ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

://£ x., u

LEVENSBERICHT

W. J. A. JONCKBLOET.

DOOR

11. E. M O L T Z E R.

Overgedrukt uit het Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1886.

AMSTERDAM, JOHANNES MÜLLKK. 1887.

m

;_^

/ ^7.

ocr page 4

.

...

ocr page 5

LEVEN SBERICHT

VAN

W. J. A. JONCKBLOET.

DOOR

H. E. MOLTZER.

M, H.! Bij mijn woord van dank aan het Bestuur der Akademie voor liet vertrouwen in mij gesteld, kan ik niet nalaten den wenscli te uiten, dat ik niet te verre beneden mijn onderwerp zij gebleven. Want boe welgevallig mij de opdracM moge zijn geweest, bet levensbericht van Jonck-BLOisT te geven ; evenmin als ik mijne taak lichthartig heb aanvaard en mij er afgemaakt met franschen slag, evenmin ben ik me bewust J okckbloet te kunnen beoordeelen als evenknie. Het is dan ook een alles behalve holle volzin, wanneer ik een beroep doe op uwe welwillendheid.

Willem Jozeï Andkies Jonckbloeï is den Cdcn Juli 1817 te 's Gravenhage geboren. Zijne ouders waren Johannes Reunieu Jonckbloeï, hoffoerier van Z. M. den Koning dei-Nederlanden, en Susanna. Diehl. Aanvankelijk bestemd om te worden opgeleid aan de Koninklijke Akademie te Breda, werd hij juist ten tijde, dat hij zijne studiën daar zoude beginnen, teleurgesteld, omdat het onderwijs aan die inrichting ten gevolge van de belgische onlusten was geschorst: vorst en volk met het zwaard te dienen was alzoo uiet voor hem

1

ocr page 6

( 2 )

weggelegd. Wat bij voor ons land was geworden, indien de knaap, van cadet tot officier bevorderd, de wapens had gedragen, is niet moeielijk te gissen: zijn fier gelaat en ridderlijke houding zouden de aandacht van den opperbevelhebber van ons leger dermate hebben getroffen, dat bij hem met innig welgevallen tot de hoogste rangen zou hebben verheven van wege zijne zeldzame bekwaamheden. Veilig durf ik dat te verzekeren ; want op welk gebied van wetenschap of kunst Jonckbloet zijne tente zou hebben opgeslagen, daar had hij zich onderscheiden en uitgeblonken, »multorum facile princepsquot;.

In plaats van naar Breda werd hij nu in de eerste weken van 1831 gezonden naar de latijnsche school zijner geboortestad. Rector waren gedurende de jaren, dat hij haar bezocht, Kappeijne van de Coppello en, na 1833, Bax, mannen, wier nagedachtenis hunne leerlingen, zooals bekend is, in dankbare herinnering hielden; wie echter inzonderheid zijn hart wist te stelen en in den jongen gymnasiast lust en liefde te wekken voor de letteren, dat was de prorector Schey, wiens naam hg nog jaren later met groote hoogachting gedenkt1).

De jonge man ging dan ook in 1835 naar de hoogeschool met het vaste voornemen om, wat er van hem zou moeten worden, de beoefening der letteren, meer bepaald, zooals hij zelf verzekert, die der geschiedenis en letterkunde van ons vaderland aan te houien. Zijne ouders schijnen hem de keus te hebben gelaten tusschen de rechten en de medicijnen, en lang heeft Jonckbloet inderdaad geweifeld, maar hij kon tusschen de genoemde vakken en de nederland-sche letteren geen zoodanige verwantschap vinden, dat hij tevens tot de gelijktijdige studie van een daarvan kon besluiten lb). Eindelijk gaf een goede raad van Prof. Geel den doorslag, en werd het vak zijner voorkeur dat zijner besliste keuze. Weliswaar zou hij daardoor zich versteken van het vooruitzicht een doctoralen graad te kunnen verwerven, maar wat hem het naast aan het hart lag, moest het zwaarst

ocr page 7

f 3 )

wegen. De nederlandsche taal. letterkunde en geschiedenis werden van toen voortaan liet veld van zijne studie, eene studie, waarbij hij grootenJeeh zelf zijn eigen leidsman moest worden.

Hoe zal Jonckbloet als student zijn geweest? Indien het vermoeden, dat een van de jongelui der Averkelijkheid, die hebben gezeten voor Klikspaan's verbeelding, toen hij de typeschil-derde van zijn Planor, Joxckbloet is geweest, — indien dit vermoeden niet te eeneu male uit de lucht is gegrepen, dan zijn er gewis enkele gelijkende trekken. Flanor na is een vroolijke student geweest, »vol grappen, guitenstreken, dwaashedenquot;; »eenquot; — het zijn Klikspaan's woorden — »goede ventquot;, die »niet hield van die, welke een ander roekeloos benadeelen, »uoch ook van degenen, die zich, uit gebrek aan snaaksch-»heid van geest, op baldadigheden toeleggenquot;; »zeer bemind »en gezienquot;; »een knappe jongen naar ziel en ligchaamquot;, van wien geen sterveling begreep, »hoe hem zijne kennis »was aangewaaid, omdat hij zeer zelden op zijne kamer was »en zeer dikwijls aan de rol, maar die in anderhalf uur »meer vooruit kwam dan de meesten in drie geheele urenquot;; voorts »een sprekend bewijs, dat men ook buiten de aca-»demiestad kan studeren, als men wil. Aan eene strenge »huistucht gewend, hield hij zich gedurende de vacantiën »met eene onverwrikbare standvastigheid op zijne kamer op-» gesloten en werkte, dat de onverschrokkenste blokker er van »versteld stond. Doch voor het overige was hij voor nie-»mand iets meer dan een zwierbol, een losse guitquot; ïe oordeelen naar hetgeen mij is verteld van zijn studeuten-tijd, zou ik meenen, dat evenzeer bij de volgende bladzijde van Flakor's karakterschets het beeld o. a. van Jonckbloet den schrijver voor den geest zweefde: «hetgeen vooral »een helder licht op zijn karakter deed vallen, was een ze-»kere lust tot spotten, niet met het booze opzet om een »ander te beleedigen, te kwetsen of te beschimpen, maar »dewijl de natuurlijke strekking van zijn geest hem naar den »zwakken of liever naar den dwazen, den belagehelijken kant

1*

ocr page 8

(4)

»vau de maatschappij trok. Van alles wat hem omgaf viel »hem de scherpe hoek op, de harde omtrek, waarmede het »tegen de andere voorwerpen uitkwam en afstak ; voor zijn »geest werd alles contrast en caricatuur, alles hakende zich »voor het oog zijner ziel in deszelfs eigenaardigste eigen-»aardigheid, of, om een heel mooi woord te gebruiken, eigen-»dommelijkheid, af. Terwijl de dichter in den mensch den »engel aanschouwt, begreep de grillige opmerker slechts het «dierlijke, het lage deel zijner natuurgenooten, en, door de-»zen prikkel aangepord, gaf hij aan die ingeborene aandrift ï. toe, welke hij voor zijn eigen belang misschien wel eens »een weinigje te ver dreef, daar zij meer dan eens het dunne »vlies der prestige, waarmede de mensch, door enkele over-»eengekomeue vormen bijgestaan, zich zeiven, in de hoop »van zich eenigen schijn van uiterlijke waardigheid bij te »zetten, omhult, onbarmhartig, ofschoon onwillekeurig te »barste stiet. Zoo was hij het, die het studentencorps met »zekere bijnamen en spotternijen belaagde, welke zoo stevig »aankwamen, met zoo levendige kleuren en tastbare waar-))heid, dat geen klit of lijm met meer hardnekkigheid ooit »op den medemensch zijn blijven kleven. Het was eene gave, »eene gevaarlijke, maar hij zelf meende het zoo kwaad niet, »maar het was eigenlijk, dat zijne vrienden gebruik maak-»ten van een ondeugend woord, hetwelk hij, zonder andere »bedoeling dan eene gekheid, die hem door het hoofd woei, »lucht te geven, op dezen of genen in het voorbijgaan had »geworpen of toegepast; deze strooiden het uit en lieten het »wortel schieten onder de jongeluiquot; : tot zoo ver Klikspaan s).

Kwam bij Jonckbloet, ouder ja grijs geworden, de oude Adam niet nog bijwijlen uit do mouw kijken ? Dan, wat ■ daarvan zij: Flavor wordt door Klikspaan ook gekenmerkt als iemand, »die, door degelijke gronden, kunde, oordeel en »liefhebberij in studie ondersteund, zich sterk en in staat »zou gevoelen, zijn land, de wetenschap, de beschaving te »dienen en, wie weet? vooruit te zettenquot;: dezen trek had Jonckblolt met Flakou ongetwijfeld gemeen. Jacob Geil

ocr page 9

( 5 )

wist wel, wat hij deed, toen hij hem het handschrift van Maisrlant's Naturen bloeme liet zien; en een oud student, die op de soeieteit een jong studentje — thans ons medelid M. de Vries — het gesprek hoort kruiden met eene aanhaling uit Melis Sïoke, en van dat oogenhlik zijn vriend wordt, heeft gewis meer en beter aan de academie uitgevoerd dan guitenstreken eu dwaasheden 3). Het welsprekend blijk daarvan is wel het Specimen door hem, den 22sten september 1848, te één uur, praeside Siegenbeek, in het openbaar verdedigd, een specimen »e Uteris neerlandicisquot;, inlioudende het derde boek van Velthem's Spieghel histo-riael, ingeleid en toegelicht. Daarmede nam hij afscheid van de hoogeschool, en gaf hij tevens eene proeve van beide, kennis en talent.

Dat specimen was de vrucht van grondig onderzoek, en getuigde — ik behoef sleclits te herinneren aan de aantee-keningen — van groote belezenheid, helder oordeel en goeden smaak. Voortreffelijk werk in menig opzicht; en, als ik denk aan de vijftiende stelling: »Non audiendus est Huydecope-rus de antiquis nostris poetis dicens: van welken, buiten Jan vak Hselu, het genoeg is eenige fragmenten te bewarenquot;, een allergelukkigst voorteeken.

Hoedanig liet oordeel van de hoogleeraren Siegenbeek en Schrant over Jonckbloet's arbeid is geweest, moge, voor zoover mij bekend, nergens geschreven staan; het doctoraat honoris causa, hem eenigen tijd daarna aangeboden, is een overtuigend blijk, dat de professoren het zegel hunner goedkeuring hebben gehecht aan het werk van den student.

»Onze nederduitsche dichtersquot;, had Huydecoper, in 1772 gezegd, »welken mogelijk niemand, die leeft, gezien heeft, »zijnde al mss.; van welken, buiten J. van Heelu, liet »genoeg is eenige fragmenta te bewarenquot; : Jonckbloet sprak in 1840 anders, en zou nog in datzelfde jaar zijn woord gestand doen door de uitgave der Aanteekeningen van van wijn op hi'.elu, ouder medewerking van den heer A. W.

ocr page 10

( 6 )

Kroon, in 1842 frevolgd door de Beatriis met het Aanhangsel, en het Clui/swerck vau Hüygens.

Welken goeden dienst Jonckbloet, inzonderheid aan de beoefenaars ouzer vaderlandsche geschiedenis heeft bewezen door de eerstgenoemde uitgave, kan blijken uit de omstandigheid, dat die letter- en geschiedkundige aanteekeningen van den schrijver der Historische avondstonden tot op den huidigen dag hare waarde hebben behouden, en niet licht iemand Willems' Slag van Woerirujen opslaat zonder dat werk te raadplegen. Bovendien pleit het gewis voor den goeden naam van den jongen geleerde, dat mannen als Schinkel en Holtrop zich zijner aantrokken en hem met raad en daad steunden: benevens aan Prof. Geel was hij dan ook, hij erkent het dankbaar, aan die twee mannen zeer veel verplicht. Naar aanleiding van Hüygens Cluyswerck, zelfs aan Schinkel, blijkens zijne opgave der handschriften van Con-stantijn en Ciiristiaan Hoygens, onbekend gebleven, wil ik alleen opmerken, dat, hetgeen trouwens uit enkele stellingen achter het specimen reeds kon worden afgeleid, Jonckbloet niet uitsluitend de middelnederlandsche letterkunde maar ook onze zeventiende eeuw binnen den kring zijner nasporingen had getrokken: extensief zoowel als intensief, in de breedte en in de diepte, zou hij — het was te voorzien — den akker der vaderlandsche wetenschap ontginnen en bebouwen.

De kroon spant de Beatriis, een gulden boekske, waarvan voorrede, aanteekeningen en verklarende woordenlijst bijzonder kenmerkend zijn voor de richting van zijne studiën. Het spreekt van zelf, dat het mijne bedoeling niet kan zijn, de inderdaad zeer vele geschriften van Jonckbloet *) elk afzonderlijk te kenschetsen: waar zoude het einde van dit bericht ziju ? — maar de Beatriis verdient m. i. alleszins te worden »en reliefquot; gebracht.

De voorrede is een protest en een beroep. Een protest

'*) Waarvan ds iauge lijst kier aciiter wordt gegeven.

ocr page 11

( 7 )

tegen de — ik haal Jonckbloet zeiven aan — »de volsla-»gen apathie die hier te lande in het tweede vierendeel dezer »eeuiv heerschte voor onze oude letterkundequot;, eene apathie zóó algemeen en zóó sterk, dat het loffelijk voorbeeld van Belgie en Duitschland, wel verre van te manen tot navolging, eene tegengestelde werking scheen te oefenen, en den Nederlander de overtuiging schonk, dat »il serait sürement »commode pour nous d' en rester oü en étaient Junius et » ten Kate, plus commode encore de s'endormir a quelques »degrés plus bas qu'euxquot;, zooals Halbertsma het uitdrukt 4). Een beroep was ook die voorrede op zijne landgenooten: »O, ik vertrouw dat er nog nationaal gevoel genoeg zal »zijn ora het cedamus! te weerhouden, en ons eindelijk »met vereende krachten de handen te doen aan het werk »slaan, om dat standpunt te bereiken, dat den Nederlander »iu zijne eigene letterkunde past, opdat wij niet langer »behoeven te blozen dat een vreemdeling ons onze eigene »taal moet komen leeren. Maar daartoe moet ieder mede-»werken, die, al is het dan ook maar eenigzins, in de ge-»legenheid is nationale bijdragen te leverenquot;. Eindelijk, was zij nog eene belofte: al wist hy zeer goed, dat, evenals »van dicbten cleine bate comt.quot;, insgelijks van geleerde verhandelingen en tekstuitgaven de stoffelijke voordeelen gering zouden zijn, hij verzekert niet in gebreke te zallen blijven maar het zijne, het mocht dan gering wezen, te zullen bijdragen, om belangstelling voor onze oude taal en letterkunde te wekken.

»Laudanda voluntasquot;: zijn wil was goed, zijn moed groot, en zijn kracht had hij niet overschat. Zijn »steun en helperquot; Schinkel liet op zijne kosten het boekje drukken: en effende alzoo voor hem de loopbaan, die hij met zijn specimen was ingetreden 5). Te vragen, hoe de bekoorlijke legende van Beatriis is ontvangen door het beschaafd publiek van die dagen, zou eene zekere mate van onnoozelheid verraden ; liever dan me te verdiepen in het onderzoek, hoe velen of hoe weinigen door Jonckbloet's werkje zijn bekeerd

ocr page 12

( 8 )

tot de middelnederlandsche letteren, boekstaaf ik de verzekering, dat mannen als Claeisse in Noord- en Willems in Zuid-Nederland den schrijver hunne ingenomenheid met zijn arbeid betuigden 6), en zijn jonge vriend de Vries in De Gids van 1841 eene gunstige beoordeeling ervan gaf. De Vkies had hem geschreven, dat hij »wat over de Beatriis zou zeggenquot;, en Jonckbloet was met dat vooruitzicht zeer ingenomen: bij uitstek kenmerkend zoo voor den jongen man van 1842 als voor den geleerde van later jaren zijn de woorden, waarmede hij zijn vriend daartoe opwekt: »Ga uw gang, schrijft »hij, en hak er maar fiks op in, al blijft er ook niets over »van mijn papieren kind, zoo de wetenschap er maar meê » vooruitgaatquot; Ü,J).

Inderdaad, hij had alle voldoening van zijne uitgave. En terecht: daar viel te prijzen. Wel allereerst de tact, om eenvoudig een diplomatisch getrouwen afdruk van het handschrift te geven, hetgeen van gewenschte voorzichtigheid getuigde en den pas afsneed aan mogelijke en onmogelijke gissingen en verbeteringen, waarvoor de tijd toen nog niet rijp was; dan het karakter van het glossarium, dat, op enkele uitzonderingen na, zuiver verklarend was, en tot grondslag had niet de etymologie maar het taalgebruik der middeleeuwen, gestaafd uit gelijkluidende plaatsen; verder de prolegomena, met de beschrijving van het handschrift, den vermoedelijken tijd van de berijming der sproke, in één woord, met al de vragen, die, voor beantwoording vatbaar of niet, behooren te worden gesteld bij de uitgave van een middelnederlandschen codex; eindelijk, en hierbij denk ik meer bijzonder aan het Aanhangsel, de beoordeeling, vooral leerzaam door de vergelijking met eene latere bewerking van dezelfde legende. Doch bovenal vestig ik de aandacht op de oudheidkundige bijzonderheden der aanteekeningen, betreffende de kleederdracht en het huiselijk leven in de middeleeuwen, bij voorkeur geput uit middelnederlandsche schrijvers: »het moet bevreemding wekken, zegt hg, waarom »meu zich de kennis der gebruiken van Grieken, Romei-

ocr page 13

( 9 )

sneu en Hebreëen tot de kleinste bijzonderheden heeft ei-»gen gemaakt, en totnogtoe zoo luttel heeft getracht in te »dringen in de private gewoonten van de geslachten der »middeleeuwen.quot; De akker onzer vaderlandsche oudheden, nauwelijks ontgonnen door Hüijdecoper en Van Wijn, lag nog zoo goed als braak: zou Jonckbloet zich aangorden om een werk te schrijven over nederlandsche antiquiteiten, waaraan men, naar hij zelf verzekerde, »meer en meer behoefte begon te gevoelen?quot; Ik kan er alleen van zeggen, dat het bedoelde onderwerp hem gedurende zijn gansche leven lief is geweest: in 1861 schrijft hij »voor jaren te hebben besloten een werk over nederlandsche oudheden bij een te brengen en toen gemeend zich te kunnen bepalen tot de middelnederlandsche dichters;quot; »maar overwegende, zoo gaat hij voort, dat al onze mnl. gedichten vertalingen of navolgingen zijn, begreep ik mij tot de bronnen zelf te moeten wenden en de fransche tot grondslag van mijn werk te moeten makenquot;, en inderdaad werkte hij in dat jaar hard aan de oudheden, ja had zelfs reeds eukele paragrafen gereed. Zeven jaar later waren zijne excerpten voor eene »Histoire de la vie privée au moven agequot; tot duizenden aangegroeid, »waarinquot;, schrijft hij, »heel wat belangrijks staat.quot; Het ontworpen boek heeft echter nooit het licht gezien: de Geschiedenis der nederlandsche letterkunde, waarvan in 1868 het eerste deel in eerste uitgaaf verscheen, en de vele werkzaamheden, waartoe hem zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer verplichtte, hebben hem ongetwijfeld — jammer genoeg — belet aan zijn plan uitvoering te geven en de »Histoirequot; voor de pers te bewerken.

Zooals ik zeide, Jonckbloet had voldoening van zijne Beatriis. Belezen in de geschriften van Hüydecoper, Clig-nett, Van Wijn, Bilderdijk en Clarisse ; van Willems, Blommaeet en Snellaert; van Mone en Geimm en Hoffmann v. Fallersleben, deed hij zijner school eer aan, en had niemand minder reden dan hij om van zich zeiven te schrijven, zooals hij doet in een brief aan de Viues van 2

ocr page 14

( 10 )

Jan, 1842: »maar zoo groot een scepticus ben ik, dat ik aan alles twijfel behalve aan mijne nulliteit.quot;

Gelukkig voor onze vaderlandsche philologie, dat Jonck-bloet niet vertwijfelde noch aan hare toekomst, noch aan zich zeiven, en allerminst aan den jongen vriend, aan wien hij in de aangehaalde woorden zijn hart uitstortte. Had hij van het eerste oogenblik der kennismaking op de so-cieteit in de Vries den vakgenoot erkend, een der zeer weinigen, die belang stelden . . . wat zeg ik ? — die blaakten van liefdevuur voor onze taal en letteren, met dien vakgenoot, dien bondgenoot, was hij weldra één van ziel en zin, van willen en streven, van weten en werken. En dit bewijst hunne briefwisseling onomstootelijk: zij wisten wat zij wilden, en wilden wat zij vermochten; by eendrachtige samenwerking zou hun vast geloof in de toekomst der middelneder-landsche taal en letterkunde hen bergen van bezwaren doen Terzetten. In het openbaar zoowel als in zijne vertrouwelijke brieven heeft Jonckbloet het onverholen voorspeld, dat hunne eendracht macht zou blijken, zooals zij ook in de uitkomst gebleken is. »Ik behoef u niet met vele woorden te ver-»zekeren, hoezeer ook ik uwe vriendschap op prijs stel, zooswei in abstracto als in concreto, d. i. zoowel om die »vriendschap zelf als om de vruchten, die onze nederlandsche »letteren kunnen plukken van onze hechte vereeniging aldus den vierden Maart 1842; en jaren later in 1848: »aan u verbinden mij dubbele bauden, die eener ongeveinsde »vriendschap zoowel als die van een gezamenlijk streven op »dezelfde baan.quot; En in 1859, in de opdracht van zijn Beatriis (tweede uitgave) en Carel ende Elegast ,toen »het bijna het vierde eener eeuw was, dat zij eendrachtig dezelfde wetenschap hadden beoefend,quot; mocht hij niet het volste recht van zijn vriend en zich zeiven zeggen, dat zij alle reden hadden zich te verheugen over de uitkomsten van hunnen gemeenschappelijken arbeid.

Doch ik ga naar 1842 terug. Wat was hun ideaal ? Door leer en voorbeeld van belgische en duitsclie geleerden op-

ocr page 15

(11)

gewekt, te werkea, in den geest van Htjydecoper en zijne school, aan den opbouw van onze taal en letterkunde, en alzoo de beoefening der nederlandsche philologie te schoeien op de leest der classieke. Zij waren zich bewust, levendig bewust, dat, zooals Zacher wat later schreef, de studie van ouze taal en letterkunde op zijn zachtst gezegd zeer veel te wenschen overliet. »Das studium,quot; zegt hij, »der altnieder-»landischen literatur und sprache zeigte, wahrend die letz-»ten jahrzehnte, je nach den verschiedenen landern, in »deneu es gepflegt wurde, auch eine verschiedene farbung. »In Deutschland bescbaftigten sich damit natürlich nur »einzelne manner, und auch diese fast nur beilaufig; den-»uoch trugeu ihre arbeiten, wie verschieden sie auch aus-»fielen und ausfallen mussten, alle ein wissenschaftHches »gepiiige, weil sie nie den zusammenhang mit dem grossen »o-anzen der gesammteu deutschen sprachwissenschaft ver-»gassen. In Holland war seit Huydecopers und Clignetts »zeiten ein gewisser dilettantismus eingerissen, der sich bald »in selbsteigener person bewunderte, bald mit lobenswerthem, »weun gleich ganz unkritischem sammlerfleisse, dicke com-»mentare zusammentrug, bald auch mit kindlicher naivetat »herausgab und erklarte was er verstand und nicht ver-» standquot; 7).

Een hard woord: was het vonnis onrechtvaardig? Ik wil mij niet voor de honderdste maal beroepen op de schier spreekwoordelijk geworden leemten en gebreken van Vis-soher's Ferguut, die wellicht nog beneden Le Long's Velt-hem staat, noch op de omstandigheid, dat de enkele uitzonderingen, die kunnen worden aangewezen, den regel van Zacher bevestigen: liever spreek ik als mijne eerlijke en gemoedelijke overtuiging uit, dat Jonckbloet's beoordeeling van Lulofs' Handboek van den vroegsten bloei der nederlandsche letterkunde in De Gids van 1846, nader gestaafd in menige voorrede zijner werken, en in zijne inaugureele redevoering van 1848, in hoofdzaak overeenkomend met Zacher's beschouwing, — ik zeg niet; beleefd en vriendschappelijk

ocr page 16

( 12 )

maar — stellig volkomen gegrond en verdiend mag; heeten. Wie thans na veertig jaar »sme ira et studioquot; de stukken leest, moge blijven betreuren, dat de toon, dien Jonckbloet aanslaat, min gepolijst (moest bij bet later uiet zelf bekennen?) eu oneerbiedig was; dat zijne pen vaak in gal gedoopt scbijnt, en bare vlijmende sarcasmen te kort deden aan de waardeeriug, waarop de oude scbool, en voorwaar niet louter uit »revereutia senectutisquot;, alle aanspraak had: outkennen, dat bet goed recbt was aan de zijde der oppositie, geloof ik niet dat bij zal willen. Vooral om die beoordeeliog is Joxckbloet bard gevallen, en den knorrigen stijl ervan beeft bij dan ook. zooals ik opmerkte, afgekeurd: maar overvraagt en overdrijft de oppositie niet altijd eu overal? De verdiensten der oude scbool erkennen tegenwoordig zelfs de jongeren van onze neder-landscbe pbilologen dankbaar, en, nu de bartstocbt niet langer aan bet woord is, beboeft er van miskenning geen sprake meer te zijn, is daar dan ook in waarbeid geen sprake meer van; maar mogen wij niet evenzeer verzachtende omstandigheden pleiten voor den jongen man, die, ten volle verzekerd van bet goed recht zijner zaak, van zijne goede bedoeling en de deugdelijkheid zijner middelen, zich — ik zal niet zeggen gedwarsboomd maar liever — bedreigd zag in zijne stoute, koene vaart door eene — tegenwerkende wil ik ook niet zeggen maar — anders werkende kracht dan hij voor de eenig ware hield? Er is meer. Lulofs was een hoogleeraar van naam, een geleerde van invloed en gezag, wiens woord geen gering gewicht in de schaal legde; zijn Handhoek, een lijvig deel, was bestemd om bij het academisch onderwijs re worden gebruikt, en van methodologisch en encyclopaedisch karakter, als waarin de spraakkunst, de woordeuscbat, de versbouw, de letterkundige geschiedenis onzer middeleeuwen altegader werden behandeld, een werk dus, dat de grondslagen legde en den bouwstijl aangaf voor wie wist boe lang, een werk van groote beteekenis; jonckbloet begreep, dat de eer, de toekomst der vaderlandsche philologie op bet spel stond, eu het dilemma was: »of nu of in lang nietquot;,

ocr page 17

( 13 )

en dat liet niet aanging, wijzigingen voor te stellen in het programma der oude school, waarvan Lulofs een der cory-pheëu was, om reden dat het leidend beginsel hem verkeerd voorkwam: wat bleef hem anders over dan liet aan flarden te scheuren ? Dit beeft hij werkelijk gedaan, en, ik geef toe, niet »suaviterquot; maar »for titerquot; zoo »iu modoquot; als »in requot;. Neen, voorwaar, de verontwaardiging spreekt niet alleen in dicht maar ook in ondicht, of wat dunkt u? »Het »is meer dan eens gezegd, schrijft Jonckbloet, en met »bewijzen gestaafd, dat de beoefening der oude nederland-ische letteren of, in strengen zin, der mul. letterkunde, »geleden heeft door een dilettantisme, dat regts en links, »zonder bepaald doel, beuzelend, zonder systeem, zonder »overtuiging, in plaats van de wetenschap eene schrale, on-»vruchtbare liefhebberij heeftquot; gewerkt: vervolgens worden de wonde plekken bloot gelegd van het Handhoek als daar zijn: »valsche voorstellingquot;, siiicompleetheid''', »inconsequeu-tiequot; evenzooveel oorzaken van »onware historia literaria, oncritische tekstuitgave, onvoldoende grammaticale en lexicale verklaringquot;. In bijzonderheden wordt een en ander aangetoond, en voldingend gestaafd, dat valt niet te ontkennen; iu hoe verre echter de oude school aansprakelijk mag worden geacht voor de buitensporigheden van Luloi's, dat is eene andere vraag, die ik thans niet wensch te stellen. Dit is zeker, het in 1847 verschenen appel van den geïncrimineerde — ik bedoel 's hoogleeraars Verhandeling over den regten aanvang en vroegsteu bloei onzer nederlandsche letterkunde — pleit meer voor de belezenheid en geleerdheid van den steller dan voor de houdbaarheid van zijne stelselloosheid. Ook moest Boiimaus iu het Belgisch Museum van 181G, al gevoelde hij, dat het geslagen vonnis ook hem min of meer trof, toch eerlijk bekennen, dat Jonckbloet's recensie »veel goeds bevatte en veel goed zou doen door de vrijmoedigheid van de critiekquot; en, al had hij wat meer eerbied gewenscht voor den ouden niet onverdieustelijken litterator, van de oude school getuigde ook hij: »haar tijd is

ocr page 18

( 14 ^

»voorbij, ik beken het; wat vóór dertig jaren nog belang »verwekte, is tbans verouderd, en het voldoet aan onze »behoefte niet meerquot; 8). Ik voeg er bij, dat de critiek niet alleen afbrekend maar ook opbouwend is geweest, en in hoofdzaak hetzelfde bevat als de inaugureele redevoering te Deven-

O O

ter, zij het dan meer stelselmatig, inhoudt over de vergelijkende en historische taalstudie en de historisch- en aesthetisch-critische beoefening onzer letterkunde; en dat de beoordeelaar door zijne Doctrinael, zijne Lorreinen en zijn Catoen welsprekende bewijzen had geleverd, dat hij niet alleen woorden kon schrijven van afkeuring en ingeuomenheid, maar ook zelf in staat was echt wetenschappelijk werk te leveren, d. w. z. werk, waaraan niet eenvoudig zóóveel tijd en zóóveel vlijt wordt besteed als de eigen lust van den arbeider medebrengt maar zooveel als wordt vereischt voor degelijken taal- en letterkundigen arbeid zeiven. Op Lülofs' repliek antwoordde Jonckbloet niet aanstonds: hij bad zich voorgenomen zijn gevoelen te handhaven in eene geschiedenis der middelnederlandsche letterkunde, die hij hoopte, dat weldra het licht zoude zien.

En zijn vriend de Vries ? Sprak en schreef »suaviterin modoquot; ; doch al kende ik niets anders van zijne hand dan den titel der redevoering, waarmede hij, als opvolger van Lulofs, den 28sten november 1849, het hoogleeraarsambt heeft aanvaard, den veelbeteekenenden titel: » De heerschappij ocer de taal het beginsel der welsprekendheidquot;, en de allereerste woorden, die hij te Groningen in het groot auditorium heeft gesproken, het veelbeteekenende: » wees meester van de taal, gij zijt 't van 'tgemoedquot;, — al kende ik verder geen letter van ue Vuies, ik zou durven verzekeren, dat hij op de vraag van zyn vriend: »of »wij immer in den ouden cirkel moeten ronddommelen, dan »of eenmaal de overtuiging moest ontwaken, dat de beoefe-»ning onzer letterkunde eene wetenschap is, die ook weteu-»schappelijk diende behandeld te worden,quot; — dat hij op die vraag zijn bevestigend antwoord niet zou zijn schuldig gebleven. En ongetwijfeld heeft hij, zij het niet zonder een'ge wijziging van den vorm, dit taal en letterkundig credo van

ocr page 19

( 15 )

Jonckbloet gemaakt tot het zijne: »onbezweken ijver in het ^beoefenen der bronnen, onbevangen kritiek, steunende op »historisch-grammatische gronden, in het trekken van re-»sultaten, onafgebroken strijd tegen onwetenschappelijke verblindheid en vooroordeel, zonder aanzien des persoons, »ziedaar het nog schaars betreden pad, dat den beoefenaar »der mnl. letterkunde voor het vervolg is aangewezen, zie-»daar de grondwet, waaraan ik mij bijzonder verbonden treken om aan mijne roeping te voldoenquot; 9). Met de gedachte aan hetgeen door Jonckbloet en de Vries is gewrocht haal ik de woorden aan, onlangs door Prof. Pfaff van de broeders Grimm gesproken; »Sie werden versteken, »dasz wir mit dein auftreten dieses seltenen brüderpaars »vor einer groszen entscheidenden wendung stehen, vor einer »weudung vom dilettantischen spiele zur ernster wissen-»schaftquot; 10;. Door den een mocht voortaan wat meer worden geëxcerpeerd voor spraakkunst en woordenboek, door den ander voor geschiedenis en oudheden en letterkunde: verscheidenheid zoo van voorkeur als van gave en aanleg, wel verre van de eendracht te verstoren, zou veeleer strekken cm den band nog nauwer aan te halen door de bewustheid, dat, om zoo te zeggen, de een den ander aanvulde en beide voor elkander en voor hunne wetenschap onmisbaar waren. Hunne geregelde briefwisseling stelt dat in het helderst licht.

Tot dusverre sprak ik uitsluitend van Jonckbloet en de Veies: ik haast me er bij te voegen, dat de bewegingspartij of nieuwe school, zooals lulofs haar noemt in zijne repliek, uit meer dan twee leden bestond. »Hoe groot of klein intusschen die Nieuwe School of Partij van Beweging zijquot;, schrijft Lulofs, »en wie al tot haar behooren, moge men den jeugdigen Beoordeelaar, die, gelijk hij het uitdrukt, als haar Verdediger (waarom niet liever Voorvechter, want wie had haar aangevallen?) wenscht beschouwd te worden, gaan vragen. Wij toch weten het nietquot; 11): ongaarne zou ook ik een bepaald cijfer noemen. Doch geen oogenblik aarzel ik tot haar te rekenen de heeren Vermeulen, Tidkman,

ocr page 20

( 16 )

Leendertz en de Hoop Scheffer, die met M. de Veies en den «jeugdigen Beoordeelaarquot; van Lxjlofs de redactie der in 1843 opgerichte »Vereenigiug ter bevordering der oude nederland-sche letterkundequot; uitmaakten. Deze Vereeniging stelde zich, zooals u bekend is, ten doel de beoefening onzer letterkunde, meer bepaald die der middeleeuwen, aan te kweeken door het uitgeven van mnl. handschriften en zeldzaam geworden drukken, die, uit een geschied-, taal-of letterkundig oogpunt beschouwd, eene vernieuwde uitgave waardig waren, en alzoo door eene reeks van werken bruikbare bouwstoifen te leveren zoowel voor de geschiedenis en oudheden van ons land als voor »het grammatisch en lexicographisch gedeelte onzer schoone en rijke moedertaalquot; 12). En tot de nieuwe school behoorden in zekeren zin ongetwijfeld de meeste deelnemers der Vereeniging, waarvan men de lange lijst slechts behoeft in te zien, om tot de overtuiging te geraken, dat de revolutie zich heinde en verre binnen onze landpalen, tot zelfs in Groningerland toe, had uitgebreid en met kracht doen gelden, ja zelfs steun en sympathie gevonden in het buitenland. Onder die deelnemers treffen wij de namen aan van Albeudingk Tiiijm, Bakhuizen van den Buink, Bbynen, Beijku-man. Brill, Campbell, CLiiussE, de Clercq, Da Costa, Dozy, Geel, de Geer, W. Hecker, Busken Huët, de Jager, Kist, Kneppelhout, Nassau, Oudemans, Schinkel, Siegenbeek, Staring, Veegens, Vissering, van Vloten, Vosmaer, Vreede, A. en G. de Vries, de Wal, te Winkel ; en uit den vreemde van Blommaert, Bopp, Bormans, David, Jacob Grimm, Ju-binal, Lachmann, Massmann, Mertens, Michel, Monmerqué, P. Paris, Serrure, Zacheii — welke namen! —, voorts van vele studenten, ook der hoogeschool te Groningen, wier naam later een goeden klank kreeg onder onze vaderland-sche geleerden.

Behoef ik hier ter plaatse te herinneren, dat de Vereeniging, door hare Verdagen en Berigten, maar bovenal door hare tekstuitgaven, onschatbare bijdragen heeft geleverd voor on^e oude letteren, en in 1847, het jaar der verschijning

ocr page 21

( 17 )

van Lut.ofs' Verhandeling zich aireede schitterend van hare taak had gekweten door hare daden? Dat de woordvoerder der oppositie tegen de oude school zich krachtig gevoelde niet door isolement, maar door de overtuiging, dat zijne stem niet was als die des roependen in de woestijn, is zeer verklaarbaar; dat hij hij wijlen in zijne beoordeeling uit het oog verloor, dat hij een arbeid voor zich had van een geleerde van onmiskeubare verdiensten .... wie goed begrijpt, zal hem veel vergeven.

Beide te Oestgeest en te 's Gravenhage, waar Jokckbloet na de verdediging van zijn specimen woonde, was studeeren zijne leuze; te Leiden kwam hij nu en dan, aanvankelijk voor een en andere promotiepartij van een academievriend, maar gaandeweg minder, en eindelijk meer bijzonder voor de boekerij der hoogeschool.

In 1842 werd de ontdekking van een fragment der i?ra-hantsche Yeesten door Karajan voor hem een prikkel, om in de boekerijen van den vreemde zijn geluk te gaan beproeven. Duitschland zou het terrein zijner verkenning wezen. Van Mei tot November bleef hij uit, en gaf in het tweede deel der Mengelingen van De Gids van 1843 een niet onbelangrijk verslag van zijn tocht. Ik wensch hem niet na te reizen, maar alleen te melden, dat hij zijn doel heeft bereikt: met verscheidene geleerden als Mone, Wolf, Ka-uajan, Giimsi maakte hij kennis, en kwam met een afschrift van het berlijnsche handschrift van Der naturen bloeme, van het giessensche der Lorreinen, van het jenasche van den Parthenopeus, en eenige uittreksels uit een berlijnsch handschrift van de Doctrinael te huis. Bovendien waren zijne onderzoekingen naar den oorsprong van eenige fragmenten dor Historie van Troyen met een gewenscht gevolg bekroond.

Voldaan, en meer dan voldaan, de opgewonden stijl van zijn verslag geeft er blijk van. toog hij aan den arbeid om, zooals hij zegt, sdoor de uitgave der gevonden stukken een »gedeelte aan te vullen der leemte, die nog in onze letter-»kunde der middeleeuwen heerscht.quot; Het zouden twee deelen

2

ocr page 22

( 18 )

worden; den 8sten December 1842 schrijft hij: »het eerste »deel mijner reis is zoo goed als gereed voor de pers; de »beide deelen zullen bevatten: 1°. alle tot hiertoe bekende »fragmenten van den roman Garijn van Monglaiue; 2°. een »zeer uitgebreid verslag met uittreksels van Der naturen »bloeme; 3°. alle totnogtoe bekende fragmenten van den »roman Parthenopeus: a. die in Bilueiidijk's Verscheidenhe-igt;den, 3e deel, gedrukt zijn; b. de aanzienlijke fragmenten die »ik in Jena heb gevonden; c. die welke Mo NE nog in hand-»schrift bezit; 4°. de vindicatie van Maerlaut's Trojaamche » Oorlog, met nieuwe fragmenten daarvan, benevens den ori-»gineelfcn franschen tekst van alle de totnogtoe uitgegeven » stukken van den roman, alles naar een handschrift der K. K. »bibliotheek te Weencn. Daarbij zal ik als toegift misschien »nog geven: 1°. de hoogst belangrijke fragmenten van MiEii-» lant's roman De Roncevaller slag, zoo ik die stukken weer »los kan krijgen uit de klauwen des Instituuts; en 2°. frag-»menten van een gedicht in den trant van den Leekenspiegel, »geheel onbekend; en 3°. de Dietsche Cctoen, en de hemel » weet wat al meerquot; . , voegt hij er bij.

Als ik bedenk, dat hij een jaar vroeger schreef (den 10'cn Juli); »buitendien heb ik thans het stellige voornemen, een woordenboek en grammatica van het mnl. te vervaardigen, waarvan het plan en de wijze van bewerking reeds geheel door mij is vastgesteldquot;, durf ik veilig verzekeren, dat Jongkbloeï, indien hij zijne beloften slechts voor de helft vervulde, goede diensten zou bewijzen aan de nederlandsche philologie. En, nu mocht het programma ietwat gewijzigd worden, de beloften bleken al spoedig meer dan ijdele woorden te zijn geweest. Hij heeft gegeven »multaquot; en »mul-tumquot;, zeer veel en zeer goed werk, reeds vóór '48, het jaar zijner benoeming tot hoogleeraar te Deventer.

De Doctrinael, de Lorreinen, het 1° deel van den Walewein, het le deel van den Lancelot, de Dietsche Cntoen : alle getuigen van vlijtig en volhardend, van uitgebreid en nauwkeurig, van geschiedkundig en vergelijkend onderzoek, van vertrouwde be-

ocr page 23

( 19 )

kendheid met het middelnederlandsch en — hetgeen toen hier te lande nog zeldzamer was — met het middeleeuwsch fransch ; van een goed inzicht in den mnl. yersbouw, een akker, die, indien al, dan stellig niet op de ware wijs ontgonnen was, en in den mnl. zinsbouw, in de woordvorming en woordbuiging en — tot zekere hoogte — ook in de woordafleiding; van scherpzinnigheid in het bijeenbrengen en vergelijken, en minstens evenveel billijkheid als smaak in het beoordeelen; zeer veel en zeer goed werk, en, wat meer beteekent, van blijvende waardij. Wat al moge thans, bijna een halve eeuw later, en eene halve eeuw, waarin zoowel onze mnl. spraakkunst als ons mnl. woordenboek reuzenschreden hebben gedaan, menige verklaring van woord en vorm niet bestand blijken tegen de vuurproef, de meeste aanteekeningen daarentegen, die de ïgt;realiaquot; betreffen, zijn alles behalve verouderd

Zonder in bijzonderheden te treden, vraag ik alleen: wie is hier te lande de eerste geweest die van den Lancelot iets beters wist te vertellen, dan dat het was »un poëme immensequot;? En aangaande den Catoen: of het in 1845 vermetel van hem is geweest, in stede van een diplomatischen tekstafdruk, eene critische uitgave te beproeven? En aangaande de Lorreinen: of de Vries overdreef, toen hij ineen openlijk schrijven aan Josckbloet dus oordeelde: »Waarlijk, ik zeg »niet te veel, wanneer ik mijne meening uitspreek, dat gij »door deze uitgave de studie onzer oude letterkunde een »fikschen stap vooruitgezet hebtquot;, en van het glossarium getuigde: »ik erken volgaarne, dat daarin overal de deskuu-jgt;dige doorstraalt, die op de hoogte der wetenschap staat; »en elk, die met de vroegere geschriften over onze oude sletterkunde bekend is, zal mij toestemmen, dat gij veel, wat »nieuw of totnogtoe onverklaard was, hebt aan het licht »gebragtquot; 12'').

Had ik van de vriendschap van Jonckbloet eu de Vries den indruk gekregen als van een tweemanschap van weder-keerige bewondering, ik zou den moed missen, den een te raadplegen over de verdiensten van den ander; doch evenals

2*

ocr page 24

( 20 )

reeds de aankondiging van de Beatrüs, zoo is ook de brief, waaraan de laatste vleiende aanhaling is ontleend, een kennelijk blijk dat de een den ander zijn feilen onverholen en openhartig toonde. Bovendien, wordt de Caloen ook niet geroemd door Vak der Meersch in zijne eigene uitgave der strophen ? Wat meer zegt, en zeer zeker niet verdacht zelfs kan schijnen: in dezelfde Verhandeling, waarin Lulois, verbolgen over Jonckbloet's beoordeeling, hem »den alles behalve beleefden orkestmeester van het hollandsche virtuozendomquot; betitelt, »een blaas- en strijkheldquot;, geeft hij hem den eernaam van »belezen uitgeverquot; 13). En zijn boeken voorwaar is het aan te zien, dat zij iets anders, iets beters waren dan de vrucht van verloren oogenblikken, van tijdverdrijf en liefhebberij, en dat de auteur niet alleen zooals Lulots »de beoefening onzer vroegste of zoogenaamde middel-nederlandsche schrijvers en de studie hunner ongemeen zoetvloeijende taal voor op zijn tijd zeer nuttig hieldquot; 14), maar haar beschouwde van even degelijk en ernstig karakter als die van elke andere taal en letterkunde. Vandaar dat de straks genoemde uitgaven waren beide wegbereidend en wegwijzend voor de nieuwe richting der nederlandsche philologie, en dat, terwijl Ll'lots' Handhoek nog alleen door haren geschiedschrijver wordt opgeslagen, zij nog voortdurend worden geraadpleegd door hare beoefenaars.

»Der nederlandsche philologiequot;: onwillekeurig rijst de vraag, of het jonge Holland van het vierde tiental dezer eeuw, en meer bepaald ook Jonckbloet, ia zijne beschouwing niet even eenzijdig was als, ten minste aanvankelijk, de belijders der romantiek, en niet te uitsluitend den blik hield gelicht naar de middeleeuwen? Zonder bewijs meen ik te mogen stellen, dat het tegendeel 't geval was, en wat Jonckbloet betreft, getuigde alvast zijn Cluyswerck, dat de »historia litterariaquot; der zeventiende eeuw hem ook ter harte ging. Maar bovendien: in 1843 is bij Führi te 's Gravenhage een boekje verschenen van een Hagenaar, geillustreerd door H. F. C. ten Kate, dat nog duidelijker spreekt. Ik bedoel de Phy-

ocr page 25

( 21 )

siologie van den Haag, dat kleine gele boekje, dat zooveel kwaad bloed beeft gezet, en de eersteling is geweest van eene gebeele reeks vervolgen en tegenscbriften en navolgingen. De Hagenaar was — wie weet bet niet? — Jonck-bloet; de Fhysiologie de vrucbt van eeue pen, die op elke bladzijde doet deuken aan den Flanor van Klikspaan. In eene beoordeeling van bet boekje trede ik niet: »j'ai ri, me voila désarméquot;: alleen merk ik op, dat men, zooals de scbrij-ver trouwens zelf vermoedde, »iu de caricatuur-teekeningen indiscreties genoeg gevondenquot; maar in zijne woede de verdiensten der omlijsting voorbijgezien beeft. En biermede bedoel ik niet zoo zeer de levendigheid en geestigheid van menige tweespraak, met alleraardigste aanbalingen uit vroeger en later tijd, van Homeuüs af tot professor Cock toe, als wel de plaatsen uit Cats, Vondel, Huygens — alles bebalve gewone loopers — met korte, bondige, oorspronkelijke kenmerking, die meer dan aangeleerde schoolboeken kennis, integendeel eene wel gevestigde overtuiging verraden betreffende enkele corypbeëen uit het gulden tijdperk onzer letterkunde. Al de stoutigheden van de Physiologic kunnen onmogelijk dien indruk uitvvisscben.

Gewapend niet van top tot teen — dat zoude bij zelf nooit beweerd hebben — maar toch goed toegerust was Jonckisloet, toen bij den lOquot;3011 februari 1848 in de gehoorzaal van bet Athenaeum te Deventer bet spreekgestoelte besteeg, om met eene rede bet professoraat te aanvaarden in de vaderlandscbe geschiedenis en letterkunde. Gelijk ik reeds opmerkte, nevens de critiek van bet Handboek en bet programma der Vereeniging behoudt deze oratie als manifest der partij van beweging bare waarde; zij is bovendien een merkwaardig teeken des tij is: Jonckbloet's optreden als professor was voor het gebeele jonge Holland eene gebeurtenis van aanbelang, als waardoor immers der nieuwe richting van bet heden ook voor de toekomst de zege scheen gewaarborgd,

o o o '

een vertrouwen, dat het volgende jaar door de benoeming van de quot;Veies te Groningen niet weinig werd versterkt; .

ocr page 26

( 22 )

Zoo had hij zelf dan een zijner geliefde idealen bereikt; eu was de wetenschappelijke beoefening van onze taal, onze letterkunde en onze geschiedenis der middeleeuwen gegrondvest, voor een goed en groot deel door hem zeiven gegrondvest: tot zijn roem mag ik er bijvoegen, dat hij ook uitnemend heeft gezorgd voor den bouw, en hiertoe het zijne bijgedragen. Dit was wederom veel; en velerlei; en frisch, oorspronkelijk, daardoor aantrekkelijk; en hecht, sterk, de vrucht van degelijk en nauwkeurig onderzoek, onderzoek dat voor geen moeielijkheden en bezwaren terugdeinsde, tegen geen omweg hoe dor, hoe steil, hoe lang, opzag om te komen, waar het wezen wilde ; en nieuwe wegen banend, nieuwe uitzichten openend: daardoor van scheppende kracht, en prikkelend tot verdere nasporing; eindelijk, getuigend van geleerdheid, smaak, talent, den stempel dragend van genie.

Van 1848 af tot 18S3 heeft hij den lande gediend : 23 jaar als hoogleeraar te Deventer, Groningen en Leiden, eu een twaalftal als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, afgevaardigd door het district Winschoten. Om redenen van gezondheid zag hij zich in 1883 genoodzaakt ontslag te vragen als hoogleeraar te Leiden, en ging wonen te Wies-baden, waar hij den 19n october 1885 is overleden.

Den hoogleeraar, den volksvertegenwoordiger, den geleerde wensch ik u achtereenvolgens te schetsen.

Over den hoogleeraar kan ik kort zijn. Te Deventer gaf Jonckbloet collegie over nederlandsche taal, letterkunde, geschiedenis en oudheden, benevens over uiterlijke welsprekendheid en aesthetica, de drie en vier eerste jaren ook over gotisch. Bovendien hield hj openbare voorlezingen van geschied- en staatkundigen inhoud, en, meer bepaald voor dames, over fransche dramaturgie. Dat hij van een en ander veel werk maakte, meen ik — al viel mij het voorrecht niet te beurt hem ie hooren — te mogen verzekeren op grond zoo van vertrouwelijke brieven zijner eigene hand als van alleszins betrouwbare inlichtingen. En hij had er voldoening van. »Zij (de studenten) hebben duivels veel plei-

ocr page 27

( 23 )

zier in den Eeinaert. gehadquot;, schrijft hijzelf in Maart 1818: en kan het inet zijne voordrachten over Cats wel anders zijn geweest? Ook meen ik, dat zijne voorlezingen over theocratie en grondwet, later uitgegeven, wel de belangstelling hebben gewekt zijner hoorders, al zal deze en gene niet hebben ontkend, hetgeen trouwens Jonckbloet zelf evenmin deed, dat hij was gebleven beneden dij gekuischtheid van stijl, die hij in zijn geëerden tegenstander — niemand minder dan Groen van Piiinsïerer zeiven — bewonderde; en »krioeldequot; het, zooals hij aan zijn vriend Buill schrijft, op zijne collegies over het fransch. tooneel van dames, dan vielen ook zij gewis in den smaak. Hij doceerde te Deventer met genoegen, en, al moge hij soms slechts zeer weinig leerlingen hebben geteld, »de eerste aflevering van zijn academie-werkquot;, zooals hij Eelco Veewijs in 1851 schertsend noemde, kon hij met zekeren rechtmatigen trots aan de Vrjes opdragen. In den omgang met de jongelui was hij aangenaam en, zonder den afstand uit het oog te verliezen, vertrouwelijk, soms xjoligquot;; vau enkelen hunner de hartelijke vriend, van allen de hoog gewaardeerde voorganger en leidsman. Niet ijdel voorwaar was bij zijn vertrek naar Groningen de betuiging van curatoren, »dat zij in hem een man verloren, die de belangen van het Athenaeum steeds met ijver behartigd en het zijne toegebracht had tot verbreiding van grondige wetenschap, zoo onder het publiek door zijne openlijke lessen als onder de kweekelingen van het Athenaeumquot;.

Ook te Groningen14') ging hem zijn collegie-werk, althans in de eerste jaren, zeer ter harte. Vooral, en dat kan niemand, die zijne iuaugureele redevoering kent, bevreemden, de vaderlandsche geschiedenis. De juristen, die in hun eerste studiejaar »patriaquot; plachten te houden, mochten zich bijwy-len minder aangetrokken gevoelen tot het collegie, als de professor soms uit het oog verloor, dat hij tot propaedeutici sprak en wat te diep in bijzonderheden afdaalde, de besten onder hen wisten de groote zorg, die hij aan dat collegie besteedde, wel degelijk op prijs te stellen. Ook zijne taal-

ocr page 28

( 24 )

en letterkundige lessen, inzonderheid de laatstgenoemde, werden trouw bezocht; de andere, waarvoor hij het System der Spradmissenscha/t van Heise 15) ten grondslag legde der pars generalis, vielen niet altijd in wel toebereiden bodem: of Jonckbloet zijne verwacbtingeu wat te hoog had gespan-nen, dan wel of de wijsgeerige en historische taalkunde den toekomenden theologen en juristen mindei' beviel, laat ik in het midden. Meer belangstelling zeker toonden de meesten hunner in de practische stijloefeningen, één uur in de week, en dan vooral in de reciet-oefeningen, waar de professor schitterde door de degelijkheid en geestigheid zijner critiek. Zou zijne onmeedoogende beoordeeling van vertaling of opstel wel eens ontmoedigend hebben kunnen worden voor de patiënten, de juistheid zijner aanmerkingen en de innemende toon, waarop ze werden medegedeeld, zonder eenigen den minsten zweem van hatelijkheid, deden hen hun leed vergeten ; en als bij het voordragen van dicht of ondicht de jonge declamator de perken overschreed van natuur en waarheid en door gemaaktheid of overdrijving zondigde, dan kon hij zich, als zijn leermeester zijne luim botvierde en hem oolijk doorhaalde, troosten met het denkbeeld, dat de schrijver of dichter van 't voorgedragen stuk eveneens menige veer op dat collegie moest laten. Ook zijne »aestheticaquot; was bij de studenten in eere, en, als wij weten, dat hij daar o. a. Macbeth, Phèdiie, Tasso las, baart hèt geen verwondering: in de jaarlijksche kroniek, tevens critiek, der jongelui staan dit collegie en het »recietquot; aangeschreven als ïder belangstelling overwaardigquot; en »tot geen gering genoegen gegevenquot;. Enkelen, en in de eerste plaats de litteratoren, waardeerden Jonckbloet als den genialen meester en getuigen tot op den dag van heden, dat zij voor hunne letterkundige vorming onbetaalbare verplichting hebben aan hem, die even opwekkend als opgewekt doceerde. Als eerelid van het studentengezelschap »Belgicis Litteris Sacrumquot; was hij de waardige opvolger van den stichter, zijn voorganger de Vries 16).

De laatste jaren van zijn professoraat te Groningen hin-

ocr page 29

( 25 )

derde hem, meent mijn zegsman, de overtuiging, dat de jongelui te weinig deden aan de vakken die hij onderwees, »enquot;, voegt hij er bij, »dat kon hij niet helpenquot;: ik geloof dat hij volkomen gelijk heeft. Immers wat schrijft Jonck-bIjOet zelf? »Het schoolmeesteren zonder eenig resultaat, »het roepen in de woestijn verveelt mij sinds lang eu stuit mij tegen de borstquot;; daarom was het vooruitzicht van te Winschoten te worden gekozen tot lid der Tweede Kamer hem zeer welgevallig. In 1864 nam hij afscheid van de hooge-school te Groningen, waarvan hij eene eere en een sieraad was geweest, aan zijn opvolger, ik weet het van zeer nabij, den troost latend, dat hij, door aanvankelijk geheel te leven voor zijn collegies, het verlies van Jonckbi.oet in de gehoorzaal wellicht eenigszins zou kunnen vergoeden.

O O

»Terapora mutanturquot;: de juridische en theologische pro-paedeutiek wordt overgebracht naar de gymnasia, en een doctoraat in de nederlandsche letterkunde is een der heilrijke gevolgen van de nieuwe wet op het hooger ouderwijs. Zonder iemand te na te spreken mag ik vragen: wien anders dan Jonckbloeï moest de eerste catheder voor de geschiedenis en de critiek der nederlandsche letterkunde worden aangeboden? Dat geschiedde dan ook alzoo, en Jonckbloet aanvaardde dertien jaar, nadat hij Grouingen had verlaten, het hoogleeraarsambt te Leiden. De overweging, dat hij van toen voortaan voor het vak zijner besliste voorkeur leven, en niet slechts op belangstelling maar ook op medewerking, op eigen studie eu onderzoek van zijne leerlingen, immers toekomende vakgenooten, zou kunnen staat maken, heeft ongetwijfeld medegewerkt tot zijn besluit om de banken der Tweede Kamer te verlaten voor de leerstoel der leidsche hoogeschool. In 1877 toog hij naar de sleutelstad om zijn ambt te aanvaarden, maar bleef in Den Haag wonen, zooals trouwens menig leidsch student nog doet, en kwam voor zijne collegies en andere academische werkzaamheden telkens over. De leidsche hoogeschool heeft zich slechts korten tijd in het bezit van Jonckbloet mogeu verheugen: om redenen

ocr page 30

( 26 )

van gezondheid zag hij zich, zooals ik zeide, in 1883 genoodzaakt ontslag te vragen, en een zachter klimaat op te zoeken.

Of het scheiden van de Alma Mater hem zwaar viel, betwijfel ik op grond van beide gedrukte en ongedrukte bescheiden. Het collegie-geven vond hij kennelijk eene bijzaak, en nam het dan ook als zoodanig op: een eigenlijken cursus over eenig onderwerp van meer of minder omvang gaf hij in den regel niet; was het uit afkeer van hetgeen hij «schoolmeesterenquot; geliefde te noemen? Of werkte hij bij voorkeur voor de pers? Zooveel is zeker, dat de jougelui de voorkeur gaven aan collegies boven zijne causerieën, hoe leerzaam en onderhoudend overigens ook, en het betreurden, dat hij in zyn afkeer van »schoolmeesterenquot; verviel tot een even verkeerd uiterste, en zij daardoor niet van hem profiteerden wat zij recht en reden hadden te verwachten van een geleerde als Jonckbloet.

Wat den volksvertegenwoordiger betreft, alleen het volstrekt noodige wensch ik mede te deelen. Tot lid dei-Tweede Kamer werd hij verkozen in 1864 door het district Winschoten. Zijne redevoeringen in het bijblad van 1864 — 1865 tot 1877 —1878 en zijne politieke brochures (waaronder twee zeer lijvige) leggen een welsprekend getuigenis af van den ernst, waarmede deze afgevaardigde zijne taak heelt opgevat. Mondeling en schriftelijk is daarin de man aan het woord, die naar waarheid kon verzekeren: »jquot;ai cherché des renseignements aux sources mêmesquot; 17), die zag uit eigen oogen, en zich blijkens zijn »nemini me mancipaviquot; 17/') een eigen oordeel over de zaken van staat had gevormd. In zijne redevoeringen van eenigszins langeren adem zoowel als in de geschriften spreekt de afgevaardigde, die de aan de orde gestelde zaak niet alleen kent uit de gegevens der gewisselde stukken maar uit haar gansche geschiedenis in de Kamer en daarbuiten, van meet af aan: zijne studie Het koloniale vraagstuk in de Tweede Kamer (lcG5), zijne Schoolwet-agitatie (1866), zijne brochure over de Luxem-

ocr page 31

( 27 )

burgsche schuld (1871) zijn er de blijken van. Zijne adviezen over buitenlanuscbe en koloniale politiek, over onderwijs en kunst, zijne geliefkoosde onderwerpen, zijn daardoor bij uitstek leerzaam. Door parlage, glinsterend door geleerde aanhalingen, maakte hij nooit misbruik van den na-tionalen tijd : hij mocht nog zoo lang spreken, de degelijkheid van den inhoud geraakte nooit in cmgekesrde reden tot den duur van zijn advies.

Wie aan eigen aanschouwing de voorkeur geeft boven geloof op eens anders gezag of getuigeuis, geeft zich niet licht met gebonden handen over aan eenige partij of factie, al zoude haar hoofd ook den eernaam van »eminentquot; ten volle verdienen: is het wonder, dat Jonckbloet, dien — ik haal bij voorkeur zijne eigene woorden aan — sgt;l'experience »sur un autre terrain (avait) appris combien il est dan-»gereux de se fier a une deduction, lorsqu'on n'a pas »recherché si les faits qui en font la base sont vrais, »s'ils sont representes dans le jour oü leur liaison avec »d'autres faits doit les placer, et lorsqu'on ignore si elle »mentionne tous les faitsquot;18;, dat hij zich een onafhankelijk gevoelen voorbehield, eu, waar het de liberale beginselen gold, op de toepassing daarvan even nadrukkelijk aandrong bij medestander als bij tegenstander? »Doctrinairquot; in slechten zin was hij niet, al werd hem eenmaal de naam » classicomaanquot; naar het hoofd geslingerd 18y) ; zijne overtuiging was hem heilig; waar hij bespeurde, dat — en ik heb hier het oog op enkele listig uitgedachte benamingen der gemengde school, als waardoor een blaam op haar werd geworpen van verderfelijke uitwerking — dat, zeg ik, werd gevochten met giftige wapens, was hij aanstonds bereid een lans te breken en met open vizier den kamp te aanvaarden. Menige redevoering, met rccht door zijns medeleden als »belangrijkquot; gekenmerkt, pleit voor zijne zelfstandigheid niet minder dan voor zijne bekwaamheid. Benevens in zijne adviezen over het koloniaal beleid en de buitenlandsche aangelegenheden, komt het inzonderheid uit in die over de

ocr page 32

( 28 )

drie takken van ons onderwijs en over de kunst. In bijzonderheden af te dalen verbiedt me de vrees misbruik te maken van uwe gewaardeerde aandacht: zijne verdiensten voor onze wet op het hooger onderwijs zijn bovendien gelukkig van zoo algemeene bekendheid, dat ik met de herinnering daaraan zou kunnen volstaau.

Ik veroorloof mij alleen de vraag, of er in de zitting 1875 —1876 door Jonckbloet één redevoerins; is uitge-

o d

sproken, waarin niet, bij vast geloof in de uitkomsten van het academisch onderwijs, bij ruimen blik en onbekrompen opvatting, doorstraalt de strekking, om inhoud en omvang ervan in overeenstemming te brengen met de eischen der wetenschap en hare beoefening vrij te maken van alle slavernij der praktijk. Zijne adviezen over rijks-gymnasia, over de klassieke vorming der medici, over de splitsing van overwegende leervakken stellen dat o. a. in het helderst licht. In de zitting van 8 Maart 1876 zeide hij: »ik heb de pretensie niet om te gelooven, dat mijne redevoeringen worden nagelezenquot;: wat daarvan zij, niet alleen den commentator van onze wet op het hooger onderwijs maar elk, die belang stelt in dat onderwijs, kan ik aanraden, en dan vooral, als de begrooting van onze universiteiten in de Tweede Kamer aan de orde is, zich te verkwikken aan de frissche bron der parlementaire redevoeringen van Jonckbloet van het voorjaar van 1876.

Van zijne belangstelling in het lager onderwijs sprak ik met een enkel woord: ik voeg er bij, dat, waar het de toepassing gold der wet van 1857, hy niet alleen eene stipt eerlijke maar tevens, immers voor zoover mogelijk binnen hare grenzen, echt vrijzinnige uitvoering voorstond. Wat eindelijk het middelbaar onderwijs, ook dat voor meisjes, betreft... doch genoeg: zijn woord »ik heb een warm hart voor alles wat onderwijs heetquot;, gesproken in de zitting van 12 Mei 1871, hebben al zijne redevoeringen van voor en na dien datum bevestigd.

o

Wat IIoorT van zeker dichter zegt, namelijk dat de koop-

ocr page 33

( 29 )

Bon. man hem later bedorven heeft, zou ik niet, met de noodige

j^en wiizigiiig, op Jonckbloet willen toepassen, en alzoo beweren,

3nze dat de professor den staatsman bedorven heeft, althans niet

yan onvoorwaardelijk. Want in zekeren zin is dat wel degelijk

-aari het geval geweest. En daarbij denk ik niet aan het door

wrochte van zijne redevoeringen; ook niet aan de opmer-iing king vau den heer Heemskerk, dat «hij zijne medeleden

Itge- quot; wel eens placht terecht te wijzenquot;; evenmin aan de gemoe-

3ten delijke waarschuwingen, die hij kon geven, en aan den

on_ »meesterachtigen, corrigeerenden toonquot;, hem door Thorbeckb

,oucj verweten; noch aan het magistrale — hij werd eens bij een

, je »schoolmeesterquot; vergeleken — van zoo menig advies 19): op

die punten zal ik hem niet trachten vrij te pleiten, maar jjks. dat alles is niet uitsluitend professoren eigen: eerder denk ik

de daarbij aan het, als ik zoo zeggen mag, cathedrale van zijne

in redevoeringen. Al te vaak toch ontaardden deze in politico-

=i(Je historische of economico-politische collegies. Bittere ironie

ijne van het noodlot! de geslagen vijand der didactische poëzie

-niet overdrijft in zijn parlementair proza het didactische! De pro-

jer. fessor speelt den volksvertegenwoordiger soms oolijke parten:

ik zijne adviezen mogen de vrucht zijn van onverdroten werk-

jni. zaamheid en veelomvattend onderzoek, modellen van parle-

te mentaire welsprekendheid zijn het volstrekt niet, althans de

BOe_ meeste niet. En iets dergelijks geldt van zijne politieke bro

chures: toonbeelden zijn ook deze alles behalve, ik , Waarin de welbekende kunst bestaat van hoorder en lezer

_0e. te vervelen, behoef ik niet te zeggen: Jonckbloet is in den

-ipj regel te breed; wat er over eenig vraagstuk is te berde ge-

-len bracht door de Kamer en door de pers, weet hij uit de

litteratuur over het onderwerp en uit de retroacta volledig, jjeg) maar de kunst van zwijgen, de kunst der doeltreffende keuze

=ai.f; heeft hij Tiigiibecke niet afgezien. Lateu de parlementaire

-^an redevoeringen van den grooten meester zich al even bezwaar-

na lijk excerpeeren als zijne Historische schetsen, met die van

Jonckbloet zou dat zoo moeilijk niet wezen. En de lang-wijligheid van zijne rede wordt door de enkele geestige zetten

ocr page 34

( 30 )

en koddige kwinkslagen, die hij zich soms veroorlooft, niet geboet.

Nog één trek. In zijue maiden-speech zeide hij: »ik ben een man van de pen; ik heb gedurende mijn geheele leven strijd gevoerd, maar ik geloof met een gerust geweten te kunnen zeggen dat altyd gedaan te hebben met objectiviteit, en steeds de kwestie der personen er buiten te hebben gelaten: 1°'')quot; kon hij dat ook van zich getuigen aan het einde van zijne politieke loopbaan? Of had de heer Geeetsema gelijk, toen hij bij zekere gelegenheid tot hem zeide: »lk meen te mogen beweren, dat de geachte spreker (Jonckbloet) met volkomen behoud van zijne zelfstandigheid als politiek man in Nederland eene betere figuur zou hebben gemaakt, indien hij de beginselen meer op den voorgrond had gesteld en zijne persoonlijke gevoelens jegens hen, die als Regeering met hem dezelfde beginselen vertegenwoordigen, beter op den achtergrond had weten te plaatsen?quot; 2i:i)* Ik geloof van ja: Jonckbloet was, naar het getuigenis van een zijner politieke vrienden, »van nature niet toegerust met »wat men pleegt te noemen »politieken tactquot; en »politieken »zinquot;. Nooit heeft hij getracht partijhoofd te worden. Ver-»moedelijk gevoelde hij zelf, dat hij de daartoe onontbeer-»lijke eigenschap miste van gezag over anderen te oefenen. »Staatkundige volgelingen heeft hij ook nooit gehad. Zijn »woord in het parlement oefende weinig overredingskracht »uit. Voor volgzaam lid eener staatkundige partij, gehoor-s zaam aan een erkenden chef, was hij evenmin de geschikte manquot;. Voor de liberale beginselen stond hij pal: ten bewijze van zijn vertrouwen hierin haal ik van hem nog dezen merk-waardigen volzin aan, een volzin gericht tot de catholieken, die het vaandel der liberale partij dreigden te verlaten: »Trekt in vrede : het liberaal beginsel, dat ons heeft genoopt voor u in de bres te springen, zullen wij handhaven, ook dan, wanneer gij u tegen ons hebt gekeerdquot; 21). Enkele gebreken mogen den staatsman hebben aangekleefd, de meeste waren inderdaad »les défauts de ses qualitésquot;.

ocr page 35

( 31 )

Ook wanneer de leerlingen, die het voorrecht hadden

Jonckbloet te hooren in de collegie-kamer, niet langer van den professor zullen kunnen getuigen, en de parlementaire redevoeringen en politieke brochures van »den geachten spreker uit Winschotenquot; nog slechts weiuig meer zullen worden geraadpleegd, dan zal het blijken, dat de geleerde zich door zijne letterkundige werken een gedenkteeken heeft gesticht, dat beide den tand des tijds trotseeren en de bewondering wekken zal van het late nageslacht.

De bewondering, ook de verbazing: van wege de vruchtbaarheid zijner pen. Jonckbi.oeï moge bij zijn leven volstrekt niet den indruk hebben gemaakt van iemand, die altijd werkte, veeleer zelfs een tegengestelden indruk; de eerbiedwaardige reeks der boekdeelen door hem geschreven is van zijne werkzaamheid het voldingend bewijs. In mijne verbeelding zie ik ze voor mij: bij de reeds genoemde van vóór 1848 voeg ik het tweede deel van den Lancelot met de Charrdte, de drie deelen Geschiedenis der Middelneclerland-sche Dichtkunst, den Guiliaume d' Orange, Van den Vos Reinaerde, de Etude sur le roman de Renart, de Geschiedenis der JVederlandsche letterkunde, de eerste en tweede uitgaaf in twee deelen, de derde in zes, de volgende telkens verbeterd en verrijkt; er is nog meer: de Middelnederlandsche epische versbouw, de Carel ende Elegast, de inleiding op de Correspondance et oeuvres rnnsicales de Constantin Hcygens, de parafrase van den Guiliaume, de Nieuwe Refereijnen van Anna Buns, het Gedenkboek der Iloogeschool te Groningen, een lijvigen kwartijn: wat heett Jonckbloet veel gepraesteerd!

Werken was dan ook zijn lust, zijn leven, zijn tweede natuur. »Werken is voor mij eene behoefte, schrijft hij, en even noodwendig als dagelijksch broodquot;: aldus in 1859; en in 1871: »van 's morgens vroeg tot 's avonds laat gaat het in de fabriek altijd even druk toe; ik zou wel wenschen dat een dag vierentwintig uren had''. Zijn werkkracht was onuitputtelijk, trots de vele en vaak langdurige ziekten, waarmede hij te worstelen had; zijn werklust bleef, trots

ocr page 36

( 32 )

de velerlei teleurstelling, die hij heeft ondervonden, en de velerlei miskenning, die hij waande te ondervinden, onverflauwd. Te Parijs gekomen in 1847 schrijft hij: »ik heb een berg voor mij, maar het ontbreekt mij niet aan moedquot;: en hoe veel bergen heeft hij later voor zich gezien en koen bestegen! In 1871 b.v. schrijft hy in een brief aan de Vries : »De politiek geeft mij heel wat te doen.... maar vooral »geeft mij de letterkunde handen vol werk. Ik zit in de »achttiende eeuw, en gij weet dat ik alles nog eens lees, »niet doorblader, daar dit het eenige middel is om een eigen »oordeel te hebben. En wat zijn er niet al kwartijnen vol »prullaria geschreven. In de laatste dagen heb ik den FWso »letterlijk doorgeworsteld, en amuzeer me nu met de Geulen, »maar dit is in de vorige week voorafgegaan door Rotgans, »Poot, Hoogvliet, Hüydecopeequot;, enz. Welke hindernissen hebben dezen geleerde afgeschrikt en teruggehouden? Eene zelfs oppervlakkige blik in de Etude over de fransche Ilei-naert-branches leert, dat hij niet terugdeinsde zelfs voor de droogste en dorste nasporingen, waar het gold, om, zooals hij het ergens uitdrukt, »het vak vooruit te sjouwenquot;.

Onvermoeid, onverdroten, onvervaard schreed hij voorwaarts, even blijmoedig en opgeruimd de breede heirbaan bewandelend als zich een pad brekend met bijl en houweel; immer met vasten tred, en met een vlugheid, die zelfs beproefde gidsen en ervaren tochtgenooten deed verstomd staan. In een vertrouwelijk schrijven aan de Veies van 31 December 1863, waar alle verdenking van grootspraak uit den aard der zaak is uitgesloten, verzekert hij van de Etude — hij begon toen aan het Gedenkboek —: »ik zal dus dit jaar weer het kunstje van verleden zomer moeten vertoonen van ia zes maanden een boek te schrijven en af te drukken zooals met mijne Etude het geval wasquot;: de Etude in zoo korten tijd geschreven, het grenst aan het ongeloofelijke.

Verbazing wekt de vruchtbaarheid zijner pen, bewondering zijn arbeid door het gehalte. Zijn toch het derde en vierde boek van den Lancelot nog diplomatisch afgedrukt, met

ocr page 37

( 33 )

zijn Reinaert eti zijn Car el, benevens de Beatriis in tweede uitgave, leverde hij critisclie teksten, met zorg bewerkt en zoowel door eene gelukkige keuze tussclien de verschillende lezingen als door de blijkbaarheid van enkele gissingen nieuwe proeven van zijne nauwgezetheid en zijne scherpzinnigheid. Bij de uitgave van eenig handschrift was Jonck-bloet niets te gering: den noodigen tijd placht hij te besteden aau de vaststelling van den tekst, zich helder bewust, dat hij zoodoende eeu goeden dienst bewees aan de middelne-derlandsche spraakkunst en het middelnederlandsche woordenboek en niet minder aan de geschiedenis der middelnederlandsche letterkunde, daar toch uitgaven van Giui/mi en Willems, zelfs van Guimm en Hoitmann von Fallersleben, bezwaarlijk konden worden aangemerkt als hechte grondslagen voor eene juister letterkundig-historische studie. Getuigen alzoo de trenoemde tekstuitgaven, dat de vriend van Cobet den o-oeden wil had te doen voor het middelnederlandsch wat

O

hij deed voor het grieksch, de glossaria op den Reinaert en den Carel voorzagen in eene wezenlijke behoefte, en gaven tevens overtuigend blijk, dat de bewerker voor zijne woordverklaring de beschikking had over eeu niet onbe-langrijken voorraad gelijkluidende plaatsen uit verschillende schrijvers, en alzoo voor zijn woordenboek voor eigen gebruik vlijtig was blijven excerpeeren. Overigens was lexicographic evenmin als tektsuitgave de arbeid zijner voorkeur: hij deed het naar zijn gevoelen noodige, het onmisbare, en dat was altijd nog zeer veel, daar hij zich niet tevreden stelde met de beteekenis uit het verband zoowat te gissen en te raden ; ook van middelnederlandsche spraakkunst deuk ik, dat hij weinig meer werk maakte dan volstrekt vereischt werd voor eene grammaticaal zuivere redactie zijner teksten en de verklaring hiervan. Wat de woordafleidkuude betreft, waarvan evenals door de oude school ook aanvankelijk door Jonck-bloeï de chronique scandaleuse met enkele zonderlingheden was verrijkt: zijn dooreudoor gezond oordeel en de bewustheid, dat op het gebied der etymologie te veel wijsheid

3

ocr page 38

( 34 )

vaak tot dwaaslteid brengt, en daarentegen gebrekkige waarneming tot overliaaste gevolgtrekkingen leidt, een en ander heeft hem bewaard voor etymologische waagstukken en kun-stenarijen. Jonckbloet kende zich zeiven te goed om niet te weten, waar zijn kracht lag, en om zijn tijd en vlijt duurzaam te besteden aan studiën, die, ik zal niet zeggen niet strookten met zijn aanleg maar die, hem aanvankelijk voorgeschreven door plichtbesef, en, allengs voorwerp van onderzoek geworden voor geschikter hand dan de zijne, de medewerking van hem uiet langer behoefden. Den stoot had hij helpen geven; iu 1859 schrijft hij: »de liefhebberij is in wetenschappelijke studie veranderdquot;; en met het volste recht, zonder eenige de minste aanmatiging, kon hij getuigen bij zijn afscheid van het terrein der uitgave van taalmonumenten; »ik kau dit terrein verlaten met een gerust geweten en niet zonder eeuige zelfvoldoening. Het heeft sedert wij — de aanhaling is uit de opdracht van de Beatriis aan de Vkies — het heeft sedert wij het tamelijk braak vonden nog al eenige verandering, eu ik durf zeggen verbetering ondergaan .... Tot die verandering heb ik mede helpen opwekken: de verdere ontginning kan aan andere handen worden overgelatenquot;.

Met die woorden verliet hij voor goed dat studieveld, om zich voortaan uitsluitend te wijden aan de staat- en letterkundige geschiedenis van ons vaderland.

Lang heeft Jonckbloet in tweestrijd gestaan: onze vader-landsche historie lachte hem wel aan, eu voorwaar niet alleen, omdat hij zich genoodzaakt zag van 1848--18(54 collegie erover te geven, bestudeerde hij Kluit en Slin-gelajStd eu las de resolutiën der Stateu-Provinciaal, maar omdat zij, eu vooral de staatkundige geschiedenis van ons volk, hem zeer sterk aantrok. Menige aanteekening, menige uiting in vertrouwelijke brieven van zijne hand, dan zijn Theocratie en Grondicet van 1851, en de rede, waarmede hij in. 1854 het professoraat te Groningen heeft aanvaard over de beoefening van de geschiedenis des vader-

ocr page 39

( 35 )

lands in wezen en strekking, waarin hij als 't ware zijn historisch programma geeft, eindelijk de zoo even aangehaalde opdracht van 1859 kunnen dat staven. In de laatstgenoemde, een der weinige stukken autobiographic, die wij van hem bezitten, zegt hij, dat hij door de beoefeniiïg onzer vaderlandsche geschiedenis, te Deventer in den eersten tijd hoofdbezigheid voor hem, meer en meer tot het bewustzijn was gekomen van zijne natuurlijke richting en aanleg. »lk kreeg de overtuiging dat historie veel meer overeenkomstig was met mijne natuur en ontwikkeling dan grammatische studie.quot; Daarbij kwam, dat tevens allengs de bewustheid in hem levendig werd, dat — ik haal zijn eigen woorden aan — »dat de behoefte aan eene nieuwe Geschiedenis des Vaderlands groot wasquot;, en »meer en meer zijn voornemen rypte om eene poging te doen om in die behoefte te helpen voorzienquot;. Keeds in zijne Theocratie en Grondivet, eene reeks voorlezingen ter verdedisnnsc van het constitutioneel stelsel

o o o

tegen de partij, die Gkokn van Puinstereb, zoo uitnemend vertegenwoordigde, is menige bladzijde te vinden, die de vrucht is van veelomvattende, degelijke studie van beide de staatkundige ü'eschiedenis en het staatsrecht zoo van andere

O o

natiën als van ons volk. De vele aanhalingen uit de Primae lineae en uit de Staatsregering en uit buitenlandsche schrijvers mogen de voorlezingen bont, te bont zelfs, kleuren, zij bewijzen benevens de getalssterkte en de mogendheid der bond-genooten, waarop de bestrijder der au tere vol utionnaire theorie en practijk zich kon beroepen, ongetwijfeld ook de deugdelijkheid zijner wapenrusting. Mag ik alleen herinneren aan zijne uitweidingen over de wording van den nederlandschen staat en het ontstaan van onze politieke partijen, om op uwe instemming te mogen rekenen V Breed, te breed zelfs, opgezet zijn toch de voorlezingen niet langwijlig en stellig zeer leerzaam; zij verraden een benijdenswaardig meesterschap der politico-historische stof; dat despreker de noodige studie van zijn onderwerp had gemaakt, behoefde hij waarlijk niet met evenzooveel woorden te verzekeren, het springt in 't oog.

3*

ocr page 40

( 36 )

Zijne rede te Grouingen is een waar programma, zooals ik opmerkte. Den geest, waarin bij daar »historia patriaequot; zou doceeren, leeren wij er uit kennen; ik wenscli er ecliter niet bij stil te staan, en allerminst in eene beoordeeling er van te treden, alleen op dezen volzin vestig ik de aandacht: »Twijfelen wij daarom ook niet langer, M. H., of bet tijd-»stip aangebroken is, waarop eene volledige, onpartijdige ge-»scbiedenis van bet nederlandscbe volk, eene geschiedenis »voldoende aan de strengste eiscben der wetenschap mogelijk »is geworden, gelijk zij reeds sedert jaren noodzakelijk werd »gekeurd. Waar eene zoo diep gevoelde behoefte bestaat, kan »het tijdstip niet verre meer verwijderd zijn, dat aan die be-»boefte zal worden voldaanquot;. Deze wToorden mochten al geen uitdrukkelijke belofte inhouden, zij wekten toch de verwachting, dat bij ze had gesproken met de gedachte aan zich zeiven. Zijne vrienden althans, en wel in de eerste plaats de intimi, die bij 's winters 'savonds meermalen vergastte op eene causerie over onze republiek, bepaald der zeventiende eeuw, — zij vroegen hem dikwerf, waarom bij de band nog niet aan bet werk had geslagen; en wie geen vriend van hem was, liet zich het schamper verwijt ontvallen, dat hij binnen de wanden van de rijbaan voor het aangezicht van enkele aanschouwers op bet ongezadelde paard onzer historie, zoo luidde het verwijt letterlijk, allerlei kunsten vertoonde, maar zich wel scheen te wachten, voor het groote publiek te debuteeren22). Toch bewaarde Jonckbloet het stilzwijgen. Hij wist zich te goed rekenschap te geven van betgeen voor zulk een arbeid werd vereischt, om zonder genoegzame kennis van een geheel, zoo groot zoo innig samenhangend als dat van onze geschiedenis, ook zelfs een fragment ervan te laten drukken, dan dat hij er zonder volledige voorbereiding toe kon overgaan; en bij had leergeld genoeg betaald met zijne Middelnederlardsche dichtkunst, om de eiscben van den vorm niet te licht te tellen: met het een en bet ander rechtvaardigde bij zijn dralen. In 1859 achtte bij den tyd gekomen: »twaalf jaren van studie, twaalf jaren van niet

ocr page 41

( 37 )

zonder voldoening gegeven onderwijs, schijnen mij toe, schrijft hij, waarborgen van genoegzame voorbereiding op te leveren, en mij voor de beschuldiging van lichtvaardigheid, ten minste a priori, vrij te warenquot;. En toch is van zijne hand niets van vaderlandsch-historischen inhoud verschenen, tenzij de feestrede te Heiligerlee van 1868. Wat was daarvan de reden? Mag ik een vermoeden wagen, dan antwoord ik met de wedervraag, of er voor en omstreeks liet jaar 1859 wellicht werken zijn verschenen over onze vaderlandsche geschiedenis of een tiental jaren daarvan, die Jonckbloet tot de overtuiging hebben gebracht, dat op dien akker ook reeds anderen de hand aan de ploeg hadden geslagen, ja hem het graan reeds voor de voeten wegmaaiden? In zijne toespraak tot Helmholïz van 9 Aug. 1.1. zeide Donders : »Man erkennt »iu ihnen (seinen Leistungen) die Neigung, seine Kriifte au »der Auflösung von Problemen zu versuchen die entweder »gauz neu waren oder für unlösbar gehalten wurdenquot; 23): is dat woord ook niet van toepassing op Jonckbloeï? Was hij liever elders de eerste dan ergens anders de tweede? Dat hij overigens zijne geliefkoosde historische studiën niet vaarwel zeide, blijkt, zooals ik herinnerde, o. a. uit zijne parlementaire redevoeringen van later dagen.

Na 1859 leeft Jonckbloet voor de geschiedenis en de critiek onzer vaderlandsche letteren.

Daaraan wijdde hij nu wat meer, dan, zooals in de jaren 1864 —1877, wat minder, maar voortdurend al zijn beschikbaren tijd.

Tot antwoord op de vraag, wat er vóór 1851, het jaar waarin het eerste deel zijner Geschiedenis der middelneder-landsche dichtkunst van de pers ging, zoo hier te lande als in België was gedaan voor onze letterkunde, zou kunnen worden gewezen op menige belangrijke bijdrage. Op levensbeschrijvingen van loffelijke nauwkeurigheid; op monogra-phieën van benijdenswaardige feitenkennis; op beoordeelingen even degelyk als smaakvol; op beredeneerde catalogi van toonbeeldige verzamelingsvlijt; op de Beknopte geschiedenis

ocr page 42

( 38 )

der nederlandsche letteren en wetenschappen vau den voor-treffelijken tan Kampen ; op de immer nog hooggeschatte Verhandeling van de Clercq; op de wel geslaagde proeve van eene pragmatische geschiedenis der middelnederlandsche letteren, de Verhandeling van Snellaeut (1838).

Voorbereid was er alzoo gewis een en ander, veel zelfs — het zoude ondankbaar wezen dat te loochenen —, maar op verre na nog het noodige niet; en dat het altegader geschikt was om op voort te houwen, zou alleen de verstokte »laudator temporis actiquot; in ernst kunnen volhouden. Kon zelfs de Verhandeling van Snellaeut — want de middeleeuwen zijn van Kampen's zwakke zijde — in 1851 den toets doorstaan? Ook duitsche geleerden hadden, ik behoef het üebersicht, de llorae Belgicae, de Denkmaler slechts te noemen, veel en veel voortreffelijks geleverd, het is niet te miskennen: doch was er één geschiedenis onzer letterkunde van middeleeuwen of nieuweren tijd, die in de verste verte was te vergelijken met Gervintjs' Geschichte der deutschen Dicht an g ? Mij is er geen bekend vóór de Geschiedenis der middelnederlandsche dichtkunst van Jonck-bloet, die in hare drie deelen, verschenen van 1851 —1855, voor het eerst een overzicht gaf van het letterkundig leven en de letterkundige beweging in Noord- en Zuid-Nederland gedurende de middeleeuwen.

Bij dezen arbeid, een keerpunt in onze vaderlandsche phi-lologie, sta ik eenige oogenblikken stil.

De Geschiedenis was behoorlijk voorbereid; langdurig, ongeveer tien jaren; degelijk, door uitgebreide lectuur, beide van binnen- en buitenlandsche lettervruchten en van de beste werken van letterkundig-historischen en aesthetischen inhoud, waarvoor 't voldoende is de namen te noemen van Geuvinus, Geimm, Jacob en Wilhelm, Mühlenhoff, Lachmann, Dunlop ; ook door eigen nasporingen, vooral openbaar in de inleidingen en aanteekeningen op de Lorreinen. den Walewein, den Lancelot, de Charrette, en in den Middelnederlandschen versbouw en in de bijlagen van de Geschiedenis zelve.

ocr page 43

( 39 )

Zouder over een en ander in bijzonderheden te treden, kan ik toch niet nalaten een woord van hooge waardeerinjj

o O

te spreken over de inleidingen op den Walewein en den Lancelot, als die eene ongemeene kennis verraden van de avonturen van hem »qui des chevaliers fu sirequot; en van Gine-vra's minnaar, van de geheele Graal-Merlijn-Artur-sage; en niet slechts van de middelnederlandsche vertolkingen maar ook van de middeleeuwsch fransche origineelen. Een hiervan, reeds afgedrukt in het tweede deel van den Lancelot, is later afzonderlijk uitgegeven, namelijk: Le roman de la Char-rette, op een wijze, die de aandacht op Jonckbloet vestigde ook in Frankrijk, en hem eene zeer eervolle vermelding (»première mention trés honorablequot;) bezorgde van de Académie des Inscriptions et Belles-Lettres. Evenmin — zelfs op 't gevaar af van de perken van een levensbericht te buiten te gaan — mag ik verzwijgen, dat die inleidingen en aanteekeningen zich onderscheiden, ja gewis, ook door rijkdom van bijzonderheden, chronologische, biografische, historische, antiquarische, maar evenzeer treffen door de vraagstukken, die hij zich voorlegde of, laat ik liever zeggen, aandurfde. Aandurfde: ik behoef er niet bij te voegen »voor zijn tijd, voor die dagenquot;, want te zijner eere zij het gezegd, het zijn de vraagstukken, b. v. de kwestie der prioriteit van proza of poëzie der contes d aventure, die tot op onze dagen een Gaston Paris nog bezighielden; aandurfde: en zouder onberadenheid, zonder vermetelheid, en nooit zonder eene poging te wagen ter oplossing, die, de Romania staaft het, zelfs door wie van hem in gevoelen verschillen, met waardeering wordt vermeld, en thans na dertig jaren nog der overweging waardig gekeurd. Over Gautier Map en Chrestien de Troies, over den Ridder met de Kar schrijft geen geleerde, of de naam van Jonckbloet wordt met onderscheiding genoemd. Ook de aesthetische beschouwingen, waardoor de inleiding op den Walewein zich kenmerkt, verdienen vermelding; die inleiding is een meesterstukje van beide, historische en dogmatische critiek, van eene beoordeeling, die den maatstaf

ocr page 44

( 40 )

aanlegt van de dertiende zoowel als van de negentiende eeuw, eu alzoo, wel verre van de »questequot; van het schaakbord eenzijdig te bezien met liet oog van den »sportsmanquot; onzer dagen of den onnoozelen glimlach van den »spiesz-bürgerquot;, haar beschouwt in bet liefel^k licht van de ho-ve^cbeit en de galanterie van de dertiende eeuw, eene beoordeeling van het geheel en van de episoden, beide billijk en eerlijk. Dat Jonckbloet een open oog had ook voor den vorm der middeleeuwsche gedichten, bewijst zijn Middetnederlandsche versbouw, een voor bet jaar 1849 gulden boekske, van ernstige studie en geoefendeu smaak: de schrijver moge van de Scylla, waarop Bokmans was gestrand met zijn jamben exi trocbaeën eu verzen van zeven en acbt lettergrepen, bijwijlen zelf verzeild raken op de Cbarybdis van Lachmann's systeem, en het onderscheid tusschen middelnederlandsch en middelhoogduitsch niet genoegzaam in het oog hebben gehouden — Leen-dekïz en Martin 24') hebben het o. a. overtuigend aangetoond — ; twee bijzonderheden mogen niet worden voorbij gezien, ten eerste, dat Jonckbloet's boekje in Noord-Neder-laud van middelnederlaudsche prosodie de allereerste proeve was, en ten tweede, dat dezelfde vriend Leendeetz, die hem in De Gids zijn feilen toonde, vrank eu vrij, zonder hem te sparen, aan het einde van zijne recensie deze woorden schrijft: »Wij beschouwen het als eene belangrijke aanwinst »voor de wetenschap. Meent iemand dat oordeel niet te »kunnen vereenigen met de vele aanmerkingen, welke wij »er op hebben gemaakt, hij boude in het oog, dat dit werk »het eerste is, hetwelk over dit onderwerp het licht ziet, »en dat het de grootste onbillijkheid is, in zoodanig een »werk die juistheid en volledigheid te vorderen, welke men »vorderen mag, waar het eene wetenschap geldt, die reeds »vele bekwame en ijverige beoefenaars gehad heeft. Boven-»dien, onze aanmerkingen betreffen voor het grootste ge-»deelte zaken van minder belang, en, ook indien zij alle »waar bevonden worden, blijft aan Jonckbloet de verdienste

ocr page 45

( 41 )

»de hoofdregels der middelnoderlandsclie metriek met vol-»doende zekerheid te hebben aangewezen, en den weg te »hebben gebaand tot de verdere beoefening eener wetenschap, »die met de middelnederlandsche taalkunde in veel nauwer »verband staat dau menigeen vermoedt.quot; Vóór zesendertig jaar werd dit getuigenis geschreven; toi. op den dag van heden wordt verzekerd, dat men vindt in JgnckIiLOEt's studie »menage merkwaardige en fijne opmerking, die niet alleen d'après sa date, maar ook wegens haar blijvende waarde op deu hoogsten prijs is te stellenquot; 24'').

Doch genoeg ten betooge, dat de Geschiedenis der middelnederlandsche dichtkunst behoorlijk was voorbereid, en alzoo met vertrouwen kon worden ondernomen; met vertrouwen op eigen kracht, en met de gedachte, dat het werk nuttig en noodig was. De woorden van Gervinus : »Mir »schieii es aber, als ob die Geschichte der deutschen Dich-»tuug noch von Niemanden aus eiuem Gesichtspunkte be-»handelt worden sei, welche der Sache selbst würdig und »der Gegenwart und jetzigen Lage der Nation angemessen »ware25)quot;, die woorden waren, meende hij, ook geschreven voor Nederland.

Maar zoude de beoefening onzer letterkunde »eene wetenschap blijken, die ook wetenschappelyk diende behandeld te wordenquot;, dau behoorde de oudernemer zijne eischen vooral niet te licht, zijn ideaal niet te laag te stellen. Behoef ik nadrukkelijk te verzekeren, dat, ook al ware in zijne inleiding over een en ander niet door hem zeiven voldoend bescheid gegeven, de drie deelen het beste bewijs zijn, dat hij zijne taak niet lichthartig heeft opgenomen. Bescheiden noemt hij zijn werk »eene proevequot;: iudien eeuig proefstuk, dan mag dit gewis een meesterstuk heeten.

Te roemen valt op deze tentoonstelling vau onzen middel-eeuwschen letterschat al aanstonds de rijkdom van voorwerpen, de volledigheid der verzameling; dan de groepeering, doelmatig door de bijeenvoeging van het overeenkomstige, het gelijkslachtige; de beschrijving, zakelijk en onderhoudend,

ocr page 46

{ 42 )

ioo van de kunstvoortbrengselen zeiven als van den oorsprong der grondstof, en van de wijze van bewerking, met de gewenschte mededeelingen aangaande maker, datum, plaats; eindelijk de beoordeeling: historisch, in het licht van het gelijktijdige, aesthetisch, in het licht van het gelijksoortige, met bepaling alzoo van de betrekkelijke en de volstrekte waarde. Jokckbloet's wijze van tentoonstellen vergunt een blik op het geheel zonder de deelen, op de dealen zonder het geheel te benevelen. Onzen middeleeuwschen letterschat geeft hij te aanschouwen als zoodanig, in zijne geschiedenis en zijn gehalte; maar evenzeer in verband en samenhang met het godsdienstig geloof en zedelijk leven der middeleeuwen, als »signe d'un état d'espritquot;, teeken der tijden van leenstelsel en ridderwezen, dorper- en poorterschap ; voorts in zijn oorspronkelijke, inheemsche, nationale en in zijn ontleende, vreemde bestanddeeleu, ter omschrijving van den litterarischen aanleg, de litterarische scheppingskracht onzer natie, en ter bepaling van de plaats, die haar toekomt in de wereldgeschiedenis der letterkunde.

Wat het eerst, wat het meest te roemen, ik weet het niet. De germanus discipulus van Gekvinus en] de Guimms is op zijne beurt de geniale meester; meester in de bewijsvoering: waarin u verrassen beide de externe en interne argumenten, door het scherpzinnige en het voldingende ; de gevolgtrekkingen, door het zuivere en bescheidene; de veronderstellingen, door het verklarende en tevens door het dringende, uitnoo-digende althans en lokkende tot verder onderzoek, en in de ware richting; de gissingen, door het vernuftige en het waarschijnlijke — trouwens door de uitkomst dan ook menigwerf verrassend gerechtvaardigd; de vraagteekens, als evenzoo-veel verstandige blijken van behoefte aan nadere overweging, van het nog brandende van een vraagstuk; de uitroepings-teekens, als evenzooveel vertegenwoordigers van wel verdiende verwijten. Meester ook in de beoordeeling: Gürvinüs Geschichte en Hegel's A esthetik mochten hem hebben geleerd het wapen der critiek, in zijne hand weieens een

ocr page 47

( 43 )

geesel, te hauteeren, op zijne beurt behoudt hij zicli een eigeü oordeel voor, desgevorderd tegenover zijn leermeesters, en levert het bewijs, dat hij meer en beter vermag dan te »scheppen uit andermans panquot; en te schermen met aangeleerde machtspreuken, waarvan door wie er zich van bedienen vaak de bewoordingen nauwlijks worden gevat. Zijne beoordeeling is ook billijk: al weet ik zeer wel, dat enkele uit het verband gerukte volzin.aen, enkele wat heel sterk gekleurde uitdrukkingen — Maeelant de Kobespieiuie der middeleeuwsche bellettrie; de keukenwonderen van de legende 26) — voor de considerans van een partijdig vonnis uit de Geschiedenis zijn te halen, mij geeft eene nauwgezette overweging der beoordeelingen van Jonckbloex geen vrijheid het woord »billijkquot; terug te nemen. Als ik deuk aan het streven van den schrijver, om steeds alle soort van dicht en ondicht te beschouwen in het licht der middeleeuwsche pract^k, en zoo mogelijk, ook der middeleeuwsche theorie; aan zij ue vaste gewoonte, om benevens zijne eigene overwegingen ook die van desnoods den advocaat des duivels als verzachtende omstandigheden in rekening te brengen, ja ook een »hets hovesc dat ment ghelove medequot; daaronder op te nemen37); aan zijne waardeering tot zelfs van de didactische poëzie toe als »een liefelijken geur verspreidende van vaderlandsche deugdquot;, als waaraan de lof toekomt »tegenover de valsche walsche romantiek het nationaal gevoel weer te hebben gewekt en het nederlandsche zelfbewustzijn te hebben geredquot; 27i): dan moet ik het woord » billijkquot; handhaven. De beoordeeling van Jonck-bloet is eindelijk ook verstandig: ik bedoel daarmede, dat hg zich vrijhoudt van de in zyne dagen niet ongewone begripsverwarring, die van middeleeuwsche geschriften in gebonden en ongebonden rede de hooge taalkundige waarde vereenzelvigde met groote aesthetische waarde, en, door dit onderscheid uit het oog te verliezen, hem, wien het om meer dan eenige «:r«| XeyótiBva te doen was, weieens knollen in de hand stopte voor citroenen. Zonder paradoxaal te worden durf ik beweren, dat tot zelfs de nederlagen

ocr page 48

( 44 )

van dezen gescliiedschriiver onzer letterkunde leerzaam zijn en blijven, daar immers zijne methode proefondervindelijk zoo betrouwbaar is bevonden, dat, ook waar nieuwe ontdekkingen zijne uitkomsten wijzigen of logenstraffen, het betoog zelf een model blijft van bewijsvoering en beoordeeling.

Als student dweepte ik met het boek; en thans . . . lust het mij niet de keerzijde der medaille te vertoonen om eene reden, die, vertrouw ik, door n zal worden gebillijkt. Om de reden, dat niemand van Jonckbi.oeï's Geschiedenis der mnl. dichtkunst de leemten en gebreken, de zwakke partijen eerlijker heeft aangewezen dau Jonckbloet zelf in de latere bewerkingen van zijne middeleeuwen; niemand meer verbeterd en beter vermeerderd heeft dan hij; niemand gestrenger beoordeelaar is geweest van zijn eigen werk dan de man, die op een der eerste bladzijden schreef: »ik zelf merk dit boek aan als eene proeve: mocht daaraan »het geluk beschoren zijn eener tweede uitgave, daarin zal »het ontbrekende kunnen worden aangevuld en de dwalingen »van de tegenwoordige hersteld, want de wetenschap gaat »iederen dag eene schrede voorwaarts, en wie haar lief heeft »tracht hare voetslagen te volgen.quot; Zonder aanmatiging kan ik verzekeren, dat niets gemakkelijker valt dan de Geschiedenis te beoordeelen en de feilen aan te wijzen; maar ik wil niet verhelen, dat het zou wezen een pronken met vele veeren van den meester zei ven.

Het boek als boek beschouwd aarzel ik niet op één na het beste te noemen, dat hij heeft geschreven, al ben ik niet blind voor het min of meer tweeslachtige ervan — nu verhalend, dan betoogend, elders bestrijdend —, en allerminst voor de gebreken van den vorm, gebreken, die Jonckbloet nooit geheel heeft overwonnen. Wel is waar zulke brutale barbarismen en basterdwoorden als waardoor de Geschiedenis wordt ontsierd, heeft hij zich later niet meer veroorloofd: »wat uw geknor aangaat betrekkelijk de basterdwoorden, schreef hij aan de Vuies (1849), ik zal mij trachten te

ocr page 49

( 45 )

beterenquot;, en het werd ook wel beter, en van de germanismen vermindert liet cijfer ook met de jaren, maar toch . . van vreemde smetten geheel vrij wist hij zijne taal nooit te houden, en besteedde aan den vorm nooit zooveel zorg als aan den inhoud. Ook miste hij den tact der onderscheiding van hetgeen in den tekst en hetgeen meer eigenaardig in

O O D O

de bijlagen behoort of in de aanteekeningen, en verloor daardoor de eischeu der litterarische compositie al te vaak uit het oog. Overigens is het boek con amore geschreven, en was 't het »pectusquot; dat hem welsprekend maakte; in 1843 zeide hij; »wij gelooveu aan de dichterlijke waarde der middeleeuwsche poëzij, wijl zij op iedere bladzijde in het oog springt en tot eerbied dwingt en sympathiequot;: de Geschiedenis leert, dat hij in later jaren niet aan het twijfelen was geraakt.

Dat het werk bij zijne verschijning zoo hier te lande als in het buitenland goed is ontvangen en naar waarde geschat, zou met beoordeelingen o. a. in de Dietsche Warande en de Germania9-81 gemakkelijk te bewijzen vallen; dat het nog niet geheel verouderd is, toont de omstandigheid, dat het voortdurend wordt aangehaald eu met eere vermeld.

Dezelfde stof is later nog drie malen door hem behandeld in de drie uitgaven van zijne Geschiedenis der nederlandsche letterkunde, waarvan eene volgende geregeld de vorige wijzigt en aanvult, ja eene algeheele omwerking hiervan mag heeten: maar ik zou niet durven beweren, dat het getrouw verhaal in aantrekkelijkheid beeft gewonnen, zelfs niet, dat vergelijkenderwijs gesproken eenige latere uitgaaf op één lijn is te stellen met de Geschiedenis der mnl. dichtkunst. Vergelijkenderwijs : want, wat voor haar tijd de Geschiedenis is geweest, was m. i. voor den haren geene enkele bewerking derzelfde stof, noch die van 1868, noch die van 1873, noch ook de laatste.

Wat het eerste punt betreft, de vierde bewerking der middeleeuwen in de derde uitgave van de Geschiedenis der nl. letterkunde is niet zoo aangenaam geschreven als de

ocr page 50

{ 46 )

eerste; zij ontaardt hierendaar zeer bepaald van leesboek in leerboek, met al de eigenschappen van eene dorre, droge verhandeling. Het gebouw is afgeleverd, maar alle stei-gerwerk is niet weggeruimd; onwillekeurig vraagt men zich af, of niet sommige gedeelten beter op hunne plaats zouden zijn geweest in een tijdschrift als dat der Maatschappij van letterkunde of wel in de Romania-, immers enkele uitweidingen vallen geheel buiten het kader van eene quot;•eschiedeiiis der middeleeuwsch-nederlandsche letterkunde en

o

zouden zeer geschikt kunnen worden opgenomen in eene Ilistoire de la littérature fravcaise ? Bedrieg ik mij niet, dan zal menig lezer zich teleurgesteld gevoelen, overstelpt door eene zee van bijzonderheden, alle op zichzelf wetenswaardig voor den ingewijde, en door dezen dan ook hoog gewaardeerd, maar »hors d'oeuvrequot; voor den leek, wiens geduld, vrees ik, hierendaar op een zware, te zware proef wordt gesteld.

Wat het tweede punt aangaat, merk ik op, dat de laatste bewerking niet zoo nauwgezet is bezorgd als die van vóór dertig jaar, althans niet in allen deele. Vele partijen, ik treef het o-aarne toe, door Jonckbloet met kennelijke voor-

o o '

liefde behandeld, zijn uitmuntend, maar dat alle met gelijke nauwgezetheid zijn bewerkt, kau ik niet verzekeren. \ eel is herzien en bijgewerkt, maar of de litteratuur over de middeleeuwen volledig door hem is bijgehouden, betwijfel ik ten sterkste. Dat de titels van sommige monographieën en opstellen in de aanteekeningen ontbreken, zou ik niet op de de-bet-zijde boeken, indien uit den tekst voldoende bleek, dat door den schrijver was kennis genomen van den inhoud ; wel zoude het altijd eene tekortkoming blijven, doch niet schaden aan de voorstelling, zooals thans inderdaad meermalen het geval blijkt. Dankbaarheid voor het gegevene — en dit is veel, zeer veel — behoeft niet te verblinden voor de leemten, te minder daar Jonckbloet zelf ons heeft geleerd de eischen hoog te stellen: beu ik wel ingelicht, dan was hij ook de eerste om te erkennen, dat het»omnibus numeris absolutumquot; op de laatste omwerking niet van toepassing

ocr page 51

( 47 )

was. Bovendien de zeventiende en de achttiende eeuw, de staat van zijne gezondheid, de politiek .... doch genoeg.

De Geschiedenis der rnnl. dichtkunst moge nog zoo goed staan aangeschreven, daar is een boek van zijne hand, dat m. i. de kroon spant. Ik bedoel niet Van den Vos Reiitaerde, evenmin de Etude sur le roman de Renart, als is ook daarover maar één stem: ik bedoel zijn Guillaume d'Orange. Behoef ik de loftrompet te steken over de twee eerstgenoemde? Te roemen vallen de inleiding op den Reinaert, getuigend van vertrouwde bekendheid met de fransche bran -

o o

ches; de tekst met zooveel oordeel vastgesteld ; de vergelijking met Le Plaid en den Reinhart van Hein rich, enz. enz. enz.. Kluge zegt van Jacob Grimm, dat zijne »wertvolle sammlungen »auch da unentbehrlich geblieben sind, wo der jetzige stand xunserer sprachgeschichtlichen beurteilung von dem seinen »bedeutend abweichtquot; 3!l): zoolang de vossenjacht niet zal zijn gesloten, blijft Jonckbloet's Van den Vos Reiitaerde beide voorbeeld en toonbeeld.

En de Etude'? Daarvoor wil ik verwijzen naar de aankondiging van Geimm in de Göttingische Anzeigen van 18G3. Hij noemt baar »eine anziehende, »ihres erfolges gewisse schriftquot;, en getuigt: »neu, wenu darunter wirk-lich frische und fruchtbare studiën zu verstehn sind, kön-nen nur die des holliindischen gelehrten heiszen, demi was hier Paulin Paris — tegen wien de Etude inzonderheid is gericht — was hier Paulin Paris vorzulegen bat, erscheint alles seicht und oberflachlichquot;, en »mit gros-zer Lust folgt man des verfassers anhebenden und aufstei-genden forschungen, der aus dem sprachgebrauch und der art und weise der einzeluen gedichte nachweist, dasz nicht ein paar, vielmehr eine gauze reihe von erziihlungen von Pierre de Saint-Cloud herrühren musz, der nur in einigen genannt istquot; 29 ). Ik heb er geen woord aan toe te voegen dan alleen de opmerking, dat tot op den huidigen dag toe de Etude in het buitenland, ik beroep mij op Knorr en Martin 3o), wordt aangehaald met hooge waardeering, en vooral

ocr page 52

( 48 )

geroemd om liet betrouwbare barer uitkomsten en a posteriori gestaafde gissingen; voorts dat Jonckhlokt's yermoeden, als zoude zijn werk »hier te landequot;, zooals bij bet uitdrukt, sin den doofpot zijn geraaktquot;, ongegrond moetbeeten. De Gids van 1870 leert alvast bet tegendeel.

Een y.rTjw. éoaèi, dat bij zicb heeft gesticht, is de Guil-laume cCOrange, iu 1854 verscbenen in twee deelen, waarvan bet eerste vijf epopeeën der Guillaume-Chanson inboudt, bet tweede een »examen critiquequot;, dat wil zeggen : onderzoekingen aangaande de wording en ontwikkeling der Guil-laume-sage, de tijdperken van baar groei en bloei; bare bestanddeelen, zoo vreemde als oorspronkelijke, bunne samenvloeiing en ineensmelting; aangaande »la silhouette du Guillaume bistoriquequot; en bet beeld der »histoire poétiquequot;, den Guillaume der kronieken en dien der volksverbeelding, en de langzame gedaanteverwisseling van de historische figuur in vertelling en lied; aangaande het waardoor en wanneer en waarom der metamorphose, alles uit vroegere en gelijktijdige en latere bescheiden betoogd en toegelicht; onderzoekingen, geleerd, scherpzinnig, smaakvol. Zoowel deze als de teksten .... doch ik wensch mijn oordeel bescheiden voor mij te houden, zelfs het bekend artikel van Dozy in De Gids van 1854, overigens bij enkele bedenkingen en aanvullingen zoo vereerend mogelijk voor Jonckbloet, te laten rusten, en thans liever te vragen: boe wordt de Guillaume d'Orange beoordeeld door de fransche geleerden, Leon Gaütier b. v., den schrijver der Epopées frangaises, die verzekert gansche dagen en halve nachten te hebben gearbeid in den Karel-cyclus ? Gaütier dan zegt, dat de teksten zijn uitgegeven met »uu soin remarquable,quot; en de jongste uitgevers van Aliscans (één der branches), Güessaiid en De Montaiglon, mogen tot grondslag van hunne redactie een ander bandschrift hebben gelegd dau Jonckbloet voor de zijne, de eer der ontdekking, dat »le manuscrit de l'Arsenalquot; het oudste is, wordt onvoorwaardelijk toegeschreven aan Lem ; en van het »examen critiquequot; verzekert Gaütier, dat het moeilijk is u

ocr page 53

( 49 )

JONCKBLOET »de Jeter de nouvelles lumiêres dans ce chaosquot;, en zijn Guillaume is »une oeuvre qui resteraquot;, een werk, dat met het XXIlstu Deel van de Ilistoire littéraire de la France eene eereplaats bekleedt in de bibliographie van den sub-cyclus van »Guillaume au court nezquot;; en dat Jonckeloet is »celui qui a le mieux mérité de tons ceux qui étudient ce cycle national et religieux.quot; Bevestigd wordt dat getuigenis door Guessakd en De Moktaiglon : »étude considérable, con-sciencieuse, oü la matière est traiteé pour la première fois (en toch hadden Fauriel en Paulis Paris er hunne krachten reeds aan beproefd) spécialement avec autant de science que de critique, et oü nombre de points, sinon tous, semblent fixés d'une fa^on definitive 31)quot;.

Ook de Guillaume heeft zijne gebreken, zoo lijdt b. v. de verklaring der fusie van vele historische Guillaumes tot één beeld der fantasie gewis aan overmaat van scherpzinnigheid, de critiek aan hypercritiek, evenals de vertolking, in 1867 verschenen, van enkele middeleeuwsche branches in nieuw Fransch — overigens »de la bonne vulgarisationquot; genoemd — de hare heeft: maar van zijne kennis van het oud-fransch zegt Gauïier, en hij heeft daarbij gedacht aan beide de taal en de letterkunde, dat men die »ne saurait trop admirer chez un étranger 3~)quot;.

Waar fransche geleerden van naam alzoo oordeelen over het boek van onzen landgenoot, is verdere beschouwing van mij wel geheel overbodig.

Met de Etude, die van de genoemde werken het laatst valt, verliet Jonckbloet voor eenigen tijd liet middelneder-landsch en middeleeuwsch-fransch gebied om zich te kwijten van eene belofte, reeds in 1851 gedaan33): de schepper der geschiedenis van onze middeinederlandsche letterkunde wenschte ook het nieuw-nederlandsch terrein te gaan onderzoeken, door hem met het Cluyswerk en zijn Lucifer, Eene politiek allegorieZi) in 1841 en 1849 bereids verkend.

Zoude ook deze reis een ontdekkingstocht worden, en evenzeer op dit gebied scheppende kracht van hem uitgaan ?

4

ocr page 54

( 50 )

Ik aarzel geen oogenblik met mijn bevestigend antwoord, ook zelfs al ware er uitsluitend sprake van de eerste uitgave van de Geschiedenis der nederl. letterkunde, die van 18G8 : van de derde toch is het wel aau geen redelijken twijfel onderhevig.

Scheppende kracht: door veel nieuws en oorspronkelijks, ook door de wijze, waarop het reeds bekende wordt voorgesteld. Jo^ckbloeï teekeut zuiverder, en kleurt juister, en groepeert verstandiger, en omlijst doelmatiger dan Jeeonimo de Veies en zelfs van Kampen. Ook kenmerkt hij scherper zoo letterhelden als lettertijdperken: de beteekenis der kuuste-naars, hunne school, hunne richting, hun invloed op tijdgenoot en nakomeling, den geest dezer eeuw, den poli-tieken, religieusen, litterairen invloed, de sterkte en den duur van buitenlandsche stroomingen, die van haar slib op onzen bodem achterlieten, haar werking op onzen grond; het letterkundig leven en de letterkundige beweging van de renaissance af tot heden toe: ik zou geen geschiedenis der vaderlandsche letteren kunnen aanwijzen, die van een en ander zulk eene getrouwe voorstelling geeft. Scheppend: ook door het nieuwe en oorspronkelijke. Hij heeft gewis veel partij getrokken van de onderzoekingen der laatste vijfentwintig jaar, maar veel ook zelf opgespoord. Menige bundel is door hem onttrokken aan de vergetelheid, waartoe hij scheen gedoemd; menige figuur uit den voortijd op zijne schilderij »en reliefquot; gekomen. Men kan in waardeering van hem verschillen, maar dat hij op Anna Bijns, Koden-bueg, Keul, ik doe eenvoudig een greep, een tevoren ongekend licht heeft doen vallen, daarover bestaat geen verschil. En wie had vóór hem de opkomst der aesthetische critiek ten onzent in de achttiende eeuw zoo uitnemend geschetst ?

Wat het oorspronkelijke betreft, herinner ik aan het onafhankelijke, het zelfstandige zijner beoordeelingen. Hij beweegt zich als criticus vrij: allerminst is zijn oordeel een weerklank van hetgeen hij noemt den lofgalm der dagen

ocr page 55

( 51 )

van weleer, van de brommende loftuitingen der overlevering, inofeo-even door camaraderie, gekweekt in den boezem van

o o ' cj

liet bentgenootschap, voortgeplant — als had Elisabeth Wolïf er zich. nooit vroolijk over gemaakt ! 35) — zonder erg, maar tevens zonder nadenken, tot in onze eeuw toe, in de deftigste bewoordingen, de zwaarwichtigste volzinnen, sierlijk gebouwd, indrukwekkende sesquipedalen: Jonckbloet laat zich niet op sleeptouw nemen door overlevering noch openbare meeniug maar ziet uit eigen oogen. Onafhankelijk is ook zijne critiek van geboorteland en bakermat: dezelfde man, die schreef: »de schrijvers van de geschiedenis onzer kletteren warea gewoou en hebben ons lang geleeraard alles »te meten met den valschen maatstok der achttiende eeuw» »alles te waardeeren volgens den toetssteen harer beginsel-»loosheid, alles schoon te vinden en in de hoogte testekeu, »wat maar het conveutioneele kleed droeg of een godzaligen »toon aansloeg; en eiken hollandschen poëtaster, elk hol-»landsch vers, gelikt of gespierd, met onovertroffen bewon-»dering aan te staren. Hoogvliet en Feitema werden niet «alleen even warm geprezen als Vondel; maar geen dier »gevierde mannen, grooter en gelukkiger dan Homerus, had »ooit gestruikeld of gedommeld, eu de reeksen van fraaie «kwartijnen in hoornen banden konden onmogelijk iets anders »dan meesterstukken bevattenquot;36); de man, wiens overtuiging was: »de waarheid kent geen aanzien des persoons, »en alle pralerij, ook die zich in de nationale kleuren windt-»is haar een gruwelquot;37), hij laat zich door geen nationali-teits-gevoel verschalken evenmin als verblinden, gelijk hem wel is verweten, door glans van drostelijken rang of adellijke hoogheid noch afschrikken door het schootsvel van den smid of den kiel van den boer. Eu origineel inzonderheid is zijne beoordeeling van Vondel, wiens treurspelen door hem worden getoetst niet uitsluitend aan de theorie van het clas-siek noch aan die van het romantisch drama, noch ook aan de practijk van het hedendaagsch tooneel, maar aan het boek De tragoediae constitatione van Heinsius, uitgekomen in het

4*

ocr page 56

( 52 )

jaar 1616, en aan Vossils' Jnatilutiones Poeticae vau 1647, waarop Vondel zelf zich beroept; origineel eindelijk de rehabilitatie van den dichter van »Jantje die eens pruimpjes zag hangenquot; in verband met de plaatjes van den eersten druk, en zoo is er meer.

Ook levenwekkende kracht is door de Geschiedenis der ned. letterkunde van hem uitgegaan, levenwekkend en — lustwekkend; »hii wekte de geesten tot stryd en onderzoekquot;, het is naar waarheid gezegd. En door zijn voorbeeld trok hij, en trekt hij nog. Van Krul schrijft hij: »liij is weinig »bekend en zijn leven schuilt in 't duister. Had men zich »de moeite getroost zijne gedichten te doorlezen, men had »daar nog wel iets in gevonden. 38)quot; Dit verwijt ontsluiert een der geheimen van Jonckbi.oeï's kunst: hij heeft zóó zelf gedaan en inderdaad gevonden. Maar hij las ook nauwgezet alle dicht en ondicht, waarover hij zich een oordeel wilde vormen; en, waar hij zijn gevoelen kleedt in eene aanhaling, zou ik de gevolgtrekking uog niet durven aanvaarden, dat hij zweert bij de woorden van eenigen meester.

»U selven, dats wel ghedaen,

»En suldi niet gheloven te zaen »Van dinghen, die ghi niet »Seker en hoort noch en siet;

»Wat bi wane, sijts ghewes,

»Menich mensche bedroghen esquot; 39);

dat was zijne leuze: hij is haar tot den einde toe getrouw gebleven. En zelf den koninklijken weg bewandelend, moedigde hij die hem lief kregen aan om zijn voorbeeld te volgen, en op hunne beurt te beproeven hetgeen hij niet zulk goed gevolg had gedaan; zijne lauweren houden wakker tot op den huidigen dag toe.

Zonder mij aan overdrijving schuldig te maken of anderer verdiensten te miskennen, geloof ik te kunnen verzekeren, dat hij, wien de eernaam toekomt van schepper der geschiedenis onzer middeleeuwsche letteren, in zekeren zin daarop

ocr page 57

( 53 )

ook aanspraak heeft voor de geschiedenis onzer nieuwere letterkunde. En dat stellig, als wij denken aan de schilderij in haar geheel. Vele heelden en groepen mochten door anderen treffelijk zijn gemaald, levendig en geestig, elegant en savant, in Kroniek en Critiek en Fantasie, in Schetsen on Studiën, Verscheidenheden en Verpoozingen, Bijdragen en Bladzijden, in proefstukken van academieburgers en meesterstukken van oud-studenten en niet-studenten, in Gids en Warande en Spectator en Oud-Holland (wat noem ik veel nog niet!): Jonckbloet was de eerste, die het geheel heeft ontworpen, en gerangschikt, en voor ons oog ontrold, en in zijne Geschiedenis gegeven de uitkomsten van uitgebreide belezenheid, zelfstandig onderzoek, onpartijdige beoordeeling, voldoende aan de eischen der wetenschap en tot zekere hoogte ook aan die der kunst.

»Plura nitent,quot; de vlekken zijn Jonckbloeï's oude zwak, de vorm. Deze laat ook in de derde uitgave zijner Geschiedenis te wenschen over, en betreft niet uitsluitend de taal. Dezelfde gebreken, die de twee eerste deelen, de middeleeuwen, aankleven, ontsieren evenzeer de drie volgende. Wat men ia goeden zin een »mooiquot; boek noemt, kon Jonckbloet evenmin schrijven als eene »mooiequot; oratie. Zijne inaugu-reele redevoeringen, te Deventer en te Groningen, zijn middelmatig, die van Deventer was trouwens, hij zegt 't zelf, in »twee avondenquot; gemaakt; de Leidsche staat nog ietwat lager: maar kan het bevreemden? In 1847 — 't zij mij vergund dit in vertrouwen mede te deelen — in 1847 schrijft hij uit Deventer aan de Vries, dat hij plan heeft een collegie te geven over stijl, dat met voorbedachten rade was aangekondigd met de bijvoeging »praemisso brevi his-toriae litterariae conspectuquot;, »zoodat ik — zeide hij—volgens den titel hiervan alles kan maken wat ik wil: ik denk het zal half historia litteraria half grammatica zijnquot;; mij dunkt, dit geeft eenig licht. Wat er aan stijl in ruimeren en engeren zin te leeraren viel, was hem blijkbaar onbekend, ofschoon LULoi's in zijne Redekunst van 1831 er het

ocr page 58

( 54 )

uoodige over had gegeven ; doch bovendien, de ware liefde voor den vorm ontbrak hem, vandaar zoowel zijne tekortkomingen in het biografisch gedeelte der Geschiedenis, die aan Busken Huet zulk eene geestige opmerking iu de pen gaven 3!)^), als ettelijke bedenkelijke slordigheden. Slordigheden, die dit comisch effect teweegbrengen, dat de schrijver, die blijkbaar den vorm der moeite nauwelijks waard en van ondergeschikt belang achtte in vergelijking van den inhoud, de aandacht van zijn lezer juist door zijne taal-en stijlfouten afleidt van den inhoud, en alzoo zijn doel soms oolijk voorbijschiet. Dat elke vlek in den spiegel schaadt aan het beeld, dat hij weerkaatst, heeft Jonckbloet te weinig bedacht; een weinig meer eerbied voor het gehoor van een groot auditorium en voor zijne lezers zou hem, die een ander zoo vermakelijk kon hekelen over den vorm van zijn dicht of ondicht, menig verwijt hebben bespaard.

Ik wil de Geschiedenis niet ter zijde leggen zonder nog één punt aan te roeren, een teer punt, het betreft de critiek van Jonckbloet ; is het epitheton »onpartijdigquot; er wel op van toepassing ? Of moet zij veeleer bevooroordeeld heeteu; de vaderlandsche bellettrie overladend met schimp en smaad, en beschouwend »de la hauteur de soa dédainquot;, zooals vau een »verfranschten en verduitschten hofstedeling' wel niet anders kan worden verwacht? Beweerd is het, meermalen zelfs, en sgutta cavat lapidemquot; ; hij staat daardoor bij enkelen in een kwaad blaadje, als die onzen letterschat kennelijk voor niet veel beters aanlag dan een cadaver om aesthetisch-critische proeven op i,e doen, ja erger nog, als een corpus vile, waarop hij de vivisectie onnieedoogend toepaste, eenvoudig om blijken te geven van zijne vaardigheid in het opereeren. De aantijging dateert van 187G en is nog niet verjaard; ook is zij gedrukt, »seripta manentquot;40). Ik antwoord op de bedoelde vraag niet de weervraag: Jonckbloet verfranscht, verduitscht? Kn hij zelf sprak te Heiligerlee in 18ö8; »Eu welt er geen .gt; traau in ons oog bij de gedachte, dat men vau ons zou

ocr page 59

( 55 )

»kunnen eischen de taal van Vondel, Bildeedijk en Tot-» lens, van Brandt en van der Palm te verwisselen tegen »een anderen tongval, al ware het ook die van Racine of van Göthe?quot; 41) — en aangaande onze letterkunde, meer bijzonder van liet bloeitijdvak, getuigde hij42): gt;verheugen »wij er ons in, dat in het beste tijdperk der zeventiende »eeuw het waarachtig dichtvuur althans eenige Nederlan-»ders de borst geblaakt heeft, en laven wij ons aan de krach-»tige en liefelijke uitingen van hun genie. De letterkunde der » zeventiende eeuw is en blijft eene bron van aesthetisch genet.quot; Scherp moge zijn blik zijn geweest, verachtelijk nooit, en eerder spotachtig dan onaangenaam en onvriendelijk. Wel verre bovendien, dat deze twee aanhalingen op zichzelf staan, is de geheele geschiedenis zoo der middelnederlandsche als der nieuwuederlandsche letteren de welsprekendste weerlegging van eene dwaliug, die, als gevolg van onkunde of moedwil, misschien wel verklaarbaar is maar niettemin onvergefelijk blijft.

Op een der eerste bladzijden van zijne Mnl. dichtkunst schreef Jonckbloet : »de wetenschap gaat iederen dag eene »schrede voorwaarts, en wie haar lief heeft tracht hare voetsslagen te volgen.quot; Zijn de drie bewerkingen van zijne Geschiedenis der nieuw-nederlandsche letteren een spiegel van de vorderingen der wetenschap van 1868 — 1885 evenals die van de middeleeuwen het van 1851 —1885, zij het dan niet onvoorwaardelijk, toch stellig mogen heeten? Indien het woord van zijn opvolger te Leiden waar is, zooals ik meen dat het is, namelijk dat » Jonckbloet onderscheidde een koninklijke eerzuchtquot;43), mogen wij verwachten, dat hij niet in gebreke is gebleven voortdurend zich zeiven te controleereu en partij te trekken van de nieuwe ontdekkingen en vondsten, waaraan vooral de laatste jaren zoo rijk zijn. En inderdaad, wie de laatste uitgave van de Geschiedenis der nederl. letterkunde met kenuis van zaken kan lezen, zal op menige bladzijde Jonckbloet stilzwijgend de pen zien halen door vroeger verdedigde stellingen met loyale zelfverlooche-

ocr page 60

( 56 )

ning, en hem, die «cepeudaut ne montre pas toujours cette .facilite d'adhésionquot; ^), zooals hem wel is verweten, de uitkomsten zien aanvaarden van »dieper studiequot;, met dezen verstande echter, dat vaak hij dat » dieper studie'1 moet worden gedacht aan een »quorum pars magna fuiquot;: ik herinner by wijze van voorbeeld aan den Reinaert en aan Hüygens. Zijne Geschiedenis moge het laatste woord nog niet hebben gesproken, zij is een vaste grondslag, waarop met vertrouwen kan worden voortgebouwd, en voorzoover er nog »onvol-maaktheit is, raag 't tot volraaaktheit dijen.quot;

»Nocht is 'er yet dat blijft en nimmermeer vergaetquot;: dit woord van Vondel is op Joxckbloet gewis van toepassing. »Yet dat blijftquot;, veel zelfs; toch is den 19lien October 1885 ook veel vergaan. Ik deuk daarbij aan het gevleugeld woord, »vérba volantquot;. Wie hem beter hebben gekend dan ik, weten te vertellen van het ja zeker ook nuttige en leerzame van zijn omgang, maar bovendien van het prettige, levendige, vernuftige, geestige, opwekkelijke van zijn gesprek. Het was een lust hem te hooren, den »liomme de lettresquot;, die alles las en gezellig kon keuvelen »de omnibus rebus et quibusdam aliisquot;. Dank ziju gelukkig geheugen wist hij, geboren causeur, het gesprek te kruiden met aanhalingen in dicht en ondicht van alle talen en tongen, guitig, snedig, dartel, ondeugend vaak, maar te oolijk om de wenkbrauwen te doen fronsen, en altijd ongezocht; scherp dikwijls, maar met een zoo innemend gezicht, dat het slachtoffer zich zijn schampschot getroostte. Met een enkele penseelstreek wist hij een persoon kenmerkend te teekenen, in hoofdtrek, niet zonder overdrijving; en al hinderde het u soms, dat hij mannen, hoog bij u aangeschreven en waarvoor gij eerbied koesterdet en genegenheid, in een harlekijnspak stak, en al waart gij niet zonder rechtmatige bezorgdheid, dat hij u op uwe beurt naar dezelfde methode in beeld zou brengen, zijne caricaturen waren zóó gechargeerd, dat zij alleen uitwerking deden voor één enkel oogenblik. Parlementaire portretten van zijne hand keu ik niet, professo-

ocr page 61

( 57 )

rale wel, onbetaalbare, vooral van die hooggeleerden, wier gewichtigheid niet was in evenredigheid met de mate van hun gezag en hunne geleerdheid: tot mijn leedwezen zijn zij voor de openbaarheid niet bestemd en kan ik ze alzoo niet laten zien.

In zekeren zin is de physioloog van den Haag van 1843 zijn gansche leven physioloog gebleven, en heeft de Flange zich nooit geheel verloochend. Inzonderheid ook hierin niet, dat hij, die zooveel studeerde en schreef, uren lang gezellig bij u kon zitten keuvelen, en altijd voor alles allen mogelijken tijd had, en, zooals ik reeds zeide, volstrekt niet den indruk maakte van iemand die veel werkte.

Bovendien, wel verre van zich te onttrekken aan de beslommeringen van het practische leven, bewoog hij er zich blijkbaar gaarne in: vóór zijne verkiezing tot lid der Tweede Kamer had hi;,: zitting gehad in den gemeenteraad van Deventer en Groningen, en later bij de internationale tentoonstellingen van Parijs en New-York trad hij als regeerings-com-missaris op; weken lang examineerde hij als lid der commissie voor de acte-exaiueus van middelbaar onderwijs, en aan de werkzaamheden van de plaatselijke schoolcommissie te Groningen nam hij met groote belangstelling deel. Ook op de taal- en letterkundige congressen is hij meermalen verschenen, en was voorzitter van het Haagsche in 1868.

Voorts heeft hij veel gereisd : benevens in België en Duitsch-land, vertoefde hij o. a. in 1847 en in 1853 maanden lang te Parijs voor zijn Lancelot en zijn Guillaume cCOrange, daartoe in staat gesteld door Z. M. den Koning, op wiens hooge bescherming hij ook had mogen rekenen voor zijne Dociri-nael. Met vele geleerden in Duitschland en Frankrijk persoonlijk bekend, was hij met enkelen hunnerin briefwisseling.

Jonckbloet had een druk leven, maar alles ging hem gemakkelijk, vlug en vaardig van de hand.

Zoo buiten ouze landpalen als daarbinnen was hij de gevierde geleerde; en daarbij denk ik niet zoo zeer aan de vele ridderkruisen, die zijne borst sierden, als wel aan de

ocr page 62

( 58 )

vereeren de onderscheidingen, hem te beurt gevallen door de aanbieding van het lidmaatschap van verschillende geleerde genootschappen en maatschappijen, ik noem alleen de Aka-demie te Berlijn en de Koninklijke Akademie alhier. Voor onze Akademie heeft hij — 't spijt mij het te moeten erkennen — niet veel geleverd; zyn rapport over den Theo-philus en het levensbericht van Eelco Verwijs, daarmede is, bedrieg ik mij niet, alles genoemd; ook hare vergaderingen woonde hij slechts zeldzaam bij.

Aan eene schets van zijn. karakter waag ik mij niet; ter beoordeeling eu waardeering van iemands karakter acht ik het volstrekt noodzakelijk te kunnen afgaan op persoonlijke ervaring, en bij ontstentenis van deze raadzaam voor den biograaf om zich te onthouden. Vooral bij een man als Jonckbloet, waar zoo licht de schijn kon bedriegen. Slechts één kleine bijzonderheid. Als men hem eenige oogenblikken sprak, scheen hij een der gelukkigste stervelingen, ware zondagskinderen, die het lief des levens kennen bij ondervinding, het leed alleen bij geruchte. En toch Rdtebeuf zegt terecht: »n'est pas tout or, quanqu'il reluit1'. Hijeven-min als zijne echtgenoote, Makia Jeannette Heneieïïe Schick, mocht zich verheugen in een goeden staat van gezondheid, het tegendeel is waar. Jonckbloet is vaak dcor ziekte geteisterd, en leed veel en langdurig evenals zijne echtgenoote, die hij met de teederste zorgen omringde, en waarvoor hem niets te zwaar viel van moeite of tijd; weken lang moest hij zelf soms zijne kamer houden door de kwaal, die hem ondermijnde; maar, al mocht hij bijwijlen aan den vertrouwden vriend zijn hart uitstorten, wie ontmoette hem ooit anders dan opgeruimd en vroolijk, een fransch liedeke neuriënd of een kwinkslag ten beste gevend, die deed wanen dat hetgeen hem naar de keel welde, ook lag op 's harten diepsten grond?

Was hij voor velen, die hem korter of langer kenden, ondoordringbaar, onbegrypelijk; ik durf geen poging wagen om te doen hetgeen zij getuigen noode te kunnen, te min-

ocr page 63

( 59 )

der, daar hier alleen het beeld van den geleerde behoeft te worden geteekend.

Wat, ten slotte, den geleerde aangaat: Jonckbi.okt schreef in 1851 in zijne Theocratie en Grondwet: »ik acbt mij versplicht, bij den strijd der meeningen niet te zwijgen, hoeswei ik niet dan schoorvoetend mij in het krijt begeef; «geenszins omdat ik niet begeesterd ben door het vast ge-sloof aan, of beter, door de innige overtuiging v;in de »deugdelijkheid der zaak, die ik voorsta; maar omdat ik »niet dan noode op dit terrein (het terrein der staatkunde) »de rol van criticus of censor vervul, die mij elders niets sdan miskenning en onwil heeft doen oogstenquot;40): elders, hij bedoelt: op het terrein van taal, letterkunde en geschiedenis; vier en dertig jaar later, in 1885, had hij dat gevoel van miskenning wel niet meer, maar kon den 1911 equot; October het hoofd nederleggen met de overtuiging, dat in de jaarboeken der nederlandsche philologie met gulden letteren staat geschreven de naam van Willem Jozef A?fdries Jonckbloeï, als die — het is een woord van zijn geliefden Hüygens — »hetgeen by wel begost, heeft manlick uytgevoertquot;.

ocr page 64

AANTEEKENINGEN.

1) //Ab huius scholae prorectore üulielmo Erancisco Schey priraum amor literarum in adolescentis animo excitatusest : aldus Prof. Ho vees in dc korte mededeeling aangaande Joicckbloet's leven en werken, gevoegd bij zijne — itovBRS was 1 b5ó—o4i üector luagniiicus der liooge-scliool te Groningen — bij zijne uitnoodiging tot dc inaugureele redevoering van den nieuw benoemden hoogleeraar.

14) Zie Gedenkboek der hoogesehool te Groningen, bl. 101.

3) J. Kneppelhüut, Geschriften, 1, bl. 237, vlgg.

8) Joitckbloet, Het pro fessoraat in de nederlandsche taal- en letterkunde (rede bij de aanvaarding van liet hoogleeraarsambt aan de leid-sche universiteit), bl. 10.

*) Letterkundige naoogst, I, bl. X.

5) Beatrijs en Caret ende Elegast (1859), Opdracht, bl. 1.

«) Brief aan de Vkies van 20 Maart 1840: «Ondertusschen heb ik reeds groote satisfactie over mijn jongsgeboren gesmaakt: 1quot;. door een allerliefsten brief van Prof. Clarisse, waarin tevens eenige aanmerkingen voorkwamen, die ik weet op prijs te stellen; 2°. door een zeer opgewonden brief van Willems, die mij door zijne ultra-bovesceit beschaamtquot;.

6') In den zelfden brief van 20 Maart 1840.

7) Jahrbücher fur wissenschaftliche Kritik, 1843, I, bl. 70S.

8) Belg. Museum, X, bl. 189.

JoNCKBLGET, Over wetenschappelijke beoefening der nederlandsche taal

(rede bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt te Deventer), bl. 41.

ocr page 65

( 61 )

10) Dr. p. praïp, Romantik unci germanisclie pliiloiogie, bl. 319, in de Sammhng von Fortragen van Trommel en Pïapf, XV, 9.

11) Lulofs, Verhandeling over den tijd van den eerst regten aanvang en vroegsten bloei onzer oude bepaaldelijk nedeelandsche letterkunde, en '/cel inzonderheid over het ongegronde van het gevoelen diergenen, welke op stout bes lissenden toon dien blnei voor een deel reeds in de ttoaafde eeuw stellen, bl. 57 en 58.

12) Verslagen en Berigten, uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering der oude nederlandsche letterkunde, T, bl. 11, 13 en 19.

Is4) Dr. M. de Vries, Brief aan Dr. W. J. A. Jonckbluet: Bijdrage tol de kritiek en verklaring van Karei de Groote en zijne XII Pairs (Tiorreinen), bl. 11 en Si, vlg.

13) Verhandeling enz., bl. 10.

1*) Handboek, Voorrede, bl. 1.

i^S) Dat Jonckbloet, de aangewezen opvolger van de Vries te Groningen, onmoselijk voor de oude vrienden van wijlen professor Lülofs een «persona grataquot; kon wezen, kan niet bevreemden, evenmin als dat zij het hunne hebben gedaan nm hem te weren. Maar het doel heiligt niet alle middelen: toen zijnen voorganger dan ook ter oore kwam, dat tot zelfs de wetenschappelijke verdiensten van den geleerde werden verkleind en in twijfel getrokken en zijn goede naam werd gebrandmerkt als //geüsurpeerde reputatiequot;, wilde hij van zijnen kant eene poging beproeven om de rechtmatige, onbetwistbare aanspraken van zijn vrieitd te handhaven. En daartoe meende hij niet beter te kunnen doen dan Jacob Grimm mot de zaak in kennis te stellen, en hem in overweging te geven in een schrijven aan onzen toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken zijn oordeel over den hem inzonderheid uit zijne geschriften wel bekenden geleerde uit te spreken, en zoo doende zijn gewicht in de schaal te leggen. Te eerder ging de Vries over tot dien stap, aangezien hij van Grimm, die buiten de partijen stond, een oordeel kou verwachten vrij van alle antipathie en ongunst maar tevens van persoonlijke genegenheid — waarvan zelfs geen sprake kon zijn — of vooringenomenheid, een oordeel, dat de zuiverst objectieve beschouwing van de wetenschappelijke verdiensten van Jonckbloet waarborgde. Grimm voldeed gaarne aan den wensch van de Vries en schreef aan den Minister.

Met toestemming van onzen Minister van Staat en van Binnenlandsche Zaken, Mr. J. Heemskerk Azn , wien ik daarvoor mijn oprechten dank betuig, deel ik dat schrijven hier mede, eene welkome bijdrage tot de

ocr page 66

( 62 )

correspondentie van den man, wiens uitgegeven brieven liet verlangen naar de nog ongedrukte voortdurend versterken.

An seine Escellenz den Königl. Niederlandischen Minister van Bin-nenlandsclie Zaken im Haag.

Me in Uerr,

Eurer Excellenz wird es nur im ersteu augenbliok auffallen, dasz ein auslander sich die freiheit nimmt dieses sclireiben an Sie zu riehten. Die wissenschaften erkennen keino grenzen, im gegentlieil ihr streben geht dahin, die abgesteckten untersohiede der völker zu iiberschreiten imd das band zu festigen, das in weitem umkreis zwisclien allen ge-sclilungen werden soil.

quot;Von jelier mein studium aul' deutsclie spraclie und gescliiclite richtend muste ich bald zur einsicht gelangen, dasz bei der innigen ver-wandschaft Deutschlands und der Niederlande eine genauc kenntniss beider hand in hand zu gehen habe. Ich bemühte mich also aach die eigenthümlichkeit der niederlandischen sprache, sowol da wo sic mit der hochdeutschen einstiramt als von dieser abweicht, eifrig zu er-forschen.

Nachdem vor achzig jahren dureh Balthazar Huydekoper den mit-telniederliindischen denkmiilern gründliehe sorgfalt zugewandt worden war, borte die wirkung davon allmalich auf, wie ein ins wasser geworfner stein a ui dessen oberfiache immer weitere und schwiiehere kreise hinter-laszt, bis endlich auch die letzte spur verschwindet.

Spater nahm unter uns in Deutschland die wissenschaft des vatcr-landischen alterthums frischen und nachhaltigen schwung, der in den Niederlandcn nicht unbemerkt bleiben konntc. In Holland zumal ist durch eines begabten mannes und seiner genossen antrieb diese belc-bung cinheimischer philologie geweckt und geniihrt worden. Ich meine herrn Jonckbloet zu Deventer. Hier in Deutschland fragen wir uns wol, woher es komme dasz die arbeiten dieses ausgezeichneten geb'lirton, dort geringeren eindruck zu maohen scheinen als unter uns, und jergen unsere verwunderung nicht, warum er noch keineswegs in eine solche auszere lage versetzt wnrde, die es ihm möglich macht seinj kennlniöje recht fruchtbar werden zu lassen.

Oft gesehieht es, dasz eine stimme aus der ferne lanter und vernehm-licher ersehallt als aus unmittelbarer niihe. In meiner von Holland ganz unabhangigen stellung, und ohne mit hrn. Jonckbloet in engerem ver-kehr zu stehen (ich lernte ilin persönlich kennen, empfieng abcr in den letzten jahren keine briefe von ihm), aus reger, rein wissenschaftlicher theilnahme, erlaube ich mir, diesen verdienstvollen, vorragenden mann warm zu empfehlen. Leicht werden Sie rath und veranlassung linden.

ocr page 67

( 63 )

sicli zum heil der mederlandisclien literatur einos talentes zu bemachtigen dessen wirksamkeit uur ersprieszlich seiu kann.

Ehrerbietig bin ieh Eurer Excelienz

gehorsamer diener

Berlin, 20 Novemb., 1853. Jacob Geimji.

15) Uit zijne brieven blijkt mij, dat hij iu 1857 plan heeft, gemaakt het Sj/stem te vertalen in het hollandsch tot bladzijde 258, alzoo de TUnleituny en het eerste deel; a. Die spraehe in der sphare dor allge-meinheit, als organ des menseheageistes überhaupt: 1°. Begriff und weseu der spraehe; nothwendigkeit und ursprung derselben; 2°. Heali-sirung der spraehidee; innere (vorgesehichtliehe) entwiekelung; b. Die spraehe iu der sphare der besonderheit; 3°. Die spraehe als orgaL des individnellen geistes: en dit gedeelte te bestemmen tot inleiding op zijne oollegies over onze moedertaal.

16) Geschiedenis van het Genootschap //Belgieis Litteris Sacrum.quot;, redevoering uitgesproken bij de herdenking van hel io-jarig bestaan, den'iOslen October 1873, duor den Secretaris J. A. Worp, bl. 7.

17) JoKCKBLQjix, La liquidation entre le roi/aume des Pags-Bas et te grand-duché de Luxembourg, bl. 4.

17 4) Bijblad, 1864 -65, bl. 166.

Is) ï. a. pi., bl. 5.

18 4) Bijblad, 1875—76, bl. 1050.

19) ï. a. pl., 1868—69, bl. 1113; 1870—71, bl. 6t3; 1871—72, bl. 413; 1875—76, bl. 1186.

I94) ï. a. pl., 1861—65, bl. 198.

20) T. a. pl., 1872—73, bl. 1814.

si) T. a. pl. 1868—69, bl. 517.

23) Beatrijs en Caret ende Elegast, bl. 4 en vlg. der opdracht.

23) Albrecht von Graefe und die Ueberreichung der Graefe-Medaille an Hermann von Helmholtz, Redi, in der Pestsitzung der Ojihthatmotogischen Gesellschaft in der Aula der Heidelberger Universiteit am 9 August 1886 gehalten von F. C. Doudejrs, bl. 34.

ocr page 68

( 64 )

24) De Gids (1850) I, bl. 138 en vlg.; Martin, Reinaert, bl. 421: //eine gründliobe Bebandlung dieses Gegenstandcs bietet bis jetzt nur Jokckbloets Schrift: O eer mnl, epischen versbouw.'*

^4) Dr. W. L. van Helten, Over mnl. versbouw (1884), bl. 1.

26) Geschichte der deutschen Dichtung, I, bi. 4.

28) Geschiedenis der mnl. dichtkunst, II, bl. 397 eu bl. 261.

87) T. a. pi.. Ill, bl. 84.

WJ) T. a. pi., I, bl. 400, 111, bl. 575.

28) Dietsche Warande, 1, bl. 592 en vlgg.; G er mania, I, bi. 488 eu

vlgg-

29) Nominale Stammbildungslehre der altgermanischen Dialede, bl. 3.

29 4) Jacob Grimm, Kleinere schriften, V, bi. 455, 1Ü3 en 404.

30) Wilhelm Knobr, Die zwanzigste branche des Ito man de Re nart v.nd ihre nachbildungen nehst einem kurzen nachtrage zum Reiuardus Vulpes, bi. 35, noot 22; Ernest Martin, Examen critique des manuscrits du roman de Renart, bl. 3 alwaar: //il faut admirer d'autant plus ia saga-oité de ses recherches, iesqueiles en beaucoup de points ont été confirmees par ia nouvelle collation des manuscritsquot;.

sl) Leon Gautier, Les épopeés franqaises, IV, bl. IX, 29, 65, 66, 67; Guessard et de Montaiglon, Aliscans, Chanson de geste, enz. (Tome X van de Anciens Poëtes de la France), bl. LXXXVI en XX.

s2) L. Gautier^ t. a. pl., bl. 67 en bi. 280 sub f.

88) Geschiedenis der mnl. dichtkunst, I, bi. 7.

54) Overijs. almanak, 1850, XV, bl. 298 en vlgg.

55) Nederland, II, bl. 425 (1878).

S8) Geschiedenis der nederl. letterkunde, V, bl. 329 en vlg.

87) Redevoering te Deventer (1848), bl. 13.

38) Gesch. d. n. letterk., IV, bl. 121 en vlg.

ocr page 69

( 65 )

se) L. Sp., III, 3, vs. 129 vlgg,

39 4) Litterarische Fantusün IV, Vil, bi. 105, ahvaar o. a.: »Akna Buns wordt bekeken tot op het hemd, en zelfs er onderquot;, ondeugend, maar onwaar?

40) Zie J. van Vloten, Jonokbloet's zoogenoemde geschiedenis der nederlandsche letterkunde, ten dienste van haar lezers getoetst en toegelicht, passim.

41) Feestrede, bi. 17.

43) Gesch. d. n. letterk., 1V; bl. 478.

43) Be Lantaarn, 1885, n0. 21; Prof. J. ■ door Dr. Jan ien Bbinx. bl. 2.

Aliscans, bl. XXXIV.

45) Theocratie en Grondwet, bl. 26.

verbetee1ng.

Bladz. 2, r. 11 v. o. moet voor //zijne ouders schijnenquot; worden gelezen: //zijne moeder schijntquot;, zijn vader toch was toen reeds overleden,

5

ocr page 70

GESCHRIFTEN VAN Dr. W. J. A. JONCKBLOET,

1839. Over het gedicht De Leuvemche Kampvechter. Brief aan J. F. Willems {Belg. Mus., Ill, bl. 105 eii

1840. De kroou van Nederland (dichtstukje in den Leid-schen Studenten Almanak van 1840).

Specimen exhibens Lüdovici de Velthem Chronici, quod iuscribitur Speculum Historiale, librum III. Letter- en geschiedkundige aanteekeningen op de Rym-kronyk van Jan van Heelu, betreffende den slag van Weeringen (1288), nagelaten door wijlen Mr. W. H. van Wijn (uitgegeven door J. met A. W. Kroon).

1841. Cluys-werck. Dichtstuk van Constantijn Hüygens. Beatrijs, eene sproke uit de XIIIe eeuw.

Aanhangsel op de sproke van Beatrijs.

1842. Die Dietsche Doctrinale, leerdicht van den jare 1345.

1843. Verslag eener letterkundige reize door Duitschland {De Gids, 1843. Mengelingen).

Physiologic van den Haag.

Beoordeeling van Vanden levene ons heren, een rijmwerk , uitgegeven door Vermeulen {De Gids, 1843, Boekheoordeelirgen).

1844. Karei de Groote en zijne XII Pairs (Lorreinen), fragmenten, Werken der Vereeniging, I, 3.

1845. Beoordeeling van Tideman's Dhoec van den Hcute {De Gids, 1845, Boekh,).

ocr page 71

( 67 )

Beoordeeling der vertaling van Wolf's Niederlcindische

Sagen {De Gids, t. a. pl.).

Die Dietsce Oatoen, een mnl. leerdicht.

Iets over de oude Kederl. bijwoorden Saren, Saerrneer,

en eenige andere composita met meer {Alg. Kunst- en

letterbode, 1845, II).

Het Ridderfeest van St.-Jacob. Een hoofdstuk uit een roman getiteld: » Der Kerlen God.'' {De Tijd, I, bl. 97 en vlgg.)

Mr, J. van Lennep, beschouwd als meer dan romanschrijver iT. a. plM II, bl. 71 en vlgg., en 129 en

vlgg-)-

1846. Beoordeeling van Lulof's Handboek van den vroegsten bloei der Ned. letterkunde {De Gids, 1846, I. Boekh). Overzigt van verspreide mnl. gedichten, fragmenten en letterkundige mededeelingeu (uitgegeven door J, met M. de Vkies in de Verslagen en berigten der Vereeniging van 1846).

Fragment van een dichtwerk, betreüende de geschiedenis der apostelen (uitg. door J. met M. de Viues, t. a. pl.).

Berigt omtrent fragmenten van een tweede handschrift van Velthem (t. a. pl.).

Nog iets over den roman der Lorreinen (t. a. pl.), Sinte-Barbara-avond, 1363 {De Tijd, II, bl. 169. en vlgg),

1846/48. Boman van Walewein, 2 deelen.

1846/49. lloman van Lancelot, 2 deelen.

1847, Walewein. Een blad uit den oud-nederlandschen roman van Lancelot. {De Tijd, bl. 41 en vlgg.).

1848. Redevoering over wetenschappelijke beoefening der nederlandsche taal (bij de aanvaarding van het professoraat in de vaderlandsche geschiedenis en letterkunde te Deventer),

1849, Over middennederlandschen epischen versbouw.

Spiegel historiael van Maeelakt, 4e dl., uitgegeven

ocr page 72

( 68 )

door de 2e klasse van het Kon. Nederl. Instituut. Nalezing.

Vondels Lucifer, eene politieke allegorie [Overijs. Almanak, XV).

1850. Le roman de la charrette, d'après Gaüthier Map et Chrestien de Troies.

1851. Theocratie en Grondwet, eene reeks van historisch-politische voorlezingen.

De Dierensage in Vlaanderen. Fragment eener geschiedenis der mnl. dichtkunst {De Gids, 1851, D. 1851/52/55. Geschiedenis der middenuederlandsche dichtkunst, 3 dln.

1854. Redevoering over de beoefening van de geschiedenis des vaderlands in wezen en strekking (hij de aanvaarding van het professoraat te Groningen). Guillaume d'Orange. Chansons de Geste des XIe et XIIe siècles (2 Tomes).

1866. Vanden Vos Reinaerde.

1859. Beatrijs en Car el en de Elegast.

1860. Rapport over de bijdrage tot de kritiek van het mnl. gedicht Theophilus (door J. met Brill ; Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akademie, Afd. Letterkunde, VIe Deel.)

1862, Taal en gezond verstand {Volksalmanak van het Nut, 1862).

1863. Etude sur le roman de Renart.

l'JG'l. Gedenkboek der Hoogeschool te Groningen, ter gelegenheid van haar vijfde halve eeuwfeest. Het verleden onze roem, de toekomst onze hoop, feestrede ter viering van het tweehonderd vijftigjarig bestaan der Groninger hoogeschool.

1865. Het koloniale vraagstuk in de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

1866. De Schoolwet-agitatie.

1867. Guillaume d'Orange, le marquis au court nez. Chan-eon de Geste du XHe siècle, mise en nouveau langage.

ocr page 73

( 69 )

1868. Het Kabinet Van Zuylen. Een woord aan het Neder-landsche volk.

Feestrede ter gelegenheid van den driehonderdsten verjaardag van den slag bij Heiligerlee en den heldendood van Graaf Adolf van Nassau.

1868/72. Geschiedenis der nederlandsche letterkunde, 2 dln.

(In het duitsch vertaald door Mevrouw Lina Schneidsr onder den titel: Jonekbloet's Gesoliiehte der Niederliindisclien Litera-tur. Von Verfasser und Verleger des orig. Werkes autorisirte deutsche Ausgabe von Wilhelm Berg. Verzeichniss der niederl. Sehrifosteller und ihrer Werke von Ejinsi Martin. Dl. 1,1S70. Dl. II, 1872.)

1869. Oprechtheid. Een woord over den Hr. J. W. Brouwers.

1871. La liquidation entre le royaume des Pays-Bas et le Grand-duché de Luxembourg.

1872. Beknopte geschiedenis der nederlandsche letterkunde. 1873/74. Geschiedenis der ned. letterk., 2 dln. (tweede, geheel omgewerkte uitgave).

1877. Redevoering over het professoraat in de nederlandsche taal en letterkunde (by de aanvaarding van het professoraat te Leiden).

1879. Beoordeeling van Palamedes en Gijshrecht van Amstel, kritische studiën door Dr. Theod. Jorissen {Spectator, 1879, bl. 296 en 302 en vlg.).

1880. Beknopte geschiedenis enz., enz. (tweede geheel omgewerkte uitgave).

Nieuwe Refereinen van Anna Buns (door J. en van Helten), le en eenig stuk).

1881. Aankondiging van Mubad Ependi's Dramatische Werke {Spectator, 1881 , bl. 259, 267, 275 en

vlggO-

Marino Faliero, treurspel in vijf bedrijven naar het hoogduitsch van Mükad Efendi.

Levensschets van Dr. Eelco Veewijs {Jaarboek van de Kon, Akademie voor 1881).

ocr page 74

( ?0 )

1881/82/83/S4/85. Geschiedenis der ned. letterkunde,. 5 dlnlt; (derde, geheel omgewerkte uitgave) *),

1882. Correspondance et oeuvre musicales de Constantin Huygens (publiéea par J. et J. P. N. Land).

1886. Nieuwe Refereinen van Anna Bijns, benevens enkele andere Eiederijkers-Gedichten uit de XVIe eeuw (door J. en Van Helten). le Stuk. (Maatschappij der Vlaam-sche bibliophilen, 4e reeks, N0. 6.). f)

♦) Het zesde deel is verschenen in 1886, bezorgd door Dr. G. Penon. f) Op volledigheid maakt deze lijst geen aanspraak: zoo heeft Jonck-bloet in het Tijdschrift De Beeldende Kunsten, waarvan drie jaargangen zijn verschenen (1840—42), gewis een en ander stukje geschreven, maar zonder naam, en van dien aard is er wellicht meer.

ocr page 75

5 dlou

lANTIN

enkele T (door 71aam-

Penon. Jonck-irgangen sn, maar

ocr page 76
ocr page 77