POLITIEKE
NABETRACHTING
DOOR
Mquot;. W. WINTGENS.
Tweede vermeerderde en verbeterde Uitgaaf.
1848â1885.
An nesois, mi fili, quantilla prudentia regatur ortis?
AXEL OXENSTJERNA.
's-GRAVKNIIAOK,
GE BR. BELINFANTE. 1887.
/â¢S' /dPS^y -i'', y
POLITIEKE NABETRACHTING.
An nesols, mi fili, cpiantilia prudentia regatur orWs?
AXEL OXENSTJEKNA.
----------
(lerirukt bij GEBR. BELINFANÃE, voorh.; A. D. SCHINKEI,. --------
POLITIEKE NABETRACm
MK. W. WINT GE NS.
1848-1885
Tweede vermeerderde en verbeterde Uitgaaf.
«Het gemelick verhael van Staetsche vodderjeu, Van Werelts werringhen en meen lek niet te lijen : (Die wetten schrijv' ick voor) ick bann den heeler. Haegb, Met all sijn achter-klapp, iek bann de vnijle plaegb Van loose pleiterij, lek bann d'onstnymigbeden Van over-heerigh volck in ongeruste Steden,
Den niewen overgangh. Ick bann het bits vermaen Van Kercken-spertelingh: Staet uyt, Arminiaen,
Die op den Gomarist uw* tanden meent te slijpen ; En staet ujjt, Gomarist, die desen meent te grijpen En krabben d'oude roof van 't seer van Achtien op: (1618) All die u sulcken gall voelt steken in den kropp,
Ick bidd u, staet van verr, en laet de vnijle luchten, Van sulcke poelen hier d'onnoosele genuchten Van beter onderhoud niet smetten met verdriet:
Vergalt ons' eenigheit met sulcken Alssem niet.quot;
HUIJGENS. Hofwijck. 1653.
----â-
quot;s-GRAVENlIAGE,
GEBR. BELINFANTE. 1887.
J
rOLIïIEKE NABETRACHTIN(1.
184.Sâ1885.
Op 15 December 1848, bij de nieuw ingetredene orde van zaken, werd ik op dertigjarigen leeftijd voor het kiesdistrict Delft naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal afgevaardigd; een mandaat dat sedert telken male door mijne kiezers werd vernieuwd. â Met 4 Januarij 1868 werd mij, onder evenzeer geheel buitengewone omstandigheden, de betrekking van Minister van Justitie aangeboden en vond ik destijds geene vrijheid om dit aanbod af te wijzen. Deze betrekking werd door mij niet langer bekleed dan tot den 4lt;iC1, Jimij van dat jaar, toen het Kabinet, ten gevolge der verwerping, op 28 April. van de begrooting voor Buitenlandsche Zaken, genoodzaakt werd af te treden. â Op 14 Junij 1871 werd ik op nieuw gekozen tot lid der Tweede Kamer, ditmaal voor het kiesdistrict 's Gravenhage, welk mandaat sedert eveneens telken reize werd hernieuwd, totdat ik, op 13 Maart 1885, een reeds vroeger gekoesterd besluit heb ten uitvoer gebragt om mijn mandaat in den boezem der Volksvertegenwoordiging nederteleggen.
Al enkele jaren te voren had ik aanleiding gevonden om daarop bedacht te zijn en voor eene nieuwe verkiezing mij niet weder beschikbaar te stellen; doch ik werd daarvan door den aard der tegen mijne herkiezing gerigte aanvallen, bepaaldelijk in het voorjaar van 1879, teruggehouden. Deze waren van meer bijzonderen aard en verdienen slechts als teeken des tijds herinnerd te worden. Het orgaan der anti-revolutionnairen bragt, op 31 Maart 1879, het berigt, dat er in Den Haag eene vereeniging was opgerigt om deze herkiezing te bestrijden âter wille van zijne buiten Gods woord vallende politieke beginselenquot;. Sedert werd geschreven; âdat nooit of nimmer met beter zeggenskracht en warmer gloed van overtuiging de strijd tegen de geloovige Christenen op politiek gebied was gevoerdquot;; later werd zelfs gewaagd van âden meest principieelen tegenstander van wat ons Christenvolk belijdt en bedoelt.quot;
Deze geheel liyzantijnsche beschuldiging maakte een einde aan iederen twijfel en ik noodigde, op 26 April 1879, den welbekenden schrijver uit, in
de voorrede van een toen uitgegeven bundel redevoeringen, om, of deze onbehoorlijke aantijging van impiëteit in te trekken, of zich tegen mij over te stellen bij de aanstaande verkiezing. In plaats daarvan ging men voort de behoudende rigting op allerlei wijze te belagen en verdacht te maken; eindelijk met dit gevolg dat zij van het politiek tooneel werd verdrongen en hare plaats is ingenomen door aanhangers der Kerkelijke partijen. Het politiek evenwigt is daarmede verbroken; maar ook het woord van Bluntschli bewaarheid: âdie Religion gewinnt selten dabei und die Politik voird immer dadurch verdorhm.quot; Verg. mijne aanteekening over de Augsburgsche Geloofsbelijdenis op bl. 149â151 in de Redevoeringen 1879â81.
Deze voorbeeldelooze en naar mijn inzien volkomen bedorvene politieke toestand bragt in den laatsten tijd mede dat van mijne stem â geheel geïsoleerd tegenover de beide andere rigtingen â de gewigtigste besluiten afhankelijk waren. Moge zulks al voor het oog van velen den uitwendigen schijn hebben opgeleverd van een eenig voorbeeld van magtsbetoon, inderdaad was het een toestand van on verdragelij ke magteloosheid om de meer gematigde beginselen, die ik gedurende mijne gansche parlementaire loopbaan verdedigde en betrachtte, in toepassing te zien brengen. Ik verkoos daarom niet langer de verantwoordelijkheid te dragen van, mijns ondanks, tot toestanden en maatregelen te hebben medegewerkt waaruit ik maar al te zeer een groot en onherstelbaar nadeel voor de liberaal-conservatieve beginselen te gemoet zag en bijgevolg, naar mijne innige overtuiging, de meest sombere toekomst voorliet Vaderland is te verwachten.
Voor hem die meent de ware nationale belangen te doorzien en die ze naar pligt en geweten verlangt te behartigen, is zoodanige stelling tusschen twee stroomingen die men beide evenzeer afkeurt, ten eenenmale onhoudbaar en mag hem redelijkerwijze door niemand worden euvel geduld, wanneer eindelijk die last door hem wordt nedergelegd. (1)
Eenmaal tot dat volkomen vrije standpunt teruggekeerd door mijne aftreding op 13 Maart 1885, lag het in den aard van dien toestand, ja was voor
(1) Onder soortgelijke iiitlrukken van ontmoediging en weerzin trok, in October 1796. Grattan zich terug uit liet Parlement van Ierland. vAttristé et decouragé, sentant venir une crise dans laquella la voix de la moderation ne réussirait pas d se faire entendre, il prit la resolution de quitter la vie puhliquequot;. (Hebvé, les Origines de la crise Irlandaise. Rev. des deux Mondes, XI.I, 159. (1880) en Paul Dkvaux, zijn ontslag nemende uit de Belgische Kamer van Vertegenwoordigers, schreef in 1872: »ÆÂ« me retire. Je ne saurais flétrir ma vie politique passée par Ie démveu des principes de moderation et de prevoyance qui Vont inspirée tout entière. Je ne puis aujourdhui. par je ne sais quel entrainenient irré/léchi, accepter par f'aiblesse on par surprise la responsabilité de principes mal définis, qui nont encore ctr discutés nul Ie part, dont je redoute de vair sortir ou de grands revers pour Vopinion lihr-rale, on. s'ils ont le temps de prodnire ces consequences, le plus sombre avenir pour Ie pays entier.quot; (Revue Générale, XLII 134, 1885.) Vergelijk eene dergelijke verklaring van .1. 0. Baud (9 Aug. 1850) in diens leven door Mui;k beschreven, bl. 009.
7
mij zeiven niets meer belangwekkend dan dat ik een nauwgezet onderzoek instelde naar de politieke gedragslijn, welke door mij was gevolgd nadat in 1848 de betrekking van Volksvertegenwoordiger mij werd opgedragen, en zulks onder die lange reeks van Kabinetten, welke zich sedert dien tijd in Nederland hebben achtervolgd op eene wijze, waarvan in de andere constitu-tioneele staten geen tweede voorbeeld te vinden is; alsmede gedurende het korte tijdsbestek dat voor mij een Ministerieele werkkring was geopend.
Dat onderzoek strekte zich uit over een tijdvak van zeer vele jaren, gedurende hetwelk alle groote nationale belangen ter sprake waren geweest. Met volkomene vrijmoedigheid meen ik te mogen verklaren, dat mij bij al die herinneringen nog -steeds op alle de groote punten van nationaal belang volkomen dezelfde overtuiging is bijgebleven en dat ik nu nog geheel dezelfde beslissingen zoude helpen uitbrengen, die vroeger en later daarover door mij werden genomen.
Eene beknopte recapitulatie in breede trekken reken ik thans tegenover mij zeiven gepa.st en hoezeer van persoonlijken aard, jegens het algemeen niet ontijdig of ongeoorloofd.
Met den aanvang van 1849, toen de nieuw gekozene Kamers der Staten-Generaal te zamen traden, was er een Kabinet aan het roer, dat zijne beste dagen had beleefd en wiens groote taak scheen te zijn afgeweven. Die taak was geweest de herziening onzer Grondwettige instellingen.
Ook ik had met jeugdig vuur daarnaar verlangd en uitgezien. Ten blijke daarvan moge dienen hoe door mij en eenige mijner vrienden met Metman aan ons hoofd, op 8 Mei 1848 een verzoekschrift werd ingediend om op de herziening der Grondwet met de invoering van regtstreeksche verkiezingen aan te dringen. In ons adres kwam het volgende voor: â âDaarom wordt echter door ons, wat velen met die verkiezingen schijnen te verwarren,-geen algemeen stemregt, geen âsuffrage universeV' verlangd. 11'ij ivcnschen alleen dat de ingezetenen die belang hebben bij en genoegzame kennis van de algemeene zaak, zelve tot de keuze hunner vertegenwoordigers medewerken.'''' (1) Ook thans nog schijnt mij dit kenmerk de eenige ware en goede eigenschap van een wel-ingerigt kiesstelsel te zijn en te moeten blijven.
De hervorming van de verkiezingswijze op den voet van het Voorloopig Kiesreglement kwam met November 1848 door de nieuwe Grondwet tot stand en met December in werking. Gaat men de reeks na van de destijds
(1) Handelingen over de lierzieuing dei- Grondwet. '1847â1848. I 226. I.ivius drukte deze leer der oude Romeinen aldus uit; ».4 censu maxime el Senatum et Indices legit potentio-remquc earn partem civitatuni fecit, cui salca tranquillaque omnia magis esse e,rpediel)at.quot; XXXIV 5*1. Cicero zeide: «SiiFivius Tli.lils curavit quad semper in republica tenendum est, ne plurimi valeant plurimum.quot; Later nog: »Js valebat in suffragio plurimum cujus ]il'n-imimi intererat esse in optima statu civitatem.quot; do Republica li. \ erg. von Gagisrn, Mein Antlieil au der Politik. 111. 184.
8 '
gekozenen, waarvan thans nog maar zoo weinigen tot het rijk der levenden behooren, dan zal niemand ontkennen dat er een nieuw en krachtig leven op politiek gebied was ontstaan en dat daaronder, met sommige jeugdige en nieuwe elementen, de meest ervarene en kundige mannen, die destijds de politieke toongevers waren in den lande, hunne plaats in de Kamers der Staten-Generaal hadden gevonden. (1)
Reeds aanstonds verscheen daar naast Donker Cürtius en Groen van Prinsterer, naast van Hall en van Nispen van Sevenaer met zoo menig ander man van beteekenis, de eigenaardige figuur van Thorbecke met zijn afgemeten toon, door Qüintilianüs, IV 2 âahruptum dicendi genusquot; genoemd, om wederom de plaats in te nemen, die hem vroeger mo ten onregte was onthouden. Aan de Leidsche Hoogeschool had ik hem als Hoogleeraar leeren kennen en hoogachten. Zijn onderwijs in ons Grondwettig Staatsregt, in onze politieke geschiedenis sedert den vrede van Munster en in die van de Euro-peesche Diplomatie van 1660 tot het Weener Congres â de colleges door Thorbecke in mijn akademietijd gegeven â was door mij op hoogen prijs gesteld. Onder de nieuw gekozenen waren er meerderen met mij in datzelfde geval.
Nauwelijks was de nieuwe Kamer te zaam gekomen en met haren arbeid aangevangen of er werd van zijnentwege door het oudste lid der Kamer, Mr. S. H. Anemaet, tot 'de jongere leden eene uitnoodiging gerigt om ten diens huize in het Xoordeinde alhier, bijeen te komen ten einde zich te leeren kennen en over de eischen van den tijd onderling te raadplegen. Met-verschillende mijner tijdgenooten begaf ik mij derwaarts en nog staat mij levendig voor den geest, hoe Thorbecke ons daar, staande naast den schoorsteen en sprekende in eene taal gelijk men alleen gewoon is te schrijven, zijne inzigten ontwikkelde en de wenschelijkheid betoogde van overleg te plegen, ten einde gepaste zamenwerking te verkrijgen en op afdoende wijze in 's Lands belang werkzaam te zijn; doch evenzeer ligt mij nog versch in het geheugen hoe ik aanstonds bij het verlaten dier vergadering, op de Groenmarkt aan mijn vriend Mr. J. Dirks uit Leeuwarden te kennen gaf, dat ik voor mij er de voorkeur aan zoude schenken om meer op mij zeiven te blijven en mij niet in dusdanig partijverband te begeven; â een voornemen waarvan ik sedert ook niet ben afgeweken (2). De ver-
(â 1) Dit mag evenzeer worden gctuigil van de verkiezingen in Augustus 1850, na de invoe-l ing der Kieswet. De regeering wilde destijds met de Kamers van 1848 voortwerken, waartoe np 12 Julij 1850 nog eene loting tot bepaling der aftreding van de lielft der leden gehouden werd; maar door de verklaringen van van Dam van Isselt en eenige andere leden, waaronder ik behoorde, dat zij toch hun ontslag zouden nemen, ten einde do nieuwe kiescollegiën in staat te stellen hun last al of niet te vernieuwen, werden de beide Kamers ontbonden.
('2) Zie mijn antwoord aan den Minister Loudon op 20 Dec. 1861 en eene gelijksoortige verklaring op 17 Nov. 1872 afgelegd omtrent mijn strijd met de antirevolutionnaire partij.
O
eeniging, waarvan destijds op die wijze de eerste grondslagen werden gelegd, heeft zich sedert op geregelden voet gevestigd en dikwerf een overwegendon invloed op den parlementairen loop van zaken uitgeoefend.
Ter gelegenheid der debatten over de Staatshegrooting voor 1850, meende ik mijne opvatting van den politieken toestand, nu de aftreding van het Kabinet Donker Curtiusâde Kempenaer had plaats gehad, onbewimpeld te moeten te kennen geven; ook om daarbij wat mij aanging te verklaren, dat ik een onpartijdig standpunt â âgeen blind ministerialisme, en geene oppositie quand mêmcquot; â wenschte in acht te nemen en waarbij ik tevens, in het algemeen belang des lands, den partijstrijd betreurde die onder mannen van gelijksoortige rigting â de toen afgetreden bewindslieden en hunne opvolgers â was opgerezen ; een toestand welke noodwendig op onderlinge vernieling van krachten en alleen mogelijk voordeel voor den gemeenschappe-lijken vijand moest uitloopen. (10 Dcc. 1849).
Op die wijze had ik destijds, in- en uitwendig mijne stelling gekozen zoowel jegens mijne medeleden als tegenover het Bewind, bij den aanvang der gewigtige parlementaire werkzaamheden, die destijds waren aan de orde van den dag (1).
Twaalf jaren later â wederom bij eene algemeene beraadslaging over de Staatshegrooting, toen het tweede Ministerie Thorbecke in aantogt was, vond ik het andermaal gepast mijne-inzigten omtrent de politieke gesteldheid te schetsen door een overzigt te geven van den loop der zaken onder de verschillende Kabinetten, die zich met en sedert de zoogenaamde Aprilbeweging van 1853 waren opgevolgd. Ik stelde mij daarbij op nieuw het
(1) De snelle en getrouwe openbaarmaking der debatten gaf mij toen en later als lid dsr Imishoiidelijke en stenographische commissiën ruime stof van bemoeiing. Op mijn voorstel werden de Handelingen der Staten-Generaal sedert 1815 bijeen verzameld en uitgegeven, waarvan eerlang het jaar IS^Sâ'20 verschijnt. In October '1861 trad ik daarover te Brussel in een onderhoud met den Belgischen Minister Rogieu, die zijne medewerking beloofde, doch wiens steun zich bepaalde tot eene inteekening voor oen zeker getal exemplaren. (31) Men zie over deze uitgave het verslag der zittingen van 6 Oct., 28 Nov. 1800, en l i- Nov. ISC^. Voorts mijne redevoeringen i860â73, bl. 266; 1873â75, bl. 73; 1877â79, bl. 21 : 1879â81, bl. 90 en 170 en 1883â84, bl. 96,
Onder de leiding van Nooudzikk en den heer Steger heeft onze Stenographische inrigting eene groote mate van voortreffelijkheid bereikt. Het oude: «Deze rede znl later worden medegedeeldquot; komt niet meer voor in de verslagen. Eenmaal liet de commissie de redevoeringen van Thorbecke, die zeer achterlijk was in de terugzending, onveranderd afdrukken. Men zie de gevolgen in blad 101 en 102 van het Bijblad van 1864â65.
Men kan ook hier zeggen: niets nieuws onder de zon. Reeds QuintilianüS schreef: nfkid-terae r/uae sub meo nomine feruntur, negligentia excipientium in quaestum notariorum corrujjtae, minimam partem mei habent.quot; Villi. â Augustus sprak daarom in den Senaat, tot het leger en het volk, niet anders: nnisi meditata et composita oratione et quidem de scriptoquot;. Suetonius II. 84. â Bij Cicero leest men ook van eene rede, welke 'yprnpter rei tiuu/niludinein dicta de scripto estquot;, (Pro IMaucio 30.)
10
ideaal voor oogen dat ik mij in mijne jeugdige verbeelding van de voortreffelijke eigenschappen der constitutioneele Regeering had gevormd en poogde de vraag te beantwoorden in hoeverre in den loop dier tijden daaraan was beantwoord. De uitkomst mijner nasporingen, toen zonder zeer veel terughouding uiteengezet, was verre van schitterend. (25 Nov. 1861).
Het kon uit dat retrospectief betoog tevens blijken, hoe ik gedurende het eerste quot;Ministerie Thorbecke een ijverig deel had genomen aan do debatten over de drie groote organieke wetten, die onder zijn beleid, in 1850 en 1851, tot stand waren gekomen. In die tot regeling van het Kiesregt had het mij mogen gelukken, met goedkeuring van Thorbecke, verschillende wijzigingen te doen aannemen; de Provinciale wet hielp ik mede verdedigen tegen het verwijt van Gtroen van Prinsterer, dat zij een overdreven centralisatiegeest huldigde (20 Junij 1850); maar terwijl in de Gemeentewet door mij eenige meerdere vrijheid in eigen kring, althans voor de grootere gemeenten werd voorgestaan, had ik het daarbij voorgedragen gemeentelijk belastingstelsel met alle kracht, als daar geheel misplaatst en niet voldoende aan den eisch des tijds, bestreden (12â24 Mei en 2 Junij 1851): â eene bestrijding die ik meen dat sedert door den loop der gebeurtenissen maar al te zeer is geregtvaardigd.
Twee met de opvatting van Grondwettelijke bepalingen in verband staande vragen werden in 1850 door mij te berde gebragt; vooreerst of niet aan de Staten-Generaal, in vereenigde zitting vergaderd, het regt van amendement toebehoorde? (23 April 1850) De verwerping van een voorstel in dien geest door mij gedaan en verdedigd, had ten gevolge dat destijds in eene regeling der Voogdij des Konings niet is kunnen worden voorzien, daar de hiertoe strekkende voordragt, die niet kon worden gewijzigd, met eene groote meerderheid werd verworpen. (22 Julij 1850). Evenzoo gaf ik (12 December 1850) aan Thorbecke in overweging om ter vermijding van provinciale keuzen, ééne alge-meene lijst van verkiesbaren voor de Eerste Kamer, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te verordenen; â een onderwerp waarop ik in Maart 1885 nogmaals ben teruggekomen. Thorbecke noemde het denkbeeld gelukkig en zeide dat hij op de uitvoering zou bedacht zijn; maar noch toen, noch later werd het verwezenlijkt. (3 Maarl 1885.)
Terwijl Thorbecke destijds in het Kabinet eene overmaat van kracht ontwikkelde zoo bij het doordrijven eener wet van zeer twijfelachtig allooi op het zoogenaamde âNederlanderschapquot;, (1) als door een ingrijpen na het middernachtelijk uur van 21â22 December 1850, in het bestaan der Zeevisscherij, ter gelegenheid der begrooting en niet bij eene daartoe vereischte zelfstandige regeling (21 Dcc. 1850); door de wetten op de Onteigening ten algemeenen
(1) Verg. over de ongelogenheden uit liet dubbel Nederlanderschap geboren, de uitgaaf der Wet van 28 Julij 1850 door den heer Sciireudkr en zijn stuk in de Bijdragen tot de kennis v;in liet Staatsbestiiur, X.XX111 niet mijne rede van 9â10 Julij 1850.
11
nutte en op de Jagt en Visscherij, die meer eigenaardig en beter tot de taak van liet Departement van Justitie behoorden â al hetwelk onder zijne veerkrachtige leiding als met een tooverslag tot stand kwam, (met uitzondering eener zeer willekeurige en daarom door de Eerste Kamer, op 17 September 1852, verworpene regeling van den âpligt der provincie om behoeftige gemeenten te helpenquot; (16 Julij 1852), alsmede van een voorstel om aan de waterschappen strafwetgevende magt te verleenen, door mij bestreden (22 Junij 1850,8 Maart 1853), maar hetwelk door de Eerste Kamer niet werd behandeld ingevolge haar besluit van 16 Junij 1853;) â waren middelerwijl zijne ambtgenooten veel minder gelukkig in het tot stand brengen eener wettelijke regeling der onderwerpen, die tot hun werkkring behoorden. Vooral de Minister van Justitie Nedermeijer van Rosenthal had weinig voorspoed op zijne wapenen. Diens voorstellen tot regeling der Ministerieele Verantwoordelijkheid en omtrent het regt van Vereeniging en Vergadering, geraakten zelfs in het onge-reede, terwijl eene regeling der Politie (24 Maart 1852) en zijne voordragt eener Regterlijke Inrigting mislukten. Dezen afloop kon ik niet anders dan toejuichen met het oog op de eischen die ik mij van eene betere regeling van het Justitie-wezen had voorgesteld, waaromtrent ik toen reeds de gelegenheid had mijne denkbeelden volledig uiteen te zetten (13 Mei 1852); eene taak door mij sedert zoo menigwerf hervat, doch helaas! zonder ooit mijne wenschen te mogen zien verwezenlijken. Overigens viel er bij de gestadige tegenwerking-die deze Minister van de hierboven vermelde vereeniging ondervond, op weinig anders te wijzen dan eene regeling van het regt van Enquête, waarover ik mijne gedachten op 13 Julij 1850 ontwikkelde; vooral ten betooge dat dit regt te vaak ot te onpas aangewend, tot verbreking van een behoorlijk evenwigt der magten kon leiden en daartoe dus aileen dan moest worden overgegaan, wanneer de gewone middelen van onderzoek waren uitgeput. Toen later een voorstel tot het houden eener enquête omtrent de zeemagt die Nederland behoeft, werd behandeld, meende ik daartegenover het standpunt door de Regecring in te nemen te mogen aanduiden (16 Dec. 1861). Zelf heb ik (21 Oct. 1852) eene enquête voorgesteld naar den toestand onzer zeevisscherijen; maar later dit voorstel teruggenomen naar aanleiding der toezeggingen van Thorbecke op 17 Nov. van dat jaar. In 1854 werd door de Regeering zelve eene commissie van onderzoek hieromtrent ingesteld.
Terwijl van Bosse de zoogenaamde scheepvaartwetten tot stand bragt, alsmede eene wet op het briefport, die ik ondersteunde als een eerste stap naar het uniform port (6 Maart 1850) en eene Muntwet, die naar mijn voorstel werd gewijzigd (16 Maartâ16 April 1850), viel zijne Rentewet, evenals â en dit met algemeene stemmen â eene wet tot goedkeuring van een trac-taat op den Nadruk door van Sonsbeeck met Frankrijk gesloten, welke beide laatste voordragten door mij werden bestreden (12 Maart, 4 Auq. 1852 en 22 Junij 1855).
Zoo stonden de parlementaire omstandigheden â toen geheel onverhoeds
12
O]) het kerkelijk gebied eene gebeurtenis plaats greep, die onder gepaste en voorzigtige voorbereiding, gereedelijk en zonder schokken kon zijn tot stand gekomen; maar die nu eene beweging te voorschijn riep in den lande, waaronder het Kabinet, met April 1853, aan eenen plotseliugen dood kwam te bezwijken.
De gouvernementeele leiding van Thorbecke, waarin ik altijd veel meer een autoritair dan een liberaal karakter heb waargenomen (1), had in dat tijdsverloop vele en voor 's Lands toestand onmiskenbaar nuttige uitkomsten weten te verkrijgen. Ware er eenige meerdere tegenstand en wat minder overmaat van gezagsontwikkeling geweest â de uitkomsten zouden ongetwijfeld nog heilzamer zijn geweest voor den lande.
Nu trad met eene door de Kamer-ontbinding vernieuwde vertegenwoordiging, die zeker in uitstekende talenten en in mannen van kennis en ondervinding niet voor die van 1848 en 1850 behoefde onder te doen, een nieuw Kabinet te voorschijn met van Hall aan het hoofd, den man aan wien in vroeger tijd ons finantiewezen zooveel was verschuldigd. De wet op de Kerkgenootschappen kwam weldra onder zijne leiding tot stand en bragt de noodige kalmte in de gemoederen terug. Bij die gelegenheid kon ik mijne denkbeelden over de voor ons land met zijne gemengde bevolking wenschelijke verhouding tusschen den Staat en de Kerkgenootschappen ontwikkelen (13 Aug. 1853). Later besprak ik het Collatie-regt als eene miskenning van die verhouding in onzen tijd (8 Dcc. 1860).
De Minister van Justitie Donker Cürtius meende destijds het werk der
(1) In eene rede van 10 -Mei 1854 over het armbestuur, zeitle ik; «Krachtsontwikkeling van het centraal gezag was het regeeringsbeginsel van het vorig Gouvernementquot; en bestreed ik tevens die rigting, als ongeschikt voor onzen landaard (Red. en Adv. '108 vlg.). Als voorbeeld kan strekken de bejegening van liet even belangeloos als vaderlandslievend aanbod door .1. C. Baud in Januarij 1850 gedaan, zooals deze latei', in eene merkwaardige rede van (5 De:. 1851 mededeelde, om den nieuwen Gouverneur-Generaal Dui.imakr van Twist te vergezellen, ten einde met hem : «zonder belooning uit 's Rijks schatkist, op de plaats zelve te gaan onderzoeken of er middelen zijn, om met behoud van het Cultuurstelsel, hetwelk voor onzen handel, voor onze scheepvaart en voor onze financiën zulke rijke vruchten draagt, het kwaad, indien het ontstaat, voor goed te Beer en.quot; Toen de heer van Twist dit vooistel aan Thorbecke overbragt en daarvan zelfs de voorwaarde zijner aanvaarding wilde maken, was het antwoord, volgens de eigene mededeeling van T. bij eene rede van 25 Nov. 1804; itGij (jaat alleen of' gij gaat nietquot;. â Zoo werd aan eene zaak die voor ons koloniaal bestaan de heilzaamste gevolgen kon hebben opgeleverd, de bodem ingeslagen. Groen van Pr. verklaarde, dat hij de redenen dier weigering niet kon eerbiedigen daar hij ze niet kende; hij voegde er bij; «Jloge eerbiediging mogelijk zijn als ze eenmaal bekend zullen worden. Vooral wensch ik dat geenerlei partij-inzigten invloed zullen gehad hebben, waar onderscheid van politieke kleuren niet te pas kwamquot; (8 Dec. 1851). In 1873 werden door Groen van Pr. brieven van T. uitgegeven; in een blief van 29 Oct. 4830, schreef T. aan Gr. ; «Het kan niet genoeg worden herhaald dat het bondgenootschap des Gouvernements met do liberale gevoelens de hoofdoorzaak is van ons ongeluk.'
ia
Regterlijke Organisatie te moeten hervatten. Bij Koninklijk besluit van 24 Sept. 1853 werd eene commissie ingesteld tot liet beramen van grondslagen en om na overleg met hem, over te gaan tot het ontwerpen eener wetsvoor-dragt, in verband met de noodige verbeteringen in de Wetboeken van Burgerlijke Regtsvordering en Strafvordering. Hare zamenstelling kon intusschen weinig eenheid in hare voorstellen doen verwachten en het was dan ook van dien tijd af dat het verschil van opvatting tusschen Godefroi en mij dag-teekent, hetwelk sedert tot een onafgebroken strijd over de hoofdbeginselen eener voor ons land geschikte inrigting heeft gevoerd. Destijds en sedert heb ik te vergeefs getracht ingang te verschaffen aan een eenvoudig en min kostbaar stelsel; â in de burgerlijke zaken, met uitzondering van die der kantongeregten, eene behandeling in eersten aanleg bij de regtbanken in den regel met hooger beroep op den Hoogen Raad en alleen beroep in cassatie voor kleinere zaken; in strafzaken de behandeling door de regtbanken met vier regters, met uitzondering van de zwaardere strafzaken, die met zes regters door die in de hoofdplaatsen der provinciën moesten worden afgedaan zonder hooger beroep, maar met beroep in cassatie. Niet geheel juist heeft men mij wel eens aangemerkt als een voorstander der afschaffing van het appel in burgerlijke zaken (Heemskerk, Praktijk II, 162. Buus, Grondwet II, 463); een misverstand reeds besproken in eene nota van 23 Febr. 1872 en eene rede van 17 Maan, 1873. De commissie van 1853 hield drukke vergaderingen, maar kwam niet tot eenstemmigheid. De meerderheid bragt haar verslag uit; van mijn kant onderwierp ik mijn stelsel, op 11 Aug. 1854, aan liet oordeel van den Minister van Justitie in den vorm van een ontwerp, hetwelk in 1860, achter een Advies over regterlijke organisatie, is afgedrukt en verzocht ik evenals Meeussen, op 7 October mijn ontslag, waarna de commissie op 10 Oct. werd ontbonden. Het ontwerp van den Minister Donker Cortius van 13 Nov. 1855 kwam in de hoofdtrekken met mijn voorstel overeen, doch verviel met zijne aftreding op 1 Julij 1856. Een voorstel van Dullert, om het verslag der Commissie van 19 Dec. 1853 te laten drukken, bestreed ik omdat zij besloten had dat het gevoelen der minderheid daarin niet zou worden opgenomen en men dus de gevoerde beraadslagingen daaruit niet kon leeren kennen (30 Nov. 1854).
Eene regeling van het Armbestuur en die van het regt van Vereeniging en Vergadering werden vastgesteld op vrijgevige grondslagen, hetwelk ik trachtte te betoogen in de daarover gevoerde debatten (10â13 Mei 1854â5 Maart 1855); maar op het gebied der afschaffing van belastingen deed dit Kabinet, dat, uit den aard van zijn ontstaan en in den toenmaligen economischen toestand, de conservatieve beginselen geroepen scheen te verdedigen, een stap waardoor het metterdaad aan de oppositie (men noemde deze destijds de âtegenovergestelde rig tingquot;) eene soort van overwinning bezorgde, waarbij het Kabinet dan ook door drie vroegere, deels bevriende Ministers van Financiën, met grooten nadruk maar te vergeefs werd bestreden. Deze politieke zwen-
14
king, welke ik mij toen veroorloofde met den naam van de âpolitiek van het succes tot eiken prijsquot; te bestempelen en waarvan ik later de gevolgen heb afgeschilderd (8 Junij 1855, 18 Nov. 1876; verg. eene rede van van Bosse op 18 Jan. 1870 in de Eerste Kamer) bragt eenige verwarring te weeg in de conservatieve gelederen, die tot dusver het Kabinet van Hall hadden ondersteund, maar welke dit niet had weten te zaam te houden en waaronder het eindelijk tot aftreding werd genoopt om plaats te maken voor een Kabinet van der BkUGGHENâslmons.
Een destijds door mij ingediend voorstel tot instelling van plaatselijke gezondheidsraden met een toezigt op de woonverblijven, in het belang der mingegoede bevolking, mogt wel is waar de goedkeuring verwerven van Groen van Prinsterer (21 April 1856) en vele andere leden, maar bezweek onder den tegenstand van Thorbecke en zijne volgers met eene meerderheid van slechts weinige stemmen. De sedert geblekene onmagt der gemeentebesturen, op wier roeping men zich tot bestrijding van mijn voorstel beriep, heeft in den langen tijd, sedert verloopen zonder dat er iets wezenlijks werd gedaan, de noodzakelijkheid van zoodanige regeling duidelijk aangetoond. (Verg. mijne redevoeringen van 4, 8 en 9 Maart 1872, over de sociale quaestie).
Onder het nieuw opgetreden bewind hadden, na de vervanging van Simons door A. G. A. van Rappard, de gedenkwaardige beraadslagingen plaats over de regeling van het Lager Onderwijs, waarvan ik als het resultaat meende te mogen aanduiden, dat het juist datgene tot stand had gebragt waarvan zijn optreding de veroordeeling was geweest. Wat ik destijds tot verdediging dier voor-dragt heb aangevoerd is steeds mijn ideaal gebleven : eene godsdienstig ingerigte school voor allen toegankelijk en bruikbaar, waarop vanwege de kerkgenootschappen aan de kinderen der verschillende gezindten leerstellig onderwijs wordt gegeven, als het symbool van eenheid en vrede onder de Nederlandsche Natie, en daarnevens de bijzondere school in volkomene vrijheid (7 July 1857) (1). Een amendement namens een aantal leden voorgesteld en door mij verdedigd, om geen uitkeeringen aan bijzondere scholen toe te laten, werd aangenomen met algemeene stemmen (11 July 1857). Twee tegenstemmers (Meijlink en Dommer van Poldersveldt) verklaarden later dat zij daarmede zich hadden vergist Thans is deze opvatting veranderd; maar daardoor is dan ook volgens het gevleugeld woord van den Minister Heemskerk : âhet 'mooi er afgeraaktquot;. (19 Maart 1886). Mijne instemming met het beginsel van Leerpligt, gaf ik
(1) Merkwaardig was de verdediging van dit denkbeeld door een verlicht Katholiek, den heer .1. A. Alberdingk Thijm, op St. Lucas 1885, in dezer voege: vZal de toestand verbeteren, zal de zaak der waarheid er hij winnen, zal de liefde er meê gediend zijn, dat de Nederlandsche kinderen van verschillende kleur niet van der jeugd af met elkaar hebben kunnen omgaan ? dat op de scholen der orthodox-gereformeerden naar hartelust tegen de If. Kerk gespookt zal worden ? dat op de scholen der modernen niet meer door een gemengd toezigt gewaakt ivorde tegen het verbreiden van stellingen onvereenigbaar met den eerbied (tan anderer overtuiging verschuldigd?'' (Volksalmanak voor Ned. Katholieken. Voorreden. 1880.)
15
reeds destijds te kennen, maar werd door de Kamer verworpen (14 Mij 1857). Sedert ben ik meermalen daarop teruggekomen, in verband met den Kinderarbeid (4â9 Maart, 22 Nov. 1872 en 17 Junij 1878). Ware er sedert aan dit gewigtig onderwerp niet de buitensporige ontwikkeling van 1878, maar eene door welbegrepen algemeen regt en belang bestuurde wending gegeven, waartoe de kiem in het toen vastgestelde ruimschoots te vinden was, dan zoude voor dit misschien wel het belangrijkste van alle onze nationale instellingen, eene uitkomst zijn verkregen, waarheen thans van alle kanten, even radeloos als vruchteloos wordt gestaard.
Op 19 Nov. 1857 drong ik aan op de intrekking van de wet van 3 Sept. 1807, sur le taux de Vintérèt de Varyent en reeds in Dec. mogt ik een daartoe strekkend voorstel helpen verdedigen, vooral ook met een beroep op de mannen der praktijk. Van deze debatten gaf een geacht staathuishoudkundige, de heer Baudeillard, een breed overzigt in het Journal des D'ebats van 2 Maart 1858, ten einde die vrijheid ook voor Frankrijk te verwerven. Hij besloot zijn betoog aldus: âEn demandant la revision de la loi de 1807, nous avons pour nous non seulement Vautorité de la théorie économique, mais les hesoins sociaux, maïs Pexperience, mais Vexeinple de gouvernements el de nations qui n'ont rien de chim'erique dan* lews allures, enfin Ie témoignage des hommes les plus distingués que le génie de la pratique recommo.nde chez les mhnes peuples.quot; Eerst bij de wet van 12 January 1886 werd aan zijn verlangen voldaan, nadat in 1836, 1857 en 1871 daartoe vergeefsche pogingen waren aangewend. Thans geldt deze vrijheid overal, behalve in eenige Zwitsersche kantons en sommige Staten van Noord-Amerika.
(lok werd nog in die dagen door van der Erugghen al weder een voorstel gedaan van eene. Regterlijke Organisatie. Dit was de twaalfde sedert het Wetboek van 14 Julij 1809, volgens de reeks opgenomen in mijne nota van February, waarbij ik, als ook nog in eene nadere van October 1857, mijne inzigten verdedigde. Een stelsel van beregting der strafzaken werd vervolgens door de Kempenaer, Sander, den heer Elouï van Soetebwoude en mij, bij een zestal amendementen voorgesteld; â de regtbanken, regtdoende met vier regters, werden daartoe aangewezen; de zwaardere strafzaken te beregten door de regtbanken in de hoofdplaatsen der provinciën, met zes regters; een en ander zonder hooger beroep, maar met een beroep in cassatie op den Hoogen liaad. Ons voorstel, hetzelfde wat ik reeds vroeger had aanbevolen, verviel echter daar van der Brugghen op 28 Feb. 1858 aftredende, tegelijk zijne wetsvoordragt terugnam; iets wat hij welligt beter ter beoordeeling aan zijn opvolger had kunnen overlaten.
Verschillende Kabinetsformatiën volgden, waaronder een van fusie, wiens karakter ik mij verstoutte met dat van confusie te vereenzelvigen. Gelijk ik reeds had gedaan tegenover het voorstel eener nieuwe Regterlijke Inrigting van van der Brügghen, bij de twee schriftelijke nota's, waarin ik mijne beginselen had uiteengezet, bekwam ik op nieuw daartoe de gelegenheid bij eene andermalige voordragt, nu van den Minister van Justitie Boot, om
16
mijne gedachten ook daarover te ontwikkelen (24 Mei 1859); maar ook wederom deze poging mislukte, en zulks ten gevolge van een inderdaad louter politiek tornooi, ditmaal over de beteekenis der Grondwet omtrent de roeping van den Hoogen Raad: â hetzij als Hof van Cassatie, hetzij als Hof van Appel â tusschen Thorbecke en de Kempenaer, waarin de eerste, gelijk bij den parlementairen toestand ook niet anders te verwachten was, overwinnaar bleef; maar waarbij tevens het voor de behoeften van Nederland aangewezen stelsel van twee gewone trappen van regtspraak in de burgerlijke regtsgedingen, het onderspit moest delven; â in mijn oog eene groote ramp voor de regtsbe-deeling, waarvan sedert geen herstel mogt worden verworven.
Aan eene regeling van het bestaan en de regten der vreemde vennootschappen â eene zaak die nog steeds op regeling wacht â kon ik gelijk die was voorgesteld, geen goedkeuring schenken (19 Nov. 1857, 23 April 1858, 17 Mei 1859). Zij werd met eene groote meerderheid verworpen. Later heb ik ook nog gewezen op de onbehoorlijke concurrentie die zij onzen handel en onze nijverheid aandoen zonder de lasten te dragen waaraan deze zijn onderworpen, ter gelegenheid der belasting van de erfopvolging in de regte lijn en het voorstel van eene klassenbelasting (17 Mei 1878 en 18 Junij 1884).
De regeling van de zaak der Spoorwegen door middel van concessiën, bij wier bestrijding ik mij onder de volgers van Thorbecke kon scharen, terwijl ik mij naderhand met zijne regeling van de Spoorweg-Exploitatie in geenen deele kon vereenigen (19 Dec. 1878), werd met geringe meerderheid door de Tweede Kamer aangenomen, nadat eene wijziging in de rigting der wegen, door Thorbecke en drie andere leden met mij voorgesteld, was afgewezen op grond dat ons voorstel de grenzen van het regt van amendement overschreed (18 Nov. 1859. Verg. hiermede de noot op blz. 346 der Redev. en Adviezen 1849â1861). Het voorstel werd daarop door de Eerste Kamer verworpen; en het was door deze bres, dat de politiek van het succes tot eiken prijs binnendrong en een nieuwen triumf wist te behalen. Een tweede Kabinet van Hall trad op, dat zich kenmerkte door eene hernieuwde poging, ditmaal door den even ijverigen als bekwamen Minister van Justitie (todefroi aangewend, om de zaak van de lïegterlijke Inrigting tot een einde te brengen; een voorstel waartegen ik op nieuw, zoowel bij eene schriftelijke nota, waaraan het voorstel eener andere regeling was toegevoegd, als bij een afzonderlijk in druk uitgegeven Advies en later bij eene lange reeks van parlementaire redevoeringen, mijne bezwaren ontwikkelde. (7â22 Nov. 1860. Themis 1861, p. 117.) De aanleg van de spoorwegen door den Staat kwam middelerwijl tot stand en ook de Regterlijke Inrigting van Godefroi werd aangenomen; maar, ten gevolge van een voorbehoud door Dülleet voorgesteld omtrent de indeeling der regterlijke collegiën, buiten dadelijke toepassing gehouden.
Het was in deze dagen dat een opzienbarend voorval, met betrekking tot de steeds gevolgde en geheel eigendunkelijke wijze van uitgifte der zoogenaamde (Aütuurcontracten (het zoogenaamde Pangka-contract), mij aanleiding gaf tot
17
het opperen van bezwaren, gevolgd door het voorstellen eener motie, alleen de zaak, welke mij van naderbij hekend was, betreffende, maar jegens de Regeering zelve niet in het minst vijandig, om bij haar op de vaststelling van wettelijke regelen omtrent de uitgifte van deze contracten aan te dringen. (10â11 Mei, 16 Oct. 1860.) Een mij nog steeds onbegrijpelijke weerzin bij de Kegeering om aan dit eenvoudig en regtmatig, binnen zeer duidelijk aangewezene grenzen uitgedrukt verlangen, tegemoet te komen, heeft tot zoodanige uitkomsten geleid, dat ik mij later openlijk moest afvragen of het niet welligt beter ware geweest als een verstokte Torij, op dat punt de stem der beginselen in mijn binnenste te smoren en van twee kwaden, in 's Hemels naam, dan nog maar het minste te kiezen? (26 Mei, 11 Dec. 1863, 8â9 Dec. 1871.) Evenzoo kreeg eene motie van afkeuring door mij voorgesteld omtrent de handelingen der Kegeering ten opzigte der Delftsche Akademie eene aanzienlijke meerderheid van stemmen (13 Dec. 1861); waarop later de afstemming der Begrooting van Binnenlandsehe Zaken van den Minister van Heemstra, evenals vroeger die der Begrooting van Koloniën, volgde.
Hier valt nog te vermelden, dat bij de behandeling der wet betrekkelijk de Nationale Militie van 19 Aug. 1861, do Grondwettige vraag en die der plaatsvervanging, gelijk zij zich destijds voordeden, door mij uitvoerig werden besproken. (29 Junij, 15 Julij 1861.) Een voorstel door mij gedaan om op het voorbeeld van Frankrijk, de plaatsvervanging van Regeeringswege naar vaste regelen te doen plaats hebben, werd door de Kegeering bestreden en door de Kamer verworpen.
Deze was de politieke toestand, waaronder ik mijne hierboven aangeduide rede van 25 November 1861 uitsprak; en het was ook deze gelegenheid welke ik te baat nam om de beginselen van Koloniale Politiek bloot te leggen, welke, zoo door de studie der werken en geschriften van onzen meest oorspronkelijken Staatsman van den lateren tijd â van den Bosch â the great colonial genius, gelijk de Engelschen hem pleegden te noemen, â als door het aandachtig volgen der vertoogen van J. C. Baud, Rochussen, Stolte en den heer G. L. Baud tegenover die van Sloet tot Oldhüis en van Hoevell, met het oog op het algemeen belang des lands en van onze overzeesche bezittingen, zich bij mij hadden geworteld en waren gerijpt tot eene vaste en innige overtuiging. Leerrijk bovenal waren de debatten over het Indische Regeeringsreglement â het werk van Baud en Pahud, dat men meermalen heeft beproefd te doen voorkomen als afkomstig van de liberale rigting. Een en andermaal werd dit beweerd door van Bossb, dien ik telkens op de mindere juistheid daarvan heb gewezen (21 Dec. 1864, 8 Dec. 1871); nu weêr onlangs in de Eerste Kamer door den heer Fransen van de Putte. Het zij genoeg op te merken, dat tot de bestrijders en tegenstemmers, op 8 Aug. 1854, behoorden Thorbecke, van Bosse, van Hoevell en Sloet tot Oldhuis, alsmede Groen van Pr., Mackay, van Lynden en Elout van Soeterwoude. Het gaat dus niet aan te willen pronken met
mr*. nv. VVintükns. â I'ulititke Nabetrachting. 2
18
vederen, die alleen en uitsluitend aan de conservatieve partij toebehooren. Uit dit een en ander heeft zich sedert voor mij een lang tijdperk van strijd ontwikkeld, waarin ik, steeds te vergeefs, getracht heb aan het Nederlandsch-Koloniaal stelsel, ik zeg niet zijn behoud te verzekeren, maar een zwakken steun te verleenen en waarvan de noodlottige uitkomsten thans wel door niemand meer kunnen worden miskend of geloochend. De welsprekendheid der feiten is beter en duidelijker dan mijne vertoogen, in staat geweest, maar nu op gevoelige wijze, om ieder wien 's Lands belang ter harte gaat van hare gegrondheid te overtuigen. Het is eene genoegdoening maar van de bitterste soort, wanneer ernstige waarschuwingen, in tijds gedaan, waarbij 's Lands welvaart op het nauwst was betrokken, door den loop der tijden maar al te zeer worden bevestigd. Treurige ervaring van dien aard werd door mij verkregen sedert deze strijd over ons koloniaal stelsel werd aangevangen en voortgezet.
Op 16 December 1861 sprak ik tot van Hoevell als volgt;
«Zoolang gij niets geeft wat naar een stelsel gelijkt; zoolang gij geen eigen stelsel hier komt ontwikkelen, dat onafhankelijk zal wezen van de marktprijzen der koloniale waren, zoolang is in uwe oppositie tegen het bestaande stelsel geen de minste waarde gelegen.quot;
Drie jaren later (17 Dec. 1864) zeide ik:
))Hiei' ziet ge twee batige saldo's en zij zijn klein in vergelijking met vroegere; maar neemt er uw hoed voor af â gij zult ze niet wederzien.quot;
Bij diezelfde rede wijzende op de gevolgen als eenmaal het Staatsbelang geheel zou zijn achtergesteld bij de zelfzuchtige belangen van klassen of individuen:
«Dan worden de sluizen opengezet. Dan worden de werkkrachten der Javanen ten beste gegeven. Dan worden er credits mobiliers opgerigt en maatschappijen voor handel en nijverheid gesticht en banken van verschillenden aard gevestigd. Dan wordt de kapitaal-magt aangewend : â de kracht van het kapitaal, dat naarmate het grooter is, sneller aanwast. Dan woelt de koorts al verder voort; de gejaagdheid neemt toe en de brandende lust naar voordeel, naar gewin, klimt in de gemoederen. Dan roept men: de Javaan moet individueel eigenaar zijn van zijne gronden; opdat die weerlooze mannen, bijzondere eigenaars van die gronden geworden, door den Europeeschen kapitalist te eerder daarvan zullen kunnen worden ontdaan. Dan neemt de spanning toe; dan zijn rust en vrede geweken en al ver-toonen zich opstand en onrust, al bespeurt men reeds de vernieling van menschen en goederen, toch laat men zich door niets meer terughouden. Dan volgt daar in de geldwereld de eene crisis op de andere .... en waarmede eindigt dit alles? '....
Wat ik toen tegemoet zag, laat ik liever hier achterwege; maar wijs alleen nog op wat ik (22 Dec. 1876) tot den Minister van Goltstein zeide;
«Wij staan hier niet om te pleiten met re- en dupliek. Wij geven hier onze «adviezenquot;, zooals de g. a. van Hoorn zich gewoonlijk uitdrukt. Aan de toekomst
19
verblijft de uitspraak of daarop het zegel van waarheid of onwaarheid zal worden gesteld.quot;
Tien jaren zijn sedert verloopen en op 16 Dec. 1886 verklaarde de heer Haffmans in de Tweede Kamer, zonder tegenspraak te ontmoeten:
i!\Vij staan hier voor het fiasco van het liberale huishonden in Indie.quot;
liet was ook omstreeks dien tijd {April 1862) dat ik, naar aanleiding van eene soort van welwillende uitdaging, op 30 November 1861, door den heer Elout van Soeterwoüde tot mij gerigt, met betrekking tot de houding der conservatieve rigting in de Kamer en waarbij aan deze het verwijt werd gedaan, dat het haar haperde aan het stellen van beginselen tegenover beginselen, het besluit opvatte om wat ik in dat twaalfjarig tijdsverloop over de groote aangelegenheden van den dag, in de Vertegenwoordiging als mijne politieke beginselen had kenbaar gemaakt, bij één te verzamelen en in druk uit te geven. Met een inleidend woord deelde ik mede wat mij hiertoe aanleiding had gegeven en schetste ik den eigenaardigen toestand van de conservatieve rigting, gelijk deze zich sedert 1848 op het parlementair gebied had vertoond en bewogen, zonder zich evenwel tot eene politieke partij aaneen te sluiten, gelijk anderen onder den geheel persoonlijken invloed van Thorbecke en Groen van Prinsterer hadden gedaan. Verre van de eigenaardige voordeden daarvan te miskennen, ja zelfs gereedelijk toegevende dat het anders beter ware, trachtte ik de redenen daarvan te ontwikkelen, met aanduiding tevens van het individueele standpunt dat ik tot handhaving van mijne politieke beginselen verkoos in te nemen. Nog in datzelfde jaar, eene rede van Groen van Prinsterer beantwoordende, werd dit thema meer uitvoerig door mij besproken, en daarbij op eene meer juiste afbakening van zuiver politieke partijen aangedrongen, ook omdat de zijne, die toen slechts drie of vier leden telde, meer was van kerkelijken dan van staatkundigen aard, hetwelk haar altijd in den weg zoude staan om als regeeringspartij op te treden. (13 Nov. 1862).
Reeds vroeger had ik, op een wenk van Thorbecke, in een afzonderlijken bundel de beschouwingen bijeengebragt die in dat twaalfjarig tijdsverloop door mij over de beginselen der Regterlijke Inrigting waren geleverd en welke aan Godefroi aanleiding gaven tot een schrijven van 13 Januarij 1861, hetwelk onder de meest gewaardeerde preliosa eener talrijke verzameling van auto-graphen mijner tijdgenooten ligt gerangschikt.
Zoo trad dan nu met 31 Jan. 1862, ten tweede male een Kabinet Thorbecke aan het roer van den Wtaat; doch het waren nu niet meer dezelfde ruimte van blik, noch vooral de vroegere vastheid van hand, die aan de algemeene zaak de leiding wisten te geven. Thorbecke, wien vroeger Pahud, een regee-ringsman van beproefde kennis en groote Indische ervaring, als Minister van Koloniën ter zijde stond, gaf nu zeer blijkbare teekenen dat hij op dat punt gereed stond in eene andere rigting over te gaan. Al dadelijk bleek van den
20
invloed die van nu af aan door van Hoevell werd uitgeoefend, door een Koninklijk besluit van 12 Maart 1862, omtrent het radikaal en de opleiding dei-Indische ambtenaren te Delft. Evenals tegen de regeling door van Heemstra, stelde ik ook nu wederom een motie van afkeuring voor; maar die nu werd verworpen. De vergelijking der beraadslagingen van 19 Jan. 1849,13 Dec. 1861 en 1/2 Mei 1862 is niet zeer geschikt om de ingenomenheid met het parlementarisme, dat is de parlementaire partij regeering te verhoogen. â Later verscheen nog een wetsvoorstel, hetwelk op gelijksoortige gronden door mij werd bestreden (9 Mei 1864), om naast de vrije instelling door Baud en Simons te Delft gegrondvest, er nog eene tweede van Indisch onderwijs te Leiden voor 's Rijks rekening op te rigten. ïot wet verheven op 10 Julij 1864, was dit voorstel geheel in strijd met het in de âNaredequot; aangeprezen beginsel om de ontwikkeling van âzelfstandige krachtquot; te bevorderen; het had noodelooze uitgaven voor den Staat en versnippering van leerkrachten ten gevolge. Later is deze inrigting op de gemeente overgegaan en heeft zij een kwijnend bestaan voortgesleept. Bij mijne bestrijding wees ik er op, evenals later bij eene voordragt tot voorziening tegen besmettelijke ziekten (16 Oct. 1872), dat tusschen het proclameeren van fraaie beginselen en het formuleeren daarvan in wetten, dikwerf eene groote kloof is gelegen.
Wel is waar gaf dit Kabinet nog op 8 December 1862, bij monde van den Minister van Financiën Beïz, tot geruststelling der Vertegenwoordiging, die was opgeschrikt door een radikaal vertoog in âde Gidsquot; van den heer des Amoeie van der Hoeven, met meer andere verschijnselen van gelijksoortigen aard, een programma van koloniale politiek van het zuiverst conservatieve gehalte; maar toch was deze verklaring niet wel overeen te brengen met de genoegdoening en den ophef, waarmede de Premier in die dagen, op 26 Mei 1862, had gesproken van den sprong van een eeuw in twaalf jaren tijdsenmet zijn zeggen, op 12 November 1862, dat hij er niet zoozeer tegen opzag om âte gaan draven. De Medische pas was hem te langzaamquot; (1). Dit program in extremis voorgedragen, was dan ook niet bij magte om althans de Eerste Kamer te weêrhouden van de afstemming der begrooting van den Minister van Koloniën ühlenbeck, die daarop aftrad om, vreemd en ongeloofelijk voorzeker uit een zuiver constitutioneel oogpunt, te worden vervangen door een Staatsman van vrij wat meer doortastende geaardheid dan hij wiens begrooting door de Eerste Kamer, tot handhaving van de conservatieve koloniale politiek was verworpen geworden.
De octrooien van uitvinding, gegrond op eene wet van 25 Jan. 1817, waarvan de misbruiken en nadeelen uit de rapporten over de tentoonstelling te
(1) vSatura nihilagit per sallusquot;. (8 Dec.'ISTl). â Op 4 Nov. 1868 gaf Koorders, een begaafd en te vroeg gestorven lid der Tweede Kamer voor Haarlem, eene scherpe kritiek van T. s houding in de koloniale politiek. Ook andere beschouwingen door hem destijds voorgedragen, verdiénen hooge waardeering. (Bijblad 1868â69, II, 110. 443, 210).
21
Londen van 1862 duidelijk waren gehleken, gaven mij aanleiding om op de intrekking daarvan aan te dringen (10 Dec. 1864). Zij had plaats bij de wet van 22 Junij 1869. De zucht om hierop terug te komen schijnt mij niet ge-regtvaardigd, gelijk ik later, naar aanleiding van het verdrag van Parijs van 20 Maart 1883, over den zoogenaamden âIndustrieelen Eigendomquot;, met een beroep op de feiten heb aangetoond (2 April 1884).
Niemand zal kunnen beweren dat de regeling van het Middelbaar Onderwijs en die van het Geneeskundig Staatstoezigt, in 1863 en 1865 tot stand gekomen, de blijken dragen van een juist begrip der bestaande behoeften en van groote wetgevende verdienste. Mijne bezwaren, tegen de eerste â ontleend aan de vereeniging van Gymnasiaal en Akademisch onderwijs in liet begrip van Hooger onderwijs en ook: âom toch niet op eens en zoo veel allerlei soort van wetenschap in de jonge hoofden te willen te zamen brengenquot; (4â11 Maart 1863, 25 Nov. 1865 en 12 Dec. 1882);â en tegen het laatste, omdat ik daarin een rigting ontwaarde, die al te centralistisch opgevat, veel te weinig vertrouwen stelde in en dus niet genoeg overliet aan een behoorlijk zelfbestuur der geneeskunstbeoefenaren (7â27 Maart 1865, 16 Oct. 1872 en 7 Dec. 1883) bad ik in het breede maar vruchteloos ontwikkeld. Op het gebied der Justitie heerschte destijds de grootst mogelijke apathie. De Minister Oliviek â âabdo-minc tardusquot; gelijk Iuvenalis, IV. 107, zeide, hield zijne ministerieele ambtenaren onledig met het veelomvattend herzieningswerk der Burgerlijke Regts-vordering en der Strafvordering, dat toch niets konde opleveren indien niet alvorens tot het in werking treden der Regterlijke Inrigting van Godefroi werd besloten.
Met tractaat over de Maas-aftappingen en eene volkomen onverklaarbare diplomatieke aansluiting onzerzijds aan de afzending naar Rusland van de zoogenaamde Poolsche nota's, met al de daaraan verbondene bijzondere omstandigheden, ter zake waarvan Groen van Prinsïerer dan ook met zijne vrienden stemde tegen al de begrootingswetten, (waar bleef toen het steeds als âspecifiek anti-revolutionnairquot; verkondigd beginsel ?) en die op 25/26 Nov. 1863 aanleiding gaven tot eene pijnlijke woordenwisseling van van Lynden en mij met den Minister van der Maesen de Sombreff, en later bijna tot een tweegevecht, terwijl de Eerste Kamer zijne begrooting op 29 Dec. 1863 verwierp â dat een en ander getuigde niet zeer van een doeltreffend en verstandig Staatsbeleid,
Daarentegen heerschte er eene bijzondere werkzaamheid op het Koloniaal gebied, waar de Oost-Indische comptabiliteits-wet en de West-Indische Regee-ringsreglementen, onder de medewerking van van IIeükelom en den heer Kappeijne, tot stand werden gebragt; en zulks niettegenstaande aan de eerste een beginsel ten grondslag strekte vroeger als ongrondwettig door Thor-becke erkend en bestreden (9 Dec. 1851, 7 Dec. 1852): â de goedkeuring-der Indische begrooting bij de Wet. Ook overigens kon ik mij met die voordrag! in geen opzigt vereenigen. Aan onze Kamers ontbreekt de noodige
22
kennis der détails en daarmede een volstrekt vereischte om die veelomvattende taak naar beliooren te volbrengen. Zij zijn daardoor slechts in staat tot het uitoefenen van controle; maar zij worden weerloos gemaakt, indien haar een wapen in de hand wordt gelegd, hetwelk zij niet behoorlijk kunnen hanteeren. In het algemeen is daardoor eene tweeslachtige regeerwijze over de Oost-Indische bezittingen ingevoerd, waaruit strijd moest ontstaan tusschen het autokratisch beginsel in do kolonie, vertegenwoordigd door den Gouverneur-Generaal als lasthebber van het opperbestuur en de constitutioneele magten in Nederland, in de eerste plaats die welke wordt uitgeoefend door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Daarbij beriep ik mij op het gevoelen van Stuart Mill, die zoodanig koloniaal beheer noemde het slechtst mogelijke, en dat in hare voorstanders eene volslagene onkunde der voorwaarden eener goede koloniale regeering verraadt, dewijl eene landsregeering onder verantwoordelijkheid jegens de natie die zelf het land bewoont, geheel iets anders is en beteekent dan de regeering van een land onder verantwoordelijkheid jegens de natie van een ander land â wier belangen aanmerkelijk van elkander kunnen verschillen (9 en 11 Maart 1864). Over mijne nadrukkelijke bestrijding van deze regeling heb ik sedert geen reden gehad eenig naberouw te gevoelen, nu de ondervinding de juistheid mijner stellingen zoo onwedersprekelijk heeft bevestigd; terwijl aan de voor onze West-Indiën vastgestelde regeeringswijze een uitbreiding werd gegeven, die naar mijneinzigten geheel niet paste op den omvang, noch ook op den staat van ontwikkeling van deze overzeesche gewesten. In plaats van de Grondwet had dan nog eer onze Provinciale Wet ter navolging moeten zijn gekozen (9âló Mei 1865).
Verschillende onderwerpen van inwendig beheer kwamen vervolgens in behandeling, waaromtrent ik mij met de denkbeelden en voorstellen van ïhorbecke niet kon vereenigen. De intrekking der Publicatie van 10-lanuarij 1805 omtrent de quarantaine â zonder eenige verdere regeling, bestreed ik nadrukkelijk. Zij werd verworpen; doch eene later door mij voorgestelde motie, om op eene wettelijke regeling van die zaak aan te dringen, hoezeer door de Kamer aangenomen, bleef zonder eenig gevolg (17 Maartâ13 /)«â¢. 1864). De doodgeboren Paleiswet van 1 Nov. 1863 leed schipbreuk in de uitvoering, omdat daarbij werd gehandeld zonder eenige raadpleging met da beide Kamers en naar een geheel onvoldoend programma. Er werden dienvolgens plannen vervaardigd, die eene afbraak van het aloude â Binnenhof moesten na zich slepen. Eene daartegenover door mij voorgestelde en door de Kamer aangenomene motie tot nader overleg, bleef vruchteloos, daar Thorbecke te kennen gaf dat daaraan toch geen gevolg kon worden gegeven (6 Aprilâ 13 Mei 1865). Daarentegen ontbrak alle veerkracht aan de beteugeling van de veepest, die Thorbecke, evenals de quarantaine, grootendeels aan de zorg der gemeentebesturen wilde overlaten. Op 22 Sept., 4 Oct. en 20 Nov. 1865 drong ik aan op meer afdoende maatregelen. Zij zijn eerst in lateren tijd. wel is waar ten koste van millioenen, waar in den aanvang f 60.000 vol-
23
doende waren geweest, met goed gevolg door den Minister Heemskerk aangewend. Mijne vertoogen, afzonderlijk in druk verschenen, bragten niet weinig ontstemming te weeg onder de landelijke kiezers van Delft, die de noodzakelijke afmaking van hun vee met schrik en ontsteltenis tegemoet zagen en daarvan dan ook bij de verkiezingen in 1866 deden blijken, zoodat ik slechts ter nauwernood, hij ecne herstemming, gekozen werd. Ook omtrent de bevordering van Kunst en Wetenschap voerde ik met Thorbecke eene gedachtenwisseling over zijne paradoxale stelling: âKunst is geen regeeringazaakquot;, waarover onze denkbeelden geheel uit elkander liepen (25 Nov. 1862). Van verdere strekking was nog de strijd, dien ik met hem voerde op liet stuk van de Provinciale en Gemeentelijke autonomie in zake van belastingen. Voor de eerstgenoemde nam ik den handschoen op ter gelegenheid eener wetsvoordragt, waarbij eene belasting werd vastgesteld welke de Staten van Overijssel niet verlangden. Wanneer de algemeene wetten of wel redenen van regt en Staatsbelang, (zooals bijv. eene progressieve belastingheffing) zich niet tegen het besluit der Provinciale Staten verzetten, moest de algemeene wetgever zich niet mengen in de beoordeeling van deze huishoudelijke aangelegenheden.
Mijne bestrijding werd door Thorbecke beantwoord met eene anecdote. Prins Napoleon Bonaparte, die ons land in die dagen incognito bereisde, had hem gevraagd: âZijn hier rndikalenfquot; Hierop had hij ontkennend geantwoord ; maar na mijn betoog had hij zulks niet meer kunnen volhouden. Mijn antwoord was daarop :
nik geloof dat ik veeleer in omgekeerden zin zou mogen zeggen dat het kenmerk der radikale theoriün daarin gelegen is, dat noch in het bestuur der provinciën en gemeenten, noch in dat der waterschappen, noch misschien in kerk en school, eenige zelfstandige rigting of inzigt geduld wordt boven die welke men zelve aankleeft, boven zijn eigen wil, dien men overal doordrijft tegen den verklaarden wil van hen die door het volk zijn gekozen en die zelve over hunne belangen wenschen te beschikken. Dat is volgens mij het radikale beginsel. Het liberale beginsel daarentegen wil eerbiediging op elk eigenaardig gebied van ieders overtuiging. Ja zelfs, al meent men dat eene Vertegenwoordiging in den haar aangewezen kring verkeerd zoude handelen, dan nog berust het liberale beginsel daarin en eerbiedigt die overtuiging, al deelt men ze niet. Dat is volgens mij het ware onderscheid tusschen radikalen en liberalenquot; (22 April 1864).
Van denzelfden aard was mijn verzet tegen de wijziging der Gemeentewet op het stuk van belastingen, waarbij de 4/5 der personeele belasting aan de gemeenten werden afgestaan en wijders regelen werden gesteld, die ik een juk van volmaakt finantieel absolutisme meende te mogen noemen. Reeds bij de behandeling der Gemeentewet had ik de stelling verdedigd dat het Rijk en de gemeenten zich niet moesten âvoeden aan dezelfde ruifquot; en daarom door de laatsten alleen directe belastingen, geen verbruiksbelastingen, die in den regel en bij voorkeur door het Rijk moesten worden geïnd, zouden mogen worden geheven (24 .l/etquot;â2 Junij 1851). Overigens kon, volgens mij, aan de gemeentelijke
â 21
autonomie worden vrijgelaten om die heffingen te kiezen welke naar do plaatselijke gesteldheid geraden schenen. Naar deze regeling echter werden allen in hetzelfde dwangbuis gestoken; eene eenvormigheid, die op ongelijksoortige toestanden toegepast, moest leiden tot groote ongelijkmatigheid.
«De gemeenten moeten gehoorzamen. Zij zijn niet langer die natuurlijke ver-eenigingen van bij elkander wonende burgers, die een gemeenschappelijk doel naar hunne eigenaardige behoeften in hun zelfbeheer bereiken met de middelen die zij verkieselijk achten. De gemeente wordt meer en meer eene Staats-afdeeling, een werktuig in handen van de Regeering des lands om uit te voeren al hetgeen het centraal gezag wil dat geschieden zal.quot;
Daarbij wees ik tevens op de geduchte bres, die in 's Rijks finantiën werd geschoten. (18 Mei 18G5). Alles vergeefs. De wet werd aangenomen met 47 tegen 25 stemmen.
Inmiddels ontwikkelde zich eene steeds toenemende oneenigheid in het Kabinet. Thorbecke vond in een verschilpunt van niet zeer overwegend ge-wigt â de invoering der strafwetgeving in Indië bij wet of bij besluit â⢠eene geschikte gelegenheid om zich met den Minister van Justitie Olivier te verwijderen, waarop eene aanvulling plaats vond der opene plaatsen in het Kabinet en met Mei 1S6G de beraadslagingen begonnen over de Cultuurwet. Deze eindigden met hare intrekking, nadat eene wijziging door Poortman, een getrouw vriend van Thorbecke, voorgesteld op art. 1 der voordragt, was aangenomen. Ook bij dit voorstel had ik mijne bedenkingen tegen de invoering van Westersche regtstoestanden in een Oostersch land niet achterwege gehouden; maar die zoowel tegen den Minister Fransen van de Putte als tegenover Jonckbloet en den heer Kappei.tne, met de volste overtuiging verdedigd (1â17 Mei 1866). In eene niet-uitgesprokene rede van Febr. 1882 over de conversie der gemeentegronden in bij zonderen eigendom, heb ik nader nog mijne gedachten over deze mislukte poging tot Oostersche regtsverkrachting uit Westersch eigenbelang, ontwikkeld en medegedeeld wat er al sedert nog in diezelfde rigting was beproefd, nadat de heer Fransen van de Putte op 6 Julij 1872 weder als Minister van Koloniën was opgetreden (bl. 1â14).
Aldus eindigde het tweede Kabinet Thorbecke, om na deze kortstondige nafiikkering in zijne onderdeelen, op 30 Mei 1866 plaats te maken voor een Ministerie, ditmaal uit de conservatieve gelederen der Tweede Kamer te zamen gebragt. De eerstbenoemde Minister, die als zoodanig de benoeming zijner ambtgenooten contrasigneerde, was Mijer, aan wien het koloniaal beleid werd toevertrouwd, wel ten blijke hoe dit Kabinet aan eene koloniale crisis zijn ontstaan was verschuldigd.
In de voorrede mijner toen uitgegevene redevoeringen over koloniale onderwerpen schetste ik den toestand van dat oogenblik.
vHet nieuwe Kabinet heeft de nationale toekomst in zijne hand. Het slagen zijner pogingen hangt eenig en alleen af van de getrouwheid aan zijne beginselen en
van den mned zijner overtuiging. Zijne roeping is op koloniaal gebied het nog bestaande stelsel te handhaven. Indien veerkracht zijne daden kenmerkt, dan kan het staat maken op krachtigen bijval, niet slechts in Nederland , maar ook in Indië, waar het gevoel van behoefte aan meer conservatieve regeeringsbeginselen dagelijks veld wint.quot;
Wat gebeurde echter? Na de Junij-verkiezingen, tengevolge der gewone aftreding van de helft der Kamerleden, werd nog op het einde van dat zittingjaar, de eerste Begrooting voor Nederlandsch-Indië naar de wet van 22 April 1864, die door het afgetreden Kabinet was ingediend, bijna onver-a .derd bij eene Kamer, wier mandaat was verstreken en die in geringen getale opkwam, op overhaaste wijze, aan de orde gesteld en doorgedreven. Een en andermaal (21 en 27 Aug.') poogde ik uitstel en verdaging van dat gewigtig werk te verkrijgen, ook door te wijzen op de vele punten, waaromtrent niet bleek van eene bij het nieuwe Kabinet gevestigde overtuiging. Een lid der Kamer, die in ijver en werkzaamheid zeker nooit door iemand werd overtroffen, J. K. van Goltstein, verklaarde zelfs den tijd niet gehad te hebben om het antwoord der Regeering op het Eindverslag natelezen. Niets mogt baten. De behandeling der Indische begrooting (nog zelfs telkens afgewisseld door een vrij vinnigen strijd over de afdamming der Ooster-Schelde) ging, hoe dan ook, voort. Bij gemis van de mogelijkheid eener behoorlijke voorbereiding vond ik mij niet geroepen daaraan deel te nemen, anders dan om eene enkele feitelijke inlichting te vragen nopens eene met de wet van 3 Julij 1863 strijdige rigting aan den spoorweg van Samarang naar de Vorstenlanden gegeven.
Op 7 September verzekerde Mijee, zelfs tot drie maal toe, âdat hij daaromtrent nadere schriftelijke inlichtingen, eene kaart enz. aan de Kamer zoude verstrekken.quot; Nog denzelfden dag werd de Indische begrooting door de Tweede Kamer toegestaan en na eene behandeling in anderhalve zitting, door de Eerste Kamer afgedaan (bij mijn voorstel tot uitstel had ik daarvoor het zeker minder parlementaire, maar toch juiste woord âafroffelenquot; gebezigd). En nog op den eigen dag der stemming van onzen Senaat (15 September) trad Mijkr af; hij, de man die na de crisis, waaruit het Kabinet was geboren, de schoone taak had aanvaard om in den parlementairen strijd de banier zijner rigting omhoog te houden, maakte zich uit de voeten om het Gouverneur-Generaalschap van Indië te gaan bekleeden. Algemeen in den lande was de ontstemming over deze plotselinge gedaanteverwisseling, die voorzeker in haren nasleep onberekenbaar nadeel aan de goede zaak heeft toegebragt. Het was ook nu wederom alsof het fatum zijn weg op het koloniaal gebied vervolgde.
De zitting van 1866 op 1867 werd geopend met eene Troonrede, waarin met het volste regt werd gewezen op: âden veel bewogen en ernstig en tijdquot;; en verklaard: âdat ons volksbestaan, naast God, in zich zeiven zijn hechtsten steun had te zoeken.quot;
In dien tijd vertoonde zich voor het eerst een verschijnsel aan het lucht-
26
ruim der Euvopeesche politiek, dat in zijn nasleep de gewigtigste uitkomsten heeft opgeleverd; â de unificatie van Italië en van Duitschland tocli zijn daarvan later de logische gevolgen geweest. Het beginsel dat de Nationaliteiten zijn de volken der toekomst, het eerst door Mancini, toen hij nog was hoogleeraar in het internationaal regt, gepredikt, (Deutsche Bevue. Feb. 1886), werd geheel onverwachts door Keizer Napoleon UT, bij de bekende circulaire La Valette van 16 September 1866, in eene zonderlinge verblinding omtrent Frankrijks belangen, aan het verbaasd Europa voorgehouden.
Bij het adres-debat van 24 Sept. wees ik op de noodwendige gevolgen eener toepassing van dat beginsel, krachtens hetwelk reeds Savoye aan Frankrijk was ten deel gevallen en dat als een donkere onweerswolk zweefde boven de Fransche kantons van Zwitserland en boven de helft van Belgie. Ik a7oegde daarbij;
«Wij zien dat beginsel ook in andere rigtingen werkzaam. De Poolsclie nota's van April â¢18C3 hadden aan dat beginsel linn ontstaan te danken. Zelfs Oostenrijk heeft eene dei-gelijke nota uitgezonden en is in de Elbe-hertogdommen voor het nationaliteitsbeginsel gaan strijden; maar datzelfde Oostenrijk heeft zich vroeger en laler, uit kracht van dat beginsel, zijne Italiaansche gewesten voor en na zien ontvallen. Wij zien, ingevolge dat beginsel, voor Duitschland het begin van de absorptie van do Duitsche Staten in één raagtigen Duitschen Staat en wij zijn misschien aan den vooravond van de slooping van het Turksche rijk, dat ook uit kracht van dat beginsel zijne Slavonische, Romanische en Grieksche gewesten ziet uit elkander vallen.quot;
Wat ons betreft, voegde ik er bij;
))In dat beginsel ligt onze kracht. Tegenover de magtigste mogendheden kunnen wij zeggen: â zietdaar ons regt om door u als natie te worden erkend en geëerbiedigd; het regt dat aan iedere natie, hetzij groot of klein, toekomt, om zelf zijne toekomst te regelen; dat regt ligt in onze taal, in onze geschiedenis, in onze nationale regten en tradition. In het Nederlandsch Woordenboek ligt meer kracht dan in eenig materieel geweld, dan in vloten en legers. Onze kracht ligt in ons zelfstandig volksbestaan dat wij behouden willen en waarvoor de Natie getoond heeft haar bloed te willen storten. Daarop steunt ons regt, ons nationaal regtâzoowel tegenover den Duitscher als tegenover den Franschman â en daarop moet dezen veelbewogen en ernstigen tijdquot; ook het buitenland worden gewezen.quot;
Maar daarbij voegde ik nog dat met dit regt dure pligten gepaard gaan; â om ons zedelijk, verstandelijk, stoffelijk en ook in onze politieke verhoudingen te versterken; dat het ons vooral behoorde aantesporen tot eendragt, waarop zoo teregt gewezen werd in de Troonrede.
«Daarop heb ook ik thans willen wijzen in deze Kamer, die met de Natie moet wakker geschud worden en tot behoedzaamheid aangespoord; en die dat moet doen â kracht zoekende in hetzelfde beginsel dat elders dynastiën ondennijnt en
27
troonen omverwerpt, maar dat ons nationaal regt beschermt: â mits ereeneNatio achter staat die zich dat regt en dat bestaan waardig betoont.quot;
Hoe weinig intusschen op deze eensgezindheid viel te rekenen, bleek aanstonds uit de aanneming van de motie-KEUCHENius over het optreden van Mi.ier als Gouverneur-Generaal van Nedcrlands-Indië, die bij dat adres van antwoord werd voorgesteld.
Dringende familie-omstandigheden waren oorzaak dat ik de zittingen waarin zij werd behandeld en aangenomen (26â27 Sept. 1866) niet bijwoonde. Ware ik tegenwoordig geweest, dan zoude ik mij met dat votum niet hebben ver-eenigd, ofschoon ik geheel deelde in de afkeuring van deze politieke desertie. Mi.ier toch was de aangewezen politieke persoonlijkheid om het koloniaal programma van zijne partij te verdedigen; maar hij had goedgevonden zulks aan parlementair minder geoefende handen over te laten. De bestrijding der motie had dan ook niet plaats op eenigerlei grond tot verdediging van en instemming met zijn gedrag; maar alleen en teregt omdat de Kamer daarmede de grenzen van hare bevoegdheid zoude te buiten gaan. Thorbecke onthield zich; hij was bij de stemming niet tegenwoordig en de ontbinding der Kamer volgde onmiddellijk.
Na den terugkeer der Vertegenwoordiging zette ik bij de begrootingen van Buitenlandsche Zaken en Marine, alsmede bij eene later onbegrijpelijkerwijze door de Eerste Kamer verworpene regeling der Schutterijen, mijne beschouwingen voort over de eischen van het behoud onzer nationale zelfstandigheid. (1 en 15 Maart, 16 Mei 1867). Tegenover een nog geheel onzekeren toestand in Indië, kwam van zelve op nieuw het koloniale vraagstuk tegenover de weifelende houding van het Kabinet, ook in verband met den finantieelen toestand ter sprake. Van Nispen van Sevenaer (de vader) hield eene als altijd merkwaardige rede, waarbij hij in verband met het koloniaal programma van 8 December 1862, de schoone uitkomsten van vroegere tijden vergeleek met de verontrustende verschijnselen, die zich nu begonnen te vertoonen; beschouwingen waarmede ik mij geheel kon vereenigen (30 Maart 1867). Hierin echter vond Godefroi aanleiding om mij, op scherpen toon. te verwijten dat ik bij de begrooting van Koloniën voor 1865, geheel ten onregte, omtrent de batige saldo's had gezegd; âNeemt er uw hoed voor af, â gij zult ze niet wederzien!quot; en om tevens in verband daarmede zich zeiven de vraag te stellen: âMoet ik op nieuw af wachter worden f â Bij mijn antwoord besprak ik den loop en de gevolgen, die deze âAficachters-taktickquot; had opgeleverd voor de algemeene belangen des lands. Ik eindigde (2 April 1867) aldus;
»Wij zijn in de laatste jaren op dit gebied maar al te zeer afgedwaald en de wrange vruchten wachten ons meer dan iemand op dit oogenblik gelooft; maar laten wij dan nu toch voorzigtig zijn en niet verder voortgaan op dezen weg. Geen reactie zij daarbij ons doel, maar restauratie, gelijk ik het eenmaal uitdrukte (t Mei -1866), van een stelsel dat aan Nederland en Java zulke heilzame vruchten heeft opgeleverd.quot;
28
De koloniale politiek kwam nog verder ter sprake bij eene wijziging der Indische hegrooting (12 Junij 1867), toen ik mijne teleurstelling uitsprak, dat deze regeering de voetstappen van hare voorgangster bleef drukken en een weg vervolgde, waarop eindelijk niet alleen de regtmatige voordeden voor het moederland moesten te loor gaan, maar ook voor den inlander bedenkelijke gevolgen waren te duchten; een weg waarop de eerste eisch van de consti-tutioneele regeering â trouwe handhaving van eigene rigting en beginselen â door het Kabinet scheen te zijn ter zijde gelegd. Een nieuw veld van beschouwingen opende het voorstel tot regeling der uitgifte in erfpacht van gronden in Nederlands-Indië. Meer bepaald werd daarbij door mij besproken de vraag of de Nederlandsche Staat bevoegd was, naar het regt op Java geldende, om den grond van Java in erfpacht uit tc geven, welke vraag door mij in ont-kennenden zin werd beantwoord en welk betoog nimmer is wederlegd. Meerdere malen voerde ik daarover het woord en tusschen die regtsbeschouwingen kon ik mij niet weerhouden over den politieken toestand hier te lande ronduit mijn gevoelen uit te spreken (20 Junij 1867).
»En nu nog een woord over de politiek, ditmaal niet met het oog op de koloniën, maar op het binnenland.
quot;Ik vraag: welk oen schouwspel zien wij hier? Wij zien een conservatief Kabinet het conservatief beginsel over boord werpen en heul zoeken bij de tegenovergestelde rigting. Wij zien eene oppositie, die thans geene oppositie meer is, maar die lacht, die zich de handen wrijft, die tevreden is, die juicht en die â zwijgt. Wij zien hen, die geroepen zouden zijn, die zouden wenschen het Ministerie te steunen, in de onmogelijkheid daartoe gebragt en gedwongen om, daar zij hunne beginselen niet willen verlaten, een Kabinet los te laten dat hen verlaten heeft.
»En dan vraag ik mij af: of wat tot dit schouwspel aanleiding heeft gegeven politieke wijsheid is ? Kan dat leiden tot goede uitkomsten ? Of moet zulks de parlementaire regeering in minachting brengen?
))Ook op politiek gebied heb ik het zwak te hechten aan beginselen, aan vastheid van overtuiging. Ik wensc.h dat aan die beginselen en die overtuiging ook de daden gelijk blijven. Openhartig moet ik bekennen dat, zoolang â en dit is reeds sedert vele jaren â ik de eer heb van deze plaats deel te nemen aan de politiek van mijn land, mijne illusiën te dien aanzien zeer zijn verminderd. In vroeger tijd stelde ik mij wel eens het beeld voor van een Staatsman, als van iemand die zich omtrent het beleid der zaken een groot en vast plan had gevormd, waarnaar het bestuur van zijn land moest plaats hebben ; die al de kracht van zijn geest, al de inspanning, die in hem is, aanwendt om het doel, dat hij zich voor oogen heeft gesteld, te bei-eiken. Maar ik moet zeggen dat dit beeld voor mij geworden is de rara avis. de vreemde vogel, die niet meer gevonden wordt.
«Thans leven wij in de dagen van de expediënten, van de transactiën, van de conciliatiën, van de politiek van in en uit, van koud en warm ; van de politiek die noch ja noch neen, of die ja èn neen te gelijk zegt. Dat is maar al te zeer de rigting der politiek in onze moderne maatschappij en daartegen wensch ik hier een enkel woord te doen hooren.
»lk heb nog nooit van het bijdraaien â om een plat woord te bezigen ...... op
29
politiek gebied heil gezien, hetzij \oor een individu, hetzij voor een Gouvernement. Kegt is regt en waarheid is waarheid; regt blijft regt en waarheid blijft waarheid, )gt;Nu moge het, waar zijn dat individuen voor een oogenblik door dergelijke politieke wendingen kunnen worden gebaat; zeker is het dat zij bij het nageslacht geen eer zullen inoogsten. Hun naam van Staatsman gaat er door verloren. Gij ziet het aan Cicero. Dat was een man van die rigting, en als politiek man heeft hij zijn roem ten eeuwigen dage bedorven door zijne leer, dat men op het regte oogenblik van rigting moest weten te veranderen (â¢1).
)i m aar dit geldt bovenal van Kabinetten. Wanneer deze het beginsel verzaken waaruit zij geboren zijn, waaraan zij hun bestaan te danken hebben, als zij dien weg opgaan, dan meen ik te mogen beweren dat zij den ondergang zullen veroorzaken van dat beginsel; maar zij zullen dan ook met de begrafenis van dat beginsel tevens hun eigen stoffelijk overschot hebben ter aarde besteld.quot;
Het erfpachts-voorstel ]eed vervolgens schipbreuk op de bepaling omtrent de personen, welke tot mededinging konden worden toegelaten. Verschillende wijzigingen waren voorgesteld : â door mij om althans den inlander niet daarvan uit te sluiten en te laten vervallen de bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal om telkens te bepalen of vreemde Oosterlingen tot die mededinging inogten worden toegelaten. Dit besprekende, wederlegde ik tevens een paar zeer karakteristieke redevoeringen van den heer Fransen van db Putte van 13 en 20 Junij te voren. Onder dit kruisvuur van amendementen bezweek ook dit ontwerp, hetwelk op 27 Junij door de Kegeering werd ingetrokken, waarop de Minister van Koloniën ïrakranen werd vervangen door den heer Hasselman, van wicn door zijne onderteekening van het adres der Hoofden van Algemeen bestuur op Java, van 31 December 1864 (Bijlage I mijner koloniale redevoeringen), door zijn geschriften o. a. over den grondeigendom op Java en door zijne langdurige ondervinding, laatstelijk als Resident van Djokdjokarta, eene andere leiding der zaken, naar meer behoudende beginselen, was te verwachten.
Het volgend zittingjaar opende zich derhalve onder gunstiger voorteekenen. Op de Londensche conferentie had de losmaking der betrekkingen van Limburg tot Duitschland door het tractaat van 11 Mei 1867 haar volledig beslag ontvangen. De afdamming der Oosterschelde was gebleken in hare
(1) Men vindt dit in een zijner brieven, waar Cicero, I. 9 schrijft aan Lektulds: yiNuni-iptaw praestantibus in republicd guhernandd viris laudata est in una sententid perpetua permansio: sed ut in navirjando tempestati obsequi artis est, etiam si portum tenure non queas : cum vera id pnssis mutatd velificatione adsequi, slultum est eum tenere cum peri-culo ciirsmn, quem ceperis, potius quam. eo commutato, quo velis. tandem pervenire.quot; Mommskn zegt daarom van Cicero : ygt;Als Staatsmann ohne Einsicht, Ansicht und Absicht, hat er nach einander als Demohrat, als Aristokrat und- als Werkzeug der Monarchen figu-rirt und ist nicht mehr getoesen als ein kurzsichtiger Egoist.quot; Röm. Gesch. 111, 602â607. Verg. Boissier, Cicéron et ses amis, p. 236 (.1874) ; Sciierr, Sommertagebuch, p. 165 en de noot in mijne Redev. 1866/73, p. 450.
30
gevolgen voor België eer voordeelig dan schadelijk te wezen. De veepest was hier te lande met groote veerkracht en aanzienlijke geldelijke opofferingen nagenoeg uitgeroeid en de verschillende takken van volksbestaan verkeerden in eene gunstige gesteldheid.
Toch broeide nog steeds onweder in de parlementaire atmosfeer. Bij de alge-meene beschouwingen over de Staatsbegrooting voor 1868 besprak ik onder dien indruk, de verhouding der partijen, die elke gewenschte zamenwerking verijdelde. Ik vond daarin den sleutel van het geheim onzer achterlijkheid op zoo menig gebied. De zucht om met vereende krachten het land vooruit te brengen ontbrak geheel. Ik wees er op hoe nu althans aan de onzekerheid en de kwijning in Indië een einde moest komen en hoe nu niet door van Bosse aan dit Kabinet gelijke verwijten moesten kunnen geschieden als vroeger door hem tot zijn tegenvoeters waren gerigt.
Bij de begrooting van Buitenlandsche Zaken bestreed ik de diplomatieke zending in Beijeren, waartoe bij den nieuwen toestand in Duitschland voor Nederland geen enkele reden meer aanwezig was. De Kamer deelde deze meening en verwierp dien post op de begrooting.
Het partij vuur sloeg hierop met hevigheid naar buiten. Tegen alle begrippen van regt en billijkheid in, werd, op 26 November 1867, de begrooting van Buitenlandsche Zaken verworpen, niettegenstaande de Limburg-Luxem-burgsche verwikkelingen op 'eene voor Nederland hoogst voldoende en eervolle wijze waren afgeloopen.
Geen wonder dan ook dat bij deze schromelijke uitspatting van het Par-lementarismus, tot eene herhaalde ontbinding moest worden overgegaan, ten einde â ditmaal zonder Koninklijke proclamatie, maar met een verslag aan den Koning van 2 Jan. 1868 â een beroep te beproeven op het gezond verstand en het regtsgevoel der natie.
In dezen hoogst gespannen toestand des Lands, vond ik voor mij geene vrijheid om mijne hulp te weigeren aan het Kabinet, dat kort te voren een onherstelbaar verlies had geleden door het afsterven van den waardigen .Minister van Justitie Boeeeï. Kon er niet onmiddellijk in die opengevallene plaats worden voorzien, dan moest de strijd voor eene volkomen regtvaardige zaak worden opgegeven. Het was niet dan na een grondig onderzoek van al het voorgevallene op diplomatiek gebied en na eene kalme overweging van wat mijn pligt jegens mijn land medebragt, dat de schaal van mijn bijzonder belang niet overwegend mogt wezen en ik mijn besluit heb genomen, hoé hachelijk de gesteldheid ook ware. Ik vertrouwde daarbij geheel en uitsluitend op de deugd van eene zaak, die ik tot het uiterste wilde helpen verdedigen.
Ik nam dus de betrekking van Minister van Justitie aan met ingang van 4 Januarij 1868; en daar met dien dag tevens het Ministerieel Departement voor de zaken der Hervormde en andere Eerediensten en dat voor de zaken der Roomsch-Katholieke Eeredienst werden hersteld, was het tot 15 Januarij,
31
den dag waarop mijn vriend en ambtgenoot Luijben in functie trad, dat aan mij ook het beheer der zaken van de Roomsch-Katholijke Eeredienst bleef opgedragen.
Reeds op 7 Jannarij ontving ik een telegrafisch berigt van den voorzitter der Delftsche Kiesvereeniging van Rhijn, die mij meldde dat de kandidatuur voor de herkiezing in de ontstane vacature voor de Tweede Kamer, bij acclamatie op mij was uitgebragt. Ik antwoordde terstond dat ik die niet kon aanvaarden, daar ik van oordeel was, gelijk ik steeds ben geweest, dat in zoo weinig talrijke vergaderingen als onze Kamers der Staten-Generaal, de betrekking van Minister des Konings en die van Afgevaardigde des Volks, niet zonder bezwaar gelijktijdig kunnen worden bekleed. Een van die beiden toch moet bij onze toestanden daaronder schade lijden.
De tweede ontbinding der Kamer had inmiddels plaats bij Koninklijk Besluit van 3 Januarij en nu volgde, op 25 Februarij, de opening in eene vereenigde zitting der beide Kamers. Terstond werd er eene interpellatie door Thorbecke aangekondigd over de jongste ontbinding, welke op 2 Maart dooiden Minister Heemskerk werd beantwoord en waarover tot 7 Maart werd beraadslaagd. Daarop werd dit debat afgewisseld met een ander over de diplomatieke onderhandelingen de Limburg-Luxemburgsche aangelegenheden betreffende. Het was bij die gelegenheid, nadat Thorbecke een- en andermaal zijne verbitterde oppositie had bot gevierd, dat ik op 21 Maart ook mijne meening te kennen gaf.
Bij die rede, waarop ik nog steeds met eenige genoegdoening terugzie, bevond ik mij op een zeer eigenaardig standpunt. Zelf was ik niet als bewindsman in die belangrijke zaak betrokken geweest. Mijne plaats in de Vertegenwoordiging had ik opgeofferd louter uit gevoel van pligtsbesef, om eene hoogst wisselvallige betrekking als Minister van Justitie te aanvaarden. Van dit eenigermate neutrale standpunt wat liet verledene betrof, kon ik een geheel onbevangen oordeel uitspreken over al het gebeurde, dat ik in zijne bijzonderheden had nagegaan alvorens te bepalen of ik de portefeuille aanvaardde. De iiitslag van dat onderzoek was uitermate gunstig voor de Regeering geweest. In Limburg was Nederland losgemaakt van Duitschland en ik kon er daarentegen op wijzen hoe Thorbecke, nu de leider der oppositie van 1868 â toen hij zelf, als hoofd van het Kabinet van 1849, in de gelegenheid was geweest van althans te beproeven om, toen de Bondsdag te Frankfort, op 12 Julij 1848, de uitoefening zijner regten aan den Aartshertog Johan had overgedragen, Limburg en daarmede Nederland van het Duitsche bondgenootschap los te maken door onze toetreding te weigeren tot de vestiging van een nieuw centraal bestuur, waaromtrent Oostenrijk en Pruissen, bij verdrag van 30 Sept. 1849, waren overeengekomen, â zelfs niet de allerminste poging had in het werk gesteld om tot de nu zoo gelukkig verkregene uitkomst te geraken. Zonder eenige de minste bedenking had onze toetreding op 23 Nov. plaats gehad (Lagemans, Recueil III, 241). Daarbij kon ik mij beroepen op het proces-verbaal van 24/27 Nov. 1850, van eene bijeenkomst eener Com-
â 62
missie van Rapporteurs, waartoe ik behoorde, gehouden, waarin de mede-deelingen van den Minister van Sonsbeek omtrent deze toetreding zijn opge-teekend en hetwelk met eene rede van 1 Junij 1859, is opgenomen in mijne Redevoeringen en Adviezen hl. 271-275. Ik deed daarbij een beroep op het eergevoel der Kamer; ik verzocht haar geen dubbelzinnig votum uit te brengen, hetwelk volgens mij niet zoude wezen eene onpartijdige oordeelvelling, maar eene wraakoefening, welke van een Nederlandsch Parlement niet mogt worden verwacht.
De diplomatieke bescheiden betreffende de Limburg-Luxemburgsche aangelegenheden werden daarop met 55 tegen 18 stemmen âvoor kennisgeving aangenomenquot; (21 Maart 1868); iets wat evenzoo op 23 Nov. 1867 was geschied met het Iractaat van 11 Mei, dat veeleer eene betuiging van nationalen dank had verdiend. Thorbecke blies den aftogt met de verklaring: âdat de viaag om het diplomatiek beleid goed te keuren, werd verdrongen door eene anderequot;. De aldus gewijzigde aanval werd vervat in eene motie van den heer Blusse, luidende: âdat geen landsbelang de ontbinding der Kamer vorderdequot;; welke vreemdsoortige beslissing, die eene inconstitutioneele kritiek behelsde van de uitoefening van een grondwettig regt des Konings, door de Kamer met 39 tegen 34 stemmen op 23 Maart 1868 werd aangenomen. Op 28 April werd vervolgens de begrooting van Buitenlandsche Zaken, met 37 tegen 35 stemmen, andermaal verworpen.
Dit was alzoo het parlementaire loon voor de losmaking van Limburg uit het Duitsche bondgenootschap en voor de neutraalverklaring van Luxemburg door de te Londen vereenigde Mogendheden.
In het kortstondig tijdsverloop, gedurende hetwelk ik het Departement van Justitie beheerde (4 Jannarij-A Junij 1868), vond ik toch nog gelegenheid, even alsot mij werkelijk een langer ministerieel leven zoude worden gegund, om een stelsel van verbetering in het regtswezen op touw te zetten. Dit bestond in partieelc wetsherziening, waarvan de grondtrekken bij eene memorie van beantwoording van het voorloopig verslag over een voorstel tot afschaffing van judicieele boeten enz. werden ontwikkeld. Later stond dan. naar ik mij voorstelde, de weg open, waar langs op breeder schaal nieuwe wetboeken konden worden bearbeid en zamengesteld.
Eene vrij uitgebreide reeks van wetsvoorstellen werd in die rigting door mij aan de Kamer voorgelegd. Zoo werden, behalve de definitieve Begrooting van het vierde Hoofdstuk, de bekrachtiging van een Tractaat, op 11 April 1868, met Italië gesloten, tot regeling van den toestand der naamlooze en andere maatschappijen, eene wet op de regtsmagt van den Hoogen Raad in de est-Indische Zaken en eene andere tot afkoopbaarstelling der Tienden, â bij wijze van partieele regeling, voorgesteld: de inkorting van de termijnen van dagvaarding in liet buitenland, de afschaffing der judicieele boeten en schadeloosstellingen, de verbetering van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande, de intrekking van artikel 1 der wet van 29 Mei 1849,
33
de regeling der makelaardij en die van het forum privHeginfum, bedoeld in art. 159 der Grondwet, met wijziging van art. 92 der w t op de Regtcrlijke Organisatie. Voorts vond er nog eune regeling plaats hij Koninklijk besluit, van de wijze van overgang der adellijke titels bij rtgt van eerstgeboorte. Eene Instructie voor de Procureurs-Generaal werd u tgevaardigd tot het doen van plaatselijke inspectiën op de parketten en griffiën. Een stelsel van onderzoek naar de gevolgen van het cellulair stelsel, met het oog op de gezondheid, de zedelijke verbetering en de herhaling van misdrijf, mijns inziens nog steeds dringend noodzakelijk, werd op touw gezet en in de bijzonderheden geregeld.
Maar geen van al die voorstellen van wet werd in definitieve behandeling genomen. Het droeg zelfs een komisch karakter als men de wijze gadesloeg waarop eenige voordragten, ook tot in het geringste, bijv. die eener Naturalisatie, op 28 Maart 1868, werden gedwarsboomd en bestreden; en hoe zelfs nog na mijne aftreding, in het Hnndelshlad van 16 en 17 Maart 1869, het ontwerp tot herziening van het Militair wetboek, dat later meer uitgewerkt, onder Modderman tot wet is verheven, ten heftigste door Godefkoi werd aangevallen; waarvoor hem door den hoogleeraar Pols, die de indiening dier voordragt een waagstuk noemde, waartoe hij zelf had medegewerkt, in eene merkwaardige brochure eene welverdiende teregtwijzing werd toegediend.
Van al het bovengenoemde mogt het mij dus niet gelukken iets tot stand te brengen. Later zijn echter de meesten dezer voorstellen door mijne opvolgers van nieuws af aan ingediend en als gevolg daarvan werden in het Staatsblad achtereenvolgens opgenomen; de wetten van 4 April 1869, 6 April 1869, 7 April 1869, nog eene van 7 April 1869 en 12 April 1872; de wetten van 14 November 1879 tot wijziging van het Crimineel Wetboek en het reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande en te water en eindelijk art. 13 der wet van 26 April 1884; waarbij mijne voorstellen, hier en daar verbeterd en vermeerderd, somtijds ook niet ten goede veranderd (bijv. de Tienden-wet van 12 April 1872, die het regt om waardeering te vragen niet gelijkelijk toekent aan den heffer als aan den pligtige, zooals regtmatig geschiedde bij de artt. 4 en 5 van mijn voorstel van 25 Febr. 1868) dan toch de bekrachtiging van den Wetgever hebben verworven.
Na deze bejegening behoef ik niet te zeggen dat ik met een gevoel van innige tevredenheid, ten gevolge der hernieuwde verwerping van de begrooting van Buitenlandsche Zaken en der daarop volgende aftreding van het geheele Kabinet, een juk mogt afschudden dat alleen uit pligtgevoel door mij was aanvaard en eene betrekking nederleggen, waarin mij niet slechts niets dan ondank is ten deel gevallen, maar waarbij ik de verkeerde gevolgen van den overdreven strijd der politieke partijen in de ruimste mate heb ondervonden. Een edelmoedig aanbod van den burgemeester van Delft, van Kuijk, die aldaar in mijne plaats was verkozen om door aftreding de kiezers tot mijne herkiezing in staat te stellen, heb ik niet aangenomen.
Mijne algemeene politieke indrukken van die dagen schetste ik een paar
Mr. W. Wintgens. â Politieke Nabetrachting. 3
jaren later in de voorrede van een, in Augustus 1870. uitgegeven bundel redevoeringen, door mij als lid der Kamer uitgesproken in de jaren 186(i en 1867, waarin ik weder wees op de dure pligten van Nederland tegenover zijne eigene nationaliteit en op die welke het jegens de Javaansche bevolking had te betrachten. Later in Mei 1873 zijn deze op nieuw in druk verschenen met een aanhangsel, loopende over de jaren 1850 tot 1865 en met een vervolg, behelzende hetgeen tot de jaren 1871â1873 behoort. Te dier gelegenheid schreef ik (31 Mei 1873), na mijne politieke beginselen te hebben geformuleerd:
«Voldeed iedere rigtina; aan dien Ijillijken eiscVi dan zou er ten minste in sommige opzigten, een terrein worden ontdekt, waar eendragtige zamenwerking mogelijk werd, terwijl, zoo men altijd voortgaat met uit zijne nevelen den politieken vijand verdacht te maken en te verguizen, zonder in het minst aan toenadering te denken of eigene denkbeelden voor te dragen â ten slotte niets overschiet dan wanhoop aan de toekomst van een volk, dat toch nog zoo vele elementen van voorspoed en ontwikkeling aanbood.quot;'
Het tweede gedeelte van mijn parlementairen loopbaan ving aan met het zittingjaar 1871 op 1872, toen mijne geboorte- en woonplaats, het kiesdistrict 's Gravenhage, mij opriep als zijnen vertegenwoordiger. Toen ik destijds op nieuw zitting verkreeg in de Kamer, was het derde Kabinet Thoebecke nog aan het bewind; maar nu waren de krachten zeer aanmerkelijk verminderd. Er heerschte in menig opzigt eene volkomene werkeloosheid op wetgevend gebied. Onbegrijpelijke willekeur viel er bij sommige administratieve beslissingen optemerken, hetwelk mij herhaalde malen op eene meer zelfstandige regtspraak van den Raad van State deed aandringen. Ook over de afdoening van zaken bij het Departement van Binnenlandsche Zake werd luide geklaagd. Bij de regeling der jaarwedden van de ambtenaren greep eene zonderlinge voorliefde plaats voor die van den Waterstaat. Kennelijk verzwakt, stierf kort daarop de eens zoo magtige Staatsman, op 5 Junij 1872, waarmede ook zijn Ministerie een einde nam, na eene vruchtelooze poging tot invoering van eene algemeene belasting op de inkomsten te hebben beproefd, welke met eene groote meerderheid van stemmen werd afgewezen (2 Mei 1872).
Wat de algemeene politiek betreft opende zich met dat zittingjaar, bij de behandeling der Staatsbegrooting, op nieuw een ruim veld voor beschouwingen van meer algemeenen aard, waarbij ik den toestand schetste van die bange dagen met den teruggang, die in onze koloniën viel optemerken, welke ik vergeleek met de schitterende gesteldheid van vroeger. Tegen de bewering van van Bosse dat het Regeerings-Eeglement van 1854 was het werk der liberale rigting, wees ik op de beraadslagingen en op de stemmen van Thorbecke en
85
van Hoevell, alsmede van Mack ay en den heer Et.oüt, daartegen uitgebragt. Hier te lande besprak ik den staat van nitdooving (mar as mé), die in de beide laatste zittingjaren viel waartenemen. waartegenover ik de politieke, finantieele en economische eischen van hetoogenbiik ontwikkelde (13 Nov., 8â9 Der.. 1871).
Tk besloot deze rede met de aandacht te vestigen op eene zwarte stip, die zich, toen voor het eerst, aan den politieken horizont vertoonde en die sedert tot eene donkere onweerswolk is aangewassen: â de overweldiging van de wereldlijke politiek door eene confessioneele rigting met een Schibbóleth als wachtwoord, die zich zelve den onverdienden naam toekende van âAnti-revolutionnairs Partijquot;. Over de nnderwijsvraag zeide ik :
«Lang geleden heb ik daarover mijn gevoelen duidelijk uitgesproken. Ik ben een voorstander geweest en gebleven van de openbare schooi, geen godsdienstloozi; school, maar de godsdienstige openbare school, die, als de kerkgenootschappen hun pligt doen, in de tusschen-uren gelegenheid opent om aan de kinderen leerstellig onderrigt in de godsdienst te gevenquot; (1).
Over den invloed daarvan op de verkiezingen;
«Indien een electoraal korps met slechts één punt voor oogen zijne werkzaamheden volbrengt, zoodat de onderwijsvraag daarin alleen en uitsluitend hare uitdrukking zou moeten vinden, onverschillig of do verkozenen al of niet andere bekwaamheden bezitten dan kennis van schoolzaken ââ dan zou toch het gevolg daarvan moeten worden dat de landsvertegenwoordiging van haar wenschelijk gehalte op zoo menig gebied het een en ander verloor. Als daarbij de vraag werd gedaan, waarom worden er geen verbeterde of nieuwe wetboeken gemaakt; waarom zijn onze koloniën veronachtzaamd en wordt ons koloniaal stelsel veroordeeld; waarom zijn onze financiën gedrukt en is ons krijgswezen in verval, dan zou daarop vel-ligt kunnen worden geantwoord met de wedervraag: is het ook omdat allen zijn gepraeoccupeerd geweest door ééne enkele gedachte?quot; (22 Sept. IW.S en -1 Dcc. 1880).
De begrooting van Justitie schonk mij gelegenheid om rekenschap te vragen aan mijne opvolgers van wat er met mijne ministerieele nalatenschap was voorgevallen. Het stelsel van controle op de uitwerkselen van het cellulair stelsel omtrent gezondheid, zedelijkheid en herhaling van misdrijf, door mij ingevoerd bij circulaire aan de besturen der gevangenissen van 30 April 1868; de Instructie voor de Procureurs-Generaal tot het inspecteeren van de parketten en griffiën van 18 April 1868, (14 Mei 1877, 9 Dec. 1880) en de circulaire van 25 Mei 1868, omtrent de toepassing der preventieve gevangenis, waren door hen of ingetrokken of in onbruik geraakt. Het antwoord was even onjuist als onvoldoende (18â20 Nov. 1871). Tevens gaf ik toen en later mijne
(1) Grohn van Prinsterer liet. waar hij ilea tekst mijner gezegden overnam, de woorden vfieen godsdienstloozs schoolquot; achterwege (Ned. Ged. 22 Nov. 1871 en 3 Nov. 1872') en zweeg, tóen ik hem liérhaaldeüjk deze weglating onder liet oog bragt (17 Nov. 1873. 8 TW. â¢187-i).
36
geringe verwachtingen van het cellulair stelsel te kennen, waarover ik reeds vroeger (26 Nov. 1853 en 29 Nov. 1856) mijne denkbeelden had ontwikkeld, die ik later (4 Dec. 1883) herhaalde, en mijn twijfel te kennen gaf of de uitgave der millioenen daaraan te koste gelegd, door de uitkomst geheel zoude worden geregtvaardigd.
In de begrooting van Koloniën vond ik aanleiding om de verwoestingen na te gaan die de grootsche schepping van van den Bosch, onder de inbreuken van het particulier belang, had ondervonden gedurende mijne afwezigheid en een blik te slaan in de toekomst zooals ik mij die voorstelde (8â9 Dec. 1871).
Op sociaal gebied besprak ik den kinderarbeid, in verband met de leerplig-tigheid ; een onderwerp waarop ik reeds vroeger de aandacht had gevestigd (10 Der. 1864, 28 ATov. 1865). Het verslag eener speciale commissie van 28 Nov. 1867, in 4to van 1514 bladzijden, behelst een schat van mededeelingen daaromtrent, waaraan ik hoop dat de parlementaire enquête veel nieuws zal kunnen toevoegen. Ik wees toen ook op vele statistieke bijzonderheden en op de gevaren, die het soc.inle vraagstuk in de toekomst kon opleveren (4â9 Maart 1872).
Omtrent de coalitién zeide ik het volgende:
«Het vuistregt van don nieinveren tijd, liet toelaten van een dwangmiddel van dien aard, mag de Nederlandsche wetgeving niet ontsieren. Hare taak is eene vredelievende oplossing op te sporen; maar de wetgever heeft meer te doen; hij moet zoeken naai- de middelen om het proletariaat te beperken ; hij moet al wat in zijn vermogen is aanwenden om den toestand der mingegoeden te verbeteren; hij moet wel weten, dat wat wij elders in de wereld â Goddank nog buiten onze landpalen ! â aanschouwen, anarchiiin gevolgd door despotisme, â dat die verschijnselen geboren uit nijd. afgunst en slechte toestanden, niet zijn een burgeroorlog, een strijd over burgerlijke of staatkundige regten en vrijheden; maar dat die manifestation zijn van vrij wat eiger natuur; dat die vernielingen zijn sociale krijgvoeringen, die in het binnenste van de maatschappelijke samenleving wroeten en het op den ondergang daarvan toeleggen. Uitwendige gene smiddelen zijn daartegen zeker raadzaam en noodig; maar de inwendige moet men niet verzuimen. Men moet trachten het maalschappelijk gestel in zijn geheel te verbeteren.quot;
Later besprak ik do voorzieningen tegen besmettelijke ziekten en de koepokinenting, als een beproefd middel, den mensch genadiglijk geschonken ter afwering van een geesel, die in vroegere tijden de gruwzaamste verwoestingen van dood en misvorming had aangerigt; (16â21 Oct. 1872)âeen onderwerp waarop ik sedert nog ben teruggekomen (7 Dec. 1883, 25 Maart 1884).
Inmiddels was met Julij 1872 het âderde liberale kabinetquot; opgetreden, daar gelijk de heer van Reenen aan de Kamer mededeelde; âzijne beide liberale voorgangers niet waren geslaagd in de oplossing der vraagstukken, die zij zich ten taak hadden gesteld.quot; Aan den heer de Vries was de zamenstelling van dit Kabinet opgedragen en als zijn ambtgenoot voor Koloniën trad op de heer Fransen van de Putte. Het bleek weldra dat het nieuwe Kabinet zich
37
ten taak had gesteld: de nieuwe voordragt eener Regterlijke Inrigting, de afschaffing der plaatsvervanging bij de militie en eene verlaging van den census voor de verkiezingen. Een en ander besprak ik bij de algemeene beschouwingen over de Staatsbegrooting voor 1873; vooral ook om mijne bedenkingen te kennen te geven over de ontijdigheid dezer censusverlaging; een twistappel in mijn oog, die de afdoening van vrij wat nuttiger zaken moest verhinderen. Zij werd later (12 Maart 1873), op voorstel van den heer van Reenen, voorloopig uitgesteld.
Op 4 Dec. 1872 beijverde ik mij, om evenals vroeger, tegenover het bekende magtwoord van Thorbecke : âKunst is geen Regeeringsznnkquot; (dat ik omkeerde in de stelling: âZulk regeeren is geen kunstquot;), ter bevordering van Kunst en Wetenschap een krachtig woord te spreken; zoo zelfs dat later een Minister van Binnenlandsche Zaken (27 Mei 1878) gewaagde van het soort van âenthousiasmequot;, waarin de Kamer, op 4 December 1872, was overgebragt en waardoor een memorie-post voor nieuwe kunstlokalen op de Staatsbegrooting was aangenomen: â eene dagteekening thans vereeuwigd in den mozaïeken vloer van het nieuw gesticht Museum, als een blijvend gedenkteeken dezer parlementaire beraadslaging; waarbij tevens mag worden opgemerkt'lat later, op 13 Juli 1885, noch de kloeke voorsteller van dien Memoriepost, noch de aanstooker van die onberadene opgewondenheid, tot mede-onderteekening v;;,n eene oorkonde, ter inwijding van het Museum te Amsterdam, werden uitgenoodigd. (1)
(l) Later gaf ik nog aan de Regeenng in bedenking om een Museum voor vadeilandsche oudheden en geschiedenis op te rigten, waar bijzondere personen, op liet voorbeeld van Ct.unm en South-Kknsington, kunstvoorwerpen en dergelijke in bewaring konden stellen, «waardoor die dagteekening (26 Nov. quot;1873) eene waardige plaats naast die van 4 Dec. i87'2 zou innemenquot;. Tegelijkertijd werd een dreigend gevaar afgewend, namelijk de afbraak van de »Voorpoort van den Hovequot;, waarop aanhoudend, zelfs in de Tweede Kamer, was aange-gedrongen. Dit gebouw toch geeft een eigenaardig karakter aan het stadsgedeelte waar het zich bevindt en zou op zich zelf eene historische studie verdienen, welke tot nu toe weinig bekende bijzonderheden aan het licht kon brengen; bijv. het regtsgeding van Louus Francovs baron de Grispkrrk, kolonel van een regiment voetknechten dezer Landen, die op 13 Nov. 4673, wegens grove oneerlijkheden in zijne betrekking gepleegd, o. a. het aannemen van vMorte-paijen voor soldatenquot;, door den krijgsraad werd te.- dood veroordeeld, met deze moderatie, dat; vin consideratie van zijne vrienden, hij 's avondts in den donclter, in eene Camer op de rjevanrjen-poort, in stilte zal rjedecolleteerd en de d easel fs Lichaam aen de Vrienden, omme te berjraven cjhevoUjht worden'. Het regtsgeding van Joiian van Bancken, een der aanleggers van den moord op de gebroeders de Witt gepleegd, later Baljuw van den Haag, die nadat de doodstraf tegen hem was peëischt, op de Voorpoort stierf, zou den Hoogleeraar Fockema Andrew doen zien dat er destijds voorbeelden van afdreiging van de ergste soort voorkwamen, die over de zedelijkheid van dien tijd een zeer treurig licht verspreiden. (Verg. de Handelingen der Juristen-Vereeniging 1886, II. 40.) Terloops zij opgemerkt dat art. 318 van het Strafwetboek tot het bestaan van afdreiging vorderende dat er goed zij afgegeven of schuld zij aangegaan of te niet gedaan, niet voldoende is, daar het dreigement op zich zelf reeds genoeg moest zijn om chantage te kunnen vervolgen.
38
De nieuwe poging om eene Regterlijke Organisatie tot stand te brengen, die even vruchteloos bleef als hare voorgangsters, alsmede een voorstel tot partieele regeling der niet-contentieuse Regtsmagt, van den Minister van Justitie de Vries afkomstig, schonken mij op nieuw de gelegenheid om mijne denkbeelden over ons in zoo menig opzigten verachterd regtswezen, bij twee schriftelijke nota's en in de mondelinge debatten, op de hoofdpunten, waaronder ook de administratieve regtspraak, te ontwikkelen en daarbij vooral aan te dringen op de eindelijke eerbiediging van en terugkeer tot onze eigene, door de Fransche overheersching verdrongene, Nederlandsche regtsbeginselen (17 Maartâ12 Mei 1873, 19â20 Maart 1874).
Nu volgde het zittingjaar 1873â1874. Ik had in dien zomer een reistogtje door verschillende deelen van het land ondernomen en vond daarin gereede aanleiding om, bij wijze van reis-indrukken, ter gelegenheid der Adres-debatten, mijne denkbeelden te ontwikkelen over verschillende Vaderlandsche belangen en toestanden; vooral met het oog op onze militaire inrigting tegenover het buitenland en ook op de ontaarding van den publieken geest in eene verderfelijke partijzucht, die in de Kamer en in de pers tot de meest onregtvaardige en onware voorstellingen en veroordeelingen van het goede bij den tegenstander voerde. Ik gaf mij daarbij over aan eene ontboezeming van allerlei schoone en hoopvolle illusiën, die een blijder dageraad schenen aan te kondigen; âmaar ik kwam tevens terug op het al meer en meer dreigend gevaar, waarop ik reeds twee jaren te voren gewezen had: â de vermenging van de politiek met de godsdienst en de ontwikkeling van eene kerkelijk-confessioneele rigting, die zich met de uiterste felheid, inzonderheid tegen de meer conservatieve beginselen aankantte en die geeneiiei middelen ontzag om in de eerste plaats de voorstanders daarvan ten val te brengen ('22 Sept. 1873). Zoo werd bijv. de redder van den Hollandschen veestapel, Heemskkrk, in een landbouwend districtâGorinchem, uitgeworpen door de anti-revolutionnaire partij en dat nog wel met behulp van liberale zijde. Mijne gezegden bragten in hare gelederen, blijkens vele tegenschriften (Neelerl. Gedachten n0. 24â32), niet weinig opschudding te weeg, die ik wederom bij de Begrootingsbeschouwingen nadelen uitvoerig besprak, als eene zonderlinge reproductie in onzen tijd van een geheel Bijzantijnschen toestand, on verdragelij k voor hen die de vrijheid lief hebben en die zich aan zoodanig kerkelijk juk niet verlangen te onderwerpen (17 Nov. 1873). Het verdient daarbij opmerking dat Groen van Pkinsterer. niettegenstaande hij eene âprincipieele toetsingquot; mijner gezegden in de Nederlandsche Gedachten van 2 en 12 December 1873 had aangekondigd, sedert zijne sarkastische polemiek heeft laten varen. Hij bepaalde zich nu tot eenige Historische brieven, die, zoo hij zeide, hem onverdeeld bezig hielden, en gaf te kennen wat de beantwoording mijner gezegden betrof, âdat daartoe de Standaard aan het woord bleefquot;. Mijne rede besloot ik in dezer voege:
oWij schrijven heden den Ivden November. Dat is eene belangrijke dagtet-ke-liing in onze geschiedenis, Ik zou wenschen dat, evenals 60 jaren geleden dooi de
39
Natie een dwangjuk werd afgenorpen, wij ook, van nu af aan, eene algetneene. nationale beweging mogten zien ontstaan, die ons verloste van een ander dwangjuk, dat zij die den confessioneelen vrede in Nederland verlangen verstoord te zien, ons zouden opleggen.quot;
Hoe weinig deze wensch werd verwezenlijkt, bleek uit de sedert gevolgde gebeurtenissen. Groen hervatte in Sept. 1875 de uitgaaf zijner âNederlandsche gedachtenquot;, waarin hij als de uitkomst der verkiezingen van dien zomer deed opmerken dat de conservatieve partij uiteensprong (de heeren van Reenen en 's Jacob waren niet herkozen) en er eene verstandhouding was ontstaan tus-schen de Antirevolutionnairen en de Roomschgezinden. Van mij, dien hij âzijn ouden vriend en vijand tevensquot; noemde, werd gezegd âdat niemand duidelijker het contrast van zijn tweederlei soort van Isolement had aangetoond. In 1873 door karikatuur. Toen was ik de zelfstandige Simeon de Stijliet, subliem in belachelijke magteloosheid (22 Sept. 1873). In 1874 (8 Dec.) was het blad gekeerd. Verontwaardiging, ontvlamd door de constateering van een historisch feit. De wet van 1857 was een bron van tweedragt en van bederf der politiek geweest. Simeon de Stijliet was afgedaald, en door hem alleen was, op het vlak der aarde, Nederland in rep en roer geraakt.quot;
Ondertusschen schonken de Begrootingen voor Indië en van Koloniën voor 1874 mij de gelegenheid om tegenover den Minister Fransen van de Putte diens koloniale politiek vooral ook op finantieel terrein, met het oog op zijne mislukte comptabiliteitsregeling, na te gaan en te bestrijden. Van zelve kwamen daarbij de schromelijke gevolgen der oorlogsverklaring aan Atjeh op 26 Maart 1873, ter sprake; â
xDat jammerlijke avontuur, waarvan de aanleg even treurig en onbezonnen is geweest als de leiding en waardoor Nederland in waarheid wordt gebrag' tegenover een vreeselijk alternatief,
«Mislukt die onderneming op nieuw, dan is ons koloniaal bestaan er door aan het wankelen gebragt, om er niet meer van te zeggen. En wat als wij zegevieren over dat land, waarvan de bevolking, als do berigten waarheid bevatten, doet evenals de Russen in ISIS â en hare pepertuinen in brand steekt om den overweldiger uit hare land te houden?
gt; \Vat te doen, vraag ik, met die overwinning; welk gebruik er van te maken bij die fanatieke Mohammedaansche bevolking, tegenover den Islam, aan wien op ;i Mei 1852, op zoo omberaden, op zoo ondoordachte wijze den vrijen toegang tot Java is opengesteld? Wij staan daar tegenover onzen gevaarlijksten vijandin Indië. Wij zullen dat wingewest moeten gaan bezetten; wij'zullen daar groote opofferingen van menschen en geld moeten doen niet alleen, maar de groote vraag is deze: zal Nederland de kracht bezitten voor eene blijvende occupatie? En dan. ten wiens behoeve zullen wij daar de heerschappij gaan uitoefenen?
»Het is alles de vrucht van eene koloniale staatkunde, die geen rekening weet te houden met de beperkte krachten van het moederland; die niet te rade gaat met de werkelijkheid der toestanden. Als ik zoo herdenk die negotiatiën over Sumatra en de Goudkust, dat verdrag met Engeland en de gansche onderhandeling
40
daarover gevoerd, dan meen ik die te moeren noemen een ruilhandel in Nessus-kleederen, voor den een welligt even gevaarlijk als voor den ander.quot;
Dit waren mijne woorden op 31 October 1873, en tegenover dat alternatief staan wij nog. Het vertegenwoordigt met den afstand van de kust van Guinea aan Engeland, de Suikerregeling en de afschaffing der Differentieele Regten in Indië (1) den aanvang van onzen kolonialen teruggang en heeft reeds in zoo menig opzigt onze beste krachten ten grave gesleept.
Op 18 Dec. 1873 sprekende over deze rigting in de politiek, die evenzoo in het Engelsch Parlement stof tot ernstig bezwaar had opgeleverd en die met nog oneindig meer regt in onze Vergadering grond tot bedenking gaf, zeide ik:
))Het is de strekking om in de verhouding van het moederland tot de groote uitgestrektheid onzer koloniën geen acht te slaan op de krachten van den Moederstaat ____Als ik de rigting van het Koloniaal Eestuur van de laatste tien of twaalf
jaren gadesla, dan kan ik niet van mij afwerpen de vrees, dat deze rigting onverbiddelijk en onwederstaanbaar, moet leiden tot eene eindcrisis, waartegen Nederland niet bestand zal worden bevonden. Tegelijkertijd zien wij daarmede gepaard eene noodlottige zucht om ons koloniaal bezit uittebreiden buiten Java; zelfs nu laatstelijk door een veroveringskrijg te ondernemen tegen een naburig, zelfstandig, onafhankelijk Rijk, tegen Atchin. Men wil nieuwe uitgestrekte terri-toiren onder Nederlaïidsche Souvereiniteit brengen. Die tweeërlei rigting â inwendige verzwakking met uitbreiding naar buiten, â acht ik gevaarlijk en voor onze toekomst in de hoogste mate verderfelijk.quot;
Nadat dit een en ander bij de Begrooting voor Koloniën voor 1874, nog breeder door mij was besproken en er sedert met den aanvang van dat jaar nog verschillende andere belangrijke onderwerpen waren behandeld, als de jaarwedden der ambtenaren, de uitlevering van misdadigers, waarbij ik de sedert algemeen aangenomen leer verdedigde, dat gewone misdrijven, als moord, brandstichting en diefstal met staatkundige bedoeling gepleegd, niet van uitlevering moesten vrijstellen (23 Mnartâ26 Noi'. 1874, 10 Maart 1875); terwijl ik vroeger reeds op eene internationale regeling hiervan had aangedrongen (25 Maart 1863); alsmede de geheel onvoldoende rekenpligtigheid van het Rijksmaterieel, een onderwerp dikwerf vergeefs door mij besproken (21 Maart 1851, 30 Oct. 1852, 30 Juli 1853, 25 Junij 1855 en 7 Mei 1874), kwam eindelijk nog het vraagstuk van den Census, bij een, mijns inziens, geheel ten ontijde voorgebragt ontwerp van wijziging der Kieswet, te berde; waarbij ik mijne denkbeelden niet slechts over die ontijdigheid, maar ook over het wezen der zaak ontwikkelde. Inzonderheid werd door mij betoogd, dat hier
(i) Verg. een verslag der vergadering van het Indisch Genootschap van 6 .Tan. quot;1865 en de toen aangenomen resolutie, (Red. '1877/70, bl. 3i en 269) welke in at hare verschillende onderdeden door de feiten lijnregt is gelogenstraft.
41
nooit sprake kon zijn van de uitoefening van een regt, maar alleen van eene aan voorwaarden van kennis en belang te verbinden bevoegdheid.
Een fransch schrijver, de Laveegne, drukte dit aldus uit; âVelectoral riest pas un droit, mais une fonctionquot;.
»Ik meen hierbij met het oog op het algemeen stemregt, te mo^en waarschuwen tegen zeker onbewust en ongemotiveerd voortglijden, een gedachteloos graviteeren in de rigting eener theorie, die tot hiertoe in den lande geen aanhang heeft en die elders in de wereld niets dan verderf heeft te weeg gebragt. In het langzaam voortschuiven in die rigting valt zekere aantrekkingskracht waar te nemen. Wij hebben dit in Frankrijk gezien. Het was als een magneet, waarnaar alle magten zich bewogen hebben, tot eindelijk als het einde daarvan, het arme Frankrijk is nedergestort in den afgrond. Iedere afgrond, zegt men, heeft zeker aantrekkingsvermogen : â zoo ook deze. En nu ligt Frankrijk ter neder onder dat redelooze monster, gelijk ik noem het algemeen stemregt, uit wiens klauwen het arme land niet meer te redden is dan door geweld.quot;.
De afstemming van het eerste artikel had de intrekking dier voordragt met de aftreding van het Ministerie en de vorming van een nieuw Kabinet, door van Lijnden van Sandenbcrg te zamen gebragt, ten gevolge.
Als een teeken des tijds mag hier worden gewezen op eene confessioneel-sociaal-democratische redevoering, die in de maand November 1874 door een in Maart van dat jaar gekozen lid, den heer Küijper, werd uitgesproken en op de zeer warme beraadslagingen, welke daarover met hem door verschillende sprekers, waaronder ook de Minister van Lijnden van Sandenburg en vooral mijn te vroeg gestorven vriend van Nispen tot Sevenaer, werden gevoerd. Ik liet niet na om ook van mijne zijde op nieuw mijne gedachten onverholen uit te spreken en mijne bezorgdheid voor de oprakeling van heillooze godsdienst-twisten uit lang vervlogene tijden, te kennen te geven, waardoor elke vrije ontwikkeling en iedere ruime bevordering der nationale belangen moesten worden verstikt en ten gronde gerigt. (1) Ik wees daarbij op de luid sprekende lessen der geschiedenis uit de noodlottige jaren 1618 en 1619, welke afschuwelijke tijden destijds zoo voortreffelijk door Motleij in herinnering waren gebragt. Ik besloot mijn rede (28â30 iVov. 1874) als volgt:
«Slaat, Mijne Heeren, het oog op onze geschiedenis. Welke zijn dan de donkere bladzijden, die onze schoone historie ontsieren ? liet zijn die waarin men leest dat dusdanige kerkelijke rigting zich openbaarde. liet zijn de jaren 1618 en IBIO, toen
(-1) De hoogleeraar van Oosterzee gaf inij, bij een brief van 27 Sept. 1875, zijne insteui-rning met mijne betoogen te kennen, liet slot daarvan luidt als volgt:
d Van den strijd, dien, gij u geroepen acht tegen het clericalisme te voeren, erken ik lui belang en het recht, en innig zal ik mij, zeker in vereeniging met velen in den lande, verblijden zoo het u gebeuren mag in den klimmenden kamp onzer eeuw, alles te helpen keeren wat nafbreuk zou kunnen d'ien aan de godsdienst op zich zelve en aan den invloed dten deze op de gemoederen moet blijven uitoefenen.quot;
42
kerkelijk drijven zich op het gebied van den Staat een uitweg zocht te banen. En wat is daarvan liet gevolg geweest? Dat wordt ons gezegd door den grooten Amerikaan, die op nieuw onze geschiedenis heeft verrijkt, nu met een verhaal van dat noodlottig tijdperk. Hij schrijft: »Van den vulkaan, die eenmaal zooveel verwoesting te weeg bragt en waarin een magtige vrijstaat bijkans werd verzwolgen, is weinig meer dan asch en vuilnis overgebleven. Het verledene werd er door verduisterd en geschokt; laten wij die uitgebluschte brandstof zoo weinig mogelijk oprakelen !quot;
»Die woorden maak ik tot de mijne. Als hij daar spreekt van de asch die men hopen mogt te zijn uitgedoofd, dan zeg ik met hem : rakel ze niet op, want uit die asch zou geen feniks verrijzen, maar de vogel die de stormen aankondigt en die in de dagen der oudheid weid beschouwd als een voorbode van zwarte tijden.
Dit debat werd kort daarop door mij hervat en voortgezet, meer bijzonder met het oog op de anti-revolutionnaire partij en het vraagstuk van het Lager Onderwijs, waarvan ik de gebiedende eischen voor onze nationale eenheid en voor ons volksbestaan, tegenover enghartig drijven, trachtte uiteen te zetten en te verdedigen. Ook hier wees ik op liet gevaar van een ongevoelig voortglijden en hoe, bijna altijd, de schuld daarvan lag aan de lauwheid der gematigden. Daarbij beriep ik mij op merkwaardige woorden van Cicero en Güizot,welke door Tacitus worden bevestigd, waar hij zegt: âPauci ami, om nes passiquot;. Ook waar hij de gevolgen van de onbeholpenheid der goede gemeente schildert in deze woorden : âPraecipuum pessimorum incitamentum quod boni maerebant.quot;
Ik eindigde met een beroep te doen op de anti-revolutionnaire partij zelve.
i-Ziet o)) de generation, die dan sedert 1806, volgens uwe meening, verkeerdelijk zijn opgevoed. Hadt gij dan in haar belang niet meer kunnen doen en uwe geestelijke en stoffelijke gaven kunnen aanwenden om in dat opzigt onze openbare school te verbeteren '? Hadt gij uwe krachten â en zij zijn aanzienlijk â zoo niet beter benuttigd? Hadt gij die laatste alinea van art. 23 zich niet meer kunnen doen ontwikkelen als een weldadige kiem ? Hadt gij desnoods niet kunnen aandringen op eene wettelijke uitbreiding van dat denkbeeld en aldus het godsdienstig leven op de openbare scholen verlevendigen, dat heilzaam zou hebben teruggewerkt op onze maatschappij ? Ware het niet beter geweest op die vreedzame wijze medo op te bouwen dan, onder eene valsche vlag van anti-revolutie, af te breken Iquot;
Het jaar 1874 liep op die wijze ten einde, onder nog eene vrij levendige gedachten wisseling met Stieltjes en Jonckbloet, over het aanhoudend afbreken van Ministers eu over onze militaire stelling tegenover het buitenland (17 Dec. 1874); alsmede niet een kort doch principieel debat met Mikandou-e over de koloniale politiek (19 Dec. 1874).
Daags te voren kwam ook nog de bevoegdheid der Tweede Kamer ter sprake ten aanzien van hare inmenging ia zaken van bestuur, hetzij onmiddellijk, hetzij naar aanleiding van bij haar ingediende verzoekschriften. Ik bestreed wat mij toescheen eene magtsoverschrijding te zijn tegenover het uitvoerend gezag; en de
43
Kamer zelf kwam op mijn aandrang in het volgend jaar op deze magtsover-schrijding terug (17 Dec. 1875). Een dergelijk debat op 15â17 Dec. 1877 en op 6 Mei 1878 verdient mede uit dit oogpunt de aandacht. Deze magteoverschrij-dingen bestaan meestal in het verzenden van bij de Kamer ingediende verzoekschriften aan de Regeering âmet verzoek om inlichtingquot;. Er heeft zich dientengevolge bij het publiek eene meening gevestigd alsof elke vermeende verongelijking regt gaf tot een beroep op de Tweede Kamer. Iedere vergadering bijna levert daarvan de zonderlingste voorbeelden. Het zich aanmatigen eener dergelijke voogdij of controle over het uitvoerend gezag in zijne ver-rigtingen, ja zelfs enkele malen zich begevende op het gebied der regterlijke magt, behoort tot de schadelijke eigenschappen van het Parlementarisme. De Regeering toch is weerloos tegenover de besluiten die zich een tak der wetgevende magt op die wijze veroorlooft, zonder te gevoelen dat zij, toegevende aan deze zucht tot magtsoefening, het evenwigt en de behoorlijke afscheiding-van hare attributen en die der Regeering schendt en verbreekt. Herbert Spencer maakt daarom eene juiste opmerking, waar hij schrijft; âLa fonction du libéralisme dans le passé a été de me Ure une limite au pouvoir des rors. La fonction du vrai libéralisme dans Vavenir sera de lirniter le pouvoir des par lemen f*quot;; (1/Individu contre 1'Etat. vert, van Gerschel. p. 158) en ook het woord van Jefferson wordt er mede bewaarheid: ..Van alle politieke gevaren is de dwingelandij van een wetgever de grootste.quot;
Tn het volgende zittingjaar mengde ik mij slechts voor enkele meer bijzondere onderwerpen in de Kamer-debatten, als de aansluiting der spoorwegen te Rotterdam, waarbij ik meen te mogen zeggen den val van het Kabinet te hebben afgeweerd (24 Nov. 1875); de Effectenhandel ter beurze met hare destijds geblekene schandelijke uitspattingen, alsmede de misbruiken en de noodwendige regeling der Naamlooze Vennootschappen (28 Nov. 1874, 2 Der. 1875, 6 Der. 1878); om met den aanvang van 1876 deel te nemen aan de zoo hoogst gewigtige gedachtenwisseling over het Hooger Onderwijs, gelijk het was voorgesteld te regelen door den Minister Heemskerk. Mijne denkbeelden daarover in het algemeen, over de magt tot het verleenen van de Akademische graden als een attribuut van den Staat en over het karakter der Theologische Faculteiten (1), kon ik nog in Maart 1876 uitvoerig bespreken, toen een vreeselijk familie-onheil, later door een ander gevolgd, mij en de mijnen plotseling kwam ter nederslaan en mij de bijwoning van de verdere beraadslagingen over het Hooger Onderwijs volstrekt onmogelijk maakte.
Later in ^at jaar 1876 â bij het adres-debat van 26 September, kwam ik
(1) De hoogleeraar Scuolten sclireef mij lüerovcr twee uitvoerige en hoogst belangrijke brieven, waarin hij mij zijne instemming met mijne gezegden te kennen gaf: waarvan ook blijkt uit de rede, waarmede hij, op 8 Febr. 1877. liet Akademisch Kectoraat overdroeg: waarin hij de beginselen ontwikkelde die bij ons universitair onderwijs, de studie van de» Godgeleerdheid moeten kenmerken.
44
terug op het politiek bederf uit de wijze van behandeling der onderwijs-quaestie geboren, welke nu inderdaad âde spil was geworden, waarom onze geheele politiek zich bewoogquot; (deze waren de eigene woorden van den heer Kuijpkr); terwijl ik met eene toespeling uit Vondel's Rommelpot van 't Hanekot (1), mijn twijfel uitsprak of eene politieke rigting, die zich destijds onder de leiding van den heer Kappeynk, begon te vertoonen en zich tegen het toenmalig bewind overstelde, eene betere leiding aan 's lands zaken zou vermogen te geven.
Van Lijnden van Sandenhurg bragt daarop zijne regeling der Coöperatieve Vereeniging in behandeling en tot stand, welk onderwerp ik met meer ijver ter harte nam dan het, immers op dien voet ingerigt, blijkens zijne uitwerkselen op maatschappelijk gebied, verdiende (11â20 Oct. 187(5). Deze toch zijn zeer onbeduidend gebleven, vermits er sedert het bestaan dier wet ter nauwernood zeventig zulke vereenigingen, nog wel van consumtie (die den op zich zelf staanden winkelier met ondergang dreigen), weinig of geen van productie, zijn opgerigt, waarvan er ook vele weder spoedig hun kwijnend bestaan hebben opgegeven. Wat van grooter gewigt en meer bedenkelijk was: â dezelfde Minister van Justitie, geruggesteund door zijn voorganger, den oud-Minister Godefroi thans lid der Kamer, wist eene regterlijke inrigting tot stand te brengen, welke metterdaad de grondslagen der wet van laatstgenoemden bewindsman van 31 Mei 1861, in hoofdzaak teruggaf: â eene âfragmentarische loederopstandingquot; zooals hij teregt zeide (1 Maart 1877); welke wet intusschen, op 23 Junij 1870. bij een votum der Kamer, nadat dezelfde van Lijnden van Sandenburg zijn âabsolute overtuigingquot; in dien geest had uitgesproken, was ter zijde gesteld; een toestand die mij dan ook aanleiding gaf om op te merken hoe volgens de bekende stelling van Hippocrates, nu ook op dit gebied, de mensch om de zeven jaren geheel bleek te kunnen veranderen. Overigens werden hiermede de ware belangen van het nationaal regtswezen, naar mijne toen op nieuw ontwikkelde meening, geenszins
(1) Bij de ontwikkeling mijner gedachten hel) ik zeer dikwijls gebruik gemaakt van citaten^ hetwelk mij dan in de dagbladen werd euvel geduid, iets waarvan ik de reden nooit regt heb bevroed en waartegen ik meermalen, o. a. bij de debatten van Junij -1878, over het lager onderwijs, ben opgekomen. Dat gestadig gezeur in de pers verraadde al zeer weinig kennis van de gewoonten in Engeland, waar veel rneer dan ten onzent citaten worden gebezigd en wat toch is het parlementaire land bij uitnemendheid. Daar zou men door het doen van aanhalingen uit dichters en andere schrijvers aftekeuren, zich blootweg belachelijk maken.
Uit de dagen der oudheid kan men daarentegen bij Baijle lezen, hoe Epicurus eene uitzondering maakte op deze ook toen veelvuldig bestaande gewoonte, »Æ/ fit beaucoup de livres (hij zegt 300 stuks) et se piquait de ne rien citerquot;. Maar Baijle keurt dit af en verdedigt zeer geestig een anderen philosoof, Ciihijsippus, die in een tegenovergesteld uiterste was vervallen. Hij wijst er op, met eene aanhaling uit Naudé, hoe Plutarchus, Seneca en Montaigne niet schroomden hunne geschriften met allerlei aanhalingen op te luisteren en verdedigt dan ook het bezigen van citaten met allerlei vernuftige opmerkingen.
Baijle komt later nog eens in zijn Dictionnaire in v°. Meziriac, op dit onderwerp terug, â¢waar hij bestrijdt nies esprits superficiels el paresseuxquot;, die het doen van citaten veroor-
45
bevredigd, maar in velerlei opzigt miskend; terwijl daarentegen de uitgaven voor den Lande zeer aanmerkelijk waren vermeerderd (28 Febr.â14 Mei 1877).
Deze debatten, op regtskundig terrein gevoerd, werden op het einde van 1876 en in het begin van 1877. afgewisseld door uitvoerige politieke beschouwingen op Koloniaal gebied, met betrekking tot den oorlog met Atjeh (ons Mexico of Tonkin); de opium en het dobbelspel, de conversie van het gemeentelijk grondbezit der Javanen en de dienstreis van den Algemeenen Secretaris Levyssohn Norman ; eindelijk het politie-strafreglernent van 1872 voor de inlanders, welke nu niet meer hun arbeid als belasting tegenover het Souverein gezag hadden op te brengen, maar als gewone werklieden, die door de ondernemers in huurdienst waren aangenomen, en daartoe als zoodanig door eigenaardige middelen moesten worden gedwongen; terwijl er hoe dan ook van de Javaansche bevolking eene belasting in geld moest worden geheven, iets wat ik steeds als de kiem van de ontbinding in ons koloniaal bestaan nedergelegd, heb aangemerkt. De belasting in geld kan de Javaan veelal slechts betalen door zijne verdiensten bij den particulieren ondernemer. Hem alzoo dergelijke belasting op te leggen schijnt mij niets anders dan: âeigenzak-politiekquot;.
Inmiddels neigde ook wederom dit Kabinet ten val. De steeds dringender wordende oppositie, die het nog wel van de linkerzijde ondervond, maakte zijn voortbestaan moeielijk en weldra onmogelijk. Ik vond gelegenheid daarover bij
rleelen: ook met hen te vragen: Vous rondamnez eet auteur qui cite et du Grec et du Latin, en feriez-vous bi en autant, mettez la main sur votre conscience, le bldmeriez-vous si vous vous sentiez en étal de Viniiter 9quot;
In het fraaie boek: VHistoire Bomaine n Home van Ampère, kan men lezen hoe ook de üomeinen groote liefhebbers waren van citaten; hoe bijv. Scipio Akmii.ianus verzen uit Homerus reciteerde bij de verwoesting van Carthago en hoe de redevoeringen van Sylla en Marius, van Cato den oude en Caesar, van Tiberh s, Nero en Marcus Aurelius van Grieksche dichtregelen wemelden. Op 11 Junij 1867 had een lid van onze Tweede Kamer den moed eenige Grieksche versregelen uit Homerus te ontboezemen. Mag men Wagenaar CX1V, â¢154) gelooven, dan citeerde Corneus de Witt, op de pijnbank, liet bekende nJusliun actena-cem propositi virionquot; enz. (niet echter, gelijk Ampère met een kolossale bhmder dit voorval vermeldt in de Revue des deux Mond es, X, 043 (1855).
Hugo de Groot zet in de Proletjomena (40) van zijn Regt van Oorlog en Vrede uiteen, hoe zijne aanhalingen uit wijsgeeren en geschiedschrijvers, van redenaars en dichters moesten worden opgevat: nnon quod illis indiscrete credendum est: sed quod ubi multi diversis temporibus nc locis idem pro certo affirmant, id ad causam universalem referri debeat, quae in noslris quaestionibus alia esse non potest quam aut recta illatio ex naturae principiis procedens, aut communis aliquis consensus,quot; (Verg. hierover Mac-Intosh bij Wheaton, Histoire des progrés du droit des gens, I, 57.)
Bijnkershoek daarentegen hield niet van de ncommentatores qui gregatim pascunturquot;, en zeide: nmalo dicere quod mi hi videatur, quam iis laudandis vel refutandis bonas horas perderequot;; Q. I. Priv. II, -15; maar dit ziet niet zoo zeer op eene tusschen eigene denkbeelden gevvorpene gedachte van dichters of redenaars.
46
het adres van antwoord, in September 1877, mijne gedachten in als ware het eene soort van lijkrede, uit te spreken, met onbewimpelde vermelding dei-gronden waaraan, evenals in 1867, het verval van krachten van dit Kabinet waarin zulke uitnemende talenten waren vereenigd, naar mijne overtuiging was te wijten; waarbij ik tevens een omstandig overzigt voegde van het verledene en hoe ik mij daarmede in menig opzigt niet wel had kunnen vereenigen.
Gewoon mijne redevoeringen over de voornaamste onderwerpen van tijd tot tijd te doen overdrukken, ten einde die mijnen vrienden aan te bieden en waaraan ik dan een kort woord tot inleiding plagt te laten voorafgaan om den politieken toestand van het oogenblik te schetsen, gaf ik wederom een paar zoodanige overzigten, gedagteekend 18 September 1875 en 17 Augustus 1877, waarbij ik mij veroorloofde de liberale partij tot meerdere gematigdheid en zelfbeheersching in de leiding van hare politiek, aan te sporen tegenover de kerkelijk-confessioneele beweging, die de conservatieve rigting reeds had weten ten val te brengen, onder medewerking der liberale partij zelve; maar die nu meer en meer, naar mijne overtuiging een gevaar opleverde, niet slechts voor deze, maar ook voor de hoogste belangen des Vaderlands. Ik bespeurde in de gestage vermenging der Godsdienst met de Politiek, eene bedreiging van den godsdienstvrede en de godsdienstvrijheid, indien de liberale partij door hare overdrevene of radikale handelingen ook anderen mogt noodzaken tot een weliswaar onnatuurlijk, maar toch niet geheel ondenkbaar hondgenootschap met de kerkelijk-confessioneele partij.
Een liberaal kabinet werd hierop door den heer Kappei.tne te zamengebragt en trad op met 3 November 1877 ; maar na den volijverigen dk Roo van Alderwkrelt en den steeds even arbeidzamen van Bossb door den dood te hebben verloren, werd het zeer verzwakt en was aanvulling noodig. Dit bewind duurde voort tot 19 Augustus 1879, gedurende welk tijdsverloop ik meermalen de gelegenheid zocht en ook vond hij de gevoerde debatten, om op mijne welgemeende waarschuwingen en aansporingen tot matiging en zelfbeheersching terug te komen. Het was te vergeefs. De gevolgen daarvan zijn thans in ruime mate te overzien in bijna alle rigtingen van openbaar belang; doch in stede dat zou worden begrepen dat de radikale beginselen alleen geschikt zijn om de krachten der klerikale partij te doen aangroeien, worden ook nu nog onverdroten de meest buitensporige plannen, tot zelfs die eener progressieve inkomstenbelasting, bijeen zonderling soort vanpronunciamienfo's door eene zich noemende Liberale Unie, aan onze goede burgerij voorgespiegeld. Op 18 .Tunij 1884 heb ik bij de bespreking der klassenbelasting, het beginsel eener progressieve belastingheffing bestreden als, in verband met het algemeen stemregt, de laatste formule van het socialisme. Thiers, in zijn beroemd werk over den Eigendom, vergeleek haar teregt met de handeling van een winkelier, die de prijzen zijner waren niet regelt naar de door hem verkochte hoeveelheden, maar naar de meerdere of mindere gegoedheid van zijne
47
klanten. (De la Propriété. ch. 3. âQvc l'impdt dnit Hre proportionnel et non, proyressifquot;)
AVat ïhorbecke en alle zijne opvolgers steeds wijselijk hadden tegengehouden en geweigerd, geschiedde nu. Onder een weidschen titel werd een nieuw ministerieel departement voor openbare werken opgerigt. waarvan ik de begrootingen voor de jaren 1879 en 1881 afstemde, met eene openhartige uiteenzetting der bezwaren die mij daartoe aanleiding gaven en welke sedert dien tijd, in nog veel ruimere mate, door eene bedriegelijke onderscheiding-van gewone en buitengewone staatsuitgaven, in opvolgende tekorten en leeningen, zich hebben laten gevoelen (17 Dec. 1878, 22 Dec. 1880, 28 Nor. 1882. 1 April 1884).
In het koloniaal beleid kwam geene verandering ten goede. De strijd, dien ik sedert onafgebroken heb voortgezet tegen de bekrachtiging van kredieten door den Gouverneur-Generaal geopend boven de wettelijke Begrootingen voor Indië, die daaraan alle waarde en beteekenis ontnamen, werd in deze dagen door mij op touw gezet; zij mogt eerst, na zes jaren te zijn volgehouden, met goeden uitslag worden bekroond (30 Nov. 1877, IS Oct. 1882, 10 Oct. 1888, 3 Julij 1884). Bij die gelegenheid besprak ik op nieuw de oorlogsverklaring aan At.teh, die zonder vergunning der Staten-Generaal en zelfs zónder mededee-ling aan haar, had plaats gevonden (Red. 1877â79, bl. 28â29) en werd ik. bij de debatten over de Staatsbegrooting (4 Dec. 1877) tot eene repliek gedwongen door eene heftige rede van den heer Fransen van de Putte, ter beantwoording van de mijne van 30 Nov. over de Indische kredieten; een aanval, die, ofschoon toen geheel en al buiten de orde, door den voorzitter Dülleeï werd toegelaten en van mijne zijde niet onbeantwoord bleef.
Ook overigens was er in die dagen aan gelegenheid tot bespreking der koloniale politiek geen gebrek. Tegenover den Minister van Koloniën van Bosse, den man van zoo veelzijdige ervaring, maar vooral ook tegenover een Kamerverslag van 21 Oct. 1878, waarin de buitensporigste eischen tegenover het moederland stonden uitgedrukt, trachtte ik op nieuw dc behoudende beginselen staande te houden. Bij de begrooting van Nederlandsch-Indië voor 1879 wees ik daarbij op de misrekeningen, die toen reeds werden ondervonden en die het best waren uit te drukken door aan het opschrift van een Hoofdstuk van een toen verschenen werk van den hoogleeraar Veth â âdc Zege van het Nieuice Stelselquot;, in parenthesi toe te voegen : â {zonder N). Hierbij beriep ik mij op eene verklaring van nu wijlen den heer Rose, in het Indisch genootschap, op 19 Nov. 1879, afgelegd: âdat hij voortduring van den tecjen-woordigen toestand de vrije suikercultuur binnen kort te gronde gaat.'''' Ik besprak onder meer andere punten, de buitensporige aanspraken en gedragingen der zich noemende âIndo-Europeesche gemeentequot;, waarvan ik de eigenlijke bestand-deelen ontleedde (1); alsmede de stelling, welke de Chineezen, vooral ook op
(l) ytlndié wil dit â Indië wil datquot; â beteekeut: ruim 4800 personen op Java gevestigd, (van welke een grooi deel zelfs niet eens lezen en schrijven kan. noch begrijpt waarom het
48
Sumatra, begonnen in te nemen. Daarbij gaf ik nog mijne bedenkingen te kennen omtrent de met Januarij 1878 ingevoerde nieuwe belastingen en besloot ik, in de hoop van een prikkel gevonden te hebben om het nationaal gevoel tegenover het eigenbelangzoekend streven, wakker te maken, met te wijzen op een ironisch woord, op een Guildhall-haxiVei door lord Beaconsfield ons naar het hoofd geslingerd; â alles vergeefs. Ook daarbij moest ik weder een hevigen aanval zoeken af te weren van den heer Fransen van de Potte (27 Nov. 18/8), die nu zelfs aan den tegenstand van mij en mijne vrienden een noodlottigen invloed op het verloop van den oorlog met Atjeh wilde hebben toegeschreven. Mijne zelfverdediging ging, evenals in het jaar te voren, gepaard met eene uitvoerige voorstelling van den toestand, welk ik besloot met deze verklaring:
)gt;Ik werp die aantijgingen terug. De geachte afgevaardigde heeft geen regt ons dergelijke verwijten te doen, want hij is de man op wien de verantwoordelijkheid drukt van het ongeluk, waaronder Nederland en zijne Koloniën gebukt gaan.quot;
Verschillende hoogst belangrijke onderwerpen kwamen nog verder met dit Kabinet in behandeling. Op het einde van 1877 werd de Kies-tabel herzien en kwam ik daarbij wederom met nadruk terug op de wenschelijkheid dat dat het nieuwe Kabinet, in de leiding van 's Lands zaken en bij den kritieken toestand der financiën, waarover ik, op 10 Dec. 1877, mijne gedachten uitvoerig had ontwikkeld, âmatiging en zelfbeheerschingquot; mogt betrachten ; ik wees er op dat het toch sterk genoeg was om gematigd te kunnen wezen; ik waarschuwde tegen eene politiek a outrance in het belang der liberale partij zelve; maar dat alles was vruchteloos beproefd. De kunstbewerking, in Tsoord-Amerika bekend onder de benaming: âGerrymanderingquot;, werd inzonderheid op 's Gravenhage toegepast. Het naar het scheen onmiskenbaar regt van dit kiesdistrikt op een derden vertegenwoordiger werd niet erkend; terwijl aan Rotterdam, met vrij wat minder aanspraak, een vierde vertegenwoordiger werd toegekend. {Nota van 19 April en 8 Dec., 19â20 Dec. 1877j (1).
eigenlijk te doen is) waaronder 628 vreemdelingen, werpen zich op als vertegenwoordigers van Ned. Indië.quot; van Herwerden, Stelsel tegen Stelsel, bl. 6 f1863).
(1) Wanneer wederom bij eene kiestabel het regt van 's Gravenhage wordt geregeld, zal daarbij op een vierden afgevaardigde moeten worden aangedrongen, met bijvoeging van eenige omliggende gemeenten, die eigenaardig bij den Haag behooren. Het regt daarop is onbetwistbaar als men de jaarlijks klimmende cijfers der bevolking raadpleegt, welke die van andere gemeenten verre te boven gaan.
Op \ Januarij 1830 telde 's Gravenhage 56,105 inwoners,
op 31 December â¢1850 ....... 70,242 »
op 31 December 1879 .......113,460 »
op -1 Januarij 1884 ....... 131,417 »
op 1 Januarij 1886 ....... 138,697 »
49
I'jU nu volgde het nefaste jaar 1878, dat als het keerpunt in onze financieele geschiedenis moet worden aangemerkt, omdat van daar de tekorten en moeilijkheden dagteekenen en de nationale teruggang, ook overigens op zoo menig gebied merkbaar, duidelijk te voorschijn trad (15 Maart 1878, 14 Nov. 1882).
Tegelijk met de belasting der goederen geërfd in de regte lijn, werd eene geldleening van 43 millioen guldens bij de wet goedgekeurd; als ware het om aan de trouwe Nederlandsche natie, in een blijvend aandenken, de gevolgen van den oorlog met Atjeh wel te doen waardeeren en gevoelen. Te vergeefs poogde ik het volstrekt onregtmatige en verderfelijke van deze kapitaal-belasting, die de voorvaderen zoo te regt nimmer hadden toegelaten, uit een te zetten en op andere middelen van minder drukkenden aard aan te dringen (17â22 Mei 1878).
Hier volgt een staat van liet bevolkingscijfer der gemeente 's Gravenhage op 1 Jan. 1887. gelijk die is opgemaakt door liet Bevolkings-bureau alhier, en waaruit blijkt dat de bevolking inéén jaar met 5 350 inwoners is toegenomen; zoodat met het oog op de toekomst, met dien snellen aanwas billijke rekening behoort te worden gehouden.
Staat aanwijzende het Bevolkingscijfer der Gemeente 's-Gravenhage op I Januari 1887.
Vermeerdering door Vestiging.
Uit de Koloniën v/d. Staat.
Uit andere gemeenten des Rijks.
Uit do Provincie.
Totaal dei-Vestiging.
Uit het Buitenland.
Vermeerdering door geboorte.
Totaal der Vermeerdering door Vestiging en Geboorte.
i i
v.
M.
I I I ' I I I i I
1796 !2361 1903 2473 281 256 252 320 ; t232 5410 12715
II I I I I I I
2547 6947
7957
| |||||||||||||||||||
|
1034:1424 115-10 1759 49 41 ! 164 : 192 2757 ; 3416!1639 1742 4396 5158 | |||||||||||||||||||
.Mannen.
De Bevolking bedroeg op 1 Januarij 1886 .......... 63065 75632
Vermeerderde door vestiging en geboorte met........ 6947 7957
Totaal......: 70012 j' 83589
Verminderde door vertrek en overlijden met........ 4396 : 5158
Totaal der Bevolking op 1 Januarij 1887 .......... 65616 j 78431
TrT
I
144047.
I
Mannen en Vrouwen te zamen
Mr. W. Wintgens. â Polilitkt Nabetrachtivg.
50
De nieuwe regeling van het Lager Onderwijs volgde. Ik bestreed haar met te wijzen op hare onmogelijke financieele gevolgen; op het onraadzame der uitloving van 30 n/0, door het Rijk te dragen in de uitgaven van al de gemeenten, of zij die noodig hadden of niet; op den strijd, dien men openstelde tusschen de zonen van hetzelfde Vaderland, in plaats van naar verbroedering te streven. In verband met dit onderwerp de sociaal-demokratische woelingen besprekende, mogt ik niet nalaten mijn afgrijzen van den moordaanslag op Duitschlands eerbiedwaardigen Keizer gepleegd uittespreken, en niet alleen aan Hem en zijn roemrijk geslacht, maar ook aan het trouwe Duitsche volk, in dien hangen tijd,.een woord van deelneming toeteroepen. Het behaagde den Kroonprins, als tijdelijk mei de Regeering belast, mij deswege, bij een â¢schrijven van het gezantschap van 5 Dec. 1878: âSeinen verhindlichsten Dnnl-auszusprechenquot;.
Mijne denkbeelden hoe uit een nationaal en onpartijdig oogpunt in dit groote en teedere belang als is het lager onderwijs moest worden voorzien, ontwikkelde ik in het breede. Het baatte wederom niets (17 Junijâ2 Ju lij 1878).
Als ware het om de maat vol te meten, werd nu nog een voorstel aangenomen van den Minister van Justitie Smidt, die zich nooit op het gebied Regtspraktijk had bewogen, onder den invloed van Godefroi, van wien dit altijd een stokpaardje was geweest, om de Orde van Advocaten, die sedert vier eeuwen op zich zelve, afgescheiden van het ambt van Procureur, als een geheel vrij beroep hiertelande had bestaan (art. 107 der Instructie voor het Hof van Holland vair 4 September 1462), in eene soort van Duitsche Anwalt-stand te veranderen, zonder daarbij de waarborgen te schenken die in Duitschland met die instelling bestaan. Ook overigens werd de zaak gebrekkig geregeld en de sedert verkregene uitkomsten strekken dan ook niet tot regtvaardiging van een maatregel, waartegen ik een en andermaal ben te velde getrokken (6 Junij 1876, 27-28 Feb. 1879).
En daarmede kwam ook wederom dit Kabinet aan zijn einde: â nog wel onder het oplaten van een vuurpijl in de gedaante van den eisch eener Grondwetsherziening; â een Kabinet, waarvan ik gereedelijk moet erkennen dat ik met de talenten van den Premier, die ik op ander gebied had leeren hoogschatten, mij eene geheel andere uitwerking had voorgespiegeld en een Eisch, dien ik later nu eens met den pijl van den Parth, dan met het geschenk van de doos van Pandora heb vergeleken (20 Maart 1884).
Van Lijnden van Sandenburg trad wederom op en bragt, op 19 Augustus 1879, een nieuw ministerie te zamen. Hij slaagde er in om achtervolgens de krachten van verschillende hoogleeraren, mannen van niet geringe kennis en verdienste, aan zijn bestuur te verbinden. Ik meende ook destijds mij te mogen vleijen dat deze verandering in het bewind tevens een ommekeer in de tot op dien tijd gevolgde politiek ten gevolge zou hebben. Niets van dien aard viel echter waar te nemen en dikwerf rees bij mij toen en later het vermoeden of hieraan welligt de niet wederoptreding van den heer Heemskerk
51
moest worden toegeschreven. Ik noemde naar aanleiding daarvan, bij de inleiding mijner in 1882 uitgegeven redevoeringen, deze politiek âde kunst van het mogelijkequot;, om daardoor tevens met fijn overleg een eigen politiek bestaan mogelijk te maken. Men ging slechts altijd nog één stap verder dan de tegenpartij zoude hebben gedaan. (1) (23 Dec. 1882.)
Meer en meei; moesten daarbij de zoo bedreigde koloniale bezittingen in verband met onze financiën de aandacht tot zich trekken. Zij maakten voor mij het onderwerp uit van uitvoerige beschouwingen bij de Staatsbegrooting voor 1881, toen ik ook aan de Statistiek de bewijzen van den teruggang onzer nijvere middelklasse ontleende en daaruit aantoonde welken invloed de opheffing der plaatselijke verbruiksbelastingen met de invoering van hoofdelijke omslagen in de gemeenten, met 1 Mei 1886, op de afschaffing van dienstboden had uitgeoefend.
Bij die gelegenheid en sedert meermalen, besprak ik, ook in vergelijking met andere landen, de bovenmatige opdrijving ten onzent der directe belastingen voor het Rijk. Ik zeide daarvan onder meer het volgende:
»De middelstand â dat is de klasse waarop de druk der directe belastingen zich het meest doet gevoelen en liet woord in den ouden Hijbei van Deux Aas is in dat opzigt nog heden ten dage volkomen toepasselijk : vDeux Aas en heeft niet. Six cinque en geeft niet. Qua ter Drij die helpen vrijquot;. (1 .Dec. 1880, 22 Maart 1881.)
Later zeide ik op nieuw:
ilk heb hier vroeger gewezen op het oude rijmpje van den Bijbel van Deu r Aas en dat is nog altijd de waarheid; het zijn niet de lagere, ook niet de hoogeiv klassen, maar de middelklassen die gebukt gaan onder de belastingen. Welnu, do lagere middelstand, die verste zoom van den middelstand, die aanzienlijke klasse van ingezetenen, verreweg talrijker dan de rijken, die zeer weinig beteekenen in aantal, veel talrijker dan de meer welgestelde middelklasse, is uiterst gevoelig voor belastingdruk. Men kan haar niet straffeloos gaan treffen met eene nieuwe directe heffing als dezequot;. (18 Junij 1884.)
Ik wees tevens op de schroomelijke gevolgen van eene overdrijving der openbare werken en van de opheffing der differentieele regten in Indië voor
(1) Johannes Scherr, de fijne satyricus, onlangs te Zurich gestorven, schreef eens dit epigram :
11'as ist die Politik?
Die i'Kunst des Möglichenn.
Drum such mil Miene, Wort unci Bliek
Es zu ernuiglichen,
Dass die ruit richtigen Schwick unci Schick,
'/.u jedem Augenblick Gehörest zu den Möcjlichcn.
Volgens Eaiji.e, die door Sainte-Beuve niet geheel ten onregte werd genoemd: vun Voltaire a la Hollandaisev, werd van de politiek eenmaal deze definitie gegeven: «/es non tam regendi quam fallendi hominem^ (IV, 583).
52
onze markten en onzen handel, die ik met cijfers in het licht stelde (4 Dcc. 1880.) Het Kabinet deed echter niets om hieraan tegemoet te komen; maar droeg daarentegen eene Rente-belasting voor in eene radikaal-politieke rigting, die dan ook evenzeer mislukte als die van 1852 en 1872; niet zonder dat ik mijne afkeuring daarover, evenals vroeger, onbewimpeld en uitvoerig had uitgesproken. (17â22 Maart 1881.)
Terwijl als ware het in een afgezonderden werkkring, de uitstekende gaven van Modderman op schitterende, wel eenigszins schwürmerische wijze in het licht verschenen, zoowel bij de voordragt eener Drankwet, die op 10â16 Mei 1881 door mij werd besproken en welke meer schijn dan wezen in hare uitkomsten oplevert, als bij de Eedsvraag, die zoo eigenaardig door hem en zoo volkomen onpraktisch door vele anderen werd opgevat; (3 April 1878, 5â7 Oct. 1881) maar inzonderheid bij het Wetboek van Strafregt met het daarbij aangenomen cellulaire stelsel, waarover, naar ik meen, de toekomst nog hare einduitspraak zal hebben te doen, â beging het Kabinet den in mijn oog onvergefelijken en door zijn ontstaan geheel onbegrijpelijken misslag om tot de invoering dei-wet op het Lager onderwijs nog wel ongewijzigd, over te gaan, waartoe elke goedereden mij toescheen ten eenenmale te ontbreken, (9 Juliâ15 Dec. 1880) en daarbij ook nog het opgeworpen denkbeeld der Grondwetsherziening over te nemen, zoo als geschiedde bij de Adres-debatten van 23 September 1879.
Ook met dit Kabinet voerde ik herhaaldelijk mijne altijd even vruchtelooze gedachtenw'sseling over het koloniale vraagstuk en over het chronisch geworden tekort, hetwelk zich nu op de meest onrustbarende wijze vertoonde. Met hernieuwden aandrang wees ik daarbij op de groote gevaren eener verdere ontwikkeling van het Mohammedanisme en op de onbegrijpelijke zorgeloosheid der Regeering daartegenover; op mijne vroeger reeds gemaakte bedenkingen over de nieuwe Indische belastingen, vooral ook tegen die in geld in plaats van in arbeid op den Javaan; in verband met de opheffingdevpantjèn-diensten aan de hoofden, die van deze afgekocht toch voortdurend door de bevolking worden bewezen (9 Mei 1878, 29 Sept. 1880); op de gedragingen der âIndo-Earopecsche gemeentequot; (de âKongsiequot; zooals ik haar noemde) tegenover de regten der Javaansche bevolking op haren bodem. (1â4 Dcc. 1880, 14â18 Xnv. 1881). Ik zeide toen :
»Do Oost-Indische Compagnie is vervangen door eene vereeniging, door een agglomeraat, door een wezen, hetwelk ik eene. Kongsie heb genoemd, die alle de voordeden van de kolonie tot zich trekt; maar in tegenstelling met den ouden tijd, de kwade kansen en de mogelijke gevaren geheel laat voor rekening van de Nederlandsche Natie. Dien toestand wil men nog meer gaan bevestigen : de Natie in leeningen en belastingen alleen de lasten dragende â de Kongsie al de lusten genietende.quot;
Evenzoo gaven mij de onverantwoordelijk zorgelooze diplomatieke leiding der zaken omtrent wat men thans noemt: âBritish North Borneoquot; en ook
onze verhouding tot de Transvaalsche Republiek, velerlei stof tot behandeling ; maar niet om mij in' welk opzigt ook over de Regeeringsverrigtingen daaromtrent te verblijden (5â(i Dec. 1881, 30 Nov. 1883). Wijders vond ik op het eind van 1881, naar aanleiding van het openvallen der nalatenschap van Prins Frederik dek Nederlanden, eene gelegenheid om een advies op te stellen betreffende het regt op de Staatsdomeinen, bij de Wet van 25 Mei 1816 aan Z. K. H. overgedragen wegens het verlies van zijn regt van erfopvolging in de Nassausche staten. De beraadslaging van 23 Dee. 1881 had mij geen gelegenheid gegeven om daarbij dit regtsbetoog voortedragen, hetwelk als bijlage voorkomt in mijne Redevoeringen van 1879â81,bl. 237â240.
In de eerste dagen van 1882 had de verwerping plaats van het tractaat van Handel en Scheepvaart met Frankrijk gesloten, waartoe ik na rijp overleg heb medegewerkt, echter niet zonder mijne redenen daartoe, ook in verband met eenè vroegere rede, uitvoerig te ontwikkelen (18 July 1865â25 Jan. 1882). Daarentegen mogt ik geen deel nemen anders dan bij wijze van medewerking tot een verslag der minderheid (door mijn hooggeschatten ambtgenoot van Nispen tot Sevenaer en mij op 20 Mei 1881 uitgebragt) alsmede bij een vooraf in den vorm eener redevoering gedrukt en uitgegeven betoog, aan de in den beginne van 1882 gevoerde beraadslagingen over de Conversie dev Gemeentegronden op Java en Madura; â een strijd waaruit toen, gelijk ook later, het particulier belang tegenover de regten van den Javaan als overwinnaar te voorschijn trad. Vroeger (23 Fehr. 1877) had ik dit vraagstuk vergeleken met dat der Romeinsche latifundia. Nu wees ik op de overeenkomst met de sociale vraagstukken van onzen tijd in Ierland, Rusland en Italië, waarbij sedert nog kan worden gevoegd dat van de crofters in de Schotsche Hooglanden; en op een allerbelangrijkst schrijven van den heer G. L. Baud, aan mij gerigt op 18 April 18()9, om tegen de gevolgen van deze ingrijpende handelingen te waarschuwen. Eene ernstige ziekte van mijne echtgenoote hield mij geruimen tijd in Italië â te Sorrento terug, en belette mij tevens deel te nemen aan de beraadslagingen over het tweede Handelsverdrag met Frankrijk gesloten, dat, evenals het eerste en in mijn oog ook niet ten onregte, werd verworpen dooide Tweede Kamer.
Geen jaar bijna is er voorbijgegaan, waarin ik niet een lievelings-onderwerp ter sprake bragt: â het Haagsche Bosch; hetzij om op eerbiediging aan te dringen van zijn eigenaardig karakter van natuurbosch, hetzij om mij te verzetten tegen het roekeloos hakken van boomen en het bij vakken gelijk maken en vernieuwen van den bodem. Door mijn voortgezetten aandrang mogt ik de oprigting van een stoomgemaal en het draineeren van het veld naast de Maliebaan door het Domeinbestuur verkrijgen.
Constantijn IIuuGENs kon met regt in een zijner eerste gedichten: .,Batavc Tempe, dat is 'lt; Voorhout van 's Gravenhagequot;, vragen:
âMaer waer sach-men oijt bewoonen
Soa veel stadts, in soo veel wouts?quot;
ö4
In het belong van dat treffend geheel rigtte ik in het laatst van 1882, toen weder de verkoop van een groot aantal gave en gezonde hoornen was aange-kondigd, eene interpellatie tot den Minister van Lijnden van S., die zich echter daartegenover had weten te voorzien van een schrijven van het collegie van dagelijksch Bestuur der gemeente, waarin deze aanzienlijke houtvelling werd goedgekeurd. Hierdoor werd â ofschoon later in den Gemeenteraad daartegen werd opgekomen â mijne interpellatie voorshands ter zijde gebragt; zij heeft echter sedert geleid tot de vestiging eener vaste commissie van toezigt. die door den Minister van Financiën Grobbee, in 1884, werd ingesteld en benoemd.
Het zittingjaar 1882â1883 schonk mij op nieuw gelegenheid om mij tegen de Indische credieten boven de Begrooting te velvetten en aan de algemeene beraadslaging over die voor 1883 deel te nemen. Evenals vroeger (18 25 Jv/nij 1867, 27/28 Nov. 1878) riep ik de aandacht van Regeering en Vertegenwoordiging in op onze verhouding tot China en de Chineezen in onze bezittingen verblijvende, met de bedenkelijke rigting, die in dat reusachtige Rijk, dat van de 1200 millioen aardbewoners er 400 bezit, sedert eenigen tijd viel op te merken. De groote vraag voor Nederland daaromtrent is wel deze: hoe zullen wij den stroom van Chineesche landverhuizers naar onze bezittingen keeren, immers binnen behoorlijke perken weten te houden ! Hoe te waken dat de Chineesche bevolking niet van lieverlede een imperium in imperia in onze bezittingen kunne doen ontstaan? Zeker is eene welwillende verhouding ver-eischt; maar evenmin als Engeland te Singapore en Hongkong, moeten ooii of te immer in onze bezittingen Chineesche consuls worden toegelaten, iets wat Frankrijk zeer ondoordacht, bij het traktaat met China omtrent Tonkin in 1886 gesloten, te Hanoi en Haïphong heeft toegestaan. Ook Californië is eene waarschuwing om op onze hoede te zijn. liet Chineesch element is reeds veel te talrijk in de Nederlandsche koloniën en kreeg met eene consulaire vertegenwoordiging zeker eene hoogst gevaarlijke consistentie.
Mijne beschouwingen over de vragen der koloniale politiek tegenover den nieuw opgetreden Minister van Koloniën de Brauw (14â21 Xov. 1882) en over de schroomelijke en voor 's hands Financiën zoo hoogst gevaarlijke overdrijving van den aanleg van openbare werken, in vergelijking met de zoo verstandige behoedzaamheid van Thorbecke blijkens zijne rede in de Eerste Kamer van 7 Jan. 1865 (28 Nov. 1882); een vruchteloos beroep op de edelmoedigheid en de regtvaardigheid der Kamer ten aanzien van den Generaal van der Heijden (2 Dcc. 1882); onze houding ten opzigte van het toezigt op het kanaal van Suez (6 Dec. 1882â18 Mei 1883); een algemeen overzigt van den geheel abnormalen toestand van het Partijwezen hier te lande met al zijne onmogelijkheden en zijne voor 's lands belangen zoo hoogst verderfelijke gevolgen (25 Mei 1881, 4 Dcc. 1882) en een soortgelijk betoog over eene even bespottelijke als bedroevende overdrijving, die bij het Middelbaar Onderwijs, tot groot nadeel voor onze jongelingschap, valt waar te nemen,
(26 Sept. 1876, 9 Mei 1877, 12 Dec. 1882, 11 Der. 1883), welk betoog als 't ware een vervolg was op mijne vroegeren van 1863 en 1865, â dit een en ander ging in dat jaar vooraf aan hetgeen in December, door mij tegenover de fmantieele politiek van den Minister van Lijnden van Sandenburg werd ingebragt. Nog altijd is het mij een ten eenenmale onverklaarbaar raadsel, hoe iemand van zooveel schranderheid en ondervinding als deze Staatsman toch onmiskenbaar was, van lieverlede er toe geraakte, buiten zijn ambtge-nooten om, naar een hunner mij verklaarde, bij de debatten van December
1882, het meest radikaal program van belastingherziening voor te dragen; â een onmogelijke toestand alzoo, door zorgeloosheid ontstaan en door beginselloosheid bevorderd, waaronder dan ook dit Kabinet, nadat op 26 Febr.
1883, een voorstel tot verdaging der behandeling van de census-verlaging van den Minister Pijnacker IIoedijk was doorgegaan met 66 tegen 12 stemmen waaronder de mijne, met 23 -\pril van dat jaar kwam te bezwijken; nadat vooraf nog de billiton-concessie â een waardig tegenhanger van het pangka-contract van 1860 â in den aanvang van dat jaar had geleid tot een ernstig debat (13 Febr. 1883) (1).
Zoo trad eindelijk het tegenwoordige Kabinet Heemskerk, op 23 April 1883 aan het roer, met den heer van Bloemen Waanders, als Minister van Koloniën, die in November en December de Indische begrooting en die van het Hoofdstuk Koloniën, met groot gemak voor iemand geheel vreemd op parlementair gebied en met onmisbare kennis van zaken verdedigde; maar toch het onderspit moest delven daar hij de door enkele conservatieve leden volstrekt noodzakelijk geachte beperking van uitgaven niet wilde toelaten en zulks niettegenstaande vooraf en bepaaldelijk door mij, zijne aandacht op de mogelijke gevolgen was ingeroepen. Het onvermijdelijk gevolg kon toen niet worden afgewend : â de begrooting, die een onherstelbaar tekort opleverde, werd afgestemd. Ons beginsel kon en mogt ik op die wijze niet prijs geven (13â27 Nov., 22 Dec. 1883). Onder dit conservatief bewind verkreeg ik eindelijk de verwerping der Indische kredieten (11 Oct. 1883). Men ziet hieruit op nieuw een blijk van de werking van het parlementarisme. Vroeger waren mijne pogingen steeds vruchteloos geweest: â nu erkende men hare gegrondheid.
Dit was de laatste maal dat ik over onzen kolonialen toestand het woord heb gevoerd. De Indische begrooting kwam, op 13 Nov., in behandeling; waarbij ik een historisch overzigt gaf en als den text mijner beweringen eene stelling door den heer de Laveleije, in een toen verschenen werk over de Staathuishoudkunde, had gekozen. Zij luidde; âLes Klats qui riont pas de colonies, peuvent s'en consoler el ceux qui en onl doivent s'apprêter h les perdre et cette perte sera encore «w gain.quot;
(1) Verg. di' vUiHiton-O/i-ilcllcnquot; van 1'. U. van der Kkmi', in liet Tijdschrift voor Handel om Nijverheid van \ I. en de door G. Biutendijk. in de Nieuwe Gids, Dec. 1886.
56
Ik meende dit beweeren van ons nationaal standpunt onder de oogen te moeten zien, al was ik ook volkomen overtuigd dat mijne gezegden even weinig als vroeger zouden uitwerken. Ik zeide:
»Naar mijne opvatting is Nederland niet meer het principale, maar het acces-sorium geworden. Nederland gaat niet meer voor, maar Nederland wordt gedwongen te volgen. Nederland heeft geene Indische bezittingen meer, maar die bezittingen hebben Nederland.quot;
Vervolgens de redenen opsommende van ons koloniaal verval, noemde ik in de eerste plaats, de wijze waarop de Vertegenwoordiging was betrokken geraakt in het begrootingswerk, waardoor zij eene regelende magt was geworden zonder de daartoe noodige eigenschappen te bezitten, in plaats van te blijven een nauwlettend toeziend gezag, waartoe zij eeniglijk in staat was; ten tweede de aggressieve oorlogspolitiek tegenover Atjeh, zonder toestemming-of goedkeuring der Kamers ondernomen en op de meest wispelturige wijze voortgezet; eindelijk en bovenal de overweldiging van het algemeen Staatsbelang door de zamenspanning van al de bijzondere belangen, blijkbaar uit al de Regeeringsmaatregelen, gedurende de laatste twintig jaren, hier en in tndië, ten aanzien dier bezittingen genomen.
Onder die rigting der geesten en bij dien aandrang, was Indië van aanvankelijk eene schuldenaresse van 37 il 38 millioenen in 1829, â van, dank zij het stelsel van van den Bosch, na 1844 een reddingsboot in nood, â van eene rijke en weldadige bron van algemeenen bloei en welvaart sedert 1848, zoowel voor Indië zelf als voor het Moederland, â thans onder die noodlottige drievoudige werking, de molensteen geworden die een drenkeling naar de diepte sleept. De stelling van den heer de Laveleye kreeg daardoor, wat ons koloniaal bestaan betreft, eene maar al te wreede bevestiging.
Ook wees ik nog bij die gelegenheid op het klimmend gevaar van de Islamitische beweging voor de rust in onze koloniale bezittingen (22 Dcc. 1883).
Bij de behandeling der begrooting van Justitie (4â5 Dec. 1883) besprak ik op nieuw een denkbeeld dat reeds vroeger (1 Dec. 1876, 5 Dec. 1878, 2 Dec. 1879) door mij was te berde gebragt: het bevorderen onzerzijds van eene internationale regeling van bet Zee- en Handelsregt. Nederland, met zijn zeevarend en handelsvolk, scheen mij bij uitnemendheid aangewezen om daaromtrent een vruchtbaar initiatief te aanvaarden. Mijn betoog vond echter hiertelande geen weêrklank; maar België greep de gelegenheid der Antwerpsche tentoonstelling aan om dit denkbeeld te verwezenlijken. Op 23 October 1884 schreef de voorzitter van den ministerraad Beernaert een brief aan zijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken om hem cle onwaardeerbare voordeelen aan te toonen die de gansche beschaafde wereld trekken kon uit eene unificatie van het handels- en zeeregt en hoe verschillende onderwerpen, zonder eenig bezwaar, nu reeds voor een vruchtbaar gemeen overleg vatbaar waren. Dientengevolge werd op 27 Februarij 1885, eene Koninklijke Commissie toi
voorbereiding van een congres benoemd, hetwelk op 27 September 1885 te Antwerpen bijeen kwam en in twee afdeelingen, voor Zee- en Handelsregt. tot hoogst belangrijke uitkomsten heeft geleid, blijkens de daarvan verschenen I landelingen, die ongetwijfeld in de toekomst goede vruchten zullen afwerpen. (1)
Nu was de tijd gekomen dat een hoogst gewigtig onderwerp van wetgeving, waarbij de vrijheid en de veiligheid der burgers opliet nauwst zijn betrokken, eindelijk moest worden ter hand genomen; â het was de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafregt met de vaststelling der beginselen die de daarbij te wijzigen Strafregtspleging zouden regelen. Hier wachtte mij de laatste van de vele teleurstellingen, die ik op dit gebied, evenals op dat van het beleid der Koloniën, heb ondervonden en die, bij eene beraadslaging van 4 December 1883 over de Begrooting van Justitie, mij onwillekeurig de smartelijke ontboezeming ontlokte dat in die beide opzigten mijne parlementaire loopbaan haar doel ten eenenmale had gemist. Steeds was mijn onvermoeid streven daarheen gerigt geweest om eene degelijke en eenvoudige regterlijke inrigting, strookende met de geheel eigenaardige behoeften van onzen Neder-landschen, weinig proces-zieken landaard te erlangen; â nooit had ik daarmede in eenig opzigt mogen slagen. Nu gold het de inrigting van het Strafgeding en zag ik eene regeling daarvan in aantogt die ik evenzeer in vroegere dagen onvermoeid had bestreden, waarbij de regtspraak in de meer gewigtige strafzaken, gelijk die gedurende bijna eene halve eeuw hier te lande proefhoudend bevonden was en nooit tot eenige bedenking aanleiding had gegeven, dreigde te worden vervangen door een in twee instantiën verbrokkeld en daardoor gebrekkig onderzoek, waarvan de gebreken zoo dikwerf door mij uit volle overtuiging waren aangetoond (7 Nov. 1860); â een onderzoek, volgens mij alleen aannemelijk in de oogen van hen, die het karakteristieke verschil van burgerlijke en strafregtelijke gedingen niet doorzien of kunnen bevroeden; die het groot beginsel van ééne mondelinge en onmiddelbare behandeling zoo kort mogelijk op de gepleegde misdaad volgende, niet begrijpen; om niet te spreken van degenen die door deze in een dubbel onderzoek verslapte en verbrokkelde strafvervolging de kansen schooner zagen om den schuldige, door de mazen van dat net aan eene regtmatige veroordeeling te laten ontsnappen.
Nadat ik, op 10 en 13 Maart 1884, dit belangrijk onderwerp op nieuw had
(1) Actes du Congres International de droit commercial. 1886. en Rapport sur le Congres [nternational par M. Daguin. Bulletin de la Société de legislation coniparée. Julij 1880. .Men vindt daar eene algemeene regeling omtrent de verantwoordelijkheid der reeders en eigenaars van schepen en der schippers, de cognoscementen, de bevrachting, de avarijen, de zeeverzekering, de bodemerij, de aanvaring, de berging en het hulploon. Tevens werd een volledig ontwerp eener internationale wetgeving op -de wisselbrieven en ander verhandelbaar papier, vervat in 57 artikelen, vastgesteld.
58
uiteen gezet, doch eene door mij' voorgestelde wijziging had teruggenomen, uadat er eene andere werd voorgesteld van genoegzaam gelijke strekking, besliste de Kamer, in den geest van de Regeeringsvoordragt, tot de invoering-van het Hooger Beroep in alle Strafzaken. Zelfs de bedenking die nog welligt hij eene niet uit deskundigen zamengestekle vergadering ingang had kunnen vinden, dat onze Regtbanken niet sterk genoeg bezet zijn voor deze aanzienlijke toevoeging aan hunne werkzaamheden en er dus nieuwe betrekkelijk groote uitgaven, niet alleen voor personeel maar ook tot inrigting van regts-lokalen, zouden worden gevorderd, scheen niet te worden ingezien en de zaak was daarmede afgedaan.
Merkwaardig mogen de gelijktijdige omstandigheden worden genoemd, welke zich in het Duitsche Rijk ten dezen opzigte openbaarden. Op 8 Maart 1885 deed de Rijks-Kanselier, ook vreemdeling op dit gebied, aan den Bondsraad een voorstel om het sedert do invoering der Strafgeding-verordening voor het Duitsche Kijk, met 1 October 1879, voor de grootere strafzaken afgeschafte hooger beroep op nieuw in te voeren; hetwelk echter, op 23 April, door de meerderheid der Duitsche Regeeringen, in het plenum van den Bondsraad vereenigd, werd afgewezen. De kracht der beginselen van den waren vooruitgang, gelegen in de onmiddellijke en mondelinge behandeling, heeft alstoen gezegevierd en tegenover eene magt als Vorst Bismarck, had alleen Pruisen met Rrunswijk. Hessen, Saxen-Meiningen, Anhalt en Sondershausen zich onderworpen aan zijne voordragt. In Beijeren en Saksen, in Baden en Wur-temberg en al de overige Staten had het juiste beginsel, dat daar nog onlangs zoo schitterend door Geijer en von Schwarze, door W alther en Marquardsen met zoo vele anderen werd verdedigd, de regtmatige overwinning behaald en ook behouden. Wij daartegen deden een terugtred, die met de aanneming-van ons Wetboek van Strafregt, dat teregt door zoo velen als een vooruitgang wordt aangemerkt op het gebied der strafwetgeving, een zonderling en onbe-hagelijk contrast oplevert en waarvan, in mijn oog, nog vrij wat schadelijker gevolgen kunnen worden tegemoet gezien dan van de Schoolwet van 1878.
Eene gelegenheid om terug te keeren tot onze vroegere, ook ten aanzien der beregting op heeter daad, proefhoudende Nederlandsche beginselen en bepalingen, waarbij men het eenig juiste onderscheid ter beregting van terstond geblekene misdrijven en die waarin het bewijs van schuld nog kunstmatig moet worden geleverd, wist in het oog te houden om daarnaar het strafgeding in te rigten, werd veronachtzaamd; hoezeer ik even als vroeger (met aanhaling van een werk van Mr. L. Asser, in mijne nota van 23 Febr. 1872, Bijblad-bijlagen 1871â72, bl. 2160) had gepoogd ook op dat punt, het nationaal eergevoel te prikkelen. Ter juister beoordeeling van zoodanige diepere vraagstukken van regtsgeleerden aard zijn echter onze parlementaire vergaderingen bij uitnemendheid ongeschikt en onbruikbaar; â ik aarzel niet om zulks als mijne overtuiging te dezer gelegenheid uit do volheid van
mijn gemoed en geheel openhartig uit te spreken. De theorie van Jan Peefe' T is en blijft ten deze bij uitstek toepasselijk (12 Julij 1878).
Dezelfde onmogelijkheid vond ik om mij te scharen onder de voorstanders oener onder de thans gegevene politieke omstandigheden, voorgenomene (r rond wetsherziening.
Waar het geldt een zoo gewigtig nationaal belang is het zeker niet ongeoorloofd te verklaren (en ik reken mij tot die mededeeling tegenover mijn hooggeachten vriend, den Minister Heemskerk, dan ook niet onbevoegd1) dat ik in 1883, bij een schrijven van 26 April, heb afgezien met opgave van redenen, van de aanvaarding van het aanbod om deel uit te maken van eene Staatscommissie tot onderzoek der vraag: âvan welke bepalingen der Grondwet herziening raadzaam icasquot;, om de woorden der Troonrede van 18 September 1883 te bezigen. Reeds bij vroegere gelegenheden (op 27 Sept., 14 Nov., 4 en 18 Dec. 1882 â gelijk later op 20 Maart, 24 Sept. en 29 Nov. 1884 en 3 Maart 1885) â had ik mijne denkbeelden over de ontijdigheid en de onraadzaamheid dezer herziening onverholen te kennen gegeven; denkbeelden die, zoo ik meen, door de opvolgende gebeurtenissen volkomen zijn geregtvaardigd. Zonder aarzeling beaam ik ook nu nog de gronden mijner verklaring, op 2(1 April 1883 afgelegd, dat ik de geheele herziening onraadzaam oordeelde. Illt; acht de beweging van den laatsten tijd tot wijziging der Grondwet, onder de bestaande omstandigheden, ontijdig en niet in 's Lands belang. Redelijke verlangens kunnen met de bestaande bepalingen voldoende worden bevredigd. ! [et denkbeeld zelf vond bij ons volk en vindt nog bij de gematigden, en dat zijn verreweg de meesten, weinig of geen weerklank en werd alleen opgewekt en levendig gehouden door hen die, blind voor de treurige ondervinding, overal elders in zoo overvloedige mate verkregen, den census uit de Grondwet willen wegnemen, opdat men tot een min of meer algemeen stem-regt, met andere woorden tot de toelating der incapacitciten met al de ellendige gevolgen van dien, zou mogen geraken. Hierbij komt nog, waarop ik dan ook wees bij mijn schrijven, deze onoverkomelijke moeielijkheid, dat â kwam er al van Regeeringswege een voorstel van herziening tot stand, dan van den kant der volgelingen van den heer Kuijper (de zich noemende âAnti-revolutionnaire partijquot;) zoodanige voorwaarden zouden worden gesteld, welke toen ook reeds omtrent de artt. 168 en 194 waren aangekondigd, waaraan het zelfs feitelijk onmogelijk zoude zijn te voldoen en die de reeds bestaande spanning in den lande op de meest heillooze manier zouden bestendigen. Ken en ander maakte, volgens mij, in het tegenwoordig tijdsgewricht het welslagen eener Grondwetsherziening zeer onwaarschijnlijk, ja inderdaad onmogelijk.
De ongunstige finantieele toestand, in verband met de reusachtige deficitten hier en in Indië en de overdrijving van den aanleg van openbare werken, met de nieuwe belastingen daarvan het gevolg, maakten het onderwerp uit mijner finantieele beschouwingen op 1 April 1884.
BO
«Zoo als het met de uitgraven in de laatste jaren is toepegaan /ou men zich voorstellen dat wij in den toestand verkeeren van iemand die plotseling een groot vermogen heeft verkregen, en die in deze ongewone omstandigheid, zich allerlei, zelfs de buitensporigste zaken meent te mogen veroorloven. Maar dat is onze toestand in geenen deele. Hij is veeleer die van iemand die vroeger in voorspoedige omstandigheden verkeerde, maar die door verkeerd beheer zijner zaken, door het dwaselijk omspringen met zijne buitenbezittingen, door geen oog te hebben voor eigene behoeften, maar zich te laten verlokken tot bevordering van die van anderen, geheel tegenovergesteld aan de zijnen, laat ik het woord maar bezigen: aan layer wal is geraakt en wiens beurs niet meer in staat is om te voldoen hetgeen hij betalen moet.
«Wanneer in vervolg van tijd iemand op zal treden die de geschiedenis schrijft van onze geldmiddelen. â ik zie het boek al in gedachten voor mij. getiteld: De Opkomst, de Bloei en het Verval van de Nederlandsehe Financiën; â dan zal men daarin kunnen lezen, hoe in den jare ^878, Regeering en Vertegenwoordiging er geen bezwaar in vonden om oen zwaren druk te leggen op het nationaal vermogen, door het erfgoed van ouders en kinderen te belasten; men zal er verder in lezen hoe in den jare 1884 eene soort van wedren gehouden is om te zien wie oene Income-tax, wie eene Klasscn-Steuer, wie wat anders zal weten uit te vinden om de goede Nederlandsehe natie met die weldaden uit den vreemde te begiftigen; maar dan volgt daarop weder een ander hoofdstuk, handelende van de Openbare Werken, die in Nederland en in ludië, in het laatste tiental jaren, vervaardigd zijn. Dan zullen de nakomelingen daarvan lezende vragen: hebben onze voorvaderen daarbij dan volstrekt niet nagedacht? Hebben zij niet begrepen dat al die kwellende belastingen met al die openbare werken moesten gepaard gaan ? Hebben zij niet ingezien dat ol die fraaie zaken welke zij gedekreteerd hebben, moesten bekostigd worden, toen en ook nu nog, door de Natie die zij vertegenwoordigden ?
))Ik heb hier dit thema oneindige malen behandeld: â bij de Onderwijswet, bij de instelling van een Departement van Waterstaat, bij de vaststelling van al die ondernemingen van openbaar nut. (10 Dec. -1877, -10 en 22 Mei, 17 en 25 Junij, 10â12 Julij. -17 Dec. -1878; i en 22 Dec. -1880; 16â17 Nov. -1882; -18â23 Dec. 1883); maar ik heb altijd gezien, wat ik ook sprak: âde Tentatie was te. groot. Wij hebben opgemerkt hoe Regeering en Vertegenwoordiging wedijverden om allerlei dergelijke zaken aan te vatten: Schoolpaleizen, Tramwegbruggen en Gevangenissen met eerepoorten; Havens aangelegd waar geen schip in komt. Havens verbeterd waar evenmin schepen in zullen komen; zelfs hebben wij nieuwe Rivieren gedecreteerd en wij staan misschien gereed om Zeeën leeg te pompen.
«Dat is het onbegrijpelijk dwaas tafereel, hetwelk de nakomelingschap in de geschiedenis van het Financiewezen van onzen tijd zal aantreffen. Ik zou wel wenschen nu te vernemen het oordeel, dat dan zal worden geveld over hetgeen de Hollandsche financiers van onzen tijd voor Nederland zijn geweest.quot;
Bij die gelegenheid bestreed ik tevens het middel waarmede, naar het verderfelijk voorbeeld door Frankrijk met zijn â Budget Extraordinaire'' gegeven, hier te lande de finantieele gewetens worden in slaap gewiegd, met de leer-
fil
stelling dat men deze soort van uitgaven als ook die voor den vestingbouw en dergelijke, door schatkistpromessen en gcldleeningen kan dekken en de toekomst alzoo naar hartelust mag worden bezwaard, zeggende immers denkende: âAprh nous le deluge.quot;
Er waren nog in den loop van do jaren 1883â1885 velerlei andere belangrijke onderwerpen ter sprake geweest, als de Koepok-inënting (7 Dcc. 1883. 25 Maart 1884) en de middelen tot bestrijding der Prostitutie (4 Dec. 1883); de privaathandel in Staatsdocumenten (11 Dec. 1883) en de grenzen van het regt tot onteigening ten algemeenen nutte (11 Dec. 1883); het toezigt op het kanaal van Suez (18 Mei 1883) en de doorgraving van de landengte van Panama (10 Oef., 22 Dec. 1883); de Octrooien van uitvinding (10 Dcc. 1884) en de regeling der Vicariegoederen (20â26 Mei 1884) â waarover ik mijn gevoelen te kennen gaf. Ter dier gelegenheid voegde ik bij mijne mondelinge beschouwingen rog een paar nota's over de Koepok-inënting in Engeland (7 Nov. 1883) en over de bemoeiingen van Koning Willem I ten behoeve van de Amerikaansche doorvaart naar Azië, welke voor onzen handel is van zoo uiterst groot belang en waaromtrent tot dusver onbekende bijzonderheden betreffende de zending van den generaal Verveer naar Nicaragua in 1828â1831, door mij uit de archieven van Marine en Buitenlandsche Zaken aan het licht zijn gebragt (Zie Redevoeringen 1883â84, bl. 216â226).
Ook de Klassenbelasting bestreed ik uitvoerig en uit verschillenden hoofde. (18 Junij 1884). Haar trof het lot barer voorgangsters; vooral ook omdat de eerste eisch aan elke belasting te stellen, die van de mogelijkheid eener strikt regtvaardige heffing, daaraan ten eenenmale ontbreekt: â om van andere niet minder afdoende gronden voor hare verwerping niet te gewagen. Luzac, een liberaal van den echten stempel, had in één band, onder den ironischen titel: ,, Vrijheids-vruchten'^ al de publicatiën van 1795 tot 1804 verzameld, betreffende de belasting op de inkomsten, waarover men nog nadere opgaven vindt in het vervolg van de Vaderlandsche Historie van Wagenaar, deel 46, 1)1.149; ik wees reeds hierop bij het voorstel van Ivente-belasting van den Minister Vissehing (l^ Maart 1881), die toen zeide, dat hij dit boek uit Tv.'s bibliotheek had aangi ;jcht. Op de zonderlinge miskenning, zelfs door de Kegeering, van het karakter der Patentbelasting, die niet is eene belasting van inkomsten, maar een vergunningsregt, ingesteld na de opheffing der gilden, werd tevens door mij gewezen. Het niet bestaan in Nederland van een belasting op den tabak, overal elders een voortreffelijk belastingmiddel, ook uit het oogpunt van volksgezondheid, noemde ik onverantwoordelijk onder de aanwezige financieele omstandigheden. (1)
(1) Zie hierover een brief van den oud-Minister van Financiën Mr. II. J. baron van der Heim, aan mij gerigt op 31 Mei 1881. Dagblad van 's Gravenhage van 27 Nov. 1883.
Nederland is het land waar het meest wordt gerookt â per hoofd: 3.3G, tegen België 2.58. Duitschland 1.68, Oostenrijk-Hongarije 1.47, Frankrijk 0.85, Engeland en Italië 0.65 â en het
62
Hoe ongunstig ik dacht over de wijziging van art. 198 der Grondwet en de herzienbaarheid van deze in de zorgvolle dagen van een Regentschap, werd een en andermaal door mij, vooral op historische gronden, tot een betoog gebragt (24â26 Sept., 28 Xov. 1884); maar ook dit mogt geen instemming verwerven. Ik hoop vuriglijk dat de dagen die eenmaal komen zullen, mij tegenover de wet van 5 Dec. 1884, evenzeer in het ongelijk zullen stellen; doch ik ontveins niet dat het verleenen der bevoegdheid om grondwettige voorschriften gedurende een Regentschap te veranderen mij eene daad van politieke onberadenheid toeschijnt, waarvan de gevolgen niet zijn te berekenen.
Eindelijk daagden de beraadslagingen van 3â12 Maart 1885, den afloop waarvan ik in den aanvang dezer vlugtige schets van mijn parlementair verleden heb medegedeeld.
Buiten mijn weten was een aanval op breede schaal tegen de begrooting van den Minister Heemskerk beraamd en op touw gezet, die zoo zij slaagde, niet alleen zijn val moest ten gevolge hebben, maar tevens gelijk ik zeide, âop slinksche wijzequot; zou hebben gevoerd tot eene omverwerping, bij eene gewone begrootingswet, van bestaande wettelijke bepalingen, welke alleen door eene zamenwerking der drie takken van de wetgevende magt mogen worden gewijzigd. De bejegening dier toen door mij verkondigde, onomstootbare con-stitutioneele waarheid (10 Maart 1885) â (afgescheiden van die welke mij persoonlijk werd aangedaan en die na zeker voorval in de tweede afdeeling van de Kamer, op 1 December 1884, te onverschoonlijker was) â schonk mij eindelijk een regtmatigen en afdoenden grond om eene betrekking neder te leggen, waarin ik voorzeker menigmaal eenige zelfvoldoening had gesmaakt; maar nog veel meer grievende teleurstellingen voor mijne beginselen en voor mijne opvattingen der nationale belangen heb ondervonden.
En nu buiten den werkelijken strijd der politieke partijen geplaatst en den loop mijner parlementaire wederwaardigheden, gelijk die in algemeene trekken hierboven zijn geschetst, overziende, mag mij de verklaring van het hart, dat ik daarin nooit iets heb ondersteund of bestreden dan wat rustte op eene uit zelfstandig onderzoek verkregene overtuiging; voorts dat ik altijd een diepen afkeer heb gehad en betoond van elk bejag van de volksgunst (gelijk Cicero zeide: ânil unquam mihi populare placuitquot;); eindelijk dat ik nimmer aan de inblazingen van een van de zuivere beginselen der constitu-tioneele regeering ontaard parlementarismus, den eigenlijken kanker van onzen politieken toestand, heb toegegeven (16 Dcc. 1861, 17 Dec. 1874, 26 Sept. 1876, 28 Febr. 1877 en 13 Nov. 1883). Waren 's Lands zaken sedert 1848 meer algemeen uit dat oogpunt beschouwd en geregeld en waren, op het koloniaal gebied, de algemeene belangen niet door de bijzondere over-
ininst aan tabaksbelasting wordt betaald; per hoofd: Frankrijk 3.79, Engeland 3.03, Amerika V. S. â 2.32, Oostenrijk-Hongarije 2.25, Italië 2.07, Duitschland 0.28, België 0.20 en Nederland 0.03, Verg. Red. quot;1879â81, bl. 119 vlg.
rgt;3
vleugeld â Nederland zou zich over geheel andere omstandigheden dan rlc tegenwoordige hebben te verblijden.
Ik eindig dan ook deze nabetrachting met in de eerste plaats den wensch uit te spreken dat het mij moge worden gegund het oogenblik te beleven waarop eene meer gezonde politieke partijvorming de tegenwoordige zal hebben vervangen. Onze staatkundige toestand is inzonderheid bedorven, gelijk ik oneindig dikwijls heb aangetoond, door de vermenging van de Politiek met de Godsdienst (1). Ja, men gaat hier en daar zoover van te d weepen met het denkbeeld van een toestand in onzen Staat, gelijk die was van de Israëlieten onder Mozes ; of ook ingerigt naar de wanbegrippen van John Knox en geschoeid op de leest der republiek van Genève onder Jean Calvin, een staat van zaken, die voor alle andersdenkenden, zonder uitzondering, op de meest onverdragelijke tyrannij zoude uitloopen (2).
(1) Men zie de plaatsen, aangehaald op bl. 149 mijner Redevoeringen van 1870â'1881.
('2quot;) Welk een zedelijk monster deze Calvin is geweest, blijkt op onwederlegbare wijze door hetgeen Emile Saisset uit een te Genève in de archieven berustend handschrift «Procré de Michel Servelus '1553», van 200 bladzijden in folio, heeft aan het licht gebragt in do Revue des deux Mondes van 1848. I. 463 en C35.
Gibbon' schreef; «Ik ben nog dieper verontwaardigd over liet ter dood brengen van Miciiei. Servet dan over de menschen-hekatornben der cmtoda-fé's in Spanje en Portugal». Saisset zet de juistheid van deze opvatting met feiten uiteen. Het was Calvin niet genoeg zijn tegenstander te hebben gedood; hij zocht nog op zijn sterven den stempel der eerloosheid te drukken en door de meest laaghartige beweringen hem een martelaarskroon te ontrooven in woorden, door Saisset medegedeeld en waarvan hij getuigt: dat nooit het tbeoiogisch fanatisme een ijskouder wreedheid heeft ten toon gespreid.
Van gelijken aard was de vervolging van Valentin Gentilis en Nicolas Gallo in 1558. wier teregtstelling door den heer H. Fazi.i, uit oorspronkelijke documenten, is medegedeeld in ile Mémoires de l'Institut National Genevois XV. Gentilis werd ter dood veroordeeld wegens zijne godsdienstige begrippen; doch, ofschoon o-lesdicts crimes méritent la poene du feu. considérant sa retractation suppose quelle soit de vraye penitence, y aura matière de mitiguer la dicte poene en luy coupant la. tètev. Sedert veranderde nog de Raad van Genève dit doodvonnis in eene «.amende honorable la torche au poincju. Valentin Gentius werd in 1566, als antitrinitaire, te Bern onthoofd. Nicolas Gallo stond teregt wegens dit gezegde: «Calvin, conlrairement aux principes de Vart, veut qu'on sépare Ie Symhole des apótres par des virrjules; nous sommes dun avis contraire; ainsi après cel te phrase: «Je cms eu Dieuyt, il veut qu'on coupe la phrase, puis qu'on ajoute: «Pére tout puissant», et ainsi de SMi'fe».
Het menschelijk leven kon dus in die dagen afhangen van het plaatsen eener komma. De heer Fazij zegt teregt dat Gentilis eene plaats verdient naast Servet in de: «Martyrologie de ia libre pensee». Verg. een meer uitgebreid verslag, door mij geplaatst in de Wekker van 30 Junij 1886, waarbij ik op minder juiste gegevens van een Fransch dagblad ben teruggekomen.
Een zeldzaam voorbeeld op kleiner schaal maar van gelijken aard, ook uit de zestiende eeuw, leveren de gedragingen van den Bremer predikant Albert Hardenberg, zooals die door Baijle in den Dictionnaire worden medegedeeld. Na eerst gedurende achttien jaren de
64
Moge de tijd eindelijk aanbreken dat aan die wanbegrippen de steun van zoo menig welgezind maar niet doordenkend Nederlandsch Staatsburger wordt ontzegd en onthouden om terug te keeren tot het eenige, waarbij ons goede land kan voortbestaan en weder als vroeger in bloeienden toestand geraken: â het volgen der beginselen eener verstandig-behoudende staatkunde.
Meermalen heb ik gewezen op het zonderling verschijnsel dat deze rigting, die in alle parlementaire vergaderingen hare meer of minder talrijke vertegenwoordigers heeft, als politieke partij uit de Nederlandsche Volksvertegenwoordiging bijna geheel is verdrongen. Op 4 Deo. 1882 zeide ik:
»7.ij is als regeeringspartij door eene zamenwerking van radikalen en anti-revolutionnairen te niet gedaan. Of Nederland wèl is gevaren bij deze vernietiging van eene politieke partij, die in alle parlementen zoo niet de hoofdrol vervult, dan toch een zeer magtig aandeel neemt aan de debatten, valt te betwijfelen. Ik vraag u: -â indien haar gewigt iets meer had mogen beteekenen, ware het dan misschien niet beter gegaan dan thans; zouden onze Financiën niet in geheel andere omstandigheden verkeeren dan nn het geval is; zouden onze Koloniën zich in den tegenwoordigen staat van verval bevinden ; zouden wij daar een in mijn oog bijna wanhopigen toestand beleven; zou dat alles niet verhoed, verholpen en te keer gegaan zijn, indien de noodlottige zamenwerking om de conservatieve partij ten val te brengen, haar doel niet had bereikt?
)gt;I)e veronachtzaming, de achteruitgang van de groote landsbelangen â dc linancieele zoowel als de koloniale en zoovele anderen â â dat alles komt thans door den drang der omstandigheden te voorschijn. Eindelijk dringt nu de waarheid door de nevelen, die de onderwijs-quaestie over alle andere nationale belangen heeft uitgespreid; thans zien wij de treurige werkelijkheid voo. ons en hoe de toestand van Nederland is allerzorgelijkst. De dag dor ontnuchtering is aangebroken.quot;
Viel er sedert eenige beterschap optemerken ? Integendeel. Als men het oog vestigt op de werkelijkheid, dan is er in menig opzigt een stilstand waf.rte-nemen van zorgwekkenden aard en in de overzeesche bezittingen zijn wij van kwaad tot erger vervallen, getuige de crisis der laatste twee jaren en hare gevolgen. Elkeen zal moeten toegeven dat een onbevangen onderzoek naaide oorzaken van dat een en ander, behoort te worden ingesteld om, kan het zijn, ons voor nog dieper verval te behoeden.
Augsburgsche Confessie te hebben beleden en gepredikt, verklaarde hij zich op eens voor het Calvinisme, en zulks met zoodanig gevolg dat de Magistraten die weigerden hem te volgen, werden gebannen en allen in hunne ballingschap den dood vonden. Een schrijver van dien tijd deelt daarvan het volgende mede; «.Quod ut commodtKS faceret, in intimam populi, hospitum, pleheiormn, mulierGÃlarum, puellamni, famidorum denique et ancillarum fami-liaritatem se insinuans, auram popularem captavit, adeoque ut ex publico sucjqestu non modo praedicanles Colleyas jocular iter irridere, sed ipsos etiam Senatores et Consules nomi-nalim taxare, eorumque auclorUatem, apud plebem inminere non vereretun. Eindelijk, zegt Baijle, werd hij op zijne beurt uit Bremen verdreven; «-comme un séditieux Sacramen-taire par le parti Luthe'rien qui redevint supérieure.
(i.r)
T)e hoofdreden van onze politieke ongesteldheid, om eene zachte uitdrukking te bezigen, schijnt mij de geheel abnormale wijze waarop zicli in 's Lands vertegenwoordiging twee schakeeringen hebben gevormd, welke de eene zoo min als de andere, berusten op duidelijk aangewezene staatkundige beginselen. Ken ieder die met onzen toestand eenigszins nader bekend is, weet dat de zoogenaamde âlinkerzijdequot; in de Tweede Kanier, op de keper beschouwd, een kakelbont zamenweefsel van alle mogelijke politieke kleuren oplevert, van deu socialist en den radikaal af tot den liberaal en den conservatief toe, welke slechts in één enkel anti-klerikaal accoord te zamen stemmen; terwijl evenzoo aan de âregterzijdequot; de belijders van twee godsdienstige rigtingen onder een algemeen-kerkelijken dekmantel zamenschuilen: maar die juist op dat gebied, bij de gewigtigste vragen van kerkbelang, scherp tegen elkander overstaan, en wat de politieke rigtingen aangaat, evenals de linkerzijde kunnen bogen up het bezit van den strengen behoudsman in schijnbare eensgezindheid gezeteld naast den vurigen demokraat. Nog zonderlinger en zeker nog meer bedenkelijk zou de toestand worden, indien er metterdaad eene scheuring ontstond in het Hervormd Kerkgenootschap en de scheurmakers, gedachtig aan Aeneis VII, 812, het bekende;
â Flectere si nequeo Superos, Arheronta movéboquot;
in praktijk bragten door eene bent van Christelijk-Socialen te voorschijn te roepen, die in sommige geschriften, uitgaande van het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium, reeds nu hunne ongure wanklanken laten vernemen.
Zulke zonderlinge verhoudingen dengen niet in eene politieke, nationale Vergadering. Van dergelijke partijschakeering was dan ook tot hiertoe nergens ter wereld een voorbeeld te vinden. Het ware daarom meer dan tijd dat er een einde kwam aan dezen ziekelijken toestand, die hare eerste vereischten ontrooft aan de parlementaire beslissingen, namelijk die van volkomene onbevangenheid en opregtheid. Met algemeen Staatsbelang geraakt op den achtergrond en zinkt weg in de diepte, als elkeen wegkruipt in een soort van kerk of kluis en het van daaruit niets dan bekrompene kerkelijke of tegen-kerkelijke inzigten zijn die zich den voorrang betwisten, waar het de tee-derste belangen der Natie betreft, die helder en onbevangen moesten worden beoordeeld.
Tegenover eene dergelijke Volksvertegenwoordiging wordt eene Uegeering naar een vast politiek stelsel, onmogelijk en ondenkbaar. Er lean bij zulk eene verbastering der publieke lichamen van Staat, alleen worden bestuurd door nu eens regts dan weder links den steven te wenden en al laveerende, nu hier dan daar naar wisselvallige landingspunten te zoeken, vanwaar men hoe dan ook de zaken gaande houdt, maar die volmaakt onbruikbaar zijn voor eene ruime en krachtige ontwikkeling eener Nationale Staatkunde.
Wat ware hiertegen te doen ? Het antwoord kan, mijns inziens, alleen zijn gelegen in het ware en schoone woord van Modderman : âHerziet u zeiven
Mr. W. WiNTGENa. â l'ulitieke Xabctrachting. 5
titi
Niet in de doode letter van geschreven grondwetten of wetten, maar in den levenden mensch, moet wat nadeelig is en verkeerd werkt in onzen Staat, worden opgespoord om tot afdoend herstel te geraken. Waarheid en opregt-beid moeten in de politieke partijgroepeeringen terugkecren en daarbij meen ik te mogen herhalen wat voor ongeveer twintig jaren reeds daaromtrent door mij werd verlangd.
»lk zou wenschen dat onze Staatkundige toestand, volgens een of ander politiek-scheikundig procédé, nauwkeurig werd geanalyseerd en er met juistheid eene scheiding der verschillende hestanddeelen werd gemaakt. En dan geloof ik dat er ten onzent betrekkelijk nog maar eene geringe hoeveelheid van de demokratische rigting zou gevonden worden ; maar daarentegen eene zeer groote hoeveelheid van eene zelfstandigheid, welke ik het verstandige conservatisme zou noemen en die ik niet beter weet te omschrijven dan met eene politieke karakterschets, die ik ergens van lord Palm ruston heb aangetroffen. Zijn biograaf (John Lemoinnf/), zeide dat hij in zijn lange politieke loopbaan drie tijdperken heeft doorloopen ; in de eerste 20 jaren was hij een Tor ij, in de tweede een Whig en de derde twintig jaren was hij; «hetgeen thans in Engeland alle ware Staatslieden zijn: een liberaal conservatief of een conservatieve liberaal.quot; Welnuâals wij door zulk eene trouwe analyse hier zoodanig positief resultaat konden verkrijgen en er alzoo eene betere verstandhouding, op waarheid steunende, ontstond, dan meen ik dat daaruit voor bet land groote en heilzame gevolgen zouden geboren worden.quot; (24 Sept. ISöt).}
Ook thans, maar nu vrij wat meer dan destijds, toen de partijschakeeringen eigenlijk meer steunden op persoonlijke sympathie, om niet te zeggen â onderworpenheid, meen ik dat eene eerste schrede op den weg van herstel zoude zijn eene nieuwe partijvorming, waarbij uit de thans bestaande regter- en linkerzijde, eene magtige middenpartij kon verrijzen, die hare rigting duidelijk omschreef en daardoor metterdaad de uitdrukking zoude zijn van onzen nationalen volksgeest, die even wars is van absolutisme als van socialisme of demagogie.
Daardoor alleen zouden, naar mijne overtuiging, aan het schip van Staat, dat nu stroomeloos rondzwalkt, vastheid van ligging op de golven en deugdelijk stuurvermogen kunnen worden teruggegeven.
Maar even overtuigd als ik ben dat van dit geneesmiddel alleen duurzame verbetering zoude te wachten zijn, even doordrongen ben ik van het gevoelen, dat nu eenmaal deze verkeerde plooi bestaat in onzen politieken toestand, welke aanhoudend wordt aangemoedigd en gesteund door de onjuiste opvattingen en voorstellingen der pers, er eene veerkracht zou noodig zijn om aan die onware en ongezonde partij schifting te ontkomen, welke ons volk, naar ik vrees, niet bezit. Het edelmoedig denkbeeld van den heer Raoul Du val, om in Frankrijks vertegenwoordiging eene onafhankelijke, nationale partij, â âune droi.te répiMicaine' â te zamen te brengen, is ook daar afgestuit op den alle-daagschen slendergeest en zal daar evenals bij ons, wel tot de vrome wenschen blijven behooren.
R7
Verlaat men dit terrein der politieke personen of partijen, om overtegaan tot het meer zakelijke en ook daar te zoeken naar de middelen om de waarheid tot haar regt te doen komen, dan valt van zelve het eerst de aandacht op de altijd nog aanhangige Grondwetsherziening. Ik wil niet verzwijgen dat de overtuiging, uitgedrukt in mijn hierboven gemeld schrijven, van 26 April 1883, door wat er sedert is voorgevallen en waargenomen, in groote mate is versterkt; dat ik dus nog geheel sta in de overtuiging dat deze herziening niet is de ware eisch van het tegenwoordig tijdsgewricht. Geen heter bewijs kan daarvoor, mijns inziens, worden geleverd dan haar te vergelijken met de Grondwetsherziening van 1848. In dat jaar bood de met de voorbereiding daarvan belaste commissie hare ontwerpen Z. M. den Koning aan op 11 April â en op 14 October daaraanvolgende werd de nieuwe Grondwet, bij publicatie aan den volke afgekondigd. In een half jaar tijds kreeg dat grootsche werk zijn beslag; maar dat geschiedde omdat er destijds bestond eene nationale overtuiging en er heilig vuur brandde op het altaar des Vaderlands. Thans daarentegen ontbreekt die nationale overtuiging ten eenenmale. wat ook hier en daar moge in het werk worden gesteld om de noodzakelijkheid optevijzelen. De thans ingestelde Commissie bood hare voorstellen, op 25 Januarij 1884. Z. M. den Koning aan. Zes maal zooveel tijds als in 1848. is er sedert verloopen, zonder dat nog met eenige zekerheid de verdere afloop kan worden voorspeld. Schijn noch schaduw van geestdrift voor dit werk bestaat er in den lande. Plet élan van 1848 ontbreekt ten eenenmale. Er moge hier en daar in dagbladen of kies-programmen hoog van worden opgegeven â de eenigszins meer ontwikkelden, in eiken stand onzer maatschappelijke zamen-leving, verhelen zich niet hunne volkomene onverschilligheid, zoo niet hunne bezorgdheid over den afloop eener onderneming, die niet aan eene werkelijk nationale behoefte haren oorsprong ontleent.
Hij die onbevangen streeft naar de waarheid en zoekt naar de wezenlijke behoeften van onzen maatschappelijken toestand, begrijpt en erkent dat die elders zijn gelegen en zeer wel met de bestaande Grondwet van 1848 bereikbaar zijn; terwijl onder de gegevene partij-toestanden een kansspel voor de deur staat, waarin ernstige en teedere Vaderlandsche belangen zeer mogelijk de verliezende partij kunnen worden.
Bovenal ware het bedenkelijk, indien daarbij den Grondwetgever, op de meest gewigtige punten, het hart in de schoenen zonk, om met eene even Hauwhartige als weinig eervolle onmagts-erkentenis, of misschien erger nog, met eene laakbare achterhoudendheid, zijne taak op die van den gewonen wetgever, in de toekomst af te schuiven.
Ter gelegenheid van de debatten over de begrooting van Hinnenlandsche Zaken voor 1886 verdedigde ik het gevoelen, dat met de bestaande Grondwet elke zucht naar redelijke hervorming kan worden verwezenlijkt. Ikzeidetoen:
'Ion eene betere praktijk, met behoud van de bestaande Grondwettige voor-
68
schriften, niet tot zeer wensclielijke uitkomsten kunnen leiden'? Wanneer men daarbij tot leuze mogt kiezen : aSanare, non roertere : â â genezen, niet omver-H'rrpenquot;, dan geloof ik dat dnaiin zou liggen de eenig mogelijke oplossing van zoo menig vraagstuk van den dag: â van kiesregt, van defensie, van onderwijs.
«Als men den weg op wilde eener betere praktijk, niet dien eener eeuwige kritiek, dan zouden tevens al die rampzalige partijwoelingen, die ons land verscheuren en verderven, kunnen en moeten verdwijnen.
«Wij zouden dan ook den tijd vinden om onze waarachtige belangen te behartigen, dat is toch in de eerste plaats om onze financiën en onze koloniën tot betere gesteldheid te brengen. Wij zouden dan kunnen geraken tot eene meer billijke, meer verstandige regeling van het lager onderwijs. Dan zouden wij ook dat probleem kunnen oplossen, en zulks langs een regelmatigen en vredel ie venden weg en niet door revolutionnairc middelen, zooals het afstemmen van begrootings-posten om stelsels af te breken die nog wettiglijk bestaan en het zoodoende stichten van puinhoopen in plaats van doelmatige inrigtingen.»
Nevens de punten, destijds door mij in dien zin besproken, waren er ten aanzien van het kiesstelsel nog andere, even essentieele hervormingen aan te brengen, die in de Grondwet geen hinderpaal zouden vinden. Behalve eenige verlaging van den censns en eene regeling, waardoor ook andere dan de hoofdbewoners der belastbare panden als kiezers werden toegelaten, konden andere verbeteringen van werkelijk aanbelang worden aangebragt, die, al vermogen wetten niet ligt de zeden en gewoonten van een volk te veranderen, toch de eerste kiem konden leggen tot opwekking van een meer gezond staatkundig leven.
Als men de werkelijkheid wil nagaan, dan zal men moeten erkennen dat wij inderdaad geen regtstreeksche verkiezingen bezitten: maar dat zij hier te lande, in het wezen der zaak, nog even als vóór 1848, langs twee trappen plaats vinden. Toen waren er regelmatig gekozene Staten der provinciën, aan wie, bij art. 144 der G-rondwet, het verkiezen van leden voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal was opgedragen. Thans bestaat er evenzoo een eerste ïrap, dat is de Kiesvereeniging, een door zich zelf gevormd lichaam, liestaande uit belangstellenden, somtijds zelfs niet eens kiesbevoegden, maar flie zich zeiven opwerpen en vereenigen om te bepalen, wie de personen zullen zijn, waarop de kiezers voor de vertegenwoordigende lichamen hunne stem zullen hebben uit te brengen. De kiezer, die zich daarmede niet inlaat, zal ook later geheel te vergeefs zijne stem uitbrengen op den man, dien hij als den meest geschikte zou wenschen verkozen te zien. In den regel gaat voorzeker dit werk van voorbereiding met de beste voornemens gepaard: niet zelden bestaal er in de kiesvereeniging zelfs nog een voorbereidend comité; maar enkele malen hebben toch als van zeiven toeval en intrige aan het een en ander hun aandeel, of wel is het stellen van de kandidaten het werk van zeer weinigen. Vergelijkt men dezen feitelijken toestand ten onzent met de verkiezingen in Groot-Rrittannië, waar het kiesstelsel vrijer werkt en de keuzen meer in het openbaar worden voorbereid met zijne Meetings en Hustinyt^ zijne
Nomi'iMtion en Poll, dan zal men moeten erkennen dat de N ederlandsche kiezer nog wel eenigermate van dat schoone ideeal is verwijderd, wanneer hij, onder den valhoed en aan den leiband der kiesvereeniging, optrekt om aan de stembus zijn onwaardeerbaar regt te gaan uitoefenen. Men zou daarbij kunnen vragen of zelfs in den ouden toestand vóór 1848 niet nog iets meer waarborg voor eene waarachtige openbaring van den eigenlijken volksgeest ware te vinden?
Welnu: â al is hot volkomen waar dat de geaardheid en zeden van een volk zich niet op eens laten verwringen en er nog veel zal moeten veranderen alvorens onze verkiezingen met die aan gene zijde van de Noordzee kunnen worden vergeleken â toch ware er welligt in onze wettelijke voorschriften een grondbeginsel te vestigen om dat groote voorbeeld op zijde te streven, door zekere vrije en onafhankelijke organen, als men wil eene soort van moderne Comilia, in te voeren, waarin evenals daar, eene openbare voorbereiding der verkiezingen plaats greep zonder reeds dadelijk inbreuk te maken op de regten en vrijheden van het kiezerslichaam zelf; algeuieene bijeenkomsten onder eene van de regeering geheel onafhankelijke leiding, die door eene openbare wrijving van gedachten met de kandidaten den publieken geest zouden wakker schudden en tevens den regten man zouden brengen op de regte plaats. Ik bepaal mij hier natuurlijk tot een vlugtige. zeer algemeenc aanduiding van het denkbeeld, zonder tiet eenigszins verder uit te werken in bijzonderheden.
Een ander euvel van onzen toestand is de nalatigheid van vele der tegenwoordige kiesgeregtigden in het uitbrengen van hun stem ; â een verzuim dikwerf van verregaanden aard, zelfs dan wanneer van de keuze bijzonder veel afhangt.
fn liet vrije Zwitserland vinden wij het middel om hieraan tegemoet te komen.
Eene ligte belasting, toegevoegd op het aanslagbillet eener andere directe belasting, werkt daar bij uitstek goed, om eene behoorlijke opkomst dei-kiezers en de naleving van den kiespligt te verzekeren. Niets ware gemakkelijker dan dat middel ook ten onzent in toepassing te brengen.
Op deze en meer dergelijke wijzen ware ongetwijfeld veel heilzaams t( verwerven; beter voorwaar dan, in Frankrijk en Amerika voorbeelden te gaan zoeken ter navolging van een min of meer Alfiewc.i ii Strmregt (de uitdrukking is eigenaardig: â Stemmen en Kiezen toch zijn tweeërlei zaken; het laatste eischt een eigen oordeel en bewustzijn, het eerste, als zijnde geheel van werktuigelijken aard : â niets), dat waar het werkt, de algemeene logen en verdorvenheid als onafscheidelijke zinnebeelden ten toon spreidt en, in allerlei verschijnselen van omkooping en geweldenarij naar buiten slaande, ten slotte de Maatschappij met ontbinding bedreigt.
Het Haagsch Stadhuis voert in zijn gevel opschriften, die getuigen zoo van het geestig vernuft als van het gezond verstand onzer vaderen. Men leest daar ook dezen dichtregel;
7lt;)
âFelix quern faciunt aliena pericula, mutu-mquot;.
Elk zedelijk en verstandelijk ontwikkeld man, die niet vreemd is aan wat er buiten hem in de wereld omgaat, weet en erkent de schroomelijke gevolgen van het algemeen stemregt in de beide groote Republieken. Elkeen die waarheid en vrijheid liefheeft, verwensebt in die landen een toestand, die bijv. door een zeker onverdacht en ook zeer eerlijk getuige, Proudhon, aldus werd afgeschetst : âla tyrannic, des majorités, tyrannie la plus exècrahh' de toutcs, var elle ne s'appuie ni sur Vautorité d'une religion, ni sur itne noblesse de race, ni *ur les prerogatives dn talent et de In fortune; elle a pour base Ir nombrr et pour masque le mm du peaple. (Rev. des deux M. 1848, II, 658).
Wat Amerika betreft, is Jumus Fhokbbi. zeker een even onverdacht getuige en door eigene lotgevallen, sedert de Panls-Kerk in 1848, een even vertrouwbaar beoordeelaar. Hij zegt: âDa* allqemeine Sfimmrecht kt attch bei der weitesten denkbaren Ausdehnung fvr da* Voll: «hu- 'Fmmhung; fvr die Politilcer inim-er ein Mitlel der boben und niederen Demaciogie, wie 'm den Vereinigten Staten, in weiehen man das schwarze und weissc ..Stimmvkhquot; (voting cattle) volkommen zu sehiitzen und trefflirh zu henutzen rrrsteht.quot; (Gesicbtsjmnkte und Aufgaben der Politik. 406.)
Persoonlijk heb ik eenmaal bij eene zeer gewigtige verkiezing, dat werk in eene kleine stad der Vogesen bijgewoond en gadegeslagen, toen ik een postmeester, in wiens hotel ik verbliji hield, met een troep kiezers, (bestaande uit 24 stalbedienden en postillons) naar bet stembureau ziende optrekken, op mijne vraag tot hem gerigt: e'est done In le Sujfrayt universele â onder een luid gelach, van hem ten antwoord kreeg: â âNon! e'est le Cognac universel
Verlangt men zich nader op de hoogte te stellen van den toestand in Amerika, dan leze men een overzigt daarvan gegeven door den heer Le Majkk. getiteld: âle Suffrage universel (ivx Ktats-l'nkquot;. in de Belgische itevne Génerale van .lunij 1886. Wat men daar al verdorvens en ellendigs van de kuiperijen bij het algemeen stemregt verneemt, grenst aan het ongeloofelijke. Inzonderheid verdient te worden opgemerkt hoe zich in Amerika heelt gevormd een bijzonder soort van verkiezings-agenten, ..l'aUtieians'' geheeten, hier te lande gelukkig nog maar weinig hekend. die op de onbeschaamdste wijze zicli de ergerlijkste handelingen veroorloven en van welke vrijbuiters toch aldaar, in de werkelijkheid, de uitslag der verkiezingen afhangt. De schrijver besluit zijn hoogst belangrijk geschrift met de overtuiging uit te spreken dat eene navolging van dit voorbeeld, zonder eenigen twijfel, den zedelijken en stoffe-lijken ondergang van België zoude na zich slepen.
Mogt men zich hiertegenover willen beroepen op bet Duitsche Keizerrijk, dan vergete men vooral niet dat, bijaldien aldaar tot hiertoe van het algemeen stemregt andere uitkomsten zijn verkregen, dit alleen is toe te schrijven aan de schutsluis, die men daar heeft gelegd, niet bij de kiezers maar bij de. gekozenen. Daar wordt het lidmaatschap van de Kijksvertegenwoordiging kosteloos, geheel als eerambt en niet om den hroode, bekleed en waar-
71
genomen; een beginsel, waaraan met lt;le uiterste consequentie wordl vastgehouden. zoo zelfs dat zij die uit bijzondere bijdragen eene schadeloosstelling hadden aanvaard, door den hoogsten Regter tot nitkeering daarvan aan de Rijkskas zijn veroordeeld.
liet is voorts niet noodig te worden opgemerkt daar het voor de hand ligt, dat uit het langdurig oponthoud, door het werk der Grondwetsherziening veroorzaakt, in de behartiging en regeling van allerlei andere belangen een aanmerkelijke achterstand is ontstaan. Het gebied der Jnstitie bijv. moge wijzen op de invoering van het Strafwetboek, bij de toepassing daarvan zal deregts-pleging, gelijk die nu is geregeld, des te meer de gebreken doen uitkomen, welke daarin gelegen zijn. Met de invoering van het hooger beroep in alle strat-zaken. is het evenwigt der regterlijke collegiën ten eenemale verbroken. Ken wen kostbare als noodelooze uitbreiding van het personeel der regtbanken, met een geheel overtolligen aanbouw van regtslokalen, hangt daarmede zamen: zigtbare en materieelé nadeelen, die nog verre zullen worden overtroflen door die welke in de regtspleging zelve te wachten staan. Het is dus wenschelijk dat men bedacht zij op middelen om aan dit een en ander tegemoet te komen.
Wanneer dan mogt blijken door de ondervinding, dat de regtbanken, behalve hunne overige werkzaamheden met strafwerk overladen, niet behoorlijk aan die taak kunnen voldoen; dat de Hoven daarentegen met enkele zitdagen in de week. hun arbeid gemakkelijk volbrengen met al de eigenaardige leemten, welke eene tweede behandeling der strafzaken op zich zelf, moet na zich slepen, dan stel ik mij voor dat hieruit eindelijk eene Regterlijke lu-rigting zal geboren worden, gelijk Nederland behoeft. De Hooge Raad worde dan regter in hooger beroep voor de burgerlijke zaken en regter in cassatie voor de strafzaken. Opheffing der hoven en van het hooger beroep in strafzaken, met zamenvoeging, als transitoire maatregel, van hun personeel met de regtbanken in de hoofdplaatsen om de zware strafzaken te behandelen: in één woord het stelsel dat ik steeds heb voorgestaan als overeenkomstig's lands eigenaardige behoeften en in zoo menige schriftelijke nota en parlementaire rede verdedigd, als de voldoening aan de verlangens der regtzoekenden en aan die ecner degelijke regtspleging. Het komt mij voor dat eindelijk zal moeten worden ingezien dat hierin de beantwoording ligt van het raadsel, dat sedert zoovele jaren zijn oplossing wacht.
Eindelijk nog de Koloniale quaestie. Ten vorigen jare ontving ik van een beroemd landgenoot een schrijven, waarin deze opmerking voorkomt; âGij hebt niet» Ie hetrmmi dan dat de uitkomst zoo menigmaal mm somben' roorzey-(fingen hcrestigd heeft. Tiet zon uwe eigenliefde kunnen streelt-h â indien de liefde itior lui tand duar niet horen ging.quot;
Dit waren woorden uit mijn hart gegrepen; waarbij ik mij echter niet kan verklaren, hoe men voorspellingen gelieft noemen wat toch zoo zigtbaar en tastbaar voor de hand lag; nog minder hoe dat alles is kunnen worden ver-wezenlijkt ouder medewerking van zoo velen in den lande, wier eigenbelang
1-1
t-r voorwaar niet in het rainste mede gemoeid was, maar die geroepen waren te waken en te zorgen voor de handhaving van het Algemeen Nationaal belang, ten aanzien der koloniën. Op 22 Jnnij 1862 zeide ik :
i'Eeu Staat waai' Uit wordt waargenomen, is van zijn teruggang zeker. Waar het algemeen belang niet meer is de eenige en voorname drijfveer; waarde koopman liet voor zich verkieslijk acht boven eene algemeene in het Vaderland gevestigde markt, deze op te heffen om elders andere markten op te zoeken, waar hij voor zich eenig meerder voordeel zal vinden, onverschillig of daardoor het. algemeen belang kan worden geschaad; waar do industriëelen en kapitalisten eene koloniale exploitatie voor zich verkieslijk achten en die zoeken in de plaats te stellen van een koloniaal stelsel, waarmede de geheele maatschappij zoo moeder-land als koloniën, zoo Nederlanders als Javanen werden gebaat; waar de Regeering zich mede in die rigting beweegt en verklaart met genoegen te zien, «dat er geldelijke ondernemingen tot stand worden gebragt, welke kapitalen naar Java willen zendenquot; (2S Mei 1860), niet zoo zeer om die op de buitenbezittingen aan te wenden of om woeste gronden in cultuur te brengen, maar om onbeperkt en kennelijk de krachtigste mededingers te zijn van het landscultuurstelsel; at op dien voet de eenige, alles beheerschende magt van den tegenwoordigen tijd â het Geld â het [kapitaal gebragt tot zijne hoogste kracht, dooi' middel van de Credits Mobiliers, â als die alles overweldigende hefboom wordt aangewend tegen het weerlooze belang van liet Volk van Nederland, tegen het onverdedigd belang van het arme Algemeen, als dat van alle kanten wordt bevorderd en men ziet het ondersteunen, in eene soort van verblinding, ook uit die deelen des Rijk-waar men niet in het allerminst daarmede kan worden bevoordeeld, maar tot welke men zegt: leert u met der tijd te ontwennen aan die koloniale inkomsten : zorgt in u zeiven kracht te vinden om dat ledige aan te vullen; â- dan zeg ik: er is een Fatum dat ons vervolgt, dat ons willens of onwillens, tot zich trekt, en dan eindig ik mijne beschouwingen met de woorden, die ik eenmaal las in de Utopie, van Thomas Morus, waarin hij eene schets heeft gegeven van de sombere dagen Uie hij beleefde, een beeld van zijn tijd, dat ook ons als een waarschuwend voorbeeld voor den geest mag staan. Hij zeido daar: d Om nes quae hodie usqunm ftorent, respublivas intuenti ... . mihi nihil, sic me amet Deus ! oceurril uliud, quam qnaedam conspiratio divitum, de suis commodis Reipuhlicae nomirie tiluloque tractantinmquot;.
â /Zou datzelfde niet van het tegenwoordig Nederland kunnen worden gezegd
Op geen gebied heeft, mijns inziens, het Parlementarisme meer dan op dit zijn wonderlijken invloed laten gevoelen. Sedert het vierde van een eeuw hebben wij een toestand voor oogen, alsof zij die voor de algemeene nationale belangen hadden te waken, met doofheid en blindheid waren geslagen. In dolle vaart, voortgezweept door belangen die niet waren die van het algemeen, en die zich niet behoefden te ontzien om in het volle Parlement te verkondigen: âdc Strijd is te inocielijker, omdat wij te doen hebben met den yrooten Plantagehouder, den Nederlandschen Staat, dus met al de Ingezetenen van Nederland, die wij vertegenwoordigenquot;, maar die tevens triomfantelijk uitriepen : âDi
Toekomst is aan onswerd aan het onnoozele Nederland beduid, dat de voordeelen tot dusverre genoten uit zijne overzeesche bezittingen, op zijn karakter âdemoraliseerendquot; werkten en het zich dus daarvan ten spoedigste moest laten ontdoen : â alles met dit gevolg van deze en dergelijke drogredenen. dat het Nederlandsche volk van zijne regtmatige inkomsten werd verstoken en deze voordeelen, nu overgegaan op de nieuwe verkrijgers, door overmoed en wanbeleid â immers van sommigen, tot groot nadeel tevens van den Javaan, zijn verdwenen en de .,Grnnfe Plantagehouderquot; van weleer â dat zijn nog diezelfde ..Nederlandsche ingezetenen die men vertegemroordigdequot;, van deze derving van inkomsten, bij vervolg van tijd, in leeningen en belastingen, gelijk ik op 21 Nov. 1867 voorspelde, een aequivalent fier batige sloten van vroeger zullen hebben optebrengen.
Als men zulke uitkomsten van het gemeenschappelijk streven van het 1 Parlementarisme â en zijn trawant het Journalisme, hier te lande nagaat, dan is er zeker alle aanleiding voor degenen die voor 's Lands belangen hadden te waken, om zich zediglijk zoo niet schaamtevol, het aangezigt te omsluieren. Dat belang toch werd niet verdedigd, noch door de Regeering, noch dooi' de Vertegenwoordiging, veelmin in de organen der drukpers, die voor zoover zij zich eenigszins krachtig lieten hooren, allen stonden aan den kant van het bijzonder belang en tegenover dat van het algemeen.
Vraagt men mij nu wat nog ware aan te vangen in dezen neteligen toestand) dien wij ons zeiven in onbegrijpelijke verdwazing hebben op den hals gehaald, dan antwoord ik wederom met vroegere gezegden (1 I/W 1866):
quot;Herstel van liet gesloopt vertrouwen en van liet verdwenen crediet, geene reactie, maar restauratie van liet stolsel in den goeden zin van liet woord: â in het belang van liet moederland, van de Javanen en ook van de Europeanen op â lava. â Ziedaar wat ik verlang! Mijn geachte vriend vraagt mijn programma. Ik kan hem dit in twee dichtregelen geven :
quot;In /.'haos coiiiqititni coii filildnHUi': Kvipv jhtItimIS Si ijHti} (tilluic sii[U'i't'sf : et rcri'ni coiisitle snhtnmc' .
Daarin staat ook nu nog geheel mijne meening uitgedrukt. Alleen dan bestaat er nog eenige hoop op eene betere toekomst, als men in de eerste plaats te rade gaande met eigene krachten, terugkeert tot het vroegere stelsel, dat volgens het woord van Mumjatoli was : âd£ vertolking der Jaraamche seden i n ./evmonten in Staatsblad-termen \ Men stelle wederom voor den Javaan belasting in arbeid in de plaats van die in geld, als gevolg van het. beginsel dat hij die en die alleen aan de over hem gestelde hoogere magt is verschuldigd, M en bescherme hem bovenal tegen elke verdrukking, vooral ook tegen het bij en door onzen teruggang steeds veldwinnend element der ('hineezen. Men worde op nieuw in één woord meester in zijn eigen huis en dulde niet langer het overmoedig en baatzuchtig streven van wien ook om die bezittingen te vermeesteren. Doet men dat niet â dan begrijpe men tevens dat binnen.
74
korten tijd het schoonste koloniale Rijk dat ooit ter wereld werd aangetroffen, door eigene onbeholpenheid tegenover het toch ook kortzigtig egoisme dei-bijzondere belangen, onherroepelijk en reddeloos moet te gronde gaan. Men neme weder zijne toevlucht tot het vroegere stelsel, waarvan de hoogleeraar in de kruidkunde de Vhiese, in zijne schoone rede van 18 Nov. 1861, over de grondslagen van welvaart der Landen en Volken van den Indischen Archipel, verklaarde: âWelligt heeft niemand, in de laatste jaren, Java zóó doorkrnisd als ik gedaan heb. Ik heb nagenoeg alle kultures bezocht. Ik was in de tuinen, op de velden, in de fabrieken, in de dessa's, in de woningen van den kleinen man, op de passirs. in het hooge gebergte, slechts langs bijna ontoegankelijke wegen te bereiken, aan de Noord- en Zuidkust, in de streken van de Wijnkoopsbaai en aan de uiterste deelen van Banjoewangie. En wat was mijne bevinding ten aanzien van de bevolking? Ik heb gezocht naar de armoede en de ellende, maar die niet gezien. Ik heb honderden malen gevraagd : Waar is dan de streek, waar den Javaan, tengevolge van het kul-tuurstelsel, zoo veel leeds wordt berokkend? Men is mij het antwoord schuldig gebleven...... De landstreken, waar het kuituur-stelsel bestaat, zijn de
meest welvarende van Java..... Nergens vond ik de bevolkingen zoo welvarende, als in die streken, waar het kuituurstelsel in vollen gang is ... . Het kultuurstelsel is de zuil van ons volksbestaan, van het openbaar crediet. Met het consignatie-stelsel is het de grondslag van onzen handel, onze zeevaart, onze reederijen, terwijl duizenden, ja honderdduizenden er hun brood door vinden.... Nederland, dat groote opofferingen bragt aan zijne koloniën, behoeft deze directe voordeelen, om aan zijne verpligtingen gestand te doen en zijnen schuldenlast eenmaal in overeenstemming te brengen met zijne eigene stoffelijke krachten.quot;
Dat waren de woorden van een man, wiens eenig eigenbelang was dat zijner wetenschap en der waarheid, maar die juist daarom bleef onaangehoord.
Langs dezen weg alleen ware het denkbaar rlat de goede tijden voor Nederland en zijne bezittingen nog eenmaal terugkeerden en men met minder bezorgdheid de toekomst des Vaderlands kon te gemoet zien.
Dat die zorgelijk is â wie zal het ontkennen? De Europeesche grootmagten toch nemen steeds meer het karakter aan van roofstaten, die â of om eigene grenzen, zonder raadpleging der bevolkingen, uit te breiden, of ook om hun koloniaal bezit met magt van wapenen te vergrooten, â in het plegen van geweld voor den ouden tijd in niets behoeven onder te doen, maar dien zeker verre overtreffen in de volkomenheid hunner wapentuigen en oorlogsmiddelen.
âGanz Europa starrt in Waf enquot;. â Dat was het woord van Duitschlands grijzen veldheer von Moltke, dezer dagen gesproken op den Rijksdag. Hoe en waar zal dit opkomend onweder zich ontladen ? Wie kan het zeggen ? En daarnevens broeien nog andere maatschappelijke ziekte-toestanden, die aan Modderman eenmaal zijne sombere, misschien beter gezwegene, voor-
7fi
spelling ontlokten en thans, naar de opvatting van sommigen, aan hot uiteinde dezer eeuw zekere gelijkenis schenken met dat der vorige.
Daartegenover ziet men maar al te zeer een volkomen gemis aan veerkracht en de grootste onbeholpenheid bij zoo velen die de handhaving van orde en wet behoorden ter harte te nemen, om de juiste middelen aan te vatten ten einde 's Lands toekomst te schragen en te verzekeren.
Dat. alles vordert in hooge mate de aandacht, ook opdat de Magten in den Staat hare grondwettige, eigenaardige regten en pligten standvastig weten na te leven en te doen eerbiedigen; maar zeker ware een eerste eisch des tijds de herstelling van behoorlijk consti.tutionneel evenwigt, door in eigen boezem paal en perk te stellen aan het Parlementarisme, dat is de nu eens komische dan tragische spotvertooning van het constitutionneel raderwerk, waarin een der Staatsmagten, op de grilligste wijze, dikwerf alleen lettende op een of ander nietig bijzonder belang, inbreuk maakt op de bevoegdheden der overigen en de harmonie van het geheel verbreekt. Zonder zeltbeproeving en zelfbeheersching in dit opzigt, moet eindelijk de constitutionneele monarchie, gelijk de Grondwet die eischt, ontaarden in een gebrekkig soort van Republiek, zonder nog een enkele barer waarborgen als welke gelegen zijn in een vierjarig onverantwoordelijk Presidentschap, aantebieden en eene opperheerschappij der Tweede Kamer tc vestigen, die eene orde- en vrijheidlievende natie niet kan verlangen en die de Grondwet regtens niet gedoogt.
Het Parlementarisme is niet alleen een ongezond gewas van onzen bodem.
Een geschrift van een man, die nog kort geleden de trouwe medewerker was van Vorst Bismarck, van Lothar Bucher : âder Parlementarismus wie er istquot;, onlangs op nieuw verschenen met een motto van lord Burleigh ; ..England wird nie fallen, es sei denn durch sein Parlamentquot;, verspreidt een merkwaardig licht over den Engelschen toestand en de ongelegenheden, die ook daar vallen optemerken. De Senateur Alfred Naquet heeft evenzoo. zeer onlangs, in de Revue bleue van 18â25 Dec. 1886, een tafereel opgehangen, waaruit blijkt hoe ook in Frankrijk het Parlementarisme, in een overmaat van buitensporigheden, de verderfelijkste uitwerkselen doet gevoelen. Hij zegt daar onder veel, ook dit: âLa canité qui pousse au renversement des cabinet-: dement a la longue presque excusable. Le parlementarisme fait une telle consommution d*hommes, il est amené par cette consommation mhne a investir tant de nullit'es des fonctions de ministre, que tout le monde jinit par se croire capable de les exercer. Ne pas avoir étè ministre derimt presque une marque d'incapacité, une tare qu'il faut éviter a tout prixquot;.
Het bekende: âsocios habuisse malorvmquot; moge troost kunnen aanbieden â beter is het ook daarin een prikkel te vinden om tot afdoend herstel de noodige middelen aan te grijpen.
15 J an narij 1887.
den zelfden
Uitgevers dezes zijn van Schrij ver verkrij gb aar:
Advies over Regterlijke Organisatie........(1860) f 0.75
Redevoeringen over Regterlijke Organisatie.....(1S61) - 1.80
Idem en Adviezen (1849 â 1861).........(1862) - 3.75
Idem over de Yeepest.............(1866) - 0.25
Idem over Koloniale onderwerpen (1862 â 1865) .... (1866) - 3.â
Idem 1866 â 1873, met een aanhangsel (1850â1865) . . (1873) - 4.50
Idem 1873-1875...............(1875) -2.25
Idem 1875 â 1877 ...............(1877) - 2.75
Idem 1877-1879 ...............(1879) - 2.50
Idem 1879 1881 ...............(1882) - 1.90
Idem ove:; de Conversie der Gemeentegronden op Java . (1882) - 0.25
Idem 1882-1883...............(1883) - 2.50
Idem 1883-1884 ...............(1884) - 2.50
Idem 1884 â 1885 (Grondwetsherziening en Nationaal
Onderwijs)...............'. (1885) - 0.60
Politieke Nabetrachting met den Index 1848 â 1885 . . (1886) - 0.75
De gezamenlijke werken zijn verkrijgbaar a f 20 75 in plaats van f 30 05.
Bij de