-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

NOVELLEN.

-ocr page 6-

• --—

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

lillllllllill...............

2192 5114

-ocr page 7-

. 1*1 j i 'J

NOVELLEN

DOOR

Mquot;. J, VAN LENNEP.

LEIDEN. — A. W. SIJTHOFP.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

HET GODSOORDEEL.

i.

DE VEEBMDE KUITER.

„Hei, heisa, daarbinnen!quot;

Zoo klonk een rauwe, doordringende stem, tusschen het gegier van den wind en het gekletter der regenvlagen door, voor de deur van de herberg „De Witte Osquot;, buiten do Sint-Japikspoort te Delft, binnen welke eenige eerzame poorters uit die stad, rondom en onder de hooge schouwe, hun pintje slappen Rijnwijn of hun kan gerstebier, onder een aangenamen kout, zaten te nuttigen.

Met meer vlugheid dan men van den korten, dik gebuikten man zoude verwacht hebben, haastte zich Thomas Pietersen, onder welken naam do waard in gezegden Witten Os bij vriend en vijand bekend stond, naar de deur, voor welke een lam en onbeslagen paard, zooeven te voren, had stilgehouden, terwijl de daarbij behoorende ruiter, van koude en nattigheid verkleumd, in den zadel zat te bibberen en met ongeduld zijn geroep bleef herhalen.

«Breng het beest op stal en laat het goed gevoederd worden,quot; zeide de reiziger, den teugel aan den waard toewerpende: „ik moet zoo aanstonds weer verder.quot; En meteen liet hij brommende en vloe kende zich van 't paard glijden, terwijl hij het regenwater, dat mantel en buis doordrongen had, van zich afschudde, en zoo heftig met de natte laarzen op het pad vóór de herberg stampte, dat de looden vensterruiten er van dreunden.

„Hei! hei!quot; zeide de waard, die, na het paard aan den stalknecht overgegeven te hebben, weder was binnengetreden, terwijl hij zich het Kapje, dat zijn grijsgrauwe kruin bedekte, met de linkerhand over 'tnoofd heen en wederschoof: „daar kondig ik u een gast aan, die het voorkomen heeft, als ware hij een van Guy van Vlaanderens gezellen, die hier in 'tjaar drie zulk een onnut alarm maakten. Zijn

B, W, V. 1

-ocr page 10-

2 EET GODSOORDEEL.

Ïiaard is Let vildersmes niet waard; maar hij zelf schijnt een kloeke, astige kerel te zijn, als gij zoo aanstonds zult kunnen zien; want hij heeft reeds hemel en aarde vervloekt en den Booze overgegeven, alleen uithoofde men in den regen onvermijdelijk nat wordt.quot;iaard is Let vildersmes niet waard; maar hij zelf schijnt een kloeke, astige kerel te zijn, als gij zoo aanstonds zult kunnen zien; want hij heeft reeds hemel en aarde vervloekt en den Booze overgegeven, alleen uithoofde men in den regen onvermijdelijk nat wordt.quot;

De deur ging wederom open, en de vreemdeling, die zich met zooveel gedruisch had aangemeld, trad binnen. Hij was breed geschouderd en bijna zes voet hoog: en daar een breede donkerkleurige kaproen hem het hoofd niet alleen bedekte, maar ook in natte plooien hem voor het aangezicht hing, en zijn gestalte, voor 't overige, in een zwarten wollen mantel gewikkeld was, moest men wel afwachten, wat soort van wezen uit die onkenbare mummie zoude ontzwachteld worden.

„Vervloekt, vermaledijd land!quot; sprak de reiziger, zich meer of min in den Vlaamschen tongval uitdrukkende: „dat is niet de minste straf voor mijne overtredingen, dat ik gedwongen ben, mij hierheen te begeven. Midden in het beste jaargetijde komt mij daar zulk een hagelsch onweer opzetten, dat men geen droge plek aan 'tlijf behoudt en zijn beste kleeren te schande maakt. Kap en mantel zijn des Satans en met mijn sorkoet zal 'tniet beter gesteld zijn.quot;

Dit zeggende rukte hij zich de kaproen van 't hoofd en smeet die met zooveel woestheid van zich af, dat de dikke droppelen over de tafel vlogen, waar de gasten omheenzaten. Toen wierp hij den mantel neder, en men aanschouwde de magere gestalte van den ruiter, door een sorkoet bedekt, waarvan de oorspronkelijke kleur geheel onkenbaar geworden was.

Wat zijn gelaat betrof, dit was zoo buitengewoon leelijk, dat men bijna zou vermoed hebben of de vreemdeling ook een momaangezicht droeg; echter was het mogelijk, dat de slagschaduwen in de spaarzaam verlichte gelagkamer, alsmede de uitwerkselen van wind en regen, de wezenstrekken, op zulk een afzichtelijke wijze, uit hun

fewone plooi gebracht hadden. Voorts gaven koude en verkleumd-ewone plooi gebracht hadden. Voorts gaven koude en verkleumd-

eid een groote mate van gedwongenheid aan zijn bewegingen; zoodat het niet te onderscheiden was, of hij voor een reeds afgeleefden grijsaard, dan wel voor een man in de kracht zijns levens te houden ware.

„Geef mij wat warms te drinken,quot; zeide hij, zich tot den waard keerende; „en zorg niet te talmen; want ik heb haast om verder te komen. En gij,quot; vervolgde hij tegen de poorters: „zijt zoo goed, mij een weinig meer plaats bij 't vuur te maken; want 'ik heb geen drogen draad aan 't lijf; en uw bierbuiken zullen reeds genoegzaam geroosterd zijn.quot;

De naastbnzittenden haastten zich te voldoen aan deze uitnoodi-ging, welke, hoewel de woorden, waarin zij vervat was, niet onvriendelijk waren, door den barschen toon, waarop zij werd uitgesproken, en den dreigenden blik, waarmede zij vergezeld ging, allen schijn had van een bevel. De ruiter stapte door, tot voor de vuurplaat, waar hij zich een poos bleef ronddraaien en wenden, totdat de gloed der vlammen zich aan al de deelen zijns grof gebouwden lichaams had laten gevoelen en zijn kleederen van alle zijden dampten als

-ocr page 11-

HET GODSOORDEEL, 3

een keet; terwijl hij do bewegingen, welke hij maakte, met een gestadig stampen en proesten vergezeld deed gaan, zoodat het den aanwezigen onmogelijk ware geweest, een verstaanbaar gesprek met elkander te voeren, ook al hadden zij niet sedert de komst des vreemdelings allen trek tot gezellig onderhoud bij zich voelen verdwijnen.

Het algemeen stilzwijgen werd het eerst door den waard verbroken, toen hij, den ruiter naderende, hem met de eene hand een beker warmen gekruiden wijn aanbood, terwijl hij met de andere zijn kapje naar voren schoof. „Waarlijk!quot; zeide hij: „het is boos weer. En moet uw Edelheid nog naar 's-Gravenhage rijden?quot;

„Daar denk ik te komen,quot; antwoordde de ruiter, „indien ik namelijk niet onderweg door die Satansche regenvlagen van den heirweg afgespoeld worde, of in uw vervloekte moerassen versmore.quot; — Dit gezegd hebbende, bracht hij den beker aan den mond, en nam een haastige teug.

„Waarlijk!quot; hervatte de waard; „ik moet uw Edelheid, die hier een vreemdeling schijnt, ernstig en in gemoede afraden, uw weg dus bij duisteren avond te vervolgen: te meer, daar er in Den Haag toch geen plaats voor u, noch voor uw paard zal te bekomen zijn, al wildet gij die met goud bedekken; — terwijl gij, hier den nacht doorbrengende, van de vermoeienis uitrusten en morgenochtend met frissche krachten uw w,eg kunt vervolgen: ja nog tijdig genoeg in Den Haag aankomende, om bij het Godsoordeel tegenwoordig te zijn.quot;

„De Satan hale het Godsoordeel!quot; zeide de vreemdeling; en zijn gelaat nam een zoo grimmige uitdrukking aan, dat de waard reeds berouw begon te krijgen over de op zich zelve zeer onschuldige woorden, die hij gebezigd had. Maar langzamerhand keerde het gelaat des ruiters weder in zijn plooi:-hij vestigde de oogen, die tot nog toe wild en onbestemd hadden rondgeblikt, ernstig en somber op den- grond, loosde een diepen zucht, trok de voeten bij elkander, bleef een wijl stokstijf op de plaats staan, en scheen in mijmeringen verdiept. Opeens was het, als schaamde hij zich zijner vroeger aan den dag gelegde woestheid, ja zelfs de wijze, waarop hij aan de overige gasten belet had, den gloed van het vuur te genieten: met ebukten hoofde begaf hij zich ter zijde, plaatste zich op een bankje, at een weinig achterwaarts nevens de schouw stond, zette zijn beker naast zich op den grond neder, en bleef, met den rug tegen den muur geleund en de armen over elkander geslagen, zitten. De gasten merkten niet zonder bevreemding zijn zonderlinge gedragin-

fquot;en op, en zagen elkander steelsgewijze aan met blikken, welke te ennen gaven, dat zij den vreemdeling voor niet recht zuiver in 't hoofd hielden; echter duurde het nog een wijl, eer zij moeds genoeg terugkregen, om het afgebroken gesprek te hervatten.quot;en op, en zagen elkander steelsgewijze aan met blikken, welke te ennen gaven, dat zij den vreemdeling voor niet recht zuiver in 't hoofd hielden; echter duurde het nog een wijl, eer zij moeds genoeg terugkregen, om het afgebroken gesprek te hervatten.

De eerste, die daartoe aanleiding gaf, was de eerzame poorter en medebroeder van het verversgilde, Aris Pauwelszoon, die, zijn derden beker Rijnwijn ledigende, den waard op de navolgende wijze aansprak:

„Dat zal morgen een leventje in Den Haag geven; geen oud wijf

-ocr page 12-

HET GODSOORDEEL.

zal aan 't spinnewiel blijven; en gij zult gerust uw deur kunnen sluiten; want eer 't avond is, zult gij van bezoekers geen last hebben.quot;

„Denkt gij er dan ook heen te gaan, vriend Aris?quot; vroeg de waard, zijn kapje naar het linkeroor brengende.

„Dat zou ik hopen,quot; antwoordde Aris: „ik wilde wel eens weten, wie te huis zou blijven, tenzij hem jicht of flerecijn, of anders, gelijk u, zijn beroep er toe dwingt: zulk een feest komt ook nauwelijks eens in de tien jaren voor.quot;

„Zotternijen!quot; mompelde de notaris Jan Harmenszoon, een schraal oud mannetje, met een ingevallen, taankleurig gezicht, 't welk veel van een natten handschoen had, en die, in den hoek der schouwe

fezeten, geen wijn dronk, schoon hij dien misschien beter dan een er aanwezigen had kunnen betalen, maar zich vergenoegde met nu en dan een kleine teug dun bier te nemen uit een nevens hem staande kruik. „Ik wilde wel eens weten, wat vreemds en merkwaardigs er in steken mag, twee grillige narren te zien, die als een paar kemphanen vechten, en elkander om hals zoeken te brengen om een kwaad wijfs wille.quot;ezeten, geen wijn dronk, schoon hij dien misschien beter dan een er aanwezigen had kunnen betalen, maar zich vergenoegde met nu en dan een kleine teug dun bier te nemen uit een nevens hem staande kruik. „Ik wilde wel eens weten, wat vreemds en merkwaardigs er in steken mag, twee grillige narren te zien, die als een paar kemphanen vechten, en elkander om hals zoeken te brengen om een kwaad wijfs wille.quot;

„Met uw verlof. Meester Jan!quot; hernam Aris: „dat het een kwaad wijf is geweest, ziedaar juist de vraag, welke nog dient uitgemaakt te worden; en daartoe moet het Godsoordeel strekken.quot;

„Hm!quot; zeide de waard, zijn kapje weder naar het rechteroor brengende: „of z'j veel deugde of niet wil ik niet beslissen; maar ik zou, wat mij betreft, morgen ongaarne in de schoenen van den Jonker van de Merwede steken: althans naar hetgeen ik vernomen heb van den stegereepsknecht des Heeren Van Walcourt, toen deze, onder 't doortrekken, bij mij het middagmaal heeft genomen. En een zonderlinge geschiedenis is het ook: ofschoon ik geloof, dat de knaap mij wel de waarheid, maar niet de geheele waarheid heeft verteld: — nu! wat niet gezegd wordt laat zich raden, en een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg.quot;

„Eilieve! verhaal ons eens, wat gij van de zaak weet, vriend Thomas!quot; zeide Aris: „wij hebben toch den tijd; de stadspoort zal vooreerst niet gesloten worden: wij zitten hier warm en goed bij elkander: en de regen klettert frisch tegen de dakpannen.quot;

„Ja! ja!quot; zeide de waard, de hand van 't achterhoofd naar voren en boven de oogen brengende, gelijk iemand doet, die zich tegen het sterke daglicht wil beschutten, en tevens opziende, als wilde nij, door de zoldering heen, naar den regen kijken: „gelukkig, dat al wat heden valt, morgen niet vallen kan: anders liepen onze.kampvechters vrij wat kans om in de plassen te verdrinken, eer zij elkander aan 't lijf kwamen; — maar wat de geschiedenis betreft; die komt hier op neder. — Gij hebt allen Heer Willem Van Teylingen gekend, die in zijn leven in hooge eere was bij Graaf Floris, wiens ziel bij God is?quot;

„En die zijn weldoener verraderlijk hielp van kant maken,quot; voegde Meester Jan er bij,

„Dat zeg ik niet,quot; hernam Thomas: „want het voegt geen man van mijn beroep, die van alle menschen leven moet, zich over

4

-ocr page 13-

HET GODSOORDEEL.

iemand uit te laten, althans niet over lieden van gewicht; — doch zooveel is zeker, dat hij er den naam van gehad heeft, en er het land voor heeft moeten ruimen, terwijl zijn erf en goed verbeurdverklaard werden.quot;

rBij Sint-Andries! dat is zoo oud als de weg van Kralingen,quot; zeide de haastige Aris; „en zoo gij ons niets nieuwers te vertellen heht....quot;

„Bedaard! bedaard! Vriendlief!quot; hervatte de waard: „al wat een end hebben zal, moet noodzakelijk eerst een begin hebben: en wie een deur wil openen, dient eerst den sleutel machtig te zijn. — Zooals ik u zeide, Willem Van Teylingen moest dan het land uit, en zijn zonen met hem : alleen aan zijn dochterken werd het vergui,d hier te blijven, 't welk door zijn zuster, Vrouw Katrijn, als kind werd aangenomen. Deze Katrijn nu.....quot;

„Wel, wie heeft Katrijn Van Teylingen niet gekend!quot; viel Aris in: „eerst Vrouwe van Voorne, naderhand het lief van den Graaf, en vervolgens weder de wettige vrouw van Wolfert Van Borselen, dien onze wakkere poorters hebben helpen om hals brengen....quot;

„Stil! stil! het is beter daar niet over te spreken,quot; zeide de voorzichtige waard, zijn hoofddeksel met een angstige beweging naar het rechteroor schuivende: „de oude Wolfert is lang dood; maar het zou toch niemand geraden zijn, zich te beroemen, een hand in den moord te hebben gehad. Nu! dat daargelaten! — De kleine Emma Van Teylingen groeide als een kool en bleef bij haar moei inwonen, ook nadat deze weduwe geworden was. Spoedig kwamen er vrijers voor haar opdagen, en wel van de Edelsten van den lande; want de juffer was lief en aardig, en men wist, dat zij geen kleinen stuiver erven zou; immers, schoon haar vaders goederen verbeurd waren verklaard, de meeste heerlijkheden bij Teylingen behoorende, waren indertijd door Graaf Jan den Eersten aan Vrouwe Katrijn geschonken geworden, en zonden, naar allen schijn, na haar dood op nichtje Emma vervallen. Maar wie kwam of niet. Vrouw Katrijn sloeg allen af. Meer dan een beweert, dat zij haar huik naar den wind wist te hangen: althans zooveel is zeker, dat zij, in spijt van de vijandschap, die tusschen haar tweeden man en den Graaf van Henegouwen geheerscht heeft, al spoedig koek en ei met dezen werd, toen hij als Jan de Tweede hier regeeren kwam, en van hem nieuwe gunsten bij de oude .verwierf. Het eind van de zaak was: Jufferken Emma moest een Henegouwer tot man hebben; en zoo werd het, na den dood van Graaf Jan, tusschen Vrouw Katrijn en Graaf Willem beklonken, dat nichtje met Heer Otto van Walcourt zou trouwen.quot;

„Mij heugt, dat ik daar indertijd van gehoord heb,quot; zeide Krijn de barbier; „er werd toen vrij wat over gesproken, dat die Henegouwer zulk een aardig bruidje van voor den neus onzer Hollandsche Jonkers wegkaapte; en men beweerde, dat, onder anderen, Herbaren Van de Merwede er niet weinig verdriet van had.quot;

,Da,t is hetgeen men toen zei,quot; hernam de waard: „en het zou mij niet verwonderen ook. Wat den Heer Van Walcourt betreft, ik

-ocr page 14-

HET GODSOORDEEL.

weet niet, of gij hejji gezien hebt, toen hij hier doortrok: een for-schen, flinken kerel, die er uitziet, of hij er twee zou staan in 'tveld, en die er drie staat, zoo ik zijn stegereepsknecht gelooven mag, maar die de vier kruisen al een goed eind achter den rug heeft, en een uitzioht, streng en barsch genoeg om de kinderen naar bed te jagen, en alles behalve geschikt om een jonge vrouw te bekoren. Wat daarvan zijn moge, hij trouwde Emma Van Teylingen en nam haar met zich naar het land van Henegouwen, waar het arme schepsel niemand kende. Daar voerde hij haar naar zijn slot, waar zij ook geen vroolijk leven had, gelijk de stegereepsknecht zelf bekennen moest; want behalve de uilen en kraaien, die om het slot vlogen, en de domme boeren uit den omtrek, kreeg zij er niemand te zien, en haar man was meestentijds ten oorlog of ten Hove. Zoo mocht zij nu een drietal jaren doorgaans geheel eenzaam en verlaten hebben doorgebracht, toen de Heer Van Walcourt onverwachts op het slot terugkeerde. Met vriendelijke blikken en heuschen groet kwam zij hem verwelkomen; maar na den noen riep hij zijn slotvoogd Burckhardt tot zich, en bleef een geruimen tijd met dezen in zijn binnenvertrek opgesloten. Wat de man hem vertelde, is nooit iemand ter oore gekomen, maar zooveel is zeker, dat des Heeren Otto's wenkbrauwen, die nooit heel vriendelijk staan, nog zwarter en donkerder stonden dan gewoonlijk.quot;

„Wat hij hem vertelde....quot; bromde opeens de vreemde ruiter, met een schorre, onaangename stem: „hm! eenvoudig genoeg! hij vertelde hem, dat de schoone Vrouwe hem ontrouw was, en dagelijks met een jongen lichtmis geheime bijeenkomsten hield.... en de Heer Van Walcourt geloofde het.... ha! ha! ha!quot;

Al de aanwezigen wendden met verbazing de oogen naar den spreker, wiens tegenwoordigheid zij bijna vergeten hadden: en geen hunner kon de huivering bedwingen, welke hem bekroop, toen de vreemdeling deze woorden, die hij, als in zich zeiven en zonder op te zien, gesproken had, met een wanluidend gelach besloot.

„Uw Edelheid schijnt meer van de zaak té weten,quot; zeide de waard, zich met schrik de muts tot in den nek strijkende, zoodat de weinige hem overgebleven haren borstelden als die eener kat: „en zoo uw Edelheid het geval verhalen wil....quot;

De ruiter zag op, als iemand, die uit een slaap ontwaakt; toen vertrok zich zijn gelaat tot een zonderlingen glimlach, en den waard aanziende: „ga voort!quot; zeide hij: „ik ben zeer nieuwsgierig om te weten, wat die stegereepsknecht u verder verhaald heeft.quot;

„Uw Edelheid zal het mij ten goede houden,quot; hernam de waard, wiens hand en kapje in bestendige beweging waren: „indien ik mij misschien onverstandig en onbetamelijk uitlaat over aanzienlijke lieden; maar ik zeg slechts over. wat ik van den stegereepsknecht gehoord heb, en zoo ik verkeerd zeg, zal uw Edelheid mij wel terecht wijzen. Zooals ik dan verhaalde: wat er tusschen den Heer Van Walcourt en zijn slotvoogd verhandeld is, is niemand ter oore gekomen; maar het zal wel vermoedelijk iets geweest zijn van zoo-danigen aard als deze Heer veronderstelt: immers Dodo, de stege-

6

-ocr page 15-

HET GODSOORDEEL. 7

reepskneclit, werd heimelijk naar het dorp gezonden om onderzoek te doen, of zich geen vreemdeling aldaar in de nabijheid ophield. De knaap was er spoedig genoeg achter: voor eenige weken was een onbekende ruiter in het dorp gekomen, van slechts één dienaar vergezeld, dien hij echter spoedig weder met de paarden had weggezonden. Hij had zich, sedert, bij dag meestal schuilgehouden; doch men had hem 's avonds meermalen ontmoet in de richting van het slot: en zelfs waren er, die beweerden, hem met een vrouw te hebben zien op en neder gaan, die in haar uiterlijk volkomen geleek op de Vrouwe Van Walcourt. — Toen Heer Otto deze berichten vernam, liet hij uiterlijk niets blijken en betoonde zich jegens zijn vrouw noch vriendelijker, noch stuurscher dan gewoonlijk: den volgenden dag echter gaf hij haar te kennen, dat hij weder ten hove terugkeerde: en werkelijk verliet hij met zijn knapen het kasteel. Aan de eerste herberg in een nabijgelegen dorp hield hij op, en vertoefde aldaar de komst van den slotvoogd, die hem in den namiddag kwam opzoeken. Nadat hij opnieuw met dezen een langdurig onderhoud had gehad, liet hij Dodo roepen en keerde met dezen en Burck-hardt, doch thans te voet en met behoedzaamheid, naar den kant van het slot terug, de overigen met de paarden aan de herberg achterlatende. Omtrent een boogscheuts weegs het slot genaderd zijnde, begaf zich heer Otto met zijn slotvoogd in een boschje, dat zich aldaar bevond, den stegereepsknecht aan den ingang achterlatende. Wat nu de Heer Van Walcourt in het boschje zag, weet niemand.quot;

„Wat hij zag?quot; zeide de vreemdeling, verwilderd opziende: „een schouwspel om hem razend te maken: hij zag de sehoone Emma, die een onbekenden knaap op de teederste wijze aan haar hart drukte.quot;

„Dat laat zich veronderstellen,quot; hernam de waard: „ofschoon de stegereepsknecht het niet gezien heeft en er dus niet op zweren kan; maar zooveel is zeker, dat hij, na eenige oogenblikken toevens, zijn Heer weder uit het boschje zag te voorschijn komen, hetdoode lichaam zijner vrouw, op den arm dragende.quot;

„Sint-Japik beware ons!quot; zeide de verver: „hij had haar dus vermoord?quot;

„Dat vroeg hem de stegereepsknecht niet, gelijk gij denken kunt,quot; zeide de waard: „maar dood was zij, en twee dagen later werd zij plechtig ter aarde besteld. Doch dat er in het dorp, en naderhand in den omtrek, vrij wat over het plotseling overlijden der Vrouwe Van Walcourt gemompeld werd is zeker. Eerlang breidde het gerucht zich verder uit, en eerst aan het Henegouwsche hof, vervolgens hier in Holland, werd van het geval gesproken, en het vermoeden, dat de Heer Van Walcourt zijn echtgenoote vermoord zou hebben, won al meer en meer veld. Eindelijk staken de verwanten der overledene de hoofden bij elkander: en Herbaren Van de Merwede, die de naaste bloedmaag was, trad openlijk als beschuldiger van Heer Otto op. Deze ontkende het hem ten laste gelegde feit niet, doch beweerde tevens, dat hij recht gedaan had, zijn vrouw om hals te

-ocr page 16-

HET GODSOORDEEL.

brengen, daar zij zich aan echtbreuk had schuldig gemaakt. De bewijzen, welke lüj hiervoor aanvoerde, werden niet voldingend bevonden ora de overtuiging des Rechters te bevestigen. Het éénige wat den Heer Van Walcourt overbleef, was, dat hij voorstelde, zijn woord goed te maken met den degen. De Jonker Van de Merwede nam de uitdaging aan: en zoo moet nu morgen het Godsoordeel uitmaken, of de arme vrouw schuldig was of niet.quot;

„En de knaap, met wien zij betrapt werd, en de slotvoogd....?quot; vroeg Aris Pauwelszoon.

,Van beiden heeft niemand ooit iets vernomen,quot; antwoordde de waard: .ofschoon Heer Otto een goeden prijs heeft uitgeloofd aan al, wie hem eenig naricht van een van beiden zoude brengen.quot;

„En hij zal er niet lang op wachten, bij de hoornen van Satan!quot; riep de ruiter, opspringende, met zulk een vervaarlijke stem, dat A ris Pauwelszoon zijn roemer van schrik weer neerzette, en dat het kapje van Thomas aan 'smans bevende hand ontviel. — „Kom! het is mijn tijd,quot; vervolgde hij: „mijn paard zal nu wel gevoederd zijn.quot; — Dit gezegd hebbende, wierp hij een stuk geld op de tafel, en stapte, zonder iemand te groeten, de herberg uit. Weinige oogenhlikken daarna hoorde men den hoefslag van zijn paard, dat door de modder voorbijklotste.

H.

DE GEBROKEN ElEIiEN.

„Dat was een ruwe kerel!quot; zeide Aris Pauwelszoon, op wiens gelaat, evenals op dat der overige gasten, een uitdrukking van kalmte en vergenoegen terugkeerde, welke daarvan was weggebleven, zoolang de ruiter zich in hun gezelschap bevonden had.

„Ja! ja!quot; voegde Krijn de barbier er bij: „ik dacht niet, toen hij binnenkwam, dat alles nog zoo vreedzaam zou afloopen, en ik had er mij stellig op verwacht, dat deze ot gene van 't gezelschap mijn diensten zou hebben moeten inroepen.quot;

„Dus zijt gij eigenlijk teleurgesteld, dat elk er heelhuids is afgekomen?quot; zeide spottende de oude notaris.

„Hm! de avond is nog niet ten ende,quot; hernam de barbier; „de katten hebben in den afgeloopen nacht een rumoer in mijn tuin gemaakt of zij bezeten waren, en wanneer dat plaats heeft, ben ik altijd zeker, dat ik mij niet ter ruste begeef zonder een goeden lijder onder handen te krijgen. Echter zou het mij spijten, indien ik mij in de noodzakelijkheid bevond, mijn kunst aan iemand uit dit geacht gezelschap te wijden: en ik had mij veeleer gevleid, dat die vreem-

8

-ocr page 17-

Het godsoordeel. 9

deling onder mijn handen zou vallen, waartoe hij mij een uitmuntend geschikt voorwerp scheen,quot;

„Weg! weg!quot; zeide de waard, die al dien tijd in aandachtige beschouwing was verdiept gebleven van het stuk geld, dat door den ruiter was achtergelaten: „het zal best zijn, maar niet meer van dien zonderlingen vent te spreken, met wien ik niet zou durven beslissen of het richtig ware, al dan niet: en wat dit muntstuk betreft, ik ?al mede niet laten onderzoeken, waar het geslagen zij; maar het, zoodra ik hoogtijd houde, in de armbus werpen.quot; Dit gezegd hebbende, nam hij het geldstuk tusschen duim en wijsvinger op, met zooveel voorzichtigheid, als vreesde hij, zich te zullen branden, en leide het, na het in een lapje gewikkeld te hebben, in een afzonderlijke lade.

„Gij hebt wel gelijk, vriend Thomas!quot; zeide Aris Pauwelszoon: „wij moeten ons over dien ruiter niet meer bekommeren, maar liever een roemer wijn drinken om elkander geluk te wenschen, dat wij van hem ontslagen zijn: en gij mocht ook wel van den gewonen regel afwijken, en wanneer gij weder wijn tapt, een vaatje verder gaan, en u in de soort vergissen.quot;

„O ho!quot; zeide Thomas, bij het heen- en wederschuiven van zijn kapje deze reis het harmonisch rammelen met zijn sleutelbos voe-

fende: „wat den regel betreft, dien ik in mijn tapperij te houden eb, en gelijk die bij verordeningen, privileges, inzettingen, edicten en publicatiën is ingesteld, zoo ken ik dien op mijn duimpje; maar wat den wijn aangaat, zoo ware het tegen allen regel gehandeld, indien ik het rechte vaatje voorbijging en u betere dranken tapte, dan u dienstig is en gij mij betaalt.quot;ende: „wat den regel betreft, dien ik in mijn tapperij te houden eb, en gelijk die bij verordeningen, privileges, inzettingen, edicten en publicatiën is ingesteld, zoo ken ik dien op mijn duimpje; maar wat den wijn aangaat, zoo ware het tegen allen regel gehandeld, indien ik het rechte vaatje voorbijging en u betere dranken tapte, dan u dienstig is en gij mij betaalt.quot;

„Ik kan buurman Aris geen ongelijk geven,quot; zeide Krijn: „gij geeft den wijn waarlijk te duur, en zoudt aan klanten als ons wel eenige penningen minder voor het pint mogen rekenen,quot;

„Ik weet niet,quot; hernam 'liiomas, lachende, „wat gij meent, goede mannen! gij drinkt ten mijnent den besten, edelsten, krachtigsten wijn, dien gij op tien mijlen in den omtrek vinden kunt: en ik schenk u dien uit loutere vriendschap; want de enkele stuivers, die gij er voor betaalt, zijn wel niet anders te beschouwen dan als een vriendelijk fooitje voor de moeite van het tappen. Maar, zonder jokken, gij goede nianren schijnt te denken, dat de wijn ons tappers niets kost, en dat wij nog in 'tjaar zèstig leven, toen men eeu gansche stoop wijn gaf voor een heel en gaaf hoenderei.quot;

„Die uitdrukking heb ik meer gehoord,quot; zeide Aris Pauwelszoon: „maar dat zal toch wel nooit gebeurd zijn.quot;

„Niet!quot; zeide de oude notaris: „wel zeker is het gebeurd, en het verhaal zou niet kwalijk voegen bij het onderwerp, dat wij zoo straks verhandelden. Kent gij, poorters van Delft, de geschiedenis van de gebroken hoendereieren niet?quot;

„Neen, inderdaad niet,quot; antwoordde Aris: en al de aanwezigen verklaarden insgelijks hun onbekendheid met het geval, terwijl zij den notaris dringend verzochten, het hun mede te deelen.

„Hm!quot; bromde Meester Jan: „indien gij het niet weet, wil ik het

-ocr page 18-

10 HET GODSOOKDEEL.

u wel heihalen, en wel in dezelfde bewoordingen, en met gelijke sieraden, krullen en uitweidingen, als waarmede ik het den goeden Melis, des Graven klerk, menigmalen heb hooren voordragen.quot;

Dit gezegd hebbende, bracht hij zijn bierkan langzaam aan den mond, trok de wenkbrauwen ernstig samen, als poogde hij zich de zaak recht levendig voor den geest terug te roepen, hief toen de kan omhoog en liet het vocht bedaard naar binnen glijden. De gasten staken de hoofden vooruit en spitsten de ooren: de waard zelf zette zijn kapje recht en bleef, met de ellebogen op de tafel leunende, staan luisteren.

„Het was dan,quot; begon de notaris, „op den vroegen ochtend van Sint-Markus den Evangelist, in 'tjaar onzes Heeren 1260, dat zich de landlieden uit Delfgouwe naar de stad begaven om aan de poorters den benoodigden leeftocht te brengen. Onder de overigen stapto ook een frissche en kloeke boerin in haar zondagspak vooruit, die op eiken groet van „goeden morgen!quot; zeer bescheiden, „en u van 's gelijken! antwoordde, en die, al mochten de lieden ook al iets buitengewoons aan haar bemerken, toch, wel beschouwd, een vroom en eerlijk wijf scheen.

„Deze boerin nu droeg een mand met fraaie hoendereieren, en als deze of gene van haar bekenden haar toevoegde: „wel buurvrouw! watte kostelijke eieren heb je daar,quot; antwoordde zij op minzamen toon, en terwijl haar grauwe oogjes als sterretjes flonkerden; „ei kom! mijne hen mag er geen mindere leggen voor de eerzame vrouw van den Schout, aan wie ik ze in de keuken breng.quot; En werkelijk, onze boerin ging met haar koopwaar, recht toe recht aan, naar het huis van den Schout.

„Zoodra zij daar de stoep was opgetreden, handelde zij gedwee en gehoorzaam naar het voorschrift, dat in het houtwerk van de lijst boven de deur kunstig uitgesneden te lezen stond:

Al. wie. hier. komt. moet. wel. besinne.

Met. vuile, voeten, mag. niemant. binne.

„Zoo liet zij haar muilen, waar nog eenige klonters aan kleclden van het morsige pad, dat zij langs gekomen was, op de vloermat staan, en werd toen door Femmeken, de oude dienstmaagd, naaide vrouw van den Schout geleid, die zich achter in de glanzende keuken bevond.

„Daar zag het er nu alles zoo kaarshelder en blinkend uit, dat het was om de oogen te verblinden: heerlijke koperen kannen en vaten, zoo glinsterend of ze Levert de wapensmid zelf geschuurd had, stonden tegen den wand te leunen; over den schoorsteen bevond zich een pronkkoffer van gebruineerd eikenhout, zoo glad gewreven, dat men er zich in spiegelen kon; en de vloer was, als een schaakbord, met witte en zwarte steenen belegd, waarover het fijnste zand in sierlijke slingers was heengestrooid. De Schoutsvrouw zat in een prachtigen leunstoel van noteboomenhout met ebbenhout ingelegd, en met groene fulpen kussens bekleed, die niet minder

-ocr page 19-

HET GODSOORDEEL. 11

dan vijf voet Rijnlandsch in den omtrek hadden: zoo breed toch moesten zij wezen, daar de maat naar den omtrek der Schoutsvrouw genomen was.

„De boerin reikte deemoedig haar mand met eieren aan de Schoutsvrouw, zich onderwijl beroemende, dat Koekelaar, haar beste hen, zich alle moeite gegeven had, om de eieren zoo goed mogelijk voor de eerzame vrouw van den Schout te leggen.

„De Schoutsvrouw nam met zeer veel minzaamheid het mandje uit de handen der boerin aan, en gaf het aan haar dienstmaagd Femmeken over: toen nu echter de boerin betaling voor haar eieren verlangde, geraakten beiden, de Schoutsvrouw en Femmeken, die de mand met eieren voor een heusche vereering hadden gehouden, in hevigen toorn: en het arme boerenwijf had moeite, de helft van den gewonen prijs voor haar eieren te bekomen.

„Femmeken had intusschen de eieren uit de mand genomen, en voor de breekbare koopwaar geen betere schuilplaats gevonden dan het groene fulpen kussen op den leunstoel der Schoutsvrouw, waaruit deze even te voren was opgerezen.

„Naar den raad van Galenus, had de Schoutsvrouw, om de hevige gemoedsbewegingen, waaraan zij zich had overgegeven, een weinig neder te zetten, een paar teugjes goeden korenwijn gebruikt, en wilde nu weder wat rust nemén. Toen zij zich echter zachtkens in den leunstoel liet nederzakken, deed zulks aan de eieren, die op de peluw lagen, geen goed; maar integendeel braken zij allen, stuk voor stuk, en niet een enkel bleef heel.

„Verdrietig zeide nu de Schoutsvrouw: „Zie! Waarom heb ik die schoone eieren gebroken, en mijn fulpen kussen, alsmede mijn kostelijke sergie japon, bedorven?quot; Maar de schelmsche dienstmaagd meende, dat de eieren tusschen twee zoodanige kussens onbeschadigd hadden kunnen blijven liggen, tot aan den dag der vroolijke opstanding toe; maar dat gewis het boerenwijf van Delfgouwe een vermaledijde heks ware, die aan de lieden uiterlijk schoone eieren verkocht, welke later gebroken bevonden werden.

„De Schoutsvrouw Tiet niet na, het voorval aan haar man, bij zijn tehuiskomst, te verhalen. De Schepenen kwamen bij elkander, hoogst gebelgd, dat zich onder den rook der vrome stad een heks zou bevinden. Zij lieten de arme boerin, de eerste reis dat zij zich weder te Delft vertoonde, bij den kop vatten: men dwong haar al het geld, dat zij van de Schoutsvrouw ontvangen had, tot den laatsten penning terug te betalen: waarna zij naar stijle verhoord en veroordeeld werd om de waterproef door te staan. Daar brachten zij haar naar de stadsgracht, gevolgd dpor al de wijven uit de stad en den omtrek, die haar smadelijk uitjouwden, roepende: „Ziedaar de heks uit Delfgouwe, die de eiermanden verkoopt, waarin de Satan zich nederzet en de eieren tot gruis maakt met zijn helsch....quot;

„Nu weet gij allen, waarin de waterproef bestaat, en hoe de heksen en andere wijven, die met den boozen vijand in verbond staan, onmogelijk kunnen zinken, maar als kurk boven drijven, daalde Satan ze onvermijdelijk met zijn helschen klauw boven water

-ocr page 20-

12 HET ÖODSOORDEÉL.

houdt. Toen nu de boerin door de beulsknechts van den stadswal in de gracht werd nedergelaten, spreidden zich haar rokken rondom op het water uit en bleef zij daarin recht overeind staan, tot groote ergernis en afschuw van de goede gemeente, die haar bitter uitschold en verwenschte. Maar ziet, daar begon het boerenwijf allengskens langzaam op en neder te plompen en dun en lang als een hop-pesteng op te schieten, terwijl zij met de dorre armen nu her- dan derwaarts in de ronde schermaaide, en met een stem, die zoo krij-schende en wanluidende was, dat men er den Satan niet in miskennen kon, luidkeels uitkraaide:

„Fij! boos dik wijf!

Fij! slechte maagd!

Worde u het lijf Van koortsen geplaagd.

Van kwelling gejaagd,

Van hartzeer geknaagd.

Fij! Delftsch gespuis!

Bij kris en kras Nu krijgt gij ras Uw loon weer thuis.

Hier baat geen scheiers;

Schenkt uit uw wijn.

Nu zullen de eiers Eerst duur gaan zijn.quot;

„Toen zij dit lied gezongen, of liever uitgegild had, viel zij plotseling op eene zijde neer, en eer de beulsknechts nog den tijd gehad hadden om van hun schrik te bekomen wegens die onheilspellende voorzegging, en haar weder op te halen met behulp van de touwen, was zij kopjeonder gedoken en gezonken. Toen men haar nu eenige oogenblikken later aan wal trok, was er geen spoor van leven meer in haar te vinden.quot;

„Dus was zij toch eigenlijk geen heks,quot; zeide de altijd voorbarig oor-deelende ArisPauwelszoon: „want dan had zij niet kunnen verdrinken.quot;

„Ei! hoor mij die gevolgtrekking eens aan,quot; zeide Meester Jan, terwijl hij op een recht zonderlinge wijze meesmuilde: „alsof zij niet den Boozen Vijand werks genoeg had gegeven: zoodat hem geen tijd meer bleef zich verder over haar te bekommeren. Neen, integendeel,

fij zult zelf kunnen beslissen, hoe hij paste, haar ten dienste te staan oor haar vervloeking te vervullen. In al de vrouwen van Delftsland voer, door zijn toedoen, een onweerstaanbare trek om in eiermanden te gaan zitten en de daarin aanwezige koopwaar te verpletteren; zoodat iemand, die een goede struif begeerde, ze wel tegen goud had mogen opwegen.ij zult zelf kunnen beslissen, hoe hij paste, haar ten dienste te staan oor haar vervloeking te vervullen. In al de vrouwen van Delftsland voer, door zijn toedoen, een onweerstaanbare trek om in eiermanden te gaan zitten en de daarin aanwezige koopwaar te verpletteren; zoodat iemand, die een goede struif begeerde, ze wel tegen goud had mogen opwegen.

„Wat nu echter betreft de spreekwijze, dat men een gansche stoop wijn voor een ei gaf, die is op deze wijze ontstaan: — Een voornaam Ridder, die toen Kastelein van Delft was, wilde aan die

-ocr page 21-

HET GODSOORDEEL.

helsche liefhebberij van eieren te vernielen, een einde maken, en liet daarom bij trompetgeschal en trommelslag afkondigen, dat hij aan zoodanige vrouw als hem eieren bracht, voor elk ei, dat onbeschadigd in zijne handen kwam, een stoop goeden wijn zou vereeren.

„Onder vele andere vrouwen, aan wie de poging om heur lust tegen te gaan schandelijk mislukt was, meldde zich eindelijk do vrouw aan van een zijner boeren, een vroom en werkzaam wijf, dat, op den dag der waterproef, de zoogenaamde heks mede zeer vervolgd en uitgejouwd had, en stelde haren heer een mand met de best bewaarde eieren ter hand.

„„Het verwondert mij,quot; zeide de Ridder met veel minzaamheid, „dat gij niet voorlang gekomen zijt, goede vrouw! gij toch ziit zoo vroom en godvreezend, dat gij van betooveringen en booze lusten niets weten moet. Wijn is immers zoo goed als eieren.quot;quot;

„Dit zeggende, wilde de Ridder de mand tot zich nemen; maar ziet, daar rukte hem de vrouw de mand met onstuimigheid uit de hand en ging er met het grootste welbehagen in zitten, zoodat al de eieren beschadigd werden.

„Toen zij weder opstond, was de arme vrouw bloedrood van schaamte en weende bitter.

„„Ei!quot; zeide de Ridder, op een opgeruimden toon, „wees toch tevreden, Grietje! het komt slechts op nog eenepoging aan. Misschien weerstaat gquot; quot;

tweemalen zeggen; maar

was, acht , ste schok eieren, dat haar

kippenhok had opgeleverd, weder bij hem. Wel was haar wil vast en goed, maar zoodra zij met de eieren in de kamer van den Heer Kastelein stond, daar was het, of alles met haar in de rondte draaide. Gretig zag zij de mand aan, met de gedachte, hoe prettig zij in de eieren zitten zou; en zij kreeg hoe langer hoe meer, tot haar niet geringe smart, de overtuiging, dat haar de poging heden nog minder dan de vorige reize gelukken zou.

„Nu wilde echter het toeval, dat op hetzelfde oogenblik haar buurvrouw, met welke zij in bestendige onmin en krakeel leefde, evenzeer met een mand binnentrad om dezelfde poging te beproeven. Daar werd nu vrouw Margriet woedend bij zich zelve over het denkbeeld, dat zij voor haar ergste vijandin met schade en schande zou staan en haar oogen flikkerden van gramschap. Ook het gelaat van haar buurwijf ontstak als een gloeiende kolenhaard, en het kwam zóó verre, dat Deiden met tien uitgestrekte klauwen op elkander toetraden, zoodat zij op twee wilde dieren geleken, die elkander dreigen aan te vallen. Juist op dat oogenblik kwam de Edele Heer binnen, waarop beiden naar hem toetraden, en hem heur manden overreikten. Maar zooras hij er naar greep, rukte hem vrouw Margriet de hare uit de hand, en dook neder. Met een heftigen, wilden uitroep, had het buurwijf ook haar mand teruggetrokken, en zette zich alsnu met ware verrukking daarin neder. In het gelach, dat zij hierop deed hooren, piepte de Booze Vijand den boventoon, en jubelde over de helsche eierstruiven, die hem ten deel vielen.

13

-ocr page 22-

14 HET GODSOORDEEL.

„Vrouw Margriet had zich intusschen langzaam van, den grond opgeheven, en reikte den Ridder, met een beleefde nijging,Tiet-mandje over, met zestig goede en gave eieren gevuld. Zij had gelukkig haar lust overwonnen en haar buurvrouw door den schijn bedrogen: en zoo mag men wel zeggen, dat wijvenwrok alle heksenkunst te boven gaat.

„De Edele Ridder betaalde naar zijn belofte een stoop wijn voor elk der zestig eieren: en zoo kwam net, dat men nu nog zegt: in dien tijd gaf men een gansche stoop wijn voor een enkel gaaf ei.quot;

„Dat is een zeer merkwaardige geschiedenis,quot; zeide Aris Pauwels-zoon: „doch het komt mij inderdaad vreemd voor, dat geen van ons allen, poorters en poorterszonen van Delft, daar ooit van hebben hooren spreken.quot;

„Misschien is het daaraan toe te schrijven,quot; zeide Meester Jan, „dat onze moeders en grootmoeders ongaarne van het geval wilden hooren, als hare kunne weinig tot eere strekkende: en ik beken, dat het mij zelf uit het hoofd gegaan was, en ik daar niet aan gedacht zou hebben, indien mij de uitdrukking, door onzen vriend Thomas gebezigd, er niet aan herinnerd had. Gij hebt er uit kunnen leeren,quot; vervolgde hij met een schalkschen lach, „wat de gevolgen van een Godsoordeel kunnen zijn, en dat het somtijds beter is de zaken maar blauw blauw te laten, dan alles te ver te willen onderzoeken.quot;

„Gij meent dus,quot; vroeg Aris Pauwelszoon: „dat de Graaf den tweekamp, die morgen plaats zal hebben, niet had moeten toestaan.quot;

„Hm! hm!quot; zeide de notaris: „wanneer twee hanen willen vechten, is het moeilijk hen van elkander te houden; ■— maar ik voor mij acht het altijd een hachelijke zaak, wannéér de deugd eener vrouw door de kracht van een lansstoot of de scherpte van een zwaard moet bewezen worden.quot;

De aanwezigen zagen elkander meesmuilende aan; doch niemand dorst eenige aanmerking op het gezegde van den notaris te maken, wien echter de meesten bij zich zeiven oordeelden, dat lichtvaardig genoeg over de kracht der Godsoordeelen dacht.

Eer iemand weder het woord had opgevat, daar deed een hard en herhaald kloppen op de voordeur, en een verward geroep van onderscheidene stemmen de gasten verbaasd omzien, ja sommigen van hun zitplaatsen afspringen.

„Wat is daar?quot; vroeg Aris: „er moet iets zijn voorgevallen. Vreedzame bezoekers kondigen zich niet op zulk]een geruchtmakende wijze aan.quot;

„En ik denk hen ook niet binnen te laten,quot; zeide de waard, wiens kapje weder in beweging raakte: „indien zij van meening zijn onze stille genoegens te komen vergallen.quot;

Maar luider en luider werd het gebons herhaald, en een stem liet zich hooren, die op beklaaglijken toon uitriep: „maakt toch open, vrome lieden! wij brengen u een armen gewonde.quot;

„Een gewonde!quot; riep Krijn dè barbier: „heb ik het u niet gezegd, vrienden! dat er t' avond nog wat voor mij te dóen zoude vallen?quot; en meteen liep hij haastig naar de deur en hielp den w'aard die te

-ocr page 23-

HET GODSOOBDEEIi. 15

ontsluiten. Terstond zag men een viertal boerenknapen binnentreden, die een vijfden persoon op hun samengestrengelde armen naar binnen droegen en door een bij de meesten welbekenden priester uit het nabijgelegen Karthuizerklooster vergezeld werden. Maar hoe versteld stond het gansche gezelschap, toen het in dezen schijnbaar zieltogen-den lijder, ondanks het bloed en slijk, dat zijn gelaat bedekte, den ruiter herkende, die kort te voren de herberg verlaten had. Op de vragen van den notaris, die als ambtenaar de voornaamste persoon was onder de aanwezigen, verhaalden de knapen, dat zij naar de stad gaande, waren voorbijgereden door den ruiter: dat zijn paard, waarschijnlijk verschrikt door een licht, dat in een nabijstaande hoeve werd opgestoken, een zijsprong gedaan, hem afgesmeten, en een eind weegs had voortgesleept: dat zij hem waren te hulp gekomen, en vruchteloos gepoogd hadden hem weder bij te brengen, totdat eindelijk de priester, die juist voorbijkwam, hun geraden had, den lijder naar „De Witte Os te vervoeren, waar zeker nog wel hulp zoude te bekomen zijn.

De gewonde vreemdeling werd op de tafel nedergelegd en dooiden barbier onderzocht. Zijn hoofd en aangezicht waren vol wonden, veroorzaakt door het schaven en schuren over de steenen: ook het lichaam was bedekt met kneuzingen, en het eene been door den val gebroken. Dit alles was op zich zelf niet doodelijk; maar de voortdurende wezenloosheid, waarin de lijder bleef verkeeren, deed aan inwendige beleedigingen denken. Meester Krijn wiesch de wonden met water en zout en leide er het noodige verband op: langzamerhand keerde nu bet gevoel in den gewonde, gelijk uit zijne pijnlijke ademhaling, en een nu en dan geloosden zucht te bemerken was: maar hij hield nog altoos de oogen gesloten, en gaf noch door teekenen noch door woorden eenig bewijs van bewustzijn. Langzamerhand waren de klanten van Thomas de herberg uitgeslepen: sommigen, omdat zij, den volgenden morgen vroeg naar Den Haag wenschende te gaan, gaarne bijtijds te huis en in bed wilden wezen: anderen, omdat zij behoedzame en vreesachtige lieden waren, vijanden van al wat naar een gerechtelijk onderzoek zweemde, die het den priester en den knapen reeds euvel afnamen, dat zij den armen ruiter niet op straat hadden laten liggen, en er voor bedankten zeiven de kans te loepen van als getuigen in de zaak te moeten optreden: anderen eindelijk, omdat zij begrepen, dat het nu voor dezen avond met allen gezelligen kout gedaan was: zoodat ten laatste niemand achterbleef dan de goede priester, de notaris en meester Krijn. De beide laatsten verwijderden zich insgelijks, toen zij bemerkten dat zij voor 't oogenblik gemist konden worden; doch Thomas moest hun op zijn woord beloven, dat hij hen zou laten roepen, zoodra de lijder weder genoeg bij zijn besef teruggekeerd zoude zijn, om het zetten van zijn been door te staan, en zijn uitersten wil te maken. Men bracht nu een bed voor den lijder in gereedheid, en de priester plaatste zich daarnevens, ten einde hem bij het minste teeken van bewustzijn, met geestelijke hulp nabij te kunnen wezen.

-ocr page 24-

HET GODSOORDEEL.

III.

HET KAMPGEVECHT.

Talrijk was de volksmenigte, welke op den volgenden morgen, met het aanbreken van den {lag, naar 's-Gravenhage stroomde, en wel naar dat gedeelte van het vlek, 't welk nog heden, naar zijn oude bestemming, den naam van Tornooiveld draagt. De storm had uitgewoed: de Tucht was sohoongewaaid en de morgenzon brak vroolijk uit de grauwe dampen door. De wegen echter waren, als zich denken laat, nog modderig en vol plassen, vooral in de nabijheid van de Hofplaats: zoodat menige poortersdochter uit Delft, en menige knappe boerenmaagd uit den omtrek, die zich op 't kostelijkst hadden uitgedost en dus algemeene opmerking gehoopt te trekken, niet dan deerlijk beslikt en beklonterd de plaats van haar bestemming bereikten. Evenals bij alle dergelijke gelegeaheden, ontbrak het ook thans niet aan menige oneenigheid en twist, welke doorgaans niet eindigde dan nadat er eenige koppen en neuzen aan bloed geslagen en eenige wambuizen en hozen gescheurd waren; want de dienaars van den Schout, die met hun staven rondliepen, en de staffieren van den Wapenkoning, die om de kampplaats op en neder reden, zorgden wel, gelijk dat slag van lieden nog thans gewoon is te doen, van zich nimmer te vertoonen waar eenig ongenoegen ontstaan was, dan wanneer het buiten hun toedoen was gestild.

Behalve de bewoners van het vlek en van de omgelegen plaatsen, en de volgers van de Edele Heeren, die tot 's Graven hofstoet behoorden, kon men, onder dien om de kampplaats vergaderden drom, menigen welgeboren man opmerken, die van venen afstand gekomen was om het belangrijke schouwspel te zien; menijjen poorter en huisman uit meer verwijderde steden en dorpen, niet slechts van het Graafschap, maar zelfs van het Sticht, van de Veluwsche hoogten of van de Brabantsche heiden. Geestelijken in geen geringen getale, kramers, reizende kunstenaars en poetsenmakers, heidenen, waarzeggers en zoetelaars van beide geslachten, in één woord, menschen van allen slag, deels uit nieuwsgierigheid, deels uit zucht naar gewin daarheen gedreven. De toevloed om het strijdperk was dan ook weldra zóó aanzienlijk, dat men er zich niet dan met levensgevaar een weg doorheen kon banen: en zij, die het geluk hadden gehad, een plaatsje te bekomen voor de ramen of op de daken der naastbijstaande gebouwen, alsmede de knapen, die uit de boomen, waarin zij geklauterd waren, het veld konden overzien, waren er zeker het beste aan toe. Langzamerhand begon zich ook de galerij, die aan de eene zijde van het kampperk was opgeslagen, met de meer aanzienlijke toeschouwers te vullen, en de namen der meest bekende Edelen en Ridders, die het voorrecht hadden aldaar

16

-ocr page 25-

HET GODSOORDEEL. ] 7

met hun vrouwen of dochters plaats te bekomen, liepen van mond tot mond, naarmate zij te voorschijn kwamen uit de dubbele rij van gewapende voetknechten, die, van het Hof des Graven af, tot aan de ^kampplaats jtoe, gesteld waren om hun den doortocht vrij te houden.

Deze galerij, sierlijk overdekt, smaakvol met vlaggen en festoenen versierd, en talrijke met kussens bekleede zitbanken bevattende, was op palen gebouwd, hoog genoeg om aan de daarachter staande scharen het vrije uitzicht niet te ontnemen op het perk, waarvan het de geheele noordelijke breedte, alzoo ruim tachtig passen besloeg. De lengte van het Krijt, gelijk men een kampplaats gewoonlijk noemde, was honderd twintig passen: het was in 't vierkant met een lage omheining afgesloten, en nad zijn uitgang ten zuiden, waar zich, op eenigen afstand, de galerij verhief, voor het Grafelijk gezin bestemd, welke kleiner dan de andere, doch met kostbaar tapijtwerk versierd was, en waarboven zich het Grafelijk wapenbord en s Graven banieren vertoonden. Onder dat getimmerte bevond zich de plaats voor den krijtwaarder, en, aan wederszijdèn, op gelijken afstand van de galerij en van het Krijt, stonden twee paviljoenen, voor de kampvechters bestemd, met hunne kleuren beschilderd, en elk met vier kleine torentjes prijkende, uit wier midden, boven de tent, ter rechterzijde de banderol wapperde van den Jonker Van de Merwede, als • aanklager, boven die ter linker de banier van den Heer Van Walcourt.

Eindelijk, nadat de verwachting gedurende ettelijke uren gespannen was geweest, en toen de zon bereids haar hoogsten stand aan den Hemel begon te naderen, kondigde een luid klaroengeschal de komst der kampvechters aan. Eerst verschenen de Wapenkoningen van Henegouwen en Holland, vergezeld van hun Herauten en Staf-fieren: daarna de Maarschalk van Holland als Krijtwaarder met zijn medehelpers en dienaren; en vervolgens de beide kampers, te voet en ongewapend; want zij kwamen zooeven uit de kapel, waar zij behoorlijk gebiecht en gecommuniceerd hadden. Twee priesters gingen naast hen: terwijl hun raads-en taalmannen, hun bloedvrienden, schildknapen, pages en dienaars met hun wapenrustingen en strijdrossen den trein besloten. De beide partijen begaven zich met hun vrienden elk in de voor hen bestemde tent, terwijl de Krijtwaarder en de Wapenkoningen op de hun aangewezen plaatsen post vat-teden. Niet lang duurde net, of een nieuw trompetgeschal verkondigde de komst des Graven, die nu met zijn gemalin en kinderen, en een schitterenden hofstoet, onder het oorverdoovend gejuich der volksmenigte kwam aangereden en plaats nam op de voor hem bestemde stellage.

Zoodra het hofgezin gezeten was, reed, op een teeken des Krijt-waarders, de Wapenkoning van Holland naar de poort van het kampperk, en riep daar met luider stemme, tot driewerf toe, Jonker Herbaren Van de Merwede, als klager, te voorschijn; terwijl de schelle klank der trompet achter eiken roep klem bijzette aan zijn uitnoodiging.

». w. T. 2

-ocr page 26-

18 HET GODSOORDEEL.

Het voorhangsel der tent aan de rechterzijde werd hierop opengeschoven, en Herbaren Van de Merwede trad in volle wapenrusting voor den dag, doch zonder helm, en het hoofd slechts met een zijden kapje bedekt; met vlugheid besteeg hij den zwaren Frieschen klepper, die aan den ingang der tent gereedgehouden werd, en, reed nu, van zijn vrienden en volgelingen vergezeld, naar de poort van het kampperk. Een luid gejuich en handgeklap verwelkomde zijn verschijning; want al had zijn goede houding, en de bevallige zwier, waarmede nij zijn stevig ros bestierde, niet op eiken toeschouwer den voordeehgsten indruk teweeggebracht, zijn hoedanigheid als Hollander, en als verdediger der eer eener Hollandsche vrouw, zou reeds genoeg zijn geweest, om hem de gunst der menigte te verwerven.

De Wapenkoning van Henegouwen vertoonde zich nu aan den ingang van het kamp, en riep, op gelijke wijze als zijn ambtgenoot 'had gedaan. Heer Otto Van Walcourt als verweerder op, die nu, evenzoo gekleed als zijn weerpartij, en op een fraai Andalusisch paard gezgten, met zijn gevolg voor den dag kwam. Doch een minder gunstig onthaal viel hem ten deel: én slechts enkele toeschouwers, getroffen door zijn forsche gestalte en echt ridderlijk voorkomen, verhieven hun stemmen om ook hem te begroeten. Zoodra hij zich nevens zijne tegenpartij aan den ingang der kampplaats bevond, reed de Maarschalk van Holland naar hen toe om de reden hunner komst te vernemen, en de Jonker Van de Merwede nam het woord op deze wijze:

„Heer Maarschalk! gij ziet hier Herbaren Van de Merwede, die zich voor u vertoont, gewapend en te paard, gelijk het eenen Edelman betaamt, om te strijden tegen Otto Van Walcourt en zijn woord goed te maken, waarmede hij gezegd heeft, dat gemelde Otto Van Walcourt zijne wettige vrouw, Emma Van Teylingen, lafhartig en zonder reden heeft vermoord. En ik neem hiervan tot getuigen onzen Heer en Verlosser, onze Lieve Vrouwe en mijn Heer Sint-Joris, den Goeden Ridder; en verschijn hier om mijn plicht te doen, eischende dat gij mij zult geven mijn deel van het krijt, van den wind, van de zon, en van al wat noodig, oorbaar en betamelijk is in zulk geval. En als dit geschied is, zal ik mijn plicht doen, mot behulp van onzen Heer, onze Lieve Vrouwe en mijn Heer Sint-Joris, als gezegd is, en ik eisch den kamp als mij is toegestaan:

„Item, dat indien mijn tegenpartij andere wapenen droeg, dan hij naar de gewoonte van Holland dragen mag, deze hem in dat geval zullen ontnomen, en hem geene andere in stede daarvan verschaft worden:

„Item, dat indien mijn tegenpartij wapenen droeg, door oageoor-loofde kunst gemaakt met behulp van bezwering, tooverij, of aanroeping van den Boozen Vijand, mijn goed recht als aanklager daardoor niet zal verminderd worden; maar dat mijn weerpartij in dat geval als bedrieger en eerlqoze zal gestraft worden:

„Item, dat zoo het mij niet gelukt voor zonsondergang mijn weerpartij te overwinnen, gelijk ik met Godes bijstand hoop te doen, mij daartoe een andere dag zal worden verstrekt:

-ocr page 27-

HET GODSOORDEEL. 19

„Kern, dat het mij vergund zal worden, brood, wijn en vleesch met mij te nemen voor éénen dag en alle andere noodwendige behoeften, zoo voor mij als voor mijn ros, en daarvan gebruik te maken, zooveel vereischt wórdt, voor éénen dag.quot;

Hier eindigde de Jonker zijne toespraak en nam Otto Van Walcourt het woord, de aanklacht als valsch en logenachtig wedersprekende, en overigens nagenoeg hetzelfde formulier bezigende: waarna beiden naar hunne tenten terugkeerden. Straks geschiedde er eene tweede oproeping; 'de kampvechters verschenen opnieuw, doch deze reize met den hfelm op 't hoofd, en, na het teeken des kruises gemaakt te hebben, vervoegden zij zich voor het getimmerte, waarin de Graaf zich bevond. — Daar gelastte hun de Maarschalk, dat zij hun vizieren zouden oplichten, waarna beiden uit handen hunner taalmannen de perkamenten rolle aannamen, in welke hunne grieven waren vervat, en ze met uitgestrekten arm den Grave vertoonden, terwijl Jonker Herbaren, eerst sprekende, zeide: i

„Zeer Edele en machtige Graaf! ik ben Herbaren Van de Merwede, die voor u, als voor mijnen rechten Heer verschenen ben, op den dag en de ure, waarop gij mij hebt gedagvaard om mijn plicht te doen jegens Otto Van Walcourt! en ik neem God tot getuige, die mij altijd een helper wezen zal.quot;

Gelijke uitdrukkingen bezigde de verweerder, waarna beiden hunne rollen den Maarschalk overreikten.

Toen reden zij opnieuw naar hunne tenten: een prachtig gestoelte werd aangebracht en voor 's Graven stellage geplaatst: men leide daarop een crucifix benevens de Heilige Evangeliën, en een Priester

Ïlaatste zich daarnevens. Toen dat gereed was, keerde de aanklager erug, te voet en met opgeslagen helmvizier: waarop hem de Priester met deze woorden toesprak:laatste zich daarnevens. Toen dat gereed was, keerde de aanklager erug, te voet en met opgeslagen helmvizier: waarop hem de Priester met deze woorden toesprak:

.Jonker Herbaren Van de Merwede, die hier als klager optreedt! gij ziet hier de ware afbeelding van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, die heeft willen sterven en zijn dierbaar lichaam den dood overgeven ter onzer behoudenis. Alzoo roep Hem aan en neem oorlof, dat Hij u op dezen dag helpe, zoo gij goed recht hebt; want Hij is de Opperste Rechter. En denk over den eed, dien gij zult doen: of anders ware uw eer, uwe ziel en gij zelf in gevaar.quot;

Na deze toespraak van den Priester, nam de Krijtwaarder den klag er bij de geschoeide handen, leide de rechter op het kruis en de linker op de Evangeliën, vroeg hem of hij goed recht hadde, dan of hij van meening was een valschen eed te doen, en gelastte hem toen de volgende woorden hem na te zeggen:

„Ik klager, zwere op dit afbeeldsel der passie van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus en op de Heilige Evangeliën, en krachtens mijn geloof als Christen in het Heilig Doopsel, dat ik ontvangen heb, dat mijn twist goed en billijk is, en dat ik met volle recht Otto Van Walcourt van moord beticht heb; en dat hij een kwade zaak heeft, en het onrecht voorstaat: en dit zal ik hem bewijzen door mijn lijf tegen 't zijne, met behulp van God, onze Lieve Vrouw en mijn Heer Sint-Joris den goeden Ridder.quot;

-ocr page 28-

20 HET GODSOORDEEL.

Na deze woorden te hebben nagezegd, vertrok de klager, en werd de verweerder gehaald, en op gelijke wijse beüedigd, die vervolgens insgelijks naar zijn tent terugkeerde.

Toen ging de eene helft der staffieren rechts en de andere links, en kwamen zij met beide partijen terug, die nu, naast elkander gaande, tot voor het gestoelte geleid werden en aldaar nederknielden. Toen trok hun de Krijtwaarder de handschoenen van de rechterhand, stak die aan de beide armen van het kruis, en weer herinnerde hun de Priester het lijden onzes Heeren, het verderf dat degene, die onrecht had, aan lijf en ziel zou ondergaan, de gewichtige eeden, die zij hadden afgelegd en nog zouden afleggen, en het Oordeel van God, die de goede zaak beschermt en voorstaat: hem die onrecht had wijders vermanende, zich liever aan de genade des Graven te onderwerpen, dan zich bloot te stellen aan den toorn Gods en aan oe macht des Boozen Vijands.

Toen vroeg de Maarschalk aan den klager: „Gij klager, wilt gij zweren?quot;

Daze zulks bevestigend beantwoord hebbende, zwoer als volgt:

„Ik klager zweer op deze ware afbeelding der passie enz., bij den waren God en de vreugde van het Paradijs, bij mijn eer, bij mijn leven, bij mijn ziel, dat mijn twist enz.quot; als boven gezegd is.

„Voorts zweer ik, dat noch ik, noch mijn ros eenige woorden, steenen, kruiden, betooveringen, bezweringen of aanroepingen des Boozen Vijands bij ons dragen of ons daarvan bedienen: dat ik alleen steun en vertrouw op God en op mijn goed recht, op mijn arm, op mijn paard en op mijn wapenen. En ter bevestiging kus ik dit ware kruis en de Heilige Evangeliën.quot;

Nadat ook de Heer Van Walcourt gelijken eed had afgelegd, deed hun de Maarschalk elkander de rechterhand geven, en gelastte den klager zijn tegenpartij op de navolgende wijze aan te spreken:

„Gij Otto Van Walcourt, wien ik bij de rechterhand houde: bij de eeden, die ik heb afgelegd, de zaak, waarvoor ik u geroepen heb, is waar: zoodat ik goede en gerechte oorzaak heb om u uit te dagen en op dezen dag te bestrijden. En gij hebt een slechte zaak en geen oorzaak om u te verweren en tegen mij te kampen. En gij weet dit, en ik roep God en mijn Heer Sint-Joris den goeden Ridder tot getuigen, dat gij een valsche verrader en meineedige zijt.quot;

De verweerder zeide een gelijk formulier op: en beiden keerden naar hunne tenten terug, terwijl de Priester zich met het kruis en de Evangeliën verwijderde. Toen gebood de Wapenkoning van Holland stilte op de navolgende wijze:

„Hoort! hoort! hoort! Bidders! Edelen! Schildknapen! en goede mannen! wat onze Heer Graaf u gelast en gebiedt, op straffe van lijf en goed!

„Dat niemand uwer gewapend zij, noch degen, knijf of eenig ander wapentuig bn zich drage, dan alleen de wachters aan het krijt, en zij, die verlof hebben van onzen Graaf.

„Item gelast onze Heer Graaf, dat niemand gedurende den kamn te paard gezeten zij, op straife, zoo hij een welgeboren man is, vau

-ocr page 29-

I1EI GODSOOBDEBL.

zijn paard, en zoo hij een dienstman is, van zijn oor te verliezen; en zij, die den kampvechters geleide doen, zullen aan den ingang van het krijt van hunne paarden afstijgen, en ze wegzenden.

„Item verbiedt onze Heer Graaf dat iemand, van welken staat ook, binnen het krijt kome, dan alleen zij, die daartoe gemachtigd zijn, en zulks op straffe van lijf en goed, voor wie daartegen handelt.

„Item gelast onze Heer Graaf, dat niemand, wie hij zij, gedurende den kamp, of spreke, of heeste, of nieze, of spuwe of gebaren make, op straffe van lijf en goed.quot;

Een ieder haastte zich aan de uitnoodiging te voldoen: zij, die met de regelen van het kamprecht bekend waren, hadden de voorzorg gebruikt om mantels of schapevachten met zich te brengen, welke zij nu op den grond uitspreidden om tot zitplaatsen te strekken. Zij, die den gegeven last niet voorzien hadden, of die geen mantel of schapevacht rijk waren, zochten zooveel mogelijk een droge plaats te vinden, waar zij zich mochten nedervlijen, zonder dat de zindelijkheid hunner hozen of der rokken hunner vrouwen een al te groot gevaar liep.

De Wapenkoningen vervoegden zich voor 's Graven stellage, en van den Graaf het teeken ontvangen hebbende, dat de kamp beginnen mocht, reden zij midden in het krijt en riepen tot driemalen: „Doet uw plicht!quot; — De kampvechters traden daarop buiten hunne tenten, welke dadelijk opgerold, en buiten het perk geworpen werden: terwijl op hetzelfde oogenblik al de paarden van hen, die de kampvechters vergezeld hadden, door de dienaars werden weggebracht.

Toen riep de Maarschalk, die zich onder 's Graven stellage bevond, tot driemalen: „Laissez aller! laissez aller!quot; en smeet daarna zijn handschoen uit de hand: beide de kampvechters stegen te paard en reden het krijt binnen; waar zij aan de beide tegenovergestelde zijden post vatteden: hun raadslieden plaatsten bij hen een kruik wijn en een brood met een dwaal, en begaven zich toen haastiglijk van daar.

Nu klonken de trompetten, de beide strijders reden met gevelde lans op elkander in, en het was een oogenblik van angstige verwachting. Reeds de eerste schok bewees, dat men niet vergeefs goede verwachtingen van beider kracht en kloekheid gevormd had. Beider lansen vlogen aan splinters: de wapenrok van Otto Van Walcourt, die den stoot van zijn tegenpartij op de linkerborst ontvangen had, werd opengereten en eene der platen van het harnas raakte los: maar hij zelf bleef niettemin recht op in den zadel zitten, terwijl de stoot van zijne lans den Jonker Vau de Merwede een stijgbeugel had doen verliezen: zoodat, althans wat de eer betrof, de uitslag van dit samentreffen aan beide zijden gelijkstond.

Hun loop volbracht hebbende, maakten beide kampioenen, in stede van nieuwe lansen te nemen, hun strijdaksten los, die aan den zadelknop hingen, hieven die met beide handen boven 't hoofd en hernieuwden den aanval. De paarden, door stem en sporen aangezet,

21

-ocr page 30-

HET GODSOOKDEEL.

22

renden met zulk een geweld op elkander toe, dat men zou gevraagd hebben, of zij niet even fel op elkander gebeten waren als hun berijders. Beider met ijzer beslagen koppen ontmoetten elkander en zóó hevig was de schok, dat beide te gelijk op het strijdperk nederstortten: maar onder den val had Jonker Herbaren zijne tegenpartij een slag toegebracht, die, ware hij op Otto's hoofd nederge-komen, den strijd reeds toen geëindigd had. Gelukkig voor den Heer Van Walcourt deed het onvoorziene struikelen der beide paarden de strijdakst afdwalen, zoodat zij slechts zijn rechterdij trof, en eer Herbaren het zware wapen weder had kunnen opheffen, had hem Walcourt met het zijne een zijdelingschen slag op den linkerarm toegebracht; die er voor een wijl alle kracht en buiging aan ontnam. Niet zonder moeite gelukte het beiden, hun rossen op de been te krijgen; en nu hernieuwden zij hun slagen met zooveel kracht en zoo snel achter elkander, dat helmen en harnassen al spoedig vol builen en blutsen waren. Na alzoo een geruimen tijd met gelijk voordeel aan weerskanten gestreden te hebben, besloten zij met onderling goedvinden een oogenblik rust te nemen en den strijd te voet te hervatten. Zij stegen van hun rossen, dronken een teug uit de wijnkruik, en toonden zich toen weder vaardig om den strijd te hernieuwen. Maar ieder der kampvechters had nu gelegenheid gehad om op te merken, dat zijn tegenpartij niet te verachten was, en dat er meer dan gewone bedrevenheid vereischt werd om den kamp met een gunstigen uitslag bekroond te zien: en, met niet minder inwendige woede, maar uiterlijk met meer bedaardheid, plaatsten zij zich voor elkander: ja, het was of elk hunner schroomde, zijn krachten door nuttelooze aanvallen te verspillen, en liever wilde afwachten, dat zijn vijand de zijne had uitgeput. Herbaren, jeugdiger en driftiger dan Walcourt, bracht den eersten slag toe, die echter door dezen op zijn akst werd opgevangen: en nu zette-den beiden den kamp voort, elkander beurtelings naderende, ontwijkende, aanvallende, afwerende, somtijds treffende, somtijds missende, en alle kunstgrepen bezigende, geschikt om een weerpartijder te misleiden, te verrassen of van zijn stuk te brengen. Het gevecht werd hierdoor te belangrijker voor de toeschouwers, die nu te beter in staat waren elke beweging, wending, stoot of slag op te merken en te beoordeelen. Het door den Wapenkoning gedane verbod om te spreken, zou thans onnoodig hebben geschenen, want zulk een ingespannen aandacht vestigde men op den strijd, dat men schier vreesde adem te halen. Beide kampers bleken thans aan elkander gewaagd te zijn: want zoo de Heer Van Walcourt zwaarder van lichaamsbouw, krachtiger van arm en rijper aan ondervinding was, Herbaren had voor zich zijne jeugd en vlugheid, en was sneller, beide in 't aanvallen en ontwijken. Weldra echter werd het duidelijk, dat Walcourt het er op bleef toeleggen, zijn eigen krachten , te sparen en die van zijn vijand af te matten; hij vergenoegde zich met de hem toegebrachte slagen af te weren en deed zelfs geene dan schijnbare aanvallen. Reeds begonnen de menigvuldige vrienden en begunstigers van Herbaren, met heimelijken angst de

-ocr page 31-

HET GODSOORDEEI. 23

nadeelige gevolgen vooruit te zien, welke deze handelwijze van Wal court voor zijn tegenpartij moest hebben; zij bespeurden te duidelijk, hoe de jongeling ongeduldig werd over Otto's onverzettelijke bedaardheid, hoe hij daardoor menige voordeelige kans voorbij liet gaan, hoe zijn slagen langzamerhand minder zeker werden, en hoe hij zich aftobde en vermoeide, terwijl Walcourt als een paal op zijn plaats bleef staan —■ ja, in weerwil van dat harnas, dat den jongeling dekte, konden zij zijn borst zien zwoegen. Eindelyk begon ook Walcourt te verlangen, dat er een eind aan de zaak kwame: en op een oogenblik dat niemand, en Herbaren 't allerminst, er op verdacht was, bracht hij dezen een zoo geweldigen slag op het voorhoofd toe, dat het helmvizier naar binnen werd teruggebogen, en een zwarte bloedgulp over 't kinstuk stroomde, aan ieder bewijzende, hoe wis de slag getroffen had. De jongeling deinsde achterover, en, eer hij zich had kunnen herstellen, ontving hij een tweeden slag op den rechterschouder, zoodat zijn arm machteloos nederviel: en de vingers, zich openende, de strijdakst lieten glippen. Vergeefs poogde hij nog met de linkerhand zijn wapen op te vatten: een nacht was over zijn oogen gekomen: hij wankelde, duizelde en stortte geheel bedwelmd ter aarde. Met een blijden, maar vervaarlijken kreet wierp Walcourt de akst van zich af, die hem zoo wel gediend had, trok zijn knijf, en trad tot Herbaren toe, om hem dien door het hart te stooten.

Maar, hoe hachelijk de toestand van den armen Jonker ook wezen moge, de loop van ons verhaal eischt, dat wij ons thans weder begeven naar „De Witte Os,quot; bij den gewonden ruiter, dien wij in niet min gevaarlijke omstandigheden hebben achtergelaten.

IV.

HET STERFBED.

De poort van Delft was nauwelijks ontsloten, toen Meester Jan de notaris, na zich door het gebruik van een kommetje warme melk en een snede roggebrood tegen den invloed der morgenlucht gewapend te hebben, zijn sorkoet aantrok van zwart wadmer, behoorlijk gevoerd met konijnevellen, die van Allerheiligen tot Pinksteren naar binnen, en van Pinksteren tot Allerheiligen naar buiten gedragen werden, en zich op weg begaf naar de herberg van onzen vriend Thomas, in de hoop dat de dienst van zijn ambtsbetrekking aldaar mocht worden ingeroepen. En werkelijk, toen hij aldaar kwam, vond hij den toestand des lijders eenigszins verbeterd, zoodat Krijn de barbier, die even voor hem was aangekomen, alle hoop gaf, dat de

-ocr page 32-

24 HET GODSOORDEEL.

man weldra zijn spraakvermogen terug zou bekomen. Met het wederkeeren van het bewustzijn had zich echter bij den gewonde een ontzettende onrust geopenbaard: hij balde de vuisten, woelde en keerde zich telkens om, gaf zich zeiven kinnebakslagen, knarste op de tanden, en trok allerlei vervaarlijke gezichten, die den waard en zijne bij het ziekbed geroepen vrouw en dochter, zoowel als den Priester, zeer beangst maakten, en hun allerlei slechte gedachten inboezemden aangaande den toestand van 's mans ziel; hoewel Meester Krijn beweerde, dat die onrust en die pijnlijke trekken zich evengoed uit den slechten toestand van 'smans lichaam lieten verklaren. Eindelijk echter, 't zij ten gevolge der pogingen, door de natuur zelve in 't werk gesteld, 'tzij door de uitwerking van een krachtigen drank, welken de barbier had voorgeschreven en bereid, de spraak keerde bij den onbekende terug, en het eerste gebruik, dat hij er van maakte, was om te vragen hoe laat het ware. Op het antwoord, dat het ruim drie uren voor noen was, vloekte hij als een bezetene — zoodat de Priester en de beide vrouwen zich kruisten en zegenden, en hun van afschrik de haren te berge rezen — en toen, zich tot den notaris wendende: „Haast u naar Den Haag,quot; zeide hij: „en zorg dat die vervloekte kamp geen plaats hebbe.quot;

„Mijn zoon!quot; zeide de Priester, wanende dat de lijder nog altijd onder den invloed eener ijlende koorts verkeerde: „ik raad en vermaan u, thans alleen te denken aan de dingen, welke uwe eigene behoudenis betreffen, en u niet te bekommeren over het Godsoordeel in Den Haag, 't welk u niet kan aangaan.quot;

„Mij niet aangaan!quot; herhaalde de ruiter, eerst den Priester en vervolgens de overigen met een verbaasden blik en open mond aanziende, als had de goede man de grootst mogelijke dwaasheid gezegd, en zich toen weder bezondigende door het onnut gebruik eener uitgezochte menigte van kettersche vloeken.

„Ik meen met u te mogen verschillen. Pater!quot; zeide de notaris: „als hebbende ik reeds gisteren meenen op te merken, dat de omstandigheden, welke tot het Godsoordeel aanleiding hebben gegeven, dezen vreemdeling niet onbekend zijn; maar hij vergeve mij, indien ik hem onder 't oog brenge, dat het alleen de Graaf is, of wel het terugtreden van eene der partijen, waardoor het kampgevecht kan worden voorkomen: en dat een bloot verzoek van mij of van elk ander in dit geval niets zoude uitwerken. Ja, al kwam Sint-Joris zelf tusschenbeide, de Graaf is een veel te groot liefhebber van tornooien en gevechten, om zich het genot van zulk een schouwspel als een kamp op leven en dood, te ontzeggen: en wat de partijen betreft, die van Merwede zijn althans geen lieden om achteruit té treden.quot;

„En de Heer Van Walcourt nog minder,quot; voegde de waard er bij: „immers hij zag er uit of hij liever de geheele wereld bevechten, dan met éénen man vrede houden wilde.quot;

„En niettemin,quot; zeide de gewonde, zich langzaam en pijnlijk op zijn elleboog opheffende: .indien de Heer Van Walcourt wist wat

-ocr page 33-

I1ET GODSOOEDEEL.

ik hem zeggen kan, hij zou zijn arm liever zien verdorren dan er lans of zwaard mede aanvatten in deze zaak.'-

„Waarlijk!quot; zeide de notaris: „nu! zoo gij ons omstandig kunt opgeven, wat redenen zich tegen den karnp verzetten, dan zullen wij zien wat wij doen kunnen.quot;

Deze belofte scheen den ruiter eenige gerustheid in te boezemen: hij wendde echter een angstigen blik naar het venster, als om te oordeelen hoe hoog de zon stond, en hoeveel tijd hem zou overblijven om zijn vernaai te doen. Toen, als om zich voor te bereiden en krachten tot spreken te bekomen, nam hij den nevens hem staanden beker, en dronk een stevige teug van het daarin vervatte vocht, trachtte de gemakkelijkste houding aan te nemen, welke hem zijn jammerlijke toestand verdunde, en begon toen op deze wijze:

„Ik ben een booze misdadiger. Priester! en de oorzaak van don onschuldigen dood eener Edele vrouw. Maar ik heb berouw over hetgeen ik bedreven heb, en ik was op weg om nieuwe moorden to verhoeden, toen mij die Satansche knol zoo jammerlijk hot onderst boven wierp. — Luistert! —• Ik ben Burckhardt, de slotvoogd van het kasteel van Walcourt.quot;

„Gij?quot; riepen allen verbaasd.

„Ik behoef hier niet te verhalen, wat gisteravond reeds gezegd is en de oogenblikken zijn kostbaar,quot; hernam hij op eenen meer bedaarden toon, en terwijl zijn gelaat geen sporen zien liet van de wildheid, welke nog kort te voren daarop zichtbaar geweest was. „Tot op den tijd, dat Heer Otto, nu vier jaren geleden, zijn jonge vrouw op het slot bracht, was ik hem altijd een trouw dienaar geweest: en ik ware het wellicht gebleven, zonder zijn onachtzaam gedrag jegens de bekoorlijke Emma. Maar hij kende hare waarde niet, en bracht zijn tijd aan het hof of in den krijg door, terwijl hij zijn beminnelijke vrouw eenzaam en verlaten haar dagen op het kasteel liet slijten. Met den adel uit den omtrek had zij geen omgang: ik was dus bijna de éénige welgeboren man, dien zij zag. Ik gevoelde innig medelijden met haar, die, zoo jong en schoon, gedwongen was op een zoo treurige wijze haar leven door te brengen. Mijn medelijden groeide onmerkbaar tot liefde aan en eindelijk tot een hartstocht, dien ik niet in staat was te bedwingen. Ik waande, dat ook zij mij niet ongenegen was; maar het was slechts een dwaze inbeelding van mij, en wat ik voor genegenheid hield, was niet meer dan de uitwerking van haar welwillenden en min-zamen aard. Toen ik, mij zeiven geen meester meer, haar mijn geheim ontdekte, en mijn hoop te kennen gaf, wees zij mij met verachting af: ja, zij bedreigde mij, indien ik zulke gesprekken hernieuwde, zulks aan haar man te zullen openbaren. Van dat oogenblik voer de booze Satan in mij: gekrenkte eigenliefde, woedo en wraakzucht woelden door mijn aderen, en maakten mij het leven tot een hel. Terwijl mijn verhitte verbeelding duizend plannen vormde en weder verwierp, om, 't zij mijn liefde, 't zij mijn spijt te voldoen, viel een nieuwe gebeurtenis voor, welke bij de driften.' die mij bestormden, nog die der ijverzucht voegde.

23

-ocr page 34-

HET GODSOORDEEL.

„De Vrouwe Van Walcourt was vroom en liefdadig; zij deelde mild haar gaven en aalmoezen onder de behoeftigen uit, bezocht en verpleegde zelve de kranken en ouden van dagen, en spijsde de nooddruftigen. Dagelijks ging zij soms geheel alleen het dorp rond, ja zij schroomde niet, zich naar de meest afgezonderde stulpen te begeven; want wie zou die vrome engel beleedigd hebben, haar, die door allen geliefd en geëerd werd. Eens, dat ik van de jacht terugkwam, ontdekte ik haar van verre, wandelende en zich vertrouwelijk onderhoudende met een pelgrim, dien ik nooit te voren in dezen omtrek gezien had, en wiens houding en gang alles behalve een grijsaard aankondigden. Onopgemerkt volgde ik hen, totdat zij in de nabijheid van het dorp gekomen waren. Hier bleven zij staan: en stelt u mijne woede voor, toen ik den vreemdeling de Vrouwe Van Walcourt in zijn armen drukken, en met een vurigen kus afscheid van haar nemen zag; waarna hij van haar scheidde en een pad insloeg, dat boschwaarts voerde, terwijl zij haar weg naar het slot vervolgde. Ik bleef een geruimen tijd als in den grond genageld staan: mijn liefde was op eens in haat verkeerd, en van dat oogen-blik af stond het besluit bij mij vast om mij fel te wreken op haar, die eenen andere de liefde schonk, welke zij mij ontzegd had. Ik ging dag aan dag haar gangen na, en verkreeg de overtuiging, dat zij bijna dagelijks geheime bijeenkomsten met den onbekende had, en dat deze zich op eenigen afstand van het slot in de hut eens kolenbranders ophield.

,Weinige dagen na mijn ontdekking, kwam de Heer Van Walcourt, alsof zijn kwade Engel hem gedreven had, onverwachts op het slot terug. Ik ontdekte hem wat er gebeurd was: hij liet nasporingen doen — en wij betrapten de beide jonge gelieven in een boschje, op het oogenblik, dat zij een teeder afscheid van elkander namen. De onbekende verwijderde zich zonder ons gezien te hebben: en terwijl Heer Otto zijn echtgenoot naderde en zijn dolk boven haar ophief, snelde ik, niet minder woedend dan mijn Heer, het boschpad op en den gehaten vreemdeling na. Het pad voerde langs eenige leemputten: daar haalde ik hem in: en zonder hem den tijd te geven zich te weer te stellen, joeg ik hem het zwaard door liet lijf. Hij viel en zag mij aan: ?Wat heb ik u gedaan,quot; vroeg hij met een flauwe stem: „dat gij mij dus behandelt?quot; — „Wat gij gedaan hebt?quot; zeide ik: „hebt gij de Vrouwe Van Walcourt niet bemind?quot; — Daarop wierp hij mij een blik toe, zoo weemoedig, dat ik hem nooit heb kunnen vergeten: ja, 't is mij, of ik hem nog in dit oogenblik op mij gevestigd zie: „ongelukkige!quot; zeide hij: „ik ben haar broeder, haar verbannen broeder — wien zij in 't geheim met haar weldaden ondersteunde.... ik zal die niet meer behoeven.quot; Met deze woorden sloot hij de oogen en was dood. Radeloos bleef ik turen op die bleeke gelaatstrekken, wier gelijkenis met die van Emma onmiskenbaar was, en nu kwam het mij opeens voor den geest, hoe ik wel meer gehoord had, dat zij een broeder had, die haar vader in zijn ballingschap had moeten volgen, en na diens dood vergeefs gepoogd had, de vrijheid weder te erlangen om in zijn vaderland terug

26

-ocr page 35-

HET GODSOORDEEL.

te keeren; want de Heer Van quot;Walcourt, in stede van zijn voorspraak te zijn, had hem bestendig tegengewerkt, uit vrees, dat Teylingen, indien hij ooit terugkeerde, de goederen mocht opvorderen, welke Walcourt door zijn huwelijk met Emma had verkregen.

„Eindelijk kon ik den aanblik van het doode lichaam niet langer verdragen: ik wierp het in eene der kuilen, en vluchtte ver vandaar naar mijn naastbestaanden in Vlaanderen. Daar vernam ik den dood der Vrouwe Van Walcourt: deze tijding deed mij in een volslagen krankzinnigheid vervallen, van welke ik nauwelijks begon te nerstellen, toen de mare van het Godsoordeel, dat in Den Haag gehouden zou worden, tot mij kwam. Dadelijk besloot ik, mij op reis te begeven, om dat gevecht te voorkomen; en zonder mijn ongeval van gisteravond, ware ik tijdig genoeg in Den Haag geweest. Daarom, haast u. goede lieden! naast u naar Den Haag, en meldt den Grave, wat gij van mij gehoord hebt, opdat ik gerust moge sterven.quot;

,Voorwaar!quot; zeide de notaris: „dat is een gansche geschiedenis, die gij ons daar verteld hebt; en ik hoop, dat gij zult in 't leven blijven om er de waarheid van te bevestigen; daar wij anders licht kans zouden hebben om als logenachtige getuigen te worden behandeld.quot;

„Ja, gaat en haast u, goede lieden!quot; zeide de Priester: „en gij, mijn zoon! overleg bij u zeiven, welke zonden uw gemoed nog mochten bezwaren, opdat gij de vrijspraak daarvan door mijnen mond erlangen moogt.quot;

Maar de helderheid van geest en de bedaardheid, welke men bij Burckhardt gedurende zijn verhaal had opgemerkt, waren wederom geweken en hadden plaats gemaakt voor diezelfde woeste oploopend-heid, welke hem den vorigen avond eigen scheen. Zijn gelaatstrekken hernamen hun afzichtelijke uitdrukking: met woedende blikken wendde hij zich tot den notaris, en voer in de heftigste bewoordingen en met de gruwzaamste vloeken tegen hem uit, hem zijn traagheid verwijtende, in het volbrengen der hem opgedragen zending. Meester Jan haalde de schouders op, en, den waard ter zijde trekkende, vroeg hij dezen of er nog een vervoermiddel te bekomen zou wezen, waarmede men eenigszins spoedig Den Haag zou kunnen bereiken.

„Bij Sint-Japik!quot; zeide de waard, zijn kapje verlegen heen- en wederschuivende: „daar zal wel geen kans meer op zijn: of ik moest den ouden os voor de mestkar zetten, 't geen ons echter niet veel gauwer zou doen vorderen, dan of wij te voet gingen; want alle aarden uit de buurt zijn in beslag genomen, om de menschen naar et Godsoordeel te brengen. Maar wij hebben beiden nog goede heenen: en als wij wat aanstappen, zullen wij er nog wel bijtijds kunnen komen. Ik vlei mij toch, dat wij wel eenige vergoeding voor de moeite zullen erlangen.quot;

„Hm! Hm!quot; zeide de notaris, met den zonderlingen lach, die hem eigen was; „dat zal nog te bezien staan: — maar in allen gevalle, wij moeten doen wat wij kunnen. Maak u dus terstond vaardig, en wij gaan op weg.quot;

27

-ocr page 36-

HEI GODSOORDEEL.

De goede Thomas was dadelijk gereed, en, zonder zich te storen aan de klaagliederen zijner vrouw en dochter, die niet bijster in hun schik waren, dat hij ze alleen liet met een stervende, om misschien in Den Haag stank voor dank te bekomen, trok hij zijn beste overkleed aan, zette zijn zondagsche kaproen op 't hoofd, en begaf zich met den notaris op weg, zonder dat hun vertrek de opmerkzaamheid scheen te trekken van Burckhardt, wien zij nog van den weg bestendig zijn vloeken en verwenschingen hoorden uitbraken.

V.

HET GODSOOBDEEL.

De afstand tusschen Delft en Den Haag was in die dagen voor voetgangers niet grooter noch kleiner dan heden, en hing machtig veel af van de meerdere of mindere snelheid, waarmede men voort-wandelde. Nu behoorden noch de notaris noch Thomas, in weerwil van hetgeen deze omtrent de deugd hunner beenen gezegd had, tot de hardloopers, daar de jaren van den eerstgemelde en de zwaarlijvigheid van den goeden waard hen verhinderden een meer dan zeer gewonen stap te houden. Er waren alzoo reeds bijna anderhalf uur verloopen, toen zij het Grafelijk Hof in 't gezicht kregen; te gelijk trof het klaroengeschal hun ooren, en kondigde hun aan, dat de voorbereidende ceremoniën reeds een aanvang hadden genomen.

„Daar beginnen zij al,quot; zeide de waard: „wij zullen ons dienen te haasten.quot;

„Hm! hm!quot; antwoordde de notaris, terwijl hij een oogenblik stilstond om op adem te komen; „dat gaat zoo spoedig niet in zijn werk. Eerst moeten zij nog beëedigd worden — en al die formulieren en plechtigheden zullen hen nog wel een goed halfuur ophouden. Kluchtig genoeg! daar zweren nu beiden, dat zij een goede zaak voorhebben: en geen van beiden weet het fijne van de mis. — Mits wij nu slechts bij den Graaf worden toegelaten.quot;

Zij vervolgden hun weg, en niet lang duurde het, of zij zagen het vlek, en weldra de opeengepakte en bij elkander nederzittende scharen, voor zich. Het bleek hun echter spoedig, dat elke poging om door die dichte massa's te dringen, vruchteloos beproefd zou worden: en reeds kwamen er dienaars op hen af, met de bedreiging, dat, ingeval zij niet spoedig op hun achterdeelen gingen zitten, het slecht met hen zou afloopen.

„Wij moeten den Graaf spreken,quot; riepen onze vermoeide wandelaars, terwijl zich de notaris het zweet van het voorhoofd veegde en de waard zijn kaproen rechtzette.

„Den Stokbewaarder zult gij spreken, indien gij niet spoedig zitten

28

-ocr page 37-

HET GODSOORDEEL. 29

gaat of u van hier pakt,quot; zeide de dienaar, zijn roede opheffende, en hen daarmede dreigende, zoodat zij van schrik terugdeinsden. Maar op dat oogenblik kwam Aris Pauwelszoon, die in de achterste rij der toekijkers gezeten, en de stem zijner vrienden gehoord had, naar hen toegeschoten.

,Wie drommel verwachtte u hier,quot; zeide hij, zich met hen op eenigen afstand verwijderende; „komt gij nu nog met hoop om iets te zien? en ik, die hier al voor vier uren ben aangekomen, heb nog niets anders in het oog kunnen krijgen dan de pluimen der Wapenkoningen.quot;

„Wij moeten den Graaf spreken,quot; zeide Meester Jan, terwijl hij hem in weinige woorden op de hoogte van de zaak bracht.

„Moeilijk genoeg,quot; zeide Aris: „maar toch niet onmogelijk: wij moeten naar het Hof gaan, en ons daar aanmelden. Laat men ons in, dan kunnen wij tusschen de wachters een vrijen doortocht vinden naar 's Graven stellage.quot;

Die raad werd goedgekeurd en door onze drie vrienden onmiddellijk in 't werk gesteld. Juist zooals zij zich aan de Hofpoort aanmeldden, kwam rum iemand in het zweet zijns aanschijns achterop geloopen, dien zij voor Krijn den barbier herkenden.

„Onze maat is dood,quot; zeide deze, zoodra hij bij hen stond: „hij heeft mij om mijn loon gebracht, en de Priester is onverrichter zake kunnen aftrekken.quot;

„Erg genoeg!quot; zeide de notaris: „indien men ons thans slechts geloof wil geven; — maar 't ga hoe 't ga, wij zijn te ver gekomen om terug te keeren.quot;

Meteen meldden zij zich bij den dorpel wachter aan: en hoewel deze in den beginne eenige zwarigheid maakte, dorst hij, toen zij hem verklaarden, dat zij den Graaf ophelderingen brachten aangaande den twist, waarover de kamp was aangelegd, hun den doorgang niet weigeren. Hij gaf hen aan een hofbediende over, die hen nu, door de dubbele rij van wapenknechten heen, naar het Tornooiveld geleidde. Eindelijk kregen zij de kampplaats in het gezicht, en Thomas herkende den Heer Van Walcourt, die over 's Graven stellage, in de trotsche houding eens overwinnaars, zijn paard, hetwelk hij weder bestegen had, op en neder deed huppelen; terwijl de Herauten het lijk van den Jonker Van de Merwede bij de beenen over de omheining uit het Krijt sleepten: en de stameren het stuksgewijze van zijn wapenrusting ontdeden, waarvan zij de brokken verachtelijk rechts en links achter zich heen smeten: en de Wapenkoningen de kampplaats op en neder draafden, al roepende met luider stemme: „Dit is het Godsoordeel!quot;

„En daar valt geen beroep van,quot; zeide de notaris tegen zijn gezellen: „wij kunnen weder naar Delft keeren.quot;

-ocr page 38-

DE TWEE PISTOOLSCHOTEN.

1672.

Bekend is de veege toestand, in welken ons vaderland ten jare 1672 verkeerde. Niets scheen de vroeger zoo machtige Republiek voor een wissen ondergang te kunnen behoeden. Ter zee zouden haar de vloten van Frankrijk en Groot-Britannië vereenigd overvallen ; te land, aan den Rijnkant, bedreigden haar de tallooze oorlogsbenden van Lodewijk XIV, door de tegenwoordigheid des schier vergoodden Konings bemoedigd, en aangevuurd door Condé, Turenne, Guiche, Nogent, in één woord, door de vermaardste veldheeren dier eeuw; ten noordoosten stonden de troepen van Keulen en Munster ten inval gereed, zoodat zelfs de hulp der weinige bondgenooten, die nog trouw gebleven waren in de ure des gevaars, geheel was afgesneden. Middelen om weer te bieden aan de overmacht schenen geheel te ontbroken; zoo de vloot alleen, nog krachtig, welbemand, welvoorzien en door kloeke zeevoogden aangevoerd, een geduchten voormuur tegen de vijandelijke scheepsmachten strekte, met de verdediging aan de landzijde was het jammerlijk gesteld. De grensplaatsen, bestemd om het Gemeenebest aan den Rijnkant te verdedigen, waren ten eenenmale verwaarloosd: sedert twintig jaren was

feen spade tot herstel der vervallen vestingen in den grond gestoen: de buitenwerken waren nauwelijks kenbaar, de grachten dichtgegroeid, de stormpalen tot brandhout weggehaald, de wallen in lusthoven en moestuinen herschapen, de generaliteits-magazijnen uit ellendige zuinigheid, van voorraad en leeftocht onvoorzien, het kruit door vochtigheid onbruikbaar. Wat het leger betrof, dekrijgs-ambten waren door de Regenten geschonken of verkocht aan neven, die van de Academie kwamen: aan gunstelingen of dienaars, die nooit een piek gedragen hadden: ja, bij voorraad, aan kinderen, die nog geen degen konden aangespen of die nog in de wieg lagen. Met de uiterste inspanning had men nauw veertien duizend maneen spade tot herstel der vervallen vestingen in den grond gestoen: de buitenwerken waren nauwelijks kenbaar, de grachten dichtgegroeid, de stormpalen tot brandhout weggehaald, de wallen in lusthoven en moestuinen herschapen, de generaliteits-magazijnen uit ellendige zuinigheid, van voorraad en leeftocht onvoorzien, het kruit door vochtigheid onbruikbaar. Wat het leger betrof, dekrijgs-ambten waren door de Regenten geschonken of verkocht aan neven, die van de Academie kwamen: aan gunstelingen of dienaars, die nooit een piek gedragen hadden: ja, bij voorraad, aan kinderen, die nog geen degen konden aangespen of die nog in de wieg lagen. Met de uiterste inspanning had men nauw veertien duizend man

-ocr page 39-

DE TWEE PISTOOLSCHOTEN, 81

kunnen bijeenbrengen: een ordeloozen hoop, zonder krijgstucht, zonder oefening of ondervinding: zonder hoplieden, bekwaam om in die gebreken te voorzien. Ingenieurs miste men geheel. — En bij dit alles, beletteden onderling mistrouwen, verdeeldheid, onkunde en verraad den geteisterden Staat een behoorlijk gebruik te maken van het jammerlijk overschot zijner krachten.

Hoe, in weerwil van zulk een benarden, ja schijnbaar schier hope-loozen toestand, nadat vier der zeven Vereenigde Gewesten geheel, en een vijfde reeds ten deele door den vijand overweldigd waren, en geen uitredding meer mogelijk scheen, de dapperheid onzer zeelieden, het kloek beleid van den jeugdigen Willem III, de rustige houding van Amsterdam, de trouw van Spanje en Brandenburg en, boven dit alles, de almachtige bijstand van Hem, in wiens handen de lotgevallen zijn van vorsten en volkeren, het vaderland niet slechts van het verderf verlosten, maar ook den overmoedigen trots zijner vijanden beschaamden — ook dit is aan elk, die in de geschiedenis dezer landen geen volslagen vreemdeling is, bekend. Minder echter, dat, reeds bij den aanvang van den krijgstocht, eene, menschelijkerwijze gesproken, geheel toevallige gebeurtenis de oorzaak was. dat de Fransche legermacht, hoe snel ook hare vorderingen waren, niet, gelijk het oorspronkelijke voornemen was, met éénen slag een eind maakte aan den krijg. Het is op deze gebeurtenis, in hare gevolgen zoo merkwaardig, dat ik thans de aandacht mijner lezers zal vestigen.

Reeds waren de steden, die men voorheen als onze voormuren aan den Rijnkant had beschouwd, om wier bezit zoo menigmaal en zoo hevig gestreden was, Orsoy, Rijnberck, Burik, Wezel, Rees en Emmerik, thans zonder slag of stoot den zegevierenden Lodewijk in handen gevallen, reeds stond hij gereed over den IJsel te trekken en van daar in de Veluwe te dringen, toen hij vernam, dat de Prins van Oranje zelf dien stroom bezette. Dit deed de Fransche krijgsoversten van hun voornemen afzien, en er werd bepaald, dat de overtocht over den Rijn geschieden zou. Condé zelf trok, van Emmerik, den oever der rivier langs, en liet overal onderzoek doen, om eene ten overtocht geschikte plaats te ontdekken. Eens aan de overzijde, moesten, volgens een door hem beraamd plan, twintig duizend ruiters ieder een voetknecht achter zich op 't paard nemen, tot in 't hart van Holland dringen, en Amsterdam — toen nog geheel van verdedigingsmiddelen ontbloot — bij verrassing bemachtigen, uit welke stad alsdan de Koning zonder moeite de wet aan de Nederlanden had voorgeschreven.

Op diie verschillende punten, bij het Tolhuis, aan 'tBergsche Hoofd en te Huisen, hadden de Staten den Rijn doen bezetten, 't Is waar, Montbas, die als Commissaris-öeneraal van 't leger, de verdediging aldaar besturen moest, Montbas, een Franschman van geboorte en aan zijn voormaligen Souverein verknocht, had reeds zijn nieuwe meesters verraden en de bezettingen tot driemaal toe naar Nijmegen teruggezonden, in weerwil dat de veldmaarschalk Würtz, die binnen die plaats gebood, ze «ven zoo dikwijls naar de bedreigde punten

-ocr page 40-

32 DE TWEE PISTOOLSCHOTEN.

terug deed keeren, om heteeen hij toen nog slechts een misslag van Montbas waande te herstellen; maar Condé, van de wezenlijke toedracht der zaak onbewust, had het aftrekken der bezettingen als een krijgslist aangemerkt, en bleef nog in de onzekerheid, op welk punt hij den overtocht zoude wagen.

De rivier, wier loop de Fransche veldheer thans van den Elten-berg gadesloeg, kronkelde toen niet, gelijk thans, op verren afstand, maar aan den voet van die hoogte, en het gewone veer bevond zich nabij de plaats, vanouds Houberg of IJslade geheeten. Niet ver van daar, naar den kant van Lobitn, was een waadbare plaats in den Rijn; tegenover die ondiepte lag een kasteel, van vuurmonden voorzien, dat een der voornaamste verdedigingspunten uitmaakte. Het was een landman, Jan Petersen genaamd, die aan de Franschen deze voorde kennen leerde, en die aanbood, hun tot gids daarover te strekken.

Verheugd over dit bericht, zond Condé den Graaf van Guiche uit, om met den boer de aangewezen plaats te onderzoeken. Aan dien last werd voldaan; doch meer dan eens moest Guiche den liauw-hartigen Petersen, wien de moed ontzonk, zoo vaak hij op het drei-

fend tegen hen over staande kasteel staarde, met brandewijn op-euren. Weldra merkte de bekwame krijgsoverste op, dat zoowel de in- als de uitgang der voorde breed genoeg waren om der ruiterij gelegenheid te verschaffen er met gesloten rangen in te trekken en zich aan de overzijde uit te breiden: — en tevens, wat niet minder gewichtig was, dat de kogels, die uit het kasteel geschoten werden, wel op den tegenovergestelden oever gericht waren, maar te hoog gingen om hen te bereiken, die zich in de rivier zelve bevonden. Men zag hier aan de Fransche zijde een soort van wonder in; een welkom verschijnsel voor 't minst, 'twelk ten waarborg strekte, dat de Hemel 's Konings tocht begunstigde.end tegen hen over staande kasteel staarde, met brandewijn op-euren. Weldra merkte de bekwame krijgsoverste op, dat zoowel de in- als de uitgang der voorde breed genoeg waren om der ruiterij gelegenheid te verschaffen er met gesloten rangen in te trekken en zich aan de overzijde uit te breiden: — en tevens, wat niet minder gewichtig was, dat de kogels, die uit het kasteel geschoten werden, wel op den tegenovergestelden oever gericht waren, maar te hoog gingen om hen te bereiken, die zich in de rivier zelve bevonden. Men zag hier aan de Fransche zijde een soort van wonder in; een welkom verschijnsel voor 't minst, 'twelk ten waarborg strekte, dat de Hemel 's Konings tocht begunstigde.

In den nacht van den elfden op den twaalfden Juni kwam Lodewijk zelf in 't leger. Een batterij werd nog in dien zelfden nacht opgeworpen tegenover het kasteel, én zoodanig ingericht, dat zij tevens de rivier en den tegenovergestelden oever bestreek; terwijl, een paar honderd schreden vandaar, bij den molen aan de zijde van den Elten-berg, een stellage werd opgericht, van waar de Koning het tooneel, dat nu volgen moest, kon beschouwen.

Doch, met hoeveel spoed en stilte men te werk was gegaan, bij den korten afstand en den korten nacht kon de arbeid der Franschen voor de bezetting van het kasteel niet verborgen blijven. Voor de vierde maal weggazonden, waren de Staatsche benden, en thans met Würtz zelf aan 't hoofd, tot verdediging van het bedreigde punt voor de vierde maal teruggekeerd: en reeds de eerste morgenschemering deed aan Condé bespeuren, dat men aan de overzijde niet werkeloos gebleven was, maar een verschansing had opgericht, om daaruit den overtocht te verhinderen.

Nauwelijks had de waakzame veldheer zulks bemerkt, of hij begreep, dat het slagen der onderneming alleen in spoed gelegen was, en dat de verbaasde vijand moest overvallen worden, eer nem tijd

-ocr page 41-

DB TWEE PISTOOLSCHOTEN. 33

gelaten werd, zich verder te versterken. Hij gaf dus last met den overtocht een aanvang te maken.

Nauwelijks is het bevel van den veldheer vernomen, of Guiche stort zich in den vloed, gereed om den hem nu bekenden weg aan zijn dapperen te wijzen: en, om hier de woorden van Boileau te bezigen, waar hij dien tocht beschrijft:

Son coursier, écumant sous son maltre intrépide,

Nage tout orgueilleux de la main qui le guide.

Revel le suit de prés: sous ce chef redoute Marche des cuirassiers l'escadron indomté.

Mais déja devant eux une chaleur guerrière Emporte loin du bord le bouillant Lesdiguière.

Vivonne, Nantouillet et Coislin, et Salart;

Chacun d'eux au péril veut la première part:

Vendême, que soutient l'orgueil de sa naissance,

Au même instant dans Tonde impatient s'élance,

La Salie, Beringhen, Nogent, d'Ambre, Cavois,

Fendent les flots tremblants sous un si noble poids.

En toch, die eerste poging voldeed niet aan de verwachting: zonder eenheid of orde waren die driftige krijgshelden te werk gegaan; en de stroom, wiens felheid alleen door dicht ineengepakte massa's had kunnen gebroken worden, sleept de afzonderlijk wadende ruiters met zich, doet de paarden weldra grond verliezen en verspreidt overal verwarring en schrik.

Weldra is de rivier bedekt met drijvende krijgers, paarden, standerds, hoeden, vederbossen en pluimen. De Staatsohen, door dit schouwspel bemoedigd, zenden hun musketkogels in den verwarden hoop, doen man bij man van 't ros ter nedertuimelen, en brengen den schrik onder de paarden, die, waar zij ter rechterzijde afdwalen, in een kolk verzinken, van waar niemand terugkeert. Dertig ruiters, zoo bevelhebbers als soldaten, vinden hun dood in den vloed: zelfs de Graaf De Nogent, de Veldmaarschalk van het Fransche leger, is een der eerste slachtoffers van die noodlottige onderneming: en, ware de macht der Staatschen talrijker geweest, de overtocht ware wellicht geheel mislukt.

Doch Condé heeft ras de begane feil hersteld. Nieuwe ruiterbenden rukken aan en storten zich thans met geheele gelederen in de voorde: de stroom verliest weldra zijn kracht op die te zamen gedrongen krijgshoopen: reeds zijn zij de rivier ter helft overgetogen: daar stort ook Würtz zich van de overzijde met zijn ruiters in den vloed en werpt terug al wie vasten grond betreden. Maar het geschut der Fransche batterij speelt moordend onder zijn gelederen, terwijl dat van het kasteel den vijand niet bereiken kan, en met spijt ziet de wakkere Veldmaarschalk de rangen zijner dapperen al meer en meer verdunnen, en welhaast het oogenblik genaken, waarop alle weerstand vruchteloos wezen zal.

Eindelijk is het den Franschen Majoor Langallerie gelukt, met

n. w. v. 3

-ocr page 42-

34 DE TWEE PISTOOLSCHOTEN.

veertig man aan de overzijde der voorde, maar nog altijd in den stroom, vasten voet te krijgen. Daar laat hij de zijnen zich in twee gelederen vormen, citaat stil, houdt Würtz in bedwang en toeft zoo lang, tot hij, door de allengs voortgerukte ruiterbenden versterkt, raachts genoeg bij zich heeft, om op den vijand los te gaan. Weldra is Würtz genoodzaakt op den oever te keeren; doch Guiche, die zich thans aan 't hoofd der Fransche benden gesteld heeft, niet tevreden van de Staatsche ruiters terug te hebben gedreven, wil ook aan hun voetknechten den hertocht afsnijden. Op zijn last breidt zijn paardenvolk zich over de vlakte uit, zoodat hun rechtervleugel op den oever stuit, de linker zich naar de zijde van het Tolhuis uitstrekt, en zijn front, naar den Rijnkant gekeerd, de verschansing insluit, achter welke zich de twee afdeelingen der Staatschen bevinden.

Drom bij drom trekt inmiddels de rivier over: een aantal schuiten wordt bemand en begeeft zich, thans door geen geschut meer verontrust, naar de overzijde. Ook Condé, vergezeld van de Hertogen Van Enghien en Longueville (zijn zoon en zijn neef) volbrengt op die wijs den pvertocht. Hem volgt, hem omstuwt de bloem des Franschen adels, dat tal van vroolijke en loszinnige hovelingen.

Vils flatteurs a la cour, héros aux champs de Mars, gelijk hen de Fransche dichter noemt: zij, die reeds in den verloopen nacht beker bij beker op den voorspoed hunner wapenen geledigd hebben, en thans, bedwelmd door den roes van wijn en zegepraal, onder scherts en gelach, den bedwongen Rijn doorklieven, en zich reeds vooruit verheugen over de gemakkelijke laurieren, die zij aan de overzijde denken te oogsten. — Maar weldra zullen angstkreten hun scherts, tranen hun gelach vervangen.

Würtz had zich met zijn ruiters voor de overmacht aan 't gevaar onttogen en was teruggetrokken om Nijmegen te dekken. Het Staatsche voetvolk, uit twee afdeelingen, meest Friezen, samengesteld, na den aftocht van den Veldmaarschalk door de ruiters van Guiche overvleugeld, en geen middel ziende, noch om te vluchten, noch om den ongelijken strijd uit te harden, legt de wapens neder en roept om lijfsbehoud. Condé, zijn zegepraal niet noodeloos met bloed willende quot; bezoedelen, laat hun zonder beding dat lijfsbehoud toezeggen: en nu staan de Staatsche regimenten af te wachten, dat de aan hun voeten liggende musketten weggehaald en zij in eerlijke gevangenschap medegevoerd zullen worden. Tot nog toe had, met uitzondering der in den stroom verzwolgen ruiters, de overtocht nog bijna geen verlies van menschenleyens gekost. Dan ziet, daar rijdt Longueville met zijn dolzinnige dischgenooten van den verloopen nacht, op de verschansingen toe, 't zij dat hun de door Condé gedane toezegging onbekend gebleven was, 't zij dat dartele brooddronkenheid hun net brein benevelde en hen aanspoorde, hen te mishandelen, die zij weerloos waanden. De Friesche benden zien den onstuimigen hoop genaken, en de gedachte aan verraad wordt levendig in aller ziel. Een hunner hoplieden wordt afgezonden om te vernemen, wat de vijandige houding dier Edellieden beteekent, en of de veldheer

-ocr page 43-

DE TWEE PISTOOLSCHOTEN. bt)

zijn gegeven woord niet gestand zal doen; doch nauwelijks is hij Longueville genaderd, of deze, door wat reden dan ook daartoe ge dreven, haalt zijn pistool voor den dag en schiet hem ter neder. De Staatschen zien hem vallen; en een enkele kreet van: „verraad!quot; wordt uit aller monden hergalmd. Elk hunner grijpt het voor hem liggend wapen weder op: ééne gedachte doorstroomt aller harten: het bedreigde leven ten duurste te verkoopen en voor 't minst niet ongewroken te sneuvelen. Het was op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen hadden nedergelegd: nu die voorwaarde verbroken is, hernemen zij hun recht om die wapenen te bezigen.

Daar knallen hun moordende schoten in het dichtst van die kort te voren nog zoo dartele en overmoedige bende; Longueville, wiens onberaden feit de aanleiding tot zooveel onheils gaf, stort dood ter aarde: naast hem valt Guitry, de Grootmeester der Koninklijke garderobe: aan hunne zijde sneuvelen de Graven Du Plessis en Theobon, de Heeren Boury, d'Aubusson, De la Force, De la Salie. De Hertog van Coislin, de Prins van Marsillac, de Graven van Vivonne, van Saux, van Revel, van Lyonne, de Markiezen van Beringhen, van Thermes en van Chavigny, de Edelen Brouilly Maurevert, Du Mesnil, Montauban, Aubeterre, Beaumont, St.-Arnoul, Beaufort, Mon-tereau, Soubise worden zoo deerlijk gekwetst, dat schier niet een onder hen later van die ontvangen wonden herstelt.

Condé, die zich in dit noodlottig oogenblik met Guiche vereenigd heeft, ziet nauwelijks den strijd begonnen, of vliegt derwaarts en gelast, dat men de vijandelijkheden staken zal. Maar niemand, die naar zijn roepstem luistert: en vergeefsch zijn de door hem aangewende pogingen om het bloedbad te stuiten. Daar ziet een der Staatsche hoplieden, Ossenbroek, de pluimen op des veldheers vederhoed wapperen: en, begeerig om het gepleegde verraad op der Fran-schen legerhoofd te wreken, heft hij zijn pistool op en mikt op Condé. Een gelukkige wending van het lichaam redt dezen het leven; de kogel, die op zijn hoof cl gemunt was, treft slechts zijn arm, die machteloos nederzinkt. Nu woedend over de ontvangen wond en het verlies van zijn beminden neef, of geen middel meer ziende om het wederzijdsche driftvuur tot bedaren te brengen, geeft hij zelf den last tot den algemeenen aanval. Tue! Tue! klinkt thans de wapenkreet der Franschen, die van alle kanten met onweerstaanbare overmacht op de Staatschen aandringen. Doch ook deze vechten met den moed der vertwijfeling: en, is de eerste verschansing, waarachter zij streden, overweldigd, zij vormen zich een tweede van de lijken der gesneuvelde vijanden. Lodewijk, wien naar de uitdrukking van Boileau, zijn grootheid aan den oever kluisterde, aanschouwt het van verre met innigen spijt, hoe velen zijner dapperen nederstorten in een kamp, die hem meer aanvoerders en Edellieden kosten moet dan later menige groote veldslag. — Maar wat baat de dapperheid door de Staatschen betoond? Man voor man valt door het moordend lood of onder de sabelslagen der Fran-sche kurassiers: van de beide Regimenten blijft weldra niets anders over dan een afgestreden, met wonden overdekte, tot verderen weer-

-ocr page 44-

I

36 DE TWBE PISTOOLSCHOTEN.

stand onmachtige hoop van nauwelijks honderd twintig braven, die, in gevangenschap weggesleept, twee maanden lang te Emmerik het gemis hunner vrijheid moesten betreuren.

Zoodanig was de uitslag van dezen strijd, den eersten, maar bijna ook den eenigsten, die op Vaderlandschen bodem tusschen de Fran-sche troepen en die der Staatschen geleverd werd. Geen eerzuil wijst de plaats aan, waar die dapperen vielen: nauwelijks heeft de geschiedenis een enkelen regel aan hun nagedachtenis gewijd: de Eijn zelf heeft zijn loop veranderd, als wilde hij tot de herinnering toe uitwisschen van de plek, waar zij den heldendood stierven. En echter, wel verdiende hun wanhopige wederstand bij tijdgenoot en nakomeling in 't geheugen bewaard te blijven. Zij toch waren het, die voor de eerste maal aan den trotschen Lodewijk leerden, dat de triomftocht, hem door vleiers voorspeld, niet zonder strijd zou volbracht worden: dat die moerasbewoners, die hij meende te tuchtigen, zich niet geheel straffeloos lieten tergen; zij waren het, die de dartelheid dier wufte hovelingen in getreur deden verkeeren en de adellijke geslachten van Frankrijk dompelden in rouw.

Maar er is meer: het schot door Longueville gelost, had het sein tot den moord gegeven: het schot, gelost door Ossenbroek, wierp Condé, de ziel des Franschen legers, voor twee maanden op het ziekbed neer: het plan tot verrassing van Amsterdam, door hem gevormd, werd, toen hij van het krijgstooneel was afgetreden, als een hersenschim ter zijde gesteld. — Amsterdam was behouden, en, door Amsterdam, de onafhankelijkheid der Nederlanden.

-ocr page 45-

EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

Nooit is wellicht eenig land ter wereld uit een meer benauwden toestand op een meer wonderbare wijze gered geworden, dan het onze ten jare 1672. Zeker was de kampstrijd tegen Spanje bloediger en langduriger geweest: zeker waren er ook toen, vooral in de eerste jaren der worsteling, tijdstippen geweest, waarop men aan het behoud der verworven onafhankelijkheid meende te moeten wanhopen; maar toen ten minste bestond bij de ingezetenen de sterke prikkel van godsdienst en vrijheidszucht, die hen ten strijd opwekte: er was kloekheid en beleid bij de Veldoversten: er was ijver én wakkerheid bij de Regenten: en bij dat alles, er was een eminent Boofd, een aanvoerder, een Willem van Oranje, op wien men vertrouwde en wiens leiding men volgde. — Maar in 1672 niets van dat alles. — Ook nu was de vijand in 't hart van 't land, met talrijker macht dan Spanje hier ooit had heengevoerd; met legerhoofden als Condé, Turenne, Luxemburg, mannen, die wel tegen Alva, d'Avila, of Verdugo konden opwegen: drie der Zeven Gewesten waren reeds geheel, het vierde grootendeels veroverd: en wat vond men dezerzijds om den aanval te weerstaan? Burgers, het strijden sedert lang ontwend: een zwak en ongeoefend leger; bijna niet één bekwaam bevelhebber: geene stad, geene vesting zelfs in staat van tegenweer: gebrek aan geld en krijgsbehoeften: wederom, ja, een Willem van Oranje aan 't hoofd des legers geplaatst, maar, ten gevolge van de kleingeestige jaloezie der Staten, niet bekleed met het gezag, dat hem noodig was om in zijn betrekking van wezenlijken dienst te zijn: — en, wat nog het ergste was in deze omstandigheden, overal moedeloosheid, wantrouwen, verraad: zoodat, naar de uitdrukking van een tijdgenoot, de Regeering radeloos, het volk redeloos, het Land reddeloos was. — Alleen op zee kon men zeggen, dat de Staat nog voortleefde: daar had 'sLands vloot

-ocr page 46-

38 ben vergadering dee staten van holland.

onder De Ruyter met goed gevolg de vereenigde macht van Frankrijk en Groot-Britannië weerstaan; maar het was te voorzien, dat, wanneer eens ook Holland voor de wapenen des Franschen overweldigers had moeten bukken, de vloot, van toevoer of voorraad ontbloot, allen verderen kamp zou moeten opgeven, en wellicht geen ander toevluchtsoord meer vinden, dan de reede der Afrikaansche of West-Indische bezittingen.

Door welk wonder werd onze Staat voor een schijnbaar onver-mijdelijken ondergang bewaard? — Hoe gebeurde het, dat, als door een tooverslag, wakkerheid moedeloosheid verving, dat het vertrouwen terugkeerde, dat lafheid en verraad onschadelijk gemaakt werden? Wie waren, in de hand van den Opperbestuurder onzer lotgevallen, de werktuigen, door welke die ommekeer werd teweeggebracht? — De Geschiedenis antwoordt: Ons Vaderland had in de eerste plaats, en voornamelijk, zijn behoud te danken aan de kloekheid en het doorzicht der toenmalige Regenten van Amsterdam.

Merkwaardig vooral was die wakkere houding, omdat zij in schijn zoo geheel strijdig was met de politieke beginsels, welke de Regeering van Amsterdam vroeger liad aangekleefd, en omdat zij voor hem, die, bij 't lezen der Geschiedenis, alleen op de handelingen der personen, en niet op de geheime drijfveeren let, iets zeer verrassends, iets bevreemdends heeft. Wel waardig daarom uit een dubbel oogpunt is het, die houding van Amsterdam nader gade te slaan en in het rechte licht te plaatsen. Doch toen ik mij daartoe opgewekt gevoelde, begreep ik, beter dan door een droog en koud vertoog, mijn doel te zullen bereiken, wanneer ik de personen zeiven opvoerde, zooaIs ik onderstel, dat zij hebben kunnen spreken en handelen; alleen daar, waar de duidelijkheid het vorderde, het een en ander tot toelichting bijbrengende. Te dien einde kwam mij niets geschikter voor, dan om u. waarde lezer! binnen te leiden in de Vergadering der Staten van Holland op het Binnenhof te 's-Gra-venhage. en u tegenwoordig te doen zijn bij de voornaamste debatten, welke aldaar hebben plaats gehad in het tijdvak van 25 Juni tot 8 Juli. Ik vlei mij, dat zij u niet te erg vervelen zullen: gij toch leest wel de debatten, die heden ten dage in de Kamer gehouden worden, over punten van vrijwat minder belang.

Alleen moet ik u waarschuwen tegen een teleurstelling. Gij hebt geene sierlijke redevoeringen te verwachten. De zittingen der Staten waren niet openbaar en de adviezen werden niet door den druk gemeen gemaakt. Geen der Leden behoefde dus — gelijk thans misschien wel eens geschiedt — zijn welsprekendheid te luchten alleen ten gevalle van het publiek, en wijdluftige betoogen te houden, welke anders wellicht in de pen waren gebleven. Bovendien vertegenwoordigden de Afgevaardigden van dien tijd niet, gelijk heden, het geheele volk van Nederland, en dus eigenlijk niemand: zij waren eenvoudig lasthebbers, in de Staten-Generaal van eene der Zeven Provinciën, in de Provinciale Staten van eene der stemhebbende Steden. Zij brachten dus niet zoozeer hun eigen gevoelen uit als dat hunner lastgevers, en wanneer men slechts een last

-ocr page 47-

EEN VERGADERING DEB STATEN VAN HOLLAND. 39

overbrengt, legt men zich natuurlijk niet zoozeer op welsprekendheid en rhetorische figuren toe, als wanneer men zijn eigen denkbeelden ingang poogt te doen vinden.

Alvorens wij onze personages opvoeren, dienen wij het tooneel te beschrijven, waarop de handeling voorvalt.

De vergaderzaal van H. E. ö. M. is ruim 60 voet lang, 54'/2 breed: het gewelf is prachtig beschilderd: voortreffelijk tapijtwerk versiert de wanden: ten oosten en ten westen staan marmeren schoorsteenen, met zwaar snij- en loofwerk en bovendien met schilderijen van Lievenz en Hanneman pronkende. Vijf groote ramen verschaffen het uitzicht op den Vijver en Vijverberg. In het midden van de zaal is een ruim vierkant parket, 29 voet lang en 28 breed, rondom met een sierlijke balustrade omgeven. Binnen dit parket nu houden de Edelen en de Afgevaardigden der achttien stemhebbende Steden hunne zittingen. In 't midden staat een lange tafel, waaraan de stoelen voor de Ridderschap: aan het smalle einde dier tafel, tegenover den west-schoorsteen, is de stoel voor den Raadpensionaris: de plaats, door De Witt negentien jaar bekleed, doen waar men heden hem vruchteloos zal zoeken. Juist in deze netelige omstandigheden heeft een noodlottige gebeurtenis hem van het staatstooneel verwijderd en de Vergadering van zijne leiding en voorlichting beroofd. Vijf dagen te voren uit de Vergadering komende, is hij op de publieke straat door vier dolzinnigen aangevallen en gekwetst: en zijn wonden, ofschoon niet gevaarlijk, beletten hem vooralsnog zijne kamer te verlaten.

Aan de noordzijde van het parket loopt een tafel langs de balustrade, achter welke tafel de Afgevaardigden van Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden en Den Briel hunne zitplaatsen hebben; ten oosten, achter den stoel van den Raadpensionaris, staan drie tafels, trapswijze achter elkander oploopende: de benedenste is voor Amsterdam, de middelste voor Gouda en Rotterdam, de hoogste voor Gorkum, Schiedam en Schoonhoven bestemd. Voor de tafel der Amsterdamsche Afgevaardigden staan stoelen voor de Gecommitteerde Raden, wanneer dezen de zittingen verkiezen bij te wonen, in welke zij echter geen stem hebben. Ten zuiden zitten, langs de balustrade, de Afgevaardigden van Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnikendam, Medemblik en Purmerend. Van afstand tot afstand heeft elke tafel een uitspringend blad, aan 't welk de Pensionaris van iedere Stad tegenover zijn medegecommitteerden zitting neemt. Aan weerszijden van den schoorsteen ten westen zijn de gestoelten der Secretarissen, doch buiten het parket: want het zou gekwetste majesteit zijn, hen, de bloote uitvoerders der bevelen van H. E. G. M., toe te laten binnen dat verblijf der gewestelijke Souvereiniteit.

Het is Zaterdag, 25 Juni: — een zoele zomerachtige middag. Reeds een halfuur voor den aanvang der zitting zijn onderscheidene Afgevaardigden de zaal binnengetreden en vormen hier en daar groepen, waar zij zich over de aangelegenheden van den dag onderhouden. Op de gelaatstrekken der meesten is neerslachtigheid, op die van allen bezorgdheid te lezen. Het is echter niet bij elk hunner de schrik

-ocr page 48-

40 EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

voor Fransche overmacht, welke die bezorgdheid verwekt: met beschaming voor onze landgenooten erkennen wij het, er zijn, ook in die hooge Vergadering, eerlooze verraders, die in soldij van Frankrijk staan en, voor het hun toegetelde goud en de beloofde titels of waardigheden, hun geweten, de geheimen van den Staat en de onafhankelijkheid der Zeven Gewesten aan Lodewijk XIV verkocht hebben. Ook van de zoodanigen zullen wij er eenen sprekend moeten invoeren; maar wij zullen voor 't minst zijn naam verbloemen en niet vermelden woïke Stad hij vertegenwoordigt. Helaas! het zou te gemakkelijk zijn, uit bekende namen er eenen voor hem te vinden.

Talrijk ook is het getal van hen, die 't zij uit laffe vrees, 't zij omdat zij werkelijk geene andere uitkomst meer zien, slechts verlangen, dat er op de eene of andere wijze een einde aan 's Lands droevigen toestand gemaakt worde, en dat men zich aan de voorwaarden, die de vijand zal opleggen, hoe bezwarend en vernederend ook, onderwerpe. — De minderheid, eindelijk, is van oordeel, dat tegenstand nog iets zal kunnen baten, en dat men nog niet aan 's Lands behoud behoeft te wanhopen. Die minderheid, hoe gering, is nog in twee deelen gesplitst: het eene, uit twee of drie personen samengesteld, ijverige aanhangers van den Prins, en alzoo, uit gehechtheid aan het Huis van Oranje, alle onderwerping aan Frankrijk, zoowel als aan de partij van De Witt, verafschuwende: — het andere uit de zoodanigen bestaande, die, ofschoon oorspronkelijke tegenstanders van het Stadhouderlijk Bestuur, echter beseffen, dat het tegenwoordige oogenblik zoowel wijziging der binnenlandsche staatkunde, als volharding in het bestrijden van den vijand vereischt.

Wij zullen de onderscheidene partijen beter leeren kennen, wanneer wij een dier groepen naderen en de gehouden gesprekken afluisteren.

Die man ginds, die door de deftigheid, welke in zijn bewegingen heerscht, de kleinheid van zijn postuur doet vergeten, is de Pensionaris Burgerdijk, van Leiden. Een aantal Leden is om hem heen gedrongen: en geen wonder: de maar is zooeven aangekomen, dat de Markies van Rochefort, voor wien Naarden de poorten reeds zonder tegenweer geopend had, den vorigen dag ook Utrecht is binnengetrokken, ja, (fat Woerden en Oudewater hun poorten voor hem hebben ontsloten.

„Drie steden van Holland in 's vijands macht!quot; zegt, met een schijnbaar bedrukt gelaat, de Heer Van Espenblad, een van hen, in wier ooren die tijding welkom klinkt: „Rochefort te Utrecht, en zijn leger weldra voor de wallen van Leiden! Wat zal ons overblijven dan onderwerping?quot;

„Ook Leiden!quot; herhaalt Boschveld, een der Gecommitteerde Raden, een warm voorstander der Stadhouderlijke Regeering: „hm! zoo spoedig niet. Z. H. is niet vergeefs in Bodegrave: en het omgelegen land kan onder water gezet worden. Er is niets, waar de Franschen zoo bang voor zijn, als voor verdrinken.quot;

„Dat hebben zij aan het Tolhuis niet bewezen,quot; antwoordt Van Espenblad : „toen zij den Rijn zijn overgezwommen onder 't kanon van Würtz.quot;

-ocr page 49-

BEN VBEGADEBING DER STATEN VAN HOLLAND. 41

kanon heeft spoedig gezwegen,quot; hervat Boschveld: , daar had de verrader Montbas voor gezorgd, die de ammunitie had zoek gemaakt: en, wat het overzwemmen betreft, met een goeden wegwijzer was de zwarigheid niet groot.quot;

„Nu! wat wegwijzers betreft, die zullen ook hier niet ontbreken,quot; merkt de Amsterdamsche Pensionaris Hop aan, met een zijdelingschen blik op Van Espenblad.

„Wat wil men doen zonder leger?quot; hervat deze: „en dan, als wij zeiven al onze bezittingen opofferen, door ze te doen overstroomen, wat blijft er dan over, waar wij voor vechten zullen?quot;

„Van bezittingen gesproken,quot; klinkt plotseling een stem achter hem: „ik wensch u geluk, mijn Heer Van Espenblad! ik hoor, dat uw lusthuis te Maarsen geheel vrij gebleven is van overlast en schade, ja zelfs van inkwartiering: en zulks op uitdrukkelijken last van den Hertog van Luxemburg.quot;

Hij, die aldus sprak, was een man van middelbaren leeftijd en van een indrukwekkend voorkomen. Zijn breed voorhoofd, de lange, aan de punt eenigszins voorovergebogen neus, de gunstige uitdrukking der levendige oogen, en de fijne glimlach, die om den mond zweefde, kondigden den scherpzinnigen Staatsman aan, gewoon aan hoven te verkeeren. En toch, datzelfde gelaat werd bijwijlen beneveld door een waas van zwaarmoedigheid, uit een bijzondere soort van dweepzucht gesproten, die men verre verwijderd zou oordeelen van een anders zoo helder verstand. Die man, in 't kort, was niemand anders dan de beroemde Koenraad van Beuningen, die Amsterdam reeds zoo vaak ter Staatsvergadering, en den Staat als Gezant aan zoovele Hoven gediend had.

Van Espenblad gevoelde den zet in zijne volle bitterheid; doch, zich goed houdende, antwoordde hij, op onverschilligen toon:

„Het schijnt mij toe, dat UwEdele beter onderricht is van hetgeen mijn arm landhuis betreft, dan ik zelf.quot;

En toen, een wending aan het gesprek wenschende te geven, boog hij zich tegen een tachtigjarigen grijsaard, die met Van Beuningen gekomen was.

„Het verheugt mij, u hier te zien, Dr. Tulp! hebt gij waarlijk kunnen besluiten, uw patiënten in Amsterdam te verlaten?quot;

„De Staat is tegenwoordig de ergste patiënt, dien ik heb,quot; antwoordde de beroemde Geneesheer en Burgemeester, wiens afbeeldsel ons door Rembrandt bewaard is.

„Jammer, dat de Staat niet tot de lijders behoort, die een heelkundige, als UEd., met een mes genezen kan,quot; hernam Van Espenblad.

„Eilieve, waarom niet?quot; vroeg Tulp: „er is altijd nog hoop, de gezonde deelen te bewaren, wanneer men de aangestokene en be-dorvene op zijn tijd weet weg te snijden.quot;

„Hm, ja! zeer juist,quot; zeide Van Espenblad, terwijl hij een geweldige dosis Spaansche snuif nam uit een sierlijke gouden doos: „kan ik u dienen?quot;

„Een fraaie doos, mijn Heer Van Espenblad!quot; zeide Van Beuningen:

-ocr page 50-

EEN VERGADEBING DER STATEN VAN HOLLAND.

„volkomen het evenbeeld van die, waarvan zich de Ambassadeur d'Estrades placht te bedienen.quot;

,Vindt gij?quot; vroeg Van Espenblad, een weinig verlegen: „'tis waar, ik heb den Heer Ambassadeur indertijd verzocht mij een dergelijke uit Parijs te ontbieden.quot;

„Wel, waarom niet?quot; hernam de onbarmhartige Van Beuningen: „les petits présents entretiennent l'amitié.quot;

„Ik heb de doos eerlijk betaald,quot; zeide Van Espenblad, zich wrevelig verwijderende.

„Met uw eer,quot; mompelde Boschveld hem halfluid achterna, en begaf zich naar een andere groep, waar de Afgevaardigde Pesser zich deerlijk beklaagde over de oproerigheid, die zich in zijne stad, Rotterdam, vertoonde.

„En wat willen zij?quot; vroeg een der aanwezigen.

„Zij varen uit tegen mij, tegen Vroezen, tegen Van der Aa, tegen De Groot: zij begeeren de verheffing van den Prins tot Stadhouder.quot;

„Zou het werkelijk waar zijn?quot; vroeg Foreest, van Alkmaar, „dat do Prins reeds als zoodanig 1.1. Dinsdag te Veere is uitgeroepen?quot;

„En gisteren te Bommel,quot; zeide Boschveld, zich de handen wrijvende; „ik heb hedenmorgen de tijding bij Mevrouw de Prinsesweduwe, te Honselaarsdijk, vernomen.quot;

„Treurig, treurig!quot; zeide Pesser: „en dat in deze oogenblikken! Dat zal immers enkel strekken om den Koning nog meer te verbitteren.quot;

„Men moet korte metten maken met die muitelingen,quot; zeide Van Espenblad, die weer in den kring geslopen was: „de Heer De Groot is ook van die meening, en alle verstandige lieden.quot;

^makkelijk over,quot; zeide Pesser: „maar 'tis eer

„Uah!quot; zeide Van Espenblad: „met een half vendel stadssoldaten of burgers doet men al dat grauw verstuiven; en zoo niet, men heeft er slechts eenmaal onder te schieten.quot;

„Ja, maar dan moet men eerst soldaten hebben,quot; hernam Pesser: „en wat de burgers betreft, die zijn 't juist, die't oproer maken, 'tls hier niet het kanalje, dat zioh 't oproerigst toont: net zijn de gilden en de hoplui: — dat is, wat De Groot ook maar niet begrijpen wil; maar waar hij toch blijft?quot;

„Hij zal 't parool zijn gaan halen bij den Heer De Witt,quot; zeide Boschveld, meesmuilende.

„Weet gij ook hoe onze Raadpensionaris het maakt vandaag?quot; vroeg Van der Tocht, van Gouda.

„Dezen middag ben ik even aan zijn huis geweest,quot; antwoordde de Amsterdamsche Burgemeester Gillis Valckenier, een van de Gecommitteerde Raden: „de boodschap was, dat de wonden goed stonden.quot;

„De wonden!quot; herhaalde Boschveld, het hoofd ongeloovig schuddende en met een boozen glimlach.

„Gelooft gij er dan niet aan?quot; vroeg Pesser, wrevelig.

„Let wel! hernam Boschveld: „ik ben de man niet, die het zegt';

42

-ocr page 51-

EENVERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND. 43

maar er zijn lieden, die beweren, goed onderricht te zijn, en die vasthouden, dat de Raadpensionaris, gelijk weleer Achilles en Roeland, onkwetsbaar is; niet door eenige tooverij of dompeling in den Styx, maar omdat hij, op het voorbeeld van Olivier Cromwell en Signor Mazarini, een gemalieden borstrok onder 't kleed zou dragen----quot;

„Kwaadaardige uitstrooisels van zijn vijanden,quot; zeide valckenier.

„.... en dat die zoogenaamde wonden,quot; vervolgde Boschveld, zonder acht te geven op de woorden van zijn ambtgenoot, „hem in dit tijdsgewricht zeer goed te stade zouden komen, om zich buiten de zaken te houden en alle verantwoordelijkheid van zich af te schuiven.quot;

„Wel waarom niet?quot; bromde Pesser: „zeg maar liever ronduit, dat de Raadpensionaris zelf den jongen Van de Graef heeft omgekocht om hem te vermoorden.quot;

„Is het waar,quot; vroeg Hop, naderbijkomende, „dat men dien armen knaap ter dood zal brengen?quot;

„Moest men hem dan genade schenken?quot; vroeg Van Espenblad: „een sluipmoord!quot;

„Wie keurt de daad goed?quot; hervatte Hop; „maar de aanslag is Goddank, mislukt: er heeft slechts lichte verwonding plaats gehad: opgewondenheid, door wijn en verkeerde gesprekken teweeggebracht, heeft een nauw volwassen jongeling, van een anders onbesproken

fedrag, tot het feit gebracht: en, ofschoon ik zeer billijk keur, at men hem ter dood veroordeele, zoo geloof ik, dat het goede staatkunde ware, genade voor recht te laten gaan en hem niet ter dood te brengen. Gestrengheid zou thans een slechte uitwerking doen, en waarlijk, de Heer De Witt behoeft het getal zijner vijanden niet te vermeerderen.quot;edrag, tot het feit gebracht: en, ofschoon ik zeer billijk keur, at men hem ter dood veroordeele, zoo geloof ik, dat het goede staatkunde ware, genade voor recht te laten gaan en hem niet ter dood te brengen. Gestrengheid zou thans een slechte uitwerking doen, en waarlijk, de Heer De Witt behoeft het getal zijner vijanden niet te vermeerderen.quot;

„Alleen door kracht te toonen, kan men de menigte tot zwijgen brengen,quot; zeide Van der Tocht.

Hop haalde de schouders op en zeide tegen Valckenier, met wien hij zich verwijderde: — „die lieden spreken van kracht te toonen, terwijl zij op het punt staan, het zwakste en lafhartigste besluit te nemen, en zich aan Frankrijk te onderwerpen.... maar ziedaar eindelijk den lang verwachten De Groot.quot;

Hij, van wien thans gesproken werd, de zoon van den beroemden Hugo, de man, aan wien de harde behandeling, zijn grooten vader hier te lande aangedaan, door De Witt op allerlei wijze vergoed was, die het ambt van Pensionaris, eerst te Amsterdam, daarna te Rotterdam bekleed had, later tot Ambassadeur aan 't Hof van Frankrijk benoemd, en thans door de Staten-Generaal met een bijzondere zending aan Lodewijk XIV was belast geworden, Pieter De Groot trad de Vergaderzaal binnen, vergezeld door den Pensionaris Vivien van Dordrecht en een paar andere Afgevaardigden. De gissing van Boschveld was niet geheel onjuist geweest. Zij kwamen van De Witt, voor wiens ziekbed zij een soort van voorbereidende vergadering gehouden hadden. En inderdaad, de Raadpensionaris had zich gelukgewenscht, dat de wonden, die hij wel degelijk ontvangen had, hem aan zijn kamer boeiden, en dat tot de schijnbare

-ocr page 52-

44 EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

onvermijdelijke vernedering van zijn vaderland voor 't minst niet onder zijn voorzitterschap besloten zou worden.

Dadelijk stroomden de Afgevaardigden in menigte naar De Groot toe, die zich langzaam — want hij was kwalijk ter gang — naar 't midden der kamer begaf: — allen verlangende te hooren, wat er te hopen of te vreezen viel. De Groot was druk aan 't redeneeren, toen hij toevallig de levendige oogen van Van Beunin-gen op zich gevestigd zag. De blik van den jongeren, maar in 't vak meer doorkneden en meer gelukkigen staatsman, bracht De Groot altijd min of meer van zijn stuk. Hij maakte eene stijve buiging, welke Van Beuningen hoifelijk beantwoordde, daarbij voegende:

, Welkom weder hier uit het hol van den Leeuw. Ik hoop, dat gij iets goeds brengt in deze bange tijden.quot;

De Groot had geenszins het vlugge vernuft van Van Beuningen; maar hij was toch ook niet misdeeld van gevatheid en hij antwoordde, met dat accent, hetwelk hn als knaap m den vreemde aangeleerd en zich, ondanks zijn langdfurig verblijf in Holland, nooit geheel had kunnen afwennen:

„Ik durf niet bepaald hetzelfde zeggen, wat gij eens aan de Fransche hofjonkers toevoegdet, toen zij over de duurte hunner krijgsuitrustingen klaagden: Tranquillisez-vous, Messieurs, je porte la paix

Sour vous en poche: maar toch! ik vlei mij, dat de vruchten, ie ik breng, niet geheel onwelkom zullen zijn.quot;our vous en poche: maar toch! ik vlei mij, dat de vruchten, ie ik breng, niet geheel onwelkom zullen zijn.quot;

„Inderdaad!quot; zeide Van Beuningen: „men had mij verhaald, dat TJEd. eigenlijk zonder antwoord terugkwam, en dat vond ik, voor mij, het beste. Nu, wij zullen hooren wat het geeft.quot;

De hamer van den Voorzitter, welken post Vivien, als Pensionaris van Dordrecht, de oudste der stemhebbende Steden, in de afwezigheid van zijn neef De Witt bekleedde, had inmiddels de leden reeds naar hun plaatsen geroepen. Spoedig hadden alle bijzondere gesprekken opgehouden: het appél nominaal had plaats: ket gebed werd gelezen: en de diepe stilte, welke gedurende die lezing bestaan had, bleef nog een geruimen tijd voortduren.

Na de resumtie der notulen, welke niets merkwaardigs opleverde, stelde Vivien voor, dat al wat verder aan de orde wezen mocht, uitgesteld worden en men dadelijk over zou gaan tot de gewichtige vraag van het oogenblik. Dit werd algemeen goedgekeurd, en nu gaf Vivien het woord aan De Groot, om verslag te doen van zijn zending.

Deze, opgerezen zijnde, verhaalde, hoe hij met de Heeren Van Gend en Van Odijk op reis gegaan zijnde, den 20»tcn te Reenen was aangekomen, welke stad zij geheel van inwoners verlaten en in den treurigsten toestand hadden bevonden. Van daar hadden de Afgevaardigden zich begeven naar 't huis te Keppel, waar zij eten en drinken, maar geen bed hadden kunnen bekomen. Hier waren op den 22sfen de Fransche ministers Louvois en Pompone gekomen, die hun gevraagd hadden of zij gevolmachtigd waren, om met Z. M. te handelen. Op hun antwoord dat zij door de Staten-Generaal gezon-

-ocr page 53-

EEN VERGADEBING DEE STATEN VAN HOLLAND. 45

den waren, om te vernemen, wat de Koning begeerde en op welken voet hij met de Staten zou willen overeenkomen, hadden de Pran-sohe Ministers verklaard, niet met hen in onderhandeling te kunnen treden, zoolang zij niet van volmacht waren voorzien: hun voorts te kennen gevende, dat al wat de Koning gewonnen had, het zijne was en vrijgekocht moest worden; dat men hem de oorlogskosten vergoeden, en zijn bondgenooten tevreden stellen moest. Pompone had er bijgevoegd, dat alleen een spoedig besluit de Staten van het uiterste verderf zou vrijwaren. Na dit vernomen te hebben, hadden de Afgevaardigden onderling goedgevonden, dat De Groot.naar Den Haag terug zou keeren, ten einde de vereischte volmachten te verzoeken.

Een dof gemompel deed, zoodra De Groot had uitgesproken, zich aan verscheiden kanten hooren. De meeste leden hadden echter hun besluit reeds vooraf genomen en zwegen stil: terwijl Vivien alle ontijdige discussie afsneed, door dadelijk opnieuw het woord in dezer voege tot De Groot te richten:

„Alvorens wij tot opineeren overgaan, zal ik den Heer De Groot, als best met den stand van zaken bekend, verzoeken, de Vergadering met zijn gevoelen te willen voorlichten.quot;

„Dat gevoelen,quot; zeide De Groot, „kan spoedig geuit worden. Men heeft hier slechts te kiezen, om of den Staat met wapenen te verdedigen, of zich, zoo goed men kan, met den Koning te verdragen. Wat het eerste punt betreft, ik voor mij beschouw allen verderen tegenweer als nutteloos, en alleen dienende om nog meer geld en menschenlevens te verspillen, en nog meer den Koning te verbitteren. Al wat ik op mijn reis vernomen heb, heeft mij de overtuiging verschaft, dat onze toestand hopeloos is. Het krijgsvolk bij de Nieuwerbrugge is gedeeltelijk verloopen, en de overgeblevenen zijn zoo flauwhartig, dat zij den post bij den eersten aanval verlaten zullen. Geene stad is in staat een beleg af te wachten. Binnen een paar dagen zal de Koning met het hoofdleger te Utrecht zijn: en reeds heeft hij zich van de wegen, die naar Amsterdam en Gouda leiden, doen onderrichten.quot;

„Wat zeide ik?quot; fluisterde Boschveld aan Valckenier in 't oor: „de wegwijzers zijn al gevonden.quot;

„Hm!quot; antwoordde zijn ambtgenoot; „den weg te kennen valt licht, maar om hem af te leggen kon nog bezwaar inhebben.quot;

„Een verdrag,quot; vervolgde De Groot, „kon wellicht nog voordeel aanbrengen. Het is de politiek van Frankrijk niet, ons Gemeene-best geheel ten onder te brengen en daardoor de heerschappij over de zee, welke wij thans nog aan Engeland betwisten, in de handen van dien machtigen nabuur te brengen. Ik heb de overtuiging, dat Z. M. ons de regeering laten zal, mits men de door Z. M. genomen steden vrijkoope, en de grensvestingen in zijne handen stelle. Hoe meer men biedt, hoe meer men zal kunnen behouden; maar, welk besluit men neme, het zal met spoed moeten genomen worden. Het rekken der onderhandelingen zal tot niets leiden, dan om aan den Koning gelegenheid te geven, zijn veroveringen voort te zetten:

-ocr page 54-

46 EEN VERGADERING DEK STATEN VAK HOLLAND.

en zoo zal er niets blijven, waarover eenig beding kan vallen.quot;

„Uw E. Gr. M. hebben het praeadvies van den Heer De Groot verstaan,quot; zeide Vivien: „ik zal thans 'aet gevoelen der Vergadering innemen, en vraag al zoo in de eerste plaats dat van de Ridderschap.quot;

De aanwezige Ridderschap bestond te dezer gelegenheid alleen uit de Heeren Van Duivenvoorde en Van Maasdam, beide onbeteeke-nende, angstvallige grijsaards, en anders gewend, van De Witt te vernemen, hoe zij hunne stem moesten uitbrengen. De afwezigheid van den Raadpensionaris zoude hen deze reis machtig in de verlegenheid gebracht hebben, indien zij zeiven een praeadvies hadden moeten uitbrengen. Gelukkig behoefden zij slechts in te stemmen met wat De Groot had gezegd, en, in eene rede, waarvan de eenigste verdienste was, dat zij op dien weiluidenden, hoffelijken toon werd uitgesproken, welke den man van hooge geboorte kenmerkte, gaf Duivenvoorde te verstaan, dat men, naar het gevoelen der Edelen, den Koning, zoo mogeljjk, genoegen moest geven, mits men de unie, den vrijen godsdienst en de regeering behield.

„De regeering!'' herhaalde Hop tegen Van Beuningen: „gij zult zien, dat de Vergadering alles zal opofferen, mits zij slechts op 't kussen blijve.quot;

t „Wel, wij verlangen ook 05 't kussen te blijven,quot; antwoordde Van Beuningen: „maar op die wijze zie ik er geen kans toe: en ik geef weinig om de regeering, als er niets meer te regeeren valt.quot;

„En dat is nogal de Ridderschap, die zoo spreekt,quot; zeide Bosch-veld, het hoofd naar de achter hem zittende Amsterdammers omwendende: „wel zegt het spreekwoord, dat een Renegaat erger is dan een Turk.quot;

Dordrecht, als de oudste Stad, moest thans zijn gevoelen uiten: het opineerde als de Edelen; doch begreep, dat men, staande de onderhandelingen, een wapenschorsing moest bedingen. Haarlem en Delft, die nu volgden, zeiden geen middel tot verdediging te weten, en oordeelden, dat men alzoo zonder toestel last moest géven om vrede te sluiten.

„Ook onze stad is van dat gevoelen,quot; zeide Burgerdijk, van Leiden sprekende: „beter een deel onzer vrijheid te behouden, dan die geheel te verliezen. Ja, wij achten het zelfs noodig, de Gevolmachtigden tot de handeling aan geene voorwaarden te verbinden, maar ter Generaliteit te bewerken, dat hun onbepaalde last gegeven worde.quot;

„Onbepaalde last!quot; riep Hop, wiens beurt het thans was, voor Amsterdam te spreken: „onbepaalde last om alle eischen in te willigen, om alle vernederingen te ondergaan, om ons, met andere woorden, op genade en ongenade over te geven! — En daartoe, tot het verklaren onzer eigen schande en moedeloosheid, begeert men, dat, dus onverwacht, zonder ruggespraak met onze committenten, rauwelijk besloten worde! Dit kan, dit mag niet gebeuren. De Afgevaardigden van Amsterdam zyn niet gemachtigd te stemmen

-ocr page 55-

een vergadering deb staten van holland. 47

over een zaak van zulk gewicht, waar het bestaan der Republiek van afhangt. Zij hebben een vordering en een verzoek op de Vergadering: zij vorderen, dat hier geen besluit genomen worde, aleer zij gelegenheid hebben gehad, aan de Regeering hunner stad verslag te doen, en zij verzoeken, ja zij bidden, dat men indien tussohentijd den moed niet geheel verlieze, het eenige, wat nog den Staat uit zijn benarden toestand redden kan.quot;

Flets en treurig stak bij deze mannelijke taal die van den Pensionaris van Gouda af. Deze Stad zou afwachten, hoe de overige Leden stemden, ten einde, zoo mogelijk, tot eenparigheid van gevoelen te komen.

„Wat ons betreft,quot; zeide Pesser, voor Rotterdam sprekende, „ook wij stemmen in met de Heeren van Amsterdam, dat wij niet gemachtigd zijn op dit stuk te stemmen. Doch nu de nood diingt, de steden onvoorzien zijn en de toegangen aan de Nieuwerbrugge en Goejanverwellen-sluis niet te houden, gelooven wij, behoudens de ratificatie onzer Stadsregeering, te kunnen toestemmen tot het ver-leenen der gevraagde lastgeving.quot;

Gorkum, Schiedam, Schoonhoven en Den Briel verklaarden zich nagenoeg in gelijken zin en stemden met de Edelen. Nu kwam de beurt aan de Steden uit het Noorderkwartier. Alkmaar, welks Afgevaardigden niet vergeten hadden, hoe hunne stad de eerste was, die den Spanjaard afsloeg — en dat buitendien het verste van het oorlogs-tooneel verwijderd was — stemde als Amsterdam: ook Hoorn, waar een wakkere geest heerschte: — Enkhuizen wilde, als Gouda, een nadere rondvraag afwachten, om zich te verklaren. Doch Edam, Monnikendam, Medemblik en Purmerend, waar men, nu de vijand al de aan de Zuiderzee gelegen Geldersche en Overijselsche steden vermeesterd had, voor een aanval van de zeezijde beducht was, stemden met de Edelen.

„E. G. M. Heeren!quot; zeide Vivien, nadat de rondvraag was afge-loopen: „in onze Vergadering mag geen besluit, over wat geringe zaak het loope, dan met eenparigheid genomen worden; hoeveel te meer in een zaak van zulk gewicht als ohs heden bezig houdt. Ik vlei mij, dat. na al het gehoorde, de weinige Leden, die zich nog onthielden te stemmen, van gedachten zullen veranderen.quot;

„Mij dunkt,quot; zeide Duivenvoorde, „dat de meerderheid niet in haar wis verderf behoeft gesleept te worden, omdat enkele Leden een vertoon van kloekheid willen maken. Roekeloosheid is geen moed: en, zoolang men nog iets behouden kan, is het dwaasheid, alles in de waagschaal te stellen. De dissentiëerende Leden dienen zich te voegen bij de meerderheid. De Ridderschap althans wil niet aansprakelijk wezen voor het nadeel, dat door dralen kan veroorzaakt worden.quot;

„Gij hoort het, mijne Heeren van Amsterdam!quot; zeide Vivien: „dat uwe Stad zich bij de meerderheid voege: en gewis zal niemand zich langer tegen het praeadvies verzetten. Nu is er nog middel, om de regeering en het bondgenootschap te behouden, die door tegenstand verloren raken.quot;

-ocr page 56-

48 EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

,'t Is ons onverschillig,quot; zeide Haarlem, „of Amsterdam zich bij 't besluit voegt of niet. Wil het alleen de macht van Frankrijk trotseeren, wij hebben er vrede mee; doch het houde de raadpleging niet nutteloos op, noch belette andere Steden voor zich zeiven te zorgen.quot;

„Neen gewis,quot; zeide de Pensionaris van Delft: „wij zouden anders stemmen, zoo Amsterdam geheel Holland, of geheel Holland binnen Amsterdam besloten ware; doch de vijand is voor de poort. Reeds voor eenige dagen is beraadslaagd of men geen volmacht verleenen zou, en men had zich dus op een rondvraag, als die van heden, kunnen voorbereiden, en zorgen, van behoorlijken last te zijn voorzien. Amsterdam behoort zich bij de meerderheid te voegen, of althans het algemeen gevoelen niet te weerstreven.quot;

„Gij zult ons toch niet willen overstemmen,quot; vroeg van Beunin-gen, „en bij meerderheid een besluit doordrijven, dat slechts met eenparigheid mag genomen worden?quot;

„Niet in gewone gevallen, en waar keus is,quot; zeide Burgerdijk, van Leiden: „maar nood breekt wet. Nog eenmaal heeft men, zonder Amsterdam en Gouda, een besluit genomen, namelijk dat, van de Grafelijkheid aan Prins Willem I op te dragen. Er is geen tijd om ruggespraak te houden: door langer te toeven zijn wij onherstelbaar verloren. Amsterdam moge in staat zijn, zich te verdedigen, het is rijkelijk van volk, van krijgsbehoeften, van geld voorzien; maar welke stad, behalve zij, heeft kruit, manschap of voorraad! Ik vertrouw, dat het geen onzer aan moed ontbreekt; maar wij willen niet te gronde gaan om Amsterdam te believen. Of zal Amsterdam ons tevens met zich zelf beschermen?quot;

„Ja,quot; zeide Van Beuningen: „dat zal het. Wij zeiven, wij. Afgevaardigden van Amsterdam, durven u daarvan de verzekering geven. Wijs ons de gevaarlijkste posten, wij zullen zorgen, dat zij bezet worden. Amsterdam zal Holland niet in den nood verlaten. Wij hebben recht om te vertrouwen, dat de overige Leden ons het ongelijk niet zullen aandoen, van zich afzonderlijk met den vijand te verdragen; veelmin van zich gelijk sommigen 't verlangen, op genade over te geven. Gij wilt geld aanbieden. Maar van waar zult

tij genoeg bekomen, om den schraapzuchtigen Franschman te vol-oen, wanneer Amsterdam zijn medewerking weigert en zijn beurzen sluit? Bij gebrek aan geld, zullen alzoo opofferingen van een erger natuur moeten gedaan worden; maar wanneer gij alles hebt weggegeven om Frankrijk tevreden te stellen, wat zal u dan overblijven, om, op zijne beurt, Engeland aan te bieden?quot;ij genoeg bekomen, om den schraapzuchtigen Franschman te vol-oen, wanneer Amsterdam zijn medewerking weigert en zijn beurzen sluit? Bij gebrek aan geld, zullen alzoo opofferingen van een erger natuur moeten gedaan worden; maar wanneer gij alles hebt weggegeven om Frankrijk tevreden te stellen, wat zal u dan overblijven, om, op zijne beurt, Engeland aan te bieden?quot;

Zoo uitte zich Amsterdam; doch die kloeke taal vond slechts doove ooren, daar de zaak bij de meerderheid reeds te voren beklonken scheen. De eene stad vóór, de andere na, voegde zich bij de Edelen: ja de meesten predikten de leer, dat, in een nood als dezen, elk voor zich moest zorgen. Alkmaar alleen bleef met heftigheid het voorstel bestrijden.

„Men kan,quot; zeide Foreest, „ons niet vergen te stemmen in een zaak van deze natuur. Of beseft gij niet, dat Frankrijk schatten van

-ocr page 57-

EEN VEBÖADEEING DEK STATEN VAN HOLLAND. 49

ons eischen zal? En hoe zult gij die invorderen op een oogenblik, dat de gemeente zonder verdienste is, dat de handel stilstaat en geen landbouw op de verdronken velden mogelijk is? Het oproer staat voor de deur: en dan is 't beter, met de wapenen in de hand een eerlijken dood van den vijand te ontvangen, dan door onze eigen burgers te worden om hals gebracht.quot;

Nadat de tweede omvrage geschied was en sommige Leden nog van beschouwing gewisseld hadden, bij welke gelegenheid Leiden nogmaals op het nemen van een onmiddellijk besluit had aangedrongen, bekwam De Groot wederom het woord om dit laatste advies te ondersteunen.

„Wij moesten,quot; zeide hij, „mild met den Koning handelen: hem, in ruil van wat hij reeds veroverd heeft, Maastricht aanbieden en de steden in de Generaliteitslanden.quot;

?Ook Breda?quot; viel Hop in: „ook Grave? steden, waar zijn Hoogheid Heer over is? Wij kunnen eens ander mans goed toch niet wegschenken.quot;

„Z. H. zal er, om 's Lands welzijn, in toestemmen,quot; hernam De Groot: „voorts, er is geen geld voorhanden, men zal termijnen kunnen bepalen, waarin het gevorderde betaald zal worden, en wij Z. M. in de oorlogskosten te gemoet komen, mits zij de goedheid hebbe, de Unie in haar geheel en den godsdienst vrij te laten.quot;

„De goedheid van den Koning!quot; riep Van Beuningen met bitterheid: „de Heer De Groot heeft hem later leeren kennen dan ik, en bezit misschien bewijzen van die zonderlinge goedheid: wat mij betreft, ik kan alleen oordeel vellen naar 't geen ik rondom mij zie, en dat getuigt weinig van goedheid.quot;

„Waarom hem te tergen?quot; vroeg De Groot: „de Koning is voornemens, den winter hier te lande door te brengen en dan Amsterdam aan te tasten.quot;

„'t Is nog lang eer 't winter is,quot; zeide Hop.

„En dan,quot; vervolgde De Groot, „is het zijn vast besluit, zoo de stad hem weerstaat, er niet den eenen steen op den anderen te laten.quot;

„Eer dat gebeurt,quot; zeide de oude Dr. Tulp, oprijzende, „zal nog menige Franschman voor onze wallen den geest geven. Ik ben een oud man, mijne Heeren!quot; vervolgde de eerwaardige grijsaard, terwijl hij zijn rechterarm uitstak: „maar nog beeft deze hand niet, wanneer zij met het lancet een ader opent of den kanker uit een aangetasten boezem snijdt: en zij zou evenmin beven, als het er op aankwam, een bus op een Franschman af te schieten. Er leven nog mannen genoeg, die don tachtigjarigen strijd hebben medegemaakt en die niet schromen, opnieuw, als 't gevergd wordt, het Vaderland te dienen.quot;

Er was er meer dan een in de Vergadering, die den wakkeren rijsaard, toen hij gesproken had, toejuichten; maar het was slechts e toejuiching, die men den tooneelspeler schenkt, wiens spel ons behaagd heeft, en niemand was er, die zich door het gesprokene bewegen liet om het gegeven voorbeeld te volgen. — leder bleef over en weder bij zijn gevoelen: en al wat zij, die niet met de meer-

.b w. v. i

-ocr page 58-

50 EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

derheid instemden, verkrijgen konden, was dat het nemen van een besluit tot den volgenden avond zou worden uitgesteld, en dat de Leden, die zwarigheid gemaakt hadden om te stemmen, inmiddels een keer naar huis zouden doen om last te halen van hun Committenten.

Heden ten dage zou dit heen- en weertrekken minder tijd hebben genomen, nu Den Haag door een spoorweg met Amsterdam, en verder door goede straat- of macadamswegen met de Noord-Hollandsche steden verbonden is. Maar te dier tijd en nog tot in 't begin van deze eeuw was daar nog zelfs geen straatweg: van Den Haag tot Alkmaar was alles zwaar zand: en de postwagen, het bijna eenige middel van vervoer, besteedde een tiental uren, om den weg tusschen de Hofplaats en de groote stad aan 't Y af te leggen. Het moest dus uit den aard der zaak den Afgevaardigden der Noord-Hollandsche steden reeds moeilijk genoeg vallen, om binnen een zoo korten tijd, als bepaald was, terug te zijn: en dan was het hier om geen bloot heen- en weerreizen te doen: de zitting had, als ik zeide, op Zaterdagachtermiddag plaats gehad: men kwam dus op Zondag te huis: daar moest vroedschap belegd, de Regeeringsleden uit de kerk, sommige zelfs van hun tuinen of buitenverblijven gehaald worden: dat alles nam tijd weg: en dan nog was de zaak te gewichtig om er zoo maar in allerijl en met overhaasting over te beraadslagen. Geen wonder dus, dat de Afgevaardigden van Amsterdam, Hoorn, Edam en Pur-merend — ja zelfs die van het naderbij gelegen Schiedam — eerst Maandag in Den Haag terug waren. Doch ook al waren zij op hun tijd geweest, het had niet gebaat, en niet weinig vonden zij, vooral de Amsterdammers, wier Eegeering besloten had liever op de wallen te sterven, dan een nooit gekende dienstbaarheid aan te nemen, niet weinig, zeg ik, vonden zij zich teleurgesteld, toen zij vernamen, dat de zaak in hun afwezigheid reeds des Zondags haar beslag bekomen had. Vergeefs was een Bezending van de Staten van Zeeland bij die van Holland toegelaten geweest, en had zij niet alleen de bevreemding en het ongenoegen harer Principalen te kennen gegeven over de aan den Koning gedane Bezending, maar zelfs aangedrongen, dat men, door een wakkeren weerstand, den Staat onder Gods zegen uit de tegenwoordige verdrukking moest bevrijden. Men had de Zeeuwsche Heeren beleefdelijk ontvangen, doch zich niet aan hun vertoogen gestoord, en er was, in de afwezigheid der vijf zooeven genoemde Steden, overeenkomstig het voorstel van De Groot besloten en onmiddellijk kennis van dat besluit gegeven aan de Staten-Generaal.

In dit hooge Staatscollege werd de zaak, zoo mogelijk, met nog meer overhaasting en op een nog meer onwettige wijze behandeld en afgedaan, dan in de Staten van Holland. Er kon ook daar, als bekend is, geen besluit genomen worden dan met toestemming der zeven Gewesten, die de Unie uitmaakten. Nu waren Overijsel en Stad-en-Lande afwezig: Holland werd vertegenwoordigd door Duivenvoorde, Burgerdijk en Van der Tocht, die alle drie met kracht aandrongen op het verleenen der volmacht aan De Groot. Friesland stemde er tegen: Zeeland zeide ongelast te zijn: Utrecht verklaarde

-ocr page 59-

EEN VERQADBEINQ DER STATEN VAN HOLLAND. 51

geen stem te kunnen uitbrengen, daar die gansche Provincie in handen des vijands was: Gelderland had dezelfde reden kunnen op-

feven om niet te stemmen: doch het voegde zich bij Holland: en eze Gewesten dreven nu met hun beiden 't besluit door, 'twelk Friesland, dat voorzat, weigerde op te maken, en de Griffier Fagel, toen Duivenvoorde 'tvoor Holland opgemaakt had, weigerde te teekenen. De Groot was alzoo vertrokken, met de belofte, dat hem de volmachten zouden worden nagezonden, en met dit krachtig afscheidswoord van Fagel: „Ga vrij tot den Koning, het zal u lichter vallen uw Vaderland te verkoopen, dan den kooper in't bezit van't gekochte te stellen.quot;even om niet te stemmen: doch het voegde zich bij Holland: en eze Gewesten dreven nu met hun beiden 't besluit door, 'twelk Friesland, dat voorzat, weigerde op te maken, en de Griffier Fagel, toen Duivenvoorde 'tvoor Holland opgemaakt had, weigerde te teekenen. De Groot was alzoo vertrokken, met de belofte, dat hem de volmachten zouden worden nagezonden, en met dit krachtig afscheidswoord van Fagel: „Ga vrij tot den Koning, het zal u lichter vallen uw Vaderland te verkoopen, dan den kooper in't bezit van't gekochte te stellen.quot;

Niet weinig toonde, in de Vergadering der Staten van Holland van Maandag 27 Juni, Amsterdam zijn ongenoegen over den spoed, waarmede de zaak was doorgedreven, en liet protest aanteekenen tegen dat besluit; terwijl de Pensionaris Hop niet schroomde, den Leden in de krachtigste bewoordingen aan te wrijven, dat zij waren ver-koopers van de souvereiniteit en vrijheid, er bijvoegende uit naam zijner medegecommitteerden van Amsterdam, „dat zij zich van de andere Leden niet zouden laten overleveren, noch immer trem-peeren in een negotiatie van dergelijke bassesse: dat zij zich voor de gemeente zouden kunnen justificeeren: maar dat diegenen te vreezen hadden, die buiten nood, en zonder een kanonschot ontvangen te hebben, zoo prodigaal waren in het overgeven van de liberteit hunner subjecten!quot; uitdrukkingen, Fransch in den vorm maar echt Hollandsch, wat de uitgedrukte gevoelens betrof.

Schoon de leer van de faits accomphs toen nog niet gepredikt was, er viel voor 'toogenblik, na het protest, niets anders te doen, dan af te wachten wat nader gebeuren zou. Leiden deed nu den voorslag dat, zoo de handeling, die vanwege de Generaliteit plaats had, zwarigheid ontmoette, Holland, als Gewest, alleen met den Koning zou handelen. Dit voorstel vond ingang: en, hoezeer het streed met de plichten, welke men, overeenkomstig de Unie, jegens de overige provinciën te betrachten had, het had echter deze goede uitwerking, dat het de vreesachtige Steden verhinderde, om, gelijk zij eerst wilden, zich afzonderlijk met Frankrijk te verdragen.

De Groot was intusschen op reis gegaan, had zijn volmachten ontvangen en 10 millioen benevens de Generaliteitslanden den Koning aangeboden. Had Lodewijk dit aanbod aanvaard, de vernedering van den Nederlandschen Staat ware voltooid geweest. Doch hij wilde te veel hebben en bekwam daardoor — niets. Hij liet door Louvois zijn eisch ontvouwen, die op niet minder dan het volgende nederkwam:

1°. Al wat de Staat bezat buiten de zeven Gewesten: 2Igt;. Delfzijl met 20 van de naaste kerspelen: 3°. het Graafschap en de Stad Meurs voor den Bisschop van Keulen; 4°. Grol, Breêvoort, Lichte-voort en Borculo: ö0. al wat tusschen den Rijn, de Lek en de Spaansche Nederlanden gelegen was: 6°. vrijheid van gaan en keeren, zonder onderzocht te worden of eenige rechten te betalen: 7°. intrekking van de plakkaten op den koophandel dezerzijds, zonder dat zulks van de Fransche zijde wederkeerig geschiedde, met andere

-ocr page 60-

52 EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

voor onzen handel bezwarende bepalingen: 8°. verleenen van ettelijke voorrechten aan de Katholieken: 9quot;. vereffening der geschillen met Denemarken: 10°. ongeveer 16 millioen voor de oorlogskosten:. 11°. een jaarlijksch gezantschap om den Koning te bedanken, dat hij het Land aan de Staten voor de tweede reis teruggegeven had, onder aanbieding van een gedenkpenning, waarop de aanleiding tot die dankbetuiging gemeld stond. — Er was echter bij die eischen, hoe hard ook, een bijvoeging, wel geschikt om ingang te vinden bij velen der Hollandsche Regenten, te weten, dat Z. M. handelde met die Gewesten, welke hem 't gevorderde geld betalen zouden, en dat hij aan deze de overwonnen Gewesten en de regeering daarover zou overlaten.

Met deze voorwaarden keerde De Groot naar Den Haag en deed er op 1 Juli verslag bij de Staten van Holland. Gij zoudt wellicht meenen, na hetgeen ik u van den geest dier Vergadering gezegd heb, dat men zich nu haastte, de voorwaarden, hoe onredelijk ook, aan te nemen, of er althans dadelijk over te handelen; te meer, daar De Groot aan Louvois beloofd had, binnen vijf dagen bij hem terug te zijn: doch verre van dien: dezelfde Vergadering, die zes dagen te voren nauwelijks wilde toelaten, dat de Amsterdamsche Gedeputeerden naar huis gingen om last te halen, maakte er zich thans een bezwaar van om te stemmen, zonder bevorens de meening harer Principalen verstaan te hebben: en stelde tot zoolang do beraadslaging uit.

Wat was de reden van die handelwijze ? — In tijden van krijg en burgertwist geldt één dag meer dan drie maanden in vredestijd: en er was in dien vierdehalven dag dat De Groot afwezig was geweest, al vrij wat voorgevallen. Wel was nog steeds schrik en bezorgdheid op het gelaat der meeste Leden te lezen: maar het was thans rnin ler de nadering der Fransche legerscharen, welke die teweegbracht; een andere, meer nabij gelegen oorzaak had er aanleiding toe gegeven.

De voorspoed der Fransche wapenen, dien de burgerij aan verraad van Regenten zoowel als van Bevelhebbers toeschreef, de zending van De Groot, wien men wantrouwde, het kleinmoedig besluit, door de Staten genomen, het doodvonnis, op 29 Juni voltrokken aan Van de Graef, wien velen als een martelaar aanmerkten, en de alge-meene wrevel tegen de Staatsgezinde partij, hadden bijna gelijktijdig in al de steden van Holland de burgerij tegen de Overheden m 't geweer gebracht. Te Dordrecht, te Rotterdam, te Delft, te Gouda, te Leiden, te Haarlem, ja schier overal, waren de Gilden en Schutterijen op de been en in de wapenen gekomen, en hadden zij luide van de Regeering de vernietiging geëischt van dat Eeuwig Edict, waarbij vijf jaar te voren verklaard was, dat het Stadhouder- en Kapitein-Generaalschap voor altijd van elkander zouden gescheiden blijven: — en hadden bij die vernietiging de verheffing van Willem Hl tot de waardigheid zijner voorvaderen gevorderd. In Amsterdam alleen was, al hadden er eenige oploopen van weinig beteekenia plaats gehad, de rust niet verstoord geworden.

-ocr page 61-

BEN VEEGADEEINQ DEB STATEN YAN HOLLAND. 53

De Afgevaardigden der Staten-vergadering bevondsn zich nu in een moeieliike stelling. De Regeeringen, welker lasthebbers zij waren, hadden aan 't volk moeten beloven, de verheffing van den Prins tot Stadhouder bij de Staten te bevorderen, doch de Afgevaardigden zeiven hadden den eed gedaan op 't Eeuwig Edict, en

teen hunner wist alzoo, hoe met een voorstel voor den dag te omen, 't welk eigenlijk een eedbreuk behelsde. Immers men had toen, zooals thans, geen Grondwet met een artikel er in, 't welk de middelen aan de hand doet, hoe men veranderingen in de Staatswet kan voorslaan. Intusschen moest er iets gedaan worden, en nu was de Pensionaris van Leiden, Burgerdijk, in de avondzitting van 30 Juni, schoorvoetende met de vraag voor den dag gekomen, of men aan eenige Leden geen vrijheid behoorde te geven, om iets voor te slaan, daar zij begrepen, dat 's Lands welvaart aan hing, al ware 't ook, dat het voorslaan daarvan streed met eenige edictale wetten of vastgestelde besluiten. — Ieder wist, waar de vraag op zag: en ieder antwoordde: ja; doch, ofschoon het verlof gegeven was, niemand was er, die den moed gevoelde, om er gebruik van te maken. Met dat al, zoozeer hield de zaak de gemoederen bezig, dat, toen De Groot den volgenden dag verslag deed van zijn zending, men, gelijk ik zeide, de beslissing der levensvraag, welke hij stelde, terugschoof tot een meer gelegen tijdstip. Maar een dag later, of liever in den nacht van 2 en 3 Juli, kwam Pesser, van Rotterdam, op de zaak terug, en zeide, dat hij vanwege zijne Stad iets had voor te dragen, waar 's Lands welzijn aan hing, en 't welk nochtans de eer, het geweten en de uitdrukkelijke Staatsbesluiten verboden voor te dragen, ten ware hiertoe bijzonder verlof gegeven werd. Sommige Leden merkten hierop aan, dat men geen raadsels spreken en zich duidelijk verklaren moest; doch Leiden zeide rondweg, dat men zeer wel begrijpen kon, waar Rotterdam op doelde, namelijk op de vernietiging van 't Edict. Nu was het hooge woord er uit; men veinsde niet langer, en na eenig beraad werd eenparig tot die vernietiging besloten: waarna Amsterdam voorsloeg, den Prins tot Stadhouder aan te stellen. Leiden maakte nog zwarigheid, hiertoe te besluiten, zonder voorkennis der overige Provinciën; doch de Amsterdamsche Burgemeester Andries De Graefi' merkte aan, dat verder uitstel slechts dienen zou om 't volk nog meer te verbitteren, en dat de zaak niet ten halve gedaan moest worden: waarop dus den 3dcn Juli, 's morgens te 4 uren, Willem III tot Stadhouder, Kapitein- en Admiraal-Generaal van Holland werd verklaard, waarvan hem de tijding door elf Afgevaardigden in het leger te Bode-grave gebracht werd.een hunner wist alzoo, hoe met een voorstel voor den dag te omen, 't welk eigenlijk een eedbreuk behelsde. Immers men had toen, zooals thans, geen Grondwet met een artikel er in, 't welk de middelen aan de hand doet, hoe men veranderingen in de Staatswet kan voorslaan. Intusschen moest er iets gedaan worden, en nu was de Pensionaris van Leiden, Burgerdijk, in de avondzitting van 30 Juni, schoorvoetende met de vraag voor den dag gekomen, of men aan eenige Leden geen vrijheid behoorde te geven, om iets voor te slaan, daar zij begrepen, dat 's Lands welvaart aan hing, al ware 't ook, dat het voorslaan daarvan streed met eenige edictale wetten of vastgestelde besluiten. — Ieder wist, waar de vraag op zag: en ieder antwoordde: ja; doch, ofschoon het verlof gegeven was, niemand was er, die den moed gevoelde, om er gebruik van te maken. Met dat al, zoozeer hield de zaak de gemoederen bezig, dat, toen De Groot den volgenden dag verslag deed van zijn zending, men, gelijk ik zeide, de beslissing der levensvraag, welke hij stelde, terugschoof tot een meer gelegen tijdstip. Maar een dag later, of liever in den nacht van 2 en 3 Juli, kwam Pesser, van Rotterdam, op de zaak terug, en zeide, dat hij vanwege zijne Stad iets had voor te dragen, waar 's Lands welzijn aan hing, en 't welk nochtans de eer, het geweten en de uitdrukkelijke Staatsbesluiten verboden voor te dragen, ten ware hiertoe bijzonder verlof gegeven werd. Sommige Leden merkten hierop aan, dat men geen raadsels spreken en zich duidelijk verklaren moest; doch Leiden zeide rondweg, dat men zeer wel begrijpen kon, waar Rotterdam op doelde, namelijk op de vernietiging van 't Edict. Nu was het hooge woord er uit; men veinsde niet langer, en na eenig beraad werd eenparig tot die vernietiging besloten: waarna Amsterdam voorsloeg, den Prins tot Stadhouder aan te stellen. Leiden maakte nog zwarigheid, hiertoe te besluiten, zonder voorkennis der overige Provinciën; doch de Amsterdamsche Burgemeester Andries De Graefi' merkte aan, dat verder uitstel slechts dienen zou om 't volk nog meer te verbitteren, en dat de zaak niet ten halve gedaan moest worden: waarop dus den 3dcn Juli, 's morgens te 4 uren, Willem III tot Stadhouder, Kapitein- en Admiraal-Generaal van Holland werd verklaard, waarvan hem de tijding door elf Afgevaardigden in het leger te Bode-grave gebracht werd.

Ten gevolge van dit tusschenbedrijf was het eerst op Maandag 4 Juli, dat de voorwaarden, door De Groot medegebracht, ter vergadering van Holland zouden in overweging worden genomen. De staat van zaken was nu wel veranderd, voor zooveel het binnen-landsch bestuur betrof; doch daarom nog niet de inzichten der Leden. Velen hunner begrepen, dat thans, door de aanstelling des Prinsen, genoeg gedaan was om het volk tevreden te stellen: dat

-ocr page 62-

54 EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

men vooreerst geen oproer meer te vreezen had: en dat, nu die zorg voorbij was, men weer met bedaardheid overleggen kon, hoe men den Franschen Koning genoegen zou geven.

Wij verplaatsen ons opnieuw in de vergaderzaal. Nog zijn al de Leden niet bij elkander; maar wederom een aantal om Burgerdijk bijeen, die met een bedenkelijk gelaat te kennen geeft, dat Leiden althans de voorstellen, door Lodewijk gedaan, hoe hard ook, niet geheel onaannemelijk acht.

„Niet onaannemelijk!quot; herhaalt Hop, met verontwaardiging: „en wat zou er dan, zoo wij die voorstellen aannamen, aan onze vernedering ontbreken? Welke laagheid ware grooter, dan aldus te zwichten, zonder eene poging tot afweer te hebben beproefd?quot;

„Ik weet niet,quot; antwoordde Burgerdijk geraakt, „dat Leiden de beschuldiging van laagheid ooit verdiend heeft.quot;

„Ten tijde van 't beleg althans niet,quot; zeide Boschveld: „sed tempora mutantur.quot;

„Leiden is nog hetzelfde als voor 100 jaren,quot; hernam Burgerdijk; „maar wat zal een afbreken der onderhandeling baten, dan dat onze

feheele ondergang er door verhaast wordt? — Wat eens door deeheele ondergang er door verhaast wordt? — Wat eens door de

ranschen genomen is, zal toch niet te herwinnen zijn.quot;

„Alsof dit de eerste reize ware, dat de krijgskans keerde,quot; zeide Hop: „Oostenrijk en Brandenburg wapenen zich tot onzen bijstand: en Monterey zit in de Spaansche Nederlanden ook niet stil.quot;

„Een troostrijk uitzicht,quot; zeide Van Espenblad, „dat Oostenrijk en Brandenburg ons wreken zullen als wij overheerd zijn.quot;

„Wij behoeven ons niet te laten overheeren,quot; hernam Hop: „zoo wij slechts onze vesten met moed en trouw verdedigen en de legers van Lodewijk een tijdlang ophouden, kan de hulp der Bondge-nooten niet achterblijven.quot;

„Bovendien,quot; zeide Boschveld: „indien de Staten nu lafhartig zwichten, dan was het ook de moeite niet waardig geweest, den Prins tot Stadhouder aan te stellen.quot;

„Maar ik zie niet in,quot; zeide Van Espenblad, „welke verandering die aanstelling in onzen toestand gebracht heeft. Wij hebben er, ja, het dom gepeupel mee gepaaid, dat nu „Oranje bovenquot; roept, met vlaggetjes loopt en zich in de drinkhuizen bezuipt; maar hebben wij er een penning meer door in kas gekregen, om matrozen of soldaten, kruit en krijgsbehoeften te betalen? of zijn de steden er beter door verdedigd, de posten beter beschermd?quot;

„Niets in onzen toestand veranderd, zegt gij?quot; vroeg Hop met verbazing: „onze stoffelijke hulpmiddelen mogen voor 't oogenblik niet verbeterd zijn; maar des te meer onze zedelijke kracnt. Die verheffing des Prinsen heeft eenheid en vertrouwen gebracht, waar verdeeldheid en wantrouwen bestonden.quot;

„Eenheid en vertrouwen? 'k Mag het lijden,quot; hernam Van Espenblad: „maar ik twijfel, of die alleen genoegzaam zullen zijn om de Pransche wapenen te keeren.quot;

„Niet overal zegevieren die wapenen,quot; hernam Hop: „zie slechts wat voor acht dagen gebeurd is. Nauw had drie dagen de Oranje-

-ocr page 63-

ÊËI} VBUOADEUISG DEE STAtEN VAN HOLLAND. 55

vlag te Veere gewaaid, en op hetzelfde oogenblik, dat hier beraadslaagd werd, tot welken prijs men het Vaderland verkoopen zou, weerstond en versloeg te Aardenburg een hoopje van 450 burgers en een twintigtal soldaten een overmacht van 9000 Pransohen. Schande genoeg voor ons. Regenten, dus door onze onderdanen beschaamd gemaakt te worden.quot;

„Zeer mogelijk,quot; zeide Van der Tocht, van Gouda: „maar onze burgers hebben nooit het geweer gevoerd en begeeren niet de gruwelen van Naarden en Haarlem uit den Spaanschen tijd hernieuwd te zien. Gouda ligt voor den eersten aanval bloot, en de Goejanver-wellensluis noch de Nieuwerbrugge zijn te verdedigen.quot;

„Het verheugt mij, u de verzekering te kunnen geven van het tegendeel,quot; zeide Van Beuningen, die op dat oogenblik, met een vrij wat meer opgeruimd gezicht dan negen dagen vroeger, in den kring trad; „hier is een brief van uw eigen stad- en ambtgenoot Van Beverningk, uit 's Prinsen hoofdkwartier geschreven, en waarin hij mij bericht, dat de Prins en de Graaf van Hoorne zeer wel kans zien, beide posten te bewaren, mits zij slechts van volk worden voorzien.quot;

„Juist, daar zit de kneep,quot; zeide Van Espenblad: „waar halen wij volk vandaan?quot;

„Heb daar geen zorg voor,quot; zeide Hop: „Amsterdam heeft nog wakkere zonen genoeg.quot;

„En Hoorn zal niet achterblijven,quot; voegde de Pensionaris dier stad er bij: „wij zijn gemachtigd, burgers en boeren aan te bieden tot versterking der posten: en zullen desnoods met vrouwen en kinderen onze havens gesloten houden.quot;

„Twijfelt gij aan de gezindheid onzer burgers?quot; voegde een dikke Afgevaardigde van Purmerend er bij: „zij zouden liever hun eigen Regenten doodslaan, dan dat men hun belette uit te trekken om de Pranschen te kloppen.quot;

„Dat alles klinkt fraai,quot; zeide Van Espenblad, een snuifje nemende, hoewel deze reis uit een porseleinen doos: „maar laat ons spreken als lieden van bedaarden zin en niet als Don Qnichotten. Wij moeten toch eindigen met te zwichten, en zijn op den duur met al ons grootspreken niet tegen Frankrijk en Engeland bestand.quot;

„En dus wilt gij beiden tevreden stellen?quot; vroeg Van Beuningen: „dan zal er zeker niet veel overschieten.quot;

„En daarom raad ik, dat wij ons met Frankrijk verdragen,quot; vervolgde Van Espenblad: „gelooft mij, Lodewijk XIV is grootmoediger dan Karei: en sluiten wij vrede mét hem, dan hebben wij Engeland niet te vreezen.quot;

„Wat mij betreft,quot; zeide Boschveld: „ik verdroeg mij liever met Engeland dan met Frankrijk.quot;

„Ten minste zijn de vorderingen van Engeland minder bezwarend,quot; zeide Van Beuningen.

„Minder bezwarend!quot; riep Van Espenblad.

„Wel ja!quot; hernam Van Beuningen: „wat begeert het? opdracht van 't Stadhouderschap aan den Prins. — Dit is geschied.quot;

„Erkentenis van zijn heerschappij over de zee,quot; zeide Van Espenblad.

-ocr page 64-

58 ÈElf VEÈGADERING t)EÈ STATEN VAN HOLLAND.

„Die kunnen wij erkennen, en daarom evengoed varen,quot; hernam Van Beuningen.

„Overal strijken van de vlag.quot;

„Waarom zouden wij ons scnamen, beleefder te zijn dan zij?quot;

„5,000,000 pond Sterling voor de vrije visscherij.quot;

„Wij zullen, hun ten spijt, overal visschen, zoolang De Ruyter ill zee blijft,quot; zeide Van Beuningen.

„Vlissingen, Den Briel en Sluis tot pand.quot;

„Dat is altijd nog minder dan de Generaliteitslanden. — Maar, tusschen twee haakjes, mijne Heeren! hebt gij gehoord, dat een klerk van d'Estrades, die zich nog hier ophield, hedenmiddag achteraf is gebracht? Men zegt, dat hij brieven bij zich had, waarbij luiden van aanzien sterk gecompromitteerd zijn?quot;

„Inderdaad?quot; vroeg Van der Tocht: „en noemt men niemand?quot;

„Ja, dezen en genen: maar, om ons gesprek te hervatten, mijn Heer Van Espenblad.... ja, waar is de man nu?quot;

„Ik weet niet, maar het schijnt of uw mededeeling hem minder welkom was; althans hij is plotseling verdwenen,quot; zeide Hop.

„Nu! dan is mijn doel gelukt,quot; zeide Van Beuningen, lachende, „want die gansohe vertelling was slechts een verdichtsel, om hem van hiér te krijgen. Ik praat gaarne vrijuit, maar niet voor hen, die alles terstond aan den vijand overbrengen. — Voor u, mijne Heeren! heb ik geen geheimen. Ik weet niet, of het u bekend is, dat de Hertog van Buckingham en de Graaf van Arlington hier zijn?quot;

„Inderdaad!quot; riep Burgerdijk: „maar dan wordt onze toestand nog hachelijker: — tenzij gij kans ziet om Engeland en Frankrijk beide tevreden te stellen.quot;

„Wij moeten noch den een noch den ander zijn zin geven,quot; zeide Van Beuningen. „Ik behoef u, mijn waarde Burgerdijk! niet te vragen, of gij Fedrus gelezen hebt?quot;

„Welnu?quot;

„Gij kent zijn fabel van de dieven, die om een ezel vochten?quot;

„En gij meent----quot;

„Ik meen, dat, hoe buitensporiger de eischen zijn, hoe minder kans er is dat zij zullen ingewilligd worden. Dat monsterlijke bond-enootschap van Engeland en Frankrijk kan niet lang meer stand ouden. Ik kom zooeven van de Engelsche Afgevaardigden, en reeds is het mij gebleken, dat Mylord van Buckingham misnoegd is op Lodewijk, die buiten Engeland om wil sluiten: en Lodewijk zal evenmin gedoogen, dat Engeland hier te lande eene enkele stad bekome. Laten de Engelsche Gevolmachtigden naar Zeist tot den Koning gaan: en ik sta u borg, dat zij reeds den eersten dag met hem twisten. De Hertog heeft mij zelf verklaard, de vorderingen van Frankrijk onaannemelijk te achten; ja zelfs was hij van meening, dat de Heer De Groot meer aangeboden had, dan de nood vereischte.quot;

„Maar,quot; zeide De Groot, die, kort te voren genaderd, een wijl ongemerkt had staan toeluisteren: „welke boodschap begrijpt gij dan, dat ik aan den Koning van Frankrijk zou moeten overbrengen?quot;

-ocr page 65-

EEN VBBaADERIHO DEE STATEff VAN HOLLAND. 57

„Gij moet geheel geen boodschap overbrengen, mijn waarde Heer!quot; antwoordde Van Beuningen, met een glimlach van medelijden: „ik beklaag u, maar gij zult onpasselijk worden, de jicht krijgen, een erfenis gaan halen, u door de Rotterdamsche Burgers in bewaring laten nemen, of elke andere uitvlucht kiezen, die u goeddunkt. — Ik zie geen ander middel om u de onaangenaamheid te besparen van een slecht figuur te maken bij Louvois en Pompone.quot;

En gelijk hij gezegd had, zoo gebeurde het ook. In de vergadering van dien dag besloot men, het gevoelen des Prinsen in te winnen op het antwoord, aan Frankrijk te geven: en toen deze, als te denken was, de eischen des Konings voor onaannemeliik verklaarde, keurden de Staten, op voorstel van Van Beuningen, goed, de handeling met Frankrijk over te laten aan den Prins en aan de Engelsche öevol-machtigden: De Groot werd eershalve verzocht, weder naar den Koning te keeren; doch 't was te voren afgesproken dat hij zich verontschuldigen zou: en hij bleef thuis.

Wat verder geschiedde is ieder bekend. De kans om verder door te dringen scheen voor de Franschen voorbij. Veerkracht had bij de onzen moedeloosheid, eendracht tweespalt en wantrouwen vervangen. Holland werd door overstrooming gedekt: de arbeid tot verdediging der steden werd begonnen of met verdubbelden ijver voltooid, Amsterdam in geduehten staat van tegenweer gesteld, een onwinbare reu-zenburg in 't midden van de wateren: — en geene vijf maanden waren verloopen, of de krijg was door den moedigen Oranje op vijandelijken bodem overgebracht.

Hier besluiten wij ons overzicht: maar het betaamt ons, de toepassing, welke men hier en daar wellicht heeft zien doorschemeren, nog met een enkel woord aan 't licht te stellen.

Wanneer wij het gebeurde nagaan, dan moeten_ wij ongetwijfeld erkennen, dat aan de Amsterdamsche Regenten de eer toekomt, van den Staat te hebben behouden; doch zij hadden meer bereikt dan dit eene doel; zij hadden ook hun invloed en hun overwicht gered, die gevaar liepen en welke de andere Regenten verwerkt hadden.

Ik wil, met dit te zeggen, niets aan hun vaderlandsliefde te kort doen, ofschoon men ook die uitdrukking niet moet opnemen in den zin, dien wij er thans aan hechten; want in die dagen, toen niet slechts elke Provincie, maar iedere Stad een Souvereiniteit op zich zelve was, was die liefde voor het Vaderland noodwendig tot engeren kring beperkt dan heden, nu men zich vry onverschillig van de eene stad naar de andere verplaatst. Wat hiervan zij, zij beminden het land, de stad, van hun geboorte af en zochten daarvan, op een schoone, op een edele wijze, de eer en het welzijn te handhaven. Doch tevens moesten zij den wensch blijven voeden, dat de politieke partij, welke zij voorstonden, niet geheel ten gronde ging. En dit was niet slechts verschoonbaar, maar ook natuurlijk. Ieder staatsman, ook hij, die zijn vaderland op de meest belangelooze wijze liefheeft, verbindt noodzakelijk het welzijn van dat vaderland aan het zegevieren der be-

-ocr page 66-

58 EEN VERGADERING DER STATEN VAN HOLLAND.

ginselen, welke hij voorstaat; en die hij zelfs niet kan verzaken zonder op te houden een eerlijk man te zijn ; doch daarentegen begaat die staatsman een misslag, die, tegen .den drang der omstandigheden aan, zijn politiek wil doen zegevieren. En Oldenbarneveldt én De Witt hier te lande, èn Jacobus II in Engeland èn Karei X in Frankrijk zijn gevallen, omdat zij hun stelsel wilden doorzetten op het oogen-blik, dat zij de macht misten om den tegenstand te fnuiken: en het is juist in een op zijn tijd toegeven aan den wensch der meerderheid, of liever in het voorkomen van dien wensch, dat de groote kunst des staatsmans gelegen is.

Van Beuningen nu, wien ik gerust meen te kunnen beschouwen als den Vertegenwoordiger der Amsterdamsche Vroedschap van dat tijdvak, behoorde, volgens zijn politieke denkwijze, tot de zoodanigen, die zich vroeger als de ijverigste aanhangers van de Anti-Stadhouderlijke partij en van het bondgenootschap met Frankrijk hadden getoond. Doch, hoezeer langen tijd ééne lijn volgende met De Witt, thans had hij, beter dan deze voor 't overige zoo schrandere staatsman, ingezien, wat voor 't oogenblik het ware belang van den Staat, ja, dat hunner eigen partij, vorderde. Het was hem klaar geworden, dat de opdracht van het Stadhouderschap aan den Prins, tegen welke hij vroeger geijverd had, thans door den volkswil aan de Regenten stond te worden opgedrongen, dat onderhandeling met Frankrijk alleen geschikt was oproer te verwekken, en dat oproer wellicht een omwenteling ten gevolge kon hebben, welke aan het gezag der Stedelijke Aristocratie den genadeslag zou toebrengen. Hij begreep daarom, dat het belang der Regenten medebracht, intijds het vastgehouden stelsel te laten varen, en schijnbaar een deel van hun macht af te staan, om die bij geschikter omstandigheden te herwinnen, en in allen gevalle vrijwillig en uit eigen beweging te doen, wat anders met geweld zou gevorderd worden. Hij scheidde daarom, met de Amsterdamsche Regeering, zich af van de partij van De Witt, die nog weifelde, en de uitkomst bekroonde zijne wijze staatkunde. Amsterdam erkende dankbaar, dat zijn Regenten den wensch der Burgerij waren vooruitgeloopen, en bleef rustig, terwijl elders too-neelen van wanorde en moedwil plaats vonden.

Holland werd gered; en terwijl, twee maanden na het hier verhaalde, overal elders de Staatsgezinde Regenten van hun posten verlaten werden, zag Van Beuningen zich door den Prins, die niet vergeten had, hoe hij de man was geweest, die de opdracht van het Stadhouderschap had voorgesteld, zag Van Beuningen, zeg ik, zich in het Burgemeesterschap bevestigd.

Maar, al had men nu een Stadhouder, de Amsterdamsche Regent was toch der zaak, welke hij voorstond, in 'thart getrouw gebleven; en krachtiger dan immer stak, toen de vrees voor vijand en volksbewegingen geweken was, zijne partij het hoofd weder op. De moordlust der Haagsche burgers had, toen zij zich in het bloed der De Witten koelde, slechts nutteloos onze geschiedenis met een onteerende bladzijde bezoedeld. Zij hadden personen, geen partij gedood.

-ocr page 67-

DE TWEE ADMIRALEN.

Het was voorheen een algemeen gebruik, zedelijke of wetenschappelijke, maar vooral politieke beschouwingen of vertoogen op te helderen met voorbeelden of aanhalingen uit de geschiedenis. Zoodanig voorbeeld of aanhaling zette dubbele kracht bij aan hetgeen men beweerde: en niemand was vermetel genoeg om het gezag daarvan in twijfel te trekken. In de laatste tijden echter is men veelal tot andere gedachten gekomen. Ik heb velen, en daaronder schrijvers van naam, hooren beweren, dat althans, waar het staatkunde geldt, voorbeelden niet als bewijzen mogen gebezigd worden, dat, bij veranderde toestanden, ook andere behoeften ontstaan zijn, waardoor hetgeen vroeger nuttig, ja noodig heeft kunnen zijn, heden ten dage nadeelig, ja gevaarlijk zoude wezen, dat, in één woord, op het gezag der geschiedenis, ais leermeesteres der volkeren, vrij wat moest worden afgedongen.

Moge ook deze meening niet geheel van grond zijn ontbloot, ik voor mij geloof, dat zij meest en gretigst wordt omhelsd door de zoodanigen, die nooit de geschiedenis opzettelijk beoefend hebben, en het daarom wel zoo gemakkelijk vinden, haar gezag eenvoudig als uitgediend te verwerpen, als hare lessen te bestudeeren en er partij van te trekken. Bij die weinigen intusschen, die werkelijk met de geschiedenis bekend zijn, bestaat doorgaans een andere reden, waarom zij zich minder ingenomen toonen met haar onderwijs, immers zoo vaak dit in strijd is met de beginselen, die zij verdedigen. Het valt hun toch veel lichter, de geldigheid van dat onderwijs te loochenen, dan hun dwaling te erkennen. Wat mij betreft, hoe meer ik mij met geschiedenis bezig hield, hoe meer ik tot de overtuiging geraakte, dat, onder alle tijden en vormen, de menschen niet alleen dezelfde zijn gebleven, maar dat ook steeds gelijke oorzaken tot gelijke gevolgen hebben geleid: dat staatkunde en zedelijkheid nooit straffeloos zijn vanééngescheiden, en dat de eeuwige beginselen van waarheid, eerlijkheid en godsdienst onder

-ocr page 68-

60 t)E TWEE ADMIRALEN.

alle omstandigheden de eenige zijn geweest, wier invloed, op den duur, rust, voorspoed en kracnt aan een natie kon schenken.

De afschuwelijkste pest in een huisgezin is de tweedracht onder de leden, die het samenstellen. Niemand, die zulks ontkent. Van gelijke toepassing — althans men was het hier vroeger daaromtrent eens — is dit gezegde tot den Staat. Vandaar de spreuk'der vaderen: „eendracht maakt macht.quot; En toch, wij hebben ook onze landge-nooten van vroegeren of lateren tijd te vaak zien handelen als bestond die spreuk niet. Intusschen, men zoude voorheen zich geschaamd hebben, de waarheid, die zij bevat, tegen te spreken, en men vergenoegde zich, met er niet altoos naar te handelen. In onze dagen is men verder gegaan. Eendracht is een woord, dat Europa uit zijn woordenboeken schijnt te hebben verbannen. En dit is niet genoeg. Het wordt openbaar, door mannen van gewicht, verkondigd: niet slechts is opstand tegen het gevestigde gezag, in sommige gevallen — waarvan de bepaling doorgaans afhangt van de willekeur der onvergenoegden — heilige plicht; maar er behooren partijen, twist, scheuring te zijn: en alle verbroedering, verzoening, samensmelting, wordt met den naam van heillooze en doemwaardige transactie bestempeld. Om de heerlijke gevolgen van die fraaie leer te zien, behoeven wij alleen een blik te slaan op den toestand, waarin zich de meeste Staten van Europa bevinden.

Wat mij betreft, ik ben nog ouderwetsch genoeg, om de spreuk, waarmede 't onzen vaderen, zoo vaak zij die betrachtten, is welgegaan, een gulden spreuk te noemen, die niet slechts in 't burgerlijke, maar ook in 't politieke leven van gezegende toepassing is: en het lust mij, uit den ruimen voorraad, dien de verhalen van vorige eeuwen opleveren, u een voorbeeld te herinneren en aanschouwelijk voor oogen te stellen, dat, naar mijn inzien, mijn gevoelen bevestigt.

Het jaar, uit welks geschiedenis ik mijn voorbeeld ontleen, is wederom dat merkwaardige jaar 1672, van 't welk geen dag omging, die niet stof opleverde tot belangrijke beschouwingen.

Het was in de laatste week van September. Nog altijd hielden de Fransche en Munstersche troepen het grootste deel der Vereenigde Gewesten bezet; doch de schrik, die, bij hun komst, den ingezetenen was om 't hart geslagen, was geweken sedert de aanstelling van Willem III tot Stadhouder en Kapitein-Generaal: de radeloosheid had voor moed en volharding plaats gemaakt: en men bereidde zich, om den tot nog toe gevoerden verdedigingskrijg in een aanvallenden te veranderen. De vloot, die in dat jaar zoo waardiglijk de eer des vaderlands gehandhaafd had, toen ciit op het punt was van te zinken, die in het voorjaar bij Solebaai aan de vereenigde Britsche en Fransche eskaders manmoedig het hoofd had geboden en onverwonnen uit den slag was teruggekeerd, die, den geheelen zomer door, 's lands kusten tegen overlast beveiligd had, was dooide Staten teruggeroepen, en De Ruyter, haar aanvoerder, na te Helle voetsluis zijn boord verlaten te hebben, had zich naar Rotterdam

-ocr page 69-

DE TWEE ADMIRALEN, 61

begeven, waar hem zijn echtgenoot en hun ongehuwde dochter, de twintigjarige Margareta, op 't gerucht zijner terugkomst, waren te gemoet gereisd.

Hoe teeder ook de ontmoeting ware, niet opgeruimd, zooals anders, stond het gelaat des eerbiedwaardigen grijsaards, toen hij de zijnen aan 't hart drukte. Zijn voorhoofd was bewolkt, zijn oogen strak en droefgeestig en zijne hand, die nimmer beefde, wanneer zij den commandostaf omklemde, sidderde thans in die zijner huisvrouw. En inderdaad, er waren, sedert zij elkander 't laatst gezien hadden, gebeurtenissen voorgevallen, ontzettend genoeg, om de zwaarmoedigheid te billijken, die hem overvallen had. Wel was de toestand der Republiek, hoe zorgwekkend ook, niet meer zoo hachelijk als drie maanden te voren; maar toch, de hand des Heeren was zwaar over 't land geweest, en bij al de rampen des oorlogs hadden zich de schrikbarende gevolgen van oneenigheid en burgertwist doen gevoelen. Te 's-Gravenhage waren de beide mannen, waarvan de een door zijn invloed De Kuyter tot de hooge betrekking had doen klimmen, die hij zoo waardiglijk vervulde, en de andere op twee scheepstochten, ja nog in den laatsten zeeslag, het oppergebied aan zijne zijde gevoerd had, Jan en Kornelis De Witt, op de schendigste wijze vermoord geworden. Te Amsterdam had een baldadig grauw het huis des vromen Admiraals met plundering bedreigd, en was alleen gestuit geworden door de kloeke beradenheid zijner vrouw en de wakkere houding van haar buurman Wouter Smit. Deze gebeurtenissen, het verwijderen uit hunne betrekking van velen, die de Admiraal onder zijne vrienden en begunstigers telde, hadden een diepen indruk bij hem achtergelaten, en het een en ander, hem wedervaren sedert hg voet aan land had gezet, had bijgedragen om zijn gemoed met treurige gedachten te vullen.

De drukten, van een aankomst in 't vaderland onafscheidelijk, en de bezoeken, die De Ruyter in zijne betrekking te brengen en te ontvangen had, hadden hem tot nog toe verhinderd, zijn hart uit te storten gelijk hij gewenscht had te doen. 't Was eerst laat in den avond, toen hij met zijn beide geliefden alleen gelaten, en de avond-disch was opgebracht, dat de vragen, door zijn vrouw gedaan, hem daartoe de gelegenheid verschaften.

„En denkt gij nu. Vader!quot; vroeg zij, „dat de vloot niet weer zal uitloopen van 't jaar?quot;

„Dat zal zich wel van zelf verbieden. Moeder!quot; antwoordde De Ruyter: „'t zal veel zijn, zoo wij er de zeegaten mee kunnen dekken. Erquot; is geen schip, of 't heeft van de laatste stormen geleden: en de meeste zijn in zoo deerlijken staat, dat er maanden zullen verloopen, eer zij weder gereed zijn.quot;

„Welk een geluk!quot; zeide Margareta: „dau hebben wij kans, vaderlief langen tijd bij ons te houden.quot;

„Dat hebje. Grietje!quot; zeide De Ruyter met een zucht: „en dat wel langer dan gij denkt misschien.quot;

„Wat meent gij. Vader?quot; vroeg mevrouw De Ruyter. (Ik geef haar den titel van mevrouw, omdat haar die toekwam, sedert haar

-ocr page 70-

62 DB TWEE ADMIRALEN.

man de ridderlijke waardigheid bekleedde; ofschoon zij zich nooit anders dan juffrouw liet noemen).

„Ik weet het niet,quot; antwoordde hij: „maar 't zou mij sterk verwonderen, indien deze niet mijn laatste zeetocht ware geweest.quot;

„Uw laatste zeetocht!quot; herhaalde zijn vrouw: „Vader! dan moet gij u niet wel gevoelen; want zóó hebt gij nooit gesproken: wat anders dan een gevoel van zwakheid en lijden zou u verhinderen kunnen, uwe betrekking waar te nemen? Ei zeg, wat schort er aan?quot;

„Naar 't lichaam niets,quot; antwoordde De Ruyter: „maar de ziel is krank. Wat in mijn afwezigheid hier te lande gebeurd is, heeft mij diep getroffen.quot;

„Maar Vader!quot; hernam mevrouw De Ruyter: „gij hebt altijd met de kalme onderwerping, die den christen voegt, uw lijden getorst. En zouden nu gebeurtenissen, die geen keer nemen, in staat zijn, u te beletten, wanneer de Heeren Staten u weder oproepen om uw dienst aan 't vaderland te bieden, aan die oproeping gehoor te geven?quot;

„Ik zal niet in gebreke blijven,quot; antwoordde De Ruyter: „maarzij zullen mij niet oproepen.quot;

„U niet' oproepen. Vader!quot; riep Grietje verbaasd uit: „en wat kan u zoo iets doen denken?quot;

„Mij dunkt, de zaak is nogal duidelijk,quot; zeide De Ruyter: „het land heeft een nieuw bestuur bekomen en andere Regenten hebben andere inzichten.quot;

„Zoudt gij denken, dat de staatkunde, die nu gevolgd wordt, eenigen invloed zou kunnen uitoefenen op de meening der Staten omtrent u?quot; vroeg mevrouw De Ruyter.

„Letten wij,quot; hernam hij, „op de teekenen der tijden. De heer Joan De Witt, zonder wiens wil of toelating hier vroeger niets geschiedde, die hier alles bestierde, heeft zich niet alleen gedrongen gezien, zijn ambt neder te leggen, maar is zelfs gevallen als een martelaar van den Staat: diezelfde burgers, die hem te voren toejuichten, hebben hem thans omgebracht op een wijze, hoedanige men van kannibalen en van geen ingezetenen van een beschaafd land verwachten zou. Aan zijn broeder, die zich zoo verdienstelijk had gemaakt bij den Linde, is een gelijk lot te beurt gevallen. Hun aanhangers en vrienden worden uit elke bediening verwijderd: mijn huis te Amsterdam is met plundering bedreigd. Hoe kan ik nog van dienst zijn aan mijn land, wanneer ik het vertrouwen mijner medeburgers verloren heb, ja zelfs aan hun haat en wraakzucht ten doel sta?quot;

„Nu stelt gij de zaak in een te donker licht, Vader!quot; voegde hem zijn huisvrouw toe: „die oploop te Amsterdam bestond uit gemeen volk, dat door booze luiden was opgeruid. AJle welden-kenden ten onzent kozen uw party, en, geloof mij, ik heb nooit meer bewijzen van deelneming ondervonden dan juist te dier gelegenheid.quot;

„Dat hebt ge mij geschreven,quot; zeide De Ruyter: „en toch! steun daar niet veel op. Diezelfde lieden zullen de gepleegde ongeregeldheden afkeuren, en er toch in berusten, dat ik bedankt en als een

-ocr page 71-

DB TWEE ADMtRALEN.

uitgediende weggezonden worde: ja zij zullen het zeer natuurlijk vinden.quot;

„Maar Vader!quot; vroeg mevrouw De Ruyter: „hebt gij eenigen grond om te gelooven, dat men u zoo ondankbaar zou behandelen?quot;

,Och Moeder! aan bewijzen ontbreekt het niet. Of hebt gij 'tniet opgemerkt, hoe mijn ontvangst bij de vorige verschilde? Voorheen, als ik aan wal kwam, stroomde het volk mij te gemoet; de menigte wuifde met de hoeden en riep hoezee; en de aanzienlijken kwamen mij gelukwenschen. En nu — niet dan stroeve en stuursohe blikken heb ik om mij gezien. Mannen, die vroeger om mijn gunst kwamen bedelen, zijn weggebleven, als hadde ik de pest medegebracht. — En wat heb ik nog wel moeten hooren van hen, die door hun ambt in de verplichting waren, mij te gemoet te komen? — Gij zult het nauwelijks gelooven?quot;

„Wel?quot;

„De een verhaalde mij, met een soort van triomf, en als dacht hij mij recht veel genoegen te doen mot zijn mededeeling, hoe de ,factie,quot; zoo noemde hij 't, die ons zoo lang had onderdrukt, tot zwijgen was gebracht. Een tweede, die mij gelukwenschte met mijn terugkomst, voegde er bij, op een honigzoeten toon, vol geveinsde deelneming, dat ik nu waarschijnlijk wel rust zoude nemen. Een derde — zie, dat maakte mij 't bloed aan 't koken — vroeg mij, met een medelijdend schouderophalen, waar mijn verstand en voorzichtigheid geweest waren, toen ik, uit de vloot, een brief ter verschooning van den Ruwaard van Putten had geschreven?quot;

„la 't mogelijk? dat dorst men u kwalijk nemen? En welk antwoord gaaft gij?quot;

„Ik gaf hem tot bescheid, dat het wel ellendig gesteld moest wezen in 't vaderland, indien men de waarheid niet meer spreken mocht: nochtans dat ik 't zou blijven doen, zoolang mij de oogen openstonden. — Goede hemel! is 't nog niet genoeg, dat men vrome mannen pijnigt en vermoordt, en zal 'tniet eenmaal vergund zijn, voor hen in de bres te springen?quot;

„Maar geloof toch niet. Vader!quot; sprak mevrouw De Ruyter, „dat de man, die u zulk een dwaas verwijt deed, de tolk was van 't algemeen gevoelen. Neen, ook onder de Prinsgezinden wordt die gruwelijke moord verfoeid door al wie braaf denkt: en geen hunner, of hij zal 't in u prijzen, dat gij de waarheid voorstondt.quot;

„Men zal 't in mij prijzen, ja,quot; zeide De Ruyter: „maar men zal toch wel de bovendrijvende meening moeten huldigen en mij ontslaan. Daarbij, denkt gij, dat de Prins niet liever aan 't hoofd der vloot een man zal zien. die zich altijd als een warm voorstander van zijn Huis heeft doen kennen? Ofschoon, God weet het, ik ben nooit zijn tegenstander geweest: ik heb mij nooit met staatkunde ingelaten, maar ten allen tijde aan de bestaande machten onderdanig geweest, en de bevelen gevolgd, mij door mijn overheid gegeven.quot;

„Maar lieve Vader!quot; zeide Margareta: „de Prins is u niet ongenegen. Heeft hij niet, toen men ons huis bedreigd had, en eer gij

63

-ocr page 72-

64 DE TWEE ADMIRAIEN.

uw verzoek tot hem gericht hadt, u een sauvegarde verleend en u onder zijn bijzondere bescherming genomen?quot;

„Dat heeft Zijn Hoogheid gedaan,quot; zeide De Ruyter, „en ik ben er dankbaar voor. En desniettemin, de Prins zal aan den drang van degenen, die hem omringen, gehoor moeten geven, en mij ontslaan.quot;

„Waarlijk! gij stelt u 't ergste voor,quot; zeide zijn echtgenoote: „de Prins heeft vergeten en vergeven. Heeft hij niet zijn onbepaald vertrouwen geschonken aan de Heeren Van Beuningen, Van Beverningh en zoovele anderen, die vroeger zijn felste tegenstanders waren ?quot;

„Omdat hii hun ondervinding en bekwaamheid niet kan missen,quot; zeide De Ruyter.

„En hij zou u kunnen missen. Vader!quot; riep Margareta uit: „u!quot;

„Och kindlief!quot; zeide De Ruyter met ongeveinsde nederigheid: „denkt gij, dat ik zoo ijdel ben, van mij onmisbaar te wanen? Zijn er niet anderen, evengoed in staat, het vaderland op de vloot te dienen als ik?quot;

„Onmogelijk!quot; zeide Grietje: „niet een, die uwe plaats kan beklee-den: noch Van Nes, noch Banckers, noch De Liefde, noch Evertsen.... om van de mindere officieren niet te spreken.quot;

„Grietje! Grietje!quot; zeide De Ruyter, den vinger bestraffend opheffende: „wie heeft u geleerd, de verdiensten van bekwame officieren te schatten? Voorwaar!quot; voegde hij er ernstig bij, „het zoude er erg uitzien met ons vaderland, indien het lot van onze zeemacht van één man moest afhangen, en God beware mij voor de laatdunkende gedachte, dat ik die man zou zijn. Doch bovendien, gij hebt onder hen, die ter mijner vervanging in aanmerking zouden kunnen komen, er één vergeten — en die zal juist gekozen worden.quot;

„Eén vergeten!quot; herhaalde Grietje: „maar ik weet niemand bij het geheele lichaam der zeeofficieren, buiten hen, die ik noemde', die slechts van verre aanspraak zou kunnen maken op de betrekking, door u bekleed.quot;

„Omdat gij slechts op de vloot zoekt,quot; zeide De Ruyter: „hij, die mij vervangen zal, is niet op de vloot: hij heeft die sedert zes jaar verlaten: en zijn naam is Kornelis Tromp.quot;

Margareta zweeg en sloeg hare oogen neder. Ook haar moeder zweeg: want beiden wisten, dat De Ruyter ongaarne over Tromp sprak: zijn echtgenoote gaf dus een wending aan 't gesprek, dat weldra evenals de avondmaaltijd zelf, ten einde liep.

Maar waarom sprak De Ruyter ongaarne over Tromp? 't Is omdat die naam hem een oogenblik herinnerde, waarin hij — de eenige reis in zijn leven — onbillijk was geweest. Elk ander ware, onder gelijke omstandigheden, hét misschien evenzoo geweest als hij; maar toch, hij herdacht dat oogenblik nooit zonder leedwezen en zelfverootmoediging. Het geval, door mij bedoeld, had zes jaren vroeger plaats gehad en zich op de navolgende wijze toegedragen.

Het was gedurende den tweeden Engelschen oorlog, die begonnen was met dien noodlottigen zeeslag, waarbij Wassenaar om 't leven

-ocr page 73-

DE TWEE ADMIEALEN. 65

kwam, en onze vloot, ten gevolge van de onbedrevenheid of den onwil van yelen onder de zeeofficieren, een jammerlijke neerlaag leed, ja, alléén door het beleid van Kornelis Tromp, van een geheele vernieling werd gered. Doch die schande was hersteld geworden. Onze vloot, weder door Joan De Witt en Tromp in staat gesteld om zee te kiezen, en nu door De Rnyter aangevoerd, had, nabij de Hoofden, dien befaamden vierdaagschen zeeslag gestreden, die onze helden mét onsterfelijke eer overlaadde en dien Vondel in twee gedichten bezong. Thans zoude men voor de derde maal den vijand te keer gaan. Onze vloot, ruim 100 schepen sterk, was in drie eskaders verdeeld; het eerste werd aangevoerd door den zes-en-zestigjarigen Joan Evertsen, den Luitenant-Admiraal van Zeeland, die te voren, toen zijn trouw miskend was geworden, en hij zelfs aan vervolging had blootgestaan, zich aan den dienst onttrokken had, maar die, na het sneuvelen van zijn broeder in den jongaten zeeslag, niet geaarzeld had, opnieuw zijn krachten aan 't vaderland te wijden, en zijn leven ten offer te brengen, gelijk zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broederen reeds gedaan hadden. Nevens hem gebood Tjerk Hiddesz, de onversaagde Admiraal van Friesland, wien de Franschen, onder den naar hunne gewoonte verbasterden naam van Kiërkides, herdenken. — Het tweede eskader stond onder de bevelen van De Ruyter, als Vlootvoogd, die zijn vriend, den Luitenant-Admiraal Aert Van Nes, ter zijde had. Over de achterhoede gebood Tromp, en nevens hem de Luitenant-Admiraal van 't Noorderkwartier Meppel. Weinig sterker dan de Staatsche was de Engelsche vloot, mede in drie eskaders verdeeld, en aangevoerd door de beroemde Zeevoogden Monk. Thomas Allen en Jeremias Smith.

Het was op don 4den Augustus, omstreeks elf uren voor den middag, dat de beide vloten elkander, tusschen Duinkerken en Noord-voorland ontmoetten. Het gevecht werd begonnen door het Zeeuw-sche en Friesche smaldeel, dat de voorhoede aantastte. Er was bijna geen wind, en deze nog in het voordeel der Engelschen, zoodat De Ruyter belet werd, met den middeltocht op te komen; terwijl de vijand zijn macht geheel gebruiken kon. Wel kweet onze voorhoede zich in den aanvang dapper; doch eerlang werd zij door een samenloop van noodlottige omstandigheden in wanorde gebracht. Aan de beide Admiralen Evertsen en Tjerk Hiddesz nam een kogel het been en 't leven weg. De Friesche Vice-Admiraal Koenders stierf insgelijks aan ettelijke wonden: het schip van den Vice-Admiraal Banc-kers zonk; hij zelf bracht er ternauwernood het leven af. Was het wonder, dat op de schepen, verstoken van aanvoerders, en bij gemis van de noodige bevelen, schrik, verwarring, hier en daar zelfs twist en muiterij ontstond, ja, dat zij aan 't wijken sloegen en zich verstrooiden? Dit vluchten gaf aan Allen, die do Engelsche voorhoede gebood, ruim baan, en, met de zijnen vooruitgezeild, voegde hij zich nu bij den middeltocht. Reeds drie uren lang had hier De Ruyter tegen Monk gestreden. Zes Britsche schepen hadden de Zeven Provinciën, De Ruyters admiraalsschip, met onverpoosd geweld bestookt en al hun krachten gelijktijdig daartegen ver-

r. w. v. 5

-ocr page 74-

66 DB TWEE ADMIRALEN.

spild; maar De Ruyter week niet zoo licht voor overmacht, en zijn schip, vast als een rots in zee liggende, trotseerde de kogels der vijanden, beantwoordde hun geschut met een vuur, dat niet verflauwde, schoot bij dezen stengen en want naar beneden, bij genen zeilen en tuigage in den brand, trof een derde in de kiel, dat zij onder water liep, havende een vierde zoo geweldig, dat hij het gevecht niet kon doorzetten, en noodzaakte eindelijk al zijn bespnn-

fers tot afhouden. Dan nu, terwijl hij bezig was zijn schade te erstellen en zich tot een nieuwen kamp gereed te maken, liet hem de langzaam optrekkende rook het noodlottige schouwspel bespeuren, hoe de schepen van de voorhoede zich aan alle zijden op de vlucht spoedden, terwijl Allen zegevierende op hem afkwam. Ook Monk had dit ontwaard, en hij vertoefde niet, met het hoofdeskader een aanval te hervatten, waarbij hem thans dat van Allen ondersteunde. Nu was de verdubbelde macht der Britten te sterk om gekeerd te worden: nog een korten tijd bleven enkelen der onzen met onverflauwden moed het gevecht gaande houden; maar de meesten gaven 't op en begonnen te wijken; terwijl de weinigen, die zich nog weerden, aan te geduchter woede werden blootgesteld. Hachelijker dan ooit was tnana de toestand van De Ruyter. Zijn voorhoede bestond niet meer: vele zijner eigene schepen waren reddeloos geschoten, anderen 't gevaar ontgaan, de macht der vijanden verdubbeld, en van 't smaldeel van Tromp, van wien hij hulp verwachtte, nergens iets te bespeuren. En toch, in weerwil van dat alles, hield hij het gevecht tot den avond uit. Toen, overtuigd dat hij te zwak was om langer met zoo weinige medestrijders het hoofd te bieden aan des vijands overmacht, begon hij de wijkende schepen met klein zeil te volgen, nog altijd hopende, dat Tromp hem, onder begunstiging van den nacht, te hulp zou komen. Doch toen de morgen aanbrak, vond hij zich jammerlijk teleurgesteld: nergens ontdekte hij schijn of schaduw van het eskader van Tromp, en waarheen zijn oogen zich wendden, loefwaart, lijwaart, van achteren, overal was hij bezet van Britsche schepen, die hem weldra van alle zijden beschoten. In dezen nood ontbood hij Van Nes bij zich aan boord. „Wat zullen wij doen?quot; vroeg hij, toen zijn vriend en ambtgenoot bij hem in de hut kwam: „wij zijn slechts met zeven of acht schepen tegen de menigte.quot; Van Nes oordeelde, dat men zich al wijkende moest verweren. Ook De Ruyter zag hier de noodzakelijkheid van in, doch zulks tot nog toe ongewoon zijnde, borst hij in bitteren weemoed uit, zeggende: „wat komt mij over? ik wou, dat ik dood was.quot; „Ik ook,quot; zeide Van Nes: „maar men sterft niet wanneer men wil.quot; Hiermede nam Van Nes zijn afscheid; doch nauwelijks waren de beide Admiralen uit de hut, of een kogel gonsde er binnen en schoot de plaats weg, waar zij gezeten hadden, als moest hij tot herinnering strekken, hoe de goddelijke Voorzienigheid voor hun leven waakte, en hoe weinig réden zij hadden om te wanhopen. Zij beloofden elkander onder 't scheiden, dat waar de een was, de ander ook blijven zou. En inderdaad. Van Nes, naar zijn boord gekeerd, deed het uiterste om De Ruyter ter zijde teers tot afhouden. Dan nu, terwijl hij bezig was zijn schade te erstellen en zich tot een nieuwen kamp gereed te maken, liet hem de langzaam optrekkende rook het noodlottige schouwspel bespeuren, hoe de schepen van de voorhoede zich aan alle zijden op de vlucht spoedden, terwijl Allen zegevierende op hem afkwam. Ook Monk had dit ontwaard, en hij vertoefde niet, met het hoofdeskader een aanval te hervatten, waarbij hem thans dat van Allen ondersteunde. Nu was de verdubbelde macht der Britten te sterk om gekeerd te worden: nog een korten tijd bleven enkelen der onzen met onverflauwden moed het gevecht gaande houden; maar de meesten gaven 't op en begonnen te wijken; terwijl de weinigen, die zich nog weerden, aan te geduchter woede werden blootgesteld. Hachelijker dan ooit was tnana de toestand van De Ruyter. Zijn voorhoede bestond niet meer: vele zijner eigene schepen waren reddeloos geschoten, anderen 't gevaar ontgaan, de macht der vijanden verdubbeld, en van 't smaldeel van Tromp, van wien hij hulp verwachtte, nergens iets te bespeuren. En toch, in weerwil van dat alles, hield hij het gevecht tot den avond uit. Toen, overtuigd dat hij te zwak was om langer met zoo weinige medestrijders het hoofd te bieden aan des vijands overmacht, begon hij de wijkende schepen met klein zeil te volgen, nog altijd hopende, dat Tromp hem, onder begunstiging van den nacht, te hulp zou komen. Doch toen de morgen aanbrak, vond hij zich jammerlijk teleurgesteld: nergens ontdekte hij schijn of schaduw van het eskader van Tromp, en waarheen zijn oogen zich wendden, loefwaart, lijwaart, van achteren, overal was hij bezet van Britsche schepen, die hem weldra van alle zijden beschoten. In dezen nood ontbood hij Van Nes bij zich aan boord. „Wat zullen wij doen?quot; vroeg hij, toen zijn vriend en ambtgenoot bij hem in de hut kwam: „wij zijn slechts met zeven of acht schepen tegen de menigte.quot; Van Nes oordeelde, dat men zich al wijkende moest verweren. Ook De Ruyter zag hier de noodzakelijkheid van in, doch zulks tot nog toe ongewoon zijnde, borst hij in bitteren weemoed uit, zeggende: „wat komt mij over? ik wou, dat ik dood was.quot; „Ik ook,quot; zeide Van Nes: „maar men sterft niet wanneer men wil.quot; Hiermede nam Van Nes zijn afscheid; doch nauwelijks waren de beide Admiralen uit de hut, of een kogel gonsde er binnen en schoot de plaats weg, waar zij gezeten hadden, als moest hij tot herinnering strekken, hoe de goddelijke Voorzienigheid voor hun leven waakte, en hoe weinig réden zij hadden om te wanhopen. Zij beloofden elkander onder 't scheiden, dat waar de een was, de ander ook blijven zou. En inderdaad. Van Nes, naar zijn boord gekeerd, deed het uiterste om De Ruyter ter zijde te

-ocr page 75-

DE TWEE ADMIRALEN.

blijven en de vijanden op een afstand te houden. Zoo weken zij al vechtende, hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtende, en kregen te negen uren in den morgen Westkapelle in 't gezicht. Monk, van zijne zijde vurig hakende naar de eer om den beroemden zeeheld te vangen, bleef hem gedurig volgen en liet niets onbeproefd om hem te naderen. Eerst zond hij een brander op hem af, die echter door het beleid van De Ruyter werd afgeweerd: toen gelukte het hem, met zijn Admiraalsschip en eenige andere oorlogsvaartuigen de Zeven Provinciën op zijde te komen. Zoo fel beschoten zij het schip van De Ruyter, dat deze een oogenblik ten eenen-male moedeloos werd. — „Hoe ben ik zoo ongelukkig!quot; riep hij: „is er dan onder die duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?quot; — Doch toen zijn schoonzoon De Witte hem hierop voorstelde, dat zij op den vijand aanzeilen en zich dood zouden vechten, kwam de held tot zijn bezinning en zeide: „gij weet niet wat gij zegt. Als ik dat deed, ware alles verloren, maar als ik mij zelf en deze schepen er behouden af kan brengen, kan men 't werk weer hervatten.quot; — En inderdaad, weldra werd hij van de vijanden ontslagen, die, bij 't naderen der Zeeuwsche kust, zich, om de zandbanken niet verder wagen dorsten en weder zee kozen.

Doch, waar was intusschen Tromp gebleven? En wat was de reden van zijn onverklaarbaar gedrag? Was hij gevlucht? Had hij het gevecht vermeden, gelijk De Ruyter dacht, al kon hij 't nauw beseffen? Tromp vluchten! Tromp het gevecht vermijden! Weet gij, lezer! hoe Tromp gewoon was, zich in een zeeslag te gedragen? Waar de macht des vijands het dichtst was opeengepakt, waar de grootste en zwaarst bemande schepen lagen, daar wendde hij den steven heen, verstrooide rechts en links al wat hem den weg belemmerde, en zocht dan het meest geduchte der vijandelijke schepen uit, om 't even of het meer geschut en bemanning had dan net zijne, en klemde er zich aan vast, als de bloedhond aan den stier, als de horzel aan het paard, en gaf hem de laag van boven en van onderen: en dan kwam schip bij schip hem omsingelen en zijn snlfervlammen op hem losbraken; maar hij schoot rechts en schoot links, dat masten en rondhout aan spaanders vlogen en schip bij schip reddeloos afhield, of opvloog, of zonk: dan deden zich nieuwe bespringers op, en ook zijn schip, reeds van kogels in den boeg, in de lenden doornageld, van want en tuig beroofd, met verbrijzelde masten, hier in brand, ginds lek geschoten, begon te trillen en te steunen als een zieltogende leeuw; maar op het oogenblik, dat de vijanden dan de Admiraalsvlag van Tromp zagen neerhalën en zich gereedmaakten om bij hem over te springen, en hem dood of zoo dadelijk in hun macht waanden, ziet dan rees op eenmaal diezelfde Admiraalsvlag van Tromp op een ander schip, en dan zag men hem daar even kalm en vast zijn bevelen geven; en dan kwam . hij weder met hetzelfde onwederstaanbaar geweld aangieren, en dan vocht hij dien strijd nogmaals over, tot hij weder niets dan wrakken om zich heen had, en weder zijn eigen schip niets dan een wrak was, en tot hij weder een derde schip, en na het derde een

67

-ocr page 76-

68 BE TWEE ADMIRALEN.

vierde, altijd op dezelfde wijze in het gevecht bracht: totdat eindelijk de vijanden vroegen of er vijf, 2.es Trompen op onze vloot warén, en de radelooze schrik onder hen sloeg, en zij afhielden, en niet terugkeerden, en hun aftocht niet vertraagden, zoolang zij meenden dat Tromp hen op de hielen zat.

En de man, die op zulk een wijze gewoon was te strijden, zou gevlucht zijn?quot; — Maar zoo hier aan geen vrees te denken viel, hadden wellicht andere redenen hem genoopt, geen deel te nemen aan den slag?quot; — Ziedaar wat men verspreidde, ziedaar de laster, die, eerst fluisterend in de ooren geblazen, later luider en luider herhaald, weldra bij velen geloofd, en zich meer en meer uitbreidende, ten leste als waarheid werd aangenomen.

Er leefde, voor ruim 60 jaren, waarde lezer! een man, die een schoolboek schreef: van dat schoolboek zijn tallooze uitgaven elkander opgevolgd. Uit dat schoolboek heb ik, hebt gij wellicht de eerste notiën aangaande de geschiedenis van ons vaderland opgedaan. In dat schoolboek is niet eene enkele bladzijde te vinden, waarop niet, of een verkeerde voorstelling der feiten, of een scheeve beoordeeling van personen, öf een onwaarheid voorkomt. In dat schoolboek wordt ook gesproken van den zeeslag, op 4 Aug. 1666 gestreden, en wat lezen wij er nu aangaande het gedrag, door Tromp te dier gelegenheid gehouden? Slechts deze woorden: „Tromp hield zich buiten het gevecht,quot;

Zien wij nu eens, wat daarvan geweest zij:

Toen de voorhoede onder Evertsen met de Engelschen aan den slag raakte, was Tromp even verre van den middeltocht verwijderd, als deze van de voorhoede; terwijl de windstilte hem verhinderde in 't opkomen. In dezen stand van zaken zag hij de Britsche achterhoede onder Jeremias Smith op hem af komen; en terstond wendde hij alle pogingen aan, om van elk zuchtje partij te trekken en een ontmoeting met den vijand te verhaasten. Een brander, door Smith op hem afgezonden, werd door den Schout-bij-Nacht Van der Zaan in den grond geschoten; de Luitenant-Admiraal Meppel en de Vice-Admiraal Zweers gaven blijken van uitstekende dapperheid. Met den Engelschen Vice Admiraal aan den slag gekomen, noodzaakten zij hem, nadat hij tot driemaal toe zijn bodem van versch scheepsvolk had voorzien, zich door de vlucht te redden. Maar ook Tromj) bleef niet achter en toonde de oude onversaagdheid, die hem bij den vijand zoo gevreesd maakte. Slechts door twee Kapiteins, De Haen en Van Amstel, bijgestaan, stortte hij zich midden in 't En-gelsche eskader, schoot een schip in den brand, en deed de anderen voor zijn vuur verstuiven. Nog was de avond niet gevallen, of de schrik was alom den Britten om 't hart geslagen, en Smiths geheele eskader op de vlucht gejaagd, niettegenstaande het nog 31 schepen sterk was, terwijl de macht, waarmede Tromp het achtervolgde, uit slechts 23 schepen bestond. Immers het schip van Meppel was zoo doornageld, dat het nauwelijks zee kon houden en telkens scheen te zullen zinken: hij had Tromp niet kunnen volgen; maar met 8 andere zwaar beschadigde schepen moeten achterblijven.

-ocr page 77-

DE TWEE ADMIRALEN. 69

Tromp bleef dus den vluchtenden vijand najagen. Onbewust van den dood van Evertsen en Tjerk Hiddesz en van de daarop gevolgde neerlaag onzer voorhoede, kon hij niet vermoeden, dat De Ruyter in een zoo ongelijken strijd gewikkeld was, en moest integendeel verwachten, ook deze zegevierend te zullen ontmoeten. Te eerder kon hij deze hoop voeden, omdat eenige schepen van den Engel-schen middeltocht zich bij het eskader van Smith bevonden. Volgens zijne berekening had De Ruyter alzoo een kleinere macht te bestrijden dan de zijne. Daar het hem, Tromp, gelukt was, het grootere eskader van Smith met een kleinere macht te overwinnen, was zijn meening niet onnatuurlijk, dat De Ruyter, zonder veel moeite, op een zwakkeren vijand zou hebben gezegevierd.

Hoe 't zij, den geheelen nacht door vervolgde Tromp het vijandelijke smaldeel; doch zonder zijn vijand tot staan te krijgen, zoo hevig was de vrees, die hij hem inboezemde. Eerst met het aanbreken van den dag, het vruchtelooze zijner poging inziende, oordeelde hij het raadzaam, zich weder met Meppel te vereenigen, en De Ruyter op te zoeken. Zoodra echter zagen niet de Engelschen hem den terugtocht aannemen, of zij staakten hun vlucht en begonnen, op hun beurt, van vervolgden vervolgers te worden: echter altijd daarbij een eerbiedigen afstand bewarende.

Dit duurde zoo den geheelen dag. Intusschen, van het eskader van De Ruyter, dat toen reeds in onze zeegaten was binnengevallen, werd Tromp niets gewaar; maar tegen het vallen van den avond ontdekte hij het overige gedeelte der Engelsche vloot, dat nu, van 't vervolgen van De Ruyter terugkeerende, alle moeite deed om onze achterhoede te onderscheppen. De opgestoken wind en invallende duisternis verhinderden echter de volvoering van dit opzet: Tromp zeilde onbelemmerd door en kwam den volgenden dag te Vlisstngen ter reede. Hij zelf, Zweers, Van der Zaan, al de officieren van zijn eskader, hadden zich uitstekend gekweten, en geloofden dan ook louter eerbewijzingen en loftuitingen te zullen ontvangen; doch weldra bemerkten zij, dat deze hun hoop deerlijk zon worden teleurgesteld.

Reeds dadelijk toen Tromp bij De Ruiter aan boord kwam, gaf deze hem met harde woorden zijn afkeuring te kennen over het door hem gehouden gedrag, en beklaagde zich, dat hij, in stede van bij de vloot te verblijven, deze verlaten had om afzonderlijk te strijden. Ja zelfs de bedaardheid, die hem anders kenmerkte, voor een wijl verliezende, voer hij, in tegenwoordigheid van het scheepsvolk. in hevige bewoordingen uit tegen Zweers en Van der Zaan, die in allen gevalle niets anders hadden gedaan dan de vlag van hun Admiraal te volgen. Tromp was de man niet, om zich een verwijt, vooral een onbillijk verwijt, te laten aanleunen. Hij antwoordde, dat, indien hij niet de 35 schepen der Engelsche achterhoede had afgesneden, net met De Ruyter nog erger zou zijn gesteld geweest, en dat ongetwijfeld een volkomen overwinning door de onzen ware behaald geworden, indien de voor- en middeltocht zich even kloek als de achterhoede hadden gekweten.

-ocr page 78-

70 DE TWEE ADMIRALEN.

üitdmkkingen als deze, die een ingewikkeld verwijt tegen De Euyter bevatteden, waren niet geschikt om de ontevredenheid van dezen te verminderen, en hij beklaagde zich bij de Staten over het door Tromp gehouden gedrag. Niet dat hij 't dezen misgunde, gelukkiger in den slag te zijn geweest dan hij. Geen afgunst kon in de ziel van De Ruyter plaats vinden. Maar hij was en bleef in het noodlottige denkbeeld, dat de bevelen, die hij als Opperbevelhebber gegeven had, waren verzuimd geworden, en dat Tromp hem moedwillig aan 't gevaar ten prooi had gelaten. En hetgeen vroeger gebeurd was gaf stof tot dit vermoeden. Toen, bij den dood van Was-senaer, onze vloot geslagen was, kon er, om des overledenen plaats te vervangen en de zeemacht weder op een behoorlijken voet te brengen, niemand in aanmerking komen dan De Ruyter of Tromp. De Euyter was toen aan de kust van Guinea, en de keus moest ■alzoo op Tromp vallen. Aan zijn moed zoo wel als aan zijn geschiktheid voor de hem op te dragen taak viel niet te twijfelen. Hij was van kindsbeen af in 's Lands dienst geweest, en, evenals voorheen zijn vader, de afgod van 't scheepsvolk. Doch hij was bekend als Prinsgeeind, en dat was bij de toenmalige Regenten een slechte aanbeveling. Intusschen het behoud der vloot in den laatsten zeeslag had men grootendeels aan hem te danken, men kon hem niet wel voorbijgaan, en men schroomde de zaak des Vaderlands opnieuw in de waagschaal te stellen, door wederom, gelijk men vroeger gedaan had, een Admiraal te kiezen uit de landofficieren. Men zag dan in Tromp zijn Prinsgezindheid over 't hoofd, en gaf hem het opperbevel; doch onder zoodanige bepalingen, dat het slechts in naam bij hem berustte, en inderdaad bij de drie Gemachtigden der Algemeens Staten, of liever bij één van die drie, namelijk bij Jan De Witt. Tromp bevlijtigde zich, aan het in hem gestelde vertrouwen te beantwoorden. De schepen werden met spoed weder in orde gebracht, bevelhebbers en matrozen wedijverden om op hun post te zijn, en de vloot was zeilvaardig, toen De Ruyter onvoorziens in 't land terugkeerde. Nauwelijks droegen de Staten hiervan kennis, of zij besloten, de macht, aan Tromp verleend, in te trekken, om het opperbevel over de in Texel vergaderde vloot op te dragen aan De Ruyter, die er onmiddellijk werd heen gezonden. Men beseft licht, hoe diep het Tromp moest grieven, dus, zonder eenigen wettigen grond, zich verstoken te zien van het commando over een vloot, die hij zelf in gereedheid had gebracht! Hevig gebelgd over de hem aangedane beleediging, weigerde hij in den aanvang onder De Ruyter m zee te gaan. Doch, zoo hij dapper en opvliegend was als Achilles, hij was spoediger nedergezet dan deze: en zoo bedacht hij zich, vergat zijn wrok, bleef in dienst en ontving De Ruyter, toen deze aan boord kwam, op de vleiendste wijs; terwijl de beste overeenstemming bij hun beraadslagingen en besluiten heerschte. De zeeslag, in Juni 1666 geleverd, en waarbij zij de overwinning op de Engelschen behaalden, had dan ook getoond, welke goede gevolgen hun eensgezindheid droeg. Met dat al, het ontbrak niet aan de zoodanigen, die beweerden, dat Tromp steeds een geheimen

-ocr page 79-

DE TWEE ADMIRALEN. 71

wrok bleef voeden, en louter naar een gelegenheid uitzag, om het ongelijk, dat hij geleden had, aan De Ruiter betaald te zetten. Gedienstige oorblazers, wier getal altijd legio is, lieten niet na, De Ruyter voortdurend tegen hem te waarschuwen, en, al mocht de vrome Admiraal in den aanvang aan dergelijke praatjes niet hechten, de laster laat toch altijd, ook in 't minst ergdenkende gemoed, een druppel van zijn gift na. Nu viel, de zeeslag voor, waarvan ik u een schets gegeven heb: het daarbij gebeurde deed De Ruyter hechten aan hetgeen men hem zoo vaak verteld had, en hij begon werkelijk aan een voorbedacht opzet van de zijde van Tromp te gelooven. Is 't wonder, dat zelfs hij, anders zoo kalm en gelaten, in toorn ontstak, en voor een oogenblik zich zeiven vergat?

De zaak ware echter nog te sussen geweest, zoo Tromp haar niet door een ondoordachte, hoezeer mede verschoonbare daad had bedorven. In de opwelling zijner gramschap schreef hij aan de Alge-meene Staten, zoowel als aan die van Holland, een krachtigen, doch bitteren brief, waarin hij zich zeiven poogde te verontschuldigen en De Ruyter in 't ongelijk te stellen. Hij eindigde met te schrijven, dat, indien hij, na al zijn getrouwe diensten, voor een schelm werd uitgekreten, hij zijn ontslag verzocht, daar het geen tijd was, schelmen te gebruiken.

„Dit geschrift verwekte, vooral bij de Staten van Holland, groot misnoegen, 't welk nog vermeerderd werd door een onvoorzichtige daad van een zijner bloedverwanten, te zijnen gunste ondernomen. De heer Van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, had, na zijn terugkomst, aan de moeder van dien Admiraal de bijzonderheden van het gevecht verhaald, en, te dier gelegenheid, bijzonder uitgeweid in zijn lof. Kievit, Gecommitteerde Raad van Rotterdam en zwager van Tromp, haastte zich, van het gehoorde een verslag op te stellen, waarbij het gedrag van Tromp in een gunstig licht, dat van De Ruyter daarentegen in de schaduw werd gesteld, welk verslag hij liet drukken en verspreiden. Dit werd door de Staten van Holland zoo euvel opgenomen, dat zij Kievit ter verantwoording riepen, waaraan hij zich onttrok door ten lande uit te wijken. Terzelfder tijd werd door hen een Commissie benoemd, met De Witt aan 't hoofd, om de beschuldigingen over en weder door de beide Admiralen ingebracht, te onderzoeken. De Commissie, aan haar last voldaan hebbende, liet — wat opmerking verdient — de vraag, wie gelijk had, in 't midden; doch gaf te kennen, dat het algemeen belang noodwendig het ontslag, of van De Ruyter, of van Tromp vereischte, daar de zaken nooit goed konden gaan, zoolang er verwijdering tusschen de beide Vlootvoogden bestond. De keus kon den Staten niet moeilijk vallen. Behalve dat het, waar 't krijgsdienst geldt, een algemeen en tot behoud der ondergeschiktheid en goede orde onmisbaar beginsel is, den hoogsten in rang in 't gelijk te stellen, zoo was in de oogen van de Leden der Staten-Vergadering het onderscheid te groot tusschen De Ruyter, die, altijd even onderdanig aan hun bevelen, slechts gehoorzaamde en zich met geen staatkunde inliet — en Tromp, die

-ocr page 80-

72 1)15 TWEE ADMIRALEN.

wel in dienst alleen zijn plicht als zeevoogd indachtig was, maar buiten den dienst zich in daden en gesprekken een warm aanhanger van den Prins en een ijverig tegenstander toonde der bovendrijvende partij. Ja velen, minder aan 's Lands belang dan aan hun eigen inzichten gehecht, grepen met welgevallen het voorwendsel aan, dat zich aanbood, om Tromp te verwyderen, en zoo werd hem te kennen

gegeven, dat zijn aanstelling tot Luitenant-Admiraal was ingetrokken, ij het vernemen van dit besluit bleef hij bedaard, en verklaarde zich bereid, aan De Ruyter elke voldoening te geven, ja hem in een volgenden strijd getrouw ter zijde te staan; ten einde blijken mocht, dat hij geen haat of wrok tegen hem voedde, maar desnoods zijn leven voor hem zoude opofferen. Dit aanbod werd niet aangenomen, ja zelfs aan Tromp verboden, zich weder naar de vloot te begeven: zoozeer vreesde men een opstand van het hem zoo verknochte zeevolk.egeven, dat zijn aanstelling tot Luitenant-Admiraal was ingetrokken, ij het vernemen van dit besluit bleef hij bedaard, en verklaarde zich bereid, aan De Ruyter elke voldoening te geven, ja hem in een volgenden strijd getrouw ter zijde te staan; ten einde blijken mocht, dat hij geen haat of wrok tegen hem voedde, maar desnoods zijn leven voor hem zoude opofferen. Dit aanbod werd niet aangenomen, ja zelfs aan Tromp verboden, zich weder naar de vloot te begeven: zoozeer vreesde men een opstand van het hem zoo verknochte zeevolk.

Op zoodanige wijze was Tromp beloond geworden voor zijn talrijke diensten; maar, hoe miskend ook en verguisd, hij bleef zijn vaderland even trouwhartig beminnen: ja hij wees het aanbod, hem gedaan door den toen nog, zoo 't heette, met ons bevrienden Franschen Koning, om, tegen een aanzienlijk jaargeld, in dienst te treden, met waardigheid van de hand, zeggende, liever in zijn vaderland als vergeten burger te leven, dan, met eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst te dienen.

Sedert dien tijd waren jaren verloopen. De ontevredenheid van De Euyter tegen Tromp was lang geweken, en alleen de herinnering leefde nog bij hem van de groote diensten, door dezen aan den Staat bewezen. Was het te verwonderen, indien, bij het nadenken over hetgeen had plaats gehad, zich bij een man, zoo nauwgezet als De Ruyter, een geheim zelfverwijt paarde aan het leedgevoel, dat een held, zoo uitstekend in dapperheid en krijgsbeleid, voor 't vaderland als verloren was? Gewis, meer dan eens moest De Ruyter denken, dat, indien hij zich na dien noodlottigen zeeslag met meer kalmte gedragen en meer bedaard onderzocht had, dat ongelukkige misverstand nooit had plaats gehad. En thans! Wat zoude wellicht gebeuren, nu de partij, die Tromp aan hare inzichten had opgeofferd, zelve het onderspit gedolven had? Was het niet te verwachten, dat men den uit den dienst verwijderden Admiraal in zijn eer en ambt herstellen, en daarentegen aan De Ruyter, ondanks al het door hem verrichte, zijn afscheid, geven zou? Een voorwendsel was zoo licht te vinden, al zocht men het slechts in zijn reeds ver gevorderden leeftijd.

Deze en dergelijke gedachten kwelden den waardigen grijsaard, toen hij, den morgen na het hierboven opgegeven gesprek, zich met de zijnen naar 's-Gravenhage begaf, om aldaar bij de Staten-Generaal verslag te doen van zijn laatsten zeetocht. Zoo echter iets hem gerustheid had kunnen inboezemen, het zou de ontvangst geweest zijn, die hem ten deel viel bij Hun Hoogmogenden. Niet slechts werd hij op de meest heusche wijze verwelkomd en hem de eer der zitting

fegeven, niets slechts werd, nadat hij zijn verslag had overgelegd, e dank der Vergadering hem in de meest vleiende bewoordingenegeven, niets slechts werd, nadat hij zijn verslag had overgelegd, e dank der Vergadering hem in de meest vleiende bewoordingen

-ocr page 81-

DE TWEE ADMIRALEN.

toegebracht, maar ook, en dat was het gewichtigste, hem werd aanbevolen, — met gelijken ijver, kloekmoedigheid en courage in alle voorvallende occasiën daerinne voorts te willen continueeren.

„Ziet gij wel. Vader!quot; zeide Margrietje, toen hij, in zijn herberg aan de zijnen den afloop zijner ontmoeting met de Staten-Generaal verhaald had: „ik wist wel, dat men u niet kon missen.quot;

„Laat ons niet te veel hechten aan eenige beleefde uitdrukkingen,quot; zeide De Ruyter, het hoofd schuddende: 't hinkende paard zal wel achteraankomen. Mij is last gegeven, onmiddellijk naar 't leger bij den Prins te gaan, en aan Zijn Hoogheid insgelijks verslag te doen.quot;

„Welnu! de Prins zal u evengoed ontvangen als de Heeren Staten, wees daar gerust op,quot; zeide mevrouw De Ruyter.

De Ruyter zweeg, en kort daarna was hij met de zijnen in een wagen gestegen en op reis naar Zwammerdam, waar toen des Prinsen hoofdkwartier gevestigd was. Daar gekomen, vonden zij zich eenigs-zins teleurgesteld door het bericht, dat Zijn Hoogheid zich voor 't oogenblik aan den Uithoorn bevond. Zij zetteden hun tocht derwaarts voort; doch het was eerst laat in den avond, eer zij aldaar aankwamen: en zoo was het eerst den volgenden morgen, dat De Ruyter zich bij den Prins kon laten aanmelden en weldra bericht bekwam, dat déze hem zoude ontvangen.

Zonderling! de onverschrokken held, die sedert jaren gewoon was aan duizenden te gebieden, die zich door Frankrijks en Spanjes aanzienlijkste en hooghartigste edellieden met den diepsten eerbied had zien behandelen, die aan Vorsten zijn bevelen gegeven had, en, in het besef, dat hij zijn plicht vervulde, voor niemand de oogen behoefde neder te slaan, voelde zich eenigszins verlegen, toen hij het vertrek binnentrad, waarin zich de twee-en-twintig-jarige jongeling bevond, dien hij als knaap gekend had. Maar die knaap was man geworden, was thans in den Staat schier oppermachtig, en wie kon zeggen, of hij zich niet op De Ruyter zou willen wreken over de vernedering en verdrukking, die hij ondergaan had van de partij, waaraan De Ruyter zijne bevordering te danken had.

Dan niet lang duurde bij De Ruyter die beschroomdheid. De koele strakheid, die anders het gelaat van Willem 111 reeds van zijn vroegsten leeftijd kenmerkte en het gevolg was van het aanhoudend zelfbedwang, dat hij had moeten in acht nemen jegens hen in wier afhankelijkheid hij zich bevond, had, zoodra de Admiraal binnentrad, plaats gemaakt voor een minzamen lach, te meer onwederstaanbaar, omdat hij zelden op 's Prinsen lippen zweefde. Zijn oogen, voor wier doordrirgenden opslag elke blik zich anders nedersloeg, blonken thans van opgeruimde blijmoedigheid: de blos van het vergenoegen dekte 's Prinsen wangen, en hij was op dit oogenblik werkelijk, 't geen hij anders nooit scheen te zijn, een jongeling in den besten en gelukkigsten tijd des levens. Zonder te wachten, dat De Ruyter tot hem kwam, liep hij op hem toe, drukte 's grijsaards hand in de zijne, en schudde die hartelijk met den uitroep: ,welkom! welkom! vrome Admiraal! wat heb ik verlangd, u te zien.quot;

73

-ocr page 82-

74 DE TWEE ADMIBALEN.

„Uw Hoogheid is wel goed,quot; antwoordde De Ruyter, terwijl hij, bewogen door dit onthaal, den Prins met zijn heldere oogen in 't aangezicht zag.

,Gra zitten, vader! ga zitten!quot; vervolgde de Prins, terwijl hij de hand des Admiraals niet los liet,'vóór dat hij dezen in een armstoel nevens hem had doen plaats nemen: „wij hebben elkander in lang niet gezien, en er is veel gebeurd, sedert gij den vasten wal verlaten hebt.quot;

„Veel, zeer veel!quot; zeide De Ruyter, met moeite een zucht bedwingende: „en dit herinnert mij in de eerste plaats mijn plicht om Uw Hoogheid geluk te wenschen met Haar verheffing. God zegene Uw Hoogheid en doe Haar voor't arme Vaderland wezen, wat vroeger Haar doorluchte Voorvaderen geweest zijn, beschermers van 's lands vrijheid en de zuivere religie.quot;

„Ik dank u,quot; zeide de Prins: „maar laat mij hopen, dat het niet alleen aan plichtgevoel is, dat ik uw gelukwensching te danken heb. Het is nu, zoo immer, de tijd, dat eendracht en samenwerking van alle bekwame en vaderlandslievende mannen onmisbaar zijn, en ik voor mij heb behoefte, niet slechts aan dienaars, maar ook, en vooral, aan vrienden.quot;

„Uw Hoogheid zal mij gelooven,quot; zeide De Ruyter, „ik ben niet gewoon, ijdele woorden te spreken, noch anders te zeggen dan ik t meene: al ware het mijn plicht niet. Uw Hoogheid, als thans met het Kapitein-Admiraalschap bekleed, te gehoorzamen, dan nog zou ik het aoen' uit verknochtheid voor Haar persoon, en uit erkentenis voor den dienst, bereids door Haar aan het Vaderland bewezen.quot;

„Maak mij niet hoovaardiger dan mijnen jaren voegt,quot; zeide de Prins: „een lofspraak uit een mond, die nooit dan waarheid spreekt, is zulk een schat, dat gij er karig mede zijn moet. Admiraal! wilt gij hem, wien gij dien wegschenkt, niet voorgoed bederven. En wat zegt het weinige, dat ik heb kunnen doen, bij al wat door u verricht is?quot;

„Laat ons geen vergelijkingen maken, zeide De Ruyter, glimlachende, „in weinige maanden heeft Uw Hoogheid reeds meer verricht dan anderen in jaren. Was ik niet dagelyks aan boord de tijding wachtende, dat men zich lafhartig aan Frankrijk onderworpen had, toen mij daarentegen het bericht verheugen kwam, hoe Uw Hoogheid in de bediening Harer Voorvaderen gefteld was en het op zich genomen had, den vijand het hoofd te bieden? En zijn met, sedert dien tijd, door uwe werkzaamheid, volharding en doorzicht, de Franschen tot staan gebracht? En heeft niet de moedeloosheid, die vroeger heerschte, voor wakkerheid plaats gemaakt?quot;

„Dank daarvoor niet mij,quot; zëide de Prins, „maar onze brave land-genooten en de omstandigheden: men had behoefte aan een hoofd, om 'twelk men zich scharen kon: en dat was toevallig bij de hand. Jammer slechts, en eeuwig te betreuren, dat er ook ander bloed dan dat der vijanden gestort is.quot;

„Ja wel te betreuren,quot; herhaalde De Ruyter.

„De moord der Heeren De Witt is een execrabel feit,quot; vervolgde de Prins, „en zal mij een bron van hartzeer blijven; ik was aan

-ocr page 83-

DE TWEE ADMIRALEN. 75

den Raadpensionaris veel verschuldigd, en zoo ik den lande van nut zal kunnen zijn, zal ik zulks meest te danken hebben aan de lessen, die ik van hem ontvangen heb. Gij waart met de beide Heefen bevriend, en het gebeurde moet u zeer getroffen hebben.quot;

„Meer dan ik 't uitdrukken kan,quot; zeide De Ruyter.

„Ik wil 't gelooven,quot; hernam de Prins, „doch de zaak is onherstelbaar, en het onderwerp te akelig om er lang bil te verwijlen. Zeg mij liever, Admiraal! hoe staat het met de vloot'?quot;

„Ik neb mijn verslag medegebracht,quot; antwoordde De Ruyter, „en ben bereid alle verdere opheldering te geven, die Uw Hoogheid verlangen mocht.quot;

Dit aanbod van De Ruyter gaf aanleiding tot een belangrijk onderhoud, waarbij de Admiraal meer dan eens in de gelegenheid was, zijn verbazing te toonen, niet alleen over de juiste en scherpzinnige vragen, hem door den Prins gedaan, maar ook over diens volkomen bekendheid met al wat het zeewezen betrof: ja 't kwam hem onverklaarbaar voor, hoe Willem III, bij al de werkzaamheden en beslommeringen, die zijn betrekking bij ?t leger hem op den hals haalde, nog tijd had kunnen vinden om hetgeen zoo op de vloot als bij de verschillende Admiraliteiten had plaats gehad, tot in de kleinste bijzonderheden te leeren kennen.

„Gij hebt een braven Zeevoogd verloren in den Luitenant-Admi-raal Van Gendt,quot; zeide eindelijk de Prins: „hebt gij reeds nagedacht, wie meest geschikt ware, zijn plaats te vervangen'?quot;

„Ik durf dit nauw beslissen,quot; antwoordde de Ruyter: „daar zijn de Vice-Admiraals Zweers, De Liefde, Schram, die elk hun afzonderlijke verdiensten hebben: niet een onder hen, of hij zou op een waardige wijze de plaats des overledenen bekleeden.quot;

„Hm! ja!quot; zeide de Prins; „maar zoek eens goed, Admiraal! is er ook buiten de vloot niemand te vinden, even geschikt als de door u genoemden?quot;

„Buiten de vloot!quot; herhaalde De Ruyter: „zoude Uw Hoogheid begrijpen, dat wederom een Overste van de Landmacht in die betrekking behoorde geplaatst te worden?quot;

„Ik dank u,quot; antwoordde de Prins: „wij hebben er te droevige ondervinding van. De Heer Van Obdam was een man van ongemeene dapperheid: maar gebrek aan kennis en ondervinding van 't zeewezen is de oorzaak geweest van zijn dood en 't verlies onzer vloot. En Van Gendt, hoe verdienstelijk ook, is toch zoo wat half en half schuld geweest, dat Engeland een voorwendsel heeft gevonden om ons den oorlog te verklaren. Neen, geen landofficieren op de vloot. Maar zoek eens goed: — ik wilde liever uw geheugen met te hulp komen.quot;

De Ruyter zag den Prins vorschend aan; doch deze vergenoegde zich met te glimlachen.

„Ja gewis. Uw Hoogheid!quot; zeide eindelijk de Admiraal: „ik weet nog wel een man, die tegen al de genoemden dubbel opweegt, en wien ik zelfs in ervarenis en beleid boven Van Nes en Banckers zoude stellen. Maar de vraag is, of hij willen zou?quot;

-ocr page 84-

DE TWEE ADMIBALEN.

„Of Tromp het Vaderland, nu 'tin nood is, zou willen dienen!quot; riep de Prins uit: „twijfelt gij er aan. Admiraal'?quot;

„Wij zijn er gekomen,quot; dacht De Ruyter, en bleef eenige oogen-blikken peinzend voor zich zien.

„Welnu! zeg mij gul uwe meening,quot; zeide de Prins: „wat hier gesproken wordt blijft geheel onder ons.quot;

„Prins!quot; zeide eindelijk De Ruyter: „ik had wel gewenscht mijn leven in 's lands dienst te eindigen: doch ik beset het zelf wel, ik word oud, en al ben ik, Gode zij dank! nu nog gezond en in staat mijn plicht te vervullen, op mijn leeftijd kunnen van den eenen dag op den anderen de krachten bezwijken, of het brein versuft raken, zonder dat men het zelf ontwaart, 'tls wijzer daarom intijds partij te kiezen, de zeilen te bergen en voor anker te gaan liggen: ja oneindig beter, zijn post te verlaten, eer de geschiktheid om dien naar eisch te vervullen ons verlaat. Uw Hoogheid zal wel doen, mij mijn ontslag te geven, en mij door den Heer Tromp te doen vervangen. Hij doet in bekwaamheid voor niemand onder, is jonger en vlugger dan ik, en bij 't scheepsvolk bemind.quot;

„Hoe, Admiraal!quot; riep de Prins, innig getroffen door dit blijk van 's mans grootmoedigheid, doch veinzende, hem niet te verstaan: „gij zoudt het land in dezen hachelijken tijd van uw dienst willen berooven ?quot;

„Het land zal er geen schade bij lijden,quot; hervatte de Admiraal, „wanneer het Tro ^ T' ' krijgt.quot;

i

niet zoo eereeaeinlc

Dat zal men

toegeven,quot; zeide de Prins:

„doch wat alle harten, en inzonderheid het mijne, met vreugde vervullen zou, wat de Engelschen zeker tot een spoedigen vrede zou doen neigen, zoude wezen, dat wij èn De Ruyter èn Tromp weder op de vloot zagen.quot;

„Zou Uw Hoogheid dat werkelijk meenen!quot; riep De Ruyter, terwijl een glans van vergenoegen zich over zijn gelaat verspreidde.

„Twijfelt gij aan mijn oprechtheid. Admiraal?quot; vroeg de Prins op een minzaam verwijtenden toon.

„Verschoon mij. Uw Hoogheid,quot; hernam De Ruyter: „ik twijfel niet aan uw goede bedoeling in dezen; maar geen knecht kan twee meesters dienen: en geen vloot aan meer dan één opperhoofd gehoorzamen, of alles loopt in 't niet. 't Kan zijn, dat ik mij bedrieg; maar de Heer Tromp zou, geloof ik, zich aan den Lande hoogst verdienstelijk maken, indien hij het opperbevel voerde; terwijl hij daarentegen wellicht minder geneigdheid en geschiktheid heeft om bevelen te ontvangen; daarom herhaal ik mijn aanbod, om mijn ontslag te nemen.quot;

„Ik neem noch uw aanbod, noch uw redeneering aan,quot; zeide de Prins: „er heeft tusschen u en Tromp ongenoegen plaats gehad: een misverstand, noem het zooals gij wilt. Zoudt gij dat ongenoegen kunnen verbeten, en u met hem verzoenen?quot;

„Verzoening ook met zijn vijanden is Christenplicht,quot; zeide De Ruyter: „en ik wil den Heer Tromp niet als mijn vijand beschouwd hebben.quot;

76

-ocr page 85-

DE TWEE ADMIRALEN. 77

„Ik dank u, Admiraal!quot; zeide de Prins, hem de hand reikende: „dan is de zaak gevonden.quot;

,Gevonden;quot; herhaalde De Ruyter.

„Tromp zal weder in dienst komen,quot; vervolgde de Prins: „doch niet voordat tussohen u en hem alle sporen van ongenoegen zijn uitgewischt, en hij zich verbonden heeft, u voortaan met die achting en gehoorzaamheid te behandelen, die men aan zijn Overste schuldig is.quot;

„Indien de Heer Tromp daartoe te bewegen is,quot; zeide De Ruyter, „dan zal ik het uur onzer verzoening onder de gelukkigste mijns levens tellen.quot;

„Laat het aan mij over, dit te beproeven. Admiraal!quot; zeide de Prins, oprijzende: „en nu, hartelijk dank voor uw bezoek: uw verslag zal ik lezen en wij spreken daarover eerstdaags nader. Gij zult thans wel wenschen uw huis en uw vrienden te Amsterdam eens terug te zien. Wel aan! ik geef u verlof, en verzoek mijn ge-biedenis aan de uwen.quot;

„Uw Hoogheid is al te goedjquot; zeide De Ruyter: „en dat Zij van mijn huis gewaagt doet mij denken, dat ik nog verzuimd heb, mijn oprechten dank te betuigen voor de verleende sauvegarde.quot;

„Nu, dat was wel 't minst, dat wij doen konden,quot; zeide de Prins: „wanneer gij het gansche land tegen aanvallen van vreemden be-schermdet, dat wij uw woning tegen die der kwaadwilligen beveiligden. Vaarwel Admiraal! en bewaar mij uwe vriendschap.quot;

Hiermede liep dit onderhoud af. Men kan denken, met welk een blij en opgeruimd gemoed De Ruyter de zijnen terugzag. Niet slechts was het onthaal des Prinsen minzaam geweest boven verwachting; maar, verre dat er eenig denkbeeld bestond om hem door Tromp te doen vervangen, had men het weder in dienst nemen vjjn dezen laatste als 't ware van hem. De Ruyter, laten afhangen. Hij begaf zich alsnu naar Amsterdam; doch geen drie dagen was hij daar geweest, toen hij weder bij den Prins ontboden werd, die zich thans te Bodegrave bevond.

De Prins zat in een ernstig onderhoud gewikkeld met den Heer Van Beverningh, die de betrekking van Commissaris van Hun Hoog-mogenden bij 't leger bekleedde, met zijn voormaligen Gouverneur, thans zijn wapenbroeder, den fleer Van Zuylesteyn, en met een derden persoon in burgerkleeding, doch wiens geheele houding den krijgsman verraadde. Hun gesprek was op 't leveudigst, toen De Ruyter werd aangediend.

„Braaf!quot; riep de Prins: „onze vrome Admiraal laat niet op zich wachten. En nu, mijne Heeren, wat ik u bidden mag, Iaat mij een oogenblik met hem alleen.quot;

De drie Heeren verwijderden zich en de Prins wachtte De Ruyter af.

„Groot nieuws!quot; zeide hij, zoodra deze binnengetreden was. „Ik ontvang zooeven de tijding, dat de Engelsche vloot weder is uitgezeild: en het zal noodig wezen de zeegaten goed te voorzien.quot;

„Ik ben gereed mij te begeven, waar Uw Hoogheid mijn tegenwoordigheid zal noodig oordeelen,quot; zeide De Ruytèr.

-ocr page 86-

78 DB TWEE ADMIRALEN.

,'t Is thans meer dan ooit, dat wij behoefte hebben aan trouwe hulp en samenwerking van al wie het wel met het Vaderland meenen,quot; zeide de Prins: „gij herinnert u ons laatste gesprek?quot;

De Ruyter boog zich.

„En gij zijt niet van gedachten veranderd? Doch wat behoef ik dat te vragen? Wat een man als De Ruyter zegt, daar blijft het bij. Nu — ik heb met Tromp gesproken.quot;

„Inderdaad!quot; zeide De Ruyter, verrast.

„Ja! en ik heb bevonden, dat ik mij niet bedrogen had. Wel verre dat er bij hem eenige schijn of schaduw bestaat van wrok of verbittering, zal hij het u dank weten, indien gij hem. vergunt, weder onder uwe bevelen ten strijde te mogen gaan.quot;

„Heeft hij dat waarlijk gezegd?quot; vroeg De Ruyter, opgetogen van vreugd.

„Indien gij mij niet gelooft,quot; zeide de Prins, terwijl hij lachte en het hoofd schudde, „zoo gelooft hem dan zeiven. Mijn Heer Tromp! mag ik u verzoeken om binnen te komen?quot;

De deur van het zijvertrek ging open, en de schoone, wakkere

fedaante van Tromp vertoonde zich. De beide zeehelden zagen el-edaante van Tromp vertoonde zich. De beide zeehelden zagen el-

ander een wijl aan, als wilden zij de verandering gadeslaan, die zes jaren bij hen in houding en gelaatstrekken gemaakt hadden. Toen trad Tromp met een ruatigen stap naar zijn ouderen krijgsmakker toe, en zeide:

„Admiraal! het verheugt mij hartelijk u te zien.quot;

„En mij dan!quot; zeide De Ruyter, mede een stap vooruit doende en hem de hand toestekende.

„Ik had niet gedacht, dat het mij zou vergund zijn, die hand weer te drukken,quot; zeide Tromp: „geloof mij. Admiraal! jegens u heb ik nooit mijn plicht moedwillig verwaarloosd, en, heb ik zonder opzet verzuimd, gedenk het dan niet meer.quot;

„En gij, mijn Heer Tromp!quot; zeide De Ruyter, „geloof vrij, dat het mij leed doet, zoo ik u ooit verdacht heb van opzettelijk plichtverzuim, en vergeef mij wat mij ooit in drift ontviel. Zie, wij zijn allen zwakke menschen, en moeten over en weder geduld met elkander hebben.quot;

„Braaf gesproken!quot; riep de Prins, met het vergenoegen op't gelaat: „zie! dat is een gebeurtenis om Franschen en Britten van spijt te doen bersten. En nu, mijn waarde Tromp! gij zult niet weigeren, uw ouden rang bij de vloot te hernemen?quot;

„Als mijn voormalige bevelhebber mij onder hem dulden wil,quot; zeide Tromp, „zal hij op de geheele vloot geen konstabelsmaat hebben, gehoorzamer dan ik.quot;

„En geen officier zoo dapper en bekwaam,quot; zeide De Ruyter, hem nogmaals de hand schuddende..

Op deze wijs had de Prins, met die wijsheid, welke van zijn vroegste jeugd af al zijn daden kenmerkte, de verzoening weten te bewerken tusschen de twee grootste zeehelden hunner eeuw, en beider dienst aan het Vaderland te verzekeren. En, dat die verzoening oprecht was, bewees hetgeen later plaats had. Niet slechts, toen in Mei des

-ocr page 87-

DE TWEE ADMIRALEN. 79

volgenden jaars, de vloot van den Staat zeilree lag, en Tromp bij De Euyter aan boord verscheen, was de ontmoeting tusschen hen even heusch en hartelijk als in 's Prinsen tegenwoordigheid, maar ook was het, of het gejuich, dat toen allerwegen van de schepen opging, reeds de zege begroette, die als het gevolg der tusschen hen herstelde verstandhouding verwacht werd. En toen, kort daarna — juist op denzelfden dag, waarop in 't vorige jaar de slag bij Solebaai begonnen was — de vloot weder met die der Engelschen en Franschen aan den slag raakte, en toen Tromp toonde, dat hij nog steeds dezelfde was, en, midden onder den vijand geraakt, driemalen van schip veranderd had, en in 't uiterste gevaar verkeerde, toen zeide De Ruyter, die alles voor zich had doen wijken, tegen de zijnen, dat het beter was een vriend te helpen, dan een vijand te deren, en keerde van het vervolgen terug, en drong door schepen en kruitdamp henen om Tromp bij te springen. „Mannen!quot; riep Tromp, toen hij hem in 't oog kreeg: „mannen! daar is Bestevaêr, die komt ons helpen: ik zal hem ook niet verlaten, zoolang ik adem heb.quot; En De Ruyter ontzette hem, en nu vereenigd, drongen zij op den vijand aan, dat hij overal de zee voor hen ruimde.

Mijn schets is geëindigd. Ik heb er niets nieuws in verhaald, niets althans, wat gij waarde lezer! niet overal kunt vinden. Ik heb alleen, gelijk ik in den aanvang zeide, u een bekend historisch feit in 't geheugen willen terugroepen, en u afvragen of de leering, die het met zich brengt, niet ook nu nog en ten allen tijde van toepassing blijft? Vloten uitzenden als in die dagen kunnen wij niet meer, mannen als De Ruyter en Tromp zijn schaars meer te vinden; maar, het voorbeeld dat zij gaven, verdient wel bij de nakomelingschap in aandenken te worden gehouden. En zulks vooral in een tijd als de onze, waarin velen het als iets loffelijks schijnen te beschouwen, partijschap, en daardoor wantrouwen, wrok, vete en twist te voeden tusschen personen, die, vereenigd, aan het Vaderland van dienst zouden kunnen zijn. Had er in 1672 geen oprechte aaneensluiting van partijen plaats gehad, hadden Staatslieden als Pagel, als Van Beumngen, als Van Beverningh, zich niet met trouw en oprechtheid geschaard om den Vorst, wien zii vroeger uit het bewind hadden pogen te weren, hadden helden als Tromp en De Ruyter elkander de verzoenende broederhand niet toegereikt, Nederland ware reeds toen geworden wat het honderdveertig jaar later, ten gevolge van binnenlandsche verdeeldheid werd — een wingewest van Frankrijk.

Maar neen. Nederland zal nimmer weer het wingewest eener vreemde natie worden! Die kreet van scheuring en slooping, uit zoovele hoeken van het oude Europa opgegaan, heeft in Nederland geen weerklank evonden. Het is op de proef gesteld en heeft die proef grootmoedig oorgestaan. Van zijn Koning zoo onverwachts beroofd, bleef het een wijle, wat de gevaarlijkste toestand voor eene natie is, aan zich zelf overgelaten. Had niet, bij een min bedaard, bij een min ordelievend volk, uit het missen van een wettig hoofd regeeringlooshéid, uit regeeringloosheid verwarring, uit verwarring onrust, uit onrust

-ocr page 88-

80 DB TWEE ADMIRALEN.

het verderf des Vaderlands kunnen voortspruiten? Maar, kalm en beraden te midden hunner droefheid, beseften alle Nederlanders, ministers of volksvertegenwoordigers, krijgslieden en burgers, aanzienlijken of geringen, dat 's Lands toekomst van rust en eensgezindheid afhing: en thans, nu het hoofd van den Staat in ons midden is teruggekeerd, zien wij, ja bedroefd nog, doch bemoedigd de toekomst te gemoet. Een Graaf Willem III heeft over Holland geregeerd, die een der meest geachte en invloedrijkste Vorsten was zijner eeuw, en wien een dankbaar volk den naam schonk van Willem den Goeden. Een Prins Willem III heeft ons land van den oever des afgronds gered en den naam der vrije Nederlanden door geheel Europa doen eerbiedigen. Moge een Koning Willem III, den naam dier doorluchtige voorgangers waardig, zich, als zij, de liefde des volks, den eerbied van Europa, de erkentenis van een dankbaar nakroost waardig maken. Dat de eerste woorden, die hij tot ons sprak, steeds in ons hart gegrift blijven, en tot richtsnoer strekken onzer daden: dan rijzen voor Nederland gelukkige dagen, door eendracht tusschen de kinderen van 't zelfde Vaderland, door eendracht tusschen Vorst en Volk.

-ocr page 89-

EMTLTA VAN NASSAU.

Daar baat noch bidden, noch vermanen Noch harde dwang;

De lieve hartjes storten tranen,

Maar gaan haar gang.

Bildebdijk, de Vloek

Het is algemeen bekend, dat Willem de Eerste zeer gesteld was op huiselijk geluk, stille genoegens en een vroolijk praatje na de beslommeringen van den dag: — welk een en ander hij dan ook achtereenvolgens bij vier wettige vrouwen gezocht heeft.

Zijn eerste vrouw was Anna Van Egmond, dochter van de Gravin Van Buren, een lief, goed vrouwtje.

Zijn tweede vrouw heette mede Anna en was de dochter van den Keurvorst Maurits van Saksen, een begaafde Varstin, doch die zich niet verkoos te schikken in het zwervend en avontuurlijk leven, dat de Prins genoodzaakt werd te leiden, en zich in en over zijn afwezigheid wat al te in 't oog loopend, onder anderen met den vader van den grooten Rubens, wist te troosten; weshalve hij zich van haar liet scheiden.

Zijn derde vrouw was Charlotte van Bourbon, dochter van Lode-wijk II, Hertog van Montpensier, die een juist tegenovergesteld karakter bezat, en het stille kloosterleven vaarwelzeide om met den echtgenoot harer keuze al de gevaren en bekommernissen van krijg en burgertwist te deelen, totdat zij eindelijk, van de angsten, die zij had uitgestaan, toen de kogel van Jauregui hem gewond had, in eene krankte verviel en in zijn armen bezweek.

Zijn vierde vrouw was Louise Van Chatillon, dochter van den beroemden Coligny, en weduwe des Heeren Van Teligny, wier lot het was, haar vader en beide haar echtgenooten, door net zwaard of den kogel van dweepzieke moordenaars, te verliezen.

Bij ieder van deze vrouwen heeft Willem I kinderen voortgebracht.

Anna van Egmond, met wie hij gehuwd was van 1551—1558, schonk hem zijn oudsten zoon Filips Willem — die, als knaap naar Spanje

b. w. v. 6

-ocr page 90-

8a EMILIA VAN NASSAU.

heengevoerd, ook aldaar een vader- en vaderlandlievend hart behield — en Maria.

Anna van Saksen, wier verbintenis met den Prins duurde van 1561—1577, was de moeder van twee Mauritsen (waarvan de een kort na zijn geboorte overleed, en de ander de bevestiger werd van 's Lands onafhankelijkheid), en van twee dochters, Anna en Emilia geheeten.

Charlotte van Bourbon had geen zoons, maar daarentegen schonk zij haren echtgenoot, in de zes jaren, die zij met hem doorbracht (1577—1582) niet minder dan zes dochters, als: Louise Juliana, Elizabeth, Eatharina Belgica, Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilia II.

Louise van Coligny eindelijk, wier huwelijk na den tijd van een jaar door het moordend lood van Balthazar Grerards verbroken werd, was de moeder van den zeeghaftigen Frederik Hendrik.

In alles alzoo liet Willem I, bij zijn overlijden, drie zoons en negen dochters na; een aartsvaderlijk getal.

Het heeft, zelfs in een vorstelijk gezin, vrij wat in, negen meisjes op een behoorlijke wijze aan den man te krijgen. Gelukkig hadden de dochters van Willem I een schat van neven, die vrouwen zochten, en zoo werden zij over 't geheel redelijk wel geëtablisseerd.

Zoo huwde de oudste, Maria, den Grave van Hohenlo, een moedigen, maar ruwen ijzervreter en weinig beteekenenden Generaal, die vóór Maurits de legers van den Staat aanvoerde en die in de geschiedenis van ons land alleen schijnt op te treden om door vergelijking en tegenstelling, de verdiensten van zijn opvolger met des te grooter luister te doen schitteren.

Anna trad mede in den echt met haar vollen neef, den braven, dapperen en godvruchtigen Willem Lodewijk van Nassau, Stadhouder van Friesland en zoon van Graaf Jan IV.

Louise Juliana werd de gemalin van Frederik, Paltsgraaf van den Rijn.

Elizabeth kreeg tot man Hendrik de la Tour d'Auvergne, Hertog van Bouillon, haar neef van moederszijde.

Katharina Belgica werd de vrouw van Filips Lodewijk, Graaf van Hanau, die haar van vaderszijde bestond.

Charlotte Brabantina eindelijk werd uitgehuwlijkt aan Klaude, Hertog van Trémouille en Thouars.

Zoo waren, reeds in 't jaar 1597, zes van de negen jonge dochters uitgehuwlijkt met volkomen toestemming van wederzijdsche bloedverwanten, en waren alleen nog onvoorzien de beide Emilia's en Flandrina.

Emilia II was nog slechts vijftien jaren oud en kon dus nog wachten. Zij kreeg eerlang den Paltsgraaf van Tweebruggen tot man.

Flandrina ging met Brabantina naar Frankrijk, doch omhelsde aldaar den Roomschen godsdienst en koos, in plaats van een man, een klooster.

Maar de oudste der beide Emilia's 't zij, dat zich voor haar geen geschikte partij had opgedaan, 't zij, dat men verzuimd had, er eene te zoeken, zij was onverzorgd, en toch was zij dien leeftijd lang-

-ocr page 91-

EMILIA VAN NASSAU. 83

zamerhand genaderd, waarop alle meisjes en vooral vorstinnen, die in den regel vroeg trouwen, beginnen te begrijpen, dat, zoo de kans nu niet komt, die waarschijnlijk nooit zal komen. — En Emilia had genoeg van vaders en moeders bloed om gansch niet getroost te zijn in ?t vooruitzicht van vrijster te sterven.

Dan, wat zij ook mocht verwachten en verlangen, de diplomatieke aanzoeken bleven weg, en daar niemand voor haar zorgde, begreep zij, het voor zich zelve te moeten doen, en haar genegenheid te vólgen. Een voorwerp nu voor die genegenheid was, onder zoovele Edelen van goeden, ja van voratelijken huize, als waar 's-Gravenhage thans van wemelde, niet ongemakkelijk te vinden: en weldra was haar keuze bepaald.

Eenige jaren vroeger namelijk had zekere Don Antonio, gehouden voor een basterd van den broeder van Hendrik, Koning van Portugal, schoon geestelijke en Prior van Acrato, aanspraak gemaakt op den troon van gezegd Rijk, toen door Filips 11 overweldigd. Hij was echter tegen zijn machtigen vijand niet bestand geweest, had Portugal moeten ruimen en was, na lang een zwervend leven geleid te hebben, in ballingschap gestorven. Nu waren, in April van 'tjaar 1597, zijn beide zonen, Don Emanuel en Don Christoval uit Engeland, waar zij zich langen tijd hadden opgehoudeh, in Den Haag aangekomen met een brief van aanbeveling door Koningin Elizabeth aan de Staten-Generaal gericht. De Staten, aan de voorspraak van hun doorluchtige Bondgenoote gehoor gevende, hadden met slechts aan beide jongelingen hun bescherming toegezegd, maar ook voor hun onderhoud gezorgd, en aan Don Emanuel een betrekking bij 't leger gegeven, terwijl diens broeder uitzicht had om eerlang bij den Koning van Marocco in dienst te geraken. De geboorte en rang dezer jongelieden gaf hun den toegang tot alle kringen, dus ook tot het Hof des Prinsen en tot dat der Prinses-weduwe, en hun goed voorkomen en innemende manieren deden de belangstelling, die hun onvoorspoedig lot reeds van zelf inboezemde, vrij algemeen in welwillendheid overgaan. Don Emanuel vooral, hoezeer geen man van schitterende gaven, noch die bestemd scheen om ooit, 't zij in 't veld, 't zij in de raadzaal, een groote carrière te maken, was ten uiterste beschaafd, en bezat al die begaafdheden, welke geschikt zijn om in hooge kringen, zich, vooral bij de vrouwen, bemind te maken. En daarbij, zijn fraai gekroesde lokken stonden hem zoo goed: zijn hagelwitte tanden staken zoo blinkend af bij de olijfkleur van zijn gelaat: zijn blikken, brandend van een vuur, hoedanig alleen in zuidelijke oogen flikkert, hadden nu eens zulk een verterende en dan weder zulk een teedere uitdrukking, naarmate hij de rampen afmaalde van zijn vorstelijk huis of wel de schoone dreven en de heerlijke rivieren van zijn onvergeetbaar vaderland. En dan had hij zoo vele wederwaardigheden verduurd en wist die zoo aandoenlijk te schilderen; 't was als met Othello,

't Was strange, 't was passing strange,

't Was pitiful, 't was wondrous pitiful.

-ocr page 92-

84 EMILIA VAN NASSAU.

quot;Was 't vreemd, dat hij menige jonge juffer, die zelden van zulke akeligheden gehooi d, en van 't beleg van Haarlem of van den moord te Naarden nooit dan bij overlevering en uit den mond van een fleg-matieken oom of voogd vernomen had, het hoofd op hol bracht?

Maar Don Emanuel mocht hoofden, en zelfs harten op hol brengen, geene der schoonen van Den Haag had het nog als een zaak beschouwd, die in 't rijk der mogelijkheden tehuis behoorde, dat zij hem tot man zou nemen: deze, omdat hij Roomsch, gene, omdat hij een vreemdeling, een derde, omdat hij arm en zonder vooruitzichten was: en in een nieuw gevestigden Staat, waar, bij snel aanwassende welvaart, dagelijks de middelen en het aanzien der ingezetenen toenamen, zagen dochters zoomin als ouders naar verbintenissen uit, dan die het vooruitzicht gaven om al verder en verder op den ingeslagen weg des voorspoeds te kunnen voortstreven. Don Emanuel nu bezat bij uitnemendheid de gaaf van geld te verteren: maar volstrekt niet die van het te verdienen.

Er was echter in 's-Gravenhage ééne Jonkvrouw, die van eene andere meening was dan de overige dames, en deze Jonkvrouw was Emilia van Nassau.

Juist omdat zij een vorstin was, begreep zij, dat geen der hierboven genoemde bezwaren voor haar een bezwaar kon zijn. Don Emanuel was Roomsch, en zij Protestantsch; maar verschil van godsdienst kwam, waar het vorstelijke echtgenooten gold, naar haar oordeel, minder in aanmerking. Karei IX had immers zijn Katholieke zuster wel aan den Calvinist Hendrik van Navarre gegeven. Don Emanuel was een vreemdeling! ja, maar vorstendochters trouwden immers in den regel met vreemdelingen. Hij was zonder geld of goed: ja; maar toch een Koningszoon: en wie wist, of niet de omstandigheden, zijn moed wellicht, hem eenmaal de kroon terug zouden bezorgen, die zijnen vader ontweldigd was. En dan; hij was zoo beminnelijk: er deed zich geen beter minnaar op: en wat de laatste en beste reden was, die alle andere in de schaduw liet — zij had hem lief.

Dat Don Emanuel weldra den indruk bemerkte, dien hij op Emilia

femaakt had, dat hij van zijne zijde ook haar niet onaardig vond,emaakt had, dat hij van zijne zijde ook haar niet onaardig vond,

at hij oordeelde, met licht een betere partij te zullen doen, dat een verbintenis met de zuster van den dapperen Maurits, en daardoor met de huizen van Nassau en van Saksen, hem, armen zwerver, een zeer gewenschte zaak toescheen, dat alles laat zich gemakkelijk raden, al staat het zoo precies niet bij de historieschrijvers geboekt.

De zaak raakte alzoo spoedig genoeg tusschen de jongelieden klaar; maar daar was alles nog niet mee gevonden. Prinsessen trouwen gewoonlijk niet zoo maar zonder dat er iemand mee gemoeid wordt, en dit was ook het verlangen niet van Emilia. Haar zusters waren, gelijk ik reeds gezegd heb, allen in 't huwelijk getreden met volle toestemming van de wederzijdsche maagschap met alleen, maar ook van de Heeren Staten, en hadden van deze laatsten fraaie uitzetten gekregen: — en noch het een noch het ander diende verwaarloosd te worden.

-ocr page 93-

EMILIA VAN NASSAU. 85

Intnsschen begreep Emilia, en te recht, dat in de eerste plaats de toestemming van haar broeder Maurits moest verworven worden. Had zij deze bekomen, dan zou al het overige zich wel schikken. Wat toch was er, dat de Staten den jongen krijgsheld konden weigeren — hem, die, toen Nederland alom door vijanden bedreigd, verlaten van zijne bondgenooten, door burgertwisten verscheurd, zonder regeering, zonder leger, zonder krediet, en op het punt van al de opofferingen van vroeger dagen te verliezen, schier radeloos hem aan 't hoofd des legers riep, — die toen, zeg ik, op nauwelijks twintigjarigen leeftijd, den veldheersstaf met vaste hand gegrepen, de orde hersteld, legers als uit den grond geroepen en gevormd, . gestrenge krijgstucht ingevoerd, de rol van verdediger met die van aanvaller verwisseld, stad voor stad aan den Spanjaard ontweldigd, en in negen jaren tijds, schier overal den vaderlandschen bodem van vijanden gezuiverd had?

Emilia kende echter haar broeder genoeg, om te weten, dat zij niet op eenmaal bij hem — gelijk men 't noemt — met de deur in huis moest vallen, en begon dus, met hem, door een vertrouwden raadsman, te laten polsen, of hij, ingeval de Portugeesche Prins eens in 't hoofd kreeg, aanzoek om zijn zuster te doen, zich tegen zoodanige verbintenis zoude verzetten. De zaakgelastigde van Emilia stelde de zaak slechts als een mogelijkheid voor, en dit gaf aanleiding, dat Maurits er zich minder over uitliet, dan hij anders wellicht zou gedaan hebben. Nochtans liet hij niet na, de bezwaren op te sommen, welke tegen een dergelijk huwelijk konden worden aangevoerd en hierboven reeds vermeld zijn: hij voegde er nog bij, dat Don Emanuel algemeen er voor doorging, evenals zijn vader, een basterd te zijn, die niet eens in staat was, zijn moeder te noemen, zoodat zijn aanspraak op de kroon naar Portugal weinig te beduiden had. Voorts het hij zijn zuster verzoeken, dat zij zoude denken op de waardigheid van haar Huis, zich geene dwaze grillen in 't hoofd stellen, en zooveel mogelijk allen omgang met den jongen vreemdeling vermijden.

Deze laatste vermaning had geen ander gevolg, dan dat Emilia nu wèl vermeed, haar minnaar in 't openbaar te ontmoeten, doch des te meer geheime bijeenkomsten met hem had. Don Emanuel, inmiddels achtende, dat zijn eer er mede gemoeid was, de zaak door te zetten, liet bij Maurits een bepaald aanzoek om de hand zijner zuster doen. De Prins vergenoegde zich, hierop te antwoorden, dat Don Emanuel eerst zoude aantoonen, wie zijn moeder was geweest, en verbood hem, tot zoolang, ten hove te verschijnen. Weinige dagen daarna vertrok Maurits naar 't leger.

De verliefde Vorstin, hoezeer weinig tevreden met het bescheid, dat haar minnaar bekomen had, gaf echter den moed niet verloren. Eerst werd aan Jan Baptist Rossa, later aan den Raadsheer Bruy-nincx (die geheimschrijver van haar vader geweest en aan haar Huis ten nauwste verknocht was) bij gelegenheid, dat zij naar 't leger vertrokken, de taak opgedragen, om het belang van haar liefde bij haar broeder voor te staan; doch niets vermochten hun

-ocr page 94-

86 EMILIA VAN NASSAU.

redenen bij Maurits, die zich aan 't eenmaal gegeven woord hield.

Zoo had Emilia alle pogingen, aangewend om het hart haars broeders te vermurwen, vruchteloos zien afloopen: en het begon de hooghartige dochter van Anna van Saksen reeds te berouwen, dat zij zich vernederd had, om een verlof te verwerven, 't welk zij oordeelde, niet te behoeven. „Indien mijn broeder,quot; zeide zij, „zijn toestemming blijft weigeren, welnu! dan zal ik mij getroosten het buiten die toestemming te stellen: ik ben vrij, en meesteresse over mijne daden; laat Maurits in 't leger regeeren naar zijn zin: over mij heeft hij niets te bevelen.quot; En, niet tevreden met de zaak dus zelve te willen doordrijven, besloot zij, iu persoon daarvan kennis te gaan geven aan den Prins: een besluit, voorzeker gewaagd genoeg, daar zij niet kon weten, welk onthaal haar bij Maurits te wachten stond, wien het wel eens in 't hoofd kon komen, haar naar 't Huis te Dillenburg of elders te doen vervoeren en aldaar in zekere bewaring te stellen, ten einde alzoo den voortgang van 't huwelijk te beletten. — Doch een vrouw, die recht verliefd is, telt zwarigheden noch gevaren; en wellicht hoopte Emilia nog, dat hare persoonlijke verschijning, eu de welsprekende woorden, die 't gevoel van de liefde haar in den mond zoude leggen, een indruk op het hart van Maurits zouden maken, hoedanig eenen de redenen van derden, die in de zaak geen belang hadden, niet bij hem hadden kunnen teweegbrengen. Voor haar vertrek nam zij een hartroerend afscheid van haar geliefde; zij stelde hem haar juweelkoffer ter hand, en zeide hem, dat, indien zij elders heengezonden werd en niet terugkwam, hij den koffer behouden moest met wat daarin was en daarvan leven; doch dat zij hoopte, zelve in staat te zullen zijn, den koffer van hem terug te vorderen. En, hem dit blijk van genegenheid gegeven hebbende, liet zij zich in een reiswagen pakken en sloeg den weg in naar 't leger.

Maurits, die, in den nazomer van dit jaar, Alfen, Rijnberk, Meurs en Grol ingenomen, en den vijand nergens rust gelaten had, was van daar voor het sterke en onwinbaar geachte Breêvoort getogen. Noch de natuurlijke verdediging der plaats, die, door diepe moerassen omringd, alleen toegankelijk was langs een dijk, die er dwars doorheenliep, en langs een smal voetpad, noch de hardnekkigheid, waarmede een sterke, wel van krijgs- en mondbehoeften voorziene bezetting zich verdedigde, hadden Maurits doen afzien van zijn voornemen om Breêvoort te bemachtigen. Hij had er op gerekend, nog in dezen veldtocht, al de sterkten van het Oversticht, die de vijand bezat, hem te ontweldigen, eu dat gewest van het lastig verblijf van vreemde benden te zuiveren: — en hij was niet gewoon in zijn voornemen teleurgesteld te worden. Van drie kanten, te weten, van wedereinde van den dijk en over den weeken grond, de stad genaderd, had hij een hoogte weten te bemachtigen, aldaar een batterij op te richten en zoo de plaats uit twintig vuurmonden te doen beschieten. In acht dagen tijds was hij tot aan de gracht gekomen; had over deze een drijvende brug doen slaan, van kurk te zamen gesteld en die hij met ongelooflijke moeite van Doesburg had

-ocr page 95-

EMILIA VAN NASSAU.

doen aanvoeren; en had nu, over die brug, zijn krijgsvolk de stad doen binnenstormen. De bezetting was, ja, op 't kasteel geweken, doch onmiddellijk in besprek gekomen, en bad zich, behoudens 't lijf, aan de genade des overwinnaars overgegeven.

Het was op den avond van den 12den October. Binnen het kasteel van Breêvoort en daarbuiten in de stad was het een tooneel van wanorde en verwarring. Wij zeggen, in de stad; wij hadden moeten zeggen: op de puinhoopen der stad; want de huizen, voor zooverre de kogels der belegeraars die gespaard hadden, waren, na de overgave, door een toeval)i^en, noodlottigen brand vernield geworden. Bij dien brand hadden de arme burgers meerendeels nog verloren wat hun van de afpersingen, door de bezetting, en van de plundering, door de overwinnaars gepleegd, was overgebleven. En toch moeten zij nog iets hebben weten te redden: immers des daags te voren waren zij nogmaals geplunderd geworden, en zij hadden aan Olivier Van den Tempel een gouden keten ter waarde van 200 gouden kronen kunnen beloven, om door zijn voorspraak verschoond te blijven van een rantsoen van 6000 daalders, 't welk men van hen eischte, en er af te komen met een vereering van drie voederen wijns aan den Prir.s, die dan ook, met hun lot bewogen, hun brieven van sauvegarde schonk met scherp verbod van hun te misdoen, 't Kwam ongelukkig wat laat').

87

Zooals wij dan zeiden, in en om Breêvoort heerschten woeling en verwarring: des Konings troepen waren dien morgen uitgetrokken en die van de Staatsche bezetting vatteden post op 't kasteel, dat eerst door de garde van den Prins was bezet geweest. Bij de beweging, altijd onafscheidelijk van zulke verrichtingen, kwam nog het binnen de stad voeren van ammunitie, om in tijd van nood te dienen, en het daaruit voeren van onbruikbaar geschut, het omwerpen van de gemaakte bres, en het wegruimen van het puin: voorts het gedurig in- en uitloopen van Koninklijke Officieren, Drost en Rentmeester en andere op rantsoen gestelde personen, die al wie maar eenigen invloed had zochten te bewegen, de rantsoenpennin-en te verminderen, — en van de burgers, die verzoeken kwamen oen of klachten inbrengen: voege men hierbij het rumoer, dat immer plaats vindt, waar vele menschen in een klein bestek ver-eenigd zijn, het geschreeuw, getier en gevloek van officieren en soldaten in tien of twaalf verschillende talen, en men zal nog slechts

') Men wjjte de harde behandeling, die de Inwoners van Breêvoort ondergingen, niet zoozeer aan Prins Manrits, als wel aan het toenmalig recht des oorlogs, waarbij de verdediging eener plaats niet slechts aan de bezetting, maar ook aan de inwoners werd geweten, zelfs al kwam men deze laatsten — geljjk het hier heette — van den vijand verlossen. Intusschen schynt het, dat die van Brêevoort een vyandige gezindheid hadden aan den dag gelegd: althans zü werden gestren-ger behandeld dan de ingezetenen van andere in 't zelfde jaar veroverde vestingen. Ik heb het geval slechts aangehaald om te herinneren, dat de (in 't algemeen gezegende) verlossing van 't Spaansche jnk niet overal aan de landzalen geiyke stof van blydschap en dankbaarheid schonk.

-ocr page 96-

88 EMILIA VAN NASSAU.

een flauw denkbeeld hebben van het verwarde Babel, dat Breêvoort op gezegden avond vertoonde.

Maurits bevond zich op het kasteel: hij had juist geregeld, wat de gewezen Commandant Gardot, de luitenant Broekhuizen en de vendrig Boetselaar als losgeld zouden betalen, en was bezig met een pleit aan te hooren, gevoerd aan de eene zijde door den Grave Van Solms, en, aan de andere, door den Heer Van den Tempel. Êlk hunner beweerde, dat Jonkvrouw Van Broekhuizen zijn gevangene was: Solms, omdat zij door krijgsvolk van zijn regiment was gegrepen, Van den Tempel, omdat, naar zijn beweren, de Prins haar aan hem geschonken had. De twist liep hevig: want Solms was, als hem meer gebeurde, zwaar beschonken, en zijn weerpartij wilde zich niet door hem laten overschreeuwen; zoodat de Prins nauwelijks wist naar wien te hooren: terwijl zijn neef, de goede Graaf Willem Lodewijk, vruchtelooze moeite deed om het krakeel te sussen en de twistenden tot bedaren te brengen. Het was in dit oogenblik, dat een hof bediende binnenkwam en aandiende:, de Prinses Emilia van Nassau.quot;

De aankondiging dat zijn neef. Grave Herman Van den Berg, met het geheele garnizoen van Lingen in aantocht was om Breêvoort te hernemen, zou Maurits minder bewogen hebben dan de tijding van de aankomst zijner zuster. Hoe volkomen hij anders meester ware over zich zeiven, deze maar kwam hem zoo onverwacht, dat zijn wrevel, buitendien reeds opgewekt door den twist, waarvan hij

fetuige was, zich lucht gaf in den krachtigen uitroep: „is zij dol? at ontbrak er slechts aan!quot;etuige was, zich lucht gaf in den krachtigen uitroep: „is zij dol? at ontbrak er slechts aan!quot;

„Begeert uwe Excellentie, dat de Prinses zal worden binnengelaten?quot; vroeg de bediende, r,a een wijl om bescheid te hebben gewacht.

„Zij verdiende het waarachtig wel,quot; mompelde Maurits binnensmonds „als een jonge juffer ongebeden en onverwacht in een veroverde vesting komt, moet zij 't ook nemen als zij 't vindt en voor

geen klein geruchtje vervaard zijn. — Maar kom — nu zij eenmaal ier is, zullen wij ten minste partij van hare komst trekken om dit rumoer te doen ophouden. Hoort gij 't niet, vetter van Solms! mijn zuster is hier en haar maagdelijke ooren behoeven niet gekwetst te worden door uw geschreeuw. — Kort en goed, ik wil van de zaak niet meer hooren, en zoo die freule uw volk 't eerst in handen is gevallen, 'tis zeker, dat ik haar aan den overste Van den Tempel geschonken heb, gelijk mijn recht was, en dat hij dus alleen aanspraak op 't losgeld heeft. Ga nu slapen, en kom morgen bij mij, als gij wat bedaarder zijt: dan zal ik zien hoe ik de zaak weder goedmake, zoodat gij geen reden van klagen hebt. En nu — gij zult niet verlangen bij het behandelen van familie-aangelegenheden tegenwoordig te blijven: ik groet u alzoo, en u allen, mijne Heeren. — Gij blijft, vetter Lodewijk, zoo 't u belieft. — Bartel! leid nu de prinses maar binnen.quot;een klein geruchtje vervaard zijn. — Maar kom — nu zij eenmaal ier is, zullen wij ten minste partij van hare komst trekken om dit rumoer te doen ophouden. Hoort gij 't niet, vetter van Solms! mijn zuster is hier en haar maagdelijke ooren behoeven niet gekwetst te worden door uw geschreeuw. — Kort en goed, ik wil van de zaak niet meer hooren, en zoo die freule uw volk 't eerst in handen is gevallen, 'tis zeker, dat ik haar aan den overste Van den Tempel geschonken heb, gelijk mijn recht was, en dat hij dus alleen aanspraak op 't losgeld heeft. Ga nu slapen, en kom morgen bij mij, als gij wat bedaarder zijt: dan zal ik zien hoe ik de zaak weder goedmake, zoodat gij geen reden van klagen hebt. En nu — gij zult niet verlangen bij het behandelen van familie-aangelegenheden tegenwoordig te blijven: ik groet u alzoo, en u allen, mijne Heeren. — Gij blijft, vetter Lodewijk, zoo 't u belieft. — Bartel! leid nu de prinses maar binnen.quot;

Het was niet zonder tegenstribbelen, dat de Graaf Van Solms, die weinig over de gedane uitspraak tevreden was, zich bewegen

-ocr page 97-

EMILIA VAN NASSAU. 89

liet, om met de overigen het vertrek te verlaten; doch eindelijk gélukte het, en Maurits bevond zich met den Stadhouder van Friesland alleen.

„Hier komen! tegen mijn opzettelijk verbod hier komen!quot; bromde de Prins, terwijl hij, met de handen op den rug en den toorn op 't gelaat, het vertrek op- en neer liep: „Zij verdiende dat ik haar weer wegzond, zonder haar te woord te staan.quot;

„Handel zacht met haar. Vetter!'' zeide Willem Lodewijk: „bedenk, zij is een vrouw en uw zuster.quot;

„Des te erger, dat zij mijn zuster is,quot; hernam Maurits: „die betrekking zal mij nog leeds genoeg kosten: maar stil, daar is zij.quot;

Emilia trad binnen: haar oogen vlamden van spijt en de gloed der gramschap bedekte hare wangen; want zij had veel werks gehad om de stad binnen te komen: haar rijtuig was meer dan eens opgehouden geworden: de op hare komst niet voorbereide wachters hadden in 't eerst niet willen gelooven, dat zij was wie zij voorgaf te zijn en zij had zich zelfs aan beleedigingen zien blootgesteld.

„Het kost vrij wat moeite om u te genaken, Broeder!quot; zeide zij, haar hand aan Maurits toestekende.

„Gij kunt het mijn trouwen manschappen niet euvel duiden, Zuster!quot; antwoordde Maurits met koelheid en zonder de hem aangeboden hand te aanvaarden: „niemand wist dat gij komen zoudt: en gij hadt zelfs geen voorwendsel tot ontevredenheid kunnen hebben, al had men u den toegang geweigerd.quot;

Emilia begreep nu zelve, dat zij een verkeerden weg insloeg, door te klagen over onaangenaamheden, waaraan zij zich vrijwillig had blootgesteld. De koude ontvangst, die haar te beurt viel, trof haar echter diep, en nauwelijks was zij gezeten op den stoel, dien Graaf Lodewijk naar onder een hartelijk welkom had aangeschoven, of zij barstte in tranen uit.

„Gij zijt ontsteld, lieve Nicht,quot; zeide de Graaf: „wil ik roepen, dat men u wat te drinken brenge ?quot;

„'t Is niets,quot; zeide Emilia, met een bewogen stem: „ik gevoel geene behoefte: maar ik had een ander onthaal verwacht van mijn broeder.quot;

„Hoe kost ge dat verwachten?quot; vroeg Maurits, terwijl hij opeens zijne wandeling door de kamer staakte, voor haar staan bleef en haar strak in 't aangezicht zag: „gij wist te voren, dat uw bezoek mij hier ongelegen kwam: of heeft u de renbode niet ontmoet, dien ik u zond, zoodra ik bericht ontving van uw dwaze voornemen om herwaarts te komen, en die u verzoeken moest terug te keeren?quot;

„Al hadt gij mij honderd renboden gezonden,quot; zeide Emilia: „ik ware evenwel gekomen. Het duurt reeds lang genoeg, dat ik met u spreken wilde en mijn gemoed voor u uitstorten, gelijk een zuster aan een broeder doet; — en ik laat mij daarvan met langer weerhouden. Gij zijt de naaste bloedverwant, dien ik op aarde bezit, en gij moest van natuur mijn toevlucht en beschermer zijn; maar ia stede daarvan ontwijkt gij mij en wilt mij niet hooren.quot;

-ocr page 98-

EMILIA VAN NASSAU.

„Omdat,quot; zeide Maurits, „ik meer en hooger plichten te vervullen heb, dan te luisteren naar de dwaze grillen eener. .. . maar ga voort! gij zijt hier nu eenmaal. Zeg mij, wat gij mij te zeggen hebt; alhoewel ik twijfel, of gij mij veel nieuws te vertellen zult hebben.quot;

„Kom Vetter!quot; zeide Graaf Lodewijk, terwijl hij zijnen neef een armstoel toeschoof: ,ga zitten, en luister, met uw gewone bedaardheid en welwillendheid, naar hetgeen de Jonkvrouw u te zeggen heeft: gij zijt haar natuurlijke beschermer, en tot wien zal zij komen dan tot u? En gij, yaarde Nicht, schep moed; en verhaal uw broeder wat gij op 't haft hebt. Hü zal zich toegeeflijk omtrent uw vorderingen toonen, indien ze billijk zijn. Of wilt gij liever wachten met te spreken, tot ik mij verwijderd hebbe?quot;

„Neen, goede Vetter! blijf, wat ik u bidden mag,quot; zeide Emilia: „gij zijt hier in deze landen de oudste in jaren van ons Huis, en gij hebt recht, tegenwoordig te zijn, wanneer wij over iets spreken, dat de belangen van dat fluis betreft.quot;

„Ik luister,quot; zeide Maurits, nadat hij was gaan zitten, als iemand, die zijn partij genomen heeft.

„Welnu, Broeder!quot; hernam Emilia: „gij weet, dat de Prins van Portugal aanzoek gedaan heeft om mijne hand.quot;

„En gij weet,quot; zeide Maurits, die nu al zijn bedaardheid hernomen had, „wat ik aan hem, dien gij Prins van Portugal noemt, heb doen antwoorden?quot;

„Gij hebt hem doen zeggen,quot; hervatte Emilia, „dat hij eerst de wettigheid zijner geboorte had te bewijzen. Welnu! Hier is zijn verklaring op dat punt.quot;

En meteen haalde zij een brief voor den dag, dien zij in haar boezem naast haar hart had verborgen gehouden, en overhandigde dien aan Maurits.

„Voorwaar!quot; zeide deze, met een spottenden glimlach, terwijl hij het papier aan alle kanten bekeek, „ik wist niet, dat mijn zuster bijwijlen ook het ambt van bodinne waarnam. Mij dunkt. Don Ema-niiel had een voegzamer gelegenheid kunnen uitzoeken om mij zijn schrifturen te doen toekomen, dan door u. Gij hebt elkander alzoo weer ontmoet, ondanks mijn vermaan.quot;

„Lees den brief. Vetter!quot; zeide Graaf Lodewijk, dringende.

„Dat zal ik,quot; zeide Maurits: „ik heb de verklaring uitgelokt, en 't is billijk, dat ik er kennis van neme.quot; Met deze woorden brak hij het zegel los, haalde den -brief uit den omslag, en begon dien zacht te lezen.

Geen spier, die zich bewoog, noch op het gelaat van Emilia, noch op dat van den Graaf, zoo ingespannen bleven beiden op Maurits staren, ten einde don indruk gade te slaan, dien het geschrevene op hem maakte. Dan zijn gelaatstrekken bleven even onbeweeglijk als de hunne, tot hij de lezing volbracht had. Toen haalde hij de schouders even op en zag Emilia aan.

„Weet gij, wat Don Emanuel mij schrijft?quot; vroeg hij.

„Hij heeft mij alleen gezegd, dat dit geschrift zijn verantwoording

90

-ocr page 99-

EMILIA VAN NASSAU.

behelsde,quot; antwoordde zij: „den juisten inhoud heeft hij mij niet medegedeeld.quot;

„Dat wil ik voorwaar gelooven,quot; hernam Maurits, „want anders, zoo gij een greintje verstand hadt, zoudt gij u met de overbrenging van zulk een onheduidend geschrift niet belast hobben. Lees zelf, Vetter, en oordeel of dit stuk iets bewijst.quot;

Graaf Lodewijk las den brief, en nu was het tot hem, dat de schoone oogen van Emilia zich wendden. Maar ook op het gelaat van haar goeden neef vonden zij weinig troost; want hoe verder hij las, hoe meer zijn voorhoofd zich met rimpels betrok, en toen hij gedaan had, zei de hij met een zucht van goedwillig medelijden tot Emilia:

,Inderdaad, waarde Nicht! dat stuk behelst weinig, dat ter zake dient. Behalve eenige betuigingen van zijne liefde en genegenheid tot u en tot ons Huis, zie ik, dat hij op 't stuk der wettigheid van zijns vaders huwelijk, zich alleen beroept op de alsemeene bekendheid, zonder eenig bewijs of getuigenis daarvan te leveren.quot;

„En welke zoudt gij willen, dat hij voorbracht?quot; vroeg Emilia met drift: „is hij dan in staat, u de echte bescheiden te leveren, die wellicht in 't een of ander klooster in Portugal bewaard worden, zoo Koning Filips die niet heeft doen vernietigen, of getuigen voort te brengen, die dood of verre van hier zijn? Is er, in zijne omstandigheden, eenig ander of sterker bewijs te leveren, dan de algemeene bekendheid, en de handelwijze zijns vaders, die hem en zijn broeder als echte kinderen erkend en voor al de wereld heeft doen voorkomen? En is het niet veeleer aan den zoodanige, die de wettigheid hunner geboorte tegenspreekt, om zijn zeggen met gronden te staven ?quot;

„Waarlijk, schoone Nicht!quot; zeide Graaf Lodewijk, met een goedkeurenden glimlach; „gij spreekt als een rechtsgeleerde, en Mr. Pau-lus Buis l) noch Dr. Van den Nieuwburg 2) zouden 't hebben kunnen verbeteren.quot;

„Bén ding verbaast mij,quot; hernam Maurits, den brief nogmaals vluchtig doorziende: „de gansche wereld weet, volgens Don Emanuel, dat zijn vader wettig getrouwd was, en hij zelf weet niet eenmaal den naam zijner moeder te noemen. — Zij heeft toch waarschijnlijk een naam gehad.quot;

„Hij zal gewis, indien dit het eenige bezwaar is, wel in staat zijn, dien op te geven,quot; zeide Emilia, verlegen.

„Zuster!quot; zeide Maurits, „'t is jammer, dat gij niet, voor gij Den Haag verliet, in mijn kabinet zijt gegaan: daar hangende geslachtslijsten, beide van onzen vader en van onze moeder. Daar hadt gij beide kunnen bestudeeren, en kwartier voor kwartier nagaan, en dan zou het u gebleken zijn, dat niet een onzer voorvaderen, in welke

') Pensionaris van Holland, vóór Oldenbarneveldt.

a) Een bekwaam rechtsgeleerde, die 't eerst lessen Jrj de rechtswetenschap gaf aan de Academie te Leiden,

91

-ocr page 100-

92 EMILIA VAN NASSAU.

linie ook, daar vermeld staat, van wien men de echtgenoote niet kent: allen vrouwen van adellijken, de meesten van vorstelijken huize. En nu wilt gij dat op die lijst een man gevonden worde, van wiens vader men niet anders kan vermelden, dan dat hij een ver-loopen paap was, en van wiens moeder men zal moeten schrijven; onbekend.quot;

„Zijn vader was een Koning, en is als zoodanig gekroond geworden,quot; hervatte Emilia met dnffc.

„Een basterd als zijn zoon,quot; zeide Maurits; „een opgeworpen pop, van wien men zich bediend heeft om een omwenteling te beproeven, doch dien men even spoedig weer heeft laten glijden, omdat hij noch de bekwaamheid, noch den moed bezat, om zijn vermeende rechten te handhaven. Denk niet, dat zijn zoon een enkelen aan-hangeling in Portugal zou vinden, veelmin eenig vorst, die zich in zijn belang wapende. Armoede en ellende zoudt gij met hem lijden, indien ik dwaas genoeg ware, uw verliefde luimen toe te geven.quot;

„Ik ben des getroost,quot; zeide Emilia: „of wel,quot; vervolgde zij, den toon der scherts pogende aan te slaan, „gij hadt vroeger voor mij behooren te zorgen, gelijk gij voor mijn zusters hebt gedaan. — Maar gij hebt voor mij, uw lijfelijke zuster, minder zorg gedragen, dan voor haar, die u slechts van halven bedde bestonden: en daarom moet ik wel voor mij zelve zorgen.quot;

„Heb ik mij met de huwelijken uwer zusters bemoeid?quot; vroeg Maurits wrevelig: „die heeft de Princesse-Douairière altijd beschikt, en ik heb slechts, voor zooveel vereischt werd, mijn consent gegeven.quot;

„Welnu! hier wordt ook niets anders van u vereischt, dan uw consent,quot; hernam Emilia: „en zelfs dat, gelijk gij 't zoo goed als ik weet, is in den grond onnoodig, daar ik meerderjarig ben en vrij in mijne handelingen.quot;

„Dat is uw geluk,quot; zeide Maurits: „of liever uw ongeluk; want waart gij 't niet, dan zou ik reeds lang perk en toom gesteld hebben aan uw ergerlijke dwaasheden.quot;

„Waarom wordt gij nu scherp tegen elkander?quot; zeide Graaf Lo-dewijk: „die toon is niet diegeen, die tusschen broeder en zuster voegt. Spreek kalm en vriendelijk tegen haar. Vetter, en gij zult haar overtuigen, beter dan door verwijten, die tot niets leiden. En gij, lieve Nicht! stel eens een oogenbhk uw genegenheid voor dien jongen Prins — ik zal hem nu eens zoo noemen — uit uw geest, en beschouw, geheel onpartijdig, wat gij aan de eer en de waardigheid van uw Huis verschuldigd zijt.quot;

„Gij zegt het vriendelijker dan Maurits, goede Neef!quot; zeide Emilia, een droeven blik op hem slaande; „maar't komt in den grond op 't zelfde neer: en in plaats van een voorspraak vind ik in ueen tegenpartij.quot;

„Ik zou gaarne uw voorspraak zijn,quot; zeide Graaf Lodewijk, „indien die verbruide lambeel niet in des jonkmans wapen ware. Maar mag ik u ten dienste staan, wanneer ik zie, dat hetgeen gij zoekt uitloopt op uw eigen ongeluk en op de verkleining van ons Huis?quot;

-ocr page 101-

EMILTA VAN NASSAU. 93

„Gijlieden spreekt altijd van ons Huis,quot; zeide Emilia verdrietig: „gij hebt geen van beiden ooit iemand recht liefgehad.quot;

„Dat heb ik gedaan, recht vromelijk en trouw,quot; zeide de Graaf: „uw waardige zuster, Maria Anna, mijn brave vrouw, die ik niet licht zal vergeten.quot;

Emilia haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven, hoe weinig een huwelijk van conveniëntie, gelijk Lodewijk met zijn nicht had aangegaan, in vergelijking kon gebracht worden met een huwelijk uit liefde, als waar zij naar streefde.

Maurits had, gedurende de afwending, die zijn neef gemaakt had, de juistheid erkend van 't geen Emilia gezegd' had: erkend, dat hij geen bepaald recht bezat, om haar in iets te dwingen of haar iets te beletten: en, schoon hem een oogenblik de gedachte was voor den geest gekomen om haar naar Dillenburg te zenden, hij wilde zijn macht niet misbruiken om de rol van dwingeland te spelen. Aan den anderen kant wilde hij niet goedkeuren, wat hij verkeerd vond, en zoo begreep hij, zich te moeten houden aan 't geen hij vroeger gezegd had.

„Zuster!quot; zeide hij, op een toon, die minzamer klonk dan even te voren: „ik blijf, dit herhaal ik, de zaak, waar gij uw geluk in ziet, als een dwaasheid beschouwen; doch, kan men mij overtuigen dat het ongelijk aan mijne zijde is, zoo zal ik steeds bereid zijn, zulks te erkennen. Ik wil dus gaarne nader overwegen wat gij mij gezegd hebt, — alleen op één punt blijf ik vaststaan! en dat is, dat Don Emanuel zijn moeder noeme; — laat hij naar Portugal schrijven of er iemand heenzenden: ik wil hem daartoe alle ruimte van tijd gunnen: — beloof mij alleen dit, dat gij de gansche zaak zult laten rusten tot deze veldtocht afgeloopen is, en ik in Den Haag terug ben gekomen.quot;

„Nog wachten tot het einde van den veldtocht!quot; riep Emilia: „heb ik dan nog niet lang genoeg gewacht?quot;

„O!quot; zeide graaf Lodewijk, „bekommer u deswege niet: nu Breê-voort genomen is, zal de veldtocht niet lang meer duren.quot;

„En nu,quot; vervolgde Maurits, oprijzende en de hand aan zijn zuster toestekende, „laat mij u ten avondmaal geleiden en tevens zien, hoe wij u een geschikt logies bezorgen in dij; opgepropt verblijf. Tracht een blij gelaat aan te nemen, opdat onze huiselijke aangelegenheden aan mijn krijgsmakkers geen stof geven tot noodeloos gesnap; maar morgen moet gij den terugtocht weder aannemen : een legerkamp is geen verblijf voor een jonkvrouw van goeden huize.quot;

Met deze woorden, uitgesproken op een toon, die geen tegenspraak toeliet, voerde Maurits zijn zuster naar de eetzaal, en daar aan hare komst te Breêvoort een glimp gevende, dien de aanwezigen genoodzaakt waren voor goede munt aan te nemen, wist hij met dat volkomen meesterschap, welke hij doorgaans over gelaat en woorden kon uitoefenen, aan het gesprek een wending te geven van opgeruimdheid en scherts, die aan vreemden niets zou hébben doen vermoeden van de bestaande oneenigheid. Ik zeg, aan vreemden, want de minnary van Emilia was ten hove bekend genoeg, en voor man

-ocr page 102-

94 EMILIA VAN NASSATT,

nen als Duivenvoorde, Brederode, Van den Tempel, Vere en andere voorname krijgshoofden, geen geheim.

Het was niet den volgenden dag, maar ten gevolge van toevallige omstandigheden, eerst den 14Jen October, dat Emilia zich weder op reis begaf. Nog had zij een- en andermaal een poging aangewend om haar broeder tot andere gedachten te brengen; doch Maurits was de man niet om op een eenmaal genomen besluit terug te komen: en evenmin had zij goede uitkomsten gezien van hare

fesprekken met Graaf Lodewijk, die haar wel beklaagde en vrien-elijken troost zocht te geven, doch wel toonde, in den grond even weinig met de vrijage te zijn ingenomen als zijn neef.esprekken met Graaf Lodewijk, die haar wel beklaagde en vrien-elijken troost zocht te geven, doch wel toonde, in den grond even weinig met de vrijage te zijn ingenomen als zijn neef.

Met dat al, daar het antwoord van Maurits ook nu nog niet geheel afwijzend was geweest, had Emilia geen aanleiding gevonden om — gelijk haar oogmerk was geweest — te verklaren, dat zij, ook in spijt van hem, het huwelijk met Don Emanuel zou voltrekken. Nauwelijks echter zat zij in den wagen, die haar terugvoerde, of zij gevoelde er berouw over, dat zij zich dienaangaande met meer onbewimpeld had geuit; want zij zag wel in, dat er toch op de toestemming van Maurits niet te hopen viel: immers het kwam haar onzeker voor, of haar minnaar de voorwaarde zou kunnen vervullen, waarvan Maurits alle verdere overleggingen omtrent het huwelijk had afhankelijk gemaakt: en, bleef die voorwaarde onvervuld, dan viel er van haars broeders zijde niets meer te hopen. Hoe verder zij kwam, hoe meer zij de overtuiging verkreeg, dat zij op nie-mands bijstand of voorspraak moest rekenen, en hoe meer zij zich de noodzakelijkheid opdrong van zelve te handelen, een kloek besluit te nemen, en, voor de terugkomst van Maurits in Den Haag, de zaak onherstelbaar te maken.

Deze slotsom van haar overdenkingen deelde zij aan Don Emanuel mede, die haar te Leiden te gemoet kwam en haar naar de hofstad vergezelde: en nu werd tusschen hen beiden overeengekomen, gevolg te geven aan dat overijld en noodlottig besluit, 't welk haar op zooveel verdriet en lijden zou komen te staan.

Het was op den avond van den 9den November, dat er aan de deur werd geklopt van een ouden Priester, die in een der meest afgelegen buurten van Den Haag bij stille lieden van 't oude geloof binnenshuis woonde. Öe goede man, de deur ontsloten hebbende, zag een onbekende, dicht, in een mantel gewikkeld, die hem meldde dat zijn komst onverwijld werd vereischt bij iemand, die dringende behoefte had aan zijn diensten. De Priester, wanende, dat er iemand op zijn sterfbed lag, dien hij in 't uiterst zou hebben bij te staan, haastte zich, zich van 't noodige te voorzien, en, insgelijks een mantel omslaande, volgde hij zijn geleider door de donkere straten der hofstad. Wel poogde hij onderweg van dezen eenige inlichtingen te ontvangen aangaande den persoon, dien zij bezoeken gingen, zijn kwaal en toestand, doch de andere gaf hieromtrent geene of onvoldoende antwoorden en vergenoegde zich met den Priester te verzekeren, dat hij zich de moeite, die hij nam, niet beklagen zoude. Doch niet gering was de verbazing des geestelijken, toen hij bespeurde.

-ocr page 103-

EMILIA VAN NASSATT. 95

dat de onbekende, met hem het Binnenhof opgaande, aldaar aanklopte aan eene der deuren van des Prinsen verblijf, die terstond ontsloten werd.

„Vriend!quot; zeide hij, op den drempel blijvende staan: „is het ernst, en kan het zijn, dat men aan het hof van den Prins een Katholieken geestelijke noodig heeft?quot;

„Bekommer u des niet,quot; antwoordde zijn leidsman: „u zal niet het minste leed geschieden; maar integendeel uw tijdverlies ruim vergolden worden. Volg mij slechts.quot;

En, den weg wijzende, bracht hij den grijsaard door een flauw verlichte gang naar een achtertrap, die hij hera liet opstijgen, en van daar naar de deur van een binnenvertrek, waar hij aantikte. Ook hier scheen men op zijn komst voorbereid, althans de deur werd dadelijk geopend en de Priester nu in een vertrek gelaten, waarbinnen zich, behalve de bediende, die op de deur paste, een drietal hem geheel onbekende meuschen bevond.

„'t Is wel!quot; zeide de leidsman des Priesters, na de aanwezigen even te hebben gegroet: „allen, die ontboden waren, zijn er, en ik ga er bericht van geven.quot;

„Maar de zieke?quot; vroeg de Priester, hem bij den mantel vasthoudende.

„Toef slechts een oogenblik,quot; antwoordde de andere: „ik ga u aanmelden,quot; en meteen verwijderde hij zich, terwijl de bediende zich, op zijn last, buiten de deur begaf.

De Priester zag de omstanders aan, en dezen hem, en zoo bleven zij een wijl zwijgend voor elkander staan. Eindelijk vatte een hunner, die Hofmeester was van den Grave van Egmond, het woord op, en vroeg:

„Zoude een uwer mij ook kunnen zeggen, mijne Heeren! wat wij hier komen uitrichten?quot;

De drie anderen aarzelden een oogenblik om te antwoorden: en de Priester althans wachtte zich wel, te zeggen, met welk doel hij gekomen was, onbewust, of de aanwezigen mochten weten, welk ambt hij bekleedde. Een der overigen, een verminkt officier van de lersche troepen, met een paar vervaarlijke knevels, gaf ten laatste in gebroken Neerduitsch te kennen, dat hij evenmin van de zaak iets begreep, als hij die de vraag gedaan had.

„Ik sat in de public house,quot; zeide hij, „daar came een serjent fan de laife gaarde in, een kennis fan mij: en seide tot mij: kom met, pij Kot! daer is good money te fordienen, pij Kot! en plenty fan eet en fan trink: en zoo pin ik come met: en he has bracht mij hier: en is weer fertrok — en zoo pin ik hier, pij Kot!quot;

„Ik geloof,quot; zeide de derde der genoodigden, die een kamerdienaar was van den Franschen Gezant, „dat wij ons hier in een der vertrekken bevinden, dat tot het gedeelte van het Hof behoort, 't welk door de Prinsessen wordt bewoond.quot;

„Er is geene der Prinsessen meer hier, dan Prinses Emilia,quot; hernam de Hofmeester van den Grave van Egmond, — „en ik kan toch niet denken, dat die onze diensten zou kunnen behoeven; — doch stilte,

-ocr page 104-

96 EMTLIA VAlf NASSAÜ.

Messieurs! wij zullen weldra meer hooren: want daar gaat de tus-schendeur open.quot;

En inderdaad, dezelfde geheimzinnige onbekende, die des Priesters leidsman geweest, en niemand anders was dan de kamerdienaar der Prinses, vertoonde zich nu aan een deur, die gemeenschap had met de binnenvertrekken, en welke hij geheel openzette: waarop onmiddellijk Emilia volgde, aan de hand van Don Emanuel. De jon^e Vorstin was geheel in 't wit, doch zonder eenig tooisel of opschik buiten een sluier van fijne Mechelsche kant, die haar het hoofd bedekte en langs beide schouders afhing. Zoodra zij binnen was gekomen, werd de deur weder achter haar gesloten.

Zij zag een oogenblik rond, om zich te verzekeren, dat geene andere dan de lieden, die zij ontboden had, tegenwoordig waren, en, zich toen tot haar kamerdienaar wendende:

„Folpert!quot; zeide zij: „is die oude man daar de Priester, dien ik u gelast heb te doen komen?quot;

De kamerdienaar boog toestemmend, en nu vervolgde Emilia tot den Priester, die van angst en verlegenheid niet wist, hoe hii zich houden zou:

„Kom nader, vrome Heer! Gij zijt hier geroepen om een echtverbintenis in te zegenen tusschen den Prins van Portugal, hier tegenwoordig, en mij.quot;

De Ier, de hofmeester en de Fransche kamerdienaar zagen elkander met stomme verbazing aan; doch de arme geestelijke was halfdood van schrik.

„Verschoon mij, uwe Vorstelijke Genade!quot; zeide hij: „ik durf zoo iete niet te verrichten. Uwe Genade weet het misschien niet; maar er zijn plakkaten van de Heeren Staten, die het inzegenen zonder behoorlijke formaliteiten van dergelijke huwelijken tusschen Katholieken en Protestanten, aan den geestelijke, die er zijn dienst toe verleend heeft, met lijfstraf doen boeten.quot;

„Ik neem u in mijn hoede,quot; zeide de Prinses, „en zal u voor al de gevolgen vriiwaren.quot;

„Bedenk toch. Uwe Genade!quot; vervolgde de bevende grijsaard, „zijne Excellentie is een fel heer, en zal het mij wijten.quot;

„Ik zal het gansche gewicht van zijn toorn op mij nemen,quot; antwoordde Emilia, „en u verschoonen, ingeval — wat ik nimmer geloof — zijn gramschap op u afdaalde.quot;

„Maar ik heb mijn gewaad niet,quot; hernam de Priester: „noch hetgeen noodwendig vereischt wordt om een plechtigheid als deze te vieren.quot;

„Ik neem geen verontschuldigingen aan,quot; zeide Emilia, op een vasten toon: „het moet nu geschieden of nooit: en op het verzuim van een enkelen vorm meer zal het wel niet aankomen.quot;

De oude man zag zich alzoo, ondanks zijn tegenstribbelen, wel genoodzaakt, aan den zoo stellig uitgedrukten wensch der Vorstin te voldoen, en de plechtigheid werd m tegenwoordigheid van haar kamerdienaar en de drie ontboden personen, als getuigen, schoon dan ook met verwaarloozing der meest gebruikelijke vormen, naar het rituaal der Roomscbe Kerk voltrokken: terwijl de gewene beloften

-ocr page 105-

EHILIA VAN NASSAU. 97

den Prins in 't Latijn en der Prinses in 't Neerduitsoh werden voorgelezen en op dezelfde wijze door hen afgelegd. Toen verwijderden zich de getuigen, gelijk zij gekomen waren, nadat Folpert aan elk hunner, namens de Prinses, een ruim drinkgeld had ter hand gesteld. De geestelijke ontving insgelijks een goede belooning en een fraaien ring bovendien tot een gedachtenis, waarna hij het hof verliet op een even bedekte wijze als hij gekomen was. Hij achtte zich echter na het gebeurde niet langer veilig in Den Haag en begaf zich naar Amsterdam, waar hij zich schuilhield bij een zijner geloofsgenooten, tot de bui, die hij duchtte, was overgewaaid.

Aan de getuigen bij deze overijlde trouwplechtigheid was geen stilzwijgen opgelegd, en het was ook geenszins het doel der gelieven, de zaak geheim te houden. Integendeel zonden zij onmiddellijk een brief aan de Staten-Generaal, waarbij zij hun kennis gaven van het-

f-^en had plaats gehad, met bijvoeging, dat, zoo de dienst van een atholieken Priester was ingeroepen geworden, zulks geschied was, eensdeels, omdat de huwelijken, die anders dan door een Priester gesloten zijn, door de Roomsch-Katholieken voor onwettig worden gehouden en ten andere, om aan de kinderen, die zij krijgen mochten, hun aanspraak op de kroon van Portugal niet te doen verliezen.-^en had plaats gehad, met bijvoeging, dat, zoo de dienst van een atholieken Priester was ingeroepen geworden, zulks geschied was, eensdeels, omdat de huwelijken, die anders dan door een Priester gesloten zijn, door de Roomsch-Katholieken voor onwettig worden gehouden en ten andere, om aan de kinderen, die zij krijgen mochten, hun aanspraak op de kroon van Portugal niet te doen verliezen.

Men kan beseften, welke verbazing en verontwaardiging deze mede-deeling bij de leden der Staten-Generaal veroorzaakte. De afwezigheid van 'Prins Maurits bracht niet weinig toe om de verlegenheid te vermeerderen, waarin zij door deze rassche daad der Prinses waren gebracht. Intusschen zij begrepen, dat er iets diende verricht te worden en zoo committeerden zij drie hunner, namelijk Dr. Engelbert Van der Burch, Burgemeester van Arnhem, Arend Duyck De Joode, en Jan Rengers Ten Helm, om, met den Griffier, een nader onderzoek in te stellen.

De Gecommitteerden, zich naar het hof des Prinsen begeven hebbende, lieten aldaar Don Emanuel op een kamer van zijn Excellentie voor zich verschijnen, en begonnen met hem af te vragen, hoe hij zich had durven verstouten, een dergelijk huwelijk aan te gaan, zonder alvorens de toestemming te hebben bekomen, 't zij van zijn Exellentie, 't zij van de Heeren Staten-Generaal. Don Emanuel bracht hierop ter zijner vèrschooning in, vooreerst den uitdrukkelijken wil van Prinses Emilia, die 't aldus begeerd had, en ten andere, zijn onbekendheid met de wetten des lands, waaraan het alleen te wijten was. dat hij, zonder het te willen of te bedoelen, wellicht in eenig punt misdaan had.

„Wij willen eens aannemen,'' zeide toen Van der Burch, „al klinkt het ons vrij onwaarschijnlijk in 't oor, dat gij niet nagedacht hebt over de verplichtingen, die op de Prinses en ook op u rusten, zoo jegens zijn Excellentie als jegens ons; maar gewis hebt gij nagedacht over de toekomst. — Gij wist, dat een echt als deze, naar allen schijn, zoo aan de Prinses als aan u, al de voordeden ontnemen moest, die tot heden door u beiden zoo vanwege zijn Excellentie als van onzentwege genoten werden. En op welke wijze meent gij dan, gij, die zonder land of goed zijt, een vorstelijke eóhtgenoote naar haren rang en staat te onderhouden?quot; B. w. V. T

-ocr page 106-

EMILIA VAN NASSAU.

Deze vraag maakte Don Emanuel niet weinig verlegen. Wel had hij de Prinses lief, maar toch minder welkom was hem het denkbeeld, 'twelk nu zoo levendig bij hem werd opgewekt, dat hij wellicht met haar armoede zou moeten lijden; en daarvoor althans had hij haar niet getrouwd. De zaak lag er echter toe, en hij moest in de gegeven omstandigheden althans een goed figuur zien te maken. Na eenige aarzeling antwoordde hij alzoo, op een toon, die niet zonder waardigheid was:

«Mijne Heeren! ik heb de Prinses getrouwd, niet uit hoop van eenig voordeel, maar ten gevolge der oprechte genegenheid, die ik voor haar gevoel, en zoo ik haar geen staat kan doen houden overeenkomstig hare en mijne geboorte, ik hoop, dat mijne oprechte liefde haar dit vergoeden zal. De middelen, die ik bezit, hoe gering ook, zullen toereikend zijn, om haar althans voor nooddruft te behoeden.quot;

„Het is een slecht bewijs van liefde, dat gij haar gegeven hebt,quot; zeide Van der Burch, „dat gij hebt medegewerkt om haar een stap te laten doen, waardoor zij alle schitterende vooruitzichten voor zich gesloten ziet en ternauwernood voor gebrek wordt gevrijwaard.quot;

„Indien geen andere toevlucht mij overblijft,quot; hernam Don Emanuel, „dan is er nog een middel, waardoor ik mij en de mijnen een onbezorgde toekomst verzekeren kan. Ik heb slechts den Koning van Spanje aan te zeggen, dat ik afzie van mijn aanspraak op de kroon van Portugal, en ik houd mij overtuigd, dat hij mij gaarne, ter erkenning daarvan, een jaarwedde geven zal, ruim genoeg om mijn verdere levensdagen in ruimte en genot te slijten.quot;

De gloed der verontwaardiging steeg den Staatsleden op 't gelaat, toen zij deze taal vernamen. — „Hoe, mijn Heer!quot; riep Van der Burch: „gij wilt dat een Prinses van Nassau, een dochter van Prins Willem, aan Koning Filips haar onderhoud zal hebben te danken? Zijt gij dan zulk een vreemdeling in de geschiedenis van dit Land en van dit Huis, waar gij u aan vermaagschapt hebt, om niet te weten, dat diezelfde Filips den vader uwer vrouw heeft doen vermoorden? En, dit wetende, zijt gij dan zoodanig van eergevoel ontbloot, dat gij haar de gunsten van den dwingeland met de moordenaars haars vaders wilt doen deel en?quot;

„Mijne Heeren!quot; zeide Don Emanuel, zich op de lippen bijtende: „zoodra gij mij in mijn eer beleedigt, heb ik niets meer te zeggen. Ik heb u geantwoord als aan de Overheid van deze Landen, en u de ophelderingen gegeven, die gij vraagdet; maar ik ken u noch iemand het recht toe om mij te hoonen, of over mijne handelingen oordeel te vellen. Gij hebt de macht in handen; ik heb niets dan de rechten, die mij mijn huwelijk geeft, en deze zal ik laten gelden.quot;

Onder 't uitspreken dezer laatste woorden boog hij zich, wendde zich snel om en verliet het vertrek.

„Pas op!quot; zeide Rengers: „hij gaat weer naar de Prinses toe.quot;

„Daar is voor gezorgd,quot; antwoordde Van der Burch: „ik heb wachten voor haar vertrek gezet, met last om hem den toegang te weigeren. Ik zie wel, dat met dezen kwant niets aan te vangen is:

98

-ocr page 107-

EMILIA VAN NASSAU.

wij zullen ons nu naar de Prinses dienen te begeven, ofschoon ik van haar nog minder volgzaamheid wacht. Een netelige zaak, mijne Heeren!quot;

En werkelijk gingen zij naar Emilia; maar Don Emanuel was hen reeds voorgekomen. Rengers had juist geraden. Er bevonden zich wel een paar hellebaardiers voor de deur, die tot de vertrekken der Prinses geleidde, maar die deur, welke van buiten niet gesloten kon worden, stond open, en Emilia zelve in 't woonvertrek, met angstig ongeduld verbeidende, wat de uitslag zou wezen van het gesprek baars geliefden met de Gecommitteerden, wier komst ten hove haar gemeld was geweest. Toen Don Emanuel nu aan de deur verscheen, kruisten de wachters wel hun hellebaarden, doch, eer zij er op verdacht waren, was de rappe jongeling, met een vluggen sprong, er overheen en in de armen zijner beminde gevlogen; terwijl de deur onmiddellijk voor de neuzen der overblufte hellebaardiers werd dichtgeslagen. Met een vrij benauwd gelaat verontschuldigden zij zich bij de Gecommitteerden, die een oogenblik later verschenen, en, aankloppende, toegang bij de Prinses verlangden. Zij vonden haar, nog op dezelfde plaats staande en met Don Emanuel aan haar hart geklemd.

„Gij kunt doen wat u goeddunkt, mijne Heeren!quot; riep zij hun toe, terwijl zij binnentraden: „maar hier is mijn getrouwde en echte man, wien ik om lief noch leed verlaten zal. Geen menschen zullen scheiden wat God vereenigd heeft.quot;

De Gecommitteerden zagen elkander aan, haalden de schouders op, en wendden toen beurtelings pogingen aan om der Prinses het verkeerde van haar handelwijze onder 't oog te brengen, maar alles vergeefs; want tegen één woord, dat zij zeiden, had Emilia er dadelijk honderd gereed, en met die welbespraaktheid, welke iedere vrouw, en vooral een verliefde vrouw bezit, en voor welke alle mannenwelsprekendheid de vlag moet strijken, bracht zij hen telkens tot zwijgen, terwijl zij al dien tijd haar echtgenoot omarmd bleef houden, als vreesde zij, dat men haar dien zoude ontrukken.

sr Burch, ziende, dat alle verdere redekaveling onnut was: „de zaak ligt er toe, en wij kunnen niet ongedaan maken wat gedaan is; wij hebben dus slechts een verzoek aan Uwe Genade.quot;

„En dat is?quot; vroeg Emilia, eenigszins tot bedaren gebracht door den mil den toon, waarop de Afgevaardigde sprak.

„Wij wenschen,quot; hernam deze, „de verdere beslissing in dezen aan zijn Excellentie over te laten: zijn Excellentie wordt dagelijks hier terugverwacht, en nu geve ik Uwer Genade in bedenking, of het niet beter is, ter vermijding van alle opspraak en gesnap, dat de Prins van Portugal tot zoolang zich onthoude van hier ten hove te verschijnen.quot;

„Hij is mijn gemaal,quot; zeide Emilia, „en----quot;

„Met verlof van Uwe Genade,quot; viel haar Van der Burch in de rede: „omtrent dat punt moet ik nog eanige ophelderingen vragen.quot;

99

-ocr page 108-

100 EMILIA VAN NASSAU.

En te gelijk, Don Emanuel ter zijde nemende, fluisterde hij hem eenige woorden in 't oor. — Wat hij hem vroeg, staat bij Bor te lezen. Doch wij zijn niet meer in de dagen van Bor, toen men maar zoo alles onbeschroomd en onbewimpeld nederschreef, en juist omdat Van der Burch de vraag fluisterend deed, willen wij niet zoo onbescheiden wezen, van 's mans woorden in openbaren geschrifte te herhalen. Genoeg zij het, dat Don Emanuel geen ander antwoord af, dan door het hoofd te schudden: welke ontkentenis aan Van er Burch echter in weerspraak scheen te iija met den glimlach, die om 's jonkmans mond speelde: althans de Gecommitteerde keek bedenkelijk en voegde toen, halfluid hem toe: „wij zullen dan zorg dragen, dat er vooreerst geene gelegenheid toe zij.

Hij was voor 't minst geslaagd, de gelieven van elkander verwijderd te hebben, en nu, zijn hand op den arm van Don Emanuel leggende, zeide hij. op vasten toon, tegen de Prinses:

„Mevrouw! de Prins Van Portugal gaat met ons; de heeren Staten zullen te beslissen hebben, waar hij vooreerst zijn verblijf zal houden. Uwe Genade zal te verstandig zijn om zich te verzetten tegen een maatregel, dien de welvoeglijkheid gebiedt; en ongaarne zouden wij geweld doen bezigen, waar wij op uwe inschikkelijkheid rekenen.quot;

Emilia verbleekte bij het hooren dezer woorden: maar zij bood geen wederstand meer. Zij kende de macht der Staten; zij besefte, dat hetgeen hun Afgevaardigde zeide, in zijnen mond geen ijdele bedreiging was; de overspanning, die haar tot nog toe woorden en krachten had doen vinden, hield op: zij voelde zich de knieën onder 't lijf knikken en zij tastte met de hand naar een stoel om niet te vallen. Rengers schoof haar haastig eey zetel toe, waarop zij weenende nedergleed, terwijl Van der Burc'n haastig Don Emanuel in 't oor blies:

„Kom, mijn Heer! toon een man te zijn: bespaar ons het aanhoo-ren van vruchteloos gejammer, en aan de Pr inses een afscheid, dat alleen kan strekken om, zonder eenig nut, haar aandoeningen op te wekken.quot;

De Griffier was inmiddels eene der vrorxWen van jg Prinses gaan roepen en terwijl deze, haastig toegeschr jten zijn(je; aan haar meesteres de vereischte hulp toebracht, very rijderden zich de Gecommitteerden met Don Emanuel. Zonder verzuim werden nu gepaste middelen in 't werk gesteld, om dezr jn te beletten, verder ten hove te verschijnen. Hierbij bleef het ni'jt. de Staten, beducht dat Mau-rits, bij zijn terugkomst, m de eerr jte 0pWelling van drift, zijn toom op een te gevoelige wijze aan IV jjj Emanuel zou doen ondervinden, lieten dezen aanzeggen, dat h? i z[jn eigen belang, Den Haag verlaten moest en zich begev en binnen Dordrecht, Den Briel of Schiedam, naar zijn keuze. ry0n Emanuel, den schijn niet willende aannemen, alsof hij vrijwil) jg |je stad verliet, gat ten antwoord, dat de Staten zeiven de r^jaatg giechts hadden te noemen, waar zij verkozen, dat hij zich /jeen zou begeven» Zij wezen hem hierop Schiedam tot verblijf ar^ ^t^lden zich borg voor de schulden, die

-ocr page 109-

EMILIA VAN NASSAU. 101

hij in Den Haag gemaakt had, en stonden hem f 150 's weeks toe ter zijner vertering.

Den 19lm November kwam Prins Maurits, die inmiddels Ootmar-sum, Enschede, Oldenzaal en Lingen veroverd had, in Den Haag terug. Reeds was hem het gerucht ter oore gekomen van den staj), door zijn zuster gedaan; en, zonder deze te willen zien, deed hij haar dadelijk na zijn komst aanzeggen, dat zij onverwijld Den Haag had te ruimen, en zich naar het Hof te Delft begeven; 't welk zij wel aannam te doen; doch uithoofde van ongesteldheid eerst twee dagen later volvoerde. De Prins was intussohen verbleven in 't Hof der Prinsesse-weduwe in 't Noordeinde, en had geweigerd zijn verblijf te betrekken of er zelfs te komen, zoolang zijn zuster daar vertoefde.

In Delft werd Emilia naar haren staat ontvangen en van al het noodige verzorgd. Zij bleef echter krank en deed in haar ziekte niet clan kermen en jammeren en haar begeerte toonen om haar zwager, den Grave Van Hohenlo, te spreken, die, naar zij beweerde, haar wel zou voorstaan bij den Prins en bij de Staten. Hieruit leidden sommigen af, dat zij op diens raad, of althans met diens voorweten gehandeld had; waaraan echter niets was, gelijk gemelde Graaf later ook plechtig betuigde. Intusschen werd zij al zwakker en zwakker: en geen wonder! want, sedert de Prins Van Portugal uit Den Haag vertrokken was, had zij geweigerd, het noodige voedsel te gebruiken. Men had in den beginne deze weigering niet anders beschouwd dan als een gril, die ras zou voorbijgaan en voor het gevoel van behoefte wijken. Doch ook toen zij te Delft was, bleef zij volstandig bij haar besluit, en geen vermaningen noch smeekingen van dienaars of geneesheeren waren in staat haar te overreden, eenige spijs tot zich te nemen.

De vrees, dat de verliefde Prinses zich werkelijk zou laten doodhongeren, begon in 't einde zoo haar broeder als de leden der Staten-Generaal te bekruipen: en ongaarne wilde een hunner den blaam op zich geladen zien van medegewerkt te hebben tot den dood eener telg uit het Vorstenhuis. In deze verlegenheid besloten zij hunne toevlucht te nemen tot Johannes Van Heurn of Heurnius, Professor in de medicijnen aan de Universiteit te Leiden, die niet slechts als een deskundig geneesheer bekend stond, maar ook als een man van uitstekende schranderheid in 't aanwenden van gepaste geneesmiddelen naar den aard der ziekte en 't karakter des lijders. Hij werd verzocht, zich naar de Prinses te begeven en zijn beste pogingen aan te wenden om haar tot verstandiger inzichten te brengen.

Naar Delft gereisd en bij Emilia toegelaten, ontvouwde de geleerde zijn last, en begon met haar, op zachten, deelnemenden toon, het misdadige van hare handelwijs voor oogen te stellen, en het leed, dat haar noodlottig besluit, om geen spijs te nemen, bij hare vrienden en hoogschatters, ja bij de geheele Natie had opgewekt. Doch, hoezeer zij met aandachtige beleefdheid naar 's mans woorden luisterde, zij had reeds te meermalen dergelijke vertoogen gehoord om er niet

-ocr page 110-

102 EMILIA VAN NASSAU.

tegen gewapend te zijn en zij volhardde bij haar verklaring, dat, sedert de dwang van haar broeder en van de Staten haar alle uitzicht op geluk ontnam, zij den dood verkoos boven een leven buiten het voorwerp van haar liefde.

Heurnius liet zich echter zoo licht niet uit het veld slaan: ,Mevrouw!quot; zeide hij, het hoofd schuddende met een minzamen lach, die niet geheel vrij was van schalkschheid; „Uwe Genade is te verstandig om niet te begrijpen, dat zij zich zelve nu meer kwaad doet, dan zijn Excellentie of de Heeren Staten haar ooit berokkend hebben. Zij mogen u thans van uw lief gescheiden hebben; maar zoolang er leven is, is er nog hoop op vereeniging; en wanneer Uwe Genade zich zelve moedwillig den dood bezorgt, dan is die hoop uit. — Doch dat wil ik aan de verdere overdenkingen van Uwe Genade overlaten. Ik wil nu eens van mij zeiven spreken, en Uwe Genade onder 't oog brengen, hoe zij, door eenige spijs en drank te nuttigen, mij, haren dienaar, groote eer en voordeel zoude toebrengen.quot;

,U, Heer Dokter!quot; vroeg Emilia, verwonderd opziende: „hoe zoude daaruit voordeel of eer voor u kunnen ontstaan?quot;

„Ziedaar wat ik Uwe Genade zal ophelderen,quot; antwoordde Heurnius, innerlijk tevreden, dat hij hare nieuwsgierigheid had opgewekt: „er bestaat een algemeen dwaalbegrip bij de menschen, dat de verliefdheid een krankheid, ja een soort van razernij is, die noch door goeden raad, noch door medicijnen, noch door leefregelen, in 't kort, op geenerlei wijze, te genezen of te verhelpen is. Zoo Uwe Genade nu mijnen raad wilde volgen, en, door het aanwenden van gepaste middelen, haar vorige gezondheid, vroolijkheid en sterkte terugbekwam, zoo zouden de heden erkennen, hoe valsch en verkeerd het genoemde begrip ware, en ik voor mij zoude eene groote vermaardheid bekomen, en goede winsten maken: immers allen, die met liefde bevangen waren, zouden tot mij komen en van mij geholpen willen worden: — en al die naar mijnen raad luisterde zou ik ook genezen.quot;

In spijt van haar ziekte, zwakheid en verdriet, kon de Prinses niet nalaten te lachen over deze redeneering des hoogleeraars. „Heer Dokter!quot; zeide zij toen: „ik geloof, dat gij de waarheid spreekt: maar mijn ziekte kan niemand genezen dan de Prins Van Portugal, mijn getrouwde man, dien men mij tegen recht, reden en met de grootste tirannie van de wereld onthoudt. Ik ben een vrije dochter, tot mijn jaren gekomen en aan niemand onderworpen, en heb een keuze gedaan, waardoor ik de waardigheid van mijn Huis niet te kort doe. Is Don Emanuel een heer zonder geld, ik ben daarmede tevreden, en zal mij in een bekrompen staat voegen, totdat God het anders schikt: zoo niet, ik zal geduld gebruiken.quot;

„En om geduld te gebruiken, een versterkende potage nemen, met wat tweebak, in goeden Spaanschen wijn gedoopt,quot; zeide Heurnius

„Ten uwen gevalle zal ik zuks doen. Heer Dokter!quot; zeide Emilia: ,ik zal nemen, wat gij mij voorschrijft en de komst van zijn Excel-

-ocr page 111-

EMILIA VAN NASSAU.

lentie afwachten, om te zien, of hij jegens mij een broeder of een tiran zal willen zijn.quot;

Hiermede had nu wel de hoogleeraar zijn oogmerk bereikt en kon hij goede rapporten terugbrengen aan de Staten-Generaal; doch hij mocht hun tevens niet verbergen, dat, wat de zaak van het huwelijk betrof, de Prinses steeds even vast op haar stuk bleef staan. De leden der Staten raadpleegden nu den Prins; doch deze, niet ten onrechte gebelgd, verklaarde, nimmer te zullen gedoogen, dat een zuster van hem zich in de Nederlanden vertoonde als gade van een Portugeeschen basterd. Het gevolg dier verklaring was, dat de reeds vroeger genoemde leden der Staten opnieuw met den Griffier gecommitteerd werden, en wel om naar Schiedam te gaan, en den Prins Van Portugal aan te zeggen, dat hij, zoowel als zijn broeder Don Christoval, de Nederlanden had te ruimen.

Nu trof het, dat, toen de Gecommitteerden te Schiedam het rijtuig uitstegen, Don Christoval, die zijn broeder gezelschap was komen houden, zich juist aan de herberg bevond, waar zij afstapten; en, vermoedende dat hun komst Don Emanuel gold, haastte hij zich om zich ongemerkt weg te spoeden en hem van hun komst te verwittigen.

,Dr. Van der Burch en zijn medegecommitteerden!quot; riep Don Emanuel, geheel verslagen: „en ik weet niet, wat zij mij te zeggen hebben, noch heb tijd de prinses te raadplegen. — Luister eens, Christoval! gij moet mij helpen. — Eerst zullen wij vernemen, wat zij willen, en inmiddels tijd zien te winnen. Maar roep mijn kamerdienaar hier, en zorg, dat niemand der huisgenooten met de Gecommitteerden spreke. Ik ben krank, verstaat gij?quot;

Inderdaad, toen kort daarna Dr. Van der Burch en zijn ambtge-nooten zich aan het verblijf des Prinsen vertoonden, ontving hen Don Christoval aan de deur, die hun met een bedrukt gelaat verhaalde, hoe zijn broeder reeds sedert verscheidene dagen bedlegerig en in zorgvollen toestand was.

De Gecommitteerden, die zich desniettemin van hun last wilden kwijten, volgden den jongeling naar het slaapvertrek van Don Emanuel, waar deze op zijn bed lag uitgestrekt, met zijn kamerdienaar daarnaast bezig om hem een verwarmenden drank te bereiden. De blinden waren dicht, en daar het buitendien December was, en een betrokken lucht, was er van de gelaatstrekken des gewaanden zieken nauwelijks iets te onderscheiden.

„Het smart ons, u zoo ongesteld aan te treffen,quot; zeide Van der Burch, terwijl hij zich aan het voeteneinde van het ledikant nederzette: „wij hadden geen bericht van uw ziekte ontvangen: anders ware het bevel der Heeren Staten, dat wij belast zijn u mede te deelen, gewis zoo stellig niet geweest.quot;

„En wat is dat bevel?quot; vroeg Don Emanuel, met een zwakke stem, en het hoofd naar den muur gewend.

„Hun wil is,quot; antwoordde Van der Burch, „dat gij onmiddellijk deze stad niet alleen, maar zelfs het grondgebied der vereenigde Gewesten zult ruimen; — gij en uw broeder.quot;

.Helaas!quot; hernam Don Emanuel: „gij zult niet lang meer last van mij

103

-ocr page 112-

104 EaiLIA VAN NASSATT.

hebben. — Ja, ik zal weldra deze Gewesten verlaten, maar voor hoo-gere en betere, waar ik met mijn welbeminde vrouw zal vereenigd zijn.quot;

„Wat bedoelt gij?quot; vroeg Van der Burch, verbaasd.

„Vruchteloos zoekt gij net voor mij te verbergen,quot; hervatte Don Emanuel: „mijn lieve Emilia is niet meer, zij is gevallen als het slachtoffer van uw en haars broeders dwingelandij. — Maar ik zal haar volgen en deze herberg niet verlaten dan om naar mijn graf te gaan.quot;

„Wie heeft u verhaald, dat de Prinses zou overleden zijn?quot; vroeg Van der Burch: „wij kunnen u integendeel verzekeren, dat zij beter en op den weg tot volkomen herstel is.quot;

„Praatjes, waarmede gij mij opbeuren en troosten wilt,quot; hernam Don Emanuel: „ik ben te zeker onderricht, dat zij van honger is omgekomen, en ik wil haar voorbeeld volgen.quot;

De Gecommitteerden zagen elkander verbaasd aan; doch vruchteloos was het, dat zij tijd en woorden verspilden om den zieke van zijn opvatting terug te doen komen: hij bleef volharden, dat zijn berichten echt waren, en dat niets hem zou weerhouden van gevolg te geven aan zijn besluit. Eindelijk namen zij hun afscheid, met toezegging van den volgenden dag terug te zullen komen: terwijl zij, het vertrek verlaten nebbende, aan Don Christoval, die hun uitgeleide deed, lieten beloven, toch alle mogelijke moeite aan te wen-dep om zijn broeder van zijn dwaling te overtuigen en tot betere gedachten te brengen.

Zoodra zij het huis verlaten hadden, haastte zich Don Christoval naar boven, waar hij zijn broeder reeds half uit het bed vond, bezig zich weder aan te kleeden.

„Zij zijn beetgenomen,quot; riep deze hem toe, zoodra hij hem zag,— „en weten niet hoe zij zich houden zullen. — Waarlijk, die waanwijze getabberde heeren te kwellen en in onrust te brengen, is nog het eenige genoegen, dat mij overblijft. Maar nu moet gij mij een dienst doen, Christoval! stijg ijlings te paard, rijd naar Delft, en zie, dat gij Emilia te spreken krijgt. Deel haar het bevel der Staten mede en hoor, wat zij mij aanraadt. Wij moeten in dezen niets zonder haar medeweten en goedkeuring doen.quot;

De jongeling haastte zich om aan het verzoek zijns broeders te voldoen, en, Schiedam tegen het vallen der duisternis verlaten hebbende, was hij dienzelfden avond weder terug. Hij had de Prinses gesproken en Don Emanuel wist nu waar zich aan te houden. Toen den volgenden morgen de Gedeputeerden hun bezoek hernieuwden, vonden zij hem in zijn bed opzittende, en schijnbaar beter.

„Ik bid u om verschooning, mijne Heeren!quot; voegde hij hun toe, zoodra zij gezeten waren, „wegens mijne woorden van gisteren. Ik heb, bij nader inzien, begrepen, dat achtbare mannen, als gij zijt, der waarheid niet te kort zullen doen. Ik wil alzoo gelooven wat gij mij zegt aangaande de herstelling der Prinses, en gewis zullen de blijde berichten, die gij mij gaaft, niet weinig toebrengen, om mij insgelijks spoedig mijn vorige gezondheid te doen herkrijgen.quot;

„Het verheugt ons zeer, u zoo verstandig en welgemoed te zien,quot; zeide Van der Burch.

-ocr page 113-

EMILIA VA?t SASSAti. 105

,Ik heb,quot; vervolgde Don Emanuel, „hier te veel gastvrijheid en weldaden ontvangen, om niet al mijn leven een dienaar van de Heeren Staten te blijven en zal dus getrouw de bevelen nakomen, die zij mij verkiezen te geven. Zij het mij vergund, te vragen, waarheen 'ik mij zal hebben te begeven ?quot;

„Het was de wensch der Staten, dat gij naar Wezel trokt,quot; antwoordde Van der Burch.

„Zoo zij het dan,quot; zeide Don Emanuel, „ik zal gehoorzamen; doch dit eene verzoek alleen mag ik niet terughouden, dat namelijk Mevrouw Emilia, die ik voor God en de wereld getrouwd heb, mij derwaarts volge; waarbij ik tevens waag, de hoop te uiten, dat de Staten eerlang den stap, dien ik gedaan heb, met meer toegeeflijke oogen gelieven te beschouwen.quot;

„Wat deze twee laatste punten betreft,quot; zeide Van der Burch, „daarover zijn wij niet gemachtigd, eenige beslissing te nemen. — Wanneer zoude het u schikken, de reis te aanvaarden?quot;

„Wel!quot; antwoordde Don Emanuel, „indien er goede scheepsgelegenheid is, dan zoo spoedig zulks maar verlangd wordt; alleen weet ik niet, of mijn schuldeischers er zich niet tegen zullen verzetten.quot;

„Zijn die zeer talrijk?quot; vroeg Van der Burch.

„Dat hangt af van de beteekenis, die aan 't woord gehecht wordt,quot; antwoordde Don Emanuel: „zij zijn, op het bloote gerucht van wat er gaande was, reeds komen opdagen, en mijn broeder heeft hen in de benedenkamer bij elkander verzameld, waar zij mijn gezondheid drinken met Lonsbier.quot; ')

„Wij zullen zien, hen te voldoen,quot; zeide Van der Burch, na zijn ambtgenooten te hebben aangezien: „mijn heer de Griffier!zoudtgij u willen belasten, met die lieden hun rekening af te vragen?quot;

„Die uilen!quot; dacht Don Emanuel bij zich zeiven: „hadden zij dadelijk in mijn huwelijk toegestemd, dan zoude mijn vrouw mijn crediteuren betaald hebben: en nu moeten die uit 's Lands penningen worden voldaan.quot;

De Griffier kwam weldra met de rekeningen terug: „het totale bedrag werd opgetrokken en de schuldeischers bekwamen last zich aan de herberg der Gecommitteerden te vervoegen, waar zij hun geld ontvangen zouden. Voorts werden aan Don Emanuel ƒ 1200.— ter hand gesteld tot reisgeld en vertrok hij met zijn broeder een paar dagen later, op den Oden Décember, te schepe van Schiedam. Dan spoedig veranderde hij van gedachte en besloot liever te land zijn reis voort te zetten. Te Utrecht gekomen, vond hij ook daar een schuld-eischer, die de vrijheid nam, zijn koifers in beslag te nemen. Ook hierover wendde hij zich tot de Staten-Generaal, die, tot welken prijs ook, van zijn tegenwoordigheid in de Nederlanden ontslagen willende zijn, terstond zorg stelden, dat de schuld voldaan werd en de beide broeders hun reis onverhinderd vervolgen konden.

Den dag, dat zij Schiedam verlaten hadden, waren ook de Gecommitteerden naar Den Haag teruggekeerd. Zij hadden zich, op hun

1) Samengetrokken uit Londensch bier, flat toen zeer in den smaak viel.

-ocr page 114-

106 EMILIA VAM NASSAU.

doortocht, te Delft bij Prinses Emilia vervoegd, en haar te kennen gegeven, hoe zij op last der Staten-Generaal, Don Emanuel en zijn broeder hadden doen vertrekken; terwijl zij haar nogmaals aanmaanden, tot betere gedachten terug te komen, haar hart van den vreemdeling af te trekken, en te volgen, wat haar broeder en de Staten zouden beschikken. Doch hun was door de Prinses geantwoord, dat zij niets anders van de Staten begeerde, dan het verlof om haar echtgenoot te volgen en bij hem te zijn, waarbij zij verklaard had, niet te kunnen gelooven, dat een van hen' zoo tiranniek zou zijn, om haar gevangen te houden tegen de privileges van den Lande, en de vrijheid, die haar als meerderjarige dochter toekwam.

Toen Van der Burch en zijn ambtgenooten met dit bescheid in Den Haag waren teruggekeerd, begonnen zoowel Maurits als de leden der Staten in te zien, dat geen verdere tegenstand zou baten, wilde men geen groote opspraak en schandalen verwekken. Reeds den dag daarop verscheen Bruyninck bij de Prinses, haar uit naam van haar broeder aanzeggende, dat, vermits zij hardnekkig bleef volharden, en niet volgen wilde noch zijnen, noch harer vrienden raad, noch op de waardigheid letten van het Huis, waaruit zij gesproten was, maar zich verschansen achter haar meerderjarigheid en heimelijke trouwing, hij de hand van haar aftrok en haar niet meer als zijne zuster erkende, waarom hij van haar vorderde, dat zij hem zijn dienaars terugzond, en tevens de juweelen, die zij van nem had, voor zooverre daar zijn naam of cijfer op stond; daar hij niet begeerde, dat een Portugees die zou nebben of verteren. Ook bovendien werd haar een lijfrente opgezegd van ƒ2000, die zij uit den boedel haars vaders trok, boven de ƒ3000 'sjaars, die haar bij diens uitersten wil gemaakt waren. — Maar finantieele beschouwingen hadden evenmin gewicht bij Emilia als vermaningen of bedreigingen; en gewillig afstaande wat van haar geëischt werd, vertrok zij reeds den 12lt;ien December uit Delft, scheepte zich den dag daarna te Rotterdam in en reisde naar Wezel, waar zij zich met haar echtgenoot vereenigde.

Of op dit trouwen geen rouwen volgde, durven wij niet beslissen. Zelcer is het, dat Emilia, ofschoon zij zich later nog eens met haar echtgenoot hier te lande vertoonde, en zich ook met haren broeder verzoende, meestal een zwervend leven leidde, en zich bekrompen moest behelpen, te meer, daar zij haren man verscheiden kinderen baarde. Het verschil van Godsdienst schijnt geen gelukkigen invloed op hun huiselijk geluk te hebben uitgeoefend: althans het gaf aanleiding, dat Emilia eindigde met zich van haar man te verwijderen en te Genève neder te zetten, waar zij overleed. Don Emanuel, van zijn aanspraken op den troon van Portugal afstand gedaan hebbende ten behoeve des Konings van Spanje, ging over in dienst van dezen en trouwde een Spaansche vrouw, waardoor alle betrekking tusschen hem en de Nederlanden van zelve kwam te vervallen.

En dit is de waarachtige geschiedenis der vrijage tusschen Emilia Van Nassau en Emanuel Van Portugal.

-ocr page 115-

VERTELLING VAN EEN HEER, DIE ZIJN KOFFER KWIJT WAS.

Ofschoon mijn almanak Holland eigenlijk en voornamelijk bestemd is om Hollandsche toestanden, enz. te schilderen, zoo geloof ik niet, mij aan te groote afwijking van mijn programma schuldig te maken, wanneer ik de volgende bladzijden toewijde aan de beschrijving van den toestand van een Hollander: — en wel van eenen voor dien Hollander zeer onaangenamen toestand.

Ik voel mij daar te meer toe genoopt, omdat ik, toen het geval, dat het onderwerp mijns verbaals uitmaakt, plaats vond, innig medelijden gevoelde met gezegden Hollander: omdat ik dien persoon, omtrent wien het u, waarde Lezer! vrijstaat volkomen onverschillig te zijn, van zooverre ik mij herinner, steeds groote genegenheid heb toegedragen; omdat ik hem, somtijds boven allen, doorgaans boven de meesten mijner natunrgenooten, liefheb, en hem, daarvan steeds blijköq heb trachten te geven: al is het door mijne schuld, dat hij in den bedoelden, als in vele andere onaangename en pijnlijke toestanden, geraakt is: in 't kort, omdat de Hollander niemand anders is dan----uw onderdanige Dienaar.

Ik weet dat het van groote verwaandheid en eigendunk getuigt, dat het onbescheiden en onhoffelijk in mij is, u, waarde Lezer! over mijne eigene, en dat nog wel zeer onbeduidende avonturen te onderhouden; doch gij zult het mij voor deze reis vergeven: het is een vergrijp, waarvoor ik mij, hoeveel ik ook reeds geschreven heb, altijd heb gepoogd te wachten: en bovendien, de eenige zoetheid, die een ramp ons kan schenken, is gelegen in het recht van er over te klagen en er anderen mede te vervelen.

Gij moet dan weten, waarde Lezer! dat ik op den 24stt'n Juli van dit jaar. des morgens te zeven uren. Lane's Private Hotel St.-Albans place St.-James's te Londen verliet, om mij naar het station van den zuidwestelijken spoorweg te spoeden, en mij dan langs dezen naar de oude en alom bekende stad Salisbury te begeven. In deze

-ocr page 116-

10§ Vértelling.

stad zoude een groote en plechtige samenkomst van oudheidkundigen plaats hebben, eu daar ik met sommigen dier Heeren briefwisseling gehouden had, was mij een uitnoodiging tot bijwoning dier samenkomst toegezonden, en tevens een toegangskaart, aan de eene zijde voorzien met het opschrift: „Archaeological Institute of Great Britain and Ireland. — Annual meeting at Salisbury, July 24 to Juli 31 1849. Patron, the Lord Bishop of Salisbury, President, the Right Hon. Sidney Herbert M. P.quot;, benevens het zegel des genoot-schaps: aan de andere zijde eene afbeelding van the Po ultrycross, een der merkwaardigste monumenten van Salisbury, en daaronder mijn naam en dien van den Secretaris. Op vertoon dier kaart kon ik aan het spoorwegbureau een briefje voor heen en terug bekomen, geldig voor de geheele week der samenkomst; terwijl een bijgevoegd gedrukt programma mij met de namen der leden bekend maakte en met de wijze, waarop de week zou besteed worden.

Aan den trein gekomen, vroeg mij de bediende, die mijn koffer van mijn rijtuig had afgelicht, naar de plaats mijner bestemming, bracht dien koffer binnen en zette hem voor mijne oogen op eene bank, waarboven met groote zwarte letteren geschilderd stond: salisbury.

Nu dacht ik: all right! ') en ging bedaard in een der wagens zitten; maar spoedig werd ik uit deze aangename gerustheid gestoord. Nauwelijks had zich de trein in beweging gesteld, of mijn oog viel op een groot bord, waarop ik in 't voorbijrijden juist nog den tijd had de navolgende kommer-aanjagende waarschuwing te lezen:

„De Reizigers worden verzocht hunne bagage van behoorlijk adres te voorzien, en zich te overtuigen, dat die in den goederenwagen geplaatst worde.quot;

De waarschuwing kwam een weinig te laat. Noch aan het eerste noch aan het tweede gedeelte van het verzoek had ik voldaan, en ik was niet meer in de mogelijkheid van mijn verzuim te herstellen! — Met kwellende ontevredenheid op mij zeiven over mijne achteloosheid, herinnerde ik mij, dat het op den zuidwestelijken spoorweg van Engeland niet is als op de spoorwegen van 't Vasteland, waar men wel voor de bagage betaalt, maar deze daarentegen van een behoorlijk merk wordt voorzien, waarvan het tegenbewijs den reiziger wordt ter hand gesteld. — Aan den spoorweg, waarop ik mij nu bevond, is ieder gehouden zelf voor zijn goed te zorgen, en de Administratie stelt er zich niet voor verantwoordelijk.

Ik gevoelde mij alles behalve op mijn gemak, en zelfs de zekerheid, dat ik mijn koffer op de rechte bank had zien zetten, was niet in staat mij eenige gerustheid in te boezemen. Hoe licht toch had die koffer kunnen verzet worden, en dan was alle aanwijzing der bestemmingsplaats verloren. — Het vervolg deed zien, hoe gegrond deze onderstelling was.

^ Alles is In orde.

-ocr page 117-

VESTBLLINQ. 109

Ik wil hier de moraal, die men uit mijn opstel kan halen, maar terstond laten volgen: — ik mocht anders vergeten ze aan 'tslot te plaatsen. — Lieve lezer! zoo gij ooit op een Engelschen spoorweg reist, verzuim dan niet de boven aangenaaide waarschuwing op te volgen. Voorzie elk stuk goed, dat gij meeneemt, met een behoorlijk, duidelijk adres. Gij kunt te dien einde in alle boekwinkels daartoe bestemde papierstrooken koopen, aan het boveneinde met een koperen ringetje voorzien, waardoor gij de koord haalt, die de strook aan uw koffer of doos bevestigt. _•— En nog zult gij wijzer doen, Lezer! uw koffer of doos, zoo die niet al te groot is, met u in den wagen te sleepen.

Wrevelig en bekommerd, had ik geen oogen voor het landschap, waarvan mij bovendien een gestadige motregen, de hooge aarden wallen, tusschen welke de trem meestentijds voortsnelde, en nu en dan eene lange, donkere tunnel beletteden veel te bespeuren. Na ruim derdehalf uur rijdens, kwamen wij aan het station van Bishops-stoke. Hier splitst zich de trein in drie ot vier takken, en ik moest uitstijgen om in een der voor Salisbury bestemde wagens plaats te nemen. Ik spoedde mij naar den goederenwagen, waaruit men de voor Salisbury bestemde bagage ontlaadde. Ik keek, keek rechts,

links, in den wagen, op den vloer----alles vergeefs: wfit ik zag of

niet en zag, mijn koffer zag ik niet. Intusschen was de mot- in een slagregen verkeerd, en draafden en holden passagiers en bedienden om mij heen: genen om zich in de hen wachtende rijtuigen of binnen het stationsgebouw te begeven, dezen om de goederen over te dragen, en de wagens te ontsluiten. „Moet mijn Heer naar Salisbury?quot; klonk het mij tegen: ,haast u! haast u! want de trein vertrekt.quot; — „Maar mijn koffer!quot; schreeuwde ik van mijne zijde: „Mijn koffer is niet uit den wagen gekomen.quot; „O! all right! all right!quot; klonk het weer: en ziende, dat men de wagens overal dicht sloot en dat ik er niets bij winnen zou te Bishopsstoke te blijven, trad ik mede, nat, koud, verdrietig en nu dubbel bezorgd, een der wagens in.

Dat mijn luim er niet op verbeterd was, dat ik in de anderhalf uur, die wij nog ongeveer te rijden hadden, hoe langer hoe meer kriewelig en ongedurig werd, zal ieder gaarne willen gelooven, al vloek ik er niet op. Intusschen, de mensch klemt zich aan eene stroo-wisch vast: en zoo poogde ik mij nu en dan nog te troosten met de hoop, dat de koffer, al had ik hem niet in den goederenwagen zien zetten, er toch uit zou komen. — Maar ook dit uitzicht bleek ijdel te zijn. Wij kwamen te Salisbury: ik stapte den wagen uit, zag de wagens ontladen, mijn mede-passagiers een voor een met hunne koffers, doozen, valiezen en mantelzakken aftrekken, en bleef ten laatste alleen over, met de stellige zekerheid, dat ik van mijn koffer gescheiden was.

Nu wendde ik mij tot den stationschef, die mij beloofde, onmiddellijk naar het Waterloo-station te Londen te zullen schrijven. Ongelukkig bestaat er op deze vertakking nog geen telegraaf en kon hij zich dus nog niet dadelijk vergewissen of het verloren voorwerp te Londen was achtergebleven, 's Mans verzekeringen, dat ik mijn koffer 's avonds

-ocr page 118-

110 VERTELLING.

terug zou hebben, waren niet in staat mij volkomen gerust te stellen; doch wat zoude ik doen? — Geduld nemen was 'teenige dat er op zat, en zoo kuierde ik den straatweg op en naar de stad.

In het groote en voornaamste logement: the White Hart gekomen, vernam ik daar van de kasteleines, dat er, ondanks de menigte kamers, die het hotel bevat, geene plaats voor mij overbleef, en zoo werd ik bij een in de nabuurschap wonenden slachter gebiljetteerd. Hier werd mij, op de derde verdieping, een vertrekje aangewezen, zonder eenig uitzicht naar buiten, en dat zijn licht door de gang ontving, doch voor 't overige zich onderscheidde door die netheid, welke de Engelsche woningen van binnen kenmerkt. Geen vuil, aan flarden hangend en overgeplakt behangsel: naakte, doch lichtgroen beschilderde wanden, een gladhouten tafel met een goeden toiletspiegel, waschkom en toebehooren, koperen pennen aan de deur om mijne kleeren aan te hangen, vier houten stoelen, en een dier ruime ledikanten, hoedanige men in Engeland alleen vindt, wel zonder gordijnen, doch met lakens, waaronder zes personen op hun gemak konden geborgen worden: ziedaar het ameublement. Wat de sieraden betrof, op den eenen hoek van den schoorsteen lag een bijbel, in zwartlederen band, en op den anderen hoek een andere bijbel, volkomen aan den vorigen gelijk.

Nu trok ik mijn stofjas uit, en maakte mijn toilet, zooveel als iemand dat doen kan, die van de gebruikelijke quot;hulpmiddelen daartoe verstoken is. Gelukkig lag er een stukje geurige zeep op de tafel, en daarnevens een borstel, zoodat ik mi) wasschen, en het stof van mijn hoed en kleederen kon afschuieren. Van het overige, dat men bij een toilet onmisbaar acht, zou ik voor twintig jaren het gemis meer betreurd hebben dan nu: — ofschoon ik, in den grond beschouwd, er thans meer behoefte aan zou hebben dan toen. Hoe ouder men wordt, hoe meer men zorg voor zijn uiterlijk behoorde te hebben; want de natuurlijke bevalligheid der jeugd is niet meer daar om een weinig achteloosheid te doen vergeten.

Ik keerde weder naar „het Witte Hart;quot; want de maag begon hare eischen te doen gevoelen. Men bracht mij in een ontzaglijk lange zaal, waarin een onafzienbare tafel stond, zwoegende onder den last van een overvloedig getal schotels met ham, rundvleesch, kreeften, brood en andere voedingsmiddelen. Ongelukkig was ik de eenige, die er op dit oogenblik eenige eer aan deed. Terwijl ik mijn honger stilde, kwam een Heer binnen met een gebogen neus, een bruin gelaat, glanzend gitzwart haar en dito knevels en bakkebaarden, in 't kort met een uiterlijk, dat men eerder aan een cavalerie-officier dan aan een oudheidkenner zou hebben toegeschreven. Zich op een canapé hebbende neergevleid, bewaarde hij een wijl het stilzwijgen, en toen, zijn horloge uithalende: — „Het zal geloof ik tijd zijn voor de Vergadering,quot; zeide hij, half in zich zeiven, half met den blik vragend naar mij toegekeerd.

„Weet gij waar de plaats der samenkomst gelegen is?quot; vroeg ik, opstaande.

„Neen; maar wij Zullen die wel vinden,quot; antwoordde hij, en wij

-ocr page 119-

VERTELLING.

rezen beiden op om ons naar de AssembIy-Rooms ') te begeven, ■waar de Introductory-Meeting !) gehouden zou worden. De weg derwaarts was spoedig gevonden en tegen 12 uren ongeveer traden wij de vrij ruime, doch zich door niets buitengewoons kenmerkende Vergaderzaal binnen.

Een gedeelte van het gezelschap was reeds aanwezig en anderen, zoo Heeren als Dames, kwamen langzamerhand binnen. Ik liet mij door mijn geleider de Heeren Way en Hawkins wijzen. Met den eersten, een der Secretarissen van het Genootschap, was ik reeds door briefwisseling bekend; voor den anderen, een der hoofdambtenaren bij het British Museum, had ik een briefje van aanbeveling, 't welk ik gelukkig niet in mijn koffer had weggesloten. Met beide Heeren kon ik slechts een paar woorden wisselen, daar de werkzaamheden der Vergadering weldra een aanvang namen. Het is in Engeland de gewoonte, de leiding van dergelijke bijeenkomsten althans gedeeltelijk, op te dragen niet aan een eigenlijken geleerde, maar aan iemand van hooge geboorte, die door zijn invloed en middelen de belangen des Genootschaps bevordert: en zoo was dan ook hier de Markies van Northampton, toen hij aan de deur van 't lokaal uit zijn rijtuig stapte, door het Bestuur des Instituuts verzocht geworden de openingsrede te houden: een verzoek, waaraan door hem gereedelijk werd voldaan. Daar het nog voor den eten was, vertoonde zich elk der aanwezigen en négligé, en de Markies van Northampton zag er wel het genegligeerdste van allen uit. Alles aan zijn lijf had een vallend, loshangend voorkomen: zijn lichtgrauwe haren hingen sluik naar beneden: zijn halsboorden hingen slap over zijn das: de slippen van zijn das, doorkruist met een slap bungelenden lorgnetband, hingen slap over zijn vest; zijn jabot en vest hingen hem als in een zak op de maag: zijn overjas (hij had geen rok aan) fladderde hem om 't lijf, en van die jas fladderden hem lissen en koorden langs borst en maag neer. In 't kort, de man zou u volkomen het denkbeeld hebben gegeven van een wandelenden treurwilg, hadden niet de levendige uitdrukking zijner oogen en de spotachtige glimlach, die bestendig om zijn lippen zweefde, van een vernuftigen geest en een blijmoedige stemming getuigd. Zich voor den voorzittersstoel geplaatst hebbende, ving hij zijn openingsrede aan; doch al wederom was zijn taal in harmonie met zijn voorkomen: want de woorden vielen hem, rad en snel als de stroom van 't molenrad, als van zelve uit den mond. Zijn toespraak bracht menigen lach en nu dan uitbundig gejuich teweeg. De aanhef diene tot een staaltje:

Ill

„Dames en Heeren! Daar mijn waardige vriend, de Markies van Lansdowne, door hoogere plichten te Londen weerhouden, zich buiten de mogelijkheid heeft gezien deze bijeenkomst te openen, is mij die eervolle taak opgedragen geworden. Het is niet zonder schroom, dat ik mij daarvan kwijt, Dames en Heeren!----of moet

') Gezelschapszalen. -) Voorbereidende b\jeenkomst.

-ocr page 120-

112 VERTELLING.

ik zeggen Heeren en Dames? Dat is een moeilijk vraagpunt; — maar ik geloof toch dat ik beter zegge: Heeren en Dames; want aan den ouderdom komt de voorrang toe, en Dames worden nooit oud.quot;

Zijn taak volbracht hebbende, ruimde hij den zetel in aan den eigenlijken Voorzitter, the Right Hon., Sidney Herbert M. P. Deze leverde het volkomenste type van den Engelschen edelman. Hoezeer reeds werkzaam in de gewichtigste betrekkingen, was hij nog in den bloei der jaren: rijzig en kloek was zijn gestalte: zijn gelaatstrekken schoon en regelmatig; doch het was niet die koude, doodsche regelmatigheid, die wij bij de massa der Engelschen bespeuren; het was de kracht van den Noorman, de verbeelding van den Brit en het denkvermogen van den Saks, die er vereenigd op te lezen waren. In eene rede, welke ruim een halfuur duurde en met ingespannen aandacht werd aangehoord, schetste hij aan zijn toehoorders het doel der Vereeniging af, schilderde vervolgens het nuttige, het gewichtige, ia het aanlokkende der archaeologische studiën, en betoogde ten slotte hoe Salisbury, om de oudheden, die de stad en hare omstreken bevatten, en om de groote mannen, die het had voortgebracht, boven andere plaatsen een geschikt vereenigingspunt was voor de minnaars en beoefenaars der oudheidkunde. Toen hij geëindigd had, werd het door hem gesprokene nader bevestigd en aangedrongen door den Bisschop van Oxford. — Gij moet u hier, waarde lezer! geen vader Gozewijn voorstellen in zijn pontificaal. Een Engelsche Bisschop is gekleed als onze predikanten: met dit onderscheid, dat hii een zijden voorschoot draagt, waarvan de eene slip is opgenomen en boven vastgehaakt, en geen steek draagt, maar een hoed met lagen bol en breede randen, aan weerszijden opgetoomd en met zwarte koorden voorzien. De Bisschop van Oxford is mede nog in de kracht zijns levens, doch vrij gezet, 't geen aan zijn voorkomen meer deftigheid bijzet: zijn gelaat is breed en kleurloos, zijne wangen flets en gerimpeld, en zijn mond, wanneer hij spreekt, niet weinig scheef; — maar toch laat u de uitdrukking van het geheel de aangenaamste herinnering na; want hij heeft de schranderste en liefste oogen, die men zien kan, en wier wedergade men alleen in de diergaarde te Londen, en wel in 't hoofd der giraffe, kan vinden; en daarbij een allerwelluidendste, het hart doordringende stem. Na hem sprak zijn ambtgenoot van Salisbury, een lang, mager en meer bejaard man, met een geweldig hoog, kaal en glinsterend voorhoofd, en vertelde ons, dat, dewijl de cholera zoo vreeselijk in de stad heerschte, er te dezer gelegenheid geene uiterlijke feestvieringen zouden plaats hebben en hij ons ook niet, gelijk hij gehoopt en net programma vermeld had, aan zijn paleis zou kunnen ontvangen.

Ik kan niet zeggen, dat deze mededeeling een aangename uitwerking op mij deed. Vooreerst was het eene min welkome tijding voor iemand, die gedeeltelijk door choleravrees uit Amsterdam gejaagd was, te vernomen, dat hij hier van Gharybdis in Scylla was vervallen: ten andere herinnerde mij het afzeggen van de partij bij den Bisschop het gemis van mijn koffer, 't welk ik begon te vergeten;

-ocr page 121-

VERTELLING.

want in dien koflfer bevonden zich mijne beste kleeren, mijne decoraties en wat ik zoo verder had ingepakt om mij bij die gelegenheid eens op zijn Zondagsch te vertoonen. Van dat oogenblik was alle belangstelling in het verhandelde bij mij geweken, te meer, daar het voor de vuist spreken gedaan was, en men tot het lezen van geschreven vertoogen overging. Eerst stond een oud heer op, met grijs haar, een grooten bril en een neus en kin, die te samen de gedaante van een nijptang vormden. Hij plaatste gezegden bril, neus en kin achter, of liever in zijn handschrift en begon met een flauwe, piepende stem eene verhandeling voor te dragen, waar ik niets van verstond, en, vrees ik, de meesten mijner medetoehoorders ook niet. Het moet echter zeer mooi en belangrijk zijn geweest, en hij werd er heel feestelijk voor bedankt. Toen volgde een oud, kort, ineengedrongen ventje in 't zwart, met een dik hoofdje, lange witte haren, en bolle, over zijn witte das nederhangende wangen, die een verschrikkelijk vervelende necrologie voordreunde van allerlei geleerde mediocriteiten, die te Salisbury gewoond hadden en daar ook beroemd waren geweest. Men kan begrijpen hoe een dergelijk vertoog geschikt was om de dames te amuseeren. Eene der dochters van den Markies van Northampton, eene allerliefste brunet, die in mijn buurt zat, kon dan ook, telkens als het kleine ventje met zijn schelle stemmetje een nieuwe periode begon, zich nauwelijks bedwingen om van lachen uit te proesten en wist niet waarheen zich te wenden om zich goed te houden. Ik heb haar later niet teruggezien; misschien had papa haar verboden zich weder op een dergelijke bijeenkomst te vertoonen, zoolang zij haar fatsoen niet beter wist te bewaren.

Alle dingen op aarde nemen een eind, en zoo ook het vertoog van ons mannetje en de voorbereidende samenkomst. De toehoorders verlieten de zaal en ik stond wederom alleen op straat. Het weer was fraai geworden: ik ging de heerlijke Domkerk — na die van York de schoonste van Engeland — beschouwen en wandelde de stad eens rond, die weinig merkwaardigs oplevert. Vrij breede straten, met zeer lage huizen, voor welke een goot loopt, half beek, half riool, wier invloed wellicht onder de hoofdoorzaken gerekend mocht worden van de verwoestingen, door de cholera onder de inwoners van Salisbury aangericht.

Te drie uren stroomden al de leden des Genootschaps en al wie met een toegangskaartje voorzien was, naar het Raadhuis, waar hun een collation wachtte, aangeboden door den Mayor en den Gemeenteraad. In het voorportaal werden hoeden en parapluies afgegeven; doch de stadsbode en zijn dochter, dit werk niet gewend zijnde, haddon verzuimd de nummers der kaartjes, die er aan werden vastgehecht, behoorlijk naar de rij af gereed te houden; zoodat, wanneer de vader 90 aan een hoed vasthechtte, de t dochter genoodzaakt was uit een dubbel honderdtal dooreen geschudde kaartjes nummer 90 op te zoeken om tot contramerk te dienen. Men kan zich voorstellen, dat dit niet weinig gedrang veroorzaakte. Eindelijk echter was ieder tegen behoorlijk tegenbewijs van zijne eigendommen verlost en wandelden wij de groote zaal binnen, waar b. w. v. s

113

-ocr page 122-

VERTELLING.

twee wel aangerechte tafels, van welke de eene een uitsprong in 't midden had in de gedaante van een hoefijzer, ons verbeidden. Ik had een hupsch jongmensch tot buurman, Morgan genaamd, met wien ik in een aangenaam onderhoud zat, en de in overvloed geschonken port en champagne deden mij, voor een wijl, mijn koffer vergeten. De Mayor der stad, een driekleurig Heer met een blauwen rok, wit vest en rood haar, die aan den disch voorzat, en zeide, dat hij, om alles wat naar feestelijkheid zweemen zou, te ontgaan, slechts één toost in zou stellen, namelijk: Wij. Ken weinig later stond een ander Heer op en vroeg, of men ten minste niet de gezondheid zou drinken van den Mayor en den Gemeenteraad, om hen voor hun heusch onthaal te bedanken. Terstond rees een derde en wel een geestelijk Heer op, die nabij den Mayor zat, en zeide, dat, indien er toosten veroorloofd waren geweest, hij niet verzuimd zou hebben te doen, wat nu de eerste spreker deed, en sprak nu een kwartier om te betoogen dat er niet gesproken moest worden: waarop de Mayor vergunning gaf, dat men zijne gezondheid zou drinken, mits zonder toejuichingen.

Zoodra was niet de maaltijd afgeloopen, of ik liep naar het station; maar hier was nog geen tijding van mijn koffer gek omen. Mistroostig keerde ik terug en bevond mij te 8 uren weder in de Assembly-Rooms, waar de Deken van Hereford, een deftig en doorkundig man, een belangrijk en met teekeningen opgehelderd vertoog hield over eenige opgravingen, in naburige grafheuvels gedaan.

Te 10 uren vereenigden zich de meeste leden en bezoekers in de herberg rondom de theetafel: ik maakte hier kennis met den Deken van Hereford en met den Heer Hawkins, dien ik 's morgens slechts van terloops gesproken had. De laatste heeft een fraai, deftig voorkomen, doch een bestendigen trek van spotternij op zijn gelaat, die niet verminderde toen ik hem mijn ongeval vertelde. „Maar gij hadt uw koffer met een goed adres moeten voorzien,quot; zeide hij: — en dat was al de troost, welken ik dien avond van de gasten verkreeg.

Intusschen was het opnieuw vrij onstuimig weer geworden; de regen kletterde tegen de ramen en de donder deed zich bijwijlen in de verte hooren. „Waarlijk,quot; zeide ik, toen ik huiswaarts keeren zou, tegen den Heer met de zwarte knevels en bakkebaarden, mijn eerste kennis te Salisbury; „niet alleen dat mijn koffer zoek is, maar nu vrees ik, dat mijn nachtverblijf ook zoek zal wezen. Hoe ik het althans in zoo donker een nacht terugvind, weet ik niet.quot;

Ik had deze woorden bloot schertsende gezegd: en toch had het weinig gescheeld, of zij waren bewaarheid geworden. Op straat was het stikdonker: beneden schenen evenmin gaslichten, als sterren aan de lucht, en alle winkels waren lang gesloten: de regen werd als met emmers vol uit de wolken neergegoten: van tijd tot tijd stortte deze of gene dakgoot een stroom waters op mijn parapluie of ook wel op mijn schouder uit: en ik waadde tot de enkels door de plassen: — alles zeer verkwikkend voor iemand, die weet, dat hij thuis geen droog goed vindt.

De weg naar mijn slager was niet lang, en weldra stond ik voor

114

-ocr page 123-

VEBTELLING. 115

zijn winkel; maar o wonder! de huisdeur was verdwenen. Hoe ik keek en zocht, nergens een deur of spoor van een deur: nergens zelfs een bel of klopper: het geheele voorhuis was achter een luik verborgen.

Na een poos vrij mal te hebben staan kijken, belde ik bij den rechter-buurman, een kruidenier, aan. Hier was een deur, die ook openging: twee jonge meisjes vertoonden zich in 't voorhuis. „Hoe komt men bij den slager binnen?quot; vroeg ik. „Aan de andere zijde!quot; was het antwoord — en meteen ging de deur weder dicht.

„Aan de andere zijde! Hm! ja! dan moet ik bij den kapper wezen,quot; dacht ik, en belde aan bij den buurman ter linkerzijde. Doch de jonge deernen van den kruidenier schenen zeiven begrepen te hebben, dat hare verklaring mij niet genoegzaam op 't spoor zou brengen: zij deden de huisdeur weder open, kwamen, elk met een parapluie gewapend, mij ter hulp, gingen mij vooruit door een donker gangetje, dat nog voorbij den kapper gelegen was, en geleidden mij zoo, achter het huis van dezen om, op de binnenplaats en tot in de woning van mijn huisbaas. Bibberend van koude trad ik naar mijn eenzame kamer, smeet mij de natte kleeren van 't lijf, sloeg mij, in stede van nachtdas, een gelukkig medegebrachten comforter om den hals, kroop in de veeren, rekende de schade uit, die ik zou lijden, indien mijn eigendom eens niet te recht kwam, sliep in — en droomde van vermiste en terechtgebrachte koffers.

Den volgenden morgen was mijn eerste werk weder naar het station te gaan; doch nelaas! steeds met even ongunstigen uitslag. Na het ontbijt deed ik een wandeling met den Heer Morgan, en bij gelegenheid, dat wij elkander vroegen waar wij thuis lagen, ontdekten wij, dat wij beiden in dezelfde woning, bij Tugwell den slachter, in kwartier lagen. „Dat komt goed,quot; zeide ik: „de knecht in 't hotel schrijft al myn vertering op onder den naam van „de Heer, die bij Tugwell thuis ligt.quot; Daar hij u waarschijnlijk onder dezelfde benaming kent, heb ik altijd deze toevlucht, om, indien mijn koffer niet te recht komt, stil het pad op te gaan en u voor de rekening te laten zitten.quot;

Tegen elf uren ongeveer kwamen zoodanige leden en bezoekers, als zich den dag te voren daartoe aangemeld en achtehalve shilling (ƒ 4.50) betaald hadden, voor het Raadhuis, om van daar gezamenlijk de merkwaardigheden der vlakten van Wiltshire te gaan bezoeken. Het was koddig, de verzameling van rijtuigen te zien, die men overal in en buiten de stad had opgeschommeld, om er de oudheidminnaars mede te vervoeren. Afgedankte postkoetsen, landauwers, vigilantes, sjeezen en tilbury's, men had er van alle soort. De plaatsen, welke de medereizenden in die rijtuigen be-kleeden zouden, werden voor de eerstkomenden door hun vrije keuze, voor de anderen door toeval geregeld. Ik had mij, daar ik, als Bias, al het mijne bij mij droeg, en mij aan den regen niet wilde blootstellen, dadelijk van een hoekje verzekerd in eene vrij gemakkelijke vigilante, en weldra waren ook de drie overige plaatsen bezet, terwijl een vijfde passagier zich naast den koetsier plaatste. Het

-ocr page 124-

VERTELLING.

leed niet lang, of al de rijtuigen waren volgeladen en reden in processie de stad uit.

„Ik zal u hier, waarde lezer! noch eene uitgebreide beschrijving van den weg, die wij aflegden, noch een omstandig verslag geven van de gesprekken, tusschen mijn reisgezelschap en mij gevoerd. Van den weg zal ik alleen zeggen, dat hij vrij eentonig was, als meest over schrale, slechts hier en daar bebouwde vlakten loopende: en wat mijne tochtgenooten betreft, niet één was er onder hen, die de andereu kende, en vooral begreep geen van drieën, wie ik was, of waar ik van daan kwam. Zooveel bespeurden zij echter, aan eenige scherts, welke ik mij nu en dan veroorloofde aangaande sommige nasporingen, die gedaan waren of zouden worden, dat ik geen oudheidkundige van de echte soort was.

Nadat wij eene kleine twee uren gereden, en dat zich in het dorp Amesbury menschen en paarden ververscht hadden, kwamen wij op eene uitgestrekte, ja schier onafzienbare heide, en kregen de grafheuvels in 't gezicht, waarvan de beschouwing een der oogmerken was van onzen tocht. Deze grafheuvels, waarvan er hier op niet grooten afstand van elkander wel een honderdtal aanwezig zijn, zijn van den tijd der oude Britten herkomstig en in vele daarvan zijn belangrijke voorwerpen uit vroegere dagen gevonden. Nu waren de Dekens van Westminster en van Hereford, de eerste voorzitter, de tweede een der ondervoorzitters van de sectie der oude en middeleeuwsche antiquiteiten, reeds in den vroegen morgen vooruitgereden om een paar grafheuvels (barrows, gelijk men die daar ter plaatse noemt) op te laten graven en ons te vergasten op de curiosa, die zij er meenden uit te delven. Weldra kwamen wn ter plaatse waar zij met hun arbeiders bezig waren, en waaromheen reeds een aantal lieden uit den omtrek, van eiken stand, kunne en ouderdom vergaderd waren. De rijtuigen hielden stil en wij stapten allen uit. Het weer was nu bij uitstek schoon geworden, en het was een fraai schouwspel, dat de vlakte opleverde. Nooit had zij wellicht sedert de tijden, dat hier, gelijk men beweerde, een Britsch dorp had gelegen'), zulk een talrijk, en vooral zulk een aanzienlijk gezelschap bijeengezien, welk gezelschap nog bestendig bleef aangroeien. Nu eens waren het elegante equipages, dan weder Heeren en Dames te paard, die dwars over de heide kwamen aangereden, hier boeren en boerinnen op hunne karretjes, ginds herders en soldaten uit den omtrek. Dat alles woelde en zwermde dooreen, en vooral om en op de grafheuvels krioelde het als een mierennest. Jammer maar, dat de gedane nasporingen tot geen beteren uitslag leidden. In den eenen grafheuvel vond men niets: uit den anderen

1) In het Programma stond de plaats waar wg ons bevonden, aangegeven ala „the Pennlngs, a supposed site of a British village.** Ik zeide tot myn reisge-nooten dat het wel „a supposed sight of a supposed sitequot; zou wezen, waarop een hunner vroeg: „if punning was permitted to antiquaries?quot;

N. B. Deze mUne flauwe woordspeling Is onvertaalbaar.

116

-ocr page 125-

VERTELLING. 117

kwam, juist toen ik hem naderde, een kakebeen te voorschijn, een vondst, die de harten met hoop vervulde.

„Dat 's van een hond,quot; zei ik, toen ik het van nabij beschouwde.

,Juist!quot; antwoordde een der oudheidkenners: „het was de gewoonte bij de Britten, den getrouwen jachthond aan de voeten zijns meesters te begraven.quot;

„Wel mogelijk,quot; zeide ik: „maar er loopen hier nogal herdershonden ook in de buurt.quot;

„Gij zijt een booze scepticus,quot; was het antwoord.

Of nu de voormalige eigenaar van gezegd kakebeen met dezen of genen Britschen vorst uit de derde eeuw achter de hinden, dan wel met een Engelschen herder uit onzen tijd achter de schapen geloopen heeft, is een vraagpunt, dat in 't duister is gebleven; want men vond wijders niets m dezen grafheuvel.

Ja, men vond toch iets:

Men vond een looden plaat, waarop geschreven stond, dat deze zelfde heuvel in den jare 1804 — reeds uitgegraven was geworden!

De Dekens en hunne medeleden keken op hun neus, en binnen weinige minuten was de geheele trein weder op weg en naar Amesbury terug.

Vandaar trok hij, nog gestadig als een sneeuwval aangroeiende, naar het beroemdste en grootste gedenkteeken der Keltische bouwkunst, dat Groot-Brittannië, ja dat wellicht Europa oplevert. Nauwelijks hadden wij een kwartier zuidwaarts van het dorp gereden, of wij zagen voor ons het reusachtige Stonehenge.

Wie Stonehenge niet gezien of er nooit van gehoord heeft, wete, dat het een monument is, uit ruwe reusachtige steenklompen samen-

festeld, die twee aan twee, en telkens met een deksteen bovenesteld, die twee aan twee, en telkens met een deksteen boven

e twee, in twee cirkels, den eenen binnen den anderen, geplaatst zijn. Binnen den middelsten cirkel ligt een zware steenklomp, die waarschijnlijk tot altaar diende. Enkele steenen zijn omgevallen; doch over 't geheel is het gedenkteeken nog in vrij goeden staat. Tot welk einde het gediend nebbe, zal ik niet beslissen : zekere geleerde, wiens naam mij ontschoten is, had, in een betoog, dat den vorigen avond in de Assembly-Rooms gelezen was, beweerd, dat de bouwmeester van Stonehenge den ring van Satumus (!) had willen afbeelden. Om deze vreemde stelling te bewijzen, had zich de man genoodzaakt gezien het bewijs te leveren, dat de oude Britten telescopen hadden bezeten, zonder welke zij moeilijk dien ring hadden kunnen gewaarworden: — en dat dit bewijs niet overtuigend geleverd werd, zal ik wel niet behoeven te zeggen.

Weldra stonden wij allen binnen den omtrek van den cirkel opeengedrongen: op het altaar zelf, de Deken van Westminster, Dr. Buck-land, een kloeke, gezette, levendige grijsaard, met een hamer in de rechter, een kaart van den omtrek in de linkerhand, gereed om eene toespraak aan de vergadering te houden. Achter en nevens hem stonden of zaten de Deken van Hereford, de Bisschop van Oxford, met stevels aan de voeten en een karwats, in de plaats van een herdersstaf, in de hand, de Heer Sidney Herbert en verscheidene andere mannen van naam in het vak der oudheidkunde. Vóór hem.

-ocr page 126-

118 VERTELLING.

in de binnenste rij, eene talrijke schaar van aanzienlijke Ladies en bevallige amazonen; en daaromheen de talrijke menigte. Doch aller oogen waren op Dr. Buckland gevestigd, met gespannen verwachting naar hetgeen hij zou mededeelen. Die verwachting werd door den yernuftigen Deken niet teleurgesteld. Eerst kwam een allergeestigste inleiding, waarin hij de onderscheidene meeningen aangaande de oorspronkelijke bestemming van Stonehenge doorliep, en onder anderen, tot groot vermaak der toehoorders, den schoolmeester van Amesbury, die beweerd had, dat het gedenkstuk door Kaïn gesticht was, op de kluchtigste wijze aan de kaak stelde en hem stellig voor altijd zijn krediet bij zijne scholieren benam. Toen gaf hij op vrij aannemelijke gronden te kennen, dat, naar zijn gevoelen, Stonehenge een zonnetempel geweest was, en wel die, waarvan Tacitus gewag maakt. Het was jammer, zeide hij, dat de steenen op sommige plaatsen waren omgerold; doch bij de vorderingen, die de werktuigkunde gemaakt had, zou het wel niet moeilijk zijn die op te richten, en nu wendde hij zich tot de voor hem staande Lady Antrobns, echtgenoote van Sir Edmund Antrobns, Bart., aan wien de grond, waarop Stonehenge zich bevindt, in eigendom toebehoort, met de vraag, of zij dergelijke herstelling van het gedenkteeken zou vergunnen. Sir Edmund, het woord voor zijn vrouw opnemende, gaf de verlangde toestemming, en nu werden door den Bisschop van Oxford, den Deken van Hereford en den Heer Sidney Herbert nog eenige vertoogen gehouden, betreffende het op den dag verrichte, bij net houden waarvan de altaarsteen hun bestendig tot katheder diende.

Weder in onze rijtuigen gestapt, reden wij den weg naar Amesbury terug; doch in plaats van dien tot in het dorp te vervolgen, sloeg onze geheele processie onverwachts, linksaf, het park in van Sir Edmund. Een fraaie, door een dicht begroeid bosch kronkelende laan bracht ons op het hoogste punt dier vorstelijke bezitting. Hier stegen wij af en begaven ons langs een glooiend oploopend grasperk naar twee groote tenten, onder welke vijf lange tafels waren aangerecht, beladen met keur van spijzen en van ooft. Een geheel onverhoopte en niet minder welkome verrassing! — Onder die tenten nam nu het geheele gezelschap, wel 300 personen sterk, door elkander plaats, en weldra toonden de Oudheidkenners, door met graagte op de voor hen staande schotels aan te vallen, dat zij, om liet verledene, het tegenwoordige niet geheel wilden verwaarloozen. Mij althans was de taak opgelegd, eene voor mij staande reusachtige vleeschpastei voor te dienen, en zoo aanhoudend waren de aanzoeken om er een deel van te bekomen, dat in weinige minuten de schotel zoogoed als ledig was. Ook de wijn ontbrak niet, en talrijke manden, in mijn nabijheid op het gras staande, getuigden, dat er vooreerst geen vrees voor gebrek aan lafenis behoefde gevoed te worden. In 'tkort, het was een feestelijk onthaal, bij^ 'twelk de bruiloft van Kamacho slechts kinderspel was, en hoedanig alleen in Engeland door een particulier aan zulk een schare van door het toeval verzamelde, en hem groo-tendeels onbekende gasten gegeven wordt.

Na den afloop van het collation vormde zich het gezelschap in

-ocr page 127-

VERTELLING. 119

in verscheidene groepen. Mij in de nabuurschap van Lady Antrobus bevindende, hoorde ik, dat zij zich in volkomen zuiver Fransch onderhield met zekeren pére Martin, een Fransch geestelijke, die mede van de partij was, en met den zwart geknevelden en gebaarden Heer, van wien ik reeds meer gesproken heb.

„Stel mij nu ook voor aan onze Gastvrouw,quot; fluisterde ik dezen laatsten in: „dan heeft zij Frankrijk en Holland bij elkander.quot;

„Met genoegen,quot; antwoordde hij: „maar,quot; voegde hij er bij, zich bezinnende: „maar uw naam is mij ontschoten.quot;

„Dat kan niet wezen,quot; hernam ik lachende: „want ik heb u dien nog nooit gezegd.quot;

Nu! ik gaf mijn naam op en werd in behoorlijken vorm voorgesteld aan Lady Antrobus, die mij ontving met al de minzaamheid, welke ik van eene vrouw van hare geboorte en beschaving verwachtte, en mij onder anderen verhaalde, dat zij een dochter in Holland had wonen, die met den Heer Elliot, Secretaris van 't gezantschap, gehuwd was. Holland en zijne bewoners waren haar dus zoo vreemd en onbekend niet, als ik eerst zou vermoed hebben.

Al pratende waren wij langzamerhand den rand genaderd van den heuvel, waarop zich het tusschen hoog geboomte besloten grasperk bevond. Aan onze voeten kronkelde de Avon, een kleine rivier, door het park, om wat verder een bruisenden waterval te vormen. Vóór ons lag een uitgestrekte vlakte met lijn gras begroeid, en waarover hier en ginds de heerlijkste boomen verspreid waren. Op den achtergrond vertoonde zich het heerenhuis, een ruim en deftig gebouw, welks prachtig voorportaal met eene zware zuilenrij pronkte: en daaromheen was de gezichteinder door donker geboomte afgesloten. Eechts en links was de heuvel met dennen beplant, tusschen welke sommige leden van ons gezelschap vermaak schepten op en neder te klauteren; bij gelegenheid waarvan ik nog het geluk had, aan een aardige jonge Lady het zijden schoentje terug te bezorgen, dat zij, als een tweede Asschepoester, in den door den regen doorweekten grond had laten steken.

Na ons ruim een uur verlustigd te hebben in de aanschouwing der natuurschoonheden, ons hier zoo ruimschoots aangeboden, zochten wij onze rijtuigen weder op en werd de terugtocht naar Salisbury hervat. Nog eenmaal echter zakten wij zijwaarts af, om Old Sarum te bezichtigen, of liever de hoogte, waarop die voormalige Britsche vesting, die later tot de rotten borougns behoorde, gestaan heeft. Van Old Sarum, dat aan Salisbury het aanzijn schonk, is niets meer overig dan een enkele muurklomp, nauwelijks groot genoeg om door een vluchtigen bezoeker te worden opgemerkt.

Tegen 7 uren waren wij te Salisbury terug: de aangename afleiding, welke dit uitstapje'aan mijn gedachten gegeven had, was voorbij, en mijn brein begon zich opnieuw uitsluitend met mijn koffer bezig te houden. Nauwelijks het rijtuig uitgestegen, snelde ik opnieuw naar het station; — Helaas! de chef had naar Londen geschreven en tot eenig antwoord bekomen, dat de koffer niet aan het Waterloo-station was.

-ocr page 128-

120 TERTE1LING.

Benauwd, bekommerd en verlegen keerde ik huiswaarts, met een gezicht van een el lang, en terwijl mij het huilen nader dan het lachen stond, 't Was niet slechts het gemis mijner kleeren, dat ik betreurde: hoezeer mijn boordje mooi slap begon te hangen en mijn vest zijn witheid begon te verliezen; maai- in dien kotfer zat mijn reiskasset, en in die kasset mijn geld, ja, wat nog srger was, mijn papieren, voor anderen zonder, voor mij zeiven van hooge waardij: en dan nog eenige boeken, onder anderen het werk van Prof. Jansen over de Drentsche Oudheden, 't welk ik met opzet en als een geschenk voor het Genootschap had medegebracht. Juist nu, na Stonehenge en de grafheuvels van Wiltshire gezien te hebben, gevoelde ik mij in staat om, met behulp van gezegd werk, eene voorlezing tot het Genootschap te houden, waarbij de vorm, de bouw, het steen en de waarschijnlijke bestemming onzer Drentsche gedenkteekenen met die van de Cromlechs in Engeland zouden worden vergeleken: en nu juist miste ik dat boek, en dientengevolge niet slechts de noodige wetenschap, maar ook allen lust en opgewektheid tot zoodanig een arbeid. — Ik ging weder naar de avondzitting, die nu in de zaal van 't Raadhuis gehouden werd; doch ik was niet in een stemming om bijzondere oplettendheid te wijden aan de geleerdheid, die aldaar werd uitgekraamd, en zelfs zijn mij de namen ontgaan van hen, die toen gesproken hebben. De vragen, die zoo daar, als na den afloop der zitting, in de herberg tot mij gericht werden, of ik mijn koffer terug had, beantwoordde ik met zulk een treurig hoofdschudden, dat ook zij, die vroeger met mij geschertst hadden, mij thans oprecht begonnen te beklagen. Ik was recht overspannen toen ik naar bed ging, en nog verwondert het mij, dat ik zoo dadelijk de weldadige vertroosting van den slaap genoot; doch het ging met mij als met de kinderen, die nooit spoediger inslapen, dan wanneer zij over 't een of ander recht bedroefd zijn.

Naar aanleiding eener afspraak, met eenige vrienden te Londen gemaakt, was mijn afreize reeds bevorens op den volgenden dag bepaald: zonder versche plunje kon ik niet wel langer te Salisbury bleven: en ik achtte het bovendien zaak, zelf naar het Waterloo-station te gaan en mijn koffer op te sporen. Zoodra ik dus was op-

§ es taan, haastte ik mij, mij naar de herberg te begeven en gaf den [eer Hawkins, dien ik aan de ontbijttafel ontmoette, kennis van mijn besluit om met den trein van éénen te vertrekken. es taan, haastte ik mij, mij naar de herberg te begeven en gaf den [eer Hawkins, dien ik aan de ontbijttafel ontmoette, kennis van mijn besluit om met den trein van éénen te vertrekken.

„Gij wilt ons dus reeds verlaten?quot; zeide hij.

„Ja! maar daar is een maar.quot;

„En welke?quot;

„Ik moet om een reispenning bedelen. Leen mij twee souvereins.quot;

„Zult gij daar genoeg aan hebben?quot; vroeg hij lachende, terwijl hij de twee goudstukken mij ter hand stelde.

„Ik denk van ja,quot; antwoordde ik en ging naar beneden. Toevallig sloeg ik een blik naar een donkere zijgang naast het voorportaal. — Was het een droom ? — een zinsverbijstering? — een begoocheling? — neen.... 'twas.... mijn koffer.

-ocr page 129-

VERTELLING.

Waar was hij geweest? waar had hij gezworven? had hij half Engeland op den spoorwagen omgereisd, of was hij als een verscho-vehng op het Waterloo-station blijven staan? ik vroeg het hem niet, ik onderzocht het niet, en ik weet het tot heden niet.

„Kom aan mijn kloppend hart!quot;

riep ik in vervoering uit, pakte hem op, droeg hem het spreekkamertje binnen, ontsloot hem, haalde er een schoon boordje, een sohoonen zakdoek, een handvol souvereins en de Oudheden van Drente uit, en snelde weder naar boven.

Juist aan de deur ontmoette ik den Heer Hawkins, wien ik in zegepraal zijn twee goudstukken toestak.

„Is het verloren schaap inderdaad te recht? Ik wensch u geluk,quot; zeide hij, het goud bergende: „ik heb in lang geen geld met zooveel genoegen ontvangen.quot;

Nu had ik spoedig een kring om mij heen: de Heer met zijn zwarte knevels, de jonge Morgan, en een dozijn anderen kwamen nevens mij zitten om de uitlegging te hooren der platen, die bij het werk van den Heer Jansen zijn gevoegd, en waarmede ik mijne vertellingen over de Cromlechs en grafheuvels van Drente ophelderde.

Ik voelde mij nu volkomen opgewekt om desnoods twee uren lang te redeneeren, en dewijl ik eerst te één uur op den trein behoefde te zijn, en er te 11 uren weder eene samenkomst was op het Raadhuis, begaf ik mij derwaarts, wachtte de komst des Algemeenen Voorzitters af, en vroeg dezen of het mij vergund zoude zijn, mede een vertoog te houden.

„Spreek daarover met het Comité,quot; antwoordde de Heer Sidney Herbert: „ik laat de beschikking over dat alles liever aan die Heeren. Gij zult den Heer Way waarschijnlijk wel boven vinden.quot;

Ik boog en ging zitten; want er was reeds een Heer voor een zwart bord verschenen, dat met architectonische teekeningen behangen was, en waarover hij nu begon te redeneeren. Toen het naar 12 uren liep, sloop ik de zaal uit, naar de bovenkamer, waar het Comité voor de werkzaamheden zat, en stelde den Heer Way de medegebrachte boeken ter hand.

„Het spijt mij, dat ik juist nu vertrekken moet,quot; zeide ik: „ik had gaarne het een en ander aan het Genootschap medegedeeld, naar aanleiding van dit werk en van wat ik gisteren gezien heb.''

„Gij moet ten minste tot morgen blijven,quot; zeide hij: „de Heer Sidney Herbert verlangt zeer, uw kennis te maken: morgen ontvangt hij ons op het Huis te Wilton: het geheele kasteel, de kostbare boekerij, het Park, de tuinen, alles zal voor ons openstaan.quot;

„Het doet mij inderdaad leed,quot; hernam ik, „mij de genoegens te moeten ontzeggen, die gij mij zoo aanlokkelijk afschildert, en die ik thans met een opgeruimden geest zou kunnen smaken; maar de oogenblikken zijn voor mij geteld en ik moet van hier.quot;

Het volgende uur zag mij, met mijn koffer, dien ik deze reis niet uit het oog verloor, en waarin ik de door den Heer Way mij geschonken werken des Genootschaps had weggesloten, op den spoorweg naar Londen.

121

-ocr page 130-

122 VERTELLING.

Van achteren gevoelde ik wel eenig leedwezen, Salisbury te verlaten op het oogenblik, dat ik met de belangrijkste Leden des Genoot-schaps kennis begon te maken, en nu ik, door geen zorg langer gekweld, ongetwijfeld meer genoegen zou gesmaakt hebben dan tot dien tijd mijn deel was geweest. Niet weinig werd dat leedwezen vermeerderd, toen ik, een paar dagen later, in de nieuwspapieren de beschrijving las van de luisterrijke ontvangst, die de bezoekers op Wilton genoten hadden.

Maar voor hen was mijn vertrek geen ongeluk. Zij werden er door verlost van de redevoering, waarmede ik hen bedreigd had.

-ocr page 131-

EEN SCHAKING IN DE ZEVENTIENDE EEUW.

EERSTE HOOFDSTUK,

waarbij de bekendheid des lezers met de Grieksche mythologie en onze Nederlandsche folianten wordt op den toets gesteld.

Hoewel over 't algemeen heden ten dage de lezers van werken van smaak, zelfs zij die een beschaafde opvoeding hebben genoten, niet zoo volkomen meer thuis zijn in de klassieke oudheid en fabelkunde, als zij dit voor veertig jaren zouden geweest zijn, zoo onderstel ik echter, dat ook de minst geleerde onder hen zich nog wel herinneren zal, hoe de val van Troje, en de dood van zooveel duizend helden, om niet eens van de gesneuvelde, verbrande of verdronken krijgsknechten, zeelieden, vrouwen en kinderen te gewagen — aan geene andere oorzaak zijn toe te schrijven geweest dan aan den roof der schoone prinses Helena door den wulpschen saletjonker Paris. In verzen, welke ik hier niet zal herhalen, eensdeels omdat ik geen schijn van geleerdheid wil aannemen, anderdeels omdat het onbeleefd is, tot zijn lezers, en vooral tot zijn lezeressen, een taal te spreken, die zij waarschijnlijk niet machtig zijn, en ten derde nog omdat zij de ooren van sommigen onder hen, die ze verstaan, zouden kwetsen, zegt Horatius, dat voor den tijd van Helena meer dan eene coquette aanleiding tot een bloedigen oorlog had gegeven en al mocht men twijfelen aan de echtheid van de voorbeelden, die hij, tot staving van zijn gezegde, uit het mythologische tijdperk bijbrengt, zoo kunnen wij niet anders dan hem gelijk geven, wanneer wij b. v. slechts denken aan de slachting der Sichemieten, ten

-ocr page 132-

124 EEN SCHAKING IN DE

gevolge der ontvoering van Jakobs dochter Dina, aan die der Filis-tgnen door Sirason, omdat zijn huisvrouw hem ontrouw geworden was, en aan die der kinderen Berjamins, om hetgeen zij gedaan hadden aan het bijwijf des Leviets.

Maar, om niet langer in zulke oude tijden rond te dwalen, zoo wil ik mijnen lezers eens gevraagd hebben, of ook zij zelfs, die de geschiedenis van den Trojaanschen oorlog op hun duimpje kennen, wel weten, dat, nog geen tweehonderd jaar geleden, in ons beschaafd Nederland, een maagdenroof bijkans aanleiding zoude gegeven hebben, dat een aanzienlijk Duitsch Vorst het graafschap, 't welk hij hier te lande bezat, althans een voornaam deel der heerlijke rechten, welke hij uitoefende, ontnomen, en dat de vrije Rijksstad Bremen in een oorlog met onze Republiek ware gewikkeld geworden? En echter is het feit boven alle bedenking waar. Wie er aan twijfelt, heeft slechts het Vijfde Deel van Aitzema's „Saken van Staet en Oorloghquot; op te slaan, en hij zal op bladzijde 144 en volgende het verhaal van het gebeurde vinden, met de ofiiciëele bescheiden gestaafd. Alleen zal hij daar ter plaatse vruchteloos naar den naam der geroofde Helena zoeken, dien Aitzema, waarschijnlijk omdat zij, toen hij schreef, nog in leven was, uit ridderlijke kieschheid (of uit diplomatische achterhoudendheid, dit wil ik niet beslissen), achter de letters N. N. verbergt. Ik was daarom een tijdlang van meening, dat de schrijver, die zich opgewekt gevoelen mocht, om het door Aitzema verhaalde avontuur in het kleed van een historischen roman te steken, een naam uit de lucht zou hebben moeten grijpen om er zijn heldin mede aan te duiden; doch ik ontdekte eerlaing, dat hiertoe geene noodzakelijkheid bestond. Evenals in de gezuiverde uitgaven der Latijnsche dichters de onkiesche en aanstoote-lijke plaatsen uit het lichaam zelf van het werk zijn geweerd, doch doorgaans afzonderlijk daarachter bij elkander gedrukt staan — waarschijnlijk opdat de onschuldige leerling ze des te gemakkelijker zoude kunnen vinden en tot zijn nut bestudeeren — zoo ook komt die naam, waarvan wij thans spreken, wel in den tekst van Aitzema's werk, gelijk ik zeide, bloot als N. N. voor, maar is hij daarentegen voluit geschreven in den bladwijzer.

Ik zou hier kunnen eindigen, en mij vergenoegende met des lezers opmerkzaamheid op het bedoelde voorval te nebben gevestigd, hem, voor zooverre hij zich aangespoord gevoelde om meer daarvan te weten, naar den goeden Aitzema te verwijzen, die het gebeurde op de hem eigen naïeve wijze vertelt; maar ik ken den al-gemeenen afschrik, dien men in onze eeuw van duodecimo's en luchtige literatuur tegen lijvige folianten koestert. Wel moge, naarmate gezegde folianten vrij wat meer gezonde taal bevatten en vrij wat minder de oogen, den smaak en het hart-bederven, dan de hedendaag-sche romannetjes in klein formaat, waarvan papier, letter en inhoud doorgaans onderling wedijveren in ondeugdzaamheid, wel moge, zeg ik, naar die mate ook de afschrik te verkeerder zijn; maar nademaal ik toch geen kans zie, hem weg quot;te cijferen, zoo is het mij niet ondienstig toegeschenen, het relaas van Aitzema over te nemen, en.

-ocr page 133-

ZEVENTIENDE EEUW.

zonder aan den inhoud iets wezenlijks af te nemen of er meer bij te voegen dan wat tot opheldering der zaken of tot het in 't licht stellen der karakters noodig scheen, minder versierende dan — zoo mogelijk — versierende, de gebeurtenis aau de lezers van het Tijdschrift Nederland te vertellen.

TWEEDE HOOFDSTUK,

waarin de lezer kennis maakt met een jonge Erfgename, hoeda-nige er naar de meening van vele ongehuwde heeren heden ten dage te schaars gevonden worden, alsmede met een avonturier, zooals men er nog genoeg aantreft.

Onder de aanzienlijke vreemdelingen, die omstreeks de helft der zeventiende eeuw in dienst dezer Landen stonden, was er nauwelijks een, die, wat afkomst en geboorte betrof, kon gelijkgesteld worden met Henry Charles de la Tremouille, Prins van Tarente en Talmond, Hertog van Thouars, Pair van Frankrijk en Ridder der doorluchtige orde van den Kouseband. Wat zijn krijgsbekwaam-heden betreft, moeilijk valt het, daarover eenig oordeel te vellen: wel had hij zich voor 1648 in Hessischen dienst onderscheiden; maar sedert hij, bij den vrede van Munster, in dien van Holland getreden was, had er geene gelegenheid voor hem bestaan om eenig bewijs van zijn verdiensten als veldoverste te leveren. Te lande was er geen oorlog geweest; en maar enkele Staatsche legerbenden hadden aan de tochten buiten Nederland, onder anderen aan den krijg, in Denemarken gevoerd, kunnen deelnemen. Desniettemin stond de Prins van Tarente in hoog aanzien, vooral bij de Staten van Holland. Sedert de troonsbestijging van Karei II het intrekken van de uitsluiting des Prinsen van Oranje had ten gevolge gehad, en de Prinsgezinden alles in 't werk stelden om den jongen Vorst tot de hooge krijgsambten zijner voorvaderen te doen verheffen, kwam het natuurlijk met de politiek van Jan De Witt en die van zijnen rade overeen, zorg te dragen, dat er steeds iemand onder de hoofdofficieren van het Staatsche leger ware, aanzienlijk genoeg door geboorte en naam, om tegen den zoon van Willem II in de weegschaal geplaatst te worden: en zoodanig eenen vonden zij in den Prins van Tarente, die daarom ook te dien einde door hen, gelijk men 't noemt, in petto gehouden werd; terwijl hem daarbij door de Staten-Generaal het bevel over de vesting 's- Hertogenbosch was opgedragen; een betrekking, waarin hij zich bij voortduring ten ge-noege zijner lasthebbers kweet.

Eindelijk scheen zich een gelegenheid te zullen opdoen om hem

125

-ocr page 134-

126 EEN SCHAKING IN DB

in 't open veld te roepen. Een geschil tusschen de Staten-Generaal en den Bisschop van Munster, die in 't iaatst van 't jaar 1663 de op de grens van onzen Staat gelegen Dijlerschans bij verrassing had ingenomen en bezet hield, deed een oorlog voorzien en had een ■wapening ten gevolge. Aan den Stadhouder van Friesland, Prins Willem Frederik, werd het opperbevel toevertrouwd over de troepen van den Staat, en aan den Prins van Tarente dat over de Ruiterij; terwijl ook deze den last ontving, om zich onmiddellijk naar Deventer te begeven en aldaar zijn hoofdkwartier te vestigen.

Minder dan haar echtgenoot was de Prinses van Tarente over de hem opgedragen nieuwe betrekking tevreden: en, oordeelende, dat het verblijf in 's- Hertogenbosch na 's Prinsen verkek haar weinig genoegen en verstrooiing zou verschaffen, besloot zij, met zijn goedvinden, zich met haar kinderen naar Den Haag te begeven.

Nu geviel het, dat, toen de tijding van 's Prinsen benoeming kwam, zich ten zijnen huize een juffer uit Zeeland bevond, waarmede de Prinses in Den Haag kennis gemaakt, en die zij verzocht had eenige weken bij haar te komen doorbrengen. Dewijl, ten gevolge der voorgenomen afreis uit Den Bosch, een gedeelte van 's Prinsen huisraad ingepakt, een ander gedeelte geborgen of verkocht moest worden, werd het moeilijk, langer een logeergast te houden. Bovendien moesten in Den Haag de noodige toebereidselen worden gemaakt om de Prinses en haar gevolg te ontvangen: en dienvolgens vond de Prins goed, zijn koetsier, Nicolaas genaamd, een man van erkende geschiktheid en trouw, naar de Hofstad vooruit te zenden, om aldaar alles te regelen voor de ontvangst der Prinses, terwijl hij tevens aan de bewuste juffer op hare reis derwaarts tot geleider strekken en haar een geschikt logies bezorgen zou. — Zulks geschiedde dan ook dien overeenkomstig, en, nadat aan de vrienden der juffer van haar aanstaande overkomst bericht was gezonden, ging deze in 't begin der maand Maart 1664, met hare kamenier en den getrouwen Nicolaas op weg naar 's- Gravenhage.

Dan, terwijl wij haar een voorspoedige reis en behouden aankomst ter bestemmingsplaats toewenschen, dienen wij deze gelegenheid waar te nemen, om den lezer eenigszins nader met haar bekend te maken, te meer, daar zij in ons verhaal wel een zeer lijdelijke, maar toch een hoofdrol spelen moet.

Catharina van Orleans stond, ondanks haar wijdklinkenden naam, in geene betrekking hoegenaamd tot dat vorstelijk Huis, hetwelk later aan Frankrijk een Regent en een Koning schonk. Of een harer voorouders zich uit de stad of uit het Hertogdom van dien naam naar de Nederlanden metterwoon verplaatste, en zich sedert naar de plaats zijner herkomst noemde, is ons onbewust; dit alleen weten wij, dat -de vader van onze heldin aan de aanzienlijkste geslachten zoo van Holland als van Zeeland vermaagschapt was, en dat zij, bij den dood van hare ouders, zich, op nog jeugdigen leeftijd, eigenaresse vond van talrijke en uitgebreide goederen in beide gewesten. Tot voogd was over haar aangesteld haar oom van moederszijde, de Heer Rixen, Raadsheer in den Hove van Holland, en daar volgens de

-ocr page 135-

ZEVENTIENDE EEUW. 127

privileges van dat Hof, niet alleen zij, die daarbij eenig ambt, hoe gering ook, bekleedden, maar ook allen, die verwant waren aan die ambtenaren of suppoosten — als de algemeene benaming luidde, — onder de bescherming stonden van het Hof, zoo werd ook zij, ten gevolge van den post, door haar oom bekleed, niet alleen als zijn pupil, maar als die van het Hof zelf, beschouwd.

Ofschoon Catharina van Orleans een huis binnen de stad Zierikzee en een fraai zomerverblijf op het eiland Schouwen bezat, zoo oordeelde de Raadsheer Rixen het niet ongepast, dat zij althans een gedeelte van het jaar te 's-Gravenhage zoude doorbrengen: eensdeels, omdat het haar, na den dood van hare ouders, wat al te eenzaam in een verlaten woning wezen zoude, en anderdeels, omdat hij haar in de Hofstad meer onder zijn oogen zoude hebben. De juffer zelve had er niets tegen, en, alhoewel de Raadsheer, ongehuwd zijnde, er niet naar ingericht was om haar tot zijnent te ontvangen, zoo ontbrak het echter niet aan bloedverwanten, die zich bereid verklaarden, aan de jonge erfgename huisvesting te verleenen, noch aan meer bedaagde moeien of nichten, die er zich een genoegen van voorstelden, haar tot leidsvrouw in de Haagsche kringen te verstrekken. Dat zij daar, toen zij er in den winter van 1663 het eerst verscheen, met open armen ontvangen werd, zal wel geen betoog behoeven. Aan wien de beschaafde wereld ook het welkom moge toebrengen, zeker brengt zij het aan niemand met meer hartelijkheid toe, dan aan een jonge juffer, die aan een goed voorkomen een aanzienlijk vermogen paart. Geen wonder dan ook, dat de verschijning van Catharina van Orleans op de feesten en partijen der Haagsche Aristocratie algemeen opzien baarde, dat zij het onderwerp werd van aller gesprekken, zoo zelfs, dat men er die over den twist met Munster en de mogelijkheid van een breuk met Engeland om vergat, dat zelfs de Prinses-Douairière verlangde hare kennis te maken, en dat de jonkers van goeden huize als vlinders om haar heen fladderden.

Nu geviel het, dat zich te dien tijde in Den Haag bevond zekere Edelman, met naam Johan Diederick De Mortaigne, wiens vader in den Duitschen oorlog loffelijk onder de Zweden gediend, en naderhand, als Opperbevelhebber der troepen van de Landgravin van Hessen, een glansrijke loopbaan afgelegd had en op het bed van eere gestorven was. Het vermogen, dat hij had nagelaten, hoewel niet gering, was echter niet toereikend geweest om te voldoen aan de behoeften van den jongen Mortaigne, die, van kindsbeen af, aan 't Hof en onder den lossen jongen adel van dien tijd verkeerd hebbende, een minnaar was van spel en vrouwen. Weldra had hij zijn deel in 's vaders erfenis op de vroolijkste wijze doorgebracht, en moest op middelen bedacht zijn, om zich een nieuw vermogen te scheppen, dat niet slechts aan zijn geboorte en stand, maar ook aan zijn oehoeften beantwoordde. Wel ware het hem licht gevallen, in Zweden, waar de naam zijns vaders nog steeds in eere bleef, een krijgsambt te verkrijgen; maar hij gevoelde geen opgewektheid vooralsnog, om zich in het verre en koude Noorden te gaan be-

-ocr page 136-

I

128 EEN SCHAKING IN DB

graven, zoolang er, nader bij de hand, nog kans scheen te zijn om taij

voort te komen. Holland wasquot; in die dagen het Eldorado, het Cali- aar

fornië, het Beloofde Land, waar alle fortuinzoekers heen stroomden: vai

onaanzienlijken, om zich door handel, nering of arbeid een bestaan me

te verschatten: lieden van geboorte om, 't zij in diplomatieke be- eet

trekkingen gebruikt te worden, of althans door de voorspraak en eei

den invloed der hooge staatsdienaars uit alle landen, waarvan 's-Gra- ge'

venhage bij voortduring het vereenigingspunt scheen, vooruit te uit

komen. Ook Mortaigne richtte naar Holland koers: en daar hij aan mi

velen der aldaar gevestigde aanzienlijke vreemdelingen vermaagschapt scl of aanbevolen was, zag hij zich den toegang tot de voornaamste

kringen geopend. he

Niet vreemd is het, dat Catharina van Orleans, bevallig, jong, van wi

goeden huize, en — wat het meest van alles zeide — meesteresse lai

van haar vermogen, een prooi was, hoogst begeerlijk in de oogen en

van een geruïneerd Edelman als Mortaigne: dat hij zich bij de eerste bï

gelegenheid de beste aan haar liet voorstellen, en haar, telken reize da

als hij zich in haar gezelschap bevond, met beleefdheden en liefdes- hi

betuigingen vervolgde: dat zij niet uit wandelen of uit rijden kon H;

gaan, zonder Mortaigne te voet of te paard te ontmoeten: dat zij di

zich niet voor 't venster vertoonde, zonder dat hij er voorbijging vi

en zijn gevederden hoed voor haar aflichtte: ja dat zelfs des avonds, re

voor de deur van haar woonverblijf, muziekstukken, door hem ter d

harer eere besteld, werden uitgevoerd. De juffer van hare zijde n

toonde zich weinig gevoelig voor de oplettendheden, welke Mortaigne si

haar bewees, en behandelde hem met een onverschillige, koude B beleefdheid, die weinig geschikt was om hem eenige hoop op goede

uitkomst te doen voeden. Mishaagde hij haar werkelijk? Het valt ü

moeilijk in een maagdenhart te lezen: vooral wanneer het een 11

maagdenhart geldt, dat ongeveer twee eeuwen geleden klopte: dit is ^ zeker, dat zoo Mortaigne geen reden had om zich op eenige, hem door de juffer betoonde, gunst te verheffen, geen ander mededinger naar hare hand betere kans scheen te hebben dan hij, zoodat, zoo zij aan eenen onder hare aanbidders de voorkeur schonk, zij zulks

niet dan heimelijk deed. Wij mogen hier alleen gissen, en dan ge- c

looven wij voor ons, dat de achttienjarige maagd nog te veel behagen ( schepte in het vroolijke, onbezorgde leven dat zij leidde, dan dat zij

den wensch zoude gekoesterd hebben, het zoo spoedig tegen de '

onzekere voordeelen van een huwelijk en de zorgen, aan een huis- '

houden verknocht, te verruilen. ^

Bovendien, al ware zij zelve tot het aangaan van een huwelijk 1

genegen geweest, gedurende haar minderjarigheid viel daaraan i niet te denken: en haar voogd was de man niet, om, voor den door de wet bepaalden tijd, zich het beheer over haar vermogen te laten ontnemen, of te dulden, dat, door zwakke toegevendheid van zijne zijde, haar fortuin in andere, wellicht onwaardige, handen kwame.

Noch deze vaak herhaalde en genoegzaam bekende meening van den Raadsheer Eixen, noch de koelheid, door Catharina aan Mor-

-ocr page 137-

quot;

t

ZEVENTIENDE EEUW. 129

om taigne betoond, waren echter in staat hem te doen afzien van zijn

ili- aanzoeken: en zulks te minder, nadat hij op een vroolijke partij

sn: van jongelieden, en toen de gemoederen door den wijn verhit waren,

lan met zekeren Chavalleric, een Edelman des Graven van Kuilenburg,

be- een weddenschap had aangegaan, dat Catharina van Orleans, binnen

en een jaar, goed- of kwaadschiks, de zijne zoude wezen. Het te dier

ra- gelegenheid gesprokene was uitgelekt, en Eixen had er aanleiding

te uit genomen, om zijn pupil des te meer tegen alle kale jonkers,

an maar inzonderheid tegen een deugniet als Mortaigne, te waar-

pt schuwen.

ite Deze intusschen stoorde zich aan niets, bleef moed houden, en

het voorwerp zijner aanbidding overal vervolgen. Zelfs toen de m winter verstreken en zij, met het einde des voorjaars, naar haar

se landgoed op Schouwen vertrokken was, vertrok hij naar Zierikzee:

3n en ofschoon hij, zoo menigmaal hij zich aan de poort van haar

te buitenverblijf vertoonde, beleefdelijk werd afgewezen, reed hij echter

se dagelijks den weg op en neder, die daarlangs liep, en vemoi zaakte

s- hij niet weinig onrust aan twee oude nichten, die de jonge Knamp;o-

gt;n name tot haar gezelschap en bescherming bij zich had: een onmsf

:ij die niet verminderde, toen zij nu en dan, bij avond, lieden van een

g vrij verdacht voorkomen rondom de muren van het lusthoi zagen

s, rondzwerven, en zelfs van den tuinman hoorden, hoe er een over-

;r dekte schuit in de nabijheid op stroom bleef liggen, waarvan

le niemand de bestemming kende: al hetwelk aan een voorgeuomen

e schaking deed denken. De nichten schreven hierover aan den Keer

e Rixen, die de zaak belangrijk genoeg achtte om zelf over te komen,

e Zijn komst deed alle voornemens tot uitvoering, indien zij werke-

t lijk bestonden, te loor gaan: althans de schuit werd sedert niet

n meer gezien: en weldra bleek het, dat ook Mortaigne Zierikzee

s verlaten had.

i Intusschen, toen Catharina met het najaar van 1663 in Den Haag

r terugkeerde, bevond zich ook haar ijverige minnaar mede aldaar en

j hernieuwde hij zijn oplettendheden en aanzoeken, zeker indachtig

3 het oude spreekwoord, dat de aanhouder wint. Zoozeer vertoornde

dit Rixen, dat hij met zijn ambtgenooten opzettelijk beraadslaagde, i of er geen middel kon gevonden worden om hem langs den wette-

j lijken weg de stad en desnoods het land uit te krijgen: ja dat hij er

s half over dacht zich tot de Regeering van Den Haag te wenden,

om, door middel van deze, de politieke uitzetting van Mortaigne te bewerkstelligen. Hoogst welkom was in deze omstandigheden aan den Raadsheer het voorstel, hem door den Prins van Tarente

fedaan, dat Catharina, met welke 's Prinsen echtgenoote in den ofcirkel kennis gemaakt had, den winter bij hen te 's-Hertogen-bosch zoude doorbrengen. Hij gaf gewillig zijn toestemming, en waarschuwde tevens den Prins tegen de lastige aanzoeken en lagen van Mortaigne.edaan, dat Catharina, met welke 's Prinsen echtgenoote in den ofcirkel kennis gemaakt had, den winter bij hen te 's-Hertogen-bosch zoude doorbrengen. Hij gaf gewillig zijn toestemming, en waarschuwde tevens den Prins tegen de lastige aanzoeken en lagen van Mortaigne.

Nauwelijks echter was de juffer met het echtpaar naar Den Bosch vertrokken, of Mortaigne reisde hen ook daar achterna. Het ging hem hier even onvoorspoedig als op Schouwen. Niet alleen

-ocr page 138-

130 EEN SCHAKING IN DE

werd hij, toen hij zich bij den Prins van Tarente aanmeldde, door dezen alleen en zeer kort ontvangen, maar zelfs gaf hem de Prins te kennen, dat hij wél zou doen zijn verblijf in Den Bosch niet te verlengen. Ja, het bleef hier niet bij: de'kamerdienaar van Mor-taigne, Vollenhove genaamd, een listige en doortrapte knaap, hoe-danigen zulk een meester behoefde, en, die vroeger, in Den Haag, door kennis te maken met de dienstboden bij de familiën, waar Catharina logeerde, hare gangen altijd wist uit te vorschen en er zijn meester van te onderrichten, had ook thans van dezen in last bekomen, zich, zonder zijn betrekking tot Mortaigne te verraden, zooveel mogelijk te vergewissen van hetgeen er ten huize des Prinsen omging. Vollenhove was te dien einde de getrouwe bezoeker geworden van een herberg, waar ook Nicolaas, 's Prinsen koetsier, den tijd sleet, die hem van zijn dienstwerk overschoot. Zich voor een afgedankten rijknecht uitgevende, die een nieuwen dienst zocht, had hij in korten tijd, door zijn aardigen praat, de gunst en het vertrouwen van den niets kwaads vermoedenden Nicolaas weten te verkrijgen, en niet lang duurde het, of deze liet zich ontvallen, dat de Prins van Tarente over tafel zijn voornemen had te kennen gegeven, om den Jonker De Mortaigne, nu deze het verblijf binnen 's-Hertogenbosch zoo aangenaam scheen te vinden, dat verblijf aldaar bestendig te maken, door hem te laten oppakken en in een der kelders van den hoofdwal te sluiten om er zijn overige dagen in door te brengen. Dit bericht ontstelde onzen avonturier niet weinig: hij wist, dat de Prins, die, als Gouverneur der vesting, daarbinnen een gezag bekleedde, 'twelk niemand weerspreken, veel min betwisten dorst, zeer licht een schijnbaren grond kon vinden, om hem, die een vreemdeling en zonder bepaalde qualiteit was, als bespieder of als vagebond te laten oppakken en met dien glimp in de gevangenis te doen werpen, zonder dat er een haan naar kraaide: en zeer juist begreep hij, dat vrijheid in beweging en handelingen een voornaam vereischte was, zoo hij tot zijn doel wilde geraken. Hij blies dus onverwijld en zonder afscheidsbezoeken te geven den aftocht en keerde naar Den Haag terug, zich met de gedachte troostende, dat het verblijf van Catharina van Orleans binnen 's-Her-togenbosch niet eeuwig zou duren en zij t' avond of morgen de Hofstad wel weder bezoeken zou.

Aldus stonden de zaken, toen, gelijk wij vroeger gezegd hebben, Catharina, vergezeld van haar kamenier en van Nicolaas, en bovendien, tot Breda toe, door het geleide van eenige welgewapende ruiters, tegen alle kwade ontmoetingen gewaarborgd, zich uit Den Bosch op reis naar 's-Gravenhage begaf.

-ocr page 139-

ZEVENTIENDE EEUW.

DERDE HOOFDSTUK,

inhoudende, onder meer zaken, welke tot deze geschiedenis betrekking hebben, een hoogst belangrijk gesprek tus-schen Mortaigne en zijn kamerdienaar.

Het was op den vijfden Maart 1663, dat Mortaigne met eenige officieren en andere vroolijke gasten in de herberg te Delft aan den disch zat, toen Vollenhove achter hem kwam en terstond fluisterend verzocht, onder het een of ander voorwendsel de kamer te verlaten, daar hij hem iets gewichtigs mede te deelen had.

„Wel!quot; ving Mortaigne aan, zoodra hij zich met hem in het naaste vertrek alleen bevond: „Wat hebt gij te vertellen, belangrijk genoeg om mij te storen in den nuttigen arbeid, waar ik mij mede bezighield?quot;

„Zij is daar!quot; antwoordde Vollenhove, den voorsten vinger der rechterhand uitstekende en er mede naar den vloer wijzende, alsof deze van kristal ware geweest en Mortaigne er 't een of 't ander hoogst merkwaardig voorwerp doorheen had kunnen zien.

„Wie is daar?quot; vroeg Mortaigne,

„Juffrouw Orleans,quot; antwoordde Vollenhove, de lippen tot een nauwelijks hoorbaar gefluister vooruitstekende.

„Zijt gij daar zeker van? Hebt gij haar gezien?quot; vroeg Mortaigne met drift.

„Zij is daar in een dichten koetswagen,quot; antwoordde de kamerdienaar: „ik heb haar herkend, toen zij het hoofd en den arm aan het portier bracht om een glas water aan te nemen, dat de meid haar toereikte. Doch zoo UEd. haar zien en spreken wil, dient er geen tijd verloren te worden; want de wagen blijft hier stellig niet langer dan noodig is om de paarden te laten drinken.quot;

Mortaigne dacht een oogenblik na: „Wie is er bij haar?quot; vroeg hij toen snel.

„Nog een vrouwspersoon — haar kamenier, geloof ik,quot; zeide Vollenhove: „en voorts de koetsier van den Prins van Tarente.quot;

„Hm! zoo! — En zij zijn vermoedelijk op weg naar Den Haag?quot;

„Vermoedelijk,quot; herhaalde Vollenhove.

„Die koetsier kent u niet als mijn bediende?quot; vervolgde Mortaigne.

Vollenhove schudde ontkennend het hoofd.

„Uitnemend!quot; vervolgde Mortaigne: „Welnu! maak haastig dat gij te paard komt; volg den wagen, zie, waar de juffer afstapt, maak, dat gij te weten komt of zij in Den Haag denkt te blijven, en zorg, dat gij mij hedenavond bij mijn terugkomst alle noodige inlichtingen geven kunt.quot;

„Hedenavond!quot; herhaalde Vollenhove, meesmuilende: want hij wist

131

-ocr page 140-

132 EEN SCHAKING IN DB

bij ondervinding, dat, een maal, als dat, waaraan zijn meester thans deelnam, tot de zoodanige behoorde, die doorgaans tot aan den volgenden morgen gerekt werden.

„Gij hebt gelijk,quot; zeide Mortaigne, nadenkende: ,luister! zoo gij het der zake dienstig acht, dan komt gij mij van avond hier nog bericht brengen: in geval gij oordeelt dat er geen haast bij 't werk is dan wacht gij mij af aan mijn logies. — En nu, verlies geen tijd, en vooral, verlies het rijtuig niet uit het oog.quot;

„Daar is geen nood voor,quot; zeide Vollenhove, en begaf zich naar beneden, terwijl Mortaigne naar de eetzaal terugkeerde.

„Wel!quot; vroeg onze jonker, toen hij, den volgenden morgen, omstreeks zes uren, in Den Haag teruggekeerd, zich weder op zijn kamer bevond, en Vollenhove bezig was henü van zijn bestoven kleederen te ontlasten: „het schijnt dat uw tijding uitstel veelde, althans niet zoo gewichtig was, of zij kon tot hedenmorgen wachten.quot;

„De tijding is gewichtig genoeg; de vraag is maar, of de jonker helder genoeg van hoofd is om er naar te luisteren,quot; zeide vollenhove, met de vrijmoedigheid van een bediende, die in zijns meesters geheimen is ingewikkeld en zich onmisbaar kent.

„O!quot; hernam Mortaigne: „de gedachte aan Catharina's terugkomst had mij de zinnen zoo krachtig aangegrepen, dat de wijn er geen invloed op hebben kon: en bovendien, de rit huiswaarts op een koelen wintermorgen heeft alle kwade dampen doen vervliegen. Vertel maar gerust wat nieuws er is: ik ben gereed, met volle aandacht te luisteren.quot; «

„Welnu,quot; zeide Vollenhove, terwijl hij zijns meesters rok toevouwde en over een stoel hing: „ik ben, ingevolge uw last, het voertuig, zoodra het Delft verliet, stapvoets achtervolgd, en heb het niet uit het oog verloren, tot het hier in Den Haag aankwam en stilstond voor de deur van Jan Van Ruytenburgh.quot;

„Wie is Jan Van Ruytenburgh?quot; vroeg Mortaigne.

„Kent UEd. Jan Van Ruytenburgh niet?quot; vroeg met eenige verwondering de kamerdienaar, terwijl hij het stof van Mortaignes lubben en met kant versierde das afblies en vervolgens deze gedeelten van 's jonkers opschik zorgvuldig wegborg in een bordpapieren doos: „den waard uit het „Wapen van Frankrijk,quot; op de Plaats, waar UEd. nog eens dat partijtje had met die Engelsche Heeren.quot;

„----Met wie ik lansquenet speelde, en die mij nog de helft

van hetgeen ik hun afwon zijn schuldig gebleven,quot; viel Mortaigne in: „ja! ik herinner mij, waar het is; maar 's-mans naam was mij ontschoten. Ga voort.quot;

„Welnu!quot; vervolgde Vollenhove, die thans, geknield, de strikken van zijns meesters broek en schoenen losmaakte: „ik wachtte, tot de juffer afgestapt en de wagen weggereden was, ging toen mijn paard op stal brengen, keerde onmiddellijk terug, en bleef op den hoek van de Gevangenpoort op de loer staan: — hier zyn uw kamermuilen. Ik zag, dat de vensters van de zykamer, allernaast de deur, die openstonden toen het rijtuig stilhield, thans gegloten wa-

-ocr page 141-

ZEVENTIENDE EEUW. 133

ren, waaruit ik de gevolgtrekking opmaakte, dat de juffer daar haar intrek genomen had.quot;

„Dat kon wezen,quot; zeide Mortaigne, terwijl hij zijn rechterbeen aan Vollenhove toestak, en zich de kous liet uittrekken.

,Vervolgens, nadat ik een poos. had gewacht, zag ik den Raadsheer Rixen, die waarschijnlijk van de aankomst zijner pupil verwittigd' was geworden, van den Kneuterdijk afkomen en de herberg instappen.quot;

„Ik wenschte, dat hij zijn hals op den drempel gebroken had, de oude gek,quot; bromde Mortaigne.

„Ik begreep,quot; vervolgde Vollenhove, die, nu weder opgestaan zijnde, de gebloemde kamerjapon zijns meesters gereed hield, „dat ik niet veel meer te zien zou brijgen, en ik vreesde, zoo ik nog langer in de buurt bleef zwerven, achterdocht te verwekken. Ik begaf mij daarom naar de „Groene Wandeling.quot;

„De Groene Wandeling!quot; herhaalde Mortaigne, verbaasd den arm terughoudende, dien hij gereed stond in de mouw van zijn japon te steken: „waar drommel, vindt gij eene wandeling, die in dit seizoen groen is?quot;

„Met uw verlof,quot; zeide Vollenhove: „de Groene Wandeling is een zeer beklante en welbekende herberg bezuiden het Bosch.quot;

„Welbekend!quot; hernam Mortaigne: „'t is mogelijk; maar 't is voor 't eerst, dat ik ze hoor noemen.quot;

„Wanneer ik zeg, welbekend,quot; vervolgde de kamerdienaar, met een buiging, „dan bedoel ik, onder lieden van mijn slag; want zeker is de plaats minder geschikt voor heeren van des jonkers qua-liteit.quot;

„Dat wil ik gaarne gelooven,quot; zeide Mortaigne: „maar is dat alles? want dat gij u daar in de herberg aan den noodigen brandewijn te goed zult gedaan hebben, geloof ik gaarne, zonder dat ik het u hoor vertellen: en de praatjes, die gij daar gehouden moogt hebben, zijn mij vrij onverschillig.quot;

„Ziedaar juist waarin UEd., 't zij met verlof gezegd, zich machtig bedriegt,quot; hernam Vollenhove: „ik geloof daarentegen, dat wie de verborgenheden der Haagsche wereld, zoo groot als klein, wenscht te kennen, er meer zal hooren op éénen avond in de „Groene Wandelingquot; doorgebracht, dan wanneer hij zes weken de hofcirkels bezocht had.quot;

„'t Ean zijn,quot; zeide Mortaigne, geeuwende: „en wat is het dan, dat gij er vernomen hebt?quot;t

„Ziedaar,quot; hernam de kamerdienaar, „wat ik u wilde gaan vertellen. Ik had nog geen halfuur gezeten en pas mijn eerste pijp uitgerookt----quot;

„Gij weet, dat ik u verzocht heb, die vuile gewoonte te laten varen,quot; zeide Mortaigne, „en dat ik geen tabakslucht verdragen kan.quot;

„UEd. heeft er immers nooit hinder van gehad,quot; zeide Vollenhove, zich op de lippen bijtende van spijt, dat hij zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verloren en zich versproken had, „ik rook zeer zelden en trek altijd een anderen rok aan als ik te huis kom;

-ocr page 142-

134 BEN SCHAKING IN VE

terwijl ik de noodige voorbehoedmiddelen neem, dat de lucht u niet hindere.quot;

„Aha ja!quot; zeide Mortaigne: „nu begrijp ik, hoe mijn muskusdoos en mijn fleschjes met eau de senteur zoo spoedig leeg raken. Maar daarover nader bij een andere gelegenheid. Wat hebt gij in die tapperij vernomen?quot;

„Als ik u zeide,quot; ging Vollenhove voort, terwijl hij zijns meesters ringen in een parelmoeren met goud ingelegde doos wegsloot, „ik

had nog geen halfuur gezeten, toen ik----wie denkt Ulid., dat ik

zag binnenstappen?quot;

„Waarschijnlijk niet den Prins, noch Meester Jan De Witt, noch den Ambassadeur d'Estrades,quot; antwoordde Mortaigne, wrevelig; „zit ik hier om raadseltjes te raden, en ken ik het gespuis, dat de tapperijen bezoekt?quot;

„Zeker niet den Prins,quot; zeide Vollenhove, met een glimlach;

„maar toch iemand, die tot den stoet van een Prins behoort____

Nicolaas, den koetsier van den Prins van Tarente.quot;

„Inderdaad!quot; riep Mortaigne: „dat was voorwaar een gelukkig toeval!quot;

„Het zoude, 't zij met verlof gezegd, een zeer ongelukkig toeval hebben kunnen zijn,quot; hernam Vollenhove: „want in de herberg of de tapperij, gelijk UEd. ze gelieft te noemen, waren ten minste zes of zeven koetsiers of kamerdienaars van aanzienlijke luiden, die mij als uw dienaar kennen.quot;

„Welnu?quot;

„Is het UEd. dan ontschoten,quot; vervolgde de kamerdienaar, „dat ik mij in Den Bosch bij Nicolaas onder een verkeerden naam heb bekend gemaakt? En was het niet te voorzien, dat, zoodra hij vernam wie ik was, hij tegen mij op zijne hoede zijn zou, en zoo gesloten, dat er niets meer uit te krijgen zou wezen ?quot;

„En hoe hebt gij het aangelegd, om dit te voorkomen?quot; vroeg Mortaigne.

„Ik zag terstond in,quot; antwoordde Vollenhove, „dat alleen onbeschaamdheid mij uit de verlegenheid redden zou. Ik stapte terstond naar Nicolaas toe, schudde hem de hand, heette hem welkom in 't vorstelijk 's-Gravenhage en verzocht vergunning om hem te trak-teeren, 't welk hij mij gereedelijk toestond. Hij begon als ik wel verwacht had, mij te vragen, wat ik in Den Haag deed, en of ik al geslaagd was in het vinden van een dienst; maar gelukkig dron-

fen zich de aanwezigen met zulk een verwelkoming en drukte om em heen, allen te gelijk pratende en schreeuwende, dat geen van hen de vraag verstond: terwijl ik mij vergenoegde met hem te zeg-en zich de aanwezigen met zulk een verwelkoming en drukte om em heen, allen te gelijk pratende en schreeuwende, dat geen van hen de vraag verstond: terwijl ik mij vergenoegde met hem te zeg-

fen, dat ik hem mijn wedervaren wel eens nader vertellen zou. 'oen gingen wij aanzitten. Iedereen vroeg aan Nicolaas, hoe hij zoo op een bof uit de lucht was komen vallen: en nu vernam ik, dat, ten gevolge van zijns meesters vertrek naar 't leger, de Prinses herwaarts zou overkomen, dat hij vooruit was gezonden om kwartier te maken, en dat juffrouw Catharina medegekomen was, die, volgens beschikking van haar voogd, bij Jan Van Ruytenburgh haaren, dat ik hem mijn wedervaren wel eens nader vertellen zou. 'oen gingen wij aanzitten. Iedereen vroeg aan Nicolaas, hoe hij zoo op een bof uit de lucht was komen vallen: en nu vernam ik, dat, ten gevolge van zijns meesters vertrek naar 't leger, de Prinses herwaarts zou overkomen, dat hij vooruit was gezonden om kwartier te maken, en dat juffrouw Catharina medegekomen was, die, volgens beschikking van haar voogd, bij Jan Van Ruytenburgh haar

-ocr page 143-

ZEVENTIENDE EEUW. 135

intrek houden zou tot den achttienden, wanneer zij met haar oom Boreel naar Middelburg zou vertrekken.quot;

„Naar Middelburg!quot; herhaalde Mortaigne: „en reeds binnen veertien dagen! — Die meid wil mij, geloof ik, het geheele land laten rondreizen. — Ziedaar inderdaad groot nieuws. — En zijt gij nog niets meer te weten gekomen?quot;

„Niets belangrijks voor 't oogenblik,quot; antwoordde Vollenhove.

„En zou die Nicolaas van niemand gehoord hebben, dat gij in mijn dienst zijt,quot; vroeg Mortaigne.

„Voorzeker,quot; antwoordde Vollenhove: „hij heeft het uit mijn eigen mond vernomen.quot;

„Zijt gij razend?quot; vroeg Mortaigne.

„Nog niet, 't zij met verlof gezegd,quot; antwoordde Vollenhove: „maar ik begreep, dat hij het toch t' avond of morgen hooren zou, en daarom achtte ik het maar veiliger, hem, toen wij te zamen naar huis gingen, te vertellen, dat ik onlangs een dienst, en wel bij u, gevonden had. Ik zag wel, dat hij op dit bericht wat zuinig keek; maar nu zal hij niet zoo licht anderen naar mij vragen en daardoor te weten komen, dat ik reeds sedert jaren uw getrouwe dienaar ben. Ik vroeg hem met een onnoozel gezicht, of hij u kende, en deelde hem toen in vertrouwen mede, dat gij op uw vertrek stondt naar Hessenland, waar gij een aanstelling bij de ruiterij gekregen hadt en tevens, dat uw huwelijk met een adellijke jonkvrouw aldaar bepaald was. Hij heeft dit alles voor zoete koek opgegeten, en ik ben overtuigd, dat bij hem althans alle bezorgdheid ten uwen opzichte geweken is.quot;

„Wij willen 't hopen,quot; zeide Mortaigne: „maar----den achttienden

vertrekt zij naar Middelburg, gelijk gij zegt, en wij hebben vandaag den zesden!.... hoe duivel maken wij het, om....quot; en hier verzonk hij in gepeins.

„Ja Jonker!quot; hernam Vollenhove: „wij zullen het ijzer dienen te smeden als het heet is.quot;

„Dat zal meer dan ooit noodig zijn,quot; zeide Mortaigne, somber voor zich ziende: „ziedaar reeds over 't jaar, dat ik mijn tijd, mijn moeite en mijn geld onnut heb verspild: dat kan zoo niet blijven duren: mijn schuldeischers willen niet langer met ijdele beloften gepaaid zijn en worden al meer en meer onbeschaamd in hunne vorderingen:.... er moet op de eene of andere wijze een eind aan de zaak komen.quot;

„Hoe doodjammer,quot; zeide Vollenhove, het hoofd schuddende, „dat UEd. laatstleden zomer de gelegenheid niet te baat genomen heeft, toen zij zich voordeed. De schuit lag klaar, het hek van het landhuis stond den ganschen dag open: wij hadden de juffer op haar morgenwandelingen bespied: en net had toen geringe moeite gekost, om haar te ontvoeren.quot;

„Gij hebt gelijk, Vollenhove!quot; zeide Mortaigne: „maar toen hoopte ik nog altijd, dat zij goedwillig aan mijn aanzoeken gehoor zou geven. — Thans, vrees ik, is de kans verkeken.quot;

„Verkoken! En waarom?quot; vroeg Vollenhove.

-ocr page 144-

136 EEN SCHAKING IN DE

„Gij kunt er toch niet aan denken,quot; zeide Mortaigne, „om haar midden uit Den Haag, onder het oog der Landsregeering, bewaakt door haar vrienden en betrekkingen, tegen haar wil te schaken?quot;

,0! er zijn wel grooter kunststukken verricht,quot; zeide Vollenhove: „met een weinig moed en de hulp van eenige wakkere gezellen zou dat nog zoo bezwaarlijk niet vallen. Ik zou zelfs durven beweren, dat juist de schijnbare onmqgelijkheid der zaak haar uitvoering moet in de hand werken. Wie op reis gaat en eenzame plaatsen moei doortrekken, hoedt zich voor roovers en neemt er zijn maatregelen tegen; maar hier, in een bevolkte en druk bezochte stad, is niemand op iets dergelijks verdacht en worden juist daarom er geen voorzorgen tegen genomen.quot;

„Zoudt gij inderdaad de zaak voor uitvoerbaar houden?quot; vroeg Mortaigne.

„Wij voeren de juffer weg,quot; vervolgde Vollenhove: „wij brengen haar hoe eer hoe beter over de grenzen, en keeren niet terug dan nadat de familie haar toestemming tot een huwelijk gegeven heeft, en wat zou die in zulk een omstandigheid beter kunnen doen?quot;

„Maar kent gij lieden, die ons zouden kunnen bijstaan en van wie gij weet, dat zij ons niet zullen verraden?quot; vroeg Mortaigne.

„Laat dat maar aan mij over,quot; antwoordde Vollenhove: „daar is vooreerst uw lakei. Feit, die, vooral als hij wat brandewijn in heeft, voor dood noch duivel vervaard is: dan ken ik een zekeren Spinel, die niets liever verlangt, dan een buitenlandsch reisje in goed gezelschap te doen, als bevreesd zijnde, zoo hij lang hier blijft, mei de Justitie in geschil te raken, 't geen hij verstandiger acht intijds te ontwijken: — de overigen zal ik wel opsporen: — en voorts, daar het niet noodig zal zijn, hun, voor het laatste oogenblik, mede te deelen, waar het eigenlijk op gemunt is, zoo loopen wij geen gevaar, dat zij iets zullen verklappen.quot;

„Ik goloof waarachtig, dat er niets anders op zit,quot; zeide Mortaigne, na nog een wijl te hebben nagedacht: „het is mijn eenige redmiddel voor 't oogenblik. Bovendien, ik heb gezworen, dat zij de mijne wezen zou, en wie het einde wil....quot;

„Moet ook de middelen willen,quot; zeide Vollenhove. „Heeft ÜEd. nog iets te belasten?quot;

„Ik dank u,quot; antwoordde Mortaigne: ik begin te voelen, dat ik vermoeid ben, en gij zult mede naar rust verlangen. Misschien is het ook beter, dat wij ons op de zaak eens beslapen.quot;

„Ongetwijfeld,quot; hernam Vollenhove, terwijl hi) de gordijnen van zijns meesters ledikant opensloeg en de beddepan door de lakens liet op en neder gaan: „mits wij er maar niet op inslapen.quot;

En geen tien miuuten na dit gesprek sliepen beiden. Heer en knec'if elk op zijn bijzonder leger uitgestrekt, den diepen slaap des recln vaardigen.

-ocr page 145-

ZEVENTIENDE EEUW.

VIERDE HOOFDSTUK.

verhalende, hoe de volvoering van het door Vollenhove beraamde plan werd voorbereid.

Nadat het plan ter ontvoering van de rijke erfgename tusscLen Mortaigne en zijn getrouwen handlanger nader was besproken en eerstgemelde daartoe vast besloten had, werden onmiddellijk door beiden alle maatregelen in 't werk gesteld, die het wel slagen daarvan moesten voorbereiden. Ten einde voedsel te geven aan het praatje, dat Vollenhove aan Nicolaas verteld had, en daardoor de betrekkingen der juffer in slaap te wiegen, gaf Mortaigne aan wie 't booren wou, bericht van zijn ophanden zijnde vertrek naar Hessenland, en van zijn aanstaande huwelijk aldaar, deelde onder zijn vrienden kleine snuisterijen uit en maakte zijn meubelen, en al wat ondersteld kon worden hem op de reis van last te zullen zijn, te gelde. Doch zoo de houding, welke hij aannam, geschikt was om aan Catharina van Orleans en die haar omringden alle vrees wat hem betrof te ontnemen, zij vergrootte daarentegen de vrees van zijn schuldeischers, die nu niet zonder reden begonnen te denken, dat het zijn oogmerk was, met de Noorderzon te vertrekken, zijn deur dagelijks alliepen en reeds met exploten en gijzeling dreigden. Hun aandrang om voldoening veroorzaakte geen kleine ongelegenheid aan Mortaigne, die bij de onderneming, welke hij voorhad, meer dan ooit contant geld behoefde en minder dan ooit genegen was een hunner te betalen. Hij hield dus de zaken slepende zoogoed hij kon, den een paaiende met goede woorden en beloften, den ander met een schuldbekentenis, over veertien dagen vervalbaar, en zich meestal of ziek houdende öf niet thuis.

Vollenhove zat inmiddels niet stil, en verrichtte al wat noodig kon geacht worden om de onderneming te doen slagen. Hij oordeelde daarbij de medehulp van ten minste een viertal personen noodig te hebben, en wist zich in de eerste plaats te verzekeren van die des reeds genoemden Spinel, aan wien hij eenig geld op hand gaf, met last om zich gereed te houden op de eerste aanmaning. Voorts schreef hij een makelaar te Amsterdam, die een soort van verhuurkantoor van dienstboden hield, hem een jongeling over te zenden, die bij zijn meester de betrekking van page zou kunnen vervullen. Gezegde makelaar voldeed aan dit verzoek, en weldra verscheen in Den Haag zekere Roelof Goldestede, een twintigjarige jongeling, kersvers uit Oldenburg naar Holland overgekomen om zijn fortuin te maken. Deze zich aan de woning van Mortaigne hebbende aangemeld, werd door Vollenhove ingekwartierd in de „Groene Wandelingquot;, met last om daar te vertoeven tot tijd en wijle dat men zijn diensten zou noodig

137

-ocr page 146-

138 EEN SCHAKING IN DE

hebben, en inmiddels goed te eten en te drinken. De onnoozele knaap, wien zulk een onbekommerd leventje recht aanstond, wensohte zich zeiven geluk met een dienst als welke hij bekomen had en achtte Holland het Luilekkerland, waar men hem als kind van verteld had, en waar het alleen van hem zou afhangen, de genoeglijkste dagen te slijten. Helaas, hoe bedrieglijk is de schijn! De arme Goldestede zou dit eerlang, gelijk wij nader zien zullen, tot zijn schade ondervinden.

Voorts nog besprak Vollenhove de diensten van zekeren Waal, Gonser genaamd, een verloopen geweermaker, wien Spinel hem had voorgesteld als iemand, die tot alles geschikt was en zich door niets liet afschrikken. Ook deze kreeg bevel, zich steeds tot des kamerdienaars beschikking te houden, en hem werd de taak opgedragen van de noodige karabijnen en pistolen voor zes personen te bezorgen. Het getal handlangers, dat hij begreep te behoeven, hiermede genoegzaam achtende, schafte zich Vollenhove de noodige rijpaarden voor hen aan. Wat een wagen betrof, hij kende den voerman, wien Mortaigne gewoon was te gebruiken, genoeg, om te weten, dat hij, mits men hem slechts goed betaalde, er zich zeer weinig over bekommeren zon, wat met en in zijn wagen verricht werd.

Na het nemen dezer voorbereidende maatregelen, kwam het er alleen op aan, den tijd te bepalen, wanneer, en de wijze, waarop de ontvoering geschieden zou. Wat den tijd betrof, zoo oordeelden beiden, Mortaigne en Vollenhove, na rijp beraad, dat men de zaak zou volvoeren op den avond, voor dat Catharina naar Zeeland vertrekken moest. Wel was dit in zooverre veel gewaagd, omdat, ingeval de onderneming dien dag mislukte, er later geene gelegenheid zoude wezen om die, althans op de voorgenomen wijze, te hervatten; doch van den anderen kant wilde men afwachten, dat het donkere maan ware, ten einde de schaking zoo bedekt mogelijk geschiedde. Daarbij wist Vollenhove, die uit de gesprekken der gewone bezoekers van de „Groene Wandelingquot; alles vernam, wat in de hooge kringen van Den Haag voorviel, dat Catharina van Orleans bijna alle avonden op deze of gene partij verzegd was, bij welke gelegenheid zij dan altijd laat te huis kwam, en op een uur, waarop het niet meer mo-

felijk scheen, onder welk voorwendsel ook, toegang tot haar te verrijgen ; terwijl daarentegen de schrandere kamerdienaar niet zonder schijn van grond berekende, dat, ingeval zij in den morgen van den tchttienden vroegtijdig op reis moest, zij den avond te voren wel op geen feest, maar op haar kamer en met inpakken zou doorbrengen.elijk scheen, onder welk voorwendsel ook, toegang tot haar te verrijgen ; terwijl daarentegen de schrandere kamerdienaar niet zonder schijn van grond berekende, dat, ingeval zij in den morgen van den tchttienden vroegtijdig op reis moest, zij den avond te voren wel op geen feest, maar op haar kamer en met inpakken zou doorbrengen.

Wat de wijze der ontvoering betrof, ook deze werd geregeld, en evenzeer de weg bepaald, langs welken men zich uit Holland verwijderen zou. Een zwarigheid van groot gewicht viel nog uit den weg te ruimen: namelijk, hoe men den waard en den knecht uit het ,Wapen van Frankrijk,quot; gelijk mede den koetsier Nicolaas — die, hoewel overdag aan het huis van den Prins van Tarente bezig en zich in den vooravond in de «Groene Wandelingquot; ophoudende, echter tegen halfnegen doorgaans weer in de herberg was — zou verwijderen. Nadat Mortaigne en zijn kamerdienaar hierover langen tijd

-ocr page 147-

Zeventiende eeuw.

beraadslaagd hadden, zonder eenig voldoend middel gevonden te hebben, kwamen zij tot het besluit, zich het hoofd daar, vooralsnog, niet langer mede te breken, maar den dag, ter uitvoering van het plan bestemd, af te Jwachten, en dan te handelen, gelijk net toeval of de omstandigheden zouden voorschrijven.

Die groote dag was eindelijk aangebroken, en niets door den onvermoeiden Vollenhove verzuimd geworden, wat tot het wel gelukken van den aanslag strekken kon. Overal scheen hij te gelijk aanwezig te zijn: in de kamer zijns meesters, om al wat deze het der moeite waardig achtte met zich te voeren, in verschillende, op tafels en stoelen gespreide mantelzakken, zoodanig te bergen, dat het de minst mogelijke ruimte besloeg: —- op stal, om aan Feyt den lakei de noodige onderrichtingen te geven aangaande het verzorgen der paarden, en om toe te zien, dat niets aan zadels of tuigage ontbrak, dat op reis geen springen van een buikriem, geen bersten van een teugel, oponthoud kon veroorzaken: —- bij den voerman, om zich van de deugdzaamheid zijns wagens te verzekeren, en hem nogmaals op het hart te drukken, de assen wel te smeren en alles goed na te kijken: — aan de plaatsen, waar zich de reeds te voren gewaarschuwde handlangers ophielden, om hun te herinneren, zich op hun tijd ter vereenigingsplaatse te bevinden: — in de winkels, om zich nog aan te schaffen wat noodig scheen, of om af te halen wat men vergeten had te bestellen: — in de „Groene Wandeling,quot; in de hoop van nog eenige nieuwtjes op te loopen, waarvan hij wellicht partij zou kunnen trekken: m 't kort, hij legde een ijver en bekwaamheid aan den dag, waarvan het alleen te bejammeren was, dat zij niet tot het doen slagen eener meer loffelijke onderneming werden aangewend.

De tijd was intusschen gekomen, waarop hij een bepaald besluit te nemen had, op welke wijze hij trachten zou de personen, die de volvoering der onderneming verhinderen konden, uit den weg te ruimen. Wat den knecht uit de herberg betrof, deze was, gelijk hij vernomen had, niet afkeerig van een slokje, en bezocht, wanneer hij een oogenblik vrij had, zekere tapperij op het Spui, waar ook Spinel en Gonser gewoon waren, hun meesten tijd door te brengen. Aan deze beiden werd alzoo door Vollenhove opgedragen, gemelden knecht in den achtermiddag daarheen te lokken, en te zorgen, dat hij de herberg of niet, öf niet dan smoordronken, verliet; waarbij hij hun tevens op het hart drukte, zeiven nuchteren te blijven: een aanbeveling, die eenigszins overtollig kon geacht worden, daar Spinel en Gonser beiden tot dat slag van lieden behoorden, die zich voortdurend in denzelfden toestand bevinden, en, gelijk zij nimmer nuchteren, ook tevens nimmer onbekwaam worden aangetroffen. Zij kweten zich naar eisch van de hun opgedragen taak, en toen zij, tegen zes uren, de kroeg verlieten, lag Stoffel uit het „Wapen van Frankrijkquot; zeer gerust onder de tafel te slapen, en had hun de tapper de heilige belofte gedaan, dat hij hem in de eerste drie uren niet in die zoete rust zou storen. — Zoo was dus reeds een der Dersonen, die een spaak in 't wiel had kunnen steken, onschadelijk

139

-ocr page 148-

140 EEN SCHAKING IN DE

gemaakt: wij zullen zoo meteen zien, hoe Vollenhove het aanlegde om zich ook van de tegenwoordigheid der beide anderen te ontslaan.

Het was omstreeks zeven uren in den avond, dat de onderscheidene acteurs in het drama, dat gespeeld stond te worden, zich op de vereenigingsplaats bevonden, en wel in het wagenhuis van den voerman Tyssen, gelegen in de Nieuwstraat, en dus niet verre van de herberg het „Wapen van Frankrijk.quot; Schilderachtig was het schouwspel, hetwelk in de donkere ruimte die verschillende figuren opleverden, alleen beschenen door het flauwe en schemerende licht eener van den zolder afhangende lantaarn, en nu en dan verdwijnende in de schaduw, welke de in 't midden gereed staande wagen neder-wierp. Dit rijtuig was van twee zitbanken voorzien; de achterste, met trijpen kussens bekleed, was door een houten schot afgescheiden van de voorste, die tot zetel des voermans diende, terwijl in de schulp een paar mantelzakken van Mortaigne reeds waren opgeladen. De paarden waren nog niet aangespannen, doch stonden, nevens de rijpaarden, in den belendenden stal.

Voor den wagen liep Mortaigne, in een dichten zwarten mantel gewikkeld, en het hoofd bedekt met een bruinen hoed, welks neder-geslagen randen zijn gelaatstrekken onzichtbaar maakten, in angstige verwachting op en neder, nog altijd vast besloten zijn opzet te volvoeren, doen bij het naderen van het beslissend oogenblik zich van de bezorgdheid over den ongewissen uitslag niet kunnende ontslaan. Bij een der portieren onthield zich Fevt, een stevige, kloek-gespierde kerel, die thans den gevederden hoed met een bonten muts en den livreirok met een effen bruin kleed en een grauwe pij daaroverheen verwisseld had, en paste op de aan zijne zorg toevertrouwde vuurwapenen, die voorloopig in den wagen waren neder-gelegd. Ter zijde tegen den muur zaten op een strooizak, in hun mantels gedoken, Spinel en Gonser: de eerste een mager, klein, schraal mannetje, traankleurig van gelaat, schrander van uitzicht, en wiens uiterlijke meer vlugheid aanduidde dan kracht, de ander, een korte, dikke, grof gebouwde vent, wiens doffe, loensche oogen, in kwabben neerhangende wangen en dikke met een zwaren knevel bedekte lippen een geheel vormden, dat weinig geschikt was om aan wie hem ontmoette een gunstige meening aangaande zijn karakter te doen opvatten: eindelijk midden in het wagenhuis stond Golde-stede, die zich nauwelijks van zijn plaats dorst bewegen, en met een uitdrukking, waarin domheid en eerbied gemengd schenen, op Mortaigne staarde, wien hij heden voor 't eerst zag en als zijn meester leerde kennen. Hij was nog geheel onkundig van hetgeen men voorhad en welke diensten men van hem vergen zoude; doch hij vond zich weinig op zijn gemak, en had een zeker onbestemd gevoel, dat de wittebroodsweken nu voor hem voorbij waren. — Wat den voerman en den stalknecht betrof, deze waren afwisselend in het wagenhuis en bij de paarden op stal, in afwachting dat er last zou gegeven worden om in te spannen.

Doch waar bevond zich inmiddels de onmisbare raddraaier der

-ocr page 149-

ZEVENTIENDE EEUW. 141

geheele zaak, de ijverige Vollenhove? Vergat hij de onderneming of liet hij zijn meester op het oogenblik der uitvoering in den steek? Verre van dien; — zoo hij afwezig was, was het enkel omdat hij aan niemand dan aan zich zeiven de taak had willen toevertrouwen van het „Wapen van Frankrijkquot; op dien avond te bewaken. Nog was er, ofschoon de duisternis reeds lang gevallen was, geen licht op de kamer, door Catharina van Orleans bewoond: en hij wilde zich met eigen oogen van het oogenblik harer tehuiskomst verzekeren. Daarom wandelde hij, insgelijks in een dichten mantel gewikkeld, de Plaats op en neder, aandachtig stilstaande bij elk gerucht van een rijtuig of van naderende voetstappen, en de oogen bijna niet afhoudende van de deur der herberg. In onze dagen zoude zijn voortdurend heen en weder loopen in een kort bestek de aandacht der voorbijgangers, althans die der stille wacht, niet zijn ontsnapt; maar in die dagen was de straatverlichting nog een onbekende zaak, en bij een duisteren nacht was het bijna onmogelijk iemand te onderkennen, of zelfs te bespeuren, die zich voorzichtig onthouden bleef buiten den kring der flauwe lichtstralen, welke, hier een winkelkaars, ginds een voorhuislamp, wat verder de lantaren der Gevangenpoort over het straatplaveisel wierpen.

De klok der Groote Kerk had acht uren, halfnegen, negen uren geslagen, en nog kwam de juffer niet opdagen. Reeds begon Vollenhove ongeduldig te worden en te vreezen, dat zij bij kennissen opgehouden, zoo laat zoude thuis komen, dat de onderneming niet meer met kans op goeden uitslag zou kunnen beproefd worden. Terwijl hij, in zich zeiven brommende, stond te overleggen, wat er in zoodanig geval zou moeten geschieden, voelde hij zich eensklaps van achteren aangevat. De onder den mantel verborgen hand aan een wel gescherpten dolk brengende, dien hij in geval van nood bij zich gestoken had, keerde hij zich haastig om, doch liet terstond het wapentuig weder in de scheede vallen toen hij in de voor hem staande gestalte die zijns meesters herkende.

„Hoe Jonker!quot; fluisterde Vollenhove: „UEd. hier? dat is tegen de afspraak.quot;

„Ik kon het daar in 't wagenhuis niet langer uithouden,quot; zeide Mortaigne: „het ongeduld heeft mij hierheen gedreven. — Is zij nog niet gekomen?quot;

„Ik wenschte, dat ik haar gezien had in plaats van u; — maar om 's hemels wil, keer terug,quot; zeide Vollenhove: „zoo die vijf kerels daar in het wagenhuis in gesprek raken over de zaak, is het tien tegen een, dat zij elkander beangstigen en ons in den steek laten.quot;

„Bah!quot; zeide Mortaigne: „zij zullen ons niet in den steek laten, het is de Juffer, die----quot;

„Stil!quot; viel Vollenhove haastig in, terwijl hij hem op zijde trok: „ik hoor voetstappen.... men komt dezen weg uit.... daar flonkert een licht. Victorie! zij zijn het.quot;

En, zijn meester naar de overzijde der straat voerende, bleef hij met ingehouden adem en gespannen verwachting op het steegje turen, waaruit de naderende personen kwamen opdagen. Vooruit

-ocr page 150-

142 EEN SCHAKING IN DE

ging Nicolaas, met een knuppel in de eene hand en een lantaarn in de andere: hem volgden twee vrouwen, die gearmd liepen, ofschoon reeds dadelijk het onderscheid in rar.g zich openbaarde door dat die aan de rechterhand een taffen falie, en de andere een lakenschen regenmantel droeg. De trein werd gesloten door een lakei in de livrei van Boreel, met een rapier op zijde en een fakkel in de hand. — Ofschoon dè gelaatstrekken der vrouwen bijna geheel over-sluierd waren, toch herkende Mortaigne terstond de gestalte en den loop van Catharina. Zij had den avond doorgebracht bij haar moei, mevrouw Boreel, en keerde nu, gelijk men ziet onder goed geleide, huiswaarts.

Voorzichtig trok Vollenhove zijn meester nog meer achterwaarts, totdat zij op den Kneuterdijk en achter het hoekhuis stonden, waar zij zich buiten den dubbelen lichtcirkel bevonden, dien de flambouw en de lantaarn op de straat wierpen. Van daar om den hoek kijkende, zagen zij, hoe het gezelschap voor de herberg stilhield. Nicolaas klopte aan, en het was Jan Van Ruytenburgh zelf, die kwam openen. De beide vrouwen gingen binnen, door Nicolaas gevolgd, en de lakei keerde weder gelijk hij gekomen was.

„Eindelijk!quot; zeide Vollenhove, diep ademhalende: „nu geen tijd meer verloren!quot;

„Maar hoe verwijderen wij den waard en dien verbruiden koetsier?quot; vroeg Mortaigne.

„Laat mij daarvoor zorgen,quot; antwoordde Vollenhove: „ik blijf hier: keer, zoo 't u gelieft, naar den stal terug: — laat Tyssen inspannen; en zend mij Spinel hier en Feyt.... of neen: men mocht Feyt kennen: zend mij dien grasmof; — maar spoedig, wat ik n bidden mag, ik zal hen op deze stoep inwachten: — en laat Spinel zijn mantel afleggen.quot;

Mortaigne voldeed zonder tegenspreken aan dat verzoek, en het leed niet lang, of de beide personen, waar Vollenhove om gevraagd had, stonden voor hem.

„Goldestede!quot; zeide de kamerdienaar, zich eerst tot den jongeling wendende: „nu komt het er op aan, te toonen, dat gij de knappe borst zijt, waar ik u van den aanvang af voor gehouden heb: gij ziet dat huis daar, waar dat licht brandt?quot;

„Jao freilich!quot; zeide Goldestede.

„Welnu! gij gaat er heen, klopt aan en vraagt naar Nicolaas, des Prinsen van Tarente koetsier.quot;

„Jao,quot; zeide de knaap en wilde heengaan.

„Een oogenblik!quot; hernam Vollenhove, hem vasthoudende: „wat zult gij hem zeggen?quot;

„Jao, dat's waorhaftig waor ook,quot; zeide Goldestede, zich achter het oor krabbende: „ich solde hum sagen, das Monsir Vollenhaove hier staot und hum spreken wol.quot;

„Nu, dat is nogal zoo dom niet,quot; zeide Vollenhove: „maar dat is nu juist niet, wat ik verlang, dat gij zeggen zult: integendeel, zoo ij een woord van mij of van den Jonker spreekt, schiet ik u over-oop, zoo waar ik hier sta.quot;

-ocr page 151-

ZEVENTIENDE EEUW. 143

„Alle koete keisten!....quot; riep de verschrikte Duitscher, terugtredende.

„Nu, wees maar niet benauwd: 't is eukol kortswijl,quot; zeide Vollen-hove: „hoor, gij kent Nicolaas. nietwaar, gij hebt hem dikwijls in de „Groene Wandelingquot; gezien?quot;

„Der herr mit die tikke pakkepaorden,quot; zeide Goldestede: „und den hoed mit de goldene tressen?

„Dezelfde; welnu! als hij voorkomt, dan zegt gij hem, dat zijn vrouw is overgekomen en aan de „Groene Wandelingquot; is afgestapt: en dat zij hem onmiddellijk verlangt te zien.quot;

„Seine Frau!quot; herhaalde Goldestede : „aber ich weiss nichts von seine Prau.quot;

„Dan behoort gij het te weten,quot; voegde hem Vollenhove toe, altijd op den meest bedaarden toon: „hoor eens, knaapje! ik heb u dit maar te zeggen: daar is een kroon voor u te verdienen, indien gij uw boodschap goed verricht, en stokslagen zoo gij een dommen streek begaat. Ik herhaal u, gij zegt aan Nicolaas, dat zijn vrouw aan de „Groene Wandelingquot; is afgestapt, dat zij hem verlangt te spreken, en dat zij u verzocht heeft, hem te gaan roepen. Zeg mij nu de boodschap na.quot;

„Aber ich ep die Frau nicht kezien of kesproken,quot; zeide Goldestede.

„Ik herhaal u, dat er dit niets toe doet,quot; hernam Vollenhove, „zeg mij de boodschap na.quot;

Goldestede deed zulks: doch het was eerst nadat Vollenhove hem die nog eenige reizen had voorgezegd, dat de knaap zijn les behoorlijk van buiten kende.

„Nu gaat het,quot; zeide de kamerdienaar, met moeite zijn ongeduld verbergende: „indien Nicolaas u altemet mocht vragen, hoe zijn vrouw gekomen is, dan antwoordt gij: „met de schuit van Leiden:quot; — en vraagt hij u, hoe zij er wel uit ziet, dan zegt gij: „een schoone knappe vrouw,quot; dat streelt een man altijd, wanneer men zijn vrouw knap noemt,quot; voegde hij er bij, zich lachende tot Spinel wendende.

„Met die schuit fon Layen---- een scheune gnappe Frau----quot;

herhaalde Goldestede; „kans koet: ich wol's sagen.quot;

„En dan,quot; hernam Vollenhove, „wanneer gij uw boodschap verricht hebt, en Nicolaas beloofd heeft te zullen komen, dan keert gij terstond terug en haast u weder naar den stal van Tyssen. Ga nu uw gang.quot;

„Nu! als dat ezelsveulen zich wel van zijn taak kwijt, zal 'tmij verwonderen,quot; zeide Spinel.

„Wij hebben geen keus,quot;' zeide Vollenhove: „en men moet een weinig aan 't goed geluk overlaten, — doch stil! — daar klopt hij aan: aha! — Ruytenburgh doet open!quot;

„Maar heeft die koetsier werkelijk een vrouw?quot; vroeg Spinel.

„Althans naar zijn eigen zeggen,quot; antwoordde Vollenhove; „hij heeft er mij tot vervelens toe over aan quot;t oor geleld, en hoe zij niet mede naar Den Bosch had kunnen gaan, maar daarom bij haar

-ocr page 152-

144 EEN SCHAKING IN DB

familie in Gelderland was gaan wonen, en hoe hij haar geschreven had om over te komen, en hoe hij haar wachtte. — Maar daar is hij met een blaker in de hand: — doe nu uw boodschap goed, mofje! zie! — hoe vreemd kijkt de vent op.... waarachtig, ik geloof, dat hij de pil doorslikt: hij keert terug in de gang: maak dat gij weg komt, knaap!quot;

En, als had hij hem kunnen hooren, draaide Goldestede op zijn hakken om en liep, zoo hard hij loopen kon, hem voorbij en de Nieuwstraat in.

„Nu geef ik hem vijf minuten om zijn mantel om te slaan, zijn lantaarn op te steken, en aan de juffers te zeggen, dat hij uitgaat,quot; zeide Vollenhove: „maar dan moet hij ook op weg zijn.quot;

De vijf minuten waren nog niet verstreken, of zij zagen de deur der herberg opengaan, en iemand, doch zonder lantaarn, naar buiten gaan en met een zwaren stap, de Gevangenpoort voorbij, het Groene Zootje langs, den Vijverberg opwandelen.

„Die zal ons vooreerst niet hinderen,quot; zeide Vollenhove: „nu moet gij ons van den waard ontslaan. Spinel!quot;

„Zeer goed, en op wat wijze?quot;

„Door hem te vertellen, dat zijn knecht als drenkeling uit het Spui is opgevischt, en dat hij verzocht wordt zich onmiddellijk naar de tapperij te begeven in de „Groene Druif,quot; waar de knaap is nedergelegd.quot;

„Nu! dat is maar een halve logen,quot; zeide Spinel, „en die mijn geweten niet bezwaren zal. Ik heb er de lieden wel erger te verzwelgen gegeven.quot;

Met deze woorden stapte hij naar de herberg en klopte aan. Weldra kwam de waard, mooi knorrig over het wegblijven van zijn knecht, te voorschijn, en hoorde met niet weinig ontsteltenis de tijding, die Spinel hem bracht. Intusschen, 't zij, dat hij wantrouwig van natuur was, 't zij, dat het uitzicht van Spinel hem niet aanstond, hij vertrouwde zijn bericht maar half.

„'tls wel!quot; zeide hij, na zich een poos bedacht te hebben: „ikzal met u gaan.quot;

Dit maakte de rekening niet van Spinel; doch te recht begreep deze, dat, indien hij wegliep, Ruytenburgh de zaak als een foppage beschouwen, en zijn ■vrening niet verlaten zou. Hij verklaarde zich dus bereid, hem te wachten; en de waard, even naar binnen geloo-pen zijnde om zijn vrouw van de zaak te verwittigen, keerde weldra terug met zijn muts op, en een ouden hartsvanger in de hand.

„Komaan,quot; zeide hii tegen Spinel: „het is zoo donker niet, of wij zullen onzen weg wel vinden: een lantaarn zoude ons maar belemmeren, geef mij uw arm, en en route, als de Fransoos zegt.quot;

Niet weinig keek Vollenhove op zijn neus, toen hij kort daarop, bij het licht van de lantaarn, die in de Gevangenpoort hing, twee lieden in plaats van één daaronder door zag gaan, die zich op het Buitenhof in de duisternis verloren.

„Nu!quot; zeide hij bij zich zeiven, na een wijl te hebben nagedacht: „in allen gevalle is de baan schoongemaakt, en Spinel moet zelf maar

-ocr page 153-

Zeventiende eeuw. 145

toezien, hoe hij zich den kerel van den bals schuift. — Wij kunnen niet -wachten op zijn terugkomst.quot;

Werkelijk was Spinel, aan den arm van den zwaargebouwden Euytenburgh, die een hoofd grooter was dan hij, en hem kennelijk niet scheen te vertrouwen, weinig op zijn gemak. Wel dacht hij een oogenblik, toen zij zich te zamen midden op het Buitenhof bevonden, zijn mes uit te halen en zich door een wel toegebrachten stoot van zijn makker te ontslaan; maar ongelukkig, of liever zeer gelukkig, was zijn rechterarm als in een schroef in den linkerarm van den waard vastgekneld, en vreesde hij, dat een stoot, met den linkerarm toegebracht, minder zeker zoude treffen, in welk geval hij het ergste te duchten had. Hij begreep dienvolgens, van den nood een deugd te moeten maken, en goedwillig voort te gaan; terwijl hij ondertus-schen de vragen van Ruytenburgh zonder aarzelen beantwoordde, en hem een roman voordischte van de wijze, waarop de arme knecht

fevonden was, zijn verhaal besluitende, met te kennen te geven, datevonden was, zijn verhaal besluitende, met te kennen te geven, dat

;; voor zijn moeite een goede fooi verwachtte.

Eindelijk stonden zij voor de „Groene Druifquot; op het Spui, en nu hoopte Spinel, dat Euytenburgh hem los zou laten; maar nogmaals ha d hij, in den striksten zin, buiten den waard gerekend; want deze, met de rechterhand de deur openstootende, trok met den linkerarm Sp iiiel naar binnen.

„Eéne zaak is gelukkig,quot; dacht Spinel: „hij zal voor 'tminst zijn knecht als een drenkeling vinden; en nat, zoo niet van water, dan althans van brandewijn. Indien nu die ezel van een tapper mijn tee-k ens maar begrijpen wil, dan is er nog niets verbeurd.

Doch in plaats van bij zijn binnentreden den knecht nog onder de tafel te vinden, waar hij hem gelaten had, was het eerst wat hij zag de arme Stoffel, doodsbleek en met een verwilderd gelaat, midden in de tapperij staande, en zich willende ontworstelen aan den tapper, die hem zocht vast te houden.

„Gij ziet het, monsieur Spinel!quot; zeide de tapper, zoodra hij dezen zag binnenkomen: „hij wil maar volstrekt met naar goeden raad luisteren, en zich ondanks mijne vermaningen op straat begeven.quot;

„Hoe onvoorzichtig!quot; zeide Spinel: „Sinjeur Ruytenburgh! gij hebt zeker invloed op den knaap! beduid hem toch, dat hij rust noodig heeft.quot;

„Maar wat drommel! is hij dan weer levend geworden? Ik dacht dat hij als een lijk was opgehaald.quot;

„Ja! wel was hij een lijk,quot; zeide Spinel, „toen ik hem straks verliet; nietwaar Meeuwis?quot;

„Een lijk.... ja, maar----quot; antwoordde de tapper, die niets van

de uitdrukking, door Ruytenburgh gebezigd, begreep.

„Hoe dat zij,quot; zeide Spinel: ,ik ben maar blijde, dat ik den armen kwant weer zooverre hersteld zie. Doch doe mij nu 't genoegen, sinjeur Ruytenburgh! en laat mijn arm vrij, dien gij met uw krach-tigen elleboog paars en lam geknepen hebt. Die arme Stoffel zal nw ondersteuning meer behoeven, dan ik.quot;

Waarschijnlijk was Ruytenburgh ook van die meening; hij liet Spinel b. w. v. 10

-ocr page 154-

146 EEN SCHAKING lit DE

los, en trad op zijn knecht toe, die hem, met het verwezen gezicht, den open mond en de domme uitdrukking eens dronkaards, bleef aanstaren.

„Wat hamer is dat?quot; riep Ruytenburgh: ,de kerel is niet verzopen, maar bezopen. Wat heeft mij die man dan voorgereuteld?quot;

En meteen wendde hij zich om: maar het was alleen om de voordeur te zien dichtgaan, door welke Spinel, gebruik makende van het oogenblik, dat hij zijn vrijheid terugkreeg, zich onmiddellijk verwijderd had.

Wij zullen den waard van het „Wapen van Frankrijkquot; in de tapperij de oplossing, van hetgeen hem nog een raadsel was, laten zoeken, en inmiddels naar het wagenhuis van Tyssen terugkeeren.

Daar was alles in gereedheid gebracht: de voerman had den wagen ingespannen en naar buiten gehaald; de rijpaarden waren gezadeld, en Mortaigne, die reeds van Goldestede vernomen had, dat Nicolaas verwijderd was, stond nu in gespannen verwachting de komst van Vollenhove te verbeiden. Niet lang duurde het, of ook deze verscheen.

„De kust is vrij,quot; riep hij: „en de kapers kunnen zich vertoo-nen. — En nu, handen aan 't werk. Waar is uw jongen, vriend Tyssen ?quot;

„Binnen,quot; antwoordde de voerman: „hij houdt de paarden vast.quot;

„Best! laat gij ze vasthouden tot wij terugkomen. En gij, rijd terstond naar den hoek van den Kneuterdijk en de Plaats, keer daar om en blijf staan, tot wij u noodig hebben.quot;

De voerman steeg op, en maakte zich gereed om te doen als hem gezegd was.

„Wacht even,quot; zeide Vollenhove, en, zijn hoed en mantel in den wagen werpende, stond hij voor 't oog der aanwezigen in een duf-felsch buis, geruiten bonten halsdoek, vest met knoopjes, wijde broek en wollen kousen: zoodat hij volkomen het uiterlijke had van een beurtman of schipper: — hij voltooide zijn vermomming, door uit den wagen een ronde haren muts te nemen, die hij zich op 't hoofd drukte.

„En nu,quot; zeide hij tegen Mortaigne: „ik zal, volgens afspraak, naar binnen gaan; ÜEd. en Peyt zullen volgen: Gonser de dienstmaagd voor zijn rekening nemen, en deze wakkere borst,quot; (hier sloeg hij Goldestede op den schouderj „zal onzen aftocht dekken.quot;

„En Spinel?quot; vroeg Mortaigne: „waar is hij gebleven?quot;

„Hij liet den waard de stad rondkuieren,quot; antwoordde Vollenhove: „en zal zich wel weder bij ons vervoegen als 't noodig is: in allen gevalle kunnen wij niet ophemwachten.Ennu, voorwaarts, mannen!quot;

-ocr page 155-

ZEVENTIENDE EEUW.

VIJFDE HOOFDSTUK,

verhalende, hoe juffrouw Gatharina van Orleans uit Ben Haag ontvoerd werd, en andere wetenswaardige zaken meer.

Mortaigne en zijn medehelpers, twee aan twee, en op korte afstanden, achter elkander gaande, ten einde geen opschudding te verwekken, volgden nu Vollenhove, tot zij op de Plaats gekomen waren. Hier scherpte hij nogmaals aan elk hunner de rol in, die hij te spelen had, en klopte toen aan het „Wapen van Frankrijkquot; aan; terwijl de vier overigen zich aan weerszijden van de deur tegen den muur stelden. De dienstmaagd uit de herberg opende de deur; doch slechts op een kier, daar zij waarschijnlijk vreesde, een onbekende hinnen te laten, nu alle manspersonen buitenshuis waren.

„Logeert juffrouw Orleans hier, vrijster?quot; vroeg Vollenhove.

„Ja wel,quot; antwoordde de meid: „maar ik denk, dat de juffrouw al naar bed zal zijn: moest TJEd. haar spreken?quot;

„Ja gewis,quot; zeide Vollenhove: „ik ben de schipper op Zieriksee, en ik heb een brief voor de juffer, dien ik gelast ben, haar zelve ter hand te stellen.quot;

De meid hield den blaker, dien zij droeg, wat dichter bij Vollen-hoves aangezicht, bezag hem van top tot teen, en toen, niets in zijn voorkomen vindende, dat in weerspraak was met zijn woorden, of haar eenig wantrouwen kon inboezemen, liet zij hem binnen, en zeide, dat zij de boodschap aan de juffer zou gaan doen. Zij zette haar blaker neder eer zij zich verwijderde, doch nauwelijks was zij de zijgang, die naar Catharina's kamer geleidde, ingegaan, of Vollenhove opende zoo zacht mogelijk de voordeur, en wenkte Mortaigne, die met Feyt en Gonser binnensloop; waarop Vollenhove het licht uitblies.

In één opzicht was de berekening van Mortaigne en Vollenhove mis geweest. Catharina was dien avond niet, gelijk zij meenden dat

feschieden zou, thuis en met inpakken bezig gebleven. Dejuffer ad reeds haar koffers gepakt, en den avond bij mevrouw Horeel doorgebracht, vanwaar zij, nu een halfuur geleden, gelijk wij gezien hebben, met haar kamenier was teruggekeerd. Zij had dus voor 't oogenblik niets anders te doen dan naar bed te gaan, en was reeds half ontkleed, toen de meid uit de herberg aan de deur tikte, en, nadat de kamenier geopend had, de haar gegeven boodschap overbracht.eschieden zou, thuis en met inpakken bezig gebleven. Dejuffer ad reeds haar koffers gepakt, en den avond bij mevrouw Horeel doorgebracht, vanwaar zij, nu een halfuur geleden, gelijk wij gezien hebben, met haar kamenier was teruggekeerd. Zij had dus voor 't oogenblik niets anders te doen dan naar bed te gaan, en was reeds half ontkleed, toen de meid uit de herberg aan de deur tikte, en, nadat de kamenier geopend had, de haar gegeven boodschap overbracht.

„Ik kan nu niemand spreken,quot; zeide Catharina: „vraag hem, of hij u den brief niet kan geven, dien hij bii zich heeft, en de boodschap doen.quot;

147

-ocr page 156-

148 EEN SCHAKING IS DB

zeit, hij moet de juffer zelve noodzakelijk spreken,quot; zeide de meid.

„Maar is dit nu een uur om bij de lieden te komen?quot; hernam Catharina, wrevelig: „Lotje! ga gij eens mede, en hoor wat de man te zeggen heeft.quot;

De kamenier voldeed aan den last van hare meesteres, en begaf zich met de dienstmaagd naar het voorhuis, waar Vollenhove haar tegentrad.

„Wat is dit?quot; zeide de meid: „het licht uit!quot;

„Het is met den tocht uitgewaaid,quot; zeide Vollenhove: „hier is uw blaker, kind! Welnu! kan ik de juffer te spreken krijgen?quot;

„De juffrouw vraagt, of gij mij de boodschap niet doen kunt,quot; zeide de kamenier.

„Onmogelijk,quot; zeide Vollenhove: „zie je, ik wil 't je wel vertellen; ik moet de juffer noodzakelijk spreken eer zij morgen van hier vertrekt: haar tante Van Citters is dood, en dat staat in den brief; maar nu is mij verzocht, zie je, haar dien persoonlijk te behandigen, en haar nog zoo 't een en ander te vertellen hoe zich dat heeft toegedragen, zie je.quot;

„Bewaar ons!quot; zeide Lotje: „dat zal de juffrouw onverwachts op 't lijf vallen. En! ik zal haar zeggen, dat gij haar spreken moet. Ga gij maar weer naar de keuken. Bet! ik zal den man wel uitlaten.quot;

„Goed!quot; zei Bet: en liep met haar blaker naar achteren, zoodat Mortaigne en zijn medestanders nu ook van die zijde geen belemmering meer te schromen hadden. Lotje, tot haar meesteres teruggekeerd, gaf aan deze te kennen, dat de schipper ongunstige tijdingen bracht, die wellicht een verandering in het reisplan van den volgenden morgen konden teweegbrengen: en dat haar in allen gevalle gebleken was, dat de boodschap, waar de man mede was belast, van dringenden aard was. Catharina, hierdoor overreed, liet zich inderhaast een doek en nachtgewaad omslaan, en gelastte toen, dat hij binnengeleid zou worden.

„Waar schuilje toch, man?quot; zeide Lotje, toen zij zich weder naar 't voorhuis had begeven; „'t is hier zoo donker, dat ik u niet zien kan.quot;

„Hier ben ik al, schatje!quot; antwoordde Vollenhove: „wel! wat zegt de juffrouw?quot;

„Zij zegt, dat ik u maar bij haar zou brengen,quot; hernam Lotje: „maar wat is dat? zijt gij niet alleen?quot;

„Dat is,quot; zeide Gonser, die haar op hetzelfde oogenblik een doek over 't hoofd wierp om haar 't schreeuwen te beletten en haar een mes op de keel zette, „dat, indien gij u in 't minste verroert, gij een kind des doods zijt.quot;

Intusschen liep Vollenhove, door Mortaigne en Feyt gevolgd, de zijgang in, tot voor de deur van Catharina's kamer.

„Kom binnen!quot; zeide deze, toen er getikt werd; maar, toen er niemand kwam, en het geluid herhaald werd, ging zij zelve naar de deur, die zij opende.

-ocr page 157-

ZEVENTIENDE EEUW. 149

.Waar is de kamenier?quot; vroeg zij, een weinig verwonderd, aan den voor haar staanden Vollenhove; maar deze, terstond zijn arm om haar midden slaande, wierp haar aan Mortaigne toe, die, zijn mantel om haar gelaat wikkelend, haar opnam en, met behulp van Feyt, naar 't voorhuis droeg.

„Open de deur, mof!quot; riep Gonser — die, de tegenspartelende kamenier in zijn armen vasthoudende, zich nauwelijks verroeren kon — aan Goldestede toe, die versuft stond. Maar Vollenhove was reeds vooruitgevlogen en had de deur opengerukt, door welke Mortaigne en Feyt zich nu met hun buit verwijderden. — Dit alles had echter geen plaats zonder eenig rumoer te verwekken, op hetwelk de vrouw van Ruytenburgh met hare dochter en dienstmaagd kwamen aansnellen; de laatste met het wederom aangestoken licht in de hand.

„Wat gebeurt er?quot; vroegen de drie verschrikte vrouwen, als uit éénen mond.

,Pak aan!quot; zeide Gonser: en wierp Lotje met geweld van zich af: de arme kamenier stortte tusschen de vrouwen neer en de meid liet van ontsteltenis den blaker uit de hand vallen.

„Scheer u weg!quot; zeide Gonser, terwijl hij den als versteend staanden Goldestede met zich de voordeur uitsleurde; „wilt gij hier blijven om gehangen te worden?quot;

En beiden, van de verwarring gebruik makende, namen de vlucht, de straat over en naar het rijtuig. Vollenhove was al de overigen vooruitgesneld en in den wagen gestegen; Mortaigne en Feyt kwamen acnter hem aan, de arme juffer dragende, die zij aan Vollenhove overgaven.

„Mejuffer!quot; fluisterde deze haar in 't oor, met een wel beleefde, doch vastberaden uitdrukking van stem: „ik verzoek u geen gerucht te maken; want ik zoude genoodzaakt zijn, in mijn eigen belang u te dooden.quot;

't Zij, dat deze vermaning uitwerking had, 't zij, dat de ontsteltenis Catharina werkelijk belette eenig geluid te geven, zij liet zich zonder verder tegenspartelen naast Vollenhove nederzetten, die, zoo om haar tegen de nachtlucht te beveiligen, als opdat haar wit nachtgewaad de oogen der voorbijgangers niet trekken zou, haar zijn in den wagen achtergelaten mantel omsloeg en haar zijn hoed op het hoofd drukte. Volgens te voren gemaakte schikking eteeg nu Gonser naast den voerman op, en gaf nem last weder de Nieuw-straat in te rijden.

„Maar,quot; zeide Tyssen, die nu eerst begon te begrijpen, dat het hier geen gewone schaking gold, gelijk hij eerst gedacht had, maar een gewelddadigen vrouwenroof, waarvoor hij als medeplichtige aansprakelijk zou gesteld worden: „indien ik nu niet verkies, u verder in dit feit behulpzaam te zijn.quot;

„Dan jaag ik u dezen kogel door 't hoofd, en men zelf de paarden,quot; zeïde Gonser, hem te gelijk de tromp van zijn pistool voorhoudende.

Dit was, gelijk men in den stijl van den Hove gezegd zonde heb-

-ocr page 158-

150 EEN SCHAKING IN DE

ben, een peremtoir argument, waarvoor Tyssen onmiddellijk zwichtte; die dan ook, de zweep over de paarden leggende, de Nieuwstraat weder inreed, waar Mcrtaigne, Feyt en (Joldestede insgelijks naar toe draafden, zoo vlug zij de beenen maar konden reppen.

,Rij maar voort,quot; riep Mcrtaigne den voerman toe: „wij zullen u wel inhalen.quot;

Binnen weinige oogenblikken was hij met zijn beide medehelpers aan het wagenhuis, waar de staljongen nog altijd de gezadelde paarden vasthield. In een ommezien zat Mcrtaigne in den zadel, en hadden ook Feyt en Goldestede hun paarden bestegen. Maar nu schoot er nog een vierde rijdier over, 't welk voor Spinel was bestemd geweest.

,Blijf hier nog een halfuur wachten,quot; zeide Mcrtaigne tot den stalknecht, „en zoo de Heer, die dit paard berijden moest, dan niet is komen opdagen, breng het dan maar naar mijn stal terug. En nu voorwaarts!quot; vervolgde hij, zich tot de anderen wendende: „ons leven hangt af van den spoed, dien wij maken.quot;

Meteen zijn paard de sporen gevende, holde hij, gevolgd door zijne handlangers, den wagen achterna, dien zij aan het Haarlemmer veer inhaalden. Nu ging het, de Prinsessegracht langs, het valbruggetje over en zoo den Bezuidenhoutschen weg op.

Inmiddels was de arme Catharina weder eenigszins tot hare bezinning gekomen, en hoezeer nog onder den indruk van de bedreiging, door haren buurman geuit, begon zij te beseffen, dat het om haar persoon en niet om haar leven te doen kon zijn, en dat er voor haar geen uitzicht op verlossing bestond, indien zij de hulp niet inriep van wie er toevallig voorbij mocht gaan. Zij zette het dan ook uit al haar macht op een schreeuwen van „moord!quot; en „hulp!quot; zonder te letten op de herhaalde dreigementen van Vollen-hove, die al meer en meer, nu zij niet door da daad gevolgd werden, haar indruk begonnen te verliezen. Weinig echter baatten de noodkreten, door de hulpelooze juffer geslaakt. Het was nu tien uren, een tijd, waarop in die dagen de openbare wegen zoomin als de straten meer bezocht waren, tenzij door nachtloopers, of door wie om noodzakelijke redenen uit zijn woning geroepen werd. De enkele voorbijgangers, die den wagen, toen die zich nog in de straten van Den Haag bevond, waren tegengekomen, hadden zich vergenoegd, met hem na te kijken: en twee of drie halfdronken lichtmissen, die, uit de „Groene Wandelingquot; naar stad keerende, het hulpgeschreeuw hoorden, waagden het met, zich in een zaak te mengen, waar zij, te voet tegen gewapende ruiters, noodwendig zouden moeten te kort schieten. Dan toen men eindelijk de zooeven genoemde herberg voorbijreed, meende Catharina, toevallig dien weg uitziende, in de openstaande deur de gedaante van den getrouwen Nicolaas te zien; waarop zij, onder luide aanroeping van zijn naam, zich uit het portier poogde te werpen.

„Mejuffer!quot; zeide Vollenhove, haar terugtrekkende: „ik heb in last u met alle beleefdheid tc behandelen; maar zoo gij dus voortgaat

-ocr page 159-

ZEVENTIENDE EEUW.

met schreeuwen, zal ik mij tot mijn leedwezen genoodzaakt zien, n een doek om den mond te binden.quot;

Ook deze bedreiging was thans vruchteloos. Wanneer eens de zenuwen eener vrouw in een staat van spanning verkeeren als thans met Catharina van Orleans het geval was, dan is zij even onvatbaar voor vrees als voor redeneering, en zij ging dan ook op dezelfde wijze voort, zich met handen en voeten werende, en werks genoeg gevende aan Vollenhove, die, om de zaak zijns meesters niet

feheel te bederven, geen onnoodig geweld tegen haar wilde plegen, [ij was nu echter minder bezorgd voor ontzet, sinds de stoet, het Huis ter Noot voorbijgereden zijnde, de nieuwe laan naar Voorburg was ingeslagen, waar men op dezen tijd van den nacht weinig kans had, iemand te ontmoeten: en hij troostte zich met de gedachte, dat een vrouw, ook al is zij met de krachtigste longen voorzien, niet altijd door kan schreeuwen; zoodat zij, te Voorburg gekomen, wel te vermoeid zou zijn om verder geluid te geven. Ook zij scheen eindelijk het vruchtelooze van haar kreten in te zien; zij zweeg stil, zakte in elkander, en borst toen uit in een hevigen tranenvloed, door luide snikken afgebroken. Vollenhove liet haar ongestoord aan haar aandoeningen den vrijen teugel vieren: en eerst toen zij eenigszins bedaard scheen, zeide hij, op den minzaamsten toon, dien hij maar bezigen kon:eheel te bederven, geen onnoodig geweld tegen haar wilde plegen, [ij was nu echter minder bezorgd voor ontzet, sinds de stoet, het Huis ter Noot voorbijgereden zijnde, de nieuwe laan naar Voorburg was ingeslagen, waar men op dezen tijd van den nacht weinig kans had, iemand te ontmoeten: en hij troostte zich met de gedachte, dat een vrouw, ook al is zij met de krachtigste longen voorzien, niet altijd door kan schreeuwen; zoodat zij, te Voorburg gekomen, wel te vermoeid zou zijn om verder geluid te geven. Ook zij scheen eindelijk het vruchtelooze van haar kreten in te zien; zij zweeg stil, zakte in elkander, en borst toen uit in een hevigen tranenvloed, door luide snikken afgebroken. Vollenhove liet haar ongestoord aan haar aandoeningen den vrijen teugel vieren: en eerst toen zij eenigszins bedaard scheen, zeide hij, op den minzaamsten toon, dien hij maar bezigen kon:

„Wees gerust, waarde juffer! er is niemand, die eenig kwaad tegen u in den zin heeft. Wij allen, die hier om u zijn, hebben niets anders op 't oog dan uw toekomstig geluk te bevorderen.quot;

„Mijn geluk!quot; snikte Catharina: „wie bemoeit zich daarmede? Wie zijt gij toch? ik ken u niet: en door wiens toedoen geschiedt dit allés?quot;

„Wat mij betreft,quot; zeide Vollenhove: „ik ben niet meer dan de dienaar van uwen getrouwsten aanbidder: en deze wacht enkel uwe goedkeuring af, om zich aan uw voeten te werpen en u de verzekering zijner diepe hulde te geven.quot;

„Zijn hulde----herhaalde Catharina, „is dat de wijze waarop hij

die aan den dag legt? — Maar luister,quot; hervatte zij, na een oogen-blik zwijgens, terwijl zij eenigen moed vatte: „gij zijt zijn dienaar, zegt gij: ik weet niet, of uw heer vermogen bezit, en den schandelijksten dienst, welken gij hem bewijst, ruim vergelden kan. Maar ik ben rijk, en zoo gij mij de gelegenheid geeft om te ontkomen, dan zal ik u tien-, ja honderdmaal zooveel geven als uw heer u voor uw hulp heeft toegezegd.quot;

„Mejuffer!quot; zeide Vollenhove, met de grootste koelbloedigheid: „ik ben geen man van vermogen, maar een arme kamerdienaar, die de bevelen zijns meesters volgen moet: ik wil volgaarne bekennen, dat ik, zoo ik er voordeel in zag, en ook uit medelijden, u mijn dienst in dit geval niet weigeren zou: er bestaat maar eene, in uwe oogen misschien kleine, doch niet te min onoverkomelijke zwarigheid in de zaak: zij is daarin gelegen, dat uwe belofte, alleen, van geen het minste gewicht is.quot;

„Hoe!quot; zeide Catharina: „is mijn woord u niet genoeg? wel,bezorg

151

-ocr page 160-

152 EEN SCHAKING IN DE

mg papier, op de eerste plaats waar wij stil houden, en ik zal u een schriftelijke schuldbekentenis geven.quot;

„Die zou mij voor niets anders dan scheurpapier kunnen dienen,quot; antwoordde Vollenhove, altijd even koel, „zoolang zij niet de mede-teekening droeg van uw voogd.quot;

„O! mijn voogd zal u dankbaar zijn, indien gij mij aan hem terugbrengt,quot; zeide Catharina: „gewis, hij zal bevestigen wat ik beloofd heb; hij zal----quot;

„Mij aan de dienaars overleveren en op de Voorpoort doen zetten,quot; viel Vollenhove in: „of denkt UEd., dat ik den Raadsheer Rixen niét ken? De Justitie gaat bij hem en bij zijn heeren collega's voor alles: hij zou mij eenvoudig laten hangen, en al schonk hij mij vooraf hetgeen uwe goedheid mij beloofd had, het zoude mij weinig baten, wanneer het toch ten profljte van den Staat werd geconfiskeerd.quot;

„Neen! neen! ik zou voor u genade verwerven,quot; zeide Catharina: „men zou jegens u zoo streng niet handelen, wanneer gij uw vroeger vergrijp door uw latere daad uitwischtet. Ik smeek u, goede man! hoor naar mijn bede: en laat u vermurwen: mijn ontvoering zal toch reeds bekend zijn in Den Haag; en spoedig zal men u op de hielen zitten: — wanneer gij achternaald wordt, dan zeker zult gij de straf niet ontgaan: terwijl, indien gij mij goedwillig helpt, gij veeleer kans hebt op belooning.quot;

Het is onzeker, in hoeverre de smeekgebeden of de redeneering der geroofde juffer zouden geëindigd hebben met eenigen indruk op het gemoed of op het verstand van Vollenhove te maken; — maar op dit oogenblik scheen het, alsof hetgeen Catharina hem voorspiegelde reeds vervuld scheen te worden: althans op eenigen afstand achter den wagen deed zich hoefgetrappel hooren.

„Men vervolgt ons, mijn Heer!quot; zeide Feyt tot Mortaigne.

.Nu reeds!quot; zeide Mortaigne: „laat ons dan harder aanrijden. Leg er de zweep over, Tyssen!quot;

„Hoe wil ik harder rijden dan ik doe,quot; vroeg de voerman: „UEd. begeert toch niet, dat de paarden neervallen eer wij nog te Voorburg zijn.quot;

Desniettemin sloeg hij er eens op; maar ook de persoon, die achter was, scheen harder aan te rijden: althans het vermeerderend geluid bewees, dat hij al dichter en dichter naderde en den stoet weldra zou inhalen.

„Bah!quot; zeide Mortaigne: „waarvoor zijn wij ook beschroomd? Het schijnt niet meer dan een eenig man' te zijn, die ons vervolgt: en al waren er meer, wij zijn immers gewapend. Houdt uw karabijnen gereed, mannen: ik zal zelf eens gaan zien, wie de stoutheid heeft, ons te vervolgen.quot;

En te gelijk, zijn paard omzwenkende, nam hij een pistool in de hand en hield zich gereed, den naderenden ruiter, die vast begon „hei!quot; te roepen, tegen te houden.

„Niet verder!quot; riep Mortaigne: „of ik schiet u overhoop.quot;

„Daar zoude UEd. verkeerd aan doen,quot; zeide Spinel; want

-ocr page 161-

ZEVENTIENDE EEÜW. ' ÓI'.

niemand anders was de man, in wien men een vervolger had meenen te liooren.

,Spinel!quot; riep Mortaigne: „waar drommel waren mijn gedachten, dat ik u geheel vergeten had. Wees dubbel welkom! — ik vreesde reeds, dat gij geen gelegenheid zoudt hebben gehad om u weder bij ons te vervoegen.quot;

,'t Zou in allen gevalle de schuld van Vollenhove niet geweest zijn,quot; zeide Spinel: „na de fraaie commissie, welke hij mij had opgedragen. Doch dat daargelaten: ik heb er mij uitgedraaid, en het paard nog gelukkig gevonden. — Maar 't zal niet !ang duren of Den Haag is in rep en roer.quot;

„Denkt gij, dat men ons spoedig op de hielen zal wezen?quot;vroeg Mortaigne.

„Dat durf ik niet beslissen,quot; antwoordde Spinel: „maar toen ik den Kneuterdijk overkwam, zag ik reeds een hoop volks op de Plaats samengeschoold, en de wacht in 't geweer komende.

„Tot hun dienst,quot; zeide Mortaigne: „zij zullen echter niet zoo spoedig te paard zitten om ons na te jagen: en dan zal het nog

moeite genoeg kosten om ons spoor te vinden,---- maar daar

begint het lieve leven in den wagen weder van voren af aan: ik wenschte mij zeiven geluk, dat de juffer bedaard was geworden.quot;

Inderdaad, Catharina had, op het hooren der beweging, door het naderen van Spinel veroorzaakt, evenals Mortaigne zelf, een oogen-blik in den waan verkeerd, dat er hulp voor haar kwam opdagen, en haar noodgeschrei weder aangevangen. Dan, weldra bespeurende dat zij zich bedrogen had, hield zij met roepen op en begon opnieuw te weenen. Dit duurde, totdat men Voorburg bereikte. Men trok bet dorp, waar ieder reeds in diepe rust en geen mensch op straat te zien was, door, en zette, om de paarden niet te vermoeien, den tocht stapvoets voort. Mortaigne begreep, dat het nu tijd ware, zich te vertoonen, en, den voerman gelastende op te houden, steeg hij van 't paard, deed Vollenhove uitstappen eu nam diens plaats in, terwijl de kamerdienaar zijns meesters ros besteeg.

Ik zal hier de bewoordingen niet herhalen, waarmede Mortaigne, na zich, zooveel de gelegenheid het toeliet, op de knieën te hebben neergeworpen, met gevouwen handen, zijn misdadig feit zocht te vergoelijken en Catharina's vergeving afsmeekte. Te minder behoef ik dit te doen, omdat de juffer toch geen acht scheen te slaan op zijn woorden, en hem met geen antwoord verwaardigde. Zij had, zoodra hij zich naast haar geplaatst had, en zij bij 't herkennen zijner stem het reeds door haar opgevat vermoeden bevestigd vond, zich naar den hoek van den wagen gekeerd, het afgewende hoofd met de beide handen bedekkende, en niet aflatende van snikken en weenen. Het was niet dan nadat hij, gedurende een groot uur, zijn welsprekendheid had aangewend en nu bijkans was uitgepraat, dat zij, hoewel nog altijd dezelfde houding bewarende, in enkele, maar nóg afgebroken woorden, haar toestand begon te beklagen, en vervolgens hem bittere verwijtingen te doen, welke hij_ van zijne, zijde erkende verdiend te hebben, terwijl hij alles oprekening zijner liefde

-ocr page 162-

154 EEN SCHAXTNG IN DE

schoof, die hem tot een zoo wanhopige daad had aangezet. Intusschen was zijn taak, hoe bezwaarlijk nog altijd, lichter geworden sedert hij haar eenmaal aan 't spreken had gekregen, en al scheen hij vooralsnog weinig in haar goede gunst te vorderen, toch wist hij haar van lieverlede zooverre te brengen, dat zij meer bedaard naar hem luisterde en hun onderhoud een meer geregelden loop bekwam. Wellicht werkte hiertoe mede, wat zij, bij de overtuiging, dat zij vooralsnog in zijn macht was, zonder eenig uitzicht op dadelijke hulp, het nuttelooze van ijdele klachten begon in te zien en net verstandiger achtte, bedaard te blijven, in afwachting, dat zich een gelegenheid opdeed om haar uit de handen van den roover te bevrijden.

Vooralsnog scheen die gelegenheid zich niet aan te bieden. Wel hield men in den loop van dien nacht een paar reizen stil om de paarden te drenken of te voederen; doch het was aan afgelegen dorpsherbergen, waar niemand zich voordeed dan een slaperige stalknecht, na lang aankloppen uit zijn bedstede voor den dag gekomen: en zelfs niet dezen kon Catharina niet spreken daar Mor-taigne haar niet vroeg of zij uit wou stappen, en zij te trotsch of te voorzichtig was om daartoe verlof te vragen. Zoo trok men voort. Leiden links latende liggen, totdat men tegen het aanbreken der morgenschemering te Alfen aankwam, in welk dorp de wagen stilhield, en wel voor de herberg, aan den hoogen Rijndijk gelegen, en waar het Wapen van Utrecht uithing.

„Indien gij een halfuur uitrusten en u een weinig ververschen wilt,quot; zeide nu Mortaigne tegen Catharina: „zoo zal ik u daartoe gaarne de gelegenheid geven; doch op ééne voorwaarde.quot;

„En welke is die?quot; vroeg Catharina.

„Dat gij bij de waardin voor mijn vrouw doorgaat, en uw nood aan niemand klaagt.quot;

„Ik ben in uw macht,quot; zeide Catharina, „en heb dus geene andere keuze, dan mij aan uw voorwaarden te onderwerpen.quot;

„Welaan dan,quot; hernam Mortaigne: en, uit den wagen springende, bood hij Catharina eerst zijn hand aan om af te stijgen en vervolgens zijn arm om haar de herberg binnen te leiden. Hier werden zij door de dienstmaagd in een opkamertje geleid, waar spoedig de waardin, die haar bed verlaten had op het bericht van het aanzienlijk gezelschap, dat bij haar was afgestapt, zich bij hen kwam vervoegen.

„Leg een paar takkenbossen op den haard,quot; zeide Mortaigne: „het is een kwaad seizoen om bij nacht te reizen: en gij ziet hoe mijn vrouw van de koude bevangen is.quot;

En inderdaad, Catharina trilde en klappertandde, minder van de nachtkoude, dan van die huivering, welke een gevolg is van sterke aandoeningen.

Spoedig werd er vuur aangelegd, en liet Mortaigne voor Catharina wat warme melk en brood brengen, terwijl hij zelf een flesch Rijnwijn dronk. Nauwelijks echter hadden zij eenige oogenblikken zich bij den haard gewarmd, toen Vollenhove aanklopte, en verklaarde, dat hij zijn Heer noodzakelijk alleen moest spreken,

-ocr page 163-

ZEVENTIENDE EEUW. 155

„Wat is er aan de hand?quot; vroeg Mortaigne, wrevelig de wenkbrauwen samentrekkende, en onwillig om Catharina met de waardin alleen te laten: doch het gelaat van Vollenhove stond zoo ernstig, dat hij begreep, aan zijn verzoek te moeten voldoen.

„Ik moet even met dezen man spreken,quot; zeide hij tegen Catharina: „eii gedenkt aan hetgeen gij beloofd hebt.quot; Met deze woorden verliet hij het vertrek.

„Wel! wat is er?quot; vroeg hij aan Vollenhove, zoodra hij zich met dezen alleen bevond.

„Anders niet,quot; zeide deze, „dan dat de voerman met wagen en paarden den stal is binnengereden, en verklaard heeft, u niet verder te willen brengen.quot;

„Niet te willen!quot; herhaalde Mortaigne, zich op de lippenbijtende: „dan moet hij er toe gedwongen worden.quot;

„Dat ging goed,quot; zeide Vollenhove, „zoolang hij in den wagen zat en onder het bedwang van Gonsers pistool. Maar nu hij zich vrij in den stal bevindt, met den stalknecht in de nabijheid, spreekt hij bout, en zegt, dat hij terug wil.quot;

„Maar mij dunkt, wij zijn talrijk genoeg, om hem te dwingen,quot; zeide Mortaigne.

„UEd. zal toch hier geen geweld willen gebruiken, of vuurwapenen bezigen,quot; zeide Vollenhove, het hoofd schuddende: „nu wij in een sterk bewoond dorp zijn. De boeren gaan reeds aan 't werk: de smid hiernevens stookt zip vuur reeds aan: en in geval van twist zouden wij de minsten zijn. Ik zie er niets anders op dan dat wij Tyssen zijn geld geven en naar een andere gelegenheid omzien om de juffer verder te brengen.quot;

„En hebt gij die reeds gevonden?quot; vroeg Mortaigne.

„Er staat hier een rolwagentje in 't wagenhuis,quot; zeide Vollenhove: „dat wel niet fraai is, maar toch zou kunnen dienen, en zoo wij er een paar stevige paarden voorspanden, waren wij klaar.quot;

,'t Is wel!quot; hervatte Mortaigne: „beschik alles gelijk gij dit best oordeelt: ik ga weder binnen; want ik durf de juffer niet langer alleen met de waardin vertrouwen.quot;

Met deze woorden keerde Mortaigne terug; maar het bleek, dat hij de beide vrouwen reeds te lang te zamen had gelaten; want toen hij de hand aan de kruk van de deur sloeg en die poogde te openen, bevond hij, dat de grendel er van binnen was opgeschoven.

Catharina had namelijk, zoodra zij van zijne tegenwoordigheid ontslagen was, haar toestand aan de waardin blootgelegd, de bescherming van deze ingeroepen en de deur gegrendeld.

„Maak open!quot; riep Mortaigne, terwijl hij met hevigheid op de deur bonsde: „maak open of ik trap de deur in.quot; — Maar hij kreeg geen antwoord en de deur bood wederstand aan al zijn pogingen. In woede liep hij naar beneden, en gelastte Feyt.en Goldestede hem onmiddellijk met hun karabijnen naar boven te volgen.

„Vrouw!quot; schreeuwde hij toen uit al zijn macht: „ik waarschuw u voor 't laatst, open de deur, of ik laat die openschieten.quot;

-ocr page 164-

156 EEN SCHAKING IN DE

„Om 's hemels wil, brave vrouw!quot; smeekte Catharina, zich voor de waardin, die reeds aarzelde, op d.i knieën werpende: „geef hem toch geen gehoor: hij zoekt u maar beangst te maken.quot;

„Hoe is 't?quot; riep'Mortaigne van buiten: „zal ik geweld moeten gebruiken, om mijn vrouw hier uit te halen? — Hier mannen! bonst eens met de kolven uwer karabijnen tegen de deur, opdat zij zich overtuigen, dat het mij ernst is.quot;

Feyt en Goldestede gehoorzaamden, en de verschrikte waardin, vreezende dat Mortaignes bedreigingen ten uitvoer zouden gelegd worden, ontscheurde zich aan Catharina, die baar vasthield, en ontgrendelde de deur.

„Wat beteekent dit?quot; vroeg Mortaigne, binnentredende: „en waarom wordt de man buitengesloten, wanneer zijn vrouw zich binnen be vindt?quot;

„Uw vrouw !quot; herhaalde Catharina, zich zoover mogelijk van hem verwijderende : „gij weet zeer wel, dat gij mij niet dan door geweld in uw macht gekregen hebt.quot;

„Wat heeft zij u verteld?quot; vroeg Mortaigne aan de waardin; „praatjes; zeker, dat zij tegen haar wil door mij ontvoerd is, en dergelijke meer. Deze lieden en zij die beneden staan, kunnen getuigen, dat wij reeds een jaar getrouwd zijn. Maar somwijlen vergeet zij het.quot; Hier zag hij de waardin aan en wees op zijn voorhoofd, terwijl hij deze gebaarde met een bedenkelijk schouderophalen vergezeld liet gaan.

„Arme juffer!quot; zeide de waardin, een medelijdenden blik op Catharina werpende: „zoo jong nog, en____quot;

„Wat zoekt die man u diets te maken?quot; riep Catharina, met hevigheid vooruittredende: „dat ik niet wel bij 't noofd ben? O! in den naam van al wat u lief is, goede vrouw, sla geen geloof aan zijn logens. Op wie beroept hij zich? op zijn medeplichtingen, die even slecht zijn als hij! O God! is er dan niemand, die mij armegt; verlatene bijstaat. Laat den Schout ontbieden, vrouw! en laat hij onderzoeken, wat er van de waarheid zij. Ik wil de ergste straf ondergaan, indien ik u bedrieg.quot;

„Maar mij dunkt, mijn Heer!quot; zeide de waardin: „dat hetgeen zij vraagt niet onbillijk is, en ik zoude toch wel willen verzekerd zijn, dat gij haar wettige man zijt.quot;

„Ga het dan maar nazien in de trouwregisters van de Groote Kerk in Den Haag,quot; zeide Mortaigne: „wat zou uw Schout hier doen? Denkt gij, dat ik met mijn trouwbewijs in den zak reis, of dat ik tijd heb, om hier te wachten, tot de man uit zijn slaap gewekt zij en de zaak onderzocht hebbe? — Hoe is het? Is die rolwagen haast klaar? Ga het eens onderzoeken,quot; vervolgde hij tegen Goldestede: „en zeg, dat men zich haaste! en gij,quot; fluisterde hij Feyt in 't oor, terwijl hij een zijdelingschen blik op de dienstmaagd sloeg, die op het gerucht was komen toeloopen: „zorg, dat niemand het linis verlate.quot;

Beiden gingen zich van hun taak kwijten. Goldestede liep naar den stal, waar men bezig was met den rolwagen in te spannen: en

-ocr page 165-

ZEVENTIENDE EBUW. 157

Feyt plaatste zieh voor de deur, gereed den uitgang aan een iegelijk te betwisten.

Intusschen bewaarden de vier personen, die boven gebleven waren, een diep stilzwijgen: Mortaigne liep, met de armen over elkander gekruist, de kamer o_p en neder; terwijl hij zich somwijlen een glas wijn inschonk en dit haastig ledigde: Catharina was in een stoel nedergezonken en zat stil te schreien: de waardin keek beurtelings beiden aan, als onzeker wat te doen: en de meid, die volstrekt niets van de zaak begreep, bleef met open mond in de deur staan. Dit stomme tooneel duurde zoolang, tot Vollenhove het bericht kwam brengen, dat alles gereed was tot het vertrek.

„Gedraag u verstandig,quot; zeide toen Mortaigne halfluid tegen Catharina, terwijl hij haar zijn arm aanbood: „laat u goedwillig door mij leiden en dwing mij niet te doen wat mij later berouwen zou.quot; — En met deze woorden, haar half door overreding, half met geweld oprichtende, wierp hij een dukaat op tafel, en voerde hij haar naar beneden, in stomme verbazing nageoogd door de waardin.

„Wat is er toch aan de hand met die lui?quot; vroeg de meid.

„Och Stijntje!quot; zeide de waardin: „het is maar best, dit niet te onderzoeken. Ik bid God, dat hier geen boos opzet achter steke; maar ik heb nooit gezien, dat er goed van kwam, wanneer men zich met de zaken van groote heeren inliet.quot;

En tevens stak zij, met een diepen zucht, het goudstuk op.

ZESDE HOOFDSTUK,

handelende van den grooten dienst, dien Vollenhove aan zijn heer bewees, en hoe het gezelschap te Kuilenburg aankwam.

Het voertuig, dat thans den wagen vervangen kwam, was zeker vrij zonderling in zijn soort. Het was een wagentje, niet op wielen, maar op houten rollen, van boven met een lederen huif overdekt en van twee zitplaatsen voorzien, de eene voor, de andere achter. Voor deze fraaie equipage, welke op den hoogen dijk, of het zandpad, stond, waren twee paarden, het een voor het ander, gespannen, en als bewijs, dat men geen plan had er buitengewonen spoed mede te maken, liep de voerman naast het paard. Zuchtende liet Catharina zich derwaarts geleiden en nam plaats op de voorste zitbank. Vollenhove nam dit oogenblik waar om aan zijn heer te vragen, hoe hij met de juffer stond.

„Helaas! zeide Mortaigne, de schouders ophalende: „ik ben nog weinig gevorderd.quot;

-ocr page 166-

158 EEN SCHAKING IN DE

„Laat mij dan aehter haar zitten,quot; zeide Vollenhove: „en ik houd mij bijna overtuigd, dat ik haar tot rede breng.quot;

«Wilt gij het beproeven?quot; vroeg Mortaigno: „gij zult mij verplichten; want ik verklaar u, dat ik al mijne welsprekendheid heb uitgeput.quot;

„Des te grooter eer voor mij, indien zij voor de mijne zwicht,quot; zeide Vollenhove: „doch — wij moeten nog meer in onzen tocht verschikken. Dat fraaie wagentje is zoo smal en tuitelig, dat het, bij den minsten hinderpaal, dien het ontmoet, gevaar loopt van om te slaan. Het zal dus noodig zijn, dat er bij beurten iemand achter-loope om het tegen te houden, en daar zullen wij onzen Oldenburger mede belasten. Hier Goldestede! ik heb een karwei voor u, waar gij juist voor berekend zijt!quot;

En nu was weldra do karavaan op weg: Feyt en Spinel te paard voorop, Mortaigne en Gonser achter den wagen; terwijl laatstgenoemde het losse paard van Goldestede, die het rijtuig vasthield, bij den toom leidde.

Vollenhove had zich inmiddels achter Catharina geplaatst, en nog waren zij niet lang onderweg, toen hij op deze wijze het onderhoud begon:

„Mejuner ziet, dat de jonker zich niet weder heeft durven verstouten, u met zijn gezelschap lastig te vallen.quot;

„Ik dacht niet, dat hij zoo schroomvallig was,quot; zeide Catharina, bits.

„Helaas, mejuffer!quot; hernam Vollenhove: „UEd. beschuldigt hem misschien van hardvochtigheid, van wreedheid, omdat hij straks, in de herberg, den schijn daarvan aannam. Maar bedenk, hoe de nood hem daartoe drong, en hoe hij door anders te handelen, de vrucht van al zijn moeite en opofferingen verloren zou hebben. Waarlijk indien de juffer in zijn hart kon lezen, zij zou de overtuiging hebben, dat die strengheid, die schijnbare ongevoeligheid, slechts waren voorgewend en dat hij inderdaad voor u niet alleen de hevigste liefde, maar ook den oprechtsten eerbied koestert.quot;

„Schoone bewijzen van eerbied, die hij mij geeft,quot; zeide Catharina.

„Ik beken,quot; hernam Vollenhove, „dat het bezigen van list en geweld moeilijk als zoodanig kan beschouwd worden; — maar wat dit een en ander betreft, daaraan is hij eigenlijk onschuldig.quot;

„Onschuldig!quot; herhaalde Catharina.

„Onschuldig,quot; herhaalde Vollenhove: „voor zooverre de schuld van een dergelijk feit minder ligt bij hem, die het gedoogt en er de vruchten van hoopt te trekken, dan bij hem, die het uitdenkt en volvoert. Geloof mij, dat mijn jonker, die al zijn bloed liever storten zou, dan toe te zien, dat u het minste leed geschiedde, in deze schaking niet zou hebben toegestemd, indien een ander hem niet had overreed, door hem aan te toonen, hoe, zoo hij weigerachtig bleef, zoodanig middel bij de hand te nemen, hij voor altijd de hoop op uw bezit moest opgeven. Die andere, zonder wien hij nooit tot zulk een stap ware overreed, en op wien zich dus al het gewicht van uw toorn ontladen moet, is niemand anders dan.... uw gehoorzame dienaar.

-ocr page 167-

ZEVENTIENDE EEUW. 159

«Hoe'quot; zeide Catharina: „en gij zijt nog onbeschaamd genoeg, dit' zelf te bekennen.quot;

„Wat zou ik doen, mejuffer!quot; vroeg Vollenhove: „ik zag, hoe mijn goede meester reeds meer dan een jaar van liefde voor n verkwijnde: zulk een goed en braaf jonker, zoo wakker, zoo beminnelijk, en zoo waardig bemind te worden: ik zag, dat alle vroolijkheid bij hem verdwenen was; dat hij geheel het offer van zijn onbedwingbaren hartstocht worden zou: en was het vreemd, dat ik, zijn getrouwe dienaar, ja, ik durf zeggen, zijn vriend, die met hem opgevoed ben, en hem heb liefgehad van mijn prilste jeugd af, alles in 'twerk stelde om hem voor zijn betrekkingen te behouden. Ik wist, dat uw voogd voornemens was, u naar Zeeland te zenden: eens daar, dit wist ik mede, zoudt gij Den Haag nimmer weer gezien hebben, dan gehuwd....quot;

„Hoe!quot; riep Catharina, eenigszins verwonderd over deze woorden, waarop Vollenhove met opzet niet weinig nadruk legde.

„Niet anders dan gehuwd,quot; herhaalde de sluwe kamerdienaar: „ik weet wat ik zeg. Daar is zekere jonge De Mauregnault teVere, aan wien uw heer voogd uwe hand had toegezegd, en met wien UEd. volgens de bedoelingen van den heer Rixen en mevrouw Boreel moest trouwen, eer een vierendeel jaars verloopen ware.quot;

„Dwaze praatjes!quot; zeide Catharina, zien omwendende.

„Zoo dwaas niet als UEd. wel denkt,quot; hernam Vollenhove: „wij dienstboden hooren dikwijls veel in de keuken en mangelkamer, waar de belanghebbenden in de bovenzaal niets van vernemen dan voor het te laat is. Dat er redenen kunnen zijn, waarom de heer Rixen den jongen De Mauregnault zoozeer begunstigt, zal UEd. zoogoed, ja beter dan ik, kunnen begrijpen: dat mevrouw Boreel uw huwelijk met haar neef, als voor dezen hoogst voordeelig, gaarne plaats zag hebben, zal u evenmin verwondering baren: en dat men u daarom naar Middelburg wilde troonen, is iets, waaraan UEd. misschien nog zoudt wenschen te twijfelen, doch 't geen echter oven waar en zeker is, als de oprechte liefde, die mijn jonker u toedraagt.quot;

„Ik geloof er niets van,quot; hernam Catharina, doch op een toon, waarvan de mindere vastheid bewees, dat zij aan 't wankelen gebracht was: — en tevens deed zich aan haar verbeelding de jonge De Mauregnault voor, een scheeve, rosharige, bleeke, domme knaap, ten wiens nadeele elke vergelijking moest uitvallen, die tusschen hem en den kloeken, welgemaakten, bovalligen en vernuftigen Mor-taigne gemaakt werd.

„Was het nu wonder,quot; ging Vollenhove voort, „dat, toen ik kennis kreeg van het bewuste plan, ik al mijn welbespraaktheid aanwendde om den jonker over te halen, het volvoeren daarvan te verhinderen? Hij wilde er eerst volstrekt niet van hooren — hij wilde sterven, liever dan u te beleedigen: hij deed meer; door zekere al te ver gedrevene kieschheid weerhouden, dorst hij u, na zoo vaak door u afgewezen te zijn, niet opzoeken in de kringen, waarin hij u ontmoeten kon, veel min, u in uw herberg bezoeken; maar hij ging herhaaldelijk bij den heer Rixen....quot;

-ocr page 168-

160 Een schaking in de

„Bij den heer Rixen!quot; herhaalde Catharina, verbaasd; want zij had van die bezoeken nooit, iets gehoord, om de zeer eenvoudige reden, dat zij nooit hadden plaats gehad.

„Bij den heer Rixen,quot; vervolgde Vollen hove: „om hem met de oprechtheid zijner bedoelingen te uwaart bekend te maken, en hem te smeeken, uw geluk niet in de waagschaal te stellen. Hij legde hem zijn omstandigheden bloot, gaf hem de meest voldoende inlichtingen aangaande zijn fortuin, toonde hem de titels der landgoederen, die hij in Duitsohland bezit,quot; — landgoederen, die, evenals de gesprekken met Rixen, alleen uit de vruchtbare verbeelding des kamerdienaars ontsproten — „en betuigde, bereid te zijn, uwe meerderjarigheid af te wachten, opdat de echtheid zijner liefde en de vastheid van zijn karakter op de proef zouden gesteld worden. Maar uw heer voogd' wilde van niets weten, ja hem nauwelijks te woord staan.quot;

„Zonderling!quot; zeide Catharina, peinzende, en in weerwil van zich zelve met belangstelling luisterende naar hetgeen Vollenhove haar als waarheid voordischte.

„Wat zou mijn arme jonker nu doen?quot; vervolgde de listige vos, wien de indruk, door zijn verhaal teweeggebracht, niet ontging: „de brieven, welke hij u zoo herhaaldelijk schreef, en waarin hij u zijn toestand blootlegde, werden niet eenmaal antwoord waardig gekeurd. ...quot;

„Ik heb geen brieven van hem ontvangen,quot; zeide Catharina.

„Ik vermoedde dit reeds,quot; zeide Vollenhove: „intusschen zoude Peyt, de lakei, die ons vergezelt, kunnen getuigen, dat hij die meermalen aan uw herberg bezorgd en eigenhandig aan uw kamenier heeft overgegeven.quot;

„Zij zijn nooit tot mij gekomen,quot; hernam Catharina.

„Zooals ik u zeide,'ik vermoedde dit,quot; zeide Vollenhove: „want zij zijn in een pakket onder een omslag aan den jonker teruggezonden, en ik kon niet vermoeden, dat iemand van zoo goede opvoeding en zachte zeden als de juffer, een minnaar, in wiens aanzoeken toch niets onbehoorlijks lag, zoo onbeleefd zou behandeld hebben. Zoo ik de hand, die het opschrift geschreven had, wel kenne, dan was het die van een klerk van den Hove, en dan is alles duidelijk. Uw kamenier stelde op last van uw voogd, de brieven, die voor u kwamen, aan hem ter hand, en de heer Rixen stuurde ze aan mijn meester terug, om dezen in den waan te brengen, dat zijn aanbiedingen door u met verachting werden afgewezen. — Waarlijk, zoo er tegen u gekomplotteerd is, het is minder door mijn meester gedaan, dan door hen, die u omringden.quot;

„Maar ik kan het nog niet gelooven,quot; zeide Catharina, half tot zich zelve, „dat mijn voogd zoodanig gehandeld zou hebben.quot;

„Was die handelwijze,quot; ging Vollennove voort, schijnbaar zonder acht te geven op wat zij zeide: „was die handelwijze niet berékend om mijn armen meester radeloos te maken? En toen hg eindelijk de overtuiging bekwam, dat uw betrekkingen alles in 't werk stélden om zijn liefde te dwarsboomen en hem te beletten u te openbaren, wat hem op 't hart lag, was het wonder, dat hij toen eindelijk toegaf aan mijn raad.

-ocr page 169-

ZEVENTIENDE EEUW. 161

om uit uw eigen mond te vernemen, wat hij te hopen of te vreezen had?quot;

„En kon dat op geene andere wijze geschieden, dan door geweld tegen mij te gebruiken?quot; vroeg Catharina.

„Welk ander middel bleef er over?quot; vroeg op zijne beurt Vollen-hove: ,hoe anders kon hij u te spreken krijgen op een plaats, waar gij, vrij en buiten den invloed van uwen voogd, zijn voorslagen zoudt kunnen aanhooren?quot;

„Gij noemt mij vrij?quot; zeide Catharina, half bitter, half met een glimlach: „is de toestand, waarin gij mij gebracht hebt, gevangen en omringd van gewapende lieden, als een vrije toestand te beschouwen? — Dan voorwaar vormen uw meester en gij zich al zonderlinge begrippen van vrijheid.quot;

„Geloof niet, mejuffer!quot; hernam Vollenhove, „dat de jonker ooit het voornemen zou kunnen koesteren om u door geweld in zijne macht te houden, of u tot een huwelijk te dwingen. Neen! zoodra wij ons op eene plaatfi bevinden, waar hij ongestoord en veilig met u spreken kan, zal hij zijn lot in uwe handen stellen, en, blijft gij dan ongevoelig voor zijne liefde, dan zal het u vrij staan tot de uwen terug te keeren. Ziedaar wat van den aanvang af zijn stellig besluit was, en de eenige voorwaarde, waarop hij zich door mij liet overhalen om in het plan tot uwe ontvoering toe te stemmen. Én hoelang hij nog geaarzeld heeft, kan u daaruit blijken, dat hij die toestemming verschoof tot den laatsten dag, en toen hij wist, dat hij anders alle hoop moest opgeven om u immer, anders dan gehuwd, terug te zien.quot;

„Maar hoe kon hij denken,quot; vroeg Catharina, „dat het plegen van geweld ooit een middel kon zijn om mijn genegenheid te winnen.quot;

„Wat dat geweld betreft, mejuffer!quot; hernam Vollenhove: „ik heb u reeds gezegd dat dit alles mijn schuld is. Straf er mij voor, toon mij uw hevigste verontwaardiging, verban mij voor eeuwig uit uw tegenwoordigheid, lever mij in handen der Justitie, opdat ik mijn vergrijp met de galg boete, ik onderwerp mij aan alles, ik ben bereid alles te ondergaan, mits gij mijn goeden meester in genade aanneemt. Heb ik er in mogen slagen, om zijn geluk te vestigen, dan sterf ik getroost, en met het zalige bewustzijn van als trouw dienaar mijn plicht volbracht en de schuld betaald te hebben, die ik twee jaren geleden aanging, toen hij mij uit de diepte van den Rijn ophaalde en zijn eigen leven niet achtte om het mijne te redden.quot;

En, niet zoozeer uit aandoening bij het herdenken van een feit, dat nooit gebeurd was, als om zijn tirade recht pathetisch te eindigen, snoot Vollenhove zijn neus en veinsde eenige tranen weg te wissohen, die ondersteld werden langs zijn wangen te rollen: een beweging, welke hij te lichter met goed gevolg volbrengen kon, omdat Catharina, voor hem zittende, er niets van zien kon.

„Mortaigne moet toch zoo slecht niet wezen, als hij mij afgeschilderd is,quot; dacht Catharina: „iemand, die zulk een gehechtheid bij zijn dienaars kan inboezemen, bezit ongetwijfeld hoedanigheden, die hem vereeren.quot;

b. w. v. li

-ocr page 170-

162 EEN SCHAKIN8 IN DE

,'t Graat wel!quot; zeide Vollenhove bij zich zeiven: „zij is reeds bewogen: — nu het ijzer gesmeed terwijl het heet is.quot;

En terstond weder van wal stekende, begon hij een nieuw en treffend tafereel op te hangen van de deugden zijns meesters, die, volgens hem, zijn gelijke niet op den aardbodem had. Niet ongelijk aan den loozen knecht in het „Wederzijdsch Huwelijksbedrogquot; van Langendijk, doch zich meer dan deze binnen de palen der waarschijnlijkheid houdende, doormengde hij zijn schilderij met toespelingen op het oude geslacht, waartoe zijn meester behoorde, en dat, volgens hem, met alle voorname, zelfs met Vorstelijke Huizen vermaagschapt was: op de achting, welke hij aan de Duitsche Hoven genoot, van waar hem reeds glansrijke aanbiedingen waren toegekomen, 't zij om een huwelijk aan te gaan, 't zij om een hoogen rang in 't leger te bekleeden; aanbiedingen, welke hij alle had afgeslagen, om in Den Haag in de nabijheid van het voorwerp zijner liefde te blijven: op de bevallige ligging van het slot, dat Mortaigne gemeenlijk, wanneer hij in Duitschland was, bewoonde, en vanwaar men het uitzicht had over de bekoorlijkste landerijen: op de jaar-lijksche opbrengst van gezegde landerijen, die genoegzaam zou zijn om zijn meester schatrijk te maken, indien deze maar wat strenger was in het doen invorderen der pachten, en zich niet te vaak door zijn goed hart verleiden liet om aan de pachters geheel of gedeeltelijk hun schuld kwijt te schelden. In 't kort, de wijdberoemde Gelaarsde Kat, toen hij met den Koning en de Prinses in het rijtuig zat, toonde zich nauwelijks meer bekwaam in het opvijzelen der verdiensten en rijkdommen van den Markies van Carabas, dan onze vriend Vollenhove bij het houden zijner lofrede op Mortaigne. Iemand van meer ondervinding dan Catharina zou gemakkelijk door het weefsel van bedrog en logen, hetwelk hij haar voorhield, hebben heengezien; doch het arme meisje, nog onbekend met de listen en lagen der wereld, vond geen reden om langer te twijfelen aan hetgeen met zulk een schijn van gemoedelijkheid en waarheid verteld werd door iemand, die begonnen was met zich zeiven te beschuldigen. Bovendien, er is geene vrouw, die niet gestreeld wordt door de bewustheid van bemind te worden: en al fluisterde de stem der gezonde rede haar in, dat het hare rijkdommen meer dan haar

Êersoon waren, op wier bezit Mortaigne vlamde, de stem der ijdel-ersoon waren, op wier bezit Mortaigne vlamde, de stem der ijdel-

eid riep haar toe, dat iemand, die zelf rijk en van zoo goeden huize was, haar wel niet anders dan om haar zelve beminnen kon. 't Is waar, het bewijs, dat hij daarvan gegeven had, was wel niet kiesch te noemen; maar het was toch onwedersprekelijk: en tevens kon men niet ontkennen, dat Mortaigne om harentwil oneindig veel, ja zelfs gevangenis of schavotstraf gewaagd had: iets dat weinige minnaars ten gevalle hunner schoonen zouden doen. Bij deze overleggingen voegden zich wrevel tegen haar voogd, over het gedrag, dat zij nu meende door hem omtrent haar gehouden te zijn, — en het hatelijke beeld van De Mauregnault, aan wien zij niet twijfelde dat men haar had willen koppelen. Dit alles had ten gevolge, dat zij. al meer en meer een goedwillig oor leende aan hetgeen Vollen-

-ocr page 171-

ZEVENTIENDE EEUW. 16.3

hove vertelde, en dat, toen men na verloop van vierdehalf uur te Woerden stilhield, zich op haar gelaat wel sporen van vermoeidheid, aandoening en onrust, maar geen zweem van verbolgenheid of angst vertoonden.

„Welnu?quot; vroeg Mortaigne, toen Vollenhove, uit het wagentje gestapt, zich bij hem vervoegde.

„Welnu, jonker!quot; antwoordde de kamerdienaar: „ik heb den veldslag half gewonnen, en het zal alleen van u afhangen, de zege te voltooien. — Maar één ding moet ik u aanbevelen: geweld en harde woorden zouden u van het gewenschte doel weder afbrengen; alles moet, zoo gij slagen wilt, van hare genade afhangen.quot;

En nu, terstond weder naar het rijtuig toegaande, hielp hij Catha-rina er uit, bracht haar in een kamer in de herberg, vroeg haar, of zij iets wilde ontbijten, begaf zich, op haar toestemmend antwoord, weder buiten en zond de dochter uit den huize om te vernemen, of zij ook iets behoefde. Deze handelwijze, waaruit Catharina opmaakte, dat men haar, van nu af, vrijheid liet, trof haar bijzonder, en, gelijk Vollenhove juist berekend had, zij liet het meisje in hare kamer op- en nedergaan, waschgoed en ontbijt brengen, zonder een enkel woord van beklag over haar toestand tot haar te richten. Vollenhove liet een kwartier uurs verloopen, en, zich toen weder bij haar vervoegende, vroeg hij haar of zij toestemde zijnen meester gehoor te verleenen.

„Wat behoeft de jonker dit te laten vragen?quot; vroeg Catharina: „ik ben immers zijn gevangene.quot;

„Ik heb u reeds gezegd, mejuifer,quot; antwoordde Vollenhove, met een buiging: „dat gij u niet langer als zoodanig behoeft te beschouwen: en dat de jonker zich voortaan niet voor uw oogen vertoonen zal, tenzij UEd. hem daartoe vergunning, of — mocht het zijn — recht verleent.quot;

„Ik zal hem ontvangen,quot; zeide Catharina, kleurende.

Vollenhove verliet met een nieuwe buiging het vertrek: en welhaast verscheen Mortaigne, die deze reis allen schijn had afgelegd als wilde hij zich van zijn overmacht bedienen, en deemoedig aan de deur bleef staan.

„Mejuffer!quot; zeide hij: „gij ziet een ongelukkigen misdadiger voor u, die van u het vonnis verwacht van zijn leven of zijn dood.quot;

„Waarom hebt gij mij in de noodzakelijkheid gebracht, van zulk een vonnis uit te spreken?quot; vroeg Catharina.

„Helaas!quot; zeide Mortaigne; terwijl hij, altijd op afstand blijvende, zich op eene knie liet neervallen, en het hoofd boog: „indien berouw mijn vergrijp kon uitwisschen en het gebeurde ongedaan maken, hoe zoude ik den Hemel danken; want ach! ik zie net te wel: mijn euveldaad is vruchteloos geweest, en al heeft zij mij voor een wijl de macht over uw persoon, zij heeft mij niet die over uw hart geschonken.quot;

„Dacht gij dan in ernst,quot; zeide Catharina, „het langs dien weg te zullen winnen?quot;

„Wat baat het,quot; vroeg Mortaigne, op een toon van diepe moe-

-ocr page 172-

164 EEN SCHAKING IN DE

deloosheid, „of ik nogmaals mijn overtuiging verklaar, dat ik mij bedrogen heb? — Genoeg, gy zijt vrij, mejuffer! en kunt tot de uwen terugkeeren, of hun doen weten waar gij u bevindt. Mijn dienaars zullen uwe bevelen volbrengen, zoodra gij u verwaardigt, die te uiten.quot;

„Gij handelt edelmoedig,quot; zeide Catharina, „maar ik bid u, sta op: die houding is uwer en mijner onwaardig.quot;

„Helaas!quot; zeide Mortaigne, met een diepen zucht: „wat zal ik opstaan, zoolang ik gedrukt blijve onder het gewicht van uw gerechten toorn.quot;

„Ik moest toornig zijn,quot; zeide Catharina: „maar ik vergeef u, als 't een Christinne past.quot;

„Ik dank u,quot; zeide Mortaigne; „en toch, die vergiffenis, hoe welkom ze mij ook zijn moge, en al licht zij mij een pak van 't hart af, nog kan zij mij niet genoegzaam zijn om mijn besluit te veranderen om hier,- geknield, mijn lot af te wachten.quot;

„Wat bedoelt gij?quot; vroeg Catharina, verwonderd.

„Ik heb u tegen uw wil geschaakt,quot; hernam Mortaigne: „ik heb vrouwenroof gepleegd en ben daardoor des doods schuldig. Gewis heeft nu de Justitie haar speurhonden uitgezonden om mij te vangen: en weldra zullen zij hier zijn. Of ik hun al ontkwam, 't zou mij weinig baten; want geen naburige Staat, die zich niet haasten zou, de vriendschap der Republiek door mijn uitlevering te koopen. Wat kan ik dan beter doen, nu het leven toch voor mij geene waarde meer heeft, dan bedaard hier af te wachten, dat de gerechtsdienaars komen en zich van mij verzekeren?quot;

„Maar ik heb u immers vergiffenis geschonken,quot; zeide Catharina: „en indien gij nu vlucht, zal mijn voorspraak wel zooveel wegen bij mijn oom, dat hij alle vervolging staken doet.quot;

„Ach mejuffer!quot; zeide Mortaigne, het hoofd weemoedig schuddende: „gij kent de Justitie niet, noch hen, die ze uitoefenen. Gewis is de aanklacht tegen mij reeds gedaan en een bevel van aantasting uitgevaardigd: en als eens het gerecht een zaak heeft begonnen, laat het die om lief noch leed weer varen. Geloof mij, er is niets, dat dien sterken arm, die mij bedreigt, verlammen of weerhouden kan, en mij blijft niets over, dan gelaten te verbeiden hoe men over mij beschikken zal.quot;

„Ik kan zulk een wanhopend besluit niet begrijpen,quot; zeide Catharina, bewogen: „en welke straf zoude, naar uwe meening, tegen u geëischt worden?quot;

„De dood!quot; antwoordde Mortaigne op een somberen toon: „de dood tegen mij en al mijn medeplichtigen.quot;

„De hémel beware ons!quot; riep Catharina: „en zoude mijn voorspraak niet in staat zijn, u voor straf te vrijwaren?quot;

„Niet enkel voor straf, maar zelfs voor vervolging kunt gij mij vrijwaren,quot; zeide Mortaigne: „maar ook gij alleen.quot;

„Ik!quot; hernam Catharina: „en op welke wijze?quot;

„Wat helpt het, of ik u dit al zegge,quot; antwoordde Mortaigne: „wanneer ik toch te voren weet, dat gij er niet in zult toestemmen.quot;

-ocr page 173-

ZEVENTIENDE EEUW. 165

,Spreek!quot; zeide Catharina, angstig; „al wat niet strijdig is met eer en plicht wil ik doen, om de kwade gevolgen van dit noodlottig feit te voorkomen.quot;

„Behoef ik u te zeggen/' hernam Mortaigne, „dat elke vervolging, tegen mij als schaker ingesteld, vervalt, indien gij er in toestemt, mij uw hand te schenken?quot;

„Onmogelijk!quot; zeide Catharina, met een flauwe stem; „ik zou dan immers voor de wereld den schijn aannemen, als ware ik vrijwillig met u doorgegaan.quot;

„Ik verwachtte niet anders,quot; zeide Mortaigne, terwijl zich de diepste neerslachtigheid op zijn gelaat vertoonde; „en ach! wat mij het meeste grieft, is dat de wereld, steeds genegen aan alle zaken de ergste kleur te geven, toch in geen geval gelooven zal, dat die schaking buiten uwe toestemming heeft plaats gehad.quot;

„Zouden de menschen zoo boos zijn?quot; vroeg Catharina, en deze gedachte deed haar in tranen uitbersten; „ik ben wel ongelukkig,quot; vervolgde zij, „en dat door uwe schuld.quot;

„O! mocht ik met mijn bloed de oorzaak dier tranen kunnen wegnemen,quot; riep Mortaigne, ziende, dat het oogenblik gekomen was, om van batterij te veranderen; en, eensklaps oprijzende, naderde hij Catharina, nam hare hand, die zij noch gaf noch terugtrok, en overdekte die met kussen. Toen zich weder, maar nu naast haren stoel, op de knieën werpende, en den eenen arm om haar midden slaande, hernieuwde hij zijne liefdesbetuigingen en schilderde haar af wat haar te wachten stond, indien zij terugkeerde tot haar oom, miskend en verdacht door de wereld, en zoolang genoodzaakt hare verdere dagen, of in afzondering, óf aan de zijde van een haar onwaardigen echtgenoot te slijten. Vervolgens, in tegenstelling van dit tafereel, beeldde hij haar de blijde toekomst af, die haar deel zoude worden, indien zij aan zijn wenschen gehoor gaf; hoe zij, in Duitschland, vermogend, geacht en ontzien, aangebeden door haar echtgenoot, zelve de gelukkigste dagen slijten en hem tot den gelukkigsten aller stervelingen maken zou. Ofschoon de bevende juffer niets antwoordde, toch bespeurde Mortaigne, dat zij niet langer dien afschrik tegen hem koesterde, dien hij nog te Alfen van haar had moeten ondervinden; en dit maakte hem te welsprekender. quot;Wat Catharina betrof, zij zag geen kans om iets in te brengen tegen den vloed van beweeggronden, waarmede Mortaigne zijn verzoek aandrong: zij was vermoeid en afgetobd, en buiten staat geregeld na te denken ; en, ofschoon nog niet gezind, om volkomen toe te stemmen in hetgeen hij verlangde, liet zij zich ten slotte door hem overhalen tot de belofte, dat zij zulks in nadere overweging nemen zou, en hem intusschen vergezellen naar een plaats, waar hij voor vervolging meer veilig ware.

„Victorie!quot; riep Mortaigne, die terstond naar beneden was gesneld, Vollenhove toe, die met de overige dienaars zich aan een stevig ontbijt had te goed gedaan; „de juffer is ons; nu geen oogenblik verloren; maar verder gereisd, eer zij zich weder bedenke.quot;

Aan dezen last werd gevolg gegeven; en het leed geen tien

-ocr page 174-

166 EEK SCHAKING IN DB

minuten, of de stoet trok Woerden weer uit op dezelfde wijze als hij daar binnen gekomen was, met dat onderscheid, dat Catharina nu alleen in het wagentje zat of liever lag op eenige kussens, die Vollenhove in de herberg geleend had. „Laat zij nu maar denken en slapen,quot; had hij tot zijn meester gezegd; „hoe meer zij in den waan verkeert, dat zij vrij is in haar handelingen, hoe gereeder zij zich naar uwen wil zal schikken.quot;

En inderdaad, Catharina stelde de gunst op prijs van een tijd lang alleen gelaten te worden: zij begon Mortaigne met een meer genegen oog te beschouwen: zij achtte het doodjammer, dat zulk een schoon en wakker Edelman op net schavot zou sterven, wanneer het van haar afhing, zulks te voorkomen; en zij begon zelfs te vinden, dat hij zulk een groot kwaad niet gedaan had, toen hij zich, door liefde, tot uitsporigheden had laten vervoeren. Onder aï deze overdenkingen overviel haar een diepe slaap, waaruit zij niet wakker werd, dan toen zij zich voorbij Utrecht aan de vaart bevonden. Hier stapten zij in de schouw, en lieten zich overzetten naar Vianen, alwaar Mortaigne een schuit huurde en met Catharina, Vollenhove, Feyt en Goldestede daarin stapte; — dan, toen zij van wal staken en het zeil werd geheschen ora den Lekstroom op te stevenen, zag geen hunner, hoe, aan de overzijde, aan het veer te Vreeswijk, zich twee ruiters bevonden, die hen met aandacht naoogden, en vervolgens, den teugel wendende, weder naar den kant van Utrecht reden.

Lustig blies de wind in het zeil, en de zachte beweging op het water was niet onwelkom na den langen en vermoeienden tocht. Daar men echter tegen stroom op moest, duurde het nog een geruimen tijd eer men Kuilenburg, welke stad Mortaigne tot het doel zijner reis gesteld had, in 't oog kreeg. Het was ongeveer twee uren na den middag, dat de schuit aldaar stilhield, en onze reizigers in het veerhuis stapten, waar Spinel en Gonser, die met de paarden den diik gehouden hadden, bereids waren aangekomen.

ZESDE HOOFDSTUK,

verhalende de reden, waarom Mortaigne bij voorkeur naar Kuilenburg getrokken was, en verhalende, hoe hij aldaar ontvangen werd.

De stad Kuilenburg, hoewel een Leen van Holland, en waarop, gelijk wij te zijner plaatse zien zullen, ook Gelderland rechten be-

-ocr page 175-

ZEVENTIENDE EEUW.

weerde te hebben, was een Graafschap op zich zelf, met zijn afzonderlijken Heer, rechtsban en rechtspleging. Geen wonder dus, dat het, evenals Buren, Leerdam, Vianen, Breda en andere plaatsen, die haar eigene Heeren hadden, werd aangemerkt als een toevluchtsoord, waar bankroetiers en andere lieden, die slecht in hun zaken waren of met het Gerecht in verschil lagen, zich heen be-

faven om er de tegen hen ingestelde vervolging te ontkomen. Wel ad zulks reeds meermalen aanleiding tot klachten gegeven, en hadden de Staten van Holland herhaaldelijk den Grave van Kuilenburg, als hun vazal, gewaarschuwd, zich te onthouden van aan personen, gelijk de bovengenoemden, vrijplaats te verleenen; maar tot nog toe was op die waarschuwingen niet dan pro forma acht gegeven. Uit dezen hoofde had dan ook Mortaigne begrepen, tot zijn eerste rust- en verblijfplaats Kuilenburg te moeten kiezen, in welke stad hij bovendien vrienden had, die hem, naar hij hoopte en vermoedde, niet in den steek zouden laten. Intusschen oordeelde hij het niet raadzaam de geroofde juifer terstond binnen de stad te brengen: niet zoozeer uit vrees dat het nachtgewaad, 't welk zi| nog steeds aan had, opzien zou baren, maar ook omdat hij te voren verzekerd wilde zijn van een goede ontvangst. Hij schreef daarom een brief van weinige regels aan zijn vriend Cbavallerie, den in een vroeger hoofdstuk reeds eenmaal door mij genoemden Edelman des Graven van Kuilenburg, en zond Spinel daarmede de stad in.aven om er de tegen hen ingestelde vervolging te ontkomen. Wel ad zulks reeds meermalen aanleiding tot klachten gegeven, en hadden de Staten van Holland herhaaldelijk den Grave van Kuilenburg, als hun vazal, gewaarschuwd, zich te onthouden van aan personen, gelijk de bovengenoemden, vrijplaats te verleenen; maar tot nog toe was op die waarschuwingen niet dan pro forma acht gegeven. Uit dezen hoofde had dan ook Mortaigne begrepen, tot zijn eerste rust- en verblijfplaats Kuilenburg te moeten kiezen, in welke stad hij bovendien vrienden had, die hem, naar hij hoopte en vermoedde, niet in den steek zouden laten. Intusschen oordeelde hij het niet raadzaam de geroofde juifer terstond binnen de stad te brengen: niet zoozeer uit vrees dat het nachtgewaad, 't welk zi| nog steeds aan had, opzien zou baren, maar ook omdat hij te voren verzekerd wilde zijn van een goede ontvangst. Hij schreef daarom een brief van weinige regels aan zijn vriend Cbavallerie, den in een vroeger hoofdstuk reeds eenmaal door mij genoemden Edelman des Graven van Kuilenburg, en zond Spinel daarmede de stad in.

Het graafschap Kuilenburg was niet lang te voren uit het geslacht van Pallandt overgegaan op Henrich Walraet, Grave van Waldeck en Pyrmont, die in den loop des vorigen jaars, en gelijk wij later zien zullen, ter kwader ure, deze zijn nieuwe Heerlijkheid was komen bezoeken. De Graaf zat op Dinsdag 18 Maart, kort na den eten, in een der vertrekken van zijn slot een verkwikkend slaapje te nemen, wanneer hij gewekt werd door het onverwachts binnenkomen van den zooeven vermelden Edelman.

„Welnu, Chavallerie!quot; vroeg hij, eenigszins ontevreden over deze stoornis: „wat is er gaande?quot;

„Eene zaak, die haast heeft,quot; antwoordde Chavallerie: ,anders had ik de vrijpostigheid niet gebruikt, uw Excellentie op zulk een ongelegen oogenblik te komen lastig vallen. Ik ontvang daar zooeven bericht van een mijner vrienden, zekeren Mortaigne, een wakker Edelman, wiens geslacht bij uw Excellentie wel bekend zal zijn, dat hij zich aan 't veerhuis bevindt en vrijgeleide verlangt om binnen de stad te worden toegelaten.quot;

„Vrijgeleide!quot; herhaalde de Graaf: „waartoe zoude hij die noodig hebben? Onze goede stad Kuilenburg is immers voor geen deftige reizigers gesloten?quot;

„Ja maar,quot; zeide Chavallerie, met een bedenkelijk gezicht: „er is een maar: gezegde Mortaigne heeft zijn vrouw bij zich. en....quot;

„Des te welkomer zal hij zijn,quot; viel Waldeck in: „wij hebben geen vrouwen van goeden huize te over: en haar gezelschap zal voor onze avond-bijeenkomsten een aanwinst zijn.quot;

„Dat hoop ik,quot; zeide Chavallerie: „maar hier doet zich het bijzon-

167

-ocr page 176-

168 EEN SCHAKING IN DE

der geval op, dat mijn vriend Mortaigne niet enkel het vrijgeleide, maar ook de bescherming van uw Excellentie noodig heeft.quot;

„Mijn bescherming!quot; herhaalde de Graaf: „ik hoop niet, dat hij een manslag of dergelijk feit heeft gepleegd.quot;

„Dat niet,quot; zeide Chavallerie: „maar hij heeft zijn jonge vrouw, die, naar hij mij schrijft, door haar betrekkingen tot een huwelijk tegen haar zin gedwongen werd, uit Den Haag geschaakt.quot;

„Een vrouwenroof!quot; riep de Graaf uit, terwijl hij het voorhoofd fronste: „zie daar een bedenkelijk geval. Die fieeren in Den Haag konden het wel eens euvel opnemen, dat ik mij daarmede inliet.quot;

„Ba!quot; zeide Chavallerie: „daar zij nu eenmaal getrouwd zijn....quot;

„Maar zijt gij daar wel zeker van?quot; hernam de Graaf.

„Ik ben bij de inzegening niet tegenwoordig geweest,quot; zeide Chavallerie, de schouders ophalende; „maar dat ware te onderzoeken.quot;

„En wij zullen het laten onderzoeken,quot; zeide Waldeck: „gaonzen Schout waarschuwen, dat hij zich met den Secretaris naar 't veerhuis begeve, de jonge lieden ondervrage en ons dadelijk bericht kome doen.quot;

Chavallerie boog zich en ging onmiddellijk de beide beambten opzoeken, die zich, door Spinel geleid, naar het veerhuis begaven.

Mr. Joris Martensz, die het ambt van Schout met de betrekkingen van Geneesheer, Heel- en Vroedmeester en Apotheker vereenigde, was een kort, dik, hoogrood, aamborstig manneken en niet weinig doordrongen van het gewicht en aanzien, 't welk deze onderscheidene bedieningen gaven. Zijn Secretaris, die tevens Schoolmeester en Voorzanger was, leverde een volkomen contrast met hem op, als zijnde jong, mager en uitgedroogd van persoon, en bleek en teringachtig van gelaat. De beide beambten werden door de waardin naar de kamer geleid, waar Mortaigne en Catharina zich bevonden: en Mr. Joris Martensz zette zich terstond aan de tafel neer, terwijl de Secretaris, een vel papier en een draagbaren inktkoker voor den dag gehaald hebbende, zich gereed maakte, proces-verbaal op te maken van het te houden verhoor.

„Zijt gij de persoon,quot; begon de Schout, zijn bril opzettende en zijn kleine achter de uitpuilende wangen bijna verscholen oogjes op Mortaigne richtende: „zijt gij de persoon die vrijgeleide van Zijn Excellentie den Heere Grave van Kuilenburg hebt verzocht?quot;

„Ik zelf,quot; antwoordde Mortaigne: „en hoe eerder het mij verleend wordt, hoe aangenamer het mijn vrouw en mij zal wezen; want wij zijn vermoeid van de reis.quot;

„Hm ja!quot; hernam de Schout: „maar alles met beleid: or dine pro-cedamus: uw naam is?....quot; —

„Johan Diederick De Mortaigne.quot; —

„Hebt gij gehoord?quot; vroeg Martensz aan den Secretaris.

„Indien mijn Heer zoogoed wilde wezen, dien naam eens voor te spellen,quot; zeide de Secretaris, door den neus sprekende.

„Met genoegen!quot; zeide Mortaigne, met moeite zijn ongeduld verkroppende: en hij voldeed aan het verzoek.

„Uw beroep?quot; vervolgde de Schout.

-ocr page 177-

ZEVENTIENDE EEUW. 169

,

,Edelman,quot; antwoordde Mortaigne, de schouders ophalende.

„Hm ja!quot; merkte Mr. Martensz aan: „Edelman! — Geen kwaad beroep, wanneer men er de noodige schijven bij bezit om zijn fatsoen oij de wereld op te honden; — anders,.... maar dat doet minder tot de zaak. Gij zijt alzoo Edelman, vir nobilis---- gij hebt

dat, hoop ik, genoteerd, Hillebrands? en die juffer daar, is zij uw wettige huisvrouw?quot;

„Dat is zij,quot; antwoordde Mortaigne.

„Met uw verlof,quot; zeide de Schout: „certam scientiam require: ik moet uit den eigen mond der juffer vernemen, hoe het met de zaak gelegen is: en ik verzoek u derhalve, mejuffer! mij te antwoorden, of gij aan dezen man, zich noemende----ja hoe heet hij

ook weer?...., Compagne, neen Montagne....quot;

„Mortaigne,quot; verbeterde de Secretaris.

„Juist,quot; vervolgde de Schout: „of gij aan dezen Mortaigne wet-tiglijk in den echt verbonden zijt.quot;

Niet zonder angst en hartklopping zagen Mortaigne en Vollen-hove het antwoord te gemoet: en ruim haalden zij adem, toen Catharina, wel met een flauwe stem, maar toch hoorbaar zeide: „zoo ben ik.quot;

„Tot dusverre goed,quot; merkte Mr. Martensz aan: „noteer het antwoord van de juffer, Hillebrands! Maar hebt gij eenige preuve ofte bewijs voor deze allegatie?quot;

„Geen andere dan onze verklaring,quot; antwoordde Mortaigne.

„En mijn getuigenis,quot; haastte zich Vollenhove er bij te voegen: „als zijnde ik bij de voltrekking van het huwelijk tegenwoordig geweest.quot;

„Ik richtte het woord niet tot u, jonkman!quot; zeide de Schout, zich in al zijn waardigheid oprichtende: „maar toch, dewijl gij testis ofte getuige in deze zaak zijt geweest, zal ik deze uwe getuigenis in quantum pro admitteeren; — maar —quot; hier wendde hij zich weder tot Mortaigne — „er is mij verteld van zekeren raptum ofte roof, die door u op de persoon van de juffer zoude zijn geper-petreerd.quot;

„'t Is waar,quot; zeide Mortaigne, „dat zij genoodzaakt is geweest, het huis van haar oom te verlaten en heimelijk met mij te vluchten, omdat hare verwanten haar tot een huwelijk tegen haar zin wilden dwingen.quot;

„Ei zoo!quot; zeide de Schout: „maar zij was waarschijnlijk nog sub regimine tutoris, onder het bestier van haar voogd en m dat geval....quot; hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.

„Hoe kon zij onder het bestier van haar voogd zijn?quot; vroeg Mortaigne: „ik heb te veel eerbied voor uw rechtskennis, om niet te onderstellen, dat het u bekend is, hoe, door het huwelijk eener minderjarige, het beheer over haar persoon en goederen van den voogd op 'den echtgenoot overgaat.quot;

„Recte!quot; zeide de Schout, blijkbaar gestreeld door dit beroep op zijn rechtskennis: „de conjux of echtgenoot treedt in de rechten van den tutor of voogd. Ik geloof dat wij ons hiermede voldaan

-ocr page 178-

170 EEN SCHAKING IN DE

kunnen houden, Hillebrands! en den Heere Grave een favorabel rapport ofte gunstig bericht doen.quot;

„Ik vlei mij daar insgelijks mede, en zie verlangend naar 's Graven beschikking uit,quot; zeide Mortaigne, die nu hoopte, dat met het verhoor ook het bezoek zou zijn afgeloopen; maar hierin had hij zich misrekend; want Mr. Martensz, opgerezen zijnde, trad op Catha-rina toe en zag haar aandachtig aan.

„Ik bid u,quot; zeide hij, na een poos zwijgens: „gun mij, mijne qua-liteit als Schout van den Lande van Kuilenburg voor eenige momenten te seponeeren, of ter zijde te stellen, en u als medecinae Doctor te vragen, of gij niet zijtlaboreerende aan zekere agitatio 1'ebrilis ofte koortsachtige aandoening?quot;

„Mij dunkt,quot; zeide Mortaigne, „dit is niet te verwonderen, na een zoo plotselinge scheiding van vroegere betrekkingen, en na een reis van zestien uren, nacht en dag door.quot;

„Gij zult ongetwijfeld in den „Gouden Leeuwquot; uw intrek nemen,quot; vervolgde Mr. Martensz, die inmiddels Catharina's hand had gevat en haar den pols voelde: „veroorloof mij, dat ik u dan een caimans zende, dien ik mij overtuigd houde, dat u goed zal doen. Ook zoude ik u ten hoogste recommandeeren een voetbad met sinapi ofte mosterd, terwijl ik mij morgen hoop te komen informeeren naar het effectus ofte de uitwerking van gezegde middelen.quot;

En met deze woorden, het gezelschap groetende, verwijderde zich de gewichtige man, gevolgd van zijn Secretaris, en van Spinel, die het vrijgeleide zou afhalen. — Spoediger dan Mortaigne had durven hopen, kwam de laatstgenoemde terug, met een koetswagen, en met de tijding, dat hij logies besteld had in den „Gouden Leeuw,quot; en dat, ofschoon het vrijgeleide nog niet verleend kon worden, het echter aan de jongelieden vergund werd, voorloopig in de stad te vertoeven. Mortaigne, Catharina en Vollenhove stegen hierop in het rijtuig, 't welk Spinel en Feyt te voet volgden; terwijl Gonser en Goldestede aan het veerhuis bij de paarden achterbleven. — Aan de herberg gekomen, vond Mortaigne aldaar Chavallerie, die hem inwachtte en hem tevens uitnoodigde, met zijn vrouw den avond op het slot te komen doorbrengen.

„Ik zal met dankbaarheid van de beleefdheid zijner Excellentie gebruik maken,quot; zeide Mortaigne, die te recht begreep de hem betoonde gunst niet te moeten verwaarloozen: „maar ik hoop, dat de heer Graaf mijn vrouw verschoonen zal, als zijnde zij nog vermoeid van de reis, en rust behoevende.quot;

Chavallerie dorst niet verder aandringen, doch beloofde, op Mortaigne te zullen wachten, die, na te hebben toegezien, dat voor Catharina een behoorlijk vertrek was in orde gebracht, zich reinigde en verkleedde, en toen weder bij zijn vriend kwam, waarna zij gezamenlijk zich naar het slot begaven.

„Weet gij wat, Mortaigne!quot; zeide Chavallerie, zoodra zij op wegwaren: „ik geloof niet een tittel of jota van die geschiedenis van uw huwelijk.quot;

„Mief?quot; vroeg Mortaigne: „ja, dan weet ik geen middel om u van uw ongeloof te genezen.quot;

-ocr page 179-

ZEVENTIENDE EEUW. 171

„Is die juffer niet dezelfde,quot; vroeg Chavallerie, „waaraan gij verleden jaar uw hof maaktet, toen ik mij in Den Haag bevond?quot;

„Zoo is het,quot; antwoordde Mortaigne: „en dat herinnert mij zekere weddenschap, welkp wij aangingen, en welke gij nu wel zult toestemmen, te hebben verloren. —- Ziedaar dus honderd kronen, die ik van u te vorderen heb, en die mij als reisgeld zeer welkom zullen zijn.quot;

„Foei!quot; zeide Chavallerie: „het staat u wel, na meester te zijn van de rijke erfgename en dus ook van haar geld, mij armen drommel te willen plunderen. Geld is iets, dat wij hier in dit vermakelijke Kuilenburg niet bezitten; maar op mijn hulp en ondersteuning kunt

fij rekenen; en misschien zult gij daar in de eerste dagen meer be-oefte aan hebben dan aan klinkende specie.quot;ij rekenen; en misschien zult gij daar in de eerste dagen meer be-oefte aan hebben dan aan klinkende specie.quot;

„Ik sla die althans niet af,quot; hernam Mortaigne: „maar gij bedriegt u zeer, indien gij denkt, dat ik voor 't oogenblik eenig beheer neb over de schatten der Maagd van Orleans. Gij waart in uw eerste gissing dichter bij de waarheid dan in deze.' Neen, u mag ik het niet verbergen, ik ben nog niet getrouwd, en gij moet mij raad schenken, hoe ik handelen zal, om de vruchten van mijn daad te plukken.quot;

En meteen gaf hij aan Chavallerie een beknopt verslag van hetgeen den lezer bekend is. Ofschoon weinig nauwziende op het punt van wat geoorloofd was of niet, kon echter Chavallerie de handelwijze van Mortaigne niet goedkeuren, te minder omdat hij zijn vrees niet verbergen kon, dat de gepleegde roof hem tot niets zoude leiden.

„Het kan zijn,quot; zeide Mortaigne, „dat ik te veel en nutteloos gewaagd heb; doch daar nu eenmaal de juffer zich in haar lot geschikt en in een huwelijk heeft toegestemd, vlei ik mij dat alles zich nog ten beste zal keeren, mits wij maar spoedig getrouwd zijn; en daartoe moeten wij morgen, en hoe vroeger hoe beter, naar den Predikant.quot;

„Gij vergeet,quot; zeide Chavallerie, „dat gij u als reeds getrouwd hebt aangemeld, en dat geen huwelijk tweemalen kan worden gesloten.quot;

„Maar ik zal hem verklaren, dat het nog tot geen huwelijk tus-schen ons gekomen is,quot; zeide Mortaigne.

„Dan krijgt gij Mr. Martensz aan uw hals,quot; hernam Chavallerie: „die in zijn proces-verbaal het tegendeel heeft doen opteekenen: en

fij stelt ii bloot om gevangengezèt te worden. Ik vrees, dat gij dat uwelijk zult moeten uitstellen tot gij over de grenzen zijt, en te dien einde moet gij u hier niet langer ophouden dan noodig is.quot;ij stelt ii bloot om gevangengezèt te worden. Ik vrees, dat gij dat uwelijk zult moeten uitstellen tot gij over de grenzen zijt, en te dien einde moet gij u hier niet langer ophouden dan noodig is.quot;

„Denkt gij waarlijk, dat de Graaf mij zou doen gevangenzetten?quot; vroeg Mortaigne, weinig bemoedigd door de mededeelingen van zijn vriend.

„Niet uit eigen beweging,quot; antwoordde Chavallerie: „maar zijn Drossaard is meer nauwziende, en bevreesd, dat zijn Excellentie zich de vingers branden mocht, door zich uwe zaak te veel aan te trekken. Het is ook op zijne vermaning, dat de Graaf besloten heeft, het vrijgeleide, 't welk u anders reeds geworden ware, niet af te geven, dan na een meer gezet onderzoek.quot;

-ocr page 180-

172 EEN SCHAKING IN DB

„Zou ik dus,quot; hernam de teleurgestelde Mortaigne, „niet op des Graven bescherming kunnen rekenen, in geval de Staten mij eens opeischten?quot;

„Hoor!quot; zeide Chavallerie: „Henrich van Waldeck is niet kwaad; maar heeft twee gebreken, die men meestal aantreft bij lieden van bekrompen geestvermogens: hij is hoofdig bij al wat hij doet, en moeilijk af te brengen van wat hij besloten heeft: en toch laat hij zich bij den neus leiden door ieder, die zijn zwak kent. Het komt er maar op aan, te zorgen, dat men hetgeen men van hem verlangt hem piet opdringe, maar doe voorkomen, als ware het uit zijn eigen brein voortgesproten. Op dit oogenblik weegt de invloed nog bij hem van onzen voorzichtigen Drossaard; doch gelukt het u, hem te overtuigen, dat zijn eer en betrekking het hem tot plicht maken, u tot beschermer te strekken, dan is de zaak gewonnen. Tracht daarom van avond al uw gaven ten toon te spreiden: kraam al uw vertellingen uit,_ en zorg, dat de Graaf zich recht vermake en ten uwen voordeele ingenomen zij. Is dat het geval, dan vraagt gij hem verlof om hem morgen een request van vrijgeleide te komen aanbieden, hetgeen gij zorgt, dat door u en de jufier geteekend zij, Hebt gij daarop eenmaal een gunstige beschikking bekomen, dan houd ik mij overtuigd, dat hij u zijn bescherming niet zal onthouden, al stond het geheele leger der Staten voor de wallen. Maar hier zijn wij aan de slotbrug: onthoud wat ik u gezegd heb, en gij zult er u wel bij bevinden.quot;

En inderdaad, Mortaigne poogde zoogoed mogelijk aan den raad van zijn vriend te voldoen; 't geen dan ook het gevolg had, 't welk deze er zich van had voorgesteld. De Graaf toonde zich hoogelijk ingenomen met zijn gast en gaf dezen zijn hoop te kennen, hem nog dikwijls op het slot te zien. Bij het afscheid verzocht en verkreeg Mortaigne het verlangde gehoor voor den volgenden morgen: en keerde toen, na meer dan vier en twintig zoo druk besteede uren, niet weinig vermoeid, naar zijn herberg terug. Wij zullen daar, evenals Chavallerie deed, aan de deur afscheid van hem nemen en terug-keeren naar Den Haag, om te zien, welke uitwerking het gebeurde aldaar gemaakt had.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

verhalende, hoe de schaking van Catharina van Orleans door haar betrekkingen werd opgenomen; alsmede, hoe Jan Van Buytenburgh en Nicolaas de koetsier het aanleiden,

om de vluchtelingen op het spoor te komen en wat den eerstgemelden te Kuilenburg wedervoer.

Wij hebben Jan Van Euytenburgh in de tapperij op het Spui gelaten op het oogenblik, dat Spinel die verliet. Het duurde een ge-

-ocr page 181-

ZEVENTIENDE EEUW.

ruimen tijd, eer de vrome kastelein uit het „Wapen van Frankrijkquot; nog recht begreep, dat hij het voorwerp coner mystificatie was geweest, en toen was het nem nog niet klaar, met welke bedoeling men zich die jegens hem veroorloofd had. Eindelijk, na aan zijn knecht den dienst opgezegd en hem verboden te hebben, immer weder de voeten bij hem aan huis te zetten, keerde hij tot zijnent terug; maar reeds op het Buitenhof kondigde een ongewone toeloop en opschudding in en nabij de Gevangenpoort hem aan, dat er iets buitengewoons moest plaats hebben. Niet lang duurde zijn onzekerheid; want op de Plaats gekomen, zag hij de Burgerwacht voor zijn deur, en zijn vrouw, zijn meid, en de kamenier van juffrouw Orleans op de stoep staan, die alle drie te gelijk redevoeringen, door snikken afgebroken, hielden tot een troep van om haar heen verzamelde nachtwakers en geburen.

Niet weinig was zijn wederhelft getroost, toen zij hem wederzag: te recht had zij zijn afwezigheid, gevoegd bij die van den knecht en van Nicolaas, aan een vooraf gesmeden toeleg toegeschreven, en zij was reeds bezorgd, dat men hem misschien van 't leven beroofd of op andere wijze uit den weg geruimd mocht hebben. Hieromtrent nu gerust gesteld, begon zij hem te vertellen wat er had plaats gehad, welk verhaal zij, gelijk zich begrijpen laat, niet ten einde kon brengen, zonder om 't andere woord in de rede gevallen te worden door de dienstmaagd en de kamenier, die hetgeen vergeten werd aanvulden en nader toelichtten wat min helder scheen, en door de buurvrouwen, die het gehoorde van tijd tot tijd door haar uitroepingen verzeld deden gaan: al hetwelk niet strekte tot bevordering van de duidelijkheid. Zooveel echter begreep de goede waard, dat juffrouw Orleans door onbekende personen geschaakt, en tevens hoorde bij, dat er al om den heer Rixen gezonden was. Nog waren zij aan 't redeneeren, terwijl de volkshoop gedurig aangroeide, toen Nicolaas opeens door de lieden heen kwam dringen. Hij was aan de „Groene Wandelingquot; geweest; doch had er geen schijn of schaduw van zijn vrouw ontwaard, en keerde nu terug, in geen kleine woede over de foppage, welke men zich te zijnen opzichte had veroorloofd, onderweg bij kris en kras in zich zeiven zwerende, dat hij dien Goldestede, zoo hi] hem ooit ontmoette, de ooren zou afsnijden. Doch hoe groot was zijn verbazing, toen hij vernam, wat in zijn afwezigheid had plaats gehad. Terstond herinnerde hij zich den wagen en de ruiters, die de „Groene Wandelingquot; waren voorbijgereden op het oogenblik, dat hij er uit trad.

„Ja, zij was het!quot; riep hij uit, zich zeiven met de gesloten vuist voor 't voorhoofd slaande, „ik heb mij niet bedrogen, toen ik mij verbeeldde, een stem te hooren, die mij bij mijn naam riep: ik driedubbele ezel, die ik was, dat ik niet terstond toeliep en den wagen aanhield. — En hoe hebt gij dat kunnen toelaten,quot; vervolgde hij, zich driftig naar Ruytenburgh wendende, „dat zij uit uw huis vervoerd werd?quot;

„Hoe wilde ik er iets aan doen?quot; vroeg de waard: „ik ben er met een mooi praatje uitgelokt, evenals gij.quot;

173

-ocr page 182-

EEN SCHAKING IN DE

„Gij hadt het huis niet moeten verlaten,quot; hernam Nicolaas: „en ik zal 'tu wijten, indien zij niet wordt teruggevonden.quot;

Terwijl zij aldus aan 't redetwisten waren, kwam de Raadsheer Rixen aan, niet weinig ontsteld over het bericht, dat hem gebracht was. Zijn komst maakte een einde aan de verwarring en had ten gevolge dat de tot nog toe oj) stoep gehouden beraadslagingen binnenshuis en in meer regelmatigen vorm werden voortgezet, Weldra verscheen ook de Fiskaal, Mr. Willem Van Stryen, aan wien Rixen, bij het eerste vernemen der noodlottige tijding, een boodschap gezonden had. De beide magistraatspersonen ondervroegen nu zoo wel de huisgenooten als de naaste buren en de stille nachtwakers: uit een dezer laatsten verstond men, dat er in den avond vrij wat drukte geheerscht had aan het huis van Tyssen in de Nieuwstraat: onmiddellijk werd derwaarts gezonden, de stalknecht in verzekering

genomen, naar het „Wapen van Frankrijkquot; gebracht en verhoord, loor middel zijner verklaringen kwam men nu tot de stellige wetenschap, langs welke middelen de maagdenroof was gepleegd, en verkregen de vermoedens van Nicolaas, dat Catharina zich in den hem voorbijgereden wagen bevond, volle zekerheid: alsmede, dat Mor-taigne de hoofddader was: welke laatste omstandigheid nog bevestigd werd door het bericht van een dienaar, die, naar zijn kamers gezonden, aldaar van den huisheer vernomen had, hoe zijn commensaal hem afbetaald en zich in den namiddag met pak en zak ver-wiquot;enomen, naar het „Wapen van Frankrijkquot; gebracht en verhoord, loor middel zijner verklaringen kwam men nu tot de stellige wetenschap, langs welke middelen de maagdenroof was gepleegd, en verkregen de vermoedens van Nicolaas, dat Catharina zich in den hem voorbijgereden wagen bevond, volle zekerheid: alsmede, dat Mor-taigne de hoofddader was: welke laatste omstandigheid nog bevestigd werd door het bericht van een dienaar, die, naar zijn kamers gezonden, aldaar van den huisheer vernomen had, hoe zijn commensaal hem afbetaald en zich in den namiddag met pak en zak ver-wiquot;1 1

weten door wien en op wat wijze

het feit volvoerd was, er dienden ook maatregelen in 't werk gesteld te worden, om de vluchtelingen te achterhalen. Zoowel Ruytenburgh als Nicolaas boden hiertoe hunne diensten aan, beiden evenzeer door de zucht gedreven om den blaam uit te wisschen, die op hen zou kunnen rusten, dat men een juffer ontvoerd had, die aan hunne zorgen was toevertrouwd. Na eenige beraadslaging namen Rixen en de Fiskaal het gedane aanbod aan, en er werd bepaald dat de waard en de koetsier hun best zouden doen, de roovers op te sporen, terwijl hun tevens een brief werd medegegeven, door de beide magistraatspersonen onderteekend en waarbij alle burgerlijke en militaire gezaghebbers verzocht werden, hun de sterke hand te leenen om zich te verzekeren van den roover en zijn medeplichtigen; terwijl eindelijk de Fiskaal verzocht, dadelijk bericht te ontvangen, zoodra de vluchtelingen achterhaald of de plaats van hun verblijf was ontdekt geworden.

Zoodra nu dit alles bepaald was en zoowel Jan Van Ruytenburgh als Nicolaas zich van de noodige voorbehoedmiddelen tegen koude en ongemak, gelijk mede van vuurwapenen voorzien hadden, bestegen zij twee kloeke paarden, het eigendom des eerstgemelden — aan wien zijn vrouw nog menige wijze les en vermaning medegaf — en reden lien Haag uit. De groote zwarigheid was nu, te weten, welken weg de vluchtelingen genomen hadden; het eenige toch, waar men zekerheid van had, was, dat zij den Bezuidenhoutschen weg waren opgereden. De duisternis van den nacht belette, dat men

174

-ocr page 183-

ZEVENTIENDE EEUW. 175

eenig spoor zag; doch Euytenburgh had voor alle zekerheid een dievenlantarentje medegenomen: en bij het licht daarvan bespeurden zij, aan den hoek der Voorburgsche laan gekomen, dat de wagen daar was ingedraaid. Te Voorburg gekomen, gaf de bestrate weg door het dorp geen aanwijzing meer; doch linksom geslagen zijnde, vonden zij, zoodra zij weder op den grooten weg gekomen waren, de hoeven der paarden in het zand terug, en wisten daardoor, dat zij op het goede spoor waren. Zoo reden zij voort, aan elke herberg of kroeg aankloppende, en vragende of daar ook eenige ruiters met een wagen hadden stilgestaan: een vraag, die enkele reizen toestemmend werd beantwoord.

Het was bij Ruytenburgh zoowel als bij Nicolaas buiten twijfel, dat de vluchtelingen hun weg niet over Haarlem genomen hadden, daar zij dan geen zoo nutteloozen omweg hadden gemaakt. Ook was het niet denkbaar, dat zij zich in bevolkte steden zouden wagen. Waarschijnlijker was het, dat zij zich naar de Stichtsche of Gelder-sche grenzen gericht hadden, en daartoe was geen andere weg, dan den Rijn langs. Dezen namen dus ook onze twee ruiters en kwamen tegen den morgen te Alfen aan.

Hier werden zij in hunne meening ten volle bevestigd, zoodra zij in het „Wapen van Utrechtquot; waren afgestapt en aldaar niet alleen den wagen vonden, die tot den roof gediena had, maar ook uit den mond van Tyssen, die uit het slaapje, 't welk hij zich veroorloofde te nemen, vrij onzacht werd wakker geschud, en van de waardin, de bijzonderheden verstonden van het oponthoud van Mprtaigne en zijn stoet daar ter plaatse. Men kan denken, dat zoowel de voerman als de waardin niet weinig verwijtingen en vloekwoorden naar 't hoofd kregen: de eerste, dat hij zich had laten vinden om tot een zoo schendig feit mede te werken; de laatste, dat zij aan do arme geroofde jufier geen krachtdadiger bijstand geboden had.

Zoodra ruiters en paarden waren uitgerust, begaven zij zich wederom op weg, hoorden te Woerden nieuwe tijding van de vluchtelingen, en, zonder zich aldaar langer op te houden dan volstrekt noodig was, zetteden zij hun vervolging voort met zulk een spoed, dat zij, onderweg van alle aanwijzingen gebruik makende, aan het Lekkerveer kwamen juist op het oogenblik, dat Mortaigne met Ca-tharina en eenige zijner bedienden, aan de overzijde, met de schuit van wal staken. Hunne paarden alsnu aan het veer latende, lieten Ruytenburgh en Nicolaas zich overzetten naar Vianen en vernamen aan het veerhuis aldaar, dat de vreemde heer de schuit gehuurd had om hem en zijn gezelschap naar Kuilenburg te brengen.

Nicolaas was nu van oordeel, onmiddellijk naar gemelde stad te gaan: en ware dit geschied, zoo zouden zij er waarschijnlijk nog bijtijds zijn aangekomen om te verhinderen dat aan Mortaigne vrije intocht verleend werd; — doch Ruytenburgh achtte raadzamer, zich in de eerste plaats tot de Magistraat van Vianen te wenden. Bij den Schout gekomen, droegen zij hem de zaak voor; waarop deze hun te kennen gaf, dat het, naar zijn oordeel, dwaasheid zoude zijn, zonder genoegzaam geleide naar Kuilenburg te gaan; alwaar de

-ocr page 184-

176 BEN SCHAKING IN DE

Graaf gewis aan de roovers al die bescherming verleenen zou, welke misdadigers en vagebonden gewoonlijk bij hem genoten, en hun (Ruytenburgh en den koetsier) geen gehoor zou geven, ja hen niet eens in zijn tegenwoordigheid toelaten. Deze beschouwingswijze van den Schout ontsproot intusschen minder uit overtuiging, dan uit een gevoel van naijver en nijd, hetwelk tusschen Vianen en Kuilenburg bestond. Eerstgenoemde stad toch, zijnde een heerlijkheid der Graven van Brederode, maakte evenzeer als Kuilenburg aanspraak op den roem van een vrijplaats te zijn: en evenzeer vonden de bankroetiers en dergelijken er een welkom onthaal: welke omstandigheid voorlang een hevige jaloezie tusschen de twee naburige Steden had doen ontstaan.

De Schout besloot zijn rede, met aan Euytenburgh en Nicolaas den raad te geven, dat een van beiden, naar Den Haag zoude kee-ren en bericht brengen van den uitslag van hunnen tocht, en dat de andere inmiddels zich tot de Staten van Utrecht zou wenden en van hen den noodigen bijstand van krijgsvolk afvorderen, zonder 't welk —• zoo besloot de Schout zijn rede — Henrich van Waldeck nooit tot rede zou te brengen zijn.

Ofschoon weinig met dien raad verkuischt, waardoor in allen gevalle een dag verloren ging en misschien een nacht — die, gelijk Commissarissen van den Hove zich later uitdrukten, in zoodanige gelegenheid van grooten effecte kon zijn — zoo besloten Ruytenburgh en Nicolaas eindelijk dien op te volgen; zij keerden naar de Stichtsche zijde terug, bestegen hun paarden weder en reden naar Utrecht, waar zij zich onmiddellijk tot een der Leden van Gedeputeerde Staten wendden, die vroeger wel aan 't , Wapen van Frankrijkquot; gehuisvest had en alzoo bij Buytenburgh bekend was. Gemelde Kegent gaf te kennen, dat hij over de zaak met zijn ambtgenooten zoude beraadslagen, en niet twijfelde of alle bijstand zou verleend worden, maar dat het wel tot den volgenden ochtend zou aanloopen, eer aan het geval iets gedaan kon worden: voorts achtte hij het insgelijks raadzaam, dat Nicolaas naar Den Haag wederkeeren en daar bericht zoude brengen, hoe de zaken stonden. De koetsier, wiens paard te vermoeid was om den terugtocht te doen, bezigde alsnu hiertoe den postwagen, die juist vertrekken zou.

Nog dienzelfden avond had een bijeenkomst der Gedeputeerde Staten van Utrecht plaats, waarop over het verzoek van Ruytenburgh beraadslaagd, en goedgevonden werd, hem eenige ruiters mede te geven, ten einde hem naar Kuilenburg te vergezellen en klem aan zijn woorden bij te zetten. Intusschen hielden de Staten den brief onder zich, dien de Fiskaal en Rixen aan Ruytenburgh hadden medegegeven. Wel scheen dit noodig, in zooverre gezegde brief moest strekken als een officieel bescheide ter rechtvaardiging van den door hen gegeven last; maar zij bedachten niet, dat hierdoor aan Ruytenburgh het stuk onthouden werd, dat voornamelijk kracht bijzette aan zijn vordering.

Het was ongeveer een uur na den middag van den volgenden dag — zijnde Woensdag — dat een bediende aan den Graaf van

-ocr page 185-

ZEVENTIENDE EEUW. 177

Kuilenburg, die met eenige Edellieden, waaronder Chavallerie, aan den disch gezeten was, kwam berichten, hoe zeker persoon, met name Jan Van Ruytenburgh, kort te voren met een zestal Sticht-sche ruiters in de stad versohenen was, en hem over een gewichtige zaak wenschte te spreken.

„Ruiters!quot; riep Waldeck gramstorig uit: „en sedert wanneer veroorloven de Staten van Utrecht zich, zonder mijn verlof, hun krijgsvolk binnen mijne stad te zenden? Of ben ik niet langer Heer in Kuilenburg?quot;

,'t Is zeker,quot; zeide Chavallerie, die wel kon gissen, waarom die ruiters kwamen, en zich voor Mortaigne verheugde over den indruk, welken de wijze, waarop de Staten van Utrecht de zaak behandelden, op den Graaf maakte, ,'t is zeker, dat zoo iets weinig strookt met de achting, welke men u, als Grave van Kuilenburg en van vor-stelijken Huize, verschuldigd is. Maar zoo zijn die stedelingen en boeren: sedert zij hun Koning hebben weggejaagd en voor Hee-ren en meesters spelen, hebben zij geen eerbied meer voor al wat Adel is.quot;

,'t Zal over die zaak van uw vriend Mortaigne zijn,quot; hernam Waldeck, wrevelig.

„Niet onwaarschijnlijk,quot; zeide Chavallerie: ,alleen begrijp ik niet, wat de Heeren van het Sticht daarmede uitstaan hebben.quot;

,Mij dunkt,quot; zeide de Drossaard, die mede onder de gasten was, ,het is toch der moeite waardig, dat men zich van de zaak verge-wisse. Uwe Excellentie heeft reeds, tegen mijn zin, een vrijgeleide aan dien Mortaigne gegeven; en ik wil van ganscher harte hopen, dat die toegeeflijkheid geen kwade gevolgen hebbe.quot;

,Het was geen toegeeflijkheid, maar recht,quot; zeide de Graaf verdrietig: „die Mortaigne is Edelman, hij heeft mij voldoende bewezen wettig gehuwd te zijn, en hij heeft aanspraak op mijn bescherming, die ik hem ook denk te blijven verleenen.quot;

„Gelieft het uwer Excellentie,quot; hernam de Drossaard, beseffende, dat het geen zaak voor hem was, het door hem behandelde punt verder aan te roeren, „dat ik eens ga vernemen, wat die Ruytenburgh en zijn ruiters begeeren.quot;

„Dat is niet noodig,quot; antwoordde de Graaf: ,wij zullen den man in persoon gehoor verleenen. Intusschen, zooveel haast zal hij toch niet hebben, of hij zal ons wel veroorloven, eerst onzen maaltijd te nuttigen. — Laat hij zoolang in de benedenzaal wachten. — Chavallerie! geef mij dien Rudesneimer nog eens aan.quot;

Henrich Van Waldeck was een liefhebber van goed eten en drinken, en liep niet licht van tafel af; maar heden scheen hij het zich bijzonder tot taak gesteld te hebben om het maal lang te laten duren en om de wijnkan meer nog dan gewoonlijk aan te spreken: en alles, wat de Drossaard poogde in 't midden te brengen, om hem over te halen, spoedig te onderzoeken wat die boodschap uit Utrecht toch wel zijn kon, strekte enkel om den Graaf te versterken in zijn voornemen om lang te tafelen. Het was dan ook eerst na verloop van een paar uren, dat hij, met een verhit brein en loome beenen,

•b w. v n

-ocr page 186-

178 EEN SCHAKING IN DE

van tafel oprees en, van den Drossaard en Chavallerie vergezeld, zich naar zijn huiskamer begaf, waar hij nu last gaf, dat Ruyten-burgh voor hem verschijnen zou.

„Wat brengt gij? en wat is uw boodschap?quot; vroeg hij, op vrij barschen toon, zoodra onze hospes voor hem stond.

„Ik kom, met verlof,quot; antwoordde Ruytenburgh, „een aanklacht bij uwe Excellentie inleveren tegen zekeren Mortaigne, die een juffer van aanzienlijken huize uit mijn huis....quot;

„Wat huis en huizen,quot; viel Waldeck in: „wat rammelt gij, kerel? En wie zijt gij zelf!quot;

„Ik ben Jan Van Ruytenburgh, met verlof van uwe Excellentie,quot; was het antwoord, „waard in de herberg het „Wapen van Frankrijkquot; in Den Haag.quot;

„Zoo! — en wat hebben wij met uw aanklacht te doen?quot; vroeg Waldeck.

„Zeer veel,quot; antwoordde Ruytenburgh, die, gewoon lieden van alle slag te woord te staan, zich door geen barsch gezicht of knorrigen toon van zijn stuk liet brengen: „die Mortaigne, gelijk ik aan uwe Excellentie verhalen ging, heeft een voorname juffer met geweld uit mijn herberg geroofd, en, met behulp van eenige guiten, hier binnen Kuilenburg gebracht, waar hij zich, als ik vernomen heb, in den „Gouden Leeuwquot; ophoudt.quot;

„Dat laatste is ter onzer kennisse gekomen,quot; zeide de Graaf: „en wat is nu uw verlangen?quot;

„Niets anders,quot; antwoordde Ruytenburgh, „dan dat de roover en zijn medestanders mij door uw Excellentie worden geleverd om hen van hier te voeren, en dat de juffer in vrijheid worde gesteld.quot;

„Zijt gij dan een beambte der Justitie?quot; vroee de Graaf.

„Ik ben, als ik uwe Excellentie bereids vernaald heb, waard in de herberg----quot;

„Het Wapen van Frankrijk,quot; vulde Waldeck aan: „dat hebben wij gehoord, en ons geheugen is, Gode zij dank, nog goed. Wij vroegen u, of gij dienaar zijt der Justitie, ja of neen?quot;

„Neen, uwe Excellentie! maar....quot;

„Hebt gij dan een lastbrief van de Heeren Staten van Holland of van den Hove bij u?quot; ging Waldeck voort met vragen.

„Neen, uwe Excellentie: ik heb wel een brief van den heer Fis-kaal gehad, maar....quot;

„Maar gij kunt dien niet toonen,quot; hernam de Graaf, spotachtig het hoofd schuddende: „dat is ongelukkig. Of is het de gewoonte in Den Haag, dat tappers en herbergiers met de uitvoering der bevelen van den Gerechte worden belast?quot;

„Zeker de gewoonte niet,quot; antwoordde Ruytenburgh: „maar dewijl de juffer, als ik zeide, uit mijn herberg geroofd was, begrepen de Heer Fiskaal en de Heer Rixen----quot;

„Of wel,quot; viel hem de Graaf wederom in de rede, „hebt gij het commando over het krijgsvolk, dat zich verstout heeft, zonder ons verlof hier in de stad te komen?quot;

„Neen, uwe Excellentie,quot; antwoordde Ruytenburgh: „het is mij

-ocr page 187-

ZEVENTIENDE EEUW. 179

door Heeren Gedeputeerde Staten van Utrecht toegeschikt, om mij te helpen in het wegvoeren van de booswichten, die....quot;

„Wat!quot; riep Waldeck nit, aan zijn woorden een uitdrukking gevende van hevigen toorn: „gij bekleedt geen gezag over krijgsvolk, gij zijt geen dienaar der Justitie, gij hebt geen machtiging bij u van eenig erkend gezag, gij bewijst zelfs niet, dat gij de persoon zijt, waarvoor gij u uitgeeft, en gij wilt, dat wij aan een onbekend en onbevoegd persoon, als gij zijt, op goed geloof af, lieden overleveren, die ons om vrijgeleide verzocht hebben, en waarvan het niet bewezen is, dat zij eenig kwaad verricht hebben?quot;

Jan Van Ruytenburgh keek op zijn neus en bleef eenige oogen-blikken zonder te antwoorden. Weldra echter herstelde hij zich en zeide:

„Maar ik zweer uwe Excellentie, dat die Mortaigne maagdenroof gepleegd en de juffer buiten haar wil uit mijn huis gehaald heeft.quot;

„En wij zouden u het tegendeel kunnen bewijzen,quot; zeide de Graaf, een papier voor den dag halende, 't welk hij aan Ruytenburgh voorhield: „hier is het request van vrijgeleide, in behoorlijken vorm, onderteekend door dienzelfden Mortaigne en door Catnarina van Orleans, echtelieden. — Kunt gij lezen? zoo zult gij het hier zien staan: J. D. De Mortaigne en Gatharina van Orleans, echtelieden.quot;

„Die handteekening is valsch,quot; zeide zonder aarzelen de waard, die niet kon gelooven, dat de juffer zich zou hebben laten bewegen om een dergelijk stuk te onderteekenen.

„Die handteekening is echt,quot; zeide Chavallerie: „zij is in mijn bijzijn op het stuk gezet. Of zult gij ook het woord van een Edelman voor valsch verklaren?quot;

„Dan moet zij door geweld zijn afgeperst,quot; zeide Ruytenburgh: „naar de wijze waarop de juffer geschaakt werd, is het onmogelijk, dat zij het met den schaker eens was.quot;

„Dat alles is fraai en goed,quot; zeide de Graaf: „maar gij kunt toch niet begeeren, dat wij meer geloof hechten aan hetgeen gij mij zegt, dan aan de schriftelijke getuigenis der personen wien 't aangaat, noch dat wij op uwe klachten acht slaan, wanneer de eenige, die recht tot klagen had, niet klaagt?quot;

„Maar uwe Excellentie zal toch wel begrijpen,quot; hernam Ruytenburgh, „dat de Heeren van Utrecht mij geen ruiters zouden hebben medegegeven, indien zij zich niet hadden overtuigd gehouden, dat mijn aanklacht op gewichtige gronden steunde.quot;

„Wat weet ik het?quot; vroeg Waldeck: „die ruiters kunnen wel deserteurs zijn, of schavuiten, die zich alzoo vermomd hebben, om u in 't bereiken van uw oogmerk bij te staan. Hadden de Heeren van Utrecht mij wat te zeggen, dan zouden zij mij, naar ik vertrouw, hun goedvinden op een andere wijze hebben doen verstaan dan door middel van een Haagschen herbergier zonder lastbrief.quot;

„Uwe Excellentie kan een man naar Utrecht zenden, om de waarheid te onderzoeken,quot; zeide Ruytenburgh: „en, wat de juffer betreft, zoo houd ik mij overtuigd, dat de dag van morgen niet zal voorbij-

-ocr page 188-

180 EEN SCHAKING IN DB

aan, zonder dat er brieven van den Hove van Holland, zoo niet e Heer Fiskaal zelf, hier zullen komen om haar op te eischen, en de inhechtenisneming van dien Mortaigne te gelasten.quot;

„Wanneer die komen, zullen wij weten wat ons te doen staat,quot; zeide de Graaf: „en tot dien tijd geene lieden bemoeilijken, tegen welke niets bewezen is en aan welke wij vrijgeleide verleend hebben. Wat dunkt u er van, mijne heeren?quot; vervolgde hij, zich tot Chaval-lerie en den Drossaard wendende.

De eerstgemelde vergenoegde zich de vraag met een toestemmende buiging te beantwoorden. Wat den Drossaard betrof, hij dorst niet bepaald zijn afkeuring van 's Graven handelwijze te kennen geven; maar tevens oordeelde hij niet te mogen zwijgen, waar de belangen zijns meesters, zoowel als zijn eigene, wellicht door onvoorzichtigheid in de waagschaal gesteld konden worden.

„Ik geef volkomen toe,quot; zeide hij eindelijk, „dat deze man ziin qualiteit niet rechtvaardigt, en dat de Heeren Staten van Utrecht een nabuur van den rang en de geboorte uwer Excellentie wel met wat meer beleefdheid hadden mogen behandelen. — Maar toch, het is onder de mogelijke dingen, dat die Mortaigne ons allen heeft zoeken te misleiden, en dat de medeteekening van dit request aan die juffer door list of bedreiging is afgedwongen. Uwe Excellentie zal daarom ongetwijfeld wel dezen of genen maatregel van voorzorg uitdenken, waardoor alles voorloopig in den staat blijft, waarin het zich nu bevindt: — die Mortaigne zoude b. v. van de juffer kunnen gescheiden, en zijn medestanders bewaakt worden, totdat nader zal gebleken zijn, of deze man ons al dan niet misleid heeft.quot;

Met een goedkeurenden knik hoorde Ruytenburgh dit voorstel aan, waarover de Graaf nu een poosje na bleef denken. De toon van overtuiging, waarop Rujtenburgh gesproken had, was hem niet ontgaan: en, al zocht hij het zich te ontveinzen, hij was niet

eeheel zonder bekommering over de wijze, waarop een te openlijke escherming, aan Mortaigne verleend, door de Staten van Holland zou kunnen worden opgenomen. Eindelijk, in het gesprek, dat hij dienzelfden ochtend met Mortaigne gehouden had, had oeze het wel doen voorkomen, of de juffer hem met haar vrijen wil gevolgd ware, eene omstandigheid, welke scheen bevestigd te zijn, zoo door haar antwoord aan den Schout gegeven als door hare medeonder-teekening van het request; en hij nad op dien grond aan Mortaigne beloofd, hem te zullen voorthelpen en beschermen, zoolang hij dit gevoeglijk en zonder schade voor zich zeiven kon doen; maar het was hem toch niet onbekend gebleven, dat de juffer minderjarig was en onder de voogdij van het Hof van Holland stond, 'twelk misschien hare onbevoegdheid beweren zou om zich eigendunkelijk aan die voogdij te onttrekken. — De slotsom van zijn overwegingen was, dat hij die partij koos, welke, naar zijne meening, de billijkheid, zijn eigen veiligheid en zijn belofte, aan Mortaigne gedaan, ver-eenigd voorschreven.eheel zonder bekommering over de wijze, waarop een te openlijke escherming, aan Mortaigne verleend, door de Staten van Holland zou kunnen worden opgenomen. Eindelijk, in het gesprek, dat hij dienzelfden ochtend met Mortaigne gehouden had, had oeze het wel doen voorkomen, of de juffer hem met haar vrijen wil gevolgd ware, eene omstandigheid, welke scheen bevestigd te zijn, zoo door haar antwoord aan den Schout gegeven als door hare medeonder-teekening van het request; en hij nad op dien grond aan Mortaigne beloofd, hem te zullen voorthelpen en beschermen, zoolang hij dit gevoeglijk en zonder schade voor zich zeiven kon doen; maar het was hem toch niet onbekend gebleven, dat de juffer minderjarig was en onder de voogdij van het Hof van Holland stond, 'twelk misschien hare onbevoegdheid beweren zou om zich eigendunkelijk aan die voogdij te onttrekken. — De slotsom van zijn overwegingen was, dat hij die partij koos, welke, naar zijne meening, de billijkheid, zijn eigen veiligheid en zijn belofte, aan Mortaigne gedaan, ver-eenigd voorschreven.

„Hoor eens!quot; zeide hij tegen Ruytenburgh: „wij willen u de maat

-ocr page 189-

ZEVENTIENDE EEUW. IB 1

volmeten. Indien deze juffer werkelijk bij u gehuisvest geweest en tegen haar wil uit uwe woning gevoerd is, dan zal zij u kennen en blijde zijn u te zien. Volg alzoo deze beide Heeren, die u naar de herberg geleiden zullen, waar zn zich bevindt : begeert zij met u te gaan, dan is zulks een teeken, dat gij waarheid spreekt: weigert zij daarentegen u te ontvangen of te woord te staan, dan zal hieruit het tegendeel blijken.quot;

„Dat zou nog niet volgen,quot; merkte Ruytenburgh aan: „zij kan wel door dien Mortaigne bepraat zijn geweest: en in allen gevalle, al wilde zij hem hebben, dan weet ik genoeg, dat haar familie dat huwelijk nooit zou goedkeuren.quot;

„Welnu!quot; hernam de Graaf: „ik zal alle voorbehoedmiddelen nemen. Chavallerie! gij zult tevens zorg dragen, dat de juffer, of de ionge vrouw, wat zij dan ook wezen moge, een afzonderlijk logies bekome, afgescheiden van dat van Mortaigne, en bij onbesproken lieden. Meer kan ik, dunkt mij, in redelijkheid niet doen.quot;

Ruytenburgh, ziende, dat hij voor 't oogenblik niet meer zou kunnen verkrijgen, maakte van den nood een deugd en volgde de beide Heeren.

„Wij zullen in dezen zeker gaan,quot; zeide de Drossaard, die een minnaar van vormen was, op straat tegen Chavallerie, „en Mr. Goesbeeck, den Notaris, medenemen, om het antwoord der juffer op te teekenen. Ik zal even bij hem aanloopen, en zien of hij thuis is.quot;

„Doe dat,quot; antwoordde Chavallerie, verheugd, dat hij zoodoende gelegenheid zou hebben, Mortaigne vooraf te waarschuwen: „ik zal u dan aan den „Gouden Leeuwquot; inwachten.quot;

De beide Heeren scheidden hierop van elkander, en Chavallerie begaf zich met Ruytenburgh naar de herberg, waar de Stichtsche ruiters, die niet veel beter te Kuilenburg wisten te doen, zich reeds vooruit hadden vervoegd. Onze Edelman, den Hagenaar verzoekende, hem in 't voorhuis te wachten, spoedde zich naar boven, en liet Mortaigne roepen, met wien hij zich in een afzonderlijk vertrek begaf, en wien hij de begeerte des Graven mededeelde.

„Gij hoort het,quot; vervolgde hij: „ik moet uw liefste van u scheiden. Gelukkig heeft de Graaf geen dag bepaald en hebben wij alzoo daar zulk een haast niet mede te maken. Maar wat betreft het andere gedeelte onzer zending: denkt gij, dat de juffer genegen zal zijn, dezen Ruytenburgh, of hoe hij heeten mag, te woord te staan?quot;

„Ik vlei mij,quot; antwoordde Mortaigne, met een blik van zelfvoldoening, „dat zij thans haar partij gekozen heeft en zich noch door dien Ruytenburgh, noch door wie anders ook, zal laten bewegen, mij

te verlaten. Ik zal het haar alzoo voorstellen----maar wat wil dat

heidensch rumoer?quot;

„Het schijnt, dat men beneden handgemeen is,quot; zeide Chavallerie: „ik zal even gaan zien, wat er aan de hand is, spreek gij intusschen met uw lief.quot;

Het gerucht, dat zij hoorden en dat gestadig vermeerderde, had een zeer natuurlijke oorzaak. Ruytenburgh, geen reden ziende om in

-ocr page 190-

EEN SCHAKING IN DE

het voorhuis te vertoeven, wanneer hij elders meer op zijn gemak kon wachten, was naar den gemeenen haard gegaan, waar hij de ruiters hoorde praten en lachen. Maar de eerste persoon, dien hij bij 't binnenkomen zag, ja, welken hij bijna vierkant tegen 't lijf liep, was Spinel.

„Ha! vind ik u hier, vervloekte gauwdief!quot; riep hij uit: „maar wat verwonder ik mij? Het moest wel van zelf' spreken, dat ik u bij deze rooversbende aantrof.quot;

Spinel was een oogenblik verrast over de onverwachte ontmoeting; maar, zich spoedig herstellende, zeide hij, met een spottenden glimlach:

„Eilieve! gij hier, Sinjeur Ruytenburgh ? en is uw knecht weder van zijn onpasselijkheid bekomen? Waarlijk, ik had niet kunnen verwachten, u zoo spoedig terug te zien, nadat ik genoodzaakt was, zoo overhaast van u te scheiden.quot;

„Neen waarlijk,quot; hernam de verbolgen Ruytenburgh: „en gij hadt het niet gehoopt ook; maar thans zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen als eergisteravond; en ik zal u eens leeren, hoe ik hen straf, die mij met versierde boodschappen uit mijn huis troonen.quot;

En meteen, zijn breede hand uitstekende, vatte hij daarmede Spinel in den kraag, terwijl hij de andere ophief om hém een gedachten oorveeg toe te dienen. Spinel ontweek den slag door het hoofd haastig voorover te buigen en tegen de borst van zijn tegenpartijder te drukken, terwijl hij dezen tevens met beide armen om het midden vatte. De ruiters van de eene zijde, en quot;Vollenhove en Feyt, die zich mede in de gelagkamer bevonden, van de andere, sprongen toe om de vechtenden te scheiden, die inmiddels elkander heen- en weder-trokken, stoelen en banken omwerpende, totdat zij eindelijk te zamen over de tafel, en, met deze en al wat zich daarop bevond, op den vloer rolden. Op dit oogenblik kwam Chavallerie binnen en vroeg wat het geraas beteekende.

„Het is deze schavuit,quot; riep Ruytenburgh, al hijgende en zonder Spinel los te laten, „die mij eergisteravond door bedrog buiten mijn woning gelokt en tot de ontrooving van de juffer heeft medegewerkt. Maar hij zal mij niet ontkomen.quot;

„Gij zult voor 't oogenblik de hand niet aan hem slaan,quot; zeide Chavallerie: „sta op, en gedraag u betamelijk, zoolang gij u hier bevindt.quot; —• En meteen, Ruytenburgh in den hals vattende, rukte hij hem met geweld van zijn tegenpartij af.

„Het zal niet gezegd worden,quot; riep Ruytenburgh, buiten zich zeiven van kwaadheid, „dat ik dezen gauwdief heb laten ontsnappen. Hier mannen!quot; vervolgde hij, zich tot de ruiters wendende: „gij zijt mij door de Heeren Staten van Utrecht ter assistentie medegegeven. Assisteert mij thans, en neemt dien schoelje in hechtenis.quot;

Op de beweging, welke de ruiters maakten om dit verzoek te ondersteunen, sloegen Vollenhove en Feyt de hand aan 't rapier, ter bescherming van Spinel, toen Chavallerie zich tusschen de beide partnen stelde.

„Halt!quot; riep hij: „geen gevecht hier binnen Kuilenburg, of ik

182

-ocr page 191-

ZEVENTIENDE EEUW.

laat den eersten onrustmaker in handen stellen van den Schout. — Hebt gij iets tegen dien man,quot; vervolgde hij, zich tot Ruytenhurgh wendende, „zoo ga met hem buiten de stad en klopt elkander daar af zoolang gij wilt: ik zal 't niet beletten. Maar van in-hechtenis-nemen kan geen sprake zijn. Wij kennen hier niemand daartoe het recht toe dan den Grave en zijn Schout. Maar daar is hij zelf.quot;

En inderdaad, op dit oogenblik trad Mr. Martensz binnen, wie de waardin, bij den aanvang van het rumoer, dadelijk was gaan halen.

„Wat is hier te doen?quot; vroeg hij, zich het zweet van 't gelaat vegende; want hij had hard geloopen: „wie schendt hier des Graven vrede?quot;

„Zoo gij de Schout zijt,quot; zeide Ruytenburgh, terwijl hij op Spinel wees, „laat dan dezen schelm vasthouden. Hij is een medeplichtige van den vrouwenroof, waarover ik hier ben komen klagen.

„Vrouwenroof!quot; riep de Schout: „wie wordt hier van raptus beschuldigd?quot;

„Met uw verlof, heer Schout!quot; zeide Vollenhove, vooruit stappende: „deze man, bij geen onzer bekend, is hier als een razende komen binnenloopen, terwijl wij bedaard onder ons gelag zaten en heeft mijn kameraad zonder schijn van reden aangetast en geslagen.quot;

„Omdat hij een roover is en mij bedrogen heeft,quot; zeide Ruytenburgh.

„Het kan u niet onbekend zijn,quot; vervolgde Vollenhove tot den Schout: „dat mijn meester, de jonker De Mortaigne, hedenmorgen van den heer Grave brieven van vrijgeleide en sauvegarde bekomen heeft voor hem, zijn huisvrouw en dienaars: en dat alzoo de eer van zijn Excellentie wordt gekrenkt, wanneer vreemde indringers een onzer komen beleedigen en mishandelen.quot;

„Voorzeker!quot; zeide de Schout, met een goedkeurenden hoofdknik: „optimeloquere; gij spreekt opperbest. En gij zelf,quot; ging hij voort, zich tot Ruytenburgh wendende: „hebt gij een vrijgeleide?quot;

„Mijn geleide is hier,quot; antwoordde Ruytenburgh, op de soldaten ■wijzende.

„Milites extraneos, vreemd krijgsvolk,quot; zeide de Schout: „maar ik twijfel, of zijn Excellentie hun waarborg als geldig zal beschouwen en hun verblijf alhier wel zal opnemen, als omnibus privilegiis repugnans, strijdig met alle privileges,quot; en hier zag hij Chavallene vragende aan.

„Zijn Excellentie heeft zeker met leede oogen gezien,quot; zeide deze, „hoe weinig de Staten van Utrecht zijn recht en achtbaarheid als Heer van Kuilenburg eerbiedigen: en het zoude den heer Grave, geloof ik, aangenaam zijn, indien deze man, nu hij zijn boodschap verricht heeft, met zijn ruiters weder trok van waar hij gekomen was.

„Maar ik heb mijn boodschap nog niet verricht,quot; zeide Ruytenburgh: „althans nog niet geheel; en deze Edelman weet zeer wel, dat de Graaf mij vergund heeft een gesprek te hebben met de juffer, ja zelfs, dat die andere Heer een Notaris is gaan halen, om.... maar daar is hij zelf.quot;

„Welnu!quot; vroeg de Drossaard, die juist met Mr. Goesbeeck binnenkwam, aan Chavallerie: „is de juffer op onze komst voorbereid?quot;

183

-ocr page 192-

184 EEN SCHAKING IN DB

„Zij zal u gaarne ontvangen,quot; antwoordde Chavallerie: „maar of zij dezen onruststoker zal willen zien,quot; — hier wees hij op Ruyten-burgh, — „ziedaar een andere zaak.quot;

En werkelijk, toen de Drossaard en de Notaris bij Catharina van Orleans waren aangemeld en toegelaten geworden, verklaarde zij ronduit, niet te verlangen, eenig onderhoud met Ruytenburgh te hebben: een verklaring, welke zij, nadat de Notaris die in forma had opgemaakt, met haar onderteekening bevestigde.

„Nu! dan heb ik inderdaad hier niets meer te doen,quot; zeide Ruytenburgh, toen hij zulks vernam, vol spijt en wrevel: „en dan is het zeker best, dat ik weder naar Den Haag en naar mjjn zaken ga.quot;

NEGENDE HOOFDSTUK,

verhalende, hoe Nicolaas de koetsier en andere meer gewichtige personen uit Den Haag naar Kuilenburg trokken en wat zij aldaar verrichtten.

De wegvoering van Catharina van Orleans had intusschen in Den Haag niet weinig beweging verwekt. Niet alleen was het Hof van Holland daarover onmiddellijk vergaderd geweest, en had zich de zaak der minderjarige, welke het als zijn pupille beschouwde, aangetrokken; maar ook werd het gepleegde feit een voorwerp van beraadslaging in de vergadering der Staten van het Gewest, zoo om het schendige van de misdaad zelve als om de gevolgen. „Waar toch,quot; zoo redeneerden de Regenten, „zou het heen, indien men straffeloos iemand zou kunnen wegschaken midden uit Den Haag en onder het oog der Souvereine Regeering? Men begon nu met een jonge juffer, en morgen zou men misschien een Regent, ja den Raadpensionaris zeiven, meepakken!quot;

Er werden opene brieven gereedgemaakt om aan alle Edelen en Steden af te vaardigen, onder wier rechtsgebied men veronderstellen kon, dat de vluchtelingen een schuilplaats gezocht hadden: en door het- Hof werd een premie gesteld van 1000 rijksdaalders op het vangen van den schaker en van 200 op dat van een zijner medestanders.

Onder dit alles kwam 's Woensdags-morgens de koetsier van den Prins van Tarente terug met het bericht, dat de vluchtelingen zich naar Kuilenburg hadden begeven en zich daar waarschijnlijk nog zouden ophouden. Zoodra was deze tijding niet bekend, of liet Hof committeerde den Raadsheer Rixen en den Fiskaal, ten einde zich naar Kuilenburg te begeven en de overlevering zoo der roovers als der geroofde juffer te eischen; terwijl inmiddels een koerier werd

-ocr page 193-

ZEVENTIENDE EEUW. 185

vooruitgezonden met de patenten van den Staat. Zoo groot was de ijver van den getrouwen Nicolaas, en zijn zucht om de juffer, welke hij beschouwde als een pand, hein door zijn meester toevertrouwd, weder vrij te zien, dat hij, die reeds berouw had, niet naar Kuilenburg te zijn doorgereisd, nu besloot, ondanks de doorgestane vermoeienissen, nogmaals derwaarts heen te reizen en plaats nam naast den koerier in diens postkar, waarmede zij 's Woensdags-avonds Den Haag verlieten.

Het was te Alfen, dat zij Jan Van Euytenburgh ontmoetten, die van Kuilenburg terugkwam, alles behalve gesticht over den uitslag zijner reis, die hem onnoodig vrij wat tijd, moeite en geld had gekost. Immers hij had de ruiters op hun terugreis moeten trakteeren en bezat weinig hoop dat de gemaakte onkosten hem zouden worden vergoed. Nicolaas troostte hem zoo goed hij kon: doch zwoer tevens dat men hem niet op gelijke wijze afschepen, en dat hij Kuilenburg niet dan met de juffer verlaten zou.

Het was op Donderdag-morgen, met het aanbreken van den dag, dat zij zich aan het Lekkerveer bevonden, juist tijdig genoeg om de veerschuit in te rijden, die op het punt was van wal te steken. In die veerschuit bevond zich, behalve eenig landvolk en reizende kooplieden, een ruiter, die, zoodra hij Nicolaas ontwaarde, zich dichter in zijn mantel wikkelde, zijn hoed nedersloeg, en wegdook achter zijn paard, 't welk hij bij den teugel hield. Deze ruiter was niemand anders dan onze oude bekende Vollenhove, die den avond te voren naar Utrecht was gereisd om daar eens uit te vorschen of er ook nadere pogingen werden in 't werk gesteld tegen zijn meester, en die nu terugkeerde. Hij bevroedde terstond, welke de bestemmingsplaats was der beide heden, die hij in de postkar zag, en met welken last zij zich derwaarts begaven: — en straks peinsde hij op een middel om hun reis te vertragen. De Godin Fortuna, gelijk men in de klassieke zeventiende eeuw zou gezegd hebben, of de Duivel, wien onze hedendaagsche Romantieken er bij zouden halen, koos in deze geheele geschiedenis niet de partij der vrome lieden, en werkte ook thans Vollenhove weder in de hand. De postkar was zoover op de pont vooruitgereden als mogelijk was: Nicolaas en de koerier waren er uitgestapt en stonden op de plecht aan het hoofd van het paard, naar den oever kijkende, waar zij heengingen. Zonder dus van hen gezien te worden, gelukte het Vollenhove tusschen de kar en het boord der veerschuit te sluipen, en aldaar, met snelheid en kracht, de luns uit het wiel te halen, waarna hij zich spoedig weder terugtrok, en den afloop verbeidde.

Weldra was de schuit aan de overzijde gekomen, en het paard des koeriers, door dezen bij den teugel voortgeleid, trok de kar, die Nicolaas van achteren voortduwde, tegen den oever op. Tot dusverre ging alles goed: de beide reizigers hernamen hunne zitplaatsen, en de koerier lei de zweep over het paard; maar nauwelijks had hij dit, linksom, den dijk opgedreven, en was de kar alzoo uit de rechte lijn geweken, of het wiel liep af, het rijtuig sloegom en rolde met reizigers en paard den dijk af.

-ocr page 194-

186 EEN SCHAKING IN DE

„Ziezoo! dat is gelukt,quot; dacht Vollenhove: „tijd gewonnen, veel gewonnen!quot; en meteen, zijn paard bestijgende, draafde hij den dijk op. Hij kon echter niet nalaten, in 't voorbijgaan een blik te slaan op de arme drommels, die beneden aan den dijk lagen te spartelen: doch zijn oog ontmoette juist dat van Nicolaas, die hem onmiddellijk herkende.

„Een paard! een paard!quot; riep deze, terwijl hij den vluchtenden ruiter met de vuist dreigde; „die schavuit is een dienaar van Mor-taigne, en stellig de oorzaak van ons ongeluk.quot; — En meteen, opstaande hielp hij zijn zwaar gekneusden makker op de been.

wij zullen hen uit den moeielijken toestand, waarin zij zich bevinden, zich, zoogoed zij kunnen, laten redden, om Vollenhove te volgen, die als gejaagd voortdraafde en niet stilhield, dan toen hij voor den „Gouden Leeuwquot; binnen Kuilenburg was gekomen, alwaar hij dadelijk zijn meester opzocht.

„Jonker!quot; zeide hij, zoodra hij met dezen alleen was: „het zal tijd wezen, dat wij 'ons van hier begeven, eer het ons te heet wordt. Wij zijn gisteren het gevaar ontweken, doordat die Ruyten-burgh geen bewijs kon overleggen van zijn zending; maar vandaag ziet het er slimmer uit: en zoo al de koerier, dien ik bij Vianen van den dijk heb doen buitelen, zijn nek mag gebroken hebben, de

Êatenten, die hij ongetwijfeld bij zich heeft, zullen hun weg welatenten, die hij ongetwijfeld bij zich heeft, zullen hun weg wel

ierheen vinden.quot;

„Ben koerier!quot; herhaalde Mortaigne.

„Met den koetsier des Prinsen van Tarente,quot; zeide Vollenhove, die tevens een kort verslag gaf van het gebeurde, 't welk hij besloot met den raad, dat Mortaigne zich met Catharina en zijn gevolg hoe eer hoe beter buiten Kuilenburg en naar elders begeven zou.

„Ziedaar een gek geval!quot; zeide Mortaigne: „juist een oogenblik voordat gij hier kwaamt, is Chavallerie bij mij geweest, met het bericht, dat de Graaf, aan wien de Drossaard reeds geklaagd had, dat •er nog geen gevolg gegeven was aan het besluit om Catharina van mij te scheiden, die scheiding onmiddellijk wilde doen in 'twerk stellen.quot;

„Hij bedenkt dat wat laat,quot; zeide Vollenhove, glimlachende: „en waarheen denkt hij haar te brengen?quot;

„Voorloopig in 't achterhuis, dat door de nicht der waardin bewoond wordt, en hedenavond in 't huis van haar zoon, den Schepen Hoevenaar.quot;

„Nu,quot;' zeide Vollenhove: „daar zult gij toch gelegenheid behouden haar te zien en te spreken; maar met dat al ware het beter, dat gij ook dit voorkwaamt en u onmiddellijk met haar verder begaaft.quot;

„Ik vrees,quot; zeide Mortaigne, „dat de Graaf, of liever zijn lastige Drossaard, die een oog in het zeil houdt, ons niet meer vergunnen zal, te vertrekken; maar hoe het zij, ik zal beproeven wat er te doen staat.quot; En meteen, zijn hoed nemende, begaf hij zich naar het slot.

„En ik,quot; zeide Vollenhove bij zich zeiven, „zal inmiddels, als een voorzichtig krijgshoofd, voor de veiligheid van onzen aftocht zorgen.quot;

-ocr page 195-

ZEVENTIENDE EEUW. 187

Met dit voornemen begaf hij, na met Peyt eenige woorden te hebben gewisseld, zich naar het veerhuis: wat hij daar uitrichtte zal later blijken.

Het was nu acht uren in den morgen, en de Graaf wandelde na het ontbijt den hof op en neder, toen Mortaigne zich bij hem aanmeldde en terstond werd toegelaten.

„Heer Graaf!quot; zeide hij, na de gewone plichtpleging: „ik begin te vreezen, dat mijn langer verblijf alhier ongelegenheid aan uwe Excellentie zou kunnen veroorzaken, en ik kom, onder dankbetuiging voor de mij verleende bescherming en bewezen welwillendheid, die mij immer zullen in 't geheugen blijven, vergunning vragen om mij met mijn vrouw en dienstboden te verwijderen.quot;

„En ziedaar wat ik vrees, u niet te kunnen toestaan,quot; zeide de Graaf: „ik heb dien Ruytenburgh afgescheept, omdat hij geen officiéél karakter bekleedde; maar ik heb toch wat hij zeide niet geheel kunnen verwerpen. Als een rechtvaardig Heer, dien ik af te wachten, welke berichten er nader omtrent u inkomen, alvorens ik verder in uwe zaak eenig besluit neme, en inmiddels zorg dragen, dat alles in status quo blijve.quot;

„In dit geval verwacht ik,quot; zeide Mortaigne, „dat uwe Excellentie den last herroepe, die mij zooeven is medegedeeld, en mijn vrouw niet van mij scheide.quot;

„Tut! tut!quot; zeide Waldeck: „het is mij nog niet bewezen, dat zij uw vrouw is...

„Neen, dat is zij niet, genadige Heer! daarvoor verpande ik mijn leven,quot; riep opeens een stem achter den Graaf, die, zich omkee-rende, niet zonder verwondering, een hem geheel onbekend persoon, in livrei gekleed, voor zich zag.

„Wie duivel zj't gij,quot; vroeg hij, „die u zoo ongeroepen in ons gesprek mengt? En hoe verstout gij u, dus onaangemeld voor mijn oogen te verschijnen?quot;

„Mijn naam is Nicolaas,quot; antwoordde de koetsier, „en ik ben in dienst des Prinsen van Tarente: — en wat mijn verschijning hier ter plaatse betreft, ik beken, dat die wel wat zonderling en onbehoorlijk is; maar ik stond juist in de slotpoort, rondkijkende naar iemand, die mij zou aandienen, toen ik dezen knaap hier zag wandelen. En nu zeg ik u, indien gij de Graaf zijt, laat dezen man terstond in den toren sluiten en wèl bewaren.quot;

„Hoe langer hoe fraaier!quot; riep de Graaf: „gisteren was het een herbergier, en die vergenoegde zich nog met te verzoeken; — heden is het een livreibediende, en die den toon aanneemt van te bevelen.quot;

„Ik verzeker u,quot; zeide Nicolaas, „dat de Heeren Staten....quot;

„De Heeren Staten kiezen al zonderlinge boden uit,quot; viel Waldeck in: „maar, hoe 'tzij, zijt gij voor 't minst van een lastbrief voorzien?quot;

„Die lastbrief zou reeds hier wezen,quot; antwoordde de koetsier, „indien niet een handlanger van dien man daar ons bij Vianen een ongeluk had bezorgd, waardoor onze reis vertraagd is geworden. Ik ben te paard vooruitgereden, omdat er spoed bij de zaak is, en mijn reisgenoot, die een koerier is van Hun Edelmogenden, zal mij volgen.

J

-ocr page 196-

188 EEN SCHAKING IN DE

zoodra hij verbonden is en een ander rijtuig heeft, in plaats van het onze, dat gebroken aan den dijk ligt. Hij heeft het patent bij zich, aan uw Excellentie gericht.quot;

,'tls ongelukkig,quot; zeide Waldeck, „dat mij altijd gesproken wordt van een patent, dat komen zal, en ik tot nog toe niemand heb zien verschijnen, die eeniee bevoegdheid bewijst om te spreken als hij doet.quot;

„Voor den drommel! heer Graaf!quot; zeide Nicolaas: „mij dacht, dat ieder mensch bevoegd was, een straatroover aan 't lijf te komen, waar hij hem vond, en dat het voor uwe Excellentie genoeg zou wezen, de beschuldiging te hoeren, tegen dien man daar ingebracht, om hem in hechtenis te doen nemen.quot;

„Ik behoef mijn plicht in dezen van niemand te leeren,quot; zeide Waldeck, wrevelig op- en neergaande: „ik zal afwachten, wat het patent behelst, dat gij mij aankondigt: en tot zoolang, jonker Mor-taigne! zal onze goede stad Kuilenburg uw kerker zijn. Wat u betreft, vriend!quot; vervolgde hij tegen Nicolaas; „gij hebt nier afgedaan: als ik u nader spreken wil, zal ik u doen ontbieden. — Gij ziet wel,quot; ging hij, nadat de koetsier zich weinig tevreden verwijderd had, tegen Mortaigne voort: „gij ziet, dat ik in deze omstandigheden niet aan uw verzoek kan voldoen, en haar, die gij uw vrouw noemt, wel van u moet scheiden. Wees intusschen voor u zeiven gerust, ik heb u mijn bescherming toegezegd, en Henrich Van Waldeck heeft zijn woord nooit vruchteloos gegeven.quot;

Met deze woorden gaf de Graaf aan Mortaigne, die weinig gesticht was over den loop, welken de zaken namen, zijn afscheid en keerde naar zijn gewoon vertrek terug, waar, ongeveer twee uren later, hem de aankomst werd gemeld van den koerier, die de open brieven van den Staat bracht. Deze waren in zulke scherpe en beslissende bewoordingen uitgedrukt, de last, om Mortaigne en zijn medeplichtigen in hechtenis te nemen en de juffer te doen bewaren, tot zij door hare vrienden werd teruggeëischt, was daarin zoo duidelijk gegeven, dat de Graaf wel niet nalaten kon, zich daaraan gelegen te laten leggen, wilde hij niet in open vredebreuk komen met de Staten. Hij liet derhalve den Drossaard benevens Mr. Mar-tensz ontbieden, en gelastte, dat de noodige maatregelen in 't werk gesteld werden om de aangeklaagden te beletten de stad heimelijk te verlaten.

Het was eerst den volgenden morgen, dat de Fiskaal Van Stryen en de Raadsheer Rixen, met mevrouw Boreel, die zich had aangeboden om haar nicht onder haar opzicht weder terug te voeren, te Kuilenburg aankwamen. Zij begonnen met zich bij den Schout te vervoegen, en op hetgeen zij van dezen vernamen, begaf zich Eixen met mevrouw Boreel naar de woning van den Schepen Hoevenaar, waar Catharina thans gehuisvest was, en Van Stryen naar den Graaf, aan wien hij op hoogen toon zijn verontwaardiging te kennen gaf, dat, in weerwil der tijdige en achtereenvolgende kennisgevingen, welke hem van het gepleegde misdrijf waren gedaan, de daders nog niet in verzekerde bewaring genomen, en ter beschikking van

-ocr page 197-

ZEVENTIENDE EEUW.

hem Fiskaal waren gesteld. De Graaf verontschuldigde zich zoo goed hij kon en gaf last aan zijn Schout, om onmiddellijk tot de gevangenneming der schuldigen over te gaan. Doch vruchteloos waren de pogingen, door Mr. Martensz in 't werk gesteld, om aan dien last te voldoen: nergens wist hij in geheel Kuilenburg hun spoor te vinden: en zulks om de zeer goede reden, dat hij niet in het slot zelf zocht, waarheen, in den loop van den yorigen avond, Mortaigne heimelijk door Chavallerie binnengeleid en in diens kamer geherbergd was. Vollenhove, Spinel en Feyt waren reeds te voren verdwenen, zonder zelfs aan hun meester eenige kennis van hun voornemen te geven. Wat Gonser en Goldestede betrof, die, als wij vroeger gezien hebben, aan 't veerhuis waren verbleven, alleen de laatstgenoemde viel den Schout in handen, en verhaalde, dat Vollenhove en Gonser den vorigen dag met de rijpaarden weggereden en niet teruggekomen waren.

Ontevreden over de handelwijze van den Graaf, en uitdienhoofde geene beleefdheid van hem willende genieten, sloeg de Fiskaal het hem gedane aanbod af om op 't slot zijn intrek te nemen of althans te blijven eten, en begaf zich naar den ,Gouden Leeuw,quot; waar zich eerlang Rixen bij hem vervoegde.

„Wel!quot; vroeg deze, zoodra hij binnenkwam: „zijn de daders gevat?quot;

„Spreek er mii niet van,quot; antwoordde Van Stryen: „het schijnt, dat dit stadje, waar een kikvorsch desnoods overheen zou springen, nochtans groot genoeg is om den roover en zijn medeplichtigen te verbergen: want die ezel van een Schout weet hen niet te vinden, ofschoon hij mij de verzekering geeft, dat zij Kuilenburg niet verlaten hebben en alzoo nog hier of daar moeten schuilen.quot;

„Des te beter!quot; zeide Eixen met een zucht.

„Hoe des te beter?quot; zeide de Fiskaal, verwonderd opziende: „zoudt gij dan verlangen, dat die schelmen hun straf ontgingen?quot;

„Wat zal ik u zeggen?quot; hernam de Raadsheer: „ik kom van mijn nicht, en nu de zaak er eenmaal toe ligt, zou het voor hare eer en die van haar familie wellicht best wezen, dat die Mortaigne door een huwelijk vergoedde, wat hij misdreven heeft.quot;

„Wat?quot; zeide Van Stryen: „gij zoudt, als voogd, kunnen toestaan, dat die verloopen avonturier nog voor zijn schendig feit, in plaats van straf, belooning kreeg en meester werd van uw nicht en van haar vermogen?quot;

„Acht gij het beter,quot; vroeg Rixen, „dat deze tot een spot in den lande strekke en nergens het hoofd meer durve opbeuren?quot;

„Dat zijn mijn zaken niet,quot; antwoordde de Fiskaal; „en ik heb het niet te onderzoeken. Gij hebt zelf het feit aan het Hof gede-nuncieerd: het Hof heeft kennis van de zaak genomen: en het recht moet zijn gang gaan.quot;

„Maar ik kan mijn aanklacht weder intrekken,quot; zeide Rixen.

„Dat kunt gij niet,quot; zeide Van Stryen: „daartoe is het te laat, en het Hof zou zich blootstellen aan spotternij en blaam, indien het in de bestaande omstandigheden geen gevolg gaf aan zijn besluiten. Bovendien, bedenk wel, dat juffrouw Catharina van Orleans niet alleen

189

-ocr page 198-

EEN SCHAKING IN DE

uw pupille is, maar die van den Hove, en dat alzoo het Hof alleen gerechtigd zou zijn om af te zien van verdere vervolging. Maar dit alles is van latere zorg. Het Hof moge naderhand, en wanneer het vonnis gewezen is, genade voor recht kiezen, mijn, en ik zou zeggen ook uw plicht is, voor 't oogenblik alles in 't werk te stellen, wat strekken kan om de ons gegeven bevelen uit te voeren, en niet te dulden, dat die Waldecker straiïeloos den draak steke met de bevelen der Hooge Overigheid. — Maar hoe is het, is mevrouw Boreel bij uw nicht verbleven?quot;

„Helaas ja!quot; antwoordde Rixen, „en zij spant vruchteloos al hare welsprekendheid in om Catharina te overreden, dat zij ons naar Den Haag vergezelle. Het meisje wil van geen terugkeeren hooren, 't zij dat die Mortaigne haar betooverd hebbe, 't zij dat een licht verklaarbaar gevoel van schaamte haar doet vreezen, zich weder onder 't oog van haar bekenden te vertoonen. Ik bid u nogmaals, te overwegen of het niet beter ware, dat wij hare eer redden door de zaak in der minne te schikken.quot;

Evenals Rixen sprak ook mevrouw Boreel, die in den loop van den avond aan de herberg terugkwam; doch beider vertoogen leden schipbreuk op de onverzettelijkheid van den Piskaal, die vergramd, dat niet alleen de Graaf van Kuilenburg, maar ook Catharina van Orleans de bevelen van den Hove licht scheen te achten, een koerier naar Den Haag zond met het bericht van zijn wedervaren. Zoowel het Hof van Holland als de Staten van dat Gewest namen deze kleinachting van hun gezag en achtbaarheid ten ernstigste op: het Hof benoemde de Heeren Goes en Fannius in commissie om naar Kuilenburg te gaan en al het mogelijke in 't werk te stellen om de schuldigen in handen te krijgen, met last voorts om niet zonder de geschaakte juffer terug te keeren: en de Staten van Holland zonden nogmaals een koerier, met ernstige vermaning aan den Graaf van Kuilenburg om aan het hem vroeger gedane verzoek te voldoen, hem tevens op de nadeelige gevolgen wijzende, die ook voor hem uit een verzuim zijnerzijds zouden voortspruiten.

TIENDE HOOFDSTUK,

verhalende, hoe Mortaigne uit Kuilenburg ontsnapte en wat daarvan het gevolg was.

Terwijl de in het vorige hoofdstuk genoemde maatregelen door de Staten en door het Hof van Holland beraamd, en op hun last in 't werk gesteld werden, was Mortaigne nog bij voortduring aan het Hof te Kuilenburg verborgen gebleven, waar zijn verblijf aan niemand bekend was dan aan Chavallerie, die er hem had heengeleid, en aan den Graaf, die, aan de eene zijde de Staten van Hol-

190

-ocr page 199-

ZEVENTIENDE EEUW.

11

ill

191

land niet voor 't hoofd durvende stooten, en aan de andere zijde de besoheming, aan Mortaigne toegezegd, hem niet willende onthouden, aan zijn dubbele verplichting op die wijze meende te kunnen voldoen. Dat de toestand van onzen jonker alles behalve benijdenswaardig was, laat zich licht begrijpen: echter bleef hij, op de berichten, welke Chavallerie hem bracht, hoe Catharina zich voortdurend weigerachtig toonde om het huis van Hoevenaar te verlaten en met haar familie naar Den Haag terug te keeren, nog altijd goeden moed houden, dat de zaak zich schikken zoude. Met een minder opgeruimd gelaat echter dan gewoonlijk, trad, op den namiddag van Maandag 24 Maart, zijn vriend de kamer binnen, waar hij zich den tijd zocht te korten door zich te oefenen in het behendig afnemen en geven van kaarten en in andere kunstgrepen, bij de toenmalige spelers van beroep zeer in zwang.

„Wat is er gaande, Chavallerie?quot; vroeg Mortaigne, de kaarten nederleggende: „uw blik spelt, dunkt mij, weinig goeds.quot;

„Het ziet er donker voor ons uit,quot; antwoordde Chavallerie: „met den besten wil van de wereld zal de Graaf u niet langer kunnen beschermen.quot;

„Wat is er voorgevallen?quot; vroeg Mortaigne, verbleekende.

„De Graaf is niet langer meester in zijn eigen Heerlijkheid,quot; zeide Chavallerie: „een uur geleden zijn hier twee Commissarissen van den Hove gekomen, die nieuwe brieven van de Heeren Staten hebben medegebracht, welker inhoud niet malsch klinkt. De Graaf heeft wel moeten toegeven aan de eischen, die van hem gedaan worden.quot;

„En waarin bestonden die?quot;

„Dat zult gij begrijpen, wanneer ik u zeg, wat reeds sedert de aankomst van gemelde Heeren geschied is. In de eerste plaats zijn alle poorten gesloten en alle bruggen opgehaald geworden: — ook zelfs die, welke van het Hof naar buiten geleidt.quot;

„Maar dan zit ik in de val,quot; zeide Mortaigne.

„In de tweede plaats,quot; vervolgde Chavallerie, „heeft de Graaf de gansche stad door met trommelslag moeten doen afkondigen, dat niemand zich verstouten zou u of een uwer medestanders te herbergen, op een boete van ƒ 1000, benevens arbitrale correctie.quot;

„En de Graaf zal zelf die boete niet willen beloopen,quot; merkte Mortaigne aan, zich op de lippen bijtende.

„In de derde plaats,quot; ging Chavallerie voort, is een uwer beide dienaars, die aan 't veerhuis verbleven en daar in hechtenis genomen was, door den Graaf overgeleverd aan den Fiskaal.... altijd onder een akte de non praejudicando.quot;

„Het doet mij leed, dat zij niet allen gepakt zijn,quot; zeide Mortaigne: „de ondankbare vlegels, die weggeloopen zijn zonder mij te waarschuwen.... vooral die Vollenhove, van wien ik dit nooit

verwacht had---- maar wat is dat voor een akte, waar gij van

spraakt ?quot;

„Een akte,quot; antwoordde Chavallerie, „waarbij, gelijk Mr. Martensz mij zulks met de noodige wijsheid heeft uitgelegd, de Graaf wel

-ocr page 200-

192 EEN SfiHAKING IN DB

toelaat, dat de gevangenen uit zijn macht in die van den Hove van Holland overgaan, maar alles zonder dat hij daardoor geacht wordt af te zien van zijn goed recht op hunne personen.quot;

„Dat zal den armen drommels vrij wat baten,quot; zeide Mortaigne: „is er nog meer?quot;

„Het ergste moet nog komen,quot; zeide Chavallerie: „de Commissarissen hebben zich begeven naar de woning van Schepen Hoevenaar, en daar uw liefste aangezegd, dat zi] zich gereed had te houden om binnen het uur met haar bloedverwanten de terugreis naar Den Haag aan te nemen.quot;

„Naar Den Haag!quot; herhaalde Mortaigne, terwijl hij neerslachtig hoofd en armen hangen liet: „ziedaar al mijn moeite verloren!quot;

„Zeker kan men niet zeggen, dat de zaak naar wensch voor u afloopt,quot; merkte Chavallerie aan.

„En nu,quot; hernam Mortaigne, na een wijl te hebben nagedacht, „nu onderstel ik, dat de Graaf, die zoo gewillig en gedwee aan de overige eischen dier Heeren Commissarissen voldaan heeft, het evenzeer zijn plicht, of liever zijn belang zal achten, aan hun voor-naamsten eisch te voldoen, en mij over te leveren.quot;

„De Graaf,zeide Chavallerie, „heeft u zijn bescherming toegezegd, en hij is willens zijn woord te houden; maar zal hij het genoegzaam kunnen doen? ziedaar de vraag.quot;

„Is hij geen heer en meester hier?quot; vroeg Mortaigne, opvliegend : „en moet hij zich door vreemden de wet laten stellen?quot;

„Gij vergeet, „hernam Chavallerie, „dat de Staten van Holland hem als hun vazal beschouwen: en al ware dit zoo niet, waar zou hij de macht vandaan halen om hen te weerstreven? Bovendien, onze Drossaard, die nog meer dan mijn meester beducht is, dat de toorn van Hun Edel-Mogenden op hem vallen zal, wenscht niets liever dan zijn peis te maken, door u over te leveren: en ruikt hij, waar gij u bevindt, dan kunt gij er vast op rekenen, dat hij uw schuilplaats verklapt.quot;

„Ik versta ü,quot; zeide Mortaigne, met bitterheid: „ik moet opgeofferd worden.quot;

„Spreek toch zoo onverstandig niet,quot; hernam zijn vriend: „de Graaf zoude zijn eer voor eeuwig gekrenkt achten, indien hij toeliet, dat het vrijgeleide, u door hem verleend, door wie ook geschonden, en gij aan uw vijanden werdt overgeleverd. Maar hij verwacht ook, dat gij van uwe zijde edelmoedig genoeg zult wezen, om hem te redden uit den moeilijken toestand, waarin hij zich gebracht ziet.quot;

„En wat wil hij dan dat ik doe?quot; vroeg Mortaigne: „moet ik mij zeiven overleveren?quot;

„Neen,quot; antwoordde Chavallerie: „maar gij moet vluchten, terwijl het nog tijd is.quot;

„Vluchten!quot; herhaalde Mortaigne: „en hoe wilt gij, dat ik dit doe, als de poorten, gelijk gij zegt, gesloten zijn?quot;

„Laat mij daarvoor zorgen,quot; zeide Chavallerie: „niemand kan het onmogelijke verrichten: maar het uiterste zal ik voor u beproeven.

-ocr page 201-

ZEVENTIENDE EEUW. 19B

Niet alleen zal de Graaf alles doen wat in zijn macht staat, om u veilig van hier te helpen: maar er bevinden zich onder mijne vrienden hier op 'tslot nog genoeg, die niets liever verlangen, dan u van dienst te zijn. Houd u dus vaardig en verwacht mij, zoodra de avond valt, weder hier.quot;

Met deze woorden vertrok hij, Mortaigne in een weinig aangename stemming achterlatende. Zoo waren dan al zijn uitzichten verijdeld en zijn euveldaad geheel vruchteloos geweest. Onder bittere verwenschingen tegen het noodlot, den Graaf van Kuilenburg, de Commissarissen, Catharina van Orleans, en vooral tegen VolTenhove, die hem in den steek liet, kleedde hij zich aan en verbeidde de terugkomst van Chavallerie. Nauwelijks was het donker geworden of, getrouw aan zijn woord, kwam laatstgemelde opdagen.

„Goed nieuws!quot; zeide hij: „gij hebt straks op uw getrouwen Vollenhove gescholden; en toch heeft hij u niet vergeten: zooeven brengt een man van buiten mij een briefje, waarin uw kamerdienaar mij meldt, dat, zoo de omstandigheden u noodzaakten, Kuilenburg te verlaten, hij u te Beuzichem zoude inwachten, waar alles tot uw vlucht was voorbereid. Ik heb hem doen antwoorden, zich klaar te houden.quot;

„Mijn vlucht!quot; zeide Mortaigne: „dat is fraai en goed; maar hoe kom ik buiten?quot;

„Wees daar niet bezorgd voor,quot; hernam Chavallerie: „de portier zal mij den sleutel van de poort niet weigeren.quot;

„En, zal de man mij niet kennen?quot; vroeg Mortaigne met eenige ongerustheid.

„Ook daar is voor gezorgd,quot; hernam Chavallerie, een pak, dat hij onder den arm droeg, op tafel leggende:,hier is de alom in Kuilenburg bekende ruitersmantel en de vederhoed van onzen vriend, den Ritmeester Struyk, die hij u gewillig ter leen geeft, en die u genoeg vermommen zullen.quot;

„Maar,quot; zeide Mortaigne, terwijl hij zich met genoemde kleeding-stukken bedekte: „hoe zal ik het maken om verder te komen?quot;

„Daar zal Vollenhove wel voor gezorgd hebben,quot; antwoordde Chavallerie: „draal nu toch niet langer, of de kostbare tijd is verloren.quot;

„In 's Hemels naam dan.quot; zeide Mortaigne, en vergezelde zijn vriend, die hem een achtertrap af en in den hof bracht. Weldra hadden zij de poort bereikt, waardoor het slot gemeenschap had met de Drift, of wandeling, die zich buiten de stad uitstrekte. Hier gekomen tikte Chavallerie even aan het venster dor portierswoning.

„Wie is daar?quot; vroeg een stem van binnen.

„Ik ben het, Chavallerie,quot; antwoordde de Edelman: „wij wilden gaarne een buitenluchtje scheppen, de Ritmeester en ik, en gij zult ons verplichten, met ons den sleutel ter hand te stellen.quot;

De portier stak even het hoofd om de deur, en niet meer dan twee personen ziende, waarvan de een hem door zijn stemgeluid, en

b. w. v. 13

-ocr page 202-

194 EEN SCHAKING IN DE

de ander door zijn rooden, gegalonneerden mantel bekend was, gaf hij, zonder argwaan, den sleutel over. Chavallerie opende 't winket, en weldra bevonden beide vrienden zich buiten. De Drift ten einde gekomen, sloegen beiden den weg op, die naar Beuzichem leidde en niet eerder, dan toen zij halverwege Kuilenburg en het genoemde dorp gekomen waren, nam Chavallerie afscheid van zijn vriend, en keerde naar de stad terug. Mortaigne wandelde nu niet zonder mismoedigheid verder, altijd nog bevreesd van achterhaald te worden, toen hij, het dorp omtrent een boogscheuts wijd genaderd zijnde, plotseling iemand voor zich zag, die hem den weg afsneed.

„Wie daar?quot; vroeg de onbekende, met een stem, die Mortaigne terstond herkende.

„Peyt!quot; riep onze vluchteling uit: „gij daar? en waar zijn de overigen?quot;

„Alles wel!quot; riep Feyt, verheugd: „gelief mij maar te volgen. Wij hebben geen oogenblik te verliezen.quot;

En, vooruitgaande, bracht hij hem iets verder, op een weg, waar zij Vollenhove en Spinel met de vier gezadelde en gepakte rijpaarden vonden.

Hun aanwezigheid aldaar laat zich, uit hetgeen vooraf was gegaan, verklaren. Vollenhove had, toen hij oordeelde, dat een langer verblijf te Kuilenburg niet meer veilig was, aan Feyt geraden, zich met Spinel heimelijk naar Buren te begeven. Hij zelf was naar het veerhuis gegaan, had de paarden doen uithalen, en was met Gonser daarmede vertrokken, onder voorwendsel van ze te willen afrijden. In stede daarvan was hij er mede naar Buren getrokken en had daar Spinel en Peyt ingewacht. Weldra kwam hun de tijding ter ooren van het gevaar, dat Mortaigne binnen Kuilenburg dreigde, en dit had Vollenhove doen besluiten, do noodige maatregelen voor t« bereiden om zijns meesters vlucht te bevorderen. Met Spinel, Feyt en de paarden (Gonser was bevreesd geworden en had zich naar zijn land begeven) naar Beuzichem gekeerd, had hij van daar, als wij gezien hebben, een boodschap aan Chavallerie gezonden, waarvan de uitslag gebleken is.

En nu, onmiddellijk opgezeten, toefden onze vluchtelingen niet langer, maar reden spoorslags den weg op naar de Betuwe.

Het ontsnappen van Mortaigne en zijn medestanders, hoe geheim het ook in zijn werk ware gegaan, kon niet lang verborgen blijven, en kwam Commissarissen van den Hove weldra ter ooren. Ofschoon dezen geen stellig bewijs verkregen, dat des Graven slot aan de door hen gezochte personen tot schuilplaats had verstrekt, zoo werd hun toch bekend, uit het verhoor van den portier, dat een van 's Graven Edellieden de hand in de zaak had gehad: en deze omstandigheid, gevoegd bij andere redenen van beklag, die zij reeds tegen den Graaf hadden, en vooral bij de spijt, dat hun prooi hun ontsnapte, gaf aanleiding, dat het bericht, hetwelk de Raadsheer Fannius een paar dagen later aan den Hove deed, weinig gunstig voor Henrich van Waldeck uitviel. In dat bericht, hetwelk Aitzema in zijn geheel mededeelt, werden de navolgende hoofdpunten tot bezwaar des Graven opgesomd

-ocr page 203-

ZEVENTIENDE EEUW.

1quot;. dat hij 's Woensdags op de komst van Jan Van Ruytenburgh met eenige ruiters van Heeren Gedeputeerde Staten van Utrecht, en na kennis gekregen te hebben van de schendige wijze, waarop de vrouwenroof was gepleegd, niet terstond gezorgd had zich van den persoon des roovers en die zijner medeplichtigen te verzekeren: zonder dat ter zijner verschooning dienen kon, dat gezegde Ruytenburgh geen openbaar karakter bezat; — aangezien de voorzegde ruiters hem strekten tot karakter; daar toch de Hooge Regeenng niet gewoon was, zonder gewichtige redenen, aan een particulier, krijgsvolk mede te geven:

2°. dat hij het zoogenaamde bevel tot scheiding van den roover en de geroofde juffer, hoewel 's Woensdags gegeven, eerst's Donderdags had ten uitvoer doen leggen:

3°. dat hij evenmin 's Donderdags gehoor had gegeven aan het verzoek, hem door den koetsier des Prinsen van Tarente gedaan, om den roover te doen gevangenzetten; maar integendeel dezen op hetzelfde oogenblik gezien en gesproken, en in vrijheid van zich gezonden had:

4°. dat hij op dienzelfden dag, zelfs na de ontvangst der patenten van den Staat, geen zorg had aangewend om den roover en zijn medeplichtigen te doen gevangennemen, 't welk toch zonder eenige moeite had kunnen worden bewerkstelligd:

5°. dat hij, in plaats van aan de patenten van den Staat gehoorzaamheid te betoenen, en dienovereenkomstig te handelen, op den avond van denzelfden Donderdag, de pupille van den Staat had doen ondervragen aangaande de omstandigheden of zij al dan niet uit vrije beweging den roover gevolgd ware: — welke handelwijze van hem. Heer Grave, bewees, eerstelijk, hoe weinig hij genoemde patenten eerbiedigde; ten tweede, dat hij de pupille, onder voorwendsel van haren vrijen wil, bij den roover wilde doen verblijven; ten derde, dat hij wist, dat die roover zich nog te Kuilenburg bevond, dewijl anders alle ondervraging noodeloos geweest ware:

6°. dat hij op 21 Maart de juffer niet had willen overleveren aan den Fiskaal, die bepaaldelijk door den Hove was gezonden om haar af te eischen, dan onder voorwaarde dat zij vrijwillig medeging, —• daar hij nochtans had moeten in aanmerking nemen, dat zij, als pupille, geen vrijen wil had, maar onder 't gezag en opzicht stond van den Hove: — mede een blijk, dat hij tegen de begeerte van den Hove en van de Hooge Regeering, de juffer voormeld bij haren roover had willen laten verblijven;

7'. dat hij, na de aankomst van den Fiskaal en de ontvangst der brieven van den Hove en van H. Ed. Gr. Mog. geen de minste middelen had aangewend, om zich, door 't sluiten van poorten, huiszoeking, trommelslag, afkondiging of anderszins van den persoon des roovers te verzekeren:

8°. dat de zoogenaamde scheiding van den roover en de geroofde meer pro forma was geweest, dan inderdaad om de samenkomst tusschen hen beiden te beletten: eerstelijk. omdat die scheiding wel des Woensdags gelast, maar eerst des Donderdags was bewerkstelligd.

195

-ocr page 204-

196 EEN SCHAKING IN DE

waardoor de roover nog een geheèlep nacht gewonnen had, 't welk in zoodanige gelegenheid van groote uitwerking zijn kan; ten tweede, omdat men de juffer, nadat men haar nit de herberg „De Gouden Leeuwquot; had doen vertrekken, niet had gebracht naar een ver daarvan verwijderd huis, maar eerst naar de daaraan grenzende woning van twee nichten der waardin, en vervolgens naar dat van den Schepen Hoevenaar, zoon der waardin — waar de roover vrijen toegang had; gelijk hij dan ook des Donderdags-avonds nog bij haar geweest was:

9°. dat hij, na de aankomst der Commissarissen Goes en Fannius, op Maandag 24 Maart, in weerwil van de ernstige vertoogen, door hen gedaan, en van de brieven, opnieuw door den Hove en door H. Bd. Gr. Mog. tot hem gericht, ja van de hem van Regeeringswege

fedane bedreigingen, dien dag en een gedeelte van den volgenden ad laten verloopen zonder eenige wezenlijke pogingen in 'twerk te stellen om den roover en zijn medeplichtigen te vatten:edane bedreigingen, dien dag en een gedeelte van den volgenden ad laten verloopen zonder eenige wezenlijke pogingen in 'twerk te stellen om den roover en zijn medeplichtigen te vatten:

dat die roover dan ook in den nacht tusschen Maandag en Dinsdag was ontkomen en door de poorten van het Hof van hem Grave naar buiten de stad Kuilenburg geleid geworden door Chavallerie, zijnde een Edelman, tot zijnen hofstoet behoorende.

Uit al hetwelk bleek, dat de Heer Graaf, verre van aan de begeerte, zelfs met bedreigingen, vanwege den Staat kenbaar gemaakt, te voldoen, den roof had begunstigd.

Deze punten van aanklacht, in de memorie nog breeder ontwikkeld, werden door den Hove overgenomen en onder de aandacht gebracht van de Staten van Holland, die, het door den Graaf van Kuilenburg gehouden gedrag mede zeer hoog opnemende, op 2 April een Resolutie uitvaardigden, waarbij zij, op overwegingen, gegrond op de hierboven bedoelde Memorie, goed vonden te besluiten, dat, tot herstel van het gebeurde en tot verhoeding van dergelijke uit-sporige handelwijze voor 't vervolg, de poorten van de stad Kuilenburg zouden worden afgehangen en de valbruggen vastgemaakt, of in plaats van dien steenen bruggen en dammen door de grachten geleid, en daarbij nog twee bressen in de muren gemaakt, zoodat men ten allen tijde vrij en onverhinderd de stad zou kunnen in- en uitgaan. Dat voorts de meergenoemde Graaf bij schriftelijke akte beloven zou geen vrijgeleide voortaan binnen gemelde stad toe te staan aan hoofdmisdadigers, bankroetiers en dergelijken, uit een der Vereenigde Gewesten derwaarts gevlucht, maar hen integendeel aan de Staten, Hoven of Overheden, die hen opeischten, op de eerste aanmaning zou overleveren. Dat hij Graaf zijn Drossaard of Stadhouder terstond van zijn Drost- en Stadhouderschap zou ontzetten en hem zijn stad en graafschap ontzeggen, zonder hem daarin weder toe te laten: — en dat, ter uitvoering van het voorgeschrevene, de Luitenant-Kolonel Steelandt (die inmiddels, op last der Generaliteit, met voet- en paardenvolk naar Kuilenburg gezonden was en de stad hield ingesloten), zich met zijne troepen binnen de stad begeven en zich daar tot nader bevel ophouden zou.

Dat aan de Generaliteit een ernstig verzoek zoude gericht worden om H. Ed. Gr. Mog. in dezen behulpzaam te zijn.

-ocr page 205-

ZEVENTIENDE EEUW. 197

Dat aan alle Koningen, Prinsen en Potentaten, en inzonderheid aan den regeerenden Grave van Waldeck, bij welken men vermoedde, dat de roover zijn toevlucht zou hebben genomen, mededeeling van het gebeurde zou worden gedaan, met verzoek, van den roover en zijn medeplichtigen aan te houden, waar zij hem vonden en herwaarts over te zenden.

Dat, ten einde den roover en der voornoemde pupille alle hoop zou worden afgesneden van ooit ofte immer met eikanderen te leven, den Hove van Holland zou worden aanschrijving gedaan, van uit name van H. Ed. Gr. Mog. der voorschreven pupille aan te zeg-

fen, dat men niet vertrouwde, dat zij eenige de minste gedachten oesterde van eenige correspondentie te houden met den roover, met ronde verklaring, dat het Hof zulks nimmer zou gedoogen, maar haar en den roover, in geval zij in tijd en wijle een huwelijk aangingen, alom vervolgen en, zoo zij den Hove in handen vielen, naar verdienste straffen: terwijl men in zulk geval niet een stuiver van haar goederen tot haar onderhoud zou laten volgen.en, dat men niet vertrouwde, dat zij eenige de minste gedachten oesterde van eenige correspondentie te houden met den roover, met ronde verklaring, dat het Hof zulks nimmer zou gedoogen, maar haar en den roover, in geval zij in tijd en wijle een huwelijk aangingen, alom vervolgen en, zoo zij den Hove in handen vielen, naar verdienste straffen: terwijl men in zulk geval niet een stuiver van haar goederen tot haar onderhoud zou laten volgen.

Men kan denken, dat de Graaf van Kuilenburg over den inhoud dezer Resolutie slecht gesticht was, en van achteren niet weinig het uur vervloekte, waarop Mortaigne goedgevonden had. Kuilenburg tot zijn toevluchtsoord te kiezen. In dezen nood begaf hij zich naar Nijmegen en verzocht om de voorspraak en bescherming der aldaar op den Landdag vergaderde Staten van Gelderland, welke hem dan ook, als wij nader zien zullen, niet werd onthouden. Tevens liet hij een^ uitgebreide Memorie stellen, waarin hij zich van de tegen hem ingebrachte grieven zocht te zuiveren en den toorn der Staten van Holland te verbidden. Dit stuk, 't welk den 9 April werd ingediend, is in zijn geheel door Aitzema opgenomen en beslaat bij hem eenige bladzijden folio. Het is met oordeel en bekwaamheid gesteld, de handelwijze van den Graaf wordt er, zoowel wat de feiten als wat het recht betreft, op ieder punt verdedigd en zijn waardigheid op een gepaste wijze gehandhaafd. Ik heb echter te minder noodzakelijk geacht, het hier over te nemen, omdat het eene der voorname bronnen geweest is, waaruit ik de vroeger verhaalde gebeurtenissen en bijzonderheden geput heb, en het noo-deloos is, die alzoo nogmaals in anderen vorm aan den lezer voor te leggen.

De Staten van Gelderland hadden inmiddels, na het advies van hun Hof te hebben ingenomen, een brief afgevaardigd aan de Sta-ten-Generaal, waarbij zij aan Hun Hoogmogenden in bedenking gaven of het niet dienstig zoude wezen, dat een Commissie uit hun midden, met de reeds naar Kuilenburg afgevaardigde Leden uit de Staatsvergadering van Holland, aldaar de handelwijze des Graven onderzoeken en het noodige beramen zou om de gerezen onlusten bij te leggen, of, zoo dit onmogelijk bevonden werd, door behoorlijke middelen van rechten af te doen, met verzoek aan Hun Hoogmo-

fenden, niet te gedoogen, dat er iets feitelijks ten prejuditie van e Hoogheid van Gelderland werd ondernomen tegen den Grave van Kuilenburg, zijn stad, of Graafschap, zonder hen te hooren, maarenden, niet te gedoogen, dat er iets feitelijks ten prejuditie van e Hoogheid van Gelderland werd ondernomen tegen den Grave van Kuilenburg, zijn stad, of Graafschap, zonder hen te hooren, maar

-ocr page 206-

198 EEN SCHAKING IN DE

!

dat de derwaarts gezonden krijgsmacht ten spoedigste naar hare garnizoenen terug mocht keeren. De Staten van Holland, aan wie deze brief door de Staten-Generaal werd medegedeeld, weigerden te voldoen aan het gedaan verzoek om met een Commissie uit Gelderland in overleg te treden, drongen bij de Generaliteit ernstig aan, dat zij in hun goed recht gehandhaafd zouden worden, en verklaarden, dat, zoo Hun Hoogmogenden eenigszins vertraagden, zich over het door hen gedaan verzoek uit te laten, zij alsdan den Graaf, als hun vazal, voor hun Leenhof zouden oproepen en crimineel vervolgen. De Gecommitteerden ter Vergadering van Hun H. Mog. vanwege Gelderland dienden alsnu een nader voorstel in, ten gunste van Gelderland, waarbij zij vertoonden, dat de stad en 't Graafschap Kuilenburg een leen waren, niet van Holland, maar van den Vorst van Gelre, en dus van de Provincie Gelderland; dat reeds in 1339 de Heer van Kuilenburg verplicht was, die plaats tot een open Huis voor den Vorst van Gelre en zijne luiden ingericht te houden, en dat de Staten van Gelderland alzoo daarover bezaten een onmiddellijke Souvereiniteit: weshalve zij met recht en goede redenen staande hielden, dat gemelde stad door niemand, in weerwil en ter vermindering hunner achtbaarheid, beschadigd, veel min ontvest zou kunnen worden. Tot nader betoog hunner stelling haalden zij de omstandigheid aan, dat in den jare 1415 heer Huybert van Kuilenburg, wiens Huis verbrand was geworden, de opzettelijke toestemming des Vorsten van Gelre had benoodigd gehad om het verbrande gebouw verder af te breken: een bewijs, dat althans zoodanige vernieling van stadsmuren, bruggen en poorten, niet dan ten prejuditie der Staten van Gelderland zou kunnen geschieden. Verder

taven zij te kennen, hoe, naar hun gevoelen, de billijkheid vereischte, at de Graaf en zijn dienaars in hun verdediging gehoord werden: zij herinnerden hoe voor jaren de Graven van Kuilenburg altijd voor het Hof van Gelderland hadden terechtgestaan, en stelden voor, dat ook thans de zaak door gemeld Hof onderzocht werd, 't welk gewis geen zwarigheid zou vinden om zich andere rechtsgeleerden uit de naburige Provinciën of Hoven toe te voegen.aven zij te kennen, hoe, naar hun gevoelen, de billijkheid vereischte, at de Graaf en zijn dienaars in hun verdediging gehoord werden: zij herinnerden hoe voor jaren de Graven van Kuilenburg altijd voor het Hof van Gelderland hadden terechtgestaan, en stelden voor, dat ook thans de zaak door gemeld Hof onderzocht werd, 't welk gewis geen zwarigheid zou vinden om zich andere rechtsgeleerden uit de naburige Provinciën of Hoven toe te voegen.

Het schijnt, dat deze Brief der Staten van Gelderland eenigszins gestrekt heeft om aan de zaak een wending te geven, gunstiger voor den Graaf van Kuilenburg. Waarschijnlijk hebben de Staten van Holland begrepen, dat zij, door hun streng te sterk te willen vasthouden, in een twist met Gelderland gewikkeld zouden worden over de vraag, wie als Leenheer van Kuilenburg beschouwd moest worden. Althans het blijkt uit een Resolutie der genoemde Staten van 11 April, dat zij, op de ontvangst van een akte, waarbij de Graaf van Kuilenburg zich verbond, voortaan geen vrijgeleide meer te ver-leenen aan voortvluchtige misdadigers uit de Vereenigde Gewesten, zich hiermede tevredengesteld en geen verdere straffe hebben gevorderd.

-ocr page 207-

ZEVENTIENDE EEUW.

ELFDE HOOFDSTUK,

verhalende, hoe Morlaigne te Bremen achterhaald werd, en wat hem daar wedervoer.

Ik heb mij gehaast om in het vorige hoofdstuk alles mede te dee-len wat er ten gevolge van de tegen den Graaf van Kuilenburg ingestelde aanklacht plaats had, ten einde de lezer die zaak in haar verband zou kunnen volgen. Wij moeten thans zien. wat er plaats greep met betrekking tot Mortaigne en zijn medeplichtigen.

Er was, gelijk gezegd is, terstond na hun ontsnappen uit Kuilenburg, aan alle naburige Hoven en Steden geschreven en het signalement van Mortaigne gezonden. Deze, zeer goed beseffende, dat hij, in een tijd, dat er oneenigheid bestond tusschen de Staten en den Bisschop van Munster, nergens meer in veiligheid zou zijn dan op het grondgebied van laatstgemelde, had zich, over Gelderland en Zutfen, met zijn medeplichtigen derwaarts begeven, met het doel, om, zoodra de gelegenneid gunstig was, zich in de eene of andere noordelijke haven in te schepen en naar Zweden te reizen, alwaar hij overtuigd was, met open armen ontvangen te worden. Het was op den avond van 3 April, dat hij, met Vollenhove, Spinel, Peyt en nog een vierden bediende, dien hij in Munsterland had aangenomen, allen te paard gezeten, zich aan de poort der vrije stad Bremen aanmeldde, en verzocht te worden binnengelaten.

„Wat is uw naam en betrekking?quot; vroeg de schildwacht, die aan den slagboom stond, welke den toegang belette.

„Ik heet Volraad,quot; antwoordde Vollenhove, die vooruit reed en het woord voerde: „ik ben een Protestantsch Edelman uit Hannover, en ik reis met mijne bedienden naar Zweden.quot;

„Ik zal den Commandant van de wacht buiten roepen,quot; antwoordde de schildwacht: „gij zult hier zoolang verbeiden.quot;

„Haast u, zoo gij wilt,quot; zeide Mortaigne, wien elk oponthoud verdroot.

De soldaat zag den man, die dus sprak, even in 't gelaat, en bleef toen met een uitdrukking van verwondering op hem staren, waarna hij haastig de wachtkamer binnenliep. Mortaigne had hier nauwelijks op gelet; maar niets van dat alles was aan de opmerkzaamheid van Vollenhove ontsnapt.

„Wij moeten terugkeeren?quot; zeide deze: „of wij zijn verloren.quot;

„Waarom terugkeeren?quot; vroeg Mortaigne: „hoe wilt gij, dat die soldaten hier mij kennen, dien zij nooit gezien hebben.quot;

Maar op dat oogenblik ontstond in de wachtkamer een gedruisch Os van het opnemen van geweren; Spinel en Feyt, door de waar-

199

-ocr page 208-

,200 EEN SCHAKINC IN DE

schuwing van Vollenhove reeds opmerkzaam gemaakt, kregen den schrik, en, hunne paarden omwendende, reden zij in allerijl weder terug als zij gekomen waren, zonder dat men ooit, quot;t zij te Bremen, 't zij in de Vereenigde Nederlanden, iets meer aangaande hen vernam.

De nieuw aangenomen knecht, niets van de spoedige vlucht van zijn makkers begrijpende, bleef onbeweeglijk en met open mond op zijn meester staren, die nu, van zijn kant inziende, hoe de vlucht van twee zijner reisgenooten niet kon nalaten den argwaan der wacht te versterken, zich insgelijks gereed maakte om hun voorbeeld te volgen; doch het was reeds te laat. De schildwacht was aan 't hoofd van eenige gewapcnden terug gekomen en greep den teugel van zijn

Saard; terwijl de overigen Mortaigne met hunne wapenen dreigden.aard; terwijl de overigen Mortaigne met hunne wapenen dreigden.

fauwelijks had Vollenhove zulks opgemerkt, of hij beraadde zich niet lang, maar, de sporen in de lenden van zijn rijdier drukkende, deed hij het over den slagboom springen en holde zoo de straat op, waar hij reeds uit het gezicht was, eer iemand er aan denken kon, hem tegen te houden of te vervolgen.

Inmiddels was de commandant van de wacht mede in de poort gekomen.

„Gij heet Johan Diederick De Mortaigne,quot; zeide hij, zich tot den gevangene wendende, en beurtelings hem aanziende en een papier, 't welk hij in de hand hield.

„Ik heet Kaspe,quot; antwoordde Mortaigne, „en ben lijfknecht van den heer, die ginds wegrijdt.quot;

„Hm!quot; zeide de officier: „zeer toevallig: haar bruin.... oogen bruin.... kloek van wezen.... den neus eenigszins gebogen.... een litteeken aan de bovenlip.... 't Is vreemd, dat dit alles zoo juist overeenkomt met de afbeelding van gemelden Mortaigne, zooals die vanwege de Staten van Holland aan Heeren Burgemeesteren dezer vrije Rijksstad gezonden is. Ik kan u niet vrij laten zonder nader onderzoek, en gij zult u getroosten, u daaraan te onderwerpen. Heb de goedheid, af te stijgen.quot;

Terwijl Mortaigne al mompelende aan dit bevel voldeed, en zijn nieuwe lakei, die nog altijd even weinig van de zaak begreep, zijn voorbeeld volgde, zond de officier bericht aan de Eegeering van de vangst, die hij gedaan had, en tevens van het ontvluchten van drie der reisgenooten en vermoedelijke medeplichtigen des gevangenen. Burgemeesteren gaven terstond last, dat deze laatste voor hen zoude gebracht worden, en, nadat hij vergeefs nog een poos had volhard bij zijn eerste verklaring, bekende hij ten laatste wie hij was. Men bracht hem hierop in de gevangenis, den Oosterdwinger genaamd: aan zijn lakei werd huisvesting in den gewonen kerker verleend: aan de Staten van Holland onmiddellijk bericht gezonden van de gedane vangst: en alles in 't werk gesteld, om Mortaignes medestanders op te sporen; — dit laatste echter zonder vrucht.

Van zijne vrijheid beroofd, van alle hulp, zelfs, gelijk hij meende, vau die zijns getrouwen Vollenhove verlaten, en verzekerd dat hij aan de Staten van Holland zoude worden overgeleverd, was Mor-

-ocr page 209-

ZJSVENIIEKDE EEUW. 201

taigne in den aanvang moedeloos. Weldra echter begon hij op middelen te peinzen, om zich, zoo mogelijk, vrienden en beschermers te verwerven: en, zich tot dat einde ziek houdende, verzocht hij een Arts en een Predikaat. Aan dit verzoek werd voldaan: en nu gelukte het hem, door schoonschijnende redenen deze beiden tot medelijden met zijn toestand te bewegen. Hij stelde hun zijn misdaad als een los vergrijp der jonkheid voor, dat geen zoo strenge straf verdiende als waarmede de Heeren van Holland hem bedreigden: hij herinnerde, hoe zijn vader voor de Protestantsche zaak het leven had gelaten, na zich te voren, zoo in Hessischen als in Zweed-schen dienst, moedig te hebben gekweten. Deze redenen vonden ingang niet alleen, maar werden ook door hen, tot wie ze gericht waren, verder overgebracht. Onder anderen kwamen zij ter ooren van den Zweedschen Resident Steiniger, die, uit aanmerking van de diensten, door Mortaignes vader aan de Kroon van Zweden bewezen, het noodig achtte, den zoon tot voorspraak te strekken bij de Magistraat van Bremen. En hij was de eenige niet: de dames, meestal toegevend, wanneer het vergrijpen geldt, uit liefde begaan, namen het op voor den schaker, die, althans naar zij meenden, uit liefde gezondigd had, en drongen bij haar vaders of echtgenooten aan, dat dezen de partij des ongelukkigen minnaars zouden nemen. Dit alles bracht de Burgemeesteren in geen geringe verlegenheid. Aan de eene zijde gevoelden zij zeiven deernis met den gevangene, en zouden zij gaarne aan de vertoogen des Zweedschen Ministers en aan den algeraeenen wensch der ingezetenen hebben voldaan door hem in vrijheid te stellen; maar aan den anderen kant begrepen zij, dat zulks, vooral nadat zij reeds naar Holland geschreven hadden, het hooge ongenoegen der Regeering aldaar zou opwekken, ja misschien tot een vredebreuk met Holland leiden, welke laatste toch vooral diende vermeden te worden. Het berouwde hen nu, ooit bevelen tot het aanhouden van Mortaigne gegeven te hebben: en aan de flauwe hoop, dat men in Holland niet op zijn overlevering zou aandringen, werd weldra de bodem ingeslagen, toen er een brief kwam, waarin de Staten van Holland der Magistraat van Bremen dank zeiden voor den bewezen dienst in het vatten van den voortvluchtige, met kennisgeving, dat er reeds een Deurwaarder van den Hove met een behoorlijk geleide op weg was, om hem af te halen.

De mededeeling van dit bericht, en de zekerheid, dat de aangekondigde komst der uit Den Haag gezonden dienaars van het Gerecht niet lang zou vertraagd worden, sloeg Mortaigne geheel ter neder. Wel hoorde hij nu en dan, dat de vertoogen van den Zweedschen Resident weerklank vonden bij de Zweden, die zich in menigte binnen de stad of in de omstreken daarvan bevonden en zich krachtig ten zijnen gunste uitlieten; doch wat zoude hem dit baten, nu eenmaal de Overheid tot zijn uitlevering besloten had'?

In dezen toestand van onzekerheid, nu eens het ergste vreezende, dan weder hoop vattende, bleef hij tot op den avond van den li'1™ April, toen hem werd aangezegd, dat de Deurwaarders en het ge-

-ocr page 210-

202 EEN SCHAKING IN DE

leide uit Holland waren aangekomen, en dat hij er zich oj) had voor te bereiden, om in hun banden te worden gesteld. En inderdaad, reeds den volgenden dag werd hij bij zonsopgang gewekt en hem verwittigd, dat een koets tot zijn vervoer gereed stond. Met een verslagen gemoed kleedde hij zich aan en trad naar buiten, toen hem bij 't instappen van het rijtuig een briefje werd in de hand gedrukt. Vruchteloos was het, dat hij, onmiddellifk rondziende, poogde te ontdekken, van wien hij dat geheimzinnige schrift ontving; waar hij keek, hij ontwaarde alleen de onverschillige gelaatstrekken der soldaten, tusschen welker dubbele rij hij van de kerkerdeur naar de koets was heengetreden. Het kwam hem echter waarschijnlijk voor, dat het hem dus geworden papier eenig belangrijk nieuws behelzen moest: hij kneep het dan ook dicht in zijn hand om het te verbergen voor den Majoor der stadssoldaten, die met zijn geleide belast en onmiddellijk na hem in de koets gestegen was; terwijl hij een geschikte gelegenheid afwachtte om te onderzoeken wat het geschrift behelsde, dat hem zoo onverwacht was in handen gespeeld. Onder het rijden deed zich echter hiertoe de gelegenheid niet voor; de koets, aan de overzijde der rivier in de Nieuwe Stad gekomen, hield voor de Hoofdwacht stil, waar de Majoor zijn gevangene in een afzonderlijk vertrek bracht en, na een schildwacht aan de deur geplaatst te hebben, Mortaigne alleen liet. Deze haastte zich nu, naar het venster te treden, het papier te openen en den inhoud te lezen, die alleen uit de volgende woorden bestond:

«Over de hoofdwacht staat een huis met een Turkenkop in den gevel: tracht daar binnen te ontkomen; en gij zijt vrij.quot; V—quot;

Dit bericht was met potlood en blijkbaar zeer inderhaast geschreven; doch de aanvangsletter, die tot onderteekening diende, was voor Mortaigne genoegzaam om hem te overtuigen dat zijn getrouwe Vollennove er de schrijver van was: Vollenhove, wien hij, ten tweeden male, in zijn ziel beschuldigd had, hem in het hachelijkst oogenblik aan zijn lot te hebben overgelaten. De bewustheid, dat de wakkere kamerdienaar, wiens vernuft en volharding hij reeds zoo dikwijls had leeren op prijs stellen, in zijn nabijheid was, en middelen ter zijner verlossing beraamd had, deed de hoop weder bij hem herleven. Maar hoe zoude hij aan den gegeven raad voldoen? hoe aan zijn bewakers ontkomen en het hem aangewezen huis herkennen en bereiken? Dit was een vraag, waarop hij vergeefs het antwoord zocht te geven, doch waarvan hij de oplossing van het toeval en de omstandigheden begreep te moeten doen afhangen.

Wij zullen hem aan zijn overpeinzingen overlaten, om inmiddels een blik te werpen op hen, aan wie de last gegeven was, den gevangene af te halen, en die op dit oogenblik zich, hoezeer dan uit andere oorzaken, evenzeer in verlegenheid bevonden als hij zelf.

Tot de gemelde taak waren door H. Ed. Gr. Mogenden gecommitteerd de Luitenant hunner garde, Cornelis Geestdorp, de Eerste en Tweede Deurwaarders van den Hove, Cornelis Van der Beecke en

-ocr page 211-

ZEVENTIENDE EEtTW. 203

Johan Broekman, een sergeant met twaalf soldaten der voorschreven garde en vier gerechtsdienaars. Hun weg over Amsterdam, Zwoll, Hardenberg en Lingen genomen hebbende, in welke laatste plaats zij nadere berichten bekwamen aangaande het aldaar door Mortaigne en zijn dienaars gehouden verblijf, en voorts over Luinen, Kloppenburg en Wilthuizen, hadden zij, bij hun aankomst op het Bremersche grondgebied, al spoedig bespeurd, dat zij het voorwerp waren van ae algemeene aandacht, en dat de blikken, waarmede men hen opnam, verre waren van vriendelijk of welwillend te zijn. Zij schreven dit echter toe aan het ongewone en min aangename, dat er voor het landvolk in gelegen moest zijn, krijgslieden in vreemde monteering binnen hunne grenzen te zien, wanneer, nadat zij even buiten Del-menhorst waren gekomen, iemand een der wagens, waarop zij vervoerd werden, op zijde kwam, en hun op een dreigenden toon toevoegde: „mannen, gij behoeft u zoo niet te haasten; gij zult tijdig

tenoeg te Bremen komen, en hem, wien gij zoekt, niet zoo licht aar vandaan krijgen. Het zal wel een dag of zes aanhouden, eer gij hem de stad uithebt; de Bremers wilden wel om 2000 Rijksdaalders dat zij hem niet gevangen hadden: en de Zweden willen hem niet laten volgen.quot;enoeg te Bremen komen, en hem, wien gij zoekt, niet zoo licht aar vandaan krijgen. Het zal wel een dag of zes aanhouden, eer gij hem de stad uithebt; de Bremers wilden wel om 2000 Rijksdaalders dat zij hem niet gevangen hadden: en de Zweden willen hem niet laten volgen.quot;

Dit bericht was in zooverre niet opbeurend, als het voorspelde, dat de overlevering van Mortaigne niet zoo gemakkelijk zoude gaan als men zich had voorgesteld. De beide deurwaarders echter haalden de schouders op, als te veel overtuigd van het gezag en de achtbaarheid van den Hove, dan dat iemand, wie ook, en waar ook, zich daartegen zou durven verzetten; alleen hinderde hun, als huisvaders en ambtenaren, die niet gaarne lang hun haardstede en hun beroep in den steek lieten, de gedachte, dat hun verblijf te Bremen misschien langer van duur zou kunnen zijn, dan zij oorspronkelijk geloofd hadden. Geestdorp daarentegen, jong, vroolijk en vrijgezel, die in de reis minder een dienstzaak dan een pleiziertocht zag, vond er juist zooveel kwaads niet in, dat er eenige zwarigheden oprezen, welke hem gelegenheid zouden verschaffen, een vreemde stad en hare vermaken, op zijn gemak en op 's lands kosten, te zien.

Te Bremen gekomen, hadden zich onze reizigers terstond vervoegd bij den Voorzitter van Burgemeesteren, en hem hun lastbrief, door Gecommitteerde Raden geteekend, ter hand gesteld. Het hoofd der Bremersche Regeering ontving hen met henschheid, doch met een blijkbare uitdrukking van verlegenheid; hij verwittigde hen, dat hij den volgenden morgen te acht uren den Raad zoude doen vergaderen, en hen met de door dit lichaam genomen Resolutie onmiddellijk bekend maken. Geestdorp en de zijnen namen hierop hun afscheid: de Luitenant en de Deurwaarders begaven zich naar de herberg „De Witte Zwaan,quot; en de sergeant met de soldaten en dienaars naar een logies van minderen rang, om aldaar van hunne vermoeienissen uit te rusten.

Den volgenden morgen verscheen bij hen reeds te negen uren Johan Clapmeyer, Secretaris van de Kanselarij, die hun een wel verzegelden reiszak ter hand stelde, met het bericht, dat zich daarin

-ocr page 212-

204 EEN SCHAKING IN DE

bevanden de brieyen en papieren van den roover en van den met hem gevangen dienaar, welke beide personen aan hen zouden worden overgeleverd; doch dat Heeren Burgemeesters en Baden verzochten dat alles in stilte geschieden zou.

Deze mededeeling wekte zeer het genoegen op der Deurwaarders, die er uit opmaakten, dat de berichtgever hen misleid had, die hun, nabij Delmenhorst, eenige zwarigheden van de zijde der Regeering van Bremen voorspeld had: en het voorstel, om alle opschudding te vermijden, kwam met hun eigen wensch overeen. Van der Beecke verklaarde dan ook terstond, dat hij niets liever verlangde, dan dat de gevangene des avonds laat of des morgens vroeg in hunne handen werd gesteld. Niet zonder verwondering hoorden echter hij en zijn reismakkers den Secretaris hierop antwoorden: „neen, gij moet hoe eer hoe liever gaan: de gevangene is alreeds in de hoofdwacht gebracht, om aldaar aan ulieden te worden overgeleverd:quot; — waarna hij zich verwijderde, met toezegging, dat zij spoedig nader bericht zouden vernemen, hoe de zaak in 'twerk

festeld moest worden. Werkelijk kwam hij eerlang weer terug, och nu met een geheel andere boodschap. De Heeren van den Baad, zeide hij, waren zeer bezorgd over de wijze, hoe de wegvoering des gevangenen zoude plaats hebben; dewijl vele kwaadwilligen hem waren toegedaan, die, zoo in de stad als daar buiten, op hunne luimen lagen en zijn bevrijding wilden beproeven: de Baad begeerde dus, alvorens iets te beslissen, met den Luitenant Geestdorp te spreuken.esteld moest worden. Werkelijk kwam hij eerlang weer terug, och nu met een geheel andere boodschap. De Heeren van den Baad, zeide hij, waren zeer bezorgd over de wijze, hoe de wegvoering des gevangenen zoude plaats hebben; dewijl vele kwaadwilligen hem waren toegedaan, die, zoo in de stad als daar buiten, op hunne luimen lagen en zijn bevrijding wilden beproeven: de Baad begeerde dus, alvorens iets te beslissen, met den Luitenant Geestdorp te spreuken.

De Deurwaarders schuddeden het hoofd op deze mededeeling en zagen elkander bedenkelijk aan; terwijl Van der Beecke het niet weinig euvel opnam, dat men hem, die het Hof van Holland in dezen vertegenwoordigde, niet bij de conferentie had uitgenoodigd; maar er viel niet aan te veranderen, en het was dus alleen Geestdorp, die Clapmeyer vergezelde. Naar het Baadhuis gewandeld, werd hij in een voorvertrek gelaten, waar zich aldra de Syndicus Wach-mans bij hem vervoegde, om hem de bezwaren van den Baad mede te deelen.

„Wij zijn allen beducht,quot; zeide hij, „dat het u hoogst moeilijk zal vallen, den gevangene met u te voeren. Hij heeft vrienden onder de Zweden, die overal in grooten getale op hem passen. Nog hedenmorgen is ons bericht, dat er wel dertig Zweedsche soldaten op de Wezer liggen, die alle uit de stad komende schepen doorzoeken en niet één ondoorzocht laten voorbijgaan. Wij wilden wel, dat gij reeds verre weg waart met den man, dien gij komt halen; want het ontbreekt aan geene aanbiedingen, ons zoo bij monde als bij

geschrifte gedaan, om hem hier te houden; ja zelfs de Zweedsche esident heeft ons ten ernstigste aangemaand, hem niet over te leveren: en het zoude ons niet bevreemden, indien er eerlang zulke sterke aanschrijvingen ten zijnen voordeele kwamen, dat wij hem niet konden laten gaan.quot;eschrifte gedaan, om hem hier te houden; ja zelfs de Zweedsche esident heeft ons ten ernstigste aangemaand, hem niet over te leveren: en het zoude ons niet bevreemden, indien er eerlang zulke sterke aanschrijvingen ten zijnen voordeele kwamen, dat wij hem niet konden laten gaan.quot;

Het gelaat van den Luitenant werd geweldig lang op het vernemen van deze ongunstige mededeeling en hij begon zelf te erkennen.

-ocr page 213-

ZEVENTIENDE EEUW. 203

dat de hem opgedragen taak niet zoo licht was, als hij zich in den aanvang had voorgesteld.

„Zoude UEd. meenen,quot; zeide hij, na eene poos te hebben voor zich gezien, „dat het ons niet gelukken zal, den gevangene in de bestaande omstandigheden van hier te voeren? dan zeker ware het beter, dat ik eerst aan mijne Heeren Committenten schreef om naderen last.quot;

„De Baad kan u daaromtrent niet zeggen wat u te doen staat,quot; zeide Wachmans: „maar wij oordeelen best, dat gij u hoe eerder hoe beter met hem verwijdert, eer er aanbevelingen komen van zulke natuur, dat de Raad, gelijk ik u zeide, hem niet zal kunnen laten volgen. Hiervoor moet ik u echter waarschuwen, dat, zoo het uw oogmerk is hem te water weg te voeren, u zulks niet gelukken zal, daar aan de eene zijde van de Wezer alles Zweedsch is.quot;

„Maar hoe zullen wij dan doen?quot; hernam Geestdorp, wiens verlegenheid al grooter en grooter werd: „wij zijn hier vreemd, en zien

ëeen kans in deze zaak naar behooren te handelen, tenzij ons door [eeren Burgemeesteren en Raden goede raad gegeven en de ver-zekerdste weg gewezen worde om van hier te geraken.quot;een kans in deze zaak naar behooren te handelen, tenzij ons door [eeren Burgemeesteren en Raden goede raad gegeven en de ver-zekerdste weg gewezen worde om van hier te geraken.quot;

De Syndicus nam aan, over dit punt de Regeering te raadplegen, en gaf, niet lang daarna teruggekomen zijnde, aan Geestdorp het navolgend bescheid:

„Er zijn maar drie wegen, langs welke gij heen kunt trekken: de eerste, te water, die zoo wel bezet is, dat gij er niet zult door geraken: de tweede, dien gij gekomen zijt, over Delmenhorst en Wilthuizen, is mede zeer onveilig en gevaarlijk, dewijl Wilthuizen Zweedsch is: de derde loopt over Brinkham, Vecht en Kloppenburg, en zal voor u de zekerste zijn, naar wij vermeenen. Intusschen moet gij het voor u houden, dat wij u daarin eenigen raad hebben

fegeven; veel min aan iemand mededeelen welken weg gij denkt te ouden: of ik sta voor de gevolgen niet in.quot;egeven; veel min aan iemand mededeelen welken weg gij denkt te ouden: of ik sta voor de gevolgen niet in.quot;

„Ik ben een krijgsman,quot; zeide Geestdorp, zich buigende, „en weet, dat bij zulke ondernemingen stilzwijgendheid de hoofdzaak is.quot;

„'t ts wel,quot; hernam Wachmans; „gij hebt het alzoo goed onthouden: Brinkham, Vecht en Kloppenburg.quot;

„Brinkham, Vecht en Kloppenburg,quot; herhaalde Geestdorp, terwijl hij, nogmaals buigende, zijn afscheid wilde nemen.

„Nog ééne zaak moet ik u op 't hart drukken,quot; zeide de Syndicus: „Burgemeesteren en Raden begeeren dat den gevangene geen smaad of beleedigende handeling worde aangedaan.quot;

„Het is mijn gewoonte noch mijn bedoeling,quot; antwoordde Geestdorp, „een ongelukkige te smaden of te beleedigen, doch ik verzoek UEd. te willen in aanmerking nemen, dat hij minder mijn gevangene is dan die der Deurwaarders van den Hove: en dat aan deze beambten de bevoegdheid niet zal kunnen worden ontzegd, zoodanige middelen te bezigen, als zij noodig zullen oordeelen om zich van hem te verzekeren.quot;

„Ik heb met de Deurwaarders van den Hove niet te maken,quot; hernam de Syndicus: „wij leveren den man over aan Hun Ed.

-ocr page 214-

206 EEN SCHAKING IN DB

Groot Mogenden, wier dienaar gij zijt, en die gij alzoo wordt geacht te vertegenwoordigen: het is dus aan n, dat de Raad door mijnen mond deze aanmaning doet, en wij vertrouwen dat gij die zult nakomen.quot;

Met deze woorden gaf Wachmans aan den Luitenant zijn afscheid, waarop laatstgemelde, naar de herberg teruggekeerd, het gehouden gesprek aan de Deurwaarders mededeelde, die, na eenig overleg, evenals hij, tot het besluit kwamen, dat het veiligst zoude zijn, de terugreis langs den door den Syndicus aangeprezen weg te volgen. Intusschen scheen de Regeering van Bremen nog te vreezen, dat Wachmans hun begeerten ten aanzien van de wijze, waarop Mor-taigne behandeld zou worden, niet klaar genoeg had uitgedrukt: immers weldra verscheen de Secretaris Clapmeyer voor de derde maal aan de herberg, om nogmaals te verklaren, hoe Burgemees-teren niet zouden gedoogen, dat den gevangene, zoolang hij zich binnen de stad en de vrijheid van Bremen bevond, eenige smaad werd aangedaan.

„Ik zal nem toch den handboei dienen aan te sluiten,quot; zeide Van der Beecke: ,gelijk men eiken gevangene doet.quot;

„Geen handboei of iets dergelijks,quot; zeide Clapmeyer: „wanneer gij eens buiten de stad of hare vrijheid zijt, dan kunt gij naar goeddunken met hem handelen; maar op hun grondgebied zullen Heeren Burgemeesteren en Raden nooit toelaten, dat een man beleedigd worde, dien zij tot nog toe naar zijn staat en zijn geboorte hebben doen behandelen.'quot;

Wat ook Van der Beecke mocht inbrengen tegen hetgeen hij als een afwijking beschouwde van alle ordonnantiën en costuy-men, het mocht niets baten: de Secretaris, die op dien middag bij hen te gast bleef, herhaalde bestendig, wat hij verzekerde de uitdrukkelijke wil der Regeering te zijn, en de Deurwaarder zag zich

genoodzaakt, de belofte te doen, dien te zullen nakomen. Intusschen ad Geestdorp vier wagens doen bestellen om af te rijden en begaven zij zich, tegen drie uren, daarmede eerst naar de herberg, waar de soldaten en dienaars gehuisvest waren, en vervolgens met deze lieden, naar de Hoofdwacht. Hier zagen zij reeds voor hun komst een groot aantal burgers en soldaten vergaderd, wier wrevelige en dreigende blikken weinig goeds voorspelden. Nauwelijks hadden zij stilgehouden, of een ordonnans kwam den Luitenant uitnoodigen, zich bij den Majoor te vervoegen, dien hij in de Hoofdwacht vond, met Mortaigne nevens hem en verscheidene officieren, die een kring om hem vormden.enoodzaakt, de belofte te doen, dien te zullen nakomen. Intusschen ad Geestdorp vier wagens doen bestellen om af te rijden en begaven zij zich, tegen drie uren, daarmede eerst naar de herberg, waar de soldaten en dienaars gehuisvest waren, en vervolgens met deze lieden, naar de Hoofdwacht. Hier zagen zij reeds voor hun komst een groot aantal burgers en soldaten vergaderd, wier wrevelige en dreigende blikken weinig goeds voorspelden. Nauwelijks hadden zij stilgehouden, of een ordonnans kwam den Luitenant uitnoodigen, zich bij den Majoor te vervoegen, dien hij in de Hoofdwacht vond, met Mortaigne nevens hem en verscheidene officieren, die een kring om hem vormden.

„Heer Luitenant!quot; zeide de Majoor: „hier staat uw gevangene; ik zal hem, volgens de bij mij ontvangen bevelen, in uwe handen leveren; maar ik zweer u, dat, zoo hem door eenige gerechtsboden of ander gespuis de minste smaad wordt aangedaan, ik zelf en al de heeren, die hier bij mij staan, het op u zullen wreken.quot; — Dit zeggende, sloeg hij zich op de borst en streek toen met een strengen blik zijn knevels op.

„Ik neb een last in dien zin van Heeren Burgemeesteren ontvan-

-ocr page 215-

i

ZEVENTIENDE EEUW. 207

gen,quot; zeide Geestdorp, „en ben ook bereid, dien na te komen.quot;'

„Het is wel,quot; zeide de Majoor: „in dat geval kunt gij den jonker van mij overnemen.quot;

„En noe eer dit geschiedt hoe beter,quot; zeide Geestdorp, terwijl hij den Majoor groette en zich onmiddellijk naar buiten begaf om zijne manschappen te halen.

„Ik- zal hem uit de Hoofdwacht hier brengen,quot; zeide hij tegen Van der Beecke: „maar wij dienen dubbele voorzorg te nemen, dat hij ons niet ontsnappe: laat uw ambtgenoot Broekman in den wagen gaan om hem te ontvangen; dan stapt gij, na hem, het rijtuig binnen; gij neemt hem tusschen u beiden in en gelast onmiddellijk den voerman weg te rijden: dan volgen wij oogenblikkelijk in de andere wagens.quot;

Aldus, gelijk hij meende, de beste voorzorgen genomen hebbende, riep Geestdorp zijne soldaten om zich heen, ten einde zich met hen binnen de Hoofdwacht te begeven; doch, hoewel men hem daarbinnen liet, werden zijne manschappen door de Bremersche soldaten vrij onzacht teruggedrongen en hun de toegang belet. De Luitenant kwam dus alleen weder bij den Majoor en vroeg aan Mortaigne, of deze gereed was hem te volgen.

Mortaigne antwoordde alleen met een hoofdbuiging, en alstoen, den Majoor groetende, verzocht hij hem, zijn dank te willen aannemen voor de heusche wijze, waarop hij hem behandeld had.

„Ik wensch u goede reis, jonker!quot; zeide de Majoor, „en dat de uitslag daarvan,quot; voegde hij er met een zonderlinge uitdrukking bij, „in alle opzichten beter moge zijn, dan uwe vijanden wenschen.quot;

Mortaigne groette nogmaals en volgde toen Geestdorp naar buiten. De soldaten der Garde, hun pogingen om binnen te dringen verijdeld hebbende gezien, hadden zich om den wagen geschaard, ten einde op die wijze althans den gevangene het ontsnappen te beletten. Broekman zat in het rijtuig, en Van der Beecke stond aan het portier; terwijl de gerechtsdienaars zich rechts en links van hem bevonden, het volk afwerende, dat van beide zijden opdrong. Nauwelijks was Mortaigne op straat, of Van der Beecke reikte hem de hand toe om hem in net rijtuig te helpen; doch Mortaigne, den eenen voet op de trede, en den tweeden op het achterwiel zettende, klom, eer iemand er op verdacht was, niet in, maar op den wagen, sprong gezwind, over de hoofden der soldaten heen, er aan de andere zijde van af, kwam gelukkig op zijn voeten te land, drong door den volksstroom, die zich gewillig voor hem opende, verder, en liep uit al zijn macht op het huis aan, waar hij den Turkenkop in den gevel zag. De deur was dicht; doch vloog op zijn nadering open: hij snelde binnen: iemand drukte hem de hand: en opziende herkende hij zijn getrouwen Vollenhove.

-ocr page 216-

i;r:x schaking in de

TWAALFDE HOOFDSTUK,

waarin het verhaal eindigt, de deugd niet beloond, de ondeugd niet gestraft en de Lezer alzoo niet bevredigd wordt.

Toen Mortaigne en de zijnen aan de poort, gelijk ik vroeger verteld heb, weiden aangehouden, had Vollenhove zeer te recht begrepen, dat zoo hij met zijn meester gevangen werd, hn buiten de mogelijkheid zou gesteld worden om werkzaam voor hem te zijn. Hij was daarom de stad, waar hij vroeger meer geweest en waarin hem de weg bekend was, zoo snel mogelijk doorgereden, was de tegenovergestelde poort weder uitgegaan en had zich niet eerder opgehouden, dan aan het eerste dorp. Hier gelegenheid gevonden hebbende, zijn paard te verkoopen, was hij te voet noordwaarts opgegaan tot hij den oever der Wezer weder bereikte. Zich zoo goed mogelijk vermomd hebbende was hij met een vaartuig weder binnen Bremen gekomen, en had zich bij den waard in „De Witte Zwaanquot; vervoegd, dien hij vroeger gekend had, en die hem, naar hij zeker achtte, niet verraden zou. Hier peinsde hij na op middelen, om zijn meester te verlossen. Al spoedig kwam hem ter ooren, hoe de Zweedsche Resident zich voor Mortaigne in de bres stelde, en hoe de Zweden in 't algemeen diens partij kozen. Dit bepaalde nu zijn besluit: hij begaf zich naar een Zweedschen werfof-licier en nam bij dezen dienst; waardoor hij het voorrecht verwierf van zich vrij en onverlet overal te kunnen vertoonen, als nu onder de bescherming staande der Kroon van Zweden. Alle bier- en wijnhuizen en andere openbare plaatsen alsnu druk bezoekende, liet hij niet na, eerst zijn nieuwe krijgsmakkers, en vervolgens alle Zweedsche varenslieden, ten voordeele van Mortaigne in te nemen. De zaak van dezen werd weldra door hen allen beschouwd als eene zaak, die de eer van Zweden gold, en er was geen kroeg, waarin men niet op de Hollanders schold, die den zoon eens voormaligen dienaars der Zweedsche Kroon aan hunne wraak wilden opofferen. Hierbij bleef het niet. Aan de goede burgers van Bremen werd, zoo vaak zij zich in de bierhuizen verzamelden, voorgesteld, welk een schande het voor hen zoude zijn, te gedoogen, dat Hollandsche diefleiders een man van rang en geboorte evenals een vagebond uit de vrijheid van Bremen zouden komen weghalen. De waard uit „De Witte Zwaan,quot; door de redenen van Vollenhove al spoedig overgehaald, was geen van de minst ijverigen, om zijn staagenooten aan te moedigen, al het mogelijke te doen, ten einde te voorkomen dat der Stad zulk een schande wedervoer. Zoo waren de gemoederen alreeds aan het gisten, toen de brief kwam, welke de aanstaande komst van Geestdorp en de zijnen aankondigde. Nu verdubbelde

208

-ocr page 217-

ZEVENTIENDE EEUW. 209

Vollenhove in werkzamec ijver. Hij wist nu dat hij op hulp kon rekenen, en het kwam er alleen maar op aan, zijne maatregelen goed , te nemen. Zoowel de weg over Delmenhorst en Wilthuizen als die te water werden, ten gevolge van zijn beschikkingen, door Zweed-sche soldaten bewaakt: en de zwager van den waard overgehaald, om het door hem bewoonde huis over de Hoofdwacht tot een toevluchtsoord voor Mortaigne te doen strekken. De Bremersche soldaten zeiven waren reeds meerendeels gewonnen: en het viel niet moeilijk, een onder hen te vinden, die op zich nam, het briefje, waarin Vollenhove zijn meester verwittigde wat hem te doen stond, aan dezen in handen te spelen. Den uitslag daarvan hebben wij gezien.

Hoezeer de snelle wijze, waarop Mortaigne uit de handen zgner bewakers had weten te ontkomen, deze laatsten verrast had, was echter Geestdorp, die zijn gevangene van den aanvang af wantrouwde, op zijne hoede gebleven, en, onmiddellijk den wagen aan de eene zijde in en aan de andere weder uitstappende, ijlde hij hem achterna, gevolgd van zijne manschappen; ja in weerwil dat de burgers op de markt en vooral sommige Zweedsche varensgezellen en soldaten hem poogden tegen te houden, bereikten Geestdorp en de zijnen het huis aan de overzijde, eer die daarbinnen waren de deur hadden kunnen sluiten, en drongen naar binnen: zelfs had een der soldaten, de gang ten einde geloopen zijnde, Mortaigne reeds weder ingehaald, toen Vollenhove hem een stoot voor de borst gaf, die hem achterover deed tuimelen. Een zijner makkers wilde hierop zijn zijdgeweer trekken; doch Geestdorp, die met recht opzag tegen de gevolgen, welke, in een vreemde stad, elke daad van geweld mocht hebben, verbood hem zulks. Deze voorzichtigheid van den Luitenant, hoe prijzenswaardig op zich zelve, was weinig geschikt om zijn oogmerk, net terugbekomen des voortvluchtigen, in de hand te werken; want het ontnam alle vrees aan den man en de vrouw des huizes, die, met bezems gewapend, op de soldaten aanvielen. De heftige uitroepen des eerstgemelden: „wat, wilt gij mij geweld aandoen in mijn eigen huis?quot; spoorden de woede aan van het volk daarbuiten, dat, met den waard van „De Witte Zwaanquot; aan 't hoofd, nu naar binnen drong, onder een woest getier van: „gij Hollandsche honden, wat hebt gij hier te doen? voort het huis uit. Smijt hen dood! smijt hen dood!quot; — De stelling van Geestdorp en de zijnen was spoedig niet meer houdbaar: ges too ten, geslagen, geschopt, zagen zij zich genoodzaakt, sommigen met verlies van hun hoeden en met bebloede koppen, het huis weder te verlaten en over de markt, al vechtende, terug te trekken naar de Hoofdwacht, waar de beide Deurwaarders wijselijk op den ledigen wagen waren blijven passen, het beneden hunne waardigheid achtende zich in den strijd te mengen.

„Is dit een behandeling, die gij duldt dat men ons aandoet?quot; vroeg Geestdorp den Majoor, die, met zijn Officieren en manschappn voor de Hoofdwacht staande, het gebéurde in een onbeweeglijke houding en met innerlijk welbehagen was blijven aanschouwen.

„Ik neb u den man overgeleverd,quot; antwoordde de Majoor, de

B. W. V. 11

-ocr page 218-

210 EEN SCHAKING IN DE

schouders ophalende: „en daarmede had ik afgedaan: het ware uw taak geweest, te zorgen, dat hij u niet ontliep.quot;

„Ik weet niet, hoe de Heeren Burgemeesteren daarover zullen denken,quot; hernam Geestdorp: „in allen gevalle hoop ik, dat gij mijn manschappen tegen verderen overlast beschermen zult: gij ziet, ilat niet een van ons het geweer getrokken heeft, en dat het uwe burgers zijn, die de aanvallers zijn geweest: en gij, die een krijgsman zijt, zult toch niet willen hebben, dat krijgslieden door 't grauw worden om hals gebracht?quot;

Deze taal scheen eenigen indruk op den Majoor te maken: hij vergunde aan Geestdorp en zijn makkers zich binnen de Hoofdwacht te begeven en gelastte aan zijn onderhoorigen het volk er buiten te houden. Nadat de gekwetsten hunne wonden zoo goed mogelijk verbonden hadden, en het gepeupel langzamerhand al zingende en tierende uiteen was geloopen, begaven zich Geestdorp en Van der Beecke naar het Stadhuis bij aen Voorzittenden Burgemeester, om hem verslag te doen van 't gebeurde. Zij bevonden, dat, gelijk ook wel te denken was, de Raad bereids van het voorgevallene tot in de kleinste bijzonderheden was onderricht, en zelfs, waarschijnlijk om den blaam van medeplichtigheid, althans van verzuim van zich af te schuiven, last gegeven had, dat de poorten der Nieuwe Stad gesloten en aldaar huiszoeking zoude gedaan worden.

„Wij zullen hem wel terugvinden,quot; zeide de Burgemeester: „hij kan nog niet vertrokken zijn. Intusschen heeft het den Raad van harte leed gedaan, dat men u mishandeld heeft: en zoo gij ons een dergenen weet aan te wijzen, die zich daaraan heeft schuldig gemaakt, zoo kunt gij er staat op maken, dat hij voorbeeldig zal worden gestraft.quot;

„Het zou ons moeilijk vallen, iemand bepaald aan te wijzen,quot; antwoordde Geestdorp: „maar meer nog dan over uwe burgeren zouden wij ons over uwe officieren en soldaten moeten beklagen, die alles hebben aangezien, zonder zich in het minst over ons te bekommeren.quot;

„Wat wilt gij, dat zij gedaan zouden hebben?quot; hernam de Burgemeester : „indien zij partij voor u getrokken hadden, zij waren er allen om koud geweest: de woede en opgewondenheid van het gepeupel was te hevig. Maar stel u gerust: er zal afgekondigd worden, .dat niemand op lijfstraffe den voortvluchtige zal mogen huisvesten: de poorten blijven gesloten; en elk huis, waarop verdenking valt, zal onderzocht worden.quot;

In weerwil echter van deze maatregelen, welke drie dagen ten uitvoer gelegd werden, in weerwil zelfs, dat men sommige burgera en soldaten, die beticht werden het ontkomen van Mortaigne te hebben bevorderd, in de gevangenis wierp, werd de vluchteling niet teruggevonden. Het medelijden, 't welk hij algemeen ingeboezemd had, was zoo groot, dat niemand genegen scheen, de minste aan-wijzing te doen, die de Overheid op zijn spoor zou gebracht hebben; terwijl daarentegen, ten gevolge der gezegde maatregelen, de haat tegen de Hollandsche soldaten voortdurend aangroeide. Ook verstond

-ocr page 219-

ZEVENTIENDE EEUW. 211

men, dat de Zweden alle passen ora de stad hadden bezet en aan de Wezer geen schip lieten doortrekken, zonder het nauw te onderzoeken, terwijl zij met wel honderd man te Wilthuizen lagen, om aan Geestdorp en de zgnen den terugtocht te beletten. Deze laatsten, ziende, dat zij zich niet op straat konden vertoonen, zonder aan beleedigingen te zijn blootgesteld, en al meer en meer voor erger bejegening vreeeende, verzochten den Voorzittenden Burgemeester verlof om te vertrekken en den gevangen lakei mede te nemen: welk verzoek aan den Raad werd overgebracht en door dezen toegestaan: — ten gevolge waarvan zij, met gemelden knecht, op 16 April des morgens zeer vroeg Bremen verheten en langs den door den Syndicus Wachmans aangewezen weg, zonder hindernis, de terugreis naar het Vaderland aanvaardden. — Na hun vertrek werd de staat van beleg, waarin de Nieuwe Stad in zekere mate kon gerekend worden te zijn gesteld, weder opgeheven; hetwelk ten gevolge had, dat het Mortaigne niet langer moeilijk viel, zich, en wel, als men naderhand hoorde, in de vermomming eener melkmeid, uit Bremen te verwijderen.

En hiermede liep deze geschiedenis af. Ons staat alleen nog te vermelden, welken invloed het gebeurde teweegbracht op het lot van sommige der daarin gemengde personen.

Wat Mortaigne betrof, bij begaf zich naar Zweden en trad aldaar in krijgsdienst, zonder zich veel te bekommeren over het vonnis, dat het Hof van Holland over hem velde, waarbij hij wederspannig aan de wet verklaard, en veroordeeld werd om — mits eerst gevangen zijnde — te worden onthoofd, en zijn hoofd op een pen gesteld. Vollenhove werd bij het vendel geplaatst, waarover zijn meester het bevel ontving, en bleef hem daar zijn diensten wijden.

De Graaf van Kuilenburg nam de vernedering, welke hij had moeten ondergaan, zoozeer ter harte, dat hij dit land verliet en naar Hongarije trok, waar zijn oom, de regeerende Graaf van Waldeck, een hoog krijgsambt bekleedde in het leger des Keizers tegen de Turken: ja het schijnt, dat mismoedigheid over het voorgevallene veel toebracht om zijn leven te verkorten: althans hij stierf nog in hetzelfde jaar, zonder kinderen na te laten. Zijne goederen Kwamen hierdoor aan zijn oom, die kort daarna zoozeer in gunst geraakte bij de Heeren van Holland, als de neef in hun ongunst was geweest.

Chavallerie was, reeds lang voor zijn meester, ja toen zich de Commissarissen van den Hove nog binnen Kuilenburg bevonden, alle mogelijke onaangenaamheden, die hij te duchten had, ontweken, en had zich insgelijks naar het leger des Keizers begeven, waar hij sedert verbleef.

De Staten, zoowel als het Hof van Holland, waren weinig gesticht over den uitslag, dien de zending van Geestdorp en de zijnen gehad had. De door hen medegevoerde knecht werd verhoord; doch weder ontslagen, toen het bleek, dat hij niet in dienst van Mortaigne gekomen was, dan toen deze zich reeds buiten de grenzen van den Staat bevond, en alzoo niet medeplichtig was aan de gepleegde ont-

-ocr page 220-

212 EEN SCHAKING IN DB

gt;

voering. De Staten van Holland schreven een: met wemig Iieftigeh'

brief' aan de Rejjeering van Bremen, naar beschuldigende over den geringen ijver, dien zij betoond had, en haar aanmanende, om voor 't minst te zorgen, dat de schuldigen gestraft werden. De Bremer-sche Overheid, voor een vredebreuk met Hun Edel Mogenden beducht, toonde zich vaardig om aan hun verlangen te voldoen; verscheidene lieden, die Mortaigne hadden helpen verbeken of ontkomen, werden van hunne ambten en bedieningen ontzet: anderen; met verbanning gestraft. — Wat de Bremerscne soldaten betreft, die hem aan de poort hadden gevangen, zij vorderden nooit de premie,

die op zijn aanhouding was uitgeloofd geworden.

Geestdorp werd, tot loon voor al de verdrietelijkheden, welke hij te Bremen had doorgestaan, en voor de slagen, welke hij ontvangen had, voor den Krijgsraad terechtgesteld, van zijn rang vervaflen verklaard en uit Holland gebannen. Hem werd, naar liet schijnt, voornamelijk ten kwade geduid, dat hij, van den aanvang af, zich te gedwee had getoond voor de eischen en bevelen der Bremersche Overheid, en niet, door een meer krachtige houding, de achtbaarheid der Staten, die hij vertegenwoordigde, had gehandhaafd. Een gelijk lot als hem trof den Ritmeester Struyk, tot straf, dat hij, te Kuilenburg, door het leenen van zijn hoed en mantel, het ontkomen van Mortaigne had in de hand gewerkt.

Maar niemand kwam er slechter af, dan de arme Goldestede. Deze was, gelijk wij vroeger gezien hebben, in het veerhuis te Kuilenburg gevat en naar Den Haag overgebracht. Voor het Hof van Holland terechtgesteld, werd hij, in weerwil dat hij niet veel anders gedaan had, dan in eene zaak, waar hij zelf weinig of niets van begreep, de bevelen zyns meesters uit te voeren, bij vonnisse van 13 Mei veroordeeld om „gebracht te worden daer men gewoon is Cri-raineele Sententie te doen, ende aldaer met de koorde gestraft te worden, datter de dood nae volght:quot; — welk vonnis aldus voltrokken werd: — „waaruit te zien is,quot; merkt Aitzema zeer terecht aan, „in wat manier de onnoozele het gelag betaalde.quot;

De overige medestanders van Mortaigne droegen de noodige zorg,

buiten bereik der Justitie van den Hove te blijven. Alleen Tyssen, de voerman, die den wagen, waarmede de juffer ontvoerd was, tot Alfen gereden had, werd gevat, gegeeseld en buiten de Provincie gebannen,

En Catharina van Orleans, welke wij, nadat zij eens Kuilenburg r was binnengereden, niet meer voor het oog des lezers hebben opgevoerd, over wie wij nauwelijks terloops een woord hebben gesproken; — vertoonde zij zich weder in de Haagsche kringen? Zonderde zij zich van de wereld af? Vereenigde zij zich nog met Mortaigne, ondanks het verbod van den Hove? Of huwde zij haren neef De Mauregnault? —■ Helaas! lieve lezer! ik ben buiten staat u eenig verder naricht over haar te geven: en wel, omdat mijne vertelling,

eene geschiedenis is, en geen roman.

-ocr page 221-

EMILIA BARTER.

i.

„Komaan, Moeder! 't is tijd! de meid heeft ons reeds tweemaal gewaarschuwd en wij moeten voort.quot;

„Ja, Vader! ik ben klaar; maar Mieltje heeft nog haar bekomst niet: en ik kan het schaap toch niet van de borst nemen voor het verzadigd is.quot;

„Mij dunkt, gij hadt wel kunnen zorgen, dat het kind vroeger zijn middagmaal kreeg. Nu loopen wij nog kans, te laat te komen. Ik zou in geen geval de veerschuit willen missen; want ik heb er vast op gerekend, hedenavond te Amsterdam te zijn: —• quot;t is toch een ongelukkig geval, dat gij vrouwen nooit op uw tijd klaar zijt.quot;

Dit huiselijk gesprek had plaats op den lO'1™ Maart van het jaar 1623, te Haarlem, in de herberg „Het Wapen van Amsterdam,quot; tusschen den Heer Wilhelm Barten en zijn huisvrouw.

Gezegde Heer Wilhelm Barten was een Geldersman, die voor zijn zaken zich eenigen tijd in Holland, en laatstelijk te Haarlem, had opgehouden, en nu voornemens was, over Amsterdam de terugreis naar zijn woonplaats aan te nemen.

Een traject van Haarlem naar Amsterdam was echter in die dagen geheel iets anders dan het nu is niet alleen, maar zelfs dan het was tien jaren nadat de Heer Barten het moest afleggen: en die beide steden, welke nu, om zoo te zeggen, schier aan elkander liggen, waren te dier tijd door een aanmerkelijken afstand gescheiden.

In onze dagen krijgt een Haarlemmer in 't hoofd, naar Amsterdam te gaan: hij begeeft zich naar het station van den spoorwagen, en zoo er geen onvoorziene tegenspoeden plaats hebben, is hij binnen 't halfuur aan de poort der hoofdstad.

Vijftien jaar geleden, wanneer hij hetzelfde voornemen had, ging hij naar de Houtstraat of naar de Spaarnwouderstraat, en op elk uur van den dag stond hier of daar een diligence gereed, en het

-ocr page 222-

EMILIA BAKTEN.

duurde nauwelijks anderhalf uur of hij bevond zich in het hartje van Amsterdam.

Veertig jaar geleden had dezelfde Haarlemmer •— of zijn vader, zoo hij nog niet geboren was — wanneer hij naar Amsterdam moest, een weinig verder te wandelen: doch hij was niettemin zeker, buiten de Spaarnwouder poort schier elk uur een trekschuit te vinden, die hem in twee en een vierde uurs tot vlak bij de Haarlemmerpoort bracht.

Maar op het tijdstip toen Wilhelm Barten denzelfden tocht ondernemen moest, was de spoorweg, waren zelfs de straatweg en vaart nog verre te zoeken. Van de stoomkracht droomde men nog niet, en eer (in 1631) een weg en vaart werden aangelegd, moest eerst (in 1629) een Prins verdrinken '). Een ongeluk is toch altijd ergens goed voor.

De afstand, die de beide steden in die dagen van elkander scheidde, is onmogelijk te bepalen; want die hingaf van weer, wind en tij. Zeker is het, dat die meer dan een halfuur, dan anderhalf uur, dan derdehalf uur was.

Immers, men had tusschen drie wegen te kiezen.

Men kon — of naar Spaarndam wandelen of varen en vandaar, het IJ langs, den dijk volgen, tot men eindelijk te Amsterdam kwam: een zeer vermakelijken weg, op welken men kans had, in den zomer van gebraden te worden, in het voor- en najaar van om te waaien, en in den winter van te bevriezen: daargelaten, dat, wanneer het geregend had, men alles behalve zeker was, niet in 't slijk te blijven steken. Wie, 't zij te voet, 't zij te paard — aan een voertuig viel niet te denken — binnen de zes ursn de plaats zijner bestemming bereikte, mocht van geluk spreken.

Of men kon, met een zeilvaartuig, het Sparen af, in 't IJ, en zoo naar Amsterdam komen: — een middel van gemeenschap, dat nog heden ten dage door vele vrachtschippers gebezigd wordt.

Of men kon eindelijk zich van de veerschuit bedienen, die dagelijks het Sparen opvoer en over 't Haarlemmermeer naar den Overtoom zeilde: — dit was, wat de meeste reizigers deden en wat ook het voornemen was van Wilhelm Barten, tot wien wij nu terugkeeren.

„Heerschap!quot; riep de meid uit de herberg, terwijl zij haar hoofd door de even geopende deur stak, „de kruier zegt: zoo je nu niet gaat. zal je te laat komen. Het is op slag van negenen.quot;

„Kom!quot; zeide Barten; „verzadigd of niet, het kind moet van de borst en wij moeten voort.quot;

214

Mejuffrouw Barten begon nu te begrijpen, dat haar man gelijk had, en, het kind aan de dienstmaagd, die met haar was, overreikende, haastte zij zich, haar kleed en schorteldoek dicht te maken, en haar falie om te slaan, waarna zij het kind terugnam; terwijl haar getrouwe Jenneke zich belastte met de doos en den geknoopten

1) De zoon van den Koning van Bohemen,

-ocr page 223-

EMILIA BAKTEN. 215

doek, die eenige van die voorwerpen bevatteden, welke de vrouwen doorgaans als onontbeerlijk beschouwen en daarom bij de hand wen-schen te houden. Barten stond reeds lang met hoed, stok en mantel klaar, gereed de deur uit te stappen, en toch aarzelende zulks te doen, daar hij zijn tegenwoordigheid noodig achtte om de vrouwen aan te zetten tot het maken van den noodigen spoed. Doch zooals het altijd gaat, juist op het laatste oogenblik waren er nog voorwerpen zoek, en andere, waarvan men niet zeker was, of men ze wel geborgen had; en toen Barten eindelijk meende, dat alles klaar was, bedacht zijn vrouw, dat er nog niet gezorgd was voor het medenemen van de noodige proviand; en dat men op een langen tocht, als dien men te ondernemen had, toch wel geen honger kon lijden.

„Kom! kom!quot; zeide Barten, driftig wordende: „wij zullen onderweg wel wat voorraad koopen: haast u toch! want op deze wijze komt gij nimmer te Amsterdam.quot;

De goede man dacht niet, dat hij zulk een treurige profetie uitte, en jaren naderhand kwamen de toen zonder erg gesproken woorden hem nog meermalen voor den geest en wekten dan de pijnlijkste herinnering bij hem op.

Juffrouw Barten dorst geen nieuwe bezwaren opperen, en weldra stapte het geheele huisgezin de voordeur uit, waar de kruier met den koffe al een geruimen tijd had staan wachten.

,'t Zal hard houên, als wij de schuit nog halen,quot; zeide de kruier, met een bedenkelijk gezicht.

,Haast u dan maar wat,quot; antwoordde Barten: „en ik zal u een goede fooi geven.quot;

En nu ging het gezelschap op weg; doch Barten was zoo goed niet, of hij moest nog, ingevolge zijn belofte, bij een bakker ingaan om eenige krentenbollen en koek te koopen, 't geen hij alleen deed onder voorwaarde, dat de vrouwen vooruitloopen en er niet langzamer om gaan zouden: hij zou ze wel inhalen, zeide hij.

Maar men werd in die dagen niet bijzonder vlug geholpen in de winkels te Haarlem: — hoe het er thans mede gesteld is, zullen zij best weten, die er aankoopen te doen hebben. — De bakkerin, tot wie Barten zich wendde, vond eerst vrijmoedigheid om hem te vragen, of hij naar Amsterdam ging, en toen, of hij voor zaken, of voor zijn genoegen reisde, waarna zij eenige opmerkingen maakte over het fraaie weer, de genoegens van het zeilen en de weinige voorkomendheid van den schipper.

Toen Barten eindelijk, na Jobs-geduld te hebben uitgeoefend, den noodigen voorraad, in grauw papier gewikkeld, ontvangen had, en een daalder op de toonbank wierp, had de bakkerin geen kleingeld om hem terug te geven, en moest zij nog naar achteren loopen om het uit allerlei verborgen hoeken bijeen te schrapen; — zoodat Barten, in weerwil dat hij een vroom en godvreezend man was, al zijn zelf-beheersching noodig had om niet te vloeken als een bezetene.

Eindelijk was alles in orde, en, zoo snel als iemand loopen kan, die tegen den wind op laveert met een zwaren mantel om 'tlijf en

-ocr page 224-

216 EMILIA BARTEN.

»

een pak broodjes en koek onder den arm, welk pak, na lang gedreigd hebbende los te gaan, eindelijk losging, haastte zich Barten nu naar 't Sparen. De veerschuit, dit wist hij, lag aan de overzijde der rivier, en nij moest dus de brug over; — en nu, gelijk het altijd gaat, wanneer men haast heeft, juist toen hij aan de brug kwam, vond hij, dat die was opgehaald, en dat er een schip in zat. Aan de overzijde stonden zijn vrouw, de meid en de kruier hem half wanhopend aan te kijken.

,Maakt maar dat gij vooruit komt!quot; riep hij hun toe, „en waarschuwt den schipper, dat ik kom, en dat hij niet moet wegvaren, voordat ik er ben.

Het drietal zette de wandeling voort: en nadat Barten een tijd lang had staan stampvoeten, en de vijf minuten, welke noodig waren om het schip door de brug te krijgen, besteed had aan het weder dicht te maken, zoogoed als hij kon, van het pak met eetwaren,

fing de brug eindelijk neer. Hij nam nu opnieuw den draf aan, en aaide in 't zweet zijns aanschijns zijn gezelschap in, juist intijds om de veerschuit, in de verte, en aan de andere zijde van den stads-buitensingel, te zien — wegvaren.ing de brug eindelijk neer. Hij nam nu opnieuw den draf aan, en aaide in 't zweet zijns aanschijns zijn gezelschap in, juist intijds om de veerschuit, in de verte, en aan de andere zijde van den stads-buitensingel, te zien — wegvaren.

Ben wanhopige poging te doen om haar in te halen, ware vruchteloos geweest; hij had te dien einde de poort moeten uitgaan, en voorts met een omweg weder het Sparen Dereiken: en in dien tijd zou de schuit wel al uit het gezicht zijn geweest.

„Een beetje te laat is veel te laat, heerschap!quot; zeide de kruier, hem met een vragenden blik aanziende, die zooveel zeggen wilde als: „waar zal ik nu het goed heenbrengen?quot;

„Daar hebje nu het gevolg van dat weergasche talmen,quot; zeide Bakten tegen zijn vrouw; maar ziende, hoe bedrukt zij er uitzag en hoe warm en vermoeid van het harde loopen met een kind op den arm, gevoelde hij zijn gramstorigheid voor medelijden plaats maken, en zeide op min straffen toon:

„Kom! blijf hier nu niet staan: anders vat gij nog kou, gij en Mieltje.,.. t is intusschen vrij lastig; maar 't kan niet gebeterd worden.quot;

.Moet het zelschop naer Amsterdam, als ik vraegen mag ?quot; klonk opeens een stem achter hem.

Barten wendde zich om en zag een stevigen, vierkanten kerel voor hem ataan, wien hij aan zijn door de zon verbrand gelaat voor een schipper zou herkend hebben, al had de man een ander gewaad

tedragen, dan het duifelsch buis, de wijde broek, de ruige muts en e houten klompen, waarmede hij zich aan hem vertoonde.edragen, dan het duifelsch buis, de wijde broek, de ruige muts en e houten klompen, waarmede hij zich aan hem vertoonde.

,Ja, vriendschap!quot; antwoordde Barten: „weet gij daar gelegenheid toe?quot;

„Misschien wel,quot; antwoordde de schipper, „ik zijn wel nietewoon, passagiers aan boord te nemen; want ik zijn eigenlijk maer vrachtschipper; maer as het heerschop 't waegen wil, ik zal hem al zoo gaeuw naer Amsterdam brengen as de veerschuit. Ik zijn toch ook veumemens om zoo daedelijk te vertrekken.quot;

„Ja?quot; zeide Barten, wien het voorstel zeer toelachte, maar dis

-ocr page 225-

EMILIA BAKTEN.

zulks niet wilde laten blijken, uit vrees, dat de eischen van den schipper in evenredigheid zouden wezen met de gretigheid, waarmede hij (Barten) het aanbod aannam: „maar wij zijn met ons drieën en een klein kind; en uw vaartuig zal misschien niet ingericht zijn, om zooveel volk te ontvangen.quot;

,0, wat!quot; zeide de schipper; ,daer is geen zwaerigheid veur; plaets zatter, en 'tis moy weer: Als het beneden te benaeuwd wordt, kan men boven zitten, ik zou het maer waegen, Heerschop! je hoeft me niet meer te betaelen dan de schuitvracht en een fooi an den knecht, as je tevreden bent.quot;

„Die zal hij hebben,quot; zeide Barten, wien dit aanbod alleszins redelijk voorkwam. ,Ziezoo, Moeder!quot; riep hij zijn vrouw toe, „wij zijn weer geholpen. Deze man zal ons meenemen. — Waar ligt uw schuit, vriendschap? en kunnen wij dadelijk aan boord gaan?quot;

„Deuzen weg, deuzen weg!quot; antwoordde de schipper, vooruitloo-ende: „hier. Hannes! help de vrijster reis, as 'nman, om het goed innen te brengen.quot;

En Hannes, net oudste zoontje van den schipper, een blonde krul-lebol van ongeveer twaalf jaren, kwam op deze woorden zijns vaders toegeloopen, en ontlastte Jenneke, die rood zag als een aardbei, van de doos, die zij onder den arm droeg. Wat het andere pak betrof, dat wilde zij hem om al de wereld niet vertrouwen, uit vrees, dat het los mocht gaan, en al de rommel, gelijk zij zeide, er uit vallen.

Weldra waren zij ter plaatse gekomen, waar het vrachtschip lag: de schipper en een zijner knechts namen den koffer van den kruiwagen en lieten dien in het ruim van het schip neder: de kruier ontving zijn loon, en weldra was Barten met de zijnen aan boord.

Op het oogenblik, dat zijn vrouw, met de kleine Emilia op den arm, in de schuit stapte, rees een andere vrouwelijke gedaante, mede met een zuigeling op den arm, ter halverlijve het luik uit.

„Goeden dag, vrouw!quot; zeide mejuffrouw Barten: „Zie eens, Mieltje! daar is nog een kindje! Geef een kushandje aan het kindje! Hoe oud is het uwe, vrouw ?quot;

„Wel, dat zal met Amsterdamsche kurmis 'n jaer worden,quot; antwoordde de vrouw, haar zuigeling doende opspringen: „niet waer, men poppeken! met kurmis wordt het 'n jaer: jae 't is net zoo'n kurmuspoppedondijn.quot;

Als naar gewoonte gaf juffrouw Barten haar verbazing te kennen dat het kind van de schippersvrouw al zoo groot en dik was, en het van haar kind won, dat reeds met Sint-Jan een jaar zou worden: en, evenzeer als naar gewoonte, zeide de schippersvrouw: „dat het kind van de juffrouw er ook wel weunen mocht.quot; En zoo was ten gevolge dier vrijmetselarij, welke tusschen alle zogende moeders, van welken stand ook, bestaat, de kennis, tusschen de beide vrouwen reeds gemaakt en een levendig, doch ook alleen voor haar beiden belangrijk, gesprek aangeknoopt, eer het vaartuig nog van wal was gestoken; ofschoon hiermede niet getalmd werd.

,Is de gelegenheid nogal gunstig?quot; vroeg Barten aan den schip-

217

-ocr page 226-

218 EUHiIA BAKTEN.

per, toen de knechts de touwen losgegooid hadden, en hij zich aan het roer plaatste.

„Zoo schoon as men maer wenschen kan,quot; antwoordde de schipper: „een moye kou om het Spaeren uit te kommen, en as het dan wat aenwakkert, dan zijnen we in een vierdehalf uur over: jae misschien nog in korter taid; maer met dat al, daer valt noyt van te zeggen. Weer en wind zijnen in Gods hand.quot;'

Terwijl de schipper deze over 't geheel vrij geruststellende mede-deeling deed, waren zijn beide knechts begonnen, het vaartuig naar buiten te boomen, en stond de kleine Hannes bij 't zeil gereed om, zoodra het tijd was, een handje te helpen om het naar boven te hij-schen. Weldra klonk daartoe het bevel, en nu ging het met vluggen spoed het Sparen op.

Juffrouw Barten had, toen de eerste drukten, aan het van wal steken verknocht, over waren, en het schip behoorlijk onder zeil was, haar kind weder aan de borst genomen, en het daardoor rustig gehouden, tot men aan den hoek van het Sparen kwam. Maar nauwelijks was het vaartuig op het Meer, of de kleine Emilia begon bitter te schreeuwen.

„Wat schort Mieltje,quot; vroeg Barten: „dat ze zulk een erbarmelijk geweld maakt?quot;

„Ja! vraag het haar zelve maar,quot; zeide de moeder: „ik weet het inderdaad niet.quot;

„Zeker een speld, die haar prikt,quot; hervatte Barten: „ik wou dat men die luren kon vastmaken, zonder spelden te gebruiken.quot;

„Ik heb er al naar gezien,quot; zeide de moeder: „maar ik kan niet vinden dat haar ergens een speld zou hinderen.quot;

„Wil ik het kind wat houden,quot; vroeg de meid: „en zien of ik het sussen kan?quot;

„Ik mag lijden, dat gij er de proef van neemt, Jenneke!quot; hernam juffrouw Barten: „ik kan het niet tot bedaren krijgen.quot;

Maar of Jenneke het kind al deed opspringen en liedjes zong uit den treuren, en alle middelen in 't werk stelde, die ooit door bakers of minneraoêrs zijn uitgevonden om kinderen tot bedaren te brengen, 't mocht niets baten, en Mieltje schreeuwde al luider en luider.

„Wat dunkt de Juffrouw!quot; zeide de schippersvrouw, wederom ter halverlijve voor den dag rijzende: „als wij het kind reis in de wieg leien? Wie weet, 't zou misschien luisteren naar het wiegen.quot;

„Wel,quot; antwoordde juffrouw Barten: „uw voorstel is zoo vriendelijk, dat ik het van harte gaarne aan zou nemen: — maar uw eisen kind?....quot;

„O, mijn jongen slaapt as 'n roos,quot; antwoordde de vrouw: „en ik kan hem makkelijk op het bed leggen,quot; — En nu, geheel uit de kombuis stijgende, klom zij in de ladingplaats af, kwam weldra met haar zuigeling te voorschijn, bracht dien naar achteren, en leide hem op haar bed.

„Kom,quot; zeide zij toen, terugkomende; „geef nou dat lieve wurm maer hier!quot; en meteen het uit Jennekes handen nemende, daalde zij weder in de ladingplaats af.

-ocr page 227-

EMILIA BAKTEN.

Het moederlijk gevoel van juffrouw Barten kon echter niet dulden, dat het kind geheel aan de zorg eener vreemde zou worden overgelaten, en ondanks het ongewone van een dergelijken descensus ad inferos '), overwon juffrouw Barten den schroom, dien zij eerst gevoeld had, en klom, hoewel niet zonder moeite, ook in de ladingplaats af.

En werkelijk, daar stond, tusschen allerlei vrachtgoederen in, een houten wieg, van zoodanig fatsoen, als men nog in De Brunes zinnebeelden kan opsporen. De schippersvrouw leide de kleine Emilia er in, en nauwelijks had zij door een lichten stoot de wieg even doen schommelen, of het kind hield als door een tooverslag op met schreien en zag lachend de heide vrouwen aan.

„Zie je wel?quot; zeide de schippersvrouw: „heb ik het niet 'zeid: 't helpt aanstonds.quot;

219

„Komaan!quot; deed eerlang de stem van Barten zich hooren: „het kind is nu zoet: en wij zouden wel eens aan de krentenbollen kunnen gaan: ik heb ze zuur genoeg gehaald.quot;

11.

Tot hiertoe heb ik niets dan zeer gewone gebeurtenissen verhaald, die het gewis de moeite niet waardig zijn zoude aan iemand mede te deelen, en waarvan de eenige verdiensten zijn, dat zij aan een lang verleden tijd doen herdenken en hier en daar eenige kluchtige toestanden, die Hildebrand in proza, of Van Zeggelen op rijm tienmaal beter en geestiger en schilderachtiger zou hebben voorgesteld dan ik; — wat het vervolg der geschiedenis betreft, om dat naar behooren te schetsen, daartoe zoude ik of de pen van mijn lieve vriendin Mevr. Bosboom, of de lier van Bogaers of Ten Kate moeten leenen; — en ik begin bijna berouw te gevoelen, dat ik mij niet vergenoegd heb, het verhaal daarvan eenvoudig zoodanig te geven, als ik het gevonden heb in het geslachtsregister, waar het uit genomen is: thans deins ik zelf bijna terug voor het contrast, dat hetgeen volgen moet op zal leveren met hetgeen vooraf gaat; —■ maar helaas! zoo bestaat ook het menschelijk leven uit bestendige contrasten en worden niet zelden blijde scherts en zorge-looze vreugd door droef geween en hartverscheurend leed vervangen. Ik ben nu eenmaal in 't schuitje, en goed- of kwaadschiks moet ik voort.

Barten en de zijnen waren ook in 't schuitje, of liever in 't vracht-

') Afdaling naar de benedenwereld.

-ocr page 228-

220 KMTUA BAKTEN.

schip, en aten ongestoord hun krentenbollen met koek, en keken rond, nu eens naar de duinen, dan weder naar de torens van Haarlem, dan weder naar die van Amsterdam, en praatten onbekommerd door, zonder te bemerken, dat het gelaat van den sohipjjer sedert eenigen tijd eenigszins betrokken was, en dat zijn blik zich nu en dan met bezorgdheid naar 't Westen wendde. Alleen begonnen zij langzamerhand een zekere onaangename gewaarwording te bespeuren, die nog wel geen zeeziekte was, maar er toch veel naar zweemde, en welke Barten niet zonder reden daaraan toeschreef, dat de beweging van het schip, die tot nog toe zacht en gelijk geweest was, minder regelmatig werd, zoodat men nu en dan vrij onaangename schokken en stooten voelde: hoewel een ongeoefend oog niet bespeuren kon, dat, hetzij het weer, hetzij het water, eenigszins veranderd waren.

,Wat kan de reden zijn,quot; vroeg Barten eindelijk aan den schipper, „dat de schuit nu zoo stoot en slingert: zooeven lag zij nog als een eend op het water? Gaat hier meer stroom? of zijn hier ondiepten?quot;

Nauwelijks had hij deze vraag gedaan, of hij verbleekte: zoo ontzette hem de uitdrukking van het gelaat des schippers. Deze had naar de woorden van Barten niet geluisterd, of het oogenblik niet geschikt; geoordeeld om er op te antwoorden; maar zijn blik bleef strak op het Westen gevestigd: de beide knechts deelden blijkbaar in het angstige gevoel, dat den schipper bezielde, en stonden op de voorplecht gereed zijn bevelen in te volgen: zelfs het vroohjk gezicht van den blonden krullekop Hannes had zijn gewone uitdrukking van guiterij verloren, en met angstige bezorgdheid hield hij de oogen op die zijns vaders gevestigd.

Te meer was Barten verwonderd, omdat de wind hoe langer hoe flauwer was geworden: het zeil klapperde tegen den mast en de wimpel hing druipend neer; weldra werd het blak stil; maar het was, als had de zon hare helderheid verloren; het water was zwart als inkt geworden, en zwermen van meeuwen en andere onweersvogels vertoonden zich fladderend op de oppervlakte van het Meer.

„Hoeveel water hebben wij?quot; vroeg de schipper kortaf, en zonder om te zien.

„Zes voet,quot; antwoordde de knecht, den peilstok uitwerpende: „vijf voet, vijf voet, vijf en een half.quot;

„Laat vallen!quot; riep de schipper met een stentorstem, en in een oogenblik waren de zeilen naar beneden gehaald.

Het was meer dan tiid; want van uit het Westen vertoonde zich, op eenigen afstand, als een vaalgele, scherpe punt op het water, die met ongelooflijke snelheid toeschoot en achter zich een geel gordijn scheen te sleepen, dat van lieverlede de geheele oppervlakte van het Meer bedekte: weldra was de punt in de nabijheid van het vaartuig, en toen zij het voorbijgestoven was en het water daaromheen mede diezelfde kleur had aangenomen, toen stegen opeens de golven als torens om het schip en bedekte zich de Tucht als door

-ocr page 229-

EMILIA BAKTEN. 221

een tooverslag met pikzwarte wolken en gierde de orkaan met ontzettend gesis door het zwerk.

„Werp het anker uit,quot; riep de schipper: „wij zullen het hier wel kunnen houden.quot;

De last was terstond ten uitvoer gebracht, en nu reed het vaartuig slingerend op en neder.

„Zou er gevaar zijn?quot; vroeg Barten fluisterend aan den schipper.

„Wat zal ik je zeggen. Heerschop!quot; antwoordde deze, de schouders ophalende: „op het water ismen noytheelemaalbuiten gevaer: en, zoo ■waer ik Krijn Bouwensz hiet, ik wou al zoo lief dat wij een opperwalletje hadden en een weinig meer beschut waeren tegen den storm, maer het had erger kunnen wezen: gelukkig hebben wij intijds de zeilen kunnen bergen.quot;

Barten haastte zich, deze mededeeling des schippers, althans het meest geruststellende daarvan, aan zijn vrouw en aan Jenneke mede te deelen, die, beiden door een hevigen aanval van zeeziekte overvallen, half wezenloos op de luiken van het vrachtschip lagen.

Wanneer een schip voor anker ligt in een storm, valt er voor de manschap zelden veel meer te doen dan te wachten tot het opklaart: en zoo gingen ook nu zoowel de schipper als zijn zoon en zijn beide knechts op de voorplecht zitten, en deelden elkander hun opmerkingen mede aangaande het weer en de meer of minder waarschijnlijke kansen op een verandering ten goede.

„Gelukkig, dat het niet regent,quot; merkte Barten aan, terwijl hij, door middel van een doek, dien hij onder de kin vaststrikte, zijn hoed tegen het afwaaien beveiligde, en de knoopen van zijn mantel dichtmaakte: „anders zouden wi) niet weten, waar met ons allen te schuilen.quot;

„En ik wou, dat het regende,quot; zeide de schipper: „dan zouên wij hoop kunnen hebben, dat net gaeuwer 'edaen was; maer alle drommels! daer hebje 't gegooi in de glaezen al.quot;

Deze uitroep werd veroorzaakt door een hevigen schok, die Barten bijna om deea tuimelen: het schip had tegen den grond gestooten.

„Ik dacht toch, dat wij hier een goeien ankergrond hadden,quot; zei de schipper: „hier Dries! geef mij den tandenstoker reis an: ik mot mij zeivers overtuigen, hoeveel waeter wij hebben.quot;

Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij den peilstok in handen nam om de diepte van het water te onderzoeken, stootte de schuit ten tweeden male.

„Hier kunnen wij niet blijven,quot; zeide de schipper, het hoofd schuddende: „dan het maer op Gods genade gewaegd; wind het anker maer op, Dries! dan zullen wij den kluiver hijschen en zien of wij een betere ankerplaets kunnen'bekomen.quot;

Het eerste gedeelte van dit bevel werd met goed gevolg ten uitvoer gebracht: maar minder gemakkelijk viel het, aan net tweede gedeelte te voldoen, en zoo hevig speelde de wind in het zeil, dat naar boven geheschen werd, dat de krachten der drie mannen en van den knaap vereenigd nauwelijks toereikende waren, om de touwen te houden en vast te maken.

-ocr page 230-

222 EM11IA BAKTEN.

En nu ging het over het Meer, als had een helsche geest het vaartuig voortgedreven: de schipper en Dries stonden beiden tegen 't roer geleund om de schuit zooverre mogelijk van den oever af te houden, waar de storm het naar toe dreef, en om het zooveel mogelijk naar een dieper vaarwater te sturen; terwijl de andere knecht voortdurend den grond peilde. Dan, op het oogenblik, dat de schipper juist gekomen was op een plaats, waar hij betrekkelijk zich meer veilig achtte, kromp de wind plotseling eenige streken, zoodat het zeil, aan de verkeerde zijde wind vattende, om den mast heen sloeg,

„Gooi alles los!quot; riep de schipper: „gooi los, of wij zijn er om koud! Bij alle....quot;

Pijlsnel was, reeds voordat zijn vader het bevel had kunnen geven, de blonde knaap opgesprongen om het touw los te maken; maar ongelukkig was op dit oogenblik de knecht, die aan 't peilen was, zonder zich over zijn peilstok te bekommeren, dien hij in 't Meer liet vallen, met zulk een drift toegeschoten, dat hij over Hannes heentuimelde. Dat ongeval kon slechts eene seconde vertraging

teven; maar eene seconde op zulk een tijdstip geldt meer dan anders agen; het zeil, door den orkaan op zijde gedrukt, deed het geheele vaartuig die zijwaartsche richting _ volgen: een enkele kreet, uit acht monden tevens aangeheven, liet zich hooren: de vrachtschuit sloeg om, en al wat daarin was stortte in de golven.even; maar eene seconde op zulk een tijdstip geldt meer dan anders agen; het zeil, door den orkaan op zijde gedrukt, deed het geheele vaartuig die zijwaartsche richting _ volgen: een enkele kreet, uit acht monden tevens aangeheven, liet zich hooren: de vrachtschuit sloeg om, en al wat daarin was stortte in de golven.

Barten was de eenige onder de mans en vrouwen aan boord, die niet terstond naar de diepte was gegaan; de zware mantel, dien hij droeg, had zich rondom uitgespreid en hem boven water gehouden. Hij zag rond, zooveel het water, dat hem in de oogen spatte, hem toeliet te zien, en het was hem, als bespeurde hij hier en daar, tusschen de rollende golven, gedaanten, die bovenkwamen en weer onmiddellijk verdwenen; het was hem, of hij onder die gedaanten ook die van zijn beminde vrouw herkende, die hem een afscheids-blik toewierp; zijn hart kromp dicht van weemoed en ontzetting, en hij was op het punt, zich om te werpen, en zijn geliefde panden in hun watergraf te volgen, toen er een zwaar lichaam tegen hem aansloeg: net was een der luiken van het schip. Toen deed het nimmer uitgedoofd gevoel van zelfbeveiliging hem in dat luik het middel eener mogelijke behoudenis ontwaren; hij greep het, klemde er zich aan vast en liet zich nu door de gejaagde golven voorwaarts-drijven. Niet lang had hij op deze wijze het water doorkliefd, of hij hoorde zich opeens tot zijn verbazing roepen: hij zag om, en ontdekte iemand, die met krachtige inspanning tegen het water worstelde. In een drietal slagen was de schipper, want deze was die kloeke zwemmer, aan zijn zijde.

„Ziezoo!quot; zeide Krijn Bouwensz, terwijl hij het luik met de linkerhand vatte: „met zulk een steun zal ik het wel verder rooien, en wij beiden voor 't minst zullen behouên zijn, — maer knoop dien mantel los, die al doornat is en toch enkel maer tot ballast verstrekt.quot;

De ongelukkige Barten poogde met de linkerhand den gegeven raad op te volgen; maar zij was verkleumd en verstijfd van de koude en weigerde allen dienst.

-ocr page 231-

EMILIA BIETEN.

„Hier!quot; zeide de schipper, en reikte hem het mes toe, dat hij uit zijn zijzak gehaald had.

No§ had Barten werk om de knoopen los te snijden en trilde het mes m zijn bevende hand; maar eindelijk toch slaagde hij, en de mantel vloog verre weg over de golven.

„Goed zoo!quot; zeide de schipper, terwijl hij het mes terugnam en stevig vaststak in een der naden van het luik: „houd nu de hand maer om dit heft geslaegen, dan gaet gij van zelfs met de golven mede, en wij zijn zoo daedelijk op vasten grond.quot;

Het was als de schipper voorspeld had: de wind stond zoo hevig op den wal, dat er geene pogingen behoefden gedaan te worden, en onze beide schipbreukelingen door het luik tegen het gevaar van zinken beveiligd, zich slechts aan de golven hadden over te geven: geen tien minuten waren verloopen, of zij werden met luik en al tusschen de biezen van den oever gesmeten. Zoodra de schip-mder zijn voeten voelde, rees hij op en hielp ook

„Dat is zóó ver,quot; zeide hij, rondziende. „We zijnen hier op Osdorper grond! en nou maer nae de eerste boerenweuning de beste. Hoe harder je loopt. Heerschop! hoe beter het veur je wezen zei; dat is het eenigste middel om de leden weer wat lenig te maeken.quot;

Barten volgde den gegeven raad, en niet lang duurde het, of beiden waren in een boerenwoning ontvangen, en zaten zich bij een koesterend vuur te drogen. Het was eerst hier, nu zij volkomen veilig waren, dat het gemoed - der beide rampzalige echtgenooten en vaders den geheelen omvang van hun verlies begon te beseffen en zich in bittere tranen lucht gaf. Maar, zoo Barten alleen aan de dierbare panden dacht, hem zoo onvoorziens en op een zoo ontzettende wpze van 't hart gescheurd, zijn lotgenoot herinnerde zich weldra, dat hij yrachtschipper was en dat hij de plichten te vervullen had, die zijn beroep en het vertrouwen door zijn lastgevers in hem gestled, hem opleiden.

„Kom!quot; zeide hij, terwijl hij opstond en de laatste teug nam uit een kroes, welke de zorgvolle vrouw des huizes, zoo dikwijls die ledig was, weder aanvulde met warm bier: „de wind zei nou wel 't hardst ewaeid hebben, en 't is taid, dat we een schuit of wat zoeken te krijgen om reis te gaen zien, of er niets van de goederen, die ik inhad, te vinden is, eer anderen ze opvisschen----en

of wc misschien ook....quot;

Hij wilde er bijvoegen: „de lijken onzer gelieven vinden:quot; maar de tranen, die hem in de keel schoten, beletteden hem zulks te uiten.

„Hoe!quot; vroeg Barten: „gij wilt u opnieuw blootstellen aan dat vreeselijke weer?quot;

„.Tae, Heerschop!quot; antwoordde de schipper met een bewonderenswaardige naïveteit: „of ik hier al zit te kniesooren, dat zal mijn arme vrouw en kinderen niet in 't leven terugroepen: en behalve dat ik ze wel een Christelijke begraefenis wou geven, zoo mot ik toch ouk zorgen, dat de lui niet van me zeggen: Krijn Bouwensz

223

-ocr page 232-

224 EMILIA BABTEN.

heit niet enns moeite 'edaen om het goed, dat hij over zou brengen, weerom te krijgen.quot;

,'t Is wel!quot; zeide Barten: ,zoo gij 't wagen durft, ik ga met u.quot;

En werkelijk, geen halfuur was er verloopen, of alle visscherg-schuiten in de buurt waren in beslag genomen, en zoowel Barten als Krijn Bouwenaz zwalkten weer met de noodige medehelpers op het Meer, in de nabijheid der plaats, waar de ramp was voorgevallen. Het weer was nu bedaard, en men kon dus zonder eemg gevaar alle nasporingen doen. Doch, hoezeer men tot den avond op het water bleef kruisen, en men zijn oogen blind keek, niets werd men gewaar, noch van de personen, noch van de goederen, die met het vrachtschip waren verongelukt. De invallende duisternis verbood eindelijk elk verder onderzoek; men zette den koers weder naar wal en, terwijl de schipper naar Amsterdam wandelde, om daar bericht van zijn wedervaren te doen, nam Barten, die te vermoeid was om verder een voet te verzetten, het nachtverblijf aan, dat hem door de goede boerin werd aangeboden, en begaf zich weldra te bedde.

Dan, hoe vermoeid hij ook ware, het mocht hem niet gelukken den slaap te vatten. Gestadig speelden hem de schriktooneelen, die hij aanschouwd had, voor de oogen; terwijl de gedachte aan het hartverscheurend gemis van vrouw en kind hem de ziel vanéénreet. De dag was nauwelijks aangebroken, of een gevoel van onrust en

fejaagdheid dreef hem weder de hem te eng geworden bedstede en et huis uit en weder naar het strand van net Meer, 't welk zijn geliefde panden verzwolgen had.ejaagdheid dreef hem weder de hem te eng geworden bedstede en et huis uit en weder naar het strand van net Meer, 't welk zijn geliefde panden verzwolgen had.

Het was nu volkomen stil en helder weer en al de voorwerpen lieten zich op verren afstand duidelijk onderscheiden; maar toch bleef Barten, waar hij ook zijn oogen weiden liet over het breede watervlak, dat voor hem lag uitgespreid, niets bespeuren, dat uit het verongelukte vaartuig herkomstig wezen kon. Dan, daar rees de zon uit de ochtendnevelen, die haar tot nog toe bedekt hadden, en haar stralen vielen op een wit voorwerp, dat tussehen de biezen, op geringen afstand van den oever, was vastgeraakt. Nog was het Barten niet mogelijk te onderscheiden wat het wezen kon; doch naar alle waarschijnlijkheid moest het iets zijn, dat uit het vergane schip was aangespoeld; en een geheime stem scheen hem in te fluisteren, dat juist dit voorwerp voor hem van 't grootste belang was. Met drift ijlde hij naar de naastbijgelegen visscnerswoning, en niet lang duurde net, of de visscher had zijn aak losgemaakt, en roeide met hem naar de plaats, waar het voorwerp zich bevond. Dan, wie beschrijft de gemoedsbewegingen, de verbazing, den angst, de hoop, die achtereenvolgens de ziel van Barten vervulden, toen langzamerhand dat voorwerp bepaalde vormen begon aan te nemen, totdat hij het herkende, zonder dat hem eenige twijfel overbleef, voor de wieg, waarin de schippersvrouw zijn kind had nedergelegd. Zou het kind in de wieg gebleven zijn? Zou het niet door de golven weggespoeld of althans verstikt zijn? Zou hij het lijkje terugvinden? Eer hij den tijd had gehad, zich zeiven deze vragen op de meest of minder waar-

-ocr page 233-

EMILIA BAKTEN. 223

schijnlijke wijze te beantwoorden, hadden drie krachtige riemslagen de aak tusschen de biezen gebracht. Barten blikte in de wieg — en ziet — daar lag zijn Mieltje, met frisschen levensblos op de wangen, en sliep den kalmen slaap der onbezorgde onnoozelheid.

Wij beproeven iet niet, de gemengde aandoeningen des vaders te beschrijven; — liever geven wij de opmerkingen, welke de vrome zin des opstellers van het geslachtsregister, waarin het verhaal is bewaard gebleven, achter dat verhaal gevoegd heeft.

„Ware,quot; zegt hij, „mijn overgrootvader niet te laat gekomen voor de veerschuit, dan ware hij met de zijnen niet in het vrachtschip gegaan en zijn vrouw en meid waren niet verdronken.

„Had het kind, dat naar Gods raad behouden zou worden, niet zoo

feschreid, zoo had de schippersvrouw htt niet in de wieg van haareschreid, zoo had de schippersvrouw htt niet in de wieg van haar

ind gelegd.

„Ware het kind van den schipper in de wieg gebleven, dan ware dit, en niet dat van Barten waarschijnlijk behouden geweest.

„Ware het geen houten wieg geweest, zoo had zij niet op het water blijven drijven.

„Nog is het onmogelijk te begrijpen, hoe de wieg, en nog wel zonder om te slaan, uit het ruim van het schip is geraakt, zelfs al neemt men aan, dat, gelijk waarschijnlijk is, de luiken daarvan zijn afgeslagen.

„Even onbegrijpelijk is het, hoe die open wieg gedurende zoo zwaar een storm en verder een geheelen nacht door neeft kunnen drijven, zonder om te slaan of water in te krijgen.

„En eindelijk valt het bijzonder bestier der Voorzienigheid daarin te erkennen, dat de wieg juist in de biezen gedreven is en nabij de plaats, waar de vader van het kind zich bevond.quot;

Emilia Barten huwde naderhand met N. Van de Wall en werd de moeder van een talrijk en aanzienlijk geslacht.

». w. v. 16

_

-ocr page 234-

EEN BEDRUKTE VADER.

i.

Op een guren Meidag van het jaar 1657 — de Meimaand was, ondanks haar schoenen naam, over het algemeen in de Ylie eeuw even zoo bar en guur als zij het nu is in de 19Je — kwam een kloek gebouwd Amsterdammer de Torensteeg uit en liep, den hoek van den Singel omslaande, de zoogenaamde Donkere sluis op. 'tWas een man in de kracht van 't leven, met een fiksch en helder uitzicht en een gunstig en open voorkomen, ofschoon voor 't oogen-blik een zekere afgetrokkenheid op zijn wezen niet te miskennen was. Zijn kleeding, deftig en net, doch vrij van al wat naar pronkerij zweemde, en meer nog zijn houding en de vlugge vastheid van zijn tred, duidden den werkzamen, bedrijvigen man aan, die de waarde van den tijd kent en het slenteren niet gewoon is. Thans echter scheen het, alsof hij die gewoonte, misschien voor 't eerst van zijn leven, zou aannemen; immers nauwelijks was hij een paar huizen op den Singel voorbijgegaan, of hij vertraagde zijn stap en begon, langzaam, met ongewisse schreden, ja nu en dan geheel stilstaande, zijn weg te vervolgen. En toch, wie hem maar eenigszins met opmerkzaamheid beschouwd had, zou weldra overtuigd geweest zijn, dat Jan De Wolfï — zoo heette onze wandelaar — er op dit oogenblik volstrekt niet aan dacht, om de manieren van een straatslijper aan te nemen, maar veeleer er over peinsde, hoe hij zich van een gewichtige, ofschoon lastige taak zou kwijten. Hij had echter niet lang tijd om daarover na te denken; want schier vóórdat hij 't wist, bevond hij zich voor den ingang van de woning, waar hij heen wilde: een weinig aanzienlijk burgerhuis, dat niets had, waardoor 't zich bijzonder van de overige uit de buurt onderscheidde. Hij vermande zich, trad de stoep op en liet den zwaren klopper vallen. Dat De Wolff in dit huis eeu goede bekende was, bleek uit de weinige woorden, welke de dienstmaagd, die hem de deur opende,

-ocr page 235-

EEN BEDRUKTE VADEB. 227

hem bij zijn binnentreden toevoegde: „ga maar naar boven, sinjeur Jan! onze sinjeur is op zijn kamer.quot;

Ook hier moest De Wolff zich zeiven nogmaals moed inspreken eer hij het waagde de trap op te gaan, die naar de bovenvertrekken geleidde: op het portaal gekomen, tikte hij tegen het beschot van eene der deuren: „binnen!quot; riep een heldere stem en hij gehoorzaamde aan dit opontbod.

De kamer, welke hij binnentrad, getuigde van haar bestemming voor een studeervertrek. De in lood gezette vensters van het kruisraam boden geen ander uitzicht aan dan op een platje en op den blinden muur van een achterbuur; doch des te minder had de bewoner last van afleiding: langs de wanden stonden boekenkasten, waarvan de onderste rijen bezet waren met zware folianten en kwartijnen, de bovenste met enkele duodecimo's, maar vooral met tallooze pamfletten, los of in pakketten samengebonden: tegenover het raam hing een kaart van Amsterdam boven de stookplaats: in de ledige vakken zag men eenige platen en kleine schilderijties van bekende meesters: in den eenen hoek een aardkloot, in den anderen een geboetseerd kinderbeeld, het werk der beroemde Ques-tiers. Voor het raam stond een groote tafel, met papieren en boeken beladen, aan welke twee personen gezeten waren: de eene, die, met den rug naar de deur gekeerd, opgestaan was bij de komst des bezoekers, was een vrouw ongeveer van zijne jaren, met een zachtzinnig, zedig voorkomen, en uiterst eenvoudig, of liever, als men 't noemt, stemmig, gekleed. Tegenover haar zat, in een breeden armstoel met hoogen lederen rug, een man van middelbare gestalte, breed van borst en schouderen en kloek van lichaamsbouw. Ofschoon de rimpels op zijn voorhoofd en handen van hooggevorderde jaren spraken, was zijn rug nog door den ouderdom niet gebogen, en zijn bewegingen duidden nog vastheid en gespierdheid aan. Maar vooral wedersprak zijn gelaat elke gedachte aan zwakheid of verval van krachten, en de uitdrukking daarvan was van dien aard, dat wie het eenmaal, al ware het maar terloops, had gezien, het niet licht vergeten zou. Het was breedachtig, vol in 't vleesch, gezond van kleur en blozend op de kaken: de krom gebogen, niet te dunne neus teekende scherpzinnigheid en een geest van onderzoek: de kleine mond, met fijne, een weinig ingetrokken lippen, verraadde schalkschheid, ja een ingeschapen zucht tot hekelen: een donkerbruine, nog maar met zeer enkele grijze haren vermengde knevel bedekte slechts zeer gedeeltelijk de bovenlip; en een, insgelijks schrale, haarlok liep van de onderlip over de welgevormde kin in een punt naar beneden. Van meer dan gewone breedte was het fraai gewelfde voorhoofd, dat vermits het bruine hoofdhaar dun en ijl was, hooger geleek dan het werkelijk was. Maar wat meer dan al de rest van 't gelaat een onvergetehjken indruk teweegbracht, waren de bruine, levendige, scherpziende oogen, door zware, fraai gevormde, aan de buitenzijde sierlijk opgetrokken wenkbrauwen overwelfd, en waarvan de blikken hem, wlen zij aanstaarden, tot in de binnenste schuilhoeken van zijn hart schenen door te dringen, oosen.

-ocr page 236-

EEN BEDRUKTE VADEE.

in helderheid die der gazelle, in vuur die van den adelaar evenarende; en die tevens de zachtzinnigheid van gene met de wilskracht van dezen, vereenigd. schenen uit te drukken.

Die man, die daar, met een zwarte kalot op de kruin, met een zwart sergie kamizool en broek, en daarover een bruin lakensche, met bont gevoerden huispels aan 't lijf, zat te schrijven, was de vader der tegen hem over zittende vrouw en de oom des bezoekers: en zijn naam was Joost Van den Vondel.

Bij het binnenkomen van zijn neef stak hij werktuigelijk de pen achter 't oor, en een onwillekeurige bleekheid verspreidde zich over zijn gelaat, terwijl hij zijn bezoeker aanzag en welkom heette.

;Ga zitten, Neef!quot; zeide hij, hem met de hand op een tabouret wijzende, welke zijn dochter bijschoof: „ga zitten,quot; herhaalde hij, en den elleboog op tafel leggende, rustte hij met den hoofdslaap in de geopende handpalm, als om in die houding af te wachten wat De Wolff hem had mede te deelen.

Deze was reeds maar half op zijn gemak: en hij werd er niet luchtiger om, toen hij bespeurde, hoe men van hem scheen te verwachten, dat hij 't gesprek beginnen zou. Hij beet zich beurtelings de onder- en de bovenlip en zag steelswijze naar zijn nicht, als wilde hij haar bijstand inroepen. Doch de goede Anna vergenoegde zich met te zuchten en de oogen neder te slaan op het naaiwerk, dat zij in de hand hield.

,Welnu!quot; vroeg Vondel eindelijk: „uw tijding schijnt niet te best te wezen; dat gij draalt, die uit te spreken.quot;

„Inderdaad,quot; antwoordde De Wolff, hem aanziende met een mee-

warigen blik, „ik wenschte wel, dat zij beter ware----ofschoon 't

nog erger wezen kon.quot;

„Spreek maar ronduit, Neef! en zej» waar 't op staat,quot; hernam Vondel: „op veel goeds kon ik mij niet verwachten, en nu komt het er alleen maar op aan, te weten, hoe diep de wonde, en of er nog herstel mogelijk is. Daarom, voor den dag met uw nieuws: ik ben bedaard: en op alles gewapend.quot;

„Welnu!quot; zeide De Wolff, terwijl hij diep zuchtte, als iemand, die van een zwaar pak verlost wordt: „ik ben in de Warmoesstraat geweest.quot;

„En?----quot; vroeg Vondel.

„Ik heb breedvoerig met neef Joost gesproken: hij wilde eerst niet toegeven, dat zijn zaken zich maar eenigszins in verwarden toestand bevonden; doch toen ik hem vertelde, dat ik wist, welke pretentiën er tegen hem loopende waren en hoe menigwerf hij al om vrij aanzienlijke sommen gemaand was geworden; toen ik hem daarbij voorhield, dat ik niet uit bemoeiachtigheid of nieuwsgierigheid tot hem gedreven was, toen begon hij wat bij te draaien en eindelijk viel hij geheel door de ben en bekende mij ronduit, dat hij niet wist, hoe zich meer te redden.quot;

„Heeft hij u geen boeken laten zien?quot; vroeg Vondel.

„Ik heb daar niet op aangedrongen,quot; antwoordde De Wolff, „omdat ik al spoedig uit zijn gezegden meende te mogen opmaken, dat ik

228

-ocr page 237-

EEN BEDRUKTE VADBE.

daar weinig uit zou leeren. En inderdaad, het is een regel, die bijna vast gaat: wanneer iemands boel in de war loopt, worden zijn boeken niet langer bijgehouden, 't Is of hij zich dan schaamt den waren staat zijner zaken ook aan zich zeiven bloot te leggen.quot;

,Zeg liever,quot; zeide Vondel, „dat hij doet als de struisvogel, die zijn kop in 't zand bergt, om het verderf, dat hem boven den kop hangt, niet te zien; maar verder, wat zijt gij te weten gekomen?quot;

„Hij heeft mij,quot; hernam De Wolff, „een soort van balans voorgelegd, waaruit blijken zou, dat er — ook zoo alle nog uitstaande pretentiën binnenkwamen — een goede twintig duizend gulden schuld zou overblijven.quot;

„Een groote som,quot; zeide Vondel, zich op de lippen bijtende: „doch zijt gij zeker, dat het bedrag niet hooger is?quot;

„Integendeel,quot; antwoordde De Wollf, „ik ben u de geheele waarheid schuldig, en ik mag u daarom niet verbloemen, dat, naar mijn overtuiging, het passief meer bedraagt. Gij weet zelf. Oom! dat men in dergelijke gevallen geneigd is, ook de minst liquide pretentiën onder het actief te brengen, en dit zal hier ook wel het geval zijn.quot;

„Gij hebt gelijk, groot gelijk,quot; hernam Vondel, na eenige oogen-blikken peinzens: „'t is hard! — zeer hard! die zaak, welke mijn goede vader had begonnen en mij in zoo bloeienden staat overgelaten, waar mijn brave vrouw tot aan haar dood in gezwoegd heeft, dat ik die op mijn ouden dag moet zien te gronde gaan?quot;

„Maar hij kan toch nog geholpen worden,quot; zeide Anna! „gij weet het, Vader! dat mijn moederlijk erfdeel nog onaangeroerd is, en dat ik reeds lang het oog van alle tijdelijke have heb afgewend. Zou dat niet genoegzaam zijn om de breuk te heelen, en te voorkomen, dat er schande dale op onzen eerlijken naam?quot;

„Gij hebt gelijk,quot; zeide Vondel, „schande moet op onzen naam niet dalen; maar God verhoede, dat gij zoudt bloeden voor de schuld uws broeders. Neen! indien hier iemand de straf dragen moet, dan moet ik het zijn, die hem dwaselijk de zaak heb overgedaan : ik had hem beter moeten kennen: of liever, ik had, hem kennende, moeten vooruitzien wat er gebeuren zou, en althans een oog in 't zeil houden.quot;

„Wat verwijt gij u zeiven, Vaderlief! hetgeen buiten uwe schuld ligt,quot; zeide Anna: „de zaak was, toen gij haar verliet, ten gevolge van de veelvuldige mededinging wel niet meer hetgeen zij vroeger was; maar zij gaf nog een fatsoenlijk bestaan: en het was toch niet van u te vergen, u op uw ouden dag nog af te tobben met de winkelnering. En aan wien kondt gij die dan geschikter overdoen dan aan uw zoon? In den beginne ging het er toch ook zoo slecht niet, maar....quot;

„Maar het luipaard verliest zijn vlekken niet,quot; viel Vondel in: „Joost was eenmaal dat wilde woeste leven gewoon, en hij is er toe teruggekeerd. Ik weet dat: — gij weet het Anna! en gij ook. Neef! ik ben niet gewoon veel te praten over hetgeen mij bezwaart, veelmin er anderen mede lastig te vallen; maar ik heb net daarom niet minder gevoeld; in deze laatste jaren heeft het verdriet mij

229

-ocr page 238-

I

230 EEN BEDRUKTE VADEB.

als een worm aan 't harte geknaagd. Ja,quot; vervolgde hij, terwijl hij het lijvige handschrift opnam, dat voor hem lag: „indien ik in dézen arbeid geen troost en bemoediging gevonden had, ik had mijn leed misschien niet kunnen dragen.quot;

De Wolff was hetgeen men „een man van zakenquot; noemt en ofschoon hij niet geheel onverschillig was aan de eer van iemand tot oom te hebben, die als eerste dichter van Nederland bekend stond, gold toch een prijscourant bij hem vrij wat meer dan het fraaiste treurspel van dé wereld. Dit belette niet, dat hij toch eenigszins nieuwsgierig was, welke die arbeid wezen kon, waarvan zijn oom zulk een gezegenden invloed had ondervonden. Hij wierp een zijdelingschen blik op het titelblad en las, onwillekeurig halfluid: „Davids Harpzangen?'

„Davids Harpzangen!quot; herhaalde hij luider: „zijn dat niet de Psalmen?quot;

Vondel beantwoordde deze vraag met een bevestigenden knik.

„Maar,quot; hervatte De Wolff, op eenigszins schroomvalligen toon: „Wij hebben daar immers reeds een berijming van.quot;

„Bij dozijnen,quot; hernam Vondel, met een spotachtigen glimlach, dien hij in weerwil van zijn verdriet niet kon terughouden: „er is die van den ijveraar Datheen, welke gij in de kerk zingt: — schande genoeg, dat gij, om den Heer des Hemels te verheerlijken, niets beter weet te vinden dan zulk nietswaardig prulwerk: — voorts die van den Heer van Sinte-Aldegonde:quot; hier haalde hij even de schouders op; „beter, maar toch meer stichtelijk dan mooi: — dan nog, om van een aantal mindere niet te spreken, die van wijlen mijn geleerden vriend Mr. Antonis De Huybert. Maar ik zag geene reden, waarom mij dit zou terughouden, op mijn beurt eens mijn krachten aan een nieuwe overzetting te beproeven.quot;

„Een overzetting!quot; herhaalde De Wolff: „toch niet uit het He-breeuwsch?quot;

„Neen,quot; antwoordde Vondel, droogweg, en hem de opgeslagen Vulgata toeschuivende, die nevens hem lag.

„Hm! zoo!quot; mompelde De Wolff, die even trouw Protestant als zijn oom Katholiek was, en genoeg besefte dat hij hier een glad terrein betreden had, 't welk het beter was maar zoo spoedig mogelijk weder te verlaten; „ik ben gelukkig. Oom!quot; voegde hij er bij, „te bemerken, dat gij althans eenige afleiding in dit werk gevonden hebt. — Maar wat nu gedaan in deze droevige omstandigheid van Joost? — Gij weet, dat, zoo gij mijn hulp noodig hebt, gij daarover beschikken kunt.quot;

„Wat nu gedaan?quot; herhaalde Vondel, terwijl hij het boek weder dichtsloot en ter zijde schoof; „wel, terstond naar de Warmoesstraat

fegaan en uit eigen oogen gezien, 't Is waar,quot; vervolgde hij, terwijl ij opstond, „ik heb mij wellicht nooit met de zaken van den winkel zooveel ingelaten, als mijn plicht had medegebracht; maar toch ben ik er nooit een volslagen vreemdeling in geweest, en ben het ook nog niet. Ik wil zelf onderzoeken, hoe zij staan, en of er nog redding mogelijk is. Om een kwaal te genezen, dient men vooraf

-ocr page 239-

BEN BEBEUKTE VADEB. 231

haar iu haar geheelen omvang te kennen. Anna! lang mij mijn hoed en mantel, gij Neef! zoo u geen eigen bezigheden terughouden, wees dan zoo goed, en vergezel mij naar de Warmoesstraat.quot;

Dit zeggende, was hij opgestaan, en had zich, met de levendigheid, die hem kenmerkte, reeds van den huisreis ontdaan, zijn over-rok van den spijker genomen, waar die aan hing, en dien met hulp van zijn neef aan 't lijf geschoten.

„Maar Vader!quot; zeide Anna, terwijl zij zich met gevouwen handen en in een smeekenden toon voor hem plaatste en dikke tranen haar langs de wangen rolden, „zoudt gij zelf wel gaan? Zou het u niet te veel aandoen? Zou niet----quot;

„Vrees niets,quot; antwoordde Vondel, ik ben mij zeiven meester, en zoo dokter Tulp mijn pols voelde, ik houd mij overtuigd, dat hij er niets ongeregelds in vinden zou. Hier, sla mijn mantel maar terdege om, het is guur daarbuiten, en geef mij nu mijn hoed. Ziet gij wel,quot; vervolgde hij, toen hij dien opgezet had en iets bespeurde dat hem hinderde: „ziet gij wel, dat ik van ons drieën het best bij 'thoofd ben? Gij zoudt mij geen van beiden waarschuwen, dat mij nog een pen achter 't oor steekt. Men zou mij waarachtig op straat voor een notarisklerk of voor een boedelbeschrijver aanzien.... een boedelbeschrijverquot; .... hervatte hij, op eenmaal terugvallende in een toon van weemoed: „God geve, dat het zooverre nog niet gekomen zij, dat men er ginds een noodig hebbe.quot;

„Daar zeg ik amen op van ganscher harte,'quot; zeide De Wolff.

„Ik dank u,quot; hernam Vondel, „en nu, Annekelief! droog uwe tranen, die toch niets kunnen baten, en bid liever God en zijn Heiligen, dat zij ons kracht schenken in deze beproeving. Kijk maar zoo donker niet. Neef! al verwerpt gü alle bemiddeling van Heiligen, gij hebt toch ook geleerd, dat het gebed van een rechtvaardige veel bij God vermag, en mijn vrome Anneke is zulk een rechtvaardige, of er leeft er geen in Amsterdam.quot;

„Maar zoude ik niet met u gaan ?quot; vroeg Anna, nog altijd bezorgd.

„Later zult gij er heengaan; later, om uw broeder en zuster te troosten en op te beuren en hun goeden raad te geven, indien zij dien willen hooren en er hun profijt van doen., . ofschoon ik vrees, dat het weinig baten zal. En nu. Neef! op weg!quot;

En, na zijn dochter nog een hartelijken kus op 't voorhoofd gedrukt te hebben, verliet hij met De Wolff zijne woning.

Terwijl zij hun weg naar de Warmoesstraat vervolgen, zal het niet ongepast zijn, tot opheldering, zoo van hetgeen is voorafgegaan als van hetgeen volgen moet, den lezer iets nader met de omstandigheden van Vondel bekend te maken.

De vader van onzen dichter, die, gelijk men weet, zich van Keulen naar Utrecht en vervolgens naar Amsterdam metterwoon begeven had, oefende oorspronkelijk het beroep uit van hoedstof-feerder, een beroep, dat heden ten dage, nu de mans geen pluimen noch passementen meer aan hun hoeden dragen, geen droog brood zou verschaffen aan hem, die 't uitoefende, doch dat in de 16de en 17de eeuw zeer geacht en zeer voordeelig was. Te Amsterdam ge-

-ocr page 240-

EEN BEDRUKTE VADEE.

232

komen, had hij uitbreiding aan zijn nering gegeven en in de Warmoesstraat een grooten kousenwinkel opgezet. De zaak, met kennis en vlijt gedreven, leverde goede winsten op, 't geen onder anderen daaruit bleek, dat de oude man ia (staat was, zijn tweeden zoon, Willem, niet alleen te laten studeeren in de rechten, maar hem ook een — toen nog zeer kostbare — reis naar Italië te laten doen. Mede in de Warmoesstraat woonde te dier dagen zekere Hans De Wolff, mede als de oude Vondel, een Keulenaar, eu mede van Bra-bantsche afkomst, die een welbeklanten winkel had in passementen en linten. Al deze omstandigheden te zamen veroorzaakten natuurlijk goede buurschap en gemeenzamen omgang tusschen de beide huisgezinnen en weldra een dubbele verwantschap. Immers onze dichter trouwde op den 20'ten November 1610, na het overlijden zijns vaders, met Maaiken De Wolff en een zijner zusters omtrent denzelfden tijd met Hans De Wolff. Vondel had de winkelnering van zijn vader overgenomen; doch meer liefhebberij hebbende in het beoefenen van taal en dichtkunst dan in het bedienen der klanten, liet hij het koopen en verkoopen aan zijn vrouw over, die een kloeke en verstandige huishoudster en alleszins voor haar taak berekend was. De zaak bleef dus in goeden stand en winstgevend, tot aan den dood zijner huisvrouw toe. Deze had hem twee kinderen nagelaten: eene dochter, Anna, met welke wij reeds kennis hebben gemaakt, en die, haar vader in zijn overgang tot het Roomsche geloof gevolgd hebbende, zich eerlang in den geestelijken staat had begeven: — en een zoon, als zijn vader en grootvader Joost genaamd. Die naam was dan ook het eenige, dat hij met hen beiden gemeen had. Immers niet één sprank van het vernuft en dichtgenie zijns vaders was op hem nedergedaald, en evenmin had hij iets van clen koopmansgeest overgeërfd, die zijn grootvader kenmerkte. Als een staaltje van zijn plompe onwetendheid verhaalt men, dat hij, bij gelegenheid dat men over de treurspelen van Jozef sprak, aan zijn vader vroeg, of Jozef niet Katholiek was. Doch 't was niet genoeg, dat hij klein van verstand was, hij was ook los van hoofd en gedrag, een minnaar van straatslijpen en fjeld verkwisten, en die aan zijn vader reeds van zijn eerste jonkheid af zelden stof tot vreugde of tevredenheid verschaft had. Intusschen was er een tijd geweest, waarop het scheen, dat hij zich tot een meer geregeld leven voegen zou. Hij had zich in den echt begeven en dit had — in den aanvang althans — een gunstigen invloed op hem uitgeoefend. Dit gaf dan ook aanleiding, dat zijn vader, wiens jaren nu begonnen te klimmen, hem tot behulp in zijn zaken nam. In de eerste jaren ging dit redelijk wel en Vondel verheugde zich reeds, te bespeuren, dat zijn zoon met meer orde en overleg in de bestiering van den winkel te werk ging: doch toen na verloop daarvan de vrouw van onzen Joost overleed en hem met twee jonge kinderen achterliet, verviel de weduwnaar, thans door haren invloed niet meer teruggehouden, alras weder tot zijn vorige uitspattingen. Een tweede huwelijk met Baertje Hooft van Amersfoort, waartoe hij eerlang overging, ver-slimmerde de zaak in plaats van haar te verbeteren; want de

-ocr page 241-

EEN BEDRUKTE VADER. 233

nieuwe schoondochter, welke hij zijn vader in huis bracht, was zeer ongelijkvormig aan haar voorgangster en overtrof haar man nog in zucht naar uitspanning, pralerij en verkwisting. Zooveel verdriet veroorzaakte dit den ouden man, dat hij, niet langer getuige verkiezende te zijn van hun dwaasheden, met zijn dochter afzonderlijk ging wonen en het huis op den Singel hetrok. Maar met hem had ook alle tucht het huis veriaten en waren zijn zoon en schoondochter aan hen zeiven overgelaten. Terwijl de nering verliep, gingen de verspillingen hun gang. Eindelijk was de boedel zoodanig in de war gestuurd, dat het door de geheele stad reeds verteld werd, hoe aan Joost Van den Vondel den Jonge eerlang niet anders zou overblijven dan een schandelijk bankroet. Die geruchten waren aan onzen dichter ter ooren gekomen: en reeds een- en andermaal had hij er zijn zoon over onderhouden; doch nooit van dezen anders dan van die ontwijkende antwoorden bekomen, die geruststellend moeten heeten, ofschoon zij inderdaad alleen dienen om de ongerustheid des vragers nog te vermeerderen. Overtuigd, dat zijn zoon — gelijk dit veelal geschiedt — den waren stand zijner zaken nog eerder aan elk ander zou blootleggen dan aan zijn vader, had deze zijn zusterszoon. Jan De Wolff, in den arm genomen en hem verzocht, het noodige aan te wenden om achter de waarheid te komen. De opdracht was niet van de aangenaamste: doch De Wolff was te beter geschikt om daaraan te voldoen, naardien hij de beurs bezocht, met de meeste groote makelaars en handelaren in betrekking stond, daardoor kennis droeg van de omloopende vorderingen ten laste van zijn neef, en zich door dezen niet licht een rad voor de oogen zou laten draaien. Wat de uitkomst was van zijn onderzoek, hebben wij uit de vorige bladzijden vernomen, en ik kan alzoo den draad van mijn verhaal weder opvatten.

II.

Vondel was, met een vasten stap, aan den arm van zijn neef, naar de Warmoesstraat heen gewandeld: eerst toen hij de stoep optrad van de „Trouw,quot; gelijk het huis genoemd werd, waar zijn zoon woonde — en toen hij den blik rondsloeg op dat voorhuis, waarin hij in een tijdvak van meer dan een halve eeuw zijn ouders en later zijn vrouw met zooveel ijver, zorg en voorspoed had werkzaam gezien, was het hem of zijn hart werd toegeknepen. Wel stonden hier nog de toonbank en de winkelkasten op dezelfde plaats: wel ontwaarde het oog nog overal die stapels kousen, borstrokken, dekens en andere winkelwaren; doch het was hem of het waas van welvaart en overvloed, dat daar vroeger lag uitgespreid, was weggevaagd; het was hem of alles er vuil, morsig, haveloos, gelapt en gescheurd uitzag:

-ocr page 242-

234 EEN BEDRUKTE VADEB.

als fluisterden hem uit die stapels geheime stemmen toe: „wij zijn verkocht, verpand, beleend; wij dienen maar tot uiterlijk vertoon, en om de armoede te bedekken, die u anders uit de naakte wanden zou begrimmen.quot;

Een diepe zucht ontsnapte des grijsaards borst; doch hij vermande zich en trad verder voort; daar zaten, op de trap, die naar't achterhuis geleidde, een Jongetje en een meisje te spelen, 't Waren zijn kleinkinderen, en zij stonden op om grootvader te begroeten; maar zij zagen er morsig, haveloos en verwaarloosd uit; en nauwelijks hadden zij een schoone plek op 't gelaat, waar hij een kus op drukken kon. Daar trad, op het gerucht, dat de opengaande voordeur gemaakt had, de vrouw des huizes toe met het jongste voorkind baars mans aan de hand. Die vrouw ging voor fraai door; doch zij was van de soort dergenen, die het alleen buitenshuis zijn: opgeschikte poppen op straat, slonsen in haar keuken: zij schrikte op het gezicut van haar schoonvader, vooral van den gestrengen blik, dien hij op haar sloeg, terwijl hij met de vraag: „is uw man achter?quot; haar voorbijtrad, zonder haar antwoord af te wachten.

Inderdaad, toen hij de deur der achterkamer geopend had, zag hij zijn zoon, die, aan de tafel gezeten, met het hoofd in beide handen leunende, in diepe en gewis geen opbeurende gedachten verzonken scheen.

Een vader blijft altijd een vader, welke redenen tot ongenoegen hem ook door zijn kinderen gegeven worden. Vondel was bewogen, toen hij zijn zoon in die bedrukte houding voor zich zag. ,Alles is nog niet verloren,quot; dacht hij, ,indien hij maar het besef van zijn schuld heeft. God geve, dat dit een heilzame les voor hem zij.quot;

Dan de vertroosting, welke deze gedachte en deze bede mét zich brachten, vervloog bijna onmiddellijk, toen Joost het hoofd oprichtte. In de uitdrukking van zijn gelaat, in den blik, waarmede hl) de binnenkomenden aanstaarde, waren niet zoozeer schaamte en schuldbesef te lezen, als wel een soort van suffe verlegenheid, gemengd met wrevel. Hij rees half op van zijn stoel, en stamelde: „gij hier, Vader?quot;

„Verwondert u dat?quot; vroeg deze, op een toon, waarin de goedhartigheid door den ernst heenstraalde: „ik heb gemeend, dat gij den raad en de hulp van uw vader zoudt noodig kunnen hebben, en ik ben gekomen om u die aan te bieden.quot;

Joost antwoordde niets, maar wandelde langs de tafel om een stoel voor zijn vader te krijgen. Deze had er echter reeds een genomen, had zijn mantel en hoed reeds aan De Wolff overhandigd en zich nedergezet.

„Gij hebt dan aan vader gezegd----quot; vroeg Joost met een verwijtenden blik aan De Wolff.

„En aan wien nader zou hij gezegd hebben wat bovendien reeds aan de halve stad bekend is?quot; vroeg Vondel: „en toch, Joost! wat mij in deze zaak het meest verdriet, nog het bitterst grieft, is niet zoozeer, dat gij uw zaken in zulk een verwarden toestand gebracht hebt, als wel, dat gij mij nw vertrouwen onthouden hebt, toen alles nog te herstellen geweest ware.quot;

-ocr page 243-

EEN BEDRUKTE VADER. 235

„Ik dacht.... ik hoopte nog altijd----quot; stotterde Joost.

„Op wat? op een mirakel?quot; vroeg zijn vader: ,mirakelen geschieden alleen ten behoeve van vrome en heilige menschen, nietom dwaasheden goed te maken, of om hem, die slecht handelt, in zijn verkeerdheden te stijven. Maar genoeg! ik kom hier niet om u verwijtingen te doen: dat laat ik aan uw eigen geweten over! Ik kom, om te zien, in hoeverre er nog middel bestaat om uw naam, den naam, die ook de mijne is en die mijns braven vaders was, voor schande te bewaren. De Wolff heeft mij gesproken van een soort van balans, die gij hadt opgemaakt: laat mij die eens zien.quot;

De toon van gezag, op welken de oude man gesproken had, liet

teen tegenspraak toe. Joost bracht een lederen bneventasch voor en dag, haalde er met bevende vingers een gevouwen papier uit en lei het voor zijn vader neder.een tegenspraak toe. Joost bracht een lederen bneventasch voor en dag, haalde er met bevende vingers een gevouwen papier uit en lei het voor zijn vader neder.

,Laten wn eens zien,quot; zeide deze, terwijl hij de debetzijde doorliep: „aan Roelof Koelofszoon te Leiden ƒ583:17:8 —• ik ken die pretentie: zij had reeds lang moeten zijn afgedaan: aan Henri Deurlair te Atrecht ƒ1135:12:13 — waar is dat voor?quot;

„Voor geleverd tapijtwerk,quot; antwoordde Joost, „een slechte speculatie.quot;

„Slecht of niet, het geld zal betaald moeten worden,quot; hernam Vondel: „aan Henry Knight te Londen ƒ13608:12:8, hoe kan die som zoo hoog zijn geklommen?quot;

„Vroeger hadden wij zes correspondenten te Londen,quot; antwoordde Joost: „dat was omslachtig en dnur: nu hebben wij maar met één man te doen, dat beterkoop uitkomt.quot;

„Omdat hij een achtste percent minder rekent, nietwaar?quot; vroeg Vondel, „en daarom hebt gij schappelijke, solide kantoren laten loo-pen, die ons sedert jaren en goed bediend hadden, — of denkt gij dat dit achtste niet op de eene of andere wijze er uit gehaald moet worden? — Ik wed, dat de goederen, u door tusschenkomst van dien Knight overgemaakt, van mindere qualiteit zijn dan die, welke Reid of Collins ons bezorgden. — Doch 't. zij zoo! Wanneer vervalt dit geld?quot;

„ƒ6000 ongeveer zijn reeds vervallen, de rest over twee en vijf maanden,quot; antwoordde Joost.

De oude man schudde het hoofd. „Alzoo zijt gij,quot; hernam hij, indien gij die ƒ6000 niet betalen kunt, voor die som reeds bankroet. Verder: — aan Kolm voor geleverde goederen ƒ463:17:3 — aan Jan Pieterse voor Idem, ƒ234:3;12 enz, enz..... dit zijn alle gewone posten, die al lang hadden moeten afgedaan zijn; — maar wat is dit: aan Emmanuel De Lima ƒ8275:15. — Wat is dat voor een vordering? en wat hebt gij met Emmanuel De Lima uitstaan!quot;

„Opgenomen gelden,quot; stotterde Joost.

„En welk onderpand hebt gij hem gegeven?quot; vroeg Vondel, „van dien sinjeur weet ik bij geruchte althans zooveel, om vast te stellen, dat hij u die som op uw eerlijk uitzicht niet zal hebben voorgeschoten.quot;

„Een schepenkennis op het huis----quot; zeide Joost.

-ocr page 244-

236 EEN BEDRUKTE VADEB.

„Hm! — Tot welk bedrag?quot;

„Zeven duizend gulden.quot; antwoordde Joost.

„En de overige vijfhonderd rijksdaalders?quot;

„Zijn voor interessen....quot;

„En verdere woekerwinst,quot; viel Vondel in: „ik versta dat. En daarvoor hebt gij waarschijnlijk uw meubelen en winkelwaren verbonden.quot;

Joost liet tot antwoord het hoofd op de borst zinken.

„Zoo is dan de goede oude „Trouwquot; verpand, met al wat daarin is,quot; hernam Vondel: „Joost! Joost! en waarom niet liever bij uw vader gekomen, toen gij in den brand zat, in stede van u tot een woekeraar te wenden.quot;

„Ik wist---- ik meende---- dat gij u liever met andere dingen

bezighoudt dan met geldzaken,quot; zeide Joost.

„Foei, Neef!quot; kon De Wolff zich niet weerhouden uit te roepen.

„Laat hem spreken,quot; zeide Vondel ernstig: „hij heeft misschien gelijk, — ik had mij meer met de geldzaken moeten bemoeien: ofschoon ik ze ten minste niet in zulk een toestand heb achtergelaten; — maar wat daarvan zij---- Verder: — Onbetaalde rekeningen A0. 1656: ƒ752:17:12, idem A«. 1657: ƒ1763:12:4, dat is grof! zeer

trof! — Totaal ƒ51391:15:14, — 't is een zwaar cijfer! — Maar is it nu alles?quot;rof! — Totaal ƒ51391:15:14, — 't is een zwaar cijfer! — Maar is it nu alles?quot;

„Alles, zooveel ik mij herinneren kan,quot; antwoordde Joost.

„'t Zal van belang zijn, dat gij uw geheugen goed raadpleegt,quot; hernam Vondel — „doch laten wij intusschen zien, wat gij tegenover die schulden stellen kunt. — Hier vind ik in de eerste plaats het huis, gesteld op ƒ 8000.quot;

„'t Is de prijs, waarop het geschat werd,quot; merkte Joost aan.

„Geloof mij,quot; zeide zijn vader, „nu De Lima er eens de hand op geslagen heeft, zult gij er nimmer een penning meer voor bekomen, dan hij er op geschoten heeft. — Winkelgoederen: ƒ 1135 — 't zal mij verwonderen, zoo gij er de helft voor krijgt: Waren in 'tpakhuis „de Reusquot;: f 3373:2:6; wanneer die opeens moeten afgezet worden, brengen zij die som niet op. Uitstaande vorderingen: Jan Scheep-makersz.... Pieter Beth.... Jan Schaep.... Gerrit Antonisz.... hm! deze zijn alle goed.... jammer maar, dat het cijfer niet hooger is.... Bernard Thomasz ƒ 1256:3:4.quot;

„Die schrijft sedert lang: „morgen betalen,quot; voor zijn deur,quot; zeide De Wolff.

„Verder, Rolf Ericson te Kopenhagen: ƒ 937:5:10. Dat schijnt al een oude post.quot;

„Al van voor drie jaren,quot; antwoordde Joost: „ik kan dat geld maar niet binnenkrijgen.quot;

„Tobias Brandt, te Frederikstad.... ƒ688:7:2 — een oude klant.quot;

„Maar vrij vergeetachtig, als 'top betalen aankomt,quot; zeide Joost.

„Leife Niels te Kopenhagen, ƒ1132:0:8,quot; vervolgde Vondel; — „eeu brave vent, die mij goed onthaalde, toen ik in Denemarken was: — ik kan niet begrijpen, waarom hij u niet betalen zou. — Christiaan Rosen, Leife Borstal te Odensee.... Rolf Muller, Erik Gustafson te

-ocr page 245-

EE» BEDBUKTE VADER. 237

Wiborg.... knappe lieden altemaal----doch aan wie hun verplichtingen wel eens dienen herinnerd te worden: totaal: ƒ29357:8:12 — nadeelig slot: ƒ22034:7:2 — dit slot is weinig troostrijk!quot; En de goede man bleef een poos in stilte de cijfers aanstaren, als kon hij nog hopen, dat dit er een verandering in zou doen ontstaan.

„Kent uw vrouw uw toestand?quot;' vroeg hij eindelijk, als uit een gepeins ontwakende.

,Ik geloof wel, dat zij iets gemerkt heeft,quot; antwoordde Joost.

„Iets gemerkt!quot; herhaalde zijn vader, op een toon, die niet van hardheid vrij was; want zoo hij zijn onwaardigen zoon nog altijd liefhad, hij had nooit de minste neiging gevoeld voor zijn schoondochter: „zij had het moeten merken, indien zij zich ooit het geringste aan den winkel en in het geheel aan de belangen van het huisgezin had laten gelegen liggen. Maar dat blijft voor hare verantwoording. In allen gevalle is het zaak, dat zij hoe eerder hoe beter wete, waar zij zich aan te houden heeft.quot;

„Hoe zal ik het haar zeggen!quot; vroeg Joost met een beangst gelaat:,zij is zwak van gestel, en die slag zal haar zoo bitter treffen....quot;

„Ik zal het haar zeggen,quot; hernam Vondel; „zij moet gewaarschuwd wezen, teneinde intijds van haren weg terug te keeren. De kinderen zullen wel al naar bed zijn: -— roep haar hier, ik hegeer het: en wees niet bang, ik zal de wonde slaan, doch tevens beproeven er balsem in te gieten.quot;

Joost had wel gaarne het verlangen zijns vaders weerstreefd; maar hij had er de kracht niet toe. Onze groote dichter was wel in gewone tijden toegevend en inschikkelijk, ja zelfs wel eenigszins zwak, in dien zin namelijk, dat hij de zorg voor de wereldsche zaken liever aan anderen overliet, zoolang het goed ging; — maar wanneer hij, in buitengewone omstandigheden, als deze, eenmaal zooverre kwam dat hij een vasten wil had, en dien toonde, dan lag er iets vorstelijks, iets gebiedends in zijn wezen, waar niemand, en wel het minst zijn onbeduidende zoon, zich aan onttrekken kon.

„Dat verwondert mij, Oom!quot; merkte De Wolff aan, toen Joost vertrokken was, „dat gij er die vrouw in haalt. Dat wijvegejank zal ons beletten, onze aandacht aan de zaken te schenken.quot;

„Goed!quot; zeide Vondel; „maar die zaken zijn evenzeer de hare, en zij moet naderhand noch aan haar man, noch aan mij, het verwijt kunnen doen, dat wij haar onkundig hebben gelaten omtrent hare belangen; — doch stil! daar is zij.quot;

Joost kwam op dit oogenblik terug met zijn vrouw: en het was haar aan te zien, dat zij inderdaad, gelijk hij het uitdrukte, „wat gemerktquot; had. Immers hare oogen waren rood en gezwollen als van iemand die geweend had, hare wangen waren bleek, en hare tanden klapperden tegen elkander, toen zij haar schoonvader poogde goeden avond te wenschen.

„Baertje!quot; zeide Vondel op een plechtigen toon; „met leedwezen zeg ik u, wat uw man u reeds sedert lang had behooren te zeggen, dat zijn zaken in een verwarden toestand zijn.quot;

-ocr page 246-

EEN BEDBUKTE VADER.

Hier sloegen de tanden nog erger aan 't klapperen; en met een verwezen gelaat zag zij haar schoonvader aan.

„Intusschen,quot; hernam Vondel: „wij willen niet wanhopen, voordat alle middelen tot herstel zijn uitgeput: er is misschien nog kans om den boel weer in orde te brengen; maar dat kan niet geschieden zonder uwe medewerking.quot;

Een straal van hoop en verwachting blonk op het gelaat der jonge vrouw, zoodat Vondel zelfs een oogenblik berouw had over zijn woorden, en alreeds vreesde, dat zij zich te veel vleide en haar toestand te luchtig inzag. Maar hoe verbaasd en verontwaardigd keek hij op, toen zij, het woord nemende, met een vrij vaste stem zeide :

„Ik geloof, dat ik u begrijp, Vader! gij wilt zeker aanraden, alles op mijn naam te zetten, zoodat de crediteuren er niet aan kunnen komen.quot;

„Ja! inderdaad!quot; riep Joost uit, zijn vrouw met bewondering aanstarende: „dat ware misschien te doen.quot;

„En hij ook!quot; zeide Vondel, terwijl hij een weemoedigen blik naar De Wolit wendde, die langzaam Het hoofd zat te schudden: „neen waarlijk, Baertje! zoo iets als waar gij op doelt, zal ik nimmer voorstellen. Of denkt gij, dat ik hier op mijn ouden dag mijn kinderen tot schelmerijen zou aansporen? Neen voorwaar! Ieder, die wettige vorderingen heeft, moet het zijne bekomen, opdat gij en uwe kinderen met opgeheven hoofde over straat moogt gaan en zonder schaamte den naam, gij van uw man, en zij van hun vader, kunnen hooren! Doch daartoe is het noodig, af te zien van dat vroolijke leven, 't welk gij tot heden hebt geleid, aan alle verspillingen vaarwel te zeggen, en te worden wat gij behoort te zijn, een vrouw van orde en regelmaat, een zorgende en spaarzame huismoeder. Gevoelt gij moeds genoeg, dit te worden, en kunt gij mij daarvan de verzekering geven, dan zie ik de toekomst nog zoo donker niet in; — kunt gij dit niet, dan zal hetgeen wij hier verrichten volkomen ijdel zijn.quot;

„Nu zie eens,quot; zeide de vrouw, terwijl zij schreide van droefheid en meer nog van spijt: „nu zal ik nog de schuld krijgen dat de zaken in de war zijn geloopen: alsof ik het bestuur over den winkel had gehad. Ik ben het veeleer die reden heb van beklag, dat ik mij heb laten bepraten om een weduwnaar met kinderen te nemen en mij in zooveel zorg te steken, terwijl ik thuis vrij en vroolijk had kunnen leven. Had ik maar beter geluisterd naar hen, die mij waarschuwden, dat de zaak lang niet bloeiend, maar in treurig verval was. Dat is nu mijn loon.quot;

„Gij bedriegt u, Vrouw!quot; zeide Vondel op een strengen toon: „toen ik dit huis verliet, wezen de boeken nog een voordeelig slot aan. Of gij, dan wel uw man, de meeste schuld draagt van de verandering, die sedert heeft plaats gehad, ziedaar, wat ik niet wil onderzoeken; het is beter, niet terug te zien naar het verledene, maar onze aandacht te slaan op wat de nood van het oogenblik vordert: er moeten handen aan 't werk geslagen worden, om u voor volkomen onder-

238

-ocr page 247-

EEN BEDBtTKTB VADEK. 239

gang te bewaren: en daartoe moet ieder het zijne doen; doch zoo gij daartoe niet met alle kracht wilt helpen, dan, ik herhaal het, is onze arbeid ijdel, en ik. -. J' hier rees hij van zijn stoel op, ,bemoei er mij niet verder mede.quot;

„Om 'shemels wil, Baertje!quot; zeide Joost, verschrikt: „maak vader toch niet toornig: zoo hij ons verlaat, dan kunnen wij loopen bedelen.quot;

„Maar wat kan een arme vrouw, als ik ben, dan doen? Kan ik hier geld bezorgen?quot; riep zij snikkende uit.

„Bezorgen, ja, door het te besparen,quot; zeide Vondel: „en meer wordt van u niet gevergd. Geen ijdele opschik, geen fijne gerechten, geen onnutte uitgaven meer. Zie! dat is 't, waar gij voor kunt zorgen.quot;

„'t Is waarlijk, of wij hier een prinsenleven leidden,quot; hernam Baertje: „doch ik zal alles doen wat men vordert,quot; vervolgde zij met klimmenden wrevel; „ik zal droog brood eten, zoo 't nood is: ik zal mij opsluiten en geen kraai meer zien; — o wee mij! wee mij!quot; Hier belette een zenuwtoeval haar verder te spreken: zh wierp zich in haar stoel achterover en begon luid te gillen en met handen en voeten te slaan.

„Ziedaar wat ik gevreesd had,quot; zeide De Wolff tegen Vondel, terwijl Joost zijn vrouw tot bedaren zocht te brengen.

„Eens moet het haar toch gezegd worden,quot; zeide Vondel, „en gij kunt zelf oordeelen, of het al dan niet noodig was er geen doekjes om te winden met een vrouw als zij. Indien zij niet wijs wil wezen uit plichtbesef, dan moet zij het kunnen zijn uit noodzakelijkheid. — Kom Joost!quot; vervolgde hij, zijn stem verheffende, „zie dat gij uw vrouw naar haar kamer krijgt en laat zij wat rust nemen.quot;

Altijd even gedwee, voldeed Joost, met behulp der op het geschreeuw toegeschoten dienstmaagd, aan het verzoek zijns vaders: de vrouw des huizes werd naar het slaapvertrek gedragen en spoedig daarna keerde haar man terug.

„Hoe is het er mede?quot; vroeg zgn vader: „mij dunkt, het heeft zich nogal ras geschikt.quot;

„O,quot; zeide Joost, „zij is weer bijgekomen en zal nu wat gaan rusten.quot;

Doch wat Joost niet zeide, was, dat indien hij zoo spoedig terugkwam, het voornamelijk was om te ontkomen aan de scheldwoorden en verwijtingen, waarmede zijn vrouw, zoodra zij het spraakvermogen teruggekregen had, begonnen was hem te overladen.

„'t Is wel,quot; zeide Vondel, „en nu tot de zaken: eerst onderzocht, hoeveel er onmiddellijk noodig is, om de gevaarlijkste gaten te stoppen. Hebt gij de brieven bij de hand? want ik veronderstel, dat wij uit de boeken niet veel licht zullen scheppen.quot;

Joost haalde beide, brieven en boeken; en nu zette zijn vader zich met De Wolft aan het werk, daarbij een ijver en helderheid van begrippen aan den dag leggende, waarover deze verbaasd stond, als hebbende die niet verwacht van iemand, die maar een poëet en geen man van zaken was. Hij wist niet, de goede De Wolft, dat zoo

-ocr page 248-

EEN BEDKÜKTE VADER.

een genie als dat van Vondel met de zaken van 't gewone leven zich over 't algemeen minder ophoudt, het niet is, omdat hij die niet verstaat, maar omdat het een grooter en edeler taak te vervullen heeft.

Toen het gehouden onderzoek, dat natuurlijk een geruimen tijd duurde, en waarbij de kaars moest worden ontstoken, hem tot eenige bepaalde resultaten gebracht had, zeide Vondel, dat het nu zaak zoude zijn, te onderzoeken, op welke wijze geld te vinden ware: „het is echter,quot; vervolgde hij, „te laat geworden, om daar hedenavond aan voort te gaan; ik zal de boeken en papieren met mij nemen, die morgenochtend op mijn gemak doorloopen en morgennamiddag weder hier zijn.quot;

Hij deed als hij gezegd had, maakte een pak van de schrifturen, welke De Wolff onder den arm nam, en begaf zich met dezen weder naar huis. Hij bewaarde den ganschen weg over een diep stilzwijgen, waaruit De Wolif het niet waagde, hem te storen: doch welke gedachten zijn brein vervuld hadden, bleek genoegzaam, toen hij, op zijn stoep gekomen, en afscheid nemende van zijn neef, hem toevoegde:

„Neef! Neef! noem geen kinderen ooit naar uwen naam; want die wordt gebrandmerkt, als zij niet deugen.quot;

HL

De volgende namiddag vond al de personen, met wie de lezer kennis heeft gemaakt, in de achterkamer van het huis in de Warmoes-straat bij elkander. De vrouw des huizes, die toch bij nader inzien begrepen had, dat het wijzer ware, haar schoonvader niet te vertoornen, had hem met de vriendelijkste manieren ontvangen en zelfs een soort van verontschuldiging gestameld over haar gezegden van den vorigen avond, welke zij toeschreef aan de ontsteltenis en de verwarring van het oogenblik. Vondel begreep van zijn kant, dat hij haar de les genoeg gelezen had en nu niet op het onderwerp hoefde terug te komen: zijn dochter Anna had hem bovendien gesmeekt, haar schoonzuster niet te hard te vallen, en hem deze reis vergezeld, in de veronderstelling, dat hare tegenwoordigheid niet geheel nutteloos wezen zou.

„Welnu!quot; zeide Vondel, nadat allen rustig gezeten waren: „ik heb de briefwisseling nagezien en met de boeken vergeleken: — wat de gelden betreft, die hier te lande te vorderen zijn, Joost moet daarvan maar hoe eerder hoe beter zijn werk maken, en zoo het kwade betalers zijn, hen doen dagvaarden. Met twee of drie zal het misschien zaak zijn, in schikking te komen, en te denken: beter

240

-ocr page 249-

EEN BEDRUKTE VADEB. 241

een half ei dan een leege dop. — Wat de pretentiën op onze Deen-sche vrienden aangaat, dat is een zaak van meer neteligen aard. Uit de brieven heb ik gezien, dat sommigen van die heeren contra-

Eretentiën beweren te nebben en anderen het bedrag der vordering etwisten. Processen te voeren is altijd een kwaad iets; maar vooral in een vreemd land, waar men niet weet, of men zijn eigen pleit-verzorgers wel vertrouwen kan. Het zou daarom wenschelijker, ja in mijn oog noodig zijn, dat iemand, die met de zaken bekend ware en in wien wij ons vertrouwen stelden, daarheen ging om met die lieden te spreken en alles te vereffenen. In een halfuur onderhouds doet men meer af dan met een geheel jaar correspondentie; wat dunkt u er van Neef?quot;retentiën beweren te nebben en anderen het bedrag der vordering etwisten. Processen te voeren is altijd een kwaad iets; maar vooral in een vreemd land, waar men niet weet, of men zijn eigen pleit-verzorgers wel vertrouwen kan. Het zou daarom wenschelijker, ja in mijn oog noodig zijn, dat iemand, die met de zaken bekend ware en in wien wij ons vertrouwen stelden, daarheen ging om met die lieden te spreken en alles te vereffenen. In een halfuur onderhouds doet men meer af dan met een geheel jaar correspondentie; wat dunkt u er van Neef?quot;

„Volkomen waar. Oom!quot; zeide De Wolff: „maar wie zal die reis ondernemen? Sturen wij er een advocaat of procureur heen, dan zullen vrees ik, de ingevorderde gelden aan reiskosten en vacatiën wegsmelten.quot;

„Er zijn reizigers, voor andere huizen, die er heengaan,quot; waagde het Joost te zeggen: „en die onze belangen tevens zouden kunnen waarnemen.quot;

„Dat heeft ook zijn kwade zijde,quot; merkte De Wolff aan: „men moet dan zijn zaken aan derden blootleggen, die er niet mede te maken hebben, die wellicht in 't geheim mededingers zijn van hun lastgever en hem 't beentje lichten, en in allen gevalle bederft men er zijn krediet door. — Neen! in zulke omstandigheden dient

men wel zelf te gaan,____tenzij----quot; hier hield hij plotseling stil,

want hem zelf kwam het denkbeeld te dwaas voor, dat Joost, die geen verstand noch karakter genoeg bezat, om te huis den wagen recht te houden, met eenige hoop op goeden uitslag zijn belangen in den vreemde zou gaan behartigen. De man wien 't gold was echter van een andere meening. Eigenwaan bezat hij zooveel als elke stommeling: en een reisje buitenslands lachte hem in dat tijdsgewricht nogal toe: „Nu!quot; zeide hij: „indien gij denkt dat ik zelf....quot;

„Dwaasheid!quot; viel Vondel in: „gij moet hier blijven, en den schijn zelfs niet aannemen, als wildet gij uw crediteuren ontloopen.quot;

„Ja!quot; zeide De Wolff, de schouders ophalende: „dan zal het plan moeten worden opgegeven. Ik voor mi) zou van harte gaarne naar Denemarken, en desnoods naar Moskovië gaan, zoo ik daarmede de eer der familie redden kon; doch ik ben zelf huisvader en aan mnn kantoor gebonden. En wie anders zal er gevonden worden, om zulk een reis te ondernemen?quot;

„Wel,quot; antwoordde Vondel: „indien er zich niemand voordoet, die er meer toe geschikt is, dan zal ik mij met die taak belasten.quot;

Een algemeene uitroep van verbazing volgde op deze verklaring.

„Gij Vader!quot; zeide Joost: „gij zoudt die goedheid hebben....quot;

„Een oud man als gij!....quot; riep Baertje, die niet recht wist of zij hem bewonderen of voor halfwijs verslijten moest.

„Lieve Vader!quot; zeide Anna, de handen smeekend samenvouwende: „laat gij u thans niet door uw goed hart te verre leiden?quot; b. w. V. 16

-ocr page 250-

242 EEN BEDBUKTE VADBE.

„Oom!quot; zeide De Wolff: „ziedaar een dienst, welken Joost niet mag aannemen.quot;

„Tut tut!quot; zeide Vondel: „niet allen te gelijk. Hier is goede raad duur, dat zijn wij allen eens: en evenzeer zijn wij het eens, dat er iemand naar Denemarken heen moet. Tenzij gij mij nu een geschikter persoon weet aan te wijzen, geloof ik zonder yerregaanden eigendunk te mogen zeggen, dat ik de noodijje vereischten, die men in een zaakgelastigde begeert, in mij vereemg. Ik ken de zaken, waarover gehandeld moet worden; ik ken Denemarken door vroegere reizen, ik ken zelfs de meesten der personen, met wie onderhandeld moet worden. Ik zal de zaak ter harte nemen, gelijk geen vreemde doen kan, en ik zal de reis voor mijn eigen rekening doen. Zoo lang gij mij nu niet kunt tegenwerpen, dat ik te dom of te ongeschikt ben, weet ik niet, waarom gij zoudt aarzelen, uw toestemming te geven.quot;

„Dat is alles waar,quot; zeide De quot;Wolff: „maar uw hooge jaren----quot;

„De ongemakken der reis,quot; voegde Anna er bij.

„Daar worden mij nu mijn jaren weer naar 't hoofd gesmeten,quot; zeide Vondel met een vroolijken glimlach: „wel! ik durf zeggen, dat ik jonger ben dan dertig jaar geleden. Toen was ik altijd sukkelend en zwak: nu daarentegen, sedert mijn vijftigste jaar, ben ik zoo gezond als een visch, en loop door alle weer en wind tegen den besten aan. — De ongemakken der reis! Phoe! is 't niet, of ik naar Tartarije trok. Wij gaan immers naar den zomer, en ik heb nooit van zeeziekte geweten. Vind ik een goede gelegenheid met een hecht gebouwde kof, dan is zulk een zeereisje van een dag of zes of acht, al naar de wind waait, wel gezond. Kort en goed, indien Joost er niet tegen heeft mij zijn procuratie te geven, dan scheep ik mij in, en beter vandaag dan morgen. Men moet het ijzer smeden terwijl het heet is.quot;

„En de oorlog!quot; hernam De Wolff: „de Zweedsche kruisers laten geen vaartuig ongemoeid.quot;

„Ei wat!quot; riep Vondel uit: „zij zullen zich tweemalen bedenken, eer zij het wagen, de vlag der Heeren Staten te beleedigen. — Of, acht men de reis over zee gevaarlijk, dan neem ik den postwagen, en reis over land.quot;

„Maar laat mij ten minste met u gaan, lieve Vader!quot; hernam Anna, met kinderlijke bezorgdheid.

„Gij meent het goed, Anneke-lief!quot; zeide de oude man, haar glimlachend toeknikkende: „maar ik vrees, dat de rollen dan zouden omgekeerd zijn, en dat ik meer in de gelegenheid zou komen, om op u te passen, dan gij op mij. Neen! neen! 't is er mee als ik broer Peter heb laten zeggen tegen Badeloch:

Een vrou gedijt tot last, zy weet niets uyt te reghten:

en vooral op reis niet. Als gij naar Buiksloot gaat, zijt gij reeds zeeziek: hoe zou dat gaan ih de groote of kleine Belt? altemaal

-ocr page 251-

EEN BEDRUKTE VADEE.

„Vader is „ , zeide Baertje: „en ik geloof, dat Joost niets anders doen mag, dan zijn voorslag dankbaar aannemen.quot;

Joost stamelde inderdaad eenige betuigingen van dankbaarheid.

„Die zaak is alzoo bepaald,quot; herhaalde zijn vader: „doch er dient meer gedaan te worden. Of die gelden in Denemarken zullen inkomen of niet, is nog de vraag; en intusschen moet er gezorgd worden om het hoofd te kunnen bieden aan de behoeften van het oogenblik.quot;

„Ja, dat is waar'quot; zuchtte Joost, terwijl hij het hoofd weder liet hangen.

„Welnu!quot; vervolgde Vondel: „ik heb ook hierover nagedacht en ziehier wat ik besloten heb. Terwijl ik uwe belangen ginds behartig, zult gij een volmacht aan neef Jan geven, om hetzelfde hier te doen, en de noodige schikkingen met uw crediteuren te maken: zoo zij weten dat zij hun geld krijgen, zullen zij waarschijnlijk handelbaar zijn en u tijd gunnen. En om de dringendste schulden af te doen, daartoe zal ik hem in staat stellen. Ik ben wel niet bemiddeld, maar ik heb toch altijd genoeg overgegaard, om de eer van uw naam te redden; — de toekomst zal moeten leeren, of gij, door vlijt, door eerlijkheid en een beter gedrag, uw dankbaarheid betoonen wilt.quot;

„O gewis!quot; riep Joost: „ik zal alles doen, wat ik kan----ik zal----quot;

„Gij zijt een waardig man. Vader!quot; zeide Anna, terwijl zij een dankbaren blik op Vondel wierp.

„En gij zijt de éénige, mijn lieve kind! die mij niet moest prijzen,quot; zeide Vondel: „want gij zijt de éénige, die er misschien door lijden zult. Ik had dat geld voornamelijk bespaard om uwe toekomst te verzekeren.quot;

„Ik heb het u immers gisteren reeds gezegd. Vader!quot; zeide Anna: „dat ik voor mij geen behoeften had.quot;

Baertje was opgestaan, met oogen tintelende van vreugde, en overlaadde naar schoonvader met loftuigingen en fraaie beloften.

„En nu blijft alleen de vraag nog overig,quot; zeide Vondel: „of neef Jan den last wil aanvaarden, dien wij op zijn schouderen leggen.quot;

„'t Is een zware verantwoordelijkheid, die ik op mij laad,quot; antwoordde De Wolff, die de edelmoedigheid van zijn oom wel bewonderde, doch maar half goedkeurde: „ik zal echter mijn best doen om uw vertrouwen niet te beschamen.quot;

„Dan is alles, wat de hoofdpunten betreft, in orde,quot; zeide Vondel: „en nu, de bijzonderheden nog eens nagegaan.quot;

Met die bijzonderheden zullen wij ons niet inlaten. Misschien beschuldigen mijn lezers en vooral mijn lezeressen mij, dat ik in den loop van mijn verhaal er reeds te veel gegeven heb. Daartegen kan ik geen andere verdediging aanvoeren dan die van den vorst der Romanschrijvers: „indien ik somtijds vervelend ben, houd u dan overtuigd, dat een volstrekte noodzakelijkheid er mij toe dwingt.quot;

243

;ekheid. Gij zult hier blijven en op het huis passen, 't Past boven-lien niet, d reizen,quot; voegde hij er schertsende bij.

-ocr page 252-

EEN BEDRUKTE VADEB.

IV.

Geen acht dagen waren verloopen, of Vondel had de reis naar Denemarken aanvaard. Voor twintig jaren had hij die nogmaals gedaan; en hoe was alles sedert dien tijd veranderd! 't Is waar, hij was, gelijk hij zeide, nog krachtig en gezond; maar toch, op die vroegere reize drukte hem niet, gelijk thans, het huiselijk verdriet. Bij die eerste reize was hij voorzien geworden van schitterende aanbevelingen; want toen was hij nog de gemeenzame vriend van Hooft, van Huyghens, van Van de Poll, van Mostert, van Baeck, van zoovele anderen, die de gewichtigste betrekkingen bekleedden; thans waren zij dood of van hem verwijderd, en de voet van gelijkheid, waarop zij vroeger met elkander verkeerden, had plaats gemaakt voor den afstand, die den hoogmoedigen beschermer scheidt van den onderdanigen cliënt. Bij die eerste reis had hij de verwachting, te Kopenhagen zijn boezemvriend aan te treffen, den wakkeren Reael, die, afgezant aan 'tDeensche Hof, hem daar in betrekking kon brengen met de doorluchtigste en invloedrijkste staatslieden en magistraten; nu rustte sinds jaren de brave man in 't graf, en te Kopenhagen zelf was zijn korte verschijning wellicht reeds vergeten.

Ntót lang echter nadat hij ter plaatse zijner bestemming gekomen was, mocht hem het onverwacht geluk te beurt vallen, er landge-nooten aan te treffen, op wier bescherming en aanbeveling hij met vruchteloos zou rekenen. Er kwam namelijk aldra een gezantschap, door de Staten-Generaal aan den Koning van Denemarken gezonden om de of- en defensieve tractaten, door beide Mogendheden gezamenlijk tegen Zweden gesloten, nader te bevestigen. Aan het hoofd van dat gezantschap bevond zich de schrandere vriend van Jan De Witt, de later zoo Beroemde Koenraad Van Beuningen, Pensionaris van Amsterdam. Deze trok zich zijn stadgenoot aan en verschafte hem den toegang tot de hoogere kringen van Kopenhagen. Hoe Vondel hem en zijn medegecommitteerden daarvoor dankbaar was, hoe hij in betrekking tot aanzienlijke Denen geraakte, leeren wij in gedichten, welke hij gedurende zijn verblijf in Denemarken vervaardigde, en later uitgaf onder den titel van , Par nas aan de Belt,quot; inzonderheid uit de „Groete aan de gezanten,quot; uit zijn lofdichten op den Rijks-Hofmeester Joachim Gerstdorp en op den Resident van Polen Tobias Morstin. — Wellicht zal zich deze of gene er over verwonderen, ja op een toon van afkeuring spreken, dat Vondel, die naar Denemarken voor ,zakenquot; ging, en hoofd en hart vol moest hebben over zijn eigen toekomst, zijn kostelijken tijd zoo kon verbeuzelen met verzen te maken: — misschien zelfs beweert deze of gene dat zulks weinig gevoel bij hem bewees. Ik ben overtuigd, dat wie zoodanig oordeel velt, anders zou gehandeld hebben dan onze

244

-ocr page 253-

BEN BEDRUKTE VADEK. 245

dichter. Zoodanig iemand had zeker zelf geen verzen gemaakt; doch of hij onder dezelfde omstandigheden dezelfde moeilijke reis zou gemaakt hebben, ziedaar wat nog de vraag ware. Naar mijne meening moet, bij hetgeen Vondels levensbeschrijvers ons berichten met betrekking tot zijn gemoedelijk en licht aantrekkelijk gestel, het feit zelf dat hij in Denemarken zijn ledige uren niet aan een ijdel sufl'cn en mokken besteedde, maar aan de Muzen wijdde, eenvoudig tot bewijs strekken van 'smans ongewone kracht van geest. Dat hij in den vreemde geen vermaken najaagde, dat hij er ook weinig vermaak vond en hartelijk en dagelijks naar het tijdstip uitzag, waarop de afdoening zijner zaken hem vergunnen zou, naar zijn vaderland terug te keeren, dit blijkt uit hetgeen hij later, bij zijn tehuiskomst aan zijn vrienden betuigde, namelijk, dat hij menigmaal bad:

O Heer! wil mij verlossen

Van deze Deensche ossen.

Hij verliet echter Denemarken niet — en dit bewijst vóór hem beter dan alle redeneeringen -— dan toen hij het doel van zijn tocht bereikt had en de gelden, die, na vergelijking en vereffening van alle pretentiën en contra-pretentiën, zijn zoon bleken toe te komen, zooveel mogelijk had ingevorderd. Toen keerde hij huiswaarts, en gewis, hij had wel verdiend, alsnu het loon voor zijn opofferingen in te oogsten. Dan helaas! het tegendeel had plaats en te spoedig verkreeg hij de overtuiging, dat hij voor nieuwe beproevingen bewaard was. Niet alleen waren zijn onwaardige zoon en zijn even onwaardige schoondochter, zoodra zij uit de eerste verlegenheid gered waren, den ouden weg weder opgewandeld, en hadden zij de bestaande schulden met nieuwe vermeerderd; maar ook kwam het uit, dat — zooals dit doorgaans het geval is — er aan Vondel zoowel als aan zijn neef maar gedeeltelijke opening van zaken gegeven was, ja dat de gewichtigste en meest heilige schulden verzwegen waren. De jonge Vondel had — om 't even in welke hoedanigheid -— gelden van anderen onder zijn berusting; en toen hij zich in verlegenheid bevond, deze 't eerst aangesproken: zelfs nog vóór dat hij zich tot de woekeraars wendde. Uit schaamte had hij dit misbruik van vertrouwen voor zijn vader verzwegen; doch de tijd der verantwoording was gekomen en nu moest het hooge woord er uit. Nu werden voor Vondel, wilde hij zijn zoon niet als een misdadige vervolgd en gestraft zien, nieuwe opofferingen noodig, en ook deze vielen den vader niet te zwaar; hij redde de eer zijns zoons, hij voldeed voor hem tot den laatsten penning; — maar nu was ook de hoop, waarmede hij zich nog gevleid had, dat het kantoor zou in stand kunnen gehouden worden, voor altijd vervlogen: aan huis en winkel moest worden vaarwelgezegd, en de beide echtelieden behielden niets meer van wat vroeger het hunne was. De vrouw troostte zich spoedig: zij had haar man alleen genomen omdat zij een lui en gemakkelijk leven met hem meende te kunnen leiden; nu hij arm was, kon zij hem missen; een nieuwe beschermer

-ocr page 254-

246 EEN BEDRUKTE VADEK.

deed zich op, en zij begaf zich met dezen het pad op. De kinderen trokken bij hun grootvader in: met Joost moest nu raad geschaft worden. De vrienden van Vondel zochten den doorbrenger te bewe-

fen, naar Oost-Indië te trekken, het gewone toevluchtsoord in die agen en nog lang naderhand van al wie hier niet deugen wilde; hij was echter te veel hetgeen men in den min gunstigen zin van 't woord „een Amsterdamschen jongenquot; noemt, om ooren aan zulk een voorslag te leenen. De vader had alles gedaan, wat plicht en ouderliefde van hem eischen konden; hij moest nu zelf den losbandige voor verdere opspraak en schande bewaren. Hij ging — zij het ook met een bloedend hart geweest — naar Burgemeesteren, en verzocht van hen, dat de onwillige met dwang gezonden werd, waar hij niet goedschiks wilde heengaan, 't Verzoek, door Vondels vrienden met klem van redenen ondersteund, werd ingewilligd en de zoon van hier gezonden. Hij bereikte echter zijn bestemmingsoord niet, maar stierf op reis.en, naar Oost-Indië te trekken, het gewone toevluchtsoord in die agen en nog lang naderhand van al wie hier niet deugen wilde; hij was echter te veel hetgeen men in den min gunstigen zin van 't woord „een Amsterdamschen jongenquot; noemt, om ooren aan zulk een voorslag te leenen. De vader had alles gedaan, wat plicht en ouderliefde van hem eischen konden; hij moest nu zelf den losbandige voor verdere opspraak en schande bewaren. Hij ging — zij het ook met een bloedend hart geweest — naar Burgemeesteren, en verzocht van hen, dat de onwillige met dwang gezonden werd, waar hij niet goedschiks wilde heengaan, 't Verzoek, door Vondels vrienden met klem van redenen ondersteund, werd ingewilligd en de zoon van hier gezonden. Hij bereikte echter zijn bestemmingsoord niet, maar stierf op reis.

Ruim veertig duizend gulden — een aanzienlijke som vooral in die dagen — had de vader bij deze treurige gelegenheid laten zitten. En dit was niet alles; maar, goedhartig van natuur en licht van vertrouwen, had hij ook meermalen geld geschoten of krediet verleend aan lieden, die 't onwaardig waren en van wie hij 't zijne niet kon terugbekomen. Weinig had hij meer overig, buiten 't moederlijk erfdeel zijner dochter Anna, dat nog onder zijn berusting was. Vreezende, dat wellicht zijn zoon, van wiens overlijden men toen nog onbewust was, nieuwe schulden maken mocht, en het overschot ten behoeve zijner dochter, die al schade genoeg had geleden, wenschende te verzekeren, wellicht zich zeiven niet vertrouwende, droeg hij haar dat moederlijk goed, en al wat hem van 't zijne nog overschoot, gerechtelijk over.

Hierdoor werd wel hetgeen nog in handen was, bewaard; doch 't scheen nauwelijks genoeg, om, — nu ook zijn drie kleinkinderen tot zijn last gekomen waren, — in 't vervolg van te leven. En wat te doen, als het kapitaal aangesproken moest worden, en eens verteerd was? Hij had op zijn leeftijd er niet aan kunnen denken, de ver-loopen nering weder aan den gang te helpen: veel minder kon hij er een nieuwe beproeven: en welke uitnemende verzen hij ook maakte, deze brachten geen voordeel aan, of althans, zoo de lof groot was, het profijt was luttel. „De groote dichterquot; zegt Brandt, — „die zooveel groote personages. Prinsen, Vorsten, Koningen en Helden verplichtte, door onsterfelijken lof, hun toegezongen, had met al zijn dichten en edelen arbeid niet éénen Mecenas of Augustus kunnen winnen, die hem in een kommerloozen staat stelde.quot; Er moest toch raad en hulp geschaft worden, wilde men den ouden man op zijn zeventigste jaar niet tot gebrek laten vervallen. In deze omstandigheden vonden De Wolft' en andere bloedvrienden zijner overleden huisvrouw het geraden, eenig ambt of bediening voor hem te verzoeken. Dit geschiedde echter buiten zijn toedoen, want hij was te kiesch en groothartig, om zijn nood te kennen te geven, en bij hen, wier vaders eenmaal zijn vrienden en goede bekenden

-ocr page 255-

ÈEN BÉDBTJKTE TADER. 24?

geweest waren, de rol van ambtsjager te vervullen. Het was een vrouw, die medelijden met den grijzen dichter had, en wel Anna Van Hoorn, eehtgenoote van Corneïis Van Vlooswijk, toen een der regeerende Burgemeesters van Amsterdam. Tot haar hadden Vondels verwanten zich gewend, als tot een vrouw, die niet alleen de dichtkunst beminde en beschermde, maar die ook een gevoelig hart bezat. Innig werd zij bewogen bij de schildering van de opoffering, welke de brave grijsaard zich getroost had, en van den nood, waarin hij, zoo niemand zich zijner aantrok, zou gedompeld worden. Zij liet zich ook niet lang bidden om zijn voorspraak bij haar echtgenoot te zijn, en zoo was het, dat, op den laatsten Januari des volgenden jaars (1658), 's daags voor de jaarlijksche verandering der Regeering, aan Vondel een betrekking tij de Bank van leening — i r viel toen niets beters te begeven — werd geschonken: een ambt, dat in 't jaar zeshonderd vijftig gulden opbracht.

Vondel was nu, ja, voor gebrek en honger bewaard en gewis niet ondankbaar voor de hem verleende gunst; maar toch, wie zal het ons zeggen, met welke verdeelde gevoelens hij op den morgen, dat hij voor 't eerst zijn nieuwe bediening vervullen zou, zijn dierbaar schrijfvertrek, zijn waarde boeken, zijn geliefkoosde studiën verliet, om op den verwijderden Voorburgwal, in een somber en dompig lokaal, een hem geheel vreemden, een met zijn smaak, met zijn neigingen, met zijn gewoonte geheel strijdigen arbeid te aanvaarden ? Was dit het loon voor zoovele jaren zwoegens en tobbens om de Nederduitsche letterkunde te verheffen tot een hoogte, welke zij nooit gekend had? Was dit de werkkring, waar zijn zeventigjarig leven m moest eindigen, zijn weelderig vernuft gevaar loopen te verstompen ? En gewis, zoo de dichter tegen deze nieuwe loopbaan reeds in zijn verbeelding opzag, de wezenlijkheid viel hem niet mede. Daar moest hij, vroeger gewoon zich vrij en frank te bewegen en aan niemand rekenschap te geven van zijn daden, den geheelen dag op de Bank passen, den heeren, die er van Stadswege 't beleid en 't toezicht hadden, met ontblooten hoofde ten dienste staan, zijn dichterlijke veder, gewoon den hoogen tooneelstijl te schrijven, vernederen om de panden, waar men den verlegenen geld op schoot, te boek te stellen. Was het wonder, dat hij, bij het herdenken aan de omstandigheden, die hem — door toedoen en de schuld van den zoon, die de staf van zijn ouderdom had moeten zijn en de stichter van zijn leed geworden was — in verstrooiing van gedachten eenmaal, tusschen de panden in, de treffende slotregels van zijn Jozef in Dothan nederschreef:

Ach! de ouders teelen 'tkint en brenghen 'tgroot met smart:

Het kleine treet op 't kleet, het groote treet op 't hart.

-ocr page 256-

COEKELIA YOSSIUS.

i.

Hetgeen ik u verhalen ga, bescheiden lezer! heeft niets, dat vreemd, verrassend of romanesk genoemd kan worden: het zullen eenvoudig toestanden en voorvallen zijn uit het dagelijksch, burgerlijk leven. Wel is waar ontleende ik die aan een tijdvak, dat meer dan twee eeuwen van ons verwijderd is; doch daarom zijn zij toch uit haren aard weinig of niet verschillende van die, welke nog heden dagelijks voorkomen, en gewis zouden zij, op zich zeiven beschouwd, de moeite niet waardig schijnen, weder te worden opgehaald, indien niet de namen der personen, die er in betrokken waren, en enkele bijkomstige omstandigheden, er eenige meerdere belangrijkheid aan verleenden. Al wat ik u, betreffende de heldin van mijn verhaal en haar gezin, zal mededeelen, is, tot in de geringste bijzonderheid, historische waarheid, alleen in zooverre gekleurd, als noodig was, om het verhaalde meer aanschouwelijk en tevens meer begrijpelijk te maken. Ik vermeld dit niet, om het als een verdienste te laten gelden; maar eenvoudig omdat gij, naar mijn begrip, recht hebt, te weten, waaraan gij u ten opzichte van hetgeen ik u mededeel te houden hebt.

Het was op een avond in de maand Augustus 1636, dat twee vreemdelingen, die hun intrek hadden genomen in de toenmalige Oude Stads-Herberg te Amsterdam, aan den IJkant gelegen, zich, op de aanbeveling, hun door den waard gedaan, naar de Oude Kerk begaven, om aldaar het orgelspel van meester Dirk Swelinck te hooren. Het was in dien tijd en nog tot aan het einde dier eeuw de gewoonte, dat alle avonden het kleine orgel in die kerk tot genoegen der wandelaars bespeeld werd. De openbare vermakelijkheden, welke Amsterdam in die dagen aanbood, waren weinig in getal: de meeste lieden hadden het, gelijk zulks het geval pleegt te zijn in steden, waar zich door handel 'en nijverheid een buitengewone wel-

-ocr page 257-

CORNELIA vossnjs. 249

vaart ontwikkelt, veel te druk, om vermaken na te jagen: van het bezoeken van den schouwburg werden velen door godsdienstige bezwaren teruggehouden; van andere concerten wist men nog niet: het hier aangebodene was het eenige en had nog bovendien het voorrecht, dat het, door de plaats waar het gegeven werd, en door den aard der stukken, die gespeeld werden, ten deele althans in overeenstemming was met den ernstigen zin der natie: geen wonder dus, dat het doorgaans een vrij talrijke menigte bezoekers uitlokte, ja een soort van vereenigingspunt vormde, waar men heen gedreven werd, 't zij uit liefde tot de toonkunst, 't zij omdat men vrij zeker was, er een menigte kennissen te ontmoeten.

Wat de beide vreemdelingen betreft, die, zooals ik zeide, door hunnen waard daarheen werden gestuurd, de jongste hunner was nog een knaap, en telde oogenschijnlijk niet veel meer dan zestien of zeventien jaren: zijn Poolsche overrok, rijk met passementen versierd en met tressen samengestrikt, had reeds menigen voorbijganger naar hem doen omkijken; ofschoon die uitheemsche kleederdracht, in een tijd, toen Amsterdam, als markt en voorraadschuur van Europa, gedurig duizenden vreemdelingen uit alle wereldstreken in zijn muren zag, geenszins die uitwerking maakte, welke thans, nu de kleederdracnt bij alle beschaafde volkeren dezelfde is, te Amsterdam wordt opgewekt ten koste, en dikwijls tot groeten last van hem, die zich met een maar eenigszins ongewoon kleedingstuk op de openbare straat vertoont. De metgezel van den jongen Pool scheen een tiental jaren ouder en zijn gewaad onderscheidde zich niet van de gewone kleeding der jongelieden van deftigen stand: zijn voorkomen en manieren waren beschaafd en innemend; doch zijn hoog voorhoofd en donkere oogen kenschetsten meer ernst dan aan zijn leeftijd eigen scheen: en uit de wijze, waarop hij tegen zijn jongeren metgezel sprak en zich gedroeg, kon men al spoedig opmaken, dat hij een soort van gezag over hem uitoefende, gelijk hij dan ook inderdaad zijn zedemeester, of — als men 't nu met een uitheemsch woord uitdrukt — zijn gouverneur was.

Toen zij de kerk binnentraden, was deze reeds gevuld met bezoekers, en 'ruischten er de tonen, welke meester Dirk Swelinck, de waardige opvolger zijns onsterfelijken vaders, aan het orgel ontlokte, krachtig en liefelijk door de gewelven. Het was geen onaardig schouwspel, die kloeke Amsterdammers, meestal jongelieden van deftigen huize, met hun moeders, vrouwen, of zusters, hier vergaderd te zien, sommigen in groepen bijeen, anderen meer afgezonderd, deze langzaam op en neder wandelende, gene op stoelen of in de kerkbanken gezeten. Maar ofschoon velen, door de aandacht, welke zij aan het spel verleenden, blijken gaven van hun ingenomenheid met de edele toonkunst, het ontbrak in de kerk niet aan menig gezelschap, waar men, door een wel fluisterend, maar toch vrij druk en aanhoudend gesprek, bewees, hoe de muziek maar het voorwendsel was van de verschijning daar ter plaatse: en zelfs zou hier en daar een lonkje, in 't voorbijgaan geschonken, een wenk, een woord, een handdruk, den spotter in de verzoeking gebracht hebben, de woorden

-ocr page 258-

250 COENELIA vosstüs.

uit de Granida van Hooft hier eenlgszins gewijzigd in toepassing te brengen, en te zeggen:

Indien de Kerk eens klappen kon,

Wat meldde Ze al vrijage!

Onder de weinigen, die zich door niets schenen te laten aftrekken van het genot, dat de muziek hun aanbood, merkte onze jonge Gouverneur een vrouw op, die met den rug naar hem gekeerd, en den arm gevende aan een rijzigen jongeling, als een standbeeld onbeweeglijk stond. Ofschoon hij haar gelaat niet zien kon, maakte hij op uit de tengere rankheid barer gestalte, en uit de heerlijke blonde lokken, die over haar schouders golfden, dat zij nog in den bloei der jaren was. Dat zij daarbij ook schoon moest zijn, leed bij hem geen twijfel; want gedurig kwamen er jongelieden haar be-

froeten, die blijkbaar niets liever verlangden dan een praatje met aar aan te knoopen, doch er niet in slaagden; daar de lichte hoofdbuiging, waarmede hun groet beantwoord werd, scheen te kennen te geven, dat zij daar niet kwam om te snappen, maar om te luisteren. Onze jonge vreemdeling gevoelde zijn nieuwsgierigheid opgewekt om haar, die een voorwerp van vrij algemeene bewondering scheen, in 't aangezicht te zien; doch hij was niet alleen, en oordeelde, dat het voor zijn kweekeling een slecht voorbeeld zijn zou, indien hij zijn plaats met zulk een bedoeling verliet. Bovendien was hij zelf een te groot minnaar der toonkunst, en te veel ingenomen met hetgeen hij hoorde, om door het maken van eenige beweging iemands aandacht te willen storen.roeten, die blijkbaar niets liever verlangden dan een praatje met aar aan te knoopen, doch er niet in slaagden; daar de lichte hoofdbuiging, waarmede hun groet beantwoord werd, scheen te kennen te geven, dat zij daar niet kwam om te snappen, maar om te luisteren. Onze jonge vreemdeling gevoelde zijn nieuwsgierigheid opgewekt om haar, die een voorwerp van vrij algemeene bewondering scheen, in 't aangezicht te zien; doch hij was niet alleen, en oordeelde, dat het voor zijn kweekeling een slecht voorbeeld zijn zou, indien hij zijn plaats met zulk een bedoeling verliet. Bovendien was hij zelf een te groot minnaar der toonkunst, en te veel ingenomen met hetgeen hij hoorde, om door het maken van eenige beweging iemands aandacht te willen storen.

Toen echter het stuk was afgespeeld, diende hem het toeval: de juffer keerde zich met haar geleider om, en nauwelijks had hij haar gelaat aanschouwd, of hij vergaf het aan de Amsterdamsche jongelingschap, zoo deze een blik van hare blauwe oogen en een lachje om haar welgevormden mond ook zelfs boven een concert van Swelinck stelde. De muziek begon opnieuw; doch nu nam onze jongeling zijne stelling zoodanig, dat hij te gelijk luisteren en de onbekende schoone in 't gelaat kon zien: zoodat bij hem oor en oog te gelijk gestreeld konden worden; weldra was net hem, alsof de dubbele indruk, welken hij op die wijze ontving, tot een enkelen te zamen smolt: 't was hem, alsof de orgeltonep, die de gewelven doorklonken, hem hare schoonheid afschilderden, en of er uit hare oogen liefelijke melodieën hem tegenruischten: een tot dien tijd onbekend gevoel vervulde hem: genietingen, die geene pen beschrijven kan, doorstroomden zijn ziel; als op lichte vleugels zweefde zijn geest door sferen van hemelsche weelde en verrukking: en nog luisterde hij, nog staarde hij voor zich heen, toen de tonen der muziek vervlogen, en de plotselinge beweging, het luidruchtig gedrang der schare, die zich naar de kerkdeuren spoedde, hem verkondigden, dat het concert was afgeloopen.

De bekoorlijke verschijning was verdwenen: nog even meende hij de blonde lokken, welke hem 't eerst zijn aandacht op de schoone

-ocr page 259-

CORNELIA VOSSIUS. 251

onbekende hadden doen vestigen, in de verte te bespeuren; en zijn eerste beweging was, zich dien weg heen te wenden; doch weldra bracht de stem der koele rede de opwelling van 't gemoed tot zwijgen: hij bedacht, wat hij aan zijn kweekeling verschuldigd was: hij bedacht, dat hij voor dezen, niet voor zich zeiven, te Amsterdam gekomen was: en, den knaap onder den arm nemende, verliet hij snel de kerk en begaf zich weder naar de herberg, waar hem de herinnering van het genotene niet slechts vergezelde, maar 's nachts tot in den droom bleef vervolgen. Hij verbeeldde zich namelijk in zijn slaap, de Heilige Cecilia te zien, die het gelaat der onbekende had, en orgelconcerten gaf aan de Engelen. Lichtende wolken om-

faven haar, en ieder van die wolken kaatste haar beeld en hare armonieën terug: tot zij langzamerhand alle tot ijs_stolden, dat wegbrokkelde en onder 't vormen van duizendkleurige prisma's versmolt, terwijl zij zelve mede allengs in een glinsterenden nevel scheen weg te dampen, de tonen, welke zij hooren deed, al flauwer werden, en geheel hadden gezwegen, toen hij, met een gevoel van afmatting en onbeschrijfelijken weemoed, ontwaakte.aven haar, en ieder van die wolken kaatste haar beeld en hare armonieën terug: tot zij langzamerhand alle tot ijs_stolden, dat wegbrokkelde en onder 't vormen van duizendkleurige prisma's versmolt, terwijl zij zelve mede allengs in een glinsterenden nevel scheen weg te dampen, de tonen, welke zij hooren deed, al flauwer werden, en geheel hadden gezwegen, toen hij, met een gevoel van afmatting en onbeschrijfelijken weemoed, ontwaakte.

II.

Het was nog vroeg op den daaropvolgenden morgen, dat men onze beide jongelieden weder had kunnen ontmoeten, evenals den vorigen dag den weg opgaande naar de Oude Kerk, doch die thans voorbijwandelende en hunne schreden richtende naar dat gedeelte van den Voorburgwal, 't welk reeds toen onder den naam van „Fluweelen Burgwalquot; bekend was. Reeds waren zij het Prinsenhof voorbij, toen zij hun stap begonnen te vertragen en de oudste der twee huis voor huis aandachtig in oogenschouw te nemen. Waarschijnlijk schoot hem het spreekwoord te binnen: „door vragen wordt men wijs,quot; want, opeens stilstaande, en zich wendende tot een kloek gebouwd burgerman, die achter hem aankwam, en wiens open en wakker gelaat hem vertrouwen inboezemde, vroeg hij hem, in zuiver Nederduitsch, ofschoon met een licht accent, of hij hem ook kon zeggen, waar Professor Vossius woonde, 't Bleek aldra, dat hij zich tot niemand beter had kunnen vervoegen; want het antwoord van den Amsterdammer luidde: „ga maar mede: ik stap er zelf heen.quot;

Recht in zijn schik, het zoo goed getroffen te hebben, gaven onze vreemdelingen zich aan 't geleide van hun wegwijzer over, en, terwijl onder 't voortwandelen de jongste van de twee zich vermaakte in 't kijken naar de sierlijke zwanen, waarvan in die dagen het water van den Fluweelen Burgwal,, naar Vondels uitdrukking

-ocr page 260-

252 COBNEUA VOSSIÜS.

„krielde,quot; ') kon de oudste niet nalaten, den leidsman, dien een gunstig lot hun had toebeschikt, zijdelings gade te slaan. Had 'smans voorkomen dadelijk zijn opmerkzaamheid getrokken, hoe meer hij nu van nabij die fonkelende oogen, dat breed gewelfde voorhoofd, dien scherpzinnigheid teekenenden arendsneus en dien fijn besneden mond beschouwde, hoe meer hij de overtuiging verkreeg, dat het geen onbeduidend man was, die aan zijn zijde ging. Niet lang hadden zij voortgewandeld, toen de Amsterdammer stilstond, en, op het huis wgzende, waar zij zich voor bevonden: „hier woont de Heer Vossius, zeide hij, „drie deuren van de Doorluchtige schole, waar hij onderricht geeft aan de studeerende jongelingschap, en allernaast zijn ambtgenoot Van Baerle, of Barlaeus, zoo gij hem onder dien naam beter kent.quot;

En meteen, de stoep opgaande, deed hij den klopper vallen.

„Is Professor te spreken, Sijtje?quot; vroeg hij aan de dienstmaagd, die de deur opende.

„Ja wel. Sinjeur!quot; was het antwoord: „als de vrienden maar in de zijkamer willen gaan en een amerijtje wachten. Professor heeft juist iemand bij zich: — maar ik zal u aandienen.quot;

Onder het uiten dezer woorden had zij het drietal binnengelaten en de zijkamer voor hen ontsloten.

„Dien eerst deze heeren aan, Sijtje!quot; zeide de Amsterdammer, „ik heb al den tijd.quot;

„Ik bid u om verschooning,quot; zeide de jongeling, met een beleefde buiging: „het voegt ons niet, den voorrang te nemen boven iemand van uwe jaren.quot;

„Tut! tut!quot; hernam de andere, met een vroolijken lach: „ik ben nog maar vijftig jaar, en gezonder, ik durf zeggen jeugdiger, dan ik mijn leven geweest ben. Maar wij hebben hier de jaren niet te tellen: ik behoor hier thuis in de stad en gijlieden zijt vreemdelingen: reden genoeg, waarom gij voorop moet gaan: — dus, als ik zeide, Sijtje! dien de heeren eerst aan.quot;

De jongeling bewees alsnu, die ware wellevendheid te bezitten, welke ons verbiedt, door overbeleefdheid lastig te worden: hij boog zich nogmaals en zeide toen aan de dienstmaagd, die hem vragende aanzag: „zeg maar, dat wij een brief wenschen te overhandigen van den Heer De Groot.quot;

„'t Ware moeilijk,quot; merkte de Amsterdammer aan, „een betere aanbeveling bij den Heer Vossius mede te brengen: noch bij mij, durf ik zegden. Is die Heer, die zich thans bij Professor bevindt, er al lang, Sijtje?quot;

„Zoo flus gekomen,quot; antwoordde zij, terwijl zij de deur achter zich toetrok.

1) Zie vondels Inwijding der Doorluchtige Schole, vs. 81—84: De poezy, het goddelijkst van al,

Spant keel en snaar op sluizenwaterval En trippelt op fluweelen burreghwal, Die krielt van zwanen.

-ocr page 261-

CORNELIA VOSS1ÜS, 253

,In allen gevalle,quot; vervolgde de spreker, zich tot de vreemdelingen wendende, „zult gij niet lang behoeven te wachten. Professor Vossius heeft dagelijks zoovele bezoeken van geleerden uit alle landen, dat hij het zich tot regel heeft gesteld, aan niemand een langer gehoor te schenken dan van een kwartier uurs. Hij kent de waarde van den tijd.quot;

„Wij zullen hem zoolang niet ophouden,quot; hernam de jongeling.

Onze Amsterdammer, die zich bij Vossius blijkbaar thuis gevoelde, scheen nu te begrijpen, dat hij zich evengoed op zijn gemak kon zetten, en nam op een der aanwezige leunstoelen plaats. Terwijl deden de jongelieden wat men gewoon is, bij dergelijke gelegenheden te doen: zij lieten hun oogen door het vertrek weiden, bekeken achtereenvolgens de notenboomhouten kist in den hoek, de geborduurde kussens in de vensterbank en de schilderijen aan den wand; eene van deze laatste scheen versch vervaardigd te zijn: zij stelde een bloeienden knaap voor, die een boek in de hand hield, op welks rug men las: Moses Maimonides de idollo-latria. Onder de schilderij hing een kunstschrift, hetwelk, tusschen talrijke met de pen geteekende zinnebeelden van dood en eeuwigheid, twee gedichten deed lezen, waarvan het eene aldus luidde :

Lycksang

over DIONIJS VOS aen

KASPER VAN BAERLE.

Doorluchtige van baeele,

Ghy kostelycke paerle

Aan Amstels wapenkroon,

Nu help me 'troukleed dragen.

En DiONiJS beklagen

Syn Vaders waerdete Soon.

Die goudbloem leyt vertreden.

En van den struick gesneden,

In 't vrolijkst van heur lent!

Wat gaet het sterflot over.

Dat het de beste lover Van Phebus lauwer schent?

Of trof hem 't heilloos weder,

Om dat de Sweedsche veder Sijn hant was toebetrouwt,

-ocr page 262-

254 CORNELIA VOSSIÜS.

Die, zwanger van histori, Gustaefs verdiende glorie Beschrijven zou met goud?

Of kon de Nijd niet lijen,

Dat hem de Theems kwam vrijen?

Of dat hij dacht te treên In onsen frbdkiox laersen Met soete vredevaersen,

Als in triomf voorheen?

Ghy heeregraftgodinnen, 6hy burreghwals meerminnen,

Besluit een treurverbond: Bestroyt het lyck met reucken, En weeft een pel van spreucken, Gevloeyt uyt sijnen mond.

Beschouwtse met meêdoogen, En tranen van uw oogen;

Misschien of dit verlicht Sooveel bedruckte vrinden En geesten, die hem minden En schencken dit gedicht;

Al leyt hier 't lijf begraven. De deughdelijcke gaven En geest van dionijs Syn boven 't graf gevaren. By d' uvtgeleerde scharen In 't nemelsch paradijs. Het andere droeg tot opschrift:

Vertroostinge ')

aen

gbeaebt vossitts.

kanonik te kantelbeeg

over sijn Soon

d ionijs.

Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos, En fronst het voorhoofd van verdriet,

') Vossius, die zich op Jateren leeftijd zelden of nooit In de toenmalige gods-dlensttwlaten mengde, had in 1618 een geschiedenis van de Felagiaansche twisten geschreven, welke hem de gunst van vele invloedrijke geestelijken In Engeland en onder anderen die van den Aartsbisschop Land verwierf, aan wlen hü zjjn prebende in de hoofdkerk van Kantelberg (Canterbury) te danken had.

-ocr page 263-

COBNELIA V08SIUS. 255

Benij u soon den hemel niet,

De hemel treckt, ay, laet hem los.

Ay, staeok dees ydle tranen wat,

En offer, welgetroost en blij.

Den allerbesten Vader vrij Het puyck van uwen aerdschen schat.

Men klaeght indien de kiele strandt,

Maar met wanneerse, rijck gelaen,

Uyt den verbolgen Oceaan,

In een behouden haven landt.

Men klaegt, indien de balsem stort.

Om 't spillen van den dieren reuck:

Maer niet, soo 't glas bekomt een breuck,

Als 't edel nat geborgen wordt.

Hy schut vergeefs sich selven moê.

Wie schutten wil den stereken vliet.

Die van een steyle rotse schiet.

Na haren ruymen boesem toe.

Soo draeyt de wereldkloot; het sy De vader 't liefste kind beweent:

Of 't kind op vaders lichaam steent:

De dood slaet huis noch deur voorby.

De dood die spaert noch soete jeughd,

Noch gemelycken ouderdom,

Sy maeckt den mond des reedners stom;

En siet geleerdheid aan noch deughd.

Geluckigh is een vast gemoed,

Dat in geen blijde weelde smilt En stuyt, gelijck een taeye schild,

Den onvermijbren tegenspoed.

, Welke keurige poëzie!quot; riep onze jongeling uit, nadat hij met aandacht de beide verzen gelezen had.

„Hm! de poëzie is zooals zij is,quot; zeide de Amsterdammer, de schouders ophalende: „maar de kunst, waarmede dat alles geschreven is, hè?quot;

„Het schrift was inderdaad ongemeen fraai en onze jongeling stemde ook op beleefde wijze in met den daaraan gegeven lof, hoezeer hij zich tevens teleurgesteld vond in zijn meening omtrent den man, van wien hij eerst zulke goede gedachten had opgevat, en die

-ocr page 264-

256 COKNEIIA V088IUS.

nu toonde, het wezen om den vorm voorbij te zien: en hij beloofde zich wel, nimmer meer iemand naar het uiterlijke te beoordeelen.

„'t Is van dezelfde hand geschreven, die zonder andere hulp dan hare herinnering aan den afgestorvene, het af beeldsel vervaardigde,quot; vervolgde de Amsterdammer: „van Juffrouw Cornelia Vossius.quot;

„Inderdaad!quot; riep de jongeling verbaasd uit: „is dit het werk eener jonge juffer?quot; — En toen, zich tot zijn kweekeling richtende, zeide hij in 't Latijn: „Zie eens, Alexis! dit is de afbeelding van Dionysius Vossius, den beroemden en te vroeg gestorven jeugdigen geleerde, van wien gij meermalen gehoord hebt, en wien uw neef Christoffel Slupeski zoo gaarne tot reisgenoot en medehelper had gehad, toen hij over Turkije naar het Oosten reisde, om de Arabische taal aan haren oorsprong te bestudeeren?quot;

„Ik heb Slupeski gekend,quot; zeide de Amsterdammer, nu ook in 't Latijn: „een hupsch man! en is deze knaap zijn bloedverwant?quot;

„Christoffel Slupeski was zijn oom van moederszijde,quot; antwoordde de jongeling, die nu toch weder bij zich zeiven begon te begrijpen, dat iemand, die met De Groot en Slupeski bevriend scheen, en goed Latijn sprak, toch geen onbeduidend man kon zijn. „'t Is zeker een advocaat of een geleerde,quot; dacht hij bij zich zeiven, „en de man kan het niet helpen, zoo hij alle gevoel mist voor poëzie.quot; Hij had echter geen tijd om zich in verdere gissingen te verdiepen; men hoorde voetstappen in de gang: er werd iemand uitgelaten, en de dienstmaagd, terstond weder binnenkomende, verzocht de jongelieden, haar te volgen naar des Hoogleeraars studeervertrek.

Met een gevoel van heiligen eerbied traden beiden het heiligdom des geleerden binnen: bij den oudste was die eerbied gegrond op de kennis, welke hij van 'smans treffelijke schriften had; bij den jongste was die eenigszins opgelost in het gevoel, dat een jong student ondervindt, wanneer nij zich voor 't eerst in de tegenwoordigheid eens deftigen Professors bevindt.

Vossius ontving beiden met die gulheid, welke hem eigen was, en waardoor hij terstond iedereen op zijn gemak zette. De beroemde geleerde was toen in zijn zeventigste jaar. Aanhoudende studiën en vooral, sedert kort, hét verlies van twee zoons, waarvan de een, zijn lieveling, de treliijke uitgever van Maimonides, de schoonste vooruitzichten voor de toekomst gaf, en de ander, zijn eerstgeborene, in het verre Oosten gestorven was op het oogenblik dat zich een glansrijke loopbaan voor hem opende, hadden hem dat uiterlijke reeds gegeven, waarvan Vondel zong:

Laet sestigh winters vrij dat Vossenhooft besneeuwen.

Noch grijzer is het brein, dan 't grijze hair op 't hooft.

Dat brein draeght heughenis van meer dan vijftigh eeuwen En al heur wetenschap, in boecken afgeslooft.

Sandrart, beschans hem niet met boecken of met blaeren, Al wat in boecken steeckt is in dat hooft gevaeren.

Hij wees zijn' bezoekers stoelen aan en wachtte toen af, eer hij

-ocr page 265-

CORNELIA VOSSIÜS.

sprak, in welke taal zij 't woord tot hem zouden richten. De oudste der beide jongelingen liet hem niet lang in de onzekerheid; doch, hem in 't Latijn begroetende, reikte hij hem den brief over van De Groot. Vossius opende dien, doorliep hem vluchtig, en, zich toen tot den spreker wendende:

„Ik onderstel,quot; zeide hij, „dat deze knaap de zoon is van den Heer Gezant.quot;

Beide jongelieden bogen zich.

«De Heer De Groot,quot; vervolgde Vossius; „schrijft mij, dat zijn vriend, de Heer Rey, Gezant van Z. M. van Polen, bij Hun Hoog Mogenden, den wensch koestert, dat zijn zoon Alexis, gedurende zijn verblijf in Holland, zijn oefeningen in de oude talen en ge schiedenis onder mijne leiding voortzette. Het zal mij natuurlijk aangenaam en vereerend zijn, hem onder mijn studenten te tellen; doch ik onderstel, dat de Heer Gezant nog meer verlangt.quot;

„De Heer Gezant,quot; hernam de jongeling, „heeft voor drie jaren mij de eer aangedaan, zijn zoon aan mijne leiding toe te vertrouwen, en het is zijn wensch, die mij vereert, dat ik nog voortdurend het toezicht over hem blijve houden. Ik behoef u niet te zeggen. Hooggeleerde Heer! hoezeer mij het denkbeeld streelt, op die wijze mede nut te kunnen trekken van uw onderricht en onderwijzing.quot;

„Indien gij, mijn Heer!quot; zeide Vossius, „in alles even bedreven zijt als in het vloeiend Latijn spreken, dan gewis kon die leiding, waar gjj van spreekt, aan geene betere-handen zijn toevertrouwd.— Maar, verschoon mij, uw eigen naam hebt gij mij nog niet medegedeeld.quot;

„Mijn naam,quot; was het antwoord, „is een van degene, die, al noemt men ze, nog even onbekend blijven. Ik heet Andreas Winius. Mijn vader is uit Holland afkomstig, doch heeft zich voor dertig jaren in Rusland nedergezet, waar hij een geschutgieterij heeft opgericht aan de boorden der Tonlitza, de eerste in dat land, die met watermolens gedreven wordt. Ik zelf ben in Moskou geboren; doch heb mij reeds vroeg naar Duitschland begeven, om mij in de wetenschappen te oefenen. — Maar ik weet het, Hooggeleerde Heer, uw oogenblikken zijn kostbaar, en het is niet over mij, maar over mijn kweekeling, dat ik u moet onderhouden. De vurigste wensch van den Heer Gezant is, dat zijn zoon bij u in huis worde opgenomen: en alzoo onder uw onmiddellijk opzicht sta. In een zoo wetenschappelijk gevormde familie als de uwe moet, als hij te recht beseft, de atmosfeer zelfs bij den m.inst vatbare de zucht tot studie opwekken en den geest met nuttige kundigheden doortrekken. Het regelen der voorwaarden laat hij geheel aan uwe bescheidenheid over: en, daar Zijn Excellentie rijk en edelmoedig is, behoeft gij. Hooggeleerde Heer! niet al te bescheiden te zijn.quot;

„Eilaas!quot; zeide Vossius, „sedert den dood van mijn Dionijs en het vertrek van mijn armen Johannes is er ruimte te veel in mijn woning gekomen;.... doch deze zaak gaat mijn huisvrouw aan, of, laat ik zeggen, mijn lieve Cornelia, die alle zorg aan mijn goede vrouw ontneemt. Maar. . • ■ gij zelf?quot; e. w. v. 17

257

-ocr page 266-

258 CORNELIA VOSSITJS.

,1k zou mij niet durven vleien,quot; 'hervatte Winius, „dat de Heer Vossius oek mij een plaats in zijn woonstede aanbood: en ik zal zelf wel een verblijf hier of daar vinden. Alleen zal ik vergunning verzoeken, mijnen kweekeling ter zijde te blijven in zijne oefeningen, zoo des verstands als des lichaams.quot;

„Wij zullen zien,quot; zeide Vossius:,waar hebt gij uw intrek genomen ?quot; . „In de StadsTHerberg,quot; antwoordde Winius.

„Uitmuntend! ik zal mijn vrouw en dochter raadplegen, en u hedenavond antwoord doen weten. Alzoo, tot wederziens; en spoedig hoop ik in de gelegenheid gesteld te zijn, mij meer op mijn gemak met u te onderhouden, — Sijtje! laat de heeren uit, en verzoek Van den Vondel achter te komen.'-

„Van den Vondel!quot; herhaalde Winius, verbaasd: „was de heer, dien ik in 'tvoorvertrek ontmoette....quot;

„Onze poëet,quot; zeide Vossius: „die mij waarschijnlijk komt raadplegen over eenige historische bijzonderheden aangaande Amsterdam of 't Huis van Aemstel, waarvan hij een treurspel schrijft.quot;

Winius en de jonge Rey bogen zich en verlieten de kamer. Toen zij in de gang kwamen, werden hun ooren aangenaam verrast door 't geluid eener liefelijke stem, die uit een bovenvertrek klonk en een Spaansche romance' zong. Zoo roerend en betooverend waren die tonen, dat onze Moskoviet zich niet kon wederhouden, stil te staan en een oogenblik toe te luisteren.

„Nietwaar? een nachtegaalskeeltje heeft juffrouw Cornelia,quot; zeide Vondel, die hen uit de zijkamer tegentrad.

„Mijn Heer!quot; zeide Winius: „ik acht mij gelukkig, reeds den eersten dag van mijn verblijf hier ter stede, de twee beroemdste mannen te nebben ontmoet, die zij bevat. Voorwaar, ik had u reeds behooren te erkennen. Niemand dan Vondel zelf had met kleinachting over de verzen van Vondel kunnen spreken.quot;

„Dat zou Smout of Cloppenburg u niet toegeven,quot; hernam de dichter, lachende: „nu, ik blijf uw dienaar, en hoop u nog wel eens te ontmoeten.quot;

En nu ging ieder zijns weegs: Vondel naar zijn geleerden vriend, en Winius met zijn kweekeling de voordeur uit; —ofschoon het den jongen Rus niet weinig kostte, zich los te maken van het genot, dat hij smaakte in 't luisteren naar de betooveronde accoorden, die hem in de ooren klonken.

III.

Op den middag van dien zelfden dag waren onze twee jongelieden in de gelagkamer van de Stads-Herberg aan-het hagerecnt gezeten. Het gezelschap was ^Vrij talrijk en bestond voor een groot gedeelte

-ocr page 267-

CORNELIA VOSSIÜS.

uit studenten, die hier gewoon waren te spijzigen; want, ofschoon de colleges nog geen aanvang hadden genomen, zoo was het getal der jongelieden, die den vaoantietijd gedeeltelijk te Amsterdam doorbrachten, vrij aanzienlijk, gelijk over 't geheel dat dor strfdenten aldaar bijna evsn groot was als aan 's Lands Hoogeschool. Winius, die 't zoo voor zich zeiven als voor zijn kweekeling nuttig oordeelde, hun aanstaande makkers te leeren kennen, bleef langer met hem aan tafel dan anders hun gewoonte was, luisterde naar hetgeen gesproken werd en mengde zich nu en dan in een gesprek, 'twelk, zooals doorgaans bij dergelijke gelegenheden gaat, nogal van 'teen op het ander onderwerp sprong. Langzamerhand met zijn buurman, een student in de letteren, in kennis geraakt zijnde, had hij met dezen een onderhoud aangevangen over het werk, dat de zwager van Vos-sius, Franciscus Junius, de Pictura Veterum geschreven had en waarvan de uitgave door den hoogleeraar op de beroemde drukkerij van Blaeu stond bezorgd te worden; en zoo over de Vossiussen pratende, liet hij zich door zijn buurman vertellen, hoe de jonge Mattheus Vossius zich op 27jarigen leeftijd reeds beroemd maakte door de uitgave zijner annales, toen er opeens tusschen de wat verder gezeten studenten geen klein rumoer ontstond, en een hunner, den. vollen beker omhooghoifende, uitriep: „wat moogt gij van schoone vrijsters spreken. Ik drink op het welzijn van Cornelia, de schoonste onder de schoenen.quot;

Zoo eenstemmig werd deze dronk door de aanwezigen toegejuicht, dat Winius niet kon nalaten, aan zijn buurman te vragen, wie die Cornelia wezen mocht, die aldus, buiten iemands tegenspraak, als de schoonste onder de schoenen werd uitgeroepen.

„Het is,quot; antwoordde de student, „de zuster van den jongeling, over wien wij juist zaten te spreken: — en zie daar — hoe toevallig! — daar treedt hij zelf binnen. Lupus in fabula.quot; — Me':een wees hij op een jonkman van een beschaafd en zedig voorkomen, die, het vertrek binnentredende, aan de dienstbode naar den heer Andreas Winius vroeg.

„Wij waren juist bezig over 11 te spreken, Mattheus!quot; riep de student hem toe.

„Ik-hoop geen kwaad,quot; zeide deze lachende, en toen, aan den jongen Moskoviet voorgesteld, betuigde hij het genoegen, dat hem de kennismaking beloofde met iemand, over wien zijn vader zich reeds zoo gunstig had uitgelaten.

„Ik oen,quot; vervolgde hij, „door mijn ouders gelast, u te zeggen, dat de Heer Rey en gij reeds morgen uw intrek ten onzent zult kunnen nemen, en dat het hun genoegen zal doen, u inmiddels hedenavond bij zich te zien.quot;

Winius drukte over de ontvangen mededeeling zijn ongeveinsde blijdschap uit, nam gretig de gedane uitnoodiging aan, en betuigde toen op hoffelijken toon, hoeveel genoegen het nem deed, kennis te maken met een zoo uitstekenden geleerde als Mattheus. Al sprekende kwam het hem voor, als had hij dezen meer gezien; doch hij kon zich niet herinneren, waar, of bij welke gelegenheid.

259

-ocr page 268-

CORNELIA VOSSIXJS.

De jonge Vossius bood zich nu aan om hem, gedurende den tijd, dien zij tot aan den avond vrij hadden, ten gids te strekken en hem en zijn kweekeling het merkwaardigste, dat Amsterdam opleverde, te doen zien. 't Spreekt van zelf, dat Winius dezen voorslag aannam, en het drietal wandelde ter deure uit. Wij willen hen op de wandeling niet vergezellen, maar hen liever terstond weder ontmoeten ter bestemde ure, waarop zij de woning van den Hoogleeraar binnentreden.

„'t Zal mij toch benieuwen,quot; dacht Winius bij zich zeiven, terwijl hij de voeten op de gangmat afveegde, „of die Cornelia Vossius zoo schoon is, als de onbekende, die ik in de Oude Kerk zag.quot;

Mattheus geleidde zijn beide aanstaande huisgenooten naar de

troote achterzaal, waar het gezin, benevens een klein getal genoo-igden, gezeten was. Vossius kwam hen terstond te gemoet, en terwijl hij Winius de hand drukte en Rey met een vriendelijke hoofdbuiging begroette, „vergunt mij,quot; zeide hij, „u beiden aan mijn huisvrouw voor te stellen, en vergunt haar, te blijven zitten. Amsterdam heeft ons veel weldaden bewezen, doch het wreekt zich op mijn arme Elizabeth; want sedert zij hier is, kan zij maar niet van de jicht genezen.quot;roote achterzaal, waar het gezin, benevens een klein getal genoo-igden, gezeten was. Vossius kwam hen terstond te gemoet, en terwijl hij Winius de hand drukte en Rey met een vriendelijke hoofdbuiging begroette, „vergunt mij,quot; zeide hij, „u beiden aan mijn huisvrouw voor te stellen, en vergunt haar, te blijven zitten. Amsterdam heeft ons veel weldaden bewezen, doch het wreekt zich op mijn arme Elizabeth; want sedert zij hier is, kan zij maar niet van de jicht genezen.quot;

lierbiedig bogen zich de jongelieden voor de dochter van den grooten Junius, op wier gelaat de jaren en do lichaamspijnen nog de sporen der schoonheid, die haar eenmaal kenmerkte, niet geheel hadden uitgewischt.

„Wij hopen, mijne dochter Cornelia en ik, u het verblijf alhier zoo geriefelijk te maken als in ons vermogen is,quot; zeide Elizabeth, met een minzamen lach. — Winius wilde deze heusche toespraak op hoffelijke wijze beantwoorden; doch de woorden stikten hem in de keel en het was of het hoofd hem op eenmaal duizelde, toen hij, de oogen van de moeder wendende naar de dochter, die nevens haar stond, ontdekte, dat Cornelia Vossius en de onbekende van de Oude Kerk eene en dezelfde persoon waren. Nu stond het hem tevens helder voor den geest, dat de jonkman, aan wien zij toen den arm gaf, niemand anders was dan haar broeder Mattheus, en zoo hij dezen niet herkend had, 't was alleen daaraan toe te schrijven, dat hij, onder 't orgelspel geheel in de beschouwing der zuster verdiept, op den broeder niet dan vluchtig had acht geslagen.

't Zij, dat Cornelia zijn verlegenheid bespeurde, waarvan zij echter de oorzaak niet gissen kon, 't zij, dat zij begreep, dat de jonge Rey hier de hoofdpersoon was, zij wendde zich tot dezen en vroeg, hoe de stad hem beviel.

De arme knaap kleurde tot achter de ooren en wendde de oogen naar zijn leermeester, als om diens bijstand in te roepen: deze verlegenheid van zijn kweekeling redde Winius uit de zijne, en zich geheel herstellende, „mejuffer!quot; zeide hij, „mijn jonge vriend zal vooralsnog het voorrecht moeten missen, zich met u te onderhouden; hij spreekt, helaas! nog geen Nederduitsch, en zelfs, wat nog erger is, geene dier talen van 't westelijk Europa, waarin gij

260

-ocr page 269-

CORNELIA VOSSIUS. 261

if

ongetwijfeld uitmunt: — althans, zoo ik mij niet bedrieg, waart gij de zangster, welke ik hedenmorgen een zoo zuiver Spaansch hoorde zingen.quot;

„Wij zullen elkander spoedig leeren verstaan,quot; zeide Cornelia, zonder deze plichtpleging te beantwoorden en terwijl zij een welge-valligen blik op den knaap richtte: „hij zal mij Poplsch leeren en ik hem ons Nederduitsch en wij zullen zien, wie de snelste vorderingen maakt: en dan moet hij zich verder met Izaak en Gerard oefenen, die van zijne jaren zijn.quot;

De beide knapen, Izaak, die eenmaal zoo beroemd zou worden en nu reeds op zijn twintigste jaar Vondel aan het vertalen van de Electra hielp, en Gerard, die op zijn negentiende een uitgave van Vellejus Paterculus bezorgde, traden vooruit en werden evenals hun zuster, de veertienjarige en nu reeds met de rijkste gaven versierde Johanna, aan Rey en Winius voorgesteld. Vervolgens werd door dezen met de overige gasten kennis gemaakt, waaronder zich ook Vondel en Van Baerle bevonden. Men nam plaats, en weldra werd een gesprek aangevangen, zoo belangrijk, als men het verwachten kon op een bijeenkomst van lieden, allen uitmuntende door vernuft, kennis en beschaving. Opeens bemerkte Winius, tot zijn niet geringe verwondering, dat Rey in een zeer levendig onderhoud gewikkeld was met Cornelia en haar beide jongste broeders.

„Hoe hebben zij middel gevonden om elkander te verstaan?quot; vroeg hij zich zeiven af, doch nu, aandachtig toeluisterende, gelukte het hem eenige woorden op te vangen van het gesprek, en bemerkte hij, met klimmende verbazing, dat het in 't Latijn gevoerd werd.

Philaminte in Molières Femmes S9avantes wilde Vadius omhelzen, omdat hij Grieksch verstond: hier was het geval omgekeerd en had Winius gaarne den schoonen mond gekust, die zoo vloeiend Latijn sprak. — Gewis zou hij, eu menig ander, het ook buiten dat wel hebben willen doen.

„Ik meen,quot; zeide Vondel, „u gisteravond mijn deur te hebben zien voorbijgaan. Ik stond voor mijn winkel in de Wannoesstraat. Vermoedelijk begaaft gij u naar de Oude Kerk. Wel! hoe heeft u het orgelspel van meester Dirk Swelinck behaagd?quot;

„Uitnemend,quot; antwoordde Winius: „ik heb daar eenige der gelukkigste oogenblikken mijns levens doorgebracht.quot;

„Ja, ja,quot; hervatte Vondel: „onze meester Dirk is een muzikant als er maar weinigen zijn en streeft bijna zijn vader op zijde, die de Fenix in de kunst was. Ik geloof niet, dat er in het gelieele Duit-sche Rijk een stad is, waar geen kweekeling van den ouden Swelinck woont, die er znn school en manier heeft overgebracht.quot;

„Ik beken,quot; zeide Winius, „dat ik op onderscheidene plaatsen van zijn lof heb hooren gewagen en hem als den herschepper van het orgel heb hooren roemen; doch van allen, die ik tot nog toe hoorde spelen en die hem hun bekwaamheid dank wisten, is er naar mijn nederig oordeel niet een, die 't haalt bij den man, wiens kunstig spel mij gisteravond in verrukking bracht.quot;

„Is het waar, Vondel!quot; vroeg Van Baerle, „dat gij een bijschrift

-ocr page 270-

262 CORNELIA VOSSITJS.

(

hebt gemaakt voor het afbeeldsel, 't welk Jan Lievensz van meester Dirk vervaardigde?quot;

„En mogen wij het hooren?quot; vroegen drie vrouwenmonden, nadat Vondel een bevestigend antwoord op de vraag had gegeven.

„Och waarom niet?quot; zeide Vondel: „zoo ik mij wel herinner, luidt het aldus:

Op DIEDBICK SWELINCK,

Orgelist te Amsterdam.

Aldus heeft Liviua ons Swelinck afgebeelt,

Maer niet zijn fenixgalm, uit 's Vaders asch geteelt. De Neef, de Grootvaér en de Fenix vader zongen Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen. Zoo Thebe door een lier tot zulk een wasdom quam, Wat zou men dichten van het orgel t' Amsterdam,

Daer David en (Mande om strijt zich laten hooren, Als Diedrick zielen vangt, en ophangt bij hun ooren.

„Wel is 't,quot; zeide Winius, „zooals de heer Van den Vondel in zijn stoute beeldspraak zegt: de muziek van Swelinck vangt de ziel bij de ooren en sleurt haar met zich naar hoogere en hemelsche sferen.quot;

„Wel! nu ik mij wel bezin,quot; zeide Mattheus, „dan heb ik u

gisteren gezien. Ik was ook in de Oude Kerk met mijn zuster ornelia!quot;isteren gezien. Ik was ook in de Oude Kerk met mijn zuster ornelia!quot;

„Uw zuster schijnt een voortreffelijke kunstenares te zijn,quot; zeide Winius.

„Wel, waarin munt zij niet uit?quot; riep Vondel met geestdrift: „als ik haar zie, dan herinnert zij mij in allen deele mijn Alkmaarsch weeuwtje, toen Tessel nog de trekpleister was, die ons allen naar 't huis van vader Roemer Visscher bracht.quot;

„Stil!quot; zeide Vossius: „laat mijn dochter niet hooren, dat gij haar bij Tesselschade vergelijkt: gij zoudt haar verwaand maken, en dat is zij, Goddank! tot heden nooit geweest.quot;

„En toch had zij er reden toe,quot; vervolgde Vondel, halfluid sprekende, „wat toch, wat is er, dat haar geest of haar handen niet volbrengen? Zie eens, mijn Heer Winius! die wassen vruchten, door haar geboetseerd. Is het niet, of de dauw eerst versch op die druiven en perziken nederviel: — zie dat tapijt, over gindsche tafel gespreid, en dat Paris' oordeel voorstelt. Is het niet of het met het penseel in stede van met de naald gewerkt is?quot;

„En is dat alles van juffrouw Cornelia's hand?quot; vroeg Winius.

„En, naar hare teekening,quot; vervolgde Vondel: „zie! als er nog gouden appelen aanwezig waren. Paris zou niet verlegen wezen, aan wie ze te schenken. Is Mejuffer Cornelia schoon als Venus, zij is geleerd en kunstrijk als Pallas, en----quot;

-ocr page 271-

CORNELIA VOSS1US. 263

rEn gij zult haar hoovaardig als Juno maken,quot; viel Vossius in: „zij is een goede huishoudster, en een goede dochter, en dat zegt meer dan al het overige.quot;

„Gij ziet het,quot; zeide Vondel met een schalkschen lach tot Winius: „haar vader verbiedt mij, in haar lof uit te weiden, en kan 't zelf toch niet laten, haar te prijzen.quot;

„Vondel! Vondel!quot; zeide Vossius, den vinger dreigend opheffende: „ik ontzeg u mijn huis, indien gij niet terstond van onderwerp verandert.quot;

„Ik zwijg,quot; zeide Vondel, „en beloof zelfs, geen woord meer te spreken, indien ik haar mag hooren zingen.quot;

„Hoort gij wel, Cornelia!quot; zeide Van Baerle, „wat Van den Vondel verlangt! — Een lied! een lied! Ik weet, gij behoort niet tot de zoodanigen, van wie Horatius beweert, dat zij alleen dan willen zingen, wanneer het hun niet gevraagd wordt.quot;

Cornelia bevestigde terstond de waarheid dezer opmerking van Van Baerle, door haar cyther te nemen en eenige Italiaansche melodieën voor te dragen, welke zij, sommige alleen, andere in gezelschap met hare zuster zong.

En gij, mijn Heer Wimus!quot; vroeg Vossius: „doet gij mede aan de kunst?quot;

„Wel ongetwijfeld doet hij dat,quot; zeide Vondel; „dat heb ik hedenmorgen wel opgemerkt aan zijn wijze van luisteren.quot;

Winius erkende, dat hij nu en dan wel eens wat neuriede, en, na een paar liederen gezongen te hebben, die misschien daarom te meer toejuiching verwierven, omdat de woorden Slavoonsch waren en zelfs geen der aanwezige geleerden er iets van verstond, hief hij een romance aan in 't Italiaansch. Spoedig bleek het, dat hij eenige duetten kende, welke ook aan Cornelia bekend waren, en nu viel hem het onschatbaar voorrecht ten deel, zijn stem aan de hare te huwen, en, al ware het dan schijnbaar alleen om 't gezelschap genoegen te geven, in brandende poëzie en smeltende tonen lucht te geven aan wat zijn hart gevoelde.

„Heerlijk! heerlijk!quot; riep Vondel, in de handen klappende bij 't einde van 't gezang: „maar, met uw verlof, mejuffer! onze Mosko-viet moet niet denken, dat wij Hollanders alleen behagen scheppen in 't uitheemsche. Onthaal ons nu nog eens ten slotte op een echt Neerduitsch liedje.quot;

Cornelia knikte toestemmend en hief terstond een lied aan van Starter, die de zoetvloeiendste Hollandsche dichter zijner eeuw, en met Hooft en Stalpaert de schepper was der lyrische poëzie in Nederland, ofschoon de twee beste schrijvers over de geschiedenis onzer letterkunde, De Vries en De Clercq, die verzen van een aantal vervelende rijmelaars aanhalen, hem met een verachtend stilzwijgen voorbijgaan. Verlangt men bewijs, dat Starter die miskenning niet verdiende, men luistere naar het liedje, dat Cornelia zong:

Godinne, Wier minne Mijn zinnen Altijd

In kracht en Gedachten Natrachten Om strijd: O Kroone Der schoonen, Loftroone Des deugds,

-ocr page 272-

. CORNELIA VOSSIUS.

264

De vrijheid U deftig gebaer, ü zeden, (Als boden) U gaven

En blijheid Mijns jeugds.

U goud-dradigh hayr. Met reden Voorwaer, Doen nooden Tot min. Na, brave Grodin.

In dy leit

IJ leden De Goden, Zy draven


U hayren Met kuyfjes U ooghjes Bruyn nelder. Als

En ylen In 't harte, Te spade

Als baren Als druyfjes Met booghjes En felder

't flikkerigh licht Van Jupiters By wijlen Als pijlen

Vol smarte, Ja marte-Moet rade En genade

Vergaren Vol kruyfjes Pas hooghjes Sien snelder

Verguld Gekruld. Beset, Te met schicht, seer dicht ren dien. Geschiên.


U mondtje Dat stond me In 't ronde

Dat fijne Robijnen Nau schijnen

U tanden Als randen Van wanden

Die proncken En bloncken Als voncken

U halsjen in 't rond So cierelyck

Daer d' aeren So klare Deur waren

Daer 't vast eer Albaster Scheen as tee-

0 schoone Persona, Wat kroone

By poosen So bloosen, Als roosen

Wit laken, U kaken, Verinaken-

Diens ooghen. Die pooghen. Het hooghe

Cieraet Van u staet En gelaet

O lieflijcke kin, Gestelt na

By de top Van uw krop Met een dop-

Gy soud me De oude Verkoude

Doen 't minnen Beginnen Met sinnen

Ten toon. So schoon, Yvoor, Daerdoor. stond. Gegrond, re Vleys. Is u eys?

In snee-de meê Ongemien Te besien: mijn sin, je daer in. Seer haest Verbaest.

Lofwaerde, O vreugt Seght ray nu, Syn leven,

0

Naer u haken Dees klagen-Mijn iijden-

Bedaerde, Van mijn jeugt, Syt gy'schu Heeft even schoone, die my. Kond raken de Vlagen de Tijden

Soet-aerdi- ge Beeld!

Mijn geneugt En mijn weeld.

Van die u Met vlijt

Verheven Altijt?

Beyd droevigh en bly

Te maken, Laet dy

Mishagen, En send

Verblijden In 't end.


Ik weet niet, hoe mijn tegenwoordige lezers dit lied zullen be-oordeelen; maar wel, hoe Winius ei- over dacht: te weten, dat het niemand anders dan de schoone zangster zelve wezen kon, wier afbeelding Starter zoo bevallig en zoo nauwkeurig gemaald had.

Op deze wijze vlood, nu eens onder geestigen kout of geleerde gesprekken, dan weder met de voordracht van gezangen en gedichten, de avond voorbij, en Winius keerde met zijn jongen vriend

-ocr page 273-

CORNELIA VOSSIÜS.

voor 't laatst naar zijn logies in de Stads-Herberg weder, voor 't eerst van zijn leven smoorlijk verliefd; — verrukt over het denkbeeld, dat hij met de bekoorlijke Cornelia onder één dak zoude leven, doch tevens sidderende bij de gedachte aan den dwang, welken hij, uit den aard zijner betrekking, aan de stem van zijn gevoel zou moeten opleggen.

IV.

Ne for^ons point notre talent, zegt La Fontaine, en ik weet niet of het mijne — zoo ik er al eenig bezit — wel gelegen is in het schilderen van psychologische toestanden. Ik zal daarom ook maar niet beproeven, den strijd te verhalen, dien Winius te strijden had, toen hij meer en meer bemerkte, dat zijn geluk aan het bezit van Cornelia verbonden was: en liefde aan de eene zijde hem noopte, zich te verklaren, terwijl aan de andere zijde de vrees, dat Vossius hem, den onbekenden balling, de hand zijner dochter niet schenken zou, den hoogmoedigen jongeling het zwijgen opleide: gij zult u dit alles mogen voorstellen, alsmede, hoe Cornelia van hare zijde den begaafden jongeling lief kreeg, hoe de ouders die wederzijdsche genegenheid bespeurden, en hoe eindelijk, met hunne toestemming en met goedkeuring van den Gezant, het huwelijk tusschen de beide gelieven beklonken werd. — Ik verzoek u alzoo, met mij vijf maanden over te springen en u op den 28quot;™ Januari 1638 te verplaatsen buiten de Heilige-wegspoort te Amsterdam. Dit zal u misschien eenigszins moeilijk vallen, voor zooverre gij niet te Amsterdam bekend zijt: ja zelfs, al waart gij er geboren en opgevoed of al hadt gij er jaren gewoond; — immers die poort, die, in 'tjaar, waar mijn verhaal een aanvang genomen heeft, geheel nieuw herbouwd was van grauwen steen, werd weinige jaren later weder gesloopt en nimmer weder opgericht; terwijl het oord, waar ik u thans verplaatsen wil, heden ten dage zoo geheel verschillend is geworden van hetgeen het nog was in 1638, dat ik wel verplicht ben het eenigszins nauwkeuriger te omschrijven. Hetgeen men thans nog den Singel noemt en dat nu een binnengracht is, was vroeger, als gij weet, en als de naam aanduidt, de buitenwal der stad. Wel was in den aanvang der zeventiende eeuw, inzonderheid ten gevolge der oprichting van de O.-I. Compagnie, die een aantal inwoners naar Amsterdam deed heen-stroomen, de stad aan de westzijde aanzienlijk uitgelegd; doch de drie trotsche kaaien, die thans met een driedubbele halve maan de binnenstad omsluiten, de Heeren-, Keizers- en Prinsengracht, bestonden nog maar gedeeltelijk en liepen niet verder dan tot aan de lijn, welke de Beulingstraat en 't Molenpad vormen, en waar zij toen op den stadsmuur stuitten. Aan het einde van den Heiligen weg, of

265

-ocr page 274-

266 00BNEL1A VOSSIUS.

liever, aan 't einde van wat men nu het Koningsplein heet, stond de Heilige-wegspoort, gelijk de Regulierspoort op hetgeen thans Botermarkt heet: wat daarbuiten lag, was open veld. Doch de behoefte aan woningen had ook hier reeds een aantal gebouwen doen oprichten, die sedert, toen men in 't jaar 1657 met do nieuwe uitlegging der stad ook aan de Oostzijde begon of gesloopt of in de rij van nieuwe huizen werden opgenomen. Zoo was er dan ook op de plaats, waar thans de Leidschestraat naar de poort van dien naam geleidt en waar de Heilige-wegspoort van twee ophaalbruggen en een buitenpoortje voorzien, op uitkwam, een vrij ruim plein, waar zich aan weders-zijden ettelijke herbergen, kroegen en stallingen verhieven. Op dat plein en op den stadssingel was alles drukte en gewoel. Het was een heerlijke wintermorgen: een gestrenge vorst had de wateren bevloerd en hunne oppervlakte was bedekt met schaatsenrijders; terwijl op het plein de rijtuigen en sleden elkander kruisten of in de koetshuizen op hun gezelschap wachtende waren. — Immers binnen de stad mocht geen rijtuig op wielen zich toen nog, buiten bijzondere vergunning, vertoonen: en zij, die zich met zoodanig middel van vervoer naar elders heen begaven, waren genoodzaakt buiten de poort op te stijgen. Onder de gezelschappen, die heden zich met zoodanig oogmerk op weg hadden begeven, was er een, dat uit lieden van onze kennis bestond. Daar zag men, in warm bont en dichte mantels gehuld, Mattheus, Cornelia en Johanna Vossius; hun oom, de geleerde Franciscus Junius, die eenigen tijd hier te lande had doorgebracht: voorts onzen jongen Pool: en, aan Cornelia's zijde, den gelukkigen Winius. De tocht, dien zij gingen ondernemen, had een tweeledig doel: vooreerst zou men Junius tot Leiden brengen, vanwaar hij zich naar den Briel dacht te begeven om naar Engeland, bij zijn beschermer, den Hertog van Arundel, terug te keeren: vervolgens zouden de overigen naar 's-Gravenhage gaan, waar Winius zijn aanstaande bruid hoopte voor te stellen aan zijn begunstiger, den Poolschen Gezant, en zij haar verloofde aan hare moei De Brune en aan haar broeder Franciscus, die er de rechtspraktijk uitoefende.

Het Haarlemmer Meer was sedert eenige dagen zoo sterk toege-vrozen, dat de zwaarst beladen vrachtwagens er over heen reden, en de jongelieden hadden besloten, daarvan gebruik te maken, om, op de aangenaamste wijze en langs den kortsten weg, hunne reis te volbrengen. Zoo stapten zij, onder vroolijke scherts, de poort uit,

fevolgd door het trouwe Sijtje, die een trommel met versnaperingen roeg, benevens eenige tapijtjes, bestemd om de voeten warm te houden voor tocht.evolgd door het trouwe Sijtje, die een trommel met versnaperingen roeg, benevens eenige tapijtjes, bestemd om de voeten warm te houden voor tocht.

Daar ontmoette hun Vondel op het plein: „Wel!quot; zeide hij, hen even staande houdende, „ik zie, dat gaat er op los. Zorgt maar, dat gij de goede baan houdt en denkt om Dr. Roscius. 't Is juist gisteren veertien jaar geleden, dat hij met zijn vrouw in t ijs zijn graf vond.quot;

„Welke nare denkbeelden haalt gij daar op, vader Vondel,quot; vroeg Mattheus; „het ijs is een voet dik en zou huizen kunnen dragen.quot;

„Nulquot; zeide Vondel: „'t was zoo niet gemeend: ware ik niet ge-

-ocr page 275-

CORNELIA VOSSIUS. 267

bonden aan mijn winkel, ik trok ook eens uit; maar och! sedert den dood van mijn goede vrouw komt alles op mij neer.quot;

„Inderdaad, mijn Heer!quot; zeide Winius, die zag, dat Cornelia verbleekt was bij de herinnering van het gebeurde met Roscius, „hot is mij onbegrijpelijk, hoe gij, bij zulke drukten, noa tijd vindt, den Nederduitsohen zangberg zoo rustig en vlijtig te blijven opbouwen. Daar is nu weder uw Gysbrecht van Aemstel! ik heb u nog geen dank gezegd voor het dubbel genoegen, dat ik drie weken geleden heb gesmaakt bij de vertooning, en sedert herhaaldelijk met de lezing van dat kunstjuweel. Mijn zoete Cornelia kent den droom van uw Badeloch reeds van buiten enquot; voegde hij er fluisterende bij, „zij zegt hem zoo schoon op, dat ik haar reeds heb moeten verbieden, 't weer te doen. Het trekt haar aandoenlijk gestel te veel aan.quot;

„Zoo 't stuk u behaagd heeft,quot; zeide Vondel, „dankt dat aan de raadgevingen van den Heer Vossius.quot;

„De nieuwe Schouwburg kon niet beter worden ingewijd,quot; hernam Winius: „en ik voorspel u, dat uw stuk vertoond zal worden, zoo lang er een in Amsterdam bestaat. Het is voortaan onafscheidelijk van den roem der wereldstad.quot;

„Hier heen! hier heen!quot; riep Mattheus: „hier is ons rijtuig.quot;

Een ruime bolderwagen, van zoodanig fatsoen als nog voor dertig jaar, in sommige onzer gewesten in zwang was, reed, met twee fiksche paarden bespannen, eene der stallingen uit: het gezelschap besteeg dien, en, na van den dichter en van Sytje afscheid te hebben genomen, reed men op vluggen draf naar den Overtoom, en van daar den Sloterweg en het Nieuwe Meer op. — Weldra bevond zich het rijtuig op den breeden plas en volgde de spiegelgladde baan, die dwars daaroverheen verder voerde. Ook hier bleven hen de drukte en 't gewoel vergezellen. Nu eens kruiste men zich met een nederige turfkar of een wagen met hout beladen, dan weder met een zwierig speelwagentje, door fraaie schimmels getrokken: nu eens (meldde het vroolijk geluid der bellen de komst aan eenernarreslede, dan was het een prikslede of een zeilwagen, die pijlsnel voorbij schoot. Men zag er den schipper, in 't grof wadmer uitgedost, met de ruige muts op 't hoofd: den zeeman met zijn toppershoed: de dorpsbewoners in hun schilderachtige kleederdracht, op schaatsen, alleen of bij troepen, wedijverden om elkander vooruit te komen: en tusschen hen in, op dat ijs, dat alle standen gelijk maakt, den deftigen burgerzoon en den rijkuitgedosten hofjonker, van wiens breeden hoed de sierlijke pluimen bevallig achteraan golfden op den adem van den wind. Het was een steeds afwisselend, steeds even vermakelijk tafereel van drukte, beweging en vroolijkheid, en niet weinig stot tot scherts en lach verschafte het aan onze tochtge-nooten. Junius kon niet ophouden zijn genoegen te betuigen, weder eens een wintertafereel te zien, gelijk Holland alleen die opleverde, en hoedanige hij zoolang gemist had: Winius verhaalde van de sledevaarten in Rusland, waarover Mattheus hem telkens nieuwe vragen deed: Johanna gaf gedurig kreten van blijdschap over al wat zij zag, en plaagde den jongen Pool, bewerende, dat men in

-ocr page 276-

268 CORNELIA VOSSIUSi

zijn land niet van schaatsenrijden afwist. Cornelia alleen zat stil en peinzend; doch wie, die haar kende, wie, die wist hoe het gevoel van geluk zich nimmer in luidruchtige bewoordingen uit, zou haar een andere gemoedsstemming hebben kunnen toewenschen?

i „Wat was dat toch,quot; vroeg op eens Junius, „dat geval waar Vondel van sprak? Hij noemde Roscius; — doch ik ben zoolang uitlandig geweest, dat ik niet meer weet, waar hij op doelde.quot;

„Weet gij het niet?quot; zei Cornelia: „Dr. Antonius Roscius ver-eenigde het predikambt met de beoefening der geneeskunst en kwam in 't ijs om, ten gevolge zijner vergeefsche pogingen om 't leven zijner vrouw te redden. Van den Vondel schreef dit klinkdicht op zijn dood:

Zijn Bruyt t' omhelzen, in een beemt, bezaeit met roozen.

Of in het zachte dons, is geen bewijs van trou:

Maer springende in een meyr, daer 't water stremt van kou. En op de lippen vriest, zich te verreuckeloozen.

Dat 's van twee uytersten het uyterste gekozen,

Gelijck mijn Roscius, beklemt van druck en rou,

In d' armen houdt gevat zijn vrucht, en waarde vrou. En gloeyt van liefde, daer 't al kil is, en bevrozen.

Zy zuchtte, och lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te gront. Hy sprack: schep moed, mijn troost! en vingh in zijnen mont Haer adem en haer ziel. Zy hemelde op zijn lippen.

Hy volght haer bleeke schim naer 't zahgh paradijs.

Vraeght iemant u naar trou, soo segh: zij vroos tot ijs En smolt aen geest en hij gingh met haer adem glippen.

Cornelia had bij 't opzeggen van deze schoone regels aan haar stem een uitdrukking van zoo diepen weemoed gegeven, dat Winius er onwillekeurig van ontzette, en niet minder over de woorden, welke zij volgen liet:

„Wat zegt gij, Andreas?quot; vroeg zij, terwijl zij hem met een blik vol onbeschrijfelijke teederheid in de oogen zag: „kunt gij het van u verkrijgen, hen te beklagen, die zoo sterven?quot;

't Was of een vlijmend staal den jongeling door de borst voer; en opeens stond hem de droom voor den geest, dien hij gehad had in den nacht, nadat hij Cornelia voor t eerst had gezien: — weder zag hij de Heilige Cecilia in haar ijspaleis versmelten. Hij poogde zich echter te bedwingen: en, het hoofd schuddende, antwoordde hij:

„Gij meisjes schept er toch altijd een zonderling vermaak in, u in treurige voorstellingen te verdiepen. Ik beken u oprecht, geen genoegzame geestkracht te bezitten, om het lot van Dr. Roscius te benijden: en,quot; vervolgde hij, terwijl hij poogde in den schertsenden toon te vallen, „ik houd het vooralsnog met de beemd, bezaaid met rozen.quot;

-ocr page 277-

CORNELIA VOSSIUS. 269

'„Dat pleit niet voor uw ongeduld oni gehuwd te zijn,quot; zeido Junius: .want eij zult nog eenige maanden moeten wachten, eer de rozen ontluiken.quot;

„Ik dacht,quot; zeide Mattheus, „dat gij, als Moskoviet, de voorkeur aan het ijs zoudt geven, 't Is immers in uw land winter gedurende negen maanden van de twaalf?quot;

„Niet in mijn vaderstad Moskou,quot; antwoordde Winius: „maar wat daar van zij, waar ik mijn lieve Cornelia bij mij heb, is 't mij lente en zal het overal lente blijven; — doch waarom zet de voerman zijn paarden zoo aan ?quot;

„Ha! zoo gaat het eerst recht vermakelijk!quot; riep Johanna, van vreugde in de handen klappende.

„vermakelijk of niet,quot; zeide Mattheus, „ik wenachte wel, dat de voerman er wat minder de zweep over leide. Ik zie geen noodzakelijkheid in dien spoed.quot;

' De voerman scheen er anders over te denken. Men was nu op het Leidsche Meer gekomen, waar de baan smaller en meer bezet was met rijtuigen, waarvan er een paar vlak voor den bolderwagen reden, en dezen niet wilden laten voorbijkomen: een tijd lang hadden zij met elkander geharddraafd, toen de Amsterdamsche voerman, wiens eerzucht geprikkeld was, er een einde aan willende maken, zijn paarden aanzette om de anderen vooruit te raken. Ziende, dat hem dit, zoolang hij de baan hield, niet gelukken koij, dewijl aldaar altijd een der andere rijtuigen vlak voor hem bleef, joeg hij, zonder zich te storen aan het verbod van Mattheus, die, half uit het portier liggende, hem toeriep, dat hij zijn vaart zoude verminderen, zijn paarden ter zijde van de baan. Hier had men in den vorigen nacht sloppen gehakt om te visschen, en het water was er met niet meer dan een dun vlies bedekt. Zoodra de voerman er op kwam, bemerkte hij het gevaar en poogde het weder te ontwijken; — doch het was te laat. Men hoorde een krak, gevolgd van een ijzingwekkenden gil, als uit éénen mond aangeheven, en de wagen stortte, met al wat hij bevatte, door de dunne ijskorst heen in 't water.

De omstandigheid, dat Mattheus zich aan 't portier bevond, had ten gevolge, dat hij, zonder zelf te weten hoe, zich 't eerst en dadelijk weder op 't ijs bevond. Daar waren het gejoel en de drukte opeens van aard veranderd: en onder kreten van angst en schrik snelde men van alle zijden ter hulp aan: — ofschoon nog in !t eerst zonder middel om die te bewijzen: en half besluiteloos stond de menigte om den plas, die zich gevormd had, en waar zes menschen in de diepte lagen te spartelen.

„Een plank! een plank! en touwen!quot; riep Mattheus, en toen, zonder zich te bedenken, ontdeed hij zich van zijn bovenkleederen, sprong weer in het kille nat en zwom door de brokkelende ijsschot-sen naar het rijtuig. Daar hief zich Winius uit den wagen op en reikte hem Cornelia toe: Mattheus nam de vracht van hem over, en zwom er mede naar den rand der bijt, waar hij haar aan de zorg van eenige der aanwezige vrouwen toevertrouwde.

-ocr page 278-

270 CORNELIA VOSSIUS.

Winius was inmiddels weder in de diepte verdwenen: hij had zijn bruid gered: nu moest hij zijn kweekefing hulp verleenen: weidia kwam hij met den knaap te voorschijn, gaf zich met hem te water en voerde hem, zwemmende, naar een veilige stede.

Ten tweeden male was Mattheus in de open bijt gesprongen, en, den bolderwagen bestijgende, haalde hij, daarin rondtastende, Johanna voor den dag, en bracht haar naar den kant.

Inmiddels had de voerman, die eerst van het krat getuimeld en tusschen de paarden geraakt was, zich op den wagen weten te werken, waar het nu aan hem en aan Mattheus, die zich voor de derde maal te water begeven had, gelukte, Junius uit het rijtuig en vervolgens op het ijs te brengen. Hier was nu de hulpvaardigheid van allen kant in de weer mei mantels en doeken, met brandewijn en andere ververschingen.

,Wij moeten loopen,quot; riep Mattheus: „loopen voor ons leven; anders verstijft ons de koude. Daarginds staat een boerenwoning. Daar heen! daar heen!quot;

„Ja; loopen!quot; riepen al de geredden als uit éénen mond; allen — behalve eene.

Cornelia riep niet mede. Zij lag in den arm van haar geliefde: haar blonde vlechten dropen van 't ijskoude nat: de kleur des doods lag op haar gelaat en haar blauwe lippen murmelden de woorden, door Vondel aan de vrouw van Roscius in den mond gelegd:

„Ik zwijm, ik sterf, ik ga te gront.quot;

„Groote God ! zij sterft!quot; gilde Winius radeloos uit: ,0, de heilige Cecilia van mijn quot;droom! — Waar is warmte? Waar is vuur? —quot; En, haar verstijfde leden in zijn armen en aan zijn hart klemmende, liep, neen, holde hij 't land op naar de boerenwoning, door al de overigen gevolgd, die, schoon onbeladen, hem nog in zijn toomelooze vaart niet konden bijhouden.

Met liefderijkheid werden onze drenkelingen ontvangen, de natte kleederen tegen droge verwisseld; oen helder brandend vuur aangelegd: warme dranken gekookt: al het noodige in één woord aangewend, om de verkleumden te verwarmen. Bij allen had dit de gewenschte uitwerking; alleen bij Cornelia niet. Ofschoon zij 't eerst gered was geweest, had haar teer gestel de koude, het ingezwolgen nat, den schok, den schrik, wat het wezen moge, niet kunnen verduren, en alle middelen, welke de kunst aanwendde, bleken vruchteloos te zijn.

Vier dagen later had te Leiden een aandoenlijke plechtigheid plaats. De voortreffelijke maagd werd in het graf van haren grootvader Junius bijgezet.

Vossius zelf geleidde den rouw. Overgekomen op het vernemen der treurmaar, was hij het nog geweest, de diep bedrukte vader, die den zijnen troost had ingesproken en hen vermaand te berusten in den wil des Allèrhoogsten. ' 1

Wel had hij zielskracht noodig, de eerwaardige grijsaard. Cornelia

-ocr page 279-

cornelia vossiüs. 271

was het derde van zijn huwelijkspanden, dat hem ontviel, en geen twee jaren verliepen er, of hem werden ook de bloeiende Johanna en de wakkere Gerard door kwaadaardige koortsen ontrukt. Ook zijn zoons Franciscus en Mattheus gingen vóór hem ten grave: en Izaak, de eenige, die hem overleefde, trok naar verre landen. Toen Vossius in 1649 overleed, was er niet één van zijn acht kinderen over, om hem de oogen te sluiten en zijn zwaar beproefde weduwe te troosten.

Winius verliet eerlang de Nederlanden: hij keerde naar Moskou terug, waar hij de belangrijke fabriek zijns vaders overnam en gaandeweg tot hooge eerambten klom. Nog eenmaal, in 1653, bezocht hij dezen Staat, doch nu met een bijzondere zending door den Czaar belast bij Hunne Hoog Mogenden. Schitterend was de ontvangst, welke hem te dier gelegenheid te Amsterdam verbeidde, en nog getuigt hiervan onder anderen zijn afbeelding, naar 't oorspronkelijke van Visscher gegraveerd, die zich aan 's Rijks Museum te Amsterdam bevindt, en aldaar onder den naam van de „Pistoolemanquot; bekend is. Zij prijkt met dit opschrift van Vondel:

Op den Heer Andreas Dionyszoon Winius,

Zijne Zaersche Majesteits van Ruslants Commisaris en Moskous Olderman.

De Kroon van Moskou, steil en hemelhoogh gerezen.

En van den beer begrimt, die goude starren draeght.

Heeft Winius tot haer Bevelheer uitgelezen,

Den Olderman, die zulks Alexis oogh behaeght.

Door zijn oprechte trou, dat hij hem van zijn stranden Der Zaersche Majesteit ten dienst, den last betrout Naer 's Gravenhaegh, den stoel der Zeven Vrije Landen,

In schijn gelijk de kunst zijn wezen hier ontvout.

Dus leeft de man, die 't recht der Russen trou verdaedight; Maar anders, als zijn Zaer hem weder begenadigt.

Maar toch, gewis zal hem, den gjevierden Gezant, den machtigen Olderman, den man, aan wiens genie de grijze Tulp en de jeugdige Nicolaas Witsen om strijd hun hulde kwamen brengen, zich onder al die eerbetooning, hem gebracht, het hart hebben voelen toe-schroeven, toen hij na een lange scheiding, weder dat Amsterdam terugzag, waar hij 't voorwerp zijner eerste en teederste min had leeren kennen, die Cornelia, zoo wreedaardig van zijn zijde gescheurd.

Vondel herdacht den dood van het begaafde meisje met de navolgende regels:

-ocr page 280-

CORNELIA VOSSIUS.

O jonge Son, geteelt van d' ouwe,

Hoe word ghy ons soo ras ontrooft!

Hoe sit uw vader over 't hoofd Gedompeld, aan den Rhiin in rouwe,

Als aen den Po 't geslacht der son Weleer betreurde Phaëton.

Wy sagen hier den avond vallen Doen gy in 't Oosten opgepronckt Met straelen in het Westen sonckfc Niet veer van Leydens hooge wallen.

Een nevel sonck ons op hot hart.

En was de voorbö van uw smart.

Wy stonden reed met blijde rijmen Om u te leyden na het koor.

Te volgen net gebloemde spoor En vrolijck licht van uwen Hymen;

Maar God, aan uwe siel verlooft.

Heeft d' aerdsche fackel uitgedooft.

Een oogenblick heeft soo veel gaven,

Gedaelt van 't hemelsch paradijs Op u verslingert, in het ijs En sneeu, op 't onversienst begraven. Een waterslang verbeet die bloem Van onse jeughd, der maeghden roem.

Nu swygen al uw schelle snaren,

D' yvoyre fluyt, de soete keel,

Daer 's vryers goddelykste deel,

De siel omhoogh op plagh te varen.

Doen so ten ooren uytgelockt,

Ghy haer tot in den hemel trockt.

Uw onvolwrochte beelden treuren.

En roepen al: ick sterf, ick sterf!

Papier, panneel verschiet syn verf,

Men siet geen leven in de kleuren Van uw tapyten, met de naald En syde na de kunst gemaelt.

Nu suit ghy geest noch wysheyd soeken

In 'tNeerduytsch, Fransch ot in 't Toskaensch, Nocht u vermaecken in het Spaensch,

En lesen 't keurighst uyt de boecken; Of antwoord geven op 't Latijn In Duytsch, als u gevra«ght sal syn.

-ocr page 281-

COSSÉLIA. VOSSItJS.

Hoe kan uw moeders hart verswelgen Dien al dien al te bittren dranck, 'tOntijdigh missen van die ranck, Het levenst van haar lieve telgen!

Geen boom en soheyt van synen tack Als met een sucht, en met een krack.

Uw suster houd niet op van karmen, Die hallef dood u sterven sagh En tot de kin verdroncken lag In haer getrouwen broeders armen. Die dnemael, maer vergeefs, besocht Of hy uw leven redden moght.

üw grootvaer Junius, beneden In 'topen graf, hoort stads geschrey, En wellekoomt den frisschen May, Uit hem gegroeit, nu afgesneden: En niemant die geen tranen stort Om dat uw jeugud soo jong verdort.

-ocr page 282-

EEN YERTELLIKG VAN MEJUFFROUW STAUFFACHER

i.

Voor hen, die „de Lotgevallen van Ferdinand Huyckquot; hebben gelezen, en die de slechte gewoonte niet volgen, voorredens en inleidingen over te slaan, zal Mejuffrouw Stauffacher geen geheel onbekende persoon zijn. Waarschijnlijk echter huist bij het meerendeel van hen de meening, dat zij, evenals de Romanheld, wien zij bij de lezei-s inleidt, niet anders is dan een kind mijner phantaaie. Deze opvatting is echter ten eenenmale onjuist. Mejuffrouw Stauffacher schilderende, heb ik alleen haar naam veranderd, en, voor 't overige is er in de voorstelling, welke ik van haar persoon, karakter en leefwijze gegeven heb, geen enkel détail, dat niet met de nauwkeurigheid eener photographie is teruggegeven. Waar ik te dier gelegenheid echter niet van gesproken heb, omdat het niet in mijn kraam te pas kwam, is van den invloed, dien zij op mijn vorming, vooral als acnrijver gehad heeft. De veelvuldige lotsverwisselingen, die haar levensloop gekenmerkt en haar in kennis gebracht hadden met allerlei belangrijke, ja beroemde en hooggeplaatste personen, hadden haar gelegenheid verschaft zeer veel, en haar heldere blik had haar geholpea zeer goed te zien en te hooren; terwijl haar ijzervast geheugen, gepaard aan vlug vernuft en fijnen smaak, haar in staat stelden, wat zij gezien en gehoord had met heldere, levendige en bevallige kleuren terug te geven: ja, ik heb niemand gekend, uit den omgang met wien men beter op de hoogte kon geraken van karakters, gewoonten en begrippen aer vorige eeuw. Ik voor mij heb althans omtrent dien tijd vrij wat meer van haar geleerd dan uit eenig boek. Zij had een kleine, keurige bibliotheek van Hollandsche, Fransche, Engel-

-ocr page 283-

EEN VERTEM.IN8 VAN HBJÜFFBOUW STAUFFACHER. 275

sche en Hoogduitsche literatuur, en wat daarin te lezen viel kende zij, om zoo te zeggen, van buiten: met mij, die als kind reeds gewoon was haar den sleutel van haar boekenkastje te vragen en dan beurtelings Madame De Savigné en Fielding, Gil Bias en Rabener, Bilderdijk en Dr. Swift te verslinden, was dit bijna evenzeer het geval, en haar juiste aanmerkingen en verstandige oordeelvellingen over het gelezene brachten niet weinig toe om mijn eigene meeningen daarover te wijzigen, mijn smaak te zuiveren en mij bij de pogingen, welke ik als onervaren knaap reeds aanwendde om romans of tooneelstukken te schrijven, mijn wankelende schreden voor 't minst naar goede voorbeelden te richten.

Onder de menigvuldige vertellingen, welke zij mij gedaan heeft, is er eene, die op mij, toen ik haar als jongeling hoorde, een diepen indruk maakte, gelijk ieder, die zich de moeite getroost, dit opstel tot aan het einde te lezen, waarschijnlijk begrijpen zal; ofschoon ik wanhoop, het verhaal zoogoed en in alle deelen zoo nauwkeurig terug te geven als het mij werd gedaan. Wat men er zeker bij missen zal, is de toon, waarop Mejuffrouw Stauffacher het deed: de wijze, waarop zij, door verandering van stem of gelaat, de personages, die zij invoerde, wist aan te duiden ook zonder ze te noemen, het schalksche knipoogen en de ondeugende trek om haar mond, die niet zelden de voordracht, als zij 't meest pathetisch werd, vergezelden. Dat mengelen van ernst in den toon en scherts in de uitdrukking van 't gelaat was geen kunstgreep, dien zij bezigde om het effect te verhoogen; het was een gevolg van haar ingeboren luim, van haar natuurlijke vatbaarheid om beurtelings, ja veelal gelijktijdig, de zaken van haar meest aandoenlijke en meest kluchtige zijde te beschouwen, van dien luim, waarvan wij den indruk nog ondervinden als wij een bladzijde van Sterne, vooral van Dickens of Hildebrand lezen. De beide laatsten heeft zij nooit gekend: de werken van den eerstgemelde had zij zooveel te beter in 't hoofd: — de jonge juffrouwen der achttiende eeuw waren minder preutsch of minder aantrekkelijk dan die van onzen tijd, en niet alleen lazem zij Tristram Shandy en Tom Jones, maar zij dorsten er rond voor uitkomen, dat zij ze lazen.

Maar genoeg: de vertelling, welke ik bedoelde, kan gerust, ook in onze eeuw, door een moeder aan baar dochter worden voorgelezen: — ik zwijg alzoo, en laat aan mijn oude vriendin het woord: alleen vergun ik mij de vrijheid, waar zij eigen namen noemt, de ware tegen verdichte te verwisselen.

.11.

Ik was in den jare 177.. gouvernante der kinderen van Mevrouw Bentes, van wie gij zeker wel hebt hooren spreken, ja, die gij misschien wel zult hebben ontmoet. Doch in dit laatste geval zal het bij u niet zijn opgekomen, dat die half blinde oude vrouw, met dat

-ocr page 284-

276 EEN VERTELlIKG VAN MEJUFFROUW STAUFFACHEK.

bleek en ingevallen gelaat, in haar tijd niet slechts een beauté geweest is, maar zelfs, gelijk men 't noemt, la pluie et le beau teraps maakte. Toen ik bij haar kwam, was zij acht en twintig jaren en in den vollen bloei van haar schoonheid. Er waren vier-en-een-half jaar verloopen sedert den dood van haar man: zij had iuist het weduwpak afgeleid en was als een schitterende kapel uit haar windsels te voorschijn gekomen. Maar neen; — ik wil die vergelijking niet bezigen: zij is niet alleen oud en afgezaagd; maar zij is in dit geval niet of niet volkomen juist. Een kapel fladdert rond van de eene bloem op de andere: een kapel is het zinnebeeld van wuftheid, van pronkzucht en andere ondeugden, die ik de goede Mevrouw Bentes niet ten laste wil leggen. Zij behoefde ook waarlijk niet rond te fladderen: zij was schoon, geestvol, beminnelijk, jong en rijk.... dus fladderden er genoeg om haar heen. Ik geloof niet, dat zij haar man erg betreurd had: althans toen ik een lid werd van haar huisgezin, scheen haar droefheid geweken te zijn, en, gelijk ik dan ook buitenaf hoorde, moet hij geen andere verdienste gehad hebben, dan dat hii tot de eerste familiën behoorde, puissant rijk was en voortreffelijk hombre en tokkodielje speelde. Nu — 'tquot;doet er niet toe: en de drie kinderen, die hij achter had gelaten, aardden gelukkig niet naar hun vader. Het oudste meisje, Klare-Bet, thans de Gravin van Werlingen, was wel wat wild en ongezeglijk, doch over 't geheel een goed kind: haar zusje Mietje en haar broertje Govert waren engeltjes van kinderen: zij werden, helaas! — naar menschelijke berekening te vroeg — engel tjes in den hemel.

Mevrouw Bentes was dan, als ik zeide, niet erg bedroefd, en na drie-en-een-half jaar in afzondering te hebben doorgebracht, verlangde zij haar schade weer in te halen en haar jeugd te genieten. Ik weet, dat men tegenwoordig iemand, die voor zulk een verlangen dorst uitkomen — gelijk zij het tegenover haar vrienden deed — streng veroordeelen zou, en sentimenteele lieden ') zouden zeggen: „het was haar plicht en roeping, en het had ook haar lust moeten zijn, zich geheel aan haar kinderen toe te wijden.quot; — Goed! zij wijdde zich aan haar kinderen: zij stuurde ze niet van zich af en liét ze niet thuis als zij uit logeeren ging; doch zij vond er geen kwaad in, zich, op het uur, dat haar kinderen naar bed waren, in aangenamer gezelschappen dan het mijne of dat van de kindermeid te vermaken: en zij had een schrik gekregen van alle boeken over opvoeding, waarvan het toen krioelde, en die zij in haar „stillen tijdquot; tot walgens toe gelezen had. „Al dat gesnor,quot; zeide zij, „is niet dan voor exceptioneele toestanden geschikt, en kan enkel dienen om pedante of maatschappelijk onbruikbare wezens te vormen:quot; — en na al de fraaie resultaten, die ik gezien heb van die opvoedingen a la Jean Jacques en dergelijke, moet ik zeggen, dat zij geen groot ongelijk had.

') Men sprak, in den tijit toen Mej. S. mij dit verhaal deed, van „sentimenteele lieden,quot; gelijk men thans van „vrome Hedenquot; spreken zou. 't Verschil was minder groot dan men oppervlakkig zou meenen.

-ocr page 285-

EEN VERTELLING VAN MEJUPFKOÜW STAUFFACHER.

Haar rentrée dans le monde geschiedde daarmede, dat wij do najaarsmaanden gingen doorbrengen op den huize Hardenstein, bij Mijnheer Van Eylar, zooals wij Amsterdammers hem noemden, 01 „den Baron,quot; zooals hij in zijn buurt heette. Mevrouw Van Eylar was een eigen zuster van Mevrouw Bentes, een weinigje ouder dan zij. Reeds vroeger had zij haar te logeeren gevraagd; doch Mevrouw Bentes wist, dat er op Hardenstein altijd veel gezelschap was: zij kende het vroolijke leventje, dat men er leidde, en had er daarom niet heen willen gaan zoolang de rouw duurde en zij zonder opspraak te verwekken niet kon meedoen. En inderdaad, toen ik te Hardenstein gekomen en au fait was van de leefwijze, moest ik haar

felijk geven. Vroolijker was er zeker niet te bedenken; het ruime asteel altijd vol gasten, de stallen vol paarden en rijtuigen, waarover men naar goedvinden beschikken kon: ieder den geheelenmorgen volkomen vrij in zijn bewegingen: geen gedwongen reünie dan aan het middageten: 's avonds voor en onder het theedrinken muziek, gezelschapsspelen van allerlei aard, zoowel loterijen, lotto's en der-elijk geven. Vroolijker was er zeker niet te bedenken; het ruime asteel altijd vol gasten, de stallen vol paarden en rijtuigen, waarover men naar goedvinden beschikken kon: ieder den geheelenmorgen volkomen vrij in zijn bewegingen: geen gedwongen reünie dan aan het middageten: 's avonds voor en onder het theedrinken muziek, gezelschapsspelen van allerlei aard, zoowel loterijen, lotto's en der-

felijke, die op toeval en geluk berusten, als proverbes of chara-es en action, en dergelijke, waar geest en oordeel bij te pas komen. Eens zelfs vertoonden wij in de oranjerie l'enfant prodigue van Voltaire: ik zeg „wij,quot; want ik moest ook meedoen, en nog wel voor de Baronne de Croupillac — de caricatuurrol. Mejuffrouw Van Doertoghe speelde Lise, Mevrouw Bentes Martha — en mooier Martha is er stellig nooit op eenig theater geweest. De Jonker Van Spor-kelberghe was Euphemon, onze tegenwoordige Ambassadeur in Oostenrijk stelde Rondon voor, en de Kapitein Trellinck, die nu Generaal der Infanterie is, was Fierenfat: ik verzeker u, dat het een goed geheel was. Enfin, dit tusschen twee haakjes. Ik durf zeggen, dat ik in mijn leven nooit zes weken achter elkaar zoo vermakelijk heb doorgebracht; ik vooral, die toen maar eventjes over de twintig was en in 't vak van vermakelijkheden nog nooit iets anders had bijgewoond, dan de bezoeken, die in onze garnizoensplaats de officieren, voor zooverre zij gehuwd waren, elkander brachten en waar het doorgaans voor mij uitdraaide op het kijken naar een partij jassen ofelijke, die op toeval en geluk berusten, als proverbes of chara-es en action, en dergelijke, waar geest en oordeel bij te pas komen. Eens zelfs vertoonden wij in de oranjerie l'enfant prodigue van Voltaire: ik zeg „wij,quot; want ik moest ook meedoen, en nog wel voor de Baronne de Croupillac — de caricatuurrol. Mejuffrouw Van Doertoghe speelde Lise, Mevrouw Bentes Martha — en mooier Martha is er stellig nooit op eenig theater geweest. De Jonker Van Spor-kelberghe was Euphemon, onze tegenwoordige Ambassadeur in Oostenrijk stelde Rondon voor, en de Kapitein Trellinck, die nu Generaal der Infanterie is, was Fierenfat: ik verzeker u, dat het een goed geheel was. Enfin, dit tusschen twee haakjes. Ik durf zeggen, dat ik in mijn leven nooit zes weken achter elkaar zoo vermakelijk heb doorgebracht; ik vooral, die toen maar eventjes over de twintig was en in 't vak van vermakelijkheden nog nooit iets anders had bijgewoond, dan de bezoeken, die in onze garnizoensplaats de officieren, voor zooverre zij gehuwd waren, elkander brachten en waar het doorgaans voor mij uitdraaide op het kijken naar een partij jassen of

277

Siketten, en op het luisteren naar gesprekken over veldtochten en ienstzaken, onder het genot van een potteken Leuvensch en onder het smoken van knaster tabak uit Duitsche pijpen: wel te verstaan voor zooveel de Heeren betreft: de dames en meisjes mochten zich met een kommetje saliemelk en een koekje tevreden houden en inmiddels was quot;t pieken, pieken met de naald zonder ophouden. Gij kunt dus begrijpen, dat het onderscheid voor mij niet gering was. Mijnheer en Mevrouw Van Eylar waren allerbeste menschen, die om niets anders schenen te denken, dan om het hun gasten zooveel mogelijk naar hun zin te maken: en daarbij heerschte op Hardenstein de meest gulle en ongedwongen toon die te bedenken is. Als ik zeg „ongedwongen,quot; dan bedoel ik daarmede niet wat men nuiketten, en op het luisteren naar gesprekken over veldtochten en ienstzaken, onder het genot van een potteken Leuvensch en onder het smoken van knaster tabak uit Duitsche pijpen: wel te verstaan voor zooveel de Heeren betreft: de dames en meisjes mochten zich met een kommetje saliemelk en een koekje tevreden houden en inmiddels was quot;t pieken, pieken met de naald zonder ophouden. Gij kunt dus begrijpen, dat het onderscheid voor mij niet gering was. Mijnheer en Mevrouw Van Eylar waren allerbeste menschen, die om niets anders schenen te denken, dan om het hun gasten zooveel mogelijk naar hun zin te maken: en daarbij heerschte op Hardenstein de meest gulle en ongedwongen toon die te bedenken is. Als ik zeg „ongedwongen,quot; dan bedoel ik daarmede niet wat men nu1) sans

') Nu — men bedenïe dit wel — Tjetcokent In deze vertelling altijd: „een goede veertig jaar geleden.quot;

-ocr page 286-

278 BEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACUER.

gene noemt, en 'tgeen daarin schijnt te bestaan, dat men met een sigaar in den mond door huis loopt, met een jas en bemodderde Jaarzen binnenkomt, lui in een gemakkelijken stoel of op een kanapé ligt uitgestrekt, de helft van den avond wegblijft om te rooken en de dames alleen laat zitten: — neen! men verstond het sans gêne toen anders, en gelijk men in de groote maatschapgij zich aan de slavernij der wet onderwerpt om vrij te kunnen zijn — is 'tniet Cicero, die zoo iets zegt? — zoo onderwierp men zich in de samenleving aan de slavernij der etiquette om zijn eigen en eens anders genoegen te bevorderen. Gelijk ik u reeds zeide, men was op Harden-stein den geheelen morgen zijn eigen meester; de Heeren gingen vroegtijdig uit rijden of op de jacht; maar geen hunner zou er aan gedacht hebben, aan tafel anders dan in behoorlijke tenue te verschijnen, de pruik netjes gepoederd, schoone lubben en jabot en den degen op zijde, 's Avonds onder het muziek maken viel er wel eens een, die voor dag en dauw in 't veld geweest was, in den dut; maar als de theeboel opgeruimd en de speeltafeltjes gezet waren, was ieder weer klaar, en aan 't souper dacht niemand er aan om vaak te hebben. Och! dat soupeeren raakt ook al zachtjes aan uit de mode.

Ik hoor nu dagelijks zeggen, dat in die jaren onze Natie in een staat van diep zedelijk verval verkeerde, dat de langdurige vrede, dien zij genoten had, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden en dat men, gerust insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik ben niet op de hoogte om dat te beoordeelen; doch die zoo spreken, oordeelen van 't geen zij niet gekend hebben, en zien althans de goede zijde van dat tijdvak voorbij. Ik verzeker u, dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte dan thans; als men bouwde, al was 't maar een onnoozel koepeltje, dan bezigde men duurzame materialen, en men hoorde van geen muren, die vochtig waren of afkalkten, en van geen planken, die wegrotten. In de meubelen heerschte ook vrij wat meer smaak en vinding dan in de hedendaagsche: en zij waren vrij wat keuriger en met meer zorg afgewerkt dan in dezen tijd, nu men enkel op 't goed-koope ziet en de boel maar a la grosse morbleu wordt saamge-flanst: en het vleesch aan 't spit gebraden smaakte heel anders dan nu het met de moderne economische kookmachines wordt toebereid. Maar ik raak van den tekst en wat ik eigenlijk aanmerken wou is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang waren dan nu. Zooals ik straks begon te zeggen, men wist zijn vrijheid aan banden te leggen: ieder had het gevoel, dat, wanneer liij in een gezelschap werd toegelaten, zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel tot het algemeen genoegen moest bijbrengen en dan bleek het, dat wie 't meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf 't meeste genoegen had. Juist de

-ocr page 287-

BEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHER. 279

omstandigheid, dat ons Vaderland toen vrede en rust genoot, was oorzaak, dat er over politiek weinig of niet gesproken werd: en ofschoon er spanning tusschen de partijen in den Staat was ontstaan, en somtijds heden van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten, men had de welvoegelijkheid, in tegenwoordigheid van dames niet over politieke vraagpunten te twisten; de gesprekken liepen dan ook meer over literatuur en over de nieuwtjes van den dag. Enfin, hoe zal ik het u zeggen? men wist toen nog te «praten,quot; wat de Franschen noemen causer, een kunst, die bij ons, gelijk bij hen, zoogoed als verloren schijnt, en door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn öf in dispuutcolleges, of in vervelend gewauwel over dienstboden en modewinkels. — Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer onbeduidende din-

fen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker waas van evalhgheid gespreid, dat alleen verkregen wordt door een goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden en vooral door de gestadig aangekweekte zucht om te behagen. Gij zult zeggen — of neen, gij niet, anderen, die mij niet begrijpen kunnen, zouden zeggen: „de conversatietoon van die dagen was dus inderdaad niet veel meer dan een blinkend vernis, 't welk de oppervlakte verguldde eener maatschappij, van binnen verrot en bedorven.quot; Ik weet dat niet: ik zal mij althans wachten, een geheele maatschappij, waaronder ik geboren en opgevoed^ ben en geluk en vriendschap ondervonden heb, te veroordeelen; ik zie maar niet in, dat de he-dendaagsche zooveel beter is. Men ontmoette in dien tijd, even zoogoed als nu, menschen, die dom, enkelen zelfs, die vrij belachelijk waren: ook nu en dan bewees deze of gene — en gij zult er een voorbeeld van krijgen — dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; — maar de dommen hadden doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en vormden alzoo als 't ware het ,publiek:quot; de belachelijken dienden tot vermaak van de overigen, evenals de apen en papegaaien: en de slechten.... nu ja, de slechten moestenen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker waas van evalhgheid gespreid, dat alleen verkregen wordt door een goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden en vooral door de gestadig aangekweekte zucht om te behagen. Gij zult zeggen — of neen, gij niet, anderen, die mij niet begrijpen kunnen, zouden zeggen: „de conversatietoon van die dagen was dus inderdaad niet veel meer dan een blinkend vernis, 't welk de oppervlakte verguldde eener maatschappij, van binnen verrot en bedorven.quot; Ik weet dat niet: ik zal mij althans wachten, een geheele maatschappij, waaronder ik geboren en opgevoed^ ben en geluk en vriendschap ondervonden heb, te veroordeelen; ik zie maar niet in, dat de he-dendaagsche zooveel beter is. Men ontmoette in dien tijd, even zoogoed als nu, menschen, die dom, enkelen zelfs, die vrij belachelijk waren: ook nu en dan bewees deze of gene — en gij zult er een voorbeeld van krijgen — dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; — maar de dommen hadden doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en vormden alzoo als 't ware het ,publiek:quot; de belachelijken dienden tot vermaak van de overigen, evenals de apen en papegaaien: en de slechten.... nu ja, de slechten moesten Kunnen huichelen en zich beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen van ordentelijke lieden te worden geweerd. Ik beken, er waren toen vrij wat lieden, die machtig veel ophadden met de Fransche wijsbegeerte en op 't stuk van godsdienst al heel onrechtzinnig dachten: maar zij zouden zich toch gewacht hebben, te profaneeren, of te pralen met hun ongeloof in tegenwoordigheid van menschen, die er door ontsticht zouden zyn. Zij eerbiedigden wat zij de zwakheid van bijgeloovige hersenen noemden: en de anderen zuchtten in stilte over 't geen zij aanmerkten als de dwalingen van den tijd. — En noeme men nu die toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, fatiel, al wat men wil: ik voor mij weet, dat zij honderdmalen beschaafder, wellevender, aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, en onze jonge heeren zouden er menige les en goed voorbeeld aan kunnen nemen.

Maar ik val in herhalingen en ben weer machtig aan 't divagee-ren: nu! een en ander is een gebrek van oudelieden, on dat gg mij

-ocr page 288-

280 EEN VEETELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHEE.

vergeven moet. Ik raak altijd op mijn hobby-horse als ik van die dagen spreek, en ik geef er mij te meer aan toe, omdat ik weet, dat gji er gaarne van hoort. — Doch ik zou u een verhaal doen en daar zou ik nooit toe geraken, indien ik op deze wijze voort-

fing. Dus onmiddellijk tot de zaak: en ik beloof u, niet weer af te walen.ing. Dus onmiddellijk tot de zaak: en ik beloof u, niet weer af te walen.

III.

Wij zaten eens op een avond aan 't souper: wij waren, zoo ik wel reken, ongeveer zestien personen of daaromtrent, 't Was aan 't dessert en de bedienden hadden de kamer verlaten: een loffelijke gewoonte van dien tijd, waardoor men althans gedurende het laatste uurtje van den dag in volle vrijheid en over alles praten kon, zonder dat men lastige luistervinken te vreezen had. Het gesprek was gevallen op de geestverschijningen en hetgeen daarmede in verband staat. Swedenborg, Mesmer, de Graaf van St-Germain, de Illuminaten, gaven toen niet zelden stof tot onderhoud en natuurlijk liepen de meeningen omtrent hen niet weinig uit elkander. De vraag, of hetgeen men vertelde van de wonderen, door hen verricht, al dan niet geloof verdiende, en, zoo ja, in welke mate, werd — en niet voor de eerste maal, met levendigheid behandeld. Was de omgang met de geestenwereld mogelijk of niet? ziedaar wat, hierover was men 't eens, vooral moest worden uitgemaakt. De gevoelens, gelijk ik zeide, waren verschillend. Sommigen verwierpen alle geloof aan spokerij als ten eenenmale ongerijmd: anderen, hoewel onder betuiging, dat zij 'voor zich zeiven geheel niet bijgeloovig waren, gaven toe, dat er echter somtijds dingen gebeurd waren en nog

febeurden, die men niet langs den natuurlijken weg verklaren on; •— anderen weder kwamen er rond voor uit, dat, naar hunne overtuiging, er geen reden bestond, waarom schimmen van afgestorvenen zich niet, met of zonder bepaalde zending, aan de levenden zouden kunnen vertoonen. Zonderling, tot die geloovigen behoorden juist zij, die op 't stuk van godsdienst de beide uiterste richtingen vertegenwoordigden. Zoo b. v. verdedigde Mevrouw Van Doer-toghe, — de moeder van Burgemeester Van Doertoghe, weet je? — die streng rechtzinnig in de leer was, het bestaan van spoken uit de Heilige Schrift; terwijl de Heer Van Parolles, die een volslagen vrijgeest was of althans voorgaf te zijn, het verdedigde uit de wijsbegeerte van Zoroaster en Plato, die beiden goede en kwade geniussen aannemen. Onder hen, die met warmte alle vertelsels aangaande verschijningen verwierpen, waren er twee der aanwezigen, die zich bijzonder onderscheidden: een van de twee was Mevrouw Bentes. Haar grootvader, een man, die zijn tijd vooruit was, had er veel toe bijgedragen om de heksenprocessen te helpen afschaffen: haar vader had zich altijd een warmen bestrijder betoond van hetgeen hijebeurden, die men niet langs den natuurlijken weg verklaren on; •— anderen weder kwamen er rond voor uit, dat, naar hunne overtuiging, er geen reden bestond, waarom schimmen van afgestorvenen zich niet, met of zonder bepaalde zending, aan de levenden zouden kunnen vertoonen. Zonderling, tot die geloovigen behoorden juist zij, die op 't stuk van godsdienst de beide uiterste richtingen vertegenwoordigden. Zoo b. v. verdedigde Mevrouw Van Doer-toghe, — de moeder van Burgemeester Van Doertoghe, weet je? — die streng rechtzinnig in de leer was, het bestaan van spoken uit de Heilige Schrift; terwijl de Heer Van Parolles, die een volslagen vrijgeest was of althans voorgaf te zijn, het verdedigde uit de wijsbegeerte van Zoroaster en Plato, die beiden goede en kwade geniussen aannemen. Onder hen, die met warmte alle vertelsels aangaande verschijningen verwierpen, waren er twee der aanwezigen, die zich bijzonder onderscheidden: een van de twee was Mevrouw Bentes. Haar grootvader, een man, die zijn tijd vooruit was, had er veel toe bijgedragen om de heksenprocessen te helpen afschaffen: haar vader had zich altijd een warmen bestrijder betoond van hetgeen hij

-ocr page 289-

EEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHEB. 281

middeleeuwsche wanbegrippen noemde: en zij voerde te dezen opzichte een strijd, die haar om zoo te zeggen, als een erfenis was ten deele gevallen. Haar bondgenoot was zekere Mijnheer Drenkelaer: en dat verwonderde niemand; men was het van hem gewoon, dat hij zich aan hare zijde schaarde: en men vond het zeer natuurlijk, dewijl hij onder dè ijverigsten behoorde van degenen, die haar het hof maakten of haar „oppasten,quot; gelijk toen de gebruikelijke term was. De Heer Drenkelaer was een man van goede familie en beschaafde manieren, hij had een bevallig uiterlijk, wist geestig te vertellen, kon allerliefst romances zingen, speelde whist zonder fouten te begaan, in 't kort, bezat de meeste dier hoedanigheden, die hem in de samenleving op prijs moesten doen stellen. Over zijn fortuin werd verschillend gesproken; sommigen beweerden, dat zijn vader zeer veel geld had nagelaten; anderen spraken dit tegen; doch men kwam hierin overeen, dat, naar de verteringen, welke hij maakte, een huwelijk met geld hem wel zou passen: men fluisterde dat hij een dobbelaar en jaarlijks te Aken aan de farobank te zien was. 'tls waar, men verzweeg zulke dingen voor Mevrouw Bentes; want daar zij den Heer Drenkelaer nogal niet ongenegen scheen, zoo wilde niemand bij haar de zegsman zijn van hetgeen misschien een lasterlijk of zeer vergroot gerucht was; men zei ze evenmin aan Mevrouw Van Eylar, die geweldig met den man was ingenomen en geen kwaad van hem wilde hooren; maar men vertelde ze mij, in de onderstelling, dat het op die wijze haar wel ter ooren komen zou. Hierin bedroog men zich echter: Mevrouw Bentes nam natuurlijk mijn raad niet in, en noch mijn leeftijd noch mijn positie gaven mij de bevoegdheid om tegenover haar een zoo teeder onderwerp ook zelfs uit de verte aan te roeren. Niet of, zoo ik had gedurfd, ik al het mogelijke

fedaan zou hebben om de vrijage van den Heer Drenkelaer te warsboomen: ik hield hem voor volstrekt niet beter dan zijn reputatie: er was iets in zijn oogen, hoe fraai ze ook waren, dat mij tegenstond en vooral wanneer hij ze op Mevrouw Bentes gevestigd hield, deed denken aan den blik, waarmede men verhaalt dat de Amerikaansche slang het arme vogeltje weet te bedwelmen: ik had nog bovendien mijn bijzondere redenen, waarom ik hem nietedaan zou hebben om de vrijage van den Heer Drenkelaer te warsboomen: ik hield hem voor volstrekt niet beter dan zijn reputatie: er was iets in zijn oogen, hoe fraai ze ook waren, dat mij tegenstond en vooral wanneer hij ze op Mevrouw Bentes gevestigd hield, deed denken aan den blik, waarmede men verhaalt dat de Amerikaansche slang het arme vogeltje weet te bedwelmen: ik had nog bovendien mijn bijzondere redenen, waarom ik hem niet

lijden kon, en dien ik niet zeggen zal----enfin ik was doodsbang,

dat mijn goede Mevrouw Bentes hem tot man zou nemen: wanneer zij, naar t mij voorkwam, groote kans zou loopen, haar fortuin te zien doorbrengen met het spel en erger nog: iets wat mij voor haar toekomst en die van de lieve kinderen bitter zou gespeten hebben. Het hinderde mij daarom op den bewusten avond zeer, dat zij met zulk een blijkbaar welgevallen luisterde naar zijn redeneering en zoo luide haar toejuiching schonk aan de gronden, die hij aanvoerde: en te meer hinderde 't mij, naarmate ik zelve erkennen moest, dat hij zgn stellingen uitmuntend verdedigde, en daarbij de gaaf had om, wanneer hij zoo spoedig geen afdoend argument bij de hand vond, zijn tegenpartij met een vernuftigen kwinkslag uit het veld te slaan en althans de lachers op zijn zijde te kriVen.

-ocr page 290-

282 EEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHER.

Het had, als gij wel denken kunt, onder den loop van den redetwist. niet ontbroken aan allerlei kortere en langere historietjes over spoken en geestverschijningen, 't zij tot staving, 't zij tot opheldering van het gezegde aangevoerd. Opeens wendde de Heer Van Parolles zich tot den gastheer: „Eylar!quot; vroeg hij: „heb je hier op Hardenstein nooit verschijningen gehad? Mij dunkt, een adellijk kasteel als dit moet een legende van dien aard bezitten, of het is niet waard, een ouden toren, een wapenzaal, een vechthuis en een ophaalbrug te bezitten.quot;

„Wel ja!quot; was terstond de uitroep, van verschillende kanten aangeheven: „is er geen spook, dat zich op het Huis vertoonen komt?quot;

De vraag werd lachende gedaan: doch, tot ieders verwondering, ernstig beantwoord.

„Niet precies op het Huis,quot; zei de Baron; „maar er bestaat werkelijk betreffende Hardenstein een legende van dien aard, als waar Mijnheer Van Parolles op doelt.quot;

„Waarlijk!quot; klonk het nu: „eilieve! vertel dat toch: een geestverschijning op Hardenstein! dat is verrassend! dat is heerlijk!quot;

„Ik vind er niets heerlnks aan,quot; hernam de Heer Van Eylar op een nog ernstiger, ja op een drogen toon, waaruit men hadde kunnen opmaken, dat hij berouw gevoelde, zich over de zaak te hebben uitgelaten: „het geldt een treurig voorval, waar een lid van mijn geslacht in betrokken was: de zaak is, wel is waar, lang geleden, maar toch niet ver gebeurd: en het mededeelen daarvan zou wellicht bü dezen of genen een angstgevoel doen ontstaan, waardoor hem of haar het verblijf alhier minder aangenaam werd: zoo iets moet ik als gastheer mijn gasten besparen, op wier herhaalde bezoeken ik te hoogen prijs stel.

„Ja, heel beleefd!-' zeide Heer Van Parolles, „doch dat zijn maar

uitvluchten! Eerst ons nieuwsgierig maken en dan niets vertellen____

dat gaat niet.quot;

„Een legende aangaande Hardenstein,quot; riep Mevrouw Bentes: „en daar ik mets van wist, ik, uw eigen schoonzuster, Eylar!quot;

„Och toe. Mijnheer Van Eylar!quot; riepen juffrouw Van Doertoghe, de juffrouwen Prauley, en nog een paar jonge dames als uit éénen mond: „die legende moeten wij hooren.quot;

„Vertel haar maar, Eylar!quot; zeide zijn vrouw, die even weinig aan spoken geloofde als haar zuster, Mevrouw Bentes: „mijn hemel! 't is immers maar een sprookje uit de riddertijden, waar geen sterve-ling meer gewicht aan hecht.quot;

„Wij zitten op heete kolen,quot; riepen Kapitein Trellinck en de Jonker Van Sporkelberghe.

„Welnu!quot; zeide Eylar, terwijl hij blijkbaar zijn tegenzin zocht te overwinnen: „indien gij dan geen van allen naar bed verlangt en indien het uw aller verlangen is, zoo luistert.quot; — En na zich achterover in zijn stoel geworpen en rond gekeken te hebben, als om zich te overtuigen, dat alle deuren gesloten en geen luistervinken in de baurt waren, begon hij in dezer voege:

-ocr page 291-

KEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHER.

283

IV.

DE LEGENDE VAN HARDENSTEIN.

Gij moet dan weten, dat onder de regeering van Reinout, den eersten Hertog van Gelre, dit slot bewoond werd door Peter Van Eylar, van wien ik in de rechte lijn ben afgestamd. Deze Peter Van Eylar had een dochter, die door Sofia Van Meohelen, Reinouts eerste vrouw, ten doop geheven en naar haar genoemd was. Of zij schoon was, daarvan zegt de overlevering niets stelligs; doch ik wil het aannemen: vooreerst omdat het in een dergelijke vertelling wel zoo behoort, en ten andere, omdat het met de waarschijnlijkheid overeenstemt; immers zij wekte een brandende liefde op in de harten van een aantal Ridders en Edelknapen van dien tijd. Zoo velen dongen naar hare hand, dat Peter Van Eylar maar voor 't kiezen had. Hij had zijn dochter lief en wilde haar geen echtgenoot opdringen, die haar tegenstond; doch als hij dezen of genen van haar aanbidders noemde, had zij altijd wat op hem te zeggen, en 't scheen, dat zij niet een uit den hoop haar liefde waardig keurde. Dit begon Heer Peter op 't laatst te verdrieten: het werd tijd, dacht hij, dat Sofia onder de treilijke partijen, die zich opdeden, een keuze deed en 't voorbeeld volgde van zoo vele andere adellijke Juffers var. haren leeftijd, die reeds lang in den echt getreden waren. Sofia van haar kant herhaalde, dat zij geen van al die vrijers dulden kon, en beweerde dat zij geen genegenheid had voor het huwelijk en liever in een klooster gaan of bij haar vader wilde blijven. Eindelijk werd deze laatste boos over 't geen hij halsstarrigheid noemde. „Aan die meisjesgrillen moet een einde komen,quot; zeide hij, en zoo riep hij, op den Zondag na Kruisverheffing, al de Edele Heeren, die haar hand gevraagd hadden, in de groote zaal op Hardenstein bij elkander in tegenwoordigheid zijner dochter. „Zie! zeide hij toen tegen deze: „hier staat voor u een schaar van wakkere vrijers, allen tot de oudste geslachten van den lande behoorende, en waaronder niet weinigen, wier aanzoek zelfs eener dochter van Gelre niet tot oneer zou strekken. Geen onder hen, dien ik niet trotsch zou zijn, mijn schoonzoon te noemen. Het wordt tijd, dat gij uitspraak doet tusschen hen en beslist, aan wien gij uw hand zult geven. Ik wil u nog zes weken tijds geven en wacht hen daarom met Allerheiligen weer hier, maar indien gij alsdan geen keus doet, dan zal ik mij veroorloven die voor u te doen.quot;

Juffrouw ') Sofia werd zeer bleek en treurig, toen zij dit stellig

,) tMel van freale Is Jüer te lande van betrekkelyk zeer modern gebruik.

-ocr page 292-

284 BEN VERTELLING VAN MEJTJFFBOUW STAUFPACHEK.

besluit van haar vader vernam. Zij gaf geen antwoord en boog het hoofd als ten teeken van onderwerping. Heer Peter haalde de schouders op, bescheidde zijn gasten op den gestelden termijn terug en sprak niet verder over de zaak. Hij was geen man van vele woorden; doch wat hij eenmaal bepaald had, bleef bepaald: en dat wist zijn dochter.

De edele minnaars hadden hun afscheid genomen en waren elk zijns weegs naar huis gegaan. Nu gebeurde het, dat drie hunner, Borre Van Doorninck, Koelof Van Wisch en Herbaren Van Putten, in elkanders gezelschap heengereden, in een herberg aan den driesprong, waar hun wegen zich verdeelden, een wijl vertoefden en den beker des afscheids samen ledigden. Zij raakten natuurlijk aan 't kouten over hun vrijage en zoo liet Borre Van Doorninck zich tegen de beide anderen op de navolgende wijze uit: ,'t Komt mij onbegrijpelijk voor,quot; zeide hij, „dat Juffrouw Sofia zoolang blijft aarzelen met haar keuze. Wat duivel! wij zijn toch, zooals wij hier zitten, drie Edellieden van goeden naam en die overal elders te recht zouden komen: zoo de Juffer geen van ons drieën wil, dan moet zij al zeer bang voor 't huwelijk zijn.quot;

„Als er maar niet wat anders achter schuilt,quot; zeide Herbaren van Putten.

„Wat vermoedt gij dan?quot; vroeg Roelof Van Wisch.

„Ik vermoed een geheime minnarij,quot; antwoordde Putten.

„Onmogelijk!quot; riepen de beide anderen.

„Niet alleen mogelijk,quot; hernam Putten: „maar zelfs zeer waarschijnlijk, omdat daardoor alleen het raadsel wordt opgelost. Luistert, Vrienden! ik wil u een voorstel doen. Ik zou het mij moeten getroosten, dat de Juffer een van u beiden boven mij verkoos; doch ik zou niet gewillig voor een onwaardigen medevrijer onderdoen, en het bewijs, dat gij er beiden .ook zoo over denkt, ligt in het verbond, dat wij onderling gesloten hebben, eiken vrijer buiten ons te weren. Maar aangezien Juffrouw Sofia niet tot dat verbond is toegetreden, zoo kon het zijn, dat zij een minnaar had, dien wij niet kenden, en....quot;

„Dien wij niet kenden!quot; herhaalde Doorninck: „maar dat zou haar niet baten! zij moet een keuze doen tusschen hen, die heden morgen op 't slot verzameld waren, en die kennen wij allen.quot;

„Eilieve!quot; zeide Putten: „alsof de wereld niet groot en bevolkt genoeg ware! kan zij niet een keuze buiten dat gezelschap gedaan hebben?quot;

„Maar die keuze is haar ontzegd,quot; merkte Wisch aan.

„Alsof dat een reden ware,quot; hernam Putten: „en alsof niet de vrouwen in 't algemeen juist geneigd zijn daar lief te hebben, waar 't haar niet geoorloofd is.quot;

„'t Kan zijn,quot; zeide Doorninck: „maar waar zou haar dat toe leiden?quot;

„Zij mag toch geen echtgenoot anders dan uit haar erkende minnaars huwen,quot; zeide Wisch.

„Ik spreek van geen echtgenoot,quot; hernam Putten: „maar zegt mij.

-ocr page 293-

EEN VEETELLING VAN MEJUFFROUW STATJFFACHEB. 285

zoudt gij een van beiden genegen zijn, haar tot vrouw te nemen, indien 't u bleek, dat zij bereids een verborgen minnarij had gehad?quot;

„Neen voorwaar!quot; riepen de beide anderen.

„Maar wel zoudt gij genegen zyn, u over zulk een hoon op haar en op het onwaardig voorwerp barer keuze te wreken.quot;

„Ik zou haar in 't openbaar beschamen, indien zulks het geval ware,quot; zei Doorninck, met een krachtigen vloek.

„En dien medevrijer den kop afslaan,quot; voegde Wisch er bij, met een nog krachtiger vloek.

„Welnu!quot; vervolgde Putten: „dan is mijn voorstel dit, dat wij gezamenlijk alle middelen in 't werk stellen om te ontdekken, of mijn vermoeden gegrond is.quot;

„Dat is een goed denkbeeld,quot; merkten de beide anderen aan.

„Wij willen elkander dan op handslag beloven,quot; ging Putten voort: „elk voor zich alles te doen wat in zijn vermogen is om achter de waarheid te komen en elkander bij een volgende ontmoeting niets te verhelen van wat wij ontdekt hebben.quot;

„Dat is afgesproken,quot; zeiden de anderen.

„Ik,quot; zeide Borre Van Doorninck, „zal aan Valk, mijn stegereeps-knecht, last geven, de kamermaagd van de Juffer te vrijen en door haar de gedachten en handelingen van haar meesteresse uit te vorschen.quot;

„En ik,quot; zeide Roelof Van Wisch, „zal door middel van Koert, mijn jager, die een neef is van den hovenier op Hardenstein, de gangen van de Juffer laten bespieden.quot;

„En ik,quot; zei Putten, „zal Albert den heiden betalen, om van de schepers te weten te komen, of er ook verdachte lieden in den omtrek zwerven. Heden over een week vinden wij elkander hier terug en deelen wij elkander den uitslag onzer nasporingen mede.quot;

Overeenkomstig deze afspraak, zaten de drie Edellieden na verloop van een week weder in de herberg.

„Ik weet dit,quot; zeide Borre Van Doorninck: „bij wijlen opent de Juffer, als zij denkt alleen te zün, een juweelkofifertje, waar zij een ring uit neemt, dien zij herhaaldelijk kust.quot;

„Ik weet dit,quot; zeide Roelof Van Wisch: „de Juffer komt nu en dan bij schemeravond aan de woning van den hovenier, zendt diens dochter Lijsbet om een boodschap uit, verbeidt haar terugkomst en keert eerst dan weder naar 't slot.quot;

„Ik weet dit,quot; zeide Putten: „er zwerft in de omstreken van Hardenstein een ruiter, die een vuurrooden tulband op het hoofd draagt met een veder en een mantel van gelijke kleur. Een goudgeschubde maliënkolder bedekt zijn borst en aan zijn zijde hangt eenMoorsche sabel. Hij berijdt een gitzwart paard, snel als de wind, komt, men weet niet van waar, en keert, men weet niet waarheen.quot;

Ofschoon de ontdekte bijzonderheden elk op zich zelve van gewicht konden geacht worden, zoo was het nog niet wel mogelijk er eenig dadelijk verband tusschen te zien. Waren 't schakels van een zelfde keten, dan moesten zij nog worden aan elkander gehecht.

-ocr page 294-

286 EEW VERTELLING VAN KEJÜPFEOÜW STAUt'PACÖEÏt.

Alzoo werd de afspraak gemaakt, het begonnen onderzoek door te zetten en na verloop van een week de uitkomsten daarvan onderling te vergelijken.

Die week verliep en de drie vrienden zaten wederom bij elkander.

„Ik weet meer,quot; zeide Doorninck: „de Juffer heeft laatstleden Vrijdag- morgen een hemelsblauwen sluier uit het vensterraam van haar kamer gehangen, welk raam het uitzicht heeft naar den kant van den Wolverberg.quot;

„Ik weet meer,quot; zeide Wisch: „de Juffer is laatstleden Vrijdag, tegen het vallen van den avond, bij den hovenier geweest; zij heeft daar ongeveer een uur vertoefd, en middelerwijl is Lijsbet, de dochter van den huize, het pad op geweest, dat buiten de omheinde warande voert.quot;

„Ik weet meer,quot; zeide Putten: „de roode ruiter is Vrijdag-morgen over de heide aan komen rijden. Hij heeft een wijl op den Wolver-berg zijn ros doen stilstaan, en naar de zijde van 't kasteel gekeken: en daarna is hij pijlsnel teruggekeerd; — maar dienzelfden avond is hij nogmaals in de buurt opgemerkt.quot;

„Nu behoeft voorwaar het verband niet langer gezocht te worden quot; zei Doorninck.

„Er mangelt niet één schakel,quot; zei Wisch,

„Die blauwe sluier,quot; zei Putten: „moet den onbekenden ruiter tot een sein dienen, dat de kust tegen den avond vrij zal wezen, en de hoveniers-dochter speelt voor bodin tusschen Sofia en haar lief. — Maar wat nu te doen?quot;

„Mij dunkt,quot; antwoordde Doorninck, „het eenvoudigste ware, dien vreemden avonturier op te wachten.quot;

„En hem neder te houwen,quot; zei Wisch.

„Ik zou er niets tegen hebben,quot; zei Putten: „ware het niet, dat wij, door hem te haastig van kant te helpen, meteen ons het middel benemen haar verstandhouding met hem te bewijzen. Wij moesten dat bewijs eerst bekomen, en dan wijders ons beraden, hoe wij ons van dien vreemdeling zullen ontslaan, en vooral, hoe wij haar op de meest treffende wijze zullen beschamen.quot;

„Juist,quot; zeide Doorninck: „wij moesten nog een week het onderzoek voortzetten.quot;

„Ik zal nadere bevelen aan Koert geven,quot; zeide Wisch.

„Neen,quot; hernam Putten: „wij hebben tot nu toe door de oogen van anderen gezien: „wij moeten voortaan zien met onze eigene oogen. Daartoe zal het noodig zijn, dat wij de buurt niet verlaten en zeiven in 't geheim voortdurend op alles acht geven. Een onzer moet dagelijks den Wolverberg bestijgen en uitzien of hij het sein ook bespeurt: een ander zich bij schemeravond in de buurt van des hoveniers woning begeven en opletten wat daar gebeurt: en de derde moet de gangen van dien vreemdeling gadeslaan.quot;

„'t Is wel!quot; zei Doorninck: „ik zal mij in 't gewaad van Valk versteken en op den berg wacht houden.quot;

„En ik,quot; zei Wisch: „zal in dat van Koert de woning van den hovenier beloeren.quot;

-ocr page 295-

fifeN VBATELLÜfO VAN ttEJUTFEOUW STAtTFFACHER; 287

„En ik,quot; zeide Putten: „zal als een heiden vermomd, öj3 de heide vertoeven.quot;

Onze drie vrijers handelden volgens de afspraak; maar er verliepen volle zeven dagen eer een hunner iets ontdekt had. Op den morgen van den achtsten echter, zag Borre Van Doorninck, die weder zijn wachtpost op den Wolverberg betrokken had, een der vensters van het kasteel opengaan: een blanke arm vertoonde zich, dien de verre afstand hem natuurlijk niet toeliet te herkennen, doch dien hij reden had te onderstellen, dat aan Sofia toebehoorde; de hand, welke aan dien arm vastzat, hing een hemelsblauw kleed het raam uit, en trok toen het venster weder dicht. Doch terwijl Doorninck nog altijd voor zich uit tuurde, hoorde hij plotseling hoefgetrappel achter zich, en, omziende, vond hij tegenover zich den rooden ruiter, die hem met grimmige oogen aanstaarde.

„Wat doet gij hier?quot; vroeg de onbekende, op barschen toon en met een uitheemschen tongval.

Borre Van Doorninck was dapper; doch hij voelde zich niettemin eenigszins onthutst. Hij was te voet en had geen wapen dan een dolk: de ander zat te paard, had zijn Moorschen sabel en zijn uiterlijk duidde een kracht en gespierdheid aan, waartegen Doorninck vreezen mocht niet opgewassen te zijn. Geen wonder, dat hij een oogenblik beteuterd en sprakeloos stond.

„Nu!quot; hernam de onbekende, hem aanziende alsof hij hem met zijn blik doorboren ging: „krijg ik antwoord?quot;

Die trotsche toon wekte de verontwaardiging van den fieren Edelman en gaf hem te gelijk zijn moed terug. „Ik ben uit adellijken bloede,quot; zeide hij, „en antwoord niet op de onbescheiden vragen van den eersten gelukzoeker den beste.quot;

„Dan zal ik u zeggen wie gij zijt,quot; hervatte de andere, terwijl hij aan zijn stem een snijdende en onheilspellende uitdrukking gaf: „gij zijt Borre Van Doorninck; gij dingt naar de hand van Sofia Van Eylar, en gij komt hier om mij te bespieden. Maar ik ben Asrafel, de zoon van Sofan, en ik heb gezworen, dat wie zich tusschen mij en mijn doel stelt, niet leven zal:quot; — en met deze woorden zijn sabel uithalende deed hij dien een halven kring in de lucht beschrijven, eer Doorninck eenigen tegenweer maken kon, of zelfs een woord kon uiten, en het hoofd van den armen Ridder rolde over 'tzand. Haastig bukte zich de vreemdeling voorover, raapte het hoofd van den grond op, stak het in een zak, die aan den zadelknop gebonden was, sleurde het lichaam onder 't wegrijden een eind met zich voort en smeet het in een greppel op de heide, waar het eerst eenige dagen later door de schepers gevonden en als dat van een onbekende onder de aarde gestopt werd.

Op denzeltden avond sloop Roelof Van Wisch in het gewaad zijns jagers in de nabijheid van de woning des hoveniers. Daar zat hij van achter de doornenstruiken te gluren, toen hij Juffrouw Sofia van het kasteel zag komen en binnen gaan. Eort daarna kwam Lijsbet de deur uit en nam het pad, dat naar buiten de omheinde warande voerde. Omzichtig door net kreupelhout sluipende, vólgde Wisch

-ocr page 296-

288 EES VEBtÈLLlNO VAN MEJUFFKOUW stattffachee *

dezelfde richting, klom, terwijl zij het hek uitging, over de heining, baande zich een weg doorhetkreupelhout en bleef evenwijdig denzelfden kant opgaan als zij, die het boschpad hield. Weldra was de nachtwandelaarster aan een open plek gekomen, in wier midden een steeneik zich verhief, bij welken boom een mansgedaante stond te wachten. Wisch trad al nader en nader om te luisteren; doch daar trof het geritsel, dat de dorre bladeren maakten, het fijn gehoor van den onbekende, die, onmiddellijk toespringende naar de plek, vanwaar het gerucht kwam, den verrasten Ridder bij het haar greep en te gelijk zijn sabel in de hoogte hief, met de vraag; „wie zijt gij?quot;

„Ik ben een Edelman,quot; antwoordde Wisch: „en uwe wijze van handelen is onridderlijk en toont, dat gij een gemeene roover zijt; doch pas op----ik zal....quot;

„Ik ken u,quot; hernam hij met den rooden tulband, en, hoezeer hij zijn stemgeluid smoorde, zijn woorden klonken er niet minder duidelijk en ijzingwekkend om: „gij zijt Roelof Van Wisch, en ik ben Asrafel, de zoon van Sofan, die gezworen heb te dooden wie zich tusschen mij stelt en mijn doel.quot; En met deze woorden sloeg hij hem het hoofd af, gelijk hij Borre Van Doorninck gedaan had, stak het in een zak, die aan zijn zijde hing, smeet het lichaam ergens in 't bosch in een kuil, door 't rooien van een boom ontstaan, (waar de houthakkers 't later vonden en 't ook als dat van een onbekende begraven werd) en keerde toen met de grootste bedaardheid naar den eikeboom terug, waar het meisje hem stond te wachten.

„Wat hebt gij gedaan?quot; vroeg Sofia; want deze was het, die, onder den mantel en kaper der hoveniersdochter verscholen, op die wijze hare geheime samenkomsten met dien gruwzamen minnaar had.

„Ik heb gedood wie een klad op uw naam zou hebben kunnen werpen,quot; antwoordde Asrafel: „en hetzelfde lot zal een iegelijk treffen, die mij dwarsboomen of bespieden durft.quot;

„Gii zijt een vreeselijk man, Asrafel!quot; zeide Sofia: „hoe kan het mogelijk zijn, dat ik u bemin, u, voor wien ik veeleer van schrik moest terugbeven.quot;

Een zonderlinge lach was het eenige antwoord van Asrafel. _

„Uw geloof,quot; ging Sofia voort, „is Tiet mijne niet; uw land'is het mijne niet; ik weet nauwelijks wie gij zijt of van waar gij komt: toen ik, te Nijmegen, u onder 't gevolg des Keizers het eerst zag, waarde mij een kille huivering door het bloed: ook thans doen mij uw daden sidderen: en toch.... toch vergeet ik plicht, geloof, land en magen, om u, om u alleen!.... o! dat is betoovering!quot;

„Ja! het is betoovering,quot; zeide Asrafel, en zijn stem klonk zoo welluidend en liefelijk, als zij tegenover zijn slachtoffers schel en snerpend, of dof en somber was geweest: „maar 'tis zoodanige betoovering als niet door hulp van kruiden of dranken, van talismans of amuletten, van rijmspreuken of bezweringen wordt volbracht: 't is de betoovering der liefde, die ons beiden in haar macht houdt, der liefde, die uw hart geopend heeft voor den vreemden zwerver, en die mij teruggehouden heeft in een land, waar de naam vanmjjn ras in haat is, en waar mij voortdurend gevaren dreigen. Maar nu!

-ocr page 297-

EEN VERTELLING VAN MEJOTFKOUW STAUFFACHER. 289

de tijd is kostbaar. Hebt gij over mijn voorstel nagedacht? Kunt gij besluiten, mij te volgen?quot;

„Neen Asrafel! heden niet,quot; zeide Sofia: „ik min u: dit bewijst al wat ik reeds om uwentwille gedaan en geleden heb. Of heb ik niet om u mijn plicht vertreden en datgene gedaan, 't welk schande over ons Huis zou brengen zoo 't immer werd ontdekt? Ach! ik wilde zoo gaarne vermijden, mijns vaders hart te breken!quot;

„Zult gij dan een uwer adellijke minnaars uw hand geven?quot; vroeg Asrafel, op bitteren toon: „ik zie geen ander middel om hem te voldoen.

„Neen! dat in eeuwigheid niet,quot; _antwoordde Sofia: „maar een middel blijft mij nog over, en dat wil ik beproeven, eer ik aan uw verlangen gehoor geef. Gij weet, het is op Allerheiligen, dat mijn vader hen, die naar mijn hand dingen, bescheiden heeft----quot;

„Twee hunner zullen niet antwoorden als de namen gelezen worden,quot; viel Asrafel in.

„Er zullen er nog genoeg overblijven,quot; hernam Sofia, „tusschen wie ik zal moeten kiezen. Wel! ik wil voor dien tijd mijn vader nog zien te bewegen, dat hij mij vergunne den sluier aan te nemen. Ik zal nimmer een levend man boven u de voorkeur geven; maar ik weet, hoe schuldig de liefde is, die ik voor u gevoel, en daarom wil ik trachten haar in het klooster te ontvlieden. Neen! lach niet, Asrafel! Geloof, dat het mijn dood zal zijn, voor eeuwig van u te moeten scheiden; maar ik zal dan ten minste vrij van opspraak en met een gerust geweten sterven. Alleen dan, wanneer mijn vader aan dezen mijn wensch weigert te voldoen, zal ik het als een teeken aanmerken, dat God het offer mijner liefde niet begeert, en dan geef ik mij over aan mijn noodlot en volg u, de uwe in leven en dood; doch niet dan in het laatste oogenblik wil ik tot dit uiterste komen: en daarom, eerst te middernacht voor Allerheiligen zult gij mij hier vinden.quot;

„Uw vader heeft u datzelfde verzoek tot heden steeds afgeslagen,quot; zeide Asrafel: „hij blijft — gij hebt mij dit zelve verklaard — steeds onverzettelijk bij hetgeen hij eenmaal besloten heeft. Nu of met Allerheiligen — 't zal wel 't zelfde zijn. Daarom, stel mijn geluk niet uit. Vergezel mij nog heden.quot;

„Ik mag niet,quot; hernam Sofia, haar minnaar, die reeds den arm had uitgestoken om haar te omvatten, zachtjes van zich afwerende: „gij hebt beloofd, mijn deugd te eerbiedigen: in dat vertrouwen ben ik wederom tot u gekomen; gij hebt beloofd, geen geweld tegen mij te bezigen; ik heb vertrouwd op uw woord. Dorst gij het schenden, gij zoudt mijn liefde tevens dooden.quot;

„Ik onderwerp mij,quot; zeide Asrafel, somber voor zich ziende: „ik vertrouw mijnerzijds op u, en ik zal hier zijn met Allerheiligen, te middernacht.quot;

„Gij zult dus zeker komen?quot; vroeg Sofia.

„Ik zweer het u,quot; antwoordde Asrafel, wederom op dien snerpenden toon, dien hij anders tegen haar niet bezigde: „te middernacht voor Allerheiligen zal ik hier bij dezen steeneik zijn, dood of levend, ora u te zoeken.quot;

B. w. V. 19

-ocr page 298-

290 EEN VEKTBUJNG VAN MEJUFFROUW STAUFFACHEE.

„Vaarwel dan!quot; zeide Sofia, en, hem een kushand toewerpende, keerde zij zich snel om en nam langs het haar goed bekende pad, met zooveel spoed als de duisternis toeliet, den terugtocht aan. Haar minnaar bleef haar nog eenigen tijd naoogen: toen zocht ook hij, maar naar de tegenovergestelde zijde, den terugweg, die hem op de heide brengen moest. Daar gekomen floot hii, en, trouw als een hond, kwam op dat bekende sein zijn prachtig ros toesnellen. Met éénen sprong was hij in den zadel en in ontembare vaart rende hij nu over heuvelen en dalen heen.

Maar lang voordat het geluid van den hoefslag was weggestorven, had zich in de nabijheid van de plek, waar de gelieven elkander ontmoet hadden, iemand, als een heiden gekleed, opgericht uit een greppel, van waar hij, door de struiken in het kreupelhout verborgen, het gesprek der gelieven beluisterd had. Die iemand was Herbaren Van Putten, die, voorzichtiger of gelukkiger dan zijn beide vrienden, het lot ontkomen was, dat hen getroffen had. In het bosch verscholen, had hij de komst van den ruiter bespied en zich toen dadelijk in de hinderlaag verscholen, vanwaar hij toevalliger wijze getuige had kunnen zijn van 't geen er voorgevallen was. Wel had hem het bloed in de aderen gekookt: wel had hij een oogenblik in twijfel gestaan, toen Asrafel zich spottend uitliet over den dood der beide Ridders, of hij niet toespringen en zijn vrienden op hem zou beproeven te wreken; doch hij had zich laten terughouden door de overweging, dat, indien hij voor Asrafel moest onderdoen, er niemand zou overblijven, om hem zijn welverdiende straf te doen ondergaan: en, zou zijn wraak zeker zijn, dan moest die worden uitgesteld. Asrafel! — zoo heette, gelijk hij zich herinnerde, de heidensche Prins, die uit een ver, ver achter Duitschland gelegen land herkomstig was en eenige maanden te voren in 't gevolg van den keizer te Nijmegen gekomen, hem bij diens vertrek niet weder vergezeld had, maar in Gelre achtergebleven was en een vervallen slot aan den Rijn betrokken had, waar hij in afzondering leefde, en, gelijk de faam ging, zich met duivelskunstenarijen onledig hield.

Herbaren Van Putten was verre van godvreezend, en dacht gewoonlijk meer aan den drinkkroes, den teerling, het jachtbedrijf en het wapenspel, dan aan zijn zaligheid; niettemin sloeg hij menig kruis bij de bloote gedachte, dat een dochter van zoo adellijken huize en die tot nog toe altijd voor een vrome Christinne had doorgegaan, zich door zulk een van God en mensch vervloekten heidenschen toovenaar had laten belezen. Immers 't kon alleen door Satans listen en hekserijen zijn, dat een zedige maagd als zij in de strikken van zulk een verleider nad kunnen vallen.

Hij keerde naar zijn herberg en vandaar naar zijn Huis te Putten, al peinzende onderweg over hetgeen hem te doen stond. Hoewel het oorspronkelijk in zijn plan en in dat zijner vrienden gelegen had, de beide gelieven te overvallen en Sofia te beschamen, was hij nu tot een ander besluit gekomen. „Ik moet,quot; zeide hij bij zich zeiven, „een ontmoeting tusschen die twee beletten: en die uitheemsche boef moet sterven als een hond, gelijk hij mijn beide vrienden heeft doen sterven.quot;

-ocr page 299-

BEN VEETELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFAOHEB. 291

Hij achtte het intusschen niet onnoodig, goeden raad in te winnen, en te dien einde begaf hij zich tot zekeren ouden, vromen kluizenaar, die op de Veluwsche heide woonde en die als geestenbanner bekend stond. Hij vond den grijsaard en deelde hem mede wat er was voorgevallen.

„Gij hebt wel gedaan, mijn Zoon!quot; zeide de kluizenaar, „dat gij in deze zaak niet overijld gehandeld hebt, maar tot mij gekomen zijt. Asrafel, de zoon van Sofan, bezit wondere geheimen, hoedanige alleen bekend zijn in het verre Oosten, waar hij vandaan komt. Indien gij, mijn Zoon! met hem in eerlijken kamp had willen strijden, zoudt gij noodwendig zijn omgekomen; want hij draagt een betooverd borstharnas, waar geen staal doorheen kan dringen, en is bovendien onkwetsbaar ten gevolge der aanwending van kruiden, waarmede hij zich bestrijkt. Toch is hij met hulpe van God en Zijn Heiligen te overwinnen. Daartoe kies u twaalf kloeke mannen uit en begeef u met hen, nadat gij allen gebiecht en het sacrament genomen hebt, den avond voor Allerheiligen naar de Hardensteinsche heide. Plaats u daar in een hinderlaag langs den weg, dien uw vijand komen moet. Spant er touwen en maakt kuilen dwars over het pad, zoodat zijn paard struikele. En dewijl het dier zelf misschien door tooverij of anderszins in staat is, die hindernissen onverlet door te komen, zoo plant dit gebenedijd kruis in het pad, waardoor het onfeilbaar in zijn loop zal verhinderd wezen. Hebt gij den ruiter overmand, zoo zorgt hem goed te binden en alsdan in dezen of genen diepen put of ander water te smoren, doch niet dan na hem naakt uitgeschud en een zwaren kei om den hals te hebben gebonden; want zoo hij een toovenaar is, dan zal hij als bekend is, op het water drijven en niet zinken. Eer gij u echter van hem ontdoet, onderzoek met zorg, of hij niet hier of daar een verborgen talisman bij zich draagt, door de kracht waarvan hij macht over de Juffer verkregen heeft, en breek dien om hem schadeloos te maken.quot;

Herbaren Van Putten beloofde zich in allen deele te zullen gedragen overeenkomstig de voorschriften, hem door den kluizenaar gegeven. Hij ging ter biecht en ter misse, zocht twaalf zijner kloekste gezellen uit, liet hen ook ter biecht en ter misse gaan en trok met nen op den avond voor Allerheiligen naar de plek, waar hij onderstelde, dat Asrafel langs moest komen. De weg van de heide naar Hardenstein liep, even gelijk die nog loopt, eerst langs den voet van den Wolverberg, met een vrij steile helling tusschen twee aarden dijkjes en dwars door een klein dennenboschje, tot aan den open grond, te dier plaatse hobbelig en ruig, met doornen en ander kruipend gras begroeid, en zoo door een berkenbosch, binnen hetwelk zich het ronde plein bevond, waar de gelieven elkander bij den eikeboom haddon ontmoet.

Het was aan den ingang van het dennenboschje, dat Putten, achter de struiken of in de greppels, zijn manschappen verscholen hield, die touwen en netton van gevlochten ijzerdraad dwars over den weg gespannen hielden. Het kruis, dat de kluizenaar hem ge-

-ocr page 300-

292 BEN VERTELLING VAN MBJtrrPEOUW STAUFFACHEE.

geven had, plantte hij zelf midden op het pad; doch hoeveel vertrouwen hij daarin stelde, hij achtte het niet onnoodig nog eenige andere voorzorgen te nemen, en liet daarom van afstand tot afstand greppels graven, wat te gemakkelijker was, daar het den geheelen dag geregend had en de bodem alzoo week en licht te bewerken was. Al deze maatregelen genomen hebbende, plaatste hij zich nevens het kruis, met zijn goeden strijdbijl in de hand en deze reis in volle wapenrusting, vaardig om, indien Asrafel, ondanks de hinderpalen, die hem gesteld waren, zijn weg vervorderen mocht, hem alsdan den doortocht met de wapenen te betwisten. Wel was het eenigszins stuitend voor zijn ridderlijk gevoel, alzoo jegens een enkelen man al die middelen in 't werk te stellen, die men anders gewoon is alleen tegen roofdieren te bezigen; doch hij paaide zich met de overweging, dat de man, wien het ten dezen gold, in den grond slechts een heidensche toovenaar en alzoo niet veel beter of nog erger was dan een roofdier.

Met gespannen verwachting zag hij nu het beslissend tijdstip te gemoet. Het was donkere maan; doch de lucht was schoon gewaaid en de sterren schenen vroolijk aan den hemel, toen ongeveer een halfuur voor middernacht een zware bui uit het zuidoosten kwam opzetten en in weinige minuten een hevig onweer uitbarstte. De lucht scheen in vuur, de donder rolde oorverdoovend door het zwerk en de regen viel in zware droppels al kletterend op de dorre bladeren neer. De metgezellen van Putten begonnen van koude en angst te beven en behielden nauwelijks kracht genoeg in de verkleumde vingers om hun touwen of netten vast te houden, terwijl hij zelf, ofschoon onvatbaar voor vrees, zich toch nu en dan niet weerhouden kon van een krachtigen vloek uit te stooten tegen den donder, die hem belette te hooren — en tegen de duisternis, die hem belette te zien — of zijn vijand naderde, gelijk mede tegen het weerlicht, dat, zoo vaak het de vlakte bescheen, al de voorwerpen, dus ook zijn makkers, zichtbaar maakte en hen alzoo aan zijn vijand verraden kon. — Intusschen, het scheen, dat de bui in hevigheid begon te verminderen: de tusschenpoozen van het eene licht op het andere werden langer, en Putten vleide zich reeds dat de bui overtrok, wanneer opeens een bliksemstraal, sterker en scheller dan hij nog gezien had, naar beneden schoot en hem — hoezeer dan maar voor een enkele seconde — Asrafel deed zien, met zijn vuur-rooden mantel over het goudgeschubde pantser, met zijn vuurroode laarzen in de vergulde stijgbeugels, en met zijn schitterend slagzwaard op zijde: Asrafel, die, op zijn gitzwart ros gezeten, snel als een wervelwind op hem afkwam — neen, reeds bij hem was. De wapenknechten van Putten, bedwelmd door het licht, door den daarop gevolgden slag en niet het minst door het plotseling opda-

fen van Asrafel, die hun de vuurgeest zelf scheen, hadden de striken aan hun handen laten ontslippen, of althans niet toegehaald, en, als het tooverpaard van Astolfus, was het ros des rooden ruiters over kuilen en greppels heen en hen voorbijgevlogen.en van Asrafel, die hun de vuurgeest zelf scheen, hadden de striken aan hun handen laten ontslippen, of althans niet toegehaald, en, als het tooverpaard van Astolfus, was het ros des rooden ruiters over kuilen en greppels heen en hen voorbijgevlogen.

„Sta!quot; riep Putten, zijn heirbijl opheffende; maar op hetzelfde

-ocr page 301-

EEN VEETELLING VAN MEJUITBOUW SIAUFFACHEB. 293

oogenblik zag hij de met zilver beslagen voorhoeven van het ros op manshoogte tegenover hem blinken als om hem te verpletten. Dan, man en paard deinsden achterwaarts en er volgde een doffe slag. Het dier was voor het kruis teruggeschrikt: het was gestei-

ferd, had zijn berijder uit den zadel gelicht en in 't zand geworpen: et wendde zich om, holde in teugellooze vaart den weg weder op dien het gekomen was en werd nimmer ergens meer gezien.erd, had zijn berijder uit den zadel gelicht en in 't zand geworpen: et wendde zich om, holde in teugellooze vaart den weg weder op dien het gekomen was en werd nimmer ergens meer gezien.

„Op mannen! de vogel is ons!quot; riep Putten uit al zijn macht zijn medehelpers toe, die, van hun schrik bekomen, aireede waren toegesneld en, zich gezamenlijk op den neergestorten ruiter werpende, diens armen en beenen met koorden wel stijf omwoelden, 't Zij dat Asrafel door den val zijn bewustzijn verloren had, 't zij dat hii het nuttelooze van allen weerstand begreep en te trotsch was om tegen het noodlot te krijten, hij verroerde zich niet, en geen klacht, geen vloek, geen zucht kwam over zijn lippen.

Indachtig aan hetgeen de kluizenaar hem gezegd had, bukte Putten zich over zgn gevangene, om te zoeken of hij ook een talisman bij zich droeg: en tot zijn niet geringe blijdschap gelukte het hem alras een dunne koord te ontdekken, die om Asrafels hals geslingerd was. Hij haalde die koord naar zich toe en deed op die wijze een gouden doosje, dat er aan vast zat, van onder het borst-pantser te voorschijn komen. Vergeefs poogde hij het te openen: waarom hij het op een kei plaatste en er met den rug van zijn bijl een zoo heftigen slag op gaf, dat het aan stukken splinterde. Op datzelfde oogenblik hoorde hij de klok van den dorpstoren, die het uur van middernacht----

V.

Ting! Ting! dreunde het, tot twaalfmalen toe, op dit oogenblik den gasten in 't oor. Niet weinigen onder hen werden doodsbleek, de moedigsten konden zich niet weerhouden een beweging van schrik te maken, en Juffrouw Hélène Prauley gaf een luiden gil.

Onmiddellijk daarop volgde een schaterend gelach.

„Is het die onnoozele pendule op den schoorsteen, die 't gezelschap zoo ontstelt?quot; vroeg de Heer Drenkelaer. spottende.

_„'t Is in allen gevalle een zeer zonderlinge toevalligheid, dat zij juist op dat moment moest slaan,quot; zei Mevrouw Van Doertoghe.

„Ja! 't is een ondeugende pendule,quot; zei Kapitein Trellinck, „die daar juist mee wacht totdat onze gastheer het woord „middernachtquot; uitspreekt.quot;

„Of een ondeugende gastheer,quot; zei de Jonker Van Sporkelberghe, „die zijn verhaal zoo aanlegt, dat het woord „middernachtquot; juist moet komen als de wijzer op twaalf staat.quot;

-ocr page 302-

294 ben Vertelling van mejcffroUW staüffaoher.

,Ik kan van hier de wijzerplaat niet onderscheiden,quot; zei de Baron op een koelen toon: „en ik ben volstrekt de man niet om effecten van dergelijken aard te berekenen, 't Is laat. — Wil ik nu ook liever de rest van het verhaal uitstellen.... of het u geheel schenken ?quot;

„Neen! neen!quot; klonk het wederom van alle zijden: „Wij moeten nu het slot hebben. Geen uitstel! — Gij hebt de nieuwsgierigheid te zeer gespannen, dan dat iemand slaap zou hebben.quot;

„Ik onderwerp mij,quot; zeide de Heer van Eylar, en ging met zijn vertelling voort:

Putten hoorde dan, als ik zei, de klok het uur van middernacht verkondigen. Nog eens rolde de donder; doch het was de laatste slag: de lucht was op eenmaal als schoon geveegd en vroolijk tintelden weer de sterren aan het onbenevelde zwerk.

„En nu!quot; zeide Putten: „voert hem van hier, naar het meer.quot;

Met zooveel spoed als de oneffenheden van den grond het gedoogden, haastte zich de troep dwars de heide over naar een dier meertjes, die op korten afstand van Hardenstein tusschen de heuvelen gelegen zijn. Hier werd nu op last van Putten een der zwaarste keien, dien men aan den oever vond, stevig omwonden met een touw, waarvan het andere einde om den hals van Asrafel geslagen werd. „Indien hij nu niet verdrinkt,quot; zei Putten al schertsende, „dan zal hij voor 't minst door de koord sterven.quot; Toen werden de veroordeelde en de steen met niet weinig moeite overgetild in een visschersaak, die hier aan den kant lag, en Putten er met drie zijner gezellen mede in gesprongen zijnde, liet van wal steken.

„Werpt over!quot; riep hij, toen zij midden in het meer gekomen waren.

Men gehoorzaamde: en het lichaam van Asrafel plompte in de golven; doch, 't zij dat hij in zijn hoedanigheid van toovenaar niet zinken kon, 'tzij, dat de touwen, waarmede hij gekneveld was, hem bovenhielden, hij kwam, als een ingedompelde kurk, weder te voorschijn en bleef op den effen waterspiegel drijven.

„Werpt den kei uit,quot; riep Putten.

De drie mannen tilden met vereende krachten den steen omhoog en smeten dien overboord. Hij zonk; doch de uitwerking beantwoordde aan de verwachting op een wijze, die verder ging dan het doel: en, in plaats van één slachtoffer, maakte de steen er twee. Ten gevolge van een noodlottig toeval had het touw een slag gedaan omPuttens rechterbeen: het sleepte hem mede en deed hem tegen den rand dei-boot omtuimelen. Het lichte vaartuig sloeg om en Ridder en wapenknechten stortten in het water. De laatstgemelden reddeden zich zwemmende aan den wal; hun arme Heer door den strik bedwongen, die om zijn been was heengeslagen, was te gelijk met zijn slachtoffer gezonken, om nimmer weer boven te komen. Volgens hetgeen zij, die aan den oever gebleven waren, later verhaalden, zoude, toen de beide lichamen in de diepte verdwenen waren, een schaterend gelach uit de kolk zijn opgestegen, als om te getuigen, hoe Asrafel zjch in zijn dood gewroken had, en zou een zwarte, onbekende vogel, dien

-ocr page 303-

een Vertelling Van mejuffrouw stauffacher.

niemand te voren bespeurd had, uit het meer met een krijachend geluid zijn weggevlogen. Sommigen beweerden, dat de toovenaardie gedaante had aangenomen; doch eenparig was het gevoelen, dat de ramp, die Putten overkwam, daaraan moest worden toegeschreven, dat hij Asrafel niet, gelijk de kluizenaar het geboden had, naakt had uitgeschud alvorens hem in 't water te werpen.

Vruchteloos hadden de trouwe dienaars alle pogingen aangewend om hun Heer te redden. Reeds begon het te dagen en nog waren zij bezig daartoe wanhopige pogingen aan te wenden, toen zij verrast werden door Heer Peter Van Eylar en zijn volk, uitgetrokken om Asrafel te zoeken. Immers, wat was er gebeurd? — Sofia, die ondanks al hare smeekingen, de gevraagde toestemming om in een klooster te gaan niet van hem had kunnen verwerven, had nu, om aan haar belofte te voldoen, tegen middernacht in stilte het kasteel verlaten, en zich, ondanks het booze weer, op weg begeven naar den eikeboom, waar zij haar minnaar ontmoeten zou. Reeds was zij dien genaderd, toen, juist bij den aanvang van het klokgelui, zij plotseling in haar hart een vreemde gewaarwording ondervond, even of er iets als glas daarin knapte. Gij herinnert u, dat dit overeenkwam met het tijdstip, waarop Putten den talisman verbrijzelde, en zie! daar was terzelfder stonde haar liefde voor Asrafel niet alleen geweken, maar zelfs kon zij niet begrijpen, hoe zij ooit eenig ander gevoel dan van afschuw en haat voor hem kon gevoeld hebben; kon zij niet begrijpen, hoe zij er toe gekomen was, de maagdelijke schaamte te vergeten, in eene harer onwaardige vermomming reis op reis geheime samenkomsten te hebben met zulk een minnaar, de aanzoeken van edele Ridders te verwerpen en haar Huis en ouden vader te schandvlekken ter wille van een uitheemschen gelukzoeker, die nog bovendien een heiden en toovenaar was. Sidderend van koude en van schaamte, was zij op haar schreden teruggekeerd, in haar doodsangst telkens vreezende door haar gruwzamen minnaar achterhaald te worden. Op het kasteel gekomen, had zij zich terstond naar het slaapvertrek van haar vader begeven, en was, na hem gewekt te hebben, aan zijn voeten bewusteloos, nedergestort. Een heete koorts had haar overvallen, waarin zij allerlei onsamenhangende woorden uitkraamde, doch die Heer Peter eenigszina op het spoor hadden gebracht. Hij had de kamermaagd en daarna ook Lijsbet ondervraagd, en uit haar antwoorden nagenoeg beseffende, wat het geval was, zich met zijn dienaars op weg begeven om zoo mogelijk den booswicht te verrassen. Hij vernam nu van de knechten van Putten het droevige uiteinde van hun Heer, gelijk mede het verdwijnen van Borre Van Doorninck en Roelof Van Wisch. Met de hulp van de nog overige vrijers van Sofia, die, ingevolge de afspraak, op Allerheiligen aan 't kasteel kwamen, doch er slechten troost ontvingen, en ten gevolge der narichten, welke hij van de schepers en houtbakkers ontving, gelukte het hem, de lijken der twee verslagen Ridders op te sporen, die nu, schoon dan hoofdeloos, een meer betamelijk graf ontvingen; terwijl hij zorgde, dat voor hunne zielen en die van Herbaren Van Putten jaarlijksche missen gelezen werden. Wat Sofia betreft.

295

-ocr page 304-

296 EEN VEETELLING VAN MEJUFFEOÜW STAUFPACHEE.

de grijsaard gevoelde zelf, dat na het gebeurde er niet anders overbleef, dan dat zij voor haar lichtzinnigheid, of wat het wezen mocht, in een klooster boete deed: en werkelijk betrok zij dat van Gravendael, waar zij een zoo vroom en heilig leven leidde, dat zij er na verloop van eenige jaren tot Abdisse verkoren werd.

Ziedaar de vertelling: the bricks are alive at this day to testify it, zegt Smith de wever bij Shakspere om de echtheid van zijn vertelling te bewijzen, en zoo zeg ik: de eikeboom, waar Sofia haar lief bij ontmoette, staat nog op zijn oude plaats, ofschoon er niet veel meer van over is dan de bast: gij hebt hem allen kunnen zien. — En wat nu het merkwaardige is van de zaak, of ik mag wel zeggen de aanleiding tot het gansche verhaal, is, dat nog altijd, telkens in den nacht van Allerheiligen, met klokslag twaalf uren, wijlen Asrafel, met zijn Moorschen sabel, zijn goudgeschubd kuras, zijn vuurrooden tulband en dito mantel zich bij dien boom vertoont, ten einde aizoo het woord gestand te doen, dat hij aan Sofia gegeven had, om dood of levend aldaar terug te komen.

Laat nu niemand nog durven zeggen, dat die heidenen en toove-naars geen lieden zijn die woord houden.

VI.

„En, hebt gij hem ooit gezien?quot; vroeg de Jonker Van Sporkel-berghe, het eerst de stilte afbrekende, die voor eenige oogenblikken op net verhaal van den Heer Van Eylar gevolgd was.

„Neen,quot; antwoordde de Baron: „maar ik moet bekennen, er nooit op dat uur te zijn geweest.quot;

„Dat is jammer,quot; zei Drenkelaer: „mijn Heer had er eens moeten heengaan : al ware het maar alleen uit plichtbesef, om aan die lieden te toonen, dat er geen grond is voor zulk een belachelijk bijgeloof.quot;

„Wel! mij dunkt,quot; zei Mevrouw Bentes: „mijn Heer Van Eylar zou het bijgeloof te veel eer aandoen. En bovendien, zou er werkelijk iemand zijn, die er geloof aan hechtte? 't Is immers duidelijk een conté fait a plaisir.quot;

„Waarlijk!quot; zei de Heer Van Parolles: „ik wist niet, dat onze geëerde gastheer zulk een dichterlijke verbeelding bezat! Hij moest romans schrijven: hij zou allicht monsieur Galand en Le Sage beschamen.quot;

„Ik heb het sprookje niet bedacht,quot; zei de Heer Van Eylar, de schouders ophalende.

„Nu! dan toch gestoffeerd,quot; zei Mevrouw Bentes: „met al de détails, die gij er bij geeft, zal het wel niet tot u gekomen zijn.quot;

-ocr page 305-

BEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACSEB. '297

„Ik geef het,quot; zeide de gastheer: „zooals het door mijn grootvader uit den mond van zijn baker is opgeteekend, die het weer als kind van haar grootmoeder had hooren vertellen. Weet je wel, dat wij op die wijze al een goed eind in de zestiende eeuw komen en alzoo op de helft van den tijd, die er tusschen Peter Van Eylar en mij verloopen is?quot;

„Wü dat zeggen, dat wij er geloof aan moeten slaan?quot; vroeg de Jonker Van Sporkelberghe: „ik wil niet betwisten, dat de legende, 't zij door u, t zij door uw grootvader of zijn baker, nog al aardig is ingekleed; maar ik heb er één bezwaar tégen.quot;

„Slechts één?quot; vroeg de Baron, lachende.

„Een hoofdbezwaar,quot; hernam de andere: „drievierden van de bijzonderheden, die gij verteld hebt, kan men niet zijn te weten gekomen dan uit den mond van dien beminnelijken toovenaar Asrafel of van een zijner medevrijers; en die Iaat het verhaal omkomen eer zij, althans eer twee hunner, de gelegenheid hebben gehad het gebeurde iemand mede te deelen. Wie b, v. heeft aan uw baker het onderhoud tusschen Borre Van Doorninck en den man, die hem 't hoofd afsloeg, overgebriefd?quot;

„Maar dat is juist het mooie.quot; merkte de Heer Drenkelaer aan: „als een spookhistorie eene natuurlijke oplossing had, hield zij op een spookhistorie te zijn: integendeel, zoo ik mij een aanmerking op de vertelling mag veroorloven, ik vind dat er veel te veel alledaagsch in voorkomt. Mijn lieve hemel! fatsoenlijke, zelfs adellijke dames, die op avonturiers verlieven, dat is meer gezien en men ziet het nog, ook zonder dat er tooverij bij te pas komt. Alleen, dat Juffrouw Sofia, bij nader inzien, zich bedenkt, dat is minder waarschijnlijk. In zulke gevallen is 't doorgaans: il n' y a que le premier pas qui colite.quot;

„Ja!quot; zei de Jonker: „dat intijds terugkeeren van de Juffer heeft Eylar er bij gemaakt om de eer van zijn oudtante op te houden.quot;

„Wat ik het sterkst vind,quot; zei Mevrouw Van Doertoghe, met een glimlach, die niet zonder beteekenis was, „is die trouwe vriendschap tusschen drie mede-vrijers.quot;

„Die vriendschap is op geen wezenlijke proef gesteld,quot; merkte Mevrouw Van Eylar aan.

„Zij komen er ondertusschen al heel ongelukkig af!quot; zei Kapitein Trellinck.

„Zij hebben niet meer dan zij verdienen,quot; zei Mevrouw Bentes: „wat? bedienden omkoopen! een meisje bespieden, dat zij zeggen lief te hebben! zich vereenigen om haar te overvallen! — wel! dat alles is onedel en onridderlijk: en in zooverre ontbreekt ten minste de zedeleer niet aan uw vertelling, Eylar! dat zij naar behooren gestraft worden.quot;

Ik vermaakte mij in stilte met de gezichten der adorateurs van Mevrouw Bentes, bij gelegenheid dat zij dien uitval deed: kennelijk waren die Heeren niet op hun gemak en misschien hadden zij dan zich zeiven, zoo niet aan omkooping, dan toch aan bespieding wel eens schuldig gemaakt.

-ocr page 306-

298 EEN VERTELLING VAN MEJUFPEOFW STAUFPACHEE.

„Maar om terug te komen op het punt, dat wij straks behandelden,quot; zei de Jonker Van Sporkelberghe, tegen den Baron: „indien gij aan de waarheid der overlevering geloof hecht, hecht gij dan ook geloof aan de verschijning?quot;

„Neen,quot; antwoordde Eylar, kortaf.

„Dat doet mij genoegen,quot; zeide de jongste juffrouw Prauley, terwijl zij diep ademhaalde alsof haar een pak van 't hart was genomen, wat een algemeen gelach verwekte.

„Wel! wie zou aan zoo iets gelooven?quot; riepen onderscheidene stemmen, onder andere die van Mevrouw Bentes en den Heer Dren-kelaer.

„Best mogelijk!quot; zei de Heer Van Parolles: „maar ik wil toch wedden, dat geen uwer, hoe ongeloovig ook, het zou durven wagen, op Allerheiligen-nacht dien eikeboom te bezoeken.quot;

„Ei wat! Ik wel! ik wel!quot; klonk het nu van verschillende kanten.

„Nu ja,quot; hernam hij: „zooals wij hier zijn; maar alleen? met klokslag van twaalven?quot;

Er was een oogenblik stilte.

„Ik wel,quot; zei Mevrouw Bentes: — „natuurlijk mits het niet regende, het pad niet al te morsig ware, en er geen slecht volk in de buurt zwierf.quot;

„Ge zoudt u nog wel bedenken, Mietjelief!quot; zei Mevrouw Van Eylar.

„Neen waarlijk niet. Hansje!quot; zei Mevrouw Bentes: „ik zou heel goed durven.quot;

„Gelooft Juffie inderdaad, dat Mevrouw 't zou durven doen?quot; vroeg mij fluisterend de jongste juffrouw Prauley, die naast mij zat.

„Mevrouw Bentes zegt nooit iets wat zij niet meent,quot; antwoordde ik op denzelfden toon; maar bij mij zelve dacht ik. „Mevrouwtje lief! je weet niet waar je je aan blootstelt.quot;

„Nu!quot; riep de heer Drenkelaer, triomfantelijk rondziende: „wij moeten erkennen, Mevrouw Bentes maakt ons allen beschaamd.quot;

„Dat is te zeggen,quot; hernam de Heer Van Parolles, „zij zou ons eerst dan beschaamd maken als zij haar heldenstuk volbracht had.quot;

„En zij zal, hoop ik, nooit zoo dwaas zijn,quot; zei de heer Van Eylar.

„Och kom!quot; riep de Heer Drenkelaer: „'t is eerstdaags Allerheiligen, en dan heb ik wel lust om eens te gaan zien, of ik dien roo-den toovenaar ook ontmoeten kan.quot;

„En als hij u dan den kop afslaat?quot; vroeg de Kapitein.

„Eilieve!quot; zei onze gastvrouw: „wij komen nu aan minder aangename onderstellingen en ik stel den vrienden voor, het voor deze reis hierbij te laten en ons ter ruste te begeven.quot;

„Ja waarlijk! 't is meer dan tijd,quot; zei Mevrouw Van Doertoghe: „ik wensch het gezelschap goeden nacht en ik neem meteen de vrijheid, te doen, wat ik reeds lang gewacht had dat een van de hee-ren vóór mij zou doen, namelijk, onzen gastheer zeer te bedanken voor zijn verhaal.quot;

„Ja! wel verplicht!quot; riepen nu al de gasten als uit ëénen mond.

„Onze onbeleefdheid,quot; merkte de Heer Van Parolles aan, „moet u een bewijs zijn, Eylar, van den indruk, dien gij op ons gemaakt hebt.

-ocr page 307-

ëen vebtblling Van kejuffeoü-vv staüffachee. 299

De vertelling heeft ons zoo bezig gehouden, en zulk een belang ingeboezemd, dat wij er den verteller door zouden hebben vergeten, indien Mevrouw Van Doertoghe ons den plicht der wellevendheid niet op zoo kiesche wijze herinnerd had. — Dames! ik wensch u wel te rusten.quot;

„Mijn vrienden!quot; riep de Jonker Van Sporkelberghe, terwijl men opstond:

„Mijn vrienden! slaapt nu allen wel!

En droomt maar niet van Asrafel!quot;

VIL

Ik weet niet, hoe 't met de overige leden van 't gezelschap ging, maar ik droomde, zoover ik mij herinneren kan, niet van Asrafel, en zelfs had ik in de volgende dagen geheel andere dingen in 't hoofd: niet, dat zij mij persoonlijk betroffen, maar ik was te veel aan Mevrouw Bentes en aan haar kinderen gehecht om niet innig bekommerd te wezen over de gebeurtenis, welke ik onderstelde ophanden te zijn. De Heer Drenkelaer was meer assidu geworden dan hij tot nog toe geweest was: en ik twijfelde er niet aan, of, zoo hij zich niet bepaald aan haar verklaard had, die verklaring zou eerstdaags plaats hebben. Mevrouw scheen hem niet ongenegen: zij behandelde hem met onderscheiding, en kreeg een kleur als hij haar toesprak: ik schrikte alzoo op de gedachte, dat zij hem het jawoord geven zou. Waarom? — Ik heb het u, geloof ik, al gezegd, of neen---- nu! het doet er niet toe. Ik had een hekel aan

den man, en had ook bij mij zelve het besluit vastgesteld, dat, indien hij ooit heer en meester in 't huis van Mevrouw werd, hij er mij niet meer in vinden zou.

Zoo verliep er een dag of wat en het was de dertigste October geworden. Dien morgen scheen Mevrouw, toen zij volgens gewoonte voor het ontbijt op de kamer kwam, waar ik mij met de kinderen bevond, eenigszins geagiteerd: zij drukte ze met meer dan gewone teederheid aan 't hart en het was of een geheime stem mij toeriep: „heden wordt het lot van Mevrouw beslist.quot; Ik dorst natuurlijk geen vragen doen of zinspelingen maken; maar alleen haar eigen ontroering moet haar, dunkt mij, belet hebben, te bespeuren, hoezeer ik ontroerd was, en, ofschoon ik toen nog een iideltuit was en mijn godsdienstzin, ten gevolge van het lezen der schriften van Voltaire en andere spotters, vrij wat verflauwd was — ik heb dat later met heete tranen beschreid — toch kon ik niet nalaten, in 't eerste oogenblik, dat ik alleen was, voor mijn goede Mevrouw te bidden.

-ocr page 308-

BOO ben vfrtelling van mbjüfpboüw stauepachee.

Ik was gewoon koffie te drinken met de kinderen, en zag Mevrouw dus niet weer terug dan tegen den tijd dat zij zich ging kleeden. Ik wist, dat zij brieven gekregen had; want ik had die toevallig in de handen van de kamenier gezien, toen die er mij een bracht, en wie wist, of die brieven geen invloed hadden gehad op de beslissing, die zij nemen zou. Ik zag dus met verlangen en tevens met bekommering een tweede bezoek van haar te gemoet. Toen dit nu eindelijk op den gewonen tijd plaats had, omhelsde zij de kinderen met nog meer warmte dan 'smorgens; — doch de mededee-ling, die ik verwachtte, bleef weg en ik even wijs als te voren. Ook aan het middagmaal kon ik niets ontdekken. Wel was zij stiller dan naar gewoonte en de Heer Drenkelaer insgelijks, doch dit was voor tweeledige uitlegging vatbaar; immers bij groote vreugde zal iemand doorgaans even weinig luidruchtig zijn als bij diepe smart of bittere teleurstelling. Ik was en bleef dns precies op dezel fde hoogte en moest wel „wachten op de dingen die komen zouden.quot;

Wij aten dien dag vrij laat, omdat, ten gevolge van het korten der dagen, het toch niet meer de moeite waardig was, na den eten uit te gaan: — en zoo bleef het gezelschap na den afloop van het middagmaal vereenigd en werd er besloten, met een pandjesspel den tijd tot aan het uur van de thee ta verdrijven. De afgetrokkenheid, die de Heer Drenkelaer aan het maal had vertoond, was nu geheel geweken: hij was zelfs drukker en vroolijker dan ik hem ooit te voren gezien had. Was die vroolijkheid wezenlijk of gemaakt? Ik kon het niet ontdekken. Ik was toen nog te jong, moet gij denken, om menschenkennis of physionomiekunde te hebben opgedaan. Het pandjesspel is bovendien, wanneer er lieden van geest en vernuft aan deelnemen, niet weinig opwekkend en bleek het althans deze reis te zijn; de Heer Drenkelaer kon dus licht door de algemeene dartele stemming medegesleept zijn geworden. Ik weet niet, hoe vele dolle opgaven er gedaan werden en men werd al hoe langer hoe luidruchtiger. Mevrouw Van Doertoghe hield de panden, en 't was wederom aan den Heer Drenkelaer om te zeggen, wat de eigenaar zou hebben te doen om het aangeraakte terug te bekomen. Hij bedacht zich een oogenblik en zeide toen, met een zonderlingen lach:

„Diegene, aan wien dit pand behoort, zal morgen te middernacht alleen naar den ouden eikeboom buiten het zijhek gaan en er met klokslag van twaalven vijf spijkers in slaan.quot;

Er was een plechtige stilte. Mevrouw Van Doertoghe haalde het

Èand voor den dag: het was de gouden vingerhoed van Mevrouwand voor den dag: het was de gouden vingerhoed van Mevrouw

lentes.

Doch op de stilte volgde de storm.

„Dat kan niet! dat is geen verplichting, waaraan men zich heeft te onderwerpen! — Morgen? — Zoo kon men wel zeggen: „die zal naar Ceylon gaan,quot; of: „die zal zich ophangen!quot; 't Moeten dingen zijn die, in de kamer, of althans in huis, zonder uitstel en zonder gevaar geschieden kunnen.quot;

„Mij dunkt,quot; zeide de Heer Drenkelaer, na dat de kreten van ver-

-ocr page 309-

EEN VERTELLING VAN MEJUFFEOITW STAUFFACHEB. 301

lazing en verontwaardiging een weinig hadden opgehouden, en terwijl hij wat Spaansche snuif nam uit zijn fraai met paarlen omzet ivoren doosje: het is moeilijk een opgave te bedenken, die niet oud en afgezaagd is: al wat er vereischt wordt is, dat zij binnen het bereik der mogelijkheid ligge en in een kort tijdsbestek, zonder gevaar, te volbrengen zij. De eikeboom buiten het hek is Ceylon niet: morgen of vandaag zal wel op hetzelfde neerkomen, en de nachtwandeling kan geen bezwaar vinden bij iemand zoo vol courage als Mevrouw Bentes, die immers verklaard heeft, er bereid toe te zijn.quot;

Ik vergeet nooit den blik, dien Mevrouw op hem wierp: er lag

verwijting in, verontwaardiging, weemoed---- ik weet niet wat al.

Ik dacht, dat zij in tranen zou gaan uitbarsten; maar ik had niet op haar geestkracht gerekend: zij plooide haar mond tot een glimlach en zeide toen op een vasten toon:

„Wat ik gezegd heb, heb ik gezegd; — ik ben niet gewoon, mij aan ijdele grootspraak schuldig te maken. Ik zal morgen naar den eikeboom gaan. Maar geef mij nu mijn vingerhoed terug, Mevrouw! ik wilde dien niet gaarne tot overmorgen missen.quot;

,Bravo!'' riepen eenigen van de Heeren en klapten in de handen. Een angstige, bestraffende blik, dien Mevrouw Van Eylar rondwierp, bracht echter die luidruchtige bewijzen van goedkeuring dadelijk tot zwijgen.

„Maar Mietjelief!quot; zeide zij, „dat kan immers niet.quot;

„Maar Mevrouw!quot; beijverden zich de overigen, den afradenden toon hunner gastvrouw navolgende. Mevrouw Bentes toe te roepen.

„Ik zal zulk een dwaasheid nooit gedoogen,quot; zeide de Heer Van Eylar: „en ik ben hier baas.quot;

Hij had de eerste woorden op een stelligen, ja vrij knorrigen toon uitgesproken; maar ongelukkig had zijn gevoel van wellevendheid hem zeker bevreesd gemaakt, dat er in dien toon iets kwetsends tegenover zijn gasten gelegen mocht zijn en daarom de tweede zinsnede al schertsende uitgebracht, wat al de uitwerking, die zijn verbod anders had kunnen nebben, te loor deed gaan.

„Zal er dan ooit een beter gelegenheid bestaan,quot; vroeg Mevrouw Bentes hem, „om iedereen, om u zeiven in de eerste plaats, te overtuigen, dat het sprookje van die verschijning bespottelijk is en logenachtig ?quot;

vergeefs putteden nu de gasten hun welsprekendheid uit: er was niets aan te doen. Mevrouw scheen nu eenmaal besloten te hebben, niet terug te krabben en 't was of elke tegenwerping alleen dienen kon om haar in haar voornemen te versterken. Men moest dus eindelijk wel toegeven; doch het gebeurde had een nevel over de vroo-lijkheid gespreid, 't Was een verlossing, toen de speeltafeltjes waren klaar gezet en de partijen geschikt, en meer dan ooit ging het spel deze reis zonder tusschengesprekken over andere onderwerpen zijn gang. Ik wil niet zeggen, dat men er beter om speelde: integendeel herinner ik mij, dat de Heer Van Parolles, wiens partner ik de eer had te zijn, eens renonceerde — misschien den eersten

-ocr page 310-

302 BEN VERTELLING VAN MEJOTPKOUW STAUFFACHER.

en eenigen keer in zijn leven — zonder dat de tegenpartij het

merkte---- ik zou het ook misschien niet gemerkt hebben, indien

ik het door de positie der kaarten niet had moeten merken, 't Stilste van alle was het partijtje, waar Mijnheer Drenkelaer aan zat. Zijn gedrag had algemeen wrevel en misnoegen opgewekt en niemand richtte het woord tot hem, dan wanneer het volstrekt noodzakelijk was. Ook aan het souper bleef dezelfde stemming heerschen, in weerwil van de moeite, welke zich de gastheer gaf, om eenige levendigheid in de conversatie te brengen.

Den volgenden morgen kreeg ik een vroegtijdig bezoek op mijn kamer, en wel van Mevrouw van Eylar. Zij was bij haar zuster

feweest; doch vruchteloos had zij nogmaals pogingen gedaan om aar af te brengen van haar besluit. Nu kwam zij mij bidden om wat zij mijnen invloed, mijne welsprekendheid noemde, in 't werk te stellen.eweest; doch vruchteloos had zij nogmaals pogingen gedaan om aar af te brengen van haar besluit. Nu kwam zij mij bidden om wat zij mijnen invloed, mijne welsprekendheid noemde, in 't werk te stellen.

„Maar,quot; vroeg ik, „hoe wilt gij. Mevrouw! dat ik slagen zal, wanneer Mevrouw Bentes aan uw stem geen gehoor verleent?quot;

„Ik weet het niet,quot; antwoordde zij: „ik weet alleen, dat er niets verzuimd mag worden. Zij houdt van u, Jufflelief! zij heeft vertrouwen in uw oordeel, al zijt gij nog zooveel jonger. Tegenover u zal zij zich misschien schamen, een slecht voorbeeld aan de kinderen te geven.quot;

Ik weet niet, of deze en andere vleiende woorden, welke Mevrouw Van Eylar mij toevoegde, mij moed inboezemden; maar ik had althans mijn besluit genomen omtrent hetgeen mij te doen stond.

„Mevrouw!quot; zei ik: „stel u gerust: ik zal straks Leentje met de kinderen uitsturen en naar Mevrouw gaan.quot;

Mevrouw Van Eylar verliet eenigszins getroost het vertrek, en, toen de gewone tijd van wandelen voor de kinderen gekomen was, riep .ik de kindermeid en verzocht haar, in mijne plaats met hen uit te gaan. Zoodra zij weg waren, verliet ik mijn kamer om mij naar die van Mevrouw Bentes te begeven. Op het portaal kwam ik Mijnheer Drenkelaer tegen, die echter terstond de zijgang inschoot, die naar de wapenzaal geleidde, als was hij bang, dat ik hem zou aanspreken: wat echter volstrekt niet in mi]n intentie lag.

Ik tikte aan de kamerdeur van Mevrouw Bentes, en, na een poos

fewacht en geen gehoor te hebben gekregen, nam ik de vrijheid, ie te openen. Zij was ledig. Ik was op het punt terug te keeren, toen mij inviel, dat zij in het kabinetje daar achter wezen kon. Ik liep door, en mijn vermoeden werd bevestigd. Zij lag in het kabinetje voor een ruimen ziekestoel op de knieën, de saamgevou-wen handen voor 't gelaat, dat voorover in het sitsen kussen verborgen lag.ewacht en geen gehoor te hebben gekregen, nam ik de vrijheid, ie te openen. Zij was ledig. Ik was op het punt terug te keeren, toen mij inviel, dat zij in het kabinetje daar achter wezen kon. Ik liep door, en mijn vermoeden werd bevestigd. Zij lag in het kabinetje voor een ruimen ziekestoel op de knieën, de saamgevou-wen handen voor 't gelaat, dat voorover in het sitsen kussen verborgen lag.

„Mevrouw!quot; fluisterde ik, onbewust of zij mij al dan niet had hooren komen.

„Wie is daar?quot; vroeg zij, met schrik het hoofd omwendende: ,0! zijt gij het, Juffie?quot;

Zij rees op. Had mijn komst haar verschrikt, ik schrikte op mijne beurt, toen ik de uitdrukking zag, over haar wezenstrekken ver-

-ocr page 311-

BEN VERTELLINÖ VAN MEJUFFROUW STAUFFAOHEB.

spreid. Haar kleur was als die van een doode: haar lippen waren krampachtig samengetrokken: haar oogen stonden verwilderd; in 't kort, alles getuigde van een hevigen kamp, die in haar gemoed had plaats gegrepen.

,Lieve Mevrouw!quot; zeide ik, terwijl ik haar hand vatte en bitter begon te schreien: „waarlijk! gij moet dat van nacht niet doen.quot;

„Het moet!quot; antwoordde zij, met een heesche stem: „'t is dwaas! 't is ongerijmd! al wat gij wilt; maar 't moet.quot;

„Maar waarom toch, lieve Mevrouw? — Het is immers klaar, dat niemand er u om zal minachten, al voldoet gij niet aan den dwazen eisch van Mijnheer Drenkelaer.quot;

„Niemand! — En hij dan? — Zal hij niet triomfeeren? — Zal hij mij niet overal ten toon stellen als een grootspreekster, die niet durft, wanneer 't op 't stuk van zaken komt?quot;

„Hij?quot; vroeg ik: „maar hij is daartoe immers te beleefd, te wèl opgevoed, enquot; — voegde ik' er met eenige aarzeling bij — „er te zeer op gesteld, u niet te mishagen? Hij heeft zeker zelf niet bedoeld, dat men zijn woorden ernstig zou opnemen. Hij kon immers niet weten, aan wie het aangeraakte pand behoorde en zijn vordering had dus evengoed een ander kunnen gelden: stel b. v. Mevrouw Van Doertoghe, of die bange Hélène Prauley: die hadden er zich zeker niet aan onderworpen.quot;

„Gij bedriegt u,quot; zei Mevrouw op vasten toon: „hij wist wie het gold: het aangeraakte pand was het laatste, dat Mevrouw Van Doertoghe in haar schoot had: dit was hem niet ontgaan, en evenmin dat ik mijn gouden vingerhoed had gegeven en nog niet gelost. Hij heeft met opzet mij op de proef gesteld, uit boosaardigheid, uit wraak, om dat- - quot; Hier zweeg zij plotseling stil.

„Uit wraak?quot; herhaalde ik.

„Ja!quot; hernam zij: „uit wraak. Ik heb te veel gezegd, om u.niet alles te zeggen. Bovendien is het beter, dat gij, als huisgenoot, niet onkundig blijft van hetgeen u misschien toch wel van buitenaf zou ter ooren komen. Luister!quot;

Zij ging met mij in haar kamer, zette zich naast haar schrijftafel en wenkte mij, nevens haar plaats te nemen.

„Die Mijnheer Drenkelaer,quot; zeide zij toen, „heeft mij ten huweliik gevraagd.quot;

Ik wilde niet voor onnoozeler doorgaan dan ik werkelijk was, en zoo mompelde ik, dat ik er mij zoo eenigszins op had verwacht.

303

1

|

: ij IK

„Nu,quot; vervolgde zij: „ik verwachtte het ook, en.... ik was nog niet besloten, welk antwoord ik hem geven zou. Hij is van goede familie, aangenaam in den omgang, gaat voor niet onbemiddeld door, heeft geest en belezenheid.... in 't kort, ik 1

wilde het antwoord, dat ikquot;hem geven zou, laten afhangen van narichten, die ik wachtende was. Gistermorgen kwamen zij,quot; hier haalde zij uit haar schrijfcassette een paar brieven, die ik herkende voor dezelfde, die ik den dag te voren in de handen der kamenier gezien had. — „Wel nu! — die Mijnheer Drenkelaer wordt mij afgeschilderd als een dobbelaar, een lichtmis, een doorbrenger — daarvan had ik al

i Tf

-ocr page 312-

804 EEN VEBTBL1ING VAN KBJUITBOUW STAUFFACHBB.

zoo 't een en ander gehoord, en ik houd 't nog voor mogelijk dat men hem op dat punt zwarter maakt dan hij is; maar, wat mij overtuigend gebleken is, is, dat hij zich, evenals Weisshaupt en dergelijke kwakzalvers, met alchimisterij en verborgene kunsten bezighoudt — in 't kort — ik mag zulk een vader niet aan mijn kinderen geven.quot;

„Goddank !quot; zeide ik.

„Hadt gij dat dan vermoed?quot; vroeg zij, mij met eenige bevreemding aanziende.

„Ja,quot; antwoordde ik, stoutweg: „de man stond mij tegen: ik----

enfin, ik wensch Mevrouw van harte geluk.quot;

„Nu! hij heeft mijn hand gevraagd, juist toen ik die brieven gelezen had. Ik heb hem bedankt, en wel op een wijze, die hem alle hoop voorgoed moet ontnemen. Dat heeft hem gepiqueerd: hij heeft aangedrongen te weten, waarom; want hij had wel kunnen

merken, dat ik---- dat hij mij----laat ik het maar bekennen, dat

hij mij niet geheel onverschillig was. Ik moest den blaam wel van mij werpen alsof ik zijn vrijage eerst had aangemoedigd om hem later van mij af te stoeten, alsof ik tegenover hem de coquctte had willen spelen; — ik heb hem dus gezegd wat ik van hem wist en tevens herhaald, dat mijn besluit onherroepelijk was en ik nimmer zijn vrouw kon worden. Begrijpt gij nu, dat hij zich wil wreken?quot;

„Ik begrijp tevens,quot; zeide ik, „dat hij zijn wraak niet missen zal, indien Mevrouw bij haar voornemen volharden blijft. Want Mevrouw — ik hoop dat het mij niet kwalijk genomen zal worden indien ik wat vrijmoedig spreek — Mevrouw heeft meer op zich genomen, dan zij zonder nadeel voor haar gezondheid volbrengen kan. Zie, Mevrouw! reeds de bloote gedachte aan die noodlottige nachtwandeling heeft u geheel van uw stuk gebracht; de zaak zelve zal u den dood aandoen.quot; * „Ik kan niet, ik wil niet terugtreden; — laten wij er niet meer over spreken.quot;

Mevrouw zeide dit, ja op een beslissenden toon; maar 't was eenigs-zins die van een stout, stijfhoofdig kind: en dit gaf mij moed in plaats van mij af te schrikken; want met stoute, stijfhoofdige kinderen had ik meer omgegaan en daar was ik niet bang voor. Ik stond dus op, zag haar ernstig aan en zeide toen met zooveel nadruk als ik maar bezigen kon:

„Mevrouw laadt een zware verantwoordelijkheid op zich. Die arme kinderen hebben reeds hun vader verloren: wil Mevrouw nu de kans loopen, ze, door hare eigene onvoorzichtigheid, geheel en al weezen te maken ?quot;

Ik bemerkte terstond, dat ik de rechte snaar had aangeroerd. Zij begon over al haar leden te sidderen en zag sprakeloos voor zich. Het was duidelijk, dat plichtgevoel en een gevoel van verkeerd geplaatsten hoogmoed in haar binnenste kamp voerden. Ik moest nu naar goeden engel doen zegevieren: ik wierp mij voor haar op de knieën, en vatte hare handen.

„Och, lieve Mevrouw!quot; zeide ik: „Wat ik u bidden mag, doe het niet. Om den wille uwer lieve kinderen! doe het niet.quot;

-ocr page 313-

EEN VERTB1LING VAN MEJUÏFEOUW STATTFFACHEB. 305

rIk kan niet terug,quot; riep zij nogmaals en barstte in tranen uit.

„Ja, ween!quot; riep ik, haar ontroering ziende: „ween vrij uit, lieve Mevrouw! dat zal u lucht geven,quot; en ik liet haar aan haar reuk-fleschje ruiken.

„Je wilt dan, lieve Juf!quot; zeide zij al snikkende, „dat ik bekennen zal, bang te zijn en als een zottin gesproken te hebben? Je wilt, dat ik een bespottelijke rol zal spelen voor het gezelschap en vooral voor dien Drenkelaer?quot;

„Neen Mevrouw,quot; zei ik: „ik wil dat uw eer zoo min schade lijde als uw gezondheid en daarom ben ik voornemens in uwe plaats te gaan.quot;

„Gij!quot; riep zij, mij met groote oogen aanziende.

„ Wei ia! — Niets is gemakkelijker. Wij zijn zoo wat van dezelfde taille: bij nacht zal niemand ons uit elkander kennen. Ik volbreng het waagstuk en Mevrouw draagt er den roem van weg.quot;

„Onmogelijk!quot; zeide zij, mij de hand drukkende: „uw aanbod is edelmoedig en welgemeend. Juffie-liet! ik dank er u hartelijk voor; maar ik Kan het onmogelijk aanvaarden. Deins ik terug voor de ouderneming, dan mag ik er u niet aan blootstellen, u, die onder mijne bescherming staat, die ik zoo wat als mijn oudste dochter beschouw — al schelen wij zoo heel veel niet.quot;

„Dank voor dat woord. Mevrouw!quot; zei ik: „maar ik laat er mij met door afbrengen van mijn voorstel. Je zoudt het vergeefs ontkennen, Mevrouw I uw zenuwen zijn geschokt, wat ook geen wonder is, na die onaangename geschiedenis met den heer Drenkelaer, en al had Mevrouw zulk een nachtelijke expeditie op een anderen tijd zonder 't minste gevaar kunnen volbrengen, 't zou haar thans niet geraden zijn. Van den anderen kant moet Mevrouw gespaard worden voor de bekentenis, dat zij verlangt terug te treden: te meer moet zulks, omdat Mevrouw de reden daarvan met aan de klok kan hangen. Welnu! ik bied u het middel aan om uit dit gekke dilemma te geraken. Ik ben jong en sterk en een krijgsmansdochter bovendien. Mijn moeder hield er geen meid op na: alleen 's morgens een loopmeisje: oti ik heb dikwijls genoeg bij donkeren avond boodschappen moeten doen, zonder dat mij ooit iets gebeurd is. Het huis, waar wij kamers hadden, stond vlak bij 't kerkhof, en daar ben ik dikwijls, om te coupeeren, over heen geloopen. Geloof mij, Mevrouw-liei'! ik heb zenuwen van ijzer en staal; maak u dus geen onnoo-dige scrupulus. En kijk,quot; voegde ik er bij, ziende dat zij half overreed begon te worden, „die Mijnheer Drenkelaer heeft u een kool willen stoven; ontzeg u 't genoegen niet, dat wij 't hem doen.quot;

Zij begon te lachen, en ïk bemerkte, dat ik mijn zaak gewonnen had. Wel maakte zij nog eenige tegenwerpingen; doch 't gelukte mij, die zegevierend te bestrijden en wij spraken nu af, hoe wij de zaak zouden aanleggen om ons plan te volbrengen en alle ontdekking te voorkomen. Wij scheidden eindelijk, beiden vol vertrouwen in den uitslag onzer list: op het portaal wenkte Mevrouw Van Eylar, die aan haar kamerdeur stond, mij binnen.

„Ik was reeds op de loer,quot; zeide zij: „en wachtte vol ongeduld

b. w. y. 20

-ocr page 314-

306 EEN VEETBLllNfl VAN MEJUFFROUW STAUFFACHEB.

naar den afloop van uw bezoek bij mijn zuster. Zijt gij beter geslaagd dan ik, Juffie Vquot;

„Och!quot; antwoordde ik: „Mevrouw behoeft zich niet verlegen ta maken. Mevrouw uw zuster is vol courage en de grap zal doorgaan. Ik beken, dat ik zeer in uw bezwaren deelde; doch na mijn onderhoud met haar ben ik volkomen gerust. Mijnheer Drenkelaer zal er beschaamd afkomen.quot;

„Hoe!quot; zeide zij, verwonderd en ontevreden: „zijt gij tot de tegenpartij overgeloopen ?quot;

„Ja Mevrouw!quot; antwoordde ik: „en waarlijk, dat zou ik niet gedaan hebben, indien ik niet overtuigd ware geworden, dat Mevrouw Bentes volstrekt niet opziet tegen de onderneming en haar gezondheid geen het minste gevaar loopt.quot;

„Zij is mal!quot; zei Mevrouw Van Eylar: „en het spijt mij van u hetzelfde te moeten zeggen, Juffrouw I — (ik was toen geen „Jutfiequot; meer:) — „ik heb u in dat geval niets meer te zeggen.quot;

Ik neeg en verwijderde mij. Toen ik aan de deur was riep zij mij na:

„Ja toch iets! Mevrouw Van Doertoghe zoekt overal haar krippen omslagdoekje. Hebt gij dat ook ergens gezien?quot;

„Neen, Mevrouw!quot; antwoordde ik, en verliet haar. Nauwelijks echter was ik in de gang, of daar kwam mij opeens in de gedachte dat Mijnheer Drenkelaer, toen hij my een uur te voren ontweek, iels onder den arm had, dat machtig veel had van het roode doekje van Mevrouw Van Doertoghe.

„Ik kan hem toch niet van diefstal gaan aanklagen,quot; zeide ik bij mij zeiven: „maar wat kan zijn doel zijn? Wat zou hij met dat doekje willen uitvoeren?quot;

Daar kwam plotseling een lichtstraal bij mij op en snel liep ik naar de zoogenaamde wapenzaal, den weg waarheen ik hem had zien nemen.

In de zaal was niemand, buiten de oude portretten, die even grimmig als gewoonlijk van den wand op mij nederzagen, als wilden zij zeggen: „wat kom je hier uitvoeren?quot; Ik liet mij door hun dreigende oogen niet afschrikken en liep de onderscheiden wapenrustingen van alle tijden en volkeren rond, ze bekijkende met dezelfde nieuwsgierigheid, alsof ik ze nog nooit had gezien.

„Waar ik hem weet!quot; riep ik eindelijk, mij een jagersterm veroorlovende, dien ik meermalen uit den mond van onzen gastheer en van zijn vrienden had vernomen; en terstond, zelve verschrikt over mijn uitroep, en bevreesd, dat iemand dien zou gehoord hebben, haastte ik mij vandaar. En wat wist ik nu? — Ja! dat wil ik u thans nog niet zeggen: gij zult het nader komen te hooren.

Op mijn kamer teruggekeerd, vond ik, dat de meid van mijn afwezigheid gebruik had gemaakt om te luchten en het venster op den haak had gezet. Dat was mij op ultimo October al te frisch en ik ging het dichthalen. Eer ik dit doen kon, moest ik een bedsprei binnenhalen, die zij, insgelijks om die te laten luchten, had uitgehangen. Doch nauwelijks had ik die aangevat, of ik bleef, als door een electrieken schok getroffen, een oogenblik geheel versteld

-ocr page 315-

EEN VERTELLING VAN MBJUEFROUW STAUFPACHER. 307

staan. Die sprei was hemelsblauw, en mijn raam had juist het uitzicht op een kleine hoogte, die, aan de overzijde van de breede rivier, zich buiten het perk boven het kreupelhout verhief en nog steeds bekend was onder den hoogdravenden naam van „Wolverberg!quot;

De samenloop van een en ander mocht toevallig zijn, hij was niet minder treffend en wel geschikt mijn zenuwen al dadelijk op de proef te stellen. Ik herstelde echter spoedig van mijn ontroering. „Kom!quot; zeide ik, terwijl ik de sprei terug- en het venster dichttrok; „dat sein binnengehaald eer Sinjeur Asrafel het ziet en er op afkomt, 't Is intusschen al zeer zonderling.quot; En, mij nederzettende, ging ik over het gebeurde nadenken, en kon niet nalaten een weinig bij mij zelve te meesmuilen over mijn goede meesteres, die er nog niet zoo tegen opgezien zou hebben haar hand te geven aan den Heer Dren-kelaer, zoolang het alleen maar bleek, dat hij een losbol was, — 't is raar, vrouwen denken altijd geroepen te zijn, losbollen te verbeteren; — maar die teruggedeinsd was voor de gedachte van met een alchymist te trouwen!

Mevrouw Bentes was met mij afgesproken, dat wij voor den eten een bezoek zouden afleggen bij den ouden eikeboom: en ieder die ons zag gaan, vond dan ook heel natuurlijk, dat zij de wandeling derwaarts nog eens bij vollen dag deed, ten einde die later met meer zekerheid bij nacht te kunnen volbrengen. Wij waren dikwijls op de plek geweest; doch nooit onder zulke indrukken als nu. De weg wees zich zelf: van de slotbrug af geleidde, links af, een breede laan van zware beukeboomen tot aan het zijhek, dat overdag altijd openstond. Daar stak men den rijweg over, die langs de rasters van de eigenlijk gezegde buitenplaats neenliep en men had een pad te volgen, dat, dwars door een berkenboschie heen, naar de opene plek voerde, waar zich de steeneik uit een kleine verhevenheid van graszoden verhief. Het weer was bekoorlijk, zelfs warm voor den tijd van het jaar: koesterend drong de herfstzon door de boomen, nu meest geheel van loof beroofd, en deed de dorre bladeren, die

fa

nen door het bosch. Alles zag er even prettig, even geruststellend, even opwekkend uit: wij konden ons nauwelijks verbeelden, hoe de nacht aan het natuurtooneel, dat wij om ons heen zagen, zijn bevalligheid ooit geheel zou kunnen ontnemen, en al lachende en schertsende wandelden wij voort. Gij begrijpt, dat ik aan Mevrouw niets verteld had van die hemelsblauwe sprei.

Aan den boom gekomen, bekeken wij dien nogmaals wel terdeeg van alle zijden. De oude tronk, zoo dik, dat drie menschen hem met moeite konden omspannen, was geheel hol van binnen, had ;een enkelen tak meer en droeg alle blijken, sedert lang in het aatste tijdperk zijns levens — zoo er nog leven in woonde — getreden te zijn.

„Ik ben maar voor één ding bang,quot; zeide ik, na mijn onderzoek volbracht te hebben.

-ocr page 316-

308 EEN VERTELLING VAN MEJTTPFEOTrW STAOTFAOHBR.

„En voor wat dan?quot; vroeg Mevrouw, op een toon van bezorgdheid: „indien het stuk u eenige vrees inboezemt, doe het dan Kever niet.quot;

„Wel!quot; antwoordde ik, lachende: „ik ben bang, dat als ik hierin dien bast mijn spijkers sla, het wel eens de genadeslag voor dien ouden knappert wezen kon, zoo vermolmd en rot is hij. — En nu!quot; vervolgde ik, op het pad tegenover mij wijzende: ,'t Is alzoo van dien kant, dat Sinjeur Asrafel moet komen. Ik ben nieuwsgierig hem te zien.quot;

Op deze wijze spottende, met een overmoed, die in den grond vrij ongepast en meer aan jeugdige lichtzinnigheid dan aan eenig beter beginsel was toe te schrijven, keerde ik met Mevrouw naar huis; doch het was mij gelukt, naar weer in een vroolijken luim te bren-

fen, en haar, althans voor 't oogenblik, het nacht-avontuur met alme gerustheid te doen zien. — Toen zij 's middags aan tafel verscheen, was er dan ook niets meer van die bleekheid en verwildering te bespeuren, die ik 'smorgens daarop had aangetroffen; zij was, gelijk naar gewoonte, lief en natuurlijk; zij schertste zonder eenige gemaaktheid en haar houding en voorkomen waren van dien aard, dat niemand bij haar eenige bezorgdheid ondersteld zou hebben. Ik merkte op, dat onze gastheer en zijn vrouw hierdoor mede eenigermate gerust gesteld waren en ik vermaakte mij met de verwondering, die in de oogen van monsieur Drenkelaer, zoo vaak hij die naar Mevrouw Bentes wendde, te lezen was.en, en haar, althans voor 't oogenblik, het nacht-avontuur met alme gerustheid te doen zien. — Toen zij 's middags aan tafel verscheen, was er dan ook niets meer van die bleekheid en verwildering te bespeuren, die ik 'smorgens daarop had aangetroffen; zij was, gelijk naar gewoonte, lief en natuurlijk; zij schertste zonder eenige gemaaktheid en haar houding en voorkomen waren van dien aard, dat niemand bij haar eenige bezorgdheid ondersteld zou hebben. Ik merkte op, dat onze gastheer en zijn vrouw hierdoor mede eenigermate gerust gesteld waren en ik vermaakte mij met de verwondering, die in de oogen van monsieur Drenkelaer, zoo vaak hij die naar Mevrouw Bentes wendde, te lezen was.

Zoowel bij hem als bij de overige gasten was echter zekere onrust en gejaagdheid te bespeuren, die hand over hand toenam en zich gedurende den avond openbaarde in een onnatuurlijke en uitbundige dartelheid. Ieder, uitgenomen Mevrouw Bentes, haar zuster en de Heer Van Eylar, scheen zijn innerlijken an^st onder een masker te willen verbergen of te willen verdooven. Eerst aan de speeltafel, waar voor 't overige dezelfde verstrooidheid heerschte als den vorigen avond, kwam wat stilte: en met het souper was de stemming geheel veranderd, of liever vertoonde zij zich zooals zij inderdaad was, en ondanks alle moeite, die de Baron zich gaf om zijn gasten op te vroolijken, had het meer van een lijkmaal dan van een blijden vriendendisch.

VIII.

Met klokslag van elven rees Mevrouw Bentes op en verzocht ver lof, zich te gaan verkleeden.

rlk wil liever mijn zijden sak tegen den nachtdauw sparen.quot; zeide zij.

-ocr page 317-

EBN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHER.

„En ik stel voor, dat ieder die mee wil, zich ga verkleeden,quot; zei de Heer Van Eylar: „ik, wat mij betreft, heb althans plan mijn jachtbuis en mijn stevels te gaan aantrekken en u tot aan 't zijhek te brengen, Mietje! om er uw terugkomst af te wachten en ik onderstel, dat er wel onder 't gezelschap zijn, die met ons zullen gaan.quot;

„Welzeker!quot; riepen verscheiden stemmen en 't souper werd opgebroken.

Evenals de overigen ging ik naar mijn kamer. Ik had mij pas van mijn sak ontdaan en mijn négligé aangetrokken, toen Mevrouws kamenier mii op haar last kwam roepen. Ik voldeed hieraan: de kamenier werd weggezonden en nu trok Mevrouw mij haar bonten pelisse aan en zette mij haar coëffe op. Een blik in den spiegel was voldoende om mij te overtuigen, dat mijn vermomming iedereen misleiden moest.

De_ Heer Van Eylar had op de kamer van Mevrouw Bentes een allerliefst hamertje doen bezorgen met een peperhuis, dat een dozijn groote spijkers bevatte. Mij met een en ander gewapend hebbende, nam ik afscheid van Mevrouw, die nu weder vrij zenuwachtig en aangedaan begon te worden, zich zelve haar egoïsme verweet, dat zij mij zoo heen liet trekken, en mij per slot honderdmaal sterkte toewenschte en een behouden terugkomst.

Het was kwartier voor twaalven, toen ik, met mijn coëffe, zoo veel mogelijk over 't gezicht getrokken, in het benedenportaal kwam, waar mij de Heer en Mevrouw Van Eylar en meest al de gasten reeds stonden af te wachten, 't Was of men op een schaatsenrijders of narresledenpartij uit moest, zoo waren allen in pelsen, scnans-loopers, mantels, kapers, coëffes, bonten mutsen, enz. gedoken: ik kon, bij het flauwe licht in 't portaal, bijna niemand onderkennen, en ik maakte hier de gevolgtrekking uit op, dat men 't mij ook niet doen kon. Mijn verschijning deed een algemeenen kreet ontstaan, die echter dadelijk weder gesmoord werd. Zwijgend trad ik door de menigte, die rechts en links voor mij plaats maakte, en zoo de deur uit; doch reeds op de str 1 TT quot;quot;quot; quot; 1

mijn zijde en bood mij den arm

verwacht, lei mijn arm in den zijnen, en wandelde met hem voort.

„Voel je u sterk genoeg?quot; vroeg hij mij, fluisterende.

„Ja!quot; antwoordde ik, nauwelijks hoorbaar. „Stt!quot; liet ik er op volgen, als wilde ik hem te kennen geven, dat ik liever ontslagen was van onder de bestaande omstandigheden te moeten praten. Hij scheen dit best te begrijpen, althans hij knikte goedkeurend met het hoofd, en wij vervolgden onzen weg, door de overigen gevolgd, die in kleine groepen van drie of meer waren afgedeeld en insgelijks óf niet, öf nauwelijks hoorbaar samen spraken.

Het weer was nog altijd fraai: 't was wel is waar donkere maan; doch de lucht was onbewolkt: de sterren tintelden helder aan 't zwerk en, dewijl de boomen meest kaal waren, was het licht genoeg om ons in staat te stellen, zonder behulp van lantaarns, ons pad te onderscheiden. Ik gevoelde nog niet de minste vrees, maar integen-

309

-ocr page 318-

310 EEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHEE.

deel een zekere opgeruimdheid door de gedachte aan al de onaangenaamheden, welke ik Mevrouw Bentes bespaarde.

Opeens hoorde ik de vraag acht,er mij doen;

„Waar is Drenkelaer toch? — Die moest hier althans present zijn.quot;

„Ik heb hem niet gezien,quot; antwoordde een andere stem.

„Hij zal zich schamen,quot; zei een ander.

„Hij is er ook wel de man naar,quot; dacht ik bij mij zelve.

Wij waren het hek genaderd. ,En nu. Zuster!quot; zei de Baron: „zijn wij ter plaatse gekomen, waar wij scheiden moeten; doch ziequot; — en meteen sloeg hij mij een koord over den arm, waar een fluitje aan hing — „wij blijven hier en zoo gij onzen bijstand behoeft, of om wat reden ook onze komst, verlangt, dan hebje maar te fluiten, [n drie vloeken en een zucht zijn wij bij u.quot;

„Ik dank u,quot; fluisterde ik, in dit blijk van voorzorg een nieuwe stof tot. gerustheid vindende.

„En nu, vaarwel!quot; zeide hij: „en veel succes.quot; Met deze woorden pakte hij mij, eer ik er op verdacht was, om den hals, stak zijn hoofd onder mi}n coëffe en drukte mij een frisschen zoen op de lippen. Ik schaam mij volstrekt niet u te betuigen, dat ik dien zoen even hartelijk en welgemeend beantwoordde als hij mij gegeven werd.

„Nu voorwaar!quot; dacht ik bij mij zelve, toen hij mij losliet: „ziedaar nog een extra-verval, waar ik niet op gerekend had. Nu mag ik wel dubbel oppassen, dat men mij niet herkenne.quot;

En nu stapte ik dapper het hek uit, den rijweg over en het pad op: ik wil niet ontkennen, dat ik mijn hart hoorde kloppen; doch de gedachte, dat ik vrienden in de nabijheid had, bemoedigde mij. En dan---- 't was immers dezelfde wandeling, die ik voor den eten

gedaan had en de natuur om mij heen was dezelfde als toen, opedaan had en de natuur om mij heen was dezelfde als toen, op

et zonlicht na.

Ik bereikte weldra de open plek en den eikeboom. Ik keek rond: niets zag ik dan de berkerijzen, wier silhouetten tegen de lucht afstaken: ik luisterde: niets hoorde ik dan het piepend geluid der twijgen, die door den wind bewogen werden. Ik opende mijn peperhuis met spijkers, nam er een uit, lei de rest toen voor mij op de zodenbank, en, mijn hamer gereed houdende, wachtte ik op het slaan der dorpsklok om mijn taak te volbrengen.

Opeens was het, als hoorde ik een geritsel, dat niet door den wind kon ontstaan zijn.

„Zeker een egel,quot; dacht ik: „of een vos, of misschien wel....quot;

Ik gluurde van onder mijn coëffe naar den kant, waar het gerucht vandaan kwam. 't Was het kraken van dorre bladeren, waar iemand over loogt.

„Hm! — dat is een levend wezen,quot; dacht ik bij mij zelve: „spoken laten de bladeren niet kraken als zij er overheen wandelen. Zou 't ook een strooper zijn, of is het....quot;

Bang! — daar dreunde uit de verte mij de eerste slag van twaalven in 't oor, en stoorde mij in mijn overpeinzingen. Ik zette den spijker tegen den stam en sloeg hem met den hamer op zijn kop, dat de splinters uit het bout vlogen. Op hetzelfde oogenbhk

-ocr page 319-

EEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHER. 311

zag ik, tegen mij over, van den kant dei heide een gedaante hei pad afkomende, volkomen overeenstemmende met die, welke onze

gastheer ons beschreven had: een tulband, een veder, een mantel----

alles kwam uit.

„Ik ben gerust, dat is geen strooper,quot; dacht ik bij mij zelve en zette een tweeden spijker tegen den tronk. De klok bleef slaan en de gedaante stond nu over mij op het pleintje.

Ik haalde de schouders op, nam den derden spijker en plantte dien naast de beide anderen in den boom. De gedaante hief dreigend den rechterarm omhoog.

Ik sloeg den vierden spijker in. Nog voortdurend bleef de klok slaan: en de gedaante, blijkbaar ontevreden dat ik mij zoo weinig aan haar tegenwoordigheid stoorde, bracht snel de hand naar de zijde, haalde een Moorsche sabel uit en zwaaide dien omhoog.

,Mijnheer Drenkelaer!quot; riep ik toen, terwijl ik meteen den vijfden spijker insloeg en de klok den laatsten slag deed hooren: ,Mevrouw Van Doertoghe wenscht haar rood krippen doekje terug, waarvan gij----quot;

,----U een tulband gemaakt hebt,quot; wilde ik zeggen; doch ik had

geen tijd mijn toespraak ten einde te brengen. Reeds bij de eerste woorden had ik hem zien nederstorten alsof hij door den donder getroffen was; terwijl op hetzelfde oogenblik een zwarte vleermuis, of andere nachtvogel, die waarschijnlijk zijn verblijf in den ouden boomstam hield, mij zoo strijkelings langs 't gelaat voorbijvloog, dat ik den kouden tocht, door 't wapperen zijner vlerken ontstaan, mij tegen 't aangezicht voelde waaien.

Ik schrikte nu werkelijk: ik gilde het uit, zette toen het fluitje aan mijn mond en gaf het sein dat ik hulp behoefde. Met onuitsprekelijke blijdschap hoorde ik onmiddellijk de zware basstem van den Heer Van Bylar, die antwoord gaf, en het gerucht der voetstappen van mijn vrienden, die ter bijstand toesnelden. Ik herkende net stampen der stevels van den Baron; maar toch was hij de eerste niet, die zich op het pleintje vertoonde. Voor hem en alle anderen snelde een vrouwelijke gedaante op mij af, die ik met een weinig verbeelding had kunnen aanzien voor de schim van Sofia, die de schim van haar lief kwam zoeken; doch stel u mijne verbazing voor, toen die gedaante mij om den hals vloog, en ik Mevrouw Bentes herkende, die mijn mantel om 't lijf en mijn coëffe op 't hoofd had.

„Wat is er gebeurd? Is er onraad?quot; vroeg de Baron.

„Stil!quot; fluisterde ik: „daar ligt Sinjeur Asrafel, door mijn macht verslagen.quot;

Kreten van verbazing, van ontsteltenis, van angst, van schrik, enfin allerlei mogelijke benauwde kreten rezen verward door elkander; doch zij werden veranderd in kreten van woede en verontwaardiging, toen de Heer Van Eylar en kapitein Trellinck, het spook hebbende aangepakt, ontdekten, dat het vleesch en been had.

Iedereen drong zich nu om mij heen, om te vernemen, wat mij overkomen was: doch het geheim mijner maskerade wenschende te

-ocr page 320-

312 £EN VEETELLING VAN JtEJUPFEOUW STAUPFAOHEB.

bewaren en daarbij te ontsteld om iemand te woord te staan, vergenoegde ik mij met te mompelen: „straks, straks!quot; en. Mevrouw Bentes onder den arm vattende, nam ik met haar den terugtocht aan naar het kasteel. Enkelen bleven bij den Heer Van Eylarachter; de meesten volgden ons, 't zij uit belangstelling, 't zij uit vrees, en 't was een gestadig vragen, of ik niet doodelijk verschrikt was, en wat er toch eigenlijk was voorgevallen? — Ik was zoo vrij op

feene dier vragen te antwoorden en mijn stap te versnellen. Zoo wamen wij aan 't kasteel, waar ik terstond met Mevrouw Bentes naar haar kamer snelde.eene dier vragen te antwoorden en mijn stap te versnellen. Zoo wamen wij aan 't kasteel, waar ik terstond met Mevrouw Bentes naar haar kamer snelde.

„Wat onvoorzichtigheid. Mevrouw!quot; riep ik, zoodra wij alleen waren, terwijl ik coëffe en pelisse afwierp: „waarom niet thuis gebleven? Als men u eens ontdekt had!quot;

„O! beknor mij niet, Juffie!quot; zeide zij: „pas waart gij de deur uit, of ik had rust noch duur; en zoo dacht ik: „ik kan immers in uw schijn gaan, gelijk gij in den mijnen.quot; — Zoo gezegd, zoo gedaan. Ik 'liep met uw mantel en coëffe de deur uit, de overigen achterna, en kwam bij het zijhek even nadat gij er waart uitgegaan. Maar zie, toen de laatste klokslag van twaalven zich deed nooren. toen was 't of ook mij iets in 't harte knapte, juist gelijk mijn Heer Van Eylar vertelde, dat aan Sofia gebeurde; ja 't was mij, of ik zelve Sofia was en.... of ik genezen was van een dwaze neiging. En toen was het, of een geheime stem mij influisterde dat gij u in gevaar bevondt, en dat ik u moest gaan redden; zoo snelde ik weg, ja nog voor dat uw fluitje zich hooren deed, en zoo was ik de eerste bij u.quot;

„Zonderling!quot; zei ik: „juist met dien laatsten klokslag viel Sinjeur Drenkelaer onderste boven.quot;

„Wat! wie? Drenkelaer!quot; herhaalde zij, de handen in elkander slaande.

„Och ja. Mevrouw!quot; antwoordde ik; „die speelde voor Asrafel.quot;

„En waart ge niet doodelijk verschrikt, Juffie?quot;

„Niet het minst; want, rechtuit gezeid, ik was op zijn verschijning voorbereid. Ik had half vermoed, dat hij den krippen doek van Mevrouw Van Doertoghe gekaapt had, om er zich een tulband van te maken; daarom ging ik eens naar de wapenzaal en vergewiste mij, dat er een Moorsche sabel ontbrak, dien ik er een paar dagen te voren nog gezien had. Een roode of bruinroode mantel

is licht te bekomen----ik geloof, dat zijn knecht er een heeft----

en toen ik onder 't gaan naar 't zijhek bemerkte, dat hij zich niet bij 't gezelschap bevond, was ik zoogoed als zeker, dat hij al vooruit en in 't berkenboschje was. Ik wachtte hem dus en 't gaf mij zelfs een zekere gerustheid, te weten, dat ik iemand van mijn kennis in mijn nabijheid had, al kwam hij juist met geen beste oogmerken.quot;

„Maar,quot; zei Mevrouw, „indien hij.... die man was uit spijt en teleurstelling tot alles in staat.. ■ ■ indien hij u eens had aangegrepen .... of mishandeld.quot;_

„Wel! ik geloof,quot; zei ik, „dat hij er grooten lust toe had; maar

-ocr page 321-

I

BEN VEBTBLLIN8 VAN MBJTJFFBOUW STAUFFACHBE.

ik wist immers, dat hij alsdan beginnen zou met mal op zijn neus te kijken, wanneer ik hem zei: gij nebt de verkeerde voor? — Maar k propos van de verkeerde voor te hebben. Ik moet u nog een zoen teruggeven. Mevrouw! dien ik van mijn Heer Van Eylar gekregen heb, en die voor u bestemd was.quot;

,Ondeugend Juffie!quot; zei Mevrouw, mij hartelijk kussende: „maar ik begrijp nog niet, hoe die Drenkelaer....quot;

Op dit oogenblik werd aan de deur getikt: de Heer en Mevrouw Van Eylar traden binnen.

,WeIVquot; vroeg ik: „heeft Mevrouw zich nu niet goed gehouden? De vijf spijkers zijn ingeslagen.quot;

„Kapitaal!quot; riep de Heer Van Eylar: „ik dacht voorwaar niet. Mietje! dat je zoo'n heldin waart.quot;

„Maar ben je niet ter dood geschrikt. Mietje?quot; vroeg Mevrouw Van Eylar, „over die afschuwelijke poets, welke die infame Drenkelaer u heeft willen spelen?quot;

„Och!quot; haastte ik mij te antwoorden: „Mevrouw was er op voorbereid: maar is het dan inderdaad Mijnheer Drenkelaer?quot;

„In eigen persoon,quot; zei de Baron: „ik dacht eerst dat hij ad

Êatres was: hij gaf geen teeken van leven; maar toen hij hier eengebracht was, is hij weer bijgekomen en ligt nu te ijlen en allerlei dwaasheden uit te slaan.quot;atres was: hij gaf geen teeken van leven; maar toen hij hier eengebracht was, is hij weer bijgekomen en ligt nu te ijlen en allerlei dwaasheden uit te slaan.quot;

„Nu! als hij genezen is behoeft hij hier geen been meer te zetten.quot; zei Mevrouw Van Eylar: „maar nog begrijp ik niet. Mietjelief! hoe je zooveel moed hebt gehad.quot;

„Och!quot; zei Mevrouw Bentes, die 'tte kwaad kreeg en bij wie de tranen in de oogen kwamen: „maak mij toch geen complimenten, die ik niet verdien. Hier staat de heldin, die de spijkers heeft ingeslagen.quot;

„Juffie!quot; riepen de Heer en Mevrouw Van Eylar.

„Foei, Mevrouw!quot; zei ik: „nu bederft gij 'tgeheele spel. De maskerade was zoogoed gelukt.quot;

„Ja! maar ik schaam mij een lof, dien ik niet verdien,quot; hernam Mevrouw Bentes: en meteen vertelde zij, in korte woorden, wat tot de rolverwisseling aanleiding had gegeven.

„Wel! dat is heerlijk,quot; zei de Baron, terwijl hij schaterde van lachen: „op mijn eer. Juffie! ik wist dat je mooi komediespelen kon op het theater; maar dat je 'took daarbuiten zoo uitmuntend doen kon, wist ik niet; en ik zou er straks op gezworen hebben, dat ik

niemand dan Mietje aan mijn arm had, en dat----quot; hier begon hij

opnieuw te lachen, dat hij schudde.

„En dat je Mietje een zoen gaaft,quot; vulde Mevrouw Bentes aan: „nietwaar?quot;

„Nu!quot; zei Mevrouw Van Eylar: „dan moog je er nu wel een aan Juffie geven voor haar zelve; zij heeft hem wel verdiend, en ik zal er niet jaloersch van zijn.quot;

„Wel! als ik er zoo toe word aangespoord, dan zal ik mij waarachtig niet onbetuigd laten,quot; zei de Baron, terwijl hij mij, die half lachte, half schreide, nogmaals kuste dat het klapte: „Je bent een

313

■%

11Ü

-ocr page 322-

314 BEN VBRTBIiLlSfö TAN METUFFEOUW STATTFFACHEH.

juweel van een meid, Juffie!quot; zei hij toen: „maar toch geloof ik, dat je ten einde toe je grootmoedig toonen moet, en dat vooralsnog het geheim van die verkleeding tusschen ons vieren blijven moet. —-Ik acht 'zulks noodig voor de reputatie van mijn schoonzuster, en ook voor uw eigene.quot;

„Ik, van harte gaarne,quot; zei ik: „ik zou 't nimmer verklapt hebben.quot;

„Goed! dan moet Mietje 'took niet verklappen,quot; hernam de Heer Van Eylar: „en nu raad ik aan allen, stilletjes naar bed te gaan en van al die vermoeienissen uit te rusten.quot;

Wij volgden dien goeden raad; ofschoon ik dien nacht volstrekt de rust niet genoot, die ik meende verdiend te hebben. Zoolang als ik in een staat van spanning verkeerd had, was ik sterk geweest; doch men speelt niet straffeloos met zijn zenuwen, en toen ik alleen en in mijn bed was, begon ik te beven en te schreien als een kind. Bovendien had ik nog geen hoogte van wat den Heer Drenkelaer toch was overkomen, waardoor hij zoo plotseling was nedergeslagen, en het maken van gissingen daaromtrent hield mij uit den slaap. Ik bracht een fat alen nacht door en was blijde toen de dag was aangebroken.

Den volgenden morgen kwam de Heer Van Eylar bij Mevrouw Bentes, terwijl ik mij bi) haar bevond, en bracht haar bericht, dat de Heer Drenkelaer zich 'iets beter gevoelde en dringend verlangde, Mevrouw te zien en haar om vergeving te vragen.

„Wat raadt ge mij?quot; vroeg Mevrouw.

„Ik raad u, aan zijn verzoek gehoor te geven,quot; antwoordde haar zwager: „hem schijnt iets op het hart te liggen, dat hij openbaren wil. — De man is zich zelf niet meer: en zijn wensch zelf om ute zien, wier tegenwoordigheid hem met schaamte overdekken moet, bewijst, dat er een verbazende omkeer in zijn toestand moet hebben plaats gehad.quot;

„Ik zal gaan,quot; zei Mevrouw: „maar onder voorwaarde, dat Juffie mij vergezelt.quot;

Ik verzette eenigszins van het voorstel, doch te gelijk was ik nieuwsgierig naar de oplossing van hetgeen mij nog een raadsel was. Wij volgden dan den Baron naar de kamer van den zieke. Men kon van hem ook zeggen wat Eneas van Hector zei: „hoe geheel veranderd van dengenen, dien wij kenden!quot; Bleek, of liever vaal, als een doode, bevend over al zijn leden, lag de anders zoo fraaie en nette pronker op een rustbank, en zag er, met zijn vaderlief op 't ongepoeierd haar, zijn gebloemde japon aan 'tlijf en zijn glazige oogen, volstrekt niet uit om op te verheven.

„Mevrouw!quot; zeide hij, met neergeslagen blikken en een gebroken stem: „ik heb verlangd u nog eenmaal te zien: ik weet, het zal voor 't laatst zijn; want ik ben onwaardig, immer weer voor uw oogen te verschijnen, Gij waant misschien, dat ik alleen spreek van hetgeen die onzalige proef betreft, waarop ik uw moed gesteld heb, en waar gij zoo glansrijk van af zijt gekomen.... maar neen, reeds wegens vroegere handelingen, welke ik mij jegens u veroorloofd heb, heb ik mij bij u aan te klagen. Kweekeling der Illuminaten, heb ik

-ocr page 323-

EEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFAOHER. 315

reeds voorlang mij toegelegd, door aanwending van sympathetische middelen, aan de ingewijden alleen bekend, invloed op andere lieden te verkrijgen — en die middelen heb ik op u in 't werk gesteld. Ik poogde uw wilsvermogen langzamerhand te bedwingen, u onder mijn invloed te brengen, en u op die wijze te noodzaken, ook ondanks u zelve, mij uw hand te schenken. Ik waande u reeds in mijn macht; maar ik had mij te spoedig gevleid, en het oogenblik, waarop ik zeker dacht te zijn van de overwinning, was dat van mijn nederlaag. Uw gezond verstand, uw luisteren naar goede raadgevingen, uw liefde voor uwe kinderen, ik weet niet wat, hebben gezegepraald over den invloed, dien ik meende te hebben verworven. — Ik was woedend : ik dorstte naar wraak: en dat heeft mij dwaasheid op dwaasheid doen stapelen: ik had u willen beschamen door u van grootspraak te overtuigen; gij naamt ridderlijk den handschoen op, dien ik u toewierp: ik heb toen, door dollen spijt verblind, u schrik aan willen jagen: 't is mij alleen gelukt mij zeiven voor altijd in ieders oogen belachelijk te maken — en vooral in de uwe, Mevrouw! En toch zal uw goeaheid mij misschien nog beklagen, wanneer gij

zult hebben vernomen, dat----quot; hier begon hij over 't gansche lijf

te trillen, hij dronk een teug water, en ging toen voort: Ja Mevrouw! uw waagstuk was stouter, mijn straf is grooter, de voldoening, die gij erlangt, volkomener, dan gij zelve weet want;....quot; hier haperde zijn stem opnieuw en een kille nuivering scheen hem door de leden te varen: „de geest, dien ik u wilde doen verschijnen, is mij inderdaad verschenen.quot;

„Wat!quot; riepen wij allen.

„Welke onzin!quot; zeide de Heer Van Eylar, knorrig.

„Bij al wat u heilig is,quot; hernam de ongelukkige, terwijl zijn voortdurend beven toonde, dat hij voor zich zelf althans overtuigd was, de waarheid te spreken: „ik betuig u op 't plechtigst en ik ben bereid het met eede te bevestigen, dat, op het oogenblik toen ik de sabel trok, de geest van dien Asrafel voor mij stond en de zijne mij boven 't hoofd zwaaide. Wat verder gebeurde, weet ik niet.... ik hoorde u, dunkt mij, mijn naam noemen. Mevrouw! toen ik neerviel.quot;

„Wat! die vleermuis!quot; kon ik mij niet weerhouden te roepen: „och kom! 't is verbeelding.quot; liet ik er onmiddellijk op volgen.

,'t Is verbeelding!quot; herhaalde werktuiglijk Mevrouw Bentes; doch wij begonnen beiden als popelbladen te beven.

„Ik wenschte dat gij die gril voor u gehouden hadt, Drenkelaer!quot; zeide de Heer Van Eylar, al meer en meer ontevreden: „of is dit weer een wraakneming? Had ik dat kunnen voorzien, ik had mijn schoonzuster niet gevraagd, hier te komen.quot;

„Ik herhaal u, dat ik de zuivere waarheid spreek,quot; hernam de lieer Drenkelaer: „niet ik. Mevrouw is gewroken, gewroken voor altijd! want die vreeselijke verschijning zal tot aan mijn dood voor mijn geest blijven spoken,quot; en, zijnquot; gelaat met beide handen bedekkende, viel hij, met een angstbetoon, dat niet geveinsd kon wezen, in de kussens neer.

-ocr page 324-

EEN VBETELIING VAN MEJOTFEOtTW 8TAUFFACHEE.

,Ik vergeef u, Mijnheer Drenkelaer,quot; zeide Mevrouw Bentes; ren ik wensch van harte, dat de vrees, die gij voedt, zich niet moge verwezenlijken. Moge het gebeurde u afschrikken van alle kunstenarijen, die uit den booze zijn, dan zult gij, vlei ik mij, ook rust vinden voor uw ziel.quot;

Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek. Ik volgde haar met den Heer Van Eylar, die, zoodra hij in de gang stond, met een krachtigen knoop er op, uitriep:

„Die dit-en-datsche hoorn moet weg, en ik vertel in mijn leven geen spookgeschiedenissen meer.quot;

Hij hield woord, althans wat den boom betrof, die reeds denzelfden dag werd gerooid, terwijl hij het pleintje liet dichtplanten en het pad verleggen, 't Schijnt, dat het spook hierdoor zijn weg niet heeft kunnen terugvinden ; althans ik heb niet vernomen dat iemand het na dien tijd meer gezien heeft.

„En wat is nu uw meening aangaande die verschijning?quot; vroeg ik, toen ik aan haar zwijgen bemerkte, dat zij het voor uit hield.

„Ik weet het niet,quot; zeide zij: „en kan u alleen antwoorden met de woorden van Hamlet tot Horatio:

There are more things in heaven and earth, Horatio,

Than are dreamt of in your philosophy,

en van iemand die, zooals ik, toen ik gezelschapsjuffer bij Mevrouw Eonau was, ruim een jaar te Straatsburg bij Cagliostro aan huis heb gewoond, moet je niet verwachten, dat zij zich een volslagen onge-loovige betoonen zou op 't stuk van verschijningen. De samenloop van omstandigheden, het slaan der pendule onder de vertelling, het nithangen van de sprei uit mijn raam, terwijl ik juist de persoon wezen moest, die de wandeling naar den eikeboom deed, de schok, dien Mevrouw Bentes in haar hart gevoelde toen de dorpsklok sloeg, die vleermuis, welke mij langs 't gezicht vloog, dat alles samengenomen is, hoezeer verklaarbaar, echter uiterst zonderling. Wat nu de vraag betreft of mijn Heer Drenkelaer werkelijk iets zag, dan of zijn verbeelding hem parten heeft gespeeld, wat in den staat van opgewondenheid, waarin hij verkeerde, zeer waarschijnlijk is, ik ben zeker dat hij op dat punt ter goeder trouw was: want hij verviel sinds dien tijd aan 't kwijnen en overleed een jaar later aan de baden van Bagnéres; — maar voor quot;t overige, ik ben gewoon nimmer een bepaald oordeel over zulke quaestiën te vellen, zoolang ik niet spreken kan over hetgeen ik zelve gezien of ondervonden heb.quot;

„En dan nog geloof ik, dat daarbij voorzichtigheid in acht genomen moet worden.quot;

316

-ocr page 325-

DE KEOON BOVEN 'T WAPEN.

Ter plaatse, waar Amsterdam het verste in 't IJ uitsprong, waar de (Oudezijds) Houttuinen eindigden en zich rechts de Schreierstoren verhief, stond in de zestiende eeuw, en later nog, eene herberg, onder den naam van Coomens ^-welvaren bij vreemdeling en poorter vermaard. Het was daar, dat, bij voorkeur, niet alleen de kooplieden en schippers, die Amsterdam bezochten, hun intrek namen, maar zich ook de deftige ingezetenen, liefst voor de deur, en alleen bij zeer koud of stormachtig weer in de gelagkamer, onder 't genot van eene stoop wijn, eene kan bier of eenig ander smakelijk vocht, tot een gezellig praatje vereenigden. Het fraaie uitzicht, de frissche zeelucht, het vroolijk schouwspel, dat het bestendig heen-en wederkruisen van baardsen, hulken, karveelen, sloepen, jollen, of hoe die vaartuigen mochten heeten, hier opleverde, bovenal de zucht, om te weten wat er in de wereld omging, eene zucht, die, toen er nog geen loopmaren, veelmin dagbladen, bestonden, niet dan door onderlinge mededeeling, en 't best in plaatsen als deze, bevredigd kon worden — dat een en ander werkte samen, om al wie gezellig of nieuwsgierig van aard, vooral hem, die 't een en ander was, naar het „Coomens-welvarenquot; te lokken.

Neen, toch niet allen. Wel verkondigden de woorden Vrij wijn en meê, die op de luifel geschilderd waren — woorden, welke ouderen van dagen zich herinneren zullen, dat in hunne jeugd nog voor vele herbergen en tapperijen pronkten, ofschoon de waard zich toen al vrij verlegen zou gevonden hebben, iemand, die om mede vroeg, met dien drank te gerieven — wel verkondigden die woorden, zeggen wij, dat de toegang voor ieder openstond, die geld in den buidel had; maar toch waren het zelden anders dan de aanzien-

i) c o o m e n (vanwaar k o o m e n y) is 't zelfde als koopman.

-ocr page 326-

318 DE KROON BOVEN 'l WAPEN.

lijken onder de poorters, die men hier bijeengezeten zag. Dat geringe ambachtslieden en matrozen niet kwamen, was niet zoozeer daaraan toe te schrijven, dat zij elders goedkooper te recht konden, als wel, dat zij hier geen gezelschap van hunne gading aantroffen: en het oude spreekwoord „soort zoekt soortquot; werd ook hier bewaarheid. Maar ook zelfs de vreemdelingen, die in de herberg huisvesting vonden, namen niet dan zeer zeldzaam iu de gelagkamer of onder de luifel plaats op de uren, dat zich de poorters daar vereenigden. Wie zich zoodanige vrijheid had veroorloofd, dien was het al spoedig, uit het koel onthaal, dat hij genoot, uit het plotseling ophouden van alle gesprekken, uit het heengaan van sommigen onder de aanwezigen, te duidelijk gebleken, boe schuw de Amsterdammers waren, zich, in 't bijzijn van vreemdelingen, zelfs over de onbeduidendste en onschuldigste zaken uit te laten. Hoe schuw zij waren, zeiden wij, omdat de zinsbouw hier den verleden tijd eiscnte, en volstrekt niet omdat wij te kennen willen geven, dat de schuchterheid der Amsterdammers er sedert vier eeuwen veel op verbeterd is.

De gelagplaats van het „Coomens-wel varenquot; was alzoo, zoo niet in naam, dan toch inderdaad, een besloten gezelschap, en er zouden slechts wetten en reglementen noodig zijn geweest, om er van te maken wat men later college, sociëteit of club noemde.

Wij hebben reeds gezegd, dat het weer al zeer ongunstig moest wezen, om, in een tijd, toen men, meer dan heden ten dage, gewoon was buiten deur te leven, de bezoekers van het ,Coomens-welvarenquot; naar binnen te drijven. En bovendien, de tweede verdieping van de herberg sprong, naar den bouwtrant van die dagen, wel een paar voet boven de onderste uit, en de derde weder een paar voet boven de tweede; zoodat men, ook al had men nog de beschutting van de ver vooruitspringende luifel gemist, ook in eene stortbui voor de deur, ja zelfs een eind op straat, kon blijven zitten zonder een droppel te voelen.

Op het tijdstip echter, dat wij als uitgangspunt van ons verhaal gekozen hebben, zijnde een achtermiddag in de laatste helft der maand April van 't jaar 1488 — gelijkstaande met een achtermiddag in Mei van 't jaar 1866; men rekende toen nog Ouden Stijl — was het zacht en liefelijk lenteweer; en, verre van de warmte te zoeken, was men veeleer zeer tevreden, hier ter plaatse eene welkome schaduw te vinden. Weer was het gezelschap vrij talrijk, ja meer nog dan gewoonlijk; want aan den politieken gezichteinder waren donkere wolken samengetrokken, en de gebeurtenissen, die kort te voren hadden plaats gehad, waren wel geschikt geweest, om de gemoederen in onrust en spanning te brengen. Geen wonder dus, dat er een algemeen verlangen bestond naar tijdingen, een verlangen, dat bij velen zijn grond vond in eene billijke bekommernis, maar bij sommigen ook in zeker duister voorgevoel, dat er kans bestaan kon, van de omstandigheden, op de eene of andere wijze, tot eigen voordeel partij te trek keu.

Ten einde echter aan den lezer, wien misschien de toestand, waarin zich de Nederlanden in 't jaar 1488 bevonden, niet dadelijk

-ocr page 327-

DE KBOON BOVEN 'T WAPEN.

zoo helder voor den geest staat, de moeite te besparen, het een of ander geschiedboek na te slaan, ten einde daaromtrent op de hoogte te komen, willen wij hem daarvan zooveel mededeelen als noodig is, om de gesprekken, die volgen zullen, goed te begrijpen.

Maria, Hertogin van Bourgondië en gebiedster over bijna al de Heerlijkheden, die, onder verschillende titels, tot het zoogenaamde Neder-Duitsohland gerekend werden, was zes jaren te voren, in den bloei des levens, aan de gevolgen van een noodlottig ongeval overleden, tot erfgenaam nalatende haar eenigen zoon, den vierjarigen Filips, onder voogdijschap van haren echtgenoot, den Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk. Niet gemakkelijk voorwaar was de taak, die deze vorst in zijne betrekking als Regent te vervullen had. In Vlaanderen smeulde nog altijd het vuur des oproers, waarvan de vlam in de eerste tijden van Maria's regeering zoo hevig geblaakt had, en, door Frankrijk gevoed, wachtte het slechts op eene gelegenheid, om weder uit te barsten; Brabant en Henegouwen bogen zich niet dan met tegenzin onder het gezag van een uitheemsch vorst: in Holland woedde, zoo fel als ooit, de twist tusschen de Hoeks- en Kabeljauwsgezinden: Friesland leverde een tooneel op van wanorde en bandeloosheid: Gelre en Zutfen waren voor 't oogen-blik wel schijnbaar in rust en aan de macht van den Aartshertog onderworpen; maar toch was het dezen niet onbekend, hoe in het hart der landzaten nog de gehechtheid leefde aan het oude vorstenhuis, en hoe de stille verzuchtingen naar den jeugdigen Karei van Egmond, den wettigen erfgenaam van Hertogdom en Graafschap, allicht, bij de eerste aanleiding, tot luide kreten van verwensching der Oostenrijksche heerschappij, en die kreten tot daden van weerstand konden overslaan. In het Sticht eindelijk, waarover Maximiliaan wel niet als Regent heerschte, maar toch eene soort van beschermheerschap uitoefende, streden Bisschop tegen Bisschop, Stad tegen Stad, Edelen tegen Edelen, poorters tegen poorters om 't gezag en mengden in hunne woelingen al de omgelegen landen.

Wel was er in dien ordeloozen toestand eenige verbetering gekomen, sedert de Kabeljauwsche partij, die den Aartshertog steunde en wederkeerig van hem zooveel hulp ontving als hij verleenen kon, de Hoeksgezinde edelen uit Holland verdreven, in de steden overal hare aanhangers op 't kussen gebracht eu in Utrecht weder het gezag van Bisschop David van Bourgondië had hersteld; terwijl de waardigheid van Roomsch-koning, in 1486 aan Maximiliaan opgedragen, hem met hooger aanzien en luister had bekleed; maar toch kon hij het zich zeiven niet ontveinzen, dat het, bij de nog bestaande veeten, die de ingezetenen onderling verdeelden, bij de uiteenloopende, ja, tegenstrijdige belangen, die in de verschillende gewesten de gemoederen in beweging brachten, bij den weerzin, de afgunst, den wrok, die landschap tegen landschap. Stad tegen Stad, burger tegen burger bleven voeden, eene zware taak zou zijn, rust uit onrust te doen geboren worden, de landzaten, in hun eigen belang, tot eensgezindheid te nopen en daardoor de gewenschte samenwerking te verkrijgen, die alleen in staat is, welvaart binnen 't land te roepen

319

-ocr page 328-

320 BB KROON BOVEN 'l WAPEN.

en naar buiten ontzag in te boezemen. Wel had hij den eersten noodigen stap gedaan, om tot het gewenschte doel te komen, namelijk, hij had pogingen aangewend, om eenheid in 't bestuur te brengen; doch het moest hem lichter vallen, bevelen uit te vaardigen, dan die te doen eerbiedigen: hem ontbrak, om klem aan zijn gezag te geven, de noodige macht, om wederspannigen tot gehoorzaamheid te dwingen: die macht was niet bijeen te brengen dan met geld, en de kas van den Roomsch-koning was ten eenenmale uitgeput. Wendde hij zich tot de Steden met beden, om in den nood der algemeene geldmiddelen te voorzien, hij kon vooraf de gevolgen berekenen. Of, het verzoek zou geweigerd worden, op grond van den berooiden toestand, waarin, ten gevolge van de langdurige en kostbare oorlogen, buitenslands door Karei den Stouten

fevoerd, en van den nauwelijks geëindigden burgerkrijg, de Stads-assen geraakt waren, of, stemden zij al toe, dan zou het niet zijn zonder nieuwe voorrechten te bedingen boven die, welke zij aan de beklagenswaardige Maria, op een tijdstip, toen deze machteloos' tot weerstand was, hadden afgeperst, en zonder alzoo aan den landheer het weinige gezag, dat hem nog overbleef, te ontnemen. Genoeg bewust, hoe weinig Maximiliaan in staat was, heur overmoed te beteugelen, begonnen zich de Steden, vooral zij, die buiten-landschen handel dreven, al meer en meer als eigenmachtige souvereinen te gedragen, sloten verbonden en verdragen met vreemde Mogendheden, zonden oorlogsvloten uit onder hare vlag, ja pleegden zeeroof tegen schepen, aan bondgenooten van hun Vorst behoorende, zonder zich te storen aan de billijke vertoogen, tegen zulke handelingen ingebracht. Hierbij was het niet gebleven. De altijd onrustige Vlamingen, ontevreden over het begeven van staats- en krijgsambten aan vreemdelingen en over de aanwezigheid van vreemde huur-benden, die de Koning tot eigen veiligheid had meenen te moeten ontbieden, bovenal verstoord over eene verandering, welke hij in het bestaande muntstelsel had gemaakt, waren tegen hem opgestaan, en toen hij gepoogd had Brugge, dat de groote stookplaats van den weerstand was, door zijne ruiters te doen bezetten, hadden zij hem voorkomen en was hij, in Februari 1487 '), door de Bruggenaren gevangengenomen en in hechtenis gehouden; terwijl de Schout dier plaats zijne trouw aan zijn vorst op 't schavot had geboet. Op het vernemen van het gebeurde hadden de Staten der meeste Neder-landsche gewesten afgevaardigden naar Gent gezonden, om aldaar de voorwaarden te vernemen of te beramen, onder welke men den Koning de vrijheid zou terugschenken, en het was de loop, welken de daar gevoerde onderhandelingen namen, die het onderwerp uitmaakte der gesprekken, op den reeds genoemden achtermiddag voor de deur van het „Coomens-welvaren gevoerd.evoerd, en van den nauwelijks geëindigden burgerkrijg, de Stads-assen geraakt waren, of, stemden zij al toe, dan zou het niet zijn zonder nieuwe voorrechten te bedingen boven die, welke zij aan de beklagenswaardige Maria, op een tijdstip, toen deze machteloos' tot weerstand was, hadden afgeperst, en zonder alzoo aan den landheer het weinige gezag, dat hem nog overbleef, te ontnemen. Genoeg bewust, hoe weinig Maximiliaan in staat was, heur overmoed te beteugelen, begonnen zich de Steden, vooral zij, die buiten-landschen handel dreven, al meer en meer als eigenmachtige souvereinen te gedragen, sloten verbonden en verdragen met vreemde Mogendheden, zonden oorlogsvloten uit onder hare vlag, ja pleegden zeeroof tegen schepen, aan bondgenooten van hun Vorst behoorende, zonder zich te storen aan de billijke vertoogen, tegen zulke handelingen ingebracht. Hierbij was het niet gebleven. De altijd onrustige Vlamingen, ontevreden over het begeven van staats- en krijgsambten aan vreemdelingen en over de aanwezigheid van vreemde huur-benden, die de Koning tot eigen veiligheid had meenen te moeten ontbieden, bovenal verstoord over eene verandering, welke hij in het bestaande muntstelsel had gemaakt, waren tegen hem opgestaan, en toen hij gepoogd had Brugge, dat de groote stookplaats van den weerstand was, door zijne ruiters te doen bezetten, hadden zij hem voorkomen en was hij, in Februari 1487 '), door de Bruggenaren gevangengenomen en in hechtenis gehouden; terwijl de Schout dier plaats zijne trouw aan zijn vorst op 't schavot had geboet. Op het vernemen van het gebeurde hadden de Staten der meeste Neder-landsche gewesten afgevaardigden naar Gent gezonden, om aldaar de voorwaarden te vernemen of te beramen, onder welke men den Koning de vrijheid zou terugschenken, en het was de loop, welken de daar gevoerde onderhandelingen namen, die het onderwerp uitmaakte der gesprekken, op den reeds genoemden achtermiddag voor de deur van het „Coomens-welvaren gevoerd.

„De zaak neemt, zooals ik u vertelde, een goeden keer,quot; zeide

1) Het jaar begon toen ter tvjde niet met 1 Januari, maar met 1 Maart. Tusschen Februari 1187 en April 1188 was dus alleen de maand Uaart.

-ocr page 329-

DE KROON BOVEN 'l WAPEN. 321

een der aangezetenen, een zwaarlijvige poorter, die op den naam van Jan Wolbrechtsz. antwoordde, en wiens berichten uit Gent, waar hij voor zaken was heen geweest, en vanwaar hij dien morgen was teruggekomen, met hooge belangstelling waren aangehoord: „eer de maand om is, staat waarschijnlijk de Koning weer op vrije voeten.quot;

„En is het reeds bekend, op welke voorwaarden die van Brugge hem zullen loslaten?quot; vroeg de Voorzittende Burgemeester Gerrit Simon Claesz. Auwelsz., een deftige grijsaard, die 't goed meende en evenmin van bekwaamheid als van ijver was ontbloot, doch de vastheid van wil miste, die in staat ware geweest, hem bij de leiding eener vaak in zich zelve verdeelde vergadering het noodige overwicht te verschaffen.

„Zoo ik wel verstaan heb,quot; antwoordde Wolbrechtsz., „is de eerste en voornaamste voorwaarde, dat de Koning buiten alle inmenging in de zaken van Vlaanderen blijven zal.quot;

• „Met andere woorden, men geeft hem zijn ontslag, en eene verklaring daarbij van onbekwaamheid, om voortaan den lande te dienen,quot; was de aanmerking van het raadslid Dirk Claesz. Sillemoer, een klein, voortvarend mannetje, wiens lichtgrijze oogen in bestendige beweging waren.

„Het Graafschap,quot; vervolgde Wolbrechtsz., „zou voorts geregeerd blijven door Grave Filips, onder de voogdijschap der Heeren van zijnen bloede en die van den Raad van Vlaanderen: en al de punten van den vrede, in 82 te Atrecht gesloten, behoorlijk nagekomen.quot;

„Die bepaling waren de Vlamingen hun Franschen bondgenoot wel schuldig,quot; bromde de Proost van het Minderbroeder-klooster, terwijl hij ontevreden het hoofd schudde en een teug uit zijn bierkroes nam.

„En is dit alles?quot; vroeg, met een zware basstem, Ruysch Jansz., een vermogend poorter, en, naar hij zelf althans meende, een man vol diepe inzichten waar 't de staatkunde gold.

„Men dringt nog aan,quot; antwoordde Wolbrechtsz., „op het jaarlijks bijeenkomen eener algemeene vergadering van afgevaardigden der Staten uit al de Nederlanden, ten einde over hunne gemeenschappelijke belangen te handelen.quot;

„En dat waar ter plaatse?quot; vroegen onderscheidene stemmen.

„Binnen eene der steden van Brabant, Vlaanderen of Henegouwen,quot; antwoordde Wolbrechtsz.

„En hebben,quot; vroeg Ruysch, „de Hollanders, de Zeeuwen en Friezen er in toegestemd, dat men over hunne belangen aldus in den vreemde zou beraadslagen en besluiten?quot;

Deze reis antwoordde AVolbrechtsz. niet anders dan door de schouders op te halen.

„En heeft men voor 't minst niets bedongen ten voordeele van den handel?quot; vroeg Sillemoer: „mij dunkt, de Hollandsche afgevaardigden hebben zulk een schoone gelegenheid niet ongebruikt kunnen laten, om onze belangen voor te staan.quot;

-ocr page 330-

322 DE KROON. BOVEN 'T WAPEN.

„Ongetwijfeld heeft men die niet uit het oog verloren,quot; zei Wol-breehtsz.: „men vordert van den Koning matiging der tollen en eenparigheid op 't stuk van de munt.quot;

„Dat is iets, maar 't is niet genoeg,quot; merkte Ruysch aan: „is er niets meer?quot;

„Nog eene voorname bepaling, die trouwens van zelve sprak: alle vreemde knechten moeten binnen eene week het grondgebied der Nederlanden verlaten.quot;

„Dat is ten minste een zegen,quot; zeide Auwelsz.: „wij hebben geen vreemd gespuis noodig, om ons huishouden te regelen.quot;

„Te minder,quot; voegde er de Proost bij, met een schalkschen lach, „omdat wii in de laatste jaren getoond nebben, er ons zoo uitnemend op te verstaan,quot;

„Het staat u fraai, daarop te zinsgelen, mijn vrome Heer,quot; zei Sillemoer, het scherpe zijner aanmerking mede door een glimlach verzachtende, „zoo er ergens twist en geharrewar geweest is, het heeft zich nergens zoozeer geopenbaard dan onder hen, die geroepen zijn, om vrede te prediken, en het Sticht heeft meer bloed zien vergieten dan al de Nederlanden te zamen.quot;

„Ik heb wel hooren beweren,quot; zei de Stads-secretaris Jan Boschman, „dat er nooit een oorlog of veete ontstaan is, zonder dat als men naar de verborgen oorzaak tast, men een langen rok te vatten krijgt, is 't niet die van een juffer, dan is 't die van een geestelijke.quot;

„Spot maar,quot; zei de goedgeluimde Proost: „gij kunt noch den een, noch den ander missen. Maar hebt gij nu waarlijk uw zak met tijdingen leeggeschud, vriend Wolbrechtsz. ?quot;

„Ik herinner mij niets meer,quot; antwoordde deze.

„Heeft men,quot; vroeg Ruysch, „voor 't minst niet aangedrongen op het intrekken van 't plakkaat van Januari jongstleden omtrent de navigatie ?quot;

„Niet zoover ik weet.quot;

„Wat!quot; riep Ruysch, terwijl hij verontwaardigd met de gesloten vuist op de tafel sloeg, dat kannen en glazen rinkinkten; „en zoo zou onze Stad verstoken blijven van de bevoegdheid, vanouds bij haar bezeten, om, op eigen gezag, schepen ten oorloge uit te rusten? En zoo zal zij 't moeten gedoogen, dat 's Graven Admiraal zijn neus steekt in onze zaken, over bevrachting en loon oordeelt, zijn aandeel in de gemaakte prijzen bekomt, en de vonnissen van onzen Zeeraad eigendunkelijk vernietigt?quot;

„Hm!quot; zei Sillemoer, „dat plakkaat bestaat; doch iets anders is het, of het immer ten uitvoer zal gelegd worden.quot;

„Ho wat, Buurman!quot; zei Auwelsz., den vinger opheffende en een ernstigen toon aannemende, waarmede echter de uitdrukking van zijn gelaat oenigszins in weerspraak was, „bedenk, dat gij spreekt ten aanhoore van iemand, die gehouden is, de plakkaten te handhaven, en die niet dulden mag, dat men de billijkheid daarvan in twijfel trekke.quot;

„Is de slotformule ook billijk?quot; vroeg Ruysch; „ear ainsi nous

-ocr page 331-

DE KROON BOVEN 'l WAPEN. 323

plaist-il estre fait? Zoo heeft zelfs geen Karei van Bourgondië durven spreken, als hij met vrije luiden te doen had. Wat mij betreft, ik zeg 't aan wie 't hooren willen, ik mag lijden, dat men den Oostenrijker levenslang te Brugge houde of anders hem weer naar zijn land zende, en ons onze zaken zeiven late beschikken. Wat zegt er Schepen Boel van?quot;

Deze vraag was gericht tot een man van omtreeks veertigjarigen leeftijd, die, stil en rustig in een hoek gezeten, nog geen deel aan 't gesprek genomen had. Toch wendden zich, toen Ruysch hem toesprak, aller oogen naar hem heen, en blijkbaar was daarin nieuwsgierigheid te lezen naar het antwoord, dat hij geven zou. Immers Andries Boel Dirksz, behoorde niet onder die lieden, wier meening aangaande eene zaak van algemeen belang als onbeteekenend beschouwd werd. Gesproten uit een geslacht, dat in honderd jaar tijds niet minder dan zeventien van zijne leden op de Amsterdamsche Regeeringslijsten prijken zag, een Burgemeester tot Vader en een tot Broeder gehad hebbende, zou hij, ook al had hij minder aanleg en een min vluggen geest bezeten dan het geval was, wel hebben moeten bekend raken met hetgeen de stad en hare belangen betrof: en die bekendheid was, nu hij sedert 1484 lid van de Vroedschap was, door eigen ondervinding nog vermeerderd; maar hij had ook gelegenheid gehad, om wat meer te zien dan zijne geboorteplaats en de zaken uit een ruimer gezichtspunt te beschouwen dan zoovelen, wier bekrompen blik niet verder reikte dan de schaduw van den kerspeltoren. Van zijn vroegste jeugd af werkzaam in de zaken zijns vaders, die een uitgebreiden handel dreef, had hij, reeds als knaap, op diens schepen vreemde havens bezocht, vreemde menschen en talen en zeden leeren kennen. Te Venetië, te Genua, te Livorno wist hij, in figuurlijken zoowel als in eigenlijken zin, den weg als te Amsterdam: naar de koopsteden van Vlaanderen gelijk naar die der Hanse was hij herhaalde malen heengereisd: te Riga was hij evengoed te huis als te Bordeaux of te Londen, en te Bergen in Noorwegen had hij een hulpkantoor gesticht. Zelf, na den dood zijns vaders, met zijn broeder Boel Dircksz. Boel aan 't hoofd der zaken gekomen, had hij niet geschroomd, de belangen van zijn handel ook met de wapenen te beschermen: in 1477 had hij het zijne bijgedragen, om eene vloot van vijf en dertig oorlogsschepen uit te rusten, ten einde, onder Stads-vlag, de Amsterdamsche. koopvaarders tegen de Fransche vrijbuiters te beschermen: wat van zoo gelukkig gevolg was geweest, dat niet minder dan twintig kaperschepen genomen en de zee voor een tijd volkomen schoon geveegd was. Vier iaar later had hij de Zuiderzee helpen beveiligen voor de rooftochten der Gelderschen en Enkhuizenaars en in een volgend jaar medegewerkt tot het uitrusten van vier groote oorlogsvaartuigen, die ontzag moesten inboezemen aan de toen vijandig gezinde Hanse. Geen mindere diensten had hij aan de stad betoond, gedurende den krijg in 1481 en 1482 tegen het Sticht gevoerd, en aanzienlijke offers uit eigen middelen opgebracht, om het mogelijk te maken, dat zij, in een enkel jaar tijds, van stevige muren en bolwerken omgeven, en, aan de zijde, die naar't Sticht

-ocr page 332-

324 DE KROON BOVEN 'T WAPEN.

gekeerd was, die ronde toren geplaatst werd, waar, als een waarschuwing of als een bedreiging, de fiere woorden Swycht Utrecht in gemetseld werden. Dat hij door zijn ijver een vennogen had bijeen gegaard, 't welk in onze eeuw aanzienlijk heeten zou, maar in de 15'le kolossaal genoemd mocht worden, droeg, als van zelf spreekt, er niet weinig toe bij, om, zoodra 't eene zaak van gewicht gold, al wie in Amsterdam niet meende de wijsheid in pacht te hebben, er eenigen prijs op te doen stellen, daaromtrent de gedachten van Andries Boel Dirksz. te vernemen.

Deze laatste had, als reeds gezegd is, de mededeelingen, door Wolbrechtsz. gedaan, en de daarover gevoerde gesprekken, stilzwijgend aangehoord, en geen trek op zijn fraai en mannelijk gelaat had den indruk verraden, door het gehoorde op hem teweeggebracht. Misschien -— zoo legden velen het althans uit — had hij, alvorens hij zich eene eigen meening daarover vormde, willen wachten tot de teruggekeerde reiziger zijn geheelen voorraad van nieuwstijdingen had uitgekraamd; in allen gevalle had hij het onnoodig of ongepast geoordeeld, zonder noodzaak met die meening voor den dag te komen. Nu echter, dat hem, dus op den man af, daarnaar gevraagd en aller oogen op hem gevestigd waren, diende hij het stilzwijgen wel af te breken. Het antwoord, dat hij gaf, klonk echter den vrager alles behalve bevredigend in de ooren.

„Buurman Ruysch,quot; zeide hij, langzaam sprekende, en terwijl een fijne glimlach, die om zijn welgevormden mond en in zijn helderblauwe oogen speelde, eemgszins verzachtte wat anders veel van een terechtwijzing had, „het geldt hier zaken van staat, en waar onze

toede stad ook in gemoeid kon worden. Ik acht het daarom verstan-iger, mijn bijzondere gedachten daarover nog voor mij te houden en te wachten, tot mij mijn advies gevraagd wordt ter plaatse waar 'tbehoort, in de vroedschap namelijk!quot;oede stad ook in gemoeid kon worden. Ik acht het daarom verstan-iger, mijn bijzondere gedachten daarover nog voor mij te houden en te wachten, tot mij mijn advies gevraagd wordt ter plaatse waar 'tbehoort, in de vroedschap namelijk!quot;

„Zeker heel voorzichtig,quot; zeide Ruysch, zich op de lippen bijtende.

„En,quot; voegde Sillemoer er bij, op een toon, die van niet weinig gevoeligheid getuigde, „een les voor ons, die wat rond voor onze meening zijn uitgekomen.quot;

„Schepen Boel is een wijs man,quot; merkte de Proost aan, die zich vermaakte met de zure gezichten der beide laatste sprekers, „gedachtig aan wat Salomo zegt: in multiloquio non deërit peccatum, alsmede de apostel Jacobus: lingua ignis est; universitas iniquitatum. Van zwijgen neeft niemand ooit hinder gekregen, en een verstandig man laat zich nooit onvoorzichtig uit: homo versutus celatscientiam, als in de Vulgata staat: en daarom, vriend Schalck, stel ik u voor, het goede voorbeeld, dat ons gegeven wordt, te volgen, de staatszaken staatszaken te laten, het verkeerbord te eischen, en een zedig partijtje muizebruiën te beginnen. Ik ben u nog weerkans schuldig van gisteren.quot;

„Alree Proost,quot; antwoordde Schepman Schalck, een rijke laken-kooper uit de Warmoesstraat: en weldra zaten beiden verdiept in de kansrekeningen van het vermakelijke en toch zooveel schrander overleg vereischende teerlingspel.

-ocr page 333-

DE KROON BOVEN 'T WAPEN. 325

„Ik meende intusschen,quot; ging Ruysch voort, die het bekomen antwoord niet zoo ras verduwen kon, „dat, wanneer wij hier, zooals gewoonlijk, onder goede vrienden en geburen bij elkander onder de roos zitten, het vanouds gebruikelijk en geoorloofd was, dat ieder vrij en onbewimpeld uitkwam voor wat hem op het hart lag.quot;

„Ook placht,quot; zei Sillemoer, „Andries Boel niet tot de zoodani-gen te behooren, die schroomden hunne meening op de daken te prediken: ik heb hem altijd voor een man aangezien, die van zich af zou durven spreken, al stond keizer of koning tegenover hem.

„Wie weet, wat ik doen zou---- als het noodig was,quot; zei Boel,

zich de kin wrijvende.

„Ik voor mij,quot; riep Heinrick Stuversoen, een brouwer, die tevens, als hopman der burgerij, geen geringen invloed in de stad bezat, „ik houd 't er voor, dat schepen Boel op zijn luimen ligt, en wij t'avond of morgen een baardse zullen van stapel zien loopen, door hem ten oorloge uitgerust, spijt alle plakkaten van Max Kort-aan-geld.quot;

„Stil! stil wat!quot; nep Auwelsz., niet zonder eenigen angst op 't gelaat. Dat iemand, in zijn binnenkamer, onder zijn naaste magen ezeten, den Roomsch-koning met den spotnaam argenfcourt betitelde, at kon gaan; maar dat men zoo iets op de publieke straat en te zijnen aanhoore deed, dat vond onze Burgemeester toch wat al te grof. Zijn waarschuwende stem klonk echter vergeefs, of men lette er nauwelijks op, zoozeer was ieder begeerig te weten wat Boel op de onderstelling van Stuversoen zou antwoorden. Boel vergenoegde zich de schouders op te halen en te glimlachen; doch Sillemoer zag hjerin eene bevestiging van wat de brouwer beweerd had en haastte zich te zeggen:

„Zie, ik twijfelde er niet aan, of onze vriend zou niet achterblijven als 't nood is; hij wilde ons eene verrassing bereiden, gelijk hij dat trouwens gewoon is. Schepen Boel is de man niet, om in de achterhoede te staan, waar 't de handhaving en vermeerdering geldt van onze privileges.quot;

„Altijd behoudens den eerbied en de achting, die wij onzen wettigen Landsheer schuldig zijn,quot; zeide Auwelsz.

„Eerbied en achting!quot; herhaalde Ruysch: „heel goed, wanneer wij met een wettigen Landsheer te doen hebben; maar wij hebben te doen met een Oostenrijker, mei een vreemdeling, die evenmin om ons kan geven als wij bm hein en die uit den aard zijn belang zoekt en niet het onze. Ik voor mij zie niet in, waarom hem hier een gezag moet worden toegekend, dat men hem te Brugge ontneemt.quot;

„Goed gesproken!quot; bulderde Stuversoen: „leve Graaf Filips; met een Regentschap van Hollandsche Edelen en vrijgeboren mannen uit de goede Steden.quot;

„Ja! leve Graaf Filips! leve Hopman Stuversoen!quot; riepen verscheidene poorters, opgewonden door de taal die zij hoorden.

rFremuerunt gentes, et populi meditati sunt inania, zij hebben allerlei dwaze dingen bedacht,quot; mompelde de Proost, terwiil hij de steenen uit den beker schudde: „drie en vijf: een mooie gooi! vier geslagen en mijn hekseband is bezet.quot;

-ocr page 334-

326 DE KKOON BOVEN 'l WAPEN.

„Ei wat!quot; zei de lakenkoopev, op zijne beurt gooiende, „de brouwer heeft gelijk: zes en twee: ik sla uw hoek: — en twee voor vol.quot;

„Wel!quot; hernam Sillemoer: „gij hoort, Schepen Boel, hoe zij er allen over denken: zult gij nu nog den geheimzinnige blijven spelen?quot;

Andries Boel zag eenige oogenblikken zwijgend om zich heen: „neen,quot; zeide hij toen, „ik zal spreken.quot;

Een algemeene stilte volgde op deze verklaring en ieder luisterde in gespannen verwachting.

„Ik had gehoopt,quot; vervolgde hij, op ernstigen toon, „dat mijn vrienden hier zich zouden bepalen bij 't uiten van gevoelens en wenachen; maar ik zie, men wil tot daden overslaan, en wel tot feitelijke overtreding van bestaande plakkaten, dus inderdaad tot oproer tegen de gestelde machten, zooala de eerwaarde Vader hier er reeds en te recht op gewezen heeft.quot;

„Wij willen den Graaf zijn recht laten,quot; viel Stuversoen in, op den toon van iemand, die, begrijpende dat hij wat te ver is gegaan, zijn gezegden wil vergoelijken.

„Een recht,quot; hernam Boel, „waarvan gij de uitoefening wilt overlaten aan een Regentschap. En wie, naar uwe gedachten, zullen dat Regentschap samenstellen? Zijn onze Edelen, zijn onze Hollandsche en West-Friesche steden zoo eensgezind, dat zij zich gemakkelijk verstaan zullen omtrent de personen, die den Graaf ter zijde zullen staan? Ia Leiden niet naijverig op Delft: begint het jeugdige Rotterdam de oude Merwe-atad niet naar de kroon té steken? Benijdt ons Haarlem onzen voorspoed niet? En hoevele jaren zijn er ver-loopen, sedert onze schepen met die van Enkhuizen zijn slaags geweest?quot;

„Amsterdam heeft thans invloed genoeg,quot; merkte Sillemoer aan, „om zich in dat Regentschap te doen vertegenwoordigen.quot;

„'t Zou misschien gelukken,quot; zei Boel: „doch niet zonder heftigen kamp met andere Steden, en in allen gevalle zou dit wedijveren, om een stem in den Raad te hebben, een bron zijn van einaelooze jaloezieën en krakeelen. Maar nog meer: — al hebben de Hoekachen voor 't oogenblik het onderapit gedolven, al zijn de meesten hunner aanvoerders verbannen of voortvluchtig, de partij heeft nog aanhangers genoeg hier te lande, en eer men 't verwachten zou, kan zij t hoofd weer opsteken. Is het Regentschap uitsluitend Eabel-jauwsch, het zal tegenwerkingen vinden overal waar het Hoeksch element zich kan doen gelden; brengt men er ook Hoekachen in, men roept een wangedrocht in 't leven, dat zich zelf verscheuren moet. Eerst dan zal zoodanig lichaam met goed gevolg kunnen werkzaam zijn, wanneer alle tweedracht uit Holland is verbannen; — en die tijd is, vrees ik, nog verre te zoeken.quot;

„Ei wat!quot; zei Ruysch: „de Hoekachen zijn voorgoed gefnuikt en zij hebben zulk een geduchte les ontvangen, dat zij 't wel niet meer zullen wagen, het hoofd op te steken.quot;

„Ik wenschte, dat ik in uwe gerustheid deelen kon,quot; zei Boel: „maar mag ik onzen vriend Wolbrechtsz. vragen, of hij op zijn terugtocht Sluis heeft aangedaan?quot;

-ocr page 335-

de Kroon boven 't wapen. 327

„Keen,quot; antwoordde de toegesprokene; ,ik ben over Antwerpen

jammerhernam Boel: ,anders badt gij kunnen zien, hoe bevolkt en levendig die stad in de laatste weken geworden is.quot;

,Wat meent gij?quot; vroeg Ruysch.

„Wat anders, antwoordde Boel, dan dat er op dit oogenblik een honderd twee drie voorname uitgewekenen vergaderd zijn, wier

fetal nog aangroeit met den dag, en dat de haven, de grootste in e Nederlanden, schier nog te klein is om de schepen, die er liggen, te bevatten: schepen, die, naar ik gis, .juist niet ter koopvaartetal nog aangroeit met den dag, en dat de haven, de grootste in e Nederlanden, schier nog te klein is om de schepen, die er liggen, te bevatten: schepen, die, naar ik gis, .juist niet ter koopvaart

WOJvoorname uitgewekenen!quot; herhaalden verscheidene stemmen: „en

wie dan?quot; , TT „ ...

Wie? wel wie anders dan Jan Van Naaldwijk, Steven Van Nijevelt, Otto Van Blokland, Dirk Van Hodenpijl, Cornells Van Treslong, en, dien zij tot hoofd en aanvoerder gekozen hebben, gelijk zij dat aan zijn hooge afkomst en, naar men zegt, ook aan zijn persoonlijke bekwaamheden verschuldigd waren, Jonker Frans Van Brederode.quot;

„Jonker Frans Van Brederode!' weerklonk het van alle zijden.

''t Is niet meer dan natuurlijk,quot; vervolgde Boel, „dat zij gebruik hebben gemaakt van een oogenblik, dat het land zoogoed als regeeringloos is, om de hoofden bijeen te steken, en dat wij, wellicht nog eer de Koning uit zijn kerker verlost is, een aanslag van hen te wachten hebben. , . , , „ , , 01

„Nu! zij zullen te Amsterdam wel met komen, merkte Istuver-soen aan. „ . „ gt;

„Alsof zij hier behoefden te komen,quot; zei Boel, „om ons te be-nadeelen. Ik geloof, dat geen onzer stadgenooten, voor zooverre hij schepen in zee heeft, er op gesteld zou zijn, dat Jan Van Naaldwijk ze praaide en met lading en manschap naar Sluis

0^|jleden te meer, dat wij oorlogsschepen uitrusten, zonder op iemands verlof te wachten,quot; zei Sillemoer.

„Eer wij aan 't uitzenden van convooischepen denken,quot; hernam Boel, „moeten wij ons beraden, hoe wij het IJ van ongewenschte bezoekers zullen vrijhouden.quot;

„Het IJ!quot; herhaalde Auwelsz.

„Men heeft Lubekker schepen benoorden 't Vlie zien kruisen,quot; zeide Boel, en 't zou nog zoo vreemd niet zijn, indien die van de Hanse in verstandhouding stonden met de Hoekschen en ons uit het noordoosten kwamen bestoken, terwijl de anderen uit het zuidwesten opdaagden.quot; . .

„Maar,quot; merkte Auwelsz. aan, „dan is het zaak, onze buren m Waterland te waarschuwen, en Muiden te versterken.quot;

„Dat laatste zal des te noodiger zijn,quot; hervatte Boel. „naardien Reyer Van Broekhuizen in 't rijk van Nijmegen een bende aanwerft uit stalbroeders en rijzige ruiters, overblijtsels van dien zwarten hoop, die in 't Sticht zoo brooddronken huishield en God noch duivel

1

-ocr page 336-

328 DE KROON BOVEN 'l WAPEN.

vreesde: terwijl Jan Van Montfoort, die op weerwraak bedacht is, op zijn luimen ligt, en zoodra hij de kans schoon ziet, zijn knechten in beweging brengen zal.quot;

„Maar van waar hebt gij al die onheilspellende maren?quot; vroeg Sillemoer, verbaasd.

„Wat zal ik u zeggen?quot; zei Boel: ,'t is met mij hedenmorgen gegaan als 't met den vromen Job ging: de eene ongeluksbode volgde den anderen op. Doch hoe ik mijn berichten verkregen heb, kan u onverschillig zijn; voor de echtheid daarvan sta ik in.quot;

„Schepen Boel is geen man om grollen te verkoopen,quot; liet Auwelsz. volgen met een goedkeurenden knik: „hij heeft vanouds de leer in acht genomen, dat een koopman er wat voor over moet hebben, om zich overal en uit de beste bronnen de eerste narichten te verschaffen.quot;

„Maar, als dat een en ander zoo is,quot; zei Sillemoer, peinzend, „dan zal Manke Jan op zijn tellen moeten passen.quot;

Met „Manke Janquot; werd de Stadhouder, de onlangs tot Graaf verheven Jan Van Egmond, die een weinig kwalijk ging, bedoeld.

„Ik vlei mij, dat hij op zijn hoede zijn zal/' zei Boel: „doch het is niet genoeg, dat hij weet wat hij te doen heeft en zijn bevelen geeft, als hij geen steun vindt bij hen, die geroepen zijn, om ze uit te voeren, en als elke stad alleen op eigen veiligheid bedacht is en louter voor zich zelve zorgt. Geene mogelijkheid is er, om den gemeenen vijand buiten te houden, zoolang er geen eenheid en samenwerking bestaat in de verdediging, zoolang niet de armen gereed zijn te verrichten wat het hoofd beveelt.quot;

„Wel!quot; zei Ruysch: „niemand onzer heeft tot nog toe gehoorzaamheid geweigerd aan den Stadhouder; wat wij begeeren, is de verwijdering van den Voogd, die zich tusschen den Graaf en den Stadhouder in stelt.quot;

„En zeker kiest gij een gelukkig oogenblik uit,quot; zei Boel, „om, door wederspannigheid aan zijn gezag, de verwarring nog te vermeerderen.quot;

„Goed gezegd,quot; zeide de Proost: vbeati mites, quoniam ipsi possi-debunt terram — de zachtzinnigen zullen er het best aan toe wezen: ik houd drie punten over, en ik ga door.quot;

„Bedenkt wel wat gij doet,quot; vervolgde Boel, „en wat de gevolgen er van zouden kunnen zijn, indien gij thans een poging waagdet, om u yan de gehoorzaamheid aan den Koning te ontslaan. Maximihaan, daar is geen twijfel aan, zal eerstdaags op vrije voeten komen, en dan — denkt gij, dat Keizer Frederik met een onverschillig oog den smaad heeft aangezien, die zijn zoon is aangedaan? Hij is, naar mij gemeld werd, reeds met een leger in aantocht naar de Nederlanden, om den geleden hoon te wreken, en misschien gaat er geen week voorbij, of de voorhoede rukt Brabant in, onder geleide van den wakkersten veldheer onzer eeuw, van Hertog Albrecht Van Saksen.

„Vervloekt!quot; mompelde Stuversoen, „is 't niet genoeg, een vreemden Voogd te bekomen, en zullen wij ook nog vreemde knechten in 't land moeten dulden?quot;

-ocr page 337-

DE KROON BOVEN T WAPEN.

rZij zijn nog vooreerst niet hier,quot; hernam Boel; „maar zoo gij verlangt, dat zij aan gene zijde van de Maas en Rijn blijven, dan hangt dit immers van uzelven af. Weet do Roomsch-koning, dat hij op de trouw der inboorlingen rekenen kan, dan zal hij hier geen buitenlanders behoeven. Door hem in alles te dwarsboomen, gelijk de Vlamingen tot heden hebben gedaan, noodzaakt men hem wel, den bijstand in te roepen van huurlingen.quot;

Eenige oogenblikken van algemeene stilte volgden op deze woorden. Kennelijk hadden de ontvangen mededeelingen, vooral de laatste, een diepen indruk op de aanwezigen gemaakt; menig voorhoofd was gefronst, menige wenkbrauw saamgetrokken, en de sombere blikken, waarmede de een den ander aanzag, toonden genoeg, hoe onwelkom de gedachte was, dat uitheemsche benden den Hollandschen bodem zouden drukken en in Holland den meester spelen. Niet zonder heimelijk genoegen bespeurde Boel de uitwerking zijner woorden en liet dan ook de gelegenheid niet voorbijgaan, om op hetzelfde aanbeeld te blijven doorslaan. „Geloof mij,quot; vervolgde hij, „die benden, 't zij het hun gelukt of niet, de Vlamingen voor hunne oproerigheid te straffen, zullen, als zij eens in de Nederlanden voet hebben, er niet zoo gemakkelijk weder uittrekken. Gent en Brugge zijn rijk; maar ons Holland is evenzeer in de oogen van die schrale zuurkooleters een soort van luilekkerland, en zij zouden duim en vinger likken, om er op kosten van ongelijk te kunnen teren. Is hier maar een spoor van wederspannigheid, van tweedracht te ontdekken, zij zullen gretig zoodanig voorwendsel aangrijpen, om, zoo 't heet, de orde te komen herstellen: — en dan zal er geen keuze zijn dan tusschen gewapenden weerstand — met andere woorden, bloedigen krijg — en een vernederend toezien hoe men ons uitzuigt onder de leus van bescherming.quot;

Weer keken de omstanders — ik zou zeggen de omzitters, zoo 't woord gebruikelijk ware — elkander vragende aan; doch niemand onder hen, die straks zoo boud gesproken hadden, scheen thans genegen met eene bepaalde meening voor den dag te komen. Eindelijk echter nam Burgemeester Auwelsz. het woord:

,'t Is een weinig troostend vooruitzicht, dat gij ons opent. Schepen Boel! Doch het zij daarmede als 't Gode behagen wil; wij zullen onder de bestaande omstandigheden wel niet anders kunnen doen dan onze muren versterken, ons op kwade kansen voorbereiden en dan afwachten wat volgen zal.quot;

„Ware het niet wenschelijker,quot; vroeg Boel, „ons van de beide kwade kansen, die ik u voorspiegelde, vrij te waren, door de komst van vreemde benden geheel onnoodig te maken?quot;

„Weet gij daar een middel op?quot; vroeg Auwelsz.

„Een dat doodeenvoudig is,quot; antwoordde Boel.

„En het is----quot;

„Onzen eed van trouw gestand te doen; den man, die de natuurlijke Voogd is van onzen wettigen Heer, op 't krachtigst te steunen, zijn vijanden als de onze te beschouwen, hem metterdaad te bewijzen, dat de poorters der goede Steden en vooral der goede stad

329

II fl,

l i'

it

l

1;

I

■é

-ocr page 338-

330 DÊ KROOS BOVEN 't WAPEN.

Amsterdam, kloekheid en veerkracht genoeg bezitten, om Holland in rust te houden, en dat, zoo hij dienst wil hebben van zijn bovenlanders, hij ze dan zal kunnen gebruiken, om Gelre of Friesland in bedwang te houden; want dat wij ze hier kunnen missen. En dan, gelooft mij, Vrienden! voor zooverre gij er op vlast, nieuwe voorrechten aan Amsterdam te versohaffen; 't is veiliger, wanneer zij ons door den Graaf, uit vrijen wil, als vergelding van dienst, geschonken worden, dan dat zij hem door dwang worden afgeperst. Een Vorst acht zich zoo licht ontslagen van beloften, uit nood gegeven.quot;

Wederom zagen de poorters elkander aan: de raad, door Boel gegeven, was zoo geheel in tegenspraak met de gevoelens, die men een oogenblik te voren uitbundig had toegejuicht, dat men zich als 't ware zou geschaamd hebben, door eenig teeken van goedkeuring den schijn op zich te laden als bleef men zich zeiven niet gelijk. Toch was er niemand, zelfs onder hen, die, als Sillemoer, Ruysch of Stuversoen, tot de heethoofden behoorden, of hij voelde zich in zijn vroegere overtuiging merkelijk geschokt.

Alleen de Proost had geen reden, om zijn gevoelen te verzwijgen, en, na even in 'trond gekeken te hebben, zeide hij: „Schepen Boel heeft woorden vol wijsheid gesproken: osjustimeditahitursapientiam, als de Psalmist zegt, en wie Amsterdam liefheeft, moge zijn raad ter harte nemen: lingua ejus loguttur judicium: — vijf en aas: ik moet noodzakelijk een band opbreken.quot;

„Het wordt mijn tijd,quot; zei Auwelsz., opstaande: „Boschman,quot;fluisterde hij den Stads-Secretaris in 'toor: „gij zorgt, dat de Vroedschap tegen morgen buitengewoon beschreven worde.quot;

En werkelijk kwam den volgenden dag de Vroedschap bijeen en had eene langdurige zitting. Wat daarin besloten werd, bleef voor de goede burgerij een diep geheim; doch zooveel vernam men, dat Gijsbert Jacobsz, Droog, een der Burgemeesters, in gezelschap van Schepen Andries Boel, den dag daaraan Amsterdam verliet, en beiden, als men later te weten kwam, Haarlem, Leiden en Delft, ja zelfs het verre Dordrecht bezochten, in welke plaatsen zij samenkomsten hadden met de invloedrijkste leden der Overheid. Ook meenden sommigen te weten, dat zij over Den Haag gereisd waren en er een langdurig onderhoud hadden gehad met den Stadhouder, Graaf Jan Van Egmond. Wat er bij al die verschillende gelegenheden verhandeld was, lekte niet uit; doch de zoodanigen, die dieper inzichten hadden dan do menigte, en die er zich op verstonden, oorzaken en gevolgen aaneen te knoopen, schreven aan dat rondtrekken der beide overheidspersonen, en inzonderheid aan de gladde tong en overredingskracht van Boel, een goed deel der maatregelen toe, door den Stadhouder met medewerking der Staten genomen. De voornaamste daarvan was eene uitnoodiging, tot de goede Steden gericht, om hare bolwerken in behoorlijken staat te brengen, hare Schutterijen in den wapenhandel te oefenen, en voor zooverre het Zeesteden waren, voor de uitrusting van eenige oorlogsvaartuigen te zorgen; van welke uitnoodiging door eene opzettelijke bezending kennis was gegeven

-ocr page 339-

DE KKOOK BOVEN 'T WAPEN. 331

aan Maximiliaan (die in 't begin van Mei door die van Brugge in vrjjheid was gesteld) te gelijk met de verzekering, dat hij gerust de inmiddels aangekomen vreemde krijgsbenden in Vlaanderen houden kon, om de muiters te tuchtigen, en dat Holland genoeg bij machte was, om zich zelf te verdedigen en tevens voor 'a Graven rechten te waken.

II.

Toch waren de gewone voorzorgen niet toereikende geweest, om het Graafschap tegen een overval te vrijwaren. De een-en-twintigjarige knaap, uien de Hoekschen tot hun aanvoerder hadden gekozen. Jonker Frans Van Brederode, had in Sluis een aanzienlijke macht vergaderd en tal van vaartuigen, waarmede hij de zee en de Zeeuwsche stroomen onveilig maakte en vrij wat Hollandsche koopvaarders bemachtigde. Door den aanvankelijken voorspoed aangemoedigd, was hij te rade geworden, een waagstuk te begaan, wel bestemd om zijn naam geducht te maken en den schrik onder zijn tegenstanders te verspreiden. Omstreeks de helft van November met acht en veertig schepen uitgezeild, die met ongeveer 2000 uitgewekenen waren bemand, zeilde hij van Sluis af en kwam, door een tot dien tijd onbevaren diep, dat naar hem het Jonker-Fransen-gat werd genoemd, aan den mond der Maas. De vorst was inmiddels ingevallen, en de stijf bevroren rivier leverde een veilig pad, over hetwelk zijn bende in den nacht tusschen den 18'lel1 en 19,, Q der gezegde maand, Rotterdam in stilte naderde, de muren beklom en de stad zonder strijd of bloedvergieten bemachtigde. — Dadelijk werd de plaats in staat van verdediging en 't omgelegen land op brandschatting gesteld; terwijl de ontsteltenis, die het gebeurde in Holland had teweeggebracht, niet weinig werd vermeerderd, toen, kort daarop. Jan Van Montfoort zich bij verrassing meester maakte van het slot te Woerden, 't welk men den sleutel van Holland noemde, en Reyer Van Broekhuizen, van zijn kant, langs de rivieren stroopte. Geen wonder, dat Maximiliaan, op het vernemen dezer tijdingen, in niet geringe onrust verkeerde. De krijg tegen die van Gent en Brugge was niet gevoerd met zoo-danigen uitslag als hij verwacht had; de tegenstand bleef in Vlaanderen voortduren, krachtiger dan ooit, en nu kwamen de gebeurte-nissen in Holland de stelling van den Voogd nog moeielijker maken. Met reden begreep hij te moeten beginnen met een poging tot herstel van wat naar zijn meening 't spoedigst hersteld kon worden. In Vlaanderen maakte de ingevallen winter het krijgvoeren moeilijk; bovendien kon men zelden huurbenden genegen vinden te strijden in een jaargetijde gedurende hetwelk men, volgens de gewoonte dier

-ocr page 340-

332 DE KKÖON boven 't wapen.

dagen, doorgaans over en weder de wapenen aan den wand hing: en de krijgsknechten, door Maximiliaan geworven, toonden zich op dat punt niet rekkelijker dan anderen. Slechts een klein getal kon hij bewegen hem naar Holland te volgen, dat nu, naar hij meende, zijn eerste zorg vereischte, en waar hij hoopte op de medewerking der ingezetenen te kunnen rekenen: hun eigen belang toch bracht mede, dat de stoutmoedige vrijbuiter, die zich in een hunner steden genesteld had en van daar het geheele land in zorg en onrust hield, hoe spoediger hoe beter verwijderd werd. Het was op 15 Januari 1488.89, dat hij binnen Leiden zijn intocht deed, naar welke stad, als naar een geschikt middelpunt van het Graafschap, de afgevaardigden der goede Steden bereids bij brieven van beschrijving waren opgeroepen. Hier vermaande hij hen, met al den klem van redenen, die hij kon bijbrengen, en met de bevallige welsprekendheid, die hem was aangeboren, hem bij te staan, om den kanker weg te snijden, die het lichaam van den Staat had aangetast. De indruk zijner woorden was gunstig, en eenparig besloot men eene algemeene heirvaart te beschrijven en Rotterdam te land en te water in te sluiten. Aan Dordrecht, Gouda, Den Briel en Vlaardingen werd het bewaken van de stroomen toevertrouwd; terwijl aan de poorters van Haarlem, Delft, Leiden en Amsterdam werd opgedragen, Schiedam te bezetten en van daar de Hoekschegelukzoekersinbedwangtehouden.

Maar. al hadden zich de Steden verbonden, manschappen te leveren, hiermede was nog niet genoegzaam verricht, om de onderneming, die men voorhad, met voldoenden uitslag door te zetten. De kosten van het huurleger, dat in Brabant lag, hadden de kassen van den Roomsch-koning, die, als reeds gezegd is, nooit in ruimen staat geweest waren, ten eenenmale uitgeput en hem ontbrak de kennis van den krijg. Mocht al de insluiting van Rotterdam geen buitengewone uitgaven van zijne zijde noodig maken, dewijl het onderhoud der uitgetrokken poorters door de Steden, waartoe zij behoorden, bekostigd werd, die insluiting op zich zelve was nog maar een halve maatregel; de Hoekschen waren ruim van leeftocht voorzien, en het zou zelfs moeite kosten, hunne benden, uit kloeke en geoefende krijgers bestaande, geheel te beletten, nu en dan een uitval te doen en zich nieuwen voorraad te verschaffen. Zelfs bij een geregeld beleg zou de stad niet spoedig tot de overgave te dwingen zijn: tot een stormloopen waren buitengewone hulpmiddelen noodig, niet te verkrijgen dan met groote kosten: daartoe behoefde men geld, en geld was juist wat de goede Steden weigerden te geven. Wel waren de redenen, welke zij aanvoerden, om bare weigering te wettigen, niet van kracht ontbloot: de meesten waren reeds boven vermogen bezwaard door de lasten, die zij hadden op te brengen: nu kwamen er nog de buitengewone uitgaven bij, door de uitrusting en het onderhoud van schepen en manschappen veroorzaakt, en men mocht den armen poorters geen grooteren druk opleggen. Verceefsch was het, of men al van 's Konings zijde betoogde, dat, door nem nu met milde giften in staat te stellen, de onderneming krachtdadig door te zetten en een spoedig einde

-ocr page 341-

DE KROON BOVEN 'l WAPEN.

aan den krijg te maken, de Steden de kosten zouden uitwinnen eener langdurige insluiting, en dat aller belang het spoedig uitdrijven der vrijbuiters gebood: zij bleven in hare weigering volharden: de maand Januari liep ten einde en de Staten, voor 't laatst vergaderd, stonden Leiden te verlaten, zonder voldaan te hebben aan den wensch van Maximiliaan.

Op den avond, na die laatstgehouden zitting, waren, in eene zaal van den hoogen burg, binnen welken de Koning zijn verblijf hield, eenigen zijner getrouwen onder de hooge schouwe bij elkander gezeten. Daar zag men zijn Kanselier Carondelet, zijn Opperstalmeester Maarten Van Polhain, Heer van Baarland en Ter Nisse, aan wien het bevel over het leger, en Floris Van IJselstein, aan wien dat over de vloot was toevertrouwd: daar den Stadhouder, Graaf Jan Van Egmond, en Willem Van Boschhuizen, Baljuw van Rijnland: daar Floris Van Bronkhorst, die de Geldersche hulpbende aanvoerde: daar eindelijk, twee Heeren, wier tegenwoordigheid in dit gezelschap bij velen, die hen vroeger gekend hadden, verbazing en ergernis zou gewekt hebben, te weten, den Burggraaf Van Wassenaer — voorheen een der voornaamste „rumoermeesterenquot; (als Van Leeuwen hem noemt) van de Hoeksche partij, doch die thans de zonden zijner jeugd door een dubbel betoon van Kabeljauwschgezindheid scheen te willen doen vergeten — en den eigen broeder van den jongeling, die te Rotterdam gebood. Walraven, nu het hoofd van het Huis van Brederode. Was het dankbaarheid voor den ridderslag, dien hij van Maximiliaan had ontvangen en voor het ambt van Kamerheer, hem door dezen geschonken; was het een besef, dat de zaak der Hoekschen verloren geacht moest worden: was het — wat aan velen meer waarschijnlijk voorkwam — de veete, die tusschen hem en Jan Van Montfoort bestond; of was het een andere reden, die hem aldus had doen ontrouw worden aan de overleveringen van zijn geslacht? — Wij kunnen hier niet dan gissen; doch 's mans onbeduidendheid in aanmerking nemende, zouden wij meenen, eenvoudig in zijn zucht tot een onbezorgd en gemakkelijk leven den sleutel te moeten zoeken van zijn handelingen, of liever van zijn lijdelijkheid. Wat daarvan zij, zeker is het althans, dat hij voorgoed gebroken had met de partij, die voorheen zijn vader en nu weder zijn jongeren broeder als liaar hoofd had erkend.

„En zoo zijn dan,quot;' zei Polhain, „die koppige poorters onwillig gebleven tot het laatste toe?quot;

„Zoo is 't,quot; antwoordde Carondelet; „geld verdienen willen zij gaarne, en zoolang men hen daarin voorthelpt, dragen zij u op de handen; maar om geld te geven, daar zijn zij niet van thuis.quot;

„Val ze niet te hard,quot; zei de Stadhouder; „zij geven wat hun dierbaarder zijn moet dan hun goud, zij geven hun bloed en dat van hunne kinderen.quot;

„Is de Heer Graaf er wel zoo zeker van,quot; vroeg IJselstein, met een ondeugenden lach, „dat, wanneer hun de keuze gegeven wordt tusschen een lating aan arm of been en een lating aan de beurs, zij uiet de eerste boven de tweede verkiezen?quot;

333

-ocr page 342-

334 DE KBOON BOVEN 'l WAPEN.

,Daargelaten nog,quot; voegde Wassenaer er bij, „dat ze zich wel verbonden hebben, om Schiedam te bezetten, maar volstrekt niet om, als Jonker Frans er een aanslag op waagt, het ook te verdedigen.quot;

„De Burggraaf heeft recht,quot; merkte Bronkhorst aan: „als het op vechten aankomt, heb ik liever een twintigtal gehuurde stalbroeders, en liefst nog een tiental van mijn diensthuden, nevens mij, dan honderd van die poorters, die, als er een schot gelost wordt, het op een loopen zetten.quot;

„Ja, ook zelfs als zij goed gezind zijn,quot; zei IJselstein, „dan nog zijn zij zoo verbazend onhandig, dat zij naar 't zwaard grijpen als zij de piek moeten vatten, en zich met de piek te weer stellen als zrj zich alleen met den goedendag kunnen redden.quot;

„Zij zijn niet eenmaal in staat behoorlijk te vluchten,quot; zei Walraven Van Brederode: „zij tuimelen over elkander heen en wie ligt, blijft liggen.quot;

„Gij moogt schertsen zooveel gij wilt, mijne Heeren!quot; hernam Egmond, „maar ik twijfel er aan, of de Koning 't u zou toegeven, dat men zoo gemakkelijk spel met hen heeft.quot;

„Gij denkt aan de Vlamingen,quot; zei IJselstein, „en ik geef u gaarne toe, dat die vanouds strijdlustig zijn geweest; doch wat onze Hol-landscbe poorters betreft, al verstaan zij er zich evengoed op als de Gentenaren of de Bruggenaren, om bij een oproer hunne Overheden dood te smijten of een huis onder den voet te halen, in 't open veld ot bij de bestorming van eene wel verdedigde sterkte zou men weinig dienst van hen hebben.quot;

„Zeg geen woord ten nadeele van de poorters,quot; zei Boschhuizen: „zij hebben deze reis een bewijs gegeven van edelmoedige zelfopoffering, als waarvan de oude geschiedenissen met moeite een tweede voorbeeld zouden aanwijzen.quot;

„En dat is?quot; vroegen verscheidene stemmen.

„Wel! dat zij, die weldoorvoede, op hun gemak levende koop- en ambachtslieden, die gewend zijn, alle dagen een paterstuk of een ham op schotel te hebben, en er dan acht-guldens-bier of een stoop ouden wijn bij te drinken, het zich getroosten, naar Schiedam te trekken, waar schraalhans keukenmeester is en zij weken, misschien maanden lang op pekelharing en wei hebben te teren. Wat mij betreft, ik heb er eens acht dagen doorgebracht; maar mijn H. Patroon beware mij voortaan voor „Schiedammetje droogbrood.quot;

Deze uitval ten koste eener stad, wier ingezetenen in die dagen te boek stonden als bijzonder zuinig en zich met weinig behelpende, verwekte een ongemeene vroolijkheid bij het gezelschap, en het lachen duurde nog voort, toen een dienaar binnenkwam en zich tot Brederode wendde met de boodschap, dat er iemand buiten stond, die met aandrang verlangde den Koning te spreken.

„Denkt gij dan, dubbele gek,quot; vroeg Walraven, „dat de Koning zoo maar dadelijk klaar is, om ieder te woord te staan?quot;

„De man zegt, dat hij zaken van gewicht aan Z. Hoogheid heeft mee te deelen,quot; antwoordde de dienaar.

-ocr page 343-

1

DE KROON BOVEN T WAPEN.

„Zoo! — Van waar komt hij? en van wien?quot;

„Hij heeft mij dit blad gegeven, waar zijn naam op staat, zegt hij.quot;

„En waarom, ezel, die gij zijt, mij dat niet terstond gegeven?quot; vroeg Walraven, terwijl hij het briefje iu de hand ronddraaide en vruchteloos poogde het toch' zeer nette schrift te ontcijferen. Egmond, die het in de kunst van lezen iets verder gebracht had dan de meeste Edelen van zijn tijd, sloeg over den schouder van Walraven heen een oog op 't papier: doch nauwelijks had hij den naam, die er op stond, gelezen, of hij riep op een toon van blijde verrassing: „Waarlijk! — en is die man zelf hier?quot;

De dienaar boog.

„Zoo! laat hem binnenkomen. Neen voorwaar,quot; vervolgde hij, toen de dienaar zich verwijderd had, „hij, die zich aanmeldt, is een te getrouw dienaar des Konings, om te worden afgewezen, en zoo hij Z. Hoogheid spreken wil, dan heeft hij er ongetwijfeld goede redenen voor.quot;

„En wie is hij dan?quot; vroegen de Edelen, met eenige nieuwsgierigheid.

„Gij kent hem niet,quot; antwoordde de Stadhouder, de schouders ophalende: „maar daar is hij zelf.quot;

Aller oogen wendden zich naar de deur, waar een man binnentrad in de kracht zijns levens, in 't effen donkerkleurig gewaad eens poorters gekleed, doch 't hoofd even vrij dragende en den blik even vrijmoedig om zich heen slaande als een geboren edelman.

„Ik heet u welkom, Schepen Boel,quot; zei de Stadhouder, half van zijn zetel oprijzende en met een minzame hoofdbuiging. — De overige Edellieden schenen het onnoodig te achten, eenig bewijs van beleefdheid te toonen aan den poorter en vergenoegden zich met hem van 't hoofd tot de voeten op te nemen. Alleen Walraven mocht niet nalaten in zijne betrekking van Kamerheer het woord tot hem te richten:

„Gij verlangt den Koning te spreken?quot; vroeg hij.

„Zoo is 't,quot; antwoordde Boel, terwijl hij midden in 't vertrek bleef staan.

„Uit wiens naam komt gij?quot;

„Voor 't oogenblik nog uit den mijnen,quot; antwoordde Boel.

„De Koning heeft iemand bij zich.quot;

„Ik weet het — en ik zal wachten.quot;

„Maar,quot; hernam Walraven, wien de koele en onverschillige toon des Amsterdammers begon te hinderen; „het onderhoud, dat Z. Hoogheid heeft, kan een geruimen tijd duren, en daarom. Vriend, zoudt gij misschien verstandiger doen, morgenochtend terug te komen.quot;

„Morgen vertrekt Z. Hoogheid uit Leiden,quot; zei Boel, „en ik evenzoo.quot;

„Gij waart niet onder de afgevaardigden ter vergadering. Schepen Boel,quot; zei Egmond, op zoo vriendelijken toon mogelijk, en kennelijk met het doel, om den min aangenamen indruk weg te nemen, dien het weinig heusch onthaal, dat de schepen van de overige Heeren genoot, op hem gemaakt mocht hebben.

335

r

(

'ii

IJ

Hii

I.

|| |

11

-ocr page 344-

DE KROON BOVEN 'l WAPEN.

„Ik zou, al had men mij de eere der afvaardiging waardig gekeurd daaraan moeilijk hebben kunnen voldoen,quot; antwoordde Boel: ,ik ben eenige maanden buitenslands geweest, voor zaken, mijn handel betreffende, en het is eerst sedert gisteren, dat ik te Amsterdam terug ben.quot;

„Het heeft mij leed gedaan, u te missen in de vergadering,quot; hernam de Stadhouder: ,waart gij tegenwoordig geweest, wij hadden misschien meer reden van tevredenheid gehad over den uitslag der zitting.quot;

„Ik vlei mij,quot; zei Boel, „dat Burgemeester Auwelsz, en Pensionaris Roelvinok de belangen van Amsterdam naar behooren hebben waargenomen.quot;

„Knappe lieden misschien,quot; mompelde Boschhuizen; „alleen maar wat vasthoudend, waar het op de beurs aankomt.quot;

„Dat heb ik vernomen,quot; zei Boel, zich glimlachend naar den Baljuw keerende: „doch men kan alleen datgene vasthouden wat men heeft, en de Heer Baljuw zal mij moeilijk bewijzen, dat Amsterdam niet reeds heeft gegeven wat het geven kon.quot;

„Het rijke Amsterdam zou niet meer kunnen geven!quot; riep Pol-hain, op een toon, die van ongeloof getuigde.

„Dat zou het misschien,quot; hernam Boel, „indien onze Vorsten nooit oorlogen in verre landen gevoerd en onze Edelen in vrede met elkander hadden geleefd.quot;

„Wat bedoelt gij daarmede?quot; vroeg Polhain met drift en half opspringende van zijn stoel.

„Eer ik het vergeet,quot; ging Boel voort, zich gelatende als merkte hij de beweging des vergramden krijgsvoogds niet, en zich naar Bre-derode keerende, „mijn Heer gelieve te zorgen, dat de man, die zich thans bij Z. Hoogheid bevindt, zich niet verwijdere: 't zou kunnen zijn, dat zijne tegenwoordigheid nog noodzakelijk was, na het gesprek, dat ik met Z. Hoogheid voeren zal.quot;

Walraven zag eerst Boel, vervolgens de Edelen aan, als wilde hij vragen, waar de man de onbeschaamdheid vandaan haalde, om dus op een toon van bevel te spreken.

„Ik geloof,quot; zei de Stadhouder, halfluid, en met een goedkeurenden knik, „dat de heer Van Brederode wel zal doen met aan 't verzoek van den Schepen gehoor te geven. Ik ken Schepen Boel te goed, om niet overtuigd te zijn, dat hij voldoende gronden heeft voor 't geen hij verlangt, en tevens, dat geen andere dan eene reden van gewicht hem aanspoort, om zich, reeds den dag na zijn terugkomst in 't vaderland, bij Z. Hoogheid aan te melden.quot;

„En is die reden van dien aard,quot; vroeg Walraven eenigszins weifelend, „dat zij aan niemand kan worden medegedeeld? Ik vraag dit in uw eigen belang. Vriend; want het is honderd tegen één, dat de Koning u gehoor verleenen zal, zonder vooraf onderricht te zijn ran welken aard uwe boodschap is.quot;

Een lichte trek van ongenoegen liet zich op 't gelaat van den Schepen bespeuren: hij bedwong dien echter, waarschijnlijk omdat hij Brederode's bedenking niet van alle juistheid ontbloot achtte en.

336

-ocr page 345-

DE KROON BOVEN 'l WAPEN. 337

na op zijne beurt ook even geaarzeld te hebben, antwoordde hij:

„Zeg aan den Koning, dat ik hem en den Staat van dienst wensch te zijn. Over den aard van dezen dienst zal ik niet spreken, tenzij de Kroning het mij later gelasten mocht.quot;

Walraven beet zich op de lippen, doch begon een duister besef te krijgen, dat de man, die zoo fier een toon voerde, wel eens werkelijk iets van groot belang aan den Koning kon hebben mede te dee-len, en dat deze het wel eens euvel kon opnemen, indien men iemand, die hem een dienst bewijzen kwam, onheusch bejegende.

„Volg mij dan,quot; zeido hij: „ik zal u bij Z. Hoogheid aandienen, zoodra de persoon, die thans bij hem is, hem verlaten heeft.quot;

Boel volgde den Kamerheer, die hem door een paar vertrekken heen naar een derde geleidde, voor hetwelk een hellebaardier heen en weder stapte en binnen 't welk een page op een vouwstoel zat te dutten.

„Is die man nog bij den Koning?quot; vroeg Walraven aan den knaap, die bij zijne komst uit zijne halve sluimering was opgesprongen, en nu op de hem gedane vraag een toestemmend antwoord gaf.

„Gij zult u dan het wachten dienen te getroosten,quot; zei Brederode tegen Boel.

Gelukkig behoefde dat wachten niet lang te duren; want pas had Walraven gesproken, of een fluitje liet zich uit de kamer daarnevens hooren; de page snelde binnen op dat sein en kwam schier onmiddellijk weder terug, gevolgd door een man, in eene lange gele samaar gekleed, en wiens bruin gelaat en zwarte zijachtige baard en haren van een zuidelijke afkomst getuigden. In zijn kleine glinsterende oogjes was een uitdrukking van schalksche tevredenheid te lezen, die voor een uitdrukking van verbazing plaats maakte, toen hij den Amsterdamschen koopman bespeurde.

„Gij schijnt wel tevreden, vriend üriël,quot; zeide deze: „ongetwijfeld hebt gij goede zaken met Z. Hoogheid gedaan?quot;

„Mag de arme TJqël spreken,quot; vroeg de ander, op deemoedigen toon, „van wat hem Z. Hoogheid gelieft te vertrouwen? En hoe vaart Schepen Boel? Welkom terug m 't vaderland. Schepen Boel! Kan Uriel Schepen Boel van eenigen dienst zijn, voor zoover een arm man als hij daartoe in staat is?quot;

„Jawel,quot; antwoordde Boel: „door u niet van deze plaats te verwijderen, eer ik van den Koning terug ben.quot;

„Mag de arme Uriël zich met verwijderen?quot; vroeg de ander op smeekenden toon: „zijn vrouw is ziek en hij moet hedennacht naar Utrecht.quot;

„Gg weet zoogoed als ik,quot; zei Boel, de schouders ophalende, „dat de weg naar Utrecht over Woerden loopt, en dat daar Jan Van Montfoort op de loer ligt, die geen vogel, als gij zijt, voorbij zal laten vliegen, zonder hem eenige goede veeren uit den staart te plukken. Daarom, zoo gij wijs zijt, blijf hier, en reis morgen onder mijn geleide naar Amsterdam, van waar gij uw weg in veiligheid vervolgen kunt, zoo gij werkelijk naar Utrecht moet, waar ik geen woord van geloof. Word maar niet bleek, man! gij zult van Schepen

b. w. v. 22

-ocr page 346-

3S8 DË KROON BOVEN 'l WAPEN,

Boel niets te vreezen hebben, zoo gij doet wat koopman Boel van u verlangt.quot;

Uriël boog zuchtende het hoofd ten teeken van onderwerping, en Walraven, die zich inmiddels niet weinig vermaakt had met den angst, door den armen drommel aan den dag gelegd, en wiens eerbied voor Boel uit 's mans onderdanigheid voor dezen niet weinig

festegen was, ging naar binnen en kwam spoedig terug met het ericht, dat de Koning Schepen Boel verwachtte, waarna hij dezen voorging en, in het naaste vertrek een gordijn oplichtende, dat het in tweeën deelde, hem bij den Koning aanmeldde.estegen was, ging naar binnen en kwam spoedig terug met het ericht, dat de Koning Schepen Boel verwachtte, waarna hij dezen voorging en, in het naaste vertrek een gordijn oplichtende, dat het in tweeën deelde, hem bij den Koning aanmeldde.

„Wat verlangt gij?quot; vroeg Maximiliaan, die, in een wijden pels

fedost, bij een flikkerend turvenvuur gezeten was, aan den Amster-ammer, die zich bij 't binnenkomen op eene knie had neergelaten.edost, bij een flikkerend turvenvuur gezeten was, aan den Amster-ammer, die zich bij 't binnenkomen op eene knie had neergelaten.

„Hetgeen ik te zeggen heb, is alleen voor de ooren van Uwe Hoogheid bestemd,quot; antwoordde Boel, op een eerbiedigen, maar vasten toon.

,'t Is wel,quot; zei de Koning: ,Wij geven u oorlof, mijn Heer Van Brederode. En nu,quot; ging hij voort, toen de Kamerheer zich verwijderd had; „rijs op en zeg Ons uwe boodschap.quot;

„Die is in weinige woorden gezegd,quot; antwoordde Boel: „Uwe Hoogheid is om geld verlegen.quot;

„Is dat uw nieuws?quot; vroeg Maximiliaan, half onzeker of hij moest lachen of toornig worden.

„En Uwe Hoogheid,quot; vervolgde Boel, op denzelfden koelen toon, „heeft den Lombardiër Uriël Venozza ontboden, om Haar daaraan te helpen.quot;

„Wel! moeten Wij ons niet tot lieden van zijne soort wenden, als uwe rijke Hollandsche Steden 't Ons weigeren?quot; vroeg de Koning: „of kent gij misschien het geheim, krijg te voeren zonder geld?quot;

„De man,quot; hernam Boel, „is nogal niet de ergste onder de lieden van zijn soort; en toch zou ik Uwe Hoogheid Deklagen, indien Zij zich van hem afhankelijk maakte. Het geld kan ook te duur gekocht worden.quot;

„Wij zien niet in,quot; zei Maximiliaan, met eenigen wrevel in zijn toon, „wat de bijzondere schikkingen, die Wij met dezen of genen geldschieter zouden willen treffen, een derde kunnen aangaan.quot;

„Uwe Hoogheid vergeve mij,quot; hernam Boel, zonder zich van zijn stuk te laten brengen: „maar als Haar trouwe dienaar kan ik niet dan met smart zien, dat men Haar het vel over de ooren haalt, en als minnaar van mijn vaderland is mij zulks te smartelijker; want waar de Yorst schulden heeft, zijn het toch de ingezetenen, die ze ten slotte betalen moeten.quot;

„Gij spreekt stout. Schepen Boel!quot; zeide de Koning, met toorn in zijn stem: „de Grraaf Van Egmond heeft, het is waar. Ons ten gunstigste over u gesproken en Ons verhaald wat gij gedaan hebt, om de lieden hier in Holland tot eensgezindheid en tot gehoorzaamheid aan Onze bevelen te nopen; doch zoo Wij u daarvoor dankbaar zijn, het geeft u nog geen bevoegdheid. Ons de les te lezen.quot;

„Dit laatste is ook verre van mij,quot; zei Boel, „en ik zal mij nim-

-ocr page 347-

DE KROON BOVEN 'l WAPEN. 339

mer yerstouten, iets te doen, wat zoo strijdig ware met den eerbied, dien ik aan Uwe Hoogheid schuldig ben; doch ik moet wel van een feit gewag maken, dat het toeval te mijner kennisse bracht, omdat ik zoo gaarne in den quot;Vorst, die geroepen is, om aan het hoofd te staan en onze belangen te verdedigen, net voorwerp van aller eerbied en liefde zien zou. Het is meer dan tijd, dat de wonden, die door inwendige verdeeldheid meer nog dan door buitenlandschen krijg aan de volkswelvaart zijn toegebracht, eindelijk geheeld worden, en een krachtige hand, als de üwe. Heer Komng, die eenheid brenge in 't bestuur, waardoor alleen handel, landbouw, nijverheid, die hoofdbronnen van ons vermogen, kunnen bloeien, üwe Hoogheid en niemand anders kan het uitzicht op zulk een toestand verwezenlijken ; doch indien Zij Hare zorg aan onze belangen wijden zal, dan moet Zij door geen eigen zorgen gekweld worden en vooral bevrijd zijn van lastige verplichtingen en vernederende banden.quot;

„Gij hebt goed spreken,'quot; zei Maximiliaan; „maar zoo Wij Onze toevlucht nemen moeten tot woekeraars en Lombardiërs, wie is daar oorzaak van, dan uwe Steden, die Ons in den nood laten. Voorwaar, uit wiens mond Wij een verwijt zouden verwacht hebben als hetgeen gij Ons doet, zeker niet uit dien van een Amsterdammer. Ga heen, gij, die een man van invloed zijt onder de uwen, beweeg hen. Ons de gelden te verschaffen, die Wij behoeven, en kom Ons dan uwe sermoenen houden over het ongepaste, om met woekeraars te handelen.quot;

„Ik ben eenige maanden afwezig geweest,quot; zeide Boel, „en daar door wellicht niet genoeg op de hoogte. Maar zoo ik mij niet geheel bedrieg, dan waren onze afgevaardigden gemachtigd, aan üwe Hoogheid de zestig duizend gulden, die zij noodig had, te leenen, en haperde het alleen aan het onderpand voor de teruggave dier som.quot;

„üwe Stad,quot; zei Maximiliaan, „heeft vroeger reeds zoovele gronden in onderpand bekomen, als waarover Wij beschikken konden zonder de belangen van Onzen zoon tekort te doen; en wanneer Wij toch bezwarende voorwaarden sluiten moeten, dan is het Ons vrij onverschillig of degeen, die ze Ons oplegt, Uriël heet of Amsterdam.quot;

„Ik geloof,quot; hervatte Boel, „dat de bezwaren, die zich voordeden, thans uit den weg geruimd kunnen worden. Ik heb zooeven met onze afgevaardigden gesproken, en üwe Hoogheid kan over de gevraagde som beschikken.

„En de voorwaarden?quot; vroeg de Koning haastig.

„Wij staan niet meer op eenig onderpand,quot; antwoordde Boel: „Uwe Hoogheid heeft andere middelen in overvloed, om aan Amsterdam den dienst, dien het Haar bewijst, te vergelden.quot;

„Wij verstaan u,quot; zei de Koning, niet zonder eenige bitterheid in zijn toon: „zeker bedoelt gij den vrijdom van dezen of genen tol of accijns, waardoor aan de Stad de schade, die zij lijdt, dubbel vergoed wordt, en onze geldmiddelen aan de eene zijde verliezen wat zij aan de andere winnen.quot;

-ocr page 348-

340 DB KROON BOVEN 'l WAPEN.

„Uwe Hoogheid kan, zonder zich een penning te kort te doen, datgene schenken wat Amsterdam in de oogen des buitenlanders verheft en daardoor den bloei der Stad bevorderen moet.quot;

„En dat is?quot;

„Ben ik het, die Uwe Hoogheid hier een middel aan de hand moet doen?quot; vroeg Boel.

„Voorwaar! Wij gelooven van ja,quot; antwoordde de Koning, wiens gelaat op eens verhelderd was: „die plotselinge omkeer in de stemming uwer afgevaardigden heeft niet zonder uw toedoen plaats gehad — neen, man, ontken het niet, uwe welsprekendheid — of mogelijk wel uwe mildheid — heeft de schaal te mijnen voordeele doen overslaan. Nu! zeg op: waarmede kunnen Wij de Stad gerieven ?quot;

„Onze Stad bestaat alleen door den handel, dien zij drijft,quot; antwoordde Boel: „en het is daarom van gewicht voor haar, dat in elke haven, waar zich schepen vertoonen, zij terstond, aan het wapen, dat zij in top voert, gekend worde als eene dier plaatsen, boven andere door Uwe Hoogheid geliefd en begunstigd. Kroon haar met eere, en de wereld zal ontzag en eerbied voor haar koesteren.quot;

„Wij gelooven u verstaan te hebben — en wanneer kunnen Wrf de gelden bekomen?quot;

Boel antwoordde niet, maar haalde uit de tasch, die aan zijn zijde hing, een uit robbevel vervaardigde platte doos voor den dag, waarvan hij het deksel deed opspringen.

„Wat is dat?quot; vroeg Maximihaan, half verblind door den schitterenden glans van het prachtstuk, dat zich voor zijn oogen vertoonde, 't Was een kruis, samengesteld uit juweelen van een zeldzame grootte en pracht.

„Gelooft Uwe Hoogheid,quot; vroeg Boel, „dat de benoodigde gelden hiermede zullen gevonden worden?quot;

„Indien deze steenen echt zijn,quot; zeide Maximiliaan, „is er nauwelijks een vorst in staat, ze te betalen.quot;

„Zoo Uwe Hoogheid daaromtrent naricht verlangt, de man, die zooeven hier was, is nog in de voorzaal en hij, zoo iemand, is in staat ze te schatten.quot;

„Wij zullen hem ontbieden,quot; hernam de Koning, en, terstond opzijn fluitje blazende, gaf hij den op dat geluid verschenen page-bevel, den Lombardiër te roepen. Weinige oogenblikken duurde het,, of Uriël stond binnen, niet weinig verlegen met zijn houding, en, blijkbaar alles behalve gerust over de gevolgen.

„Wat dunkt u van dit sieraad, vriend Uriël?quot; vroeg Maximiliaan,, „en op welken prijs zoudt gij het schatten?quot;

„Als ik Uwe Hoogheid vragen mag,quot; zeide Uriël, te voorzichtig,. om zich uit te laten eer hij wist met welke bedoeling zijn oordeel over de juweelen verlangd werd, „heeft Schepen Boel ze aan Uwe Hoogheid te koop aangeboden?quot;

„Mij dunkt,quot; zeide Maximiliaan, „wij zitten hier niet, om op vragen te antwoorden, maar om ze te doen. Gij zijt juwelier: gij weet

-ocr page 349-

DE KBOON BOVEN 'l WAPEN. 341

juweelen te schatten en hebt dus eenvoudig te zeggen, wat deze in den handel waard zijn.quot;

Uriël boog het hoofd, nam zwijgende het kruis uit de doos en bekeek de diamanten van alle zijden: , deze juweelen....quot; stamelde Mj toen, terwijl hij beurtelings den Koning en Boel aanzag.

„Nu, deze juweelen?quot; herhaalde de Koning.

„Met verlof van Uwe Hoogheid,quot; zeide Boel: „de verwondering van dezen man is licht te verklaren. Gij hebt deze diamanten te voren meer gezien, Uriël, is het niet zoo?quot;

„Of ik ze meer -gezien heb ?quot; stotterde Uriël.

„Welnu?quot; vroeg de Koning, „wat weet gij er van?quot;

„Bij vader Abraham!quot; riep de juwelier; „het zijn dezelfde, die ik te Dyon aan Hertog Karei heb verkocht, en die in den slag bij Granson zijn verloren gegaan.quot;

„Zoo is het!quot; zei Boel; „en niemand beter dan gij kan er dus de waarde van bepalen.quot;

„Het is onnoodig,quot; riep Maximiliaan: „het diamanten kruis van Hertog Karei stond op de lijst der Bourgondische kroonjuweelen aangeteekend ter waarde van vijf-en-zeventig duizend gulden.quot;

„Wel!quot; hernam Boel, „dan zult gij, vriend Uriël, er geen bezwaar in vinden op dit kleinood zestig duizend gulden te schieten, die gij morgen nog in goedgerande goudstukken of in baren aan Z. Hoogheid zult voorwegen.quot;

„Zestig duizend gulden!quot; riep Uriël, de handen van verbaasdheid ineenslaande; „waar heeft de arme Uriël ooit zulk eene som bijeen gezien?quot;

„Hm! dat gezicht kunt gij u nogal gemakkelijk verschaffen,quot; zei Boel; „door zekere ijzeren met koper beslagen kist te openen, die in den gemetselden kelder onder uw achterhuis staat. •— In allen gevalle zal het Z. Hoogheid evenals mij onverschillig zijn, waar gij 't geld vandaan haalt, mits het morgen slechts aanwezig zij.quot;

Het gelaat van den juwelier was doodelijk bleek geworden, toen Boel van de ijzeren geldkist gewaagde: „heb medelijden met een arm man. Schepen Boel,quot; zeide hij, de handen vouwende: „wat beduidt, waar die diamanten voor te boek staan op die lijst, daar Z. Hoogheid van spreekt? — het perkament is geduldig: — en wat wil ik er mee doen? Zij zijn toch onverkoopbaar heden ten dage.quot;

„Gij weet zoogoed als ik, dat de waarde der juweelen stijgende is,quot; zei Boel, „en dat deze op de bedoelde lijst eer te laag dan te hoog zijn aangeschreven. Doch 't is ook niet, om ze te verkoopen, •dat ze u gegeven zullen worden: 't is in pand voor de f 60,000 die Z. Hoogheid u de eer aandoet van u aan te nemen, en dat pand zal ik binnen zes maanden lossen, zoo Z. Hoogheid dit niet verlangt te doen. Gij kent mij, Uriël, en gij weet, dat mijn woord zoogoed is als geld.quot;

„Maar wat voordeel zal de arme juwelier hebben, als hij die ƒ60,000 — bewaar ons wat eene som! — aan Z. Hoogheid leent?quot;

„Ziedaar van die bijzonderheden, waarin het ongepast ware in tegenwoordigheid van Z. Hoogheid te treden. Kom straks aan mijn logement en wij zullen de zaak naar behooren regelen. Het groote

-ocr page 350-

DE KROON BOVEN 'l WAPEN.

punt, waar 't op aankomt, is, c!at het geld er binnen drie dagen wezen moet. Ik meen althans,quot; voegde hij er bij, den Koning vragend aanziende, „dat de bevelen van Uwe Hoogheid zoo luiden.quot;

„Voorzeker, voorzeker,quot; zei Maximiliaan, wien het gesprek tusschen die beiden niet weinig vermaakt had; „Wij schenken u oorlof, Uriël, en stellen onze belangen geheel in handen van onzen getrouwen vriend. Schepen Boel. — En nu,quot; vervolgde hij, toen de juwelier zich verwijderd had, „kom eens oprecht voor de waarheid uit, vriend Boel: hoe is het, dat dit besluit van Amsterdam, om Ons met geld te ondersteunen. Ons door u wordt gedaan en niet door de afgevaardigden ter dagvaart?quot;

„Uwe Hoogheid beseft,quot; antwoordde Boel, terwijl hij zich op de lippen beet, „hoe onaangenaam het is, heden een andere taal te moeten spreken dan men gisteren gedaan heeft. Ik kon in dezen niet, gelijk mijn ambtgenooten, beschuldigd worden mij zeiven niet gelijk te blijven.quot;

„Wij zouden willen wedden,quot; hernam Maximiliaan, die zeer goed inzag, hoe het gegeven antwoord niet meer dan eene uitvlucht was, „dat na Ons, niemand meer verwonderd zal wezen over de boodschap, die gij Ons brengt, dan uwe afgevaardigden. Doch, dat is eene zaak tusschen u en hen, en die Ons niet aangaat. Wij, wat Ons betreft, willen als vertegenwoordiger van Amsterdam hem het liefst erkennen, die Ons een goede tijding brengt. En, om u daarvan 't bewijs te geven, wees zoogoed, Ons te volgen.quot;

Onder deze woorden rees hij op, en het vertrek verlatende, ging hij Boel voor naar de zaal, waar de Edellieden, zoo straks door ons genoemd, nog bij elkander waren.

„Heer Kanseher,quot; zeide hij tegen Carondelet, „zorg een open brief te doen opmaken, waarbij wij, uit aanmerking der groote goedwilligheid en getrouwheid, en der menigvuldige diensten. Ons en den voorvaderen van onzen zoon Hertog Filips tot diverse stonden gedaan en bewezen, door onze goede stad Amsterdam en hare ingezetenen, als bijzonderlijk die zij ons ook heden doen in den be-staanden nood, en dat eene stad, wier poorters en ingezetenen dagelijks met hunne goederen in vele en vreemde landen converseeren, niet gesierd is met zulk wapen als zij wel behoorde te hebben — en om redenen ons daartoe verder aansporende, haar vergunnen, haar wapen voortaan ten eeuwigen dage te bekleeden met de kroon van ons Rijk.quot;

„God zegene Uwe Hoogheid!quot; riep Boel, zich met een blij gelaat op de knie nederlatende.

„Stil!quot; viel de Koning in: „gij ligt daar juist in de vereischte houding. Uw degen, mijnheer van Boschhuizen!quot; — en, met het ontbloote wapentuig, dat hem de Baljuw overhandigd had, den schouder van Boel driewerf aanrakende: „Sta op,quot; vervolgde hij, „Heer Andries Boel. — Mijnheer Van Brederode, Ridder Andries Boel mag voortaan steeds onaangemeld bij Ons worden toegelaten.quot;

Het privilege, waarbij aan Amsterdam de kroon op zijn wapen

342

-ocr page 351-

EEN KROON BOVEN 'T WAPEN. 343

geachonken werd, werd den l-i'1™ Februari bij open brief van Schiedam afgekondigd: en tegelijkertijd aan Andries Boel, die, gelijk Maximi-liaan terecht gegist had, de eer der stad had opgehouden, door de som, waarmede deze den Koning heette bij te staan, uit eigen middelen te verschaffen, een gouden keten, als zinnebeeld zijnet ridderlijke waardigheid, door den Vorst gezonden.

Ook de Stad erkende dankbaar 's mans verdienste te haren opzichte. Zij droeg hem, acht jaar later, toen hij niet langer, gelijk vroeger, telkens maanden achtereen voor zijn zaken behoefde afwezig te zijn, maar het reizen aan zijn schoonzoon en deelgenoot kon overdoen, het Burgemeesterschap op, dat hij later nog niet minder dan veertienmalen bekleedde.

En mochten er nu onder onze lezers zijn, die van oordeel zijn dat Amsterdam (of liever Andries Boel) al zeer duur betaalde wat in hunne oogen misschien niet veel meer dan eene ijdele eer schijnt, die aan de Stad bewezen werd, dan verzoeken wij de zoodanigen, 1° zich te herinneren, dat in de eeuw, waarin de door ons verhaalde gebeurtenissen plaats hadden, er een zaak was, die hooger geacht werd dan het geld, te weten eer en eereblijken, en dat de gift van Maximiliaan Amsterdam, ofschoon maar de vijfde in rang onder de Hollandsche Steden, opeens in eere boven hare Zustersteden verhief: — en, ten andere, te bedenken, hoe, ook nog; in onze dagen, zoo door genootschappen als door particulieren er prijs op gesteld, ia er getwist wordt, om den titel van „koninklijkquot; te voeren. Acht men dien titel, of een wapenbord voor de deur, ook in onze zoo 't heet verlichte eeuw, eene aanbeveling, die voordeel aan kan brengen, hoeveel te meer mocht men van een gunst, als die aan Amsterdam verleend was, een dergelijke uitwerking hopen, in dagen, toen men nog geen dagblad-aankondigingen of andere aandachtwekkende middelen bezat. En zonder hier te veel op het post hoc, ergo propter hoc te willen doorredeneeren, zoo durven wij echter beweren, dat die kroon boven 't wapen den bloei en luister van Amsterdam in die dagen niet weinig bevorderd heeft. — Het gezicht daarvan boezemde den poorters een gevoel van eigenwaarde in, dat hen aanspoorde, zich meer dan gewone kramers en kooplieden te betoonen, en zich te

fedragen als waardige en wakkere zonen eener koninklijke (lateredragen als waardige en wakkere zonen eener koninklijke (later

eizerlijke) stad, en den vreemdeling boezemde het ontzag en eerbied in voor het zoozeer bevoorrechte, zoo blijkbaar onder vorstelijke bescherming staande Amsterdam. — 't Zou waarlijk zoo verkeerd niet zijn, al rees ook nu nog van tijd tot tijd een dergelijk gevoel op bij hen, die over de Keizersgracht gaande, de oogen naar den top van den Wegtertoren slaan.

-ocr page 352-

DE KROON BOVEN 'T WAPEN.

AANTEEKENING.

Van het verheffen van Andries Boel Dirksz. tot de ridderlijke waardigheid, zelfs van den dienst, door hem aan Maximiliaan bewezen, vinden wij bij de geschiedschrijvers niets geboekt; vermoedelijk heeft de omstandigheid, dat hij geen mannelijk oir heeft nagelaten, en zijne ridderschap alzoo met hem ten grave is gedaald, hen daarvan onkundig gelaten. Gelukkig echter zijn beide bijzonderheden aan de vergetelheid ontrukt geworden door den man, wiens onsterfelijke werken maar te zelden geraadpleegd worden door den geschiedvorscher, aan wien zij echter zoo menig belangrijk feit leveren, dat hij alleen daar kan vinden. Vondel, zoo uitmuntend vertrouwd met de kroniek van Amsterdam, was tevens bevriend, althans bekend met schier al de leden der geslachten, die aldaar, 't zij voor, 't zij na het „geus wordenquot; der Stad, in de Regeering gezeten hadden, en die bijna allen in Andries Boel, door disns dochters, hun gemeenschappelijken stamvader erkenden. Vooral was dit het geval met de Bickers en de Graeven; en bij dezen was veel van wat den doorluchtigen Amsterdammer betrof, 't zij door hunne familiepapieren, 't zij door de overlevering, bewaard gebleven. Van de bijzonderheden, aan Vondel door zijn omgang met hen bekend geworden, trok onze dichter dan ook herhaaldelijk partij, en wel de eerste reis in zijn prachtig gedicht op de „Inwijdinge van 't Stadhuis tAmsterdam,quot; ') alwaar hij de Nieuwe of St.-Katrijne Kerk beschrijvende, en van de aldaar aanwezige vensterglazen sprekende, zich vs. 385 volgg. aldus uitdrukt:

Graef Willem, tot den stoel des lants, van Godt geschapen, Beschenckt in 't Noorder glas, met haer doorluchtigh wapen. Dees Stadt, waerover hij, als wettigh Graef, regeert,

Waema Maximiliaen, Roomsch koning, hoogh geëert,

Haer wapenkruisschilt kroont, met diamanten straelen. En parlén van zijn kroone, om eeuwighlijck te praelen.

Als met een danckbaer merck van zijne majesteit.

Voor Ridder Boelens gout en 's helts grootdaedigheit.

Ten dienst van zijnen Heer, voor ieders oogh, gebleecken. Een eer, die blijft en duurt, als 't brosse glas zal breecken.

Nog nader dringt Vondel op het gebeurde aan in zijn gedicht „Op de Wapenkroon van Amsterdam,quot; 1) toegezongen aan den Burgemeester Cornells De Graef.

344

1

) Aid. blz. 711.

-ocr page 353-

DE KROON BOVEN 'T WAPEN. 345

TnJien men uwen grijsen stam,

Ter heerschappij des lants geschapen,

En die 's lants vrijburgh Amsterdam Gekroont heeft met de kroon van 't wapen,

Den lauwer schonck, die niet verdort.

Noch schoot de danckbaerheit te kort.

Had Andries niet Stadts eer bewaert,

En 's Keizers glori trou verdaedight,

August had met zijn edel zwaert Den Ridder spader begenadigt,

Wiens miltheit Oostenrijck behaeght,

Daer Amstels schilt de kroon af draeght.

De goude keten om den hals,

't Geweer den Helt op zij gehangen,

In zooveel juichens en geschals Der Stede, daer hij wiert ontfangen,

Op 's Keizers hoftrompet en faem.

Verheft al d'afkomst in dien naem.

Evenzeer wordt Ridder Boelens aan diens naneven Cornells Boelens, Andries De Graef, en Elizabeth Bicker herinnerd in de bijschriften, door Vondel in 1658 op hen vervaardigd, ') aan Cornells De Graef in het hem opgedragen ,Parma's loof,quot; 2) en aan Jacoba Bicker, in het navolgende hoogst belangrijke klinkdicht „Over den oorsprong van het geslacht der Bickers.quot; 3)

Heer Roemer Arent van den Anxter zagh men treeden

Als Burgemeester, voor drie eeuwen, ruim gestelt. Om 's Burgemeesters stoel op 't out Stadthuis te kleeden.

Hij voerd' een rooden balck met eere in 't goude velt. De parckementen zelfs getuigen van dit zegel,

Gelijck de witte balck aan Henrick Willemsz Boel In 't groene velt getuight, hoe hij der vadren regel

En 't recht des Schependoms bewaerde op Amstels Stoel. Zoo bloeide 't out geslacht van Bicker, niet verbeten Van zwaert- en spilzij, lang eer Keizer Maxmiljaen Heer Andries Boel oeschonck met eene gouden keten.

Om 't gout hem milt vereert door zulck een onderdaen, Waerdoor de schiltkroon op Stads wapen quam te brommen. Aldus rust Bickers huis op zulcke twee kolommen.

Wel bewijzen al de vermelde gedichten, hoe nauwkeurig Vondel met de bijzonderheden, Andries Boel betreffende, bekend was. Zelfs

gt;) Aid. Deel VII, 112, 118. !) Aid. Deel VIII, 134. quot;) Aid. Deel IX, 018. 619.

-ocr page 354-

346 DE KROON BOVEN 'T WAPEN.

wat mij schijnbaar eerst zijnerzijds eene vergissing toescheen, is later mij een nieuwe waarborg voor zijne zaakkennis geweest. In de glazen der Oude kerk toch komen drie wapens van Boelensen voor, alle drie verschillende van hetgeen Vondel opgeeft, en ik meende al, dat hij 't abuis had gehad, toen ik een geslachtsregister in folio onder 't oog kreeg (thans behoorende aan 't Oudheidkundig Genootschap te Arasterdam), aan 't hoofd waarvan prijken Cornelis Hendriksz. Loen en Elizabeth Boel (de dochter van Andries). Het wapen van deze laatste (sinopel met een zilveren faas, gelijk Vondel het beschrijft) werd, met den naam van Boelens, door sommigen hunner afstammelingen gekwartileerd met een ander gedragen, terwijl sommigen weer bij den naam van Boelens het wapen van Loen behielden.

Waar nu bestendig door Vondel, gedurende een reeks van jaren, en in een reeks v^n verzen, ten aanhoore van lieden, die 't weten konden en voor wie hij niet met onbeschaamde logens voor den dag zou gekomen zijn, de feiten worden opgegeven, die tot grondslag voor mijn verhaal gestrekt hebben, daar moeten al heel sterke gronden worden bijgebracht, om de echtheid dier feiten in twijfel te doen trekken.

-ocr page 355-

EEN WAKKER MAN.

I.

Wanneer wij te Amsterdam op de Heerengraoht vóór het huis staan, dat den hoek vormt met de Leidschegracht (levendige zijde), zien wij aldaar op een gevelsteen vier mannen algebeeld, die helmen op 't hoofd, ronde schilden aan den arm en pieken in de hand hebben, en achter elkander op 't zelfde paard zitten: terwi'l daaronder staat: de vier Heemskinderen.

Het is in den kelder onder dat huis, dat zich, in 't laatst der vorige eeuw, de welbeklante tabakswinkel bevond, gedreven door George Hendrik De Wilde. Wij verplaatsen ons in den geest voordien winkel en naar Maandag den 10den September van het jaar 1787.

1787! De lezer weet, welke merkwaardige bladzijde dat jaar beslaat in de kronieken van ons vaderland, hoe droevig het er toen bij ons uitzag ten gevolge der verdeeldheid, tusschen de zonen van datzelfde vaderland ontstaan, hoe verschil van meening straks tot verwijdering, tot tweespalt, tot wrok, tot bitteren haat had aanleiding gegeven, welke betreurenswaardige tooneelen hieruit ontstaan waren, ja, hoe op meer dan eene plaats burgerbloed gestort was door medeburgers handen.

Dit alles, zeggen wij, weet de lezer, en voor hem behoeft alzoo ons tafereel geen inleiding, anders dan die hem de voorstelling zelve leveren zal; — voor wie met de gebeurtenissen van die dagen geheel onbekend is, schrijven wij niet, en ons zou dan ook hier de ruimte ontbreken, om hem de aanleiding dier troebelen, hunne opkomst, hunne barning en hunne gevolgen zoo te schetsen, dat hij behoorlijk op de hoogte gebracht werd. Liever laten wij dus terstond onze personages handelen en spreken, en wenden wij het oog op den vijftigjangen, vierkant gebouwden burgerman, op wiens vrij rood en opgezet gelaat zich eene uitdrukking van goedhartigheid en tevens van spoedig ontvlambare drift vertoont, en die daar, in

-ocr page 356-

348 EEN WAKKER MAN.

zijn licht blauwen rok met knoopen van 't zelfde, ouderwetsohe-korte broek en grijze kousen, schoenen met groote zilveren gespen,, en met een effen driekanten hoed op 't ongepoederd touwen pruikje,, den winkel uit komt treden.

Hij was daarbinnen geweest in de verwachting van er den tabakshandelaar te zullen aantreffen; doch die was er niet, en hij had alleen den zestienjarigen zoon van De Wilde gesproken, die, met een ouden knecht, de toonbank in vaders afwezigheid waarnam. Op hetgeen hij van dezen vernomen had, kuierde htj nu eenige huizen verder, schelde daar bij De Wilde aan diens woning aan, werd binnengelaten en was spoedig de kamer ingetreden, waar de vrouw des huizes, van haar zelve Engelina Schroeder genaamd, aan hare werktafel gezeten was, bezig aan 't herstellen van een sluier, die over haren schoot hing.

„Heden, Piet, ben jij 't?quot; riep zij op een toon van blijde verrassing, terwijl zij, oprijzende, den binnenkomende hand en mond toestak.

,Zooals je ziet. Zuster,quot; antwoordde degeen, dien zij Piet noemde en die dan ook Pieter Schroeder heette, terwijl hij haar kuste dat het klapte: „ik zelf in eigen persoon. Hoe staat het leven? — Allen wel? — Hein heb ik reeds gesproken: — je man was niet aan den winkel----is hij thuis? — En hoe maken 't de anderen?'quot;

„Neen,quot; antwoordde zij: „George is uit en de andere kinderen zijn alle vier op school; je blijft toch eten, hoop ik?quot;

„Zoo! is hij uit?quot; hernam Schroeder: „nu! ik begrijp 't■quot; voegde-hij er bij, op een toon, waar eenige spotternij in gelegen scheen; „hij heeft het ongetwijfeld druk; — maar neen. Zuster, eten blijf ik niet: ik moet noodzakelijk nog lieden spreken vóór de Beurs, en dan met de schuit van vieren weer naar Naarden, waar mijn four-gon staat.quot;

„Maar zulje dan niets gebruiken? je kunt toch den heelen dag; niet zonder eten blijven.quot;

„Ei wat! — ik neb onderweg al een paar broodjes met vleesch gegeten en zal bij Lokhorst wel een paar koteletten vinden. Bekommer u daar niet over.quot;

„Nu! als 't zoo moet----maar 't spijt mij wel,quot; hernam Juffrouw

De Wilde, die inmiddels een likeurstelletje met een paar trommeltjes op tafel gezet, eene pijp gekregen en het kistje met puik Varinas naar Schroeder had toegeschoven; „en zeg mij, vervolgde zij, „hoe maakt men het te Amersfoort? Is Klaar wel, en de kinderen ook?quot;

„Klaar is heel wel'quot; antwoordde Schroeder, terwijl hij ging zitten en zijn pijp stopte, „en de kinderen ook. Voor de rest,quot; bij ons gaat het best, en wij hebben ten minste gezorgd, dat het te Amersfoort niet ging als overal elders, waar booi baas is, nu de Keezen al de

ordentelijke lui uit ambt en bediening hebben geknikkerd____maar

dat 's waar ook, jou man is mede een van die kliek, en, voor den drommel! 't ziet er hier ook uit of....quot; en, zonder zijn volzin ten einde te brengen, stond hij op en keerde achtereenvolgens al de platen om, die aan den wand hingen, en de portretten vertoonden

-ocr page 357-

EEN WAKKEK MAN. 349

van (quot;afpellen tot de Pol, Vader Hooft, De Gijzelaar en den kolonel Van (jroudoever, benevens de fraai bewerkte voorstelling van de oefening van het Genootschap tot den wapenhandel in de Nieuwe Kerk en vai i de uitreiking van het vaandel aan dat Genootschap.

„Zie.too!quot; zei htf, na 't volbrengen dier verrichting: „het zet mij maar Itwaad bloed, wanneer ik die dingen zie; en nu, Zuster, doe mij nog «en genoegen?quot;

„Wat lt;dan?quot; vroeg zij, half geërgerd, half lachende.

„Stop, .zoolang ik hier ben, die doekspeld weg: keffertjes ontmoet ik genoag en ik verlang ze hier niet aan te kijken.quot;

„Altijd dezelfde,quot; zei Juffrouw De Wilde, terwijl zij aan haar broeders wensch voldeed en de speld, die op haren halsdoek prijkte en met een zilveren keeshond versierd was, aflegde en in haar naaikistje w egborg: „Is 't zoo goed?quot;

„Wel ja; nu kan ik mij weer verbeelden tegenover een ordentelijk mensch ie zitten.quot;

„Ja maar, Piet,quot; hernam zij, „als je niet ontsticht wilt wezen, is het dan toch. ook niet jou plicht geen ergernis aan anderen te geven? En zou 't zelfs niet voorzichtig zijn, dat je dat blommetje wegbergdet?quot; — En meteen wees zij op eene goudsbloem, die door 't knoopsgat van haren broeder stak.

,'t Is zelfs wonder,quot; vervolgde zij, „dat de jongens op straat je geen molest heblen aangedaan.quot;

„Hm, wat! ze moesten 'reis beginnen! ze zouen zien, dat Pieter Schroeder ook nog handen aan zijn lijf heeft!quot;

„Ja maar, 't zijn de jongens alleen niet. De Regeering heeft strenge publicaties gemaakt tegen 't dragen van oranje, en ie loopt gevaar, dat 2e je naar de kortegaard brengen als ze die bloem in 't oog krijgen.quot;

„Je Regeering! -— ja, 't is een mooie Regeering, die je hebt tegenwoordig: eene Regeering, die toelaat, dat vrome Regenten en eerlijke burgers geplunderd worden, en die ordentelijke lieden, als zij zich tegen balddadigheden verzetten, in de kast zet of ophangt.. -. heb je geen bitter?quot; vroeg hij, toen zijn zuster hem een glas jenever had ingeschonken.

„Neen,quot; antwoordde zij: „George drinkt nooit bitter.quot;

„Hm! ik begrijp het al: bitter is ook al op den index, evenals de goudsbloemen, en 't moet alles „klaar Vaderlandschquot; wezen. Waarachtig, de lui worden stapelgek tegenwoordig. — Maar patiëntie! 't eindje zal den last dragen, en nu vooral, nu die vlegels zich verstout hebben, de Prinses aan te houden. Of denken zij, dat de Koning van Pruisen het als zoetekoek zal opnemen, dat men zijn zuster op zoo'n manier behandelt?quot;

„O! de Koning van Pruisen weet wel, hoe Frankrijk nooit zou toelaten, dat ons een haar gedeerd werd.quot;

„Frankrijk? — Ja, de groetenis. Als je daarop rekent----! De

Franschen hebben indertijd bij Rosbach klop genoeg gehad, en die zullen wel geen trek hebben, er zich weer aan te wagen.quot;

„Nu! de Pruisen weten in allen geval, dat wij ook gewapend zijn.quot;

-ocr page 358-

350 EEN WAKKER MAK.

„Ja wel! die vliegende legertjes, die met 's lands geld betaald worden en die er zich best op verstaan, om plundertochten bij de boeren te doen! ei; die wafelruiters hier van t Koningsplein — en die helden van Salm — allemaal een mooi troepje! Ik heb ze laatst, dat ik voor mijn zaken te Utrecht was, zien uittrekken met 'r vierhonderden, om Soestdijk bij donkeren nacht te gaan plunderen, niet meer of minder dan een rooversbende. Wat hebben zij uitgericht? Zij zijn voor 't hek gekomen en hebben een braven schildwacht doodgeschoten, die zijn snaphaan had losgebrand, om alarm te geven; — en wat is er toen gebeurd? Zij hadden er niet op gerekend, dat men weerom zou schieten, en toen die handvol Hessen hen met kogels begroette, zijn ze als hazen op den loop gegaan. Acht wagens hadden zij meegenomen, om er den buit in te bergen; en wat hebben ze er in teruggebracht? louter gekwetsten; terwijl de schrik er zoo in zat, dat ze tot Hilversum en 's-Gravenland toe zijn gevlucht, de een hier-, de ander daarheen. — Ja, 't is mij een volkje! Echte ganzen, die 't blazen verstaan, maar voor hun bijten hoeft niemand bang te wezen.— Maar van wat anders — is het waar, dat je man het tegenwoordig zoo druk heeft met zijn schutterszaken, dat hij zich met zijn winkel niet meer bemoeien kan?quot;

„Dat is overdreven,quot; antwoordde Juffrouw De Wilde, op eenigszins gedwongen toon, en met eene uitdrukking, die haren broeder niet ontging: „druk heeft hij het met de Schutterij, dat is waar.quot;

„Zoo? En denkt hij, dat hij daarmee zijn vrouw en kinderen zal bevoordeelen? Wat drommel! 't is of iedereen mal wordt tegenwoordig. Wat gaat hem de politiek aan ? Laat hij bij zijn tabak blijven, zooals ik doe — hij bij de Amerikaansche, en ik bij de Amersfóortsche — dan doet hij vrij wat wijzer!quot;

De vrouw des huizes antwoordde niet, en dat was het verstandigste wat zij doen kon. Immers te loochenen viel het niet, dat er in de opmerking, die haar broeder deed, veel waars gelegen was, en reeds meermalen had zij zich zelve afgevraagd, of niet De Wilde beter had gedaan, wat minder de zaken van land en stad en wat meer zijne eigene te behartigen; doch van een anderen kant had zij haar man te lief en waa zil te veel aan hem gehecht, om, 't geen zij zeker in stilte denken mocht, uit den mond eens derden te hooren, zelfs niet ofschoon die derde haar broeder was. Het il me plait d'être battue van Martine zal ten allen tijde tegenover anderen de leus der getrouwde vrouwen blijven. Toch, bepaald weerspreken kon zij Schroe-der's woorden niet en zoo nam deze dan ook haar stilzwijgen als een bekentenis op.

„Ja,quot; zei hij, , tis zooals ik dacht: en je kunt niet ontkennen, dat de zaken achteruitgaan.quot;

„Daar weet ik niets van,quot; hernam zijn zuster: „en dat heb ik ook niet gezegd. Ik bemoei mij nooit met hetgeen kantoor en winkel betreft. Maar in allen geval moet je bedenken. Piet, dat in buitengewone tijden, als die wij beleven, lieden van bekwaamheid niet terug mogen blijven waar het algemeen belang zulks vordert.quot;

„Lieden van bekwaamheid! herhaalde Schroeder, schamper

-ocr page 359-

EEN WAKKER MAN.

lachende: „knap in zyn vak, ja, daar heb ik hem altijd voor gekend, maar is hij daarom nu ook bekwaam in militaire zaken? Waar drommel heeft hij daar de wijsheid in opgedaan?quot;

„Dat weet ik niet; maar dat hij er knap in moet zijn, dat blijkt uit de stukken; immers anders hadden zij hem niet van kapitein tot luitenant-kolonel bevorderd, en dan zou de Heer Van Goudoever niet al wat het bataljon betreft aan hem overlaten, en dan zou 'tniet gebeuren, dat er op den Doelen niets gedaan of besloten wordt van eenig belang, of hij wordt er in gekend.quot;

„Op welken Doelen?quot;

„Wel op den Garnalen Doelen, daar het Comité van defensie zit.quot;

„Nu! ik mag het lijden. Je man mag een Coehoorn wezen of een Groote Frits. Waar 't hem aangewaaid is, weet ik niet; maar dat hebben wij niet te onderzoeken, 't Soldaatje-spelen is tegenwoordig een ziekte hier in 't land. Brr! allemaal helden!.... in den mond namelijk. Snoeven, ja! daar verstaan zij zich op: als men ze hoort spreken, is 't, of elk van hen een half dozijn Pruisen bij zijn ontbijt zou opsnoepen ') en wat hebben zij totnogtoe uitgericht? Zich mooie vlaggen laten uitreiken, door mooie juffrouwen geborduurd, en daarbij aanspraken houden vol hoogdravende nonsens; — naar de stadhuizen trekken en hunne Regenten gewelddadig afzetten, om de vrindjes op 't kussen te plaatsen; de dorpen afloopen, om er de wapens op te halen bij andersdenkenden, en eerzame lieden mishandelen, daar verstaan zij zich op. Maar laat eenmaal de Pruis in 'tland komen,

1) Een onder de honderd staaltjes lezen wy In 't Vervolg op TPagenaar, Deel XV, blz. 125, waar 't wordt aangehaald als „den toon aanslaande, die toen het geheele land doorklonk;

Aldus herleeft de roemrijke Eeuw Der eerste onwinhre Batavieren.

O Holland I pronkt uw gryze Leeuw Niet schoon met Burgerkrijgsbanieren ?

Zie hier 't oud Belgisch oorlogsveld!

Zie hier Civilis zoons campeeren Om op 't verraaderlyk geweld,

Gelyk van ouds, te trlumpheeren.

Ruk aan, I.andsaterllng, *) ruk aan,

Kom met uw stugge Oranjebenden:

Beproef hoe burgerdrommen slaan En Beulen t) na den afgrond zenden.

Of wagt ge eerst vreemde Soudeniers?

O Laffe 1 sleunt ge op hulp vermogen?

't Is wel; de moed des Batavlers Ziet ook dien Vyand onder de oogen,

VermeetleJ sidder daar ge ons dreigt.

Nu Mapfa's §) Vaanen zich vereenen,

Weet dat de dag ten avond neigt,

Waarop uw zon heeft ultgescheenenl

*) Dat aan 't adres van den goeden Willem V.

t) Wat die Beulen eigenlijk gedaart hadden, meldt de Geschiedenis niet. §) Die Mappa Is dus de Civillis redivivus.

351

-ocr page 360-

352 EEN WAKKER MAN.

en je zult zien, hoe ze zullen wegsmelten, als sneeuw voor de zon.quot;

„Ja,quot; zei Juffrouw De Wilde: „van die vliegende legertjes weet ik niet af; maar je zult toch de schutterij daar niet mee verwarren, die vanouds bestaan heeft en altijd, zeit George althans, in eere is gehouden.quot;

„De Schutterij! een fijne boel, je Schutterij, waar de schutters hunne eigen officieren afzetten en er anderen voor in de plaats benoemen: je Schutterij, die de wet stelt aan de verordineerde machten en die het bedaard toelaat, dat men bij zijn overheden den boel wegplundert.quot;

„Zeg dat niet van George!quot; riep zijn zuster: „die heeft met zijn manschappen het huis van Burgemeester Dedel tegen de plunderaars beveiligd.

„Heeft hij? Nu! dat 's braaf van hem; maar nog beter had hij

f:edaan, hij en zijn medeschutters, indien zij niet, door zich tegen e Regeering te verzetten, het slechte voorbeeld hadden gegeven aan 't kanalje, dat nu op zijn beurt ook niemand meer ontziet en alles geoorloofd acht. Maar, geloof mij, Engeltjelief! het zal niet altijd zoo duren, en de tijd zal komen, dat zij, die zich zoo voorop gezet hebben, het zich zullen beklagen. En daarom, wat ik je voornamelijk zeggen wou, is----quot;:edaan, hij en zijn medeschutters, indien zij niet, door zich tegen e Regeering te verzetten, het slechte voorbeeld hadden gegeven aan 't kanalje, dat nu op zijn beurt ook niemand meer ontziet en alles geoorloofd acht. Maar, geloof mij, Engeltjelief! het zal niet altijd zoo duren, en de tijd zal komen, dat zij, die zich zoo voorop gezet hebben, het zich zullen beklagen. En daarom, wat ik je voornamelijk zeggen wou, is----quot;

Hier werd hij in zijn rede gestoord: de deur ging open en de man des huizes trad binnen.

Wij achten het minder noodig, eene beschrijving te geven van het uiterlijke voorkomen van De Wilde; daar al wie zijn gelaat wil kennen, het te zien kan krijgen, zooals hij in plaat voorkomt in het Vervolg op Wagenaar's Vaderlandsche Geschiedenis, Deel XVII, blz. 216, en op den penning, afgebeeld in het vervolg van Van Loon's Penningwerk, achter het Negende Stuk, — een flink kloekgebouwd man van bijna vijftig jaren, wiens oog moedige fierheid, wiens oogen vastberadenheid uitdrukken.

Thans echter scheen over dat oog een wolk van somberheid te zweven, en het voorhoofd was gefronst, als dat van iemand, die zich, door welke oorzaak dan ook, op onaangename wijze voelt aangedaan. Die uitdrukking van wrevel verdween niet, maar werd integendeel nog donkerder, toen hij den bezoeker bespeürde. Hij vermande zich echter, trad naar hem toe en bood hem do hand aan.

„Zoo, Piet!quot; zeide hij: „daar doe je. wel aan, datje ons eens komt bezoeken. Je blijft bij ons eten, nietwaar?quot;

„Dat heb ik hem ook al gevraagd,quot; zei Juffrouw De Wilde: „maar hij wil niet.quot;

„Ik had het gaarne gedaan,quot; voegde Schroeder er bij: „doch ik ben wat gepresseerd.quot;

,'t Is jammer!quot; hernam De Wilde: „als je vandaag bleef....quot; en, zich zeiven in de rede vallende, vervolgde hij, tegen znn vrouw: „wat ik zeggen wilde. Engeltje! wij gaan van avond naar de komedie; ik heb drie plaatsen laten halen, voor ons en voor Hendrik.quot;

„Naar de komedie!quot; herhaalde Engelina, eenigszins verbaasd op-

-ocr page 361-

EEN WAKKEK MAN. 353

ziende, en blijkbaar alles behalve gesticht door dio mededeeling: „en dat zoo op stel en sprong?quot;

„Ja, zieje,quot; zei De Wilde, ,'t is vandaag de opening van 't speelseizoen, en----quot; hier viel hij zich wederom in de rede, doch ditmaal,

om zich tot Schroeder te wenden: ,'t is jammer dat je niet blijft, dan zouje met ons kunnen gaan.quot;

„Och ik val niet erg komedieachtig,quot; zei Schroeder: „en wat geeft men van avond?quot;

„Een fraai stuk, van de Barones Van Lanoy: het beleg van Haarlem.quot;

„Wel! wel!quot; zei Schroeder, meesmuilende: „pas maar op, dat je niet spoedig het beleg van Amsterdam ziet vertoonen.quot;

„Hm! — niet zoo licht! — De Koning van Pruisen zal zich, meen ik, tweemaal bedenken, eer hij zijn volk op ons afstuurt,quot; zeide De Wilde.

„Dat 's nog de vraag,quot; hervatte zijn zwager: „de vertoogen van Thulemeijer bij de Staten waren nogal dringend, en eenmaal a gezegd hebbende, zal hij vrees ik, wel het geheele a l c toi z door-loopen.quot;

. „Nu, laat hem komen! Wij zijn best in staat, hem af te wachten.quot; !■ ,'k Mag 't lijden,quot; zeide Schroeder, de schouders ophalende. „Je rekent misschien op hulp van Frankrijk,quot; voegde hij er met een spottend lachje bij,

„Wat doet u aan het verleenen daarvan twijfelen?quot; vroeg De Wilde, hem uitvorschend aanziende.

„Wel, hoe zou ik twijfelen? Heeft Vérac niet honderdmalen de Staten van de vriendschap zijns meesters verzekerd? Is er niet een observatie-corps bij Givet verzameld, dat als de Koning maar blaast, tot 150,000 man kan aangroeien, en, als hij nog eens blaast, in een ommezien over onze grenzen is? Wordt niet te Brest een vloot uitgerust, gereed om uit te zeilen en Engeland in bedwang te houden, voor 't geval, dat het aan Pruisen hulp mocht willen bieden? En wie zou onder zulke omstandigheden nog'verlegen kunnen zijn! 't Is waar, de Markies De la Coste heeft Den Haag verlaten, eti volgens sommigen staat Vérac gereed, het voorbeeld van zijn schoonzoon te volgen; maar dat behoeft bij niemand onrust te baren; want de eerste is alleen om familiezaken uit, en als de tweede vertrekt, zal 't alleen wezen, om de komst van de armee te bespoedigen. — Maar toch, weet jelui, wat je doen moest, jijlui Patriotten, om eens recht sekuur te gaan ? Jelui moest gevolg geven aan dat mooie plan dat ze op die Leidsche Vergadering gevormd hebben, en in plaats van Brantsen, die 't alleen niet rooien kan, en dien jelui toch niet vertrouwt, die vijf en twintig Ambassadeurs naar Parijs sturen, die aan den Koning zullen moeten vertellen hoe de vork hier eigenlijk in den steel zit. Jongens! wat zullen die Franschjes opkijken, als zij zoo'n achtbaar troepje zien! — Zoo'n drietal Dominees, als Stolcker van Schoonhoven, en Van den Bosch van Leiden, en Bacot van Eenrum, daar zullen zij wat respect voor hebben! —.En of die al geen Fransch spreken, dat 's minder; zij hebben Cerisier met zich,

E. w. V 23

-ocr page 362-

354 EEN WAKKER MAN.

om 't woord te voeren. Alle an is 't te vreezen, dat, als zij bij den Koning worden toegelaten, bet hun zal gaan als indertijd de Edelen bij Margaretha, en dat Brienne of een ander, als hij aan Sire vertellen wil, hoe dat nu eigenlijk een bezending vau keezen is, 't woord op zijn Fransch uitspreekt, en dan, evenals voorheen Barlai-mont aan de Landvoogdes, hem influistert, ce ne sont que desgueux. Nu! zoo groot ongelijk zal hij niet hebben.quot;

„Je moogt vrij spotten,quot; zei De Wilde, die 't zeker niet der moeite waardig rekende, zich over de stekelige woorden zijns zwagers driftig te maken: „ik beschouw, wat mij betreft, de zaak van een ernstiger zijde. Maar gesteld, wij werden door Frankrijk aan ons lot overgelaten, zou dat ons nog stof tot moedeloosheid moeten geven? Wij hebben in 1672 in hachelijker omstandigheden verkeerd, toen Frankrijk en Munster ons te land bestookten en Engeland ter zee, en de legers van Lode wijk XIV reeds tot in Holland waren doorgedrongen; en toch hebben wij, met Gods hulp, ons land weten te beschermen.quot;

„Ja! maar toen hadtje geen Salm aan 't hoofd,quot; viel Schroeder in: „maar een Willem van Oranje.quot;

„En,quot; vervolgde De Wilde, zonder den hem toegeworpen handschoen op te nemen: „toen waren wij niet, gelijk thans, op krachtige verdediging voorbereid. Vianen, Gorkum, Naarden, kunnen terstond door inundatiën gedekt worden.quot;

„Mits de rivieren wat beter gelieven te wassen dan ze nu doen,quot; merkte Schroeder aan.

„Bij Loevestein liggen uitleggers,quot; vervolgde De Wilde: „aan 't Zwarte Water hebben wij een kanonneerboot en andere kruisen op de Zuiderzee. Geen plaats waar de vijand in 't land zou kunnen dringen, of zij is met een aanzienlijke krijgsmacht bezet en overal zijn de goed-gezinden gewapend, om het leger te versterken. Van Üitert,1) dat net middelpunt van het aangenomen stelsel van defensie is, kunnen al de operatiën bestuurd worden; het heeft al de sluizen in zijn macht en stelt den vijand, zoodra deze is binnengerukt, aan drie overstroomingen bloot. De Pruisen mogen vrij aanrukken: wij verwachten hen: komen zij al binnen 't land, niet zoo licht zullen zij er weer buiten geraken.quot;

„Nu!quot; hernam Schroeder: „wij zullen zien; doch inmiddels heb ik u een voorstel te doen, waar ik juist met Engeltje over spreken ging, toen je binnenkwaamt. Indien het eens werkelijk zoover komen mocht, dat Amsterdam met een beleg werd bedreigd, zou je dan je vrouw en kinderen niet willen sturen? Bij mij te Amersfoort zouden zij stellig geen gevaar kunnen loopen.quot;

„Denkje dan, dat ik, als er werkelijk gevaar was, mijn man verlaten zou?quot; vroeg Juffrouw De Wilde; doch toen zij onder het spreken haar man aanzag, bespeurde zij, niet zonder eenige verbazing, hoe hij, wiens kloekheid en verachting van alle gevaar zij

1

) Een Hollander zon In die dagen, ja nog tot In 1830, evenmin van Utrecht gesproken hebben als dat hy buten voor buiten had gezegd.

-ocr page 363-

EEN WAKKER MAN. 355

kende, geen enkel gebaar maakte, waaruit men zou hebben kunnen opmaken, dat hij het aanbod van Sohroeder verwerpelijk achtte; maar dat hij integendeel zwijgend voor zich keek, als nam hij het in ernstig beraad.

„Ik dank u,quot; zei De Wilde, na eenige oogenblikken van stilte, terwijl hij aan Schroeder de hand toestak; ,'t is hartelijk en wel van u gemeend, gelijk ik trouwens niets dan hartelijks van u verwachtte, en, mocht ik ooit in het geval komen, uwe hulp noodig te hebben, zoo zal ik ongetwijfeld niet aarzelen, haar in te roepen; voor het oogenblik echter bestaat er geen billijke reden tot eenige ongerustheid. Doch ik beloof het u, ik zal uw aanbod in mijn gedachten houden. — En nu de politieke zaken eens op zij gezet; verhaal mij liever iets van uw vrouw en kinderen.quot;

Of de vrouw en kinderen werkelijk aan De Wilde zulk een bijzonder belang inboezemden, weten wij niet; in allen geval doen zij 't ons niet, en wij zullen daarom in ons verhaal niets opnemen van wat over hen gezegd en evenmin van wat door het drietal verder verhandeld werd. Het onderhoud duurde ook niet lang meer; Schroeder nam zijn afscheid en de echtgenooten bleven alleen.

„U verlaten!quot; was het eerste, dat Juffrouw De Wilde uitriep, toen de voordeur achter haren broeder was dichtgeslagen: „hoe kon Piet zoo iets van mij verwachten? en hoe is 't mogelijk, dat je zelf zoo iets in beraad neemt?quot;

„Toch zal 't misschien noodig zijn,quot; merkte De Wilde aan.

,Wat?quot; vroeg zijn vrouw, ten toppunt van verbazing: „zouje ooit kunnen begeeren, 'dat ik hier vandaan ging en je alleen liet! — Maar ik herken je niet. Wat is er toch gebeurd? Je ziet er niet uit als gewoonlijk. Zeker hebje slechte tijdingen.quot;

„Die heb ik,quot; zei De Wilde; „en ik achtte niet noodig, ze mee te deelen aan je broer, die er slechts in groeien zou, en ze toch gauw genoeg zal hooren. Thulemeijer heeft zijn ultimatum bij de Staten ingediend, en wij hebben ons dus nog deze week op het binnenrukken der Pruisische troepen te verwachten.quot;

„Zouden zij waarlijk durven?quot; vroeg Engeltje: „in weerwil dat Frankrijk....quot;

„Dat is het juist,quot; viel De Wilde haar in; „de Pruisen, die men niet verwachtte, zullen komen, en de Franschen, op wier komst men gerekend had, zullen ons in den steek laten. Vérac is gisteren uit Den Haag vertrokken, na genoegzaam te kennen gegeven te hebben, dat men op den bijstand zijns meesters niet moest rekenen.quot;

„Maar dat is een schandaal!quot; riep zijn vrouw: „zijn wij dan geheel aan ons zeiven overgelaten?quot;

„Bijna zeker schijnt het,quot; vervolgde De Wilde, „dat het Pruisische leger marschvaardig staat, en, dewijl in Gelderland de Regeering geheel op de hand is van dat heerschzuchtige wijf en haar dronkenlap van een gemaal, zullen de vijandelijke benden daar onverhinderd doortrekken en in een paar dagen aan de grenzen van het Sticht kunnen zijn. Maar geen zorg! wij zijn bereid ze te ontvangen.quot;

-ocr page 364-

356 BEN quot;WAKKER MAN.

„Maar dan komt er toch -vrerkelijk oorlog!quot; riep Engelse uit: „en hoe is 't mogelijk, dat je onder zulke omstandigheden er aan denken kunt, om naar de komedie te gaan? Ik althans heb er, na wat je me daar vertelt, niet het minste plezier in.quot;

,'t Is ook niet voor plezier, dat wij er heengaan,quot; antwoordde De Wilde: „waar 't op aankomt is, hij de burgerij een goeden geest te onderhouden. — Straks zal op de Beurs hetgeen ik u meedeelde, en misschien nog wel meer, aan een iegelijk bekend zijn en zich van daar door heel Amsterdam verspreiden. Nu is het de taak van hen, aan wie de verdediging van de stad is opgedragen, aan de menigte een goed gelaat te toonen, en haar de overtuiging te geven, dat wij volstrekt niet beschroomd zijn, maar de toekomst met vertrouwen te gemoet gaan. 't Is daarom, dat de Heer Abbema het denkbeeld heeft geopperd, dat hij en zijne medeleden van 't comité van defensie en voorts zoovele hoofdofficieren van de Schutterij als maar te vinden waren, zich hedenavond met hun families in den schouwburg zouden vertoonen, waar men eene voorstelling geeft, die juist geschikt is, om geestdrift op te wekken en 't volk tot wakkerheid aan te sporen. En nu zie je, waarom wij daarheen zullen gaan.quot;

„Jawel,quot; zei zijn vrouw: „wij gaan er heen, om zeiven comedie te spelen, en om te veinzen, dat wij ontzaglijk veel pret hebben, terwijl wij innerlijk van angst en verdriet gekweld worden.quot;

„Ei kom!quot; zei De Wilde: „ik ben overtuigd, dat, aliye eens daar zijt en je hoort de vaderlandlievende taal van Kenau Hasselaar, en je ziet hoe die weerklank vindt bij 't publiek, dat dan je eigen hart er spoedig zijn kommer vergeten zal en moed zal scheppen en dat

i'e gelaat geen opgeruimdheid zal behoeven te veinzen, maar wer-:elijk, zoogoed als dat van de anderen, van geestdrift gloeien zal. Geloof mij, het zal je goed doen, de opgewondenheid en den burgerzin van onze Stadgenooten op te merken, en ik wed, dat, als je thuis komt, je geen berouw zult hebben er geweest te zijn. Daarom neem ik Hendrik ook mede, die moet ook leeren voelen dat hij een Amsterdammer is en een oprechte patriot: en daarbij — ik zal misschien vóór 't nastuk weg moeten, om een vergadering op den Doelen bij te wonen; — dan kan hij je thuis brengen.quot;'e gelaat geen opgeruimdheid zal behoeven te veinzen, maar wer-:elijk, zoogoed als dat van de anderen, van geestdrift gloeien zal. Geloof mij, het zal je goed doen, de opgewondenheid en den burgerzin van onze Stadgenooten op te merken, en ik wed, dat, als je thuis komt, je geen berouw zult hebben er geweest te zijn. Daarom neem ik Hendrik ook mede, die moet ook leeren voelen dat hij een Amsterdammer is en een oprechte patriot: en daarbij — ik zal misschien vóór 't nastuk weg moeten, om een vergadering op den Doelen bij te wonen; — dan kan hij je thuis brengen.quot;

II.

Hoe onrustbarend de geruchten waren, die omtrent den aantocht der Pruisen en het uitblijven van Fransche hulp werden verspreid, toch was en bleef bij de Patriotten een vast vertrouwen bestaan op het toereikende der maatregelen, in 't werk gesteld tot beveili-

-ocr page 365-

EB1I WAKKEK MAN. 357

ging, zoo van de Provincie Holland als van Amsterdam. Te spoedig echter zou men, wat de eerstgemelde betreft, leeren inzien, hoe weinig ook met de beste middelen van verdediging is aan te vangen, wanneer het faalt aan verdedigers, om er gebruik van te maken.

De tijding, aan wier komst velen tot dien tijd maar volstrekt geen geloof hadden willen slaan, dat de Pruisen werkelijk reeds op het grondgebied van den Staat gekomen en tot dicht bij Tiel genaderd waren, was op den 15den September — vijf dagen alzoo na het door ons verhaalde gesprek — te 's-Gravenhage bij de Staten van Holland door onderscheidene brieven officieel bekend geworden. Onder deze omstandigheden werd door Joan Geelvinck, Heer van Castricum, Baljuw van Amstelland, een van de twee, die door de bovendrijvende partij, te Amsterdam op den burgemeesterszetel, waar men Dedel en Beels had afgedrongen, was geplaatst geworden, en die nu als afgevaardigde ter Vergadering van Hun Edel Groot Mogenden zitting had, namens zijn lastgevers de vrees geuit, dat Den Haag, als een open plaats zijnde, eerlang geen veilige vergaderplaats voor de Staten te achten ware, en daarom den voorslag gedaan, die vergadering naar het welyersterkte Amsterdam te verleggen: een voorslag, waar zich de prinsgezinde Ridderschap en eenige Steden tegen verzetteden, doch waarin de meerderheid bewilligde. Zoodra was het besluit niet gevallen, of Geelvinck had zich met den pensionaris Van Berckel naar Amsterdam begeven, ten einde te zorgen, dat op het Stadhuis alles in gereedheid werd gebracht, om er, op Maandag daaraanvolgende, de bedoelde vergadering te houden.

Het was Zondagmiddag even na kerktijd, en de reeds genoemde burgemeester had zich naar 't Stadhuis begeven, om de Raadkamer in oogenschouw te nemen. Bij hem bevond zich De 'Wilde, dien hij had ontboden, om met hem' te beraadslagen over de plaatsen, die de schutters, staande de samenkomst van Hun Edel Groot Mogenden, als eerewacht op en voor het Stadhuis zouden bezetten.

„Zie eens, De Wilde,quot; zei de Burgemeester, terwijl hij zich de handen met welgevallen wreef, „hier vóór den toegemetselden schoorsteen zullen onze Afgevaardigden zitten: rechts, de Zuid-Hollandsche Heeren, en links de Noord-Hollandsche, en daar, aan de overzijde, de Ridderschap.quot;

„Die laatste plaatsen zullen niet druk bezet worden,quot; merkte De Wilde lachende aan.

„Des te beter! laten zij wegblijven die dwarsdrijvers, met wie toch niets is aan te vangen, en die niets liever zouden verlangen, dan ons met gebonden handen over te leveren aan den Prins. — Maar zullen de Heeren hier niet kostelijk zitten. De Wilde? Ja, kijk! het moest eigenlük altijd zoo zijn, dat de Regeering van de Provincie haar zetel had te Amsterdam, 't is toch Amsterdam, daar het geheele land mee staat of valt, en men is er buiten den invloed van die verderfelijke hoflucht.quot;

„Die is in de laatste maanden toch eenigszins gezuiverd,quot; zei De Wilde.

-ocr page 366-

35S BEN WAKKEB MAN.

„Toch nooit geheel, De Wilde, nooit geheel,quot; hernam Geelvinck: „vooreerst die Ridderschap, en dan al die leveranciers, die van den

Prins en zijn hofstoet levej---- neen, De Wilde! wij moeten ze

voorgoed hier zien te krijgen, de Staten-vergaderingen, al mochten wij er een huis expres voor laten bouwen; — want, zieje, dat de Vroedschap op den duur in Burgemeesterskamers zou bijeenkomen, dat ging ook niet. Maar ja, nu over onze eerewacht gesproken! wat diiukt je, als. .

Hier werd hij gestoord door een der boden, die hem het bericht kwam brengen, dat er een koerier aan de voordeur was afgestapt, die onmiddellijk Zijn Edel Achtbare wenschte te spreken over zaken van 't uiterste gewicht.

„Alweer een koerier!quot; zei Geelvinck, op een verdrietigen toon: „'t regent tegenwoordig zoogenaamde koeriers, en dan zijn 't doorgaans van die luidjes, die zich een air van gewicht willen geven, door ie met een grooten ophef hoogst onbeduidende dingen te komen vertellen. Doch 't zij daarmee zoo 'twil, laat den man boven komen.quot;

„Wil ik mij intusschen hiernaast begeven?quot; vroeg De Wilde.

„Wel neen, man,quot; antwoordde Geelvinck: „blijf gerust hier; misschien brengt hij 't een of ander, dat tot de stadsdefensie betrekking heeft, en dan is 't niet kwaad, dat je 't ook hoort, om 't aan 't Comité over te brengen.quot;

De Wilde boog, maar ging toch uit bescheidenheid op een korten afstand terug, toen de aangekondigde koerier binnentrad.

't Was den man aan te zien, dat hij haast gemaakt en met spoed gereden had, en geen goed nieuws bracht: zijn rijrok was scheef dichtgeknoopt, zijn das losgegaan, zijn haren pruikje zat hem scheef op 't hoofd en zijn rijlaarzen niet alleen, maar zijn geheele kleeding, ja zijn gelaat, waren bedekt met stof en moddervlekken; terwijl zijn reeds van nature hooggekleurde wangen gloeiden als karmozijn en zijn oogen een alles behalve vroolijke uitdrukking hadden.

„Mijnheer Hoevenaar!quot; zei De Wilde, halfluid, toen hij den man herkende, dien hij wel eens te voren op een patriottische vergadering ontmoet had.

„Zoo! ken je mijnheer?quot; vroeg Geelvinck, en toen, zich tot den koerier wendende: „wat breng je. Vriend? zeker niet veel goeds.quot;

„Neen, Edel Achtbare!quot; riep de andere, die vast naar adem scheen te hijgen, en toen, zijn stem plotseling latende zakken, mompelde hij op een doffen toon: „üitert is verlaten.quot;

„Wat bliefje?quot; vroeg Geelvinck, terwijl hij met open mond den man bleef aanstaren, die hem zulk een ongeloofelijke tijding bracht.

„Maar dat is onmogelijk!quot; mompelde De Wilde bij zich zeiven.

„Onmogelijk of niet,quot; hernam de persoon, dien hij Hoevenaar had genoemd: „toch is 't waar. Wij zijn verraden; doch wie het gedaan heeft, dat is nog een raadsel.quot;

„Maar.... wie ben je eigenlijk?quot; was al wat Geelvinck kon uiten, 't Scheen, dat hij, om eenig geloof te slaan aan de hem gebrachte tijding, wilde weten, in hoeverre hij kon afgaan op de geloofwaardigheid van den brenger.

-ocr page 367-

EEN WAKKER MAN. 359

„Mijn naam is Hoevenaar,quot; antwoordde de ander, terwijl hij De Wilde aanzag, alsof hij zeggen wou: „wat doet het er toe, hoe ik heet, als ik waarheid spreek.quot;

„Mijnheer is een üitersman,quot; zeide De Wilde, „en een waar patriot.quot;

„Ha zoo!quot; zei Geelvinck: „en wat is er dan gebeurd?quot;

„Er is gebeurd wat iedereen, evenals Uw Ed. Achtbare, onmogelijk gekeurd zou'hebben. — Gisteren kwam de Rijngraaf, die naar Woerden geweest was, om, zooals wij meenden, met de Heeren van de Commissie ter defensie te beraadslagen over de middelen, om de Pruisen te keeren, van daar terug, en bracht aan Burgemeesteren den schriftelijken last, op hem verstrekt, om de stad onmiddellijk met zijn troepen te verlaten en zich op Holland terug te trekken.quot;

„Zijn zij te Woerden dol geworden?quot; vroeg Geelvinck, geheel uit het veld geslagen.

„Er werd,quot; vervolgde Hoevenaar, „Vroedschap beleid en daar gat de Rijngraaf kennis van zijn voornemen, om dadelijk met al zijn macht af te trekken en zicfi tot de verdediging van Amsterdam te bepalen. Het ging er in 't eerst als met Uw Ed. Achtbare: niemand wilde hem gelooven. Maar men moest wel zwichten voor de overtuiging, toen men de schriftelijke lastgeving zag: en zoo was goede raad duur. Men liet de Geconstitueerden komen en de officieren van de Schutterij, waartoe ik ook behoor, als den Heer De Wilde bekend is, en men begeerde van ons, dat wij aan de schuttercompag-niën dat treffend bericht zouden mededeelen; doch er was geen enkele onder, die daar trek in had: en zoo kwam men tot een besluit, dat er aan elke compagnie een lid van den Raad zou afgevaardigd worden, om de boodschap te doen. Dat gebeurde dan ook; maar verbeeld u. Edel Achtbare! de woede van onze brave manschappen, toen zij vernamen, dat de stad, die wij zoolang bewaakt, beschermd én verdedigd hadden, zonder zweem van tegenweer zou worden overgeleverd. Het is niet in mijn vermogen de verwarring te beschrijven, die nu ontstond. Eene wijl was er sprake onder ons, schutters, om de stadswallen en poorten te bezetten en zoo aan de troepen het uittrekken te beletten: — doch, wij waren wapenloos, en voor één, die zich niet ontzien zou hebben, om zich tot zulk een einde te gaan wapenen en aan het plan gevolg te geven, waren er twintig, wien de schrik om 't lijf geslagen was of die zoodanig een ontwerp onuitvoerbaar achtten. Daarbij kwam nog de wenk, door de leden van de Vroedschap gegeven, dat al wie reden meende te hebben, om voor de wraak der Oranjelui te duchten, verstandig zou doen, zich voor een poos te verwijderen: welk een en ander ten gevolge had, dat de een voor, de ander na, afdroop, de meesten, om hun boeltje te pakken en een goed heenkomen te zoeken, 't Was intusschen nacht geworden en de tijding als een loopend vuurtje de stad rondgegaan, zoodat de straten vol volks en alles in rep en roer was. In dien stand van zaken verzochten Burgemeesteren mij, als iemand, die toch niet in de stad zou kunnen bliiyen, na hetgeen ik als een echt patriot op mijn conscientie had, 01 ik mij met den

-ocr page 368-

360 EEN WAKKEK MAN.

meest mogelijken spoed naar Amsterdam begeven wilde, ten einde er aan de Regeering bericht te brengen van het gebeurde en haar voor te bereiden op de kjmst van zoovelen als de wijk uit Uitert zouden nemen, en haar te verzoeken, de noodige maatregelen te nemen, om hen te ontvangen en in hunnen nood te voorzien. Ik nam aan, mij van dien last te kwijten, en zoo verliet ik — laat in den nacht — het Stadhuis, 't Was een treurig gezicht, dat de straten opleverden! Zij waren vol als bij lichten klaren dag. Overal, waar men kwam, zag men mannen, vrouwen, kinderen, doormekaer loopen, menschen die oppakten, menschen die om rijtuig uit waren, menschen die zich bepaalden bij vloeken en tieren, schutters, die hunne wapenen wegsmeten of aan stukken braken: 't was een drukte en een confusie, daar men zich geen denkbeeld van maken kan. Ik was spoedig genoeg bij mij aan huis, om mijn familie te waarschuwen en vervolgens naar stal, om mijn harddraver te zadelen; doch toen ik opgestegen en aan de poort was, toen had ik werk er uit te komen; want het was daar al vol van vluchtelingen, aanzienlijken en geringen, evenals of hun de Pruisen reeds op de hielen zaten en ieder maar zorgen moest de eerste te zijn, om zich in veiligheid te stellen, 't Was bijna niet dan met geweld, dat ik mij een weg baande door dien hoop, en ik was blijde toen ik mij eens daarbuiten en op den grooten weg bevond. Rust heb ik mij niet gegund en ik heb doorgereden tot ik voor 't Stadhuis was.quot;

„Maar, mijn hemel! wat zal dit nu geven!quot; riep de Burgemeester, terwijl hij op en neer door de zaal liep en terwijl de ontvangen maar hem evenzeer het hoofd scheen te hebben doen verliezen als aan de Jtrechtsche burgers: „ik zal terstond om mijn ambtgenooten zenden,quot; zeide hij eindelijk: „en dan moet je nog eens in hunne tegenwoordigheid herhalen, wat j'e mij verteld hebt. Bode!quot; — vervolgde hij, na gescheld te hebben, — „zend terstond om Heeren Burgemees-teren — terstond, hoor je?quot;

De Bode was in de laatste tijden wel gewoon, dat er buitengewone oproepingen ten Stadhuize gedaan werden en, met een zijdelingschen glimlach tegen De Wilde, verliet hij de zaal.

„Maar wie kon dat van Heeren Gecommitteerden ooit gedacht hebben, dat zij zoo'n last zouden hebben gegeven!quot; riep Geelvinck, toen de Bode vertrokken was: „mijn hemel! wat nu te doen? —Ja, mijn goeie man,quot; vervolgde hij tegen Hoevenaar, die nu langzamerhand van hoogrood doodsbleek was geworden en werk had, om zich staande te houden: „ie zult wel wat noodig hebben, om op je verhaal te

komen. Ik zal last geven, dat ze je 'teen of ander toedienen____je

moet wat gebruiken. Vriendlief, anders ben je niet in staat, om straks behoorlijk verslag te doen aan de Heeren.... och. De Wilde! breng jij den man eens bij den concierge.quot;

De Wilde boog en geleidde den vermoeiden Stichtenaar de zaal uit en naar beneden.

„Is dat een patriot?quot; vroeg Hoevenaar, terwijl zij de trap afgingen: „mij dunkt, hij heeft al het voorkomen van een aristocraat, met zijn „Vriendliefquot; en zijn „goeie man.quot;

-ocr page 369-

ElSN WAKKER MAN. 361

„Wat wil je,quot; zei De Wilde met een glimlach, „natuur gaat boven de leer, en al is mijnheer Van Oastricum nog zoogoed gezind, hij is en blijft een man van de oude Regeedng.quot;

Middelerwijl bleef de Heer Van Castricum — want het was nog meer onder dezen titel dan onder zijn familienaam van Geelvinck of onder zijn kort verkregen titel van Burgemeester, dat hij in Amsterdam werd aangeduid — de Raadkamer op- en nederloopen in een alles behalve benijdenswaardigen gemoedstoestand, en bij zich zeiven het oogenblik verwenschende, waarop hij een zetel bekleed had, die hem nog weinig eer, maar heel wat last, zorgen en verdriet had verschaft.

„Wat nu? wat nu?quot; vroeg hij aan De Wilde, toen deze, na Hoevenaar aan de zorg der vrouw van den concierge te hebben aanbevolen, weder binnentrad.

„Indien ik mij veroorloven mag. Uw Ed. Achtbare een voorstel te doenquot;.... zei De Wilde.

„Wel man! wat is het? laat hooren,quot; zei de Burgemeester.

„Dan zou ik vragen,quot; hernam De Wilde: „of Uw Ed. Achtbare niet gelasten zou, dat terstond de noodige voorzorgen tegen oproer werden genomen. De harddraver van den Heer Hoevenaar heeft snel gereden; doch er zijn meer paarden, die goed over den weg gaan, en 't kan niet missen, of binnen 't halfuur is de maar, die hij bracht, ook door anderen hier verspreid. Slechte tijdingen komen altoos snel genoeg, en op 't hooren van het gebeurde kan 't niet missen of de Oranjepartij steekt het hoofd op, en dan weten wij niet, waartoe zij in staat is. Vatten de aanhangelingen van den Prins de wapens op, dan dient geweld met geweld te keer gegaan en een bloedbad zou er het gevolg van zijn. Ik zou daarom met bescheidenheid Uw Ed. Achtbare aanraden, geen oogenblik te verzuimen, en niet te wachten tot de overige Heeren hier zijn, maar mij onmiddellijk een schriftelijk bevel te geven, waarbij de Schutterij in de wapenen wordt geroepen, met last om op de eilanden — waar 't meeste gevaar voor oproer schuilt — de wachten te verdubbelen, en evenzoo aan 't Stadhuis, aan de posten op de voornaamste pleinen, en aan de stadspoorten, en eenige compagnieën te zenden buiten de Uitertsche en Weesper-poorten, om aldaar de orde te bewaren als de vluchtelingen aankomen.quot;

„Heel goed verzonnen!quot; zei Geelvinck: „ik zal de order daartoe opmaken. Ja waarlijk; wij moeten op onze hoede zijn.... Maar De Wilde, dunkt u niet, dat wij nog een andere voorzorg moesten nemen, en sommigen van die Heeren, die ons zouden kunnen dwarsboomen, provisioneel in arrest stellen? b. v. Pontifex, •) Harlequin,1) den Brutalen,2) Letter A3) en den Beemster Boer?quot;4)

1

) Mr. Pleter Alexander Hasselaar

2

) Mr. quot;Willem Gerrit Dedel Salomonsz., onlangs als Burgemeester afgezet.

3

) Mr. Jan van de Poll Pieterszoon, aldus genoemd wegens een bemcbte Surllt;

4

naamsche negotlatie, die slechte rekening aan de aandeelhouders gaf.

-ocr page 370-

362 EEN WAKKEK MAN.

.Indien ik er den schriftel'jken last toe ontvang,quot; antwoordde De Wilde, „zal ik dien uitvoeren; doch wanneer Uw Ed. Achtbare mijn opinie vraagt, dan zou ik niet durven aanraden tot zulke uitersten over te slaan. Al die Heeren zijn weer geparenteerd aan anderen van onze kleur, die zich voor hen in de bres zouden stellen, en zoo zou een dergelijke maatregel aanleiding geven kunnen tot wrevel en misnoegen; terwijl wij meer dan ooit vrede en goede harmonie tusschen de patriotten moeten zoeken te bewaren. Bovendien, de kans kan tegen ons keeren, en dan moeten wij de stof tot weerwraak niet onnoodig vermeerderen. Ik verpand er intusschen mijn kop voor, dat zij vooreerst niet veel zullen uitvoeren en ik op hunne gangen zal doen letten.... en nu, Ed. Achtbare! uw schriftelijke order? De oogenblikken zijn kostbaar.quot;

„Ja, je hebt gelijk! Ik zal je helpen.quot; En meteen zette de Heer Van Castricum zich en schreef de order, waarmee De Wilde zich haastig verwijderde.

III.

Het was inderdaad gelukkig, dat er met het nemen van de maatregelen, door De Wilde aanbevolen, niet was gedraald, en dat de schutters, in die dagen aan oproepingen gewoon, zoo spoedig bij de hand waren; immers, nog voordat de daartoe aangewezen compagnieën zich buiten de Utrechtsche en Weesperpoorten hadden begeven, waren er reeds rijtuigen met vluchtelingen uit Utrecht binnengereden, en niet lang duurde het of de eerste volksschuiten vertoonden zich aan de Beerebijt, tot zinkens toe beladen; terwijl van uit de stad al meer en meer menschen daarheen stroomden, 't zij omdat zij onder de vluchtelingen verwanten of kennissen dachten te zullen aantreffen, 't zij door loutere nieuwsgierigheid gedreven. En zeker was 't een schouwspel, zonderling en treurig tevens, die bonte mengeling van personen van allen rang en stand, die daar uit de schuiten stapten. Men zag er Amsterdamsche jongelingen, die weinige weken te voren met een hart vol moed en grootsche verwachtingen naar Utrecht waren vertrokken, om er als waardgelders dienst te doen: Geldersche en Overijselsche patriotten, die, het niet mogende wagen naar hunne woonplaatsen te keeren op 't gevaar af van den vijand in den mond te loopen, alsnu, sommigen enkel uit zorg voor eigen veiligheid, de meesten uit een prijzenswaardige zucht, om de zaak, die zij voorstonden, te blijven verdedigen waar zulks maar mogelijk was, zich naar Amsterdam hadden begeven: voorts Stichtenaren, die, evenals Hoevenaar, eene in 't oog loopende rol in de troebelen hadden gespeeld; deze met pak en zak, gene niets bezittende dan de kleeren, die hij aan 't lijf neeft: enkelen nog van hunne

-ocr page 371-

EEN WAKKER MAN.

wapens voorzien, de meesten daarvan ontbloot; doch allen een verlegen, berooiden hoop vertoonende, en voor wier huisvesting en onderhoud nu gezorgd moest worden. Ieder halfuur, dat er verliep, werd het schouwspel vernieuwd door de komst van nieuwe uitgewekenen, en dat duurde zoo tot aan den avond voort; terwijl toen ook personen van meer gewicht in de stad kwamen, namelijk de leden der Commissie tot verdediging van Holland, die, op het bericht, dat Utrecht verlaten was, hadden geoordeeld, dat hunne taak was afgeloopen, en zich uit Woerden, waar hun hoofdkwartier gevestigd was, doch waar zij gevaar liepen te worden ingesloten, naar Amsterdam hadden begeven, 't Bleek nu hoe de Rijngraaf Van Salm hunne goede trouw verschalkt had, door daags te voren, na hun medegedeeld te hebben, dat Utrecht op den duur niet tegen 's vijands overmacht bestand zou zijn, en men zich dus bij de verdediging van Amsterdam zou moeten bepalen, hun niet slechts een schriftelijke volmacht te ontlokken, om die stad te ontruimen, wanneer de hoogste nood zulks vorderen mocht, maar ook, onder voorwendsel, dat bij de Kegeering twijfel zou kunnen ontstaan of die hoogste nood werkelijk gekomen was, een eenvoudig bevel, om met zijn troepen af te trekken. En 't was van dit bevel, dat hij misbruik had gemaakt, door 't niet te bewaren tot het tijdstip dat de nood het eischte, maar 't onmiddellijk te vertoonen. Weinig tijds na hen kwam ook de Rijngraaf zelf, na een gedeelte zijner troepen te Weesp, te Ouderkerk en aan den Uithoorn in garnizoen te hebben gelegd, met de overigen te Amsterdam. Dat nij in die stad, waar men zoo hoog tegen zijn militaire bekwaamheden opgezien en zich zulke zware offers getroost had, om hem en zijn volk in dienst der Staten te houden, alles behalve gunstig ontvangen werd, is te begrijpen. Men zag hem overal met den nek aan en 't duurde ook maar een paar dagen of hij week in stilte de stad uit en keerde naar zijn land terug.

Het was onder deze omstandigheden, dat, op Maandag 17 September, in de Raadkamer de vergadering plaats had der naar Amsterdam gekomen Staatsleden. De Dam was bij die gelegenheid met geschut voorzien en door het bataljon van De Wilde bezet, terwijl een groote menigte volks daarheen was gestroomd, om een zoo ongewone vertooning te zien als het opkomen van leden der Staten van Holland tot een vergadering op het Amsterdamsche Stadhuis. Ongelukkig voldeed de vertooning niet aan de verwachting. Niet alleen bleven — gelijk men dit had voorzien — de Ridderschap en de Afgevaardigden der prinsgezinde Steden weg — maar ook velen, op wier komst men gehoopt had; zoodat, buiten Amsterdam, alleen Alkmaar en Purmerend vertegenwoordigd waren, en men aan de samenkomst niet den naam van „Staatsvergadering,quot; maar dien van „Conferentiequot; gaf. Toch was die samenkomst niet zonder invloed op hetgeen later voorviel. In de eerste plaats toch overlegde men met den generaal Van Rijssel, die te Naarden bevel voerde, wat er in dit hachelijk tijdsgewricht te verwachten stond, en drong men hem uitdrukkelijk op het hart, de hem vertrouwde vesting tot het uiterst te verdedigen. In de tweede plaats viel er iets voor, dat niet weinig

363

n i

-ocr page 372-

T

364 EEN WAKKER KAN.

strekte om het krijgsvuur bij de patriotten levendig te houden, en aan de Prinsgezinden te toonen, dat, zoo zij van de omstandigheden partij wilden trekken, om een tegenomwenteling te bewerken, de tijd daartoe nog niet gekomen was. Het toeval wilde, dat, terwijl de zoogenaamde Staten van Holland op 't Stadhuis bijeenkwamen, er op hetzelfde tijdstip een andere bijeenkomst plaats had in de Burgersooiëteit in de Nes. Reeds op 24 Augustus waren aldaar afgevaardigden uit schier al de Krijgsraden, Gewapende Genootschappen, Geconstitueerden, Patriottische sociëteiten en corporatiën der Provincie verschenen en hadden een adres aan de Staten opgesteld, waarin hun als 't ware werd voorgeschreven, welke gedragslijn zij te volgen en welke wetten zij te maken hadden. Die Vergadering was toen op reces gescheiden, en — wat niet weinig toevallig was — zij had juist den 17den September als den dag eener nieuwe bijeenkomst bepaald. Ook hier eenter was, evenals ten Stadhuize, de opkomst der afgevaardigden zeer onbeduidend; zoodat er geen andere besluiten genomen werden, dan om de Secretarissen, zijnde de advocaat Kreet van Rotterdam en J. Van Staphorst van Amsterdam, naar de Vergadering op 't Stadhuis af te vaardigen. Aldaar toegelaten, verklaarden zij, bij monde van Kreet, de hier vergaderde Heeren alleen, en niet die in Den Haag, als wettige Vertegenwoordigers des Volks en als eenigen Souverein te erkennen, betuigende voorts, dat men zich moest blijven verdedigen, daar men met de hulp der Fransche le-

fermacht — die men altijd te gemoet bleef zien, den Pruis gemak-ermacht — die men altijd te gemoet bleef zien, den Pruis gemak-

elijk te keer zou gaan, en voorts, dat al wie „Oranje bovenquot; zou durven roepen of zien met Oranje-versierselen vertoonen, onmiddellijk moest ophangen.

Ofschoon de vergaderde Heeren niet veel meer konden doen, dan de Bezending met schoone beloften paaien, was echter de indruk gegeven, en, evenals voor acht dagen de voorstelling van 't Beleg van Haarlem en Zaterdag te voren die van Claudius Civilis (van Haverkorn), zoo ging men dezen avond die van Voltaire's Brutus bijwonen, om er eiken regel toe te juichen, waarbij de vrijheid geroemd of op tirannen gescholden werd — en zoo bleef vooreerst binnen Amsterdam de heftigste patriottische geest den boventoon voeren, en ware elke stem, die 't gewaagd had, een anderen klank te doen hoo-ren, terstond in de keel gesmoord geworden.

Wij mogen er bijvoegen, dat die stemming geen snel voorbijgaande was en zelfs de gebeurtenissen, die schijnbaar de gemoederen met ontsteltenis en vrees hadden moeten slaan, alleen dienden, om hen tot krachtiger volharding aan te sporen. Op dienzelfden 17dl,n September, waarop te Amsterdam de eerste — en ook de laatste — vergadering der Staten gehouden werd, had Gorkum zijn poorten voor den vijand geopend, en nauwelijks was dit in Den Haag bekend geworden, of de enkele Afgevaardigden van Holland, die aldaar gebleven waren, besloten, op voorstel der Ridderschap, Willem V in al zijn waardigheden te herstellen. Eerlang was ook Dordrecht zonder slag of stoot aan de Pruisen overgegaan, en het vliegende legertje van Mappa, dat zoo dapper de „vreemde soudeniers naar den afgrond

-ocr page 373-

EEN WAKKER MAN. 365

zenden zou,quot; was uit het Westland, waar liet zich bevond, over Delft en Leiden naar Haarlem, en zoo naar Amsterdam gevlucht, waar het in alles behalve voordeeligen staat aankwam, zonder

wapens en geweer, verbaasd van 't lijf gereten Uit ingebeelden schrik, en uit de hand gesmeten. Om zonder hindernis te vlieden langs den weg;

zelfs was het niet dan na ernstige beraadslaging, dat men die helden binnenliet, terwijl men beginnen moest hen hoofd voor hoofd van een hemd, een paar schoenen en een hoed te voorzien en aan elk een gulden te geven.

„Lieve Heer!quot; riep een ijverig patriot, bij den intocht van dien berooiden hoop: „als dat volkje onze stad beschermen moet, dan zijn wij er om koud!quot;

Maar toch, uit dien uitroep mag het besluit niet getrokken worden, dat hij, die hem deed, eenige moedeloosheid gevoelde. Nog altijd bleef men den moed behouden en, wat niet minder verwondering baren mag, is, dat in Amsterdam, nu volgepropt van uitgewekenen en voortvluchtigen, die voorwaar niet allen tot het beste slag van lieden behoorden, de orde geen oogenblik werd verstoord! Niet genoeg lof mag daarom worden toegezwaaid aan de verstandige maatregelen, door de Regeering en het Comité van defensie genomen, om de rust te handhaven en alle tooneelen van wanorde te voorkomen.

Eerstdaags werd aan dat Comité eene nog zwaardere taak opgedragen. Nu geheel Holland het hoofd in den schoot gelegd had, de Prins weder in Den Haag en alles weder tot den vorigen toestand teruggekeerd was, stond Amsterdam alleen, Amsterdam, dat meer dan eenige stad den geest van weerstand had gekweekt en gaande gehouden en de heftigste maatregelen tegen 's Prinsen gezag had doorgedreven. Wel begon zich nu, zoo in de Vroedschap als elders, een enkele stem te verheffen, en te vragen of men ook in onderhandeling zou treden; doch uit de Burgersociëteiten, evenals uit den Krijgsraad, welke laatste van alle Oranje-elementen gezuiverd was, bleef nog even heftig de geest van volharding spreken, te krachtiger nu er weder een gerucht liep, dat er Pranscne benden in aantocht waren. „Geen bemiddeling! geen onderhandeling! verdediging tot op 't laatst!quot; was de kreet, die luid herklinken bleef, en op 21 September ging er een proclamatie van Burgemeesteren en Raden uit, die aan den geuiten wensch voldeed en geheel in dien geest was vervat.

De stad werd nu volkomen in staat van beleg gesteld: de poorten dag en nacht gesloten en van sterke wacht voorzien; de Liebrug afgebrand, om de gemeenschap met Haarlem af te snijden: een batterij op Halfweg gelegd: de Amstel met een drijvende batterij beschermd: in Weesp, Muiden en al de dorpen in den omtrek sterke bezettingen gelegd: en een deel van 't land onder water igezet. Aan

-ocr page 374-

366 BEN WAKKER HAN.

De Wilde, die zich hiertoe had aangeboden, werd de verdediging van Ouderkerk toevertrouwd, en hij trok daarheen, na alvorens zijn vrouw en kinderen naar Amersfoort te hebben gezonden. Hij kon vreezen, dat wellicht, bij verandering van zaken, zijn woning aan

Elnndering zou blootgesteld zijn, en daar wilde hij, bij zijn at'wezig-eid, vrouw en kinderen niet aan wagen. Hij deed dus, als vele anderen in dit tijdsgewricht deden, en zorgde dat ze elders in veiligheid den loop der gebeurtenissen konden afwachten. Dat het scheiden niet zonder tranen en klachten plaats had en Engeline er evenmin als Badeloch lichtelijk toe was over te halen, zal de lezer gereedelijk beseffen.lnndering zou blootgesteld zijn, en daar wilde hij, bij zijn at'wezig-eid, vrouw en kinderen niet aan wagen. Hij deed dus, als vele anderen in dit tijdsgewricht deden, en zorgde dat ze elders in veiligheid den loop der gebeurtenissen konden afwachten. Dat het scheiden niet zonder tranen en klachten plaats had en Engeline er evenmin als Badeloch lichtelijk toe was over te halen, zal de lezer gereedelijk beseffen.

Het Pruisische leger, onder aanvoering van Hertog Karei van Brunswijk, was nu voor de stad gekomen, en alles liet zich aanzien, dat het beleg weldra een aanvang zou nemen, toen daarin een vertraging plaats had ten gevolge van de kloekheid vau den Raad en Advocaat Fiskaal der Admiraliteit, J. C. Van der Hoop. De Stads-regeering had namelijk goedgevonden, de magazijnen van de Admiraliteit te doen openen en daaruit geschut en krijgsbehoeften te halen, om ter verdediging te dienen. Van der Hoop kwam zich hierover heftig beklagen, op grond, dat het weggehaalde niet aan de Stad behoorde, maar aan den Staat, en dat zoowel Hun Hoog Mo-genden als de Staten van Holland allen weerstand aan de Pruisische wapenen uitdrukkelijk verboden en aan den Zeeraad bepaalden last gegeven hadden, het Staatseigendom terug te vorderen. Dit vertoog had wellicht op zich zelf weinig gebaat; doch hij wees er bij op de belangen van den wereldhandel, die door een beleg gevaar liepen, en op al de schatten, binnen Amsterdam in de magazijnen en pakhuizen opeengetast, gelijk mede op de groote verantwoording, die men op zich laden zou, indien men dat alles in de waagschaal stelde, zonder zelfs een poging tot onderhandeling te doen. Een onderhoud, 't welk hij naar aanleiding van dat vertoog met Burge-meesteren hield, had ten gevolge, dat men nogmaals het gevoelen van den Krijgsraad innam over het al of niet raadzame van het doen eener Bezending naar 's Veldheers hoofdkwartier, 't Schijnt, dat de geestdrift voor 't oogenblik een weinig bekoeld was; in den Krijgsraad zaten niet weinig kooplieden, en die hadden tijd gehad, om na te denken. In allen geval begreep men daar, dat een weinig voorzichtigheid geen schade kon doen; althans deze reis stemde men toe, dat er onderhandelingen zouden worden aangeknoopt. Wel viel dit niet in den smaak der Burgersociëteiten; doch men stoorde zich deze reis niet aan de kreten van verontwaardiging, die van daar uitgingen, en werkelijk trok er een bezending naar Leimuiden, waar zich de Hertog bevond. Men kon 't echter over en weer niet eens worden, en na herhaalde en vergeefsche onderhandelingen, zoo aldaar als te 's-Gravenhage gevoerd, werd de wapenstilstand, die tot den 30st™ gesloten was, op dien dag als geëindigd beschouwd.

Na dit vluchtig overzicht der gebeurtenissen, die in September 1787 te Amsterdam hadden plaats gehad, keeren wij terug tot ons eigenlijk onderwerp: het vermelden namelijk van het aandeel, het-

-ocr page 375-

EEN WAKKEK MAN. 367

welk daaraan door De Wilde werd genomen, die, als reeds gezegd is, met de verdediging van Ouderkerk was belast.

IV.

Het dorp Ouderkerk is, gelijk ieder weet of 't anders op de kaart kan nazien, aan den rechteroever van den Amstel, anderhalf uur gaans van Amsterdam gelegen, ter plaatse waar het water de Bul-lewijk zich met die rivier vereenigt. Het was tegen een vermoede-lijken aanval op vier verschillende plaatsen door batterijen gedekt, en met een bezetting voorzien, die voor een gedeelte uit Amster-damsche vrijwilligers bestond, en verder uit Geldersche en Friesche uitgewekenen en uit manschappen uit het corps van Salm. Men had hier alzoo een vereeniging van zeer verschillende bestanddeelen en, zoo het al eenige verwondering baren mag, dat men het bevel over een zoo gewichtigen post en over hem meerendeels geheel onbekende officieren en soldaten had opgedragen aan een gewoon burger, die nooit eenig blijk van krijgskundige bekwaamheden gegeven had, nog grooter reden van verwondering levert de wijze, waarop hij zich kweet van de hem opgelegde taak, en waarop hij bewijs gaf, het vertrouwen, in hem gesteld, in alle opzichten waardig te zijn.

Reeds van het eerste oogenblik, dat De Wilde te Ouderkerk was

fekomen, had hij getoond, niet alleen een volkomen besef te heb-en van het gewicht zijner zending, maar ook de bekwaamheid om zich daarvan naar eisch te kwijten. Met een blik, die van men-schenkennia en gezond oordeel getuigde, had hij onder zijn officieren diegenen weten te onderscheiden, van wie hij goeden raad en trouwe ondersteuning kon verwachten, en was het hem gelukt met hunnen bijstand, niet alleen de beste middelen van verdediging te beramen, maar ook een gestrenge tucht onder zijne onderhoorigen te bewaren, en, wat ten deze evenzeer van gewicht was, een goede verstandhouding te doen heerscheu tusschen hen en de dorpelingen, bij wie zij in kwartier lagen of met wie zij in dagelijkscne aanraking waren.ekomen, had hij getoond, niet alleen een volkomen besef te heb-en van het gewicht zijner zending, maar ook de bekwaamheid om zich daarvan naar eisch te kwijten. Met een blik, die van men-schenkennia en gezond oordeel getuigde, had hij onder zijn officieren diegenen weten te onderscheiden, van wie hij goeden raad en trouwe ondersteuning kon verwachten, en was het hem gelukt met hunnen bijstand, niet alleen de beste middelen van verdediging te beramen, maar ook een gestrenge tucht onder zijne onderhoorigen te bewaren, en, wat ten deze evenzeer van gewicht was, een goede verstandhouding te doen heerscheu tusschen hen en de dorpelingen, bij wie zij in kwartier lagen of met wie zij in dagelijkscne aanraking waren.

Hij zelf had zijn intrek genomen in de herberg, vroeger „de Oude Prinsquot; geheeten, doch die, sedert de verschijning der patriotten, haar uithangbord had moeten inhalen en tegen een ander verwisselen, waarop de bescheiden naam van „Brugzichtquot; was te lezen. Daar was hij op den laten avond van Zondag 30 September in de groote gelagkamer met drie zijner Officieren aan 't omberspel gezeten, terwijl een vijftal anderen, onder het genot van een glas wijn en van de heerlijke tabak, die hun Overste uit de vier Heemskinderen had doen komen, om een tafel zat te politiseeren en voor de honderdste maal de vraag te behandelen of Frankrijk, al of niet,

-ocr page 376-

368 EEN WAKKER MAN.

de zaak, die zij voorstonden, met hulptroepen stijven zou, toen plotseling de deur openging en er een bode binnentrad, naar den Commandant vroeg, en aan dezen, zonder een woord te spreken, een brief overhandigde.

Al de officieren waren opgestaan en zagen De Wilde aan, met blikken, die genoeg te kennen gaven, hoe zij als een voorgevoel bezaten, dat die brief een gewichtige tijding behelzen moest. Doch welken indruk dit schrijven ook op 't gemoed van den Overste maken mocht, zijn gelaat bleef kalm als gewoonlijk en verraadde geen de minste gewaarwording van welken aard ook. Bedaard stak hij, na volbrachte lezing, den brief bij zich en zeide aan den bezorger:

„Bedank de Heeren voor hunne beleefdheid en zeg hun, dat ik voor 't oogenblik niets behoef en mij naar hunne orders gedragen zal.quot;

En toen, na gewacht te hebben, dat de man zich verwijderd had, nam hij den kandelaar op, die vóór hem op het ombertafeltje stond, en verzocht de officieren, hem naar zijne kamer te volgen. Daar gekomen, sloot hij de deur en zeide:

„Mijne Heeren, de brief, dien ik daar ontvang, meldt mij, dat de wapenstilstand geëindigd is en wij dus kans loopen, elk oogenblik door den vijand te worden aangevallen.quot;

De officieren beantwoordden deze mededeeling met een lichte hoofdbuiging: een paar jonge luitenants, die nooit het vuur gezien hadden, verbleekten een weinig op de gedachte, dat hetgeen tot nog toe hun een vermakelijk spel geweest was, gevaarlijke ernst zou worden; doch zij herstelden zich spoedig, en allen bleven zwij-

fend en in aandachtige spanning de bevelen inwachten, die hun zonen worden gegeven.end en in aandachtige spanning de bevelen inwachten, die hun zonen worden gegeven.

„Gij gevoelt allen,quot; vervolgde De Wilde, „dat de Pruisen ons goed op onze hoede moeten vinden, 't Is echter niet noodig, dat zij vooraf bemerken, hoe wij op hunne komst verdacht zijn, en, zoo zij ons zoeken te verrassen, moeten zij ondervinden, dat wij hun eene verrassing hebben bereid. Daarom, bij al wat wij doen de grootste stilte in acht genomen en niets gedaan, dat aan de dorpelingen kan doen bemerken, dat er iets bijzonders plaats heeft. Geen alarm, geen trommelslag. Laten de manschappen, voor zooverre zij in kwartier liggen, door de onderofficieren worden opgeroepen en vergaderd, en dat ieder zich in stilte naar zijn post begeve.quot;

„Zou de Commandant meenen, dat de aanval reeds dezen nacht zal plaats hebben?quot; vroeg een der officieren.quot;

,'t Is waarschijnlijk, dat de vijand althans de lichte maan zal te baat nemen, om op te maroheeren,quot; antwoordde De Wilde: „daarom. Kapitein, verzoek ik u, twee man naar den kerktoren te zenden, die om 't uur door twee anderen worden afgelost, en, zoo zij op 'i veld eenige beweging ontdekken, mij terstond komen waarschuwen. — En nu, mijne Heeren, elk op zijn post. Over een uur zal ik de ronde doen en hoop dan alles in behoorlijke orde te vinden.quot;

Wel was het goed, dat De Wilde intijds eene waarschuwing ontvangen en de noodige maatregelen van voorzorg genomen had,

-ocr page 377-

EEN WAKKEB MAN. 369

immers dienzelfden avond had, reeds te zes uren, de Hertog van Brunswijk aan zijn generaals en oversten het bevel gegeven, nunne troepen slagvaardig te houden, ten einde vóór het aanbreken van den dag op alle punten rondom Amsterdam een gelijktijdigen aanval te doen.

Het was te vijf uren in den morgen, dus nog een groot uur vóór zonsopgang, dat het kanonschot viel, 't welk het sein tot den aanval

teven moest. Op Ouderkerk moest die van drie zijden geschieden, lene compagnie onder den majoor Baron Van Ledebur, die in den Ouderkerker polder lag, had tot taak, op de batterij landwaarts in, aan het zoogenaamde Zwarte Wegje een valschen aanval te doen; terwijl de ritmeesters Zinsouw en Tschock, van de zijde van Abcoude opgerukt met eenige compagnieën grenadiers en lichte infanterie, ondersteund door een compagnie, die in den Duivendrechtschen polder onder bevel stond van den kapitein Von Kleist, den hoofdaanval zouden richten tegen de batterij, die achter de afgebroken brug aan de Bullewijk gelegen was. De kolonel Kokeritz, van den Uithoorn gekomen met twee compagnieën voetvolk en een eskadron paardenvolk, moest de brug pogen te bemachtigen, die over den Amstel lag, en van die zijde het dorp binnendringen.even moest. Op Ouderkerk moest die van drie zijden geschieden, lene compagnie onder den majoor Baron Van Ledebur, die in den Ouderkerker polder lag, had tot taak, op de batterij landwaarts in, aan het zoogenaamde Zwarte Wegje een valschen aanval te doen; terwijl de ritmeesters Zinsouw en Tschock, van de zijde van Abcoude opgerukt met eenige compagnieën grenadiers en lichte infanterie, ondersteund door een compagnie, die in den Duivendrechtschen polder onder bevel stond van den kapitein Von Kleist, den hoofdaanval zouden richten tegen de batterij, die achter de afgebroken brug aan de Bullewijk gelegen was. De kolonel Kokeritz, van den Uithoorn gekomen met twee compagnieën voetvolk en een eskadron paardenvolk, moest de brug pogen te bemachtigen, die over den Amstel lag, en van die zijde het dorp binnendringen.

De natte en doorweekte bodem en de menigte grachten en slooten, die den polder rondom Ouderkerk doorkruisen, en de zorg door De Wilde aangewend, om overal de bruggetjes te doen wegnemen en de binnenwegen door vergravingen onbruikbaar te maken, waren oorzaak, dat de Pruisen niet alleen vrij wat belemmering bij 't opmarcheeren hadden ondervonden, maar ook, toen zij tegenover het dorp hadden post gevat, geen behoorlijke uitbreiding aan hunne liniën konden geven. Zij hadden zich echter gevleid de plaats bij verrassing te vermeesteren; doch vonden zich in die hoop deerlijk teleurgesteld.

De majoor Ledebur was met zijn manschappen reeds tot op ongeveer vijftig pas van de batterij aan 't Zwarte Wegje gekomen, toen de doodsche stilte, die daarachter heerschte, en hem in den waan gebracht had, dat men er op niets verdacht was, op eens werd afgebroken door het losbranden van het geschut, dat hem — gelijk een geschiedschrijver 't uitdrukt „een gevoeligen morgen-

froetquot; toebracht; terwijl te gelijkertijd de geweerkogels van eenige ier geposteerde Friezen, allen geoefende scherpschutters, een goed deel zijner manschappen dood of gewond deden nederstorten. Wel werd hun vuur van de zijde der Pruisen beantwoord; doch dewijl de bende van Ledebur niet talrijk genoeg was, om hier met voordeel een vijand, die op zijn hoede was, te bestrijden, en haar aanval, als reeds gezegd is, hoofdzakelijk dienen moest, om de aandacht der verdedigers van den hoofdaanval af te houden, bleef zij zich er bij bepalen het gevecht gaande te houden, zonder dat dit tot eenige beslissende uitkomst leiden kon.roetquot; toebracht; terwijl te gelijkertijd de geweerkogels van eenige ier geposteerde Friezen, allen geoefende scherpschutters, een goed deel zijner manschappen dood of gewond deden nederstorten. Wel werd hun vuur van de zijde der Pruisen beantwoord; doch dewijl de bende van Ledebur niet talrijk genoeg was, om hier met voordeel een vijand, die op zijn hoede was, te bestrijden, en haar aanval, als reeds gezegd is, hoofdzakelijk dienen moest, om de aandacht der verdedigers van den hoofdaanval af te houden, bleef zij zich er bij bepalen het gevecht gaande te houden, zonder dat dit tot eenige beslissende uitkomst leiden kon.

Inmiddels hadden Zinsouw en Tschock hunne kanonnen aan den rand van de Bullewijk gesteld en van daar een heftig vuur geopend van houwitsers, bommen en granaten, welk vuurniet minder krachtig B. w. v. 21

-ocr page 378-

370 EEN WAKKER MAN.

werd beantwoord uit de batterij der belegerden, die door Amster-darasche en Geldersche artilleristen uitmuntend werd bediend; terwijl de soldaten uit het corps van Salm en de Amsterdamsche vrijwilligers van achter de borstwering hunne snaphanen op den vijand losbrandden. Spoedig bleek het den Pruisischen aanvoerders, dat zij hun doel niet bereiken zouden zoolang zij hun geschut niet anders konden plaatsen dan op den srnallen weg, van waar het de batterij niet dan in een schuinsche richting bestrijken kon. Zij kregen echter hoop, beter in hun opzet te zullen slagen, toen Kapitein Von Kleist van de Duivendrechtsche zijde ter ondersteuning van den aanval kwam opgerukt; immers deze had eenige schuiten in de vaart gevonden en medegesleept, waarmede een deel der manschappen thans de Bullewijk overvoer, een stuk geschut met zich brengende, dat zij nu recht tegen de batterij ovcrstclden, om die van nabij te beschieten.

De toestand der verdedigers scheen nu hachelijk geworden; immers, zoolang een breed water hen nog van de aanvallers scheidde, had het geschut van deze laatsten wel eenig nadeel toegebracht aan de gebouwen van het dorp, doch geen noemenswaardige aan de batterij, welke laatste nu gevaar liep, niet alleen vlak van voren beschoten, maar ook bestormd te worden. ïe recht begreep De Wilde, die hier de verdediging in persoon bestuurde, dat het verlies van dezen ge-wichtigen post alleen voorkomen kon worden door een daad van onverschrokkenheid, die den vijand in zijn opzet stuitte eer hij dat uitvoeren kon. ,Voorwaarts, mannen!quot; riep hij den vrijwilligers toe: „nu getoond, dat je Amsterdammers bent!quot; en meteen, van achter de verschansing met hen voor den dag komende, deed hij een zoo heftigen uitval op de hier aan wal gestapte Pruisen, dat zij, verrast en in wanorde gebracht, met overhaasting weer naar hunne schuiten terugvloden, ja het meegebrachte kanon den bezettelingen bijna in handen ware gevallen. Tevreden over den goeden uitslag van zijn koene daad, en de zijnen niet nutteloos aan het vuur van de overzijde willende blootstellen, keerde hierop De Wilde met hen achter de batterij terug.

Nauwelijks was hij daar, of een sergeant, hem toegezonden door den officier, die aan de Amstelbrug het bevel voerde, kwam hem het verblijdend bericht brengen, dat aan die zijde geen gevaar meer te duchten was. De kolonel Kokeritz had, als gezegd is, zijn weg langs den linkeroever der rivier genomen, en toen hij tegenover Ouderkerk gekomen was, een Kapitein met eenige manschappen de brug op, ter verkenning, afgezonden. De wip was echter opgehaald, en van uit de batterij, achter de brug gelegd en die haar geheel bestreek, werd een kogel afgezonden, met zoo gunstig gevolg, dat de kapitein doodelijk getroffen werd en zijn volk met overhaasting terugvlood. Bemerkende, dat men hier op zijn hoede was, en niet wel bekend met de middelen van verdediging, waarover de Patriotten konden beschikken, had Kokerits het ongeraden geacht, zijn volk nutteloos aan gevaar bloot te stellen, en was hij met de zijnen verder, den weg naar de stad op, voortgerukt.

-ocr page 379-

EEN WAKKER MAN. 371

Te welkomer was deze tijding aan De Wilde, omdat hij bespeurde, dat hij alle beschikbare krachten zou behoeven, ten einde de aanvallers te keer te gaan, die onder kapitein Tschook opnieuw in grooter getale dan te voren het water overkwamen en zich in slagorde stelden; terwijl een versche troep volks, onder den majoor Die-bitz, die den post bij de Duivendrechtsche brug had moeten vermeesteren, doch daar was teruggeslagen, de benden van Tschok en Zinsouw was komen versterken.

„Houd hem nog tien minuten aan den praat, kapitein De Veur!quot; zei nu De Wilde tegen den officier, die in rang na hem volgde: „ik hoop dan terug te zijn en aan die Heeren allen lust te ontnemen ons verder lastig te vallen.quot;

En meteen spoedde hij zich naar het dorp en naar de batterij aan de Amstelbrug, ten einde zich door zijn eigen oogen te verzekeren, dat de sergeant hem de volkomen waarheid had bericht, en er van die zijde geen gevaar meer te duchten stond.

Intusschen hield De Veur den strijd moedig gaande tegen de Pruisen, die, woedend over het mislukken hunner pogingen, thans met grooter overmacht en verdubbelde wakkerheid den aanval hernieuwd hadden. Van weerszijden werd met moed en hardnekkigheid gestreden; doch de Pruisen begonnen meer en meer veld te winnen, toen zich de kans op eenmaal tegen hen keerde. Terwijl zij met de manschappen van De Veur slaags waren en hun tegenstanders reeds verzwakt waanden, verscheen onverwachts De Wilde met de compagnie, die aan do Amstelbrug gelegen had, en viel hem in de flank aan.

De onverwachte versterking, die de verdedigers bekwamen, sloeg des vijands moed ter neder, die nu het slagveld ruimde, waarop hij een aantal dooden en gekwetsten achterliet, de vaart weder overtrok en voorgoed den aftocht blies.

Ruim drie uren had de strijd geduurd, die aan beide kanten zoo heftig gevoerd en zoo roemrijk voor de patriotten was afgeloopen. De gekwetsten, zonder onderscheid van vriend of vijand, werden binnen 't dorp gevoerd en de noodige maatregelen tot hunne verpleging genomen, en De Wilde met zijne officieren wenschten elkander geluk met den afloop van het geleverde gevecht, toen tegen elf uren hunne vreugde getemperd werd door de tijding, die ettelijke vluchtelingen, van de overzijde aangesneld, hem brachten, dat namelijk Amstelveen, hoezeer niet dan na feilen tegenstand, den Pruisen in handen was gevallen. Men kon dus van die zijde een nieuwen aanval verwachten; waarom De Wilde terstond last gaf tot het opwerpen eener nieuwe batterij, die den weg naar Amstelveen bestrijken moest. Dan, terwijl men druk aan dezen arbeid was, kwam, tegen den middag, een renbode uit Amsterdam met een brief van Burgemeesteren aan De Wilde, den last inhoudende, alle verdere pogingen tot verdediging op te geven en onmiddellijk met zijn manschappen naar Amsterdam terug te keeren. Het opzeggen van den wapenstilstand had binnen de stad zulk een schrik veroorzaakt, dat aldaar tot volkomen onderwerping was besloten.

-ocr page 380-

372 , BEN WAKKEK MATT.

Men kan beseffen, welk een spijt en ergernis het vernemen van dit besluit bij hen moest verv ekken, die zoo wakker de eer hunner partij gehandhaafd hadden en nu de vrucht hunner heldhaftige verdediging geheel verloren zagen. Maar had De Wilde zich het vertrouwen dier partij waardig getoond door de treffelijke wijze, waarop hij den wederstand tegen den vijand had bestuurd, niet minder legde hij de hoedanigheid van een uitnemend bevelvoerder aan den dag, in de wijze, waarop hij aan den thans ontvangen last gehoorzaamde. ,Mijne Heeren!quot; zeide hij tot zijne officieren, na hun den last te hebben medegedeeld: „tegen het noodlot valt niet te twisten: wij hebben tot heden onzen plicht gedaan; laat ons het bewijs leveren, dat wij dien ten einde toe kunnen volbrengen: hebben wij den vijand Ontzag ingeboezemd, thans voegt het ons, te zorgen, dat wij dit dorp verlaten als mannen, die overwinnaars bleven, en dat onze aftocht niet op een vlucht gelijke.quot;

En vervolgens, met dezelfde kalmte van geest, die hij in den strijd had aan den dag gelegd, gaf hij zijn bevelen voor de ontruiming van Ouderkerk. Het bleek alsnu, op wat oordeelkundige wijze hij onder zijn officieren het opzicht over de verschillende takken van beheer had toevertrouwd, zoodat ieder terstond wist wat hem te doen stond. Hoe ongelooflijk het schijnen mocht, 's namiddags te vier uren had De Wilde niet alleen zijn manschappen, zijn geschut, zijn krijgsbehoeften, geene uitgezonderd, binnen Amsterdam gevoerd, maar ook al de gekwetsten behoorlijk aldaar in het Gasthuis besteed.

Toen was hij zijn verslag aan Burgemeesteren gaan doen en vervolgens naar zijn woning gekeerd, om zijn monteering af te leggen.

„Sluit die gerust in de kast weg, Stijntje,quot; zeide hij tot zijn oude dienstmaagd: „ik zal die vooreerst niet meer dragen.

Had De Wilde zich voorgesteld, dat met den terugtocht uit Ouderkerk zijn militaire loopbaan gesloten zou zijn, toch bleek hem reeds den volgenden dag, dat zijn bemoeiingen in de gebeurtenissen van den dag nog niet geheel waren afgeloopen. De lezer heeft uit eenige woorden, door Schroeder gesproken en in het begin van deze schets aangehaald, kunnen opmaken, dat, ten gevolge van den lagen stand der rivieren, de beproefde onder-water-zetting niet overal was gelukt. Toevallig was er juist in den afgeloopen nacht eene rijzing in het water ontstaan, die, had zij vroeger plaats gehad, wellicht ten gevolge had gehad, dat niet alleen Ouderkerk en Duivendrecht, maar al de overige buitenposten tegen alle aanvallen beveiligd waren geweest en het toegeven van Amsterdam onnoodig geworden.

-ocr page 381-

EEN WAKKER MAE. 373

althans vertraagd ware. Dat wassen van het water, ofschoon aan natuurlijke oorzaken toe te schrijven, had bij de Pruisische bevelhebbers achterdocht gebaard, en het was, om deze weg te nemen, dat Burgemeesteren het noodig hadden geacht, een bezending naar Ouderkerk af te vaardigen — dat thans door de Pruisen onder den majoor Von Ledebur was bezet, en waarheen de generaal Symon Von Kalkreuth zijn hoofdkwartier verlegd had — ten einde aan dezen laatste de noodige ophelderingen aangaande gemelde zaak te geven. Die taak was opgedragen aan de Raadsleden Nicolaas Faas en Pieter Elias, die in polderzaken bedreven werden geacht, en men had hun De Wilde toegevoegd, zoowel omdat deze met plaats en gelegenheid bekend was, als omdat hij, des vereischt, aan den Prui-sischen generaal narichten geven kon aangaande den toestand der gekwetste Pruisen.

Te Ouderkerk bij Kalkreuth toegelaten, dien zij met Von Ledebur en een paar andere hoofdofficieren in Brugzicht vonden, kweten zij zich van den hun gegeven last. Faas had net woord gevoerd en de Generaal met diens ophelderingen volkomen genoegen genomen. Naar de gekwetsten had deze laatste niet gevraagd, en De Wilde had geen aanleiding gevonden, zich in het gesprek te mengen. Dit was afgeloopen, de gecommitteerde Heeren hadden hun afscheid genomen en waren reeds buiten het vertrek, toen de kastelein aldaar naar De Wilde toetrad met de woorden:

„Mijnheer De Wilde! je hebt gisteren alles uit het dorp meegenomen, behalve je tabaksdoos, die ik hier heb.quot;

„De Wilde! herhaalde Von Ledebur, die deze woorden gehoord had; en, terstond op den aldus aangesprokene toesnellende: „hoe nu, Mijnheer!quot; riep hij: „gij zijt het toch niet, die dezen post verdedigd en ons gisteren zulk een geduchte les gegeven hebt?quot;

„Om u te dienen,quot; antwoordde De Wilde, glimlachend: ,'tis maar jammer,quot; voegde hij er bij met een zucht, „van al 't bloed, dat on-noodig over en weer vergoten is.quot;

„Neen! maar dat gaat zoo niet,quot; hernam Von Ledebur, hem bij de hand nemende en op minzame wijze weder binnen de kamer terugvoerende, waarheen hen nu ook de beide Raadsleden weder volgden. „Zou Uwe Excellentie 't kunnen gelooven,quot; vervolgde hij, zich tot Kalkreuth wendende — „dat deze Heer de Commandant is, die ons gisteren belet heeft. Ouderkerk te nemen?quot;

„Gij, Mijnheer!quot; riep Kalkreuth, verbaasd toetredende en aan De Wilde de hand reikende: „vergun mij in dit geval u mijn compliment te maken over uwe voortreffelijke verdediging. Waarlijk, indien Amsterdam overal mannen had gehad, zoo wakker als gij, de stad ware onneembaar geweest. Mag ik vragen, bij welk wapen van de armee gij behoort?quot;

„Mijnheer De Wilde behoort niet tot de armee,quot; haastte Faas zich te antwoorden, die, ofschoon alles behalve patriotschgezind, toch genoeg Amsterdammer was, om de eer van zijn stadgenoot te willen ophouden: „mijnheer is kapitein bij onze Stads-schutterij; maar zijn vak is eigenlijk de tabak.quot;

-ocr page 382-

374 BEN WAKKER MAN.

„En als Uwe Excellentie van goede Varinas houdt, zal ik het mij tot eer rekenen, haar te bedienen,quot; voegde De Wilde er lachend bij.

„Wat hoor ik?quot; riep de Generaal: „ei zoo. Baron!quot; vervolgde hij tegen Von Ledebur: „dan hebben onze ijzervreters zich door een tabaks-verkooper laten kloppen! Doch, mijnheer De Wilde!quot; ging hij voort, terwijl hij De Wilde de hand op den schouder legde; „wat gisteren den Baron niet gelukt is, zal mij thans gelukken. Ik verklaar u mijn gevangene en voer u naar den Hertog, die van uwe wakkere verdediging gehoord heeft en niet minder van de liefderijke zorg, die gij voor onze gevangenen gedragen hebt, en die er u in persoon voor wenscht te bedanken. Green verschooningen neem ik aan en.... wellicht willen de Heeren ons ook wel de verdere eer van hun gezelschap schenken?quot;

Dit laatste was tot Faas en Elias gericht, die echter te goed begrepen, dat de uitnoodiging, wat hen betrof, niet anders dan als een bloote formule van beleefdheid beschouwd moest worden, en zich dan ook van het aannemen daarvan verschoonden, tot reden gevende, dat zij aan Burgemeesteren verslag moesten doen van hunne zending. Wat de Heer De Wilde aanging, zij betuigden, dat zij, nu die gevangengenomen was, hem volgaarne aan zijn lot overlieten.

En zoo was 't De Wilde alleen, die met den Generaal naar den Hertog ging, welke laatste hem bij zich aan 't middagmaal hield en met beleefdheden overlaadde.

De Wilde's voorzegging, dat hij de monteering vooreerst niet weer zou aantrekken, bleek spoedig juist te zijn geweest; immers hij behoorde, gelijk te verwachten was, tot die officieren der Schutterij, aan wie, zoodra in Amsterdam de vorige orde van zaken was teruggekeerd, hun ontslag werd gegeven. Doch toen in 1795 de omwenteling plaats had, en de partij, tot welke hij behoorde, haar zegepraal vierde, toonde deze, hoezeer zij het door hem betoonde beleid op prijs stelde, door hem onmiddellijk tot Kolonel-Commandant der Arasterdamsche Schutterij te benoemen, welken post hij tot in 1798 bekleedde. De bijzondere omstandigheden, die toen aanleiding gaven, dat hij zijn ontslag bekwam, liggen eenigszins in het duister, en het behoort niet tot ons bestek, die te onderzoeken. De geschiedenis zwijgt verder over hem, en alleen weten wij, dat hij, tot een geheel ambteloos leven teruggekeerd, op 14 Maart 1817' overleed en op den 20st,n daaraanvolgende in de oude Luthersche kerk op het Spui werd begraven. Zijn laatst overgebleven dochter Wilhelmina Maria stierf in 't jaar 1859, en van zijn kleinkinderen leeft nog te Dresden zijn naamgenoot, die onlangs een fraaie vertaling in Hoogduitsche verzen van Vondel's „Gijsbreghtquot; in 't licht zond.

Het feit, waardoor zich George Hendrik De Wilde een roemruch-ten naam verwierf, staat als een geïsoleerd punt in zijn leven zoowel als in 's lands geschiedenis, en was van geen invloed op de gebeurtenissen van zijn tijd. Toch is het wel waardig in herinnering te blijven, wegens de belangrijke les, die het bevat, en die door alle

-ocr page 383-

EEN WAKKER MAN. 375

llauwhartigen in den lande ter harte mag worden genomen. Immers, waar wij zien, dat, in een tijd van verdeeldheid tusschen de zonen van hetzelfde vaderland, een eenvoudig burger, met behulp van een saamgeraapten hoop strijders, doch allen door warmen ijver voor hunne zaak gedreven, met vrucht het hoofd weet te bieden aan krijgsbenden, tot de best geoefende troepen van Europa behoorende, en den door hem bezetten, door zwakke verdedigingsmiddelen beschermden post tegen hen met goed gevolg verdedigt, welk onthaal staat dan te wachten aan hen, die 't wagen zouden, Nederland aan te vallen op een tijdstip, dat het door een welgeoefend leger, door een goed geordend' krijgswezen, en — wat meer nog dan dat alles zegt — door een welgezinde, eendrachtige natie beveiligd wordt?

ser be-

nj. 'g-

m-lal op er 98 in, et lis el 'S

ui ia in ie

;1

r-e e

-ocr page 384-

RUSTENBERGH.

EEN FAMILIETAFBEEEL TJIT DE XVnDE EEUW.

I.

Hier jaeght de winthont 't wilt, hier rijt de koets uit spelen. Men danst, men banketteert in 's Koopmans rijke buurt.

Hier lacht de goude tijt, in lieve lustprieelen,

Die voor geen oorloogh schrikt, noch kiel op klippen stuurt.

Wie, die 't niet wist en met den voormaligen toestand van ona land onbekend was, zou droomen, dat deze regels van Vondel voorkomen in een gedicht „op de Beemster.quot; Zeker is de Beemster een rijke en vruchtbare streek, meer dan eenige in ons Vaderland om haar uitmuntende weilaaden en prachtigen veestapel beroemd; maar zoo er nog wild in gevonden wordt, zeldzaam zal men er spelevarende koetsen ontmoeten, en even weinig lieve lustprieelen: en zoo er nog gedanst en gebanketteerd wordt, 'tis op boerenbruiloften, maar in geen rijke koopmansbuurt. Toch was de voorstelling, die Vondel gaf, volkomen juist, niet alleen in 1642, toen hij zijn gedicht schreef, maar ook nog in 't begin van deze eeuw. Toen immers was de Beemster nog vol prachtige buitenverblijven, met hunne herceaux en hun grotwerk, met hunne fonteinen en standbeelden, met hunne priëelen en hunne marmeren vazen, met hunne oranjerieën en diergaarden, alle getuigende van den rijkdom en de praalzucht der Amsterdamsche of Hoornsche Patriciërs, die er den zomer doorbrachten. Maar er waren droevige tijden voor ons Vaderland gekomen, tijden van buitenland-schen krijg en binnenlandsche tweedracht, die geëindigd waren in een omwenteling, met vreemde hulp gekocht, en waarbij handel en nering stilstonden, alle bronnen van inkomsten opdroogden, en gestadig herhaalde geldafpersingen ook de meest vermogenden met angstige zorg de toekomst deden inzien. Green wonder, dat, waar

-ocr page 385-

EUSTENBBEGH. 377

zoovelen hun fortuin te gronde zagen gaan, en zoovele anderen terecht van oordeel waren, dat zij, om het onontbeerlijke te behouden, zich van 't overtollige moesten ontdoen, 't eene buitenverblijf voor, 't andere na verkocht of althans van zijn vroegeren luister ontdaan werd. Het sloopersbedrijf werd een beroep, op kolossale schaal gedreven, en dat hen, die 't bij de hand namen, en 't erger maakten dan de benden van Omar of de Wandalen van vroegere dagen, onnoembare schatten verdienen deed.

Maar 't was niet alleen de Beemster van 1800, die men in de Beemster van 1868 niet herkennen zou: ook andere streken om Amsterdam weervoer hetzelfde lot. De straatweg op Haarlem, de Amstelveensche en Sloterwegen, de beide boorden van den Amstel, waren, nog in mijne jeugd, gezoomd met prachtige hofsteden, waar de Amsterdammer zich, in den zomer, tot aan Amsterdamsche kermis toe, na de Beurs placht heen te begeven, om er te middagmalen, den avond in zijn Koepel te zitten onder 't genot eerst van een kopje thee, vervolgens van een flesch rooden of Rijnschen wijn —• (de dames dronken liefst witten wijn met citri) en den nacht door te brengen, ten einde den volgenden morgen weer naar zijn kantoor te rijden.

Ik heb dat alles, 't eene voor, 't andere na, zien verdwijnen, 't Langst hield het Diemermeer zijn roem nog op; doch ook daar was reeds veel vóór en in den „Franschen tijdquot; verdwenen, en later ontstonden, met de versnelde middelen van gemeenschap, de zucht en de mode, om een buitenverblijf te zoeken in een meer verwijderd oord en onder een drogere of een gezondere lucht. De omstreken van Utrecht, toen die van Arnhem, dekten zich met villa's, en ook het Meer werd verlaten, en, op een paar hofsteden na, die zelfs niet meer tot buitenverblijven konden dienen, al het overige in boerderijen of weiland herschapen.

Maar zoo dit een en ander ten opzichte van de streken, onmiddellijk om Amsterdam gelegen, den ingezetenen dier stad vrij wel bekend is, ik zal wellicht velen hunner verbazen, wanneer ik hun vertel, dat het getal niet minder groot was van de hofsteden, die nog in deze eeuw, in de omstreken van Weesp en van Kaarden gelegen waren en die thans evenzeer verdwenen zijn. Geen eentooniger, vervelender weg, dan die heden ten dage van Muiden op Naarden loopt, en toch, vóór vijftig jaren nog leverde diezelfde weg aan den reiziger vrij wat verscheidenheid op. Ik spreek niet eens van het bekoorlijke paradijsje, sedert dien tijd deels door 't zeegeweld, deels door sloopers vernield, en dat men, van Muiden komende, aan zijn linkerhand laat liggen, ik spreek van tal van buitenplaatsen, die hier aan den weg lagen, en waarvan de herinnering voor den op-merkzamen beschouwer nog bewaard blijft, hier door een oud steenen hek: daar door de slooten, die vroeger om 't heerenhuis liepen, en haar oude figuur behouden hebbende, nog den omtrek afbakenen, waar dat huis gelegen was: elders weer door een brok van het woonhuis of door eene rij hoornen, overblijfselen eener vroegere laan. Een dezer gesloopte bolsteden was in de vorige eeuw het zomer-

-ocr page 386-

378 BUSTBNBERGH.

verblijf van den vermaarden speelbal in de hand der patriotten, den Burgemeester Hendrik Hooft.

En evenzoo als aan deze zijde van Naarden was 't aan de tegenovergestelde zijde. Ook hier duurt het tegenwoordig, nadat men de vestingwerken is uitgekomen, een geruimen tijd, eer men iets ontmoet, dat aan een buitenverblijf doet denken, en wat men dan nog te zien krijgt, is meest hakhout; niets dat bijzonder de aandacht trekt. Men is in Gooiland, men rijdt eene hoogte op, men krijgt een fraai uitzicht over boekweitvelden, op de heide, op lanen, enz. — doch buitenplaatsen ziet men niet. Ook hier is al, wat vroeger den luister uitmaakte van Gooiland, verdwenen, en zelfs zonder eenige sporen achter te laten.

Talrijk intusschen waren, reeds omstreeks de helft der 17de eeuw en nog lang naderhand, de lusthoven, die zich hier zoodra men Naarden uit was, rechts en links van den weg verhieven, prachtige heerenhuizen, sommige zelfs als kasteelen gebouwd, omgeven van frissche wandelperken, tuinen en slingerpaden, waar niets ontbrak van 't geen de toenmalige smaak ter versiering aanbracht, en gelegen tusschen reusachtig opgaand hout. Het was hier, dat de De Graven, de Hinlopens, en tal van andere aanzienlijke Amsterdammers, hun zomerverblijf hielden en alles bijeenbrachten wat strekken kon, om dit verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken, en het is in dien tijd en in dit oord, dat ik het tooneel geplaatst heb van de eenvoudige en uit het dagelijksch leven gehaalde voorvallen, die ik beproeven wilde te schetsen,

H.

Ik verzoek dan den lezer, met mij zich in den nazomer van 't jaar 1653 terug te denken en mij te volgen door dat prachtige hek, 't welk op den Naarder heirweg uitkomt en ons in sierlijk ijzeren krulwerk den naam van „Rustenberghquot; doet lezen. Wij begeven ons onmiddellijk naar het heerenhuis, wij zouden bijna zeggen, naar 't kasteel; — want het steekt met een viertal torentjes, wier leien daken spits naar boven loepen, boven 't omliggend geboomte uit. Wij treden het huis binnen, de marmeren trappen op en naar de zeskante achterzaal, een ruim vertrek, met goudleer behangen, en waarin wij een gedeelte van 't gezin vereenigd vinden. Aan een noteboomhouten, met keurig snijwerk voorziene tafel, die, midden in de zaal, op een ronde vloermat rust, ten einde de marmersteenen vloer niet beschadigd worde, is een vrouw van ruim dertigjarigen leeftijd gezeten, met een borduurraam voor zich, op 't welk zij ijverig bezig is de voorstelling af te werken van een herder, die een herderin een bloemruiker aanbiedt, terwijl een Sater hen van achter 't bosch begluurt. In de sponning van een der hooge kruis-

-ocr page 387-

BU8TBNBEKGH.

ramen zitten 05 de houten vensterbankjes twee jonge meisjes, waarvan het eene zich met naaiwerk onledig houdt en het andere zit te lezen. Een derde jongeiuffer is voor de klavecimbel gezeten, die tegen den wand is geplaatst, en oefent zich in 't spelen, doch op een wijze, die niet alleen van een goeden aaaleg, maar ook van een uitnemenden leertrant getuigt. Ik wil den lezer niet ophouden met hem de photographieën van deze meisjes te geven: dat zou plicht zijn, indien ik een roman schreef; in een korte schets als deze, zij 't genoeg te zeggen, dat zij er alle drie recht lief, gezond en levenslustig uitzagen.

De vijfde personage, dien wij hier ontmoeten, is een jongeling met een opgeruimd voorkomen, om wiens mond bestendig een schalkachtig lachje speelt. Hij zit in een tegenovergestelden hoek van de zaal, en is bezig een net te breien.

Wij willen met deze vijf kennis maken; doch dewijl wij nog meer leden van de familie in den loop van ons verhaal zullen ontmoeten, kan het niet ongepast worden geacht zoo ik, om den lezer op de hoogte te brengen, hem een soort van genealogische tafel voorhoude. Dat moge al geen vermakelijke lectuur zijn; doch dat is een lijst van personen voor een tooneelstuk evenmin, en toch zou niemand, die zich er toe zette, zoodanig stuk te lezen, die lijst overslaan, veel minder haar willen missen.

In het laatst der 16'le eeuw leefde te Amsterdam een vermogend koopman, Jacob genaamd, met den toenaam Hinlopen, vermoedelijk omdat hij, of een zijner voorvaderen, van die Friesche stad herkomstig was. Deze Jacob Hinlopen had drie zoons, Jacob, Tijmen en Frans; wie de oudste en wie de jongste van hun drieën was weet ik niet, wel dat zij alle drie Regeeringsambten bekleedden, Jacob Jacobsz., gelijk hij gemeenlijk genoemd werd, vinden wij op de Regeeringslijsten aangeteekend op 't jaar 1617 als Schepen en Kaad, terwijl wij nog van hem weten, dat hij, in 1624, als Commandant van een vendel burgers uittrok, om de stad Bommel te bezetten, welke men, ter versterking van het leger van den Staat, dat voor Den Bosch lag, van garnizoen ontledigd had. —- Tijmen Jacobsz was in 1615 regeerend Burgemeester en Frans in 1622 Kerkmeester der Nieuwe Kerk.

Jacob Jacobsz was tweemalen getrouwd; den naam zijner eerste vrouw hebben wij niet kunnen ontdekken, doch wel kennen wij dien zijner tweede. In 1642, alzoo op reeds gevorderden leeftijd, huwde hij de nog jeugdige Sara, dochter van Jan De Waal, Heer van Ankeveen, en Vondel, die, als wij nader zullen vernemen, verplichting aan den bruigom had, bezong dien echt in een treffelijk gedicht.

Die tweede echt bleef kinderloos; doch uit den eersten had Jacob Jacobsz vier kinderen overgehouden, twee zonen, Jacob en Joan, twee dochteren, Anna en Catharina.

Tijmen Jacobsz, de Burgemeester, trouwde, mede op reeds gevorderden leeftijd, zekere juffer Vermaes, waarom haar oudste zoon, Jacob, bij den naam van Hinlopen, dien van Vermaes aannam. Hunne beide andere zoons waren Michel en Tijmen geheeten.

379

-ocr page 388-

880 EtrSTENBEBGH.

Frans Jacobsz. eindelijk had slechts een zoon, Jacob Fransen, die in 1618 geboren, en die sedert 1642, dus in 't zelfde jaar als zijn oom, getrouwd was, en wel met Maria Huydecoper, dochter van den Heer Van Maarseveen. In 1652, alzoo een jaar voordat ons verhaal begint, was hij Schepen en Baad geworden der stad Amsterdam.

En na u alzoo de leden der familie genoemd te hebben, stel ik u in de vrouw, die aan 't borduurraam zit, Sara De Waal voor, thans weduwe van Jacob Jacobsz. Te recht had Vondel van den overledene in zijn bruilofstdicht gezongen, met toepassing op het verschil in jaren, dat tusschen de echtelingen bestond, dat hij zijner vrouw tevens tot man en vader zou verstrekken. Hij had zich trouwhartig in beide opzichten jegens haar gekweten en was nu sedert een paar jaren gestorven, zijn vrouw als eigenaresse van Rusten-bergh achterlatende.

De klavierspeelster is Anna — het meisje, dat te lezen zit, is Catharina Hinlopen; de andere juffer, die zoo druk met haar naaiwerk bezig is, is Ursula Van Bergen. Zij heeft reeds vroeg haren vader verloren en woont met hare moeder, die aan de Hinlopens vermaagschapt is, te Amersfoort; thans is zij eenige dagen, tot gezelschap van hare nichtjes, op Rustenbergh komen doorbrengen.

De jonkman eindelijk is Joan Hinlopen, An na en Catharina's broeder.

„Allerliefst,quot; zei Ursula Van Bergen, toen Anna het stuk, waar zij aan bezig was, had afgespeeld. „Van wien is die muziek? — Van Swelingk?quot;

„Neen,quot; antwoordde Anna, terwijl zij zich half omwendde en 't blondgelokte kopje schudde: „'t stuk is van Ban.quot;

„Van Ban?quot; vroeg wederom Ursula. „Woont die niet te Haarlem?quot;

„Dat is te zeggen,quot; antwoordde Anna: „hij woonde er: want hij is al voor een jaar of acht gestorven; hij was, zooals Meester Swelingk mij meermalen vertelde, te gelijk rechtsgeleerde en priester; hij heeft heel wat muziek geschreven en er nog meer over geschreven; hij was zeer bevriend met den Heer Descartes, den Franschen geleerde, die hier was komen wonen, en hij won dikwijls diens raad in.quot;

„En niet alleen met den Heer Descartes was hij bevriend,quot; viel Mevrouw Hinlopen in: „maar ook met den Drossaard Hooft en met Mejuffrouw Tesselschade Krombalgh: ik heb hem vroeger op 't Muiderslot wel ontmoet, en ik weet niet hoevele deuntjes van den Heer Hooft hij op muziek heeft gezet: ook, zoo ik mij wel herinner, een van Mejuffrouw Tesselschade, dat een kluchtigen titel had: „Onderscheid tusschen eene wilde en tamme Zangster.quot; — De wilde was natuurlijk de nachtegaal, de tamme zij zelve.quot;

„Heden, Meuie '), dat zou ik wel eens hebben willen hooren,quot; zei Ursula lachende.

I) Voor „moei.quot; Ursula drukt z ich hier op zijn echt Amsterdamsch nlt en zooals ik 't In m^n jeugd nog me ermalen hoorde. *t quot;Woord Tante kwam eerst later dan 't hier behandelde tydvak in gebrnlk; — daarentegen zei men toen veelal cousine voor „nicht.quot;

-ocr page 389-

BTJSTENBERGH. 381

„Ik heb het niet,quot; zeide Mw. Hinlopen: „doch ik weet niet, of het u wel bevallen zou. Het lied, dat Anna daar speelde, is welluidend, en het lieflijkste, dat hij gemaakt heeft: trouwens het streven van Mr. Joan Albrechtsz Ban was altijd, om de rechten der melodie aan te bevelen en te handhaven tegenover die der harmonie; doch ook zelfs zij, die 't in beginsel met hem eens waren, oordeelden, dat hij de toepassing daarvan veel overdreef. Zijn muziek was daarom dikwijls flauw en mat, niet onaangenaam voor 't gehoor, maar zonder kracht of wat men echt muzikale gedachten noemt; en dat was ook het geval met het stukje, dat ik zooeven noemde.quot;

„Ja,quot; voegde Joan er bij: „zijn muziek doet mij altijd denken om zoete koek: honing met sukade, meer niet; ik voor mij eet hem liever wat gekruid. En tien tegen een, dat mij de wilde zangster, waar Moeder van sprak, beter dan de tamme zou bevallen, al gaf nu Ban vermoedelijk aan de laatste de voorkeur.quot;

. „Hoe kunje zoo spreken van je liefde voor de wilde zangsters, terwijl je bezig bent een net te breien om die arme diertjes te vangen?quot; vroeg Anna.

„Je ziet slecht uit je oogen,quot; antwoordde Joan: „als je niet merkt dat het een snippennet is, waar ik aan bezig ben; en snippen zgn, zoover ik weet, nooit als zangsters bekend geweest.quot;

„Ik dacht, Joan,quot; zei Catharina, van haar boek opziende: „dat je op de jacht alleen dacht aan de eenden en hoenders en niet op het gezang van een vogel letten zoudt.quot;

„In den jachttijd zingen ze niet,quot; hernam Joan: „dan hoort men ze alleen wat fluiten en kwinken. — Maar luister je waarlijk naar ons gesprek. Zusje? Ik dacht, dat je te veel in Virgilius verdiept waart, om eenige aandacht te schenken aan hetgeen er gespeeld of gezegd werd. Vermaakt je dat werkelijk, dat langdradige boek?quot;

,'t Is een geschenk van Sinjeur Vondel,quot; zei Catharina, zonder bepaald te antwoorden op de gedane vraag; „nu, als ik hem terugzie, wil ik toch eenigszins op de hoogte zijn, om er iets over te kunnen zeggen en niet verlegen te staan, als hij mij vraagt, hoe 't mij bevallen heeft.quot;

„Dat zal hij niet doen,quot; merkte Mw. Hinlopen aan: „de man is te bescheiden en spreekt nooit over zijn eigen werk.quot;

„Dat is gelukkig,quot; zei Ursula: „want ik beken tot mijn schande dat ik nooit den moed heb gehad, de lezing van het boek te beginnen, ofschoon het sedert lang bij ons in de kast staat, en neef Huydecoper, die het aan Moeder schonk, mij 't werk zeer aanbeval en verklaarde, zelden zulk keurig proza gelezen te hebben, en dat het oorspronkelijke zoo schoon teruggaf. Ik zou dan ook allesbehalve op mijn gemak zijn, indien ik Sinjeur Vondel ontmoette en mijn onbekendheid met zijn vertaling aan den dag kwam.quot;

„O!quot; zei Catharina: „met u is 't een ander geval: je zijt niet verplicht, het boek te lezen; want u is het niet ten geschenke gegeven door den schrijver.quot;

-ocr page 390-

382 EUSTBNBERGH.

„Ei zoo?quot; vroeg Ursula: „ja, ik weet hoe je beiden in gunst staat bij den ouden heer.quot;

„Welzeker!quot; viel Joan in; „hij vrijt ze allebei: zoo'n ouwe gauwdief!quot;

„Foei, Joan,quot; zei Anna; „de man is altijd even zedig en stil:

jawel,quot; vervolgde zij tegen Ursula: „hij heeft het ons gebracht toen wij nog op Eikhof buiten waren, en dat ingevolge een belofte, die hij ons had gedaan, bij gelegenheid, dat Vader hem ten onzent

had verzocht, doch dat hij zijn dochter Anna, die de koorts had, niet wilde verlaten. Hij deed ons die belofte in een allerliefst versje, luister maar:

„Mijn geest, tot lantvermaeck geneight,

Had uwen Eickhof hardt gedreight,

Daer eick by eick zoo vrolijck groeit.

Het velt vol zoete boeckweit bloeit,

En levert aen de honighby Een levendige schildery.

Die 't oogh misleit door groeizaem kleur,

En noodt den reuck op versohen geur;

Maer och de damp van eene koorts.

Die 'tnaeste bloet, gelijck een toorts.

Zoo vierigh blaeckt, benyde my Dat schoon gezicht en zomerty,

Waer door het weimans hart ontluickt;

Wanneer 't in koele schaduw duickt,

In 't groene gras, en 't piepend kruit.

En Titer volght met keel en fluit;

Of vlieght') en jaeght, door 't Paradijs Van 't lachend Goy, naer eêl patrijs,

En haes, en vos, met valck en hont,

In 'tkriecken van den morgenstont.

Noch schel ick u die vreught niet quijt,

Maer spaerze op een gelegen tijt.

Die Goylants herderinnen sticht In Duitsch met Maroos heldendicht,

Airede in 'trijmeloos vertaelt;

Waer door mijn geest wat adems haelt Terwijl eens anders koortsverdriet Mij uwe hoef en 'tvelt verbiet.quot;

„Ja, inderdaad, dat is een lief versje,quot; zei Ursula: „en hebt gij er meer van hem?quot;

„Dat is te zeggen, Joan heeft er een van hem gekregen,quot; antwoordde lachende Anna.

1) yiiegen beteekent In jagerstaal; „met valken of sperwers op vliegend wild Jagen,quot; en vlieght staat hier over valck, gelijk jaeght over hunt.

-ocr page 391-

BUSTENBBEGH.

„En wel een woordje op zijn pas,quot; voegde Mw. Hinlopen er bij: „hoor maar eens:

Hindelopen loopt de hinden En de hazen achter aen.

Al de Joffers laet hy staen.

Hy bemint de hazewinden,

En zijn bracken, en het wilt.

En het velthoen, en de lijsters.

Meer dan al de jonge vrijsters.

Is dat niet zijn jeught gespilt ?

Hy magh rennen, hy magh jaegen,

Maer hy zal zijn jaght beklagen.quot;

„Nu ja,quot; zei Joan, de schouders ophalende: „Vondel wil altijd iedereen maar getrouwd hebben. — Maar ik weet wel waarom Anna die hatelijkheid, die hij op mij gerijmd heeft, aanhaalt: 'tis omdat ik wederkeerig van de vleiende loftaal zou gewagen, die hii haar gegeven heeft.quot;

„Zoo?quot; vroeg Ursula: „en hoe luidt die'? Daar heeft Anna mij nooit iets van gezegd.quot;

„Nu! dat kan ze ook zelve niet doen,quot; hernam Joan: „maar zij heeft dolgraag, dat een ander er van spreekt, en nu zou zij zeer gestraft zijn, indien ik de gelegenheid, die zij heeft doen geboren worden, moedwillig verzuimde.quot;

„Foei, Joan! 'tis heel leelijk wat je daar vertelt,quot; zei Anna: „ben ik dan zóó ijdel ?quot;

„Dat is tot daaraan toe,quot; antwoordde Joan: „maar in allen geval kan onze Cousine ev niets anders dan een edelmoedigheid mijnerzijds in zien, wanneer ik, nadat je moeder hebt opgestookt om een gedicht op te zeggen, dat mij als een norschen vrouwenhater ten toon stelt, mij wreek, door er op mijn beurt een op te zeggen, dat niets dan lof inhoudt. Je weet, Ursel! dat onze Anna, ofschoon niet katholiek, door Govert Flinck is geschilderd in de gedaante van een heilige, en nog wel in die van St.-Cecilia, die het orgel heeft uitgevonden: iets, dat ik altijd vrij verwaand heb geoordeeld....quot;

„Wat? dat St.-Cecilia 'torgel uitvond?quot; vroeg Catharina, hem in de rede vallende.

„Neen; — maar dat Anna voor een heilige wou doorgaan, en nog wel voor een patrones van de muzikanten.quot;

,'tWas Vader, die 't zoo begeerde,quot; zei Anna, de oogen neerslaande.

„Nu! ik zal er dan niets meer van zeggen,quot; hernam Joan: „zeker is 't, dat Vondel er zeer mee ingenomen was — ofschoon ik niet recht begrijp, hoe 't hem, die zoo vroom katholiek is, niet ergerde, aldus een kettersche juffer als eene zijner kerkheiligen te zien voorgesteld. Intusschen, dat is zijne zaak. Dit althans is zeker, dat hij, die met Flinck zeer bevriend is, de schilderij bij hem ziende, er terstond dit bijschrift op maakte:

383

-ocr page 392-

384 BUSIENBEKOH.

Zoo schijnt Cecilia in Anna te verrijzen.

Een Engel 't orgel blaest, terwijlze Davids wijzen Op Swelingks noten volgt, en zelf het Paradijs Ten dans leit en ontvonckt in 's Allerhoogsten prijs.

Haar vingers 'tbruiloftsliet van Salomon ontvouwen.

Wel hem, die zulck een hant en vingers eens zal trouwen.quot;

„Nu!quot; merkte Ursula aan: „dat is nogal niet weinig vleiend.quot;

„Alleen,quot; hervatte Joan: „heb ik aanmerking op den laatsten regel: dat hant en vingers vind ik wat overbodig: wel! wie de hand krijgt, krijgt er immers de vingers bij?quot;

„Dat hebje niet uit uzelven. Broeder,quot; zei Catharina: „ik wed, dat Vos of een ander, die zich vermeet, verzen van Vondel te bedillen, omdat hij ze zelf zoo niet schrijven kan, die aanmerking heeft gemaakt.quot;

,'t Doet er niet toe,quot; hernam Joan, „zoodra de aanmerking juist is.quot;

„Maar dat is zij, geloof ik, niet,quot; zei Catharina: „ieder woord heeft hier zijn afzonderlijke beteekenis, en de dichter prijst de man gelukkig, die niet alleen, met Anna's hand, een vrouw, maar ook, met Anna's vingers, een goede klavierspeelster tot vrouw zal krijgen.quot;

„Fraai verzonnen!quot; zei Joan: „waarachtig. Zuster, zoo Anna noten op 't klavier levert, jij zoudt bekwaam wezen noten op de werken der poëten te leveren !

„En als ik daartoe bekwaam was,quot; zei Catharina: „zou ik het nog ongaarne doen; mij dunkt, op slechte verzen behoeft men geen noten te maken; want die zijn de moeite van 't lezen niet waard: en wie goede verzen niet verstaat zonder noten, zal er geen genot van hebben, ook al geeft men er hem noten bij.quot;

„Ons Catrijntje heeft gelijk,quot; zei Mw. Hinlopen: „en daarom schat ik Vondel ook hooger dan al de dichters, die wij ooit gehad hebben, omdat hij, ook al behandelt hij de verhevenste onderwerpen, altijd even duidelijk is in zijn taal.quot;

„Heeft Meuie hem sedert lang gekend?quot; vroeg Ursula.

„Sedert mijn huwelijk,quot; antwoordde Mw. Hinlopen, „toen hij een gedicht op mijn bruiloft maakte; maar mijn man had hem, om zoo te zeggen, van kinds af gekend: zij waren tijdgenooten.quot;

„Hij is altijd aan Vader zeer gehecht geweest,quot; zeide Anna.

„En niet zonder reden,quot; merkte Joan aan: „immers, toen hij om zijn Palamedes vervolgd werd, was Vader onder de Schepenen degene, die 't meest voor hem ijverde.quot;

„Ik verheug mij zeer, dat ik hem zal leeren kennen,quot; zei Ursula: „heden! als hij op mij eens een gedicht wilde maken.quot;

„Wel! daar is kans op,quot; zei Joan: „als hij je eens kent, dan hebje maar te trouwen, en je kunt er op aan, dat hij je huwelijk bezingt.quot;

„Hm! als ik zoolang moet wachten,quot; hernam Ursula: „dan weet ik zeker, dat er niets van komt.quot;

-ocr page 393-

KUSTENBERGH. 385

„Och waarlijk?quot; vroeg Joan, haar zijdelings aanziende, met een ondeugenden blik; „zou 't zoolang duren eer wij het geluk hebben u ala bruid te begroeten?quot;

„O, nog geweldig lang,quot; antwoordde het jonge meisje; doch de kleur, die de vraag op haar gelaat had doen rijzen, scheen te kennen te geven, dat zij niet volkomen zeker was of zij wel de waarheid sprak.

„Gekheid! gekheid!quot; riep Joan, met zijn plagen voortgaande: „wie weet of er niet spoedig iemand komt opdagen, die je tot andere gedachten brengt.quot;

„De oude Heer Vondel misschien?quot; vroeg Ursula, haar verlegenheid achter scherts verbergende: „wel! ik zou er anders niet tegen hebben, als 't niet om 't verschil van religie was.quot;

„De oude Heer Vondel — of een ander,quot; zei Joan: — „en pas op, of mijn woorden niet uitkomen: ik hoor daar een rijtuig en wij zullen zien wie het medebrengt.quot;

En werkelijk, er hield een rijtuig stil en spoedig daarop traden zij, die er mede van Amsterdam gekomen waren, de zaaldeur binnen.

III.

De nieuwaangekomenen waren vier in getal, die wij achtereenvolgens aan den lezer voorstellen: wij beginnen met den jongste en wel, omdat hij onder het viertal de eenige huisgenoot is, namelijk Jacob Hinlopen, de oudere broeder van Joan, en thans Regent van het Burger-Weeshuis, een wakker en flink jongeling. Twee anderen zijn zijne neven, Jacob Tijmensz Hinlopen Vermaes, die Regent van het Aalmoezeniers-Weeshuis is en tevens een der Directeuren van de Groenlandsche visscherij, en zijn broeder Michiel, die nog steeds buiten alle stadsbetrekking is gebleven, omdat hij schier altijd zich op reis bevond. Reeds voor tien jaren had hij Italië bezocht en 'twas aan hem, na zijn terugkomst uit Florence, dat Vondel zijn lierzang de „Ilias van de Mediciasenquot; opdroeg. Reeds van zijn vroegste jeugd een minnaar der schoone kunaten, had Michiel door zijn verblijf m

fenoemde stad dien kunstzin nog meer weten te ontwikkelen en was egonnen een prachtige verzameling aan te leggen van kunstplaten, welken schat hij nog dagelijks verrijkte.enoemde stad dien kunstzin nog meer weten te ontwikkelen en was egonnen een prachtige verzameling aan te leggen van kunstplaten, welken schat hij nog dagelijks verrijkte.

en zijn broeder betrokken, sedert den dood huns vaders, de hofstede Klein Bussum, mede in Gooiland gelegen, en het is slechts in 't voorbijgaan, om hunne tante en nichten een bezoek te brengen, dat zij Rustenbergh aandoen. Misschien is er nog een andere reden bij; doch dat zullen wij later gewaarworden.

De vierde van de nieuwaangekomenen is een zes-en-zestigjarige grijsaard; ik behoef hem niet te beschrijven: al mijn lezers kennen hem voorlang. Zijn naam is Joost Van den Vondel, n. w. v. 25

-ocr page 394-

RUSTENEERGH,

Anna heeft hare zitplaats bij 't klavier, Joan en Catharina de hunne bij 't raam verlaten, om de heeren te verwelkomen. Mw. Hinlopen en Ursula ziin opgerezen, doch blijven staan, waar zij zich bevinden: de eerste, omdat zij, als vrouw van den huize, zich gerechtigd acht, al wie er komt, van hare plaats te ontvangen; de andere, omdat zij, als jong meisje, het min gepast zou oordeelen vier ongetrouwde heeren, waaronder een onbekenden weduwnaar, te gemoet te gaan. I „Wel! dat is braaf van u. Sinjeur Vondelquot; zegt Mw. Hinlopen, terwijl zij den dichter vriendelijk de hand reikt, welke deze eerbiedig kust, „dat gij uw woord houdt en ons komt bezoeken. — Goeden morgen, Jacob,quot; dit tegen haren neef — „goeden morden Mi-chiel; goeden morgen, Jacob,quot; — dit laatste tegen haren stiefzoon. jWij sparen den lezer de begroetingen tusschen broeders en zusters, neven en nichten; wij vermelden alleen het antwoord van Vondel aan de vrouw van den huize:

,Waarlijk! indien ik mij ooit aan woordbreuk kon schuldig maken, dan zou het gewisselijk niet zijn jegens u. Mevrouw. Men vergeet nog wel eens een belofte, die 't lastig is te houden; maar een genoegen, dat men beloofd heeft te komen smaken, die dat vergeet, ware een dwaas.quot;

„Ik behoef niet te vragen,quot; hernam de vrouw des huizes; „of gij uw dochter hebt wel gelaten: wij hadden u hier anders niet gezien.-' „Mijn dochter is, Goddank, volmaakt wel,quot; antwoordde Vondel: „en zal zich zeer vereerd rekenen als zij verneemt, dat Mevrouw harer indachtig is geweset.quot;

„En bevalt u voortdurend dat stille leven op den Singel? — Is het u beiden niet vreemd, zoo geheel van de drukten, aan uw vroeger verblijf verknocht, te zijn ontslagen?quot;

„Ik heb,quot; zei Vondel: „vele jaren verlangd naar den tijd, waarop het mij zou gegeven zijn, mij uit de zaken terug te trekken en den avond van mijn leven in rust door te brengen, 't welk ik nu, door Gods goedheid, zal kunnen doen. Wij leven zeer gelukkig met ons beidjes, mijn Anna en ik; doch 't is inzonderheid voor haar, dat ik mij verheug, mijne zaken te hebben overgedaan. Het bestier van hnis en winkel begon haar, die niet te sterk van gezondheid is, te zwaar te vallen. Ik heb al met dankbaar genoegen mogen ontwaren, hoeveel beter zij zich gevoelt, sedert zij althans van het grootste deel harer beslommeringen is bevrijd; wat ons kleine huishoudentje betreft, dat kan zij. gemakkelijk af, en wij hebben waarlijk tegenwoordig een aardsch Paradijsje.quot;

Helaas! hoe weinig dacht de goede man, dat eerlang nieuwe en erger bekommeringen dan ooit te voren de rust, die hij in dat Paradijsje genoot, zouden komen verstoren en hij wederom op zijn ouden dag tot een bedrijvig leven en een slaafschen arbeid zou worden gedoemd.

386

„En heeft de reis u niet vermoeid, Sinjeur Vondel?quot; vroeg Joan, die inmiddels uit een zijbuffet, een flesch romenije ') en eenige glazen had voor den dag gehaald en op tafel gezet.

') Itomanée, een toen en nog steeds beroemde Bourgognewijn.

-ocr page 395-

BUSTENBEEGH. __ 387

,Men wordt niet vermoeid,quot; antwoordde de grijsaard, „als men gezeten is in de gemakkelijke karos van de Heeren Hinlopen en tevens het voorrecht van hun onderhoudend gezelschap geniet. Daar is de Heer Michiel, die over de kunst en over al wat hij met betrekking daartoe in Italië gezien heeft, weet te spreken, dat men nooit moede wordt naar hem te luisteren: en de Heer Jacob Tij-mensz, die mij de kusten van Groenland en de natuurverschijnselen, die men in de IJszee waarneemt, zoo naar 't leven heeft geschilderd, dat het mij was of ik ze vóór mij zag.quot;

„En, vader Vondel,quot; vroeg Catharina: „waar zoudt ge nu liever heentrekken? naar Italië, om de kunst te bewonderen of naar de IJszee, om de natuurverschijnselen gade te slaan?quot;

„Wel, dat 's een vraag!quot; riep Joan: ,'t is ook een mooie liefhebberij, naar de Noordpool te gaan, om er de scheurbuik op te doen en een bevroren neus. Wat zegt er nicht Ursel van?quot;

„Wel!quot; antwoordde Ursula, met een licht blosje: „ik geloof, dat men zich tegen de kou goed wapenen kan, en dan is 't mogelijk, dat het schoone, dat men ziet, ruim opweegt tegen de ongemakken, die men lijdt.quot;

„En 't zou bovendien,quot; vervolgde Joan: „veel afhangen van het gezelschap, dat men mee had op reis. Ik weet niet, hoe neef Jacob er over denkt, maar ik, wat mij betreft, zou mij de reis met de walvischvaarders nog getroosten, had ik een lieve reisgenooto mee.quot;

Hier kleurde Ursula nog sterker, vooral toen Jacob Tijmensz zeide: „Ongetwijfeld! en zeker zou ik, indien ik een vrouw had, het wel als een groot bewijs van hare affectie achten, als zij zulk een tocht naar de Noordpool waagde en al de daaraan verbonden gevaren tartte, om niet van mij gescheiden te zijn. — Intusschen, ik zou haar daaraan niet willen blootstellen,quot; voegde hij er geruststellend bij.

.Zoo? je zoudt haar dus liever een maand of wat alleen laten?quot; vroeg Joan, met een sohalkschen blik.

„Ik zou doodeenvoudig thuis blijven,quot; antwoordde Jacob Tijmensz: „er bestaat volstrekt geene noodzakelijkheid, dat een Directeur van de visscherij alle tochten meemake; als men eenmaal een huisgezin heeft, komen er andere plichten, die zwaarder wegen.quot;

„Braaf geantwoord,quot; zei Mw. Hinlopen: „maar nu weten wij nog niet, hoe Sinjeur Vondel denkt, aangaande hetgeen hem door Catrijntje gevraagd is.quot;

„Waarlijk,quot; antwoordde Vondel: „de keuze zou mij moeilijk vallen: natuur en kunst zijn levenslang twee trekpleisters geweest, die met gelijke kracht op mij werken----quot;

„En die gij met gelijke liefde en even gelukkigen uitslag bezongen hebt,quot; viel Jacob Jacobsz in.

„Maar ik kan mij dan ook niet voorstellen,quot; hervatte Vondel: „hoe men dichter zou zijn, zonder aan beide gelijke liefde toe te dragen. Zie, ik begrijp het zoo: de natuur legt in 's menschen geest, of liever in zijn hart, de geneigdheid, den aanleg tot poëzie; — maar komt er de kunst niet bij, om aan die genegenheid een be-

-ocr page 396-

388 BUSTENBERGH.

paalde richting te geven en om dien aanleg te beschaven, dan zullen de gaven, die hij van de natuur ontvangen heeft, hem op zich zelve niet baten; en omgekeerd zal §een kunst, geene oefening ter wereld iemand tot dichter maken, die het niet geboren is. En evenzoo kan men, door zich vlijtig te oefenen in de mengeling van kleuren of in het teekenen van goede voorbeelden, een knap huisschilder of een bekwaam timmerman worden: maar daarom nog geen Flinck of Van Campen.quot;

„Maar nu, vader Vondel!quot; zei Catharina; „uw antwoord op mijn vraag.quot;

„Wel, MejufFer Catharina,quot; hernam Vondel: „vergun mij u ook eens een vraag te doen? Wat ziet gij liever: een heerlijk bloem-

Serk, waar de schoonste rozen bloeien, of een schilderstuk, waarop ie op de uitstekendste wijze zijn afgebeeld?quot;erk, waar de schoonste rozen bloeien, of een schilderstuk, waarop ie op de uitstekendste wijze zijn afgebeeld?quot;

„Hm!quot; antwoordde Catharina: „ik zie ze allebei even gaarne; maar----quot;

„Of,quot; vervolgde Vondel: „wat ziet MejufFer liever op tafel: een welgemesten kalkoen of een flesch puik puike malvezije? Ik weet, dat beide in uw smaak vallen.quot;

„Wel! den kalkoen, als ik honger heb, en de malvezije als ik dorst heb; maar dat zijn voorwerpen, waar geen vergelijking tus-schen kan gemaakt worden.quot;

„Juist!quot; hernam Vondel; „en dit is evenzoo het geval met de keuze, die mij door u werd voorgesteld. Tusschen ongelijksoortige voorwerpen kan geen keuze te pas komen.quot;

„Maar toch,quot; zei Jacob Jacobsz: „was de vraag van mijn zuster zoo ongerijmd niet. Stel, dat iemand u den voorslag deed, met hem ter walvischvangst te gaan, en, terzelfder tijd, een ander, hem naar Italië te vergezellen, en er was niets, dat u belette, een der beide voorstellen aan te nemen, dan zoudt gij toch wel moeten kiezen.quot;

„Dan koos ik Italië,quot; antwoordde Vondel: „waar men naast de kunst, ook schoone natuurtooneelen vindt en treffende herinneringen.quot;

„Zeg liever, geen blauwschuit opdoet en geen bevroren neuzen, en 't gevaar niet loopt, in de maag van een ijsbeer te land te komen,quot; zei Joan.

„Hm!quot; hernam Vondel: „men kan daarentegen in Italië een zonne-of een schorpioensteek opdoen; en zijn er geen ijsberen, dan zijn er bandieten, die niet minder gevaarlijk zijn. Wie tegen de gevaren van de reis opziet, doet best, bij honk te blijven.quot;

„Ik voor mij,quot; zei Jacob1 Jacobsz, „beken gaarne, dat ik geen held ben en evenmin lust heb, om kennis te maken met de ijsberen als met de bandieten. Ik zeg maar: leve Amsterdam, waar men, na 't gedane werk, rustig en stil zijn piketje in den Doelen kan gaan spelen, en leve het Gooi, waar men veilig kan gaan wandelen zonder er bandieten, beren of schorpioenen te ontmoeten.quot;

„Toch wel slangen,quot; zei Anna.

„Slangen!quot; herhaalde Michiel: ..inderdaad? — Ik dacht, dat die alleen in 't Zuiden huisden, althans die venijnig zijn.quot;

-ocr page 397-

KÜSTBNBEKGII.

,Wel ja! — en ik griezel er nog van als ik er aan denk,quot; hernam Anna.

„Wist je dat niet, Michiel?quot; vroeg Catharina: „wij waren op de hei bloemen gaan plukken en zaten op een heuveltje wat uit te rusten. Zonder die hagedis, die ons waarschuwde, waren wij misschien van het beest gebeten.quot;

„Wat is dat voor een geschiedenis uit de fabels van Ezopus, die je ons vertelt? Hagedissen, die de lieden waarschuwen!quot;

,'t Is zooals Catrijntje zegt,quot; zei Anna: „het diertje kroop juist over mijn schouder en dat deed mij naar beneden kijken en die leelijke adder zien, die vlak bij mijn voet op een eiketronk zat te sissen.quot;

„'t Was toen je op reis waart,quot; voegde Catharina er bij: „vader Vondel maakte er een aardig versje op.quot;

„Mag men dat hooren?quot; vroeg Michiel.

„Wel gewis,quot; antwoordde Catharina: ,'t heeft tot titel:

Maer midden onder 't slapen quam Een adder uit haer duister hol

DE GETROUWE HABGHDIS.

Geluckig is zy, die hier leeft

Van zorgen en gevaar bevrijt,

En altijt eene schiltwacht heeft:

Want zelden leeft men zonder strijt. En ongeval en harteleet Genaeckt den mensche, oock eer men 'tweet.

Twee jonge maegden waren uit-

Gegaen, in ?t kriecken van den dagh,

Daer niemant heek noch draeiboom sluit.

Het Goy voor ieder open lagh.

Natuur haer keur van bloemen milt Alsins te plucken gaf in 't wilt.

De lentezon bescheen het groen,

Met puick van straelen overal: Het lantschap stont in zijn saizoen:

De byen zogen bergh en dal Van honigh ledigh te gelijck.

En alle honighkorven rijek.

De maeghden op een heuvelkijn Gelegen, en van plucken moe.

Beschut met loof voor zonneschijn En zon, haer oogen loocken toe,

389

-ocr page 398-

ggO quot; BTJSTETIBEKÖH. j

Gekropen, langs een eicken stam.

Zy glom om haeren hals, en zwol Allengs van boosheit in den dagh Toen zy de zusters leggen zagh.

Dit merckte een waokere Haeghdis,

Die vrouw Natuur in stilheit dient,

Den mensch bemint en gunstigh is En gadeslaet, en houdt te vnent.

Hoe was dit lieve dier zoo bang!

Zy kroop verbaest op hals en wang.

Zij streekze, en weckteze op het lest

Met strijoken, recht als ofze nep:

Waeokt op: waeckt op, ontvlucht dees pest.

Het paer ontwaekte, en zagh, en liep,

En strooide in 't loopen voor gevaer Den schoot met bloemen hier en daer.

Nu twijfel ick niet langer, of

Het een of 't ander stomme dier Bewaekt d'onnoozlen, en haer lof

Behoeft noch hantbus noch rappier.

Al schiet een adder gift en gal.

De deught is veiligh overal.

Michiel bedankte zijn nicht voor de mededeeling en allen prezen het bevallige gedichtje. Alleen Joan, altijd ondeugend, kon met, nalaten zijn zusters weder wat te plagen, en zei de:

't Versie is allerliefst, maar indien Sinjeur Vondel er zijne dichter-liike verbeelding niet wat heel veel in heeft doen werken, dan houd ik het er voor, dat zij niet zoozeer aan den loop zijn gegaan voor de slang als wel voor de hagedis, en dat ze 't evenzoo lard gedaan hadden als 't een spinnekop geweest ware, die haar over den bloo-ton hals kroop En zij weten wel dat zoon addertje haar niet op zal slikken en evenmin bijten zal, zoo men het met tergt. Ja, 't

Zijnjaellachnmaar met ons,quot; zei Anna: ,'t beest blies inderdaad alsof het zoo op 't punt stond, om op mij aan te vallen, en t was voorwaar geen addertje, maar wel een degelijke adder, ten minste zoo lang!quot; en meteen bracht zij hare beide handen wel een paar voet

VanDan^noet öf de schrik de lengte van 't beest in uwe oogen verdubbeld hebben, öf het is een slang geweest, die uit het e«n of ander beestenspel was ontsnapt. Doch waar haalt Sinjeur Vondel het uit, dat de hagedis een vriendin is van den mensch ? — steunt die overlevering op eenigen grond? Ik heb altijd bemerkt dat zi] wegliepen all men ze krijgen wou, en dat toont geen bijzondere vriendschap.

'Us PHnius zoo ik mij niet vergis, die 't vertelt,quot; zei Vondel:

-ocr page 399-

EUSTEKBEEGH. ó91

„en vermoedelijk berust het volksgeloof daarop, dat de hagedis zich veelal onthoudt aan muren en heiningen, dus in de nabijheid van den menseh. Maar wat daarvan zij, in een gedichtje mag men van een volksgeloof partij trekken, 't zij het op goede gronden steune of niet.quot;

„En nu,quot; zei Michiel: „zou nicht Anna ons niet op een liedje willen verbasten, eer wij weder verder gaan? Wij hebben — ik althans — in lang niets van haar gehoord.quot;

„Goed,quot; antwoordde Anna: „maar wat begeert neef Michiel? iets plechtigs? of iets vroolijks?quot;

„Iets vroolijks in elk geval,quot; antwoordde Michiel: „'s avonds moge men gestemd zijn, naar stichtelijke gezangen te luisteren; voor den eten zijn die maar geschikt, om den appetijt te bederven.quot;

„Welnu!quot; sprak Anna: „zoo luister dan.quot;

En meteen, zich nederzettende aan 't klavier, zong zij het liedje, dat Vondel te haren gevalle vervaardigd en waar Dirk Swelingk de melodie voor gemaakt had;

WILTZANOH.

Wat zongh het vrolijck vogelkijn,

Dat in den boomgaerd zat?

Hoe heerlijck blinckt de zonneschijn Van rijckdom en van schat!

Hoe ruischt de koelte in 't eicken hout,

En versch gesproten lof!

Hoe straelt de boterbloem als gout!

Wat heeft de wiltzangh stof!

Wat is een dier zijn vrijheit waert!

Wat mist het aen zijn wensch:

Terwijl de vreck zijn potgeld spaert!

O slaef! o arme mensch;

Waer groeien eicken tquot;Amsterdam?

O kommerziecke Beurs,

Daer noit genoegen binnenquam!

Wat mist die plaets al geurs!

Wy vogels vliegen, warm gedost.

Gerust van tack in tack.

De hemel schaft ons dranck en kost.

De hemel is ons dack.

Wv zaeien noch wij maeien niet:

Wy teeren op den boer.

Als 't koren in zijn aren schiet

Bestelt al 't lant ons voêr.

Wy minnen zonder haet en nijt.

En danssen om de bruit:

Ons bruiloft bint zich aen geen tijt,

Zy duurt ons leven uit.

-ocr page 400-

392 EUSTENBEBGH.

Wie nu een vogel worden wil,

Die trecke pluimen aen,

Vermy de stadt, en straetgeschil,

En kieze een ruimer baen.

Toen Anna haar gezang beginnen zou, was, gelijk dat in meer diergelijke gevallen plaats heeft, een verandering gekomen in de wijze, waarop het gezelschap gegroepeerd was. Michiel Hinlopen had de tafel verlaten en zich achter de zangster geplaatst, om beter te luisteren: Vondel had mede zyn glas romenije in den steek

gelaten en was in een hoek voor het klavier gaan zitten, atharina zich bij hem voegde. Jacob Jacobsz en Joan, die 't liedje meer gehoord hadden, hadden zich naar het verst verwijderde raam begeven, om daar in stilte over hunne bijzondere belangen te spre-ken, Mw. Hinlopen alleen aan de tafel latende. Ursula was naar de plaats, welke zij vroeger bij 't raam bekleedde, teruggeweken, om er haar naaiwerk te hervatten, — misschien ook, ofschoon wij dat niet stellig durven verzekeren, omdat zij Jacob Tijmensz, die haar zoo smeekend had aangezien, de gelegenheid niet wilde ontnemen, een woordje tot haar te richten, dat niet door het gansche gezelschap behoefde verstaan te worden. Zekér is het, dat Jacob Tijmensz de gelegenheid niet ongebruikt liet voorbijgaan, maar zich by haar vervoegde en met een zachte, eenigszins bevende stem tot haar zeide *elaten en was in een hoek voor het klavier gaan zitten, atharina zich bij hem voegde. Jacob Jacobsz en Joan, die 't liedje meer gehoord hadden, hadden zich naar het verst verwijderde raam begeven, om daar in stilte over hunne bijzondere belangen te spre-ken, Mw. Hinlopen alleen aan de tafel latende. Ursula was naar de plaats, welke zij vroeger bij 't raam bekleedde, teruggeweken, om er haar naaiwerk te hervatten, — misschien ook, ofschoon wij dat niet stellig durven verzekeren, omdat zij Jacob Tijmensz, die haar zoo smeekend had aangezien, de gelegenheid niet wilde ontnemen, een woordje tot haar te richten, dat niet door het gansche gezelschap behoefde verstaan te worden. Zekér is het, dat Jacob Tijmensz de gelegenheid niet ongebruikt liet voorbijgaan, maar zich by haar vervoegde en met een zachte, eenigszins bevende stem tot haar zeide *

„Ik wenschte wel te weten of ik met het aanstaande voorjaar weder naar Smeerenburg zal gaan.quot;

Smeerenburg was de naam van een toen bestaand Nederlandsch kantoor in de IJszee.

„Hoe wil ik u dat zeggen?quot; vroeg het jonge meisje, met nauwelijks hoorbare stem; want ook zij gevoelde, dat achter die schynbaar onbeduidende woorden een dieper zin verscholen lag en dat zij tot inleiding dienden van een gewichtiger gezegde.

„Wel!quot; hervatte Jacob Tijmensz.: „omdat niemand dan gij alleen zulks beslissen kunt. Herinner u slechts, wat ik zooeven zeide, dat ik doodeenvoudig bij honk zou blijven, indien ik een levensgezellin had, die mij aan mijn huis boeide.quot;

Hoezeer deze woorden te duidelijk waren, om eenige verklaring te behoeven, en hoe liefelijk zij Ursula in 't oor klonken, toch mocht zij, als een zedige jonge juffer, niet te kennen geven, dat zij volkomen begreep, wat Jacob Tijmensz bedoelde. Een huwelijksaanvraag dient door hem, die haar doen wil, uitdrukkelijk gesteld te worden, wil hij er antwoord op ontvangen. Onze vrijer kreeg dan ook geen antwoord en was wel genoodzaakt, zijn wensch minder ingewikkeld voor te dragen.

„En behoef ik u te zeggen,quot; vervolgde hij: „dat ik mij den geluk-kigsten man op de wereld zou rekenen, indien ik die levensgezellin in u mocht vinden?quot;

Dit was nu heel stellig en heel duidelijk; en toch bleef Ursula, ofschoon zij niet zou hebben durven beweren, geheel onvoorbereid

-ocr page 401-

RUSTENBERGH.

te zijn op het aanhooren eener liefdesverklaring, zwijgend voor zich nederzien, even alsof het gesprokene haar volstrekt niet gold.

„Moet ik uit uw stilzwijgen opmaken, dat mijn aanzoek u ongevallig is, Ursel?quot; vroeg wederom Jacob Tijmensz: ,vindt gij mij misschien te oud voor u? of staat mijn persoon u tegen?quot;

„Neen, dat niet,quot; fluisterde zij nauwelijks hoorbaar en altijd nog zonder de ooeen te durven opslaan: „maar....quot;

Waarschijnlijk zou ze moeite hebben gehad, om te vertellen wat er op dat maar moest volgen. Immers het aanzoek werd gedaan door iemand in de kracht van zijn leven, met een goed voorkomen, een vrij aanzienlijk vermogen, een kloek verstand, een goed hart, en wien zij zeer genegen was: — dat maar had dus eigenlük geen reden of zin. Ook was zij, naar wij gelooven, niet ontevreden, dat Jacob Tijmensz, door 't woord weder op te vatten, haar ontsloeg van de moeite, den begonnen volzin ten einde te brengen.

„Indien gij niets bepaalds tegen mij hebt,quot; zei hij: „mag ik mij dan vleien, dat mijn aanzoek gunstig wordt opgenomen?quot;

Ursula had eindelijk moed gevat, en de oogen even met een vriendelijke uitdrukking op hem vestigende, zeide zij: „ik mag hierin niets beslissen, Jacob Tijmensz; wend u tot mijn moeder; wat zij goedkeurt, zal ik ook goedkeuren.quot; — En dit gezegd hebbende, sloeg zij hare oogen weer neder, als vreesde zij, te veel gesproken te hebben.

Te veel — dat willen wij niet beweren; maar in allen geval was het gesprokene duidelijk genoeg, en Jacob Tijmensz zou al zeer ongemakkelijk hebben moeten zijn, indien hij er niet mee tevreden ware geweest.

Maar hij was tevreden, ja meer nog: hij was verrukt en kon niet nalaten in vervoering een hand te grijpen, die hem niet geweigerd werd, en te fluisteren: „dank! dank!....quot;

„Uitmuntend! treffelijk!quot; klonk het op eenmaal. Met schrik trok Ursula hare hand terug en keek naar buiten, opdat niemand hare kleur en hare ontroering zou bespeuren; terwijl ook haar minnaar ter zijde trad.

Het lied was juist afgezongen.

„Dat is een van de fraaiste liedjes, die gij ooit hebt gemaakt. Sinjeur Vondel!quot; vervolgde Michiel: „en nu, Broeder!quot; -— zich tot Jacob Tijmensz. wendende: „wat dunkt u? zou het onze tijd niet worden, óm naar Oud-Bussum heen te trekken? 'tls weldra het uur, om ten disch te gaan en de juffers zullen wel verlangen, van ons ontslagen te zijn en zich te verkleeden.quot;

„Ik ben tot uwen dienst,quot; antwoordde Jacob Tijmensz, en wierp meteen aan zijn broeder een blik toe, dien deze begreep en die zooveel wilde zeggen als: „ik ben hier iuist lang genoeg geweest, om het hoofddoel te bereiken, waarvoor ik gekomen was.quot;

De broeders namen hierop afscheid, en de overige leden van 't gezelschap gingen ieder de voor hem of haar bestemde kamer opzoeken, om aldaar te verrichten wat noodig was, ten einde, als de etensbel luidde, behoorlijk aan tafel te kunnen verschijnen.

393

-ocr page 402-

KUSX'ivNBJLKUH.

IV.

,Wel, Mevrouw!quot; zei Vondel, toen het gezelschap in den avond van dienzelfden dag bij elkander gezeten was, tegen zijn gastvrouw: „hoe is het? zal dan geen uwer kinderen of neven het loffelijke voorbeeld volgen, dat hun door hunne ouders gegeven werd? Het wordt toch, dunkt mij, hoog tijd. Daar is van de geheele familie Hinlopen nu nog alleen maar uw neef Jacob Fransen, die zich onder de vaan van Hymen begeven heeft.quot; — Jacob Fransen was, als hierboven gezegd is, met Maria Huydecoper getrouwd.

,Wat zal ik u zeggen, Sinjeur Vondel,quot; zei Mw. Hinlopen: „wat mijn dochters betreft, die zullen dienen te wachten tot de rechte Jozef om haar komt, en mijn zoons preek ik genoeg voor, dat het nu tijd voor hen wordt; maar dan komen zij mij altijd aan met het voorbeeld van neef Jacob Tijmensz. en neef Miehiel, die een jaar of tien ouder zijn dan zij en nog om geen trouwen denken.quot;

„Erg genoeg! erg genoeg!quot; zei de oude man, het hoofd schuddende: „hoe zou de wereld in stand blijven, als ieder dus het huwelijk versmaadde?quot;

„Neen! neen!quot; zei Jacob: „ik heb het nog veel te druk, om mij de beslommeringen op den hals te halen, die vrouw en kinderen meebrengen. Te Amsterdam neemt het kantoor al mijn tijd weg, en ben ik hier, dan verzeker ik u, dat ik ook niet behoef ledig te zitten. Dan heb je de pachters en huisluiden, die mijn deur afloopen, om de rekeningen, die moeten worden nagezien, en Schout en Schepenen, met wie te spreken valt, zoodat ik nauwelijks tijd heb, om van 't buitenleven te genieten.quot;

„Gekheid!quot; zei Mw. Hinlopen: „geloof hem niet, Sinjeur Vondel! Wat hij verstaat onder 't genieten van 't buitenleven weet ik niet; maar wel, dat hij van den vroegen morgen af in den tuin is aan 't snoeien en 't planten en poten, met zooveel ijver, dat ik haast niet weet, waarvoor wij er een tuinier op nahouden.quot;

„Wel Moeder!quot; merkte Jacob hierop aan: „als ik met geen goed voorbeeld voorga, hoe wil ik dan vergen, dat het volk arbeidzaam zij. En bovendien, daar zit nu Anna uw vertugadin te verstellen; is dat ook niet een werk, dat zij evengoed aan de kamermaagd kon overlaten? En Catrijntje, als zij niet leest, dan is zij bezig schoonschriften te maken, trots Coppenol en De Lange; kon ik nu ook niet vragen: waartoe verdoen zij naar tijd met een arbeid, waar zij niet toe verbonden zijn?quot;

„Wel!quot; riep Catharina: „zou broeder dan verlangen, dat wij met de armen over elkander zaten? Anna is handig met de naald en die arbeid vermaakt haar; ik daarentegen, die niets zou doen dan broddelen, heb meer liefhebberij in teekenen en schoonschrijven en zoo vervelen wij ons nooit.quot;

394

-ocr page 403-

BUSTEMËBGH. 335

„Ik maak er u ook geen verwijt van,quot; hernam Jacob: „ik beroep mij slechts op uw voorbeeld, om mijn tuinarbeid te rechtvaardigen.quot;

„En toch wil ik wedden,quot; viel hier Joan in: „dat als de rechte Jozef kwam, waar moeder van sprak, de naald en de inktpot wel aan een zij zouden worden gesmeten.quot;

„Wel integendeel!quot; riep de levendige Catharina: „ik smeet den vrijer, die zoo iets vorderde, den inktpot liever naar 't hoofd.quot;

„En ik stak hem met de naald, liever dan die uit de hand te leggen,quot; zei Anna.

„Ik zie wel,quot; merkte Vondel aan: „dat ik vooralsnog alle hoop moet opgeven, om mijn wensch vervuld te zien; want wat uw broeder Joan betreft----quot;

„Jawel,quot; viel Joan in: „die loopt nog altijd de hazen na, liever dan de vrijsters.quot;

„Wij eeren Minerva, Diana en Vertumnus,quot; zei Catharina: „en gunnen Cupido alsnog op Rustenbergh den toegang niet.quot;

„Vertumnus?quot; vroeg (Jrsula: „dien ken ik niet; wie is dat?quot;

„Ja,quot; antwoordde Catharina: „dat is 't, als men 't geluk heeft nu en dan een dichter bij zich te hebben, die in de fabelkunde thuis is, als Sinjeur Vondel. Vertumnus was de man van Pomona, de ooftgodin, en ik noemde hem als patroon van den tuinbouw.quot;

„Nu, het doet mij genoegen, nicht Ursel, dat wij uw aangenaam stemmetje ook eens vernemen. Je zijt zoo stil hedenavond, dat ik al vreesde of er wat aan schortte.quot;

„Ik had mij,quot; merkte Ursula aan, „niet te mengen in een quaestie, waar ik geheel buiten was.quot;

„Zeg liever,quot; zei Jacob: „dat je nadacht over het antwoord, dat je geven zoudt, wanneer men eens aan u de vraag deed, die zooeven tot ons gericht werd.quot;

„Ik geloof niet, dat zij daar meer over heeft na te denken,quot; zei Joan, met een spotachtig gezicht. Het stil gesprek tusschen zijn neef en het jonge meisje was hem niet ontgaan en hij had uit beider houding wel kunnen raden, wat daarvan het onderwerp was.

„Niet?quot; vroeg Mw. Hinlopen, half onzeker of zij de woorden van haren stiefzoon als louter scherts moest opvatten, dan of wellicht achter die scherts nog een ernstiger meening lag verborgen: „je schijnt er meer van te weten dan een van ons allen.quot;

„Och!quot; zei Anna: „Joan spot maar, als naar gewoonte. Wat wou iij weten wat ons ürseltje denkt of niet.quot;

„O, spreek jij niet mee, Zusje,quot; zei Joan: „als men den ganschen dag de oogen op zijn naaiwerk of op de noten van 't klavier gevestigd houdt, dan ziet men niet wat er om zich heen gebeurt; maar ik brei netten en dan gaan mijn oogen vrij in 't ronde.quot;

„En,quot; zei Mw. Hinlopen: „als men dan dingen ziet, die men niet moest zien, dan houdt men dit voor zich en praat er niet over.quot;

„Wel! ik vertel immers ook niets,quot; hernam Joan: „ik verklap geen geheimen; ik zeg alleen wat ik geloof.quot;

Ursula had intusschen tijd gehad, om van de verlegenheid, waarin de plaagzucht van Joan haar een oogenblik gebracht had, te bekomen

-ocr page 404-

396 EtrSTENBERGH.

en, oordeelende, dat scherts niet beter dan door scherts beantwoord kan worden, zeide zij lachende: „Joan heeft volkomen gelijk: ik heb een vast besluit in de quaestie genomen.quot;

„Zoo!quot; riepen verscheidene stemmen te gelijk: „en dat is?...quot;

„Wel!quot; antwoordde zij: „als de rechte Jozef komt, zal ik hem nemen; maar 't moet dan ook natuurlijk de rechte zijn; komt hij niet, welaan! dan zal ik mij troosten.quot;

„Heel wijs gesproken,quot; zei Joan: „en 't doet mij genoegen, dat Sinjeur Vondel althans hier één persoon vindt, die er rond voor uitkomt, niet tegen het huwelijk op te zien, maar ik____quot;

Hier zweeg hij op een wenk van Mw. Hinlopen, die naar Vondel wees. De oude man had een papier genomen, dat op tafel lag, en was aan 't schrijven gegaan.

„Praat maar door,quot;' zei hij, toen plotseling allen zwegen: „het hindert mij niet.quot;

„Ik kan mij daar geen denkbeeld van maken,quot; zei Jacob, doch nu met zachter stem, tegen Joan: „hoe iemand in staat is, verzen te maken, terwijl men babbelt om hem heen.quot;

„En ik,quot; zei de andere: „kan mij in 't geheel geen denkbeeld maken, hoe men tot verzen maken in staat is; ik althans zou geen kans zien, twee regels te schrijven, waar rijm noch maat aan ontbrak ; maar ik onderstel, dat de man ons gesnap niet meer telt dan hij het gezang van een kwartel of kanarievogel doen zou, die in de kamer zijn deuntjes floot.quot;

„'t Is toch een benijdenswaardige gaaf,quot; zei Catharina fluisterend tegen de beide andere meisjes: „zien zoo in den geest te kunnen afzonderen, dat men in 't gezelschap gedichten kan schrijven.quot;

„Maar wat een hoofd ook?quot; zei Anna: „en wat een vuur nog in die oogen; kijk! ik zou nog op hem kunnen verlieven, zoo oud als hij is.quot;

„Ik ben althans recht in mijn schik,quot; zei Ursula, „hem eens ontmoet te hebben en vooral er getuige van te zijn, met wat gemak hij zijne gedachten op 't papier uitstort. Ik zou 't ongelooflijk hebben geacht, indien ik 't niet gezien had; maar nu begrijp ik, hoe de man bij machte is, Zooveel te leveren.quot;

Nog een wijl bleef men onderling, ofschoon nu op stiller toon, met elkander praten, toen Vondel plotseling 't hoofd ophief en zeide:

„'t Gezelschap zal mij verschoonen; maar het gesprek van zooeven deed daar opeens den lust bij mij ontwaken, om hetgeen ik hoorde, in rijm te brengen en als men 't hooren wil, zal ik het gaarne voordragen ?quot;

„Is dat een vraag?quot; zei Mw. Hinlopen: „wij verlangen niets liever en zijn geheel gehoor.quot;

„Welaan dan; het moge tot opschrift dragen:

DE GESTUITE MINNEGOD.

De fiere Venus sprack

Tot baeren kleinen dwergh:

-ocr page 405-

BUSTENBERGH.

Ga heen, bestorm het dack Van 't forsse Rustenbergh,

Dat met ons torts en wapens schimpt,

Zoo trots, dat my er 't hart af krimpt.

Kupido schoot en toogh Zijn snelle vleugels aan:

Hy nam zijn' taeien boogh En koocker, zwaer gelaen Van pijlen, scherp gewet, en gladt.

En daermee heen op 't luchtig padt.

In 't vliegen zagh de Godt,

Die al de weerelt toomt.

De toppen van het slot Van verre door 't geboomt Uitsteecken, en hy streeck er in.

Wat slot, wat sterckte keert de min!

„Zoo? is hij er toch ingekomen?quot; vroeg Joan: „dat is meer dan ik wist,quot; en hier keek hij zijlings naar Ursula.

„Hoor maar, hoe 't hem verging,quot; zei Vondel, en vervolgde:

Doch 't gingh hem in dit perck Uit zijne gissing; want

Een ieder op zijn werck Boodt rustigh wederstant.

Zoo ras hy toeley om terstont Te treffen wat hy bezigh vont.

De voorste klonck de schaer Met yver hem naer 't hooft....

„Dat deed Anna,quot; viel Joan in.

„Maar zwijg toch, Joan,quot; zei Mw. Hinlopen. Vondel ging voort:

Een zorgelijck geweer,

Hoe stout de Min verdooft!

Een andre smeet met kracht en styf Den looden inckpot hem naer 't lijf.

Allen lachten en zagen Catharina aan.

De derde kerft en kruist En snijt en steeckt te fel.

Het snoeimes in de vuist (Al nam de Min de hel Te baet) ontzagh noch pees noch schicht.

De looze schutter viel te licht.

397

-ocr page 406-

398 KUSTEMBEKGH.

„Nu ziet men alweer waar een snoeimes goed voor kan zijn.quot; zei Jacob.

De vierdo sufte niet

Maer greep het lange roer,

Dat menigh vogel schiet,

Hy miclcte en dreigde en zwoer Den schutter in een omzien ras Te steecken in zijn vogeltas.

„Sapperloot!quot; zei Joan: „als ik zulk een vogel ving, ik ging er de kermissen mee rond, en liet hem kijken voor geld. Ik wed, dat ik er een vetten buidel mee opdeed.quot;

„Je bent onverdraaglijk, Joan,quot; zei Catharina: „laat vader Vondel toch doorlezen.quot;

En Vondel las door:

De Minnegodt, in 't endt

Gekeert van daer hy quam.

Zijn moeder heeft bekent Dat pijl noch minnevlam Niet hechten kan op dit geslacht,

Dat bezigh ledigheit veracht.

Nadat allen het luimig gedichtje toegejuicht en den dichter er voor bedankt hadden, zei Joan:

„Waarlijk! Cupido trof het dan ook slecht, dat hij ons met ons vieren alleen trof: hij had zich anders, bij ons niets dan weerstand vindende, op een der gasten kunnen wreken — op u b. v., Sinieur Vondel.quot;

„Op mi]?quot; vroeg deze lachende: „Neen, neen, het is alleen, wanneer, zooals in de fabels, de Dood en de Min in vergissing elkanders pijlen nemen, dat een oud man, in plaats van naar zijn graf, uit vrijen gezonden wordt.quot;

„Nu dan, op nicht üisel misschien!quot; hernam Joan: „en wie weet'? Ik zeg niets; maar 't zou mij zeer verwonderen, indien wij t'avond of morgen niet nog van Cupido's wraakneming hoorden.quot;

En werkelijk hoorde men er spoedig van. 't Duurde geen week, of de maar was overal verspreid, dat Ursula Van Bergen aan Jacob Tijmensz Hinlopen was verloofd: — en eer de winter gekomen was, waren beiden een paar en bezong Vondel hun huwelijk in een schitterenden bruiloftszang.

En de overige personages, die ik in dit familietafereel sprekende heb ingevoerd, blijven zij voortdurend de pijlen der min trotseeren? Het doet mij leed, dat ik hierop niet dan omtrent enkelen een bevredigend antwoord geven kan. Van Joan Hinlopen kan ik zeggen,

-ocr page 407-

kustenbekgn. 399

dat hij, vier jaren later, eindelijk eens afliet alleen de hinden en de hazen na te loopen, en in 't huwelijk trad met Leonore Huydecoper, zuster van Maria, de vrouw van zijn neef Jacob Fransen. Zijn echt werd echter, voor zoover bekend is, niet door Vondel, maar door Vos bezongen. ') 't Schijnt dat de echte staat hem wel beviel; althans na 't verlies zijner eerste vrouw hertrouwde hij met Lucia Wybrands. Regeeringsposten bekleedde hij niet; vermoedelijk omdat hij zijn tijd liever in 't Gooi sleet.

Ook zijn broeder Jacob, die in 1658 Schepen en Eaad werd, moet omtrent denzelfden tijd getrouwd zijn; ofschoon het mij niet bekend is met wie. Immers hij nad een zoon, die hem in Schepensbank en Vroedschap opvolgds. Of en met wie zijn zusters trouwden, heb ik evenmin kunnen ontdekken.

Wat de lotgevallen betreft der verdere personen, die in het voorgaand tafereel optraden, zoo kan ik van Jacob Tijmensz Vermaes vermelden, dat hij in 1655 Regent werd van het Tuchthuis, in welke hoedanigheid Vondel hem eeu gedichtje opdroeg op de afbeelding der Tucht, boven de poort van dat gebouw gesteld. Ook droeg onze dichter hem in 1668 zijn laatste treurspel op, de vertaling van Hercules in Trachin, waaruit men kan afmeten, dat de Hinlopens zich voortdurend zijn beschermers toonden.

Michiel bleef zich levenslang buiten alle regeeringszaken houden, om zich alleen aan de kunst te wijden. Hij stierf in 1709 op een-en-negentig-jarigen leeftijd en liet aan de stad Amsterdam bij uitersten wil zijne kunstverzameling na, bestaande uit de voornaamste werken van Italiaansche, Fransche en Nederlandsche meesters. Deze verzameling, te dier tijd geplaatst in een afzonderlijk vertrek, het „konst-kabinet'' genoemd, bedroeg niet minder dan zeven duizend prenten, in 52 banden en waarvan de inhoud, die met de hand van Hinlopen op ieder nummer was opgeteekend, afzonderlijk ter thesaurie werd geboekt. Na de wederoprichting eener Stadsteekenschool werd deze verzameling verrijkt door geschenken van Ploos Van Amstel, Husly, Buis en anderen; doch ongelukkig naar 't gebouw dier school in de Raamstraat overgebracht, waar zij onder kwalijk opzicht stond en deerlijk geplunderd werd. Later verhuisd naar het lokaal der Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, stond zij aldaar aan nog grooter spoliatie ten prooi. Haar bestaan zelfs was vergeten en 't was eerst voor weinige jaren, dat onze bekwame Directeur der graveerschool, Kaiser, zijn medeleden in den Raad van Bestuur op de nog overgebleven kunstschatten opmerkzaam maakte en er opnieuw voor een goede klassificeering en behoorlijke bewaring werd gezorgd.

Het geslacht der Amsterdamsche Hinlopens — want men had er evenzeer te Hoorn — hoe talrijk en bloeiend ook in de 17',e eeuw, is sedert lang geheel uitgestorven en vandaar dan ook de reden, dat het zoo moeielijk is, behoorlijke narichten omtrent de leden

^ Jan Vos, Gedichten, I, 262.

-ocr page 408-

400 KÜSTENBEEGH.

daarvan te bekomen, en men het weinige dat van hen bekend is, uit de Regeerings- en Bestuurslijsten, uit de werken der dichters en uit hier en daar toevallig ontdekte bijzonderheden moet samen-garen. Toch is het te wonschen, dat meer bekend worde omtrent mannen, die zich bij stad en medeburgers als Regenten en Mecenaten verdienstelijk maakten, omtrent vrouwen, die waardig waren door Vondel bezongen te worden, Het was voornamelijk, om de aandacht op hen te vestigen, dat ik de bovenstaande schets ontwierp.

-ocr page 409-
-ocr page 410-
-ocr page 411-
-ocr page 412-