ocr page 1
ocr page 2

I f

u

ocr page 3
ocr page 4

-

• , . quot; 'M - ;

ocr page 5

vak 152

IB

£k zF. yy. Thbm's

es.

]^edei\lakdsch overgebracht

doot

(^^Omarius

ocr page 6

Geen exemplaren worden voor echt erkend, tenzij geteekend door

den Bewerker,

ocr page 7
ocr page 8

^jiOTT^D.

Jiladz.

I. Uit de Nethegouw....................1

II. Het klooster... . . . 9

III. Ten Havikshove . . . 18

IV. De Metten.......... . . . 40

V. Aan d'Offersteen . . . . 63

VI. Het oogstfeest................73

VII. In stillen nacht....................94

VIII. De drude..............103

IX. Op de woudpaden 112

X. Ter maalstede............118

XI. Vogelvrij............., 141

XII. Landstorm........ . 168

XIII. Koortsdroomen...........177

XIV. Een kruis in 't woud............195

XV. Vrome paters....................199

XVI. Onder 't weven en naaien .....212

XVII. Prior's leerspreuken..............222

XVIII. Hildegonde's droefheid.......247

XIX. Elraar in den kloostertuin.......2P5

XX. Twee vrouwen..............293

XXI. Abt Warin....... .....299

XXII. In 't kloosterkoor................307

XXIII. De wilde kat.... .......315

XXIV. Terugkeer.............332

XXV. Slot...............359

Ophelderingen...........302

ocr page 9

1.

iht de dïethecjomo.

Vol genot is 't in de lente Naar den wandelstaf te grijpen,

En den bloemkrans om den hoedrand, 'sHeeren lusthof door te dwalen.

Boven zeilen witte wolken;

Dalwaarts vliên de blauwe beken; Schoon, in nieuwe kleed'ren prijken Berg en vlakte, bosch en beemden.

Op het bleekveld spreidt de deerne. Wat de wintervlijt kon spinnen, 't Jeugdig groen verhaalt de meerle. Wat ze in sneeuw stil heeft verzonnen.

ocr page 10

2

Zijn het ook maar oude deuntjes, Wel bekende, lang gezong'ne,

Toch, de bleekersdeernen hooren Gaarn de zoete, lieve liedjes;

Gaarn de zoete, lieve liedjes. Die langs berg en dal weergalmen; Herdersknaap en houtskooljonkske Leenen 't oor om mee te zingen;

Mee te zingen, frisch en vreugdvol Na des winters lange smarten; Al de halfvergeet'ne lied'ren Duiken op in 's menschen harte.

Halfvergetene, oude lied'ren Duiken op in mijne ziele:

Had ik slechts om ze uit te galmen Wilde merel, uwen gorgel! —

Wat de linde mij vertelde,

Wat der eiken kruinen ruischten. Als ik te avond hun gebladert Zoet en zachtkens hoorde keuv'len;

Wat de hupsche beken snapten In heur haastig neerwaartsrennen, Wilde kleuters, die niet zwijgen. Minder rustig zitten kunnen.

ocr page 11

3

quot;Wat de dwergen mij vertrouwden, Die in 't diepst der woudgewesten Stil in krochten en in kloven,

Hunne kleene kluize vesten;

Wat ik de elfen hoorde lisp'len; En 't gebeemte in maanlichtglansen; quot;Wat mij 't grijs gesteente leerde Met zijn groen bemoste letters:

Dit en 't geen ik las in stoffge Lederbanden en in oude Half 'vergane perkamenten,

't Wil in lied'ren opwaarts stijgen.

Nevelbeelden stijgen walmend Uit des voortijds donk're dagen; Fluist'rend hoor ik hunne stemmen. Vreugdestemmen, toorn en klaaglied;

Mannen, die voor duizend zomers Door de JSTethegouwe schreden, Heidenmenschen, Christenmenschen, 't Geen zij liefden, 't geen zij leden;

't Geen een Saksisch jonker uitvocht Met den Frank, den landsverheerder, En in eigen boezem 't zwaarste, 't Strijden met de zielsgedachten;

ocr page 12

4

't Stille treuren eener jonkvrouw, 't Mokkend wrokken eener grijze, Runenzang en wraakgejammer.

Schril der vrouwenkeel ontwrongen;

't Zacht bestier der vrome paters Van 't convent te Dertienlinden, Om door liefde en leering langzaam Trots en dwaling te overwinnen;

Hunne Godgewijde hymnen,

Die bij dag en nacht weergalmden Die het zegepralend kruislied Jub'lend in de bergen zongen;

En daartusschen 't ruischend boschlied, En daarbij der branding kreunen;

Alles wil te zamen stemmen Tot een lied, verward en schallend. —

't Klinke en 't zij voor u gezongen, Die hier woont aan Ems en Lippe, Eoer en Diemei, Nethe en Emmer, Gij zijt al van ed'len bloede;

Allen zijt gij van een taalstam, — Vrome moeders brave zonen, — Klinkend ruw in 't woudgebergte.

Zoet van toon op zand en heide.

ocr page 13

5

Kinderen van Saksen 's gouwe,

Neemt het beste, wat 'k u aanbied: 't Goed gemeende is niet te smaden. Evenmin des kleinen gave.

Denkt, ik bied u heidebloemen,

Slechts een handvol, die ik plukte,

Toen zich de Osning reeds omhulde Met des herfstdaags gelend loover.

Wraakt het niet, zoo ik u male 't Heldenbeeld in eigen verve;

Vindt gij vaak in hem een droomer. Hij was, 't zij zoo, een Westphaler.

Taai, doch kneedbaar; ruw, doch eerlijk; Juist als gij en uws gelijken,

Juist als 't ijzer uwer bergen,

Juist als kernhout uwer eiken.

Nu nog is bij u, lijk nergens.

Oude zede en aard te vinden;

't Worde dies voor u gezongen.

Dit mijn lied van Dertienlinden. —

Doch een nachtuil mort mij tegen; „Rauw zijn dezes zangers tonen.

En de wel der duffe Nethe Dunkt mij gansch geen Hippokrene.

ocr page 14

6

Staak dat deunen, staak dat doedd'len, 't Schaft u bitter weinig zoetheên: Beter klank, de beste klank toch Is de klank van gouden schijven.

Voor zich zelf het best te zorgen, / L Geld/ bij mij voor al het andre;

Teel in 't hofken goed uw knollen. Zamel gerst op uwe akkers.

Laat de schimmelige boekskens Onder ketels ras verteren.

Kolen zijn 't, die wij behoeven. Stoomkracht is 't, die wij gebruiken!

Heel die vracht papieren droomen, — Aas der wormen, die ontbinden, — Laat hen eens toch nuttig wezen.

Laat ze laaien onder ketels!

Slechts het cijferboekske blijve. Hefboom, rol en rad en hamer;

Al het ander, ijd'le vodden.

Makkere in des ovens viergloed.

Laat het flakk'ren, laat het laaien, Dat het water ziede en opspatt', 's Werelds opgescheurde stammen Haastig door elkander tuim'len;

ocr page 15

7

quot;Want het groote doel der groote Toekomst is die algelijkheid,

't Zich bewegen zonder grenzen Is der voik'ren ware vrijheid.

Staak dat deunen, staak dat doedd'len, Wien behaagt nog zulk getoeter?

Beter klank, de beste klank toch Is de klank van gouden schijven.quot; —

Gele nijdaard, oude nachtuil, Wel begrijp ik uwe meening:

Barre looch'ning van de wereld, Die verheugd door God verlost werd!

O, gij wenschtet haar in vijzels Eerst te gruiz'len en te malen,

Om in smeltkroes en retorte Dan den geest daar uit te drijven!

O, gij wierpt ze gaarne in de armen Van den Moloch onzer dagen.

Dat zij gansch als rookwolk optrok Naar Sybillenwoord en sage.

Oude nachtuil, gele nijdaard,

't Moge u grieven en verdrieten:

Toch nog groent een rijke lusthof. Waar der menschheid rozen spruiten;

ocr page 16

8

Toch nog bloeit de reine lelie,

En in 't heiligdom der grotten,

In der wouden diepste dalen Droomt de stille blauwe bloeme;

Toch nog klinkt het op den luchtstroom Uit der beemden schemeringen,

En de meerle heeft heur laatste Lied nog lang niet uitgezongen;

Filomele, in zangen 't rijkste,

Zal nog jubb'len, zal nog klagen led're lent', zoolang op aarde Rozen gloeien, boezems jagen. —

ocr page 17

II.

Jftet Jdooster.

Zoete slag der heideleeuw'rik, Zonneschijn op alle heuv'len! 'n Dooiwind zong, door alle diepten Sloeg hij ras de vlugge vleug'len.

Lustig hupten alle beken Uit de bergen, door de hoornen. Om heur lange winterdroomen Aan de dalen te verhalen;

Zware droomen, en der kleine Teedere elfen kouw'lijk rillen. En der reuzen snorkend ronken. En der dwergen oolijk snappen.

ocr page 18

10

Want de sneeuw begon te smelten, Bruingrijs stond de top der bergen, En een lentenadring ruischte Door de groene dennenkronen.

Boven groene dennenkronen Stak de spits eens kleinen torens, Vorst en gevel van een klooster Naar Sint-Benedictus regel.

Kortlings waren wijze mannen Aangeland uit vreemde streken, Zegenwoorden op de lippen,

In de hand het vredeteeken;

In de hand het vrome wapen. Dat met moed bezielt den zwakke. Dat door liefd' bedwingt de volk'ren, Zegeviert om vrij te maken;

Ernst'ge mannen, veelbeproefden, Die het aardsche streng verachtten, Eenzaam zich aan de overweging. Aan 't gebed en d' arbeid wijdden;

■Stille kluiz'naars, 't leven slijtend. Met de spade in 't woeste braakland. Met Gods leer in woest're harten Zoete zaden uit te zaaien.

ocr page 19

11

Kloek van zin en onvermoeid baar Bouwden zij met waag en dieplood, Winkelhaak en zaag en hamer,

Bijl en troffel dag aan dagen.

Tot het aan hun vlijt gelukte.

Klooster en kapel te vesten.

Tot de bronwel ruischt door 't lusthof Van 't convent te Dertienlinden.

Daar, — gehoorzaam, armoe-, tuchtvol, — Zwoegden stil de dapp're strijders: Roeiden al des oerwouds reuzen,

Varens, doorne en weel'ge wiede;

Trokken wal en hage en slagboom. Werend hert en wilde zwijnen,

Dat in 't dal omzoomd met vrede Weldoende aren konden bloeien;

Dijkten in den ongestuimen

Vloed door paal- en vlechtwerk, dammen.

Entten zoete Zuiderrijskens

Op de Noordsche zerpe stammen.

Krachtig sproot in 't jeugdig hofken Akelei en roze en tijmstruik,

Bleeke salie, dille en eppe.

Everwortel en lavendel.

ocr page 20

12

Doch de Vaders vonden nog een Ander veld, een rijker bodem,

Diep van grond, doch moeizaam teelbaar, Vol van scheuten, wild en heidensch.

Trouwens, daar viel wat te wieden.

Veel te teug'len, te bestrijden.

Veel te snoeien en te buigen Aan de wildvergroeide loten!

Op de bruinroode eikenbanken Zat de reuzenteelt der Saksers,

Jonge beren; reuzenarbeid Was 't hun christlijk te belikken.

Eerst moest men der Roomsche runen Vreemd getoover wel doorgronden:

O, een doorn- en dist'lig raadsel, Hoe daar 't slot ooit van gevonden!

Dan behaaglijk na te bootsen Al die wonderlijke teekens:

Hooger doel, voor uitverkoren Vingerkunstnaars te bereiken!

Doch het moeizaamst was nog, 's kruises Blijde Boodschap te verklaren,

gt;Vant aan meen'gen vlaskop schenen 'sHeeren Woord en heldenmaren,

ocr page 21

13

Witte Christus, witte Balder,

Stralende eng'len, stralende elfen, Jongiingschap en heirbanstrouwe Gansch dezelfden, gansch hetzelfde.

Slechts begaafde jong'ren werden Opgeleid voor hooger ambten.

En de zeven vrije kunsten Hun ter leering meegegeven.

Ongelikt en plomp nog waren Gang en klank der Duitsche spreektaal Zooals de eerste schreden van een Reuzenkind in 't kruid der heide.

Echter ras, lijk stalen schichten. Klankrijk klonk het woord der Romers Van de lippen, snel en snijdend Als het zwaard der werelddwing'ren.

Willig bood het juiste scherpte Aan verklaarders, redeneerders.

Kracht en volheid aan de sprekers, Rijm en dichtmaat aan poëten.

Prijs de goede zwarte Paters,

Prijs de wakk're kloosterheeren. Trouwe wachters, trouwe voogden. Van des menschen fraaie kennis!

ocr page 22

14

Wat op Hellas' blauwe bergen,

Wat eens langs 't Thyreensche zeestrand Dichters zongen, denkers dachten,

Latr'en geest ten lust en leering;

Wat de G-eest aan heil'ge Zieners Openbaarde in storm en stilte.

Woord en werk van Godes Zone,

Toen Hij rondging onder menschen:

Door des monniks hand geschreven Blad na blad met moeite en zorgen In de archiefkast der abdije Lag het liefdevol geborgen.

Teeder werd de schat gekoesterd. Met bescheiden trots geprezen.

En als kloosterschat den vreemden Letterwijzen man gewezen.

Ter beveil'ging van zulk kostbaar Goed voor komende geslachten.

Schreven zij, de brave Paters, Zomerdagen, winternachten.

Rood en blauw en groen èn gulden, Stralend waren de aanvangsletters,

Rijk omrankt met keur van bloemen En betoovr'end bont gebladert'.

ocr page 23

15

Roerend bad de vrome schrijver Aan het eind des langen arbeids, Dat men zijner arme ziele D' aalmoes des gebeds zou wijden.

Vol van trots, lijk zwarte krijgers, Wapenknechten van het klooster. Stonden rij aan rij, de runen Op de witte perkamenten.

Ja, dat zijn ze, zwarte krijgers.

Die de heuvlen, de allerlaatste. Der verzwolgen schoonheidswereld, Reddend voor den vloed beschutten!

quot;Waait u uit Meoonsche zwanen-Zangen, als uit 't golvenfluist'ren Diepe en ongekende ontroering,

Die u noodzaakt voort te luist'ren;

Maant de toorn des laatsten Romers, Dat ge God en lan'd zult eer en;

Noopt hij u voor 't beeld der ondeugd Eeuwig trouw der deugd te zweren;

Stroomt u uit het Boek der Boeken Kracht en troost bij 't oorlogswoeden, Lijk den matten zandzeepelgrim Uit de luwt' der palmenbronne:

ocr page 24

16

Zoo gedenkt die nooit beroerde Wapenknechten des conventen, Zoo gedenkt de zwarte krijgers Op de witte perkamenten! —

Ook tot ruwer diensten staalden Deez' geschoornen hunne krachten: Handig wisten zij te voeren Boog en bijl en knods en lanse,

Moest een vijand opgedreven,

Die der velden vrucht kwam branden. Of wel roovers, die des vromen Milden gevers weg versperden;

Of men zocht eens feestdags braadstuk In de wouden op te drijven,

't Zij een trotsche zestientakker,

't Zij een scherpgetanden ever. —

Zoo dus pleegden zij bestendig Vredewerk en krijgersplichten.

Doch het zwoegen voor der zielen Heil gaf steeds de hoogste zorgen.

Vroeg en laat steeg op ten Hemel Hun gebed, alsmee hun hymnen, 't Bange klaaglied, dat voor allen En zich zelf om ingang smeekte. —

ocr page 25

17

Zoete slag der heideleeuwrik, Zonneschijn op alle heuv'len! 'n Dooiwind zong, door alle diepten Sloeg hij ras de vlugge vleug'len.

Vredeboden, hemelsleutels Sproten in de jeugdige ouwe, En der blijde lente strooming Suisde door der Saksers gouwe.

ocr page 26

III.

Ten ^Jiciüikshove.

Elmar, heer van Havikshove,

Sprak tot zijne jachtgehoor'gen: „Goede honden, rijke wildoogst;

Hangt de wildvangst aan de linde!

Nauw gelet op 's jagers waap'nen, Eerst verzorgd de moede honden, Dan u zeiven; naar ik meene.

Zal u 't ochtendmaal goed smaken.

Voorts den bruinen reus genomen En met vlugge en vaard'ge hand den Pels bereid; ik wil dien bieden Aan den graaf te Bodinkdorpe;

ocr page 27

19

Wien dit ongeslachte brombeest Laatst den pas heeft afgesneden,

Toen de grijsaard met zijn dochter Laat van d' Esschenburg naar huis reed.

Heden vond de beer zijn meester! Trotsche rakker, hij sloeg wakker, Tot hem aan den gorgel hingen Grijp en Knijp, die felle grijpers.

'k Had den heer van woud en heide. Wel zijn vrijheid willen laten;

Doch den wegbelager stiet ik Ras in 't hart het blanke lemmer.

Mocht hij al mijn mannen tergen. Mocht hij al mijn honden wurgen: Het verschrikken van een jonkvrouw

Zijn te barre berengrillen.quot;

_

Elmar groette met de handspies. En na de oude weimanskreten. Sprong hij uit den kring der jagers Snellend naar den trap der halle.

Hooger zwol de borst des jong'lings Nu van frissche jachtontspannirig. Heller glommen zijn blauwe oogen. Voller de gebruinde wangen.

ocr page 28

20

De bedauwde lokken schuddend,

Schreed hij door de hooge halle,

Schier verschrikt van 't doffe zwijgen,

't Dompig dreunen van zijn voetstap.

-

Waar zich eens de in 't schild gewiegde Valkenstam met spel vermaakte,

Stond de laatste spruit thans eenzaam Bij den kouden haard des huizes.

In het ronde aan hooge wanden Bisonshoornen, hertsgeweien, Berenschedels, zwaard en lansen.

Helm en pantser, rij aan rijen.

Eiken zuilen, eiken balken.

Eiken vloeren, eiken schuilplaats;

't Leek een woud, doch stil en eenzaam, Heel een woud in winterdroefheid.

2

Waar de Brucht door riet en elzen Kabbelt, en bij lijsterzangen Doffe runenklanken murmelt. Lag de hof aan 's heuvels helling

ocr page 29

21

Onder linden, onder olmen,

En des stroodaks warme vleüg'len,

Rijk met look en mos bewassen, Hingen breed beschuttend neder

Op den bouw. Naar de oude zede Groetten aan de bonte gevels Euw besneden paardenkoppen,

Dwergen werend en kabouters.

Wijd uit strekten zich des huizes quot;Wouden, weiden, korenakkers; 't Loopend water en 't gebergte Trokken eeuwenher de markgrens. —

Toen der volk'ren vaart van 't Oosten Over Duitschlands vlakten stroomde, Volk op volk als golf na golfslag Toornig door elkander woelde;

Toen de ruwe barnsteenvisschers Frankrijks donk're druiven plukten, En des Spessart's arme jagers Zich met Roomsche ringen smukten:

Zat de stam der ed'le Saksers Onberoerd op vrije hoeven.

Daar gewonnen, daar geboren. Wortelvast gelijk zijne eiken.

ocr page 30

22

IJvrig bouwden zij den kleiklomp, Hoedden 't schaap ter bruine heide, G-aarden was en honing, fokten Rund en ros op waard en weide;

Speelden, als hun vaders deden, Met de pols en worp en lanse,

Of zij grepen naar de staalschicht Om hun schade of schimp te wreken

Brouwden mede en dronken dapper, Trotsten alle jachtgevaren.

Eerden, om den heil'gen ketel Met hun offers de oude goden.

Duurzaam op den Havikshove Onder 't wagenschot der halle.

Rond hetzelfde hooge haardvuur Huisden, zoon na zoon, de Valken,

Rijk aan eere in stagen vrede,

Tot de Rijn den brand zag opgaan. Die, van berg tot bergen varend. Door der Saksers dorpen woedde.

Krijg met Karei! Moeders treurden. Krijg! Wat vreugd bij de adelaren; Krijg den goden, krijg den menschen. Krijg sinds dertig lange jaren!

ocr page 31

23

Toen bracht Alfrik, Elmars Vader, Wonden thuis en bitt're smarten, Yuur'ge wonden, diepe wonden,

Doch de diepste zat in 't harte.

Machtloos, rechtloos stond de Sakser Driest, als op de matte zijden Van een fel doorboorden ever.

Trapte hem de voet der Franken.

Irmintrud, zijn wijze gade,

Mengde van de beste vochten,

Die in vrucht en bloesem scholen. Sap en olie ter genezing;

Swanahild, de grijze drude.

Ritste runen, tooverteekens.

Wierp heur staf en lispte spreuken. Als bezwoer zij wrok en zwakte.

Wel verzachtten woord en wortel 't Wee der wonde en zieledroefheid. Beter arts voor alle kwalen Is de kille, doodstille aarde. —

Op haar zoon, den vroeg verweesde, Zag de moeder vaak met hartzeer; „Kind, wie zal met ernst en liefde U ten leeraar zijn en schutshoofd?'quot;

ocr page 32

24

Diep in 't jonge harte groef zij Diepen afschuw voor het nieuwe,

Trots het dreigen van heur broeder, Bisschop aan de Paderbronne,

Badurad, ontgloeid van ijver,

Wien het smartte en diep bedroefde. Dat zijn eigen bloed aan 't Kruisbeeld Strak en stoer den rug toekeerde.

En der vad'ren heldenglorie Roemde in 't woud de grijze drude; „Goden vreezen. Franken haten,quot;

Klonk heur woord steeds kort en prikk'lend

Knapentucht eischt harde handen, Dra zond men den vaderlooze Naar een verren stam der broeders Om tot man hem te vol vormen.

Gastvriend van het huis der Valken, Vol van wijsheid, luid geprezen Leefde een grauwe Wodanspriester, Thiatgrim, in 't land der Friesen.

Al de wijsheid was hem eigen Van de Noordsche diepe denkers;

Beide kon hij: wijslijk spreken.

En nog wijzer, wijslijk zwijgen.

ocr page 33

25

Valk verbaasde, toen hem de Oude Runenraadselen verklaarde En der duist're wonderspreuken Klare kern hem openbaarde;

Donars strijden met de geesten,

Wala's donk're profetiën,

Balder's dood, der goden scheemring, Aardvernieling, aardvernieuwing;

Of wanneer hij hem ontvouwde Zeestormzwang're Goedroensagen, Siegfried's dood, Kriemhilde's wrake En den toorn van sluwen Hagen.

Altijd was 't begin en einde:

„Zonder wijken, zonder wanken Vloek en haat den Welschen vijand, Vloek en haat den God der Franken!quot;

Jaren vloden, 't blonde jonkske Was tot jong'ling opgeschoten,

Fier en forsch; wel bloö, doch gloeiend, Open oogen, doch stilzwijgend.

Droomend zag hij vaak van d' oever Naar der zee groengrauwe baren, Droomend naar de kranenzwermen. Die in 't najaar Zuidwaarts varen.

ocr page 34

26

Dacht hij aan het lot van dierb're Hoeven der verdrukte vad'ren?

Aan de moeder, hoe zij eenzaam Treurend zat bij 't stille haardvuur?

Aan het jeugdig Frankisch meisje, Dat als knaap hij eens mocht redden Met gevaar des eigen levens Uit het kille graf des vijvers?

Dat al lachend, dat al weenend Nu eens bloosde, dan verbleekte, Kussend hem omhelsde en zachtkens „Elmar, zeg het niemand!quot; smeekte?

Wel bleef 't lippenpaar verzegeld.

Nooit vernoemd van zoeten monde. Wel in 't harte, diep in 't harte Klonk betimmer: „Hildegonde!quot;

ïhiatgrim, de grauwbaard, morde: „Is de valk zijn kevie moede?

Vindt hij langer geen behagen In den stillen vreê mijns huizes?

Ginds naar 't Noorden mag hij snellen Thorkell kondigt krijg den Franken En zijn vleugeldraak bespat reeds In den stroom zijn zwarte flanken.quot;

ocr page 35

27

Wikingsvaart naar 't land der Franken? d' Oorlogswraak? Hoe Elmar opsprong. Hoe hij ras zijn lakenkolder Met het maliehemd verruilde! —

Lustig was 't bij stormgedonder Op het golvenros te rijden Zomers lang, en wond voor wonde Aan 's lands vijand af te strijden.

Heerlijk was 't ter pijnhouthalle 's Winters met de dischgenooten Naar het heldenlied te luist'ren,

Dat des zangers horst ontstroomde.

Gansch niet hoflijk bij de vrouwen Was hij koen in nood en oorlog,

Wijs ten raad, ten disch bescheiden Met de tong als met den drinkhoorn.

Menig teed're Noordsche jonkvrouw Zag hem na met zoete blikken Als hij, 't hoofd omhoog, voorbijschreed Zonder zelfs ten groet te knikken.

Thoralil, des Wikings zuster,

Stikte bloem- en loovertakken Op haar weefdoek, en met bloemen En met blad'ren veel gedachten.

ocr page 36

28

Kleine Thora, staak dat droomen, 't Valkenras rept snel de vleug'len; Waant gij 't vast aan hechte keten, 't Zweeft reeds over dal en heuv'len.

Haastig over dal en heuv'len Vloog hij heen, hem riep de bode Haastig bij zijn zieke moeder;

Bij zijn komst vond hij — een doode.

3

Windgeloei en regenklett'ren.

Vaal en kil de morgenscheem'ring! Over de eikenkronen holden Holla 's grauwe wolkenkoeien.

Op den Havikshove schudden De olmen hunne natte kruinen.

En de wagenschuur omkrasten Zwarte kraaien, onheilsvogels.

Elmar, met de hand aan 't voorhoofd, Staarde naar de wolkgevaarten: Droeve wereld, lijk gedachten. Die door zijne ziele stroomden!

ocr page 37

29

Op den hof klonk bel en aanroep; Diethelm kwam, de huisbestierder: „Beidt de jachttroep? 't Dolle drijven; Ga, ik wil niet jagen, oude!

Al dien jammer ben ik moede!

Treurig is het krijg te voeren Met den bever, met den reiger,

Met der wildbaan arme dieren.

't Strijden walgt mij reeds! In tweedracht Leef ik met den God, den vreemde. Met de vreemdelingen, 't meest nog Met mij zelf, mij zelf ten schande.

Winnemar, mijns vaders vader.

Sloeg den worm met scherpen zwaarde, Die, in 't huis des Esschenburgers Huisde en rondom 't land verheerde.

Feller was mijns vaders kampen Met het Welsche valsche monster. Dat ons snoert in stalen ringen. Dat ons stikt in damp en vuurwalm.

En de zoon ? Hij hurkt bij 't haardvuur, In zijn schoot de slappe handen.

Staart gedachtloos in de wolken.

Staart als krachtloos in de vlammen.

ocr page 38

30

Moet hij schalkenwerk verrichten? Moet hij naast de maarten spinnen? Zal hij zwoegen, met zijn knechten, Brood en tienden gaan verdienen?

Moet hij willig als een trekos Zich het Frankisch juk gewennen? Moet hij voor het kruishout bukken, Zich in 't Kerstnend water domp'len?

Moet hij mark en gouw doorsnellen, d' Ouden haat in vuurgloed zetten. En de ras oproer'ge stammen Dra ter weerwraak aan gaan voeren?

Moet hij naar 't paleis van Aken Voor zijn volk ten tweestrijd rijden. En op leven en op sterven Met den vromen keizer strijden?

Donk're nacht, waarheen ik schouwe! Hand en voet omweefde een Nome Met des noodlots zwarte draden. Die zij in heur gramschap afspon.

Kon ik vlieden, 'k vlood ter breede Wendelzee met verre stranden.

Waar 't gewiel der menschenwereld Sterft in 't stille land der geesten.

ocr page 39

31

Wodan slechts, de raadsel vinder, Kan het rechte woord mij zeggen. Doch hij zwijgt; en alle goden Zwijgen — en ik moet versagen.quot; —

Diethelm zeide: „Door nwe ad'ren Bruist het bloed als wilde beken, Die, gezwollen door een stortbui. Oever, dam en dijk doorbreken.

Elmar, sterkte voegt den sterke.

Moed den man; de goden heerschen: 't Nieuwe laten zij geworden, Wen zij 't oud den rug toekeeren.

Sinds gij voert op vreemde zeeën. Brandde meen'ge gloed tot kolen; Tammer onder 't Frankisch zadel Gaat het witte Saksisch veulen.

Brak de storm u vorst en wanden, 't Lust u 't tooverwijf te vloeken; Wijzer is 't bij goede buren Dan bij wolven schuts te zoeken.

En hun God? Onze oude Wodan, Naar men zegt, heeft veel gedaanten, Hij blijft, ondanks kleed en namen Steeds dezelfde en hoogbeheerscher.

ocr page 40

32

Elmar, gij zijt ziek, ik weet het, Smart'lijk ziek te kwader stede;

Zegt gij 't niet, toch ken ik lang reeds Van uw smart de duist're welle.

Freia helpe! Raden kan u Slechts de drude in 't blauwe-daltmis.quot; Met den grijzen baard vol tranen Trad de huisvoogd uit de halle.

4

„'t Noorden groet u!quot; riep de zanger. Toen hij zat in Elmar 's halle;

„Zege en zegen wenschen Thorkell En zijn zwaardgenooten allen.

Ook van Thoralil, de bruine,

Kende ik u de liefste maren.

Doch vooral, dat Ragnar Lodbrok Voer tot Wodan's oude scharen;

Niet met eerlijk breede wonde,

Niet van rozenroode heide.

Neen, verknaagd van vraat'ge wormen, 't Vratig aas uit duist're grafstee.

ocr page 41

33

Om vorst Ella 's trots te breken,

Schot en lot hem af te dwingen,

Liet de grijze Leireheerscher Luide in 't land het heirschild klinken.

Lachend sprak hij: „Nu geen pantsers! Linnen kolders moogt gij dragen:

Krijg met Britsche weeke mannen Is een vroolijk sneppenjagen!quot;

Lustig schoot de vloot in 't zeegat Lijk een zwerm van wilde zwanen.

Doch de zwarte zeemeerminnen Zongen 't doodenlied der Denen.

Brekend kiel en mast, doorloei^e 't Stormgeweld de witte kolken;

Met een enkel schip bereikte Ragnar 't Britsche krijtgebergte.

Moede strijders! Ella daagde;

Schilden kraakten, zwaarden klonken: Stervend vielen vele Noren,

En hun koning werd gevangen.

Ella hoonde: „Nimmer, roemt gij, Kon de vrees u 't hart genaken?

Oude drost! Nog heden leert ge, Trotsche praler, 't aardstof bijten!

3

ocr page 42

34

Sneppenjagen ? Hebben zult ge,

't Geen ge bij het wrev'lig spotten Durfdet wenschen: grijpt hem, werpt hem. Knechten, in den slangentoren!quot; —

IJs'lijk was 't! De held van Leire Sprak: „G-ij ziet mij niet verbleeken; Als ik leefde, wil ik sterven:

Laat mij nog een harplied tokk'len!quot;

Moedig trad hij in den kerker.

En met wijdgesparde kaken Stortten de gevlekte draken Op den grijsaard, zonder wapen.

Dubbei dol van 't lange vasten.

Toornig stakk'lend kam en manen, Sloegen zij in 't vleesch des helden Beet na beet de scherpe tanden.

Gransch verscheurd door 't wormgedierte, Gansch verminkt, omsnoerd, omwonden Heeft hij onder doodstormenten Zelf zijn stervenslied gezongen.

quot;Welk een lied! Zoo vaak langs 't zeevlak Roode Wikingswimpels stuiven,

Is geen kreet, zoo stout en tartend Ooit een mannenborst ontstegen.

ocr page 43

35

Verre schalt hij door het Noorden En vervult, als 't buld'rend onweer Diep doorwoelt des afgronds kolken, Ieder hart met woede en afschrik.

Ragnars zoon, de dapp're Sigurd, Zit thans op den troon te Leire; Wreken wil hij met de broeders Ella 's gruwelijke misdaad.

Wreken wil het volk dien gruwel, 't Staal rinkinkt op alle wegen; Thorkell wapent zich, doch noode Mist hij 't beste zijner zwaarden.

Koene Sakser, tot uw oproep Toog hij over poel en heide:

Grijp uw zwaard; u bloeit in 't Noorden Krijgsmanseer en oorlogswellust!quot;

Elmar sprak: „Gij, hooge goden!

Moet ik hier uw hand erkennen? Ja, naar 't Noorden voert de Helweg, En naar 't Noorden wil ik varen!quot;

Diethelm bromde: „Duist're droomen! Is de wraak van Leire 's koning Voor uw volk de rechte wrake Van uw eigen, dierb're woning?quot;

ocr page 44

36

„Van mijn volk? Zijn dorre takken,

Lijk zij op den haard daar vlammen, Welkend loof, des stormwinde speelgoed, Nog een groenend woud te noemen?

Van mijn volk? De reuzen stierven; Een geslacht van veile dwergen Springt genotvol aan den leiband Van zijn beulen, vreemde tergers.

Menschenbroedsel! Leert de Fries niet, Dat de goden van hierboven Ons het brein uit wolkensluiers En uit wind ons harte weefden.

Diethelm, tuig mij fluks den strijdhengst!' Doch de voogd zei: „Wee en wapen! Is uit wind het hart der and'ren, 't Uwe is wis uit storm geschapen!

Wilt gij heen? Wie kan u keeren? Trek dan op naar Helweg's Noorden! Ach, de zwijger is een zwetser En de kerel 'n knaap geworden!

Flikk'ren dus uw donkere oogen? Ga, laat have en huis verheeren,

Maak dan dra het nest der Valken Tot een nest van woeste beren.

ocr page 45

37

Geef het prijs, den schat uws huizes, Kostlijk erfgoed, lieve panden.

Dierbaar goed, dat eens uw vad'ren Door hun bloed verworven hebben.

O, hoe zal het naar de ringen, Wrongen, kroezen, zilv'ren bekken. Naar de wapens en kleinooden 't Frankisch broed de klauwen strekken!

Naar het zwaard, dat eens uw vader Drenkte met het spog des lintworms, Naar den strijdhengst, fleren klepper. Evenknie van Wodan 's krijgsros.

Laat het everzwijn uwe akkers.

Laat het hert de bonte beemden.

Laat den grauwen wolf uw heerde En uw hoorigen den honger!

Elmar, is dat heirbanstrouwe ?

Staat de Valk ooit bij verrad'ren?

Zijn wij u, zoo zijt gij de onze:

Dat is zede en recht der vad'ren!

Ons behoort gij, ons, uw landvolk. Dat aan vuist en voet gebonden, Redding, neen, — de goden toornen! — Heeling zoekt voor diepe wonden.

ocr page 46

38

Doch gij denkt slechts aan u zei ven, Om u zeiven wilt gij vlieden;

Rusteloos door alle zeeën Zult ge uw hartzeer medevoeren.

Mannenmoed is nooit te breken;

Vrouwen vreezen, kind'ren pruilen; Dwing de wereld naar uw wilskracht. Of bedwing uw eigen willen!

Elmar, wat gij wenscht is anders Als hetgeen gij moet verrichten;

Vraag uw hart niet naar zijn wenschen. Vraag 't geweten naar zijn plichten.

Elmar, gij zijt wijs, van honderd Hooge zaken hebt gij kennis;

Maar van wat ons dichter bij ligt.

Heeft de eenvoudige ook begrippen.

Kom, gij blijft; — nog stroomt der Valken Trouwe bloed in al uwe ad'ren:

Geef uw hand den ouden knorpot En vergeef der smart dat twisten!quot; —

Elmar zag den grijze in de oogen Lang en spraakloos, diep en peinzend: Hoorde hij uw spinrad snorren.

Spinster van het ernstig noodlot?

ocr page 47

39

Eind'lijk sprak hij: „Zerpe dranken Moeten zware ziekten heelen;

'k Dank u, Diethelm; ik behoor weer Aan mijn land en aan mijn luiden.

Ga thans, Diethelm! zie en zorge, Neem den waarden gast in hoede, Dat het hem ten Havikshove Lang en wel bevallen moge.

Wilfried kom! zien wij de veulens. Die in 't eikenpark daar springen, Bij het haardvuur te avond zult gij Ragnars ster venslied mij zingen.quot;

ocr page 48

IV.

0e dKetten.

Middernacht! Langs verre wegen Klinkt het kloosterkloksken luide; Vrome slapers, zwarte paters,

Waakt nu op in uwe celle;

Waakt nu op, gij, vrome slapers! Van het harde stroozakleger Eoept der orde strenge regel ■

In de koorkerk naar de Metten,;

In de koorkerk, waar de pijlers Als gedwongen reuzen dragen.

Die de zware steengewelven Steunend met de schouders schragen.

ocr page 49

41

Waar de stille, witte beelden Scheem'ren langs de grauwe wanden, Waar in 't koor die eeuw'ge Godslamp En gewijde kaarsen flikk'ren. —

Zangster mijne, schuch'tre jonkvrouw. Leg den vinger aan het voorhoofd, Wek 't geheugen, gij moet noemen Al die bidden, al die zingen;

Vaderoord en lot der mannen,

Die daar naar hun zetels traden, En wat ieder even nadacht.

Moet gij raden en verraden;

Alles, of ook 't een en ander Ruw en onwaarschijnlijk schijne: Wie gij toont, dat ware menschen, G-oede menschen, zou ik meenen. —

Statig schreed voorop de grijze Abt Warin, volkrachtig, deftig,

Kort en kloek; de last der jaren Boog ook hem en 't wicht der ambten.

Egberts zoon, der Saksers hertog, Frankisch vorst van moeders bloede. Onder 't wolfbroed der Ardennen Sprong hij jong nog en vermetel;

ocr page 50

42

In der strijders dichte drommen Sprong hij koen in twintig slagen; Ronceval in 't zwoele Spanje,

Leerde 'em tijd en wereld smaden.

Ronceval! De heid'nen woedden,

Vonken spatte Durindane,

De Olifant barste op bij 't dreunen.

Toch nog zonk de raan des kruises.

De abt, in d' eenen droom na d' andre. Zwoegde al voort bij 't oorlogsdondren. Hoorde van zijn jongen strijdheld 't Laatste juichen, 't laatste joelen.

Door zijn heldenziele ruischte Thans de wijs naar 't lied van Roelant Wild en smart'lijk: „Vanitatum Vanitas!quot; verzucht hij zachtkens. —

Dan de Prior, pater Markward,

Echte loot van Saksisch stamhout, Lichtblond haar met helblauwe oogen. Breed van borst en hoog van schouders.

Van de lippen, zacht en krachtig.

Vloot zijn baard in lange lokken;

Vaak bij 't peinzen gleden hem de Gouden vlokken door de ving'ren.

ocr page 51

43

Waar des Wezers blauwe golven Door der rotsen deur zich banen Stroomend door het wijd gebeemte, Lag de vrijhof zijner vad'ren,

Tongslagvaardig, rijk aan woorden Leerde hij der mannen rede;

Scherp en snijdend wist hij hen bij Vele twisten te gebruiken.

Strijdlust in het Duitsche harte, 't Duitsche bloed in iedere ader, Met Eomeinen, Welschen, Wenden Streed hij vaak bij felle twisten.

d' Onverschrokken tegenstanders Schreef hij vaak in jonglingshitte Zijner meening roode runen Met het zwaard op borst en wangen.

Kalmer was zijn moed geworden; Slechts wanneer bij toeval iemand Aan den dag bij quot;Verden heugde. Zwarter bloeddag was er nooit een,

Stoof hij op; zijne oogen vlamden. Gloed van d' ouden trots der Saksers; Doch nu kon hij, sterk van wilskracht. Bij het toornen teugel houden:

ocr page 52

44

Want hij diende als man vol trouwe 's Vaders een'gen zoon, zijn hertog, Die het kruis voert op zijn standaard En de bloed'ge doornenkrone.

Somb're, treurige gedachten Stormden heden in zijn boezem: Boosheid brengen ook de Franken, Die de leer des Heilands brachten.

Want zijn geest aanschouwde: 't Westen Dreigend met geweld, roof, valschheid; 't Duitsche recht en Duitsche zede Zou met Welschheid overstroomen.

Ver, nog ver! — Ten hoogen outer Hief hij vroom de zienersblikken:

„Heer der wereld, wil genadig 't Lot mijns Vaderlands beschikken!quot; -

Heribert, de bleeke denker.

Volgde hem met zachter schreden; Waar de Moezel ruischt, daar stonden Van zijn dorp de kleene hutten.

In de Gallische Corbeja Zat de jong'ling vele jaren,

Wachtend, dat een wijze mond hem 't Nooit gevond'ne zou verkonden;

ocr page 53

45

Ook de wetten, die de wereld In het groot en 't klein gebieden, Tot hij zich begrensde en daalde In den geest des Stagirieten.

Thans bewerkte hij het vraagstuk. Of der deugden milde vlammen Uit de leering en het leven,

Of wel uit het harte stammen. —

Dan trad pater Luthard nader.

Hoog van stal en 't oog als valken, Eêl van bloed; in Havikswoude Was deez' dennenstam ontsproten.

Yroeg gewend aan weimansarbeid, Trots de school der weimansspreuken. Was zijn lust en last te zorgen Voor een ruime klooster keuken.

En wat roof pleegde in 't gebergte, Yos en wolf, die looze gasten, Te verschalken en de beren In hun leger aan te tasten.

Dacht hij nu: „De knoppen zwellen: Zou het morgen niet gelukken.

Om bij 't dagen in den paartijd Op den korhaan los te rukken?quot; —

ocr page 54

46

Na hem trad de reus te voorschijn, Pater Ivo. Waarlijk, d' ouden Stonden beter helm en pantser Dan des koorhemds wijde plooien!

's Vaders kudden moest hij hoeden Op de beemden van den Emer;

Daar, in 't strijden met een rosdief quot;Werd zijn aanzicht stuk gehouwen.

Doorgedeeld van 't oor naar t andie; Rood en blauw verzwoor dat teeken; Ga naar 't klooster, arme jongen, Meisjes minnen fraaier verve!

Toen, in Winfrieds heil'ge muren Liet hij graag zich onderrichten:

Doch Rabaan, de wijze meester. Loofde zijn Latijn maar zelden.

Evenwel 't geheim der cijfers Greep hij snel; met lint en duimstok Mat hij en tot stevig bouwwerk Paste hij èn hout èn steenen.

En toen de abt Warin het nieuwe Kloostersticht begon te vesten,

Ging hij, wakk're gast, volmoedig In den dienst te Dertienlinden.

ocr page 55

47

Thans beleed hij: „Ter genezing Schenkt de Hemel den gezonde Zware ziekten, en aan zieken Ter genezing zware wonden.quot; —

Pater Bernard was de zesde,

Stammend van de Brukter dennen, Waar de menschen klompen dragen, Zich met rogbrood, 't zwarte, voeden:

Bleeke, blonde, stille menschen, Droomerig en toekomst spellend; 's Nachts omfladd'ren geestenschimmen Heideveld en veen en dijken.

Ver van 's vaders strooien hutje Ging de knaap en zocht een rustoord; Hadumar, de goede bisschop.

Gaf hem troost en leeren schoenen.

Tankmar heet de vrome priester. Die den ijvervolle leerde;

Ook des kloosters stille celle Schonk niet, wat zijn hart begeerde.

Naar des Hemels gulden huizen Weent hij immer, vroeg en spade. Zuchtend: „Wie zal mijn gevangen Ziele duivenvleug'len leenen!quot; —

ocr page 56

48

Wakker schreed na hem de stoute Siegward. Van des Osnings helling Ruischten in de borst des knapen Wilde, wonderlijke zangen.

Met die zangen, met zijn vedel Trok hij voort van gouw tot gouwen, Streek ten dans voor 's vrijlings docht'ren En voor trotscher edelvrouwen;

Zag aan 't koningshof des grooten Harun-al-Raschids 's gezanten.

Bij den grooten Frankenkoning d' Olifant, den heldenhoren; .

Ook een aapken; en dit aapken Was het eerste hier in 't Noorden: Later zijn zij 's menschen vaders,

Vrij gemeen in 't land geworden.

Suist de moede vogel, trekkend Dwars den stormwind in 't gevedert', Graarne op 't menschen vrije plekje Vlijt hij zich in 't woud ter neder.

Siegward, de vermoeide zwerver. Vluchtend 's werelds woelend bruisen. Liet ter kerkdeur stok en schoenen En verkoos het stille kluisken.

ocr page 57

49

IJslands Valke kan al zwijgend,

Kap en ring en riem verduren: Onophoudlijk dringt de welle Van het lied uit 's dichters harte.

Ook in 't klooster klonken Siegward 's Duitsche en Roomsche harpakkoorden, Doch het luidste klonk de lieve Moederzang van Osnings heuv'len.

Thans juist vloog door 't hoofd des monniks 't Geestvol rijnaken op de Franken; „O, hoe zal de Prior lachen,

En onze Abt, — wat zal hij mopp'ren!quot; —

Hatto, met het hooge voorhoofd,

Zoete en zaal'ge blikken, kwam nu;

Kind van 't land, waar op de heuv'len Rijn en Wijn elkaar omhelzen.

Ivo zeide in scherts, zijn moeder Had hem in een wijngaarddreve Sterk gevoed met zoeten, vuur'gen Most van Deidesheimer druiven.

Vroeg gewijd ten dienst des outers Vond hij lust te Dertienlinden Heilgen-hymnen en sequenzen,

quot;Woord en zangwijze uit te vinden;

4

ocr page 58

50

Om met welgekozen verve in Beelden, sprekend en naar 't leven, Vrome sagen en geschiednis Kunstvol op zijn doek te malen.

Heden maalt hij in gedachten Hoe zijn held, des Doods verwinnaar, G-lorierijk verrees en rugwaarts Vielen al de Welsche krijgers. —

Pater Biso trad thans nader.

Dor en schraal, gekromd ter aarde, Erfzoon van een ongedoopten Vrijling aan den zoom der Diemei,

Die bij Donnar 's hamer vloekte, Als in 't veld zijn jonkske toefde, Welke in steê een ros te temmen Onder sleedoorn lag te droomen;

Of wanneer hij de ooren leende Aan des vreemden kluiz'naars leering. Die met schoone Zuider sagen Hem het dorstig harte drenkte.

Wie weerhoudt der lente vleuglen. Als zij zoemt door beukenhallen; Weinig later was de Sakser,

Jong nog, kweek'ling van Sint-Gallen;

ocr page 59

51

Kort nadien, te Dertienlinden,

Schreef de kleine monnik ijvrig Roomsche wijsheid, Grieksche wijsheid Band na band, en noot na noten.

Heden mocht een warmer blosken Zijn gebleekte wang bemalen:

„Eindlijk zette ik Gloria Deo Onder Tacitus' Annalen!quot;

Beda was het, die hem volgde. De beminde en meest geleerde. Met zijn vader diep in Cheviot Ging hij varen op de jachtbaan;

Klom naar 's ad'laars hoogste rotsnest, Roofde 't jong gebroed der wolven, Bracht van verre wandelingen Mosplant mee en kruid en wort'len,

En 't geen herders, jagers kennen. Vele zaden, keur van bloesems,

Werd beproefd, gebruikt tot heeling Veler kwalen door Gods goedheid.

Vrome kunst is 't lijf te heelen. Vromer: zielesmart te mind'ren : Dit was 't werk der goede Beda Bij de lieve menschenkind'ren.

ocr page 60

52

Over duistre dingen peinzend Dacht hij even: Runen lezen,

Spreuken üuistren, toovrend koken Is het domme werk der heid'nen:

Doch de kunde, heil te stichten,

Doch de macht alleen der oogen.

Lijk Karadrius, de vogel.

Schoon was zij als geen op aarde!

Schoon; ook goed ? Al bant gij 't booze. 't Brengt u vloek in steê van zegen. Laat mij. Heer! in eenvoud wandlen 't Helder oog op held're wegen!quot; —

Zangster mijne, kondig heden Ook de namen van de Broeders,

Lijk zij, na de eerwaarde Vaders Plichtgetrouw ter Metten kwamen.

Eerstens Hildegrim, de grootste.

Op den Veulenhof der Deister Was hij kweekling bij den wijzen Hadubald, der mets'laars meester.

Doch te sterk, te plomp, te trots ook, Hakend steeds naar twist en tweedracht Sloeg hij eiken steen aan stukken, Eu de meester liet hem loopen.

ocr page 61

53

Langen tijd liep hij al werkloos,

Liep als speerknecht naar de Katten, Onder Walafried tot aan den Vestingmuur der Tiberratten.

En de Eoomsche deernen lachten, Toen hij schreed bij Julihitte, Met zijn grooten, grauwen wolfspels En zijn groote, grauwe mutse;

Lachten, toen hij 't lange lichaam Aan de Tituspoorten toonde,

En zijn vreemden rooden haartooi Bijna tot de welven opstak.

Weeke, zijden Roomsche deernen, Fulpenzachte Tiberpoeskens,

Gaarne streeldet gij uw pootjes Aan de huid der Duitsche beren !

Walgde u soms dat kleutervolkje? Broeide u vaak de pels der vossen? Haastig over berg en beken Schreed hij fier ten Veulenhove.

Vreemd in 't land van zijn geboorte Zat hij eenzaam en verdrietig; Eindlijk, ai dat dooien moede,

Vond hij stiller dischgenooten.

ocr page 62

52

Over duistre dingen peinzend Dacht hij even: Runen lezen,

Spreuken fluistren, toovrend koken Is het domme werk der heid'nen:

Doch de kunde, heil te stichten.

Doch de macht alleen der oogen.

Lijk Karadrius, de vogel.

Schoon was zij als geen op aarde!

Schoon; ook goed ? Al bant gij 't booze, 't Brengt u vloek in steê van zegen.

Laat mij. Heer! in eenvoud wandlen 't Helder oog op held're wegen!quot; —

Zangster mijne, kondig heden Ook de namen van de Broeders,

Lijk zij, na de eerwaarde Vaders Plichtgetrouw ter Metten kwamen.

Eerstens Hildegrim, de grootste.

Op den Veulenhof der Deister Was hij kweekling bij den wijzen Hadubald, der mets'laars meester.

Doch te sterk, te plomp, te trots ook. Hakend steeds naar twist en tweedracht. Sloeg hij eiken steen aan stukken,

En de meester liet hem loopen.

ocr page 63

53

Langen tijd liep hij al werkloos.

Liep als speerknecht naar de Katten, Onder Walafried tot aan den Vestingmuur der Tiberratten.

En de Roomsche deernen lachten, Toen hij schreed bij Julihitte, Met zijn grooten, grauwen wolfspels En zijn groote, grauwe mutse;

Lachten, toen hij 't lange lichaam Aan de Tituspoorten toonde,

En zijn vreemden rooden haartooi Bijna tot de welven opstak.

Weeke, zijden Roomsche deernen, Fulpenzachte Tiberpoeskens,

Gaarne streeldet gij uw pootjes Aan de huid der Duitsche beren!

quot;Walgde u soms dat kleutervolkje? Broeide u vaak de pels der vossen? Haastig over berg en beken Schreed hij fier ten Veulenhove.

Vreemd in 't land van zijn geboorte Zat hij eenzaam en verdrietig; Eindlijk, al dat dooien moede,

Vond hij stiller dischgenooten.

ocr page 64

54

Brouwer werd hij in het klooster: Korz'lig nog wel eens en grillig. Met devoot zooals 't behoorde,

Doch volmoedig, braaf en willig.

Wijzen zeggen: 't vele denken Moet het arme hoofd ontgelden;

Wijl hij dorst en hoofdpijn haatte, Dronk hij graag en dacht maar zelden.

Doch den blinden broeder Erik,

Die met zijne lamme voeten Achtloos hem de verz'nen streelde Beet hij toe met barsche groeten.

Arme zoon der rijke Noordmark,

Moest hij vroeg als weeskind treuren; Als dienstvaardig, wakker knaapje Werd hij, bij boer Ulf, een jong'ling.

Fluitend wist hij wilden hengsten Woest- en koppigheid te stuiten. Fluitend lokte hij de merrie En het veulen uit de weide.

Reislust, 's kranken hartsverlangen! Dienstknecht bij een Welschen landman Bracht hij ed'le Holsteinrossen Naar Milaan in 't verre Zuiden.

ocr page 65

1-

55

Lustig klepp'rend toog het koppel Door des Solling 's kronkeldalen ;

Plotsling schoten roofgezellen, Wolvenmuilen, uit hun krochten.

Korte strijd en lange wonden!

Dood de reisgezel der quot;Welschen,

Zeven roovers beten 't aardstof.

Al de hengsten stoven 't woud in.

Erik zag 't met d' enklen oogblik, 't Andere oog was hem doorstoken En de knuppelslag eens roovers Had hem arm en heup gebroken.

Laat aan d' avond vond een kluiznaar Den verslaagne, bood hem hulp met Kruid en windsel, doch de sukk'laar Bleef éenoogig en steeds kreupel.

Thans was hij portier in 't klooster; En als hem de bromm'ge brouwer Bitsig voor een molshoop uitschold.

Dacht hij zuchtend diep en droevig:

„Schooner was 't door 't dal te stuiven v In galop bij 't zweepgekletter;

Flinke voeten, lamme voeten Alle gaan toch eens ten grave.quot;

ocr page 66

56

Achter hem kwam broeder Waltram, Kort van hals, doch stomp en stevig. Uit het heuvelland der Eng'ren,

Waar de zaalleenhoeven lagen.

In der Saksers wijde gouwen G-roeide er nimmer sterker vlegel; IJzersterke, breede kaken Toonden, dat hij wist te kauwen.

Mocht hij soms den grooten hertog, Widukind als oud-oom roemen.

Liever wenschte hij den lepel Dan de lans te leeren zwaaien.

Vaderlief zat vaak te peinzen 't Breede hoofd des knapen metend; Kan dan ook geen zwaardleenmeier Een geleerde als erve hebben?

Goede Waltram! Dag en nachten Beet hij gramvol op zijn veder,

Dag en nachten op het taaie Cato- en Donatus' leder.

Milde sterren laten plots'ling Elk en een zijn plaatsken vinden; In 't convent te Dertienlinden Werd de brave keukenmeester.

ocr page 67

57

Zijn landouw herdacht hij gaarne; „Daar, in 't land der zwaardleenmeiers, In het broek der Elzezoomen Zoekt men thans de kievitseiers;

Vastenspijze! Goede dingen,

Schenkt de lieve God der wereld,

En ik wed, dat wij met Paschen quot;Wel een reeboksrugsken krijgen.quot; —

Snel ter been volgt broeder Wido. Niemand kon er zooveel sagen. Kloosterboert, legenden, raadsels Uit geheugenis doen dagen;

Niemand wist er zoo behendig Door het vlugste vingerteeken 't Woord der stommen aan te duiden. Als de plicht gebood te zwijgen.

Opwaarts boven 't spitse neusken Stak het spitse wenkbrauwpaarke». Opwaarts boven 't spitse mondje 't Puntig blonde knevelhaarken.

Aan den voet van d' ouden Iburg, Waar de wonderbronnen bruisen.

Hielp hij winterslang zijn vader Naaien, wat de vrouwen sponnen;

ocr page 68

58

Schaap en geit dreef hij des zomers Naar 't gebergte in 't groene voeder, Doch hem bracht ter kloostercelle Eigen wensch en raad der moeder.

Blijvol waart gij, kleine Wido! Wat uw schuldloos hart verlangde, Alles hebt gij toch gevonden,

Eén ding slechts dat u beangste:

't Was dat barre moeizaam werken Aan 't habijt van Pater Ivo,

Van dien langen, forschen Pater Met een rug, dien wonderbreede.

Broeder Ailrat sloot de rijen.

Waar aan 't strand der Friesen oogen. Toornig knaagt de golf der Noordzee, Liep de knaap in 't zand der duinen.

Dapper volk gevoed door 't water! Uit. zijns vaders visschersaken, Zwaardgenoot der ruwste mannen. Sprong hij op des Wikings draken.

En bij Thor en Odin vloekend Voer hij, tuk op buit en eere, Tusschen Miklagard en Finland Lustig voort door straat en stroomen.

ocr page 69

59

Ieder krijgt zijn beurt in 't leven!

Hoog in 't Noord, aan Schotlands klippen Brak de sombre zeeberoerder,

Woest verslingerd, hals en ribben.

Hijgend streed de jonge roover Met de woeste waterwolven,

Doch vergeefs; vergeefs bezwoer hij Alle goden hem te helpen.

Zinkend kreet hij naar het Kruishout, Ieder krijgt zijn beurt in 't leven: Schipbreuk bracht hem in de have.

Storm en strijd tot zoeten vrede.

Beda vond in 's oevers bremstruik Den vermasten bleeken zwemmer,

Pleegde en leerd' hem; zachter leeraar. Stiller leerling vond men nimmer.

Vromer diensten, zoeter plichten Oefnen beiden thans naar waarde:

Beda in de ziekenzale en Ailrat in de kloostergaarde.

En nu boog hij 't hoofd al denkend: „Alleluja! 't Golven ploegen Baart slechts schuim; doch op mijn tuinbed Bloeien liefde 's roode rozen!quot; —

ocr page 70

60

Zoo dus trad het kind van Saksen Naast den vreemdeling in de orde, Elk zich zelf, en 't al vereenigd In den edlen strijd des levens;

Al vereenigd om ten dood toe Voor des Kruises vaan te strijden, Leed te mind'ren, leed te dragen, En der harten lust te ompalen.

Heden klinkt ten lof en eere Gods hun lied, en jublend schalt het Door de bergen om, en jublend Schalt het uit de bergen weder:

„Looft den Heer, gij, alle schepslen. Al de werken zijner handen,

Looft den Heer, want Hij is machtig. Zonder einde is zijne goedheid!

Looft den Heer, gij, geestenscharen. Biddend voor zijn troon gebogen; Zon en maan, gij morgensterre,

Looft den Heer, gij, avondvuurgloed.

Looft den Heer, gij, wind en wolken, Donder, bliksem, regenstortvloed;

Looft den Heer, gij oceanen,

Alle bronnen, alle vloeden.

ocr page 71

61

Looft den Heer, gij, 's aardrijks vesten, Berg en heuvel, hupt van vreugde;

Looft Hem korenvlakte en weide.

Looft Hem woud en groene heide.

Gij, dolfijnen en gij draken,

Looft den Heer in vloed en krochten; Alle dieren op den aardboom, Al 't gevogelte op den luchtstroom.

Looft den Heer, gij, menschenkindren Yan geslachten tot geslachten,

Van den morgen tot den avond Allen, koningen en knechten.

Allen, die het hoofd geheven Treedt lang 's werelds wijde paden.

Looft den Heer voor zijn getrouwheid. Looft den Heer voor zijn genaden.

Want, wat gij Hem bracht, zijn trouwe Schonk Hij u in alle stonden;

Want, waart gij verkwistend, zijn ge-Na bleef mild u toegezonden.

Toen ge in uwe graven rustet.

Dood van geest in 't rijk der dooden, Zond Hij u ter levenwekking Zijner heilleer heil'ge boden.

ocr page 72

62

Toen gij in 't woestijnveld weendet, Zond Hij aan den langverdoolden Voor uw heemreis d' Eengeboren, Hem, den grooten volkrenherder.

Die u toonde, waar des levens Zoete waterbeken vloeien.

Waar bij koele tent van vrede Palmen wuiven, rozen bloeien.

Looft den Heere, die u redde. Van geslachten tot geslachten;

Looft Hem alle menschenkindren, Allen, koningen en volkren.

Looft den Heer, gij, alle schepslen. Al de werken zijner handen,

Looft den Heer, want Hij is machtig. Zonder einde is zijne goedheid!quot; —

„Zonder einde is zijne goedheid!quot; Suisde en bruisde 't op de winden, 't Eeuwig licht der Godslamp straalde Hel in 't koor te Dertienlieden. —

ocr page 73

V.

oAan d' Offersteen.

Lieflijk zijn de Juni-nachten,

Als het stervend rood des avonds En het vroege morgenkrieken Nev'lig in elkander vloeien.

Als de lente in roode rozen Dra verwelkt is, en de kleene Nachtegalen om de doode Hunne laatste lied'ren weenen;

Als in 't lindebloesemkelkjen Onder groenen looverhemel 't Moegedoolde bijtje sluimert,

Zacht gewiegd op lauwen luchtstroom.

ocr page 74

64

Droomend nog in 't nest der zwaluw Neurt het broedsel, zachtkens sjilpend, Van den grooten blauwen hemel, Van de groote reis naar 't Zuiden.

En in 't weitveld slaat de wachtel Eiken landmans lieve klanken,

Lieve klanken aller graantjes,

Die hij vroom der voor vertrouwde.

Uit de versch ontsproten aren Waait u toe een zoemen, zingen,

Alsof blijde hemelgeesten Zeegnend door de velden gingen. —

Rond de wouden diepe stilte!

Uit der delling nevelwade Hief de oude Iburg zijnen schedel Naar der sterren stillen luister;

Woud der vad'ren, uit welks kruinen Eertijds de Irminzuil zich ophief. Die, tot smart en schrik der Saksers, Koning Karei durfde gruiz'len;

Godenstede, thans omwikkeld Met geblaart en wilde ranken.

Thans als stee van duistre machten Schuw gemeden door de Franken. —

ocr page 75

65

Lieflijk was de nacht, de korte,

Voor den dag der zonnewending; Op des Iburgs stompen kegel Laaide 't vuur der offerande;

Op des Iburgs stompen kegel Hadden zich bij 't feest van Balder Yroom vereenigd heidenmenschen, Gouwgenooten, vreemde gasten.

Onder eiken op de zode Lag het grauw gesteent des offers, En daarnaast, met bloedig lemmer. Stond een reuzenhafte vrouwe:

Swanahild, de grijze drude.

Om naar 's priesters ambt te hand'len. Blonk hoogplechtig; sneeuwwit linnen Golfde om 't lijf in rijke plooien.

Werinhard, de vrije landman,

iSTam het staal uit heure handen; Eulko, smid van Bodinkdorpe,

Woelde hitsend in den vuurpoel.

In den wijden kop'ren ketel.

Op den haard vol gloênde kolen, Bobbelde met look en mistel Het geheiligd offer veulen :

ocr page 76

66

't Vrije dier uit vrijen woude,

Dat den hals voor ploeg noch wagen Nimmer kromde, nooit geen ruiter Op zijn rug nog had gedragen.

Elmar, heer van Havikshove,

Blikte droomend in den vuurgloed: Zag hij, met dit offerveulen 't Saksisch ros ten doode bloeden? —

In een kring stond heel de menigt Stil en eerbiedvol; een fluistren, Slechts een suiz'len in 't gebladert En der vlammen spranklend knett'ren.

Daar kwam Godo, de offerdienaar, 't Puik der visschers in de Nethe, Bijgenaamd „de kroezele otter,quot;

Wijl zijn haartooi zwierig krulde.

„Alles veilig!quot; sprak hij zachtkens: „Rondom staan de trouwe wachters ■ Niemand stoort het vrome feesten Noch verraders, noch verachters.quot;

Driemaal met ontschoeide voeten Schreed de trotsche priesteresse.

Rond het vuur, en zegen sprekend, Wierp zij graantjes in de vlammen.

ocr page 77

67

En met Donnars hamerteeken Sprak zij heil en kracht op 't brouwsel, 't Aangezicht gekeerd naar 't Noorden, Sprak de drude treurig ernstig:

„Komt met eerbied, komt met vroomheid, Al wat boos is, blijf van verre; Onz' getuigen zijn de goden,

't Zwijgend woud en stil gesternte.

Weg van hier al 't ongewasch'ne: Brengt gij offers, brengt gij beden.

Rein van hand en rein van harte,

Moet gij voor den Eeuw'ge treden. —

Wij zijn bij den Steen gekomen Om te vieren Balder 's sterfdag; 't Voegt den vromen na te treuren Over 't scheiden van den vroomste.

Na hem sloeg zijn blincTe broeder,

Is de glans des dags verdwenen, G-odenvrede, menschenvrede Vloden uit de donkre wereld.

Peinst gij, wat de groote Vader, Aan zijn veelbetreurde dooden.

Zijnen zoon in de ooren lisp te.

Toen de vlammen om hem vloden?

ocr page 78

68

O, het waren vroede woorden, Toekomstvolle zoete klanken, Hemelvaartgedachten stralend.

Die hij troostend hem vertrouwde;

Zijn terugkeer vol geheimnis Uit het rijk der Nooitvoldane,

Waar in neveldonk're krochten Bleeke schimmen treurend dwalen.

Het wanneer? — De groote zoendag Bleef aan Wala zelf verborgen; Eén slechts kent er tijd en ure.

Hij is 't, de oude reus des Hemels.

Hij slechts weet, wanneer de hooge Goden in den strijd verdwijnen,

En de storm het gelend herfstblad Yan den boom des tijds doet stuiven;

Weet, wanneer op roode rossen Muspel 's zonen noodwaarts rennen. Om met een ontemb'ren vuurgloed Aarde en hemel plat te branden;

Om de aloude schuld te delgen.

Dat bij geur'gen lentemorgen De aard' vernieuwd, al groeiend bloeien( 't Hoofd uit 't zwalpend sap moog beurei

ocr page 79

69

Rond bewoond door zeed'ge mensehen, Die met morgendauw zich voeden: — Dan, zoo spreekt de wijze Wala, Dan zal Balder wederkeeren;

Hij, de Nimmer-uitgesprook'ne,

Hij, toch de oudste van al de ouden. Zal voor eeuwig alle dingen.

Eiken mensch vol liefd' bewaken. —

Kwam die tijd, en is de Witte,

Dien de christ'nen luide roemen,

Dien ze Alvaders Eengeboren,

En het kind des vredes noemen,

Is hij Balder? O, dan bracht hij Mannenkrijg en strijd op aarde!

Is hij Balder? O, hij voerde ons Vreêloos rond aan de eigen haardstee!

Wat wij zien, is twist en tweedracht! Voor de vreemden, onze beulen,

Duiken schuw in 't diepe duister Zelfs 't gebed en offerande.

Laat nog meer de zonneboze Donkre tijd in 't donker hullen, Wij, getrouw aan leer en zede, '

Oefnen trouw 't gebruik der vad'rén.

ocr page 80

68

O, het waren vroede woorden, Toekomstvolle zoete klanken, Hemelvaartgedachten stralend.

Die hij troostend hem vertrouwde;

Zijn terugkeer vol geheimnis Uit het rijk der Nooitvoldane,

Waar in neveldonk're krochten Bleeke schimmen treurend dwalen.

Het wanneer? — De groote zoendag Bleef aan Wala zelf verborgen; Eén slechts kent er tijd en ure,

Hij is 't, de oude reus des Hemels.

Hij slechts weet, wanneer de hooge Goden in den strijd verdwijnen,

En de storm het gelend herfstblad Van den boom des tijds doet stuiven;

quot;Weet, wanneer op roode rossen Muspel 's zonen noodwaarts rennen. Om met een ontemb'ren vuurgloed Aarde en hemel plat te branden;

Om de aloude schuld te delgen.

Dat bij geur'gen lentemorgen De aard' vernieuwd, al groeiend bloeiend, 't Hoofd uit 't zwalpend sap moog beuren,

ocr page 81

69

Rond bewoond door zeed'ge meuschen, Die met morgendauw zich voeden: — Dan, zoo spreekt de wijze Wala, Dan zal Balder wederkeeren;

Hij, de Nimmer-uitgesprook'ne, Hij, toch de oudste van al de ouden. Zal voor eeuwig alle dingen,

Eiken mensch vol liefd' bewaken. —

Kwam die tijd, en is de Witte,

Dien de christ'nen luide roemen,

Dien ze Alvaders Eengeboren,

En het kind des vredes noemen,

Is hij Balder? O, dan bracht hij Mannenkrijg en strijd op aarde!

Is hij Balder? O, hij voerde ons Vreêloos rond aan de eigen haardstee!

Wat wij zien, is twist en tweedracht! Voor de vreemden, onze beulen, Duiken schuw in 't diepe duister Zelfs 't gebed en offerande.

Laat nog meer de zonnelooze Donkre tijd in 't donker hullen. Wij, getrouw aan leer en zede,

Oefnen trouw 't gebruik der vad'rén.

ocr page 82

70

Gij, met krans en biezenkorven,

Nadert in den kring, gij kleenen;

Zingt uw rijmke, al mocht gij heden Wijzer doen met stil te weenen.

Maar, toch zingt; uw jonge schouders Kwetst nog niet het juk der Franken; Zingt, al moog het droevig klinken Als het kreunen van een kranke.quot;

En de knapen en de meiskens Hieven aan met zoete stemme:

„Hoed ons. Balder! witte Balder,

Voor des christengodes gramschap!

Keer terug, gij toeft zoo lang reeds! Zie, hoe aarde en hemel klagen;

Keer terug met uwen vrede Op den gouden zonnewagen.

Witte Balder, witte bloemen.

Als aan beek en zoom ontspruiten, Wit gelijk uw lichte wenkbrauw Strooi'n wij gaarne aan uwe voeten.

Zie, wij geven, wat wij hebben: Arm is al de vrucht der velden;

Laat dit sobere u genoegen,

Witte Balder, God der goedheèn.

ocr page 83

71

Ood der liefde, witte Balder,

Leen het oor naar onze groeten:

Bloemen, rein als onze harten,

Strooi'n wij gaarne aan uwe voeten.quot; —

En den Offersteen omkring'lend Wierpen zij gewijde kruiden,

Witte klokken, witte vlokken.

Witte sterren op den vuurhoop.

Dan met zacht en zoet gelispel Nam de priesteres heur schale:

„Drinkt des wijzen Godes minne,

Yoor ge uw hand ten maal komt heffen!quot;

Door den kring ging een gemurmel, 't Onderdrukte bekerraat'len.

Lijk ten herfst door dorre riethalm De avondwinden heimlijk zwaatlen.

En de kroezele offerdienaar

Gaf aan ieder van den vleeschklomp.

Uit den wijden buik des ketels.

Ook van 't look en van den mistel. —

Ach, het was geen maal der vreugde! De overrompeling steeds wachtend Zat de schaar der ongedoopten,

Ree ter vlucht, ten strijde vaardig:

ocr page 84

72

Lijk de wolven, die voldriftig

Diep in 't woud hun buit verslinden

En in ieder bladgeritsel

Hond en jagers hooren nad'ren. —

„Dankt de goden,quot; zei de Drude,

„Dempt den gloed en dooft den vuurhoop Tusschen 't heden en de naaste Zonnewending broeit iets donkers;

Want niet allen komen weder.

En niet ieder is vertrouwbaar.

Gaat! de sterren scheemren bleeker En het daagt reeds in het Oosten.quot; —

En de menigte gleed dalwaarts Als verstoven, als verzonken; De uchtendwind al dartiend speelde Met den aschhoop, met de vonken.

De eerste stralen van het zonlicht Vonkten om de verre kruinen. En 't geschreeuw der wilde katten Joelde al voort in de eikenkronen.

ocr page 85

YL

Oogstfeest.

Heil de lente met heur bloemen,

Heil het herfstgetij met de aren!

Lente is 't liefelijk beloven,

Herfst is 't vriendelijk vergaren. —

Op den nok van 't dak verzameld Sjirpt, ten tocht bereid, de zwaluw: „Gastheer, zorg reeds voor den winter. Want het loo'ver toont zijn verven.

Gij moet blijven, als wij vlieden;

Hoed u wel, 't zal n niet schaden. Zoo wij bij het wederkeeren Alles wel behouden vinden.

ocr page 86

74

Hoed u wel voor list en lagen, Donk're nachten broeden boosheên; Yeel bedreigt den heer des huizes Zoo van vrienden, als van mind'ren.

Hoed u wel des huizes gevel.

Hoed de kolen van uw haardvuur; 't Winterdak is dubbel diensbig; Wel bedankt — en God bevolen!quot; —

Op het veld van Bodinkdorpe Lag de sikkel gansch verslagen,

Rond de laatste havertassen Was de wilgenband geslagen.

Isenhard, de grijze meier.

Wreef verheugd de bruine handen: „Kinders, ziet, daar komt de wagen; G-od zij dank, wij zijn aan 't einde!

Ziet, daar komt de laatste wagen: Aiga met de bonte kransen,

Kord, de veedlaar, Dirk, de pijper, Nooden ons voor de oogstfeestdansen.

Jongens, zoekt niet al te naarstig Ieder aarken thuis te halen:

Laat het veld de laatste schoove Voor des ouden Wodans veulen;

ocr page 87

75

Laat den laatsten appel hangen Voor den ouden Wodan zei ven;

't Yolgend jaar schenkt rijker ooftkroon. En de tarwe wordt nog bloem'ger.

Aiga, trek zoo niet uw neusken,

Loflijk is 't gebruik der vad'ren;

En op 't hof te Bodinkdorpe Zal men 't wel in eere houden.quot;

Aiga sprak: „De vogeltiende Willen wij volgaarne dragen,

Dan toch gaan geen kleine beed'laars Ons aan 's Hemels deur verklagen.quot;

Toen sprak de oude; „Aiga kleene, Geestige Aiga, prijs en eere Zou ik aan uw vader geven.

Zoo ik niet uw vader ware.

Peins nu op uw verskens, Aiga,

Dat de woorden zich goed schikken, Dat de graaf en Hildegonde Wel verheugd u „goed zoo!quot; nikken.

„Voorwaarts, Gerd!quot; — De wagen knerste, In den kring der meiskens zaten Dirk en Kord, en luide en lustig Klonk de wijs der Stoppelliedren.

ocr page 88

76

Zweepgeklap en vreugdekreten!

Vroolijk volgden al de maaiers,

Slechts de kale Grimbaard hinkte Sukk'lend na en lachte bitter:

„Zwarte graaf, gij moogt u hoeden, G-ij hebt mij als dief gescholden Voor wat gerst en voor wat honig. Zwarte graaf, 't wordt u vergolden!quot;

Op den hof te Bodinkdorpe

Stond de gouwgraaf voor zijn gasten,

Ed'le heeren, vrije boeren.

Die hij vroeg op 't feest van de oogstmaand

Bodo, bijgenaamd de milde.

Reeds benoemd door Karei, d' ouden Frankenkoning, om ter groene Nethegouw het recht te spreken.

Nijdaards scholden hem nog „zwarte,quot; Al besneeuwde onzachte winter Lang geleden zijne lokken Met de keur van witte vlokken.

Als een roos in wilden woude Bloeide lieflijk aan zijn zijde Hildegond, der zaal'ge moeder Al gelijk in liefde en goedheên.

ocr page 89

77

En gelijk heur zaal'ge moeder Werd zij ook geëerd ten hove;

IJv'rig en eerbiedig diende Imma haar in gaarde en kamer. —

Waar het voorhof, groen omlooverd, Aan des huizes voorpoort welfde, Ruilden de genoode mannen Met den graaf de gulste woorden.

Badurad, de goede bisschop,

Prees den gastheer Pader 's bronne. Abt Warin van Dertienlinden 't Blauwe bronnat van zijn Wezer.

Wichtruds zoon, de vrome Meinulf, Doopkind van den grooten Karei,

Hoorde al lachend, kloosterhallen Bouwde ook hij reeds in gedachten.

Dodiko van Everbronnen,

Draaiend aan zijn fijnen puntbaard. Vroeg zijn bloedverwant, neef Thietmar, Hoe zijn rooden rok hem paste.

Raaf, de grijze uit Esschenburge,

Sprak, de hand aan 't breede lemmer: „Kleine Dodo, bij uw vader Zat het leêren wambuis beter!quot;

ocr page 90

78

Wolf en Rolf van Thurm verhaalden Luid hun jongste jachtgevallen; Theudebert, de vrijgezeet'ne,

Roemde de opbrengst zijner velden.

Elmar, heer van Havikshove,

Trad tot bij zijn oom, den Bisschop; Deez' was vriendelijk, doch wilde Niet de hand des jong'lings drukken.

Op 't gelaat des stoeren heidens Stierf een lach jen, droef en smartlijk; Werinhard, de vrijling, drukte Hem de linker, forsch en hartlijk.

Gero zag 't, de gele Franker,

Pas gezonden koningsbode.

Die de gouw met nieuwe diensten,

Nieuwe tiende en tijns kwam dreigen.

Bitter was hij; doch hoe streelend Kon hij zijne spraak verzoeten,

Als hij in de halle keuv'lend Zat aan Hildegonda 's voeten.

Zwijgend hoorde 'em steeds de jonkvrouw Zoo hij klaagde, dan wel vleide;

Spottend krulden zich zijne lippen,

Nu hij thans tot Elmar zeide:

ocr page 91

79

„Fiere valk, als 't kranke kuiken Slepen thans uw lamme vleug'len: Anders strekt gij preutsch de vedren, Anders wel — op bruine heuvlen!

Fiere valk, mijn kranke kuiken,

Heeft zij met heur tooverdrankjes U verrukt, dat minlijk meisken, Swanahilde, de oude drude.

Als zij zucht en spreuken fluistert, En, omkransd met vaarne en netel, Ronddanst met verwrongen leden Om den grooten offerketel?quot;

Elmar trilde, en op zijn voorhoofd Zwol vol drift der gramschap ader; Werinhard, de struische landman, Lispte: „Laat den twister twisten!quot;

Hildegond, begroet door allen,

Naderde met 's Eschenburgers Welbekende blonde dochtren En met Thurme 's edle vrouwen.

Midlerwijl, bij zang en jublen.

Reed de wagen door de hoofdpoort; Isenhard, die 't hoofd ontblootte.

Trad vooruit en sprak plechtstatig:

ocr page 92

80

„Heer, ontoogst zijn onze velden, Wakker repten wij de leden;

Wat ge aan korrels hebt gegeven,

Breng ik u aan garven weder.

Heer, ook heb ik niet vergeten.

Booze too ver ij te weren,

Die ten dag der Zonnewending Dreigt de peulen en ook de aren;

Want ten dag der Zonnewending Springt bij 't lied der avondklokken, — Lijk een schaduw — Bilwis' ruiter Op den zwarten bok door 't landschap.

Rijden kan de ruwe drommel,

Slechts zoolang de koster voortluidt, Al de halmen zijn de zijne.

Die hij bij het luiden plattreedt.

Weinig konde hij ons schaden.

Want ik zelf greep naar het klokkoord. Het Joannes-avond-luiden Duurde thans een korte stonde!quot;

Lachend sprak de vrome Bisschop: „Grijsaard, dat 's geloof der heidnen; 't Goede, door den Heer gegeven, Kan de booze ons niet ontrooven.quot;

ocr page 93

81

Schouderschokkend sprak de meier: „Stellig zijn wij christen menschen, Maar het valt niet weg te praten, Dat de Bilwis-ruiter rondrijdt.quot;

Allen lachten om 't gezegde,

Gero echter niet, de grombaard.

Aiga kwam met heuren hoofdkrans En zong op met luider stemme:

„Dank den heer des huizes brengen Zijne maarten, zijne knechten;

Altoos doelt hij op het goede.

Altoos handelt hij rechtvaardig.

Met den krans van gouden aren Treed ik blijgemoed hem tegen; Hij verkondigt 't loon des arbeids, 's Menschen vlijt en Godes zegen.

Moog hij jarenlang nog zorgen Voor de gouw, den hof en hallen: Muzikanten, vedelt lustig,

Laat het door de bergen schallen! —

Groet en dank aan de ed'le jonkvrouw, 't Liefste kind van deze huizing; 'k Hoop nu, dat we in de eerste lente Ook voor u een kransken vlechten;

ocr page 94

82

Niet van blad'ren, niet van bloemen, Op een vreemden grond ontsproten: Neen, van lieve inheemsche bloemen Bloeiend in het land der Saksers.

Hildegonde, o moog zij blijven Onder ons, dat wenschen we allen: Muzikanten, vedelt lustig,

Laat het door de bergen schallen! —

Om genade en gunst begroet ik, Vrouwen, mannen, waarde gasten: Doch de buurtschap moet men eeren, Naaste hulp is vaak de beste.

Elmar, heer van Havikshove,

Hij ook zou een kransken dragen, Liep hij niet door paddestoel en Mos van 't wilde woud te jagen.

Giftig toch zijn paddestoelen,

En in 't mosbed slapen de adders: Hier ten gaarde bloeit in helle Zonneschijn de schoonste roze.

Hij gedenk', dat stormend weder Aan geen bloeme kan bevallen: Muzikanten, vedelt lustig,

Laat het door de bergen schallen!quot; —

ocr page 95

83

Aiga kleene, geestige Aiga,

Was uw lied niet wat vermetel? De oude meier stond daar toornig,

Gero wild, de graaf verlegen.

Hildegond, geraakt, bedremmeld,

Rood en bleek, verward, verschrokken, Boog het hoofd, langs wang en voorhoofd Rolden haar de blonde lokken.

Aiga 's blauwende oogen lachten.

Of hier niets bijzonders ware;

Elmar zeide: „Aiga kleene,

'k Dank u voor uw goede lessen.quot;

„'k Loof en loone,quot; sprak de gouwgraaf, „Trouwen vlijt en 't goede willen; Maaiersdorst is 't oude liedjen:

Gaat, dat elk hem lave en lessche.

Bruine mede, wakk're lieden.

Wacht op u in volle kannen;

Drinkt en eet en dan aan 't dansen. Laat der maagden lokken zwieren.quot; —

Aan de tafel op den dorschvloer Zat het volk bij groente en hammen: „Eet en zwijgquot; is boerenregel,

„Doch verzuim ook niet te drinken!quot;

ocr page 96

84

Bovenaan zat de oude meier,

Stom en stunrsch voor zich te staren ;

Hem verdroten Aiga 's sproken.

Gerd, de bouwknecht, zeide al kauwend:

„Aiga kleene, geestige Aiga,

Laat u Runen-Aiga noemen:

Doch loop niet in paddestoelen,

Waar ge lichtlijk kunt verdoolen.quot;

Aiga sprak: „U, droge jongen,

Noemt men, ai mij! Gerd den Natte; Als ik weer in rozen wandel.

Zal ik u de huiswacht geven.quot;

Irmin riep, de kreup'le scheper: „Weg met tafels en met banken!

Dirk en Kord, nu pijpt en vedelt,

Laat ons vlug in 't ronde dansen!quot; —

Luide en lustig klonk de dansfluit.

Luide en lustig zong de strijkstok.

En der knapen mutsen vlogen En der meisjes lokken zwierden.

Eén slechts zat er in een hoeksken. Ongestoord en zonder vreugde;

't Oog, zoo donker, was vol droefheid, 't Voorhoofd breed omwolkt van gramschap.

ocr page 97

85

Becho was 't, de laatste naneef Van den vorstenstam der Sorven,

Dien de graaf aan Sala 's oever Na den slag door 't lot mocht werven.

Isenhard, de grijze meier,

Nam de volle berkenkanne,

En met teed're stemme sprak hij Tot den landeloozen droeve:

„Becho, gij zijt altoos treurig;

Becho, drink en word dan vroolijk!quot; Becho dronk toen, en een traandrop Rolde langs zijn baard ten gronde. -

Vele zijn der menschen lasten,

Doch de zwaarste is wel te dragen, Wie van zulk een hoogte neêrstort. Dat een knecht hem durft beklagen. —

Bij de deur stond nog een ander, 'n Bruine snaak met bloote voeten, Eggi, dien de lastertongen Altoos wilde- of boschkat noemen.

Grauw, verplukt en scheef gebonden Was zijn wambuis zonder sluiting; Om den nek en om de slapen Kroop zijn haar als zwarte slangen.

ocr page 98

86

Buigzaam als een hazelgardje En een klant'raar zonder weerga, Had hij weinig lust voor d' arbeid, Des te meer voor stoute streken.

Immer dwalend door de bergen.

Immer zwervend in de dalen,

Dag en nachten, was hij nergens En toch overal te vinden.

Vreemd'ling was hij met den sneeuwtijd Als een knaap in 't dal gekomen,

Door den smid, den braven Fulko, Liefdrijk in zijn huis genomen.

Sloop hij uit der bergen krochten? Was hij uit de lucht gevallen?

Niemand wist het, doch een zeldzaam Snak'rig schepsel was voor 't allen.

Vriend'lijk was voor hem de drude, En een jachtgezel vertelde.

Dat zij eens vlak voor haar grotdeur Hem de kroezelharen streelde.

Eenzaam zat hij vaak en deunde Op zijn vedel aan den hegkant Wichelwijskens, vreemde klanken, Vol van roerend weeke klachten.

ocr page 99

87

Vaak ook akelige zangen,

Die zoo woest en toornig lachten,

Of er in zijn ziele schreeuwde Een van die in d' afgrond smachten.

Sloeg hij echter in de smidse,

Broe, hoe dan de vonken spatten;

Broe, hoe vijl en aanbeeld zongen En zijn gitzwarte oogen gloeiden.

Als hij voor een maliekolder Mazenringen kunstvol omboog.

Of in kam en kuif der helmen Sierlijk niet en nagel duwde.

Keek de meester vol verbazing Op des knapen rappe handen:

„Ging hij school bij 't kleine volk van Goldemar in 't land der bergen?quot; —

Guitig lachend aan de deurstijl.

Lonkte 'i zijwaarts naar de vrouwen; Enkel 't witte zijner oogen Zag men onder donk're brauwen.

Aiga riep: „Grijp toe, mijn katje! Groente en hammen, schaarsche gaven! Rat en muis, uw daaglijksch wildbraad. Kunt gij overal wel vinden.

ocr page 100

88

Rat en muis, mijn lief, wild katje Waren tot vandaag uw voedsel;

Wordt gij eens een groote kater.

Maakt dan jacht op grooter wildbraad.quot;

Hij, de witte tanden toonend,

Lachte schel en sprong al kringlend, Hupplend voort, en in de boomen Klonk de schreeuw der wilde katten. —

In de groote feesthal echter Voor des huizes lieve gasten Was de lange disch der eere Aangericht met al het kostbaarst;

Sierlijk lag met dennennaalden Overstrooid de vloer der balie;

Fijne woudlucht drong verfrisschend Door de vensters uit de poten.

Naast den graaf zat rechts de Bisschop, Links de mag're koningsbode,

Verderop al de edle heeren,

't Laatste Theudebert, de roode;

Elmar, naast de vrije boeren.

Neven Werinhard, den reusmensch; Elkeen was naar eer en jaren Welbedacht zijn plaats gewezen.

ocr page 101

89

Zijwaarts, doch een weinig hooger, Was de rij der acht'bre vrouwen; Hildegond, de schuwe duive,

Dorst schier niet in 't rond te schouwen.

Dapper aan den disch der mannen G-ing de medehoorn in 't ronde,

Sneller sloegen aller harten,

Losser gleed het woord den mond uit.

„Achtb'ren gasten,quot; sprak de gouwgraaf, „Staan ten dienst mijns huizes gaven: Hildegonde, geef het beste.

Wat wij hebben voor den feestdronk!quot;

En de jonkvrouw, zachtkens blozend. Nam de fraai gevormde bekers.

En der druiven gouden kralen Werd de gast hoofsch aangeboden.

Toen de rij heur bracht bij Elmar,

Sloeg zij schuchter de oogen neder,

Heur gelaat bloosde op, een lichte Huiv'ring voer haar door de leden.

Morrend, met gebogen hoofde.

Blikte Gero van ter zijde.

Lijk een hond doet, als een andre Hem bedreigt zijn buit te ontrooven.

ocr page 102

90

Knorrend, knellende zijn beenbuit, 't Haar en de ooren overeind staand, Toont hij aan zijn tegenstander 't Bloedig oog en scherpe tanden. —

'sBisschops stemme klonk: „Den lande Heil, dat zendt zulk edel druifnat.

Heil het huis, waar 't wordt geborgen, Heil den gastheer, die het aanbiedt!quot;

Op den graaf en op zijn dochter Werd met groote vreugd gedronken; Elmar zwaaide een leegen beker,

Q-ero 's oogen spatten vonken.

Wrokkend sprak hij: „Trotsche Valke, Stellig zijt ge een paardsvleescheter, Daar gij hert en hoen versmaaddet. Moet ik vragen: Smaakt dit beter?

Roemt gij boven alle spijzen Hengstenham en offerkoeken?quot;

Elmar lachte en zei gelaten:

„Beide kunt gij zelf verzoeken.quot;

Gero riep: „Der Saksers goden Dienen is zoo dom als vruchtloos; Is hun koning niet een blinde Bedelaar met kalen schedel!quot;

ocr page 103

91

Elmar zei toen: 't Qog der Zonne Ziet de braven als de boozen,

En de Isimmermoede wisselt quot;Wel van wade, nooit van wezen.quot;

Scherper spotte toen de Franker: „'k Zou wel gaarne uw wijsheid prijzen Geef mij raad; de mond des dwazen Spreekt zoo vaak het woord des wijzen.

't Vale paard van mij is zieklijk, Het versmaadt zijn liefste voeder; Men'vertelt, dat gij het toovren Leerdet van uw eigen moeder,

Die met kracht van runenliedren Knoopen draaide en boeien losbrak, 't Onweer opriep, stormen stilde En de vloeden bergwaarts opdreef;

Die met machtiger bezweren Vreemde kruiden kookte in ketels. Met verwensching —quot; „Valsche kraaieiy Donderde Elmar, „spreek niet verder!

Udle kwast! Met gift'ge pijlen Treft ge mij: ik wou 't verdragen: Goden wreken hun belastring,

Menschen hooren 't — en versagen.

ocr page 104

II

92

Doch van haar, om wie 'k nog treure, Wier gedacht, van onheil zwanger, Blanker straalt dan Franker deugden. Moet gij zwijgen, snoode Galler!

Zwijgen, — of — met dit mijn slagzwaard Jaag ik u naar 't rijk der dooden: Zoo mij helpt de sterke Donnar,

Zoo mij helpt de grijze Wodan!quot; —

Reuzig in zijn volle lengte.

Breed van schouders stond de Sakser; Beide vlammenschietende oogen • Staarden toornend op den Galler.

Doodsche stilt' heerschte in de halle, Gero 's hand ontviel de beker;

Stijf stond 't manvolk; Hildegonde Blikte smeekend naar den spreker.

Plechtig deed de graaf zich hooren: „'t Overbruisen van uw trotschheid Heeft in euv'len moed gebroken Dezer woning goeden vrede;

's Konings bö hebt gij beleedigd,

Hier mijn gast, die ge in het midden Mijner gasten hoog moest achten.

Zooals plicht en zede vergen.

ocr page 105

93

Uwe jaren zijn verschooning,

Doch, mij dunkt, 't waar' u geraden Dat uw voeten dezen drempel In 't vervolg niet meer betraden.quot;

Elmar neeg het hoofd en zeide:

„Graaf, ik eer in alle trouwe Uwe woorden; mijne woorden Houd ik staande — en zonder rouwe.quot;

Elmar ging, maar met den vrede Was de vreugd, zijn speelgenoote, Voortgevloden; alle gasten Zaalden met verlof hun dravers.

's Bisschops stemme klonk; „Hij weerde Schande en laster van een doode, Van zijn moeder, mijne zuster,

't Geen in 't Vierde ons is geboden!quot;

Droevig steeg hij in den zadel; 't Landschap hulde zich in nev'len.

Toen hij met Warin d' abdijheer .Reed naar 't klooster: Dertienlinden.

ocr page 106

YIL

In stillen nacht.

Op den hof te Bodinkdorpe Klonk niet meer 't gejoel van 't oogstfeest; Rond de schuren, rond de halle quot;Weefden de Elfen grauwe sluiers;

Grauwe sluiers rond de slapers, Die, bekneld door meidranks boeien. Altijd nog de vedel hoorden.

Altijd nog ten rij zich schaarden.

Sluiers om twee maagdenoogen. Die, van tranen overvloten.

En bij rustloos droomgewemel Laat eerst bij 't gebed zich sloten. —

ocr page 107

95

Rond den hof te Bodinkdorpe Hield een drietal nog de wake:

quot;Was 't om misdaan te bespieden?

Was 't om zelf de misdaad te oefnen?

Een sloop langs het naaste boschpad Tusschen heidekruid en bremstruik:

O, hoe toornig 't hart hem bonsde,

O, hoe was zijn moed gezonken!

Aan de kille schors der beuken Drukte hij de gloênde wangen;

Zuchtend als een wondvol schepsel Zonk hij neer aan 's heuvels helling. —

Een schoof langs den stoppelakker, Sluipswijs tot der hoeve ompaling, Sluipswijs, als van stal tot schuren,

Schuwe bunsing's vlugge schaduw.

Forsch omklemde hij een berkstam En verdween in dichte twijgen,

Bruin, gelijk het bruin gebladert',

Schongde hij, gewiegd door d' avond.

Een sloop als op dieventeenen Tusschen donkere elshouthagen,

Beekwaarts, waar verstrooid der knechten A Zwartberookte hutten lagen.

ocr page 108

96

Neergehurkt bij 't huis des landheers Boog hij zich en koekeloerde.

Stilte heerschte, dan geritsel Net of riet en rijshout ruischte;

Voorts een kraken en een knapp'ren Als van planken, waar ze op stappen; Voorts een gloed, der wilde boschkat Scherpe schreeuw, — dan diepe stilte.

Door de ruime, hooge halle Ging 't gelaai, dat dreunde en zuchtte; Of heur goede geest de komst van Boozer geesten reeds gevoelde?

Booze geesten, roode slangen.

Die zich rekten, die zich kluwden. Sisten, wrongen, schoven, schoten.

Door de voegen, door de spleten;

Koode slangen, roode vlammen,

Stortten op elkaar bij 't laaien: 't quot;Woeste branden langs den bodem. Langs de stijlen, langs den gevel!

Rijk geplooid op d' aêm der winden Golfde een kleed van rook en vlammen Om het stroodak, om de wanden Van den bodem tot de vorstplaat.

ocr page 109

97

Wee het leven in dien vuurpoel! Imma stortte bleek en bevend Uit den vuurhoop; beide handen Sloegen bonzend op de schuurdeur.

„Help, help! Redt toch Hildegonde! Machtloos, en met stervend zuchten Ligt de graaf bedwelmd ter aarde,

En zij wil niet van hem wijken!quot;

Doch heur schreeuw, hoe scherp en snijdend, quot;Wekte geen der woeste droomers:

Enkel Aiga, Aiga kleene.

Snelde bij en greep den emmer.

„Hoort de beren, hoe zij snorken!quot; —. Plotsling, als uit de aarde ontsprongen, Midden op den voorhof, daagde 't Hoofd des somb'ren Saksers: Elmar.

! • |

vj

Gero hipte langs zijn zijde Onder d' arm een rookend pakje; „Ach, mijn best gewaad! 'k besterf het! Helpt! Waar blijft toch hier dat dienstvolk?quot;-

Valk, nu span uw vang en veder! Bij 't gekrijt van 't kamermeisje Stort hij ijlend in den vuurpoel Over halfverkoolde trappen.

ocr page 110

98

IJlend als de Frank in vrijheid,

Sprong de Sakser in de vlammen;

Voor hem golfde een gele vuurzee, Achter dreigde rookverstikking.

In de sparren, in de balken Hoort men knett'ren, splint'ren, dreunen. Hoede God de twee verlaat'nen!

Hoede God den koenen Elmar! —

Moed schenkt zege! — Op stalen armen, Of hem rook en hitte omringden.

Zeker schrijdend, droeg hij beiden In zijn mantelplooien buiten.

Op 't gesteente bij de linde Legde hij zijn last ter neder;

Siddrend dankte Hildegonde,

Doch heur vader koel en statig.

Huilend kwamen knechts en maarten. Hoor den meier: „Ras de kuipen!

Tuigt de paarden, hier de ladders!

Ziet wel toe, de gevel wankelt!

Als de ganzen op het ijsveld Staat gij daar als vastgevroren:

Werpt het water op het schuurdak. Want de woonhalle is verloren!

ocr page 111

99

Vlug bij dans en 't bekerheffen,

Moet men u tot d' arbeid drijven;

Wacht maar, 'k zal het u behoorlijk, Ieder op zijn kerfstok schrijven!

Vlammenschooven, hoog als bergen. Muspels zonen zijn aan 't razen! — God vergeef mij, zulk een branden Heeft de duivel aangeblazen!quot; —

't Haar, zoo woest om 't hoofd geslingerd. Tuimelt Gerd met looden hoofde Uit de schuur, en vuurwaarts starend Kreet hij luide: „Waar dan brandt het?quot;

Arme Gerd, wat laat ge u spottend Door uw eeuw'gen dorst begoochlen ; Stellig in een volle tobbe Wierpt gij u met hoofd en handen!

Aiga sprak door tranen lachend:

„Welk bedrog, mijn schat, nat ventje! Hef uw mondje, beste jongen.

Gij vergist u, 't is maar water.

„Nies toch niet, wat kan 't u baten!' Memand zal „God zeeg'ne u!quot; zeggen; Want gij zijt nog half een heiden.

Slechts gedoopt tot aan uw halskraag.

ocr page 112

100

Tweemaal hebt gij mis gemeten;

Want uw lievlingskost, mijn zwemmer, Jonge paling moet gij visschen,

Niet in emmers, maar in d' Emmer!quot;

„Moet gij,quot; sprak de natte, „visschen! Gladde paling, gladde slangen:

Wie u eenmaal vangt, gladde Aiga, Vangt gewis geen simple paling.quot; —

Isenhard, de grijze meier.

Trok den drinkert van de kuipen. En de lachers en de gapers Dreef hij aan met scherpe kreten.

Eaaf, de grijze uit Esschenburge, Was ook daar met knecht en knapen; Dodiko van Everbronne Kwam met zijn neef Thietmar mede.

Werinhard, de vrije landman,

Zwaaide d' emmer in zijn vuisten; „Boven zal ik naar het dak zien, Let gij onder op het muurwerk!quot; —

Krakend viel de hal in brokk'len: Vonkenmaalstroom, vloed van stuifasch En der wouden boomen blikten Rood beschenen in den viergloed. —

ocr page 113

101

Spraakloos starend op de puinen,

Zat de Gfraaf nog bij de linde;

Nu en dan slechts sprak hij zoete Fluisterwoorden tot zijn dochter.

Elmar sprak: „Het wreede noodlot,

Edle graaf, heeft u getroffen.

't Smart mij diep, doch kom, den buurman Staat de deur des buurmans open!quot;

En de grijsaard sprak: „Den goeden Wil mijn besten dank! Voor korten Tijd bouw ik op eigen bodem Een bescheiden winterwoning.quot;

G-ero riep : „Een weimanslistje: d' Aadlaar eerst zijn nest te ontjagen Om hem daarna in een kevie Edelmoedig op te sluiten!quot; —

„Huichlaar, ga, ge zijt verraden! U beticht ik; hoort gij 't, mannen: Om zijn vuige wraak te plegen quot;Wordt hij een gemeene brander!quot; —

Aiga kreet: „Verachte leug'naar!

Slechts in 't last'ren stout en moedig!quot; Werinhard, de vrije landman.

Beet zijn lippen blauw en bloedig.

ocr page 114

102

De Esschenburger liet zich hooren: „Man, dat hebt gij te bewijzen, Te bewijzen mij en and'ren.

Met den zwaarde, niet met woorden!quot;

Elmar mat den koningsbode Spraakloos en met bliks'mende oogen. Sprong vooruit en stond — en keerde Hem verachtingvol den rug toe.

Voor den Graaf en voor zijn dochter Boog hij diep, toch bleef zijn groeten Onbeantwoord; moede, moede Schreed hij door der wouden stilte. —

ocr page 115

VUL

^jÖe ^Örude.

Stille nacht in 't diep der wouden! Om der berken witte basten,

Om der elzen bruine stammen Vloot het maanlicht, zacht en teeder.

't Beekje alleen in 't dal nog snapte, Dicht omhuifd met struik en riethalm, Als een kind dat half in sluimer Met zich zeiven praat en fluistert.

En daartusschen klonk der eenden Schel gekwaak uit verren vijver. En bijwijlen viel de bruine Vrucht der eiken op de zoden.

ocr page 116

104

En de das, het vroomst van alle Kluiz'naars, die den berg bewonen, Scheerde, schuw het daglicht mijdend, Door der beuken donk're hallen.

Daar terzij, gericht naar 't Noorden, Ver van straten en van stegen, Lag een bergkrocht, diep verscholen In de stilte van de woestheid.

Breed en eindloos, naar de sage Eens bewoond door forsche smeden, Die, van 't dwerggeslacht, vertrokken, Door hun naam, van elk gemeden.

Schrikvol was de krocht, met woeste Eotsenbonken overhangen;

Om het deurgewelfsel schoten Klimopranken, groene slangen;

Slangen kropen door de spleten, Zwarte slangen, wortelknoten.

Waar de grijze drude woonde,

Gansch vergeten als de dooden;

Eenzaam met den trouwen keffer. Eenzaam met heur oude goden, Die heur spraken in der voglen Taal en bij 't geloei der stormen.

ocr page 117

105

Aan de bronwel bij de grotdeur Zat ze ineengehurkt en roerloos,

Lijk een grauwe steenen beeldnis quot;Weeklaagt op een doodenheuvel.

Van beur hals tot aan het heupbeen Hing het donker vlies eens otters, Een gewaad van witte schaapswol Hulde, rijk geplooid, haar leden.

Droomend zat zij; in beur linker Lag het voorhoofd, ernstig, edel,

Diep doorploegd; de rechtsche rustte Op den breeden hondenschedel.

Zinnend zat ze, een schikgodinne. Een dier heimnisvolle vrouwen.

Die de bron der kennis peilen En den Iqop der tijden schouwen.

Speurden, in vervlogen dagen. Rugwaarts ijlend, beur gedachten Bet'ren tijd, eer Welsehe rossen Uit der Saksers beken dronken?

Wat beur thans de ziel beroerde, quot;Was 't het heden met zijn looddruk? Lag voor hare zienersblikken 't Nader komend dreigend onheil?

ocr page 118

106

Doch haar wachter knorde, vonken Schoot zijn groenende oogensterre;

Door der wouden diepe stilte Klonken stappen uit de verte;

Mannenstappen: Elmar kwam tot Voor den voet der oude drude.

Groet en weergroet volgt. „Wat wilt gij ?quot; Sprak zij zonder op te staren.

„Swanahilde, wijze woudvrouw,

Sedert meer dan drie geslachten.

Waart gij aan den zoon als dochter Van den stam der Valken dierbaar.

Allen voeren lang reeds huiswaarts Op naar Wodan en tot Freia;

's Vaders huis staat leeg ten heuvel. Eenzaam zit ik in de halle.quot;

„Jonge Valk, de weg ligt open.

Die den vriend voert tot zijn vrienden; Gras en doorn en brem omwoek'ren 't Pad, door niemand meer betreden.

Jonge Valk, sinds vele maanden Vloogt gij niet tot mijn verblijfplaats; Vreesdet gij der dagen oogen,

Dat gij komt bij nachtlijke ure?

ocr page 119

107

Bij den Steen, op Zonnewending,

Zag ik u ten lesten male,

Wel vernam ik, dat uw vleugels In der Franken halle klapten.

En hoe gij uw glad gevedert Deerlijk zengdet in de vlammen.quot; — „Wilt gij dan, wat plicht des menschen Mij en elk gebiedt, vervloeken?quot; —

„Ik vervloek niet, doch ik loof slechts Ed'le daad; maar zoo 'k wel meene, Wat u dreef in rook en vlammen Was alleen geen plicht des menschen.

Vrije jager werdt gij jachtbuit.

Wilde Valk liet gij u temmen.

Blinden met een kap van leder,

In de leeren snoeren klemmen.quot; —

„Wees niet toornig, strenge moeder; Smaad en onrecht moest ik dulden,

Vaak met wederzin, bij de andren:

Wees niet bitter, spaar de klachtroe.quot; —

„Vroeger vocht hij met den woudheer En verbrijzelde diens ribben:

Heeft u thans bij 't bloemen garen Teere knaap, een wesp gestoken?

ocr page 120

108

Zijt gij na het lange spelen Eindelijk gekrabd door 't katje,

En nu ziet gij, arme jongen,

Weenend op het wonde plekje?quot; —

„Scherp zijn uwe woorden, moeder! Scherper dan de houw der zwaarden; Doch aanhoor mij; haat en liefde Twisten toornig in mijn boezem.

Spreken moet ik of wel sterven! Wat ik klachtloos lang moest dragen, Moet ik iemand, en van allen Kan ik 't u, o moeder, klagen.

Geef mij raad, gij wijze Wala, Geestrijke Idis, help den kranke;

Die ik minne is een Christinne En nog wel des Franken dochter!quot; —

Langzaam rees de drude in lengte Van haar reuzige gestalte.

Zuchtte diep, en beide handen Heffend sprak zij streng en somber:

Elmar ga, gij zijt verloren!

Stond uw halle en schuur in vlammen, 't Was u minder nog verderflijk Dan de scha van dezen vuurgloed.

ocr page 121

109

Ga: gij zoekt den zwarten gouwgraaf; Ga: gij gaat ten Sakserhater,

Buig den fleren nek voor 't kruisbeeld, Dompel 't hoofd in 't christenwater.

Vondt gij hij onz' blonde maagden Geene, die u hoog genoeg stond Om uw hof en haard en halle Vroom en vroed naar eisch te stieren?quot; —

Elmar weer: „Der goden moeder Wikt de vreugden en de smarten;

Lijk de wind de waterwellen Zoo leidt zij de menschenharten.

Heugt u niet meer 't oude liedje,

Dat wij vaak gezongen hebben,

Hoe eens Swanahild, de schoone.

Weende om eenen Wendschen jongen?

Weende om eenen Wendschen jongen. Die verging in 't ijs der Elbe?

Minne ik buiten onze stamgouw,

Deed niet Swanahild hetzelfde?quot; —

Treurig zonk het hoofd der oude:

„Bitter is het lang te leven;

Donk're jaren, rij aan rijen Zie ik op de runenstaven;

ocr page 122

110

Ouder dan dit woud! Ik kende Deze stammen reeds als eik'len,

Grijze reuzendrom, wier kruinen Thans tot in de wolken reiken.

Onbegrepen als de sage,

Overoud en vreemd aan 't heden,

Slacht ik den vermolmden boomtronk Tusschen 't lentegroen der beemden.

Sluimerdronken zijn mijne oogen, Reizensmoede mijne voeten;

Uit der Saksers gouwen breng ik Wodan dra de laatste groeten.

G-odennoodlot, menschennoodlot Is in d' eeuwgen raad gegrondvest: Eén slechts blijft en heerscht. Toch had ik G-aarne iets beters u gekondigd.

Ga, ik hoor daar mijne boden,

Die zich in de kruinen melden:

Op der wouden donkre paden Treedt u 't noodlot eenmaal tegen!quot; —

Elmar ging. In wolkensluiers Was het maanlicht weggedoken;

Droppels ruischten door 't gebladert. Grauw en somber daagde de uchtend.

ocr page 123

Ill

Troosteloos en zwaar te moede Schreed de jong'ling door de poten, Nooit zoo eenzaam en vergeten,

Nooit zoo vreemd op eigen bodem.

Wat de Wala sprak, het duist're Raadselwoord, hoe dat te ontraads'len Meent zij goden, op hem toornend? Meent zij menschen, die hem haten?

Ga maar Elmar; goede geesten Hoeden u op alle wegen:

Op der wouden groene paden Treedt u 't noodlot eenmaal tegen. —

ocr page 124

IX.

öp de on dp aden.

Zorgzaam kan de ree zich hoeden Voor der beren plompe klauwen;

Voor den sprong der valsche katten Bukt zij zich bezorgd ter bronne.

Elmar, snoer uw gordel vaster,

Voor ge in 't woeste woud gaat treden Pikzwarte Elfen, zwarter menschen Loeren aan der bergen helling. —

't Woeste woud! De moede zonne Kust den naakten wand der rotsen, Om aan 't laatste blauwe klokje Heure laatste gunst te schenken.

ocr page 125

113

't Knapt en krinkelt door de kruinen In 't door herfst gedorde loover,

En de vleugelslag der ringduif Kleppert even langs de beuken;

Hier 't geklop der specht op 't stamhout, Verder 't schril geschrei der kauwen; Dan een lang en lastig aad'men,

Als het aad'men van den berggrond;

Dan rond gentiaan en kwendel 't Zacht gezoem der wilde bijen;

Dan een haviksschreeuw en weder Heerscht de stilte als bij de dooden. —

Elmar, snoer uw gordel vaster! — Ver van menschen schreed hij langzaam Door de laagten, waar zoo veilig Hert en hinde zich vermeien.

Volgde hij van 't wild de spoorbaan, Om het dier naar lust te dooden?

O, hij wou ter heil'ge wijkstee Zich ontdoen van zonde — en bidden. —

Groene lichtplek! In het midden Stond de grijze stam van Donnar, Koningsstam van al de reuzen,

Die er in deez' boschgouw wassen.

8

ocr page 126

114

jlt; ?|

Wijd en breed als tempelhallen Welfden zich de kroongehinten; Heiligdom, door booze handen Nooit ontwijd met bijl of klingen.

Want naar sage en overleev'ring Was 't een goed van een der goden, Die daar ruischte om donk're kruinen, Die daar weefde in stam en twijgen.

Zonder wapen naderde Elmar, 't Hennepstrikje aan beide handen:

Weerloos, arm, vrijwillig onvrij Moet de mensch ten hemel blikken.

Zoo dus met zijn hoofd gebogen Stond hij in des Heeren vrede: „Toornt gij, dat ik bij de vreemden Langen tijd uw dienst ontvluchtte?

O, ik hoor 't, hoe uw vertoorning Eaast en ritselt door de blaren: Zoo mij de aardelingen haten.

Wees mij gunstig, goede goden!

Lijk een knaap in bosch en braamstruik, Voortgelokt door 't lied der voglen. Komt hij thuis met wonde voeten, Dan kijft moeder, doch zoo lang niet.

i f | WjL

ocr page 127

115

Kom ik thuis met bloedend harte, Toornen moogt gij, doch niet wrokken; Lijk een heilig water zuivert Tranenvloed den rouwmoedvolle.

Eenig Wezen, dat ik zoeke;

d' Eeuwge, dien geen tijd veroudert, Die in liefd' de zon daarboven En het lot der menschen regelt;

Gij, die in de kruinen suizelt,

Die in toekomstvolle waarheid Raadsels fluistert, welke ik hoore,

Doch wier zin ik niet kan duiden:

Zijt gij Wodan, zijt gij Donnar?

Namen zijn slechts ijd'le klanken: G-ij zijt gij, die onbekende,

Onbegreep'ne, de Een'ge en alles!

Hier, waar op gewijden bodem, Gij slechts en het woud mij hooren. Breng ik u een zuiver offer:

Al mijn zuchten en verlangen!

Al mijn arm geluk, des harten quot;Wenschen, die van u mij scheiden. Mocht ik op vervulling hopen,

'k Geef het op: geef gij mij vrede!

ocr page 128

116

God, mijn God, 'k leg 't moedloos neder!quot;-Hoor, daar krakt het in de takken, 'n Scherp geritsel, boogpeessnorren, Een gesis als 't slangensissen.

Elmar wankte; naast zijn harte Stokte een pijl; eerst de addertonge Uitgerukt, dan door de berken Stormde 'i voort met wolvensprongen.

't Vluchten ging zoo snel als 't volgen: Hier! — en greep hem bij het nekbeen; „Koningsbode, vuige moord'naar, — Gij? — Dat noem ik Fransche valschheid!

Toen wij. Raaf en ik, u riepen Tot den strijd met zwaard en lanse, Brrgdet gij uw laffen praalkop Achter 't schanswerk van uw zending.

Ons ten heil: uw bloed, uw schurkbloed. Moest het eerlijk wapen schenden; Ga, dat u een knecht verwurge! Ga, moog 't ongedierte u plundren!

Sidder niet, schier doet gij lachen;

Word toch koener; zie, 'k blijf uwer Schuw, als waart gij een melaatsche. Schuw en ver van 't lijf, och arme!

ocr page 129

117

Was geen slaaf zoo slecht en koopbaar Om deez' moord voor u te plegen, Dat gij zelf der eeuwen schandmerk Op uw wapenschild moest schrijven?

Zijt gij stom?quot; - Met starende oogen Stond de booswicht bang en bijstrend; Zijner hand ontgleed de boog en 't Weinig bloed zijn hollen wangen.

1

ï I

Stott'rend riep hij uit: „Ik kan u Op uw huid en haar verklagen,

Op uw hals en hand, gij trotschaard!quot; -Elmar sprak; „Ik zal 't verdragen!quot; —

„Krenkt gij mij, den koningsbode. Dan zal 's konings ban u plett'ren: Wij zijn hier te lande meester!quot; Elmar sprak: „De goden rechten!

Weg van hier!quot; De Frank ontsnapte Door het hout met tierend vloeken. En de schreeuw der wilde boschkat Krijschte door de naaste beuken.

Ék

ocr page 130

X.

Ter maalstede.

Welkten laat in 't jaar de blad'ren, Dan werd de open bank gespannen, quot;Want de schuldge moet zich kwijten En de booswicht hoort zijn vonnis.

Onder Frigga 's heil'gen boomstam Schaarden aich de gouwgenooten, Edellieden, vrije boeren, d' Eigenhoor'ge met zijn spruiten. —

Groent zij nog op uwe beemden, Aldinghaus, uwe oude linde,

Die het jonkske zang en sage Tegensuisde op de avondwinden?

ocr page 131

119

Aldinghaus, de menschen onzer Dagen zijn te wijs geworden :

Lang reeds hieuw de bijl uw linde, Lang verzwonden zang en sage. —

't Was in 't najaar, 't blad verwelkte; Hoofd aan hoofd op 't wijde weiveld, Woelden blondgelokte Saksers, Al dooreen, 't zij dwerg, 't zij reuzen.

Bij den dingboom was de maalstee, Afgepaald met hazeltwijgen;

Diep gebogen bij de linde Stond de graaf in somber zwijgen.

Voor hem lag ten disch van zandsteen Zwaard en worgstrop; de oude richtsbö Switger Lubbe, naast zijn zijde.

Riep met luider stem het volk toe:

„Scheep'nen twaalf, gezworen mannen, Komt en treedt ten kring met eere; Dan heer Gero, koningsbode,

Haal uw recht hier naar begeeren.

Elmar, Valk van Havikshove,

Streng gedaagd bij lijf en leven.

Nader om ten groenen zode Aan een man zijn recht te geven!quot; —

ocr page 132

120

Dof gemompel! 't Hoofd geheven Schreed de Sakser in den rechtskring,

Vast en forsch in voet en wezen,

Hoe een diepe wonde ook snerpte.

„In het zonlicht,quot; sprak de gouwgraaf, „Zal men 't recht naar rechten plegen: Scheep'nen, is het stond en stede Hier een open bank te spannen?quot;

't Antwoord klonk: „In 't licht der zonne Komen wij om 't recht te plegen,

En om de open bank te spannen Is het hier èn stond èn stede.quot;

Langzaam treuz'lend sprak de gouwgraaf. Op den steen geleund met de armen:

„Recht en goed begint de rechtzaak;

Dat ons God goed einde schenkel

Scheep'nen, gij behoort te zitten!

Switger Lubbe, sluit de omheining!

Gij, die toehoort, breekt den vrede

Met met drang, met schreeuw noch twistwoord.

Gero, meent gij schade of schande Op een man te moeten wreken,

Wil uw klacht dan onder eede Zonder nijd en arglist spreken.quot;

ocr page 133

121

Gero riep: „Zoo helpe God mij!

Dezen hier, hoe vroom hij schijne,

Elmar, heer van Havikshove,

Hoort, waarvan ik hem beschuldig;

Mij, die hier in 'skonings gouwe Heii'ge waarde en macht moet dragen, Heeft hij sluipsgewijs als moord'naar Aangerand in 't dichtst der wouden.

Hielp mij niet mijn goede Schutsgeest, 'k Was gestorven door zijn manslag;

Dies om breuk van 's konings trouwe Kom ik hem bij eed verklagen.

Dan om tooverij en goöndienst Klaag 'k hem aan in ring en ronde;

Zijn boelin is de oude grijze Tooverheks ten Blauwen Gronde.

Kortlings nog bij 't feest van Balder, At hij van het offerveulen.

Stil! Bij hen, die 't hooren, zie ik Menig nacht'lijk mededrinker.

Meer, nog meer! Het huis des buurmans, D' edlen graaf, lel hij in kolen;

Van zijn vriend, die, veel te inschik'lijk, Te rechtschapen, hem steeds voortrok;

ocr page 134

122

Die om 't stoute woord den stoute Eindelijk de deur moest wijzen,

Zonder acht te slaan, dat dorst naar Wraak eens schelms zich zoo zou lesschen.

'k Heb de rechter hand geheven.

Zonder baat getuig ik waarheid:

Elmar, heer van Havikshove,

Hier klaag ik uw hals mij schuldig!quot; —

Suisde daar geen zwerm van kranen, Die in 't stil gebergt' verpoosden. En ■verschrikt door nad'rend jachtvolk Met gekrijsch het bosch ontvlogen?

Gonsde er niet een duizendstemm'ge Woede- en weeschreeuw door de Saksers? Werinhard, de vrije landman.

Hief de vuist en lachte grimmig.

Langs zijn schouderblad blikte Elmar, Rooder wordend, naar den spreker: Schamen moet zich de overwonn'ne, Overmoogt hem schurk en moordnaar. —

„Ik hoor hier,quot; sprak thans de gouwgraaf, „'sBisschops neef met ernst beschuldigd: Elmar, gij vernaamt deze aanklacht.

Dies voegt u de wederlegging.

ocr page 135

123

Rechters, eed-meestaanders zijn de uw Standgelijken, edellieden,

Dezen op de schepenzetels,

d' Andren daar ten kring der mannen.

Uit den kring der vrije mannen Moogt gij u een voorspraak kiezen; Neem het recht te baat, den beste Kan het woord, bij drift, soms falen.quot;

Elmar antwoordde: „Eene voorspraak Scherp van tong en vlug en snedig. Had 'k weleer, nu hij ter ziele is. Duld, dat ik mij zelf verdedig.

De eene ried mij: Naast de goden Steun op 't zwaard en op u zeiven. Dan op 't strijdros, dan op vrienden. Zoo ze u negenmaal beschermden.

Nooit leerde ik van golvenruiters.

Noch van ruwe woudgezellen.

Om in fljngesponnen zinnen Sluwe woorden sluw te stellen.

Koel van hoofd en warm van harte Daag ik trotsvol 's vijands valschheên, In den nood, in rechte zaken Zal het rechte woord niet falen.

ocr page 136

124

Koningsbode, valsche nijdaard,

Zeker haat gij mij ontzaglijk!

't Waar mij schande zoo 'k u haatte, Want gij zijt te klein, te nietig.

't Geeft mij deernis, dat mijn naam dreef Op den adem uwer sprake:

Wat gij uitstoot, is bezoedeld.

Want uw adem is een pestwalm.

Mannen, 't geen hij mij ten last legt, Zulk een misdaad dreef hij zeiven!

Deedt gij 't niet? Zie mij in de oogen, Geelbaard, durft gij dan nog loochnen?

Moest hij bloed van mij tot delging?

Trad hij openlijk mij tegen.

Vrij als vrije, om te betalen Houw met houwen, slag met slagen?

Lafaard! Uit de hinderlagen Zond hij mij zijn valsche spietse.

Zie de wonde, die nog bloedend.

Hier zijn boevenstuk kan staven.

Trof ik hem? Aan heel zijn lichaam Toone hij het kleinste plekje.

Schram of blaartje, zelf de kleinste Scheur aan 't zachte zijden rokje.

ocr page 137

125

Veel te rein acht ik mijn handen Om hem maar een haar te rooven;

Slechts een paar onzachte woorden Zeide ik hem en liet hem schuiven. —

Doch hij zwoer! 't Beroep ten hoogen Hemelmachten moet men eeren? — Weg! Wie valsch is in zijn daden, Kan ook wel een meineed zweeren!quot; —

„Elmar, let wel op uw woorden!quot;

Riep de gouwgraaf. — „Naar zijn werken

Zie een ieder! Ik verweer mij,

Dat 's mijn recht, dat gij zult sterken.quot; —

„Doch gij hoont den koningsbode!quot; — „Waarheid spreken is geen honen. Koningsbode? Zelfs de koning Moet zijn ambt met eer bekleeden!

Ook de koning dient getrouw aan Land en volk zijn woord te houden: Zij hij sterk, toch wijs en goedig :

Alzoo leerden ons reeds de Ouden.

Zond hij dezen boö, geen bet'ren,

't Volk leert dan zijn koning haten; Dacht de koning, lijk zijn volk dacht. Dan liet hij deez' bode gees'len!quot;

ocr page 138

126

,,'k Moet u manen,quot; sprak de gouwgraaf, „Saksenschedels, taaie brokken!quot;

Elmar zeide: „Fiere harten Onversaagd en onverschrokken!quot;

Raaf, de grijze uit Esschenburge,

quot;Wierp zijn kroezelkop naar acht'ren: „Stellig waren onze zwaarden Eenmaal harder dan uw schedels!

Karig ons de lucht te meten.

Houdt uw kramerzielen bezig;

Doch de breede borst der Saksers Wil steeds aad'men diep en krachtig.

Ook het toornen heeft zijn rechten! Woorden zijn des zwaards geklikklak. Daden zijn het stukken hakken:

Elmar, laat u niet begoochlen!quot; —

Elmar sprak: „Den dienst der goden Is 't verwijt voor kring en maalsteê: Zou hij 't dulden, zoo ik 't honend Onderstond uw God te last'ren?

Waar ik deemoedvol wil buigen. Mag geen dwaas mij roekloos schelden: 't Geen u heilig is, wil 'k achten;

Laat ook 't mijne u heilig gelden!

ocr page 139

127

Uwen priesters, uwen paters Gaf ik willig tijns en tienden;

Spreekt, wat hebt gij ons gegeven? —

Laat ons leven, dat is billijk!

Neen, gij hoeft ze niet te dulden, 's Menschen rechten moet gij eeren! 't Eerste recht is 't recht van bede, En dat mag geen koning weren.

Dwalen wij? Misschien! Wat ademt,

Doolt en tast in duisternissen 't Oog ontbloot; elk een gelooft, wie Leeft, — alleen de dooden weten.

Dwaal ik? Een is mij „de Hooge,quot;

Een zit naast hem, „de Evenhooge,quot; Dan — de derde! Drie zijn de eenheid, 't Drietal vlammen is een laaie.

Is dat afgodsdienst, zegt, mannen!

Klinkt deez' maar zoo vreemd in de ooren? En toch is het bron en oorsprong-Onzer waan en uwer leering.

quot;Weet gij 't beter? Of is 't beter, Wat men slechts met zwaard en vuurgloed Hopeloozen aan wil preeken, Die verhongren en verbloeden?

ocr page 140

128

Gij bezint u — ik wil zwijgen.

Dit alleen nog: deez' vermeetle,

Noemde hij mij niet een brander,

Denkend, dat 'k mij zou verdeed'gen?

Saksers, zulk een lastring hoorend.

Schiet een Frank in woede en toren:

't Past mij daarop niets te zeggen, En u voegt het niets te hooren!quot; —

„Van deez' weerklacht,quot; sprak de gouwgraaf, „Moet ik menig woord vergeten;

Raaf, ik wil een man, die nood lijdt,

Niet met kaar'ge mate meten.

Valk, doe kond door oorkondsmannen, Dat de klager valsch bericht gaf.quot; — „Wapen! Had ik oorkondsmannen,

'k Stond hier nimmer als betichte!

Toch, deze eene kan ik stellen:

Klager, spreek hier als getuige.

Neem uw woord terug, wees eerlijk.

Wees voor de eerstemaal niet bloode.

Zeg, want niemand weet het beter,

Zeg: „ik loog!quot; — Doch, neen, 'k doe afstand Blijf maar slecht; 't is mij een gruwel Gunst te vragen aan zoo'n schepsel.

ocr page 141

129

Bijt maar door uw groene lippen, 't Is slechts gal, het zal niet bloeden; Dat gij loogt, mijn God en de uwe Weet het, en gij allen, mannen.quot; —

Stottrend sprak de mag're Franker: „Zou 't den graaf niet beter voegen, Om voor 't smaden van een wilde Mij wat beter te behoeden?quot;

Dodo sprak: „In jonge hoofden, Wentlen, lijk het rad in 't karspoor, Eustloos rollend de gedachten.

En de tong dient ras den toren;

En de toorn heeft ook zijn rechten, Lijk wij dankbaar hier ervaren ;

Doch 't is goed, bij 't warme harte 't Hoofd in kalmte te bewaren.

Valk, gij raast! — 't Was u geoorloofd Medezweerders uit te kiezen:

Zeven handen, zes en de uwe,

Eischt het recht u vrij te spreken.

't Hoofd zij koel! Met mate en minne Voegt het best om gunst te werven: Wees bescheiden; deze zaak toch Gaat om 't leven of om sterven!quot;

ocr page 142

130

Elmar zei: „Welaan, ik vraag u,

Wie hier van den Raad der twaalven, Wie daar uit den kring der hoorders.

Edel man, mijn recht wil staven?quot; —

O, hoe snel zijn heldere oogen Schepenbank en ring doorspeurden!

Geen beroering! — Tot den hals toe Was het bloedrood, dat hem kleurde.

Nu nam d' Esschenburger 't woord op: „Moet zijn manlijk woord weerklinken, En uit Sakserborst den Sakser 't Minste woord niet tegenschallen ?

Hoe? Nog reppen wij, de Raven,

Vrije vleugels op den Eschburcht:

Valk, ik zal u medezweren!

Graaf, gij kunt mijn eed hier staven!

Niemand volgt? — Wie anders de oogen Hoogmoedvol in 't rond liet weiden. Zit gebukt en staart ten gronde,

Stil, alsof de neus hem bloedde.

Tuurt maar, wikt maar, overlegt maar: „Waarlijk — maar...., alleen...., intusschen Mogen in de stervensure Alle heil'gen u vergeten!quot; —

ocr page 143

131

quot;Werinhard, de vrije landman,

Riep van uit den kring der boeren: „Wee, dat wij geen wapen dragen, Dat grieft diep aan mij en velen!

• Mocht een boer, zijn boereneere Voor den adeling verpanden,

Valk, wij allen zouden zweren Moest het — dan met bloed'ge handen!quot;

Duizend kelen schreeuwden bijval Uit de dichtgeschaarde menigt'; Vol verwaandheid, half verlegen Staarde Gero naar den volkshoop.

„'k Moet u,quot; sprak de Valk, ..wel danken! Zoo ik ooms had en nog broeders.

Bloed- en huwelijksverwanten,

'k Stond niet hier op deze maalstee.

d' Enkle boom is licht te vellen.

Als de storm raast door de kruinen; Knakt de wortel, snel ontvlieden Alle vinken, zijne gasten.

Dit las ik in 't boek der runen: „Vol gevlei is 't woord van heden; Dagvaardt morgen u de rechter. Dan geeft niemand u geleide.quot;

ocr page 144

132

Gaf mij niemand zijn geleide,

'k Moet dan niemand dank betuigen: Mijn getuigen, mijne helpers Zijn ze, die 't daarboven weten! —

Graaf, gij zeidet, mijnsgelijken Zijn geroepen mij te rechten:

Meent gij dezen, — zoo'n gelijkheid Mag en kan ik geenszins roemen.

Mijnsgelijken? — Koningsknechten! — Trouwens, 'k meen het, grooter schellem Als de schelm, die mij verklaagde.

Droeg ter wereld ooit een hellem.

Echter, macht is recht; de vreemd'ling Brengt u baat aan of wel schade; Daarom Saksers, vlugge vleiers.

Werft u dra genade en gunsten.

Zijne woorden zijn bewijzen,

't Woord van mij is windgesuizel;

Zoo ik spreek, dan gaapt ge in 't boomloof, Doch spreekt hij, 't neigt al tot luist'ren.

Voor den God van 't heden kruipt gij Op uw buik, zoo 't wordt bevolen.

Daar ge vrank, het hoofd geheven,

Vast moet staan op eigen zolen.

ocr page 145

133

G-ij ? Tot een eenvoud'ge meening Komt de schijn van moed niet boven: Hoe toch zoudt gij ooit geraken Tot de koene daad van redding?

Neen, gij zijt niet mijnsgelijken,

Maar de knechten van de slaven!

Hoedt u wel, men zal 't u loonen:

Gunst is sneeuw met dunner ijskorst.

Hoedt u wel: een kale Franker Komt in uwe wol geslopen.

En, waar gij in 't zweet gezaaid hebt, Zal hij lachend garven knoopen.

Vrije mannen te gebieden Is het schoonst der koningsrechten: — Arme Lood'wijk, aan uw voeten Liggen knechten zonder wilskracht!quot; —

„Naar 't gebruik,quot; sprak nu de gouwgraaf, „Is 't geding hiermee besloten;

Elmar, 't woord ter schuldontlasting Heeft deze aanklacht niet ontzenuwd.

Zonder helpers, noch getuigen Blijft uw zegepraal nog verre:

Scheepnen, oefent thans den strengen Plicht, door 't ambt u voorgeschreven.

ocr page 146

134

Drievoud is de Valk beschuldigd,

Zwaar belaan aan lijf en eere;

Ed'le vrijen, weegt behoedzaam Wicht en waarde van uw woorden!

't Is aan u het recht te wijzen En het oordeel wel te vinden,

Dan zal ik 't in naam des konings Als rechtvaardig oordeel konden.quot; —

Alles zweeg; de gele blad'ren Vielen dwar'lend van de linde,

En de kranke, bleeke zonne Stond in 't diep omwolkte Westen.

En een kleine vogel sjilpte,

Hoog in 't loover 't zoete klaaglied: „Winter wordt het, droeve winter; Ach, wie zal zich mijns ontfermen!quot; —

Diepgebukt, de beenen kruiswijs Zat de graaf, en slechts bijwijlen Liet hij treurig sombre blikken Op den aangeklaagde glijden.

't Schependom zocht raad en rechtszin, Eindlijk was het slot gevonden; Kemmend door de lokken, zeide Dodiko van Everbronnen:

ocr page 147

135

„'t Eerste woord den jongsten schepen Voel 'k aan Valk mij huldeplichtig, Toch, hoewel met leed in 't harte, Noem 'k hem als verrader schuldig.quot;

Dietmar dan, zijn neef, den stugg're, Stotterde uit: „In deze rechtszaak Denk ik juist zoo.quot; „Ik hetzelfde,quot; Wolf en Rolf van Thurm, — en allen.

Tot aan Raaf. De grim'ge vijand Zag verachtlijk op dit elftal:

„Hoort mij; ik, ik, de Esschenburger Spreek hem vrij, zoo God mij helpe!quot;

Langzaam uit den stoel gerezen Nam de graaf het woord en zeide: „Recht zij recht! Met eerbied hoore De beklaagde naar onze uitspraak.

Elmar, Valk van Havikshove,

Zware klacht werd hier bezworen: Om 't verraad aan uwen koning-Hebt gij hand en hals verloren.

Zeker, 't jeugdig bloed bruist hevig. Zoo 't der ouden raad niet afkoelt. Daar gij vaderloos en heet zijt.

Keer' gestrengheid hier in mildheid.

ocr page 148

136

Hoor wel toe: „Uw goed en erve Is verbeurd en wordt domeingoed,

Huis en hof, van grond tot gevel.

Veld en woud met top en twijgen.

Rechtloos, Elmar, zijt gij voortaan,

En in boete en ban veroordeeld,

Vreêloos, weerloos; dies ten teeken quot;Wordt u schare en schild gebroken.

Maak u op: Gij moet te paarde Mark en gouw met spoed verlaten.

Eer de zon ten derdemale Afscheid neemt van Osnings boomen.

Zoo luidt 's konings recht te lande!

Toch nog, Elmar, moogt gij hopen:

Op den koningsstoel in Aken Staat het hoog beroep u open.quot; —

Door den kring der gouwgenooten Golfde een schreeuw, een brommend morren. Lijk, doorwoeld van 't jagend stormtij. Diepe golven schuimend rollen.

De Esschenburger deed zich hooren: „Graaf, dat oordeel moet 'k versmaden! Of ze ook lange lokken dragen.

Onvrij zijn ze, die het velden.

ocr page 149

137

Trede in open kamp de klager,

Dat hij zijnen eed bevest'ge Zoo hij durft, bij 't Godsgerechte,

Lijf om lijf met blooten degen!quot;

Gero schimpte: „Welk verlangen!

De eer des krijgers zou ik wagen Met een balling zonder eere,

^Die den boevenstrop moet dragen?quot; —

Raaf sprak nu: 't Zou ü best passen! — Waar de jongling streed en streefde, Zou hij zijn roemruchten vader.

Zoo deez' leefde, nooit doen blozen.

Verft zich 't spoor der beren bloedrood, 't Prikkelt nog de lafste honden: Nijdigaard, gij hoont den kranke. En vloodt weg voor den gezonde!quot; —

Elmar, 't hart gereten, lachte,

't Vuur blonk op zijn holle wangen: „Weinig dank ik uwer mildheid, Al spraakt ge allen vrij van 't hangen.

't Vonnis maakt mij diep ellendig;

Liever me aan den beul gegeven.

Doch in steè me aan 't lijf te straffen. Straft ge tienvoud met te leven.

ocr page 150

138

Wijst ge mij den weg naar Aken?

Graaf, deez' reis wekt slechts mijn walging Noemt ge uw koning niet de goede,

Beter was zijn naam de wijze.

Aken? Nooit! Beklaagt de kraaien Zevenvoud ter kraaienbanke,

G-ij erlangt een kraaienoordeel;

Graaf, verschoon mij, ik bedank u.

Gratie zegt gij? Hond en katten, Bedelzieke huisvasallen.

Mogen om de brokken kijven.

Die van 's heeren tafel vallen.

De arme zondaar smeekt genade:

Ik wil recht langs rechte wegen;

Eischte ik recht, dan hield men lachend 't Boek der wetten voor mijne oogen.

't Recht van ons is wil der goden; Wet bij u is 't werk der menschen; 't Recht van ons is schild en zoenwoord, Wet bij u is wraak en valstrik.

Slechts de wet? Gij, christenmannen, Ik aanhoorde vaak uw sagen.

Slechts de wet? Zoo werd uw God dan Volgens 't recht aan 't kruis geslagen.

ocr page 151

139

Slechts de wet? De kwaadgezinden Hadden 't recht Hem te verderven:

Daar bestond een wet te lande En naar deze moest hij sterven.

O, gij Franken! Lijk de jager 't Wild omspant met strik en netten, Zoo, om ons daarin te drijven.

Spant en stelt gij ons uw wetten.

Kop'ren snoeren; doch de draden Schijnen u te fijn gespleten;

Stroppen; doch de mazen lijken U te groot om ons te omsnoeren.

Trekt ze dichter, wringt en windt maar. Knijpt en klemt en lapt de stukken:

Alle dagen nieuwe scheuren,

Alle dagen weer aan 't lappen!

Oefent maar uw quot;Welsche kunsten; Saksersmoed is wel te buigen.

Nooit te breken; volgende eeuwen Zullen wel de waarheid staven.

Met den wrok in 't hart, ga 'k scheiden. Doch voor u niet, ed'le gouwgraaf;

Steeds inschiklijk voert ge uw ambtsstaf. En gij zijt niet van de mijnen.

ocr page 152

140

Was ik schuldig vrijgesproken,

'k Zou dan u en mij beklagen:

Schuld eischt zoen, doch ik ben schuldvrij, Dies kan ik uw vonnis dragen.

Gij? Eens daagt de dag der rouwe. Komen zal hij! — 'k Zal dan rusten.

Diep in zee, in 't zand der duinen, Afgefoold, doch stil ter haven.

Thans genoeg tot mijn verwering.

Alle rede moet eens enden:

't Donk're lot van mijn bestemming-Leg ik in de hand der goden.quot; —

Bleek geworden, immer bleeker Greep hij wanklend naar zijn wonde: En de bloedstroom zonder stelpen -Sprong met golven hem ter keel uit.

Golf na golf vloeide op de zode.

Brak het hart na 't lange hartzeer? Spraakloos zeeg de vogelvrije In des Esschenburgers armen.

ocr page 153

XL

kogelvrij.

„Al gereed!quot; riep meester Fulko, „Breng aan Hildegonde, uw vrouwe, Liefste dochter, Imma kleene.

Hier dit slot; zij kan 't vertrouwen.

Wieland zelf, der smeden koning. Zou 't niet kunst'ger kunnen maken. Niet zoo 't stil kaboutervolkje. En gij, Kobald, staak dat lachen!

Reeds den ganschen morgen, Eggi, Grijnst ge al met vernoegde blikken, 't Lijkt wel of een witte wildbout Reeds verward zit in uw strikken.

ocr page 154

142

Scheer u weg, gij bruine vlegel.

Let maar vlijtig op uw schapen,

Dat ze toch geen scha berokk'nen Aan het wintergraan des Graven.quot; —

Eggi, draaiend op den drempel:

„Meester Fuik, gij hebt 't geraden:

Gister was 't; een edelmarter.

En heer Gero wil hem braden.quot;

„Guit, snij uit!quot; — „Hij haat den Valk zoo,quot; Sprak de smid; „wel mag hij spotten; Feller, als ons ooit een Frank deed,

Sloeg de Sakser gister 'n Sakser.

Lijk het volk den dollen hond hangt Aan den eersten boom den besten.

Zoo werd d' edele opgeofferd.

Wijl een booswicht hem niet uitstond.

Fiere Valk! Van woud tot Wezer Werd geen trouwer hart gevonden! —

Stil, daar is hij zelf: — O Imma, Hoe verkwijnd in wein'ge stonden!quot; —

Elmar kwam; de grijze Diethelm Schreed hem na zoo droef te moede;

Toorn en tranen in zijne oogen Leidde hij een witte merrie.

ocr page 155

143

Elmar zeide: „Meester Fulko,

Dezen laatsten dienst kom 'k vragen; Spoed u voort, met zegenwoorden Stevige ijzers vastgeslagen.

Spoed u dapper, flinke meester,

Stevige ijzers, deugdlijke ijzers Op te leggen aan mijn schimmel.

Want wij hebben ver te reizen.

Ver te reizen, meester Fulko!

Dies nam ik van de edle rossen Met het beste, maar het trouwste. Als gezel op verre tochten.quot;

Stom en treurig zag de smidsbaas Nu den man aan, dan den schimmel; Dan, 't gereedschap fluks gegrepen. Roerde en pookte hij het vuur op;

En met toornig, woeste slagen Sloeg hij, dat het aanbeeld steunde. Sloeg hij, dat de balken kraakten En de smidse in 't muurwerk dreunde.

Vlammen stoven, vonken spritsten; Feller beukte de vergramde.

Tot de gloeiende, ijzren stange Als een worm zich wendde en kromde.

ocr page 156

144

Plotsling echter zonk de rechtsche, En omklemd door 't boezemlijden Wierp hij 't ijzer in den vnurhoop, Tang en moker door den winkel.

„Neen, ik kan, ik kan niet, Elmar, Neen, gij kunt en moogt niet weggaan Om den geksten aller vogels Zouden wij u zien vertrekken?

Zijn er dan nog goden? De onze Toornen, wijl wij hen verlaten.

En de blanke God der Christnen,

Dien wij haten, moet ons haten.

Boete vergt onz' groote misdaad!

Eerst verzoend ter heil'ge steden,

Moet het volk de wapens grijpen. De oude god zal ons dan redden.

Gistren nacht bij 't stormgedonder Voer hij toornig op naar 't Noorden: Moest hij niet? Waarom wij dwazen, Niet aan hem gehecht gebleven?

Elmar, blijf! Ga voor, wij volgen; Trek uw zwaard: wij gaan ter zege! Laat nog 't Witte Paard eens vliegen Op de roode strijdbanieren!

ocr page 157

145

Elmar, blijf! Wat u geschied is,

Schande en smaad viel op ons allen:

Hebt gij gistren bij de linde 't Vreugdgejuich niet hooren schallen?

Wij, de beukers en de boeren,

Staan u bij, dien smaad te wreken: Reuzen, die als haverhalmen Frankenspeeren spelend breken;

IJzren vuisten, die als scherven Schild en maliekolders splintren; Rotsenschoften, die den ruiter Met zijn ros 't moeras in dragen.

En de vijand? Altijd lustig.

Rondedansers, licht en vurig, Lokkenkrullers, reukvermengers.

Twaalf 't dozijn — geen meer, geen minder.

Welk gebroedsel! Veel te lang reeds Duldden wij 't; sta op en leid ons! Klett're 't land, de grijze strijdheld Widukind, zal ons wel hooren.

Frankenpraatjes, laf bedrog is 't.

Dat de held, vermast van 't strijden. Vol van vrees voor 't kruis ging kruipen En in Wessa ligt begraven.

10

ocr page 158

146

Nederwaarts in 't woud des Wezers, Slaapt hij slechts in 't hol gesteente, Ree ten strijd, met hengst en mannen, Hunk'rend tot zijn dag zal dagen.

Vaak, als 's nachts de stormen dondren, Wekt hij zijne zwaardgezellen:

„Riepen niet der wouden kruinen? Maanden niet der vloeden wellen?quot;

Dan stroomop den blauwen Wezer, Dan stroomaf de blanke Lippe,

En „te vroeg, te vroeg nogquot; suiz'lend. Keert hij weer naar 't donk're rotshol. —

Valk, mij dunkt, nu is 't de stonde! Staat slechts op bij 't wapenschallen 't Ruitervolk in alle gouwen.

Hij zal komen en bevrijden.

Wapen voorraad weet ik liggen, 't Kunstgewrocht van slimme dwergen. Stalen kolders, oude zwaarden,

Opgehoopt in gindsche bergen.

Laat den boerenhoorn weerklinken: Op het wraakgeschreeuw zal volgen Al het volk met loeren schorten,

Al het volk van heem en hoeve.

ocr page 159

147

Brandend, snel als 't vuur der heide, Zal de schreeuw de gouw doorsnellen: Ja, zij komen, vast, zij komen, Schildgenooten, schaar bij scharen!

Slechte menschen, slechte -tijden:

Allen krijgen, wat zij waard zijn.

Vrijheid is slechts voor de dapp'ren, Die voor vrijheid durven strijden.

Kunnen wij 't? Getuig de Süntel; De oude Wodan hielp ons dapper:

quot;Welk een dag! De golf des bloedstrooms Schuurde een vore in onzen bodem.

Maar aan 't werk! Eerst goed verbitterd, Zullen wij de Welschen plett'ren.

Lijk aan de Osning zij de vad'ren.

En aan Süntel wij versloegen.quot; —

Elmar sprak: „Wat gloênde kolen.

Fuik, in 't oude hoofd nog branden! 't Zilverhaar op uwen schedel Is de sneeuw op 't vuurgebergte.

Trouwe Fuik, het volk is koeler!

Kunt gij 't slakkenbloed verwarmen? Meent gij, dat een kreet de droomers Ras van raad tot daad zal wekken?

ocr page 160

148

't Minder volkje bromt en heeft wel Lust tot rukken en tot plukken,

Doch ontzenuwd sluim'ren vadsig De edelheeren op hun hoven.

O, hun moed ervoer ik gist'ren!

Toen gevaar en nood me omringdB, Beefden ze als een lammerheerde, Vluchtend voor den grauwen hoschhond.

Bloodaardg, die het hart niet hadden Eén hand voor mij op te steken,

Zullen die naar 't slagzwaard grijpen, Als men strijdt op dood en leven?

Tusschen wenschen en volbrengen Ligt bij ons de plas des twijfels En 't moeras; een dadenmoorder Is 't moeras der Duitsche breedspraak.

Fuik, wel hoort ge uw aanbeeld kreunen. Onder zware hamerslagen:

Doch 't staat stil; wij, morren Zonder vuist of voet te roeren.

Bonsden alle mannenharten Heet als 't uwe, warm als 't mijne,

Ge^en vermeten Frankenspoorrad Kraste er nog, deez' zij den Rijn langs.

ocr page 161

149

O, wij hebben ijz'ren vuisten,

Lijf en leen zijn muur en bolwerk;

Doch wij kruipen traag ten arbeid, En onze arbeid kent geen duren.

Met die oorlog, maar de tweestrijd Trekt den Sakser; snel te winnen Is zijn lust, om weer te keeren En bij 't heem naar 't hert te jagen.

Langer bleef hij nooit te velde.

Als hij niet zijn peluw miste.

Als de zak met haverkoeken En de veldflesch ledig raakten.

Schimpen zal ik, sprak een vreemdling, quot;Wat ik schimpend moet getuigen,

Niet de macht des vijands boog ons, Wel der goden toorn en — zwakheid.

Daarom heeft de lokkenkruller.

Tienmaal ons in strijd bedwongen.

Daarom heeft de rondedanser Ons ter aarde neergeworpen.

Vraagt gij, wat ik 't liefst deed? Plassen, Plassen tot de knie in 't bloedbad! Wat ik most? Op hope leven,

Ondanks wrok en 't droevig harte.

ocr page 162

150

Onverstoord aan Eems en Lippe Toeft de Frank bij 't helle kampvuur, Hunk'rend naar den liefsten arbeid: Naar ons doopsel als bij Verden.

Reeds te veel is 't bloed des adels, 't Warme boerenbloed vergoten, Vruchtloos steeds, — te veel den akker Platgestampt door vreemde hengsten.

Zullen hut en hoeve nogmaals Blaak'ren in der vlammen zuilen?

Moet de mag're wolf, de honger. Nogmaals door de dorpen huilen?

Drieste daad behoort den stoute.

Doch de dolle stormt in dolheid;

Gaat de Berserk naakt ten strijde, Dapp'ren gaan met helm en kolder.

Moog de Raad der goden waken, 's Menschen geest kan weinig baten: Fuik, het vroegere is verdwenen. En het nieuwe zie ik nad'ren.

Laat mij gaan! Van hof en heemstee Bleef mij nu ten scheidingsdage Niets meer — als een handvol aarde. Die ik op mijn hart zal dragen.

ocr page 163

151

Doe nu, Fuik! wat 'k u kwam vragen!quot; — Met een verve als die der dooden Stond de smid daar; pijnlijk zuchtend Trad hij langzaam naar den vuurhaard.

Sloeg, hield op en sloeg al weder,

Eindlijk schreed hij naar de hoefstal. En het ijzer onderleggend Neurde hij 'n zoet tooverliedje:

„Wakker paardje, dapper paardje,

'k Leg den viervoet de ijzers tegen, Stevige ijzers, deugdlijke ijzers:

Dat is Donars hamerzegen!

Ga naar 't woud of naar uw woning Altoos zij 't op effen wegen;

Blijf, wat boos is, steeds van verre: Dat is Donars hamerzegen!

quot;Wordt gij ziek of krijgt ge een wonde, 't Bloed loopt weer den bloedstroom tegen, 't Been wordt weer met.been vereenigd: Dat is Donars hamerzegen!

Draag den ruiter, trouwvol paardje. Al 't geluk volgaarne tegen;

Draag hem heen en draag hem weder: Dat is Donars hamerzegen! —

ocr page 164

152

Valk, vaarwel!quot; — en Elmar zeide: 'k Dank u zeer, mijn vrome meester! Uwe wenschen zijn mij borgen.

Goede geesten varen met mij. —

Niet gemard thans, oude schildknaap, Diethelm, kom, neem beide handen, Neem ze en ook de laatste groeten, Die ik zend aan 't dierbaar heemland.

Weent gij werklijk? 't Is zoo bitter 't Oog eens grijsaards te zien weenen! Valkenaard is sterk te moede, Valkenaard — toe, ga nu henen!

quot;Wat ge aan Moeder eens beloofdet, Hebt gij braaf en trouw gehouden. — Wilt gij meegaan? Moet de Frank dan Op den hof naar wilkeur schransen ?

Weet gij, dat het nest der Valken Werd verklaard tot goed des konings, En de kale koningserver Morgen reeds daarin zal kruipen.

Laat u 't grijze hoofd niet zinken, Diethelm, jongen, droog uw tranen; Blijf en doe wat recht is, hopend Lijk ik hoop eens weer te keeren. —

ocr page 165

153

Zeg uw goede jonkvrouw, Imma,

Mijn vaarwel, ze is mij zoo dierbaar; Zeg haar, — ne.en, zeg 't haar niet — Imma, 'k Ben toch maar een vogelvrije!

Neem dit zwaard, den ring hier. Imma, Zeg, de ring is tot gedachtnis.

Zeg, dit krijgszwaard te bewaren,

Zoo ooit God mij heimkeer schenke.

Nu gescheiden!quot; — Door den vlierboom, Die het strooiendak beschermde,

Blies de wind; de laatste bessen Vielen en het loof stoof henen.

2

Waar ter woudzoom donk're dennen-Kronen naar het dal zich buigen. Stond een jonkvrouw weggedoken Tusschen vaarne en braambesranken.

Roerloos en de handen kruiswijs, 't Hoofd voorover, ernstig peinzend; Droppels vielen, koude droppels Op heur kleed van sneeuwwit linnen.

ocr page 166

154

Was zij uit het graf gestegen?

quot;Was die stille marmerbleeke Van al de armen, die daar dolen,

In het rijk van vree zelv' vreêloos? —

Starend zag zij naar de diepte,

Naar de smidse aan de elzenhage: Warlend op den grauwen luchtstroom Steeg de rook lijk alle dagen;

En lijk alle dagen rolden Daar die donk're wolkenbalen,

En lijk alle dagen ruischte Door het dal de wel van 't beekje;

En lijk alle dagen dreunden Hamerslagen wijd in 't ronde;

Doch — nu beefde zij, een korte Jammerkreet stierf op heur lippen.

Voor de smeeds stond vrouw- en mansvolk; De eene hield het ros bij 't kopstuk. De andre steeg er op en reed dan Zachtkens langs den heideheuvel,

Eenzaam,. boschwaarts; struik en stammen Zag zij achter hem zich sluiten; Spraakloos, aan den mond heur vinger, Wuifde zij heur laatste groeten.

ocr page 167

155

Dan de handen opgeheven Zong zij zachtkens; „Heilrijk vare, Die daar vaart, des harten stille Boezemvriend sinds vele jaren!

Waar hij wandle, waar hij toeve, Wone vrede, die ginds woonde, Toen de Reine Hem mocht baren, Die des werelds wonden heelde.

Die des werelds wonden heelde.

Wil hem in ontferming nemen.

Wil in verre, vreemde landen Hem geleiden en omhuiven;

Hem omhuiven en geleiden.

Hem een vreedzaam schuiloord schenken;

Al des Hemels goede wachters

Dienen hem tot veil'ge gidsen;

Hl

: f'lil

Zijn z'n trouwe reisgenooten. Die Tobias' zoon naar Medie En terug tot haard en hoeve Door woestijn en bergen voerden.

Gij, gezegende aller vrouwen,

Steeds bereid om ons te schragen. Als een hart vol zorg en droefheên Al zijn nooden u komt klagen:

-I 11

lij ■ '.i!

M ;

ocr page 168

156

Zoete Vrouwe, aan uwe voeten Weent een jonkvrouw; heilrijk vare, Die daar vaart, des harten stille Boezemvriend sinds vele jaren!quot;

Krachtloos zonk zij op de knieën, Tranen, bitt're tranen vloeiden.

En de koele tocht des najaars Ruischte door de donk're dennen. —

Keer naar huis, gij kommervolle; Al uw heden, al uw klagen Zal een kleine, lichtende Engel Weenend naar den Hemel dragen.

3

't Woud,' hoe diep! Van stam tot stammen Weefden de elfen grauwe sluiers.

En de boomen en de dieren Spraken tot elkaar vol heimnis.

De ekster zei beginnend: „Zaagt gij Heden dien van Havikshove?

Treurend reed hij door de dennen,

Ditmaal zonder knecht noch honden.quot;

ocr page 169

157

„Wee den kranke,quot; sprak de meerkol,

„Want hij rijdt naar 't rijk der dooden; Leedvol zag 'k u om hem fladdren,

Gij, der hel zwart-witte boden.quot;

't Haantje met zijn bloedrood kraagje Lachte hel, die blijde kraaier:

„K'lu ! Ik ben een vrije vogel.

En hij is een vogelvrije!quot;

„Bleek en bevend,quot; zei de pijnboom,

„Hield hij zich in 't lood op 't zadel.

En de koningsbode zag hem Lachend na van 't heidebergje.quot;

De eik sprak nu; „Als vastgeworteld Waande hij zich mijnsgelijke;

List is sterker nog als sterkte.

Want de sterkste moet haar wijken.quot;

Zuchtend sprak de das; „Het zwaarste Moet de vroomste man ervaren;

Arme Valk, voor 't onrecht mocht uw Yrank gemoed u niet bewaren!quot;

„'t Moog hem slecht gaan,quot; sprak de brombeer, „'t Zal zoo waar mij weinig kwellen; Hij was 't, die den trots der wouden. Grootoom Wikbert dorst te vellen.quot;

ocr page 170

158

Klauwen scherpend riep de wolf nu: „Was mijn volkje hier ter plaatse,

Morgen lag op roode zoden Niets dan 't wambuis en wat ribben!quot;

't Vosje grijnsde: „Lachen moet ik, Als mijn vijanden elkander Dol verplukken en verscheuren.

Maar wie 't langste lacht, lacht 't beste!quot;

Ras ineengerold sprak de egel:

„Schelmen zijt gij, boos op de eêlsten, Zoo vol rotheid, dat uw woorden.

Die gij spreekt, het woud verpesten.quot;

„Laat ze zwetsen!quot; riep de buizerd, „Yalkenaard is koen en moedig.

Steeds bereid den trots te trotsen, Hoe ook vang en vleugel bloeden.quot;

'n Raaf sprak nu: „Naar 't rijk der Denen Gaat zijn pad, naar 's konings hallen Hoog in 't Noord; veel witte vlokken Zullen op zijn weg nog vallen.quot;

Lisplend suist de haveressche:

„Had hij ééne van mijn roeden.

Dan hielp tooverkracht hem zeker Over heide en wilde vloeden.quot;

ocr page 171

159

„Bij zijn hofstee,quot; zong de meerle, „Woonde ik rustig en in eere.

Wat de neven zullen zeggen,

Als ze in 't voorjaar wederkeererï ?quot;

Dan de specht: „Geheime runen Leg ik tusschen bast en vezels;

Elkeen leest ze niet; ik hoop wel. Dat hij dra naar huis zal keeren.quot;

„'k Was gebleven,quot; zong de leeuwrik, „Om hem eveneens te groeten.

Als de vroegste bladerknopjes Uit het bussenhout gaan schieten.quot; —

't Werd nu doodstil; door de berken Speelde en zoefde een dartel windje Zachtkens, zachtkens als in 't droomen, Doch het was al onverstaanbaar.

Slechts in 't riet een heim'lijk raatlen: „Gij, der Bruchtbeek effen golfkens. Snelle boden, ijlt ter Nethe Vlug omlaag en klat'rend verder;

Klatert aan des Wezers vrouwen, Dat zij hem de reis beletten;

Blijven moeten ze in den lande.

Die als hij aan 't land behooren.quot; —

ocr page 172

160

Doch de nachtuil, eenzaam knorrend, Zat in 't donker hol der rotsen;

Diep in 't bruine van zijn kraagdons Boorde hij zijn punt'gen snavel:

„Welk een duivelsche verblinding, Wat een preutschheid van zoo'n jongen Toch wil hij een meening hebben.

Liefst de meening van zich zei ven!

Wijsheid is het, om zijne oogen Aan 't hoogstnuttige te schenken,

En in slimme zelfverloochning Denken, wat de sterken denken.

Wat is recht? De macht'ge wilskracht. Die de koppen kromt en neerbuigt.

Lijk de storm, de aloude reuzen Kromt als zwakke wissentoppen.

Vrijheid is de schoone stemming Om behaagvol, in genoegen Met verzaking van zich zeiven Zich naar vreemden wil te voegen.

Want 't is oorbaar en gemaklij k Om den tros der macht te volgen, Altijd maar door open deuren,

Altijd met de groote menigt'.

ocr page 173

161

En de liefde, dienst voor andren? Zotternij, die niets kan baten! - -Want mijn liefde keerde in haten, Ik bemin alleen nog 't haten.

Zoete lust is lust in 't schaden! Troostrijk was 't te zien, hoe beiden, Dolle hanen, zich verscheurden.

Bleek van nijd en rood van woede.

Nijd, ge zijt een minlijk knaapke.

Toorn, ge zijt een zoete jongen;

Nijd, wat hebt gij zedige oogjes.

Toorn, wat hebt ge een zeemen tongske!

Plukt elkander, arme stakkers,

Pluimt en plukt u borst en ruggen: Met de veeren, die daar stuiven Stop 'k de naden van mijn nestje.quot; —

De oude nijdaard schaterlachte Grimmig, en begon weer 't morren: „Pronkt ge u op met menschenwijsheên? Trotscher zijt gij, maar niet slimmer!

Nooit toch heeft de roode prior Mij geleerd uit hoog gestoelte.

Nooit schuurde ik bij pater Biso De eikenbank der kloosterschole.

11

ocr page 174

162

Uw verstand is dom en bloode,

Gansch verbijsterd, gansch verfomfaaid: Ik, Minerva's wijze vogel,

Ben het dier, dat zint en nadenkt.

Ik, Minerva's wijze vogel,

Ben de wijste van de dieren.

Die er denken en begeeren.

Wijl zij sterven van hun armoe.

Wat wij doen, dat is het ware.

En gij zult ons niet verklikken;

Wil 't niet met de zeed'leer stemmen Dan schikt gij de zeed'leer anders.

Uwe deugden? O, gij schelmen!

De een toch is de beul des andren,

Of ge u optooit in 't scharlaken.

Of ge een kiel draagt van blauw linnen.

Draait bevallig, zwelt van vreugde. Blaast u op in 't zonnig weder Als een warme donzen peluw:

Morgen waait een zachter windje.

Vorstlijk deelt gij uwe goedheên,

Lieft en looft u wederkeerig:

Morgen, vromen! zult ge elkander 't Recht van aad'men zelfs bevechten.

ocr page 175

163

Uw zoetsapp'ge liefdedomm'ling Is gekunstelde •vervoering,

Maar natuurlijk is de honger, De verpleging van het lichaam.

Is de maaltijd schaarsch en schamel, 'k Ga te gast dan bij mijn buurman. Stout en bond! Een domme goudvink Leeft en sneeft op 't oude stokje.

Vaderland? Het scheelt mij weinig,

Waar ik jaag en waar mag schransen: Jacht, slechts jacht op 't lekker boutje, 'k Zeg u, dat een uil daar thuis is.

Vaderland? Een domme liefde is 't 't Land der vad'ren te beminnen;

Zulk een werd voor zulke liefde Uit zijn vaderland verdreven.

Om zijn rampspoed moet ik lachen!

Heeft het land een kerel minder,

't Wordt dan rijker. Weg! Ik haat nog 't Meest, die voor een droombeeld strijden!quot;

Eind'lijk zweeg hij. Door de kruinen Suisde slechts de wind, een koude; 't Nachtgewormte en boos gedierte Kroop uit groef en rotsenplooien.

ocr page 176

164

Want gezonken was de zonne; Blauwend-roode wolkensteden, Wal en torentrans en tinnen Doemden op in 't verre Westen.

Waar zich rechts en links de bergen Naakt en ruw ten dale nijgen,

Langs de kleine beek beneden Klonk een hoefslag door het zwijgen.

Achtzaam was de gang des schimmels. Zacht en zorgvol schreed hij voorwaarts, Als bevroedend, dat hij meedroeg Een ten dood gewonden ruiter.

Dalwaarts voort! En zachtkens sijplend Viel van 't zadel op de riemen 't Donkre bloed in dikke droppels. En het stalde op de avondkoelte.

Dalwaarts voort! De Wezer ruischte, Grauwe nevelvloeden trokken;

Toorn en dak van Dertienlinden Doemden op uit donk're baren.

De onuitdoofb're Godslamp sprankte Gouden stralen door de scheem'ring. Naast de hoofdpoort zonk de ruiter In des najaars laatste bloemkens.

ocr page 177

165

4

In 't convent te Dertienlinden Flakkerden de pijnhoutlichten Droevig op der droev'ge paters Diepbewogen aangezichten.

In de helder witte kamer Stonden zij om een gewonde,

Liggend aan de poort bij 't rijdier,

Door een kloosterknecht gevonden.

Zorgvol bracht men hem ter ruste Op een zachte en warme peluw,

Nauw nog aadmend, koud, bewustloos Slap van leden, mat en mager.

Door den bruinen lederkolder Bleef het bloed al sijplend vloeien:

Stierf hij? Gaat der dooden engel Door de stille cel des kloosters? —

De abt sprak nu: „'k Heb deze trekken, Ook dien leest gezien voor dezen.

Zoo mij niet mijn scheemrende oogen Of geheugenis bedriegen.

ocr page 178

166

Toenmaals stond hij reuzenkrachtig, Bloeiend in der lente volheid,

Toornig, doch in toorn zoo edel.

Lijk Sint Michaël strijdvaardig!quot;

Wido sprak: „Ik kan u helpen; Mag hem niemand beter kennen, Hoogeerwaarde, dan zal 'k noemen; Elmar, Yalk van Havikshove.

Toen ik uwen brief ten vromen Bisschop Badurad mocht brengen, Laatstleên, bij de Valsche Bronne, Zag ik hem in 't Groot-Bosch jagen.

Ja, hij is 't; hij droeg denzelfden Fijngestikten rok als heden;

Voor hem lag het vette twaalftal Om hem heen verhitte honden.

Hij was vriend'lijk; drank en spijzen Bood hij mij, vermoeid van 't reizen. En langs vele slingerpaden Heeft hij mij den weg gewezen.

Maar hij is een Wodansdienaar, En, lijk straks een beedlaar zeide, Vogelvrij, wijl hem een Franker Nog van tooverij betichtte.

ocr page 179

167

Toen sprak de Abt: „De kloostermuren Zijn een vrijplaats. Komt, mijn vrienden, Wat bij Lucas staat in 't tiende.

Maakt u sterk uw plicht hier te oefnen!

Beda, oefen thans uw ambt uit;

Broeder Ailrat, schaf u 't nood'ge,

Waar 't behoeft; wij allen echter Zullen voor den zieke bidden.

Komt, naar 't koor!quot; De mannen schreden Zachtjes door de donk're gangen; „De Profundis!quot; En een traan kwam Rollen langs des Priors wangen. —

Elmar, Elmar, arme zwerv'ling.

Wilt gij hulp en heeling vinden? — Weldoende artsen zijn de paters Van het klooster Dertienlinden.

ocr page 180

Xïl.

Landstorm.

Xieuwe lasten, tijns en tienden Van de wol en van den vlasoogst, Van den honing nieuwe tienden, Nieuwe tienden van den wasoogst;

Immer dienst en boete en breuke, Want des konings schat moet wassen Immer tienden, nieuwe tienden,

Steeds betalen moet de Sakser!quot;

Alzoo zongen vrouwenscharen.

Die het dal in 't ronde trokken. Om der vrouwen wraak te plegen Aan den Gele, op wien. zij wrokten.

ocr page 181

169

i |

Alle lachers van de Bruchtzoom, Die aan de Osning bessen plukten, Die om 't heelend vocht te scheppen, Aan de bron van d' Iburg bukten;

Zwarte ranken, langs den Oesvliet En des Bevers bruine scheuten. Blonden, die langs Aa en Nethe, Heel den zomer 't linnen goten.

Aan het hoofd der schare schreed er Eene, dor en droog als eikschors; Aan een langgesteelden hooivork Droeg zij een gedooden huishaan:

Katla was 't, een booze weduw Van 't woest veen; de tienmaal negen quot;Winters braken d' ijz'ren nekspier, jSToch het kalkgesteent' des boezems.

Honend riep zij; „Hij een jager? Wezels kan hij, als de bruine Hoefsmidsknaap, in struiken vangen En ze roost'ren achter 't doornbosch!

Kwam hij opgepronkt te paarde. Arme hals, wat 'n koningsbode, Bang in beugels, niet met valken. Maar een koekoek op zijn handje.

ocr page 182

170

Erger misgeboorte als deze Droeg er nooit een kap van leder, 't Was geen koekoek, neen een uiltje Aan zijn kop en vang en veder!

Mag een edel dier den reiger,

Gans of eiber forsch omknellen: Het behaagt zoo'n ak'lig monster Om mijn huishaan aan te vallen;

Gluiperig mijn morgenzanger Te verwurgen in de dennen. En verweduwt als ik zelve Loopt nu rond mijn laatste henne.

Oude boosheên, nieuwe misdaad quot;Wreken wij met vrouwenhanden: Koningsknecht, gij moet het boeten. Koningsknecht, 'k zal 't aan u wreken!

Zonen had ik, dertien zonen,

O, wat dapp're, wakk're jongens,

Allen als des Soilings dennen:

Allen heeft de krijg verslonden!

Dertien! — Weet ik, waar ze liggen! Waar ze in dienstbaarheid verzuchten, 't Hout naar heerenkeukens sleepen. Molens draaien, honden voed'ren?

ocr page 183

171

Arm als ik; voor tijns en tienden Bleef mijn koorne en koe ten pande; Om en in het land heerscht jammer, En geen God, die dat komt keeren!quot; —

Weder zong zij: „Tijns en tienden, Van de wol en van den vlasoogst; Nieuwe tienden van den honing,

Nieuwe tienden van den wasoogst!quot; —

Radegond van Baddenhuizen Zwaaide om 't hoofd heur ijzren draaispil; „Weg die rupsen, weg die kevers, Weg dat knagende gehroedsel!

Wat de mannen, domme toeters. Van den overmoed dier vrekken: Schande en schoppen, dwee verdragen, Wij, de vrouwen, zullen 't wreken.

Moeten onze kinders harvoets Om de Frankenhoven schooien, Beedlaars, bleek als wij, hun ouders? Beter hangen dan verhong'ren!

Maar vooruit, en niemand prate Van verbieden en van wetten:

Elk naar lust den vos te strikken. Was de wet in 't woud der Saksers.

ocr page 184

172

Driewerf wee den gelen Galler,

Die den besten man der gouwe Eerst den hals nam, toen dorst kruipen In zijn halle als heer der hofstee.

Vlug vooruit naar Havikshove!

Jolig is 't den vos te knippen;

Knijpt hem thans, of hij knijpt morgen U'met tienden en met tollen!quot;

Allen zongen: „Boete en breuke,

quot;Want des konings schat moet wassen : Immer tienden, nieuwe tienden.

Steeds betalen moet de Sakser!quot; —

2

Op den Havikshove schud'den De olmen hunne aloude koppen.

Toen rond 's heeren woning vlogen Twaalfmaal twintig vrouwenmutsen;

Twaalfmaal twintig vrouwenstemmen, Lijk zij krijschten, lijk zij zongen; Twaalfmaal twintig vrouwenhanden Lijk zij berkenroeden wrongen.

ocr page 185

173

Op een stomp van 't elzenhakhout Zat de bode, stom en muurbleek, 't Haar verward en 't oog verwilderd Om den hals het gele wishout.

Voor hem stond de kreeg'le Katla, Als een priesteres te schouwen: 't Onweerslicht in hare blikken, d' Onweerswolk in hare brauwen;

Vlammenflits was 't lange lemmer, Dat zij op- en nederzwaaide;

Bleeker werd des schachraars neusken, Dat steeds diep en dieper wegzonk.

„Laffe moord'naar, schandvol dreeft gij Sluiperswerk, ontzettend gruw'lijk. Om u in 't bezit te stellen Van een bruid en deze huizing.

Spreek, waar is onze ed'le Valke? In der wouden duister hakhout Is hij sporeloos verdwenen. Als verzonken in den bodem.

Want gij zijt hem nagereden.

Om den kranke te bedwingen, Den verschopte, zonder wapens, Dat toch kon u goed gelukken.

ocr page 186

174

Waar verstoptet gij zijn lichaam?

Spreek, neen zwijg! Woudt gij het klappen, 'k Zou u hier in riemen snijden,

Of ge ook kroopt, lijk wormen kruipen.

Ja, uw recht naar onze rechten,

quot;Ware een dorre boom berijden,

Vijftien voeten boven de aarde.

Met een hond aan beide zijden.

Voor zoo vuil een vrucht te dragen Is geen hout in 't land der Saksers Slecht genoeg; dies moogt gij leven.

Gele huichlaar, u ten schande.

Leven moogt gij u ten grieve En geschonden aan uw lijf ten Spot der kind'ren, dubbel spottend,

Wijl een vrouw u nog bespotte.

Hoopt gij soms op redding? Vruchtloos! Nergens is een knecht te vinden,

En de gouwgraaf reed ten Bisschop En belijdt zijn jongste zonden.

Wees gerust, uw hals is veilig.

Heden geldt het maar uw baardje:

Zagen moet ik, want mijn lemmer, Oud als ik, heeft meen'ge schaarde.

ocr page 187

175

Stil toch meisjes! Laat dat rukken! Uwe schuld is 't, zoo ik missnijd;

Schreeuwt gij, zijt ge wat ondeugend 't Knipke komt u in het keeltje.

Foei, wat zijt gij lief geworden. Koningsknecht, geschoren egel!

Hoe verstomt ge, als nicht haagdisse,

U laat zien heur waterspiegel.

Komt ge in 't heemrond bij uw moeder, Breng haar Katla 's groet. Snij uit nu! Vrouwen, weg met hem! Sa! 'k Volg niet Door mijn bijna honderd jaren.

Ziet wel toe: hij fopt! Zijn broertje.

Houdt zich dood om zoo te ontglippen; Tot den Egge weg, het grenspad.

Zweept hem voort, dan laat hem schuiven.quot; —

Voorwaarts ging 't, den weg naar 't bosch op; In het midden van de jaagsters Schoof de zondaar; kop en knieën Waggelden bij elke schrede.

Zijwaarts stond een groepje meisjes;

Aiga riep: „Hij is aan 't ruien;

't Wordt weer zomer; slechts met Pinkstren Grijnst de schelm in zulk een kleeding.quot; —

ocr page 188

176

Hoongelach en luid gezang weer: „Nieuwe tienden van den vlasoogst, Van den honing nieuwe tienden, Nieuwe tienden van den wasoogst;

Immer dienst en boete en breuke, Dat de schat des konings wasse: Immer tienden, nieuwe tienden. Steeds betalen moet de Sakser!quot;

ocr page 189

XIII.

oKoortsdroomen.

„Wat een worst'len,quot; sprak de Prior; Zal daar nooit een einde aan komen? Neen, ik spreek hier niet van sterven, Neen, ik spreek hier van genezen!

■Goede Beda, 't vroom gelooven Maant ons goeden moed te houden; Dezen heeft ons G-od gezonden,

En Hij zal hem laten leven.quot;

Beda zei: „Bij n kiemt hope Uit den wensch tot leedverzachten.

Stil tevreden, lijk de mosplant.

Levend van den dauw der nachten.

12

ocr page 190

178

Doch vervulling spruit en bloesemt Uit het vorschen en begrijpen;

Gouden vrucht geeft slechts de zonne, Die ze in gouden straal doet rijpen.

Pater Prior, oude meesters Leerden mij, der dingen wezen Gissend, menig blad te lezen In het groote boek der schepping.

Met hun lessen moeizaam vord'rend, Heb ik dit en dat ervaren.

Want ik ging met open oogen.

En 'k ga nu met grijze haren.

Doch ten spijt van grijze haren.

Wis tot straf voor mijne zonden.

Kan 'k de donk're diepte dezer Duist're ziekte niet doorgronden.

Vreezen moet ik, doch met huiv'ring, Dat in 't lichaam van den lij dei-Iemand der vervloekten huisvest, Die het Godsgezag eens trotsten.quot;

Ailrat sprak: „'t Is 't spel der droomen Hersenschimmen van een kranke. Ras verstrooid als onweerswolken Zijn het, die hem woest omronken.

ocr page 191

179

Lachen kan hij als een meisken,

Lijk een Berserk kan hij knarsen; Nu breekt hij ten gaarde bloemen, Dan weer jaagt hij in de wouden.

Meest op Thorkell's donk're drake Zwerft hij door het verre Noorden, En bij mij kwam, naar hem luistrend, Een herin'ring weer naar boven;

'k Zag hem dikwerf op mijn wegen, Toen ik nog in wilde jaren Eazend over zee en wadden Met het Wikingsvolk ging varen.

't Meest bekend „De stomme Sakserquot; Heet hij bij de zwaardgezellen; — Doch hoor toe; hij spreekt, en weder Stuift hij voort op blauwe rossen.quot;

2

„Als een doode steur in 't duinzand Hecht gij aan dezelfde wijkplaats: Thorkell, zie, de wimpels wapp'ren. Wind en vloeden lokken zeewaarts!

ocr page 192

180

Zeewaarts pronken rond de Franken; Hebt gij Noormansmoed in 't harte, Over hen, die ijdle pralers Met het zwaard den weg te banen! —

Thorkell, zie, de wimpels wapp'ren; Laat de koele bries ten nut zijn:

Wilt gij droomen, gij kunt droomen. Als wij op de meèbank zitten.

3

Neen, ik mag niet, kleine Thora!

Zoete mede, uw bruine brouwsel, Slurpt gij aan den rand des horens, Neen, dat schenkt mij weinig vreugde.

Bronnenkoelte! Heb de goedheid.

Haal me een helmvol uit de dalbron, quot;Waar het edelhert, vol wonden. Heeling zoekt voor dorst en kwalen.

Langs den stillen kant der bergen Lokt een reê in dauw en bloesem: Voor den wolf, den valschen sluiper. Mag de vrome in vrees zich hoeden.

ocr page 193

181

Voor den wolf, den valschen sluiper, Mag zij vliên en angstig beven: Met voor mij, mijn rijzige Elfe,

Niet voor mij, mijn lieve leven! —

Pleegde ik onrecht in uw heemstee. Zwarte graaf? Gij fronst de brauwen? Uwe dochter, Hildegonde,

Is de zaligste aller vrouwen!quot;

4

„Donk're Thorkell, strijdlustvolle Koning op de blauwe baren.

Diende ik niet als oorlogsmakker, Donk're Thorkell, zeven jaren.

Donk're Thorkell, zeven jaren, Voor den wind alleen en de eere. Met voor Thora, uwe zuster. Volgde ik u op alle zeeën.

Gitzwart is de kleine Thora,

En ik min de blonde lokken. Blonde lokken, lang en zonnig.

Lijk het vlas aan Freia's rokken.quot;1

ocr page 194

182

5

Asbjörn, vast de vuist aan 't stuurrad; Thor keil, vier den storm de schooten:

Stijf naar 't Westen! Zie, daar zweeft zij, Zie, daar glijdt zij uit mijne oogen!

Stijf naar 't Westen! — Zie, daar zweeft zij In den gloed van 't avondpurper:

Zie haar sluiers, hoe zij zwaatlen.

Zie haar lokken, hoe zij golven!

Schonk ik hulp in vijftig slagen,

Help mij thans de bruid verovr'en: Asbjörn, vast de vuist aan 't stuurrad, Thorkell, vier den storm de schooten! —

Reuzengrootheid! Om haar schoud'ren Vlamt en waait de roode vuurwolk. En heur snelle voeten vluchten Over 't diep beroerde zeeschuim.

Asbjörn, vast de vuist aan 't stuurrad; Thorkell, vier den storm de schooten; Stijf naar 't Westen! — Zie daar zweeft zij Ai, daar glijdt zij uit mijne oogen!quot;

ocr page 195

183

6

Om den voorsten steven schuimen Toornig de verwoede baren,

Ha, de grauwe waterwolven,

Hoe zij springen, hoe zij huilen.

Grimm'ge grauwe waterwolven,

Heia's hongerzieke honden,

't Geen gij wilt, dat zult gij hebben; Woesten lijftocht, Frankenlijken!

Strijders, ziet ten hoogen masttop Trotsch de kruisbanier uitwaaien, En daarbij staat Welsch gebroed zich Overmoedig op te blazen!

Voort, en trekt de huiven vaster, Werpt de haken, boord gehouden; Ylug de sprong op 't dek des vijands, Splijt dan lustig alle schedels!

Zwaardgenooten, ieder kieze!

Gij daar met uw gouden hellem, Gij zijt mijn; naar 't Donkerblauwe Yaren thans de bleeke schelmen.

ocr page 196

184

Eijzig jongske, — neen, een ander Zij het offer van mijn zwaardslag; Dezen, — o hij heeft dezelfde Zachte kijkers, die 'k zoo liefheb!quot;

7

„Oost-Zuid-Oost! Daar woelt de branding: Dat zijn Englands krijtbergklippen: Asbjörn, draai wat, anders breken Wij van nacht nog romp en ribben!

Ho, een zeil! Een zeldzaam vaartuig: Zwart van steven, zwart van boorden, Op het dek, als rook die wervelt, Zwaaien, wank'len bleeke schimmen.

Alle touwen, alle zeilen,

Die aan mast en stengen glinst'ren,

Zilvergrijs, als spinneweefsel,

Waar de sterren tusschen scheem'ren.

Ha, het geestenschip! Voorover Sluipt het als een echte strooper; Rustloos, tot de godenscheem'ring. Moet het door de Wadden zweven;

ocr page 197

185

Rustloos tot de godenscheem'riog Moet het door de wat'ren jagen,

led'ren nacht van Belt tot Themse, led'ren nacht van Tweed naar Schagen.quot;

8

Niet een dans op 't groene grasperk, Niet een spel om roode ringen:

Neen, een bloedig, ernstig zwaaien Met de breede, blanke klingen! —

Stiert al forsch stroomop de schepen Diep in 't land, gij koene gasten! Man'lijk is 't den bruinen woudheer In zijn leger aan te tasten.

Gij, oude Asbjörn, grijzende ever.

Sleept gij gist'ren niet uw tanden:

Bijt nu rond; op 't breede markveld Rijst een woud van Frankenspeeren. —

G-oed gekorven, grimm'ge strijders, Noodigt vrij de kraaienzwermen! Van de steenen dampt de bloedstroom In de lucht met grauwe walmen.

ocr page 198

186

Hoe, gij zwenkt? Eoch roode sneden Baart den trotschaard weinig deernis; 't Is de poort, waardoor een vrije Held zich dringt naar godenerve.

Legt hem op de rendierkleeden; Morgen, als het roode vonken Spritst uit honderd Frankengevels, Wordt quot;Walhallabier gedronken.quot;

9

„Goede Draak, door wind en baren Wordt uw kiel vergeefs geschommeld: Lang vertrouwde speelgenooten Waren Storm en Noordlands eiken.

Sigwald, knik maar in uw stuurstoel: Wind en golven zijn in sluimer, In den gloed der avondzonne Drijft de vloed ons in de haven.

Knik maar voort; uw wijze Drake Kent de Sont; nu zwijg, ik sluimer Moe van d' arbeid, moe van 't reizen In het weeke bed der wat'ren.

ocr page 199

187

Stoor mij niet; het was een moeizaam Dagwerk; ik behoef thans ruste! In den gloed der avondzonne Drijft de vloed ons in de haven.quot;

10

„Recht voor mij daar zit een wezen Stil en vriend'lijk; in haar blikken Zoet- en goedheên, op heur wangen Leliesneeuw en gloed der rozen.

Zij? Neen, zij niet, wel haar zuster. Zoo ze een zuster mocht bezitten. Trouw, met altoos wakende oogen. Waakt zij aan de legersponde.

Trouw, met nimmermoede zorgen. Pleegt zij mij, gelijk een kranke. Ben ik krank? Neen moede, moede Van het strijden met den Franker.

En mijn hoofd! Zij knikt, het kussen Legt zij goed en nikt weer teeder: — Ai, dat kruis, het booze teeken Draagt zij op het witte keurslijf.

ocr page 200

188

Ai, dat kruis! Bij al het zoete Komt dat kruis mij steeds voor de oogen, Steeds dat kruis! — Het doet mij sidd'ren, Meer dan storm en wilde golven.

En het klinkt mij steeds in de ooren: „Ga toch naar den zwarten gouwgraaf!quot; — ^ Neen, ik wil niet! — Vreemde maagden, Gun mij vrijheid, laat mij slapen!quot;

11

„Zoete vrouwe, lang, te lang reeds Heb, ik land en zee gemeten,

Al te lang reeds, zoete vrouwe.

Uwen dienst geheel vergeten.

Het was dwaas, voor verren oorlog 't Huiselijk geluk te ruilen,

't Vriend'lijk woord voor 't wapenklettren, Zoeten zang voor 't stormenhuilen.

Zoete vrouwe, kransen windend Wil ik zitten aan uw voeten;

Uwe lokken moeten prijken Met de bloemen, die daar bloeien.

ocr page 201

189

Om uw voorhoofd moeten pralen Alle kronen, die daar schitt'ren, En des hemels helste starren Daar als eêlgesteente in flikk'ren. —

Al te lang reeds, zoete vrouwe. Heb ik land en zee gemeten,

Zoete vrouwe, 'k heb te lang reeds Uwen dienst geheel vergeten.quot;

12

„Hoe zij straalt, de bonte brugge. Van den hemel naar deze aarde!

G-a ik opwaarts? IJl ik weder Ruglings naar de donk're weide?

Alle de eeuw'ge goden wenken Vriendlijk uit hun hooge halle:

Bragi slaat de harpesnaren,

Idoen heft de gouden schal e;

Wodan wijst naar Walhall's banken. Waar de held door rust verpleegd wordt; Donar met den baard van vlammen Reikt mij toe den hoorn met mede.

ocr page 202

190

Freia — doch ten brink beneden Zit een Idis, schoon als deze:

't Witte roosken op haar boezem Drinkt en drinkt de warme tranen. —

Neen, ik wil niet in uw hemel, Neerwaarts moet ik, naar die Eene: Machtig boven alle machten Is het stil geween der jonkvrouw!quot;

13

„Waterbrand! De golfslag weerlicht; Lijk het staal op 't harde kiezel.

Lokt de boeg uit weeke baren Vonkenregen, gloedgeritsel.

't Vuur'ge vlamt, de koude flikkert, Gloênde diamanten stralen;

Hier en daar met zachten golfslag Glinsfren roode waterbloemen.

Waterbrand! In woeste kluisters,

Door het flakk'ren, door den vuurgloed, Zelf verschrikt, en ook schrikwekkend Tuim'len 's afgronds wangedrochten.

ocr page 203

191

Grijpt de riemen! Van de riemen Sprankt het vuur; — zoo ver ik stare Brandt de zee: in rook en assche Stort de wereld; 'k dreig te stikken.

14

„Gloed en damp uit alle voegen,

Damp en gloed uit alle kloven: 't Roode haantje slaat de vleug'len, 't Kraait daar op de gevelspitsen!

Hildegonde! — Door het knett'ren Hoorde ik niet uw hangen angstkreet? Voorwaarts, of de balken breken, Opwaarts over broze trappen!

Ja, ik kom om u te redden Uit de poelkrocht van den vuurberg: O, hoe heet, hoe heet die laaie! 'k Dreig te stikken: — Hildegonde!quot;

ocr page 204

192

15

Ja, deze is de grijze boschvrouw!

Ja, daar zit ze, die ik zoeke;

Immer peinzend, immer treurig Bladert ze in het boek der runen!

Neen, de wind ! — Op koud gesteente Staart zij, als uit steen gehouwen;

Zal ik nad'ren ? — 't Grimmig wachtbeest Aan haar voeten doet mij grouwen.

Neen, zij zelv'! — Met doffe blikken Meet zij mij, van top tot teenen: — Kunt gij 't willen, wijze Wala,

Dat ik troostloos u verlate? —

Stil, zij heft de dorre handen: Ts 't verwensching, is het zegen?

Op der wouden donk're paden Treedt u 't noodlot eenmaal tegen!quot;

ocr page 205

193

16

„Spreek niet van het vuurpoelwoeden, Noch van toorn der woeste wat'ren, IToch van Godenwrok: de menschen Zijn der menschen snoodste hat'ren!

Niet de hoorn des plompen schreeuwers, 't Slangenschuiflen is gevaarlijk! — Hoe zij warlen, hoe zij wringen :

Raaf, gij zijt wel ruw, maar eerlijk!

Voort, den hals omstrikt; naar onder. Als ter hel, langs donk're wegen;

En de koningsbode lachte:

„Dat is Donars hamerzegen!quot;

17

Mij verschrikt uw zwijgen, Diethelm. Mij verwart uw spraakloos staren; Diethelm, kom; in 't donk're woud daar Zult gij mij een wolf vermoff'len,

13

ocr page 206

194

't Is een eerloos vogelvrije! Den verbann'ling, den verworp'ne, In den bodem moet hij sluipen,

Van zijn stam de laatste, laatste! —

Weet gij 't, in de dennen, Diethelm! Waar onze and'ren rustig slapen.

Moet gij zachtkens mij naast de andren, In bet koude steenbed leggen;

Ook den helm, naar 's vaders zede. Ook het zwaard; ik ben de laatste:

Niet het schild, dat zij verbraken.

Maar den bloedgedrenkten lijfrok.

Onbekommerd om den doode Zal de luchtstroom henenvagen. De wolvin, de grijze, alleen nog In den nacht ten hemel klagen.quot;

ocr page 207

XIV.

Sen kruis in 't woud.

Is de lijster heengetogen,

't Woud ontkleurd en kaalgeworden, O, hoe stil is 't dan op aarde,

O, hoe bar is 't dan in 't Noorden!

En der menschen geest, zoo ernstig. Mag aan zinnen en aan denken, Droomen, hopen en herinn'ren Gul den langen winter schenken.

O, hoe lag het woud in stilte Rond den ouden eik van Donar; Moede slapers, in der nev'len Weeke omhulling slaapt ge in koude.

ocr page 208

196

't Zilvergrijze dradenvlechtwerk, Spinwebsluiers hingen teeder Om den distel, klis en braamrank, Vingerhoed en hageroze.

't Koeltjen van den morgen blies nu. En de damp zeeg neer ten bodem; Vreemd toch! Hadden geesteshanden Hier gewerkt in 't uur der nachten?

Bij den reuzenhaften boomstam Stond een kruis, uit berkenstokken Ruw gevoegd en los gebonden Met der wouden 'wilden wingert;

Donk're doornen kransten 't kruishout, En als offerrook ten heerde Steeg een dun en blauwend wolkjen Uit de versch gegraven aarde. —

Hier een kruis? Door wien geheven? — Vraag het aan de in slaap gestoorde Boomenkruinen, die het zagen,

Vraag 't den heesters, die het hoorden;

Aan het spoor daar in den grasrijm, Waar twee kleine voeten stonden, Die door 't dorrend rietveld gingen En in 't berkenbosch verzwonden. —

ocr page 209

197

En bij nacht, te dezer plaatse,

Die de jagers niet dan vreezend 's Daags betraden, waar de heiden Angstig komt om stil te bidden?

En waarom? Met welke meening? Moet het iemand, reeds gescheiden, Vrede geven, wijl hij rustloos Zonder vrede ginder rondzwerft?

Is 't om misdaad uit te wisschen, 't Heimlijk kwellen van een misdaad? Is het om der Godsgelofte Lang verjaarde schuld te delgen?

Of wel is het de ootmoedvolle Offergave voor een zieke,

Dat de erbarmingvolle hemel 't Noodlot wil ten goede keeren ? —

Menschenboezem, gij zijt dieper Dan der bergen diepste rotskloof; Menschenhart, nog raadselacht'ger Zijt gij dan der zeeën afgrond!

En gedachten, held're en donk're, Rustloos als de waterbaren.

Gaan tot midden in den hemel.

Gaan tot midden in den helpoel:

ocr page 210

198

Nachtgedachten, nijdgedachten, Moordgedachten, die niet slapen,

Eer de laster, gift en ijzer 't Offer met een doodswond troffen;

Lichtgedachten, die der aarde Bloemenweelde zouden zaam'len.

Om in rijksten krans de schoonsten. Om een dierbaar hoofd te omhuiven;

Die uit gouden zonnestralen Helm en pantser zouden weven. Om voor wond en wee te schutten 't Meestbeminde en zoete leven;

Die op hagelwitte veed'ren

Naar den blauwen ether snellen.

Stom als bleeke bedelkind'ren

Aan de poort der smeeking knielen. —

Rond den ouden eik van Donar Lag de wereld donker, treurig ;

Van de doornenkroon des kruises Drupte 't zacht als tranenpaarlen.

En een kleine vogel sjilpte In het woud zijn stille klachten ;

„Harde winter, droeve winter.

Lange nacht: — Zal 't nimmer dagen?quot;

ocr page 211

J

XY.

Drome Paters.

Buiten stoof de grauwe sneeuwjacht, Speelgezelle van den storrem;

Binnen glom het droeve lampke In des kloosters ziekencelle.

Elmar lag met starre blikken Op de bruine hertsvachtpeluw, Om het hoofd der dooden schaduw, Op 't gelaat de verf der lijken.

Beda treurde aan 't voeteneinde, Ailrat, bij het hoofd vol kommer; Spraakloos, zinnend en vol zorgen Zagen ze op den zwaarbezochte.

a. •i'l :;t

li i

I

li»PR ► fillÜ

31

m

rp

u|:|i

.kl!

i|:

mi

ocr page 212

200

Binnen trad de goede prior,

Binnen trad ook de abt, de grijze: „Leeft nog de arme? Kan hij leven? Zal hij leven?quot; — vroeg hij zachtkens.

Beda sprak: „Des raadsels antwoord Vond ik wel, doch zonder hopen: Zwaar, met 'n giftdoortrokken ijzer, Heeft een booswicht hem getroffen.

Machtloos tegen duivels stukken Zijn der kruiden vrome sappen;

Woest en woelig in de polsen Grist en ziedt een pestige etter;

Grift en droesem bruist en bobbelt Koortsig heet door al zijne ad'ren.

Heel het spel der levenskrachten Werd verhoogd tot woeste tochten.

Macht'loos is de kunst, en raadloos Moet ik 's mans verderf aanschouwen ; Treurend zie 'k: de zwarte maaier Zwaait hier deze bloeme mede.quot;

Zuchtend sprak de goede prior: „Jammer van den fleren jongen!

Pijnlijk is 't voor grijze mannen Blonde lokken te begraven!

ocr page 213

201

i

m

Is 't niet moog'lijk heil te vinden?

Maar — men spreekt van wilde wijven, Die met drank en zegenspreuken, 't Kranke lichaam heling schenken;

Maar men sprak ook van een woudvrouw, Ergens, ginds ten Blauwen Gronde, Een heidin; van wond're dingen Heeft zij wonderbare kennis.

Welvertrouwd met alle raads'len,

Alle kruiden en gewassen.

Weet ze een heeldrank te bereiden: Too verheks wordt zij geheeten.

Tooverheks? De diepste kennis,

Godes gave, rijk en zeldzaam,

Durfde steeds, hoe onverstandig,

Dwaze en dwaas voor toov'ren schelden.quot;

Dan sprak de abt na rijp bezinnen; „Mannen voegt het raad te plegen.

Hier het beet're, daar het slecht're Weibedenkend af te wegen.

Prior, gij verstaat veel dingen.

Die er menigeen verstaan wou,

't Oude en 't nieuwe schrift; ik hoop wel, 't Geen gij voorhebt, is geen zonde.

ü

Üfi

1 Ti

i I

li

' ' I;1

I

li

m i h

''quot;til

ocr page 214

202

Goed en vroom is ied're kennis,

Zoo het voegt aan menschenkind'ren, Zoo het zielenkwaal doet wijken, Lichaamsnood vermag te mind'ren.

Zijn de heid'nen wijze meesters.

Gaan wij dan bij hen ter schole!

Melden ons niet, wat zij peinsden,

Biso 's onvermoeide pennen?

Niet alleen den scherpen angel,

Zoeten zeem ook draagt de werkbij; Mijden wij het gif van de eene, 't And're kan ons nuttig wezen.

Is ze in staat, die woudsibylle,

Woesten brand der koorts te blusschen. Hare wijsheid zij ons nuttig,

Hoe wij ook heur waan bestrijden. —

Vrome broeders, ter beproeving Werd ons aandeel deez' gewonde:

Beda, rust u uit, want morgen Wandelt gij ten Blauwen Gronde!quot;

ocr page 215

203

2

't quot;Winterwoud straalde in de zonne, Rijk in zilver en briljanten,

Die aan ieder takjen glansden,

Die op ieder knopken brandden!

't G-linsterde overal en 't gloeide, 't Was als wilden de ijd'le dwergen Nu eens tot bewond'ring toonen Heel den rijkdom hunner bergen;

Heel de vracht geheime schatten. Die ze rustloos schraapten, kaapten: 't Winterwoud in glans der zonne is Schooner dan een lentegaarde!

't Winterwoud, hoe stil en eenzaam! Enkel schrille klacht des wurgvalks. Slechts des spechts eentonig kloppen En het stappen in de verte.

Voor het rotsenhuis der drude Stond een wand'laar, warm en moede „Komt gij eindlijk?quot; sprak de Wala, Ik verwachtte u sedert lang reeds.

ocr page 216

204

Knor toch niet, mijn trouwe grombaard! Nu, 't bevreemdt wel deze en gene, Als tot mij, een heks, komt treden Een geschoren Eazarener.quot;

Beda sprak: „En kwam hij nogtans, 't Was ter wille der geboden,

Jegens God en jegens menschen Dierb're plichten te vervullen;

Niet om uitleg, wel tot leering! Een gewonde kunt gij heelen.

Gun het ons van uwe kennis Mij een greintje mee te deelen.

Heb geen vreeze, dat uw diensten Aan uw weerpartij van nut zijn: 't Is een bleeke knaap der uwen,

Voor wien ik uw hulp kom vragen.quot;

De oude sprak nu: „Spreek toch wijzer! Weet gij niet, dat de arts, een goede. Al zijn werk den mensch moet wijden; Zijt gij goed, ik ben niet slechter.quot;

Beda zei: „Hij doolt en dommelt; In 't besmette bloed woelt omme Gal en giftstof, die een nijdaard Hem met 't valsche wapen entte.

ocr page 217

205

Kruid van 't woud en bloem der hoven, Troost van kank'rend wee en wonde, — Keurde en kende ik: dezen arme Eedt alleen verborgen kunde;

Deze, die sinds grijze dagen,

Onbekend aan wijsste kenners.

Erfden heimvol en vererfden Wijze vrouwen, stille mannen.

Spreek, wat kan ik doen?quot; — „Uw adem Hebt gij reeds te lang gebezigd:

Alles wist ik, eer 't geschiedde,

En ik weet, hoe alles eindigt.

Leed — en veel — verduurt een jongen. Dien zijn vader niet mocht leiden; Ruw en hard is hem de leerschool, Zij hem zelfs een god genegen.

Leed - en veel — brengt vrouwenliefde; Vrouwen zijn 't, die, zwart van blikken, Middelgaard 's onzaal'gen zonen Draden weven van het noodlot. —

Volg mij thans!quot; — De pijnhoutfakkel Nam zij uit een scheur der rotsen;

Over steenklomp en door krochten Ging het nu door 't klamme duister!

ocr page 218

206

Neerwaarts, opwaarts, altoos verder; Dreigend, als om wacht te houden. Rechts en links, met zware knodsen Stonden nare steenfiguren;

Neerwaarts, opwaarts, altoos dieper, Tot de voetstap holler rondklonk.

En de gang met duistere engte Tot een wijd gewelf verbreedde.

Ertsen glommen daar als sterren. En van groote bergkristallen In den koepel vloot als maanlicht Blauwe scheemring in de halle.

Tusschen pijlers aan de wanden Hier en daar een afgodsbeeldje,

Grauw en grimmig; doodsche stilte Heerschte in 't duffe hol der rotsen. —

„Zie in 't rond,quot; begon de drude ; „In der bergen reuzenhalle Staat, zoo lang deze aarde ronddraait. Voor het eerst de voet eens christens.

Eens het heiligdom der eeuw'gen,

Wordt het heden hun gevang'nis; Altoos heerscht der wereld wiss'ling, En onbuigzaam is het noodlot.

ocr page 219

207

Doch aan 't werk, de zieke is dorstig; 't Voorbedachte is licht te maken; Zet u neer, en schaf u 't nood'ge Van mijn brood en van het bronnat.quot;

Door de snel ontbrandde stoffen.

Wierp de boschvrouw, hel omflakkerd, In de smeltkroes kruid en knollen. Zout en zaden in de vlammen.

Zegenwoorden op de lippen,

Die op heure lippen stierven,

Hield zij 't oog op 't kolenknapp'ren En het kleurenwisslend kooksel.

Beda, met gespannen zinnen, Zag, doch zag slechts haar, de drude, Hoe zij stookte, hoe zij pookte, Hoe zij prevelde over 't kooksel;

Zag, doch niet der bergen wonder. Niet de kasten, zwarte schrijnen,

Niet het huisgeraad, verwarreld . Saamgehoopt in holle steenen;

Helm en schild en schubbenpantser. Maliehemden, vlagtrofeeën,

Kolven, speeren, breede klingen, Die uit alle hoeken staarden;

ocr page 220

208

Noch den schat van lange jaren, Groudsmeekunst in alle hoeken,

Reuzig groote zilv'ren ketens,

Roomsche tooi, bokaal en hekkens. —

De oude sprak nu: „'t Geen ik kende. Deed ik, neem deez' kruik en wandel: Menschenmoeite was het eerste, Godenzegen is het and're.

Knakt een twijg aan 't bloeiend boompje. Laat de maagd het droef beklagen;

Breekt een woud, — voor duist're machten Mag de bange wereld vreezen.

Menschen sterven, volk'ren sterven !■

In het vaderland der eiken,

In het kinderhart der sterken Sloop de weeke pest van 't Zuiden.

In het kinderhart der sterken Kroop de koortse van uw leeren,

Die het staal des arms doet weeken. Die het bloed in melk doet keeren.

Zal het Zuiden 't Noord bedwingen? Rotsen buigt men niet, zij breken!

Oude veete is tusschen beiden,

En het Noorden zal zich wreken.

ocr page 221

209

Staal in staal, van 't sneeuwgebergte Zie ik wentlen blonde scharen;

In de groote Tiberstede Gaan blauwoogige barbaren.

Door de straten hoor ik dreunen Mannentred en hoefgetrappel, Schildgekraak en zwaardgekletter, Jammerkreet en zegeschreeuwen.

Door een diep beroerden volksstroom Rent een geelgelokte ruiter;

Vurig rood op 't gouden pantser Vlot zijn baard ten zadelboge.

Wat een woeling rond den strijdreus! Aan zijn zij staan wakk're knapen: Een, zoo wild en trotsch als leeuwen. Voert het Witte Paard in 't wapen.

Speren zijn hem zwakke biezen.

Helm en halsberg aarden doppen, Hagelsteenen zijn z'n slagen Op de bloed'ge Roomsche koppen, —

O, het Noorden zal zich wreken!

Doch — daar dreigen donk're teekens: Rotsenzwaar op onze hoofden Ligt de toorn der Eeuwighoogen.quot;

14

ocr page 222

210

Beda sprak: „Eén blijft er waken, Sterk en stil op alle dagen!

Stout- en trotschheid zijn uw deugden, De onze — dulden en verzaken;

Gr'loovend, hopend Een beminnen, En ten dienst der and'ren leven.

Wilt gij niet, ten dienst der and'ren. Mij van uwe kennis geven?

't Zilver beeft u om den schedel En uw adem zal eens eind'gen: Zeg, wat kan 't den dooden baten, 't Geen de levenden gebruiken?quot;

Donker blikkend sprak nu de oude: „Daaldet gij in 't dal der beuken.

Lijk eens Wodan kwam tot Wala, Om met vragen mij te vangen?

Van de goden stamt mijn kennis. En den goden geef 'k ze weder.

Nooit den plukkers onzer velden.

Nooit den kraaien, zwart van veder.

Doch den gast wil ik niet krenken. Al bemin 'k ook niet den monnik: Vreemde man, gij waart veel beter Thuis te Cheviot gebleven.quot; —

ocr page 223

211

„Kent gij mij?quot; — „Ik ken u allen! — G-a, 't begint al reeds te grauwen, En de maaier wet zijn zeise In 't convent te Dertienlinden.quot; —

Beda sprak toen: „Wijze woudvrouw,

Moog op u en uwe dranken

G-odes rijksten zegen rusten.

Als ik duizendmaal u dank zeg!quot; —

Met ten borst gevouwen handen Boog hij diep als in het biduur: — Of hij troost en licht van boven Voor een duister harte smeekte?

ocr page 224

XYI.

Onder 't toeven en naaien.

Korte dagen, lange nachten; Moeite en arbeid rusten zelden: 't Geen de korte dag verzuimde, Moet de lange nacht ontgelden. —

Op den hof te Bodinkdorpe Repten zich nog laat de handen: Naarstig streefde men te deelen 't Winterkleed als Kerstnachtgave;

't quot;Winterkleed voor arme lieden. Dit en dat voor huis en gasten: Wees dan welkom lieve gave, Christusgave is toch de beste. —

ocr page 225

213

Stil als steeds, nog ietwat stiller,

Bleek als steeds, nog ietwat bleeker, Zat in 't rond der hofgezinde Hildegonde in 't groote spijker.

Wevend wierpen kloeke maagden Als in wedstrijd hare spoelen;

Blauwe wolle was hun inslag,

't Witte linnen was hun keten.

Hier de kleinen, vlug als bietjes.

Repten handig naald en draden; Hildegonde, 't al beziende.

Knikte lof en wenkte 't foutje.

Rond den haard op beuken krukjes Zaten ernst'ge knechten te ijv'ren,

Om uit knoest- en knobb'lig vlierhout 't Fijnste huisgerief te snijden:

Gladde lepels, fraai gebogen,

Honigschalen, boterkoppen.

En om sierlijk op te binden Schichtjes voor der meisjes haartooi.

Isenhard, de meier, kliefde

Los en lief de jonge berken.

Om er, streng aan streng gevlochten,

't Buigzaamst zweepsteeltje uit te werken.

ocr page 226

214

„Want het zweepke,quot; zei hij brommend, „Is hier goed, bij Gerd voor allen. Én ook d' and'ren!quot; — Doch daar buiten, Klonk daar niet 't geschal des horens?

Kleine wijsneus, Aiga kleene,

Lach maar niet! In zomernachten Dansen de Elfen, doch des winters Komt geweld van duist're machten.

Nad'ren niet de Heü'ge Twaalven,

Als de aloude Wijdvermaarde, Hakkelbernd, de reus des hemels.

Vaart bij nacht door woud en wolken?

Klits, klets, klats en schor gehinnik: Ho, hoju! Op vale rossen Bruist het heir der jachtgenooten Door de lucht als damp en rookpluim.

Stapte ik eenzaam door de wildbaan 'k Hoorde dikwerf zelf het roepen: ,Midden op den weg!' Ik hield mij Altoos midden op de wegen.

O, hij is niet boos, die oude;

Velen schenkt hij goede gave:

Aan een uitgevasten snijder Wierp hij eens een paardenlende.

ocr page 227

215

Wezerafwaarts, te Isenhove,

Was een hond zijn weg verloren.

En hij lag bij ons aan 't haardvuur, Waar hem niemand kon verdrijven;

Grommig, mager, at hij assche,

Immer was hij stom en loerde.

Half in slaap met kreunend zuchten, Als de storm het woud doorruischte.

Maar met de eerste Heil'ge Twaalven, Toen het heir met woest gedonder 's Middernachts voorbij kwam druisen. Was hij op- en voortgestoven.quot; —

Friedebrand, de stalknecht, zeide: „'t Is ook mij eens overkomen!

Door 't ravijn aan de Esschenberge Kwam het op en trok naar 't Noorden;

Een gezoef uit honderd gorgels.

Woest gehuil en zweepgeklettèr.

Lachen, schreien, en den zwermen Wijd voorop de groote nachtuil.

En bij 't kruispad, naast de linde,

Recht van boven naar deze aarde Stortte een man te paard; ik rilde Voor den toorn des ouden Wodans,

ocr page 228

216

quot;Want ik zag zijn hoed en mantel;

Doch de reuzenlange ruiter Stoof weer opwaarts en al jamm'rend Stormde 'i door de lucht steeds verder.quot;

Imma sprak: „Met witten sluier,

Blauw gewaad en lange lokken,

Zingt vrouw Holle bij de woudbron. Heel den zomer 't rokken pluizend;

's Winters moet zij mee met de and'ren Onder 't woeste krijgsheirschallen Troostloos door de wolken zweven,

Juist als alle Niet ver los ten;

Juist als de ongedoopt gestorven Bleeke kind'ren. ,Duizend jaren?'

Zucht er een; en ,Langer, langer!' Galmt het weer en ,varen, varen!' quot; —

„Duist're dingen!quot; sprak de meier, „Steeds in 't midden van de wegen Blijve een ieder! — Komt nu, knechten, Kos en rund verlangen voed'ring.quot; —

Aiga sprak: „Van jonker Griese Zegt men ook, dat hij moet jagen. Eeuwig, rustloos! door de moeren.

Wijl hij 'n monnik heeft verslagen.quot; —

ocr page 229

217

„Staakt die sprookjes,quot; zei de burchtvrouw, „'t Ernstig werk vraagt hier uw handen. — Arme Doda, gij behoeft niet Angstig naar het luik te staren.

Wat gij hoort, is windgesuizel En het dof gesteun der eiken.quot;

Zuchtend sprak het Frankisch meisje; „Ach, ik kan hier niet gewennen!

Welk een land! Tien maanden winter, Dan twee maanden nog slecht weder: Menschen hebben d' aard der beren,

Boom en reuzen zijn hun goden!

Grauw is de aarde, zonder bloemen.

Grauw de hemel, zonder zonne:

O, hoe stralend is mijn heemstee Aan den oever der Garonne!quot; —

Aiga zei: „'t Mag u verdrieten,

Week'lijk kind, in 't land der beren: Gij deedt wel terug te keeren Naar den oever der Garonne.

Welk een land! Twaalf lange maanden Schroeit en brandt de zomerzonne Over wouden van karbonkels Aan den oever der Garonne.

ocr page 230

218

Aan den oever der Garonne

Bloeit het bont gebloemt', — doch welk een

Zilverblanke, slanke knapen

Duiken op uit alle kelken;

Slanke knapen, die maar buigen En de vrouwen hoflijk groeten:

Heil den oevers der Garonne,

Waar in 't veld de vrijers bloeien!

Hier te lande zijn ze sober.

Veel te sober, daar in Saksen,

Waar, zoo 't liedje zingt, de schoone Meisjes aan de boomen wassen.

Naar den oever der Garonne

Blijft u 't harte zuchtend trekken:

Gingt gij morgen, arme Doda,

Dan nog kwaamt gij juist ten bloeitijd!quot; —

„In de school,quot; sprak toen de burchtvrouw, „Waart gij, Aiga, bij de spotters;

Spot op meisjeslippen, Aiga,

Is een worm op rozeblad'ren.quot;

Aiga neigde diep en naaide Rood van schaamte bij dit lesje;

Tweemaal, driemaal brak heur draadje. Tweemaal, driemaal viel heur schaartje.

ocr page 231

219

Doch heur aard was niet te pruilen, En haar flikk'rend ooglijn lachte,

Toen zij, vingrend door de lokken. Juist weer dacht aan 't Kleine Volkje.

!; T. :. li

II

lt;1 y

ji W i

111 I

'il [if i ■.ijtj,

„Vriendlijk waren toch die liefkens,

En ons, meiskens, steeds dienstvaardig;

Bleef des avonds de arbeid liggen Kant en klaar was hij dan 's morgens.

Doch nu zijn zij weggetrokken; Hen verjaagde 't klokkenluiden,

's Menschen valschheid, 't woud weergalmt nu Yan hun streken en hun grappen.

Schouw ik op dien berg van linnen. Dan gedenk 'k hun vlugge vingers:

O, hoe zoudt gij hem zien slinken.

Zoo die goede Duimkens hielpen!quot;

Doda sprak: „Geen Kerstnachtgave Zij bereid door deze Zwarten,

Die in kloven en in krochten.

Onheilvolle kunst uithalen.quot; —

Imma zeide: „Zoo wij de armen Wol- en linnenkleed'ren meten,

Mogen wij twee naakte schouders,

Eggi 's schouders, niet vergeten.quot;

ïl

' - f

1;

ocr page 232

220

Doda riep: „Dien smedenjongen? 't Ware zonde aan hem te denken Om bij 't feest van 't God'lijk Kindje 't Kind des duivels iets te schenken!

Wat hij is, de zwarte sluiper,

Kunt gij op zijn voorhoofd lezen,

En al draagt hij geen rood hoedje.

Toch is 't vast een Elfenwezen;

Hij is een der spletenkruipers,

Die vol leedvermaak zoo lachen.

Als zij met bedrog en potsen 't Menschdom boos en toornig maken.quot;

Aiga sprak: „Och, de arme jongen! Wijl hij bruin van oog en wangen. Wijl hij lustig is en handig.

Zou hij des geen buisje erlangen?

Trouwens, als een kind van Kobold, Is hij vreedzaam en gemoedlijk,

Meen'ge zijner halve zusters Zijn niet half zoo net en goelijk.

Keer u zelve eens, fijne Doda,

Strijk eens glad uw stakkeltippen.

Verf eens blauw uw kolenoogen. Wit uw tanden, rood uw lippen!

ocr page 233

221

Schold ik u dan, gele zwelkrop,

Die gij zijt, — wat ik niet waagde, in Plaats van blonde Zuiderbloeme, — Is geen waarheid, als ik 't zeide.

'k quot;Weet, uw poez'lig handje zou wel O, zoo graag mijn wangen meten. Dat daarop in witten winter Vijf G-aronnerozen sproten!quot;

Straffend sprak de goede burchtvrouw: „Aiga, houd in toom uw tongske !

Allen wijd ik mijne zorgen.

Ook het arme smedenjongske. —

Schreeuwt daar niet de wilde boschkat? 't Is nu tijd, hier af te breken;

Gaat ter ruste, doch vergeet niet Eerst uw avondbeê te spreken.quot; —

ocr page 234

XVII.

JPriors leerspreuken.

Met den wederkeer der lente,

Zijt gij, Elmar, ook herrezen.

God zij lof, ten nieuwen leven.

Vrij van boei, al zijt ge ook balling.

En lijk op de wang ontluikt nu Der genezing frissche bloesem, Mag verzoening uit de kennis Stil ontspruiten in uw boezem.

Wijt het niet aan d' ernst'gen ijver, Die u, vreemdling, hier verpleegde; Dank het Hem, die menschenliefde In het hart des menschen legde.

ocr page 235

223

Kwelt, bekommert u wat anders, — Eenzaamheid is spijs der zielen; Tot den geest komt in de stilte De echte geestesopenbaring.

Om der geesten stem te hooren Moet gij in de stilte luist'ren;

Luider spreken ze in 't gesuizel Dan bij storm en onweersbuien.

Hij, die voerde u uit de wereld In der kloostercelle zwijgen,

quot;Wilde u in de woeste wereld.

Eerst den waren weg beteek'nen.

Waart ge u zelf bij 't wapenklettren, Bij 't gebruis en schuim der golven, Op de meêbank, in de wildbaan, In den haat en in de gramschap?

Diep in 't woud verbergt het kranke Hert zich voor het middaggloeien, 't Zij om eenzaam te genezen,

't Zij om eenzaam dood te bloeden.

Elmar, de inkeer in zich zeiven Wordt bij smart alleen gevonden; Houd slechts vol; de kloostervrede Heelt u alle, alle wonden.quot;

ocr page 236

224

2

„Elmar, wie van 't morgengrauwen Tot aan de avondkoelte reisde,

Zag er menig dal en hoogte,

Zag ook vele klniz'naarsplekjes.

Zoo hij ging met open oogen,

Kan hij 't lotgeval verhalen Zoo van zijne zware dagreis Als van landsgebruik en zede.

Elmar, wie na zeven kruisjes Ruggewaarts den langen weg schouwt, Kan u wijselijk beduiden,

Hoe hij ziende ging zijn gangen.

Vol van waarheid kan hij melden Hoe de wereld was voor dezen,

In der nad'rende hervorming Kan hij raadselrunen lezen.

Ook tot lust en leering, Elmar, Kan hij zinvol u verhalen;

Wilt gij wijsheidswoorden hooren. Vraag ze dan aan grijze mannen.quot;

ocr page 237

225

3

„Weten heet de wereld kennen;

Weten leert ons wond're teek'nen Van de langvervlogen tijden,

Ook van de uren, die verzwinden.

En daar weer de nieuwe dagen Op het puin der oude bouwen.

Kunnen de onbenevelde oogen Rugwaarts blikkend voorwaarts schouwen.

Want zoo lang als haat en liefde.

Vrees en lust deze aard' beheerschen, Is het lot der menschheid 't zelfde.

Of het neemt gelijken vorm aan.

Menschen zijn de menschenkind'ren Aller tijden, aller zoonen;

Of zij in de berkenbosschen.

Of wel onder palmen wonen;

't Zij ze voor den God der christ'nen. Of voor Wodan nederknielen.

Of zij zich in lompen hullen.

Of wel zich met purper tooien.

15

ocr page 238

226

Vormrijk zijn de wolkenbeelden, Die door 't ruim des hemels dwalen, Wasem zijn deez' lichte vlokken.

Damp slechts zijn die zware balen.

't Vaart al voort, 't gespin der luchten, Op der stormen snelle wegen: Wolkenbeelden, leege dampen,' Menschenbeelden, ijd'le wasem!quot;

4

„Zoon, ik las in 't boek der runen Menig blad der wichlarije;

Veel tot treurnis, veel tot droefheid. Als ik verder las en verder.

Wat zij u geschied'nis noemen,

Is een woest doorslingerd kluwen:

List en leugen, macht en zwakheid, Lafheid, domheid, waan en gruwel.

Wijze deugd slechts zwijgt en weeklaagt Durft zij spreken, durft zij klagen.

Haar ontsluit men kerkerkrochten.

Of zij wordt aan 't kruis geslagen.

ocr page 239

227

Sterken, die zich menners dachten, Worden eveneens gedreven, Krijgsbehoeften van een sterke, Die gebruikt, verbruikt verstoven.

Sterk'ren stoot de voet des sterken, En de sterksten zijn het speelgoed Van den Een, die, 't al beheerschend, Eustig schouwt naar 's werelds warlen

Een, die in zijn stalen handgreep -— Houdt de schaal om 't recht te wegen. Die de schepters knakt als halmen. En als stroo der helden degen.

Al de reuzen zijn maar dwergen,

Al de heeren arme knechten;

Of ze ook al het kwade willen, 't Rechte moeten zij vermeêren.

De orde moeten zij steeds dienen, Hoe verwoed zij allen drijven.

Want onsterflijk is bet goede.

Zege moet aan God steeds blijven.quot;

ocr page 240

228

5

„Vrijheid moet het doel van dwang zijn, Lijk men bindt de rank des wijngaards, Die, in steê door 't stof te kruipen,

Opkrult naar den blauwen hemel. —

Beide gaf ons koning Kaerle,

Waard' te minnen, waard te haten;

Hield hij vast aan 't kruis van Rome, 't Kruis van 't zwaard hield hij nog vaster,

En met roodgeverfde handen Zwaaide hij 't den vad'ren tegen. Kruisgezant in 't stalen pantser.

En met bloed besproeiden Christen.

Om ons ganschlijk te onderwerpen.

Hieuw hij ons ten doode bloedend;

Wijzend naar de hemelburchten.

Nam hij zich onze aardsche gouwen.

Honderd einden moet de aan plooien Rijke kerkemantel dienen.

Eerzucht, hebzucht, machtbegeeren,

Haat en wraaklust moet hij dekken.

ocr page 241

229

Lijk het goud den dorst naar goud lescht, X Stapelt roem de roemzucht hooger,

Want hoe meer de menschen kunnen,

Des te driester wordt hun hebzucht.

Van bevroren Belt tot Tiber Trok de held met blikk'rend wapen:

Was 't om volk'ren te bevrijden,

Was 't om knechten saam te- garen?

En in steê van Duitsche stammen.

Wierf hij vreemden bij elkander,

Sterk en groot, maar niet zoo goedig Als der Grieken Alexander.

Was hij, ord'nend en verplegend.

Ons een milde heer gebleven:

Wij, die honderdvoud hem danken,

Zouden duizendvoud hem minnen ;

Hem, die vrome vredeplaatsen Bouwde aan bronnen en in beemden.

Waar eens menschenleden krompen Bij d' ontwijden steen des offers;

Die de toortsen der beschaving Droeg in onze duist're wouden.

Zegenrijke zaden strooide Op met bloed gemeste velden.

ocr page 242

230

En eerst laat! Door zachte leering Had hij Saksen wel bedwongen Easser, vaster dan met ijzer,

Dan met hongerdood en branden.

IJd'le glans der Roomsche krone! 't Grauwe moordgericht van Yerden Moog hem God vergeven, schuldig Blijft hij voor 't gericht der wereld:

Wandaad, die voorzichtige Einhard Gaarne zweeg en ook omhulde.

Door den Roomschen volk'renvader Zelfs gestraft met ernstige aanklacht.

Doch den kling- en zwaardrinkinkers, Trekkend onder dond'rend schallen. Allen kleeft een vlek op 't heirschild, En hun Verden hebben allen.quot;

6

„Menschen bouwen; torens zullen Duizend jaren wel verduren!

Doch de roest verteert het ijzer. En het mos verknaagt de muren.

ocr page 243

231

Zie in 't rond: gij ziet slechts puinen,

Die de storm des tijds uiteendreef,

En daarop, voor nu en morgen,

Trotsche vestequot;n, sjofle tenten.

Want de mensch, de vreemde kluiz'naar, Leert de scherven wijs te schikken.

Om uit nood voor zich en and'ren Dak en haardstede in te richten;

Eerst uit nood en als 't hem goeddunkt, Ook tot troost zijn schuur en gaarde. — Bouwt maar, houwt maar: 't zij voor morgen. Of voor langer? — G-ij moet wachten!quot;

7

„Carlemagne, een grimm'ge bouwheer. Tol van geestkracht zonder weerga. Zinnend op der volk'ren puinen Stond hij op verslagen rijken.

Met zijn zwaard dan op dan neder Mat hij de verstrooide blokken. En met reuzenhanden smakt de Sterke reus den berg op bergen;

ocr page 244

232

Berg op berg granieten blokken Tot een burcht, om daar te heerschen En, als God de hemelvesten.

Hier het aardsche rijk te stieren. —

Droom en waan! De stille stonde, Zachtkens nad'rend, wisselt alles.

Sterker nog dan de allersterksten. Die met luid geschater brallen.

Of ze al hinkt, de wrake komt eens; Of ze al kruipt, verzoening komt eens; 's Menschen trotschheid. Babels toren. Werd, ten baken, een ruïne.

Treurig peinzend wijlt de pelgrim. Zoo hij ziet bij maanlicht 's schemer Daar, waar eens een dwing'land woedde, Woestenij, een graf en puinen.quot;

8

„Zijn geslacht? Een droevig lot is 't Roovergoed'ren te beërven:

't Geen den zoon tot onheil strekte. Werd den naneef ten verderve. —

ocr page 245

233

Wolven zie ik, die in tweedracht Nijd vol op elkander staren, Die verhongerd naar des ouden Beste rooverbrokken gluren;

Gele wolven, die den grijzen Tergend uit zijn leger trekken,

Die in wilden haat elkander Buik en keel aan flarden scheuren;

Gruwb're welpen, die de tanden Aan het bloed des broeders schenden, Tot de laatste wurgt den laatste, In 't gehuil der woede wegsterft.

Vol van gruw'len, vol van lijken Is de wereld woest en ledig:

Sprak uw Wala van den wolfstijd, Juist gezien, dat was voorzegging!quot;

9

„Lieflijk schouwspel! Blonde lokken Golven in den wind des uchtends; Slanke stal en blauwende oogen Zijn de tooi des kinds van Saksen.

ocr page 246

234

Diep in 't woud, bij vogelvangen Luistert hij, op 't mosbed stappend,

Stil, naar 't zachte woudgekeuvel, Dat door bosch en kruinen fluistert;

Naar de beek, die ginds ter delling Lispelt van geheime dingen. Die geschied, toen wicht en elfe, 't Menschdom dier, op aarde gingen.

Mocht het woud met wonderbare Sprokendroomen hem omweven?

Denkt hij aan den ridderjongen.

Die een koninkrijk wou winnen?

Aan dp krone, die een schildknaap 't Wilde water mocht ontwringen. Van de rots met ros en rusting Onversaagd omlaag dorst springen?

Hoort, daar galmt het door de stammen Doffe slag van zware hoeven, Pantserknarsen, zwaardgerammel, Hoorngeschal en vreugdekreten!

Forsch gestaalde heirgezellen Zijn 't, die van de hengsten stijgen. Om voor hem, den blij-verbaasde. Huldigend hun knie te buigen.

ocr page 247

235

,Groet en heil u, Duitschen koning, Saksentelg, u roem en eere! Volksverkoor'ne, heersch gelukkig,

Sterk en mild van zee tot zeeën!'

En van zee tot zeeën klinkt een Jubelhymne uit duizend kelen;

,Heil het blonde kind van Saksen, Vrede en heil den Duitschen koning!'quot;

10

„Elmar, is der golven woeden Tot den hoogsten top gestegen:

Vast de vuist dan aan den stuurboom, Vast dan de oogen op uw planken!

Wees niet dwaas, 't den storm te wijten. Zoo hij mast en spieren knakte;

Zie naar u: en wend den steven Van uw hulk naar 't kalme water! —

quot;Wrok niet op den werelddwinger.

Die uw velden kwam verwoesten: Een zal rechten; groote wrevel Zijn meest alle groote daden.

ocr page 248

236

Laat den kletteraars huns weegs gaan, En den hemel laat ge uw wrake: 't Heilbewerken van uw ziele Dat is, Elmar! 't doel des levens!quot;

11

„Over afgronddiepe raadslen Glijdt de mensch met lichte zinnen. Zorgloos, lijk op blauwe kolken.

Speelt en danst de waterspinne.

Kunt gij, vreemd'ling, mij beduiden. Waarvandaan gij komt en heenvaart? En het doel der reis op aarde?

En het oogmerk van al 't lijden?

Zijt ge lijk het regendropken.

Dat, uit waas en damp geweven.

Spoorloos in het niet hieronder Tuimelt, uit het niet daarboven?

Weet gij 't antwoord? Wist hij 't antwoord. Thiatgrim, uw Friesche wijze?

Sprak zijn god? En welken uitleg Gaf u de oude reus des hemels?

ocr page 249

237

O, hun spreken is slechts ruisehen, Lijk de baren, lijk het windje: De openbaring is gekomen Uit den mond al van een Kindje.quot;

12

„And're tijden, and're menschen, And're menschen, and're goden: Eén slechts blijft er, de Eeuwigrust'ge, Onberoerd bij 't tijden wisslen.

And're tijden, and're goden,

quot;Want de tijd verbrokkelt de ouden: Zeldzaam, dat zij 't duizend jaren Op 't gestoelte kunnen houden!

't Zij bij volksgejuich en jubel.

Onder vloeken, onder tranen Ploffen zij in gloed en puinen Van met schand bedekte altaren;

't Zij ze uit leege tempelhallen Als de bleeke schimmen wijken, Ongezien en zonder achting Langs de gangen henen sluipen:

ocr page 250

238

And're tijden, and're goden,

Want de geest heeft breede vleug'len;

In het rijk 'van 't onbekende

Wil hij rustloos voorwaarts dringen.

En de zonnen van dien luchtkreits, Die verlichten, niet verschroeien. Voeren opwaarts om Hem, d' Eene, d' Onbekende, te herkennen.

En erbarmingvolle liefde Nijgt den zoeker altoos tegen; Iedereen, die dorst naar waarheid. Laaft heur bron op alle wegen. —

Troostloos is het voor 't verleed'ne.

Voor den dood te willen, strijden:

Hebt gij macht den stroom te dammen. Tot zijn bron terug te rollen?

Kan, 't geen asch werd, weer opflakkren? Kan, wat lijk was, nog genezen?

Bij de dooden hoort het doode.

Al was 't nog zoo schoon voor dezen. —

Laat in 't avondrood verzonken Droef te moede een droomer klagen.

Doch het oog der vreugdgestemden Groet in 't Oosten 't jongste dagen.quot;

ocr page 251

239

13

„Veel mocht ik u reeds verhalen Van het vrome kind des vredes,

Dat tot ons naar Middelgaarde Uit den hemel wilde komen;

Uit des hemels zonneburchten,

Zoon van God in 't kleed des menschen, Die als Langbeloofden eindlijk, '* 't Woord des Zieners kwam vervullen;

Ware God, en met den Vader,

Met den Geest van 't zelfde Wezen, Eén in drievoud: een geheimnis, 's Menschen zinnen onoplosbaar;

Zoon des Scheppers aller dingen.

Licht van licht en God uit Gode,

Vleesch geworden ter verzoening.

Die in liefde 't alles delgde;

Hoe Hij, als een held en heerscher, Hooggeroemde, koene degen,

't Dierbaar twaalftal heeft verkoren. Houw en trouw op alle wegen;

ocr page 252

240

Hoe Hij trok van gouw tot gouwe Zeeg'nend, manend, wond'ren doende, Steeds bereid tot zoete leering.

Steeds bereid tot troost en laafnis;

Hoe Hij dan een rijk zich stichtte, Waar Hij zijne gunsten strooide, 't Menschdom dier, een rijk van vrede, Dat in dezen tijd niet eindigt;

Hoe Hij door een gruwb're misdaad Schuldloos aan het kruis moest sterven, Hoe Hij door zijn dood het leven Aan deze aard en u mocht schenken;

Hoe hij toen, de doodbedwinger.

Vol van zege uit 't graf ging stijgen. En verheerlijkt opwaarts varen In het hemelrijk daarboven;

Hoe Hij eens, de wereldstierder.

Komen zal ten jongsten dage En de levenden en dooden Wegen met rechtvaard'ge weegschaal.

Hoog en wijdsch, vol heerlijkheden Op de wolken; met verwond'ring En al siddrend hoort de schepping Het geschetter der bazuinen: —

ocr page 253

241

Dit en alles wat mijn rede Dor en droog u mocht ontvouwen,

Heeft een Godgewijde zanger Tot een Heilandslied gezaméld.

Een van de onzen was het, Elmar,

Niet in weeken, Welschen tongval,

In der heemstee volle klanken Heeft hij 't heerlijk voorgezongen.

Als gij 't hoort, vermeent ge in 't groote Groene Saksenwoud te wijlen:

Hemelbreed de takgewelven.

Hemelhoog der stammen zuilen.

Ja, die vogelzang, dat ruischen Klinkt u nieuw en vreemd in de ooren. Toch ligt 't al in uw nabijheid.

Na aan 't heem verwant is alles.

En verstaanbaar is 't u alles.

Wat daar galmt uit honderd kelen, En verstaanbaar, wat de heesters,

Wat de boomen u verhalen;

En verstaanbaar het getater In de bronnen, in de beken. En verstaanbaar, wat de bloemen Fluistrend met elkander spreken.

16

ocr page 254

242

Helder voor uw zinnen liggen Al des wouds geheimenissen:

Alle raads'len kunt gij duiden,

Op de vragen 't antwoord schenken.

En ge ontroert, als al die klanken, Al dat ruischen, al dat zingen Lijk een bede tot een grooten Lofzang Gods te zamen klinken.

En in 't dal, hoe ver verwijderd,

Moogt gij u een haardstee vesten Onder 't kruis, en onder 't kruisbeeld 't Rustoord -voor uw ziele vinden;

Want van zijne doornenkrone Schiet een wonderbare glans uit Door de wereld, die de volk'ren Moet doorstralen en vereenen. —

Elmar, hoor: de lentestormen Loeien om des Soilings helling:

Als de zomerluchten waad'men.

Leid ik u naar 't woud der wond'ren.

Waar der eiken hooge toppen Minigardeford omspieden,

Woont mijn vriend in 't stroodakhutjen Onder herdersvolk en boeren.

ocr page 255

243

Hooren moet gij, zelf eens hooren Hem, den zanger zonder weerga; Als de zomerluehten waad'men, Gaan wij naar het land der eiken.quot;

14

„Sprak ik warme woorden, Elmar, Uit de volheid van mijn harte. Glinstert u een traan in de oogen. Toch blijft ge even stil en spraakloos.

Naar der waarheid steile burchten Kan een ander wel de paden Tnsschen doorne en rots u toonen: Gods genÉl slechts kan u leiden.

Waarheidkennis is het erfdeel Niet der wijzen, neen, der vromen; Niet bij vorsching, neen, bij bede Zal u de openbaring komen.

Zal der menschen oog aanschouwen, Dan ontsluite zich de hemel.

En een straal van deze lichtbron Schiete in zijn beneveld harte.quot;

ocr page 256

244

15

„Leven moogt gij honderd jaren;

Eens, als damp in 't land der bergen,

Drijft gij heen. — Waar kunt gij blijven? God is 't eind van alle dingen.

Was u kracht, van alle krachten

Hebt gij rekenschap te geven,

Werk voor 't recht; gij komt ter rechtbank,

Leefdet gij ook honderd jaren.

Want het schepsel hoort den Schepper, En het kan Hem niet ontvlieden;

Eenmaal, morgen of wel later.

Ligt gij zeker aan zijn voeten.quot;

16

,,Elmar, o, gij maakt mij treurig: Wat ik sprak is al verloren,

Want gij hoort niet met uw harte. Want gij hoort slechts met uwe ooren.

ocr page 257

245

Men verhaalt: een blinde priester Predikte eens in 't veld aan steenen, En de steenen riepen: amen;

Gij zijt spraakloos, 'k kon wel weenen.

Droomt gij weder van de golven? Ay, het is een troostloos jagen!

Hoe ge ook ploegt de watervore, Nimmer zal zij vruchten dragen.

quot;Wel het zwaard, doch nooit de sikkel Zal op grauwe baren klinken; Ten believe van u zeiven Stormt gij in 't gewoel des oorlogs.

Moeite uit lust is ijd'le moeite,

Nutloos lijk der zee de regen;

Arbeid, zonder baat voor and'ren, Dat is arbeid zonder zegen.

Wilt ge alleen u zeiven dienen. Nergens kunt gij dank verwerven; Stikken zult gij, en van afkeer Voor u zei ven moet gij sterven.

Eerst vooral behoort ge uw Schepper, En naast Hem, het land der vadren. Zijt gij kloek, dan juich; ten kloekste Staat de man bij de eigen heerde.

ocr page 258

246

Blaas u op bij vreemde menschen: Zeg 't uw volk niet, roem vergaat zoo; Saksenkind, met eiken vezel Zijt gij aan uw volk verbonden;

Aan uw heemstede, uwe moeder. Aan een kranke en aan een vrouwe; Zijt gij braaf, zoo dien met ied'ren Druppel hartebloed haar trouwe.

Wilt gij heen, zoo zal ze als bleeke Beedlares staan langs de wegen.

En de dorre hand u reiken,

't Oog vol tranen. Ga nu henen!quot;

ocr page 259

XYIII.

^/hldecfondes droefheid.

Anderen, bezocht door lijden,

Mogen klagen, mij voegt zwijgen;

Wankt mijn moed in vrees en droefheid, 't Aanschijn moet ik vroolijk toonen.

Wie mij radend konde helpen.

Slaapt hier onder 't kil gesteente;

Aan de linde bij haar grafterp Zit ik vaak en weene en ween er.

Zachtjes echter; moeders sluimring Is zoo licht, ze mocht het hooren;

Neen, het kind mag door zijn klaaglied Hare zaligheid niet storen!

ocr page 260

248

Als het lispelt door de loov'ren,

Neig ik 't bange hart al luist'rend: Zijn het lieve lispel woorden ?

Ay, het is maar windgefluister!

Weet zij niet, wat mij geschied is, Wacht u wel het haar te konden. Engel kleene, die heur boodschap Meevoert tusschen aarde en hemel.

O, zij zou dan oorlof vragend Aan de gouden poort staan wachten; O, zij zou ten hemel weenen,

Zoo zij wist, wat mij geschied is!quot;

2

'k Heb een valk, een wilde en trotsche, Opgekweekt tot mijn verheugnis; Met den doodschicht in het harte Is hij weg, ver weggevlogen.

Of hem ring en leerkap lief was?

In de ruimte moest hij streven;

Door de wouden moest hij dwalen,

In de wolken moest hij zweven,

ocr page 261

249

Vrij en koen, ten wit des nijdaards! — Wee! Hem trof een vreemde schutter, Als een roover laf verborgen.

Moordend met gevloekte pijlspits.

Zijden zwachtels zoude ik winden Om zijn glinsterend gevedert,

Zilvren draden, gouden snoeren,

Kwam hij slechts, o, kwam hij weder!

Wee om hem, den edelmoedge!

Die ik mij ten vreugde kweekte. Met den doodschicht in het harte Is hij weg, ver weggevlogen.quot;

3

„Donk're nacht en koude regen, En de wind blaast door de wouden; O gij storm, verwoestend weder. Zoo hij leeft, o, wees hem gunstig!

Drijft zijn hulk op donk're zeeën Over klippen, over kolken,

Al gij wat'ren, al gij golven,

Zoo hij leeft, o wees hem gunstig!

ocr page 262

250

Doolt hij op verlaten heide Zoekend naar een simple schuilplaats, Leidt hem al, gij goede sterren,

Zoo hij leeft, o wees hem gunstig!

Al gij englen, 't hofgezinde Van de rijke hemelburchten.

Waar hij lijde, waar hij strijde,

Waar hij toeve, o wees hem gunstig!quot;

„Op het duinzand witte zwanen, Zwahenmaagden, die daar baden, Die van de ijskust in het Noorden Naar het lauwe Zuiden vluchten.

Witte zwanen, wilde maagden. Schoon is 't wel uw lot te prijzen: Door de golven kunt gij roeien. Door de wolken kunt gij reizen.

Zoo ik had uw vederwinds'len, 'k Vloog langs al de hemelruimten; Om te vinden, dien ik zoeke,

Toog ik door alle aardsche rijken.

ocr page 263

251

Om te vinden dien ik zoeke,

Kruiste ik rond langs alle zeeën, Waar' het slechts om hem te groeten, En dan treurend weer te keeren.quot;

5

„Weinig sprak hij steeds, en eenzaam Ging hij meest op stille wegen Langs de beek, door weide en velden, Langs der wouden verre wildbaan.4

Dat hij nimmer, wat hij voorhad, Mij vertrouwde, zou 't mij krenken? Ja, ik weet het, onze liefde Is zoo oud reeds als ons denken.

Zijne lippen zag ik beven,

Zijne wangen zag ik gloeien.

En zijn diepe, trouwvolle oogblik Zegde meer dan woorden duiden.quot;

6

„'t Maanlicht glanst door 't stille loof, de Vijver slaapt in vaarne en mosbed; Uit de diepte in 't uur der nachten Duikt de bleeke waterroze.

ocr page 264

252

Droomend nijgen beuk en berke; Met een suiz'len, niet een beven, Om in 't sluimren niet de zoete Woudgeheimnis uit te babb'len.

Nenuphar, de witte bloeme.

Duikt zoo gaarne in nacht en stilte; Schuchter waagt zij zich te toonen Slechts aan 's hemels trouwe starren;

Enkel koude, kuische lichten.

Die daar ver en droevig scheem'ren: — Nenuphar, gij witte bloeme,

O, hoe staalt gij op mijn liefde!quot;

7

„Tusschen berg en diepe delling Spruit een kruidje, 't heet ,Vergeten'; Wie het wonderkruid mocht eten. Zou zich daar gezond aan eten.

Wie het opnam, dien ontsloten Zich der wouden donk're raadsels. Wie 't mocht plukken, o, hij zou dan Al zijn bitter leed vergeten.

ocr page 265

253

Werd mij door des Hemels machten 't Leed in volle maat gemeten :

Leed is mij de beste have,

En ik wil het nooit vergeten.

Leed is mij de beste have,

Leed om 't geen ik heb bezeten; Of ik ook vergeten konde.

Dan nog wil ik niet vergeten.

Wonderkruidjen, of uw blad'ren Mij ten volle op 't bloembed sproten: Wat ik lijde en wat ik liefheb. Wil en mag ik niet vergeten.quot;

8

„Zoo hij op het schild, het blanke, ,Plicht en Vaderland' moest schrijven. En, door hem geleid, de Saksers Ons uit mark en gouw verdrijven;

Zoo hij kwam om voor geleden Smaad het ambt der wrake te oefnen. Allen, die hem laf verlieten,

Straffen met geweld'ge houwen;

ocr page 266

254

Zoo hij mij dan afvroeg: ,Hilda,

Zijt ge, wat ge waart, gebleven?'

Haatte ik hem? Ik moest mij zelv' ver-Achten, zoo ik hem niet liefhad.quot;

9

„Komt een vreemd'ling nadertreden Door het dal langs sneeuw- en ijsbaan: Vreemd'ling, hoe toch moet hij komen Hier naar ons in 't hart des winters?

Treedt hij tot de poort der hoeve, 't Harte bonst me in luide slagen: Bracht hij tijding van den éene? — En ik vlieg gezwind hem tegen.

Doch de vreemd'ling, re.izensmoede. Vraagt om herberg en wat voedsel. En ten haard, bij kruik en schotel. Warmt hij zijn verkleumde handen.

Nieuwtjes brengt hij, droeve maren, Van bevroor'nen en vermisten,

Van der wolven hongerwoede,

Van der vossen booze listen;

ocr page 267

255

Van den nood, die ree en herten Drijft in hutten en in schuren, Dit en dat, doch geen berichten. Geen berichten van den éene!

0, een vollen beuk'laar goudgeld. Zoo ik 't had, zou 'k gaarne geven, Elk, die mij de tijding meebracht Van den éene, die steeds wegblijft.quot;

10

„Ziek van lichaam en van ziele,

Doodziek van den beet der slange,

Ging hij weg; 't ,vaar wel', het leste, Wenkte ik hem ter heuvelhelling.

't Laatst vaarwel? Was dit het laatste Afscheid bij de laatste reize ?

Was het niet de laatste, waarom Dreef zij met onzegb'ren aandrang?

Was het niet de laatste, waarom

Klopt mijn smachtend hart zoo angstvol? —

Of hij leefde, waar hij leefde,

'k Ving die boodschap lang reeds, lang reeds!quot;

ocr page 268

256

11

„Kwam hij door het woud gereden, Kwam hij door de velden treden, O, hoe glansden dan zijne oogen, O, hoe bloosden dan zijn wangen!

Komt hij voor mijn zielsoog treden, De verloor'ne, dien ik liefheb, O, hoe bleek is dan zijn aanschijn, O, hoe is zijn blik betrokken! —

Witte muren, pijnhoutlichten; — Aan zijn zijde donk're schimmen, Ernstig, stom, alsof zij morgen 't Lijk ten grave moesten dragen.quot;

12

„Treedt de koopman in de halle. Geel van hoed en zwart van haren, Vol gezwets legt hij op tafel Keus en keur van bonte waren:

ocr page 269

257

't Roode laken van de Grieken, Lundisch doek en Moorsche zijde, Staalwerk van Milaansche smeden En Romaansche goudsmeewerken.

Woelend in deez' beuzelzaken,

Koopt mijn vader gansche hoopen; Zoo 't mij luste, zou hij gaarne Heel dien ijd'len kraam mij koopen.

En ik schonk het gaarn den maarten, Tot een tooisel voor hun hartsvriend; Mij betaamt slechts donk're stoffe, Treurgewaad en weduwsluier.quot;

13

„Aiga zegt, een duister raadsel Is de bruine smedenjongen; Door-en-door nat, moede en hong'rig Trad hij gister in het voorhuis.

Welverzorgd aan 't knapp'rend haardvuur Zat hij dan en neurde zachtkens.

Als in droom, het oog geloken.

Zulk een vreemde, droeve wijze.

17

ocr page 270

258

Wendisch was 't: de klacht des valken Die wijd-weg van 't woud ter kevie Eenzaam, met verlamde wieken, Henenkwijnt in toorn en treurnis.

'k Zei vol vreeze: ,Zing ten einde, Zoo gij kunt, uw droeve ervaring, Of de onvrije, gansch genezen, Heemwaarts vloog ten groenen dale?'

Doch de zwarte lokken schuddend Lachte 'i stil, zijn pareltanden Glansden wit, en op de wangen Rolden hem de dikke tranen.quot;

14

„Groent het woud en bloeit de weide, Al de meisjes gaan dan 't veld in. Halmen knoopend, blaadjes plukkend, Yragend naar het minlijk antwoord;

't Minlijk antwoord van den eene. Dien zij meenen in gedachten: 't Wilde roosken, dat ik uitzoek. Bergt zich achter doorn en ranken.

ocr page 271

259

't Vijfblad van de wilde roze, Die m' als harten kan beschouwen, Wat ik diep in 't harte liefheb, Wil ik heimlijk hun vertrouwen.

Op het eerste wil ik schrijven, Stille liefde 's runenteeken ;

Op het eerste en op het tweede. Want het eerste is niet toereikend.

Bitt're weeklacht op het derde. Op het vierde bitt're weeklacht: Ach, geen honderd blaadjes vatten Al den kommer, dien ik ronddraag!

O, hoe gaarne zou 'k op 't vijfde Mijn verlangen nederschrijven!

Daar de hoop mij is verdwenen. Moet het onbeschreven blijven.

Laat de wind de runen lezen En verstoren. Ay, geen boden Gaan van deze kust naar de and're In het stille rijk der dooden!quot;

ocr page 272

260

15

„In gedachten vaak verloren Zit mijn vader, diep bekommerd: Wat ontroert hem, wat ontrust hem. Als het oog omtraand hem schemert?

Treurig zoekt zijn blik mij dikwerf,

Doch zijn oog ontwijkt het mijne;

Kijkt voor zich en lacht zoo droevig, O, dan moet ik gaan en weenen.

Nimmer noemen zijne lippen

Ooit den naam, dien 'k niet durf noemen

Is het niet, alsof hij heimlijk

't Eens gevelde vonnis doemde?

Dikwerf raadslaagt hij met Diethelm En vermaant den braven oude.

Dat hij 't al te Havikshove Wel naar recht en regel houde.

Kan hij hopen, dat de Valk nog Ooit naar d' ouderhaard zal keeren? — O, ik beef bij de gedachte.

Dat het toch nog mooglijk ware.quot;

ocr page 273

261

16

„'n Tweetal panden, dierb're panden, Liet hij achter bij het scheiden,

Rijken schat, waarom het rijke Koningskind mij mag benijden.

'n Tweetal panden, dierb're panden: Hier den ring tot zijn gedachtnis.

Daar het zwaard om 't weer te geven. Wil een God hem heemkeer schenken.

Heemkeer! Als hij in de droefste Stonde nog op heil bleef hopen, Ondanks lijden, onspoed, oneer. Zoo was 't onrecht, als 'k versaagde.

Ring, om trouw aan hem te denken. Rust daar vredig op mijn boezem; Zwaard, tot hij u op komt vord'ren, Wacht op hem in veil'ge hoede.quot;

17

„Mag de man met woord en ijzer 's Noodlots woeste krachten tarten, Des betaamt hem; 't vrouwewapen Is 't gebed en stil berusten.

ocr page 274

262

Wachten wil ik dag en nachten Zonder wank'len, liefde- en trouwvol: Rijke God, vergeef mij, arme,

Dat ik hem nooit ontrouw worde.

Hoor mij, rijke God des hemels;

Bidden wil ik dag en nachten:

Doe met hem naar uwe goedheid, Wat hem baat; Gij kent de waarheid.

Open hem de omnevelde oogen,

Voer hem van den weg der dwaling; O, ik weet, hij zocht u lang reeds; Help hem, Heer, dat hij U vinde.

Zie op hem, den diepverneerde.

Trouwe God, met milde blikken;

Laat een vonk van uwe goedheid Hem erbarmingvol belichten;

Giet een scheem'ring van uw lichtgloed Op zijn donk're levenspaden:

God, mijn God, zend in zijn ziele Slechts een straal van uw genade!quot;

ocr page 275

263

18

'k Zag hem 's nachts in mijne droomen, De herinn'ring doet mij beven,

Hoe hij kampte met een woesten Reuzendraak op dood en leven.

Steigerend, met open kaken Stortte 't monster op hem neder,

Grauwe damp walmde uit den pekmuil, Woede en vuur spatte uit zijne oogen.

Schubbenkronkels, grimm'ge klauwen. Zag ik toen het lijf omprangen,

Duidlijk hoorde ik 't: ,Hildegonde!'

In het halfverstikte jamm'ren.

Vliegen wilde ik, hem ontrukken Uit des ondiers klauw en tanden,

Doch verlamd, omstrikt, gebonden Konde ik ,God, mijn God!' slechts klagen.

Doch — de draak zwom in den bloedplas! En mijn held? — Van licht omvonkeld Straalde 't aanzicht, zalig lachend Hield hij 't kruis zijns zwaards geheven.quot;

ocr page 276

264

19

„Bloeme en klaver langs den veldweg. In den meidoorn zingt de lijster: Lange winter, droeve winter, — Ay, hoe heb ik 't kunnen dragen!

Zie ik rugwaarts: vreezen, hopen; Zie ik voorwaarts: hopen, vreezen; Altijd-door dien ouden twijfel, Altijd-door hetzelfde klaaglied!

't Is vergeefs aan wind en wolken, Zonne en maan naar hem te vragen: Of hij ademt, waar hij ademt,

Eéne kan het mij slechts melden;

Eéne, aan wie de hemelpelgrims, 't Yogelheir, hun boodschap dragen: Of zij ook op 't Frankenmeisje Dies vertoornen, 'k wil het wagen!quot;

ocr page 277

XIX.

Slmar in den ^Kloostertuin.

„Ga ik door de kloostergaarde,

Als de lente er zacht komt weven, Dan verbaast mij, dat 'k nog adem Na zoo 'n strijd op dood en leven;

'k Adem, wijl met wond're trouwe Goede menschen bij mij waakten, — Christ'nen bij den ongedoopte, — En het lichaam heling schonken.

Enkel 't lijf: een ziel vol wonden Schenkt geen denker artsenijen! Kwam zij krank in deze hallen, Zorglijk krank, hier werd zij kranker.

ocr page 278

266

Kwam zij krank van haat en liefde, Zorglijk krank te dezer plaatse,

In de kloostercelle werd zij Kranker door des twijfels kwalen.

Beide zijt ge, pater Prior,

Wijs en goed; dies moet ik klagen: Al uw wijsheid en uw goedheid Heeft mij bitt're vrucht gedragen.quot;

2

„Beide zijt ge, pater Prior,

Wijs en goed, doch mij ten smarte;

Sinds ik naar uw fluist'ren hoorde Zijn mij vrede en vreugd geweken. —

't Jonkske zoekt in 't woud naar vruchten. Waar zich blad en bes verdringen;

Altoos rijper, altoos rooder Blozen zij ter heuvelklingen;

Zomerzoete, groote vruchten.

Altoos rooder, altoos rijper Blozen ze in der dalen bochten.

En het jonkske trekt deze ijver.

ocr page 279

267

En deze ijver trekt het jonkske Altoos dieper naar de dalen, Tot hem heuvelkling en dalbocht In hun raadselen omstrikken.

Vreemd is hem der bron gesteente,

Pi

^ li mi

.I-S

: ■

Vreemd de beek, de hupsche wandlaar,

I

Vreemd de rots en op de rotsen Zelfs der zonne schijn een andre;

i!i 1 ^

Vreemd de bloemen, vreemd de boomen. Vreemd de voog'.len in de twijgen: Ach, wie zal den armen jongen Op den doolweg 't huis weer wijzen? —

Pater Prior, pater Prior,

Uwer wijsheid lieve lessen Voerden mij op 't doornig doolpad. Lijk den knaap de roode bessen.quot;

k

' 'h]4

„Wordt den mensch met eend're mate Leed en lust hier toegemeten,

Dan zijn strikte goön mij schuldig Zonneschijn en blijde dagen.

i |

ocr page 280

268

Wat 'k beleefde, was steeds donker! Gij hebt mij in 't kwaad gesteven, Wodanspriester, gij hebt 't weeke Knapenhart met haat vergeven.

Dan een roes, van zege dronken Tuimling op der Wiking tochten: Was 't geluk, het blij bewuste, 't Rustig ademend genoegen?

Dan des boozen nijd, die midden, Midden mij in 't hart moest treffen: Achting, ziekte, zieleworstling En 't beminnen zonder hopen.

Tot in 't hart verkwijnd, verbitterd, Zie ik rond mij puin en scherven: — O, gij al te trouwe plegers.

Waarom liet ge mij niet sterven! —

Wordt den mensch met eend're mate Leed en lust hier toegemeten. Dan zijn strikte goön mij schuldig Zonneschijn en blijde dagen.quot;

ocr page 281

269

4

„In de bergen is een plekje,

quot;Waar de storm, de woest-ontboeide. Brekend door de hooge hallen,

Tot den grond het woud vernielde.

Uitgerukt, geknakt, verbrijzeld Liggen daar de machtige eiken;

Onder weegbree, onder biezen Molmen hunne reuzenlijken;

Op elkander, door elkander Stam en takken, woest verwarreld; Losgereten staan de zwarte Wortelklossen in het daglicht.

Wie van lentevreugde droomden. Vinkenslag en bloemgetoover.

Sloeg de toorn van 't buldrend weder In éen winternacht tot splinters.

Leeg en woest! — Zoo woest en ledig Was mijn leven, d' Enkle stonde Wierp de bloesem volle boomen Mijner hoop zoo wreed ten gronde.

ocr page 282

270

Woest en ledig! Rond de dooden Weven zich, als donk're draden Eenen runensteen omhuiven, Al mijn treurige gedachten.quot;

5

„Was er niet de nijd der goden, 't Menschdom kon gelukkig worden; Was er niet de haat der menschen, O, het was zoo schoon op aarde!

Wrokkend spiên de lotsbeschikkers Van hun donk're wolkenzetels;

Wil een hart in hoop ontknoppen. Aanstonds dreigt hun gramschapsbliksem.

Wil een hart in vreugd ontbloeien Op zijn eerste, zachte spruiten Sling'ren zij met ruwe handen Wintersneeuw en hagelbuien.

En de zoon der aarde, om allen Nood ten hoogsten top te voeren.

Slaat met weerslag zijns gelijken. Dwingend met gevloekte wapens.

ocr page 283

271

Neen, geen hongerzieke wolven, Die een kranken reebok vonden En elkaar dien buit betwisten.

Slaan elkaar zoo 'n diepe wonden! —

Was er niet de nijd der goden, 't Menschdom kon gelukkig worden ; Was er niet de haat der menschen, O, het was zoo schoon op aarde!quot;

6

„Eerloos, weerloos! Van de bosschen. Al de hagen, al de heiden Werd mij zooveel niet gelaten.

Dat 'k een wandelstok kan snijden.

Eerloos, weerloos! Van de hoeven Niet een smal, armoedig hoekje, Van de huizen niet een plaatsken Om een driestal neer te zetten.

Straten heeft deze aard, vier straten, Open sedert duizend jaren:

Waar het veerken, dat ik wegblaas, Henenvliegt, daar kan ik varen.

ocr page 284

272

Ver, zoo ver de wat'ren stroomen, Rechtloos, vreêloos! Lijf en leven Zijn den moord'naars als den wolven. Zijn den raven prijsgegeven.

En de ziele? Zonder antwoord,

Moet ik vragen, altoos vragen:

Wist 'k een plaats voor haar, het andre O, al 't and're zou 'k verdragen!

Mag zij vliên naar quot;Walhall's goden?

Zijn zij? - Naar den God der christnen Is Hij ? De vermoeide strijder Woelt in twijflen rond en twisten.quot;

7

„Geene goden zitten boven Op de grauwe wolkenstoelen;

Geene, dan de rotsenharde,

Die noch leed, noch meelij voelen;

Geene, of 't zijn dan doffe slapers; Die op donzen peluw geeuwen, En, vergetend als vergeten,

Heen zien trekken eeuw na eeuwen.

ocr page 285

273

Walhall? Morgendroom van 't jonkske, Bij 't ontwaken snel vervlogen! Thlatgrim, de Friesche grijsaard,

Heeft, naar 't schijnt, veel voorgelogen.

Leef ik niet? En, wat er levend In mij werkt, waar zal het blijven? Zal het nietig, als zijn wade.

Die 't omsluit, in storm verdwijnen?

Zonder antwoord moet ik vragen. Zonder troost, waarheen 'k mij keere. En verschrokken staren de oogen In den nacht, in 't eeuwig ijdel.quot;

8

„Kunsten leerde ik, ed'le kunsten, Hoog're kunsten leerde ik zeven.

Lijk het deden onze vad'ren,

Lijk het Noordlands mannen deden:

Runen lezen, runen grifflen En der harpe snaren roeren,

't Smeden van het taaie slagzwaard, En 't in 't strijdveld eerlijk voeren:

18

ocr page 286

274

Onverwrikt een ros berijden, Zwemmen door onstuim'ge Sonden, En met pijl en speer van verre Zonder falen doodlijk wonden.

Kunsten leerde ik, ed'le kunsten, Hoog're kunsten leerde ik zeven ; Weinig baten zij, slechts éen, de Zwaarste, is me onbekend gebleven:

Kon ik denken, wat ik wilde. En vergeten wat mij goeddacht, Zonn'ger waren mij de dagen, Rust'ger waren mij de nachten.quot;

9

„Hen benijd ik, die bij 't stralen Van Germanje 's glorie zonnen. Die met zwaarden, niet met woorden Vrij hun meening zeggen konden.

Daadloos sleep ik mijne dagen! O, ik heb den tijd tot denken.

Tijd tot zinnen en tot zoeken.

Tijd genoeg mij zelf te krenken.

ocr page 287

275

En de paters, zij omhuiven Mij met onbaatzucht'ge liefde,

Mij ter kwelling, 'k droeg veel lichter Strijdknotslag en zwaardenhouwen.

Zwerven wil ik door de landen,

Op de wat'ren wil ik drijven;

Doodlijk is 't mij hier te broeden, Altoos kan ik hier niet blijven.quot;

10

Van den vadergrond te scheiden,

O, dat is zoo bar en bitter;

Moet ik scheiden zonder hopen,

'k Ben dan dood nog voor te sterven.

Moet ik scheiden zonder hopen,

Lijk het hert op 't brooze drijfijs. Dat stroomaf zeilt naar het zeebed, 'k Vaar dan troostloos op mijn uittocht.

Doch in diepverscholen bergkrocht,

Waar de grauwige ever rond woelt. Kon ik schuilen met den woudgeest, Steelswijs, lijk de vos in de aardkuil,

ocr page 288

276

't Wild gediert' bij wilde dieren; Dan uit nood een dief, een moordnaar, Dan uit wraak en hoon een hoofdman Van gebannen misdaadplegers. —

Arreme Elmar! dooien, dwalen Langs de zeeën, door de landen:

Vindt gij u geen graf in eere,

Zoek u 't graf dan zonder schande.quot;

„'s Wintersnachts bij 't vuur der halle Wist eens Wilfried Thorkell's gasten Noordlandssagen te verhalen Van het wijnland, ver in 't Westen,

Dat het eerst de rossige Erik, Dan Björn Asbrandszoon moest vinden. Toen hun reizensmoede kielen Zwierven van de Sond naar Sonden.

Droomvol wonderlijke sagen Van der wouden reuzenkronen.

Van die arme, roode mannen.

Die in hunne schaduw wonen.

ocr page 289

277

Van het warlend kreupelhout, van Bloemenslingers, looverranken,

Waar slechts moeizaam gladde jagers, Hert en beer het wildpad vinden;

Van de zeldzaam bonte vogels. Die door struik en krone vliegen. Of wel, lijk de grauwe wolken Bocht- en klippentooi omwuiven;

Van des bevers waterdorpen,

Van der duive wandeltochten.

Van des buffels weidegangen

Van der sneeuwgans hoogen vaarweg;

Van 't gekrul der wijngaardranken, Die om stam en twijgen kronk'len, Van de purperroode druiven.

Die der zonne gloed omvonklen;

Van het tarweveld der vlakte Tusschen vloed en rotsenpijnen. Lansenschachten zijn deez' halmen; Gouden knodsen al deze aren;

Van de diepe stilte in 't oerwoud. Als de stille sterrenballen Gloèn, en wijd weergalmt het doffe Nachtlijk lied der watervallen;

ocr page 290

278

Als der bosschen vrome zonen Uit de ompelsde hutten treden En den grooten, onbegrepen Geest aanbidden, 't hoofd geheven.

't Verre land! In kinderonschuld,

Niet gestoord door twist en tweedracht Tusschen goden, tusschen menschen. Slaapt gij in de wieg der waat'ren!

Of de grauwe waterwoestheid U verbergt in nacht en nevel.

Toch nog vind ik u; den vluchtling Is de nood een goede stuurman.

Uitgestooten door de mijnen,

Wilde wolf in de eigen gouwe.

Zie ik voor mij strik en groeve.

Achter mij der drijvers boeien.

Prijsloos werd ik als de mosplant.

Lijk de paddestoel ten bergkant, Dat het hert der wouden plattreedt. Achtloos plattreedt op zijn paden;

Prijsloos als de dennenknoppen,

Die de storm met schors en naalden. Overmoedig als zijn speelgoed In het heideveen deed werpen.

ocr page 291

279

Heerlijk land in 't wijde quot;Westen, Ver en eenzaam! — Spreid uw vleugels Vrije Valk, gij heemsteêlooze.

Zoek al worstlend u een heemstee!

Spreid uw vleugels! Al te lang reeds Hebt gij droomend hier gezeten;

Voort, naar zee: daar in den vreemde Alvergetend, alvergeten!quot;

12

„Ga ik eenzaam door de struiken, Zit ik eenzaam in de celle.

Onverdroten, aan mijn zijde.

Volgt een trouwe spreekgezelle.

Immer lispt hij: ,wacht nog, wacht nog Immer fluistrend: ,blijf nog, blijf nog; Alles plooit zich, eer de zon in 't Hoogste zomerspoor zal schijnen!'

En ik wacht nog, wijl ik dieper Mij verlies in 't eindloos zoeken,

En ik blijf nog, — Hilda, 'k blijf nog. Wijl gij voor mijn geest blijft zweven.quot;

ocr page 292

280

13

„Wind, gij ongeziene wandlaar,

Vluchtig is uw tocht van 't quot;Westen, Als gij uit de dennentoppen Naar der eiken kronen huppelt;

Als gij rondbriest door de blad'ren. Als gij keuvelt met de twijgen.

En, al luist'rend, halm en bloesems Al hun snugg're kopkens nijgen.

Al den bloesems, al den halmen Fluistert gij een minlijk groeten Van de kroontjes, van de kelken. Die in 't blauwe woud ontluiken.

Wind, gij ongeziene wand'laar,

Ruisch al voort door struik en heggen; Van de bloeme, die ik liefheb,

Weet ge mij geen woord te zeggen.quot;

ocr page 293

281

14

„Wist ik haar in veil'ge haven,

Met de stormen streed ik gaarne;

Alle smarten wilde ik dulden,

Bleef zij vrij van iedre smarte.

Waar 't heur beter, was 't mij wenschlijk, Dat haar toch geen smart genaakte, Dat, zoo dikwerf zij aan mij dacht,

Nooit het hart heur hanger klopte?

Of zij nimmermeer aan mij dacht? 't Wrangste woord van alle wrangheên! Bitt're dood; vergeten-worden Is nog bitterder dan 't sterven.

Ay, een liefde is geene liefde;

Dat zij door twee harten vare,

Is heur recht, en beiden brenge Smachtend leed en bloênde weeën.quot;

ocr page 294

282

15

„Grijze Prior, uwe lessen Zijn verstandig, zeer verstandig; Overweeg slechts, grijze Prior, Dat gij dood zijt en — ik leef nog.

Uwe lessen, grijze Prior,

Zijn als sneeuw gewolde vlokken, Dwarlend van den killen hemel Op der lente bloemenklokken.

Oude menschen, koude menschen! Is hun hoofd geen grauwe winter, En hun lang verkoelde harten Zijn gestolde, harde sintels.quot;

16

„Wonderlijk! Een oud vertelsel,

Dunkt het mij, gehoord in 't droomen Zinnend zat zij onder d' appel-Boom, den schoot bedekt met loover.

ocr page 295

283

Witte bloesemblaarkens werend Van den schouder, uit de lokken, Gaf zij mij de groeten weder.

Lieflijk blozend, zacht verschrokken.

Eén ding had ik haar te zeggen; Doch intusschen zeide ik immer, Wat ik haar niet had te zeggen. Wat ik moest, zei ik haar nimmer.

Van den grooten grauwen wolfshond, Trouw gezel op al haar wegen, Van een merelnest met jongen.

Sprak ik, en van beekforellen.

Wonderlijk! Geslepen aksten Zag ik koen in 't oog mij blikkren. En daar stond ik voor een meisje Bloö, met neergeslagen blikken.quot;

17

„Voelde ik dikwerf in het harte Beter toekomst zachtkens rijzen. Dan hield mij een doodsbleeke Idis,

Streng van blik, het kruis voor de oogen.

ocr page 296

284

Beeldschoone Idis, ja, ik weet het, Waar de weg van ons uiteenloopt. Gij kont wel den Sakser minnen. Ook den bannling, nooit den heiden.

Gij kont wel den beed'laar minnen. Doch den kruisverachter nimmer;

Daar de weg van ons uiteenloopt,

Vaar dan wel, vaar wel voor immer!quot;

18

„Sta ik voor den Tooverheuvel, Dan ruischt zoete klank daar binnen: ,Kom tot ons, alleen bij de onzen Zult gij hulde en heil gewinnen!

Kom tot ons, reeds lang, zoo lang ver-Trouwen we ons aan 't blonde knaaplijn Kom, en alles wordt het uwe.

Kom, en alles zult ge ontvangen!' —

Eéne wenkt mij, treurig lachend. En mijn hart wil naar deze éene:

,Ja, ik kom!' — riep ik haar tegen; ,Neen, ik kan niet!' moet ik weenen. —

ocr page 297

285

Sta ik voor den Tooverheuvel,

Zoeten zang hoor ik daar fluistren: Yoort, al voort! — Doch als gebonden Moet ik staan en luistren, luistren.quot;

19

„Van uw woorden, grijze Prior,

Ging geen enkel mij verloren,

Klaag niet, dat uw trage leerling Naar u hoorde slechts met de ooren.

Allen heh ik wel begrepen,

Overwogen diep in 't harte:

Grijze Prior, geen vertroosting Bracht ge mij, maar nood en smarte.

Geen geloof, maar hangen twijfel. Ook geen rust, maar dolend zoeken: Immer jagend, immer vragend. Zweven wanklend mijn gedachten:

Lijk door storm verdreven duiven Yer van de ouderlijke beuken, Tusschen zee en hemel fladd'ren En vergeefs een eiland zoeken.

ocr page 298

286

Zonder pad is 't Wauw des hemels,

Ik ben radeloos en moede,

Waar 'k naar smacht en wat 'k blijf zoeken,

Is 't geluk? Neen vrede, vrede!quot;

20

„Wat onzaal'ge tijd! De vreemdling Heer des lands, de trouw belogen, 't Recht gekrenkt, 't geloof der vad'ren Dood, en 't nieuwe vol van raadslen.

Ware ik grijs, verkroppen zoude ik Al de ellende van voordezen.

En in 't sterven van des levens Lange ziekte ras genezen.

Jonkheid werkt en wacht; verloren Was mijn streven en mijn zwerven! 's Werelds leven was mij baatloos, 'k Zal uit nood der wereld sterven.

Zalig, wie van haar gescheiden,

Zich een kluiznaarshut kan bouwen. En van 't hofken aan den woudzoom, Nijdloos in 't gewoel kan schouwen;

ocr page 299

287

Mocht hij, daar de Geest hem voerde, In de kloostercel gezeten,

En in 't eeuwige verzonken,

Tijd en 't aardsche leed vergeten.quot;

21

„Zelfs geen muschke valt van 't huisdak, Van uw hoofd valt zelfs geen haarken Zonder God en Godes wille!

Goede Prior, wie 't geloofde!

En gij zeidet: Zijn genade Voerde mij in deze stilte Uit de wereld, om te toonen,

quot;Welke 's werelds rechte weg was.

En gij spraakt, dat ook het kwade Hem ten heil wordt toegemeten.

Die 't uit liefde Gods wil dragen: — Goede prior, wie kan 't weten!

In mijn hoofd woelt vloed en ebbe: Wil dat worstlen eens bedaren,

Goede Prior, menig raadsel Moet ge mij dan nog verklaren!quot;

ocr page 300

288

22

„Ook den vijand moet ik minnen?

Pater Prior, welk verlangen!

Slaat mij iemand, 'k zal 't dan dulden, Hem zelfs beide wangen bieden?

Strenge monnik, honderd plichten Leert en eischt gij, zwaar om te oefnen, Doch de bovenmenschlijk zwaarste Dunkt mij, 't minnen van den vijand. —

En gij doet het; 'k ondervond het Aan mij zelf! — Nu zwijg, gij spotter, quot;Wodanspriester; deze menschen Kunnen meer dan onze goden!quot;

23

„Wankle ik tusschen God en goden, 'k Sla geloof thans aan het menschdom, Dat ik haatte: een goddlijke adem Leeft en werkt in 's aardrijks gasten.

i ■ ,

I

ocr page 301

289

quot;Was 't door vrome macht van 't goede, quot;Was 't geheime kracht van 't booze, Dat 'k genas van zware ziekte Na het maandenlange dobb'ren?

Oude drnde, stamt uw kennis Uit des afgronds duisternissen? Uw bezweren is uw zoeken, Uw getoover is uw kennis.

Uwe bloemen, uwe kruiden Spruiten blij bij 't licht der zonne. En met reine handen schept gij Uit des bergs kristallen bronne;

,En met reine handen boden Goede menschen mij den beker, Christenliên den heiden, paters Den verbannen wetverbreker. —

Daar zijn wonderen, wier werken Kooit ten einde zijn geschreven; 's Menschen geest met al zijn vorschen, 's Menschen hart met al zijn liefde.quot;

19

ocr page 302

290

24

„Vaak verschijnen mij gedaanten,

Lijk in 't droomen bij de koortsen.

Ja, zoo was het eens: een jonkvrouw-Zat daar zwijgend voor mij neder;

Zwart was 't kleed, een kruis ten boezem. Wit haar keurslijf; reine goedheid In beur blikken, op de wangen Sneeuw der lelie, gloed der rozen:

Caritas, een christen maagd'lijn,

Altoos liefdrijk, altoos gunstvol,

Altoos rijk aan moed en troosting. Offervaardig en geduldig.

Alzoo zag ik haar, de vrome.

Daar ze mij met zorg omhuifde,

Of het hoofd zoo diep gebogen,

Biddend knielde voor mijn ziekbed. —

Caritas, wat voert ge een bittren Langen tweestrijd in mijn boezem! Dwingt de macht der menschen nekken, Goedheid dwingt der menschen harten.

ocr page 303

291

Voor den sterken God der christnen, Voor de zoetheên van zijn leering Boog ik gaarne, zoo niet vloekb're Franken haar verkond'gers waren.quot;

25

„Hoe, als wij verwonnelingen. Wij de Franken deden buigen, Hadden wij dan de onderworp'nen Onze goön niet opgedrongen?

Hadden wij de goede paters Niet bespot als ijd'le zwetsers? De verwinnaar heeft de waarheid. De overwonn'ling is een ketter. —

Wat is waarheid? riep de Romer Spotswijs in de christensage; 't Eeuwenoude wereldvraagstuk Stijgt ten hooge zonder antwoord. —

Zal des menschen oog aanschouwen, 't Hemelwelfsel moet zich oop'nen. En een weerglans van zijn lichtbron In 't beneveld harte stralen!quot;

ocr page 304

292

Alzoo spraakt gij, wijze Prior! — Moet ik bidden? Zal dat baten? Zoo ik bid, zal dan bij 't bidden Mij Gods openbaring komen?quot;

ocr page 305

XX.

'Twee vrouwen.

Schemernacht! Door struik en loover Voer dat heimnisvolle beven Als een droom van lente en liefde, Vinkenslag en bloesemleven.

Voor de grotdeur van de Drude Sproot de vaarne, uit vaal omhulsel Half ontrold; de welbron lispte Zacht in 't mos; dan diepe stilte.

Naast de welbron zat een maged,

Met de hand ter knie gevouwen,

Moede en bleek. — „Hoe ijslijk eenzaam Vind ik thans der bergen gouwen!

ocr page 306

294

Hoor, een kreet, als in het luchtruim. Ver en dof! — Het is de reiger. Noordwaarts trekkend nacht aan nachten Van de Ne the naar het heiveen.

Donker staat het woud; als spoken Eekken zich de zwarte stammen.

Dierlijk woest; de wortelknorren Stakk'len lijk de draak hun kammen.

Nadert niets van hier en ginder? Wolfsgehuil en stormgedonder Wekt mijn vrees niet; 't doffe broeien Van de stilte doet mij gruwen.

Arme Hilda! — Vroeger ging ik Vrij en vrank bij helder daglicht; Steelsgewijs, langs dievenpaadjes Sluip ik thans langs donk're wegen.

Eens, met zonneschijn in 't harte.

Wilde ik altoos, wat mij toekwam. Steeds getroost, wijl op der plichten Pad ik me altoos wel bewust was:

Thans, door nood en leed gedreven,

Volg ik d' aandrang vol geheimen;

Eene zoek ik, die ik vreesde,

Wie mij haat, verwacht ik angstvol.

ocr page 307

295

Of zij komt, de nare woudvrouw? Ay, mijn ziel bestormt een tweestrijd: Bange vrees, dat 'k haar zal vinden, Kommer, dat zij niet zal komen.

Zoo zij komt, wat zal ik zeggen? Zoo ik spreek, wat zal zij denken? Zal zij niet met barsche rede,

Blij in 't leed, den kranke krenken?

Zal zij niet de vreemde bannen En het christen meisje vloeken?quot; — „Neen, zij heet u gaarne welkom,quot; Sprak ze zijwaarts uit de beuken.

„Neen, met smaad en harde woorden Zal ik u niet overdekken:

Jong en oud, sinds honderd winters. Heeft zij meer dan gij geleden.

Mannenstrijd betaamt den mannen, 't Wraakgericht is 't recht der goden; 'k Leerde veel, vooral dit eene: Lijdzaam dulden hoort der vrouwe.

Kom, ik zet me naast u neder!

Wat u drong aan mij te vragen.

Weet ik reeds; een wilde vogel Kwam 't mij heden overdragen.quot; —

ocr page 308

296

En de jonkvrouw sprak nu blozend : „Wijze vrouw, gij zijt zoo goedig, 't Minlijk woord komt van uw lippen Lijk het kind hoort van zijn moeder.

Wat mij kwelt — om mijnentwille Heeft hem al het wee getroffen! —

Moet ik treuren om den doode.

Of mag 'k zijn terugkeer hopen?

Leefde nog mijn moeder — eenzaam Ben ik en wien kan ik 't klagen? Weenen moet ik —Wala zeide:

„Kind, ik wil u alles zeggen!

Dien gij mint, hoewel genezen.

Toeft nog zieklijk bij de Stillen,

Yrij in boeien; slechts gekluisterd Door zijn keuze en 't-vrije willen;

Van de zijnen ver, nooit verder,

U het naast en nimmer nader:

Om in 's menschenborst te lezen Heeft men geen profeet van noode.

Zoo niet u, dan toch een ander Zal ik dra mijn bode zenden;

Liefde toornt en — mint; 'k blijf houden 't Woord gegeven aan een doode.

ocr page 309

297

Als de brem bloeit aan de ranken, Als de roze gloeit ten gaarde.

Zal een Frankisch maagdlijn lachen Doch in tranen. — Kunt gij wachten?

Wist ik meer, ik zei 't n gaarne; Al uw leed, uw spraakloos smeeken Koert mij diep; slechts vrouwenharten Kunnen vrouwenweedom peilen. —

Sterren stijgen, sterren dalen:

De onze duiken in de omsluimring. — Brak de wolf zijn tooverketen,

Kroop de zeeslang over 't duinzand?

Is de kamp ten quot;Wigridvelde.

Dien de Wala zingt, begonnen? Gij slechts weet het, stille maagden, Toevend aan der tijden bronnen.

Ledig was 't hier lang, nog leeger Wordt het hier in 't hol gesteente, Eer de roze gloeit ten gaarde.

Eer de brem bloeit aan de ranken.

Eenzaam maken nood en jaren, 't Weldoen meer nog dan deez' beiden; Dank is last; de trage schuld'naar Mint den eischer te vermijden.

ocr page 310

298

Eenzaam werd ik; reizerschoeisel Voegt zoo min bij grijze haren :

Toch zal ik met d' een'gen trouwe, Met mijn wachthond henen varen.

led're gunst, zelfs de allerlaatste,

Blijft na druk en ongevallen Mij ontzegd, en de armste rust nog In den schoot der moederaarde.

Ween niet, kind! — Gij zult hem groeten, Dien gij mint; met vocht'ge lokken Zult ge hem verwellekomen,

Doch mijn haar blijft onbesprenkeld! —

Kom, 'k geleide u, 't wilde water Spert den weg met tronk en groeve. En 'k zie de oogen mijner wachters Gloeien daar ten duistren gronde.quot; —

ocr page 311

XXL

oAbt Lföarin.

In 't convent te Dertienlinden Zat de abdijheer stil ter celle, Bladen dekten de eiken tafel, Rollen dekten de eiken leez'naar.

Naarstig schreef hij veel getallen, Meen'ge rij van vrome giften, 't Huis des Heeren toegezonden. Heinde en veer door milde gevers

„Brunicho van Zeven-hoeven, In de Mark van Wolfaartseiken, Jaarlijks veertien schepel rogge; Digg van Dusterloo hetzelfde.

ocr page 312

300

Merk hier wel, men zal de brengers Goed op brood en bier onthalen Bij het haardvuur, maar de paarden Moet een ieder zelf verzorgen.

Verder; Fridemar van Rohrbeck, t' Pinkstren, dertien pond forellen; Voorts denzelfde een korf met biezen, 't Strooisel voor de kloostercellen.

Guntram van Tweehonderd-jukken Op den Brink ten scherpen uitweg Met Sint-Peter zes mud brouwgarst; Ado vaart, en leent de zakken.

Dan van 't hof ten Aldandorpe Asmar jaarlijks twaalf denieren. Een ton zout en ook een slachtbaar Hert in 't jaar, dat volgt na dezen;

Idem nog een leeren handschoen In de twalef heil'ge nachten Voor den Abbas; om den and're Dan een linksche, dan een rechtsche.

Voorts nog: Sigiburg, de weduw. Van het vee in plaats van tijnsen Op Sint-Thomas tarwekoeken. Reikende van voet tot knieschijf.

ocr page 313

301

Ansfried voor de Meuwbroek-tienden Met Sint-Veit drie vette schapen; Meginhard, de smid, is borgtocht; Bij verzuim nog eens als boete.

Hathugrim, ten Donderberge,

Eénen haan met dertien hennen Voor de zielrust van zijn vader Markolf, die de goden diende.

Dodiko van Everbronne Eenen pels van lammervellen ledre negen jaar; daarbij nog Twintig el grijs linnen laken;

Idem tien en negen schutters En een ruiter in het noodtij.

Verder: — maar genoeg! 'k zal morgen Het register verder schrijven.quot; —

In 't convent te Dertienlinden Zat de Abdijheer stil ter celle;

O, hoe klonk uit lindeloover Thans de lijsterslag zoo luide!

Want de winter was verdwenen, 't quot;Wilde woud en gaarde bloeide; O, hoe zong thans 't lied des lijsters In den boezem van den grijsaard!

ocr page 314

302

Enkel hoop? — Heur looverranken, Droomenrijke bloemenklokken,

Fladd'ren niet om grijze schedels,

Spelen slechts om blonde lokken.

Neen, geen hoop! De veel bedroog'ne Leerde ontgoochling met de jaren.

Doch daar bleef hem nog de heug'nis Aan de lente, heen gevaren.

O, een vreugdevolle erin'nring Aan der jonkkeid lieve lente Ver in 't Zuid, en al die rijke Met het zwaard verworven kransen.

Eens — aan de Ebro was 't — als gieren Zwierf het Moorenvolk in 't ronde; Rustig, als uit erts gegoten.

Stond de schaar der kruisbelijders.

Hunk'rend naar den strijd liet de Emir Hoog het staal in 't ronde bliks'men — En — men klopt daar; ned'rig buigend Stond de Sakser voor den grijsaard.

„Waardige Abt, de leeuwrik kwettert. Veld en weide ging ontspruiten;

'k Moet thans scheiden; uw gastvrijheid Mag 'k niet langer meer genieten.

ocr page 315

303

quot;Wat ge in liefde aan mij gedaan hebt, Loon uw hart u en Degene,

Die genas den zoon des Hoofdmans, Hij, uw God, de Nazarener.

Gunst en goedheid te vergelden, Hoe mag dit een gast geschieden Arm als ik, arm als de raven Op 't geboomte in 't hart des winters!

Neem dan, wat mij bleef, den kaar'gen Dank des monds in stee van 't andre; Dit nog; wat gij deedt, had 'k gaarne U gedaan; — laat mij nu scheiden.

'k Moet langs vreemde straten varen, Kommervol op donk'ren doortocht. Tot een god, bij droom en aanvang Mij den weg wijst in den doolhof.quot;

En den Abt, zijn rechtsche biedend. Weende 'i luid, ten eersten male Sinds hij aan de baar der moeder Eenzaam in de leege hal stond.

De abt hield nu met beide handen Hem omkneld: „Wat zijt gij haastig! Straten zijn er, honderd straten, En maar de enkle leidt tot vrede.

ocr page 316

304

Spreek, waarheen?quot; — „Ik ken in 't Noorden Een geleerde in 't land der Friesen,

Die mij, knaap nog, hooge dingen Vol van ernst heeft onderwezen.

'k Zal hem vragen —quot; „Vraag den blinde Naar de kortste en kromme wegen!

Elmar, vraag n zeiven; hebt gij In uw hart geen stem vernomen?quot; —

„O, ik dacht soms —quot; „Ja, gij dacht soms, Ja, gij zocht om niet te vinden!

Jonkheid oordeelt, en haar oordeel Is als duinzand, spel der winden.

Stage wiss'ling van uw wenschen,

't Eeuwig wank'len van uw zorgen,

Al uw hopen en vertwijflen,

Elmar, noemt gij dit gedachten?

Wat gij wilt, dat wilt gij nimmer;

Wat ge ontvliedt, begeert ge ook gaarne; Als een doodlijk diepe wonde Vlijmt een tweestrijd u door 't leven.

Hielp het, zoo ge op hof en hoeve Lijk ge waart, terug kont keeren? Gij verloort aan 't wederwinnen,

Toch nog wont gij in 't verliezen.

ocr page 317

305

im

-1' I

quot;Wat u smartte en heelt, dat weet ik Beter dan de man in 't Noorden:

Elmar, word een christen! G-eestlijk Zijt ge een tijd lang reeds gekerstend.quot;

„Christen, ik?quot; — „Sinds zorg en kommer Zijn uw nare slaapgenooten!

Elmar, al wie zoekt, zal vinden,

Al wie klopt, dien wordt ontsloten.

i

De arme menschen, heen en weder Doen zij recht, zoo 't uit mag vallen: God, de rijke, in eeuw'ge liefde Mint en ment Hij u en allen.

Riep Hij u? Hoe vaak! Zijn roepen Overstemde wind en wat'ren; Eindlijk kwam Hij zelf. Hij zelf ge-Leidde u naar de kloostercelle,

Bloedend, ziek! Uw wonde heelde. Ook uw ziekte is wel genezen. Doch gij twijfelt, wijl een lange Al te lange ziekte u kwelde.quot; —

Spraakloos stond de jonge Sakser,

't Oog stond strak en 't lichaam roerloos; Als door 't hemelvuur getroffen Zonk hij voor den grijsaard neder.

i

I

i I

20

ocr page 318

306

Droefnis in de weenende oogen Lag hij smeekend op de knieën,

En de handen vouwend sprak hij: „Zegen mij — en laat mij vlieden!quot;

„Wees gezegend, wilde jongen.

Maar gij moogfc niet van ons scheiden! Kom, wij gaan naar pater Prior,

Hij is wijs en raadt ons beiden;

Wijs en vroom; van al de boeken Kent hij d' inhoud; van een held ook. Die eens varend naar Damascus,

Zal hij strijd en zege u melden.

ocr page 319

XXII.

In 't oKloosterkoor.

Hel in 't koor der kloosterkerke Vlamden 's offers witte kaarsen ; Heller brandden, hooger gloeiden De offervaard'ge menschenharten.

Op het altaar frissche tuilen: Heiliger en reiner bloeiden Roze en lelie in de harten Van die diep-aandachtig baden.

Elmar knielde voor de treden In 't gewaad van sneeuwwit linnen, Zacht gebukt en 't oog gesloten, Als verdiept in zalig zinnen;

ocr page 320

308

Op 't gelaat blonk vrede en vreugde, 'n Zachte blos op kin en wangen, 't Was alsof er in zijn harte 't Heilig vuur was aangestoken.

En een straal der lentezonne Schoot door 't raam in gulden glanse, En omhuifde 's jonglings lokken Met een krans van hooger glorie;

Hij verwon zich en zoo even. Was het water van het Doopsel,

Door de hand des Abts vergoten, Vol gena zijn hoofd omvloten;

Dank den Prior, die den strijder Eerst een helper was en rader.

Thans getuige van de zege,

Naar den geest zijn tweede vader.

Beiden knielden aan zijn zijde, Markward en Warin, de grijze; Dankgebeden, zegenwenschen Overstroomden zacht hun lippen.

Rechts en links de vrome paters Op de donkere eikenbanken In beschouwing; velen dachten Stil aan d' eigen strijd van 't leven.

ocr page 321

309

Sigeward, den zanger, dropten In den baard veel heete tranen,

En de goede Beda kon ter-Nauwernood het snikken weeren.

Lange stilte; en in het venster Nikten blad en bloesemvlokken.

En de warme zonnestralen Speelden om des jong'lings lokken;

En de tuilen op het altaar Aêmden al hare offergeuren.

En der vroomheid bloemenkelken Streefden naar den hemelluchtstroom;

En het Wezergolfken ruischte.

En een buizerd riep in 't mastbosch Eenzaam langs der dennen kronen: „Jonge weiman, komt gij weldra?quot;

En de vink ten gaarde tokte: „O, de wereld is zoo zonnig.

En het wiegen en het vliegen In de lucht, wat is het vreugdvol!quot;

Lokt en tokt maar, hupsche zangers. Wiegt maar voort, gij luchtstroomschipper: Dien gij liefhebt, wil niet komen.

Dien gij oproept, hoort u nimmer. —

ocr page 322

310

Dan zich moeitevol verheffend Sprak nu de Abt van Dertienlinden: „Zalig zij, die leed verduren,

Want zij zullen troost verwerven!

Wees ons welkom! — Elmar, eindlijk Staat gij hier aan de altaartreden Van den Godmensch, die door smarten Lang u liefdrijk heeft geroepen.

Juist door smarten! Nijd en arglist, Laag en laf verraad der valschaards. Ban en smaad en zware ziekte Deden 't hoofd ten boezem buigen.

En gij kwaamt! — Om goed en eere? Kwaamt om Hem slechts te gewinnen. Dien gij sinds uw kindsche dagen, Heimlijk droegt in trouwe zinnen?

O gij kwaamt om voor uw ziele Rust en vrede te verwerven.

Die gij vondt; doch den oprechte Laat de Heer aan 't lot niet over.

Vondt gij door èn leer èn leiding Uit u zelf het pad des hemels?

Door 't gebed voor u? Dat alles Baat, doch Gods gena geeft redding.

ocr page 323

311

Hem zij dank, richt thans uwe oogen Naar den hooge met vertrouwen:

Zalig zijn de reine harten,

Want zij zullen God aanschouwen.quot;

Elmar sprak: „Het nieuwe leven, 't Lang verlangde, zag ik dagen;

En de zwervling dreef ter haven.

Toen hij meende weg te zinken.

Wat hij zoekend na bleef jagen, Ruëteloos in hange stonden.

Rusteloos in haat en veete.

Heeft hij eind'lijk hier gevonden.

Den vergeet'ne, hopelooze.

Duldt hem hier, o goede vaders,

't Zij hij heet een vogelvrije. Een voortvluchtig landverrader.

Duldt hem hier, hij dient u gaarne. En, mocht gij hem waardig achten, Toetst hem, neemt hem in uw midden. Dien gij smachten ziet naar inkeer;

Want hem blijft na blind- en boosheid Veel te danken, veel te boeten;

Al zijn schuld betaalt hij nimmer. Mocht hij heel zijn leven dienen.quot; —

ocr page 324

312

„G-ij moet wachten,quot; sprak de Prior, „God zal raden; zij slechts rustig!

Kent ge u zelf? Is wensch en wil niet Lentesneeuw in jonge harten?

't Past niet ieder, afgezonderd Van de woel'ge en booze wereld,

Stom ter leege kloostercelle Zich, nog levend, te begraven.

Dienen? Wel? Ten dienst behoeft men Hier den smeek'ling, daar den strijder; ■ Weet gij 't beste? De genade.

Die u hierbracht, voere u wijder.

Rust en wacht!quot; — De jongling sloot het Oog, hem gloeiden hoofd en wangen; Pater Ivo zuchtte zachtjes En de zwarte paters zongen:

„Als ter heide een wolkenschaduw Vaart en vliedt het menschenleven: Siddert! In des levens midden Zijn we van den dood omgeven.

En de dood, de grimm'ge schutter, Sluipswijs zonder kokerramm'len Treedt hij bij en onophoudlijk Laat hij snorren pijl na pijlen.

ocr page 325

313

Bleeke jager! Al wat ademt, Koningslieden, bedellieden.

Alle reuzen, alle kreuplen.

Allen zijn als buit hem welkom.

En hij blaast zijn hoorn; zoo droevig Is de klank, zoo zeldzaam passend: Al de kreuplen, al de reuzen Alle vleesch voegt in de dansrei.

En hij blaast zijn hoorn, en allen Moeten in de dansrei treden.

Of zij lachen of zij weenen.

Of zij vloeken of zij bidden.

Naar beneên! De lijkwa zwatelt;

Naar beneên! Geschrei en klaaglied; Want het groote boek ligt open,

En de rechter houdt de weegschaal. —

Alleluja! Heil den dapp're.

Die dus worstelde naar kennis.

En, na harde proef, toch zeeg'rijk Doordrong naar zijns heils verlichting.

Alleluja! Heil den pelgrim,

Die bergop met bloênde voeten Schreed in tranen, niet van smarte Neen met bitt're boetetranen;

ocr page 326

314

Die in strijd met ruwer vijand Dan die 't zwaard voert, eer mocht werven, Die bedwong begeerte en hartstocht,

Dood was, voor hij was gestorven. —

Siddert! In des levens midden Zijn we van den dood omgeven:

Als ter heide een wolkenschaduw Vaart en vliedt het menschenleven!quot;

ocr page 327

XXIII.

tye wilde kat.

Op den hof te Bodinkdorpe Werd gemetseld en getimmerd; Eenzaam aan de breede linde Zat de graaf gedeukt, vol kommer.

En de lentegroet der zwaluw Klonk hem als verwijt en klachte: „Zorgloos hebt gij, waard, vergeten. Wat ik ried ten scheidingsdage.

En ik kon niet bij u blijven; Wat ik ried, hebt gij vergeten: Zie, uw huis ligt daar in puinen En gezonken is uw gevel.

ocr page 328

316

Gastvrij was mij deze woonplaats,

En ik treur, nu ik ga scheiden;

't Is mij leedvol, oude landdrost,

't Doet mij leed om u en andren.

Bouw maar; niet voor u! — u zeiven Sloegt gij met de hardste slagen:

Zorgloos hebt gij, waard, vergeten, Wat ik ried ten scheidingsdage.quot; —

Spijtig luistrend zat de gouwgraaf,

Immer bleeker, immer droever;

Zonder voordacht stond de bruine Smedenjongen voor zijne oogen.

Aartsschalksch lachend, als verlegen.

Ploos hij nu aan 't gordelvlechtwerk. Dan aan 't buis, en wendde en wrong zich Als de rijstak op den windstroom.

„Knaap, wat wilt gij?quot; riep de gouwgraaf. „Zoo gezegd, om uwentwille Kwam ik hier; doch 't was onnoodig Mij zoo barsch en luid te vragen.

Meestentijds, bij groote heeren Kan ik 't rechte woord niet vinden.

Want ik ben een arme jongen Van natuur — en ietwat bloode.

ocr page 329

317

Wilde kat en zwarte gouwgraaf Noemen ons de lastertongen,

Als is 't haar u grijs geworden,

Al ben ik een arme jongen;

Eggi, heer, bij Fuik den smidsbaas, — Zware dienst en mager voeder, —

'k Ben een weeskind, 't geen wil zeggen; Vaderloos en zonder moeder.

En van waar? De barnsteenkuste quot;Weet gij wel; zij ligt aan de Oostzee; Waar het eêlgesteente in 't wild groeit Lijk alhier de heidebessen.

Maandag was 't; een joodsche vreemdling Kocht mij om me opnieuw te veilen; En op Dinsdag, in de vroegte,

Ben ik ijlings hem ontloopen.quot;

„Snaak, gij liegt!quot; — „'k Geloof hetzelfde, Loogt gij nooit? Durft gij dat zweren? 't Is den vroeden man niet lastig Scherts en ernst wel te onderscheiden.quot;

't Heerschap zei: „Met laffe praatjes Moogt gij andren vroolijk maken;

Ga, ik ben thans niet genegen Met uw grappen mee te lachen.quot; —

ocr page 330

318

„Grappen? Zoo! En geen humeur ook? Als gewoonlijk wil 'k de waarheid Zeggen, doch gij mint den leugen, Gij, de graaf; — nu denk, 't was logen.

Wat ik u heb mee te deelen,

Is een sprookjen ernstig — vroolijk: Van den heer van Havikshove,

Van zijn ganzen, — en zoo verder.

Val niet uit! Ik ben gekomen Zoo gezegd, om uwentwille;

Doch het meest nog om eene andre, Die in stilte toornt en weeklaagt;

Eene, die verkwijnt en glimlacht. En van hartewee moet sterven:

Ook een winterbuis kan reiken En der armen gunst mocht werven.

Zwarte graaf!quot; — „Verwaten kwelgeest, Zijt ge aan 't razen? Pak uw biezen!quot; „Als 'k vertel, zou uwe hoogheid Tot uw baat mij moeten hooren;

Dan het gaat niet als voordezen.

Toen gij hoordet en niet hoordet. En door hooren en niet hooren j 't Recht in onrecht boos versmoordet.

ocr page 331

319

Maar laat 'k van den Valk vertellen,

Dien een nijdaard valsch beticht heeft, Dien de lafaards valsch verlieten,

En een bloodaard valsch gericht heeft.

Maakt ge n warm? — Ik heb geen vreeze, 't Is mij een, hoe de oogen rollen:

Ik, ja de armste knaap der gouwe.

Weet, wat allen mogen weten.

Valsch gevonnisd! Heeft wel Elmar Uwe halle in vlam doen rijzen?

Foei, o foei, heer graaf: zoo'n schanddaad Kon slechts Grimbaard, hij, de kale!

En ik zag 't met eigen oogen,

quot;Want, gij weet, beneên en boven Heb ik vele bezigheden Dag en nacht op vele plaatsen.

Vraag 't den oude! Op 't biezenleger Hijgt hij stervend naar den adem:

Schade was het voor uw hemel,

Als hij zonder Biecht ging sterven!

Vraag hem zelf: geringe liên be-Hoeven, zoo zij valsch beticht zijn. Een getuige, doch den groote Stemt gij bij, al mocht hij liegen;

ocr page 332

320

Liegen, lijk de koningsbode Toen hij loog, dat hij in 't bergland Door den Valk was aangevallen,

't Geen de schurk zelf heeft bedreven.

En ik zag 't! En vraag 't den kale, Vraag hem, wie hem op kwam stoken, Sap en zalf gereed te maken.

Waarmee 't moordschot werd vergiftigd!

Dat zag ik, de wilde boschkat Zag het ook; wij zagen 't beide:

Morgen werd het rond gezongen U ten lof en Raaf ten lijden.

Want ik heb er net een liedje Op gezet ter uwer eere,

En een koekoek, lief te aanhooren,

Hoort gij telkens 't eindrijm zingen. —

Zonderling, ook om zijn bidden Bandet gij den boozen Sakser;

Nu, 't is recht, dat in uw gaarde 't Heidensch onkruid niet mag wassen!

Wilt gij wieden, deeglijk wieden,

Maait gelijk op de Aller-weiden:

Halve heidens, heele heidens Zijn het, deez' zoowel als gene;

ocr page 333

321

Dus ik zelf en and're vromen,

Of zij ook hun kruisken maken,

Of ze ook al ter kloosterkeuken Met gedruis hun tijnshoen dragen. —

En de Valk? 't Moet u verheugen. Eind'lijk werd hij wijs door schade: In 't convent van Dertienlinden Liet hij zich den schedel wasschen.quot; —

„U gelooven?quot; sprak de gouwgraaf, „U, een onbeschaamde deugniet?

Zoo gij wist, wat gij komt zwetsen, Waarom dan zoolang gezwegen?quot;

„Domme brakken,quot; sprak de bruine, „Bassen steeds met groot gedaver.

Steeds ten ontijde; een bescheid'ne Doet het slechts ter juister plaatse.

Verder; daar is iemand wijzer,

Als we ooit beiden mochten wezen. Iemand, die van 't runenstaafje Dag en dagwerk weet te lezen.

Moet ik klappen? Wien ter wille? U? quot;Waarvoor? Den jonker? Waarlijk Voor de afgrijselijke slagen.

Die hij, — o, het was afschuwlijk!

21

ocr page 334

322

Luister! Dolend zonder doeleind Zwierf ik kortlings door de delling, En wie vond ik, mij ten onheil?

Gans na gans van Havikshove.

Enk'len lokte ik door de hegge,

En met leepe jongensstreken Duwde ik vingerlange staafjes In hun breedgepunte snavels.

Heer, genotvol was mij 't schouwen, Hoe zij mal den kop verdraaiden, Opwaarts keken met het rechtsche. Neerwaarts, och zoo scheel, met 't and'

En ik lachte, doch kortstondig;

Elmar kwam, ^en 't vuur in de oogen, Greep hij plotsling, met zijn groote IJz'ren vuist mij bij den halsboord.

God beware u voor zijne oogen. God beware u voor zijn vuistgreep! Hij had mij, het arme katje Niet geliefkoosd, maar geteekend.

Domme streken, gardjesstreken Hooren meestal bij elkander;

Zulke zag men nooit, zoolang er Rijs en jongensruggen waren!

ocr page 335

323

Heer, zoolang er stokken groeiden, Gaf men nimmer zulke slagen;

'k Weet niet, of zij goedheên teelen. Doch zij teelen nooit geen liefde.

Trof ik soms den grimm'gen boschwacht Op de vlakte of in de woudlaan, — Iedereen gaat zijne gangen, —

'k Gleed dan zachtjes uit de voeten.

En ik haat hem nog; tot strafte Moog hij, wat hij gaf, zelf dragen:

Sprak ik heden, 't was alleenlijk Zoogezegd om uwentwille.quot;

Heesch van keel sprak nu de gouwgraaf ,,'t Spinwerk van uw list en logen Is te grof; doch wacht u, 'k heb nog Berkenrijs voor jongensruggen!quot;

„Dat uw antwoord?quot; kreet de jongen, „Dat? Dan schande op uwen schedel. Veile rechter! Hoor, ik zeg het.

Hoor, de wilde boschkat zegt het!quot;

Hijgend riep de grijsaard: „Adder,

Zwijg en ras van hier vertrokken,

Of, bij God, 'k zal met mijn voeten, U in gindsche blokken sling'ren!quot;

ocr page 336

324

„Sling'ren ? Slinger vrij! Een kluitje Aarde kleeft u aan de zooien,

Neen, een klomp, dien 'k zienderoogen Wassen zie tot aan uw halsboord;

Tot uw keel toe! Vele dagen Hebt gij niet meer om te wijden Aan uw plicht; gedenk den Valke Heden nog en help hem morgen.

Goede raad is veelal kostbaar,

'k Zal den mijne billijk bieden:

Breng aan jonkvrouw Hildegonde Dezen tuil — en laat mij loopen.

't Zijn maar knoppen; doch zij vat wel, Wat ik daarmee op het oog heb.

Als de roze gloeit ten gaarde.

Als de brem bloeit langs den poschzoom.quot;

Over timmerhout en planken Wipte hij met lichte sprongen Lachend woudwaarts; driemaal klonk de Schreeuw der boschkat door de boomen.

ocr page 337

325

2

Bij den haard van d' Esschenburger Zaten somber stil twee mannen;

Op de steen omlijsting dampte Gembermede in blauwe kannen.

De oudste, Raaf, schoof steeds volijv'rig Beukenblokken in den vuurhoop,

Want de morgenkoude snerpte Snijdend door het land der bergen;

En de graaf, de Bodinkdorper,

Wischte vlijtig wang en oogen:

Dreef hem slechts de koude vroegrit 't Zerpe en scherpe vocht in 't aanschijn?

Dus verliep een nare stond met Tranen drogen, klossen schuiven,

En het haardvuur zong en spritste.

En de meê bleef ongedronken.

Eindelijk greep de Esschenburger Een verbazend grooten kloshoop,

Wierp dien grimmig in den vuurberg. Dat de vonken 't dak omstoven.

ocr page 338

326

„Gruwlijk!quot; riep hij, „dat het landrecht Zelf de misdaad hier'moest plegen!quot; „Zeg; een dwaling, grove dwaling!quot; Sprak hem de and're momp'lend tegen.

Weder stilte, lange stilte.

En de kolen knapten krikk'lend;

Deze .toornig, de and're treurig Staarden de ouden in den vuurgloed.

Tot nu de edele Esschenburger Heftig sprong uit d' eikenzetel: „Dwaling, zegt gij?quot; — Duivelsstukken, Uitgedacht in 't vuur der helle.

En volvoerd door een dier schurken. God zij lof! door een dier Franken, Liefst uw gast, die u verneêrde,

U, den waard, met smaad dorst danken

Dwaling? Gansch misplaatste waarheid, Menschlijk dwalen laat ik gelden:

Maar dat gij aan tastb're leugens U vergreept; dat moet ik wraken.

Bij vrouw Harke 's breede duimen! Sinds der Saksers vrouwen sponnen. Werd geen valschaardij als deze Hier irt 't land zoo fijn gesponnen.

ocr page 339

327

Boosheid schiep de donk're schering, Lust tot wraak omwond de spoele, Lafheid voerde d' inslag nader,

Aan den weefstoel zat een blinde.

Daar werd 't schandkleed uitgesneden, Dat om uwe schouders zwatelt.

Met des Valken, die u droegen,

Toen de vlammen rond u knapten.

Velen willen 't werk van gist'ren Thans op vreemde reek'ning schrijven: Uw was de uitspraak, en gij spraakt ze Om des keizers vriend te blijven.

Wilt gij thans de handen wasschen. Laat een ander 't bekken houden.

Niet den Raaf, die ried en maande U niet roekloos te bevlekken.quot; —

„'k Zeide u alles!quot; sprak de gouwgraaf, „Leed ervoer ik veel op aarde:

Deze wonde brandt in 't harte En zij, zal mij grafwaarts voeren.

Woel niet, arts, zoo ruw! Breng hulpe, Niet voor mij, doch help bedenken, Hoe wij d' ander, zoo hem onrecht Is geschied, ras hulpe schenken.

ocr page 340

328

Maar dien jongen schelm gelooven —quot; 't Is me onmooglijk; — het verbaast mij; Zuiv're waarheid sprak de gele,

Doch een leug'naar is de bruine! —

En de kaalkop deed bekent'nis,

Goed bekent'nis?quot; — „Hij bekende Blauw van angst, met tandenknarsen, Dat hij mijne hal in brand stak;

Dat hij voor den koningsbode 't Sap uit booze kruiden kookte,

Stil geplukt in zeven nachten.

En in 't gif zijn werpspies doopte.

En met weegehuil zich kronk'lond, Trotsvol strijdend met het leven,

Lijk de wolf doorboord, zoo stierf hij; Moog hem God, als ik, vergeven!quot;

Raaf sprak nu: „Het was een sluiper, 'k Schonk den spitsboef nooit vertrouwen. Doch heer abt van Dertienlinden, Zeg, wat schreef hij van den Valke?quot;

„Dat hij in des kloosters vrede Barre kwalen heeft geleden.

Eindloos, tot door Gods genade Lijf en ziel mocht zegepralen;

ocr page 341

329

Dat voor 't kruis des kruizes hater Biddend knielt. Een vlugge ruiter Bracht aan Badurad, den Bisschop,

Gist'ren deze boodschap over.quot; —

„Zoo? — En boog hij 't hoofd ten doopvont, 't Was de vrije daad des vrijen,

Niet de wandaad van een huich'laar. Om des konings gunst te werven.

Om des konings gunst te werven Mogen schalk en schelmen neigen:

Boog de Valk het trotsche voorhoofd, 't Was om voor zijn God te buigen;

Schalk en schelm, die wijze lieden. Die niet eens 't geloof behoeven.

Om als de otters kopjen-onder In het christenbad te duik'len.

Foei, die wereld!quot; Dodo sprak nu: „Waarde vriend, wat baat dat razen?

Geef mij raad; hoe is 't te zoenen. Zoo wij 't vonnis valschlijk velden?

Zoo we in tweestrijd met ons zeiven En in tweestrijd met de plichten Tegen wille en —quot; Grimmig lachend Sprak nu de and're; „Niet met allen.

ocr page 342

330

Geef den keizer 't geen des keizers, God wat Gods is, staat geschreven!

Mint den keizer, doch een weinig Moogt gij ook u zeiven minnen,

U en ook uw arme ziele!

In des twijfels duisternissen Spreekt het zekerst en het klaarste 't Wettenboek van ons geweten.

Sloegt gij 't op? Zeg ja! 't Verdriet mij Al dat wenden en omwinden:

Daad is daad; doch laat ons nagaan, Hoe wij heil en hulpe vinden.

't Vonnis spraakt ge in naam des konings. Na beschuld'ging van een lafaard! — Nu alleen mag 't woord des konings Eerherstel en leven geven.

Dies ten hove! — En zend met uwen Brief des Abten brief, en brieven Aan de hofliên, want de hofliên Kunnen hoog en laag gerieven.

En ik zelf reis af en pleister Voor het eerst ter bron des Paders; Toegenegen vloeit de bloedstroom In des bloedverwanten ader;

ocr page 343

331

En de Bisschop schrijft den Bisschop quot;Wel bedachtzaam wijze groeten: Zoo tot binden als ontbinden Is de macht der mijterdragers. —

Kijk, de mede is koud geworden! — Wees getroost en laat mij zorgen; Opgetuigd zijn ras de rossen En, als 't God wil, vare ik morgen.quot;

Toen de vroegste morgenstralen Door der esschen kruinen braken. Was de grijsaard op den rijksweg Naar het koningshof in Aken.

ocr page 344

XXIV.

Terugkeer.

Al de lentedagen waren Lang vervloön, de groene baren En het stof der roggevelden Lang verwaaid en lang vervlogen.

Lommer zochten heerde en herder; Op der velden arenvlakte,

Op de bladerzee der wouden Rustte een zoele zomerstilte.

Slechts de krekel zong in 't grasbed En de beek door schelp en steenen, En de roos gloeide in de gaarde En de brem bloeide aan den boschzoom.

ocr page 345

333

En voorbij de groes en gaarde, En beneên langs beek en beemden Eeed een troep van Saksisch manvolk, Meen'ge dwerg en meen'ge kerel.

Diethelm sprak; „Daar ligt het klooster, Ed'le Raaf, wij zijn ter stede;

Onze dieren, moede en dorstig.

Rieken reeds de wel des Wezers.quot; —

Door de poort van Dertienlinden Trokken blijde knapen binnen, Havikshovers, groene kransen Nikten aan de lederkappen.

De Esschenburger was de voorste! Zie, hoe blonk zijn oog vol glansen, Zie, hoe liet de grijze ruiter Nog vol jeugd den Noorman dansen!

Hartlij k groetten abt en prior Naar hun rang al deze gasten;

Raaf en Diethelm volgden beiden In des refters koele halle.

En de grijze uit Esschenburge Sprak met blij gelaat al neigend; „Heeren, wikt of 't geen ik meebreng Niet een bodebrood verdiene?

ocr page 346

334

Doch wil eerst den Valk hier roepen, Want hetgeen ik heb te melden, Doelt op hem het meest; niet immer Krast deze oude Rave rampspoed.quot; —

Elmar kwam en stond verslagen, Vreugdvol, half en half verlegen; Diethelm, met het oog vol tranen Vloog al jubelend hem tegen:

„O gij zijt het! O hoe lang toch —quot; Raaf daartusschen: Wees u zei ven, Huisbewaarder; thans ter zake, Morgen volge kout en teerheên!

Elmar, hier de hand, mijn jongen! Weet, uw onschuld werd bewezen; Hoe ? — dat later ; thans dit eene: Gij zijt vrij; God zij geprezen!quot;

„Hemelmachten,quot; riep de Valke,

„Vrij van ban en los van banvloek? Vrij, ik vrij?quot; En snikkend zonk hij Aan den trouwen vriendenboezem.

Raaf sprak nu: „Ik reed naar Aken; Hlodwig, zoo oprecht als goedig. Hoorde mij, en zonder toeven Sprak hij u van schuld ontheven.

ocr page 347

335

Hier zijn brief met hand en zegel,

Neem bezit van goed en eere Zonder last, — behalve tienden.

Die het klooster zal ontvangen.quot;

Lachend sprak nu de Abt; „De garve Schenke u vriendschap van de Heil'gen, Dat gij niet in 't rijk des hemels Hoeft te staan; dies geeft gelaten!quot;

Dan de Prior: „Zei men u reeds. Wat den valschaard moest ervaren,

G-ero, sinds vermeet'le vrouwen Schimpend hem de gouw uit zongen?quot;

Raaf zei voorts: „Hij kroop in 't donker, Aan den Maaskant in zijn keeten;

Kwam hij ooit aan 't hof, hem zouden Knecht en keukenmaart bespotten.quot;

Diethelm sprak: „Vast voelt hij weinig Lust naar ons terug te keeren.

Slecht beviel hem Katla's wijze.

Om hem droog den baard te scheeren.quot;

Raaf zei nu: „De vrome koning Vlamt van toorn, en de overtreding-Uitgevoerd in naam des konings Zal hij, zonder oogluik, wreken.

ocr page 348

336

U, mijn vad'ren, wijl gij zoetheên Spreiddet. waar het leed verwekt werd Door zijn zendling, vol van boosheên, Mag geen koningsdank ontbreken.

Hoe hij goed vol u vereerde Moog dit schrijven u getuigen:

Toef niet, waardige Abt, deez' schenking In 't gedachtnisboek te schrijven.quot;

Toen Warin: „Moog God hem loonen. Onze daden waren plichten;

Troostrijk is 't, dat deze cellen In de gunst des heerschers leven.quot;

Eaaf ging voort: „Het stoflijk hulsel Van Sint-Vitus liet hij leggen Rijk in goud; het kostbaar schrijnwerk Zal hij weldra doen geworden.quot;

Dan sprak de Abt deemoedig neigend; „Gave en gunst zijn sterke stutten.

Doch als rotsen staan deez' muren. Als de Heü'gen ze beschutten.quot;

Nu zei Raaf: „Gedenkt de boden!

Maar gij Valk, ge zwijgt, mijn jongen? Op de maalstee storm en onweer.

Heden zonder tong of longen?

ocr page 349

337

Stil, wij kennen toch elkaar! — Voorts: 'k Hoorde aan 't hof wei een gefluister. Hier en ginder; doch ten hove Gaan en komen lust en luimen.

Toch, van Bodo, onzen gouwgraaf,

Wist men 't goede en 't schoon te melden. Doch ontstemd en ontevreden quot;Was men over een en ander:

Moede en mat, want zev'ntig jaren Trad hij door deez' kwade wereld.

Mocht hij thans den stoel der ruste Achter 't vuur des haards verlangen,

En een jong're, allicht een Sakser, Kon zijn zetel dan bezetten.

En — wie onrecht had te lijden.

Zou het best het recht beschermen.

Duist're boodschap; 't voegt u, Elmar, Uwe zaken toe te lichten.

Nu nog dit: van Bodinkdorpe Is me een droeve maar gekomen.

Want de graaf is ziek, en smachtend Wenscht en zucht hij u te aanschouwen, IJ en al de eerwaard'ge Vaders, Dra, zoodra het kan geschieden.

22

ocr page 350

338

En den Valk groet ook de dochter,

Nauw bekneld door nieuwe zorgen; Wil heer Abt ons herberg gunnen Voor den nacht, zoo gaan wij morgen.

En nu sprak ik mijne boodschap.

En nu reikt mij uwe handen:

God zij dank, na zulk een reize

Vond hier de oude Raaf een thuiskomst!quot;

„God zij dank!quot; zei Elmar, „u en Allen, die den doodgewonden Banneling en zielsverblinde Trouw en sterk ter zijde stonden.

Tweemaal reddet gij mij 't leven —quot;

Raaf viel in: „Thans geen ontroering! Deze past in geenen deel bij W olvenhonger, keel verschroeiing.''

De Abt sprak thans: „De schotels dampen Ieder zoeke hier zijn stede;

Wat de spijs aan kruiden mangelt,

Zal de goede meê verzoeten.quot;

Al de broeders van het klooster Traden zwijgend in den refter.

Elkeen groetend; drie der jongsten Dienden met den meesten ijver:

ocr page 351

339

Ailrat zette kruik en borden,

Bernhard sprak voor 't maal den zegen, Biso las, terwijl men spijsde Een gedeelt' der Heü'genlevens.

De Abt zei aan het eind des maaltijds: „Ziet, waar men 't u beter schenke. Dankt den Heer, de Heer is vriendlijk, En zijn goedheid kent geen grenzen!quot;

Dan de Valk: „Mijn goede Diethelm, Gruwt gij niet van kloosterpriesters? Is bij u, den ongedoopte,

Kloosterlucht nog duf en duister?quot;

Diethelm lachte: „Valk, bedenk wel, Wat ik, in verbloemde woorden,

Tot u sprak, toen u de zanger Schier ontvoerde naar het Noorden.

Toen u menschen valsch verbanden. Ik en Fulko toornden beiden Op de goden, wijl de goden U en ons niet wilden helpen.

Ik en Fulko zonnen verder In de lange winternachten En vermeenden, dat die armen,

quot;Wel te helpen, niets vermochten.

ocr page 352

340

En al wikkend of we ons zouden Wijden aan den God der christnen, Kwamen we aan ons doel en dachten, Dat we ons wel bedenken moesten.

En wij dachten altoos scherper Ik en Fuik; de domste kuikens Zijn wij niet, en zwaar te moede Schudden we onze grijze bollen.

Sinds dien tijd ging de oude Drude Van ons heen, — ze was gevlogen Als de wind in 't woud, en nergens Werd van haar een spoor gevonden;

Ook de deugniet, de aartswilde Eggi, Ging van honk; gij kent de slange; Daags te voren, aan kleine Aiga Gaf hij riem en zilv'ren gespen ;

D'andren morgen vond de meester ISJbg een zwaren gouden armband. Op het aanbeeld, vreemd en zeldzaam Smeewerk van den slimmen jongen: —

Sinds dien tijd, was 't ons en andren Of we een kwade hand ontweken. En wij werden christenlieden.

Eer de maand half was verstreken.

ocr page 353

341

Bodo zelfs, de kroez'lige otter,

Echte Sakser, want hij weende; Of 't van spijt was of ontroering, — Niemand wist het, hoe hij 't meende.

Werinhard, — die breede handen.

Weet gij, hoe zij dan zich balden, Hij bezag ze, zelf verwonderd.

Toen zij 't samenvouwen leerden.

Theudebert, de roode landman.

Was 't, die zich het langst verweerde. Doch hij kwam; de grimm'ge Katla Stierf van woede, toen zij 't hoorde.

En een kluiz'naar op den Eschberg, 't Laatst uit Fuld in 't land der Hessen Aangeland, een reus zoo deugdrijk Heeft ons 't doopkleed aangemeten.quot; —

Markward sprak: „Gij, beide mannen, Gij en Fuik, gij gaaft u moeite.

En wij rijden bij het dagen Morgen vroeg naar Bodinkdorpe;

En naar Bodinkdorpe rijden Wij heel vroeg te goeder stonde.

Want de graaf behoeft vertroosting,

Naar den vriend snakt Hildegonde.quot;

ocr page 354

342

2

't Woud, hoe diep! Van stam tot stammen Weefd' de scheemring grauwe draden, En de quot;boomen en de dieren quot;Wisselden geheime reden.

„Zeer verheugend,quot; sprak de bloedvink,

Zijn deez' avond de berichten.

Wijze woorden, welgekozen Uit de werld- en woudgeschied'nis.quot;

„Niet veel goeds toch,quot; sprak de lijster, „Hoort gij heden, zoo de kraaien 't Liefst niet melden van de vruchten Van hun hoogst gezegend' echtbond.quot;

„'k Dank u, 'k dank u,quot; krast de kraaie, „Mijne meiskens, mijne knapen,

Groeien goed en worden zwarter Dag aan dag, tot nijd der raven.quot;

Doch de rave sloot hare oogen,

Schudde heuren kop bedenklijk,

Sperde breeder heure pooten,

Maakte een krop — en zweeg verachtlijk.

ocr page 355

343

„Leeg en eenzaam,quot; sprak de putter, „Is thans 't wijde woud in 't ronde, Sinds niet meer den hoorn des Valken Lustig schalt ter groene helling.quot;

„Slecht beviel mij,quot; sprak de reiger, „Al zijn blazen en zijn jagen ;

Maar uw dunne vederrokjen Kan den weiman half behagen.quot;

De ekster klapte: „Raaf, de grijze, Reed in 't quot;Wezerdal beneêwaarts; Anders grimmig en zoo geemlijk. Scheen hij thans weer jong en jolig.quot;

Toen de merel: „Aan zijn zijde Havikshovers, forsche knapen,

En de dikke huisbewaarder Diethelm, op het breede raspaard.quot;

Dan de das: „Naar Dertienlinden Ging de reis, ik kan 't u zeggen; 'k quot;Weet dit alles, ook het andre. Zoo 't zich daar heeft toegedragen.quot;

't Voske grijnsde; „Weleerwaarde-Broeder Grauwrok, zelf in 't klooster. Weet bescheid van kloosterzaken;

Stil, oremus. Paternoster!

ocr page 356

344

En de Valk, hij liet zich doopen, Zoo verhaalden laatst de reiz'gers:

Wist ik, dat het morgen baatte,

'k Liet mij dezen dag nog doopen.

'k Weet dit alles, ook het andre:

Diethelm op het dikke veulen,

Eaaf, de grijze, en al de jongens Reden om hem in te halen.quot;

De eschdoorn sprak: „Deez' winter zei men, Kwam de dood hem op de hielen;

Werd door zwarte kunst, 'k wil zeggen, Door der Paters kunst genezen.quot;

„Duist're dingen ken ik beter Als een eschdoorn,quot; sprak de mistel;

Hielp de Drude niet, dan sliep hij Onder slangekop en distel.quot;

Dan de meerkol: „Wonder, dat ze Henentrok ten blauwen gronde;

Toen zij ging, sprong voor haar voeten Bruine Kobold met beur wachthond.quot;

'n Eaaf nu sprak: „Bij haar, éénoogig, Schreed een rotsengrauwe strijdheld, Reuzenstal, met 'n blauwen mantel En een hoed met breede randen.

ocr page 357

345

Wie het was, dat vraagt den kraaien, Zij is wijs en moet hem kennen: Het zijn twee van mijne neven, Die zijn zijde nooit verlaten.quot;

„Komt hij weer, den Havikshover,quot; Sprak de beer, „dan zal 'k mij wreken, Want hij sloeg den trots der wouden, Wikbert, mijn vermaarden oudoom.quot;

Ras ineengerold sprak de egel:

„'k Zeg het u, in stee der wrake,

Neem u zelf in achb: de Valke Is een man van eigen zeden.quot;

Dan de wolf: „Ook mijn verwanten. Bracht hij leed met scherpe schrammen Blijft hij mij van huid en haren, Mijnsgelijken mag hij kammen.

Eet en bijt uw dischgenooten Is de hoofdleer, die ik oefen.

En ik leerde 't bij de menschen. En daar heet het naastenliefde.quot;

„Van den Valke,quot; sprak de pijnboom, „Floot de wind, mijn speelgezelle; 'k Zag hem wand'len in de gaarde, Peinzen in de kloostercelle.quot;

ocr page 358

346

Dan de specht: „Geheime runen Lees ik tusschen kern en korste;

Elkeen leest ze niet; ik zeide,

Dat hij dra terug zou keeren.quot;

De eik sprak nu: „Mocht hij eens keeren. Dan liet hij mijn grootvaêr houwen, Hem, den grooten, godgewijden Om daaruit een kerk te bouwen.quot;

Dan de vink: „Het kruis daaronder Vind ik in den uchtendschemer Steeds omhuifd met frissche bloemen; Wie ze vlecht, verraad ik nimmer.quot;

Filomele zong: „En éene,

Die ik liefheb, wekte ik immer Met de schoonste mijner lied'ren;

Hoe zij heet, verraad ik nimmer.quot; —

Stilte daalde; door de berken Suisde een huiv'ring en geritsel Zachtkens, zachtkens als bij 't droomen, Doch men kon er niets van hooren. —

En in 't donker hol der rotsen Sloop de bruine nachtuil binnen,

Steeklig nu gelijk een doornstruik.

Kregelig van booze zinnen.

ocr page 359

347

„Naamt gij nu het Kerstenwater,

Dolle drooiner? — Christen heiden, Knecht van God en knecht van goden, Bloode dwazen zijn ze beiden!

Eertijds riep de Sla venkoning.

Strijdend met de Romer benden:

,Geene goden zijn daar boven.

En alzoo geen recht beneden!'

En alzoo ten schuts en aanval Neme een ieder 't eigen wapen; En alzoo, gij kleingebleev'nen.

Hebt ge recht, u recht te schaffen.

Spartacus, met lauwertakken Zij u 't denkershoofd omwonden;

Luidt niet uwe vrijheidsboodschap: ,Geene goden zijn daarboven!'

En der kerkleer last te torsen, — Zakken zand, — verdriet den wijzen; Met het lichtste van de pakjes Is 't gemakkelijkste reizen;

Met het lichtste van de pakjes Frisch en forsch, den hoed gevederd; Allereerst een vroolijk leven,

Ieder sterve, naar hem goeddunkt.

ocr page 360

348

Gr'looven? Waan en lauwe leugens!

Ik, de nachtuil, houd 't uitsluitend Met mij zelf; de zelfvergoding

Dunkt mij 't beste, en wel om 't voordeel. _ «

Ik, de nachtuil, de oppernachtuil,

Denker, 'k zie de teek'nen eener Gulden eeuw, waarin mijn leering Wint en heerscht in alle rijken.

Dan eerst als mijn smidsen walmen. Dan eerst als mijn schouwen rooken Woud aan woud, en damp en koolwalm Aarde en hemel overslui'ren;

Dan eerst als mijn molens malen,

Mijne hamers dreunend beuken.

Zal de godenscheem'ring komen En het godd'lijke verneev'len.

't Kind der lafheid is gelooven; Maar groothartige geslachten, Somb're twijfelhelden, dingen Om des duivels trotsche dochters.

Heil hun kroost! De kruisenschenders Breken ook de koningskronen,

En de rook der tempelpuinen Wervelt om verbrande tronen.

ocr page 361

349

Ja, dat zijn ze, Muspels zonen:

quot;Woeste ruiters, viert den teugel! — Doch de voorgestelde omwentling Kan nog duizend jaren wachten.

Ziet wel toe, kleine uilekiekens.

Wordt verstandig, hoort naar de ouden Ik, de nachtuil, de oppernachtuil,

'k Zie de dingen reeds in wording;

Uilekiekens, u ten nutte!

Wast en wacht nog enkle stonden; Vluchtig snellen duizend jaren:

Groeit tot uilen, uilekiekens.

Vluchtig snellen duizend jaren;

Zijt gij sterk en wijs geworden,

'k Geef u dan een machtig erfdeel: Heel het Zuiden, heel het Noorden.

Krabt er om; den scherpsten klauwen Zal het beste deel geworden:

Gene wereld zij den katten,

Deze wereld hoort den nachtuil.quot;

ocr page 362

350

3

„Vaak, als 'k rijd,quot; deed de Abt thans hooren, „Door het woud bij zomerdagen,

Welt me droom'rig in den boezem 't Lang ontwende welbehagen.

Schaduwkoelte, tempelstilte,

't Zacht geritsel in de loov'ren.

Balsemgeur uit mos en biezen.

Alles is me een zoet betoov'ren.

En de zwarte wouw daar boven —

Elmar, houd u stijf ten beugel!

Zie, uw schimmel, vast wat lustig.

Schuimt en wringt in toom en teugel.quot;

Diethelm sprak: „De gerst van 't klooster Mocht ze lang en volop eten:

Stil, Gerswinda, wilde wipster,

Ook bij ons wordt mild gemeten.

Doch met oorlof, gij geleerde.

Vrome heeren! 'k sta verwonderd,

'k Zie uw hengsten zwierig zwenken.

Hier dien vos en daar dien bruine!quot;

ocr page 363

351

Toen Warin: „In 't psalmboek vingert Meen'ge, die in 's jonkmans dagen Door de wereld op een hengstrng Maliehemd en zwaard mocht dragen.quot;

Markward sprak nu; „Naar een zieke Gaat de tocht, naar ernst'ge dingen:

Anders zou uit knapenkelen Hier een heerlijk stafrijm klinken;

Een dier lied'ren, frisch en gloedvol.

Die men zong voor vele jaren,

Toen nog tusschen Rijn en Elbe Berg en dal de mijne waren.quot; —

Toen de grijze uit Esschenburge:

„Valk, gezegend zij deez' stonde:

Zie, daar springt de Valsche Bronne,

En ge zijt op eigen bodem!

Valk, ge zijt op eigen bodem.

Zie, daar springt de Valsche Bronne!

Groet de mark; gij hebt het dierbaar Vadererf opnieuw gewonnen.quot;

Zwijgend had de Valk gereden,

In gedachten diep verzonken:

't Heem, — bij haar! — Een dikke traandrop Voelde hij langs 't aanzicht rollen.

ocr page 364

352

't Heem, - bij haar! - O bel zijne armen

Wou hij slaan om eiken boomstam,

O, hij wilde steen en aarde

Blad en bloem aan 't harte drukken!

En het blonde hoofd ontblootend Sprak hij zacht: „Voor veertig weken, Toen ik van deez' plek ging scheiden. Was ik moedloos en verslagen.

Redding kwam den reddinglooze Onverdiend; in nood en smarten Hielpen mij, van 't al verlaten,

God en goede menschénharten.quot;

De Abt sprak nu; „Gij hielpt den helper! Achter u een nachtlijk stormen.

Voor u held're morgenhemel,quot; —

Markward zei: „en — roode rozen!quot;

Waar de weg zich splitst in tweeën, Zwenkte Diethelm rechts ter zijde:

„Valk, zoo het u goed is, leid ik Onze liên thans stil ten hove.

Ziet gij daar den nieuwen gevel?

Bodo bouwde voor zijne erven Eene hal; nu laat hem timm'ren Nog een kist — hij ligt op sterven!quot;

ocr page 365

353

4

Over 't hof van Bodinkdorpe Lag als lood een drukkend zwijgen;

Wind noch vogel floot of neurde In der linde donk're twijgen.

Slechts de springbron rnischte en ruischte Immer voort en schuimde en schuimde; Aiga kwam met haar fonteinkruik,

Stak ze er onder, droomde en droomde.

En de kruik liep lang al over,

En het water schuimde en ruischte, Ruischte en schuimde, dan het meisje Stond en stond, alsof 't iets hoorde.

In de hand het wollen hoofddek, Als bedwelmd, liep de oude meier Van de huizing naar de hooischuur. Van de hooischuur naar de huizing.

Hier als daar, in stal en schilven Schold hij knecht en maarte als luiaard, Als men deed, wat hij gelast had.

Deed men nimmer toch het goede.

23

ocr page 366

354

„Arnd, gij dreeft den schimmel moede F Gerd, wat staart gij daar zoo suffend? Friedebrand, naar mijn bevelen,

Zaagt gij goed naar 's Bisschops rossen ?

Aiga kleene, slaapt gij weder?

Hebt gij schik en dienst vergeten?

Sinds de bruine zwerver wegliep,

Zijt gij dom en als bezeten.quot;

Aiga balde ronde vuistjens,

Doch toen heure tranen vielen Lachte ze al, en zonder antwoord Yloog zij met haar kruik weer verder,

Naar de hal. Daar was de bleeke Bode reeds in huis getreden:

Op het dons lag een vermoeide Uitgestrekt en uitgestreden.

'n Zachte en zoete slaap omving hem; Niet die kwelt met bange droomen, Neen, de diepe en vredevolle, De ongestoorde, de eeuwenlange.

Aan zijn hoofdeind Hildegonde Diepgebogen, of zij vraagde Is het werk'lijk waar, dat stokte Des geliefden vaders adem?

ocr page 367

355

Trokken niet de blauwe lippen'?

Scheen daar niet de borst te hijgen? — Stom en dood! En nederzijgend Barstte ze uit in bitt're tranen.

Op de knieën naast den doode Zonk de bisschop in gebeden,

Badurad, die voor den vriend om Zaal'ge rust en opstand smeekte.

Straks nog had hij milde woorden Van deze aard', die plaagt en smart geeft; Van deze aard', die zoent en balsemt. Troostvol in zijn hart doen dalen;

Had hem aangeboón het laatste Liefdemaal, de Hemelspij ze,

En der wandling moede voeten Hem gezalfd ter laatste reize.

Buiten wachtte naar de zeis de Gouden oogst der rijke velden;

Binnen was de strenge, ruwe Maaiersarbeid reeds ten einde.

En een vlinder vloog aan 't venster.

En de zonne scheen zoo vroolijk.

En een lichtstreep op de tegels Trok al langzaam, langzaam verder.

ocr page 368

356

Plotsling sprong de maagd ten hooge: Zachtkens traden in de halle Elmar met den Esschenburger, Markward en Warin, de grijze.

O, hoe vloog der lijdensbleeke Snel het bloed naar hoofd en wangen „Elmar! — Hij is dood! Hij hoopte, O, hij smachtte naar uw 'aankomst!

Ziet, o ziet, eerwaarde Yaders,

Edle Raaf! — Hij bleef steeds hopen, Elmar, voor hij moest gaan sterven Riep hij u, doch gij kwaamt nimmer

Elmar nam de hand des dooden En de hare: „Hildegonde,

Lijden was ons lot, en leedvol Is bij 't wederzien deez' stonde.quot;

„Tranen drogen,quot; sprak de Bisschop, „Heil, wie eerst in tranen zaaide. Want in vreugde zal hij oogsten: Elmar, kom, hier aan mijn harte!

U, en ook den vromen broeders. Heb ik, zoo 't mij werd geboden, 't Laatst verlangen van deez' doode Met den laatsten groet te melden.

ocr page 369

357

Valk, zoo hij door menschlijk falen,

Zij 't met schuld, ook u deed lijden,

Eisch geen schuld ; wie d' eeuw'gen dood slaapt. Laat u om vergeving vragen.

Abt Warin, hij zelf had gaarne Dank betuigd; laat mij u danken Voor 't verbergen, voor verpleging Van een vluchtling, van een kranke;

U voor alles, goede Prior,

Wat gij zoets aan hem mocht oefnen.

En vooral, wat gij hem leerdet.

En het meest, dat gij hem liefhadt.

Eén ding viel hem zwaar bij 't scheiden, 't Denkbeeld, boven maat hem droevig, Dit zijn kind, zijn dierbaar kleinood.

Op deze aarde alleen te laten.

Niet alleen! Zijn dierbaar kleinood Bad hij mij met zijnen zegen,

Elmar, bleef uw hart genegen.

Aan uw trouwvol hart te leggen.quot; —

En de Valk, zijne armen oop'nend;

„Gij mijn liefde, licht en leven,

Hilda, komt gij ?quot; — De verloste Sloot de weenende aan zijn boezem. —

ocr page 370

358

„Amen, amen!quot;' sprak de Bisschop. Op de knieën zonken allen; Vredegeesten, 's Heeren englen, Zweefden door de stille halle.

ocr page 371

xxv.

Slot.

En nu is mijn lied ten einde,

En ik heb het toch gezongen,

U ten weerzin, oude nachtuil,

U en al uw lastertongen.

Vaak scheen mij de moed te ontzinken, Denkend aan uw bitter spotten.

Zag ik uwe schouwen rooken,

Hoorde ik uwe hamers beuken;

't Drong tot mij in 't afgezonderd Kluisken van mijn Waterburchte Het gebries en het gedaver Van het dampend, stampend stoomros.

ocr page 372

360

Want de tijd is slecht; eerwaard'ge, Heil'ge leering heet men fabel,

Recht heet dwaasheid; en uit puinen Bouwt de waan het nieuwe Babel;

Wild de harten, veil de trouwe.

Goud en macht de hoogste goden, En het altaar ondermijnen Hier de huichlaars, daar de spotters.

O, de tijd is zeer verdorven,

En mij deert zijn woest getuimel; Ander spel dan mijner snaren,

And're leering wil hij hooren.

Doch wat welt, dat wil het daglicht, En in lange winternachten Ging ik voort, met troost in 't harte. Eenzaam rijm aan rijm te vlechten.

Niet voor velen, niet voor menig; Niet voor dezen, niet voor genen. Die den breeden weg ontwijkend, 't Oor leent aan verloren klanken:

Zooals naar een woudkapelle.

Niet m praalgewaad, de vromen,

Doch den breeden weg ontwijkend Jagersman en pelgrim komen.

ocr page 373

361

Die alleen, het hoofd gebogen,

Door 't eenvoudig poortken treden. Om bij 't kleine, stoffig houten Altaar eerbiedvol te bidden;

Scheidend dan naast dorre kransen. Zachtjes door den wind bewogen. Wel als offergave een simpel Veerken van den hoed te leggen. —

Helpe ons God den weg ten Hemel Uit deze aardsche ellende vinden: Met een beê voor d' armen schrijver Sluit de zang van Dertienlinden.

ocr page 374

Ophelderingen.

Van vele zijden werd de wensoh nitgesproken, dat bij een nieuwe oplage van dit boek de zakelijke aanmerkingen mochten uitgebreid en sommige ongemeene woorden nader toegelicht worden: ik achtte mjj verplicht aan dat verlangen te voldoen, en vermeen genoeg, zoo niet te veel, gedaan te hebben.

De geschiedkundige achtergrond van deze stoffe uit lang vervlogen tijden; de eigenaardige bijzonderheden der oude rechtspleging, de sagen- en sprokenwereld, de Germaansche godendienst voeren op een gebied, dat, voor onze middelmatige geestontwikkeling, al is deze anders nog zoo beduidend, te zeer verwijderd ligt om niet eenige verklaringen en ophelderingen te geven. Wellicht hebben zij ook dit goede in, dat deze of gene er toekomt de diepzinnige symboliek onzer mythologie na te sporen, die nog maar al te weinig bekend is, terwijl we de goden en godinnen van den Olymp op onze vingers weten na te tellen. Het spiegelen met de taal der voorgeslachten, hoe verlokkend zich de gelegenheid daartoe veelvuldig aanbood, heb ik zorgvuldig vermeden. De grenslijnen tusschen het geldige en het ongeldige zijn moeilijk aan te wijzen; ik geloof ze niet overschreden te hebben, wanneer ik menig goed Duitsch woord recht van voortbestaan toekende, tegenover de macht van slordig uit-heemsch goed, waarmee dag aan dag onze taal vervalscht en overladen wordt.

Omtrent den naam Dertienlinden dient bemerkt, dat bij geen aanspraak maakt op een geschiedkundigen grond

slag. Wi tijner ab hij het v niet in s vrije ver( voor ond( de jaren De scl noordelijl en de kr en Stein kort, ter stad Ho Der Net de gonvi Falie s C BI. 13

heilspret der Gen kend en des jaai zinnebee des jaar BI. IE BI. 1! BI. 2 was hui veld. Hi spitsen overoud BI. 2 resse. 1 drnde. men de beuk (c tot kor rune, r:

ocr page 375

363

. Wil er iemand de onde eerbiedwaardige Benedic-r abdij Corvey aan de Wezer in vinden, zoo heeft aet voordeel, dat stichtingstijd, ligging en omstreken in strijd zijn met mijne schilderingen. Deze nn zijn i verdichtselen in de lijst der geschiedenis. Zij vallen onder de regeering van Lodesvijk den Vrome, omtrent aren 822 en 823.

e schouwplaats is de Nethegouw, die omvatte het delijk deel van de tegenwoordige kreits Warburg le kreits Höxter, uitgezonderd de ambachten Nieheim Steinheim, die tot de Witigouw behoorden; in 't , ten naastebij het stroomgebied van de Nethe. De Höxter zelve behoorde tot den Pagus Auga. Zie; Nethegau von W. E. Giefers, Munster, 1842, waar gouwgrenzen zorgvuldiger zijn aangegeven dan in :'s Codex traditionüm Coebejensium.

1. 13, str. 1. Balder, de Phol uit de Mersebnrger spreuk, de zoon van Wodan en Frigga, was de mildste Germaansche goden, goedig, zacht, schoon, welspre-1 en van blijvenden glans omstraald: de zonnige helft jaars, tegenover zijn blinden broeder Höder, het ebeeld van het afnemend licht, van de donkere helft jaars.

1. 15, str. 4. De Moonide, Homeros.

1. 15, str. 5. De laatste Romer, Tacitus.

1. 21, str. 2. Het paard was den Saksers heilig, het hun offer- en wapendier, een wit paard op een rood . Het gebrnik om de gevels der boerenhuizingen met sen te versieren, die op paardekoppen gelijken, is oud en leeft hier en elders nog voort in onzen tijd. 1. 23, str. 4. Drude, tooveres, waarzegster, prieste-b. Velleda, uit de geschiedenis ons bekend, was een ie. — Het stavenwerpen geschiedde op de wijze, dat de twijg van een yruchtdragenden boom, van den £ (den boek), — vandaar de benaming boekstaven, — korte staafjes sneed, deze met een schriftteekon, een j, ritste of merkte, over een witten doek uitstrooide.

ocr page 376

364

een- of meermalen onder aanroeping der goden opwaarts wierp en ze verklaarde naar gelang van de teekens, die te zien lagen.

BI. 24, str. 2. Badurad, de tweede bisschop van Pa-derborn, was, zooals zijn voorganger Hathnmar, dien hij in 815 opvolgde, een edele Sakser: een vroom en wijs heer, die zich in de 44 jaren van zijn kerkelijk beheer hoogst verdienstelijk maakte voor zjjn land.

BI. 24, str. 5. Wodan, de Noordsche Odin, de veel-namige vader van goden en menschen, en de hoogste gebieder van hemel en aarde.

BI. 25, str. 1. De Edda heeft ons drie hoogst merkwaardige spreukgedichten vol levenswijsheid bewaard: het Hawamal, Loddfafnirslied, en Odin 's Ranenlied. Simrock 's Edda, 41, 57, 61.

BI. 25, str. 2. Donnar, de Noordsche Thor, de god des donders, de zoon van Wodan en Prigga, na zijn vader de sterkste en meest gevreesde der Asen. Hij reed op een plomp rollenden wagen, met bokken bespannen, door de wolken, en slingerde het schrikkelijkste aller wapens, zijn hamer, Mjölnir, den verbrijzelaar, den bliksem. — Hij leefde in voortdarenden strijd met de Thurseu (Droesen), met de ijsrenzen, die in het hooge Noorden woonden. Zomergloed en winterkoude zijn elkander vijandig. — De voorspelling der Wala, de Wöluspa, ia een geheimvol gedicht der oude Edda, waarin de godenschemering d. i. de ondergang der goden en het gansch heelal en de vernieuwing van deze wordt voorzegd.

BI. 26, str. 6. Zie aanm. op hl. 185, str. 3.

BI. 27, str. 1. Wikings heeten de Noordsche zeehelden, zeekoningen, die naar alle windstreken uittrokken voor hunne krijgs- en plundertochten.

BI. 27, str. 6. Thoralil in de plaats van lille Thora, een liefkozende uitdrukking, die veelvuldig in de Deensche volksliederen wordt aangetroffen, evenals Elselil, Mettelil, Swanelil, Signelil, enz.

BI. 28, str. 3. Holla, Holda, in den volksmond Vrouw

ocr page 377

365

ïolle, een zoete, weldoende geest. Zij woont in het wond, lan de bron en heeft heerschappij over de wolken ; door iet opschndden van haar veerenbed veroorzaakt zij den meenw. Zij heeft het opzicht over de spinsters en helpt le vlijtigen; doch bij de tragen plnist en verbrandt zij len spinrok. In de heilige Twaalf Nachten, — zie aanm. )p bl. 214, str. 3, — moet zij met het woedende heir neerijden.

Bl. 30, str. 1. Schalk, hier in zijn oorspronkelijke gt;eteekeni8 »knechtquot;; doch het woord had reeds bij Gott-'ried van Strassbnrg, Freidank en Hartman von Ane len hnidigen zin van een loos en sluw mensch. Grimm ',s Deutsche Rechtsalterthümer, 503.

Bl. 30, str. 5. De Nornen, de drie wijze lotgodinnen, gt;en soort van schikgodinnen, jonkvrouwen, wier schoon-)eid nooit veroudert. Verleden, Heden en Toekomst, Urd, tVaranda, en Skuld, zitten aan de bronne des tijds onder len grooten wereldboom, den esch Ygdrasil, en beschikken alle lotgevallen.

Bl. 30, str. 6. De Wendelzee, de groote oceaan aan iet einde der wereld. Graff's Ahd. Sprachschatz, II, 820.

Bl, 31, str. 1. Wodan stelde mén in de gedachte voor ils een heerlijke heldengestalte, met gouden helm en rijk larnas, do lans in de hand, of als een grijsaard, éénoogig in lang van baard, in een blauwen sterrenmantel gewik-celd, twee raven op zijne schouders, twee wolven aan ;ijne voeten en den hemelwagen boven zijn hoofd. Gaarne visselde hij van kleeding en verscheen nu eens als een voetganger, een hoogdeftig man, met een breedgeranden loed, diep over het hoofd getrokken, dan weder als een •eusachtig nachtelijk ruiter jagend aan de spits eener vilde bende. Hij was het zinnebeeld van het blauwe lemelgewelf met zijne lichten.

Bl. 32, str. 2. Freia, de blondgelokte godin van liefde m trouw, naast Frigga, de gemalin van Wodan, de voor-laamste onder de vrouwelijke Asen. Een van hare af-jeeldsels, dat te Maagdeburg hoog vereerd werd, liet

ocr page 378

366

Karei de Groote verwoesten. — Freia 's spinrokken heeten de drie sterren in Orion 's gordel. Grimtn 's Deutsche Mythol. 2 Anil. s. 689.

BI. 32, str. 4. Wodans oude scharen zijn de dooden; Ragnar Lodbrok, Deensche opperkoning te Lethra, Leire, den ouden koningszetel te Roeskilde aan den Isefjord op Seeland. Zijn stervenslied Lodbroharquida, bleef voor ons behouden. Zijne zonen wreekten op koning Ella den dood huns vaders.

BI. 33, str. 1. Schot, bij elkaar het voorgeschoten geld, opbrengst of schatting, nog voorkomend in schot en lot. De onderkoningen moesten aan den opperkoning een jaarlijksche schatting betalen en heetten daarom schotkoningen. Reguli, alterius ditioni subjecti, partem, imperii pro certo pendendo vectigali tenebant. Ihre, Glos sar. Svingoth. s. v. Konnng.

BI. 33, str. 6. Drost, Deensch Drot, heerscher; in 't Zweedsch alleen de vrouwelijke vorm Drottning, koningin; later landvoogd, ambthoofdman, vicarius regis. Dentsches Wörterbuch der Brüder Grimtn II, 1437.

BI. 35, str. 5. De Helweg voerde naar de zwartwitte Hel, Hela, de beheerscheresse der onderwereld.

BI. 36, str. 4. Wapen, Wafen, aloude nood- en hulpschreeuw.

BI. 37, str. 3. Wodan's ros, Sleipnir, was achtvoetig; 't achterhaalde den storm en werd nimmer moede.

BI. 39, str. 1. Heelen, schweigen, in bedrijvenden zin, tot zwijgen brengen, stillen, heelen.

BI. 42, str. 2. Dübindane, het zwaard, Olifant, de hoorn van den jeugdigen oorlogsheld Roelant, die in den slag van Ronceval het leven liet. (Zie : De Bornier, La fille de Rolant, vertaald door prof. J. A. Alberdingk Thijm).

BI. 43, str. 5. In het jaar 782 waren de Saksers onder Widukind opnieuw tegen de Franken opgestaan, en hadden hun bij den Süntel een vernietigende nederlaag toegebracht. Karei kwam met een sterk leger aanrukken,

ocr page 379

367

onderwierp en verwoestte het land, en oefonde op de muiters een ontzettend strafgericht, daar hij te Verden aan de Aller 4500 der aanzienlijksten op één dag liet onthoofden. Einhard, de geheimschrijver des konings, gaat in zijn Vita Caroli M. dit bloedbad stilzwijgend voorbij; in zijne Annales Laurissenses en Fuldenses ad. a. 782 staat het vermeld ; eveneens bij den hofvleier Poeta Saxo, die overal slechts Einhard naschrijft, in de volgende verzen;

»Tradita sunt sane reliquorum bis duo leto »Millia quingentique viri, qui tam grave bellum »Illiu8 (Widukindi) contra Francos gessere suasu, gt;Hosqne die cnnctos rex decollaverat una »Juxta Alaram fluvium, locus idem Perdi vocatur.

Pertz, Morum. Germ. hist, scriptores I, 238. — Deze Poeta Saxo, dichter noch Sakser, schijnt dezen gruwel voor een grootsche daad aangezien te hebben, vermits hij het als het eigenhandig werk van zijn gevierden koning opgeeft.

BI. 45, str. 1. De Stagieiet, Aristoteles, zoo geheetea naar zijn geboorteplaats Stagira, in Macedonië.

BI. 46, str. 4. Winfrid, de H. Bonifacins, de Apostel der Duitschers, liet in het jaar 744 den Abt Sturmi het klooster Pa Ida bouwen. Bobanus Maurus was als wijdvermaard leeraar werkzaam aan de school, die bij het klooster hoorde.

BI. 47, str. 4. Hathumar, de eerste eigeu bisschop van Paderborn, van 795 tot 815. Hij blonk uit door zijn groote menschlievendheid.

BI. 52, str. 2. Van den vogel Karadrius werd, naaide sage, geloofd, dat hij, zoo een kranke door hem werd aanschouwd, diens ziektestof in zich opnemen kon en zich daarvan ontlastte door het opvliegen naar de zon. Bezzenbergers Freidanh, 198—455.

BI. 56, str. 5. Als vervaardiger der bekende Disticha de moribus, tweeregelige spreukverzen, die sinds de 4e eeuw vlijtig in de scholen werden gelezen, erkende men

ocr page 380

368

Magnns Dionysins Cato, een Stoïcijn, die rondom het jaar 160 na Chr. leefde. — Aelius Donatus leefde omstreeks 353 te Rome. — Zijn geschrift de octo partilms orationis, een soort van spraakkunst, was in de scholen der middeleeuwen, het gewone leerboek der Latijnsche taal.

Bl. 57, str. 4. De kloosterregel legde tijdens bepaalde nren het stilzwijgen op. Als hulpmiddel gebruikten de monniken de vinger- en teekentaai.

Bl. 58, str. 6. Miklagard, het groote hof, Byzantium.

Bl. 64, str. 5. De geleerde oudheidvorscher Prof. Dr. Giefers beweert op goede gronden, dat de Ieminzuil, een reusachtige boomstam, het nationale heiligdom der Saksers, niet zooals men vroeger meende, aan den Diemei, maar op den Iburg, den slotberg bij Driburg, heeft gestaan.

Bl. 67, str. 1. Donab 's hamer was niet enkel een verbrijzelend, maar ook een wijdend en zegenend werktuig. Het hamerteeken had iets weg van het kruis. — Biddende en biechtende Christenen keerden hun gelaat naar het Oosten; biddende en offerende heidenen naar het Noorden. Grimm 's d. Mi/thol. 31.

Bl. 67, str. 3. Ungezwagt van zwageji, d. i. wasschen. Hans Sachs gebruikt het woord heel gewoon ; thans is het geheel verouderd en het wordt hier in de beteekenis van een overgeleverde godsdienstige spreekwijs gebruikt.

Bl. 67, str. 4. Balder, de lichtgod; zijn sterfdag werd gevierd ten tijde der zomerzonnewending, wanneer de dagen beginnen te korten. De mythe verhaalt, dat zijn blinde broeder Höder hem, onwillens met een misteltwijg doodsloeg, en dat zijn treurende vader Wodan hem, op den brandstapel raadselachtige woorden in het oor fluisterde. Grimm's d. Mythól. 201.

Bl. 68, str. 1. De woorden, die Wodan zijn zoon Balder op den brandstapel in het oor fluisterde, schijnen een geheim te zijn geweest; nergens deelt ze de Edda mede.

ocr page 381

369

BI. 68, str. 2. De nooitvoldane, Hela, do onderwereld.

BI. 68, str. 3. De Hemeleeus, de Himmelsliüne, Ha-venhüne, Wodan. Grimm 's d. Mythol. 142.

BI. 68, str. 5. Naar de opvatting der ond-Germaan-sche volkeren ligt de Zuidelijke vnurwereld Muspillheim, tegenover de Noordelijke nevelwereld, Niflheim. Uit gene komt licht en warmte, nit deze daiaternis en konde. De koning der eerstgenoemde heet Snrtnr, de zwarte. — Müspel' s zonen, de vlammen, rijden bij het aanbreken van de godenschemering op gloedkleurige paarden naar het Noorden, en steken de gansche wereld in brand. — Muspilli, Müdspelli is de overoude, heidensche en later christelijke benaming van den wereldbrand ; in den Heliand beduidt Müdspelli op onderscheidene plaatsen het vuur van den jongsten dag; evenzoo Muspilli in de brokstukken van een oud-Beiersch gedicht, dat door Schmeller onder die benaming werd uitgegeven. Grimm 's d. Mythol. 525, 568. Simrocks d. Myth. 128, 129. Linde-mann 's Geschichte der d. Literatur 12.

BI. 68, str. 6. Omtrent den ondergang en de vernieuwing van de wereld, vergelijk verder de aanmerking op bl. 297, str. 3.

BI. 69, str. 2. De Nimmeruitgespkokene, Alvader, de god der goden, het hoogste, albeheerschende, onzichtbare wezen, van de grootste volmaaktheid, het geheimvolle begrip van den God der christenen. Hij werd niet in tempels, maar in de stille wouden vereerd. Wodan draagt dikwerf zijn naam, doch is deze — onder velerlei opzicht waardig met den 2eus en Jupiter van Grieken en Romeinen vergeleken te worden, — der Asen, dat is der hooge goden opperhoofd, als meer persoonlijk gedacht en naar menschelijke opvatting verwezenlijkt.

Bl. 69, str. 3. Het kind van den vrede, fridu-barn godes of fridu-harn alleen, in den Heliand de gewone benaming van den Verlosser.

Bl. 70, str. 5. De witste bloem van het Noorden werd

24

ocr page 382

370

Balüersbea, Balder 's oogwenkbrauw geheeten : vermoedelijk is daarmede de kamille bedoeld.

BI. 71, str. 3. Bij offers en feestmalen werd de Minne, de gedachtenis der goden, gedronken. In den christelijken tijd ging dit gebruik op de heiligen over: zoo was er een Maartensminne, Stevensminne, Geertes- of Geertruides-minne. Jansminne, enz. Deze laatste, als St. Jans zegen bekend, bracht men den scheidenden en reizenden tot afscheid, om hun goede reis en herberg toe te wenschen. Simrock 's d. Mythól. 489.

BI. 74, str. 6. Het gebruik, om van veld- en tuinvruchten een overblijfsel te gunnen aan de zegenende godheid, bleef op menige plaats tot in het begin dezer eeuw voortbestaan.

BI. 76, str. 4. Aan het hoofd van elke Saksische gouw stond een graaf, door den koning aangesteld om in diens plaats te rechten en te bestieren. Tijdens Karei den Groote werden tot dit ambt enkel Franken toegelaten ; Lodewijk de Vrome benoemde bijwijlen edele Saksers. Van tijd tot tijd vaardigde het hof zendboden, Missi rigii, af in do gouw, met last op de plaats zelve de ambtsuitoefening der ondergeschikten te onderzoeken en de klachten der ingezetenen te aanhooren.

BI. 77, str. 4. Den H. Meinulf, zoon van een Saksisch edelman en van Wichtrud, liet koning Karei in het jaar 783 te Paderborn doopen. Hij werd aartsdiaken van bisschop Badurad en stichtte van zijn groot vermo-gen het klooster Böddehen in 837. Schatens Annalen /, 16, 112.

BI. 80, str. 3. Bilwiss, wiens naam volgens Grimm's d. Mythol. 440, aequum sciens beduidt, is een elfwezen, dat in boomen en bergen woont. Met een sikkel aan den voet gebonden, gaat of rijdt hij op een bok, door het rijpend koren, en het omgeslagene of platgeredene is voor hem. Simrock 's d. Mythol. 421. Het Bilzenkrnid (doodsbloem) schijnt naar Bilwiss te zijn genaamd.

BI. 86, str. 6. (Wichelwijskens, staat naast wichel-

ocr page 383

371

roede) van wichten, aarde- en watergeesten, die men de gave toeschreef, dat zij door spel en zoet gezang onweerstaanbaar meelokten en betooverden. (In steö van toover-wijskens hier wichelwijskens, ter wille van het stafrijm). Oberons hoorn en de Rattenvanger van Hameln, alsmede vele water- en zeemanssagen werden hiernit geboren. Grimm 's d. Mjthol. 439. Simrock 's d. Mythol. 430.

BI. 87, str. 4. Goldemar was, gelijk zijn broeder Elberich, een dwergenkoning.

BI. 88, str. 4. Poten (bij Weber: »Lodenquot;) jonge, slank opgeschoten boomen.

BI. 90, str. 4. De heidensche Saksers aten paarde-vleesch ; door de wet der Franken werd znlks verboden.

BI. 91, str. 1. Het zonneoog is de éénoogige Wodan. Zie aant. op bl. 31, str. 1. — De Nimmermoede is een van Wodan 's vele benamingen; hij heet Wegtamr, de wegentemmer, de viator indefessus van Saxo. Simrock 's d. Myth. 167.

Bl. 108, str. 4. Idis, de Noordsche Disa, is de benaming van vrouwen en maagden, die voor meer dan aardsche, en voor minder dan godinnen werden beschouwd. In den Heliand is Idis, bij Otfried, Itis, de naam der H. Maagd. — Ihre, Glossar, Sviogoth s. v. Disa, vertaalt Disa eenvoudig door Dea.

Bl. 113, str. 6. Wouden en hoornen stonden bij de ouden in het algemeen en bij onze voorouders in het bijzonder, in hoog aanzien en waren dikwerf het voorwerp van vrome vereering. Aan een godheid toegewijd, mochten zij niet gerept worden ; men herinnere aan het Sacrum nemus, castum nemus bij Tacitus; aan de incae-dua silva, nunquam violata bij Ovidius en Lncanns. Zulk een heilige boom, waarin, naar de meening des volks, een god woonde, was de Donnarseik bij Geismar, niet ver van Fritzlar, dien Winfried liet vallen, en wellicht ook de Irminzuil. Woudstilte en eenzaamheid stemmen de ziel tot gebed en overweging — Als men bedenkt, dat de christen zendelingen bij voorkeur op heidensche

ocr page 384

372

offerplaatsen hunne kerken trachten te bouwen, dan moet wel menige van onze berg- en woudkapellen, die meestal onder eiken en linden staan, naar een eeuwenonden grond en Grermaansche boomvereering verwijzen. Zou ook onze lieve gewoonte, de versiering van den kerstboom, daarmee niet in verband staan ? Grimnn 's d. Myth. 61), 613. Simrock 's d. Myth. 477.

BI. 114, str. 3. Tempels en heilige wonden werden zonder wapens, dikwerf zelfs met boeien aan betreden. Tacitus verhaalt van het wond der Semnonen, Germania 59 : Est et alia luco reverentia : nemo nisi vinculo ligatus ingreditur, ut minor et potestatem numinis prae se ferens. — Ons handen vouwen is een zinnebeeldig boeien van ons zeiven.

BI. 118, str. 1. Onder den blooten hemel in het woud, onder eiken of linden, op beemd en weide, bij groote steenen, in groeven enz. hield men openbare vergaderingen voor het recht, die Ding, Maal, Ring, Sprake enz. werden geheeten, vandaar Ding-of Maalstede. Meestal had men jaarlijks twee zulke gerechtsdagen, in de lente op St. Walbnrgis, en in den herfst op St. Maarten.

BI. 118, str. 2. Pkigga 's heilige boom, de linde, -j-In het Merovingische en Karolingische tijdperk was het volk onderscheiden in edellingen, nobiles; — vrijen, ingenui; — en onvrijen, servi. Tusschen beide laatste stond een talrijke klasse de laten, liti, lati, lazzi, aldiones, homines pertinentes geheeten ; deze waren tot persoonlijke diensten en lasten verplicht en nagenoeg aan de onvrijen gelijk. Znpfls deutsche Rechtsgeschichte II, 31.

BI. 118, str. 3. Alhaasen bij Driburg, de geboorteplaats van schrijver (Dr. F. W. Weber) heette eertijds Aldingeshus, Aldinghüs. Falhs Codex trad. Corb. 232, 526. Die naam schijnt de plaats aan te duiden, waar een Allding, een gouwgericht, werd gehouden. Daarmee stemt een sage overeen betreffende een eeuwenoude linde, die op een grasveld, daarbij gelegen, stond, en voor jaren, aan den schoonzoon van den toenmaligen overste

ocr page 385

373

der plaats, een schrijnwerker en timmerman, werd verkocht. (Ook te Wychen alhier werd twintig jaren geleden een eik omgehouwen, die vlak tegenover den onden Burcht stond en, naar 't volksverhaal, was geplant in den tijd van Karei den Groote ; vandaar zijn naam »dingeik.quot;)

BI. 119, str. 3. De meest gebruikelijke wijze in onder tijden om openbare gerichtsplaatsen te »hegenquot; d. i. te omheinen, te omheggen, was een omheining van hazel-takken en een wis. Het algemeen geloof aan de heiligheid van zulk een plaats leende aan die eenvoadisre afpaling meer dan genoeg stevigheid. Van stevig paalwerk en beschuttende hekkens is eerst spraak in latere oorkonden. Grimm 's d. Rechts Alt. 809.

BI. 119, str. 4. De kjchtsbö, gerichtsbode, Fr one, was een onschendbaar persoon. Aan het gerecht was een bijzondere vrede verbonden. Het bijv. naamw. frone, heilig, gewijd, gold bij de vierschaar, rechter en bode, zoo goed als bij voorwerpen van den kerkelijken dienst. Grimm 's R. Alterth. 745.

BI. 120, str. 5 en bl. 123, str. 1. Elke vrije kon slechts door zijnsgelijken en de edele door de edelen gericht worden. De Schepenen werden door den graaf of den koningsbode benoemd, bij eed op de heilige, de rechterhand, in dienst genomen en moesten al zittend het oordeel strijken. Grimm 's R. A. 776.

Door Umstand, de ommestaanden, verstaat men de menigte, die buiten den ring stonden, homines coram adstantes, Grimm 's R. A. 769.

Bl. 121, str. 2, 8. sgt;Wie tegen den koning een eedverbond aangaat of opstand maakt, zal met den dood gestraft worden.quot; Capitul. Paderhrunnense van 't jaar 785, 9, 10.

Bi. 121, str. 4. »Wie voortaan bij het volk der Sak-sers zich ongedoopt verschuilt, en weigert ten doop te komen en heiden wil blijven, zal den dood sterven.quot; Capitul. Paderbr. 7.

Bl. 123, str. 2. De aangeklaagde moest in persoon,

ocr page 386

374

of door een voorspreker, een zaakgelastigde, zich verdedigen ; de getuigen, oorkondsmannen, stellen; of bij gebreke van dezen door oproeping eedgenooten of mede-zweerders, die met hem zijn onschuld bezwoeren, van de aanklacht zoeken te zuiveren. Dat eischen van beëedi-gers heet Leuteruf, Leodecal. — De eedgenooten of be-ëedigers, aidi, sacramentales conjuratores, moesten alleen de credulitate (sic!) niet de veritate hun eed doen. Zöpjls d. li. Gesch. III, 401.

BI. 127, str. 4. Gylfi, koning van Swithiot (Zweden) kwam in Walhall, de godenhalle, binnen, en zag ïdrie prachtgestoelten, het een boven het ander, en op elk zat een man. Hij vraagde, hoe de namen dezer hoofdmannen waren. Zijn geleider antwoordde: die in het laagste gestoelte is een koning en heet de Hooge; die in het volgende heet de Evenhooge, en die in het hoogste gestoelte heet de Derde. Deze drie nu waren de eenige Odin.

BI. 127, str. ö. Spreker wijst op de herhaalde roof-en verdelgingstochten, die Karei te vuur en te zwaard tegen de Saksers ondernam, Einhard, wiens mededeolin-gen op zijn minst een halfambtelijk karakter dragen en voorzeker niet overdreven zijn, vermeldt ze in zijne Annalen onder de jaren 774, 783, 784, 785. Pertz SS. I, 155, 165, 167. Op eerstgenoemde plaats luidt het: Rex autein — .... priusquam eum Saxones venisse sentirent, tripartitum in eorum regiones misit exercitum, qui incendiis ac direiitio-nibus cuncta devastavit, compluribus etiam Saxonum, qui resistere conati sunt interfectis, cum ingenti praeda regressus estquot;

BI. 129, str. 5. Jurare cum sexta vel septima manu, al naargelang men de hand des aangeklaagde medetelde of niet. Zöpjls d. R. Gesch. 403.

BI. 130, str. 4. Den eed staven beteekent het eedformulier zeggen.

BI. 131, str. 6. Hawamal 24. Simrock 's Edda 44.

BI. 134, str. 5. Als een teeken van overweging en rust gold in de oudheid het kruisen der beenen. Vergel.

ocr page 387

375

het schoone lied van Walther v. d. Vogelweide: Ich saz

ÜF EINEM STEINE : DO DAHTE ICH BEIN MIT BEINE, enz.

Lachmanns Ansg. 8, 4. — Den richter was voorgeschreven, dat hij den rechter over den linker voet zou slaan, en, zoo de zaak onklaar was, deze 123 maal (driemaal veertig en drie keer bovendien) overleggen zou. Grimm'« R, A, 763. Honderdtwintig was het groothonderd, tien dozijnen.

BI. 135, str. 1. De zwaarste misdaad was verraad: het werd beschouwd als een persoon vermoorden, of hem brengen in levensgevaar, indien men jegens hem tot bijzondere trouw verplicht stond, voor zooverre hij bloedverwant, vriend, heer of koning was. Zöpüs d. li. Gesch. III, 374. De schepenen spraken den Valk alleen daarom van afgodendienst vrij, omdat zij zich zelf opzichtens hun eigen geloofsreinheid niet geheel en al onberispelijk wisten ; het christelijke en het heidensche liep toenmaals vaak ineen.

BI. 136, str. 6. Het vonnis kon aangetast, gescholden worden; dan werd door een tweegevecht tnsschen de partijen beslist, alzoo een Gods oordekl, ordale, of door een beroep op den koning. Zöpfls d. E. Gesch. II, 92, III, 397. — Het uiterlijk kenmerk van den vrije was langlokhig haar; hij heet: capillatus, crinitus. Een onvrije, die het haar liet groeien, werd met 5 solidis beboet. Grimm 's d. R. A. 283.

BI. 138, str. 4. Het Capihdare de partihus Saxoniae seu Paderhrunnense van het jaar 785 is een strenge wetgeving, die in hare twaalf eerste punten, elfmaal de doodstraf voorschrijft, waar de wetten van andere volken meest alleen geldboeten bepalen. Men noemt ze lexcru-delissima. Zöpüs d. R. I, 54. Ongelijk zachter is het Capitidare Saxonium van het jaar 797, dat onder toezicht der Saksische edelen tot stand kwam en zelfs van getrouwe Saksers spreekt.

BI. 141, str. 2. Wieland, de dwergenkoning, de TFö-lundr van het Noorden; en Galans le forger on van de

ocr page 388

376

Karolingische sage, was de kunstrijkste meester aller smeden.

BI. 144, str. 4. De Oude, Wodan.

BI. 147, str. 3. De nederlaag aan den Süntel in het jaar 782 had voor de Franken even verderflijk kunnen worden, als de Varusslag voor de Romeinen, zoo de Sak-sers, in plaats van hun zege te vervolgen, niet uitéén waren gegaan om naar hunne haardsteden te keeren.

BI. 150, str. 4. Berserken , Berserkk , Bloothemden, waren naakte strijders, die door hun wild- en woestheid berucht waren.

BI. 167, str. 1. «Wanneer iemand zijn toevlucht in een kerk genomen heeft, zal geen mensch hem met geweld uit de kerk mogen drijven, maar hij zal vrede hebben.quot; Capitul. Paderhr. 1.

BI. 168, str. 1 en 2. Gülte d. i. last, jaarlijksche bezwaring van een stuk gronds. — Brüchte, breuk, straf, muleta.

BI. 169, str. 1 en 2. Oese, Aa en Brucht zijn beken, die in de Net he vloeien. Deze neemt haar oorsprong aan de oostelijke helling van den Osning, — het Teutobur-gerwoud, — in Neuenheerse. — De Bever valt niet ver van Bevernngen in den Wezer. — De heilbron te Dribnrg, aan den voet van den ouden Iburg, is zeer vermaard.

BI. 171, str. 4. Dutten of toeters (in deze streek spreekt men van grasdutten) zijn in menig Nedersaksisch oord reuzen, plompe, trage en onbeholpen menachen. Grimmü s d. Myth. 511.

BI. 175, str. 4. De Eggeweg is een overoude heirbaan, die over den kam van den Osning liep en de waterscheiding uitmaakte tusschen den Rijn en den Wezer, hier de grenzen van de Nethe- en de Padergouw bepalend.

BI. 183, str. 5. De donkerblauwe, Hela, de godin der onderwereld.

BI. 185, str. 3. Reeds in de dagen van Karei verschenen de Noormannen met 200 schepen aan de Friesche kust, die toenmaals onder de heerschappij der Franken

ocr page 389

377

stond. Zij richtten aldaar groote verwoestingen aan. Einhards Annalen op het jaar 810, Pertz, SS. 194. Later werden de rooftochten dier strijdlustige gelukzoekers menigvnldiger en stouter, daar ze herhaaldelijk met hunne »langschepenquot; de groote stroomen van Frankrijk opvoeren, en tot het hart des lands binnendrongen.

BI. 186. str. 2. Naar Noorsche zede werd ter eero van gesneuvelde krijgslieden bij hun begrafenis het graböl of sterheöl, ale of bier, gedronken.

BI. 189, str. 4. Beagi, zoon van Wodan en Frigga, de god der wijsheid, dichtkunst en welsprekendheid, de Apollo van het Noorden. Idun, Iduna, de godin der eeuwige jeugd, de gemalin van Bragi, bewaarde in een gouden schaal de appelen des levens, waarvan de goden zelf dagelijks moesten eten, om niet te verouderen.

BI. 189, str. 5. Walhall, d^ godenhalle en eeuwige rustplaats der helden, die in een eerlijken strijd waren gesneuveld.

BI. 205, str. 5. Middelgard, in den Heliand de aarde, de woonplaats der menschen, tusschen de Noordelijke nevel- en de Zuidelijke vuurwereld.

BI. 209, str. 1. De zienster schouwt in den geest den strijd onder de muren van Eome, die in het jaar 1155 plaats vond tusschen de oproerige Romeinen en den zoo even door Hadriaan IV gekroonden keizer Frederik Bar-barossa, aan wiens zijde Hendrik de Leeuw streed.

BI. 210, str. 4. De drude zinspeelt op een lied der der oudere Edda, de Wegtamsquida, al waar Wodan onder den naam van Wegtamr, de Wandelaar, bij de doode Wala in den Helaburg verschijnt, om uitkomst te vernemen over het lot van Balder, dien al de Asen zoo beminden, en die door zware droomen verontrust werd. De weerbarstige zienster erkent tevens den godenvader. Simrock 's Edda, 37.

BI. 214, str. 3. Gedurende de Heilige Twaalven, de twaalf nachten tusschen Kerstnacht en Driekoningen, den zonneloosten tijd des jaars, was naar de meening des

ocr page 390

378

volks de heerschappij overgeleverd aan de duistere machten. Dan voer de wilde jacht, Wuotans heir, het woedend heer, aangevoerd door Hachélberg of Hakelberesd, dooide lucht. Hakolberand, de Manteldrager, is een bijnaam van Wodan, die men zich voorstelde als een éénoogig grijsaard met breedgeranden hoed en blauwen mantel. Grimrn '.s d. Mythol. 875. — Dat de bekeerders onzer heidensche voorvaderen de oude goden als vijandige kwelgeesten uitgaven en er een voorwerp van afschuw van maakten, is bekend.

Bi. 215, str. 5. Aan de spits der wilde jacht vliegt een uil, die Tutosel, Tutursel, die eens een nonne was en na haar dood werd toegevoegd aan Hakelberend. Grimm 's d. Myth. 874.

BI. 219, str. 1. Onder de benaming van »klein volkjequot; verstaat men alle duivelachtige dwergwezens, die wichten, elfen, dingskens, mannekens of kabouters heeten.

BI. 220, str. 2. Aan dwergen, bergmannekens, kleine Ini, die als goede smeden bekend stonden, gaf men, ter wille van hun omgang met vuur, rood haar en een roo-den baard, zooals men ook Donnar, den god des donders, roodgebaard meende. Zij droegen roode rokjes en roode hoedjes. In Frankrijk werden zij Chaperon rovy/e gcheeten; Roodkapje komt in Duitsche sagen voor. Simrock '.s d. Myth. 435.

BI. 221, str. 1. Kielkropf, Misgeburt, Wechselbalg is misgewas of zwelkrop. D. Wört. Grimm Y 680.

BI. 227, str. 5. Degen, voortreffelijk krijgsman. In de 15e tot de 18e eeuw werd het woord bijna niet gebruikt, tot het door Lessing, Wieland, Burger, Göthe, Schiller e. a. weder geijkt werd.

BI. 232. str. 5. De Karolingische tijd behoort tot de zwartste en bloedigste tijdperken der Duitsche geschiedenis.

BI. 233, str. 4. In de Woluspa, den eersten zang van de rythmische of Samundsedda, luidt het:

»ünerhörtes ereignet sich, grosser Ehbruch, »Beilalter, Schwertalter, wo Schilde krachen,

ocr page 391

379

»Windzeit, Wolfszeit, eh' die Welt zerstttrzt.

Simrock's Edda, 10.

Bl. 239, str. 1. Zie de aanteekening op bl. 205, str. 5.

Bl. 242, str. 6. Mimigardeford, Münster. Bijzonderheden opzichtens den tongval maken het hoogstwaarschijnlijk, dat de zanger van den Heliand tusschen Münster en Essen leefde. Lindemans Gesch. v. d. Literatiir, 32.

Bl. 245, str. 1. De roerende legende van den blinden Beda, den eerwaardige, zou wel door Kosegarten 's bewerking, algemeen bekend moeten zijn.

Bl. 252, str. 3. Nendphae, oude benaming der zeeroos, Nymphaea.

Bl. 258, str. 5. Meenen, met genegenheid gedenken, in 't Zweedsch minnas, Deensch minde. Zie omtrent het minnedrinken de aanteek. op bl. 71, str. 2. Minnen en meenen hebben oorspronkelijk dezelfde beteekenis.

Bl. 275, str. 5. Waldschrat, de schrat, schretel, Pilosus, Silvanus, Faunus, Sati/rus, een norsche en ongezellige woud^eest of boschgod, ruig en harig, met samengegroeide wenkbrauwen, stellig een neef van Bilwiss. Zie de aant. bl. 80, str. 3. Simrock 's d. Myth. 422.

Bl. 276, str. 3. De verdienste der eerste ontdekking der groote westerwereld in zijne Noordelijke deelen komt toe aan de Noord-Germanen der X(le eeuw. Men gelieve deze tijdverwisseling door de vingers te zien. — De koene zeevaarders noemden de nieuwe wereld Ilelhdand it rniJda, het groote bergland, — Labrador, en Vinland it cjoda, het goede wijnland : Massachusets. — Zij hadden geene geldmiddelen genoeg en stonden te ver achter in beschaving, dan dat hun ontdekking een wereldhistorische beteekenis kon verwerven, gelijk de wederontdekking der tropische gewesten van Amerika door Christoffel Columbus. Humboldts Kosmos. II, 269.

Bl. 297, str. 3. Als de godenschemering, het einde der wereld genaakt, verhaalt de Wölnspa, huilt de geboeide Fenriswolf, een schrikwekkend gedrocht; hij verbreekt zijn keten en spookt door de wereld. De zee

ocr page 392

380

gaat aan het zieden, en aan land stijgt de spookachtige Midgardsslang, zoo hoog en ver, dat ze de geheele aarde omspant. De renzen, de aloude vijanden der goden, rusten zich nit ten strijde. Muspel 's vurige zonen, met hun koning Surtur, den Alverbrander, aan het hoofd, komen uit het Zuiden aangerend. Reeds ijlen de goden en de helden van Walhalla hunne tegenstanders in 't gemoed op het onmetelijk Wigridfeld, Wodan met zijn gouden helm voorop, dan Donnar en de overige hooge Asen. Wodan strijdt lang en verwoed met den wolf, tot hij eindelijk door hem wordt verslonden; Donnar kampt met de slang. Wel is waar verslaat hij deze met zijn hamer, doch negen voet van haar verwijderd stort hij dood ter aarde door het spog, tegen hem uitgebraakt. Alle goden sneuvelen in den strijd; Surtur slingert het vuur in 't rond en verbrandt de wereld. De zon wordt zwart, de sterren vallen van het hemelgewelf, de aarde verdwijnt in de zee en de tijden zijn ten einde. »Daar treedt de Heer, die alles beheerscht, met macht uit de hooger woningen te voorschijn, om goddelijke oordeelen te vellen en zijne vonnissen uit te spreken ; hij beeindigt allen strijd en vestigt een heilige orde, die eeuwig zal duren.quot; En uit de golven duikt in heur groen gewaad een nieuwe aarde boven; de zonne heeft een dochter gebaard, die den weg der moeder bewandelt. Twee men-schen, man en vrouw, zijn der vlammen ontkomen. Zij voeden zich met morgendauw; en uit hen stamt het nienw geslacht. — De Asen worden herboren ; zij vergaderen op Ida's vlakte, en herinneren zich de groote besluiten uit den voortijd en de oude goddelijke runen. Ook de wonderbare gouden tafelen der wet, door de goden in den aanvang der tijden verloren, worden weergevonden. Zoo wonen goden en menschen te zamen, vreugd-vol door alle tijden heen, en het kwaad is uit de wereld gebannen, en gebroken is do macht van den booze op aarde. Alkuna von Legis, 146.

BI. 303, str. 4. Bij ernstige ondernemingen ried het

ocr page 393

381

bijgeloof, op gelukkige of ongelukkige voorteekenen te letten. Onder deze behoorde naast den droom, ook den aangang of aanvang, het begin. Elke dag had zijn aan-gang. Gunstige ïeekens waren jeugdige meisjes, krijgslieden, wolf, beer, hert, raaf, enz; ongunstige waren oude vrouwen, kreupelen, hazen, kraaien, kieviten, enz. Grimm's d. Myth. 161, 510.

BI. 326, str. 6. Vnouw Harke, een goddelijk wezen, waarvoor men in vele Nedersaksische landstreken vrees gevoelde, een ijverige spinster, die in de heilige Twaalven met de Wilde Jacht door de lucht moest varen.

BI. 333, str. 5. Refter, refectorium, spijszaal in het klooster.

BI. 345, str. 1. Op Wodans schouderen zaten twee baven, Hugin en Munin, de gedachte en de herinnering, die hem al het gebeurde der wereld in het oor fluisterden. Simrock 's d. Mvth. 170. Vergelijk de aanm. op bl. 31, str. 1.

ocr page 394

dTaschrijt.

Daar stonden twee wegen ter vertaling open.

De een geheel vrij, met behoud van het enkele eindrijm en met verlies van vele klankrijke uitdrukkingen.

De andere, nauwgezet, vlottend leesbaar en met behoud van het zinrijk stafrijm, dat bij de zangers van Noord-Duitschland in de IXC eeuw met voorliefde en thans door Dr. Weber meesterlijk wordt gebezigd.

Is het te wraken, dat ik den laatsten, alhoewel den moeilijksten weg verkoos te bewandelen ?

ocr page 395

Na den jarenlangen en aangenamen arbeid, die heden als een simpele proeve ter vertolking, doch zonder eenige pretentie, in het licht treedt, ten slotte deze bede uit den hoogheerlijken aanhef - van Bilderdijks „Ondergang der eerste Wareldquot;:

* Verlosser! zie, zie neer op dit vermetel poyen

En hiermede den lezer heil in Christus I

M.

Op het H. Kerstfeest,

den geboortedag van Dichter en Vertaler.

A0 1892. Dquot;.

ocr page 396

]\[og enkele ex. zijn te bekomen:

JUBELTOON, dichtregelen door Gomabius Mes, uitgegeven ten bate der Katholieke Missiën...............f 0.50

Be Katholieke pers van Nederland,

feestimide aan Z. H. Paus Leo XIII, door Gomabius Mes............/quot;3.—

tgt; Tin ouvrage intéressant et utile.quot;

Mgr. de Nuntius A. RINALDINI.

* Met veel zorg en groote nauwgezetheid zamengestéld, is het m. i. een hoogst en verdienstelijk boeh, dat niet alleen den zamensteller eert, maar waarop geheel het Katholieke Nederland trotsch mag zijn.quot;

Pater J. A. ALBERDINGK THIJM in de Studiën.

Conferentiën van P. Augostino da Montefeltro,

door Gomaeiüs Mes in het Nederl. overgebracht ................./quot;3.—

ocr page 397
ocr page 398
ocr page 399

I

-

___

'

.

I

: :gt;

ocr page 400

mmmmm

■?•■-- xr* .■: quot;■; quot; ■•■ .; ~ .

- - ';quot;

........... göfe;

Ili.■ffr rjr._-... , , , , ....

. .. _ -i' V- quot;-?quot;.''-'g«Sjpgsgpasg- - j--;gt;-:

-.y^~- is-sj

i |