Verkrijgbaar zoolang de voorraad strekt tegen den prijs van 15 cenl bij den drukker Lkiter-nvpkls Ie Maastricht.
Oprichting van een Weduwen en Weezenfonds voor Burgerlijke Hijksambtenami.
Onder de vraagstukken van don dag welke op eono oplossing wachten, bekleedt dat der weduwen- en weozenpensioenen van do burgerlijke Rijksambtenaren, zoo niet de eerste â dan toch voorzeker eene voorname plaats. Over dat hoogstbelang-rijk en gewichtig vraagstuk werd vooral in de laatste jaren zóóveel licht verspreid dat het van lieverlede voor eene eindoplossing tot rijpheid is gekomen.
Indien het nu waar is, dat die oplossing genoegzaam voorbereid is, waarom laat zij zich dan nog langer wachten ?
Het antwoord hierop moet de Minister van Financien geven.
Hetgeen daai'omtrent door Zijne Excellentie bij verschillende gelegenheden is te kennen gegeven, heeft evenwel weinigen in den lande bevredigd, integendeel het heeft duizende ambtenaren teleurgesteld, pijnlijk aangedaan, ontmoedigd, â ja zelfs vele
leden der le en 2* Kamer hebben het luide uitgesproken, dat zij 's ministers blijkbare ongenegenheid om de zaak spoedig in behandeling te nemen en tot een gewenscht einde te brengen, levendig betreuren.
En is het inderdaad niet treurig, dat de afdoening eener zaak, zóó allerzijds als spoedvereischend erkend, dat zelfs in de beide kamers der Staten-Generaal herhaaldelijk op die afdoening is aangedrongen, juist tegenhouding of vertraging moet ondervinden vun eene zijde, waarvan mon dit wel het minst had mogen verwachten 1 n. 1. van een Minister, zelf ambtenaar geweest zijnde, die nu als eerste staatsdienaar, immers de aangewezen beschermer der bij de zaak betrokken ambtenaren moest zijn, en die alzoo het eerste en meeste belang er in moest stellen, dat aan deze ambtenaren geen onrecht geschiede en zij zoo spoedig mogelijk ontheven worden van den druk, angst en bekommering over ide onverzekerde toekomst hunner natelaten betrekkingen, welke niet anders dan nadeelig en verstorend op hun moed en ijver in de vervulling hunner betrekking moeten terugwerken.
Zoo dacht men er reeds vroeger over, blijkens het Koninklijk besluit van den 5 April 1817, nquot; 28, van wego den Koning onderteekend door den Minister A. R. Palck, betrekkelijk het weduwenfonds der ambtenaren bij de Departementen van algemeen bestuur, waarin wij in den aanhef lezen :
lt; En willende alle ambtenaren tot het algemeen bestuur be-
gt; hoorende, voor welke langs geenen anderen weg is gezorgd, en
gt; die, bij het Departement van algemeen bestuur, waartoe zij » behooren, geen iveduwenfonds of zoogenaamde pensioen-kas » ingesteld vindon, in de gelegenheid stellen, om na hunnen » dood, voor hunne vrouwen en kinderen uitzigten te openen, » die zorg en onrast verminderen, en vlijtige en opgeruimde
gt; werkzaamheid kunnen bevorderen, enz. »
â 3 -
Men zou ons kunnen tegenwerpen dat echter de financieele bezwaren, die tegen eene spoedige regeling der pensioen-kwestie worden aangevoerd, wel groot en te ernstiger schijnen te zijn, naar mate zij ingebracht worden door een Minister van wien men, wegens zijne te veronderstellen natuurlijke sympathie voor do ambtenaren, eerder eene te lichte, dan te zware voorstelling var de finantieele bezwaren zou moeten verwachten.
Die tegenwerping zou eenigen grond hebben, indien 's Ministers overtuiging in deze voor onomstootbaar moest worden gehouden, indien zijne bezwaren tegen eene spoedige regeling der zaak onwederlegbaar waren en, indien die ook door zijne ambtsvoorgangers en andere knappe Staatsmannen werden gedeeld. Dit is echter blijkbaar niet het geval. En nu mag men wel aannemen dat een nog kort fungerend Minister, zich uit overdreven voorzichtigheid, in zijn eenzijdig oordeel, te goeder trouw kan vergissen, te zwaar tillend en te angstvallig kan zijn om door te hakken daar, waar dit door een ander meer geroutineerd Minister en scherpzinnig Staatsman, zonder aarzeling geschied/ en zelfs noodzakelijk geacht zou zijn, in het stadium, waarin de pensioenkwestie zich thans bevindt
Daar intusschen 's ministers bezwaren door velen in den lande, die niet genoegzaam op de hoogte zijn, als werkelijk bestaande kunnen worden beschouwd, en den eenmaal ook in de 2C en 1' Kamer begonnen aandrang tot eene spoedige regeling der pensioenskwestie nog een tijdlang zouden kunnen tegenhouden, zoo achten wij ons tot vei'dediging van het goed recht der ambtenaren en van hunne weduwen en weezen en met al den verschuldigden eerbied voor zijne Excellentie, verplicht aan het Nederlandsche Volk te bewijzen : I. Dat gezegde kwestie, zooals wij in den aanhef zeiden, ryp is voor eene dadelijke beslissing ;
â 4 â
II. Dat 's Ministers bezwaren tegen oene spoedige regeling overdreven voorgesteld en niet aanneembaar zijn.
Zonder in de geschiedenis der kwestie met alles wat er sedert vele jaren al voorbereid en gedaan is om ze tot recht verstand te brengen, hoog en in ['lie details opteklimmen, iets dat reeds van meer bevoegde zijde nl. door het bestuur der Vereeniging « Het pensioenverbond gt; en door andere bekwame mannen, meermalen is geschied, â⢠achten wij het voor ons betoog voldoende, hier iets overtenemen van hetgeen daarvan door den hooggeleerden en uitstekenden Staatsman, den Minister Vissering, aan den Koning is medegedeeld, bij zijn voorstel van 24 Januari 1881, nquot; 83, tot ontbinding dei-Staatscommissie, ingesteld bij Zijner Majesteits besluit van 30 Januari 1878, nn 3 en tot benoeming eener nieuwe en meer uitgebreide Staatscommissie.
Daarin lezen wij o. a :
lt;t De verschillende vraagpunten, die zich voordoen bij hot tgt; onderzoek der wijze en der voorwaarden, waarop van Rijks-
gt; wege aan burgerlijke ambtenaren en aan hunne nagelaten
gt; betrekkingen pensioen kan worden verleend, hebben in de
gt; laatste jaren bijzonder de aandacht getrokken, »
lt; Van onderscheidene zijden wordt do bestaande pensioens-
gt; regeling krachtens de wet van 9 Mei 1846, (Staatsblad nquot; 24)
gt; afgekeurd, ook na de wijzigingen die daarin laatstelijk bij de
gt; wet van 21 Mei 1873 (Staatsblad n« 04) zijn gebragt. Man-
gt; nen, wier wiskundige studiën of in eigen werkkring ver-
gt; kregen ervaring aan hun oordeel gewigt bijzetten hebben » meermalen in openbare geschriften op het onvoldoende » der bestaande wetgeving betrekkelijk de burgerlijke pen-» sioenen gewezen en de middelen tot verbetering daar-
van in 't brecde besproken. Van do vele regtstreeks belanghebbenden heeft een aanzienlijk deel zich vereenigd tot. een «Pensioenverbond», welks bestuur zich herhaaldelijk tot de Regering heeft gewend om te verkrijgen, dat do pensioneering van burgerlijke ambtenaren voortaan uit 's Eijks kas geschiede zonder voorafgaande bijdragen hunnerzijds, en tevens dat meer algemeen dan tot dus verre door wetgevende maatregelen in het lot der weduwen en weezen van die ambtenaren worde voorzien. »
» Laatstgenoemd punt was het voorwerp van een uitgebreid en grondig onderzoek door de staatscommissie, benoemd bij Uwer Majesteitb besluit van 30 Januaiij 1878 n0 3, die dd0 24 Julij 1879, de eer had, Uwe Majesteit haar uitvoerig en belangrijk rapport aantebiedcn, dat sedert krachtens Uwer Majesteits magtiging is opanbaar gemaakt. »
» Doch hiermede is slechts een deel verrigt van het meer algemeen onderzoek, dat, naar het oerdeel van den onderge-teekende, aan eene poging tot oplossing van de bedenkingen tegen de bestaande regeling der burgerlijke pensioenen dient vooraftegaan.»
gt; Immers, ook wanneer met afdoende redenen kan worden aangetoond, dat de bestaande wettelijke pensioensregeling grondige herziening vordert; dat die regeling te groote gel-delijlve offers aan de ambtenaren oplegt, en dat die offers niet in juiste verhouding staan tot de kans op voordeel, welke die regeling hun aanbiedt, dan zou toch de vraag overblijven, hoe daarin kan worden voorzien. Do beantwoording dezer vraag vordert eene uitgebreide studie, waartoe vóór alles eene mate van wiskundige kennis en van ondervinding in het vak der levensverzekering wordt vereischt, die de gewone organen der Eegeering niet bezitten. Doch nevens de wis-
gt; kundige, eischt ook de economische en juridische zijde van
gt; het vraagstuk, alvorens aan eene regeling van het onderwerp » kan worden gedacht, ernstig onderzoek en rijpe overweging.»
Na wijders nog te hebben gewezen op eenige punten, die vooraf moeten worden beoordeeld, vergeleken, nagegaan en in het licht gesteld, of waarvan een overzicht dient te worden gegeven, zegt de minister Vissering verder, dat aldan in de eerste plaats de grondslagen van een deugdelijk pensioenstelsel voor dc ambtenaren zeiven moeten worden opgespoord, en in de tweede plaats het verband tnsschen de pensioenen der ambtenaren zeiven en die hunner weduwen en weezen, zal moeten ter sprake komen, waarbij onderscheiden gewichtige vragen zullen rijzen.
Wij meenen de volgende vragen, daarbij o. a. gesteld, als zulke, waarop de aandacht zal gevestigd worden, hier te moeten overnemen :
a. Vordert de zedelijke verplichting van den Staat jegens zijne dienaren, ofwel het belang van den Staatsdienst zeiven, dat de Staat aan zijne burgerlijke ambtenaren pensioen toelegge op grond zoowel van langdurigen diensttijd als om andere redenen V i. Moet het beginsel in stand gehouden worden dat van de ambtenaren, door korting of inhouding op hunne trakternenlen, bijdragen tot bekostiging van hun eventueel pensioen gevorderd worden ?
c. Is de Staat zedelijk verplicht of om redenen van Staatsbelang gehouden om ook aan de weduwen en weezen van overleden ambtenaren in het algemeen of onder bepaalde omstandigheden een pensioen, toe te kennen, of mag en moet hij aan de ambtenaren zeiven de verzorging hunner na te laten betrekkingen overlaten ?
d. Bij de beantwoording dezer vraag in eerstgemelden zin : is de staat bevoegd om, zooals van vele zijden begeerd woidt,
aan de kapitalen van het thans bestaande pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren geheel of gedeeltelijk de bestemming te geven om te strekken tot nitkeering van pensioen aan weduwen en weezen van overleden ambtenaren ?
c. Zoo die bevoegdheid niet ontkend wordt, op welke wijze zou dan aan zulken maatregel uitvoering gegeven kunnen worden, zóó dat de praktische bezwaren, die zich daartegen zullen voordoen, overwonnen kunnen worden ?
De Minister doet ten slotte nog .uitkomen, dat vooral voor het wiskundige deel van het nog te verrichten onderzoek de krachten, die der Regeering ten dienste staan, bepaald te kort schieten en ook het veld van onderzoek, dat het economische en juridische deel daarvan oplevert, zoo ruim en met zóóvele moeielijkheden bezet is, dat hij in beiderlei opzicht voorlichting door kundige mannen alleszins wenschclijk acht.
En, aan mannen door kunde en ondervinding geschikt om lt;ie bovenomschreven taak tot een gewenscht einde te brengen ontbreekt het in Nederland niet, zegt genoemde Minister, terwijl op zijne voordracht bij Koninklijk besluit van 26 Januari 1881, nquot; 18, benoemd werden tot leden der 2' Staatscommissie de Heeren M' J. G. Gleichman, oud-minister van Financiën, lid der 2e Kamer, rils voorzitter; Jhr M' (j. Hartzen' directeur der Holl. levensverzekeringmaatschappij; Dr P. Van Geer en A. J. Van Pesch, hoogleeraren; J. Stam, directeur der Staatsloteiij, voorzitter van den Ivaad van toezicht op het pensioenionds voor burgerlijke ambtenaren ; Mr A. A. de Pinto, raadsheer in den Hoogen Eaad der Nederlanden ; MrE. Bergsma, rechter in eene arrondissements Rechtbank; met toevDeging van M' A. Beaujon, commies bij het Departement van Financiën, als Secretaris ; aan welke uitgebreide Staatscommissie werd opgedragen den toestiind van het bestaande pensioenfonds te onderzoeken.
â 8 â
van dat onderzoek aan don Koning verslag uittebrengen, en bij dat verslag tevens voorstellen aan Zijne Majesteit te doen omtrent eene nadere wettelijke regeling van het pensioenwezen in het algemeen, voor zooveel de burgerlijke ambtenaren en hunne weduwen en weezen betreft.
Deze uitstekende, hoogst kundige, bevoegde en zeker het algemeen vertrouwen des lands verdienende Staatscommissie» hare moegelijke taak volbracht hebbende, heeft daarvan den 24 Juni 1882, rapport aan Zijne Majesteit uitgebracht, onder overlegging van onderscheidene bijlagen, waaronder ook twee wetsontwerpen, het eene tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren en het andere tot regeling van de pensioenen der weduwen en weezen van dié ambtenaren, beide met memorie van toelichting.
Jammer dat van dit op boven allen twijfel verheven wetenschappelijke en staatkundige gronden steunende en doorwrochte werk, dat door den druk openbaar gemaakt is cn tot geene ernstige critiek heeft aanleiding gegeven, door de groote massa van het Nederlandsche volk geen genoegzame kennis is kunnen genomen worden, dan zou het voor een ieder duidelijk en uitgemaakt zijn, dat aan de voorstellen dier staats-commissie niet alleen dadelijk Iconde maar moest gevolg gegeven zijn.
Zij die het niet hebben gelezen, en die wat meer in détail zich op de hoogte der jaak willen stellen, verwijzen wij naar de belangrijke adressen, die dientengevolge door het bestmu der Vereeniging « het Pensioenverbond », dquot; 31 October en 8 December 1885, aan de Eerste cn de Tweede Kamer der Staten Generaal zijn gericht; naar het zaakrijk artikel van den heer gt;â Ar wand Sassen, voorkomende in « de Amsterdammer» van den 16 December 1885, en naar iindere door den druk openbaar gemaakte stukken.
Wij vermeenen daarenboven nog ter algemeene kennis to moeten brengen ;
1° Dat do hierboven onder 1quot; a en c gestelde vragen dooide Staatscommissie bevestigend zijn beantwoord, o. a. in deze bewoordingen :
« Zal voor de ambtenaren gedaan worden wat in het wel-» begrepen Staatsbelang wenschelijk is, dan behoort niet ajleen
gt; in hanne toekomst, maar ook in die hnnner nagelaten be-» trekkingen te worden voorzien (bladz. 13 van het rapport)
gt; en verder (bladz. 14).
« Het verzekeren van de toekomst van weduwen en weezen
gt; is een dor eerste pligten van elk, die in het huwelijk » treedt en geen eigen fortuin bezit; waar dus de staat ge-gt;gt; roepen is, voor zijne ambtenaren de zorg voor hun eigen
gt; bestaan na het ophouden hunner verdiensten te verligten,
gt; behoort het evenzeer tot zijne verplichtingen hun zooveel
gt; doenlijk te gemoet te komen in de zorg voor het lot hun-» ner natelaten betrekkingen, die van de zorg voor hunne eigene
gt; toekomst onafscheidelijk is. Ten volle vereenigt de Corn-» missie zich met het oordeel reeds door de vorige in 1878 » benoemde staatscommissie uitgesproken op bladz. 53 van
gt; haar gedrukt rapport, dat namelijk staatszorg voor de we-» duwen en weezen van nog meer belang is, dan staatszorg
gt; voor de ambtenaren zeiven
en nog verder (bladz, \ 5)
lt; Dat het overwegend belang van eene doelmatige regeling » van weduwen en weezenpensioenen voor de burgerlijke
gt; ambtenaren door hen zeiven ten volle wordt ingezien, is
gt; uit de bemoeijingen van het Pensioenverbond sedert jaren
gt; overtuigend gebleken. Het verdient hierbij de aandacht, dat » reeds tijdens de behandeling der wet van 1846 in de Tweede
â 10 -
gt; Kamer met nadruk gewezen is op het onvoldoende van elke
gt; pensioensregeling, die de weduwen en weezen der ambte-
gt; naren onverzorgd liet.
» Niet minder pleit voor deze opvatting het feit, dat zij
gt; gehuldigd wordt in al de vreemde Staten, welker wetgeving » omtrent de burgerlijke pensioenen door de Staatscommissie
gt; is onderzocht.
» Blijkens het overzigt dier wetgevingen, dat als bijlage B » bij het verslag is gevoegd, wordt in Frankrijk, het Duitscho » Rijk, Pruissen, Groot-Britannie, Italië en België, in meer-» dere of mindere mate en op verschillende wijze, van Eijks-
gt; wege gewaakt tegen het onverzorgd achterblijven der gezinnen
gt; van alle of sommige burgerlijke ambtenaren !
2° Dal de hierboven gestelde vraag sub la h, door de Staatscommissie in ontkennenden zin is beantwoord, niet alleen omdat bij de bestendiging der bijdragen van de ambtenaven voor eigen pensioen, het oprichten van een weduwen-pensioenfonds, ook met verplichte bijdragen, niet doenlijk zou zijn, vermits die gezamenlijke bijdiagen, geraamd wordende gelijk te staan met eene doorloopende korting van ruim 12 procent, of 1/8 deel van de bezoldiging, al te drukkend voor den ambtenaar zouden worden, waarvan het noodzakelijk gevolg zou zijn eene verhooging der traktementen met dit bedrag, zoodat ten slotte het Eijk toch de korting zou betalen, (bladz. 54 van het rapport der Staatscommissie van 1879), maar ook uit beginsel, waaromtrent de Staatscommissie van 1882 (bladz. 19) zegt:
» Over 't algemeen is de Commissie van de heffing van
gt; dergelijke bijdragen afkeerig. Zij ziet in die heffing een met » de eene hand nemen, wat met de andere gegeven »vordt,
gt; dat niet bevordelijk is voor het prestige des Staats tegen
â 11 â
gt; over den ambtenaar, en evenmin voor «ene eenvoudige en
gt; bevattelijke administratie.
» Beschouwt men het verkenen van pensioen als een pligt » des Staats, dan gaat het niet aan eene regeling te besten-
gt; digen, waardoor deze den schijn op zich laadt van zich » vooi' de vervulling van dien pligt in den vorm van bijdragen » of kortingen op de traktementen te laten betalen.
» De retributie der ambtenaren bestaat, volgens de opvatting » van verscheidene leden der commissie voor een deel in bc-» zoldiging, voor een ander in uitzigt of kans op pensioen ;
gt; en het is dus ongerijmd, een deel dier retributie te besnoeijen
gt; ten einde het andere te verzekeren. Hetzij men de bijdragen
gt; heffe in den vorm eener afloopende of eener doorloopende » korting op de bezoldiging altijd zal de ambtenaar haar als
gt; eene hinderlijke heffing aanmerken en maakt zij de krachtens
gt; art. 61 der Grondwet door den Koning bepaalde bezoldi-» gingen in zekeren zin onreëel. Veel beter ware het dus, jgt; geene bijdragen te heften en de tractementen te regelen op » een zoodanigen voet, dat zij, verbonden met de den Amb-
gt; tenaar toegekende pensioenkans, eene behoorlijke renumeratie
gt; voor zijne diensten uitmaken.
gt; Doch ook hier staan practische bezwaren het toepassen van
gt; zuivere beginselen in den weg. De Staatscommissie ontveinst
gt; zich niet, dat eene algemeene vennindoring der bezoldigingen
gt; in verband met het geven van uitzigt op pensioen zonder » bijdragen, zoowel aan de ambtenaren zeiven als aan hunne
gt; natelaten betrekkingen, niet wel doenlijk is. En had geene
gt; zoodanige vermindering plaats, dan zou de oprigting van
gt; een weduwenfonds, dat niet door bijdragen werd gevoed,
gt; den Staat zware offers moeten kosten in den vorm van
gt; subsidiën, buiten en behalve de kapitalen van het pensioen â
- 12 â
» fonds. Zulke offers mogen van den Staat in geen geval wor-» den gevergd ; en de Staatscommissie ziet daarom de eenige » practische oplossing dezer moeijelijkheid in haar voorstel, dat » de Staat voortaan voor de ambtenaarspensioenen geene bji-» dragen hefl'e, doch daarentegen de ambtenaren aan stor-» ting ondervverpe ten behoeve van het opterigten algemeen
gt; weduwen- en weezenfonds ».
3° Dat de verdere door den llinister Vissering gestelde vragen hiervoor vermeld sub lls d en e, hunne beantwoording vinden in het. 2e hooidstuk van het rapport der Staatscommissie, waarin wij (bladz. 18) lezen.
« Tot de oprigting van een weduwenfonds als aan het slot » van het vorig hoofdstuk bedoeld, zi]n terstond aanzienlijke
gt; kapitalen vereischt, omdat uit dat fonds ook de pensionering » van de weduwen en weezen der tegenwoordige ambtenaren » geschieden moet en dus niet zooals bij enkel nut het oog op
gt; toekomstige behoeften ingestelde fondsen, het benoodigde » kapiiaal allengs kan worden bijeengebragt.
» Het ligt voor de hand, de kapitalen van het pensioenfonds » voor burgerlijke ambtenaren tot het hier aangeduide doel » aantewenden. Doch daarbij dient gezorgd voor strenge in-» achtneming van de aan het slot der inleiding tot dit verslag, » sub 2quot; en 3° vermelde beginselen : eerbiediging van verkre-
gt; gen regten der ambtenaren en zooveel mogelijk vrijwaring van » den Staat voor absolute toename van financielen last. De » Staatscommij-sie heeft na langdurige overweging gemeend' » aan deze beide beginselen getrouw, eene regeling te moeten » voorstellen, waarbij de kapitalen van het pensioenfonds » worden toegewezen aan het opterigten weduwenfonds, en gt; aan dit laatste fonds de verpligting wordt opgelegd, den » Staat de noodige gelden te verschaffen voor de betaling
- 13 -
» van al de thans ten laste van het pensioenfomls loopende » pensioenen tot aan hun versterf, tegen zrjriérzijdscho ver-» pligting om, na de invoering der nieuwe regeling, in de pen-» sioenen der burgerlijke ambtenaren regtstreeks te voorzien.
gt; Dat het Kijk geregtigd is over de kapitalen van het » pensioenfonds van burgerlijke ambtenaren te beschikken, is
gt; naar het oordeel der commissie aan geen -twijfel onder-
gt; hevig » enz.
De bedoelde kapitalen bedroegen, volgens de memorie van toelichting, bij de ontwerpwet tot regeling der ontvangsten en uitgaven van het pensioenfonds der ambtenaren over 1886, op 7 Augustus 1885 ;
/ 30.009.400.- ad 2 i/a «IA . .... ' ,ü / mschnmngen
gt; 4.186.720.â gt; 3 â¢/. Nationale SehuW
» 3.130.000.â gt; 4 quot;IJ
welke kapitalen nog steeds aangroeien met de jaarlijksche renten van ruim één millioen, en het surplus van de bijdragen der ambtenaren ,welke voor 1886 geraamd zijn op f 715.000.â terwijl de uitgave voor pensioenen, det na ic Julij 1846 benoemde ambtenaren, over dit jaar-slechts geraamd zijn op /460.000.».
Volgens het rapport des staatscommissie (bladz. 112) was er dan ook, tengevolge van de bij de wet van 1846, onwetenschappelijk en buitensporig hoog geregelde bijdragen der ambtenaren op den 1 Januari 1831 (de inschrijvingen 2 1/2 en 3 °/o die thans respectievelijk ruim 73 en 88 staan, slechts berekend tegen 62 i i en 75), reeds te veel in kas, dat is, méér dan voor de pensioenen zeiven noodig is, de som van Æ7.294.600.â welke som bijou-veranderde regeling en berekend naar laatstgemelden lagen koers, op 1 Januari 1916 zal zijn aangegroeid tot minstens 33 i/-i millioen, zoodat nu reeds, zegt de Staatscommissie (bladz. 113), verscheidene millioenen kunnen gebruikt worden in het belang
- 14 -
der ambtenaren, uit wier te hooge bijdragen het gevonden overschot is gevormd.
Wat nu het belang der schatkist betreft, de financieële bezwaren die de tegenwoordige Minister van Pinanciön doet gelden, om eene wettelijke regeling der zaak nog langur^/^ stellen, hieromtrent zegt de Staatscommissie (bladz. 21) dat zij meent dat de sub 3« aan het slot harer inleiding vermelde grondregel:
« De last van het Rijk lost zich voor het grootste gedeelte » op in opoffering van het vooruitzigt op ontheffing in de » toekomst, » bij haar voorstel behoorlijk is in acht genomen, en de Staat tegen onmiddellijke toeneming zijner lasten wegens burgerlijke pensioenen gevrijwaard is. « Ten deze méér
gt; te doen, (zegt zij verder bladz. 22) is onmogelijk, gt; en ten slotte : gt; De strekking om het lot der ambtenaren te verbe-» teren openbaarde zich in de laatste jaren door aanzie al ij ke d verhooging hunner tractementen.
gt; Thans wordt in die rigting eene poging gedaan langs » anderen weg: door n. 1. aan de ambtenaren, zondei vei-
gt; zwaring der hun op te leggen lasten, weduwen- en wee-» zenpensioen te verzekeren. Geeft de Staat daardoor een in
gt; de toekomst te verwachten ontlasting prijs; neemt hij ook
gt; in het vervolg de regtstreeksche betaling der ambtenaars-
gt; pensioenen op zich, en wel zonder daarvoor bijdragen te tgt; ontvangen, daartegenover staat, dat aan den drang tot
gt; lotsverbetering der ambtenaren op veel meer afdoende wijze
gt; zal zijn te gemoet gekomen, dan door tractementsverhoo-
gt; gingen kan geschieden, zoodat die verhoogingen voor zooveel
gt; nog noodig met kariger hand dan tot dusverre toegestaan,
gt; de begrootingen van 's Rijks uitgaven veel minder dan tot
â 15 -
gt; dus ver met steeds klimmende lasten zullen behojvon te » bezwaren. »
Wanneer men bij dit alles overwaegt dat, zooals reeds meermalen met klem door het bestuur van het pensioenver-bond, in zijne adressen aan den Koning, aan onderscheidene Ministers en aan de Kerste- en Tweede Kamer der State/1-Generaal, en nu ook door de Staatscommissie is aangetoond, er reeds drie fondsen voor weduwen en weezen van een zeker getal burgerlijke ambtenaren hier te lande bestaan, n. 1. een voor de ambtenaren der Departementen van 't Algemeen Bestuur, een voor het corps Ingenieurs en een voor de Opzichters van den Waterstaat ; dat de gunstige of gepri-viligeerde toestand voor die weinigen hoofdzakelijk tot grondslag heeft de toekenning van een aandeel in de leges d. i. van gelden die ten behoeve van den Staat geheven en die in sommige gevallen langs een omweg dooiden Staat zeiven betaald worden; dat, zooals reeds gezegd, ook in alle beschaafde landen van Europa reeds van Rijkswege tegen het onverzorgd achterblijven van ambtenaarsgezinnen is gewaakt ; dat hier te lande het leger en de marine hetzelfde voorrecht genieten en de militaire ambtenaren en beambten (officieren en onderofficieren) met hunne minderen niets storten voor eigen pensioen, maar wol voor dat van hnnne weduwen en weezen ; en dat dus alleen ton deze eene onbillijke en op niets gegronde uitsluiting of uitzondering bestaat voor de meeste burgerlijke ambtenaren, die nog bovendien veel te veel voor eigen pensioen moeten bijdragen, waardoor millioenen nutteloos opgestapeld worden, een toestand die door niemand verdedigd wordt, en dan ook door de Staatscommissie als onhondbaar wordt bestempeld, â dan vragen wij, of, nu de kwestie eenmaal grondig is onderzocht en alle moeielijkheden, â ook de finantieöle
â 16
voorde schatkist, â door da Staatscommissie opgelost zijn, het le punt van ons betoog dat de pensioenskwestie rijp is voor eene dadelijke beslissing, niet overtuigend bewezen is?
Het 2quot; punt, dat 's Ministers bezwaren tegen eene dadelijke regeling overdreven voorgesteld en niet aanneembaai zijn, is door al het vorenstaande eigenlijk reeds van zelf voldoende bewezen. Zien wij echter eens van welk gehalte s Ministers bijgebrachte redenen zijn tot een voorloopig onbepaald uitstel dor zaak.
In de memorie van beantwoording van het voorloopig verslag der 2' Kamer betrekkelijk hoofdstuk VII B, zegt Zijne Excellentie :
« Hoezeer ten hoogste waardeerende den zeer verdienstelijken
gt; arbeid der thans ontbonden Staatscommissie, aan welke was » opgedragen een onderzoek der wijze en der voorwaarden, » waarop van Eijkswege aan burgerlijke ambtenaren en aan
gt; hunne nagelaten betrekkingen pensioen kan worden ver-» verleend, en hoe gaarne ook bereid, maatregelen voortestel-» len, waardoor de gezinnen van de ambtenaren na hun' dood
gt; tegen armoede en gebrek zullen worden behoed, mag de » ondergeteekende echter in den tegenwoordigen toestand van » 's lands financiën, er nog niet aun donken wettelijke bepalin-, gen te ontwerpen, waardoor niet slechts het uitzicht van den » Staat, om na kortoren of langoren tijd grootendeels van den i. ponsioonslast, thans ongeveer 14 ton bedragende », (waaronder echter begrepen de niet tot het afzonderlijk fonds bohoorende pensioenen der ambtenaren, aangesteld vóórl'Julij 1846, wier bijdragen ten voordeele der schatkist zijn gekomen en wier pensioenen dus ook uit de schatkist moeten worden betaald),« onthe-» ven te zijn, zou worden prijs gegeven, maar ook 's lands schat-
â 17
» kist met een meerderen pensioenslast zou worden bezwaard, » die nog gedurende eene reeks van jaren, ieder jaar klimmen, » en ten slotts vrij zeker tot 7 a 8 ton 's jaars aangroeien zou. » Zoodra hij is geslaagd in zijn streven om het evenwicht ïus-» schen 's Eijks inkomsten en uitgaven beter te verzekeren, » zal hij middelen beramen, of ten deze niet op voor het Rijk gt; minder bezwarende wijze kan worden voorzien. »
Tegen deze redeneringen en met bestrijding van de juistheid der verstrekte cijfers, is het bestuur van het « Pensioen-verbond jgt; opgekomen bij adres van 8 December 11. aan de 2C Kamer. Maar zulke cijfers die betrekkelijk zooveel andere onderdoelen van den Staatsdienst kunnen te berde gebracht worden, â wat bewijzen zij tegen hetgeen eenmaal onomstootelijk bewezen is, dat de Staat belangen en verplichtingen heeft, die hij niet langer mag verloochenen en die natuurlijk eenige opofferingen onvermijdelijk maken, opofferingen die de schatkist niet onmiddelijk bezwaren, noch het leggen van nieuwe lasten op het volk vereischen, maar die hoofdzakelijk bestaan in het prijs geven of het verlies van het vooruitzicht op vermindering van lasten in de toekomst, alsmede in langzaam aangroeiende kleine lasten waarin geleidelijk bij de jaarlijksche begrootingen kan worden voorzien en die, hoe langer de regeling welke toch eenmaal komen moet, uitgesteld wordt, des te drukkender voor den Staat zullen worden.
Of zou de Minister Bloem in zijne hiermede niet strookende meening, een dieper blik hebben dan alle anderen en alléén geloofbaar zijn :
1° Tegenover den oud-Minister Gleichman , die de instelling der 1° Staatscommissie in 1878 heeft bevorderd, in 1882 als voorzitter het rapport der 2quot; Staatscommissie heeft onderteekend en nog onlangs in de zitting der 2° Kamer op 17 üe-
_ 18 -
cember 11., de zaak zoo ernstig aan den tegenwoordigen Minister heeft aaanbevolen ?
2». Tegenover den oud-Minister Vissering, van wien toch niemand zal gelooven dat hij een zoo grootsch en volledig werk als dat der 2t' Staatscommissie, bestaande uit door hem voorgedragen en zoo uitstekend voor de taak berekende mannen, indien hij langer aangebleven ware, zou hebben ter zijde geschoven; daardoor de juist door dat werk zoo hoog gespannen verwachting te leur stellende, zooals de Minister thans doet, en het ongeduld nog grooter makende dan het te voren was ?
3quot; Tegenover den vorigen Minister Grobbée, die zich openlijk in de 2e Kamer voor de verplichte staatszorg ten gunste van een weduwenfonds der ambtenaren, heeft verklaard i
Alzoo drie oud-Ministers, die denzelfden ongunstigen toestand van 's Rijks financiën hebben beleefd en voor dezelfde moeielijkheid stonden om het evenwicht tusschen de ontvangsten en uitgaven te bevorderen, en die toch, zoo zij langer of in den laatsten tijd aan het roer gezeten hadden, ongetwijfeld de verlangde wetsvoorstellen reeds zouden hebben ingediend.
4° Tegenover de Staatscommissie die 's Ministers finan-cieële bezwaren voorzien en met het oog daarop hare voorstellen ingericht en voor eene dadelijke aanneming en uitvoering, zonder te groot bezwaar voor de schatkist, vatbaar gemaakt heeft, en die daarbij, in de inleiding van haar rapport (bladz. 12), na de noodzakelijkheid van de verandering of geheele hervorming van ons pensioenstelsel, te hebben aangetoond , zegt : « dat voor zulk eene hervor-
gt; ming het tegenwoordig tijdstip eene bij uitstek gunstige
gt; gelegenheid aanbiedt, gt; en
5° Tegenover zoovele leden van de beide Kamers, die op
â 19 â
atdoening bobben aangdrongen en die blijkbaar 's ministers bezwai'en niet doelden, en daarom zijne houding betreurden. Wij zwijgen nu nog van de overtuiging van bet bestuur van bet Pensioenverbond en van duizenden in den lande.
In de zitting der 2C Kamer van 17 December 11., antwoordde de Minister op de rede fan een lid dier Kamer : « dat » zijn gezegde, dat de Minister de gaaf zou bezitten om zich » met een enkel woord van eene noodige en nuttige zaak af te » maken, niet juist was, enz.
» dat hij Minister meent dat men voor iedere zaak den » juisten tijd moet weten te kiezen, dat do menscben dit wel » eens vergeten, wanneer zij te sterk op de regeling eener zaak » aandringen » ; dus een verwijt van ontijdigen aandrang of te groot ongeduld.
Groote hemel ! 40 jaren lang zijn van de ambtenaren veel te hooge, alzoo onbillijke bijdragen voor eigen pensioen gevorderd, en dit moet nog blijven voortduren !
Reeds 9 jaren lang strijdt bet pensioenverbond daartegen, en smeekt dat verbond het te veel gestorte af voor de ongelukkige weduwen en weezen.
Staatscommissiën hebben de grieven onderzocht, gegrond bevonden en voorstellen tot verbetering van den onhoudbaren toestand, voor de Eegeering kant en klaar gemaakt, en nog zou er geen geduld genoeg geoefend, nog zou het ontijdig zijn, zelfs voor de volksvertegenwoordigers, om op afdoening der zaak aantedringen ï
« Als het Nederlandsche volk het maar eens wist », lazen wij onlangs in een dagblad, waarin de kwestie behandeld werd, en wij zeggen bet na. Wist het Nederlandsche volk bet eens beter, wist bet volk hoe mst de belangen van het grootste gedeelte der burgerlijke ambtenaren in tegenstelling met die van bovenge-
- 20 -
noemde bevoorrechten wordt omgesprongen, hoeveel stemmen zouden er op gaan om den Minister te antwoorden ; « Vergeet » Uwe Excellentie niet veeleer den juisten tijd te kiezen, waarop » eene zaak als deze ter afdoening moest aijn ter hand ge-» nomen ? jgt;.
Maar, zei de Minister, bij dezelfde gelegenheid : « ik heb zelf » veel sympathie voor de zaak, maar ik acht het mijn eerste » plicht om te trachten het evenwicht in 's lands financiën te » bereiken : Wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen, » 's lands belang gaat hier vóór bet bijzonder belang. »
Mooie woorden die, op zich zelf beschouwd, waar zijn, maar die o. i. hier hunne toepassing niet vinden, .omdat de Minister de middelen tot bereiking van het evenwicht niet moet zoeken waar ze niet te vinden zijn, minstens, waar ze niet in de eerste plaats moijen gezocht worden.
Het gaat toch niet aan het evenwicht, hetwelk volgens 's Ministers eigen verklaring, bij de discussiën over de Staatsbe-grooting voor 1886 overigens reeds was bereikt, te vergelijken met- en te wegen tegen de pensioenen, en dan te zoggen dat het eerste bet zwaarste weegt.
Onzes inziens, moeten de pensioenen als bijzonder belang met andere bijzondere belangen, als een onderdeel van Staatsuitgaven, met andere onderdeelen, waarboven het in het oog te houden landsbelang en te bereiken evenwicht planoeren, worden vergeleken en tegen elkander gewogen.
Heeft de Minister dit gedaan èn bewezen, dat van alle Staatsuitgaven de pensioenen het minst noodzakelijk zijn en dus het lichtste wegen ? Wij gelooven het niet, en het bewijs daarvan zou voorwaar.ook moeielijk te leveren zijn, wanneer de Minister maar eens dacht aan andere landen, vooral Frankrijk en Italië, waar het evenwicht nog veel moeielijker te bereiken was dan
- 21 -
hier te lande, en waar toch de weduwenpensioenen zóó zwaar weyeiid zijn blijven beschouwd worden, dat daar niemand er aan gedacht heeft de Staatszorg er voor op te heffer) en de ambtenaren zei ven alleen voor hunne weduwen en weezen te laten zorgen, niettegenstaande aldaar nieuwe en enorm drukkende lasten, na den oorlog van 1870, op het volk zijn moeten gelegd worden.
Wij zullen nu tor loops eens eene vergelijking als bovenbedoeld wagen.
Hoeveel tonnen gouds, ja millioenen, zijn er in den laatsten tijd en worden er nog, naar het oordeel van mannen van alle partijen, soms met kwistige hand besteed, b. v. voor het oprichten van overdreven kostbare gebouwen en voor hot daarstellen van andere werken en wie weet voor welke andere behoeften nog, waarvan wij het nut niet zullen bestwisten, aangezien zij bij de Staatsbegrootingen aangenomen zijn, maar waarvan men toch mag zeggen dat, zoo zij even zorgvuldig waren onderzocht als de pensioens kwestie door de Staatscommissien, zij zeer vermoedelijk zouden zijn gebleken geheel of ten deele lang niet zoo dadelijk noodzakelijk of spoedvereischend te zijn, als eene verandering der pensioenswet met voorziening in het lot van de weduwen en weezen der ambtenaren.
Indien de Minister nu zijne ambtgenooten, die de hooge uitgaven daarvoor op hunne begrooting brachten, eens herinnerd hadde aan het te bereiken evenwicht en de gepastheid om aan den jarenlangen aandrang tot regeling van het pensioenswe/.en te voldoen, zou dit niet het voor de hand liggend eerste en beste middel geweest zijn, reeds voor jaren en nu nog, om 's Ministers finantiëele bezwaren te zien weggeruimd ? of wel, indien aan het Nederlandsche volk de vraag of de keus eens gesteld ware ; Wat wilt gij ? óf zulke prachtige gebouwen die veel kosten, óf een
â 22 -
voudiger minder kostbare pebouwcn, waardoor liet, evenwicht in de ontvangsten en uitgaven beter kan bereikt worden en ook voor de rechtmatige belangen der burgerlijke ambtenaren en van hunne weduwen en weezen kan worden gezorgd V
Wat zou het volk daarop antwoorden ? zeer zeker dit: eerst het 40 jarig onrecht den ambtenaren aangedaan hersteld, en in verband daarmede voor hunne natelaten betrekkingen gezorgd, zooals in andere landen en ten deele ook hier te lande reeds is geschied ; daarna kan gezien worden wat er beschikbaar blijft voor minder of meer prachtige gebouwen, enz. Zóó zou het volk spreken, en men oordeelenu, wat er nog van 's Ministers argumenten aanneembaars overblijft.
Ts Zijner Excellentie's ongeneigdheid om nu reeds aan de voorstellen der Staatscommissie gevolg te geven daarom dan ook te recht algemeen betreurd, nog onbegrijpelijker is 's Ministers onwil om met nog minder voor de schatkist bezwarende middelen dan de Staatscommissie lieejt voorgesteld, iets in 't belang der ambtenaren en van hunne gezinnen te doen, waarop een zeer geacht lid der 2C Kamer en meerdere leden der Eerste Kamer in de zitting van 23 Jannari 11. hebben aangedrongen. De Minister zeide toen : dat hij de overtollige ontvangsten daarvoor niet kon bestemmen, want ging hij dien weg op, dan zou hij vreezen dat hij dezelfde feil zou begaan, die in 1846 begaan is toen de grondslagen voor een pensioenfonds zijn gelegd, zonder de wetenschap te raadplegen of juiste wiskundige berekeningen te maken. Maar wie ziet niet in dat zulks maar een gezocht voorwendsel is, terwijl de Minister die feil gemakkelijk ontgaan kon door de thans op wetenschappelijke en wiskundige gronden steunende, twee wetsontwerpen der Staatscommissie, ter aanneming in de Kamers te brengen, met eene wijziging in de bepalingen van
- 23 -
hel ontwerp-pensioenwet der burgerlijke ambtenaren, in dier voege, dat dc ambtenaren voortaan, in stede van de in 1846 te hoog gestelde afloopende korting, b. v. eene doorloopende korting van 2 a 3 0/0 hebben bijtedragen, ten bate der schatkist, als eene tegemoet-^boming en in compensatie voor het prijs geven van toekomstige voordeelen. De Staatscommissie heeft wel betoogd dat de bijdragen der ambtenaren èn voor eigen pensioen èn voor het pensioen van weduwen en weezen, die, zonder hulp van den Staat, 12 | 0/0 zouden moeten bedragen, te bezwarend zouden zijn en dat daaraan niet te denken valt ; dit is zeker waar, doch eene matiger bijdrage uit nood en als tijdelijke maatregel, tot dat bij een eventueel gunstiger toestand van 's lands financiën, daarop kan worden teruggekomen, schijnt zoo verwerpelijk niet. Voor de bestaande ambtenaren, die reeds hunne volle bezoldiging, bij afloopende korting hebben gestort, en die volgens het ontwerp-weduwenfonds, geene doorloopende korting van 5 0/0 moer behoeven te betalen, zou de gezegde doorloopende korting van 3 % voor eigen pensioen niet te bezwarend zijn. Voor de toekomstige ambtenaren zouden de kortingen van 3 èn van 5 »/â wel iets meer bezwarend wezen, maar als men in aanmerking neemt, dat do afloopende korting die zij nu, volgens de wet van 1846 hebben bijtedragen, i-eeds gelijk staat met eene doorloopende korting van 6.53 quot;/o, volgens de berekening dei-Staatscommissie (rapport blz. 20), dan schijnt eene hoogere bijdrage dan thans van 1 of 1 | quot;/o geen onoverkomelijk bezwaar, ja zou door alle ambtenaren zelfs gewenscht zijn en als een zegen beschouwd worden, wanneer zij dan het lot hunner natelaten betrekkingen verzekerd zagen.
Op deze wijze zouden de hiervoor op bladz. \$r'bedoelde langzaam klimmende kleine lasten voor de schatkist nog jaren lang totaal worden geweerd. Immers de jaarlijksche bijdragen der amb-
- 24 â
tenaren, als voor gezegd, voor 1886 geraamd op f 715.000, gelijk staande aan eene doorloopende korting op de bezoldigingen van 6.53 0/â, zonden, gereduceerd tot eene doorloopende korting van 3 quot;/o, bedragen ruim f 328.000, behalve de jaarlijksche accressen wegens het steeds toenemend getal ambtenaren en bezoldigingen waarvan die bijdragen worden ingehouden', en vermits de thans uit te betalen pensioenen, voor 1886 geraamd op f 460.000, niet uit de schatkist maar uit de opbrengst der aan het weduwen-en weezenfonds overgedragen kapitalen van het afzonderlijk fonds zouden worden verstrekt en betaald, zoo volfft hieruit dat de gemelde bijdragen van 3 % aanvankelijk nagenoeg geheel en jaarlijks tot een langzaam met de nieuw verleende pensioenen verminderd bedrag, nog een' geruimen tijd, als bate in de schatkist zouden vloeien, totdat, de nieuw verleende pensioenen het bedrag der bedoelde bijdragen van 3 quot;/n hebben bereikt. Dan eerst, wanneer de nieuwe pensioenen de jaarlijksche bijdragen van S0'» overtreffen, zouden de bovenbedoelde langzaam klimmende lasten voor de schatkist een aanvang nemen en nog eenigen tijd zoo gering zijn, dat ze geen overwegend bezwarenden ^vloed op de begrootingen zouden kunnen uitoefenen, daargelaten nog de consideratie, dat die lasten reeds eene compensatie zouden hebben gevonden in het surplus dat de schatkist wegens bijdragen, boven het bedrag der nieuwe pensioenen, in de vorige jaren zou hebben genoten.
Is het nu niet duidelijk, dat hierdoor 's Ministers redenen om de regeling uit te stellen tot hij het evenwicht tussehen de ontvangsten en uitgaven meer definitief zal hebben bereikt, niet alleen allen grond missen of geheel komen te vervallen, maar dat integendeel bedoeld surplus der bijdragen van 3 quot;/⢠aan Zijne Excellentie nog eenige jaren zelfs nuttig te stade zoude komen om dat evenwicht te helpen bevorderen, iets waartoe de tegen-
â 25 -
woordige hooge bijdragen volgens de wet van 1840 niet eens kunnen dienen, als in een afzonderlijk fonds, uitsluitend voor pensioenen, moetende opgestapeld en bewaard worden.
Het stokstijfvasthouden van den Minister, op zoo weinig steekhoudende gronden, aan zijn eens opgevat plan om, noch een geheel, noch een gedeeltelijk gevolg te geven aan de voorstellen d^r Staatscommissie, zoude dit daarom niet eenigszins het vermoeden wettigen van sommigen, dat er iets anders moet achter-schuilen, dan 'fc geen de Minister voorgeeft? dat hij u. 1. nog geheime redenen zoude hebben om de door de Staatscommissie voorgestelde overdracht van de kapitalen van het pensioenfonds aan een weduwenfonds zoo lang mogelijk tegen te houden V
Men meent dit te kunnen afleiden uit het antwoord van den Minister in de zitting van 1 7 December 11. aan een lid der Tweede Kamer, waardoor de sluier van dat vermoedelijk geheim eenigszins werd opgelicht.
Immers, zoo zeide alstoen de Minister, kunnen de tegenwoordige ambtenaren volstrekt geen recht voor zich en hunne gezinnen doen gelden op het aanwezig surplus, terwijl zij geweten hebben onder welke voorwaarden zij huna mbt aanvaardden enz-Op deze stelling van den Minister, die in strikten zin eenigen schijn van waarheid bevat, is bij de behandeling van de Staats-begrooting voor het loopende jaar in de le Kamer een afdoend antwoord gegeven, waarnaar wij ons veroorloven te verwijzen* Hoe dit zij, er bestaat nu nood, periculum in mora, zooals de heer Verheijen op 23 Januari 11. in de Eerste Kamer heeft gezegd. De bewezen veel te hoog opgelegde kortingen aan de ambtenaren voor eigen pensioen, kunnen toch niet langer blijven bestendigd, noch hunne natelaten betrekkingen achtergesteld bij anderen voor wie reeds is gezorgd.
Zou nu de Minister kunnen willen dat deze tegenwoordige
_ 26 -
nood bleef voortduren zonder leniging en het surplus bewaard bleef voor een denkbeeldigen toekomstigen nood, waarbij aan de gelden oene bestemming zou worden gegeven, waarvoor ze door de ambtenaren niet zijn bijeengebracht?
Dat dit het doel niet was, n. 1. om de bijdragen ten deele ten bate der schatkist te doen komen, als eene belasting op de bezoldiging der ambtenaren, blijkt ten duidelijkste uit de geschiedenis der pensioenswet van 1846 en uit de instelling daarbij van een afzonderlijk fonds; de Regeering heeft dit destijds ook zelve erkend, toen zij in hare memorie van toelichting bij gemelde wet (bladz. 9 en 10 der bijbladen) het volgende nedersehreef:
« De verzameling van hunne bijdragen in een afzonderlijk » fonds heeft ontegenzeggelijk voordeelen, die hij derzelver in-jgt; eensmelting met de algemeene geldmiddelen verloren gaan.
» Daardoor toch blijven zij uitsluitend bewaard voor die uit-» gaven, welke zij bestemd zijn te helpen bestrijden, (n. 1. de » pensioenen), terwijl zij in het omgekeerde geval aangewend » zouden worden voor uitgaven waar zij niets mede gemeens » hebben » enz.
Hieruit volgt dat do bijdragen niet ten bate der schatkist mogen komen, dat zij in strikten zin wel het eigendom van het Kijk zijn, d. i. dat de Staat er het vaderlijk bestuur over heeft, en dat het te veel betaalde wel niet aan de bijgedragen hebbende ambtenaren zeiven kan worden teruggegeven, maar welke andere en betere bestemming, in naaste verwantschap met het doel waarvoor zij zijn betaald, â do Minister gelieve het te zeggenâ kan er aan gegeven worden dan, volgens het voorstel der Staatscommissie en van het Pensioenverbond, voor een pensioen aar de weduwen en weezen der ambtenaren V
Wij kunnen daarom moeielijk gelooven, dat bij den Minister nog een daarmede strijdige geheime toeleg zou kunnen bestaan,
- 27 -
dio, als niet anders hunnendc gedacht worden dan in strijd to /ij» met den geest en de bedoeling der wet van 184(i èn met de billijkheid door het Nederlandsche volk en zijne vertegenwoordigers, overigens wel nimmer zou worden goedgekeurd.
Of zoude er, zooals andere vreezen. nog een ander niet gea-voueerd of aangeroerd geheim kunnen bestaan ?
Zouden n. 1. de booze tongen niet geheel ongelijk gehad hebben-toen zij, naar « De Amsterdammer » van 16 December 11. (avondblad) bij het slot van een artikel vermeld^iebben beweerd, dat, indien de Departements-ambtenaren niet ten deze in een exceptioneel gunstigen toestand verkeerden, de pogingen van het pensioen verbond reeds lang zouden zijn bekroond geweest met succes ? / ,
tPamp;zry/ ..
Zou in dit geval de Minister zich van de ambtenaren van Zr|n Departement hebben laten overhalen om elke nieuwe regeling van een algemeen weduwenfonds, waardoor aan hun privilegie voor de toekomst een einde zou worden gemaakt, zoolang mogelijk tegen te houden ?
De Staatscommissie heeft wel gezegd (blad. 26 van haar rapport) dat bij de oprichting van een algemeen weduwenfonds echter de verkregen rechten der tegenwoordige legestrekkende ambtenaren in elk geval gewaarborgd moeten blijven â en niemand voorwaar misgunt hun dit, â doch de accressen van hun fonds, waardoor hunne weduwenpensioenen (nu reeds bet hooge cijfer van de helft hunner in leven genoten bezoldiging bedragende) nog hooger kunnen worden, en het privilegie voor de nieuwe ambtenaren zouden toch moeten worden prijs gegeven.
Zouden nu de Departements-ambtenaren om dit toekomstig voordeel niet te verliezen liever de algeheels uitsluiting zelfs van een veel minder pensioen der wednwen en weezen van alle
â 28 -
andere burgerliike ambtenaren, al zijn ze dan ook aan armoede un gebrek prijs gegeven, willen zien bestendigd ?
De toeleg daarop^doende denken aan het : « Périsse le monde » jwurvu que je me savve, of « Laat alle anderen vergaan als wij tgt; maar behouden zijn *, zou echter zóó ongehoord, zóó grof egoïstisch zijn, dat. wij, noch zooveel achtenswaardige Departe-ments-ambtenaren, noch den Minister als complice, daartoe in staat kunnen achten, en wij laten dus de verantwoordelijkheid voor hunne verdenking daarvan liever alleen aan de booze tongen over.
Wat nu ten slotte gedaan ?
Kan het pensioenverhond nog meer doen dan het gedaan heeft ? Kunnen onze volksvertegenwoordigers der beide Kamers nog krachtiger bij den Minister op eene regeling aandringen dan eeit^. 4(wi-hminer â wij zijn er hun dankbaar voor â reeds zoo welsprekend gedaan hebben '? of valt er nu maar in te berusten tot het der Regeering behagen zal, wie weet wanneer ? wettelijke voorstellen in te dienen ?
Neen, zeker niet. De strijd moet voortgezet en meer algemeen, de aandrang sterker en sterker worden. Hiertoe is een nieuwe en sterke factor noodig. Wij bedoelen niets minder dan de medehulp van het Nederlandsche volk. Maar zal het volk dat niet zelden in conflict komt met ambtenaren, zich hunne belangen willen aantrekken en tot hulp bereid zijn ? Van een klein deel, het minstwaardige, dat dikwerf met Justitie en politie of wegens ontduiking en smokkelarij met de ambtenaren van den fiscus in onaangename aanraking komt, is zeker weinig medehulp te verwachten. Maar het rechtsgevoel van het edelste deel, de groote en eerlijke massa van het. Nederlandsche volk, eenmaal ingelicht van de gegrondheid der grieven en van de rechtmatigheid der wenschen van de burgerlijke ambtenaren overtuigd.
- 29 â
zal zioh ongetwijfeld iu deze niet onbetuigd laten ; te minder daar het hier geldt niei enkel een ambteaaarsbelang, zoo als wellicht oppervlakkig te algemeen gedacht wordt, maar ook een wezenlijk uo/tsbelang.
Zijn toch de ambtenaren geen zonen en hunne vrouwen geen dochters van het volk ?
Moeten hunne kinderen niet eenmaal in de rijen van het volk opgaan en kan het den volke onverschillig zijn of die kinderen door dikwerf te vroeg overleden ambtenaren, onverzorgd acuter gelaten, of wel tot armoede of den bedelstaf vervallen en net getal bedeelden, ongelukkigen en ontevredenen helpen vermeerderen, of wel met behulp van eenig pensioen, behoorlijk opgevoed en tot nuttige loden der maatschappij, zooals hunne vaders waren, gevormd worden ?
En de wederzijdsche ouders van de ambtenaren en hunne vrouwen, broeders, zusters en verdere aan- en bloedverwanten, die óf wel de verlaten weduwen en weezen van de hun aanverwante ambtenaren geheel of gedeeltelijk ten laste krijgen, öt wel het leed en de schaamte van hunne armoede mede moeten dragen. â en tot zelfs de familiün die op dit oogenblik geen leden onder de ambtenaren en hunne vrouwen tellen, doch die niet kunnen weten hoe spoedig een hunner zonen of bloedverwanten tot eene ambtenaarsbetrekking geraken â of een hunner dochters met een ambtenaar huwen kan, hebben zij allen, en diis eigenlijk het gansche volk er geen belang bij, dat de hier bedoelde weduwen eu weezen niet onverzorgd achterblijven, maar door een pensioenfonds tegen armoede gevrijwaard worden, vooral r.u dit, zonder nieuwe lasten voor het volk, op de voorgestelde wijze zoo (jemakkelijk kan tjeschkden ?
Wij verzoeken der Redactiën van dag- en weekbladen enz., om zoowel dit als andere geschriften ten gunste van het onder-
â 30 -
werp, wel zooveel mogelijk, geheel of verkort, in hunne kolommen te willen op- of overnemen en ter kennis van het volk brengen.
Wij zeggen die sympathieke redactiën daarvoor bij voorbaat onzen dank, terwijl alle ambtenaren in den lande met hunne gezinnen en familiën zich daarvoor ook zeker dankbaar zullen toonen.
Rechtstreeks belanghebbenden en belangstellenden, waaronder wij hopen dat zich ook de ambtenaren der rechterlijke macht die erbij betrokken zijn, zullen voegen, zullen wij wel niet behoeven aantebevelen geene gelegenheid te laten voorbijgaan om in gezelschappen, vereenigingen en vergaderingen, vooral van kiezers, de zaak ter sprake te brengen en allen tot sympathie en medehulp op te wekken, ten einde het volk bij zijne vertegenwoordigers aandringe op zoodanige krachtdadige en algemeene vertoogen, als strekken kunnen om weldra aannemelijke voorstellen tot wettelijke instelling van een weduwen- en weezen-pensioenfonds van de Regeering te erlangen.
Het is wel te betreuren dat de Minister van Financiën het daartoe schijnt te willen laten komen en Zijne Excellentie liever niet zelf het initiatief neemt van eene goede daad, die hem den dank van duizenden zou doen verwerven en die zijn naam, tot zelfs bij het nageslacht van de ambtenaren en hunne familiën geroemd en in gezegend aandenken zou doen blijven.
Mogen intusschen het Nederlandsche volk, zijne Vertegenwoordigers èn de Regeering wèl bedenken, dat de weduwen en weezen van de schier dagelijks hier en daar door den dood aan hen ontrukte ambtenaren, grievend verstoken zijn en blijven van een pensioen, waarop zij toch nu zoowel billijke aanspraak kunnen maken, als de latere weduwen en weezen die, na de instelling van een fonds, pensioen zullen genieten, en dat dus elke dag
â 31 -
uitstel van regeling, elke dag die het getal slachtoffers uiet nieuwe ziet vermeerderen, eene aanhoudend vermeerderende, onverant-woordelijke onbillijkheid, eene nationale onrechtvaardigheid is.
Maastricht, Mei 1886.
M. P. H.
1
â