ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

/ Vaiftn!

PuJ[ ■ Hiï

imim im

li Li

1.

BLOEMLEZING UIT DE WERKEN VAN DE VOORNAAMSTE SCHRIJVERS

DER ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW,

J. L. PH. MiJSER en G. A. C. TAN GOOR,

LEERAREN BIJ HET MIDDELBAAR ONDERWIJS TE AMSTERDAM.

BJQLI0THE6K DER KIJ KSU NiM £ R9ITEIT UTRECHT

......COLL THOMAASSg.......

TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1890.

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2824 530 O

ocr page 6

Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.

ocr page 7

VOORBERICHT.

BIBUQT-.CA CüNV. Wlir.HCN!

Aan de hoogere burgerscholen met driejarigen cursus te Amsterdam is cenig onderwijs in de Nederlandsche letterkunde voorgeschreven. Toen wij met dit onderwijs belast werden, zochten wij naar een geschikt leesboek om daarbij dienst te doen, maar vonden er geen, dat ons geheel voldeed. De uitstekende bloemlezingen, bij den uitgever van dit boek verschenen, waren, vooral door de opneming van een aantal stukken der 19e eeuwsche schrijvers, te uitgebreid en daardoor te kostbaar; andere overigens aanbevelenswaardige werkjes bevatten enkele stukken, die wij aarzelden onder het oog van onze leerlingen te brengen. Zoo kwamen wij tot het besluit, dat een werkje als dat, hetwelk wij thans onzen ambtgenooten aanbieden, niet geheel overtollig zou zijn; de uitgever was het met ons eens — en dit is de geschiedenis van het ontstaan van dit boekje.

Enkele schrijvers, die elders gewoonlijk vertegenwoordigd zijn, zoekt men bij ons te vergeefs; ook voor ons leervak schijnt beperking een eisch des tijds; daarentegen meenden wij een bescheiden plaatsje te moeten gunnen aan den eenigen Zuidnederlandschen schrijver van naam uit het gehcele tijdperk, dat wij behandelden, den man, die bij ieder bekend is als de Zuidnederlandsche Cats, doch van wiens schrijftrant in bijna alle bloemlezingen een proefje ontbreekt.

Wij hebben getracht zoo weinig mogelijk fragmenten op te nemen; de dramatische poëzie is daarom alleen vertegenwoordigd door eenige reien cn een klein stukje uit Langendijks beste blijspel. Dramatische fragmenten wekken naar onze ervaring weinig belangstelling, terwijl aan inrichtingen,

ocr page 8

vaar daarvoor tijd is, toch steeds naast de eene of andere bloemlezing een treur- of blijspel in zijn geheel gelezen wordt. In het belang van het taalonderwijs is alles overgebracht in de spelling van den tegenwoordigen tijd; echter meenden wij de eigenaardigheden der vroegere taal voor het overige zooveel mogelijk te moeten behouden.

Wat de aanteekeningen betreft, zij nog vermeld, dat wij ons bepaald hebben tot eene korte toelichting van verouderde en weinig gebruikte woorden en eenige aanteekeningen van historischen aard; opmerkingen over taal, enz. wenschten wij aan den leeraar zeiven over te laten.

Hiermede zij deze nieuwe bloemlezing onzen collega's, ook aan kweeken normaalscholen aanbevolen.

Op- en aanmerkingen zullen ons welkom zijn.

Amsterdam, Maart '84. D. en v. G.

D. en v. 6.

In den tweeden druk zijn eenige belangrijke wijzigingen aangebracht, gedeeltelijk naar aanleiding van welwillende opmerkingen, ons door verschillende gebruikers dezer bloemlezingen toegezonden. Zoo is van nog een paar schrijvers een proefje opgenomen, zijn sommige minder geschikte stukken door andere vervangen, is het aantal aanteekeningen vermeerderd en hebben wij ten slotte voldaan aan den wensch van verscheidene gebruikers, door ook fragmenten van dramatische stukken op te nemen. Wij hopen, dat het boekje door het een en ander in bruikbaarheid moge gewonnen hebben.

Amsterdam, Juli '90.

ocr page 9

INHOUD.

Bladz.

FILIPS VAN MARNIX VAN ST. ALDEGONDE (1538-1598). Wilhelmuslied.................... j

DIRK VOLKERTSZOON COORNHERT (1522-1590',

Focus........................

Uit de voorrede van de Tweespraak van de Nederduitsche letterkunst 7

ROEMER VISSCHER (1547-1620).

TJit de „Brabbeling;'quot;

a. Kwikken :

Tot den goedwilligen lezer...............

Hans ....................

Joris ......................

Zonder merg.....................

Een boer te Parijs...................

's Werelds loop................. jO

Overdreven beleefdheid.................

Een goed kok................. ] j

Botheid.................... 12

Retrograde van Spieghel met antwoord van Roemer Visscher . 12 Vasten of te gast gaan.................

b. Rommelzoo ;

Tafelrecht....................................12

Kleine gedichten uit Cato................

ocr page 10

VI

Bladz.

Uit de „Zinnepoppen

Met deze mijne, zegent God de zijnen...........14

Weest, dat gij zijt . . ................14

Thuis best.....................15

HENDRIK LAURENS SP1EGHEL (1549-1612).

Dokter en doodgraver..................16

Matigheid.......................16

Borgen.......................16

Vasten of te gast gaan.................17

Velerlei zeden....................17

Op Coornherts „recht gebrnikquot;..............17

Grafschiift op Dirk Volkertsz. Coqrnhert...........17

Weeldedorst.....................18

JACOB CATS (1577-1660).

Op mijn eigen afbeeldinge................20

Op de gelegenheid van staat enz...................20

Van een pompoen en een eik...............22

Leerzame zinspreuken..................23

Op den dood van een muschje..............24

Goede en heusche manieren over tafel te houden........26

PIETER C0RNELISZ00N HOOFT (1581-1647),

Granida's afscheid van het hofleven.............28

Rei van Amstellandsche joffi-en..............29

Rei van joffrouwen...................31

Grafschrift voor Jacob van Heemskerck...........33

Grafschrift voor Roemer Visscher.............33

Aan Anna Koemer Visschers...............33

Zang........................34

Zang ...................... a • . 34

Aan me lieve Leonoor.................35

Op 't verbond van Holland en Venetië ...........36

Klachte der princesse van Oranje.............36

ocr page 11

VII

Bliidz.

Brief aan Tesselschade..............„0

**••••••••« öO

Uit de „Nederlundsche Histoi-iën;quot;

1. De inneming van Den Briel......................40

2. Terechtstelling van Paciëco....................42

3. Ontzet van Leiden. . .

' ' quot; .........

47

Uit „Warenarquot; (Ie bedrijf, 4e en 5e tooneol)

ANNA VISSCHER (1583-1651).

EN

MARIA TESSELSCHADE VISSCHER (1594-1649),

Anna Visscher.

Aan P. C. Hooft en C. Huygens..................

Aan den geleerden Heer Jacob Cats................55

Uit de „Zinnepoppen D'eene min brengt d'ander in .

.............

Wat is 't anders dan fraai?..............48

Maria Tesselschade Visscher.

Onderscheid tnsschen een wilde en een tamme zangster enz.....57

Op de afbeeldinge van den Heere P. C. Hooft..........59

GERBRAND ADRIAENSEN BREDERO (1585-1618).

Uit den „Spaanschen Brabanderquot; (2e deel)............60

Aandachtig lied.........

................65

DIRK RAFAELSZOON CAMPHUIJZEN (1586-1627).

Niet nieuws onder de zonne ....

............67

Meische morgenstond................^

Lijdzaamheids erinnering.................._ ^

Vrede ....

..................71

JOOST VAN DEN VONDEL (1587-1679).

Prinselied.....

.................72

Op het stokje van Joan van Oldenbarnevelt.........

Gesprek op het graf van wijlen den Heer Joan van Oldenbarnevelt . 74 Geuzenvesper of ziekentroost voor de vier en twintig......75

ocr page 12

VIII

Bladz.

Verovering van Grol door Frederit Hendrik.........77

Op het overlijden van Cornelis Pietersz. Hooft.........78

Uitvaart van mijn dochterke...............78

Kinderlijk......................80

Vertroostinge aan Gerard Vossius over zijn zoon Dionys.....80

Op jonkvrouw Isabel le Blon...............82

Op de afbeelding van den Heer Joan van Oldenbarnevelt .... 82

Op den Heer Geeraert Vossius..............82

Op Mr. Willem Bartjens................83

Grafschrift op G. A. Bredero...............83

Op mijne afbeeldinge, geschilderd door Filips de Koning.....83

Op den Heer Mr. Joan de Wit..............83

Op den Heer Cornelis de Wit...............84

Bede voor het Walen Weeshuis te Amsterdam.........84

Op ons weeshuis...................85

Huig de Groots verlossing................85

Op het vertrek van Z. E. Huig de Groot...........87

Aan den lasteraar van wijlen den Koninklijken gezant Huig de Groot 87

Wildzang op de hofstede „Rustenburgquot;...........87

De getrouwe hagedis..................88

Op Amstelredair.................... . 90

Aan de beurs van Amsterdam...............91

Schouwburg-rijmen...................92

Roskam.......................93

Het graan......................98

Uit „Palamedesquot;' (3e handel)...............'0°

Rei van Eubeeërs...................

Rei van Klarissen...................113

Rei van Edelingen...................I'S

Uit „de Leeuwendalersquot; (5e bedrijf)............116

Rei van Leeuwendalers.................123

Rei van Engelen...................'24

CONSTANTIJN HUYGENS (1596-1687).

ocr page 13

IX

Bladz.

F tedes temmen:

1. Haarlem.......................

2. Amsterdam...................129

3. Rotterdam...................129

^ 4. VGravenhage.....................

Een comediant....................130

Scheepspraat ten overlijden van Prins Mauiits........131

Sneldicht:

1. Een vergeten paard...............133

2. Op de boekkamer van eenen ongeleerde........133

3. Jans uitnemendheid..................

4. Jacob tegenspreker...................

5. Armoeds gevolg....................

6. Boek te verdrukken..................

7. Een schipper, zijn schuit boomende..........135

8. Eigenliefde .....................

9. Heidens les.....................

10. Amsterdam ontroerd..................

11. Drukker.......................

12. Lijndraaier......................

13. Slijper.......................

14. Boomen.......................

15. Drukkerij......................

16. Hamer.......................

17- Wip........................

Uit Engelsch ondicht....................

Grafschrift voor Tesselschade..................

Uit het Cluiswerk.....................

Aan mijne kinder op mijn 89ste verjaring..........142

I

■

AORIANUS POIRTERS (1606-1674).

Het kwaad exempel, enz....................

Verwaande hoovaardigheid..................

Een paar dichtjes om geen ijdel plaatse te laten........147

ocr page 14

X

Bladz.

JEREMIAS DE DECKER 0609-1666).

Lentelied......................148

Morgenstond.....................150

Te vroeg oplnikende bloeme...............151

Op de vernieuwde verbintenis der vrije vereenigde Nederlanden . . 153

Amsterdam........................153

De Amsterdamsche beurs................154

Hot stadhuis van Amsterdam. . .............154

De Amsterdamsche waag....................154

GERAERT BRANDT (1626-1685).

Uit het leven van Vondel................155

Uit het leven van De Ruiter................160

Op den dood van den burgemeester Hendrik Hooft......163

Bijschriften:

Prins Willem I...................164

Prins Maurits...................164

Michiel de Ruyter..................165

J. van Oldenbarnevelt................165

Hugo de Groot...................165

J. van Vondel...................165

Lamoraal, graaf van Eg^nont..............166

Grafschrift voor Pieter de Groot.............166

Grafschrift voor Egbert Meeuwsz. Kortenaar........166

Kornelis Tromp...................166

JOANNES ANTONIDES VAN DER GOES (1647-1684).

Uit „de IJstroomquot;..................167

De Teems in brand..................171

Grafschrift voor Adriaen de Haze.............173

Grafschrift voor Michiel Adriaansz. de Ruyter........174

Op de afbeelding van den heer Marten H. Tromp.......174

ocr page 15

XI

Bladz.

JAN LUIKEN (1649-1712).

Uit „de Duitsche Lier:quot;

Lentelust........................

Buitenleven.......................

PIETER LANGENDIJK (1683-1756).

Uit den Spiegel der Vaderlandsche kooplieden........180

JUSTUS VAN EFFEN (1684-1735).

Uit den „Hollandsehen Spectator:quot;

LXVIII Vertoog. Een Hollandsch verjaarfeest uit den burgerstand 192

CLXXXI Vertoog. Kleine oneerlijkheden.........198

CCXLVIII Vertoog. Aanmatiging van dienstboden......204

HUBERT CORNELISZOON POOT (1689-1733).

Akkerleven........................

Mei .........................211

Vroolijk leven......................................214

Arme rijkdom.......................

Op den dood van mijn dochtertje.............217

DIRK SMITS (1702-1752).

Lijkkrans voor mijn dochtertje.................

WILLEM VAN HAREN (1710-1768).

Leonidas......................................29()

Het menschelijk leven.................226

0NN0 ZWIER VAN HAREN (1711-1779).

Heldendood van De Lange.............. 230

De vrijheid......................................234

SIMON STIJL (1731-1804).

Johan de Witt....................239

De brand in den Amsterdamschen schouwburg........241

ocr page 16

XII

Bladz.

ELIZABETH WOLFF-BEKKER (1738-1804).

EN

Brieven uit „Sara Burgerhart:quot;

rr

Mej. Sara Burgerhart aan mcj. Aletta de Brtmier......245

Mej. Sara Burgerhart aan den Heer Abraham Blankaart .... 248

Mej. Anna Willis aan mej. Sara Burgerhart........249

T . ___

Mej. Sara Burgerhart aan mej. Anna Willis........254

B

I HIERONYMUS VAN ALPHEN (1746 -1803).

Zegezang der matrozen na de verovering der Spaansche zilvervloot . 259 Op den dood van Willem van Oranje . . . ,.......260

; JACOBUS BELLAMY (1757-1786).

^ Het on weder....................

^ Aan de lente....................

' Roosje.......................

P1ETER NIEUWLAND (1774-1794).

Orion...................• - 2i0

RHYNVIS FEITH (1753-1824). Lierzang op De Ruiter..........

275

ocr page 17

FILIPS VAN MARNIX VAN ST. ALDEGONDE.

(1538—1598).

WILHELMUSLIED.

quot;%lrilhelmus van Nassouwe Ben ik van Duitschen ■) bloed;

Den vaderland getrouwe Blijf ik tot in den doed.

Een prinse van Orangiën Ben ik vrij onverveerd;

Den konink van Hispangiën Heb ik altijd geëerd.

In Godes vrees te leven Heb ik altijd betracht;

Daarom ben ik verdreven, Om land, om luid' gebracht;1)

Maar God zal mij regeeren Als een goed instrument,

Dat ik zal wederkeeren In mijnen regiment.

Mjijdt u2), mijn onderzaten. Die oprecht zijt van aard;

1

) Vergelijk: ora het leven brengen. 3) Weest lijdzaam, geduldig.

2

DUijSER en van goor, Lett, Leesb. I, 2e druk. 1

ocr page 18

2

God zal u niet verlaten,

Al zijt gij nu bezwaard; Die vroom ') begeert te leven,

Bidt God nacht ende dag, Dat Hij mij kracht wil geven, Dat ik ii helpen mag.

Mjijf en goed al te zamen

Heb ik u niet verschoond. Mijn broeders, hoog van namen.

Hebben 't u ook vertoond; Graaf Adolf is gebleven

In Friesland in den slag;

Zijn ziel in 't eeuwig leven Verwacht den jongsten dag.

Edel- en hooggeboren.

Van Keizerlijken stam, Een Vorst des Rijks1) verkoren. Als een vroom Christen-man, Voor Godes Woord geprezen

Heb ik vrij, onversaagd. Als een held zonder vreezen, Mijn edel bloed gewaagd.

Blijn schild ende betrouwen

Zijt Gij, o God, mijn Heer! Op U zoo wil ik bouwen.

Verlaat mij nimmermeer! Dat ik doch vroom mag blijven.

Uw dienaar te aller stond, Die tirannie verdrijven.

Die mij mijn hert doorwondt.

') Let op de beteekenis van vroom in deze en de volgende strophen. 5) Als prins van 't vorstendom Oranje, een leen van het Duitsche Rijk.

ocr page 19

3

Van al, die mij bezwaren

End' mijn vervolgers zijn,

Mijn God! wil doch bewaren Den trouwen dienaar dijn. Dat zij mij niet verrassen In haren boozen moed Haar handen niet en wasschen In mijn onschuldig bloed.

Als David moeste vluchten

Voor Saul den tiran.

Zoo heb ik moeten zuchten

Met menig edelman;

Maar God heeft hem verheven,

Verlost uit aller nood. Een koninkrijk gegeven In Israël, zeer groot.

Ma 't zuur zal ik ontvangen

Van God, mijn Heer, dat zoet; Daarna zoo doet verlangen Mijn vorstelijk gemoed;

Dat is, dat ik mag sterven

Met eeren in het veld. Een eeuwig rijk verwerven. Als een getrouwe held.

Ni iets kan mij meer erbarmen

In mijnen wederspoed,

Dan dat men ziet verarmen Des koninks Landen goed.

') Evelen moed, euvelmoed.

ocr page 20

4

Dat u de Spanjaards krenken,

O edel Neerland zoet!

Als ik daaraan gedenke,

Mijn edel hert dat bloedt.

Als een prins, opgezeten

Met mijnes heires kracht, Van den tiran vermeten

Heb ik den slag verwacht. Die, bij Maastricht begraven '),

Bevreesde mijn geweld.

Mijn ruiters zag men draven Zeer moedig door dat veld.

Soo het den wil des Heeren Op dien tijd had geweest. Had ik geern willen keeren

Van u dit zwaar tempeest4); Maar de Heer van hier boven,

Die alle dink regeert.

Die men altijd moet loven, En heeft 'et niet begeerd.

Seer christlijk was gedreven

Mijn prinselijk gemoed; Standvastig is gebleven

Mijn hert in tegenspoed; Den Heer heb ik gebeden

Van mijnes herten grond. Dat hij mijn zaak wil reeden 3), Mijn onschuld doen oorkond *).

!) Verschanst. 2) Van 't Fransche woord tempéte — storm en figuurlijk ook ramp, onheil. 3) Tot een goed einde brengen. 4) Oorkond doen — bekend maken, in 't licht stellen.

ocr page 21

Oorlof ')! mijn arme schapen,

Die zijt in grooten nood; Uw herder zal niet slapen,

Al zijt gij nu verstrooid. Tot God wilt u begeven,

Zijn heilzaam woord neemt aan, Als vrome Christen !) leven,

't Zal hier haast zijn gedaan.

quot;Wbor God wil ik belijden. En Zijner grooter macht.

Dat ik tot geenen tijden

Den konink heb veracht; Dan3) dat ik God den Heere,

Der hoogster Majesteit, Heb moeten obediëeren In der gerechtigheid.

Waarschijnlijk 1569.

Oorlof nemen — afscheid nemen. Oorlof is hier de afscheidsgroet, dus: Vaartwel! 2) Christen, meerv. van Christ (= Christen). Zie den enkelvoudigen vorm in Spieghels „Weeldedorstquot; 6e strophe. J) Maar, doch.

ocr page 22

DIRK VOLKERTSZOON COORNHERT.

(1522—1590.)

FOCUS.

Men leest hieraf1) een stichtelijk fabelken van een smid, genaamd Focus. Deze was beklaagd voor den Keizer van op den dag zijner geboorte tegen zijn gebod gesmeded te hebben.

Onze smid bekende d'aanklachte. Des de Keizer hem vraagde, wie hem zoo stout hadde gemaakt?

„Een mogender dan gij zijt, Heere!quot;

De Keizer verwonderd vraagde; „Wie is dat toch?quot;

„De nood, Heere. Ik moet werken, of met mijn gezinde vasten. Want alle dagen behoeve ik acht zilveren penningen; te weten twee, die ik moet uitleenen, twee, die ik betale, twee, die ik zelf behoeve, en twee, die ik verlieze.quot;

Gevraagd van den Keizer, wat hij daar met meinde, sprak de smid alzoo: „Ik hebbe jonge kinderen; haar leene ik alle dagen twee penningen tot haar voedsel, om mij dat te betalen in mijn zwakken ouderdom, als ik (gelijk zij nu) niet en kan winnen; twee penningen betale ik alle dagen mijn ouden, zwakken ende winneloozen vader, die hij mij in mijne kindsheid heeft geleend; twee penningen behoeve ik alle dagen zelve tot mijn nooddruft, ende twee verteert er alle dagen mijn wijf ende dat is verloren kosten, want het is een kwaad wijf. Wil nu mijn Heere mij alle dagen acht penningen doen geven, ik vier des Keizers geboorte wel al mijn leven.quot;

De Keizer lachte en liet den smid niet onbegiftigd van zich gaan, om zijn dankbaarheid tot zijn vader ende getrouwheid tot zijne kinderen.

(Uit „Zedekunstquot;, uitgegeven in 1586.)

') Namelijk van de plichten der ouders jegens hunne kinderen.

ocr page 23

7

UIT DE VOORREDE VAN DE TWEESPRAAK VAN DE NEDERDUITSCHE LETTERKUNST. ')

De sprake verzelt, vereenigt ende koppelt de menschen te zamen met onderlinge vriendelijkheid ende bedienstigheid; want de tale is eene vroedvrouw der zinnen, een tolk des harten ende een schilderij der gedachten, die anders binnen den mensche verborgen ende onzichtbaar zijn, 'twelk Socrates fijn te kennen gaf, als hem bij een vader zijn oordeel gevraagd zijnde van een jongsken, daartoe zeide: „Spreek zoon, opdat ik u mag zien.quot; De tale dan schildert de verholen gedachte zoo bevallig en vruchtbaarlijk voor 't gehoor van anderen, dat men die met lust ofte met nut terecht mag aanschouwen, zonder ander verve tot het penseel der tonge ofte pennen daartoe te behoeven, dan eene verstandige ende rijke tale. Verstandig is zij, als hare woorden zijn zoo duidelijk, dat zij of ten eerstèn aanzien öf door een weinig inziens niet anders dan de klare sterren in den duisteren nacht haar zelve openbaren ende verklaren. Maar rijk is de tale, die van zoodanige verstandige woorden heeft overvloedige verandering.

Dat nu onzer voorouderen Nederlandsche tale zoo verstandig en rijk is geweest, ziet men in hare schriften, gansch vreemd zijnde van alle schuim der vreemder talen, dewelke namaals door vreemde Heeren ende vreemdtongige landvoogden met derzelver gezinde is begraven geweest met invoeringe eener bastaardtale. Deze heeft tot nog toe als een slavonische 1) Ismaël den meester gemaakt ende 't huis inne gehad. Daaruit hij haast verstooten zal worden, indien daar komen vele liefhebbers van de echte taal, nu weder als van den doode uit der aarde, niet zonder grooten ende moeielijken arbeid opgegraven ende in 't leven gebracht door de schrijvers2) van dit boeksken.

1

) Spieghel, Roemer Visscher en Gedeon Fallet.

2

) Van slavoen = slaaf.

ocr page 24

8

] T

Deze zijn waarlijk daarin niet minder na te volgen, dan te prijzen van zoo lustige, ja landnutte zake: dient aller menschen spreken ende schrijven niet tot lust van anderen? Hoe mag ook iemands spreken of schrijven anderen verlustigen, wien de rijkdommen der sierlijke woorden tot uitbeelding zijner meening ontbreken? Of hoe mag hij met zulks anderen nut *■

zijn, die niet gereed heeft eigenlijke verstandige woorden?

Immers men ziet daartegen de meeste onlusten, twisten ende verwarringen veroorzaakt worden, door kwalijk of duisterlijk .

zijne meening uit te spreken ofte schrijven, 'twelk dan gedijt tot moeite van de rechters tot nut van de taaimans ende tot verderf van de pleiters.

Tot verminderinge van zulke kwade ende tot vordering van veel goede dingen dient de goedheid eener tale, ende hiertoe is nut deze inleidinge tot het wel spellen der woorden , deze tot het rechte verstand van den zin ende dit alles tot opening van de deure der kunsten, zoo van 't sierlijk als van 't be-wijslijk spreken ende schrijven; is dan dit kleine boeksken niet dienstlijk tot groote zake? Dit is de zoete kern van deze »

noot: valt de bolster bitter, de vruchts zoetheid is beter.

1584.

ocr page 25

ROEMER VISSCHER.

(1547—1620.)

UIT DE „BRABBELINGquot;. (Uitgegeven in 1614.)

a. KWIKKEN.

TOT DEN GOED WILLIGEN LEZER.

Als de velden, besneeuwd zijn en kwaad om wandelen, Als de avond verbiedt de onrust van 't handelen;

En als gij niet doen kunt dan kijken en gapen,

Geeuwen, knikkebollen, sluimeren of slapen;

Om dan den tijd te verdrijven, neemt dit boek te hand; Daar in zuldij lezen verscheiden kwikken om te scherpen uw

(verstand.

HANS.

Hans is een abel en fraai gezel. Doet uit de g, zoo ziet gij 't wel.

JORIS.

Alle daags draagt Joris verscheiden kleeren. Omdat hij ze zou verluchten in der zonnen; Hij zont tapijten, dekens, bedden vol veeren,

ocr page 26

10

Hij zont al dat men sluiten mag in kassen en bonnen '), Hij zont kisten, kevies, schappraan1) en tonnen;

Dan hij zelfs alleen blijft altijd ongezond:

Want elk, die hem ziet, die maant hem terstond.

ZONDER MERG.

Die zonder hop zijn bierken brouwt.

Die zijn kost kookt zonder eek 3) of zout, Brood bakt zonder heven 4) ofte zuren, En maakt verzen zonder merg daarin. Mag vrij denken in zijn zachten zin.

Dat zijn zoetsappig werk niet lang zal duren.

EEN BOER TE PARIJS.

Een Noorder Boer was in de Mei getrokken uit Na Parijs, om de Fransche spraak te leeren.

Daar gaf men hem te eten sla en groen kruid 's Middags en 's avonds, meer dan zijn begeeren; Zoo dacht hij: ik wil weder t'huiswaarts keeren; Want daar men in den zomer eet gras, parmafoy. Daar moet men in den winter ook eten hooi.

's WERELDS LOOP.

Peis is moeder van voorspoed en aardigheid.

Door voorspoed komt rijkdom, daar elk naar staat, Door rijkdom komt wellust en hoovaardigheid,

Door hoovaardij komt alle twist en haat;

En twist, die rokkent het oorlog kwaad.

1

) Manden of doozen. 2) Spijskast. 3) Edik = azijn. 4) Heven

2

(heffen) = rijzen. Vergelijk: gehevelde en ongehevelde brooden.

ocr page 27

11

Door oorlog komt ons armoede subijt,

Daarna komt ootmoed, al is 't wat laat, En brengt ons den vrede weder in 't krijt; — Zoo draait het rad van fortuinen altijd.

OVERDREVEN BELEEFDHEID.

Kibbelen wien 't aan de hooger hand te gaan best past, Later komen als 't hoort, genood zijnde te gast,

Niet willen zitten, daar 't de waard zal bevelen. Het tafelbord, hem gegeven, een ander voorleggen. Om 't derde woord uwer liefde of wijsheid zeggen. Wie 't eerst door een nauwe deur zal gaan, krakeelen; Onder 't gezelschap, dat tegen elkander vrij is.

Dunkt mij niet, dat het beleefdheid maar koertezij is.

BEN GOED KOK.

Jenny de Wael neemt nat met een vet kapoen, Dat zet hij met schijfjes van oranje te smoren. Daar gaat hij een pintje wijns toe doen. Met suiker en kaneel, 't blijft niet verloren; Die Jenny de Wael zou 't zoo wel maken, Dat het sop van den slijpsteen wel zou smaken.

BOTHEID.

De botte Hollander haalt de bot uit de zee,

De vette botter melkt hij van het grove vee; Dan gij, allerbotst, die voor bot den Hollander scheldt, Waarom geeft gij hem, voor bot en botter, koren en geld ?

ocr page 28

12

RETROGRADE VAN SPIEGHEL.

Ontwaakt nu geesten, oorboort') deugd,

Maakt gedichten, en konstig u verheugt, Geprezen wordt gij, wilt praktizeeren, Veroorzaakt tijdkorting, blijdschap en geneucht. Staakt fantazijen, en bedrijft nu vreugd, Verrezen is zij, kunst zal floreeren.

ANTWOORD VAN ROEMER VISSCHER.

Steur, bokken, wijting J) en zulke visch,

Komen altemet wel op onzen disch;

Dan met uw present zal ik mij niet beslabben 3), Recht uit gekald: ik en mag geen krabben.

VASTEN OF TE GAST GAAN.

Aris zweert bij het heilig kruis,

Dat hij 's avonds nimmermeer eet in huis; Maar, Hendrik ♦) , opdat gij 't recht verstaat: Hij eet niet, als hij niet te gast en gaat.

b. ROMMELZOO.

't Hooft van den disch zij waard en waardinne.

Verwaande koertezij komt hier niet inne,

Beleefd en goed rond naar Hollandschen aard.

Niemand zij boven den omganger s) met drinken bezwaard;

Elk moet zitten, daar de waard zal bevelen;

Ten minste moet elk éen liedeken kweelen;

Het tafelbord, u gegeven, laat voor u leggen;

*) Voortbrengen, zich ten nutte maken, beoefenen. -) Eene soort van schelviseh. 3) Zic/i beslabben — zich bemorsen bij het eten. '') Hendrik Laurensz. Spieghel. Zie ook diens puntdicht over hetzelfde onderwerp op blz. 17. 5) Rondgaande beker.

ocr page 29

13

Spuwt niet het woord (wat zou men zeggen!)

Boven de helft van het gediende en dient niet voort');

Niemand waait met zijn hoed na de benedijst2) is gehoord;

Boven eens zal 'em niemand excuzeeren.

Voort, leeft boertig en eerlijk, na uw zelfs begeeren;

Geschiedt schimp, trots, smaad, onwil.

Zoo moet de wijste hier zwijgen stil;

Elk doe voort zijn best om 't gezelschap te vermaken.

Morgen moet men daar niet ten kwade af kaken.

Deze wetten gaf Roemer in zijn eigen huis,

Die ze niet en behagen, die blijve thuis.

KLEINE GEDICHTEN UIT CATO, OM OP TAFELBORDEN TE SCHRIJVEN.

Statig of vroolijk, zoo de tijd eischt, zoo zijt, Zonder schande schikt 'em de wijze na den tijd.

Voor de leste ure weest niet al te beducht. Die den dood vreest, verliest des levens vrucht.

Moogt gij iemand helpen zonder scha of schand. Spoedt u, want dat is winst voor de hand.

Wilt gij leven lang, sterk en gezond.

Steekt het lekkere beetjen dik bezijden uw mond.

Die uit het verleden merkt het toekomende spel. Zulk een die weet zijn weetjen wel.

') Ga niet voort met bedienen uit schotels, die half ledig zijn. 2) Van 't Fransche bénédicité = gebed voor den maaltijd.

ocr page 30

14

UIT DE „ZINNEPOPPENquot;. gt;) (Uitgegeven (1614.)

MET DEZE MIJNE ZEGENT GOD DE ZIJNEN.

(De prent stelt voor eene grazende koe.)

Alhoewel de plaatsen, daar de zeevaart floreert, te prijzen zijn boven alle hoeken, zoo is nochtans het land (daar 't lange gras wast) geenszins van do minste in waardigheid, alsook vermengd met vele eerlijke lusten; al derft het deovergroote winninge, zoo derft het ook de groote hertzeer, moeiten en bekommernissen , ende de inwoners failleeren zelden in haar reke-ninge (dat men bankeroete noemt), alzoozij zoetelijk, zachtelijk rijk worden. Zoo blijft deze lieden de rijkdom lange bij van geslachte tot geslachte, het en ware dat er altemet een gek onder henlieden geboren werd, die de hutspot liet aanbarnen en al de botter met al het meel op één avond verpannekoekte.

Die zegening van God is nergens na de minst.

Daar deze melkfontein geeft eerlijke Avinst.

WEEST DAT GIJ Z;iJT.

(De prent stelt voor een uil.)

In deze landen wordt de uil gerekend voor een schandvogel, en wie een uil gescholden wordt, neemt het in euvelen moed, daar nochtans de Atheniënzers een uil in haar wapen voerden, als de godinne Palladi') toegeëigend. Dus is 't de waan, die ons kwetst en niet het wezen. Een uil is een eerlijke vogel onder zijn geslacht, gelijk een valk onder de valken. Daarom wilde elk geacht wezen, voor 't geen dat hij is, zoo zou er minder twist zijn in alle Staten en bijzonder onder de hofsge-

*) De Zinnepoppen zijn prenten met bijschriften in proza van Roemer Visscher en tweeregelige rijmpjes van Anna Visscher. 2) Pallas Athene.

ocr page 31

15

zinden ende conrtizanen. Dan ') alzoo elk wil geacht zijn voor 'tgeen, dat hij niet en is, daarom wordt hij dikwijls, dat hij niet begeert te wezen.

Dat hij niet wezen wil, dat zal hij worden wis, Die veinzen wil en niet wil wezen, dat hij is.

t'huis best.

(De prent stelt voor een schildpad.)

Doe alle beesten van Jupiter te gast genood waren, zoo heeft hem de schildpad alleene achtergehouden ende is niet ter feeste gekomen. Jupiter, verwonderd, zoude geerne de oorzaak daaraf weten, liet hem vragen, waarom hij niet gekomen was in zoo goeden, grooten gezelschap, die van den oppersten God geroepen waren. Antwoorde: Oost, West, fhuis best. Waarover hij verwezen worde in den hoogen Raad der Goden, altijd zijn huis voor hem te dragen ende bij zijn leven daar niet uit te gaan.

Des schildpads raad neemt aan, o gij gehoude2) wijven,

Dat zedig, eerlijk, stil, u best is t'huis te blijven.

') Zie bladz. 5 Aant. 3. 2) Gehuwde.

ocr page 32

HENDRIK LAURENS SPIEGHEL

(1549—1612.)

DOKTER EN DOODGRAVER.

Eerst was Braker dokter, nu begraaft hij de dooden; Wat is 't anders te zeggen, dan dat Braker is 't Zelfde dat hij was, toen hem de zieken noodden? Want dat doet hij ook nu hij gravenmaker is.

MATIGHEID.

Lekkere gerechten En vratige lust in 't eten Uw gezondheid bevechten En scherpzinnigheid slechten; Dus wilt simpel aanrechten En de maat niet vergeten.

BORGEN.

Dat uw vriend Maurits ('twelk tot uw verwijt is) U liever de helft wil geven, als 't geheel horgen: Dat is te zeggen, dat hij liever de helft kwijt is. Als de geheele som, daar hij mocht voor zorgen.

ocr page 33

17

VASTEN OF TE GAST GAAN.

Goris zeit,

Dat hij, niet uitgenood zijnde, 's avonds altijd vast.

't Is goed bescheid:

Hij eet niet, of men noodt hem te gast.

VELERLEI ZEDEN.

Zoo menig mensch als men ter wereld vindt. Zoo menig is er verscheiden gezind:

Een wijs en voorzichtig man.

Hem na veelderlei zeden schikken kan.

OP COOENHEETS „RECHT GEBRUIKquot;. (Naamvers.)

Die rijk en mild is, laat zich hier merken. Vol kaarsen ') der kennis, die opentlijk lichten, Koorn, wijn en voedsel, tot 's geests versterken üerilijk uitdeelende, om elkeen te stichten.

GRAFSCHRIFT OP

Nu rust.

Diens lust En vreugd Was deugd. En 't waar, Hoe zwaar 't Ook viel.

1590.

VOLKERTSZ. COORNHERT.

Nog sticht Zijn dicht-Geschrijf; Maar 't lijf Hier bleef't: God heeft De ziel.


') Voor Volkertsen = Volkertszoon.

duijser en van goor, Lett, Leesb, i, 2e druk.

2

ocr page 34

18

WEELDEDOEST.

Een burgerlijke strijd,

Woeker, zorg en nijd,

Drukt deerlijk onze schouders. Ha, wenschelijke rust!

O, klein genoegens lust Van onz' vreedzame ouders!

Doe men grof watmer ') droeg,

De melkkoe en den ploeg Hield men alleen in waarde;

Doe lag het zorglijk goud,

Daar men nu veel af houdt,

Vergeten in der aarde.

Hier was geen peper veil,

Engelsche oesters geil1),

Noch basterd zek 2) uit Spangiën;

Geen Rijnsch of Fransche most:

Een hoenke was goe kost Zonder olijf of Orangie.

In Calcoet voer geen schip,

Men liet de Noordsche klip Zijn wildbraad lustig weiden.

Zij derfden vleesch van kwee 3),

Rijs ende buinsche 4) mee,

Suiker en malvezij en.

Nu woelt men om den schijn;

Een bonsing of een knijn Dat zijn verachte voeren 5),

1

]) Een grove wollen stof.

2

2) Zoet. 3) Zekwijn — een zware Spaansche wijn.

3

) Kweeperen. s) Alberd. Thijm teekent hierbij aan: of beun

4

zolder, gehemelte; dus buinsche mee — gehemeltestreelende honigdrank.

5

) Bont voor voering.

ocr page 35

19

Maar Russe sabels eêl,

Turksch grofgrein ') of fluweel Dragen burgers en boeren.

Helaas, dit maakt de twist! Nog waant hem elk een Christ, En oefent wet noch rede.

Ons ouders waren vrij Van wet, en zonder zij Hielden ze goede zeden.

Elk nu een ander leert,

Die zelf van 't kwaad niet keert.

Dies leven wij in rouwe.

Dit maakt eensdeels 't gescheel.

Doch is het meestendeel

Om 't hebben en om 't houwen.

Prinse 1).

Goods goeden zijn gemeen.

Genoeg dij, Prins, aan 't kleen: Zoo kwelt U geen morgen.

Onnutte overvloed Maakt meest het volk verwoed, En doet hen angstig zorgen.

Deugd verheugt2).

1

') Stof van geiten- of kemelshaar.

2

) Devies van Spieghel.

ocr page 36

JACOB CATS.

(1577—1660.)

OP MIJN EIGEN AFBEEIjDINGE, GESCHILDERD DOOR MIEREVELT ').

Als ik dit beeld aanzie en van mijn eerste jaren,

Zoo leer ik, dat de tijd verloopt gelijk de baren;

De jeugd is maar een bloem, de mensche nietig gras, 'k En was niet, dat ik ben, 'k en ben niet, dat ik was. 1634-

OP DE GELEGENHEID VAN STAAT, TER TIJD DE WIJDVERMAARDE HELD, MARTEN HARPERTSZOON TROMP, ADMIRAAL TER ZEE WAS GEMAAKT.

Zeehelden, wakker volk, pekbroeken, rappe gasten!

Op, rukt nu wederom de vlaggen van de masten!

Gaat, jaagt eens op een nieuw den Spanjaard over boord.

En haalt eens wederom, dat gij ter zee verloort!

't Is lang genoeg gegeeuwd, 't is al te lang geslapen;

Komt, wordt eens, dat je waart en als je zijt geschapen:

De zee en haar gevolg, daar zijt ge toe gewend.

Daar is uw eigen huis, uw eigen element.

Al wat op aarde leeft, al wat er is geschapen.

Dat kent zijn eigen kracht, en weet zijn eigen wapen;

!) Dit schilderstuk bevindt zich in het Rijks-museum te Amsterdam.

ocr page 37

21

Ja weet, wat hem gemak of eenig voordeel doet,

En hoe het naar den eisch zijn vijand krenken moet.

De leeuw vecht met de klauw, de stier gebruikt den horen,

Het paard slaat met den voet, een haan met felle sporen;

De zee is uw geweer, gebruikt daar uw geweld,

Daar is geen twijfel aan, de Spanjaard moet geveld!

De zee die heeft u eerst den vrijen hals gegeven.

Den godsdienst ingevoerd, den Spanjaard uitgedreven;

De zee die heeft u eerst den vijand leeren slaan.

De zee maakt u gevreesd ook bij den Indiaan.

De zee brengt voordeel in en bouwt hier groote steden.

De zee verrijkt het land en dat in verre leden.

De zee maakt, dat het land den vijand overwint:

Gij daarom, bouwt de zee, zoo gij het land bemint;

En valt dan aan het werk met onversaagde zinnen;

Gij zult gewissen buit, groot lof en eere winnen.

Want als naar rechten eisch de leeuw de bende leidt,

Daar is geen twijfel aan, de zege is bereid!

Tromp gaat u heden voor; hij trompt') met alle krachten,

En roept u naar de zee, en stort in uw gedachten

Een lust om wel te doen, een ijver voor het land,

Daarvan zijn innig hert en al zijn wezen brandt.

Gij, let op zijn bedrijf en let op zijn bevelen;

Hij zal u naar de kunst met ijzer leeren spelen.

En kaatsen met het staal, ja leiden aan den dans,

Daarbij geen vrouw en dient, maar niet als flukse mans.

Maar gij, o dapper held en leider van de benden,

Die haar geduchten schrik naar Oost en Westen zenden.

Kom, toon ons op een nieuw, dat Holland weder leeft.

Dat Holland boven ligt en -op de baren zweeft.

Zie hier een wakker man2), die niet en zal bezwijken,

Die niet en is gewend aan iemand ooit te wijken;

Die wordt u toegevoegd, om met gemeene kracht

') Trompen — op de tromp blazen.

;1) Witte Cornelisz. de With, bij dezelfde gelegenheid tot vice-admiraal aangesteld.

ocr page 38

22

Te doen, al wat de Staat van uwe daden wacht.

Gaat, gaat, manhaftig paar van duizend uitgekoren!

Gaat, recht eens weder op, dat scheen te zijn verloren; Gaat, dondert met geschut, bezet de Vlaamsche kust En toomt de Spaansche pracht en ongetoomde lust; Maakt, dat de koopvaardij de stroomen mag gebruiken; Maakt, dat de visscherij de netten mag ontluiken;

Maakt, dat de rijke zee met haar geheele strand Een zegen over al mag storten op het land.

Nu mannen, 't is genoeg en waarom meer geschreven? Uw namen doen alree de Vlaamsche kusten beven. Wel, fluks dan aan het werk, gij zijt er toe genood; Zoo gij de zee bewaart, het land is buiten nood!

1637. (Uit de „Eerdichten'''.)

VAN EEN POMPOEN EN EEN EIK.

Een boer, in zeker tuin gegaan,

Vond daar een deel pompoenen staan; Hij zag, hoe dat het bol gewas Gansch dik en opgezwollen was.

En dat het loof en ieder tak Was teer en voos en Bijster zwak. Hij zag tot zijner rechterhand.

Daar stond een eikeboom geplant. Die geen zoo zware vruchten droeg. Maar klein gewas, dat niet en woeg. Hier vaart de man geweldig uit: „Ziedaar een dink dat niet en sluit! Een vast, een dik, een machtig hout. Wel 't hardste van het gansche woud. Dat stijgt tot boven in de lucht.

Draagt maar alleen een kleine vrucht; En ziet een kruid van geender macht. Dat brengt ons voort zoo zware dracht!quot;

ocr page 39

23

Terwijl hij dit in gramschap zeit, En met den hemel staat en pleit, Een eikel boven uit den top Die valt den kinkel op den kop En maakt een put in zijnen hoed; Des zoo verschiet zijn innig bloed, En hij zei: „God, vergeef het mij. Ik spreke los en al te vrij,

Ik spreke tegen Uw beleid.

En dat ik zeg heeft geen bescheid.

Want had 'et na mijn zin gegaan, Het ware nu met mij gedaan;

Eilaas! mijn onbesuisde hoofd Dat ware van zijn brein beroofd;

Ik lage met den neus in 't zand Alleen door enkel onverstand.quot; De mensch is dikmaal zoo gesteld Zoowel in stad als op het veld.

Dat hij verscheiden dingen ziet, En 't meerendeel en prijst hij niet. Het schijnt, indien hij scheppen mocht De hemel met de gansche locht En 't aardrijk en het jeugdig groen, Hij zoud' et vrij al beter doen.

(Uit „Leerzame fabelen

LEERZAME ZINSPREUKEN.

quot;Wie vindt of wint een waren vriend. Die heeft zijn dagloon wel verdiend.

Het Hof zal naar geen ezel vragen. Dan als er zakken zijn te dragen*.

ocr page 40

24

Wie vriendschap aan een vriend verwijt, Die is zijn vriend en vriendschap kwijt.

Reis vriend al waar gij reizen meugt, Het beste reisgeld is de deugd.

Wilt gij bemind en eerlijk leven,

Ik wil u des een regel geven;

Vier dingen dient gij wel te weten:

Geleden onrecht haast vergeten,

Ontvangen weldaad lang gedenken.

Geen mensch door achterklap te krenken. En hebt gij lust uw leed te wreken,

Zoo ga en beter uw gebreken;

Want een, die betert zijnen staat.

Doet leed dengene, die hem haat.

(Uit spiegel van den ouden ende nieuwen

OP DEN DOOD VAN EEN MUSCHJE.

Mijn geest die is geheel bedrukt

Om zeker droef geval:

De dood heeft van mij weggerukt -

Dat mij was liefgetal;

Een jonge musch, een vroolijk beest

Dat was tot mij gewend,

Dat was in mijnen jongen geest Al vrij wat diep geprent.

Het kwam mij springen op den schoot.

Het dronk uit mijnen mond: Het sjirkt', het scheen het eischte brood Totdat het spijze vond.

ocr page 41

25

Dan scheen 't eens, of 't mij bijten wou,

Zoo vinnig kwam het aan;

Maar 't beestje dat had straks berouw, Zijn gramschap was gedaan.

Het welig dier, de zoete musch

En zocht maar enkel spel.

Haar beet veranderd' in een kus.

Dat greit') mij bijster wel.

Maar ziet, nu is het beestje dood,

Ach, wat een groot verdriet!

De lust en vreugde van mijn schoot Die is nu gansch te niet.

Nu vrijsters, die dit aardig dier

Voor dezen hebt gekend.

Ik bidde komt te zamen hier.

Zijn tijd die is volënd.

Komt hier, gespelen! komt toch ras.

Komt, ieder uit zijn wijk.

Plukt maagdepalm en bloemgewas En siert het kleine lijk.

Het beestje, dat mij vreugde gaf.

En moet niet zonder kruid.

En moet niet dalen in het graf.

Als met een zoet geluid.

Doch maakt zijn graf niet in de kerk,

Maar buiten in het groen.

En zet een versje op de zerk,

Gij zult mij vriendschap doen.

Gaat, zegt dan nog de keukenmeid,

Dat zij na de oude wijs,

Dat zij ons zoete pap bereidt.

En dat van enkel rijs;

Bevalt.

ocr page 42

26

Gaat, roept er al de kinders bij,

De kinders hier omtrent;

Dat ieder ete van de brij.

Die 't beestje heeft gekend.

(Uit proefsteen van den trouwring'''.)

GOEDE EN HEUSCHE MANIEREX OVER TAFEL TE HOUDEN.

Houdt dit voor de eerste tafelwet;

Zit, daar de waard u nederzet;

Doch, of je staat of dat je zit,

Maakt, dat je God te voren bidt.

Opdat je zegea krijgen meugt,

En zoo geniet je rechte vreugd.

Maar hoe het zij, toont blij gelaat En houdt ook zoete tafelpraat.

En als je na de spijzen tast.

Zoo dient hierop te zijn gepast:

En brengt hiertoe geen nagel voort. Die draagt een zwartfluweelen koord. Eet voorkost of gij wordt verdacht,

Dat gij gebraad of taarten wacht.

Maakt, dat je in 't eten neerstig let,

Dat gij uw wangen niet besmet.

En wappert met uw voeten niet. Uw buurman ook geen schouders biedt.

Zijt gij nog jong, zoo snoert uw mond. En spreekt niet, als op vasten grond;

Maakt, dat je nooit de rede breekt,

Vooral wanneer een wijzer spreekt.

En leest aan tafel geenen brief,

Al kwam hij van uw zoetelief.

Maakt, dat je wijn noch bier en stort, En speelt niet met uw tafelbord.

ocr page 43

27

Verhaalt een anders feilen niet,

Ook van die gij daar niet en ziet.

En fijmelt') niet met uw servet,

Want dat is tegen de oude wet.

En steekt geen hand in zak of schoot,

Maar houdt ze voor de gasten bloot.

Spreekt nooit van eenig vuil bejag, Dat iemands walg verwekken mag.

Maakt geen geluid, wanneer gij drinkt; Uw hoest en niezen ook bedwingt.

En zoo je dat niet doen en kont.

Toont echter nooit een open mond.

Maar houd er hand of neusdoek voor.

En zet geen glas op uw teljoor!).

Tast met drie vingers na de spijs.

En schrapt nooit suiker van de rijs.

Tast ook niet haast een schotel aan. Dat niemand nog en heeft bestaan.

En grijpt niet na den besten bout.

En slaat geen vingers in het zout.

Maar neemt het liever met een mes.

Doch houdt dit voor een vaste les,

Dat gij nooit van de tafel rijst.

Voor dat je God ten volle prijst;

O, geeft den milden Schepper dank.

Zoo gun ik u een vrijen gank,

(Uit „Tachtigjarige bedenkingen^)

') Frommelt. 2) Teljoor — bord. Van 't Fransche tailloir = hakbord. Fr. tailler — hakken, snijden.

ocr page 44

PIETER CORNELISZOON HOOFT.

(1581—1647.)

geanida's afscheid van het hofleven.

Adieu schepters, adieu, adieu verheven tronen, Verheven zoo, dat mij van uwe steilheid ijst.

Adieu dwingend gewaad en al te zware kronen. Afgoden, die met wind uw ijdle dienaars spijst.

Uw ijdle dienaars gij duizenderlei nood breit *)

Door uw beloften loos, die gij zoo kwalijk houdt,

Want zij, beziet men 't wel, verkleenen in de grootheid Slaven in d'heerschappij, verarmen in het goud.

Een lage en diepe rust mij beter mag verkwikken, Die mij te zamen smelt met een lief ander ik.

Ik laat u, warrig hof, en kies voor zooveel strikken Een al veel strenger, maar och hoeveel zoeter strik!

Bedauwde bloemkens versch, en gij blozende rozen. Die uwen mantel groen nu effen open doet,

Welkoom en dank, dat gij verkwikt mijn ameloozen En afgepijnden geest met uwen asem zoet.

Nu biggelt op het gras en kruidjens onbetreden.

Mijn lauwe traantjens, die den dauw zoo wel gelijkt,

') Breien, breiden — weven, bij uitbreiding: veroorzaken.

ocr page 45

29

Traantjens niet meer van smart, niet meer van bitterheden Maar van een teer gemoed, dat schier van vreugd bezwijkt.

O boomen, schaduwmild, ootmoedelijk laat dalen Uw nijgend hoofd, als gij 't eerwaardig aanschijn ziet, Leidstar en morgenstar met weerlichtende stralen,

Indien mijn blijdschap slaapt, waarom wekt gij hem niet?

Vroolijke vogeltjens, die nu 't begint te dagen.

Met uitgelaten zang het stille woud ontrust.

Gij nachtegaal voor heen '), vliegt uit de boodschap dragen,

Dat hij zich haast, ik wacht alhier mijn lieve lust.

1605. (Uit het herdersspel „Granidaquot;

KEI VAN AMSTELLANDSCHE JOFFREN.

Den openbaren dwingeland Met moed te bieden wederstand En op den harsenpan te treden. Om met het storten van zijn bloed Den vaderlande 't waardste goed, De gulden vrijheid, te bereeden;

Dat is van ouder herkomst wijd Bij de aldertreffelijkst' altijd Beloond met eerebeelden danklijk. De roem is uitgeblazen met Geleerdheids heldere trompet In schrift en dichten onverganklijk.

De lofkrans groenens nimmer moe, Die komt het hair derzulken toe, Die 't al voor 't algemeene wagen:

!) Vóór alle andere.

ocr page 46

30

Gelijk de heer van Aemstel tracht;

Hoewel zijns zelschaps overmacht Hem let zijn voorstel te bejagen.

Dan wie met wensch om goede krijt,

Maar allerhande prinsen lijdt,

En 't geen hem overkomt te doogen,

Zacht opneemt, dof in hoop en vrees. En 't ongelijk van weeuw en wees Kan annezien met goede oogen.

Zulk een blijft on vermaard en muit')

Niet met het hoofd doorluchtig uit;

Zijn doove2) faam kan hem niet bringen In 's werelds oog en aangezicht.

Noch uit de duisternis in 't licht Optrekken tot aan 't roer der dingen.

Zijn naam heeft klank bij oud noch jong, Noch zoetheid op des volleks tong,

Oneel bij burgers en bij boeren.

Stilzwijgend glipt zijn leven deur,

Maar zonder stoot en zonder steur En zonder trom in 't hart te roeren.

Hem angt3) gedurende 't belied 4) Van zijnen aanslag de ontrouw niet Of lichtheid van die samenzwoeren.

Noch misluk als het annegaat.

Noch de vervarelijke haat Des blinden volleks na 't uitvoeren.

De minste twijfel van geluid

En jaagt hem 's nachts ten bed niet uit.

Noch vluchtens nood van vrouw en vrinden.

') Uitmuiten — uitmunten. 2) doof =■ geen geluid gevende (Verg. Oudemans' Woordenboek) 3) angt = beangstigt. 4) belied — beramen.

ocr page 47

31

Het veel bestaan kan nauw bestaan;

Gemakkelijk is veiligst gaan,

En groote rust kleen onderwinden.

1613. (Uit het treurspel „Gerard van Velzenquot;.')

EEI VAN JOFFEOUWEN.

Wien zit de wreedheid in 't gebeent Zoo diep nu, dat hij niet en weent En met verslegen hart betreurt De droefheid, die ons valt te beurt? Die deez versufte schaar ziet gaan Met zorg, met rouw, met angst belaan. Schoorvoetend uit haar vaderland; Wel heeft hij 't hart van diamant,

Ziet hij 't met onbewogen oog.

Houdt iemand wang van tranen droog. Geen mensch, maar eenig wocdig dier Moet hem gewonnen hebben. Hier Voeteert de vrouw van kinde groot. ')

Dees draagt den zuigling in haar schoot, En siddert, duchtende evenzeer Voor man, voor kind, voor lijf, voor eer, Waar dat zij hoort den minsten schreeuw. Hier gaat de nagelaten weeuw, Zoo kinderrijk als zonder kind;

En elk zijn staat bekommerdst vindt.

Hier gaat de rijpe maagd verloofd, Wie minnewalmt den boezem stooft En treedt voor haren bruigom uit In plaats van ingehaalde bruid.

Hier gaat de deerne, vol van vrees. Ter wereld on verzochts), de wees

') Van kinde groot — zwanger. 2) Onervaren.

ocr page 48

32

Onmondig voor zijn voogden heen.

Hier strekt de stok het derde been Den ouden man, die niet als slaaf Gezind te varen is te graaf').

Zoo groen is 't hart in dorre borst, Dat onverzaad na vrijheid dorst.

Hier scheiden de ouders van haar kind,

't quot;Welk eed in 's konings dienst verbindt. De broeder van de zuster spreidt.

De vriend van ouden kennis scheidt.

De burger huis en hof verlaat.

De heer zijn ambt, de vorst zijn staat, En sleept zijn zoon tweejarig met,

Onschuldig balling! dien de wet.

Al had hij schuld, verschoonen zou.

Nu blijkt het, dat wij t' onrecht rouw Bedreven om de helden groot,

Die aan een loffelijken dood Geraakt zijn door des vijands weer.

Gelukkig driemaal, die een speer Met ijzren punt, of houten staf Door 't vier gescharpt in 't veilig graf Geborgen heeft voor alle ellend.

Ulieden is het onbekend,

Hoe bitter dat de keuze zij Van ballingschap of slavernij.

Wij trekken in een ommerings)

Van droefheid en bekommering,

Angstvallig zelf, angstjagend aan 't Volk, daar wij zullen nederslaan.

1626. (Uit het treurspel „Itaeio of Oorsprong der Hollanderenquot;

') Ten grave. 2) Ommering — kring.

ocr page 49

'ÓS

GRAFSCHRIFT VOOR JACOB VAN HEEMSKEBCK.

Heemskerck, die dwers door 't ijs en 't ijzer dorste streven, Liet de eer aan 't Land, hier 't lijf, voor Gibraltar het leven, 1609.

GRAFSCHRIFT VOOR ROEMER VTSSCHER.

Roemer Visseher rust hier binnen. Moegespeeld met Hollandsch jok. Want hij kwikken bij de schok Schreef en popte met de zinnen: Ziende al 's werelds wetenschap Aan voor vulsel van de kap.

1620.

AAN ANNA ROEMER VISSCHERS.

(Sonnet.)

Zoo 't u met diamant lust op een glas te stippen:

't Is in de vlinderteelt. Het geestige gedrocht Ziet of het lafenis aan sap van druiven zocht En zit zoo kuin ') , men zoud' het van den roemer knippen.

Neemt gij penseel of naald: daar worden kuil en klippen Geschapen, bosch en berg, en 't vochte veld bedocht Met groene grazen, daar 't welvarend vee na tocht. Dat haalt zijn aam, zoo 't schijnt, en staat met gaande lippen.

Bootseert uw aardige hand, en maakt een mensch van leem, 't Haalt bij Prometheus' werk. Maar wen ge u in de veem Der zanggodinnen vlijt, en woorden schoon geschreven

Een redelijke ziel met wakkren zin instort:

Zoo blijkt, dat gij al 't geen, dat lijf of leven schort. Van beids kunt geven, dan den dichten 't eeuwig leven.

1621.

l) Kuin — zwierig, los.

duijser en van goor, Letterk. leesb. i, 2e druk.

3

ocr page 50

34

ZANG.

Klare, wat heeft er uw hartje verlept Dat het verdrietjes in vroolijkheid schept, En altijd even benepen verdort Gelijk een bloempje, dat dauwetje schort?

Krielt het van vrijers niet om uw deur? Moog je niet gaan te kust en te keur? En doe je niet branden en blaken en braan Al waar 't u op lust een lonkje te slaan?

Anders en speelt het windetje niet Op elzetakken en leuterig riet Als: lustigjes, lustigjes. Lustigjes gaat Het watertje, daar 't tegen 't walletje slaat.

Ziet de openhartige bloemetjes staan.

Die u tot alle blijgeestigheid raan.

Zelf 't zonnetje wenscht' u wel beter te moe. En werpt u een liefelijk oogelijn toe.

Maar zoo ze niet door al hun vermaan Steken met vreugd uw zinnetjes aan, Zoo zult gij maken aan 't schreien de bron, De boomen, de bloemen, de zuivere zon.

1621.

ZANG.

Leonoor '), mijn lieve licht, Voor uw oog de zonne zwicht

Met haar blonde stralen. Die gansch niet in mijn gezicht Bij zijn glorie halen.

') Eleonora Hellemans, later Hoofts tweede echtgenoote.

ocr page 51

35

Vonken foelie van die git'), Gitten met uw gouden pit Bliksemt niet zoo fellik,

Dat het harte dat u aanbidt, t' Eenemaal verwellik.

Lieve Leonoor, gij moordt 't Harte, dat u toebehoort.

Met die lieve lonken,

Zoo mij niet een troostig woord Komt in 't oor geklonken.

Woordjes kunt gij duizend smeên, Die daar sierlijk, aardig heen

Vliên als Minnegoodjes ;

Maar tot troost en komt er geen Uit de ivoren slootjes

Houdt uw eigen slaaf te ra 1). Zalig kunt g' hem maken dra.

Zoo gij maar laat slippen Op zijn bede een gunstig ja Uit die lieve lippen.

1627.

AAN ME LIEVE LEONOOR.

(Bij de eerste kersen van Muiden A0. 1630.)

In de bladen van een roosjen Vindt gij, o mijn zoete Troosjen, Kleine gift. Waar zij zoo groot Als de gunst: te kleen een doosjen Waar de gansche wereldkloot.

3*

1

j Te ra houden — zorg dragen voor.

ocr page 52

36

OP 'T VERBOND VAN HOLLAND EN VENETIË ').

Waar is paar van vernuft en van kraften zoo kloek,

Als de Leeuw met het zwaard en de Leeuw met het boek?

1630.

KLACHTE DER PRINCESSE VAN ORANJE OVER 'T OORLOG VOOR 'S HERTOGENBOSCH.

Schoon prinsenoog, gewoon te flonkren Met zuiver' hemelvlam, kan ook

De grimmigheid u dan verdonkren En smetten met een aardschen rook?

Wat tocht verleert die glinsterlichten Hun zoeten zwier?

Om liever brand van Mars te stichten Dan Venus' vier?

Zoo gloriezucht uw zinnen prikkelt,

Voert in triomf mijn slavernij.

Een krans van bloemen, blij gespikkeld,

(Geen lauwerkroon en heeft er bij)

Zal ik u vlechten, heel doorwasemd Op nieuwen vond

Met geur, mijn handjens aangeasemd Van uwen mond.

Op gouden leliën en stralen Laat trotsen Fransch' en Spaansche kroon.

Om daar een perel af te halen.

En streeft zoo niet door duizend doón.

i) Het verbond werd gesloten in 1620. De leeuw met het zwaard is het wapen der Vereenigde Provinciën, de leeuw met het boek dat van Venetië.

ocr page 53

37

'k Zal de uwe al aardiger doen blaken

Van steê tot steê Met traantjes dauwend op mijn kaken Uit minnewee.

Ik poogde 't gloedje van mijn liefde

Misschien te koelen voor een stond, Kon nijptang 't flitsjen, dat mij griefde,

Wat trekken uit de diepe wond.

Maar 't schijnt geweerhaakt, dit is 't mangel.

Helaas! mijn hart Voelt maklijk inwaarts gaan den angel,

Terug met smart.

Mijn zuchtjens, teedere getuigen

Van de ongeneselijke kwaal.

Die plag uw open oor te zuigen,

Nu stoppen 't koper en metaal.

Terwijl gij breidelt de oorlogskansen

Met wal en graf '),

Trompet en schut (ach arme) schansen Mijn klachten af.

Indien 't u lust Jupijn te spelen.

Zijn vriendlijkheên te volgen tracht.

Zijn hoogste lof in menschenkelen

Noch donder is, noch bliksemjacht. En beter dat mijn smijdig smeeken 1)

Uw hart verfraai 2),

Dan in gedruisch van slaan en steken Het veldgeschrai.

'k Hoor alle daags van versche dooden.

Geveld in hol of galerij.

Elk overlijdt aan eigen looden;

Maar aller kogels moorden mij.

1

') Graf, rijmshalve voor graft. 2) Smijdig smeeken — zacht gevlei.

2

) Verheuge.

ocr page 54

88

Want ik mij elkmaals voel bezeeren

Als van een punt,

Die denk: op 't hoofd met witte veêren Was dat gemunt.

Wat moogt gij, die u niet en zoeken.

Bestoken in hun voordeel gaan. Zoo veel en is 't niet waard de vloeken

Van heel Kastilië op zich te laftn Denk liever, hoe Madril ') zou stoffen

En zijn verkwikt,

Vernam 't van scherp te zijn getroffen U. Ach! mij schrikt.

Maar is om lief, om lijf, om leven.

Om kind, om zoon van vaders naam Zoo veel, op veer na, niet te geven.

Als om een glorierijke faam. Zoo gunt mij, dat ik met u rijde

Door koud, door heet. En voert mij bij 't rapier op zijde, Waar dat gij treedt.

1630.

BRIEF AAN TESSELSCHADE, GESCHREVEN EENE MAAND NA HET OVERLIJDEN VAN 'S DICHTERS EERSTE ECHTGENOOTE CHRISTINA VAN ERP.

Mejoffr0

De wijzen gebieden verliesbaar goed loshartig te lieven en 't verloren zonder bedroeven over te zetten2). Tot houden van 't eerste gebod heb ik altoos zoo weinig wils gehad, dat het mij billijk aan macht mangelt, om het tweede te volgen. Die nooit anders dan spelden en spijkers opzocht, om, 'tgeen hij

1) Vergelijk het Fr. woord: Madrilène, -) Overzetten = verzetten.

ocr page 55

39

beminde, nagelvast in zijn herte te maken, hoe kan 't hem daaraf gescheurd worden, zonder ongeneeslijke reten te maken? Die gewoon was, zelfs de minste gunsten en begaafdheden van degene, die hij opperlijk bezind') hield, uit te schilderen en die beelden in zijn binnenborst als een kapelle te metsen, hoe kan hij zonder mistroostigheid zich zien verlaten van zijnen oppersten toeverlaat naast God? Evenwel heb ik het geloof niet, dat droefheid deugd is, of kante mij met stijfzinnigheid tegen allen troost. Te zeer zoude mij wroegen de ongehoorzaamheid jegens degene, die onder haar uiterste wille mij de verkwikking mijns gemoeds zoo ernstelijk bevolen heeft. Ik en zoek den rouw niet, maar hij weet mij te vinden. Duizend en duizend dingen daags halen mijn schade op en meten ze ten breedste uit. Dat de uiterlijke zinnen in 't gedacht dragen, moet er noodlijk plaats grijpen. Terwijl men op leed peinst, is de troost vergeten. Want niemand kan meer dan een ding tevens denken. Dit is een groot mangel in den menschelijken aard, alhoewel de snelheid der gedachten ten deele de schade boet, verdrijvende het eene gedacht het andere, dat het niet uitsluiten kon. Die fraaie meesters van de konst der heugenisse, eere zoud' ik hun geven, konden zij ons de vergetelheid leeren. Neen ook. Zoo waard is mij het vieren van de gedachtenis der verlorene edelheid, dat ik eerder wenschte meer te lijden, dan haarder niet gedachtig te zijn. Of ik in verlies van overlieve kinderen1) door rouwe veroverd ben, is U.E. bekend. Want afbrek van have, alhoewel uit de kerf gaande, weet U.E., dat mijne vroolijkheid niet uit haren tred deed gaan 2). Die Seneca, zoo fier tegen den wederspoed, hoort hem eens kleen zingen, als hij, op Corsica gebannen, den vrijeling 4) Polybius smeekt. Den Gascoenschen wijzen man5), zoo waanloos, zoo oordeelvast (heb ik eenig oordeel), dunkt dat er geen zon voor hem opgaat sedert den ondergang van zijne Estienne de la Boetie. U.E. vergeve dan

1

loren. 3) Toespeling op groote verliezen, door toedoen van zijn neef

2

Willem geleden. '') Vrijgelatene. 5) Montaigne.

ocr page 56

40

aan mijn gemoed de verslagenheid, die op veel na niet, gelijk die helden, voorzien is van kraft en vernuft, of wapen van geleerdheid, en verbidde t' mijnen troost den goedertieren God, die Mejoffr0

met alle genoegen op vuile U.E. en haren waarden gemaal, aan dewelke zich van heeler harte gebiedt

U.E.

Van den huize te Muiden Verplichte , dienstw6

den 6en Juli a. 1624. p. c. HOOFT.

UIT DE NEDERLANDSCHE HISTORIËN.

1. DE INNEMING VAN DEN BRIEL.

Na 't nemen van twee schepen, die uit Spanje kwamen, keerde de wind derwijze, dat de Watergeuzen goedvonden, den mond der Maas te kiezen. Wijd uit der mate, mits onder andere stroomen ook de vermaarde Rijn hier zijn meeste water loost, gaapt deze opening, en heeft het eiland van Voome en de stad Brielle op de Zuider-, het dorp van Maaslandsluis op de Noorderlippe liggen. Op den eersten van Grasmaand, omtrent twee uren namiddags, komen eerst twee schepen, daarna nog vierentwintig tot dit loch ') instreven en strijken 't voor 't hoofd van Den Briel. De inwoonders van beide de voormelde plaatsen verwonderden zich ten hoogste over zulk eene menigte van koopvaarders, zoo zij waanden: zijnde hunne minste gedachten niet, dat de Watergeuzen daar met zoo fel en langdurig een oorlog kwamen aangezeild. D'eerste, dien 't inviel, was een veerman, genaamd Jan Pieterszoon Koppestok. Deze opende zijn gevoelen aan zekere luiden, die hij in had, om ze na Den Briel te brengen, dewelke, daarover beducht, zich terug en aan land deden zetten. Hij, daarna, roeit der

!) Gat, zeegat.

ocr page 57

41

vloote aan boord, en vereischt naar Treslong. Treslong, te voorschijn gekomen en bewelkoomd van hem, brengt den man bij den Graaf') en zeit dien, dat hij de rechte was, die te hunnen voornemen diende. Dies begeert men oph em, dat hij een boodschap in stad ga doen. Koppestok, des getroost, als die weinig te wagen had, neemt den last aan en met zich voor geloofnisbrief Treslongs zegelring, wel bekend daar ter plaatse, mits dat zijn vader Baljuw van Den Briel geweest was. Voorts te lande gezet, maakt hij gang na de poorte, die hem geopend werd, en van daar na 't stadhuis. Eiken benieuwde, wat hij brengen mochte, en werden hem onder wege vele woorden, sommige naar gunst, andere naar ongunst smakende, na 't hoofd geworpen. Vindende die van der wet vergaderd, dient hij hun aan, hoe hem bij den Ammiraal, mitsgaders Treslong en de andere hopluiden des Prinsen, gevergd was, te verzoeken, dat de Majestraat, om met hun te spreken, twee gemachtigden wilde buitenschikken, denwelken niet misschieden zoude 2). Want die hem gezonden hadden, verklaarden aldaar te zijn, om hen van den tienden penning te verlossen en tegens de dwinglandij van Alva en de Spanjaarden te beschermen. Teffens toont hij den ring tot bewijs van zijn onthiet 3). Men vraagde hem, of zij sterk waren. Hij, meer uit losheid, dan uit list, zeit: „wel vijfduizend mannen.quot; Dit deed ieder schrikken en voorts tot bezending stemmen. Maar dezelfste schrik maakte hen zoo beteuterd, dat er niemand gaarne aankwam. Eindelijk hij kreeg er twee met zich, om 's Graven voorstel aan te hooren. Die eischt de stad op uit naam van den Prinse als stadhouder des Konings, geeft hun twee uren beraads en laat ze stede-waarts keeren. Toen wast de verslegenheid; 't gaat er op een zakken, pakken en vluchten, te wagen, te paarde, ter Zuidpoort uit. 't Krijgsvolk, geland daarentusschen en ten deel voor de poorten, vraagde dengenen, die over de muren keken, of men hun op doen zoude, oft zij zich zelf moesten inhelpen.

') Lumey. 2) Niet misschieden zoude = niets onaangenaams aangedaan worden zou. 3) Last, bevel.

ocr page 58

42

De Majestraat marde met antwoorden; thans, speurende meest eenen iegelijk, die iet te verliezen had, op den loop, anderen gezind tot die van buiten, ziet zij ook om een goed heenkomen. De uren van bedenken om zijnde, en te zorgen, dat men zich binnen sterken en ter were bereiden mochte, rukt de Graaf toe aan twee troepen. De eene, geleid van Treslong na de Zuidpoort, beliep ') aldaar den Rentmeester Johan van Duivenvoorde, in opzet om te wijken, dien de soldaat te lijf wilde. Maar Treslong was er voor2) en beweegde hem tot blijven. De andere troep onder Roobol zamelt pek, rijs, stroo en ander licht ontvonkelijk tuig aan de Noordpoort, steekt er 't vuur in en loopt ze voort open met een eind van een mast. Vóór negen uren waren zij meester en trok de Graaf te dezer poorte, Treslong tot de andere in met omtrent tweehonderd vijftig in alles; eensdeels Luikerwalen, rapsch volk maar moedwillig, eensdeels gevluchte Nederlanders.

2. TERECHTSTELLING VAN PACIECO.

't Leed luttel aan na 't landen van Jacob De Rijk tot Vlis-singen, of Pedro Pacieco, bij anderen Paciotto genaamd, opperste krijgsbouwmeester des Hartogen, komt de haven in, geen ding min denkende, dan dat de stad omgekeerd was. Opgestapt uit den schepe ziet hij van verre De Rijk na hem toetreden, en wanende, 't waar om hem te bewelkomen, zet zijnen gang derwaarts. Maar zich vindende in een ommezien met een gerit3) grauws om. de ooren en spellende uit het gelaat (want de taal verstond hij niet) hunne verbolgenheid, kreeg hij zoo groot een angst voor zijn lijf, dat hij, wanende zich alzoo te redden, zijnen zegelring van den vinger trok, kuste en aan De Rijk leverde, met zeggen: Heer, ik hen uw gevangen. De hopman, die goed Spaansch sprak, vatte zijn meening en den ring aan, die door gaaf van zijnen zone,

') Overviel. 2) Voorkwam het. 3) Hoop.

ocr page 59

43

Simon De Rijk, althans ') onder mij berust. Teffens leidt hij de hand op Pacieco en deed hem in hechtenis stellen. Thans bracht Treslong met drie schepen stijf tweehonderd mannen over. Twee hoplieden van Vlissingen, d'een Vink, d'ander Vlieg gebijnaamd, hadden dit volk uit de naaste plaatsen van Holland opgestommeld. 't Waren meestal Hagelingen, of Delftsche, Rotterdamsche en Brielsche burgers, uitgestreken ') met kazuifels, monnikskappen en diergelijk gewaad der geestelijkheid, in plaats van krijgsrusting. Maar men deed hen op stroom 3) wapenen en monsteren, daarna den krijgs-bouwmeester te rechte stellen door Glaude, den baljuw, en verwees hem ter galge met twee andere Spaansche jonkers. Pacieco, hebbende geen gissing op zulk een vonnis gemaakt, drong angstelijk op rantsoen en bood groot geld voor zijn lijf. Maar Treslong in weerwraak van zijnen broeder, dien de landvoogd in den jare '68 onder andere edelen omgebracht had, dreef dat m'er meê voortginge. Namelijk hij dacht aan Alva niet lichtelijk gevoellijker spijt te kunnen doen, dan met den smadigen dood van zoo een personage, dien men zeide den Hartog in namaagschap te bestaan. Ook liep er een gerucht onder de burgerij, hoe de gevangene zekere lijste met namen van luiden, die de landvoogd dacht te dooden in 't gaan na den kerker gescheurd en van zich geworpen had. Waarover 't grauw, ververschende zijne bitterheid tegen den naam der Spanjaarden, hem nauwelijks gehoord wilde hebben, reukeloozelijk roepende, mits zij hem niet verstonden: Hang op den hrodder 4), hang op; wie kan met hem kallen? Hij, wanhopende van andere genade, verzocht, dat hem ten minste 't zwaard gewierde. G-laude, hebbende zijn rapier aangetast en op zijde gegord, zeide, kwansuis of de andere daarna vereischt had: hij zou maar opklimmen; 't geweer was wel bewaard. Pacieco tot nader uitlegging beriep zich op de graven van Egmond en Hoorn, en stelde zijn huis zoo hoog, als 't hunne, in adel. Dit was olie in 't vuur voor 't volk, dat

■) Thans. 2) Uitgedost. 3) OJgt; stroom, n.1. in de schepen, die op stroom lagen. 4) Br odder, hier kromspreker.

ocr page 60

44

daarop uitvoer, of hij zich bij hunne heeren gelijken wilde: Zijt gij Heeren? Gij zijt schelmen! Men had moeite gehad, om eenen scherprechter te vinden, dewijl die van Walcheren binnen Middelburg woonde. Een gevangen doodslager, daartoe aangezocht, weigerde zijnen hals met die hatelijkheid te winnen, antwoordende liever te willen sterven, dan dat zijne moeder een beul hadde ter wereld gebracht. Maar als men hem vertoonde den verdoemden1) een Spanjaard te zijn, bewilligde hij in 't werk, mits dat hem vrijstonde dood te slaan, die 't hem kwaam te verwijten. En dus heeft Pacieco, onder 't snauwen der schamperheden en scheldwoorden zijner kwaadgunstigen, zijne dagen geëindigd. Al 't welk ik wel stukswijs heb willen verhalen, ten spiegele wat een gemeente al doet, of wat ze niet ongedaan laat, als hare lijdzaamheid, door tergen op tergen, in razernije verkeert.

3. ONTZET VAN LEIDEN.

't Geviel dat de wal en borstweer der stad ter lengte van zesentwintig roeden tusschen de Koepoort en den toren van Bourgogne instortte, 't Welk, waar het een nacht of twee te voren gebeurd, als de beleggers, verkondschapt door zekere bagijne, dat er slapper wacht, dan zij bevonden, gehouden werd, poogden de veste te bekruipen, zij voor een wonderdaad t'hunnen gunste zouden gerekend hebben. Nu strekte het eenen slag des hemels, om de wijkelingen bet te verbazen door inbeelding, dat de Leidenaars uitvielen, in zinne van hun den weg t'ondergaan, terwijl de vloot van d'andere zijde aankwam. Maar in de stad had men geen lucht altoos van dit opbreken, uitgezeid dat er eenig gekrijsch, onder 't zinken van 't schut, gehoord werd, en zeker jongen van den wal bij duister op de glimmende lonten acht sloeg, hoe zij al t'zamen van de schans af kuierden, zonder te keeren. 't Zelfde

!) Verdoemde — veroordeelde.

ocr page 61

45

knaapje, gissende de waarheid hieruit, verworf oorlof4) en zes gulden te loon, om de gelegenheid te gaan bezichtigen, in hope, zoo 't daar anders stond, den Spanjaards diets te maken, dat hij van honger verloopen was. Overgekomen en niemand in 't blokhuis vernemende, wenkte hij met zijnen hoed. Echter darden de stedelingen daarop nog niet vertrouwen, twijfelende, of het een loos teeken waar, dat hem de Spanjaarden doen deden. Dan als men eenen man, die hem volgde met eene springspiets zijnen weg voorbij de schans zag nemen en tot de knieën toe door 't water den admiraal te gemoet loopen, greep er de gemeene wensch aan wederzijden niet alleen hope en verkwikking, maar de verzekering en kraft eener volle vreugd uit. Boisöt nochtans, dien deze tijding, terwijl de komellen en hopluiden tot Zoeterwoude vast raad-slaagden, gebracht werd, nam ze niet lichtvaardelijk aan; maar houdende zich met het gros op zijn hoede, schikte twee galeien voor heen, die de sterkte onbezet en twee stukken schuts gezonken vonden. Daar werden zij ontvangen door hopman Gerrit van der Laan, die zich met zijne vrijbuiters dadelijk uit der stad na Lammen gespoed had, ter plaatse der afpaling toe. Na 't openen derzelve maakte de vloot vaart, mennende Boisot den voor-, de admiraal Adriaan Willemszoon den achtertocht; en kwamen alzoo opgetogen in genoegen en dankzegging, des Zondags, derden van Wijnmaand, 's morgens omtrent acht uren, ter stad in varen. Uitgelaten en onuitspreeklijk was de blijdschap, daar ze mee bewelkoomd werden van burgers en gezaghebbers. Men scheen er verrezen van der dood, en met reppen en roeren zijn achterstal van levendigheid te willen inhalen, zoo woeld' en krioeld' het door straten en stegen: inzonderheid aan de Vlietbrug, daar de lijftochtschepen door de veste schoten. Het holgehongerd volk, wijf, man, oud, jong, boordde bol en dik den oever, en overwelfde, zooveel hun doenlijk viel, de vaart met uitstrekken van schouderen, armen en handen, om te bereiken, te vangen, te grabbelen 't brood, haring, kaze en andere

•) Verlof om er heen te gaan.

ocr page 62

46

spijzen, hun toegesteken of geworpen door de bootsluiden. Sommigen liepen of sprongen ten halze toe in 't water, of zwommen aan de schepen. Dezelve luiden, zoo nat en druipende als zij waren, ook anderen, die iet gekregen hadden, schooiden ') ermede steewaarts in, verkundigende d'algemeens behoudenis. Alle buurten en wijken gewaagden van den roep: Leiden is ontzei. Gode lof in der eeuwigheid. Daarentusschen zag men er menigte, dien 't voedsel tot vergif gedeeg, mits de onmaat hunner gulzigheid, zulks dat zij, ook onderweg, met het eten tusschen de tanden, verstikt bleven. Een over-erbarmelijk ding, na 't ontworstelen van zoo velerlei ramp in de haven zijns heils te sneuvelen. Maar zoo luttel bedachtzaamheid vindt men in alles bij den gemeenen man, om zijn eigen nut te weten, 't en zij de overheid het bezorgt en hem te voren meet. Dezelve derhalve, opdat zich voortaan niemand lichtelijk veraasde, en de verwende magen allengskens haren plicht mochten herleeren, raamde plaats en orde, om aan ieder meer niet teffens dan een half pond broods, een stuk kaas en een pekelharing uit te deelen. De admiralen, opgetreden , namen hunnen gang, gevolgd van scheeps- en stee volk, recht na de kerke, om gemeener stemme den Heere te danken voor zoo vele en verscheiden oogschijnlijke gunsten, d'een achter d'andere hun als toegeteld, tot voltrekking van de verlossing der stad. Daar smolten de gemoeden in hun eigen vurigheid en was de bewegenis zoo weldig, dat de harten van vroolijkheid, de oogen van tranen overliepen en de sleur van den zang der psalmen deden haperen. Thans maakte de vroedschap een raadslotJ) van alles j aars dien dag met bidden en loven sampt3) ommegang in 't geweer tot onversterflijke gedachtenis te vieren.

*) Schooien — met drift heenloopen. 2) Besluit. 3) Benevens.

ocr page 63

47

UIT „WARENARquot;.

EERSTE BEDRIJF.

4e tooneel.

EIJKERT. WARNAR.

Rij kert.

Warnar-buur, goên dag man, hoe staat het leven?

Warnar.

Heb ik jou daar, Rijk-buur, goên dag wil je God geven.

Rij kert.

En u een goed jaar, dat je geen verdrieten schiet.

Warnar (ter zijde).

Als de rijken de armen zoo toespreken, dan is 't om niets niet De meid, zorg ik, heeft hem 't spul van den pot gemeld!

Rijkert.

Hoe gaat het?

Warnar.

Hard en zwart, onbelaan met geld,

Gelijk slechte luidjes van mijnen doen plegen.

Rijkert.

Wat, het is allemaal aan het geld niet gelegen;

Heb je goed genoegen, je hebt een goed lot.

Warnar (ter zijde).

Hoe smerig ') kan hij kallen, dit's al om den pot!

Zoo ras als ik thuis kom, ten baat geen smeeken,

Zal ik voor mijn eerste werk, de meid de oogen uitsteken,

En daarna de tong gaan tornen uit haar keel.

!) Schertsenderwijze voor: hoe mooi.

ocr page 64

48

Rijkert.

Buurman, wat sta je en praat je in je zeiven dus veel?

W arnar.

Ik klaag over de armoed, die ik hier moet lijen;

Ik heb daar een eenige dochter te vrijen,

Daar ik niets meegeven kan, mijn lieve maat,

Zoo komt het toe, dat er ook niemand na staat.

En ik zou ze gaarne bij mijn leven met een man bezorgen.

Want ik vrees, zoo ik stierf, dat ze schier ') of te morgen,

In deze ongeregelde tijden mocht staan op het wild.

Rij kert.

Zoo je anders geen nood hebt, uw klachten vrij stilt.

Ik wil er wat bij doen, geeft den moed niet verloren.

Warnar (ter zijde).

'k Weet wel waar hij wezen wil, maar dat gat zal hij niet boren, Hij heeft het op het katshoofd1) gemunt, daarom is 't, dat hij vrijt.

Rijkert.

Ik heb je wat zonders te zeggen.

Warnar (ter zijde).

Och ik ben 'tgeld al kwijt. Hij heeft het opgegraven, zou ik ramen.

En nu komt het kwansuis allevonger-me-samen 2),

Om met me te accordeeren; och, hoe wee is 't me te moe! (Warnar wil haastig in huis gaan,)

R ij k e r t.

Wel buurman, waar loop je zoo nechtig 3) naar toe?

1

') Onmiddellijk. *) Den door Warnar gevonden pot met goud, in

2

den vorm van een kattekop. 3) Al het gevondene we samen (zullen deelen.)

3

) Driftig.

ocr page 65

49

W arnar.

Ik heb in huis wat te bevelen, dat ik vrees te vergeten, Ik kom terstond weer bij je.

Eijkert (alleen).

Als hij komt te weten,

Dat mijn boodschap is om zijn dochter te verzoeken tot Wijn huisvrouw, hij zal denken, dat ik met hem spot,

Want zoo ongelijk gegoed men zelden ziet trouwen.

Warnar {na teruggekomen te zijn, ter zijde).

God zij geloofd! De pot is behouwen;

Alle ding is, zoo 't was; door mijn hart ging een vlijm. Toen ik na binnen trad, en ik viel schier in zwijm.

{Laid.) Wat zeg je nou, Rijkert?

Rijkert.

Wil je wel antwoorden op mijn vragen? Warnar.

Ze mogen der na wezen, dat ze me wel behagen;

Ze mogen ook wel zoo wezen, dat je 't weet.

Ik en antwoord je van al den dag niet een beet.

Rijkert.

Onbillijkheid zal ik je te voren niet leggen.

Wat dunkt je van mijn geslacht?

W arnar.

Daar en is niet op te zeggen, Rijkert.

Rijkert.

Wat dunkt je van mijn leven , schoeit het wel op dezelfde leest?

Warnar.

Wat, je hebt al je leven een goed slokker geweest.

R ij k e r t.

De jaren, die ik oud ben, weet je wel te mikken.

duijser en van goor, Letterk. Leesb. i, 2e druk. 4

ocr page 66

50

W ar nar.

Die hebben vrijwat tellens an, ze slachten je brikken

Rijkert.

Wel ik heb ook van jou altijd gedacht,

Dat je een eerlijk burger waart, daar ik je nog voor acht,-;

Al ben je van slechte luidjes, ze waren onbesproken.

Warnar {ter zijde).

Ik weet niet, waar 't hem ligt, maar hij heeft den pot geroken. {Luid.) Wat is er nu voort, Rijkert-buur, jou begeer?

R ij k e r t.

Daartoe geeft zijn zegen de opperste Heer!

Na dien, dat gij mij wel kent, en ik jou mede,

Zoo hoop ik je zult me niet weigeren een' bede,

Dat is, dat je me je dochter ten wijve wilt geven.

W arnar.

Maar Rijkert, ik hoorde nooit van mijn leven.

Dat je zulk een kwant waart; heeft dat ook slot,

Met een oud arm man, als ik ben, te drijven den spot? Heb ik dit op je verdiend? Ik kan 't niet vermoeden.

Rijkert.

Je moet mijn rede niet anders duiden, dan ten goede. Het verzoek is mij ernst, ik zeg je, dat ik het meen.

W arnar.

Eilieve, laat mij en mijn dochter met vreên!

Rijkert.

Geloof me, buurman, ik doe 't niet, om te jokken.

') Schijven, geldstukken.

ocr page 67

51

W arnar.

Gelijk bij gelijk placht allerbest te fokken:

Den rijke dient wat rijks, den kale dient wat kaals; Je zoudt me niet kennen willen en maken mijn dochter

(overdwaals'),

Dan waar ik heel in 't onderspit, me dunkt, het zal me niet

(gelijken.

Rijkert.

Dat is wel de manier van sommige rijken;

Maar ik zal je kennen voor een vader als 't behoort.

W arner.

Beloof je me dat?

Rijkert.

Ja 'k.

W arnar.

Vaart er wel mee, daar is me woord; Je zult de meid hebben, waartoe veel te sammelen? (Ter zijde.) Gans bloed2), wat hoor ik daar binnen rammelen? Daar is er voorzeker een achter den buit.

(Hij ijlt het huis in.')

Rijkert (alleen?)

Wat het meisje's zinlijkheid aangaat... wel hij vaart er weer uit, Deur is hij! Waar mag hij daar zijn gebleven?

Me dunkt hij speelt neefje 3), heb je van al je leven! Wie kwam er ooit zoo ver, daar zulks is geschied.

't Is met hem: nou zie je me, nou zie je me niet!

Met een wup is hij buiten, met een wup is hij binnen! 'tls trouwen niet vreemd, al maakt het hem beteuterd van zinnen. De arme lui, als de rijke haar spreken aan,

Meenen toch altijd, zij zijn geslagen of gevaan,

En zoo verzuimen ze somtijds een goede gelegenheid.

:) Overmoedig, hoogmoedig. 2) Gods bloed. 3) Hij speelt den grappenmaker.

4*

ocr page 68

52

Warnar (van binnen tot Reym.)

Hou dit voor Evangelie, je moogt het overwegen, meid! En trek ik je niet met wortel en al uit je lel ^

Zoo geef ik jou om heen te gaan volmacht en zonderling bevel! Ik zeg het je me een koelen moed; wees er op verdacht.

(Hij komt weer buiten.')

Rijkert.

Wel buurman, me dunkt, dat je me niet en acht,

Waar heb ik dit verdiend, dat je met me den gek zoudt scheren ?

Warnar.

Neen zeker, ik houd je voor een man met eeren.

Indien ik met jou gek, zoo sla me de moord.

Rijkert.

Hoe hebben wij 't dan samen? Sta je nog jouw woord?

Warnar.

Ja, maar gelijk gezegd is, ik kan er niet meé geven.

Rijkert.

Dat weet ik wel, daar en legt niet an bedreven;

Zij zal op die voorwaarde van mij worden getrouwd.

W arnar.

Hoor hier, beeld je niet in, dat ik een pot heb gevonden met goud.

R ij k e r t.

Wat een blaas !)! Ik trouw ze om hare goede manieren.

W arnar.

Dat je 't dan wel verstaat, ik zal geen hyliksgoed uitkeeren.

Rij kert.

Wij zijn 't volkomen eens.

') Tong. !) Wind, bluf.

ocr page 69

53

W arnar.

Ja, maar ik ken je wel,

't Is met de rijke lui: geef stokje, neem stokje, stokje in de hel'), Nou beloof je me ze te nemen zonder beurs, zonder brikken Thans l) komen je de poppen 3) in 't hoofd, zoo is 't hylik aan Jelui en houdt je woord niet dan bij geval. (stikken.

R ij k e r t.

Ik zeg, wat ik beloof, dat ik het houden zal.

En tot meerder bevesting van mijn verklaren.

Zoo laat mijn vrienden t' avond bij de jouwe vergaren.

Om het hylik te beschrijven met gemeen accoord;

Ik zal gaan bestellen nu rechte voort

Dat er wat komt, daar wij af banken 4) meugen,

Want ik weet wel, de kosten daar kun je niet teugen.

Adieu tot flus toe, ik tij op de been

En zal me mijn best spoeden.

Warnar.

Daar stapt hij heen.

O lieve Heer, wat een ding is 't ook, geld te hebben.

Deze man zou op mijn dochter zijn zin nooit gesteld hebben. En had hij niet in 't hoofd (denk ik) van den gevonden schat. Zoo komt 't, dat hij dus aanhoudt als een klat.

5e tooneel.

WARNAR, REYAI.

Warnar.

Waar ben je snapster, die over de buurt hebt gaan verbreeden. Dat ik mijn dochter met groot goed ten huwlijk ga besteden? Fluks rep me jouw handen nou en wacht er niet mee. Wasch knap de vaten om, schik alle ding op zijn steê, Voort, maak er een eind af, en zonder te spotten lank,

') Volgens Bilderdijk toespeling op een goocheltoer, waarbij men iemand een stokje afnam en dit bij het teruggeven verdwijnen liet. 2) Straks. :i) Dwaze grillen. 4) Banketeeren, feest vieren.

ocr page 70

54

Schrob me vaardig de deel, en schuur de pottenbank, Hemel de koken op ') en stof het voorhuis uit,

Schuur de glazen wakker, maar breek je een ruit.

Ik zal ze aan je huur korten, wit den muur in de kamer. En haal voor een pennewaard 2) zagelis 3) tot den kramer, Ze meugen 't op den kerfstok zetten, 't mag er nu wel of.

Reym.

Meester, wil je er deur wezen, hoe ga je dus grof?

Een heel penning aan zagelis, om den vloer te bestrooien, Dus doende zul je al jouw schoone goed vermooien 4), Denk, als je dat nog eens doet, zoo is 't een duit.

Warnar.

Dat 's al eens, 't moet nu volstaan, mijn dochter is de braid.

Reym.

Daar sla geluk toe, maar wie zal ze trouwen?

Warnar.

Onze buurvrijer Rijkert, t' avond zal men bruiloft houwen Op 't sluiten van 't hylik met de vrienden van elke zij.

Reym.

Bylo, dat zal wat kosten!

W arnar.

De bruigom houdt me vrij.

't Mag geen kwaad, hij zal kost en drank beschikken.

Ik ga eens naar den Dam, pas jij op je stikken.

Ik kom terstond weer in, de deur dicht sluit.

Zie toe, maak het schappelijk, of je raakt het gat uit.

'J Knap de keuken op. ') De waarde van een penning. 3) Zaagsel. 4) Aan mooie dingen verkwisten.

ocr page 71

ANNA VISSCHER

(1583—1651.)

EX

MARIA TESSELSCHADE VISSCHER.

(1594—1649.)

Anna Visscher.

AAN P. C. HOOFT EN C. HUYGENS.

Gelijk mint zijns gelijk, hei zijt gij door uw Dicht Vermaard en beide in geleerdheid afgericht,

Ook beide uitmuntend in verstand en brave zeden.

Waar vindt men zulke twee in 't gansche Nederland? Want zoo de ééne speelt, zoo gaat den aêr zijn trant; Dat gij dan vrienden zijt is (dunkt mij) meer als reden.

1621.

AAN DEN GELEERDEN HEER JACOB CATS.

Toen gistren Phoebus had zijn afgemende paarden Gelaten uit den toom, en dat hij van der aarden Ging bergen in der zee zijn blinkend gouden hoofd, Toen dacht ik om hetgeen dat ik u had beloofd. Ik kreeg pen, inkt, papier en zette mij tot schrijven; Ten eerste wou het boek niet open liggen blijven.

De pen moest zijn versneën, en 't pennemes was plomp,

ocr page 72

56

In plaats van pen sneed in mijn hand een diepen slomp '), 't Papier sloeg kladdig door, in de inkt was gom noch luister, 'k En had geen snuiter, en mijn kaars die brandde dmster. De zuster van de dood, die sleepte mij naar bed.

Dus, o geleerde vriend, zoo werde ik belet Tot mijnen besten, want misnoegen kwam gevlogen. En bracht mij in den droom de verzen voor mijn oogen, Heel kreupel, mank en lam. De schamper bleeke nijd Riep spotsgewijs; gij meent, dat gij Homerus zijt. De zwarte laster kreet: gaat heen, wilt mededeelen Uw ongerijmde rijm, 't zal ieder haast vervelen.

Toen kwam bezinning na; die zei: houd ze bedekt, Zoo wordt gij niet benijd, gelasterd, noch begekt.

UIT DE „ZINNEPOPPENquot; 2)

d'eene min beengt d'anber in.

(De prent stelt voor: twee paarden, die elkander klauwen).

Helaas! waar is de vriendschap heen? Dat klaagt en vraagt schier iedereen; En zoekt niet veer, ze is dicht bij u.

Maar is gelijk de Echo schuw, Die ongeroepen blijft als stom. De vriendschap die heeft ook waarom. Dat zij zoo zelden zich laat zien:

Zij kan noch wil niet zijn allien.

Dus wie dat wenscht te zijn bemind Van andren, bij zich zelfs begint.

!) Snede.

2) Zie de aanteekening op bladz. 14. Bij deze en nog enkele andere zinnepoppen is het proza van Roemer V. vervangen door een versje van Anna Visscher.

ocr page 73

•57

Want vriendschap voor bewezen jonst Dwingt met een heiige tooverkonst Alleen geen menschen bot en zuur, Wreed, ongevoelig, stug en stuur,

Maar zelfs een leeuw, hoe wreed en fel, Deed ook aan zijn weldoender wel.

WAT IS 'T ANDERS DAN FRAAI?

(De prent stelt voor: eene opgepronkte vrouw, die op de luit speelt).

Een vrouw, die niet als zingt en tuit. Die gaarne danst, en die de luit Schier nimmer uit haar handen leit,

Fij, fij, dat is lichtveerdigheid.

Maar is het niet een hemel schier.

Te zien, hoe dat een geestig dier.

Met zang of spel haar man verkwikt.

Als 't noodig huiswerk is beschikt?

Misbruik verkeert het zoetste zoet In walgelijk en bitter roet.

Ja heilzaam nutte medicijn.

Te ontijd gebruikt, keert in venijn.

Maria Tesselschade Visscher.

ONDERSCHEID TUSSCHEN EEN WILDE EN EEN TAMME ZANGSTER TER EERE VAN DE J0NKVR0UWE MARIA PILT, UITNEMENDE ZANGSTER.

Wilde zangster.

Prijst vrij den nachtegaal.

Als hij u menigmaal Verlust, en schatert uit.

Een zingend vedertjen en een gewiekt geluid;

ocr page 74

58

Wiens kwinkeleeren zoet De ooren luistren doet Gauw na het tiereliertje Der vlugge luchtigheid van 't oolijk, vroolijk diertje.

Wiens tjilpend schril geluid Gelijk een orgel fluit.

Veel losse toontjes speelt,

En met één tong alleen als duizend tongen kweelt.

Zijn hoog' en lage zwier,,

Met liefelijk getier Van 't helle schelle zoetje,

Vermeestert al 't gezang van 't zingend springend goedje. Een diertje, wiens gelaat In zeldzaamheid bestaat.

Omdat het niet en heeft Als zang, die maar een maand in 't gansche jaar en leeft. Maar 't meeste wonder, dat Zijn roem ooit heeft gehad,

Is, dat zoo kleine leden Herbergen zulk een kracht van die luidruchtigheden.

Tamme zangster.

Maar wilde zangster zwijgt En na uw adem hijgt,

Uw tjukken heeft geen klem.

Noch komt niet bij den aard van Rozemondjes stem. Die na een liever trant Doet luistren het verstand.

Met wisse maat en snikjes, Die vriend'lijkheidjes sluit in vaster tonenstrikjes. Wiens redestem vertaalt.

En waardiger onthaalt De geestjes van 't gehoor,

En hipplen doet de ziel van 't hertje tot het oor.

ocr page 75

59

Als zij met grof gedreun,

En dan met teer gekreun Van minnelijke treken,

Doet onderscheidenlijk verscheiden tongen spreken. Geen veelheid ons verveelt.

Hoeveel haar keeltje kweelt,

Maar eene versche lust Bekoort het grage oor, als 't maar een snikje rust. 't Is zeldzamer geneugt Die staag op nieuw verheugt Geen stemmigheid zoo lustig. Als deez', die 's zomers is en 's winters even rustig.

Oordeel.

Een ieder oordeel nu.

Van Nachtegaal en U,

Wat een gelijkenis Het ijdel galmen bij dit woorden zielen is.

OP DE AFBEELDIXGE VAN DEN HEER P. C. HOOFT.

Ziet hier uw heerlijk hoofd! Dit is de schets in 't kleen

Van al uw groote leên.

Geen duist're profetie en heeft hij voorgenomen,

In 't licht te laten komen;

Maar doet u menig eeuw de zon terugge gaan

Door zijn Historie-blaan.

Dit is uw Hoofdman, ziet, dit is hij, die bedreven Op blinde klippen is, om andren licht te geven; De onsterflijke Poëet, doorwaterd in den vloed Van steilen tweelingstop die duizend Echo's voedt.

1) De Parnassus, welke twee kruinen heeft.

ocr page 76

GERBRAND ADRIAENSEN BREDERO.

(1585—1618).

UIT DEN „SPAANSCHEN BRABANDER.quot;

TWEEDE DEEL ').

Robbeknol, alleen uit.

Hier is huisraad noch nietJ), het is hier woest en leeg, Ja bezem, vleugel, niets daar ik het huis mee veeg. En 't heeftet wel van doen, zie ik onder, zie ik boven. Het is er beklonterd 3), beraagd 4), en zoo bestoven,

Dattet mijn verwondert, dat zulken edelman.

Hem met dit bijster 1) nest tevredenstellen kan.

Wel, wat zal ik nu doen? gaan uitzien om mijn brood; Want zoo ik langer wacht, ik blijf van honger dood:

Mijn meester, zoo mijn dunkt, die heeft men al vergeten, En of hij nooit en kwam, zou ik dan nimmer eten? Neen, dat is niet gezeid, 't is best, dat ik heen tij, De groote huizen an, de kleine niet verbij:

Maar holla! ik most hier de sleutel nederleggen.

Als dan mijn jonker komt, zoo heeft hij niet2) te zeggen.

(binnen).

Jerolimo.

Zemers 2) 't gemeine volk is hier wel rouw en viel3), 't En maakt geen onderscheid in een pompeuse ziel

1

!) Bedrijf. 2) Niets. 3) Smerig. '') Vol spinrag. 5) Slecht.

2

) Zeker. Bij deze en andere woordverbasteringen bedenke men, dat Jerolimo, de „Spaansche Brabanderquot;, zijn Brabantsch dialect gebruikt.

3

') Laag, 't Fransche vil.

ocr page 77

61

En eenen groven fiel, die simpel, slecht en zot is:

Zekers ik bedruif mai, dat hier het volk zoo bot is:

Komt hier een prins of heer de landen te bezien,

Zij zullen haar respect noch reverencie biên,

En met gedekten boot') staan zij en speculeeren,

En laten ze ongegroet en ongeëerd passeeren.

Ons Brabant heeft den prijs voorwaar van alle liên:

Het volksken is beleefd en van een goed ingienJ)

En eloquent van sprook 3) en gratioos in 't eeren,

Manierlijk opgekweekt, als kinderen van heeren.

De minste borger is zoo vriendelaik en beleefd.

Dat hij de vreemde man geen kwajer woorden geeft

Als: hoort, herteke lief! wa zoekdij? wa begaarde?

Na wien vraagde gij? na Peter de gelaarde?

Ach heer! 't is mijn compeer4). Voort, Gilles of Pesijn,

Brengt deze buitenman bij oomken, Peers kozijn,

Naast de blauwe boterham bij Hanssens zoons grootmoeiers.

Daar dichte bij 't Bierhoot. d' Hollanders zain maar bloeiers.

Zij zijn niet generoos, hoe raik zij gaan in 't zwart.

Robbeknol, etende, vertelt zijn avontuur.

Dat heeft zijn ouwe smaak: wel op mijn magre koonen. Nu moet je eens jou kunst en jou vermogen toonen.

Ziet hier is spek tot palm 5), hier hebdij 't al naar wensch, Gave lever, goed brood, ossenmuil, schapepens En beuling en koevoet, hier is wel veul te banken 6), Ik heb de goede lui wel hartig te bedanken.

O bloed7), hoe krijg ik !t op? mijn buik die staat al stijf; Want ik heb schier een brood van twaalf pond in 't lijf. En daartoe nog een pan met excellente grutten;

Daarom ben ik bezorgd, hoe ik dit best zal nutten.

') Hoofd. -) Verstand. ■') Spraak. Verg. verder woor, moor enz.

voor waar, maar enz. 4) Doopvader. 5) Spek tot palm — alles in

overvloed. 6) Zie blz. 53, aant. 4. 7) Verkorting van Gans (Gods) bloed.

ocr page 78

62

Al weeran, zei de meid, dat gaat er weer na toe.

Elementen, wat is dit? mijn bakhuis, dat wordt moe,

Gants lijden1), och wat raad? hoe zal mijn jonker kijven. De klok die is zoo laat, het is al over vijven.

Dat's gang, ik klop, o mijn!

Jerolimo.

Wel, waar hebde te gaan?

Waar zijdij toch geweest?

Robbeknol.

Och heer, wilt mij niet slaan; Want ik heb u gewacht al over de twee uren,

Ten lesten, ik en kon van honger niet geduren.

Zoo kreet mijn holle maag, die half was in 't slot2),

Dies ik mij zelfs beval de goede lui en God,

En ziet, the hebben mij gegeven deze beetjes,

Wel dat anzicht3) staat niet stuurtjes noch niet wreedjes.

Jerolimo.

Ook heb ik ou vertuifd met den eten; maar wat

Ik beidde, gij en kwaamt, ik ging toe t'oens 4) en at;

Voorts hebde wel gedaan, ou Gode te bevelen;

Want 't is veel zaliger te bidden, dan te stelen.

Zoo helpt mij God, Robbert, 't is mij in 't minste leed.

Een ding en bid ik ou, maakt, dat men niet en weet.

Da gai hier bai mai woont; want ik wil ou wel zweren,

Het zoude woorlijk mai te na gaan mainder eeren.

't Es wel woor, dat ik hoop, dat ik niet en werd geschend s),

Vermits dat ik alhier zoo lettel ben bekend.

En of God wilde, da ik ware t'huis gebleven.

Robbeknol.

Mijn jonker, ik behoef geen tol daarvan te geven,

Hebt daar geen zorge veur.

') Gants lijden, vloek. 2) /n V slot = in orde. 3) Gezicht, van de boutjes nam., die er niet slecht uitzien. 4) Ten onzent. 5) Te schande gemaakt.

ocr page 79

63

J erolimo.

Nu eet doch, arme bloed, Misschien wanneer ') de Heer ons arremoed verzoet.

Robbert, mijn goeie knecht, t'sichtent2) ik hier kwam wonen, Was ik nooit wel te pas, noch heb 't niet wezen konen3). Dit huis moet zijn gebouwd op een kwaai grond, dunkt main; Ook zain der huizen, die zeer ongelukkig zain.

Mits zij den huurling gemainelaik geen goed Aanbrengen, moor wel ramp, gelaik als mai dit doet; Daarom beloof ik ou, zoo haast de moond gaat strijken Mijn ongeluk en 't huis gelijklijk te ontwijken.

Robbeknol (die gluurt ter zij en uit.)

Hoe loert hij op mijn pens, hoe kijkt hij na mijn brood. Ai ziet, hij trekt niet eens een oogje van mijn schoot.

Die nu mijn tafel is: ziet zijn gezicht eens vrijen,

'k Heb met den armen bloed waarachtig medelij en;

Want ik heb menigmaal geleden dat geweld.

En lij ook dagelijks hetgeen dat hem nu kwelt.

Wat zal ik doen? hem noón? hij zal 'tmij geen dank weten; Want ziet, hij zeit, dat hij te middag heeft gegeten; Nochtans meen ik, dat hij te meer 4) niet heeft gebikt. Ik wou wel, dat zijn smart een weinig waar verkwikt,

Gelijk het gustren was, doen hij mij hullep smullen,

Doen ik zijn hongers nood met kruimpjes ging vervullen.

Jerolimo.

Voorwaar Robknol, 'k zie ou met verwundren an.

Gay hebt den besten aard, die ooit had eenig man;

Want wie ou eten ziet zoo grocelaik van koken Die kundij appetijt en nieuwen honger inoken.

Robbeknol.

O daar en had je 't niet; maar 't is uw holle maag En krijtende gedarmt, dat maakt u nu zoo graag.

') 't Is onzeker, wanneer. 2) Sinds. 3) Kunnen. '») Heden.

ocr page 80

64

Ik weet wel, wattet is, hij zou ook garen schransen. Verhaast je niet, mijn borst, ik zei je voor gaan dansen. Jonker, lust je, tast toe, dat brood, dat is zeer goed. Zoo doet dees koevoet ook, en dees pens is ook zoo zoet, Al waar men heel verzaad, men zou er lust na krijgen. Gelieft je, eet er af, holla; 't wil mij ontzijgen ').

Jerolimo.

Is dat koeien voet?

Robbeknol.

Ja 't, mijn heer, neemt dat aan. Jerolimo.

Ik koos voor dat beetken geen kalkoenschen haan.

(Hij gaat met Robbeknol zitten eten.)

Robbeknol.

Wat dunkt je bijget2). Is die zak toegebonden?

Hij kluift de kootjes of, veel reinder als zijn honden.

Jerolimo.

Ooh, dit is lakker ding!

Robbeknol.

De saus, daar gij 't mee eet,

Dat is het lekkerste, dat ik ter wereld weet.

Jerolimo.

Bij Goi2), het smaakt mij met zulken goei behagen.

Al ha ik niet geten g'had in twee geheele dagen.

Robbeknol.

Juist ra gij 't op zijn hoofd, als gij de waarheid spreekt, Ik denk, dat jou de spijs niet euvel op en breekt.

Jerolimo.

Brengt mij mijn drinkvat hier, da ge ze niet vermindert. 1) Ontvallen. 2) Bij God.

ocr page 81

65

Robbeknol.

De pot is boordevol, zij is nog onverhinderd.

Jerolimo.

Gaat na de ledikant, neemt de tapeet van 't bed, En vouwt het amnaeloken •) met mijnen serviet En leg het op 't schappra1).

Robbeknol.

Ik sel 't wel doen, mijnheer. Hier hebben wij de man zijn hoovaardij alweer;

Hij wil zijn graviteit met groote woorden houwen.

AANDACHTIG LIED.

't Zonnetje steekt zijn hoofdjen op, En beslaat der bergen top Met zijn lichtjes;

Wat gezichtjes.

Wat verschietjes verd' en flauw Dommelt er tusschen 't grauw en blauw.

't Vochtige beekje blinkt versierd, 't Vroolijke vinkje tiereliert Op de takjes Wild en makjes,

En weer strakjes op een aêr Huppelt 'et met zijn wederpaar.

d'Hemelen worden meer begroet Van de diertjes klein en zoet.

Als van menschen,

Die maar wenschen Na het aardsch verganklijk goed, Dat men hier doch al laten moet.

') Tafellaken. 2) Buffet.

duijser en van goor, Lett. Leesb. I, 2e druk.

5

ocr page 82

66

Wezentjes, wijs en wel geleerd,

Meer met rede gestoffeerd,

Als de lieden Die 't gebieden Van een wereld nog verdriet;

Zij hebben uw vernoegen niet.

't Herdertje met zijn wollig vee Schrolt ') op 't volkje van de stee,

Daar zijn knaapjes Van zijn schaapjes In zijn slaapjes zacht en stil Willig voldoen haars Heeren wil.

Menschjes, God geeft elk zijn deel,

Maar elk doet zijn best, om veel Te vergaren;

Dan, 't bewaren Voor de jaren is een kunst;

Dankt de Goden voor haar gunst.

Geen dingetjes zoo slecht, zoo teer.

Of zij geven ons een leer;

Wilt maar merken Op de werken Van de Goden wonderbaar:

Niet en vindij zonder haar.

O redelijke beestjes1) dwaas!

't Onvernuftig vee, helaas!

Is veel nijver En veel stijver In den ijver tot Gods lof.

Als de mensch van 't beste stof.

(Uit: Aandachtig Liedboekquot;.)

Smaalt. 2) Redelijke beestjes = menschen.

ocr page 83

DIRK RAFAELSZOON CAMPHUIJZEN.

(1586—1627.)

NIET NIEUWS ONDER DE ZONNE.

Wat is 't, onvernoegde mensch, Dat uw wensch Stadig na wat nieuws komt drijven?

Neem de heele wereld voor,

Loop ze door:

't Is de weerld, en 't zal ze blijven.

't Geen men tegenwoordig ziet, Is geschied;

't Geen de tijd hierna zal bringen,

't Is of nu, of al geweest.

Op één leest Schoeien alle aardsche dingen.

Bouwen, breken, krijgen, slaan, Doon, verraan,

Jachten, trachten, zoeken, wroeten.

Wat men hoort, beleeft, aanschouwt, 't Is al 't oud.

Dat op aarde ons zal ontmoeten.

Nieuwe menschen voedt en baart Steeds de aard.

ocr page 84

68

Maar geen nieuw begeert' noch haken.

't Was, als 't is; en 't is, als 't was. D'onden pas Houden al des werelds zaken.

De eigen weg, dien Cyrus trad. Was ook 't pad Van den grooten Alexander:

Daarna ging hem Caesar in:

Caesars zin Is nu weder in een ander.

Dus aanschouwt m' in alle ding Wisseling Van begeert' en zinnebuien.

Nu zijn z' hier, een ander jaar Op een aftr:

Nu bij dees, dan bij die luien.

Dat in 't groot eerst is gespeurd, 't Zelve beurt Naderhand in 't kleine en lage:

Hier bij stukken en ten deel.

Daar geheel;

Nu gestadig, dan bij vlagen;

Hier door listigheid en kunst.

Daar door gunst;

Nu met voorspoed, dan onspoedig:

Hier met moeite en wederlust,

Daar met rust;

Nu met vreeze, dan kloekmoedig.

Zoolang menschen menschen zijn. Zal er pijn,

Ramp, gevaar en onlust wezen;

ocr page 85

69

Zoek op aard geen paradijs;

Zijt gij wijs,

Leeg uw hart van hoop en vreeze.

's Werelds heil en ongeval Is een bal,

Daarmee de aardsche lusten spelen. En neervalt, na de Opperheer 't Zacht of 't zeer Onder menschen wil verdeelen.

MEISCHE MORGENSTOND.

Wat is de Meester wijs en goed.

Die alles heeft gebouwd En nog in wezen blijven doet,

Wat 's menschen oog aanschouwt.

Die 's werelds wijden ommering,

Nooit uitgewaakt, bewaakt,

En door gepaste wisseling Het zoet nog zoeter maakt.

Nu is de winter, dor en schraal,

Met al zijn onlust heen.

En de aarde heeft voor deze maal Haar lijden afgeleên.

Dies is de tijd weerom gekeerd.

Waarin natuur, verjonkt,

Haars milden Scheppers goedheid eert En met zijn gaven pronkt.

De Mei, wiens zoetheid zoover strekt.

Dat zijn gedachtenis In 's menschen geest al vreugd verwekt. Eer hij voorhanden is;

ocr page 86

70

De Mei, het schoonste van het jaar,

Daar alles in verfraait;

De lucht is zoet, de zon schijnt klaar, 't Gewenschte windje waait.

Het dauwtjen in den koelen nacht

Wordt over 't veld verspreid, Waardoor de heel nature lacht En is vol dankbaarheid.

De aard is met gebloemt gesierd.

Het bijken gaart zijn was. Het leeuwerikjen tiereliert En daalt op 't nieuwe gras.

Het bloempje dringt ten knoppe uit,

't Geboomte ruigt van lof, Het veetjen scheert het klaverkruid Graag van het veldjen of.

Elk diertjen heeft zijn vollen wensch

En kwelbegeert leit stil,

Behalve in den dwazen mensch Door zijn verkeerden wil.

De mensch, van ware deugden leeg

En vol van zotten lust.

Hem zelf en andren in den weeg, Vermoordt zijn eigen rust.

Dit leven, 't welk alleen niet endt.

Maar kort ook is van duur.

En licht van zelf slaat tot ellend. Maakt hij zich dubbel zuur.

't Vee wordt ontzield, zijn eind is snel

En zijn doodspijn niet groot, De mensch, door menig zielgekwel, Sterft meer dan eenen dood.

ocr page 87

71

Ach, had de mensch (zoo waar zijn stand

Vol hert- en zinnenvreugd)

Of, zonder deugde, min verstand,

Of, bij 't verstand, meer deugd!

Ach, waren alle menschen wijs, En wilden daarbij wel!

De aard waar haar een paradijs.

Nu is ze meest een hel.

1617.

LIJDZAAMHEIDS ERINXERING.

Is 't hoop van aardsch gemak of heil. Dat u de kans doet wagen:

Te dwaaslijk draagt men 't leven veil, Om 't nietig te bejagen.

Is 't staat- of eerlust, die u drijft, Te zotter is het pogen;

Die wilüg in de laagte blijft.

Komt maklijkst tot verhoogen.

Laat zotte waan en reden-schijn U 't hart niet onderdel ven;

Wilt gij de meeste meester zijn:

Word meester van u zei ven.

VREDE.

Daar moet veel strijds gestreden zijn. Veel kruis en leeds geleden zijn; Daar moeten heiige zeden zijn, Een nauwe weg betreden zijn, En veel gebeds gebeden zijn,

Zoolang wij hier beneden zijn: Zoo zal 't hier na in vreden zijn.

ocr page 88

JOOST VAN DEN VONDEL.

(1587—1679).

PRINSELIED.

Frederik van Nassouwe

Ben ik, vroom Hollandsch bloed, Mijn Vaderland getrouwe Met leven, lijf en goed; Een Prinse van Oranje,

Door wapenen vermaard.

Voor Oostenrijk noch Spanje En ben ik niet vervaard.

's Lands rechten en vrijheden

Ik helpen zal in zwang;

In geen vereende steden Gewetens felle dwang Of tyrannije lij en;

Ik wensch de goe gemeent En trouwe burgerijen

Door liefd' te zien vereend.

Ik heb van kindsche dagen De vrijheid voorgestreên, En 't harrenas gedragen

Tot welvaart van 't gemeen;

ocr page 89

73

Nog wil ik 't vaandel zweien Van Hollands fleren leeuw, En met Oranje-meien

Bedekken ') wees en weeuw.

Ons vijanden braveeren

In 't Westen en in 't Oost;

Maar, in den naam des Heeren,

Ben ik hun macht getroost.

Mijn vroomheid is gebleken

Bij Nieuwpoort in den slag; Dat hart leeft onbezweken In mij, gelijk het plag.

Schept moed dan, Heeren Staten,

Uw veldheer staat bereid. Die ruiters en soldaten

Weer naar de grenzen leidt. Wat schrikt ge voor of achter,

't Land heeft aan de één zij duin, Aan de andre zij den wachter En Schutsheer van den tuin.

Zoo ik met zege keere

En Spanje dwing tot vreê,

Zingt Gode prijs en eere.

Die voor ons vesten streê.

Ik zie alree na 't vechten, De maagden mijn banier Ontmoeten, die mij vlechten Den lofkrans van laurier.

') Met Oranje-meien bedekken, fig. uitdrukking met toespeling op den Oranjeboom, beteekenende: weduwen en weezen de bescherming doen genieten van het Oranjehuis.

ocr page 90

74

OP HET STOKJE VAN JOAN VAN OLDENBARNEVELT, VADER DES VADERLANDS.

Mijn wensch behoede u onverrot,

O stok en stut, die geen verrader,

Maar 's vrij doms stut en Hollands Vader

Gestut hebt op dat wreed schavot;

Toen hij voor 't bloedig zwaard most knielen,

Veroordeeld, als een Seneka,

Door Nero's haat en ongena,

Tot droefenis der braafste zielen.

Gij zult nog jaren achtereen

Den uitgang van dien held getuigen,

En hoe geweld het recht dorst buigen

Tot smaad der onderdrukte steên.

Hoe dikwijls strekt' gij onder 't stappen

Naar 't hof der Staten, stadig aan,

Hem voor een derden voet in 't gaan

En klimmen op de hooge trappen.

Als hij, belast van ouderdom:

Papier en schriften overleende

En onder 't lastig landpak steende.

Wie ging, zoo krom gebukt, nooit krom!

Gij rustte van uw trouwe plichten

Na 't rusten van dien ouden stok.

Geknot door 's bloedraads bittren wrok;

Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

GESPREK OP HET GRAF VAN WIJLEN DEN HEER JOAN VAN OLDENBARNEVELT.

Vreemdeling, Kerkgalm.

Vr. Wie luistren om de vraag eens vreemdelings te hooren?

K. Ooren.

*

ocr page 91

75

Vr. Wie stopt'slandsvoorspraakhierdenmondmetdezensteen?

K. Een.

Vr. Mauritius? Wat kon den landvoogd dus verstoren?

K. Toren.

Vr. Was 't om de vrijheid dan met kracht op 't hart te treden?

K. Reden.

Vr. Wat mist al 't Vaderland bij 't korten van dien draad?

K. Raad.

Vr. En brak men meer dan 't recht der vrijgevochten steden?

K. Eeden.

Vr. Wat baart dit, nu elk voelt, hoeveel zijn dood ons schaadt ?

K. Haat.

Vr. Wat moet men doen, die met den dwingeland t'zamenzweren?

K. Weren.

Vr. Zou dan hun hoogmoed haast verwelken als het gras?

K. Ras.

Vr. Wat zal men Barnevelt, die 't juk zocht af te koeren?

K. Eeren.

Vr. Wat wordt de dwingeland, die 't Recht te machtig was?

K. Asch.

GEUZENVESPER OF ZIEKENTROOST VOOR DE VIERENTWINTIG ')

I.

Had hij Holland dan gedragen

Onder 't hart,

Tot zijn afgeleefde dagen.

Met veel smart.

Om 't meineedig zwaard te laven

Met zijn bloed.

En te mesten kraai en raven Op zijn goed?

ry. v ,■—) £• fi 1 \ /

•) Oldenbarnevelts rechters. Ljr 5 . ■— . I J V.

O. F. M.

WIJ C •

ocr page 92

76

II.

Maar waarom den hals gekorven?

Want zijn bloed Was in de aders schier verstorven;

In zijn goed Vond men nooit de pistoletten ')

Van 't verraad,

Uitgestrooid, om scharp te wetten 's Volleks haat.

III.

Gierigheid en wreedheid beide.

Die het zwaard Grimmig rukten uit der scheide.

Nu bedaard,

Zuchten: „Wat kan ons vernoegen

Goed en bloed?

Ach, hoe knaagt een eeuwig wroegen Ons gemoed!quot;

IV.

Weest tevreén, haalt predikanten

West en Oost!

Gaat en zoekt bij Dordsche Santen

Heil en troost;

't Is vergeefsch, de Heer koomt kloppen

Met zijn Woord,

Niemand kan de wellen stoppen Van dien moord.

Besluit.

Spiegelt, spiegelt u dan echter 2),

Wie gij zijt;

Spaansche munt, hier omkoopgeld.

2) Achteraf, later.

ocr page 93

77

Vreest den worm, die dezen rechter

't Hart afbijt:

Schendt uw handen aan geen vaders,

Dol van haat!

Scheldt geen vromen voor verraders Van den Staat.

Waarschijnlijk 1625.

VEROVERIXG VAN GROL DOOR FREDERIK HENDRIK. (Klinkdicht.)

Filips had korts gedroomd, hij zou heel Holland dwingen En Zeeland op een sprong; maar Hendrik, veel te gauw En 't minste niet verschrikt voor Spaanschen tigerklauw, Bestond met macht en moed de stad van Grol te omringen.

De posten in der ijl met deze tijding gingen Na Spanje; de Avondvorst riep eerst: „dat luidt te blauw •)!quot; Maar zeker onderricht bezweek hij en werd flauw En sprak: „verlies ik Grol, adieu mijn Graafschap Lingen!quot;

Terwijl was Spinola om geld helaanJ), te hoof:

Hij leende 't hier op borg en daar op goed geloof.

Maar al vergeefs helaas! hij bleef een ij del hoper;

Want toen Filippus zocht na Flippen in zijn kas,

Bevond hij, dat zijn munt van stof veranderd was, Het goud in lood verkeerd, het zilvergeld in koper,

1627.

') Ongelooflijk, vergel.: contes bleus. 2) Verlegen.

ocr page 94

78

OP HET OVERLIJDEN VAN COENEIJS PIETERSZ. HOOFT, RAAD EN OUD-BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM.

Trekt om 't Raadsheerlijk lijk geen droeve torenklok: Het burgerlijk beklag zal deze baar geleien;

De balling, weeuw en wees beluien hier met schreien Hun waard, haar man, haar voogd, daar 't leven uit vertrok.

Hangt aan den wand van 't koor dien Burgemeestersrok, Dien tabberd, wijd van baat- en staatszucht afgescheiën. Dien Deeglijkheid hem ging zoo onbesproken breien;

Hieraan heeft eigenbaat niet de alderminste vlok.

Dat nu Amstelredam in 't rouwkleed valle aan 't huilen: Haar zegenrijke beurs ontbeert een barer zuilen.

Haar raadhuis een pilaar. Hoe drukt ons dit verlies!

Doch troost u, rijke stad, men zal u zalig noemen! Als Room' Fabricius' en Kato's deugd wil roemen. Zeg: „Hooft dat was de man, waardoor mijn glorie wies-quot;

1626.

UITVAART VAN MIJN DOCHTERKE.

De felle Dood, die nu geen wit') mag zien,

Verschoont de grijze liên.

Zij zit omhoog en mikt met haren schicht Op het onnoozel wicht En lacht, wanneer in 't scheiën De droeve moeders schreien.

Onbezorgde vroolijkheid, kinderlijke onschuld.

ocr page 95

79

Zij zag er een, dat, wuft en onbestuurd.

De vreugd was van de buurt,

En vlug te voet, in 't slingertouwtje sprong Of zoet Fiane *) zong,

En huppelde in 't reitje Om 't lieve loddereitje J);

Of dreef, gevolgd van eenen wakkren troep.

Den rinkelenden hoep De straten door, of schaterde op een schop; Of speelde met de pop.

Het voorspel van de dagen.

Die de eerste vreugd verjagen;

Of onderhield met bikkel en bonket1)

De kinderlijke wet.

En rolde en greep op 't springende elpenbeen, De beentjes van den steen.

En had dat zoete leven Om geld noch goed gegeven.

Maar wat gebeurt? Terwijl het zich vermaakt.

Zoo wordt het hart geraakt.

Dat speelziek hart, van eenen scharpen flits Te doodlijk en te bits.

De dood kwam op de lippen;

En 't zieltje zelf ging glippen.

Toen stond, helaas! de jammerende schaar

Met tranen om de baar.

En kermde nog op 't lijk van haar gespeel, En wenschte lot en deel Te hebben met haar kaartje 2),

En dood te zijn als Saartje.

1

bekende: „Patertje langs den kant.quot; 3) Groote knikker of stuiter.

2

) Vriendinnetje.

ocr page 96

80

De speelnoot vlocht, toen 't anders niet mocht zijn,

Een krans van roosmarijn *),

Ter liefde van heur beste kameraad.

O kranke troost! wat baat De groene en gouden loover ') ?

Die staatsie gaat haast over.

1626.

KINDERLIJK.

Konstantijntje, 't zalig kijndje,

Cherubijntje van omhoog, De ijdelheden, hier beneden.

Uitlacht met een lodderoog.i) „Moeder!quot; zeit hij , „waarom schreit gij ?

Waarom greit3) gij op mijn lijk? Boven leef ik, boven zweef ik,

Engeltje van 't hemelrijk;

En ik blink er, en ik drink er,

't Geen de schinker alles goeds Schenkt de zielen, die daar krielen,

Dertel van veel overvloeds.

Leer dan reizen met gepeizen Naar paleizen, uit het slik Dezer werreld, die zoo dwerrelt:

Eeuwig gaat voor oogenblik.quot;

VERTROOSTINGE AAN GERARD VOSSIUS, KANUNNIK TE KANTELBERG 4), OVER ZIJN ZOON DIONYS.

Wat treurt ge, hooggeleerde Vos!

En fronst het voorhoofd van verdriet?

Benij uw zoon den hemel niet.

De hemel trekt; ai, laat hem los!

') Versieringen van 't lijkje. 2) Zoet lonkend oog. 3) Treurt. Canterbury in Engeland.

ocr page 97

81

Ai, staak deze ijdie tranen wat,

En offer welgetroost en blij Den aller besten Vader vrij Het puik van uwen aardschen schat!

Men klaagt, indien de kiele strandt,

Maar niet, wanneer ze rijk gelaan Uit den verbolgen oceaan In een behouden haven landt.

Men klaagt, indien de balsem stort. Om 't spillen van den dieren reuk;

Maar niet, zoo 't glas bekomt een breuk. Als 't edel nat geborgen wordt.

Hij schut vergeefs zich zeiven moe. Wie schutten wil den sterken vliet, Die van een steile rotse schiet Naar haren ruimen boezem toe.

Zoo draait de wereldkloot, hetzij De vader 't liefste kind beweent, Of 't kind op vaders lichaam steent; De dood slaat huis noch deur voorbij.

De dood die spaart noch zoete jeugd. Noch gemelijken ouderdom;

Zij maakt den mond des reed'naars stom, En ziet geleerdheid aan noch deugd.

Gelukkig is een vast gemoed,

Dat in geen blijde weelde smilt,

En stuit, gelijk een taaie schild, Den onvermijdbren tegenspoed.

1633-

6

duijser en van goor, Lett. Leesb. i, 2e druk.

ocr page 98

82

OP JONKVROUW ISABEL LE BLON.

Hier sluimert Isabel le Blon,

Die, als een roosje met de zon, Blijgeestig op haar steeltje stond. En sprak met een bedauwden mond: „Wat is de schoonheid? Wat's de roem Der jonkheid anders als een bloem?quot; Dit was haar eerste en leste leer; En voort verwelkt, zoo zeeg ze neer').

1636.

OP DE AFBEELDING VAN DEN HEER JOAN VAN OLDENBARNEVELT.

Dit's grootvaar, van wiens deugd geen eeuwen zullen zwijgen: Hij deed zijn rechters zelf het haar te berge stijgen,

Toen hij ter vierschaar kwam al even wel gemoed.

Zijn vijand dronk den dood aan het onschuldig bloed.

1625.

OP DEN HEER GEERAERT VOSSIUS,

PROFESSOR DER HISTORIËN T'AMSTERDAM EN KANUNNIK DER AARTSBISSCHOPPELIJKE KERKE TE KANTELBERG.

Laat zestig winters vrij dat vossenhoofd besneeuwen. Nog grijzer is het brein dan 't grijze haar op 't hoofd; Dat brein heeft heugenis van meer dan vijftig eeuwen. En al haar wetenschap in boeken afgesloofd.

Sandrart! beschans hem niet met boeken en met blaren: Al wat in boeken steekt is in dat hoofd gevaren.

1640.

') Variant van den laatsten versregel:

Toen zweeg ze stil, en sprak niet meer.

ocr page 99

83

OP Mr. WILLEM BARTJENS

Gij ziet het zichtbre deel van Bartjens hier naar 't leven; Van zijn onzichthren geest heeft hij u zelf gegeven Een print in 't rekenboek, dat nergens faalt noch suft, Maar volgt ten dienst der jeugd Euclides' spits vernuft. 1612.

GRAFSCHRIFT OP G. A. BREDERO.

Hier rust Breero, heengereisd,

Daar de boot geen veergeld eischt Van den geest, die met zijn kluchten Holp aan 't lachen, al die zuchtten.

1618.

OP MIJNE AFBEELDINGE, GESCHILDERD DOOR FILIPS KONING.

Ik telde vijf en zeventig,

Toen Koning mij dus levendig Te voorschijn bracht op zijn paneel.

Wie van de kunst met kennis spreekt,

Zegt, dat hier slechts de spraak ontbreekt. Men kroon' het koninklijk penseel.

1662.

OP DEN HEER Mr. JOAN DE WIT, RAADPENSIONARIS VAN HOLLAND, VADER DES VADERLANDS.

Zoo leeft de Wit in 't hart van alle oprechte harten, De mond der Vrijheid en der Staten trouwste raad;

Zijn dood, al te onverdiend, zal Holland eeuwig smarten. Hij storf voor 't vaderland, een martelaar van Staat.

Den bekenden rekenmeester.

6*

ocr page 100

84

OP DEN HBEB CORXELIS DE WIT.

Dus leefde Ruwaart Wit, zoo zwart als een Moorjaan MLsverfd}1), en met de schroef gepijnigd op de schenen, Om valsche logentaal, in damp en rook verdwenen. Van zijne trouw gewaagt de Teems en Oceaan. 1672. _

BEDE VOOIl HET WALEN WEESHUIS TE AMSTERDAM.

AAN ALLE CHRISTENEN.

Och! laat uw mededoogen stralen

Op deez' van elk vergeten schaar.

Op 't arme weeshuis van de Walen,

Wiens last nog aangroeit jaar op jaar. Wanneer 't ontvangt met open armen.

Die arm zijn zonder hunne schuld, De weeskens, die om nooddruft kermen.

En voedt hen op met groot geduld In tucht en eerelijke zeden.

Wie ziet ze zonder schreien aan?

Heeft Christus arm voor ons geleden,

Wie kan voorbij deez' kribben gaan En stallen, zonder met de Wijzen

Te offeren een luttel goud.

Om 't naakt en hongrig kind te spijzen,

Dat in dit Bethlehem verkondt?

Ai, zorgt niet, dat de schatten minderen,

Die gij aan God op woeker geeft Door vreemde en ouderlooze kinderen;

Gedenkt dat God, hun Vader, leeft,

Die in uw weldaad wordt geprezen.

En 't goed, dat nimmer zal vergaan. De zuivre godsdienst is, den weezen In hun ellende bij te staan.

1634.

Belasterd.

ocr page 101

85

OP ONS WEESHUIS ').

I.

Wij groeien vast In tal en last,

Ons tweede vaders klagen;

Ai, ga niet voort Door deze poort.

Of help een luttel dragen.

II.

Hier treurt het Weeskind met geduld. Dat arm is zonder zijne schuld,

En in zijn armoe moet vergaan. Indien gij 't weigert bij te staan; Zoo gij gezegend zijt van God, Vertroost ons uit uw overschot.

III.

Geen armer Wees op aarde zwerft. Dan die der Weezen Vader derft, Der Weezen Vader derft hij niet, Die Weezen troost in haar verdriet; Dus sla uw oogen op ons neer. Ons aller Vader troost u weer.

1644.

HUIG DE GROOTS VERLOSSING. AAN MEVROUW MARIA VAN REIGERSBERG.

Geweld van wallen, dubble gracht, Ontruste honden, wacht bij wacht.

Het Burgerweeshuis in de Kalverstaat te Amsterdam.

ocr page 102

86

Beslagen poorten, ijz'ren boomen, Geknars van slotwerk, breede stroomen, En de onvermurwbre kastelein Verzekerden op Loevestein Den Grooten Huigen, buiten duchten Van in der eeuwigheid te ontvluchten. Ten waar zijn schrandre gemalin, En drukgenoot en kruisheldin Een eerlijke uitkomst had gevonden. En hem van lang verdriet ontbonden. Zij sprak: „mijn lief, mijn levenslicht,quot; (De tranen stonden in 't gez'.cht) „Zal deez' spelonk uw glans versmoren, En is uw deugd dit graf beschoren? Helaas! maar 't is vergeefs gesuft.

Hier helpt geen kermen, maar vernuft. Mijn geest zal nu wat groots bezoekenquot; Terstond verandert hij in boeken. De schildwacht draagt dien vetten buit Op hare bee voor boeken uit. Een vrouw belacht al die haar persen. En laat hen op de tanden knersen; Een vrouw is duizend mannen te erg. O, eeuwige eer van Reigersberg, De volgende eeuwen zullen spreken, Hoe gij den haat hebt uitgestreken1).

Vergun mijn luite, dat ze speel'

Het bergen van ons landjuweel In 't onweer, dat ons roer vermande.

Toen 't groote schip van Holland strandde 3).

'} Beproeven. s) Verschalkt. 3) Toespeling op de treurige gebeurtenissen van 1618 en 1619.

ocr page 103

87

OP HET VERTREK VAN Z. EXC. HUIG DE GROOT ').

's Avonds daalt het Hemelsch wonder, Met zijn stralende aangezicht,

Maar De Groot, ons Hollandsch licht. Gaat helaas! hier 's morgens onder. Hoe gelukkig is de nacht.

Die den dag uit hem verwacht.

AAN DEN LASTERAAR ') VAN WIJLEN DEN KONINKLIJKEN GEZANT HUIG DE GROOT.

O Parizeeuwsche grijns, met schijngeloof vernist.

Die 't groote lijk vervolgt ook in zijn tweede kist;

Gij Helhond, past het u dien Herkies na te bassen,

Te steuren op 't autaar den Feniks in zijn asschen.

Den mond van 't Hollandsch Recht, bij Themis zelf beweend ?

Zoo knaag uw tanden stomp aan 't heilige gebeent.

1645.

WILDZANG OP DE HOFSTEDE „RUSTENBURGquot; 1).

Wat zong het vroolijk vogelkijn.

Dat in den boomgaard zat?

„Hoe heerlijk blinkt de zonneschijn

Van rijkdom en van schat!

Hoe ruischt de koelte in 't eikenhout En verscb gesproten lof!

1

) Buitenplaats bij Naarden, bewoond door den Amsterdamschen oudschepen Jacob Hinlopen, den vriend en vaak den gastheer van Vondel.

ocr page 104

88

Hoe straalt de boterbloem als goud!

Wat heeft de wildzang stof!

Wat is een dier zijn vrijheid waard!

Wat mist het aan zijn wensch, Terwijl de vrek zijn potgeld spaart,

O slaaf! o arme mensch!

Waar groeien eiken te Amsterdam?

O, kommerzieke Beurs,

Daar nooit genoegen binnenkwam!

Wat mist die plaats al geurs! Wij vogels vliegen warm gedost

Gerust van tak op tak.

De hemel schaft ons drank en kost.

De hemel is ons dak.

Wij zaaien noch wij maaien niet.

Wij teren op den boer;

Als 't koren in zijn aren schiet,

Bestelt al 't land ons voer. Wij minnen zonder haat en nijd,

En dansen om de bruid: Ons bruiloft bindt zich aan geen tijd,

Zij duurt ons leven uit.

Wie nu een vogel worden wil.

Die trekke pluimen aan,

Vermij de stad en straatgeschil. En kieze een ruimer baan.quot;

DE GETROUWE HAGEDIS.

Gelukkig is zij, die hier leeft,

Van zorgen en gevaar bevrijd,

En altijd eene schildwacht heeft,-

Want zelden leeft men zonder strijd.

En ongeval en harteleed

Genaakt den mensche, ook eer men 't weet.

ocr page 105

89

Twee jonge maagden ') waren liit-Gegaan in 't krieken van den dag,

Daar niemand hek noch draaiboom sluit, Het Gooi voor ieder open lag.

Natuur haar keur van bloemen mild Alszins te plukken gaf in 't wild.

De lentezon bescheen het groen Met puik van stralen overal; Het landschap stond in zijn seizoen; De bijen zogen berg en dal Van honig ledig te gelijk En alle honigkorven rijk.

De maagden op een heuvelkijn Gelegen, en van plukken moe,

Beschut met loof voor zonneschijn En zon, haar oogen loken toe.

En sliepen zoo gerust in 't gras,

Alsof de slaap haar hart genas.

Maar midden onder 't slapen, kwam Een adder uit haar duister hol Gekropen langs een eikestam.

Zij glom om haren hals en zwol Allengs van boosheid in den dag.

Toen zij de zustren liggen zag.

Dit merkte een wakkere haagdis. Die vrouw Natuur in stilheid dient. Den mensch bemint, en gunstig is. En gadeslaat, en houdt te vriend. Hoe was dit lieve dier zoo bang! Zij kroop verbaasd 2) op hals en wang.

') Anna en Katharina Hinlopen.

2) Ontsteld.

ocr page 106

90

Zij streek ze, en wekte ze op het lest

Met strijken, recht alsof ze riep:

„Waakt op, waakt op! ontvlucht deez' pest!quot;

Het paar ontwaakte, en zag, en liep.

En strooide in 't loopen voor gevaar

Den schóót met bloemen hier en daar.

Nu twijfel ik niet langer, of Het een of ander stomme dier Bewaakt de onnooz'len, en haar lof')

Behoeft noch handbus noch rapier.

Al schiet een adder gift en gal.

De deugd is veilig overal.

OP AMSTELREDAM.

Het IJ en d'Amstel voên de hoofdstad van Europe, Gekroond tot Keizerin 1), des nabuurs steun en hope 2), Amstelredam, die 't hoofd verheft aan 's hemels as, En schiet op Pluto's borst haar wortels door 't moeras. Wat waat'ren worden niet beschaduwd door haar zeilen? Op welke markten gaat zij niet haar waren veilen? Wat volken ziet ze niet beschijnen van de maan,

Zij, die zelf wetten stelt den ganschen Oceaan?

Zij breidt haar vleugels uit door aanwas veler zielen. En sleept de wereld in met overladen kielen.

De welvaart stut haar staat, zoolang de aanzienlijkheid Des Raads gewetensdwang zijn boozen wil ontzeit.

1

) Door de keizerskroon op den Westertoren,

2

) Variant der beide eerste regels:

Aan d'Amstel en aan 't IJ daar doet zich heerlijk ope Zij, die als Keizerin de kroon draagt van Europe.

ocr page 107

91

AAN DE BEURS VAN AMSTERDAM.

O vruchtbare akker! grond van steen, Die zich, ten oorbaar van 't gemeen,

Laat alle middagen bezaaien Met koopzaad, eel en mild van aard. Dat goude' en zilvere' oesten *) baart.

Daar duizenden genot van maaien;

Het gansche jaar is uw seizoen,

En, of geen licht verwelkend groen Uw heiningen en pijlers kleedde.

Nog telen die in de Amstellucht Een overkostelijker vrucht.

Dan Atlas' boomgaard eertijds dede;

Want gij hebt weer en wind te vriend, En zon en dauw, en wat u dient;

Jupijn daalt met zijn gouden regen In uwen schoot van boven neer.

En ieder zegen smaakt naar meer.

Wat gij omhelst, gedijt tot zegen.

De schellen van uw appels zijn Van goud, de korlen klaar robijn,

Het loof, safier en esmerouden.

Hier riekt men, wat het hart verfraait2), En van vier winden overwaait.

Door 't water, dat uw stuurmans bouwden.

Der Mooren opperste gezag Strijkt voor uw vloten en uw vlag.

De watergoden duiken onder.

Als gij, van de een aan de ander ree, Het oorlogsonweer voert op zee.

En volgt den bliksem en den donder.

') Oogsten. 2) Vervroolijkt.

ocr page 108

92

O, achtste wercldswondcrstuk!

Kan slechts uw voet zijn aartsgeluk

En weelde gelijkmoedig dragen;

Zulk een onwankelbaar gemoed Gaat boven al het wereldsch goed:

Want deugd kan steen en muren schragen.

1640.

SCHOUWBURG ^-RIJMEN.

I.

(Opschrift van buiten.)

De wereld is een schouwtooneel,

Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

II.

(In het voorportaal.)

Geen kind den schouwburg lastig zij, Tabakspijp, bierkan, snoeperij,

Noch geenerlei baldadigheid;

Wie anders doet, wordt uitgeleid.

III.

(Als boven.)

Tooneelspel kwam in 't licht tot leerzaam tijdverdrijf, Het wijkt geen ander spel noch koninklijke vonden; Het bootst de wereld na, het ketelt ziel en lijf. Het prikkelt ze tot vreugd of slaat ons zoete wonden; Het toont in 't klein begrijp al 's menschen ijdelheid. Daar Demokriet om lacht en Heracliet om schreit.

') Geopend in 1638.

ocr page 109

93

IV.

(Boven den schoorsteenmantel in de regentenkamer.)

Gelukkig is het land,

Daar 't kind zijn moer verbrandt.

V.

(Onder de afbeelding van eenen bijenkorf op het voorscherm.)

De bijen storten hier het eêlste, dat zij lezen, Om d'ouden stok te voên en ouderlooze weezen ').

VI.

Hetzij gij speelt voor stom of spreekt , Let altijd, in wat kleed gij steekt.

ROSKAM.

AAN DEN HEER P. GZ. HOOFT, DROST TE MUIDEN.

Hoe komt, doorluchte Drost! dat elk van godsdienst roemt, En onrecht en geweld met dezen naam verbloemt.

Als waar die zaak in schijn en tongeklank gelegen?

Of zou 't geen godsdienst zijn, rechtvaardigheid te plegen. Maar slinks en rechts te staan naar allerhande goed? God voeren in den mond, de valschheid in 't gemoed? De Waarheid greep weleer die menschen bij de slippen En sprak: „uw hart is verr', gij naakt me met de lippen;quot; De Waarheid eischt het hart en niet zoo zeer 't gebaar. Dit laatste zonder 't eerst, dat maakt een huichelaar,

Die bij een sierlijk graf zeer aardigJ) wordt geleken, Vol rottings binnen en van buiten schoon bestreken.

Zoo was uw vader niet, die burgervader 3), neen,

ocr page 110

94

Van binnen was hij juist, gelijk hij buiten scheen.

'k Geloof, men had geen gal bij dezen man gevonden,

Indien, nadat de dood zijn leven had verslonden,

Zijn lijk waar opgesneên. Hoe was hij zoo gelijk

Dien Burgemeesteren, die wel eertijds 't Roomsche rijk

Door hunne oprechtigheid opbouwden van der aarde

In top, toen de akkerbouw in achting was en waarde;

Toen deege deeglijkheid niet speelde raap en schraap,

En 's vijands goud min gold dan een gebraden raap •);

Hoe heeft hem Amsteldam ervaren wijs en simpel.

Een hoofd vol kreuken, een geweten zonder rimpel!

O beste Bestevaêr! wat waart gij Holland nut!

Een stijl des Raads, toen 't lijf van 't stoksken werd gestut.

Op dat2) ik ga voorbij ons Katilina's tijen 3):

Toen 't Vaderland in last, door twist der burgerij en,

Gij 't leven waart getroost te heiligen den staat.

En toen uw hoofd gedoemd, door 't hoofd van eigenbaat4),

Gij geen gedachten hadt van wijken of van wanken.

De wees en weduwen, de ballingen u danken;

Hoewel ge, nooit om dank, hebt zonder onderscheid

Bcschenen met den glans van uw goedaardigheid,

Ondankbre' en dankbren, die ge kondt ten oorbaar strekken.

O spiegel van de deugd! o voorbeeld zonder vlekken!

Nooit zoopt ge 't bloed en merg der schamele gemeent'.

Noch stopte de ooren voor haar rammelend gebeent'.

Wat liet ge uw zonen na, toen 's levens licht wou neigen?

„Indien 't gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen!quot;

Zoo was uw uiterste aam slechts ware, klare deugd.

Daar gij, vermaarde stad! uw kroon meed' sieren meugt.

Zoo 't land uw vaders deugd zoowel had erven mogen

Als zijn gedachtenis, z'had zwaarder ruim gewogen.

Dan duizend tonnen schats en duizend, en nog bet.

En 'k zag de zwarigheên van onzen staat gered.

') Toespeling op be bekende geschiedenis van Marcus Curius Dentatus. 5) Vervolgens. 3) Nam.: die van Leicester. 4) Leicester stond Hooft naar het leven.

ocr page 111

95

Indien de Spanjaard zag het land van Hoofden blinken, Hoe zou zijn fiere moed hem in de schoenen zinken! Hoe zou hij vader Ney ') opwekken door gebeên,

Om met zijn tong deez scheur te neien hecht aaneen!

Geen Duinkerk zou de zee met vloten overheeren,

Matroos die roovers ras zou aarsling klimmen1) leeren, En 't lage Waterland doen kijken door een koord Hem, die nu blindeling ons slingert over boord,

En visschers vangt en spant, verft zeelui doodsch van vreezen, Zoodat er een geschrei van weduwen en weezen Ten hoogen hemel rijst, uit dorpen en uit steên.

Wat's de oorzaak? vraagt men, wat? de gierigheid alleen, Die 't algemeen verzuimt en vordert slechts haar eigen, En sprak ik klaarder spraak, ik zorg, zij zou me dreigen Met breuk en boeten ofte leev'ren aan den beul.

Want waarheid (dat's al oud) vindt nergens heil noch heul, Dies acht men hem voor wijs, die vinger op den mond leit; O kon ik ook de kunst! maar wat me op 's harten grond leit, Dat welt me naar de keel; ik word te stijf geparst, En 't werkt als nieuwe wijn, die tot de spon uitberst.

Zoo 't onvolmaaktheid is, 't mag tot volmaaktheid dijen Van deez' rampzalige en beroerelijke tijen.

Waarin elk grabbelt, tot zijns naasten achterdeel3),

Schrijft andren toe, en schuift op hen de schuld van 't scheel. Waar Cato levend, die gestrenge Cato, trouwen 4), Hoe donker zou hij met een donker paar wimbrouwen, Begrimmen overzijds de feilen dezer eeuw.

En ringelooren den geringeloorden leeuw,

Die zich zoo schendig nu van rekels laat verbaöen!

Hoe zou hij grauwen; „fluks! en past dit af te schaffen. Dat weder ingezet! Hier, stuurman! waar s) het roer,

En let op 't oud kompas! Voort, voort met dezen loer6). Die nooit te water ging! hij zal ons 't spel verbrodden;

') Pater Neyen, den onderhandelaar der Zuidelijke Nederlanden bij 't bestand. 2) Nam.: de ladder op naar de galg. 3) Nadeel. 4) In trouwe. 5) Pas op, geef acht op. 6) Lomperd.

ocr page 112

96

En gij, hou oog in 't zeil! Waarheen met deze vodden, Gij lompe, plompe dief, die 't scheepsvolk strekt tot last! Thans grijp ik u bij 't oor, en spijker 't aan den mast!quot; Waar Cato levend, wis, daar zou geen haar aan feilen. Of 'tging als 't placht te gaan. Wat zou men lands bezeilen! Daar nu de norsche nijd ons slapend zeilt voorbij,

De loef afsteekt, terwijl we liggen in de lij,

In vaar van schipbreuk, schier aan lager wal vervallen. Het roer den meester mist en daarom is 't van mallen: En wil m'op 't dreigement niet letten van den nood, Zoo berg aan 't naaste land uw leven in de boot.

Doch 'k hoop een beter van die gaarne 't beste zagen, En zucht tot 't Vaderland in vromen boezem dragen. Dezulken vindt men nog als paarlen aan het strand. De schaarschheid maakt ze dier. Indien maar 't onverstand Zoo weinige als er zijn erkende in hun waardije.

En wijzer heeren liet begaan met heerschappije.

Men vond er nog genoeg, die niet zoo bijster staan Na heerschen, dan ze met 's lands welstand zijn belaan, En wenschen tijd en zorg en moeit' hier in te schieten. En niet een penning voor hun diensten te genieten.

Dat zijn niet zulken, daar ik eerst van heb gezeid.

Wier Godsdienst op de tong en op de lippen lelt,

Maar in een vroom gemoed, waaruit de deugden groeien, Die Hollands welvaart eer zoo heerlijk deden bloeien, In spijt des dwingelands. Wel, wil m' er nog niet aan? Of rijm ik, dat een boer dit Duitsch niet kan verstaan? Neen zeker, 't is dat niet. 't Zijn kostelijke tijen:

Het paard vreet nacht en dag, in een karos te rijen Een juöer met haar sleep; de kinders worden groot. Zij worden op banket en bruiloften genood;

Een nieuwe snof komt op met elke nieuwe mane.

De sluiers waaien weidsch, gelijk een kermisvane.

En eischt men meer bescheids, men vraag het Huygens' zoon In 't Kostelijke Mal; die weet van top tot toon De pracht en zottepraal tot op een haar te ontleden.

Hier schort het. Overdaad stopt de ooren voor de reden.

ocr page 113

97

En kromt des vromen recht, deelt ambten uit om loon, En stiert den vijand 't geen op halsstraf is verboón.

Luikt 't oog voor sluikerije, en onderkruipt de pachten, Besteelt het land aan waar, aan scheepstuig en aan vrachten Neemt giften voor octrooi, of maakt den geldzak t'zoek, En eischt men rekening, men mist den zak en 't boek. Hoewel het menschlijk is, dat zulke zaken beuren,

't Heeft dikmaal ook zijn reên; die raakt er mee te veuren Die verr' ten achteren was. Kortom, dit's onze plaag, 't Is: „drijf den ezel voort! gemeenten-ezel, draag! Het land heeft meel gebrek, dus breng den zak ten molen Het drijven is ons ambt, het pak is u bevolen.

Vernoegt u, dat ge zijt een vrijgevochten beest,

Is 't naar het lichaam niet, zoo is het naar den geest. Tot 's lichaams lasten heeft de Hemel u beschoren. Dit past u bet dan ons. Gij zijt een slaaf geboren.

Best doet gij 't williglijk van zeiven dan door dwang.quot; Dus raakt het slaafsche dier, al hijgende, op den gang, En zweet, en zucht en kucht. De beenen hem begeven. Hij valt op beide kniên, als bad hij: „laat me leven!quot; En gigaagt heesch en schor; de drijvers stok is doof. En touwt des ezels huid, en zwetst vast in 't geloof. Hoe kan een Christenhart deez' tirannie verkroppen!

Ik raas van ongeduld. En zijn er dan geen stroppen Voor geld te krijgen, dat men 't kwaad niet af en schaft? En dat landsdieverij tot nog blijft ongestraft?

Of is er niet een beul in 't gansche land te vinden? Men vond er eer wel drie '), doen bittre beulsgezinden. En vraagt men wat ik zeg? dat zeg ik, en 't is waar:

Zijn twee nog niet genoeg, zoo neemt er twalef paar1). Dus klaagt de galge, die lang ledig heeft staan prijken; Die lang geen kraaien 't oog van groote dievenlijken Uitpikken zag, en fel van raven werd begrauwd.

Die heen en weer om aas uitvlogen, heel benauwd.

2) Zinspeling op

7

•) Toespeling op den dood van Oldenbarnevelt. vierentwintig rechters van Oldenbarnevelt.

duijser en van goor, Letterk. leesb. i, 2e druk.

ocr page 114

98

Of nu een snoo Harpij ') dit averechts wou duien, Dat tegens de Overheen ik 't vollek op wil ruien,

Om tol en schot en lot te weig'ren aan den heer, Zoo loochen ik plat uit. Neen zeker, dat zij veer! Gehoorzaamheid die past een oprecht ingezeten.

Den Heer 't ontvangen' weer rechtvaardig uit te meten: Gelijk de Haagsche Bie vereerd is met dien lof,

Dat zij nooit honig zoog uit ander lieden hof,

Maar naar haar eigen beemd, op onbesproken bloemen. Om nektar vloog, wiens geur oprechte tongen roemen. Waar ieder zoo van aard, wat zou men metter tijd Het arrem ezelken al lasten maken kwijt;

Hoe zou 't aanwassend juk ontwassen met de jaren! Wat wordt er nu gespild! Wat zou men dan besparen! Men had in tijd van nood, een schatkist zonder tal;

Maar nu is 't muizen vreugd: de kat zit in de val! , 'k Heb, o doorluchtig Hoofd der Hollandsche poëten! Een kneppel onder een hoop hoenderen gesmeten;

'k Heb wetens niemand in 't bijzonder aangerand. Misschien1) wien 'k trof, tot nut van ons belegerd land; 'k Heb aan uw vaders krans al mee een bloem gevlochten En nog een ziel geroemd, wiens deugden elk verknochten. Dit nam zijn oorsprong niet uit vleilusts ijdelheên, Der dichtren erfgebrek, maar uit een rijpe reên; Ik wenschte, mijn kopie niet scheelde van het leven. Zoo zou, als 't aanschijn u de schilder heeft gegeven, 's Mans deugdige ommetrek hier zweven in de ziel. Die stand hield ongebukt, toen 't dor gebeente viel. 1630. _

HET GEAAN.

't Gezaaide graan lijdt onder de aarde last En boven de aarde, en worstelt, daar het wast. Met regen, zon, en vorst en schrale vlagen;

1

later wraakgodinnen. 2) Onverschillig.

ocr page 115

99

't Wordt dikwijls van een hagelbui geslagen,

Terwijl het bloeit, of in zijn aren schiet

En zwelt; het lijdt van mist en lucht verdriet.

En schoon de zein ') het maaide op 't veld ter neder,

Nog worstelt het met wisseling van weder

En winden, eer het op den dorschvloer raakt;

Daar gaat het op een beuken, dat het kraakt.

De vlegel spaart dan halm, noch kaf, noch koren:

De korenaar wordt tot verdriet geboren.

Vier tijden gaan in arbeid van deez' vrucht:

De herfst ontvangt het zaad, de winterlucht

De teêre spruit, de lent' de groene stelen,

De zomerzon begint den halm te gelen.

En kroont de vrucht, die 't leven onderhoudt,

Om 't blonde hoofd, met eene kroon van goud.

Met straal op straal; nog moet ze in 't einde lijden.

Dat 's maaiers vuist haar koom' met zeisens snijden.

Dat de akkerman haar binde en sleepe en tors',

De vlegel haar op 's huismans dorschvloer dorsch'.

De wan haar wann', de molensteen haar breke.

De voet haar knede, en 's ovens gloed haar steke

Op 't hoofd en sluit' de kruim in eene korst;

Zoo dekt ze op 't lest de tafel van den vorst.

En spijst en voedt de koninklijke monden.

Zij stond op 't veld, nu wordt ze op 't hof gevonden.

Flus dekte haar de schuur en grove zak,

Nu dekt haar 't hofgewelf en gouden dak.

O edele aar! laat treffen, wat kan treffen,

Gij neigt uw hoofd, om 't hoofd omhoog te heffen.

Laat hagelen, laat maaien, dorschen, slaan.

Gij valt, om eens op 's konings disch te staan;

't Vernederen schijnt vruchteloos en deerlijk,

Doch geeft in 't eind meer luisters aan het heerlijk.

1645. (Uit gitaar-geheimenissenquot;.)

1) Zeis.

7*

ocr page 116

100

UIT: PALAMEDES OF DE VERMOORDE ONNOOZELHEID. 3e HANDEL

Agamemnon, Ulysses, Diomedes, Nestor, Ajax, Agamemnon,

Gij, die voor kronengoud en vorstelijke banden.

Nu voert den koopren helm en met uw dappre handen

Van 't Aziaansche staal de vonken stuiven doet.

En Simoïs vermengt en verft met brein en bloed;

Hoort toe, wij zullen u de reden gaan verklaren,

Waarom men buitentijds den krijgsraad laat vergaren.

De Frygiaan, die, 't heer verspiedende bij nacht.

Van Diomedes hand zoo versch is omgebracht,

Als hij, de ronde doend', hem kwam verbaasd ontmoeten

En sleept' hem dood en warm voor uwer aller voeten,

Daar gij hem liggen ziet, was met een brief belafin,

Die m' uit zijn boezem trok, en iemand schijnt te rain

Tot grouwelijk verraad. Men zal u laten hooren

Den inhoud van dit blad, een donder in mijne ooren:

„Neptunus' waarde zoon'), die uw grootvaders stad 3)

Begunstigt, waar gij moogt; de letters van dit blad

Betuigen mijne jonst, waardoor ik ben genegen

Te strekken over u mijn koninklijken zegen.

Dat gij ontvangen hebt 't jongst toegezonden goud

Ik uit den spie verstond, wiens mond gij toevertrouwt

't Geheimnis van uw hart; ik heb alreê genoten

De vruchten van 't bestand, voor luttel tijds besloten.

En wacht op 't uiterst vast. Is ergens gunst te koop

Om goud, zoo spaar geen munt. Ik, Priam, leve op hoop.quot;

Daar is 't geheim des briefs, wat dunkt u, Grieksche vorsten?

Ulysses.

Verdelg ze, o Juno, doch, die naar ons leven dorsten.

ocr page 117

101

Diomedes.

Ontdek ze, o Hecate! die naar den ondergang Van onze tenten staan.

Nesto r.

Ontdek de waterslang,

Die schuilt in 't groene gras.

Ajax.

Saturnus breng' de waarheid

Ten leste eens aan den dag.

Agamemnon.

Wie twijfelt aan de klaarheid

Van 't goddeloos verraad?

Ajax.

Ik twijfel met verlof,

Die alle treken ken en sausen van het hof,

Agamemnon.

Nu, Ajax! geef gehoor en spreek niet ongeregeld.

Nestor.

Is 't koning Priams werk?

Agamemnon.

De brief was toegezegeld Met 's konings eigen ring; doch 't wapen is mislukt In 't zeeglen, en zijn hand in 't schrijven wat gedrukt. Mistrouwt gij aan mijn woord, geloof uwe eigene oogen. Daar, vader, lees den brief!

Ajjax.

Een dochter van de logen, Een vondeling van 't hof, een basterd van de nijd En overjaarden wrok, 't uitbraaksel van de spijt!

Nestor.

Dit zweemt na Priams hand, zoo doet de afdruk van 't wapen.

ocr page 118

102

Aj ax.

Zoo paait men 't slechte volk, zoo leit men kinders slapen Maar Ajax nimmermeer.

Agamemnon.

't Zij hoe men 't stuk verschoon', De koning Nauplius is God Neptunus' zoon.

Aj ax.

Ja Palamedes is 't; ik houde 't u ten beste.

Agamemnon.

Neptunus' eigen stad is Troje's hooge veste;

Die draagt de Euheeër gimst; zoo doet zijn heilloos zaad.

Ajax.

Ja Palamedes is 't, die brouwt ons dit verraad, Die booswicht moet van kant!

Ulysses.

Beschut ons, goede Goden!

D i o m e d e s.

Dat treff' Laomedon ')!

Aj ax.

Of eer intijds gevloden.

Diomedes.

Zoo groot een onheil treffe ons tenten nimmermeer.

Agamemnon.

Hier geld geen loochenen, want hoe men 't wende of keer' 't Is Priams teekening; wij twijflen nu niet langer, Of Palamedes gaat van deze boosheid zwanger.

Ajax.

Dat heeft men lang gezocht en onder 't volk gestrooid. En nu met dezen brief het schelmstuk opgetooid.

1) De gevolgen van dit verraad mogen neerkomen op Laomedon, d. w. z. Troje.

ocr page 119

103

Nestor.

Gij, heeren, ziet wel toe! 't zijn zorgelijke zaken:

Hij vangt wat wigtigs aan, die tot een schelm zal maken Een welgeboren vorst, een man van groot bewind;

Dies wensch ik, dat geen wraak uwe oogen en verblind'. Het stuk met reden richt en velt geen onrijp oordeel!

Agamemnon.

Daar d'hoogheid wordt gekwetst, heeft niemand eenig voordeel.

Nestor.

Of d'hoogheid is gekwetst, dat hangt hier in geschil.

Agamemnon.

Hij merkt de misdaad licht, die ze anders merken wil.

N estor.

Die iemand hatig is, zeer licht een brief kan dichten.

Agamemnon.

Nabootsen hand en merk, de onnoozelheid betichten?

Nestor.

Dat is wel eer gebeurd.

Aj ax.

Al waar het nooit geschied, Zoo derft men 't nu bestaan,

Agamemnon,

Die 't leger heeft bespied. Met brieven afgerecht'), hier voor u leit verslagen,

Aj ax.

Indien hij levend waar, men kon hem ondervragen.

Agamemnon.

De doode meldt de zaak; het is een Frygiaan,

') Afgezonden.

ocr page 120

104

Ajax.

Een slaaf, die kortelings in't oorlog werd ge vaan.

Agamemnon.

Zoo zou men alles wel in twijfel konnen trekken.

Aj ax.

Zoo zou men altijd wel des vromen naam bevlekken.

Agamemnon.

Die mensch was lang verdacht.

Ajax.

Zoo was de valsche tong

Des grooten logenaars.

Agamemnon.

Gij, Ajax, zijt te jong, Om Agamemnons mond zoo kort te heeten liegen;

Of lust het u, zoo wilt u zelve niet bedriegen,

Maar dat uw degen passé op't koninklijke staal.

Aj ax.

Zoo doet hij.

Nestor.

Houdt gemak, gij heeren! laat de schaal Van ware billijkheid beslechten de ongelijken.

Hoe kan uw hevig zwaard een wettig vonnis strijken? Die 't recht heeft op zijn zij, vaak sneuvelt door het spits. Laat reên u scheiden; 't zwaard is oordeelloos en bits. Het mes zij op Dardans ') meineedig zaad verbitterd,

Drijv' Hector op do vlucht, als 't in zijn oogen schittert En bliksemt; Jupiter noch geen der Go6n geheng'

Dat de eene bondgenoot het bloed des andren pleng' En 't Dorisch leger rijt zijns zellefs ingewanden,

Zijn wapenen,. vermeng', verwarr' zijn rechterhanden.

') Dardanos, een stad in het gebied van Troje gelegen.

ocr page 121

105

Wat had de vijand stof te lachen in onz' dood!

Hoe zou hij vier en torts in ons gedeelde vloot Dan slingeren met macht, en met bebloede sabels 't Gedraaide hennep gaan doorhouwen van onz' kabels, En zenden brandende de kielen zeewaart in,

In 't aanzien van de stad en Priams hofgezin.

't Geschil aan mij verblijf, vertrouwt mijn zilverharen En grauwen ouderdom, die veel is wedervaren.

Agamemnon.

Al waar't mijn eigen bloed, zoo wil ik, dat men straff' De stichters van 't verraad.

Aj ax.

Ik, dat een open graf

Hen levendig verzwelg!

N estor.

Wij stemmen 't all' tezamen.

Maar waar de boosheid schuilt valt donker om te ramen.

Agamemnon.

De goddelooz', die neemt de scheemring tot zijn wijk.

N.e s t o r.

Men steil' dan 't oordeel uit, totdat het ieder blijk'.

Agamemnon.

Ontbeert dit schijn en blijk?

N estor.

Het is te twijfelachtig.

Agamemnon.

Wat eischt gij voor bewijs? Hoe bondig of hoe krachtig?

Nestor.

Dat klaar en helder licht, gelijk de middag doet.

ocr page 122

106

Agamemnon.

Hij kwetst het vaderland, die booze stukken voedt.

Nestor.

Ik voe niets kwaads, maar vrees onschuldig bloed te storten.

Agamemnon.

Gij vreest niet eens, den staat door slapheid te verkorten.

Nestor.

De rechter handelt wijs, die veel kwaaddoeners spaart, Om eene onnoozle ziel te vrijen van het zwaard,

Agamemnon.

Zoo kan geen rijk bestaan.

N estor.

Zoo kan het eeuwig duren: Gerechtigheid, die bouwt de koninklijke muren.

Daar onrecht en geweld paleizen ommerukt;

Van eiken droppel bloeds desgeens, dien m'onderdrukt En doemt door 't schendig staal, ontspruiten duizend wrokken, Die barsten uit tot wraak, wiens zwaard, eens uitgetrokken. Keert langzaam in zijn schee. Die heilig bloed vergiet,

Tergt Nemesis1); ziet toe, en roer deez Hydra niet. 't Is licht een hoofd geveld in reukeloozen toren,

Maar kunst is 't, groote kunst, den wortel gansch te smoren. Wanneer de hals in plaats van een, veel hoofden telt.

A'g a m e jn n o n.

Mijn oordeel en het uw' hierinne niet verscheelt;

Ik kniel voor Themis' troon; mijn daden dat betuigen,

't Waar dolligheid het recht uit haat en nijd te buigen.

Ik zal niets wetteloos bestaan door onbescheid.

Wie tegen 't vaderland en de Oppermajesteit

Zich zeiven schandelijk noch eerloos heeft vergrepen.

Die loopt geen lijfsgevaar.

'J De godin der wrekende gerechtigheid.

ocr page 123

107

Aj ax.

Och, waren nooit mijn schepen Verzeild van Salamin in d'haven Tenedos!

Agamemnon.

Gevalt het u, zoo maak uwe ankertouwen los. 't En steekt den G-rajen niet op tien of twalef kielen.

Aj ax.

Maar toen twee Ajaxen gansch 't leger tegenhielen, En redden uwe vloot, daar 't al scheen overmand,

Daar Hectors fakkel ree de zeilen stak aan brand;

Toen stak 't er nauw genoeg! Hoe of dit uit wil vallen? Mijn vader Telamon was de eerste, die de wallen Van Troje zelf beklom en Hercles steef met kracht: Een van de vijftig ook, die om de gulden vacht Door 't klinkende gedruisch der Cyaneesche rotsen,

Naar Colchos togen en den zee voogd gingen trotsen; Ik, volgende den aard van een zoo braven held, Heb Hellas' vloed gekruist en hier in 't vlakke veld Gespannen mijne tent en nam het leed ter harte Van Menelaus en 't verongelijkte Sparte.

Dit's mijn bezolding nu; dit's Ajax! al uw eer.

Wat draal ik? 'k heb verlof, men gunt me, dat ik keer.

Agamemnon.

Uw vader Telamon, de terger der Trojanen,

Was oorzaak van veel bloeds en veler Grieken tranen; Was oorzaak, dat de vloot der Fry gen overwoei1), Dat Alexander2), in vergoeding zijner moei3),

Mijn broeders bedgenoot en dierbaar pand vervoerde. En door zijn roof Europe en Azië beroerde.

Wat uwe reis belangt, gij stoft al te onbedocht,

Alsof aan u alleen hing de overzeesche tocht.

Neen, Ajax, staak dien roem en wil het mij vergeven, Om eenen Ajax waar de tocht niet nagebleven.

INi Naar Griekenland kwam. 2) Meer bekend als Paris. 3) Hesione.

ocr page 124

108

N estor.

Gij, heeren! waartoe dient dit onderling verwijt?

Het baart afkeerigheid, als de een den ander bijt.

Ik bid den oppervorst, hij wil zijn gramschap sussen En niet den oorlogsmoed van dezen krijgsheld blusschen, Wiens brave daden volgt onsterfelijke naam.

De mond eens iegelijks gaat zwanger van zijn faam. Een veldheer, die met hoon zijn hoplien loont na 't strijden, Zijn eigen heerkracht gaat de zeen wen stukken snijden.

Aj ax.

Daar leit 't vervloekt geweer! de Goden straffen mij,

Indien ik immer gord' den degen op mijn zij!

Geen held behaalt hier lof, hoe dapper, hoe rechtschapen, Hoe vroom hij zit te paard; dat zich een ander wapen', Ik dien geen dwingeland, noch geen vermetel hoofd. Dat niets prijswaardig acht, als 't geen zijn harsen looft.

Nestor.

Nu, Ajax! toom den moed, beweer uw zaak met reden.

Agamemnon.

Wij zijn dit lang gewend, 't zijn de oude korselheden.

Best, dat hij eerst bedaar'.

Nestor.

't Is heftig gekrakeeld.

Het drukt me, de gemoên te zien aldus verdeeld En wenschte, dat die twist beslecht waar' en bevredigd.

Agamemnon.

Ik wensch het desgelijks.

Nestor.

Als elk het zijn verdedigt, En trekt zijn streng naar macht, is 't wild en ongezien1).

!) Niet aan te zien, afzichtelijk.

ocr page 125

109

Agamemnon.

Wat Agamemnon drijft, dat moet vooral geschiên. 't Betaamt den minderen, voor meerdre macht te duiken.

Nestor.

Een koning kan zeer licht de ontvangen macht misbruiken.

Agamemnon.

Dat oordeel staat aan hem.

Nestor.

En ook aan zijn gemeent. Van wie hij zijne macht en heerlijkheid ontleent. De koning is om 't volk; wijs, die zich weet te voegen Na 's tijds gelegenheid, en ieder kan vernoegen; Inzonderheid de ziel van zijn geheimen raad,

En leden van het rijk en pijlers van den staat. Uw hoogheid alle ramp en ongeluk verhoede!

Ulysses.

Ik spreek er zoo veel in, men houde 't mij te goede, Dat elk den vorst verschoone en kwaad vermoeden schort, Zoolang, na luid des briefs, geen goud gevonden wordt Omtrent de legerplaats van Palamedes' tenten. Men onderzoeke 't stuk en staak deez dreigementen.

Diomedes.

Die raad mij wel gevalt.

Agamemnon.

Wat zeit er Nestor van?

Nestor.

Oprechte munt de proef gewillig lijden kan.

Zoo zal 't navorschen ook geen eerlijk man beschamen.

ocr page 126

110

Ulysses.

Wie neemt dien last op zich?

Agamemnon.

U beiden zal 't betamen.

Ulysses.

Het waar ons aangenaamst, indien het andren deên.

Agamemnon.

Men volge mijn bevel; verricht dit met u tweên.

BEI VAN EUBEEËRS.

Het dun gezaaid gestamt verschiet Zijn glans, en gloeit zoo vierig niet. De schaduwe is aan 't overlenen. De morgenstar drijft voor zich henen De benden van het hemelsch heer. De voerman van den grooten beer.

Opdat hij zijne beurt verwissel.

Vlucht heen met omgekeerden dissel1). De gouden Titan rijst alreê Met blauwe paarden uit der zee. En schittert over bosch en duinen En Ida's bladerrijke kruinen.

O wellekome morgenstond!

Gij voert hem spelen2) in den mond Van endelooze zaligheden.

Die rustig, lustig, weltevreden, Beschouwt, wat ons nature geeft, Wat schoonheid in haar aanschijn zweeft,

1

) Het sterrenbeeld „de Wagenquot; heeft een dissel met de bocht naar boven

2

) Zangen, liederen.

ocr page 127

Ill

Wat godlijk wordt door al haar leden Van 't diep verwondren aangebeden. Die in een liefelijke streek,

Bij 't ruischen van een klare beek Zijn landhuis sticht en akkerwoning, Wat is dat een gezegend koning!

Die niet en vlamt op ij del lof,

En zijne lusten met zijn hof Bepaalt en indrinkt met zijne ooren Den voog'lenzang, die zich laat hooren Als de uchtenddauw langworpig leit Bij druppels hier en daar gespreid, Op rozebladen versch ontloken;

Wanneer zich opdoen duizend roken1), En duizend kleuren, voor het oog. Van bloemen, als een regenboog.

Als Iris' bruiloftskleed geweven: Een schilderij vol geest en leven. Hij plant, hij poot, of hij verzet,

Belaagt de vooglen met zijn net, Of, overlenende met ijver. Den spartelvisch trekt uit den vijver, Met zijn gebogen hengelroe;

Of, is hij zulke spelen moe,

Hij spant zijn paarden in vóór 't dagen, En gaat met honden 't knijn belagen; Of rijdt bij klaren zonneschijn,

Door wegen, die gestrengeld zijn, Als voormaals der Cretenzen doolhof.

Hier bloeit een afgetuinde koolhof,

Daar lacht een beemd, een klaverwei, Omsingeld met een boomenrei;

Men leegt de koeienuiers wakker;

Hier zwoegt en ploegt men op den akker. En ginder hoopt men op 't gewas;

Daar zaait men boekweit, ginder vlas; ') Reuken, geuren.

ocr page 128

112

Hier groeit en bloeit het weeldig koren, Omheind met stekelige doren;

Daar spoeit een speeljacht over 't meer;

Hier rookt een dorrep, ginder veer Een slot wil in 't verschiet verflauwen, En hooger op 't gebergte blauwen.

Veer dwaalt hij van dit leven af,

Dien de onrust nagaat tot in 't graf.

Die tot den avond van den morgen, Geknaagd, geplaagd wordt van de zorgen. Van zorge, die niet rusten laat,

Die slaaf wordt van een vrijen staat,

En tot gemeene best zal ramen,

En brengen zooveel hoofden t'zamen. Hij wordt gebeten van den nijd,

Hoe vroom en eerlijk hij zich kwijt. De tabberd, ik beken 't, is eerlijk, En 't kassen deftig en raadsheerlijk;

Maar och, wat is 't een lastig pak! Wat moeite nestelt onder 't dak,

Daar ieder vlamt na hoog-re stoelen, En allerlei gebreken woelen.

Die ramp vermijdt mijn burgerboer: Hij drinkt uit goud, noch paarlemoer Geen aconiet') , noch spog van draken, 'tWelk 't hart de ziel doet kwijnend braken. Ook schuilt hij voor de ponjerds vrij, Die, achter de tapisserij,

Den man van staat het lijf ontzeggen. En zijnen voorspoed lagen leggen.

Geen vreeze maakt hem 't leven zuur. De gunst des volks, dat wispeltuur En wuft nu strookt dan steekt zijn heeren. Hij zonder hertzeer mag ontberen.

Van 't bed hij niet wordt uitgeklopt Half suizebollend, noch men stopt ') Aconiet = wolfswortel of monnikskap, eene vergiftige plant.

ocr page 129

113

Zijn hand vroegmorgens niet vol schriften. Men zal zijn ommegang niet ziften.

Zijn huisgoón niemands wrok bespiedt; Men mat hem door veel aanspraak niet,

Daar hij beschanst zit met papieren,

Die door de slaafsche zinnen zwieren.

1625. (Uit „Palamedes of vermoorde onnoozelheidquot;

REI VAN KLARISSEN.

O Kerstnacht, schooner dan de dagen! Hoe kan Herodes 't licht verdragen,

Dat in uw duisternisse blinkt.

En wordt gevierd en aangebeden;

Zijn hoogmoed luistert na geen reden, Hoe schel die in zijn ooren klinkt.

Hij poogt d'onnoozle te vernielen Door 't moorden van onnoozle zielen. En wekt een stad- en landgeschrei In Bethlehem en op den akker.

En maakt den geest van Rachel wakker. Die waren gaat door beemd en wei.

Dan na het Westen, dan na 't Oosten Wie zal die droeve moeder troosten;

Nu zij haar lieve kinders derft?

Nu zij hen ziet in 't bloed versmoren, Vergaan, die nauwlijks zijn geboren, En zooveel zwaarden rood geverfd?

Zij ziet de mellek op de tippen Van die bestorve' en bleeke lippen.

Gerukt nog versch van moeders borst;

duijser en van goor, Lett, Leesb. i, 2e druk. 8

ocr page 130

114

Zij ziet de teere traantjes hangen Als dauw, aan druppels op de wangen; Zij ziet ze vuil van bloed bemorst.

De winkbrauw dekt nu met zijn boogjes Gelokene en geen lachende oogjes, Die straalden tot in moeders hert Als starren, die met haar gewemel Het aanschijn schiepen tot een hemel, Eer 't met een mist betrokken werd.

Wie kan de ellende en jammer noemen,

En tellen zooveel jonge bloemen,

Die vroeg verwelkten, eer ze nog

Haar frissche bladeren ontloken.

En liefelijk voor ieder roken.

En 's morgens dronken 't eerste zog'?

Zoo velt de zicht de korenaren, Zoo schudt een bui de groene blaren, Wanneer het stormt in 't wilde woud. Wat kan de blinde staatszucht brouwen. Wanneer ze raast uit misvertrouwen! Wat luidt zoo schendig, dat haar rouwt?

Bedrukte Rachel! staak dit waren; Uw kinders sterven martelaren, En eerstelingen van het zaad.

Dat uit uw bloed begint te groeien. En heerlijk tot Gods eer zal bloeien. En door geen tirannie vergaat.

(Uit „Gijsbrecht van Aemstelquot;?)

ocr page 131

115

REI VAN EDELINGEN.

Waar werd oprechter trouw, Dan tusschen man en vrouw,

Ter wereld ooit gevonden?

Twee zielen, gloênde aaneengesmeed Of vast geschakeld en verbonden In lief en leed.

De band, die 't harte bindt Der moeder aan het kind,

Gebaard met wee en smarte,

Aan hare borst met melk gevoed, Zoo lang gedragen onder 't harte. Verbindt het bloed.

Nog sterker bindt de band Van 't paar, door hand aan hand Verknocht om niet te scheiden,

Nadat ze, jaren lang gepaard, Een kuisch en vreedzaam leven leidden, Gelijk van aard.

Daar zoo de liefde viel,

Smolt liefde ziel met ziel,

En hart met hart te gader;

Die liefde is sterker dan de dood;

Geen liefde koomt Gods liefde nader, Noch is zoo groot.

Geen water bluscht dit vuur,

Het edelst, dat natuur Ter wereld heeft ontsteken;

Dit is het krachtigste cement. Dat herten bindt, als muren breken Tot puin in 't end.

8*

ocr page 132

116

Door deze liefde treurt De tortelduif, gescheurd Van haar beminden tortel;

Zij jammert op de dorre rank Van eenen boom, verdroogd van wortel, Haar leven lank.

Zoo treurt nu Aemstels vrouw.

En smelt, als sneeuw, van rouw Tot water en tot tranen;

. Zij rekent Gijsbrecht nu al dood.

Die om zijn stad en onderdanen Zich geeft te bloot.

O God! verlicht haar kruis.

Dat zij don held op 't huis Met blijdschap mag ontvangen.

Die tusschen hoop en vreeze drijft. En zucht, cn uitziet met verlangen Waar Aemstel blijft.

J637. (Uit „Gijsbrecht van Aemstelquot;1').

UIT: „DE LEEUWENDALERS.quot;

5e BEDRIJF.

Lantskroon, Adelaert, Vrerick.

Lantskroon.

Wij naken de offerplaats: helaas, men kan niet spader. Mijn waarde zoon; vergeef, vergeef het uwen vader. Die als zijn eigen kind u opvoedde in zijn huis.

Dat hij, geperst door nood en schriklijk landgedruisch, Het onverzoenbaar recht des Zoendags niet kan schorten. Godvruchtigheid verbiedt de Godheid te verkorten;

ocr page 133

117

Meedoogendheid gebiedt, dat ik uw leven spaar,

Wat voelt mijn geest een strijd! o wreed verzoenaltaar,

O zode, durft ge wel het bloed der Goden lekken.

Daar lindeschaduwen ook spin en padden dekken?

En zal dit heilig rood besprenklen 't groene bed.

Dat nooit met zulk een bloed gevlakt werd en besmet?

Wat raad, mijn kind? De zon van uwe jeugd aan 't blinken

En nauwlijks opgegaan, begint in 't gras te zinken,

Als de andre zon in 't duin; maar deez' keert morgen weer

Het licht van uwe jeugd en jonkheid nimmermeer.

Adelaert.

Mijn vader, langer niet mijn vader in dit leven.

Gij hebt uw eigendom de Godheid zelf gegeven,

En ik mij zeiven gansch vereerd aan 't algemeen;

Benij me niet dien krans, een lot, dat iedereen Met toevalt. Laat me gaan den schutter zelf verrassen. Rechtschapen kerel past op ') doodshoofd noch grimassen Van grijns of schors2) des doods, die kinders hier vervaart. Gelukkig sterft hij, die zijn dood met eere paart.

Vrerik.

Nu hoor ik Warandier nog leven in den zone En ken hem in zijn kroost. Dat vader Pan u krone. Die uwen vader volgt in moedigheid en deugd.

'k Geloof zijn assche springt en huppelt nu van vreugd Indien de beenders nog in hun geruste stoelen Zich moeien met ons lot en iets van 't wereldsch voelen. Hij scheidde met dit woord, van Koenraads arm gestut: „Ik leefde minst voor mij en sterf om 's anders nut.quot; Ga henen, groet dien held; vertel hem de ongelukken, Die, na zijn ongeluk, niet lieten ons te drukken.

Landskroon.

Mijn zoon, indien u nog iet wereldsch' kwelt en smart, Ontdek mij voor het letste al wat er leit op 't hart.

') Is bevreesd voor. 2) Gedaante, uiterlijk.

ocr page 134

118

De hemel blijve op ons in eeuwigheid verbolgen,

Indien wij uw verzoek en jongsten wil niet volgen.

Adelaert.

Ik heb een bede op u en twijfel er niet aan,

Zij wordt gewillig van n beiden toegestaan Aan een, die gaarne sterft en vroolijker zal sterven Indien hij na zijn dood, 't beloofde mag verwerven.

V rerik.

De landkapel, de beek, de lindeboom, de lucht, Het veld, het stomme vee, de vogel in zijn vlucht Getuigen van uw bede en 't geen wij u beloven.

Landskroon.

De donder sla het ooft met vlaag op vlaag van boven; De hagel sla met kracht den bloesem op den boom. Houdt elk van ons u dit niet eerelijk en vroom.

V rerik.

De koe ga grazeloos en dor en mager kwijnen;

De vogel schuwe ons lucht, de duin verjaag' de knijnen De visseher vange en vissch' gedurig achter 't net.

Indien men dezen eed niet nakome, als een wet.

Adelaart.

Houd op, ik ben gerust en zonder eed tevreden. Uw woord is mij genoeg; ook wil ik met geen bede. Die hooger dan de macht en boven reden ga,

Belasten eenig mensch, noch moeien tot zijn scha. Gij, vader, weet het wel, en de omgelegen dorpen En duinen, hoe ik 't oog zoo vierig had geworpen Op schoone Hageroos; hoe de ongelegen tijd En twist mij dit geluk misgund hebbe' en benijd. Zij blijve niettemin onschuldig, onbesproken.

De min is keur, geen dwang. Het worde niet gewroken Aan iemand, die mijn woord ter kwader trouwe hiel. 'k Verzoek alleen op u, indien het zoo geviel.

ocr page 135

119

Dat deze schoone bloem ook maagd kwam' te overlijden, (Zij leve na mijn dood!) gij woudt mijn grafsteê wijden Met zulk een zuiver lijk en onder eenen zerk Haar zinken in mijn graf, met dit gedicht en merk:

Hier sluimert Hageroos bij Adelaart gezonken;

Haar koud gebeente kan zijn assche nog ontvonken.

Landskroon.

Ik zweer, zoo dat gebeure, en hou het voor gewis, Een staatsie zal haar lijk, gelijk ze waardig is.

Gebeuren ') langs den weg, bestrooid met groene meien En palm en lauwerier; ik zelf de baar geleien En volgen hangends hoofds en storten overluid Mijn zegen over uwe en hare beendren uit.

Vrerik.

Een ieder wil zijn gunst aan zulk een staatsie schenken; Geen huurman dan zijn vee in sloot of beke drenken; Geen koe zal haren mond eens zetten aan het gras. Dat treure, alsof zijn groen verflenst, verstorven was. Men zal uw zerk rondom beplanten met cipressen En wenschen, dat ze in 't graf uw minnevier mag lesschen.

Adelaart.

Mijn vader, laat ik u omhelzen met een kus.

Landskroon.

Mijn zoon, dat geene dood de oprechte liefde blussch'. Waarmede ik u, een wees, uit vaderlijk ontfermen Ontving in mijnen schoot en drukte met deze armen Zoo hartlijk aan mijn hart, hetwelk, benauwd, alree Dien wilden pijl gevoelt. O smert! o hartewee!

Adelaart.

De Goden loonen u al 't goed, aan mij bewezen;

Schep moed; rechtschapenheid behoort geen pijl te vreezen.

') Tebeurt vallen.

ocr page 136

120

Vr erik.

Dat ik u mede omarme, o roem van Leeuwendaal! Ga rustig henen; sta zoo pal, gelijk een paal. Uw vromigheid ■) zal dood en boog en pijl vervaren.

Adelaart.

Dat u de Goden lang tot nut der menschen sparen.

Ontsla me; laat ik mij vernedren op mijn kniên En voor de landkapel nog de uiterste eere biên De Godheid, die mij wacht ten offer, haar beschoren2). O, vader Pan, ben ik uit 's Woudgouds stam geboren, En eerde ik altijd vroom de Godheên van de jacht. Van akker, bosch en vee en wat men heilig acht. Zoo laat u door mijn dood voor 't lest genadig stillen. Verbie zulk offeren, dit'jaar lij ksch menschenspillen, Een bloedwet, al te zwaar. Vermurwt u 's volks geklag, Zoo geef, dat Leeuwendaal eens adem scheppen mag. Hierop neem 't offer aan, dat wij u heden schenken.

Vrerik.

't Gaat wel, de Godheid schijnt u gunstig toe te wenken. Adelaart.

Nu endlijk ree gestaan voor 't outer van den boom.

Waar blijft de Wildeman? Ik wacht hem, dat hij koom'! Ai, vader Landskroon, ai, wat keert gij 't hoofd ter zijde? Wat schroomt gij het geluk, dat mij fortuin benijde, En weigerde al te lang, te aanschouwen? Keer u om. Zoo tart mijn hart den pijl en heet hem wellekom. De Wildeman genaakt; zijn schreden zijn niet verre. Ik zaag' mijn heil voltooid, zoo nu mijn morgensterre, Mijn lieve Hageroos hier tegenwoordig stond,

En mij gewaardigde 3), mijn geest met haren mond Te vangen, als de ziel ter hartwonde uit zal varen.

*) Moed. 2) Van bescheren — toebedeelen. 3) De gunst bewees.

ocr page 137

121

Nog rood en warm van bloed, van bloed, hetwelk ik garen Ten beste geve, indien ik in haar gunste sterf.

De vorigen, Wildeman.

Wildeman.

Hier is de Wildeman, de landplaag, het bederf Der wrevelmoedigen, die de Akkergoon onteeren.

Hij liet zich van geen Reus, noch Herkules braveeren, Van Moor, noch Polyfeem '), noch hallef man en paard2), Noch menschenvreters, die afgrijslijk wild van aard, Gebogen voor zijn boog en knots, zich lieten binden. Hij groeit in menschenjacht, in rooven en verslinden. En stapt, waar hem de wraak der Goden henendrijft. Het geldt nu Leeuwendaal, dat nog krakeelen blijft. Waarachtig, dat 's het wit, hetwelk ons past te raken. Sta vast, dit horenpunt3) zal door de ribben kraken.

Daar leit het kwastig hout, de knots, zoolang in 't gras. Nu stijg dien heuvel op en mik en schiet hem ras. Welaan mijn fiksche boog, gij hebt me nooit bezweken4); Mijn wollefspees, te taai in 't rekken om te breken. Gedoog dat ik u span veel stijver dan voorheen.

Nu op den nagel eerst de scherpheid van het been Des pijls aldus beproefd; het noodigste moet voorgaan. Nu aangeleid; sta vast, sta vast, dat zal er doorgaan.

De vorigen, Hageroos.

Hager oos.

Maar allereerst door mij. De Wilde treff' mijn hart, Dat uwenthalve koen den strengen moordboog tart.

Mijn Hef, mijn Adelaart, omhels mij eens voor 't leste; Uw trouw verplichtte mij ; nu geef ik 't lijf ten beste En trede in uwe plaats. Wat toeft de Wildeman?

!) Eenoogig monster in de Odyssea. 2) Centaur. 3) Hoornen pijlspits. ■'') Begeven.

ocr page 138

122

Geen schooner wit dan dit. Dat hij den moordboog spann' En aanlegge op mijn borst. Schiet toe, schiet toe, gij roover.

Adelaar t.

Och Hageroos, mijn bloem, mijn troost, wat komt u over?

Vrerik.

Wat razernij is dit? Wat dolheid komt u aan?

Vertrek, ik lij het niet.

Hageroos.

Hoe kan ik schooner staan? Zoo moet een lief haar hef beschutten en beschermen. Zoo sterft ze wel getroost en vroolijk in liefs armen.

Adelaart.

Gij sterven? Neen gewis. Dat gij uw leven spilt Voor 't mijn en uwe borst mij diene voor een schild, Ik lij het niet. Vertrek, vertrek mijn uitverkoren. De Goden eischen mij ten zoen van hunnen toren.

Hageroos.

De Goden wraken mij, zoo 't offer hun mishaagt.

Vrerik.

Hier wordt een jongeling vereischt en geene maagd. Hageroos.

Welaan, zoo laat een pijl dan twee gelieven paren, quot; En recht door mijne borst in 's minnaars boezem varen. En hechten hart aan hart, en lijf aan lijf te hoop. Zoo paren minnaars best; men leit geen vaster knoop.

Wildeman.

Dat geldt dan man en wijf, ik zweer het bij den vader.

Vrerik.

Vertrek, mijn kind, hij schiet, hij schiet u bei te gader.

ocr page 139

123

Hageroos.

Schiet toe, gij Wildeman, schiet toe! Schiet toe, geen r Al wie uit liefde sterft, die sterft den zoetsten dood.

Adelaart.

Hou op, o Wildeman! O Hageroos, mijn leven!

Hageroos.

Doorschiet mijn boezem eerst.

Wildeman.

Gij zult er beiden kleven. Ik ken noch maagd, noch knecht, wie achter staat of De boog en pijl zijn blind. Dat kost, dat gaat er door.

De vorigen. Pan.

Hou op, o Wildeman! Gehoorzaam ons geboden. Ontspan den wilden boog: nu mikt gij naar ons hart. Het huwlijk van een paar, geteeld uit Akkergoden, Vereenig' Leeuwendaal, na zoo veel twist en smert.

1648.

EEI VAN LEEUWENDALERS.

't Is bruiloft in de weide,

't Is bruiloft op het land! Nu danst, om deze beide, En huppelt hand aan hand. Om Hageroos en Adelaart,

Door ongeveinsde min gepaard.

Door reine liefde en trouw vergaard, O zoete, zachte band!

De Zuid- en Noordzij paren Zich in dit jaar te hoop.

ocr page 140

124

De tweedracht is vervaren, ')

Men leit een vasten knoop.

Men weet van landkrakeel noch nijd, Van wederwaardigheid noch spijt;

Men zoent, omarmt, bemint en vrijt;

De twist is op den loop.

Wij zien de huislien blijde

En vroolijk, en alree Vol hoops van wederzijde Krioelen onder 't vee.

De Heemraad leit den haat aan toom. De koeien geven melk en room.

Het is al boter tot den boom.

Men zingt al peis en vreê.

1648. (Uit het landspel „De Leeuwendalersquot;^)

BEI VAN ENGELEN.

Zang.

Wie is het, die zoo hoog gezeten, Zoo diep in 't grondelooze licht. Van tijd noch eeuwigheid gemeten

Noch ronden2), zonder tegenwicht Bij zich bestaat, geen steun van buiten

Ontleent, maar op zich zeiven rust. En in Zijn wezen kan besluiten

Wat om en in Hem, onbewust Van wanken, draait en wordt gedreven Om 't een en eenig middelpunt;

•) Heengegaan. 2) Wellicht hemelbollen of kringen. Gods grootheid wordt noch door den tijd, noch door de eeuwigheid, noch door het heelal met zijn oneindig aantal bollen gemeten.

ocr page 141

125

Der zonnen zon, de geest, het leven;

De ziel van alles, wat gij kunt Bevroên, of nimmermeer bevroeden;

Het hart, de bronaar, de oceaan En oorsprong van zoo vele goeden,

Als uit Hem vloeien, en bestaan Bij Zijn genade, en alvermogen,

En wijsheid, die hun 't wezen schonk Uit niet, eer dit in top voltogen

Paleis, der Hcemlen Hemel, blonk; Daar wij met vleuglen de oogen dekken

Voor aller glansen Majesteit;

Terwijl we 's Hemel? lofgalm wekken

En vallen uit eerbiedigheid,

Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder;

Wie is het, noemt, beschrijft ons Hem Met eene serafyne veder;

Of schort het aan begrijp en stem?

Tegenzang.

Dat's God. Oneindig eeuwig Wezen Van alle ding, dat wezen heeft!

Vergeef het ons, o nooit volprezen Van al wat leeft of niet en leeft.

Nooit uitgesproken, noch te spreken;

Vergeef het ons, en scheld ons kwijt. Dat geen verbeelding, tong noch teeken

U melden kan. Gij waart. Gij zijt. Gij blijft dezelfde. Alle Englenkennis

En uitspraak, zwak en onbekwaam, Is maar ontheiliging en schennis;

Want ieder draagt zijn eigen naam Behalve Gij. Wie kan U noemen

Bij Uwen naam? Wie wordt gewijd Tot Uw orakel? Wie durft roemen? Gij zijt alleen dan, die Gij zijt.

ocr page 142

126

U zelf bekend en niemand nader.

U zulks te kennen, als Gij waart, Der eeuwigheden glans en ader;

Wien is dat licht geopenbaard?

Wien is der glansen glans verschenen?

Dat zien is nog een hooger heil,

Dan wij van Uw genade ontleenen;

Dat overschrijdt het perk en peil Van ons vermogen. Wij verouden

In onzen duur, Gij nimmermeer.

Uw wezen moet ons onderhouden.

Verheft de Godheid; zingt Haar eer!

Toezang.

Heilig, heilig, nog eens heilig.

Driemaal heilig! eer zij God!

Buiten God is 't nergens veilig,

Heilig is het hoog gebod.

Zijn geheimenis zij bondig '),

Men aanbidde Zijn bevel.

Dat men overal verkondig'.

Wat de trouwe Gabriël Ons met zijn bazuin kwam leeren.

Laat ons God in Adam eeren:

Al wat God behaagt, is wel. 1654. (Uit het treurspel „Luciferquot;.

') Verbindende, onverbreeklijk.

ocr page 143

CONSTANTIJN HUYGENS.

(1596—16870

OP DEN TITEL. ')

Hij meent geen korenbloem, die tarw' zaait: verr' van daar; Hij meent de nooddruft, en hij neemt den oorber 2) waar, De bloem verschijnt nochtans en mengt zich onder 't koren, Als gasten, die in 't maal der gasten niet en hooren. En komen ongenood, en schikken zich in 't best,

En zien zoo vroolijk, of wat meer licht, als de rest; Men leed ze er wel van daan; maar zoo zij 't maal verblijden Met haar bevalligheid, zoo komt men ze te lijden.

De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans,

Daar 's geen weêrzeggen aan, zij geeft de tarwe een glans, En staat er in en pronkt, als kinderen van Heeren,

Als 't Paaschdag is, met blauwe en roo' satijnen kleêren. Is 't onkruid, 't is van 't best, 't is vriendelijk, 't is fijn, 't Is zoet en schadeloos en niet min als 3) venijn.

Voor zulke koopmanschap veil ik mijn korenbloemen.

Mijn toekruid, lezer, of mijn onkruid, hoe gij 't noemen. Of ook niet noemen wilt; 't en is er niet gezaaid In 't land, daar 't koren wies, dat van mij is gemaaid: 't Is bijslag, dien de aard van 't land of van het koren Te voorschijn heeft gehaald. De goeden willen 't hooren.

*) Korenbloemen, n.1. zooals Huygens zijne verzamelde gedichten, voor 't eerst in 1658, betitelde. 2) Oorber = voordeel. 3) Niet min

als = volstrekt geen.

ocr page 144

128

De kwaden moeten wel; in 't woelige gedrang Van hof- en landgebied heb ik veel jaren lang,

Gelijk de boot aan 't schip, met kleine, trouwe plichten. Dien 't pak ten halze lei'), den hals wat helpen lichten: Ik heb voor Land en Kerk standvastelijgezweet. Gedaan, wat menig man, niet alleman en weet.

Gedaan, wat weinigen (de dank staat nog te hopen)

Niet alleman en kost: 'k heb tegen harde knoopen Kracht en geduld gesteld en alom bij Gods hand Door dwarse distelen gebroken zonder schand.

Dat heet ik tarw' geteeld en van het beste koren. Ten beste van 't gemeen, en daarom niet verloren, En daarom zoo besteed, als ieder landgenoot Den Lande schuldig is, in voorspoed of in nood. Wat bijgewas die tarw' mijn grond heeft op zien geven. Of 't iemand weten wou, hier heb ik het geschreven:

Mijn bloemen stel ik met haar voeten in den int3),

Raad, dien ik tegen 't vroeg verleppen heb verzind. Hoe ze uit den akker staan, komt mij niet toe te wijzen: 'k Heb ze onder 't koren met beleefdheid hooren prijzen. En iemand heeft bekend, die wat goedgunstig loog: Onkruid kost erger zijn, en dit stond wèl in 't oog.

Loof ik de koopmanschap? Geenszins, ik laat ze laken; Mits dat ze niemand laak' van na vergif te smaken; De rest beken ik, en gij, lezer, zeg het vrij:

't Zijn korenbloemen, en zoo komen ze blauw4) bij.

STEDESTEMMEN.

1. HAARLEM.

Al heb ik t'mijner tijd der vorsten hof gevoed,

't Is mijn geringste roem; mijn hoogste staat in 't bloed.

') De stadhouder. 2) Toespeling op zijnen voornaam. 3) Sni — inkt. 4) Blauw — onbeduidend.

ocr page 145

129

Der goddeloozen bloed, van toen mijn stalen kielen Haar ijzren haven aanvaardden te vernielen. ')

Thuis heb ik ook voor God, voor goed en vrijigheid Mijn borgeren gewaagd, en Spanje nooit gevleid.

Zijn 't koele wonderen en hooren ze andren meer toe; Van 't allerwonderste komt mij alleen de eer toe; Geen ongeziener naam, geen aangenamer stuk;

'k Heb konst en konstenaars geholpen in den druk.s)

2. AMSTELDAM.

Gemeen' verwondering betaamt mijn wondren niet: De vreemdeling behoort te zwijmen, die mij ziet.

Zwijmt vreemdeling! en zegt: „Hoe komen al de machten Van al dat machtig is, besloten in uw grachten?

Hoe komt gij, gulden veen, aan 's Hemels overdaad; Pakhuis van Oost en West, heel water en heel straat; Tweemaal-Venetië, waar is 't einde van uw wallen?quot;

Zegt meer, zegt, vreemdeling, zegt — liever niet met allen. Roemt Rome, prijst Parijs, kraait Cairo's heerlijkheid. Die schriklijkst3) van mij zwijgt, heeft allerbest gezeid.

3. BOTTERDAM.

't Zij Waal of Rijn of Maas of alle drie te zaam, 't Zij Usel, Merwe of Lek, of drie in eenen naam. Of zes in eenen buik, zij moeten t'mijnent buren, En willen niet in zee of kussen eerst mijn muren, Mijn muren, zoo gerekt, mijn zoo gerijkten grond. Dat, die mij nu beziet, kan vragen waar ik stond.

') Zinspeling op de verovering van Damiate. 2) ld. op de uitvinding der boekdrukkunst. 3) Schriklijkst — met de meeste verbazing.

duijser en van goor, Lett. Leesb. i, 2e druk. 9

ocr page 146

130

O muren en o grond! o welgevoegde stroomen!

Wijkt voor de wildernis der averechte boomen'),

Maar wijkt voor haar geluk! En, vreemdeling, zegt gij, Hoe verr' en wint het niet mijn Mase van haar Y?

4. 's-GEAVENHAGE.

Het heele land in 't klein, de wage van den Staat, De schave van de jeugd, de schole van de daad. Het dorp, der dorpen geen, daar ieder steeg een pad is, Maar dorp, der steden een, daar ieder straat een stad is; De rondom groene buurt, het rondom steenen hout, Des boers verwondering, al komt hij uit het woud. Des steemans steedsch vermaak, al komt hij uit de muren Der vijanden ontzag, de vrijster van de buren. Des werelds lekkernij, des Hemels welgeval;

Is 't daarmet al gezeid, zoo ben ik meer dan al.

1624.

EEN COMEDIANT.

Hij is een alle-man, altijd en allerwegen.

Waar 't hem de honger maakt, een beedlaar met een degen Een papegaai om Gó 2), een lacher van gebrek, Een meerkat in een mensch, een meesterlijke gek. Een schilderij, die spreekt, een spook van weinig uren, Een levendige print van 's werelds kort verduren. Een hypocriet om 't jok, een schaduw, die men tast. Een drollig'3) Aristip 4), dien alle kleeding past.

Hij is, dat iedereen behoort te kunnen wezen: Verandering van staat verandert maar zijn wezen.

!) Amsterdam. 2) Die om Gods wil vraagt, bedelt. 3) Drollig -grappig. 4) Aristippus van Cyrene, de stichter der Cyrenaeische school die de leer van het genot verkondigde.

ocr page 147

131

Na 't noodig wezen moet; geraakt hij op een troon,

Zijn hart ontstijgt hem niet na 't stijgen van de kroon;

Vervalt hij van zoo hoog tot op het bedelbidden,

't Gelaat past op 't geluk, 't hert drijft in 't gulden midden,

En onder 't mommenhoofd steekt nog dezelfde man,

Die op- en ondergaan en niet bewegen kan. ')

De wereld is 't tooneel, daarop de menschen mommen; Veel staan op sprekers rol, veel dienen er voor stommen; Veel draven, veel staan stil, veel dalen, veel gaan op.

Veel zweeten om 't gewin, veel scheppen 't met de schop; Gelukkig hij alleen, die krijgen kan en houwen.

En missen, dat hij moet, en matelijken rouwen.

En lachen matelijk in zuur of zoet gelag.

En zeggen: „Is 't nu zoo, God kent den naasten dag!quot;

1624.

SCHEEPSPRAAT TEN OVERLIJDEN VAN PRINS MAURITS VAN ORANJE.

Mouringh, die de vrije schepen Van de zevenlandsche buurt Veertig jaren onbegrepen l), Onbekropen heeft gestuurd; Mouringh, die ze door de baren Van zoo menig tegentij Voor den wind heeft leeren varen, Al en was 't maar wind op zij;

Mouringh, schipper zonder weerga, Die zijn onverwinlijkheid,

Waar de zon op-, waar ze neerga. Te aller ooren heeft gepreid 3);

') Zonder bewogen, tot ontroering gebracht te worden. J) Onbegrepen = onberispelijk. 3) Preien — praaien, op zee aanroepen.

9*

ocr page 148

132

Mouringh, die de zee te nauw hiel Voor zijn zeilen en zijn want,

Die den vogelen te gauw viel,

Al bezeilde hij maar ^ zand');

Mouringh was te kooi 'ekropen,

En de endelooze slaap Had zijn wakker oog beslopen En hem, leeuw, gemaakt tot schaap; Reeërs en matrozen riepen:

„Och! de groote schipper, och!

Wat zou 't schaan, of wij al sliepen. Waakte schipper Mouringh nog!quot;

„Schipper Mouringh! Maar je legt er.

Maar je legt er plat 'eveld,

Stout verwerer, trotsch bevechter.

Bei te zeewaart en te veld.

Kijk, de takels en de touwen En de vlaggen en het schut Staan en pruilen in den rouw en Altemalen in den dut!quot;

„Dutten?quot; sprak mooi Heintje8), „dutten? Stille, maats! een toontje min;

Dutten? wacht, dat most ik schutten. Bin ik anders 3), die ik bin;

'k Heb te lang om Noord en Zuien Bij den baas te roer 'estaan,

'k Heb te veul gesnor van buien Over deze muts zien gaan.quot;

„'k Zei 't hun lichtelijk zoo klaren,

Dat ik vlaggen, schut en touw

ï) Zinspeling op den zeilwagen. 2) Frederik Hendrik. 3) Anders ten minste.

ocr page 149

133

En de maats, die met me varen,

Vrijen zei van dut en rouw.

Reeërs (jouwerliefde ') mien ik.

Die van ver op 't kussen vicht)

Wil je er an? kedaar 2)! jou dien ik. Jou allienig, bij dit licht!s)

„Weeran!quot; riepen de matrozen, „'t Is een man, of 't Mouringh waar!quot; En de reeërs, die hem kozen:

„Weeran, 't is de jonge Vaar 4)!quot; Heintje peurde strak aan 't stuur en Haalde 't anker uit den grond: 't Scheepje ging door 't zeesop schuren. Of er Mouringh nog aan stond.

1625.

SNELDICHT. 1. EEN VERGETEN PAAKD.

Mijn paard gaat slijten, dat men 't ziet, En 't eet en drinkt en anders niet. Wat reden is hieruit te delven?

't Vergaat, omdat het niet vèr-gaat. Wat raad? De pleister ligt op straat: Verstaat gij 't met? 't Verstaat zich zeiven.

2. OP DE BOEKKAMER VAN EENEN ONGELEERDE.

't Is hier vol in alle hoeken;

'k Zie al hoeken, waar ik zie,

') Uwer liefde: beleefdheidsterm. Verg. bladz. 11, regel 10. 2) Welaan, kijk daar. 3) Het zonnelicht waarschijnlijk, waarbij in vroeger tijd vaak gezworen werd. Willem de Zwijger.

ocr page 150

134

Maar niet over twee of drie Goede uitgelezen boeken.

8. JANS UITNEMENDHEID.

Jan neemt, waar hij nemen kan, Uit de beurzen, uit de zakken, Uit de kisten, uit de pakken, Uit den ketel, uit de pan:

Jan is een uitnemend man.

4. JAKOB TEGENSPREKER.

Bij alle zingen, zeggen, lezen Wil Jakob tegenwoordig wezen; Maar alom weet hij best bescheid, Alom berispt hij dien of dezen; Ik haat zijn tegen-woordigheid.

5. ARMOEDS GEVOLG.

Fop had zijn zeiven rijk gestolen,

En al zijn stelen bleef verholen,

Zoolang hij rijk en machtig was; In 't ende kwam het vier in 't vlas: Zijn groote goed begon te ebben;

Toen scheeld' het als gehad van hebben, Dat hij geen eerlijk man en hiet;

Toen en ontzag hem niemand niet; Elk dorst hem dief en strooper noemen. En voor een galgenaas verdoemen En voor een fielt en voor een guit: 't Laag water brengt de bakens uit.

ocr page 151

135

6. BOEK TE VERDRUKKEN.

Jan gaf een zot boek uit al van in 't jaar van elven '), En zag het geern verdrukt door Blaeu of Elzevier;

Maar Elzevier en Blaeu ontzeggen hem 't papier,

En zeggen: 't hoeft toch niet: het boek verdrukt zijn zeiven.

7. EEN SCHIPPER, ZIJN SCHUIT BOOMENDE.

Ik vorder averechts; en als ik voorwaarts ging. Zoo ging ik achterwaarts: wat is dat voor een ding?

8. EIGENLIEFDE.

Klaas heeft zijn zeiven lief; dat's meer dan een gebrek; Want die zich zelf behaagt, behaagt een grooten gek.

9. HEIDENS LES. I)

Men moet den anderen het misdoen zoo vergeven. Alsof men niet en deê als misdoen, al zijn leven; Men moet zijn eigen doen zoo houden in de straf, Alsof men nimmermeer een ander en vergaf.

10. AMSTERDAM ONTROERD. s)

Hoe kwam 't, dat Amsterdam zoo gram was? En waarom was 't niet voor den Prins? In zeven woorden gaat veel zins;

Om dat de Prins voor Amsterdam was.

1) Toespeling op elf als gekkengetal. J) N.l. van Plinius Secundus. 3) In 1650.

ocr page 152

136

11. DRUKKER.

Van 't keizerlijke hof tot in des schepers kluis Tracht ieder vrede en vreugd en vrijheid te gewinnen; Ik ben de man alleen van averechte zinnen,

Die staag om persing en om druk wensch in mijn huis

12. LIJNDRAAIER.

Kost iedereen zoo spinnen, Wat een zoet voordeel waar 't; De man doet niet als winnen. En hij gaat achterwaart.

18. SLIJPER.

Ik ben geen vogel struis, maar ik gelijk hem vrij:

Koud ijzer voedt mijn maag, mits het niet scherp en zij.

14. BOOMEN.

Van stomme schepselen en weet ik geen als boomen. Die onze biddende gedaante nader komen; Wij strekken evenzoo ons' handen hemelwaart;

Maar onze wortelen zijn machtig vast in d'aard.

15. DRUKKERIJ.

Gaat Haarlem en gaat Mainz nog even vinnig aan, Om wie van beiden eerst de letterpers doen gaan, En staande letters heeft doen rollen, of zij liepen? „Wat!quot; sprak ik, zoo zij mij tot overzegsman riepen,

ocr page 153

137

Ik zeid' haar lichtelijk: „Gij kijft uw voordeel mis;

Kijft niet, waar, maar waar niet de kunst gevonden is: 't Is waar, sinds dat zij 't is, geeft ze ons veel goeds te lezen: Maar, waar zij nooit geweest, wat zou er kwaads niet wezen!quot;

16. hameb.

Een kort woord, snel en fel gesproken, heeft meer kracht. Dan een lang, zwaar bericht, dat slaaprig uitgezegd wordt; Een kleine hamer, snel gedreven, heeft meer macht. Dan een zwaar ijzer, dat maar op den bout gelegd wordt.

17. wip.

Dirk was ter wip 1) verwezen En liet niet éénen traan: Hij zei: „wat zou ik vreezen? 't Is met een wip gedaan.quot;

uit engelsch ondicht.

1.

Pier liep mij tegen 't lijf, en wou geen stroo-breed wijken; Hij zei, 't en lust' hem niet, voor ieder gek te strijken:

Maar, zeid' ik: dat lust mij.

En trad van 't zandpad af en liet den gek voorbij.

2.

Piet zonk voor Schevening in de ongestuime baren. Men zegt, hij is den weg van alle vleesch gevaren; En mij dunkt, dat het is De weg van alle visch.

') Wif = galg.

ocr page 154

138

3.

Twaalf mannen spreken recht naar de oude Britsche wetten; Men vraagde, wat voor twaalf een dief wou, dat hem rechtten; Hij zei; de Apostelen, dat waren fijne lién.

Daar sprak een statig man: die zou men niet weer zien, Voor dat de jongste dag de wereld zou doen scheiden. Mijnheeren, zei de dief, ik wil zoo lang wel beiden.

GEAJPSCHKIFT VOOR TESSELSCHADE.

Dit's Tesselschades graf!

Laat niemand zich vermeten.

Haar onwaardeerlijkheid in woorden uit te meten:

Al wat men van de zon kan zeggen, gaat haar af1). Hoe dat ze om 't leven kwam.

Verhaal ik even noode.

Wat dunkt u, moeders? 't was haar dochter, die haar doodde, En die zij 't leven gaf, was die haar 't leven nam.

Maar 't kind had weinig schulds;

De moeder zag het sterven.

En stierf, omdat zij 't haar geliet4) te kunnen derven; Zoo berstte Tesschelscha van wat te veel gedulds.

Leert lijden met beleid.

Die van wat liefs moet scheien!

Had dit hert uitgebloed en tijdig willen schreien, Nog schreide Tesselscha en waar nog onbeschreid.

1649.

2) Hem (zich)

!) Gaat haar af — schiet voor haar te kort. gelate7i — den schijn aannemen.

ocr page 155

139

UIT HET CLUISWERK.

1.

Thuis ben ik wederom; daar vind ik spraak, noch spreker,

Die spraak te voeren heeft; dat's klein genucht, voorzeker;

Maar 't is ook klein gerucht, en stilt' houd ik in acht,

Die mijn gedachten noo verstoord zie of verkracht;

En daar ik niets van waarde en wacht te kunnen hooren,

Is zwijgen mij een lust en balsem voor mijn ooren;

Ja 't zedig zwijgen van mijn beider-soorts gezin ')

Is van de gaven een, die 'k meest in haar bemin.

Kort en besnoeid bericht gedoog ik op mijn vragen;

Antwoord, maar anti woord en wil ik geen verdragen.

Daar is een enkle veer in 't uurwerk, die alleen

De raderwerken drijft; één wicht en anders geen.

Dat van omhoog afhangt en roert die groote wielen.

Die 't slibbren van den tijd kort volgen op zijn hielen.

Eén hoofd heeft Scheppers hand op ieder lijf gesteld,

En in dat enkele bestaat macht en geweld

Van al wat onder haar moet werken en moet leven;

Dat werk moet stevig gaan; 't en lijdt geen wederstreven;

En 't minste, dat er aan die gangen wordt geroerd.

Zoo worden lijf en leên, huis, stad en kerk ontroerd.

Tot mijnent weet ik die wanorde te vermijden

Door niet gemeenzaams van mijn dienstigen te lijden,

Geen weerspraak, geen bedil; maar zoo zacht en gedwee

Houd ik dien teugel op, alsof ik 't niet en dee.

Ook, ziende mij ontzien, ontzie ik mij te minder

Het nieuwe van de straat of staten hier en ginder

Te hooren opperen door eens bedienden mond.

Dien 't zonder mijn gedoog niet voegelijk en stond;

Want (zeg ik tegen mij) wat heeft ze toch bedreven.

Die minder menschelijkhcid, daarom zij slavig leven

En mij bedienen moet? en waarom ik niet haar?

') Mannelijke en vrouwelijke dienstboden, verg. Hoogd. Gesinde.

ocr page 156

140

Heeft haar voorouderen van over menig jaar Gemeen' of eigen ramp zoo heftig overloopen, Dat het kindsldnderen als met den hals bekoopen En slaven onder mijn bevelen moeten zijn,

Dier bloed ontwijfelijk zoo goed is als het mijn; Kan ik daarmede min als medelijden hebben, En denkende rondom aan 's werelds vloed en ebben, Beduchten, dat de kans kan keeren alle dag,

En zij haast, dat ik ben, ik dat zij worden mag?

2.

Ziet wat al bezigheid, en of ik ooit verlegen Om tijdverdrijf kan zijn, daar zooveel zoete wegen Van oefning open staan, niet van gehoor alleen.

Maar voor goede oogen ook. Hier weet gij, wat ik meen En wat er voorraads is gestapeld in mijn muren. Om kloeke kijkers haar begeerte sommige uren Te kunnen meê voldoen, en wat een ruime baan Van onderhoud het is om wandelen te gaan.

Komt binnen wandelaars; om geen geringe reden En gun ik u mijn huis door en doorheen te treden. Ik vind mijn voordeel in uw oordeel van de kunst; En uw vermaak en 't mijn zijn wederzijdsche gunst, Behalve een, die 'k uw bezoek heb dank te weten:

Dat's dat ik met mijn tuig, van ouden tijd bezeten. Als nieuwe kennis maak, en 't geen ik bij gewoont' Heb overloopen en onachtzaam bijgewoond,

Aandachtig inzien leer, en wat er voor of tegen Op 't een en 't ander valt bestendig te overwegen;

En bij zoo nauwe keur van 't een tot 't ander lid Besluiten, wat ik slechts en wat ik goeds bezit.

Gebreekt mij nog wat spels, ik weet het op te halen Van uit mijn eerste jeugd: 'k zal na mijn draaibank talen

ocr page 157

141

Mijn ambacht, lang gepleegd en ijverig bemind,

Maar in den drang gesmoord van hooger onderwind. Verroeste beitelen en gutsen') en formooren 2)

Zal ik ophelderen, en drijven ze als te voren Op 't snelste van haar sneê, en leveren nog waar Van ouden voet en hand, of 't van twee jonge waar.

Volgt eindelijk het werk van geen werk, leege treden

Van stille wandeling, gevoetrept of gereden;

Die mij waarhenen? vraagt, bericht ik, waar niet heen?

Zoo vol waarhenen is Den Haag in al zijn leên,

In al zijn verr' en bij beroemde omstandigheden;

Zoo zwaar om kiezen is 't, waar 't schoon weer te besteden;

Ten Westen Westland in, ten Oosten na 't geboomt.

Daar alle vreemdeling zich inbeeldt,, dat hij droomt,

En wandelt zoo verheugd in 't heerlijke vermaken,

Dat hij er in verwart en wenschte niet te ontwaken;

Ten Noorden zeewaart aan, langs heen mijn steenen straat.

Mijn straat, gedenkt het Haag, en wie daarover gaat,

Hoe 'k tegen wind en stroom dien toegang heb gedreven,

Die nu met reden heet de schoonste van uw dreven.

Wat ik lang tegenspraak en jok heb uitgestaan.

Eer men mijn zeggen of mijn schrijven wou verstaan.

Ten Zuiden nog een straat, die uit de mijn' geboren,

In plaats van al te droog' en al te natte sporen

Den Delftschen reizeren zijn steenen rugge leent.

Bij mij is 't alle daag zoo verre niet gemeend:

Een zoeter wandeling, een eigener, een liever.

Lacht mij van nabij toe en kittelt mijnen iever;

Hofwijker heerlijkheid, het prachtige kasteel,

De woeste wildernis van eiken, hoog en veel,

De masten steil en recht, om schepen uit te rusten.

De levende rivier langs mijn bevaren kusten;

Mijn dubble wederzijds gestichte waterkluis,

Mijn vischmarkt zonder geld, mijn nachtegaalgedruisch,

Gu/s = steekbeitel met een liollen bek. For moor — graveerstift.

ocr page 158

142

Die lokken mij slinks om, die helpen mij lang leven, En van zoo groote gunst, alleen Hem de eere geven, Die mij beleven laat in dezen avondstond,

't Geen ik al over noen mijns ouderdoms bestond. ') 1680.

AAN MIJNE KINDEE OP MIJN 89STE ') VERJARING.

Op twaalf na honderd jaar! 'k en kan 't mij niet vergeven,

Ik laat de wereld staan, die mij met dit taai leven

Al overleven ziet, wat menig jaar na mij

Aan 't leven is geraakt. En kindren, wat denkt gij,

Die 'k in de kindsheid hou, daar gij al zeiver oudren

En overoudren zijt? Gaat alle ding veroudren

Op mij na? Weest gerust met nog een kort geduld.

De dag staat voor de deur, dat ge u ontvaderd zult

En vrije luiden zien: daar help ik u bij hopen.

Dat uwe levensrol de mijne zal beloopen.

Zoodat gij in wit haar en witter, dan ik droeg,

Moogt zeggen, als ik zeg: komt Heere, 't is genoeg.

1684.

1) Hofwijk, 's dichters buitenplaats, werd van 1639 tot 1641 aangelegd.

2) Eigenlijk 88ste. Huygens schijnt den geboortedag mede te tellen en bedoelt alzoo de 89ste maal, dat hij dezen dag beleeft.

ocr page 159

ADRIANUS POIRTERS.

(1606—1674.)

HET KWAAD EXEMPEL VAN DE OUDEN, MEDEGEZELLEN ENZ., DRUKT IN DE JONKHEID KWADE MANIEREN.

Het kwaad zet voort, Gelijk een woord.

Ik print hier boeken heel den dag,

En druk wat dat ik drukken mag,

En heb mijn letters recht gesteld En al de woorden wel gespeld,

Zoodat er 't minste niet en schort;

Want, waar 't te lang, of waar 't te kort.

Dees fouten zoude ik naderhand Ook vinden op 't papier geplant.

Zoodat ik grooten ernst behoef.

Opdat ik heb een zuiver proef:

Een zuiver proef, daar hangt het aan;

Want anders moet het kwalijk gaan.

Al waar 't papier nog eens zoo schoon,

Al had de zetter dubbel loon,

Al had ik knechten nog zoo sterk.

En Calepinus ') bij het werk,

') Ambrosia Calepino, een Italiaansch geleerde, schrijver van een indertijd algemeen bekend polyglottisch woordenboek. Van zijn naam is 't Fransche woord calepin afgeleid.

ocr page 160

144

Ontbreekt er iet in 't principaal, Zoo is 't bedorven altemaal.

Dat zou men voelen met den tast: 't Is wonder, hoe een foutje wast.

Maar dit en is het niet alleen.

Het is den ouders ook gemeen, En 't kwaad gezelschap al zoo kloek; Dees drukken ook al eenen boek: Dees drukken in de teere jeugd Een leering, die niet veel en deugt. Exempels, wat en kunt ge niet! Gelijk men in de wereld ziet.

Daar komt een slecht, onnoozel kind. Dat nergens in geen been en vindt, Dat vat terstond een boefken aan En zegt hem: laat ons t'zamen gaan. En leidt den zoetert hier en daar, En leidt hem, ik en weet niet waar; Men kaart en dobbelt evenzeer. Men drinkt en klinkt van boven neer Hij ziet daar alle boeverij.

Hij leert daar alle schelmerij,

Daar wordt het geld hem afgevischt; Hij is een boefken, eer hij 't wist. En daar maar eerst was eenen guit. Daar komt er mi een paarken uit. De boosheid, die is haast geleerd, Voor die met boeven wat verkeert; Want zelden keerde zonder vlek, Die was geweest omtrent het pek. O, kinders! ziet wel, wat gij doet, Al wat men leert en is niet goed: Bizonder kinders van de straat En leeren anders niet als kwaad. En gij, o ouders, wat gij doet, En schendt toch geen onnoozel bloed

ocr page 161

145

Maar'viert de jonkheid, waar je mengt, En print haar in oprechte deugd.

En dat er in u niet en zij Tot hinder van de drukkerij;

Want kwa manieren zetten voort.

Gelijk een drukfout in een woord:

Dus vader, corrigeert uw proef,

Of Hansken wordt ook eenen boef.

1646. (Uit: „Het masker van de wereld afgetrokkenquot;.)

VERWAANDE HOOVAARDIGHEID.

Het is een groot vizioen, dat zelden gezien wordt, dat iemand geraakt in eer, staat, verhevenheid, in groot aanzien is en doorluchtig, en dat hij nochtans is even ootmoedig, als van te voren, en liefgetal, en meewarig; zulk een en verdient niet alleen, dat men voor hem den hoed afdoe, maar ook, dat men de schoenen voor hem zoude uitschieten, welk een manier van groeten is onder de Chineezen. Hoe loffelijk en heeft al de wereld niet gesproken van Benedictus den XI, Paus van Rome, die meer gedachtig was, hoe klein dat hij was geweest, als wel hoe groot hij was geworden, zoodat hij ook weigerde kennisse te doen aan zijn eigen moeder, 't en waar dat ze kwame in hare schamele kleederen; en hij liet zich voorstaan, dat het hem meer eer was — gelijk het ook was — dat hij zijne moeder eerde in «en rood lijf ken, als dat hem eerden de kardinalen in hunne purperen kleederen. De koning Agathocles was een pothak-kerszone, en daarom en gebruikte hij over tafel geen zilveren servies, maar alleen aarden schotelen; hij kost rijkelijker eten, maar niet loffelijker. Ja zeiver die wijze koning Salomon, en heeft hij niet op de muren van den Tempel doen graveeren en snijden verscheiden süngers, om zich de memorie van den slechten staat zijns heer vaders te ververschen? En zoo ver is 't van daar, dat deze hierdoor bij de menschen

duijser en van goor, Letterk. leesb. I, 2e druk. 10

ocr page 162

146

iet van hunnen lof hebben verloren, dat zij er groote eer door hebben verkregen. Ootmoedigheid in de eer is de eer van de eer, en de weerdigheid van de weerdigheid. Doch wij bevinden, dat er diergelijken dun gezaaid zijn. Dun? eveneens gelijk men zegt van de huizen in het Landeken van Casande.') Want

Als niet

Komt tot iet,

Dan en kent iet

Zich zeiven niet.

Zoolang als het paard van Alexander den Grooten in den stal stond met eenen slechten halster aan en eenen gelen lap op hadde, dan liet het zich berijden van de palfrenieren; maar als het gong op eenen kostelijken toom met gevlochten manen en droeg eenen geborduurden zadel met twee gouden stegelrepen, dan en kende 't niemand als Alexander. Neemt een merkelijke gelijkenisse van eenen oogslag. Iemand krijgt eenen slag in 't gezicht, 't oog zwelt wel en wordt grooter; maar hij en ziet zoo wel niet, als van te voren; van gelijke: iemand staat naar een officie; hij heeft goede vrienden in 't spel, hij verstaat hem van^kuipen (gelijk men in den Hage spreekt); de slag wordt gegeven. De man zit op 't kussen, hij zwelt op en wordt grooter; maar 't gezicht is verkreukt, hij en kent geen vrienden. Wij hebben ook zoo eene diergelijke verwaandheid in een pagieken van den prins van Parma, bij zijnen tijd goeverneur van deze Nederlanden. Het was een boerenkind van afkomst; maar zoo ras als hij zijn zeiven bevond in de schoone livreie en dat het zilvren passement in zijne oogen blonk, zoo wierde hij zoo blind, dat hij zijnen vader niet meer en wou kennen, ter tijd toe dat dit ter ooren kwam van zijn Hoogheid, die hem dede uitschieten en lustig afsmerenJ) en naderhand zijnen linnen broek en 't boerenwambuis wederom geven en leerde hem zoo weer kennen. Och hoe veel zijn er. God beter 't! die zich hun slechte vrienden schamen en hun ouder wel derven loo-

') Cadzand in Zeeuwsch Vlaanderen. 2) Afsmeren — afrossen.

ocr page 163

147

chenen, op dezelfste manier als de muilezel dede. De vos vraagde hem, wat hij voor een was? Hij antwoordde, dat hij was een schepsel Gods. Dat weet ik wel zonder vragen, schoot de vos daar weder op; want wij zijn altemaal Gods creaturen; maar van wat geslacht en partijen zijt gij? Hij schaamde zich te zeggen, dat zijn vader een ezel was; maar indachtig dat zijn moeder in 't hof geveulend en geworpen was, zeide hij: Ik ben cousijn van 't zadelpeerd van zijne Majesteit. Zoo bedekt een iegelijk de verworpenheid van zijn geslacht en afkomst.

(Uit: „Het Masker van de wereld afgetrokkenquot;^)

EEN PAAR DICHTJES OM GEEN IJDEL PLAATSE TE LATEN.

't Is alles; Joannis, Joannis!

Zoolang als er wijn in de kan is;

Maar als de wijn daar uit is,

Dan zeggen zij, dat Jan een guit is.

Men zegt: „De kleeding maakt den manquot;,

En zeker, daar is vrij wat van;

Maar om in 's Lands dienst wel te treden,

Zoo moet de tabbaard van satijn

Van binnen wel gevoeierd zijn

Met vromigheid, verstand en reden.

IO*

ocr page 164

JEREMIAS DE DECKER.

(1609—1666.)

LENTELIED.

Nu zich de hemel opendoet Met schooner lucht en zachter dagen, En 't aardrijk voor zoo felle vlagen Een minnend aanzicht biedt zoo zoet;

Nu 't licht, gehuisd omtrent den Stier, Zoo blijde dagen brengt te Toren,

Gerekt, gematigd naar behooren Met winterkoude en zomervier;

Nu 't aardrijk zijnen schoot ontsluit. Nu lauwe hitte en koele droppen Ontspringen doen de frissche knoppen. En trekken geest ten wortel uit;

Nu liefelijk in veld en bosch Zich opdoen met zoo versche roken Hier 't eerste groen, nauw half ontloken, Daar zuiver wit, ginds aardig blos;

Nu 't schuw gevogelt welgemoed Den nieuwen tijd met vroolijk kweelen Met mengelzang van duizend kelen Onthaalt, bezegelt en begroet;

ocr page 165

149

Nu 't vee den nmffen stal verlaat En haakt naar de opgedroogde landen. Nu kalf en koe met grage tanden In 't nieuwe gras te bruiloft gaat.

O, wie nu ook in open locht, Van dienst en engen dwang ontslagen, Langs tuin, langs duin en dorenhagen. Eens 't vrije veld betreden mocht!

Hoe zoude ik bij dees lentezon Mijn gretige oogen spelen leiden Door blauwen hemel, groene weiden,

Door berg en dal, door beek en bron.

Zoo blij, zoo breed een uitgezicht Zou mij met heeter zanglust treffen, Zou mijn gedachten bet verheffen, En mijn gedachten mijn gedicht.

Een geest, genegen te onderstaan Een werk, dat eeuwen mag verduren. Wil niet bekneld zijn tusschen muren. Wil breed en ruimschoots weien gaan.

Wil met een onbelemmerd ooo-Door aarde, zee en hemel zweven, 't Genot eens voorwerps, zoo verheven. Verheft zijn geesten hemelhoog.

Trekt zijn gedachten uit het slijk.

Doet zijn gedichten kracht ontvangen. En maakt zijn schoone maatgezangen De schoonheid hunner stof gelijk.

Is 't wonder, dat mijn rijm als mat Bij de aarde kruipt, naardien mijn oogen Ons huisdak nauw passeeren mogen,

Mijn voeten nooit den wal der stad.

ocr page 166

150

MORGENSTOND.

De zonne, wederom verschenen,

Drijft nacht en naarheid voor zich henen, En roept met haar gedienstig licht Elk weder tot zijn ambt en plicht. De landman gaat zich weder voegen Tot spitten, pooten, planten, ploegen;

Zijn eega, mee niet lui of loom.

Ontlast de koe van haren room.

De maaier maakt zich weder reede,

Om met zijn zeisen, scherp van snede,

Door 't gras te gaan, 't welk versch geveld De rozengeur spreidt over 't veld. De koopman zet zich weer tot schrijven. De woekeraar wroet in zijn schijven,

Alree zoo bezig, als hij mag;

't Gewoel vermeerdert met den dag. Ik hoore dissel, bijl en hamer Aireede galmen door mijn kamer;

Ik hoor de maat op 't aanbeeld slaan. Ik hoor de zaag door d'eike gaan.

't Is al wat lag weer op de beenen;

't Poogt al zijn dagwerk als voorhenen. Op hoop van lof of luttel loon.

Te spoeden bij een lamp zoo schoon. En zal ze mij vergeefs staan blaken?

Zal ik, gedoken onder 't laken.

Alleen verzuimen mijnen plicht.

En dutten bij zoo nutten licht?

Neen, neen, o voerman van de dagen! Gij zult met uwen gouden wagen Vandaag niet aan de middaglijn. Of immers niet daarover zijn.

Of ik en zal bij uwe stralen.

Die quot;t al vergulden, al doen pralen.

ocr page 167

151

Ook ietwes hebben uitgewracht Tot nut van 't sterfelijk geslacht; En daarop vliege ik uit de veeren,

En uit het pluimnest in de kleeren; Uw zoon, de kostelijke tijd,

Die ons zoo spoedelijk ontrijdt.

Dient niet verlegen, noch verzeten,

Dient niet al slapende versleten,

Maar wakkerlijken nagespoord;

Want schoon wij stilstaan, hij rukt voort, En rukt, met nimmer staanden trede. Ons nimmer staande jaren mede.

Die henen schieten als een vliet. Ja, waarvan 't best ons eerst ontschiet: En 't geen ons eenmaal is ontschoten, Dat wordt nooit meer van ons genoten. Dat blijven wij voor eeuwig kwijt; Ach. onherhaallijk is de tijd.

TE VROEG OPLUIKENDE BLOEME.

Teer bloeineke, zie wat gij doet.

Gij durft het al te ontijdig wagen;

April heeft ook zijn wintervlagen En geeft nog wel een witten hoed. Gij geeft u al te vaardig bloot;

Daar kan nog wat ontstaan van 't Noorden, 't Welk kwetsen kan, ja gansch vermoorden Uw geestig wit en aardig rood.

Beklagen zult gij nog misschien,

Dat gij op de eerste lenteliefde Of lauwte uw zwanger kopje kliefde.

En ons uw blos zoo vroeg doet zien. Een Maartsche lach dient niet vertrouwd!

ocr page 168

152

Laat, zoo 't u veilig lust te pralen,

Apol den stier eerst achterhalen.

Gij slacht den zeeman, die te stout Op eenen schoonen dag of twee Zijn anker licht en valt aan 't varen.

Maar nauw gekomen in de baren.

Weer roept om zijn verlaten reê:

Wanneer hij al bestorven ziet,

Hoe fel van de onverwachte vlagen Zijn vlot gebeukt wordt en geslagen. En heen solt, daar 't de wind gebiedt: Wanneer hij in verzuipensnood, Van zand, van zout, van schuim bedolven, Meent zooveel do6n to zien als golven. En telkens wacht den jongsten stoot. Gij slacht den hoveling, die prat Op 't eerste gunstig oog zijns heeren Fluks valt aan 't pochen en brageeren; Maar Duren is een schoone stad.

't Gaat in het hof als in den hof: De hovelingen en de blommen,

Te haast ontloken of geklommen.

Die vallen dik weer haast in stof. Kortom, gij slacht ons allegaar,

Die ons als slechthoofden en schapen Aan 't tegenwoordige vergapen.

Het zij dan welvaart of gevaar.

Die zich van ramp gegeeseld vindt. En durft zich gansch geen heil verbeelden; En die gestreeld wordt van de weelden, Droomt niet als mooi weer en voor wind. Maar alle hef heeft ook zijn leed.

En alle leed ook zijn vermaken;

God heeft de wereldlijke zaken Met honigsap en gal doorkneed. Zoo volgen bitter winterweer En zoete zomer op malkander:

ocr page 169

153

Zoo volgen dag en nacht, de een d'ander; Zoo gaat het al, nu op, nu neer. Dus bloemken, of u 't innig lot.

Waarvoor ik duchte, kwam te krenken. Zoo hebt gij 't spreekwoord te gedenken:

Vroeg groen, vroeg grijs; vroeg rijp, vroeg rot.

OP DE VERNIEUWDE VERBINTENIS DER VRIJE VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Nu heeft de leeuw weer klem in zijnen klauw gekregen; Nu voelt hij weer zijn kracht in zijnen stand hersteld, En zijnen bundel weer van stijver band gekneld.

Zoo, vrij vereenigd land, blijf eeuwig eens genegen.

Zoo zal uw vrijheid u tot heil gedij'n en zegen,

Zoo zult gij èn ter zee staag bloeien èn te veld;

Zoo zal nooit blinde list of openbaar geweld IJ scheiden door bedrog, u schenden door den degen.

Gij hebt weleer om winst, op vijanden behaald. Den hemel dank gezeid, gevierd, gezegepraald;

Op, op, bedankt hem nu met harte, ziel en zinnen.

Toont, dat u de eendracht is een duur, een waardig goed, En dat gij nooit gewin geacht en hebt, zoo zoet.

Dan om 't genot van haar u zeiven te verwinnen.

1651.

AMSTERDAM.

Van masten diene ik mij te land en op de baren.

Op masten houd ik stand; met masten, vlot en vlug. Voer ik den oosteroogst en al des werelds waren

Mijn Amstel in den mond; mijn Dam op zijnen rug. Nu zeg, wat masten zijn 't, die meest mijn welvaart stijven, Die onder de aarde staan of boven 't water drijven?

ocr page 170

154

DE AMSTEEDAMSCHE BEURS.

Hier heft zich uit den grond des Amstels naar de wolken Een plaats, die 's middags krielt van allerhande volken,

Een wandelperk, daar Moor met Noorman handel drijft. Een kerk, daar Jode, Turk en Christen in vergaren, Een aller talen school, een marktveld aller waren. Een beurze, die alleen al 's werelds beurzen stijft.

HET STADHUIS VAN AMSTERDAM.

Indien ik, vreemdeling, wat breed loop in uwe oogen, Beticht mij daarom niet zoo straks van overdaad.

Maar snuffel Amsterdam van straat eens door tot straat. En leg dan mijn sieraad eens tegen zijn vermogen:

Ik wedde, dat gij dit nog zwaarder vindt dan dat. En staanden voets herroept uw oordeel als lichtvaardig, En uitroept ongeveinsd: 't Een is hier 't ander waardig. De stad een zulk stadhuis, 't stadhuis een zulke stad.

DE AMSTEEDAMSCHE WAAG.

Mijn deuren slaan zoo recht op 's werelds vier gewesten,

Dat ik niet duisterlijk gebouwd schijn of gesticht.

Om al wat Noord en Zuid, wat Oosten geeft of Westen Te ontvangen op mijn schaal, te wikken met mijn wicht.

ocr page 171

GERAERT BRANDT.

(1626—1685.)

UIT HET LEVEN VAN VONDEL.

Vondels vlijt en arbeidzaamheid was bijna ongelooflijk: wetende, gelijk hij in zekeren brief schreef, dat men, al hijgende en zweetende, van langer hand de steilte van den Parnas opklimt, en dat oefening en wakkerheid het vernuft wetten. Al zijne nagelaten schriften, meer dan dertig tooneel-spelen, het Pascha hier niet onder gerekend, voorts zijne andere groote werken, on zulk eene menigte van allerlei gedichten, zijn blijken van die vlijt. Zijne leergierigheid was hier spitsvondig en diende zich van allerhande middelen Om op elke stof en zaak de rechte spreekwijzen te vinden, onderzocht hij bij allerlei slag van menschen, wat Duitsche woorden elk omtrent zijn werk, hanteering en kunst gebruikte. De landluiden vraagde hij, hoe zij spraken omtrent den landbouw, en hoe zij, hetgeen daartoe behoorde, noemden en uitdrukten. Omtrent den huisbouw vraagde hij op gelijke wijze de timmerluiden en metselaars, omtrent de zeevaart en 't scheepstuig de zeeluiden, omtrent de schilderkunst en wat daartoe hoorde de schilders, en zoo voort omtrent alle ander bedrijf, wetenschappen en kunsten. Dit strekte tot opbouw der tale en om van al, wat hem voorkwam, met woorden, die de zake eigen waren, te spreken.

Hij ging ook in 't stuk der kunst altijd met anderen te rade en zocht naar mannen, die de zaak verstonden, dien hij zijne gedichten voor 't uitgeven liet lezen, of voorlas, en

ocr page 172

156

hun oordeel afvorderde. Deze noemde hij zijne Mecenaten *), Aristarchens) en keurmeesters, die hem ook in 't vertalen behulpzaam waren. Ook plachten ze in 't lezen zijner treurspelen en andere dichten volgens zijn verzoek scherp te letten op het Duitsch, op den dicht, op den zin, en indien ze onzuiverheid in de tale, hardigheid of lamheid in het dicht of rijm of kreupelheid omtrent den zin meenden te zien, zij wezen 't hem aan, en 't geen men mei; reden berispte, zocht hij straks te verbeteren. Behalve Mostert, Victorijn, Jacob Venkel en anderen, daar hij zich omtrent het overzien en beschaven zijner dichten meest van diende, had hij nog een vriend Jacques de la Hue, een koopman, ten aanzien van 't Latijn en Grieksch wel ongeleerd, maar die de wereld had gezien, lang in Spanje gewoond, en zoo groot van geest, schrander en doordringend van oordeel was, dat onze dichter zijnen raad in gewichtige en twijfelachtige zaken menigmaal plag te zoeken en met vrucht te volgen.

Van zijn eigen werk sprak hij zedig of met groote ingetogenheid, en men hoorde hem nooit (indien men alleen uit-zondere 't geen hij zich in 't Bericht voor Jephta's treurspel, tegen zijne gewoonte, liet ontvallen) op eenige zijner dichtwerken, hoe hoog die ook van anderen wierden geprezen, met den minsten schijn van laatdunkendheid roemen.

Omtrent de dichten van anderen handelde hij heusch. Wanneer jonge, aankomende dichters hem iet lieten lezen met verzoek van zijn oordeel, wees hij hunne misslagen wel gaarne aan, maar nam meer vermaak in 't prijzen van 't geen hem geviel, dan in 't berispen van 't geen hem mishaagde. Nooit zocht hij den geest uit te blusschen, maar integendeel den lust en ijver der leerzame vernuften bet te ontsteken. Hierom stond hij veeltijds gereed te hunner hulpe en overzag dikwijls hun werk: verwerpende al wat misstond, het ruwe beschavende en 't misstelde herstellende, voorts hen leerende geen woorden tegen den aard onzer tale te verstellen, noch

') Maecenas, beschermer der kunst onder keizer Augustus. s) Aristarchus, Grieksch kunstrechter, leefde 150 v. C. te Alexandria.

ocr page 173

157

met zwetsen niet te hoog te vliegen of door kreupelheid plat op de aarde te vallen, voorts wel te letten op d'orde of den draad en 't vervolg der rede, ook op den staat, eigenschap en gestaltenis van elke zake en die elk naar heuren aard uit te drukken. Daartoe diende de Aanleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste op het aanhouden der leergierigen in den jarc 1650 geschreven en bij den tweeden druk der Poëzie gevoegd, in welk schrift hij met verscheiden nutte regelen ontvouwde, wat den jongen dichteren te vermijden of te volgen stond. Tegen niemand toonde hij ooit afgunst of nijd. Dichteren van name gaf hij hunnen verdienden lof.

Soöimigen leiden hem te last, dat hij somtijds luiden prees en in zijne gedichten hoog zette, die des onwaardig waren. Maar hij antwoordde: Men heeft mij diets gemaakt, dat ze zoodanig waren: mijn lichtgeloovigheid heeft mij bedrogen. Ook ging hem na, dat hij 't misnoegen, eens opgevat, langzaam aflei en 't gewaande ongelijk niet licht vergat. Doch men weet ook, dat hij in sommige voorvallen het tegendeel liet blijken; en als hij iemand eenigszins meende misdaan te hebben, zocht hij straks te verzoenen en kwam licht om vergifienis bidden, zoodat men redenen had, zich over zijne vernedering te verwonderen. Anderen berispten de scherpheid zijner hekelpenne, die hem veel ongunst op den hals haalde, daar hij weinig op paste. Nochtans vonden zijne hevigste vijanden, als zij de kunst verstonden, zich gedrongen, de geestigheid en zwier zijner dichten, hoe vinnig dat ze staken, te prijzen.

In hoe hooge achting doorluchtigste lichten onder de geleerden zijne gedichten en treurspelen hielden, blijkt rdt de oordeelen van den heere Hugo de Groot, den drossaard Hooft, den professor Vossius en anderen. Ook verhief hem Barlaeus met deze verzen:

„O hoogste kroon in dicht, die Holland sieren kon,

O onuitputbre stroom van Febus' Hengstebron!quot;

Al wat Hollandsch spreekt of verstaat en Poëzie bemint, gewaagt nu van zijnen lof. De Jezuïeten te Antwerpen, door

ocr page 174

158

den roem van des dichters naam aangelokt, verzochten, eenige jaren geleden, zijne schilderij en plaatsten die in hun klooster onder de beeltenissen van de vermaardste mannen dezer eeuw.

In hem werd wijders als verwonderenswaardig aangemerkt, dat hij, zoo rijk van invallen en geestige gedachten, gelijk zijne gedichten uitwijzen, in 't gezelschap der menschen bijna spraakloos was en zelden geluid sloeg. En ik heb uit zijn eigen mond, dat hij op een tijd ten huize van den heere Joost Brasser, broeder van 's Lands grooten schatmeester, in 't gezelschap van Hugo de Groot, Vossius en Barlaeus, ter maaltijd genoodigd, onder 't eten niet een enkel woord sprak, .'t welk den bijzitteren vreemd voorkwam. Maar hij, zoo een groot zwijger, stil en zwaargeestig van aard, doch diep denkende, had altijd zijne gedachten gespannen, met zijn verstand en zinnen gestadig werkende op zijne vaarzen en zwanger gaande van aardige vonden. En zulk een aard houdt men best bekwaam tot d'oefening der hoogdravendste poëzie en tot den stijl van het treurtooneel. Doch al was hij zoo stilzwijgend, men hoorde niettemin, dat hem somtijds na een wijl zwijgens eenige korte en snedige rede, als 't pas gaf, onvoorziens ontviel, of dat er een schimpscheut uitborst.

Voorts droeg hij zich in al zijnen handel en wandel onbesproken, zedig, nederig, vreedzaam, zonder gewinzucht, en zoo matig omtrent den drank, dat ik niet weet, of hem ooit iemand beschonken zag. Maar omtrent het eten viel hij graag. zonderling ') van hartige spijze, tot in zijnen hoogsten ouderdom. Zijn kleeding, die van de gemeene wijze niet te ver afweek, was teffens nederig en deftig.

Rijkdom had hij met de poëzie niet kunnen vergaderen, maar hierdoor meer verloren, dan gewonnen, wegens 't verzuim in zijne nering, bij zijn eegaas leven en daarna. De lof zijner gedichten was zijn eenige winst. De schenkages, van groote personen ontvangen, waren weinig, doch kosten de boeten, voor Palamedes betaald, nog opwegen. De grootste

t) Inzonderheid.

ocr page 175

gift, hem ooit geschonken, was een gouden keten en medaille van koningin Christina, omtrent 500 guldens waardig, door een aardig lofdicht t'harer eere verdiend.

Indien men ook kennis van zijne gestalte en gedaante begeert, hij was van middelbare lengte, gezet en welgemaakt van leden. In 't wezen vertoonde zich eene kenbare schranderheid en opgetrokkenheid ') van gedachte. Zijn aangezicht was in de kracht zijner jaren blankbleek en magerachtig, maar in zijnen ouderdom breedachtig, vol in 't vleesch, gezond van kleur en blozend op de kaken, het voorhoofd niet hoog. Onder hooge wenkbrauwen, aan dc rechte zijde een weinig hooger opgetrokken, dan aan de slinke, doch zonder misstand, had hij bruine, levende, doordringende, scherpziende of, gelijk men spreekt arendsoogen, vol viers, alsof hij hekeldichten in 't hoofd had. Zijn neus was wat verheven, wel in 't vleesch, de mond niet te groot, zijne lippen dunachtig, zijn haar zoo kort, dat het d'ooren pas half bedekte, zijn baard kleen en, gelijk als 't haar, zwartbruin, totdat het in zijn hooge jaren wit van grijsheid wierd. Dusdanig was zijn uitwendige gedaante, gelijk hem ook verscheiden afbeeldingen, door de vermaardste en kundigste schilders gemaald, vertoonen: inzonderheid de schilderijen van Goverd Flink en Filips de Koning, ook de print van Jan Lievens, met een rol in de hand, daar de heer Joan Six dit aardig dicht op schreef:

Dit's Vondel met zijn rol:

Apelles trof Apol.

Doch in zijn hoogsten ouderdom werd zijn wezen van niemand beter getroffen dan van den gemelden Koning, die hem uit liefde tot de poëzie wel zes of zeven maal schilderde of teekende.

Maar de print van zijn geest, verstand en vlijt, met geen verwen te verbeelden, heeft hij zelf in onnavolgbare werken klaar en kunstig uitgedrukt. Daar kan men hem in zijn ware

') Verhevenheid.

ocr page 176

160

wezen best aanschouwen. Dat tafreel liet hij den nakomelingen na, voornamelijk zulken. die zich in de dichtkunste pogen te oefenen, en op die print van zijn beste deel, den geest, staroogende, opgewekt worden en aanleiding bekomen, om, al hunne krachten inspannende, zijn voorbeeld te volgen en hem zoo gelijk te worden, als hun eenigszins doenlijk is. Dusdoende zal de poëzie, die hij in ■zijn leven zoo treflijk vorderde, met hem niet sterven, maar in onze Nederlandsche tale (niet min gelukkig dan de Latijnsche of Grieksche in koppelwoorden, oneigene spreekwijzen, gelijkenissen en allerhande kunstsieraad) ook overblijven en onvergankelijk voortgezet worden tot de nakomelingen en volgende eeuwen.

1683.

UIT HET LEVEN VAN DE BUYTER.

1.

In d'eerste kindsheid, die De Ruyter te Vlissingen doorbracht, zag men terstond klare blijken van zijn stoute inborst, ook dat hij zeer levendig, woelende en werkzaam was, too-nende zijn moedigheid en wakkerheid. Nauwlijks tien jaren oud geworden, was hij op een tijd, dat men aan den hoogen kerktoren te Vlissingen iet hermaakte, boven het paalwerk der stellage tot op den ronden kloot der torenspitse geklauterd , daar hem de luiden, omlaag staande, met verwondering en schrik zagen zitten, (te meer omdat het arbeidsvolk de ladders, die tot afklimmen kosten dienen, onverziens hadden weggenomen) vreezendc dat hij in 't afdalen te pletter zou vallen; maar hij diende zich van de hielen zijner schoenen en brak er ettelijke leien meê, om iet te hebben, daar hij zich aan hield, en kwam, met behulp zijner gezwinde leden, armen en beenen, weer gelukkelijk beneden. Zoo hoog klom in zijne kindsheid en met zooveel gevaars, die in zijne manlijke jaren langs de trappen van alle scheepsdiensten en alle de gevaarlijkheden der zee en der vijanden tot de hoogste zeeambten zoude opklimmen.

ocr page 177

161

2.

De L.-Admiraal De Ruyter hield zich nu ') t'Amsterdam in zijn huis op 't Waals-eiland, aan den oever van 't Y, daar hij den tijd van drie jaren rustte van al de gevaarlijke zeetochten, die hij dertien of veertien jaren na eikanderen ten dienst van 't vaderland gelukkelijk en met eere had uitgevoerd. Hier werd hij van de ingezetenen aanschouwd en aangemerkt als de vuist des vaderlands, daar Gód den Staat door had gezegend en met overwinning en vrede gekroond. Bij d'uitheemschen was de glorie van zijn naam zoo groot geworden, dat te bevragen staat, of in luister van vermaardheid en deugd ooit man van zijn soorte ter wereld zoo hoog gestegen zij. Groote koningen, vorsten en allerlei treffelijke personages spraken loffelijk van zijn beleid en dapperheid, in zoovele zeetochten betoond. Maar deze groote man bleef bij zich zeiven kleen, en hoe hoog hij van anderen verheven wierd, hij hield zich even nederig, zedig en burgerlijk. Al was hij nu tot de waardigheid van L.-Admiraal-Generaal van Holland en Westvriesland opgeklommen en van groote koningen verheven tot den adellijken en ridderlijken staat, men zag echter in hem geen teeken van grootsch-heid, noch verandering in aanschijn of gelaat, en hij bejegende elk met dezelfde minzaamheid en meewarigheid, als hij dede, toen hij nog schipper of stuurman was. Ook zag men dezelve nederigheid en zedigheid omtrent zijn gewaad, gevolg en huis. Dit schrijvende kan ik niet nalaten te verhalen, hetgeen de ridder William Temple, te dezer tijd ambassadeur van den koning van Groot-Brittanje in 's-Gravenhage, desaangaande in zijne Aanmerkingen over de Vereenigde Nederlanden betuigt. Sprekende in dat schrift van 't geen den staat groot maakte en deed toenemen, telt hij onder d'oorzaken van haren opgang ook de nederigheid en zedigheid der magistraten en beroept zich op het voorbeeld van twee groote mannen, die ik niet van een kan soheiden, omdat ze de ridder Templo

') Na den vrede van 1668.

duijser en van goor, Lett. Leesb. I, 2e druk.

11

ocr page 178

162

bijeenvoegde: te weten den L.-Admiraal De Ruyter en de raadpensionaris De Witt. Ik zal zijn eigen woorden gebruiken.

„De nederigheid en zedigheidzeit hij, „was zoo groot, dat van de twee aanzienlijkste personen, die in mijnen tijd in hooge bedieningen waren, de L.-Admiraal De Ruyter en de raadpensionaris De Witt (de een bij d'uitheemsche volken geacht voor zoo groot een zeeheld, en de ander voor zoo groot een politijk als eenigen in hunne eeuwe), ik den eerste heb gezien zoo slecht') gekleed gaan als een gemeen2) zeekapitein, en niet meer dan één knecht achter hem, en nooit in een karos. Wat zijn huis en huishouding belangt, dat was van buiten niet kostelijker van aanzien, noch van binnen heerlijker opgetooid, noch zijn tafel, die hij hield, niet overdadiger dan die van een gemeenen koopman of winkelier in de stad, daar hij woonde. Aangaande den raadpensionaris De Witt, die in de regeering vrij veel gezags had, de gansche sleep en kostelijkheid zijner huishouding ging gansch eenparig met de andere gedeputeerden en bedienaars van den Staat, zijne kleeding was statig, slecht en burgerlijk, zijn tafel voor zooveel als diende tot gerief van zijn huisgezin of voor een vriend, zijn trein (behalve de commiezen en klerken, die men voor hem dicht aan zijn huis in dienst ten koste van 't gemeen hield) was slechts een eenig persoon, die alle geringe diensten tot zijnent in huis verrichtte; en zullende zijne ceremonieele visiten afleggen, sloeg die dienaar een slechten livreirok om 't lijf en paste buiten 's huis op zijn karos. Maar bij andere gelegenheden zag men hem gemeenlijk te voet en alleen over straat gaan gelijk een van de slechtste burgers van Den Hage.quot;

Ook verhaalt men , dat de prins van Monte Sarchio, een. der admiralen ten dienste des konings van Spanje, op een tijd t'Amsterdam komende, terwijl De Ruyter zich daar ophield en naar zijn huis vragende, om hem te bezoeken en te begroeten, hem in een groot paleis dacht te vinden, dat eenige overeenkoming zou hebben met zijne hooge bediening

') Eenvoudig. 2) Gewoon.

ocr page 179

163

en den luister van zijnen doorluchtigen naam. Maar in zijn huis komende, stond hij als voor 't hoofd geslagen en buiten zich zeiven, ziende dat zoo groot een admiraal en zeeheld, den vaderlande zoo menigvuldige en zoo groote diensten hebbende gedaan, in zulk eene burgerlijke woning, die niet uitstak boven de huizen zijner buren, slechts ambtelooze burgers en gemeene koopluiden, zijn verblijf had en daar als een burger met zijn gezin leefde. Maar die nederigheid en burgerlijkheid verhief hem te hooger in de oogen van alle verstandigen. Zijn verder leven verstrekte den burgeren een spiegel van allerlei Christelijke deugden, jegens vrienden heusch, jegens vreemden vriendelijk, jegens ellendigen mede-doogend en inzonderheid godvruchtig in al zijnen wandel, vindende zijn hoogste vermaak in de kerken en in 't hoorcn van stichtelijke predikatiën, niet alleen des Zondags, maar ook in de week. Den meesten tijd van den dag besteedde hij in 't lezen der heilige schriften, en men zag hem zelden andere boeken in de hand hebben. Somtijds zat hij uren lang bij zijne huisvrouwe en eene nicht, terwijl zij met linnen te naaien bezig waren en las haar eenig kapittel uit het goddelijk woord met luider stemme voor, of zong met haar eenige psalmen, hebbende de bekwaamheid van vrij wel te zingen en eene goede stem. Voorts onthield hij zich van allo kwaad gezelschap en toonde zich een groot vijand te zijn van dronkenschap en andere overdadigheid, zich vergenoegende met gemeene burgerlijke en zeemansspijze. Dus bracht hij zijn tijd gedurende den vrede door, wenschende dat ze lang mocht duren, opdat hij zijne oude dagen (want hij bereikte nu den ouderdom van 61 jaren) gerustelijk en god-vruchtelijk mocht ten einde brengen.

OP DEX DOOD VAN DEX BURGEMEESTER HENDRIK HOOPT. ')

De droefheid vliegt aan 't Y van wijk tot wijk: Geen kleene rouw past bij het groote lijk.

') Zie Lett, leesb., II deel, bl. 118.

ocr page 180

164

Den schrandren Hooft begaf, helaas! het leven: Nu schijnt de stad met hem den geest te geven.

Ween Amsterdam! ween Holland! Neerland, ween! Betreurt met mij den vader van 't gemeen, Uw Cicero, die voor de vuist dorst spreken,

En met zijn tong de kling des oorlogs breken.

Die u verloste uit zevenjarig wee.

Erkent het heil der doorgedreven vreê ')! De vrijheid rust op haar aloude gronden: Het Lelierijk is aan den Staat verbonden.

Men houw' de olijf op 't graf des grooten mans; Zijn deugd en dienst verdienden zulk een krans.

1678.

B IJ S C H R IF T E N.

PRINS WILLEM I.

Aanschouw den schrandren prins, den held, die met beleid, Met rede, liefde, vlijt, geduld, bescheidenheid Het hart der volken won. Dees heeft den dwang verdreven. De vrijheid met zijn bloed betaald en ons gegeven.

PEINS MAUEITS.

Gij hebt in 't harnas nooit voor vijanden gezwicht, 't Gebouw der vrijheid, door uw vaders hand gesticht. Doch in den opgang met zijn dierbaar bloed begoten. Voltooid; gij hebt den tuin met vestingen gesloten.

Maar och! de kerk en staat is in uw tijd gescheurd,

Daar Spanje om heeft gejuicht, dat Holland nog betreurt.

') De vrede van Nijmegen (1678) werd vooral door Amsterdam doorgedreven.

ocr page 181

-

165

MICHIEL DE RUYTER.

Aanschouw den Held, der Staten rechterhand, Den redder van 't vervallen vaderland,

Die in één jaar twee groote koninkrijken Tot driemaal toe, de trotsche vlag deed strijken; Het roer der vloot, den arm, daar God door streê; Door hem herleeft de vrijheid en de vree.

J. VAN OLDENBARNEVELDT.

Dit's Vaderland, uw vader, Uw voorspraak, redder, rader. Vermoord op 't hofschavot. Waar vond hij loon? Bij God.

HUGO DE GROOT.

O Delf, benij geen Maas den grooten Rotterdammer! De Groot is ruim zoo groot. Dees poogde Hollands jammer Te stuiten door zijn raad; maar tweedrachts oor bleef doof. Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof.

Indien zijn Fenixgeest verdeeld waar onder zeven, 't Vereenigd Nederland waar onverdeeld gebleven.

J. VAN VONDEL.

De grijze Vondel, die door treurstijl, heldentoon,

Door lier en hekeldicht, met de oudheid om de kroon Des lauwers streed, voor wien, wat Neerduitsch schrijft,

(moet zwichten, Vertoont zich in dees print, maar leeft in zijn gedichten.

ocr page 182

166

LAMORAAL, GRAAF VAN EGMONT.

Dit's Egmont, dien de nijd van Alva holp van kant, De dappre veldheer, schild en speer van Nederland, 't Hoofd, daar tot tweemaal toe heel Frankrijk voor moest beven: De sneê door zijnen hals deê recht en vrijheid sneven.

GRAFSCHRIFT VOOr PIETER DB GROOT.

Geen groote zoon kwam ooit den grooten Hugo nader,

Noch deelde dieper in het lot van zijnen vader.

Dan dees, die zich zoo trouw voor Staat en vrijheid kweet.

Een overwinner van zijn ongelijk en leed.

Gevlucht, gekeerd, beticht, maar loflijk vrijgesproken '),

En hier 't vervolg des haats gerust in 't graf ontdoken.

GRAFSCHRIFT VOOR EGBERT MEEUWSZ. KORTENAAR.

De held der Maas, verminkt aan oog en rechterhand. En echter 't oog van 't roer, de vuist van 't vaderland, De groote Kortenaar, de schrik van 's vijands vloten. De ontsluiter van de Sond, ligt in dit graf besloten.

KORNELIS TROMP.

Geen verf van schilderij, geen stift noch punt van staal. Verbeeldt door kracht van kunst des Amstels Admiraal; Den Hollandschen Romein, den roem der Batavieren, Die gouden ketens won en kronen van laurieren;

Die als een bliksem viel in Kareis trotsche vloot En vloog van schip pp schip in 't aanzicht van den dood; Die duizenden verwon, die duizenden deê beven;

Deez' strijdbre Tromp zal door geen beeld, maar daden leven.

!) De Groot was (1676) van landverraad beschuldigd, maar vrijgesproken.

ocr page 183

JOANNES ANTONIOES VAN DER amp;OES.

(1647—1684.)

rit „de ijsteoomquot;.

1.

Daar staat de Nijlstroomgod, die met een kroon van riet En wier om 't grijze haar, zoo breed komt ingestreken. Hij schept zijn waterval en opkomst uit de kreken Van 't Sagelaansch ') gebergte en spoedt met snellen gang Door dorre zanden en woestijnen, wijd en lang, En smachtende van dorst, tot hij door grove klippen Gestuit, beneden de aarde allengskens voort komt glippen, En met zijn hoornen breekt door schenkels en geraamt' Van klipsteen, om hun trots en zijnen last befaamd.

Hier barst hij eind'lijk uit met neergestorte wateren. Die vrees'lijk bamen in dien steilen val, en schateren Gelijk of Triton1), op 't bevel van god Neptuin Den zeestorm wekte, en dreef de golven tegen duin En bevend' oever, dat het kraakte en schuimde, en de ooren Verdoofden op 't getoet van zijnen onweêrhoren.

Met anders knarst en brult de donder, die gestuit In 't rollen, als hij groeide en toenam in geluid,

1

) Zeegod, zoon van Neptunus.

ocr page 184

168

Op Atlas' schoften breekt; die van dien slag getroffen,

Den donderkloot in zee al barstend neer hoort ploffen.

Egypte groet op 't laatst dien grooten watergod,

En dankt hem billijk voor het kostelijk genot

Van hare vruchtbaarheid, alleen door hem verkregen,

Wanneer hij 't land verkwikt met zijnen waterzegen.

Dan ziet de Egyptenaar met vreugd het korenveld

Verdronken, en zijn erf in bare zee gesteld;

Als die, wanneer de Nijl laat de aftochthorens steken.

En al de golven in hun boezem zijn geweken,

Voor zulk een' waterstroom, die 't braakland had verkracht,

Een kostelijker zee van korenschat verwacht.

Wie kent de Naalden ') niet van zijn beroemde baren,

Met hunne spits, zoo hoog de wolken ingevaren?

De grafgevaarten, om hun pracht en bouwbeleid.

Als wereldwonderen met. recht de onsterfelijkheid

Geheiligd? Maar laat zijn schoonheid niet verlokken:

Het schadelijkst vergift schuilt in vergulde brokken.

De gouden schotel dekt het doodlijk aconyt2).

Maar reist gij aan zijn strand, zie voor u en vermijd

Den schalken krokodil, die onder 't riet gedoken.

Verraderlijk komt uit zijn schuilhoek opgebroken.

Den onvoorzichtige op 't lijf valt en vrijbuit.

En in 't rampzalig graf van zijnen buik besluit.

2.

Het Sparen groet den god3), als hij langs Haarlem streeft, Hij kust zijn bondgenoot nu vreedzaam en beleefd,

En de oude wrok is lang vergeten en verbannen.

Toen Haarlem, met de macht des Ken'mers aangespannen, De hutten, schaars verdeeld in 't groeiende Amsterdam, Tot puin verwoestte, en zette al 't land in lichte vlam.

') Obelisken. 2) Zie bladz. 112. 3) Namelijk den IJstroomgod.

ocr page 185

169

Nu wil hij zich alleen de brave heldendaden

Erinneren; hij kan zijn lusten niet verzaden,

Wanneer hij zich verbeeldt, hoe 't Sparen trotsch van moed,

De zaag klinkt voor den boeg, en barstende in den vloed.

Ten bitteren verwijt der Christ'nen uitgelaten,

De havenketen scheurt van 't machtig Damiaten,

Streeft over schakels en den draaiboom van den Nijl,

Gelijk Hippolyte ') met de Amazoonsche bijl

Den snellen Thermodon, gewelfd met marmervloeren,

Placht op te bijten en haar leger door te voeren.

Aldus hangt Haarlem nog het grafelijk geweer

In 't midden van 't gestarnt1), tot onverwelkbare eer.

Geen minder glorie heeft de drukkunst haar gegeven.

Toen Koster, wandelende in breede beukendreven,

De lettervormen sneed in 't zachte beukenhout.

En vond de wetenschap, die 't alles voedt en bouwt,

Dat letterhelden, lang verstorven en verslonden.

Door ongena des tijds, doorluchtig ondervonden;

Die, als hun graf kruik barst in scherven, en de wind

De stuivende asch verstrooit, nog leven, en bemind

In volgende eeuwen op des naneefs dankbre tongen

En pennen zweven, van geweld noch graf gedwongen.

O drukkunst! die alleen de wijsheid in den nood

Van schipbreuk hebt gered, geherbergd in uw schoot,

Geveiligd voor den storm der woestheid en barbaren.

Nu reeds met onbescheid haar in de kroon gevaren,

Wat blijft de wereld aan uw nutten vond verplicht!

Gij leerde' Ovidius herleven in zijn dicht

Na 's mans ellende, alleen niet bij den Geet2) verbannen,

1

) Het wapen van Haarlem is een zwaard onder een zilveren kruis, tusschen vier zilveren sterren, op een veld van keel.

2

) De Geten waren een onbeschaafd volk, dat in het tegenwoordige Hongarije, Zevenbergen en Wallachije woonde. Ovidius werd door Augustus naar Tomi, aan de Zwarte Zee nabij het land der Geten gelegen, verbannen, waar hij 17 n. C. stierf.

ocr page 186

170

Den straffen klauw ontrukt der poëzietyrannen, En moog'lijk nog gedoemd ter erfvergetelheid,

Had niet uw milde hand het overal verspreid.

Maar heeft de Faam den lof van Koster wijd verheven, Zij loov' de Blauwen ') nu, die heerlijker dan Steven1) En Aldus 2), en Plantijn 3) de kunst der drukkerij Volmaakten, zetten haar een kracht en leven bij, En nemen 't aardrijk in door letterregimenten,

Wanneer zij Atlas met den kloot des hemels prenten En hemelgordels en den dierenriem gel aan;

En daar hij 't aardrijk met zijn grootte komt beslaan, Zijn grove voeten zet op twee paar werelddeelen, Begrepen in een rij van veertien boekjuweelen; Een werkstuk, uitgewrocht door 't kunstig negental') Der zanggodinnen, 't geen den tijd verduren zal; 't Geen 't Y en aanzien van de vrije Nederlanden, Verheerlijkt, en bazuint haar lof op alle stranden.

3.

De winter zelf belet den Amsterdammenaren Geen vreugd, wanneer het Y, met toegevrozen baren De rossen op zijn rug laat streven, zoo gezwind Als een Tartaarsche pijl, geschoten voor den wind. Zij snuiven vier en rook ten neuze uit, onder 't nopen Der jeugd en schijnen nu zich zelf voorbij te loopen.

1

) Robert Stephanus en zijn zoon Henricus, geleerde boekdrukkers te Parijs, ten tijde van Frans I.

2

) Aldus en Paulus Manutius, boekdrukkers te Venetië in de 16e eeuw.

3

) Christoffel Plantijn, boekdrukker te Antwerpen, ten tijde van Philips 11.

ocr page 187

171

De schoone jofferschap, gedekt met kostlijk bont,

Streelt hen in 't jagen met het orgel van haar mond. Men ziet er andren met de vleugels aan de voeten Voortvliegen als een schim, 't godinnendom begroeten Met duizend zwieren, nu laveeren heel in lij Op de eene schaats, en voortgezwierd aan de andre zij, 't Omwerpen, sneller als een arend op zijne pennen, En sneller als door 't sneeuw de Samojéeden rennen.

Mijn oogen scheem'ren door dat drijven heen en weêr: En daar ik hier mee sprak, zie ik nu nergens meer.

Hoor Rome en hoor Atheen', wie dorst ooit stouter liegen, Als dat men menschen zag met ijzren wieken vliegen? Hier zeggen wij 't met recht, en gij denkt uit de wijs1), Hoe snel het glippen moet, glad ijzer op glad ijs!

1671.

DE TEEMS IN BRAND.

De Britsche wolven uitgelaten In breidelooze razernij,

Verbranden Neerlands koopvaardij, En blaak'ren Holland in zijn gaten, En zetten tegen 't krijgsverband 't Onnooz'le Schelling in den brand. Die, Engeland om 't hart getroffen. De Koningsstad begraaft in puin. En bliksemt haar verheven kruin, Totdat ze in de asch komt nederplofien; Nog hoort ze naar geen vreêgesprek, Maar trapt haar buren op den nek. Held Michaël, van eed'len toren Ontstoken, blaakt van ongeduld. Om tyrannië zonder schuld Den armen dorpeling beschoren.

1

) Geheel verbaasd.

ocr page 188

--

172

En wenscht door heldenmoed met lof Haar trotschheid neer te treên in 't stof. Zoo rukt hij met een bosch van kielen Den Teemsstroom op, in 't ingewand En aangezicht van 's vijands land,

Maar niet ten plaag van arme zielen: Dat voegt geen oorlogsleeuw vol moed, Maar winterwolven, heet naar bloed. Hij sluit den stroommond zelf van buiten En houdt den Watergod in toom,

Daar Gent, die Zeemars zonder schroom, En van geen driest geweld te stuiten, Het ondier, met ons bloed gemest. Verworgt en foltert in zijn nest.

ZoO volgt de boschleeuw, opgestoven Na lang geduld, door wildernis En wegen, daar geen uitvlucht is, Den tijger in zijn hol van boven:

Geen woestenijspelonk, hoe naar, Beschermt zijn vijand in gevaar. De aloudheid juichte op alle straten, Europe had niet keels genoeg,

Toen Haarlem met getanden boeg De keten brak van Damiaten En rukte, d'Aziaan ten spot.

Gevangen Kerstens uit het slot.

Nu zeilt men over ijz'ren vloeren En schepen, uit verbaasden ') moed Gedompeld in den steilen vloed,

Om hier den Waterleeuw te snoeren, Die bruist door duizend kogels voort. En klampt de Britsche macht aan boord. Nu smookten al haar oorlogsschepen En strandkasteelen, kloek vermand, En magazijnen in een brand.

') Verbaasd — ontsteld.

ocr page 189

173

Die Londen eeuwig na zal slepen.

De Teems kroop opwaarts naar zijn bron, Beducht of weder Faëton, Ten Zonnewagen opgestegen,

In zulk een on verwachten stond Hem blakerde op zijn eigen grond. De Teemsnimf, schreiende en verlegen, Versmacht op haar gewone reê En dompelt haar paruik ') in zee. Zoo beefden eertijds de Italjanen,

Toen Hannibal zijn legermacht Voor Rome over de Alpen bracht Met uitgevouwen standerdvanen.

Dat heet de zeeslang, trotsch en dol. Verworgen in haar eigen hol.

Die buiten recht gespat en banden.

Alsof de Leeuw van Holland sliep. Nog flus door al de wereld riep:

WIJ HEBBEN 'T ZEEGEWELD IN HANDEN

Maar gij, die in den lichten brand Uw leven waagt voor 't Vaderland, En 's vijands machten durft besnoeien. Als gij hem in den boezem boort En op zijn eigen strand versmoort. Om vrede uit oorlog te doen groeien, Hoe maakt ge met uw halsgevaar. Den heelen Staat uw schuldenaar.

1667.

GRAFSCHRIFT VOOR ADRIAEN DE HAZE 1).

De Haas, een fiere leeuw in 't Britsche zeegevecht, Stond pal in 't woeden der gepreste waterhonden,

1

) Gesneuveld 24 Maart 1672 in een gevecht tegen de Engelschen, die vóór de oorlogsverklaring (7 April) de Smimasche retourvloot aanvielen, welke hij begeleidde.

ocr page 190

174

Tot hem een kogel heeft vooruit naar God gezonden, Om wraak te vord'ren van 't geschonden waterrecht. Sta vreemdeling, en zeg tot glorie van de Zeeuwen, Dat hier de Hazen zelfs veranderen in Leeuwen.

GRAFSCHRIFT VOOR MICHIEL ADRIAANSZ. DE EUYTER.

De dood ontzag het hart van Ruyter om zijn moed. Zij mikte wel maar gaf weer straks den moed verloren. Als juist haar 't voorbeeld van Achilles kwam te voren: „Dit's meê Achilles,quot; sprak ze, en trof hem in den voet.

OP DE AFBEELDING VAN DEN HEER MARTEN H. TROMP, LUIT.-ADMIRAAL VAN HOLLAND EN WESTVRIESLAND.

Hier blinkt manhaftigheid, die allen roem verdooft. Wie kent dit aanzicht niet, daar Spanje en Brit voor vreezen? Zijn moed past Hercules, aan Mars zijn deftig wezen:

Maar niemand voegt zoo wel de lauwer om het hoofd.

ocr page 191

JAN LUIKEN.

(1649—1712.)

UIT „DE DUITSCHE LIERquot;.

LENTELUST.

Ruischende winden Door ijp en linden,

Echo's stuiten Op 's Harders fluiten Door het dichte hout Van 't groene woud,

Vlijt mij veel meer als het klinken Der trompet.

Die, schel ten gil gezet.

De harten wet En dorstig maakt om bloed te drinken, En graag om 't zwaard te zien besmet.

Als men ziet kommen 't Nimfjen ') met blommen En met bladen,

Schoone sieraden.

Om 't hoofd gesierd,

Van 't woud gevierd,

Dan is het goed in 't veld te slapen.

') De Bloeimaand.

ocr page 192

176

Dien 't dan mag Gebeuren, met den dag Te wand'len, ach!

Wat kan hij lekkemije rapen! Het zingend woud maakt dan gewag.

BUITENLEVEN.

Die de onrust niet in 't hart en Leeft zalig, als hij buiten leeft.

Gelukkig mensch, wien 't is gegeven,

Bij 't vreedzaam en onnoozel vee,

Dat nooit noch kwaad noch onrecht deê, In 't veld zijn dagen af te leven! De bloemenkrans braveert de gouden kroon, Die 's Konings zorg bij nacht doet waken; Geruster zit men onder daken Van riet gebouwd, dan op den hoogen troon.

O, hoe plezierig is 't te kruipen Ter kooie op een ved'ren zak, In 't landhuis onder 't lage dak.

Wanneer de regenvlagen druipen,

Een koele wind in hooge beuken ruischt. De krekel, die geen zorg wil dragen Voor winter, zingt uit ruigte en hagen, Totdat men wordt in zoeten slaap gesuisd.

Daar leit me' en ronkt en droomt in vreden, Niet als de vorst, die onverwacht Uit zijnen slaap springt en bij nacht Het klamme zweet vindt op zijn leden,

ocr page 193

177

Omdat hem docht, men stak hem naar het hart, Maar hoe het veld begint te gelen,

Hoe in het groen de geitjes spelen, Hoe Bloemerts fluit de nachtegalen tart.

De hofhond bast met zijnen makker.

Wanneer de huisman 's morgens vroeg Voor dag, met omgekeerden ploeg, Al zingend, trekkende ten akker.

Op zijnen guil *) voorbij de hoven rijdt;

Dan waakt me' en hoort de wakk'rc hanen, Die ons tot naarstigheid vermanen;

Gelukkig mensch, die zoo zijn jaren slijt!

Men opent vensteren en deuren,

Men ziet de starren dun gezaaid.

Men voelt, hoe 't westenwindje waait. Dat met een schat van versche geuren, Van vlierboom en violen, suikerzoet, Van wijnruit, thijm en hagerozen,

Die als een rood scharlaken blozen,

U in uw huis zoo liefelijk begroet.

Daar ziet men 't bloode haasje loopen.

Ginds zeilt de havik door de lucht, De klokhen raast en is beducht.

Dat hij haar koomt heur kiekens stroopen; De tortel kirt, de zwarte lijster fluit,

Men hoort langs 't veld de beesten loeien. Terwijl de dag begint te gloeien En langs hoe meer haar licht te spreiden uit.

Men ziet den hof met vruchten prijken; Men zaait of plant of ent den boom.

1) Paard.

duijser en van goor, Lett. Lecsb. i, 2e druk.

12

ocr page 194

178

Of kweelt een deuntjen aan den stroom: Zoo gaat de zomermiddag strijken,

Totdat de zon, in 't West aan 't ondergaan, De schaduw rekt langs beemd en heiden, En jaagt de beesten uit de weiden Ter kooie met hun uiers vol gelaan.

Bij winter, als de waatren sluiten,

Wanneer het snerpen van de vorst Het land met eene harde korst Bedekt, dan blijft men in der muiten '). De avond steekt heel vroeg zijn lampen aan. De deerne zit er bij te spinnen;

Men sluit den lauwen zomer binnen En laat gerust den winter buiten staan.

Dan groeit het roet in schoorsteenhoeken, Dan knapt de harde beukestam En roost de schenen met zijn vlam. Terwijl men gaat te gast in boeken; Men braadt in de asch kastanjen of vertelt Malkander sprookjes; zoo met vreden Verwacht men weer de zoetigheden. Der zomerzon, die koude bergsneeuw smelt.

Dit leven loofden alle wijzen.

Dit haagde Cats en Westerbaen, Die prijzen 't ons met verzen aan; Dit leven zal ik altijd prijzen.

O, dat het lot mij zulk een leven gaf!

Mijn zanglust zou veel schoonder bloeien En met den wilg aan 't beekje groeien; Gelijk een zwaan leide ik het leven af.

In de kooi, dus te huis.

ocr page 195

179

Gelukkig mensch, wien 't is gegeven,

Bij 't vreedzaam en onnoozel vee, Dat nooit noch kwaad noch onrecht deê, In 't veld zijn dagen af te leven. De bloemenkrans braveert de gouden kroon. Die 's konings zorg bij nacht doet waken; Geruster zit men onder daken Van riet gebouwd, dan op den hoogen troon.

ocr page 196

PIETER LANGENDIJK.

(1683—1756.)

UIT DEN „SPIEGEL DER VADERLANDSCHE KOOPLIEDEN.quot;

R ij m e r.

Wat dunkt u, heer Ernst? Mijnheer uw zoon tracteert ons cordaat.

Ernst.')

Dat is geen wonder, mijnheer; want hij is een man in staat.

R ij m e r.

Als men het doen kan, moet men op zijn jaardag zijne vrinden treffelijk onthalen.

Het geschiedt maar ééns in 't jaar.

Ernst.

Ja, maar hier geschieden meer zulke gastmalen.

Rijmer.

Ik beken, dat ik nooit in iemands huis zoo heerlijk ben getracteerd ;

Maar ik heb somtijds aan een rijk en deftig paar wel eens een bruiloftsvaars vereerd.

!) Ernst is een der ouderwetsclie kooplieden, wien de lichtzinnigheid en verkwisting der jongeren een doorn in 't oog is.

ocr page 197

181

Wanneer ik in gezelschap van verscheiden voorname poëten

In het Heerenlogement, in den Doelen prinselijk heb aangezeten.

Het spijt me, dat ik voor den heer Lichthart geen verjaardicht heb gemaakt.

Ik heb het wel begonnen; maar het is niet ten einde geraakt.

Ik wist het niet vroeg genoeg, en daarom heeft het niet willen lukken.

Schoon het vijgen na Paschen ') zijn, ik zal het nog doen en

• laten het drukken.

Ernst.

Mijnheer ik heb ook een vaarsje gemaakt; want ik weet ook iets van de poezij,

Als uw vaars gedrukt wordt, voeg er dan dit bij;

„Die boven zijnen staat zijn meerder wil onthalen,

Nooit op zijn zaken denkt, gedurig teert en smeert. Wordt wel van elk gevleid, zoo lang hij banketteert. Maar als hij machteloos zijn schuld niet kan betalen. Keert elk den rug hem toe, tot hij met schimp en smaad Op 't scheepje de Ikarus in 't eind om peper gaat1).

Rij mer,

Is dat uit den geest, papa? of heb je 't uit een boek geschreven?

Lichthart.

Ja, het is wel uit den geest: hij is in zulke schimpdichtjes bedreven,

R ij m e r.

Wel papa, gij steelt mijn hart. Zijt ge zulk een liefhebber van de poëzij?

Dan heb ik veel respect voor u: geloof me vrij.

1

) Naar Oost-Indië gaan, toen liet voorland voor allen, die niet oppasten.

ocr page 198

182

Ernst.

Ik pleeg wel eens een gedicht te maken op mijn maagschap en vrinden:

Maar ik heb somtijds een paar uren werk om het rijmwoord te vinden.

Ook heb ik eens in mijn jeugd in een kunstgenootschap geweest;

Maar ik moest het verlaten; want ik was niet verheven genoeg van geest.

Ik heb eens drie jaren aan een Fransch treurspel gerijmd, en als ik het zag gelukken,

Kon ik het niet gespeeld krijgen; eindelijk scheurde ik het aan stukken,

Omdat ik er een beter vertaling van zag. Mijn eigen vindingen waren ook onnut;

Want de beste stoften tot treur- en blijspelen waren uitgeput.

Ik heb gezien, dat ik wel twintig jaren te laat in de wereld ben gekomen.

Al wat fraai is, vond ik vertaald. En wordt er een nieuw stuk in 't Fransch vernomen.

Dan vallen er aanstonds een vijf, zes poëten te gelijk op, die de rijmkunst verstaan.

En eer een ander begonnen heeft, hebben zij altemaal al gedaan.

R ij m e r.

Het waar nutter, dat ze zelf een goed spel uit het hoofd konden maken.

Ernst.

Dan moest men de taal en de tooneelwetten verstaan en een geest hebben tot verhevene zaken.

Rijmer.

Daar zijn evenwel vaderlandsche spelen, waarmede de dichters lof hebben verdiend.

Ernst.

Dat beken ik; maar hun getal is zeer klein, mijn vriend.

ocr page 199

183

R ij m e r.

Wel, Hooft en Vondel dan?

Ernst.

Hunne spelen zijn heerlijk, zinrijk en verheven; Maar zij waren in dien tijd meer in de taal- en dichtkunst, dan in de tooneelwetten bedreven.

Rijmer.

Gij zijt een liefhebber, papa.

Ernst.

De schouwburg trekt al menigen schelling uit mijn zak. Rijmer.

Heer Lichthart, waarom neemt ge den ouden man niet altijd mee in den bak ')?

Lichthart.

Dat zou hij niet willen doen; want hij heeft eigenzinnige grillen.

Rij mer.

Zoo hij mijn vader ware, ik zou hem altijd mee hebben willen.

Ernst.

Neen, hij is zoo bekend onder de heeren en dames en rijksten van de stad.

Dat hij zich schamen zou, als ze wisten, dat hij mij tot een vader had.

Lichthart.

Zulke droge bokkens 2) moet ik den ganschen dag van hem verdragen.

Ernst.

Bezorg mij in 't Oudemannenhuis, dan zijt ge van mij ontslagen.

') Het parterre. 2) Hatelijkheden.

ocr page 200

184

R ij m e r.

Wat dunkt u van de spelers? Zijn ze wel zoo goed als in vroeger tijd?

Ernst.

Mijnheer, sommige zijn beter, andere wat minder; elk doet zijn vlijt.

Rijmer.

Ik moet u iets vragen. Dunkt u niet, dat de acteurs veel beter dan voor dezen spelen,

Sedert dat het hun vergund is, jaarlijks de vruchten van twee tooneelstukken te deelen?

Ernst,

Ja, dat heb ik wel opgemerkt; dat hebben de Heeren zeer wel bedacht.

Want door goede belooning wordt de schouwburg in staat gebracht.

Indien ze nog verder geliefden te gaan, en op die wijs de poëten te beloonen.

Dan zou men haast op den schouwburg nieuwe en fraaie stukken zien vertoonen.

En vele oude prullen zouden mettertijd raken aan een kant,

R ij m e r.

En waarin zou die belooning bestaan?

Ernst.

Gelijk in Frankrijk en in Engeland.

Als er een tooneelstuk van eigen vinding wordt vertoond binnen Londen,

Dan wordt er een spel voor den dichter gespeeld en de voordeden hem t'huis gezonden.

Dat wekt de geesten op en maakt de liefhebbers kloek.

Dan zouden er geen fraaie spelen half afgedaan blijven liggen in een hoek,

En men zou zien, dat onze natie ook bekwaam was om groote geesten aan te kweeken.

ocr page 201

185

Rijmer.

Onze poëten zouden veel te genereus wezen om van zulke dingen te spreken.

Ernst.

En waarom zijn er de grootste dichters in Frankrijk, en onder anderen Voltaire niet te genereus toe geweest,

Die duizenden ontvangen heeft voor de vruchten van zijn geest?

Is het geen schande voor de schilders, dat zij beloond worden, het is geen schande voor de poëten.

Want de dichtkunst en schilderkunst zijn zusters, gelijk wij weten.

Kwistgoed.

Mijnheer, uw discours is uit, merk ik, lust u een kopje thee ?

R ij m e r.

Als 't u gelieft, mejuffer; ik drink wel een kopje mee.

Maar zult gij de oude luiden ook niet een kopje presenteeren?

Kwistgoed.

Die zeggen, dat er de handen van beven; zij zouden 't niet begeeren.

R ij m e r.

Wel, madame, dat is excellente thee! zij is geurig en ze is als fluweel in den mond.

Kwistgoed.

Mijnheer, het is iets raars; ze kost mij honderd gulden het pond.

Ik heb er een katje ') van twee pond door een vriend van gekregen.

Hij heeft ze van een mandarijn van Canton, die hem zeer was genegen.

Men verzendt ze nooit; zij wordt alleen van den keizer van China en zijne vrouwen gebruikt.

') Een looden theedoos.

ocr page 202

186 Rijmer.

Wel, ik moet bekennen, dat ze door de heele kamer ruikt. Ik wist niet, dat er zulke thee was; ik heb ze nooit zoo gedronken.

Kwistgoed.

Zij wordt, gelijk ik gezegd heb, alleen aan het hof voor den keizer geschonken.

Ernst.

Wel, kind, als ik zulke dingen hoor, moet ik mij in mijn geest bedroeven.

Kwistgoed.

Wel, die twee schoteltjes met ortolans, die te middag op

tafel hebben gestaan,

Hebben mijn man zestig ducaten gekost, en die zijn altemaal opgegaan.

Ernst.

En wat is dat voor kost?

Kwistgoed.

Kleine Pransche vogeltjes, een zeer delicieus eten. Ernst.

Wel, heb je dan geen gebraden kikkerboutjes en champignons gegeten? ■

Dat is ook lekkere knap. Men doet toch alles op zijn Fransch.

Kwistgoed.

Neen, op zijn Engelsch ook.

Ernst.

Wel, dan is er dubble kans Voor alle soorten van naaisters, Engelsche en Fransche snidders. Gij gelijkt wel markiezinnen en uw mans milords of Engelsche ridders.

Wat heeft je dat speelreisje gekost naar 't land van Kleef?

ocr page 203

187

Kwistgoed.

Dat is je vergeten, papa. Meen je, dat het gezelschap daar bleef?

Neen, wij zijn naar Berlijn geweest, om daar de prachtige hofhouding te beschouwen.

Ernst.

Dat zal al een duitje gekost hebben aan twee lichtmissen van mans en twee dartele vrouwen.

Zoetj e.

Het is wonder, dat oom van onze amazoonskleedjes niet spreekt.

Ernst.

Wat zijn dat voor prullen? Ik geloof, dat gij er den gek mee steekt.

Gij hebt met u beiden zooveel galanterieën, doosjes, strikken en kwikken,

Dat men er op de kermis wel een dubbele kraam mee zou kunnen opschikken.

Zijt gij amazonen geworden? Ik weet wel van uw coque-luchons ').

Maar hoeveel geld dat ze gekost hebben, zult gij wel zwijgen aan ons.

Zoetje.

Omdat je van de kermis spreekt, zal ik je voorthelpen. Ik heb een waaier

En een tabatière, vrij wat kostelijker en fraaier

Dan er ooit op de kermis geweest is: heb je die wel gezien?

Ernst.

Ja, die kosten uw man wel twintig of dertig rijders misschien.

Maar wat komt het daarop aan? Hij heeft u dat tot een gedachtenis gegeven;

En dat zijn dingen, die men bewaren moet voor al zijn leven.

Maar ik heb geen behagen in uw kleeren, noch op zijn Engelsch, noch op zijn Fransch.

l) Kappen.

ocr page 204

188

Zoetj e.

Wel, zou ik dan een Spaansche huif dragen, als Dieuwertje in het spel van Jan Klaassen en Saartje Jansz.

Lichthart.

Papa, gij zit nu op uw praatstoel: zeg eens, hoe we behoorden te leven.

Ernst.

Ik heb nu een goede luim: dat zal ik je door een historie te kennen geven.

Mij is verhaald, dat er een deftig, aanzienlijk heer is geweest,

Die al zijn neven en nichten genood had te feest.

Zij kwamen met koets en paarden voor de deur: altemaal in prachtige kleederen.

Hij ontving ze minnelijk, en stelde ze op in de eetzaal in rijen en gelederen.

Als hij de dames een welkomkusje gegeven had, wierden ze elk naar rang aan de tafel gebracht,

Daar niets op stond. Als men eenigen tijd had gewacht.

Wierden er geen andere schotels opgedischt dan met gort, water en brij en boekende koeken.

De dames trokken de neuzen op en zeiden: „Heeft oom ons op zulken misselijken kost laten verzoeken?quot;

„Ja kinderen (sprak de tractant) door het eten van zulke spijs hebben onze voorouders hun rijkdom vergaard.

De zuinigheid en naarstigheid van de oude Hollanders was bij alle natiën vermaard.

Zoo is ons land opgekomen; zoo is het machtig geworden om zijn vijanden te overwinnen.quot;

„Wij gelooven u wel, oom (zeiden de juffers) maar die oude patriotten hadden ouderwetsche zinnen.

Dat is de mode niet meer.quot; — Ook was er niet één, die er een lepel vol van at.

Toen die spijs afgenomen was, wierd er niets opgedischt dan kalfs- en schapennat,

Snijboonen, worst, grauwe erwten, gebraden kalfsborsten en harsten;

ocr page 205

189

Sommigen peuzelden daar wat van; maar anderen schenen te vreezen, dat ze er aan zouden barsten.

„Ziedaar (sprak de oom) zoo hebben de families malkander in volgende tijden geregaleerd:

En toen zijn de kooplieden in ons land zelden achteruit geteerd.

Zij zonden meerder schepen in zee, dan nu; zij negotiëerden met winst op alle kusten.

Men bleef in staat om geheele vloten uit te rusten.

Wij wierden benijd en gevreesd, en om onzen handel bij alle volken geacht.quot;

„Dat gelooven wij wel, oom (sprak een van de nichten) maar wij hadden een ander tractement verwacht.quot;

Deze spijs mede afgenomen zijnde, zag men er faizanten, patrijzen en kostbaar wild verschijnen.

Piramiden met banket en confituren, Florentijnsche, Rinsche en andere keurlijke wijnen.

Fluks geraakte men aan 't eten en drinken, onder geluid van een heerlijk muzijk.

Waarop de heer tractant zeide; „Al zijn wij nog zoo machtig en rijk,

Door dezen weg worden vele inwoners van ons land buiten staat om hun rekening te kunnen maken;

En zoo kon ons vaderland, hoe machtig het is, arm en geheel te gronde geraken.quot;

Zij bedankten den oom wel voor zijn les; maar of zij die opgevolgd hebben, weet ik niet.

Lichthart.

Dat sprookje heeft groote papa honderdmaal verteld; maar ik twijfel, of het wel ooit zoo is geschied.

Hij verhaalt ook wel, dat burgemeesters, als er staatszaken waren te verhandelen.

Met knapzakken onder den arm op holsblokken naar den Haag gingen wandelen.

En meer dergelijke historiën, daar men hedendaags mee spot.

Zoo ze gebeurd zijn, was het in de tijden van Maarten van Rossum of Warenar met de pot.

ocr page 206

190

R ij m e r.

Mijn lieve man, men heeft ook al overdadig geleefd in de oude dagen.

Dat ziet men in de Doelens wel aan die oude patriotten met hunne beffen en kragen.

Hoe smakelijk eten en drinken ze! Hoe gloeien hunne troniën van den Rinschen wijn!

Ernst.

Dat was, als ze de schutters tracteerden, dat moest dan zoo zijn.

Rij mer.

Als men de oude kluchten leest van dien tijd, zijn ze niet zoo schandaleus en vuil geschreven.

Dat men ze nu niet zou spelen, zoo ze aan den schouwburg werden gegeven?

Ernst.

Ik geef maar te kennen, dat men in 't algemeen zuiniger heeft geleefd.

Zonden en gebreken waren er al van ouds, 't welk in ons verschil neemt noch geeft.

De mans snoven er beter op uit, om wat te sparen en te winnen.

De vrouwen zaten met de meiden voor 't huishouden een webbetje te spinnen.

Zoetje.

Wel, dat is een exercitie, daar men schatten mee wint.

't Is jammer, dat men onder de dames zoo weinig hefhebberij daarin vindt.

Kwistgoed.

Zoetje, willen wij die mode eens invoeren op de Amster-damsche saletten?

Men zou er, in plaats van speeltafeltjes wel een vijf en twintig spinnewielen kunnen zetten.

ocr page 207

191

Rijmer.

Als men altijd op de spaarzaamheid zou studeeren, mijn lieve vriend,

Dan hadden de meeste kunsten en ambachten immers uitgediend.

Banketbakkers, koks, Fransche kramers, zijde- en lakenwinkeliers mochten wel opkramen,

En vooral de galanteriewinkels, als er geen koopers kwamen.

Indien er geen prachtige huizen getimmerd wierden, hoe kwamen de timmerlieden en metselaars aan den kost?

En zooveel zadelmakers en wagenmakers, als er niet wierd gereden en gerost?

Ernst.

Dat luiden van vermogen, die hunne inkomsten niet halt kunnen verteren.

Huizen en hofsteden bouwen en in koetsen rijden, daar moet hen de heele wereld om eeren

Dat zijn luiden van de eerste klasse, maar als burgers dat na willen doen.

Dan moeten ze te gronde gaan, en ze verliezen al hun fatsoen.

ocr page 208

JUSTUS VAN EFFEN.

(1684—1735.)

UIT DEN „HOLLANDSCHEN SPECTATOR.quot;

LXVIII VERTOOG.

(Den 30 Juni 1732.)

EEN HOLLANDSCH VERJAARFEEST UIT DEN BURGERSTAND.

Onlangs ben ik verzocht geweest bij fatsoenlijke burgers, om deel te nemen aan het vieren van des huisvaders verjaarfeest. Ik moet zeggen, dat ik er met zoo eene hartelijke vriendelijkheid onthaald werd, dat zulks mij bevestigde in mijn gevoelen, wegens 't behagen, hetwelk een hefhebber van geoorloofd en redelijk vermaak in den omgang met lieden van een middelbaren staat, meer als in de samenleving met anderen noodzakelijk vinden moet.

Indien mijn vergenoeging door eenige ongerijmdheden nu en dan werd gestoord, die onaangenaamheid kon niet aan mijne beleefde onthalers maar wel aan sommige dwaze en ingewortelde gewoonten en lompe mistastingen betreffende de ware beleefdheid geweten worden. Wanneer ik in de eetzaal trad en mijne oogen op de tafel sloeg, vind ik dezelve zoo bezet en overladen met schotels en dicht aaneengedrongen assietten, dat er nauwelijks plaats voor de borden overbleef; en ik wil gaarne bekennen, dat door het gezicht van den

ocr page 209

193

overvloed van spijzen mijn etenslust eer verflauwde dan opgewekt werd. Maar wat was er een werk, wat onderlinge tegensparteling, eer ieder aan tafel was gezeten! Wat al complimenten, zoo zot als onnoodig, werden er den hals gebroken over den rang der plaatsen, dewijl het scheen, dat ieder een absoluut besluit had genomen, van 't hooger einde der tafel liever ledig te laten, als zelf te bekleeden. Wanneer echter 't eene schaap over den dam was, volgden de andere met wat meer gemak en spoedigheid, en ik zag eindelijk tot mijne groote verlichting man en vrouw te allen zijden naast den andere gezeten, gelijk ook de jonge luiden van beide seksen, die ondersteld werden van malkander niet afkeerig te zijn, mede waren bijeengeschikt. Tot nog toe was ik blijven staan, niettegenstaande de herhaalde noodigingen, om toch mijne plaats te nemen; doch ook wellevend op mijne manier zijnde, had ik zulks met een: Mijnheer, uw onderdanige dienaar geweigerd, uit reden, dat ik onbeleefd oordeelde, te gaan zitten, terwijl twee jonge juffertjes, beide nichten van de familie en die omtrent van dezelfde jaren schenen, als verplicht de eer van 't huis te helpen ophouden, nog op de been waren. Onderwijlen had de spijs al den noodigen tijd gehad, om koud te worden en een goed gedeelte van hare smakélijkheid te verliezen. Ik hoopte echter, dat het nu met de plichtplegingen wel haast zoude gedaan wezen, doch hierin bedroog ik mij leelijk. Die twee zoete nichten, willende op haar beurt aan 't gezelschap de vruchten van eene goede opvoeding toonen, begonnen met een grooten iever aan het complimenteeren te vallen. „Nu Nichtje, ga toch door, dat bid ik u; hier is immers uwe plaats, Nichtje?quot; — „Maar heden, Nichtje, ik weet immers wel beter; ik verzoek je. Nichtje, ga jij daar zitten, je bent er het dichtste bij, wat hoeven we zooveel commotie te maken?quot; — „Maar neen. Nichtje, ik zou het zeker niet doen, ik hoop, datje me voor zoo onbeleefd niet verslijt.quot; — „Maar heden. Nichtje, nu toch niet, ik zal 't absoluut niet doen, hoe kan je ook nu zoo wonder wezen; als 't er al op aankomt, Nichtje is immers de oudste.quot; Dat laatste woord had klem; het wellevend duijser en van goor, Letterk. leesb. i, 2e druk. 13

ocr page 210

194

geschil, dat op 't laatst al eenigszins naar kijverij begon te zweemen, hield op. „Als 't dan zoo wezen moet en zoo wezen zal, 't is wel dan,quot; zei 't oudste Nichtje met een misnoegd gelaat, alsof haar groot ongelijk geschiedde, en daarop ging zij zitten, gelijk de andere, die mogelijk tegen wil en dank den strijd gewonnen had, mede deed, en eindelijk afgemat door al die aangename disputen, viel ik neder op een stoel, die naast den haren was, met een wel gegronde hoop, gelijk ik meende, van aan 't eten te raken. Maar daarin rekende ik mede buiten den waard. Nauwelijks had ik iets in den mond gestoken, of ik werd van een mijner buren gewaarschuwd, dat mijn juffrouwtje niets op haar bord had. Hierop herinnerde ik mij zekere grondregels van de burgerlijke wellevendheid, die de Mans verplichten de Vrouwen, bij hen gezeten, op te passen en voor te dienen, alsof ze geen handen hadden. Bij geluk was het kind niet groot van eten en viel vrij wat weigerachtig, waardoor ik nu en dan tijd had van mij zelf ook wat te bezorgen. Ondertusschen zou ik wel een glas wijn geëischt hebben, maar ik zag, dat niemand zulks onderstond, en daaruit begreep ik, dat de beschaafdheid van de gasten vorderde, niet te drinken, voordat het den heer van het huis behaagde dorst te hebben. Dit gelukkig oogenblik kwam eindelijk en dewijl 't eerste glas een glaasje van wel-lekomst was, was 't zoodra niet ingeschonken, of 't was geledigd, dewijl het waterzootje, daar ih 't begin wel 't meest van gepeuzeld werd, op een pintje gezouten was') en, gelijk men zegt, een recht haakje was om een kannetje aan te hangen. Maar het tweede, dat gevuld werd, ging op verre na zoo gemakkelijk niet door. Daar ontstond in 't gezelschap een algemeene twist, of de gezondheid van de vrouw van 't huis of wel van eene andere bedaagde Juffer zou gedronken worden. Hierop verdeelde men zich in twee partijen, die ieder haar stuk op 't hevigst staande hielden, men zocht zelfs malkander te overschreeuwen. Eindelijk behaalde 't statig gezag van den onthaler de zege en de oude Juffer moest het

ocr page 211

195

hachje laten glijden en toelaten, dat haar gezondheid de voorrang had, schoon ze wel tienmaal herhaalde, dat 2'er tegen protesteerde, en men besloot genoegzaam met eenparigheid van stemmen, dat in den rang van vrouwen en mans de gezondheid van den heer en vrouw van 't huis 't hek zouden sluiten. Aldus raakte 't tweede glaasje, dat reeds vrij verschaald was en zijne aangename koelheid had verloren, eindelijk en ten laatste binnen. Diergelijke twist rees weder op nieuw, zoo dikwijls als er een nieuwe gezondheid werd ingesteld, vermits ieder die eer met schijn van den uitersten ernst altijd op een ander wou verschuiven. Bij geluk waren het meest allen luiden van een gelijken staat en derhalve was het onderzoek, wie de oudste en wie getrouwd of ongetrouwd was, een genoegzaam middel om in ieder bijzonder geval een voldoenend vonnis te strijken. De ronde met groote tusschenspatiën en een verdoovend geschreeuw eindelijk volbracht zijnde, moesten er de mans aan gelooven en hoewel het hier mee aan protestatiën niet mankeerde, moet ik echter zeggen, dat het zich wat beter vleide en veel gemakkelijker afliep. Wanneer echter de Heer van 't huis zijn beurt zoude hebben, raakte het gezelschap in een nieuwe tweespalt, dewijl de een staande hield, dat hij, dewijl hij het onderwerp van de tegenwoordige verlustiging was, met het drinken van een onderscheiden glas behoorde vereerd te worden, en anderen beweerden, dat zulks nog niet te pas kwam en in 't bijzonder en met groote plechtigheid daarna moest geschieden. Deze dreven het door met een ongelijke meerderheid van stemmen en aldus raakte men ten einde de particuliere gezondheden; 't nagerecht werd met eene sierlijke flankeering opgezet. Door deze aangename en door mij lang verwachte verandering van het tooneel werd ik niet weinig verlicht en verheugd. Terwijl men bezig was met het eten af te nemen, was het, of ieder schotel niet van de tafel, maar van mijn schouders, waar aan ze tot een ondragelijken last gestrekt hadden, werden afgelicht. Nooit heeft een uitgehongerd mensch met een gevoeliger genoegen goede spijs zien te voorschijn komen, als ik deze zag vertrekken. Al hadde ik al de reven uitge-

13*

ocr page 212

196

bonden van eene maag gelijk die van Aamoud van Overbeek, gulziger gedachtenis, het zoude mij nog onmogelijk zijn geweest al de spijs te laden, die mij op ieder oogenblik met een gestadig verwijt wegens mijne soberheid en met dringende en onophoudelijke noodigingen toch iets te nuttigen werd aangeboden. „Ei ik bid u. Mijnheer, bied den mond toch wat, men is immers aan tafel om. te eten. Kom, laat ik u een weinigje van dat pastijtje geven; ik verzeker u, dat het zoo kwaad niet en is. Of wil Mijnheer liever gediend wezen van een ribbetje van dit lamskwartiertje? 't Is zeker ook puur, of je onze geringe portie versmaadt. Men weet wel, dat Mijnheer beter gewend is, doch ik wil nochtans hopen, dat er ten minste iets van uw smaak op tafel zal wezen.quot; Alle deze lastige gedienstigheden moest ik zonder ophouden beantwoorden met diepe buigingen en met verzekeringen, dat alles wonder naar mijn smaak was, en aldus was er niets, dat mij meer stoorde in mijn eten, als de aansporingen zelve, die, door mij opgevolgd, mij tot barstens toe zouden opgevuld hebben. Ik wist, dat ik diergelijke verdrietige complimenten, wat het dessert aangaat, zoo zeer niet zou te vreezen hebben, dewijl de voornaamste stukken van hetzelve in diergelijke huizen gemeenlijk 's avonds met de koude bouten weder worden opgezet. Toen was het de rechte tijd om met een gedistin-gueerd glas den hospes heil en zegen in zijn nieuw begonnen jaar toe te wenschen. Bij geluk was ik de eerste, die om 't waarnemen van den plicht dacht en een bokaaltje hebbende geëischt, kweet ik mij van dezelve in weinig woorden en met de uiterste eenvoudigheid. Ik twijfel niet, of mijn mager compliment moet met veel verachting aangehoord zijn geweest, dewijl diegenen, die mij volgden, aan hunne bestudeerde en uitgerekte zegenwenschen wel andere sierlijke krullen en draaien gaven. Daar waren er onder, die half zoo lang waren als Engelsche predicatiën en treffelijk gestoffeerd met verscheidene teksten uit de Heilige Schriftuur. Om het spel te volmaken, kwamen er ook twee of drie verjaardichtjes voor den dag, die hoéwei van de ellendigste lamheid, echter bij diegenen, die de poëzie even zoo weinig verstonden als

ocr page 213

197

de maker, den roem wegdroegen, dat ze recht zoet waren en zelfs van sommigen tot den hemel toe verheven werden. Gelijk toch alle de wereldsche zaken een einde hebben, zoo eindigde deze lastige ceremonie mede, en zulks scheen de algemeene vreugde van 't gezelschap een nieuw leven bij te zetten. Do kelen waren ondertusschen droog geworden; doch daar werd wel haast raad in geschaft. Een ander bokaaltje kwam voor den dag, uit hetwelk de gezondheid van alle de gasten in dezelfde orde als voorheen werd gedronken, doch bij paren, ieder man met zijn vrouw en de jongelieden, zooals ze bij malkander gezeten waren, 't Is niet uit te spreken, met wat nauwkeurigheid opgepast werd, dat den een niet minder in zijn glas werd geschonken dan den andere; 't mocht geen stroobreed schelen. Geen protestatiën van verkoudheid, zwakke maag en versche herstelling uit de eene of andere onpasselijkheid konden hier baten. Zoo iemand verzocht zijn wijn met wat water te mogen lengen, 't werd hem afgeslagen, alsof hij aan den onbetamelijksten eisch des aardbodems zich had schuldig gemaakt, en alsof al de Amsterdamsche regenbakken op nieuws waren uitgedroogd. Men zou gezworen hebben, dat die zoo eene ongerijmde zaak durfde voorstellen, voorgenomen had dengene, wiens gezondheid was ingesteld te beleedigen en voor eeuwig van zijne eer en reputatie te berooven. Hoewel de vrouwtjes met meer zachtheid werden behandeld en met half gevulde glaasjes konden bestaan, zoo moesten ze niet malkander betrappen op 't minste slnikerijtje en diegene, die 't eerst aan de conditie had voldaan, droeg wel zorg, dat ze op denzelfden voet, op welken zij voor was gegaan, stiptelijk gevolgd werd. 't Werd eindelijk tijd van den maaltijd te eindigen, waarop de dames wel 't ernstigste aandrongen, doch daar kon niet in getreden worden, voordat er eerst een glaasje van vriendschap in 't rond was gedronken, 't welk, 't zij men op- of nedersprong, nog moest gevolgd worden van een glaasje van innige vriendschap, en dat weder van een ander van de alderinnigste vriendschap.

Eindelijk zetten al de aangezichten zich schielijk in eene ernstige plooi, en de maaltijd werd besloten met een dank-

ocr page 214

198

zegging, zoolang als 't gebed, waarmede dezelve begonnen was en die ten minste vijf a zes minuten duurde, vermits ieder zich een eer scheen te maken van niet spoediger gedaan te hebben als een ander. Ik dachte ten minste toen met grond mij te kunnen vleien van uit de kamer te raken, maar ik vond een dwarspaal in mijn weg, die eerst moest vermeesterd worden, en niettegenstaande al mijn tegenspartelingen, werd ik zoowel als de anderen verplicht, nog een glaasje na de gratie te ledigen. Hierop werd het gezelschap in twee partijen gesplitst: de vrouwtjes marcheerden af om een kopje thee te drinken en de mans, na een luchtje genomen te hebben, traden in een klein vertrek, alwaar ze mol'), wijn, pijpen, tabak en al hetgeen tot gemakkelijk en zindelijk te rooken vereischt wordt, vonden. Ik werd wel haast gemist, dewijl ik na even in dit kamertje getreden te hebben, ter sluips de Vrouwen gevolgd had, en ik zou zekerlijk met geweld daar vandaan gesleept zijn geweest, had ik niet op 't ernstigste betuigd, dat het mij onmogelijk was den tabaksrook te verdragen. Doch zonder de protectie van de vrouw van 't huis zou mij die verschooning weinig geholpen hebben. Ik dronk dan een theetje en speelde een kaartje met de juffers, totdat ons aangezegd werd, dat het avondmaal gereed was. Hier waren de ceremoniën min menigvuldig en lastig, dewijl ieder zijn oude plaats bekleedde en de conditiën der vorige orde volgden. Daarbij was de conversatie levendiger, schoon vrij wel onbesuisd, en men zoende lustig aan beide de kanten, 't geen mij niet kwalijk aanstond volgens het bekende spreekwoord, dat mule voerluiden nog graag het klappen van de zweep hoeren.

CLXXXI. VERTOOG.

(Den 20 Juli 1733.)

KLEINE OXEEELIJKHEDEN.

Ik heb een buurman gehad, die bij de geheele wereld en voornamelijk bij zich zeiven voor een zeer hupsch en degelijk

v) Eene soort van bier.

ocr page 215

199

mensch te boek stond, omdat hij noch bij anderen, noch bij zich zei ven wel bekend was. Niet dat ik zeggen wil, dat hij zich aan groote en aanstootelijke ongeregeldheden schuldig maakte, noch kwade hebbelijkheden, met welke de deugd onbestaanlijk is, in zijn boezem voedde, 't Was zelfs een man, die onder de fijnen kon gerekend worden; hij verstond, zonder de oorspronkelijke waarheid der religie ooit in den grond onderzocht te hebben, den gemeenen slender van de godgeleerdheid. Deze gezel, die, schoon maar een timmermansknecht, de leerstukken van onzen Godsdienst op zijn duimpje had en achter den anderen wist op te zeggen, hoe veel en welke tegenwerpingen tegen ieder derzelve van partijen worden bijgebracht, en door hoe vele oplossingen die zwarigheden door onze theologanten worden ontzenuwd, had met zooveel verachting van de heidensche zedelessen hooren spreken, dat, uitgezonderd grove en hatelijke misdaden, welker bloote naam in ieders ziel verfoeiing wekt, hij de minste gedachten niet had laten gaan omtrent de natuur en de scheidspalen van 't zedelijk goed en kwaad.

Op een zekeren tijd kwam hij mij eenige abrikozen en perziken aanbieden, de schoonste, die ik 't gansche jaar gezien had. Wanneer ik hem gevraagd had, hoe hij toch aan die keurige vruchten was gekomen, antwoordde hij mij zonder de minste verlegenheid of schaamte aldus: „Je weet, mijnheer, dat de heer * **, mijn naaste buurman, het huis, daar hij nog eenige maanden huur aan had, ledig heeft gelaten , om in eene andere stad te gaan wonen, zonder naar hetzelve meer uit te zien. Nu weet je, dat zijn tuin, die met de beste vruchten rijkelijk voorzien is, maar door een lagen muur van mijn erfje gescheiden is, zoodat ik gemakkelijk uit mijn venster gezien heb, dat alles van de boomen afvalt of op dezelve verrot en verdroogt, 't welk mij heeft doen resolveer en, om over den muur te klimmen, opdat ten minste iemand er eenig nut van hebbe.quot;

Zoodra had ik zulks niet gehoord, of ik nam met een statig gelaat het schotelje met dit treffelijk ooft van de tafel en verzocht hem hetzelve weder naaf zich te nemen, vermits

ocr page 216

200

ik 't minste gebruik niet meende te maken van iets, dat hij mij met recht niet kon geven, dewijl hij er den minsten eigendom niet aan had. Hij stond op deze rede verslagen, alsóf hij door een donderslag was getroffen geweest. „Maar, mijnheer, mijnheer,quot; sprak hij eindelijk, „nu zijt gij evenwel al te nauwgezet. Immers is het beter, dat wij die vruchten, die als verlaten schijnen, tot onze verkwikking aanwenden, als dat ze zonder iemands nut verderven. Wat ongelijk doe ik hiermee aan den heer of aan iemand ter wereld? Ik doe zelfs wel naar mijn oordeel, dat ik die milde giften van den Hemel niet te loor laat gaan.quot;

„Hoor, mijn buurman,quot; antwoordde ik op de schijnreden, „ik zie duidelijk, dat gij in dit stuk uit pure onwetendheid hebt gezondigd en geenszins met een kwaad opzet. Doch dewijl gij behoort te weten, dat niets een Christen zoo betamelijk en zelfs zoo noodzakelijk is, als een aandachtig en nauwkeurig onderzoek van alle zijne plichten, hoop ik, dat gij niet kwalijk nemen zult, dat ik u een net denkbeeld geét van het onwettig bedrijf, waaraan gij u hebt schuldig gemaakt. Ik beken, dat onze buurman, indien hij waarlijk voorgenomen heeft naar zijn huis en tuin niet meer uit te zien, niet wijselijk gehandeld heeft, met zijne vruchten aan 't verderf over te geven, en dat hij eene verstandige goedaardigheid zoude in 't werk gesteld hebben, indien hij aan vrienden of aan bescheiden buren den toegang van zijnen vruchtbaren tuin verleend had. Doch door die verwaarloozing verliest hij in geenerlei wijze den eigendom van zijne vruchten, en neem zelfs, dat hij, tegenwoordig zijnde, goed had gevonden dezelve aan de beesten te geven of in 't water te werpen, hij was er meester van, en hij zou noch aan u, noch zelfs aan den wereldlijken rechter, maar aan God alleen daarvan rekenschap hebben moeten geven. Ik zal u niet vragen, wat zekerheid gij kunt hebben, dat misschien de eigenaar, zich beter bedacht hebbende, niet huiden of morgen iemand van zijnentwege zal doen komen, om de verwaarloosde vruchten te plukken. Dit zijn zaken, daar een eerlijk man niet mede te doen heeft, vermits hem alleen staat te

ocr page 217

201

onderzoeken, wat hij volgens de strikte rechtvaardigheid doen en laten moet. Ik zal u maar vragen, wat mogelijk recht van eigendom gij u zeiven op zijn ooft kunt toeschrijven. Hebt gij iets tot het betalen van de huishuur toegebracht? Heeft de huisheer toegestaan, dat gij over zijn fruit zoudt dispo-neeren? Heeft hij ronduit verklaard, dat het tot den dienst zou zijn van dien, die de eerste er zich meester van zou maken? Op wat bedenkelijke wijs komt het derhalve uw goed te wezen? „Het zou toch bederven,quot; zegt gij, „en 't is zonde, dat iets nuts te loor ga;quot; maar dat zijn noch uwe affaires, noch de mijne. De eigenaar, en niet wij, zal zulks moeten verantwoorden. Om rechtuit te spreken, de manier, op welke gij uwe handen aan dit gewas geslagen hebt, is niets anders, als een ware diefstal.quot;

„Een diefstal!quot; riep de man uit, in mijne rede vallende, „dat gaat vrij ver, zoodat ik dan als een dief bij u te boek sta.quot;

„Neen, mijn goede buurman,quot; hervatte ik, „dewijl gij die onrechtvaardigheid, zonder opzet van een ander van het zijne te berooven, gepleegd hebt, zal ik mij wel wachten u zoo een hatelijken naam te geven; doch uwe goede intentie verandert de natuur van de zaak niet. De daad is en blijft een wezenlijke diefstal, dewijl dezelve bestaat in zich niet alleen eens anders goed, maar zelfs het bloot gebruik van eens anders goed zonder formeele toestemming van den meester toe te eigenen, en dit is immers duidelijk het tegenwoordige geval, dat nog door eene zeer gewichtige omstandigheid verergerd wordt. Het zoude zekerlijk een diefstal wezen, indien de tuin van uw erf maar was afgezonderd door een ondichte hegge, daar gemakkelijk was door te kruipen, of door een sloot, daar licht was over te stappen; maar nu hebt gij de gemeene veiligheid geschonden met het beklimmen van eens anders muur, 't geen, volgens de strengheid der wetten, wanneer billijke rechters de onschuldigheid van 't oogmerk niet tot eene verschooning aannemen, met eene publieke en schandelijke kastijding kan gestraft worden.quot;

Deze redenen, hoe onwederleglijk, hadden moeite om door de overrede ziel in Pieterbuurs boezem te dringen, omdat de

ocr page 218

202

perziken zoo hij uitstek goed waren, ten minste toonde hij mij niet duisterlijk, dat het hem speet, door mij daaromtrent verlicht te zijn en daardoor de vrijheid te verliezen, van lekkertjes met zijne vrouw en kinderen van dat smakelijk ooft te smullen. Dat soort van liefde voor een onkunde, die den mensch kwanswijs toelaat te zondigen zonder kwetsing van 't geweten, heb ik in wel wijzer luiden bespeurd en zal ook in eene andere gelegenheid de verdiende roe niet ontgaan.

Met denzelfden buurman, die vriendhoudende en gedienstig is, heb ik eens een ander geschilletje gehad bij occasie van een zeker gering karreweitje, zooals die menschen spreken, dat hij t'mijnent gedaan had. Wanneer ik hem betaald had voor zijnen arbeid, vroeg ik hem, hoeveel ik moest geven voor 't gebruikte hout. „Och, niets ter wereld, mijnheer,'' sprak hij, „dat komt tusschen buren zoo nauw niet, en 't heeft mij geen duit gekost.quot; — „Gij hebt het dan van den baas vereerd gekregen?quot; hernam ik. „Dat juist niet,quot; was zijn antwoord. „Maar we gaan zelden naar huis, dat we niet 't een of 't ander stukje hout, dat nergens veel toe dienen kan, meebrengen; en om u de waarheid te zeggen, wij hebben doorgaans ten naasten bij vrij brand.quot; — „Wel, dat is al een zoetigheid, buurman,quot; hervatte ik, „maar neem niet kwalijk, dat ik u zeggen durf, dat je bijkans met mij handelt, als St.-Krispijn met de armen, die 't leer stal en de schoenen om Godswil gaf.quot; — „Zoo heb ik het hier al weer verknoeid,quot; sprak Pieterbuur met een waanwijzen grimlach. „Van den zomer heb je me belet, perziken te eten, en nu wil je niet hebben, dat ik me 's winters warm. Je hebt misselijke gevoelens, mijnheer, en 't is, of je er vermaak in vindt, anders te denken, als alle de andere menschen. Wel, zoo dat bij u stelen biet, zoo zijn dan al mijne makkers dieven, zoo menige als er zijn; en waarom zou ik, meer als een ander, zoo een vervalletje verzuimen. Daarbij zijn 't maar kleinigheden, die niet waard zijn, dat m'er van spreekt, en die onze bazen in 't minst niet deren kunnen, hoewel 't voor ons zoete buitenkansjes zijn.quot; — „Daar twijfel ik niet aan, buurman,quot; hernam ik, „maar zeg me eens evenwel, of je

ocr page 219

203

wel gaarn zoudt hebben, dat je meester u ontmoette, wanneer je bezig bent met u van zoo een buitenkansje te bedienen?quot; — „Om mijnheer de waarheid te zeggenantwoordde hij, „ik geloof, dat het den baas gansch niet zou aanstaan, en zelfs, dat hij het heel kwalijk zou nemen; maar daar heeft hij zekerlijk ongelijk in; want hij is ook in zijn jeugd knecht geweest, en toen was hij er ruim zoo gauw bij, als de beste.1'

Duizenden onrechtvaardigheden, die aan eene onpartijdige aandacht zich, gelijk ze in haar natuur zijn, opdoen, worden met dezelfde dwaze redenen, die men met een onbesuisd vertrouwen, als onoverwinnelijk voor den dag brengt, verschoond. „'t Zijn maar kleinighedenquot; en „ieder doet het zoowel als ik.quot; De dwaasheid van de eerste van deze verschooningen en hare gevaarlijkheid meene ik met alle de nauwkeurigheid, die in mijn vermogen is, in 't volgende vertoog in een helder licht te plaatsen. Doch de ongerijmdheid van de tweede zal mij nutte aanmerkingen genoeg verschaffen, om 't overige van dit papier te vervullen.

Hoe kan er iets kinderachtigers uitgedacht worden, als dat eene misdaad van aard verandert door menigvuldigheid dergenen, die er zich aan schuldig maken? En nochtans vindt men geen gemeener bewimpelinge van allerlei slag van onordentelijkheden. Betrapt men iemand op een leugen, in plaats van over zoo eene vuile cn onedele daad schaamrood te worden, zal hij met eene assurante tronie zeggen, dat aan een leugentje zooveel niet verbeurd is, en hij zal zelfs de Heilige Schrift aanhalen, die zegt, dat alle menschen leugenaars zijn, even alsof men in conscientie verplicht was, nu en dan de waarheid te beleedigen, om Gods woord niet leugenachtig te maken, 't Geen aanmerkenswaardig is: alle verscheiden neringen en hanteeringen hebben hare particuliere onwettelijkheden, die ze zich kwijt schelden, omdat dezelve met de heele menigte van hunne makkers hun gemeen zijn. Een koopman, in alle andere opzichten onbekwaam, wie het ook zij, te bedriegen, sluikt zonder de minste knaging des gemoeds, en waarom niet? De eerlijkste koopheden maken van 't sluiken de minste zwarigheid niet, en om wat reden

ocr page 220

204

zou hij zoo wel dat profijtje niet naar hem nemen, als een ander? De huisboden, die zouden durven zweren, dat ze hun volk eerlijk en trouw dienen, schijnen met malkander in een gespannen breeden raad besloten te hebben, dat hunnen meesters thee, koffie, suiker, wijn enz. te ontvreemden uit de lijst der dieverijen moet uitgeschrapt worden. Hoewel deze deftige resolutie door de heeren en vrouwen niet onderteekend is, gaat dezelve nochtans door als een stalen wet. 't Geen koddig is: een meid of knecht, die in een bed een stuiver en zelfs een duit gevonden heeft, zal dezelve den eigenaar weder ter hand stellen, en een oogenblik daarna, zonder zich des in 't geringste bezwaard te vinden, den wijnkelder of de theebus aanspreken en hun volk twintig maal zoo veel schade toebrengen. Ja zelfs, als ze maar zorg dragen, dat ze 't wat schaplijkjes maken, denken ze, dat men hun nog dankbaarheid verschuldigd is. Althans kan het geen zonde zijn; want alle de boden doen 't zelfde, en, dat meer is, cathechisanten van beide de seksen, die zelden iemand gaan bezoeken, of ze ontdragen hunnen meesters 't een of ander, dat voor de broeders en zusters verkwikkelijk kan zijn. Ik heb gansch devote huishoudens gekend, die, zoodra ze maar vier of vijf fijne domestieken aan hun snoer hadden, zich behouden kosten rekenen en van 't voorrecht, dat de boden zich aanmatigen, om 't geen in huns meesters huizen eet- en drinkbaar is, zich toe te eigenen, niet alleen een noodzakelijken, maar ook een aangenamen voorraad 't ganschc jaar door erlangden.

CCXLVIII. VERTOOG.

(Den 12 Maart 1734.)

AANMATIGING VAN DIENSTBODEN.

Mijnheer de Spectator,

In de voorleden maand, ging ik eene eerwaardige matrone bezoeken, met wier oudsten zoon ik lange jaren in eene recht broederlijke vriendschap heb geleefd. Dewijl ik aan haar huis

ocr page 221

205

door eene gemeenzame verkeering zoo vrij geworden ben, dat ik mijne visites meest doe, zonder vooraf belet te laten vragen, was ik in 't begin verwonderd, dat de knecht, die de deur opende, mijn naam vroeg en mij verzocht in de zijkamer te treden, tot hij mij had gaan aandienen; maar toen ik hem wat nader beschouwde, wierd ik gewaar, dat hij een nieuweling en ik hem bijgevolg nog onbekend was. Mijn heusche vriendin had nauwelijks mijn stem gehoord, of ze kwam zelf voor en geleidde mij met haar gewoonlijke beleefdheid in het dagelijksch vertrek, daar de theetafel reeds vaardig stond.

„Wel mijnheer,quot; sprak ze op een gulhartigen toon, zoo haast wij gezeten waren, „het is mij hef, dat men u eens mag zien. Gij wordt zoo zeldzaam als een witte raaf, en ik heb al gedacht, dat gij geen zin meer hadt in oude-wijvenpraat; want het is ten minste een vierendeel jaars geleden, dat gij uw voet over mijn drempel niet gezet hebt, en 't is dus uw eigen schuld, dat mijn volk u als een vreemde behandelt en niet direct naar achteren brengt, gelijk ik eens voor al heb bevolen.quot;

Ik verschoonde mij met eene kleine onpaslijkheid, die mij het huis had doen houden, en voegde daar bij, dat mij haar knecht niet anders dan als een vreemde kon ontvangen, dewijl het de eerste reize van zijn leven was, dat hij mij inliet. En na eenige andere discoursen, vroeg ik, waarom zij Jan, die haar zoo lang gediend had, dus buiten tijds had laten gaan.

Zij antwoordde: „Schoon ik van geen verandering houd en gewoon ben veel in te schikken, heeft hij het echter zoo bont gemaakt, dat ik hem onverwacht zijn paspoort heb moeten schrijven. Voor een week of twee zeide hij mij: „Mevrouw moet niet kwalijk nemen, dat ik haar zoo laat waarschuw. Tegen November ben ik van gedachten te verhuizen. Ik win hier maar veertig guldens en heb dit jaar zoo weinig verval gehad, dat ik er pas zes halve hemden voor heb kunnen koopen. Sedert dat de oudste heer gestorven, de jongste op de academie en onze juffrouw getrouwd is, noodt mevrouw geen gasten, en het gezelschap, dat mevrouw krijgt, doet mijn beurs niet veel voordeel; want daar wordt zelden of

ocr page 222

206

nooit gespeeld.quot; Ik repliceerde, dat hij wel wist, dat ik hem op het verval niet gehuurd had, en dat, zulks een toegift zijnde, hij met reden daarover niet kon klagen, dat ik hem echter tegen zijn zin niet begeerde te houden, maar vrijheid gaf naar een dienst te zoeken, daar hij wat meerder buitenkansen en profijten kreeg; doch dat ik nu bemerkte, dat hij een ondankbaar schepsel en niet gedachtig was aan al de voordeelen, die hij bij mij had genoten, onder welke de rouw van mijn zoon en het bruiloftstuk van mijne dochter geen der geringste waren. Hierop gaf hij mij stok en bal in de hand, zeggende, dat ik hem zulks niet behoefde te verwijten, dewijl hem het een en het ander rechtvaardig toekwam. En hij gebruikte verder zooveel wijze woorden, dat ik hem belastte zijn assuranten mond te snoeren, aanstonds de liverei uit te doen en te vertrekken, waartoe ik nog te eerder besloot, omdat ik verscheiden reizen getwijfeld had, of hij niet uit zijn verschot dat mindere verval wist goed te maken. Thans hoor ik, dat hij bij mevrouw * * * gaat wonen, die veel van gasten en brassen houdt, en alle dagen uit is of salet opwacht. Hier verbeeldt hij zich, dat hij in den hemel zal zijn; maar die deze dame van nabij kent, weet wel, hoe ze bestaat, en dat ze op een wenk gediend wil wezen. Dus zal hij braaf mores leeren en gelegenheid hebben, dikwijls aan mij te denken.

Nu heb ik een overzeeschen knaap, die mij door mijnheer M * * *, bij wien zijn zuster de wasch opdoet, gerecommandeerd is. Hij was zonder huur, hebbende den ganschen zomer aan de koorts gegaan, en dit viel mij recht in den slinger. Het is nog wat te vroeg, om er van te kunnen oordeelen; maar ik hoop, dat het wel lukken zal, zoo hij slechts door anderen niet verleid en bedorven wordt.quot;

„Daar wil ik u geen borg voor staan,quot; zeide ik, „vooral indien hij maar een weinig bekwaamheid heeft; want dan zullen de besteders zelf hem van u aftroonen, onder voorwendsel, dat hij al te braaf een kerel is, om langer in een huis te blijven, daar geen jongelui zijn, en daar hij bijgevolg niet veel verval kan hebben. En het zou een mirakel wezen, zoo dat woordje van verval hem niet dadelijk omzette.

ocr page 223

207

Doch, als ik de waarheid zal zeggen, de kwade gewoonte, die in sommige steden van Holland en bijzonder te Amsterdam heerscht, is hiervan de voornaamste oorzaak. Immers wordt het voor een schande gerekend, dat wij, ergens ten eten zijnde geweest, de deur uitgaan, zonder aan knecht of meid passagegeld te betalen. Ja dit misbruik gaat zoo ver, dat wij zulks doen, al hebben we niet anders genoten, dan een pijp tabak en een glas wijn. Evenwel kan ik niet begrijpen, dat hiertoe de minste verplichting op ons ligt. Integendeel, mij dunkt, dat de tractant het als eene soort van impertinentie en beleediging moest aanmerken, zoo iemand zijn onthaal aan de domestieken wou vergelden.

In de gezelschappen, daar gespeeld wordt, schijnt het eenigszins behoorlijk, dat men iets voor de kaart laat liggen. Doch het zou nog veel. behoorlijker .zijn, wanneer men dat salaris op de eene of andere wijze k^i bepalen. Thans zoekt men door eene kwalijk te pas komende genereusheid malkander te overtreffen, en de dienstbare geesten geven wel nauwkeurig acht, waar deze of die juffer geplaatst wordt, om na het scheiden op de tafel te kunnen zien, wie zij voor mild, wie zij voor karig moeten te boek stellen. Is er bij voorbeeld een juffer, die niet tegen het verlies kan, en die om een schelling of twee uit te winnen, geen verval geeft, deze zal op een anderen tijd wel zes maal om een kooltje vuur verzoeken, eer zij gehoord wordt; terwijl een saletjonker, dien het geluk begunstigt, en die bijkans een derde van zijn winst ten beste laat, met de grootste vriendelijkheid wordt bejegend.quot;

„Ja, zoo gaat het,quot; werd mij geantwoord, „en toen mijne dochter nog ongetrouwd was, hadden wij eene keukenmeid, die net wist uit te rekenen, hoeveel geld zij voor haar portie van iedere societeit moest ontvangen. Nu is het eens gebeurd, dat er wat minder te deelen viel, dan naar gewoonte, en hieruit rees een hevige twist. Zij kwam mij aanbrengen, dat mijn kamenier het met den knecht hield en niet zuiver deed; want, zeide ze, mijnheer X. is altoos gewoon vier zesthalven te geven, en nu zijn er maar drie. Juffrouw Y. verzuimt ook zelden wat neer te leggen, en evenwel wil men opstrijden,

ocr page 224

208

dat er niemendal gevonden is, voorgevende, dat ze verloren heeft. Maar ik laat me niet paaien en zou verzoeken, dat ik voortaan mee binnen mag komen, tegen dat het op een scheiden gaat, dan kan ik de tafeltjes helpen wegschikken, en zelf zien, hoe de vork in den steel steekt; want ik begeer het mijne, zoowel als een ander.quot;

„Zou het wel kwaad zijn,quot; vroeg ik al lachende, „dat men een vast reglement maakte van het verval, daar men aan gehouden is, en van hetgeen aan onze eigen beleefdheid staat? Mijn oordeels kan dit van groot nut wezen. Men moest het in de voorhuizen ten toon hangen, opdat ieder in het inkomen mocht weten, hoeveel hij schuldig was voor een nacht slapens, hoeveel voor een maaltijd, hoeveel voor een collation, hoeveel voor een verkeertje, hoeveel voor eene praatpartij, en dan hadden wij geen zwarigheid van te voren gelijk die vreemdeling, van wien mij de volgende historie voor de waarheid verhaald is. Deze kwam zijne naaste bloedvrienden bezoeken en logeerde bij dezelven ten hoogste een dag of vier. Toen hij vertrekken zou, stopte hij een lompen mof, die voor lakei speelde, doch hem geen dienst gedaan had, want hij had zijn eigen knecht, een driegulden in de hand. Maar Hans meende, dat dit geschenk (waarvan hij-nog twee derden aan de meiden moest uitkeeren) veel te gering was, en derhalve ontzag hij zich niet, zelf in het bijzijn van zijn heer en vrouw het geld op den grond te werpen en te zeggen; „Mijnheer kan dat, als 't hem beheft, aan een bedelaar geven.quot; Waarop het de andere met een koel gelaat bij zich stak, zonder deze beestachtigheid, die wel een goede dracht stokslagen verdiende, anders dan met een schamperen glimlach te beantwoorden.quot;

„Op deze wijs,quot; hervatte mijn vriendin, „zullen ons de boden eerlang wetten voorschrijven en weigeren te doen datgeen, waar ze voor scheep komen, zoo wij niet altoos met de hand open staan. Maar dit is ook een zeer interessant discours; zoo de Spectator of een zijner correspondenten hierbij was, wie weet of wij ons in 't kort niet in een vertoog zagen uitgeschilderd.quot;

ocr page 225

HUBERT CORNELISZOON POOT.

(1689—1733.)

AKKERLEVEN.

Hoe genoeglijk rolt het leven Des gerusten landmans heen,

Die zijn zalig lot, hoe kleen,

Om geen koningskroon zou geven!

Lage rust braveert den lof Van het hoogste koningshof.

Als een boer zijn hijgende ossen 't Glimpend kouter door de klont Van zijn erfelijken grond In de luwt der hooge bosschen Voort ziet trekken, of zijn graan,

't Vet der klei, met goud belaan.

Of zijn gladde mellekkoeien Even lustig, even blij,

Onder 't grazen van ter zij In een bochtig dal hoort loeien.

Toon mij dan, o arme stad,

Zulk een wellust, zulk een schat.

Welige akkers, groene boomen,

Malsche weiden, dartel vee,

Nieuwe boter, zoete mee.

Klare bronnen, koele stroomen,

Frissche luchten: overvloed Maakt het buitenleven zoet.

DulJSER en van goor, Lett. Leesb. I, 2e druk. 14

ocr page 226

210

Laat een koopman koopmanswaren Huis en hof en kas en goud Wagen op het schuimend zout,

Daar de witte zeilen varen,

Varen, maar met groot gevaar:

Veemans rijkdom blijft van daar.

Laat de drokke pleitzaal woelen,

Menig vreezen, dat de schaal Van de vierschaar rijze of daal Voor de strenge rechterstoelen:

Veeman houdt zich hij zijn vee.

En daar blijft zijn zorreg meê.

Zaaien, planten en verzetten

Geeft hem werk; hij vischt en jaagt.

Dikwijls valt hem, eer het daagt.

Vliegend wild in looze netten;

Dikwijls voert hij met zijn ra an Grazig zuivel steewaart aan.

Appels enten, peren plukken.

Maaien, hooien, schuur en tas.

Stapelen vol veldgewas.

Schapen scheren, uiers drukken.

Zeven kinders en een wijf Zijn zijn daaglijksch tijdverdrijf.

Vork en riek en schup en spade Zetten zijne lusten pal,

't Zij de welgemeste stal,

't Zij de boomgaard hem verzade,

't Zij de kruidben niet te loom Op zijn lage tafel koom.

.Als de lente 't land beschildert.

Als de zomer zweet en gloeit,

Ploegt en spit hij onvermoeid.

Als de winter 't woud verwildert.

Houdt hij den berookten haard Met zijn vrienden, rond van aard.

't Herfstseizoen, vooral te danken, 's

ocr page 227

211

Snijdt hem druiven, perst hem most, Most, die slechts wat moeite kost. Hemelwaarde wijngaardranken Vullen dan met wijn zijn ton;

Onlangs schutten ze ook de zon;

Want des zomers, na veel zwieren. Neemt hij, om zich goed te doen, Onder 't loof een slaapje in 't groen. Daar de vogels tierelieren,

Daar een levendige vliet Van de steile rotsen schiet.

Els, zijn liefste door het trouwen,

Wiegt met zang hem, daar hij slaapt, Schoon zij vrij al wijder gaapt. Dan de hoofsche stadsjonkvrouwen; En hij kust er Elsje voor.

Dus brengt Melker 't leven door. Zeg mij nu, o 's Gravezande '), Die, behalve meer, ook weet,

Hoe een boer zijn tijd besteedt;

Toon me, o Rechtlicht in den lande, (Zoo zij u mijn zang gewijd)

Wie zijn leven beter slijt.

MEI.

Zoo verdween met natte leden 's Winters grauwe dwinglandij Voor de groene monarch ij Der bebloemde lieflijkheden; Zoo genaakt de zomerbrand 't Vee- en vischrijk Nederland.

•) Het Akkerleven is opgedragen aan den rechtsgeleerde, Mr. Cornelis 's Gravezande.

'4*

ocr page 228

212

De overvriendelijke lente,

Weer bezield door 't zonnevier, Monstert met haar schoonsten zwier. De eedle Bloeimaand, naar gewente Met de prilste blaan bekranst.

Pronkt en lonkt en lacht en danst.

't Westen waait met bolle vlagen Welig te onswaart, pas op pas. Spichtig riet en mollig gras Danken 't zoet der zachte dagen Voor den groei, die 't hart bekoort, Daar men hem nu piepen hoort.

Hagen worden paradijzen,

En het versch ontloken kruid Wasemt zulke geuren uit.

Dat er dooden van verrijzen.

De aarde toont in wijk bij wijk Schaduwen van 't hemelrijk.

'k Zie het dartelende Arkaadje Met zijn bruine heuvels hier. 't Beemdheil zaligt mensch en dier. Akker, weide, duin, bosschaadje, Zeên, rivieren, grijsheid, jeugd:

Alles zwijmt bijna van vreugd.

De uchtend dauwt Gods zegeningen Op de bloesems, boon der vrucht. Loof en wemelende lucht Hoort men liefdedeuntjes zingen, 't Minnen had nooit beter aard.

Zie, ei zie, hoe alles paart.

Zie, hoe 't rondgaat met de jaren. Daar de snoek lest schoot door 't nat,

ocr page 229

213

Graast nu 't levend botervat,

Dicht bij malsche zomeraren.

En daar 't al in hemelwol Wegkromp, staat de weelde vol.

't Veld vergeet zijn mond te sluiten, En de steên, met lust verlaan,

Rijden, varen nu cn gaan Om een Meigezicht naar buiten.

Daar verdwalen de oogen blij In Gods landschapschilderij.

Al hing mijn gezang van rozen.

Leliën en tijm aaneen,

't Zou zijn ambt te schraal bekleên.

Ja, al schreef ik zonder poozen

Met een straalpunt van dit licht,

't Hechtte nauw. Maar zwijg mijn dicht.

Dat de Blijdschap langs deez' velden Met al haar lieftalligheên,

Zelf voor ons in 't vleesch verscheen, Heel zou zij niet kunnen melden 't Schoon, dat ons de Meitijd biedt. Denkt nu eens, die 't hoort en ziet:

Bleef 't geschapene onvolprezen Van den keurelijksten toon, Hoe volmaakt en overschoen Moet de Schepper dan wel wezen! O, hoe kunstig is de hand,

Die het Oost en West bespant.

Hemel, leer ons recht bemerken,

Hoe gij voor ons welzijn waakt,

En de tijden vruchtbaar maakt.

Leer ons in die milde werken

ocr page 230

214

U meer vinden, vrij van smart, En vernieuw ons wintersch hart.

Dat blijv' dor noch koud van deugden. Maar vereere uw Majesteit Wasdomrijke dankbaarheid.

Met de schepsels, die 't verheugde. Hou 't uw lof zoo frisch en groen Als gij 't groenste bloeiseizoen.

VBOOLIJK LEVEN.

Waar is mijn citer toe bereid? Wat klanken wil ze geven?

Wat zing ik, daar een ander schreit? De vroolijke blijgeestigheid Is 't leven van het leven.

Wat laat zich 't volk door ijdien schrik En mijmerende zorgen Beknellen? Vrienden, doet als ik: Gebruikt toch 's levens oogenblik.

Zoolang de dood wil borgen.

Al schokte zelf de hemelspil Uit haar metalen pannen,

Weest gij tevreên, gerust en stil:

Een, die gelukkig leven wil,

Moet hoop en vrees verbannen.

Zoudt gij gestaag bekommerd zijn? Zou druk uw vreugd besnoeien?

Neen, neen, verdrijft die boezempijn, Gij woont zoo ver niet van den Rijn,

Daar muskadellen groeien.

ocr page 231

215

Hoeft gij geen kleeren, nochte kost Van goede liên te prachen;

Wat scheelt 't u, hoe de wereld host?

Daar Heracliet om schreien most,

Most Democriet om lachen.

Maar, zegt gij, ach! het weer wordt zwaar. Ons dreigt een felle donder.

Geen nood, ai, beidt een luttel maar. De nevel scheurt; de lucht wordt klaar; Het onweer is al onder.

Dan, 't licht is ook aan 't ondergaan, De nacht zal u benarren.

Mij niet, nu komt de blanke maan Met haar vergulde horens aan En honderd duizend starren.

AEME EIJKDOM.

In uw goudkantoren wassen Atlas-appels, hoog en laag,

En de tuimelende Taag Hutselt er zijn blonde plassen;

Echter hoort men u van dorst En verwoeden honger klagen, Erizichtons ') onzer dagen,

Tantals, die Gods gramschap torst. Laat Peru ook te uwaart waaien, Koffert Indië ter vlucht,

Water kan geen waterzucht.

Erizichton had boomen geveld in liet heilig woud van Demeter en werd daarom met een zoo onverzadelijken honger gestraft, dat hij zijn eigen vleesch at.

ocr page 232

216

Goud geen drogen gouddorst paaien.

Arme gierigaards, hoe na Zit gij bij uw zilver warmer?

Door uw rijkdom wordt gij armer, Met uw schatten groeit uw scha; Want die rinkelende banden Houden u, met recht verfoeid, Deerlijk op den hals geboeid: Dit is 't goed dier waarde panden.

Ai, wordt wijzer toch en houdt Eindlijk op van mijnen graven,

Zijt niet langer rijke slaven.

Gouden vrijheid gaat voor goud. Vreest gij, dat de kerkhofkuilen Zullen steigeren in prijs.

Dat gij dus, bedaagd en grijs.

Rust en lust om geld loopt ruilen;

Of denkt ge eens met fijn metaal 't Straffe sterflot om te koopen? Croesus zou dat vruchtloos hopen, Crassus sneuvelde door 't staal. Daar hem goud ontzet noch staten. Schoon de razende Fortuin Iemands geldhoop tot een duin Aan doet groeien, 't zal niet baten. Als de dood hem, eer hij 't gist. Voortstuwt volgens last van boven Uit de hoven naar de hoven. Van zijn kisten in de kist.

Vrekke heblust zal u kwellen. Al verlaadt ge uw zwangre kiel; En van kommer krimpt uw ziel, Middlerwijl uw beurzen zwellen.

Doch begeert ge, in goud verward, Beter kans bij 't haar te vatten. Zoo ontsluit de boei der schatten En verstoot uw gierig hart:

ocr page 233

217

Dan, dan zult ge u eenmaal sparen. Maar al daalde Febus zelf Van het hemelsche gewelf, 't Klinkend geld verdooft de snaren.

Gaat dan goudgriffoenen '), zweeft Met uw levendig geraamte.

Al uw goud is rood van schaamte, Dat het zulke meesters heeft.

OP DEN DOOD VAN MIJN DOCHTERTJE.

Jacoba trad met tegenzin Ter snoode wereld in,

En heeft zich aan het eind geschreid In hare onnoozelheid.

Zij was hier nauw verschenen,

Of ging wel graag weer henen.

De moeder kuste 't lieve wicht Voor 't levenloos gezicht.

En riep het zieltje nog terug,

Maar dat, te snel en vlug,

Was nu al opgevaren Bij Gods verheugde scharen.

Daar lacht en speelt het nu zoo schoon Rondom den hoogsten troon,

En spreidt de wiekjes luchtig uit,

Door wee noch smart gestuit.

O bloem van dertien dagen.

Uw heil verbiedt ons 't klagen.

1733-

Griffoen of griffioen, zekere roofvogel.

ocr page 234

DIRK SMITS.

(1702—1752.)

LIJKKRANS VOOR MIJN DOCHTERTJE.

Een rei van Englen zag Door 't dunne wolkfloers heen, Of ergens hier beneên Een zuivre parel lag, Die waardig was te pralen In 't goud van 's Hemels zalen.

In 't einde viel haar oog Op Margareetje een wicht, Dat pas door 't levenslicht Bestraald werd van omhoog. En blijdschap noch ellende,

Noch deugd, noch ondeugd kende.

Dat pareltje vol glans Behaagde 't Englendom; Des daalde 't in een drom Van 's Hemels hoogen trans. En streek met pen en veder, Bij Grietjes wiegje neder.

Margarita ~ parel.

ocr page 235

219

Hier nam het met een vaart Dat pareltje in zijn macht, Belonkte en kuste 't zacht, En vloog er mee van de aard' Naar 't Rijk der zaligheden. Doch liet de schulp heneden.

ocr page 236

WILLEM VAN HAREN.

(1710—1768.)

LEONIDAS. ')

Toen Xerxes, met zijn heir van 't Oosten aangetogen,

Het onafhankelijk Griekenland Vermaande om tijdiglijk te bukken voor 't vermogen

En de overmacht van zijne hand;

Toen waren er, die straks lafhartig aan het beven,

Beweerden, dat men niet te ras Genoegen aan den vorst van Perzië kon geven,

Die nu reeds in Europa was.

In Sparta was de raad verscheiden van gevoelen.

Dees moedig, andren schenen bang;

De blooden, nacht en dag aan 't zwoegen en aan 't woelen.

Als waar 't een werk van hun belang. Verspreidden, dat de macht des vijands, nu vergaderd.

Geen weerstand ergens vinden zou.

') Deze lierzang werd gedicht kort na het uitbreken van den Oosten-rijkschen successieoorlog. Voor niemand was 't een geheim, dat Van Haren met Xerxes Lodewijk XV, met koning Alexander van Macedonië FrcAcrW I[ van Pruisen, met Athene Oostenrijk, meer bepaald de Oostenrijksche Nederlanden op het oog had. De „Ftioot, Thebaan, AcheSrquot; waren de met Frankrijk tegen Oostenrijk verbonden Duitsche vorsten. Leotychides spreekt voor de Franschgezinde leden der Staten; Leonidas vertegenwoordigt hen, die, overeenkomstig de verdragen. Oostenrijk wilden bijstaan.

ocr page 237

221

Ja, dat ze nu, bereids Thessalië genaderd.

Daar alles dompelden in rouw.

't Was Leotychides, die hen alzoo deed denken.

En aan wiens wil een oordeel hong,

Bestierende den een door middel van geschenken.

Den ander door zijn losse tong.

Van overwinnaars is het uiterste te duchten,

(Zoo was de taal) als 't kokend bloed.

Door toorn in het gevecht verbitterd, voor geen zuchten

Genade of medelijden voedt.

Terwijl men nog bij tijds door wijselijk te bukken

Voor een veel machtiger gezag En goed en leven kan aan 't dreigend vuur ontrukken,

Zoo trachte men naar een verdrag.

Hoe! zal men om een schim, een spook zijn huis verbranden,

Zijn vruchtbaar veld verwoesten zien,

Zich zelf en vrouw en kind gekluisterd in de banden

En op bevel, op last van wien?

Van hem, die niets begeert, dan dat we op hem betrouwen

Door 't onderpand van een verbond,

En die, wanneer we ons slechts onzijdig willen honen,

Ons zelfs zijn hooge gunst verkondt!

Terwijl hij van alom de sleutels eischt der steden.

En alles na zich sleept als buit,

Is Xerxes, zegt de faam, met ons gedrag tevreden.

Indien men slechts zijn toorn niet stuit;

't Is waar, wij zijn vereend met de andere gewesten

Van het bezwijmend Griekenland:

't Vooroordeel van het volk zal mogelijk zich vesten

Op zulk een nauw en oud verband;

Ja, sommigen, die zich beroepen op de Goden,

Verspreiden listig, dat hun oog Het breken van de trouw aanschouwt als 't werk van snooden,

En eens zal treffen van omhoog!

De trouw, die langer duurt dan 't nutte is geenszins heilig, En ze is veeleer een koppigheid.

ocr page 238

222

Bij wie 't gemeen belang noch duurzaam is, noch veilig,

Als zonder orde en onderscheid.

Men zie zich dan den Vorst der Perzen te verbinden,

Zoo hij maar rust en vrede schenkt,

't Zal met de Goden zich zeer wel en spoedig vinden: Zij zijn zoo gram niet, als men denkt.

Dit was de lage taal der omgekochte mannen,

Benijders van Leonidas;

Zij trachteden aldus ter zielen uit te bannen

Den moed, die nog aan 't glimmen was. Zij schaamden zich nochtans, terwijl zij zich dus kweten:

Een sprenklig rood op 't aangezicht Getuigde, dat ze en deugd en kennis en geweten Verrieden met hun diersten plicht.

Leonidas, door vrees noch door bedrog te winnen,

Hoe verontwaardigd en verrast,

Stond aan den anderen kant, gansch meester van zijn zinnen,

En met den ernst, dien helden past.

Een eedle toorn versiert het koninklijke wezen,

Schoon zedig, hij beschouwt den raad.

Geen wakker grijsaard ') doet hem voor zijn zake vreezen.

Hij schroomt geen eerelijk gelaat.

Den adelaar gelijk, die 't vuur der zon kan velen.

En 't oog op hare flikkring vest.

Daar 't nachtgediert, belust met schaduwen te spelen.

Bij donker streeft uit hol en nest.

Zijn onverwinbre moed, van stonden aan ontstoken.

Verhief de nederslachtigheid Van velen, toen hij rees, zelfs eer hij had gesproken

En het bedrog had wederleid.

Gelijk als onverwacht een toorts haar licht doet schijnen, In 't midden van de duisternis.

') Toespeling op Franfois, van 1700 tot 1744 griffier der Algemeene Staten. Fagel.

ocr page 239

223

De schaduw en den schrik op eenmaal doet verdwijnen,

En wijst waar weg en voetpad is,

Zoo deed Leonidas 's lands hoogen raad bemerken,

Dat hij een uitkomst toonen kon,

Vervolgens wist hij 't hart der braven te versterken.

Door 't geen hij dus tot hen begon:

O (zei hij) Spartel o Spartel is dit de taal der helden.

Die ge in uw strijdbren boezem voedt;

En vloeit de Eurotas nog door 't midden van uw velden,

Diane's allerwaardste vloed!

Hoe! heeft Lycurg dit volk, den schrik van alle volken.

Dan onderricht om in dit uur 't Verachtlijk Perzië te dienen als zijn tolken,

In plaats van met het staal en 't vuur De snoode dwinglandij uit Griekenland te bannen.

En door een weergaloozen schat Van onvermoeide en onoverwinbare mannen Elk te doen knielen voor zijn stad?

Ontaarden! ik zal dan, wil niemand met mij streven.

Alleen, alleen het oorlogszwaard Opheffen en alleen de vrijheid met mijn leven Beschermen, voor geen dood vervaard! Ik schroom geen overmacht, geen heir van Perzianen,

Hoe groot hun woeste stoet ook zij,

Alle opgeraapte, laffe en vadsige onderdanen.

Den naam zelfs onbewust van vrij!

Snelt gij met water, snelt met aarde schandlijk henen.

Volgt den Ftioot, Thebaan, Acheêr En anderen, bij wie, de aloude deugd verdwenen.

Het juk de plaatse neemt der eer!

Of liever, wilt ge 't nog bewimplen, maakt verbonden

Met eenen trotschen dwingeland,

Hoe plechtig ook gemaakt, pas vaardig of geschonden.

Ik kies den dood voor juk en band!

Wat spreekt gij van verbond! Gij, mede nu barbaren. En eveneens als zij, gereed

ocr page 240

224

Die te verbreken, die zoo sterk geklonken waren

Met Pallas stad, thans diep in leed!

Indien die voormuur valt, wie kan dan Sparte helpen?

Verschijnt de erfvijand in ons land,

Om ons op onze beurt door legers te overstelpen,

Wie biedt ons een getrouwe hand?

Wij zullen dan te laat in onzen ramp bevatten,

Hoe dat al lange wierd gesmeed.

Om in onz' slaapziekte een voor een ons af te matten.

Hetgeen men nimmer vechtend deed!

Ons voegt geen machtig vorst zoo dicht aan onze palen,

Wiens heerschzucht altijd werkt en waakt. Om met zijns nabuurs staf hoogmoediglijk te pralen,

Totdat zijn oogwit zij beraakt.

Wij zullen zien, hoe ver de Hemel zij te blinden.

En of het spotten met de trouw Bij 's volks vooroordeel ook verschooninge zal vinden,

Dan ramp en onheil, straf en rouw.

Maar 't is geen wonder, 't is niet zeldzaam aan te hooren

't Gevoelen, dat uw boezem voedt;

De godsvrucht is voor geen traaghartigen beschoren.

De godsvrucht woont alleen bij moed.

Laat Alexander zich vermaken met verdragen;

Hij bukke voor den Perziaan:

Hij zie zich al te laat verstrikt door 's vijands lagen

En neme dan de ketens aan.

Dit is geen raad van dappre en van verheven mannen.

Verordend, om in 't oorlogsveld Voor vrijheid en voor wet hun krachten in te spannen.

Of te bezwijken voor 't geweld.

Veel beter ware 't hem, meer nut zou hij behalen

Door, ziende 't dreigende gevaar.

Met ons te sterven of met ons te zegepralen.

Dan slaaf te zijn van een barbaar!

Of wint hij iets door zijn getrofiene verdragen,

't Bestaat alleen daarin, dat hij De laatste wezen zal in 't voelen van de slagen

ocr page 241

225

Van de ijzren straf der tirannij.

Maar 't is uw eigen raad: uw hart is zelf bezweken,

Kleinmoedigheid en onkunde is 't Beginsel, dat u doet en handelen en spreken

Tot aller braven ergernis.

Welaan, staat op en vlucht! geen onervaren handen.

Geen weeke harten voegen hier.

Gaat, hoedt uw vee, bebouwt uwe akkers en waranden.

En deelt niet meer in 't hoog bestier!

Laat andren, niet zoo ras verschrikt voor ij die schimmen,

Voorzien met kennis en beleid.

Eer gij het al bederft, op uwen zetel klimmen

En leeft in uwe onzijdigheid!

O vader Hercules! o Goddelijke wallen.

Door ons verwoest, van Ilion!

En, daar Miltiades den Perziaan deed vallen,

O zeegrijk veld van Marathon!

De schimmen van die daar onsterflijke eer genoten.

En nederstuitten voor 't gemeen.

Die zullen nimmer mij vervolgen of verstooten.

Dewijl ik op hun spoor wil treên.

Ja, deez' mijn rechterhand, die aan Minerva's wallen

En trouw en bijstand heeft beloofd,

Zal Xerxes met zijn heir doen voor Athene vallen

Of, in 't gevecht van kracht beroofd,

Bezwijken; en ik zal in de Elyzeesche velden,

Waar ik gerust mij henen keer.

Den schranderen Lycurg, den dappren Codrus melden, Hoe dat ik stierf op 't bed van eer!

Zoo sprekend trad hij heen, tot eeuw'gen roem beschoren,

Driehonderd mannen volgden hem:

Driehonderd, zijner deugd op 't dierste toegezworen.

En vaardig op zijn wenk en stem.

Hij ging naar Therme's engte, ontmoette de barbaren,

Streed, velde, sneuvelde, overwon:

En dwong hen voor altoos den lust te laten varen

DUIJSER en VAN goor, Lett. Leesb. i, 26 druk. 15

ocr page 242

226

Om Hellas' gulden vrijheidszon Voor hunne flauwe maan verwaandlijk te doen zwichten,

Of aan des Hemels hoogen trans Door eene wolk van slaafsche en nuttelooze schichten Te ontblooten van haar heldren glans.

HET MENSCHELIJK LEVEN.

Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen,

Hoe spoedt zich ieder uur met onzen luister heen! Hoe flauwe vreugd, hoe bittre plagen,

Hoe min vermaak, hoe veel geween!

O dierbaar perk van drie tot zeven jaren.

Als ieder voorwerp 't oog bekoort, het harte streelt; Och, of ze zonder einde waren.

Als alles lacht, als alles speelt!

Beminlijk kind, speel, nuttig u deez' dagen;

Want 's werelds grootheid schaft aan ons 't genoegen niet Dat u door uwen houten wagen En door uw kaartenhuis geschiedt.

Haast zal men u door strenge meesters leeren, Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas' stad En Cicero voor 's werelds heeren.

Toen Rome nog de kroon op had.

O moeilijk werk, benauwde en pijnlijke uren!

Ze is maar een schets, deez' roe, waarmee men u kastijdt Der slagen, die ge eens zult verduren Van 't stuursche lot in later tijd.

ocr page 243

227

Wat open veld verschijnt daar voor onze oogen? O jongeling! hoe werkt uw geest, hoe kookt uw bloed De driften, in het hart gevlogen.

Ontsteken een ondoofbren gloed.

Ja, goot gij dan de onafgepeilde stroomen Des Oceaans daarop, gij bluschte 't vuur niet uit:

Hoe zal de rede het betoomen,

Zij, die haar oogen pas ontsluit!

Gelijk Aurore, in 't Oosten doorgeblonken,

-Ja, nog veel schooner staat de wellust in haar praal; Haar adem is de pest, haar lonken Verdelgen als de bliksemstraal.

In zulk een strijd ziet gij de dagen klimmen,

Gelijk het frisch gebloemt zich opheft in een tuin, En wordt een man. Maar ach! wat schimmen Omsingelen op nieuws uw kruin!

Nu vlucht de slaap reeds in den vroegen morgen. Ja, somtijds heeft de nacht geheel voor u geen rust. Vermoeden, vrees, wantrouwen, zorgen Verdooven kennis, ijver, lust.

Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen, Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom; En hoe de staat der stervelingen Gelijk is aan een vluggen droom.

Terwijl de vreugde u bloemen schijnt te geven. Ach, zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u 't lot een vrind, Een vrouw, beminder dan het leven, Of 't waardste pand, het liefste kind.

Vlucht dan, reis vrij naar afgelegen staten!

Zeil door de middellijn naar 't verre Zuiderland,

iS*

ocr page 244

228

Hun denkbeeld zal u nooit verlaten,

Het staat, het wacht u reeds op strand.

De droefheid is gelijk aan wreede dieren,

Verwoeder dan een leeuw, in netten stijf verward, Doorknagende, als een worm, de nieren. Verscheurende, als een gier, het hart.

Wie komt daar aan, vermoeid en neergebogen?

Zijn wenkbrauw is gelijk aan 't ingaan van den nacht; De glans der maan is in zijne oogen;

Zijn kruin is 't zwerk, met sneeuw bevracht.

't Is de Ouderdom. Waar mag hij toch op wijzen? Wat teekent hij daar ginds met zijnen vinger af? Wat hoop van aarde doet hij rijzen?

't Is 't eind van alles; 't is het graf.

Hoe velen is nog min geluk beschoren,

Die de ijzren armoe fel met scherpe tanden bijt; Die nacht en dag het kermen hooren Van 't teeder kind, dat honger lijdt!

Heeft de aarde dan geen voedsel voor ons allen? O hemel!... Andren prangt een lichaamskwaal, en doet Hun 't leven onverduurbaar vallen In 't midden van den overvloed!

Somwijlen rukt, vóór 't eind van uwe dagen, Fortuin uw staat ter neêr, gelijk men in het woud Een hoogen eik, omvergeslagen '

Na 't woeden van den wind aanschouwt.

Dan wordt een dwaas op uwen stoel verheven, 't Geweld verwoest uw erf, de laster verft uw kleed, Geen vriend durft zich naar 't huis begeven.

Daar 't bleek gebrek den vloer betreedt.

ocr page 245

229

Wat is de mensch, hoe machtig, hoe vermetel! — Genaakt het uur, al staat een heir rondom het hof, De koning valt van zijnen zetel

En wordt een handvol asch en stof.

Gij, gij alleen, oneindig Opperwezen,

Gij, Vader en Monarch van al wat was en wordt.

Hebt geen verandering te vreezen,

Noch dat uw schepter zij verkort.

De oude eeuwen, die voor 't menschdom gansch ver-En zij, die zullen zijn in later tijdsgewricht, (dwijnen, O God, die roept ge, en zij verschijnen Tezamen voor Uw aangezicht.

Gij ziet hen voor Uw zetel henendrijven,

Als kielen, langs de zee genoopt door wind en vloed: De eene is bekroond met vrede-olijven En de andere bevlekt met bloed.

Gij hebt den tijd van de eeuwigheid gescheiden, Gij hebt zijn vleugelen met Uwe hand gewrocht.

Opdat hij niet te lang verbeiden En niet te snel vervliegen mocht!

Het noodlot zit geknield aan Uwe voeten,

En leest in 't heilig boek uw onweerstaanbren wil:

Maar als Uw oogen het ontmoeten,

Verandert alles of staat stil.

Daar 't eeuwig licht een zee verspreidt alle uren Van heil en van geluk uit 's Allerhoogsten schoot.

Daar kan geen rouw, geen droefheid duren.

Daar vlucht de smart, daar sterft de dood.

1761.

ocr page 246

ONNO ZWIER VAN HAREN.

(1711—1779.)

HELDENDOOD VAN DE LANGE.

De Spanjaards, die nog overschoten, Toen Zerbi ■) Sandes' neêrlaag zag. Verdeeld op deze als andre vloten.

Voorspellen 't noodlot van den dag: Dat roer en zeil aan moed niet hangen. Dat spoediglijk de nood zal prangen, Nu tegen 't zeemansoog des Geus' Matrozen plompen last ontvingen Van onervaren jongelingen,

Der vrouwen en ministren keus.

Maar dus, gelijk voor 't oog verdwijnen De zoetste schimmen van den nacht, Wanneer de dageraad komt schijnen En 't licht de zorgen medebracht; Zoo heeft de Spaansche jeugd vernomen Het eind van hare zachte droomen. En hoe 't gevaar uit losheid rees. Nu zoekt de dapperheid de feilen Te dekken, met in 't spits te zeilen. Wel zonder kunst, maar zonder vrees.

Medina sprak naar zijne jaren.

Maar schoon hij onvoorzichtig spreekt.

1) Zerbe of Zerbi aan de kust van Tripoli. Don Alonzo de Sande leed aldaar in 1560 een nederlaag tegen de Turken.

ocr page 247

231

Medina schroomt geen krijgsgevaren,

't Is geest, noch hart, dat hem ontbreekt. Nu wijzer, luistert hij naar raden, En overlegt bevel en daden

Met ieder grijs en kundig hoofd; Hij tracht vooral te doen vergeten Romero (vader thans geheeten).

Dat zijne raad niet is geloofd.

Door dit gedrag en koele zorgen Komt weder orde in de vloot.

En 't klein getal, aan war verborgen,

Van vrijheidsschepen ziet men bloot. ') Maar 't oog heeft tevens ook vernomen; Twee Spanjaards weg, en één genomen, Geen Neerlandsch kiel heeft hindernis; 't Gevecht vernieuwd, wordt twijfelachtig. De Geus is zeedienst beter machtig.

Wijl meerderheid bij Spanjen is.

Medina wil door tal van schepen

Omsingelen de smalle vloot;

Maar Blois heeft schielijk dit begrepen.

En redt zich vaardig uit dien nood. Hij last, om bij den wind te leggen; Een teeken gaat aan ieder zeggen.

Te zeilen op een breede lijn.

De Lange, reeds vooruitgekomen.

Heeft seinen noch bevel vernomen.

De drift deed hem te verre zijn.

Want Gama, sedert vijftig jaren Gewoon te dienen en gebiên.

En met bedaardheid in gevaren De fouten van de jeugd te zien,

1) Deze regels luiden in eene latere uitgave:

En, 't geen de warring hield verborgen , Der Geuzen zwakheid wordt ontbloot.

ocr page 248

232

Zegt: „deze waaghals is te omringen;

Ik ga die stoute muitelingen

Doen zien, dat ik dien dollen loop Met minder arbeid in zal binden,

Dan eens mijn vader konde vinden In stormen Kaap de Goede Hoop.

Fluks zwaaien op 't gegeven teeken

Vier oorlogsbodems tegen een:

De Langes hart ziet onbezweken

Hun boord om zijne boorden heen.

En vuur uit honderd monden braken;

Daar is geen middel weg te raken,

't Behoud hangt af van zijnen moed; 't Gevaar, op 't allerhoogst gekomen.

Doet nog De Lange minder schromen, 't Gevaar verdubbelt zijnen gloed!

Maar schoon door 't roer, geschut, musketten,

Bediend gezwind en naar de kunst. De Lange 't entren wil beletten.

Het noodlot weigert alle gunst;

En Gama klemt in korte tijden De schepen vast, aan alle zijden,

Van d'ongetemden, fieren leeuw;

Hem blijft maar over aan te toonen. Dat niemand van die zee bewonen, Is onversaagder, dan de Zeeuw!

Hij zegt: „Fortuin heeft ons verlaten,

Maar hart en buskruit zijn ons bij;

ülieden is de keur gelaten

Van altijd eer of slavernij!

Bij mij is vastlijk voorgenomen,

Zoo 't ergste aan ons mocht overkomen, Te sterven aan mijn eigen boord;

ocr page 249

238

Mij zal geen bloedraads vonnis treffen,

Noch mijt voor mij haar vlam verheffen,

Geen beul bereiden zwaard of koord!quot;

Hij zwijgt en vecht; zijn volk, bewogen.

Roept: „Schipper, 't zelfde zij ons lot! Wij zien den dood met u in de oogen.

En volgen u gerust naar God!quot;

Hun moed is echter onverbroken,

Geen hunner sterft, dan welgewroken,

Van hen sterft ieder op zijn post;

Doch Geus noch Zeeuw verliezen 't leven, Of Gama ziet twee zijner sneven.

En 't bloed, dat ieder voetstap kost.

Maar 't volk van alle vier de schepen

Maakt eindelijk te groote kracht,

De Lange, moe, gekwetst, benepen,

In 't kleine deel, in zijne macht.

Ziet nergens kans te zegepralen:

„Waarom nog langer,quot; zegt hij, „dralen?

De vijand is in onze hand!

De Taag zal met de Zeeuwen rouwen,

Laat ons de ziel aan God betrouwen,

De wraak aan 't vrije vaderland!quot;

De slag, de rook, gekraak, gedonder,

Verzeilen 't woord van hart en mond. En beide vloten zien in wonder

Vijf schepen saam uit wolk ten grond! Ter Veer, die voorbeeld weet te geven. Wanneer men 't Vaderland ziet beven, Wat deed uw Raad voor dezen man?

Waar praalt op plaatsen of in kerken, In marmer of metalen werken,

't Geen deze daad herinren kan?

(Uit: „De Geuzenquot;?)

ocr page 250

234

DE VRIJHEID.

Die sterven durft, is altijd vrij.

(De Geuzen, 5e zang).

O gij, begeerd door olie menschen,

En aangezien als 't beste goed,

Als 't hoogste toppunt onzer wenschen,

In staatsbestier en in gemoed,

Spreek Vrijheid, zeg in welke hoeken Moet mijne zanggodin u zoeken?

Is 't daar de Lijn den Neger brandt?

Is 't in de sneeuw der Alpenkoppen, Of Cordilleras' steiler toppen.

Bij Noordster of Antarktos' rand?

Is 't bij Bramien aan Ganges' stroomen, In 't fiere Sparte of 't vlugge Atheen, In 't veld van Mars van 't oude Romen,

Of daar Sertorius verdween?

Is 't in de vlakte der Sarmaten,

In Cimbrische of Wandaalsche staten. Aan Elbe, aan Oder, of aan Rijn, In 't woud, daar Varus' benden lagen, Is 't daar Arminius verslagen

Of wel daar Vindex'') beendren zijn?

Helaas! waar ik mijn oogen wende,

Is overal nu slavernij

') Vindex, een Galliër, vatte onder Nero het plan op zijn vaderland te bevrijden. Hij werd bij Vesontis (Besan^on) verslagen en benam zich daarop het leven.

ocr page 251

285

En 't volk, dat meest de vrijheid kende,

Is tegenwoordig 't minste vrij!

De Tarter heerscht op Ganges' boorden. De Turk in Hellas' droevige oorden,

De priesteren op 't Kapitool;

De Skandinaaf heeft geene wetten.

Als die de willekeur deed zetten,

En slaafsche war verdeelt den Pool.

Misschien dat in de Republijken,

Daar volk of edelman gebiên,

De teekenen van vrijheid blijken,

Of schijnen klaar voor 't oog te zien; Ik merk 't gemeen in tweedracht leven. Partijschap onder d'adel zweven.

Elk veinst te zijn voor 't Vaderland; De Wet en Vrijheid zijn de namen. Waardoor, die tot hun oogmerk kwamen, De Vrijheid houden in den band.

Is geene vrijheid meer te ontdekken

In 't Zuid, in 't Oosten, noch in 't Noord, Komt, laat ons dan naar 't Westen trekken.

Naar Pensylvaan's of Jersey's boord!

Hier ook vind ik twee legermachten. Die d'uitslag van een oorlog wachten

Op de oevers van de Delawaar; De Vrijheid is in beider monden;

Maar 't einde zal alleen verkonden, In welker ziel dit woord is waar.

Zoo stonden eertijds bij Pharsalen

Twee legers, waarvan ieder hoofd Zich roemde Vrijheid te gaan halen,

En dit aan Rome had beloofd.

Doch niemand onder deze benden.

ocr page 252

236

Die 't West en 't Oosten ook zag zenden, Zocht iets als zijner heerschzuehts part; De Vrijheid, overal verdreven.

Ging schreiend om de tenten zweven. En vond geen woon, als Cato's hart.

Zij is dan evenwel op aarde.

En schoon onzienelijk voor 't oog,

Zij is, daar moed en deugd zich paarde. En nooit voor dwinglands woede boog. Mag mijne lier, zoo hoog gespannen.

Als in de ziel van zulke mannen,

Ontdekken, waar men Vrijheid vindt, Waar zij, in 't algemeen verloren,

Bijzondre zitplaats heeft verkoren,

Wien zij alhier op aarde mint? —

Hij 's vrij, die op zijn oudren erven,

In eigen schuur en hoeve woont,

Wien drift noch weelde kwam bederven,

Die soberheid met kalme loont;

De zon komt op, de zon gaat dalen, Vernoegd in zijner akkren palen.

Ziet hij aannadren d'avondstond,

Die rust en slaap zal hemwaarts trekken, En elders twist en onrust dekken Op 's werelds woelend halve rond.

Hij 's vrij, die aan der vorsten ooren De zuivre waarheid nooit bespaart. Die hun 't onaangenaam doet hooren.

Als 't hen voor schande en scM bewaart; Die hun de rechten voor durft leggen En onbewimpeld aan zal zeggen,

Wat eed en wat verplichting is;

Die hun de nutte les durft geven.

ocr page 253

237

Dat ieder dag is in hun leven Een blad van hun geschiedenis.

Hij 's vrij, die in de veldtochtstijden

In 't kamp op de avondorder hoort,

Dat 's andren daags van alle zijden

Door 's vijands leger moet geboord;

Daar zekerlijk door overmachten Geen overwinning is te wachten,

Maar slavernij of wisse dood;

Die dan, na slapen zonder vreezen,

Frisch ziet den morgenstond gerezen.

En koel beschouwt d'aanstaanden nood.

Hij 's vrij, die in de woeste golven

Den gapend' afgrond voor zich ziet. En ruk op ruk in 't nat bedolven.

Bedaard aan 't werkend volk gebiedt. Of wel, wanneer m'in zeegevechten Twee schepen boord aan boord wil hechten. Wijl houtwerk kraakt en buskruit vlamt; Hij, die door plicht en eed getrokken, In alsoorts dooden onverschrokken Den bout van de enterbrugge klamt.

Hij 's vrij, die, mits in staatszaakstwisten,

Gestaag aan zij van 't Vaderland, Verdrukt door Pactie's schelmsche listen

In omgekochte rechters band,

Met wreede pijnbank voor zijn oogen, Is onbedwelmd en onbewogen;

Of reeds op 't moordschavot geleid. Op plaats en lot zich durft beroemen.

Zelfs daar de wet en vrijheid noemen.

Voor beide altoos ter dood bereid.

ocr page 254

238

Gij ziet het, waarde landgenooten, De vrijheid is in 't rein gemoed, Dat vleiende ondeugd kan verstooten

En rust in zijnen boezem voedt. Fortuin kan, op den mensch verbolgen, Op de eene ramp doen de andre volgen, Hij 's vrij, die moedig haar verdraagt; Die 't sterflijk uur deed nimmer beven. Die van de Godheid niets voor 't leven, Dan lijfs- en zielsgezondheid vraagt.

ocr page 255

SIMON STIJL.

(1731—1804.)

JOHAN DE WITT.

Onder het bulderen der hevigste onweersvlagen was Jan de Witt, als raadpensionaris, aan het roer der regeering gesteld geweest. Hij was de schranderste, de braafste en de ongelukkigste man van zijnen tijd. Zijn verstand werd van iedereen als een wonder aangemerkt, zijne eerlijkheid is van weinige eerlijke menschen in twijfel getrokken; en niettemin dacht men hem al het leed te moeten wijten, waarvan het angstvallig Gemeenebest in die dagen getroffen werd. Men schrijft de misslagen, welke men in zijn beleid onderstelt, voornamelijk toe aan eenen bijzonderen haat tegen het huis van Oranje, en aan een beginsel van eerzucht, waardoor hij niet dulden kon, dat de Prins, tot het stadhouderschap verhevenquot; zijnde, boven hem gebieden zou. Het Eeuwig edict, rechtstreeks tegen de stadhouderlijke regeering ingericht, heeft velen doen gelooven, dat hij bekwaam was, om aan zijne hartstochten het welzijn des vaderlands op te offeren; te weten: men had de voorgemelde acte van uitsluiting op Cromwells begeerte gegeven, naderhand ten gevalle van Karei den II wederom ingetrokken. Maar na den vrede van Breda, toen men reeds uit Frankrijk eenige donkere buien zag opkomen, had men onder den naam van Eeuwig edict, een besluit vastgesteld, uit kracht van hetwelk geen Stadhouder van eenige Provincie tegelijk Kapitein-Generaal zou

ocr page 256

240

mogen zijn. De Staten van Holland hadden alleen dit besluit genomen; maar zij vleiden zich, van de overige Provinciën eene algemeene toestemming hierop te zullen bekomen, hetgeen ook vervolgens gelukte. Voor Holland in 't bijzonder maakten zij ook deze bepaling, dat het ambt van Stadhouder in die provincie voor altoos zou vernietigd zijn. Waarschijnlijk zouden zij zoo sterk niet gehandeld hebben, zoo zij niet gevreesd hadden, dat de vrienden van den Prins, om zijne verheffing te bevorderen, het land in eenen nieuwen oorlog zouden inwikkelen, op eenen tijd, dat men aan den andren kant alles beproefde om de zwevende geschillen tusschen Frankrijk en Spanje, door vriendelijke tusschenspraak te slechten. En mogelijk werd die vrees wat te verre getrokken, hoewel zij zekerlijk op bekende voorbeelden, zoowel van de nieuwe als van de oude geschiedenissen des vaderlands gegrond was. Wat De Witt betreft, die niet te onrecht voorden aan-leider van deze zaak gehouden werd, men begrijpt, dat dit in de oogen van zijne tegenstrevers eene onvergeeflijke misdaad was. Evenwel moesten zij in het oog gehouden hebben, dat hij, als een oprecht liefhebber van het vaderland, de Stadhouderlijke regeering nog wel kon afkeuren, zonder den Prins, dien men daartoe verheffen wilde, persoonlijk te haten.

De gedachtenis van dezen grooten man heeft het niet noodig, dat wij de moeite nemen van hem vrij te pleiten. Mogelijk heeft hij in sommige opzichten gedoold, gelijk het dolen menschelijk is. En wien zal dit verwonderen, die slechts in het voorbijgaan heeft gelet op zulk eene ingewikkelde warring van staatsbelangen, als wij beschouwd hebben? Het drievoudig verbond met Engeland en Zweden, zou den Staat genoeg tegen Frankrijk beveiligd hebben, zoo Karei de II zijn woord gehouden had. Maar hoe was het te voorzien, dat hij het zoo schandelijk verbreken zou? En wie kon zich verzekerd houden, dat de Raadpensionaris, die immers gerust kon zijn op de gevoelens van den Keizer en den Koning van Spanje, nog een middel zou gevonden hebben om,het gevaar af te wenden, indien hij geene bedekte vijanden had gehad? Wij moeten buiten tegenspraak met dankbaarheid de roenarijke

ocr page 257

241

gedachtenis van Willem den III eerbiedigen, die tegen de voorgemelde raadsbesluiten eerst tot Kapitein-Generaal en vervolgens tot Stadhouder werd aangesteld, en door de twee voornoemde mogendheden ondersteund met den degen in de vuist het vaderland behouden heeft. Maar niemand zal ontkennen, dat wij nog veel grooter verplichting zouden gehad hebben aan den getrouwen staatsdienaar, zoo die zonder bloed te plengen door eenen vreedzamen handel hetzelfde oogmerk had bereikt. Is het nu evenwel waar, dat Jan de Witt zijnen afkeer van de stadhouderlijke regeering den teugel te ruim heeft gevierd; laten wij tot zijne verschooning erkennen, dat hij in zijne dagen geen denkbeeld hebben kon van eene zoo vreedzame en beminnelijke regeering, als die, waarin wij thans het opperste geluk van ons vaderland stellen en waarvan het voorbeeld nog heden bezwaarlijk in de geschiedenissen te vinden is.

1774. (Uit „De Opkomst en Bloei der Vereenigde Nederlandenquot;.')

DE BRAND IN DEN AMSTEEDAMSCHEN SCHOUWBURG IN 1772.

Volgens het huishoudelijk gebruik van de Heeren Regenten was de Schouwburg wederom, voor den zomerschen stilstand van het jaar 1772, verhuurd aan een troep Vlamingen, die daar hunne opera's vertoonden, meest op eene armhartige wijze uit het Fransch overgezet, maar wegens het gezang bij velen nog zoo aangenaam, dat er somtijds eene aanzienlijke menigte door getrokken werd. Inzonderheid was er een ongemeene toeloop, en van zeer vele voorname lieden, op Maandag den 11 Mei, wanneer zij ten tweeden male speelden. Het voornaamste stuk, zijnde 't naspel, de Deserteur genaamd, brengt mede, dat in het derde bedrijf eene verduistering moet plaats hebben, om de gevangenis, waarin de hoofdpersonage zich bevindt, natuurlijk te verbeelden. Nauwelijks had men

duijser en VAN goor, Lett. Leesb. I, 2e druk. 16

ocr page 258

242

hiermede een begin gemaakt, of velen werden reeds, zoowel in de schouwplaats als op en achter het tooneel, eene benauwde lucht gewaar als een heeten damp, die den adem meer of min belemmerde. Niet lang daarna, ongeveer te half negen, ziet men vooraan ten Noorden achter het pronkbeeld van Thalia een klein vlammetje ter zijde uitslaan, 't welk terstond geen geringe opschudding baarde; maar de speler, die op het tooneel stond, riep dat men zich niet ontrusten moest, dewijl er geen gevaar was. Hetzelfde bevestigde de architect Rauws kort daarna met luider stemme. Maar op 't oogenblik hoort men een verschrikkelijk gedruisch; een dikke rook verspreidt zich alom, de vlam vliegt breeder op tegen de eerste zoldering, slaat insgelijks beneden in het eerste scherm, vat verder in de vliezen en 't bovenscherm en stelt zoo schielijk, als men 't melden kan, het gansche tooneel in lichten brand. Straks vallen de kronen gloeiende in den bak; 't gordijn valt mede, de gewichten der schermen ploffen neer, de schermen insgelijks, en alles raakt ondereen in de uiterste verwarring. Inmiddels breekt de felle vuurstroom mede buiten het dak, en flikkert binnen weinige minuten niet slechts over heel Amsterdam, maar over een groot deel van Holland, van Tessel naar 's-Gravenhage, over 't Sticht, de Gooische Kusten en schier de gansche Zuiderzee. Het ontbreekt ons aan bekwaamheid om slechts eene flauwe schets te geven van de ontroeringen en doodsangsten, die dit akelig verschijnsel aan alle zijden verwekte. De gansche stad weergalmde van 't gejammer in de opgepropte straten en grachten, daar elk om de zijnen kermde, die zich in 't gevaar bevonden of er vermoedelijk in konden zijn.

Men schoot wanhopig toe ter hulpe; maar de hulp was radeloos in dien dringenden nood en de vaardigsten hepen elkander vertwijfeld in den weg. Naderhand heeft men verstaan , dat ook verre buiten de stad de inwoners van verscheidene dorpen, zich wederzijds vergissende, naardien zij de plaats, daar het onheil woedde, veel naderbij dachten te zijn, elkander om 't ijverigst met hunne brandspuiten waren te gemoet getrokken.

ocr page 259

243

Maar al hadden wij de bekwaamheid van Hooft en Vondel te zamen, 't zon ons aan moed ontbreken om in eene breede beschrijving te treden van de deerlijke gesteltenis der Schouw-plaatse in dat allerijselijkst geval. Wat is ooit vreeselijker dan eene weerlooze prooi te zijn voor het al verslindend vuur? Wat is zoo akelig als blindelings te worstelen in eenen dikken nevel van scherpen rook en gloeiende dampen, omringd van afgematte zieltogenden, daar 't gejammer en geween, door schelle of schorre noodkreten somtijds afgebroken, echter niet dan in doodstuipen eindigt? Wat is in 't uiterste gevaar des levens wreeder, dan met één elk oogenblik den dood uwer waardste vrienden of dierbaarste panden te verwachten? Ouders, kinderen, zusters, broeders, echtgenooten elkander het laatst vaarwel met eene gebrokene stem te hooren aan-hijgen? Vruchteloos naar de uwen om te zien, terwijl de één voor uwe voeten bezwijkt, de ander om uwen bijstand smeekende door den drang voor u ongenaakbaar is en een derde, dien gij zoekt, nergens gevonden wordt? Wie zou niet in angstig doodzweet versmelten, zoo hij zulk een tafereel met zijne ware kleuren geschilderd zag? Men verbeelde zich dan slechts in het voorbijgaan, voorwaart op het verlaten tooneel, een wassend getij van golvende vlammen, fel aan 't blaken en bij vlagen aanbruisende over het smeulend orkest; boven 't hoofd een luid gerucht van spattende vonken en nog hooger eene nare verduistering door wolken van rook en smook, die, achter bij de halfgestopte uitgangen neergeslagen, den vluchteling gedurig terugdrijven. In de galerijen en loges ondragelijke hitte en vertwijfeld ongeduld, daar velen gereed staan om van boven neer te springen; in den bak blinde verwarring, uitzinnig gewoel en razende wanhoop, die tegen steile muren klautert. Overal grijnzen van den dood, elk om 't akeligst, en, daar men 't sterflot zeker acht, nog hartbrekende bekommering of men levendig tot assche zal verstuiven, of anders gezengd, geschroeid, in den drang ver-trappeld of door eenen neerploffenden balk verplet worden. Menigten, die opeen gepakt en schier plat geknepen, als een enkel lichaam door :t gedrang van den grond getild en als

16*

ocr page 260

244

in een maalstroom heen en weer gevoerd worden met uitstekende armen, handen of bloote kruinen, terwijl zij met een open mond en keel het aanstuivend vuur onwillig inzwelgen; zwangere moeders, teeder kroost, tegen de wanden geperst, onder de banken gestommeld, gekneusd, verminkt en onder 't puin bestulpt. Aanzienlijken .... maar wie rept nog van aanzien of wereldsche grootheid, daar de gansche mensch-lijkheid siddert? Wien rijst het haar niet te berge, als hij hooren moet, dat in zulk eene ellende nog ontaard gespuis gevonden werd, 'twelk de reeds gesneuvelde lijken bestond te plunderen en te berooven? Hemel! wat moesten wij van 't mensehdom denken, indien er ook bij zulke rampen geene even groote voorbeelden van edelmoedigheid en deugd gevonden werden? Intusschen blaakte en kraakte 't nu al, en schoon er van tijd tot tijd gewenschte ontruiming kwam, echter zijn er nog velen verongelukt, die anders geene vreemdelingen in den schouwburg zijnde, misleid werden door de menigvuldige veranderingen en herbouwingen, en vruchteloos hun behoud langs de oude en ontoegankelijke wegen hadden gezocht. Men heeft ze naderhand van onder 't tooneel en uit de blinde gangen opgedolven. Eer 't elf uren was, lag het dak reeds ingestort; en dus is dit grootsch gevaarte met al zijn praal en pracht en onbeschrijflijken toestel, ten koste van veel ongelukkigen binnen twee uren in asch en rook verdwenen. Allerbeklaaglijkst einde, nadat het schier anderhalve eeuw de liefde van onze wereldstad en de glorie van het lieve vaderland was geweest!

1781. (Uit „Leven van Jan Puntquot;.s)

ocr page 261

ELISABETH WOLFF-BEKKER

(1738—1804.)

EN

AGATHA DEKEN.

(1741—1804.)

BRIEVEN UIT SARA BURGERHART.

I.

MEJ. SARA BURGERHART AAN 5IEJ. ALETTA DE BRUNIER.

Douce et tendre Amie!

Je suis enragée op het oude wijf, op mijne tante. Ik wil geene week langer blijven; het is alsof ik in de hel woon. Ik moet, chère! u eens eene scène teekenen, die u niet zal uit de hand vallen.

Woensdag voormiddag raasde zij als eene bezetene, omdat ik eenige nieuwe aria's speelde. Dat is een wijf, ook? Zij wordt geholpen door hare Hottentot van eene meid, die vrij durfde zeggen, dat zij ook danig ontsticht was. Met wordt er gebeld. Bregt waggelde naar voren, en tante gaf mij eene verbruide oorvijg, omdat ik bleef spelen. — „Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin.quot; — „Wel heden! laat Broeder maar achter komen.quot; — Daar kwam Broeder, een luie zuipzak van een kerel in een paarsen japon (men zou wel zeggen, wie zulk een verloopen slagersknecht toch een' japon heeft

ocr page 262

246

leeren dragen). — „Welkom, Broertje! -wel hoe is het nu nog al met je?quot; — „Het gaat nog al; maar mijn hoofd, mijn hoofd!quot; — „Wel, dat is droevig; maar je vergt je ook wat veel.quot; — „Ja, het is mijne ambtsbezigheid. En hoe vaart Zuster? Je schijnt wel wat onthutst.quot; — „Ja, dat ben ik ook. Het is niet altijd het effene wegje. Broertje! (Tegen Br egt) Ei, meid! is er niet wat ? dan zou Broeder hier maar familiaar blijven. (Tegen mij) Toe, lieve Saartje! (Was dat uit te staan, „lieve Saartjequot;? en mijne wang gloeide nog van den slag) bak jij nou ereis schielijkjes wat dunne pannekoekjes; Broeder lust ze zoo graag.quot; — Ik sloot mijn klavier, en zeide: „Het is wel, tante!quot; Ik ging naar de keuken, en bakte helder door; maar ik at die al bakkende zelf op. Dit is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik ook mijn genoegen krijg.

Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift sterk. Toen ging ik, terwijl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken. Bregt eet met ons; want het is Zuster Bregtje, moet gij weten, Letje!

Ik kreeg, a Vordinaire, eten op mijn bord. Twee schepjes groente met een flenter koud vleesch van 's daags te voren. Ik speldde mijn servet voor. „Als ik, gelijk een kind, eten krijg, moet ik ook zien, dat ik mij niet bemors.quot; — „Och, of gij een kind waart,quot; zeide de smulpaap, die onderwijl met zijnen duim en vinger de boter van de rohe de cha/mbre van eene cotelette aflikte. — „Dat zou heugelijk zijn!quot; zeide tante. — „Ja, wel heugelijk,quot; zeide Zuster Bregitta. — Toen kreeg ik nog wat bijeengeschraapte spinazie en een stuk cotelet. Zuster Santje en Broeder namen onderwijl eens. Ik krijg nooit wijn. Tante zegt, dat het niet goed is voor mij; en dat kan wel zijn; want ik ben jong en gezond. — „Kom Saartje, neem nou maar af. Bregtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud.quot; — Ik deed zoo, zette het dessertje op. — „Waar bennen de flensjes, Saartje!quot; — „Die zijn in mijne maag, tante!quot; —'Snap! mijn servet neergegooid (bij ongeluk tegen Broeders palmhouten pruik), en het onweer op mijne kamer ontweken. Gij weet, ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de

ocr page 263

247

Hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er bijvoegende: „dat ik het nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde.quot; — „Scheer je van mijne kamer,quot; zeide ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide ik weg, en dronk eens helder uit mijne karaf, ging vroeg te bed, en sliep als eene roos. Daar aanstonds kreeg ik eene boterham met eene kom thee, die wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit en wil mij voor hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u dezen wel in eigen handen, mogelijk niet. Ik weet niet, hoe het zal uitkomen.

Vast kom ik; de brief der goede weduwe heeft mij in dit voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn; maar ik wacht op eenen brief; die brief komt niet. Ik zal, voordat ik dit huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven; doch dat kan ik bij u even goed doen.

Ja, lieve meid! gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar weldoen en vroolijk leven. He, wat! op die fijnen is toch geen staat te maken; echter zijn er (of gij het niet geloofdet) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn. — Enfin, kort gezegd, Letje! Salomo, de wijze koning Salomo is mijn man: Men moet het goede genieten van zijn leven en van zijnen arbeid; daarmede is dat maar uit en afgedaan.

Het wordt donker, en ik krijg geen licht in mijne kamer; ik kan dus niet langer schrijven. Hoe zal dat gaan, als ik beneden kom? Ik zal tante goeden avond zeggen, en als zij dragelijk is, bij haar gaan zitten breien; zoo niet, dan ga ik in de zijkamer, de lantaarn brandt toch in het voorhuis, open mijn klavier, en speel op het gevoel maar. Maak mijn compliment aan Mejuffrouw de weduwe Spilgoed, en zeg haar zooveel, als gij noodig oordeelt, zoo gij dezen nog, voordat ik u omhels, in handen krijgt. Nacht, lieve ziel!

Tout a toi S. Burgerhart.

ocr page 264

248

II.

MEJUFFROUW SABA BURGERHART AAN DEN HEEB ABBAHAM BLANKAART.

Geëerde Heer, zeer waarde Voogd!

De steen is geworpen: ik ben het ontvlucht, en acht het plichtmatig u alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in mijn nieuw logement gearriveerd. Ik zal u alles vertellen.

Ik twijfel dikwijls, of tante mij deze laatste weken niet zoo geplaagd heeft, om mij dezen stap te eerder te laten doen. Het volgende deed mij nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in eenen Franschen winkel, waar ik een paar handschoenen kocht, een mijner schoolvriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes vader was de heer Philips de Brunier, geen ongeacht commissionair op Duitschland en Italië. Ik leg haren brief aan mij, ook die der weduwe, bij welke zij logeert, hier in, opdat gij zoudt weten al, wat er mij van bekend is. Nu de vertelling.

Gisteren middag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds (want zij geeft mij niets, geen duit). Bregt had de stoutheid om mij te vragen: „Waar ga jij heen?quot; — „Dat raakt jou niet.quot; — „Dan zei je ook in huis blijven.quot; — „Heb jij het hart, en belet mij dat eens.quot; Ik kan wel boos worden, maar niet kijven; en ziende, dat Bregt haar talent te werk stelde, bedacht ik mij. „Bregt!quot; zei ik, „heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik haar naar de reden vragen, als zij te huis komt. Wat zullen wij eten?quot; — „Kliekjes,quot; zei zij. — „Goed, ik heb honger; maar wij zullen tantes gezondheid eens drinken; toe meid! haal eens eene fiesch wijn; jij hebt zeker den sleutel.quot; — „Ik doe het niet, juffrouw Saartjequot; (nu ik van putten sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel). — „Jij jokt Bregt; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn betalen.quot; — „Ja, tante heeft altoos zelf

ocr page 265

249

den sleutel; maar als juffrouw mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij.quot; — „Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk!quot; — Zij ging. Ik had al lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes was zij in den kelder, of ik flink de deur-in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis uit en haalde de huisdeur achter mij toe. Hoe het verder met de Zuster gegaan is, weet ik niet.

Ik heb op tantes tafeltje een kaartje laten liggen, opdat zij niet ongerust zijn zoude. Zij heeft mij schrikkelijk geplaagd; mogelijk zal zij zich dit herinneren; en wat behoef ik haar te kwellen, nu ik uit hare macht ben? Is het niet waar, mijnheer?

Wat verlang ik naar eenen brief van u! De muziek heb ik ontvangen. 0 wat zijt gij een goed man. Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en hoe gelukkig ik mij reken te zijn,

Mijnheer!

Uwe ootmoedige dienares en pupil Sara Burgerhart»

P.S. Mijn adres zal ik hier bij leggen.

III.

MEJUFFROUW ANNA WILLIS AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

Waarde Vriendin!

Wij hebben den koffer in volle orde ontvangen. Mijne moeder prijst uwe vrouwelijke netheid boven de huizen; denk dan, of ik in mijn schik was. Toen wij hier kwamen, vonden wij tante heel erg; maar zooals ik u gemeld heb, zij is thans veel beter; echter zal het eene slepende ziekte zijn. Mijne moeder is zwaar verkouden, anders wel, en ik kan uitnemend tegen de Maaslucht.

ocr page 266

250

Het is hier zeer stilletjes. Tantes huishouding bestaat maar uit haar zelve en twee bejaarde meiden, die reeds bij grootvader gediend hebben en hier recht gelukkig leven; want mijne tante is eene der beste vrouwen, welke ik ken. Zij heeft veel verstand en een goed hart. Eenige kleine eigenzinnigheden reken ik niet.

Willem is haar afgod. Hij is naar grootvader genoemd, moet gij weten, en zoo hij eens Willis van Zon schrijft, is tante niet te goed, om aan haren neef. Willis van Zon, een legaat extra te maken. Ik mag het lijden. Geld is mijn zwak niet, en mijn broeder zal, zoo hij eens zelf negotie doet, van die ronde vrienden noodig hebben. Gij weet, vader was eerlijker, dan gelukkig.

Eens ben ik nog maar uit geweest, en dat heette familiaar bij tantes naasten buurman, den heer Uitval, brave burgerlieden van den ouden tijd. Het spijt mij, dat gij er niet bij waart; dat was een recht pretje voor u geweest, om de nieuwigheid , meen ik. Ik zal er mij eens toe gaan zetten, om te zien, of ik er u eene dragelijke beschrijving van geven kan. (Het tooneel verbeeldt een Rotterdamsch bovenhuis, vol stoelen en stoven, en al wat in staat is om een mensch of zestien wel dicht en warm bijeen te pakken). De tractant was een man van diep in de vijftig, en vrouwlief ook zoo omtrent. Hij had een kort gesneden pruikje op, dat niet onaardig tuigde met een groot breed, vrij vurig aangezicht; hij had een zwarten rok aan met lobben, die hem tot over de handen fladderden. Moeder had eene soort van négligé op met een rood lint, een jukaatje aan, een wit boezelaartje voor, en was over het geheel huiselijk. De dochter was vrij zwierig gekleed, doch wat modes ten achter; zij glom van juweelen en was stijfjes vriendelijk. Toen ik boven kwam, verwelkomde mij juffrouw Uitval met vele buigingen en vele excuses, dat zij mij zoo familiaar ontving, zeide: „dat zij maar eene ouderwetsche vrouw en klein behuisd wasquot;, met al, wat over dien toon verder loopt. Onderwijl verdoofde het gekef van twee kleine honden, het gekook van een zilveren theeketel, die op een ordentelijk burgervuurtje stond te koken, en het geschreeuw van den

ocr page 267

251

heer Uitval, die aan de trap tegen een koksjongen braaf stond te kijven, zeer veel van deze fraaie complimenten, en ik kon bestaan met te groeten en te glim lachen. Daarop kwam de man boven (ik kwam bij ongeluk de eerste), en moeder, ziende, dat ik nu gezelschap had, waggelde, terwijl zij aan een vervaarlijk zwaren bos sleutels rammelde, naar de achterkamer, waar zij wel alle kisten en kasten scheen te ontsluiten. Toen was het; „Hartelijk welkom, juffrouw, in de stad;quot; en hij kuste mij met eene recht oud-vaderlandsche welgemeendheid. „Hoe bevalt je ons Rotterdam? Wat liggen hier al reuzen van schepen in onze havens, he! wat zeg je? Dat is wat anders, als jelui Amsterdamsche lichters en vlotschuiten. Heb je geen frisschen vrijer opgedaan, die de stad eens braaf op en neer met je kan loopen, en je zoo eens op de Schotsche koolschepen brengen kan? Wol je moet onze kerken zien; je moet naar de Erasmusmarkt. Daar staat Erasmus, levensgrootte, met een bijbel in zijne hand. Ja ik weet wel van je liefhebberij in lezen. Ik lees nooit; maar elk zijn zin. En dan moet je door de Boompjes wandelen en onze beurs zien. Onze stad is stikkend vol volk, en het gaat de kooplui heel goed. Je weet, goed maakt moed. Kom! je moet daar niet altijd bij tante zitten suffen; nu zij weer beter wordt, moet je eens zien, waar je bent.quot; De goede Uitval zou al zoo voortgerammeld hebben; maar het overige gezelschap was er. Toen moest gij die drukte gezien hebben. Onder de vrienden was een mager, ziekelijk, zwak mannetje; mejuffrouw zijne echtgenoote was eene beauté van ten minste derdehalf honderd pond gewichts, vreemd toegetakeld: een sitsen japon met groote wilde bloemen, eene kostbare bonte pellies '), een aan haar hoofd geplakt kinmutsje. Hoe smaakt u dat, Saartje? De zware gouden beugel was, want de vrouw was losjes gekleed, op de tablier geschoven, en maakte tegen een superbe horloge geen onaardig contrast. „Welkom, Klaasje riep Uitval, terwijl hij het arme sukkeltje tot knijpens toe de hand drukte. „Zie je wel, dat al die likkepotjes maar

') Een vrouwenmantel, met bont gevoerd.

ocr page 268

252

vodden zijn? Doe als ik: eet een braaf stuk ossenvleesch, neem een stout glas baai toe, en kuier dan eens naar Schiedam toe; zoo doe ik, en ben ik nog niet, alsof ik twintig jaar was?quot;

Toen raakten wij aan 't theedrinken. Nooit dronk ik fijner thee, en nooit dronk ik uit keurlijker porselein. Het speet mij maar, dat de gulle vrouw mij zoo veel suiker in het kopje deed, zoo dikwijls als man schreeuwde: „hebben de vrienden wel suiker?quot; en dan wist ik niet, hoe gauw ik het kopje zou naar mij nemen, om thee en geen slemp te drinken.

Nauwelijks was de thee ter zijde, of de jonge juffrouw kwam met een groot vierkant zilveren blad, opgevuld met confituren; dat blad werd opgevolgd door een nog grooter, tot eene aanmerkelijke hoogte met allerlei fijne gebakjes opgestapeld. Onderwijl was de kamer zeer benauwd; en de heeren dampten uitentreuren, zoodat wij elkander niet dan in wolken van tabaksrook konden zien. Ik had het zeer kwaad. Eindelijk werd men het eens, om wat lucht te maken, en Uitval schreeuwde om wijn en kelkjes. De meid kwam boven met eene doos soezen, die nauwelijks de trap op wilde. Enfin Saartje! de goede menschen hadden niets verzuimd, om ons te toonen, dat wij welkom waren. Men speelde niet. De vrouwen begonnen dus over het huishouden en de meiden, de mannen over negotie of studie te praten. Twee personen zal ik u nog maar beschrijven; de overigen zijn het copieeren niet waardig. De eene was de jonge heer Wijsneus, die wel niet studeert, zoo als men het noemt; maar die echter veel leest, en zoo hij zich minder het voorstaan, nog al te dulden zou zijn; nu was hij ondragelijk. Hij luisterde naar zijne eigene woorden, en sprak alles zoo pedant, met zulk een emphasis ') uit, dat hij zijne goede opvoeding schande aandeed. Hij is een neef van den goeden heer Uitval, die nog al opheeft met het gekje, ofschoon het de onbeschaamdheid heeft, om oom en moei op eene ver-

') Nadruk, klem.

ocr page 269

253

achtelijke wijze te bejegenen. Hij scheen gehoord te hebben, dat ik mijn ledigen tijd niet met kaartspelen verkwist. Dit was oorzaak, dat hij mij ongemeen lastig viel.

En wie, vraagt gij, is de tweede persoon, dien gij mij zult beschrijven? De proponent Smit, Saartje! — Nu zie mij zoo niet aan? Gij weet immers, dat wij elkander lang gekend hebben? Een eenvoudig toeval had hem hier gebracht; hij kwam met iemand van het gezelschap onverzocht mede. Ik ontstelde een weinig. Wie zou hem hier verwacht hebben? Zijn zwart kleed staat hem zeer wel, en ik vind, dat hij zeer in zijn voordeel veranderd is. Het was eerst tegen dat wij aan tafel zouden gaan, dat hij occasie had, om mij aan te spreken; doch dit oogenblik nam de jonge heer Wijsneus waar, om hem, terwijl hij hem bij den arm vasthield, te vragen: „Denkt gij niet, mijnheer, dat het wel te betoogen is, dat de philosophie, welke thans door geheel Europa met een fleren tred heromwandelt, zeer veel moet toebrengen tot het zuiveren onzer denkbeelden, ook in de heilige theologie? Zoude het niet wel der pijne waardig zijn, dusdanig een vertoog, geschreven door eene meesterlijke hand, den volke toe te schikken?quot; Smit antwoordde koeltjes; „De gelukkige ondervinding maakt ons zulk een betoog geheel noodeloos;quot; en mij aansprekende, deed hij het pedantje zwijgen, die zijn talenten aan de heeren uitmat, welke hem niets antwoordden. Toevallig werd er van zeker vermaard kabinet van oudheden en munten gesproken. „Eilieve!quot; zeide de vrouw met den gouden beugel tegen Wijsneus; „eilieve, mijnheer! kijk! ik heb hier eenige oude potstukken; mogelijk is daar ook wel een kop van een Roomsch keizer bij. Dat stuk heb ik altoos ') van eene oude kattelijksche juffrouw in mijne kindsheid gekregen.quot; Maar de ondragelijke jongen rekende de goede vrouw geen antwoord waardig. De huisheer noodigde ons op de volgende kamer aan tafel; en den heer Smit bij de hand nemende, zeide hij: „Kom mijn kostelijke vriend! jij bij deze juffrouw; me dunkt, jelui voegt schoon bij malkaar.quot;

') Althans, ten minste.

ocr page 270

254

Maar lieve Saartje! ik wenschte wel, dat gij zulk eene tafel eens gezien hadt! In het midden stond een smokend stuk Hamburger ossenrib, van een dertig pond, denk ik. Daarbij was een ham, een kalfskop, eene varkensrib en een gestoofde kabeljauw. De groenten waren niet minder talrijk of voedzaam; zoodat aan ons familiaar soupeetje zouden een dozijn of twee moffen hun genoegen kunnen krijgen. Alles was overvloed, alles toonde rijkdom en zindelijkheid; doch zonder den heer Smit was het voor mij zeer ongevallig geweest. Laat men vrij roemen op de oude Hollandsche gulheid; op zulke maaltijden is men overdadiger en hoort men vuiler dubbelzinnigheden, dan bij onze modieuse lieden. Het was één uur voordat dit klossenpartijtje scheidde. En nu heb ik tijd, om alles, zooals de jonge Wijsneus het noemt, philosophisch te betrachten.

De heer Smit, die mij te huis bracht, vroeg mij, of hij de eer mocht hebben, om mijne moeder van zijne hoogachting te komen verzekeren en dus onze kennis te hernieuwen? Wat zoude ik gezegd hebben, dan dat het mijner moeder zeer aangenaam zijn zoude? Gij hebt hem nooit gezien, mijne vriendin! maar weet echter, dat hij mij een- en andermaal van zijne bijzonderste genegenheid heeft verzekerd. Hij is door zijne voogden na den dood zijner ouders op zijn verzoek van het kantoor genomen, om in de theologie te studeeren, waartoe hij altijd sterke neiging had, en schoon hij laat begon, nu reeds met zijn zes en twintigste jaar beroepbaar als predikant. Mijn moeder groet u teederlijk.

Uwe Vriendin Anna Willis.

IV.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

Waarde Vriendin!

Voor het eerst ben ik na het toeval mijner geëerde juffrouw Buigzaam uit geweest. Niet op eene klossenparty, niet met

ocr page 271

255

een Wijsneus en een aanstaanden dominee, maar met mijn kostelijken vriend, den heer Jacob Brunier, verzeld van deszelfs zuster Aletta Brunier, en dat wel in de Fransche komedie. Daar hebt gij immers niet tegen? Ik kon u wel wijs maken, dat ik er ging, om mijn Fransch te onderhouden; doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen ander oogmerk, dan om eens eene Fransche comedie te zien spelen. Wel, Naatje! ik raad u sterk aan, om voordat gij van staat verandert, er ook eens te gaan. En zoo dit, gelijk mijne tante zegt, de tente des Satans is, dan moet ik u maar zeggen, dat hij als homme de goüt en comme il faul gelogeerd is! Ik zag Les femmes savantes spelen, een stuk van den grooten Molière. Mijn genoegen was groot: alles, dacht mij, was natuur. Het karakter van Crisale smaakt mij; maar dat: „excusez-moi, monsieur, je n'entends pas du Grec,v hoe bekend ik daarmede ook ben, had al hot aantrekkelijke der nieuwigheid, toen het werd uitgesproken door eene schoone, jonge actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet weinig misnoegd over het gedrag van ettelijke heeren en dames in drie of vier loges. Het spel zelf trok hunne aandacht niet; dat is hunne zaak; maar andere fatsoenlijke lieden te beletten, om te voldoen aan het oogmerk, waarom die naar zulk eene plaats gaan, vind ik ten uiterste onbeleefd. Zoo ziet gij, kind! dat alles onvolmaakt is, of, zooals de heer Blankaart zegt: alle rechtertjes hebben er slinkertjes. Zulke onfatsoenlijkheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den Paus in de ban. Kootje zegt mij (ik noem mijn auteur om des te meer klem aan zijne woorden en aanhalingen te geven), dat lachen, praten, badineeren onder het spelen van de zielroe-rendste treurspelen thans du ton is; en dat menig champignon en champignonne de fortune daarmede ontegenzeggelijk bewijzen, dat zij lieden van rang zijn, en ten minste reeds deze zes jaren geweest zijn. — „Zeg je zoo?quot; was mijn antwoord; „evenwel, al werd ik altijd maar voor een koopmansdochter gehouden, ik meen deze certificatie van mijn fatsoen niet mede te nemen, omdat ik mijne lieve ouders niet in verdenking wil brengen, of zij mij ook wel hebben opgevoed.quot;

ocr page 272

256

Niettegenstaande deze en nog een half dozijn ongevalligheden, moet ik u maar zeggen kind! dat ik verzot ben op den schouwburg, dat ik niet kan begrijpen, wat men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning , die, wel ingericht, zooveel goeds kan uitwerken. Nu dat mogen de geleerden afhaspelen. Ik ga er heen, en dat wel, zonder dat mijn hart mij iets verwijt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, omdat wij haar niet hadden medenomen. Het is mijne schuld: ik vreesde, dat die beuzelachtige woelgeest ons maar zou gehinderd hebben. Als wij weer gaan, zal ik haar zien in eene loge te plakken; daar zal zij zich beter diverteeren, dan bij ons, die eenvoudig komen, om te hooren, te zien, te weenen of te lachen. A propos! weet gij wel, dat het thans voor zeer ongemanierd gehouden wordt te schreien bij eene A hire ') en te lachen bij den Francais a Londres? Zie, dit alles h gouverno r): het kon u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen.

Onlangs was ik met mijn trouwen schildknaap op een publiek concert. Koo had gehoord, dat er eene der eerste zangeressen voor het eerst zingen, en dat Cavalini het klavier tracteeren zou. Maar moest men geen geduld hebben, zoo taai als een leeren lap (wil ik spreken) om niet toornigjes te worden op de manier van doen van eenige der groote lieden ? Daar snapten drie, vier dames, zoo luid, dat ik duidelijk hoorde, hoe het discours ging over het puce-lint van eene coiffure. Ginds stonden een paar heertjes (als een paar malle jongens zoude ik zeggen, zoo ik niet verstaan had, dat zij aanstaande vaderen des vaderlands waren) arm in arm de heerlijkste muziek na te lollen, ons en passant eenige kabri-olen op den koop toe vereerendc; en dat terwijl mijne geheele ziel wegsmolt door de heerlijkste vocale en instrumentale muziek, welke ik immer hoorde. Hoe is het mogelijk, zoo ongevoelig te zijn! Ik spreek niet eens van het onvoegzame; men doet veel om du ton te zijn! En diezelfde babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een de

') Treurspel van Voltaire. J) Tot bericht.

ocr page 273

257

ander vroeg, of zij zich den avond beklaagden, dat zij geën-chanteerd waren.

Ende nu nog een kort woord tot u, mijne aandachtige! Het is waar, de overgang is wat grillig: zoo spreek ik van komediën en concerten, en zoo kom ik tot mijne deftige vriendin. Nu, gij weet, hoe ik ben: los, bedroefd los.

„Wel,quot; zou tante zeggen, „wel, kijk eens aan, nicht! daar moest de tante van je vriendin juist te Rotterdam wonen; daar moest zij ziek worden; daar moest juffrouw Willis met hare dochter komen; daar moest een buurman wezen, die een klein soupeetje gaf; en daar moest juist de proponent Smit in de stad zijn, om er dien avond bij te wezen. Wat is dat groot!quot; Dus verre tante.

En wat zegt nicht? Wel nicht is zeer in haar schik met die tijding, en nicht hoopt nog binnen het jaar hare vriendin in het eerwaardig karakter van domineesvrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje! dat moest gij doen. Mij dunkt, dat gij met niemand een juk kunt aantrekken, dat u zoo wel voegen zal, als met eenen Eerwaardige. O mij! wat zal ik dan dikwijls bij u komen, al woondet gij aan het einde van de wereld, of zelfs op Marken Buiten! want ik ben overtuigd, dat de man, dien gij verkiest, waardig is, dat men om hem de geheele.tooverlantaarn der wereld goeden dag zegt.

Ziet gij niet, dat ik thans eene heele schrijvige natuur over mij heb? Ja, kind! Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare patiente is nog te zwak, om haar met mijn gerammel te vermoeien. Doch lang vasten is geen brood sparen. Ik moet noodzakelijk eens met Letje uit. Juffrouw Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlijk gaas gekocht, en dat zeer goedkoop; ik moet, eer het stuk opraakt, er ook van hebben. Zoo Kootje maar mee kan; want hij heeft, wurm daar hij is! ook zijne drukten; en het schijnt, dat hij voor een heertje van de mode zijne zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gij een goed werk verrichten, Naatje, als gij hem wist te beduiden, dat hij waarlijk zeer wel zou doen, indien hij zoo attent ware in het verbeteren en in orde brengen zijner denkbeelden, die nu in zijn hersenvat als een hoop

DUIJSER EN VAN GOOR, Letterk. leesb. I, 2e druk. 17

ocr page 274

258

stoute jongens in den donker heromtuimelen. Zeg, wat gij wilt; maar de borst is heel gezeggelijk, en den geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak uitgeroeid.

Nu uw beurt, hoor je kind!

Ik ben Uwe Vriendin Sara Burgerhart.

P.S. En wie denkt gij, dat ik dezen dag gesproken heb? Mijn oude, trouwe Pieternel. Ik weet niet, of een bezoek van u mij wel aangenamer had kunnen zijn. De tijd mag mij niet heugen, dat ik het goede mensch gezien heb. Ik kuste haar hartelijk en bracht haar op mijne kamer. De meid was zoo aangedaan en zoo blijde, dat het wel te zien is, hoe veel belang zij in mij neemt. Zij verhaalde mij van haar bezoek bij uw broeder en kon er niet van uit, zoo vriendelijk als mijnheer Willem was! Zij woont thans bij aanzienlijke lieden op de.... ja, ik weet het niet wel; maar wat mij meer interresseert is, dat zij volkomen tevreden is, en haar heer en mevrouw deugden van menschen noemt. Er is wat afgedaan, oud en nieuw! Van mijne geboorte tot op den huidigen dag, sprak zij, ende van mijnen vader, ende van mijne moeder, ende van grootmoeder Burgerhart (welke ik niet gekend heb), ende van grootvader Hofland (die tien jaar voor mijne komst in dit tranendal dood was), ende van tante Hofland, die in hare jeugd zoo een wilde Slavonjer (zoo noemde zij het) geweest is, ende van.... Ja, ik weet zelf al niet. Maar wat mij het potsigste voorkwam, was het nieuws, dat tante trouwen zou met eenen heer, die er alle dagen aan huis komt; doch Pieternel kende hem niet. Dat zal, zoo waar ik leef. Broeder Benjamin zijn! Arme tante! zoo zij hiertoe vervalt, beklaag ik haar van harte. Wie komt er anders dan die heer! Daar moet ik meer van hebben.

ocr page 275

HIERONYMUS VAN ALPHEN.

(1746—1803.)

ZEGEZANG DER MATROZEN NA DE VEROVERING DER SPAAXSCHE ZILVERVLOOT.

Hoezee! Hoezee! De Spaansche vloot Bracht haren rijksten schat

Den Nederlander in den schoot,

Eer 't volk gestreden had.

Wat baten gond en zilver daar,

Waar moed en kracht ontbreekt;

Wanneer men in het grootst gevaar In plaats van vechten, smeekt!

Wij maakten op die zeilen jacht, 't Was Hein, die 't ons beval.

Zij beefden voor hun rijke vracht. En stoven naar den wal.

Wij klommen in de booten neêr. Vol ongeduld en moed:

Zij hoorden pas ons schietgeweer. Of vielen ons te voet.

Toen speelden wij het schoonste spel: En, niet belust op moord,

Verleenden wij hun 't leven wel. Maar sprongen fluks aan boord;

gij les

17»

ocr page 276

260

Daar zagen wij de kisten staan,

Daar lachte aan alle kant,

Ons blinkend goud en zilver aan,

Robijn en diamant.

Daar kregen wij de hoofdsom weêr: Ons uitgeschoten geld.

Door Neerland aan zijn wreeden Heer Gedwongen toegeteld.

Wij hadden lang genoeg geduld.

Maar nu, dat marren moe.

Betaalt men ons eene oude schuld, En wat, voor 't wachten, toe.

Verlaat, Piet Hein! 't Havaansche strand. En kies de volle zee!

Zeil vliegend naar het vaderland.

En sleep uw rijkdom meê!

Ontlaad de schatten, die men wacht. Verdeel den rijken buit;

Dan zeilen wij op nieuwe vracht Met leege schepen uit.

OP DEN DOOD VAN WILLEM VAN ORANJE.

„Daar ligt de hoop van staat! Wie stuit nu Spanjes woeden?

De handen hangen slap: de held is bleek van schrik! Wie leeft er, die na hem ons Neerland kan behoeden?quot; Zoo sprak het weerloos volk, maar Neerlands God zei: „Ik!quot;

ocr page 277

JACOBUS BELLAMY.

(1757—1786.)

HET ONWEDER.

Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig!

Het dartel windje kwijnt,

En lispelt op een trillend blaadje

Zijn' laatsten adem uit!

Geen vogel zingt nu blijde tonen,

Maar zwijgt eerbiedig stil!

De roos, dat sieraad van de maagden

Hangt treurig naar den grond!

De dag verwisselt zijn gewaden

Voor 't zwarte kleed des nachts! De zee kust kabblend haren oever —

De gansche schepping bidt!

Daar breekt uit opgepreste wolken

Een felle bliksemschicht!

Daar rolt de ratelende donder!.. ..

De gansche schepping beeft! Zoo schriklijk klaterde de donder,

Toen God de wereld sprak!

Nog beeft de wereld voor die stemme!

Die schrik is dankbaarheid!

Dan vaart de Godheid op haar stormen

Door 't siddrend landschap heen! Hoe beven honderdjarige eiken.

Gelijk een lillend riet!

ocr page 278

262

Paleizen stuiven voor haar wielen, Als nietig stof, daarheen!

Daar storten trots gebouwde torens, Als smeltend ijs, ter neêr.

Zoo zinkt uw grootheid, wufte vorsten. Als God door donders spreekt!

Als Hij, gewapend met Zijn bliksem,

Zijn forsche orkanen ment!

Dan werpen de verschrikte golven Haar lillend schuim omhoog!

Dan werpen zij de zwaarste kielen, Als lillend schuim, omhoog! —

Daar lacht door de uitgewoede wolken Het lieve zonlicht weer!

Zoo lacht een held, na 't bloedig strijden Met tranen in 't gezicht!

Nu dartelt weer een lieflijk windje Door 't afgematte bosch,

En kust de frissche regendroppen Van 't schomm'lend loover af!

Nu beuren weer de schoone bloemen Heur lachend hoofd omhoog!

Nu zingen weer de lieve vogels In 't bosch een dankbaar lied!

Nu vaart de Godheid op de geuren Van 't frissche lentekruid!

Nu durft al 't schepsel Haar genaken! De gansche schepping juicht!

AAN DE LENTE.

Waar hebt gij, o schoone Lente,

Waar hebt gij zoo lang vertoefd? Alles heeft, met starende oogen. Biddende op uw komst gewacht!

ocr page 279

263

Woedend sloeg de ielle Winter Op uw veld zijn tenten neêr —

Even of hij deze velden Nimmer wéér verlaten zou.

Woedend greep zijn vuist de stukken Van het dik, verdubbeld ijs,

Smeet met forsche kracht de stukken Door de borst der dijken heen.

Even als een hengst, wiens woede. Door 't geraas des strijds verhit.

Trappelt, briescht en met zijn adem Gramschap en verwoesting blaast,

Even zoo stond ook de Winter,

Blaasde en sloeg den lossen stroom.

Die om zijn geweld te ontwijken Door de borst der dijken drong.

Lieve Lente, die verwoesting Heeft uw oog nog nooit gezien!

Duizend dieren, duizend menschen Werden door den stroom vertrapt.

Zoo vertrapt een vluchtend leger.

Door een grooter macht gejaagd.

Dikwijls nog een sterker vijand,

Die 't in zijne vlucht ontmoet.

Strenge Winter, hoorde uw gramschap Dan 't geloei der runders niet?

Hoordet gij de duizend stemmen Der onnoozle kinders niet? —

ocr page 280

264

Lieve Lente, waar vertoefdet —

Waar verbleeft gij toch zoo lang?

Gij hadt met een enkel lachje 's Winters grimmigheid verzacht.

Deed u ook zijn woede beven? Schroomdet gij nw teedren voet

Op een aaklig land te zetten,

Door den hangen stroom vertrapt?

Maar gij kwaamt! — De norsche Winter Rukt zijn tenten uit den grond.

Trekt met aarzelende schreden Grommend van uw velden af.

Nu zet gij uw lieve voeten

Op een zacht begraasden grond;

Op uw wenken gaan de stroomen Vreedzaam van het land terug.

Uit de sporen, waar de Winter Zijne voeten had gezet.

Steken nu de lieve bloemen Lachend hare kruintjes op.

Ga niet vluchtig, lieve Lente!

Toef op dit gelukkig veld!

Wij vergeten aan uw zijde 's Winters dolle grimmigheid.

Lieve Lente, zoo de Winter Weer zoo hevig bij ons woedt,

Kom dan schielijk, lieve Lente!

Eer hij ons geheel vernielt.

ocr page 281

265

ROOSJE.

Daar was in Zeeland eens een man; Hij had een aardig kind,

Een meisje, dat van iedereen Om 't zeerste werd bemind.

De man, gelijk men denken kan, Was grootsch op zulk een schat;

Te meer, daar hij zijn lieve vrouw Daarbij verloren had.

Wat nam hij Roosje menigmaal, Al zuchtende, in zijn arm,

En kuste met een tranend oog Heur roode kaakjes warm!

Dan zei die teedre goede man: „Gij hebt geen moeder meer!quot;

„Ja wel!quot; zei dan het zoete kind, „Bij onzen lieven Heer!

Dat hebt gij immers zelf gezegd?

* Maar waarom ging zij heen?

Zij had mij niet zoo lief als gij, Want zij liet ons alleen!quot;

De vader sprak geen enkel woord. Maar kuste 't kleine wicht,

En onder 't kussen dekte een stroom Van tranen zijn gezicht.

Dit meisje werd wel schielijk groot;

Zij was de roem der stad.

Geen vader, die haar voor zijn zoon, Niet reeds gekozen had.

ocr page 282

266

Wat was dat lieve meisje schoon, Wat had ze een nette leest!

Wat was zij aardig en beleefd, Zoo deugdzaam, zoo vol geest!

Zoo vriendlijk als de schoone maan, Als ze opkomt uit de zee

En op de blanke duinen schijnt — Zoo vriendlijk was ze mee.

Haar lieflijke oogen waren bruin.

Niet vurig, kwijnend, zacht.

Haar lachje was, als 't morgenrood. Dat aan de kimmen lacht.

Wanneer zij met de Zeeuwsche jeugd, Een luchtje schepte aan 't strand.

Dan las ze op eiken tred haar naam, Geschreven in het zand.

Geen jongeling, die niet voor haar Met eerbied was bezield, —

Haar niet, voor de allerschoonste bloem Der Zeeuwsche meisjes hield.

Daar leeft in Zeeland, in het strand, Een kleene, ronde visch.

Die voor den Zeeuwschen kieschen smaak Een lekker voedsel is.

Des zomers, als de zuidenwind Langs kleene golfjes speelt.

En vriendlijk 't gloeiende gelaat Des nijvren landmans streelt.

Dan gaat de jeugd met spade en ploeg Naar 't breede vlakke strand;

En ploegt dan, vol van vroolijkheid, Het dorre natte zand;

ocr page 283

267

Dan grijpt in de opgeploegde voor Een rappe hand den visch;

En dikwijls is de vlugste hand Te traag bij dezen visch.

Intusschen speelt en stoeit de jeugd En fladdert door het nat,

Dat schuimend met een groot gedruisch In mond en oogen spat.

De jongling grijpt een meisjen op En draagt haar mede in zee,

Het meisje roept en wringt vergeefs: Hij draagt haar mede in zee.

't Was eens een schoone zomerdag, En 't puikje van de jeugd

Ging naar het strand met spade en ploeg, En voelde niets dan vreugd.

Het lieve Roosje was er bij,

En ieder jongeling

Vergat den ploeg, vergat den visch. Als ze aan zijn zijde ging.

Een jongling, die haar 't meest beviel. Bleef immer aan haar zij;

Hij zeide aan Roosje menigmaal De zoetste koozerij.

Nu drukt hij eens haar zachte hand,

Daar hij een kusje steelt,

En met de lokjes om haar hals,

Heur bruine lokjes speelt.

Het meisje wringt zich los, en zegt: „Gij stoutert, daar gij zijt,

Plaag nu ook de andere meisjes wat. Gij plaagt ook mij altijd!

ocr page 284

268

Ai, ga naar de andre meisjes heen! En laat mij nu met vreêquot; ....

„Zoo gij mij nu geen kusje geeft, Dan draag ik u in zee!quot;

Zoo spreekt de jongling — en zij vlucht. Zij vlucht al lachend heen.

Hij volgt haar na en slaat zijn arm, Al lachende, om haar heen.

Nu roept en schatert al de jeugd:

„Draag Roosje nu in zee!quot;

Hij grijpt haar ijlings van den grond, En loopt met haar in zee.

De sterke jongling kust den last,

Dien hij zoo gretig torst.

En klemt het allerliefste kind Nog vaster aan zijn borst.

Het meisje roept en bidt vergeefs; Hij gaat, al fladdrend, voort;

Het water spat en klotst en bruist, Dat hij haar nauwlijks hoort.

In 't eind was hij zoo ver gegaan, Dat iedereen aan 't strand

Vol vrees en schrik gedurig riep: „Genoeg, keer weer naar 't strand!quot;

Op eens, daar hij terugge keert.

Staat hij vertwijfeld stil;

„Help Roosje!quot; roept hij, „groote God!quot; En Roosje geeft 'een gil.

„Mijn vrienden, helpt mij, ach, ik zink Hier in een draaikolk neer!quot;

Het meisje grijpt hem om den hals, En zinkt met hem ter neêr.

ocr page 285

269

En zinkt, en draait voor 't laatst haar hoofd

Stilzwijgend naar het strand,

Doch was in de eigen oogenblik Verzwolgen in het zand.

Daar stond de jeugd gelijk versteend;

Geen mensch, die zuchtte of sprak, — Tot eindlijk uit een ieders oog Een stroom van tranen hjrak.

„Mijn God! Is 't waar? Is Roosje dood?

Ligt Roosje daar in zee?quot;

Zoo gilt en klaagt nu iedereen;

De duinen gillen mee.

Wel schielijk werd het droef geval.

Verkondigd in de stad ,

Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar, Die niet verslagen zat.

De jeugd ging zwijgend van het strand.

En zag gedurig om;

Eens ieders hart was vol gevoel,

Maar ieders tong was stom.

De maan klom stil en statig op.

En scheen op 't aaklig graf.

Waarin het lieve, jonge paar Het laatste zuchtje gaf.

De wind stak hevig op uit zee,

De golven beukten 't strand.

En schielijk was de droeve maar Verspreid door 't gansche land.

ocr page 286

PIETER NIEUWLANO.

(1764—1794.;

ORION, ')

Wie heft met statelijke pracht

Bij de achtbre stilte van den nacht Uit d'oceaan het hoofd naar hoven? * Wie blijft in 't aanzien van Diaan, Die vruchtloos poogt dien gloed te dooven, Met onverzwakten luister staan?

Zijt gij 't, Orion, voor mens licht

Der kleiner zonnen flikkring zwicht, Als 't licht der maan voor Febus' glansen?

Rijs, groote Orion! rijs omhoog.

Zijt welkom, held! aan onze transen! Verruk, verruk ons starend oog!

Wat sterrenglans, die eerbied baart,

Praalt op uw gordel, knots en zwaard, Bezaaid met tintelende vieren!

'k Zie Betelgeuzes rooden gloed Uw schouder naast Bellatrix sieren En Rigel flonkren op uw voet.

!) Een sterrenbeeld met verscheidene heldere sterren. Het wordt op de sterrenkaarten afgebeeld als een reus met een knots in de eene en een schild in de andere hand.

ocr page 287

271

Ik zie, daar u de Stier ontvlucht,

Voor de opgeheven vuist beducht, Den Noordschen Beer van verre grimmen;

De bloedige Aldebaran ') zelf Ontwijkt uw knots bij 't statig klimmen, En ruimt u plaats aan 't stergewelf.

Zoo drijft ge in 't schoon Elysisch woud, Daar zich der helden schare onthoudt, Voor u de woeste dieren henen.

Zoo hebt ge in 's werelds morgenstond, Met al uw luister vroeg verschenen, Aurora's teeder hart gewond.2)

Dit zag de wreevle Jachtgodin,

Haar wrok ontvlamde om deze min. Zij deed u door haar schichten sneven.

Jupijn verijdelde dien nijd:

Door hem aan hooger trans verheven, Blinkt gij daar eeuwig, haar ten spijt.

Rondom u schittren zon bij zon.

Daar Sirius en Procyon 3)

Met diep ontzag uw schreên verzeilen.

Wie noemt in klanken, zwak van toon, Die heiren, door geen oog te tellen?

Wie schetst hun godlijk, eeuwig schoon?

O Gij, geleister van mijn held.

Die, als gij onze zon verzelt,

') Ster in het sterrenbeeld de Stier. 2) Volgens het mythologisch

verhaal was Aurora op den jager Orion verliefd, waarom Diana, de maangodin en godin der jacht, hem uit minnenijd met behulp van haar broeder Apollo of Febus doodde. 3) Sirius of de Hondster, schitterende

ster in het sterrenbeeld de Croote Hond; Procyon in het sterrenbeeld de Kleine Hond.,

ocr page 288

272

Uw naam verleent aan onze dagen!

0 heldre Hondster! zou uw licht De voorboó zijn van felle plagen, Ons sidderen doen op uw gezicht?

Neen, 't bijgeloof verzon dien waan;

Mij lacht uw glans beminlijk aan, Vorstin der hooge sterrenkoren!

'k Voel, daar mijn eerbied op u staart, Gedachten in mijn ziel geboren.

Wier vlucht mij opvoert boven de aard.

Is elk dier lichten, die gij ziet,

Zelfs 't kleenste, dat uw oog ontvliedt, O stervling! slechts voor u in wezen?

Is bij 't gezicht van 't stergewelf Geen denkbeeld ooit in u gerezen.

Dan 't nietig denkbeeld van u zelf?

Vermeetle! draait voor u alleen

De gansche schepping om u heen?

Is ze u alleen ten dienst gegeven,

U, die uit nietig stof geteeld,

Het broos genot van 't vluchtig leven Met vlieg en mier en made deelt?

Zijt gij op aarde zoo gering.

Die aarde, trotscbe sterveling,

Is één der duizend duizend bollen,

Die om dezelfde groote zon In afgeperkte banen rollen.

Licht scheppen uit dezelfde bron.

Elk, elk gevoelt haar heerschappij;

Die streeft bestendig haar op zij,

Daar deze uit afgelegen streken Haar eens in vijftig eeuwen groet,

ocr page 289

273

Of licht, haar wijd gebied ontweken,

Slechts eens bestraald wordt door haar gloed.

Elk lichtje, dat gij tintien ziet,

Zelfs 't kleenste, dat uw oog ontvliedt,

Is zulk een bron van licht, omgeven

Van werelden, die zonder tal Als stofkeus door elkander zweven En veilig zijn voor schok en val!

Verbeelding! is u niets te hoog,

Zoo leer mij gindschen heldren boog, Den goddelijken Melkweg kennen.

Voer langs dat breed en glansrijk spoor Mijn tragen geest op vlugge pennen Den wijden kreits der schepping door.

Die baan, wier zacht en lieflijk licht

Slechts wolkjes vormt voor 't scherpst gezicht, Is een gestel van sterrenheemlen,

Wier eindloos flauwe tinteling Van verre schijnt dooreen te weemlen.

Zich samensmelt tot éénen kring.

Hebt gij de grenspaal nu ontdekt .

Weet gij, hoeveer de schepping strekt, O stervling, eindig van vermogen,

Zoo sla nog eens uit dat verschiet Op held Orions beeld uwe oogen,

En zink, verzink dan in uw niet.

Orion! uw volmaakte glans

Voert mij omhoog van trans in trans,

Ontrukt mijn geest aan 't aardsche duister!

Mijn oog beschouwt u uren lang,

En telkens vindt het nieuwen luister En nieuwe wondren voor mijn zang.

IJUIJSEK EN VAN goor, Lett. Leesb. I, 2e druk. 18

ocr page 290

274

Is 't waar? Of faalt mijn zwak gezicht, Dat ginds een kring van bleeker licht Meent in uw prachtig zwaard te ontdekken,

Een dunne vlek, wier flauwe schijn Zich telkens poogt aan 't oog te onttrekken, Wat mag dat glinstrend wolkjen zijn?

Dat glinstrend wolkjen, sterveling!

Is ook een Melkweg, in wiens kring Ontelbre sterrenstelsels weemlen,

Den uwen licht in glans gelijk!.... Verbeelding! daal! verlaat die heemlen. Eer mijn geschapen geest bezwijkt!

ocr page 291

RHYNVIS FEiTH.

(1753—1824.)

LIERZANG OP DE RUITER.

Wie is die stervling, op wiens selioudren

Een volk zijn' roem vertrouwt? — die held, Die, voor een lange rij van oudren

Zijn deugden en triumfen telt?

Die, eer een jaarkring is gesloten.

Vereende koninklijke vloten

Tot driemaal met.een' wenk bedwingt, En, in het barnen der gevaren,

Den ijzren schep ter van de baren Aan 't siddrend Albion ontwringt?

De grootheid baant hem nieuwe wegen.

De zege licht zijn kielen voor.

Wat woedend noodlot hem bejegen',

Hij breekt er met zijn donders door. De fierheid blikkert op zijn wezen;

De moed is uit zijn oog te lezen;

Rechtvaardigheid bestiert zijn daan. Een vaderland verheft zijn waarde, En 't onherbergzaamst oord der aarde Vangt op zijn naam een' lofzang aan.

18*

ocr page 292

276

Hier rijst een troon op zijn bevelen,

En schijnt op de eeuwigheid gegrond; Daar zwijmelt voor zijn zeekasteelen

Een zetel, die op rotsen stond.

Europa's scheptervoerders staven Zijn roem met vorstelijke gaven.

En oogsten van hun giften eer.

En de Afrikaansche plunderstranden Zien in den held een godheid landen, En knielen voor zijn grootheid neêr.

De zee, die onder 't grootsch bedwingen

Hem haren eerbied waardig schat,

Omvat zijn' roem met dc eigen kringen,

Daar zij den aardkloot mede omvat. De waarheid durft zijn' lof vermelden; Zij heeft, aan 't hoofd der ware helden.

Zijn naam voor de eeuwigheid geboekt. En de eigen naam vertoont den stempel Der deugd, die in haar' achtbren tempel Vergeefs een eedler stervling zoekt.

o Vaderland, terecht vermeten In zee bij zee op uw gebied!

Zoudt gij uw' grootsten held vergeten?

Noemt reeds uw hart De Ruiter niet? — o Ja, ik zie uw tranen vloeien; De paarlen, die zijne asch besproeien.

Getuigen, wat hij heeft verricht, o Dankbre Belg! die eedle smarte. Die stomme taal van 't zwellend harte, Verdooft het klinkendst lofgedicht!

Met recht verheft ge u op zijn luister:

Doorzoekt vrij 's werelds heldenrij, Bij hem wordt Griek en Romer duister, Gij vindt geen' held zoo groot als hij!

ocr page 293

277

Geen held, die voor zijn landgenooten Zijn bloed zoo heerlijk heeft vergoten;

Geen' held, zoo rijk in eertropeên;

Geen held, die voor uw vlag kon beven,

quot;Waar hem zijn eigen roemrijk leven Geen enkle poging waardig scheen.

Zoo ooit de trotsche stem der volken

Uw macht beschimpt, uw krijgsdeugd hoont. De nijd herzinkt in 's afgronds kolken,

Wanneer gij de asch van Ruiter toont; Van Ruiter, dien de Belg kon telen.

Die in het oog van werelddeelen

Een God geleek in menschenschijn; Van Ruiter, die, op duizend paden,

Getoond heeft in ontelbre daden,

Hoe groot een Batavier kan zijn!

Dat andren Cesars tombe sieren,

Ik staar zijn grootheid aan, en ween. 'k Bewonder in zijn zegevieren

De blindheid van 't geluk alleen.

't Geluk in de uitkomst, hier beneden Door 't blinde menschdom aangebeden,

Vormt dikwerf den veroveraar;

't Geluk, dat snoodaards durft beloonen.

Dat op schavotten voert of tronen.

Den held maakt of den moordenaar.

Neen! hooger klimt De Ruiters waarde;

't Geluk heeft nooit zijn taak verricht:

Hij is zijn' roem, aan 't eind' der aarde,

Zich zelv', alleen zich zelv', verplicht.

Geen afkomst kon hem aan doen hangen.

Geen goud de plaats van deugd vervangen; Met niets, dan met zijn' moed bedeeld,

ocr page 294

278

Heeft Euiter 't hachlijkst spoor gekozen,

Zich zelv' geschapen, 't goud doen blozen, En d'adel uit zijn deugd geteeld.

Vanhier die kracht, hem bijgebleven.

Waar minder stervling 't noodlot vreest; De deugd is boven 't lot verheven.

Zij blinkt in wrangen onspoed 't meest. Een Marius, beroofd van vrinden,

Carthago! op uw puin te vinden,

Heeft meer, dat mijn bewondering roert, Dan Marius, in blij der uren,

Door Rome's schaterende muren Op een triumfkar omgevoerd.

Zoo moest de nood den held verrijken,

Hoe fel een storm zijn kiel bestreê: De ontstoken zee zag Ruiter wijken.

Maar heel zijn roem week met hem meê. De vijand twijielt, of zijn zege Zoo grootsch een neêrlaag op kan wegen.

En hoort, dat hem 't heelal verlaat; Zoo wijkt de donder in den hoogen.

Maar blijft de stem van 't Alvermogen, Die woud en rots te morzel slaat.

o Heerlijk voorwerp mijner zangen!

Waar vindt mijn nimf geen nieuwe stof? Mijn taak is nauwlijks aangevangen,

En reeds verzink ik in uw lof! In 't Oosten, Westen, Zuiden, Noorden, Aan 's werelds halfverschroeide boorden,

Alom zie ik uw eerzuil staan, o Neêrlandsch held! o roem der helden! Wat lied kan uw waardij vermelden? Wie volgt u op uw gloriebaan?

ocr page 295

279

Vergeefs poge ik de snaar te dwingen, Zij weigert mij een' toon zoo hoog; Mijn lier kan halve goden zingen,

Maar Ruiter schemert voor mijn oog! Uit de allerlaagste bezigheden Het eerspoor ijlings ingetreden;

Held, wijsgeer, vader, echtgenoot. Vriend, burger, christen, — alles tevens! Een waardig perk voor duizend levens, En altijd Ruiter — altijd groot!

o Gij, zoo duur aan hem verbonden, Gij, Nederland! vervang mijn lied: Verhef zijn deugd uit duizend monden.

Zoo ver de zee uw wimpels ziet!

Neen! — eedier loon moet hij verwerven; Hij waande voor een kroost te sterven. Dat voor geen volk op aarde zwicht, Dat elk van ons dien waan rechtvaardig; Ziedaar een loon zijn grootheid waardig, Ziedaar zijn heerlijkst lofgedicht!

ocr page 296

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

J. L. Ph. Duijser, Beknopt leerboek der Algemeene Geschiedenis I: Oude geschiedenis en middeleeuwen . . . f 0.90 J. L. Ph. Duijser, Beknopt leerboek der Algemeene Geschiedenis II: Nieuwe en nieuwste geschiedenis .... ƒ 0.90 J. L. Ph. Duijser, Beknopt leerboek der Vaderlandsche Geschiedenis I................/ 0-90

J. L. Ph. Duijser, Beknopt leerboek der Vaderlandsche Geschiedenis II: Nieuwe en nieuwste geschiedenis .... ƒ 0.90 J. L. Ph. Duijser, Nederlandsche Taaloefeningen voor inrichtingen voor middelbaar onderwijs en Normaallessen . ƒ 0.25 J. L. Ph. Duijser, Theoretisch-practische handleiding bij het onderwijs in de Nederl. taal. ie Cursus . . 3^ druk f 0.50 J. L. Ph. Duijser , Theoretisch-practische handleiding bij het onderwijs in de Nederl. taal. 2e Cursus . . zde druk f 0.50 J. L. Ph. Duijser , Theoretisch-practische handleiding bij het onderwijs in de Nederl. taal. 3e Cursus . . 2de druk f 0.50 J. L. Ph. Duijser en G. A. C. van Goor, Letterkundig leesboek. I. Bloemlezing uit de werken van de voornaamste schrijvers der 17e en 18e eeuw .... zde druk f 1.25 J. L. Ph. Duijser en G. A. C. van Goor, Letterkundig leesboek. II. Bloemlezing uit de werken van voorname schrijvers

der 19e eeuw............../ I-25

J. L. Ph. Duijser en H. W. Groeneveld, Nederl. Lectuur.

Proza en Poëzie voor Middelbare en andere scholen. I f 0.60 J. L. Ph. Duijser en H. W. Groeneveld, Nederl. Lectuur.

Proza en Poëzie voor Middelbare en andere scholen. II f 0.60 J. L. Ph. Duijser, Overzicht van de Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde............/ I-25

ocr page 297
ocr page 298
ocr page 299
ocr page 300