en Zinkwerkers is wellicht een
4de jaar met 11
uur teekenen en 4 uur boetseeren nog gewenscht.
21
Scholen met minder leerlingen zijn uit den aard der zaak kostbaarder. Eene school van 60 leerlingen zal kosten;
75 lesuren per week ad / 50.............../ 3750.â
Toelage voor den directeur-leeraar....... . . . . » 530.â
Uitbreiding en onderhoud van leermiddelen......» 150.â
Brandstoffen en licht....................» 400.â
Schoonhouden en bewaking van lokalen........» 200.â
Commissie van toezicht en administratie........» 150.â
Æ 5200.â
Af voor 40 schoolgelden..................» 100 â
Saldo Æ 5100.â
Of per leerling.......................f 85.â
Het getal leerlingen voor de bouwambachten stellende op 6 voor elke 1000 inwoners, met inbegrip van enkele bezoekers uitomlig-gende plaatsen, zou men verkrijgen:
|
voor |
gemeenten |
van |
8000 zielen |
50 leerlingen. | |
|
» |
» |
T 2000 » |
72 | ||
|
» |
)) |
» |
16000 Ã |
96 |
)j |
|
» |
» |
» |
20000 » |
120 |
» |
|
» |
» |
» |
24000 » |
144 |
» |
|
» |
» |
28000 » |
168 |
» | |
|
» |
» |
ö |
32000 » |
192 |
» |
|
» |
» |
» |
40000 » |
240 | |
|
» |
» |
») |
60000 )) |
360 |
» |
|
» |
» |
» |
120000 » |
720 |
» |
|
0 |
» |
» |
360000 » |
2160 | |
Men mag dus uit het bovenstaande aannemen, voor de kosten van de AAS, voor gemeenten van:
8â10000 zielen Æ 5100.â
iaâ14000 » » 5800 â
14â18000 » » 6300.â
18â22000 » » 6800.â-
22â26000 » » 8000.â
26â30000 d » gooo.â
en voor de grootere scholen Æ 50.â per jaar en per leerling.
Voor gemeenten boven de 30000 zielen zal men veilig doen, op 1/4 van het geheele getal der leerlingen te rekenen voor de ADS. Men rekent het geheele getal bezoekers dan niet te laag.
22
|
Voorts rekenende, dat 8 gemeenten boven hoofde der verspreide ligging der woningen landbouwend karakter, vrijstelling verkrijgen van AAS, zoo mag men aannemen ; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
te samen f 564.450.â | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
B. Voor de ambachtsdagscholen meent men te moeten aannemen; tractement directeur-leeraar f 2500 a / 3000, de leeraren f 100 per lesuur in de week, de onderwijzers minstens f 25 per lesuur in de week; voorts de ervaring van bestaande grootere en kleinere ambachtsscholen raadplegende, en rekening houdende met den invloed van hervormingen, dat de jaarlijksche kosten van ADS met meer dan 100 leerlingen op -r /125 per leerling moeten worden geschat en voor kleinere inrichtingen op gemiddeld / 200 per leerling.
de 8000 zielen, uit en hun uitsluitend van de oprichting
|
Men heeft alsdan: Voor Tilburg » Leiden » Haarlem » Arnhem » Groningen d Utrecht i) 's Gravenhage 197 » Rotterdam 270 » Amsterdam 540 65 66 68 75 111 |
y.000.â 13.000.â 13.200.â 13.600.â 15.000.â 14.000. â 25.000.--34.000.â 68.000.â te samen / 204.800.â 45 leerling, ad Æ200.â = / » » » » 125.- |
23
C. De Rijkskosten van toezicht, examens en administratie, stellende op - / 15.000.â, heeft men:
ad A....................Æ 564.450,â
ad B.................... » 204.800.â
ad C..................» 15.000.â
Onvoorzien.
' 784.250 15.750
Totaal / 800.000