1
r
1851-,ï J-
I
Een lichtzinnig oordeel.
OPEN BRTEF
AAN
den Heer C. B SCHIVIIDT,
Apotheker te Amsterdam
van
A. KOEK,
Apotheker te Amsterdam.
â dieren.
OPWI.TKDA S DRUKKERIJ.
Aan den Hm-
Apotheker ti. It. SCHMIDT
Amsterdam.
Die Schriklikst van (hem) Swijglit lieeft allerbast geseit.
IIl'ijgens.
lt;s//é/
Alhoewel ik erken dat boven aangehaald motto op U van toepassing is, zoo gevoel ik mij nochtans gedrongen II op uw weldoordacht en flink stuk, voorkomende in No. 4 van Maandhlad voor Apu-thekers, onder den titel âover IJzeralbnminaatquot; , even te antwoorden.
Reden waarom ik U niet in dat orgaan antwoord (ik heb het U reeds op de Mei-vergadering van het Amsterdamsche departement gezegd) is deze, dat ik mij niet gaarne door ü. als mederedacteur, den
1
pas wil afgesneden zien tot verdere verdediging. Dat ik U een maand na de plaatsing van uw stuk antwoord, komt omdat ik het vervolg daarvan in uw blad van lo. Aug. verwachtte.
Vergun mij dat ik U niet volg in den bitteren en kwaaddenkenden toon waarvan uw stuk getuigt. Ik vermeen dat wij deze kwestie tot beter einde zullen brengen, wanneer wij haar kalm behandelen en niet wanneer wij voortgaan op dezelfde opge-wondeu wijs als gij tot nu toe deedt. (volgens sommige collega's was het stuk voor uw doen nog al gematigd (sic).)
Beter ware het zeker geweest en meer met uwe waardigheid strookende, zoo gij op de Vergadering van het Amsterd. departement in Mei â , in plaats van te zwijgen, uwe grieven had bekend gemaakt, dan nu, op een gegeven oogenblik de fiolen uwer toorn uit te storten op iemand die van die manoeuvre geheel onbewust was.
De reden van uwe verbittering en van uw daaruit voortgevloeid bitter schrijven is immers geen andere dan dat ik het gewaagd heb, U de Voorvechter der Pharmacie bij uitnemendheid! onder het oog te brengen dat het niet aanging om uit eene besloten Vergadering (de Amsterd. Vergaderingen van Januari en April) feiten te citeeren, besprekingen weer te geven in uw orgaan en dat ik U durfde tegenwerpen dat die feiten en die besprekingen door U niet juist waren weergegeven. Tan daar uw toorn.
In deze beoordeeling van uw verslaggeverstalent stond en sta ik niet alleen. Immers in den 4en Jaar-
3
gang van Weekblad voor Pharmacie No. 1 werd ge reeds om een dusdanig feit onbescheiden genoemd en durfde de Secretaris van den Geneesk. raad van Groningen en Friesland, uw schrijven uit een vergadering van dat lichaam als minder fair qualificee-ren. Toen heriept gij er U op dat gij noch namen of gemakkelijk ie raden aanduidingen hadt gepubliceerd. Gij schreeft: âGij zoudt volkomen gelijk hebben zoo dit het geval was.quot;
£n gij deedt zulks wel in \o. 3 van nu blad.
Aan tl het oordeel.
Verder doe ik U opmerken dat dezelfde veroordeeling, van de wijze waarop gij feiten weergeeft, heeft plaats gevonden in Maart '85. Ik verwijs U. om dit te staven, naar den 3en Jaargang Weekbl. v. Pharmac. No. 13, waar eene Commissie van 3 achtenswaardige mannen openlijk erkent dat de voorstelling van de toen aanhangige zaak, zooals die door U gegeven werd, niet juist was. De onderteekenaren van dat geïncrimineerde stuk waren toen, even als ik nu, overtuigd van de waarheid van het motto boven dezen brief geplaatst.
Het gaat toch niet aan te meenen. dat zijn woorden altijd ingang zullen en moeten vinden en veel minder is het te billijken, dat men bij verschil van opinie, zijn pen in gal doopt om zoo bitter mogelijk te schrijven.
En dit deedt ge steeds en doet ge nog â gewis niet ten voordeelo van uwe richting (die ook ik voorsta) ook niet ter appreciatie van uw persoon. (Ik
4
weet dat dit laatste U koel laat; véi'gun mij toch U er even op te wijzen.)
Dat ge in de Album, ferrici â quaestie wederom niet onpartijdig oordeelt, behoef ik U en allen Pharma-ceuten die de geschiedenis, en den onverkwikkelijken strijd daarover gevoerd kennen, niet te ontvouwen.
De garische loop dier geschiedenis wordt door U ten eenenmale weggedacht (of juister gezegd niet aangehaald), omdat dan veel minder, dan nu uw doel is, het licht en het gewicht van uwen toorn op mij zou vallen.
Ge vergeet echter dat de Pharmaceuten persoonlijk denken en ook een eigen opinie er op na houden (wel eens eene andere dan de uwe).
Die vooraf beraamde poging van U, om mijne zaak, (die nu reeds zoovele pennen en monden in beweging heeft gebracht) zwart, zoo zwart mogelijk voor te stellen, kan ik mijne af keuring (het zachtste woord wat ik vind) niet onthouden.
Zulke voorafberaamde plannen, en voornamelijk ook het gevolg geven daaraan, kunnen niet 'anders dan iemand partijdig en daardoor onrechtvaardig maken.
En onrechtvaardig â dit waart gij!
Onrechtvaardig, omdat gij, door uwe partijdigheid verblind, stellingen verkondigt, waaruit ge verkeerde conclusiën trekt.
Onrechtvaardig, omdat ge, door enkelen gevierd, altijd eens anders meeningen (zonder die gehoord te hebben) minacht en bespot.
O
Onrechtvaardig, omdat ge, om a tout prix gelijk te willen hebben, feiten mededeelt, die ge eerst uit hun verband rukt.
Onrechtvaardig, omdat ge, misschien uit overdreven ijver of uit gewoonte, altijd opponeert.
Onrechtvaardig ten laatste, omdat ge, door eigenwaan misleid, mij treffende , tevens een ander hoopt te treffen.
Ik heb uw stuk vóór mij en wil u kortelijk repli-ceeren. Vooraf zeg ik u echter; welke hevige kri-⦠tiek door u in uw blad ook moge geleverd worden ,
en die verwacht ik van u natuurlijk, veel zal er toe noodig zijn om het stilzwijgen. dat ik mij voorstel in acht te nemen, te verstoren.
Hebt ge over verschillende zaken een andere, misschien hemelsbreed verschillende opvatting als ik, mij goed; ik wil die van u eerbiedigen doch eiHeli tevens dat ook door u in denzelfden geest gehandeld worde ten mijnen opzichte.
Mocht ge voortgaan op de zoo even beschreven manier uwe gedachten en aandoeningen uit te drukken en weèr te geven. wees overtuigd dat ik u niet meer antwoorden zal.
Dat alsdan tie publieke opinie over ons oordeele!
De aanhef van uw stuk is al even apocrief als het begin van uwe aantijging op de departementsvergadering van April 11.
Ook daar spreekt ge een oordeel uit (of liever
6
veroordeelt ge) zonder U volledig op de hoogte van alles gesteld te hebben.
Ook nu, evengoed als toen, was uw onderzoek nog niet klaar.
Ik hoop voor U en uw prestige dat ge althans nu nel in staat zult zijn mede te deelen op welke wijze door U gewerkt is en volgens welke methode door U de solutiones quantitatief bepaald zijn. Toen durfdet gij (omdat ge nog niet klaar waart) hierover niet in discussie te treden. De daaropvolgende vergadering in Mei zweegt ge omdat ik uw toorn had opgewekt. (Klaar met uw onderzoek waart ge toen nog niet â ook nu nog niet). Voorzeker was het, minst genomen, voorzichtiger van U geweest, zoo ge, na em volledig doch ook medegedeeld onderzoek, de handschoen hadt opgeraapt voor een verdrukte. Voorzichtiger, omdat ge toch niet verlangen kunt. dat men slechts U, en gee)i ander, op het woord gelooven zal, voorzichtiger omdat de kritiek die ook op uwe onderzoekingsmethode volgen zal, voor U dan minder uitgebreid en lastig zijn zou. Want ge begrijpt al zijn enkele uwer uitkomsten lijnrecht in strijd met die rvelke ik opgaf, het daarom nog geen axioma behoeft te zijn dat de uwen de ware zijn, dat gij onfeilbaar zijt.
Een korte herinnering aan de geschiedenis moge voorafgaan zegt ge, doch vergeef mij, meer overeenkomstig de waarheid zou het geweest zijn, zoo ge geschreven hadt:
Een onvolledige, partijdige opsomming van uit haar verhand gerukte phrasen en een daaruit voortgevloeide scheeve voorstelling moge voorafgaan.
7
Immers ge vergeet mede te deelen, dat ik meermalen getracht heb de solutie-quaestie met de redactie van Weekblad voor Pharmacie te bespreken, dat ik meermalen getracht heb de zaak in der minne te schikken.
Ge vergeet dat ik eerst na herhaalde weigering, om mijne grieven ten opzichte van het deponeeren van een fabrieksmerk te motiveeren, begonnen ben een beter praeparaat te maken en daarna te exploi-teeren.
Ge vergeet ten laatste, dat ik geneigd was, die exploitatie te laten varen zoo de Heer de Gr. zijn fabrieksmerk introk.
Gij heht dit alles vergeten.
En al hebt ge mijne verontwaardiging (een woord door u gebruikt, maar waar mijne houding u nooit het recht toe gaf), nooit goed kunnen begrijpen, toch is mijne meening omtrent een fabrieksmerk (op wetenschappelijk terrein) niet veranderd.
Immers, wanneer iemand de bereidingswijze van een artikel bekend maakt en wel zoo dat elk collega het maken kan , dan is het ontegenzeggelijk een compromis voor die collega's wanneer hij, door zijn fabrieksmerk, wil doen uitkomen dat hij, en hij alleen het goed maakt en reikt hij zich zeiven alsdan niet het brevet van volmaaktheid uit? En verder, waar blijft de grens van dat deponeeren en welken invloed kan en zal het hebben op het meerdere of mindere vertrouwen dat het publiek in ons stelt?
Stel, de medicus eischt een artikel waarvan het fabrieksmerk gedeponeerd is (wat dagelijks op de
8
recepten wordt uitgedrukt) staat men dan niet als pharmaceut altijd bloot aan verzuimen of abuizen van den fabrikant of zijne onderhoorigen ? Heeft niet bijna ieder pharmaceut het onlangs ondervonden hoe een kleine stagnatie in het een of ander, een prae-paraat te voorschijn bracht, geheel verschillend met dat wat door dezelfde firma vroeger afgeleverd werd ?
En wie wordt van die fouten de dupequot;? Niemand anders dan de pharmaceut die dat goedje afgeleverd heeft. Heerlijke toeko)iiHt! En om aan het deponeeren van zijn fabrieksmerk nog hooger waarde toe te kennen kan men nog bij H.H. medici proefleschjes laten circuleeren met origineel product om toch vooral te voorkomen dat iemand die nog werken wil, zulks doe.
En wie ziet het eind van die handelingen en tot welke hoogte zullen zij nog opgevoerd worden? Gij weet dit evenmin als ik , al valt het u niet moeilijk , om, na een jaar wachtens, hier en daar addertjes te ontwaren.
Uwe clairvoyance, houd mij ten goede, openbaart zich wel wat laat, om vertrouwen te verdienen of geloofd te worden.
Gij geeft in uw schrijven toe dat het deponeeren een waarborg geven zou voor namaak.
Maar waarde collega, dat kan U toch geen ernst zijn. Gij die altijd zoo schermt met het onderzoek van geneesmiddelen en ten allen tijde zoo gaarne doet uitkomen, dat gijzelt' dat beginsel handhaaft, gij zult mij moeten toegeven dat dat onderzoek ten laatste geheel overbodig wordt. Men behoeft dan
5)
immers niet meer bevreesd te wezen dat wat men dispenseert, niet goed is; men heeft thans een fabrieksmerk. Ga dus maar slajjen; een ander waakt voor U.
Doch vergeet niet dat van datzelfde merk, in de toekomst, voor een zeer groot deel de welvaart dei-meeste Pharmaceuten afhangt.
Schoon vooruitzicht voor ontwikkelde personen die gaarne werken willen, die door het vertrouwen dat het publiek in hen stelt zich geroepen gevoelen *â , dat vertrouwen te bestendigen en te vergrooten, die
door eigen studie en onderzoek èn patiënt èn medicus willen helpen metterdaad!
Dat werken behoeft niet meer, die roeping bah! die is oud! Werken doet een ander voor U en wel uw fabrikant die zich, voor eenige guldens, als uw meerdere liet inschrijven.
En nu nog iets.
Ge zult mij waarschijnlijk toeroepen, dat ieder Pharmaceut (al is zulks wel niet meer noodig) toch immers die artikelen onderzoeken en controleeren kan. Gewis, doch alleen dan, wanneer op de etiquette juist staan opgegeven de bestanddeelen die in de fiesch of doos vervat zijn. Doch wat geeft het U, wanneer op de fiesch waarin zich Sol. album, ferrici dialysata bevindt, alleen de hoeveelheid ijzer wordt genoemd en er van albumen-hoeveelheid geen sprake is. En toch moent (het deponeeren aangenomen zijnde) volgens mijne meening alles en niet slechts gedeelten hekend gemaakt worden. Door niet alles bekend te maken, wat zich in de fiesch of doos bevindt, laadt
10
men den schijn op zich of men zelf twijfelt aan de constante samenstelling van zijn praeparaat.
En toch deponeert men een fabrieksmerk.
Al weet ik bijna vooruit dat ik U toch niet kan overtuigen, toch heb ik U. zij het ook slechts oppervlakkig. willen mededeelen welke redenen er bestonden voor mijne verontwaardiging. (?) En al gelukt het mij niet uwe ideëen eenigszins te wijzigen, toch acht ik mijzelf gelukkig dat ik in mijne opvatting niet alleen sta. Ik herhaal, wat ik een jaar geleden vroeg:
Wftamp;r moet het op die manier met de Pharmacie heen ?
Gre schrijft het praeparaat Drees was spoedig grootendeels verdrongen, zoowel als andere voorschriften die nu en dan bij ons in gebruik waren gekomen.
Het spijt mij dat ik U ook dit niet kan toegeven, doch wil deze uitspraak alleen wijten aan uw onwillekeurig verkeerd â weer â geven van feiten.
De Solutio Drees immers, is, ondanks de hatelijkste aanvallen, na een jaar nog niet grootendeels verdrongen. Veel wordt er nog van gedispenseerd. Hoe is het mogelijk? hoor ik U uitroepen. Wordt zoo'n prul nog voorgeschreven nu wij zulk een uitstekend praeparaat hebben als de Sol. de Groot! Ja Collega, het wordt nog vrij wat gebruikt. En waarom? Ja waarom??
Misschien hebben de Medici wel eens gehoord dat wanneer zij Sol. alb. ferr. dial, voorschreven een niet
11
gedialyueerd product gedispenseerd werd, een menynel duts van eiwit en chloret. ferric, (waarin, natuurlijk, albumin, ferric.) dat de een of ander Pharmaceut goed vond dooreen te flansen en zijn collega's aanried evenzoo te doen. De HH. Medici schijnen dus de Solut. Drees (met haar Fe2H0Oc) te prefereeren boven liet genoemde mengsel (waarin veel Fe.,Cl(,).
Het is hier de plaats U er nogmaals op te wijzen hoe ik door vriendelijke bemoeiingen van de HH. d'Ailly en Zonen en Mastenbroek amp; Gallenkamp in de Mei vergadering kon opgeven hoeveel duizend liters aq. dest. door mij gebruikt waren in één jaar tijds, omdat booze tongen mij influisterden dat er een collega was die er aan twijfelde of ik wel dialyseerde. Hij achtte dit bijna onmogelijk met het oog op de groote
hoeveelheid die ik afleverde, en......hij deed
het zelf immers ook niet!
Daar waar gij spreekt dat ik bij mijne exploitatie verschillende middelen van reclame niet kan missen, vergeet ge te vermelden dat een ieder zóó doet die iets aan den man tracht te brengen. (Het is toch immers alleen in de vakbladen.) En wanneer ge het niet laakt dat HH. Medici monsters tehuis bezorgd worden van een (onder fabrieksmerk gedeponeerd) praeparaat, wees dan ten minste zoo billijk en consequent en zie ook niet met zoo'n vertoornden blik op advertentiën in de vakbladen.
Hoe wildet gij dan, collega? een praeparaat brengen onder de oogen van hen die aangewezen zijn om het te gebruiken? Wijs ons (niet alleen mij) een anderen beteren weg en zoo diepractisch is,
12
welnu van mijn haiuleleii in dien geest kunt ge verzekerd zijn.
En nu, collega Schmidt, ben ik gekomen aan dat gedeelte van uw schrijven waarin gij de quaestie wetemchappelijk behandelt.
Mijne aanmerkingen (op de Sol. de Groot) waren volyens U deze:
«. Indien men de ijzeralbuminaat-oplossing te lang dialyseert, dan dissocieert de albuminas ferri-cus, er gaat niet alleen ijzer, maar ook eiwit door de membraan.
b. Dialyseeren totdat de Cl â reactie verdwenen is, moet eveneens afgekeurd worden, omdat deze reactie nooit verdwijnt.
Door voortgezette, dialyse heeft er dissociatie plaats, er 'jaat eiwit door de membraan; zoutzuur kond dus vrij, dit gaat er ook door en zoo houdt men tot op het eind de Cl â reactie. 1).
c. De hoeveelheid ijzer door de Groot opgegeven is te groot.
Ik moet U, hoe gaarne ik anders wilde, zelfs op wetenschappelijk gebied van partijdigheid en onrechtvaardigheid beschuldigen.
Immers, ge doet het voorkomen als of ik ter kwader trouw [en alleen om anderen (voor altijd) en
1) Hoe gij aan die grappenmakerij komt , 'is mij een raadsel. Zeker is hel dat wat gij mij hier in de pen geeft, evetnnin te vinden is in Ph. W. Ji/r. 22 Au. 30 als eigens anders.
18
U (gelukkig maar voor korten tijd) een rad voor de oogen te draaien (prn daardoor natuurlijk mijne sakken te vullen)] van het ontleden van de albuminas ferri-cus en van het gaan van eiwit door de membraan spreek. Wel foei!!
â¢Doe mij het genoegen, waarde Heer. en lees eens wat de Heer de Groot aangaande die quaestie zegt. doch neen, laat ik het hier voor U en voor allen, die dit schrijven lezen zullen, even neerschrijven. Het is zoo'n groot bewijs van uw billijk oordeel, dat ik U deze rechtvaardiging van harte gun.
Immers, in den 3en Jaargang Weekbl. v. Ph. No. 31 zegt de Heer de Gr.: â Van meer dan ééne zijde 1) gewerd mij de opmerking dat de door mij bereide solutio albuminatis ferrici, in tegenspraak met den daaraan gestelden eisch, met nitras argent, reactie op HC1 geeft. Tevens vernam ik, dat het sommigen, die het zelf bereidden, niet gelukken mocht een praeparaat te verkrijgen, dat bedoelde reactie niet vertoont. Ik vermoed , dat in het laatste geval de oorzaak dezelfde zal zijn als die welke in het eerste geval tot dwaling geeft, naar een minder juist uitvoeren der reactie.quot; (Hier volgt opgave van de wijze hoe te reageeren) en verder;
âBovendien zij hier nog opmerkt, dat buitengewoon lang dialyseeren niet alleen geen voordeel oplevert , maar zelfs is af te keuren. Niet alleen, dat op den duur te veel water in den dialysator binnendringt en de oplossing dus te verdund wordt, het is mij
1) Ik cursiveer.
14
echter gebleken, dat hij lang voortgezet dialyseèren ook verlies aan alhunünaat plaats heeft. 1) Algemeen neemt men aan (hetgeen ook in de leerboeken wordt aangegeven), dat dierlijke vliezen en perkamentpapier slechts kristalloïden doorlaten en voer de colloïden ondoordringbaar zijn. Dit nu is in strijd met de waarheid 2). liet verschil tusschen kristalloïden en colloïden is niet absoluut, maar slechts relatief. Zoowel kristalloïden als colloïden worden doorgelaten, de laatsten echter veel minder gemakkelijk dan de eersten. Terwijl reeds dadelijk groote hoeveelheden der kristalloïden uit den dialysator in het omringende water overgaan, zijn ook reeds zeer spoedig geringe sporen der colloïde stoffen daarin aan te toonen 3). Reeds na enkele uren dialyseeren blijkt de aanwezigheid van albuminaat uit het sterke schuimen dat de vloeistof doet wanneer men haar schudt; de hoeveelheid is dan echter nog zoo gering dat ze door toevoeging van zuren onmiddellijk in de vloeistof nog niet kan worden aangetoond. Gaandeweg neemt echter die hoeveelheid toe en reeds na eenige dagen heeft men belangrijk verlies aan alhuminaat, 4) terwijl de kristalloïden tot op nauwelijks waarneembare sporen verdwenen zijn. Quantitatieve bepalingen bevestigden deze feiten, die ik reeds vroeger vermoedde.quot;
Wilt ge eveneens een bewijs dat ik niet alleen
1) Ik cursiveer.
2) Ik cursiveer.
3) Ik cursiveer.
4) Ik cursiveer.
15
sta ,met mijne opinie, dat men niet dialyseeren kan totdat de Cl â reactie verdwenen is, doe mij dan het genoegen en lees Weekbl. v. Ph. 4en Jrg. No. 13, waar de Heer J. L. Keijzer onder meer zegt :
Bij herhaaldelijk bereiden dezer Solutio (de Gr) mocht het mij hij stipte opvolging der aangegeven methode, nooit gelukken, alle eischen door den Heer de Groot zelf aan zijn praeparaat gesteld , volkomen te hereiken. Zelfs hij voortzetten der dialyse en ververschen van Aqua des fill, gedurende ruhmr tijdsverloop dan in het voorschrift aangegeven wordt, verkreeg ik nog Heeds eetie reactie op Chloriden, enz. enz.
En verder.
Naar mijn inzicht kan het Cl door dialijse niet geheel verwijderd worden, wellicht hestaat er een grens, waarhij met behulp van den diahjsator geen Cl meer te onttrekken is. 1)
En wanneer de dialyse van zoo grooten invloed is op een praeparaat als albuminas ferricus {en dit kunt ge niet tegenspreken), dient men dan niet om steeds een stabiel praeparaat te erlangen, alles op te geven wat op die dialyse betrekking heeft, en heeft hij die het nauwkeurigst mededeelingen doet en daarnaar handelt, niet het recht zijn praeparaat het meest stabiel te noemen ?
Vergun mij , dat ik er thans nog even op terug kom hoe juist en onpartijdig gij geweest zijt in uwe stellingen en uwe daaruit getrokken conclusion.
i) Ik cursiveer.
16
Erken althans dat ge gedwaald hebt, toen ge mij beschuldigdet bovengenoemde argumenten uitgevonden en uitgegeven te hebben, om ignoble te zijn.
Erken, dat gij, door uwe voortvarendheid misleid, meer geschreven hebt dan ge verantwoorden kunt.
Erken dit en ik zal tevreden zijn.
Doch tevens eisch ik zulks.
Niet dat ge dit doet door amende honorable te doen; geenszins, doch wèl door in uw volgende repliek (die ik zooals ik U hierboven schreef wel van U verwacht) een kalmer, bezadigder, uwer meer waardigen toon aan te slaan.
Dit voorop gezet zijnde, wil ik U voor 't oogen-blik niet lastig vallen over de grove mishandeling die ge mijn goeden naam (gelukkig bij velen voldoende bekend) hebt aangedaan. Ik wil niet spreken over uw geschokt geloof in mijne eerlijkheid. Ik wil U dat geloof niet opdringen, doch er alleen op wijzen, dat wanneer een geloof als het uwe, door niet te motiveeren en onnauwkeurige gegevens, aan het wankelen kan worden gebracht, er voorzeker hoop bestaat, dat het nog veel spoediger, door aangewezen feiten, in zijn ouden vorm zal worden teruggebracht.
Mocht ge echter in uw volslagen ongeloof, ten mijnen opzichte, blijven volharden, weet dan, dut er ook zijn die. aan uwe onpartijdigheid en waarheids} iefde twijfelen.
17
Gij cursiveert in uw schrijven dat ik het praepa-raat de Groot om den sterk adstringeerenden smaak afkeur. Waar dat cursiveeren voor dient begrijp ik niet al te goed. Gij doet het voorkomen als of het niet zoo is. Ik doe U echter opmerken dat alle Pharmaceuten die ik sprak (en zooals ge weet zijn dat velen) het met mij eens waren. Over hen die ik niet sprak kan ik natuurlijk niet oordeeien.
Toch wijs ik U naar een stuk voorkomende in Weekbl. v. Ph. 3en Jaargang No. 13, waar de Heer J. L. Keijzer o. m. zegt: De smaak der Solutio de Groot in plaats van zacht en aangenaam, komt mij voor tamelijk wrang en samentrekkend te moeten heeten.
Niemand zal trouwens ontkennen dat toen mijn praeparaat een minder samentrekkende!! (beteren) smaak had dan de Solutio de Groot.
Het heeft die eigenschap . zooals ieder bespeuren kan. nog.
En als ieder dit bevestigt, mag ik het dan niet schrijven ?
En wat de hoeveelheid albuminas ferricus in de beide Solutiones betreft, nu. daarover behoeft ieder toch wel niet langer dan hij zelf wil in het onzekere te zijn. Toen ik, 1 jaar geleden, de collega's uitnoodigde uit te maken of mijn beweren juist was (dat mijn praeparaat er de grootste hoeveelheid van bevatte), was er geen enkele die aan mijn verzoek gevolg gaf. Ook gij niet.
Na 1'/2 jaar wachtens evenwel, komt ge meteen
18
onvolledig onderzoek voor den dag en maakt, doordat gij uwe methode van onderzoek vóór u houdt, kritiek of controle totaal onmogelijk.
En alhoewel ik, zooals ik U meermalen reeds mededeelde, geen of bijna geen waarde hecht aan uw onvolledig onderzoek, zoo doe ik TJ toch met alle bescheidenheid opmerken , dat op de April-ver-gadering van ons Amsterd. departement door U uitgesproken is, dat de Solut. de Groot 3.640/0 en de Solutio Koek 4.90/0 eiwit bevat en verder, dat het verdampingsresidu van de Solutio de Groot 5.990/0 en van die van Koek 7.710/0 bedraagt.
Dit zijn cijfers door U zdf gegeven.
Met deze gegevens, die ik niet in strijd vond met de vele onderzoekingen die ik van mijn praeparaat liet doen 1) (gij hebt U immers op de Mei-vergadering van het groote getal overtuigd of althans kunnen overtuigen), is het toch dunkt mij niet te gewaagd van mij, te zeggen, dat mijn praeparaat meer alhu-minas ferricus hevat dan elke andere solut. album, ferric, van den handel.
Edoch daar wringt de schoen niet.
Gij meent en wat erger is, gij maakt bekend , dat ik op immoreele wijze een certificaat heb weten te bemachtigen, een certificaat dat mij niet toekwam.
1) Uit gebrek aan tijd laat ik elke 100 kilo die ik klaar heb controleeren en quantitatief bepalen door collega van Ledden Hulsebosch. (Zie later.)
19
Doch. criticus Schmidt, in plaats van op sulk een ondoordachte manier iemand in verdenking te brengen, liadt gij beter en zeker royaler en meer uwer waardig gehandeld, zoo ge aangetoond had, du*
wat ik geschreven heh, niH waar, dus een lengen is.
Doch dat kunt ye niet.
En toen ik in den aanvang van dezen brief U wees op het onrechtvaardige van uwen aanval, omdat gij door mij te treffen tevens een ander hooptet te treffen, toen dacht ik aan hem dien gij tot valse]ten attesten-uifreiker proclameert en die eenvoudig weergaf wat hij waar oordeelde, die niet schroomde onbewimpeld voor zijn opinie uit te komen.
Het stond en staat U nog vrij uw banbliksem te werpen naar een ieder die iets ten voordeele van mijn praeparaat zegt, doch doe dit na volledig onderzoek. Wanneer er iets in mijne advertentie staat wat niet waar is, noem mij een leugenaar! Blaar dit kunt ge niet.
En daarom juist ontzeg ik U het recht, uwe grieven te openbaren op eene wijze die misschien mij, U zekerlijk compromitteert.
De noot onder aan pag. 64 van uw stuk geplaatst bewijst evenveel onnoozelheid als scherpzinnigheid.
Gij zegt daar, dat gij het èn voor de wetenschap èn voor mijne waardigheid betreurt, dat ik van al mijne onderzoekingen slechts éóue gepubliceerd heb. Ik vind die opmerking te naïef dan dat ik er veel op zal antwoorden. Ge schijnt er aan te twijfelen
20
of kever in 't geheel niet te gelooven, dat ik meer dan dat ééne (in uw oog weinig belangrijke) onderzoek gedaan heb.
Maar collega, wanneer datgene wat ieder apotheker publiceert de maatstaf moet zijn van zijn werk, dan roep ik u luide toe:
âAlle apothekers zijn luiaards.quot;
En die uitroep zou u misschien als hemelsche muziek in de ooren klinken.
Edoch diezelfde redeneering doorvoerende, zou ik van u kunnen zeggen:
Wat lieel't die Sclimidt in de 4 Jaar, dat hij redacteur is geweest van Weekblad voor Pliarinacie weinig wetensliappelijks gedaan!
Immers, in die qualiteit hebt gij in de verschillende jaargangen de volgende wetenschappelijke zaken behandeld:
â¦
le Jaargang:
No. 2. Onderzoek van eenige drastica in pillen {met collega v. L. Hulsebosch.)
No. 30. Onderzoek van drinkwater.
Een en ander over de receptuur.
2e Jaargang.
No. 9. Een stukje over Sulfas Chinin. Basic.
No. 11. Onderzoek van kunstzout (met den heer Brouwers).
No. 35. Een stukje over nitroglycerine.
3e Jaargang.
No. 29. Onderzoek van een Jichtmiddel.
No. 33. Over Cretonnes.
4e Jaargang.
21
No. 29. Onderzoek van Ext. nuc. vom.
en last not leant.
No. 18â27â46â25. Over volksnamen van Geneesmiddelen.
Dat ge meer wetenschappelijks gedaan hebt staat bij mij vast. Ik trilde U echter (Meen wijzen op het inconsequente van uwe redeneering.
Dat ik, volgens U, de climax bereikt zou hebben door een uitvoerig, cursief gedrukte mededeeling van het uitgelokte oordeel van bovengenoemden Redacteur, bewijst wederom uwe partijdigheid en onrechtvaardigheid.
Daargelaten of dat oordeel uitgelokt was (wat ik pertinent tegenspreek en dat ook niet blijkt uit mijn schrijven Ph. W. 6 Feb. '86), schijnt gij aan de functie van âEedacteur van een orgaanquot; een bijzonder emplooi toe te kennen, n.L: om op gezag of verzoek van anderen zijn eigen opinie op te offeren en dus te liegen.
En wat verstaat ge onder climax? Gij schijnt daaronder te verstaan het hoogste toppunt dat bereikt wordt of in casu door mij bereikt is.
En ik vraag U Collega: Wat acht gij verder gaan in reclame (op Pharmaceutisch gebied), eene waarheid wekelijks in 't openbaar onder het oog brengen van het lezend Pharm. publiek, of aan Doctoren (natuurlijk achter de Pharmaceuten om) proefflesch-jes te zenden van zijn, onder fabrieksmerk gedeponeerd praeparaat? Als ge hier van climax spreekt (in den zin door mij genoemd), bedenk dan, dat dat woordje hier zeer oneigenlijk den superlativus uitdrukken moet. â Wanneer ge, niet als bevooroordeeld en onrechtvaardig, doch als waardig Collega ,
22
mij verteld hadt, dat de wijze waarop ik adverteer niet de ware is, dan had ik, wellicht zeker, (na U gewezen te hebben op het aanhoudend stijgen der reclamemiddelen van de Gr. en mij). geëindigd met de redactie (niet de strekking) van mijn advertentie te wijzigen. doch wat ik u op de Aprilvergadering v/h Amst. departem. toevoegde, zeg ik pok nu: Ik doe dat niet op gezag van wien ook, doch wel op gezag der wetenschap.
En wat hebt ge veel gezegd toen ge zeidet: Men stelle zich nu mijne verbazing voor, toen ik na een tal van vergelijkende onderzoekingen (ge hebt geen enkele gepubliceerd, en toch meent ge dat men U gelooven moet) tot de zekerheid kwam dat de beweringen van K. den toets der waarheid (volgens wien?) niet kunnen doorstaan, enz. Ik verwijs U, om de gegrondheid van uw oordeel, gebaseerd op een nog niet afgeloopen onderzoek, in 't licht te stellen, naar de hierachter vermelde proeven van de H.H. van Ledden Hulsebosch en Berntrop. 1)
Verder doe ik U opmerken dat het wederom van uwe inconsequentie getuigt, wanneer ge begint met mij verdacht te maken en eindigt met vergoelijkend te zeggen, dat het vrij zeker is aan te nemen dat een verzuim in de techniek, de oorzaak werd van mijne fout.
1) Zooals ik boven reeds mededeelde, beletten drukke bezigheden mij op elke insinuatie van den heer P. te antwoorden en heb ik daarom bovengenoemde H.H. (als experts) verzocht hunne bevinding als aanhangsel aan mijn schrijven toe te voegen.
Doch ik vraag U: Wie heeft den Heer Nanning van kwade trouw beschuldigd, toen hij onlangs een fout maakte in zijn onder-fabrieksmerk-gedeponeerd praeparaat ?
Gij voorzeker niet. doch wees dan althans zoo eerlijk en doe het mij ook niet.
Hadt gij de geschiedenis der solutiones nagegaan,, dan hadt ge kunnen weten dat. op hoevele wijzen ik ook getracht heb, discussie of schrijven (op wetenschappelijk gebied) uit te lokken. door u, noch door den Heer de Gr. aan die roepstem is gevolg gegeven.
Gij waart met uw onderzoek nog niet gereed (dit is natuurlijk een goed excuus), doch welke reden had de Gr. voor zijn stilzwijgenquot;? En zoo familieomstandigheden hem tot zwijgen drongen (en dat zwijgen eerbiedig ik), waarom is dan geen enkele der hem zoo uitstekend protegeerende 5 of 6 Medici opgestaan om mij te vertellen dat ik vandalisme pleegde, door datgene wat hem toekwam, mij toe te eigenen?
Ook U is het gebeurd, dat de dialyse zooals de G. heeft opgegeven, in ruim 24 uur was afgeloopen, terwijl gij een andere keer wol 3 dagen noodig hadt.
Maar Collega, ernstig vraag ik U:
Is dat een manier van bereidingswijze opgevenquot;? Moet dit niet zoo correct en duidelijk mogelijk geschieden?
Stel U voor 2 dialysators die dezelfde afmetingen hebben, hetzelfde volume vocht daar buiten en even-
24
redige doch gelijke hoeveelheden solutio daar binnen, en.......bij de eene heeft men ruim 24
uur en bij de andere 3 dagen noodig te dialyseeren totdat . . . . ? Verder gaat ge niet, want dat wordt lastig!
Gevoelt ge dat uw onderzoek onvolledig is?
Wat uwe zinsnede betreft: Wij mogen dus enz., ge begrijpt, na al hetgeen ik U schreef, wat ik U hierop antwoorden zal en zwijg daarover dus.
Waar gij beweert dat een concurrentie de ambitie doodt, merk ik U op dat ik het tegendeel geloof.
Heeft de Gr. niet, juist door mijne concurrentie (?) zijn praeparaat beter van smaak gemaakt, ondanks zijn opgegeven voorschrift? (al is die smaak nog wel niet zoo dat die mijne advertentie tot een leugen maakt). En heeft de Gr., niet, na mijne concurrentie, zijne niets beteekenende Solutio cum Chineto idtgevonden ? En hebt ge nog grooter bewijs noodig?
Ga dan eens zien in Weekbl. v. Ph. len Jrg. No. 17â18 naar de 19 verschillende soorten van Ergbtine en zeg dan nog eens dat concurrentie de ambitie doodt.
En nu het einde van mijn brief.
Ik heb gelezen wat gij van mij eischt. Lees na ook collega, wat ik voor u wensch.
Ik wensch, dat als ge weer eens kritiek wilt leveren, ge begint met het audi et alteram partem in acht te nemen; dat ge steeds onpartijdig en rechtvaardig moogt zijn in uw oordeel, dat ge eens leeren moogt dat, hoe goed men de zaak ook acht, die men voorstaat, het toch plicht blijft flinke wapenen te kiezen wanneer men gaat strijden.
25
Ik wensch voorts dat ge, als redacteur van uw or gaan, kalmer en waardiger zult gaan optreden (uw kritiek is immers altijd afbrekend, nooit opbouwend), zoo ge uw blad die plaats wilt zien innemen, die gij en uwe mederedacteuren, het zoo gaarne zoudt willen bereiden.
Ik wensch ten laatste, dat ge u nooit meer zult inlaten met zaken die ge slechts gedeeltelijk nagegaan en beoordeeld hebt, en dat wij u, wanneer er weder eens sprake is van wijzigen der geneesk. wetten, dikwijls zullen hooren; want (geheel in overeenstemming met het spreekwoord âéén mensch kan niet alles wetenquot;) ik vind dat ge Hleclits iu die soort van zaken, met gemak en juistheid uwe gedachten weergeeft.
Uw Diemtw., A. KOEK.
Amsterdam, August. '87.
Den Heer
Apotheker G. B. SCHMIDT
alhier.
Volgaarne voldoe ik aan het verzoek van den heer Koek om, naar aanleiding van uwe bemoeiingen in zake de solutio albuminatis ferrici dialysata, U het een en ander betreffende dit onderwerp mede te deelen en U te wijzen op eenige punten van verschil, die er tusschen de resultaten van mijn onderzoek en die van U bestaan.
Ik kan niet ontveinzen dat het mij leed doet, dat gij, alleen op grond van een nog niet gesloten reeks proefnemingen waarmede gij van Februari tot Juni bezig waart, den arbeid van anderen negeert, de resultaten valsch noemt en gevolgtrekkingen maakt een wetenschappelijk man onwaardig â gevolgtrekkingen die ik dan ook geheel voor uwe rekening laat. Alleen wil ik maar hopen, dat niet de haast waarmede gij wellicht gewerkt hebt, noch uwe drukke bezigheden U parten hebben gespeeld.
Wanneer gij schrijft âer gaat geen spoor eiwit door de membraanquot; dan begrijp ik waarlijk niet hoe gij in ernst zoo iets verklaren kunt en dan is het duidelijk, dat gij de gedialyseerde solutie niet op haar eiwitgehalte hebt onderzocht, anders zoudt gij ont-
27
dekt hebben dat in het bereide ijzeralbuminaat niet al het eiwit meer aanwezig was, waarvan gij waart uitgegaan.
Hetzij men door dierlijke blaas of door perkamentpapier dialyseert, men heeft steeds het verlies van veel eiwit te betreuren, dat door de vliezen heentrekt en in het water buiten den dialysator teruggevonden wordt.
Grij hebt gedialyseerd door perkamentpapier en ik geloof dat dit door velen gedaan wordt. Ko e k prefereert een dierlijke blaas, omdat men dan geen gevaar loopt van foutieve uitkomsten te verkrijgen als bij perkamentpapier, waarin bijna altijd kleine gaatjes zijn. Bovendien verkrijgt men bij de dialyse door perkamentpapier een praeparaat, dat zoo erg verdund is door het binnengetreden water, dat het, wanneer het niet ingedampt en quantitatief bepaald wordt, onbruikbaar is.
Geen spoor eiwit zou door de membraan gaan! Eilieve, hoe verklaart gij dan de opname van eiwitstoffen rondom het spijsverteringskanaal en de aanwezigheid daarvan in het bloed, â hoe het voorkomen van eiwit in urine ? Of meent gij dat dit' even als bij perkamentpapier, ook door gaatjes heengaat ?
Ten einde de hoeveelheid eiwit te leeren kennen die bij de dialyse door de membraan heen en zoodoende verloren gaat en tevens, om te weten of het gebruik maken van dierlijk of plantaardig vlies hierop van invloed is, nam ik lang geleden de volgende proef.
28
800 c. c. versch bereide sol. alb. ferric. Koek werden in twee ongelijke deelen, van 320 en 480 c. c., verdeeld. De 320 c. c. werden in een gereinigde dierlijke blaas geschonken, deze boven het niveau der vloeistof hermetisch dichtgebonden en in een glazen cilinder, waarin het dubbel volumen gedestilleerd water, zoodanig opgehangen, dat het niveau der vloeistoffen binnen en buiten de blaas gelijk stond.
De 480 c. c. werden in een, van gaatjes vrij, dun â perkamentpapieren zak, die van boven open-bleef, op dezelfde wijze opgehangen. Beide cilinders werden met glazen platen gedekt.
In beide gevallen werd precies 3X24 uren ge-dialyseerd en om de 24 uren het water buiten den dialysator telkens vernieuwd en in glazen-stopfles-schen bewaard. Na 24 uren dialyse waren de 2X320 c. c. water buiten de blaas verminderd tot 620 c. c., â buiten het perkamentpapier van 960 tot 890, enz.
Blijkbaar had de solutie in heide, gevallen water van buiten naar binnen opgenomen en wel in die mate, dat na 3 dagen dialyse het volumen in de blaas een vermeerdering had ondergaan van 320 : 350, en in de perkamentpapieren zak van 480 : 720 c. c.
Dit verschil, waarop ik met nadruk wijs, laat zich gemakkelijk verklaren. In de blaas immers is geen of weinig ruimte voor de toelating van water. Door dé opname van water wordt de kleine hoeveelheid lucht boven het niveau der solutie sterk
29
gecomprimeerd en de toenemende spanning daarvan verzet zich tegen het verder binnentreden.
Bij de niet-gesloten perkamentpapieren zak is er geen hinderpaal die het binnentreden van water in den weg staat.
Het dialyseerwater van buiten do blaas, die wij gemakshalve A. en van buiten het perkament-papier, dat wij B zullen noemen, verschilt van af den eersten dag in menig opzicht van elkander. Niet alleen verschilt het eiwitgehalte van beide vloeistoffen maar ook de kleur (en samenstelling?) is niet dezelfde en van A vuilbruin, van B helder citroengeel. Opmerkelijk mag het heeten dat het licht beide vloeistoffen ontkleurt, doch B meer volkomen dan A.
Den graad van aciditeit of basisiteit van beide vloeistoffen heb ik niet nagegaan. Het was mij alleen om het eiwit te doen.
De verzamelde vochten bedroegen:
Van A (buiten de blaas) 1890 c. c.
â B ( â het perkamentpapier) 2640 â â In 100 c. c. van A waren bevat 0,665 gram eiwit dat is voor de 1890 c. c. 12,568 grm.
In 100 c. c. van B waren bevat 0,1418 gram eiwit, dat is voor de 2640 c. c. 3,743 grm., tezamen uitmakende de belangrijke hoeveelheid van ruim 16 gram eiwit, die door de membranen zijn heengegaan. Van de 100 gram eiwit, waarvan men uitgaat, zal men, op deze wijze opereerende, een verlies te betreuren hebben van 15 a 16 gram of pet., gij ziet dus, dat er wel degelijk eiwit door de membraan gaat, maar ook, dat het er op aankomt dat men precies
30
volgens het voorschrift werkt en dat men, vooral wanneer men zooals gij, door perhamentpapier dialy-seert, gehouden is na de.dialyse zijn praeparaat quan-titatief te bepalen en te brengen op de normaal' die de fabrikant er voor gesteld heeft. Doet men dat niet. dan weet men niet wat men aflevert en men dispenseert dan meestal ijzeralbuminaat â solutie met water. Het praeparaat, zelf gemaakt, is dan wel erg voordeelig, maar ook erg slecht en gaat men dan nog verder eu men neemt met een dergelijke solutie zoo het heet ânauwkeurig volgens het voorschrift bereidquot;. vergelijkende reactiën en een hoogen toon aan. dan begrijpt ge dat men van den wal in de sloot terechtgekomen is.
Uit bovenstaande proef blijkt toch . dat de solutie A met bijna 10 en B met 50 pet. water verdund was geworden tijdens de dialyse. Gij, waarde collega, hebt ook^ zooals ik bij proef B, door perkamentpapier gedialyseerd en moet dus ook dergelijke uitkomsten verkregen hebben, al hebt gij geen eiwit gevonden.
Ik bepaalde het eiwitgehalte van liet water buiten den dialysator waarvan hierboven sprake is, door 100 c. c. in een platinaschaal op het waterbad tot droog toe in te dampen, vervolgens in de droogstoof bij 110° C. te drogen tot constant gewicht en daarna te verbranden.
Gloeiverlies = verbrand eiwit. Het geringe quantum Cl van het ontlede ijzerchloride werd, als compensee-rende met de daarvoor in de plaats getreden O en de achterblijvende eiwitasch. buiten rekening gelaten.
31
Doch â één enkele proef, ook al meent men goed en nauwkeurig gewerkt te hebben, zegt niet veel. Men staat zoo bloot aan een klein abuis of een gering verzuim, daarom herhaalde ik deze proef eenige malen met dezelfde solutie, dezen keer opereerende met den heer Berntrop, laborant aan het stedelijk bureau voor de keuring van voedingsmiddelen alhier.
Juist omdat gij in het bewuste artikel van het Maandbl. v. Apothekers sub rt. de premisse maakt dat men om het verlies van eiwit te ontgaan, slechts hebbe te zorgen dat de blaas slechts half gevuld zij, hebben wij ons hieraan gehouden, ten einde U te bewijzen dat gij onwaarheid schrijft en slecht hebt geëxperimenteerd.
In drie kleine gezuiverde blazen brachten wij respectievelijk 20, 30 en 30 c. c. sol. alb. ferr. Koek (non dialys.) en opereerden nauwkeurig zooals hierboven is omschreven. Na 3 dagen gedialyseerd te hebben, had het verzamelde water van rondom de blazen een verlies ondergaan en wel:
bij No. 1 dat 120 c. c. moest bedragen, van 12 c. c. ,, â 2 â 180 c. c. â â 13 c. c.
â â 3 â 180 c. e. ,, â â 22 c. c.
Hiermede in overeenstemming vonden wij de solutie in de blazen in volumen toegenomen: bij No. 2 van 30 tot 43 c. c. = 43 pet. vermeerdering â â 3 â 30 â 52 c. c- = 73 â
(No. 1 werd niet geledigd en blijft nog eenige weken onder dezelfde conditiën staan.)
Het onderzoek op eiwit, op de hierboven omschreven wijze uitgevoerd , leerde:
32
dat in het dialyseerwater van No. 1 bevat waren \
0.972 pct.1
_ ,, 2 bevat waren! §â¢
» ij » » n n \ ^
0.932 pet./ F â â 3 bevat waren 1
â n v v v v v i
0.812 pet. Æ De verdampingsresidu's bedroegen:
van No. 1 . . . . 1.09 pet.
â â 2 ... . 1.09 pet.
â â3----0.94 â
Een vierde proef werd door ons genomen met perkamentpapier. NV ij hadden werkelijk moeite om een stuk te vinden dat absoluut gaatjesvrij was, doch eindelijk gelukte ons dit.
De solutie had na drie dagen dialyse 58 pet. water opgenomen en het dialyseerwater was diensvolgens verminderd van 600 tot 542 e. c. Het verdampingsresidu bedroeg hiervan 0.689 pet., het ijzer-oxydegehalte 0.0262 pet.
Juist omdat het eiwitgehalte van het dialyseerwater hier gering is in vergelijking met de bovenstaande proeven (wanneer men door blaas dialy-seert), bepaalden wij het bedrag aan zuiver Fe203 en
159.68 Fe2Oa = 324.02 Fe2Cl0 zijnde,
vinden wij, de 0.1895 pet. verdampingsresidu met 0.0262 Fe203 = 0.0531 F12C10 verminderende, voor het gehalte van genoemd water 0,1364 pet. eiwit, eijfers die in volmaakte overeenstemming zijn met die bij B vermeld.
Uit deze proeven leert gij, waarde eollega, dat de resultaten van U en mij veel versehillen en bovendien dat men:
33
1°. beter doet door blaas dan door perkamentpapier te dialyseeren.
2°. dat de blaas bijna geheel gevuld moet zijn , en 3°. dat men zijn praeparaat na de dialyse quan-titatief moet bepalen, alvorens dit te dispenseeren, of er proeven mede te nemen of reacties op chloor.
't Zou mij te veel tijd kosten alle punten afzonderlijk te refuteeren en ik vertrouw dat dit voor IJ ook niet noodig zal zijn.
Zooals gij weet, of zekerlijk meermalen gehoord hebt, wordt de solutie Knck steeds quantitatief door mij bepaald, vóórdat die aan den handel wordt afgeleverd en menige analyse van dezen aard werd door mij in het afgeloopen jaar verricht. Juist omdat ik meermalen hoorde spreken door anderen van het onderzoek van soluties die, âvooraf nauwkeurig bepaaldquot; waren, en men mij het antwoord steeds schuldig bleef wanneer ik naar de methode en naaide cijfers vroeg, wil ik hier ter plaatse mededeelen, hoe dat door mij geschiedt.
In een Erlenmeijersch kolfje worden ongeveer 10 grm. van de solutie afgewogen en, met een gelijk volumen water verdund, op het waterbad verwarmd. Zoodra de temperatuur van dit laatste zich aan den inhoud van het koltje heeft medegedeeld, voegt men hieraan 15 c. c. verdund zoutzuur toe, brengt het gepraecipiteerde eiwit op een vooraf gedroogd , gewogen en daarna natgemaakt filter en wascht koltje en eiwit eerst met zoutzuurhoudend en dan met zuiver water herhaaldelijk af. Het filter met eiwit
3
84
wordt gedurende de eerste uren tusschen 50 en 60 en ten slotte bij 110° C. gedroogd tot constant gewicht, in den exsiccator afgekoeld en tusschen horlogeglazen gewogen (a).
Het filtraat -j- waschwater, dat behalve het ijzerchloride de niet gepraecipiteerde eiwitrest bevat, wordt in een platinaschaal op het waterbad tot droog verdampt, dan in de droogstoof bij 110° C. tot constant gewicht gedroogd en na bekoeling boven zwavelzuur, gewogen. Dit residu = eiwit -|- Fe2Cl0, wordt daarna gegloeid, de asch in sterk zoutzuur opgelost, deze oplossing gefiltreerd, met een paar droppels salpeterzuur gekookt en in kokende ammoniak gepraecipiteerd, het gepraecipiteerde ferrihydroxyde op een filter van bekend aschgehalte gebracht, volledig afgewasschen, gedroogd, gegloeid en gewogen. Dit gewicht van Fl,,0,t wordt berekend op FUClg en dit bedrag van het gewicht van bovenvermeld verdampingsresidu afgetrokken, uit welk velschil resulteert het bedrag van het verbrande, niet-geprae-cipiteerde eiwit, dat gevoegd bij het gewicht (a) aan gepraecipiteerd eiwit, het totaalbedrag hiei van aangeeft.
Voorzichtigheidshalve en om zekerheid te hebben dat ik goed werkte, liet ik een deel van den inhoud van een fleschje, mij als naar gewoonte tot quantitatief onderzoek door de firma Koek en Zoon toegezonden, indertijd door den heer Bern-trop bepalen op zijn gehalte aan ijzeroxyde en eiwit dit laatste volgens de methode Kjeldahl. De lesul-taten door ZEd. verkregen waren voor mij verras-
35
send en geheel in overeenstemming met die van mijn onderzoek.
Ik verkreeg: eiwit 7.02 pet., ijzeroxyde 0,341 pet. de heer B. â 6.956 â , â 0,340
Nu weet ik zeer goed, dat van een zuiver chemisch standpunt bedenkingen kunnen aangevoerd worden tegen de methode door mij gevolgd â toch geloof ik dat de pharmaceut met deze waardebepaling volstaan kan.
'k Heb mij altijd verwonderd over den â ook thans door U gevoerden strijd, omtrent het chloor-gehalte van de veelbesproken sol. album. ferr. dialys. en kan mij maar niet begrijpen dat men zooveel gewicht hecht aan een spoortje chloor. Aangezien dit element een bestanddeel van het eiwit zelf is, (0.132 gram in 10 gram), zal het voorkomen hiervan bezwaarlijk een maatstaf kunnen zijn voor het gehalte aan vrij ijzerchloride. Daarom heb ik het vaststellen van een vasten tijdduur voor de dialyse in een bepaald volumen gedestilleerd water, bij de opgegeven gewichtsverhoudingen en de daaropvolgende quantitatieve analyse van de firma Koek en Zoon, toegejuicht.
Wat de door U betwiste dissociatie bij voortgezette dialyse betreft â hieromtrent kan ik geen oordeel, gebaseerd op eigen onderzoek mededeelen. Ook dit zal ik onderzoeken, maar zooveel staat vast: Wanneer K. zegt of schrijft dat dit doorhem is waargenomen, dan is dat zoo, ook al had hij evenals gij â en wien overkomt dat nooit â een fout gemaakt.
36
Laat ik ten slotte u doen opmerken dat uw artikel âover ijzeralbuminaatquot; rijk is aan insinuatiën, maar pover aan wetenschappelijke waarde. Een deel van de eerste heb ik beschouwd als indirect tot mij gericht en het mij tot een eer gerekend den handschoen te kunnen terugwerpen, die gij op een onwaardige en deloyale wijze den heer A. Koek voor de voeten gesmeten hebt.
Hebt gij mij iets te leeren â volgaarne stel ik mij onder uwe discipelen, maar wilt ge debatteeren of polemiek voeren, doe dat dan s. v. pl. voortaan op eene andere wijze, wilt gij niet dat men het stilzwijgen beware.
Ik heb de eer te zijn, waarde collega,
Uw dienstw. Dienaar, VAN LEDDEN HULSEBOSCH.
Amsterdam, 2 Augustus 1887.