To
s/) stfz
z o isr rgt; a g s-
E K
BêtllffdiflseMê
OF UITLEGGING
VAN I) E
i w a w 11 m
Op alle Zon- en Heiligdagen van het geheele jaar,
ten gebruike van
|l comamp;clt -
DOOR
H. JACOBS eu J. FONK.
ACHTSTE DRUK,
âs9|. iâ Met Goedkeuring
VENLOÃ, Wed H. EC NT AMPS.
IS a 2.
r
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1601 3348
Want al wat er geschreven is, is tot onze leerinq geschreven; opdat wij door de verduldigheid en de vertroosting der Schrifturen hoop zouden hehhen.
WBUOTHEEK DER
RUKSUNIVERSiTErr
U T R E C hi T
OOU. THOMAASSE
VOORBERICHT.
J)e menigvuldige drukken van de ZONDAGSSCHOOL door heyman jacobs, gevolgd door de HE1LIGDAGSCHE SCHOOL, door joannes ponk weleer opgesteld, bewijzen overvloedig, hoe zeer dit werk hij Roomsch - Katholieken in ons vaderland steeds is gezocht geworden; hetzelve verder aan te prijzen, achten wij derhalve overbodig.
Intussclen moeten wij aanmerken, dat de taal m stijl, welke in vroegere drukken veel te wen-schen overliet, thans dour eene bekwame hand verbeterd is, terwijl bij deze herziening tevens den text gevolgd is naar eene vertaling des Bijbels, volgens de in het Concilie van Trente yoelt;igekeurde V ulgate. En aldus bieden wij hier onzen katholieken landgenooten deze nieuwe , in taal en spel ling verbeterde uitgave van voornoemde
ZON- m EÃEILIGDAGSCHE SCHOOL, of UITLEGGING dek EVANGELIEN, aan; daarbij den wensch voegende, dat de lezer uit dit hoek moqe onderricht, r/etroost en bemoedigd ie or den, biddende, dat onze Heer Jesuf Christus, die eenmaal in Bethlehems stal geboren werd en nu ter rechterhand Gods zit, zijnen zegen over dit werk gebiede, en denzelren in mime mate daarover uitstorte !
ZONDAGS-SCHOOL.
DOOK,
heYM a N JACOBS.
Eerste Zondag van den Advent.
OVER HET LAATSTE OORDEEL.
Evangelie, Lucas \ \. 25 -
u In dieti tijde zeide Jesus aan zijne leer-v lingen : daar zullen teekenen in zon en maan n en sterren zijn , en eene benauwdheid ouder n de volkeren op de aarde; uit verbaasdheid van u het gedruisch der baren van de zee, zullen v de menschen bezwijken van vrees , in de ver-// wachting van hetgeen de geheele wereld zal ,/ overkomen ; want de krachten der hemelen n zullen beroerd worden. quot;
In dit Evangelie voorzegt onze Zaligmaker aan zijne leerlingen , welke schrikkelijke teekenen den laatsten dag der wereld en het laatste oordeel zullen voorafgaan. Daar zullen teekenen in zon , en maan , en sterren zijn ; de hemelsche lichamen zullen aldus in hunnen loop geschokt worden. De H. Joannes, den laatsten oordeelsdag in den geest voorziende , zegt ; de zon werd zoo zwart ah een haren
6 Evangelie op den eersten Zondag
zak, en de waan werd gelijk als bloed, en de
sterren des hemels vielen op de aarde. (1)
Oorlosr, pest, hongersnood en menigvuldige plagen zullen het menschdom treffen ; er zal eene groote benauwdheid zijn onder de volkeren. De plagen zullen zoo menigvuldig en zoo groot zijn, als er nooit van het begin der wereld zijn gehoord geworden. De booze en goddelooze menschen zullen door eene groote vrees bevangen worden , wanneer zij die teekenen zullen zien en die plagen ondervinden; hunne angst, hunne ontroering en hunne vrees zullen onuitsprekelijk zijn : zullende de menschen bezwijken van vreeze, in de verwachting van hetgeen de geheele wereld zal overkomen.
Zijn nu zulke vreeselijke teekenen een begin van Gods oordeel, laat ons dan wel overwegen hoe gevaarlijk en vreeselijk de laatste oordeelsdag zelf zijn moet. Uitmuntend en heerlijk was God de Heer in het scheppen van hemel en aarde, engelen en menschen, welke hij in den beginne in het leven riep, door zijn goddelijk woord; uitmuntend is God de Heer in wijsheid en goedheid, daar Hij zijne schepselen steeds mildelijk voedt en onderhoudt; uitmuntend is God de Heer in barmhartigheid, daar Hij, om den mensch te verlossen en zalig te maken , niet alleen mensch geworden is, maar ook den kruisdood ondergaan heeft; uitmuntend en heerlijk zal God de Heer ook zijn in rechtvaardigheid, wanneer Hij ten oordeel zal komen en een iegelijk loon naar werken geven : den goeden het eeuwige leven, den kwaden
(1) Openb. VI ; 12 en 13.
van den Advent.
de eeuwige verdoemenis. Wij weten, dat God rle Heer niet alleen barmhartig is, maar Hij is ook rechtvaardig , zoo als in vroegere tijden is gebleken : God stootte de afvallige engelen uit den hemel; Hij verdreef Adam en Eva uit het paradijs, omdat zij zijn gebod overtreden hadden ; de steden Sodoma en Gomorra zijn, wegens de misdaden der inwoners, door zwavel en vuur uit den hemel verwoest, en, ten tijde van Noë, toen de aarde met boosheid vervuld was, deed God alle menschen en dieren , uitgezonderd die in de Arke waren, verdrinken. Werd ook niet Jeruzalem, om de zonden der inwoners , tot den grond verwoest ? De dag des oordeels zal desgelijks gruwelijk en vreeselijk zijn. Job wenschte op dien dag verborgen te zijn, en de H. Hieronymus zegt: zoo dikwijls ik aan den dag des oordeels denk, schud en beef ik over mijn gansche lichaam, hetzij ik ete , of drinke , of iets anders doe , steeds verbeeld ik mij die bazuin te hooren : Staat op, gij dooden, en komt ten oordeel. Laat ons dan niet minder vrees voor dien dag hebben dau deze Heiligen; mochten wij dan in tijds opgewekt worden . om van onze zonden afstand te doen en werken van boetvaardigheid te plegen ; dan zoude ons die vervaarlijke dag niet verschrikken ! Voorts volgt er in het Evangelie ;
â En dan zullen zij den Zoon des menschen h zien komen in eene wolk, met groote macht â en heerlijkheid.quot;
Om te oordeelen de levenden en de dooden.
7
8 Evangelie op den eersten Zondag.
Hier hoort gij, hoe dat onze Heer, in den dag (ie--, oordeels, niet zal komen als een onschuldig Lam, gelijk Hij kwam in den stal te Bethlehem, om ons zalig te makenj maar alsdan zal Hij komen om als een machtig koning, met groote kracht en heerlijkheid , met al de hemelsche heerkracht, en omringd door de engelen, om een ieder loon te geven naar zijne werken. Eer dit geschiedt, zullen de boeken , de verborgenheden des gewetens, geopend worden , en dan zal ieder als in eenen spiegel zien, hoedanig zijn leven hier op aarde geweest is : of hij zalig zal zijn of verdoemd worden. Onze Zaligmaker Jesus Christus zal de goeden van de kwaden scheiden, gelijk een herder de schapen van de bokken scheidt; Hij zal de schapen, dat zijn de goeden. Je uitverkorenen, aan zijne rechterhand zetten, en de bokken, dat zijn de kwaden, de verdoemden, aan zijne linkerhand. Daarop zal Hij met vriendelijkheid zeggen, tot zijne vrienden, die aan zijne rechterhand staan : Komt, gezegenden mijns Vaders, bezit het koningrijk, hetwelk van de grondlegging der wereld voor u bereid is. Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij gespijsd; ik heb dorst gehad, en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was een vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; ik was naakt, en gij hebt mij gekleed, (1) en dan zullen zij met groote eer en onuitsprekelijke blijdschap gaan in het eeuwige leven. Maar tot de kwaden, die aan de linkerhand staan, zal Hij spreken met eene stem, die hun als een donderslag in de ooren zal klinken ,
(1) Matth. XXV; 34 â 3C.
van den Advent.
en zeggen : gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijne engelen hereid is. (I) Zoodra dit vomiis zal zijn uitgesproken, zullen de verdoemden geworpen worden in de ondragelijke pijnen der hel, in de eeuwige duisternissen, bij de afgrijselijke en leelijke duivelen, waaruit zij in eeuwigheid niet zullen verlost worden ; zij zullen in den ontzet-tenden angst uitroepen : bergen valt op ons, en bedekt ons voor het vreeselijk aanschijn Gods! Hun gekerm zal groot, zal vervaarlijk zijn; zij zullen zich beklagen , zoo roekeloos, zoo verkeerd en zoo boos geleefd te hebben ; zij zullen zich, maar te laat, beklagen. God den Heer niet gediend te hebben. Gaarne zouden zij uu over scheermessen loopen, gaarne zouden zij marteldooden sterven, wanneer zij daarmede konden boeten voor hun boos levensgedrag, om daar uit hunne ellenden verlost te worden : doch het is dan te laat : in de hel is geene uitkomst, geene verlossing meer; want Jesus zegt : zij zullen gaan in de eeuwige straffen, (2) in de eeuwige pijnen.
Daarom, o menschen, o edele schepselen, betert uw zondig leven; bedenkt, welk een onuitsprekelijk lijden , het eeuwige lijden der hel is ! Eeuwig zonder verlichting, zonder vermindering van pijn ! A?oor eeuwig van het aanschijn Gods verstooten! IJselijke gedachten! Wie beeft en schrikt niet, die dit hoort en leest ! Laat ons dus toezien, daar het nog tijd is, daar er nog genade te hopen is; opdat wij niet in liet
1) Vs. 41.
2) Matth. 46.
9
10 Evang. op den 1. Zond. van den Adv. eeuwige verderf storten. Dat wij ons zondig leven verbeteren; laat ons biechten en boete doen; voorts God den Heer om genade bidden, werken van barmhartigheid verrichten en onszelven kastijden. Zoo zal ons God niet veroordeelen, maar wij zullen hier op aarde Gods zegen ontvangen en hiernamaals komen tot de blijdschap des eeuwigen levens: hetwelk ons vergunne onze Zaligmaker Jesus Christus, de rechtvaardige Rechter, die eens komen zal, om te oordeelen de levenden en de dooden.
GEBED.
Wij bidden U, o Heer Jesus, geef dat wij in den tijd der barmhartigheid waakzaam zijn, en uw rechtvaardig oordeel en eeuwig vonnis steeds voor oogen mogen hebben, opdat wij hiernamaals niet beschaamd worden. Sta ons bij. Heer Jesus, in het uur onzes doods. Dat wij een vast vertrouwen mogen hebben op uwe oneindige verdiensten en op uw bitter lijden. Wees gij onze voorspraak, rechtvaardige Rechter, dan hebben wij niet te vreezen. Zend uwer heilige Kerk getrouwe leeraars, die aan het volk uw streng oordeel met vurigen ijver gestadig voor oogen houden en hetzelve tot behoorlijke vrees opwekken. Geef aan onze harten altijd eene vermaning, opdat wij van de zonden afwijken, de toekomende dingen levendig mogen overdenken en ons in alle deugdeu oefenen. Dit bidden wij van U, barmhartige Jesus, die met den Vader en den heiligen Geest in eeuwigheid regeert. Amen.
Tweede Zondag van den Advent.
Evangelie, Mattheus XI. 2-10.
u In dien tijde, als Joannes in de gevauge-// nis de werken van Christus gehoord had, ,/ zond hij twee zijner leerlingen af, en liet hem â vragen : zijt gij degene, die komen moet, of // hebben wij een anderen te verwachten ? quot;
Joannes, bijgenaamd de Dooper, was door den ondeugenden koning Hkrodes in de gevangenis gezet, omdat hij hem berispt had, wegens het overspellig leven met Herodias, zijns broeders huisvrouw. Joannes had den koning hierover ernstig onderhouden, om derzei ver zaligheid wille, en opdat de onderdanen , zulk ondeugend voorbeeld ziende, hetzelve niet zouden navolgen. Doch Herodes, in plaats van dankbaar te zijn voor deze heilzame vermaningen van Joannes, nam dit zeer euvel op, liet hem in de gevangenis werpen en eindelijk onthoofden. Ziedaar de gewone handelwijze der menschen : dat zij goed met kwaad vergelden , en diegenen niet mogen lijden, welke hen om hunne boosheden bestraffen; een kwsad, dat alle Christenen toch zorgvuldig moesten vermijden; veeleer moest men al degenen die ons bestraffen, lief hebben en beminnen ; dewijl zij het wel met ons meenen. Toen dan deze heilige boetprediker en voorlooper van Christus in de gevangenis hoorde van de preken en wonderen van Christus, zond hij twee zijner leerlingen at, om hem
12 Enangelïe op den tweeden Zondag te vragen, of Hij de beloofde Messias was ot niet ? Dit deed Joannes , niet als of hij zelf daaraan twijfelde, want hij zelf was genoeg daarvan verzekerd geworden; hij had Jesus in de Jordaan gedoopt en eene stem van den he-melschen Vader gehoord, zeggende : Bit is mijn herninde Zoon, m welken ik mijn welbehagen heb , hoort Hem! Daarenboven had hij den heiligen Geest op .Tesus zien nederdalen in de gedaante van eene duif. Hij zelf had den Zaligmaker als met den vinger aangewezen en gezegd : Zie daar het Lam Gods, zie daar dat wegneemt de zonden der wereld. De meening van Joannes hierbij was, dat zijne leerlingen door Christus zeiven zouden geleerd worden , en dat ze van Hein hunne zaligheid moesten verwachten. Joannes leert hier aan de ouders, voor hunne kinderen en onderhoorigen zorg te dragen; hij leert hun, hoe zij dezelven naar Christus moeten zenden. Maar, helaas! de mensehen dragen doorgaans meer zorg voor de tijdelijke dingen, en voor de tijdelijke welvaart hunner kinderen , dan voor hun eeuwig welzijn. Men laat de kinderen in alle verkeerdheid opgroeien, tot schande en verdriet der ouders en tot ongeluk der kinderen.
â En -Tesus antwoordende, zeide tot hen : â gaat henen, boodschapt Joannes, hetgene gij // gehoord en gezien hebt. De blinden zien , de // kreupelen wandelen, de melaatschen worden â gezuiverd, de dooven hooren, de dooden ver-// rijzen en den armen wordt het Evangelie // verkondigd.quot;
van den Advent. 13
Door deze redenen wilde onze Zaligmaker bewijzen, dat Hij de beloofde Messias, de Zoon van den levenden God was; want de wonderen , die Hij verrichtte, deed Hij door zijne almogende Godheid en kracht, die aller men-schen vernuft en kracht te boven gaan. Reeds lang voorheen was door de profeten gezegd geworden , dat Cheistus , de Zaligmaker of Messias, zulke wonderen doen zoude. Chrisïps wilde dan zeggen : gelooft Gij mijne woorden niet, zoo gelooft de werken en wonderen , welke ik doe , en die geen mensch door eigen kracht en op eigen gezag doen kan ; wat ik wil, gebied ik, en het geschiedt terstond. Hiermede wordt ons geleerd , dat wij ons zelven noch laken noch prijzen moeten, maar dat wij zoo moeten leven , dat onze werken van ons getuigenis geven kunnen. Wij moeten vrome lieden zijn , bedachtzaam in het spreken, trouw in handel en wandel, eerbiedig jegens onze oversten , bescheiden jegens onze gelijken, en vriendelijk jegens onze minderen , hulpvaardig aan ellendigen , milddadig jegens armen en vreemdelingen , vliedende de zonden , en alles wat daartoe aanleiding kan geven. Als wanneer onzi- medemenschen zich aan ons zullen spiegelen en bekennen, dat wij eerlijke en vromi-Christenen zijn. Onze lieve Meer zegt verder ; u zalig is hij die in mij niet. geërgerd loorit. quot; Dit zegt onze Zaligmaker daarom , wijl er vele opgeblazen mensclien waren , die zich in Hem ergerden, meenende dat Christus slechts de zoon eens geringen ambachtsman was ; maar zij kenden zijne poddelijke afkomst niet. Wij behooren den Heer des te meer te beminnen ,
14 Evangelie op den tweeden Zondag.
(Laar wij weten dat hij zijne godheid en menschheid heeft aangenomen niet alleen, maar ook, dat Hij zich om onzentwil vernederd heeft, ten einde de schuld van onze hoovaardigheid te betalen, en om ons verworpen geslacht tot de hoogste zaligheid te brengen, ons een voorbeeld van vernedering gevende. Dat wij ons dan vernederen, dan zullen wij met Hem verhoogd worden !
// En als zij weg gingen , begon Jems van v Joannes aan het volk te zeggen : wat zijt v gij in de woestijn gaan zien ? Een riet dat // met den wind waait ? Wat zijt gij toch gaan f/ zien ? Een mensch, die zacht gekleed is? Zie, ,/ die zacht gekleed gaan, zijn in de huizen ;/ der koningen. Wat zijt gij dan gaan zien ? n Een Profeet ? Ja, zeg ik u, ook meer dan â een Profeet. Want dit is degene van welken i, geschreven staat: zie, ik zend mijnen Engel //voor uw aanschijn, die uwen weg voor u ,/ bereiden zal.quot;
Onze Zaligmaker prijst hier de deugden van Joannes den Hooper , toen de Leerlingen van dezen waren vertrokken. Zoo is he,t dan loffelijk iemand in zijn afwezen te prijzen; maar velen hebben de kwade en hatelijke gewoonte, iemand in zijn bijzijn te prijzen, en zoodra hij vertrokken is alle kwaad van hem te zeggen. Daarom, wanneer men van zijne naasten geene deugden weet te verbreiden, moet men zwijgen en geene ondeugden van hem uitbazuinen. Jesus zegt van Joannes, dat hij niet was gelijk een riet, hetwelk met alle-
van den Advent. 15
winden waaide, en wil daardoor te kennen geven, dat Joannes was gelijk een vaste pilaar, in het goede volhardende, bestraffende de zondaren, gelijk het eenen leeraar betaamt; terwijl hij niet naliet de menschen een goed voorbeeld te geven en hun den weg der zaligheid aan te wijzen. Joannes leidde een gestreng leven, was aanhoudend biddende en onderwijzende; hij droeg een haren kleed op zijn lichaam, ten einde zich te kastijden. Waaruit wij behooren te besluiten , dat wij nog zoo veel te meer boete moeten doen; en dat wij , die vol zonden en gebreken zijn, meer dan Joannes moeten trach-ten ons met God te verzoenen, terwijl het nog tijd is : dit doende zullen wij ons eigen geweten kunnen gerust stellen. Wij zullen zoo doende, van den Heer en van alle goede menschen geprezen worden, en na dit leven, tot de eeuwige zaligheid geraken. Dit verleene ous de Heer Jesus Christus, die met den Vader en den heiligen Geest leeft en regeert tot in eeuwigheid.
gebi; n.
Almogende God, eenige Messias, die uit den hemel gedaald zijt e7i hier op aarde groote wonderen gedaan hebt: wij gelooven vastelijk, dat er geene zaligheid noch genade te verwachten is dan alleen van à en door U. Maak ons dus standvastig in het Katholiek geloof en in een christelijk leven. Laat, Heer, niet toe, dat wij in dwaling gebracht worden, en alzoo van uwe geboden afwijken â , maar dat wij onberispelijk mogen zijn in al onzen handel en wandel, en eene strenge boetvaardigheid plegen, om zoo
16 Evangelie op den derden Zondag.
doende liet hoogfeest uwer geboorte behoorlijk te vieren. Door uwe oneindige goedheid, o Jesus Christus, die met den Vader en den heiligen Geest leeft en heerscht, in der eeuwigheid.
Derde Zondag van den Advent.
Evangelie, Joannes I. 19 - 28.
â In dien tijde zonden de Joden van Jeru-« zal cm Priesters en licvieten tot Joannes, om n hem te vragen : wie zijt gij ? En hij bekende ,/ en loochende niet; en hij beleed : ik ben de n Christus niet. En zij vroegen hem : wie dan r â Zijt gij Eli as! Hij zeide : neen, ik ben die niet. â Zijt gij de Profeet ? Hij antwoordde ; neen. â Zij zeiden hem : wie zijt gij dan, opdat wij n antwoord geven dengenen, die ons gezonden â hebben ? Wat zegt gij van uzelven ? Hij zeide: ,/ ik ben eene stem des roependen in de woestijn; // maakt den weg des Heeren recht, gelijk de âProfeet Jesaïas gezegd heeft.quot;
In den bovenstaanden tekst zien wij, dat de Joden van Jeruzalem Priesters en Levieten uitzonden , om van Joannes den Dooper te vernemen wie hij was; want vele geleerde mannen meenden, dat hij de lang beloofde Messias, de Zaligmaker der wereld was. Zij meenden zulks, wijl Joannes eene strenge leefwijze leidde, zware boete deed en de mensehen, die in de woestijn bij hem kwamen , ernstig vermaande,
van den Advent. 17
om afstanrl van humie zonden te doen, en deugdzaam te worden. Zij zonden dan tot hem, om hem te vragen, wie hij was? En Joannes verklaarde ronduit, dat hij de Christus niet was, noch Elias, noch de Profeet, dien zij bedoelden ; maar dat hij het wns, van wien Jesaïas voorzegd had : eene stem, des roependen in de woestijn; Ier eidt den weg des Heer en. (1) Hij wilde daarmede zeggen : ik hen van God gezonden, om de menschen op te wekken tot het ontvangen van den beloofden Messiasj ten einde zij zijne leer en prediking met vrucht aannemen. Daarom riep hij tot het volk ; doet boetvaardigheid; icant het rijk der hemelen, (de heiligmakende leer van den Messias) is nabij gekomen.
Zoo leerde deze heilige man niet alleen aan anderen boete doen, maar hij zelf was daarin een voorganger : hij leefde steeds godvruchtig, droeg een kleed van kemelshaar op zijn lichaam , en omgordde zich met eenen lederen riem; hij sliep onder den blooten hemel, at geene gekookte spijzen en dronk slechts water. Zijn prediken en zijn doopen werd deswege geroemd; zoodat allerhande soort van menschen uit het omliggende land tot hem kwamen, zich lieten doopen en hunne zonden beleden.
De Farizeërs en Sadduceërs kwamen ook, om van hem gedoopt te worden ; maar tot dezen zeide hij : gij slangen gebroedsel, zoo noemde hij hen, wegens hunne valsche gemoedsgesteldheid , gij slangen gebroedsel, wie heeft u gewaarschuwd te vluchten voor de toekomende gramschap, door het aannemen van mijnen doop? (2) Hij vermaande
1) Jesaïas XL. 2) Matth. Ill, 7.
18 Evangelie op den derden Zondag ieder in het bijzonder : tot het volk dat hem vroeg : wat zvllen rv j doen ? antwoordde hij : die twee kleederen heeft, geve er een aan dien er geen heeft; wie spijze heeft, doe insgelijks. Tot de tollenaars, die hem vroegen : Meester, ivat moeten wij doen ? zeide hij : ei-'cht niet meer dan het gene u van uwe overheid gesteld is. Tot de soldaten zeide hij : doet niemand overlast, noch onrecht aan : weest met uwen krijgsloon te vrede. (1)
Laat ons insgelijks de plichten van onzen staat elk voor zich degelijk betrachten en getrouwelijk volbrengen. Laat ons met Joannes boete doen en de gramschap Gods zoeken te ontgaan. Onderzoeken wij eiken avond, hoe wij den vorigen dag doorgebracht hebben, en laat ons voor het daarop bedreven kwaad boete doen, dan zullen wij door God den Heer niet gestraft worden. Denken wij dus : ik ben een Christen; dus moet ik christelijk leven; ik moet ootmoedig zijn, want ik ben slechts stof der aarde; ik ben een vreemdeling, en heb hier geene blijvende stad; mijne verkeering moet dus zijn in het huis des Hee-ren. Wij moeten ons leven inrichten naar den staat, waarin wij ons bevinden.
Leeren wij nog hieruit, dat wij ons steeds nederig gedragen en ons niet verheffen en groot maken; want den ootmoedigen geeft God genade , en hij wederstaat den hoovaardigen. Voorts moeten wij omtrent de armen barmhartigheid oefenen, hen van voedsel en deksel voorzien, opdat wij het aanstaande geboortefeest onzes Heeren met vrucht mogen vieren. Verder zegt het Evangelie :
1) Luc. III, 10 â 10.
1
ran den Advent. 19
,/ En die gezonden waren van de Farizeërs , â vroegen hem nogmaals en zeiden : Wat doopt // gij dan , indien gij nocli de Christus , noch â Mias, noch de Profeet zijt? Joannes .m t woord-,/ de hun, zeggende : ik doop in het water ; maar u hij heeft in het midden van u gestaan , dien .'/ gij niet kent. Hij is het die na mij komen // moet, die voor mij gesteld is : wiens schoen-u riem ik niet waardig ben te ontbinden. Deze // dingen zijn in Bethanië geschied, over de Jor-i, daan , waar Joannes doopte. quot;
Deze doop, waarvan Joannes spreekt, is niet het Sacrament des doops, hetwelk de Zaligmaker naderhand heeft ingesteld tot vergiffenis der zonden, maar alleen een teeken dier vergeving en vernieuwing, die door den doop van Christus aan bekeerde zielen gegeven wordt.
Mijn doop, zeide Joannes tot diegenen die tot hem gezonden waren, is slechts met water ; maar daar komt een machtiger dan ik, die zal u (hopen met den II. Geest. (1) De doop in den naam des Vaders, des Zoons, en des H. Geestes namelijk, waarbij men in het boek des levens opgeteekend en aangenomen wordt als een lidmaat van Christus Kerk, om tegen de wereld , den duivel en ons eigen vleesch te strijden. Daarom baat het den mensch niet, wanneer hij gedoopt is, indien hij zijn geloof niet uitoefent in goede werken, en indien hij zich niet bevlijtigt om alles uit den weg te ruimen, wat hem hinderlijk kan zijn tot de zaligheid. Willen wij tot de zaligheid komen, dan moeten wij trachten te leven naar
-
i) LBC. 111 : 16.
Ecanfielie o/; den derden Zondag de beloften, die wij bij onzen doop gedaan hebben , of die onze ouders in onze plaats gedaan hebben; waarin wij den ouden mensch afgelegd en den nieuwen mensch aangenomen hebben, waarin wij beloofd hebben. God den Heer boven alles te beminnen, en onze naasten als ons zelveti lief te hebben, en om barmhartigheid te oefenen aan de ellendigen en behoeftigen. Deze belofte nakomende, zullen wij daarvoor honderdmaal beloond worden, want Christus heeft gezegd : wat gij den minsten doet in mijnen naam,' dat doet
gij mij-
u Maar zegt Joannes, hij heeft in het midden eau u t) bh taan, dien gij niet kent. Hij is het, die na mij komen moet, die voor mij gesteld is; wiens schoenriem ik niet waardig hen te ontbinden. Zoo zijn er nog velen, die Hem (namelijk Christus) niet willen kennen, maar die Hij ook niet zal kennen in den dag des oordeels. Laten wij ons vernederen, gelijk Joannes, geringe gevoelens en geringe gedachten van ons zeiven hebbende ; opdat wij eenmaal eene vreugde mogen genieten , die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft; dan zullen wij ondervinden, dat die zichzelven vernedert, zal verhoogd v:orden.
g e b e ij
Heer Jesus Christus ! leer ons (jus zeiven kennen, en onze plichten behartigen. Geef dat wij oprechte boetvaardigheid oefenen, en het voorbeeld van Joannes mogen navolgen; geef dat wij ware vruchten der bekeering voortbrengen en het goede, dat wij in ons hebben , aan U toeschrijven en à daarvoor den lof en den dank toebrengen tot in eeuwigheid. Amen.
Vierde Zondag van den Advent.
Evangelie, Lucas III. : - 6.
,/ In liet vijftiende jaar der regeering van keizer u Tiherius, als Pontius Pilalus stadhouder was 7 van Judeë, en Herodes viervorst van Galileë, ,/ zijn broeder Philippus viervorst van Itutëe en het landschap Trachonetes, en likanias vier-,/ vorst van Ahileene : onder de. Hoogepriesters // Annas en Caïphas, kwarn het woord des flee-n ren op Joannes, zoon van Zacharins, in de ,/ woestijn.quot;
Bijna, door den ganschen tijd van den Advent, worden wij, door het voorhouden van het leven en de leer van Joannes den dooper, den waardi-gen voorlooper van Christus, vermaand en opgewekt; opdat wij daardoor des te beter kennis zouden hebben van den Zaligmaker, dien hij voorliep en wiens leer hij verkondigde Want, was de voorlooper, een zoo groot en waardig man, hoe veel grooter en waardiger moet dan de Heer en Koning zelf zijn, wiens voorbode hij was ! En daarom moesten destijds de onderdanen zich zoo veel te meer gereed gemaakt hebben, om hem met behoorlijke eerbiedigheid te ontvangen. Maar hij is in zijn eigen gekomen, en de zijnen, namelijk de Joden, hebhen hew niet ontvangen. (1) Hij komt evenwel nog dagelijks tot ons, tot de voleinding der wereld; ja hij blijft bij ons, doch
i
1) Jov.DTies: I. 11
22 Evangelie op den vierden Zondag
niet op eene zoo zichtbare wijze als Hij bij de maker
Joden was; maar onzichtbaar, namelijk : in het .nz.?..
heilig Sacrament des Altaars, en door zijnen hei- diglijk
ligen Geesten goddelijke genade, welke wij hopen ,s c'ez'
tegen den aanstaanden Hoogtijd deelachtig te wor- den
den. Zoo moeten wij dan zorgen, dat wij hem beter .
ontvangen dan toenmaals de Joden deden, waarom geznr
ons dan ook in dezen tijd zoo veel geleerd en voor- in eel
gehouden wordt van den voorlooper van Christus. val1 0
In het tegenwoordige Evangelie worden ons o113»
alle omstandigheden van de leer en vermaning gej^o
van Joannes opgegeven; zelfs met vermelding v0quot;lt;
van den tijd wanneer, en de plaats waar, name- daan
lijk : m het vijftiende jaar der regeering van ^en !
keizer Tiberius enz. hoam het ivoord des Heeren, 1S 1,1
de goddelijke inspraak tot Joannes, zoon van Luth
Zacharias in de woestijn. vroes
Doch het voornaamste waarop wij te letten f^e
hebben, is dat, dat hij geleerd heeft, waarvan
het Evangelie zeact : f111quot;6
. , , ondf
// En hij kwam in het land omtrent de Jor- (|aar
// daan, predikende den doop der boetvaardigheid, Ji
,/ tot vergeving der zonden, gelijk geschreven woei
,/ staat in het. boek der Woorden van den Pro- en 1
u feet Jesaïas: Eene stem des roependen in de 1
//woestijn, bereidt den weg des Heeren; maakt 111 // zijne paden recht. Alle dal zal gevuld en alle // berg en heuvel zal geslecht worden : en de // kromme wegen zullen recht en de oneffene we-,/ gen effen gemaakt worden. En alle vleesch
//zal de zaligheid Gods zien.quot; tot
Deze prediking was noodig, voor allen die ^
den nieuwen Koning, den Messias of Zalig- onl
van den Advent. 23
maker, zouden ontvangen. Ook voor ons, die denzelfdcn Koning in het H. Sacrament waardiglijk en tot onze zaligheid zullen ontvangen , is dezelve noodig; niet alleen op den aanstaanden Hoogtijd , maar zoo dikwijls wij aan de tafel des Heeren gaan. Wij moeten ook voorat gezuiverd worden door boetedoening, bestaande in een oprecht berouw, belijdenis en bekentenis van onze zonden, en in de vrijwillige volbrenging van hetgeen ons door den priester is opgelegd geworden. Zoo leeren wij, dat al het volk van Jeruzalem en Judeë omtrent de Jor-daan kwam, ten einde hunne zonden te belijden en zich van Joannes te laten doopen. Het is niet voldoende zijn leven te beteren , gelijk Luther leerde, maar men moet ook voor zijne vroegere en oude zonden boete doen, gelijk die van Ninivé, David, Mama Magdalena , Petrus, Paultjs, gedaan hebben. Zij die ons anders leeren willen, binden ons zachte kussens onder de ellebogen, en roepen ; vrede , vrede; daar er evenwel geen vrede is.
Joannes was de stem des roependen in de woestijn, gelijk dit nog alle wettige Priesters en leeraars zijn van den tegenwoordigen tijd ; zij roepen in de woestijn van deze wereld, waarin zoo vele onvruchtbare boomen staan, en waarvan Joankes zegt, dat zij uitgehouwen moeten worden. Joannes vermaande den hoo-vaardigen tot ootmoedigheid, den gieriger, tot het doen van werken der barmhartigheid, den onkuischen tot een eerbaar leven, den nijdigeu tot goedgunstigheid, den haatdragenden tot vredelievendheid, den gulzigen tot een matig leven; om dusdoende den weg des Heeren te bereiden
24 Evangelie op den vierden Zondag en zijne paden recht te maken. De weg des Hee-ren is smal en eng ; deze alleen leidt tot de zaligheid. Zoude intusschen iemand uit men-schelijke zwakheid zondigen, van den engen weg, het pad der deugd afwijken en op verkeerde en kromme wesren ronddwalen, die make zijne paden recht door boetvaardigheid te doen , en trachte weder op den rechten weg te komen , die ten leven leidt.
Alle dal, dat is de kleinmoedigheid en wanhoop, moet gevuld worden door de hoop en het betrouwen op de goddelijke genade; alle ierg en heuvel, dat is het hoovaardig betrouwen op onze rechtvaardigheid 7noeten geslecht worden, door eene nederige belijdenis onzer zonden en zwakheden; opdat gelijk destijds alle vleeheh , dat is alle mensch, de zaligheid Gods, namelijk den Zaligmaker der wereld, zonde zien. Dat wij het geluk mogen genieten, op den aanstaanden Hoogtijd, geestelijkerwijze, op nieuw in ons geboren te worden door zijne heiliginaken-de genade, en wij hiernamaals de eeuwige zaligheid Gods mogen aanschouwen.
Laat ons dan wel letten op de prediking van Joannes, den weg des Heeren bereidende en de paden recht makende; opdat onze Zaligmaker in ons kome huisvesten.
g e b k d.
ó. Zaligmaker der menschen! maak U eeneu bekwamen weg tot ons; wij zijn zwak en kunnen zonder uwe hulp en bijstand onze boosheden niet afleggen. Geef ons voor vleeschelijke liefde, zuiverheid; en voor hoovaardigheid , ootmoed ;
Op de Geboorte otizes Heer en. 25 help ons door uwen machtigen bijstand, en zend ons uwen geest, opdat die ons leere en leide , dan zullen wij kloekmoediglijk den rechten weg bewandelen, dien Gij ons doet voorhouden.
Op den Hoogtijd van de Geboorte onzes Heeren.
Evangelie, Lucas II 1 - I4-.
n Het geschiedde in die dagen, dat er een ,/ gebod uitging van keizer Augustus , dat men ,/ de geheele wereld zoude opschrijven. Deze i, eerste opschrijving is geschied, toen Cjrinns â stadhouder van Syrië was. Zij gingen dan allen, f, om zich aan te geven, elk in zijne eigene stad. â En Jozef trok op van Galileë uit de stad n Nazareth, naar Jvdée in Davids stad, die ge-// naamd wordt Bethlehem : dewijl hij van het 7 huis en het geslacht van David was, om zich u aan te geven met Maria zijne bruid, die ,/ zwanger ging. quot;
Volgens de voorzeggingen zoude onze Zaligmaker te Bethlehem geboren worden, wanneer het vrede over de geheele wereld was. De Ro-meinsche keizer Augustus liet een gebod uitgaan, dat men de geheele wereld, zoo verre hij zijne heerschappij had, tellen en opschrijven zoude : een ieder moest zich naar die plaats begeven, waar hij geboren was, waar zijne stamregisters bewaard werden; en wegens deze ver-
26 Evangelie op den Hoogtijd van ordening gebeurde het, dat Jozef en Maria., die te Nazareth woonachtig waren, zich naar Bethlehem begaven; om zich aldaar te laten opschrijven ; en konde de voorzegging, dat de Messias te Bethlehem zoude geboren worden , vervuld worden. Te Bethlehem was het destijds vol vreemdelingen , zoo dat Jozef en Maria nergens onder het dak konden komen, maar zich armelijk moesten behelpen in den stal van de Karanansera of openbare herberg. Zoo nederig en zoo armelijk moest de Moeder onzes Zaligmakers zich behelpen : en wij hebben geen recht, ons op eene handvol wercldsche goederen te verhoovaardigen !
// En het geschiedde, quot; zegt het Evangelie verder â als zij daar waren, dat de dagen vervuld ,/ werden , dat zij baren zoude. En zij baarde u haren eerstgeboren Zoon, wond hem in doeken // en legde hem in eene kribbe neder ; want er ;/ was voor hem geene plaats in de herberg. quot;
Aldus werd de voorzegging vervuld ; de dagen werden vervuld, dat Maria baren zoude, en zij baarde haren eerstgeboren Zoon : de Zaligmaker der wereld werd geboren ! Goddelijk wonder ! Engelen dalen neder om hem te aanbidden ! De lucht weergalmt van lofzangen : eer zij God in het allerhoogste ! vrede op aarde! Eeuwige Alleluja's worden er gehoord ! Knielt, menschen kinderen ! ook voor u, die gelooft, is Hij op aarde verschenen. Dankt en aanbidt Hem. Alleluja!
Daar ligt de Zaligmaker, de Heer der wereld , in eene ellendige krib, in de grootste behoefte, zonder eenig gerijfelijk gemak. En voor wie kwam
de geboorte onzes ILeeren. il
Hij in dezen toestand ter wereld? Voor wie verachtte Hij de paleizen der Koningen? Voor het verdorven menschengeslacht! Voor nietige Adams kinderen ! Met geene zachte sluiers omwonden, op geene fluweeleu kussens nedergelegd, lag Hij daar slechts in gemeene doeken gewonden, in een beestenkrib neder, om ons de nederigheid te leeren. Laat ons dus niet aanstonds klagen en moedeloos worden, al moeten wij eenen moeielijken weg afleggen, al zijn onze kleederen van eene grove stoffe; al is onze spijs niet altijd aangenaam en lekker! En gij rijken, die overvloed hebt, denkt aan uwe medemenschen en natuurgenooten, wanneer gij iien honger en dorst ziet hebben; wanneer gij hen naakt ziet en ellendig lijden; opdat uw hemelsche Vader zich uwer ontferme in den dag des oordeels !
Werd de Zaligmaker dan in armoede geboren , zoo zullen wij daaruit leeren , om de rijkdommen en grootheden dezer wereld te verachten , en de ware hemelsche rijkdommen zoeken te verwerven, namelijk die goederen, welke nimmer door mot of roest verteerd worden en welke geene dieven stelen kunnen. Hier vinden zij, die niet rijkelijk met wereldsche schatten bedeeld zijn, eene rijke vertroosting; terwijl de rijken en machtigen der aarde hier nederigheid leeren , en hoe zij van hunnen overvloed zullen mededeelen aan hunne verarmde broeders en natuurgenooten, die nood lijden, floe vernederd nochtans alle omstandigheden bij de geboorte schenen, liet God echter niet na, om door treffend wonderlijke voorvallen de goddelijkheid van dit wonderkind te vertoonen. Daarom zegt het Evangelie :
28 Evangelie op den Zondag
u En daar waren herders in die landstreek , ,/ die zich in het veld ophielden en de nacht-// waak waarnamen over hunne kudde. En zie, // daar stond een Engel des Fleeren bij heu, en v Gods helder licht omscheen hen, en zij werden n met. eene groote vrees bevangen. Doch de //engel zeide hun : vreest niet; want ziet, ik // breng u eene blijde boodschap, die tot groote h vreugde zal zijn voor al het volk; want heden // is u de Zaligmaker, welke Christus de Heer // is, in de stad van David, geboren. En dit zal // u tot een teeken zijn ; gij zult het kind, in // doeken gewonden, vinden liggen in de krib. // En terstond kwam er bij den Engel eene //menigte van het hemelsche heer, die God // loofden en zeiden ; glorie zij God in het al-// lerhoogste, eu op aarde vrede, den menschen // van goeden wille. quot;
Op zulk eene plechtige wijze wilde God de geboorte van zijnen geliefden Zoon bekend maken. De Engelen daalden neder in Betklekems velden en verkondigden den herderen, die daar de wacht bij hun vee hielden, de geboorte van Jesüs. Zij brachten de gewenschte tijding, dat de lang beloofde Messias te Bethlehem geboren was; tevens daarbij voegende, hoe zij hem als een kind zouden vinden liggen in eene krib.
Zoo zond ons dan de liefderijke Hemelvader eenen Verlosser ! heugelijke tijding ! Wij, door Adams val verloren, eeuwig ter helle gedoemd, kregen door den Verlosser genade. Welk heil,
van de geboorte omes Heer en. 29 welke zegen! Maar tevens welke uitnemende liefde van God jegens de menschen, bleek in dit werk der verlossing ! Jesus, de eeniggebo-ren Zoon des Vaders, daalt op aarde neder en wordt menscli, om zondaren zalig te maken, om weder te zoeken, dat verloren was. Juichen wij met de menigte hemelsche heerlegers, met de Engelen, die boven BefMehems velden God loofden en zongen : eer z'j God in het aller-hoogste! Welke dankbaarheid zijn wij den Heer Jesus niet verschuldigd ! Met welke liefde moeten wij hem niet aanhangen ! Doch de dankbaarheid bestaat niet enkel in woorden , maar voornamelijk in daden : in het uitoefenen der werken van barmhartigheid en andere deugden. Laat ons ootmoedig, vredelievend en eensgezind zijn onder elkander, dati is Jesus ook voor ons uit den hemel op aarde nedergedaald; dan zullen wij als menschen van goeden wille vrede hebben.
g e b k i).
Liefderijke Jesus, die uit de allerootmoedigste dienstmaagd Maria geboren zijl, en zoo in eenen nederigen staai de menschheid hebt aangenomen : laat ons van U nederigheid leeren ; geef dat wij steeds een heilig leven leiden en geestelijk herboren worden , en dat wij uwe liefde jegens ons met wederliefde vergelden. Amen.
Op den Zondag na Kersdag.
Evangelie, Lucas II: 33 - 40.
I
u En Jozef en Maria waren verwonderd over deze dingen, die van Hem gezegd werden. En // Simeon zegende Hem, en zeide tot Zijne moeder // Maria: zie, dit kind is gesteld tot val en tot // opstanding van velen in Israël, en tot een tee-;/ ken, hetwelk zal tegengesproken worden. Ja, // daar zal ook een zwaard door uwe ziel gaan : // opdat de gedachten van vele harten mogen // ontdekt worden.quot;
Zoodra Gods Zoon de menschheid had aangenomen, kwamen de herders naar Bethlehem, om te zien wat daar geschied was. Zij verhaalden aan Maria, de Moeder van Jesus, en aan Jozef, wat zij gehoord en gezien hadden; waarover deze zich zeer verwonderden, gelijk mede over hetgene er kort daarna met de drie Koningen en den ouden Simeon voorviel, volgens van het Evangelie.
Zoo zullen wij insgelijks heilig nadenken over de wonderen welke God gewrocht heeft: hoe God de Heer de aarde met alles wat er bestaat, uit een enkel niet geschapen heeft en dezelve noir dagelijks onderhoudt; dat de almachtige God, wien millioenen engelen dienen, zich zoo zeer heeftwil-len vernederen, dat Hij om onzentwil de menschheid heeft aangenomen, eti uit de maagd Maria geboren is, om ons zondaren zalig te maken. Op zoodanige wijze behoort een oprecht Christen dikwijls over Gods wonderen na te denken; om zich
Op den Zondag na Kerstdag. 31
al meer en meer van de wereldsche begeerten af te trekken en God steeds vuriger te beminnen.
Simeon zegende Jozev en Mama, en zeide tot de laatste : Zie, dat hind is gesteld tot val en tot opstanding vun velen in Israël, enz. Tot val zoude onze Zaligmaker zijn diegenen, die in hem niet zouden gelooven: doch tot opstandino diegenen, die in Hem als den waren Messias gelooven zouden. Onder de duizenden, wien het Evangelie verkondigd wordt, zullen er velen zijn, die zich verharden, naar hetzelve niet hooren en zoo door eigen schuld in hun verderf loopen; terwijl velen, door de leer van het Evangelie aan te nemen, behouden zullen worden, daar deze aanneming hun znl dienen tot opstanding en ,iet eeuwige leven.
Gelijk in eene school, waar luie en onoplettende en wederspannige leerlingen aan hun eigen verderf werken, terwijl vlijtige, brave en gehoorzame kinderen hun geluk bevorderen, zoo is het ook met de Kerk, met hare ledematen. O, gij onverstandigen, die niet naar de vermaningen en waarschuwingen uwer leeraars en onderwijzers hoort, wat zal het te zeggen zijn, wanneer uw eigen geweten u zal beschuldigen. Bid dan God om genade, en dat Hij u op den rechten weg brenge. En gij, die de stem van uwen Herder hoort, dankt God den Heer.
Voorts, bidt voor elkander, zegent elkander ; God schenke u vrede. God zegene u : dit moeten uwe wenschen zijn, dan zult gij weder gezegend worden, en met de maat waarmede gij anderen meet, zal men u weder uitmeten; doch
gedachten, de schijnheiligheid en valsche rechtvaardigheid , van velen zullen ontdekt worden. Het Evangelie zegt verder :
o 2 Op den Zondag.
,/ Daar was ook eene profetesse Anna, eene u dochter van Phanuel, uit den stam van Asser, n die nu op hare dagen gekomen was, nadat zij // zeven jaren van haar maagdom met haren man u geleefd had. Zij was nu weduwe geweest tot n haar vierentachtigste jaar, en ging niet van den n tempel, God dienende dag en nacht met vasten // en bidden. Deze dan terzelfder uur daar bij n komende, loofde ook den Heer en sprak van ,/ Hem, tot allen, die de verlossing van hraël u verwachtten. quot;
Zoo vastte en bad de godvruchtige Anna in den tempel te Jerusalem; ook zij had het geluk het kind Jesus te zien; zij loofde den Heer en sprak van Jesus tot allen die den Messias wachtende waren. Zoo zullen wij Jesus door deugden eeren. Hem met hart en mond belijden voor de menschen, en toonen, dat wij ware Christenen zijn; opdat de Heer ons ook niet verloo-chene in den dag des oordeels.
,/ Als zij nu alles naar de wet des Heeren vol-â bracht hadden, keerden zij weder naar Galilea n in hunne stad Nazareth ; het kind wiesch aan u en werd gesterkt, vervuld met wijsheid, en de âgenade Gods was in hem.quot;
Nadat Jozef en Maria hun Kind in den tempel hadden opgedragen, volgens de wet des Heeren, keerden zij weder naar hunne woonplaats; Zij hadden nu alles wat vereischt werd te Jerusalem volbracht, en beijverden zich, teruggekeerd zijnde, alles te volbrengen, wat hun nog te doen stond. Hun kind Jesus groeide voorspoedig op
na Kerstdag. 33
en nam dagelijks toe in wijsheid en kennis, en Gods genade was zichtbaar met Hem. quot;Voorzeker, al wie zijne pogingen aanwendt, om zijne plichten te vervullen, om wijs en deugdzaam te worden, en daartoe God om zijnen bijstand en genade smeekt, zal denzelven ook ontvangen. Zoekt derhalve eerst het Koningrijk Gods en zijne gerechtigheid, en het andere zal u toegeworpen worden. Ach ! of alle kinderen zulken lof mochten verdienen, dat ze geprezen konden worden ter oorzake van hunne wijsheid en deugd; doch helaas! velen groeien op in ondeugd, in domheid en losbandigheid. Yelen beschouwen de scholen en kerken als gevangenissen en de leeraars als gevangenbewaarders. Maar zij zullen het zich te laat beklagen , de liefderijke raadgevingen en vermaningen hunner ouders, leeraars en onderwijzers, versmaad en niet aangehoord te hebben ! De knagingen huns gewetens zullen grooter zijn dan tienduizend dooden te sterven. Bidden wij God, dat Hij ons en onze kinderen in den rechten weg zijner geboden houde.
g e b e d.
Kom, Heer.TESus, zuiver onze harten, opdat wij (J met den rechtvaardigen Simeon mogen omhelzen, en niet uit deze wereld scheiden, voor dat wij U met de oogen des verstands gezien hebben ; want Gij zijt het verlangen, de liefde en het leven van hen, die U verwachten. Amen.
Op den feestdag der Besnijdenis onzes Heeren.
( Nieuwjaarsdag.)
Evangelie, Lucas II. 21.
u Eu nadat de acht dagen vervuld waren, dat // het kind Jeans zoude besneden worden , zoo â werd zijn naam Jesus genoemd, welke van den // engel genoemd was, aleer hij in het lichaam ,/ was ontvangen. quot;
Dit Evangelie is kort, doch bevat in zich schoone verborgenheden en belangrijke zaken : het spreekt van de besnijdenis onzes Heeren.
Om dezen tekst te verstaan, moet men weten , dat God in het oude Testament geboden had, dat alle zonen op den achtsten dag moesten besneden worden; dit moest dienen tot eeiv teeken des verbonds, hetwelk Hij met zijn volk, en bijzonder met Abraham, den stamvader der Joden, gesloten had, waardoor God aan Abraham beloold had, dat Hij hem tot eenen God zonde zijn, hem bijzonder zoude zegenen en beschermen, en dat uit zijn geslacht den Verlosser der wereld zoude geboren worden. Daarentegen verbond Abraham zich met al zijne nakomelingen, Gods geboden te zullen nakomen en de eer zijns naams voor te staan en te belijden.
Wij gelooven dan dat God zijne belofte aan Abraham vervuld heeft, door zijnen Zoon ia de wereld te zenden, in wien alle geslachten der aarde zullen gezegend worden. Hij is, volgens
Ev. op den feestd. der besnijden, onz. Heer en. 85 het Evaiigelie, op den achtsten dag besuedeii geworden, en zijnen naam werd genoemd Jesus, dat is Zaligmaker. Door deze besnijdenis werden de kinderen, gelijk thans dcor den doop, tot de kinderen Gods en der Kerk aangenomen. Uit diepe nederigheid onderwierp zich Jesus aan de wet; ofschoon Hij daaraan niet gebonden was , vermits Hij zelf diegene was, welke Abraham de belofte gedaan had.
Herinneren wij ons hierbij aan onzen doop, waarbij wij in het boek des levens zijn opgetee-kend geworden, om godvruchtig, matigen deugdzaam te leven in de tegenwoordige wereld, verwachtende de zalige komst onzes Zaligmakers, die zich voor ons in den dood heeft begeven; opdat ITij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid en voor zich zeiven een heilig volk zoude verzamelen. Herinneren wij ons hierbij aan den nieuwjaarsdag, en vatten wij een nieuw voornemen op , om onze goede voornemens en beloften te vernieuwen en ons gedrag te beteren. Want, misschien komt de Heer dit jaar ons van de aarde wegnemen; dat Hij ons dan bereid vinde. Steunen wij niet op onze krachten en gezondheid, het kan zoo spoedig veranderen; geen jaar, geene maand , geen dag, ja zelfs geen uur zijn wij van het leven zeker. Aan duizende gevaren en ongelukken zijn wij blootgesteld, dit leert de dagelijksche ondervinding. Laat ons altijd op onze hoede zijn : de dood komt eenmaal zeker, en de tijd wanneer is ongewis. Leven wij zoo, als of ieder uur het laatste, van ons leven ware : bidden wij daarom den Heer Jesus, dat Hij ons door zijn bloed , bij de.besnijding gestort, reinige, opdat wij, van zonden gereinigd, pan God welbehagelijk mogen
o6 Evanqelie op den leestdag
zijn. Werken wij vau onzen kant daartoe mede ; verlaten wij alle verkeerde wegen, vlieden wij alle gierigheid, hoo vaardigheid, achterklap, haat, nijd en goddeloosheid. Besnijden wij ons hart van onzuivere gedachten, onze tong vau kwaadspreken, onze ooren, dat zij naar geene verkeerde redenen luisteren, onze oogen van geene ijdelheden te zien , en onze handen van onrechtvaardigheid. Aldus van hart en zinnen besneden zijnde, zullen wij aan God aangenamer zijn, dan als of wij naar de Joodsche wet besneden waren. Zulk een besnoeide wijngaard zal schoone vruchten der bekeering voortbrengen. Wij hebben door den doop, die in de plaats der besnijdenis gekomen is, den Heere Jesus Christus aangedaan, enden duivel en de wereld verzaakt. De naam onzes Zaligmakers zal ons heilig en bevorderlijk zijn, wanneer wij dien in den nood aanroepen.
God is getrouw en zal zijne belofte aan ons vervullen. Wat zal het troostelijk zijn in den dag des oordeels, gerekend te worden onder het getal der uitverkorenen; maar hoe verschrikkelijk moet het in de ooren klinken, wanneer Christus tot hen, die zijne geboden ongehoorzaam geweest zijn, zal zeggen : ik hen u niet , gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eev -ivige vuur. Hunne namen zullen uit het boek des levens weder uitgeschrapt worden ; dewijl zij onnutte dienaars waren.
Bidden wij God om zijnen bijstand; want Christus heeft ons beloofd cn toegezegd ; wal gij den Vader zult hidden in mijnen naam , dat zal hij u geven. Alles wat gij zult doen, hetzij
der lemijtlenis omes Heer en -37
bidJen of danken, eten drinken of werken, doet het alles ter eere Gods en in den naam van Jesus : in den naam van Jesus zullen worden gelogen alle knieën der genen, welke in den hemel, op de aarde of onder de aarde zijn. (1) Daarom buigt de priester iedere keer zijn hoofd, als hij onder de Mis, Predicatie of het lezen van het Evangelie dien heiligen Naam noemt.
Hoe verkeerdelijk handelen zij derhalve, die dezen heiligen naam Jesus lasteren en ijdelijk gebruiken, gelijk men ook in de tien geboden zien kan; want er staat : gij zult den naam ran den Heer uwen God niet ij del aanroepen. Hoe velen misbruiken denzelven schandelijk! Wat is gewoonlijker onder ouders en kinderen, dan bij de nietigste gesprekken of verrichtingen dikwijls te zeggen, o Jesus! o God! o Heer! Bij elke verwondering die zij te kennen geven, brengen zij deze namen te pas. Mochten de ouders die zulks doen, zich laten waarschuwen ; mochten zij hunne kinderen , wanneer die zulks deden, daarover berispen; want van ieder onnut woord zal rekenschap gegeven worden in den dag des oordeels! Yelen ontschuldigen zich daarmede, dat zij zulks doen zonder het zelf te weten. Maar zal hun dit baten? Waarom wennen zij zich zulke leelijke gewoonten aan ? Spreek alzoo dien naam nooit uit dan met eerbied, dan zult gij in leven en sterven daarin troost vinden. Gij zult daardoor alle bekoring weerstaan kunnen, en zoo aan het einde uwer loopbaan met vertrouwen kunnen zeggen : Jesus! in uwe handen beveel ik mijnen geest. Bidden wij om deze genade in het volgende.
(1) Philip. 11 ; 19.
Evanyelie op den Feestdag
GEBED.
O Jesus, die U uit ootmoed en liefde jegens ons, aan de pijnlijke wet der besnijdenis hebt onderworpen : geef dat wij uit dankbare wederliefde, ons gaarne en ootmoedig onderwerpe;-aan uwe heilige wetten en geboden. Laat uw heilige Naam, o Jesus, ons altijd heilig zijn; d::t wij dien nooit misbruiken, nooit ontheiligen , maar dat hij ons strekke tot hulp in den nood, troost in verdrukking, sterkte in den strijd, en in de uur ouzes doods, dan zij hij onz laatste hoop en vertroosting. Amen.
Op het feest van de Heilige Drie-Koningen.
Evangelie, Maïtheüs II : 1-12.
â Als nu Jesas geboren was te Bethlehem i;i ,/ Judée, ten tijde van den koning Herodeh, ziet , v zoo kwamen de Wijzen uit het Oosten te Je-I/ ruzalem, vragende : waar is de Koning der // Joden; die geboren is ? want wij hebben zijne // ster in het Oosten gezien, en zijn gekomen om // hem tc aanbidden.quot;
Toen dan de Zaligmaker der wereld te Beih-lehem in den stal geboren en aldaar in eene krib nedergelegd was, als een verschoven kind, zorgde God echter, dat. zijne geboorte niet alleen aan de herders in Bethlehems velden, maar ook aan drie Wijzen, bekend onder den naam van
38
van de heilige Drie-Koningen. 39 do If. Drie-Koningen, bekend werd. Deze Wijzen, in de sterrekunde ervarene mannen, werden van deze heugelijke mare, van de geboorte des Zaligmakers, verwittigd, door eene buitengewone ster, die zij aan den hemel waarnamen, en, van Jesus geboorte onderlicht zijnde, rustten zij zich toe tot de reis, om den nieuwgeboren Koning te zoeken en te vereeren.
Geene betrekkingen van bloedverwantschap, geene verkleefdheid aan hun vaderland, geene moeielijkheden der reis, niets konde hen van hun voornemen afschrikken. Mochten wij ons insgelijks door niets laten weerhouden, wanneer wij in ons eenen aandrang gevoelen, om eene goede daad te verrichten, om, wanneer wij tot het vervullen van onzen plicht geroepen worden, ons daarvan getrouwelijk te kwijten. Mochten wij ons verder beijveren, om het kind Jesus te zoeken, en dien gevonden hebbende, die ons zalig kan maken , Hein niet weder laten gaan , maar Hein vasthouden, door al onze plichten getrouwelijk te vervullen; door Hem lief te hebben boven alles, en aan onzen naasten te doen, wat wij zouden wenschen dat men ons dede.
De Oostersche Wijzen of de Drie Koningen dan, richtten hunnen weg eerst naar Jeruzalem, de hoofdstad, en vroegen daar, volgens het Evangelie : â waar is de Koning der Joden, die geboren is ? want wij hebben zijne ster in het Oosten gezien, en zijn gekomen ; om Hem te aanbidden. quot;
Hunne ondervraging te Jeruzalem naar den nieuwgeboren Koning, verwekte bij den Koning Herodes eene groote ontsteltenis, want :
40 TSvangelie op den Feestdag
n ïoen Herodes, de Koning, dit hoorde, werd z/hij ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem. // En hebbende alle Opperpriesters en Schrift-// geleerden des volks zamen vergaderd, onder-// zocht hij van hen, waar de Christus zoude ge-// boren worden. Zij zeiden hem : te Bethlehem, i/ in Judêe; want zoo is er door den Profeet ge-// schreven : en gij Bethlehem, land van Judée, // zijt geenzins de minste onder de hoofdsteden ; // want uit u zal de vorst voortkomen, die mijn // volk Israel bestieren zal.quot;
De Drie-Koningen binnen Jeruzalem gekomen zijnde en verhalende wat hun gebeurd was, zoo werd Herodes verschrikt en ontroerd ; want hij vreesde, dat deze nieuwgeboren Koning hem van den troon stooten zoude, en dat alzoo zijne nakomelingen mede van het koningschap mochten verstoken worden. Hij wilde dit voorkomen en was op middelen bedacht, die hem van zijnen troon konden verzekeren. Maar waar was die Koning der Joden ? Hiernaar wilde Herodes eerst onderzoek doen, en tot dat einde liet hij den Hoogen Raad bijeen roepen : deze toonde hem, uit de voorzeggingen der Profeten, dat de Christus te Bethlehem in Judée zoude geboren worden.
Even als het hier Herodes ging, even zoo gaat het alle tirannen; zij leven onophoudelijk in de vrees, en de middelen, welke zij aanwenden om deze te verzetten, maken hen des te vreesachtiger; want zij vertrouwen niemand ; de braven vergenoegen zich met zuchten en hunne wreedheden te ontgaan , terwijl de on-
van de heilige Brie-Koningen. 41 (leugenden alle middelen in het werk stellen, om hun leven te doen eindigen. Ongelukkigen, die uw geluk zoekt in het ongeluk en de verdrukking van anderen! Be vleiers van zulke dwingelanden hebben nog meer te vreezen; zij vreezen en hunnen afgod en de onderdanen des lands , wanneer de eerste eenmaal van den troon gebonst word. Zoo waren ook de aanhangers van Herodes mede ontroerd, omdat zij hunne ambten vreesden te verliezen, wanneer hun Koning onttroond zoude worden.
Verder leeren wij uit den tekst, dat wij , om de waarheid te vernemen , ons moeten vervoegen bij de leeraars der Kerk, ofschoon zij ook somtijds gebreken hebben; want hun is de verkondiging des Evangelies aanbevolen, en zij blijven, zoo lang zij hier op aarde zijn , altijd menschen , dat is ; aan gebreken en zwakheden onderworpen.
Herodes, met de Schriftgeleerden gesproken hebbende, zocht nu van de Wijzen te vernemen, wanneer de tijd der geboorte , en wanneer de ster hun verschenen was.
it Toen riep Herodes de Wijzen in het hei-// melijk, en vernam naarstiglijk van hen naar // den tijd, dat de ster hun verschenen was. // En hen naar Bethlehem zendende, zeide hij; â / Gaat henen, onderzoekt naarstiglijk naar het // kind; en als gij het zult gevonden hebben , // boodschapt het mij, opdat ik ook hetzelve v kome aanbidden.quot;
Het gedrag van Koning Herodes was niet
42 Evanyelie op den Feestdag
ter goeder trouw , neen, uit een kwaad hart en Imicheleude, ondervroeg hij de Wijzen : hij was niet voornemens dit Kind te aanbidden , maar hij wilde het hebben laten doodeu , gelijk hij naderhand toonde, toen hij de onschuldige kinderen te Bethlehem liet ombrengen , in de hoop dat ook Christus onder dezen mocht gevonden worden. Mochte zulk een huichelaar onder ons niet gevonden worden ! Hoe velen komen er echter ter kerke in schijn van Jesus te aanbidden , en die hem, als het ware, in hun hart doodeti. Welk een gruwel! Gave God dat zulks niet dikwijls gebeurde!
// Als zij den Koning gehoord hadden, gingen â zij henen. En zie, de ster, welke zij in het f, Oosten gezien hadden , ging voor hen , tot // dat zij komende boven de plaats waar het â Kind was, bleef staan. Als zij nu de ster // zagen , waren zij verheugd met eene groote ,/ blijdschap. En in het huis komende, vonden // zij het Kind , met Maria zijne Moeder , en t, nedervallende hebben zij liet aangebeden : en z/hunne schatten geopend hebbende, droegen // zij hem tot geschenken op : goud , wierook // en mirre. In den slaap vermaand zijnde, // dat zij niet weder zouden keeren tot Reroclet, // zijn zij door eenen anderen weg weder naar ,/ hun land gereisd.quot;
Deze Wijzen, die reeds eenen zoo verren weg getogen waren, zetten hunne reis verder voort, toen zij met Herodes gesproken hadden. Zoo moeten wij ook steeds aanhouden met bidden,
van de 11. Drie-Koningen. 43
vasten en boete doen ; wij moeten nimmer verflauwen, maar meer en meer ons best doen om o]) den weg der gennde voort te wandelen. â De ti Wijzen gingen henen, zegt het Evangelie , en ,/ de ster die zij in liet Oosten gezien hadden, ging // voor henquot; en werden daardoor naar Bethlehem geleid, waar zij boven den stal, waar Jesus iu eene krib was nedergelegd, bleef staan, zij traden er binnen, en vielen ter aarde om dit goddelijk Kind te aanbidden. Stellen wij ons deze Wijzen in den stal voor, waar Jo/.Er en Maria met hun nieuw geboren Kind waren. Welke vurige aanbidding van de eene, en welke verwondering van de andere zijde. Sprakeloos dankten de Wijzen den Almachtigen en lagen daargeknield voor Jksus in de vurigste aanbidding ! Verbazing en verwondering grepen Jozef en Maria aan, toen zij deze doorluchtige personen tot zich zagen naderen in dezen ellendigen beestenstal, waar zij in de grootste armoede verkeerden. De drie Wijzen of Koningen gaven vervolgens de geschenken, die zij hadden medegebracht, bestaande in goud, wierook en mirre. Vervolgens vertrekkende, werden zij des nachts in den slaap, waarschijnlijk door eenen engel, gewaarschuwd, dat zij niet denzelfden weg terug zouden keeren, opdat Herodes geene tijding aangaande den nieuwgeboren Koning zoude ontvangen.
Leeren wij uit dit Evangelie, om met even zulke aandacht Jesus te aanbidden, te verheerlijken en bijzonder in de kerk. Toonen wij onze hartelijke Godsvereering door daden en woorden ! Laat ons geloof, onze hoop en liefde steeds aanwassen , en wandelen wij waardig der beloften van Christus, dan zullen wij, door de ster des Evangelies
44 Evangelie op den eerden Zondag voorgelicht, in de gewenschte haven hierboven aanlanden en daar eeuwig Alleluja zingen.
GEBED.
Verlicht ons, o Jesus, door de ster uwer genade : klaar de duisternissen in ons op; geef ons volkomen kennis van onze verkeerdheden , opdat wij uwe Majesteit naar waarde mogen opofferen goud eener oprechte liefde, wierook van een aandachtig en vurig gebed, en mirre van boetvaardigheid ; dan zullen wij, op den weg der waarheid en der genade voortwandelende , U eenmaal aanschouwen in den hemel der hemelen. Amen.
Op den eersten Zondag na Drie Koningen.
Evangelie, Lucas II : 42- 52.
â Toen JesuH dan twaalf jaren oud geworden â was, zijn zij, volgens gewoonte van den Hoog-â tijd, opgetrokken naar Jeruzalem ; en als zij ,, wederkeerden, nadat de dagen geëindigd wa-â ren, zoo bleef het kind Jesus te Jeruzalem , â zonder dat het zijne ouders wisten die, niee-â nende dat hij in het gezelschap was, eene dag-â reize deden en hem zochten onder de bloed-â verwanten en bekenden ; maar hem niet vin-,, dende, keerden zij weder naar Jeruzalem, om â hem te zoeken. En het gebeurde na drie dagen â dat zij hem in den tempel vonden, zittende in het
na Driekoningen. 45
â midden der leerareu, heu lioorendeen ondervra-,, gende. En allen die hem hoorden , stonden ver-â stomd over zijne wijsheid en antwoorden. En als â zij dit zagen stonden zij verwonderd.quot;
Volgens de wet van Mozes, waren de Joden verplicht driemaal in het jaar naar Jeruzalem te reizen, en daar in den prachtigen tempel den Al-machtigeteaanbidden. JozEFen Maria dan waren ook tot dat einde uit Nazareth naar Jeruzalem getogen en hadden Jesusmede derwaarts genomen.
Hier geven zij ons een voorbeeld , om de geboden Feestdagen in den dienst van God door te brengen : God den Heer alsdan te danken voor zijne weldaden en te smeeker. om zijne zegeningen. Wij mogen de Feestdagen niet in dartelheid en wellust doorbrengen; wam; daardoor ontheiligen wij dezelven en overtreden het derde gebod. Vele ouders geven hierin het voorbeeld aan hunne kinderen; maar zij, die het voorbeeld van Jozkf en Maria volgen en hunne kinderen reeds vroegtijdig mede ter kerke nemen, zullen daarvan de goede uitwerkselen ontwaren. Buig het boompje terwijl het nog jong is, o ouders ! want die zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, zegt Salomon. Uwe kinderen zullen u dank zeggen, wanneer zij tot waardige leden in de maatschappij zijn opgevoed, en met blijde verwachting te ge-moet zien, dat zij eenmaal tot hemelburgers zul len aangenomen worden.
Toen Jozef en Maria weder terugkeerden , vermisten zij Jesus, nadat zij eene dagreis hadden afgelegd. Dit was niet, dat zij geene zorg voor hun kind gedragen hadden of droegen, maar zij, de wijsheid van Jesus kennende, dachten, dat
46 Evangelie op den derden Zondag Hij zich bij eenige bekenden gevoegd had; zij vonden het niet noodig, oin gestadig een waakzaam oog op hem te houden. Des avonds aan hun nachtverblijf gekomen zijnde^ vroegen zij langen tijd naar Hem; doch vonden Hem niet. In de grootste ongerustheid keerden zij naar Jeruzalem. terug, om hem te zoeken.
Met zulke bezorgdheid en angst, zullen de ouders hunne kinderen bewaken; zoo bekommerd zullen zij over hen zijn. Ouders ! gij moet voor het tijdelijk en eeuwig welzijn uwer kinderen zorg dragen. God zal hen van uwe handen eischen, wanneer zij op verkeerde wegen geraken en in hun verderf loopen. Gij moet zorgen, dat zij niet gansche nachten met kwade gezelschappen in de groote gelagen zitten spelen en drinken. Hoe kunt gij gerust gaan slapen, wanneer een of meer uwer kinderen nog buiten's huis in groot gevaar zijn van te zondigen? Zoudt gij dit wel doen, wanneer uwe koe of uw paard verloren was? Zijn zij dan niet meer dan deze? Hoe zult gij op zaligheid hopen kunnen, wanneer gij het zielenheil uwer kinderen, zoo willens en wetens verzuimt ? Nadat Jozef en Maria vlijtig gezocht hadden, vonden zij Jesus weder. Zij vonden Hem zitten in eene der leerscholen in den tempel, te midden der leeraren, welke Hij wijze vragen voorstelde; zoodat allen zich over Hem verwonderden.
â En als zijne ouders dit zagen, stonden zij â verwonderd. En zijne Moeder zeide tot hem : â Zoon, hoe hebt gij aldus met ons gedaan ? Zie , ,, uw vader en ik zochten u met droefheid. Hij ant-â woordde hun ; waarom zocht gij mij ? wist gij
na Drie-Koning en. 4.7
â niet dat ik met de dingen, die mijnen Vader ,, aangaan, moet bezig zijn? Doch zij verstonden â niet hetgene hij tot hen zeide. En hij trok met â hen af, kwam te Nazareth, en was hun ouder-â danig. En zijne Moeder bewaarde al deze din-â sen in haar hart. En Jems nam toe in wijsheid , âinjaren en in aangenaamheid bij God en bij â de menschen.quot;
Niet alleen waren Jozef en Maria verheugd over liet wedervinden van hun Kind, maar ook verwonderden zij zich, over hetgene zij van Hem hoorden. Zijne Moeder Hem vragende: Zoon, hoe hebt gij aldus met ons gedaan, waarom hebt gij ons dus beangst ? zoo antwoordde Hij : wist gij niet, dat ik mij met de dingen mijns Vaders moet bezighouden? Hij zocht hen verder te troosten en ging vervolgens gewillig mede. Ik ben , wilde Jesus zeggen, in de wereld gekomen tot 's menschen heil en zaligheid, om hen te leeren en te helpen. De Zoon des menschen was gekomen om te dienen, en van daar die gehoorzaamheid, die onderwerping aan zijne ouders. Zoo zullen alle kinderen aan hunne ouders gehoorzaam zijn en uit Jesus gedrag onderwerping leeren. Leert hieruit, kinderen, uit het voorbeeld van den Zaligmaker, hoe gij bereidvaardig aan uwe ouders moet gehoorzamen. Met allen ijver moet gij datgene wat uwe ouders u gebieden, verrichten. Goddelijke en menschelijke wetten verplichten u daartoe niet alleen, maar God belooft u ook een lang leven, wanneer gij uwe ouders eert en gehoorzaamt. Maar helaas ! vele kinderen doen het tegendeel; zij gehoorzamen of in het geheel
48 Evangelie op den tweeden Zondag niet j of doen het met tegenzin , morrende en niet naar behooren. Zij spreken hunne ouders tegen en gaan soms nog verder. Weet, gij booze kinderen, dat â die zijnen vader of zijne moeder veracht, diens lamp zal uitgebluscht worden in de duisternis.quot;
Het goede, dat wij gehoord hebben, zullen wij, naar Maria's voorbeeld, in onze harten overleggen, om ons daarnaar te gedragen. Wij zullen verder, als Jesus, toenemen in wijsheid, meer en meer de vruchten des geloofs in ons vertoonen ; opdat wij aan God en aan de men-schen welbehagelijk mogen worden.
GEBED.
o, Zoon van den levenden God ! geef dat wij naar U verlangen en naar U met naarstigheid zoeken; dat wij, ü gevonden hebbende, U trachten vast te houden, door uwe leeringen op te volgen. Geef dat wij onze zonden geheel en van harte verfoeien en U meer en meer aanhangen, U meer en meer onderworpen zijn, en zoo doende gehoorzame kinderen worden van het hemelsch koningrijk, waar Gij alles zult zijn in allen. Amen.
Op den tweeden Zondag na Drie-Koningen.
Evangelie, Joannes II. 1-11.
â In dien tijd werd er eene bruiloft gehoa-â den te Cana in Galileë, en de Moeder van â /eras was aldaar. En Jems werd ook met zijne
na 'Drie-Koningen. 49
âleerlingen ter bruiloft genoodigd. En toen er ,, wijn ontbrak, zei de de Moeder van Jesns tot â Hem : zij hebben geenen wijn. Jemus antwoord-â de haar : Vrouw, wat heb ik met u le doen : â mijn uur is nog niet gekomen. quot;
Er werd, gelijk gij gehoord hebt, te Cana in Galilee, eene bruiloft gehouden, alwaar Maria, benevens Jesus, met zijne leerlingen genoodigd waren. Onze Heer Jesus wilde deze bruiloft wel met zijne tegenwoordigheid vereeren , niet om wereldsche vermaken te genieten, maar om te loonen, dat hel huwelijk, in het Paradijs reeds ingesteld, een aan God behagelijke staat is; een staat, die zelfs tot een Sacrament verheven is.
Waarom men dan ook dezen staat moet aanvaarden in de vreeze Gods, en denzelven nimmer uitbaat- of hebzucht ondernemen. Gij moet ook Jesus verzoeken ter bruiloft; dat is : Hem met vurige gebeden aanroepen om zijnen zegen , oin zijne ontferming; opdat gij eenen voor u geschikten persoon ten huwelijk moogt bekomen, en met denzelven in de vrees des Heeren levende, deugdzame kinderen moogt opvoeden. Zoo deden ook alle godvruchtige menschen; zoo handelde onder anderen de vrome Tobias. Maar wee hem, die een huwelijk aangaat uit vleeschelijke wellust of om schatten te verkrijgen ! Die zal de genade dezes Sacraments niet ontvangen; die is niet in staat de zwarigheden , welke er zich in het huwelijk voordoen te overkomen, en zulk een zal zich in dien staat beklagen, gelijk er, helaas ! maar zeer velen doen.
Toen er op deze bruiloft te Cana wijn ont-
4
48 Evangelie op den tweeden Zondag niet, of doen het met tegenzin , morrende en niet naar behooren. Zij spreken hunne ouders tegen en gaan soms nog verder. Weet, gij booze kinderen, dat â die zijnen vader of zijne moeder veracht, diens lamp zal uitgebluscht worden in de duisternis.quot;
Het goede, dat wij gehoord hebben, zullen wij, naar Maria's voorbeeld, in onze harten overleggen, om ons daarnaar te gedragen. Wij zullen verder, als Jesus, toenemen in wijsheid, meer en meer de vruchten des geloofs in ons vertooubn ; opdat wij aan God en aan de men-schen weibellagelijk mogen worden.
g k b e d.
ö, Zoon van den levenden God ! geef' dat wij naar U verlangen en naar U met naarstigheid zoeken; dat wij, TJ gevonden hebbende, U trachten vast te houden, door uwe leeringen op te volgen. Geef dat wij onze zonden geheel en van harte verfoeien en U meer en meer aanhangen, U meer en meer onderworpen zijn, en zoo doende gehoorzame kinderen worden van het hemelsch koningrijk, waar Gij alles zult zijn in allen. Amen.
Op den tweeden Zondag na Drie-Koningen.
Evangelie. Joannes II. 1-11.
â In dien tijd werd er eene bruiloft gehou-â den te Can a in Galilee, en de Moeder van â Jesui was aldaar. En Jesus werd ook met zijne
na Drie-Koningen. 49
â leerlingen ter bruiloft geiioodigd. En toon er â wijn ontbrak, zeide de Moeder van Jesus tot â Hem : zij hebben geenen wijn. Jems antwoord-â de haar : Vrouw, wat heb illt; met u te doen : ,, mijn uur is nog niet gekomen. quot;
Er werd, gelijk gij gehoord hebt, te Cana in Galilee eene bruiloft gehouden, alwaar Maria, benevens Jesus, met zijne leerlingen genoodigd waren. Onze Heer Jesus wilde deze bruiloft wel met zijne tegenwoordigheid verecren , niet om wereldsche vermaken te genieten, maar om te toonen, dat hel huwelijk, in het Paradijs reeds ingesteld, een aan God behagelijke staat is; een staat, die zelfs tot een Sacrament verheven is.
Waarom men dan ook dezen staat moet aanvaarden in de vreeze Gods, en denzelven nimmer uit baat- of hebzucht ondernemen. Gij moet ook Jesus verzoeken ter bruiloft; dat is : Hem met vurige gebeden aanroepen om zijnen zegen , om zijne ontferming; opdat gij eenen voor u geschikten persoon ten huwelijk moogt bekomen, en met denzelven in de vrees des Heeren levende, deugdzame kinderen moogt opvoeden. Zoo deden ook alle godvruchtige menschen; zoo handelde onder anderen de vrome Tobias. Maar wee hem, die een huwelijk aangaat uit vleeschelijke wellust of om schatten te verkrijgen ! Die zal de genade dezes Sacraments niet ontvangen; die is niet in staat de zwarigheden , welkeer zich in het huwelijk voordoen te overkomen, en zulk een zal zich in dien staat beklagen, gelijk er, helaas ! maar zeer velen doen.
Toen er op deze bruiloft te Cana wijn ont-
4
50 Evangelie op den tweeden Zonday.
brak, had de moeder van Jesus groot medelijden met de jonge echtgenooten, en opdat zij niet beschaamd en verlegen zouden staan, ging zij bij Jesus en hield Hem aan, om zijne wonderkracht te toonen, waarvan zij misschien reeds proeven gezien had, zeggende : zij hébhen gee-nen wijn. Hieruit kan men weder leeren , hoe wij anderen, die in nood en verlegenheid zijn, op de best mo^elijkste wijze moeten trachten te redden en hulp te verleenen.
Maria was bij haren Zoon de voorspreekster der jonggetrouwden; daarom mogen wij wel betrouwen hebben, dat zij ook onze voorspraak in den hemel zijn zal.
Dat de Fleer Jesus niet terstond aan het verzoek zijner Moeder voldeed, was geene onwilligheid, geene onvriendelijkheid, maar omdat het later beter te pas zoude komen; wanneer het namelijk aan iedereen bekend zoude geworden zijn, dat er wijn ontbrak, dan wilde Jesus hen door een wonder uit de verlegenheid redden.
Het was derhalve niet zonderling, dat Jesus aan zijne Moeder ten antwoord gaf : Vrouw, wat heb ik met u te doen : mijn uur is nog niet geltomen. Dit was geen weigerend antwoord , geene berisping; want Hij wilde zeggen : wat heb ik met u te doen aangaande mijne bediening; ik volbreng den wil mijns hemelschen Vaders, zoo haast den tijd en het uur daarvoor bestemd, gekomen zijn. Het Evangelie zegt verder :
Zijne Moeder zeide aan de dienaren : al wat //Hij u zeggen zal, doet het. Daar waren zes //steenen kruiken gezet, volgens de zuivering
na Drie-Koningen. 51
// der Joden, houdende elk twee of drie maten. // Jems zeide Irnn ; vult de kruiken met water. â En zij vulden ze tot boven aan. Toen zeide Jesns â verder : schept nu en draagt het naar den hof-// meester. En zij droegen het naar hem toe. Als n nu de hofmeester het water, dat wijn geworden //was, geproefd had, en niet wist van waar het // kwam, hoewel het de dienaars, die het water ge-,/ put hadden, wel wisten, zoo riep de hofmeester // den bruidegom en zeide hem : ieder stelt eerst u den goeden wijn voor, en als zij wel gedronken //hebben, dan stelt hij voor die slechter is; // maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe // bewaard. Dit begin der teekenen heeft Jems n gedaan te Cana in Galilee, en zijne leerlin-// gen geloofden in Hem. quot;
De dienaren gehoorzaamden zonder aarzelen aan het beyel van Jesus; zij vulden de waterkruiken , en ziet, terstond werd dit water in goeden wijn veranderd. Gehoorzamen wij dus aan de bevelen van den Zaligmaker; wandelen wij naar het voorschrift zijner geboden, dan zal Hij nog het water in wijn, dat is tegenspoed in voorspoed veranderen. Al de kruisen, welke in den huwelijken staat kunnen voorkomen, zullen door eensgezindheid, liefde en getrouwheid der echtgenooten, veel van hunnen last en zwaarte verliezen. Vertrouwen zij dechts op God, dan komt na lijden verblijden ; dan zullen zij onder rampen getroost, bemoedigd en opgebeurd worden. Dagelijks nog zien wij Gods wonderen in al zijne werken. Leert Htm kennen, dienen en verheerlijken !
52 Ecanqelie (gt;2' den tweeilen Zondarj
De Zaligmaker heeft door op aarde nederte dalen, ons water in wijn veranderd : want Hij heeft-ons door zijne armoede rijk gemaakt, en met zijn bloed en zijne tranen, onze zonden afgewasschen. Door zijne verdiensten heeft Hij ons met den \a-der verzoend; door zijnen bitteren dood ons van den eeuwigen dood en de slavernij verlost. Ons water is in wijn veranderd, daar alle ceremoniën der onde wet te niet gedaan zijn. God,onze hemel-sche Yader, is verzoend door zijnen lieven Zoon Jesus Christus, door wiens genade wij van kinderen der verdoemenis, kinderen Gods zijn geworden en erfgenamen der eeuwige zaligheid. Laat ons dankbaar zijn voor de weldadigheid en goedheid van onzen lieven Heer Jesus, die zich zeiven voor ons in den dood gegeven en ons tot het eeuwige licht gebracht heeft. Zijn glorierijke naam zij gezegend tot in eeuwigheid; want Hij bewaart den besten wijn tot het laatste, om ons vrolijk te maken met de vreugd des eeuwigen levens.
De bruiloft van den helschen vijand is juist daar tegenovergesteld; deze geeft eerst den goeden wijn en naderhand slechts water. Deduivelen de wereld vertoonen zich eerst schoon en bekoorlijk, maar naderhand valt het masker af, en wij zien niets dan leelijke gedaanten en bedrog. De wijn, die zij uit kristallen flesschen schenken, is met venijn door-mengd; de fluweelen stoelen en hooge zetels zijn klatergoud; de gunst der vorsten is dikwijls van korten duur. Eenmaal , eenmaal verlaat gij dit alles, wanneer de dood ii van de aarde wegrukt. Wanneer het uur van sterven daar is, o dan helpt geen tegenstrijd, geene schatten, geene eereambten, geene vrienden, geene kunst van artsen, dan moet gij alles verlaten cn water drinken ; onge-
na Brie-Koninr/en. 53
lukkig zijn, indien gij voorheen den goeden wijn, dat zijn de vermaken dezes levens, met volle teugen gedronken hebt.
Gedragen wij ons dan wijsselijk : verfoeien wij de wereld en al hare begeerlijkheden. Dienen wij met vrees en angst den bruidegom onzer zielen, die water in wijn kan veranderen. Laat niets ons dan afschrikken; Hij zal alles wel, alles lichter maken. Hiertoe noodigt ons de Heer nog uit in dezen genaden tijd : komt, zegt Hij, tot mij, alien die belast en heiaden zijl, en ik zal u verlichten; want mijn juk is zoet en mijn last is licht. Daartoe helpe ons de Heer Jesus Christus ; Hij brenge ons in de woningen der zaligheid.
GEBED.
O Heer, Jesus Christus, die het gebed uwer lieve Moeder verhoord, en uw eerste wonder te (kma in Galileë gedaan hebt, om de nieuwge-trouwden niet in de verlegenheid te laten ; zegen nlle huwelijken die in de vreeze Gods worden aangevangen. Dat alle jonge lieden, die in het huwelijk willen treden, vooraf met U te rade gaan, en verleen aan alle getrouwden Uwen ge-nadigen bijstand; opdat zij hunne kinderen mogen opvoeden in de vreeze Uws naams en tot ware hemelburgers. Amen.
Op den derden Zondag na Drie-Koningen.
Evangelie, Maïtheus quot;VIII : 1-13.
// In dien tijde, als Jesus van den berg geko-
54 Erangefie op den derden Zondag // men was, volgde hem eene groole menigte volk. â En zie, daar kwam een melaatsche, die hem /aanbad, zeggende: Heer, indien gij wilt, gij // kunt mij reinigen. En de hand uitstekende,
// raakte hem aan zeggende ; Ik wil, word serei-,/ nigd. En terstond werd zijnemelaatschheidgezui-n verd. En Jesus zeide hem : zie toe, dat gij het â aan niemand zegt: maar ga henen, vertoon u â aan den Priester, en draag de gift op die Mo ze a n geboden heeft, tot eene getuigenis voor hen.quot;
In dit Evangelie zien wij, hoe onze Zaligmaker, op zekeren tijd, toen hij van den berg afkwam, waar Hij het volk geleerd en gepredikt had, eenen melaatschen reinigde. De inelaatschheid was eene ongeneesbare, vuile en aanstekende ziekte; waarom zij, die daarmede besmet waren, van andere menschen afgezonderd moesten leven en hen niet dan op zekeren afstand mochten naderen.
Een mensch met dergelijke melaatsehheid besmet, vertoonde zich aan Jesus, riep en bad Hem aan, ten einde genezen te worden : Heer, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen, zuiveren, genezen. Ongetwijfeld had deze man meermalen van Jesus wonderwerken gehoord, en vol vertrouwen op de ontferming des Zaligmakers, smeekt hij Hem om hulp, om genezing, en Jesus was terstond gereed om hem te helpen. Een enkel machtwoord was daartoe genoeg : ik wil, sprak hij; terwijl hij hem aanraakte, word gereinigd! Zoo ook schiep God de wereld; zoo bracht Hij het licht voort:dat het licht ivorde ! sprak Hij, en terstond werd het licht. Bidden wij God, dat Hij ook zó^) de duisternissen uit onzen geest verdrijve. Ach,
na Drie-Koningm. 55
dal. Hij tot ons gemoed spreke : liet worde licht! dan zullen alle benevelingen des verstands ophouden; wij zullen wandelen als kinderen des lichts, en terstond genezen zijn van alle melaatschheid en boosheid, gelijk de melaatsche, van wien het Evangelie spreekt.
Hier wordt ons geleerd, dat wij in ziekte, nood en ellenden. God moeten aanroepen, zonder daarom andere dienstige middelen, die God ons aanbiedt, onbeproefd te Inten, terwijl wij steeds in den wil des barmhartigen Gods moeten berusten en zeggen : Heer! indien Gij wilt. Gij kunt mij helpen; Gij kunt mij genezen. Is het mij dienstig en zalig, dat dan uw wil, o Heer, geschiede! Bij al uwe omstandigheden, in al uwe nooden, roept tot God, en Hij zal er u uithelpen; doch Hij alleen weet, wat u best dient. Zeg niet aanstonds: dit is een ongeluk; dit is eene schrikkelijke ramp; want meermalen bevindt men, dat juist dat ongeluk, juist die ramp ons dienstig, ons zalig is. Ware Josef niet door zijne broeders voor slaaf verkocht, hij zoude nimmer Heer van Eg/jpte geworden zijn. Ware Petrus niet op de proef gesteld, hij zoude naderhand niet zoo veel moed gehad hebben, hij zoude zijne zwakheid niet gekend hebben. Bidt zonder ophouden, opdat uw geloof vermeerdere; en vertrouw steeds op God , die zal alles op zijnen tijd wel maken.
De melaatsche, nu gereinigd zijnde, werd hem van Jesns bevolen, dat hij zijne wonderdadige genezing aan niemand verhalen zoude ; om aan ons te leeren, dat als wij iets goeds verricht hebben, wij ons dan daarop niet zullen beroemen en verhoovaardigen. Wij zullen in stilte weldoen en niet, gelijk de Farizeërs, voor ons doen trompet-
56 Evangelie op den derden Zondag.
ten op de straten, en aalmoezen geven, om van de menschen gezien to worden. Wij zijn immers slechts rentmeesters, en God is onze Heer, wien wij van alles rekenschap verschuldigd zijn.
Verder gebood Jesus den melaatschen, zich aan den Priester te vertoonen en te doen, wat door de wet van Mozes bevolen was. Ook wij moeten , om van de geestelijke melaatschheid ontslagen te worden, ons aan den Priester vertoonen, die iti den naam van Jesus ons van de zonden kan reinigen, wat de priesters in het oude verbond niet vermochten; zij moesten alleen getuigenis geven van hunne reiniging.
In dit zelfde Evangelie volgt nog een ander wonderwerk van den Zaligmaker; want
â Als hij nu binnen Capharnaüm kwam, nader-â de Hem een Hoofdman, die Hem bad, zeggen-â de : Heer, mijn knecht ligt te huis lam, en â lijdt zware pijn. Eu Jesus zeide hem : Ik zal hem komen genezen. Maar de Hoofdman ant-
/' O
â woordde en zeide: Heer, ik ben niet waardig, dat â Gij onder mijn dak zoudt komen : maar spreek â alleen één woord, en mijn knecht zal gezond â worden. Ik ben ook een mensch, die, hoewel â onder de macht van een ander staande, krijgs-â knechten onder mij heb, en ik zeg tot den eenâ¬;n â ga henen en hij gaat; en tot den anderen : kom â en hij komt; en tot mijnen dienaar : doe dit en â hij doet het. quot;
Hier zien wij, hoe de Hoofdman bezorgd was voor zijn huisgezin, gelijk het aan iederen huisvader en huismoeder betaamt, voor hunne huis-
na Brie-Koningen. 57
genooten te zorgen. Het moet ons niet evenveel zijn, hoe het onzen huisgenooten gaat; ook voor onze dienstboden en voor al onze onderhoorigen zullen wij zorgen. Bij uwe huisgenooten hebt gij een allergrootst belang : hebben zij u noodig, gij hebt hun niet minder van noode. Bijaldien alle landbouwers en handwerkslieden op eens hunne handen van den arbeid aftrokken, hoe zoude de rijke man het maken ? Elk die zijnen plicht doet, is derhalve een nuttig lid der maatschappij, hij verdient alle hulp en ondersteuning. Is niet een spijker in zijn soort zoo nuttig als een balk ? Deze Hoofdman had tevens en groot vertrouwen in Jesus ; daar hij zeide : spreekt alleen één ivoord, en mijn knecht zal gezond worden. Hij wilde zeggen : ik weet het, geneesmiddelen zijn niet noodig. Gij zijt alleen machtig, om door een enkel woortl alles te kunnen en mijnen knecht gezond te maken, en dit is U even zoo gemakkelijk, als dat ik eenen mijner soldaten zeg: doe dit. Ook ben ik niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt; ik ben veel te gering, dan dat Gij U tot mij zoudt vernederen ; maar heb medelijden met mij, wees mij barmhartig; spreek alleen één woord.
âJesus, dit hoorende, was verwonderd, en zei-â de dengenen die hem volgden : voorwaar, ik zeg â u , dat ik zoo een groot geloof in Itraël niet âgevonden heb. Ook zeg ik u, dat er velen van â Oosten en Westen zullen komen met Abraham , â Izaak en Jacolj aanzitten in het rijk der ,, hemelen , maar dat de kinderen des rijks in de â uiterste duisternissen zullen geworpen worden, â daar geween en knarsing der tanden zijn zal-
58 Evangelie op den derden Zondag â Toen zeide Jems aan den Hoofdman : ga henen, â en gelijk gij geloofd hebt, zoo geschiede u j ter-â zelf der imr is de knecht gezond geworden.quot;
De ontfermende Jesus was aanstonds bereidvaardig den geloovigen Hoofdman zijne bede te vergunnen, en hield eene nadrukkelijke rede tot de menigte, die Hem volgde, waarin Hij de booze en goddelooze menschen dreigde met de eeuwige straffen, al ware het ook , dat zij in den schoot der Kerk geboren waren. Niet degenen , die roepen : Heer, Heer! maar die den wil doen des Vaders, zullen ingaan in het rijk der hemelen.
Laat ons dit ernstig ter harte nemen; leven wij zoo, alsof ieder uur het laatste van ons leven ware, dan zal de dood ons niet verschrikken, dan zullen wij steeds gereed zijn , om rekenschap te geven aan God den oppersten Rechter; dan zullen wij niet behoeven te vreezen, in de uiterste duisternis geworpen te worden, waar geween en knarsing der tanden zijn zal; maar wij zullen aanzitten met Abraham, Izaak en Jacob. Wanneer wij Jesus als onzen waren geneesmeester erkennen en aanroepen , dan zullen wij met de zalige kooren der Engelen en vrienden van God juichen en eeuwige Alleluja's zingen ; wij zullen blinken gei ijk de morgensterren. Hit verleene ons de barmhartige Jesus.
G E B K D.
o Opperste Geneesheer, Helper der elleudigen, die liet geloof aanziet en de ootmoedigheid en het vertrouwen , waarmede men tot U nadert : versterk ons geloof, genees ons van onze geestelijke kwalen ; spreek alleen één woord , en ons
na Drie-Koningen. 59
hart zal rein en zuiver worden ; dit ⢠smeeken wij U, o Heer , opdat wij waardig worden, dat Gij onder ons dak komt. Amen.
Op den vierden Zondag na Drie-Koningen.
Evangelie, Mattheus quot;VIII : 23-27.
n In dien tijde , al? Jesus in het schip ge-,/klommen was, zijn hem zijne leerlingen ge-,/ volgd. En zie , er ontstond eene groote onstui-u migheid in de zee, zoodat het schip van go!-n ven overdekt werd : en Hij sliep. De leerlin-u gen tot Hem komende , wekten hem , zeggen-n de : Heer, behoed ons , wij vergaan.quot;
Toen Jesus zich met zijne leerlingen in het schip bevond, op het meer van Genezaretk, om naar de andere zijde over te steken , verhief er zich eene zware storm ; zoodat de schepelingen zeer beangst begonnen te worden , terwijl Jesus sliep; waarom zijne leerlingen Hem wekten en baden , dat Hij hen toch van het dreigende gevaar mochte redden. Mochten de duizenden, die zich op de onstuimige zee van dit leven in gevaar be vinden, ijlings hunne toevlucht nemen tot Jesus, ten einde behouden te worden, üuizende stormen en onweders , klippen en zandbanken, waarmede men de onderscheidene rampen en boosheden vergelijken kan, dreigen den mensch met een rampzalige schipbreuk , die hem in het een wil' verderf kan storten.
60 Evangelie op den vierden Zondag
De hoofd stormen, welke den ineusch in deze wereld bedreigen, zijn de duivel, de wereld en het vleesch, en wie dnar tegen kampen wil, om overwinnaar te worden , gorde de wapenen des geloofs aan. Hij zij steeds waakzaam en oplettend , gelijk een voorzichtige en wijze stuurman j hij neme den stand der sterren, de geboden Gods, nauwkeurig waar, en late het Evangelie zijne gedurige vraagbaak zijn, in hoeveel verzoekingen kan de mensch gebracht worden , èn door zijnen medemensch , en door zijne eigene begeerlijkheden ! Wat al moeielijkheden , om eerlijk door de wereld te komen ! Welke verdrietigheden, welke smarten en pijnen kunnen hem al niet overkomen ! Hoe vele standvastigheid heeft hij niet van noode, om tegen dit alles bestand te zijn , en hoe dikwijls heeft hij niet rede, om te roepen: Heer, behoed mij of ik verga !
Op deze onstuimige zee moeten wij dan dobberen tusschen de hoop en vrees ; en de ongelukken, die ons overkomen, laat de Heer geschieden tot onzer ziele heil en zaligheid. Wij zullen steeds eene begeerte hebben, om van dit sterfelijk leven ontslagen te worden, en tot de haven der ffelukzalisheid en des vredes te t'e-
O O O
raken , in het vaderland hier boven. God kent de zijnen en beproeft hen dikwijls, gelijk Abraham en meer anderen. Wanneer een mensch voorspoedig is en hem alles welgaat, dan is het minder moeielijk christelijk te leven en te der-ken ; doch wanneer hem ongelukken en tegenspoeden treffen , en wanneer het stormt op de zee, dan ziet men eerst, of hij aan God en aan zijne geboden getrouw blijft, of hij deugdzaam
na Drie-Konivgeu. 61
blijft leven; even gelijk men de bekwaamheid eens schippers leert kennen in storm en on-weder. Houdt maar moed , mijne Christenen ! Die stormen zullen ras ophouden ; het zal eenmaal klaar en helder worden, gelijk de schoonste dageraad. Mochten de stormen ook uw gan-sche leven door woeden en loeien, moogt gij slechts eene schemering van het licht zien . eenmaal zal de heerlijke dag aanbreken, waarna geen zwarte nacht meer volgen zal. Gij zult heerlijk opstaan ten jongsten dage en in het eeuwige licht vertroosting vinden. Ons gebed zij gedurig : Heer! verlaat ons niet in onzen nood, maar sta ons bij, en geef ons uwen god-delijken zegen, of wij zullen ganschelijk vergaan en in het verderf storten; daarom. Heer, vergeet ons niet; maar help ons door uwe grondelooze barmhartigheid. Toen de Heer ontwaakt was,
â zeide Hij hun : wat zijt gij bevreesd, klein-,, geloovigen ? Toen stond hij op en bestrafte de â winden en de zee : en het weer werd zeer stil. â En de menschen waren verwonderd, zeggende : âwat is dat voor een, dat ook de winden en â de zee hem gehoorzamen. quot;
Jesus bestrafte de groote vrees, de kleinge-loovigheid zijner leerlingen, daar zij zoo weinig vertrouwen stelden op zijne almacht, die hen zelfs uit de diepte der zee konde verlossen. Deze woorden kunnen ook op ons toegepast worden , wanneer de dood onze teerste en geliefdste panden van ons wegrukt. Maar wat vreest gij , kleingeloovigen ? Is het God niet, die u dit
6.3 Evangelie op den vierden Zondag alles, om wijze redenen laat overkomen, en zonder wiens wil u geen haar van het hoofd tan vallen ? Hoopt en betrouwt op Hem, Hij zal er u uit helpen : hebt een levendig geloot en vast betrouwen op zijne almogendheid en barmhartigheid, dan heeft uw levenskiel geen nood van schipbreuk te lijden; dan landt gij, na alle stormen doorgestaan te hebben , in de gewenschte haven aan. Maar waakt en bidt : waakt over al uwe zinnen, dat geene derzei ven ii verleide of vervoere, en hidt zonder ophouden om genade, sterkte en bijstand, opdat gij in den strijd overwinnaar blijft. Waakt en hult, dan zal de Heer Jesus de winden en stormen gebieden ; Hij zal uwe rampen en plagen, en verdriet en kwellingen doen ophouden ; zij zullen bedaren en het weder zal kalm worden; de bruischende golven zullen uw schip niet meer dreigen te verbrijzelen.
Wee de goddeloozen , die onbedachtzaam op de baren voorttuimelen , die het roer niet in handen houden, en die 7iiet de minste zorg dragen, dat hunne ziel geen schipbreuk lijde ! Velen, helaas ! in plaats van tegen de wellust en andere ondeugden manmoedig te strijden, ïeven dezelve voedsel. Zij gaan in drinkgelagen , zuipen en zwelgen, spelen en dobbelen, terwijl hunne vrouwen en kinderen om brood verleger, zijn. Jongelingen en jonge dochters verkeeren vaak in de schandelijkste gemeenschap met elkander, en maken zich dusdoende tijdelijk en eeuwig rampzalig. Wat wordt er dikwijls eene kortstondige vreugde verwenscht; jaren van ellende sleept zij dikwijls na zich ; maar nog meer zal zij verwenscht worden , indien hun
na Brie-Koning en. 63
schip vergaat eu in den poel der lielle nedergeploft wordt. O bedenkt in tijds, wat tot uwen vrede dient. Waakt en bidt, houdt aan met kloppen, want die klopt zal open gedaan worden, en de Heer zal gebieden, zoodat e;- erne groote stilte zal komen.
g e b e d.
Wij bidden U, lieer Jesus, die weet aan welke gevaren wij hier op deze wereldzee blootgesteld zijn : sterk ons in het geloof, dat wij een vast betrouwen op U hebben. Bewaar ons voor het gevaar van door de menigvuldige bekoringen onzer vijanden, de duivel, de wereld en het vleesch, overstelpt te worden. Dat wij gedurig tot U zuchten : Heer, behoed ons, opdat wij niet vergaan ! Wij zijn van ons zeiven te zwak, en daarom leid ons niet in bekoring. Doe twist en tweedracht ophouden, verdrijf de ongeloovigheid, neem de ongeregeldheden van ons weg; opdat wij gerustelijk tot U mogen overvaren en eeuwig met 1 zijn. Amen.
Op den vijfden Zondag na Drie-Koningen.
Evangelie, Matt heus XIII: 24 - 3(1.
â In d ien tijde stelde Jesns aan de schare eene âandere gelijkenis voor, zeggende : het rijk der â hemelen is gelijk eenen mensch; die goed zaad âin zijnen akker gezaaid had; maar terwijl de â menschen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide
64 Evangelie op den vijfden Zondag â onkruid in liet midden der tarwe en ging henen. â Als nu het kruid was opgewassen, en vruchten â voortgebracht had, toen openbaarde zich ook het â onkruid.quot;
Meermalen sprak de Zaligmaker tot zijne leer-linsren in gelijkenissen, waarvan gij er hier eene hebt, en waarvan Jesus zelf de uitlegging gedaan heeft. JYie het goed zaad zaait, is de Zoon des niemchen. J)e akker is de wereld. Het goede zaad zijn de kinderen des rijks: het onkruid zijn de kinderen van den hoozen : de vijand die het gezaaid heeft is de duivel, (vers 37.) ITet is alsof de Zaligmaker wilde zeggen : De Zoon Gods is uit den hemel nedergedaald en hier op aarde gekomen, om het zaad des Evangelies te zaaien. Dit zaad zal wel in eenige landen opgaan : eenige menschen zullen het Evangelie met vrucht aan-hooren, zoodat zij in mij als den eenigen Zaligmaker zullen gelooven, en God den Heer dienen met alle krachten. Maar de duivel zal, door verkeerde leeringen en door andere boosheden in de harten der menschen te zaaien, de eerste goede beginselen verstikken; hij zal door allerlei listen van booze en goddelooze menschen veel aanvankelijk goeds vernietigen; hij zal tijdelijke winsten en vermaken beloven en hen dusdoende van het goede aftrekken; zijn zaad zal opgaan en onkruid , als ongeloovigheid, ongehoorzaamheid , vijandschap, haat, nijd, onrechtvaardigheid, ontucht, onmatigheid en allerhande zouden voortbrengen.
Wat moeten wij derhalve doen ? Wij moeten waken en op onze hoede zijn en denken : ik ben een graankorrel van Christus, en ik zal wandelen waardig het Evangelie van Christus. Al wat goed
na Drie-Koningen. 65
al wat eerlijk, al wat betamelijk is, komt van boven, van den Vader der lichten. Wij moeten wakker en waakzaam zijn ; opdat ons de booze vijand niet overvalle en onkruid onder de tarwe zaaie, gelijk hij deed in de gelijkenis. Door wakker zijn, moet verstaan worden, de luidruchtige vermaken en kwade gezelschappen te vermijden, zijne kinderen en onderhoorigen behoorlijk te verzorgen en te berispen over hunne verkeerdheden; de godsdienstige vergaderingen vlijtig en dikwijls bij te doen wonen, en hun leven naar het Evangelie in te richten Wanneer zij slapen, wanneer zij hierin anders handelen, dan neemt de duivel zijne kans waar, en zoekt de menschen tot kwaaddoen te verleiden en in zonde te doen vallen; het goede, dat nog in hen is, te verstikken, te onderdrukken, ten einde hunne ziel in het verderf te storten. Ouders! slaapt derhalve niet bij de opvoeding van uw kroost. Jongelieden ! slaapt derhalve niet bij het vervullen uwer plichten : wrerkt niet met slappe handen en knieën, maar waakt en licit; ziet, zegt Petrus, de duivel gaat om als een hrieschende leeuw, zoekende wien hij kan verslinden. 1) Laat ons verder het Evangelie hooren.
// En de dienaars van den huisvader kwamen n hem zeggen : Heer, gij hebt geen goed zaad ,/ in uwen akker gezaaid : hoe komt er het on-â kruid in ? Hij antwoordde hun : dit heeft een // vijandig mensch gedaan. De dienaars zeiden // hem : wilt gij dat wij het bijeen gaan plukken ? ,/ Hij antwoordde : neen, opdat gij mogelijk het
1) I Petri 1 : 8.
5
66 Evangelie op den vijfden Zondag â oukruid uitplukkende, niet te gelijk met het-u zelve de tarwe uittrekt. Laat het beiden wassen n tot den oogst : ten tijde van den oogst zal ik den ,/ maaiers zeggen : plukt eerst het onkruid bij-// een, en bindt het in bundels om te verbranden : // maar vergadert de tarwe iti mijne schuur.quot;
Hierna gat' de Heer Jesus de volgende uitlegging : Be oogsttijd is, of heteekent: de voleinding der wereld, en de maaiers zijn de Engelen. Gelijk dan het onkruid vergaderd en in het vuur verbrand wordt, al zoo zal het gaan in de voleinding der wereld. Be Zoon des menschen zal zijne Engelen zenden, en die zullen alle verergernissen, die door hun kwade leven of schandelijke en valsche leeringen de menschen geërgerd hebben , en degenen die ongerechtigheid plegen, uit zijn rijk bijeen vergaderen. En zij zullen die werpen in den oven des vuurs, waar geschrei en knarsing der tanden zijn zal.
Leert hieruit, Christenen, hoe groot delangmoe-digheid Gods is; hoe dikwijls hij de zondaren nog duldt en niet aanstonds straft; leert hieruit uwe natuurgenooten verdragen; vloekt hen niet, want gij weet niet, welke barmhartigheid God hun misschien nog betoonen wil. Hij mogt hun rog genade schenken, gelijk Hij aan de Nineviten,aan David en Petrus geschonken heeft. Wij moeten veeleer voor zulke verdwaalde menschen bidden; opdat ons onze schulden ook kwijtgescholden worden. Ook is niemand zeker, dat hij in de genade, waarin hij aanvankelijk is, blijven zal : door eene doodzonde te begaan, verliezen wij de genade Gods. De Heer is langmoedig en groot van barm-
na Briekoningen. 67
hartigheid; Hij verdraagt zoo velen, die geene oprechte biecht spreken, die zonder berouw over hunne misdaden, tot de H. Communie naderen , die door dronkenschap, twist, tweedracht, on-kuischheid, zonden op zonden hoopen.
Mochten de zondaren door de overdenking van Gods barmhartigheid en langmoedigheid opgewekt worden, om zich te bekeeren, eer de tijd der genade voorbij is, eer de oogsttijd komt, eer zij in het helsche vuur geworpen worden. De engelen zullen dan het onkruid, de, booze tnenschen, van de tarwe, de goeden, afscheiden, gelijk de maaiers in den oogst. De boozen zullen, naar het bevel des Heeren, gelijk het onkruid, dat nergens toe dient, in den oven geworpen en verbrand worden. Maar de rechtvaardigen zullen Hinken gelijk de zon in het rijk des Vaders. (Vers 43.) Zij zullen ten jongsten dage den Heer Jesus te gemoet gevoerd worden in de lucht, als wanneer Hij zal zegge]) : komt, gij gezegenden des Vaders , beërft het Koningrijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld.
GEBED.
Heer Jesus Christus! wil alle Christen men-schen verleenen, dat zij zich wachten voor het onkruid; dat zij alle dwalingen en ketterijen mogen vermijden; dat zij vruchten voortbrengen der bekeering en der beloften van Christus waardig. Gedoog de zondaren, opdat zij zich bekeeren en leven. Weer alle boosheden van ons, opdat wij ten jongsten dage door uwe Engelen verzameld worden onder de bundels tarwe. Maak onze harten , o Jesus, daartoe vochtig door den regen uwer genade. Amen.
Op den zesden Zondag na Drie -Koningen.
Evangelie, Ma/ttheus XIII : 31 - 35.
u In dien tijde sprak Jesus tot het volk deze ,/ gelijkenis : Het rijk der hemelen is gelijk een ,/ mosterdzaad, hetwelk een mensch nam en in â zijnen akker zaaide, dat wel het kleinste 011-u der alle zaden is; maar als het opgewassen is , â is het grooter dan alle moeskruiden en wordt â een boom, zoo dat zich de vogelen des hemels // in deszelfs takken komen nederzetten. Hij // zeide hun nog eene andere gelijkenis ; Het n rijk der hemelen is gelijk een zuurdeeg, het-,/ welk eene vrouw nam en in drie maten raeels ,/ mengde, tot dat het geheel gedeesemd was. u Al deze dingen zeide Jesus door gelijkenissen tot de schare; zonder gelijkenissen sprak Hij ,/ hun niet. Opdat volbracht zoude worden het-,/ gene door den Profeet gesproken was : Ik zal // mijnen mond in gelijkenissen open doen; ik h zal dingen uitgeven, die verborgen waren van de grondlegging der wereld. quot;
In dit Evangelie leerde de Zaligmaker zijnen leerlingen door twee gelijkenissen, ten einde hun het brood van zijn goddelijk woord steeds smakelijk te doen zijn. Ãm hun hetzelve in te scherpen, zegt Hij hun verscheidene parabellen of gelijkenissen, waarvan er iu dit Evangelie twee gevonden worden, die eenerlei strekkmg en bedoeling hebben.
Zesden Zondag na Brie-Koning en. 69 Het mosterdzaad beteekent het Woord Gods, dat in het rijk der hemelen, in de Katholieke Tvcrk te vinden is. Dit mosterdzaad of Woord Gods, deze goddelijke leer , heeft Christus , toen Hij op de aarde was, gezaaid en scheer, den wereldgezinden menschen zeer gering. Jesus zelf leefde in eenen nederigen staat, was uit het verachte Nazareth, waarvan men zeide : kan uit. Nazareth wel iets goeds voortkomen ? Zijne leerlingen waren ongestudeerde mannen en van geringe afkomst; zij zochten geenen roem , gelijk de heidensche redenaars en wijsgeeren , of gelijk de Farizeën of Schriftgeleerden der Joden, maar wandelden in alle ootmoedigheid , zachtmoedigheid , lijdzaamheid en matigheid. Het Woord des Heeren was dus ongeacht en werd weinig aangenomen. Vele geloofspunten gingen boven het bereik van het menschelijk vernuft, en de zedeleer, welke de Apostelen verkondigden, streed lijnrecht tegen den aard en de neigingen der menschen, welke zich derhalve met kracht daartegen verzetten wilden. Doch nadat de heilige Geest was nedergedaald en de harten daar toe neigde , breidde zich deze leer meer en meer uit, kreeg vele aanhangers, die hoe sterk ook vervolgd , gekweld en gemarteld, standvastig in die leer volhardden ; ja zelfs zoo , dat de Heidenen zich lieten doopen op de graven dezer Heiligen en Martelaren ; waardoor het Eijk Gods spoedig opwies en groot werd, gelijk ei n mosterdzaad , dat aanvankelijk klein en gering is , doch daarna, grooter wordt dan eenig moeskruid , De vogelen des hemels, zijnde de heilige menschen, zijn gekomen om zich op de takken des goddelijken Woords neder te zetten, om zich
70 Evangelie op den zesden Zondag in de stralen der waarheid te koesteren; en zij vonden zich zalig onder de vleugelen , dat is de bescherming des Allerhoogsten.
De gelijkenis Vein het zuurdeeg heeft dezelfde bedoeling, Gods Woord wordt vergeleken bij zuurdeeg; het zuurdeeg doet het brood rijzen, eu Gods woordt wendt de gemoederen van wereld-sche dingen af en doet ze rijzen naar hemeische, die eeuwig en onvergankelijk zijn; het zuurdeeg geeft aan het meel of aan het brood eenen geulen eenen goeden smaak ; en zoo maakt ons het Woord van God, dat wij niet zijn als degenen , van welke gezegd wordt : och, of gij houd of warm waret! maar omdat gij lauw zijt zal ik u uitspuwen; het zuurdeeg moet eindelijk door het meel verspreid zijn, en zoo moet, zoo zal het Woord Gods door de geheele wereld verspreid zijn.
Deze twee gelijkenissen leeren ons twee belangrijke leerstukken : 1. Hebben de Kerk en leer van jesus vervolgingen geleden, en zijn zij evenwel niet overweldigd; zijn zij door de geheele wereld verspreid : dan is dit een sprekend bewijs, dat God daarvan de insteller is, en dat de Katholieke Kerk, die bij uitsluiting het voorrecht heeft zich tot dc Apostelen en vervolgens tot Jesus Christus te rekenen, de eenige wnre Kerk is.
t. Daar God ons , boven vele duizenden, tot deze ware Kerk geroepen heeft, zijn wij daarvoor aan Hem de grootste dankbaarheid verschuldigd; terwijl wij deze dankbaarheid moeten toc-nen door eenen godvruchtigen wandel, zoo als het aan de kinderen zijner Kerk betaamt.
Deze gelijkenissen herinneren ons nog aan
na Brie-Koningen. 71
twee andere waarheden , namelijk : hoe uit de oefening van vele kleine deugden eindelijk groote deugden voortkomen , en zoo omgekeerd : hoe uit kleine fouten en gebreken groote zonden ontstaan ; hiervan zonde men duizend voorbeelden kunnen bijbrengen. Langzamerhand gewent men zich tot iets, leert men iets. Met het kleine begint men, en men eindigt met het groote, zoowel in het goede, als in het kwade. Wie derhalve geene groote zonden begaan wil, ver-mijde de kleine. Men zegge niet ; deze of gene zaak is eene kleinigheid, want juist door die komt men op den weg der boosdoeners. Wanneer men om aan eene plaats te komen honderd stappen doen moest, dan is immers de laatste niet grooter dan de eerste : van den eersten tot den tweeden is één stap, en van den negen-en-negen-tigsten tot den honderdsten is ook maar één stap. Wie den eersten gedaan heeft, zal ook lichtelijk tot den tweeden, derden, vierden, enz. overgaan. Men moet dus den eersten stap tot alle zonden vermijden. Van plantjes worden groote boomen. Laat u dit dan, mijne Christenen, tot waarschuwing dienen : stapt nooit over eene kleine zonden heen, maar laten u die ook zwaar op het hart wegen ; oefent u in kleine deugden, dan zult gij weldra in groote geraken.
GEBED.
Lof en dank zij U, o God, dat Gij uwe Kerk of de leer van het Evangelie, zoo genadiglijk tegen alle vervolgingen beschermd hebt en ous door het heilig doopsel in den schoot der Kerk hebt doen geboren worden : dat uw Geest ons tot waren belijders van het Evangelie vorme.
72 Evangelie op den Zondag
Dat wij ook kleine zonden zoeken te vermijden, en dat wij steeds wandelen in verborgene ootmoedigheid, rechtvaardigheid en heiligheid, al de dagen onzes levens. Amen.
Op den Zondag Septuagesima.
Evangelie, Matïheus XX : 1 â 16.
// In dien tijde zeide Jesus aan zijne leerlingen â deze gelijkenis : Het rijk der hemelen is gelijk ,/ eenen vader des huisgezins, die in den vroegen ,/ morgen uitging om arbeiders in zijnen wijn-â gaard te huren. En als hij met de arbeiders u overeengekomen was voor één tienling daags , //zond hij ze in zijnen wijngaard. En uitgegaan ,/ zijnde omtrent de derde uur, zag hij anderen â op den markt ledig staan, en zeide hun : gaat v gij ook in mijnen wijngaard, en dat recht is , â zal ik u geven. En zij gingen er henen. Weder-// om ging hij uit omtrent de zesde en negende ,/ uur, en deed desgelijks. En omtrent de elide // uur uitgaande, vond hij er nog anderen staan u en zeide hun ; wat staat gij hier den geheel sn z/dag ledig? Omdat ons, zeiden zij, niemand // gehuurd heeft. Hij zeide tot hen : gaat gij // ook henen in mijnen wijngaard. quot;
Om deze gelijkenis van den Zaligmaker re verstaan, moet gij hierop letten : Door den vader des huisgezins wordt verstaan, God, die door zich zeiven of door zijne dienaars, arbeiders, dat
Septuagesima. 7 3
zijn alle menschen die op den grooten markt der wereld staan, in zijnen wijngaard , de heilige Kerk, ging huren ; hen heroept tot zijne dienst in het ware geloof. Hij beloofde hun één tienling, het eeuwige leven, als de vergelding aan de getrouwe werklieden. De verscheidene uren beteekenen de onderscheidene tijdvakken der wereld. Door die , welke in den vroegen morgen verhuurd zijn, worden verstaan diegenen, welke God gediend hadden van Adams tijd tot Noe. De arbeiders, welke omtrent de derde, dat is negen ure, naar onze rekening, geroepen werden, beteekenen diegenen welke van Noë tot Abrahams tijd in de dienst van God geweest zijn. Omtrent de zesde uur, dat is den middag , van Abraham tot Moïzes. Omtrent de negende uur, te drie ure na den middag, van den tijd van Moïzes tot op de komst van Christus , in welken Hij, door het zenden van verscheidene Profeten, de menschen tot zijne dienst geroepen heeft. Omtrent de elfde, de laatste uur van den dag, dat is na Christus geboorte, zijn er en worden er, tot aan het einde der wereld, arbeiders in den wijngaard geroepen. Onder de laatst geroepenen behooren wij, die uit de Heidenen zijn voortgekomen. Wij laatst gehuurden worden nog eerst betaald. Wij zijn boven de Joden, die den zwaren last der oude wet hebben moeten dragen, en als het ware, gedurende de hitte van den middag in den wijngaard gewerkt hebben.
n Als het nu avond geworden was, zeide de // Heer des wijngaards aan zijnen Hofmeester : ,/ roep de arbeiders en betaal hun het loon,
74 Evangelie op den Feestdag
u beginnende van den laatsten tot den eersten. // Als zij dan kwamen, die omtrent de elfde // uur gekomen waren, kregen zij ook elk één â tienling; doch toen de eersten kwamen, meen-â den zij, dat zij meer ontvangen zouden, maar // zij kregen elk één tienling. En dien ontvan-// gende, morden zij tegen den vader des huis-,/gezins, zeggende : deze laatsten hebben één n uur gearbeid, en gij hebt hen gelijk gemaakt n aan ons, die den last van den dag en de u hitte gedragen hebben. Maar hij antwoordde n en zeide eenen hunner : Vriend, ik doe u n geen ongelijk. Zijt gij niet voor één tienling â met mij overeengekomen ? Neem hetgeen u â toekomt, en ga henen; ik wil ook dezen laat-u sten geven gelijk aan u. Ot is het mij niet n geoorloofd te doen, wat ik wil ? Is uw oog n kwaad, omdat ik goed ben ? Alzoo zullen // de laatsten de eersten zijn, en de eersten de // laatsten; want velen zijn geroepen, maar wei-â nigen uitverkoren. quot;
De avond beduidt het einde der wereld , den dag der verrijzenis, waarop een ieder loon naar werken zal ontvangen. Op dien avond zuilen de arbeiders verzameld en hun het verdiende loon, namelijk het eeuwig leven, gegeven worden. Hoe aangenaam is het na den arbeid, te rusten, hoe zoet smaakt dan spijs en drank ! hoe welkom is de zomer na den Winter, en de zonneschijn na den storm ! Maar nog veel aangenamer zal het zijn te hooren : roep de arbeiders om het verdiende loon te ontvangen. Heil
Septuagesima. 75
lien die kloek en naarstig in den wijngaard gewerkt hebben, en die niet ledig stonden ! God de Heer zal in den jongsten dag een ieder loon naar werken geven : den goeden het eeuwige leven, en voor den kwaden is de eeuwigs verdoemenis beschoren. Het morren geeft te kennen, dat de rechtvaardigen als van verwondering zullen opzien over de eindelooze barmhartigheid des hemelscben Vaders, jegens de laatstgeroe-penen. Laat dan de hoop op eene eeuwige vergelding ons aansporen , om met allen ijver in den wijngaard des Heeren te werken; want maakt een tijdelijk loon den zwaarsten arbeid licht, hoe veel te meer moer, dit niet een eeuwig loon doen ! Staan wij dan niet ledig; laten wij niet met slappe handen en knieën arbeiden , want de ledigheid is des duivels oorkussen; daarom worden de lediggangers bestraft : Wat staat gij hier den ganschen daq ledig ! dat is : brengt dus uwen tijd niet nutteloos door! weet gij niet, dat er eens een tijd van rekenschap zal komen ; en als gij niet werkt, hoe zult gij dan loon ontvangen ?
Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Vreeselijke woorden ! God de Heer is aan niemand iets schuldig, en wat Hij geeft, doet Hij uit genade ; opdat zich niemand beroemen zoude, alsof hij door eigen verdiensten, zonder de medewerkende genade Gods , zalig koude worden. De Apostel âvermaant ons daarom, zeggende : die staat, zie toe, dat hij niet valle; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Laat ons dan ons best doen, en met hoop en vrees onze zaligheid uitwerken , dan zullen wij, ofschoon laat iu den wijngaard ge-
76 Evangelie op den Zondag
komen, eerst betaald worden, en met Abraham
en alle Heiligen in het rijk Gods aanzitten.
g e b k d.
Mochten wij, o God, steeds het geluk beseffen, dat wij in uwen wijngaard, tot uwe heilige Kerk geroepen zijn ! Mochten wij ons al die weldaden, welke Gij ons gedurig schenkt, waardig maken, vlijtig arbeiden, en niet ledig staan ! Dan, en daartoe smeeken wij uwe genade af, konden wij, met gegronde hoop, het loon des eeuwigen levens verwachten, hetwelk Gij aan uwe getrouwe dienaars hebt toegezegd. Amen.
Op den Zondag Sexagesima.
Evangelie, Lucas VIII: 4-5.
// In dien tijde, als eene groote menigte bij-//eenkwam, en uit de steden tot Jesus ijlde, n zeide hij bij gelijkenis : De zaaier ging uit, // om zijn zaad te zaaien. En als hij zaaide , ,/ viel er een deel bij den weg, en het werd // vertreden, en de vogelen des hemels aten ,/ het op. Het ander deel viel op de steenrots , // en als het uitgekomen was, verdorde het, n omdat het geene vochtigheid had. Het andere ,/ viel tusschen de doornen, en de doornen daar-// mede opwassende, verstikten hetzelve. En het
Sexagesima. 77
,/ andere viel in goede aarde, en opgewassen zijn-u de, bracht het honderdvoudig vruchten voort. â Dit zeggende, riep Hij ; die ooren heeft om ;/ te hooren, dat hij hoore. En zijne leerlingen // vroegen Hem , wat dit voor eene gelijkenis u was ? Hij antwoordde hun : u is het gegeven // het geheim van het rijlc Gods te kennen; u maar anderen in gelijkenissen; opdat zij zien-,/ de niet zien, en hoorende niet verstaan. Hit H is dan de gelijkenis : Het zaad is het woord â Gods. Nu, daar het bij den weg valt, zijn //degenen die het Woord hooren; daarna komt ,/ de duivel, en neemt het Woord van hun hart //weg, opdat zij niet zouden gelooven en zalig â worden. Daar het op de steenrots valt, zijn // degenen, die als zij het Woord hooren , het-// zelve met blijdschap aannemen; doch zij heb-// ben geenen wortel, want zij gelooven voor // een' tijd, en len tijde der bekoring wijken // zij af. En daar het tussclien de doornen valt, //zijn degenen die het hooren, maar naderhand // wordt het door de bekommernissen, en rijk-// dommen en wellusten verstikt, en het brengt // geene vruchten voort. Maar daar het in de // goede aarde valt, zijn degenen, die met een // goed en oprecht hart het Woord hooren en t, bewaren, en vruchten dragen met langmoe-â digheid.quot;
Dit Evangelie behoeft weder geene uitlegging; omdat de Zaligmaker zelf, gelijk meermalen, de uitlegging daarvan gegeven heeft.
78 Evangelie op den Zovdag
Intusschen kunnen wij hier nog bijzondere opmerkingen maken, en ons opwekken tot het bewaren van eene zuivere ziel; opdat het Woord Gods daarin, als in eene goede aarde vallende, vruchten moge voortbrengen.
Deze gelijkenis geeft ons een voorbeeld, hoe wij het niet zullen betreuren, dikwijls, al ware het ook eenen verren weg, naar die plaatsen te gaan, waar Gods Woord gepredikt wordt, maar met die vrome voornemens, welke een Christen passen. Gods Woord is eene spijs der zielen, waarmede de ziel gevoed en versterkt wordt: daardoor wordt dus het verstand verlicht en het hart verbeterd. Mocht men dit met ernst bedenken, Gods Woord ter harte nemen, bij. zich zelve overleggen, met anderen daarvan spreken, en zoo doende zijne ziel steeds bezig houden met God den Heer, dan zoude Gods Woord honderdvoudig vruchten voortbrengen. Doch, helaas, het vierde gedeelte des zaads gaat nauwelijks op. Men begeeft zich, het is waar, nog al naar de kerk, omdat dit zoo de gewoonte is ; en omdat men toch gaarne bij de men-schen eenen goeden naam heeft; maar met welk oogmerk komt men in de kerk? Velen voorzeker alleen om te zien, en gezien te worden. Men staat daar met oneerbiedigheid, en, mochten er nog geeue gevonden worden, die anderen in hunne aandacht stoorden! Zij hooren de predikatien en leeringen ten halve, en zoo valt het Woord Gods op de steenrots of onder de doornen; terwijl anderen, zoodra zij buiten de kerk zijn, door hunne verkeerde bekommernissen en begeerlijkheden, het goede weder vergeten of in den wind slaan. Wereldsche belangen trekken al ras weder hunne aandacht, en ziedaar het goede zaad verstikt. Bidtderhalve, mij-
Sexagesima. 79
de Christenen, dat God, door den heiligen Geest, uwe harten opene en zuivere; opdat het goede zaad van zijn heiligWoorddaarinvruchtenvoortbrenge.
Die oor en heeft om. te hoor en, dat hij hoore: dat is, die zijne zaligheid ter harte gaat, die hoore naarstiglijk naar Gods Woord; opdat het iu hem honderdvoudige vruchten voortbrenge. Wanneer het zaad van GodsWoord op den onreinen weg der wellustigheid valt, wordt het vertreden door zinnelijkheid en medewerking des duivels. Ot'valt het op eenen steen van verhardheid in zondenen boosheden , dan wordt de mensch niet verbeterd; even min brengt GodsWoord vruchten voort, wanneer het tusschen de distelen en doornen van de rijkdommen der wereld valt. Maar in de goede aarde, in de onbekommerde, reine gemoederen, door den heiligen Geest voorbereid, zal het Woord van God honderdvoudig vruchten voortbrengen : vruchten van lijdzaamheid,boetvaardigheid, ootmoed, hulpvaardigheid , broederlijke liefde en meer andere.
Degenen, welke denken, dat het genoeg is des Zondags cl op eenen anderen Feestdag Mis gehoord te hebben, en die uit de predikatiënwegloo-pen, wordenhierinsgslijksveroordeeld. Wantwan-neer zij het Woord van God niet hooren, de lessen en vermaningen, welke hun door den mond des Priesters gegeven worden, niet opmerken, hoe zullen zij dat aannemen ? en indien zij dat niet aangenomen hebben, hoe zal dat Woord in hun vruchten voortbrengen? En een boom, die geene vruchten voortbrengt, zal uitgeroeid worden.
Laat ons dan zorg dragen, dat wij de gelegenheden om Gods Woord te hooren niet verzui-
80 évangelie op den Zondag
meu; maar laat ous liet/.elve met graagte ontvangen; den Zaligmaker om zijnen Geest bidden, opdat die onze harten zuivere, het goede zaad in ons aankweeke en hetzelve zoo doende in ons goede vruchten voortbrengen mag : dan zullen zij eenmaal door de Engelen gemaaid, en door ons in het eeuwige leven genoten worden.
GEBED.
O Heer ! geef dat het zaad van uw heilig Woord in ons honderdvoudige vruchten voort-brenge. Dat wij met een heilige aandacht uw woord hooren en hetzelve in onze harten bewaren; dat het noch vertreden, noch weggenomen noch verstikt worde; dan zal het. dienen tot lof van uwen naam en zaligheid onzer zielen. Amen.
Op den Zondag Quinquagesima.
Evangelie, Lucas XVIII : 31-43.
,/ En Jesus nam de twaalf bij zich, en zeide u hun : Ziet, wij trekken op naar Jeruzalem, en // al wat er door de Profeten van den Zoon des ,/ Menschen geschreven is, zal volbracht worden: H want hij zal aan de Heidenen geleverd, bespot, // gegeeseld en bespogen worden; en nadat zij h hem zullen gegeeseld hebben, zullen zij hem â dooden, en ten derden dage zal Hij verrijzen. ,/ Doch zij verstonden niets van al deze dingen; // die rede was voor hen verborgen, en zij vatten // niet hetgeen er gezegd werd.quot;
Quinquagesima. 81
Reeds voor de derde maal, maakt de Heer Jestjs aan zijne Apostelen zijn aanstaande lijden bekend opdat zij zouden weten, dat dit niet bij toeval gebeurde, maar door Gods wijze Beschikking, tot zaligheid van allen die in Hem geloo-ven zouden ; opdat de Apostelen niet in vertwijfeling zouden geraken, wanneer zij hunnen Heer ganscli onverwacht zagen ter dood brengen : maar opdat zij wisten, dat de Heer dit lijden zelf uit vrijen wil gekozen had, om ons te verlossen van den eeuwigen dood en de verdoemenis, welke straffen nog wegens de ongehoorzaamheid van Adam op ons lagen. Geloofd en gedankt zij derhalve de zoon Gods, onze Heer en Zaligmaker ! Hem zij de eer, de roem en de dankzegging tot in eeuwigheid.
Deze voorzegging echter, welke de Zaligmaker deed , werd door zijne Apostelen niet verstaan; omdat de Joden in het denkbeeld verkeerden, dat de Messias of de Verlosser een aardsch Koningrijk zoude oprichten en hen van de over-heersching der Eomeinen bevrijden. De Apostelen waren niet allen van dit denkbeeld, maar sommigen hunner hoopten de eerste of hoogste posten in dat rijk te bekleeden. Zij begrepen dus niet, wat de Zaligmaker van zijn aanstaande lijden en dood zeide, en eerst na zijne verrijzenis, en bijzonder na de komst van den heiligen Geest, begrepen zij deze voorzegging.
Terwijl Jesus zoo van zijn aanstaande lijden sprak, bleef Hij even welgemoed; Hij ontroerde daarover niet. Leeren wij hieruit, hoe wij ook grootmoedig ons lijden moeten te gemoet gaan, onze kruisen en wederwaardigheden, die ons door Gods wijze voorzienigheid toegezonden worden,
6
82 Evangelie op den Zondag.
met geduld eu lijdzaamheid te dragen. Wij moeten gaarne den kelk des lijdens drinken, die ons door den hemelschen Vader ingeschonken wordt. De tranen der braven vallen niet in het stof; zij worden van God gesteld en zullen eens afgedroogd worden. Zouden wij niet bereidwillig ons kruis of onze kruisen dragen, daar God de Zoon dit deed voor ons zondaren? Hij onschuldige voor ons schuldigen, die niets anders dan den eeuwigen dood en de eeuwige verdoemenis verdiend hadden en niets anders konden verwachten !
Maar het is geen gewillig kruis dragen, wanneer gij mort als het u tegenloopt, als u ziekten of' ongelukken overkomen ; als gij wederscheldt wanneer u gescholden wordt. T)e ware navolgers van Jesus volgen hem en lijden met tevredenheid in den wille Gods
Herinneren wij ons gedurig aan Jesus en zijn lijden, door in onze huizen een Christusbeeld te plaatsen, en vóór hetzelve onze morgen-en avondgebeden te verrichten, dan zal het ons gemakkelijker vallen, om Jesus in zijne deugd van lijdzaamheid na te volgen. Laat ons verder het Evangelie hooren.
â En als hij Jericho naderde, zat er een blinde u bij den weg en bedelde; en hoorende het volk z/met menigte voorbijgaan, vroeg die, water n te doen was ? En zij zeiden hem : dat Jems van â Nazareth daar voorbij ging. Hij riep dan en â zeide ; Jesus, Davids Zoon, ontferm U mijner! n En die vooruit gingen bestraften hem, opdat // hij zwijgen zoude; maar hij riep nog veel meer: // Davids Zoon , ontferm U mijner, Jesus bleef
Quinquagesima. 83
u dan staan en gebood, dat men den blinde bij ,/ bem zoude brengen. En als hij nabij gekomen was â vraagde hij hem : wat wilt gij, dat ik u doe ? z/Hij antwoordde: Heer, dat ik zien mag. En // Jems zeide hem ; wordt ziende, uw geloof heeft ,/ u genezen. En terstond zag hij en volgde Hem, // God verheerlijkende. En al het volk dit ziende, // loofde God.quot;
Overal waar Jesus zijne schreden richtte, deed H ij wel; het land doorgaande, verspreidde Hij zegen rondom zich. Blinden werden ziende, dooven hoorden, kreupelen en kranken werden genezen, en den armen werd het Evangelie verkondigd. O mochten al die nog geestelijk blind zijn, zich naar den Zaligmaker wenden en roepen : Jesus , Davids Zoon, ontferm U mijner ! Dan zoude de Zaligmaker, wanneer zij vurig verlangden naar quot; het licht des Evangelies, tot hun zeggen ; wordt ziende. Mochten alle zondaren hunnen deernis-waardigen staat inzien : zij verbeelden zich gelukkig te zijn en zijn ongelukkig; hunne wijsheid is dwaasheid, hunne ingebeelde grootheid is ellende, hunne uitgelatene vreugde zal in bittere droefheid verkceren. Laten zij toch roepen : Jesus, ontferm U onzer! en wanneer zij van hunne verblindheid genezen, van hunne verdwaaldheid terecht gekomen zijn, dat zij dan God verheerlijken, die door zijne grondelooze barmhartigheid hun zoo genadig geweest is.
Houdt aan met bidden en met smeeken; de Hf-er zal u zeker hooren. Verliest den moed niet, al wordt gij niet terstond verhoord; misschien is het nog daartoe de tijd niet; uw geloof is
84 Evangelie op den eersten Zondag welligt niet sterk genoeg. Vertrouwt echter, dat de Heer barmhartig en groot van weldadigheid is; Hij laat nooit een biddende gaan, en zal eenmaal zeggen : wordt ziende , en dan zal de geheele Kerk daarover juichen : Alleluja ! Lot zij den Koning der eeuwige glorie !
GEBED.
Heer Jesus , die den kelk uws lijdens met het Doopsel van uw heilig bloed hebt overgoten, tot verlossing en zaligheid onzer zielen: geef dat wij, met geduld en lijdzaamheid, onze kruisen op ons nemen en U navolgen, en dat uw kruisbeeld ons daaraan gestadig herinnere. Ware het, dat iemand onzer door zijne zonden geestelijk blind geworden ware, dat hij dan zijne toevlucht tot U neme en bidde : Jesus, Davids Zoon, ontferm U mijner ! opdat hij, zijne zonden kennende , daarover boete doe en vergeving ontvange.
Op den eersten Zondag in de Vaste.
Evangelie, Mattheus IV : 1 - 11.
â In dien tijde werd â¢Æesus van den Geest naar â de woestijn geleid, om van den duivel bekoord â te worden. En als hij veertig dagen en veertig n nachten gevast had , kreeg hij eindelijk hon-â ger. En de bekoorder bij hem komende zeide: â is het, dat Gij Gods Zoon zijt, zoo zeg, dat â deze steenen brood worden. Maar hij s,nt-// woordde zeggende : daar staat geschreven : de â mensch leeft niet alleen bij brood, maar bij
in de Vaste. 85
,/ alle woord, dat uit Gods mond voortkomt.
Toen nam hem de duivel op naar de iieilige u stad, stelde hem op de tinne des tempels, en â zeide hem : indien gij Gods Zoon zijt, werp ü // van boven neder. Want daar staat geschreven, ,/ dat Hij zijne Engelen aan U bevolen heeft, en // dat zij U op de handen zullen dragen, opdat n Gij uwen voet niet aan eenen steen zoudt ;/ stooten. Jesus antwoordde hem : daar staat n ook geschreven : gij zult den Heer uwen God v niet tergen.quot;
De heilige Kerk legt ons jaarlijks een veertig-daagsche vaste op, om Jesüs in dit heilig voorbeeld na te volgen. Wij zullen bijzonder in deze dagen eene heilige boete plegen , door dezelve zoo veel mogelijk in eenzaamheid door te brengen, en ons voor alle luidruchtige vermaken mijden. Laat ons dan uit liefde tot God vasten, bidden en aalmoezen geven, opdat wij genade, en vergeving van onze zonden mogen ontvangen.
.Nadat de Zaligmaker van Joannes in de Jor-daan gedoopt was, werdt hij door den heiligen Geest geleid in de woestijn, om zich aldaar tot het predikambt, dat hij nu ging aanvaarden, voor te bereiden. De bekoorder of de duivel in menscheliike gedaante, die niet zeker wist of Jesus de eeniggeboren Zoon Gods, dan of Hij alleen een vroom mensch was, ging tot hem , om dit te vernemen. Hij wist, dat de Zaligmaker, na zoo lang vasten, honger had en zeide daarom : 'indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze üeenen brood worden: gij kunt dan gemakkelijk de stee-nen der woestijn veranderen en daarmede uwen
1
86 Evanyelie op den eerden Zondag lionger stillen. Dnn, de Zaligmaker, die het oogmerk van den satan kende, wees hem kort af met te zeggen : daar staaf geschreven : de rnensck leeft niet alleen hij brood,, maar hij alle woordgt; bij alle ding, dat uit Gods mond voortkomt, alles wat de Heer hem tot voedsel heeft willen geven. Ook bestaat de mensch uit lichaam en ziel, en behoeft daarom niet alleen lichamelijke, maar ook geestelijke spijze, welke GodsWoord is, om de ziel tot het eeuwige leven te brengen.
Loeren wij hieruit. 1. Als wij eene zaak van belang voor hebben, dat wij ons daartoe vooraf voorbereiden. 2. Dat wij wanneer wij door den duivd of door ons vleesch in bekoring gebracht worden , deze te wcderstaan , hem kort af te wijzen, door te zeggen : er staat geschreven. Want er staat te lezen in de heilige Schrift : wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. 3. Terwijl Gods Woord de geestelijke spijs onzer ziel is, zullen wij daar meest naar trachten; het lichaam is toch steifelijk en zal tot de aarde, waaruit het gemaakt is, terug keeren, maar de ziel zal leven tot in eeuwigheid.
Intusschen Het de satan nog niet af, maar beproefde: gelijk gij gehoord hebt, eenen tweeden aanval: de duivel stond met den Zaligmaker aan de leuning op het platte dak des tempels van Jeruzalem, en wilde, dat de Zaligmaker zich van boven neder zoude storten. De Engelen zouden Hem voor pijn en stooten bewaren. Het is waar, dat dit geschreven staat, maar dit wil niet zeggen, dat men zich moedwillig in gevaar begeven zal; en daarom voerde Jésus hem te gemoet : er staat geschreven : gij zult den Heer uwen God niet tergen. God beschermt, bewaart
in de Vaste. 87
zekerlijk diegenen, welke zonder schuld, in gevaar en nood gebracht worden; maar diegenen, welke zouden meenen , dat God hen bewaren zal, indien zij zich moedwillig in gevaar begeven, die tergen God. Gelijk de duikel Eva in het Paradijs vervoerde door misverstand der heilige Schrift; zeggende : indien gij van de vrucht eet, zult gij het goede en kwade kennen, zoo vervoert hij nog dagelijks duizende raenschen, door misverstand der heilige Schrift. Het is wel waar, geeft hun de duivel in : deze en gene zaken staan in de Schriftuur, maar die zijn zoo idet te verstaan ; het is daarmede anders gelegen. O on-verstandigen ! wanneer zult gij wijs worden ? weet gij niet dat u zulks door den duivel ingegeven wordt ? Wederstaat den duivel, of gij zult, helaas ! te laat ondervinden, dat hij u bedrogen heeft. Gelooft alles, gelijk de heilige Kerk het u voorhoudt. Terder zegt het Evangelie:
,/ Wederom nam hem de duivel mede op een n zeer .hoogen berg, en toonde hem al de Ko-â ningrijken der wereld, en hunue heerlijkheid, ,/ terwijl hij hem zeide : al deze dingen zal ik u U geven, zoo gij nedervallende mij aanbidt. â Toen zeide Je.sux hem ; gaat weg, satan, want â daar staat geschreven ; den Heer uwen God t, zult gij aanbidden en hem alleen dienen. Toen â verliet hem de duivel , en ziet, de Engelen n kwamen en dienden Hem. quot;
Hier hoort gij, hoe onze. Heer ten derden male van den boozen geest is bekoord geworden , doch deze bekoring konde Hem evenmin
88 Evangelie op den tweeden Zondag schaden als de vorige. Chexstus zijn bedrog en valschheid kennende, gebood hem met alle Majesteit -⢠gaat weg satan.
Welke dingen, hetzij schatten of vermaken , ons de satan belooft, wij zullen hem altijd we-derstaan. Hij heeft niets te geven, dan eeuwig verdriet en ellende; hij is een leugenaar en menschenmoorder van den beginne. Wij zullen niet den satan, maar God den Heer aanbidden en Hem alleen dienen, die ons geschapen eu van de eeuwige verdoemenis verlost heeft, door het zenden van zijnen Zoon in deze wereld, die ons verleent, wat wij naar ziel en lichaam behoeven; die zijne H.H. Engelen ter onzer hulpe zendt in gevaren en bekoringen , wanneer wij Hem daarom vurig aanroepen.
Strijden wij dan, gelijk Christus gestreden heeft; vasten en bidden wij, gelijk Hij gevast heeft, gorden wij de wapenen des geloofs aan. Wanneer wij in bekoring vallen; lezen wij de passie onzes Heeren, St Jans Evangelie, en kruisigen wij ons, dan zal de bekoring wijken. Doen wij verder bij ons vasten, oprechte boete voor onze zonden, dan zullen wij, na dit ellendige leven, de eeuwige zaligheid beërven, door de verdiensten onzes Zaligmakers Jesus Christus , die gezegend is in de eeuwige glorie.
GEBED.
Mochten wij, Heer, door de vaste stiptelijk en godvruchtig te onderhouden, uw goddelijk voorbeeld navolgen, en hongeren en dorsten naar gerechtigheid, en wij zoo doende meer gesterkt zijn om de bekoringen te wederstaan. Mochten wij den goeden strijd strijden en onze vijanden,
in de Vaste. 89
den duivel, de wereld en het vleesch overwinnen, om eeuwig bij U te leven. Amen.
Op den tweeden Zondag in de Vaste.
Evangelie, Mattheus XVII: 1-9.
â In dien tijde nam Jesus met zich Petrus , âen Jacobus, en Joannes zijnen broeder, en â leidde hen op eenen hoogen berg alleen. En ,, hij werd voor hen in eene andere gedaante â veranderd; zijn aangezicht blonk als de zon, en â zijne kleederen werden wit gelijk sneeuw. En â zie, hun verschenen Mazes en Ellas, met hem â sprekende. Toen sprak Petrus Jesus aldus aan : â Heer, het is ons goed hier te zijn; zoo liet U â belieft, laat ons hier drie hutten maken : eene â voor U, eene voor Mozes en eene voor Elias. â Terwijl hij nog sprak, zie, zoo overlommerde â hem eene heldere wolk. En daar kwam eene â stem uit de wolk, zeggende : dit is mijn wel-â beminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen ge-â nomen heb; hoort hem. De leerlingen dit hoo-â rende, vielen op hunne, aangezichten neder en â waren zeer bevreesd. Doch Jesus bijkomende , â raakte hen aan en zeide : staat op en vreest â niet. En zij hunne oogen opheffende, zagen nie-â mand dan Jesus alleen. Als zij den berg af-â gingen, gebood hunJe.sms, zeggende: dat gij aan â niemand van dit gezicht spreekt, tot dat de Zoon â des menschen van den dood zal verrezen zijn. quot;
90 Evangelie op den tweeden Zondag.
T)e Zaligmaker had zijne Apostelen reeds van zijn aanstaande lijden en van zijnen dood verwittigd en vele wonderen gedaan, die hen van Zijne godheid moesten overtuigen ; zelfs had Petrus openlijk bekend, dat Hij de Zoon van den levenden God was; doch hun geloof moest sterk zijn , zouden zij, in het vervolg, Jesus als zoodanig blijven erkennen; bijzonder dan wanneer zij zouden zien, dat Hij gevangen genomen, bespot, ge-geeseld en tusschen twee moordenaren aan het kruishout zoude gehecht worden. Om zijne Apostelen met een vast geloof te wapenen, nam Jesus drie hunner, namelijk : Petrus, Jacobus en Joannes, met zich, leidde hen op den hoogen b(3rg Thahor, waar Jesus van gedaante veranderde ; zijn aangezicht blonk en zijne kleederen werden wit en blinkend, een goddelijke glans omscheen Hem, en twee hemelingen, Mozes en Elias, spraken met Hem over zijn lijden en zijnen dood , en van de verlossing des menschel ijken geslachts, als het doel van dc wot en de Profeten : terwijl er uit den hemel eene stem gehoord werd die zeide : deze is mijn welbeminde Zoon, in loelken ik mijn welbehagen heb ; hoort hem. Op deze wijze werden de Apostelen als handtastelijk overtuigd van de godheid des Zaligmakers.
Vrijwillig onderging Jesus zijn lijden, vrijwillig liet Hij zich gevangen nemen, geeselen, kroo-uen; vrijwillig nam Hij het kruis op zich, vrijwillig begaf Hij zich in den dood. Dit alles deed Hij om arme zondaren, doodschuldige Adamskinderen, gelijk wij, zalig te maken. 0 peillooze diepte van Gods liefde tot demenschen! Jesus had dit lijden gemakkelijk kunnen ontgaan; legioenen Engelen had Hij te bevelen; ja slechts een
in de Vaste. 91
enkel machtwoord ware genoeg geweest, om de plannen zijner vijanden, hunne verraderlijke aanslagen te verijdelen.
Hieruit leeren wij ook, dat niemand de hcmel-sche glorie zal deelachtig worden, dan diegenen welke zich door vasten, boete doen, aalmoezen geven en bidden, tot de zaligheid voorbereiden. I)e hemelsche Vader leert ons hier, dat wij zijnen Zoon moeten hooren, dat is, zijne lessen opvolgen en zijne geboden gehoorzamen, zoowel in het eene als in het andere. Welke heerlijkheid moet het niet zijn voor de godvruchtigen, wanneer zij ten jongsten dage Jesus, vergezeld van legioenen Engelen en Heiligen, inde lucht znl-len te gemoet gevoerd worden, om met hen en met Moïzes en Elias de zaligheid te genietan , die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft! Laat dit ons aanmoedigen op onze pelgrimsreize hier beneden. Laat ons, met het oog op den hemel gevestigd, vrolijk en welgemoed, de distelen eti doornen van dit leven doorwandelen; strijden en lijden, opdat wrij op ons sterfbed met den Apostel mogen zeggen ; ik heb den goeden strijd gestreden; ik heb het geloof behonden, en daarover is mij weggelegd eene eeuwige on verwelklijke kroon.
Maar hoe staan wij bij dit alles, wanneer wij ons eens afvragen, hoe het met ons gesteld is ? Moeten wij dan ook de hand op den mond leggen? Zijn wij in waarheid navolgers van Jesus ? Hebben wij Hem boven alles lief? Beminnen wij onze naasten, gelijk ons zelven, zoo als de heilige Kerk en hare dienaars ons voorhouden? Wanneer wij vasten, doen wij zulks gewillig of toonen wij een droevig gelaat? Onderwerpen wij ons geduldig aan zijne kastijdingen? Morren wij niet tegen
92 Evangelie op den derden Zondag Gods alwijze beschikkingen ? â Konden wij al deze vragen naar eisch beantwoorden , o dan zal het met ons welgaan; dan zullen wij kunnen zeggen : het is ons wel, dat wij hier zijn, om ons voor den hemel voor te bereiden; dan kunnen wij de onverwelklijke kroon verwachten, welke voor zijne dienaren, die in Hem gelooven, in den hemel bewaard wordt.
GEBED.
Wij bidden U, Heer Jesus, geef dat wij ons zeiven verloochenen en ons kruis gewillig op ons nemen, om U na te volgen. Dat de tijd kome , waarin wij, hetgeen wij nu gelooven, met onze oogen mogen aanschouwen, en ü in eeuwigheid mogen genieten. Amen.
Op den derden Zondag in de Vaste.
Evangelie, Lucas XI 14 â 28.
u In dien tijde dreef Jesus eenen duivel uit u iemand, die stom was. En als Hij den duivel // uitgedreven had, sprak de stomme, en het // volk stond verwonderd. Maar sommigen ouder // hen zeiden : door Beëlzebub den vorst der duive-u velen werpt hij de duivelen uit. En anderen, om ,/ hem te beproeven, verzochten van hem een // teeken van den demel. Maar hij, hunne ge-,/ dachten ziende, zeide hun : alle Koningrijk dat u tegen zich zeiven verdeeld is, zal verwoest wor-u den, en alle huis dat tegen zich zeiven verdeeld
in de Vaste. 93
â is, zal vervallen. Indien dan ook de satan tegen 7/ zich zei ven verdeeld is, hoe zal zijn rijk blijven â staan ? Want gij zegt dat ik door Beëlzebub de u duivelen uitdrijf. Doch indien ik door Beëlzebub ,/ de duivelen uitdrijf, door wien drijven uwe kin-â deren dien uit ? Daarom zullen die zelf uwe ?/ rechters zijn. Maar zoo ik door den vinger Gods â de duivelen uitdrijf, dan is waarlijk het rijk n Gods tot u gekomen. Als een sterke, welgewa-h pend zijnde, zijn hof bewaart, is al wat hij bezit u in vrede. Maar indien iemand die sterker dan hij ,/ is, komt, en hem overwint, die neemt al zijne n wapenen weg, waarop hij vertrouwde, en ver-,/ deelt zijne buit. Die met mij niet is, is tegen n mij, en die met mij niet vergadert, verstrooit.quot;
In dit Evangelie hebt gij geboord, hoe Jesus eenen duivel uitwerpt, die eenen mensch stom gemaakt had; van de omstanders en ooggetuigen waren er velen die zich verwonderden en God loofden, doch sommigen onder hen lasterden Jesus en zeiden, dat Hij zulks door de macht van den duivel verricht had. Om aan dezen den mond te stoppen, gaf Jesus vier bondige bewijzen, dat Hij niet door Beëlzebub, maar door den vinger Gods de duivelen uitdreef. 1°. Zeide Hij : alle rijk, stad, dorp of huisgezin, dat tegen zich zeiven, inwendig door twist en tweedracht verdeeld is, zal niet lang kunnen stand houden, zal verwoest worden. Indien ik nu door Beëlzebub de duivelen uitdrijve,r/lt;m is de satan tegen zich zeiven verdeeld, en dit zal immers niet zijn? gij zietdus hoe valsch uwe redeneering is. 2°. Genomen eens, dat ik door Beëlzebub de duivelen uitdrijf, door vnen drijven uwe kinde-
94 Evangelie op den derden Zondag, renzeuit? De kinderen waren de duivelbezweerders bij de Joden, of zijne leerlingen, die van dit geslacht waren. Van dezen gelooft gij toch dat zij door Gods macht verrichten; waarom wiltgij dit goede in mij betwisten? doch om diezelfde reden zullen diezelfsuioerec/iterszjn,w\amp;coQxi\vt\me\\ u overtuigen dat gij lastertaal spreekt. Voorts, indien ik door den vinger Gods de duivelen uitdrijf, dan is liet klaar, dat het rijk Gods, de Verlosser of Messias, lot u gekomen is. -i0. Wanneer een sterke, gewapend zijnde, zijn hof heivaart, is al wat hij bezit in vrede. Maar indien een die sterker dan hij is komt, en hem overwint, die neemt al zijne wapenen meg, waarop hij vertrouwd en verdeelt zijne buit. Ik ben nu, gelijk gij ziet, diegene, die sterker is dan de satan: omdat ik hem uit zijne woning verdreven heb, en dit alles kan niet dan door eene hoogere, door Gods macht geschieden; derhalve is uwe redeneering louter laster. 4.H. Die met mij niet is, is tegen mij, en die met mij niet vergadert, verstrooit; en dewijl mijne werken en die van deu duivel met elkander strijden, zoo kan er tusschen mij en hem geene de minste overeenkomst zijn. Gij zijl lasteraars, en toont dat gij zeiven Beëlzebub tot eeneu vader hebt.
Snoodheid van de Farizeërs, dat zij de goede, de menschlievende daden van Jesus in een verkeerd daglicht wilden stellen ; ja eene godslastering was het, welke de Joden hier uitspraken. Dit leere u, vrome Christenen, geduldig te zijn, wanneer men u om uwe goede werken lastert, smaadt en veracht. Laat men ook zeggen, dat gij uit schijnheiligheid of dergelijke te biecht of ter kerke gaat: uw Vader, die in de hemelen is, kent evenwel uw hart,, en die zal u eenmaal uit het stof verheffen.
in de Taste. 95
â Wanneer de onreine geest van den mensch â uitgegaan is, zoo wandelt hij door vvaterlooze â plaatsen, zoekende rust, en die niet vindende, zegt hij : ik zal wederkeeren in mijn huis, van ,, waar ik ben gekomen. En daar komende, vindt â hij het geveegd en versierd. Dan gaat hij henen, ,, en neemt nog zeven andere geesten met zich , â die boozer dan hij zijn; en zij gaan daar in â wonen; en het laatste van dien mensch wordt â erger dan het eerste. Terwijl hij deze dingen â zeide, was er eene vrouw ouder het volk die â hare stem verhief en zeide : zalig is de schoot â die u gedragen heeft, eu de borsten die gij â gezogen hebt. Waarop hij zeide : ja, doch ook â zalig zijn zij, die het Woord Gods hooren en âdat onderhouden.quot;
Waarmede Jesus zeggen wilde, dat wanneer een onreine geest, eene zonde, den mensch verlaten heeft, door deszelfs boetvaardigheid en oprechte biecht, dan tracht de booze geest dien mensch nog weder te verleiden en spant daartoe alle krachten in het werk. Indien deze mensch zich laat misleiden en bekoren , is de hervalling in de zonde , het laatste erger dan het eerste; zoodat de misdaad verschrikkelijk is van den bekeerden zondaar, die weder in zijnen vorigen zondaarsstaat hervalt.
Mochten vele dronkaards, lasteraars, vloekers, dieven, meineedigers en onkuische lieden hieraan denken. Mochten zij niet zoo ras weder tot hunne vorige zonden, welke zij pas gebiecht hebben , welke zij kort te voren beloofd hebben
96 Evangelie op den vierden Zondag te zullen mijden, vervallen. Laat liet ons tocli niet genoeg zijn gebiecht te hebben, maar wachten wij ons zorgvuldig van de gebiechte zonden niet weder te begaan !
Zalig noemde de vrouw, de schoot, welke eenen zoo dierbaren zoon gehaard had, en Jesus antwoordde daarop : zalig is zij en allen die het Woord Gods aanhooren en dat onderhouden. Gewichtige les voor hen die er zoo weinig werk van maken, om eene predikatie te hooren. Maar niet alleen moet men het Woord Gods gaarne hooren, maar ook daarnaar zoeken te leven. Niet, zegt de Zaligmaker, die daar zeggen : Heer ! Heer ! zullen ingaan in het rijk der hemelen, maar die daar doen den wille mijns Vaders.
GEBED.
Mochten wij ook dit voorbeeld van U volgen, goedertieren Jesus, wanneer wij valschelijk beschuldigd, versmaad en gelasterd worden. Vergeef ons ook onze zonden, verlicht onze blindheid en aanschouw onze boetvaardigheid, opdat de booze vijand onze ziel niet bezitte; dit smee-ken wij U, o Heer Jesus, en spreek ons zalig. Amen.
Op den vierden Zondag in de Vaste.
Evangelie , Joannes IV. 1 - 15.
â In dien tijde trok Jesus over de zee van â Galileë, dat is die van Tiberias : en hem volgde ,, eene groote menigte, omdat zij de teekenen â zagen, die hij over de zieken deed. Jesus ging
in de Vaste. 97
â dan op eeuen berg, en zat daar met zijne â leerlingen. Paschen, het hoogfeest der Joden, â was nabij. Jesus dan zijne oogen opheffende, â en ziende dat er eene zeer groote menigte ,, tot hem kwam, zeide tot Philippus : van waar â zullen wij brooden koopen, opdat dit volk â mag eten ? Doch dit zeide; hij om liem te be-â proeven; want hij wist wel, wat hij doen zoude. â Philippus antwoordde hem : voor twee honderd â tienlingen aan brood is hun niet genoeg; opdat â elk maar een weinig krijge. Een van zijne â leerlingen, Andreas, de broeder van Simon Pe-â trus, zeide hem : hier is een jongetje, welke ,, vijf gersten brooden en twee visschen heeft : â maar wat is dit toch onder zoo velen ? quot;
In dit Evangelie zien wij weder duidelijk, hoe de Heer voor zijne aanhangers en vereerders zorgt, en tevens ook, dat het volk eenen grooten ijver betoonde in het aanhooren van de lessen en leeringen des Zaligmakers. Op eenen berg gezeten zijnde, leerde Jesus het volk, en was daarmede tot aan den avond bezig. Hij overzag de gan-sche menigte en kreeg medelijden met haar, daar zij niet te eten had. De Zaligmaker wilde dezelve niet zonder spijs laten gaan, en vóór dat Hij het volk door een wonder spijsde, wilde Hij eerst zijne leerlingen op de proef stellen, en hunne kleinmoedigheid berispen. Laat ons hieruit leeren, om steeds ijverig te zijn in het aanhooren van het Woord Gods, dat ons door leeraars gepredikt wordt; voorts om ons steeds medelijdend, hulpvaardig eu minzaam te gedragen naar het voorbeeld van Jesus; want zoo-
1
98 Evangelie op den nier den Zondag danigen zal de Heer gadeslaan, oin hen uit alle nooden te helpen ; zoodanigen behoeven niet angstig te vragen ; ivat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, of ivaarmede zullen toij ons kleeden ? Er staat immers geschreven : zoekt eerd het rijk Gods, en het ander zal u toegeworpen worden gelijk aan het volk, dat hier op den berg door den Zaligmaker gespijsd werd. Met eene vaderlijke zorg, zorgt God voor zijne schepselen. Vreest derhalve niet, gij die u naar de voorschriften van den Zaligmaker gedraagt : overal kan en wil God u beschermen , bewaren, verzorgen; overal is Hij u nabij. Alle hulp en bijstand kunt gij van Hem, den Almachtigen, die uw Vader, uw teederhartige, liefderijke Vader is, verwachten. Wanhoop nooit aan redding uit den nood en de gevaren; al waret gij met Elias in het gebergte gevlucht, of al waret gij met Daniël in den leeuwenkuil; Hij zoude u daar beveiligen en daaruit verlossen.
Maar de boozen, die Gods Woord, zijn he-melsch brood, versmaden, kunnen van Hem in ramp en druk geenen troost, geene redding verwachten. Hebben zij ook voor een tijdlang voorspoed op deze aarde; zij hebben evenwel hun loon weg. Wee hen, indien ze eenmaal met den rijken man hunne oogen opslaan in de hel, waar geween en knarsing der tanden zijn zal.
Daarom, zoo veel mogelijk is, zorgen wij de getrouwe dienaars Gods na te volgen, en bidden wij den Heer, dat Hij ons steeds in genade aanzie en ons al meer en meer tot Hem bekeere; opdat wij, hier zijn deugdenbeeld navolgende, eenmaal, bij onze scheiding van deze aarde, door de engelen mogen gedragen worden
in de Vaste. 99
in den schoot van Abraham, dat is in den hemel, waar wij zaligheden zullen zien, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft. Hoort nu verder, welke wonderen Jksüs deed, om die vijf duizend mannen, zocder de vrouwen en kinderen te tellen, te spijzigen :
// Jesus zeide dan : doet de menschen neder-â zitten. Nu, daar was veel gras op die plaats, // en zij zaten daar omtrent vijf duizend mannen n in getal. Toen nam Jesus de brooden, en ge-v dankt hebbende, deelde hij ze aan degenen, v die daar zaten; insgelijks ook van de visschen , â / zoo veel zij wilden. En als zij verzadigd wa-// ren, zeide hij tot zijne leerlingen : vergadert ,/ de brokken, die er overgeschoten zijn, opdat // zij niet verloren gaan. Zij vergaderden dan // en vulden twaalf korven met brokken , die u van de vijf' gersten brooden , dergenen die ge-â geten hadden, overgeschoten waren. Die men-// schen dan, als zij het teeken, hetwelk Jesus u gedaan had, gezien hadden , zeiden : dit is u waarlijk de Profeet, die in de wereld komen ,/moest. Maar als Jesus verstaan had, dat zij // komen zouden, om Hem te halen en Koning vtemaken, vluchtte hij wederom alleen op den // berg. quot;
Alvorens Jesus de brooden en visschen uitdeelde, sloeg Hij de oogen ten hemel en zegende dezelven, waarop allen, die daar waren, zich verzadigden. Vervolgens gaf Hij bevel tot het verzamelen van het overschot, en ziet, er bleef
100 Evangelie op den vierden Zondag meer oyerig dan men aanvankelijk gehad had , namelijk twaalf konen met brokken. Dit wonder trof de verzadigde menigte zoodanig, dat zij uitriep ; dit is waarlijk de Profeet, die in de wereld komen moest. Hieruit leeren wij, dat wij, hetzij wij eten, drinken of iets anders doen , altijd God om zijnen zegen moeten vragen en Hem voor zijne weldaden dankbaar zijn. Wanneer wij al onze pogingen in het werk stellen , om onzen plicht te betrachten, dan zal God ook deze onze pogingen zegenen en ons zijnen ge-nadigen bijstand schenken. Leeren wij verder hieruit, dat aalmoezen geven aan God bijzonder welbehagelijk is ; deel gaarne aan anderen, aan uwe anne natuurgenooten mede, en de Heer zal u zulks tiendubbel vergelden; uw loon zal groot zijn in den hemel. Laat niets verloren gaan; bewaar het overschietende voor u of voor andere menschen. Ach ! bij zoo meuigen rijke wordt dikwijls voor de honden geworpen , datgene , wat een arm huisgezin eenen geheelen dag kende verheugen. Wat zeg ik : voor de honden geworpen niet alleen, maar zelfs vertrapt en weggeworpen. Maar hoe zullen zij dit verantwoorden ? Doen wij niet alzoo; maar laat ons dankbaar zijn voor de weldaden, welke wij in mindere of ruimere mate van God ontvangen hebben, biddende : geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden, o God, opdat wij eenmaal daar komen, waar Gij zijt, en waar wij tallooze wouderen zien zullen.
GEBED.
Beschouw ons, o God, van uwen genadetroon met medelijdende oogen ; aanzie onze ellende en
in de Vaste. 101
behoefte, zoo tijdelijke als eeuwige. Gij zijt, o Jesus, de ware Profeet, de Messias, van wien de H. Schriften gesproken hebben; Gij zijt de eeuwige Koning; wij bidden U, regeer ons, leid en bestuur ons naar uwen goddelijken wil, dat wij U in alle deugden mogen navolgen, en wees ons een genadig rechter. Amen.
Op den vijfden Zondag in de Vaste.
Evangelie, Joannes quot;VIII. 46 - 59.
â In dien tijde zeide Jems tot de scharen der â Joden ; Wie van u zal mij van zonde over-â tuigen? Indien ik u de waarheid zeg, waarom â gelooft gij mij niet ? Die uit God is, hoort â Gods woorden. Daarom hoort gij ze niet, om-â dat gij uit God niet zijt. Toen antwoordden de âJoden, en zeiden hem: zeggen wij niet wel, â dat gij een Samaritaan zijt en de duivel in â hebt? Jesus antwoordde : ik heb geenen dui-,, vel in : maar ik eer mijnen Vader, en gij ,, onteert mij. Dan, ik zoek mijnen Vader, en â gij onteert mij. Dan, ik zoek mijne eer niet: ,, daar is er één, die ze zoekt, en die recht zal â doen.quot;
De Zaligmaker ondervond zoo dikwijls tegenspraak van de laatdunkende Parizeërs, eene Joodsche sekte, die eene oorzaak wilde zoeken om Hem ter dood te brengen. Zij konden niet dulden, dat Hij hun huichelend gedrag open-
102 Evangelie op den vijfden Zondag lijk berispte. Op zekeren tijd, ongeveer zes maanden voor zijn lijden, dat Jesus in den tempel te Jeruzalem leerde, en weder veel tegenspraak c!n lastering over zijne leer en gedrag ontmoette, zeide Plij : ivie van u zal mij van zonde overtuigen? wie kan mij met grond opwerpen, dat ik iets geleerd heb, hetwelk strijdig is met Gods geboden ? wie kan mij aanwijzen, dat ik dezelve o]) eenigerlei wijze overtreden heb ? Is het misschien, dat ik op een Sabbath eenige zieken genezen of eenige wonderen verricht heb ? Gij zei ven haalt uw vee, dat bij ongeluk in den sloot gevallen is , daar uit. Bewijs ik u mijne leeringen niet uit de IT. Schrift ? Gij kunt noch mijne leer, noch mijn gedrag op geenerlei wijze berispen , en evenwel wilt gij mijne leer niet aannemen ? Waarom gelooft gij mij niet, indien ik u de waarheid zeg ^ Ik zal u daarvan de reden zeggen : gij zijt ongeloovig, laatdunkend en verkeerd van harte. Gij veracht Gods Woord, omdat Gij uit God niet zijt.
Laat ons de woorden van den Zaligmaker ; die uit God is, hoort Gods ivoorden, ter harte nemen; want daaruit weten wij, of wij kinderen Gods zijn. Vragen wij ons af : gaan wij gaarne naar de kerk, om daar de christelijke leering en eene preek te hooren ? Oefenen wij ook huisselijken godsdienst, en trachten wij ons leven naar de lessen van het Evangelie in te richten ? Doen wij zulks, dan zijn wij uit God; maar handelen wij daartegen, dan zijn wij kinderen des duivels. Helaas! hoe velen worden er gevonden, die even als de Farizeërs geene waarheid wiLen hooren, die zich niet willen laten bewegen, om de zalige leer van Jesus te volgen. O ongeluk-
in de Vaste.
kige, beklagenswaardige, maar tekens strafwaardige mensclien, die zoo halsstarrig iri uw verderf loopt! Ofschoon nu -Jesus Imn alweder de waarheid zeide, werden do Farizeërs nog hardnekkiger en braakten de hevigste lasterwoorden tegen Hem uit. Zeggen wij niet lod, zeiden zij, dat gij een Samaritaan, een afvallige Jood zijt, en den duivel in heit, door wien gij wonderen doet.
Hier zien wij den zachtmoedigen Jesus, die deze smaadwoorden geduldig verdroeg, en zich, alleen om de eer zijns Yaders te redden, vergenoegde met te zeggen : ih heb den duivel niet in; ik doe wonderen door de hulp en bijstand van mijnen Yader, die in de hemelen is.
Mochten alle Christenen dit zachtmoedige voorbeeld van den Zaligmaker navolgen. Mochten zij geen schelden met schelden vergelden; veel minder haat en nijd in hun hart koesteren. Ver-foeielijke wraaklust ; waar zij woont, daar heerscht geen vrede, geen genoegen, geen rust. Indien gij wedervergelding zoekt, dan hebt gij niets boven de Heidenen vooruit. Vergeving wil het Evangelie; vergeving ook aan uwe grootste vijanden. Jestjs zegt verder :
â Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, zoo iemand â mijn woord onderhoudt, hij zal in eeuwigheid â den dood niet zien. De Joden zeiden dan : nu â weten wij, dat gij den duivel in hebt. Abraham â is gestorven en ook de Profeten, en gij zegt: â zoo iemand mijn woord onderhoudt, die zal in â eeuwigheid den dood niet smaken. Zijt gij â meer dan onze vader Abraham, die gestor-
103
104 Evangelie op den vijfden Zondag â ven is? Ook zijn de Profeten gestorven. Wien â maakt gij u zei ven? Jesus antwoordde : indien
ik mij zei ven verheerlijk, dan is mijne eer â niets; die mij verheerlijkt, is mijn Vader, dien â gij zegt, dat uw God is. Eu gij kent Hem niet, â maar ik ken Hem. Zoo ik zeide, dat ik Hem â niet kende, dan ware ik een leugenaar, gelijk â gij. Maar ik ken Hem, en ik onderhoud zijn âwoord. Abraham, uw vader, heeft verlangd â mijnen dag te zien; hij heeft dien gezien en is â verheugd geweest. De Joden zeiden Hem dan : â Gij zijt nog geen vijftig jaren oud; en hebt âGij Abraham gezien? Jesus antwoordde hun ; â voorwaar, voorwaar, ik zeg u, eer Abraham er ,, was, ben ik. Zij namen toen steenen op om ,, op hem te werpen : doch Jesus verborg zich en â ging uit den tempel quot;
De dood, waarvan de Zaligmaker sprak, was niet de lichamelijke dood, maar de geestelijke dood, de eeuwige verdoemenis. De Parizeërs namen deze woorden dus verkeerdelijk op en zeiden : Abraham en ook de Profeten zijn gestorven. Doen wij niet alzoo; het zijn troostelijke woorden voor den Christen : die mijn woord onderhoudt, zal in eeuwigheid den dood niet zien; hij zal een eeuwig gelukkig en zalig leven verwerven. Zij zullen wel sterven naar het lichaam, maar niet verloren gaan. O mensch, denk eens wat eeuwig sterven is! Eeuwig is zoo lang, is zonder einde; en wat moet het te zeggen zijn, eeuwig van Gods minnelijk aanschijn te zijn ver-stooten ! Voor de goeden is sterven gewin, en
in de Vaste. 105
eene ontbinding van alle aardsclie ellendige banden. Godvreezende Christenen hebben eene begeerte , om ontbonden te worden en met Christus te zijn. De Farizeërs wilden daarvan niet hooren en lasterden daarom Jesus, die hun nog zeide , dat Abraham, op wien zij zich beroemden, verlangd had den dag des Heeren te zien ; dat hij hem werkelijk, in eenen profetischen geest, gezien had. Jesus beschaamde die huichelaars in hunne onkunde, en hunne boosheid steeg ten top, toen Hij zeide : eer Abraham er was, ben ik, waarmede Hij zijne Godheid wilde te kennen geven ; zoodat zij steeuen opnamen om Hem te steenigen Doch.lesus maakte zich onzichtbaar en ging uit den tempel.
Haat, nijd en vooroordeelen maken maar al te dikwijls, dat men de woorden van anderen verkeerdelijk opvat, dat men daaraan eenen zin geeft, waaraan de spreker nooit gedacht heett. Gebeurt dit niet nog dagelijks onder de Christenen ? Veroorzaakt dit niet soms groote vijandschap en verwijdering onder de beste vrienden ? Maar wee hem , door wien de ergernis komt, staat er in de heilige Schrift, en wee hen, zeg ik, die twist en tweedracht zaaien. Wee hen , die zich tegen de heilzame leer van Jesus hardnekkig aankanten en zicli niet willen laten overtuigen !
Jesus verliet de verblinde en verstokte Farizeërs , en verdienen vele naamchristenen wel een beter lot ? Zorgt, dat dit uw lot niet worde ! Versmaadt Jesus niet; hoort naar de goddelijke inspraken der genade; hoort naar hetgeen u door de predikers van het Evangelie en door uwen biechtvader wordt voorgehouden; volbrengt uwe
J 06 Ecanrjelie op Palm,zondag.
plichten; doet werken van boetvaardigheid en gelooft : dan zult gij den dood niet zien, maar het eeuwige leven hebben.
ü E b E I)
Geef, o Jesus, dat wij de woorden Gods vlijtig en godvruchtiglijk mogen aatdiooren en dezelve opvolgen. Dat wij van U zachtmoedigheid leeren , en alle haat en vijandschap tegen onze natuurge-nooten afleggen ! Hebben wij tegen uwe geboden gehandeld, het kwade gedaan en het goede nagelaten, vergeef ons dit genadiglijk, zuiver onze harten van alle onreinheid, en bevrijd ons van den eeuwigen dood. Amen.
Op Palmzondag.
Evangelie, Matïiieus XXVI en XXVII. gedeeltelijk.
Op dezen zondag wordt ons het heilig l'jden des Zaligmakers voor oogen gehouden. Het lijden des eeuwig gezegenden Heeren Jesus Christus, waardoor Hij ons van den eeuwigen dood en verdoemenis verlost heeft. Vijf dagen vóór zijnen dood , op dezen tijd dan, deed JESuszijneplechtige intrede in Jeruzalem, en toonde daardoor, hoe onverschrokken Hij zijn lijden te gemoet ging. Gezeten op eene ezelin, reed Hij Jeruzalem binnen, terwijl het verheugde volk groene boomtakken en kleederen op den weg spreidde, en een vreugdelied aanhief. Gezegend is Hij die daar
Evangelie op Palmzondag. 107
komt in den naam, des Hesren ! Hosanna in de hoogste plaats !
üanclebooze menschen, vooral de Schrift geleerden en Pari zeers, benijdden den Heer en hielden zamen raad in de zaal des Hoogepriesters , hoe zij met list .Tksus zonden vangen en dooden. Zij vonden al ras een middel, of liever werd al ras een middel aangeboden :
// Een van de twaalven, genaamd Judas, hka-v rioth, ging tot de Opperpriesters, en zeide hun : â wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u leve-â ren ? En zij beloofden hem dertig zilverlingen. u En, van dien tijd af, zocht nij gelegenheid om n hem te leveren. quot;
Zoo hoort gij uit het Evangelie, hoe dat Judas, een der Apostelen, zijnen eigenen Heer zocht te verraden en in de handen zijner vijanden over te leveren. Daartoe kan gierigheid en hebzucht verleiden. Verfoeielijke ondeugden! waartoe kunt gij den mensch vervoeren! Ach, mochten er in ons midden geene menschen gevonden worden, die Judas navolgen! De Heer dan, wetende dat de tijd zijns bitteren lijdens aanstaande was, zoo heeft Hij het laatste avondmaal met zijne Apostelen willen houden, ten huize van Simon den melaatsehen. Hier gaf Jesus aan hen vele leeringen; terwijl Hij hun zijn lijden voorzegde, en hoe zij allen aan Hem zouden geërgerd worden , zelfs, dat Petrus Hem driemaal zoude verloochenen, eer de haan dien nacht zoude gekraaid hebben. Petrus geloofde, dat dif niet mogelijk ware, en betuigde dat hij liever met den Heer in den dood gaan wilde. Hierna stond Jesus op, goot water
108 Evangelie op Palmzondag.
in een bekken, deed eenen doek voor en waschte zijnen leerlingen de voeten. Petrus deze ootmoedige dienst van Jesus ziende, die ook hem de voeten wilde wasschen, zeide met verwondering : Heer, zult Gij mij ook de voeten wasschen? Dit betaamt niet. Gij zult dat in der eeuwigheid niet doen. Maar de Heer zeide hem : Petrus, indien ik u niet wassche, zult gij met mij geen deel hebben in mijn rijk. Toen Petrus dit hoorde, antwoordde hij : Heer, wasch niet alleen mijne voeten, maar ook mijn hoofd en mijn geheel lichaam. JNfeen Petrus, zeide de Heer, dat is niet noodig : gij verstaat niet, wat ik hiermede zeggen wil; maar hierna zult gij het verstaan. Vervolgens zette Jesus zich weder aan de tafel, en gaf zijnen Apostelen en aan ons eene schoone les van ootmoedigheid, zeggende : gij noemt mij Heer en Meester, en dit is wel gezegd, want het is zoo. Is het nu zake, dat ik, die uw Heer en Meester ben, u de voeten wassche, zoo moet gijlieden ook elkander de voeten wasschen; want de knecht is niet beter dan zijn meester; dat is : gij zult elkander den last van deze wereld helpen dragen en bijstaan, ieder naar zijn vermogen. Daarna stelde de Heer het heilig Sacrament in van zijn ware Lichaam en Eloed, tot eene gedachtenis van zijn bitter lijden, en tot eene spijs en drank onzer ziel, zeggende tot de Apostelen : Met groot verlangen iieb ik begeerd met u lieden dit paaschlam te eten, vóór dat ik lijde; en vervolgens het brood zegenende, zeide Hij : neemt en eet, dit is mijn Lichaam , dat voor u geleverd :il worden; zoo dikwijls gij dit doet, doet het lot mijne gedachtenis. Desgelijks deed Hij ook met den kelk, en gaf dien, na denzelven geze-
Evangelie op Palmzonday. 109
gend te hebben, aan zijne leerlingen. Alzoo heeft Hij zich zelven tot een testament achtergelaten in het eerwaardig Sacrament, opdat wij, ootmoedig tot hetzelve naderende, veranderd zouden worden tot een deugdzaam leven, en zijn bitter lijden en dood zouden gedenken. Gezegend en geloofd zij daarvoor de Heer der Heerscharen !
Van de tafel gaande, begaf Jesus zich met Petrus, de twee zonen van Zjbbedeüs, Joannes en Jacobus , naar den hof van Gethsemané. Daar gekomen zijnde, viel de Heer op zijne knieën en bad zijnen hemelschen Vader : mijne ziel is bedroefd tot den dood; en zijn aanstaande lijden overdenkende, zweette Hij water en bloed. De liefde en begeerte om de zondaren zalig te maken, moedigde Hem echter weder aan; zoodat Hij zijnen wil aan den wil zijns hemelschen Vaders overgaf met de woorden; niet mijn, maar uw wil geschiede! opdat ons dit tot voorbeeld zoude strekken, en wij met Gods wijze schikkingen tevredea zijn. Jesus gaf zich derhalve vrijwillig aan zijne vijanden over, en
,/ Terwijl hij nog sprak, zoo kwam Judas, een u van de twaalven, en veel volk met hem, met ,v zwaarden en stokken; die van de Opperpriesters ,/ en ouderlingen des volks gezonden waren. Nu, n die hem verraadde, had hun een teeken gege-,/ ven, zeggende : degene, die ik kussen zal, is h het, grijpt hem aan. En terstond tot Jesus ;/ komende, zeide hij : wees gegroet. Meester. â En hij kustte hem. En Jesus antwoordde hem: // vriend, waartoe zijt gij gekomen ? Toen traden
110 Evangelie op Valmzondag.
u zij toe, sloegen de handen aan Jems en n,i-// men liem gevangen.quot;
Jesus had even te voren zijne leerlingen vermaand tot waken en bidden, daar zijn uur aanstaande was. Intusschen sliepen Judas en des-zelfs medeplichtigen niet, gelijk wij uit het Evangelie gehoord hebben, maar waren heengegaan om Jksiis te vangen. Op de vraag van Jesus : wien zoekt gij? gaven zij ten antwoord : Jesus van Nazareth. Met majesteit trad Jesus hen te gemoet en zeide : ik ben het! waarop zij, als van den donder getroffen, ter aarde vielen. Zij verhardden zich echter en grepen Hem, bonden Hem en brachten Hem voor Annas en Cayphas. Hier werd Jesus valschelijk beschuldigd, bespot, en bespogen. Dit alles verdroeg de minnelijke Jesus geduldig en ging als een lam ter slachting. Nog sleurde men den onschuldigen Jesus voorden Komeinschen landvoogd Pontius Pilatus, die wetende dat Hij onschuldig was, vele, doch verkeerde middelen in het werk stelde, om Hem lost te laten. Zoo zegt het Evangelie :
// En Jesus stond voor den landvoogd. En // de landvoogd ondervroeg hem, zeggende : zijt // gij de Koning der Joden? Jest's antwoordde // hem : gij zegt het. En als hij van de Opper-// priesters en Ouderlingen beschuldigd w erd , ,/ antwoordde hij 7iiets. Toen zeide Pilatus tot w hem : hoort gij niet hoe vele getuigenissen v zij tegen u inbrengen ? Maar hij antwoordde ,/ hem niet op een eenig woord; zoodat de land-n voogd ten hoogste verwonderd was. Als Vila-
v
Evangelie op Palmzondag. 111
Ins zag dat liij niet vorderde, maar dat hij oproer vermeerderde, nam liij water en wiesch zijne handen voor het volk, zeggende : ik ben onschuldig van liet bloed dezes rechtvaardigen. Gij moogt toezien. En al .'iet volk antwoordde daarop : zijn bloed zij op ons en op onze kinderen ! â Op den Feestdag van Paschen placht de landvoogd eenen gevangene los te laten, welke zij vei kozen , en hij had toen eenen gevangenen met name Barrabas , die zeer berucht was. En Pilafus zeide : weikeu wilt gij, dat ik u los late : Barrabas, die een moordenaar is, of Jesns, die men noemt Christus ? quot;
Het volk, door deszelis Oversten opgehitst, was zoo boosaardig, dat het de vrijheid van Barrabas durfde vragen; het riep overluid, dat men Barrabas zoude los laten.
â Pllatus zeide hun : wat zal ik dan doen â met Jesus, die Christus genoemd wordt ? Zij â antwoordden allen : dat men hem kruisige. â â Toen liet hij Barrabas los : maar Jems, ua-âdat hij gegeeseld was, gaf hij aan hun over â om gekruisigd te worden. quot;
O verblinde menschen ! waartoe heelt u nijd en afgunst, gierigheid en hoogmoed vervoert ! Hoe durft gij de hel boven de zaligheid verkiezen, en de duisternis boven het licht ? Laat ons den Heer bidden, dat Hij zoodanige verblindheid en verkeerdheid van ons keere; laat
fefi
Y
.11
|
c;
'li
f. i
M
ii ,?f, ifl
m4 i
y
mi
112 Evangelie op Palmzondag.
ons bidden, dat wij het beste deel mogen verkiezen; liet leven onzer zielen (Jesüs Christus ) en niet den vorst der duisternis. Pilatüs in-tusschen liet Jesus nog geeselen, om zoodoende het volk tot medelijden te bewegen ; doch hij vorderde niet met de zaak en gaf Jesus, den Koning der glorie over, om gekruisigd te worden. De Heer verdroeg al deze verguizingen, Hij stortte zijn bloed vrijwillig, om onze vuile zonden daarmede af te wasschen.
â De krijgsknechten van den landvoogd, zegt â het Evangelie verder, namen Jesus in het â rechthuis, en vergaderden de gausche bende ,, om hem. En hem ontkleed hebbende, hingen â zij hem eenen purperen mantel om. En eene ,, kroon van doornen vlechtende, stelden zij die â op zijn hoofd en eenen rietstok in zijne rech-,, terhand. En voor hem nederknielende, bespot-,, ten zij hem, zeggende : wees gegroet, Koning âder Joden. En hem bespuwende, namen zij â den rietstok en sloegen hem op zijn hoofd. quot;
Het was dus aan deze booze menschen niet genoeg Jesus gegeeseld te zien, zij deden Hem daarbij nog vele smaadheden aan en zetleden Hem eene doornen kroon op, zoodat het bloed van alle zijden uit zijn goddelijk hoofd vloeide. Zij trokken Hem zijn kleed uit, hingen Hem eenen purperen mantel om, gaven Hem eenen rietstok, die voor schepter moest dienen, in zijne hand, en bespotteden Hem dus als een guichelkoning ! O menschen! bedenkt toch welken smaad en hoon Jesus , om uwer zonden
Evangelie op Palmzondag. 113 wil, heeft willen verdragen ! Dit leed de Heer, omdat gij niet zoudt bespot worden door de duivels in de hel; omdat Hij u van de verdoemenis, welke gij verdiend hadt, zoude verlossen , en tot het eeuwige leven brengen. Leert hier allen tegenspoed geduldig verdragen. Jesus leed onschuldig, en gij lijdt dikwijls door uwe eigene schuld. Weest dan aan de Kerk en aan de dienaars van het Evangelie gehoorzaam; dankt den Heer voor zijne barmhartigheid, en tracht Hem in zijne lijdzaamheid na te volgen; opdat gij eenmaal in de eeuwige zaligheid moogt ingaan.
// Eu nadat zij hem bespot hadden, trokken ,/ zij hem den mantel weder uit, deden hem ,/ zijne kleederen aan, en leidden hem henen ,/ om te kruisigen. Uitgaande, vonden zij eeneu u man vau Cyrene, genaamd Simon, welken zij n dwongen om zijn kruis te dragen. En geko-â men zijnde Ter plaatse, genaamd Golgotha, of // (Kalrarieherg) dat is : de plaats der doods-u hoofden, zoo gaven zij hem wijn te drinken, â met gal gemengd. En als hij het geproefd // had, wilde hij het niet drinken.quot;
De boosheid dezer menschen steeg ten top; want, na deze smarten en kwellingen, voerden zij Jesus heen om gekruist te worden. Zij gaven Hem wijn met gal te drinken, ten einde zijne zinnen daardoor te bedwelmen ; doch de Heer, dezen drank geproefd hebbende, weigerde dien : alzoo Hij met volle bewustheid zijner zinnen wilde lijden. O, denkt het eens na, wat
kw ., . ü
\ y
im
i Q'-Y-'i
. ⢠;â¢Â»! '
v quot; '':
i
, ; i
'' :i
!
i
'N
v;
W|||| i1
114 Evangelie op Palmwnday.
Jksus nog al had te verduren, eer Hij aan den berg van Kaharië gekomen was : harde slagen, nieuwe bespottingen en den last van het zware kruishout, dat men gedeeltelijk Simon van Cy-ren.e oplegde. Wij zullen derhalve ons zeiven leeren verzaken, ons kruis op ons nemen en Jesus navolgen.
Op den Kalvariéberg gekomen, trokken zij Jesus de kleederen uit, legden Hem op het kruishout, en spijkerden zijne gezegende handen aan den dwarsbalk, en zijne voeten bij elkander aan den voet des kruises. Daarna werd het kruis opgericht, en zoo moest de Heer daar hangen tus-schen twee moordenaren. Llsselijke pijnen en vreeselijke smarten moest Hij verduren! Grievende smarten moest de Heer voor de zondaren verdragen, en dit deed Hij vrijwillig; vrijwillig stierf Hij den pijnlijksten, den vreeselijksten dood. Toen Jesus aan het kruis hing, lasterde men hem nog; â Anderen heeft Hij geholpen, zeiden zij, en zich â zelven kan Hij niet verlossen.quot; Laat ons met den goeden moordenaar zeggen : Heer, gedenk onzer, wees ons genadig en spaar ons; opdat wij de liefelijke stem mogen hooren : gij zult met mij in het Paradijs zijn.
u En daar kwam duisternis over de gansche n aarde, van de zesde tot de negende uur toe. // En omtrent de negende uur riep Jems met lui-// der stemme : Eli, Eli, lamma sabacthani! dit n is : mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij â verlaten? En sommigen, die daar stonden, dit // hoorende zeiden : Hij roept Elias. En terstond // haalde er een van hun eene spons, vulde
Evangelie np Palmzondag. ]15 n haar met edik, en die op een rietstok gesto-,/ ken hebbende, gaf hem te drinken. En de an-,/ deren zeiden: wacht, laat ons zien, of Mia» hem // zal komen verlossen; doch Jesus wederom roe-,/ pende met luider stem, gaf den geest.quot;
Daar hing de Godmensch, verlaten van zijne Apostelen ; zijne beminde Moeder en Joannks stonden niet ver van daar in groote bedruktheid, volgens de voorzegging van den ouden Simeon, die gezegd had, dat het zwaard der rouw haar moederhart zoude doorboren. Doch Jesus mensch-lievendheid blonk boven alles uit; vooral toen Hij in zijn smartvol lijden, bij al dat pijnlijk gevoel, nog voor zijne moordenaren en vijanden bad, zeggende : Vader! vergeef het hun, ivant zij weten niet tv at zij doen. Hier hebben wij weder een voorbeeld, hoe wij ons jegens onze vijanden te gedragen hebben. Wij zullen alle menschen liefhebben en goed doen, zoo veel in ons vermogen is. Dan zullen wij onzen hemelschen Vader gelijken, die zijne zon laat opgaan over boozen en goeden, en die het over rechtvaardigen en onrechtvaardigen laat regenen.
Van de zesde tot de negende uur, dat is van twaalf tot drie uren, ontstond er eene duisternis, de aarde beefde; de steenrotsen scheurden.
// De graven gingen open, en vele lichamen u der Heiligen die ontslapen waren, zijn opge-// staan. Eu uit de graven gaande, na zijne ver-n rijzenis, kwamen zij in de heilige stad en ver-// schenen aan vele menschen. En de Hoofdman, // en die daar met hem waren om Jesus te bewa-
'k a
'V
ri
V:,
.y
cV
\ ''
ï--4 v
m J
s
Vi. f
quot;Nt
. V
116 Evangelie op hel
n ren, ziende de aardbeving en hetgene daar ge-,/ schiedde, werden zeer bevreesd, en zeiden : â waarlijk, deze was Gods Zoon.quot;
Laat ons er bijvoegen : ja waarlijk, deze is Gods Zoon; de rechter der wereld, de rechtvaardige rechter, die eenmaal alle menschen zal oordeelcn, die onze harten kent en onze nieren proeft. Mochten wij daarom rein van hart en handen zijn! Laat ons den Heer te voet vallen en Hem om genade smeeken, dan zal ons die ook zeker verleend worden. Trachten wij voor zijne eer te leven, terwijl wij gedurig zijn bitter lijden en dood overdenken, en bidden het navolgende
GEBED.
O goedertieren Heer Jesus Christus, die tot zulk eenen grooten en dierbaren prijs onze schulden betaald en daarvoor geboet hebt: wij bidden U, dat Gij ons wilt beschermen tegen alle listen en lagen des boozen vijands. Geef dat wij ons verdriet en onze kruisen gewillig mogen dragen; opdat wij eenmaal glorierijk mogen verrijzen. Amen.
Op het Hoogfeest van Paschen.
OE
van de Verrijzenis des Heeren.
Evangelie, Makcus XVI : 1 - 7.
// En als de Sabbathdag voorbij was, hebben u Maria Magdalena en Maria, de Moeder van â Jacohus en Salome, welriekende kruiden ge-
Hoogfeest van Paschen. 117
â kocht om Jesus te komen zalven. En zeer vroeg, âop den eersten dag der week, kwainen zij tot âhet graf, als de zon nu was opgegaan.quot;
Nadat nu onze Zaligmaker Jesus Christus den allerbittersten en smacielijksten dood voor ons zondige menschen gestorv en was, en met alle geduld e7i lijdzaamheid den duivel en dood overwonnen had, is zijne ziel nedergedaald ter helle , gelijk wij lezen in de apostolische Geloofsbelijdenis. Dit ter helle dalen, wordt verstaan : nedergedaald in het voorburgt ter helle, waaruit fTij de vrome Voorvaders verlostte en hen in het Paradijs stelde. Zijn lichaam intusschen, dat in een nieuw grat uit eene steenrots gehouwen, ge sloten was, verrees glorierijk van den dood; zoo als door de Profeten voorzegd was : ten derden dage zal Hij verrijzen. De Zaligmaker zelf had dit ook aan zijne Apostelen voorspeld.
In dien tijde, als de Sahhath voorbij was, kochten Makia Magüalkna , Mama de Moeder van Jacobus en Salome, welriekende kruiden , om daarmede het lichaam des Heeren te zalven. Daardoor wilden zij toonen, hoe zij Jesus oprech-telijk lief hadden en TIem ook nu nog na zijnen dood alle achting toedroegen , wegens het goede dat de Heer haar in zijn leven gedaan had : door haar den waren weg des hemels aan te. wijzen, door zijne verhevene redenen, zijn stichtend voor beeld en zijne goddelijke wonderen. Deze vrouwen dan, de specerijen en zalven gekocht, en allen toestel gemaakt hebbende, begaven zich, op den eersten dag der week, dat is des zondags, des morgens zeer vroeg, naar het graf van Jesus.
Waarlijk, navolgenswaardige voorbeelden voor
118 Evangelie op het
Christenen! Op deze wijze zullen wij met allen vlijt, de arme ledematen van Christus met aalmoezen zalven : de hongerigen spijzen, de dorsti-gen te drinken geven en de naakten kleeden. Want de Heer heeft gezegd : al wat gij aan den minsten mijner broeders gedaan hebt in mijnen naam, dat hebt gij aan mij gedaan. Ook zullen wij het goede, dat anderen aan ons gedaan hebben, niet vergeten en hetzelve trachten te vergelden. Tevens wordt ons hier geleerd 's morgens vroeg op te staan, om den Heer vurig te bidden, dat hij onze misdaden vergeve ; welke gebeden dan door de Engelen als een zoet reukoffer voor den troon des Almachtigen gedragen worden , en zoo zullen wij genade ontvangen. Daarenboven is de morgenstond de allerbekwaamste tijd om te bidden; de mensch is alsdan dooiden slaap verkwikt, en men heeft minder afleiding dan verder op den dag. Schande en zonde zoude het ook zijn, dezen kostelijker! tijd te verslapen en den kostelijksten tijd, die nimmer terug keert, voorbij te laten gaan.
// En zij zeiden tot eikanderen : wie zal ons // den steen van den ingang des grafs wentelen ? // Maar omziende, zagen zij, dat de steen alge-n wenteld was : want hij was zeer groot. En in u het graf gaande, zagen zij eenen jongeling // ter rechter zijde zitten, gekleed met een blin-//kend en lang kleed; en zij werden verschrikt. // Maar hij zeide tot haar ; verschrikt niet. Gij n zoekt Jesus van Nazareth, die gekruist is ; Hij // is verrezen; Hij is hier niet: zie daar de plaats, // waar zij hem gelegd hadden. Doch gaat henen.
Hoogfeest van Paschen. 119
â zegt aan zijne leerlingen en aan Petrus, dat â Hij u voorgaat naar Galileë, daar zult gij Hem â zien gelijk Hij u gezegd heeft. quot;
De joodsclie Raad had, met toestemming van Pilatus, den steen van het graf doen verzegelen , en hetzelve met eene wacht van soldaten doen bezetten; uit vrees, dat de ieerlingen van Jesus Hem heimelijk mochten wegnemen en zeggen , dat Hij verrezen was. Maar hoe ijdel zijn de plannen der menschen ! De genoemde vrouwen, van de verzegeling noch van de wacht wetende , waren zeer bekommerd, hoe zij den steen van het graf zouden afwentelen. Doch een Engel, die uit den hemel gedaald was, had reeds den steen afgewenteld en de wacht eenen doodelijken schrik aangejaagd, zoodat zij de vlucht genomen hadden. De vrouwen konden dus in het graf zien , en zich van de waarheid der verrijzenis van Jesus overtuigen.
Zij traden dan binnen hetzelve, en verschrikten niet weinig toen zij eenen Engel zagen, in de gedaante eens jougelings en in sneeuwwitte kleederen. De engel troostte haar met te zeggen ; verschrikt niet. Gij zoekt Jesus van Nazareth, die gekruist is : Hij is verrezen, Hij is hier niet ; zie daar de plaats, v:aar zij hem gelegd hadden. Alsof hij wilde zeggen : ik weet dat eene groote liefde u hier henen gevoerd heeft, om het dierbaar lichaam van Jesus met balseming en rouwbeklag te eeren; doch weest gerust, stilt uwe klachten en tranen. Hij is van den dood verrezen , maar is hier niet, gelijk gij zien kunt. Doch deze mare wordt niet alleen aan u verkondigd, maar aan zijne leerlingen, en bijzon-
130 Evangelie op het
der aan Petrus. Gij zult Hem zeiven te Galilee
zien, waarheen Hij u voorgaat.
Jesus verrees dan ten derden dage met een glorierijk lichaam van den dooden, gelijk wij ook eenmaal zullen verrijzen, indien wij hier zijne getrouwe volgelingen en aanhangers zijn. Hij zal ons zijner oneindige verdiensten en zijner verrijzenis deelachtig maken , indien wij zulks van harte begeeren. Maar de boozen en kwaaddoeners, die in de ongenade sterven, zullen opstaan tot hun verderf, om te gaan in de eeuwige pijnen, zij zullen opstaan met een grof, traag en stinkend lichaam. Laat ons dan alles in het werk stellen, om van God genade te ontvangen, om te mogen komen in het rijk der hemelen, waar Jesus ons is voorgegaan en voor zijnen aanhangers phats bereid heeft. Gedragen wij ons zoo, dat wij met Job kunnen zeggen : ,/Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, en in den jangaten dag zal ik uit de aarde opstaan; ik zal wederoM met mijn vel hekleed worden, en in mijn vleesch zal ik mijnen God zien.quot; Dan zullen wij te recht met den Heer het Paaschlam eten , en daarom, zoo lang wij hier in het lichaam zijn, zijn wij in de vasten, en het eeuwige Paaschlam zal nakomen. De zaligen intnsschen zullen onderscheiden zijn : zij zullen den een den anderen in zaligheid te boven gaan; maar elk zal met zijn deel tevreden zijn en zich verblijden ; zij zullen zijn : als de sterren des uitspansels, die ook niet even klaar en helder zijn.
Leeren wij nog uit de verrijzenis des Zaligmakers , hoe wij geestelijkerwijze zullen verrijzen : Christus is verrezen des morgens vroeg ; zoo moeten wij ons vroeg bekeeren. â Christus
Rooqfeest van Paschen. 121
is opgestaan uit het graf eu nooit tot hetzelve wedergekeerd; wij moeten opstaan uit het graf der zonden en nooit tot hetzelve terugkeereu. â Christus is waarlijk verrezen en heeft zijne verrijzenis door overtuigende blijken bevestigd; wij moeten onze bekeering uit onze daden en werken toonen â de dingen zoeken, die daar hoven zijn. (1) Dan znllen wij , dus verrezen zijnde, met Christus leven in de eeuwigheid. Alles noodigt ons , bijzonder in dit jaargetijde uit, om ons te vernieuwen en den Heer te loven ; de velden worden bekleed met groene kruiden , de hoven met welriekende bloemen ; de boomen beginnen op nieuw uit te botten , en de vogelen zingen hunne lofzangen; het gansche aardrijk is verheugd. Vernieuwen wij ons dan in den Heer; verblijden wij ons dan in de verrijzenis onzes Zaligmakers, en zingen wij Hem blijde Alleluja's. Zoo zullen wij, ons leven dus vernieuwende, zalig sterven, glorierijk verrijzen, en in het gezelschap der heilige Engelen eu vrienden Gods, in de eeuwigheid eene zaligheid genieten, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, noch ooit in 's menschen gedachte is opgekomen. Dit verleene ons de barmhartige Yader, in zijnen lieven Zoon Jesus Christus onzen Heer, die met Hem en den heiligen Geest, in eeuwigheid leeft en regeert.
GEBED.
Almogende God, die in het verbreken van de banden des doods, uw lichaam verheerlijkt hebt , en met glorie van den dooden verrezen zijt ;
(1) Coll. Ill : 1.
122 Evangelie op den tweeden
wij bidden en smeeken U, wil ons vergunnen , door deze zegepralende verrijzenis, dat wij van de zonden en van den dood der ziel mogen opstaan, en in deugden en een vernieuwd leven mogen wandelen in dit leven, en dat wij hiernamaals glorierijk mogen verrijzen. Amen.
Op den tweeden Feestdag van Paschen.
Evangelie, Lucas XXIV. 13 - 35.
â In dien tijde, op denzeltden dag gingen â twee leerlingen van Jeamp;us naar een dorp , het-,, welk zestig statiën van Jeruzalem lag; met â name Emmaüs. En zij spraken met elkander â van alle dingen, die daar geschied waren.quot;
Deze twee leerlingen buiten naar Emmaüs wandelende, spraken op den weg van Jesus lijden; dit was op denzelfden dag dat Jesus van den dood verrezen was. Hier vinden wij een voorbeeld, dat alle aanprijzingen waardig is, en door elk vroom Christen moet behartigd worden. Wat is toch betamelijker en troostrijker, dan de overdenking van Gods liefde in het verlossen van zondaren ! Wat kan meer genoegen geven dan een Christelijk denken en handelen. Maar, heiaas! de gesprekken loopen gewoonlijk over geheel andere onderwerpen, die nietig, beuzelachtig, en zedebedervend zijn; ja zelfs zijn het dikwijls ze-delooze en goddelooze redeneringen, doormengd met ijdelen lichtvaardig vloeken. Daar is God niet met zijne genade, maar wel daar, waar twee of
Feestdag van Pa teken. 123
drie in zijnen naam vergaderd zijn; daar is Hij in hun midden, gelijk het aan deze twee leer- \
lingen gebeurde.
// En het gebeurde, terwijl zij '/amen spraken ,/ en onderhandelden, dat Jesus zelf daar kwam //en met hen ging. Maar hunne oogen werden '
â gehouden, zoodat zij hem niet kenden. En hij n zeide hun ; wat zijn dat voor redenen, die gij // al wandelende met elkander verhandelt en zijt H zoo treurig? En de een, wiens naam was Cleo-n phas, antwoordde hem, zeggende : zijt gij alleen i
n vreemdeling in Jeruzalem , en weet gij niet, wat t
n daar dezer dagen geschied is? Wat dan? zeide ,/ hij. Zij zeiden : van Jesm van Nazareth, die ,/ een groot Profeet was, machtig in werken en
woorden, voor God en voor al het volk ; en // hoe hem de Opperpriesters en onze Oversten â ter vonnis des doods overgeleverd en gekrui-â sigd hebben. Maar wij hoopten, dat hij het n was, die Israël zoude verlossen : en nu na dit u alles is het heden reeds de derde dag, dat deze ,/ dingen geschied zijn. quot;
De Heer Jesus hield zich alsof Hij nergens van wist, en zij herkenden Hem niet. Toen de leerlingen de zwakheid van hun geloof , omtrent de verlossing, en den twijfel aan de verrijzenis,
benevens hunne kleinmoedigheid te kennen hadden gegeven :
â Toen zeide Hij hun : o gij dwazen, en traag â van harte, om te gelooven aan al wat de Pro-â feten gesproken hebben! moest de Christus deze
V !! T
V
Vh:
124 Evangelie op den tweeden
â dingeu niet lijden, en alzoo in zijne heerlijk-â heul ingaan ? En beginnende van Moüzes en al â de Profeten, legde Hij hun uit, hetgeue er van â Hem stond in alle schriften. quot;
Wij zullen dan, om zalig te worden, den Meer Jesus moeten navolgen op den weg des kraises en des lijdens, door boetedoening en geduldigheid. Wij moeten ons uiterste best doen, om onze kwade neigingen te overwinnen en deugdelijk te leven : want het rijk der hemelen lijdt geweld en de geweldigen nemen hetzelve in. Gewillig arbeiden en lijden, ziedaar de taak, die ons hier opgelegd is â na lijden komt verblijden, en op den arbeid volgt de rust en het loon. Het lijden is den mensch nuttig; want daardoor worden zijne gedachten opwaarts getrokken tot God naar boven, waar het ware leven is. Danken wij God , wanneer Hij ons kruis en lijden zendt; Hij is toch de goede, de beste en alwijze Vader, die best weet wat wij, zijne kinderen, van noode hebben. Wij kunnen ons ook hiermede troosten en denken : heeft Christus, als het hoofd zijnde , geleden, dan is het ook billijk dat wij, als zijne ledematen lijden; en hebben wij met Hem geleden en gestreden, dan zullen wij ook met Hem opstaan en overwinnen.
â En als zij bij het dorp kwamen, waar zij â henen gingen, hield Hij zich alsof Hij verder â wilde reizen. Maar zij dwongen Hem, zeggen-â de : blijf bij ons, want het wordt avond, en ,, de dag is reeds aan het afgaan. En Hij ging â met hen binnen. quot;
Feestdag van Paschen. 125
Zoo schijnt het somtijdsj als of de Heer de zijnen zoude willen voorbijgaan; maar dan moeten wij in de tegenspoeden of sterke bekoringen handelen gelijk deze twee leerlingen : Jesus bidden, dat Hij met zijne genade bij ons blijve : Heer, blijf bij ons, want het wordt avond. Dan zal de barmhartige en 'goedertierene Heer ons niet verlaten, maar tot ons inkomen en bij ons blijven, ons door zijnen heiligen Geest vertroosten en bemoedigen.
â Als Hij nu met hen aan tafel was, zoo nam â Hij het brood, zegende het, en hetzelve gebro-â ken hebbende, gaf het hun. En hunne oogen â werden geopend, en zij erkenden Hem, en Hij â verdween uit hunne oogen. quot;
Leeren wij hieruit, hoe goed het is vreemdelingen te herbergen, en zulk eene deugd zal nimmer onbeloond blijven; op de aarde zullen zij door God gezegend worden, en in den dag dss oordeels de woorden van Christus hooren : komt, gij gezegen Jen mijns Vaders, bezit het rijk, dat voor u bereid is; want ik ben een vreemdeling geweest, en gij hebt mij geherbergd, of zulke herbergzaamheid aan mijne broederen op aarde bewezen.
â Toen spraken zij tot elkander : was ons hart â niet brandende in ons, terwijl Hij sprak op den â weg, en ons de Schrifturen opende ? En op-â staande terzelfder uur, keerden zij weder naar â Jeruzalem, en vonden de elven en degenen, die â met hen waren , te zamen vergaderd, welke â zeiden, dat de Heer waarlijk verrezen en aan
\
T1
tx
% â
.'A
h r-V.M
quot;n.
V
tk
é t:
136 Evangelie op den eersten Zondag â Simon verschenen was. En zij vertelden ook , â wat er op den weg gebeurd was, en hoe zij â hem gekend hadden in het breken des broods. quot;
Nademaal dan, dat onze Zaligmaker Jesus Christus, waarachtig van den dood verrezen is, ten derden dage, en dat Hij, door zijn lijden en zijnen dood, al onze vijanden overwonnen heeft, zoo mogen wij ons recht hartelijk verblijden op dit hooge Feest van Paschen ; Hem lovende en dankende voor zijne onuitsprekelijke liefde en barmhartigheid, die Hij daardoor aan ons zondaren bewezen heeft, vastelijk gelooven-de, dat wij ten jongsten dage, zullen verrijzen en door zijne verdiensten met hem heerschen in het rijk van vreugde en blijdschap. Dit vergun-ne ons de Heer Jesus Christus.
GEBED.
Wij bidden U, Heer Jesus Christus, geef ons een ongeveinsd gemoed, eenen ijver in het doen van goede werken, geduld in het lijden, en troost in allen nood en bezwaren. Dat wij niet alleen uw woord gaarne hooren en overleggen in onze harten, maar ook zoeken daarnaar te handelen, en U op die wijze gaarne herbergen ; dan zullen wij U te recht kennen, en ons eenmaal met de heiligen verheugen. Amen.
Op den eersten Zondag na Paschen.
Evangelie, Joannes XX. 19-31.
â In dien tijde , als het nu avond was op
na Paschen. 127
â dien zelfden dag, zijnde de eerste dag der
â week, en dat de deuren gesloten waren, daar \ 1
â de leerlingen waren vergaderd, uit vrees der
u Joden, kwam Jesus in het midden staan en
,/ zeide hun : vrede zij ulieden. En als hij
// dit gezegd had, toonde hij hun zijne handen
,/ en zijne zijde. De leerlingen dan waren ver-
n blijd, dat zij den Heer zagen. Hij zeide hun
â nog eens, vrede zij ulieden. Gelijk de Vader
,/ mij gezonden heeft, alzoo zend ik u ook. Hit
y gezegd hebbende, blies hij op hen en zeide :
,! ontvangt den heiligen Geest. Wiens zonden
,/ gij vergeeft, dien worden zij vergeven en
,/ wiens zonden gij houdt, dien zijn zij gehou-
â den.quot;
i if'-
Op Paaschzondag, des avonds, vertoonde zich Jesus aan zijne leerlingen. Zij zaten niet geslo
ten deuren, uit vrees voor de Joden, en ge- -jk
heel onverwachts trad Jesüs binnen , hen met zijnen gewonen groet begroetende; vrede zij ulieden. Een groet, die waarlijk de schoonste is van allen; want wat gaat boven vrede? Daarom zegt Salomon in zijne spreuken : eene drooge bete met rust, is beter dan een huis vol goud met twist en gekijf. Waar vrede is, daar is %jt
God; maar waar tweedracht is, daar is de booze geest. Wat is er verdrietiger dan in tweedracht Vji*
te leven, en wat is aangenamer en God beha-gelijker dan vreedzaamheid ? Wilt gij den vrede V,,.
bewaren, in vrede leven, bewaar dan uwe tong jjji.,,
van kwaadspreken. â Hoort, ziet, en zwijgt, \
dan zult gij uwen evenmensch voor u genegen
Of
128 Evangelie op den eersten Zondag maken en hem voor u innemen. Houdt dan vrede met God, en gij zult nogmaals liet rijk des vredes beërven. Nadat Jesus dan zijne leerlingen gegroet had, en deze zich niet konden overtuigen, toonde Hij hun zijne lidteekenen, welke Hij bij de kruisiging ontvangen had; opdat zij niet zouden twijfelen aan zijne verrijzenis van den dood, welke Hij hun te voren voorspeld had. De leerlingen dit ziende, verblijdden en verheugden zich; daar hun eenigste schat, in weikeu zij hoopten en dien zij verloren meenden te zijn , wedergevonden was.
Jesus was bij hen gekomen, toen de deuren gesloten waren; dit bewijst ous vooreerst de verrijzenis van den dood : en ten tweede, dat Jesus'quot; lichaam zoodanig verheerlijkt was, dat het door geene gesloten deuren weerhouden konde worden. Dit wijst ons op de zoete hoop, die wij Christenen hebben, dat ook onze lichamen , bij de verrijzenis ten jongsten dage, die verheerlijkte eigenschappen zullen hebben, indien wij den ouden mensch, dat is de zonde, afleggen, en den nieuwen mensch, de Christelijke deugden, aannemen, in ware gerechtigheid en heiligheid wandelen, al de dagen onzes levens.
Gelijk de Vader mij gezonden heeft, alzoo zend ik u ook, zeide hun Jesus, om het Evangelie aan alle volken te verkondigen, hen te stichten en te troosten ; en terwijl Hij op hen blies, zeide Hij : ontvangt den heiligen Geest. Daarbij kregen zij macht om de zonden te vergeven of te behouden. Deze macht is overgegaan op hunne opvolgers, die nog heden in den naam van Jesus, den berouwhebbenden biechteling de zonden vergeven, waarom men dan ook de zon-
na Paschen. 129
den oprecht en ootmoedig moet biechten, ten einde vergeving te erlangen.
A
:x!
gt;L
I
gt;-
// Maar Thomas , een van de twaalven , genaamd Didymus-, was niet bij hen, toen Jems er kwam. De andere leerlingen zeiden hem dan : wij hebben den Heer gezien. Maar hij antwoordde hun : tenzij ik in zijne handen de gaten der nagelen zie, en mijnen vinger steke in de plaats der nagelen, en mijne hand in zijne zijde , ik zal het niet gelooven. En acht dagen daarna, als zijne leerlingen wederom binnen waren, en Timnas met hen, kwam Jesus ofschoon de deuren gesloten waren, in hun midden en zeide : vrede uij ulieden. Daarop zeide hij tot Thomas : steek uwen vinger hierin en bezie mijne handen, en breng uwe hand hierbij en steek ze in mijne zijde : en wees niet ongeloovig. Thomas antwoordde en zeide hem : mijn Heer en mijn God ! Jesus zeide hem : omdat gij mij gezien hebt, Thomas) hebt gij geloofd ; zalig zijn zij , die niet gezien, en toch geloofd hebben. Jesus heeft nog vele andere teekenen, in het bijzijn zijner leerlingen gedaan, welke in dit boek niet geschreven zijn. Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooven zoudt, dat Jesus Christus de Zoon Gods is , en opdat gij geloovende, het leven zoudt hebben in zijnen naam.quot;
Hier hebt gij gehoord, hoe Thomas eerst ongeloovig was, en op de getuigenis der anderen
9
ia
130 ^Evangelie op den eersten Zondag niet gelooven wilde. Welke heilzame les ligt in dit Evangelie opgesloten ! Niet alleen zullen de leeraars met liefde en vlijt zorgen, dat de zondaren, de afgedwaalden , weder op liet pad geleid worden , maar ook zullen de Christenen hieruit leeren , om de herders door hunne gebeden te ondersteunen , dat hunne leer en vermaningen bij do zondaren ingang mogen vinden. Zij zullen voorts de toevlucht nemen tot de wonden van Jesus , die alle ziekte genezen kunnen. Toen Thomas de wonden van Jesus betast en beschouwd had, riep hij : mijn Heer en mijn God! en kreeg ten antwoord : zalig zijt gij, omdat gij mij gezien hebt; maar ook zalig zijn zij, die mij niet gezien en nochtans zullen geloofd hellen. Zeg dus niet alleen met den mond : mijn Heer en mijn God ! maar toon ook uw geloof in God uit uwe werken; hebt Hem boven alles lief, vreest en eerbiedigt Hem; dient Hem i7i naarstigheid en ootmoedigheid , al de dagen uws levens: dan zult gij door God gezegend worden, en stervende gerust kunnen zeggen ; wij hebben den goeden strijd gestreden, wij hebben het geloof behouden, en daarvoor is ons weggelegd eeue onverwelkbare en onverganklijke kroon in eeuwigheid.
Ja, opstaan, opstaan zal ons stof;
Zingt Jesus' naam, zingt Jesus' lof,
Zijn naam, Hij ft onvolprezen.
GEBED.
Jesus Christus , die den H. Thomas van zijne dwaling hebt terug geroepen en bekeerd : geef dat wij met hem mogen belijden, dat Gij onze
na Paschen. 181
quot;Verlosser zijt. Wij roepen tot U, ontferm U onzer, en door uwe heilige wonden, maak ons zalig. Amen.
Op den tweeden Zondag na Paschen.
Evangelie, Joannes X : 11 - 16.
â In dien tijde zeide Jesus: Ik ben de goede â Herder; de goede Herder geeft zijn leven voor â zijne schapen. Maar een huurling, en die geen â herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet ., den wolf komen, en hij verlaat de schapen en ,, vlucht weg, en de wolf rooft en verstrooit de â schapen. De huurling vlucht, omdat hij een â huurling is en dat hij zich de schapen niet â aantrekt. Ik ben de goede Herder, en ik ken âmijne schapen, en de mijnen kennen mij, ge-,, ]ijk de Vader mij kent, en ik den Vader ken. ., En ik stel mijn leven voor mijne schapen.quot;
In dit Evangelie noemt zich de Heer een goede Herder, die zijne schapen liet' heeft, en ijficht en dag zorg draagt. De schapen nu zijn de uitverkorenen, welke zijne leer volgen; en door den wolf wordt de duivel bedoeld, die hen van de kudde, dat is van die leer, zoekt af te trekken. Zalig zijn zij, die onder de schapen van Christus geteld worden; want Hij is de goede Herder, die zijn leven voor zijne schapen stelt. In den dag des oordeels zullen zij aan de rechterhand van Christus gesteld worden, en die liefelijke woorden hooren : komt, gij gezegen den
132 Evangelie op den tweeden Zondag mijns Vaders. Terwijl de bokken , dat zijn de zondaren, aan zijne linkerhand zullen staan, en deze donderende stem in hunne ooren zal klinken : gaat van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur !
Troostrijk is liet voor ons zondaren, dat Jesus zich noemt de goede Herder; zoodat wij mogen gelooven, dat Hij voor ons zorgt, ons zal beschermen en bewaren, indien wij naar zijne leer zoeken te leven en Hem belijden. Hij gaf zijn leven voor zijne schapen toen Hij op aarde was, wat zal Hij voor ons niet doen, nu hij verheerlijkt zit aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen ! En al konde eene moeder haren zuigeling vergeten, zegt Hij elders, nog zal ik u niet vergeten. De haren onzes hoofds zijn alle geteld , en niets kan ons overkomen buiten Gods wijze toelating. Is God met ons, wie zal dan tegen ons zijn !
De liefde Gods tot de uitverkorenen is zoo groot, dat ze niet begrepen of uitgesproken kan worden, ja, de Engelen zijn begeerig dit geheim van Gods liefdewonder in te zien. Hij spijst zijne schapen lichamelijk en geestelijk, met zijn lichaam en bloed, in het heilig Sacrament. Andere herders hebben het voordeel van de schapen, daar zij door dezelve gekleed en gevoed worden; maar Christus heeft drie en dertig jaren de verloren schapen gezocht en hesft ze met zijn bloed gekocht. Doen wij dan ons best, om dezen goeden Herder aan te hangen, en wachten wij ons van zonden, waardoor wij ons zijne weldaden onwaardig maken. Wandelen wij gelijk het aan de schapen van Christus past en betaamt. Verlaten wij zijne schaapskooi niet.
na Paschen. 133
alwaar wij overvloedig te weiden hebben onder de schaduw zijner vleugelen.
Een huurling, een valsch leeraar, een predikant, stelt zijn leven niet voor de schapen, gelijk Judas, Datax , Chore, Abiron en andere. Zij doen alles om vuil gewin en bekommeren zich niet om de schapen, wanneer zij daarbij niet hun belang vinden; wanneer het hunne eerzucht niet kan streelen of aan hunne gierigheid voedsel geven. De schapen, door zulke trouwlooze herders geweid wordende, zijn ongelukkig; de wolf grijpt en verstrooit hen ; te weten door gebrek aan goede leering en onderwijzing, worden zij verleid, komen van den weg af en raken aan het dwalen.
Jesus is dan de goede Herder; Hij kent zijne schapen en zijne schapen kennen Hem. Vragen wij ons nu af, of wij die schapen zijn , die onzen Opperherder kennen ? T raagt u zei ven dan af ; of gij die eigenschappen bezit, welke zijne schapen moeten hebben ? Of gij naar zijne leer en naar zijn voorbeeld zoekt te leven, en Hem voor al die weldaden, welke gij dagelijks ontvangt, dankbaar zijt ? Hoort gij naar zijne stem en volgt gij de vermaningen, welke gij op Zonen Teestdagen in de kerk hoort? Wat zal het u baten onder zijne schapen gerekend te worden , indien gij geene liefde, zachtmoedigheid, geduldigheid , matigheid en zuiverheid uitoefent ?
De Heer Jesus herhaalt in het Evangelie de woorden : Ik ben de goede Herder en verzekert dit alzoo ten tweedemaal; wij hebben dikwijls in de biecht herhsaid, dat wij ons van die en die zonde zullen wachten; doch telkens zijn wij tot ons vorig kwaad wedergekeerd ; doen wij niet
131- Evangelie op den derden Zondag langer zoo. Blijven wij bij onze eenrnaal gedane belofte en verzekering. Zijn wij getrouw in het honden van Gods geboden en van onze beloften , gelijk Jesus getrouw is, en Hij zal ons werk eenmaal rijkelijk vergelden. Hij zal ons doen ingaan in het rijk der Hemelen. Wij zullen met de Heiligen en Engelen Paradijzen doorwandelen en eene onuitsprekelijke vreugde genieten. Gezegend en geloofd is Hij, die ons door zijne verdiensten zulk eene zaligheid verworven heeft en ons dezelve deelachtig wil maken.
g e b e d.
O goede Herder, die uw vleesch en bloed tot eene spijs en drank geeft voor uwe schapen : wij bidden Ã, wil ons onder uwe schapen tellen en aanschouw ons met oogeu van barmhartigheid ; opdat wij uwe zoete stem mogen hooren en dezelve volgen. Laat ons niet hooren naar de verleidende wereld en naar de verkeerde ingevingen van onze booze lusten. Dat wij uwe woorden hooren en dezelve bewaren, dan zullen wij met vreugde dit levenspad bewandelen en ons eenmaal in den hemel verblijden.
Op den derden Zondag na Paschea.
Evangelie, Joannes XVI. 16 - 22.
// In dien tijde zeide Jesus aan zijne leerlingen : // Nog een weinig tijds, en gij zult mij niet mee? // zien; en wederom een weinig tijds, en gij zult // mij zien; want ik ga tot den Vader. â Wat is
na Paschen. 1S5
â dat, zeiden zij, dat hij zegt ; eeu weinig tijds ? n Wij verstaan niet wat hij zegt.quot;
Deze aandoenlijke aanspraak van Jesüs deed Hij daags vóór zijn lijden. Grelijk meermalen gaf Hij hun op eene bedekte wijze te kennen, dat Hij hen spoedig zoude verlaten, dat is : niet Inng meerzichtbaarbij ben zonde blijven. Eerst voor weinig tijds, gelijk ook gebeurde door zijn lijden ; waarna Hij hen wederzag, en daarna zoude Hij tot zijnen Vader gaan. Veertig dagen na zijne verrijzenis van den dood, bleet Hij nog bij hen, en voer toen voor hunne oogen ten hemel, gelijk Hij gezegd had : ik ga tot den Vader. Hoe duidelijk dit Evnngelie voor ons is, echter begrepen bet zijne Leerlingen toenmaals niet, en vroegen daarom aan elknnder : wat /� dat, wat Hij zegt?
Bedenken wij hier, dat wanneer God ons kruis en lijden toezendt, zulks maar voor eenen korteu tijd is : een weinig tijds hier op aarde geleefd hebbende , zullen wij in den hemel God aanschouwen. De Heer zal de zijnen in den druk niet laten, eu wanneer zij ook al in dit tranendal veel kruis en lijden moeten ondervinden, is zulks van korten duur : zeventig of tachtig jaren hier op deze wereld te leven, gebeurt slechts aan weinigen; en wat zijn dan nog deze tachtig jaren in vergelijking met de eeuwigheid ?
v Jesm dan wetende, dat zij hem wilden vra-7 gen, zeide tot hen : gij onderzoekt onder elkan-// der, hetgene ik gezegd heb : nog een weinig â tijds, en gij zult mij niet zien, en wederom een ,/ weinig tijds, en gij zult mij zien. Voorwaar, // voorwaar; ik zeg u ; gij zult schreien eu wee-
gt; *!â¢
'? -i!
v'
gt; M-i t.
: i 1
: H %
0 X
h: t
quot;quot; -lii ...J
N.
136 Evangelie op den derden Zondag â nen, en de wereld zal blijde zijn; doch gij zult // bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal in ,/ blijdschap veranderd worden. quot;
Ofschoon wel alle menschen meer of min moeten lijden op deze wereld, is er evenwel dit onderscheid in, dat de goede menschen eerst verdriet hebben om der ondeugd wil, maar het verandert daarna in blijdschap : doch de kwade menschen, die eerst vreugd hebben, hebben naderhand verdriet. De weg der deugd gaat over doornen en distelen : doch het einde daarvan is aangenaam. De weg der ondeugd daarentegen is wijd en breed, schijnt als met rozen bezaaid; doch wordt nauw en moerassig, zoo dat men daarop ellendig omkomt. Zoo leest men van den rijken man en Lazarus ; de eerste leefde in alle pracht en wellust, de andere was arm, vol zweeren , waarvoor hij geene andere geneesmiddelen had dan dat de honden dezelve uitlekten; hij bad om de kruimelen, die van des rijkaards tafel vielen. De rijke man stierf, en Lazaeus stierf ook, en de rijke sloeg zijne oogen op in de hel; terwijl Lazarus door de Engelen in Abrahams schoot gedragen werd. De braven komen eindelijk tot het geluk. De tranen die de braven storten, vallen niet in het stol, maar worden door de Engelen verzameld voor de eeuwigheid.
Als de leerlingen des Heeren nu niet verstonden, wat de Zaligmaker bedoelde, werd hun dit nader verklaard, en Hij gaf hun deze gelijkenis :
// Als eene vrouw baart, heeft zij droefheid , // omdat haar uur gekomen is; maar als zij het // kind gebaard heeft, gedenkt zij niet meer aan
na Pa.tclien. 137
⢠⢠«11 quot;'f' ,/de smart, wegens de blijdschap, dat er eenen
n mensch geboren is. En gij liebt nu ook wel
n groote droefheid, maar ik zal u wederom zien;
// en dan zal uw hart blijde zijn, en niemand zal
;/ u uwe blijdschap ontnemen. quot;
s:! v'
Jesus voorspelde hier aan zijne leerlingen groote droefheid; hetzij wegens zijn lijden, hetzij wegens de vervolgingen, welke zij te wachten hadden, gelijk het ook doorgaans allen vrome Christenen overkomt.
En deze gelijkenis leert ons, dat men niet terstond den moed moeten laten zinken, wanneer ons iets tegenloopt; de Heer toch kent zijnen tijd en zal alles weimaken. De boomen staan des winters dor, zonder bladeren; maar als de lente annkomt, ziet men, dat zij wederom beginnen uittebotten en te bloeien, en ten laatste heerlijke vruchten opleveren; zoo schijnen ook Gods lievelingen somtijds van God voor eenen tijd verlaten, wegens de rampspoed en droefheid, waarin zij zijn; doch de barmhartigheid Gods, hen ten laatste overschaduwende, worden zij weder-
ITT ⢠⢠-
om bemoedigd en getroost.
Integendeel, de boozen zullen na eene korte vreugde, in lijden en verdriet storten, gelijk wij in het Evangelie lezen van eenen anderen rijkaard, die zijne oude schuren wilde afbreken en dezelve grooter maken, om daarin zijne vruchten fc-
te verzamelen en goede sier te maken; doch Gods tff!quot;
Engel zeide hem : o gij dwaze ! deze nacht zal v,.
uwe ziel van u weggenomen worden, en wat zal I.....
u stervende, al uw goed baten ? Wat baat ons toch het bezit van vele goederen?
«S-ii
..i
138 Evanjelie op den vierden Zondag
[Vat baal 't daar gij op houiot ;
Gij leunt er nimmer spijn voor hoopen
Tot eeuwig onderhoud.
Laat ons dan wijsselijk handelen, de ondeugd schuwen, de aardsche dingen, die toch spoedig vergaan, verachten en ons voor de eeuwigheid voorbereiden. Daarenboven, ontvluchten wij de vleeschelijlce wellusten, jagen wij de hemelsche goederen na met al onze krachten, dan zal de dood ons niet verschrikken, dan zal hij voor ons welkom zijn, â hij zal voor ons een overgang zijn tot eene betere wereld , en ons doen aanlanden in de gewesten van rust en vrede, waar alle tranen zullen afgedroogd worden. Dit ver-leene ons dc barmhartige Heer .Tesus Christus Amen.
GEBED.
Wil ons, o Heer, den zin ingeven, dat wij deze wereld aanmerken als eenen doortocht naar eene volmaakte en betere eeuwigheid. Laat ons wandelen als vreemdelingen op deze aarde, opdat wij onze zielen aan de aardsche dingen niet hechten , maar dat onze wandel en gedachten steeds daarboven zijn. Amen.
Op den vierden Zondag na Paschen.
Evangelie, Joannes XVI : 5-14.
// In dien tijde zeide Jems aan zijne leerlingen : ,/ Nu ga ik weg tot dengenen, die mij gezonden // heeft, en niemand van u vraagt mij eens : waar
fchmlri,
na Pascken. 139
,/gaat gij heueu? Maar de droefheid heeft uw ,, hart vervuld, omdat ik u deze dingen gezegd â heb. Doch ik zeg u de waarheid: het is nuttig t, dat ik heen ga; want zon ik niet henen ga, zoo v zal de Vertrooster tot n niet komen; maar ,/ als ik weg ga, zal ik hem tot u zenden. quot;
De Heer maakte dan aan zijne leerlingen be-Lcnd, dat Hij heen gaan zoude tot dengenen , die Hem gezonden had, nadat Bij eerst zoude geleden hebben; en hierover waren zij zoo bedrukt,
dat zij Hem niet eens konden vragen : waar gaat Gij henen? Dit merkte Jusus en voegde er daarom bij : het is u nuttig dat ik heen ga; waarbij Hij hun den heiligen Geest beloofde, die dan ook later op den Pinksterdag op de Apostelen nederdaalde. Deze zoude hen vertroosten over Jesus korte scheiding, gelijk Hij hun beloofd had en gelijk gebeurd is.
Wij moeten mede, wanneer wij in droefheid zuchten, bidden, dat de heilige Geest ons koms troosten, verkwikken en opbeuren, om de rampspoeden van dit leven met geduld en lijdzaamheid f.iii door te staan. Het is verkeerdelijk den troost bij de menschen te zoeken. Hebt gij dit niet dikwijls ondervonden ? Wanneer gij aan iemand uw â : it ongeluk verhaald had, was het dan niet veeltijds : |C⢠-dat spijt mij, maar ik kan u voor den oogenblik 'i| niet helpen. Duizende voorbeelden zouden dit kunnen staven. Maar de goddelijke vertroosting is een ware troost in alle lijden, en zulks ondervonden allereerst de Apostelen : â Zoo ik niet henen ga, zal de Vertrooster tot u niet komen. quot;
zeide Jesus; hiermede wilde Hij zeggen : ik moet
eerst bij mijnen hemelschen Vader doormijn lij-
quot; i
â¢i V
, t
jut
140 Evangelie op den vierden Zondag den verdienen , dat de heilige Geest tot u zal komen; na mijnen arbeid zal rust komen, en na mijn kruis en lijden komt de Vertrooster, de heilige Geest; deze vertroost de menschen inwendig, geeft hun blijdschap in het lijden en neemt alle zwarigheden weg. Want waar de heilige Geest is, daar wordt het bittere zoet gemaakt; Hij is een leeraar der onwetenden, en een wetgever in de harten van alle godvruchtige menschen, welke Hij tot alle goede dingen aandrijft. De menschen vermogen door en uit hen-zelven niets; maar de heilige Geest moet het in hunne harten werken en hun kracht geven tot deugd. Het was de heilige Geest, die den Martelaren de aangename pijnigingen deed verduren , die de kluizenaars in de woestijnen de wereldsche goederen deed verzaken, en hen alle armoede, naaktheid , ontbering deed verduren; door de vertroosting nochtans van den heiligen Geest was hun lijden een hemel op aarde. Alle goede gaven en volmaakte giften komen van boven; dit wisten en ondervonden de heilige Mannen Ignatius, Laurentiüs, Yincentiüs, Cosmas en andere, gelijk mede de heilige Vrouwen Catharina, Clementina, enz. die vele zware pijnen hebben moeten lijden, doch zeer geduldig zijn geweest. Desgelijks de heiligen Antoniüs, Hilamus en Elisabeth, die den Heer in een hard en gestreng leven navolgden, en nochtans vrolijk leefden, door den heiligen Geest vertroost wordende. Gelijk de heilige Geest alle werk licht en alle juk zacht kan maken , zoo spoort de booze geest de menschen aan tot allerlei ondeugden. Van den boozen geest komen voort alle kwade overleggingen des harten; stelen , vloeken, onkuischheid, lasteren,.
na Pasohen. 141
doodslaan. Bid derhalve God, dat Hij u zijnen goeden Geest schenke; dat deze u moge troosten, leeren en leiden; door dezen Geest zult gij zeggen : Abba, lieve Vader! en gij zult alzoo kinderen Gods en erfgenamen zijns rijks worden.
u En als Hij zal gekomen zijn, zal Hij de n wereld overtuigen van zonde, van de recht-,/ vaardigheid, en van het oordeel. En wel van â de zonde, omdat zij in Mij niet geloofd heb-,/ ben; van de rechtvaardigheid, want Ik ga tot â den Vader, en gij zult mij nu niet meer zien; ,/ van het oordeel, want de prins dezer wereld â is nu geoordeeld.
De H. Chrysostomus geeft van deze woorden de volgende uitlegging : de heilige Geest heeft de wereld, dat is de Joden en ongeloovige Heidenen, overtuigd van de zonde hunner ongeloo-vigheid, omdat zij in den Zaligmaker niet geloofd hebben, alhoewel zijne leer en zijne werken klaarblijkelijk te kennen gaven, dat Hij de Zoon Gods was. Hij heeft hen overtuigd van de rechtvaardigheid en onschuld des Zaligmakers, die met eene verheerlijkte menschheid is opgeklommen tot den Vader, eu wien zij in dien zwakken en verachtelijken staat niet meer zagen, in welken zij hem te voren als een verleider en booswicht hadden uitgemaakt en mishandeld. Hij heeft hen overtuigd van het oordeel, hetwelk over hen zal komen, daar de duivel, de vorst der wereld, wien zij als hunnen leeraar zijn opgevolgd, reeds geoordeeld is: dat is, beroofd van het vermogen, dat Hij over het menschelijke geslacht van
.1 â¢!gt; â
( jll(
:v'
1
â¢: Ãnquot;! â¢
S I w S
m -
I 1 : | ft;
rquot;::
jtar*,
shl ⢠n
h. gt;
142 Evangelie op tien vierden Zondag Adam bekomen Iiad, en welke macht hem ont-nomen is door Christus^ lijden en dood. Dit alles heeft de heilige Geest overtuigend aangetoond door wonderen, door de uitbreiding van het Evangelie, door de verstrooiing der Joden en de verwoesting hunner sfad, door de vernietiging van de afgoderij der Heidenen. Het Evangelie luidt verder ;
â Ik heb u nog vele dingen te zeggen, maar â gij sioudt ze nu niet kunnen dragen; maar als
de geest der waarheid zal gekomen zijn, die ., zal u alle waarheid leeren. Want hij zal uit â zichzelven niet spreken, maar hij zal zeggen â al wat hij gehoord heeft, en Je toekomende â dingen zal hij u verkondigen. Hij zal mij ver-â heerlijken, want van het mijne zal hij het ne-â men, en u verkondigen.quot;
De Zaligmaker had aan zijne leerlingen nog veel te verklaren, doch zij kouden het thans, wegens hunne groote droefheid of wegens hun zwak verstand , niet dragen. Doch de goddelijke Geest zoude over hen gezonden worden en hun alles klaar doen inzien.
Hieruit leeren wij, dat wij bijzonder van noode hebben, om, bij het hooren van predikatiën, het lezen van stichtelijke boeken, door den geest van God voorgelicht te worden; Jaar de leerlingen van Jesüs, nadat zij reeds drie jaren door Hem zeiven onderwezen waren, ook den heiligen Geest nog van noode hadden, om hun verstand op te klaren, aangaande hetgene zij van Jesus gehoord hadden. Vergeet daarom .nooit bij iedere preek, of lezing van een stich-
ii â !â
na Paschen. 143
te]ijk boek, den bijstand des heiligen Geestes in te roepen. Het is tocli niet genoeg te hoeren, maar wij moeten hetgeen wij hooreu, ook recht verstaan, en met hetgeen tot ons verstand gekomen is, ons voordeel doen, ons leven daarnaar inrichten; dan zullen wij ons bekeeren en vruchten voortbrengen, die der bekeering waardig zijn.
GEBED.
Geef, Heer, dat alle menschen tot bekentenis der waarheid en tot de kennis hunner misdaden komen; opdat zij ongehinderd van den vorst dezer wereld, eenen vrijen toegang tot '
uwen troon der genade mogen vinden, eu als tempels van den heiligen Geest tot de eeuwige zaligheid komen. Amen.
.'il-P
Op den vijfden Zondag na Paschen.
Evangelie, Joannes XV] ; 28 â 30.
- li
â In dien tijde zeide Jesnx tot zijne leerlin-
â gen ; voorwaar, voorwaar, ik zeg u : al wat
â gij den Vader zult bidden in mijnen naam ,
â Hij zal het u geven. Tot nog toe hebt gij '||
â niets verzocht in mijnen naam. Eischt en gij
âzult verkrijgen, opdat uwe blijdschap volko-
â men zij. quot;
In dit Evangelie ontsluit Jesüs den schat der genade, ons leerende, dat wij door het gebed van den hemelschen Vader alles zullen verkrij-
!'ii
144 Evangelie op den vijfden Zondag gen, wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben, voor zooverre wij de onderwijzing van Christus navolgen. Ook deze troost en deze verzekering hebben wij : al wat wij den hemelscben Vader bidden zullen, in den naam van Jesus Christus, zal ons gegeven worden, wanneer wij naar de geboden Gods en der Kerk handelen, ons gehoorzaam betoonende en een christelijk leven leidende. Zij, die naar de inspraken van hun vleesch, van hunne booze neigingen leven, zijn geene kinderen Gods, en kunnen deze beloften niet op zich toepassen. De Vader geeft zijnen kinderen wnt hun nuttig en zalig is, wat hen stichten en verbeteren kan; want alleen te-bidden om het tijdelijke en vergankelijke, zoude strijdig zijn met de leer van Jesus. Zoekt daarom eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid, en het andere zal u toegeworpen worden. Wij zullen dan dagelijks bidden om uitroeiing van alle zondige gebreken en kwade neigingen, om liefde tot God en onzen eveumensch, om een sterk en vast geloof, om ootmoedigheid, zachtmoedigheid, verduldigheid en verdraagzaamheid. Wij moeten ook bidden voor onze overheid, dat God haar wijsheid verleene om wel te regeeren, dat God ons vrede en eendracht verleene in onze dagen, en troost aan alle bedrukten en treuri-gen; voorts moogt gij bidden voor het dage-lijksch brood, gelijk de Heer in het allervolmaaktste gebed geleerd heeft. De H. Jacobus zegt: is het dat iemand wijsheid noodig heeft, laat hij die van God begeeren, en zij zal hem verleend worden, hetwelk ook van andere deugden te verstaan is. Hierbij behoort een vast geloof, dat wij, hetgene wij bidden, verkrijgen
na Pascken. 145
'quot;'f1
zullen, indien het ons dienstig en zalig is. Daarom is het goed in zijne gebeden te zeggen :
Heer, indien zulks met uwen wil overeen komt.
Voeg bij uwe gebeden nog aalmoezen en vasten,
dan zullen dezelven des te meer kracht hebben.
Bedenk, dat wij van ons zeiven niets hebben,
en dat God de Heer de oorsprong en gever van alle goeds is; de gever van alle goede gaven en volmaakte giften. Leg u als strafwaardige zondaar aan zijne voeten , en smeek om genade,
in den naam van Jesus Christus, door wiens verdiensten, in zijnen doop, lijden en dood, wij vergeving der zonden en het eeuwige leven ontvangen. In den naam Jesus zijn talrijke wonderen geschied, dooden opgewekt, blinden ziende gemaakt en melaatschen gereinigd. Ook is er onder den hemel geen andere naam gegeven,
door welken wij moeten zalig worden, dan den naam Jesus; door welken wij ook eenen vrijen toegang hebben tot den Vader. Dierbare naam derhalve, gij zult de laatste naam zijn, dien men van onze stervende lippen zal hooren! Verder zegt Jesus :
m
1
tjf' gt;-
Deze dingen heb ik u al in gelijkenissen
«1
â gezegd. Nu komt de uur, dat ik u niet meer '
â in gelijkenissen spreken zal, maar openlijk van â den Vader zal verkondigen. In dien dag zult â gij in mijnen naam verzoeken; en ik zeg u â niet, dat ik den Vader voor u bidden zal.
â Want de Vader zelf bemint u, omdat gij mij â bemind en geloofd hebt dat ik van God ben â uitgegaan : Ik ben van den Vader uitgegaan,
â en in de wereld gekomen : nu verlaat ik we-
10
146 Op den vijfden Zondag na Paschen. â derom de wereld, en ga tot den Vader. Zijne â leerlingen zeiden hem : zie, nu spreekt Gij â openlijk en Gij gebruikt niet eene gelijkenis. âNu zien wij wel, dat Gij alles weet, en dat âtiet niet noodig is, dat U iemand ondervrage; â derhalve gelooven wij, dat Gij van God uit-â gegaan zijt.quot;
In deze woorden hoort gij, dat de Heer niet door gelijkenis, maar vrij uit zoude spreken , te weten : door het ingeven des heiligen Gees-tes, dien de leerlingen en andere geloovige men-schen ontvangen zouden. De heilige Geest zoude hun klaarlijk te kennen geven, wat het welbehagen des Vaders was. In denzelfden dag zult gij bidden, zegt de Heer, in mijnen naam, dat is door mijne verdiensten, en gij zult verkrijgen : want de Vader zelf bemint u, als zijne kinderen; gij draagt in u, door den heiligen Geest, het beeld zijns levens en beminden Zoons, waarin de hemelsche Vader zijn welbehagen heeft.
Dit zij dan onze troost, dat de Vader ons kent en ons bemint; zoo kunnen wij dan eenen Vader in den hemel hebben.
GEBED.
Heer Jesus! wil onze harten ontsteken door eene vurige liefde : dat wij hier in de deugd niet verflauwen, maar meer en meer ijver betoonen in het doen van goede werken ; dat wij steeds mogen bidden , om hetgene ons nuttig en tot de zaligheid dienstig is, en zoodoende trachten, naar de geestelijke goederen. Amen.
Feestd. van de TLevielv. des Heer en. 147
Feestdag van de Hemelvaart des Heeren.
Evangelie, Marcus XVI: 14-30.
Heden vieren wij de gedachtenis van de glorierijke hemelvaart onzes Heeren Jesüs Ciiristus, die nu gezeten is aan de. rechterhand zijns Vaders. Engelen verheugden zich reeds oyer zijne geboorte; heerscharen van Engelen kwamen hem, toen hij ten hemel voer, te gemoet, en zongen blijde Alleluja^s; zouden wij ons dan niet mede over Jesus hemelvaart verblijden ? Poor zijn lijden en strijden toch heeft de Zaligmaker den dood overwonnen, den helschen vijand zijne macht benomen en het handschrift des doods te niet gedaan.
Na deze zegepraal, veertig dagen na Paschen, in welken tusschentijd zich Jesus menigmaal aan zijne leerlingen openbaarde en hen troostte, voer hij plechtstatig voor het oog van zijne leerlingen ten hemel, om voor ons plaats te bereiden en om ons een middelaar en voorspreker te zijn. Dewijl Jesus van den dood verrezen is, zullen wij ook met Hem verrijzen; want Hij is dus hoofd en wij zijn zijne ledematen. Waar nu het hoofd is, daar zullen ook de ledematen zijn.
Jesus gaf, vóór zijne hemelvaart, aan zijne leerlingen de volmacht, om aan alle volken zijn Evangelie te verkondigen en voorspelde hun de wonderen, welke de geloovigen in zijnen naam zoTïden doen, volgens het Evangelie van heden :
148 Evangelie op den Feestdag
â In dien tijde versclieen Jesus aan de elf, â terwijl zij aan tafel zaten, en verweet hun hunne â ongeloovigheid en de hardheid huns harten; â omdat zij degenen, die hem verrezen gezien â hadden niet geloofden. En hij zeide hun : gaat â henen door de geheele wereld , verkondigt het â Evangelie aan alle schepselen. Die gelooft en â gedoopt wordt, zal zalig worden, maar die niet â gelooft, zal verdoemd worden. En deze teeke-â nen zullen dengenen volgen, die gelooven. Zij â zullen in mijnen naam de duivelen uitdrijven; â zij zullen nieuwe talen spreken; zij zullen â slangen wegnemen; en zoo zij iets doodelijks ,, mochten gedronken hebben, zal het hun niet ,, hinderen. Den zieken zullen zij de handen â opleggen en deze zullen gezond worden ! quot;
Volgens het verhaal van den H. Mattheus, beloofde Jesus nog, dat Hij met zijne Kerk zoude zijn tot aan de voleinding der wereld. (2) Het Evangelie zegt verder ;
â En als nu de Heer Jesus met hen gesproken ,, had, is hij opgevaren ten hemel, en hij zit ,. aan de rechterhand Gods. En zij, heengaande, ,, predikten overal, en de Heer werkte mede en â bekrachtigde het woord, door de teekenen die â er op volgden.quot;
De Heer Jesus, nadat Hij zijne leerlingen in het geloof bevestigd had, en hun vele dingen, aangaande de zaligheid, had belast, ging einde-
(1) Kap. XXVIII : 29.
van de Hemelvaart des Heer en. 149 lijk met hen naar den Olijfberg buiten Jeruzalem, waar Hij hun de handen oplegde en zegende ; en ziet, er daalde eene wolk neder, die Hem omhoog voerde, en zoo voer Jesus ten hemel. Vol bewondering en liefde, staarden zij hunnen Heer na, die de wolken doorvoer, knielden neder in stille verrukking en aanbaden Hem. De zegen, dien Jesüs aan zijne leerlingen, vóór en na zijne hemelvaart, mededeelde, willen wij bidden, dat ook op ons moge nederdalen; dan zal het ons tijdelijk en eeuwig welgaan.
Jesus dan, nu aan de rechterhand des Vaders zittende, dat is : bekleed met macht en majesteit, gelijk de Vader, verheven boven den rang der Engelen, wil voor ons bidden en onze voorspraak zijn bij den Vader. Het bloed van Christus roept om barmhartigheid voor ons arme zondaren, ten einde ons in dezen tijd der genade tot de zaligheid te brengen. Verblijden en verheugen wij ons, Christenen ! Jesus heeft al onze vijanden overwonnen.
Graf, dood en hel licht voor hen neer,
O Christenen, geeft gij Hem eer !
Hij, Hij is hun verwinnaar !
De hemel staat open; de toegang tot het Paradijs is ontsloten; en het zwaard, waarmede de Cherub den toegang bewaarde, is bot geworden in de wonden van Christus.
Een oprecht Christen, derhalve, die in het oprechte geloof blijft, met leedwezen en berouw over zijne zonden, stervende, mag op de barmhartigheid Gods en op het eeuwige leven vertrouwen. Wij hebben dan overvloedige reden , oin ons te verheugen en den Zoon Gods te dan-
K' II?! i ' , â V \
\ I
; 'i
léf fel ül
f
m!:
* 'U
shï .. i H
150 Eeestdag van de Hemelvaart des Heer en, ken, voor zijne grondelooze ontferming. Het lijden en de overwinning, door Jesus op onze vijanden behaald, hebben ons den weg tot deti hemel gebaand.
De Apostelen intusschen, terwijl zij nog naaiden hemel staarden, zagen onverwacht twee Engelen naast hen , in de gedaante van twee mannen, die in het wit gekleed waren en hun zeiden : Gij Galileesc/ie mannen, wat staat gij hier en ziet den hemel aan ? Deze Je --us, die voor moe oog en ten hemel gevaren is, zal even zoo wederkeeren, gelijk qj Hem hebt zien opklimmen; te weten ten jongsten dage , bij de voleinding der wereld.
Met deze vermaning wilden de Engelen zeggen , dat zij hunnen kostelijken tijd niet in ledigheid zouden doorbrengen , maar naarstig in hun beroep werkzaam zijn, verwachtende den Heer, die aan elk het loon van zijne werken geven zal. Laat ons ook deze woorden des Engels ter harte nemen en den tijd der genade wel besteden; opdat, wanneer de Heer zal komen om de levenden en dooden te oordeelen, wij de lampen brandende hebben, gelijk de wijze maagden, en onder de uitverkorenen aan de rechterhand van Jesus geplaatst worrier , om met Hem in te gaan in de woning zijns Vaders , waar Hij ons plaats bereid heeft.
Trachten wij met allen ijver onze plichten te vervullen; daar wij weten, dat Jesus niet alleen den weg geopend heeft, maar ons ook heeft aangewezen , hoe wij denzelven moeten bewandelen , indien wij in den hemel komen willen. Indien wij dan de voetstappen van Jesus navolgen, matig, geduldig en godzalig leven in deze
Evangelie op den zesden Zond. na Pane hen. 151 tegenwoordige wereld, en in de katholieke Kerk, blijvende Jesus als onzen Zaligmaker erkennen en beminnen, dan zullen wij eenmaal Hem te gemoet gevoerd worden in den hemel, en eeuwig daar zijn, waar Hij ons is voorgegaan. Dit ver-gunne ons de barmhartige God en Vader, de liefderijke Zoon, en de troostrijke H. Geest, die tot in eeuwigheid onvolprezen zijn.
GEBED.
Almachtige Jesus, die ten hemel geklommen zijt! trek ons tot U en wij zullen IJ navolgen; opdat wij van deugd tot deugd en van kracht tot kracht voortgaande, uit de vergankelijke wereld tot den eeuwigen tabernakel mogen komen. Amen.
Op den zesden Zondag na Paschen.
// Jesus zeide aan zijne leerlingen : Maar als fi de Vertrooster, dien ik u van den Vader zal ' ï
â afzenden, de Geest der waarheid, die van den â Vader voortkomt, zal gekomen zijn, die zal // getuigenis van mij geven. En gij zult er ook ^/getuigenis van geven, want gij zijt van het Vi|
â begin af met mij geweest.quot;
quot;Hl
In dit Evangelie wordt ons onder andere ge- IKÃ'!quot;
leerd, dat er drie verscheidene personen zijn in isy
de Godheid, die één in wezen zijn, namelijk :
God de Vader, God de Zoon, en God de H.
Geest, welke laatste van den Vader en den
quot;Ifi -A
152 Evangelie op den zesden Zondag Zoon voortkomt. Wij moeten dit gelooven als een der voornaamste geloofsartikelen , zonder met ons verstand deze verborgenheid te willen doorgronden; want deze verborgenheid gaat alle verstand te boven. De H. Augustinus, op zekeren tijd daarover nadenkende, zag een kind aan de zee zitten en bezig om in een doorboorden emmer water te putten. Toen Augustinus hem de onmogelijkheid, om hiermede de zee ledig te scheppen, deed verstaan, gaf dit kind tot antwoord : Even zoo onmogelijk is het, om de ürieënheid der Godheid te begrijpen.
De Heer Jesus dan wel wetende, dat het zijnen Apostelen lastig zoude vallen, om van Hem te scheiden; dat zij veel, om de eer Gods voor te staan, zouden moeten lijden, en opdat zij niet zouden bezwijken, zoo belooft de Heer, dat Hij hun den Vertrooster zoude zenden, namelijk den heiligen Geest, die hen leeren , leiden, bemoedigen en vertroosten zoude. De heilige Geest maakt den arbeid als rust, de armoede als rijkdom ; hij verandert de droefheid in blijdschap. Dit is in de leeringen van Jesus allerduidelijkst gebleken. Nadat zij den heiligen Geest ontvangen hadden, verheugden zij zich dat zij waardig waren te lijden, om Cheistus wille.
De heilige Geest zal getuigenis van mij geven , zegt Jesus in het Evangelie, dat ik waarlijk God ben, dat ik onschuldig vervolgd, gelasterd en gekruisigd ben geworden. Gij zult er ook getuigenis van geven, want gij hebt alles gezien en gehoord. Dit alles gebeurde, toen de heilige Geest over de Apostelen gekomen was : zij traden openlijk op voor de Joden en Heidenen, verkondigden Jesus leer en lijden, verrijzenis
na Paschen. 153
en glorierijke hemelvaart; zij bekrachtigden dit door wonderwerken en voerden eenen godvruch-tigen wandel.
Ook wij moeten getuigenis van Jesus geven r bijzonder daardoor, dat wij ons geloof in Hem, uit onze werken toonen : wij moeten ootmoedig en zachtmoedig zijn, gelijk Jesus; geduldig in lijden en in alles aan den wil van God onderworpen. Maar hoe velen worden er gevonden , die hela«s ! slechts den naam van Christenen dragen, en een leven leiden dat gansch en al strijdig is met de leer van Jesus. Hoe velen worden er gevonden, die zich dagelijks aan plichtverzuim schuldig maken : ongehoorzame kinderen, oneerbiedige menschen onder de godsdienst, onbarmhartigen jegens de armen, onge-duldigen in kruis en lijden, nijdigaards en lasteraars. De naam van Christenen zal zulken niet zalig maken. Het geloof moet uit de werken getoond, en de opperste Wetgever moet geëerbiedigd worden. Verder zegt de Heer in het Evangelie â .
f, Deze dingen heb ik u gezegd, opdat gij u // niet zoudt ergeren. Zij zullen u uit de verga-// deringen stooten. Ja, de uur komt, dat al die n u om het leven brengt, meenen zal aan God n eene dienst te doen. En dit zullen zij u aan-;/ doen; omdat zij noch den Vader noch Mij // kennen. Doch ik heb u dit gezegd, opdat gij, // als de uur zal gekomen zijn, indachtig zoudt // wezen, dat ik het u gezegd heb.quot;
De Zaligmaker wilde zeggen : de Joden zullen u, zijne Apostelen, uit hunne vergaderingen of
154 Evangelie op den zesden zond. na Pa vJien. Synagogen verbannen, en u aanzien als verleiders des volks, en alsof gij de grootste booswichten waart, zullen zij u overal vervolgen; zelfs zullen zij u in de gevangenissen werpen en u als martelaren doen omkomen. Zij zullen meenen aan God eene dienst te doen door u te dooden. Zij zullen in die verkeerde dwaling zijn, omdat zij den Vader en Mij niet erkend hebben. Dit alles voorspelde de Zaligmaker aan zijne leerlingen; opdat zij niet mochten verergerd worden door zich te laten voorstaan, alsof zijne leer niet de ware was. De Apostelen wisten nu vooraf, welk lot hen wachte, en tot de stormen voorbereid , konden zij zich des te beter staande houden.
Ook al degenen die godvruchtig willen leven, zullen meer of min vervolgingen te lijden hebben. Immers de boozen zien met nijdige oogen , dat anderen zich om de deugd en zaligheid bevlijtigen, en hunne minste spotredea is deze, wanneer aan een goed mensch een ongeluk overkomt: ziet, wat helpt hem zijne vroomheid? Doch, gij dwazen, zult gij niet eenmaal verstandig worden ? Let eens op het einde der boozen. Hun levenspad moge in het begin effen zijn en met rozen bestrooid, in het einde wordt de weg hobbelig, de nacht overkomt hen, en zij geraken in een moeras van eeuwige ramp en leed. Geene kunst der artsen, geen handengewring van vrienden, geen goud noch zilver, niets vermag hen van den dood te bevrijden! A hoe akelig moet dan de scheiding voor hen zijn, indien zij zich vooraf niet daartoe hebben voorbereid! Daarentegen ziet een vroom Christen den dood gelaten te gemoet en sterft in de hoop van een
Evangelie op het Roogf. van PinJcsteren. 155 beter leven. Gij, vrome Christenen, laat de wereld u vrij haten, wroegen en bespotten, gij weet, welk loon u wacht. Ook is de knecht niet beter dan zijn Heer, en Patilus zegt : zijn wij deelgenooten van het lijden van Christus, dan zullen wij ook, te gelijker tijd met Hem verblijd worden. Gij zult eene vreugd genieten, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft.
Bidden wij dan steeds om den heiligen Geest, dan zullen wij, dien ontvangen hebbende, het lijden der wereld gering achten, den spot en hoo7i verdragen kunnen, en eenmaal, door de verdiensten van Jesus Christus, het eeuwige hemelrijk beërven.
GEBED,.
Dat wij, o Heer, uwen zoeten trooot mogen smaken, het onderscheid leeren kennen tusschen wereldsche vergankelijkheid en hemelsche goederen ; dan zullen wij de eerste, verzaken en de laatste najagen met. al onze krachten. Amen.
it-l Ir
pUf..!.
Jlf
Hoogfeest van Pinksteren.
De werken der Apostelen. II. 1-4.
;/ En als de dagen van Pinksteren vervuld u werden, waren zij allen gezamenlijk in de-// zelfde plaats. quot;
Wij houden heden gedachtenis van den heiligen Pinksterdag, waarop de Apostelen des Heeren den heiligen Geest ontvangen hebben. Als de, dagen van Pinksteren, dat is vijftig dagen
.ijlt?
156 Evangelie op het
na het Paaschfeest, vervuld waren , waren de Apostelen gezaiflenlijk, of gelijk in het Grieksch staat, eendrachtiglijk bijeen vergaderd, ten einde om den heiligen Geest, die hun beloofd was, te bidden , dat zij denzelven ontvangen mochten. Zij baden zeg ik, om den heiligen Geest, ofschoon hun den zelve beloofd was. Hierin geven zij ons een voorbeeld; om steeds mede te werken om de genade en gaven des heiligen Geestes deelachtig te worden. Zonder deze kunnen wij niets verrichten , wat den Heer kan welgevallig zijn.
De Israëlieten hadden, vijftig dagen nadat zij uit Egypte getogen waren, de tien geboden ontvangen, onder donder en bliksem; opdat zij vreezen zouden deze geboden Gods te overtreden. En zij waren werkelijk zoodanig vervaard , dat zij aan Mozes zeiden : spreekt gij met God den Heer. Doch naderhand vergaten zij al ras Gods weldaden en overtraden zijne geboden. Door den val van Adam is der menschen natuur zoo boos en bedorven geworden, dat zij steeds tot zonden geneigd zijn; ja de menschen trachten , van de wieg af zelfs, naar hetgene verboden is. Hierover beklaagt zich de H. Paülus, als hij zegt: het kwaad, dat ik niet wil, doe ik, en het goed, hetgene ik doen zoude, doe ik niet. Dat is : ik weet wel, wat ik behoorde te laten en te doen, en nochtans doe ik het niet. Ik ongelukkig mensch, wie zal mij hiervan verlossen ? Hij antwoordt : de genade des heiligen Geestes. Want de wet, die geschreven was in twee steenen tafelen, is door God wederom vernieuwd en geschreven door den heiligen Geest in de harten der geloovige menschen, toen de
Hoogfeest van Pinksteren. 157 heilige Geest op den Pinksterdag door de Apostelen ontvangen werd. Zij, dus met de genade van dien Geest vervuld zijnde ^ waren in staat de geboden van God te onderhouden. Het Evangelie leert; de wet is door Mozes gegeven, maar de genade, om dezelve te volbrengen, door Jesus Christus; niet alleen aan de Apostelen, maar zij zal ook gegeven worden aan al degenen, die vurig om dezelve bidden. Bidden wij dan dat God in ons een rein en nieuw hart scheppe , ons alzoo vurige liefde instorte, jegens God den Heer en onze evennaasten, dan zal het ons niet zwaar vallen Gods geboden te onderhouden. Toen de Apostelen dus vergaderd waren, zegt het Evangelie verder :
// Kwam er schielijk een geluid uit den hemel, n als van een krachtigen aankomenden wind , en vervulde het geheele huis waar zij zaten. En n hun verschenen verdeelde tongen als van vuur, // hetwelk op een ieder van hen neder kwam. En // zij werden allen vervuld met den heiligen Geest, u en begonnen verscheidene talen te spreken, na-n dat de heilige Geest hun gaf uit te spreken. quot;
Wanneer de Godheid zich voormaals aan de menschen openbaarde, geschiedde zulks gewoonlijk, in het suizen van een' zachten wind, of gelijk bij de wetgeving op Sinaï, en bij de neder-daling des heiligen Geestes op de Apostelen , onder bliksem en het geluid van eenen sterken wind. Gelijk de wind met geluid en kracht nederdaalde en het huis vervulde waar de Apostelen zaten , evenzoo krachtig werkt de heilige
1
-.....#
m
gt;1
'quot;'lii
i 8*1 amp; 'â¢
Nil
.n
quot;â¢* Hi, ^fj â
s i
gt;3 -Jüulv
158 Tivangelie op het
Geest in de harten der geloovigeu; zij worden door denzelven eindelijk in de haven der eeuwige zaligheid gevoerd. De menschen leven naar het ingeven van den heiligen Geest, die in hen woont; hebben zij den heiligen Geest, dan doen zij goede werken; hebben zij den boozen geest, dan zijn hunne daden en handelingen ook boos, gelijk die van Judas en andere. De heilige Geest dan moet in ons wonen, moet ons leiden en besturen, en daarom heeft Jesus drie-en-dertig jaren op aarde rondgezworven en alle lijden verdragen, ten einde ons met God te verzoenen en den heiligen Geest voor ons te verwerven. De heilige Geest maakt ons eerst tot rechtschapene menschen; en de Apostelen, die aanvankelijk beschroomd waren, kregen door dienzelfden Geest moed en kracht, om voor de goede zaak te strijden. Zoo beleden de Apostelen en Martelaren voor de gansche wereld, dat Jesus de Christus of Zaligmaker is, in wien zij het eeuwige leven hoopten te hebben,
// En hun verschenen verdeelde tongen als van vuur, welke op een leder van hen neder kwamen. quot; Eene straal vuur, die naar dien des bliksems geleek, verdeelde zich in kleine vlammetjes, die zich op het hoofd der Apostelen en leerlingen zetten. Welke verandering bespeurden de leerlingen van Jesus in hun binnenste ! Hun verstand werd verlicht; wat zij nog niet begrepen hadden, leerden zij nu recht inzien; hun geloof werd versterkt, en daarenboven â begonnen zij verscheidene talen te spreken, zoo als de heilige Geest hun die gaf te spreken.quot; Openlijk en vrijmoedig traden zij nu op in het volkrijke Jeruzalem en verkondigden Jesus den gekruisten ; zij
Hoogfeest van Pinksteren. 159 verzekerden aan de zondaren en zelfs aan de ergste vijanden van Jesus, dat er buiten het geloof in Hem geene zaligheid te hopen was.
Ook wij moeten om dien troostrijken en krach-tigen bijstand aanhouden en God bidden , dat Hij den boozen geest ver van ons verwijdere. De heilige Geest maakt ons tijdelijk en eeuwig ge-lukkig, doordien hij ons inwendig tevreden stelt, en ons leert in Gods bestuur te berusten, en ons doet hopen op de zaligheid, die ons in het Evangelie wordt toegezegd.
Wereldsche menscheu slooven zich nacht en dag af, om goederen die haast vergaan, die door de roest en mot worden opgevreten; doch laat ons niet alzoo doen ; maar laat ons werken om de onvergankelijke goederen , die door geene dieven kunnen gestolen worden : vooral om de zevenvoudige gaven des heiligen Geestes, van welke de gave van wijsheid alleen beter is dan alle goed der wereld en verkieslijker dan alle koningrijken der aarde. Wij moeten , om de gaven des heiligen Geestes te verwerven, al onze pogingen inspannen en van onzen kant alles aanwenden, om ons dezelven waardig te maken. De heilige Geest vordert een zuiver gemoed ; want hoe zoude de reinheid in de onreinheid wonen? zoude men kostelijken wijn in een vuil vat doen ? dit ware paarlen voor de zwijnen geworpen. Bidden en vasten, aandachtig mis hooren en oprechte biecht spreken, kunnen ons den heiligen Geest doen verwerven. Bezitten wij dien Geest, dan zijn wij kinderen van God, en kinderen van God zijn ook erfgenamen des eeuwigen hemelrijks. Hebben wij deze troostrijke verzekering, dan kunnen wij zeggen : dood,
H'F'H
li
, !P
160 Evangelie op den tweeden Feestdag waar is uw prikkel ? bel, waar is uw verderf ? Wij danken God door Jesus Christus, die ons de overwinning gegeven heeft.
GEBED.
O heilige Geest! zend ons een vonkje van de stralen uwer liefde; Gij zijt de Gever van alle goede gaven en volmaakte giften; een licht, dat onze harten doorstraalt, verlicht en verwarmt. Gij zijt een ware Vertrooster , en die ons van alle zonden reinigt. Kom dan, o heilige Geest^ daal neder in onze harten en kom daarin wonen. Amen.
Tweede Feestdag van Pinksteren.
Evangelie, Joannes III ; 16-21.
// In dien tijde zeide Jesus aan Nicodemus : // zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij // zijnen eenigen Zoon gegeven heeft; opdat al // die in hem gelooft, niet verloren ga, maar het u eeuwige leven hebbe.quot;
Op dezen tweeden Feestdag van Pinksteren, zullen wij bijzonderen dank betuigen voor de weldaad, welke Jesus door de zending van den heiligen Geest aan de wereld bewezen heeft, en opdat wij door bidden en smeeken deel mogen hebben in de gaven van denzelden Geest.
Ofschoon in dit Evangelie niet rechtstreeks van den heiligen Geest gesproken wordt, nochtans wordt ons heden dit Evangelie van Gods liefde voorgehouden; dewijl de liefde tusschen God
van Pinksteren. 161
den Vader en God den Zoon, de heilige Geest is. God is de liefde, zegt Joannes , en die in de liefde blijft, die blijft in God en God in liem.
Welk eene liefde moet dit zijn, die God aan de wereld, aan het menschelijke geslacht, en dus ook aan ons betoond heeft , door zijnen Zoon in de wereld te zenden ! Waarmede zullen wij die liefde vergelden? Met een geloof, dat vruchtbaar is in goede werken, met wederliefde jegens God, en liefde jegens onze medemenschen. Overal worden wij in de heilige Schrift vermaand tot liefde; dat is , die de liefde heeft, heeft de wet volbracht. Door de liefde woont God in ons en zijn wij tempels van den heiligen Geest. Wij moeten ons dan bevlijtigen om God boven alles, met ons geheele hart en ziel te beminnen; opdat wij met hem en alle goede menschen één worden. Verder zegt het Evangelie :
// Want God heeft zijnen Zoon in de wereld u niet gezonden, om de wereld te veroordeelen ; n maar opdat de wereld door Hem zoude behou-// den worden. Die in Hem gelooft, wordt niet // veroordeeld ; maar die niet gelooft, is reeds // veroordeeld; omdat, hij niet gelooft in den naam u van den eeniggeboren Zoon Gods.quot;
Hieruit vernemen wij; tot wat einde God zijnen Zoon in de wereld gezonden heeft: namelijk om de wereld, dat is het menschelijk geslacht, zalig te maken door zijn lijden en dood, onder voorwaarde, ons deze verdiensten door een vruchtbaar geloof in Hem toe te eigenen : want die in Hem gelooft en naar het geloof leeft, wordt niet veroordeeld; alleen die niet
li
.....j
â mis'11 quot;â (.
.1:
VI
⢠U
I
quot;fii i 1
162 Evangelie op den tioeeden Pinksterdag, gelooft, is reeds veroordeeld tot de verdoemenis.
Wij herhalen het : wij moeten niet alleen in Christus gelooven: gelooven dat Hij is, en voor ons is gestorven (want de duivel gelooft ook in God en hij beeft); maar wij moeten tevens ons geloof, uit onze gedachten, woorden en werken doen blijken, en naar het voorschrift des Evangelies inrichten. Daarom zegt de heilige Schrift : Toon uw geloof uit uwe werken.
â En dit is het oordeel, dat het licht in de âwereld gekomen is; maar de menschen hebben â de duisternissen meer bemind dan het licht: ,, dewijl hunne werken boos waren. Want al âdie kwaad doet, haat het licht, en hij komt â niet bij het licht, opdat zijne werken niet âbestraft worden; maar die de waarheid doet^ âkomt bij het licht; opdat het openbaar worde^ âdat zijne werken in God gedaan zijn.quot;
Watkonde de Zaligmaker duidelijker zeggen, om te bewijzen, dat de goede werken ook noodig zijn, om ons tot de eeuwige zaligheid te brengen, even gelijk de booze werken tot de verdoemenis brengen. Het licht, namelijk Jesus Christus, is in de wereld gekomen, om onze werken daarbij te zien en te vergelijken. Wiens werken aan dat licht gelijk zijn, die zullen zijne uitverkoornen genoemd worden, en tegen hen zal Hij ten jongsten dage zeggen : komt, gij gezegenden, en bezit het rijk, dat u voor de grondlegging der wereld bereid is. Maar tot de zondaren zal Hij zeggen : gaat in het helsche vuur! Laat ons niet gelijk worden aan die men-
Op den Feestdag der II. Drievuldigheid. 163 schen, welke de duisternissen liever gehad hebben dan het licht. Volgen wij dan de inspraak van den heiligen Geest, om welke wij gedurig bidden; opdat wij door Hem en dat groote licht verlicht wordende, niet in de duisternissen wandelen; opdat wij in het oprechte geloof mogen wandelen, den goeden strijd strijden, en met dat licht ingaan in de hemelsche glorie.
GEBED.
Hemelsche Vader, die uit onuitsprekelijke liefde geenen Engel maar uwen eenigen Zoon tot ons gezonden hebt : geef ons, dat wij als uwe kinderen mogen wandelen in het licht, dat in de wereld gekomen is, om zalig te maken wat verloren was ; opdat wij van de duisternis des doods bevrijd zijnde, met U in eeuwigheid mogen leven. Amen.
lil
li ill
*
j#
quot;f......i
gt; 'W, ^
'-1
Op den Feestdag der Heilige Drievuldigheid.
Evanyelie, mattheus XXVIII.
,/ In dien tijde zeide Jesus aan zijne Leer-// lingen : mij is alle macht gegeven in den hemel n en op de aarde.quot;
Met recht heeft onze Moeder de heilige Kerk, dezen feestdag ingesteld ter eere van de heilige Drievuldigheid, en wel na den Hoogtijd van Pinksteren; want op de vorige Zondagen en Feesten hebben wij mogen hoeren van de bijzondere weldaden des Vaders, des Zoons of van
|
.^lÃ: I
'quot;'V !j
164 Evangelie op den Feestdag den heiligen Geest. De heilige Kerk leert daarom nu, dat deze drie personen één in wezen en ééne Godheid zijn. Wij hebben gehoord, dat God de Vader zijnen Zoon in de wereld gezonden heeft, dat deze Zoon voor ons arme zondaren heeft geleden, en dat op Pinksteren de heilige Geest, die van den Vader en den Zoon uitgaat, is uitgestort geworden, om aardsche en wereldsche menschen met het vuur der liefde te ontsteken; ten einde zij de weldaden van God deelachtig mogen worden, en hiernamaals de eeuwige gelukzaligheid beërven. Het is dus zeer gepast, dat de Kerk het Feest van de heilige Drievuldigheid viert, om ons te leeren, dat al de weldaden , die wij aan de bijzondere personen toeschrijven, nochtans maar aan éénen God mogen toegeschreven worden ; aan eenen God die drievuldig in personen maar één in wezen is. Deze Drievuldigheid heeft aan Christus macht gegeven, in den hemel en op de aarde, over het gansche menschelijke geslacht, om hetzelve zijn rantsoen deelachtig te maken. Dit zoude Hij hebben kunnen doen, door in lichamelijke en zienlijke gedaante bij ons te blijven ; doch dit heeft Hij om verscheidene redenen niet gedaan, maar door zijne Apostelen, nadat zij met den heiligen Geest vervuld waren, laten verrichten, en welke Hij daarna door de geheele wereld gezonden heeft, om deze kostelijke gave verder te verspreiden, volgens ons Evangelie van heden, daar Jesus tegen hen zegt :
\. // Leert alle volken, hen doopende in den z/naam des Vaders, des Zoons, en des heiligen // Geestes.quot;
der H, Drievuldigheid. 165
Hieruit kunnen wij opmaken en leeren , wat ons tot de zaligheid noodig is, of wat er noodig is, om ons.de verlossing en het rantsoen des Zaligmakers deelachtig te maken; te weten : voor de volwassenen het geloof, en voor de kinderen den doop, door welken zij zalig kunnen worden , gelijk zij door de erfzonde verloren gaan. Het doopsel is dan in de eerste plaats voor alle men-schen noodzakelijk. Dit doopsel moet geschieden in den naam des Yaders, des Zoons, en des heiligen Geestes, en derhalve moeten wij daaromtrent geleerd en onderricht worden; trouwens zoo veel ons eindig verstand daarvan kan begrijpen : het overige gelooven wij op de getuigenis van onze Moeder, de heilige Kerk, en deze kan niet falen. Zij houdt ons plechtig en in het kort voor oogen, wat wij gelooven moeten, en leert ons de twaalf Artikelen des geloofs, zeggende : Ik geloof in God den Vader almachtig. Schepper des hemels en der aarde, en in Jesüs Christus zijnen eenigen Zoon, enz. Ik geloof in den heiligen Geest, en wat er verder volgt. Met deze woorden belijden wij, dat er in de Godheid drie verschillende personen zijn, maar één in wezen. Behalve dit geloof moeten wij de geboden van God onderhouden; want zoo luidt het Evangelie :
// Leerende hen onderhouden, al hetgeen ik â ulieden bevolen heb.quot;
Zoodat het geloof en het doopsel niet alleen genoeg zijn ter zaligheid, noch ook het onderhouden van een of twee geboden, maar alle geboden, en gevolgelijk zijn de geboden der Kerk hieronder begrepen; want Christus zeide, dat men diegenen, welke daarnaar niet hoorden, voor
'llljllKl i|||
! -JlPl ï. |
l
quot; I
'quot;'[
.....T
n
!â
tf. tiikk
166 Evanyelie op den Feestdag heidenen en tollenaars zoude houden; en om zijne leerlingen beter te leereu, belooft hun Christus zijne gestadige hulp en bijstand, zeggende :
,/ En ik ben met ulieden, alle dagen tot de // voleinding der wereld. quot;
Namelijk met den heiligen Geest, dien Hij ons van zijnen Vader heeft doen nederdalen door zijne genade, in de gedurige zending van zijne leerlingen, en in het heilig Sacrament des Altaars.
GEBED.
Almogende, eeuwige, ondeelbare Drievuldigheid ! waarachtig God in drie personen ! wij bidden U, aanschouw het beeld, dat Gij in ons geschapen hebi, en zuiver onze zielen van hare gebreken; opdat zij hiernamaals eeuwig mogen blinken, cn tot U komen, door de verdiensten van den Heer .fesus Christus, die met den Vader en den heiligen Geest leeft en regeert , tot in eeuwigheid. Amen.
Op den feestdag van het allerheiligste Sacrament.
Evangelie. Joannes VI. 56 - 59.
,/ In dien tijde zeide Jesus tot de Joden : Mijn // vleesch is waarlijk spijs, mijn bloed is waarlijk ;/ drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed h drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de // levende Vader mij gezonden heeft, en ik leef â door den Vader, zoo zal ook, die Mij eet, door
van het allerheiligste Sacrament. 167 n Mij leven. Dit is het brood, dat van den hemel u is gedaald. Niet gelijk het manna, hetwelk uwe n vaders gegeten hebben, en gestorven zijn. Die !, dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.quot;
Heden vieren wij in de Kerk eenen zeer ge-denkwaardigen Feestdag, te weten van het hoogwaardig Sacrament des Altaars, in hetwelk ons de Zaligmaker zijn lichaam tot spijs en zijn bloed tot drank heeft nagelaten, onder de ge-dsanten van brood en wijn; zóó echter, dat wij beide zelfstandigheden onder eéne gedaante zoo wel ontvangen als onder beide; vermits het lichaam en bloed van den Heer, na zijne verrijzenis, onafscheidbaar bij elkander zijn.
Onze Zaligmaker beloofde ons zijn vleesch en bloed tot spijs en drank onzer zielen ; hetwelk Hij betuigde met uitdrukkelijke woorden van ons Evangelie : Mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn Moed is waarlijk drank. In het laatste Avondmaal volbracht Hij deze belofte naar de letter. Hij nam het brood in zijne heilige handen, dankte zijnen hemelschen Vader, zegende het brood, brak het, en gaf het aan zijne Apostelen, zeggende : neemt en eet, dit is mijn lichaam. Daarna heeft Hij ook den kelk genomen, waarin wijn was; en nadat Hij zijnen hemelschen Vader wederom gedankt, en den kelk gezegend had, zeide Hij : drinkt er allen uit, want dit is mijn bloed des nieuwen testaments, hetwelk voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Hieruit heeft de Katholieke Kerk van de tijden der Apostelen af altijd geleerd en geloofd, dat Jesus in dit heilig Sacrament tegenwoordig is met
bi; .
;t I %
.....m
I-
'fill â
168 Evangelie op den Feestdag
zijn vleesch ea bloed, met zijne Godheid en
menschheid, met ziel en lichaam.
Andersgezinden meenen, dat Jesus in eenen oneigenlijken zin gesproken heeft, en heeft willen zeggen : dit heteehent mijn lichaam; maar de omstandigheden, waarin Jesus sprak, bewijzen het tegendeel. Zij bewijzen zonneklaar, dat Hij in den letterlijken en eigen zin gesproken heeft; dat dus de zoogenaamde gereformeerden in dwaling zijn, en eene ongerijmde stelling voorstaan , met te willen doen gelooven, alsof de Zaligmaker hier in eenen oneigenlijken zin zoude gesproken hebben.
Merken wij hier aan, dat het w.anna, dat God liet regenen om de Israëlieten te voeden , een teeken of figuur was van dit Sacrament. Christus dan, om allen twijfel weg te nemen over zijne wezenlijke tegenwoordigheid in het heilig Sacrament des Altaars, na gezegd te hebben: het brood, hetwelk ik u geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld: voegt nog duidelijk hierbij : dit is niet gelijk het manna, hetwelk uwe voorvaders hebben gegeten. 1) Hieruit blijkt dus, dat deze woorden niet in den figuurlijken, maar in den letterlijken en natuurlijken zin moeten opgevat worden; anders zoude dit brood, hetwelk de Zaligmaker zegt zijn vleesch te zijn, met het manna overeenkomen; en dit is eene tastbare ongerijmdheid.
Uit de woorden : die mijn vleesch eet, en. mijn bloed drinkt-, blijft in mij en ik in hem, blijkt, dat dit heilig Sacrament eene spijs der zielen is, dezelve met Christus vereenigende. Gelijk de Vader
1) Joannes VI.
quot;1
'quot;««.j j l
van het allerheiligste Sacrament. 169 mij gezonden heeft, en ik leef door den Vader,
zoo zal ook, die mij eet, door mij leven, zegt de Zaligmaker verder in het Evangelie, en daarmede wil Hij zeggen : die mij waardiglijk eet in het heilig Sacrament, die leeft geestelijk door de vermeerdering der genade en liefde, welke hij verkrijgt, en welke genade en liefde het leven der zielen is, gelijk de ziel het leven des lichaams. De geestelijke spijs is dan voordeelig aan diegenen, die geestelijk leven, maar niet aan diegenen,
welke geestelijk dood zijn door hunne zonden.
Hierom vermaant de Apostel Paulusj dat men zich vooraf wel beproeven moet, en zóó van het brood eten en den kelk drinken ; want hij, die on waardiglijk eet en drinkt, eet en drinkt zich zeiven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
Mochten wij, geliefde Christenen, in dit onoverwinnelijk en gewichtig geloofspunt steeds gevestigd blijven, daarin troost zoeken, wijl wij de verzekering hebben dat, die het vleesch 'v
van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, het eeuwige leven zal hebben. Met den allerdiepsten eerbied dus, moeten wij tot dit H.
Sacrament des Altaars naderen. Mochte ik en alle priesters met mij die heilige geheimen ten allen UJ
tijde met een zuiver hart en heilige aandacht vie- -y- jj
ren! â Hoe zuiver, zegt Thomas a Kempis , be- \â .
hooren de handen, hoe rein de mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt het hart eens Priesters te zijn, waarin zoo dikwerf de bron van alle zuiverheid haren intrek neemt.quot; Mochten alle Katholieken nooit vergeten , dien eerbied, die aandacht, die dankbaarheid en die wederliefde,
welke zij aan Jesus in dit heilig Sacrament ver-
170 Evangelie op den eer ut en Zondag schuldigd zijn, trachten te betoonen ! Laat ons daartoe steeds onze uiterste vlijt aanwenden, en daarbij niet vergeten ; voor de bekeering der dwalende oiikatholieken te bidden.
g k b e d.
O brood, dat uit den hemel gedaald is : voorwaar, Gij zijt de weg, de waarheid en het leven ; Gij zijt eene zekere zalige rust , en het waarachtig licht onzer zielen ; eene verzekering en een onderpand van het eeuwige leven. Geef, o Heer Jksus Christus, dat alle menschen hetzelve in U mogen ondervinden en smaken; alsdan zullen zij eene walging voor de wereldsche vermaken en eenen afkeer van de zonden hebben , U altijd lovende en dankende, dat Gij hun die hemelsche spijs in het H. Sacrament gegeven hebt. Amen.
Op den eersten Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas VI. 36, 37, 41 en 42.
// In dien tijde zeide Jems tot de schare : // Wees dan barmhartig, gelijk uw Vader barm-;/ hartig is. Oordeelt niet, en gij zult niet ge-,/ oordeeld worden. Verdoemt niet, en gij zult ,/ niet verdoemd worden. Vergeeft, en u zal ver-// geven worden. Wat ziet gij toch een splinter // in uws broeders oog, terwijl gij eenen balk in /; uw eigen oog niet bemerkt ! Gij schijnheilige, h doe eerst een balk uit uw eigen oog, en dan â zult gij beter zien , om den splinter uit uws n broeders oog te lichten.quot;
na Pinksteren. 171
Deze woordeu sprat Jesus, toen Hij de berg-predikatie hield en zijne leerlingen en de toegevloeide menigte zoo vele nuttige lessen gaf. Wees barmhartiff, zegt 11 ij, gelijk uw Vader lanihartig is, die zijne zon laat opgaan over goeden en boozen en laat regenen over rechtvaardigen en onrecht vaardigen; die, zonder aanzien van persoon, aan alle menschen zijne weldaden uitdeeld. De barmhartigheid der menschen strekt zich gewoonlijk slechts tot weinige menschen uit; daar zij zich aan alle menschen moest vertoonen; opdat zij ten jongsten dage die zoete woorden des Zaligmakers mochten hooren: komt, gezegenden mijns Vaders, en bezit het rijk, dat u bereid is van het begin der wereld. Want ik beu hongerig geweest, en gij hebt mij gespijsd, dorstig, en gij hebt mij te drinken gegeven. Van de werken der barmhartigheid vinden wij vele schoone voorbeelden, zoo in het oude als in het nieuwe Testament. Abraham en Loth herbergden de vreemdelingen; Thobias deed hetzelfde en begroef , zelfs met gevaar van zijn leven, eenige Israëliten, die door booze menschen op de straten vermoord waren. Cornelius Cknturio, hoewel een Heiden, gat gedurig aalmoezen, die opgeklommen zijn voor Gods troon, wanneer hij tot de kennis van den eenigen waren God gekomen is. Die dus genade en barmhartigheid van den Heer begeert, moet zich ook barmhartig jegens zijne medemenschen betoonen. Zoo heeft de Heer onze zaligheid in onze eigene handen gesteld ; want met de mate , waarmede wij meten, zal ons weder uitgemeten worden. Helaas, een beidensch Keizer maakt vele Christenen beschaamd : Titus namelijk, liet nooit
172 Evangelie op den eersten Zondag eenen dag voorbijgaan, waarop hij niet de eeue of andere weldaad bewezen had; en op zekeren dag, dat hij daartoe niet de gelegenheid had, zeide hij aan zijne vrienden : deze dag is voor mij verloren.
De barmhartigen zullen ontvangen eene opgehoopte en wel toegedrukte maat; dat is een groot, een overvloedig loon. Maar iemand mocht zeggen : ik heb de macht niet om te geven, wat zal ik dan doen? Welk een goede wil, bij een troostelijk woord, kan ons ook in de oogen van God welgevallig maken en menig leed verzachten. God ziet de gift niet aan , maar het hart waaruit zij voortkomt, gelijk blijkt in de arme weduwe, die van hare nooddruft gaf, daar vele rijke lieden slechts van hunnen overvloed geven. Niet één druppel waters, uit barmhartigheid aan onzen evenmensch toegediend, zal God onbeloond laten. Laat ons de aardsche dingen toch niet najagen; zij zijn immers alle vergankelijk. Waarom zouden wij ons met eene handvol gouds , met een klein stipje van de aarde vergenoegen, daar geheele Koningrijken de onze kunnen worden ! Tracht het goede te doen, vermaant, leert, troost en bidt, sticht den vrede en weest eensgezind onder eikanderen.
Wel verre dat gij eikanderen zoudt veroor-deelen, dekt liever de overtredingen toe; oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden ; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden-. Ziet liever op uwe eigene gebreken en tracht dezelve te verbeteren en daarvan los te worden, dat zal aan God welgevallig zijn. Hij die anderen bestraffen wil, moet zeiven onberispelijk zijn. De splinter, die in het oog van zijnen
na Pinksteren. 173
evenmeusch is, dat is eene kleine fout in hem, ziet men al lichtelijk, maar de balk, eene groote fout in eigen oogeti, wordt maar al te dikwijls voorbij gezien, onverbeterd gelaten. Oordeelt dan niet liefdeloos over uwen naasten, beschimpt en bespot niemand; doet aein allen wel, en gij zult een barmhartig oordeel ontvangen.
GEBED.
0 barmhartige God, en milddadige Heer, van wien alle goed voortkomt, die ons de zonden minnelijk vergeeft, wanneer wij daarover rouw betoonen ; wees ons barmhartig en geef ons de genade, dat wij onzen evennaasten liefderijk bejegenen en geen kwaad met kwaad vergelden; maar U in alles navolgende, overal zegen mogen verspreiden, hetzij met aalmoezen geven, raden of troosten. Amen.
Op den tweeden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas XIV 16-24.
â In dien tijde zeide Jesus aan de Earizeërs â deze gelijkenis. Een zeker man richtte een groot â avondmaal aan en noodigde vele gasten. En ter â ure van het avondmaal zond hij zijnen knecht, â om de genoodigden te zeggen, dat zij zouden âkomen; want alles was nu bereid. Doch zij be-â gonnen zich allen eenparig te verontschuldi-â gen. De eerste zeide hem : ik heb een landgoed ,, gekocht, en ik moet noodzakelijk uitgaan om âdat te bezien; ik bid u, verschoon mij. Dean-
174 Evangelie op den tweeden Zondag â dere zeide : ik heb vijf koppel ossen gekocht , âen die ga ik beproeven; ik bid u, verschoon ,, mij. En de derde zeide hem : ik heb eene vrouw â getrouwd, en daarom kan ik niet komen. De â knecht dan terugkeereude, boodschapte dit alles â zijnen Heer. Toen werd de vader des huisge-â zins vergramd, en zeide tot zijnen knecht: gaat â met haast op de plaatsen en straten der stad, â en brengt de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen hier binnen. Kn de knecht zeide : heer, het is gedaan gelijk gij geboden hebt, en â daar is nog plaats over. De heer zeide tot den ,, knecht: gaat naar de wegen en paden en dwingt ,, ze binnen te komen, opdat mijn huis gevuld â worde. Want ik zeg u, dat niemand van die â mannen, die genoodigd zijn, van mijn avond-â maal zal proeven. quot;
De uitlegging van dit Evangelie is deze : De man of vader des huisgezins, die ditgroote avondmaal aanrichtte, beteekent God. Het avondmaal is eene afbeelding van de zaligheid. De eerstge-noodigden beduiden de Joden; en vooral de aanzienlijken onder hen. De knecht doelt op Gods Zoon, die de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen. De verschillende beletselen, waarom de genoodigden niet wilden komen , betee-kenen de hoovaardigheid, gierigheid en onkuisch-heid. De amen, gebrekkigen, Hinden en kreupelen verbeelden het eenvoudige en onkundige jood-sche volk. De wegen en paden beteekenen de overige landen der aarde, waarheen de Apostelen en hunne opvolgers gezonden zijn, om het Evan-
na Pinksteren.
gelic te verkondigen aan de TTeiclenevi en deze
o o
aan te honden door woorden en voorbeelden, om in Jesus te gelooven.
De toepassing van deze gelijkenis kan ons liet hoogwaardig Sacrament des Altaars verbeelden, hetwelk ook in vele opzichten een groot avondmaal is. Tot dit avondmaal worden wij geroepen door de dienaars van de heilige Kerk, door godvruchtige boekeu te lezen en door de inspraken van den heiligen Geest. Laat ons dan dikwijls naderen tot de heilige Communie; laat ons met godvruchtige gevoelens het heilig Misoffer bijwonen, en Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament onze hulde betoonen ; laat ons wel acht geven, dat wij deze genade niet verliezen, gelijk de vijf dwaze maagden die geen olie in hare lampen hadden, of dat wij ons deel aan de eeuwigheid niet verkoopen voor een tijdelijk goed, ik wil zeggen , hetzelve niet voor een tijdelijk goed verzuimen. Wij moeten bedenken dat wij hier vreemdelingen zijn en geene blijvende plaats hebben; wij verwachten een Jeruzalem hier boven, waar de volheid der genade is; een vreugde, die geen oor gehoord heeft, waar wij eene zaligheid zullen smaken, die God van alle eeuwigheid bereid heeft voor al degenen die Hem oprecht hebben lief gehad. Gaan wij dan tot de tafel des ITeeren, tot welke wij op last van Jesus, door zijne dienaren vriendelijk genoodigd worden. De toegang staat open en de groote scheidsmuur is verbroken, doordien de Zaligmaker voor ons geleden en ons door zijnen dood met God verzoend heeft. Verontschuldigen wij ons niet met beuzelingen; zegt niet : ja, dan en dan zal ik tot de Communie gaan; thans heb ik geenentijd en ben
175
176 Evangelie op den tweeden Zondag daartoe niet geschikt, mijne omstandigheden laten mij nu niet toe om recht vroom te leven. Dwaze menscli, die dit zegt! Weet gij, of gij morgen nog leven zult ? Zult gij de bekeering tot uwen dood uitstellen ? Zoekt eerst het rijk van God en zijne gerechtigheid, en al het andere zal u toegeworpen worden.
Het is geen kwaad, dat iemand zijn best doet om met eer door de wereld te komen, om op eene eerlijke wijze zijne dagelijksche nooddruft trachten te verdieneu; maar hierin, gelijk in alle dingen, moet men de middelmaat houden, de dingen niet misbruiken. Mochten allen, die nog verre van hunne ware bekeering af zijn, die zich met liegen, bedriegen, vloeken, en stelen ophouden, op dezen dag nog bedenken; wat tot hunnen vrede dient; mochten zij bedenken, dat God hun nog heden genade van hunne zonden laat aanbieden. Bekeert u dan, en gelooft het Evangelie, eer dat de genade van u weggenomen worde; eer dat de zilveren koorden ontketend worden, zegt Salomo: eer de deuren aan de straten, dat zijn de oogen, gesloten worden, en de maalsters, dat zijn de tanden, stil staan; eer gij sterft en in het akelige graf nederdaalt.
Komt dan tot het avondmaal en laat u met God verzoenen; Hij is de barmhartige, de Al-goede, de Alwijze. Proeft van het Avondmaal des Heeren, dat is : nadert tot de heilige Communie, opdat gij eeuwig levet en niet uitgeroeid wordet, gelijk de onvruchtbare vijgeboom, waarvoor ons de Heer Jesus behoeden wil.
GEBED.
Heer Jesus Chkistus, die begeert dat alle
na Pinksteren. 177
meuschen zalig te worden, en ons tot dat einde dikwijls laat roepen en nooden : verleen ons de genade, dat wij tot U komen en alle zonden ontvluchten. Dat wij hier beneden reeds eene voorsmaak mogen hebben van het groote avondmaal, hetwelk wij eens met: U daarboven zullen vieren. Amen.
Op den derden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas XV: 1-10.
// In dien tijde kwamen tollenaars en zondaars ,/ tot Jesus om hem te hooren. En als de T'ari-// zeërs en Schriftgeleerden daarover morden, â zeggende : deze mensch ontvangt de zondaars , // en hij eet met hen, zoo stelde hij hun deze u gelijkenis voor : Zoo iemand van u, die hon-,/ derd schapen heeft, een van dezelve verliest, h laat hij niet de negen-en-negentig in de woes-// tijn, en gaat naar hetgene verloren was zoeken , â tot dat hij het vindt? En als hij het gevonden ,/ heeft, legt hij het met blijdschap op zijne // schouderen. En te huis komende, roept hij zijne â vrienden en geburen te zameu en zegt hun : u verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap , // dat verloren was wedergevonden. quot;
De Heer Jesus, tijdens zijne verkeering hier op aarde, ging met alle menschen even liefderijk om : Hij was gekomen, om zalig te maken wat verloren was, en om de tollenaars en zondaars tot bekeering te brengen, moest hij zich natuur-
12
176 Evangelie op den tweeden Zondag daartoe niet geschikt, mijne omstandigheden laten mij nu niet toe om recht vroom te leven. Dwaze mensch, die dit zegt' Weet gij, of gij morgen nog leven zult ? Zult gij de bekeering tot uwen dood uitstellen ? Zoekt eerst het rijk van God en zijne gerechtigheid, en al het andere zal u toegeworpen worden.
Het is geen kwaad, dat iemand zijn best doet om met eer door de wereld te komen, om op eene eerlijke wijze zijne dagelijksche nooddruft trachten te verdienen; maar hierin, gelijk in alle dingen, moet men de middelmaat houden, de dingen niet misbruiken. Mochten allen, die nog verre van hunne ware bekeering af zijn, die zich met liegen, bedriegen, vloeken, en stelen ophouden, op dezen dag nog bedenken; wat tot hunnen vrede dient; mochten zij bedenken , dat God hun nog heden genade van hunne zonden laat aanbieden. Bekeert u dan, en gelooft het Evangelie, eer dat de genade van u weggenomen worde; eer dat de zilveren koorden ontketend worden, zegt Salomo : eer de deuren aan de straten, dat zijn de oogen, gesloten worden, en de maalsters, dat zijn de tanden, stil staan; eer gij sterft en in het akelige graf nederdaalt.
Komt dan tot het avondmaal en laai; u met God verzoenen; Hij is de barmhartige, de Al-goede, de Alwijze. Proeft van het Avondmaal des Heeren, dat is : nadert tot de heilige Communie, opdat gij eeuwig levet en niet uitgeroeid wordet, gelijk de onvruchtbare vijgeboom, waarvoor ons de Heer Jesus behoeden wil.
GEBED.
Heer Jesus Christus, die begeert dat alle
na Pinksteren. 177
meuschen zalig te worden, en ons tot dat einde dikwijls laat roepen en nooden : verleen ons de genade, dat wij tot U komen en alle zonden ontvluchten. Dat wij hier beneden reeds eene voorsmaak mogen hebben van het groote avondmaal, hetwelk wij eens met U daarboven zullen vieren. Amen.
Op den derden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas XV : 1-10.
// In dien tijde kwamen tollenaars en zondaars // tot Jeszis om hem te hooren. En als de l'ari-u zeërs en Schriftgeleerden daarover morden, // zeggende : deze menscL ontvangt de zondaars , u en hij eet met hen, zoo stelde hij hun deze // gelijkenis voor ; Zoo iemand van u, die hon-n derd schapen heeft, een van dezelve verliest , h laat hij niet de negen-en-negentig in de woes-// tijn, en gaat naar hetgene verloren was zoeken , â tot dat hij het vindt ? En als hij het gevonden // heeft, legt hij het met blijdschap op zijne // schouderen. En te huis komende, roept hij zijne u vrienden en geburen te zamen en zegt hun : n verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap , // dat verloren was wedergevonden. quot;
De Heer Jesus, tijdens zijne verkeering hier op aarde, ging met alle menschen even liefderijk om : Hij was gekomen, om zalig te maken wat verloren was, en om de tollenaars en zondaars tot bekeering te brengen, moest hij zich natuur-
12
178 Evangelie op den derden Zondag lijk met hen onderhouden. De Farizeërs en Schriftgeleerden echter namen dit euvel op, en wilden het Jesus als eene groote misdaad aanrekenen, dat Hij met hen omging en met hen at. In dit hun gedrag gelijken zij aan de spinnen, die uit dezelfde bloem vergift zuigen, waaruit de werkzame bijen haren honig vergaderen â¢, want al wat de Heer leerde en \ errichtte, durfden zij berispen. Zij waren nijdig dat Jesus zoo vele volgelingen kreeg, en hun onbewimpeld de waarheid zeide.
Hoe schandelijk dit gedrag der Fan'zeers en Schriftgeleerden is, laat zich gemakkelijk gevoelen; en mochten er niet nog vele menschen gevonden worden, die hun gelijken! Hoe velen worden er gevonden, die zich niet ontzien den goeden naam eeus anderen te lasteren ; en een goeden naam, zegt de wijze man, is beter dan goede olie; ook is het gemakkelijker lidteekens glad te maken, dan den laster weder uittewis-schen. Gij huichelaars, zegt de Heer, wat ziet gij den splinter die, in uws broeders oog is, maar den balk, die in uw oog is, ziet gij niet! Elk lette derhalve op zijne eigene gebreken, en doe zijn best om die natelaten. Elk wiede zijnen eigen akker, dan zijn ze allen schoon. In plaats van antwoord, zeide Jesus aan de Earizeërs en Schriftgeleerden twee gelijkenissen , waaruit zij konden opmaken, dat Hij voornamelijk gezonden was om de zondaren te zoeken en zalig te maken.
En, gelijk de liefderijke zorg van den herder voor zijn verloren schaapje grootelijks te prijzen is, even zoo prijzenswaardig is het gedrag van Jesus omtrent zondaren; ja, Hij is de goede Herder, die zijn leven stelt voor zijne schapen. Daarenboven, gelijk de herder in de gelijkenis
na PinJcsteren. 179
zich over het wedervinden van zijn schaap verblijdde ,
// Zoo zal ook blijdschap zijn bij Gods Enge-u len , over eenen zondaar die boetvaardigheid // doet.quot;
Zoodat dit den zondaar moest opwekken tot bekeering en beterschap. Mocht hij met den verloren zoon uitroepen ; ik zal opstaan en tot mijnen Tader gaan, en ik zal zeggen : Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U: ik ben niet waardig uwen zoon genoemd te worden; maar maak mij eenen van uwe huurlingen. Dan zal God, die zoo liefderijk is, hem weder aannemen als zijn kind, hem genade perleenen, hem eenmaal de zaligheid doen beërven, en zijne Engelen zullen zich daarover verblijden; ja, in den hemel is meer blijdschap over étinen zondaar die zich bekeert, dan over negen-en-negentig rechtvaardigen , die geene bekeering noodig hebben.
Zondaren, zondaren! komt tot God, tot dien liefderijken, barmhartigen God, die u zeker niet zal afwijzen, wanneer gij u verbeteren wilt, Jesus roept tot u : komt allen tot mij, die belast en heiaden zijt, en ik zal u verkwikken. 1) Komt dan, laat u niet langer vergeefs nooden. Dat de Heer u niet eenmaal toevoege : ik heb u geroepen, en gij helt niet geivild.
GEBED.
Kom , Heer ! zoek uwe dwalende schapen , bekeer ons van harte tot U, dan zullen wij
I) Matth. XI, 23.
178 Evangelie op den derden Zondag lijk met hen onderhouden. De Farizeërs en Schriftgeleerden echter namen dit euvel op, en wilden het Jesus als eene groote misdaad aanrekenen, dat Hij met hen omging en met hen at. In dit hun gedrag gelijken zij aan de spinnen, die uit dezelfde bloem vergift zuigen, waaruit de werkzame bijen haren honig vergaderen ; want al wat de Heer leerde en verrichtte, durfden zij berispen. Zij waren nijdig dat Jesus zoo vele volgelingen kreeg, en hun onbewimpeld de waarheid zeide.
Hoe schandelijk dit gedrag der Farizeërs en Schriftgeleerden is, laat zich gemakkelijk gevoelen; en mochten er niet nog vele menschen gevonden worden, die hun gelijken! Hoe velen worden er gevonden, die zich niet ontzien den goeden naam eens anderen te lasteren ; en een goeden naam, zegt de wijze man, is beter dan sjoede olie; ook is het gemakkelijker lidteekens glad te maken, dan den laster weder uittewis-schen. Gij huichelaars, zegt de Heer, wat ziet gij den splinter die in uws broeders oog is, maar den balk, die in uw oog is, ziet gij niet! Elk lette derhalve op zijne eigene gebreken, en doe zijn best om die natelaten. Elk wiede zijnen eigen akker, dan zijn ze allen schoon. In plaats van antwoord, zeide Jesus aan de Earizeërs en Schriftgeleerden twee gelijkenissen , waaruit zij konden opmaken, dat Hij voornamelijk gezonden was om de zondaren te zoeken en zalig te maken.
En, gelijk de liefderijke zorg van den herder voor zijn verloren schaapje grootelijks te prijzen is, even zoo prijzenswaardig is het gedrag van Jesus omtrent zondaren; ja. Hij is de goede Herder, die zijn leven stelt voor zijne schapen. Daarenboven, gelijk de herder in de gelijkenis
na Pinksteren. 179
zich over het wedervi ruien van zijn schaap verblijdde ,
n Zoo zal ook blijdschap zijn bij Gods Enge-,/ len, over eenen zondaar die boetvaardigheid h doet.quot;
Zoodat dit den zondaar moest opwekken tot bekeering en beterschap. Mocht hij met den verloren zoon uitroepen : ik zal opstaan en tot mijnen Yader gaan, en ik zal zeggen : Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U: ik ben uiet waardig uwen zoon genoemd te worden ; maar maak mij eenen van uwe huurlingen. Dan zal God, die zoo liefderijk is, hem weder aannemen als zijn kind, hem genade verleenen, hem eenmaal de zaligheid doen beërven, en zijne Engelen zullen zich daarover verblijden; ja, in den hemel is meer blijdschap over eenen zondaar die zich bekeert, dan over negen-en-negentig rechtvaardigen , die geene bekeering noodig hebben.
Zondaren, zondaren! komt tot God, tot dien liefderijken, barmhartigen God, die u zeker niet zal afwijzen, wanneer gij u verbeteren wilt. Jesus roept tot u : komt allen tot mij, die heiast en beladen zijt, en ik zal u verhoikken. 1) Komt dan, laat u niet langer vergeefs nooden. Dat de Heer u niet eenmaal toevoege : ik heb u geroepen, en gij hebt niet gewild.
GEBED.
Kom , Heer ! zoek uwe dwalende schapen , bekeer ons van harte tot ü, dan zullen wij
I) Ma-.th. XI, 23.
180 Evangelie op den vierden Zondag oprecht bekeerd zijn; en geef ons de genade, dat wij ware boete doen over onze zonden, opdat wij den Engel oorzaak tot blijdschap mogen geven. Amen.
Op den vierden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas V. 1-11.
,/ In dien tijde, als het volk op Jesus aandrong u om Gods woord te hooren, stond hij bij het // meer van Genezareth. Eu hij zag twee schepen // aan den oever van het meer liggen, waar de 7 visschers waren uitgegaan, om de netten af // te wasschen.quot;
Meermalen hebben wij gehoord hoe ijverig het volk van alle kanten kwam toeloopen, wanneer het de gelegenheid had, om de zaligmakende leer uit Jesus goddelijken mond te hooren; en ziet hier weder een schoon voorbeeld van brandenden godsdienstijver Het volk drong Jesus aan, om Gods woord te prediken; zij waren niet sluimerende, gelijk helaas, vele menschen de onbetamelijke gewoonte hebben, in de kerk ts zitten. Immers moet men bij de predikatie, na vooraf den goddelijken zegen vau Jesus afgesmeekt te hebben , met ingespannen aandacht luisteren, om de lessen in het geheugen te bewaren, en daarnaar zijn levensgedrag interichten. Die uit God is, hoort de woorden Gods; maar die uit God niet is, hoort die niet, dat is ; hij neemt die woorden niet ter harte.
Jesus leerde, gelijk wij vroeger gezien heb-
na Pinksteren. 181
ben, niet alleen in den tempel, maar overal, waar Hij wist dat het nut koude stichten, en hier leerde Hij het volk uit het schip. Zoo moeten wij ook trachten, overal en te allen tijde, eenig goeds te stichten.
i, En Jesus ging in een van die schepen, het-;/ welk aan Simon toebehoorde, en verzocht hem ,/ hetzelve een weinig van land af te steken. En u nederzittende, leerde hij het volk uit het schip.quot;
Mochten wij, zult gij misschien zeggen, daarbij tegenwoordig geweest zijn! Hadden wij eens die goddelijke woorden uit Jescs' mond mogen hoo-ren , o dan! Maar nochtans hoort gij die woorden, uit den mond zijner dienaren; zij verkondigen u het Evangelie naar het bevel des Zaligmakers; zij zijn de opvolgers der Apostelen, tot wie Jesus zeide : predikt het Evangelie aan alle schepselen, en ik ben met u tot de voleinding der wereld. 1)
// Als hij nu ophield met spreken, zeide Hij // tot Simon : steek in zee en werp uwe netten â uit om te vangen. Simon antwoordde hem : ,/ Meester, wij hebben den ganschen nacht ge-n arbeid zonder iets te vangen, maar op uw ,/ woord zal ik de netten uitwerpen.quot;
't
Zoo werken wij ook soms vruchteloos en als in den nacht, wanneer God niet bij ons is, dat is ; wanneer wij buiten de genade of in doodzonden zijn. Vergeefs arbeiden wij, zeg ik, wanneer God ons werk niet zegent; vergeefs zoeken wij naar
1) Mattli. XXTIII. 20.
182 Evangelie op den vierden Zonday rust, wanneer wij die buiten God zoeken. Zonder mij, zegt Christus, kunt gij niets doen. 1) Zorgen wij dan met allen ernst, om nimmer iu doodzonde te komen; dat wij nimmer behoeven te zeggen : wij hebben langen tijd gearbeid en niets gevangen ; wij hebben niets gedaan , wat voor den hemel verdienstelijk is. De hemel beware ons voor zulke omstandigheden; en mochtc er iemand gevallen zijn, dat hij zich dan zonder verzuim bereide, om door eene rouwmoedige biecht en bekeering, tot den staat der genade weder te keeren.
Werpen wij dan, op het woord des Heeren, onze netten uit, dat is, stellen wij alles in het werk, om onze daden en handelingen daar henen te besturen, dat alle tot Gods eer verstrekken en uitloopen, dan zullen onze geringste werken verdienstelijk en ons eenmaal tot de eeuwige zaligheid heilzaam zijn.
,/ En als zij het uitgeworpen hadden, vingen n zij eene zoo groote menigte visschen, dat hun u net begon te scheuren. Zij wenkten dan hunne ,/medegezellen, die in het andere schip waren, // dat zij zouden komen om hen te helpen. En zij â kwamen en vulden beide schepen tot zinkens // toe. Als Simon Petrus dit zag, viel hij Jesus te n voet, zeggende : Heer! ga van mij, want ik beu ,/ een zondig mensch. Want hij en allen die met // hem waren, werden met verbaasdheid bevangen // over de vangst der visschen, die zij gedaan u hadden. Insgelijks ook Jacobus en Joannes, de
1) Joan. P V. 5.
na Pinksteren. 183
u zonen van Zebedeus, die Simons makkers waren. n En Jems zeide aan Simon: vrees niet; srij // zult voortaan menschen vangen. En de sche-t, pen aan land gehaald hebbende, verlieten zij â alles en volgden hem.quot;
Petrus viel Jesus te voet met de betuiging, dat hij een zondig mensch en bijgevolg zijne tegenwoordigheid onwaardig was; hij en allen die met hein waren erkenden, dat het niet van hunne bekwaamheid had afgehangen, maar dat Jesüs dit wonder verricht had. Geheel anders gaat het velen onzer, die hun geluk en hunnen voorspoed aan hunnen eigen vlijt, doorzicht en kunde toeschrijven. Maar er zijn immers toch menschen, die even zoo bekwaam en vlijtig zijn, en evenwel dat geluk niet hebben ! Hoe verkeerd, hoe zondig is deze gedachte; zij toont eenen schandelijken hoogmoed en is vol eigenwaan. Maar ras zien zij dikwijls hun geluk vervliegen, schoon zij even vlijtig, even zorgzaam waren. Besluit dan daaruit, dat Gij Gods zegen behoeft en denzelven dagelijks van Hem moet smeeken. Voorspoed is wel aangenaam voor 's menschen bedorven hart, maar tevens gevaarlijk voor de ziel, en hoogmoed komt voor den val.
Eindelijk willen wij nog aanmerken, dat Jesus hier aan de genoemde vier Apostelen voorzegde, dat zij voortaan menschen zouden vangen; dat is : voortaan zouden zij en hunne opvolgers, door leer en voorbeelden, de menschen tot bekeering brengen en tot de hemelsche zaligheid voorbereiden. Waarlijk een gewichtig ambt, dat men nooit dan met de grootste omzichtigheid
184 Evangelie op clen vijfden Zondag moet verkiezen, en ma zich wel beproefd te hebben ; doch aan den anderen kant zeer verdienstelijk, want de leeraars, die hun ambt getrouwelijk waarnemen, zullen hiernamaals blinken gelijk de sterren in het uitspansel.
GEBED.
Heer Jesus Christus, Regeerder der heilige Kerk! wij bidden U, wil onze leeraars zoo verlichten en bijstaan, dat zij ons uw goddelijk woord, volgens uwen wil, prediken en ons lee-ren, wat wij doen moeten, om tot het eeuwige leven te geraken. Amen.
Op den vijfden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Mattheus V, 20 - 24.
u In dien tijde zeide Jesus tot zijne leerlingen ; ,/ Indien uwe rechtvaardigheid niet overvloediger z/is, dan die der Schriftgeleerden en Tarizaërs, // zoo zult gij in het rijk der hemelen niet komen. n Gij hebt gehoord, dat aan de ouden gezegd // is : gij zult niet doodslaan, en al wie dood-// slaat, zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar // ik zeg u, dat al die op zijnen broeder ver-// gramd is, reeds strafbaar voor het gerecht zal //zijn. En die tot zijnen broeder zegt : Eeca , ff zal strafbaar zijn voor den Raad. En die zegt: // gij dwaze, zal schuldig zijn aan het helsche // vuur.quot;
Deze preek i-. mede een gedeelte van die be-
na PinJcsteren. ]85
roemde bergprodikatie, welke .Tesüs in Galilee hield ; zij bevat het heilzaamste onderwijs voor alle menschen, en maakt een kort begrip uit van de geheele Christelijke leer. In het opgenoemde gedeelte der bergpredikatie vermaant de Zaligmaker tot het volledig nakomen der goddelijke geboden; zeggende : indien uwe rechtvaar-digheid niet overvloediger is dan die der Schriftgeleerden en Farizeërs, zoo zult gij in het rijk der hemelen niet kow.en. .De Schriftgeleerden en Farizeërs onder de Joden, waren menschen die zich uitwendig zeer heilig en godvruchtig vertoonden, die den schijn hadden van zeer vroom te leven, daar zij de openlijke plechtigheden der Mozaïsche wet waarnamen ; zij gingen onder anderen op de hoeken der straten staan bidden en gaven vele aalmoezen, om van de menschen gezien te worden. Zij beijverden zich niet om rein van hart en wandel te zijn, gelijk de Christelijke godsdienst uitdrukkelijk gebiedt. Niet alleen mag men niet stelen en geene onkuisch-heid bedrijven; maar zelfs hij of zij, die de begeerte daartoe heeft, wordt aangemerkt als die zonden werkelijk bedreven te hebben.
Tenzij dan, wilde Jestjs zeggen, dat gij de goddelijke wetten en geboden niet beter opvolgt dan de Schriftgeleerden en Farizeërs, zult gij geen deel aan de eeuwige zaligheid hebben. En mochten er geene gevonden worden, die huichelen, gelijk de Farizeërs, die meenen zich wel uitgesloofd te hebben, wanneer zij des zondags ééne Mis hooren, eenmaal 'sjaarste biechten gaan en niemand openlijk slaan of benadeelen. Weten zij niet, dat haat, nijd, afgunst, kwade begeerlijkheden, zonden zijn, waaraan zij zich
186 Eoangelie op den vijf den Zondag dagelijks schuldig maken? Is het niet één Wetgever dien wij hebben ? en al wie tegen één gebod zondigt, zondigt tegen alle geboden.
Niet alzoo zullen wij doen; maar wij moeten onze goede werken daarheen sturen, om God den Heer te behagen. Laat ons bedenken, dat wij de genade Gods niet te vergeefs ontvangen hebben; wij moeten daarmede ons voordeel doen; want ons zal eetie scherpe rekenschap afgevorderd worden, meer dan aan het volk onder het oude Testament. Een koopman , die met tienduizend gulden handel drijft, behoort meer te winnen dau een ander, die slechts duizend gulden aan zijnen handel kan besteden; en zoo ook wij, die meerdere genade van den Heer ontvangen hebben, moeten ook meer deugden voortbrengen; van ons zal ook meer geëischt worden.
De Zaligmaker zeide verder : gij hebt gehoord, dat aan de ouden gezegd is : gij zult niet doodslaan; maar ik zeg u, dat al wie op zijnen broeder vergramd is, reeds strafbaar voor het gerecht zal zijn. Ziedaar de nadere uitlegging van het vijfde gebod. Niet alleen werkelijk doodslaan , maar ook alle lastertaal, scheldwoorden, verguizingen , en al wat tot nadeel van de ziel of van het lichaam des naasten strekken kan, en waaruit de doodslag kan voortkomen, zal gestraft worden en is in dit gebod vervat. Wie tot zijnen broeder zegt Reca, een smaadwoord bij de Joden, die zal strafbaar zijn voor den Raad, voor den hoogen raad der Joden of het Sanhedrin, die uit twee-en-zeveutig raadsheeren bestond.
Wat kunnen wij derhalve beter doen, dan u christelijk te vermanen tot vrede, eensgezindheid en liefde; de liefde toch dekt alle overtredingen
na Pinksteren. 187
toe. Leert uwen toorn stillen; weest niet haastig om te toornen, en laat de zon daarover niet ondergaan. Gij bidt in het Ome Vader : vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren. Indien gij dan van God vergeving verlangt, zult gij ook uwen naasten, die u belee-digd hebben, vergeven, en om zoo veel temeer, daar uwe zonden veel grooter zijn omtrent God , den besten Vader der menschen. Volgen wij veeleer het voorbeeld van Christus, die zelfs voor zijne moordenaren bad : Vader, vergeef het hun , want zij weten niet ivat zij r/oeM.Zoodoende zullen wij in vrede leven, geen kwaad geweten omvoeren en vergeving van God kunnen verwachten. Wanneer wij goed voor kwaad vergelden , zullen wij daardoor op het hoofd onzes vijands kolen vuursbrengen, eu hij zal zien, hoe verkeerdelijk hij omtrent ons gehandeld en gedacht heeft.
Al ons kerkgaan, al ons bidden en communiceren, al ons mis hooren, is vruchteloos, wanneer wij met onzen naasten in vijandschap leven. Onderdrukt derhalve den toorn, bewaart uwe lippen van kwaadspreken, jaagt het goede en. den vrede na, dan zult gij op aarde gelukkig eu hiernamaals zalig zijn.
g e b k d.
Jesus Christus, spiegel van alle zachtmoedigheid, gever aller deugden, bewerker onzer zaligheid ! geef dat wij steeds in liefde en eendracht mogen leven; dat wij niet wederschelden, wanneer wij gescholden worden, en zoo uw voorbeeld navolgende, eenmaal daar mogen komen , waar Gij ons voorgegaan zijt en plaats bereid hebt. Amen,
] 88 Evangelie op den zeulen Zondag
Op den zesden Zondag na Pinksteren,
Evangelie, Makcus YIII : 1 â 9.
// In dien tijde, als er zeer veel volk was, en u dat zij niets te eten hadden, riep Jesvs zijne n Leerlingen te zamen, en zeide hun : ik heb ,/ medelijden met het volk; het is nu reeds drie // dagen, dat zij niets te eten hebben. En in-// dien ik hen ongespijsd naar huis laat gaan , â zullen zij onder weg bezwijken, want sommi-n gen hunner zijn eeuen verren weg getogen. quot;
Hoe veel ijver en begeerigheid, om het woord Gods te hooren, betoonde dit volk, daar deze vrome lieden hunne huizen hadden verlaten, en eenen verren weg gereisd waren , ondanks hun gebrek aan levensmiddelen, zonder vermoeid te zijn. Daarentegen zijn er sommige Christenen , die geen paar uren in de kerk doorbrengen, uit vrees dat hunne voeten koud worden, en zelden zullen zij eene preek aanhooren. Anderen geven voor, dat zij het ook wel weten, en het dus niet van noode hebben. Maar moesten zij dan niet naar de predikatie hooren, om anderen tot voorbeeld te strekken ? Ook kunnen wij hieruit lee-ren,datal degenen, die Christxis volgen, zich in godsvrucht oefenen, en overal zijne deugden verbreiden, nimmer van Hem verlaten worden, al mocht zulks voor eenen tijd lang zoo schijnen. Want als die minnelijke Heer ziet, dat wij aanhouden in het gelooven en het doen van
na Pinksteren.
goede werken, zoo komt Hij ten laatste en toont zijne barmhartigheid, gelijk Hij hier in het Evangelie deed. Hij had mededoogen met het volk, en vreesde dat zij zonder vooraf te spijzen, op de terugreize mochten bezwijken. Christus beproeft ons somtijds door gebrek en armoede; maar als Hij ons getrouw vindt, zal Hij ons niet in tijd noch in eeuwigheid verlaten; want de Heer zegt; die volharden zal tot het einde toe, zal zalig wezen.
De oude Tobias vermaande en leerde zijnen zoon aldus: hebt gij veel, geef veel, hebt gij weinig, geef van dat weinige. Laat ons insgelijks doen; betoonen wij ons altijd en overal barmhartig, opdat wij weder barmhartigheid ontvangen. De Heer ziet het hart aait, en niet de gave of gifte. Wanneer wij dus Jesüs navolgen en Hem gaarne hooren, dan hebben wij met Maria het beste deel verkozen; dan zullen wij ons weinig om aardsche goederen bekommeren; althans niet meer dan voor zoo verre dezelve tot onze nooddruft en levensonderhoud noodig zijn. Hoe veel wordt er niet in het werk gesteld, om de gunst van eenen vorst te erlangen, en om in hooge ambten en bedieningen gesteld te worden; moest men dan niet veel meer de gunst en vriendschap van den Heer der heereu, den Koning der koningen, zoeken te verwerven! Iemand mocht vragen : hoe zal hij Christus navolgen en zich zijne gunst verwerven? Ik antwoord : volg de deugden van Christus ; wees ootmoedig , zachtmoedig , verduldig en gehoorzaam aan Gods gebod. Ook als wij bidden, spreken wij met Christus : want Christus, als God zijnde, is overal, hoort alles , ziet alles; als wij eene predikatie hooren, spreekt
189
190 Evangelie op den zesden Zondag Christus door den mond der dienaren tot ons. Alzoo kunnen wij altijd om en bij Christus zijn.
// De leerlingen van Jesus nog zwak in het // geloof zijnde, antwoordden hem : van waar â zoude iemand dit volk hier in de woestijn v met brood kunnen verzadigen? Hij vroeg hen ;/ dan ; hoe vele brooden hebt gij? Zij zeiden ; v zeven. Toen gebood hij het volk op de aarde n neder te zitten ; en zeven brooden genomen // en gedankt hebbende, brak hij die, en gat'ze ff aan zijne leerlingen om ze voor te Zetten, en â zij stelden ze aan het volk voor. Zij hadden ;/ ook nog weinige vischjes, die hij ook zegende n en gebood voor te zetten.quot;
Leert hieruit, dat men vóór het eten God moet bidden, dat hij onze spijzen moge zegenen, opdat zij tot onze lichamelijke en geestelijke welvaart verstrekken; en na liet eten God voor de ontvangene weldaden danken. Hoe onchristelijk gaan zij dan te werk, die zich aan tafel zetten zonder Gods zegen af te smeeken, en die dezelve verlaten, zonder Hem voor de bekomene gunsten te danken ! God geve, dat alle ouders hunne kinderen van jongs af dit lofwaardige en door den Zaligmaker geheiligde gebruik doen onderhouden.
,/ En zij aten en werden verzadigd, en zij namiMt ,/ zeven manden op van het overschot der brok-// ken. Nu, die gegeten hadden, waren omtrent // vier duizend. En hij liet ze gaan.quot;
Hoort hier het wonder, dat Jesus verrichtte â¢
na Pinksteren. 191
van zoo weinig broods en met zoo weinige visch-jes spijsde Hij omtrent vier duizend menschen â en er bleven nog eenige korven vol over. Zoo liefderijk, zoo machtig is God; Hij kan uit alle nooden en gevaren redden, zelfs van den dood ; en voor hen, die Jesus hier op aarde lief gehad hebben , die Hem overal gevolgd zijn , is de dood slechts een overgang tot het eeuwige leven , hetwelk ons de. barmhartige Heer verleenen wil.
g e b e u.
Heer ! â¢ntferm TJ over de scharen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Geef hun de ware spijze der zielen en de tijdelijke nooddruft. Zij bevinden zich hier als in eene woestijn ; ondersteun hen door uwe goddelijke genade, door uw heilig woord. Geef aan allen behoedzaamheid, lijdzaamheid en begeerte naar U; opdat zij hunnen weg naar de eeuwigheid rustig voortzetten en U weldra aanschouwen. Amen.
Op den zevenden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Matïheus VII : 15 â 21.
// In dien tijde zeide Jesus aan zijne leerliu-// gen : Wacht u voor de valsche profeten, die vin schaapskleederen tot u komen, maar inwen-// dig grijpende wolven zijn. Aan hunne vruch-// ten zult gij ze kennen. Plukt men wel druiven ,/ van de doornen, of vijgen van de distelen ? // Alzoo brengt elke goede boom goede vruchten
192 Evangelie op den zevenden Zondag â voort. Een goede boom kau geene kwade // vruchten noch een kwade boom goede vruchten // voortbrengen. quot;
Jüsus Christus, die altijd voor de zijnen zorgt, waarschuwt hier zijne leerlingen voor de yalsehe profeten of dwaalleeraars, gelijk te dien tijde de Farizeërs onder de Joden waren, en gelijk nog heden ten dage de onkatholieken, en de zoogenaamde filozofen zijn. Zij hebben, zegt Hij , die uiterlijke vertooning van deugd en zoeken alzoo de menschen te verleiden; zij zijn geheel anders in hunne uiterlijkheden dan zij inwendig zijn ; zij bedoelen geheel iets anders dan zij voorgeven; zij komen in schaapskleede-ren, vertoonen zich zachtmoedig en belangloos, maar van binnen zijn het grijpende wolven , dat is : zij zoeken u in het net te krijgen. Wij zullen alle zulke valsche profeten of leeraars, als ook hunne predikatiën en boeken schuwen; want hunne woorden zijn suikerzoet, doch vreten in gelijk de kanker, en besmetten gelijk de pest.
Wanneer zij zeggen : hier is Christus of daar is Hij, gelooft het niet. De kenteekens waaraan zij te kennen zijn, geeft de Heer Jesus op, als Hij zegt : aan hunne vruchten zult gij ze kennen; dat is, aan hunne werken zult gij ze kennen. En hier kan men tevens opmerken , dat door valsche profeten mede slechte personen moeten verstaan worden. Deze waarschuwing is gegrond: want wie met pek omgaat, wordt er door besmet. Hadden vele ouders hierop vroegtijdig gelet, hoe vele kinderen zouden er minder ongelukkig zijn. Maar zij lieten hunne kinderen in het wild loopen ; zij lieten hen met kwade
na Pinksteren. 193
gezelschappen nachten lang in de herbergen rondzwerven; ja sommige brengen hunne kinderen al heel vroeg op danspartijen, waar zij, indien ze ook zelve geen kwaad bedrijven, ten minste eenig kwaad vergift inzuigen; ook moesten vele ouders omzichtiger zijn in de gesprekken , die er somtijds in huis gevoerd worden. Verder zegt het Evangelie :
n Ieder boom, die geene goede vruchten ./ voortbrengt, zal uitgehakt, en in het vuur // geworpen worden. Zoo dan, aan hunue vruch-// ten zult gij ze kennen. Niet ieder, die tot n mij zegt : Heer, Heer ! zal in het rijk der ,/ hemelen ingaan; maar die den wil mijns Ya-u ders doet, die in den hemel is, die zal in n het rijk der hemelen komen.quot;
Dit wil zeggen : elk mensch, die geene goede werken doet, zal in het helsche vuur geworpen worden. Schrikkelijke uitspraak van den Heer ! Het is dan niet genoeg, dat wij katholieke Christenen heeten, en dat wij gedoopt zijn in den naam des Vaders, en des Zoons en des heiligen Geestes; maar wij moeten ook goede vruchten, dat is : goede werken doen, en in het geheel een leven leiden overeenkomstig het Evangelie; want de Heer zegt : nief ieder, die tot mij zegt : Heer, Heer ! zal in het rijk der hemelen ingaan, maar die den wil mijns Vaders doet, die in de hemelen is. Den wil des Heeren doen, is derhalve de zaak, en niet alleen zeggen ; wij gelooven in God. De duivels gelooven dit ook, en zij sidderen. Maar wij moeten onze driften bedwingen, onze zinnen versterven, ons
13
194 Evangelie op den zevenden Zondag kruis opnemen en Jesus volgen; ootmoedig en zachtmoedig zijn, matig en godzalig leven in deze tegenwoordige wereld. Het rijk der hemelen lijdt geweld, en de geweldigen nemen hetzelve in. Wat wordt er al gedaan, om tijdelijke goederen te bekomen, die door de motten verteerd en door dieven gestolen kunnen worden; hoe veel te meer moest men dan werken, om christelijke deugden te verkrijgen; deze kunnen niet vergaan, maar blijven in eeuwigheid. De goede werken zullen ons volgen.
Zorgen wij dan, dat wij niet als onnutte hoornen, die geene goede vruchten voortbrengen, in het vuur geworpen worden.Dat men zulks mochte inzien, en men zoude zijn leven anders inrichten. Is er iets verschrikkelijker, dan voor eeuwig van God verstooten te worden, en wie is er, die bij een verteerend vuur wonen kan? De hel ft iets verschrikkelijks, en aan de eeuwigheid geen einde.
Yolbrengen wij dan den wil van God; opdat wij uit dit vergankelijke leven mogen komen tot de vreugde en blijdschap des eeuwigen hemel-rijks. Dit vergunne ons de Vader, de Zoon, en de heilige Geest, de aanbiddelijke Drievuldigheid, die te prijzen is tot in eeuwigheid.
GEBED.
Heer! leer ons den weg der rechtvaardigheid bewandelen; bewaar ons voor alle verleiding in geloof en zeden; dat wij als onschuldige schapen, U, den goeden Herder, volgen, uw e stem hooren, en zoo doende den wil des Vaders volbrengen. Amen.
na Pinlcsteren.
Op den achtsten Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas XVI : I - 9.
// In dien tijde zeide Je sus aan zijne Leerlin-v gen deze gelijkenis : Daar was een rijk man, j, die een rentmeester had, welke bij hem werd //aangeklaagd, dat hij zijn goed verkwist had. // Hij riep hem dan en zeide hem : wat hoor ik // van u ? Geef rekening van uw rentmeester-// schap; want gij kunt mijn rentmeester niet // langer blijven.quot;
Door dezen rijken man bedoelde de Zaligmaker God, die hemel en aarde vervult, en die rijk is in barmhartigheid. Wij menschen worden vergeleken bij dien rentmeester: die eenmaal rekenschap van al onze daden geven zullen; wij zullen rekenschap geven van onze goederen niet alleen ; maar ook van ons verstand, van onze kunde en talenten, welke gaven wij van God verkregen hebben, om dezelve behoorlijk en ten nutte aan te wenden; wij zijn daarvan slechts de rentmeesters.
De rentmeester wordt dan geroepen, om rekenschap te geven van zijn rentmeesterschap; want hij werd aangeklaagd, dat hij het goed van zijnen heer onnuttig doorbracht. Wij brengen ons aanvertrouwd goed nutteloos door, wanneer wij niet naar de geboden van God en der heilige Kerk leven, wanneer wij ons aan ijdelhe-den overgeven, en in ongebondenheid voortleven. Maar ook wij zullen opgeroepen worden om rekenschap te geven, gelijk de rentmeester.
195
196 Evangelie op den achtsten Zondag
Wat zal liet te zeggen zijn, wanneer tot ons gezegd zal worden, doet rekenschap, en dat de rekening niet belioorlijk sluit ? Docli aan deze rekening wordt weinig gedaclit; ja menigeen is liier een slechte boekhouder, en het eenigste, wat hij verstaat, is zijne geringe deugden optellen, den armen daglooner aftrekken en zijne goederen vermenigvuldigen; maar met denbehoef-tigen zijnen overvloed deelen kent hij niet.
Wat baat het denmensch, dat hij de geheele wereld wint en schade aan zijne ziel lijdt ? Weinige jaren slechts is het hem vergund, op deze wereld te leven, en bij den dood moet hij alles achterlaten. Het paleis verandert in eene houten kist, de kostelijke kleedereu worden afgelegd , en hij zelf wordt eene prooi der wormen ! Verschrikkelijk moet het eenen mensch zijn, die hier slechte rekening gehouden heeft, en wien de vervloekingen van menschen, die hij ongelukkig gemaakt heeft, in het graf volgen.
Geheel anders is de scheiding van iemand die zijne goederen, gaven en lichaamskrachten ten nutte van zichzelven en van zijnen naasten besteed heeft, die overal zegen verspreidde, en ora wiens verlies men duizend dankbare tranen stort . Zegening volgt hem in het graf. Onbekommerd over de goederen dezer wereld, stapt h;j vrolijk de eeuwigheid in, en verwacht daar het loon voor zijnen arbeid. Nu, de rentmeester in ons Evangelie, gedreigd zijnde met zijn ambt te zullen verliezen, was hij op middelen bedacht, ten einde zijnen meester tevreden te stellen, en zich alzoo voor de toekomst te dekken. Het Evangelie luidt dus :
na Pinksteren. 197
â Toen zeide de rentmeester bij zicli zclveu : â wat zal ik doen, dewijl mijn heer mij het rent-â meesterschap afneemt ? Spitten en graven kan â ik niet, te bedelen schaam ik mij; ik weet wat âik doen zal, opdat, wanneer ik van mijne be-â diening zal afgezet zijn, zij mij in hunne hui-â zen ontvangen. En de schuldenaars van zijnen â heer een voor een bij zich roepende, zeide hij â tot den eersten : hoe veel zijt gij mijnen heer â schuldig ? Deze antwoordde : honderd vaten ,, olie. Hij zeide hem : neem uw handschrift, zit â haastig neder en schrijf vijftig: Daarna zeide â hij aan eenen anderen : en gij, hoeveel zijt gij â schuldig? Hij antwoordde : honderd mudden âtarwe. Neem, zeide hij, uwen brief en schrijf â tachtig. En de heer prees den onrechtvaardigen â rentmeester , dat hij wijsselijk gedaan had ; â want de kinderen dezer wereld zijn voorzich-â tiger, dan de kinderen des lichts in hun ge-â slacht. Ik zeg n dan ook, maakt u vrienden â uit de ongerechte rijkdommen , opdat zij u, â wanneer gij gebrek zult hebben, in de eeu-â wige woning ontvangen. quot;
T)e héér prees den onrechtvaardigen rentmeester, niet wegens zijne slechte handelwijze, maar omdat hij hier voorzichtig gehandeld had. Daarmede wil ons de Zaligmaker leeren, dat wij ook voorzichtig zullen wezen en ons dagelijks bereid houden, tegen den dac: des doods, die mogelijk nader bij is dan wij meenen. Dan, de ondeugende menschen zijn dikwijls behendiger en kloeker, om wereldsche moederen te verzamelen.
198 Evangelie op den achtsten Zondag dan de kinderen des lichts of de geloovige Christenen in hetgeen hunne eeuwige belangen aangaat. Wij zien liet dagelijks, dat er allerhande listen en streken in het werk gesteld worden, om geld en goederen te bekomen; maar veel minder zien wij pogingen aangewend, om het erfdeel, dat de Heer voor den vromen heeft weggelegd, te verkrijgen.
Maakt u vrienden van de ongerechte rijkdommen ; hierdoor worden geeue goederen bedoeld, die onrechtvaardig verkregen zijn; maar er staat ongerechte rijkdommen, omdat door het misbruik der wereldsclie rijkdommen, dikwijls ongerechtigheden en zonden ontstaan, die den bezitter met zorg en kommer overladen.
Wees dan voorzichtig voor de toekomst : verschuif uwe bekeering niet tot den dood, en zorg in tijds, dat gij op uw sterfbed geene aardsche zorgen en bestellingen meer hebt. Daarenboven weet gij niet, oi gij wel een sterfbed hebben zult : gij kunt onverwacht, door duizend toevallen sterven : door vallen, door beroerte, kwade menschen, enz. Stel toch uw eerste en voornaamste werk niet langer uit! Zorg voor de toekomst, in welke u rekenschap zal afgevraagd worden: geef van uwe rijkdommen, opdat gij door de verdiensten der aalmoezen, door de gebeden der armen, genade bij God verwerft, om door berouw en leedwezen uwer zonden, door eene oprechte biecht tot God bekeerd te worden, en om genadige vergiffenis van dezelve te erlangen. Kunt gij niet veel geven, dan laat het weinig zijn; hebt altijd den goeden wil : want de Heer ziet de gift niet aan, maar het goed hart waaruit die voortkomt. T)an zullen wij ons bij God en de menschen wel-
na Pinksteren. 199
gevallig maken, en ons loon zal groot zijn in den hemel. Dit vergume ons God den Vader, God den Zoon, en God den H. Geest.
GEBED.
Mochten wij, o Heer, ons dagelijks bereiden tot de rekenschap, welke wij na onzen dood voor U zullen moeten afleggen , en geef dat armen en ongelukkigen onze voorsprekers bij U mogen zijn; opdat, als wij uit dit leven scheiden , hetgeen aan onze verdiensten ontbreekt, door hunne verdiensten en gebeden vergoed worde, dat wij van U daarvoor vergiffenis erlangen, en in de eeuwige tabernakelen mogen opgenomen worden. Amer.,
Op den negenden Zondag naPinksteren.
Evangelie, Lucas XIX. 41 - 47.
// In dien tijde, als Jesus Jeruzalem naderde ,i en de stad zag, weende hij over haar en zeide : h ach, of gij nog op dezen uwen dag erkendet, // hetgene u tot vrede strekt! Doch nu is het n voor uwe oogen verborgen. Want u zullen da-n gen overkomen, dat uwe vijanden u met eenen f/wal omvangen, en u belegeren, en van alle // kanten benauwen zullen : dat zij u en uwe ;/kinderen in u, ten gronde verdelgen, en den ;/ eenen steen in u op den anderen niet zullen //laten; omdat gij den tijd uwer bezoeking niet // gekend hebt.quot;
200 Evangelie op den negenden Zondag.
Palmzondag vieren wij het feest van des Zaligmakers plechtige intrede binnen Jeruzalem. Je-sus was gezeten op het veulen eener ezelin en naderde de stad; terwijl de verheugde schaar juichte en groene takken der hoornen, alsmede hunne kleederen op den grond spreidden, waarover de Zaligmaker rijden moest. Toen Jesus de stad Jeruzalem in het oog kreeg, weende Rij over haar, overwegende de ondankbaarheid en verblindheid, waarin de inwoners verkeerden; daar zij verhard waren gebleven in hunne zonden, en zich noch door vermaningen, noch door bedreigingen hadden laten bekeeren. Jesus weende over haar, als hij dacht aan den ondergang die de stad zoude treffen, gelijk dezelve, haar veertig jaren na Christus dood trof; toen een Romeinsch keizer met eene legermacht dezelve verwoestte, den eenen steen niet op den anderen liet, en dnizende inwoners door den honger, het vuur of het zwaard omkwamen. De geschiedschrijver en ooggetuige Josephus geeft ons hiervan een omstandig bericht, en verhaalt onder anderen, dat eene moeder haar eigen kind zoude gegeten hebben. Christus voorzag en voorspelde hun al die ellende, welke hun toen zoude overkomen, en daarom weende Hij over haar. Welke goedheid, welk medelijden ziet men hier in den Zaligmaker der wereld doorstralen! Welk gevoelig, welk medelijdend harl heeft Jesus! Hoe troostrijk is dit voor ons; wij kunnen op zijne genade hopen, wanneer wij ons slechts bekeeren, wanneer wij naar zijne lessen willen hooren, zijne geboden onderhouden en Hem boven alles liefhebben.
Jesus weende over Jeruzalem, niet zoo zeer over den ondergang der schoone gebouwen en den
na Pinksteren. 201
prachtigen tempel, als wel om het verlies van zoo vele zielen, die onder Gods volk geteld werden; onder het volk, zeg ik, dat God uitverkoren had, en aan hetwelk Hij vroeger en meermalen zijne bijzondere gunst had betoond, meer dan aan andere natiën; maar die den tijd hunner bezoeking niet gekend hebben.
Acli, riep Jesus uit, dat gij nog op dezen inven dag erkendet, hetgeen u tot vrede strekt! mocht gij u nog heden van uwe zonden bekeeren en ge-looven, dat ik van God gezonden en in de wereld gekomen ben, om de zondaren zalig te maken! Ziet, ditzelfde wordt ook u, mijne medechristenen, door de dienaren der H. Kerk toegeroepen, voor zoo verre gij u niet bekeerd hebt; dat gij nog op dezen uwen dag, op dezen dag, dien u God vergunt, erkendet, wat tot uwen vrede dient; dat is : bekeert u en gelooft het Evangelie. Want de oordeelen van God en de straffen der misdaden zijn verschrikkelijk. Denken wij aan Adam, door wiens schuld alle menschen in zonden geboren worden; aan Daïhan, Choes en Abiron, welke drie laatsten, benevens hunne aanhangers, levend in de aarde begraven werden. Wie zoude nog niet vreezen te zondigen en in de handen van den levenden God te vallen! Volgen wij de voorbeelden van Jozef en van Susanna, die liever sterven wilden dan overspel doen. Vreezen wij niet diegenen , die het lichaam kunnen dooden, maar Dien, die het lichaam en de ziel te gelijk kan dooden, en ze beide in de hel werpen.
Zorgen wij steeds in de genade Gods te blijven, opdat onze vijanden, de duivel, de wereld en het vleesch, ons met geenen wal omringen, en
202 Evangelie op den tienden Zondag ons van alle kanten benauwen. Verzoenen wij ons in tijds met God, gelijk Petrus, Maria Magdalena en de inwoners van Ninivé. Dan zullen ons onze vijanden niet kunnen benauwen met ongeloof en wanhoop, maar wij zullen moedig kunnen zeggen : Satan, wijk van ons, en liij zal van ons vlieden.
Wanneer wij onze vijanden kloekmoedig bestrijden, zullen wij zegepralen over dood en graf, over bederf en stof. Ons zal dan in de eeuwigheid eene onverwelklijke kroon worden opgezet; wijl wij hier op aarde kloekmoedig gestreden en overwonnen hebben onder de banier van Christus.
gebed.
Heer Jesus, die door het storten van uwe zalige tranen over de inwoners van Jeruzalem ook ons tot bekeering zoekt te bewegen : geef dat wij met een oprecht leedwezen onze zonden beweenen, ons levensgedrag verbeteren, U om vergiffenis smeeken, en alzoo uwen heiligen naam in der eeuwigheid belijden mogen. Amen.
Op den tienden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas XVIII. 6 - 14.
â In dien tijde zeide Jesus deze gelijkenis tot â sommigen, die als rechtvaardigen op zich zeiven â betrouwden en anderen versmaadden: Daar gin-â gen twee menschen op naar den tempel om te ,, bidden; de eene was een Farizeër en de an-â dere was een Tollenaar. De Farizeër stond, en
na Pinksteren. 2 OS
5, bad aldus bij zich zeiven : o God, ik dank U, â dat ik niet ben gelijk de andere tnenschen, ,, roovers, onrechlvaardigen, overspel ars, of ook
als deze Tollenaar. Ik vast tweemaal per week; â ik geef het tiende van al wat ik bezit. Doch ,, de Tollenaar van verre staande, wilde zelfs zijne ,, oogen naar den hemel niet opslaan; maar hij â sloeg voor zijne borst, zeggende : o God, wees â mij zondaar genadig. Ik zeg u, dat deze ge-â rechtvaardigd naar huis keerde, meer dan de an-â dere. Want al die zich verheft zal vernederd, â en die zich vernedert, zal verheven worden.quot;
Deze gelijkenis verdient onze dubbele aandacht, dewijl zij bij velen, zeer velen, hare toepassing nog heden ten dage vindt.
Yan de twee menschen, van welke in dit Evangelie gesproken wordt, was de esne een Fa-rizeër, een voornaam man onder de Joden, die tot eene sekte behoorde, welke zich veel liet voorstaan, en die zich verbeeldde, dat zij alleen gerecht waren; terwijl zij alle anderen van de zaligheid wilden uitsluiten, en vooral de Tollenaars of tolbedienden, die bij de Joden zeer gehaat waren en voor openbare zondaren gehouden werden. Maar de Heer toonde dat de ootmoedigheid en het leedwezen des Tollenaars aangenamer aan God was, dan het gedrag van den opgeblazen eu hoovaardigen Farizeër, die zich verbeeldde veel beter te zijn dan de andere menschen.
De H. Paulus leert ons ook, dat wij een ootmoedig gevoelen zullen hebben van ons zeiven; want niemand weet, of hij den haat of de liefde van God waardig is. De oordeelen des Heeren
204 Evangelie op den tienden Zondag zijn geheel verschillend van cle oordeelvellingen der menschen. Een werk kan goed zijn op zich zeiven, en nochtans den Heer mishagen : dewijl het uit geen oprecht inzicht voortkomt. Bij voorbeeld : wanneer een mensch het leven red van eenen anderen, die in het water gevallen en in gevaar is van te verdrinken, dan is de daad altijd loffelijk en prijzenswaardig; vooral wanneer zulks geschiedde met oogmerk om dien mensch uit liefde te redden. Doch indien zulk een redder daarbij het oogmerk had, om zich door de menschen te doen bewonderen, of om eenen prijs daarvoor te behalen, dan had zijne daad die waarde niet meer, welke zij konde hebben, en evenmin die verdienste, welke anders daarin lag. Hierover echter kunnen en mogen wij niet oor-deelen, maar moeten dit aan God overlaten, die de harten en nieren der menschen proeft, en al hunne inwendige beweegredenen kent.
Baar gingen twee menschen op naar den tempel, zegt het Evangelie. Wij gaan ook dikwijls naar de kerk; maar met welk oogmerk ? Gaan wij daarheen met de ware inzichten om God te danken voor zijne weldaden, om Hem te bidden om zijnen verderen zegen, om daar getroost en gesterkt te worden in het geloof? Of gaan wij naar de kerk uit sleur en gewoonte, of om van de menschen gezien te worden? Helaas !moch-te het niet waar zijn, dat er zich onder de Christenen velen bevonden, die op dit laatste volmondig ja moeten zeggen. Och, dat wij ons van dergelijke ijdelheden onthielden ! Wij kunnen de menschen wel voor een tijd lang, maar God nimmer bedriegen. Dat wij ons dan nimmer aan huichelarij schuldig maken.
na Phiksteroi.
De Farizeër stond, en had aldus bij zich zeiven: o God, ik dank u, dat ik niet hen gelijk de andere menschen. Zoo zijn er nog velen onder ons, die bij zicli zeiven dus redeneren. De eene zegt, ik drink wel eens veel, maar beu geen ontuchtige, en geen dief; de andere : ik heb wel slechte maat en gewicht, doch ik laster of scheld niemand, gelijk mijn buurman; een derde zegt : ik ben prachtig en hoogmoedig, doch geen vraat of wijnzuiper, ook geen dief of overspeler. Dan, voor zoo verre er onder ons zulken zijn, die insgelijks deuken, waarlijk het gaat hun gelijk den Farizeër. Hij, die één gebod overtreedt, overtreedt die alle, want één Wetgever gaf al de tien geboden.
]Joch de Tollenaar, van verre staande, wilde zelfs zijne oogen naar den hemel niet opslaan ; zoo vol rouw en ootmoed was deze man, dat hij zijne oogen niet durfde opslaan naar den hemel; hij dacht over zijue zonden na, vond dat dezelve groot waren, en zeide : God, wees mij zondaar genadig. Geen wonder derhalve, dat de Zaligmaker deze uitspraak deed : Ik zeq u, dat deze gerechtvaardigd naar huis keerde, meer dan de andere. Immers de Farizeër schreef de deugden , welke hij bezat, aan zich zei ven toe; daar wij met den H. Paulus moesten belijden : door de genade Gods hen ik wat ik ben. (1)
Dat wij dan ook ootmoedig tot God naderen , gelijk onze Tollenaar, de koning Manasse, Es-dras en de Cananeesche vrouwen deden, die ook genade van den Heer ontvangen hebben. De H. Augdstinus zegt: Heer, Gij zijt een groote God, maar uwe woning is bij de ootmoedigen. Willen wij dus van God verhoord worden , dan (1) 1 Cor. XV : 10.
205
206 Evangelie op den tienden Zondag moeten wij van harte leedwezen over onze zouden hebben, en voor Hem onze zonden belijden.
Nog leert ons dit Evangelie, niemand naar den schijn te beoordeelen. De H. Cecilia bij voorbeeld, ging kostelijk gekleed, maar deed op haar lichaam groote boete, die verborgen was voor de menschen. Het komt alles aan op het inwendige des harten, en zoo wie zich verheft, die zal vernederd worden. Dit vonnis van den Heer toont duidelijk, dat God de hoovaardigen wederstaat en de ootmoedigen genade verleent. (1) Van de hoovaardigheid komt alle kwaad ; door hoovaardigheid werd Lucifer van een engel, een duivel; Ham an kwam daardoor aan de galg.
Doch die vast staat, zie toe dat hij niet valle. Niemand beelde zich in, dat hij verre genoeg in deugden gevorderd is, of dat hij zich ootmoedig genoeg gedraagt. Wij moeten dagelijks in deugden toenemen, voortgaan van kracht tot kracht, dan zullen wij, dit aardsche tooneel afgestapt zijnde, onze volmaking in den hemel verder voortzetten eu met de heilige Engelen God eeuwig danken, en daar ondervinden, dat, die ziek vernederen, verheven zullen worden.
GEBED.
Wees ons arme zondaren genadig, o God f verleen ons genade, gelijk aan den Tollenaar, opdat wij, door waarachtige ootmoedigheid des harten, in uwe tegenwoordigheid gerechtvaardigd en met de ootmoedigen verheven mogen worden. Amen.
(1) Jae. IV : 6.
na Pinksteren.
Op den elfden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas XV. 1-10.
z; In dien tijde vertrok Jems wederom van de // grenzen van Tyrus en kwam door Sidon, mid-n den door liet land der tien steden, naar de zee ,/ van Galileë. Daar brachten zij bij Hem eenen, z/ die doof en stom was, en baden Hem, dat Hij // hem de handen wilde opleggen. En Hij nam v hem ter zijde van liet volk , stak hem Zijne v vingeren in de ooren, spoog en raakte hier-n mede zijne tong aan. En opziende naar den u hemel, verzuchtte Hij, en zeide hem : Epheta, â dat is : wordt geopend. En terstond werden u zijne ooren geopend, de band zijner tong werd u ontbonden, en hij sprak wel. quot;
De Zaligmaker, die overal zijnen zegen verspreidde, die de blinden deed zien en de dooven deed hooren, was door het gansche land van Palestina beroemd; van alle kanten stroomden de menschen toe, of om zijne leer te hooren, of door Hem genezen te woorden. Op zekeren tijd aan de Galileesche zee komende, Ir achten zij tot Hem eenen doofstommen, en verzochten Hem, dat Hij hem de handen wilde opleggen, ten einde die ongelukkige mensch zijne spraak en gehoor weder mochte bekomen. Men wist niet alleen, dat Jesus daartoe de macht had, maar ook, dat Hij goedertieren was en niemand hulpeloos wegzond. De Zaligmaker, het geloof en vertrouwen
207
208 Evangelie op den elfden Zondag dier mensclieu ziende, was terstond gereed om aan hunnen wensch te voldoen : Hij nam hem ter zijde van het volk, stak hem Zijne vingeren in de ooren, raakte met speeksel zijne tong aan, verzuchtte, terwijl Hij naar den hemel zag , en zeide : wordt geopend! Oogenblikkelijk werden de banden van zijne tong los, en zijne ooren werden geopend : hij hoorde en sprak, tot vreugde van zijne vrienden en tot verheerlijking van Gods naam. Hoe liefderijk, hoe goeddoende is de Heer; zijne barmhartigheid is hooger dan de hemelen en zijne goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid! Och, dat het den Heere mochte behagen, diegenen onder ons, welke nog geestelijk doof en stom zijn, door zijne genade te genezen. Doof zijn dezulken, die zich zoo vele bekommeringen geven, dat zij geene predikatie of catechismus gaan aanhooren, of die dezelve hooren, maar niet ter harte nemen; stom zijn dezulken, die geene goede biecht spreken, die hunne zonden verzwijgen , of slechts met bewimpelingen aan den Priester verklaren. Maar brengen wij dusdanige menschen voor Christus , en bidden wij Hem, dat Hij hun genadig zijn en hun zijnen goeden geest schenken wil. Wij zullen steeds voor elkander bidden, dat wij in de genade mogen blijven; de ouders voor hunne kinderen, de kinderen voor hunne ouders, de Herders voor de gemeente, en de gemeente voor de Herders.
Voorts moeten wij opmerken, dat de Heer naar den hemel zag en verzuchtte, om daarmede te toonen, dat het geene kleinigheid is eenen zoodanigen mensch te genezen. Hij nam hem alleen van het volk af, daarmede te kennen
na Pinksteren.
gemide, dat diegene, dienaar de ziel -nil genezen zijn van zijne zonden en gebreten, zich van de kwade gezelschappen moet onthouden. Schuwen wij alle verkeerde gezelschappen, en dat de ouders hunne kinderen vroegtijdig leeren, eerbiedig en aandachtig te zijn in de heilige Mis, bij het prediken van Gods woord; want wanneer zij zich gewennen om steeds stil, ordelijk en christelijk te zijn, dan zal het hun, ouder ge-worden zijnde, als eene tweede gewoonte worden. Wat deed Judas dwalen ? wat anders dan het kwade gezelschap der eigen- en laatdunkende Farizeërs, In het oude Testament wordt ernstig-lijk aan de Joden verboden, om geenen omgang met de Heidenen te hebben ; opdat zij hunne booze werken niet zouden leeren, en geene stomme afgoden zouden aanbidden.
Och, laat ons bidden, dat onze ooren mogen geopend worden , om de zaken te verstaan, die de eeuwige zaligheid betreffen. Dat wij vastelijk mogen gelooven en belijden, dat Jesus Chutstüs de Zoon van den levenden God is, die de mensch-heid uit de reine maagd Maria heeft aangenomen, en in de wereld gekomen is, om het men-schelijk geslacht zalig te maken. Bidden wij God, dat hij onze ooren, bij het hooren eener predikatie, met den vinger des heiligen Geestes opene , opdat wij zijn woord recht verstaan en ter harte nemen. Zonder God kan men niets doen; de H. Paulus zegt: ik heb geplant, Apollo heeft nat gemaakt, maar God heeft den wasdom gegeven.
Christus toonde, dat Hij dezelfde was, die hemel en aftrde gesciiapen had : één met den Vader en den heiligen Geest. Gelijk Hij eenmaal
14
209
310 Evangelie op den elfden Zondag.
sprak, bij de schepping der wereld, het worde ! zoo sprak Hij nu ook : wordt geopend, en de ooren des doof-stommen werden geopend.
â Toen gebood Jems hun, om het niemand te ,/ zeggen. Maar hoe meer Hij het hun verbood , te meer zij het verkondigden, en te meer zij it zich verwonderden, en zeiden : Hij heeft alles w wel gedaan; en de dooven heeft Hij doen hoo-// ren, en de stommen doen spreken.quot;
Wij leeren hieruit, dat, als wij eenig goed doen, wij geenen lof bij de menschen moeten zoeken; en hoeveel dankbaarheid zijn wij aan God verschuldigd voor het zintuig des gehoors. Mochten wij daarmede nimmer zondigen, maar steeds met die menschen juichende bekennen : Hij heeft alles wel gedaan ; de Heer geeft alles boven bidden, boven denken.
GEBED.
Heer Jesus ! genees allen die geestelijk doof en stom zijn; spreek slechts één woord, en zij zullen genezen zijn. Dat onze tong ontbonden worde, om TJ te belijden, en eene zalige biecht te spreken, en dat onze ooren hooren, wat Gij ons in het Evangelie verkondigt. Amen.
na Pinksteren. 211
Op den twaalfden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas X 23-37.
// In dien tijde zeide Jesits aan zijne leerlin-// gen ; Zalig zijn de oogen, die zien hefgene sij ,/ ziet. Wantik zeg u, dat vele Profeten en Ko-// ningen hebben gewenscht te zien, hetgene gij v ziet, en zij hebben het niet gezien, en te hoo-,/ ren, hetgene gij hoort, en zij hebben het niet n gehoord. quot;
In het oude Testament, hadden de Voorvaders groot verlangen en baden God gestadig, dat de Zaligmaker der wereld mochte verschijnen, om het menschelijk geslacht te verlossen van de eeuwige verdoemenis. De Apostelen beleefden derhalve een' zaligen tijd, aangezien de Zaligmaker onder hen verkeerde. Zalig, zeide Jesus, zijn de oogen, die zien, hetgene gij ziet: dat wil zeggen , dat zij den Zaligmaker ziende, ook in Hem geloofden, en naar zijne leer leefden. Ook wij zijn gelukkig en zalig, wanneer wij in .Tksus Christus gelooven, zijne leer aannemen en opvolgen ; en daaromtrent drukte zich Jesus nader uit, toen Hij aan Thomas zeide ⢠zalig zijn zij, die niet gezien en toch geloofd, hebhen. 1) Laat ovis dan met de inwendige oogen des geloofs Christus als onzen Zaligmaker omhelzen, hem gaarne hoo-
-) Joan. XX : 29.
212 Evangelie op den tioaalfclen Zondag ren, wanneer Hij door den mond der leeraren tot i ons'spreekt, en vooral zijne deugden navolgen , | ons leven naar zijne geboden inriclitende. Zoo- | doende zijn wij zalig, en dit vergunne ons de almaclitige en liefderijke Keer.
âEn ziet, zegt het Evangelie verder, daar â stond een wetgeleerde op, en zeide om Hem ,, te beproeven : Meester, wat moet ïk doen , â om het eeuwige leven te bezitten ? Jesus zeide quot; hem : wat staat er in de wet geschreven ? hoe ) â leest gij daar ? Hij antwoordde : gij zult den ,, Heer uwen God lief hebben uit geheel uw quot; hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten â en uit al uw verstand : en uwen naasten gelijk | â u zeiven. Jesus zeide hem : gij hebt wel ge-â antwoord; doe dat, en gij zult leven.
Deze twee punten of geboden bevatten alles , wat wij moeten doen om zalig te worden : God beminnen boven alles en onzen naasten gelijk ons zeiven. Wij herhalen het: weinige woorden, maar die alles besluiten; want van deze twee geboden hangt de geheele wet en de Profeten. 1)
Om tot die liefde te komen, zullen wij dikwijls overleggen, hoe lief God ons eerst gehad heeft, toen wij nog niet waren; dat Hij ons tot nog toe onderhoudt en verzorgt; dat Hij ons van de eeuwige verdoemenis verlost heeft, door het zenden van zijnen Zoon in de wereld. Merken wij op en bewonderen wij al het geschapene : de zon, de maan en de sterren schijnen zoo heerlijk ;
1) Matth. XI. 28.
na Pinkstere7i.
de jaargetijden komen elk op hunne beurt; de vruchten der aarde, de vogelen des hemels en de visschen der zee zijn allen voor den mensch geschapen; ja , een enkel bloembed vertoont ons duizend wonderen : en dit alles verkondigt ons de wijsheid, macht en menschenmin van God. Vertellen de hemelen Gods eer, en het uitspansel zijner handen werk, dan moeten ook wij Hem aanbidden en verhesrlijken, Hem dienen en zijne geboden onderhouden. â Voegen wij bij de liefde tot God de liefde tot den naasten ; wij zullen onzen naaste beminnen, wanneer wij bedenken , dat God uit één paar menschen het gansche men-schelijke geslacht heeft doen voortspruiten, dat alle menschen denzelfden oorsprong hebben, en dat allen liet maaksel van Gods almacht zijn. Wij allen zijn broeders en zusters, en God is onze Vader; wij allen zijn lidmaten van één lichaam , waarvan Jesus Christus het hoofd is. Redenen genoeg, om God boven alles en onzen naaste als onszelven te beminnen; en wanneer wij dit doen, al onze plichten omtrent God en menschen vervullen, dan zullen wij in den hemel komen en leven.
â Maar de wetgeleerde zich willende rechtvaar-â dig maken, zeide tot Jesus : wie, is toch mijn ,, naaste ? En Jesus dit opnemende, zeide : er â kwam een mensch van Jeruzalem af naar Jeri-â cho, en viel onder de moordenaars die hem â beroofden en , hem met wonden overladen â hebbende, heet» gingen, hem half dood liggen â latende. Ffet gebeurde dan, dut zeker Priester ,, denzelfden weg ging, en hein ziende, ging hij
213
214 Evangelie op den twaalfden Zondag â voorbij. Insgelijks ook een Leviet, die omtrent â de plaats was, ging voorbij. Maar een Sama-â ritaan over weg gaande, kwam bij hem, en hem â ziende, werd door medelijden bewogen. En â tot hem komende, verbond hij zijne wonden, â goot wijn en olie in dezelven, en hem op zijn â lastdier leggende, bracht hij hem in een herberg ,, en zorgde voor hem. En 's anderendaags nam ,, hij twee tienlingen, gaf die den waard en â zeide : draag zorg voor hem, en al wat gij daar-â enboven znlt verschoten hebben, zal ik u bij ,, mijne terugkomst wedergeven. Wie van deze âdrie dunkt u, dat de naaste geweest is, van â dengenen, die onder de moordenaars gevallen â was? Hij antwoordde : die hem barmhartigheid â bewezen heeft. En Jesus zeide hem : ga heen â en doe insgelijks.quot;
De Joden beschouwden de vreemdelingen, en al die geene Jodengenooten waren, niet als hunne naasten. Deze grove dwaling wederlegde de Heiland hier, en leerde, dat ieder mensch, wie hij ook zijn moge, uit welk land en van welk eene godsdienst, onzen naaste is, en dat wij hem derhalve als zoodanig moeten beminnen: dat is : zijn geluk, zoo veel mogelijk, moeten bevorderen of bevorderlijk zijn. De Zaligmaker vroeg : wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is? namelijk : wie is het, die den plicht van liefde jegens den naaste vervuld heeft? En hij antwoordde ; die barmhartigheid bewezen heeft. Wij moeten dus henen gaan en alzoo doen: de kruiken, de ellendigen, de troosteloozen in hunne schamele
na Finksteren. 215
hutten opzoeken, hen laven, helpen en troosten, niet alleen de Katholieke Christenen, maar allen, die wij hulp- en radeloos kennen.
De barmhartige Samaritaan strekt ons tot voorbeeld; te meer daar de Samaritanen bij de Joden in haat waren. Zoo moeten wij ook nie-mands deugden verachten, maar alle plichten van barmhartigheid prijzen, al waren zij ook uitgeoefend aan iemand, die niet tot de Katholieke Kerk behoorde. Wij moeten bidden voor allen : voor vrienden en vijanden ; dit is de wil van onzen hemelschen Vader. Jesus Christus bad zelfs voor zijne moordenaren : Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Wij moeten dus meer doen dan de Heidenen, die degenen beminnen welke hun goed doen; maar van Christenen wordt geëischt, dat zij ook hunne vijanden beminnen.
g .k b e d.
Heer Jesus ! geef dat wij God boven alles en onzen naaste als ons zeiven beminnen; wees gij de barmhartige Samaritaan, die den olie der vergiffenis in onze wonden doet vloeien, en zend den wijn van rechtvaardigheid in onze beenderen, opdat wij in onze verrijzenis twee penningen mogen ontvangen : een sierlijk kleed voor ons lichaam en een voor onze ziel. Amen.
Op den dertienden Zondag na Pinksteren.
âIn dien tijde ging Jesus naar Jeruzalem, â en trok midden door Samaris en Galilea. En
216 Evangelie op den der tienden zondag â als hij in zeker dorp kwam, ontmoetten hem â tien melaatsche mannen, die van verre stonden. â Zij verhieven hunne stemmen, zeggende : Je-âsus, Meester, ontferm U onzer! Hij, hen zien-â de, zeide hun: gaat henen, vertoont u aan â de Priesters. En terwijl zij gingen, werden â zij gezuiverd.quot;
De melaatsehheid was eene afschuwelijke ziekte, en menschen,die er medebesmet waren,mochten niet in de dorpen en steden komen, voor dat zij weder volkomen genezen waren, als wanneer zij zich aan den Priester moesten vertoonen.
Toen Jesus het gemelde dorp naderde, ontmoetten Hem tien menschen, welke door deze ziekte besmet waren; en daar zij Jesus keilden, riepen zij van verre : Jesus, Meester, ontferm U onzer! Alsof zij wilden zeggen: Jesus, wij kennen U, eu weten, dat Gij niet alleen barmhartig zijt, maar ook de macht hebt, om ons door een enkel woord van onze ziekte te genezen. T)e Zaligmaker, die hun geloof zag, antwoordde dadelijk : gaat henen en vertoont u aan de Priesters; omdat gij gelooft, dat ik zoo machtig ben, zoo is uwe genezing daar; van nu aan zijt gij genezen; gaat naar de Priesters, om u aan hen te vertoonen, en zij zullen u zeggen, dat gij weder in de maatschappij verkeeren kunt.
De leeringen, welke hieruit te trekken zijn, zijn menigvuldig. 1. Waren deze mannen niet met de melaatsehheid besmet geweest, zij zouden wellicht den Zaligmaker niet gekend hebben; zoo is het ons ook dikwijls nuttig, wanneer ons ziekten of andere onheilen treffen. Wij ontdekken
na Pinksteren. 217
dan de hand Gods, eu zeggen met een rouwheb-bend hart : Jesus, lieve Meester! ontferm U onzer. En Christus zelf heeft beloofd : wat gij den Vader bidt in mijnen naam, zalRij'« verleenen, 1) wanneer het u zalig is. Voorts kan men onder deze melaatschen verstaan, menschen, die in zonde zijn, en deze moeten zich tot den Priester wenden, Wij moeten deze geestelijke melaatschheid meer schuwen dan den dood. Liever moeten wij willen sterven, dan eene doodzonde willens en wetens te bedrijven, uit vreeze van God te vertoornen en kinderen des duivels te worden. 2. De zonde is nog besmettelijker dan pestziekte, en daarom moeten wij dezelve nog meer schuwen; zij doodt de ziel, welke ons beste en edelste pand is. 3. De melaatschen werden wel terstond verhoord, doch daarom is het niet zeker, dat onze gebeden dadelijk verhoord worden; hetzij wegens ons klein geloof, hetzij dat het ons nog niet nuttig is. Maar wij moeten met bidden aanhouden : want wie zoekt, die vindt, en wie klopt, zal open gedaan worden.
â En een van hen, ziende dat hij gezuiverd â was, keerde weder , met luider stemme God ,, grootelijks lovende. En hij viel op zijn aange-,, zicht voor zijne voeten, hem bedankende : en â dit was een Samaritaan. Toen zeide Jesus : zijn âzij niet alle tien gezuiverd? Waar zijn dan de â negen anderen ? Doch daar is niemand gevon-,, den, die terugkwam, om God te verheerlijken, â dan deze vreemdeling. En Hij zeide hem : sta
1) Joan. XVI. 23.
21S Eoangelie op den derhenden zondag â op, ga henen, want uw geloof heeft u ge-â zond gemaakt. quot;
Hoe verschillend is hier het gedrag van den Samaritaan, die een half joodsehen , half hei-denschen godsdienst had, van dat dernegen Joden, die zich anders beter achtten. De dankbare Samaritaan keerde terstond terug, toen hij van zijne ziekte genezen was, viel voor de voeten van Jesus neder en erkende; dat hem eene groote weldaad geschied was; hij erkende de grootheid, goedheid en almacht van God met dankbare tranen aan de voeten van Jesus. Beschamend was dit voor de Joden; beschamend is dit gedrag ook voor vele Christenen, die gedurig van God weldaden ontvangen, zonder Hem daarvoor recht inniglijk te danken en Hem daarvoor eere te geven. Of is het geene weldaad, wanneer wij in de biecht van onze zonden worden vrijgesproken ? wanneer Jesus ons in het H. Sacrament des AMars met zijn aanbiddelijk lichaam en bloed begenadigt ? wanneer ons zijn heilig woord verkondigd wordt? wanneer wij ons gezond bevinden, zonder eenige lichaamsgebreken ? wanneer het ons bestendig welgaat, en wij langer leven dan anderen? Zijn dit geene groote weldaden van den Heer? Konden wij ook niet onder de Heidenen, of buiten den schoot der H. Kerk geboren en opgevoed zijn geworden, in slavernij leven, of vol pijnen en smarten zijn ? En zij, die reeds eenige lichaamskwaal hebben, konden nog ongelukkiger zijn. Zijn wij dan niet veelal in vele opzichten begunstigd boven duizenden onzer medemenschen? Wat moeten wij daarvoor doen ? Ons met den Samaritaan voor de voeten van
na Pmkn/.eren.
Jesus werpeu en Hem grootelijks loveu. Wanneer wij Gods genade ontvangen hebben, moeten wij niet vergeten Hem te loven en te danken voor zijne weldaden, gelijk Tobias met zijnen zoon, die plat ter aarde vielen en God loofden.
Een ondankbaar mensch mishaagt aan God en zijne naasten. Zijn wij dan dankbaar jegens onze ouders , herders , onderwijzers en andere weldoeners, en vooral jegens God. Danken en loven wij hem dagelijks, want Hij heeft ons geschapen, door zijn dierbaar bloed verlost; Hij heeft ons, bij voorkeur van zoo vele anderen , tot het licht des waren geloofs geroepen ; Hij heeft tot heil van onze ziel de heilige Sacramenten ingesteld : met één woord. Hij schenkt ons al wat wij naar ziel en lichaam van noode hebben; en wanneer wij zijne heilige wet nauwkeurig onderhouden, zoo zullen wij het eeuwige leven beërven.
g e b b d.
Heer ! wij vertrouwen op aw goedertierenheid en komen tot U, gelijk melaatschen, bedekt met zonden en gebreken. Heer! indien Gij wilt, Gij kunt ons reinigen, ontferm U onzer. Laat uwe heilige Moeder en alle hemelburgers door hunne voorspraak onze onvolmaaktheid te hulp komen ; alsmede, dat wij met den dankbaren Samaritaan ons uwer weldaden gedurig herinneren, en nooit in gebreke blijvendaarvoor U, onzen Opperheer, dank te betuigen. Amen.
219
320 Evangelie op den veertienden Zondag
Op den veertienden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, matth. YI. 24 - 33.
// In dien tijde zeide Jexm tot zijne leerlingen : ,/ Niemand kan twee heeren dienen, want hij znl // of den eeneu haten, en den anderen lief heb-,i ben : of' hij zal den eenen verdragen, en den ,f anderen versmaden. Gij kunt God en den n Mammon niet, dienen.quot;
In dit Evangelie wordt ons geleerd, dat wij het geld en de goederen dezer wereld niet zullen beminnen, noch ons hart en onze zinnen daarop stellen , zoo dat wij God vergeten en ons van den rijkdom eenen afgod maken : wij kunnen God niet dienen en den Mammon. Wanneer wij ons eenig wereldsch goed of vermaak tot eenen afgod maken, dan doen wij groote zonde, en te eenigen dage , helaas , misschien te laat, zullen wij daarover berouw hebben. De rijkdommen , eerambten, enz. hebben wel den schijn van eenige zaligheid, doch zij zijn allen ijdel en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Wanneer wij derhalve ons veel moeite geven om dezelven te bekomen, en er ons hart aan hechten, kunnen wij God niet dienen en wij zullen Hem vergeten : want niemand kan twee heeren dienen.
Daarenboven; hoe ongerust, hoe bekommerd leven zulke menschen, die, gelijk men zegt, de rijkdommen bij elkander zoeken te schrapen;
na Pinksteren. 221
hoe dikwijls stellen zij zich daardoor in gevaar van hunne ziel en hun leven te verliezen ! Zij moesten veeleer bedenten , hoe vergankelijk al het ondermaansche is, en dat men dit alles bij den dood zal moeten achterlaten. Wanneer wij den nooddruft hebben, laat ons dan tevreden zijn.
Ook zijn wij schuldig God boven alles te beminnen, en aan Hem alle zorgen over te laten ; want Hij weet wat wij behoeven, en zal het ons zeker geven.
//Daarom, vervolgt Jesus, zeg ik u ; weest ,/ niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult , // noch voor uw lichaam, wat gij zult aantrek-,/ ken. Is het leven niet meer dan het voedsel, n en het lichaam niet meer dan de kleeding ? // Aanbchouwt de vogelen des hemels. Zij zaaien // noch maaien, noch verzamelen in de schuren. // En uw hemelsche Vader voedt dezelven : en // zijt gij niet veel waardiger dan die ? Wie is â er toch onder u, die met zijn zorgen zijne // lengte eene el kan vergrooten ? Wat zijt gij // ook voor de kleeding bezorgd ? Beschouwt de // lelien des velds, hoe zij wassen : zij arbeiden // of spinnen niet. Buik zeg u, dat ook Salomon n in al zijne pracht niet gekleed is als een van // die. Indien dan God het veldgewas, dat heden n is, en morgen in den oven geworpen wordt, » alzoo bekleedt, hoe veel te meer u, gij klein-// geloovigen ! Weest dan niet bezorgd, zeggen-// de : wat zullen wij eten of drinken, of waar-// mede zullen wij gekleed worden ? Want al n deze dingen zoeken de Heidenen. En uw Vader
222 Evangelie op den veertienden Zondag n weet wel, dat gij dit alles van noode hebt. // Zoekt dan eerst het rijk Gods en zijne recht-v vaardigheid : en al deze dingen zullen u toe-,/ geworpen worden.quot;
Men moet hieruit niet opmaken, dat men in het geheel niet behoeft te zorgen. Integendeel, wij moeten ons leven door vlijt zoeken te onderhouden; maar wanneer wij onze taak trouwe-lijk verricht en onzen plicht in de maatschappij volbracht hebben, dan zullen wij verder de bekommernissen van ons werpen; dan kunnen wij met kwelling en hartzeer geene el tot onze lengte toedoen. IJdele, dwaze en onnutte zorgen zullen wij laten varen en alleen onze plicht getrouw vervullen; dan zal God ons het noodige geven. Hiervan overtuigt de Zaligmaker ons door vier bewijzen. 1. Daar God ons het leven geschonken heelt, zal Hij ons ook van voedsel en kleeding voorzien; want deze zijn veel minder dan het leven. 2. Daar God de vogelen voedt, zal Hij den mensch zeker van het noodige voedsel voorzien. 3. De zorgen kunnen niets afdoen; het leven kan daardoor niet een uur verlengd worden. En 4. daar God de lelien versiert en laat groeien, zal Hij ons zeker kleeding geven. Weest dus niet angstig bezorgd, zegt de Zaligmaker, voor uw eten, drinken of kleeding ; laat dit aan de Heidenen over, die niet weten dat zij eenen zorgenden Vader in den hemel hebben. Maar wat moeten wij doen ? Zoekt eerst het rijk Gods en zijne rechtvaardigheid, zeide Jksus; en dit is de hoofdbedoeling van het Evangelie. Laat onze voornaamste gedachten en bedoelingen daarin bestaan, dat wij eerst en vóór alle dingen het
na Pinksteren. 223
rijk Gods zoeken, door het trouw verrichten onzer beroepsbezigheden, door christelijk te handelen en te wandelen ; door het deelnemen aan de heilige Sacramenten, bidden , aalmoezen, enz. Mogen onze bezigheden ook nog zoo groot zijn , zoeken vjj eerst het rijk Gods.
Een ieder vrage zicli eiken avond : wat heb ik gedaan ? wat heb ik nagelaten te doen ? wat waren mijne gedachten ? heb ik mijnen naaste geholpen ? heb ik mijne gebeden behoorlijk verricht ? kan ik aan God rekenschap geven van al mijne daden en handelingen ? Zijn deze christelijk geweest, dan kan ik ook vertrouwen , dat God mijn Vader is, die mij van al het noodige verzorgen wil eu kan. Ik zal mijne bekommernissen op Hem werpen; want Hij alleen kan redden uit den nood. Wanneer ook hagelslag, vee-sterfte en misgewas, pest, duren tijd of oorlog, mij de vrucht van eenen langdurigen arbeid ont-rooven, dan blijft God mijn toeverlaat, op wien ik vertrouw : Hij zal er mij uit helpen; zelfstol aan, tot in, tot over het graf: in ik zal eenmaal de eeuwige vreugde smaken, met de Heiligen en Engelen juichend zeggende : God vergeet de zijnen niet; Hij zorgt als een Vader voor zijne schepselen.
G E B K D.
Dat wij zulke schatten vergaderen, die door de motten en roest niet verteerd kunnen worden, en welke de dieven niet kunnen stelen! Doe ons, o God, schatten vergaderen in den hemel; opdat ons hart daar mag zijn, waar onze schat is. Dat wij geene ijdele zorg hebben voor den dag van morgen, die nog niet is; maar, terwijl wij
324 Evangelie op den vijftienden Zoivlag onze plichten betrachten, al onze bekommernissen op U werpen, die alleen machtig zijt om ons uit dezelven te redden. Amen.
Op den vijftienden Zondag na Pinksteren.
Evangelie . Lucas VII. 11 - 16.
// In dien tijde ging Jesus naar eene stad ge-h naamd Nairn , en zijne Leerlingen benevens // eene groote menigte gingen met Hem. En als // Hij de poort der stad naderde, zoo werd er // eene doode uitgedragen, een eenige zoon van u zijne Moeder, die eene weduwe was; en daar // was veel volk van de stad met haar.quot;
Herinneren wij ons bij dit Evangelie aan de broosheid des levens. Wij zijn sterfelijk, en ons leven is zoo broos als gras ; eene enkele koorts kan ons uit dit leven wegrukken. Dagelijks zien wij daarvan de bewijzen voor onze oogen; dan sterft er een onzer geburen, dan een onzer vrien den, en geene minut gaat er voorbij , dat er niet hier of daar op den aardbodem een mensch sterft. Sterven moeten wij allen, hetzij vroeg of laat; dit is eene ontegensprekelijke waarheid, en door den dood worden zoowel rijken als armen, zoowel jonge lieden als bejaarden weggerukt.
Is het uur des doods onzeker, hoe zeer moeten wij dan op onze hoede zijn, om tegen de zonden te waken! Want na dit leven hebben wij loon of straf te wachten; een ieder zal daar vergolden
na Pinksteren. 225
worden naar betgeen liij gedaan heeft, hel zij goed of kwaad.
En niet alleen, dat het uur des doods onzeker is, maar wij weten ook niet, op welke wijze en wa?ir wij het leven zullen moeten verlaten. Moet ons dit dan niet aansporen, orn ons steeds zoo te gedragen, alsof elk uur het laatste van ons leven ware; veel te biechten gaan en communiceeren, en bidden, dat God ons in den dood niet verlate.
Ach! mochten niet zoo velen de ijdelheid beminnen, waardoor zij hunne godsdienstplichten vergeten; mochten zij bedenken, dat na dit leven slechts alleen deugd en vroomheid gelden. Geen staat of rang of rijkdom zal bij God worden aangezien ; want bij Hein is geen onderscheid van persoon; zelfs troonen zullen in de eeuwigheid een poppenspel zijn. Doch wanneer menschen , die veel vermogen hebben , dit vermogen gebruiken, om hunnen evenmensch bij te staan en gelukkig te maken, dan zal hun loon zoo veel te grooter zijn in den hemel : want zij maken zich vrienden van... rijkdommen. 1) Laat ons gelijk voorzichtige stuurlieden zijn, die alles aanwenden, om in de haven hunner begeerte aan te landen. Houden wij ons bereid met de vijf wijze maagden, om wanneer de bruidegom komt, met Hem in te gaan tot de bruiloft. Dat onze lampen voorzien zijn van de olie (der deugden), dan zullen wij niet buiten (het eeuwige leven) gesloten worden.
En daar was veel volk van de stad met haar, om het lijk te volgen. Een schoon voorbeeld ter onzer navolging. â Laat ons voor de overledenen
1) 1. Lucas, 16. 9.
15
226 Evangelie op den vijftienden Zondag bidden, zoo wel te huis als in de kerk, en met aandacht de H. Misoffers voor de overledenen opdragen. Mocht toch eenmaal die hatelijke gewoonte afgeschaft worden, welke nog op vele dorpen in sommige Provinciën van ons Vaderland â bestaat, namelijk dat men de begrafenissen als feesten viert. Daar wordt gegeten en gedronken, alsof het eene bruiloft ware, en velen komen er volstrekt met geen ander oogmerk, dan om zich met spijs en drank te overladen. En waarover wordt er bij die gelegenheden gesproken? Over niets beduidende zaken, over de hanteeringen, over de huishouding van anderen; ja zelfs worden er huwelijken gesloten. Niet alzoo, mijne medechristenen, niet alzoo zullen wij doen; maar laat ons door onze gebeden de zielen in het vagevuur trachten te verlichten, of de eeuwige rust te bezorgen, en herinneren wij ons daarbij aan onze eigene broosheid. Verder zegt het Evangelie :
// De Heer, haar ziende, werd met barmhartig-;/ heid over haar bewogen, en zeide haar : wil // niet weenen. En Hij trad nader, raakte de baar // aan, en de dragers stonden stil. Hij zeide dan: // Jongeling, ik zeg u, sta op. En de doode richtte // zich op en begon te spreken; en Hij gaf hem h aan zijne moeder. En zij werden met vrees be-n vangen en verheerlijkten God, zeggende : een â groot Profeet is onder ons opgestaan, en God â heeft zijn volk bezocht.quot;
Overal waar Jesus zich bevond, toonde Hij zijne almacht en goedheid : dan leerde, dan ver-
na Pinksteren. 227
troostte Hij; dan deed Hij wonderen; Hij ging het land door, overal goed doende en zegen verspreidende. Ook te Naïm, gelijk wij gehoord hebben, deed Hij een wonder en gat aan eene bedroefde weduwe haren eenigen zoon, die gestorven was, weder.
Waar zijt gij, bedrukte weduwen en weezen, en gij allen die in droefheid zucht: vlugt naar Jesus heen ; Hij zal u opbeuren en vertroosten, u zegenen en uwe tranen afdrogen. Nimmer liet de Heer zich te vergeefs bidden. Hij is ineedoo-gend en goedertieren; dit zien wij weder in dit Evangelie, en menigmaal weende Jesus bij het zien van ongelnkkigen. Wendt u tot Hem, gij einden der aarde, wordt opgewekt en behouden !
Volgen wij voorts het voorbeeld van Jesus, het volmaaktste voorbeeld van rnenschlievendheid en alle andere deugden. Lnat ons onze naasten raden, helpen, troosten, verkwikken en opbeuren, zoo veel in ons vermogen is; want de Heer zegt : // wat gij aan den minsten doet, in mijnen naam, dat hebt gij aan mij gedaan ; zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.quot; Dan zullen wij den dag des oordeels met blijdschap kunnen te gemoet zien. Die machtige stem, welke zeide sta op, zal ons ook ten jongsten dage van den dood doen verrijzen : zij die Jesus hier nagevolgd hebben, zullen gaan in het eeuwige leven; maar zij, die Hem ongehoorzaam geweest zijn en zijne geboden veracht hebben, zullen gaan in de eeuwige pijnen. Mochten wij ons dan in tijds door een godvreezend leven tot eene zalige verrijzenis voorbereiden.
Niet zonder oorzaak loofde de geheele schaar God voor zijne barmhartigheid aan de weduwe
228 Evangelie op den zestienden Zondag bewezen. Desgelijks moeten wij God gedurig loven en danken voor de weldaden en zegeningen, die Hij over ons of over onze naasten gedurig uitstort.
g b b e d.
Daar er niets zekerder is, o God, dan dat wij sterven moeten, zoo geef, dat wij ons tot den dood behoorlijk voorbereiden, door het getrouw waarnemen uwer geboden en die der heilige Kerk. Dat wij ons steeds aan den dood herinneren, onze oogen afwenden van de ijdelheden dezer wereld . en werken van barmhartigheid en boetvaardigheid oefenen mogen ; opdat Jesus ons ten jong-sten dage van den dood opwekke en ons de eeuwige zaligheid schenke. Amen.
Op den zestienden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Lucas XVI. 1-12.
,/ En het gebeurde, als Jesus op een Sabbath // in het huis van een' voornamen Farizeër kwam, â om het maal te nuttigen , dat zij hem waar-// namen. En zie, daar was een waterzuchtig n mensch voor hem. En Jesus sprak de Wetge-u leerden en Farizeërs aan ; zeggende : is het n ook geoorloofd op den Sabbath te genezen ? ,/En zij zwegen. Maar hij, den mensch bij de ,/ hand nemende, genas hem, en liet hem gaan. â En Hij sprak toen tot hen : wie onder u, als â zijn ezel of os in eenen put viel, zoude hem
na Pinksteren. 229
â niet terstond op den Sabbath daaruit trekkeu ? ;/ En zij konden Hem hierop niet antwoorden.quot;
Op Sabbathdagen waren de Farizeërs gewoon groote maaltijden te houden. Do Zaligmaker was eens bij eenen zoodanigen man genoodigd, niet zoo zeer uit liefde en achting voor Hem, maar xiit arglistigheid, om Hem bij het volk verachtelijk te maken. Er was een waterzuchtig mensch binnen gekomen, met oogmerk, dat als de Zaligmaker hem op den Sabbath genas, zij Hem mochten beschuldigen; en zoo Hij hem niet genas, dat zij Hem dan bij het volk konden aandragen, als of Hij daartoe geene macht had.
Daar echter Jesus hunne valschheid kende, verijdelde en beschaamde Hij hen, door de vragen welke Hij hun deed. De Earizeërs hadden niet verwacht, dat Jesus hun vragen zoude : h het ook geoorloofd op den üabhath te genezen ? En toen zij zwegen, strekte Jesus zijne weldadige hand uit en genas den waterzuchtigen. Onvermoeid in goed te doen, stoorde Jesus zich geenszins aan hetgeen men van Hem zeide , maar Hij zoclit steeds zijne toehoorders, op eene zachtmoedige wijze, van hun verkeerd gedrag of van hunne dwaalbegrippen te overtuigen.
Toen de waterzuchtige genezen was, zeide de Zaligmaker tot de Earizeërs : wie onder n, als zijnen ezel of os in eenen put viel, zoude dien niet terstond op den Sahhath daaruit trekken ? Alsof hij zeggen wilde : gij zoudt een onredelijk schepsel nog helpen, en zoude ik dan niet eenen mensch, die oneindig meer is dan de dieren, genezen? Ziet, het is verkeerd van 11 mij te beschuldigen. Op dergelijke wijze, door zulke vra-
230 Evangelie op den zestienden Zondag gen, wist de Zaligmaker zijne vijanden verlegen te maken; alsdan moesten zij hun ongelijk bekennen, en dikwijls dropen zij ook wel in stilte af. Leeren wij hieruit onze vijanden insgelijks te behandelen; wij moeten geen schelden met schelden vergelden; maar hun door een beter gedrag doen gevoelen, dat zij ongelijk hebben. Leert van mij, zegt Jksüs , dat ik zachtmoedig hen, en zachtmoedigheid staat eenen Christen schoon.
Leeren wij verder hieruit, dat men op alle tijden, ook op eenen Zondag, mag weldoen en noodzakelijke dingen verrichten, gelijk spijze koken, het vee voederen, aalmoezen uitreiken, zieken bezoeken; voorts moet men niet in gebreke blijven, om alle godsdienstplichten getrouwelijk waartenemen. Niet alleen moet men op Zondagen Mis, maar ook preek hooren; daarenboven des namiddags in den Catechismus, en naar de Vesper gaan, en des avonds hen, die in huis moeten blijven, daarover onderhouden. Zoo zal men kunnen zeggen : wij hebben den Zondag wel doorgebracht.
Doch helaas, velen meenen, dat zij den Zondag met drinken en zwieren moeten doorbrengen ! Hoe velen zitten gansche zondagen in de herbergen aan de speeltafel! Mochte dit geene plaats hebben, dan zouden er minder twisten en on-eenigheden ontstaan, en menige vrouw en kinderen zouden minder gebrek lijden. Want dikwijls wordt de helft, van hetgeen in de week verdiend is, des zondags roekeloos doorgebracht. Het is ook eene slechte, zeer slechte gewoonte , van vele handwerkslieden, dat zij maandag houden. Zij hadden, dunkt ons, eerder eenen dag in
na Frnhsteren. 231
de week meer Vein noode, om hunne vrouwen en kinderen van brood te voorzien. Dat maandag houden is gewoonlijk een groot kwaad; en, inderdaad, welke soort van mensclien is het, die dit kwade gebruik volgen ? Gemeenlijk van die, welke niets om de heiligmaking des Zondags geven, die uit angst van den maandag niet vrij te hebben om te zwieren, tegen het gebod van de H. Kerk, des zondags werken; het zijn dus gewoonlijk van dat soort van menschen, die weinig godsdienst hebben. O, arme ongelukkige vrouwen, die zulke mannen hebben, en ongelukkige kinderen, wier vader uw brood in de herbergen gaat verdrinken. Bidt God, dat Hij het hart uwer beulen en tirannen verandere en bekeere. Weest hun evenwel niet minder gehoorzaam; maar tracht integendeel hen door een goed gedrag te overtuigen van hunne verkeerdheid; zoekt hen met liefde te overreden tot een beter levensgedrag. Gelukte u dit, dan zoudt gij dubbel welgedaan hebben : eensdeels zoudt gij genoegelijker leven, en anderdeels zoudt gij eenen zondaar door Gods genade bekeerd hebben.
â Ook stelde Hij den genoodigden eene gelijke-â nis voor, daar Hij bemerkte, hoe zij de eerste â zitplaatsen verkozen, en Hij zeide hun : Als gij â ter bruiloft genoodigd zijt, zoo gaat niet op â de eerste plaats zitten, of er misschien iemand, â aanzienlijker dan gij, genood ware; en dat de-â gene die u en hem genood had, u dan mochte â zeggen : maak voor dezen man plaats, en gij dan â met schaamte de laatste plaats zoudt moeten â nemen. Maar wanneer gij genoodigd zijt, gaat
232 Evangelie op den zestienden Zondag ,, op de laatste plaats zitten : opdat, als degene â die u genood heeft komt, hij u zegge : vriend, â ga hooger op. Dat zal u dan eene eer zijn âvoor degenen, die met u aan tafel zitten.quot;
Welke schoone leering, zoo wel voor ons als voor de Farizeërs ! Wij zullen ons gering achten en niet trachten naar hooge dingen. Hoe beschamend zoude het ook zijn, wanneer men ons eene geringere plaats aanwees, dan die wij eerst in bezit genomen hadden. Zeker, de hoo-vaardigen zullen beschaamd worden. God geeft den ootmoedigen genade , maar Hij wederstaat den hoovaardigen.
Merken wij eindelijk nog aan, dat het ook veel meer eer is, een beter ambt waardig te schijnen, dan een ambt on waardiglijk te beklee-den. Voegen wij dan bij de nederigheid deugd , bij de deugd godzaligheid, bij de godzaligheid broederlijke liefde en verdraagzaamheid, dan zal ons loon groot zijn in den hemel, waar Jesus ons verhoogen zal.
GEBED.
Dat wij den Sabbath, o God, steeds heiligen; bewaar ons voor de verkeerde nauwgezetheid der Farizeërs. Schenk ons een ootmoedig en rouwhebbend hart, en vergun ons het he-melsch brood in uw rijk te eten. Zie, Heer , daarom zullen wij ons dagelijks versterven en verootmoedigen, om met ü te mogen leven in de eeuwigheid. Amen.
na Pinksteren.
Op den zeventienden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Mattheus XXII. 35 - 46.
u In dien tijde kwamen de Farizeërs bij Jems, n en een van hen , die een Wetgeleerde was , n ondervroeg hem, om hem te toetsen ; Mees-// ter, welk is het grootste gebod in de wet ? // Jesus zeide hem : gij zult den Heer uwen God ,/ lief hebben uit geheel uwe ziel, en uit al uw ,! verstand. Dit is het grootste en eerste gebod. // En het tweede, aan dit gelijk, is : gij zult // uwen naaste liefhebben als u zeiven. quot;Van deze ,/ twee geboden hangt de geheele Wet en de ;/ Profeten af. quot;
De Farizeërs zochten gedurig den Zaligmaker door hunne vragen te verstrikken, om Hem dan te kunnen berispen ; en opdat zij daardoor geacht mochten worden, wijze en geleerde mannen te zijn. De Farizeërs konden niet dulden, dat Jesus zoo vele aanhangers had, en zochten Hem uit dien hoofde bij het gemeene volk in haat te brengen. Echter gelukte het hun nimmer, en de Zaligmaker wist hun altijd zoo te antwoorden, dat zij den mond gestopt hadden. Ook de Sadduceën meenden Jesus over de opstanding der dooden, waaraan zij niet geloofden, door strikvragen te vangen , alsmede over den cijnspenning; vragende of men den Keizer al of niet
233
£;}4 Evangelie op den zeventienden Zondag schatting verschuldigd was? waarop zij tot antwoord kregen ; geeft den Keizer, wat des Keizers is , en God, wat Godes is.
In dit Evangelie vroegen de Earizeërs met eene valsche meening : welk is het grootste gehad in de wet ? Doch gij hebt gehoord, hoe schoon de Zaligmaker antwoordde : men moest God als de oorsprong van alles, als het volmaaktste, liefderijkste en beste Wezen boven alles, wat er bestaat, beminnen en liefhebben ; Hem alle eer geven, alle gedachten, woorden en werken daarhenen sturen, dat zij dienen ter verheerlijking van God, God beminnen uit de volheid des harten :
Wat men denke, spreke of doe,
Alles komt den Schepper toe.
ïen anderen is het tweede gebod, gelijk aan dit; om onzen naaste, alle menschen zonder onderscheid, Jood of Heiden, als ons zeiven te beminnen; als ons zei ven , dat wil zeggen : wat wij willen dat ons geschieden zal, zullen wij ook aan een ander doen : voor hem zorgen, zijn geluk , naar ziel eu lichaam , bevorderen en hem beminnen.
Ziedaar de toetssteen naar welken de mensch zal beproefd worden : de liefde is het bruiloftskleed, waarmede wij moeten gekleed zijn, en de H. Paulus zegt : n al ware het, dat ik alle ,/ talen kende, en door mijn geloof bergen kon-â de verzetten, het zoude alles niets zijn , zoo â ik de liefde niet hadde.quot; Zij, die deze liefde missen, zullen niet ingaan in het rik der hemelen, maar buiten geworpen worden ia de uiterste duisternis, waar geween en knarsing der tan-
na Pinksteren. 225
den zal zijn. Hierom moeten wij ons oefenen in de liefde tot God en den naaste, en dit is zoo veel gemakkelijker, wanneer wij bedenken, dat God ons zoo wonderbaar heeft toebereid, ons het leven en talrijke weldaden geschonken heeft en nog dagelijks schenkt , door ons te verlee-nen alles wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.
üe weldaden, welke God den mensch schenkt, zijn talrijk, zeg ik; alles staat den mensch ten dienste : zon, maan en sterren; boomen, kruiden en planten; de vogelen streelen door hun gezang zijn oor, en de bloemen der velds brengen hem in verrukking. De mensch draagt Gods beeld en is boven de dieren verheven. En zoude de mensch daarvoor God niet beminnen en die-' nen? Alles looft Hem, alles verkondigt zijne almacht! Hemel en aarde is vol van de goedheid des Heeren. Maar wat meer is : God heeft zijnen Zoon in de wereld gezonden, om de zondaren zalig te maken. Onbegrensde goedheid des Almachtigen! Engelen zijn begeerig, om dit geheim der liefde in te zien. En Jesus, de tweede persoon in de Godheid, leed uit liefde tot ons arme zondaren , honger , dorst, armoede , versmading, laster; en zelfs onderging Hij voor ons den bitteren dood des kruises. Zijn wij dan niet schuldig God boven alles lief te hebben , ja boven ons eigen leven? Moesten wij niet liever willen sterven, dan God door zonden vertoornen? Hebben wij Gods gaven lief, hoeveel te meer moeten wij dan God, als den Gever van alle goede gaven , liefhebben !
Hoe ondankbaar, hoe snood zoude het zijn, wanneer wij God niet boven alles beminden,
236 Evangelie op den zeventienden Zondag daar wij Hem alles, ja alles verschuldigd zijn. Men zegt somtijds : deze of die mensch is ondankbaar, want hij heeft zijnen weldoener, die hem een ambt bezorgd of een dienst bewezen heeft, vergeten; en te recht zegt men dan : met een brandmerk moest men voor zijn hoofd zetten ; ondankbare gast; doch hoe veel te snooder is een meusch, die ondankbaar is jegens God, zijnen Schepper en Onderhouder! De dieren zelfs kennen de kribbe huns meesters en weten, wie hun goed doet.
Hoe dwaas is het derhalve, zijn hart aan tenige aardsche dingen te hangen, daar God alleen ons harl verzadigen kan. Doorloopt, zoo gij kunt, de eene en andere helft des aard-bols, gij zult er niets vinden dan ijdelheid , niets waarmede gij uwe ziel verzadigen kunt. Het hoogste geluk, onder het gewelf des hemels is : God hoven alles he winnen.
Hij, die God lief heeft boven alles, moet zijnen naaste liefhebben gelijk zich zeiven; wij toch zijn kinderen van éénen Vader, en de Heer heeft ons allen gemaakt, naar zijn eigen beeld; wij zijn de schapen zijner weide. Maar hoe zullen wij het gebod van de liefde des naasten volbrengen ? Wij zullen niet slechts niemand verongelijken, maar ook bijstaan, ten zijnen opzichte de geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid te vervullen. De lichamelijke werken van barmhartigheid zijn : de hongerigen spijzen, de dors-tigen laven, de naakten Ideeden, de vreemdelingen herbergen, de zieken bezoeken, de dooden Legraven, de gevangenen helpen. De geestelijke werken van barmhartigheid bestaan hierin : de zondaren tot bekeering aan te wakkeren en daartoe
na Pinksteren. 237
trachten te brengen, de onwetenden te onderricli-ten, de bedrukten te vertroosten, voor de levenden en dooden te bidden, de gebreken des naasten geduldig te verdragen, en hem, die ons eenigen smaad aangedaan heeft, van harte te vergeven. Ziet dus of gij, benevens de liefde tot God , ook die des naasten uitoefent? o Christus! konde ik hier met eene Ergelen-tong spreken, dan zoude ik u de broederlijke liefde naar waarde schetsen; zij is zoo schoon, zoo edel, zoo heilzaam voor eenen christen !
Komt, sterken, wij dien liefdehand! Een strijd is 't dien wij strijden, Een lijden, dat wij lijden,
Op reis naar 't hemelsch Vaderland. Wij gevoelen, wij gevoelen God, daar is geen God als Gij ; Gij alleen zijl waard, dat wij Onze liefde en ons bedoelen Eenig richten naar U heen,
Vader, ja naar U alleen.
g e b k d.
Dit wenschen wij, o Vader, dat wij U boven alles liefhebben en onzen naaste als ons zeiven , dan zullen wij aan U behagen en alle geboden volbracht hebben. Amen.
Op den achttienden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Mattheus IX. 1-8. n In dien tijde ging Jesus in het schip, en
238 Evangelie op den achttienden Zondag n voer over en kwam in zijne stad. Toen brach-;/ ten zij tot Hem eenen lamme, liggende op u een bed. En Jesns hun geloof ziende, zeide //tot den lamme, betrouw, zoon! uwe zonden // worden u vergeven.quot;
Toen Jesus over de zee van Galilee gevaren was, en in zijne stad, te Cafarnaüm (Zijne stad genoemd, omdat Hij er zich veel ophield) aankwam, brachten zij dien ongelukkigen bij Jesus , met de bede, dat Hij hem mochte genezen. De kranke lag op een bed en werd door vier mannen gedragen. Toen men met Hem bij Jesus gekomen was, zeide Hij tot Hem : hetromo zoon! uwe zonden worden u vergeven. Jesus wist, dat zijne kwaal door een zondig en buitensporig leven ontstaan was, en wilde hem daarom eerst de oorzaak der ziekte wegnemen ; waarmede dan ook het uitwerksel zoude ophouden.
Leeren wij hieruit, dat het aan God zeer be-hagelijk is, wanneer wij onzen naakte in den nood helpen en bijstaan , wanneer wij voor deszelfs leven en gezondheid zorg dragen. Daarom staat er : en Jesus hun geloof ziende, ziende welke teedere zorg de dragers voor den kranke koesterden , zoo vergaf Hij dezen zijne zonden. Ten tweede leeren wij hieruit, dat wij eerst voor de zaligheid onzer ziel moeten zorg dragen, en daarna voor de gezondheid des lichaams. â Zoekt, zegt Jesus, eerst het rijk Gods en deszelfs gerechtigheid, en het andere zal u toegeworpen worden.quot; Ook zegt Hij : â wat zoude het eenen mensch baten, dat Hij de geheele wereld won, en schade aan zijne ziel leed ?quot;
Ten derde : het gebed en geloof' van anderen
na Pinksteren. 239
hielpen den kranken veel, om van Jesus de genezing te verkrijgen. Het geloof en gebed van godvruchtige menschen kan ons derhalve zeer te
O O
stade komen; want het gebed der rechtvaardigen dringt door dc wolken. Zoo leest men, dat God de Israëlieten dikwijls gespaardheeft, om Abraham,. Isaac, Jacob, David en anderen; God zegende Egypte in den duren tijd om Jozef; Paulus zelfs begeert voor zich de gebeden der geloovigen. Bidden wij dan voor elkander, en houden wij niet op met bidden; want die bidt verkrijgt, en die klopt zal open gedaan worden.
Ten vierde ; bemerken wij, dat ons dikwijls kwalen en ziekten van God worden toegezonden, om ons te kastijden voor de zonden, die wij bedreven hebben. Willen wij dan van dezelve bevrijd blijven, zoo laat ons waken en bidden, dat wij in de genade staande mogen blijven. Of zoo ons ellenden treffen, ter beproeving, en om ons in de deugd te oefenen, dan zullen wij die geduldig lijden, daar wij ons geweten zuiver hebben, en weten, dat God het is, die ons dezelven laat overkomen, en die machtig is ons dezelven af te nemen, wanneer wij in het geloof standvastig blijven volharden.
// Eu ziet, eenige van de Schriftgeleerden zei-// den bij zich zei ven : Hij lastert. Jems dan hunne, //gedachten ziende, zeide: waarom denkt gij // kwaad in uwe harten ? Wat is lichter te zeggen; // uwe zonden worden u vergeven , of te zeggen: u sta op, en wandel ? Doch , opdat gij moogt v weten, dat de Zoon des menschen macht heeft // op de aarde om de zonden te vergeven : sta op ,
240 Euangelie op den achttienden Zondag // zeide hij toen tot den lamme, neem uw bed op u en ga naar huis. Hij stond op en ging naar zijn // huis. Als nu de schare dit zag, waren zij ver-,/ baasd en verheerlijkten God, die den menschen // zoodanige macht gegeven heeft.quot;
Hieruit ziet men , hoe booze menschen alle dingen, ofschoon zij goed zijn, ten kwade nemen , gelijk de spinnen, die vergift zuigen uit dezelfde bloemen, waaruit de bijen haren honig verzamelen. Zij willen zich zeiven verschoonen door anderen te lasteren; of door eens anders gebreken te vergrooten, trachten zij de hunne minder in het oog te doen vallen, eu gewoonlijk berispen zij die ondeugden het meest, waaraan zij zich zelveii schuldig maken.
Jesüs toont ons in dit Evangelie, dat Hij God is, eu de macht heeft, om de zonden te vergeven, gelijk hij ook aan de Priesters de macht gegeven heeft, om dezelven te vergeven. Want als Jesus , tegen den avond van den eersten dag zijner verrijzenis, zich bij geslotene deuren aan zijne leerlingen vertoonde, hun eene wettige zending verleende, en deze woorden sprak : gelijk de Vader mij gezonden heeft, alzoo zend ik u, blies hij over hen en zeide : ontvangt den heiligen Geest; wier zonden gij vergeeft; die zijn hun vergeven , en wier zonden gij houdt (dat is, niet vergeeft,) die zijn gehouden. (1)
Welaan dan, gij die geestelijk krank zijt, en vergeving uwer zonden verlangt te bekomen, vertoont u aan de wettige Priesters : zij hebben de macht gekregen, om den rouwmoedigen biech-
1) Joan. XX. 29.
na Pinksteren. 241
teling door de heilige absolutie van de zonde te ontbinden en met God te verzoenen; wandelt op het pad der deugd, opdat gij, van kracht tot kracht voortgaande, eindelijk in de haven des vredes aanlandet. Dit verleene ons de Vader, en de Zoon, en de heilige Geest. Amen.
G ii B E D.
Heer! zie mij genadig aan; mijne ziel is machteloos door de zonden. Spreek tot mij, dat ik moge opstaan door leedwezen en eene oprechte biecht; Gij hebt daartoe aan de wettige Priesters uwer heilige Kerk de macht verleend, om den rouwhebbenden zondaar van zijne zouden te ontbinden. Geef dat ik door voortgang in de deugden moge wandelen naar het huis der eeuwige zaligheid; opdat de geloovigen, dit ziende, U verheerlijken, gelijk de schare van ons Evangelie, en bekennen, dat Gij zijt de Almachtige, die den menschen zulke macht gegeven hebt. Amen.
Op den negentienden Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Mattheus XXII : 1 - 14.
t, In dien tijde sprak Jesus tot de Opperpries-n ters en Farizeëis in gelijkenissen en zeide : Het n rijk der hemelen is gelijk aan eenen Koning, » die voor zijnen zoon eene bruiloft had aange-n richt. En hij zond zijne knechten, om de genoo-n digden ter bruiloft te roepen, en zij wilden niet
16
24)2 Evangelie op den negentienden Zondag t, komen. Hij zond wederom andere knechten, en ,/ hij zeide : zegt den genoodigden : ziet, ik heb ,/ mijn middagmaal bereid, mijne ossen en ge-// meste beesten zijn geslacht, en alles is bereid : â komt ter bruiloft. Maar zij achtten het niet, en n gingen henen, de een naar zijn landgoed , en n de andere naar zijnen koophandel; en de overige namen zijne knechten, en na hen smadelijk be-// handeld te hebben, doodden zij dezelven. Toen â de Koning dit hoorde, werd hij vergramd, en â zond zijne legers en vernielde die moordenaars, H en stak hunne stad in brand. Toen zeide hij tot â zijne knechten ; de bruiloft is wel bereid, maar n de genoodigden waren ze niet waardig. Gaat ;/ dan tot de uiteinden dor wegen, en noodigt al-u len, die gij vindt, ter bruiloft. En zijne knech-ten gingen naar de wegen, verzamelden allen , u die zij vonden, goeden en kwaden; en de u bruiloft werd vol gasten. quot;
De Zaligmaker wilde door deze gelijkenis aan de hardnekkige Joden te kennen geven, dat de verkondiging van het Evangelie van hen zoude weggenomen en tot de Heidenen overgebracht worden. Jesus verstaat door het rijk der Hemelen de Kerk; de Koning is God, de Zoon is Jesus Christus zelf, die mensch geworden zijnde, de Kerk tot zijne bruid heeft aangenomen. De eerst-genoodiqden, dat zijn de Joden, wilden niet komen , en de knechten, die hen riepen, waren Joannes de Dooper en de Zaligmaker.
Be andere knechten waren de Apostelen; deze riepen de Joden andermaal vergeefs, want zij
na Pinksteren. 243
hadden het veel te druk met aarusclie beslommeringen ; en de overigen doodden de knechten , Stephakus en Jacobus, terwijl zij de andere Apostelen met smaad behandelden.
Hunne stad, Jeruzalem, werd dan ook, gelijk voorzegd was, verbrand en verdelgd, en de Joden over de gansche aarde verspreid. JVu werden er op nieuw knechten uitgezonden : namelijk de Apostelen en hunne opvolgers, om tot de uiteinden der wegen, dat zijn de uiteinden der aarde, te gaan, om de Heidenen te bekeeren, en tot de Kerk te roepen, welke de Verlosser op de aarde gesticht heeft, gelijk wij weten dat geschied is en nog dagelijks gebeurt; want duizenden gelooven in Jestjs Chbjstus; op de afgelegenste eilanden ondervinden menschen clen troost en de zaligheid zijner leer; duizenden hebben in deze laatste eeuwen in Japan en in Ch'ma het bloed vergoten voor het geloof. Laat ons dan zorg dragen, dat wij ons niet van den toegang tot de bruiloft des eeuwigen levens berooven door ongehoorzaamheid, door aan de genade te weder staan; omgorden wij de wapenen des geloofs, en laat ons het bruiloftskleed der liefde aantrekken; ten einde met de Heiligen in het rijk der hemelen te kunnen aanzitten, en om begiftigd te worden met de eeuwige zaligheid, een gerust geweten en de vreugde des harten.
Jesus heeft, door zijne verdiensten en lijden , de zaligheid bereid voor allen, die in Hem gelooven en zijne geboden onderhouden; Hij heeft den dood overwonnen, de hel verbroken, den vijand zijne macht benomen, den kop der slang vermorzeld en den heiligen Geest gezonden, om de menschen te heiligen. En zouden wij Hem dan niet
24 ]â Evangelie op den negentienden Zondag aannemen? Zouden wij weigeren op de bruiloft , waartoe wij door de heilige Kerk uitgenoodigd worden, te komen? Neen, wij willen ons aan Jesüs houden, Hem uit ons geheele hart beminnen, zijne geboden alsmede die zijner Kerk gehoorzamen, en daartoe om zijnen heiligen Geest bidden, dat die ons leeren, leiden en vertroosten moge, op den weg tot de bruiloft des eeuwigen levens. Het Evangelie zegt verder :
â Maar als de koning binnen kwam, om de âgasten te zien, zag hij daar eenen mensch, die â geen bruiloftskleed aan had. En hij zeide hem ; â vriend, hoe zijt gij hier binnen gekomen zonder â bruiloftskleed? En hij bleef stom. Toen zeide ,, de koning aan de dienaren : bindt hem handen â en voeten, en werpt hem in uiterste duisternis-âsen, waar geween en knarsing der tanden zijn ,,zal. Want velen zijn geroepen, maar weinigen â uitverkoren. quot;
De koning kivam binnen orm de gasten te zien ; dit beduidt den dag des oordeels, wanneer ieder zal moeten rekenschap geven aan den Oppersten Rechter, en zij, die buiten de liefde van God zijn, zullen als verstomd staan, en niet kunnen antwoorden.
Wat moeten wij derhalve doen, om niet buiten geworpen te worden in de uiterste, duisternis ? Elk moet zich zelve gedurig afvragen : ben ik wel in den staat der heiligmakende genade ? kan ik rekenschap geven van mijne gedachten, woorden en werken? Wanneer gij bij u zei ven zoudt antwoorden : indien mij eens een onvoorzienen dood
na Pinksteren. 345
trof, zoude ik eeuwig ongelukkig zijn, - o Christenen, stelt dan niet uit u te bekeeren, neemt ten spoedigste uwe toevlucht tot de biecht, begeeft u in tijds naar Jestjs heen, en bidt Hem om vergeving der zonden.
Velen, dat is allen, zijn geroepen ter zaligheid, maar iveinigeti zijn uitverkoren, of weinigen zullen zalig worden. Zij zullen niet allen in het rijk der hemelen komen, die zeggen : Heer, Reer ; maar zij, die den wil des Vaders weten en doen , namelijk diegenen, die met de vijf wijze maagden olie der deugden in hunne lampen hebben. Daarentegen zullen boosdoeners, ontuchtigen, dronkaards, lasteraars, overspelers in de uiterste duisternissen geworpen worden, alwaar geween zal zijn en knarsing der tanden; voor hen zal de dexir van Gods genade gesloten worden. Zien wij dan wel toe, wat ons te doen staat : want de weg is nauw en de poort is eng, die tot de zaligheid leidt, en weinigen zijn er die dezen weg bewandelen.
geb e d.
O Koning der hemelsche glorie, die ons door uwe dienaren, de leeraars der heilige Kerk, en door de heilige Schriftuur, tot de bruiloft laat noodigen : schenk ons het bruiloftskleed der liefde, godvruchtigheid en kracht tot het doen van goede werken ; opdat wij nlzoo waardige gasten van uwe bruiloft mogen zijn, en onder het kleine getal der uitverkoornen geteld worden. Amen.
34lt;6 Evangelie op den twintig sten Zondag
Op den twintigsten Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Joannes IV : 16 - 53.
â In dien tijde was er een koninklijk hove-â ling, wiens zoon te Capharnaum ziek lag. Deze âhoerende, dat Jesus uit Judea, naar Galileo, â kwam, ging tot hem en bad hem, dat hij wilde âkomen, en zijnen zoon genezen, daar hij op â sterven lag. Jesu* zeide dan tot hem ; tenzij â gijlieden teekenen en wonderen ziet, gelooft â gij niet. De hoveling zeide hem : Heer, kom â toch, eer hij sterft. Jems zeide hem : ga , heen, uw zoon leeft. quot;
Alle menschen zijn aan lijden onderworpen , rijken zoo wel als armen, aanzienlijken en geringen, edelen en onedelen. Zoo hoort gij dan, dat zelfs Koningen en Hovelingen kruis en lijden hebben. Hiermede kunnen zich de armen troosten; want zij meenen, dat hun enkel lijden beschoren is. O neen; onder de prachtige kleederen en bij de groote maaltijden schuilt dikwijls veel verdriet.
Dit Evangelie leert ons mede, dat het lijden dikwijls voor den mensch zalig is; daar hetzelve ons tot God brengt. Wanneer niet eene doode-lijke ziekte den zoon des hovelings getroffen had , dan zoude de vader misschien nimmer tot den Zaligmaker gekomen zijn, enin Hem geloofd hebben. Wanneer wij onzen eigen levensloop eens
T
na Pinksteren.
nagaan, zullen wij ontdekken, dat kruis en lijden ons menigmaal tot God de toevlucht deden nemen. Daarenboven leert dit Evangelie, om met bidden aan te houden, gelijk de hoveling, die voor de tweedemaal bad: Heer, kom toch, eer mijn zoon derft. Ja, wij zullen onvermoeid zijn in bidden, arbeiden en het doen van goede werken. David bad zevenmaal, dat is veelmalen, daags; wij zullen insgelijks zoo doen en niets tot morgen uitstellen, wat wij heden kunnen doen; vlijtig zijn gelijk de mieren, die in den zomer hun brood verzamelen, en ook zullen wij gelijk de ooievaars onzen tijd wel waarnemen.
n De man geloofde het woord, hetwelk Jesus // hem zeide en ging henen. En als hij nu afkwam, n kwamen hem zijne knechten te gemoet, en bood-n schapten hem, dat zijn zoon leefde. Hij vroeg u hun het uur, wanneer hij beter geworden was? n Zij antwoordden hem : gisteren te zeven uren ,/ heeft hem de koorts verlaten. Zoodat de vader u erkende, dat het hetzelfde uur was, waarop n Jems hem gezegd had : uw zoon leeft. En hij // geloofde, hij en zijn geheele huisgezin. quot;
Jems genas hier dezen zoon niet alleen van zijne ziekte, maar door dit wonder gebeurde het ook, dat de hoveling en zijn huisgezin in Hem als den Zaligmaker geloofden. Wanneer dus de oversten, vaders des huisgezins en ouders, hunne onderhoorigen en kinderen met een goed voorbeeld voorgaan, zullen deze dit voorbeeld navolgen, en eenen Gode behagelijken wandel leiden. JViet ten onrechte zegt het spreekwoord : leeringen wek-
247
c
to
S
:n HH
m
f \,,SL I
\rjm
C
2i8 Evangelie op den een-en-twintigsten ken, voorbeelden trekken. Bedenken de ouders,, dat zij niet alleen hunne kinderen en dienstboden het noodige lichamelijke onderhoud moeten geven, maar hen ook moeten leeren , vermanen en leiden. De ouders zullen eenmaal hiervan rekenschap moeten geven, en gelukkig zij, die in den grooten oordeelsdag kunnen zeggen : lieer, hier zijn wij met de kinderen , die Gij ons gegeven hebt. Daartoe moeten zij in dit leven voor hunne zaligheid zorgen, hen aan Jesus bevelen en Hem bidden, dat Hij de pogingen , welke zij voor het heil hunner kinderen aanwenden, met zijnen zegen wil bekroonen.
GEBED.
Heer Jesus! kom en bezoek mijne ziel, eer zij in zonden sterft; zij ligt ziek in Caphar-naüm, en geene wereldsche hulp kan haar genezen; maar besproei haar, o Heer, met het bloed op Kalcarie vergoten. Dat ik een waarachtig berouw hebbe over mijne zonden , opdat ik in de biecht mag hooren : ga , uwe zonden zijn u vergeven; dat ik U in het Sacrament des altaars, met een waarachtig geloof in mijn huis ontvange. Amen.
Op den een- en- twintigsten Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Mattheus XVIII : 23 â 35.
âIndien tijde zeide Jesus aan zijne leerlin-â gen deze gelijkenis : Het rijk der hemelen is â gelijk aan eeuen koning, die met zijne dienaars
Zondag na Pinksieren. 249
â rekening wilde houden. Eu als hij begon te â rekenen, werd er een voor hem gebracht, die â hem tien duizend ponden schuldig was. Maar â daar hij niets had om te betalen, gebood zijnen â heer, dat men hem en zijne vrouw en kinde-â ren en al wat hij had, verkoopen zoude, en â betaling doen. Doch de knecht viel neder, en â bad hem, zeggende . heb wat geduld met mij, â en ik zal u alles betalen. En de heer, medelij-â den met dien knecht hebbende, liet hem gaan, â en schold hem de schuld kwijt.quot;
De Koning, van wien de gelijkenis spreekt, beteekent God almachtig, die Koning boven alle koningen en Heer boven alle heeren is; door de dienaars worden verstaan de menschen, die door hunne zonden aan God oneindig veel schuldig zijn. Een ieder zal loon naar werken ontvangen, en wij zijp van ons zeiven niets; God heett ons geschapen , en onderhoudt ons nog dagelijks; ja wat meer is. God heeft zijnen Zoon in de wereld gezonden , en deze is mensch geworden, om voor ons te lijden. Welke dankbaarheid zijn wij dus aan God voor deze weldaden verschuldigd! Hoe zullen wij Hem dit vergelden? Met zijne geboden en die van de H. Kerk te onderhouden; met onzen naaste dat te vergeven, wat hij ons misdaan heeft; gelijk wij ook dagelijks bidden in het Onze Vader. Maar hoe dikwijls zal men zijnen naaste vergeving schenken? Zeventigmaal zevenmaal 1) : dat is onbepaald. Hebben wij ook niet dagelijks en alle oogen-blikken van noode, dat God ons de zonden ver-
1) Matth. XVIII. 22.
250 Evangelie op den een-en-twintig sten geve, die wij met gedachten, woorden en werken bedrijven? De schuld van eene doodzonde, tegen de hooge Majesteit van God begaan, kunnen wij nooit betalen, zij beloopt nog op meer dan de tien duizend ponden of acht raillioenen guldens van den dienaar. Wij moeten derhalve steeds tegen de zonden op onze hoede zijn, en liever willen sterven, dan God door eene zonde vergrammen. Door ziekten en andere onheilen worden wij dikwijls als het ware opgewekt om tot God te komen en Hem om vergiffenis te smee-ken, en wee hem, die niet met den dienaar neder-valt en den Heer bidt, dat Hij geduld en medelijden met hem hebbe. Wee hem, die in zonde zijnde, niet ras tot het heilig Sacrament van de biecht zijne toevlucht neemt en om vergeving smeekt. Want God is machtig, den zondaar alles te ontnemen en hem in de verdoemenis te werpen.
Wij weten ook uit dit Evangelie, dat God den dood des zondaars niet begeert, maar dat hij zich bekeere en leve; want Hij is oneindig genadig en barmhartig; Hij zal den rouwhebbenden boeteling, die genade begeert, niet alleen uitstel verleenen, maar hem ook de schuld kwijtschelden. Wat zegt verder het Evangelie ?
â Maar diezelfde knecht, uitgegaan zijnde , â vond een' van zijne medeknechten, die hem â honderd tienlingen schuldig was; en hij greep â hem aan, en wrong hem de keel toe, zeggen-,, de ; betaal, wat gij schuldig zijt. Zijn mede-â knecht viel neder en bad hem, zeggende : heb ,, wat geduld met mij, en ik zal u alles betalen. â Doch hij wilde niet, maar ging henen , en
Zondag va 'Pinksteren. 251
â wierp liem in de gevangenis, tot dat hij de ,/ schuld betalen zoude. Als nu zijne mededie-n naars dezen handel zagen, werden zij zeer be-â droefd, en gingen hunnen lieer verhalen wat â er geschied was. Toen riep hem zijn heer en ,/ zeide hem : gij booze knecht, ik heb u al uwe y schulden kwijtgescholden, omdat gij er mij om v gebeden hebt. Rehoordet gij dan ook niet ,/ medelijden met uwen medeknecht te hebben , ,/ gelijk ik medelijden met n heb gehad! En zijn u heer, vergramd zijnde, gaf hem over aan de // beulen, tot dat hij de geheele schuld betaalde. n Zoo zfil mijn hemelsche Vader ook met u han-n delen , indien gij , elk aan zijnen broeder, h niet van harte vergeeft.quot;
Elkeen zal moeten bekennen, dat deze knecht zeer onbarmhartig was, daar hij om honderd tienlingen of dertig gulden zijnen medeknecht liet vast zetten. Deze kwamen toch niet in aanmerking bij de som , welke hem was kwijtgescholden. Zoo gaat het nog vele menschen. Zij vragen aan God vergeving voor het kwaad, dat zij tegen Hem bedreven hebben, en dat dikwijls zeer groot is, doch hunnen naasten, hunnen broeders, willen zij eene kleine fout niet vergeven, of vergeven zij die, dan is het slechts ten halve. Nu, zeggen zij, pas maar op dat gij het niet weder doet. Neen, niet alzoo, maar van ganscher harte moet het geschieden, en hoe dikwijls de beleedigintr ook mochte gebeurd zijn. Geene wraak met wederwraak vergelden, en die ons scheldt, zal men niet wederschelden. Mij,
252 Evangelie op den een-en-iwintigden zegt God, komt de wraak toe, ik zal het vergelden. (1)
De Zaligmaker zegt zelf in het Evangelie ; zoo zal mijn hemehche Vader ook met u doen . zoo gij, een elk aan zijnen hroeder, niet ran harte vergeeft. Dit is duidelijk genoeg, dan dat het nog nadere verklaringen zoude behoeven. Voegen wij er nog bij : dat Jesus ons ook hierin het uitmuntendste voorbeeld heeft nagelaten, toen Hij onder de gruwelijkste mishandelingen nog voor zijne moordenaren bad: Vader! vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen. Welaan dan, dat er geene verwijdering meer onder ons besta ! Wij zijn leden van één lichaam, Christus is ons hoofd, de barmhartige God onze Vader, en wij zullen als kinderen van één huisgezin, dat is : de H. Kerk , leven in vrede en eendracht, al de dagen onzes tevens.
geb e d.
Wij zijn, o God, die groote schuldenaars, .door den knecht in het Ãvangelie afgebeeld; wij kannen onze schuld niet voldoen ; daarom bidden wij U, dat Gij ons dezelve door uwe grondelooze barmhartigheid wilt kwijtschelden; gaarne willen wij ook vergeven alle beleedigin-gen, welke ons door onze broederen worden aangedaan. Amen.
(J) Deutr. XXXII : 35.
Zondag na Pinksteren. 253
Op den twee-en-twintigsten Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Matïhkus XXII. 15 - 21.
;/ In dien tijde gingen de Farizeërs henen, en â hielden te zamen raad, hoe zij Jems in Zijne h woorden zouden vangen. En zij zonden hunne ,/ leerlingen met de Herodianen tot Hem, zeggen-;/ de : Meester, wij weten dat Gij oprecht, zijt, en ,/ den weg Gods naar waarheid leert, zonder â iemand te ontzien; want Gij let niet op het //aanzien der menschen. Zeg ons dan, wat U // dunkt, is het geoorioofd den keizer schatting ,/te betalen, of niet?quot;
Zoo zochten de nijdige Farizeërs Jesus in zijne woorden te vangen, daar zij Hem wegens zijn gedrag niet konden aanklagen. De vraag welke zij aan den Zaligmaker voorstelden, was van dien aard , dat, bijaldien Hij daarop ja antwoordde, Hij zich den haat van het volk zoude op den hals halen; en wanneer Jesus zoude zeggen, dat de Joden aan den keizer geene schatting behoefden te betalen, dan wilden zij Hem bij den keizer aanklagen als een oproermaker. Zij nu, die door de Farizeërs afgezonden werden, waren van beide partijen ; het waren hunne leerlingen en eenige aanhangers van Herodes, die een afhangeling van den keizer was.
Wie, behalve Jesus, zoude gedacht hebben, dat er achter deze eenig bedrog schuilde. Zij kwa-
254 Evangelie op den Iwee-en-twinligden men met de oprechtheid in het aangezicht, en met een innemend voorkomen bij Jesus : zij zeiden vriendelijk tegen Hem : Meester! wij weten dat Gij oprecht zjt. Hier spraken zij wel waarheid, maar deden het om te vleien. Zoo weet de boosheid den schijn der deugd aan te nemen, en in slaapskleederen tot de goeden te naderen ; booze menschen laten niets onbeproefd, om de goeden te misleiden; zij stellen daartoe allerlei listen en lagen in het werk; maar de ergste zijn die, welke zich uitwendig anders vertoonen, dan zij inwendig zijn. Er zijn er, die onze gebreken deugden noemen, wanneer zij slechts kunnen berekenen daardoor hun oogmerk te zullen bereiken: en hoe velen vindt men van anderen kant, die gaarne in het aangezicht geprezen willen worden! Maar, weest op uwe hoede mijne medechristenen ! Nog eens, de boozen sluipen gelijk eene slang onder de bloemen : gelooft de vleiers niet; een oprecht vriend brengt u uwe gebreken minzaam onder het oog, terwijl hij dezelve bij anderen tracht te verschoonen. Jesus kende de verleiders , w?nt het Evangelie zegt verder :
âJesus, hunne valschheid kennende, zeide: ,/ wat kwelt gij mij, gij geveinsden ! Toont mij v den cijnspenning. En zij toonden hem een tien-v ling. En Jesus vraagde hun : wiens beeld en ,/ opschrift is dit ? Zij antwoordden â des keizers. n Toen zeide Hij hun : geeft dan den keizer , // wat den keizer toekomt, en aan God wat God // toekomt.quot;
Zeer voorzichtig was het antwoord van den Za-
Zondag na Pinksteren. 255
ligmaker; want geene der beide partijen vond redenen om Hem te bescliuldigen, daar Hij zeide: geeft den keizer, rvat den keizer toekomt, en aan God wat God toekomt; dat is : geett aan ieder wat gij schuldig zijt. Hier is de plaats, om een kwaad te berispen, dat heden ten dage maar al te dikwijls geschiedt, en wat velen voor geoorloofd houden; ja, waardoor op deze ongerechte wijze zij hun brood zotken te verdienen of hunnen rijkdom te vermeerderen : namelijk, door den smokkelhandel. Vele menschen zoeken zich van de tollen en accijnsen te onttrekken, mee-nende , dat dit geen stelen is; doch zij hebben grootelijks ongelijk. Wanneer men iemand niet geeft, wat hem toekomt, dan steelt men even zoo wel, nis ol men hem iets in stilte ot door behendigheid ontrooft. Daarenboven maken de tollen eu accijnsen een gedeelte uit der staatsinkomsten , en daarvoor moeten ambtenaren, kerken, scholen, wegen, bruggen, enz. onderhouden worden. Op meer dan eene plaats der heilige Schrift worden wij vermaand, tot gehoorzaamheid aan de wetten des lands, en om de overigheid te eeren; zie Horn., XIII, vers 7. en Petrus I.; Hoofdstuk il., vers. 17.
Geeft aan God, wat God toekomt. Wij zijn ons zeiven geheel aan God schuldig; wij moeten Hem liefhebben, uit geheel ons hart en met alle krachten; al onze gedachten, woorden en werken moeten ter eere van God besteed worden. Maar hoe velen worden er gevonden, die hier verre at zijn: die weinig aan God denken, weinige werken van boetvaardigheid doen; hunne godsdienstplichten uit sleur en gewoonte waarnemen, en voor het overige hun leven wegdroomen. Hoe
256 Evangelie op den drie-en-twintigsten zullen zij het eindelijk met hunne rekening stellen? Hunne zonden gaan de haren huns hoofds te boven. Ach, mogen zij in tijds boete doen en zich bekeeren ! Igt;at zij hun hart aan God geven , aan wien dat toekomt, en den koning, wat den koning toekomt; dan zal God in hen zijn beeld bekennen, hen zegenen, en huu na dit leven de eeuwige zaligheid doen beërven. Dit geve ons de Vader, de Zoon en de !T. Geest.
g e n e d.
Heer ! leer ons de bedriegerij er. valschheid der booze menschen kennen, en dat wij de waarheid der Christelijke godvruchtigheid in leer en leven altijd mogen houden en bekennen, om hiernamaals uw goddelijk aanschijn deelachtig te worden. Amen.
Op den drie-en-twintigsten Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Mattheüs IX. 18-26.
,, In dien tijde, terwijl Jems, tot het volk â sprak, kwam er een Overste tot hem, die hem â bad . zeggende : Heer, mijne dochter is nu âoverleden, maar kom, leg uwe hand op haar, ,, en zij zal leven. En Jems opstaande, volgde â hem met zijne leerlingen. quot;
De Overste, van wien in dit Evangelie gesproken wordt, heette Jaïrus, en was een opziener der Synagoge of leerschool der Joden. Hij had een eenig dochtertje, dat hem, in den jeug-
Zondag na Pinksteren. 257
digen leeftijd van twaalf jaren, door den dood ontrukt werd. Dit bewijst al weder, dat rijken zoowel als armen , jongen zoowel als ouden , moeten sterven : de dood treft allen, hetzij vroeg of laat. Redenen derhalve, om tegen dien verwoester des levens op onze hoede te zijn , en ons te wapenen met de wapenen des geloofs en het schild der liefde : dan zal de hoop vast staan, en de anders afgrijsselijke dood zal ons welkom zijn, daar hij ons in de eeuwigheid voert, en ons bij God brengt, van wien wij het loon van onzen arbeid zullen ontvangen.
Toen Jaïrtjs van huis gegaan was, om Jesxjs, van wien hij vele wonderen gehoord had, voor het behoud van zijn dochtertje te smeeken, worstelde deze met den dood. De Overste bij den Zaligmaker komende, zeide : Heer! mijne dochter is mi overleden : maar kom, leg de handen op haar, en zij zal leven. Doch, wilde hij zeggen, ik weet dat Gij de macht hebt, en goedertieren zijt; waarom ik U dringend smeek met mij te komen, mijn dochtertje de handen op te leggen, en dan zal zij ongetwijfeld leven. Jesus zag dezen overste aan; Hij zag de wonde van zijn hart en zijn vertrouwen in Hem ; waarom Hij dadelijk opstond en hem met zijne leerlingen volgde. Het is waar, Jesus had door een enkel machtwoord het dochtertje kunnen genezen ; doch om aan al het volk zijne macht te too-nen, en ten einde Jaïbus en meer anderen volkomen in Hem zouden gelooven, ging Hij daar henen.
Laat ons hieruit leeren, Jestjs vroeg te zoeken, en niet te wachten, tot dat ons eerst bijzondere tegenspoeden treffen, maar altijd aan God denken,
17
258 Evangelie op den drie- en- twintigsten en Hem smeeken, dat Hij ons geloof al meer en meer gelieve te versterken; dat Hij onze zwakheid te hulp kome en ons bijsta in den nood en in gevaren; dan zal de barmhartige Heer ons genade geven, en de eeuwige zaligheid schenken. Verder zegt het Evangelie :
,/ En zie, daar kwam eene vrouw achter Hem, v die twaalf jaren eene bloedvloeiing gehad had, ,/ en raakte den zoom van zijn kleed aan. Want ,/ zij zeide bij zich zelve : indien ik alleen zijn ,/kleed mag aanraken, zoo beu ik behouden. ,/ Maar Jems , zich omkeerende, en haar ziende, // zeide : betrouw, dochter! uw geloof heeft u ge-â zond gemaakt. En ter zelfder ure is de vrouw â gezond geworden. quot;
Wie bewondert hier niet den diepen ootmoed, waarmede de vrouw tot Jesus naderde. Zij achtte zich onwaardig om voor het aanschijn van Jesus te verschijnen; zij raakte van achteren zijn kleed aan, in het vaste vertrouwen, dat zij dan zoude genezen zijn. Wanneer wij met denzelfden ootmoed en hetzelfde vertrouwen tot Jesus naderen, in het H. Sacrament des Altaars, dan hebben wij zelfs het geluk, met zijn vleesch en bloed. Godheid en menschheid vereenigd te worden , en Jesus zal ons groote genade en gunsten schenken.
,/ En als Jesus in het huis van den overste ge-,/komen was, en Hij de treurpijpers en het woelen-,/ de volk zag, zeide Hij: gaat van hier, want het //,dochtertje is niet dood, maar slaapt. Doch zij
Zondag na Vink ster en. 259
h lachten hem uit. Als nu het volk verdreven ;/ was, trad Hij binnen, en nam het dochtertje u bij de hand. En het stond op; â en het gerucht â hiervan verspreidde zich door datgeheele land.quot;
Bij de Joden was het een gebruik, om bij sterfgevallen door zekere vrouwen klaagliederen te doen zingen, en treurpijpers vergezelden haar, om het volk tot tranen en rouwklachten te bewegen. Reeds had zulks plaats aan het huis van Jaïrus, toen Jesus binnen kwam. Hij liet deze vertrekken en zeide hun, dat het dochtertje sliep, dat is : dat Hij haar zoo lichtelijk van den dood kende verwekken, als men iemand uit den slaap wakker maakt. Toen begon dat volk te lachen. Jesus evenwel nam haar bij de hand, en zij herleefde, tot groote blijdschap van haren vader, en tot verwondering der omstanders. Verwondering en aanbidding moet ons tevens aangrijpen, bij het vernemen van dit en andere wonderen, welke Jesus verricht heeft. Loven en danken wij Jesus voor al zijne wonderen en al zijne weldaden, die tot in eeuwigheid zullen voortduren.
GEBED.
Wij bidden U, o Jesus, w il onze ziel verwekken van den geestelijken dood of den verkeerden wil; beveel ons aan uwen hemelschen Vader ; neem ons aan tot mede-erfgeuamen, en om uwer barmhartigheid wille, gedenk onzer zonden niet, maar doe ons uwen zegen ondervinden. Amen.
260 Evangelie op den vier- en- twintigsten
Op den vier- en- twintigsten Zondag na Pinksteren.
Evangelie, Mattheus XXIV, 15-28.
u In dien tijde zeide Jems aan zijne Leerliu-â gen ; Wanneer gij de gruwelijke verwoesting, f, die door den Profeet Daniël voorzegd is, zult tl zien staan in de heilige plaats. (Die het leest n zie het te verstaan.) Die dan in Judea is, vluchttt; â naar de bergen. En die op het dak is, kome ,/ niet af, om iets uit zijn huis te nemen. En die ,/ in het veld is, keere niet weder om zijnen rok u te halen. Maar wee degenen die zwanger zijn, // of kinderen zuigen in die dagen. Bidt ook, dat ,/ uwe vlucht niet voorvalle in den winter, noch z, op den Sabbathdag. Want de verdrukking zal n alsdan zoo groot zijn, als er van het begin der ^ wereld tot nu toe geweest is, noch zijn zal. En n zoo die dagen niet verkort werden, zoude geen n vleesch behouden blijven; maar om de uitver- : â korenen, zullen die dagen verkort worden. Zoo u iemand u alsdan zal zeggen : Ziet, hier is de â Christus, of daar is Hij; gelooft het niet. Want â er zullen valsche Christussen en valsche Profe-â ten opstaan, die groote teekeneu en wonderwer-,/ ken zullen doen, om ook de uit verkorenen, zoo het n mogelijk ware, in dwaling te brengen. Ziet, ik // heb het u voorzegd. Indien zij dan tot u t, zeggen : ziet, hij is in de woestijn, gaat niet
Zondag na Pinksteren. 261
n uit : ziet, hij is binnen in het vertrek, gelooft h het niet. Want gelijk een bliksem uit het Oosten n komt, en schijnt tot in het Westen, zoo zal ,/ ook de komst van den Zoon des menschen zijn. // Alwaar het lichaam is, daar zullen de arenden n vergaderen.quot;
In het eerste gedeelte van dit Evangelie wordt van de verwoesting van Jeruzalem gesproken , welks omtrent veertig jaren na de verrijzenis van Christus heeft plaats gehad, en welke allerverschrikkelijkst geweest is. Deze verwoesting van Jeruzalem is tevens een afbeeldsel van de verwoesting der geheele wereld, vóór de komst van Jesus Christus tot hst algemeen oordeel.
Hoe wij deze plagen moeten ontkomen, blijkt uit den geestelijken zin van het Evangelie : de Joden moesten vluchten naar de hergen; de Christenen, die God loven, moeten wereldsche dingen verlaten en zich begeven tot hemelsche, het rijk Gods en zijne gerechtigheid zoeken. Die op het dak is, dat is, die opgeheven is in het gebed, mag zich in zijn hart niet bemoeien met de huishouding. Die in het veld is, dat is, die van de menschen afgescheiden is, mag niet wederkeeren tot kwade gezelschappen. En wee hen, die kinderen dragen, dat is : die willens en wetens wereldsche gedachten koesteren. Maar bidt, dat uwe vlucht â niet geschiede in den winter, dat is, wanneer de liefde en genade van God van ons geweken zijn. Zorgeu wij dan, daar de tijd der genade nog daar is, om ons met God te verzoenen; dan zal ons dat uur niet onverwacht overkomen, dan zullen wij niet met de goddeloozen behoeven te zeggen : Ier gen valt op ons, heuvelen bedekt ons.
.3
li
C
41
262 Evangelie op den vier- en- Iwinllgslen
In het tweede gedeelte van het Evangelie van heden, wordt geleerd, welke teekenen den laat-sten oordeelsdag zullen voorafgaan, en hoe wij ons voor alle ketterijen moeten wachten, die er ontstaan zouden van zijne hemelvaart tot het einde der dagen. Wanneer zij tot u zullen zeggen : hier, bij ons, is de leer van Chbisïüs, of hij is daar, gelooft het niet. En al kwame er ook een Engel uit den hemel, zegt de Apostel, die u een ander Evangelie verkondigt, dan hetgeen. wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt; gelooft hem dus niet. De ware Kerk van Christus heeft altijd bestaan, sedert ruim achttien eeuwen; zij zal tot in eeuwigheid blijven voortduren en hiernamaals verheerlijkt worden. De leer van Jesus heeft altijd met vollen luister geschenen, gelijk de bliksem, die van het Oosten naar het Westen schijnt. Waar het lichaam is, daar is de PI. Kerk, wier hoofd Christus is, daar vindt meu de vergadering der arenden; dat is : de heilige mannen, gelijk Gregorius, Hieronymus, Am-brosius , Augustinüs en Willibrordus, daar-naFRANCiscus,DojiiNicus, Bonaventura , Thomas van AquiNE, en andere leeraars die wij nog hebben. O, trachten wij tegen dien oordeelsdag gewapend te zijnâlaten wij ons in tijds met Jesus verzoenen; dan zullen wij, door het geloof versterkt, ons niet laten vervoeren en in den dag aller dagen niet verschrikken; maar wij zullen met een verheerlijkt lichaam van den dooil verrijzen, den Rechter, maar tevens onzen Verlosser, te gemoet gevoerd worden in de lucht, om eeuwig met Hem te heerschen.
Zondag na Pinksteren.
263
/Cbü
GEBED.
O Jesus, die alle onboetvaardige zondaren nog gedurig met de eeuwige straffen bedreigt, gelijk eertijds de inwoners van Jeruzalem : sclienlc ons allen eene zalige vrees voor uwe rechtvaardigheid; opdat het ons niet ga gelijk de onboetvaardige Joden. Laat uwe voorzegging dier schrikkelijke teekenen eenen diepen indruk op onze harten maken; dat wij ons van onze zonden bekeeren , en in U eenen genadigen Rechter mogen vinden.
NARICHT.
Wanneer er maar 23 Zondagen na Pinksteren zijn, zal men het Evangelie van den 23 Zondag niet lezen, maar dat van den 24 Zondag.
Als er 2b Zondagen zijn, leest men in plaats van den 24 Zondag, het Evangelie van den 6 Zondag na Brie-Koningen.
Zoo er 26 Zondagen komen, leest men op den 24 dat van den 5 Zondag na Drie-Koning en.
Als er 27 Zondagen komen, leest men op den 24 Zondag het Evangelie van den 4 Zondag na Urie-Koninqen : op den 25 hetgeen op den 5 na Drie-Koningen volgt, en op den 26 dat van den 6 na Drie-Koningen.
Als er 28 Zondagen komen, leest men op den 24 het Evangelie van den 3, en op den 25 dat van den 4, en op den 26 dat van den 5, en op den 27 dat van den 6 Zondag na Drie-Koningen. Maar op den laatsten Zondag wordt altijd het Evangelie van den 24 Zondag gelezen.
HEILIGM6SCHE SCHOOL,
door
JOANNES FONK
Op den feestdag van den H. Andreas
Enanyelie, m.vttheus IV. 18 â 20.
â In dien tijde, toen Jesus langs de zee van â Galilea wandelde , zag hij twee gebroeders , â Simon, die Petrus genaamd wordt, en Andreas â deszelfs broeder, het net in zee werpen; het wa-â ren visschers. En hij zeide hun : volgt mij â na, en ik zal u visschers der menschen ma-â ken. Zij verlieten dan terstond de netten en â volgden hem.quot;
Dit Evangelie verhaalt ons de roeping van Petrus en Andreas. Jesus had reeds vroeger met hen gesproken; doch nu, dat Hij langs de zee van Galilea wandelde, riep Hij hen tot het apostel-ambt. Deze twee broeders waren visschers van beroep, en juist bezig met hunne netten in zee te werpen, toen Jesus voorbij kwam ; Hij riep hen tot zijne volgelingen, zeggende; volgt mij na, en ik zal u visschers der menschen maken. Zij verlieten dadelijk hunne netten en volgden,
Op den feestdag van den II. Andreas. 265 lien Zaligmaker. Vele nuttige en schoone lessen zijn uit dit Evangelie te trekken. 1°. Bewijst dit, dat deze broeders eensgezind waren, anders zouden zij immers hun beroep niet zamen hebben uitgeoefend. Een voorbeeld, om de broederliefde aan te kweeken en elkander te helpen , om, gelijk men zegt, met God en eere door de wereld te komen. Maar hoe velen worden er gevonden, die in plaats daarvan hunne broeders en zusters haten, lagen leggen, benadeelen en wat nog meer is. En hoelkunnen zulken zeggen , God lief te hebben, dien zij niet zien? Die dus zegt : ik heb God lief', en zijnen broeder of den naaste haat, is een leugenaar. 2°. De vlijt, welke deze broeders betoonden, leert ons, dat men het beroep of ambt, waarin men gesteld is, wel moet waarnemen, teneinde zich en de zijnen te kunnen onderhouden, en ook om mede te kunnen deelen aan hen, die nood lijden of gebrek hebben. 3°. Leeren wij hieruit, dat wij alle wereldsche bedrijven moeten achterlaten, als wij onze godsdienstplichten moeten waarnemen. Veel wordt er, onder anderen op Zon- en Heiligdagen gedaan, dat achtergelaten koude worden. Wat wilt gij, die zulks doet, daarmede winnen? Wat gij aan den eenen kant wint, zult gij aan den anderen kant verliezen , en ouders, die hunne kinderen alleen rijkdoinmen willen achterlaten, laten hun niets na, dan iets , wat hen zeer licht in het verderf kan storten.
De Zaligmaker verkoos Petrus en Andreas tot zijne Apostelen, ofschoon zij ongeleerde men-schen waren; om zoo veel te sterker zijne macht in hen en door hen te toonen; Hij wilde aan hen wonderen doen. Hoe ongeleerd deze Apos-
i
i
'f
266 Evangelie op den feestdag telen ook waren in den beginne, toen Hij hen riep, nogtlians weten wij, dat zij door den liei-ligen Geest bestuurd, naderhand de Schriftuur uitlegden, met kracht predikten en wonderen verrichtten, waardoor zij duizenden in den Zaligmaker deden gelooven , en alzoo zijne heilige Kerk op aarde uitbreidden. Het zinnebeeld, dat Jesus bezigde, was zeer gepast : volgt mij; dat is : handelt even als ik , verlaat uw huis eu erf, vast, waakt en bidt, neemt uw kruis op, en zoekt de menschen in mijne leer te onderwijzen, voor mij te vangen; ik zal u visschers der menschen maken; gij zult Evangelie-dienaars worden, die door middel van het net, de prediking van het Evangelie, de mensehen zuil vangen, tot geloof en bekeering zult brengen.
Voorts zullen wij aanmerken, dat gelijk erin een net goede en slechte visschen gevangen worden , zoo geschiedt de prediking ook tot ge-loovige en ongeloovige menschen; maar laat ons zorg dragen, dat wij in het laatste oordeel niet als onnutte visschen uit het net geworpen en van de goeden afgezonderd worden. Bidden wij tot dat einde, in het volgende
G Ji b E d.
O Heer Jesus! geef ons waarachtige ootmoedigheid; opdat wij, met den M. Andre/vs door een hemelsch vuur ontstoken zijnde, ons kruis op ons nemen en U navolgen, tot lof van uwen naam en onze zaligheid. Geef, Heer , dat wij, door de verdiensten van uwen H. Apostel, die de Moscoviten met het vuur van uw licht en uwe waarheid ontvonkt heeft, aan datzelfde vuur mogen deelachtig worden ; opdat wij daardoor
â ff
S
van den li. Nicolaas. 267
gewapend worden tegen alle zonden en ketterijen. Dat wij U leeren kennen, die voor ons gekruist zijt. O waarachtige boom des levens ! Laat ons rusten in uwe schaduwe, en dat uwe vruchten ons zalig maken. Amen.
%
TilP
h s
Op den feestdag van den heiligen Nicolaas
Evangelie, Matïheus XXV. 14 - 21.
,/ In dien tijde zeide Jesus : Een mensch, die ,/ buiten 's lands ging reizen, riep zijne dienst-â knechten, en gaf hun zijne goederen in han-u den. Den eenen gaf hij vijf ponden, den ande-n ren twee , en den derden één, elk naar zijn ,/ vermogen, en hij vertrok terstond.quot;
Door deze gelijkenis heeft de Zaligmaker willen doen verstaan, hoe de menschen met de gaven, welke zij van God ontvangen hebben, moeten handelen.
De gaven, welke de menschen van God ontvangen, zijn menigvuldig en verscheiden, hoewel alle menschen er niet evenveel hebben ontvangen; maar ieder heeft er zoo veel, als God noodig en voor den mensch geschikt oordeelde. Deze gaven kunnen weder onderscheiden worden in lichamelijke en geestelijke. Lichamelijke, als : een gezond en sterk lichaam, geschikt om velerlei arbeid te verrichten en om onzen evenmensch bij te staan; gezonde zintuigen en rijkdommen; geestelijke gaven, als : verstand, deugd en kennis; hetzij in godgewijde zaken, in talen of in wetenschappen.
^.k
li
268 Evangelie op den feentdaq
Daar nu elk niet evenveel van die gaven heeft, maar de eene deze en de andere die gaven en weldadetrheeft ontvangen, zoo laat ons daaromtrent niet jaloersch zijn; integendeel zullen wij die weinige, welke wij hebben, wel leeren gebruiken en aanwenden, om daardoor ons wezenlijk geluk te bevorderen ; want gebruiken wij deze weinige niet wel, hoe zouden wij met meerdere geleefd hebben! Wij zijn als dienstknechten , die van alles, wat ons gegeven is, eenmaal rekenschap moeten doen aan den Opperheer. Ook vau den tijd (en dat ik dit nog eens bijzonder aan-roere), ook van den tijd, welken velen niet alleen verwaarloozen, maar dikwijls schandelijk besteden, daarvan zal rekenschap gegeven wTorden. Menig kind zoude meer geleerd, menig jongeling meer geluk, en menig huisvader meer brood hebben , indien zij den tijd nuttiger besteed hadden ! Het Evangelie zegt verder :
â Degene dan, die de vijf ponden ontvangen â had, ging daarmede handelen, en won er nog â vijf bij. Insgelijks ook, die er twee ontvangen â had, won er nog twee bij. Maar die er één ont-â vangen had, ging het in de aarde graven, en â het geld van zijnen heer verbergen. En na een' â langen tijd kwam de heer van die knechten, en â hield rekening met hen. En hij die vijf ponden â ontvangen had, kwam hem andere vijf ponden â brengen, zeggende ; heer, gij had mij vijf pon-â den gegeven, zie daar heb ik er nog vijf boven âgewonnen. Zijn heer zeide hem : welaan, gij â goede en getrouwe knecht, omdat gij over â weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over
van den H. Ni colaas. 269
veel stellen : ija binnen in de vreugd uws
ZD o
â heeren.J
Verschillend handelden de knechten met hetgeen hun Heer aan hen gegeven had, gelijk de menscheu nog dagelijks doen ; de eene gebruikt zijne gaven wel, en de andere begraaft ze, als het ware, in de aarde. Doch eindelijk zal de Heer der heeren komen, met hen rekening houden, en aan ieder loon naar werken geven. Zalig zijn zij, tot welke de Heer dan zal zeggen : welaan, gij goede en getrouwe knecht, omda' gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen ; ga in de vreugde uws Heeren, beërf het koningrijk, dat n bereid is. Doch wee hen, die met hunnen tijd en hunne gaven nietsgedaan hebben, die dezelve niet behoorlijk hebben aangewend, en daarom in de uiterste duisternissen zullen geworpen worden, waar geween en knarsing der tanden zijn zal.
Voorts leert dit Evangelie, dat onze goede werken, door de genade Gods, verdiensten hebben; want Hij wil geene.n druppel water aan den naaste gegeven, onbeloond laten. (1)
Intusschen mogen wij ons niet op onze goede werken verhoovaardigen en ons daarop wat laten voorstaan. Om een voorbeeld van eenen goeden knecht te geven, kunnen wij ons den waardigen Bisschop Nicola as voorstellen , welke al zijne ponden, gaven en goederen, lichamelijke en geestelijke, besteedde om zijnen evenmensch bij te staan en te helpen. Ja, wat nog meer is, hij zocht steeds in het geheim wel te doen ; onder anderen bracht hij gedurig in stilte en door een venster aan de dochters van eene weduwe, die in
1) Matth. XVIII. 22.
270 Evangelie op den feestdag
armoede vervallen was, iets om in hare behoeften te voorzien; waaruit booze menschen, vooi' een tijd lang, kwaad vermoeden opvatten ; doch eindelijk werden deze en andere zijner edele daden openbaar, en de Bisschop Nicolaas werd naderhand voor een' Heiligen verklaard. Zoo leeren wij nog hieruit, hoe de schijn bedriegt, en dat wij de daden onzes naasten niet zoo ligt moeten beoordeelen ot veroordeelen; want zelden ot nooit zijn wij behoorlijk met alle omstandigheden en beweegoorzaken bekend.
GEBED.
Heer Jesus, die volgens uwe beloften de heilige Katholieke leering, door de deugd van uwe Heiligen, getrouwelijk bewaard hebt : geef dat wij door de verdiensten van den H. Nicolaas , die zich bijzonder kloek toonde tegen de Ariaansche ketterij, bijzonder mogen beschermd worden tegen alle ketterijen en ongeloovigheid. O H. Nicolaas ! help ons de genade Gods verwerven ; opdat wij in alle nooden en gevaren beveiligd mogen zijn. Amen.
Op den feestdag van den H. Thomas.
Evangelie, Joannes XX. 21 - 29.
Toen de Zaligmaker van den dooden was opgestaan, vertoonde Hij zich bij het graf aan Maria Magdalena; deze boodschapte het amp;,an zijne leerlingen, die zich naar het graf' spoedden; en ziet, zij vonden het graf ledig, waarop zij weder naar huis keerden. Toen het nu avond geworden was
van den H. TJww.as. 271
en do leerlingen, uit vrees voor de Joden, de deuren gesloten hadden, kwam Jesus in liet midden staim en zeide hun : vrede zij u lieden. Daarna toonde Hij hun de lidteekenen , die Hij in de handen en in de zijde had. Nog eenmaal wenschte Hij hun den vrede en gaf hun den heiligen Geest. De leerling Thomas was hierbij niet tegenwoordig geweest, en in het Evangelie zullen wij hooren , wat er verder voorviel :
,. In dien tijde was Ihomas, een van de twaalf âgenaamd Didymus, niet bij hen, toen Jems â¢â kwam. De andere leerlingen zeiden hem dan : â wij hebben den Heer gezien. Maar hij ant-â woordde hun voordat ik in zijne handen de ga-â ten der nagelen zie, en mijnen vinger steke in â de plaats der nagelen, en mijne hand in zijne â zijde legge, zal ik liet niet gelooven.quot;
Hier hebben wij vooreerst de fouten te bemerken, welke er van Thomas zijn aangeteekend, en dat geene Heiligen zonder de hulp en genade Gods tot dien stand van heiligheid gekomen zijn. De eerste aanmerking op het gedrag van Thomas is, dat hij het goede gezelschap, de leerlingen van Jesus, verlaten had; dit bracht hem tot on-geloovigheid. Ten andere, wanneer Thomas in kwade gezelschappen verkeerd had, dan had hij niet wel gedaan, en evenmin wanneer hij alleen geweest was. (1) Goede voorbeelden volgt men lichtelijk na, terwijl de kwade onze zeden bederven. Daarom zegt OaVtd : met de Heiligen zult gij heilig wezen, en wet de verkeerden zult gij verkeerd worden. Wanneer Thomas bij de leerlin-
1) Matth. XVIII.
. § e
W i HÃ
i
i
272 Evangelie op den feestdag gen gebleven ware, zoude hij mede door den Zaligmaker gegroet zijn geworden met de woorden vrede zij u, ontvangt den heiligen Geest. Met blijdschap gaven de overige leerlingen aan Thomas te kennen, toen hij binnen kwam ; wij hebben den Heer gezien. Doch Thomas bleef onge-loovig; hij kende, hij wilde niet gelooven, dat Jesus van den doode verrezen was, voor en aleer hij zich zelve daarvan overtuigd had, door Jesus met zijne lidteekenen zelf te zien en te betasten. Dit was eene derde fout, of liever eene groote zonde van Thomas; daar Paulus leert, dat het geloof is van zaken, die men niet ziet; want als wij het zien, dan weten wij hot, en behoeven niet meer te gelooven. Wat gebeurde er? De ongeloovige Thomas werd door de goedheid van God, die gaarne onze ongeloovigheid te hulp komt, overtuigd :
â Acht dagen daarna, toen zijne Leerlingen â weder binnen waren, en Thomas bij hen, kwam ,, Jesus, ofschoon de deuren gesloten waren, in â hun midden, zeggende : vrede zij u lieden. ,, Daarop zeide hij tot Thomas : steek uwen vinger â hierin, en bezie mijne handen; neem ook uwe â hand en leg die in mijne zijde, en wees niet
ongeloovig maar geloovig. Thomas antwoordde ', en zeide hem : mijn Heer en mijn God! Jesus â zeide hem : omdat gij mij gezien hebt Thomas, â hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet gezien ,; en nochtans geloofd hebben. quot;
De Zaligmaker had dan reeds een onsterfelijk lichaam aangenomen ; wijl Hij binnen kwam,
1
eh
van den 11. Thomas.
zonder dat de deuren geopend werden. Maar moet onze verwondering niet nog liooger stijgen , wanneer wij bedenken, hoe de Heer in het Sacrament des Altaars tot ons komt.
Merken wij voorts op, hoe zachtzinnig, hoe liefderijk de Heer Thomas behandelde, om hem te overtuigen; ten einde ons daardoor te leeren , dat wij zondaren of ongeloovigen door zachtzinnigheid moeten zoeken te winnen. Leeren wij voorts hieruit dat, ofschoon het geloof eene gave is, wij echter met onzen wil moeten medewerken , en niet ongeloovig zijn gelijk Thomas, maar geloovig.
O dan, wanneer wij uit de volheid onzes harten met Thomas kunnen zeggen : mijn Heer en mijn God! wij gelooven, wij zijn verzekerd; wij zeggen Amen op uw gebod, op uwen wil : dan zal het met ons welgaan, dan zal die zaligheid van Christus op ons kunnen toegepast worden : zalig zijn zij, die niet gezien, en nochtans geloofd heliben. Wij moeten gelooven; het geloof is eene gave Gods. Bidden wij dan God, dat Hij ons geloof al meer en meer gelieve te versterken.
En hebben wij dan met Thomas getwijfeld, of zijn wij in zonden gevallen, laat ons vast en oprecht in het geloof worden , en ons door eene oprechte biecht met God verzoenen, opdat wij in het rijk der hemelen met Abraham, Isaac en Jacob mogen aanzitten.
GEBED.
Heilige Apostel Thomas, die met grooten ijver vele lauden doorgereisd en vele Heidenen tot bekeering gebracht hebt, waarvoor gij nu bij God verheerlijkt zijt : ontsteek in ons het vuur
18
â kM
C it*
273
: Cm!
im
1
O 1
. Jquot;quot;
4i
LA
'li
274 Evangelie op den feestdag
der liefde, dat het gloeie tot den dood, en wij het ware geloof mogen behartigen, tot zaligheid onzer zielen. Amen.
Op den feestdag van Kerstmis.
Evangelie, Lucas II. 15 - 20.
Deze feestdag is de heugelijkste onder alle feestdagen; want heden vieren wij de Geboorte des Zaligmakers; Hij werd in den tijd geboren te Bethlehem, gelijk de Profeten voorzegd hadden. Op dezen dag mogen de Priesters drie Missen doen, en de H. Kerk wil daarmede drieërlei geboorten te kennen geven : de menschelijke, die wij in het eerste deel beschreven vinden; de goddelijke , die door Joanmjss beschreven wordt, doch welke niemand kan bevatten; en de geestelijke, waarvan vrij heden spreken zullen.
In Bethlehems velden waren herders, die de nachtwacht bij hunne kudde hielden ; deze herders zagen zich in den nacht, dat Cheistus geboren werd, door een hemelsch licht omschijnen, en een Engel bracht hun daarvan de blijde boodschap, zeide hun het teeken waaraan zij het goddelijke Kind konden kennen, en steeg weder ten hemel, terwijl eene menigte van hemelsche heerlegers zongen : Glorie zij God in het allerhoogste, en vrede op aarde den menschen, die van goeden wille zijn.
â In dien tijde zeiden de herders tot elkander : â laat ons henen gaan naar Bethlehem, en zien â de zaak die daar geschied is, welke de Heer â ons bekend gemaakt heeft. En zich derwaarts
van Kerstmis. 275
â spoedende, vonden zij Maria en Josef en liet â Kindje liggende in de kribbe. quot;
Hetgeen deze herders lichamelijk en naar de letter deden, moeten wij in eenen geestelijken zin navolgen : elkander vermanen, om te zien en te hooren, wat de leeraars van Christus, de Zaligmaker der wereld, verkondigen. Wij moeten gaan naar Bethlehem, dat is : het huis des broods, de H. Kerk, waar het geestelijk brood, het woord Gods en het H. Sacrament des Altaars uitgedeeld worden, en daar leeren, wat wij moeten doen om zalig te worden. Wij moeten bedenken, hoe het Woord is vleesch geworden, de menschelijke natuur heeft aangenomen , met alle ellenden en gebreken, uitgenomen de zonde, en dat, om Adams kinderen en zondige menschen te verlossen en tot de eeuwige zaligheid te brengen. Wij moeten ons haasten en spoeden, om onze zaligheid uit te werken; want wij weten niet, hoeveel tijd ons nog hier op aarde zal vergund worden. Wij moeten met de wijze maagden onze lampen steeds brandende hebben vau olie der deugden.
Eindelijk, wij moeten alles aanwenden, om tot de dienst Gods te komen, alles verlaten, om den Zaligmaker op te zoeken; Hem gevonden hebbende, zullen wij ons verblijden en verheugen , Hem vasthouden en Hem navolgen. Wij moeten ons niet voorstellen in de dienst van God gemak en pracht te zullen vinden : Jesus zelf leed alle ongemakken : en zoude de knecht meer zijn dan zijn Heer ? Armoede, verguizing en vervolging treffen dikwijls Gods lievelingen hier op aarde ; maar eenmaal zullen zij, uit het stof verhoogd zijnde,totKoningenen Priesters gemaakt worden.
.Zï.
y
i
m
k
276 Evangelie op den feestdag
// En dit ziende, zegt het Evangelie, erkenden n zij hetgene hun van dit Kind gezegd was. En n allen, die dit hoorden, waren verwonderd, ook M over hetgene hun door de herders gezegd werd. ,/ Nu Maria bewaarde al deze dingen in haar // hart. En de herders zijn wedergekeerd, ver-u beerlijkende en lovende God over al hetgene u zij gehoord en gezien hadden, gelijk hun was ti gezegd geworden. quot;
De herders hadden door hunne gehoorzaamheid en hunnen ijver in het opzoeken van het kind Jesus, kennis gekregen aan den Verlosser der wereld. God had hun de blijde tijding voor alle zondaren doen verkondigen, hun daardoor den weg der zaligheid aangewezen. Zij hadden dit goddelijk Kind gezien, en keerden verheugd naar hun vee terug, overal de grootheid en goedheid Gods bekend makende.
Handelen wij even als die herders, dan zal ons ook eene straal der godheid bezielen; wij zullen de zaligheid, door Jesus aangebracht, in onze harten gevoelen, en overal doen blijken, wat de Heer aan ons gedaan heeft.
Ook Mama wordt ons hier ter navolging aangewezen ; want zij bewaarde al deze dingen in haar hart. Zoo zullen wij ook doen, wanneer wij het woord Gods hooren; wij zullen het getrouw bewaren in ons binnenste, en hetzelve daar tot vruchten doen rijpen. Brengen wij dan vruchten voort, die der bekeering en het geheel waardig zijn. Laat ons licht alzoo schijnen voor de men-schen, dat zij onze werken mogen zien; en dusdoende mogen wij hiernamaals mat de heilige
van den II. S/.ephanus. 277
Engelen eeuwige Alleluja's zingen. Dit verleene ons de Vader, de Zoon, en de H. Geest.
GEBED.
O waarachtige Zoon des Vaders! wij loven en danken U, dat Gij de menschelijke natuur hebt aangenomen, door in Bethlehems stal geboren te worden uit de maagd Maria. Hoe wonderlijk zijt Gij, Heer, in uwe geboorte! Wees ons barmhartig en genadig, stort over de Heidenen uwe barmhartigheid uit, verlicht de ketters met de stralen uwer waarheid, en verblijd de Katholieke Kerk, die heden uwe geboorte viert. Dat eerlang alle volkeren voor U nederknielen en in uwen naam gelooven. Amen.
m
iii
K.
VI
!i' quot;I
Op den Feestdag van den Heiligen Stephanus.
Evangelie, Mattheus XXIII. 34 - 39.
â In dien tijde zeide Jesus : ziet, ik zend de â Profeten, wijzen en leeraars tot u ; doch som-â migen hunner zult gij dooden en kruisen : an-,, deren zult gij geeselen in uwe vergaderingen , â en vervolgen van de eene stad tot de andere, j, Opdat over u kome al het rechtvaardia; bloed, â dat op de aarde vergoten is, van het bloed des â rechtvaardigen Ahdsint het bloed van Zackarias, â de zoon van Barackias, welken gij tusschen den âTempel en het altaar gedood hebt. Voorwaar, â Ik zeg u, dat al deze dingen dit geslacht zullen
M
'v'T â¢Ã¯'Vïrj]
a
:
... to-1 A
278 Evangelie op den feestdag
â overkomen. Jeruzalem, Jeruzalem, die de Pro-â feten doodt, en steenigt degenen die tot u ge-zonden worden ; hoe dikwijls heb ik uwe kin-â deren willen vergaderen, gelijk eene hen hare â kiekens vergadert onder hare vleugelen, en gij â hebt niet gewild! Ziet, uw huis zal u woest ge-â laten worden. Want ik zeg u, dat gij mij voor-,, taan niet meer zult zien, tot dat gij zegt: ge-zegend hij, die daar komt in den naam des â Ileeren.quot;
De eerste martelaar Stephanus stierf in het eerste jaar , na Christus Hemelvaart, op den 26 December; en op zijnen feestdag stelt de heilige Kerk ons dit Evangelie voor, waarin de Zaligmaker bij zijne afscheidsrede, kort voor zijn lijden, aan de Joden voorspelde, dat zij, als verharde en verblinde navolgers hunner voorvaderen, die de Profeten hadden gedood, insgelijks zijne Apostelen en Leeraars zouden vervolgen. Dit Evangelie kan alzoo beschouwd worden als eene voorspelling, die Jesus deed van den marteldood van den H. Stephanus; waarbij tevens de Joden njet de rechtvaardige straffen, die hen zouden overkomen , bedreigd worden.
Voorts vindt men in de handelingen der Apostelen, hoe de Joden sommige Apostelen en verkondigers van het Evangelie gedood en gekruisigd hebben; anderen hebben zij in hunne Synagoge gegeeseld of van de eene stad tot de andere vervolgd.
De H. Stephanus had meermalen de Joden over hunne halsstarrige verblindheid berispt, en zich met woorden daartegen verzet. Op eenen
â
len H. Slephanus. 279
tijd, dat Hij met hunne geleerden in de Synagoge redetwistte, en deze het niet winnen tonden, werden zij zoo nijdig, dat zij Sïephanus buiten de stad deden slepen, waar de baldadige Joden den martelaar vooi het geloof met steenen dood wierpen. De heilige man verdroeg alles mei gelatenheid; geen zucht werd van hem gehoord; alleen te midden van zijn lijden hoorde men hem zeggen : Heer Jesus, ontvang mijnen geest, en eindelijk al zijne krachten verzamelende, hief hij zijne bebloede handen ten hemel, terwijl hij bad : lïeer, relcen hun deze zonde niet.
Stephanus volgde hierin het voorbeeld des Zaligmakers: die, aan het kruis hangende, ook voor zijne moordenaren bad. Alzoo is het geen onuitvoerbaar gebod om onze vijanden te beminnen, en te bidden voor degenen die ons haten.
De Zaligmaker voorzng den ondergang van Jeruzalem en van deszelfs inwoners, en daarom klaagde Hij weemoedig : Jeruzalem, Jeruzalem, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen; gelijk eene hen hare kiekens onder hare vleugelen; och, of gij nog in tijds bedachtet, wat tot uwen vrede dient; dat gij in tijds mijne lessen en vermaningen navolgdet; doch alles vergeefs; gij hebt niet geioild: gij blijft volharden in uwe on-geloovigheid, in uwe boosheid; volharden in het vervolgen der Profeten ; maar daarom zullen u ook allerlei plagen overkomen : uwe stad en uwen tempel zullen verwoest en velen uwer zullen om het leven gebracht worden; anderen onder u zullen als bannelingen door de wereld omzwerven. Moch-tet gij, kondet gij nog in tijds bedenken, wat tot uwen vrede dient; maar de oogen uws ge-moeds zullen gesloten zijn, tot omtrent aan het
â¢Y'
â¢:gt;:i
S
â ;» Al
$.4
lyN %amp;
I
Ut
280 Evangelie op den feestdag einde der dagen, wanneer gij mij als den waren Messias zult erkennen en zult uitroepen : gezegend Hij, die komt in den naam des Heer en!
Deze voorspelling van Jesus is stiptelijk vervuld, toen, bijna veertig jaren na zijne Hemelvaart, de stad en den tempel van Jeruzalem zijn verwoest geworden, en duizende Joden de vlucht namen.
Maar wat zullen wij hieruit opmaken ? Moeten wij ons niet vragen, of het heden ten dage, in vele opzichten, niet even zoo gesteld is onder de Christenen ? Immers, God zendt hun zijne leeraars en predikers, om hen tot geloof en bekeering te brengen; doch welk nut wordt er uit hunne leer en vermaningen getrokken ? Blijven de meesten niet, wat zij eenmaal zijn? de dronkaards, de lasteraars, volgen hunne neigingen; de onkuischen wierooken steeds hunne afgoden, en de tragen sluimeren in hunne traagheid voort; zoo dat weinigen ingaan door de enge poort. Wat zal daaruit volgen ? Dat zij, die den weg geweten en niet bewandeld hebben, met dubbele slagen zullen geslagen worden; ja, het zal Sodoma en Goruorra in den dag des oordeels verdragelijker zijn, dan hen, aan wie het Evangelie is verkondigd geworden en die er niet naar geleefd hebben. Hun zal toegevoegd worden : u is de zaligheid aangeboden, maar gij hebt niet gewild. Ach, dat wij deze waarschuwingen niet langer in den wind slaan; dat wij naar Jesus vluchten en biddende zeggen : Heer, hekeer mij, en ik zal tot V bekeerd worden !
van den H. Joannes, Evangelist. 281
GEBED.
Heer! Gij die degenen zegent, welke uwe geboden gehoorzamen, en de ongehoorzamen tijdelijk en eeuwig straft : geef dat wij ons voor alle verkeerdheden wachten, uwen naam altijd belijden, uwe leeraars hooren en hunne vermaningen opmerken, en onze vijanden liefhebben ; opdat wij in de komst uwer klaarheid met al uwe Heiligen verheerlijkt worden, met U eeuwig te loven en te danken. Amen.
L' «ff
I
â¢(Jjf 'i
I
rV
Op den feestdag van den heiligen Joannes, Evangelist.
Evangelie . Joasnes XXI. 19- 33.
Onder de feestdagen, welke men kort na Kerstmis viert, is die van Joannes den Evangelist niet zonder reden ingesteld. Deze Joannes moest mede den kelk der marteling drinken, daar hij in kokenden olie gedompeld werd, op last van Keizer Domitiantis; doch hij kwam onverlet daaruit, en is naderhand eenen natuurlijken dood gestorven. Het Evangelie zegt :
// In dien tijde zeide Jesus tot Petrus: Volgt u mij na. Petrus zich omkeerende, zag den leer-;/ ling, dien Jesus beminde, achter hem komen, // die ook in het avondmaal op zijne borst gerust ;/ en gezegd had : Heer, wie is het, die u verra-// den zal ? Als Petrus hem zag, zeide -hij tot // Jesus : Heer, hoe zal het dan met dezen gaan ? // Jesus zeide hem : zoo ik wil, dat hij blijve tot
Ii't 1^:
M
â 0
â -li
cm
282 Evangelie op den feestdag z/ik kom, wat gaat het u aan? Volgt mij. De // spraak ging nu onder de broeders, dat die leer-// ling niet zoude sterven. Nochtans had Jesus hem // niet gezegd : gij zult niet sterven, maar, zoo // ik wil, dat hij blijve tot dat ik kom, wat gaat // het u aan ? quot;
Nadat Jesus van den dood verrezen was, verscheen Hij voor de derdemaal aan zijne leerlingen, bij de zee van Tiberias, alwaar Petrus en eenige zijner medeleerlingen bezig waren met visch te vangen. Jesus hield hier het middagmaal met hen, en daarna vroeg Hij aan Petrus, of hij lïem beminde, en meer dan de andere. Petrus antwoordde eenvoudig : Heer, gij weet wel dat ik U bemin, zonder eene gelijkenis te maken of hij Jesüs meer beminde of niet. De Zaligmaker deed hem ten tweeden en derdenmale deze zelfde vraag, eu telkens hetzelfde antwoord bekomende, beval Hij aan Petrus Hem na te volgen en zijne heilige Kerk te regeeren, hem tevens voorspellende , welken dood hij zoude sterven.
Petrus vroeg daarop aan den Zaligmaker, wat er met den leerling, dien Jesus beminde, namelijk met Joannes zoude gebeuren ? Als of hij wilde zeggen : zal ik u volgen in leven en sterven, omdat ik U bemin; wat zal dan Joannes doen, dien Gij zoo bijzonder bemint, en die U ongetwijfeld ook bijzonder lief heeft ?
Eer wij met het verhaal voortgaan, willen wij opmerken, dat Joannes uit nederigheid zich zelve niet bij den naam noemt, en dat zulks dient nagevolgd te worden; want de nederigheid staat een Christen schoon. Voorts was Joannes de bijzonder geliefde leerling des Zaligmakers, we-
ir
van den H. Joannes, Evangelist. 288 gens zijue goedheid, en dat hij den Heer reeds vroegtijdig gevolgd had. Onder al de Apostelen was er ook geen, die Christus zoo lang gevolgd had als Joannes, de bruidegom te Cana in Ga-lilea, die Christus van de bruiloft volgde en zijne bruid niet bekende, maar onbevlekt geble- 4 \!s,|
ven is. Eindelijk is de oorzaak waarom de Heer ' V/ f
Joannes bijzonder lief had, daarin te zoeken,
dat, toen alle Apostelen bij het kruis van Hem wegvloden, Joannes alleen met Maria staan bleef. Geen wonder derhalve, dat Jesus zijne zuiverheid en zijne teederheid kennende, hem zijne Moeder aanbeval. Moeder, zie uwen zoon,
zeide Hij aan Maria en aan Joannes ; zoon, zie uwe Moeder. Joannes werd alzoo de broeder van Jesüs; want een broeder wordt gekend in den nood. En mochten armoede en ongelukken niet zoo dikwijls de vrienden van ons verwijderen gelijk dit helaas, maar al te veel onder de Christenen plaats grijpt ! In voorspoed heeft men vrienden in overvloed, doch zoodra de tegenspoed komt, verdwijnen er velen , en dan ziet men eerst, wie de oprechte vrienden waren.
Petrus kreeg op zijne vraag tot antwoord : zoo ik wil, dat hij hlijve, tot ik kom, wat gaat het uaan. Hiermede wilde Jesds niet zeggen, gelijk sommige der leerlingen meenden, dat Joannes A
niet sterven zoude, maar eenvoudig dit : hij zal ''IJ
niet ter dood gemarteld worden, gelijk gij; doch ongeschonden blijven, tot dat ik zelf kome en hem tot mij neme, gelijk ook geschied is. Alhoe-wel Jesus te voren aan Joannes gezegd had, HOHI
dat hij den kelk drinken zoude, zoo was er echter niet gezegd, dat hij daaraan zoude sterven.
De heilige kerk viert dezen dag, en bidt Joannes
284 Evangelie op den Feestdag
met de andere Heiligen, om voor ons te bidden. 1 â Hij is in den ouderdom van negen-en-negentig m jaren als Bisschop van üphese, gestorven. God 11 had hem zijnen sterfdag bekend gemaakt, en op dezen liet hij zich van zijne leerlingen buiten de j stad op eenen berg drngen, waar hij eenen kuil ï liet graven, en afscheid nam van zijne leerlingen, terwijl hij hun vermaande, om toch eikanderen lief te hebben. Daarop liet hij zijnen mantel in den kuil vallen en volgde zelf, terwijl hij de om- : standers zegende. Zijn graf werd door eene he-melsche klaarheid omgeven, en kort daarna zocht ^ men in hetzelve, maar ziet, men vond er Joan- | nes niet meer in. Zoo blijmoedig kunnen de l vromen den dood tegengaan, want zij weten dat zij overgevoerd zullen worden in de betere we- : reld, waar zij eeuwig met den Heer Je sus leven â zullen.
GEBED.
Almogende Heer Jesus ! Gij hebt uwTen lieven leerling Joannes vele dingen geopenbaard , en het volk in het Katholiek geloof doen onderwijzen : zondaren zijn bekeerd geworden , Heidenen zijn van hunne afgoden geweken, Joden hebben uw geloof leeren kennen, en Christenen zijn tot de volmaakte liefde gebracht. Wij bidden uwe goddelijke goedheid, wil uwe heilige Kerk, door de groote liefde van Joannes, vermeerderen en verlossen van allen twist en tweedracht; opdat wij U met godvruchtigheid mogen dienen, al de dagen onzes levens, en TJ hiernamaals met den H. Joannes eeuwig loven. Amen.
der Onschuldige Kinderen.
Op den feestdag der Onschuldige Kinderen.
'Evangelie, Mattheus II. 11, 16 en 18.
// In dien tijde verscheen de Engel des Heeren n aan Josef 'm den droom, zeggende : sta op, en u neem het Kind en zijne Moeder, en vlucht naar | // Egypte; en blijf daar tot ik het u zeggen zal. '⢠â Want het is voorhanden, dat Herodes het Kind 1 n zal zoeken te dooden. quot;
I
Deze vlucht van Josef en Maria met het kind ; Jesus naar Egypte, is niet aanstonds na de geboorte van den Zaligmaker voorgevallen, alhoe-wel dat deze Feestdag zoo kort op zijne geboorte i gevierd wordt. Want het is zeker, dat Jesus nog binnen Bethlehem was, toen de Wijzen of Koningen Hem kwamen bezoeken; en dit toch was eerst den dertienden dag na zijne geboorte. De ; heilige Kerk viert dezen dag kort na zijne geboorte, om te doen zien, welk een machtig Koning Hij is; daar Herodes Hem vreesde, en bevreesd was dat Hij hem zijn koningrijk zoude ontnemen ; maar Chuistus koningrijk was niet van deze wereld. Indien dit ook geweest ware, dan zoude Herodes met al zijne loosheid en boosheid evenmin den Christus hebben kunnen tegenstaan.
Van de Wijzen uit het Oosten had Herodes en geheel Jeruzalem vernomen , dat de Koning der Joden geboren was, en hij, een Heidensch Vorst zijnde, aan wien de Joden door de Romeinen onderworpen waren, vreesde dat Hij de Joden mocht verlossen en hem van den troon stooten.
,4rK
cy â¢* \quot;
flli
'4
â Qm' !
WA
m
'l ****** s â
285
m
vkj 11
M J
'â¢Â«I
JiMuM
286 Evangelie op den feestdag
Herodes veinsde dit Kind te willen aanbidden, zond de Wijzen naar Bethlehem, met bevel, om hem te boodschappen, wanneer zij het zouden gevonden hebben. Intusschen vermaande hun een Engel des Ileeren van niet naar Herodes terug te keeren, daar hij kwade oogmerken had en het Kind zocht te dooden. Zij keerden dan langs eenen anderen weg naar hun land terug.
h lier odes ziende dat hij van de Wijzen bedro-t, gen was, werd zeer vergramd, en hij zond heen // en doodde alle kinderen, die in Bethlehem en // binnen al deszelfs landpalen waren, van twee ;/jaren of daaronder, volgens den tijd, dien hij ,/ van de Wijzen nauwkeurig onderzocht had. quot;
Herodes wachtte met ongeduld dat de Wijzen zouden terugkeeren : hoop en vrees, verlangen en angst, wisselden beurtelings bij hem af. Eindelijk merkte hij, dat hij door de Wijzen bedrogen was, beraamde een ander plan, om desniettegenstaande in zijn heimelijk oogmerk te slagen; namelijk om dezen nieuwgeboren Koning der Joden te doen omkomen. Hij werd zeer vergramd, en gaf bevel dat men alle kinderen, beneden de twee jaren oud, te Bethlehem en in den omtrek zoude dooden; op hoop, dat dan ook dit wonderkind er bij zoude zijn.
Intusschen was een Engel Josef van dit voornemen komen boodschappen, die, gelijk boven gezegd is, met Jesüs en zijne Moeder naar Egypte vluchtte. Het is waar, Jesus had zich wel op eene andere wijze of door een wonder kunnen redden, doch Hij wilde toonen, dat Hij ook waarachtig mensch was; alsmede, dat wij hieruit
der Onschuldige Kinderen. 287 zouden leeren, om voorzichtig te zijn, en liever, wanneer wij vervolgd worden, van de eene stad naar de andere zullen vluchten, dan ons aan gevaren bloot te stellen. Zoo zijn ook andere heilige mannen, Jesus voorbeeld navolgende, gevlucht wanneer zij vervolgd werden, alhoewel zij begee-rig waren om voor den naam Jesus te lijden.
Ook leeren wij hieruit, om elke goede inspraak des gewetens gehoorte geven, daar Josef dadelijk uit den slaap opstond en de vlucht nam. Wij moeten daar niet over heen slapen en het uitstellen, maar dadelijk onze pogingen aanwenden, om die inspraak te volgen, eer dat Herodes, de duivel, komt en ons verrast.
De onschuldige kinderen, te Bethlehem en in den omtrek, werden, terwijl Jesus naar TLgypte gevlucht was, om het leven gebracht; zij moesten onder hunne beulen bezwijken; geene voorspraak, geene tranen der moeders konden hen bevrijden; zij moesten het levenslicht dat zij pas aanschouwden, derven.
// In Rama is eene stem gehoord , veel ge-v ween en gekerm. Rachel beweende hare kin-v deren, en wilde niet getroost worden, omdat // zij er niet meer waren.quot;
De Profeet Jeremias had Rachel, Benjamins moeder, die verscheiden eeuwen dood was geweest , op eene profetische wijze vertoond, als rouwbedrijvend over het wegvoeren van hare nakomelingen. Door Rachel worden hier afgebeeld de moeders van Bethlehem en van den stam van Benjamin, betreurende het vermoorden van hare kinderen. Ja, geliefden, als wij ons dit voorstel-
's
d
J
quot;'V''
ai â¢. â¢*')gt;
M
L 4
iM
'.CM1
d Hi
Bi
â¢kquot;
rs
J2l
288 Evangelie op den feestdag
len, dan moeteu wij daardoor ontroerd worden, j \ Doch wat zullen wij zeggen? God heeft zijne bij- j zondere redenen, waarom Hij den mensch onge- i| lukken laat overkomen; doch wat het ook zijn j moge, stellen wij vast, dat al wat ons overkomt, ij tot ons heil verstrekt. Het waren kleine, onschuldige kinderen, die het leven zoo jammerlijk j moesten verliezen; maar gesteld, zij waren allen | groot geworden, hadden hun nog onschuldig gemoed bedorven, en vaak van den weg der deugd afgeweken, dan hadden zij nog eenmaal de smart des doods moeten ondervinden. Wat zoude het | dan geweest zijn ? Zouden zij dan gelukkig zijn geweest ? Zeker niet, maar thans was het zeker , dat zij in den hemel kwamen, omdat zij uit het voorgeborgte der hel door Christus zouden zijn ;â verlost geworden. Even op die wijze moet men denken, omtrent de kinderen, die bij den zondvloed en onlangs bij de grieken, omkwamen. Zij zullen in eene betere wereld aanlanden, waar alle smarten ophouden.
De kinderen, te vermoord, worden
als martelaren aangezien; want het is genoeg, dat zij onschuldig waren en geene zonden hadden; zij waren besneden en daardoor van de erfzonde bevrijd; daarenboven stierven zij voor Christus, en hoewel zij zulks niet wisten noch wilden, doordien zij geen gebruik van hun verstand hadden; Christus kon niet meer van hen eischen.
Laat ons dan den Heere geven al wat wij hebben, opdat wij ook martelaars worden ; het zij met den wil alleen, gelijk de Evangelist Joannes; hetzij met de daad, gelijk deze onschuldige kinderen; hetzij eindelijk met den wil en de daad, gelijk de H. Scephanus.
van onze Lieve Vrouw Lichtmis. 289
GEBED.
O gij, onschuldige kinderen, bloemen en eerstelingen in den marteldood ! gewaardigt u in de volheid uwer genade, door uwe onschuld, die vergiffenis der zonden te verwerven, opdat wij hiernamaals de zaligheid beërven, gelijk gij die reeds sedert eeuwen bezit. Amen.
i i
v-
lij
li» mi
rnymi
J
W
Op den feestdag van Onze Lieve Vrouw Lichtmis.
Evangelie, Lucas II. 22-32.
â In dien tijde , nadat de dagen der zuive-â ring van Maria vervuld waren, naar de wet â van Mozes, brachten zij Jems naar Jeruzalem, â om Hem den Heer op te dragen, volgens het-â geen er geschreven staat in de wet des Hee-,, ren : ieder eerstgeborene van het mannelijke â geslacht, zal den Heer toegeheiligd worden. âEn om het slachtoffer te geven, naar hetgene ,, in de wet des Heeren gezegd wordt : een paar â tortelduiven of twee jonge duiven.quot; £;â¢
Aan deze wet der zuivering van veertig dagen, had Maria, die nooit onzuiver geweest is, niet behoeven te voldoen, daar zij uit den heiligen Geest ontvangen had, evenmin als aan de besnijdenis van het Kind ; doch zij wilde de wet volbrengen, om geene ergernis te geven. Zij gedroeg zich gehoorzaam en ootmoedig, bracht Jesüs naar den tempel te Jeruzalem, om Hem
19
tl
|
rden. bii | |
|
01J- nge- | |
|
zijn ;; | |
|
)mt, ji | |
|
on- | | |
|
rlijk | |
|
ill en | |
|
ge- | |
|
ugd | |
|
nart | |
|
het | |
|
er. | |
|
het ⢠| |
|
zijn | |
|
nen | |
|
nd- | |
|
Zij | |
|
'aai | |
|
den | |
|
dat | |
|
zij | |
|
be | |
|
en | |
|
or- | |
|
3n; | |
|
wij | |
|
iet | |
|
ist | |
|
m- | |
|
en | |
290 Evangelie op den feestdag daar aan den Heer op te dragen en eene offerande te doen van twee duiven. Rijke lieden moesten een lam offeren, terwijl de armen met een paar duiven bestaan konden; en indien Maria en Jozef, van het goud van de Wijzen gekregen, een lam hadden kunnen koopen, mogen wij vaststellen, dat zij zulks niet deden, om geen opzien te baren en nederig te blijven. Ook leert ons de lichamelijke zuivernig, dat wij eene geestelijke noodig hebben, willen wij eenmaal den hemel binnen gaan. Twee middelen zijn er om geestelijk gezuiverd te worden ; namelijk : water en vuur. Water beteekent het H. Sacrament van boetedoening in dit leven, en van berouw, uit- en inwendige tranen, oprechte biecht en voldoening, gelijk de Priester opgelegd heeft. Door vuur wordt men gezuiverd na dit leven , van dagelijksche en doodzonden, die door het genoemde water wel uitgewischt worden, maar niet zoo volmaakt als die van David, Petrus, Magdalena ; waarom zij hiernamaals nog eens moeten gezuiverd worden in het vagevuur.
Dat alle eerstgeborenen voor den Heer gebracht en voor Hem heilig genoemd werden, leert ons, dat onze eerste gedachten, woorden en werken den Heer moeten worden toegewijd; hetzij bij het ontwaken, hetzij wij iets anders doen. Hierbij zullen wij de offeranden niet vergeten.
Geestelijkerwijze moet ieder in zijnen staat offeren : de rijken, dat zijn de maagden, die den rijksten staat verkozen hebben, want de maagdelijke staat overtreft verre de andere staten; deze moeten een lam of een zuiver lichaam met eene zuivere ziel offeren, om het lam Gods overal
T
.4 'gt;quot;â¢
van onze Lieve Vrouw Lichtmis. 291.
te volgen. Zij die minder rijk in deugden zijn ,
moeten een paar tortelduiven of twee jonge dui- \ , ,quot;»'y
ven offeren, dat is : elk moet de zuiverheid van zijnen staat bewaren, en in alle geval de ge- V-l'
aardheid der duiven bezitten : zij moeten oprecht | \ 1
zijn gelijk de duiven. (1) Laat ons het tweede gedeelte van het Evangelie hooren :
Jl
// En zie, daar was een man te Jeruzalem , .tjï]
,/genaamd Simeon, die rechtvaardig en godvree- ;vj
,/ zend was, verwachtende de vertroosting van ^ 5vji|
// Israël; en de heilige Geest was in hem. En hij quot;3^ j
;/ had eene openbaring van den heiligen Geest itml //ontvangen, dat hij niet zoude sterven, voor // dat hij eerst den Gezalfden des Heeren zoude // gezien hebben. Hij kwam dan door den Geest
// in den tempel. En als de ouders van het kind ......
// Jesus hetzelve binnen brachten, om voor het- v M
//zelve te doen naar de gewoonte der wet, zoo IJMIi
// nam Simeon het Kind in zijne armen en loofde L â )* J âGod.quot;
De godvruchtige Simeon had, benevens andere vrome menschen , reeds lang op de komst van den Messias, den Verlosser van Israël, gehoopt;
zij zagen dien met verlangen te gemoet, en God tjamp;fv
had Simeon doen openbaren, dat hij nog vóór zijn sterven, den lang verwachten Messias zien jjquot;' gt;
zoude. Toen nu Josef, de voedstervader van /'M
Jesus, en Maria, zijne moeder. Hem in den tempel brachten, om Hem als den eerstgeborene N
den Heer op te dragen, en voor vijf sikkelen , ,;f
5
1) llattli. X. .i ;Vjj
'â vfifi
:=ji
hk
13
292 Evangelie op den f eeddag
eene zekere munt bij de Joden, vrij te koopen, werd Simeon door den heiligen Geest bewogen om naar den tempel te gaan, waar hij den Gezalfden des Heeren, Christus, den beloofden Messias, vinden zoude. De oude man kwam iu den tempel en verheugde zich, dat hem deze genade gebeuren mocht. Hij nam het Kind in zijne armen, loofde en verheerlijkte God.
O, mochten wij ons de genade waardig maken, dat wij door den Geest Gods naar den tempel gedreven werden; maar helaas, velen worden er door de nieuwsgierigheid heengedreven, om te zien en om gezien te worden. Het nut, dat zij dan ook uit de predikatien trekken, is veelal zeer gering. Het gaat niet met iedereen, gelijk met Augustinus, die door Gods genade en de prediking van Ambeosiüs bekeerd werd, hoewel Augustinus uit nieuwsgierigheid zich derwaarts begeven had. En wee hen, die het lichaam en bloed des Heeren onwaardig ontvangen; want zij eten en drinken zich zeiven een oordeel. (1) Onderzoeken wij vooraf ons geweten, met welke meening en uit welken geest wij communicee-ren, dan kunnen wij, het heilig Sacrament waardig nuttigende, met Simeon zeggen :
n Nu laat Gij, Heer, uwen dienaar naar uw â woord in vrede gaan. Want mijne oogen heb-// ben den Zaligmaker gezien, dien Gij bereid // hebt voor het aanschijn aller volkeren ; een n licht tot verlichting der Heidenen; en tot n heerlijkheid uws volks Israël.quot;
Wij zullen, zeg ik, met Simeon in vrede gaan
1) Cor. XI : 27.
van den 11. Matthias. 293
of gerust sterven kunnen, verwachtende de zaligheid des Heeren; ja, wij zullen met Simeon en Paulus verlangen om ontbonden te worden en met Christus te zijn.
GEBED.
Heer Jesus! maak mijn hart tot eenen waar-digen tempel, waarvan Gij bezit kunt nemen. Ik reikhals naar TJ en verlang naar U, mijn Heer en mijn God; ik strek de armen naar U uit, opdat ik met den heiligen Simeon niet van deze wereld scheide, voor dat ik U met de oogen des harten gezien hebbe. Amen.
f '
5:
*^ai 'Mnl h. ij
es
quot;il
â¢Mr
jsA
Op den feestdag van den heiligen Matthias.
Evangelie, Mattheüs XI. 25 - 30.
,/ Tn dien tijd sprak Jesus aldus : Ik dank U, // Vader, Heer des Hemels en der aarde, dat Gij // deze dingen voor de wijzen en verstandigen ,/ verborgen en aan de kleinen geopenbaard hebt. n Ja, voorwaar. Vader, het heeft U dus behaagd. // Alle dingen zijn mij van den Vader overgege-n ven; en niemand kent den Zoon, dan de Vader , ,/ noch iemand den Vader dan de Zoon, en dien // het de Zoon wil openbaren. quot;
Hier wil ons Christus leeren , hoe aangenaam Hem en zijnen hemelschen Vader de deugd van ootmoedigheid is; want den ootmoediger! schenkt Hij niet alleen genade, om wel te doen en te leven, maar ook goddelijke wijsheid en weten-
;-L'
v,
|
2!H Evangelie op den feestdag scliap, om wel te leereti. Dit bewijst Christus door het voorbeeld der Apostelen, die eenvoudige, ongeletterde menschen waren, en die evenwel door hunnen ootmoed en begeerte, om Gods wijsheid te hooren, de genade ontvingen, anderen te leeren en te onderwijzen; daartoe gaf hun God den heiligen Geest, die hen deed spreken in andere talen. God hield voor de Schriftgeleerden en Farizeërs verborgen, wat Hij aan zijne kleinen, zijne ootmoedige vereerders, openbaarde. De Farizeërs waren inbeeldende menschen, die in hunne eigene oogen en voor de wereld verstandig waren, maar door God als dwazen werden aangemerkt. Hoe verkeerdelijk deze handelwijze was, laat zich gemakkelijk beseffen. Wij zien nog heden ten dage vele van die Farizeërs , ik zeg van die dwaalgeesten, die, omdat zij de geheimen van onze heilige godsdienst met hun natuurlijk verstand niet kunnen bevatten, dezelve durven aantasten en verwerpen; doch laat ons met den H.Matthias ootmoedig zijn, geringe gedachten van ons zeiven hebben, en van den hemelschen Vader de gave van wijsheid afsmee-ken. Laat ons ons verstand gevangen geven ten dienste des geloofs, en onzen wil leeren buigen onder de dienst des Heeren; ten einde de geboden Gods te gehoorzamen. Hetgeen wij uit ons zeiven niet vermogen , is Jesus gereed ons te geven , zeggende :
// Komt tot mij, allen, die belast en beladen u zijt, en ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk // op u, en leert van mij, dat ik zachtmoedig en // ootmoedig van harte ben : en gij zult rust
van den heiligen Matthias. 295 u voor uwe ziel vinden. Want mijn juk is zoet u en mijn last is lioht.quot;
Deze woorden van het Evangelie leeren duidelijk, dat de geboden van God en der H. Kerk kunnen onderhouden worden, wanneer God ons zijne hulp en bijstand verleent; en dit wil Jesus doen, daar Hij zegt : Komt tot mij allen, die heiast en leladen zijt, icie de zonden dnckt, en ik zal u verhviklcen. Neemt mijn juk, datis mijne wet en Evangelie op u, volbrengt dezelve, en leert daaruit van mij, die u voorga, dat ik ootmoedig hen.
Toorts worden wij hier wederom vermaand tot zachtmoedigheid , de eerste deugd, welke een Christen moet versieren; want van deze komt men lichtelijk tot andere. En zoude ons de nederigheid niet passen, daar Jesus ons zijn voorbeeld heeft nagelaten; Hij was toch zoo nederig, zoo zachtmoedig, zoo gelaten. Wij ondervinden ook dagelijks, dat een hoogmoedig en trotsch mensch van iedereen veracht wordt. Hoe veel te meer zal God de hoovaardigen wederstaan; daar Hij zijn maker, zijn verzorger is, zonder wiens wil de mensch geen adem halen, geen voet verroeren kan. Waarop zoude de mensch trotsch zijn ? Op eene hooge geboorte? Wij zijn immers allen zusters en broeders, en kinderen van God onzen Vader. Op zijne eerambten? Zeker niet; want Gods enkele wil bonst hem daaruit, en hij is niet meer. Op zijne ordeteekens ? Deze zijn immers in het oog van God als spinnewebben. Maar ik weet eenen staat, eenen titel, die meer is dan al deze : de Christen in den staat der genade ; de Christen, die de geboden van God en van de H. Kerk onderhoudt.
r.Ã,;
1*1
I
w
in i/'i
â 1 J
1 ' â -«u.,
â JL
'Wh ij
M
II
296 Evangelie op den feestdag
Laat ons dan zachtmoedig en ootmoedig zijn , ons innig verheugende , dat wij Christenen en kinderen der H.Kerk zijn, geroepen om den Heer Jesus na te volgen. In voorspoed zullen wij niet trotsch, maar dankbaar zijn jegens God, die ver-hoogen en ook vernederen kan ; in tegenspoed moeten wij bedenken, dat een leerling niet beter is dan zijn meester (1); dit dachten ook de Apostelen, behalve Judas, in wiens plaats de H. Matthias, door Gods bestiering, tot medeapostel gekozen werd. Zekerlijk was dit wegens zijne ootmoedigheid, wat de naam Matthias beteekent. Volgen wij Jesus en Matthias voorbeeld; dan zullen wij rust voor onze zielen hebben, dan zul -len wij ondervinden, dat Jesus juk zoet en zijn last licht is.
GEBED.
Heer Jesus, die in de wereld gekomen zijt, om de menschen te leeren, hoe zij onder uw juk, uwe wet, levende, rust voor hunne zielen erlangen : schenk ons uwe genade, opdat wij den aangenamen last uwer geboden gewillig dragen en opvolgen ; dan kan ons de zware last des vleesches, der wereld en van den boo-zen vijand niet drukken. Wij bidden Ã, o Zaligmaker, dat Gij ons deze barmhartigheid ver-leenen en ons verkwikken wilt, door de voorbidding van uwen H. Apostel Matthias.
1) Joan. XIII : 18.
van O. L. 7. Boochchap.
Op den feestdag van Onze Lieve Vrouw Boodschap.
Evangelie, Lucas I: 26 - 38.
â In dien tijde werd de Engel Gabriel van God â gezonden naar eene stad van Galilea, met name â Nazareth, tot eene maagd, die ten huwelijk , gegeven was aan eenen man, met name Josef, â uit het huis van David ; en de naam der maagd â was Maria.quot;
Deze Feestdag mogen wij met recht vieren , daar heden de gedachtenis gevierd wordt van het allergrootste geheim : namelijk : de mensch-wording van Christus.
Een van Gods heilige dienaren, de Engel Ga.-buiël, werd gezonden tot eene maagd, die, met haren bruidegom, uit het koninklijke geslacht van David afkomstig was; die echter, daar dit geslacht niet meer in het bezit der koninklijke waardigheid was, in eenen geringen staat te Nazareth, een stadje van Galilea leefde. De Engel Gabri iói. bracht aan Maria de blijdste boodschap die ooit gebracht werd, want :
â Als de Engel tot haar ingekomen was, zeide â hij : wees gegroet, gij vol van genade! De Heer â is met u : gezegend zijt gij onder de vrouwen. â Als zij dit hoorde, werd zij ontroerd over zijne â woorden, en bedacht wat dit voor eene groete-., nis mocht wezen. En de Engel zeide tot haar :
amp;
jl
â lt;,
'tis
JM
hi yï
'ïv/f 'â ' lt;,.
a
*
.X.
.Cquot;1 gt;
' jr
â R:
297
Ti tóf
298 Evangelie op den feestdag â vrees niet, Maria, want gij liebt genade bij â God gevonden. Zie, gij zult ontvangen in uw âlichaam, en eenen zoon baren, en zijnen naam â Jesvs noemen. Deze zal groot zijn, en de Zoon ,. des Allerhoogsten genoemd worden : en God â de Heer zal hem den zetel van zijnen vader â David geven, en hij zal in het huis van Jacol ,, heerschen in der eeuwigheid. En zijn koning-â rijk zal geen einde hebben.quot;
Wij kunnen hier aanmerken : 1. Dat in dit Evangelie den sehoonsten lof aan Maria gegeven wordt; eenen lof, die nooit eenig ander mensch van God ontvangen had. De Engel groette Maria vriendelijk, noemde haar vol van genade, en zeide : de Heer is met u; gezegend zijl gij onder de vrouwen. Op het hooren van deze groete ontstelde Maria, en wist niet, wat dit zoude beteekenen; en daaruit leeren wij : 2. Dat Maria zeer ootmoedig was : want zij wist, dat de Engel haar niet vleide, en haar niet onverdiend zoude prijzen, gelijk de menschen dikwijls doen. Een dwaas en eerzuchtig mensch ontstelt niet, wanneer hij in zijn aanschijn geprezen wordt; hij hoort gaarne dat men hem lof toezwaait, hem bedriegt; doch iemand, die ootmoedig en nederig van harte is, zal over eiken lof, welken men hem in zijne tegenwoordigheid geeft, blozen en verlegen staan; hij zal gaarne zien, dat men prijzen aan anderen uitdeelt, en bij zich zelven denken : gij bezit meer dan hij. De vrees echter welke Maria had, werd door den Engel weggenomen, toen hij haar gerust stelde door zijne nadere verklaring; en zoo zien wij, 3. Dat men
p
van O. L. V. Boodschap. 299 al ras kan zien, wat een werk van God is, en wij ons alsdan kunnen bemoedigen en herstellen. De Engel zeide aan Maria , dat zij den langbe-loofden Messias zoude baren, die den Zoon des Allerhoog sten genaamd en als zoodanig erkend zoude ivorden; aan wien een geestelijk koningrijk, niet alleen over de Doden, maar over alle men-schen, zoude gegeven worden; een koningrijk, dat aan David beloofd was, als zullende de Messias uit zijnen stam geboren worden; en dit werd door liet tijdelijk rijk van David verbeeld : Hij zal, zeide de Engel, in het huis van Jacob, in de H. Kerk, in der eeuwigheid heerschen.
Maria twijfelde niet aan de waarheid van dit alles, doeh zij wist niet op welke wijze zulks zoude geschieden. Daarom
,/ Maria zeide tot den Engel : hoe zal dit ge-// sollieden, daar ik geenen man beken. Eu de En-» gel antwoordde haar; de heilige Geest zal over â u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u ;/ overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat // uit u zal geboren worden, de Zoon Gods genoemd â worden. En zie, Elisabeth, uwe nicht, heeft ook u zelfs in haren ouderdom eenen zoon ontvangen, n en dit is de zesde maand voor haar, die men n onvruchtbaar noemde. Want daar zal geene â zaak bij God onmogelijk zijn,quot;
Dit was als of de Engel zeide : vrees niet voor het verlies uwer reinheid (want Maria had, met toestemming van Jozef, de belofte van zuiverheid gedaan), deze zult gij houden, aangezien het ontvangen door de kracht Gods zal geschieden :
|cj4
: vr
â¢H âV-i
k'ii
.13
W?
;1pnJö|s 'ITTr *'
â¢V.,
â¢'«ST' tik**#'
ii
w
300 Evangelie op den feesttlaq
gij zult geenzins de gewone toevallen der vrou wen hebben en zelfs zonder smarten baren; de vrucht zal geheel heilig zijn en Gods Zoon ge^ noemd worden. Ook uwe nicht, voer de Engel voort, tot hare verblijding, ook Elisabeth, die men wegens hare onvruchtbaarheid verachtte (gelijk het bij de Joden voor eene vrouw schande was onvruchtbaar te zijn) heeft eenen zoon ont vangen; en daaruit ziet men, dat bij God alles mogelijk is. Mochten wij hieruit leeren, de woorden die ons door wettige leeraars tot troost ofj vermaning toegevoegd worden, vastelijk te ge-looven, ofschoon het ons soms wonderlijke geheimen schijnen. Er zijn in de natuur zelfs vele geheimen, en men wil die niet in de Openbaring , in het Evangelie ?
Na dit gesprek met den Engel was Maria voldaan, innig verheugd. En zij zeide :
;/ Zie hier de dienstmaagd des Haeren, mij â geschiede naar uw woord.quot;
Mama berustte in den wil des Almachtigen zij was gereed zijnen wil te eerbiedigen, en zeide daarom : mij geschiede naar uw woord, gelijk gij gezegd hebt, gelijk de Heer bevolen heeft. Laat ons de voetstappen van Maria volgen, en bijzonder hare deugden van ootmoedigheid, gehoorzaamheid en zuiverheid; elk in zijnen staat en naar zijn vermogen, doende den wil des hemel-schen Vaders en dien van zijne heilige Kerk; zoo worden wij geestelijke broeders en zusters van den Heer Jesus, wassende hier in genade, tot dat wij bij de waardige Maagd en Moeder Gods eenmaal aanlanden.
1
van een der uw ter
van de II. H. Marcus en Lucas. 301
GEBED.
Laat, Heer Jesus, door uw geheimvol ontvangen en de verdiensten uwer heilige Moeder, een vuur van oprechte liefde in mij ontstoken worden, waardoor ik U ontvange; zoodat ik, door uwe medewerkende genade, overvloedige vruchten van goede werken mag voortbrengen, en eens in den hemel bij U leven. A.men.
Op den feestdag van de heiligen Marcus en Lucas.
Evangelie, Lucas X. 1â9.
4 |
Hi r: '
31E
i4-ïamp;. i
7^1
Jâ!!
:
L.Jxusl
r v) J..I
^â ll ^ fc I
'⢠I
â v,
Sï
§
jiïÃL
n In dien tijde, zegt het Evangelie, verkoos // de Heer nog twee-en-zeventig anderen, die hij twee en twee afzond, in alle steden en plaat-// sen waar Hij zoude komen. En Hij zeide hun: u de oogst is wel groot, maar daar zijn weinig // arbeiders. Bidt dan den Heer des oogstes, dat
mij
// hij arbeiders in den
Nadat de Zaligmaker zijne twaalf Apostelen verkozen had, om hen door de gansche wereld te zenden, om te leeren en te bekeeren, heeft Hij nog twee-en-zeveutig andere leerlingen, van eenen minderen rang dan de Apostelen, benoemd, om zijne leer te verbreiden. Niet, dat de Zaligmaker dezelve volstrekt noodig had, maar om te toonen, dat Hij ook menschelijke middelen over-vloediglijk wilde in het werk stellen. Dezelfde reden zijn het, waarom zijn goddelijk woord door
.i
oogst zende.quot;
302 Evangelie op den feestdag
meer dan eenen Evfingelist, die allen hetzelfde getuigen , beschreven is. Van de vier Evangelisten waren Mattiieus en Joannes Apostelen; terwijl Maecus en Lucas onder de twee-en-zeventig leerlingen behoorden. De bisschoppen der heilige Kerk vervangen de plaats der Apostelen, en de gewone priesters de leerlingen. Deze zijn dus van Chbistüs gezonden, en mogen ook zijne leer verkondigen. Al die op eene andere wijze gezonden zijn, mogen de Sacramenten niet uitdeelen.
Hier moet men letten op de wettige of onwettige zending der leeraars. Voorts is aan te merken, dat Jesus deze twee en twee zond , om daarmede te leeren, dat de leeraars vooral eendrachtig moeten zijn in woorden en werken; ook zond Jesus deze leerlingen voor zijn aanschijn henen, naar de plaatsen waar Hij zelf zoude komen. De leerlingen moesten dan vlijtig zijn, gelijk alle menschen dit behooren te doen, daar Jesus, voor wien niets verborgen is, eenmaal komen zal om hun werk na te zien en te beoordeelen.
Be oogst is wel groot, zeide Jesus, er is veel te doen, er zijn vele menschen te onderwijzen in den weg der waarheid; maar er zijn weinig arbeiders; de arbeiders of leeraars zijn weinig in getal, en velen hunner werken met slappe handen en slappe knieën; zij doen tragelijk hun werk, niet met den noodigen lust of ijver; ja velen beoogen daarbij tijdelijk voordeel en zoeken derhalve niet de eer van God te bevorderen. Bidt den Heer des oogstes : bidt derhalve God, dat Rij arbeiders in zijnen oogst wille zenden, dat Hij vlijtige en getrouwe leeraars wil zenden, die door leer en voorbeeld de menschen tot de deugd en de vreeze
van den H. Marcus en Lucas. 303 Gods opleiden. quot;Dit is de plicht van elk rechtschapen leeraar. Aangaande u.
â Gaat henen , ziet, ik zend ulieden, gelijk de lammeren onder de wolven. Draagt geene beurs, noch reiszak, noch schoenen, en groet niemand onderweg. In wat huis gij zult ingaan, zegt ten eerste : vrede zij dezen huize. En indien daar een kind van vrede is, zoo zal uw vrede op hem rusten, zoo niet, dan zal dezelve tot u wederkeeren. Blijft in hetzelfde huis, etende en drinkende van hetgene zij hebben; want een arbeider is zijn loon waardig. Gaat niet van het eene huis in het andere. En in wat stad gij komt, waar men u ontvangt, eet van hetgene u voorgezet wordt. Geneest de zieken, die daar zullen zijn, en zegt hun : het rijk Gods is u nabij gekomen. Maar in wat stad gij zoudt mogen komen, waar men u niet ontvangt, gaat uit op de straten en zegt : ook het stof, dat ons van uwe stad aanhangt, schudden wij tegen u af. Weet nogthans, dat het rijk Gods nabij gekomen is. quot;
Ziedaar vele nuttige lessen, welke de Zaligmaker aan zijne leerlingen voor hunne afreize gaf. 1. Worden de leeraars lammeren genoemd , die onder hunnen oppersten herder staan ; maar deze hebben geene kracht uit hen zeiven, om de goddeloozen en de booze geesten te weder-staan; zij moeten door God gesterkt worden. 2. Moeten de leeraars, en zij die Christus willen navolgen, op geene tijdelijke goederen ach-
f
'V
A
'vjjl
.gt;1: .1
i
'«W 01
«Si 1
at
iü
1
304 Evangelie op den feestdag
ten, alle aardsche zorgen laten varen, zich niet om kost, kleederen of anderen nooddruft bekommeren; zij moeten 3. Vrede en liefde zoeken te stichten, en al hunne pogingen moeten daar henen strekken. Wanneer zij dit doel niet bereiken, is al hun arbeid verloren. 4. Wordt in dit Evangelie geleerd, dat de leeraars niet alleen geestelijk, maar ook tijdelijk loon voor hunnen arbeid te verwachten hebben; zij moeten echter niet staan naar overvloed en weelde. Draagt geene schoenen, staat er, dat is : hebt die niet in voorraad. 5. Laat zich hieruit afleiden, hoe de leden der H. Kerk of de lidmaten der gemeenten moeten zorgen voor het onderhoud van hunnen Herder; want een arbeider is zijn loon waardig. Zijne lessen en vermaningen toch geven aan de gemeente troost, blijdschap en vrede. Hij is de uitdeeler der goddelijke Sacramenten, die de goddelijke genade medebren gen, en waarom wij dagelijks bidden : Ons toe-home uw rijk. Onder deze twee-en-zeventig leerlingen, welke Jesus uitzond, om de menschen tot geloof en bekeering te brengen, behooren onder anderen, Maucus en Lucas, die ook ieder het leven van den Zaligmaker hebben beschreven, gelijk Mattheds en Joannes.
gebed.
O Zaligmaker der wereld ! verleen ons uwe overvloedige genade, opdat wij, door de predikatiën van uwe leerlingen, de wereldsche dingen verzaken, en ons altijd in uw kruis verheugen. Dat wij uw woord gaarne hooren, en uwe dienaars onder ons met blijdschap ontvangen ;
van de II. II Philippus en Jacohus. 305 dan zullen wij met de Evangelisten de toekomende rust genieten. Amen.
Op den feestdag van de heiligen Philippus en Jacobus.
Evangelie, Joannes XIV. 1 - 9.
â In dien tijde zeide Jems tot zijne leerlin-,/ gen : Laat uw liart niet ontroerd worden; ge-n looft gij in God, zoo gelooft ook in Mij. In â het huis mijns Vaders zijn vele woningen.
Ware het anders, ik zoude het u gezegd heb-,/ ben; want ik ga, om u plaats te bereiden. quot;
In eene rede, welke Jesus vóór deze en kort vóór zijnen dood voor zijnen leerlingen hield,
had Hij hun alles, wat zij nog te lijden hadden , voorspeld; hoe zij allen zouden moeten strijden, nadat Hij van hen zoude vertrokken zijn. Hij begint daarom hier met de woorden :
laat uw hart niet ontroerd worden; want indien gij op God betrouwt, betrouwt dan ook op Mij.
I De H. Kerk stelt ons heden dit Evangelie voor, omdat daarin van Philippus verhaald wordt, die met Jacobus als twee geestelijke meiboomen kunnen aangezien worden; hiermede leerende, dat wij, met Gods hulp en bijstand,
alle lijden en alle aanvechtingen door de liefde kunnen te boven komen en wederstaan. Laat IjrPÃ
uw hart niet ontroerd vjorden, want door ontsteltenis, vreeze of droefheid zijn wij buiten staat,
om met Gods genade mede te werken. Het staat
20
m JÃI
l
306 Evangelie op den feestdag in onze maclit, ons inwendig niet te ontroeren, anders zoude de Zaligmaker zijne leerlingen daartoe niet hebben aangemaand. Weest niet ontroerd, zeide Jesus. Gelooft gij in God, zoo gelooft ook in Mij. Doen wij dit, dan kunnen wij verzekerd zijn dat God ons niet boven onze krachten laat verzoeken. Tot troost der zwakken, voegt Jesus er bij, dat in het huis mijns Vaders vele woningen zijn, veie in getal, en verscheiden van waardigheid en glorie. De zaligheid is wel één in de zaligen; namelijk, dat zij het liefelijk aanschijn Gods genieten; maar de glorie is nogtans verscheiden en naar ieders verdienste geregeld. De brave, de deugdzame mensch, die in Jesus gelooft, zal zalig worden ; doch hij, die gelijk een leeraar tevens vele kennis van goddelijke zaken zoekt te verkrijgen, kan eenen hoogeren trap in de school van Jesus beklimmen. Intusschen is de kennis zonder deugd en godsvrucht, van geene waarde en kan alleen niet zalig maken. Wat moeten wij doen om zalig te worden ? Wil men deze vraag, zonder breedvoerig te zijn, beantwoorden, dan zeggen wij, is het noodzakelijk de geboden Gods en der heilige Kerk te gehoorzamen , zijn leven inrichtende naar de leering, ons van onzen goddelij-ken Meester voorgehouden; maar om tot een meer verheven trap van glorie te komen , moeten wij ons daarbij onthouden van anders geoorloofde vermaken. Ja, wij moeten dikwijls vrijwillig vasten, ons genoegens en vermaken ontzeggen, om den armen te helpen; want die den armen geeft, leent den Heere. Zoo doende zal ons loon groot zijn in den hemel, en wij zullen dubbele glorie genieten. Dat de zondaars, welke
'sn,
van de H. Ti. Philippits en Jacóbus, 307 tot hiertoe een ergerlijk leven geleid hebben, de hoop niet verloren geven; dat zij veeleer moed opvatten, zich haasten om zich te bekeeren en zich naar Jesus te wenden, terwijl hun nog genade aangeboden wordt. Er zal in den hemel vele blijdschap zijn over eenen zondaar, die zich bekeert, en niemand mag wanhopen. O zondaren, Jesus staat met open armen, en roept u toe door zijne dienaren : wendt u naar Mij toe en wordt behouden. Het Evangelie zegt verder :
;/ En nadat ik zal vertrokken zijn, en u plaats bereid hebben , zal ik wederkomen, en u tot mij nemen; opdat gij ook moogt zijn waar ik ben. Gij weet wel waar ik henen ga, en gij weet den weg. Thomas zeide Hem : Heer, wij weten niet waar Gij henen gaat; en hoe kunnen wij den weg weten ? Jesus antwoordde hem ; Ik ben de weg, de waarheid en het leven ; niemand komt tot den Vader, dan door Mij. Indien gij Mij gekend hadt, gij zoudt ook mijnen Vader wel gekend hebben ; doch eerlang zult gij Hem beter kennen, en hebt Hem reeds gezien. T hi lippus antwoordde Hem : Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg. Jesus antwoordde hem : het is nu zoo langen tijd, dat Ik met u ben, en kent gij Mij nog niet? O Philippus, die Mij ziet, ziet ook den Vader.quot;
Jesus had zijne Apostelen al meermalen van zijn henengaan tot den Vader gesproken, en evenwel verstonden zij niet recht, wat Hij zeide. De Zaligmaker gaf hun te kennen, dat zij Hem
-rV
\C
ia
L:
quot;w «i
c ||
mi
..
308 Evangelie op den feestdag
zouden verstaan en den Vader kennen, indien d zij Hem genoegzaam, naar zijne goddelijke na- i
tuur, kennen; doch eerst dan, wanneer de Hei- \
lige Geest over hen zoude zijn uitgestort, zouden c zij den Vader en ook Hem beter kennen, volgens 1 dat Hij op aarde gekend kan worden. Leeren wij c
hieruit de zwakheid en het geringe verstand van den mensch, zonder de genade Gods en de verlichting des heiligen Geestes. Christus is de weg , de waarheid en het leven; wij moeten zijne geboden gehoorzamen, zijne voetstappen navolgen ,
zijn woord gelooven, en zoo tot het eeuwige leven trachten te komen, gelijk deze twee voortreffelijke mannen Philippus en Jacobus, die eerst onkundig waren, maar naderhand door den heiligen Geest verlicht en bestuurd wordende, gewandeld hebben, waardig het Evangelie en de leer die zij omhelsd hadden. Nadat beiden veel in den wijngaard des Heeren gewerkt hadden ,
werd Philippus in Phrigië gekruisigd en aan het kruis gesteenigd. Jacobus werd in het jood-sche land van eenen toren geworpen, gesteenigd en met eenen stok dood geslagen. Eindelijk, wat moeten wij doen? Wij moeten trachten al meer en meer kennis van goddelijke zaken te verkrijgen, en God bidden, dat Hij ons daartoe zijnen heiligen Geest gelieve te schenken. Deze twee Apostelen als onze voorspraak aannemende, zoo zullen wij door den rechten weg en de ware leering den hemel binnen treden.
GEBED.
Heer Jesus! daar wij niet in het huis uws Vaders mochten komen, omdat de deur rechtvaardig gesloten was, bidden wij U, open ons
van de heilige Kruisvinding. 309 dezelve door uwe barmhartigheid, door uwe onuitsprekelijke verdiensten en liefde, en door de voorbidding van uwe Apostelen Philippus en Jacobus, die à op aarde zoo getrouw beleden hebben ; opdat wij in de woningen uws Vaders mogen opgenomen worden. Amen.
Op den feestdag van de heilige Kruisvinding.
Evangelie, Joannes III. 1 - 14.
// In dien tijde was er een man, uit de Jarize-// ërs, met name Ni codemus, een Overste der // Joden. Deze kwam 's nachts tot Jesus en zeide u hem : wij weten dat gij een leeraar zijt van // God gekomen. Want niemand kr.n deze teeke-nen doen, die Gij doet, tenzij dat God met // hem is. quot;
Deze voorname man, Ni codemus geheeten, was te Jeruzalem en behoorde tot de ï'arizeërs, de voornaamste sekte onder de Joden: want er bestonden nog twee andere, namelijk : de Sad-duceërs en Esseërs. Nicodemns had veel van Jesus hooren spieken, maar durfde niet openlijk bij Hem gaan, uit vrees voor de Joden; daar hij vreesde door hen veracht en bespot te worden. Evenzoo gaat het vele rijke en voorname men-schen van dezen tijd: althans de liefde des naasten dringt ons te denken, dat er onder hen nog velen zijn, die van de leer van Jesus zouden willen hooren, maar die zich schamen voor de menschen , om zich te vernederen. Wij willen
308 Evangelie op den feestdag
zouden verstaan en den Vader kennen, indien | zij Hem genoegzaam, naar zijne goddelijke natuur, kennen; doch eerst dan, wanneer de Hei-lige Geest over hen zoude zijn uitgestort, zouden zij den Vader en ook Hem beter kennen, volgens ï dat Hij o)3 aarde gekend kan worden. Leeren wij hieruit de zwakheid eu het geringe verstand van den mensch, zonder de genade Gods en de verlichting des heiligen Geestes. Christus is de weg , ^ de waarheid en het leven; wij moeten zijne geboden gehoorzamen, zijne voetstappen navolgen , zijn woord gelooven, en zoo tot het eeuwige leven trachten te komen, gelijk deze twee voortreffelijke mannen Philippus en Jacobus, die eerst onkundig waren, maar naderhand door den heiligen Geest verlicht en bestuurd wordende, gewandeld hebben, waardig het Evangelie en de leer die zij omhelsd hadden. Nadat beiden veel iu den wijngaard des Heeren gewerkt hadden , werd Philippus in Phrigië gekruisigd en aan het kruis gesteenigd. Jacobus werd in het jood-sche laud van eenen toren geworpen, gesteenigd en met eenen stok dood geslagen. Eindelijk, wat moeten wij doen? Wij moeten trachten al meer en meer kennis van goddelijke zaken te verkrijgen, en God bidden, dat Hij ons daartoe zijnen heiligen Geest gelieve te schenken. Deze twee Apostelen als onze voorspraak aannemende, zoo zullen wij door den rechten weg en de ware leering den hemel binnen treden.
GEBED.
Heer Jesm ! daar wij niet in het huis uws Vaders mochten komen, omdat de deur rechtvaardig gesloten was, bidden wij U, open ons
van de heilige Kruisvinding. 309 dezelve door uwe barmhartigheid, door uwe onuitsprekelijke verdiensten en liefde, en door de voorbidding van uwe Apostelen Philippus en Ja-cobus, die IJ op aarde zoo getrouw beleden hebben ; opdat wij in de woningen uws Vaders mogen opgenomen worden Amen.
Op den feestdag van de heilige Kruisvinding.
Evangelie, Joannes III. 1 - 14.
// In dien tijde was er een man, uit de larize-n ërs, met name Nicodemus, een Overste der // Joden. Deze kwam 's nachts tot Jems en zeide n hem : wij weten dat gij een leeraar zijt van n God gekomen. Want niemand kan deze teeke-u nen doen, die Gij doet, tenzij dat God met // hem is.quot;
Deze voorname man, Nicodemus geheeten, was te Jeruzalem en behoorde tot de Farizeërs, de voornaamste sekte onder de Joden: want er bestonden nog twee andere, namelijk ; de S.id-duceërs en Esseërs. Nicodemns had veel van Jesus hooren spieken, maar durfde niet openlijk bij Hem gaan, uit vrees voor de Joden; daar hij vreesde door hen veracht en bespot te worden. Evenzoo gaat het vele rijke en voorname men-schen van dezen tijd; althans de liefde des naasten dringt ons te denken, dat er onder hen nog velen zijn, die van de leer van Jesus zouden willen hooren, maar die zich schamen voor de menschen , om zich te vernederen. Wij willen
â .«y i d
S'4
y'i:
'1
ik. f*r â¢
ï
'Xj;
-if 11
iïl Mi
31 ü Evangelie op den feeslday niet spreken van hen, die geheel ongcloovig zijn, die den grooten stroom volgen, en gaarne onder de zoogenaamde vrijgeesten gesteld willen worden. Daardoor meenen zij, zullen hunne onderdanen, vooral de gewone burgers, meer eerbied voor hen hebben; doch zij bedriegen zich zeer : vreezen zal men zulke wijsgeeren, gelijk den duivel, maar wezenlijke achting hebben zij niet. De
vloek der weduwen en weezen volst hen in het
..
duistere graf, en de traanbronnen zijn voor hen uitgedroogd. Laat ons dan de valsche schaamte overwinnen; want wat zoude het ons baten, wanneer wij de gebeele wereld wonnen en schade aan onze zielen leden. Zouden wij de menschen meer vreezen dan God ?
Nicodemüs van Jesus de woorden des levens gehoord hebbende, schaamde zich daarna niet meer een leerling des Heeren te zijn; want, nadat Jesus gestorven was, deed hij daarvan openlijk belijdenis, door met Jozef van Anmathea het lichaam van Jesus te vragen ; waarna zij het balsemden en begroeven.
Wij leeren ook hieruit, dat men, om den weg ter zaligheid te weten, zich moet vervoegen bij de leeraars die van God gezonden zijn, en deze kunnen gekend en onderscheiden worden aan het doen van wonderen. God zendt geene nieuwe leeraars, verkondigers van zijnen wil, of Hij geeft hun teekenen en de macht om wonderen te doen, gelijk aan Mozes en aan Christus. De veranderingen, die daarna door eenige afgevallen leeraars gemaakt zijn, moeten niet aangenomen worden als van God komende. Laat ons verder het Evangelie hooren :
van de heilige Kruisvinding. 311 â Jesus antwoordde en zeide hem ; voorwaar, â voorwaar, ik zeg u, tenzij iemand op nieuw herboren worde, zoo kan hij het rijk Gods niet â zien. Nicodenms zeide hem : hoe kan een mensch â geboren worden, daar hij nu oud is ? kan hij â dan weder in zijns moeders lichaam ingaan en â herboren worden? Jesus antwoordde : voorwaar, voorwaar, ik zeg u , tenzij iemand herboren â worde uit het water en den heiligen Geest, zoo âkan hij in het rijk Gods niet komen.quot;
In deze bewoordingen leert de Zaligmaker het H. Sacrament des Doopsels, en dat hetzelve tot de zaligheid volstrekt noodzakelijk is. Door de tweede geboorte wordt het Doopsel verstaan ; want verkrijgt men door de lichamelijke geboorte het leven, dan verkrijgt men ook door het Doopsel of de tweede geboorte, den heiligen Geest of het geestelijk leven. Gelijk de Zaligmaker zich nader verklaart zeggende :
,, Wat uit het vleesch geboren is, is vleesch ; â en wat uit den geest geboren is, is geest. Ver-â wonder u niet, dat ik u gezegd heb : gij moet â op nieuw geboren worden. De geest blaast waar â hij wil, eu gij hoort zijne stem wel, maar gij â weet niet van waar hij komt, noch waar hij â heengaat j evenzoo is het met allen, die uit â den geest geboren zijn. Nicodemus antwoordde â en zeide hem : hoe kunnen deze dingen geschie-â den? Jesns zeide hem wederom : gij zijt een â leeraar in Israël en weet gij deze dingen niet ? âVoorwaar, voorwaar, ik zeg u: wij spreken
â K y I 1
-iJl-;
5, % -lb -
......I
r
.ar]
ï
' j|
fcw., amp; f
^ vgt;\
m
312 Evangelie op den feestdag â hetgeen wij weten ^ eu wij getuigen hetgeen wij â gezien hebben : en gij neemt onze getuigenis âniet aan. Is het, dat gij, wanneer ik ulieden â van aardsche dingen spreek, niet gelooft, hoe ,, zult gij dan gelooven, als ik u van hemelsche â dingen spreken zal ? Ook is er niemand opge-â klommen ten hemel, dan die van den hemel â nedergedaald is : de Zoon des menschen , âdie in den hemel is.quot;
Wat uit den geest geboren is, is geest, wil zeggen : krijgt een geestelijk wezen en wordt de gaven des heiligen Geestes deelachtig. Mochten wij ons zoo gedragen, dat wij de gaven des ET. Geestes deelachtig worden, dan zouden wij wedergeboren zijnde, wandelen als kinderen des lichts. Het doopsel geschiedt met water, en door de woorden des dienaars van het Evangelie; deze brengen de genade en den H. Geest met zich. Gelijk het gewone water het lichaam van alle onzuiverheid reinigt, zoo bestaat het Doopsel, wegens de inwendige zuivering van de zonden door den H. Geest. Alle ceremoniën der H. Kerk, al verstaan wij dezelve niet met Nicodemüs, hebben eeue geestelijke bedoeling. De heilige olie en het chrisma , waarmede wij gezalfd worden , dienen tot teeken en belijdenis, dat alle kracht des Doopsels van den gezalfden Zaligmaker komt.
De woorden voorwaar, voorwaar, welke Jesus dikwijls bezigde, dienen ter meerdere bevestiging van hetgeen Hij zeide. Hij sprak als Gods Zoon, die kennis van alles had, en niet gelijk de Profeten, aan welke God het openbaarde; doch menschen, die geestelijk blind zijn , kunnen geene
t]
*{
van de heilige Kruisvinding. 813 geestelijke dingen verstaan. Daarom verweet ook Jesus aan Nicodemus, dat de Farizeërs lichamelijke gelijkenissen niet verstonden, en dus was het geen wonder, dat zij nog minder hetgeen ,,
geestelijk was , konden vatten. Wanneer ik ti lieden van aardsche dingen spreek, en gij gelooft die niet, hoe zult gij dan geloor en als ik u van hemelsche dingen spreek? Nadat Jesus den beken-tien Overste der Joden, door deze lichamelijke gelijkenis onderricht had, voegde Hij er bij :
v En gelijk Mozes de slang in de woestijn ver-,/ heven heeft, alzoo moet de Zoon des menschen u verheven worden. Opdat al die in Hem gelooft ,
u niet verloren ga, maar het eeuwige leven â hebbe.quot;
Uithoofde dat in deze laatste woorden des Evangelies van het kruis gesproken wordt, lezen wij het Evangelie heden op den Feestdag van kruisvinding. Ook leeren deze woorden de kracht des Gek rui sten en des kruises, door hetwelk vele wonderen geschied zijn, sedert Helena hetzelve gevonden heeft. Door het aanzien der koperen slang in de woestijn van Arahie, werden de Israëlieten, die van vergiftige slangen gebeten waren, van den dood bevrijd en genezen; zoo zullen ook de Christenen, die het krucifix aanzien of een kruis maken, en met een levend geloof in den Heer Jesus gelooven, van den geestelijken dood verlost worden; de satan of de oude slang hen niet kunnen schaden.
Om deze redenen willen wij den laster en de spotternij der vijanden van de H. Kerk niet achten, maar zoo dikwijls wij eten, drinken of
â :4 %
*
!H fV â â i
314 Evangelie op den feestdag iets anders doen, een kruis maken ; opdat wij met den gekruisten Zaligmaker mogen ingaau in zijne eeuwige glorie.
g £ b ü ü.
Heer ! Gij, die aan het hout des kruises, om de wereld te verlossen, als een lam]) ontstoken zijt, en die het kruis, als een waarachtige boom des levens, in uwe H. Kerk, als een standaard uwer overwinning over den dood, geplant hebt; maak alle Christenen, welken dit teeken in het hart geplant is, en die hunne voorhoofden en rustplaatsen daarmede versieren, of het op de borst dragen, erfgenamen des eeuwigen levens , hetwelk verworven is op dit hout door U, dien wij lof en dank zeggen. Amen.
Op den feestdag der Geboorte van H. Joannes.
Evangelie, Lucas I. 57 - 66.
â Intusschen werd de tijd vervuld, dat Elisa-â heth zoude baren, en zij baarde eenen zoon. â Als hare geburen en bloedverwanten gehoord â hadden, dat de Heer zijne: barmhartigheid â over haar verheerlijkt had, verheugden zij âzich met haar.quot;
Onder het oude Testament was het bij de Joden eene schande, wanneer eene vrouw onvruchtbaar was. Elisabeth was reeds verre op hare dagen, toen zij eenen zoon baarde; geen wonder
wo:
1 er3 : me
,/V
V' hC
I V
. N?!
\t M
â J
f
I,
â¢w «â¢lt;
M.
si i/ft
WIJ
raau
om )ken oom lard 3bt: het en i de ns , lien
n
sa-on. ord
eid zij
ro-ht-ire Ier
Ã
Si
der geboorte van den H. Joannes. 315 derhalve, dat hare geburen en bloedverwanten verblijd waren, toen de Heer deze schande van Elisabeth kwam wegnemen, en haar deed baren. Onder het nieuwe Testament is dit geheel anders. Eene onvruchtbare vrouw heeft redenen, om zich zoowel te verheugen, als eene die kinderen ter wereld brengt; want zij heeft nu nog meer tijd , om op geestelijke zaken te denken. Ook moeten wij tevreden zijn met hetgene God ons toeschikt; zijn wil moet onze wil zijn, dan zullen wij ons niet alleen verheugen, over het geluk dat wij genieten, maar ook over dat van onzen naaste. 1) Mochten er, helaas, niet zoo velen gevonden worden, die vol nijd en afgunst zijn , en zich ergeren, wanneer het hunnen buurman of even-mensch welgaat.
â En op den achtsten dag kwamen zij het kind â besnijden, en noemden het naar zijnen vader â met den naam van Zacharias. Doch de moeder ,/ nam het woord op en zeide : geenszins, ma-ar ,/ hij zal Joannes genoemd worden. quot;
Vooreerst leeren wij hieruit, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen, om de jong geboren kinderen naar de ziel te verzorgen, hen te laten doopen, gelijk zij in liet oude Testament besneden werden. Dit besnijden geschiedde op den achtsten dag na hunne geboorte; want vroeger konden de kinderen de pijn niet verdragen. Verheugen wij ons dat het Doopsel in de plaats der besnijdenis gekomen is; eensdeels, wegens dat dit niet met smarten vergezeld gaat, en anderdeels, wijl de jonge kinderen dit Sacrament vroe-
l) Rom. XII : 15.
..
316 Evangelie op den feestdag ger kunnen ontvangen. De noodzakelijkheid van het Doopsel leert ons Christus zelf, als Hij zegt : tenzij iemand herboren worde uit het water en den heiligen Geeamp;t, zoo kan hij in het rijk Gods niet komen. 1)
Ten anderen moeten wij zorgen, dat de kinderen bij het doopsel eenen goeden en gepas-ten voornaam gegeven worde. Men moet hun niet altijd de voornamen der ouders of der bloedverwanten geven, wanneer deze geene gepaste hebben, maar er ten minste eenen beteekenen-den of heiligen naam bijvoegen; opdat de kinderen, hunner namen gedachtig, hunne daden i daarmede doen overeenstemmen. De Engel des Heeren had daarom te voren aan Zacharias geboodschapt, dat zijn zoon Joannes, dat is genade zoude genoemd worden ; w.nnt Hij zoude vele genade van God ontvangen : met den H. Geest vervuld worden, en vele der kinderen van Israël tot den Heer hunnen God hekeeren.
,/ En zij antwoordden haar : daar is niemand ,/ in uwe maagschap, die dezen naam voert. Zij ,/ wenkten dan zijnen vader, hoe hij hem wilde ,/ genoemd hebben. Deze, een schrijftafeltje ne-// mende, schreef daarop : Joannes is zijn naam. tt En zij stoTiden allen verwonderd. quot;
Toen men het omtrent den naam, dien men het kind geven zoude, niet eens konde worden ,
liet men den vader Zacharias hieromtrent beslissen. Deze man was stom geworden, omdat hij niet had willen gelooven, wat de Engel hem
1) Joad. III : 6.
,/gende : wie of dit kind zal wezen? Want de ' (Pf
'3
MM
Zac uam.vs , gehoorzaam aan het bevel van God, gaf het kind den naam ; dien de Engel â
gezegd had, en terstond kreeg hij zijn spraak- ®f|
vermogen weder. Er ontstond onder allen, die dit hoorden of vernamen, eene vrees, en zij jti
vroegen : wat zal er van het kind worden, met jjf
hetwelk zoo vele wonderlijke zaken gebeuren ?
Dergelijke wonderen hadden plaats bij de ge-boorte, en in de eerste jaren van vele Heiligen.
In den mond van den H. Ambrosius zag men, liiiH
toen hij nog in de wieg lag, eene zwerm honingbijen, die zijne toekomstige zoete leering en wel-sprekendheid beteekenden ; de moeder van den ,j ^1
H. Dominicus zag, tijdens hare zwangerheid,
in een gezicht haren zoon, als eenen hond met eene brandende fakkel in den mond , waardoor \ 1 *
voorspeld werd, dat zij eenen zoon zoude baren, fijl''
die door leer en leven menschen zoude ontste- \â
ken in het geloof en vele liefde. De H. Nicolaas v
nog een zuigeling zijnde, wilde tweemaal 's weeks, i
h\
der geboorte van den heiligen Joannes. 317 ;,'i
aangaande de bevruchting van zijne huisvrouw tsJt'
had geboodschapt. Dit leert ons, geloovig aan-tenemen wat God ons door zijne dienaren en
liet Evauffelie laat vtirkondisen. jrquot;
'NB. i
n En terstond werd zijnen mond en zijne tong ,/ geopend : en hij sprak en loofde God. En daar 't jt,
â kwam eene vrees over allen, die daaromtrent ,/ woonden : en al deze dingen werden ruchtbaar â door het gansche gebergte van Judea, En al-v len die het hoorden namen het ter harte, zeg-,/ gende : wie of dit kind zal wezen ? Want de .r ^
,/hand des Heeren was met hem.quot;
alle woensdagen en vrijdagen, de borsten zijner i
i1
M
icf it##!
3] 8 Evangelie op den feestdag
moeder niet zuigen, waaruit zijne onthouding en boetvaardigheid op te merken is.
Leeren wij uit dit laatste gedeelte van ons Evangelie, dat men de kinderen , reeds van de jeugd af, tot datgene moet gewennen, waartoe men hen denkt op te leiden; want een oude boom laat zich niet meer verplanten. Een kind, wien zijne fout niet in de kindsche jaren ont-leerd wordt, zal dezelve niet in den ouderdom verbeteren. Dat de kinderen reeds vroegtijdig God leeren kennen, dienen en liefhebben, gelijk de H. Joannes, zoo doende zullen zij, en wij met hen, genade van God ontvangen; want het rijk der hemelen komt hun toe. (1)
GEBED.
Heilige Joannes de Dooper, die door de genade Gods tot zoo eenen hoogen trap van zaligheid geklommen zijt: gedenk aan mij , dat ik ook in barmhartigheid raag verheven worden, daar ik door mijne boosheid zoo vernederd ben. Verwerf voor mij, ellendige, dat ik in de tweede toekomst van Christus waardig mag bevonden worden, om mij met alle Heiligen in eeuwigheid te verheugen.
Op den feestdag van de Heiligen Petrus en Paulus.
Evangelie, Mattheus XVI, 13-19.
â Als nu Jesus omtrent Cesarea en Philippi â gekomen was, vroeg hij aan zijne leerlingen :
1) Matth. XIX. 14.
van de heiligen Petrus en Panlus. 319 v wie zeggen de menschen , dat de Zoon des u menschen is ? Zij antwoordden hem : eenige ,/ zeggen Joannes den Dooper, andere Elias, en 7 andere Jeremia-s, ot' een van de Profeten. Je sus // zeide hun : maar gij lieden, wie zegt gij, dat ik ben ? Simon Petrus antwoordde, en zeide : ,/ Gij zijt de Christus, de Zoon van den leven-n den God.quot;
Aldus luidt een gedeelte van het Evangelie, dat de heilige Kerk , op den Feestdag van de Heiligen Petrus en Paulus , voorhoudt; ot-schoon daarin van Paulus niet verhaald wordt. Het feest van den H. Paulus wordt met dat van den H. Petrus gevierd, omdat beide Apostelen, tegelijk op eenen dag, door denzelfden tiran gedood zijn, en te gelijk de martelkroon verdiend hebben. Van deze Heiligen worden nog meer Feestdagen in het jaar gehouden; maar op alle Feestdagen van den H. Petrus wordt ditzelfde Evangelie voorgehouden, om aan de schoone voorrechten van Petrus boven de andere Apostelen, en zijn groot geloof te herinneren.
Het Evangelie zegt, dat Jesus, op zekeren tijd omtrent Ce scire a zijnde, zijnen leerlingen vroeg, welke denkbeelden de menschen van Hem hadden. Het antwoord kwam daarop neer, dat men Jesus, over het algemeen, voor een buitengewoon mensch hield, daar Hij eeue bijzondere manier van leven en leeren had. De menschen oordeelden naar het uitwendige dat zij zagen, en naar de geruchten; zij geloofden niet meer dan zij met hun verstand konden begrijpen, gelijk er nog menschen gevonden worden, die
1
l
320 Evangelie op den feestdag niets willen aannemen, dan hetgene zij zien en tasten kunnen. Daarenboven hadden vele der toen levende menschen liet verkeerde denkbeeld van eenige Heidensclie wijsgeeren : dat de ziel van den menscli, na den dood, in een ander lichaam overging; om welke reden Herodes en vele Joden meenden, dat Joannes de Dooper , dien hij had laten onthoofden, terug gekomen was, en zich in den persoon van Jesus vertoonde. Zoo hadden zij vroeger Joannes gevraagd , of hij een der Profeten was.
Op de vraag, die Jesus aan zijne leerlingen deed : maar gij lieden, wie zegt gij, dat ik hen ? gaf Petrus ten antwoord : Gij zijt de Christus , de Zoon van den levenden God; Gij zijt de lang beloofde Messias, de Zaligmaker der wereld; want niemand kan zulke dingen doen als Gij doet.
Eerst hadden vele leerlingen te gelijk gesproken, doch hier was het Petrus, die alleen sprak , en zulks was een voorteeken van zijn aanstaand gezag en zijne meerderheid boven de andere Apostelen. Deze bekentenis van Petrus komt hem en zijne opvolgers toe, en daaraan is de beloofde hulp en bijstand des H. Geestes verbonden. Jesus eischte van zijne Apostelen en Leerlingen , dat zij meer dan andere menschen weten en ge-looven zouden, omdat zij bestemd waren om de anderen te onderrichten, en ofschoon Hij hun hart en hunne gedachten kende , wilde Hij hun dit openlijk doen bekennen, om hen meer en meer in hun geloof te versterken. Als Petrus zoo duidelijk belijdenis van zijn geloof in Christus gedaan had,
// Heeft Jesus hem geantwoord : zalig zijt gij,
van de Heiligen Petrus en Paulns. 321 u Simon, Jonas zoon ; want vleesch en bloed n heeft u dit niet veropenbaard, maar mijn Vader, // die in den hemel is. En ik zeg u, dat gij zijt // Petrus, en op dezen steen zal ik mijne Kerk ,/ bouwen, en de poorten der hel zullen tegen // haar niets vermogen. quot;
Alsof Jesus wilde zeggen : gij, naar het vleesch de zoon van Jonas, zijt evenwel gelukkig en zalig, dat gij deze bekentenis kunt afleggen en aflegt. Geen vleesch en bloed, dat is : geen mensch, heeft u dit veropenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. Om dit uw uitmuntend geloof zult gij het hoofd van al de Apostelen en de grondsteen zijn, waarop ik mijne Kerk wil stichten. Gij zijt Petrus, of Petra, eens steenrots, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk houwen. Hieruit blijkt, dat er geene andere Kerk van Christus is, dan die welke op Petrus gebouwd is, te weten de Roomsch Katholieke Kerk, en deze zal tot eeuwigheid blijven, welke ketterijen er ook tegen haar opstaan; want indien de poorten der hel haar niet kunnen verdrukken, niet kunnen overweldigen, veel minder zullen dit de aanvallen der ketterijen kunnen doen. Christus gaat verder voort en geeft Petrus andere voorrechten en macht, wanneer Hij in het Evangelie zegt :
ft En ik zal u de sleutelen van het rijk der // hemelen geven. En al wat gij op de aarde zult n binden , zal ook in den hemel gebonden zijn ; // en wat gij op de aarde zult ontbinden, zal in u den hemel ontbonden zijn. quot;
21
-r
322 Evangelie op den feestdag
Petrus ontvangt hier de sleutelen van het rijk \
der hemelen, dat is, van de Kerk op de aarde, c
om door zijn geestelijk gezag de menschen tot f den hemel te brengen; waaruit wederom blijkt,
dat Christus het oppergezag en de hoogste macht t
aan Petrus zoude toestaan, ten einde de Kerk t
te bestieren; hetzelfde oppergezag en macht geeft I
Hij nog en zal Hij teu allen tijde geven aan 1: den wettigen opvolger van Petrus : den Paus i t
van Rome. 15
Wij moeten echter niet denken, dat deze aan 1
Petrus beloofde macht, zich slechts bij het ver- v
geven der zonden, en het verkondigen van Gods t
ivoord bepaalde; neen, Christus zeide hem die t
volledige macht toe, welke noodig was om zijne c
Kerk te bestieren, om de genaden uit te deelen v
of in te houden, om ledematen op te nemen of d
af te zonderen, om te gebieden, te bestraffen, de v
zonden te vergeven of te houden, om dienaren d
aan te stellen of af te zetten; deze en meer an- z dere voorrechten worden door de toezegging der sleutelen aan Petrus en aan zijne wettige opvolgers toegestaan. De macht om de zonden te vergeven werd, het is waarnaderhand ook
door Christus aan de andere Apostelen verleend, e
te weten : toen Hij door de geslotene deuren b
kwam en hun zeide ; wiens zonden gij vergeven g
zult, dien worden ze vergeven... 1) Maar hier s'
werd zij alleen aan Petrus, en in het bijzonder b
gegeven, om te toonen, dat hij ook daarin dien vs
voorrang zoude hebben. Ook zeide de Verlosser d
der wereld na zijne verrijzenis alleen aan Petrus , h
weid mijne lammeren, weid mijne schapen, 2) h
1) Joan. XX. 2) Joan. XXI.
van de heiligen Petrus en Paulus. 323 waardoor dus allerduidelijkst deszelfs opperhoofdige macht en waardigheid in de H. Kerk aangetoond wordt.
De H. Petrus, na dit hem door Christus toegeslaneOppergezagontvangen te hebben, heeft te Rome zijnen zetel gevestigd, hij heeft de H. Kerk getrouwelijk bestierd en is daar als martelaar des geloofs, aan het kruishout, met de voeten naar omhoog hangende, gestorven. Beschouwen wij nu het geluk, en danken wij God, door het doopsel in de Kerk geboren te zijn; door wettige leeraars, die door den opvolger van Petrus, den Paus van Rome gezonden zijn, bestierd te worden; wenden wij al onze pogingen aan, om ons als ware lidmaten van die Kerk te gedragen , welke tot het einde der wereld zal duren, en door de poorten der hel niet zal overweldigd worden; dit verleene ons de H. Drievuldigheid : de Vader, de Zoon, en de H. Geest, die te prijzen is tot in eeuwigheid.
GEBED.
Heer Jesus, die ons door de Apostelen Petrus en Paulus, tot de kennis van uwen naam gebracht hebt, die ons door hen het Katholiek geloof hebt doen omhelzen : geef dat wij ons steeds zoodanig mogen gedragen, dat het blijken moge, dat Gij in ons leeft. Dit bidden wij U, door hen, die door voorbeeld en leering de menschen den weg der zaligheid gewezen hebben, en den marteldood gestorven zijn. Amen.
Evangelie op den feestdag
Op den feestdag van Onze Lieve Vrouw Bezoeking.
Evangelie, Lucas I. 39 â 48.
// In dien tijde trok Maria op, en ging in // haast naar het gebergte in eene stad van Tudea, ,/ en zij kwam in het hui s van Zacharias en groet-n te Elisabeth. quot;
De moeder Gods Maria , begaf zich naar hare nicht Elisabeth, de vrouw van Zacharias , om haar te verhalen, welke wondere dingen er met haar waren geschied, zoodra de Engel haar bekend gemaakt had, dat de H. Geest over haar zoude komen, en zij den Zoon Gods zoude baren.
Verscheidene schoone lessen kunnen wij uit deze bezoeking van Maria trekken. Wij moeten de eenzaamheid ontvluchten, zoodra wij in de maatschappij nuttig kunnen zijn. Maria deed zulks, toen zij de omstandigheden van hare nicht Elisabeth vernomen had; zij ging heen en diende haar drie maanden. 2. Zij ging met haast naar hare nicht, om ons te leeren, dat wij geene zaken moeten uitstellen tot morgen, die heden geschieden kunnen ; ook moest zij eenen verren weg over het gebergte reizen, om bij hare nicht te komen : ons hiermede leerende, dat wij ons door geene hinderpalen hoegenaamd moeten laten afschrikken, wanneer wij iets goeds kunnen verrichten, of anderen dienst bewijzen. 3. Yoorts leeren wij hieruit, dat beleefdheid en vriendschap een prijzenswaardige deugd is; hoewel velen in
324
van O. L. Vrouw Bezoeking. 325 het verkeerde denkbeeld zijn, dat zij, die gegroet worden eere hebben; doch zij, die de groetenis doen, komt de eere toe. Waarom ook zeker heer, die zijnen dienstknecht wedergroette, en daarover van zijne vrienden berispt wordende, antwoordde : ik wil niet hebben, dat de menschen zullen zeggen dat mijn knecht beleefder is dan ik. Hij, die hoog in rang is, moet zoowel vriendelijk zijn als zijn onderdaan; hij moet ware achting zoeken te verwerven, eu deze verkrijgt men niet door trotschheid. Het voorbeeld van Mama strekkeons tot les; want wie was meer eere waardig dan zij ? en nochtans was zij niet hoovaardig noch trotsch daarop, daar zij de Moeder des Heeren zoude worden. Het Evangelie zegt verder :
I» En het geschiedde, zoo haast Elisabeth de // groetenis van Maria hoorde, dat het kind in // haar lichaam opsprong; en Elisabeth werd // vervuld met den heiligen Geest. En zij riep u met luider stemme, zeggende : gezegend zijt u gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht // uws lichaams! Van waar komt mij dit, dat de // Moeder des Heeren tot mij komt ?quot;
Toen Maria hare nicht Elisabeth gegroet had, werd deze laatste met den heiligen Geest vervuld, zoo dat zij voorzeggingen deed. Beide waren wel met den heiligen Geest vervuld; doch Elisabeth werd zulks nu in eene hooge mate. Zij noemde Maria de Moeder van Christus, die de Zaligmaker der wereld zoude zijn, en voor-zeide, dat in en aan haar volbracht zoude worden, wat de Engel haar op Gods bevel verkondigd had. Wanneer ons derhalve eenige eer geschiedt.
326 Evangelie op den feestdag Iaat ons dan vragen : van waar komt ons dit ? want doorgaans toch zoude ons verachting in plaats van lof gebeuren, wanneer de menschen al de beweegredenen wisten, die ons daartoe aanspoorden. Van loaar komt ons die eere, dien lof? moest men zich afvragen, daar ik bij mij zei ven weet, hoe weinig ik daartoe bijgedragen, hoe slecht ik nog de zaken verricht heb. Daarenboven zijn er misschien duizenden, die wanneer zij in hetzelfde geval geweest waren, hetzelfde zouden gedaan hebben niet alleen, maar misschien veel beter dan wij, en met ijver en godsvrucht. Mama en Elisabeth wisten zeer wel, dat zij alles door de genade Gods hadden ; zij waren daarop niet hoovaardig, alzoo Maria antwoordde :
// Mijne ziel maakt groot den Heer, en mijn // geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker. ,/ Omdat hij de geringheid zijner dienstmaagd heeft â aangezien; want zie: van nu af zullen alle ge-u slachten mij zalig noemen. quot;
Zoo moeten wij ook den Heer groot maken. Hem loven, die ons, door de zending van zijnen Zoon in de wereld, tot Koningen en Priesters verheven heeft. Verheugen wij ons in God onzen Zaligmaker, die mensch geworden is, en het vleesch uit eene maagd heeft aangenomen, om ons van den dood, van den eeuwigen dood te verlossen.
Eindelijk leere ons dit Evangelie, dat Maria bijzondere eer waardig is; dewijl zij de lichamelijke moeder van Jesus onzen Heer is geworden. Elisabeth althans vereerde Maria als zij zeide : van waar komt mij dit? alsof zij wilde zeggen.
van de H. Maria Magdalena. 327 dat deze eer zoo groot was,, van door de Moeder des Heeren, zelfs vóór zij gebaard had, bezocht te worden. Laat ons dan niet eenige afgewekenen, maar de heilige Kerk volgen, die de heilige Maagd als de Moeder Gods eert, en laat ons het woord Gods bewaren, opdat wij zalig mogen worden.
GEBED.
O Maria, voorbeeld van ootmoedigheid, waarom Gij van God bijzondere genade ontvangen hebt: wil ons bij uwen Zoon eene voorsprekeres zijn, dat wij aan God mogen behagen en Hem hier op aarde oprechtelijk dienen; opdat wij in het eeuwige leven mogen komen, en daar de kroon der rechtvaardigen beërven. Amen.
Op den feestdag van de heilige Maria Magdalena.
Evangelie, Lucas VII. 36 - 47.
â In dien tijde verzocht een der l'arizeërs Jems â bij hem te eten. En Hij kwam in het huis van â den Parizeer en ging aan tafel zitten. En ziet, â eene vrouw, die eene zondares was in de stad, vernomen hebbende dat Hij in het huis van den â Farizeër aan tafel zat, bracht daar eene albasten â flesch met zalf: en staande van achteren aan âzijne voeten, begon zij die met tranen nat te ,. maken, en droogde ze af met haar hoofdhaar: en â zij kuste zijne voeten, en zalfde ze met zalf.quot;
328 Evangelie op den Feestdag
Wanneer iemand gezondigd heeft, die gedrage zich als Maria Magdalena, welke liet Evangelie van heden ons als voorbeeld voorstelt. Velen zouden met Judas en den Farizeër wat te bedillen hebben, doch Jesus zelf is hare voorspraak, gelijk wij in het vervolg zullen hooren. Judas ziende, dat deze vrouw de voeten van Jesus met kostelijken balsem zalfde, vroeg, of het niet beter ware geweest, dat deze olie verkocht en het geld aan den armen was uitgedeeld geworden? Maar Jesus antwoordde, dat dit werk overal tot haren lof zoude verkondigd worden : gelijk zulks ook van de goede Katholieken geschiedt, die hierin de godvruchtigheid van Maria Magda-lena navolgen, als zij het Sacrament des Altaars vieren, waartoe gouden vaten, kelken, ciboriën, enz. gebruikt worden. Wij doen mede wel, de overgeblevene stukken der heilige lichamen te bewaren, in eere te houden en op andere plaatsen, waar die bewaard worden, te gaan opzoeken. Bedevaartreizen zijn zeer voordeelig, wanneer zij met de noodige godvruchtigheid geschieden; doch velen doen dezelve met geheel verkeerde inzichten, en bedrijven allerlei goddeloosheden, zonder te denken, dat hun zulks dubbele straffen op den hals haalt. Het Evangelie zegt verder :
,, De Farizeër, die Jems geuoodigd had, dit ,, ziende, zeide bij zich zei ven : indien dit een â Profeet was, zoude Hij immers wel weten, wie ,, en wat voor eene deze vrouw is, die hem aan-â raakt, en dat het eene zondares is. Toen sprak âJems hem aldus aan : Simon, ik heb wat te â zeggen. Hij antwoordde : Meester, zegt het. â Zeker schuldheer had twee schuldenaars; de
]gt;â li?1!
van de II. Maria Magdalena. 329 .,ls
u eeu was hem vijfhonderd tienlingen schuldig en f, de andere vijftig. En toen zij niet hadden, om ,*r\gt;
,/ te betalen, schold hij het hun beiden kwijt.
â Wie van beiden zal hem dan het meest liefheb- -Jk
â ben? Simon antwoordde : ik meen, degene, dien 'H
,i hij het meest heeft kwijtgescholden. Je sus ,
,i zeide hem ; gij hebt wel geoordeeld. quot;
Alle ongeloovigen zijn aan den vermelden Fa- , .
rizeër, bij wien Jesus ten eten was, gelijk ; zij O |
gelooven niets dan hetgene zij kunnen zien en verstaan, en misprijzen al het overige. Deze Si- ' |
mon wist wel, dat Magdalena voor eene zondares 'JlS
bekend stond; maar hij konde niet zien, dat er SCI
zulk groot vertrouwen en bekeering in haar waren opgewekt en hadden plaats gehad. Daarom onderrichtte hem Jesus door eene schoone gelij- i '
kenis. De gelijkenis, welke de Zaligmaker aan den Earizeër verhaalde, geeft te kennen, dat God de Heer, aan alle menschen onderscheiden ga- ijjJ
ven uitdeelt, zoo naar de ziel als naar het li-chaam, om daarmede woeker te drijven 1), en 'xLj!
dat Hij allen, die hunne gaven, het mogen er velen of weinige zijn, wel besteed hebben, beloo- V
nen en kwijtschelden zal. Waarom wij dan allen J
moeten bidden : vergeeg ons ovze schulden; want, ;
zegt de H. Joannes : als wij zeggen, dat mj ^44,
geene zonden, geene schulden hebben, dan liegen en bedriegen wij ons zeiven, 2) en een rechtvaardig mensch valt zevenmaal, dat is, veelmalen daags. 3) Ook hebben wij uit ons zeiven niets,
waarmede wij kunnen betalen, tenzij wij het van wj
vS
Gods genade ontvangen. Doch God is barmhar- ^
I
1
Matth. XXV. 2) Joan. I. 3) Spr. XXIV ; 16.
330 Evangelie op den feestdag tig en genadig, Hij wil ons onze schulden vergeven, als wij daarom bidden, en leedwezen over onze zonden betoonen, met voornemen om ons te beteren; bijzonderlijk wanneer de liefde tot God en den naaste de voorname drijfveer is; wanneer wij de zonden haten en recht christelijk wandelen. Tot deze liefde worden de groote zondaren dikwijls bewogen; ja de grootste hunner meer dan de kleine; want deze zijn noch koud, noch heet, 1) dat is : niet geheel zondig, niet zeer deugdzaam, bijzonder in de liefde, maar lauw , gelijk de Farizeërs, die rechtvaardig waren in hunne eigene oogen, en daardoor dikwijls in groote zonden vervallen, terwijl de ootmoedige zondaren van God barmhartigheid verlangen, gelijk Maria Magdalena, die daarom vergiffenis kreeg van hare zonden; want:
n Jesus zich naar de vrouw keerende, zeide ,, tot Simon: ziet gij deze vrouw wel ? Ik ben in //uw huis gekomen : gij hebt mij geen water voor // mijne voeten gegeven, en zij heeft mijne voeten z, met tranen nat gemaakt, en met haar haar // afgedroogd. Gij hebt mij geenen kus gegeven ; â en zij, van dat zij ingekomen is, heeft niet u opgehouden mijne voeten te kussen. Gij hebt // mijn hoofd met geen' olie gezalfd; en zij heeft // mijne voeten met zalf gezalfd. Daarom zeg ik // u, haar worden vele zonden vergeven, wijl zij // veel bemind heeft. Maar wren min vergeven // wordt, die bemint min.quot;
In oude tijden was men gewoon voor de dischgenooten, die van buiten kwamen, water
1) Opeub. III : 15.
van de H. Maria Maqdalena. 331 1^1.
te doen brengen, om hunne voeten te wasschen. ;v Ji
Dit liet Josef in Egypte ook aan zijne broeders .*ry
geven. Daarenboven was bet de gewoonte, gelijk oj'
nog bij vele Oostersche volken, de gasten met jr 1
eenen kus te verweikommen, en deze beide be- -Lbi..
wijzen van beleefdheid en liefde had Simon aan sK
den Zaligmaker niet gegeven. De gebruiken, k/f
welke er in de maatschappij zijn, om den naaste liefde en achting te bewijzen, moet men niet nalaten, en voor zoo verre er geen kwaad in steekt, moet men zich naar de gewoonten schik-ken, ten einde geen aanstoot te geven.
quot;Verder kunnen wij uit het voorbeeld van f
Magdalena nog leeren, de deelen van ons li- '
chaam, waarmede wij gezondigd hebben, het meest en bijzonder te kastijden. Magdalena droogde met haar hoofdhaar de voeten van Jesus, \
omdat zij ijdel gepronkt had; zij weende, want £
hare oogen hadden naar ijdelheden gezien; haar ' |f|
mond had oneerlijke dingen gesproken en boos- gjf
heden bedreven; daarom kuste zij de voeten van Jesus. Met Magdalena moeten wij afstand doen gt;.('ï
van onze zonden, ons zeiven verootmoedigen vit;
voor God en aan de voeten van Jesus weenen. ^
En terwijl wij niet zoo als Magdalena aan de i
voeten van Jesus zeiven kunnen komen, laat -*â¢Â»- â¢'
ons tot den Priester gaan, die in den naam van Jesus de zonden vergeeft, dan zullen wij, eene oprechte biecht sprekende, mogen hooren : uwe zonden worden u vergeven. V i1 ^
gebed. yii â
Zie, Heer Jesus, ik, die een groot zondaar ben, lig voor uwe voeten, dezelve met tranen vaneen oprecht leedwezen bevochtigende, dezelve
itff quot;V
rtr
K-bk
««jji Jt
332 Evangelie op den feestdag kussende met de lippen der ootmoedigheid. Doe mij uwe barmhartige en liefelijke stem hooren : dat mijne zonden mij vergeven zijn, door uwe oneindige genade en groote verdiensten. Amen.
Op den feestdag van den heiligen Jacobus den Meerderen.
Evangelie, Mattheüs XX. 20 - 23.
,/ In dien tijde kwam de moeder der kinderen // van Zebedeus met hare zonen tot Jems, en aan-u biddende, verzocht zij iets van Hem. Hij vraag-u de : wat begeert gij ? Zij zeide hem : zeg, dat ,/ deze mijne twee zonen zitten, de een aan uwe â rechter, en de ander aan uwe linkerhand in ,/ uw rijk. quot;
In dit Evangelie lezen wij van de Apostelen Jacobus, wiens Peestdag wij heden met dien van Joannes vieren. Voor het ontvangen van den heiligen Geest en de genade Gods, waren deze twee Apostelen vol zonden en gebreken; en daaruit merken wij aan, dat het noodig is den heiligen Geest, door vurige gebeden, van God af te smeeken.
Salome, de vrouw van Zebedeus, kwam tot Jestjs met hare beide zonen, Jacobus en Joannes om Hem een verzoek te doen. Zij waren, gelijk vele anderen, nog van meenir.tg, dat Jesüs een aardsch koningrijk zoude oprichten, en daarom vroeg de moeder; voor hare zonen, hooge eerambten in dit rijk. Deze hunne begeerte was dus
van den H. Jacobus den Meerderen. 333 ongegrond en onbehoorlijk, en wanneer men kwalijk begeert, verkrijgt men niet. (1)
â Maar Jems antwoordde, en zeide : gij lieden â weet niet wat gij begeert. Kunt gij den kelk â drinken, dien ik drinken zal? Ja, wij kunnen, âzeiden zij.quot;
Ofschoon de moeder het woord gedaan had , spreekt Jesus nogthans hare zonen aan, daar deze het begeerden. De moeder zoude dus tot voorspraak dienen, en deze voorspraak misprijst de Heer niet; maar Jesus zeide hun : gij weet niet, wat gij legeert; dat is : gij weet niet, welk rijk ik oprichten zal; het rijk, dat gij bedoelt, een rijk van deze wereld, zal ik niet oprichten; en kunt gij lijden en sterven gelijk ik? kunt gij dien bitteren kelk drinken, en dat lijden ondergaan? Ja, mijne medechristenen, het lijden , dat dikwijls eenen kelk drinken genoemd wordt, mag men overigens als een heilzaam geneesmiddel aanmerken , waardoor God ons op den weg der zaligheid brengt. Chiustus moest lijden, om in zijne eeuwige glorie in te gaan, en wij moeten Hem in zekere mate daarin navolgen, dan zullen wij, mede geleden hebbende, ook mede heerschen. (2) Hieruit blijkt dat wij, ofschoon Christus voor ons voldaan heeft, evenwel nog moeten lijden en goede werken doen, om de verdiensten zijns lij-dens deelachtig te worden. Dus dwalen de niet katholieken grootelijks, als zij leeren, dat de goede werken of het lijden ons niet meer noodzakelijk zijn. Het is waar, Christus zeide aan
(1) Jacobus IV : 2.
(2; Thimotheus II: 12.
334 Evangelie op den feestdag
het kruis: het is volbracht; maar hierdoor werd de noodzakelijkheid van te lijden en goede werken te doen geenszins weggenomen ; immers is het de wil onzes goddelijken Zaligmakers, dat wij door het lijden en goede werken aan zijne verdiensten deelachtig worden. Ook zegt Paulüs : ,/ ik verblijd mij in mijn lijden voor U, en voltrek het gene er ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus in mijn vleesoh, voor zijn lichaam, hetwelk de Kerk is.quot; Zoo hadden de Apostelen in plaats van eerambten allerlei verdrukkingen en lijden te verduren. De zonen van Zebedeus zouden , dit geweten hebbende, niet met hun verzoek tot Jesüs gekomen zijn. Maar hoe veel moed kan een Christen hebben als hij lijden moet, wanneer hij bedenkt, dat Christus hem is voorgegaan; ook is ons lijden door zijn lijden veel verzoet geworden, en wij weten, dat wij niet lijden boven onze krachten.
De zonen van Zebedeus dan, niet wetende wat zij begeerden, antwoordden, dat zij den kelk wel konden drinken. Dit bewijst ons den aard van wereldsche menschen, die voor tijdelijke goederen alles veil hebben. Maar Christus in zijn lijden navolgen, ten einde de zaligheid te erlangen, dit willen zij niet; tenzij de genade Gods in hen werke. Jacobus en Joannes strekken hiervan tot voorbeelden; want nadat zij den heiligen Geest ontvangen hadden, waren zij getrouwe Apostelen, en Jacobus dronk den kelk dien Jesus voorzegd had. Na velen in het joodsehe land en in Spanje bekeerd te hebben, keerde hij naar het eerstgenoemde land terug, waar hij onthoofd werd. Het laatste gedeelte van ons Evangelie luidt :
van den H. Laurentius. 335
â Jesus antwoordde hun : gij zult mijnen kelk â wel drinken : maar te zitten aan mijne recliter-â hand of linkerhand, staat mij niet toe u te ge-â ven, maar dengenen dien het van mijnen Va-â der bereid is. quot;
Dat Jesus zijnen Vader groot maakte, deed Hij naar zijne menschheid. Jacobus en Joannes vroegen hem als mensch naar zijn we-reldsch rijk ; en daarom antwoordde de Zaligmaker, dat men in zijn rijk door lijden komen moest, en hij die het meeste lijdt, het meest eene hoogere plaats zoude verdienen, welke de Vader bereid heeft en door den Zoon zal gegeven worden. Laat ons dan bidden, dat wij na lijden en strijden, mogen komen in het huis des Vaders, waarin vele woningen zijn.
GEBED.
Heer Jesus, die uw leven gegeven hebt, tot onze verlossing : geef dat wij den kelk , welken ons, door uwe barmhartigheid, tot onze zaligheid zal ingeschonken worden, geduldig en met blijdschap mogen uitdrinken, tot den laatsten druppel, uw voorbeeld en dat der H. Apostelen navolgende. Amen.
Op den feestdag van den Heiligen Laurentius.
Evangelie, Joannes XXII. 24 - 26.
â In dien tijde zeide Jems tot zijne Leerlin-â gen : Voorwaar ik zeg u : tenzij het tarwe-
«â *
336 Evangelie op den feestdag
â graan in de aarde valle en sterve, zoo blijft â het alleen; maar indien het niet sterft, zoo â brengt het vele vruchten voort. Die zijn leven ,, lief heeft, zal het verliezen; en die zijn leven â haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeu-â wigen leven. Zoo wie mij dient, die volge mij, ,, en waar ik ben, zal ook mijn dienaar zijn. Zoo â iemand mij dient, dien zal mijn Vader eeren.quot;
Uit het tegenwoordig Evangelie, dat ons op den feestdag van den vermaarden martelaar, den H. Laurentius voorgehouden wordt, kunnen wij leeren, welke de hoofdeigenschap van een martelaar zijn moet; namelijk : hij moet zijn als een tarwegraan. 1. Dit tanvegraan is klein; alzoo moet een martelaar klein in zich zeiven zijn, ootmoedig en nederig van harte; hij moet stil zijn als een lam, dat den mond niet open doet als het ter slachtbank geleid wordt 2. Daar een graantje hoe drooger hoe beter is, zoo moet een martelaar geheel droog zijn, en niet besmet met de vochtigheid der onkuischheid 3. Hoe klein een graantje ook zij, moet het echter, naar deszelfs grootte zwaar wezen; een martelaar derhalve moet zwaar in deugden zijn, ernstig; zonder de minste lichtvaardigheid. 4. Het tarwegraan is van binnen wit; een martelaar moet ook inwendig wit wezen; eene goede intentie hebben in zijne goede werken, bijzonder in zijne marteling; want de H. Augustinus zegt, dat de straf geen martelaar maakt; maar de oorzaak en intentie van hem. 5. Het tarwegraan is vruchtbaar, en brengt dertig, zestig of honderdvoud voort: alzoo doen ook de martelaars, die door hun voorbeeld en goede
van den H. Laurentius. 337
â werken vele bekeeren. In de eerste tijden gebeurde het dikwijls, dat op dezelfde plaats, waar een martelaar gestorven was, duizenden zich lieten doopen, eu in den schoot der H. Kerk keerden. 6. Het tarwegraan moet in de aarde vallen , en niet met geweld daarin geworpen worden ; ook moet een martelaar vrijwillig den marteldood te gemoet gaan; want anders zoude daarin geen verdienste liggen. Christus strekt hun allen tot voorbeeld, en Hij is hun hierin voorgegaan. Hem zijn vele martelingen gevolgd. Onder anderen de H. Laurentius die naar de marteling verlangde , toen hij Paus Sixtus met den diaken Agapitus en Felicissimus zag vooruittreden. Hetzelfde deed de H.Andreas, toen hij van verre het kruis zag, waaraan hij sterven zoude, en zich daarover zeer verheugende. Ignatius een leerling der Apostelen, werd, gelijk weleer Daniël, in eenen leeuwenkuil geworpen; en toen hij deze dieren hoorde brullen, zeide hij, zegt Hieronymus : ik ben een tarwegraantje van Christus; ik zal gemalen worden tusschen de tanden der leeuwen, opdat ik goed brood vau Christus moge worden. Campri-anus in Engeland zong : Te Deum laudamus, toen hem de tijding gebracht werd, dat hij sterven zoude. En al zijn wij juist niet bestemd om den marteldood te ondergaan, wij behooren evenwel gezind te zijn gelijk de martelaren ; ootmoedig in voorspoed, gelaten in tegenspoed, niet lichtvaardig maar kuisch, vruchtbaar in goede werken. vrijwillig ons kruis opnemende, hetzelve vroolijk dragende; zoodoende zullen wij den Heer Jesus welgevallig wezen.
Die zijn leven lief heejt, zal het verliezen , zegt het Evangelie; niet, dat men zich zelve
â¢22
338 ^Evangelie op den feeddag moet ombrengen, gelijk sommige wanhopigen ; maar wij moeten het zoo lief hebben , dat wij het heel gaarne vrijwillig zouden willen afleggen, wanneer God zulks van ons eischt. Wij zullen door de genade Gods het eeuwige leven beërven, indien wij Jescs dienen en dus ook navolgen, want waar Ik hen, zegt Jesus, zal mijn dienaar wezen. Het ligt dus niet in den naam en in de woorden, mnar wij moeten door daden toonen, dat wij Christenen zijn en Jesus in zijne deugden navolgen. Wij zullen niet te vergeefs ons kruis op ons nemen en ons kastijden; want het loon zal daarop volgen, en zoo iemand Jesus dient, dien zal zijn Vader eeren. Welk een groot loon is dit voor onze geringe dienst, welke God daarenboven niet van noode heeft.
Eindelijk leeren wij nog, dat wij mede niet kwalijk doen, de heiligen hier op aarde te eeren ; want eert God hen in den hemel, dan mogen wij het ook doen op aarde, en hunne voetstappen drukkende, zullen wij eenmaal met de heiligen en martelaars in den hemel geëerd worden.
gebed.
O mijn Koning en mijn God, Heer Jesus laat mij met den H. Laurentius U alzoo getrouwelijk aanhangen, dat ik noch pijnen, noch wreedheid van booze menschsn ontzie, in het belijden van uwe waarachtige leering, en dat ik het oprechte Katholiek geloof met allen ijver voorsta en begunstige, opdat ik, U daardoor behagende, de liefde van den H. Laurentius in mij verwekke en de kroon van uwen grooten martelaar eenigzins deelachtig worde. Amen,
van O. L. V. Hemelvaart. 339 ^1;'
............................................................................................. ;Ji,:
Op den Feestdag van Onze Lieve s-f.
Vrouw Hemelvaart. Æ
Evangelie, Lucas X. 38 â 43.
// In dien tijde gebeurde liet, terwijl zij voort- -â £,
//reisden, dat Jems in een dorp kwam, alwaar quot;quot;V ,/ eene vrouw, met name Maria, Hem in haar huis
// ontving. Deze had eene zuster, genaamd Mar- ^Uj // tha, welke zittende aan de voeten des Tlee-// ren, ziju woord aanhoorde. Doch Martha was
// bezig met veel te dienen. quot; â¢â .i'H
m
Dit Evangelie, iimn' de letter verstaan wordende , schijnt in het minste niet den lof der 'f \! H. Maagd te vermelden; doch de geestelijke zin en uitlegging kan op haar toepasselijk ge- Npt
maakt worden. .if
Door dit dorp, naar de letter Bethanie, ver-staat men de wereld, die bij den hemel vergeleken, niet meer is dan een dorp bij eene groote stad, Bethanie bij Jeruzalem. Jesus kwam in het dorp, in deze wereld, en eene vrouw heeft Hem in haar hart ontvangen. Deze vrouw Martha, de zuster van Maria Magdalena en van Lazarus, kan de maagd Maria beteekenen, in y4
wier lichaam Jesus eenige maanden vertoefde,
voor Hij ter wereld kwam. Door Martha kan Maria zeer wel verstaan worden; daar Martha in de hebreeuwsche taal beteekent eene vrouw die heerschappij heeft , en Onze Lieve Vrouw had vele heerschappij over hare gezegende vrucht,
den Heer Jesus, die haar onderdanig was, ge-
lt;cgt;t
%
*1
3iO Evangelie op den feestdag
lijk de Evangelisten getuigen. Zij vertrad het hoofd der slang door haar zaad. 1) De zuster van de eigenlijke Martha was Magdalena, die zeer gaarne de lessen van den Zaligmaker lioor-de; maar geestelijkerwijze beteekent Magdalena ook de Moeder Gods; want wij lezen in de H. Schrift, dat zij de woorden van Jesus bewaarde en die in haar hart overwoog. Door de twee wijzen van leven, die in de Moeder Gods te overwegen zijn : haar denkende en werkende leven. Het eerste door Maria, welke eene ver-lichtster beteekent, verhoogt het andere door Martha, van welke dit Evangelie zegt dat zij bezig was met veel te dienen. Dit deed de Moeder Gods, van dat zij den Heer ontvangen heeft; want zij ging toen in haast naar hare nicht Elisabeth en diende deze drie maanden. Daarna, toen haar Zoon geboren was, wikkelde zij Hem in doeken, alle mogelijke zorg voor Hem dragende. Ook zocht zij Hem, toen Hij twaalf jaren oud geworden was, met veel angst eu bezorgdheid, en vond Hem eindelijk in den tempel te Jeruzalem terug. En wat al zorgen en bekommernis had zij voor Jesus in latere jaren ! Toen Hij aan het kruis hing verliet zij Hem niet, maar stond bij Hem, en ook later toen Hij daar afgenomen en gezalfd werd. Het Evangelie zegt verder van Martha :
// En stil staande, zeide zij : Heer, geeft Gij er u geen acht op, dat mijne zuster mij alleen laat // dienen ? Zeg haar dan dat zij mij helpe. En de // Heer antwoordde haar : Martha, Martha ! gij
1) Grenesis III : 15.
van O. L. Vrouw Hemelvaart. 341 â zijt bezorgd en bekommerd met vele dingen. ,, Doch één is noodig. Maria, heeft het beste â deel verkoren, hetwelk haar niet zal benomen â worden.quot;
Hieruit hoort gij, dat Martha niet over hare zuster tevreden was, terwijl zij haar al het werk alleen liet verrichten, en slechts bezig was, met naar de woorden van den Zaligmaker te hoo-ren. Martha gaf aan Jestjs te kennen, dat zij dit anders wenschte, opdat Hij des te beter bediend mocht worden. Maar Jesus antwoordde, dat Maria geen ongelijk had en dat zij, Martha namelijk, ook wel deed ; doch dat hare zuster het beste verkoren had : zij hoorde de woorden Gods, en dit gaat boven tijdelijke beslommeringen. Martha deed niet kwalijk, daar zij het uit een goed hart verrichtte, maar Maria deed beter : zij had het beste deel verkoren.
De geestelijke zin intusschen van deze geschiedenis is deze : dezelve beteekent een strijd tus-schen het in- en uitwendige leven van Maria ; maar door de genade , welke in haar overvloedig was, heeft zij steeds het beste deel verkoren. Bijvoorbeeld, toen haar de Engel de boodschap der ontvangenis bracht, was zij aanvankelijk bekommerd , doch zeide eindelijk : mij geschiede, gelijk gij zegt. Toen Jesus drie dagen van haar weg bleef in den tempel, vroeg zij ontsteld, als Martha : Zoon, waarom hebt gij dus gedaan ? Maar toen Hij aan zijne moeder dit onderrichtte, bewaarde zij al deze woorden, die in haar hart overleggende. Toen er op de bruiloft te Cana in Galilea wijn ontbrak , was Maria bezorgd en zeide : zij hebben geenen wijn.
«â¢pi
hk
T
(V
sta
üo
cN
Jy
â i i t
li
342 Evangelie op den feestdag
Doch toen zij onderricht was, zeide zij tegen de dienaars, dat zij zouden doen al wat Jesus gebood, en zij was tevreden. Toen Jesus eerst van IIerodes in Bethlehem en daarna te Jeruzalem, waar Hij zoo smadelijk en smartelijk gepijnigd is geworden, gezocht werd, was Martha, dat is Maria de Moeder Gods, verstoord naar den uitwendigen mensch; maar naar den goddelijkeu wil, was zij met Gods wil tevreden en gelaten. Hieruit ziet men, dat zij steeds het beste deel verkoos.
Dat wij ons liier afvragen : of wij ook het beste deel verkoren hebben ? Zijn wij als kinderen bedacht, om van den Catechismus het meeste werk te maken ? Zijn wij begeerig om dien verder bij te wonen, om ons met Gods woord bekend te maken, door de predikatiën vlijtig bij te wonen ? Laten wij in de jongelingsjaren de vermaken achter, om de godsdienst plichten waar te nemen ? Zijn wij als ouders het meeste daarop bedacht, om onze kinderen rijk in deugden te maken ? Of zorgen wij meer voor ons en hun tijdelijk welzijn? Hoe velen zullen hierop met schaamte moeten antwoorden; en dan hebben zij niet, gelijk Maria, het beste deel te verkiezen, de eeuwige zaligheid te verkrijgen, welke Maria met Jesus bezit; zij is met Christus verheven boven alle kooren der Engelen. Wij zullen ook de zaligheid genieten, wanneer wij, met Martha, werken van barmhartigheid verrichten, en de liefde en ootmoedigheid van Maria bezitten. Deze genade verleene ons de H. Drievuldigheid : de Vader, de Zoon eu de H. Geest, die te prijzen is tot in eeuwigheid.
'K
üt
Vervul, o Heer Jesus, onze harten niet de gaven van uwen Geest, opdat wij boven à geen ding ter wereld lief hebben; dat wij naar à alleen mogen haken. Wees Gij alleen onze hoop en steun, de toevlucht van ons vertrouwen; op-dat wij, door de voorbidding van uwe heilige Moeder, de zoetheid van uwe genade mogen genieten. Amen.
-W
Op den feestdag van den heiligen Bartholomeus.
1
f\ 1
Evangelie, Lucas VI; 12-19.
// Eu het gebeurde in die dagen, dat Jesus â op eenen berg ging om te bidden, en hij over-// nachtte in het gebed tot God.quot;
van den heiligen BarlJiolomeus. 343
GEBED.
â s
Wij weten van elders, dat Jesus aan zijne leerlingen leerde bidden ; uit dit Evangelie vernemen wij, hoe Hij zelf bad; en hierin, zoowel als in alle aardsche deugden, strekt de Za- lquot;quot;' ligmaker ons tot voorbeeld. Hij had niet noo-dig voor zich zeiven te bidden ; maar dit en al het andere deed Hij voor arme, behoeftige , T4 doodschuldige zondaren , en om ons een voor-beeld te geven. ' gt;
|
ip i' tl
Jesus klom op eenen ierg, om te bidden; dit leert ons alle verstrooii ngen te vermijden, en wanneer wij bidden willen, ons in de eenzaam-heid te begeven, om niet door aardsche dingen
.li
afgetrokken te worden. Het gebed is eene ver-
344 Evangelie op den feestdaq
heffing des gemoeds tot God hier boven; dciar-om leest of zingt de Priester in de H. Mis, i wanneer het nabij de Consecratie is, dat de harten zich naar boven moeten verheffen.
Jesus lad des nachts, om te leeren , dat de nacht daartoe bijzonder geschikt is: voorts ook daarom, dat Hij bij dag bezig was met andere goede werken : Hij predikte, deed wonderen en zegende. Eindelijk, zijn bidden was gestadig en aanhoudend, en dit moeten wij mede navolgen. Wanneer men mocht tegenwerpen, dat Jesus elders het lang bidden verwerpt, de Farizeërs daarover berispte, en zijne leerlingen een kort gebed leerde; hierop antwoorden wij : de Zaligmaker misprijst een lang gebed niet, maar Hij wil geen lang gebed zonder aandacht; als of God met woorden gediend wilde zijn. De Fa-rizeërs baden uit geveinsdheid en glorie, om van de menschen gezien te worden. Zulk bidden is derhalve geen bidden. Dit lang bidden bewijst Jesus met zijn voorbeeld, is goed, en Hij is daarin bijzonder door zijnen waardigen Apostel Baktholomeus nagevolgd, want deze bad honderd-malen daags en honderdmalen boog hij des nachts zijne knieën. Zoo kunnen wij ook dikwijls op eenen dag, hetzij met woorden of met gedachten, God bidden; zelfs onder onze dagelijksche beroepsbezigheden, kunnen wij menigmaal ons hart tot God verheffen; dat Hem zeer behage-lijk is. Wij moeten slechts bidden om tijdelijken nooddruft; en niet om rijkdommen of vergankelijke dingen; maar meest om geestelijke goederen, die de roest en mot niet kunnen verteeren, noch door dieven kunnen gestolen worden. Ook moet degene, die bidt, in den staat van
%
van den heiligen Bartholomews. 345 genade zijn, of ten minste moet hem die tot bidden opwekken; want niemand kan tot mij komen, tenzij de Vader, die mij gezonden heeft, J
hém treJcke. 1) zegt Jesus. Het Evangelie zegt verder; Pgt;
1
r
Si
r*ii '
%
// En als het dag geworden was, riep hij zijne â leerlingen, en vsrkoos er twaalf uit hen, die hij â ook Apostelen noemde : Simon, dien hij den â bijnaam van Petrus gaf, en Andreas zijnen I/ hroe.dcv; Jacoins en Joannes; Philippus en Bar- ^
â tholomeus; Mattheus en Thomas; Jacobus den ,/ zoon van Alpheus en Simon genaamd den ijve- .if!?]
;/ raar; Judas den zoon van Jacobus, en Judas ^ '
u den Iskarioter, die de verrader geweest is. quot;
Ziet dier dus de reden, waarom de Heer zoo lang gebeden heeft, te weten : voor de verkiezing zijner Apostelen, dat eene zaak van groot belang was. In alle christelijke zaken, die wij voorhebben, moeten wij God vooraf bidden. Dit doet nog de H. Kerk, als zij voor de Apostelen en Leerlingen, anderen in de plaats wil kiezen.
Vooraf houdt zij dan quatertemper- of vasteda-gen; zij bidt Christus en smeekt Hem, dat Hij toch goede mannen wil doen wijden tot de dienst en de leering van zijne H. Kerk. Deze bedienaren of leeraren moeten eendrachtig zijn; waarom de Evangelist ook twee aan twee vermeldt. Ook V
worden de Apostelen hier in orde opgesteld : v|J
de eerste is Petrus; de laatste Judas den Iska- « '
rioter. Deze rangschikking heeft onder de mid-delsten geene plaats : deze Evangelist noemt
1) Joan. VI : 44.
die, gene andere daarna op. t.
Ui
(516 Evangelie op den feestdag
Door Judas den verrader te kiezen, heeft de Zaligmaker ongetwijfeld willen leeren, dat onder vele goeden, dikwijls nog eenen kwnden kan schuilen; waarom wij ons niet behoeven te verwonderen, wanneer wij in groote vergaderingen , als in de H. Kerk, onder de geestelijken van een klooster, kapittel of onder geestelijke orden, somtijds kwaden zijn. Niemand vertrouwe dus te veel op zich zei ven, en die vast staat, zie toe dat hij niet valle. Er zijn bij God wijze redenen, waarom hij dikwijls de kwaden duldt.
// En met hen afkomende, stond Hij op eene n vlakke plaats, met eene schare van zijne leer- lt; â lingen, en eene groote menigte volks van geheel ,/ Ju de a en Jeruzalem, en van den zeekant van u T/jrus en Sidon, die gekomen waren om Hem n te hooren, en van hunne ziekten genezen te ,/ worden. Daar waren er ook onder, die van on-n reine geesten gekweld werden, eu zij werden â genezen. En al het volk zocht Hem aan te razz ken; want daar ging eene kracht van hein uit, zz welke allen gezond maakte. quot;
Deze woorden zijn uitgelegd op den Feestdag van de H.H. Fabianus en Sebastianus, waarheen wij dan ook verwijzen. Alleen nog aanmerkende , dat wij ons naar Jesus moeten wenden, willen wij van onze geestelijke krankheden genezen worden; Hij is de ware arts der kranken, en zal ons al wat wij behoeven toedeelen; mits wij het voorbeeld van den H. Bartholomeus navolgen en Hem ernstig daarom bidden.
J] '
van de Onthoofding van Joannes. 347 k
li
de kroon der ajorie ontvangen. Amen.
GEBED.
Gij, o Jesus, die den dwalenden zondaar tot quot;j
bekeering roept , en den bekeerden minnelijk kwijtscheldt, den droevigen opbeurt en den onwetenden leert : leer ons bidden; trek ons, en wij -zullen U navolgen. Bewijs ons deze genade, o quot;'V-Heer, dan zullen wij onder de minsten van uwe 'quot;X leerlingen gerekend worden, en uwen wil vol- ,l(j: brengende, zullen wij met den H. Bartholo- gt; ..(i meus, die onze voorspraak wil zijn, hiernamaals
ii ir
*â 1
'quot;h.
i
Op den feestdag der Onthoofding van den H. Joannes.
A.
Evangelie, Marcus VI. 17 - 29. T
li
r
/r
//Indien tijd had//eror/e# gezonnen, om Jo-// amies te vangen, en hij had hem in de gevan-// genis geboeid, om JLerodias; de huisvrouw van // zijnen broeder Fkilippus, die hij getrouwd had.
// Want Joannes zeide tot Herodes : het is u niet i
// geoorloofd uws broeders huisvrouw te nemen.
,/ Herodias was er dan op uit, en wilde hem om // het leven brengen; maar zij konde niet. Want // Herodes had ontzag voor Joannes, wetende dat 'S
// hij een rechtvaardig en heilig man was: en hij V ;â
// hield veel van hem, deed vele dingen op zijn // woord, en hoorde hem gaarne.quot;
In dit Evangelie zijn vooral twee groote voor- ||(|i
â¢Vi ii ' m
348 Evangelie op den feestdag
beelden van goed en kwaad; het eene om na te volgen, het andere om te vermijden en te schuwen.
De Profeet en voorlooper van Christus, Joannes, is een spiegel en voorbeeld voor alle leeraars. Zij moeten zonder schroom hunne medemenschen, die kwaad doen, bestraffen; hoe machtig deze in de wereld ook zijn mogen, en al werden zij deswege nog zoo zeer gehaat, ja, al moesten zij daarom den dood sterven. Dit leert ons God zelf, bij den Profeet Isaïas : 1) Roep zonder ophouden : verhef uwe stem als eene trompet : verkondig mijn volk zijne boosheden, en den huize van Jacob zijne zonden, en Christus zelf, als Hij de koopers en verkoopers uit den tempel dreef; alsmede op andere plaatsen en bij andere gelegenheden. De H. Joannes volgde deze les mede op, niettegenstaande het groote gevaar, dat hij daarbij liep; want toen Joannes Herodes bestrafte, wijl deze met Herodias in overspel en bloedschande leefde, zocht zij hem van kant te helpen, hetgeen haar ook door list gelukte. Alle booze menschen willen de waarheid niet hooren, en de grooten der aarde worden gaarne gevleid. Weinige leeraars worden er gevonden, die hun, gelijk Joannes, de waarheid durven zeggen, doch zulken worden door den Profeet Isaïas met recht stomme honden genoemd, die niet kunnen bassen.
Vele onderdanen en lidmaten der Kerk ontzien hunne geestelijke oversten, zoo lang deze hen niet openlijk berispen; maar wanneer zij hen ernstig willen tegengaan in eenig groot kwaad , dat zij bedrijven, dan leggen zij hun listen en lagen, om hen te benadeelen of te «erdervsn. Zoo ging
1) Hoofdst. ivril : ].
up
van de Onthoofding van Joannes. 349 A-
het ook Herodes : hij hield veel van Joannes, ijl,;
hoorde hem gaarne, deed veel wat hij zeide , â¢-'y
maar niet alles; zijn hoofdkwaal liet hij niet na;
hij scheidde zich niet van dat booze wijf. Konde {â
men dit uitbazuinen : menschen, laat u bestraf- Qf
I feu; hoort naar uwe leeraars; zij verkondigen u
Godswil en wet; hoort dan de woorden Gods en f
volgt zijne geboden op; dan zouden misschien velen dezer hunne gierigheid, hunne hoovaardij,
hunne brasserijen, hunne onkuischheden verzaken, en matig, rechtvaardig en godvreezend zoeken te leven in deze tegenwoordige wereld; zij zouden daardoor geluk en vreugd om zich heen J^,|
verspreiden en hiernamaals zalig worden.
1
V
cquot;quot;
»V.«1
y
r
// Als er nu een bekwame dag gekomen was, â dat Herodes op zijnen geboortedag een' maal-,/ tijd voor de Prinsen, de krijgsoversten en de h grooten van Galilea had aangericht, en als de ,/ dochter van die Rerodias binnen gekomen was, // en gedanst had tot behagen van Herodes, en gt;r
â van degenen die met hem ter tafel zaten, zoo u zeide de Koning aan de dochter: eischt van z/mij, wat gij wilt, en ik zal het u geven. En |
// hij zwoer haar : ja, al wat gij van mij eischen //zult, zal ik u geven, al ware het ook de helft //van mijn koningrijk.quot; WJ
S,L
Hieruit leeren wij, welk eene verkeerde en r
zondige gewoonte de wereldsche menschen nog \ i,'
meer hebben. Zij laten zich door wereldsche j
genoegens en vermaken dikwijls zoodanig weg-slepen dat zij onrechtvaardigheden begaan. Hekodes schepte zoo veel vermaak in het dansen van
v
S50 Evangelie op den feestdag Hkrodias dochter, dat hij de onbezonnen belofte deed, van haar te zullen geven wat zij eischte, al ware het ook de helft van zijn Jconing-rjk; en de uitkomst zal leeren, dat hij hierover berouw had. Wij moeten dus nimmer iets van dien aard beloven, dat wij niet zeker zijn te kunnen volbrengen; maar ook moeten wij nimmer eenJ mensch in verzoeking brengen, gelijk deze danseres deed, op aanraden van hare moeder, en
,/ Zij ging dan uit, vragende aan hare moeder : //wat zal ik eischen? En die zeide : het hoofd van Joannes den dooper.quot;
Nooit had Herodias eene gepastere gelegenheid gevonden, om zich op Joannes te wreken, dan hier, en zij vermogt te veel op het hart van hare dochter, dan dat deze haren raad niet zoude volgen. Wraakgierige menschen gelijken aan Herodias : 1. Zij meenen dat, Wanneer zij anderen kwellen en vertrappen, hun dit voordeel aanbrengen zal, of zij vinden genoegen in eens anders leed. 2. Ondeugende menschen haten allen, die bun in den weg staan, en hinderlijk zijn in het uitvoeren van hunne boosheden. 3. De raad, dien booze menschen geven, is naar hunne verkeerde driften afgemeten, en loopt daarop uit, dat zij aan hunne booze neigingen voldoen, of hun oogmerk daardoor bereiken kunnen.
// En aanstonds met haast tot den koning bin-// Den gaande, eischte zij, zeggende : ik wil dat // gij mij hier terstond het hoofd van Joannes
â 'â â li»
van de onthoofding van Joannes. 351 ,/ in eene schotel geeft. En de. koning werd be-â droefd; doch wegens den eed, en degenen die â met hem aan tafel zaten, wilde hij niet ,/ bedroeven. Maar eenen van zijne lijfwacht zen-,/ den de, gebood hij, dat men het hoofd daar in !/ eene schotel zoude brengen. En deze onthoofd-| ,/ de hem in de gevangenis, en bracht zijn hoofd
â daar in eene schotel; en hij gaf het aan de TJ
// dochter, die het aan hare moeder gaf.quot;
gt;r
Toen Herodes den wil dier dochter vernomen had, werd hij bedroefd, want hij hield veel van â¢Toannus, zoo als wij vroeger hoorden, en hij begreep tevens, dat hij eene onrechtvaardige daad zoude begaan, wanneer hij'aan haar verzoek voldeed; nochtans verkoos hij het laatste, liever dan haar te willen bedroeven. Hoe dom en onnoozel dit was, zal men lichtelijk begrijpen; maar niet quot;Kj
' minder zal men gelooven moeten , dat er nog ^ j
vele ouders gevonden worden; die dikwijls in het een of ander opzicht verkeerd handelen, om hunne kinderen niet te bedroeven, door hun een dwaas HÃ
verzoek af te slaan. Moest Herodes ook niet eenen wijzen en deugdzamen man meer bemind |
hebben, dan het volbrengen van den eisch dier dochter? Bovendien verplicht geen eed om onrechtvaardigheden te begaan. En wilde Hekodes dien zoo vast houden, hoe veel te meer moest hij God den eed houden ! Eindelijk, wij moeten niet een of twee van Gods geboden onderhou- V
den , maar die allen; en zoo zullen wij door lijden, kwelling en vervolging, met de god- quot;ft
vruchtige menschen in Christus tot een gelukzalig einde komen, en daar aanlanden, waar de ^
; £
- 1 ! 11
â¢352 Evangelie op den feestdag
ziel van Joannes de eeuwige vreugde smaakt;
want
// Zijne leerlingen dit hoorende, zijn gekomen ;/ en hebben zijn lichaam genomen en in een // graf gelegd.quot;
GEBED.
Heer ! geef dat de leeraars steeds , naar het voorbeeld van Joannes den Dooper, uwe leer, en zonder schroom verkondigen, en dat wij openlijk uwen naam belijden. Dat wij nimmer lichtvaardig en onnoodig eenen eed zweren, nimmer onze booze neigingen opvolgen, nimmer naar ijdelheden zien, noch daardoor onze plichten jegens U, jegens onzen naaste of jegens ons zeiven vergeten. Amen.
é
Op den feestdag van Onze Lieve Vrouw Geboorte.
Evangelie, Mattheus I. 1 - 16.
In de heilige Kerk worden de Feestdagen der Heiligen in het algemeen of bijzonder gevierd; men viert dezelven althans door Mis te hooren ; maar van geene Heiligen viert men de geboorte, dan alleen van Christus , de bron der zaligheid, van zijne Moeder vol van genade, en van Joannes den Dooper; om dar. al de anderen in zonden ontvangen en geboren werden, en naderhand eerst, door de genade Gods, heilig geworden zijn. Christus konde nooit aan onheiligheid onderworpen zijn; Maria werd reeds in hare ont-
van O. L. Vrouw Geboorte. 353
Tangenis gezuiverd, en Joannes werd, in zijns moeders lichaam, met den H. Geest vervuld. De geboorte va,n deze drie personen heeft bijzondere vreugd aan de wereld geschonken. En zouden er zich velen in de geboorte van Joannes den Dooper verblijden, hoeveel te meer in de geboorte van Christus en zijne Moeder ; want het volk, dat in de duisternis zat, het onkundige, ellendige en zondige menschdom, heeft een groot licht gezien, 1) namelijk de zon der rechtvaardigheid, Christus de Zaligmaker der wereld; en tevens moeten de menschen zich verblijden over de geboorte der Moeder Gods, uit welke dit licht gekomen is. Maria is schoon gelijk de maan, helder als de zon, en Joannes is de morgenster , die de komst der zon verkondigde ; daar hij , met den vinger wijzende zeide : ziet het Law. Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. Nog kan Maria vergeleken worden bij de ark van Noë, waarin het behoud onzer zielen was. Lang was het voorspeld, dat uit het zaad van Abraham en David de Zaligmaker zoude geboren worden; terwijl deze als eene zegening eti uitmuntende mannen werden aangezien. Hoe veel te meer genade en zegening is het dan, dat uit Maria de Zaligmaker geboren werd ! Zij was ook afkomstig uit het geslacht van David, gelijk ons het Evangelie van heden leert.
,/ Het geslachtboek van Jesus Christus, Zoon // van David, Zoon van Abraham.quot;
Nadat de volgende geslachten tot Jacob ,
1( liaias 1.
23
35i Evangelie op den feestdag
den zoon van Nathan, zijn opgeteld, eindigt de
Evangelist in het 16 vers, aldus :
v Jacoh teelde Jozef, de man van Maria, uit ,/ welke Jesus geboren is, die Christus genoemd â wordt. quot;
Maeia nu had dezelfde voorouders als Joskt , want dewijl zij geene broeders had, was zij volgens de wet van Mozes (1) getrouwd met Josef, die van haar naaste maagschap was.
De Evangelisten zijn wel niet breedvoerig in het verhalen der deugden van Maria, en wij hebben daarvan nader gesproken in het Evangelie van Onze Lieve Yrouw Boodschap en Bezoeking; maar het is ook genoeg, dat zij zeggen, dat uit haar de Christus geboren werd. Zij moet derhalve door God met vele gaven en deugden versierd zijn geworden, om waardig te zijn den Zaligmaker der wereld in haren schoot te dragen. In het geslacht van de heilige Maria worden vele mannen geteld, die groote zondaars waren; maar Christus wilde uit Maria geboren worden, omdat Hij kwam om zondaars zalig te maken. David was ook een zondaar; doch hij bekeerde zich, en in zulk geval moest de zonde gelegenheid en oorzaak zijn tot vele deugden. David ware nooit zoo heilig, nooit zoo ootmoedig geworden, en hadde nooit zoo vele boetvaardigheid gedaan, zoo over zijne zonden geweend, indien hij niet eerst in zonden ware gevallen. Wanneer men gezondigd heeft, moet men den moed niet verloren geven; maar met
(I) Num. XXXXI. 7 en 8.
Ã
van O. L. Vrouw Geboorte. 355 David daarvoor boete doen en zicli zoeken te beteren. David is hier vóór alle heilige man-ne7i gesteld, gelijk Petrus en Paulas vóór alle Apostelen, Mattheus vóór de Evangelisten. In dit geslaehtboek; van Christus worden ook eenige zondaressen opgenoemd, als : de huisvrouw van TJrias, met welke David gezondigd had; Thamar, die met den Patriarch Judas gezondigd had; de ontuchtige vrouw Raab; Ruth , die te voren heidensch was geweest; maar deze worden vermeld, om aan te toonen, dat Christus gekomen was ow te zoeken en zalig te maken hetgene verloren mas (1); bijzonder de schapen van het liuis Israël.
Maria wordt in het Evangelie aangehaald, om hare groote waardigheid te kennen te geven, en ten andere, om diegenen te beschamen, welke durven zeggen, dat Christus geen waarachtig mensch geweest is, noch waarachtig vleesch en bloed heeft gehad, maar alleen een schijn daarvan zoude geweest zijn. Het is eene groote godslastering dit te zeggen. Jksus is uit het vleesch en bloed van Maria geboren, en was waarachtig mensch, geheel aan den mensch gelijk, uitgenomen de zonde. Voorts is het zeker, dat Christus de bede zijner Moeder voor onze zaligheid verhooren zal, en die genade en zegeningen verkrijgen, welke zij voor ons van Hem zal verlangen; want zij zondigde nooit, en was vol genade : waarom zij ook niets onredelijks kan begeeren. Dat wij ons dan verblijden in de geboorte van zulk eene getrouwe patrones, die zoo veel voor ons vermag en verkrijgen kan , wan-
1) Lucas XIX : 10.
y
W
356 Evangelie op den feestdag neer wij zeiven dit vromelijk begeer en. Dat wij hare deugden, al is het dan ook minder volmaakt navolgen; opdat wij mogen behooren onder het geslacht dergenen, die God zoeken en hiernamaals het liefelijke aanschijn van God genieten.
GEBED.
Heer Jesus, die Maria verkoren hebt, om voor ons voorttebrengen het eeuwige Licht : wil ons, die door de zonde kinderen der duisternis geworden zijn, aannemen als kinderen des lichts , door uwe heilige menschwording en de voorspraak van uwe moeder Maria. Amen.
Op den feestdag van den heiligen Mattheus.
Evangelie, Mattheus IX. 9 - 13.
n In dien tijde zag Jesus, van daar voortgaande, eenen mensch in het tolhuis zitten, genaamd Mattheus, en zei de hem ; volg mij. En hij, opstaande, volgde Hem. En het geschiedde, als hij in huis ter tafel zat, dat er vele tollenaars en zondaars met Jesus en zijne leerlingen kwamen aanzitten. Als de ïarizeërs dit zagen, zeiden zij aan zijne leerlingen : waarom eet uw Meester met de tollenaars en zondaars? Jesus dit hoorende, zeide : de gezonden hebben den geneesmeester niet noodig, maar wel de zieken. Daarom gaat henen, leert, h wat het te zeggen is : ik wil barmhartigheid en
van den 11. Mattheus. 357
â geen slachtoffer. Want ik ben niet gekomen om ,, de rechtvaardigen, maar om de zondaars te â roepen. quot;
Wanneer iemand eenen zieken moed en hoop wil inboezemen, houdt hij hem doorgaans zulke anderen voor oogen, die met dezelfde kwalen behebt waren, doch daarvan genezen zijn. Hetzelfde doet onze moeder de H. Kerk, wanneer zij hare zieke kinderen komt bezoeken. Als voorbeelden houdt zij ons voor oogen M.igda-lena. Petrus, Paulus, Mattheus en Zacheus ;
niet om ons van lichamelijke, maar van geestelijke krankheden te genezen; want er zijn zoowel geestelijke als lichamelijke : geestelijke zijn de zonden en gebreken. J|
Mattheus was een tollenaar, en bij de Joden,
gelijk alle menschen van dat beroep, als een zon- Li
daar beschouwd; niet zoo zeer om het ambt, als V
wel omdat daarbij, hetzij door de tollenaars zei- .9!
ven of door anderen, sjroot kwaad geschiedde, als: onrechtvaardigheid, dronkenschap, twist, gramschap, vloeken, zweeren, enz. Toen Christus k. op zekeren tijd, voorbij het tolhuis ging, waar Mattheus zat, zag hij hem aan met de oogen \ zijner genade en riep hem, zeggende : voly mij.
Terstond stond Mattheus op, en ging met Hem naar zijn huis, waar Jesus met hem en andere tollenaren ging spijzen. Aan tafel viel er weder een gesprek voor, en de nijdige Farizeërs zochten te vitten. k I
Leeren wij hieruit, dat Jesus de zondaren dikwijls te gemoet komt, om hen tot bekeering te-brengen; sommigen door het uitwendige woord,
anderen door inspraken van het hart. Wij moeten,
358 Evangelie op den feestdag
wanneer dit gebeurt, terstond opstaan, en zonder verzuim de middelen in het werk stellen , welke God verordend heeft, om ons zalig te maken. Niets uitstellen tot morgen, wat ons heden te doen staat; wij moeten Christus, wanneer hij ons roept, dadelijk volgen in ons huis, ons hart, waar hij ons zijne genade doet ondervinden-, gelijk Hij zulks aan Mattheus deed ; die dit geval echter niet zoo breedvoerig beschreven heeft, gelijk de andere Evangelisten doen, daar het hem zeiven betreft, en hij zelf zijne deugden niet verheffen wilde. Eindelijk moet een bekeerd zondaar zijne vorige medezondaren tot geloof en bekeering trachten te brengen , hen mede in huis nemen; doch wanneer zij voor geene verbetering vatbaar zijn, moet hij hen schuwen als de pest : uit vreeze van weder verleid te worden.
Dit Evangelie leert nog, die laatdunkende, trotsche, onverdragelijke en geveinsde ï'arizeërs niet natevolgen. Ja vele menschen bestraffen doorgaans in anderen, wat in hunne eigen oogen kwalijk gedaan is, en gaan dit anderen achter den rug zeggen, en, terwijl zij dit doen, de zaak vergrooten en verergeren, van hunne eigene woorden die eens anderen makende. Doch men moet hun antwoorden naar hunne dwaasheid , en hen door gezonde redenen zoeken te overtuigen, opdat zij wijs worden. Men kan uit het antwoord, dat Jesus gaf, leeren, dat het de eigenlijke plicht der leeraars is, de zondaren tot geloof en bekeering zoeken te brengen; tot welk einde zij wel met hen mogen verkeeren. Dus moet men ook niet aanstonds kwaad van iemand denken, al schijnt het in onze oogen verkeerd
den H. Mattheus. 359
te zijn; wij kunnen immers niet altijd de inwendige beweegoorzaken van de handelwijze onzes naasten doorgronden ; de schijn bedriegt maar al te dikwijls ; dit zien wij onder anderen in het
van
aangevoerde geval
In de derde plaats hebben wij nog nadere verklaring en antwoord van Jesus te beschouwen. Daardoor bewees Hij, dat Hij niet kwalijk deed met de zondaren te eten; daar dit diende, om met hen in gesprek te komen en huti den weg der zaligheid te leeren. Voorts, dat de werken van barmhartigheid aan God aangenamer zijn dan slachtoffers, en dat zonder de liefde geene offeranden aan God behagen, gelijk Paulus leert, T. Cor. 13. en dat Hij niet kwalijk deed door met de tollenaren en zondaren, en niet met hen te verkeeren; want waren zij zondig, dan moest Hij, volgens zeggen der Farizeërs, niet met hen omgaan; waren zij rechtvaardig, dan behoefden zij zijne verkeering niet. Gelijk de geneesheer niet tot de gezonden gaat, zoo hadden zij hem niet van noode, om hen tot boetvaardigheid te brengen; daar Hij de geestelijke geneesheer was en nog is.
quot;Voor ons is uit dit alles te leeren, dat wij heden, daar wij door den mond der Evangeliedienaars de stem van Jesüs nog hooren, Hem zonder uitstel navolgen ; heden, zeg ik, daar gij zijne stem hoort, verhardt uwe harten niet , maar laat u bekeeren en gelooft in Jesus Christus, die in de wereld gekomen is om de zondaars te roepen.
GEBED.
Roep ons, o Heer Jesus, gelijk Gij den hei-
t 'V'
r
mi
k'ai*
A
I
Al
«quot;ms, amp;
ital 3 X ii
-5 ||
Â¥
360 Evangelie op den feestdag ligen Mattheus geroepen hebt; roep ons, en wij zullen U navolgen; wij zullen den weg der deugden en den weg der zaligheid bewandelen. Zoo-zullen wij ons aan geen achterklap schuldig maken, en naar U als den geestelijken geneesheer hooren, om met den H. Mattheus in het eeuwige vaderland aan te landen. Amen.
Op den feestdag van den Heiligen Michaël.
Evangelie, Mattheus XVIII. 1-10.
;/ In dien tijde kwamen de leerlingen tot Jesus zeggende : wie is toch de grootste in het rijk der hemelen? En Jesics riep een klein kind tot zich, en stelde dat te midden van hen. En hij zeide : Ik zeg u, voorwaar, tenzij gij u bekeert en wordt als kleine kinderen, zult gij in het rijk der hemelen niet komen. Zoo wie dan zich zeiven vernedert, gelijk dit kind, die is de grootste in het rijk der hemelen. En die zoodanig een klein kind ontvangt in Mijnen naam , ontvangt Mij. Maar zoo wie een van die kleinen, die in Mij gelooven, verergert, het ware hem beter eenen molensteen aan zijnen hals gehangen, in de diepte der zee verdronken te worden.quot;
Komt, gij trotsche en hooviardige stervelingen, en leert u vernederen! Gij zult niet ingaan in het koningrijk der hemelen, tenzij gij u vernedert, nederig, eenvoudig en openhartig
van den II. Michaël.
wordet, vreemd aan alle pracht en eerzucht, zonder nijd, gelijk kleine kinderen. De hoo-vaardij is eene erfzonde; doch deze ondeugd is ook dikwijls aan eigen wil toe te schrijven, eu voor zoo verre wij door slofheid en onachtzaamheid , de genade Gods , door de hoovaardij , verloren hebben, zijn wij zeer ver van de eeuwige zaligheid verwijderd. Voor zulken is dit Evangelie bijzonder geschreven ; want daarin leeren zij wat zij doen moeten , om kinderen Gods en erfgenamen der eeuwige glorie te worden. Jesus verklaart zich duidelijk , en ter bevestiging voegt Hij er bij : voorwaar.
Door hoovaardij zijn ook eenige engelen afgevallen , en daarom van God gestraft geworden. Niet tevreden met hun eigen ongeluk, zoeken zij gestadig de menschen te verleiden : de duivel gaat om. ah een hrïeschende leeuw, zoekende wien hij zal mogen verslinden. (1) Eva werd door den duivel, in de gedaante eener slang, verleid, en door hare ongehoorzaamheid zouden wij eeuwig van Gods aanschijn verstooten zijn, indien niet Christus in de wereld gekomen ware , om voor zondaren te lijden en te sterven. Wij, moeten dan dezen vijand wederstaan ; waken en bidden, om in het geloof staande te blijven. Ootmoed en nederigheid zijn de hoofdeigenschappen van een Christen; loant God wederstaat den hoor aar di-gen, maar den nederig en geeft Hij genade (2). En wie niet wordt ah kleine kinderen, die zal in het rijk der hemelen niet komen, en veel minder zal hij daar de meeste zijn. Maar die daar de de meeste wil zijn, moet hier op aarde de minste zoeken te wezen : geene wereldsche eer of (1) 1. Petri. T. 8. (2) Petri. V. 5.
w
K
lï Y
r
361
r
A.
wf.
c
It?
'X|n
H;* I'
'7
â¢5t
gt;f
362 Evangelie op den feestclaq.
glorie zoeken , en daarin aan kleine kinderen
gelijk worden.
Ten andere leert dit Evangelie , hoe aangenaam de Zaligmaker de kleinen niet alleen zijn ; maar ook, dat het Hem bijzonder welgevallig is, wanneer men een nederig en ootmoedig mensch ontvangt; dat is ; hem huisvesting geeft, van spijs en drank verzorgt, kleedt, enz. Hieronder zijn alle weldadigheden begrepen. Jesus zal, gelijk Hij op eene andere plaats zegt, de weldaden aan zijne lievelingen bewezen, aanmerken als aan Hem geschiedende, en in den jongsten dag tot hen zeggen : ik heh honger gehad, en gij hebt mij gespijsd; ik heh dorst gehad , en gij heht mij te drinken gegeven. Ik teas een vreemdeling, en gij heht mij geherbergd. (1) Verder moeten wij ook zorgen anderen niet te verleiden door hun ergernis of een kwaad voorbeeld te geven. Dit zoude een dubbel kwaad zijn, en ons niet alleen tijdelijke, maar ook eeuwige straffen op den hals halen. Het Evangelie zegt verder :
â Wee de wereld , wegens de ergernissen ; â want het is wel noodzakelijk , dat er vererger-â nissen komen , doch wee dien mensch, door â wien de verergernis komt. Zoo dan uwe hand, â of uw voet u verergert, hak ze af, en werp ze â van u. Het is u beter, verminkt of kreupel â tot het leven in te gaan, dan twee handen of â twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur ge-â worpen te worden. En zoo uw oog u verergert, â trek het uit, en werp hev, van u. Het is u , beter met één oog tot het leven in te gaan ,
(1) Matthcus XXV: có.
van den IT. Michaël. S63
3, clan twee oogen hebbende, in het helsche vuur ,, geworpen te worden. quot;
Hier worden wij door den geestelijken geneesheer gewaarschuwd tegen de verergernissen; wij zouden niemand ergernis aandoen, daar dit eene overgroote misdaad bij God is : Wee dien wensch, door wien de verergernis komt; hoewel de noodzakelijkheid uit de listigheid der duivelen, uit de boosheid, blindheid en kwaadaardigheid der menschen moet volgen. En boe velen maken zicli daaraan schuldig; hoevelen stichten ergernis, twist en tweedracht. Maar wee dien mensch, het ware hem beter eenen molensteen aan zijnen hals gehangen, en in de diepte der zee verdronken te worden; opdat hij dan nog de zaligheid mochte beërven : beter liet tegenwoordige leven te verliezen, dan in het toekomende verdoemd te worden. Dit hebben wij verder verstaan uit de woorden : het is u heter verminkt of kreupel tot het leven in te gaan, enz.
Voorts zegt het Evangelie, dat wij de dingen, waarmede wij meest zondigen, van ons zouden werpen, en datgene verlaten, wat ons van den weg der zaligheid afleidt : indien dan uw oog u verergert, trek het uit, en werp het van u; dat is : ontvlucht datgene, wat uw oog en uwe ziel verleidt en bekoort, en dat n op den dwaalweg brengt. Vermijdt derhalve de kwade gezelschappen , want deze doen menigeen afwijken van de deugd, en brengen hem op zijpaden , die in den aanvang wel aangenaam en als met rozen bezaaid schijnen, doch waarop men eindelijk niets dan distelen en doornen aantreft. Deze verwonden dikwijls het lichaam zoodanig, dat
mi
364 Evangelie op den feestdag
men niet meer kan terug keeren , en ook gebeurt het, dat een onverwachte dood hen uit het leven rukt, eer zij aan terugkeeren denken. Wachten wij ons dan voor den eersten stap, zoo zullen wij geenen tweeden doen. Wat zijn toch tijdelijke genoegens en voordeden, in vergelijking van de eeuwige vreugde in den hemel ? en waarom zouden wij met eene handvol goud tevreden zijn, daar geheele koningrijken de on zen kunnen worden? Wee ons, indien wij zoo dwaas en zinneloos zijn zouden ! Doch
â Ziet toe, dat gij niemand van deze kleinen â versmaadt; want ik zeg u, dat hunne Enge-,, len in den hemel altijd zien het aanschijn mijns â Vaders, die in den hemel is.quot;
Aldus eindigt het Evangelie, waarin Jesus andermaal van de kleine kinderen spreekt; en waarschuwt ons die kleinen, de ootmoedige, ge-loovige, nederige Christenen niet te versmaden. Een tweede bewijs, hoe welgevallig zij Hem zijn; en leeren wij hier tevens uit, dat wij men-schen eenen Engelbewaarder hebben , die ons beschermt tegen de listen en lagen, welke onze vijand ons mocht leggen. Het past ons dus, dubbel heilig te leven, om daardoor dezen goeden Engel te eeren en bij ons te houden. Eindelijk , indien de Engelen van ons weten, zoo zijn de Heiligen, die als Engelen in den hemel geworden zijn , ook van ons bewust. Bidden wij God , dat de Engel-bewiarder ons beware, en de Heiligen onze voorspraak mogen zijn.
GEBED.
Wij bidden U, Heer Jesus, geef dat wij gelijk
van de heiligen Simon en -JudciH. 365 worden aan de kleine kinderen, van welke Gij in dit Evangelie spreekt ; dat wij nederig, ootmoedig en dienstvaardig worden ; dat wij ons daartoe mogen beijveren en ons leven naar uwe geboden inricbten; zoo zullen wij, naar geene ijdelheden ziende, en onzen voet op den weg der deugd houdende, daar aanlanden , waar wij het aanschijn uws Vaders zien zullen. Amen.
Op den feestdag van de Heiligen Simon en Judas.
Evangelie, Joannes XV. 17-25.
n In dien tijde zeide Jesus aan zijne Leer-f, lingen : dit beveel ik u, dat gij elkander â lief hebt. quot;
In dit Evangelie, dat op den Feestdag der heilige Apostelen en broeders Simon en Judas, gelezen wordt, hebben wij eene schoone les van onzen Zaligmaker, omtrent de deugd der liefde tot onzen naaste. Deze les gat Hij kort vóór zijnen dood, alsof Hij dezelve als zijn testament wilde aangemerkt hebben. De les is in korte bewoordingen vervat, doch evenwel bevat zij alles. In dit gebod der liefde zijn alle andere geboden vervat. En dit gebod, hoewel toen tot zijne leerlingen gericht, gaat ons ook aan : wij moeten God hoven alles, en onzen naaste ah ons zeiven liefhebben.. Wij moeten onzen naaste liefhebben, niet om tijdelijke voordeden, vriendschap of om andere redenen, maar om de liefde Gods. De Evangelist Joannes zag dit ook in, en heeft zoo dik-
à ï'
â¢âli
jï
ir-
tl
t ÃS
ti
â¢â ii, ki
H
â¢J*
â¢366 Evangelie op den feestdag wij Is alleen van dit gebod gesproken; zelfs toen hij oud werd, en van zijne Leerlingen moest gedragen worden, zeide hij hun gestadig : kinderen, bemint elkander. Eindelijk, toen den Leerlingen van Joannes zulks begon te verdrieten, omdat zij het zoo dikwijls gehoord hadden, vroegen zij hem ; waarom hij dit gebod zoo menigmaal lier-haalde ? Maar ziet hier het antwoord : // het is een gebod des Heeren; wanneer dit volbracht wordt, is het genoeg.quot; Ook Paulus spreekt daarvan, dat degene, die zijnen naaste bemint, de wet vervuld heeft. (1)
v Zoo de wereld u haat, weet, dat zij mij al ,/ voor u gehaat heeft. Waart gij van de wereld ;/ geweest, de wereld zoude hetgene haar toebe-// hoorde bemind hebben; maar omdat gij van ,/ de wereld niet zijt, en ik u uit de wereld verko-n ren heb, daarom haat u de wereld. Gedenk aan ,/ mijn woord, dat ik tot u gezegd heb : de kneeht n is niet meer dan zijn heer. Hebben zij mij H vervolgd, zij zullen u ook vervolgen; hebben // zij mijn woord waargenomen , zij zullen het ;/ uwe ook waarnemen. quot;
Vooreerst leeren wij hieruit, dat wij op deze wereld geen loon moeten verwachten voor onze deugden, noch liefde voor liefde van de wereld-sche menschen; daar zij integendeel de godvruch-tigen haten en vervolgen en de weldaden met ondank beloonen. Ten andere vinden de deugdzame menschen hierin troost, dat Christus zelf is gehaat en vervolgd geworden; ja zelf ter dood
(1) rom. xiii 19.
van de heiligen Simon en Judas. 367 gebracht. Hoe veel zegen verspreidde Jesus rondom zich : Hij deed de kreupelen gaan, de blinden zien, de dooden werden opgewekt en aan de armen het Evangelie verkondigd. Zouden wij, die zondaars zijn, geen ongelijk willen verdragen ? zouden wij niet willen lijden , daar Jesus zelf geleden heeft ? De knecht h niet heter dan zijn heer ; en zouden wij dan morren ? Wanneer een soldaat van het leger, door zijnen hoofdman in den slag wordt voorgegaan, moet hij moed opvatten , en hij heeft geen reden van klagen; maar wanneer zijn koning zelf hem voorging, dan moest hij nog meer moed hebben, nog meer tevreden zijn : hoe veel te meer dan wij, die gezien hebben dat onze Koning, Christus zelf, ons is voorgegaan in verdrukking, vervolging, versmading, armoede en pijnen! Wanneer wij moedig strijden onder de banier van Christus, zullen wij de kroon der overwinning ontvangen. Hij zeide verder :
| A
L.
yx
n
lt;1
;, Maar dit alles zullen zij u aandoen , om âmijnen naam; omdat zij dengenen die mij ge-â zonden heeft niet kennen. Indien ik niet geko-â men was, en tot hen niet gesproken had, zoo â zouden zij geene zonde hebben; maar nu hebben â zij geene verschooning voor hunne zonde. Die â Mij haat, haat ook mijnen Vader; had ik onder âhen geene werken gedaan, die niemand anders â gedaan heeft, zij zouden geene zonde hebben ; â maar nu hebben zij die gezien, en echter haten â zij Mij en mijnen Vader. Maar het is, opdat â het woord, hetwelk in hunne wet geschreven
'A
â¢si, 'l1
1
368 Evangelie op den feestdag
â staat, zoude volbracht worden ; zonder reden
â hebben zij Mij gehaat.
Verscheidene leeringen kunnen uit dit Evangelie getrokken worden. De ongeloovigen vervolgen de ware Christenen uit onwetendheid en onbekendheid met de zaak, gelijk Paultjs, die vóór dat Hij de genade Gods ontvangen had, een vervolger der heilige Kerk geweest is. De vraag is nu, of al zulken, die onwetend in hunne dwaling voortgaan, barmhartigheid en genade van God zullen ontvangen? Het antwoord is, dat zij niet allen barmhartigheid daarover zullen verwerven; alleen die, welke het woord Gods en zijne geboden niet kunnen weten, en zoo in hunne dwaling voortgaan, zullen uit dien hoofde, dat is voor die onwetendheid, geene rekenschap te geven hebben; doch kunnen zij ook in deze en vele andere zaken plichtig en dus strafwaardig zijn; maar dewijl de meeste onwetenden, voorbedachte-lijJc zoo zijn, en naar deleer van Jesus niet willen hooren, zoo zijn zij strafbaar; want zij hehben geene verschooning voor hunne zonden. Velen hooren Cheistüs prediken door zijne opvolgers, en evenwel blijven zij hardnekkig; anderen doven het licht der goede inspraken en vermaningen in hun hart uit; zij zien de mirakelen, die in de H. Kerk geschieden, en die slechts in de ware Kerk kunnen geschieden, en nochtans blijven zij blind; zij willen blind blijven en bekeeren zich niet. Deze hebben geene barmhartigheid te verwachten; zij kunnen hunne ongeloovigheid niet verschoonen. Had ik, zegt Jesus, onder hen geene werken gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij zouden geene zonden hehben. Wij moeten der-
van de heiligen Simon en Judas. 369 halve de nieuwe geesten, die in de laatste eeuwen opgestaan zijn, die zich den naam van gereformeerden geven, i/iet gelooven: daar zij door geene wonderwerken of mirakelen hunne zending kunnen bewijzen, en dit toch moesten doen. Want Christus zelf bewees zijne zending door wonderen, anders hadden de Joden geene schuld van hunne ongeloovigheid. Daarom durfde Mozes ook niet voor Phauao verschijnen, vóór dat hij van God eenen staf ontvangen had, om daarmede wonderen te doen.
Laat ons dan blijven bij het oud geloof, dat door zoo vele wonderwerken bevestigd , en met het bloed van zoo vele Heiligen verzegeld is geworden. Ook deze twee apostelen, Simon en Judas , deden mirakelen , en bevestigden hun geloof in Christus door hun bloed. Daarenboven waren zij voorbeelden in de deugd van liefde : zij beminden elkander, alle brave menschen, en zelfs hunne vijanden. Simon Zelotes {dat een jaloersch liefhebher beteekent) en zijn broeder Judas Tha-deus (dat belijder of lover zeggen wil) werden om Christus naan? vermoord. Volgen wij hunne voorbeelden in de liefde tot den naaste, in het volstandig strijden voor het geloof, dan zullen wij tevens daardoor toonen Christus lief te hebben , en alzoo de zaligheid verkrijgen.
GEBED.
Verleen ons, Heer, door het voorbeeld van deze heilige Apostelen , Simon en Judas , den geest der liefde, dan zullen wij het pad uwer geboden bewandelen en de wet vervullen. Amen.
i
H-
i'
Mfi
t
§
w
^1 1.1;
A
24
370 Evangelie op den feestdag
Op den feestdag van alle Heiligen
Evangelie, Mattheus V. I - 12.
Omdat wij de Feestdagen vau alle Gods lieve Heiligeu niet in liet bijzonder kunnen vieren , daar er meer zijn dan dagen in het jaar, zoo heeft de Kerk verordend, dat wij eenmaal in het jaar een algemeenen feestdag van de Heiligen zouden vieren. Het Evangelie, dat de Kerk ons heden voorhoudt, is een gedeelte der predikatie, welke Jesus op den berg hield, en waarin Hij sprak vau de acht zaligheden, waardoor wij, als door zoo vele trappen, tot de eeuwige zaligheid moeten opklimmen. Het Evangelie begint dus :
fi In dien tijde, als Jesus dan de menigte des
// volks zag, klom hij op eenen berg; en toen hij // nedergezeten was, kwamen zijne leerlingen tot // hem. En zijnen mond open doende, leerde hij // hun, zeggende : zalig zijn de armen van geest; â want het rijk der hemelen komt hun toe.quot;
De eerste trap is dan armoede van geest, dat 1 is : ootmoedigheid, die de grondslag is van alle deugd en der zaligheid, gelijk de H. Augustinus zegt: als gij denkt om een hoog en groot gebouw in den hemel te maken, begint dan eerst met het fondament daartoe te leggen ; en dit is de ootmoedigheid ; en hoe hooger het gebouw is : hoe dieper het fondament liggen moet; dat is : hoe ootmoediger wij ons moeten betoonen. â Vrijwillige armoede lijden , kan ons ook armen van
van alle Heiligen. 37ï
geest maken, mits zulks niet uit ijdele glorie geschiede, gelijk dit bij eenige lieidensclie wijsgee-ren plaats had, die daardoor wilden beroemd worden; maar wanneer wij door den H. Geest daartoe gedreven worden, gelijk de Apostelen, die have en goed verlieten, om Jesus na te volgen.
y Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zul-,/ len het aardrijk bezitten. quot;
Ziedaar den tweeden trap van zaligheid. Door het aardrijk verstond men bij de Joden het land van belofte; en dit was eene nibeelding van den hemel. Ootmoedige Christenen moeten ook zachtmoedig zijn ; niet haastig ot toornig, gelijk er, helaas, velen gevonden worden, en evenmin opgeblazen, gelijk vele rijken, die trotsch zijn op hunne vergankelijke rijkdommen; maar nederig , met alle menschen gemeenzaam verkeerende, en geduldig verdragende, hunne gebreken verschoo-nende en hen vriendelijk bejegenende.
// Zalig zijn zij die weenen; want zij zullen // vertroost worden.quot;
Deze trap volgt heel wel op den vorigen ; want die ootmoedig en zachtmoedig zijn, kunnen lichtelijk droevig zijn; en zalig zijn zij, die weenen met een heilig geween, beschreiende hunne eigene zonden en die van anderen; als ook die, welke in druk, ellende, armoede en vervolgingen, met geduldigheid leven.
,/ Zalig zijn zij, die hongerig'en dorstig naar de // rechtvaardigheid zijn; want zij zullen verzadigd // worden.quot;
ï l
JN.
k
li
I
s
kk
H
H
i jij
1
372 Evangelie op den feestdag
Door deze reclitvaardigheid moet niet alleen die deugd verstaan worden, waardoor wij aan anderen geven hetgeen wij hun schuldig zijn ; maar door rechtvaardigheid verstaat men hier alle deugden, die de rechtvaardigheid in zich bevat. Wanneer iemand bekent, dat hij een zondaar is , en daarover weent, dan heeft hij ook begeerte tot de deugd, en deze begeerte wordt honger en dorst genoemd. Dat onze honger en dorst naar deugd, van dag tot dag vermeerderen, en wij eenmaal door het aanschouwen der goddelijke glorie in den hemel verzadigd worden : daartoe verleene ons de Heer Jesus zijnen genadigen bijstand.
// Zalig zijn de barmhartigen; want zij zullen v barmhartigheid verwerven. quot;
Te weten ; in den dag des oordeels zullen zij , die aan hunnen naaste barmhartigheid gedaan hebben, een genadig vonnis ontvangen; daarentegen zullen allen, die aan deze deugd vreemd zijn geweest en hunnen evenmensch liefdeloos behandeld hebben, zonder genade, tot de eeuwige straffen veroordeeld worden.
z/Zalig zijn de zuiveren van harte; want zij // zullen God zien. quot;
Zuiver van hart moeten allen zijn die God zien willen; niet alleen moeten zij geene onkuischheid met ter daad begaan, maar ook geene onkuische, oneerlijke of slechte gedachten koesteren; want al wie eene vrouw aanziet om te leg eer en; die heeft reeds met haar overspel bedreven; 1) voorts hei-
1) Vers 28.
vei
van alle Heiligen. 373
lig denken over, en omtrent alles, dan zullen zij God zien van aangezicht tot aangezicht, en met de Heiligen in Jestis rijk aanzitten.
// Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen â Gods kinderen genoemd worden. quot;
Indien iemand ootmoedig, zachtmoedig, be-geerig naar deugd, barmhartig en zuiver van harte is, dan heeft hij rust in zijn gemoed en vrede met God en de menschen : zulke zijn kinderen Gods, en zoeken dezen vrede overal te verspreiden, naar het voorbeeld van onzen Heer Jesus Christus; waarom zij dan ook medeërfgena-men in zijn koningrijk zullen worden.
,, Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de â rechtvaardigheid ; want het rijk der hemelen â komt hun toe. quot;
Hier wordt geleerd, dat de rechtvaardigen, de ware aanhangers van Jesus, hun loon niet op deze wereld te verwachten hebben; doch dat zij integendeel dikwijls zullen vervolgd worden; want de wereldsche menschen haten het licht en vervolgen de goeden. Zij kunnen zich echter troosten, daar hun het rijk der hemelen toekomt, en zij hun loon hiernamaals te wachten hebben. Christus noemt hen zalig; Hij vermaant hen gerust te zijn, en zelfs zich daarover te verheugen en te verblijden, zeggende ;
â Zalig zijt gij lieden, als men u zal schelden en â vervolgen, en om mijnentwil alle kwaad tegen u âspreken, u beliegende. Verblijdten verheugt â u; want uw loon is zeer groot in den hemel. quot;
| gv
t
â â¢Â«! i
j
â
h ***
a
s».
u
H.
5*
1
374 Evangelie op den feestdag
Om deze redenen waren de martelaars zoo verblijd, wanneer zij den dood te gemoet gingen; zij beschouwden de kwellingen en pijnigingen als kostelijke maaltijden; omdat zij wisten, dat al het lijden van dezen tijd niet te vergelijken is bij de toekomende glorie, die ons met alle Heiligen ten deel zal worden, wanneer wij de deugden in de acht zaligheden vervat, beoefenen, en daarin van dag tot dag zoeken voort te gaan.
GEBED.
Heer Jesus, die van den berg der deugden, waardoor de zaligheid verkregen wordt, geleerd hebt : geef ons de kracht, dat wij ons benaarstigen om dezelven te verkrijgen. Ontsteek in ons het vuur der liefde en de begeerte , om door deugden de gloriekroon te verwerven. Dat wij geduldig zijn, als wij om uwen naam vervolgd, gelasterd en gesmaad worden. Doe ons het lijden in deze tegenwoordige wereld niet achten, maar dat wij de eeuwige vreugde, steeds voor oogen hebben. Amen.
Op den feestdag van alle geloovige zielen.
Evangelie, Joannes V. 25 - 29.
â In dien tijde zeide Jesus tot zijne Leerlin-â gen en tot de Joden ; voorwaar, voorwaar, ik â zeg u, het uur komt, en is; nu hier, dat de doo-â den de stemme van den Zoon Gods zullen hoo-â ren : en die ze hooren, zullen leven. Want ge-â lijk de Vader het leven in zich zeiven heeft, zoo
van alle geloovige zielen. 375
n heeft hij ook den Zoon gegeven het leven in // zich zeiven te hebben. En Hij heeft Hem macht n gegeven om te oordeelen; omdat hij de Zoon // des menschen is. Verwondert n daar niet over; h want het uur komt, dat allen die in de graven â zijn, de stem van den Zoon Gods zullen n hooren. En die goed gedaan hebben, zullen v voortkomen ter verrijzenis des levens; maar // die kwaad gedaan hebben, ter verrijzenis der // verdoemenis/'
Gelijk wij gisteren de gedachtenis van alle Heiligen gevierd hebben, zoo vieren wij heden de gedachtenis van eenige andere geloovige menschen , die wel in den hemel zullen komen, maar, om redenen, voor eenen tijd in het vagevuur lijden moeten.
Moeten wij ons met de blijden verheugen, zoo moeten wij ook met de bedroefden bedroefd zijn; daarenboven, indien wij gisteren de hulp van anderen begeerd hebben, zoo past het ook anderen onze hulp te verleenen; en deze zijn zoo vele zielen in het vagevuur, die geene bijzondere hulp van hunne vrienden of van hunne maagschap hebben. Het is dus billijk, dat wij deze, ten minste eenmaal in het jaar, gedachtig zijn; en alle Gods Heiligen te hulp nemen, vooral zulke, die de pijnen des vagevuurs beproefd hebben; om Christus te bidden, dat Hij hun genade schenken en hen spoedig verlossen wil; daar Hem daartoe de macht gegeven is, gelijk ons het Evangelie van heden leert. In Hem buigen zich al de knieën dergenen, die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn. (1) De zielen der geloovigen, die in het va-(i) Phil. II : 10.
m
37 6 Evangelie op den Feestdag
gevuur zijn, hebben recht op onze voorspraak; daar wij door één geloof, ééne hoop en liefde te zamea verbonden zijn als lidmaten onder één hoofd, namelijk : Christus de Heer. Zoo riep Job tot zijne vrienden : ontfermt u mijner, ten minste gij lieden die mijne vrienden zijt! En zouden wij ons niet vaardig toonen, om de geloovige zielen, door onze voorspraak uit de pijnen des vagevuurs te verlossen; daar wij, in hetzelfde geval zijnde, ook gaarne door de voorspraak van anderen zouden willen geholpen worden ?
Dit Evangelie leert nog dat de macht des Zoons niet minder is dan die van den Vader; Hij is met den Vader één (1) naar zijne goddelijke natuur; en zoo wordt Hij geboren en heeft het leven van zich zeiven; terwijl Jesus, naar zijne mensche-lijke natuur, het werktuig des Vaders en der H. Drievuldigheid is, om te doen wat de H. Drievuldigheid beveelt en regeert.
Zoowel in het begin van het Evangelie als aan deszelfs einde, spreekt Christus van den jong-stendag, of het algemeene oordeel dat er gehouden zal worden; doch dit kan ook toegepast worden op het bijzonder oordeel van een ieder, bij zijn afsterven. God doet de menschen door zijnen Zoon oordeelen; de stem van Jesus zal de lichamelijke dooden uit hunne graven roepen, gelijk Hij,, door zijne genade, nog dagelijks velen van den geestelijken dood verwekt. Die deze zijne stem, inspraak tot het hart, hooren, zullen leven; al is het ook, dat zij, om kleine zonden, eenigen tijd in het vagevuur moesten blijven. Het konde zijn om dagelijksche zonden, of omdat zij van eene doodzonde niet zoo geheel gezuiverd waren als (1) Job XV. 23.
van alle qeloovige zielen. 377
Magdalena, Petrus en andere bekeerde zondaren, die in dit leven; door Gods hulp en genade, door een volkomen berouw en leedwezen daarvoor geboet hebben.
De H. Drievuldigheid zal het laatste oordeel door den Zoon Gods doen houden, omdat Hij ook de Zoon des menschen is, die in zijne mensche-lijke gedaante de menschen zal oordeelen, en in welke gedaante de zondaars Hem ook zullen zien in de wolken; dewijl zij Hem in zijne goddelijke glorie niet mogen aanschouwen, daar hierin de zaligheid bestaat. Voor de zaligen zal hij schijnen als een lam, maar voor de verdoemden verschrikkelijk als een leeuw; zoodat zij tot de bergen en steenrotsen zullen roepen : vaU op ons en verbergt ons (2) voor de gramschap des Lams.
Jesus, op de wolken komende, zal de menschen oordeelen naar hunne werken : die goed gedaan hebben , zullen aan zijne rechterhand geplaatst worden en het eeuwige leven beërven; maar de boozen, de overspelers en ontuchtigen, de dieven, dronkaards, lasteraars , vloekers en meineedigen, zullen die verschrikkelijke stem hooren : gaat weg, gij vervloekten, in de eeuwige pijnen ! En deze verdoemden zullen alsdan wenschen te sterven, maar daartoe niet kunnen geraken; het vonnis is onherroepelijk en de straf duurt eeuwig. O dan zouden zij wenschen op aarde beter geleefd en naar de stem des Heeren gehoord te hebben!
Bidden wij God dan, dat wij mogen behooren onder de schapen, die aan zijne rechterhand zullen gesteld worden, om in de eeuwige glorie te mogen ingaan, om die zaligheden te smaken, die geen
(1) Openb. VI. 1G.
s i
te r-
K
4 i
t i
i
it
âL
i;: ib
I
1
o 7 8 Evangelie op den feestdag
oog gezien en geen oor gehoord heeft; zaligheden te genieten, waarbij al de vreugde dezer aarde in geene vergelijking kan komen. De zaligen zullen daar, in den hemel, van hunnen arbeid uitrusten, en het Lam, dat geslacht is, eeuwig toejuichen. Voorts met ql het goede, wat wij op de aarde, door onze voorspraak, voor onze vrienden, van den Heer verkrijgen kunnen, mogen wij ook de geloovige zielen, die in het vagevuur groote pijn lijden, veel helpen, bijzonder met het gebed en het misoffer. Dat wij al onze pogingen aanwenden, om met onze vrienden de verrijzenis des levens deelachtig te worden !
GEBED.
Heer Jesus Christus, die de macht om te oordeelen ontvangen hebt : bewijs de geloovige zielen in het vagevuur uwe genade; verlos hen uit de smartelijke pijnen en doe hen ingaan in de zaligheid. Dat zij en wij met hen in den jong-sten dag aan uwe rechterhand gesteld mogen worden, en wij de liefelijke woorden mogen hooren : komt, gezegenden mijns Vaders, beërft het rijk, dat u van de grondlegging der wereld bereid is. Amen.
é
Op den feestdag van den heiligen Willebrordus.
Evangelie, Maïtheus XXI. 14 - 23.
n In dien tijde heeft Jems deze gelijkenis ge-// sproken; Een mensch; buiten 's lands reizsn-// de, riep zijne dienstknechten, en gaf hun zijne
van den heiligen Willebrordus. 379 in banden. En den eenen gaf hij vijf ponden, den anderen twee, en aan eenen anderen één, elk naar zijn vermogen ; en hij , vertrok terstond. Die dan vijf ponden ontvan-, gen had, ging daarmede handelen, en won er , nog vijf bij. Insgelijks ook die er nog twee ontvangen had , won er nog twee bij. Maar , die er één ontvangen had, ging het in de aarde begraven, en het geld van zijnen heer verber-, gen. En na eenen langen tijd kwam de heer van die knechten, en hield rekening met hen. , En die vijf ponden ontvangen had, kwam hem , andere vijf ponden brengen , zeggende : heer , , gij hadt mij vijf ponden gegeven, zie daar heb , ik er nog vijf bij gewonnen. Zijn heer zeide , hem : welaan , gij goede en getrouwe knecht, , omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zoo , zal ik u over veel stellen; ga binnen in de vreugd , uws heeren.En die twee ponden ontvangen had, , kwam ook bij hem en zeide : heer gij hebt mij , twee ponden gegeven, zie daar, ik heb er nog , twee bij gewonnen. Zijn heer zeide hem : wel-, aan, goede en getrouwe knecht, omdat gij over , weinig zijt netrouw geweest, zoo zal ik u over , veel stellen ; ga binnen in de vreugd uws hee-, ren.quot;
iigt;' f |
f. Ei
i %
goederen
'S
Ik,
'Pi
â¢fi ip
:i
In deze gelijkenis wordt ons in het kort geleerd, hoe God zijne goederen aan de menschen uitdeelt, om dezelve tot geestelijk voordeel en geluk te besteden. Om dit beter te verstaan , zullen wij hooren wat de leeraars der O. Kerk
380 Evangelie op den feestdag
daarvan uitleggen en deze gelijkenis in liet kort
doorloopen.
De mensch, die buiten 's lands reisde, is Jesus Christus, die te gelijk God en mensch is, en als mensch van de eene plaats naar de andere ging, hoewel Hij naar zijne Godheid overal tegenwoordig is. Christus is dan naar zijne menschheid van deze aarde gereisd, om te zitten aan de rechterhand zijns Vaders; maar voor zijn vertrek derwaarts, riep Hij zijne knechten, zijne Apostelen, die als zijne opperste dienaars kunnen aangemerkt worden, en beloofde hun den Trooster, den heiligen Geest, die hun al wat Hij vroeger geleerd had zoude indachtig maken. Deze belofte werd op den Pinksterdag vervuld, als wanneeraande Apostelen de goederen van Christus , de gaven des H. Geestes, overgeleverd werden. Zij spraken vreemde talen en predikten Gods wonderdadige werken , tot bekeering der wereld; zij hadden de wetenschap, om voor de Koningen en grooten der aarde Christus den gekruisten te verkondigen. De Zaligmaker had hun daarom gezegd : wilt niet, als zij u overleveren, overdenken wat gij spreken zult; want u lieden zal in dit uur gegeven worden. wat gij zult spreken ; gij zult niet spreken , maar de Geest uws Vaders zal in u spreken. Zij hadden zeg ik, kloekmoedigheid , om de wereld van hare boosheden te overtuigen ; vurigheid en ijver, om het Evangelie te prediken : sterkte, om daarvoor tot den dood te strijden; wijsheid en voorzichtigheid, om de Kerk te regeeren; godvruchtigheid en andere dergelijke gaven. Na de Apostelen hebben de opvolgende Oversten en Prelaten deze goddelijke gaven in eene meer of mindere maten bezeten : den eenen gaf Hij vijf, den
van den heiligen Willehrordvs. 381 anderen twee ponden. Een der voornaamste was de H. Willebrordtjs , wiens feestdag heden gevierd wordt, en die een van Jesus getrouwste dienstknechten geweest is. De heilige man, vele ponden (vele gaven, zoo bovennatuurlijke als andere) ontvangen hebbende, deed niet gelijk de booze knecht, en begroef zijne ponden (zijn verstand, zijne wijsheid, kennis, voorzichtigheid en andere deugden) in de aarde, om die voor zich te houden ; maar hij woekerde daarmede, en deed hiermede winsten. Hij zocht in het klooster, waarin hij reeds vroeg door zijne moeder besteld werd, zijne ponden door kennis te vermeerderen, en naderhand zielen voor zijtien Heer te winnen. Tot Aartsbisschop gewijd zijnde, trok hij naar Holland en Friesland , om degenen , die daar in de duisternis zaten, het grootste licht te verkondigen dat er was opgegaan ; het gelukte hem ook, door den bijstand des Heeren, vele menschen die in onkunde, goddeloosheid en afgoderij leefden, te bekeeren en tot God te brengen; zoo dat hij met recht als de Apostel van Holland en Friesland geëerd en gevierd wordt. De H, Willebrordus is aan alle Oversten en Leeraars der H. Kerk tot voorbeeld gesteld; zij moeten even als hij, hunne gaven, die zij ontvangen hebben, tot geestelijk gewin in de heilige Kerk besteden; opdat zij met den getrouwen knecht in den jongsten dag kunnen zeggen : Heer! gij hadt mij vijf ponden gegeven, vele uwer geestelijke goederen aanvertrouwd, of Gij hadt mij twee ponden, slechts eenige dier goederen gegeven ; maar ziet, ik heb er voordeel mede gedaan; velen geleerd en tot bekeering gebracht. Dusdoende zullen zij de liefelijke woor-
jf
)*! I*!
IN.
| *
1
it
. fN
'i
â fi
1 rquot;
I'
S
'i i
383 Evangelie op den feestdag
den hooren : gaat linnen in de vreugd uivs Heeren.
De boven aangehaalde gelijkenis kan ook op alle andere menschen toegepast worden; want al wat zij hebben, wijsheid, verstand, goederen, enz. zijn als zoo vele ponden, die hun de Heer gegeven heeft, aan een ieder naar zijne behoefte of geschiktheid. Hiermede moeten zij woekeren, dezelven besteden tot hunne eigene zaligheid, of tot troost en geluk van hunnen evenmensch. Dat wij dan onze aanvertrouwde ponden niet begraven, gelijk de booze knecht, en zoo vele andere nog levende menschen, die bij voorbeeld, hunne rijkdommen tot ijdelheid en pracht besteden; zij jagen de wellust en de wereldsehe genoegens na, ten koste der onschuld en der deugd, ja ten koste van hunne eeuwige zaligheid. Maar wee hen! want zij zullen niet den boezen knecht in de uiterste duisternis geworpen worden, waar geween en knarsing der tanden zijn zal. (1) Doen wij niet alzoo, maar gedragen wij ons als getrouwe dienstknechten, die in de vreugd huns Heeren zullen binnen gaan; en daartoe brenge ons God, die tot in eeuwigheid heerscht en regeert, door de voorspraak van den H. Willebrordus.
GEBED.
O almachtige, eeuwige God, die uit groote barmhartigheid uwen getrouwen dienaar den H. Willebrordus, tot ons gezonden hebt ter bekeering der Heidenen en ter verbreiding van uwen heiligen naam : verleen ons overvloedige genade, om niet van het ware geloof af te wijken. Geef dat wij onze ponden wal mogen aanwenden, om zoo doende de zaligheid deelachtig te worden.
(1) Vers 30,
I
van den H. Martinus. 383
Zend tot alle verdoolde schapen zulke Priesters en Leeraars, gelijk de heilige Bisschop Wtlle-brordus, opdat wij allen te zamen in de heilige i.
Kerk U mogen loven en vereeren en in den hemel aanschouwen. Amen.
£
Op den feestdag van den Heiligen Martinus.
Evangelie, Lucas XI. 33 - 35.
â ' I
n In dien tijde zeide Jesus tegen zijne Leerlingen : niemand ontsteekt eene kaars, om die in het verborgen of onder liet korenvat te zetten;
maar hij stelt ze op den kandelaar, opdat degenen die inkomen , het licht mogen zien. De kaars uws lichaams is uw oog. Indien uw oog ^
zuiver is, zoo zal uw geheel lichaam zuiver zijn ; maar indien het ondeugend is, zoo zal ook uw lichaam duister zijn. Daarom ziet toe dat het licht, hetwelk in u is, geene duisternis zij.quot;
In dit Evangelie wordt geleerd, hoe wij onze goede werken moeten doen. De gelijkenis waaruit wij dit kunnen opmaken, is duidelijk en schoon. Het licht, waarvan hier gesproken wordt, beteekent een goed of heilig werk, hoewel de Leeraars ook dikwijls een licht genoemd en daaronder verstaan kunnen worden. (1) De Zaligmaker wil met deze gelijkenis te kennen geven, dat men een goed werk wel in het openbaar mag verrichten, gelijk Hij meermalen geleerd heeft: laat uw lichtzoo schijnen voor de menschen,
(1) Matth. Y. 14. vJ
384 Evangelie op den feestdag dat zij uwe goede werken mogen zien; laat men dezelven kunnen zien; verberg die evenmin als men eene gewone lantaarn onder een korenvat zoude stellen. Wij moeten onze goede werken niet verborgen houden, uit vrees, dat wereldsche en kwaaddenkende menschenons mochten bespotten of uitlachen. Laat deze begaan, want zij weten, dat zij het licht haten, omdat zij van de wereld zijn. Wij moeten ons derhalve aan zulken niet storen, maar recht door zee gaan, en ons licht op den kandelaar stellen.
Intusschen mogen wij er ons niet op toeleggen, om onze goede werken van de menschen te doen zien; maar wanneer de tijd en omstandigheden het medebrengen, dan moeten wij ons niet schamen, om openlijk een christelijk werk te verrichten, om openlijk te bekennen, dat wij Christenen zijn en in Jesus naam gelooven. Wij moeten onze goede werken voor de menschen laten zien, zoo dikwijls Gods eer of glorie daardoor vermeerderd kan worden. Gelijk de H. Nicola as zijne goede werken in het geheim en in stilte deed, zoo deed de H. Martinus, wiens feestdag wij heden vieren, dezelven meesttijds in het openbaar. In de poort van Amiens, bij voorbeeld, gaf hij eenen naakten man , een stuk van zijnen mantel; terwijl vele oubarmhartigen voorbij gingen en hem lieten zitten. Deze daad van den H. Maetikus was den Heer zoo aangenaam, als of hij Hem zei ven gekleed had; te meer, daar de H. Martinus zulks uit een goed hart had gegeven.
Het hart of de meening, waarmede wij iets verrichten, maakt onze werken goed of kwaad; dit leert de Zaligmaker door de gelijkenis van het
van den 11. Martinus. 385
oog. De oogen zijn de spiegels der ziel, zij zijn de lichten van ons lichaam, en wijzen aan hetzelve den weg waar het moet wandelen. Zijn de oogen nu goed, dan zal het werk, dat wij ver- %
richten, ook goed zijn; maar zijn de oogen krank of zijn er schillen voor, dan kan ook ons werk niet deugen. Het oog der ziel nu is het hart of de meening; en is dezelve goed, oprecht en eenvoudig, dan is het goede werk, dat wij verrichten, ook aangenaam aan God ; maar is de meening boos of valsch, dan zal ons werk niet welbehage-lijk zijn aan God, en wij hebben daarvan het loon weg, (1) de verdiensten zijn niets. Vóórdat wij dan eenig werk willen verrichten , moeten wij .
vooraf beproeven, welke de oorzaken of drijfveren zijn, die ons daartoe bewegen; of wij onze eer ,
dan wel die van God zoeken; terwijl wij in het laatste geval alleen loon te verwachten hebben en ontvangen zullen, gelijk de H. Martinus die ontvangen heeft. Wij zullen, door de genade Gods,
en de voorspraak van den H. Martinus, ten jongst en dage van Jesus hooren : â alle goede werken, die gij met een goed hart en eene goede meening aan uwe medemenschen gedaan hebt,
die hebt gij aan mij gedaan. Gaat in de vreugde des Heeren.
'jlt
GEBED.
I
Heer Jesus, die ons geboden hebt onze len-
'O # ^ tt â
denen op te schorten, en brandende lichten in onze handen te houden : laat het brandende vuur der liefde nimmer in ons verkoelen; en dat onze gedachten, woorden en werken daar henen strekken, om recht en gerechtigheid te doen, ter uwer 1) Matth. VI. 5.
25 Vj
f'
386 Evangelie op den feestdag eer en onze zaligheid. Geef dat wij, door het voorbidden van den H. Martinus, waken en bidden, uwe toekomst afwachten en van U genade verwerven. Amen.
Op den feestdag van de H. Catharina en andere H. Maagden.
Evangelie, Maïtiieus XXV. 1 - 13.
Dit Evangelie, hoewel op den Feestdag der H. Maagden gehouden wordende, wordt intus-schen ook verstaan van alle geloovigen, die door de H. Maagden beteekend worden. T)e Zaligmaker spreekt weder in eene gelijkenis, en deze gelijkenissen hebben altijd eenen geestelijken zin ; zij moeten niet naar de letter verstaan worden. Laat ons dan het Evangelie hooren :
// In dien tijde zeide Jems : Het rijk der he-h melen is gelijk aan tien maagden , die hare //lampen nemende, den bruidegom en de bruid // te gemoet gingen. En vijf van haar waren dwa-// zen, en vijf wijzen. Doch de vijf dwazen, hare // lampen nemende, hadden geene olie met zich â genomen. Maar de wijzen namen olie in hare n vaten met de lampen. Ai's nu de bruidegom // vertoefde, sluimerden zij allen en sliepen. Maar n ter middernacht ontstond er een geroep : zie â daar, de bruidegom komt, gaat uit hem te ge-n moet. Toen stonden al die maagden op en be-u reidden hare lampen. En de dwazen zeiden tot h de wijzen : geeft ons van uwe olie, want onze
van de H. Catharina en II. Maagden. 387 ,/ lampen gaan uit. De wijzen antwoordden : mis-n seinen dat er voor ons en u lieden niet genoeg â mocht zijn; gaat liever tot de verkoopers en // koopt voor u zclven. Maar terwijl zij gingen om â te koopen, kwam de bruidegom : en die bereid n waren, gingen met hem binnen op de bruiloft,
,/ en de deur werd gesloten. En gelijk kwamen u ook de andere maagden , zeggende : Fleer, Heer,
â doe ons open. Maar hij antwoordde, zeggende :
n ik zeg u, voorwaar, dat ik u niet ken. Waakt ,/ dan; want gij weet noch dag noch uur. quot;
Het rijk der he.welen beteekent de H. Kerk,
welke hier op aarde strijdende is, en namaals in den hemel verheerlijkt zal worden. In deze H.
Kerk zijn tien maagden; door welk getal bedoeld worden alle geloovigen; die het oprecht geloof hebben, en zich, door het oefenen van eenige ']
goede werken, tot de komst van Christus schijnen te bereiden. Deze tien maasden of ^eloovi- N gen namen hare lampen, het geloof; zij worden }j| brandende genoemd, als het geloof werkende is door de lietde. En gelijk het in de Oostersche landen een gebruik was den hruidegom en de bruid te gemoet te gaan, zoo moeten de geloovigen,
met hun geloot Christus te gemoet gaan.
Maar het geloof moet werkende zijn, de geloovigen moeten olie, dat is ; liefde en barmhartigheid , voor hunne lampen hebben. Vijf der maagden worden dwaze genoemd; zij hadden geen olie in hare vaten, hoewel zij die wel in hare lampen hadden. Waaruit wij leeren, dat het niet w
genoeg is het geloof te hebben, maar de liefde en de goede werken zijn volstrekt tot de zaligheid
s
388 Evangelie op den feestdag noódig. Dat wij het niet alleen op het geloof laten aankomen; want wij zouden alsdan bij de dwaze maagden vergeleken kunnen worden, en te vergeefs wenschen dat wij goede werken gedaan hadden, dnar het te laat zoude zijn.
De dwaasheid van eenige maagden bestond ook nog daarin, dat zij sliepen. Zij moesten zamen de wacht houden en op de komst van den bruidegom wachten; door het lang vertoeven waren zij in slaap gevallen. Vele Christenen doen hetzelfde; zij zijn vadsig en traag in het waarnemen van hunne plichten, en stellen hunne bekeering uit, denkende dat zij daartoe nog den tijd hebben, terwijl God onverwachts komt en hen uit het leven wegrukt. Waar zullen wij dan olie der deugden krijgen? Helaas, daartoe is het te laat! Laat ons steeds onze lampen hrandende, hebben ; waken en bidden, opdat ons de bruidegom niet onverwacht overkome.
En die bereid waren gingen met hem binnen. Zoo zullen de geloovigen, die liefde en barmhartigheid aan den naaste betoond hebben, met Jesus, wanneer Hij ten oordeel komt, in het eeuwige leven gaan en daar de groote bruiloft vieren; (1) zij zullen voor den hoogsten troon zingen : het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen, de macht, goedheid, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid, en zegenlof. (2) Nadat de bruidegom zal zijn binnengetreden, zal de deur gesloten worden, en de dwaze menschen, die dachten dat het genoeg ware in de Kerk geboren of gedoopt te zijn, zullen te vergeefs zeggen : Heer, Reer, doe ons open. Wat zal de bruidegom, de
1) Opeub. III. 20. 2) Opeub. V- 12.
van de H. Catharina en 11. Maagden. 389 Heer Jesus, die hun zoo dikwijls door zijue dienaars of door zware ziekten heeft doen toe-
i»
roepen : de bruidegom, komt, hun anders antwoorden dan : Ik zeg u, voorwaar, dat ik u nooit hel gekend als de mijnen. Herhalen wij nog eens de woorden waakt dan, want het uur des doods is onzeker. Stellen wij ons gedurig de woorden : ziet, de bruidegom komt voor den geest, gelijk de H. Hieeonymus altijd meende te hooren : Haat op, gij dooden ! Gedenken wij aan ons uiterste, en wij zullen niet zondigen.
Laat ons ons geloof uit onze werken toonen, dan zullen wij gelijken aan die wijze maagden, welke bereid waren om mede binnen te gaan ; wij zullen aanlanden, waar de H. Catharina is heen gegaan. Zij was na hare bekeering gelijk aan eene van die wijze maagden, van welke in ons Evangelie gesproken wordt. Eerst was zij uit hoogmoed maagd gebleven ; daar zij eenen man wilde hebben, die zoo hoog van afkomst was als zij. Doch toen zij beter onderricht was, en Christus als den waren bruidegom had leeren kennen, vulde zij hare lamp met overvloedige olie der liefde, kuischheid en wijsheid, zoo dat zij zelfs vele, naar de wereld geleerde menschen, tot geloof en bekeering gebracht heeft. Voorts had zij zoo veel olie van goede werken, dat God dit door een schoon mirakel aan de gansche wereld verklaard heeft. Uit den berg Sinaï, waar de Engelen haar lichaam na hare onthoofding begraven hebben, vloeit eene olie, waarmede nog wonderen gedaan worden. Zij is dus op de eeuwige bruiloft, welke de Heer Jesus ons mede gelieve deelachtig te maken.
Evangelie op den feestdag
GEBED.
O genadige Bruidegom onzer zielen! geef dat wij met de wijze maagden vele goede werken, uit eene goede meening, mogen doen, en daarin kloekmoedig volharden; opdat wij tot de bruiloft bereid gevonden worden, wanneer Gij komt om binnen te treden. Dit bidden wij , door de voorspraak van de heilige maagd en martelares Ca-THakina. Dat de macht der duisternis ons niet beschadige; maar dat wij in den dag van het algemeen oordeel zoo zuiver bevonden worden, als op den dag dat wij gedoopt waren. Amen.
Op den feestdag van de Kerkwijding.
Evangelie, Lucas XIX. 1 â10.
// In dien tijde, Jems ingaande doorwandelde // Jericho. En daar was een man genaamd Za-n cheus, die een oppertollenaar en zeer rijk was, n welke zocht om Je sus te zien , wie hij was ; // maar hij konde niet, om de menigte des volks, I/ vermits hij zeer klein van gestalte was. Hij liep I/ dan vooruit en klom op eenen wilden vijge-â boom; om Hem te mogen zieu ; want aldaar I/ moest Hij voorbijkomen. En als Jesus aan die // plaats gekomen was, zag Hij op, en hem zien-u de, zeide tot hem : Zacheus, haast u, kom af; // want ik moet van daag in uw huis verblijven. â En hij kwam haastig af; en ontving Hem met n blijdschap. En allen die dit zagen, zeiden al
â 390
van de Kerkwijding. 391
,/ morrende, dat Hij bij een ondeugend mensch fi was gaan herbergen. quot;
Ofschoon in dit Evangelie niets van de Kerkwijding gevonden wordt, is het echter niet zonder reden, dat de H. Kerk ons heden dit Evangelie voorhoudt, namelijk : omdat de Zaligmaker in het huis van Zacheus wilde verblijven, om hem en andere zondaars te bekeeren; daardoor werd dit huis tot het huis des Heeren, en kan als eenen tempel of kerk aangezien worden. Doch hoofdzakelijk wil de Zaligmaker hier leeren, dat onze zielen en lichamen geestelijk gewijd moeten worden, gelijk de Apostel leert, dat onze lichamen tempels van den ti. Geest zijn. (1) Gelijk dan de uitwendige kerken aan God toegeëigend worden, door zekere ceremoniën of plechtigheden, die alle hunne bijzondere beteekenis hebben, zoo moeten de inwendige kerken, onze harten en zielen, ook aan God worden toegewijd en geheiligd. Volgen wij het voorbeeld van Zacheus , die, toen hij hoorde dat de Zaligmaker de stad Jericho doorwandelde, begeerig werd om Hem te zien, en tot dat einde op eenen vijgeboom klom, dewijl eene menigte volks hem belette den Zaligmaker van nabij te zien. Zoo moeten wij ook groote begeerte hebben tot Chiustus, dan zal Hij zich aan ons bekend maken door goede inspraken, en zich aan ons openbaren door zijn levendig woord, dat de leeraars ons gedurig voorhouden; zelfs zullen wij Hem in het Sacrament des altaars geheel genieten. Maar daar wij in eenen geestelijken zin klein zijn, en met ons verstand niet kunnen begrijpen, dat brood en wijn, die denzelfden smaak en reuk
(1) I. Cor. VI : 19.
_
393 Evangelie op den feestdaq
na, als voor de consecratie, behouden, het. // ^ waarachtige vleesch en bloed des Zaligmakers ge- : u s
worden is, zoo moeten wij op eenen boom klim- n i men, dat is : ons aan de leer van de H. Kerk houden, die ons zulks leert en niet dwalen kan,
daar de H. Geest altijd bij haar gebleven is en 0P:
tot in eeuwigheid blijven zal, gelijk Jbsüs zelf na,
beloofd heeft. (1) Deze vijgeboom, waarop Za- zlj:
cheus gezeten was, wordt in het Latijn Æ fatua, dif
dat is : zotte vijgeboom genoemd j omdat vele g0
menschen, die hun verstand niet gevangen geven ge
onder het verstand der H. Kerk, als zot geacht be
worden; maar hetgeen de menschen voor wijsheid he
achten, is dikwijls dwaasheid bij God. (2) ve
Christus zal zich laten vinden van al degenen va
die Hem oprechtelijk zoeken, en met zijne godde- dc lijke genade bij hen blijven. Intusschen morde de
menigte; die hoorde dat Jësüs hij een ondeugend de mensch was gaan herbergen, gelijk meermalen het
geval was. Dan, dit is de aard en het karakter zo
van nijdige menschen en achterklappers , die , de
vóór dat zij de zaak weten, alleen op losse ge- hâ¬
ruchten oordeelen. Wij moeten op zulken achter- ^
klap niet letten, maar onze plichten getrouw Wi
vervullen, en weldoen zonder omzien ; met goed- J'
doen voortgaande, gelijk Zachetjs , want : dt
ze
â Zacheus stond op en zei de aan den Heer: rn
// zie. Heer, de helft van mijn goed geef ik den gi
// armen, en heb ik iemand door bedrog ergens te
//in te kort gedaan, dat geef ik vierdubbel we- g' ,â der. Waarop Jesus zeide ; heden is dit huis // de zaligheid toegekomen, omdat dit ook een
(1) Matth. XXVIII. 20. (2) 1. Cor. III.
i
van de Kerkwijding. 393
// kind van Abraham is. Want de Zoon des men-u schen is gekomen, om te zoeken en zalig te h maken , hetgeen verloren was.quot;
Wij kunnen uit deze woorden leeren, hoe de oprechte bekeering van een' zondaar zijn moet, namelijk , dat hij eerst afstand doen moet van zijne zonden, en het goede doen, en de rechtvaardigheid oefenen. Zachetjs gaf de helft van zijn goed aan de armen, en het onrechtvaardig verkregen goed vierdubbel weder. Dat wij dit voorbeeld navolgen, dan zouden er meer op de zaligheid kunnen hopen en dezelve van den Heer te verwachten hebben : maar veie rijken kunnen van hunne goederen niet scheiden; zij geven daarvan weinig of niets aan de armen, en zullen daarom ook bezwaarlijk ingaan in het rijk der hemelen.
De werken van barmhartigheid zijn aan Jesüs zoo welgevallig, dat Hij de barmhartigen elders de qezegenden zijns Vaders noemt, die de zaligheid beërven zullen. De Zaligmaker noemt hier Zacheus zalig, omdat hij de zoon van Abraham was; niet naar den vleesche, want dit zijn al de Joden, maar omdat hij de werken van Abraham deed : hij ontving de armen en reizigers. Daarom zeide Jesus tot de Joden : zijt gij Abrahams zonen, zoo doet de werken van Abraham, indien gij in het leven wilt ingaan : zijn wij nu Christenen, dat wij ons dan ook als zoodanig gedragen , om in te gaan in de eeuwige glorie.
-J
GEBED.
Heer Jesus, die Zacheus met uwe barm-
t,
394 Evangelie op den feestdag hartige oogen hebt aangezien, in zijn huis ge- tian herbergd zijt geweest en hem van vele geestelijke, mart kwalen genezen hebt : geef dat wij dezelfde ge- Evai genade van U mogen ontvangen. Spreek tot ons hart: u is heden de zaligheid toegekomen ; en maak ons zonen en kinderen Gods, opdat wij quot; eeuwig moeren leven. Amen. quot; v .
Op den feestdag van den heiligen Sebastianus en eenige andere Martelaren.
Evangelie, Lucas VI. 17-22.
Waarom, zal men vragen, hebben zoo vele mannen, vrouwen en maagden onder de nieuwe wet den marteldood ondergaan , daar nochtans deze, de tijd der genade, en de oude wet, een lastig juk genoemd wordt ? 0|) deze vraag antwoorden de leeraars der heilige Kerk, dat de genade van het nieuwe Testament of van het Evangelie, niet gelegen is ia tijdelijke gunsten of voordeelen en genoegens; want Christus heeft geleden, opdat wij met Hem zouden lijden, ons een voorbeeld achterlatende. (1) Het zoude niet volstrekt noodig geweest zijn, dat de martelaren door hun bloed hun geloof bevestigden : maar dit was redelijk , aangezien een leerling niet beter is dan zijn meester; en Christus wil, dat wij, gelijk Hij gedaan heeft, ons kruis en lijden op ons nemen, en hetzelve zonder morren dragen zullen. Wanneer wij dit alles beschouwen, zullen wij van den lof des H. Sebas-
rvan den II. Sehaatianusvan den II. Sehaatianus 395
ti anus des te beter overtuigd worden. Op de martelaarsdagen houdt de heilige Kerk ons het Evangelie voor oogen dat aldus luidt:
// In dien tijde, Jems met hen afkomende , u stond op eene vlakke plaats, met eene schaar ,/ van zijne leerlingen , en een groote menigte ,/ volks van geheel Judeë en Jeruzalem, en van // den zeekant van Tyrus en SI don, die gekomen ,/ waren om Hem te hooren, en van hunne ziek-t} ten genezen te worden : daar waren er ook â onder, die van onreine geesten gekweld wer-u den, en zij werden genezen. En al het volk // zocht Hem aan te raken; wan daar ging eene â kracht van Hem uit, en maakte zeallen gezond.quot;
De Zaligmaker was op den berg Tkahor geklommen, om daar in de eenzaamheid te bidden, en daarna zijne Apostelen te kiezen. Van dezen berg afgeklommen zijnde , bevond Hij zich met zijne leerlingen in de vlakte, onder eene groote menigte menschen , die van alle kanten waren toegevloeid om Hem te hooren of door Hem genezen te worden. Merken wij nader aan ; 1. Dat niet alleen de Joden of Israëlieten , maar ook vele Heidenen den Zaligmaker volgden, om zijne leer te hooren : zelfs deden de laatsten dit dikwijls met meer vrucht, gelijk somtijds door de priesters beter ketters dan Katholieken be-kekeerd worden en deze nogbeschamen. Intusschen vindt men wel eens ouder de gewone menschen of ledematen der heilige Kerk somtijds eenigen, die de Geestelijken en Leeraars in deugden overtreffen, gelijk de heilige Sebasïianus, de heilige Mautinus en andere, die onder eene soldaten-
â¢396 Evangelie op den feestdag
It leeding een kloosterlijk leven leidden, en ande- opkl
ren daartoe overhaalden; onder andere Marcus moei
en Maecellianus, die bijna waren afgeweken , dede
maar door den heiligen Sebastianüs versterkt goed
werden; zoodat zij voor den naam des Heeren tot Che
den einde toe gestreden hebben , en de kroon Hue
der Martelaars hebben verworven. 2. Hieruit ziet den
men tevens, dat het lijden op deze aarde voor roze
den mensch zalig is; alzoo het ons tot Cheistus zoiu
brengt, daar wereldsche vermaken ons daarvan ste
aftrekken. 3. Zijn de menschen zoo genegen om aan
veel arbeid en moeite te doen; om geld of well
goederen te winnen, die inderdaad toch geene der
waarde hebben en vergankelijk zijn, hoe veel te hart
meer moesten zij arbeid noch moeite sparen, om heil
tot Christus te komen en Rem aan te raken, gen
ten einde van hunne geestelijke kwalen genezen pijh
te worden. Als Cheistus den ijver van het volk en '
zag, om van hunne lichamelijke kwalen en kasf gebreken bevrijd te zijn, en
,, De oogen op zijne leerlingen slaande, zeide ^ â Hij : zalig zijt gij, die arm zijt want het rijk
â Gods komt u toe. Zalig zijt gij die nu honger ^ro
â hebt; want gij zult verzadigd worden. Zalig jj
â zijt gij die nu weent, want gij zult lachen. var
â Zalig zijt gij, als de meuschen u zullen Se]
â haten, en als zij u zullen afscheiden en be- hei
â schimpen, en uwen naam als kwaad verwerpen 'lui ,, om den Zoon des menschen.quot;
Het rijk der hemelen is dus niet te bekomen dan door armoede, honger, droefheid vervolging en beschimping der wereldlingen, welke onheilen als trappen zijn, waardoor wij moeten
van den H. Sebadianm. 397
mde-:i opklimmen; het zijn nauwe poorten, waar wij kcus moeten doorgaan naar het andere leven. Dit ken , deden alle Heiligen en Martelaars; zij gaven hun terkt goed, en vergoten hun bloed voor den naam van m tot Christus, om slechts de zaligheid te verwerven. :rooii Hun lijden viel hun licht en sommigen beschouw-t ziet den het vuur en de brandstapels als bedden van rozen, gelijk Laurbntius en Tibtjrtius; anderen zongen en loofden God te midden der vreeselijk-ste pijnigingen, gelijk de H. Sebastianus, die aan eenen paal gebonden stond , en de pijlen welke op hem afgeschoten werden ontving, zonder eenig blijk te geven dat hij ze gevoelde; zijn hart was geraakt door andere pijlen, gelijk de heilige Augustinus van zich zeiven getuigt, zeggende : o Heer ! Gij hadt mij geraakt met de pijlen uwer liefde. Troosten wij ons dan in druk en lijden; dit is ons nuttig en zalig, en de Heer kastijdt dengenen dien Hij lief heeft.
GEBED.
Gij, o Heer, die uwe heilige Martelaars tot uwe getrouwe vrienden verkiest, en hen met de kroon der onverderfelijkheid beloont, omdat zij U getrouw navolgen : geef dat wij, als de pijlen van verdriet ons hart raken zullen, met den H. Sebastiaan en andere Martelaren, inwendig verheugd mogen zijn, dat wij die tot uwe eer verduren. Amen.
men vol-slke ^ten
398 Evanyelie op den feestdag
Op den feestdag der H.H. Augustinus, Gregorius, Hieronimus, Ambrosius en andere Leeraars der H. Kerk.
Evangelie, Mattheüs V. 13 - 19.
// In dien tijde zeide Jesus tot zijne Leerlingen : gij zijt het zout der aarde. Doch indien het zout zijne kracht verliest, waarmede zal men het zouten? Het is dan nergens meer bekwaam toe, dan om weggeworpen en van de menschen vertreden te worden. Grij zijt het licht der wereld. Eene stad die op een berg ligt, kan niet verborgen worden. Noch ontsteekt men een licht, oin het onder een korenvat te zetten; maar men stelt het op eenen kandelaar; opdat het zoude lichten voor allen die in het huis zijn.quot;
Ziedaar, hoe de Leeraars der II. Kerk zijn moeten; zij worden door den Zaligmaker genoemd : ]. hel zout der aarde, dat is : gelijk het zout de smakelooze spijzen smakelijk maakt, en die voor bederf bewaart, alzoo moeten zij den omgang der menschen, als het ware, zouten en voor alle bederf bewaren. En even als het zout den stank beneemt, zoo doen de Leeraars de menschen den stank der zonde verliezen en hen eenen goeden geur voor God verkrijgen. Gelijk het zout in de wonden bijt, zoo bijten ook de Leeraars, door hunne leer en vermaningen, de booze zondaars. 2. De leeraars zijn het licht der wereld, dal is :
van de Leeraars der II. Kerk. 399 zij zijn als fakkels of Lampen, aan Christus , het oorspronkelijk licht, ontstoken, om de menschen-kinderen op den weg naar de eeuwigheid voor te lichten; gelijk een vuurtoren aan den zeekant dient, om de varende, stuurlieden bij nacht den koers aan te wijzen, ten einde in eene behouden haven aan te landen. Zijn de Leeraars het licht der wereld, dan moeten ook de lidmaten naar hen luisteren, op hen acht geven, gelijk een wijze stuurman op de vuurtorens moet letten. 3. Wordt hier geleerd, wie de ware Leeraars zijn, cn waaraan men ze kennen moet; namelijk zij, die in de stad zijn, ivelke op eenen lerg ligt: de Leeraars der II. Kerk, die er van den beginne af geweest zijn. Kan deze stad niet verlor gen hlij-ven, dan mogen ook de burgers , waarvan de Leeraars de voornaamsten zijn, niet verborgen blijven, maar tie leer, welke zij door opvolging van den Zaligmaker ontvangen hebben, verkon-kigeii van den kandelaar, den predikstoel; opdat zij daardoor al degenen verlichten, welke in het huis, i'1 heilige Kerk zijn. Jesus zegt verder :
// Laat uw licht alzoo schijnen voor de men-// schen, dat zij uwe goede werken mogen zien , en uwen Vader, die in den hemel is, verheerlijken. Denkt niet dat ik gekomen ben om de wet of de Profeten te vernietigen, maar om ze te volbrengen. Want ik zeg u voorwaar, dat hemel en aarde eer zullen voorbijgaan , dan dat er eene letter of stipje van de wet zal door-z/gaan, tot dat alles volbracht worde.quot;
Met deze woorden leert de Zaligmaker, dat goede Leeraars niet alleen moeten lichten met
10 O Evangelie op den feeddag woorden, maar ook, dat zij de lidmaten met goed voorbeeld en goede werken moeten voorgaan ; want is het dat het zout zijne kracht verliest, dat de Leeraars zeiven de wereldsclie goederen beminnen en een ondeugdzaam leven leiden, waarmede zal men het zouten, wat zal er van de kudde worden, welke zij moeten hoeden? Daarom worden de kwade Leeraars uit de H. Kerk geworpen, en van alle menschen veracht. De Zaligmaker leefde zoo als Hij leerde, en zocht de menschen door woorden niet alleen, maar ook door zijn voorbeeld te stichten. Dit doen alle brave Leeraars, en zij, die dat doen zijn dubbele eer waardig. Daarom
,/ Zoo wie dan een van deze minste geboden te ,f niet doet, en de menschen alzoo leert, die zal // de minste in het rijk der hemelen genoemd h worden; maar die ze doet en volleert, zal groot // genoemd worden in het rijk der hemelen. quot;
Deze woorden duiden het loon der goede en de straf der kwade Leeraars aan; terwijl zij, die willens en wetens verkeerd leeren en gelooven , reeds sedert lang van de heilige Kerk door den ban afgescheiden zijn. Zij die dan met woorden en voorbeelden al de geboden Gods onderhouden, en alzoo ijverig arbeiden in den wijngaard des Heeren, die zullen groot genoemd word.en in het rijk der hemelen. Niet aLeen zullen zij hierboven, maar dikwijls op de aarde reeds groot zijn, gelijk wij gezien hebben in de heilige Leeraars Gregorius, den eersten Paus van dien naam, en die wegens zijne groote ootmoedigheid den grooten bijgenoemd werd, alsmede in Basilius ,
van den R. An tonivs en Belijders. 401
Albertus en anderen; terwijl Augustinus, Hie-ronimus, Ambrosius, Thomas en Bonaventura, die in der daad ook groot waren als Leeraars, nu met den Koning der glorie triomfeeren. Dat wij dan bijzonder hur,ne leering, die zij, als hoofden van de strijdende Kerk, geleerd hebben, navolgen en onderhouden, zoo zullen wij ook, door hun licht, in de haven der triomfeerende Kerk hierboven gelukkig aanlanden. Dit verleene ons de barmhartige Heer Jbsus.
g k b e d.
Zend ons, o Heer, zoodanige Leeraars, die ons met brandenden ijver het woord Gods verkondigen, en ons door hun voorbeeld stichten mogen ; opdat wij, ons gedragende als waardige inwoners van de heilige stad, nameiijk uwe heilige Kerk, eenmaal in het hemelsch Jeruzalem mogen aanlanden. Amen.
Op den feestdag van den H. Antonius en eenige andere Belijders en Bisschoppen.
Evangelie, Lucas XII. 35-40.
â In dien tijde zeide Jesus tot zijne Leerlin-
â gen : Dat uwe lendenen omgord zijn, en bran-
â dende lichten in uwe handen. En weest gelijk
â degenen die hunnen heer opwachten, als hij
â van de bruiloft moet wederkomen, opdat, als
â hij komt kloppen, zij hem terstond zouden open
â doen. Zalig zijn de knechten, die de heer als
36
402 Evangelie op den feestdag. â hij komt zal vinden waken. Ik zeg u, voor-,, waar, dat hij zich zal omgorden, hen ter tafel â doen zitten, en hen gaan dienen. En of hij â komt in de tweede of in de derde nachtwake, ,, zalig zijn die knechten, indien hij ze aldus â vindt. Doch weet dit, indien de vader des â huisgezins wist, wat uur de dief komen zoude, â dat hij buiten twijfel zoude waken, en zijn huis
niet laten doorgraven. Weest gij dan op uwe â hoede, want de Zoon des menschen zal komen â ter uur als gij het niet denkt.quot;
Dit Evangelie leert ons, hoe wij de gevaren en de zonden der wereld zullen ontgaan; dat wij daartegen moeten waken, en welk loon wij daarvoor te wachten hebben. Dat moe lendenen omgord zijn; en dit middel gebruikte de heilige Antonius bijzonder, om de begeerlijkheid der oogen, des vleesches en de hoovaardij des levens te ontgaan. Wij lezen van hem, dat hij dikwijls gansche nachten door bad, op den blooten grond sliep, als de slaap hem overviel, en geheele dagen vastte, en alleen des avonds voor de groote nooddruft een weiuig nuttigde. Aldus omgordde zich de H. Antonius, terwijl hij brandende lichten in zijne handen had, namelijk : hij overdacht Gods woord en deed goede werken.
Gebruiken wij ook deze middelen? Zijn onze lendenen ook omgord ? Helaas, het is met velen zeer verre af! In plaats van boetvaardigheid te doen, te vasten en te bidden, jagen zij veel meer de wereldsche ij delheden na, en wandelen in de begeerlijkheid des vleesches en de hoovaardij dezes levens. Maken wij een behoor-
van den 11. Antonms en Belijders. 403 lijk gebruik van Gods woord ? Trachten wij hetzelve te hooren en ons leven daarnaar in te richten ? Andere lichten zijn de Leeraars der heilige Kerk, die ons het woord Gods uitleggen ; deze nemen wij in onze handen, wanneer wij hunne boeken lezen oi hunne predikatien aanhooren ; terwijl de godvruchtige menschen, die ons door hun voorbeeld stichten, insgelijks onder de lichten gerekend kunnen worden.
Vragen wij ons voorts af, of wij goede werken doen , en deze lichten in de handen hebben ? Onze lichten, onze goede werken, moeten van de menschen gezien worden; en deze moeten brandende zijn door de liefde; want zonder de liefde zijn al onze werken niets. De lichten moeten zijn in onze handen; wij moeten niet alleen met woorden, maar met ter daad elkander liefhebben en goede werken verrichten. Dit doen van goede werken moet men niet op de erfgenamen laten aankomen, als wij dood zijn , gelijk er velen doen, die bij hun leven niet van hunne goederen scheiden kunnen en daarvan aalmoezen geven. Zij hebben dus het licht achter zich; daar het beter is, dat dit vooruit gaat. Wanneer onze lendenen omgord zijn, en de voornoemde lichten in onze handen branden, dan kunnen wij onzen Heer verwachten, gelijk de knechten, die wakende zijn, om hunnen Heer terstond open te doen, wanneer hij komt. Wij kunnen alsdan gerust wandelen naar ons Vaderland; daar wij hier geene blijvende stad hebben, maar eene toekomende verwachten. Wij zullen daar voor ons waken het loon ontvangen; met den Koning der eeuwige glorie zullen wij ingaan tot de bruiloft. Een ieder die zijne lendenen omgord heeft en brandende
401 Evangelie op den feestdag
lichten iu de handen, zal daar geheel verzadigd
worden met de glorie Gods.
Uit de tweede gelijkenis leeren wij bijzonder, om altijd op onze hoede te zijn tegen den dag des doods; zelfs ieder uur bereid zijn te sterven, en dus zoo leven, of elke dag de laatste van ons leven ware. De dood komt als een dief in den nacht; en daar wij wel zouden waken, wanneer wij wisten, dat men onze goederen wilde stelen, zoo moeten wij veel meer waken tegen dezen al-gemeenen vijand, den dood. Twee tijden nu is het moeielijk, en twee tijden van den nacht gemakkelijk te waken; namelijk in de drie eerste en in de drie laatste uren van den nacht, dat is ; van zes tot negen uren des avonds, en van drie tot zes uren des morgens; terwijl de mensch van 's avonds negen tot des nachts te drie uren, dat men de tweede en derde nachtwake noemt, moeite heeft om uit den slaap te blijven. Vergelijk hierbij des menschen leven : de kindsheid, de jongelingsjaren , den mannelijken ouderdom en de grijsheid. In de eerste en laatste valt het gemakkelijker een godvruchtig leven te leiden, dan in de twee middelste ouderdom men des levens; dan moet men zich geweld aandoen om het rijk der hemelen, hetwelk geweld lijdt; en de geweldigen, gelijk vele kluizenaars, de heilige Antonius en andere heilige mannen, nemen dit in. Laat ons hun voorbeeld navolgen, in tijds ons omgorden en onze lichten ontsteken, en onze bekeering niet tot de grijsheid uitstellen, want wij mochten dezelve eens niet beleven.
van de TL Anna en H. Weduwen. 405
GEBED.
Bestraal ons, o Heer, met uw heilig vuur, eu verlicht ons , gelijk Gij den heiligen Antonius gedaan hebt; dan zullen wij ons omgorden, onze lichten zullen branden, en wij uwe komst verwachten. Amen.
Op den feestdag der heilige Anna en andere heilige Weduwen ; ook sommige heilige Maagden.
Evangelie, Mattheus XTII. 44 - 52.
// In dien tijde sprak Jesus tot zijne leerlingen // in gelijkenissen. Het rijk der hemelen is gelijk // een schat, die in den akker verborgen is, wel-// ken een menscli, die hem vindt, verborgen // houdt, en uit blijdschap over denzelven , al u wat hij heeft verkoopen gaat : en koopt dien â akker. quot;
Door het rijk der hemelen wordt ook dikwijls de H. Kerk bedoeld; terwijl sommige Leeraars door dezen schat, in het Evangelie vermeld, den maagdelijken staat of de deugd der zuiverheid verstaan. Met recht kan deze een schat genoemd worden; een schat, die eeue vreugd zal aanbrengen, welke alle menschcn niet kunnen genieten ; want de heilige maagden zuilen het Lam overal volgen, waar het gaat. Dezen schat hebben de heiligen zoo lief gehad, dat zij alle wereldsche zaken verlieten, om dien te behouden en het he-
406 Evangelie op den feestdag
melsch koningrijk daarvoor te koopeu. Maar een ieder kent de kracht en deugd van denzelven niet, en voor een weinig aardsche vreugd laten zij de zaligheid verloren gaan. Een vroom mensch die geestelijk leven wil, verbergt dezen schat, welke inoeielijk voor den vijand te bewaren is, zorgvuldig. De maagden moeten al hare zorg aanwenden, om haren schat te bewaren, en zulks in alle ootmoedigheid; want anders zouden zij haar loon weg hebben, en met de dwaze maagden van den bruidegom verstooten worden. Andere Leeraars verstaan door dezen schat, de volmaakte liefde en goddelijke wijsheid, waardoor de men-schen al het wereldsche versmaden en gering achten. Deze wijsheid doet ons ook den schat van zuivering meerder achten en beter bewaren. De heiligen Hilariüs en Hieronimus verstaan door dien schat God zeiven; want waar is een grooterete vinden? en God bevat wezenlijke schatten in zich. Daar deze schat verborgen is voor allen, die buiten de genade zijn, zoo laat ons ootmoedig bidden, dat God ons zijnen heiligen Geest en zijne genade schenke. De tweede gelijkenis luidt dus :
h Het rijk der hemelen is ook gelijk een visch-â net, dat in de zee geworpen zijnde, allerlei // soort van visschen vergadert : hetwelk zij, als // het vol was, optrokken, en aan den oever i, zittende, de goeden daaruit zochten in hunne // vaten, en de kwaden wegwierpen. Alzoo zal het // gaan in de voleinding der wereld. De Engelen // zullen uitgaan en de boozen afzonderen uit het // midden der rechtvaardigen, en die werpen inden
de H. Anna en H. Weduwen. 407 // oven des vuurs, waar geween zal zijn en knar-â sing der tanden.quot;
Deze gelijkenis leert, dat er in het rijk der hemelen of de H. Kerk hier op aarde, goeden en kwaden gevonden worden, en dat de laatsten in den oordeelsdag van de goeden zullen worden afgezonderd, gelijk de visschen, die in het net gevangen waren. Yoorts, dat de boozen met het vuur zullen gestraft worden; niet omdat dit de grootste straf is, want het derven van Gods aanschijn is grooter, maar omdat het vuur van de menschen meest gevreesd wordt, daar zij de pijnen van het branden kennen. De Zaligmaker besluit met deze woorden :
n Daarom zijn alle Leeraars, die geleerd zijn â in het rijk der hemelen, gelijk aan eenen Vader // des huisgezins, die uit zijnen schat nieuwe en â oude dingen voortbrengt.quot;
De Leeraars die geleerd zijn in de zaken die het rijk der hemelen betreffen, zijn gelijk aan eenen huisvader, die uit zijnen voorraadkelder allerlei spijzen voor den dag brengt, naar ieders behoefte; en zoo moet een Leeraar, uit den schat van zijne wetenschap en deugd, allerlei heilzame leeringen aan zijne toehoorders voordragen, naar ieders behoefte en geschiktheid. Laat ons dan arbeiden, om onder de goede visschen, onder de rechtvaardigen, te behooren, ten einde het brandende vuur te ontgaan en den kostelijken schat des eeuwigen levens te verwerven.
408 Evangelie op den feestdag
GEBED.
Almachtige God, die door uwe goedertiereu-heid de H. Moeder Anna, in haren ouderdom, nog een kind hebt doen baren, dat de Moeder van Christus is geworden: verleen ons de genade, dat wij voortaan al meer en meer vruchten van ware boetvaardigheid en bekeering mogen voortbrengen. Amen.
Op den feestdag van den H. Jozef.
Evangelie, Maïthetjs I, 18 - 22.
âIn dien tijde, als zijne Moeder Maria teu â huwelijk gegeven was aan Jozef, werd zij, eer â zij zich verzaamden, bevrucht bevonden van â den heiligen Geest. Jozef dan, haar man, de-â wijl hij rechtvaardig was, en haar niet openlijk â wilde beschamen, was van zins haar heimelijk â te verlaten. Maar terwijl hij in deze gedach-â ten was, ziet, zoo verscheen hem een Engel âdes Heeren, in den slaap., zeggende : Jozef, â Davids zoon, wees met bevreesd Maria uwe u vrouw tot u te nemen; want hetgene in haar â geboren is, is van den heiligen Geest. En zij â zal eenen Zoon baren; en gij zult zijnen naam , ,, Jesus noemen; want Hij zal zijn volk verlos- ft â sen van hunne zonden. quot;
Zoo wordt hier de hoovaardij der menschen vernederd! De Moeder Gods wordt aan Jozef, die hoewel uit koninklijken bloede, slechts een
van den H. Jozef. 409
timmerman was, ten huwelijk gegeven. Prinsessen trouwen met Prinsen, en Koningen met Koninginnen; maar de Koningin des hemels trouwt met Jozef, eenen nederigen timmerman. Hier mogen wij met Paulus uitroepen, o diepte der rijkdommen en der wijsheid Gods I
Ofschoon Maria door den heiligen Geest bevrucht was, eer zij zich verzaamden, wordt Jozef nochtans haren man genoemd : 1. omdat hij zich mannelijk en kloekmoedig gedroeg; 2. omdat hij alle tegenspoeden verdroeg en zich van alle vleeschelijke lusten onthield, en 3. de Moeder Gods niet verliet, maar haar en het kind Jesus als een man beschermde.
Maria had haren man van hare bevruchting onkundig gelaten, de Engel had haar dit geheim in stilte geopenbaard, en zij maakte het deswege niet kenbaar.
Leeren wij hieruit. Jozefs deugd en rechtvaardigheid, zijne kloekmoedigheid en lijdzaamheid , benevens de ootmoedigheid en stilzwijgendheid van Maria, na te volgen; opdat wij mogen komen , waar zij ons zijn voorgegaan.
GEBED.
Heer Jesus ! wij bidden U om de rechtvaardigheid van den H. Jozef en om de ootmoedigheid uwer heilige Moeder; opdat wij uwe geboden mogen onderhouden en eens met hen in den hemel bij U zijn. Amen.
410 Evangelie op den feestdag
Op den feestdag van den heiligen Silvester.
Evangelie, Lucas XII. 35 - 40.
â In dien tijde zeide Jesm tot zijne leerliu-â gen : Dat uwe lendenen omgord zijn, en bran-â dende lichten in uwe handen. En weest gelijk â degenen die hunnen heer opwachten, als hij â van de bruiloft moet wederkeeren; opdat als â hij komt kloppen, zij hem terstond zouden ,, open doen. Zalig zijn de knechten, die de heer , â als hij komt, zal vinden waken. Ik zeg u, voor-â waar, dat hij zich zal omgorden, hen ter tafel â doen zitten, en hen gaan dienen. En of hij komt â in de tweede of in de derde nachtwake, zalig â zijn die knechten, indien hij ze aldus vindt. â Doch weet dit, indien de vader des huisgezins ,, wist, wat uur de dief komen zoude, dat hij bui-â ten twijfel zoude waken, en zijn huis niet laten â doorgraven. Weest gij dan ook op uwe hoede ; â want de Zoon des menschen zal komen ter uur â als gij het niet denkt. quot;
Dit is hetzelfde Evangelie, wat ons op den Feestdag van den H. Antonius wordt voorgehouden.
Dat dan onze lendenen omgord zijn en onze lichten mogen branden, om den naam van waardige knechten van den Heer Jesus waardig te zijn! Dan zal Hij ons ter tafel doen zitten. Laat
van den H. Silvester.
ons, tot dat einde een oprecht berouw over onze zonden toonen, daarvan belijdenis afleggen, ons met onzen naasten verzoenen, teruggeven wat wij onrechtvaardig verkregen hebben, onze schuld betalen, werken van barmhartigheid doen, en de geboden Gods en der H. Kerk onderhouden; zoo zullen wij omgord zijn, en onze lichten zullen brandende wezen. Zijt voorts kuisch en niet wellustig; ootmoedig en niet hoovaardig; dan zult gij vele bekoringen wederstaan. Dat onze Leeraars ons daartoe door hunne leering en voorbeelden opwekken, dan zullen wij met den H. Paulus be-geeren ontbonden te zijn en met Christus te wezen.
De H. Silvester, wiens feest wij heden vieren, was ook een dienaar, die zijne lendenen omgord en zijne lichten brandende in de handen had; hij was gelijk aan die knechten, die hunnen heer verwachten ; en daarom zit hij ter tafel, waar hij van het aanschouwen van zijnen Heer verzaad wordt. Strijden wij dan ook tot dien einde; want de Heer Jesus zegt : die verwint, dien zal ilc doen zitten op mijnen troon (1) en die zal de zaligheid beërven.
GEBED.
411
Dat wij, o Heer, al onze gedachten, woorden en werken, daartoe strekken, om uwe heilige geboden te onderhouden. Geef dat wij steeds waken en bidden tot uwe komst, dan zullen wij met uwe getrouwe dienaars het driemaal Heilig zingen. Amen.
(1) Openb. III. 21.
GOEDKEURING.
De mandato K. D. Baeeett Vicarii Generalis Dicece-sie Leodiensis etc. etc. attente per legi librum , cui titu-lis: Zondags- en Heiligdagsche School door H. Jacobs en J. Tquot;onk, addittis quibusdam ad majorem tlde-lium instructionem; nihil in eo inreni, quod orthodoxa? Fidei aut bonis moribus, est contrarium, quia contra lectionem ejus pluriumum utelem fore pietati fidelium forendse , eeuseo.
Leodii hac 27. Sbris 1828.
De mandato ut supra H. LENDERS.
prof. in Sem. Leod.
BLADWIJZER VAN DE
EVANQELIBN
der Heiligdagsche School.
|
Op den Feestdag |
van den H. Andreas. 264 | ||
|
// |
ft |
van den H. Nocolaas. 267 | |
|
u |
ft |
van den H. Thomas. 270 | |
|
H |
ft |
van Kerstmis. 274? | |
|
// |
ft |
van den H. Stephanas. 277 | |
|
icece- |
ft |
van den H. Joannes Ev. 281 | |
|
titu- |
ff |
ft |
van de onschuld, kinderen. 285 |
|
Ja- |
ft |
ft |
van 0. L. V. Lichtmis. 289 |
|
fide- |
ff |
ft |
van den H. Matthias, 293 |
|
ioiee |
ff |
ft |
van 0. L. V. Boodschap. 297 |
|
ratra |
n |
ft |
van de H. H. Marcus en |
|
Uum |
Lucas. 301 | ||
|
ft |
ft |
van de H. H. Philip pus | |
|
en Jacobus. 305 | |||
|
ff |
ft |
van de H. Kruisvinding. 309 | |
|
ff |
ft |
van de Geboorte van den | |
|
H. Joannes. 314 | |||
|
ft |
ft |
van de H. H. Petrus en | |
|
Paulus. 318 | |||
|
f/ |
ft |
van 0. L. Y. Bezoeking. 324 | |
|
f/ |
ft |
van de H. MariaMagdalena. 327 | |
|
ff |
ft |
van den H. Jacobus den | |
|
Meerderen. 332 | |||
|
f/ |
ft |
van den H. Laurentius. 335 | |
|
f! |
ft |
van 0. L. Y. Hemelvaart. 339 | |
|
f! |
ft |
van den H. Bartholomeus. 343 | |
|
f! |
U |
van de Onthoofding van | |
|
j |
den H. Joannes. 347 | ||
van den H. Mattheus. 356 van den H. Michaël. 360 // van de H.H. Simon en
Judas. 365
u u van alle Heiligen. 370
;/ // van alle Geloovige zielen. 374 van den H. Willebrordus. 378 van den H. Martinus. 383 van de H. Catharina en eenige andere H. Maagden. 386 van de Kerkwijding. 390 van den H. Sebastianus en eenige andere Martelaren. 394 van den H. Angustinus en andere Leeraars. 398
van den H. Antonius en eenige andere Belijders. 401 van de H. Anna en andere heilige Weduwen. -1-05
van den H. Jozef 408
// van den H. Silvester. 410
n
Alle Feestdagen van den H. Petrus hebben hetzelfde Evangelie, dat men hier vinden kan op den Feestdag van den Tl. Petrus en Paul us
N. B. De Heiligdagen, als Nieuwjaarsdag, H. Drie-Koningen, enz. die hier niet gesteld zijn, worden in de Zondags-School gevonden.
/0 LfSWo
BLADWIJZER.
Op den Feestdag van O. L. V. Geboorte. 352
// // n n
n
v // n // u //
// // // //
u //