'X..
EEN MOGENDHEID IN KNECITSGESTALTE,
DOOK
UIT ITRT HOOGDUITSGH.
met eene voorrede van ik
!
Pr. J. -fk. pERTH VAN W IJ K , Predikant Ie 's //are.
J. M. BREDÉE. - ROTTERDAM. 1885.
EEN MOGENDHEID IN KNECHTSGESTALTB,
DOOR
UIT HET HOOGDU1T3GH.
1885.
MET EENE VOORREDE VAN
PR. yJ. /c. pERTH VAN ^VlJK, Predikant te 's Hage.
Een jeugdig, warm vriend der zending vertaalde nevensgaand belangrijke opstel van den kundig en, gunstig bekenden Dr. Warneck, en vroeg mij „een woord ter inleiding te schrijven. Gaarne voldoe ik aan dat verzoek, niet alleen ter wille van den vertolker, die reeds in zijne jeugd met eigen oog de werking van de zending heeft kunnen zien, maar bovenal om de zaak der zending zelve. Al is, sedert het woord geuit werd, dat het „eene schande is geen vriend der zending te zijn,quot; het aantal niet afgenomen van hen, die ten onzent een hart hebben voor de zendelingen en hun arbeid, toch geldt hier nog altijd in opmerkelijke mate, dat „onbekend onbemind maakt.'quot; Daarom moeten er pogingen /oorden aangewend, om meerderen het oog te doen ontsluiten voor de grootsche taak der belijders van het Evangelie opgedra-tjen in dezen. Juist in onze dagen, nu zulk een groot gedeelte der gedoopten in Europa zich afkeert van het Evangelie, is weder de zending een heerlijk teeken van de ongebroken levenskracht van het Christendom. Zegene de Heer daarom dit geschrift, opdat het medewerke om meerderen voor de zaak der zending te winnen, naar de innige bede, mede van
I.
Er is meer dan eens een Saul onder de profeten geweest. Toen Pontius Pilatus, overweldigd door den indruk der majesteit, die uit de houding en de woorden van den gevangen Jezus hem tegenstraalde, in groote verbazing uitriep: „Zijt gij dan een koning?quot; — toen heeft hij, zonder de volle beteekenis van dezen uitroep ook maar te vermoeden, een opschrift boven het leven en werken van Jezus geplaatst, zoo kenschetsend als nooit eenig diepzinnig, christelijk godgeleerde zou hebben kunnen vinden.
Het is de verschijning der nederigste knechtsgestalte, die ons bij den eersten aanblik in Jezus van Nazareth te gemoet treedt: „geene gedaante noch heerlijkheid, dat wij hem zouden begeerd hebben,quot; zooals reeds de oude profeet zeide. Van zijn intrede in deze wereld af, heeft Hij nauwelijks een plaats gehad, waar Hij zijn hoofd op neêr leggen kon; een stal was zijn eerste woning, een kribbe zijn wieg, en toen Hij nog een kind was, stond Hem reeds een Herodus naar het leven. Onbekend, in een afgelegen oord, onder ontberingen van allerlei aard, zonder hooger school-
— 6 —
onderwijs groeit de knaap als zoon van arme ouders op, en wanneer Hij eindelijk, dertig jaar oud, in het openbaar optreedt, dan vindt Hij onder de velen, die Hem hooren en die zijn wonderdoende hand geneest, slechts een kleine schaar van menschen uit den geringen stand, die in waarheid zijne navolgers worden. De dragers van macht, bezit en beschaving onder zijne tijdgenooten zien met voorname minachting uit de hoogte op Hem neder en worden hoe langer hoe meer zijne bittere vijanden. Hij doet niets om hunne gunst te verwerven; niets om de openbare meening voor zich in te nemen door woorden, die der wereld behagen, of door werken, die haar ontzag inboezemen. Zelfs wanneer Johannes de Dooper in de gevangenis zich ergert over den nederigen staat, waarin Hij rondwandelt, geeft Jezus hem op zijn bekende vraag slechts dit veelbeteekenende antwoord: „Gaat heen en boodschapt Johannes weder hetgeen gij hoort en ziet: de blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatschen worden gereinigd en de dooven hooren; de dooden worden opgewekt, en den armen wordt hot evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.quot; Maar de ergernis werd steeds grooler en ook de weinige getrouwen dreigden geschokt te worden in hun geloof, toen onverwachts en onverklaarbaar voor hen het leven en werken van Jezus op den lijdensweg uitliep. De biltere vijandschap had ten volle gezegevierd; Jezus werd gevangen genomen, smadelijk mishandeld, als godslasteraar en oproermaker ter dood veroordeeld en tusschen twee snoode misdadigers aan 't kruis gehangen.
Is dat niet een knechtsgestalte, zooals er naar menschelijke meening geen ongeschikter had kunnen gevonden worden, voor Hem die als de wereldverwinnenden koning door God in de geschiedenis zou ingevoerd worden?
En toch — om het stoute woord van Paulus te gebruiken die, zooals misschien niemand anders deze groote, goddelijke wonderspreuk begrepen heeft — en toch is „dit dwaze Gods wijzer en dit zwakke Gods sterker dan de menschen. Is Christus dan een koning in deze knechtsgestalte ? Ja, juist hierdoor is Hij een koning, aan reien geen ander vorst gelijk is!
Ik denk hier niet aan den weg der verheerlijking, langs welken de Vader den Zoon door zijn opstanding, hemelvaart en verhooging ter rechterhand der Majesteit geleid heeft, juist omdat Hij zich zeiven vernederde en gehoorzaam werd tot den dood, ja tot den dood des kruises toe. Zoo zeker mij ook deze verheerlijkingen als geschiedkundige feiten zijn, zoo hebben zij voor mijn tegenwoordigen gedachtengang toch slechts deze waarde, dat zij aantoonen, line na de knechtsgestalte de verschijning in heerlijkheid, na den hoon de kroon, na de nederlaag de zege volgt; iets, dat voorzeker, voor ons Christelijk leven in hope, van de troostrijkste beteekenis, maar voor mijn tegenwoordige bewijsvoering niet genoeg is. Neen, in zijne knechtsgestalte zelve ligt reeds de koninklijke majesteit en macht van Christus.
Daarvan nog geheel afgezien, dat deze gestalte van Jezus van de kribbe tot aan het kruis iets zoo ongedachts, zóo tegennatuurlijks en bovenmenschelijks is, dal zulk
- 8 -
een levensloop van Jezus ten eenen male onmogelijk als het voortbrengsel van menschelijke verbeeldingskracht kan beschouwd worden, omdat niemand uit zich zeiven op de gedachte gekomen zou zijn, om den Zoon van God in een dergelijke knechtsgestalte over de aarde te laten omwandelen, als de Evangeliën hem ons voorstellen; afgezien daarvan, zeg ik, dat juist in deze knechtsgestalte van Jezus voor eiken onbevooroordeelden denker het bewijs van zijn hemelschen oorsprong en tevens een koninklijke overtuigingskracht ligt, — kan toch zelfs de meest wereldschgezinde mensch tot op den huidigen dag zich met Pilatus niet aan den indruk dier éenige majesteit onttrekken, welke uit de knechtsgestalte van Jezus hem tegenstraalt. Wanneer de Heiland het versmaadt zich door geweld van wapenen tegen gevangenneming te vrijwaren, en plechtig verklaart: „Mijn rijk is niet van deze wereld,quot; ofschoon het hem wel bekend is, dat de Joden een aardschen messias en koning verwachten ; wanneer Hij zijnen jongeren de voeten wascht, ofschoon Hij weet, dat de Vader Hem alles heeft overgegeven, en dat hij van God gekomen is en tot God gaat; wanneer Hij het verlorene zoekt, de vermoeiden en beladenen tot zich roept en juist aan alles, wat verdrukt en ellendig is in deze wereld, liefderijk zijn reddende hand biedt, ofschoon do Farizeën te allen tijde hierover nmrmureeren; wanneer Hij niet alleen de zwakheid zijner jongeren met geduld draagt, maar ook tegenover het woeden zijner vijanden onoverwinnelijke zachtmoedigheid plaatst, ofschoon deze heldenmoed vaak als zwakheid wordt aangezien, — steeds wordt deze nederige.
— 9 -
ootmoedige knechtsgestalte omgeven door den glorieschijn eener ongewone majesteit, waarvan een stille maar verheven macht uitgaat, die zulk een veroverende kracht op de harten der menschen uitoefent, als de machtigste wereldveroveraars nooit hebben bezeten. Ook de wereld, zij moge willen of niet, moet tegenover dezen nede-rigen Jezus in zijne knechtsgestalte uitroepen: „Zijt gij dan een koning?!''
„Alexander, Caesar, Karei de Groote en ikquot; verklaarde Napoleon eens op St. Helena, „wij hebben groote rijken gesticht; maar waarop hebben wij de scheppingen van ons genie gebouwd? Op geweld. Jezus alleen heeft zijn rijk op liefde gegrond, en heden nog zouden millioenen menschen voor Hem sterven . . . Men bewondert de veroveringen van Alexander. Maar hier is een Veroveraar, die de menschen om hun eigen bestwil tot zich trekt, hen met zich vereenigt en tot éen lichaam maakt — niet slechts éen enkel volk, maar het geheele menschdom. Welk een wonder!quot; O zeker, welk een wonder! Alexander, Caesar en Napoleon treden op met alle middelen van menschely ke macht, en hun rijk stort al ras ineen na hunne indrukwekkende overwinningen. Welk een onmacht in mogendheidsgestalte! Jezus van Nazareth daarentegen staat in de geschiedenis niet alleen van al deze middelen ontbloot, maar zelfs in een knechtsgestalte, welke der wereld een ergernis is, en — Hij sticht een rijk, dat blijft, zich nog steeds uitbreidt en in omvang alle wereldrijken overtreft. Welk een mogendheid in knechtsgestalte!
Die gedaante van Christus in deze wereld was niets
- 10 —
anders dan het uitvloeisel zijner zelfverloochende liefde, die niets voor zichzelve zocht, maar alleen voor anderen leefde; die het eigen leven als een losgeld gaf tot redding der zondige wereld. Het leven van Christus is een offer, en zijn treffendst kenmerk ligt in de woorden „voor u en in dit „voor uquot; schuilt het eigenlijke geheim van zijn wereldveroverende kracht. Met andere woorden: Christus is koning, omdat Hij hoogepriester is.
Vandaar het feit, hetwelk geen geschiedkundige, geen menschenkenner loochenen kan, dat de kracht des Evangelies juist in het „woord des kruisesquot; ligt. Van den beginne af aan zijn alle tijden van ware opwekkingen en groote veroveringen op geestelijk gebied, waarvan de kerkgeschiedenis gewagen kan, een vrucht geweest der prediking van Jezus en Dien gekruist; en telkens als een mensch waarachtig wedergeboren wordt tot een leven uit God en dien vrede vindt, welken de wereld noch geven noch nemen kan, dan bekent hij, dat dit geschied is door de kracht van het geloof in den gekruisten Christus, die zichzelven voor ons geofferd heeft. Men heeft het meer dan eens beproefd, het Evangelie van de ergernis van het kruis te berooven — met de goede bedoeling, het daardoor der wereld des te aannemelijker te maken; maar altijd is het gevolg hiervan geweest, dat het dan zijn wereldveroverende kracht verloren heeft, ofschoon duizenden dezen van het kruis verlosten Jezus hunne Hosanna's toejuichten. Het is en blijft het welbehagen van onzen Vader in den hemel, dat Hij de zege des Evangelies aan de knechtsgestalte verbindt, en dat Hij door de dwaas-
held der prediking zalig maakt, die gelooven. Zoo vaak wij in onze wijsheid deze „goddelijke dwaasheidquot; verbeteren willen, berooven wij Christus van zijn koninklijke macht.
De vijandige wereld heeft daarvoor een bijzonder scherp oog. Hoewel zij hel woord des kruises voor een dwaasheid houdt, zoo richt zij toch met al de veerkracht van haren haat — in tegenspraak met die bewering — haren hoofdaanval juist tegen die voorgewende onmacht dezer „dwaasheid.quot; De geschiedenis levert, indien ik mij zoo uitdrukken mag, vaak menige ironie op, die meer dadelijke bewijskracht in zich heelt dan de scherpzinnigste verweerschriften. Toen men Christus den grootsten hoon dacht aan te doen, zette men Hem een doornenkroon op het hoofd, en toen men op zijne koningsmacht den bijtendsten spot wilde schrijven, plaatste men in de drie wereldtalen boven het kruis deze woorden: „Jezus van Nazareth , de koning der Joden.quot; Zelfs als men Hem hoont, kroont men Hem; en hetgeen dienen moet om zijn onmacht ten toon te stellen, wordt in den vorm eener erkenning van zijn koningschap gehuld.
Zoo Christus, zoo ook zijn rijk in deze wereld. Onder dezelfde wetten en dezelfde goddelijke tegenstellingen, waaronder Hij zijn werk op aarde begonnen heeft, zet Hij dat ook voort. De geschiedenis der uitbreiding van zijn rijk is in zekeren zin de herhaling der geschiedenis van zijn leven op aarde. Vandaar dat ook de zending, welke als het werk der kerkvestiging onder alle volken de eerste plaats in de Christelijke rijksgeschiedenis in-
— 12 —
neemt, op een zeer in 't oog loopende wijze een knechtsgestalte draagt. Door gering geachte middelen, langs den weg der vernedering, richt Christus zijne wereldheerschappij op. Ook in de zending vangt Hij zijn werk klein aan, en voert Hij zijne oorlogen door troepen en wapenen, die der wereld zwak voorkomen. Maar door zijne Davids verslaat Hij de Goliaths; door het kleinste bereikt Hij het grootste, en door zijne schijnbaar zwakke wapenen bevecht Hij zich de duurzaamste zege. Stap voor stap onderwerpt Hij de volkeren der aarde en doet de onderworpenen wedergeboren worden, zoodat trots hare knechtsgestalte de zending daar toch als een mogendheid in de geschiedenis staat.
Dit dubbele karakter van een mogendheid in knechtsgestalte vertoont de zending reeds terstond in het uur harer geboorte. Welk een tegenstelling tusschen het grootsche bevel: „gaat heen en maakt al de volken tot mijne dtscipelenquot; (1) en de weinige, bovendien nog zwakke werktuigen, waaraan Hij dezen last opdraagt, en de — naar menschelijk oordeel — ontoereikende middelen, die Hij ter hunner beschikking stelt!
„Maakt alle volkeren tot mijne discipelen!quot; Wanneer is ooit, zelfs aan het hoofd van zegevierende legerscharen,
„Onderwijst alle volken,, kan ook vertaald worden met: „maakt al de volken tot mijne discipelen.quot;
— 13 -
bij een wereld veroveraar van vroegeren of lateren tijd, de gedachte opgekomen, orn alle natiën aan zich te onderwerpen en een rijk te stichten, welks grenzen de einden der aarde zouden zijn! En de schijnbaar vveerlooze Jezus van Nazareth, die over geen leger te gebieden had, beveelt, nadat Hij voor den haat zijner vijanden scheen bezweken te zijn, nadat Hij door zijn eigen volk verworpen en gekruisigd was, dus na de nederlaag op Golgotha, een zoodanig rijk voor Hem te stichten, en dat wel met uitsluiting van alle uiterlijke middelen van macht, alleen in de kracht der getuigenis en der overtuiging. Reeds de gedachte alleen aan zulk een verovering der wereld, uitgesproken door den mond van een gekruisigde, treedt, omdat zij éenig in haar soort is, als een geweldige macht in de geschiedenis op, aangezien zij in zichzelve reeds het getuigenis draagt van haren bovenmenschelijken oorsprong, en bewijst, dat Hij, die met volle verzekerdheid zulk een bevel kon geven, een koning is, aan Wien geen ander vorst gelijk is.
Jezus wil alleen hierom koning over alle volkeren der aarde worden, opdat allen onder de heerschappij zouden geraken van een Zaligmaker en Vredevorst, die den goddelijken wil volbrengt, dat alle menschen geholpen worden en tot erkenning der waarheid komen. Tegen alle leed, waaronder de menschheid, in welken vorm ook, zucht, wil Hij troost, en tegen de duizendvoudige ellende der zonde, waaraan zij dienstbaar is, wil Hij verlossing aanbrengen. De volkeren tot discipelen van Jezus te maken beteekent: hen tot hunnen bevrijder, hunnen redder te voeren; en
— 12 —
neemt, op een zeer in 't oog loopende wijze een knechtsgestalte draagt. Door gering geachte middelen, langs den weg der vernedering, richt Christus zijne wereldheerschappij op. Ook in de zending vangt Hij zijn werk klein aan, en voert Hij zijne oorlogen door troepen en wapenen, die der wereld zwak voorkomen. Maar door zijne Davids verslaat Hij de Goliaths; door het kleinste bereikt Hij het grootste, en door zijne schijnbaar zwakke wapenen bevecht Hij zich de duurzaamste zege. Stap voor stap onderwerpt Hij de volkeren der aarde en doet de onderworpenen wedergeboren worden, zoodat trots hare knechtsgestalte de zending daar toch als een mogendheid in de geschiedenis staat.
Dit dubbele karakter van een mogendheid in knechtsgestalte vertoont de zending reeds terstond in het uur harer geboorte. Welk een tegenstelling tusschen het grootsche bevel: „gaat heen en maakt al de volken tot mijne discipelenquot; (1) en de weinige, bovendien nog zwakke werktuigen, waaraan Hij dezen last opdraagt, en de — naar menschelijk oordeel — ontoereikende middelen, die Hij ter hunner beschikking stelt!
„Maakt alle volkeren tot mijne discipelen!'1'' Wanneer is ooit, zelfs aan het hoofd van zegevierende legerscharen,
„Onderwijst alle volken'' kan ook vertaald worden met: „maakt al de volken tot mijne discipelen.quot;
— 13 —
bij een wereldveroveraar van vroegeren of lateren tijd. de gedachte opgekomen, om alle natiën aan zich te onderwerpen en een rijk te stichten, welks grenzen de einden der aarde zouden zijn! En de schijnbaar vveerlooze Jezus van Nazareth, die over geen leger te gebieden had, beveelt, nadat Hij voor den haat zijner vijanden scheen bezweken te zijn, nadat Hij door zijn eigen volk verworpen en gekruisigd was, dus na de nederlaag op Golgotha, een zoodanig rijk voor Hem te stichten, en dat wel met uitsluiting van alle uiterlijke middelen van macht, aileen in de kracht der getuigenis en der overtuiging. Reeds de gedachte alleen aan zulk een verovering der wereld, uitgesproken door den mond van een gekruisigde, treedt, omdat zij éenig in haar soort is, als een geweldige macht in de geschiedenis op, aangezien zij in zichzelve reeds het getuigenis draagt van haren bovenmenschelijken oorsprong, en bewijst, dat Hij, die met volle verzekerdheid zulk een bevel kon geven, een koning is, aan Wien geen ander vorst gelijk is.
Jezus wil alleen hierom koning over alle volkeren der aarde worden, opdat allen onder de heerschappij zouden geraken van een Zaligmaker en Vredevorst, die den goddelijken wil volbrengt, dat alle menschen geholpen worden en tot erkenning der waarheid komen. Tegen alle leed, waaronder de menschheid, in welken vorm ook, zucht, wil Hij troost, en tegen de duizendvoudige ellende der zonde, waaraan zij dienstbaar is, wil Hij verlossing aanbrengen. De volkeren tot discipelen van Jezus te maken beteekent: hen tot hunnen bevrijder, hunnen redder te voeren; en
— 14 -
hen te leeren onderhouden alles, wat Hij geboden heeft wil zeggen: hun den weg ter gerechtigheid aan te wijzen. Eu nu vraag ik: zulk een werk te verrichten over de gansche aarde, en de geheele menschheid uit te noodigen de dwingelandij van afgoden- en zondedienst met het zachte juk van Christus te verwisselen, is dit niet een grootsche taak, de geestdrift der edelsten waardig? Brengt door zulk een werk de zending niet een macht van liefde, leven en redding in beweging, die reeds door het ideale der gedachte alleen een groote kracht vertegenwoordigt?
Doch genoeg over de grootschheid der zendingsgedachte op zich zelve; zien wij thans hoe zij feitelijk in de geschiedenis wordt verwezenlijkt. Hier is het weder de knechtsgestalte, die ons het eerst te gemoet treedt. Slechts een kleine schaar van jongeren, welke zich bovendien nog in het uur der zifting als zwak riet had doen kennen, bleef aan Jezus over, toen Hij de aarde verliet; en aan deze kleine schaar van discipelen, die uit ongeleerden en leeken bestond, nog vol van Joodsche vooroordeelen was en nog lang niet de grootsche algemeene bestemming van het Evangelie begrepen had, gaf de gekruisigde Profeet van Nazareth de opdracht; „gaat heen en verovert voor mij de gansche aarde.quot; Doch „ik zend u — niet als leeuwen maar — als lammeren in het midden der wolven.quot; Het eenige wapen, dat ik u in handen geef is hot Evangelie, de getuigenis van mijnen dood en van mijne opstanding. Ik weet dat deze getuigenis „den Joden een ergernis, den Grieken een dwaasheidquot; is, en dat zij u daarom haten en vervolgen, ja dooden zullen; doch gaat slechts
heen, leert, lijdt, sterft; — dat is mijn weg ter verkrijging der wereldheerschappij.
Ook wanneer wij de toenmaals bekende, onder de Romeinsche heerschappij staande wereld als het eenige zendingsveld beschouwen, dat den apostelen en hunne opvolgers ter bearbeiding werd aangewezen, dan moeten wij ons zeiven afvragen : waar bestond toch naar mensche-lijke berekening eenig uitzicht, dat deze weinige boden van een gekruisigden Joodschen Profeet de oudklassieke wereld, welke op hare macht en beschaving zoo trotsch was, zou kunnen overwinnen door de prediking van een Evangelie, dat zij verachtte?
Inderdaad, de apostolische zending ving wei in knechts-gestalte haren arbeid aan! Wel is waar trad er naast de twaalven spoedig een man op, die door zijn geestesgaven en karakter de anderen geheel in de schaduw stelde; maar ook de machtige Paulus is den Atheners een „klapper,' en voor zijn wereldhistorische, groote rede, welke hij op den Areopagus hield, oogstte hij spot in. En als deze groote geest de onderscheiden kleine gemeenten in oogen-schouw neemt, die hij hier en daar bijeen vergaderd heeft, dan ziet hij onder hen „niet vele wijzen naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen,quot; maar bekent hij „dat God het dwaze en het zwakke en het onedele en het verachte der wereld uitverkoren heeft.'' Niet door uiterlijke, indrukwekkende zegetochten maakte de apostolische zending snelle en schitterende veroveringen. Aan het einde der eerste eeuw waren er hoogstens nog maar 200000 Christenen, die in onaanzienlijke gemeenten
— 16 -
door het uitgestrekte Romeinsche gebied verstrooid waren en in de menigte der heidensche bevolking als het ware wegzonken. En ook in deze gemeenten, hoe betrekkelijk volmaakt in vele barer leden zich het Christendom ook openbaarde, dringt reeds in den apostolischen tijd zonde en afval, twist en tweedracht binnen, zoodat Paulns over zulke toestanden zelfs „weenendequot; spreken moet. - Eerst laat de klassieke wereld de jeugdige Christenen met hooghartige minachting als onopgemerkt, en het gepeupel beschuldigt hen van de onzinnigste misdaden, welke zelfs een Tacitus, zonder zich de moeite van een onderzoek te getroosten, als feiten te boek heeft gesteld. Dan komen gedurende ruim een paar eeuwen vervolgingen op, en alles, waartoe de macht der wereld in staat is, wordt in het werk gesteld om het jonge Christendom met wortel en tak uit te roeien.
En toch heeft dit bespotte en vervolgde Christendom, bij al de zwakheid zijner verbreiders en belijders, gezegevierd en wel — ten minste uiterlijk — zoo volkomen, dat feitelijk de geheele Grieksch-Romeinsche wereld er door overwonnen is. Maar er heeft op het laatst ook een machtige naar de wereld tot deze overwinning niet weinig bijgedragen. Dat Constantijn voor het Christendom partij trok, behoeft men volstrekt niet door hoog geestelijke beweegredenen of door een bovennatuurlijk ingrijpen van Gods almacht te idealiseeren. Gesteld, dat de eerzuchtige man slechts door staatkundige overwegingen tot een beschermer dei-Christenen ware gemaakt, — zou dan juist niet met recht zijn groote geest in het Christendom, dat tot vlak voor
- 17 -
den aanvang zijner regeering nog bloedig vervolgd werd, een macht ontdekt hebben, waarvan hij hoopte, dat zij hem een sterke steun zou worden? De zending heeft hare macht, dunkt mij, reeds in de geschiedenis van haar eerste tijdvak schitterend aan den dag gelegd. Want, wanneer niet slechts trots alle bespotting en vervolging, maar ook ondanks alle eigen zwakheid, de zending van dien tijd, eerst innerlijk dan uiterlijk, een wereld overwint, die vroeger in alles haar te machtig scheen, dan moeten er wel krachten in haar werkzaam zijn geweest van een zegevierend leven , waartegen alle andere machten niet bestand waren; en wanneer deze overwinning mogelijk wordt gemaakt , terwijl het menschelijk oog aan de zending niets dan knechtsgestalte ziet, dan moeten het alleen deze innerlijke goddelijke levenskrachten geweest zijn, welke liaar in waarheid tot een mogendheid hebben gemaakt. Deze innerlijke goddelijke levenskrachten zijn evenwel geen andere dan die van het Evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd, n. 1. de heilskrachten der eeuwige verlossing, welke de Gods- en Menschenzoon tot stand heeft gebracht, de krachten des geloofs, der hoop en der liefde, waarmede de menschen werden vervuld, die deze verlossing aangrepen; de krachten der godsdienstige , zedelijke en maatschappelijke wedergeboorte, welke eerst deze menschen zelve veranderde, en daarnaquot; haar invloed ook op hunne omgeving deed gelden. Het zou ons te ver afvoeren, wilde ik door voorbeelden uit het persoonlijk en openbaar leven der Christenen de macht van deze geestelijke krachten aanschouwiijk maken. Daarom
- IS -
verwijs ik u naar de beide voortreffelijke geschriften van Ulilhorn „Strijd en Overwinningquot; en „De Christelijke liefde in do oude kerk.quot; (1) In deze hoogst belangrijke geschriften hebben wij een aanschouwelijk bewijs van de groote werkingen dier macht, welke in den beginne voor de oogen der wereld verborgen was, maar die van den tijd der apostolische zending af bezig is de wereld van binnen uit te overwinnen, en een nieuw godsdienstig en zedelijk leven te wekken, totdat eindelijk de ure slaan zal, waarin de overwinning van den Gaiileër ook door de wereldsche machten openlijk erkend zal worden.
Maar de marschorder van den Heer der zending luidde: „Gaat heen in de geheele wereldquot; en zijn koninklijk cabi-netsbevel: Maakt tot mijne discipelen nlle volkeren!quot; Het koningschap van Jezus was nu feitelijk in de Grieksche en Latijnsche taal afgekondigd — nu moest het nog in de overige Europeesche talen geproclameerd worden. En deze taak bracht de inirldeleeuwsche zending ton uitvoer.
Ook deze zending bewandelde in haren aanvang dezelfde wegen als do apostolische. Het waren vooreerst weinige en ;\lles behalve aanzienlijke mannen, die tot de barbaren over de grenzen van het Romeinsche rijk gingen, om hun het Evangelie te verkondigen , en velen hunner stierven
Strijd en Overwinning. Tafereelen uit de geschiedenis der Christelijke Kerk in do eerste eeuwen van haar bestaan. Naar het Hoogduitsuh door T. Kuipkr. Haarlem , H. D. Tjeenk Willink , 1880.
— 19 —
den marteldood. Maar deze aanvankelijke gelijkheid der kneehtsgeslalle nam in het tweede zendingstijdvak hoe langer hoe meereen andere gedaante aan. Terwijl de geloovigen uit de apostolische gemeenten bijna twijfelden aan de mogelijkheid der bekeering van de „wijzen, machtigen, en edelenquot; onder hunne tijdgenooten, zag men na de zege van het Christendom verachtelijk op de heidensche „barbarenquot; neer, en dreef men er zelfs den spot mede, als iemand deze barbaren tot Christenen wi de maken. In den apostolischen en na-apostolischen tijd stonden achter de eigenlijke arbeiders op het zendingsgebied de gemeenten als levende dragers van den zondingsgeest. In de middeleeuwsche zendingsperiode echter worden deze vervangen door de monnikenorden; de Christelijke gemeenten staan bijna geheel onverschillig tegenover het zendingswerk, omdat de aandrift tot de zending in haar te niet is gegaan: en zij ging verloren, niet alleen omdat de heidenen nu niet meer vlak voor de deur stonden , ook niet slechts, omdat men door de priesters nauwelijks meer opgewekt werd tot een krachtdadig medearbeiden, maar werkelijk, omdat in haar het Christendom zelf veel van zijn innerlijke levenskracht verloren had. Hoe vele edele apostolische verschijningen er ook aan te wijzen zijn onder de monniken, die als zendelingen arbeidden — over 't geheel gaat in dezen tijd de zending uit van een kerk, welke, niettegenstaande hare uiterlijke macht, verzwakt is; verzwakt, omdat zij veneer el'l lij kt is. Uit den aard der zaak namen daarom het doel en de middelen der zending meestal ditzelfde karakter aan. Men stelde zich — de verblijdende
— 20 —
uitzonderingen natuurlijk niet niedegerekend, — er mee tevreden dat de menschen uiterlijk het heidendom vaarwel zeiden, eenige hoofdbestanddeelen der Christelijke leer van van buiten leerden en een doop ondergingen, die vaak genoeg aan groote scharen tegelijk werd toegediend. Floe meer de kerk zelve het karakter van een rijk can deze wereld aannam, des te minder versmaadde zij de uiterlijke hulpmiddelen , welke die wereld aanbood om heidensche volkeren in de kerk in Ie lijven. Zoo verbonden, ja zelfs vermengden zich zending en politiek. Christianiseering en Romaniseering, later — vooral in Duitschland — ook Christianiseering en Gernianiseering.
Hoeveel men nu ook, niet tot rechtvaardiging, maar tot goed begrip der middeleeuwsche zendings-methode, met het oog op de toenmalige tijdsomstandigheden en Gods opvoeding van de volkeren zeggen kan; — hoeveel welgemeende ijver er ook in de uiterlijk geworden en zelfs in de romaniseerende en op politieke veroveringen uitgaande zending van dien tijd, bijv. bij een Bonifacius en bij een Karei den Groote, erkend moet worden; — van evangelisch standpunt uit kan men niet anders dan in deze middeleeuwsche, der wereld gelijkvormig geworden zending een treurige knechtsgestalte vagh , welke niet, zooals die van apostolischen tijd. gelijk was aan de knechtsgestalte van Christus, en daarom slechts het omhulsel van goddelijke heerlijkheid, maar die met den geest van 't Evangelie in wanklank was en daardoor het Christendom niet lot verheerlijking kon strekken. Zoo leveren ons — niet doorgaans, maar over quot;t geheel, de middeleeuwen
- 21 —
het merkwaardige schouwspel op, dat een zending, die ais een wereldlijke mogendheid optreedt, het karakter draagt van een ongoddelijke knechlsgestalte, terwijl de apostolische tijd het bemoedigende feit vertoont, dat een zending, die in de oogea der wereld een knechtsgestalte draagt, een goddelijke mogendheid is , of volgens de Paulinische tegenstelling, maar hier toegepast op groote geschiedkundige gebeurtenissen: »Als ik zwak ben , dan ben ik machtig.quot;
Hot karakter der zwakheid draagt de middeleeuwsche zonding onloochenbaar, niettegenstaande hare uiterlijke macht. Wei is waar niet met betrekking tot de menigte der zoogenaamde bekeerden, want hun aantal was groot genoeg; ook niet met hot oog op de snelheid, waarmede de Christianiseering plaats greep, want bij sommige volkeren was zij in betrekkelijk korten tijd voltooid, otschoon het eeuwen duurde voordat allengs het geheele heidensche Europa in de kerk was ingelijfd. Maar wel openbaart de/.e zending liet karakter der zwakheid in de hoedanigheid van het Christendom, dat zij plantte. Niet, dat er geen aanzienlijk getal van enkele personen geweest zijn , waarin Christus in waarheid gestaltenis had verkregen, maar Christelijke gemeenten , die, al ware t ook maar van verre, op de apostolische geleken, vond men bijna niet. De groote menigte had meestal het heidensche bijgeloof ingeruild voor een Christelijk; het volk stond over 't algemeen niet alleen op een lagen trap in de Christelijke heilskennis, maar ook in de betooning van een Christelijk leven. Daarom duurde het ook na de voltooide
kerstening dier volkeren nog eeuwen, voordat eindelijkin de Hervorming de kracht van een levend Christendom te voorschijn trad Juist omdat de zending meestal den weg van waarlijk Evangelische nederigheid verliet, vindt men in dit tijdvak niet zulk een openbaring van heerlijkheid als in het apostolische; — een luide waarschuwing voor de hedendaagsche zending, om niet in hare voetstappen te treden.
En toch — niettegenstaande alle zijpaden, waarop zij is afgedwaald, heeft de middeleeuwsche zending inderdaad in sommige opzichten macht getoond. Want welke onevangelische wegen zij ook vaak heeft bewandeld, toch bleef in haar altijd nog een groot gedeelte van het Christelijk gehalte bestaan , 't welk zij als zuurdeesem onder de door haar gekerstende volkeren mengde. Overeenkomstig het wettelijk karakter van het Christendom van dien tijd was de vrucht der middeleeuwsche zending voornamelijk een grootsche, godsdienstig-zedelijke tucht, welke langzamerhand de vroeger heidensche volkeren niet alleen aan kerkelijke vormen, maar ook aan Christelijke zeden gewende. Zoo nadeelig de voogdijschap dezer tucht ook werkte op de ontwikkeling der Christelijke zelfstandigheid en eigen werkzaamheid — een gebrek, waaraan een groot gedeelte der Europeesche Christenheid niet alleen in de Roomsch- en Grieksch-Katholieke, maar ook in de Evangelische kerk, vooral waar zij Staatskerk is, tot op den huldigen dag te lijden heeft, — zoo was ze toch voor dat tijdvak een opvoedende kracht van onberekenbare befeekenis. welke door jeen staatkun-
— 23 —
clige macht kon vervangen worden. Ongetwijfeld lag een erkenning hiervan, meer of minder bewust, ook aan al die veroveringen ten grondslag, die door een verbond met de zending haar doel trachtten te bereiken. Men hield de zending voor sterker dan een legermacht, en daarom zocht men een verbond met haar. — Ook de godsdienstige waarde van zulk een door tucht aangewende levenswijze moet men vooral niet te gering schatten. In haar lag, door voor-oordeelen voor ons oog verborgen, veel ware innige vroomheid. Had het hieraan ontbroken, hoe zou men dan bijv. het bouwen der heerlijke domkerken verklaren, die de middeleeuwen in 't aanzijn hebben geroepen, of de grootsche offervaardigheid, welke deze tijd aan den dag heeft gelegd, — nog geheel afgezien van de menigvuldige edele verschijningen der diepzinnigste mystiek, die in dezen tijd voorkomen? Bij al het uiterlijke van het Christelijk leven, vond men onder de volksmassa een eerbied voor het heilige, die haar tot ernst stemde, en een godsdienstige geestdrift wekte, die wij zelfs in de dweeperij met de kruistochten nog bewonderen moeten Dus ook de middel-eeuwsclie zending is in haar soort toch — een mogendheid!
Onbetwistbaar staat ons thans dit feit vol beteekenis voor oogen, dat aan het gekerstende Europa hoe langer hoe meer in de wereldgeschiedenis de leiding is ten deel gevallen van het politieke zoowel als geestelijke en verstandelijke leven der volkeren. Natuurlijk kunnen wij dit standpunt, dat Europa in de wereldgeschiedenis inneemt, niet uitsluitend op rekening der middeleeuwsche zending schrijven. Nog andere zaken hebben daaraan medegewerkt.
Zoo bijv. zou zonder de Hervorming, die den arbeid der inwendige zending in de middeleeuwen voortzette, en de voorafgegane werkzaamheid der zending onder de heidenen, voor zoover zij onevangelisch was, verbeterde en eigenlijk pas voltooide , het Christelijke Europa niet die mogendheirl op geestelijk gebied geworden zijn, welke zij thans inderdaad in de wereldgeschiedenis is. Maar de Hervorming heeft eigenlijk slechts de schade ingehaald, die de mid-deleeuwsche zending door verzuim geleden had, en in zooverre alleen kan men de Hervorming de voltooiing der middeleeuwsche zending noemen. Terwijl de Reformatie het Christendom terugvoerde tot zijn bijbelschen oorsprong, sloot zij zich tevens aan de apostolische zending aan. Door de herstelling van den samenhang met deze zending ontsloot zij weer de oude bronnen des levens. In elk geval is dit feit, dat de Christelijke, en in den nieuweren tijd vooral de Protestansche volkeren, aan 't hoofd der wereldbeweging staan, een geschiedkundig getuigenis van onschatbare waarde voor hetgeen de Christelijke zending vermag.
Maar de zending heeft na de kerstening van Europa niet stil gestaan; haar weg gaat immers „tot aan de einden dor aarde,quot; en het Christendom blijft de godsdienst der zending, totdat het de godsdienst der wereld is geworden. Daar het echter mijn taak niet is, een overzicht over de geheele zendingsgeschiedenis te geven, ga ik de Roomsch-Katholieke zending vóór, in en na de Reformatie, stilzwijgend voorbij, en treed ik ook niet in een uiteenzetting van de oorzaken van de eeuwenlange verwaarloo-
zing der zending door de Protestantse!ie kerken, maar spoed ik mij terstond voort naar de zendinfjsirerkzaamhekl van onzen tijd, die natuurlijk voor oris lioofdzaak is.
Ook met betrekking tot de zending onder de heidenen is de geschiedenis een leermeesteres, en begrijpt men onzen tijd alleen, wanneer men 't verleden begrepen heeft. Tegenover de hedendaagsche zending hebben wij dit groote nadeel, dat wij ons — ik kan niet zeggen nog midden in, maar werkelijk — pas in haren aanvang bevinden, en dat daardoor de knechtsgestalte zeer bijzonder in 'l oog loopt, terwijl het zijn eigenaardige bezwaren heeft te bewijzen, dat zij werkelijk een mogendheid is. Want zeer natuurlijk is juist in den aanvang van elke zending de knechtsgestalte het meest zichtbaar, terwijl eerst in haren voortgang en aan hot einde hare mogendheid duidelijk te voorschijn treedt. Van den anderen kant bezit het tegenwoordige zendingstijdvak dit voordeel, dat wij daarin niet voor het eerst aan de zending doen, maar reeds twee groote perioden achter den rug hebben, die ons in groote geschiedkundige feiten den afloop van het zoo klein begonnen werk voor oogen stellen. Hiervan moeten wij gebruik maken, en trachten dit voordeel tegen het nadeel op te laten wegen. Dit kunnen wij doen door de geschiedenis der hedendaagsche zending te vergelijken met den aanvang der vroegere perioden, en aan te toonen, dat beiden zich op dezelfde wijze ontwikkelden. Daaruit mogen wij dan de gevolgtrekking maken, dat ook haar voortgang en haar einde eveneens zegevierend zal zijn. Vandaar de terugblik op de apostolische en middeleeuwsche zending.
Na die beschouwing kan het, ons niet meer vreemd voorkomen, dat de hedendaagsche zending zich vooreerst als een klein en onaanzienlijk werk voordoet. Integendeel: wij zouden ons moeten verwonderen, indien dit niet zoo ware, omdat zij dan het zegel van het Godsrijk missen zou. Ook in de H)de eeuw blijven de tegenstellingen, welke Paulus zoo stout als „het dwaze Godsquot; en „het zwakke Godsquot; heeft gekenschetst, onvoorwaardelijk gelden.
Ik wil slechts op drie punten uwe aandacht vestigen, n. 1. op: de arbeiders in de zending, de middelen en de vrucht der zending.
IV.
Wat de arbeiders betreft, is zoowel bij die in het vaderland als bij die op het zendingsveld de hnechfsgestalte van den aposlolischen tijd duidelijk zichtbaar. „Toen het God behaagde, in den jongsten tijd zijne kerk, die het zendingsbevel van haren Koning vergeten had, wakker te schudden , toen bediende Hij zich niet van voorname kerkelijke personen, noch van groote geleerden noch van hoogwaardige synoden, maar van arme en geringe lieden.quot; In Engeland was het de bekende schoenmaker Carey, die den eersten stoot gaf; in Amerika een kleine kring van vrome shulenten; en nog vroeger in Duitschland de kleine broeder-gemeente met hare eenvoudige zendeling-werklieden, terwijl de eerste proef die de Deensche koning Frederik IV nam, reeds in den aanvang schipbreuk zou hebben geleden, had niet de piëtist August Herman Francke zich de zaak
aangetrokken en door den van hem uitgaanden erfzegen deze zending gedurende verscheidene menschengeslachten in 't leven behouden.
Er zijn onder de arbeiders op het zendingsgebied, — men kan niet zeggen geene — maar toch „niet vele wijzen, machtigen en edelen naar het vleesch.quot; Ofschoon feitelijk de zaak niet zóó staat, dat wij te groot zijn voor de zending, maar de zending te groot is voor ons, zoo beschouwt men het tot op den huldigen dag in de groote kringen der beschaafde wereld bijna als iets vernederends een vriend der zending genoemd te worden; en voor den zendingsdienst zelf hebben deze menschen, tenminste in Duitschland, nog maar zeer weinige arbeiders geleverd. De zending, als het werk der wereldverovering voor Koning Jezus, moest de uitstekendste geesten in haren dienst hebben, en zij juist moet zich met zooveel zwakke werktuigen tevreden stellen. Het is een leerrijk verschijnsel, dat juist de zending onder de heidenen meer tot ongeleerden en leeken de toevlucht moot nemen en liare arbeiders van achter den ploeg, de schaaf-en de toonbank moet halen, zooals Christus zelf eens zijne eerste apostelen uit de visschersschuit en het tolhuis geroepen, en slechts eenen, Paulus, uit de Schriflgeleerden verkoren heeft. In zekere kringen der beschaafde wereld was het bijna een stellige meening geworden, dat de zendelingen bekrompen lieden waren, en meer dan eens is 't gebeurd, dat men bepaald verlegen was, als men moest toestemmen, dat een zendeling bijv. belangrijke diensten aan de wetenschap had bewezen. Er zijn onder hen een groot aantal begaafde, ontwikkelde en degelijke praktische mannen.
Omdat iemand niet uit de hoog-ere kringen der maatschappij is vooi tgekomen of'opgeon hoogesciiool onderwijs ontvangen lieeil, behoefl hij nog niet bekrompen le zijn; en menige zendeling, die zoo genoemd is, heeft niet slechts aan do kennis der talen en godsdiensten, de aardrijks- en volkenkunde vrij wat belangrijker diensten bewezen dan zijne beoordeelaars, die hem van uit de hoogte bespotten, maar hij zal ook blijven leven in de geschiedenis, wanneer de namen dezer critici reeds lang zullen zijn weggevaagd.
/e toch kent lieilm de namen van de Atheensche wijzen, die Pdnlar: pens een „Lhi/iper'' noemden! Ik zou menig getuLrenis van de zijde der voornaamste autoriteiten kunnen aanhalen ten bewijze dat de asschepoetstersplaats, welke men in zekere beschaafde kringen goed gevonden heeft den zendelingen aan te wijzen, al tamelijk veranderd is. Maar ik laat hun hunne knechtsgestalte. Het is ook in de 19'; eeuw Gods eer, om met werktuigen le arbeiden, die een voorwerp van verachting zijn voor de wereld, en zijne grooto plannen uit te voeren ook zonder degenen, die wanen de wijsheid en de macht in pacht, te hebben.
liet is voorts een oude klacht: weinige zijn de arbeiders. Met welk een klein getal van arbeiders begon de nieuwere zending haar werk! Nu is dit getal in den loop van onze eeuw wel is waar van ongeveer 200 tot op 2942 geklommen, en als men de vrouwelijke arbeiders mede rekent tol op 6000, maar wat beteekent dit nog! En toch ligt in dezen grooten aanwas een krachtig getuigenis voor de gezondheid en de levenskracht van het zendingswerk. Uit de kleinste kringen te voorschijn ge! reden, heeft de zending?-
-- :2'.gt; —
ijver langzamerhamd al do volkeren en richting-en der Christenheid aangegrepen, en is de zending, hoewel zij niet deelt in de gunst der machtigen, een macht geworden, -lie ontzag inboezemt. 70 zelfstandige Evangelische zendingsver-eenigingen, die onafhankelijk van elke Staatskerk of wereldlijke macht duizenden van ai be;ders in het veld zenden, kan men met reden niet meer bespotten, als iets dat in een hoek geschiedt. Als men daarbij nog in aanmerking neemt, dat al deze duizenden arbeiders louter vrijicilligers zijn; dat hun niet, zooals kooplieden, groote winsten, maar wel rijkelijk moeite, ontbering, ziekten en dikwijls een vroege dood wachten; dat niet eerzucht of lust tot avonturen hen beweegt, maar de gehoorzaamheid aan Christusquot; gebod en zelfverloochenende liefde, die het hare niet zoekl, — moet men dan niet toestemmen, dat deze schaar van arbeiders een groot kapitaal van geloofs- en heldenmoed, van liefde en offervaardigheid vertegenwoordigt, en dat in dit kapitaal een macht steekt, waarmede wereldsche ondernemingen zich niet meten kunnen?
Niettegenstaande dit alles blijft het nog een kleine schaar, als men alleen op de getallen let. Men neemt aan dat er thans ongeveer 1434 millioen menschen op aarde leven. Van deze alle zijn pas ruim 400 millioen in naam Christenen. Er blijven thans dus nog meer dan 1000 millioen niet-Ghristenen over. Al staan ons nu ook ongeveer 3000 mannelijke arbeiders ter beschikking voor deze 1000 millioen menschen, die over de geheele aarde verspreid zijn. wat beteekent dat onder zoo velen? En toch deze betrekkelijk kleine schaar vervult de aarde. Ver over de
— 30 -
uiterste grenzen der ontzagwekkende wereldpost heen, staat de kleine schaar onzer zendelingen op hare voorposten. Zoover het politieke gebied der Europeesche koloniën strekt, zoover, ja meestal nog verder, is het kleine leger onzer zendelingen doorgedrongen. En waar zij vasten voet hebben gekregen, daar schijnen zij als lichten in de duisternis, daar ploegen zij den akker des heidendoms om, en zaaien goed zaad in het omgeploegde land. Ieder zendingstation in de heidenwereld is een plaats van Christelijke beschaving, van waar een stroom van sloffelijken, geestelijken en zedelijken zegen uitgaat over de omgeving. In de handen der weinige en geringgeachte zendelingen liggen krachten der wedergeboorte niet alleen voor den enkelen mensch, maar ook voor het geheele volksleven, zooals geen regeering, geen handelsverkeer, geen wetenschap in omloop brengen kan. Dit is een feit, dat bij alle onbevooroordeelde vertegenwoordigers dezer machten allengs meer erkend begint le worden. Lord Lawrence , de bekende ex-onderkoning van Indië, geeft omtrent de zendelingen dit getuigenis: „dat hoe groote en velerlei weldaden ook het Engelsche volk aan Indië bewezen heeft, zij toch meer tot stand hebben gebracht dan alle andere invloeden te zamen.quot; Als dit zoo is, dan kan op andere streken, waar de Europeesche machten aan de inboorlingen geen weldaden bewezen maar daarentegen wel veel verderf gezaaid hebben, dit getuigenis eerst met recht toegepast worden!
Maar het stadium der uitzending 'maakt in elke zendingsperiode slechts het begin van het werk uit. Het gaat niet
31
aan, en 't ligt ook niet in het plan Gods om de afvaardiging van zendelingen naar de heidenwereld tot in 't oneindige voort te zetten. Hoe langer hoe meer moeten inlanrfsche arbeiders de vreemde zendelingen ondersteunen, ja langzamerhand geheel vervangen. Op menig arbeidsveld der hedendaagsche zending zijn wij reeds bezig tot het tweede stadium over te gaan. Niet, alsof wij de buitenlandsche zendelingen reeds zouden kunnen missen, want voor dat dit het geval is, zullen er nog geslachten moeten heengaan; maar de kracht dezer mannen wordt vermeerderd, aangevuld en ongezocht vervangen door den voortdurenden aanwas van de schaar der medearbeiders uit bekeerde heidenen. Terwijl bijv. in Indië het getal der buitenlandsche zendelingen in de jaren 1850 tot 1880 van 339 tot op 689 geklommen is, zich dus slechts verdubbeld heeft, is in denzelfden tijd het getal der cjeordende inlandsche arbeiders van 21 tot op 389 gestegen, d w. z. heeft het bijna het twintigvoud bereikt. Op Madagaskar had het Londensch Zendings-Genootschap slechts 28 Engelsche zendelingen, terwijl uit de inboorlingen 84 geordende leeraren en 4134 godsdienstonderwijzers en evan-gelislen zijn gevormd. In Polynesië onderhouden de beide Zendings-Genootschappen . die er thans hoofdzakelijk werkzaam zijn, n. 1. het Londensche en het Wesleyaansche, te zamen ongeveer 100 Europeesche en pl.m. 5000 inlandsche arbeiders van allerlei soort. In het geheel zijn er op het gansche gebied der zending heden ongeveer 25000 arbeiders van de meest verschillende rangen, waaronder ! 700 geordende leeraren uit de inboorlingen, en dit getal groeit van jaar tot jaar
- 3-2 —
aan. In verhouding tot de groote menigte der heidensche bevolking is voorzeker ook deze schaar van inlandsche arbeiders nog altijd zeer klein, maar zij is een bewijs, dat de zending liet Gliristendom wortel heeft doen schieten onder de vreenule volkeren, en een onderpand, dal de boom des heidendoms eindelijk vallen zal onder de slagen van de bijl dos Evangelies, welker steel uit zijne eigene takken is gemaakt, zooals eens een heidensche Hindoe gezegd heeft. Mogen er zich ook onder de inlandsche arbeiders vele zeer middelmatige krachten en gebrekkige werktuigen bevinrlen, zij zijn toch altijd een zout en een zuurdeesem onder hunne landgenooten. Door hunne hoogere zedelijke en geestelijke ontwikkeling zijn zij tol leiders van hunne landgenooten aangewezen, en vertegenwoordigen zij een zoodanige macht, als het heidendom uit zich zelf niet in staat is te verwekken. Gesteld, dat in de oude Christenheid over korteren of langeren tijd de zending tol stilstand kwam, een vrees, waarvoor voorloopig in het minst geen grond beslaat, dan zou hel zendingswerk zeker hielen daar gestremd worden, maar over 't geheel echter even zoo min stilstaan, als eens na den dood der apostelen. Do uil de oude Christenheid overgeplante loten zijn reeds tol vruchtdragende boomen geworden, welker zaad ons de voortplanting van het Christendom verzekert.
— 33 —
V.
Zooals de arbeiders, zoo schijnen ook de middelen bij den eersten aanblik ten eenenmale ontoereikend te zijn tot volvoering der zoo grootsche zendingstaak. Nemen wij maar eerst de geldmiddelen. Het ligt voor de hand, dat een werk als de zending groote geldsommen behoeft. De leiding in het vaderland; de vorming der zendelingen, hunne reizen naar de verre landen en hunne tochten daarin heen en weer; de aankoop van gronden, noodig tot vestiging; het bouwen van woonhuizen, scholen en kerken; de opleiding van inland.-che medearbeiders; het onderhoud der zendelingen en hunner helpers, afgezien nog van de onvoorziene rampen, zooals verwoestingen door oorlog of natuurkrachten, ziekten of snel op elkander volgende sterfgevallen der zendelingen enz. — dat alles kost veel geld. En de zendingsvereenigingen bezitten noch kapitaal, noch recht om belasting te innen; staan ook niet, zooals bijv. de Belgisch-Afrikaansche Handelsmaatschappij , onder het beschermheerschap van koningen, en worden niet gesteund, zooals de groote handels-onder-nemingen, door geldvorsten of eenige actiehouders. Al hare geldmiddelen vloeien der zending toe door vrijwillige bijdragen. En waar komen deze bijdragen vandaan? Als men op een kaart der protestantsche Christenheid de bijdragende zendingskringen door kleuren of schakeeringen zou kunnen voorstellen, dan zou men zich over twee dingen verwonderen: vooreerst hoe klein, vooral in Duitschland, deze kringen zijn, en ten tweede, hoe weinig zij zich tot de eigenlijke rijken uit-
strekken. Er zijn zeker ook in onzen tijd hier en daar eenige rijken, die veel bijdragen; men denke slechts aan den heer Jones, die aan het Engelsch Kerkelijk Zendings-Genootschap in den loop van negen jaren millioen Mark (ƒ1,500,000) geschonken heeft, of aan den bekenden heer Arthington in Leeds, die voor den aanvang van nieuwe zendingsondernemingen in Midden-Afrika aan verschillende genootschappen ongeveer een millioen Mark (/600.000.—) gegeven heeft; maar over 't algemeen worden de noodige gelden voor de zending bij elkaar gebracht uit kleine gaven, welke uit de middel- en lagere volksklassen komen. Daaronder zijn vele giften als het penningske der weduwe, welk in de oogen van Hem, die weegt en niet telt, misschien een grootere waarde hebben dan het millioen van een rijken zendingsvriend. Maar vele andere gaven staan in een schreeuwende wanverhouding tot het vermogen der gevers en maken een recht treurigen indruk. Het is inderdaad een knechtsgestalte, welke de Koning van 't Hemelrijk draagt, als Hij smeekend voor hen verschijnt, die Hem hunnen Heer en Heiland noemen, en of niets óf zoo weinig ontvangt, dat de gave een belee-diging wordt, en Hem schaamrood maakt, — terwijl voor weelde en genot groote sommen uitgegeven worden.
Maar de bijdragen voor de zending zijn ook aanmerkelijk toegenomen. Terwijl zij in 't begin van onze eeuw in de geheele Protestantsche Christenheid nog geen millioen Mark (/quot; 600.000.—) bereikten, bedragen zij thans Jaarlijks 32.663.000 Mark (/ 19.597.800.-). In haar geheel be-beschouwd een belangrijke som, die de hedendaagsche
— 35 —
zending ook voor de oogen der geldmannen als een zeer aanzienlijke macht doet gelden. Maar wanneer men aan de sommen denkt, die noodig waren voor het Suez-kananl of voor den Gotthard-spoorweg; werken die, hoezeer men ook hare grootschheid bewonderen en het nut er van erkennen moge, toch altijd nog niet te vergelijken zijn met de evangeliseering der wereld, — hoe klein worden dan die millioenen! Of als men zich de sommen eens voorstelt, die de oorlogen verslinden; ook die , welke met niet-Ghriste-lijke volkeren gevoerd worden, b.v. de oorlog met Afghanistan, die aan Engeland 468 millioenMark (ƒ380.800.000. —) gekost heeft laat staan de oorlog met de indianen in de Vereenigde Staten, waarin elke gedoode roodhuid op de bijna ongeloofelijke som van 400.000 Mark (ƒ240.000.— ) zou te staan gekomen zijn, — hoe beschamend gering zijn dan daartegenover de geldmiddelen, welke heel het Protestantisme voor de redding der heidenwereld over heeft! In dit opzicht moet men den grooten Schotschen zendeling Dr. Duff wel gelijk geven, als hij verklaart: de kerk heeft tol nu toe met de zending slechts gespeeld.
En toch — welk een verrassend schouwspel! Men wordt, wanneer men aan dit kapitaal eenige aandacht schenkt, altijd weer opnieuw herinnerd aan het oude wonder der spijziging van duizenden door enkele broeden en vischjes: de Heer maakt dat het toereikend is. De bijdragen zijn vrij wel in dezelfde mate toegenomen als de uitbreiding van den zendingsarbeid, zoodat over 't algemeen de altijd grooter wordende uitgaven door de inkomsten gedekt zijn. Niettegenstaande elke zekere begrooting onmogelijk was.
- 3G —
omdat de bijdragen vrijwillig zijn, heeft men steeds zooveel gehad als men behoefde. Van den anderen kant regelden de inkomsten den voortgang, opdat deze geen stormpas zou worden, maar zich langzamerhand als een plant zou ontwikkelen. Beide zaken zijn leerrijk. Zij toonen aan, dat ook de inkomsten der zending onder hoogere koninklijke leiding staan, aangezien aan den eenen kant steeds in de behoeften wordt voorzien en aan de andere zijde gezorgd wordt, dat in de eeuw dei-spoorwegen en telegrafen, de aard van het mosterdzaadje niet verloren ga. Hierbij zij opgemerkt, dat het de Westersclie Christenheid alleen niet meer is, die de noodige gelden voor de zending opbrengt. De Christengemeenten uit de heidenen onderhouden niet alleen hoe langer hoe meer zich zeiven, maar ondersteunen thans ook de onder hunne landgenoolen aangevangen zending, zoodat ook van deze zijde bezien het werk der uitbreiding van het Christendom op een kapitaal gelijkt, waarvan de steeds toenemende renten altijd weer opnieuw belegd worden.
Zooals de zending met het oog op de geldmiddelen, waarmede zij arbeidt, het karakter van betrekkelijke armoede draagt, zoo draagt zij verder, wat de wereldsche mi Id elm van mar.ht aangaat, het karakter der zwakheid. Wij kunnen ons in het werk der uitbreiding van Gods Koninkrijk heden ten dage volstrekt niet over krachtdadige ondersteuning door do politieke madden verheugen. Het is bekend hoe vijandig bijv. de oude Oost-Indische Compagnie tegenover de zendelingen optrad, hoe het
Nederlandsche Gouvernement vroeger in Znid-Afiika en en tot op voor korten tijd nog op de Sunda-ellanden het zendingswerk allesbehalve begunstigde. Evenzoo hebben dikwijls genoeg onze zendelingen de bescherming der Europeesche Consuls te vergeefs ingeroepen. Wel heeft het Katholieke Frankrijk meer en meer de zending tot een voorwendsel gebruikt om zijne veroveringen uit te breiden, en met geweld van wapenen hier en daar de Roomsche propaganda ingevoerd, maar dat een Proles-tantsche mogendheid ter wille van de zending een leger in het veld zou brengen, behoeven wij in onzen tijd niet te vreezen. Ze leent zelfs tot vreedzame veroveringen haar machtigen arm nie: aan de zending. Zoo neemt de Indo-Britsche Regeering, die anders der zending wel goed gezind is, in godsdienstzaken zulk een beslist onzijdige houding aan, dat zij zelfs op hare scholen het gebruik van den Bijbel volstrekt niet duldt. De eenige ondersteuning, welke zij aan de zending verleent, bestaat in een matige toelage (grand-in-aid), welke zij aan die zendingsscholen toekent, die zich onderwerpen aan hare schoolverordeningen. Wij zijn er verre van daan dit gebrek aan ondersteuning vnn de zijde der politieke mogendheden te betreuren: want daardoor toch wordt ook de schijn vermeden, als zou de wereldlijke arm de zending tot een mogendheid maken. Over 't algemeen willen noch de politieke machten zeiven, noch de zendelingen iets weten van een dadelijk ingrijpen van den wereldlijken arm tot uitbreiding van het Christendom.
En toch — zooals eens keizer Augustus, zonder dat hij
— 88 —
het wist of wilde, mee moest helpen om het Kindeke uit den hemel een kribbe in Bethlehem te bereiden, zoo staan ook de groote machten en gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis van onzen tijd als baanbrekers en helpers in dienst der zoo verachtelijk behandelde zending. Wel denken onze groote koloniale mogendheden slechts aan versterking van eigen macht; maar zonder dat zij 't weten of willen, openen zij de poorten voor het Evangelie en bereiden zij door de maatschappelijke inrichting en de wettelijke tucht, welke zij in het aanzijn roepen, een Christelijk gemeenteleven voor. Zelfs menige oorlog, die in de verste verte niet in 't belang der zending gevoerd werd , heeft voor haar den toegang moeten ontsluiten. En hetzelfde wat met de koloniale mogendheden plaats heeft, geschiedt ook met het handelsverkeer en den ont-dekkingsijver. Zij zeiven hebben slechts geldwinning en verrijking der wetenschap ten doel; en toch gebruikt Hij, in wiens handen de teugels van het wereldbewind zijn, ook hen, om aan de uitbreiding van zijn rijk werkzaam te wezen. Het is in dit opzicht met de heden-daagsche juist zoo gesteld als met de apostolische en middeleeuwsche zending. Zooals aan gene de verstrooiing van Israël, de kruistochten van Alexander den Groote en het wereldverkeer, onder de bescherming van het Romein-sche rijk; aan deze de volksverhuizing en de Frankische en Germaansche veroveringspolitiek het veld ter bearbeiding aanwezen en den weg baanden, — zoo heeft de zending van onzen tijd aan de koloniale politiek der Europeesche Staten, aan den wereldhandel, die door de nieuwere mid-
delen van vervoer zoo ontzaglijk is gewonden, en aan den wetenschappelijken ontdekkingsijver zulke machtige pionnieren en helpers in haren dienst, dat zij zelfs daardoor uit haren staat van dienstbaarheid in dien van een mogendheid wordt verheven. Maar, opdat zij geen vleesch tot haren arm stellen en hare knechtsgestalte niet vergeten zou, zijn aan de voordeelen, welke de genoemde machten haar schenken, ook groote nadeelen verbonden, die haar arbeid zeer verzwaren. Om maar één ding te noemen: welke steenen des aanstoots legt niet de hebzucht der Europeanen, die den wereldhandel drijven, aan de zending in den weg; en hoevele van de zoogenaamde Christenen maken, door hun leven in de zonde, aanhoudend den naam van Christus onder de heidenen te. schande! Hoe worden de levenskrachten van het Evangelie gebonden gehouden, door de jammerlijke gestalte waarin het Christendom den heidenen voor oogen treedt!
Het eigenlijke middel, dat zooals eens aan de apostolische, zoo ook thans aan de hedendaagsche zending haar wereld-veroverde kracht geeft, is en blijft het oude Evangelie van Christus, den Zoon en het Lam Gods. Wel bestempelt men juist dit oude bijbelsche Evangelie, dat den kinderen der 19e eeuw een bijna nog grooter ergernis en dwaasheid is dan eertijds den Joden en Grieken, als hare hoofdzwakheid, en geeft men haar — ik wil gaarne aannemen ; welwillend, — den raad, dat Evangelie voor de beschaafde, heidensche volkeren met eengemoderniseerden vorm des Christendoms te verruilen en voor de wilden door beschaving te vervangen. In dit geval belooft men
40
aan de zending, niet alleen in het vaderland de zekere verovering der beschaafde kringen, maar ook onder de heidenen een veel rijker vrucht dan tot nu toe gezien is. Beide vooruitzichten moet ik zoo gewis voor dwalingen houden, als Simon Petrus eens dwaalde, toen hij tot Jezus sprak, nadat deze zijn aanstaanden dood had aangekondigd: „Heere, wees U genadig! dit zal ü geenszins geschieden,quot; want ook deze raad „verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die des menschen zijn.quot;
Afgezien daarvan, dat de voorstanders van dit vrijzinnig Christendom tot heden toe nog niet in slaat zijn geweest in ronde, duidelijke woorden te zeggen, waarin dat Christendom eigenlijk bestaat, en dat men toch onmogelijk de hei'!enen voor een gods Heust winnen han, dien men zelf nog zoekt — moet dan toch niet ieder onpartijdig toeschouwer het feit erkennen, dat dit gemoderniseerde Christendom, 't welk nog eerst van zulk een korte dag-teekening is en een zeer groot gedeelte der tijdgenooten tot zijne lofredenaars lelt, tot heden toe nog geen zoodanige levenwekkende, hartvernieuwende, wereidveroverende, opbouwende kracht heeft uitgeoefend, als er van het apostolische en Protestantsche Christendom feitelijk is uitgegaan. Het zou dus een zeer twijfelachtige proefneming zijn, om met dit Christendom der moderne wereldbeschouwing onder de heidenen een vrucht te willen verkrijgen, die in het vaderland trots al de welsprekende voorspellingen eener glansrijke overwinning steeds uitblijft. Tot nu toe hebben in bel rekking tot de zending de voorstanders van dit beginsel slechts yecritiseerd; wij hebben gehandeld. Het is
— 41 —
daarom billijk, dat zij eindelijk ook eens gaan handelen, voor dat zij verder critiseeren. Slechts feiten, geen redekunstige beweringen bewijzen iets. Het is geen ironie, maar heilige ernst van mij, als ik zoo vrij ben den raad te geven, dat men toch eindelijk eens het gebied der voortdurende ontkenning verlate en eens optrede.
Dan zullen wij pas zien, of dit zoogenaamde Evangelie der moderne wereldbeschouwing toereikend is, of het kracht genoeg beeft om zelfverloochenende zendelingen te leveren, meer en heter dan de duizenden, die het oude Evangelie gewekt heeft; of het kracht genoeg bezit om vereenigingen van zendingsvrienden te vormen, welke grcotere offers brengen dan die, waartoe het oude Evangelie den stoot gegeven heeft. Dan zullen wij ook zien, of het toereikend is tegenover de heidenen; of deze werkelijk voor hetgeen zij vaarwel moeten zeggen, een vergoeding vinden in het Evangelie der moderne wereldbeschouwing en of zijne veroveringen grooter en beier zijn, dan die welke onze zending met het oude Evangelie tot heden gemaakt heeft. Voordat een zoodanig bewijs geleverd is, kan men ons toch onmogelijk van bekrompenheid of van onverdraagzaamheid beschuldigen, wanneer wij zoo vrij zijn te betwijfelen, of het zoogenaamde Evangelie der moderne wereldbeschouwing, in hoe hooge gunst het ook bij vele tijdgenooten staan moge, een goddelijke kracht kan zijn. Dit zoogenaamde Evangelie behaagt der wereld voorzeker, maar het overwint de wereld niet; en het overwint haar niet, omdat het zelf van de wereld is.
Evenzoo staat het met den ruil van het Evangelie tegen
ontwikkeling en beschaving. De wederzijdsche betrekkingen tusschen zending en beschaving (cultuur^ zijn te veelzijdig , dan dat men er met enkele woorden over uitgesproken zou zijn. Maar men kan dit feit beschouwen als bewezen en door alle onbevooroordeelde mannen van wat richting ook erkend, dat de hedendaagsche zending zich in de kracht van het oude Evangelie als een ontwikkelende en beschavende macht van den eersten rang heeft betoond. Tegenover het feit, dat ontwikkeling en beschaving overal als de gevolgen der Evangelieverkondiging in de heidenwereld optreden, zou het ons als een zonderlinge dweeperij moeten voorkomen deze natuurlijke, door de ervaring bewezen verhouding, tot het tegenovergestelde om te keeren en te zeggen: het Christendom moet het gevolg van ontwikkeling en beschaving worden. Wel staat ook de macht van ontwikkeling en beschaving, zooals de wereld die aanbiedt, onder het hooge bestuur van den Koning van het Godsrijk, en bewijst zij daardoor aan de zending menigen dienst; maar ondanks dit is de oude zoowel als de nieuwe geschiedenis vol van onweerlegbare bewijzen, dat de macht der ontwikkeling en beschaving op zich zelf nooit het rijk Gods heeft geplant, omdat zij zich losrukte van hare godsdienstig-zedelijke wortelen. Gaarne zou de zending tegenover deze macht, die te zamen met haar in de heidenwereld werkzaam is, dit tot haar wachtwoord maken; „met vereende krachtenquot;; maar allerwege toont altijd weêr de ervaring, dat het over 't algemeen niet aan de zending ligt, als deze wensch slechts een hersenschim blijft. Zelfs als bondgenoot verleent die
43 —
macht aan de zending vaak slechts een twijfelachtige hulp, en alleen staande biedt zij in 't minst geen waarborg van een werkzaam middel der zending te zijn. Gewoonlijk overtreft de zedelijke schade, die zij aanbrengt, zeer verre de door beschaving en opvoeding verkregen winst. Daarenboven toont de ervaring aan, dat niet alleen enkele wilde heidenen, die men kunstmatig beschaafd heeft, na hun terugkomst in hun vaderland weder in de oude ruwheid verzonken zijn, maar zelfs bij gansche stammen, bijv. bij de Maori zijn de pogingen tot beschaving ten eenen male mislukt. Maar toch, indien 't ook al eens gelukt is, — leveren dan bijv. de godsdienst-looze hoogere inrichtingen van onderwijs, die de Indo-Britsche Regeering in 't leven riep, het bewijs, dat zij als middelen der zending werkzaam zijn geweest? Zelfs ernstige heidenen oefenen een scherpe critiek uit over deze wijze van opvoeding, daar zij volpropt met vaak onverteerbare wetenschap, maar niet zedelijk verbetert. En wanneer aan de beschavingsomwenteling in Japan , die voor de zending den toegang geopend heeft, niet spoedig een gezonde richting gegeven wordt door een godsdienstig zedelijke vernieuwing van het volk, dan zal zij naar het oordeel van deskundigen aan het land veel meer onheil dan zegen brengen.
Om kort te gaan, — wij kunnen ook bij de zending der 191)e eeuw het oude, bijbelsche Evangelie van den gekruisigden en opgestanen Christus tegen geen ander middel inwisselen, ofschoon wij weten, dat juist dit Evangelie in de oogen der wereld hare knechtsgestalte uitmaakt. Maar juist daarin ligt ook hare eigenlijke kracht.
Wilden we dit Evangelie opgeven, dan zouden wij ook ophouden aan de zending te doen; we zouden aan de heidenen niets meer te brengen hebben, dat onzerzijds het offer en hunnerzijds de aanneming waard was. Wij zouden dan noch menschen meer hebben , die hun leven aan den zendingsarbeid wilden wijden, noch beloften, welke ons met dien zegevierenden geloofsmoed zouden vervullen, zonder welke de kerstening der wereld ons ais een .... hersenschim zou moeten toeschijnen. Met den grooten hervormer verklaren wij dus: „wij kunnen niet anders,quot; en met den grooten heidenapostel: „wij schamen ons het Evangelie van Christus niet, want het is eene kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft,quot; den Christenen eerst maar ook den heidenen. —
Het Evangelie wordt echter niet alleen gepredikt; ook door de scholen, door de pers en door het leven wordt het aan de heidenen gebracht. De doopelingen moeten onderricht, de kinderen der gedoopten onderwezen, de in-landsche helpers opgeleid worden, en zoo ontstaat van zelf de zendingsschool, die niet alleen een godsdienstige, maar ook een maatschappelijke ontwikkeling beoogt, en eerst een volksschool moet wezen om later een hoogere inrichting van onderwijs te kunnen worden. Het is oogen-schijnlijk van weinig beteekenis, dat een zendeling een school opricht, die aanvankelijk misschien nauwelijks door een dozijn kinderen bezocht worden. Maar welk een gewichtige gebeurtenis voor de ontwikkeling van het geestelijk leven van een volk is de stichting van zulk een eerste school in hun midden!
— 45 —
En wanneer wij nu vernemen, dat er thans op heel het zendingsgebied ongeveer 12.000 scholen van de meest, verschillende soorten bestaan, welke door een half milli-oen leerlingen, waaronder duizenden meisjes, worden bezocht, is dan zulk een werkzaamheid, welke jaarlijks toeneemt, niet een middel van groote beteekenis voor de zending? Maar ik hoor de tegenwerping; deze scholen kan men ook oprichten zonder het oude, bijbelsche Evangelie. Zeer juist; bij ons kan men dat heden ten dage ook zonder het Evangelie, nadat men het eerst daarvan geleerd heeft en dan, ondankbaar genoeg, vergeten heeft, dat ook bij ons de zending de moeder der school is geweest. En in de koloniën richten daarom de regeeiingen ook zulke scholen op, maar letten wij slechts op één feit. Namelijk dit, dat naar het officiëele bericht over den slaat der volksscholen in het presidentschap Madras in Indië aldaar van de 5.400.000 jongens en meisjes thans slechts 237.000 op school gaan en van deze 4 % van het geheele aantal kinderen slechts 11.000 de eigenlijke regeerings-scholen bezoeken, terwijl de overigen meest op zendings-of bijzondere scholen gaan, die onder toezicht der regeering staan. Hieruit ziet men tweeërlei: vooreerst, dat in het Evangelie van Christus een geheel andere kracht tot stichting van scholen woont dan in de koloniale regeeringen; en ten tweede, d it van de zendingsscholen meer gebruik gemaakt wordt dan van de regeeringsscholen, omdat ook de heidenen spoedig tot het inzicht gekomen zijn, dat gene niet alleen onderwijzen maar ook opvoeden.
Ons geloof, dat op de Schrift gegrond is, verplicht
ons verder tot bijbelvertaling. Er bestaan heden in 't geheel 345 vertalingen des Bijbels. Hoe verachtelijk wordt door vele „wijzen naar het vleeschquot; in onzen tijd de Bijbel behandeld en ... . dit zoo verachtelijk behandeld boek is in 345 talen en dialecten overgebracht, en het aantal zijner overzettingen neemt van jaar tot jaar toe! Sedert het begin van deze eeuw zijn, vooral door de zendelingen meer dan 260 van deze vertalingen tot stand gekomen, verreweg de meesten in de talen van zulke volkeren, die van het bestaan des Bijbels niets afwisten. Zeker hebben vele dezer vertalingen nog hare groote gebreken , maar toch zijn zij een zeer krachtig middel in de hand der zending; een middel, welks groote beteekenis voor het geestelijk leven der volkeren zelfs diegenen erkennen moeten, die de waarde der H. Schrift als oorkonde der goddelijke openbaring niet meer aannemen. Stel u hier eens even den geheelen omvang van den taalkundigen arbeid voor, die noodig is geweest, voor dat men aan deze vertalingen beginnen kon. Livingstone heeft eens gezegd, dat hij onder anderen ook daarom de bronnen van den Nijl met zulk een ijver zocht, opdat hij mee zou kunnen spreken onder mannen van beteekenis. Nu, op dit recht, dat de zendeling Livingstone zich door zijne groote aardrijkskundige onderzoekingen verworven heeft, kunnen ook de zendelingen, die den Bijbel vertalen , om hunne taalkundige verdiensten aanspraak maken. Natuurlijk blijft de bijbelvertaling weer niet op zich zelve staan; het eene letterkundige voortbrengsel na het andere wordt daaraan toegevoegd: van het a b c-boekje af tot
_ 47 -
aan de uitgave van wetenschappelijke werken toe. Het is oogenschijnlijk weer een zeer geringe arbeid als een zendeling een dun schoolboekje, een klein traktaatje of iets dergelijks in de taal van een heidensch volk uitgeeft. Maar de afzonderlijke nieuw-testamentische geschriften geleken in den beginne ook op onaanzienlijke traktaten; en Luthers voornaamste werken gingen eveneens in dezen vorm de wereld in — en zij hebben zich als machtige slinger-steenen betoond. Zoo zijn ook de kleine geschriften onzer zendelingen een macht, die jaarlijks van grooter bet eekenis wordt voor de uitbreiding van het Evangelie, behalve dat zij nog den grond leggen tot een nieuwe letterkunde onder die volkeren, aan welke zij aangeboden worden.
En zooals de heidenen het Evangelie hooren en lezen, zoo zien zij het ook. Zij zien het vooreerst belichaamd in de zendelingen en hunne vrouwen. In een officiéél bericht uit het jaar 1872 verklaart de Indo-Britsche Regeering, die zeker niet vooringenomen is met de zending, uitdrukkelijk; „wij kunnen niet anders dan de groote verplichting erkennen, die wij hebben aan de welwillende inspanningen der zendelingen, wier onberispelijk voorbeeld en zelfverloochenende arbeid aan het versteende leven der volkeren, die onder Engelsche heerschappij staan, nieuwe kracht schenken.quot; Ik ben er verre vandaan de zendelingen te idealiseeren; maar dat — vooral in tegenstelling met het onchristelijk leven en handelen van zoo vele blanken, die zich onder de heidenen ophouden, — hun zedelijke ernst, hun zelfver-
48 —
loochening, hun onbaatzuchtigheid, hun vriendelijkheid en hulpvaardigheid, hun echtelijk en familieleven een aanschouwelijke prediking van geen geringe kracht is, kan niet betwijfeld worden. Daarbij is eveneens het leven der jeugdige Christenen uit de heidenen een prediking, hoezeer het ook altijd nog van het Christelijk ideaal verwijderd is. Vergeleken met het heiden-sche leven is het toch van veel hooger gehalte. Meer dan eenmaal hebben de heidenen tot de zendelingen gezegd: „Wij hebben uwe leer gezien, want die en die van onze landslieden is een geheel ander mensch geworden.quot; En wanneer zij dat ook niet altijd uitspreken, zij ervaren het toch; het nieuwe leven, dat hun voor oogen gesteld wordt, betoont zich ais een des te machtiger middel, hoe veelzijdiger het zich ontwikkelt. Het offer, dat de jeugdige Christenen brengen, en het lijden dat zij verduren moeten, dient ten laatste evenzeer tot aanbeveling van het Evangelie, als de algeheele verandering van de toestanden en de beoefening van nieuwe Christelijke deugden, die aan het heidendom geheel en al vreemd zijn.
VI.
Met deze opmerkingen zijn wij nu reeds tot de vruchten van den zendingaarheid genaderd. Aan de vrucht kent men den boom. Blijkt de hedendaagsche zending, met dezen maatstaf gemeten, werkelijk een mogendheid te zijn? Als in koor vallen hare tegenstanders met luider stemme in: „in 't minst niet!quot; De onvruchtbaarheid der hedendaagsche
zending is voor hen als 't ware een uitgemaakte zaak, en zij houden het voor ten eenemale overbodig om naar den werkelijken stand van zaken onderzoek te doen, en wanneer hun hier en daar feiten onder de oogen komen, die tot erkenning van de vruchten der zending noodzaken, dan verklaren zij, dat dit verrassende uitzonderingen zijn.Daarentegen knoopt men zich alle getuigenissen goed in 't oor, die iets ongunstigs omtrent de zending weten te verhalen, zelfs die welke uit de troehelste bronnen voortkomen. Op deze jacht naar bewijsgronden, waarmede men aan de zending afbreuk tracht te doen, raakt men in de wonderlijkste tegenspraken verward. Is het aantal der Christenen uit de heidenen nog klein, dan zeggen zij: zie, de uitkomst is niet eens naar het getal van beteekenis ; komen de heidenen in massa's,dan spreekt men: deze uitkomst heeft volstrekt geen waarde, men moet op de qualiteit letten.Gelukt het onder allerlei offers, de Christengemeenten te ontwikkelen, te beschaven en stoffelijk voordeel aan te brengen, dan roept men: zij zijn door de zendelingen gekocht, en alleen om tijdelijk ooordeel toegetreden; brengen daarentegen de Christenen uit de heidenen zelf aanzienlijke offers, om hun eigen inland-sche leeraars te bezoldigen en kerken en scholen te bouwen, dan praat men der wereld voor: die arme heidenschapen, ze worden door de zendelingen geschoren! Zijn de jeugdige Christenen niet terstond volmaakte heiligen, maar nog zwakke kinderen, die nu en dan vallen, dan roept men uit: zie, zedelijk is de uitkomst der zending bijna gelijk nul: wordt er daarentegen strenge tucht uitgeoefend , dan schreeuwt men over piëtistische emjhartigheid of hiërarchische
tirannie. Zijn de zendelingen angstvallig en voorzichtig, voordat zij den doop toedienen, dan verwijt men ons: de deuren worden niet wij l genoeg open gezet; doet men echter eens werkelijk de deuren wijd open, dan heet het weer: slechte visch, niets dan slechte visch.
Nu ben ik met betrekking tot hare uitkomsten volstrekt niet van zins, aan de hedendaagsche zending hare knechtsgestalte te ontnemen. In zijnen aanvang is iedere zendings-arbeid een zaaien in hope; vandaar dat de in 't oog loopende uitkomsten schijnbaar gering zijn. Hem, die in dit zaad den toekomstigen oogst niet zien kan, zal ook geen apologetische kunst den werkelijk en omvang der tegenwoordige zending begrijpelijk kunnen maken. Ik las eens in den eersten bundel van een jeugdig dichter de volgende opdracht aan een zijner begunstigers;
Dat is het echte dichtergemoed,
Dat reeds in de knoppen de bloemen groet; De knoppen verlangen open te breken,
Om dankbaar 't verwachtende oog toe te spreken. Nu, zulk een „dichtergemoedquot; hebben wij ook noodig, als wij de aanvankelijke vracht der zending juist willen beoordeelen.
Vooreerst mag men de zeer groote bezwaren niet over 't hoofd zien, welke men te overwinnen heeft. Reeds de uiterlijke, die in de taal en 't klimaat bestaan, zijn veel grooter dan de meeste beoordeelaren der zending wel vermoeden kunnen. Daarbij komen dan nog de iniretidige: hier een diep gezonken toestand, een bijna volslagen stompheid, daar farizeesche eigendunk; ginds de wille-
— 51 —
keur van een tiranniek opperhoofd, elders fanatieke haat tegen vreemdelingen; hier veelwijverij en slavernij, ginds kaste- en tamielieverband, overal echter de macht van de vaderlijke gewoonten en van den afgodendienst, die met het maatschappelijk en politiek leven als saamgegroeid is; voorts de macht van het veelsoortig bijgeloof en van daarmee verbonden vrees voor de afgoden en toovenaars, en eindelijk hunne denk- en zienswijze, die geheel van de onze verschilt; — dat alles zijn muren, die niet op den eersten den besten aanval bezwijken. Ik spreek hier nog niet eens van de hinderpalen, welke zulke Europeanen aan de zending in den weg leggen, die door hunnen wandel maken, dat de naam van Christus onder de heidenen gelasterd wordt.
Zeer natuurlijk moet dus ook de hedendaagsche zending een weg des gedulds bewandelen. Dikwijls wordt jaren lang vergeefs gearbeid; maar na vele teleurstellingen, nooden en nederlagen, wellicht ook na lijdelijken achteruitgang, wordt toch eindelijk een kleine schaar bijeenvergaderd, die echter spoedig weder door beproevingen en vervolgingen van allerlei aard gezift wordt. Bovendien zijn het zeer zelden de aanzienlijke en invloedrijke personen, die de kern dezer kleine schaar van eerstelingen uitmaken; de groote meerderheid behoort tot de geringyeachten in de wereld. Voegen wij hierbij nog, dat deze kleine schare, die meestal tot de laagste volksklassen behooren, volstrekt niet uit ideaal-christenen bestaan, maar eerstbeginnenden zijn in hot Christendom, en kinderen met vele zwakheden behept — dan meen ik de knechtsgestalte, die ook aan de vrucht, aan
de uitkomst der zending te zien is, met alle nuchterheid en trouw te hebben geteekend.
En toch — thans reeds is zelfs de uitkomst, in getallen voorgesteld, niet zoo gering meer. Op grond van zeer zorgvuldig bewerkte statistieke opgaven bedraagt het geheele aantal der tot nu toe bekeerde heidenen 2.283.000, die natuurlijk op de onderscheiden zendingsvelden verschillend verdeeld zijn. Zoo zijn er bijv. op de Zuidzee 204.000, in geheel Indië è millioen, in Zuid-Afrika 190.000, op Madagaskar 280.000 Christenen. Dat zijn nu altijd nog wel kleine minderheden, maar aan deze minderheden behoort de toekomst, en zij vermeerderen zich als een kapitaal, dat tegen rente op rente uitstaat. In 1857 telde, na een 30-jarige werkzaamheid, die met groote offers gepaard ging, de Bazelsche zending op de Goudkust slechts 367 Christenen, in 1867: 1509, in 1877: 3607, in 1881: 4780. In Indië en op Ceylon bedroeg het geheele aantal der inlandsche Christenen in 1852: 128 000, na een werkzaamheid van minstens 40 jaren; in 1862: 213.000, in 1872: 318.000, in 1882: 550.000. In China telde men na 10-jarigen arbeid in 1853: 351 Christelijke gemeenteleden, die het recht hadden aan het Heilig Avondmaal deel te nemen, in 1863: 1974, in 1872: 8000, in 1882: 20.000. Zóó staat het ook met den vooruitgang op andere zendingsvelden. Deze getallen zullen op de wereld wel geen indruk maken; de veroveringen van een Alexander of een Napoleon namen immers in korteren tijd reusachtige afmetingen aan. Maar zij bleven niet bestaan, juist omdat zij zoo snel ontstaan zijn. Wat duren zal, moet langzaam
— 53 -
ontwikkelen. INooit komt een gezond rijk tot stand zonder langzame grondvesting, en als de uitbreiding niet van lieverlede geschiedt. Juist in deze gezonde, langzame, trapsgewijze , maar voortdurende ontwikkeling ligt de werkelijke kracht der Christelijke zending, hoe onbevredigd de wereld ook over dezen weg des gedulds zijn moge. Naar de Goddelijke rijkswet bestaat elke zendingsperiode uit 3 hoofdstadiön, die natuurlijk noch scherp begrensd zijn, noch even lang duren. Hot eerste stadium is dat der zending, hetwelk op de bekeering van enkele personen gericht moet zijn, en slechts de grondslagen legt tot het latere gemeenteleven. In dit stadium van voorbereidenden arbeid is de zichtbare uitkomst natuurlijk het geringst, en het getal der bekeerden uit de hoogere kringen het kleinst. Het tweede stadium is dat van de georganiseerde werkzaamheid der inlanders zeiven, waarin door grootere en algemeenere gemeentevoYmmg op het reeds gelegde fundament als het ware de eerste verdieping wordt opgetrokken. In dezen tijd wordt de aanwas, meestal op geheel onmerkbare wijze, reeds aanzienlijk en grijpt de Christelijke beweging hoe langer hoe meer ook de middel- en hoogere klassen aan. Het derde stadium is dat, waarin de massa's gekerstend worden, en waaraan gewoonlijk groote politieke gebeurtenissen voorafgaan. Met de bekeering van het volk is het eigenlijke doel der zending bereikt; maar de weg tot dit doel maakt aanspraak op geheele menschen-levens, ja op eeuwen. —
Op grond dezer ontwikkelingswetten, welke door de feiten aangetoond zijn, moet het in den vollen zin des
— 54 —
woords als bekrompenheid beschouwd worden, wanneer men de werkelijke waarde der geringe, aanvankelijke uitkomsten slechts naar getallen wil afmeten. Ter verduidelijking volge hier een kenmerkend voorbeeld. In Japan, waar de Evangelische Zending nauwelijks 20 jaren bestaan heeft, bedraagt het aantal bekeerde Christenen slechts 9000 — voor ongeduldige lieden een zeer klein getal. Maar wanneer wij nu hooien, dat de godsdienstige vraagstukken daar reeds bij de openbare samenspraken aan de orde van den dag zijn, en men zich in ernst met het plan bezig houdt, om voor het rijk van den zonsopgang een nieuwen godsdienst te slichten, die uit de hoofdbe-standdeelen van het Schintoïsme, het Boeddhisme, het Confucianisme en het Christendom samengesteld zou worden — is dit dan niet een bewijs, dat de zending reeds een groote godsdienstige gisting heeft te weeg gebracht? En wanneer men dit bewijs niet voldoende vindt, omdat men deze gisting ook op rekening der aldaar in werking zijnde, grootsche hervormingen op allerlei gebied kan plaatsen, — dan geven ons de Japansche nieuwsbladen te lezen, dat ontwikkelde heidenen reeds gaan bewijzen, hoe de stichting van een godsdienst, die een mengelmoes van andere godsdiensten is, in Japan heden ten dage even verkeerd zou werken als eens het Manichaeïsme in Perzië. Een godsdienst, zeggen zij, moet op ingeving berusten, en het Christendom alleen kan de toekomstige godsdienst van het eilandenrijk worden. Is dat ook niet een vracht der zending, welke binnen korten tijd de statistieke opgaven van heden belangrijk zal doen vermeerderen V
- 55 -
De vrucht der zending overtreft allerwege de getallen. Ik kan nu niet langer blijven stilstaan bij vele zedelijke, maatschappelijke en beschavende invloeden, welke de zending zelfs buiten den kring der bekeerde heidenen uitoefent. Ik wil hier ook de waarde niet schetsen, welke deze indirecte zegeningen reeds op zich zeiven hebben, en die bij vele tegenstanders allengs meer erkenuing begint te vinden. Ik bedoel alleen dit te zeggen, dat men al deze uitkomsten bij de cijfers in rekening moet brengen, want zij vormen ongemerkt een nieuwe atmospheer, waarin ook diegenen ademen, die nog heidenen gebleven zijn, en die om zoo te zeggen de teelaarde uitmaken, waarin het toekomstige zaad des Evangelies te beter op zal schieten. Het Christendom is in dubbelen zin de algemeenc godsdienst ; vooreerst, omdat het bestemd is voor alle volkeren, en dan omdat het als een zuurdeesem alle toestanden des menschelijken levens doordringt. De zending vertegenwoordigt deze beide hoedanigheden van het Christendom. De werkingen van den zuurdeesem zijn meestal den uiter-lijken wasdom verre vooruit; zij vormen de innerlijke kracht welke den groei voedt en bespoedigt.
Na deze eenvoudige beschouwingen zullen de 2j millioen Christenen uit de heidenen wel niet meer als een verachtelijke vrucht der zending beschouwd worden.
Wat de geringe maatschappelijke positie van het meeren-deel der Christenen uit de heidenen betreft, staan wi) thans ook volkomen gelijk met de apostolische zending. Het Evangelie wordt den armen gepredikt; en de vermoeiden en heladenen zijn het altijd en overal, die daarvoor
— 56 —
het eerst een open oor hebben. Spot de wereld er in onzen tijd nog mede, de zending draagt dezen spot even gaarne als hare knechtsgestalte. Men heeft altijd weer beproefd de grooten en wijzen der wereld eerst te winnen, zooals onlangs bij den algemeen bekenden koning Mtesa in Uganda. Maar dan toont de Hooge en Almachtige altijd weer door het mislukken van zulke pogingen, dat Hij zijn rijk niet van boven naar beneden bouwt, maar van heneden naar hoven. Wanneer men ons dus den welge-meenden raad geeft om bijv. in Indië eerst de hoogste standen der maatschappij door wetenschappelijk godsdienstige voordrachten te winnen, en dan door hen invloed uit te oefenen op het volk, dan moeten wij, ons beroepende op de geschiedenis, antwoorden; hoe verstandig naar den mensch en hoe indrukwekkend voor de wereld deze raad ook zijn moge, hij is niet de koninklijke weg van dien God, die zijnen Zoon in knechtsgestalte in de wereld gezonden heeft. Een onbevangen blik in de geschiedenis der godsdiensten en zeden van alle tijden leert ons, dat met weinige uitzonderingen van de hoogere kringen meer verderf dan godsdienstig-zedelijke verbetering in de lagere klassen des volks is uitgegaan. Bet is ook hier Gods eer, dat de eersten de laatsten en de laatsten de eersten worden, en dat Hij de hoogten der wereld van uit de laagten verovert, en slechts zelden omgekeerd. Om niet verkeerd begrepen te worden merk ik hierbij uitdrukkelijk op, dat ook ten opzichte der hedendaagsche Christenen uit de heidenen het oude woord van Paulus nog van kracht is gebleven: „niet vele edelen naar het vleesch.quot;
- 57 —
Maar enkelen zijn er toch, en bedrieg ik mij niet, dan bevinden wij ons op menig zendingsgebied reeds in het stadium, waarin deze enkelen steeds meerderen worden. Eindelijk volge hier nog een woord over de zwakheid en kindsheid der hedendaagsche Christenen uit de heidenen. Ik leg er bijzonderen nadruk op, dat er onder hen een niet te verachten aantal van mannen en vrouwen zijn, die onze hoogachting verdienen en ons tot voorbeelden strekken kunnen. Maar ik geef ook gul toe, dat het meerendeel dezer jeugdige Christenen op een alles behalve hoogen trap van godsdienstige kennis staan en dat hun godsdienstig leven nog menige vlek en menigen rimpel vertoont, Rekent men dit der zending tot oneer, dan moeten wij dit weer als een knechtsgestalte dragen; maar opvoedkundige kennis verraadt in allen gevalle zulk een verachting bij de tegenstanders niet. Zelfs in de oud-Christelijke kringen in 't Vaderland wordt niemand met een oogwenk een volmaakt heilige; hoe onverstandig is het dan om van lieden, die uit de diepste heidensche duisternis komen, een ideaal te verlangen, dat wij zeiven niet bereiken! Het zou natuurlijk heerlijk zijn, indien het Christendom in 't leven van al zijne belijders, in het Vaderland zoowel als daarbuiten, tot op zekere hoogte de volmaaktheid bereikte; want dan zou het zich zonder twijfel als een nog veel grootere macht doen gelden. Maar deze overeenstemming van het leven met het godsdienstig-zedelijk ideaal van het Evangelie is slechts in Éénen verwezenlijkt, n.1. in Hem, die zonder zonde was. Bij zijne discipelen reeds heeft altijd en overal veel aan die volmaaktheid ontbroken. Dit gebrek is een
- 58 -
knechtgestalte, die het Christendom in de wereld draagt niet eerst in onze dagen, maar door de gehecle geschiedenis heen, ook in den apostolischen tijd. En niettegenstaande deze knechtsgestalte, was zij toch een mogendheid! Als wij dan zien, dat onder de hedendaagsche Christenen uit de heidenen ook de besten den schat des Evangelies slechts in aarden vaten dragen, dan ontneemt ons dit zeker allen lust tot roemen, maar niet het vertrouwenm de overvloedige kracht Gods, welker triomf het is, zich in zwakheid te volbrengen. Juist daarin, dat het Christendom een wereldverwinnende kracht heeft, niettegenstaande het ideaal des Evangelies in het leven zoo weinig bereikt wordt, ligt het bewijs, dat hier goddelijke kracht en goddelijke waarheid werkzaam zijn. Op deze kracht en deze waarheid berust de hoop onzer overwinning voor de hedendaagsche zending, hoe onvolmaakt zij ook in het leven der jeugdige bekeerden te voorschijn treedt. Wil men deze Christenen met een juisten maat meten, dan moet men hunnen tegen-woordigen met hun vroegeren toestand vergelijken, en hun leven tegenover dat van hunne nog geheel heidensche landgenooten plaatsen. Ondanks al hunne gebreken zullen zij dan als kleine lichten zijn, die in de duisternis schijnen. Bedenkt men daarbij, dat de meesten dezer Christenen veel ten offer brengen, zelfs lijf en goed; dat zij kinderen zijn niet alleen in 't verstand, maar ook in ootmoed en geloof, dan is 't duidelijk, dat zij dan toch een zout zijn voor hunne omgeving in al hunne zwakheid, en zich Gods kracht in hen openbaart.
En nu ik aan 't slot ben, gevoel ik levendig, hoe
moeilijk het is, thans, waar wij nog pas in ?t begin der hedendaagsche zending staan, en het menschelijk oog in de eerste plaats hare knechtsgestalte aanschouwt, overtuigend den indruk te geven, dat ze werkelijk toch een mogendheid is. Wat echter deze proeve slechts ten deele vermag, dat zal de geschiedenis glansrijk aan den dag brengen. Zooals de apostolische en de middeleeuwsche zending met de zege des Evangelies over de toenmalige heidenvolkeren geëindigd is, zoo zal ook de zending onzer dagen met de overwinning over de hedendaagsche heidenvolkeren eindigen. Indien er in 't jaar 2000 een dergelijk werk als dit geleverd mocht worden, dan zal de knechtsgestalte der nieuwe zending reeds zoo op den achtergrond getreden zijn tegenover de groote uitwerkingen harer macht, dat men zich er over verwonderen zal, hoe in 1885 zooveel moeite gedaan moest worden, om te bewijzen, dat ook van de hedendaagsche zending geldt, wat Pilatus eens tegenover den gevangen Jezus in zijne knechtsgestalte uitriep:
Zijt gij dan — een koning?!
■ | MflHgwro