-
J HET /f.1
NIEUWE TESTAMENT
OF
ALLE BOEKEN DES NIEUWEN VERBONDS VAN ONZEN HEERE
JEZUS CHRISTUS.
OP LAST VAN DE HOOGM. IIEEREN
STATEN-GENERAAL DER YEREENIGDE NEDERLANDEN,
RN VOLGENS HET BESLUIT VAN DE NATIONALE SYNODE. GEHOUDEN TE DOBDBKCHTIN DE JAREN MDCXVI1I EN MDCXIX UIT DE OORSTRONKBLIJKE (GRIEKSCHE) TAAL IN O.NZE NKD ER LAN DSC UK GETROUWELIJK OVERGEZET.
UITGEGEVEN DOOK HET NEDERLANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP. 1897.
Stoomdrukkerij ROELOFFZEN amp; HÃBNER, Amsterdam.
KEGISTEE VAN DE BOEKEN
DES
NIEUWEN TESTAMENTS.
Hoüfdst Bladz.
28 Het Evangelie van Mattheüs....................1â 47
10 Het Evangelie van Marcus...........47â77
24 Het Kvansrelie van Lucas...........77â127
21 Het Evangelie van Johannes..........127â164
28 Ue Handelingen der Apostelen.........164â213
BRIEVEN VAN PALLUS:
16 Aan de Romeinen.............213â232
16 Eerste aan de Corinthiërs......................232â251
13 Tweede aan de Corinthiërs....................252â264
6 Aan de Galatiërs............................264â271
6 Aan de Eteziërs..............................271â277
4 Aan de Filippenzen..........................278â282
4 Aan de Colossenzen..........................283â287
5 Eerste aan de Thessalonicenzen........2.S7â291
3 Tweede aau de Thessalonicenzen................291â293
6 Eerste aan Timótheüs........................294â299
4 Tweede aan Timótheüs........................299â30»
3 Aan Titus..................................303 -305
1 Aan Filémon................................305âHOG
13 Aan de Ilebreërs............................306â321-
ALGEMEENE BRIEVEN;
5 Van Jacobus................................321â326
5 Eerste van Petrus............................326â331
3 Tweede van Petrus.............â¢332â335
5 Eerste van Johannes..........................335â340
1 Tweede van Johannes........................341
1 Derde van Johannes..........................342
1 Van Judas..................................343â344
22 De Openbaring van Johannes..................344 â367
Hetet
Je
van D brahan â¢J Abrj Isaiik gewon :» en Zara b wou £ Aram;
4 eu , ca Am en Ks
5 en Racbal bij Ru
6 en . Konin; vrewon quot;Uria's
7 en : eu Rc A bia s
8 en . Josafal gewon
9 en en Joa Achaz
10 en en Ma Anion
11 en en ziji Babylc
12 en , overvol
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCURUnya VAN
MATTHEÃS.
|
HOOFDSTUK 1. HET bock des geslachts van ET bock des geslachts van Jkzus Christus, denzoon van David, den zoon van A-braham. 2 Abraham gewon Isaak, en Isaak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda en zijne broeders; H en Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram; 4 en Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Nahasson, en Kahasson gewon Salmon; 5 en Salmon gewon BoUz bij Ilachab, en BoiU gewon O bed bij Ruth,en Obedgewon Jesse; 6 en Jesse gewon David den Koning. En David de Koning gewon Salomo, bij degene die L'ria's vrouw was geweest; 7 en Salomo gewon Roboam, en Roboam gewon Abia, en Abia gewon Asa; 8 en Asa gewon Josafat, en Josafat irewon Joram, en Joram gewon Ozias ; 9 en Ozias gewon Joatbam, en Joatbam gewon Achaz, en Achaz sewon Ezekias; 10 en Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Anion gewon Josias; 11 en Josias gewon Jechonias en zijne broeders, omtrent de Babylonische overvoering. 12 En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias |
Salathiül, en Salathiël gewon Zorobabel; 13 en Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim jewon Azor; 14 en Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achiiu gewon Eliud; 15 en Fliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob; 16 en Jakob gewon Jozef, den man var Maria, uit welke geboren is Jkzus gezegd Christus. 17 Alle de geslachten dan van Abraham tot David xijn veertien geslachten, en van David tot de Babylonische overvoering zijn veertien geslachten, en van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus: want als Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zamen gekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 19 Jozef nu, haar man, alzoo hij rechtvaardig was, en baai-niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten. 20 En alzoo hü deze dingen in den zin had, zie, de Enge! des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zoon Davids, wees niet bc- |
1
|
2 MATT II vreesd Maria uwe vrouw tot u te ncnien; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest; 21 en zij zal eenen zoon naren, en sij zult zijnen naam hei ten Jezus; want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zon-den. , . _ â¢2-2 En dit alles is geschied, opdat vervuld zoude worden hetgeen van den lleere gesproken is door den Prpfeet, zeggende: 2:$ Zie, de maagd zal zwanger worden en eenen zoon baren, en srij zult zijnen naam heeten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. 24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed de Engel des lleéren hem bevolen had, en heeft zijne vrouw tot zich genomen, 25 en bekende haar niet, totdat zij dezen haren eerstgeboren zoon schaard had, en heette zijnen naam Jkzi;s. HOOFDSTUK 2. TOEN nu Jezus seboren was te Bethlehem,OEN nu Jezus seboren was te Bethlehem, gelegen, in Judéa, in de dagen van den Koning Herodes, zie, ee.nige wijzen van liet Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, 2 zeggende; Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien zijne ï^ter in 't Oosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden. 3 De Kon in,' Herodes nu dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem; ' , , 4 en bijéénvergaderd hebbende alle de Overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zoude geboren wor-den. 5 En zij zeiden tot hem ; Te Bethlehem, in Judéa gelegen; want alzóó is geschreven door den Profeet; |
6 Eu gij Bethlehem, gij land van Juda, zijt geenszins de minste onder de Vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen die mijn volk Israël weiden zal. 7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk â reroepen, en vernam naarstislijk van hen den tijd wanneer de .ster verschenen was; S en hen naar Bethlehem zendende, zeide; Reist henen en onderzoekt naarstitdijk naar. dat kindeken, en als ^ii het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik óók kome en hetzelve aanbidde. 9 En zij den Koning .gehoord hebbende, zijn henengereisd; en zie, de ster, die zij in 't Oosten gezien hadden, iring hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats waar het kindeken was. 10 Als zij nu de ster zasen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde; 11 en in het huis jrekomen zijnde, vonden zij het kindeken met Maria zijne moeder, en nedervallende, hebben zij hetzelve aau'-rebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken, goud en wierook en mirre. 12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Herodes, vertrokken zij door eenen anderen weir weder naar hun land. i:{ Toen zij nu vertrokken waren, zie, de Ensrel des Hee-ren verschijnt Jozef in den droom, zegurende; Sta op, en neem tot u het kindeken en zijne moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zegRenzal; want Herodes zal het kindeken zoeken, om hetzehe ie dooden. 14 Hij dan opgestaan zijnde, nam .quot;.iet kindeken en zijne moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte, 16 en was aldaar tot deu dood |
MATT HE US 3.
|
tad Herodes; opdat vervuld zoude worden hètgeen van den Heere gesproken is door den Profeet, zesjrende: Uit Egypte heb Ik mijnen Zoon geroepen. Ifi Als Herodes zag dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en eenigen afgezonden hebbende, heeft hij omgebracht alle de kinderen die binnen Bethlehem en ia alle deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. 1quot; Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den Profeet Jeremia, zeggende: IS Eene stom is in Kama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Itaehel beweende hare kinderen, eii wilde niet vertroost wezen, omdat ze niet zijn. 19 Toen 11 erodes nu gestorven was, zie, de Engel des Herren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte, 20 zeggende: Sta op. neem het kindeken en zijne moeder tot u, en trek in het land Israels ; want zij zijn gestorven die de ziel des kindekens zochten. 21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het kindeken en zijne moeder, en is gekomen in 't land Israels. â¢22 Maar als hij hoorde dat Archelaüs in Judéa Koning was, in de plaats van zijnen vader IJ erodes, vreesde hij daarhenen te gaan; maar door (Joddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken iu de deelen van Galiléa. 2:5 En daar gekomen zijnde, nam hij zijne woonplaats in de stad genaamd Nazareth; opdat vervuld zoude worden wat door de Profeten gezegd ia, dat hij Nazarener zal geheeten worden. |
HOOFDSTUK 3. EN in die dagen kwam Johannes de Doopcr, predikende in de woestijn van Judéa,N in die dagen kwam Johannes de Doopcr, predikende in de woestijn van Judéa, 2 en zeggende: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. 3 Want deze is 't van denwel ken gesproken is door Je» saja den Profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn : Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne padcu recht. 4 En deze Johannes had zijne kleeding van kemelshaar en eenen lederen gordel oin zijne lendenen; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. 5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa en het gïheele land rondom den Jordaan ; 6en zij werden van hem gedoont in de.i Jordaan, belijdenue hunne zonden. 7 Hij dan, ziende velen van de Farizeërs en Sadduceërs tot zijnen doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? s Brengt dan vruchten voort, der bekeering waardig; 1) en meent niet bij uzelven te zeggen: Wii hebben Abraham rot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 10 En ook is aireede de bijl aan den wortel der boomen gelegd; alle boom dan die géén goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in 't vuur geworpen. 11 Ik doop u wel met water tot bekeering; maar die na niij komt, is sterker dun ik, wiens schoenen ik niet waardig ben fipin nn te dragen : die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen; ⢠12 wiens wan in zijne hand is, en bij zal zijnen dorschvloer |
MATTHEUS 4.
|
dóórzuivcren, en zijne tarwe in zijne schuur sainenbrenKen, en zal het kaf met onuitblussche-lijk vuur verbranden. l.H Toen kwam Jezus van Ga-liléa naar den Jurdaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. 14 Doch Johannes weigerde hem zeer, zefcsende : Mij is noodij; van u redoopt te worden, en komt â .rij tot mij ? 15 Maar Jezus antwoordende, zeide tot hem : Laat nu af; want aldus betaamt ons alle fcerech-tiichoid te vervullen. Toen liet hij van hem af. ligt; En Jezus gedoopt zijnde, is terstond op'ekioinmen uit het water; en zie, de hemelen werden hem ireopend, en hij za? den Geest Gons nederdalen gelijk eene duif, en op hem komen. 17 En zie, eene stem uit de hemelen, zeurende: Deze is mijn Zoon, mij i Geliefde, in denwelken Ik mijn welbehagen heb. HOOFDSTUK 4. TOEN werd Jezus van den Geest weg'eleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.OEN werd Jezus van den Geest weg'eleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. -2 En als hij vcerti? da?en en veertig nachten erevast had, hongerde hem ten laatste. 3 En de verzoeker tot hem gekomen zij de, zeide: Indien srij Gods Zoon zijt, ze' dat deze steenen brooden worden. 4 Doch hij antwoordende, zeide : Daar is ireschreven : De mensch zal bij brood alléén niet leven, maar bij «11e woord dat door den mo..d Gods uit-gt;raat. 5 Toen nam hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde hem op de tinne des Tempels, |
lt;5 en zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, werp uzelven nederwaarts; want daar is geschreven, dat Hij zijne Engelen van u bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steeu aanstoot. 7 Jewis zeide tot hem: Daar is wederom geschreven : Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. S Wederom nam hem de duivel mede op eenen zeer hoogen ber;;, en toonde hem alle de koninkrijken der wereld en hunne hcerlijkh id, 9 en zeide tot hem: Alle deze dingen zal ik u geven, indien irij nedervallende mij zult aanbidden. 10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga werr, satan; want daar staat geschreven : Den Heere uwen God zult -rij aanbidden, en Hem alleen dienen. 11 Toen liet de duivel van hem af; en zie, de Eirrelen zijn toegekomen en dienden hem. 1*2 Als nu Jezus gehoord had dat Johannes overgeleverd was, is hij wedergekeerd naar Ga-liléa. i;{ En Nazareth verlaten hebbende, is kt men quot; wonen te Kapérnaüm, J-eleiren aan de zee, in de landpalen van Zébu-lon en N.iftali; 14 opdat vervuld zoude worden hetgeen gesproken is door Jesaja den Profeet, zejirende: 15 Het land Zébulon en het land NAftali, aan den weg der zee óver den Jordaan, Galilén der volkeren, Ifi het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen die zaten in het land en de schaduw des doods, denzelven is een lickt opgegaan. 17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te xesgen* Bekeert u, want het Koninkrijk eer hemelen is nabij gekomen. is En Jezus wandelende aan de zee van Galiléa, zasj twee broeders, namelijk Simon sre-zegd Petrus, iin Audréas zijnen |
|
MATT broeder, het net in de zee werpende (want zij wareu visschers); 19 en hij zeide tot hen: Volfrt mij na, en ik zal u visschers der inenschen maken. 20 Zij dan terstond de netten verlatende, zijn hem nttKevolgd. 21 Eu hii, van daar voortjre-?aan zijnde, zaïr twee andere broeders, namelijk Jacobus, den zoon yan Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Zebedeüs hunne netten vermakende, en heeft hen geroepen. â¢-2 Zij dan terstond verlatende het schip en hunnen vader, zijn hem nagevolgd. 2$ En Jezus omiring geheel Galiléa, leerende in hunne Synagoaren, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk. 24 En zijn gerucht iring van daar uit in ireheel Syrië; en zij brachten tot hem allen die kwalijk sresteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezetenen, en maanzieken, en geraakten; en hij genas dezelven. 25 Eu vele scharen volgden hem na, van Galiléa, en van Decapolis, en ran Jeruzalem, en van Judéa, en van óver den Jordaan. HOOFDSTUK 5. IpNpN Jezus de scharen ziende, is J geklomnien op eenen berg, en als hij nedergezeten was, kwamen zijne disci)ieleii tot hem. 2 En zijnen mond geopend hebbende, leerde hij hen, zeggende: 3 Zalig zijn de armen van seest; want hunner is het Koninkrijk dor hemelen. 4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig zijn de zachtmoedigen; |
EÃS 5. 5 want zij zullen het aardrijk beërven. 6 Zalig z\jn die honireren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de barmhartigen; want him zal barmhartigheid geschieden. 8 Zt'.lijr zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. 9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. 10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 11 Za:ig zijt gij als u de inenschen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreke i om mijnentwil. 12 Verblijdt en verheugt w, want uw loon is jrroot in de hemelen; want alzóó hebbeii zij vervolgd de Profeten die vóór u geweest zijn. Kt Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? liet deugt nergens meer toe, dan om buiten-geworpen en van de menschen vertreden te worden. 14 Gij zijt het licht der wereld; eene stad boven op eenen berg liggende, kan niet verborgen zijn; 15 noch steekt men eene kaars aan en zet die onder eene korenmaat, maar op eeneu kandelaar, en zij schijnt allen die in het huis zijn. If! Laat uw licht alzóó schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader die in de hemelen is, verheerlijken. 17 Meent niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen. IS Want voorwaar zeg ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet ééne |
|
fgt; MATTI jota noch één tittel vau de Wet voorbijgaan, totdat liet alles zal zijn geschied. 19 Zoo wie dan één van deze minste ireboden zal o.itbonden, en de menselien ulzóó zal ire-leerd hebben, die zal de nitnste genaamd worden in liet Koninkrijk der hemelen; maar zoo wie dezelve zal iredaan en sre-leerd hebben, die zal groot genaamd worden in 't Koninkrijk der hemelen. 20 Want ik zeg u, tenzij uwe gerechti rheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der Farizeërs, dat jjij in 't Koninkrijk der hemelen geenszins zuk ingaan. 21 Gij hebt irehoord dat tot de ouden geze-rd is: Gij zult niet dooden; maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. 22 Doch ik zeï u, zoo wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door 't sericht; en wie tot zijnen broeder zest: Raka, die zal strafbaar zijn door den grooten Hand: maar wie zesrt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door liet helsche vuur. 2:{ Zoo a:ij dan uwe save zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tesren u heeft, 24 laat diiór uwe gave vóór het altaar, en ga henen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom d:\n en offer uwe gave. 25 Wees haastelijk welgezind ieyens uwe wederpartij, terwijl aij mvr met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij iu de gevangenis geworpen wordt. 26 Voorwaar ik zeg u, gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. |
27 Gij hebt gehoord dat van de ouden pezegd is: Gij zult geen overspel doen. 2S Maar ik zejj u, dat zoo wie eene vrouw aanziet om dezelve te beseeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan. 29 Indien dan uw rechteroog u erirert, trek het uit en werp het vftn u; want het is u nut dat één uwer leden verga, de niet uw geheele lichaam in de hel eeworpen worde. .quot;W En indien uwe rechterhand u ersert, houw ze af en werp ze viln u; want het is u nut dat één uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. .'li I)aar is ook gezegd: Zoo wie zijne vrouw verlaten zal, die treve haar ecnen scheldbrief. :12 Maar ik zes u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet; en zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. W Wederom hebt gij gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar sü zult den Heere uwe eeden houden. '14 Maar ik zes u, zweert f:an schel ijk niet; noch bij den icmel, omdat hij is de troon Gods;:an schel ijk niet; noch bij den icmel, omdat hij is de troon Gods; noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat het is de stad des grooten Koning»; 3fi noch bij uw hoofd zult gij zweren, cmdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken-:57 Maar Iaat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dut Is uit den booze. Gij hebt gehoord dat gezegd Is: Oog om oog en tand om tand. 39 Maar Ik zeg u, dat gij den booze niet wederstaat; maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; |
|
40 en zoo iemand met u rechten wil, en uwen rok nemen, laat hem ook den mantel; 41 en zoo wie u zal dwingen ééne mijl te gaan, pa met hem twee mijlen. 42 Geef dengenen die iets van n bidt, en keer u niet af van dengenen, die van n leenen wil. 43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten. 44 Maar ik zeg n, hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wèl dengenen die u haten, en bidt voor degenen die u geweld doen, en die u vervolgen ; 45 opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders die in de hemelen is; want Hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Want indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon hebt gij ? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien irij uwe broeders alléén groet, wat doet gij boven anderen ? Doen ook niet de tollenaars alzüó ? 48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is. HOOFDSTUK (5. HEBT acht dat gij uwe aalmoes niet doet voor de menschen, om van hen gezien te worden : anders hebt srij geen loon bij uwen Vader die in de hemelen is.EBT acht dat gij uwe aalmoes niet doet voor de menschen, om van hen gezien te worden : anders hebt srij geen loon bij uwen Vader die in de hemelen is. 2 Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat vóór u niet trompetten, gelijk de geveinsden m de Synagogen en op de straten doen, opdat ze van de menschen geëerd mogen worden : voorwaar zeg ik u, zij hebben hun loon weg. .'{Maar als gij aalmoes doet, zoo laat uw linkerArt«rf niet weten wat uwe rechter doet, 4 opdat uwe aalmoes in 't |
EÃS 6 7quot; verborgen zij: en uw Vader die in 't verbortren ziet, die zal het u in 't openbaar vergelden. 5 En wanneer gij bidt, zoo zult cij niet zijn gelijk de geveinsden ; want die plegen gaarne in de Synagogen en op de hoeken der straten staande te bidden, opdat zij van de menschen mogen gezien worden : voorwaar ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader die in 't verborgen is ; en uw Vader die in 't verborgen ziet, zal het u in 't openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij meenen dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoor-l worden. 8 Wordt dan hun niet gelijk; Mant uw Vader weet wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidt. 9 Gij dan bidt aldus; Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde ireheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil ge«chiede gelijk in den hemel alzóó ook op de aarde; 11 geef ons heden ons dage-lijksch brood ; 1*2 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze; want uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen. 14 Want indien gij den menschen hunne misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u vergeven; 15 maar indien gij den menschen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven. 16 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht gelijk de geveinsden; want zij mismaken |
|
8 MATT1 hunne aangezichten, opdat zij van de menschen nioa:en gezien worden als zij vasten. Voorwaar ik zeu: u, dal zij hun loon weg hebben. 17 Maar sij, als srij vast, zalf uw hootd ea wasch uw aangezicht, 18 opdat het van de menschen niet gezien worde als gij vast, maar van uwen Vader die in 't verborgen is; en uw Vader die in 't verborgen ziet. zal het u in 't openhaar vergelden. 19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de moten de roest verderft, en waar de dieven doordraven en stelen ; 20 maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaars des lichaams is het ooff; indien dan uw ooü eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen; 2H maar indien uw ooic boos is, zoo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien da.i het licht, dat in u is. duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn! 24 Niemand kan twee heeren dienen; want óf hij zal den éénen haten en den anderen liefhebben, 6f hij zal den éénen aanha.igen en de.i anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. 25 Daarom zeg ik u, zijt niet bezorgd voor uw leven, wat jrij eten en wat «ij drinken zult, noch voor uw lichaam, waarmede irij u kleeden zult: is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de klecding? 26 Aanziet de vogelen des hemels, da zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt uochtana dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven ? |
27 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen ? 28 En wat zijt u:ij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen ; zij arbeiden niet en spinnen niet, 29 en ik zei; u, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk ééne van deze. HO Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, zal hij u niet veel meer kleeden, gij kleinge-loovi-ren ? 'M Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken, oj-waarmede zullen wij ons kloe. den ? 32 Want alle deze dingen zoeken de heidenen ; want uw hemelsche Vader weet dat gij alle deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden. :M Zijt dan niet bezorgd tegen den mor ren ; want de morgen zal voor het zijne zorgen : elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. HOOFDSTUK 7. Oordeeltordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden. 3 En wat ziet trij den snlintcr die in het oog uws broeders is, maar den balk die in üw oog is, merkt gij niet ? 4 Of hoe zult gij tot uwen broeder zeurgen : Laat toe dat ik den splinter uit uw oog vtitdoe; en zie, daar is een balk in üw oog? 5 Gij geveinsde, werp eerst den balk uit üw oog, end^n zult |
|
MATTI srij bezien om den splinter uit iiws broeders ook quot;'t te doen. ij Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eeniifer tijd dezelve met hunne voeten vertreden en zich om-keerende, u verscheuren. 7 Bidt, en u zal jfejreven worden; zoekt, ea uij zult vinden; klopt, en u zul opengedaan worden. 8 Want een ieRelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekf, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9 Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zoude bidden om brood, die hem eenen steen zal geven, 10 en zoo hii hom om eenen visch zoude bidden, die hem eene slang zal geven? 11 Indien dan irij die boos zijt, weet uwen kinderen tcoede gaven te seven, hoeveel te meer zal uw Vader die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen die ze van Hem bidden. 12 Alle diuyen dan, die gij wilt dat ü de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo; want dat is de Wet en de Profeten. 13 Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve inuraan; 14 want de poort is eng en de weg is nauw die tot liet leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden. 15 Maar wacht u van de valsche Profeten, dewelke in schaaps-kleederen tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. 1G Aan hunne vruchten zult gij ze kennen. Leest men ook eene druif van doornen, of vijgen van distelen? 17 Alzóó iedere goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. |
KUS 7. 9 18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in 't vuur ge-worpeu. '31 Zoo zalt gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tot mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doetden wil mijns Vaders die in de henielen is. 22 Velen zullen te dien dage tot mij zesgen: Heere, Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten ge-da.quot; ( 23 Kn da.i zal ik hun openlijk aa'-.zeggei: : Ik heb u nooit gekend; gant weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doe:, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft; â J5 en daar is slagregen neder-gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huisaang vallen; en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 20 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd beeft; 27 en de slagregen is nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen; en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over zijne leer; 29 want hij leerde hen als |
|
10 MATT machthebbende, en niet als de Schriftseleerdon. HOOFDSTUK S. TOEN hij nu van den ben? afgeklommen was, zijn hem vele sciiareii gevolgd.OEN hij nu van den ben? afgeklommen was, zijn hem vele sciiareii gevolgd. 2 Eu zie, een melaatsche kwam en aanbad hem, zeirsende: Hee-re, indien kà wilt, gij kunt mij reinigen. 3 En Jezus de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij nau zijne melaat.schheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem; Zie dat gij dit niemand zegt; maar ga henen, toon uzelven den Priester, en otfer de gave die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuiirenis. 5 Als nu Jezus te Kapérnaüm ingegaan was, kwam tot hein een hoofdman over honderd, biddende hem, 6 en zeggende: Heere, mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende,zeide: Heere, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgs-knechten, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu dit hoorende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden : Voorwaar zeg ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot geloof niet gevonden. 11 Duch ik zeg u, dat velen |
EÃS 8. zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham en Isaak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; 12 en de kinderen des Konink-rijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldamp;ir zal weening zijn en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond seworden te dier ure. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijne vrouwsmoeder te bed liggen, hebbende de koorts. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen. 1(5 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hij wierp de bóoze geesten uit rnet het woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zonde worden wat gesproken was door Jesaja den Profeet, zcirgende: Ilij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen. 19 Eu daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot hem, en zeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook henen-gaat. 20 En Jezus zeide tot hem; De vossen nebben holen, en de vogelen ds.s hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij 't hoofd ne-derlegge. 21 Eu een ander uit zijne discipelen zeide tot hem; lleere, laat mij toe dat ik eerst henenga en mijnen .ader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem-. Volg mij, en laat de doodcu hunne dooden begraven. |
T
MATTIIEUS 9.
|
23 En als hij in 't schip jre-tcaaa was, ziju hem zijne discipelen gevolgd. 24 En zie, daar ontstond een â¢rrootc onstuimi'zheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep. 2ó En zijne discipelen bij hem komende, hebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan. 2lt;i En hij zeide tot hen; Wat zijt ijij vreesachtig, gij klein-geloovigeu ? Toen stond hij op cn bestrafte de winden en de zee; en daar werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, zeirgende : lloe-daniu; een is deze, dat ook de winden en de zee hein gehoorzaam zijn ! 28 En als hij aan de overzijde was gekomen in het land der Gergesénen, zijn hem twee, van de» duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. 29 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zoon Gods, wat hebben wij met u te doen ( Zijt gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? liO En verre van hen was eene kudde veler zwijnen, weidende; en de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt. laat ons toe dat wij iu die Kudde zwijnen varen. :i2 En hij zeide tot hen: Gaat henen. En zij uitsaandc, voeren henen in de kudde zwijnen; en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte al' in de zee, en zij stierven in 'i water. .'{3 En die ze weidden, zijn pre-vlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied tras. 34 En zie, de geheele stad gimr uit, Jezus te gemoet; en als zij hem zagen, badeu zij dat hij uit hunne landpalen wilde vertrekken. |
HOOFDSTUK 9. EX in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam iu zijne stad. En zie, zij brachten tot lum eencn geraakte, op ecu bed liggende.X in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam iu zijne stad. En zie, zij brachten tot lum eencn geraakte, op ecu bed liggende. 2 En Jezus hun ireloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u verbeven. S En zie, sommiiren der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God. 4 En Jezus ziende hunne gedachten, zi ide : Waarom overdenkt jij kwaad in uwe harten? ó Want wat is lichter, te zeggen: De zouden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel ? C» Doch opdat srij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heelt tp de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ca henen naar uw huis. 7 Eu hij opgestaan zijnde, ging henen naar zijn huis. s De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt,, die zoodanige macht den menschen gegeven had. 9 En Jezus van daar voortgaande, zac eenen mensch in liet tolhuis zitten, genaamd Mattheüs, en zeide tot hem; Volg mij. En hij opstaande, volgde hem. 10 En het ircschiedde als hij in het buis van Mattheüs aanzat, zie, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan met Jezus en zijné discipelen. 11 Eu de Farizeërs dat ziende, zeiden tot zijne discipelen : Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren? 12 Maar Jezus zulks hoerende, zeide tot hen: Die irezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek ziju. |
|
12 MATT] 13 Doch saftt henen en leert wat het is: Ik wil barinliarti}?-heid, en niet offerande; want ik ben niet ^koinen o.a te roe-|)en rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeerhiK» 14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot hein, zes;-gende: Waarom vasten wij en de Farizeërs veel, en uwe discipelen vasten niet ? 15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren zoolnng de bruidegom bij hen is ? Maar de dasren zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weg-senomen zijn, en dkn zullen zij vasten. irgt; Ook zet niemand eenen lap ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en daar wordt eene ergere scheur. 17 Kn men doet geen nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders bersten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven ; maar men doet nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken, en beide te zamen worden behouden. 18 Als hij deae dintren tot hen sprak, zie, een overste kwam en aanbad hem, zeggende: Mijne dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg uwe hand op haar, en zij zal leven. 19 Kn Jezus opirestaan zijnde, volgde hem, en zijne discipelen. 20 (Kn zie, eene vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot hem van achteren, raakte den zoom zijns kleeds aan; 21 want zij zeide in zichzelve: Indien ik alleenlijk zijn kleed aanraak, zoo zal ik gezond worden. 22 Kn Jezus zich omkeerende en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter; uw geloof heeft u behouden. Kn de vrouw-werd gezond van die ure af.) 23 Kn als Jezus iu het huis des |
KÃS 9. oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende scuare, 24 zeide hij tot hen : Vertrekt; want het dochterken is niet dood, maar slaapt. Kn zij belachten hem. 25 Als nu de schare uitgedreven was, ging hij in, en greep hare hand; en het dochterken stond op. 26 Kn dit gerucht ging uit door het jreheele land. 27 Kn als Jezus van daar voortging, zijn hem twee blinden gevolird, roepende en zeg-geude: Gij Zoon Davids, ontferm u onzer! 28 Kn als hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat ik dat doen kan ? Zij zeiden tot hem: Ja, lleere. 21) Toen laakte hij hunne oo^en aan, zeggende: ü geschiede naar uw geloof. 30 Kn hunne oogen zijn geopend geworden. Kn Jezus heeft hun zeer strenireliik verboden, zeggende : Ziet dat het niemand wete. 31 Maar zij uitgegaan zijnde, hebben hem ruchtbaar gemaakt door dat geheele land. 32 Als dezen nu uitgingen, zie, zoo brachten zij tot hem eenen mensch die stom en van den duivel bezeten vas. 33 Kn als de duivel uitgeworpen was, sprfik de stomme. Kn de scharen verwonderden zich, zeggende: Daar is nooit desgelijks in Israel eezien. 34 Maar de Farizeërs zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen. 35 Kn Jezus omging alle de steden en vlekken, leerende in hunne Synasrogen, en predikende het Kvangelie des Ko-ninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk. 30 Kn hij de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat ze vermoeid en verstrooid waren. |
|
gelijk schapen die geeneu herder hebben. '.ij Toen zeide hij tot zijne discipelen: De oogst is wel Kroot, maar de arbeiders zijn weinige: ;W bidt dan den Heere des ooifstes, dat Hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. HOOFDSTUK 10. EN zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.N zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. 2 De namen nu der twaalf Apostelen zijn deze: de eerste, Simon gezegd Petrus, en An-dréas zijn broeder; Jacobus,de zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broeder; 3 Filippus en BartholomeUs; Thomas en Mattheüs de tollenaar; Jacobus, de zoon van AI-ïeüs, en Lebbeüs toegenaamd Thaddeüs; 4 Simon Kaïianites, en Judas Iskariot, die hem ook verraden heeft. 5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet henengaan op den weg der heidenen, eu irij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen; 6 maar gaat veelmeer henen tot de verlorene schapen van het huis Israels. 7 En henengaande, predikt, zeggende : Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. 8 Geneest de kranken, reinigt de melaatschen, wektdedooden op, werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. 9 Verkrijgt u noch ^oud, noch zilver, noch kofterffeld in uwe gordels, 10 noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardin. 11 En in wat stad of vlek gij |
EÃS 10. 13 zult inkomen, onderzoekt wie daaiin waardig is; en blijft aldaar totdat gij daar uitgaat. 1*2 l'n als gij in het huis gaat, zoo groet hetzelve. 13 F.u indien dat huis waardig is, zoo kome uw vrede over hetzelve; maar indien het niec waardig is, zoo keere uw vrede weder tot u. 14 En zoo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe woorden hooren, uitgaande uit dat huis of uic die stad, schivdt het stof uwer voeten af. 15 Voorwaar zeg ik u, het zal den lande van Sodom en Goinorra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan die stad. 1(gt; Zie-, ik zend u als schapen in *t midden der wolven: zijt dan voorzichtig irelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. 17 Maar wacht u voor de men-schen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hunne Synagogen zullen zij u geeselen; 18 en gij zult ook voor Stadhouders en Koningen geleid worden om mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis. 19 Doch wanneer zij u overleveren, zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult; â¢J0 want gij zijt het niet die spreekt, maar het ia de Geest uws Vaders die in u spreekt. 21 En lt;le ié nr. broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, eu de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan teiren de ouders, en zullen ze dooden. 22 Kn gij zult van allen gehaat w orden om mijnen naam; maar die volstandig zal blijven tot den einde, die zal zalii; worden. , 23 Wanneer zij u dan in déze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u, gij zult uwe rei» door de |
|
14 MATT steden Israiils niet geëindigd hebben, of de Zoon des men-scheu zal gekomen zijn. 24 De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer. â¢25 Met zij den discipel genoeg dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstkueclit gelijk zijn beer. Indien zij den heer des huizes Beelzabul hebben gebeeten, hoeveel te meer zijne huisgenooten. 26 Vrees hen dan niet; want daar is niets bedekt hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen hetwelk niet zal geweten worden. 27 Hetgeen ik u zeg in de duisternis, zegt het in't licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. 28 En vreest niet voor 'deije-nen die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden ; maar vreest veelmeer Hem die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. â¢29 Worden niet twee muscb-kens om een peuningsken verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader. En ook uwe haren des hoofds zijn alle geteld. :lt;1 Vreest dan niet: «rij gaat vele muschkens te boven. 32 Een iegelijk dan die mij belijden zal voor de menscben, dien zal ik óók belijden voor mijnen Vader die in de hemelen is; .quot;JU maar zoo wie mij verloochend zal hebben voor de menscben, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader die in de hemelen in. 34 Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 quot;Want ik ben gekomen om den mensch tweedrachtig te maken te^en zijnen vader, en de dochter tegen hare moeder. |
[EÃS 11. en de schoondochter tegen hare schoonmoeder; 36 en zij zulle,i des menscben vijanden u-orden, die zijne huisgenooten ril*. 37 l)ie vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; 38 en die zijn kruis niet op zich neemt en mij navolgt, is mijns niet waardig. 39 Die zijne ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwil, zal dezelve vinden. 40 Die ü ontvangt, ontvangt mij; en die mij ontvangt, ontvangt Hem die mij gezonden beeft. 41 Die ecnen Profeet ontvangt in den naam eens Profeten, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die eenen rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. 42 En zoo wie één van deze kleinen te drinken treeft alleenlijk eenen beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. HOOFDSTUK 11. EN het is geschied toen Jezus geëindigd had zijnen twaalf discipelen bevelen te geren, dat hij van daar voortging, om te leeren en té prediken in hunne steden.N het is geschied toen Jezus geëindigd had zijnen twaalf discipelen bevelen te geren, dat hij van daar voortging, om te leeren en té prediken in hunne steden. 2 En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen, 3 en zeide tot hem: Zijt gij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen? 4 En Jezus antwoordde en zeide tot ben: Gaat henen en boodschapt Johannes weder hetgeen pij hjort en ziet: 5 de blinden worden ziende |
|
MATTI en de kreupelen wandelen, de inelaatschen worden gereinigd en de dooven booren, de doo-den worden opgewekt en den armen wordt het EvauKelie verkondiird; 6 en zulig is hij die aan mij niet zal geörsrerd worden. 7 Als nu dezen benengingen, beeft Jezus tot de scliaren beginnen te zeguren van Johannes : AVi\t zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanscbouwen ? Een riet dat van den w ind Kinds en weder bewoiren wordt? 8 Maar wat zijt s-'ij uitgegaan te zien ? Een menscli met zachte kleederen bekleed ? Zie, die zachte kleederen dragen, zijn in der Koninaren huizen. 9 Maar wit zijt trij uitgegaan te zien? Een Profeet? Ja, ik zeg u, ook veel meer dan een Profeet. 10 Want deze is 't van denwelken geschreven staat; Zie, Ik zend mijnen Engel voor uw aan^czicht die uwen weg bereiden zal voor u henen. 11 Voorwaar zeg ik u, onder degenen die van vrouwen, schoren zijn, is nicmui.d opgestaan mterder dan Johannes de Dooper; doch die de minste is in 't Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij. 12 En van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldi-jers nemen hetzelve met seweld. KJ Want alle de Profeten en de Wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd. 14 Eu zoo gij het wilt aannemen, hij is Elia die komen zoude. 15 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. 16 Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken ? Het is gelijk de kiuderkens die op de markten zitten en bunnen gezellen toeroepen, 17 en zeggen; Wij hebben u |
SUS 11. 15 op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen eu gij hebt niet feweend. is Want Johai.nes is gekomen noch etende noch drinkende, en zij zeggen : Hij heeft den duivel. 19 De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende, en zij zeggen : Ziedaar een mensch die een viaat en wijnzuiper is, een vriend van tolle-i aren en zondaren. Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van bare kinderen. â¢iO Toen begon hij de steden, in dewelke zijne krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat ze zich niet bekeerd hadden: 21 Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want zoo in Tyrus en Sidoi: de krachten waren geschied die in n geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en asch bekeerd hebben. 22 Doch ik zeg u, het zal Tyrus en Sidon vcrdraaslijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden. 23 En gij, Kapérnaüm, dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe neder-iresftoten worden; want zoo in Sodom die krachten waren â¢reschied die in u geschied zijn, het zoude tot op den huidigen dag srebleven zijn. 24 Do« h ik zeg u, dat bet den lande van Sodom verdraaglijker zal zijn in den dag des oordeels dan u. . 25 In dien tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank ü Vader, Heere des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; 26 ja. Vader, want alzóó is geweest het welbehagen voor U. 27 Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den |
|
irgt; matt; Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren. 2S Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust seven. 29 Neemt mijn juk op u, en leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. 30 Want mijn juk is zacht en miju last is licht. HOOFDSTUK 12. IN dien tijd sins Jezus op eenen sabbatdag door het jrezaaide, en zijne discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken en te eten. 2 En de Karizeërs,N dien tijd sins Jezus op eenen sabbatdag door het jrezaaide, en zijne discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken en te eten. 2 En de Karizeërs, dat ziende, zeiden tot hem : Zie, uwe discipelen doen wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat. Maar hij zeide tot hen: Hebt jrij niet Keiezen wat David gedaan heeft, toen hem hongerde en hun die met hem waren ? 4 hoe hij jre-raan is in het Huis Guds, en de toonbrooden gegeten heeft, die het hem niet geoorloofd was te eten, noch ook hun die met hein waren, maar den Priesteren alléén ? 5 Of hebt trij niet gelezen in de Wet, dat de Priesters den sabbat ontheiligen in den Tempel op de sabbatdagen, en nuch-tans onschuldig zijn ? f» En ik zeg u, dat een meerdere dan de Tempel hier is. 7 Doch zoo gij geweten hadt wat het is: Ik wil barmhartiir-lieid, en niet olferande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben. 8 Want de Zoon des menschen is een Heere ook van den sabbat. lt;) En van daar voortgaande, kwam hij in hunne Synagoge, ld En zie, daar was een meusch die eene dorre hand had; en zij vraagden hem, zeggende : Is 't ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? |
EÃS 12. (opdat zij hem mochten beschuldigen.) 11 En hij zeide tot hen : Wat mensch zal er onder u zijn, die één schaap heeft, en zoo dat op eenen sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen? 12 Hoeveel gaat nu een mensch een schaap te boven ! Zoo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wèl te doen. l.'l Toen zeide hij tot dien mensch: Strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere. 14 En de Farizeërs uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen hem, hoe zij hem dooden mochten. 15 Maar Jezus dat ..etende, vertrok van daar, en vele scharen volgden hem; en hij genas ze .allen, Ifi en gebood hun scherpelijk, dat zij hem niet openbaar maken zouden ; 1/ opdat vervuld zoude worden net'reen cesproken is door Jesaja den Profeet, zeggende.-IS Zie, mijn knecht welken Ik verkoren heb, mijn beminde in welken mijne ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijnen Geest op hem leggen, en hij zal het oordeel den heidenen verkondigen. 19 11ij za'. niet twisten, noch roepen, en daar zal niemand zijne stem op de straten hoo-ren. 20 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en het rookende lemmet zul hij niet uitblus-schen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. 21 En in zijnen naam zullen de hcidcne.-i hopen. 22 Toen werd tot hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind *en stom was; en hij prenas hem, alzoo dat de blinde en gt;tomme beide sprak en zag. 23 En alle de scharen ontzet- |
|
MATTI ton zich. on zeiden: Is niet deze de Zoon Davids 'r â¢24 Maar de Farizeërs dit geboord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit dan door Beëlzebul, den overste der duivelen. 25 Dueh Jezus kennende hunne gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is. wordt verwoest; en een iedere stad of huis dat te-ren zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan; 25 en indien de satan den satan uitwerpt, zoo is hij tegen zichzelven verdeeld: hoe zal dan zijn rijk bestaan? 27 En indien ik door Ueëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uwe zonen uit ? Daarom zullen die uwe rechters zijn. 2s Maar indien ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen. 2'.» Of hoe kan iemand in 't buis eens sterken inkomen en zijne vaten ontrooven, tenzij hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdamp;n zal hij zijn huis berooven. 30 Wie mèt mij niet is, die is tégen mij, en wie met mij niet veriradeit, die verstrooit, .quot;il Daarom zeg ik u, alle zonde en lastering zal den menscben vergeven worden, maar de lastering tegen den Geest zal den menschen niet vergeven worden. 32 En zoo wie ecmg woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des menschen, het zal hem vergeven worden; maar zoo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw noch in de tamp;ekomende. 33 Of maakt den boom goed en zijne vrucht goed, óf maakt den boom kwaad en zijne vrucht kwaad; want uit quot;de Vrucht wordt do boom gekend. |
EÃS 12. »7 34 Gij adderengebroedsels, hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? Want uit den overvloed des harten spreekt de mond. 3ó De goede mensch brengt goede dingen voort uit den goeden schat de» harten, en de booze mensch brengt booze dingen voort uit den boozen schat. 36 Maar ik zeg u, dat van elk ijdel woord hetwelk de mensehen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenseiiap geven in den dag des ocrdeels. 37 Want uit uwe woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uwe woorden zuit gij veroordeeld worden. 35 Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeërs, zeggende: Meester, wij wilden van u icel een tee-ken zien. 39 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: liet boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken, en aan hetzelve zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet. 40 Want srelijk Jona drie da-iren en drie naehten was in den buik van den walvisch, alzóó zal de Zoon des menschen drie da-ren en drie nachten wezen in het hart der aarde. 41 De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier. 42 De Koningin van 't Zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordeelen; want zij is gekomen van de einden (Ier aarde om te hooren de wijsheid van Salomo; en zie, meer dan Salomo is hier. 43 En wanneer de onreine geest van den mensch uitge- |
|
18 MATTE jraan is, zoo pant hij door â¢â¢dorre nlaatseu, zoekende rust, eu vinot ze niet. â 14 Dan zept hij: Ik znl weder-keeren in mijn huis van waar ik uitsecraan ben; en komende, vindt hij het ledi r, met bezemen gekeerd en versierd. 45 Pan sraat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hijzelf, â¢en inpegaan zijnde, wonen ze flldaar; en het laatste van dien menseb wordt er^rer dan het eerste. Alzóo zal liet ook met dit boos geslacht zijn. 4fi En als hij nog tot de scharen sprak, zie, zijne moeder en broeders stonden buiten, zoekende iiem te spreken. 47 En iemand zeide tot hein : .Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, zoekende u te spreken. 4S Maar hij antwoordende, zeide tot den penen die hem dat zeide: Wie is mijne moeder en â wie zijn mijne broeders? 49 En zijne hand uitstrekkende over zijne discipelen, zeide hij: Zie, mijne moeder en mijne broeders. 30 Want zoo wie den wil mijns Vaders doet die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder. HOOFDSTUK 13. EN te dien dage Jezus uit het huis gepaan zijnde, zat bij de zee;N te dien dage Jezus uit het huis gepaan zijnde, zat bij de zee; 2 en tot hein verpaderden vele scharen, zoodat hij in een schip ging en nederzat; en al de schare stond op den oever. En hij sprak tot hen vele dinpen door gelijkenissen, zep-gende: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. 4 En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den wep; en de vogelen kwamen en aten hetzelve op. 5 En een ander deel viel op steenachtige ylaataeu, waar iiet niet veel aarde had; en !ÃS 13. |
het ping terstond op, omdat het peen diepte van aarde had; 6 maar als de zon opgepaan was, zoo is het verbrand pe-worden, en omdat het geen wortel had, is het verdord. 7 En een auder deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op en verslikten hetzelve. 8 En een ander deel viel in de goede aarde, en paf vrucht, het één honderd-, het ander zestip-, en het ander dertig-voud. y Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. 1(1 En de discipelen tot hem komende, zeiden tot hem : Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen ? 11 En hij antwoordende, zeide tot hen : Omdat het u gegeven is, de verbortrenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is 't niet ge ire ven. 12 Want wie heeft, dien zal gepeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben ; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 13 Daarom spreek ik tot hen door peiijkemssen, omdat zij ziende niet zien, en hoorende niet hooren noch ook verstaan. 14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt : Met het irehoor zult pij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken 15 Want het hart dezes volks is dik se worden, en zij hebben met de ooren zwaarlijk pe-hoord, ei hunne oopen hebben zij toepet'.aan; opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zich bekeeren, en Ik hen geneze. IC Doch uwe oogen zijn zalig omdat zij zien, en uwe ooren omdat zij hooren. |
|
MATT 11 17 Want voorwaar ik zes; u, dat vele Profeten en reclit-vaardigen hebben begeerd te zien de dingen die srij ziet, en hebben ze niet jrezien, en te hooren de dingen die ^ij lioort, en hebben ze niet gehoord. 18 Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier. 19 Als iemand het Woord des Koninkrijks hoort en niet verstaat, zoo komt de booze en rukt weg hetseen in zijn hart gezaaid was ; deze is degene die bij den wes bezaaid is. 20 M«ar die in steenachtige jdaataen bezaaid is, deze is degene die het Woord hoort, en het terstond met vreugde ontvangt; 21 doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor eeneu tijd; en als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zoo wordt hij terstond geërgerd. 22 En die iu de doornen bekaaid is, deze is degene die het Woord hoort, en de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar. 23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander der-tigvoud. 24 Eene andere celijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeirgende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een mensch die goed zaad zaaide in zijnen akker; 25 en als de menschen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe, en gins weg. 2fgt; Toen het nu tot kruid opgeschoten was en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. 27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem; Heer, hebt !US 13. 19 |
gij niet eroed zaad in uwen akker gezaaid ? Van waar heeft hij dan dit onkruid ? 2S En hij zeide tot hen: Een vijandiir mensch heeft dat se-daai. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt jrij dan dat wij henengaan en hetzelve vergaderen ? 29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt. 30 Laat ze beide te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe te zamen in mijne schuur. 31 Eone andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is irelijk het mostaardzaad, hetwelk een mensch heeft genomen en in zijnen akker gezaaid ; 32 hetwelk wel het minste is onder alle de zaden, maar wanneer het opsrewassen is, dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzoo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijne takken. 33 Eene andere gelijkenis sprak hij tot hen, zeyyende: Het Koninkrijk der hémelen is gelijk een zuurdeesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. 34 Alle deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet; 3à opdat vervuld zoude worden wat gesproken is door den Profeet, zeggende; Ik zal mijnen mond opendoen door gelijkenissen, ik zal voort-brengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld. |
|
20 MATT I .'K» Tofu nn Jezus de scharen villi zirh gelaten had, gin^ hij naar huis. Kii zijne discipelen kwamen tot hem, zegende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers. .quot;{7 En hij antwoordende, zeide tot hen: Die het jroede zaad zaait, is de Zoon des menschen ; .quot;iS en de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des Kuninkrijks; en het onkruid zijn de kinderen des hoozen; en do vijand die hetzelve trezaaid heeft, is de duivel; en de oo'i.st is de voleindinif der wereld; en de maaiers zijn de Engelen. 411 Gelijkerwijs dan het onkruid veriraderd en met vuur verbrand wordt, alzóó zal het nok zijn in de voleinding dezer wereld: 41 de Zoon des mensehen zal zijne Engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn Koninkrijk venraderen alle de erirernissen, en degenen *lie de ongerechtigheid doen, 42 en zullen dezelven in den vurigen oven werpen: daar zal weening zijn en knersing der tanden. 4» Dan zullen de rechtvaardigen blinken selijk de zon in 't Koninkrijk huns Vaders. Die ooren heeft om te hooren, die hoore. 44 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat in den akker verhorten, welken een incnsch gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven iraat hij henen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dien akker. 15 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een koopman die schoone naarlen zoekt; 4G dewelke heobende ééne parel van groote waarde gevonden, ging henen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve. |
SÃS 13. 47 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net geworpen in de zee, dat allerlei soorten van viaschen samenbrengt; 48 hetwelk de visschers, wa.:-neer liet vol geworden is, aa.i den oever optrekken, en nedei-zittende, lezen zij het goede uit in hunne vaten, maar het kwade werpen zij wei;. 49 Alzóó zal het in de voleinding der eeuwen wezen: de Engelen zullen uitgaan en de boozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden, 50 en zullen dezelve in den vurijren oven werpen: dMr zat weening zijn en knersing der tanden. 51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot hem: Ja, Heere. 52 En hij zeide tot hen : Daarom een iegelijk Schriftgeleerde in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. 53 En he is geschied als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok hij van daar. 54 En gekomen zijnde in zijn vaderland, leerde hij ze 'in hunne Synagoge, zoodat zij zich ontzetten en zeiden: Van waar komt dezen die wijsheid en die krachten? 55 Is deze niet de zoon des timmermans ? En is zijne moeder niet genaamd Maria, en zijne broeders Jacobus en Joses en Simon en Judas? 51» En zijne zusters, zijn ze niet allen bij ons? Van waar komt dan dezen dit alles? 57 En zij werden aan hem geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een Profeet is niet ongeëerd dan i;i zijn vaderland en in zijn huis. 58 En hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan vanwege hun ongeloof. |
|
MATT I HOOFDSTUK 14. TE dier tijd hoorde Hcrodcs de Viervorst het gerucht van Jezus,E dier tijd hoorde Hcrodcs de Viervorst het gerucht van Jezus, -2 en zeide tot zijne knechten : Deze is Johannes de Dooper; hij is opgewekt van de dooden, en daarom werken die krachten in hem. :( AVant Ilerodes had Johaniies ffevangengenomen, en hem ire-honden en in den kerker gezet, om den wil van lierodias, de huisvrouw van Filippus zijnen broeder; 4 want Johannes zeide tot hem: liet is u niet geoorloofd haar te hebben. 5 En willende hem dooden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een l'ro-jeet. ii Maar als de dag van Ilerodes' ireboorte gehouden werd, dans-re de dochter van llerodias in gt; het midden run hen, en zij be-iiaagde Herodes: 7 waarom hij haar met cede beloofde te geven wat zij ook eischcn zoude. s En zij, te voren onderricht zijnde van hare moeder, zeide: CJeef mij hier in een schotel iiet hoofd van Johannes den Doopcr. «) Eu de Koninsr werd bedroefd; doch om de eeden en degenen die met hem aanzaten, gebood hij dat het haar zoude iregeven worden, 10 en zond henen en onthoofdde .lohannes in den kerker. 11 En zijn hoofd werd ge-V bracht in een schotel, en aan het dochterken gegeven; en zij drocr het tot hare moeder. li En zijne discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve, en jriiiTcn en boodschapten het Jezus. KJ En u'.* Jezus dit hoorde, vertrok hij van daar te scheep naar eene woeste plaats alléén; en de scharen dut hoorende, |
EÃS 14. 21 zijn hem tc voet gevolgd uit de steden. 14 En Jezus uitgaande, zag eene jrrootc schare, en werd innerlijk met ontferminsr over hen bewogen, en genas hunne kranken. 15 En als het nu avond werd, kwamen zijne discipelen tot hem, zeggende: Deze plaats is woest, en dc tijd is nu voor-bijgegaan: laat de scharen van u, opdat zij heneiiiraau in de vlekken en zichzelveu spijs koopen. U! Maar Jezus zeide tot hen: 't Is hun niet van noode henen te yraaa: jreeft ïij hun te eten. 17 Doch zij zeiden tot hem: Mij hebben hier niec dan vijf brooden en twee vissehen. is En hij zeide: Erengc mij dezelve hier. 11» En hij beval de scharen neder te zitten op het irras, en nam de vijf brooden en de twee visschen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende hij dezelve; en als hij ze irebroken had, uraf hij de brooden aan de discipelen, en de discipelen aan de scharen. 20 En zij aten allen en w erden verzadi ra; en zij namen óp het overschot der brokken, twaalf volle korven. 21 Die nu geseten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder dc vrouwen en kinderen. 22 En terstond dwong Jezus zijne discipelen in iiet schip te jcaan, en vóór hem af te varen naar de andere zijde, terwijl hij ile scharen vim zich zoude laten. ïl En als hij nu de scharen vkn zich gelaten had, klom hij op den berg alléén, om te bidden. En als het nu avond was lt;reworden, zoo was hij daar alléén. 24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want dc wind was hun tegen. |
|
22 M ATT I] 25 Maar tor vierde nachtwake kwam Jezus af tot hen, wandelende on de zee. 2') En «e discipelen ziende hem op de zee wandelen, werden ontroerd, ze^irende: Het is een spooksel; en zij schreeuwden van vrees. 27 .Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeurende : Zijt goedsmoeds, ik ben het, vreest niet. 28 En Petrus antwoordde hem en zeide: Heere, indien icij het zijt, zoo urcbied mij tot u te komen op liet water. 29 En hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water oin tot Jezus te komen. :{0 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, eii als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij. 31 En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem; Gij kleinjre-loovige, waarom hebt gij gewankeld? 3-2 En als zij in 't schip geklommen waren, stilde de wind. 33 Die nu in 't schip waren, kwamen en aanbaden hem, zeij-frende: Waarlijk, gij zijt Gods Zoon. 34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennésa-reth. 35 En als de mannen van die plaats hem werden kennende, zonden zij in dat geheele omliggende land, en brachten tot hém allen die kwalijk gesteld waren, 3(! en baden hem dat zij aTleen-lijk den zoom zijns kleeds zouden moren aanraken; en zoo-velen als Jicia aanraakten, werden gezond. HOOFDSTUK 15. TOEN kwamen tot JezusOEN kwamen tot Jezus eeni-(je Schriftgeleerden en Fa-rizeërs die van Jezuzalem waren, zeggende: |
EÃS 15. 2 Waarom overtreden uwe discipelen de inzettingen der ouden? Want zij wasschen hunne handen niet, wanneer zij brood zullen eten. 3 Maar hij antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook irij het se bod Gods door uwe inzetting? 4 Want God heeft geboden, zeggende; Eer uwen vader en uwe moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 5 Maar gij zeirt: Zoo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, en zijnen vader of zijne moeder geenszins zal eeren, die voldoet. 6 En gij hebt alzóó Gods ger bod krachreloos gemaakt door uwe inzetting. 7 Gij geveinsden, wèl heeft Jesaia van u geprofeteerd, zeggende : 8 Dit volk genaakt Mij met hunnen mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; 9 doch tevergeefs eeren zij Mij, leerende leerimreu die geboden van menschen zijn. li) En als hij de schare tot zich geroepen had, zeide hij tot hen: Hoort en verstaat: 11 hetgeen ten monde ingaat, ontreinist den menseh niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dfit ontreinigt den menseh. 12 Toen kwamen zijne discipelen tot hem, en zeiden tot liem: Weet !;ij xcel, dat de Farizeers deze rede hoorende, secrRerd zijn geweest? 13 Maar hij antwoordende, zeide: All? plant die mijn he-melsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. 14 Laat ze varen, zij zijn blinde leidslieden der blinden: indien nu de blinde den blindt-leidt, zoo luillen zij beiden in de gracht vallen. 15 En Petrus antwoordende, |
|
zeide tot hem: Verklaar ons deze eelijkenis. Ifi Maar Jezus zeide : Zijt ook {lijliedeu alsuop: onwetende? 17 Verstaat mij hor niet, dat al wat ten monde intrant in den buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen ? 18 Muar die dingen die ten monde uit-.raan, komen voort uit het hart, en die ontreinigen den mensch. 19 Want uit het hart komen voort booze bedenkingen, dood-slasren, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen; 20 déze dingen zijn het die den mensch ontreinigen, maar het eten met onjrewasschen handen ontreinigt den mensch niet. 21 En Jezus van daar gaande, vertrok naar de deel en van Ty-rus en Sidon. 22 En zie, eene Kananeesche vrouw uit die landpalen komende, riep tot hem, zeirgen-de: Heere, ff ij Zoon Davids, ontferm u mijner; mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten. 2:i Doch hij antwoordde haar niet een woord. En zijne discipelen tot hem komende, baden hem, zeggende: Laat ze viln u, Mant zij roept ons na. 24 Maar hij antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verlorene schapen van het huis Israels. 25 En zij kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, help mij. 2'» Doch hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen. 27 En zij zeide: Ja, Heere, doch de hondekens eten ook van de brokskens die daar vallen van de tafel hunner heeren. 28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar : O vrouw, irroot is uw geloof: u geschie-3- «lt;e- |
ÃÃS 15. 23 lijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van die ure. 2!' 7?n Jezus van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galiléa, en klom op den berg en zat daar neder. 311 En vele scharen zijn tot hem eekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen en vele anderen» en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en hij genas de-zelven; 31 alzoo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zj verheerlijkten den God Israels. 32 En Jezus zijne discipelen tot zich ireroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij mij gebleven zijn, en niet hebben wat zij eten zouden ; en ik wil ze niet nuchteren vamp;n mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. 33 E:i zijne discipelen zeiden tot hem: Van waar zullen wij zoovele brooden in de woestijn bekomen, dat wij zulk eene groote schare zouden verzadigen ? 34 En Jezus zeide tot hen t Hoeveel brooden hebt gij ? Zij zeiden; Zeven, en weinige vischkens. 35 En hij irebood de scharen neder te zitten op de aarde. 3'gt; En hij nam de zeven brooden en de visschen, en als hij gedankt had. brak hij ze, en gaf ze aan zijne discipelen, en de discipelen gaven ze aan de schare. 37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op het overschot der brokken, zeven volle manden. 38 En die iregeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen eu kinderen. |
MATTHEUS 10.
|
39 Eu de scharen vèn zich gelaten hebbende, ginir hij in het schip, en kwam in de landpalen vau Magdala. HOOFDSTUK 1G. N de Farizeërs en Saddu-ceërs tot hem gekomen zijnde, en hem verzoekende, begeerden van hem, dat hij hun een teeken uit den hemel zoude toonen. 2 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder, want de hemel is rood; a en des morgens : Heden on-weder, want de hemel is droe-vig rood. Gij geveinsden, het aanschijn «les hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt '-tij de teekenen der tijden niet oaderacheidea ? 4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken ; en Jtun zal ireen teeken gegeven worden dan het teeken van .Tona den Profeet. En hen ver-latende, ging hij weir. 5 En als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten brooden inrde te nemen. ii En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuur-deeseni der Earizeërs en Sad-dueeërs. 7 En zij overleiden bij zich-zelven. zeggende: liet ii omdat wij geen brooden /Medegenomen hebben. S En Jezus dat wetende, zeide tot hen : Wat overlegt gij bij uzelveu, gij klcingeloovigen,dat gij geen brooden mrdegenomeu iiebt? 9 Verstaat gij nog niet, en gedenkt gij niet aan de \ijf brooden der vijf duizend man-ueii, en hoeveel korven gij op-naamt ? 10 noch aan de zeven brooden der vier duizend mannen, en hoeveel manden gij opnaamt? |
11 Hoe verstaat gij niet, dat ik u van geen brood gesproken heb, ala ik zeide dat gij u wachten zoudt van den zmir-deesein der Farizeërs en Saddu-ceërs? E 12 Toen verstonden zij dat liij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuur-deesem des broods, maar van de leer der Farizeërs en Saddu-ceërs. 13 Als nu Jezus gekomen was in dedeelen van Cesaréa Filinpi, vraagde hij zijnen discipelen, zeggende: \Vie zeggen de men-Kchcn dat ik, de Zoon des menschen, ben ? 14 En zij zeiden : Sommiiren: Johannes de Dooper ; en anderen : Elia; en anderen : JcBemiu of een van de Profeten. 15 Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij dat ik ben ? Ilt;gt; En Simon Petrus antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 17 En Jezus antwoordende, zeide tot hem : Zalig zijt gii, Simon Bar-Jona ; want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. 18 En Ik zes; u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. » 19 En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen ; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn ; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij iemand zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus. Jl Van toen tian begon Jezus zijnen discipelen te vertoonen, dat hij moest heneiüraan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderliiiiren en Overpries-teren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten der- |
|
M A TT I «lm daTC opeewekt worden. 22 Ea Petrus hem tot zich ge-nunieii hebbende, beson hem te bestruffen, zeggende Ilcere, weea u genadis;: dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus-. Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mcnachen zijn. 24 Tuen zeide Jezus tot zijne discipelen : Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzclven, en neme zijn kruis op en vol ge mij. 25 Want zoo wie ziin leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. 2fi quot;Want wat haat het een mcnsch, zoo hij de gehecle wereld gewint, en üjdt schade zijner ziel ? Of wat zal een meusch geven tot lossing van zijne ziel? 27 Want de Zoon desmenschen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne Engelen, en alsdan zul iiij een iegelijk vergelden naar zijn doen. 28 Voorwaar zeg ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien kuinen in zijn Koninkrijk. HOOFDSTUK 17. EN na zes da-ren nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hon-ren berg alleen.N na zes da-ren nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hon-ren berg alleen. 2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, cu zijne klecdereu werden wit geliik het licht. ^ En zie, van hen werden gezien Mozes en Eiia, met hem «naensprekende. |
:ÃS 17. 25 â 1 En Petrus antwoordende, zeide tot Jezus: Heere, 't is goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u éénen, en voor Mozes éénen, en éénen voor Elia. 5 Terwijl hij no? sprak, zie, eene lichtende wolk heeft hen overschaduwd; en zie, eene stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb: hoort hem. fi En de discipclen dit hoo-rende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. S En hunne oogen opheftonde, â /.airen zij niemand dan Jezus alléén. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zegsrendc: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menscben zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: \\ at zeggen dan de Schriftireleerden, dat Elia eerst moet komen? 11 Doch Jezus antwoordende, zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weder-opriebten; 12 maar ik zeg u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben gewild: alzóó zal ook de Zoon des menschen van hen njden. 1.''. Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Johannes den Dooper gesproken had. 14 En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere, ontferm u over mijn zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in 't vuur en menigmaal in 't water; |
|
2G MATT F ifi en ik hob hem tot uwe disciuelea gebracht, en zij hebben hem niet kuunen genezen. 17 Kn Jezus antwoordende, zeide: O ou^eloovi^ en verkeerd Kcsiaeht, hoe lan^ zal ik nos; met ulieden zijn, hoe lau^ zal ik u noir verdragen? Brengt hem mij hier. 18 Eu Jezus bestrafte hem, en de duivel srim: van hem uit, en het kind werd genezen van die ure at'. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alléén, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 Kn Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zes ik u, zoo sij een ireloof hadt als een mostaardzaad, stij zoudt tot dezen bers zessen: Ga henen van hier derwaarts, en hij zal he-nensaan; en niets zal u onmo-jrelijk zijn. 21 Maar dit peslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 Kn als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des menscben zal overgeleverd worden in de handen der mensehen; 2l{ en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. Kn zij werden zeer bedroefd. 24 Kn als zij te Kapérnaüm ingekomen waren, ginsen tot l'etrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt hij de didrachmen niet? 25 Hij zeide: Ja. Kn toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zegirende: quot;Wat dunkt u, Simon? de Koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting? van hunne zonen of van de vreemden ? 26 l'etrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven, ga heueu naar |
EÃS 18. de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond slopend hebbende, zult gij eenen stater vinden: neem dien en Keef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. TE dier ure kwamen de discipelen tot Jezus, zesgende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in 't midden van hen, Hen zeide: Voorwaar zes ik u, indien trij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult sgt;j in het Koninkrijk der hemelen «reenszins insaan. â¢I Zoo wie dan zichzelven zal vernederen gelijk dit kindeken, dé/.e is de meeste in 't Koninkrijk der hemelen;E dier ure kwamen de discipelen tot Jezus, zesgende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in 't midden van hen, Hen zeide: Voorwaar zes ik u, indien trij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult sgt;j in het Koninkrijk der hemelen «reenszins insaan. â¢I Zoo wie dan zichzelven zal vernederen gelijk dit kindeken, dé/.e is de meeste in 't Koninkrijk der hemelen; 5 en zoo wie zoodanig een kfndeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij. t) Maar zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven, ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. 7 Wee der wereld van de er-â¢rernissen; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen ; doch wee dien mensch door welken de ergernis komt! s Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze viUi u: het is u beter tot het leven in te saan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, n het eeuwige vuur geworpen t-; worden. 9 En indien uw oog u ersert, trek het uit en werp het vjln u: het is u beter maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee oogen hebbende, in het helsche vuur geworpen te worden. 10 Ziet toe dat gij niet éér |
|
van deze kleinen veracht;want ik zes ulieden, dat hunne Kn-prelen in de hemelen altijd zien het aanRCzicht mijns Vaders die.in de hemelen is. 11 Want de Zoon desmenschen is gekomen om zal is te maken wat verloren was. 12 'Wat dunkt u? indien eeniu mensch honderd schapen had, en één uit dezelve afgedwaald was, zal hij niet de negen en neprentis laten, en op de berjren henengaande, het afgedwaalde zoeken ? 13 En indien het geschiedt dat hij hetzelve vindt, voorwaar ik zeg u, dat hij zicli meer verblijdt over hetzelve dan over de nesren en negentig die niet afgedwaald zijn geweest. 14 Alzoó is de wil niet uws Vaders die in de hemelen is, dat ééu van deze kleinen verloren ga. 15 Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga henen en bestraf hem tusschen n en hem alléén : indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen; Ifi maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. 17 En indien hij denzelven geen gehoor ireeft, zoo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar. IS Voorwaar zeg ik u. al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat irij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. 19 Wederom zes ik u, indien daar twee van u sanienstemmen op de aarde over eenige zaak die zij zouden moiren begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader die in de hemelen is; |
EÃIS iS. 27 20 want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam. daar beu ik in 't midden vau hen. 21 Toen kwam Petrus tot hem en zeide; 11 eere, hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven ? Tot zevenmaal ? 22 Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven-maal. 2:? Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker Koning, die rekening met zijne dienstknechten houden wilde. 24 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht één dia hem schuldig was tien duizend talenten. 25 En als hij niet had om te betalen, beval zijn heer dat men hem zoude verkoopen en zijne vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de achulcf zonde betaald worden. Jfi De dienstknecht dan neder-vallende, aanbad hem, zeggende: Ilee«-, wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 27 En de heer van dezen dienstknecht met barmhartigheid innerlijk bewogeh zijnde, heeft, hem ontslagen en de schuld hem kwijt'.â¢escholden 2« Maar die dienstknesht uitgaande, heeft gevonden eenen zijner mededienstknechten die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, srreep hem bij de keel, zeggendequot;: Betaal mij wat gij schuldig zijt 29 Zijn mededienstknecht dan, uedervallende aan zijne voeten, bad hem, zeggende: Wees lank-moediir over mij, en ik zal u alles betalen. Doch hij wilde niet, maar ging henen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zoude betaald hebben. 31 Als nu zijne mededienst-knechten zagen hetgeen ge- |
|
28 MATTI M'hicil was, zijn zij zeer bedroefd geworden, eu kumende. verklaarden zij huuueu heer al wat er geschied was. *2 Toen heeft hem zijn heer tlt;)t zich geroepen, en zeide tot hem: Gij booze dienstknecht, al die schuld heb ik n kwijtgescholden, dewijl Kà mij gebeden hebt: .â « behoordet jcij ook niet n â over uwen mededienstkneeht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb? En zijn heer vertoornd zijnde, leverde hem den pijni-tfers over, totdat hij zoude betaald hebben al wat hij hem schuldi£ was. .â {5 Alzóó zal ook mijn hemel-sche Vader ü doen, indien jrij niet van harte versreeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden. HOOFDSTUK 19. EN het geschiedde toen Jezus deze woorden K^eindiKd had, dat hij vertrok «an Galiléa, en kwam óver den Jordaan, in de landpalen van Judéa.N het geschiedde toen Jezus deze woorden K^eindiKd had, dat hij vertrok «an Galiléa, en kwam óver den Jordaan, in de landpalen van Judéa. 2 En vele scharen volfjdcn hem, en hij lt;;enas ze aldaar. En de Farizeërs kwamen tot hem, verzoekende hem, en zes;-sende tot hem: 1« het een mensch geoorloofd zijne vrouw te verlaten om allerlei oorzaak? â¢1 Docli hij antwoordende, zeide tot hem: Hebt ^ij niet gelezen, die van den beginne den mensch gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw, 5 en gezegd heeft: Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn; r» alzoo dat zij niet meer twee zijn. maar één vleesch. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, seheide de mensch niet. 7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozen geboden, eenen scheid brief te geven en haar te verlaten ? |
SUS 19. 8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardiifheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten; maar van den beginne is 't alzóó niet geweest. 'J Maar ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat anders dan om hoererij, en eene andere trouwt, die doet overspel; en die de verlatene trouwt, doet ('nik overspel. Hl Zijne discipelen zeiden tot hem : Indien de zaak des mensehen met de vrouw alzóó staat, zoo is 't niet oorbaar te trouwen. 11 Doch hij zeide tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar wien het gegeven is. 12 Want daar zijn gesnedenen die uit moederslijf alzóó geboren zijn, en daar zijn gesnedenen die van de menschen gesneden zijn, en daar zijn gesnedenen die ziehzelven gesneden hebben om het Koninkrijk der hemelen : die dit vatten kan. vatte het. i:i Toen werden kinderkens tot hem gebracht, ondat hij de handen hun zoude opleggen, en bidden; en de discipelen bestraften dezelvcn. 14 Maar Jezus zeide: Laat ktquot; van de kinderkens, en verhindert hen niet tot mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der heme'ien. 15 En als hij hun de handen opgelegd had, vertrok hij van daar. Ui En zie, daar kwam een tot hem, en zeide tot hem: Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? 17 En hij zeide tot hein: Wat noemt irij mij goed? Niemand s goed dan t én, namelijk God. Doch wilt srij in 't leven ingaan, onderhoud de geboden. '8 Hij zeide tot hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: gij zult niet dooden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; |
|
MATTH sfij zult soene valsche getuigenis geven; 19 eer uwen vnder en uwe moeder, en «ij zult uwen naaste liefhebben als uzeivtni. â¢jo De jonf.reling zeide tot hem: Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid al': wat ontbreekt mij nosr? 21 Jezus zeide tot hem: Zoo ïij wilt volmaakt zijn, «a henen, verkoop wat «ij hebt en geef het den armen, en trij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. 22 Als nu de jongeliii'.r dit woord hoorde, gintr hij bedroefd weg; want hij had vele goederen. 2:{ Kn Jezus zeide tot zijne discipelen: Voorwaar ik zei; u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan. 24 En wederom zeg ik u, het is lichter dat een kemel sra door het oog van eene naald, dan dat een rijke in«a in het Koninkrijk Gods. 25 Zijne discipelen nu dit hoo-vende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden ? 2'i Kn Jezus hen aanziende, /.eide tot hen: Bij de ineuschen is dat onmoirelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. 27 Toen antwoordde Petrus «'ii zeide tot hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd: wat zal óns dan geworden ? 28 Kn Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zevr u, dat «ij die mij «evolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, dat gij óók zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. 29 Kn zoo wie zal verlaten hebben huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers. |
SUS 20. 29 om miins naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en hot eeuwige leven beërven. 3(i Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laat-sten de eersten. HOOFDSTUK 20. WANT het Koninkrijk der hemelen is gelijk een beer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijnen wijngaard.ANT het Koninkrijk der hemelen is gelijk een beer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijnen wijngaard. 2 Kn als hij met de arbeiders ééns irew orden was voor eenen nennini; 's daags, zond hij ze liunen in zijnen wijntraard. 3 Ka uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zaïr hij anderen ledig staande op de markt: 4 en hij zeide tot hen: Gaat gij óók henen in den wijntraard, en zoo wat recht is zal ik u geven. Kn zij gingen. 5 Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks. « Kn uitbegaan zijr.de omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tol hen: Wat staat trij hier den geheelen dag ledig ? 7 Zij zeiden tot hem : Omdat ons niemand trehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook «ij henen in den wijii'-raard, en zoo wat recht is, zult gij ontvangen. S Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijn-iraards tot zij-nen rentmeester: Hoep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. 9 Kn als zij kwamen die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder eenen pennintc. 10 Kn de eersten komende, meenden dat zij meer ontvangen zouden ; en zijzelven ontvingen óók elk eenen penninu:. 11 Kn dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes, 12 zeggende: Peze laatsten |
|
30 MATTI hebbon maar één uur gearbeid, cn tïij hebt ze öu» -relijk gemaakt, die don last des daags en de hitte icedra ren hebben. 13 Doch hij antwoordende, zeide totéénen van hen: Vriend, ik doe u geen o.neeht: zijt gij niet niet mij ééns geworden voor eenen penning? 14 Neem het uwe en ga henen; ik wil dezen laatsten ook geven gelijk als u. 15 Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil? Oi is uw oog boos omdat ik goed ben? Ifi Alzóó zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. 17 En Jezus opgaande naar Jeruzalem, nam tot zich de twaalf discipelen alléén op den weg, en zeide tot hen: IS Zie, wij uam óp naar Jeruzalem, en de Zoon des men-schen zal den Overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen; 19 en zij zullen hem den heidenen overleveren, om hem te bespotten en te geeselen en te kruisigen; en ten derden dage zal hij wederopstaan. 20 Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeus tot hem met hare zonen, hem aanbiddende, en begeerende wat van hem. 21 En hij zeide tot haar: quot;Wat wilt gij? Zij zeide tot hem: Ze^ lt;lat deze mijne twee zonen zitten mogen de één tot uwe rechter- en de ander tot uwe linkerAaHlt;2 in uw Koninkrijk. 22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat iïij beireert; kunt fdj den drinkbeker drinken dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden waarmede Ik gedoopt word ? Zij zeiden tot hem; tVij kunnen. |
EUS 20. 2S En hij zeide tot hen: Mijnen drinkbeker zult gij wei drinken, en met den doop waarmede ik gedoopt word, zult Sà gedoopt worden; maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne linker/zaut/ staat bij mij niet te geven, maar het zul (fcjereu worden dien het bereid is van mijnen Vader. 24 E.i als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders. 25 En als hen Jezus tot zich geroepen had, zeide hij: Gij weet dat de oversten der volkeren heerschappij voeren c er hen, en de irrooten gebruiken macht over hen. 2f) Doch alzóó zal het onder u niet zijn, maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar; 27 en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht: 28 gelijk de Zoon des men-schen niet is irekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. 29 En als zij van Jericho uitgingen, is hem eene groote schare gevolird. 30 En zie, twee blinden zittende aan den weg, als zij hoorden dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: 11 cere, gij Zoon Davids, ontferm u onzer ! 31 En de schare bestrafte hen, opdat zij -/.wijden zouden, maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm u onzer, Ileere, gij Zoon Davids! 32 En Jezus «Mstaande, riep ze en zeide: AVat wilt gij dat ik u doe? 33 Zij zeiden tot hem: Ileere, dat onze oogen geopend worden. 34 En Jezus innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hunne oogen aan; en terstond werden hunne oogen ziende, en i;ij volgden hem. |
|
MATTE HOOFDSTUK 21. EN als zij nu Jeruzalem tre* naakten, en gekomen waren te Bethtaré aan de». Olijf berir, toen zond Jezus twee discipelen, ze^^ende tot hen :N als zij nu Jeruzalem tre* naakten, en gekomen waren te Bethtaré aan de». Olijf berir, toen zond Jezus twee discipelen, ze^^ende tot hen : â¢2 Gaat benen in het vlek dat tegen u over liyi, en fij zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar: ontbindt ze en brengt ze tot a iin indien u iemai d iets zegt, zoo zult gij zeggen dat de Hee-re deze van noode heelt, en hij zal ze terstond zenden. 4 Dit alles nu is geschied opdat vervuld worde hetgeen gesproken is door den l'rofeet, zeggende: 5 Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op eei.e ezelin en een veulen, zijnde een jonir eener jukdia'rende ezelin. (i En de discipelen henenire-gaan zijnde, en gedaan hebbende gelijk Jezus huu bevolen had, 7 brachten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleederen op dezelve, en zetten hem daarop. S En de meeste schare spreidden hunne kleedereu op den weg; en anderen hieuwen takken van de boomen en spreidden ze op den weg. 9 En de scharen die vooraringen en die volgden, riepen, zetrgen-de: Hosanna den Zone Davids! Gezegend ia hij die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! l(i Eu als bij te Jeruzalem inkwam, werd de geheele stad beroerd, zegirende: Wie is deze? 11 En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de l'rofeet van Nazareth iu Galiléa. 12 Eu -iezus irinar in den Tempel Gods. en dreef uit allen die verkochten en kochten in den Tempel, en keerde de tafels der wisselaars om, en de zitstoelen !ÃS 21. 31 |
der gen en die de duiven verkochten ; 13 en hij zeide tot hen: Daar is geschreven: Mijn Huis zal een Huis des gebeds genaamd worden: maar gij hebt dat tot een moordenaaiskuil gemaakt. 14 En daar kwi.me. blinden en kreupelen tot hem in den Tempel, en hij genas dezelven. 15 Als nu de Oveipiiesters en Schriltgeleeiden za^en de wonderheden die hij deed, en de kinderen roepende in den Tempel en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk, Ifi en zeiden tot hem : Hoort gij wel wat dezen zeggen ? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt â . ij nooit L-elezen : Uit den mond der joi ge kinderen en der zuigelingen hebt Gij I/ lof toebereid ? 17 En hen verlatende, ging hij van daar uit de stad naar Bethal ië, en overnachtte aldaar. IS En des morgens vroeg als uij wederkeerde naar de stad, hongerde hem. 19 En ziei de eenen vijgeboom aan den weg, '.-ing hij naar hem toe, en vond niets aan denzel-v-en dan alleen bladeren, en zei-de tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuw iirheid. En de vijgeboom verdorde terstond. 2(i En de discipelen dat ziende, verwondeiden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zoo terstond verdord? 21 Doch Jezus antwoordende, zeide tot hen : Voorwaar zeg ik u, indien gij geloof hadt en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleen doen hetgeen den vijue-boom is geschied, maar indien tni ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zoude geschieden ; 22 en al wat gij zult begeeren in 't gebed, geloovende, zult gij ontvangen. 2ii En als hij in deu Tempel |
|
32 MATT1 fcekomcn was, kwamen tot hem, terwijl bij leerde, de üver- Sriestcrs en de Ouderlinuren es volks, zeffïeude: Door wat maeht doet gij deze dingen, en wie beeft u «leze maebt ge^e-ven 1*riestcrs en de Ouderlinuren es volks, zeffïeude: Door wat maeht doet gij deze dingen, en wie beeft u «leze maebt ge^e-ven 1* 24 lïn Jezus antwoordende, zeide tot ben; Ik zal u ook één woord vra-ten, bet welk indien «ij mij zult zeK^en, zoo zal ik u óók zesden door wat maebt ik deze dingen doe: 25 De doop van Jobannes, van waar -..as die? Uit den bemel of uit de menscben ? En zij overtelden bij ziebzelven en zeiden : Indien wij zeuren: Uit den bemel, zoo zal bij ons zeggen: â Waarom bebt «ij iiem dan niet geloofd 20 Kn indien wij ze-rgen : Uit de menscben, zoo vreezen wij de schare; want zij boud -n allen Johannes voor een Profeet. 27 En zij Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten 't niet. Kn bij zeide tot ben: Zoo zeg ik u óók niet door wat macht ik dit doe. 2?» Maar wat dunkt u? Een mensch had twee zonen, en gaande tot den eersten, zeide bij : Zoon, ga benen, werk beden in mijnen wijngaard. 29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging bij benen. 3(» lin gaande tot den tweeden, zeide bii desgelijks, en deze antwoordde en zeide; Ik ya, beer; en hij ging niet. ;{1 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot ben: Voorwaar ik zex u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods. .'$2 Want Jobannes is tot u ire-komen in den we-r der gerechtigheid, en arij bebt hem niet geloofd, maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; |
EÃS 21. doch üij zulks ziende, bebt daarna geen berouw gehad, om hem te gelooven. 3quot;{ Hoort eene andere gelijkenis. Daar was een beer des huizes, die eenen wijngaard plantte, en zette eeneu tuin daarom, en groef eeneu wijnpersbak daarin, en bouwde eeneu toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buitens-laudt. .'W Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden om zijne vruchten te ontvangen. 35 En de landlieden nemende zijne dienstknechten, hebben den éénen ifesla-ïen, en den anderen gedood, en den derden gesteenigd. SC. Wederom zond bij andere dienstknechten, meer in i/etat dan de eerste; en zij deden bun desgelijks. 37 En ten laatste zond hij tot ben zijnen zoon, zeggende : Zij zullen mijnen zoon onUien. :w Maar de landlieden den zoon ziende, zeiden onder elkander: Déze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden en zijne erfenis aan ons behouden. 31) Kn hem nemende, M-ierpen zij hem uit buiten den wijngaard. en doodden hem. 4ii Wanneer dan de heer des wijniraards komen zal, wat zal bij dien landlieden doen ? 41 Zij zeide.i tot hem; Hij zal ilen kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard anderen landlieden verhuren, die hem de vruchten op hare tijden zullen «even. 42 Jezus zeide tot hen; Hebt gij nooit i.elezen in de Schriften : De steen dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en act is wonderlijk in onze oogenV 4:1 Daarom zeg ik ulieden. |
|
«lat het Koninkrijk Gorls van ii zal wepirenomen worden, en aan een volk «eleven dat zijne vruchten voortbrengt. â I I 12ii wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 1.» Kn als de O verpriesters «mi Farizeers deze zijne trelijkenis-seu hoorden, verstonden zij dat liij van hen sprak. 4(! En zoekende hem te van-iren, vreesden zij de seharen, dewijl deze hem hielden voor een Profeet. HOOFDSTUK 22. EX Jezus antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijke. issen, zegende: X Jezus antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijke. issen, zegende: â¢2 Het Koni.ikrijk der hemelen is irelijk een zeker Konint; die zijnen zoon een bruiloft bereid tiad, en zond zijne dienstknechten uit om de nenooden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. â¢Â» Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zefiirende: Zeirt den jrenooden; Zie, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen en «le gemeste tji-PH-ten zijn geslacht, en alle din-ijeii zijn pereed: komt tot de bruiloft. ó Maar zij zulk* niet achtende, zijn henengegaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijne koop-inanschap; '! en de anderen grepen zijne dionstkneebten, deden //au sinnadheid aan, en doodden ze. 7 Als nu de Koning (/ut hoorde, werd hij toornig, en zijne kriprsheiren zendende heeft hij die doodslaurers vernield en hunne stad in brand gestoken. s Toen zeide hij tot zijne dienstkneehten: De bruiloft is w el bereid, doch de genoodeii waren het niet waardirr. D Daarom gaat op de uitgan- |
EüS 22. S5 gen »Ier wegen, en zoovelen als üij e.⢠zult vinden, roept ze tot de bruiloft. in Kn die dienstknechten uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden, beiden kwaden en goeden ; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende yuaten. 11 Kn als de Koning ingegaan was om de aanzitrendc yaaten te overzien, zar hij aldaar een mensch niet bekleed zijnde met een bruiloftskleed, 12 en zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, veen bruiloftskleed »nahebben-de? En hij verstomde. i:lt; Toen zeide de Koning tot de dienaars: Bindt zijne handen eu voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis: dsiür zal zijn weoning en knersing der tanden. 14 Want velen zijn geroepen, maar weiniren uitverkoren. ló Toen gingen de Farizeërs henen en hielden samen raad, hoe zij hem verstrikken zouden iu ziine rede. Ui En zij zonden uit tot hem hunne discipelen met «le 11e-rodianen, ze^iremle: Meester, wij weten «lat gij waarachtig r.ijt, en den weg Gods in waarheid leert, en naar niemand vraagt; want gij ziet den per-Mion der menschen niet aan: 17 zeg ons dan, wat dunkt u? Is het geoorloofd den Keizer schattint; te geven of niet? 15 Maar Jezus bekennende hunne boosheid, zeide: Ãt Gij geveinsden, wat verzoekt gij mij? Toont mij den sehattin'-rpenninir. En zij brachten hem eenen penning. 2» En liij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? 2» Zij zeiden tot hem; Des Keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den Keizer wat des Keizers is, en Gode wat Gods is. 22 En zij dit hoorende, ver- |
|
34 MAT TI] «onderden zicb, en hem verlatende. zijn zij wessreKaan. '23 Te dien dage kwamen tot hem de Sadduceërs, die zeggen dat er ireeue opstanding is, â¢en vraagden hem, 24 zeggende: Meester, Mozes heeft gezegd: Indien iemand-sterft, geen kinderen hebbende, zoo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen en zijnen broeder zaad verwekken. 25 N u waren daar bij ons zeven broeders; en de eerste eeue vrouw getrouwd hebbende, stierf, en dewijl hij geen zaad had, zoo liet hij zijne vrouw voor zijnen broeder. 20 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevenden toe. 27 Ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven. 23 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven ? want zij hebben ze allea gehad. 29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften noch de kracht Gods. 30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, en â¢worden niet ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als Engelen Gods in den hemel. 31 En wat aangaat de opstanding der dooden, hebt trij niet gelezen het ceen van God tot uliedeu gesproken is, die duur zegt: 32 Ik ben de God Abrahams en de God Isaaks en de God Jakobs? God is niet een God der dooden, maar der levenden. 33 En de scharen dit hoorendc, weiden verslagen over zijne leer. 34 En de Farizeërs gehoord hebbende dat hij den Saddn-eeërs den mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvericaderd; 35 en één uit hen, zijnde een Wetgeleerde heeft irevraa-.d, .^iem verzoekende, en zeggende: 5US- 23. |
36 Meester, welk is het groote gebod in de Wet? 37 En Jezus zeide lot hem: Gij zult liefhebben den Heere uwen God met ireheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het groote srebod. 39 En het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. 40 Aan deze twee ireboden han^t de gansche Wet en de Profeten. 41 Als nu de Farizeërs samen-vergaderd waren, vraagde hun Jezus, 42 en zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is hij ? Zij zeiden tot hem: Davids zona. 43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt hem dan David in den Geest zijne/i Heere, zeggende: 44 De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden zal trezet hebben tot een voetbank uwer voeten ? 45 Indien hem dan David noemt zijnen Heere, hoe is hij zijn zoon ? 4i5 En niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durfde hem van dien dag aan iets meer vrairen. HOOFDSTUK 23. TOEN sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen,OEN sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen, 2 zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeërs zijn gezeten op den stoel van Mozcs. :i Daarom al wat zij u zeggen dat uij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hunne werken; want zij ze'-r-'en h?t, en doen het niet. 4 Want /.ij binden lasten die zwaar zij i en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders der mensehen; maar zij willen die met hunnen vin--ger niet verroeren. |
|
MATTI 5 En alle hunne werken doen aij om van de mcnsehen sezier. te ⢠worden; want zij maken huune gedenkcedels breed, en maken de zoomen van hunne kleederen irroot. (i Kil zij beminnen do vooraanzitting in de maaitijden,, en de voorgestoelten in de Synagogen, 7 ook de begroetingen op de markten, en Van de mensclien trenUamd te worden Kubbi, Itab bi. 8 Doch gij zult niet Kabbi genaamd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus, en trij zijt allen broeders. '.) En f-rij zult niemand uwen Vader noemen op de aarde; want één is uW Vader, namelijk die in lt;ie bemelen is. 10 Enquot; gij zult niet Meesters genoemd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus. 11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. V2 Eu wie zichzelven ver-hoogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. i:{ Maar wee u, sij Schritt-geleerden en Farizeërs, gij ire-\cinsden: want jcij sluit het Koninkrijk der hemelen voor *le meuscheu, overmits sij duur niet ingaat, en degenen die ingaan zouden, niet laat ingaan. 14 Wee u, gij Sclirittgeleerden en Farizeërs, sïij geveinsden; want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, irij geveinsden; want gij omreist zee en land om éénen .lodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zoo maakt .rij hem een kind lt;ler hel, tweemaal meer dan gij ziit. Ifi Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zoo wie ge- |
ÃÃS 23. 35 zworen zal hebben bij den Tempel, dat is niets ; maar zoo wie gezworen zal hebben bij het goud des Tempels, die is schuldig. 17 Gij dwazen en blinden; want wat is'meerder, bet goud. of de Tempel die het goud heiligt ? IS Eu zoo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij de gave die daarop is, die is schuldig. 19 G j dwazen en blinden; want wat is meerder, de nave of het altaar dat de gave heiligt? â¢Ju Daarom \gt;ie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve en bij al wat daarop is; â .'1 en -vie zweert bij den Tempel, die zweert bij denzeiven en Ijij dien die daarin woont;,. -- en wie zweert bij deii hemel, die zweert bij den troon Gods en bij dien die daarop zit. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want mj vertient de munt en de dille eu de komijn, en gij laat na het zwaarste der Wet, namelijk het oordeel en de barmhartigheid en het geloof. Déze dingen moest «icn doen en de andere niet nalaten. .4 (iij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt eu den kemel doorzwelgt. â¢Jó Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn ze vol van roof en onmatigheid. 2(i Gij blinde Fanzeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat nok het buitenste derzelve rein worde. 27 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij zijt do.i witgepleister-den graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze vol doods» |
|
an MATTI hcondcvpn pii alle onreiniirlu'id. â¢JS Aliüó ook scliijut «ij wel â¢leu incnsclicMi van buiten reeht-vaardifr, maar van binnen /.ijt siij vol ireveinsdlieid en on-^ereelitiïbeid. 29 Wee u, irij Sebriftseleerden en Farizecrs, «ij ireveinsden; want jjij bouwt de rraven der rnitVten op, en versiert de jjrat'teekeneu der reehtvaar-digen, alt;» en zest: Indien wij ten tijde onzer vaderen waren «e-weest, wij zouden met hen ^een irfineenseliap se bad beb-ben aan bet bloed der Profeten, al Aldus setuist «ij teyea uzelven, dat sij kinderen zijt dersenen die de l'roteten Re-dood bebben. a-2 Gij dan ook. vervult de maat uwer vaderen. aa (Jij slangen, sü adderen-sebroedsels, boe zoudt sü de belsebe verdoemenis ontvlieden 't a4 Daarom zie, ik zend tot u Profeten en quot;Wijzen en Sebrift-Seleenlen, en uit dezelven zult sij so mm i yen dooden en krui-sisen, en sommigen uit dezelven zult Sà seeselen in uwe Syna-Slt;»sen, en zult ze vervolsen van stad tot siad; a.r» opdat op u kome al bet reebtvaardise bloed dat versoten is op de aarde, van bet bloed des reebtvaardisen Abels af, tot op bet bloed van Zacba-ria, den zoon van Baraebia, welken üij -redood bebt tus-sebfc'n den Tempel en bet altaar. aC Voorwaar zes ik u, alle deze dinsen zullen komen over dit seslaebt. ;i7 Jeruzalem, Jeruzalem, sü die de l'rotV-ten doodt, en stee-nist die tot u sezonden zijn, boe meniirmaal bel» ik uwe kinderen willen bijeenversa-«leren, selijkejwijs eene hen bare kiekens bijeenversadert onder «le vleuselen, en S'jüe-den hebt niet sewihl. |
EÃS 24. :is Zie, uw luns wordt u woest gelaten. ai) Want ik zes Sà zult mij van nu aan niet zien, totdat sij zessen zult; Gezegend in bij die komt in den naam des lleeren. HOOFDSTUK 24. EN Jezus gins quot;'t en vertrok van den Tempel; en zijne diseipelen kwamen bij hem, om hem de sebouwcn des Tempels te tuonen.N Jezus gins quot;'t en vertrok van den Tempel; en zijne diseipelen kwamen bij hem, om hem de sebouwcn des Tempels te tuonen. 2 En Jezus zeide tot hen: Ziet Sà niet alle deze dinsen r Voorwaar zes ik u, hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afse-broken zal worden. a En als hij op den Olijfbenr irezeten was, sgt;»sen de diseipelen tot hem alléén, zessen-de: Zes ons, wanneer zullen deze dinsen zijn? En welk :al het teeken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld? 4 En Jezus antwoordende, zei-de tot hen: Ziet toe dat u niemand verleide; 5 want velen zullen komen onder mijnen naam, zessende; Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. (» En sü zult booren van oor-losen en seruebten van cor-loiren: ziet toe, wordt niet versebrikt: want alle ilie dinsen moeten sesebieden, maar nos is het einde niet. 7 Want het ténc volk zal tegen het andere volk opstaan, en het iéne. koninkrijk teiren het andere koninkrijk ; en daar zullen zijn honsersnooden en pestilentiën, en aardbevingen in verseheidene plaatsen. S Doeh idle die dinsen zijn maar een besni der smarten, y Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u dooden, en sü zult sehaat worden van alle volkeren om mijns naams wil. 10 En dün zullen er velen ge- |
|
MATT HE ergerd worden, en zullen elk-Miider overleveren en elUunder linten. 11 En vele valsche profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. 12 En omdat de onsjerceliti'j-heid vermenijrvuldiird zal worden, zoo zal de lietde van velen verkouden. i:t Maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalii; worden. 14 En dit Evangelie des Ko-uinkrijks zal in de ifeheele wereld gepredikt worden ti:t een s^'tuiKe.iis allen volkeren; en dan zal het einde komen. 1.'» Wanneer srij dan zult zien den gruwel der verwoestina:, waarvan gesproken is door Daniël den Profeet, staande in tie heilige plants idle het leest, die merke daarop), lü dat alsdan die in Jur.'éa zijn, vlieden op de berden; 17 die op het dak is, kome niet af om iets uit zija huis weic tc nemen; 18 en die op den akker is, keere niet weder ternjjom zijne kleederen wei; te nemen. lü Maar wee den bevruchten «mi den zooifenden vrouwen in die dajjeu. â¢3» Doeh bidt dat uwe vlucht niet ireschiedc des winters nocu op eenen sabbat; 21 want alsdan zal er jrrootc verdrukking wezen, hocdaniquot;quot;e niet is geweest van het besiin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. 22 En zoo die dasren niet verkort werden, sreen vleeseh zoude beliouden worden ; maar om der uitverkorenen wil zullen die dut;en verkort worden. 2.t .Alsdan zoo iemand tot ulie-den zal zeKKcn: Zie, hier is de Christus, of dAar, gelooft hot niet. 24 Want daar zullen valsche Christussen en valsehe proleten opstaan, en zullen srroote teeltenen en wonderheden doen, alzoo dat zij i.indien het mo^e- |
ÃS 24. 37 lijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 25 Zit', ik heb uct u voorzetcd. 2« Zoo zij dan tot u zullen zcKscn: Zie, hij is in dc woestijn, traat niet uit; zie, hij i* in di' biBnenkameren, gelooft het niet. 27 Want selijk dc bliksem uitbaat van het Oosten en sehijnt tot het Westen, alzóó zal ook de toekomst van den Zoon des mensehen wezen. 'Js Want alwaar het doode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. 29 En terstond na de verdrukking dier oatcen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal baar schijnsel niet «even, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En ilsdamp;n zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des uienscben: en dan zullen alle de geslachten der aarde weeneu, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met ^rootc kracht en heerlijkheid. Hl En hij zal zijne Engelen uitzenden met eeue bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het éé/ie uiterste der hemelen tot het Uiidere uiterste der-zelve. En leert van den vijureboom deze gelijkenis; wanneer zijn tak nu teer wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is: 31 alzoo ook gijlieden, wanneer gij alle deze dingen zult zien, zoo weet dat het nabij is, voor de deur. 34 Voorwaar ik zeg u, dit geslacht zal ireenszins voorbijgaan, totdat alle doze dingen zullen gesehied zijn. 35 De hemel en de narde zullen voorbijgaan, maar mijne |
MATT HEUS 25.
3S
|
, \voordcn zullen ^ecnszius voorbijgaan. 3i! Doch van dien da? en die ure weet niemand, ook niet de Engelen der Uemelen, dan mijn Vader alléé.i. 37 Eu go ijk de da-ren van Nnaeh waren, alzóü zal ook zijn de toekomst van den Zuou des mensche 1. 3H Want rel ijl: zij waren in ele dasen. vóór den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dar toi; in welken Noaeh in de ark irin'r, S'.t en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen weirnam: alzóó zal ook zijn de toekomst vau den Zoon des menschen. 40 Aisdfln zullen er twee op den akker zijn: dé één zal aan-genomen ea de ander zal verlaten worden; 41 daar zullen twee rrouwc.a malen in den molen: de ééne zal aan'renomen en de andere zal verlaten worden. 42 Waakt da.i, want uij weet niet in welke ure uw lleere konion zal. 4'J Maar weet dit, dat, zoo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwaak de diet' komen zoude, hij, ijewaakt zoude hebben en zijri huis niet zoude hebben laten doorgraven. 41 Daarom zijt ook *rij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen. 45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwel ke.i zijn heer over zijne dienstbode.1 gesteld heeft, om hiiiilieden hun voedsel te geven ter rechter tijd? 4'; Zali-r is die dienstknecht, welken zijn heer komende zal vinden alzóó doende. 4quot; Voorwaar ik zeg -u, dat hij hem zal zetten over alle zijne goederen. |
48 Maar zoo die kwade dienstknecht H zijn hart zoude zegden: Mijn lieer vertoeft te komen, 49 en zoude beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards; 5!) zoo zal de heer dezes dienstknechts kotnen ten daire in welken hij /tem niet verwacht, en ter ure die hij niet weet, nl en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden : dii.-lr zal weening zijn en knersing der tanden. HOOFDSTUK 25. ALSDAN zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maarden, welke hare lampen namen en gin'-ren uit, den bruidegom te gempet.LSDAN zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maarden, welke hare lampen namen en gin'-ren uit, den bruidegom te gempet. 'J En vijf van haar waren wijze en vijf waren dwaze. 3 Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geen olie met zich; 4 maar de wijze namen olie in hare vaten, met hare lampen. 5 Als nu de brui legoiu vertoefde, werden zij allen sluimerig en vielen in slaap. fi En te middernacht geschiedde er een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hein te gemoet. 7 Toen stonden al die maasden oj) en bereidden hare lampen, s En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons vun uwe olie, want onze lampen traan uit. Ji Doch de wijze antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor o.is en voor u niet irenoe-r zij; maar gaat liever tot de \erkoopers en koopt voor uzelve. ld Als zij nu heneinriiurei: om te koopen, kwam de bruidegom ; en die gereed varen, -gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. II Daarna kwamen ook de andere ⢠maagden, zeggende: lieer, heer. doe ons open. |
|
MATTH V2 En hij antv.oordeude, zcidc: Voorwaar zeg ik u, ik keu u niet. 13 Zoo waakt dan, want pij weet don das niet noch de ure, in dewelke de Zoon des men-seben komen zul. 14 Want het in gelijk een mensch, die buitenslands reizende zijne dienstknechten riep, en gat hun zijne goederen over; 15 en den éénen gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond. Ifi lgt;ie nu de vijf talenten ontvangen had, ging henen en handelde daarmede, en won andere vijf tulenten. 17 Desgelijks ook die.de twee Oiitvange.i had, die avoii ook andere twee. 18 Maar die het ééne ontvangen had, gins; henen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns beereii. 19 En na eenen langen tijd kwam de beer van die dienstknechten, en hield rekening met ben. 20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: lieer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen. 21 En zijn beer zeidetothem: Wèl, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten: ga in in de vreugde uws heeren. 22 En die de twee talenten ontvangen had. kwam óók tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven ; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen. 23 Zijn beer zeide tot hem: AVèl, i:ij iroede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten: ga in iu de vreugde uws heeren. |
:US 25 39 24 Maar die het ééne talent ontvai gen had, kwam óók, en zeide: Heer, ik kende u dat gij een hard mensch zijt, maaiende waar irij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, vaar gij nieu -restrooid hebt; 25 en bevreesd zijnde, ben ik benensegaan en heb uw talent verborgen in de aarde: zie, gij hebt het uwe. 2fi Maar zijn beer antwoordende. zeide tot hem : Gij booze en luie diei stki echt, gij wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en van duur vergader, waar ik niet irestrooid heb : 27 zoo moest i/ij dan mijn ireld bij de wisselaren gedaan hebben, en ik komende, zoude het mijne â¢vedergenomen hebben met wii st. 2.s Neemt dan van hem het talent v eg, en geeft het dengenen die de tien talenten beeft. 29 Wan: een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en bij zal overvloedig hebben; maar van dengenen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis: daj'ir zal weening zijn en knersing der tanden. 31 En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en alle de heilige Engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid; 32 en vóór hem zullen alle de volkeren vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt; 33 en hij zal de schapen tot zijne rechter/iflwrf zetten, maar de bokken tot zijne linker-hand. 34 Alsdftn zal de Koninir zeggen tot degenen die tot zijne recbterAawd zim: Komt, gij ge-zegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk hetwelk u be- |
|
40 MA TT I reid is van dc ^rondlc^^iug der wereld; 35 want ik ben hon-rerip geweest eu «ij hebt mij te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven, ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd, ik was naakt en gij hebt mij gekleed, ik ben krank ire-weest en gij hebt mij bezoeht, ik was in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen. :{/ Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende: Ileere, wanneer hebben wij ii hongerig gezien, en gt;rc-â spijzigd 'f of dorstig, en te drinken gegeven? :w Kn wanneer hebben wij u een vreemdeling gezien, en geherbergdof naakt, en gekleed ? En wanneer hebben wij u krank gezien of in de gevangenis, en zijn tot u gekomen? â¢lil En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg ik n, voor zooveel gij dit één van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan. 41 Dan zal hij zegden ook tot degenen die ter linkerA«/irf zijn : (iaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is; 42 want ik ben honsrerig geweest en gij hebt mij niet te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven, 4:{ ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd, naakt en ïij hebt mij niet gekleed, krank en in de gevangenis en gij hebt mij niet bezoeht. «4 Dan zullen ook dezen hem antwoorden, zeggende: Ileere, wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis en hebben u niet gediend ? |
EÃS2fi. 45 Dan zal hij hun antwoorden en zegiren: Voorwaar zeg ik u, voor zooveel trij dit één van deze minsten niet quot;edaan hebt, zoo hebt gij het mij ook niet gedaan. 4'i En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. HOOFDSTUK 2«. EN het is geschied als Jezus alle deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide:N het is geschied als Jezus alle deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide: 2 Gij weet dat na twee daaren het Pascha is, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden. Toen vergaderden de Over-priesters en d-- Schrift-releer-den en de Ouderlingen des volks in de zaal des Hooge-pri'sters, die genaamd was Kajafas. 4 en beraadslaagden samen, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden. 5 Doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er '.reen oproer worde onder het volk. (» Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon den melaatsche, 7 kwam tot hem eene vrouw hebbende een albasten flesch met zeer kostelijke zalf, en uroot ze uit op zijn hoofd, daar hij aan tafel zat. M En zijne discipelen dal ziende, namen liet zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies? 9 Want deze zalf had duur kunnen verkocht en de pen-ningen den armen gegeven worden. 10 Maar Je7.us zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet f-'ij de se vrouw moeite aan ? Want iij heeft een goed werk aan mij gewrocht. 11 Want dé armen hebt gij |
|
altijd niet u, muur mij hebt gij niet altijd. 12 quot;Want als zij deze zalf op mijn liehaam KeKuten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot nene voorbereiding vau mijne begrafenis. ].'{ Voorwaar zc-r ik n, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de veheeJe wereld, duar â¢zul ook tot hare gedachtenis {re-sproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. 14 Toen ging een van de twaalve, srei aamd Judas Iska-riot, tot de üverpriesters, ló en zcide: AVat wilt gij mij geven, en ik zul hein u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren /gt;e.t-ningen. 16 Bn van toen «f zocht hij gelegenheid opdat hij hem overleveren mocht. 17 En op den eersten day der ongezuurde broaden kwamen de discipelen tot Jezus, zeg-sende tot hem : AVuar wilt irij ilat wij u bereiden het 1'aschu ie eten? 18 En hij zeide: Gaat henen in de stud tof zulk eenen, en xesrt hein: De Meester zeirt: Mijn tijd is nabij, ik zal hij u liet Fascha houden met mijne discipelen. 10 En de discipelen deden ge-'ijk Jezus hun bevo.en had, en bereidden het Pascha. â Jl' En als het avond geworden was, zat hij aan met de twaalve. 21 En toen zij aten, zeide hij; Voorwaar ik zeir u, dat één van « mij zal verraden. 22 En zij zeer bedroefd geworden zijnde, beiion een iegelijk van hen tot hem te zeggen : Hen ik 't, Ileerer 2:5 En hij antwoordende, zeide: Die de hand met mij iu den schotel indoopt, die zal mij verraden. 24 Dc Zoon des menschen truat wel henen sielijk van hem ire-schreven is, muur wee dien liiensch door welken de Zoon quot;US 2.'?. 41 |
des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die menscii niet geboren was geweest. 2« En Judas die hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik 't. Kabbi; 11 ii zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. 26 En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: gt;icemt, eet, uat is mijn lichaam. 27 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, iraf hun dien, zeggende : Drinkt allen daaruit,; 2S want dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. En ik zeg u, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des vvijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik niet u dezelve nieuw zal drinken in het Koiiinkrijk mijns Vaders. :«) En als zij den lotzatiquot; gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. :{1 Toen zeide Jezus tot hen : Gij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nacht; want daar is iresehreven: Ik zul den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. ;i2 Maar nadat ik zul opgestaan zijn, zal ik u voorgaan nuar Gal iléa. :w Doeli Petrus antwoordende, zeide tot hem: Al werden zij ook allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. 34 Jezus zeide tot hem : Voorwaar ik zeg u, dat i'ij in dezen zelfden nacht, eer dé haan gekraaid zal hebben, mij driemaal zult verloochenen. .quot;15 Petrus zeide tot hem : Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik n geenszins verioo-ehenen. Desirclijks zeiden ook alle de discipelen. |
|
42 MATTE 36 Toen trinjr Jezus met hen in eene pluuts reuaamd Getli-sémaué, en zeide tot de discipelen : Zit Uier neder totdat ik Iienenu;a eu altlaar zal gebeden hebben. 37 En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, be-ron liij droevig en zeer beangst ie wordun. 33 Toen zeide bij tot hen : Mijne ziel is nebeel bedroefd tot den dood toe : blijft hier en waakt met mij. 39 En een weinig voortsregaan zijnde, viel bij op zijn aanixe-zicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien bet mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt. 40 En hij kwam tot de discipelen en vond ze slapende, en zeide Uk Petrus: Kondet gijlieden dan niet ééa uur met mij waken ? 41 Waakt en bidt, opdat srij niet in verzoekintr komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. 42 Wederom ten tweeden male henengaande. bad bij, zeggende: Mijn Vader, indien deze drinkbcKer van mij niet voorbij kan gaan tenzij dat ik hem drinke, uw wil geschiede. 43 En komende hij he,i, vond hij ze wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard. 44 En hen latende, ginjr hij wederom henen en bad ten derden male, zeggende dezellde woorden. 45 Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen : Slaapt nu voort en rust; zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de banden der zondaren. 4G Staat op, laat ons gaan : zie, hij is nabij die mij verraadt. 47 En als hij nog sprak, zie. Judas, ecu van de twaalve. |
EÃS 25 kwam, en met hem eene groote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de Over-priesteren en Ouderlingen des volks. 4s En die hem verried, had hun een teeken gegeven, zeggende : Dien ik zal kusseu, die is bet: grijpt bem. 4l.) En terstond komende tot Jezus, zeide bij: Wees gegroet, Kahhi; en hij kuste hem. 5'i Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe, en sloegen de banden aau Jezus en grepen hem. 51 En zie, één van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des H oogepriesters, hieuw zijn oor atquot;. 52 Toen zeide Jezus tot hem : Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door hel zwaard verbaan. 53 Of mee.it gij dat ik mijnen Vader mu niet kan bidden, en Hij zal mij meer dan twaali legioenen Engelen bijzetten ? 54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeyge* dat het alzóó geschieden moet? 55 Te dier ure sprak Jezus tot de scharen : Gij zijt uitgegaan als tegen eeueu moordenaar met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik bij u, leerende inden Tempel, en gij hebt mij niet gegrepen; 5(5 doch dit alles is geschied opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten alle de discipelen, hem verlatende. 57 Die nu Jezus irevangen hadden, leidden hem henen tot Kajafas den H oogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren. 5S En Petri s volgde bem van verre tot aan de zaal des ilooge- |
|
MATTH priesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het eiude te zien. 59 En de Overpriesters en de Ouderlingen en de ireheele groote Itaud zochten vuische getuigenis teirea Jezus, opdat zij hem duoden mochten, en vonden niet; 60 en hoewel daar vele valsehe getuigen toetrekomen waren, zoo vonden zij iocii niet. (U Maar ten laatste kwamen twee valsehe getuigen, en /.ei-den: ï)eze heelt icezegd: Ik kan den Tempel Gods afbreken, en in drie da^en denzelveu opbouwen. G'2 En de Tloogepriester opstaande, zeide ro; hem: Antwoordt «ij niets? Wat getuigen dezen tegen u ; ()'.{ Poeh Jezus zweer stil. En de lloogepriester antwoordende, zeide tot hem: 1 k bezweer u bij den levenden (iod, dat sjij ons zetrt of üij zijt de Christus, de Zoon Gods? (14 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het irezeurd. Doch ik zequot; ulieden, van nu aan zult «ij zien den Zoon des mensehen zittende ter reehterAa^cl der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. 05 Toen verscheurde de lloogepriester zijne kleederen, zeggende : Hij heeft God gelasterd ; wat hebben wij nog getuigen van noodc? Zie nu hebt srij zijne iportelasterini; gehoord; fil» wat dunkt ulieden.' En zij antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldi r. fi7 Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en sloegen hem met vuisten; (is en anderen saven hem kinnebaksla-ren, zeggende : Profeteer ons, Christus, wie is het die u geslu-ren heeft? fi9 En Petrus zat buiten in de zaal; en eene dienstmaard kwam tot hem, zeggende: Gij waart óók met Jezus den Ga-lilcër. |
;üs 27. 4:gt; 71' Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet wat inj zegt. 71 En als hij naar de voor-pooi't uitging, zag hem eene andere dieustmaayd, en zeide tot degenen die aldaar icare;t.-I'eze was óók met Jezus deu Nazarener. 7- En hij loochende het wederom net eenen eed, zeggender Ik ken den mensch niet. T-i En een weini-r daarna, die daar stonden bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt óók van die, want ook uwe spraak maakt u openbawr. 7-1 Toen be ron hij zich te ver-vloekeu, en te zweren: Ik ken deu mensch niet. 75 En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig aan het woord van Jezus, die tot hem gezegd had: Eer de-haau gekraaid zal ht-bben, zult â -rij mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weeudc hij bitterlijk. HOOFDSTUK 27. ALS het nu morgenstond geworden was, hebben alle de-Overpriesters en de Ouderlingen des volks samen raad. trenomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden;LS het nu morgenstond geworden was, hebben alle de-Overpriesters en de Ouderlingen des volks samen raad. trenomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden; '2 en hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en traven hem over aan Pontius Pilatus den Stadhouder. :{ Toen heeft Judas die hein. Verraden had, ziende dat hij-veroordeeld was, berouw ge-bad, en heeft de dertig zilveren /leuninyeu den Overpriesterea en den Ouderlingen wederge-bracht, 4 ze -irende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat óns dut aan? Gij moogt toezien. 5 En als hij de zilveren pen-ninqcn in den Tempel geworpen had, vertrok hij, en henen-gaaude, verworgde zichzeltetu |
|
14 MATTU fi En de Overpriestcrs de zilveren iiKiininyen iieniende. zuiden: ilct is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te le r^en, dewijl het een prijs des hloeds is. 7 Kn sumen raad ire.ioinen hebbende, koehte.i /.ij daarmede den akker des pottenbakkers, tot eene begrafenis voor de \Yecmdelinu;en. s Daarom is die akker jre-naamd de akker des bloeds tol op den hnidiren da.;. 9 Toen is vervuld geworden hetgeen sresproken is door den Profeet .leremia, zegende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des ijewaardeerden van de kinderen Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben, ld en hebben dezelve «reiieven voor den akker des pottenbakkers; volgens liet reen mij de Heere bevolen heeft. 11 En Jezus stond voor den Stadhouder; en de Stadhouder vraagde hem, zeïireade: Zijt â¢iij de Koning der Joden r En Jezus zeide hem: Gij ze^t het. 1^ En als hij van de Overpriestcrs en de Onderliinjen be-sehuldigd werd, antwoordde hij niets. i:{ Toen zeide 1'ilatus tot hem ; Hoort i?ij niet hoevele zaken zij leiren u setuiïen? 14 Maar hij antwoordde hem niet op een éc.iiir woord, alzoo dat de Stadhouder zich zeer verwonderde. 15 En op het feest was de Stadhouder gewoon den vnlke ééneu gevau^eue los te laten, welken zij wilden. Ki En zij hadden toen oenen welbekenden gevangene, genaamd Bar-Abbas. 17 Als zij dan vergaderd waren, zeide I'ilatus tot hen: Welken wilt irij dat ik u zal loslaten, Har-Anbas of Jezus die genaamd wordt Christus? Is Want hij wist dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden. |
E u S 27. l'J En als hij op den Rechterstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeg-jrende: Heb toch niets te doen met dien rechtvaardige, want ik heb heden veel geleden in den droom om zijnentwil. 20 Maar de Overpriesters en de Ouderlingen hebbende scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-Abbas begeerea en Jezus dooden. 21 En de Stadhouder antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt irij dat ik 11 zal loslaten? En zij zeiden : Bar-Abba*. 22 I'ilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen Jot hem: Laat hem gekruisigd worden. 2'i Doch de Stadhouder zeide: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te moer, Z'ïg'jende: Laat hem gekruisigd worden. â¢Jl Als nu I'ilatus zaa: dat hij niets vorderde, maar veelmeer dot er oproer werd, nam hij water en wieseh do handen voor de sehare, zeggende: Ik ben onsehuldig aan het bloed dezes rechtvaardigen: gijlieden moort toezien. 2.» En al het volk antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinde- 2«» Toon liet hij hun Bar-Abbas los, maar Jezus «egeoseld hebbende, sraf hij hem over om gekruisigd te worden. 27 Toen namen de krijirs-knechten des Stadhouders Jezus met zich in het Rechthuis, en vergaderden over hem de tïansehe bende. 2H En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem ecnon purperen manv.el om; 211 en eene kroon van door-nen gevlochten hebbondo. zetten zij die. oj zijn hoofd, en een rietstok in zijne rech-icvhand; en vat lende op hunne |
|
MATT] knieën voor hem, bespotten zij hem, zeKjiencle: Wees ijegroet itij Koning der Joden: :!ii en op hem jrespuwd hebbende, iiHnien zij den rietstok on sloegen «;p zijn hoofd. :51 Kn toen zij hem besnot hadden, deden zij hem aen niuntel af, en deden hem zijne kleedcren aan, en leidden hem henen om te kruisigen. .*{â¢2 En uitgaande, vonden zij eenen man van Cyréne, met name Simon; dezen dwongen zij dat hij zijn kruis droejr. '.ïgt; Kn gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd lloofdsvhedel-jilaats, .quot;M gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd; en als hij dien geproefd had, wilde hij niet. drinken. .'{5 Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende; opdat vervuld zoude worden hetgeen gezegd is door den Profeet: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over mijne kleeding geworpen. :«» En zij nederzittende, bo-«vaarden hem aldaar. .*{7 En zij stelden hoven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: Dezk is Jezus de Komng «kh Jodkn. Toen werden met. hem twee moordenaars gekruisigd, één ter rechter- cn één ter linker zijde. En die voorbijaringen, lasterden hem, schuddende hunne hoofden, 4(t en zeggende: Gij die den Tempel afbreekt en in drie «lagen opbouwt, verlos uzelven; indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis. 41 En desgelijks ook «Ie O verpriesters met de Schriftgeleerden en Ouderlingen en 1'ari-zeërs /iem bespottende, zeiden : 4-2 Anderen heeft hij verlost, hij kan zichzelvcn niet ver- |
Et S 27. lossen, indien hij de Koning Israels is, dat hij nu afkony* van het kruis, en wij zullen hem ucloovcn. 4t{ H ij heeft op God betrouwd: dat Hij hem nu verlosse, indien Hij hem irèl wil; want hij heeft gezegd : Ik ben Gods Zoon. 44 En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met. hem gekruisigd waren. 45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de ge-heele aarde, tot de negende ure toe. 41» Kn omtrent de negende ure riep Jezus met eene groote stem, zeirgende: Ei.i, Elï, lama sABACHTANi? datis: Mijn (iod. mijn God, waarom hebtquot; Gij mij verlaten? 47 En sommigen van die daar stonden, zulks hoorende, zeiden : Deze roept Elia. 4s Kn terstond één van hen /oploopen-'e, nam eene spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken. 4,.l Doch de anderen zeiden: Mond op, laat ons zien of Elia komt om hem te verlossen. 50 En Jezus wederom met eene groote stem roepende, gaf den geest. 51 En zie, het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden, 52 en de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt; .y.{ en uit de traven uitgeiraan zijnde na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, deze was Gods Zoon. 55 En aldaar waren vele vrou- |
|
lt;G MATTI wen van verre aanschouwende, «die Jezus ire vol ^d waren van Oaliléa om hem te dienen: óf. onder dewelke was Maria Magdaléna, en Maria de moeder van .lacobus eu .loses, en 4e moeder der zonen van Ze-bedeiis. 57 En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozut', die ook zelf een discipel van Jezus was: ós deze kwam tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam gegeven zoude worden. 59 Eu Jozef het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad, (iu en lelde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had; en eenen grooten steen te yen. de deur des sjrafs gewenteld hebbende, ging hij weg. 61 En aldaar was Maria Matj--daléna en de andere Maria, zittende tegenover het graf. lt;â gt;â 2 Des anderen daaurs nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de Overpriesters en de Farizeërs tot Pilatus, (v5 zetcgende: Heer, wij zijn indaehtii; dat deze verleider not; levende gezegd heeft; Padrie dagen zal ik opstaan. ()-l Beveel dan dat het irraf verzekerd worde tot den derden â¢dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht cu hem stelen, en zegden tot het volk: Hij is opgestaan van -de dooden; en zóó zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste. fia En Pilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht: iraat henen, verzekert het gelijk gij t verslaat. (IG En zij henen gaande, verzekerden hot graf met de wacht, lt;leu steen verzegeld hebbende. |
EUS -28. HOOFDSTUK 2S. EN laat un dsn sabbat, als hét begon te lichten, tegen den eerstenN laat un dsn sabbat, als hét begon te lichten, tegen den eersten day der week, kwam .Maria Magdalé, a en de andere Maria om het graf te bezien. â¢J En zie, daar geschiedde eeiic arroote aardbeving; want een Engel des Heeren nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven. :{ En zijn'gedaante was gelijk een bliksem, en zijne kleeding wit gelijk sneeuw. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden. 5 Maar de Engel antwoordende, zeide tot de vrouwen : Vreest gijlieden niet: want ik weet dat gij zoekt Jezus die gekruisigd was. G Hij is hier niet, want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. 7 En iraat haastelijk henen en zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden; en zie, hij iraat u vóór naar Oaliléa: daar zult â .rij hem zien. Zie. ik heb het ulieden irezegd. s En haastelijk uitgaande van het graf, niet vrees en groote blijdschap, liepen zij henen om hetzelve zijnen discipelen te boodschappen. â¢1 En als zij henenginsren om zijnen discipelen te boodschappen, zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest iregroet. En zij- tot hem komende, grepen zijne voeten en aanbaden hem. 10 Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt mijnfn broederen, dat zij heiicniraan naar Oaliléa, en aldaftr zullen zij mij zien. U En als zij henengingen, zie, eeuigen ran de wacht kwamen in de stad, en boodschapten de.i Overpriesters |
|
MAR alle de dingeu die geschied waren. 12 Eu zij veriraderd zijude uiet de Ouderlingen, en samen raad jrenoinen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel geld, 13 en zeiden: Zegt; Zijne discipelen zijn des nachts jreko-inen en hebben hem gestolen, als wij sliepen. 14 Eu indien zulks komt gehoord te worden van deu Stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen en maken dat gij zonder zorg zijt. 15 Eu zij het geld trenomen hebbende, deden gelijk zij geleerd waren. Eu dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigeu dag. |
US 1. 47 16 En de elf discipelen zijn henengc^aan naar Galiléa, naar den berir waar Jezus hen bescheiden had. 17 En i.ls zij hem zagen, aanbaden zij hem; doch sommigen twijfelden. IS En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aaide. 19 Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, dezelve doo-pende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb., â¢20 En zie, ik ben met ulieden alle de da ien tot de voleinding der wereld. Amen. |
HET HEILIG
EVANGELIE
viyo van
C TJ S.
MAAR de besc
M A E
|
HOOFDSTUK 1. HET begin des Evangelies vanET begin des Evangelies van Jezus Christus den Zoon Gods. â 2 Gelijk geschreven is in de Profeten: Zie, Ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal: 3 de stem des roependen in de woestijn: Bereidt deu weic des Heereu, maakt zijne imden recht. 4 Johannes was doopende in de woestijn, en predikende den doop der bekeering tot verge-vinsr der zonden. 5 En al het Joodsche land sins: tot hem uit, en die van Jeruzalem; en zij werden allen van hem gedoopt in de rivier den Jordaan, belijdende hunne zonden. |
(gt; En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen lederen gordel om zijne lendenen, en at sprinkhanen en wilden honig. 7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben nederbukkeude deu riem zijner schoenen te ontbinden. .s Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doo-pen met den Heiligen Geest. 9 En het geschiedde in die dagen dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galiléa en werd van Johannes gedoopt in den Jordaan. 10 En terstond als hij uit het water opklom, zag hij de he- |
|
4S MAI JI iiielcn opfn^aan, en den Geest jjelijk eene duif oj) hem ueder-dulen. 11 Ka daar geschiedde eeue stem uit de hemelen: Gij zijt mijn jcelietde Zoon, in ilenwel-keu ik mijn welbehagen heb. 12 Kn terstond dreef liem de Geest uit in de woestijn. 1« Kn liij was aldaar in de woestijn veertig dairen, verzocht van lt;leii satan, m was bij de wilde fredierteu; en de Engelen dienden hem. 14 liu nadat Johannes over-jreleverd was. kwam .le/.us in Galiléa, predikende het livan-Kclic van het Koninkrijk Gods, 15 en zeitsende; lgt;e tijd is vervuld, en liet Ivouiiikrijk Gods nabij gekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie. 1(5 En wandelende bij de Gali-leex-lie zee, za;lt; hij Simon en Andréas zijnen broeder, werpende het net in de zee (want zij waren visschers); 17 en Jezus zeide tot hen: Volirt mij na. en ik zal maken «lat s'j visschers der menschen zult worden. is En zij terstond hunne netten verlatende, zijn hem jri-'-voljrd. 11» En van daar een weini-; voorti?eiraan zijnde, za:; hij Jacobus den zoon van Zebeueüs, en Johannes zijnen broeder, en dezelven in 't schip bunne netten vermakende: '20 en terstond riep hij ze; en zij latende hunnen vader Zebe-deUs in het schip met de huurlingen, zijn hem nascevolifd. â¢Jl En zij kwamen binnen Ka-péi-naUni: en terstond op den sabbatdag in de SynaffOfïC gedaan zijnde, leerde hij. ü- En zij stonden verslasren over zijne leer; want hij leerde hen als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. â¢yi En daar was in hunne Sy-nasfOKC een mensch met eenen onreinen Keest, en hij riep uit. â¢J-l zegende: Laat af, wat |
'VS 1. hebbeu v. ij met u Ie doen, srij Jezus Nazarener? Zijt «ij -ït-1-komeu om ons te verderven ? ik ken u wie gij zijt, namelijk de üeiliKe Gods. 25 En Jezus bestrafte hem, zegireude: Zwijt; stil en uit van hem. 2(5 En de onreine freest hem scheurende, en roepende met eene jrroote stem, smg uit van hem. 27 En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zesitende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij hem gehoorzaam zijn? 2js En zijn gerucht gimr terstond uit in het «eheele omliggende land van Galiléa. 21» En van stonde aan uit de Synagose gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jacubus ei: Johannes. 3(1 En Simons vrouwsmoedei lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar. lil Kn hij tot haar iraande, vatte hare hand, en richtte ze op; en terstond verliet baar de koorts, en zij diende hen. 32 Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot hem allen die-kwalijk gesteld en van deu duivel bezeten waren. En de geheelc stad was bijéénvergaderd omtrent de deur. :{4 En hij genas er velen die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren, en wierp vele duivelen uit, en liet deu duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden. IJS En 's morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgcbtaan zijnde, ging hij uit, en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar. .â {'5 En Simon en die met hem trnrm, zijn he n nagevolgd. :{7 En zij hem gevonden heb- |
|
MAR beude, zeiden tot hem: Zij zoeken n allen. :{,s En hij zeide tot hen; I.aat ons in de bijliggende vlekken â¢xaan, opdat ik ook dailr predikt*; want daartoe ben ik uit-gegaan. En hij predikte in hunne svnafcosen, door geheel Gali-lii'a, en wierp de duivelen uit. -li) En tot hem kwam een mf'laat se he, biddende hem en vallende voor hem op de knieën, en tot hem zeggende : indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. (1 Kn Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd. Vl En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond vfm hem, en hij werd gereinigd. En als hij hem strengelijk verboden had, deed hij hem terstond vftn zich gaan, -14 en zeide tot hem : Zie dat '.jij niemand iets zegt; maar ga henen en vertoon uzelven den Triester, en offer voor uwe reiniging hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. ».') .Maar hij uitgegaan zijnde begon vele dingen te verkondigen en dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openlijk in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot hem van alle kanten. HOOFDSTUK 2. T^X na sommige dagen is hij X-i wederom binnen Kapér-naum gekomen. En het werd trehoord dat hij in huis was; _ en terstond vergaderden daar velen, alzoo dat ook zelfs de jdaatxen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en hij sprak het Woord tot hen. â¢i En daar kwamen nommiyoa tot hem, brengende eeneu ge- |
ÃS 2. 49 raakte, die van vier gedragen werd. 4 En niet kunnende tot hem genaken wegens de schare, ontdekten zij het dak waar hij was; en dat opengebroken hebbende, lieten zij liet beddeken neder waar de geraakte op lag. 5 Kn Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte; Zoon, uwe zoffbm zijn u vergeven. 6 Ei» sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hunne harten : 7 Wat spreekt deze aldus ^/«lasteringen ? Wie kan de zonden vergeven dan alleen God? 8 En Jezus terstond in zijnen geest bekennende, dat zij alzóó in zichzelven overdachten, zeide tot hen : Wat overdenkt gij deze dinge.i in uwe harten? II Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte ; De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en neem uw beddeken op, en wandel ? 10 Doch opdat sij moogt weten dat de Zoon des men-schen macht heelt om de zonden op de aaide te vergeven (zeide hij tot den geraakte) : 11 Ik zeg u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis. IJ Kn terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ginK hij uit in aller tegenwoordigheid; zoodat zij zieli allen ontzetten, en God verheerlijkten, zeggende; Wij hebben nooit zulks gezien. i:{ Kn hij ging wederom uit naar de zee; en de geheele schare kwam tot hem, en hij leerde ze. 14 En voorbijgaande, zag hij Levi, ilen zoon van Alfeüs, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij. E.i hij opstaande volgde hem. 15 En het geschiedde als hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en |
4
|
iört MAD zijne discipelen ; want zij waren velen, en zij waren hem ^e-voled. It! En de Schriftgeleerden en â¢de Farizeörs, ziende hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot zijne discipelen; AVat in 't, dat hij met de tollenaren en zondaren eet en â¢drinkt? 17 En Jezus lt;l(it hoorendè, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijn meester niet van noode, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeerinR. 18 En de discipelen van .Johannes en van de Farizeers vastten; en zij kwamen en zeiden tot hem : \\ aarom vasten â¢de discipelen van Johannes en van de FarizeCrs, en uwe discipelen vasten niet ? 19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruilotskinde-ren vasten, terwijl de bruide-lt;50in bij hen is 't Zoo lansen tijd zij den bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten; 20 maar de dagen zullen komen, wanneer de bruidegom van hen zal wegirenomen zijn, en alsdftn zullen zij vasten in â¢die dagen. 21 En niemand naait eenen Aap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelts .nieuw aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en daar wordt een ergere scheur. 22 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; .anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken bersten, en de wijn wordt uitgestort, en de â lederen zakken verderven ; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen. 23 En het geschiedde dat hij â¢op eenen sabbatdag door het gezaaide ging, en zijne discipelen begonnen, al gaande, «ren te plukken. 24 En de Farizeers zeiden tot hem: Zie, waarom doen zij op 1US 3. |
den sabbatdag wat niet geoorloofd is? 25 En hij zeide tot hen : Hebt gij nooit gelezen wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde en dengenen die met hem waren ? 2fgt; hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, ten tijde van Abja-thar den Hoogepriester, en de toonbrooden gegeten heeft, die het niemand geoorloofd is te eten dan den Priesteren, en ook gegeven heeft dengenen die met hem waren ? 27 En hij zeide tot hen : De sabbat is gemaakt om den menseh, niet de mensch om den sabbat: 28 zoo is dan de Zoon des men-schen een Heere ook van den sabbat. HOOFDSTUK 3. EN hij ging wederom in de Synagoge. En aldaar was een mensch hebbénde eene verdorde hand;N hij ging wederom in de Synagoge. En aldaar was een mensch hebbénde eene verdorde hand; 2 en zij namen hem Maar, of hij op den sabbat hem genezen zoude, opdat zij hem beschuldigen mochten. 3 En hij zeide tot den mensch die de verdorde hand had: Sta óp in het midden. 4 En hij zeide tot hen : Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen ? een mensch te behouden of te dooden ? En zij zwegen stil. 5 En als hij ze met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide hij tot den mensch: Strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk ie andere. fi En de Kar zéérs uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianeu samen raad gehouden tegen hem, hoe zij hem zouden dooden. 7 En Jezus vertrok met zijne discipelen naar de zee, en hem |
|
MAR( volpde eene srroote menigte van Galiléa, en van Judéa, 8 en van Jeiuzaletn, en van Iduinéa, en van óver den Jor-daan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, eene groote menigte, gehoord hebbende hoe groote dingen-hij deed, kwamen tot hem. 9 En hij zeide tot zijne discipelen, date n scheepken steeds omtrent hem blijven zoude, om der schare wil, opdat zij hem niet zonden verdringen; Kt want hij bad er velen jje-nezen, alzoo dat alle degenen die eenüje kwalen hadden, hem overvielen, opdat zij hem mochten aanraken. 11 En de oi.reine sreesten, als zij hem zagen, vielen voor hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zoon Gods. IJ En hij irebood hun scher-pelijk dat zij hem niet zouden openbaar maken. 13 En hij klom op den berg, en riep tot zich die hij wilde; en zij kwamen tot hem. 14 En hij stelde er twaalf, opdat zij met hem zouden zijn, en opdat hij dezelvm zoude uitzenden om te prediken, 15 en om macht te hebben de ziekten te genezen en de duivelen uit te werpen. 1(5 En Simon gat' hij den toe-naam Petrus; 17 en Jacobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes, den broeder van Jacobus, en gaf hun toenamen Boanerges, hetwelk is, zonen des donders; 18 en Amlréas, en Filinpus, en Kartholomeüs, en Mattneüs, en Thomas, en Jacobus, den zoon van Alteüs, en Thaddeüs, en Simon Kananitcs, 19 en Judas Iskariot, die hem ook verraden heeft. 2U En zij kwamen in huis, en daar vergaderde wederom eene schare, alzoo dat zij ook zelfs niet konden brood eten. 21 En als degenen die hem bestonden, dii hoorden, gin- |
US 3. 51 gen zij uit om hem vast t⬠houden; want zij zeiden: Hij is buiten zijne zinnen. 22 Kn de Schriftgeleerden die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beël-zebul, en door den overste der duivelen werpt hij de duivelen uit. En hen tot zich geroepen hebbei-de, zeide hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen? 2-1 En indien een koninkrijk te'-ren zichzelf verdeeld is, zoo kan dat koninkrijk niet bestaan ; 25 en indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat huis niet bestaan; '21 gt; en ii.dien de satan tegen zichzelven opstaat en verdeeld is, zoo kan hij i iet b'-staan, maar heeft een einde. 27 Paar kan niemai.d in het huis eens sterken ingaan en zijne vaten ontrooven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en aldan zal hij zijn huis be-rooven. 28 Voorwaar ik zes u, dat alle de zo, den den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en allerlei lasteriu-jjen waarin» de zij zullen gelasterd hebben; 29 maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft sreene vergeving in eeuwigheid, maar hij is 'schuldiic des eeuwigen oordeels. 30 Want zij zeiden : Hij heeft eenen onreinen geest. Hl Zoo kwamen dan zijne broeders en zijne moeder ; en buiten staande, zonden zij tot hem en riepen hem. 32 En de schare zat rondom hem; en zij zeiden tot hem r Zie, uwe moeder en uwe broeders daar buiten zoeken u. 33 En hij antwoordde huu, zeggende: Wie is mijne moeder of mijne broeders? 34 Eu rondom overzien heb- |
|
5-2 MAH hiMule die öm hem zaten, zcidc hij; Zie, mijue moeder en mijne broeders. :{;'i Want zoo wieden wil Gods doet, die is mij . broeder eu mijne zuster en moeder. HOOFDSTUK 4. EN hij bc^on wederom te lee-ren omtrent de zee; en er vfrgaderde eeue croote schare igt;ij hem, alzno dat hij in het scjiip '^enaan zijnde, t ederzat op dé zee; en de ireheele sehare was op het land aan de zee. â 2 En hij leerde hun vele din-ncn door gelijke issen, en hij â /.«â¢tde in zijne leerinff tot hen : :» Hoort toe. Zie, een zaaier irintc uit om te zaaien.N hij bc^on wederom te lee-ren omtrent de zee; en er vfrgaderde eeue croote schare igt;ij hem, alzno dat hij in het scjiip '^enaan zijnde, t ederzat op dé zee; en de ireheele sehare was op het land aan de zee. â 2 En hij leerde hun vele din-ncn door gelijke issen, en hij â /.«â¢tde in zijne leerinff tot hen : :» Hoort toe. Zie, een zaaier irintc uit om te zaaien. I En liet sreschiedde in het zaaien, dat het ééne deel van het zond viel bij de-n wesr; en de vuixelen des hemels kwamen en aten het op. 5 Kn het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het irinir terstond op, omdat het geen diepte van narde had; â¢; maar als de zon ongedaan was, zoo is het verbrana geworden, en omdat het quot;een wortel had. zoo is het verdord. 7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht, s En het andere viel in de goede aaide, en -af vrucht die opging en wies; en het ééne droeg derti:;-, en het andere zestig-, en het andere honderd-roud. 'H En hij zeide tot hen: Wie ooren heeft om tt,* hooren, die hoorc. lu En als hij nu alléén was, vraagden hein degenen die omtrent hem MWPM,metdetwnalvc, naar de irelijkenis. II En hij zeide tot hen : Het is ü gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maardengenen die |
US 4. buiten zijn, ueschieden alle deze dingen door gelijkenissen, 12 opdat zij ziende zien en niet bemerken, en hoorende hooren en niet verstaan, opdat zij zich niet te eeniger tijd be-kceren en hun de zonden vergeven worden. n En hij zeide tot hen; Weet vrij deze gelijkenis niet, en hoe zult jrij alle de gelijkenissen verstaan ? 14 De zaaier ia die het Woord zaait. 15 En dezen zigt;i die bij den weg bezanid worde,i waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zoo komt de satan terstoi.d en neemt het Woord weir hetwelk in hunne harten gezaaid was. 1(» En dezen zijn desirelijksdie op de steei.achtiire plaatsen bezaaid worden, welke als zij het Woord treboord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen, 17 en hebben geenen wortel in zichzelven, maar zijn voor ecnen tijd; daarna als verdruk-kins of quot;ervolging komt om des Woords wil, zoo worden zij terstond geërgerd. l-gt; En dezen zijn die in de doornen bezaaid worden, na-metijk degenen die het Woord hooren, 151 en de zorgvuldigheden dezer wereld en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden rmtrent de andere dinzen inkomende, verstikken hetWoord, en het wordt onvruchtbaar. 20 En dezen zijn die in de goede aarde bezaaid zijn, welke bet Woord hooren en aannemen, en vruchten drairen, het ééne dertiir-, en het oudere zestig-, en het andere honderdroMrf. 21 En hij zeide t.»t hen ; Komt ook de kaars opdat ze onder de korenmaat of oi.der het bed gezet worde? In 't niet opdat ze op den kandelaar gezet worde ? |
|
MATH 22 Want daar is niets verborgen dat niet «eopenbaard /al worden, en daar is niets geschied om verborsen te zijn, maar opdat het in 't openbaar â¢/.oude Komen. Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 24 En hij zeide tot hen ; Ziet wat gij hoort. Met wat maat icij meet, zal u gemeten worden, en n die hoort zal meer toegelegd worden. 25 Want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden ; en wie niet heelt, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 26 En hij zeide; Alzóó is het Koninkrijk Gods, alsof een menseh het zaad in de aarde wierp, 27 en voorts sliep en opstond, nacht en da;;, en het zaad uit: sproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe; 2S want de aarde bremct vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna liet volle koren in de aar. 29 En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daiir is. :«» En hij zeide: Waarhij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijken ? 31 Namelijk bij een mostaardzaad, hetwelk wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van alle de zaden die op de aarde zijn; 32 en wanneer het gezaaid is, iraat het op en wordt het meeste van alle de moeskruiden, en maakt groote takken, alzoo dut de vogelen des hemels onder zijne schaduw kunnen nestelen. 33 En door vele zulke gelijkenissen sprak hij tot hen het Woord, r.aardat zij het hooren konden; 34 en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet; maar hij ver- |
US 5 ÃJ klaarde alles zijnen discipelen in 't bijzonder. 35 En op tlien dag, als 't nu avond «eworden was, zeide hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. 3« En zij de schare gelaten hebbende, niinen hem mede, gelijk hij in liet schip was; en daar waren nog andere scheep-kens met hein. 37 En daar werd een groote storm van wind, en de baren sloegen óver in het schip, al-zoo dat het nu vol werd. 3s En hij was in het achterschip slapende op een oorkussen. en zij wekten hem op en zeiden tot hem; Meester, bekommert het u niet dat wij vergaan ? .39 En hij r.pgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil; en de wind ging liggen, en daar werd groote stilte. 40 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo vreesachtig? Hoe hebt gij sreen geloof? 41 En zij vreesden met groote vrees en zeiden tot elkander: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn ? HOOFDSTUK 5. EN zij kwamen óver op de andere zijde der zee, in het land der Gadaré en.N zij kwamen óver op de andere zijde der zee, in het land der Gadaré en. 2 En als hij uit liet schip ge-;raan was, terstond ontmoette hem uit de graven een menseh met eenen onreinen geest; 3 dewelke zijne wonint; in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen; 4 want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken optrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was machti;*; om hem te temmen; 5 en hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de |
|
54 MAI graven, roepende en slaande zicbzelven met steenen. »i Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe en aanbad hein ; 7 en niet eene grooto stem roepende, zeide hij; Wat heb ik niet u ie doen, Jezus, gij Koon Gods des A lier hoog sten ? Ik bezweer u bij God dat gij mij niet pijnist. S (Want hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den meusch.) y Kn hij vraagde hem ; Welke is uw naam r En hij antwoordde, zeggende; Mijn naam is Legio, want wij zijn velen. 10 Kn hij bad hem zeer, dat hij hen buiten dat land niet wegzond. 11 Eu aldaar aan de bergen was eene groote kudde zwijnen, weidende; 1'2 en alle de duivelen baden hem, zeggende; Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. 13 Kn Jezus liet het hun terstond toe. Kn de onreine geesten uitgevaren zijnde voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent tweeduizend), en zij versmoorden in de zee. 14 Kn die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodseiiap-ten zulks in de stad en op het land; en zij gingen uit om te zien wat het was dat er geschied was. 15 Kn zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende en gekleed en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd. Ifi Kn die het gezien hadden, vertelden hun Mat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen. 17 Kn zij begonnen hem te bidden dat hij van hunne landpalen wegidng. |
IS En als hij in het schip sing, bad hem degene die bezeten was geweest, dat hij met hem mocht zijn. 19 Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga henen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun wat groote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij zich uwer ontfermd heeft. quot;20 En hij ging henen en begon te verkondigen in het laud rati Decapolis wat groote dingen hem Jezus iredaau had ; en zij verwonderden zich allen. quot;21 En als Jezus wederom in het schip oversevaren was aan de andere zijde, vergaderde eene groote schare bij hem; en hij was bij de zee. â¢22 En zie, daar kwam een van de oversten der Synagoge, met name Jalrus; en hem ziende, viel hij aan zijne voeten, *23 en bad hem zeer, zeggende: Mijn dochterken is in haar uiterste; ik bid u dat icij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde,quot; en zij zal leven. â¢24 En hij ging met hem, en eene groote schare volgde hem, en zij verdrongen hem. 25 En eene zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, â 26 en veel geleden bad van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat geyonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was ; 27 deze van Jezus hoorende, kwam onder de schare van achteren, en raakte zijn kleed aan; 28 want zij zeide: Indien ik maar zijne kleederen mag aanraken, ik 4al gezond worden. 29 En terttond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was. 30 En terstond Jezus beken- |
|
nende in zichzelvcn de kracht die van hem uitKeiraan was, keerde zich óm in de schare, en zeide: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt? :il En zijne discipelen zeiden tot hein: (ïij ziet dat de schare u verdringt, en zejjt gij: Wie heeft mij aangeraakt? En hij zag rondom, om haar te zien diu dat gedaan had. Si En de vrouw vreezende en bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor hem neder, en zeide hem al de waarheid. :M En hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede, en wees genezen van deze uwe kwaal. .'{5 Terwijl hij nog sprak, kwamen eeiiiyeii van het huis van den overste der Synagoge, zeggende: Uwe dochter is gestorven: wat zijt gij den Meester nog inoeielijk ? :{t! En Jezus ter.-tond gehoord hebbende het wooid dat er gesproken werd, zeide tot den overste der Synagore: Vrees niet, geloof alleenlijk. :\7 En hij liet niemand toe hem te volgen dan Petrus, en Jacobus, en Johannes, den broeder ' an Jacobus, Ã8 en kwam in het huis van den overste der Synagoge, en zag de beroerte en degenen die zeer weenden en huilden : ;» en ingeiraan zijnde, zeide hij tot hen: Wat maakt gij beroerte en icat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. â¢gt;0 En zij belachten hem; maar hij, als hij ze allen had uitgedreven, nam bij zich den vader en de inouder des kinds, en degenen die met hem waren, en ging binnen waar het kind lag. 41 En hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Tali-tha kumi, hetwelk is, ovurge- |
L'S fi. 5» zet zij.ide: Gij dochterkeu, (ik zen u) sta op. 4- En torstoiid stond het dochtcrken op en wandelde; want het was twaai f jaren omi/ en zij ontzetten zich met groote ontzetting. 4:J En hij sebood hun zeer dat niemand dat zonde weten, en zeide dat men haar zoude te eten geven. HOOFDSTUK 6. EX hij sing van daar weg, en kwam in zijn vaderland, ea zijne discipelen volgden hem. - En als het sabbat geworden was, begon hij in de Synagoge te leertn; ea velen die/tem hoorden, ontzetten zich, zeg-gende : Van waarX hij sing van daar weg, en kwam in zijn vaderland, ea zijne discipelen volgden hem. - En als het sabbat geworden was, begon hij in de Synagoge te leertn; ea velen die/tem hoorden, ontzetten zich, zeg-gende : Van waar komen dezen, deze dingen, en wat wijsheid is dit die hem ge revi-n is, dat ook zulke krachten door zijne handen geschieden ? Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jacobus en Joses, en van Judas en Simon? En zijn zijne zusters niet hier bij ons? En zij werden aan hem geërgerd. 4 En Jezus zeide tot hen: Een Profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijne ma -en en in zijn huis. ó En hij kon aldaar geone kracht doen; dan hij leide weinigen zieken de handen op en irenas ze. (! En hij verwonderde zich. over hun ongeloof, en omging de vlekken daw rondom, loerende. 7 En hij ilep tot zich de twaalve, en begon hen uit te zenden twee en twee, en ga* hun macht over de oureiuc geesten; 8 en hij sebood hun dat zij niets zouden nemen tot den weg dan alléén eenen staf, geen. male, geen brood, geen geld. in den gordel, i) maar dat zij schoeniolcn. |
MARCUS (!.
|
zouden aanbinden, en met ^een twee rokken gekleed zijn. 10 En hij zeide tot hen : Zoo Maar irij in een huis zult ingaan, blijft daar totdat ^ij van daar uitbaat. 11 En zoo wie u niet zullen ontvangen noch u hooren, vertrekkende van daar, eehudt het stof af dat onderaan uwe voeten is, hun tot een Retuiirenis. Voorwaar zesj ik u, het zal Sodoin of Gomorra verdraaglijker zijn in den da^ des oordeels dan die stad. l'J En uits;elt;raan zijnde, predikten zij dat zij zich zouden bekeeren; 13 en zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten ze gezond. 14 En de Konin? Herodes hoorde het (want zijn naam was openbaar geworden) en zeide: Johannes die doopte, is van de dooden opgewekt, en daarom werken die krachten in hem; 15 anderen zeiden: Hij is Elia; en anderen zeiden: Hij is een Profeet, of als een der Profeten. 1(5 Maar als Her-des het hoorde, zeide hij ; Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de dooden opgewekt. 17 Want deze Herodes eenipen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen en hem in de gevanire; is gebonden, uit oorzaak van Hero-dia», de huisvrouw van zijnen broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had; 18 want Johannes zeide tot Herodes: Het is u niet -reoor-loofd de huisvrouw uws broeders te hebben. 1'J En Herodias leide op hem toe en wilde bon dooden, en kon niet; 20 want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een reehtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; |
en als hij hem hoorde, deed bij vele, dingen, en boorde hem gaarne. 21 En als er een welgeletren dag gekomen was, toen Herodes op den dair zijner geboorte een maaltijd aanrichtte voor zijne grooten en de ovei-sten over duizend en de voor-naamsten van Galiléa. 22 en als de doehter van dez-' Herodias inkwam en danste, en Herodes en demrenen die medeaanzaten, behaagde, zoo zeide de Koning tot liet doeh-terken: Eisch van mij wat pij; ook wilt, en ik zal het u geven 23 en hij zwoer haar : üi'O wat gij van mij zult cisch**!!, zal ik u geven, ook tot de hfll't mijns koninkrijks. 24 En zij uitvetraan zij uur, zeide tot hare moeder: AVat zal ik eischen ? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doc-per. 25 En zij terstond met haart ingaande tot den Koniiu', heeft bet g. ëiseht, zeggende : Ik wil dat sij mij nu terstond in een sehorel geeft het hoofd van JohaniiCs den Hooper. 2igt; En d â Koning zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eeden en degenen die mede-aanzaten, wilde hij haar hetzdrp niet afslaan; 27 en de Koning zond terstond eenen scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging henen en onthoofdde hem in de gevamrenis, 2s en bracht zijn hoofd in een schotel, eu gaf hetzelve aan het doehterken, en het doehterken gaf hetzelve aan hare moeder. 29 En als zijne discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dooci lichaam weg, en leiden dat in een graf. 30 En de Apostelen kwamen tceder te z.unen tot Jezus, en boodschapten hem alles, beide wat zij gecaan hadden en wat zij geleerd hadden. 31 En hij zoide tot hen: Komt |
MARCUS fgt;.
|
; gijlieden in eene woeste jilaats i hier alléén, en rusteen weinig. Want daar waren velen die kwamen en die Kt»);*'quot;, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. 32 En zij vertrokken in een schip naar eene woeste plaats alléén. Xi En de scharen zagen ze henenvaren, en velen werden hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hnn vóór, en gingen te zamen tot hem. 'M Kn Jezus uitgaande, zag eene groote schare, en werd innerlijk met ontterming bewogen over hen ; want zij waren als schapen die geenen herder hebben; en hij begon hun vele dingen te leeren. â¢'(â j En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen zijne discipelen tot hein en /eideii: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag: :{ii laat ze vim u, opdat ze henengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden voor zichzelven mogen koopen; want zij hebben niet wat zij eten zullen. 'M Maar hij antwoordende, zeide tot hen : Geeft gij hun te eten. En «ij zeiden tot hem : /uilen wij henengaan en koo-IM'n voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven? its En hij zeide tot hen: Hoeveel brooden hebt irij ? Gaat henen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij : Vijf, en twee visuchen. Hl) En hij gebood hun dat zij ze allen zouden doen nederzit-ten bij gezelschappen op bet groene gras. 10 En zij zaten neder in gedeelten, hij honderd te zamen en bij vijftig te zamen. 41 En als hij de vijf brooden en de twee visschen genomen had, zag hij óp naar den hemel, zegende, en brak de brooden, eu gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen; en de twee visschen deelde hij voor allen. deed hij de hem igrelewn npn 11,-ijner irc-iiirifhtrf â¢le ovc I -lt;le voor- |
4'2 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden ; 43 en zij namen óp twaalf volle korven brokken, en van de visschen. â I-I En die de brooden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen. 45 En terstond dwong hij zijne discipelen in het schip te gaan, en vooruit hei.en te varen naar de andere zijde tegenoecr Beth-saïda, terwijl hij de schare van zich zouoe laien. 4(i En ais hij deuzelven hun afscheid gegeven had, ging hij op den berg om te bidden. 47 En als het nu avond was geworden, zoo was het schip in 'f midden van de zee, cm» hij was alleen op het land. 4s En hij zag dat zij zich zeer Itijnigden omtijnigden om het srlnii voort te irijifen (want de wind was hun tegen); en omtrent de vierde nachtwaak kwam hij tot hen, wandeiende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. 4!) En zij ziende hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer; 51» want zij zagen hem allen, en werden ontroerd. En terstond sprak hij met hen, en zeide tot hen : Zijt welgemoed, ik ben 't, vreest niet. 51 En hij klom tot hen in 't schip, en de wind stilde ; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven, en waren verwonderd. 52 Want zij hadden niet gelet op het wonder der brooden; want hun hart was verhard. 53 En als zij overgevaren waren. kwamen zij in het land Gennésareth, en havenden aldaar. 54 En als zij uit het schip ge- |
MARCUS 7.
58
|
«aan waren, werden zij terstond Uem kennende. 55 Eu het t?el»eele omli^ende land dourloopende, begonnen zij ap beddekens degenen die kwalijk gesteld waren, öm te dragen, ter plaatse waar zij hoorden dat hij was. 56 En zoo waar hij kwam, in vlekken of steden of dorpen, daar leiden zij de krankon op de markten, en baden hem dat zij maar den zoom zijns kleeds aanraken mochten ; en zoovelcn als er hem aanraakten, werden gezond. HOOFDSTUK 7- EN tot hem vergaderden de Farizeers en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;N tot hem vergaderden de Farizeers en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; 2 en ziende dat sommigen van zijne discipelen met onreine, dat is met ongewasschen handen brood aten, berispten zij hen. â 3 Want de Farizeers en alle de Joden eten niet, tenzij dat zij rent de handen dikwijls was-schen, houdende de inzetting der ouden; I en van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat ze. eer.ü gewas.schen zijn ; e» vele andere dingen zijn er d'ü aangenomen hebben te houden, als nauielijk de wasschingen der drinkbekers en kannen en koperen vaten en bedden. 5 Daarna vraagden hem de Farizeers en de Schrifttreleerden : W aarom wandelen uwe discipelen niet naar de inzetiing der onden, maar eten het brood met ongewasschen handen ? f» Maar hij antwoordde en zeide tot hen ; Wel heeft Jesaja, van u geveinsden geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; |
7 doch tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen die geboden zijn der menschen; S want nalatende het gebod (iods, houdt «dj de inzettingen der menschen, ula namelijk wasschingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke diinren doet irJj vele. En hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gehod wèl te niet, opdat gij uwe inzetting zouat onderhoiulen. 10 Want Mozrs heeft gezegd : Eer uwen vader en uwe moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den d,.od sterven. 11 Maar irijlieilen zegt: Zoo een mensch tot vader of moeder zegt: Ilrl is korban (dut is te zeyyen, oen :rave), zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, die voldoet; 12 en trij laat hem niet meer toe iets aan zijnen vader of zijne moeder te doen, i:t makende nlzóó Gods Woord krachteloos door uwe inzetting die «ij insrezet hebt; en dergelijke dingen doet «ij vele. 14 En tot zich de «ansche schare geroepen hebbende, zeide hij t'gt;t hen : Hoort mij allen en verstaat: 15 daar is niets; van buiten den mensch in hem in Taande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de din-ren die van hem uitgaan, die zijn het welke deu mensch on trein igen. Ui Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 17 En toen hij van de schare in huis «ekomen was, vraagden hein zijne discipelen van de gelijkenis. 18 En hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzóó.ouwetend 't Verstaat «ij niet, dat al wat van buiten in den mensch ingaat, hem niet. kan ontreinigen? 19 Want het '.raat niet in zijn hart, quot;maar in den buik, eu trant in d: heimelijkheid uit, reinigende alle de spijzen. 20 En hij zeide; Hetgeen uit- |
MAKCUS 8.
5SÃ
|
âaat uit den mensch, dkt ont-reiuiKt den mensch. 21 Want van binnen uit het hart der mensehen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen. â¢2*2 dieverijen, {fierisheden,boosheden, bedrog, ontuchtigheid, en boos oog, lastering, hoo-aardij, onverstand: â¢2^ alle deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch. 24 En van daar opstaande, cing hij weg naar de landpalen an Tyrus en Sidon; en in een B huis gegaan zijnde, wilde hij niet dat iemand het wist, en hij kon nocJiluiis niet verborgen zijn. 25 quot;Want eene vrouw, welker dochterken eenen onreinen geest had, van hein geboord hebbende, kwam en viel neder .aan zijne voeten. ' 2() Deze nu was eene Grieksche i vrouw, van geboorte uit Syro-; Kenicië; en zij bad hein dat hij den duivel uitwierp uit bare i dochter. -7 Maar Jezus zeide tot haar; Laat eerst de kinderen verza-:J di-jd worden ; want het is niet ï betamelijk, dat men het brood Ider kinderen neme en den hondekens rwoj werpe.der kinderen neme en den hondekens rwoj werpe. 28 Maar zij antwoordde en 1 zeide tot hem ; Ja, TIeere, doch ook de bondekens eten onder ⢠de tafel vim de kruhnkens der kinderen. 29 Eu hij zeide tot baar: Om I dezes woords wil ga henen: de duivel is uit uwe dochter uitgevaren. dezes woords wil ga henen: de duivel is uit uwe dochter uitgevaren. W Eu als zij in baar buis r kwam, vond zij dat de duivel uitgevaren was, en de dochter â liggende op het bed. :u En hij wederom weggegaan J zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de â ; zee van Galiléa, door het mid-den der landpalen van Deea-'i polis. |
lt;12 Eu zij brachteu tot hem eenen doove, die zwaarlijk sprak, en baden hem dat hij de hand op hem leide. â¢W Eu hem van de schare alléén genomen hebbende, stak hij zijne viugeren in zijne ooren, en gespuwd hebbende, raakte hij zijne toni; aan; 'M en opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem : EfTatha, dat is, word geopend. :{5 Eu terstond werden zijne ooren geopend, en de baud zijner tong werd los, en hij-sprak recht. :«gt; En hij gebood hun dat zij-het niemand zeggen zouden; maar wat hij hiyi ook verbood, zoo verkondigden zij het des te meer. 37 En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zevgende: Hij heeft alles wél gedaan, en hij maakt dat de dooven hooreu en de stommen spreken. HOOFDSTUK 8. IN die dagen, als er eene zeer groote schare was, en zij-niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zien,en zeide tot hen: 2 Ik word innerlijk met ont-ferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden;N die dagen, als er eene zeer groote schare was, en zij-niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zien,en zeide tot hen: 2 Ik word innerlijk met ont-ferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden; en indien ik ze nuchtereu naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken : want sommigen van hen komen van verre. 4 En zijne discipelen antwoordden hem : Van w aar za) iemand dezen met broeden hier in de woestijn kunnen verzadigen ? a En hij vraagde hun; Hoeveel brooden hebt gij? En zij-zeiden: Zeven. f» En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde. En hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende, brak hij ze* |
|
fiO MAK on Kfttquot; 7.c zijnen discipelen, opdat zij zo zouden voorletj-t?cii; en zij leiden ze der schare voor. 7 En zij hadden weinijre viseh-Jtens; en als hij fcezettend had, zeide hij dat zij ook die zouden voorleden. S En zij hebben spleten en zijn verzadigd geworden; en zij namen het overschot der brokken igt;p, zeven manden. 9 Die nu ftetreten hadden, waren omtrent vierduizend; en hij liet ze «aan. ld En terstond in het schip gegaan zijnde met zilne disci-jrelen, is hij gekomen in de deelen van Datmamtcha. 11 En de Farizeers iringen uit en begonnen met hem te twisten, begeerende van hem een teckcn van den liemel, hem verzoekende. 12 En hij zwaarlijk zuchtende in zijnen «eest, zeide: \Vat begeert dit geslacht een teeken? Voorwaar ik zeg u, zoo aan dit geslacht een teeken gegeven z»l worden! i:{ En hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer hij weg naar de andere zijde. II En zipquot;' disci/wleu hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan één brood met zich in het schip. 15 En hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdcesem der Knrizeérs en van den zuurdcesem van H erodes. Ifi En zij overleiden onder elkander, zeggende : liet is omdat wij geen broodeu hebben. 17 En Jezus dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt «ij dat gij geen brooden hebt ? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet? Hebt gij nog uw verhard hart? IS Oogen hebbende, ziet gij niet, en ooren hebbende, hoort gij niet? J9 En gedenkt gij niet, toen |
US 8. ik de vijf brooden brak onder de vijfduizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt ? Zij zeggen hem : Twaalf. '2il En toen ik de zeven bru/c onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden ; Zeven. 21 En hij zeide tot hen: Hoe verstaat tcij niet? 2*2 En bij kwam te ISethsaïda; en zij brachten tot hem cenen blinde, en baden hem dat hij hein aanraakte. 2:J En de hand des blinden genomen hebbende, leidde hij hem uit buiten het vlek, en spuwde ia zijne oogen, en leidc de handen op hem, en vraagde hem of hij iets zag. 21 En hij opziende, zeide: Ik zie de menschcn, want ik zie ze als booinen, wandelen. 2') Daarna leide hij de handen weder, op zijne oogen, en deed hein opzien; en hij werd hersteld, en zag ze allen, ver en klaar. â¢2'! En hij zond hem naar zijn buis, zeggende: («a niet in Iret vlek, en zeg het niemand in het vlek. 27 En Jezus ging uit en zijne discipelen naar de vlekken van Cesaréa Eilippi; en op den weg vraagde hij zijnen discipelen, zeggende tot hen : Wie zeggei: de menschen dat ik ben ? SS En zij antwoordden : Johannes de Dooper; en anderen : Elia ; en anderen: Een van de Profeten. 2'.! En hij zeide tot ben; Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben ? En Petrus antwoordende, zeide tot hem: Gij zijt de Christus. :i(i En hij gebood hun scherpe-lijk, dat zij het niemand zouden zegften van hein. :{I En hij begon hun te leereii, dat de Zoon des menschen veel moest lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en |
|
MAK OvcrpriestcrcB enScliriftgeleer-dcn, en ffwlood worden, en nu drie tla'ren wedcnipstnau; en dit woord sprak hij vrijuit. Kn Peirus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen. :$:gt; Maar hij zich omkeerende en zijne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga henen achter mij, satan; want irij verzint niet de dinicen die Gods zijn, maar die der men-schen zijn. :{4 Kn tot zich geroepen hebbende de schare met zijne discipelen, zeide hij tot hen: /00 wie achter mij wii komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij. 'Xt Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven zal verliezen om mijnentwil en om des ISvan-gelifs wil, die zal hetzelve behouden. Want wat zoude het den mensch baten, zoo hij de ge-heele wereld won en zijner ziel schade leed ? :lt;7 Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel ? .â¢{8 Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des menschen óók schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige Engelen. HOOFDSTUK 9. EN hij zeide tot hen : Voorwaar ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is.N hij zeide tot hen : Voorwaar ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is. 2 En na ze s dagen r.am Jezus |
US 9. 61 met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en bracht ze op eenen hoogen berr bezijden alléén. En hij werd vo)r hen van gedaante veranderd; 3 en zijne kleederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hocdanige geen voller op aarde zóó wit maken ka.i. 4 En van hen werd sezien Elia met Mozes, en zij spraken met Jezus. ó En Petrus antwoordende, zeide tot Jezus: Kabbi, het is goed dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor 11 éénen, en voor Mozes éénen, en voor Eiia éénen. 6 Want hij wist niet wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd. 7 En daar kwam eene wolk die ze overschaduwde, en eene stem kwam uit de wolk, zeggende : Deze is mijn gelietde Zoon : hoort hem. 5 En haastelijk rondom ziende, zagen zij ..iemand meer dan Jezus alléén bij zich. quot;J En als zij van den berg af-kwamen, gebood hij hun, dat zij niemand verhalen zouden hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des menschen uit de dooden zoude opgestaan zijn. 10 En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander wat het was, uit de dooden opstaan. 11 Ka zij vraagden hem, zeggende : Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elia eerst komen moet? 12 Kn hij antwoordende, zeide tot ben: Elia zal wel eerst komen en alles wederoprichten; en /iet zal geschieden rel ijk geschreven is van den Zoon des menschen, dat hij veel lijden zal en veracht worden. H Maar ik zeg 11 dat ook Klia gekomen is, en zij nebben hem gedaan al wat zij se wild hebben, gelijk van hein geschreven is. |
|
«2 MARlt; 14 En als hij bij de discipelen gekomen was, zas hij eene groote schnre rondom hen, en â eenige Schriftgeleerden met hen twistende. 15 En terstond de geheele schare hem ziende, werd verbaasd, en tocloopende, groetten zij hem. 1(! En hij vraa-rde den Schriftgeleerden : Wat twist gij met dezen ? 1quot; En een uit de schare ant-â woordende, zeide: Meester, ik heb mijnen zoon tot u gebracht, die een stommen geest beeft; IS en waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden en verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet Kckuud. 19 En hij antwoordde hem en â¢zeide: ü onirelooviir sreslacht, hoelang zal ik noir bij ulieden zijn, hoelang zal ik u nog verdragen? Bren:rt hem tot mij. 20 En zij brachten denzelven tot hem; en als hij hem zasr, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. 21 En hij vraarde zijnen vader: Hoe landen tijd is het, dat hem â dit overkomen is? En hij zeide: Van zifjic kindsheid af; 22 en menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven ; maar zoo 'ïij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en belp ons. 23 En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kunt gelooven, igt;!le dingen zijn mogelijk dengenen die gelooft. 24 En terstond de vader des kinds roepende met tranen, zeide: Ik jreloof, Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp. 25 En Jezus ziende nat de schare gezamenlijk toeliep, be- |
LTS 9. strafte den onreinen geest, zeggende tot hem : Gij stomme en doove geest, ik beveel u, g:i uit van hem en kom niet meer in hem. 20 En hij roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzoo dat velen zeiden dat het gestor-v^n was. 27 En Jezus hem bij de hand grijpende, richtte hem op, en hij stond op. 28 En als hij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alléén : Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen ? 29 En hij zeide tot hen : Dit geslacht kan nergens door uitiraan dan door bidden en vasten. 3i' En van daar weggaande, reisden zij door Galiléa; en hij wilde niet, dat iemand het wist; 31 want hij leerde zijne discipelen en zeide tot hen : De Zoon des mensehen zal overgeleverd worden in de handen der mensehen, en zij zullen hem dooden, en gedood zijnde, zal hij ten derden dage weder-opstaan. 32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden hem te vragen. 33 En hij kwam te KapérnaUm, en in bet huis gekomen zijnde, vraairde hij hun : Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg? 34 Doch zij zwegen ; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zoude zijn. 35 En nedergezeten zijnde, riep hij de twaalve, en zeide tot ben: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar. 3'! En nemende een kindeken, stelde hij dat midden onder ben, en omving bet met zijne armen, en zeide tot ben : |
|
MARC 37 Zoo wie één van zoodanige kiuderkens zal ontvangen in mijnen naam, die ontvangt mij ; en zoo wie mij zal ontvangen, die ontvangt mij niet, maar dien die mij gezonden heeft. 38 En Johannes antwoordde hem, zeggende: Meester, wij hebben eenen gezien die de duivelen uitwierp in uwen naam, welke ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt. 39 Doch-Jezus zeide : Verbiedt hem niet; want daar is niemand die eene kracht doen zal in mijnen naam, en haastelijk van mij zal kunnen kwalijk spreken. 40 Want wie tégen ons niet is, die is vóór ons. 41 Want zoo wie ulieden eenen beker water te drinken zal geven in mijnen naam, omdat gij discipelen van Christus zijt, voorwaar zeg ik u, hij zal aijn loon geenszins verliezen. 42 Un zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven, ergert, het ware hein beter dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware. 43 En indien uwe hand u ergert, houw ze af: het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, henen te gaan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur, 44 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 45 En indien uw voet u ergert, houw hem af: het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblussche-schelijk vuur, 4fi waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt 47 En indien uw oog u ergert. |
JS 10. 63 werp het uit: het is u beter maar één oog hebbende, in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee oogen hebbende, in het helsche vuur geworpen te worden, 4S waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. 5ü Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken r Hebt zout in uzel-ven, en houdt vrede ouder elkander. HOOFDSTUK 10. Egt;« van daar opgestaan /.ijnde, ging hij naar de landpalen van Judéa, door de overzijde van den Jordaan ; en de scharen kwamen wederom te zamen bij hem, en gelijk hij gewoon was, leerde hij ze wederom.gt;« van daar opgestaan /.ijnde, ging hij naar de landpalen van Judéa, door de overzijde van den Jordaan ; en de scharen kwamen wederom te zamen bij hem, en gelijk hij gewoon was, leerde hij ze wederom. 2 En de Farizeers tot hem komende, vraagden hem, of het een man geoorloofd is zijne vrouw te vei laten, hem verzoekende. 3 Maar hij antwoordende, zei-de tot hen : Wat heeft Mozes u geboden? 4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten eenen scheidbrief te schrijven en haar te verlaten. 5 En Jezus antwoordende, zei-de tot hen : Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven; (! maar van het begin der schepping heeft God ze man en vrouw gemaakt. 7 Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, 8 en die twee zullen tot één vleesch zijn; alzoo dat zijniet meer twee zijn, maar één vleesch. 9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet. |
|
â¬.4 MAR( l(» Kn in het huis vraagden hem zijne discipelen wederom van hetzcltUe. 11 En hij zeide tot hen: Zoo wie zijne vrouw verlaat en «â¢ene andere trouwt, die doet overspel tegen haar. 12 Kn indien eene vrouw haren man zal verlaten en niet een ander trouwen, die doet overspel. n En zij brachten kinderkens rot hem, opdat hij ze aanraken zoude; en de discipelen bestraften degenen die ze tot hem brachten. 14 Maar Jezus dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot mij komen, en verliindeit ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. 1') Voorwaar zeg ik u, zoo wie het Koninklijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. l(» En hij omving ze met zijne armen, »*/lt; de hunden op hen gelegd hebbende, zegende hij dezelv» n. 17 En als hij uittring op den weg, liep een tot hem, en voor hein op de knieën vallende, vraagde hem Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beer ve ? 1« En Jezus zeide tot hem : Wat noemt gij mij goed 'r Niemand is goed dan één, uumeiiik God. 19 Gij weet de -eboden : gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; irij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis geven; gij zult niemand tekort doen; eer uwen vader en uwe moeder. â¢JO Doch hij antwoordende, zeide tot hem : Meester, alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af. -1 Kn Jezus hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem : Kén ding ontbreekt u : |
LrS 10. ga henen, verkoop alles wat gij hebt, en geef het den armen, en jrij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij. â¢22 Maar hij treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg: want hij had vele goederen. 'JH En Jezus rondom ziende, zeide tot zijne discipelen : Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen ! 24 En de discipelen werden verbaasd over deze zijne woorden. Maar Jezus wederom antwoordende, zeide tot hen : Kinderen, hoe zwaar is 't, dat degenen die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan! 2ó Het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. 2'ï En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden ? â¢J7 lgt;oeh Jezus hen aanziende, zeide: Bij te menscüen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. 28 En Petrus begon tot hem te ze-rgen : Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd. 211 En Jezus antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik ulie-den, daar is niemand die verlaten heeft huis, of ⢠roeders, of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, om mijnentwil en des Evangelies iciï, :w of hij ontvangt honderd-vond, nu in dezen tijd huizen, eu broeders en zusters, en moeders en kinderen, en akkers, met de verdelgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. .Hl Maar vele eersten zullen de ïaat'ten zijn, en reien die |
|
MARC de laatstcn zijn, de eersten. ;t2 Kn zij waren np den we:;, opgaande naar Jeruzalem, en Jezus lïinf? vóór hen; en zij waren verbaasd, en hein volgende, waren zij bevreesd. Ku de twaalve wederom tot zich nemende, bejeon hij hun te zck-}?eii de dingen die hem overkomen zouden, Xi zeyyende: Zie, wij jraan óp naar Jeruzalem, en de Zoon des luensehen zul den Overprieste-ren en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroor-deelen, en hem d«i heidenen overleveren; .quot;lt;4 en zij zullen hem bespotten, en hem geeselen, en hem bespuwen, en hem dooden ; en ten derden dage zal hij wederop staan. En tot hem kwamen Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedcüs, zeggende: Meester, wij wilden wel, dat jrij ons deedt loo wat wij begeeren zullen. Kn hij zeide tot hen: Wal «ilt gij dat ik u doe r :i7 l'n ^ij zeiden tot hem Geef ons dat wij mogen zitten de één aan uwe rechter/lt;a«rf en de ander aan uwe linker/ia/ul iu uwe heerlijkheid. .'{.s Maar Jezus zeide tot hen: Gij weef niet wat gij begeert; kimt gij den drinkbeker drin ken dien ik drink, en met den doop gedoopt worden waar ik mede gedoopt word? .*ft» En zij zeiden tot hem; Wi.i kunnen. Doeh Jezus zeide tor hen: Den drinkbeker dien Ik drink, zult uij wel drinken, en niet den doo| gedoopt worden waar Ik med. gedoopt word; 40 maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne linker-hand staat bij mij niet te geven, maar het zat i/fyeven worden w ien het bereid is. 41 En als de andere tien dit hoorden beuronnen zij het van Jacobus en .lohanues zeer kwalijk te nemen. |
LTS 10. 65 42 Maar Jezus hen tot zich jreroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet dat degenen die Seaeht worden oversten te zijn er volkeren, heerschapp.j voeren over hen, en hunne grooten gebruiken macht over hen.eaeht worden oversten te zijn er volkeren, heerschapp.j voeren over hen, en hunne grooten gebruiken macht over hen. 4:lt; Doch alzóó zal het ouder u niet zijn; maar zoo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn; 44 en zoo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn. 45 Want ook de Zoon des men-schen is niet gekumen om s;e-diend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te seven tot een rantsoen voor velen. Ifi En zij kwamen te Jericho. En als bi. en zijne discipelen en eene -rroote schare van Jericho uitginsr, zat de zoon van Timeüs, llar-Timeüs de blinde, aan den weg, bedelende. 47 En hoorende dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te â /.egiren : Jezus, gij Zoou Davids, on'.ferm u mijner! 4* En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zooveel te meer: Gij Zoon Davids, ontiérm n mijner ! 411 En Jezus «fiJstaanc.?, zeide dat men hem roepen zoude; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb iroeden moed, sta op, hij roept u. 50 En hij zijnen mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus. 51 En Jezus antwoordende, znde tot hem : Wat wilt gij dat ik u doen zal? Eu de blinde zeide tot hem ; Habboni, dat ik ziende moge worden. 5J En Jezus zeide tot hem: Ga heneu, uw geloof heeft u behouden. Kn terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg. |
|
lt;36 MAR( HOOFDSTUK 11. EN to*»a zij JeruzalemN to*»a zij Jeruzalem ge-naakfOD, te Bethfapré en Be-thaiiilt;- aan den Olijfberg, zond hij twee van zijne discipelen tüt, 2 en zeide tot hen; Gaat henen in liet vlek dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt. zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk g en inensclt gezeten heeft: ontbindt het en brengt het. 'â { En indien iemand totuzegt: quot;Waarom doet gij dat? zoo zegt â¢dat de Heere hetzelve van noode heeft, en hij zal het tei-stond herwaarts zenden. 4 l'n zij giiiiren henen, en -vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbon-â¢den hetzelve. 5 En sommigen van degenen die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet -jij, dat gij het veulen ontbindt? Doch zij zeiden tot ben, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan 7 En zij brachten het veulen int Jezus, en wierpen hunne kleederen daarop; en hij zat â op hetzelve. H En velen spreidden hunne kleederen op den weg, en â Hiideren hieuwen meien van de hoornen en spreidden ze op den weg 9 En die voorgingen en die volgden, riepen, zeg.ende: Hosanna, gcicrend is hij die komt in den naam des Hoeren! 10 Gezegend si; het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den Tempel; en als hij alles rondom bezien had. en het nu avondstond was, ging hij uit naar Bethanie met de twaalve. |
JS 11. 12 En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde hem. 13 Eu ziende van verre eenen vijgeboom die bladeren had, ging hij om te zien of hij ook iets op denzelven zoude vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond hij niets dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet. 14 En Jezus antwoordende, zeide tot denzelven : Niemand ete eenige vrucht meer van u in der eeuwigheid. En zijne discipelen hoorden het. 15 En zij kwamen te Jeruzalem ; en Jezus in den Tempel gegaan zijnde, begon degenen die in den Tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafels der wisselaars en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten, keerde hij Ifi en liet niet toe dat iemand eeni' vat door den Tempel droeg; 17 en hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn Huis /.al een Huis des ge-beds genaamd worden allen volken? Maar inj hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt. IS En de Schriftgeleerden en de Overpriesters hoorden dat, en zochten hoe /.ij hem dooden zouden ; want zij vreesden hem, omdat de gansche schare ontzet was over zijne leer. 19 Bn als het nu laat gewor-d n was, ging hij uit buiten de stad. 20 Kn des morge s vroeg voorbij 'aande, zagen zij dat de vijgeboom verdord was van de wortels af. 21 En Petrus zulks indachtig ireworden zijnde, zeide tot hem: Rabbi, zie, de vijgeboom die.i gij vervloekt hebt, is verdord/ 22 Kn Jezus antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God. |
|
MAR Want voorwaar zes; ik u, «lat zoo wie tot dezen ber^ zal zegden; Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal gelooven dat hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden zoo wat hij zegt. â J4 Daarom zeg ik u, alle dingen die gij biddende begeert, geloolt dat trij ze ont-vangen zult, en zij zullen u geworden. 25 En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft indien trij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader die in de hemelen is, ulieden uwe misdaden vergeve. 2G Maar indien gij niet vergeeft, zoo zal uw Vader die in de hemelen is, ook üwe misdaden niet vergeven. 27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als hij in den Tempel wandelde, kwamen tot hem de Overpriesters en de Schriftgeleerden en de Ouderlingen, 28 en zeiden tot hem: Door wat macht doet gij deze dingen, en wie heeft u deze macht tregeven, dat gij deze dingen doen zoudt? 29 Maar Jezus antwoordende, zeide tot hen : Ik zal u ook één woord vragen; antwoordt mij óók, en zoo zal ik u zegden door wat macht ik deze dingen doe; 30 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de menschen? Antwoordt mij. 31 En zij overleiden onder elkander, zegsrende: Indien wij zeirgen : Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? 32 Maar indien wij zeggen; Uit de menschen, zoo vreezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een Profeet was. 33 En antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. |
ÃS 12. 67 En Jerus antwoordende, zeide tot hen; Zoo zeg ik u óók niet door wat macht ik deze dingen doe. HOOFDSTUK 12. EN hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggeu : Een mensch plantte eenen wijngaard, en zette eenen tuin daarom, en groef eenen wijnpersbak, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.N hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggeu : Een mensch plantte eenen wijngaard, en zette eenen tuin daarom, en groef eenen wijnpersbak, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands. 2 En als het de tijd was, zond hij eenen dienstknecht tot de landliedei , opdat hij van de landliedeii ontving van de vrucht des wijnguards; 3 maar z j namen en sloegen hem, en zouden hem ledig henen. 4 En hij zond wederom eenen anderen denstknecht tot hen, en dien steen ifden zij, en wondden uem het liootd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde. 5 En wederom zond hii eenen anderen, en dien doodofen zij; en vele anderen, u-aarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden. (i Als hij dan nog éénen zoon had, die hem lief was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende; Zij zullen immers mijnen zoon ontzien. 7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, en de erfenis zal de 01 ze zijn. s Eu zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit buiten den wijngaard. 9 Wat zal dan de heer des wijnsraards doen ? Hij zal komen en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven. 10 Hebt pij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben. |
|
déze is geworden tot eeu hoofd des hoeks; 1! van den Heere is dit lt;;e-sehied, en het is wonderlijk in onze oo^en? lü En zij zochten hem te van-yen, inaur zij vreesden de schare; want zij verstonden dat hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten hein en Kinyen 1.quot;{ Kn zij zonden tot hem eeni-ften der Farizeiirs en der Ilero-dianen, opdat zij hem in zijne rede van yen zouden. U Dezen nu kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten dat yij waarachtiy zijt, en naar niemand vraa-rt; want yij ziet deu persoon der mensehen niet aan. maar yij leert den wey Gods in der waarheid; is het yeoorloold den Keizer schattin1; te peven ol' niet? Zullen wij yeven of niet yeven ? 1.} Kn hij wetende hunne !re-veinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt yij mij ? Brengt mij eenen penniny, dat ik hem zie. li! En zij brachten eenen. En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tot hem: Des Keizers. 17 En Jezus antwoordende, zeide tot hen; Geef dan den Keizer wat des Keizers is, en Gode wat Gods is. En zij verwonderden zich over hem. IS En de Sadduceërs kwamen tot hem. welke zeyyen dat er yeene opstandinur is, e.i vraay-den hem, zeyyende; Hl Meester, Mozes heeft ons yesehreven, indien iemands broeder sterft, en eene vrouw iChterlaat, en yeene kinderen nalaat, dat zijn broeder des-zelfs vrouw nemeu zal en zij- i broeder zaad verwekken. 'JU Daar waren nu zeven broeders ; en de eerste nam eene vrouw, en stervende, liet Reen aad na. -1 De tweede nam haar óók. |
en is gestorven, en ook deze liet seen zaad na, en de derde desyelijks; 22 en alle de zeven namen dezelve, en lieten yeen zaad na. De laatste van allen is ook de vrouw yestorven. 2.'{ In de opstaudiny dan, wanneer zij zullen opyestaan zijn, wiens vrouw zal zij zijn van dezen ? want die zeven hebben haar tot eene vrouw yehad. 24 En Jezus antwoordende, zeide tot hen; Dwaalt yij niet: daarom dat yij de Schriften niet weet noch de kracht Gods? 25 Want als zij uit de dooden zullen opirestaan zijn, zoo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk yeireven; maar zij zijn gelijk Enyelen »iie in de hemelen zijn. 2(gt; Doch aangaande de dooden, dat zij opirewekt zullen worden, hebt urij niet yelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbosch tot hem â resproken heeft, zeyyende: Ik hen de God Abrahams en de God Isaiiks en de God Jakobs 'f 27 God is niet een God der dooden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer. 28 En een der Schrift releer-den, hoorende dat zij te zamen in woorden waren, en wetende dat hij hun wèl yeantwoord had, kwam tot hem en vraaydir hem; Welk is het eerste gebod van alle? 29 En Jezus antwoordde hem; Het eerste van alle de ireboden ia: Hoor, Israel, de Heere onze God is een ééniye Heere; 30 en srij zult den Heere uwen God liefüebben uit yeheel uw hart en uit yeheel uwe ziel en uit yeheel nw verstand en uit yeheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod. â¢tl En het tweede hieraan ye-lijk, is dit: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelvett. Daar is yeen ander gebod yroo-ter dan deze. :ö En de Schriftycleerde zeide |
|
MAR tot hem : Meester, uii hebt in Avaarheid wèl sere-rd, dat er een éénis God is, en daar is Keen ander dan Hij; â¢i3 en Hein lief te hebben uit s:eheel het hart en uit geheel het verstand en uit ireheel de ziel en uit geheel de kracht, en den naaste liet' te hebben als zichzelven, is meer dan alle de bfandofferen en de slachtofferen. En Jezus ziende dat hij verstandi;Hjk sreantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van 't Koninkrijk Gods. l!n niemand durfde hem meer vrasren. 35 En Jezus antwoordde en zeide, leerende in den Tempel: Hoe zeisen de Schriftireleer-den, dat de Christus een zoon Davids is? HC» Want David zelf heeft door den Heili-ren Geest irezetrd: De Heere heeft veze-rd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rech-ter/iand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 37 David dan zelf noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn /.non? En de nienilt;rteder schare hoorde hem gaarne. 3H Eu hij zeide tot hen in zijne leer: Wacht u voor de Schriftïeleerden, die gaarne Avillen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn op de markten. 39 en de vooreestoeltcn /ieh-hen in «le Synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden ; 4ii welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden: dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen. â¢11 En Jezus gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist: en vele rijken wierpen veel daarin. 42 En daar kwam eene arme weduwe, die wierp twee kleine |
US 13. 50 penningen daarin, hetwelk is een oort. 43 Eu Jezua zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen : ^ oorwaar ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben ; 44 want zij allen hebben van hunnen overvloed daarin geworpen ; maar déze heeft van haar gebrek al wat zij had, daarin geworpen, haren gan-schen leeftocht. HOOFDSTUK 1.3. 17 N als hij uit den Tempel -J ging, zeide een van zijne discipelen tot hem: Meester zie, hoedaniire steenen en hoe-danige gebouwen !7 N als hij uit den Tempel -J ging, zeide een van zijne discipelen tot hem: Meester zie, hoedaniire steenen en hoe-danige gebouwen ! 2 En Jezus antwoordende, zeide tot hem : Ziet 'rij deze groote gebouwen? Daar zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den Tempel over, vraarden hem Petrus en Jacobus en Johannes en Andréas alléén : 4 Zeir ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teeken, wanneer deze din-iren alle voleindigd zullen worden ? 5 En Jezus hun antwoordende, begon te zegtren : Ziet toe dat n niemand verleide; want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christua, en zullen velen verleiden; 7 En wanneer gij zult liooren van oorlogen en geruchten van oorloven, zoo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden, maar nog is het einde niet. s Want het (éne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het êéne koninkrijk tegen ket andere koninkrijk; en daar zullen aardbevingen zijn in verschei- |
|
70 MARC dene plaatsen, en daar zullen hongersnooden wezeu en beroerten. Deze dingen zijn maar besrinselen der smarten. 9 Maar ziet gij voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de Raadsvergaderingen en in de Synasrogen; gt;:ij zult iresla-gen worden, en voor Stadhouders en Koningen zult gij gesteld worden om luijnentwil, hun tot een getuigenis. 10 Eu het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder alle de volken. 11 Doch wanneer zij u leiden zullen om u over te leveren, zoo zijt te voren niet bezorgd wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zoo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want pij zijt het niet die spreekt, maar de Heilige Geest. 12 En de iéne broeder zal den andereêi broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zulleu ze dooden. 13 En srij zult gehaat worden van allen om mijns naams wil; maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden. 14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den Profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort (di het leest, die merke daarop), alsdan die in Judéa zijn, dat ze vlieden op de bergen; 15 en die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in om iets uit zijn huis weg te nemen; Ifi en die op den akker is, keere niet weder terug om zijn kleed te nemen. 17 Maar wee den bevruchten en den zoogenden vrouweu in die dagen. 18 Doch bidt dat uwe vlucht niet geschiede des winters; _ 19 want die dagen zullen zul- |
S 13. ke verdrukking zijn, welker irelijke niet geweest is van het begin der schepselen die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal. 20 En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die hij heeft uitverkoren, heeft hij de dagen verkort. 21 En alsdan zoo iemand tot ulieden zal zegsren : Zie, hier is de Christus, of zie, hij is dóér, gelooft het niet. 22 Want daar zullen valsche Christussen en valsche profeter» opstaan, en zullen teekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk was, ook de uitverkorenen. 23 Maar gijlieden, ziet toe: zie, ik heb u alles voorzegd. 24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, 25 en de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden. Sfi En alsdiln zullen zij den Zoon des menschen zien, komende in de wolken met groote kracht en heerlijkheid. 27 En alsdim zal hij zijne En-pelen uitzenden, en zal zijne uitverkorenen bijeeiiTerpaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels. 2S En leert van den vijtreboom deze gelijkenis: wanneer nu zijn tak teer wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is : 29 alzóó ook trij, wanneer pij deze dingen zult zien geschieden, zoo weet dat Aei nabij, voor de deur is. 3i» Voorwaar ik zee u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat alle deze dingen zullen geschied zijn. 31 De hemel et. de aaide zui- |
|
len voorbijcaan, maar mijne woorden zullea geeuszius voor-bÃfCamp;BQ» 32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de EnKelen die in den heinel zijn, noch de Zoon, dau de Vader. H3 Ziel toe, waakt en bidt, want gij weet niet wanneer de tijd is. 34 Gelijk een mensch buitens-lands reizende, zijn huis verliet, en zijnen dienstknechten macht gat, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood dat bij zoude waken: 35 zoo waakt dan (want gij weet niet wanneer de heer des huizes komen zal, dea avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekVaai, of in den morgenstond), 36 opdat hii niet onvoorziens kome en u slapende vinde. 37 En hetgeen ik ü zeg, dat zeg ik allen: Waakt. HOOFDSTUK 14. EN het Pascha enN het Pascha en het feeat der on irehevelde brooden was na twee dagen; en de Over- Sriesters en de Schriftsreleer-riesters en de Schriftsreleer- en zochten, hoe zij hem met listiirheid vangen en doodeu zouden. 2 Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er niet misschien oproer onder het volk worde. 3 En als hij te Bethanië was in het huis van Simon den inelaatsche, daar hij aan tafel zat, kwam eene vrouw, hebbende een albasten flescli met zalf van onvervalachte nardus van grooten prijs; en de albasten flesch gebroken hebbende, goot die op zijn hoofd. 4 En daar waren sommigen die dat zeer kwaliik namen bij ziebzelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf sreschied ? 5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die deu armen |
ÃS 14, 7ï gegeven worden; en zij ver-grimdeu tegen haar. fi Maar Jezus zeide; Laat èf van baar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gewrocht. 7 Want de armen hebt -rij altijd met u,ei' wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar mij hebt gij niet altijd. H Zij heeft gedaan hetgeen zij. kon: zij is voorgekomen om mijn lichaam te zalven, tot eene voorbereiding ter begrafe- 9 Voorwaar zeg ik u, alwaar dit Evanicelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal cok tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. 1U En Jua.is Iskariot, een van de twaalve. ging henen tot de Overpriesters, opdat hij hem. hun zoude overleveren. 11 En zij dat hoorende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij hem bekwamelijk overleveren zoude. 12 En op den eersten dag der ongehevelde broaden, wanneer zij het Pascha slachtten, zeiden zijne discipelen tot hem: Waar wilt gij dat wij henen-gaan en bereiden, dat gij het Pascha eet? 13 En bij zond twee van zijne discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mensch ontmoeten, dragende eene kruik water; volgt dien; 14 en zoo waar hij ingaat, zegt tot deu heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, waar ik het Pascha met mij-ne discipelen eten zal? 15 En hij zal u wijzen eene groote opperzaal, toegerust en. gereed: bereidt het ons aldaar. Ifi En zijne discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het gelijk hij hun. gezegd had, en bereidden het Pascha. |
|
72 MAR' 17 En als hot avond geworden '.vas, kwam hij met de twaalve. En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar ik zen u, dat één van u, die met mij â¢tiet, mij zal verraden. 19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de één na den ander tot hem te zeguren: Ben ik 't? eti een ander: Ben ik 't? 2(1 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: 't Is een uit de twaalve, die met mij in den schotel indoopt. 21 De Zoon des inenschcn graat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest. 22 En als zij aten, nam Jezus brood, en als hij gezeirend had, brak hij het, en gaf het hun, eu zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam. 2.'i En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, en zij dronken allen uit den zei ven. 24 En hii zeide tot hen: Dat is mijn Bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen verroten wordt. 25 Voorwaar ik zeg u, dut ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods. 20 En als zij den lofzans: gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan mij geërtrerd worden; want daar is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. 2S Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galiléa. 29 Eu Petrus zeide tot hem: Ofschoon zij allen geérgerd |
US 14. wierden, zoo zal Ik toch niet geërgerd worden. 31) En Jezus zeide tot Lem: Voorwaar ik zeg u, dat lieden in dezen nacht, eer de liaan tweemaal gekraaid zul hebben, gij mij driemaal zult verloochenen. â U Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. En desgelijks zeiden zij ook allen. .32 En zij kuamen in eene plaats welker naam was Geth-sémané, en hij zeide tot zijne discipelen: Zit hier neder, totdat ik gebeden zal hebben. 33 En hij nam met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden. 34 en zeide tot hen: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt. 35 En een weinig voortgepraan zijnde, viel hij op de aarde, en bad, zoo het mot-relijk ware, dat die ure van hem voorbij-gine. 36 En hij zeide: Abba, Vader, alle dingen zijn U mogelijk: neem dezen drinkbeker van mij wee; doch niet wat ik wil, maar wat Gij wilt. lt;7 En hij kwam en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij ? Kondet gij niet één uur waken? 38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de ircest ia wel gewillig, maar het vleesch is zwak. 39 En wederom henenge^aau zijnde, bad hij, sprekende dezelfde woorden. 4» En wedergekeerd zijnde, vond hij ze wederom slapende, want hunne oo;reii waren bezwaard; en zij wisten . iet wat zij hem antwoorden zouden. 41 En hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust. Het is genoeg, de ure is gekomen; zie, de Zoon des menschen wordt |
|
overtreleverd in de banden der zondaren. 42 Staat op, laat ons paan: zie, die mij verraadt, is nabij. 4:{ En terstond als bij hok sprak, kwam Judas aan, die één was van de twaalve, en met hem eene groote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de üverpriesters en de Schriftgeleerden en de üu-derlingen. 44 En die hem verried, bad hun een gemeen teeken geReven, zeggende: Dien ik kussen zal, die is 't; grijpt hem, en leidt hein zekerlijk benen. 45 En als hij gekomen was ging hij terstoi.d tot hem, en zeide: Habhi, Kabbi, en kuste hem. 46 En zij sloegen hunne handen aan hem, en grepen hem. 47 En één dergenen die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des Hoogepriesters en hieuw hem zijn oor af. 48 En Jezus antwoordende, zeide tot hen : Zijt jrij uitgegaan met zwaarden en stokken ais tegen eenen moordenaar om mij te vaneen? 49 Dagelijks was ik bij ulieden in den Tempel, leerende, en gij hebt mij niet gegrepen; maar dit geschiedt opdat de Schritten vervuld zouden worden. 50 En zij hem verlatende, zijn allen gevloden. 51 En een zeker jongeling volgde hem. hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte Vijf, en de jongelingen grepen hem; 52 en hij bet lijnwaad verlatende, is naakt vun ben gevloden. 5.'i En zij leidden Jezus henen tot den Hoogepriester; en bij hem vergaderden alle de üverpriesters en de Ouderlingen en de Schriftgeleerden. 54 En Petrus volgde hem van verre tot b'nnen in de zaal des Hoogeprie«ters; en hij was |
S 14. 73 medezittende met de dienaren, en zich wannende bij het vuur. 55 En de Overpriesters en de gebeele Baad zochten getuigenis tegen Jezus, om hem te dooden, en vonden niet; ófi want velen getuigden val-schelijk tegen hem, en de getuigenissen waren niet een-parig. 57 En eemgen opstnande, ire-tuigdeu valschelijk tegen hem, zeggende: 5*lt; AVij hebben hem hoorei» zeggen: Ik zal dezen Tempel die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dapeu eenen anderen, zonder handen gemaakt, bouwen. 59 En ook aizóó was hunne getuigenis niet eenparig. lt;i0 In de Iloogeiiriester in 't midden opstaande, vraagde Jezus, zegeende: Antwoordt «ij niets? Wat getuigen dezen tegen u ? (11 Maar hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde hem de Hooirepiiester en zeide tot hein: Zijt gij de Christus, de Zoon des gezegen-den (iodn? â¢12 En Jezus zeide: Ik ben 't; en gijlieden zult den Zoon des menschen zien zitten ter recb-terhaiid der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels. «W En de Hon'-repriester verscheurende zijne kleederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van noode? m Gij hebt de jrorfulasterine: irebóord: wat dunkt ulieden ? En zi; allen veroordeelden hem des doods schuldig te zijn. (!5 En sommigen begonnen hem te bespuwen, en zi.!n aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot hem te zeggen: Profeteer; en de dienaars gaven ben» kinnebak-slatren. En als Petrus beneden in de zaal was, kwam eene va»» |
|
74 MARquot; de dienstmaagden des Uooge-priesters; r»7 en ziende Petrus zich warmende, zag zij bem aan, en zeide: Ook gij uaart met Jezus den Kazarener. 68 Maar hij heeft het geloochend, zeifgende: Ik ken hem niet, en ik «eet niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide. (gt;9 Eu de dienstmaagd hem wederom ziende, bejion te zeggen tot degenen die daarbij stonden: Deze is één van die. 7if Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna die daarbij stonden, zeiden wederom tot l'etrus: Waarlijk gij zijt één van die; want gij zijt óók een Galileër, en uwe spraak gelijkt. 71 En Lij begon zic/iselven te vervloeken, en te zweren: Ik ken dezen meusch niet, dien gij zegt. 7- En de liaan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig aan het woord, hetwelk Jezus tot hem gezetrd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. En hii zich van daar make, de, weende. nOOFDSTUK 15. EX terstond des morgens vroeu hielden de Overpries-ters samen raad met de Ouderlingen en Schriftgeleerden, en de Keheele liaad ; en Jezus gebonden hebbende, brachten zijX terstond des morgens vroeu hielden de Overpries-ters samen raad met de Ouderlingen en Schriftgeleerden, en de Keheele liaad ; en Jezus gebonden hebbende, brachten zij hem henen, en gaven hem aan Pilatus over. En Pilatus vraagde hem : Zijt gij de Konint; der Joden? En hij antwoordende, zeide tot hem: Gii zegt het. 'ó En ae Overpriesters beschuldigden hem van vc\e zaken; maar hij antwoordde niets. 4 En Pilatus vraagde hem wederom, zeggende: Antwoordt gij niets? Zie, hoevele zaken zij tegen u getuigen. 5 Eu Jezus heeft uiets meer |
ÃS 15. geantwoord, zoodat Pilatus zich verwonderde. (i En op het feest liet hij hun éénen gevangene los, wien zij ook begeerden. 7 En daar was een, genaamd Bar-Abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in bet oproer eeuen doodslag gedaau hadden. 8 En de schare riep uit, en beton te begeeren dat hij deed, ^eHjk hij hun altijd gedaan 9 En Pilatus antwoordde hun» zegfreude: Wilt gij dat ik u den Konim; der Joden loslate? 10 (Want hij wist dat de Overpriesters hem door nijd overgeleverd hadden.) 11 Maar de Overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-Abbas zoude loslaten. 12 En Pilatus antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan dat ik met hem doen zal, dien gij een Koning der Joden noemt? 13 En zij riepen wederom; Kruis hem! 14 Doch Pilatus zeide tot hen i Wat heelt hij dan kwaads gedaan r En zij riepen te meer; Kruis hem! 15 Pilatus nu willende de schare te wille zijn, heeft hun Bar-Abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij hem ge-geeseld had, om gekruist te worden. 16 En de krijgsknechten leidden hem binnen in de aaal, welke is het Kechthuis, en riepen de gansche bende te zamen; 17 en zij dedei. hem eenen purperen mantel aan, en eene doornenkroon Kcvlochtcn hebbende, zetten hem die op, 18 en begonnen hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, gij Koning der Joden, 19 en sloegen zi^n hoofd met eenen rietstok, en bespuwden hem, en vallende op de knieën, aanbaden hem. 20 Eu als zij hem bespot had- |
|
den, deden zij hem den purperen mantel af, en deden tem zijne eigene kleederen aau, en leidden hem 'uit om hem te kruisigen. 21 En zij dwongen eenen Simon van Cyréue, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Uufus, dat hij zijn kruis droes. 22 En zij brachten hem tot de plaats Gólgotha, hetwelk is, overgezet zijnde. Hoofdschedelplaats. 23 En zij gaven hem gemir-reden wijn te drinken; maar hij nam dien niet. 24 En als zij hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zoude. 25 En het was de derde ure, en zij kruisigden hem. 2C En het opschrift zijner beschuldiging was boven hem Jeschreven;eschreven; Ue Koning deb odkn. 27 En zij kruisigden met hem twee moordenaars, éénen aan zijne rechter- en éénen aan zijne linkersi;(/e. 28 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En hij is met de misdadigen gerekend. 29 En die voorbijgingen, lasterden hem, scliuddeude hunne hoofden, en zeggende; IIa, gij die den Tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, 30 behoud uzelven en kom af van het kruis! 31 En des relijks ook de Over- Sriesters met de Schriftgeleer-riesters met de Schriftgeleer- en zeiden tot elkander, al spottende: Hij heeft anderen verlost, zichzelven kun hij niet verlossen; 32 de Christus, de Koning Israüls kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en gelooven mogen. Ook die met hem gekruist waren, smaadden hem. |
JS 15. 75 33 En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. 34 En ter negender ure riep Jezus met groote stem, zeggende: Eloï, Eloï, lam ma sabacutan'? hetwelk is, over-gezet zijnde: Mij.i God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? 35 En sommigen van die daarbij stonden, dit hoorende, zeiden : Zie, hij roept Elia. 36 En daar liep één en vulde eene spons met edik, en stak ze op eeneu rietstok, en gaf hem te drinken: zeggende: Houdt stil, laat ons zien ol Elia komt om hem af te nemen. 37 En Jezus eene groote stemme vftn zich gegeven hebbende, gaf den geest. 38 En het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden. 39 En de hooidman over honderd, die daarbij tegenover hem stond, ziende dat hij alzóó roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze mensch was Gods Zoon. 411 En daar waren ook vrouwen van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdaléna en Maria, de moeder van Jacobus den kleine en van Joses, en Salóme, 41 welke ook toen hij in Ga-liléa was, hem waren srevolgd en hem gediend hadden, en vele andere vrouwen die met hem naar Jeruzalem opgekomen waren. 42 En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de vóór-sabbat, 4quot;$ kwam Jozef die van Arima-théa u-as, een achtbaar Raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot I'ilatus en begeerde het lichaam van Jezus. 44 Eu Pilatus verwonderde |
|
76 MAR zich dat hij aireede gestorven was; en den hootdmau over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem ot hij lans gestorven was; 45 en als hij 't van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij aaa Jozef het lichaam. 4(gt; En hij kocht fijn lijnwaad, en hem afgenomen hebbende, wond hem in dat fij.ie lijnwaad, en leide hem in een graf hetwelk uit eene steenrots gehou-wen was en hij wentelde eeneu steen tegen de deur des grafs. 47 En Maria Masrdaléna en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden waar hij gelegd werd. HOOFDSTUK Ifi. EN als desabbatvoorbijgogaan was, hadden Muria Mag-daléna, en Maria, deN als desabbatvoorbijgogaan was, hadden Muria Mag-daléna, en Maria, de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en hem zalfden. 2 En zeer vroeg op den eersten dar/ der week kwamen zij tot het graf, als de zon opging, en zeiden t it elkander; Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen ' 4 (en opziende, zasea zij dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5 En in het erraf ingedaan zijnde, zagen zij eenen jongeling zittende ter rechterbilde, bekleed met een wit lang kleed, on werden verbaasd. fi Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd. Gij zoekt Jezus den Nazarencr die gekruist was: hij is opi;estaan, hij is hier niet; zie, de plaats waar zij hem tcelegd hadden. 7 Doch gaat henen, zegt zijnen discipelen en Petrus, dat hij u voor-raat naar Galiléa: aldaar zult gij hem zien, gelijk hij ulieden geze-rd heelt, s En zij haastelijk uit regaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had |
US 16. haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. U En als Jezus opgestaan was 's moriens vroeg op den eersten dag der week, verscheeu hij eerst aan Maria M a-.'dalén», uit welke hij zeven duivelen uitgeworpen had. K» Deze henengaande, boodschapte het dengenen die met hem geweest waren, welke treurden en weenden. 11 En als dezen hoorden dat hij leefde en van haar gezien was, geloofden zij 't niet. 1- En na dezen is hij geopenbaard in eene andere gedaante aaa twee van hen, daar zij wandelden en in het veld gingen. i:i Dezen ook henengaande, boodschapten 't den anderen, maar zij -.celoofdea ook die niet. 14 Daarna is hij geopenbaard aaa de elve daar zij aanzaten, en verweet hu.i hunne onge-loovi rheid en hardigheid der harten, omdat zij niet geloofd hadden degen en die hem gezien hadden nadat hij opgestaan was. 15 En hij zeide tot hen : Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen. Ifi Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal se-loofd hebben, zal verdoemd worden. 17 En desenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekeuen voliren: in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen: met nieuwe tongen zullen zij spreken; is slangen zullen zij opnemen ; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, bet zal hun niet schaden; opkran-ken zullen zij de handen leggen. en zij zul. en gezond worden. 19 De Heere dan nadat hij tot heu gesprokeu had, is op- |
lucas i. 77
diktcu overal, on de Heere wrocht mede, ea bevestigde het Woord door tee keuen die tijejjaau zijude, pre- I daarop volgden. Amen.
genomen ia dea heuiel, ea is gezetea aaa de rechterAam/ Gods.
2lgt; Eu zij i
S.
HET HEILIG EVANGELIE
naar de uEücnnurisr, r.i\
L IJ C
|
HOOFDSTUK I. N'ADE.MAAL velen ter hand Keaomea hebben, om ia orde te stullea een verhaal vaa de diiis;ea die onder oas vol-koaieae zekerheid hebben.'ADE.MAAL velen ter hand Keaomea hebben, om ia orde te stullea een verhaal vaa de diiis;ea die onder oas vol-koaieae zekerheid hebben. â¢J gelijk oas overgeleverd hebben die vaa dea beeiaae zelvea HHaschouwers ea dienaars des Woord» geweest zijn: .'{ zoo heeft het ook mij jroed-xedacht, hebbende alles van voren aaa naarst lelijk onderzocht. vervolicens aaa a te schrijven, voortreffelijke Theo-tilus, â¢Â» opdat jrij monït kennen de zekerheid der din-rea waarvaa ^ij onderwezen zijt. igt; In de da'ien van Ilerodes, dea Koninir van Judéa, was er een zeker Priester niet name Zacharias, vaa de dagorde van Abia; en zijne vrouw was uit de dochterea Anroas, ea haar naam Klizabet. lt;i Kn zij waren beid -a rechtvaardig voor (ïod. wandelende ia alle de irebodea ea rechten des Heerea onberispelijk. 7 Ka zij haddea geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was ea zij beidea ver op hunne dagen gekoaiea waren. S Ka het geschiedde dat, als hij het Priesterambt bediende voor God ia dc heart zijner dagorde. |
U naar de cewonnte der Priesterlijke bedienin-.', hem ten lote was gevallen, dgt;it hij zoude ingaan ia den Tempel des llee-ren om te renkofferea: 10 en al de meni-rte des volks was buiten biddende, ter ure des reukoffers. 11 Kn vaa hem werd geziea een Knirel des Ileeren, staande ter rechter?i;V/e vaa het altaar des reukoffers. 12 Ka Zacharias hem ziende, werd ontroerd, ea vrees is op hem eevallen. 1.*{ Maar de Enirel zeide tot hein: Vrees niet. Zacharias» want uw gebed is verhoord, ea uwe vrouw Klizabet zal n eeaea zooa baren, en ifij zult zijnen naam heetea Johaanes; 14 en u zal blijdschap ea verheuging zijn, ea velea zullen zich over zijae geboorte ver-blijdei!. 15 Waat hij zal groot zijn voorden Ileere; noch wijn noch sterken drank zal hij drinken, ea hij zal met dea Heiligen Geest vervuld worden, ook »:aa zijn moederslijf af: Ifi en hi: zal velen der kinderen Israels bekeeren tot den Heere hunnen God: 17 en hij zal vóór Hem henen-gnan ;a dea seest ea de kracht von Ei'*a, om te bekeeren de |
|
78 LUK harten der vaderen tot de kinderen, en de onprehoorzainen totde voorziclitigheid der recht-vaardiaren, om den Heere te bereiden een toeserust volk. is En Zacharias /.eide tot den Entjel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijne vrouw is ver op bare dagen gekomen. 19 En de Engel antwoordde â¬n zeide tot bem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te â verkondigen; 20 en zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot op den dag «lat deze dingen geschied zullen zijn: omdat gii â¢niine woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hunnen tijd. â¢21 En bet volk was wachtende op Zacbarias, en zij waren verwonderd dat hij zoo-Jang vertoefde in den Tempel. 22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden dat hij een gezicht in den Tempel gezien bad. En hij wenkte hun toe, en bleef stom. 2S En het geschiedde als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis sing. â 24 En na die da-ren werd Elizabet zijne vrouw bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende: â¢25 Alzóó heeft mij de Heere gedaan, in de dagen in welke Hij mij aangezien heeft, om mijne versmaadbeid onder de menscben weg te nemen. SR En in de zesde maand werd de Engel Gabriel van God gezonden naar eene stad in Gali-Jéa, genaamd Nazareth, 27 tot eene maa-rd, die ondertrouwd was met eenen man wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria. |
AS 1. 28 En de Engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. quot;29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijik woord, en overleide hoedanig deze grnetenis mocht zijn. :«t En de Engel zeide tot haar : Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. â¢SI En zie, gij zult bevrucht worden, en eenen zoon baren, en zult zijnen naam heeten J KZ08. 32 Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerboogsten genaamd worden, en God de Heere zal hem den troon zijns vaders Davids geven; 33 en hij zal over het huis Jakobs Konim; zijn in der eeuwigheid, en zijns Koninkrijks zal seen einde zijn. 34 En Maria zeide tot den Engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geenen man beken? 35 En de Engel antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerboogsten zal u overschaduwen; daarom ook het Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. 3fi En zie, Elizabet uwe nicht is ook zelve bevrucht met eenen zoon in haren ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde; 37 want ireen ding zal bij God onmogelijk zijn. 3S En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd de:» Heeren: mij geschiede naar uw woord. En de Euirel ging weg van haar. 39 En Maria opsrestaan zijnde in die dagen, reisde met haast naar het gebergte in eene stad van Juda, 40 en kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet. 41 En het geschiedde als Elizabet de groetenis van Maria |
|
Jmorde, zoo sprons het tinde-ken öp in baren buik; en Eli-xabet werd vervuld met den Heiligen Geest, 42 en riep uit met prroote stem, en zeide: Gezegend zijt ^ii } onder de vrouwen, en pezeyjend ts de vruebt uws buiks! 4:{ En van waar komt mij dit, ilat de moeder mijns Heereu tot mij komt? 44 Want zie, als de stem uwer sroetenis in mijne ooren ireseliiedde, zoo sprontc bet kindeken van vreugde öp in mijnen buik. 45 En zalis is zij die seloofd beeft; want de dimren die baar van den Ileere gezegd zijn, zullen volbracht worden. 4fi En Maria zeide: 31ijne ziel maakt groot den Ileere, 47 en mijn geest verbeuet zicb in God mijnen Zaligmaker, 4S omdat Hij de vernedering zijner dienstmaagd beeft 'aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken alle de geslachten; 49 want groote dingen beeft aan mij gedaan Hij die machtig is, en heilig is zijn naam, óO en zijne barmhartijrheid is van geslacht tot geslacht over degenen die 11 em vree-zen. 51 Hij heefteen krachtig werk gedaan door zijnen arm; Hij beeft verstrooid d»1 hoomnoe-digen in de gedachten hunner harten; 52 Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nede-rigen heeft Hij verhoosd; 53 bongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken beeft Hij ledig weggezonden. 54 Hij heeft Israël zijnen knecht opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid 55 (gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelhk tot Abraham en zijn zaad), in der eeuwigheid. |
5(gt; En Maria bleef bij baar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis. 57 En de tijd van Elizabet werd vervuld dat zij baren zoude, en z?j baarde een en zoon. 58 En die daar rondom woonden, en hare magen boorden, dat de Ileere zijne barmhartig-beid grootelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd. 59 En het geschiedde dat zij op den achtsten dag kwamen om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacliarias naar den naam zijns vaders. fiO En zijne moeder antwoordde en zeide: Niet alzóó, maar hij zal Johannes beeten. 'il En zij zeiden tot haar: Daar is niemand in uwe maagschap die met dien naam genaamd wordt. 62 En zij wenkten zijnen vader, hoe hij wilde dat hij genaamd zoude worden. (»:{ En als hij een schrijftafelken geëiseht had, schreef hij, zeggende: .loiiannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. (54 En terstond werd zijn mond geopend en zijne tong losgemaakt, en bij sprak. God lovende. 65 En daar kwam vrees over allen die rondom hen woonden; en in 't geheele gebergte van Judéa werd veel gesproken van alle deze dingen. 66 En allen die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen ? En de hand des Heeren was met hem. 67 En Zaeharias zijn vader werd vervuld met den Heiligen Geest en profeteerde, zeggende: 68 Geloofd zij de Heere, de God Israels; want Hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht zijnen volke, 69 en heeft een en hoorn der |
|
80 LUC zaligbeid ons opp:ericLt in bet huis Davids zijns knechts, 70 gelijk Hij pespioken heeft door den nioi.d zijner beili-re Profeten, die van den beginne der wereld yeireeat zijn, 71 uamelijk eenc vcrlossiiur van 01.ze vijai den en van de hand aller dergeneu die ons liaten: opdat Hij barmbartiirbeid deed aan onze vaderen, en pe-daehtiquot; ware aan zijn heilik verbond, 7{ pa aan den eed dien Hij Abrabani onzen vader gezworen heeft, om ons te ceven :4 dat wij, verlost zijnde uit de band oi zer vijanden. Hem dienen zonden zoider vrees, 7quot;» i:i beilifheid en gereebtiquot;-beid voor Hein, alle de dagen onzes levens. 7^ Kn vij kii deken, zult een Profei t des Allerboo-.'steii genaamd worden: want gij zult voor bet aangezicht des Hee-ren henengaau om zijne wegen te bereiden. TT om zijnen volke kennis der znlitrheid te ere ven, in vergeving hunner zouden. 78 door de innerlijke bewe-gint'en der barmhartigheid on-zes Gods, met welke ons bezocht beeft de Opgang uit de booirtc, 79 om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in de duistert is en schaduw- des doods, om onze voeten te richten op den weg des vredes. 8« En bet kindeken wies op en werd sresterkt in den treest, en was in de woestijnen tot den dag zijner vertooning aan Israël. HOOFDSTUK EN het geschiedde in die dairen dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de treheele wereld beschreven zoude worden.N het geschiedde in die dairen dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de treheele wereld beschreven zoude worden. |
2 Here eerste beschrijving «â¢eschiedde als Cyrenius over Syrië Stadhouder was. H Kn zij gingen allen om beschieven te worden, een iegelijk naar zijne eitrene «tad. 4 Kt. Jozef t-'inir óók op, van Galiléa uit de stad Nazareth, i.aar Judt-a tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt (onidat bij uit het buis en geslacht Davids was, 5 om beschreven te worden met Maria zijne ondertrouwde vrouw, welke bevru'cht was. '⢠Kn bet geschiedde als zij duar waren, dat de daireii vervuld weiden dat zij baren zoude; 7 en zij baarde baren eerstgeboren zooti, en wond hem in doeken, en leide hem neder in de kribbe, omdat voor hen reene plaats was in de her-berir. 8 Kn daar waren beider» in diezelfde landstreek, zich hou-det de in het veld, en hielden de i.achtwacht over huuue kudde. il Kn zie, een En cel des Hee-ren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen ze, en zij vreesden met groote vrees. in Kn de Encel zeide tot hen: Vreest niet, want zie, ik ver-kondis; u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, II nameliik dat u heden ire-boren is de Zali^muker, welke is Christus de Heerc, in de stad Davids. I'J Kn dit zal 11 bet teeken zijn : gij zult het kindeken vinden iu doeken irewonden en liggende in de kribbe. !:lt; En van stonde aan was duur met den Einrel eene menigte des henielscheii heirle-L'ers, prijzende God en zeggende : 14 Kere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen : |
|
15 En het geschiedde als de Engelen van hen weegevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan henengraan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord dat er geschied is. hetwelk de Ileere ons heelt kond sedaan. If. En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het kindeken liggende in de kribbe. 17 En als zij het gezien hadden. maakten zii alom bekend het woord dat hun van dit kindeken gezetrd was. 18 En allen die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun van de herders gezegd werd; 19 doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, over-lesirende die in haar hart. 20 En de herders keerden weder, verheerlijkende en prij; zende God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. 21 En als acht dagen vervuld waren dat rnen het kindeken besnijden zoude, zoo werd zijn naam genaamd Jezus, welke genaamd was van den Engel eer hij in het lichaam ontvangen was. 22 En als de dagen barer reiniging vervuld waren naar de wet van Mozes, brachten zij hem te Jeruzalem, opdat zij hem den Ileere voorstelden 2:{ (gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is dat de moeder opent, zal den Ileere heilig genaamd worden). 24 en opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is. een paar tortelduiven of twee jonge duiven. 23 En zie, daar was een mensch te Jeruzalem wiens naam was Simeon; en deze mensch was rechtvaardig en godvreezend, verwachtende de vertroosting |
lS 2. 81 Israels, en de Heilige Geest was op hem; 20 en hem was eene Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude eer hij den Christus des Heeren zoude zien. 27 En bii kwam door den Geest in den Tempel; en als de ouders het kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der Wet met hem te doen, 2S zoo nam hij hetzelve In zijne armen, en loofde God, en zeide: 29 Ku laat Gij, Ileere, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord; 30 want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien, 31 die Gij bereidt hebt voor het aangezicht van alle de volkeren : 32 een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël. 33 En Jozef en zijne moeder verwonderden zich over het-eeen van hem gezeird werd. 34 En Simeon zegeiide hen, en zeide tot Maria zijne moeder: Zie. deze wordt gezet tot een va', en opstanding veler in Israël, en tot een teeken dat wedersproken zal worden 3» (en ook een zwaard zal door uw zelfs ziel gaan), opdat de gedachten uit veie harten geopenbaard worden. 36 En daar was Anna eene Profetes, eene dochter Fanuëls, uit den stam Aser; deze was tot grooten ouderdom gekomen, welke met haren man zeven jaren had geieefd van haren maagdom af; 37 en zij wt.s eene weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den Tempel, met vasten en bidden God dienende nacht en dag. 38 En deze te dier ure daarbij komende, heeft insgelijks den |
6
|
Ileere beleden, en sprak van hem lot allen die de verlossing in Je-uzalein verwachtten. :W ICn als zij alles voleindigd hadden wat naar de wet des Heeren te dom was, keerden zij weder naar Galiléa tor hur ne stad Nazareth. 40 En het kindeken wies op, en werd sresterkt in den geest en vervuld met wijsheid, en de genade Gods was over hem. 41 Kn zijne ouders reisden alle jaren naar Jeiuzalem op het leest van Pascha. 42 En toen hij twaalt jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte des 1'eest-dairs, 43 en de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en zijne moeder wisten het niet; 44 maar meenende dat hij in 't srezelschap op den weg was, ginzen zij eene dagreis, en zochten hem onder de magen en onder de bekenden. 45 En als zij hem niet vonden, keerden zij weder naar Jeruzalem, hem zoekende. 4G En het geschiedde na drie dagen, dat zij hem vonden in den Tempel, zittende in het midden der leeraren, hen hoo-rende en hen ondervragende; 47 en allen die hem hoorden, ontzetten zich over zijn verstand en antwoorden. 48 En zij hem ziende, werden verslazen, en zijne moeder zeide tot hem: Kind, waarom hebt gij ons zóó iredaan ? Zie, uw vder en ik hebben u met angst gezocht. 49 En hij zeide tot hen: Wat is het dat zij mij gezocht hebt? Wist gij niet dat ik moet zijn in de dinzen mijns Vaders? 50 En zij verstonden het woord niet dat hij tot hen sprak. 51 En bij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde alle deze dingen in haar hart. |
52 En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de menschen. HOOFDSTUK 3. EN in het vijftiende jaar der re-geerinz van den Keizer Tiberius, als Pontius Pilatus Stadhouder was over Judéa, en Herodes een Viervorst over Galiléa, en Filippus zijn broeder een Viervorst over Ituréa en over het land Trachonitis, en Lysanias een Viervorst over Abilene,N in het vijftiende jaar der re-geerinz van den Keizer Tiberius, als Pontius Pilatus Stadhouder was over Judéa, en Herodes een Viervorst over Galiléa, en Filippus zijn broeder een Viervorst over Ituréa en over het land Trachonitis, en Lysanias een Viervorst over Abilene, 2 onder de Hoogepriesters Annas en Kójafas, geschiedde het Woord Gods tot Johannes, den zoon van Zacharias, in dc woestijn ; 3 en hij kwam in al het omliggende land des Jordaans, . predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden, 4 gelijk zeschreven is in het boek der woorden van Jesaja den Profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht: 5 alle dal zal zevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen, zullen tot eenen rechten teeg worden, en de onelfene tot effene wegen, fi en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien. 7 Hij zeide dan tot de scharen die nitkwamcii om van hem gedoopt te worden: Gij adde-renzebroedsels, wie heeft , u aangewezen te vlieden van dén toekomenden toorn? S Brengt dan vruchten voort der bekeerinz waardig; en bezint niet te zeggen bij uzelven: Wii hebben Abraham tot eenen vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. |
|
*) En de bijl ligt ook aireede «an den wortel der boomen: «11e boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? 11 En hij antwoordende, zeide tot hen : l)ie twee rokken heeft, deele hèm mede die er geen heeft, en die spijs heeft, doe desgelijks. 12 En daar kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester, wat zullen wij doen? 13 En hij zeide tot hen: Eischt niets meer dan hetgeen u gezet is. 14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hii zeide tot hen: Doet niemand «verlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uwe be-zoldingen. 15 En als het volk verwachtte, en allen in hunne harten over-leiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware, 16 zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water, maar hij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardi'r ben den riem van zijne schoenen te ontbinden: déze zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur; 17 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorsch-vloer doorzuiveren, en de tarwe zal hij in zijne schuur samenbrengen, maar het kaf zal hij met onuitblusschelijk vuur verbranden. 18 Hij dan ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den voJke het Evangelie. 19 Maar als llerodes de Viervorst van hem bestraft werd, om den wil van Herodias, de vrouw van Filippus zijnen broe- |
S 3. S3 der, en over alle booze atukken die Herodes deed, 2(1 zoo heeft hij ook dit nog boven alles daartoe gedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft. 21 En het geschiedde toen al het volk gedoopt werd, en Jezus óók gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd, 22 en dat de Heilige Geest op hem nederdaalde in lichamelijke gedaante gelijk eene duif, en dat er eene stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb Ik mi^n welbehagen. 23 En hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren outl te wezen, zijnde (alzoo aen meende) de zoon van Jozef, den zoon van Heli, 24 den zoon van Mattbat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Jannas, den zoon van Jozef, 25 den zoon van Mattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naüm, den zoon van Esli, den zoon van Na^gai, 2(gt; den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoon van Jmia, 27 den zoon van Johannas, den zoon van Rhesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiël, den xoon van Neri, 28 den zoon van Melchi, den zoo?i van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmodam, den zoon van Er, 29 den zoon van Joses, den zoon van Eliëzer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den toon van Levi, 3)1 den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim, 31 den zoon vai. Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David, 32 den zoon van Jesse, den zoon van übed, den zoon van |
|
84 LU* Boöz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson, 33 den zoon van Aminadab, den zoon van Arain, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda, 34 den zoon van Jakoh, den zoon van Isatlk, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor, 3ó den zoon van Sarnch, den zoon van Kagau, den :non van Falek, den zoon van Ileber, den zoon van Sala, 3igt; den zoon van Kaïnan, den zoon van Artaxad, den zoon van Sein, den zoon van Noach, den znon van Lamech, 37 den zoon van Matlmsala, den zoon van Knoch, den zoon van .Tared, den zoon van Malaleël, den zoon van Kaïnan, 38 den zoon van Kuos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God. HOOFDSTUK 4. EN Jezus vol des Heiligen Geestes keerde weder van den Jordiian, en werd door den Geest geleid in de woestijn,N Jezus vol des Heiligen Geestes keerde weder van den Jordiian, en werd door den Geest geleid in de woestijn, 2 en werd veerthr da?en verzocht van den duivel, en at ^ansch niet in die dageii; en als dezelve Keeindi^d waren, zoo hontrerde hem tea laat«te. 3 Kn de duivel zeide tot hem: Indien Gods Zoon zijt, zes tot dezen steen dat hij brood worde. 4 En Jezus antwoordde hem, zegRende : Daar is geschreven, dat de mensch bij brood alléén niet zal leven, maar bij alle Woord Gods. 5 Kn als hem de duivel geleid had op eenen hoogen berg, oonde hij hem alle de konink- Ãquot;ken der wereld in een oogen-ik tijds;quot;ken der wereld in een oogen-ik tijds; 0 en de duivel zeide tot hem: k zul u al deze macht en de leerlijkheid dier koninkrijken even; want tij is mij overgegeven, en ik geef ze wien ik ook wil: |
7 indien gij dan mij zult aanbidden, zoo zal alles het uwe zijn. 8 En Jezus antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van mij, satan; want daar is geschreven; Gij zult den Heere uwen God aanbidden, en Hem alléén dienen. 9 En hij leidde hem naar Jeruzalem en stelde hem op de tinne des Tempels, en zeide tot hem; Indien irij de Zoon Gods zijt, werp uzelven van hier nederwaarts ; 10 want daar is geschreven, dat Hij zijne Engelen van u bevelen zal, dat zij u bewaren zullen, 11 en dat zij u op de handen nemen zullen, opdat gij uwen voet niet te eeniger tijd aan eenen steen stoot. 12 En Jezus antwoordende, zeide tot hem : Daar is gezegd : Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. 13 En als de duivel alle verzoeking volei.idigd had, week hij van hem voor eenen tijd. 14 En Jezus keerde weder door de kracht des Geestes naar Galiléa; en het gerucht van hem ging uit door het geheele omliggende land. 15 En hij leerde in hunne Synagogen, en werd van allen geprezen. 1lt;5 En hij kwam te Nazaretli. waar hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des sabbats in de Synagoge, en stond op om te lezen. 17 En hem werd gegeven het boek van den Profeet Je sa ja; en als hij het boek opengedaan bad, vond hij de plaats waar geschreven was 1H De Geest des Heeren in op mij ; daarom heeft Hij mij gezalfd; Hij heeft mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genexeu |
|
die gebroken zijn van hart, 19 om den RevaiiRenen te prediken loslatin^ en den blinden het Kczicht, om de verslagenen henen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Ileeren. 20 En als hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat hij neder; en de oogen van allen in de Synagoge waren op hom geslagen. 21 En hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld. 22 En zij gaven hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden die uit zijnen mond voortkwamen, en zeiden: Is deze niet de zoon Jozefs? 21 En hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot inij dit spreekwoord zesgen: Medicijnmeester, genees uzelven; al wat wij gehoord hebben dat in Ka-pérnaüm geschied is, doe dut ook hier in uw vaderland. 24 En hij zeide: Voorwaar ik ze^ u, dat geen Profeet aangenaam is in zijn vaderland. 25 Maar ik zeg u in der waar-beid, daar waren vele weduwen in Israël in de da-r^n van Elia, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zoodat er groote hongersnood werd over het geheele land; 2(5 en tot geene van haar werd Elia gezonden dan naar Sa-repta Sidonis, tot eene vrouw, die weduwe was. 27 En daar waren vele melaat-schen in Israël, ten tijde van den Profeet Elisa, en geen van hen werd irereinigd dan IS'aü-man de Syriör. 28 En zij werden allen in de Synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden; *29 en opstaande, wierpen zij hem uit buiten de stad, en leidden hem od den top des bergs op denwelken hunne stad |
S 4. s.ï gebouwd was, om hem van de steilte af te werpen; maar hij door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg. .quot;11 En hij kwam af naar Ka-pèmaum, eene stad van Gali-léa, en leerde hen op de sabbatdagen. H2 En zij waren verslagen over zijne leer; want zijn woord was met macht. En in de Synagoge was een mensch, hebbende eenen geest eens onreinen duivels, en hij riep uit met groote stem, 34 zeggende: Laat af, wat hebben wij niet u te doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij ireko nen om ons te verderven ? Ik kgt;n u wie irij zijt, namelijk de: Heilige Gods. 35 E i Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwiig stil en ga van hem uit. En de duivel hem in het nrdden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. 3lt;» En .daar kwam eene ververbaasdheid over allen, en zij spraken te zamen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat hij met macht en kracht den onreinen Keesten gebiedt en zij varen uit? 37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen des omliirgenden lands. 3S En Jezuê opgestaan zijnde uit de Synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouwsmoeder was met eene groote koorts bevangen, en zij baden hem voor haar. 39 En staande boven haar, bestrafte hij de koorts, en de koort* verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende hen. 40 En als de zon onderging, brachten allen die kranken hadden, met verscheidene ziekten beranyen, die tot hem, en hij leide een iegelijk van hen de handen op; en geuas dezelve. |
|
ST) LL'( 41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zes-eende: Gij zijt de Christus, de Zoon Gods. En htn bestraffende, liet hij die niet spreken,omdat zij wisten dat hij de Christus was. 42 En als het dag werd, RinR hij uit en trok naar eene woeste £ laats; en de scharen zochten em, en kwamen tot bii hem, en hielden hem op, dat hij van hen niet zoude welaan. laats; en de scharen zochten em, en kwamen tot bii hem, en hielden hem op, dat hij van hen niet zoude welaan. 43 Maar hij zeide tot hen : Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben ik uitgezonden. 44 En hij predikte in de Synagogen van Galiléa. HOOFDSTUK 5. EN het geschiedde als de schare op hem aandrong om het Woord Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Gennésareth;N het geschiedde als de schare op hem aandrong om het Woord Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Gennésareth; 2 en hij zag twee schepen aan dtn oever van het meer liggende, en de visschers waren daaruit gegaan en spoelden de netten. 3 Eu hij ginjr in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem dat hij een weinig van liet land afstak; en nederzittende, leerde hij de scharen uit het schip. 4 En als hij afliet van spreken, zeide hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werpt uwe netten uit om te vantren. ft En Simon antwoordde en zeide tot hem: Meester, wij hebben den geheelen nacht over gearbeid en niets gevangen; doch op üw woörd zal ik het net uitwerpen. 6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij eene groote menigte visschen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hunne me-degenooten die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen heipen; en zij kwamen. |
IS 5. en vulden beide de schepen., zoodat zij bijna zonken. H En Simon Petrus dat ziende» viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch. 9 Want verbaasdheid had hem bevangen en allen die met hem waren, over de vangst der visschen, die zij gevangen hadden; 10 en desgelijks ook Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die Simons mede-genooten waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij menschen vangen. 11 En als zij de schepen aan land srestuurd hadden, verlieten zij alles en volgden hem. 12 En het geschiedde als hij in eene dier steden was, zie, daar tt-a# een man vol melaatsch-heid; en Jezus ziende, viel hii op het aangezicht, en baa hem, zeggende: Heere, zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen. 13 En hij de hand uitstrekkende, raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond ging de melaatsch-heid vin hem. 14 En hij gebood hem dat hij 't niemand zeggen zoude; maar ga henen, zeide hij, vertoon uzelven den Priester, en otter voor uwe reiniging, gelijk Mozes jrebodeu heeft, hun tot een getuigenis. Ift Maar het gerucht van hem ging te meer voort, en vele scharen kwamen te zamen om hem te hooren, en door hem trenezen te worden van huune krankheden; Ifi maar hij vertrok in de woestijnen, ei bad aldaar. 17 En 't geschiedde op een dier da^en dut hij leerde, en daar zaten Farizeörs en Leeraars der Wet, die van alle vlekken van Galiléa en Jud'éa en Jeruzalem gekomen waren; |
|
en de kracht des Heeren was er om hen te genezen. 18 En zie,. eenige mannen brachten op een bed eenen mensch die geraakt was, en zochten hem in te brengen en vóór hein te leggen. 19 En niet vindende waardoor zij hem inbrengen mochten, wegens de schare, zoo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken in het midden, vóór Jezus. *20 En hij ziende hun areloof, zeide tot hem: Mensch, uwe zonden zijn u vergeven. 21 En de Schriftgeleerden en de Farizeërs begonnen te overdenken, zeggende: Wie is deze, die godslastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven dan God alléén ? 22 Maar Jezus hunne overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt .lij in uwe harten? 23 Wat is lichter, te zeggen; Uwe zonden zijn u vergeven, of te zegden : Sta op en wandel ? 24 Doch opdat gii moogt weten dat de Zoon des menschen macht heelt op de aarde de zonden te ver are ven (zeide hij tot den geraakte): Ik zeir u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw buis. 25 En hij terstond voor hen opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen waar hij op gelegen had, ging henen naar zijn huis, God verheerlijkende. 2fgt; En ontzettim; heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: Wij hebben heden ongeloofe-lijke dingen gezien. 27 En na dezen ging hij uit, en zag eenen tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij. 2s En hij alles verlatende, stond op en volgde hem. 29 En Levi richtte hem een |
S 87 grooten maaltijd aan in zijn huis; en er was eene groote schare van tollenaren en van anderen die met hem aanzaten. 30 En hunne Schriftgeleerden en le Farizeërs murmureerden tot zijne discipelen, zeggende; Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren ? 31 En Jezus antwoordende, zeide tot hen : Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. 32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeerimr. 33 En zij zeiden tot hem: Waarom vasten de discipelen van .'ohannes dikwijls en doen gebeden, desgelijks ook de din-cipelen der Farizeërs, maar de üwe eten en drinken? 34 Doch hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de bruidegom bij hen is, doen vasten ? 35 Maar de da-ren zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn: dan zullen zij vasten in die dagen. 36 En hij zeide ook tot hen eene gelijkenis: Niemand zet eenen iap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen. 37 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de lederen zakken zullen verderven; 38 maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij wordeu beide te zamen behouden. 39 En niemand die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt; De oude is beter. |
|
S8 LUC HOOFDSTUK 6. EN het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat quot;hij door het gezaaide ging; en :ijne discipelen pinkten aren, m aten ze, t/.e wrijvende met de handen.N het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat quot;hij door het gezaaide ging; en :ijne discipelen pinkten aren, m aten ze, t/.e wrijvende met de handen. 2 En suimnigen der Farlzeër» zeiden tot hen: Wanrom doet gij wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten ? :lt; Eu Jezus hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed wanneer hem hongerde en dengenen die met hem waren ? 4 hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, en de toonbrooden genomen en uegeten heeft, en ook gegeven dengenen die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten dan alléén den Priesteren ? 5 En bij zeide tot hen: De Zoon des mensclien iseen Heere ook van den sabbat. fi Eu liet gescliieddc ook op eenen anderen sabbat, dat hij in de Synagoge ging, en leerde. En (Ki.Ir was een menseh, en zijne rechterhand was dor; 7 en de Schriftgeleerden en de Farizeërs namen hem waar, of hij op den sabbat genezen zoude, opdat zij eenige be-schuldU'ing tegen hem mochten vinden. 8 Doch hij kende hunne gedachten, en zeide tot den mensebdie de dorre hand had: Rijs op en sta in 't midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. 9 Zoo zeide dan Jezus tot hen : Ik zal u vrairen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen of kwaad te doen? een menseh te behouden of te verderven ? 10 En hen allen rondom aangezien bebbende, zeide hij tot den menseh: Strek uwe band uit; en hii deed alzoo, en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. |
AS 6. 11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken te zamen met elkander, wat zij Jezus doen zouden. 1*J En het geschiedde in die dagrn dat hij uitging naar den berg om te bidden, en hij bleef den nacht over in liet gebed tot God. IS En als het dag was jrewor-den, riep bij zijne discipelen tot zich, en verkoos er twaalf uit hen, die hij ook Apostelen noemde: 14 namelijk Simon, welken hij ook Petrus noemde, en Andreas zijnen broeder, Jacobus en Johannes, Filippus en Ear-tholomeüs; 15 Mattheiis en Thomas, Jacobus, den zoon van Alfeüs; en Simon genaamd Zelótes; Ui Judas Jaeobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. 17 En met hen afgekomen zijnde, stond hij op eenc vlakke plaats, en met hem de schare zijner discipelen, en eene groote menigte des volks van geheel Jndéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon, IS die gekomen waren om hem te hooren en om van hunne ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. 11) En al de schare zocht hem aan te raken; want daar sing kracht van hem uit, en hij genas ze allen. 2(1 En hij zijne oogen opslaande over zijne discipelen, zeide: Zalig zijt gij armen; want uwer is het Koninkrijk Gods. 21 Zalig zijt gij die nu hongert; want irij zult verzadigd worden. Zalig zijt j:ij die nu weent; want gij zult lachen. 22 Zalisr zijt t'ij wanneer u de menschen haten, en wanneer zij u afscheiden en smagt; den, en uwen naam als kwaad |
|
verwerpen, om des Zoons des uieuschen wil. â¢2:1 Verblijdt u te dien da^e en zijt vroolijk; want zie, uw loon is groot in den hemel; want hunne vaderen deden desgelijks den Profeten. â¢24 Maar wee u, gij rijken; want gij hebt uwen troost weg. â¢20 Wee u, die verzadigd zijt; want gij zult hongeren. Wee n, die nu lacht; want gij zult treuren en weenen. 26 Wee u wanneer alle de inenschen wèl van u spreken; want hunne vaderen deden desgelijks den valsehen profeten. 27 Maar ik zeg ulieden die dit hoort: Hebt uwe vijanden lief, .doet wèl dengenen die u haten, 28 zegent degenen die u vervloeken, en bidt voor degenen die u geweld doen. 29 Deiiifenen die u aan de wang slaat, bied ook de andere; en deii'-fenen die u den mantel neemt, verhinder ook den rok niet te nemen; maar geef een iegelijk die van u begeert, en \an dengenen die het uwe neemt, eiseh niet weder. :lt;1 En gelijk gij wilt dnt ü de inenschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks. 32 En indien srij liefhebt die n liefhebben, wat dank hebt irij ? Want ook de zondaars hebben lief degenen die hen liefhebben. 33 En indien gij coeddoet denirenen die u goeddoen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde. .'{4 En indien gij leent dengenen van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij 'r Want ook de zondaars leenen den zonduren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen. 35 Maar hebt uwe vijanden lief, en doet goed, en leent iS «. 89 |
zonder iets weder te hopen; en nw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Aller-hoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen. 36 Vi'eest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden; 3S geeft, en u zal gegeven worden: eene noede, neergedrukte en geschudde en over-loopende maat zal men in uwen schoot geven; want met dezelfde maat waarmede zijlieden meet, zal ulieden wedergeme-teu worden. 39 En hij zeide tot hen eene gelijkciis: Kan ook wel een blinde eenen blinde op den weg leiden ? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? 4(1 De discipel is niet boven zijnen meester, maar een iege-gelijk volmaakt dincipel zal zijn gelijk zijn meester. 41 En wat ziet gij den splinter die in uws broeders oog is, en den balk die in uw eigen oog is, merkt gij niet? 42 Of hoe kunt srij tot uwen broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik den sp inter die in uw oog is, uitdoe, daar gij zelf den balk die in üw oojc is, niet ziet? Gij geveinsde, doe eerst den balk uit üw oog, en dtkn zult gij bezien oï« den splinter uit te doen die in uws broeders oog is. 43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die sroede vrucht voortbrengt. 44 Want iedere boom wordt uit zijne eigene vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. 45 De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden |
|
90 LU schat zijns harten, en de kwade mensch brengt het kwade voort uit deu kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt 2ijn mond. 4t) En wat noemt gij mij Heere, Heere, en doet niet hetsreen ik zei;? 47 Een ieirelijk 'die tot mij komt en mijne woorden hoort en dezelve doet, ik zal u too-nen wien hij ïelijk is. 48 Hij is gelijk een mensch die een huis bouwde, en sroef, en verdiepte, en leide het fundament op eene steenrots: als nu de hoofje vloed kwam, zoo sloes de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond. 49 Maar die ze srehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mensch die een huis bouwde op de aarde zonder fundament: tegen hetwelk de w;aterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van dat huis was groot. HOOFDSTUK gt; NA DAT hij nu alle ziine woorden voleindigd had ten aan-hoore des volks, ging hij In te Xapérnaiim.A DAT hij nu alle ziine woorden voleindigd had ten aan-hoore des volks, ging hij In te Xapérnaiim. 2 En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven. 3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot hem de Ouderlingen der Joden, hem biddende dat hij wilde komen en zijnen dienstknecht gezond maken. 4 Dezen nu tot Jezus gekomen zijnde, baden hem ernstiglijk, zeggende: 11 ij is waardig dat gij hem dat doet; 5 want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd. |
6 En Jezus ging met hen. Eu als hij nu niet ver van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot hem eenitje vrienden, en zeide tot hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen : 7 daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht om tot u te komen; maar ze^ het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 8 Want ik ben óók een mensch onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mij.iea dienstknecht : Doe dat, en hij doet het. 9 En Jezus dit hoorende, verwonderde zich over hem, en zich omkeerende, zeide tot de schare die hem volgde: Ik zeg ulieden, ik heb zoo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden. 10 En die gezonden waren, wedergekeerd ziinde in het huis, vonden den kranken dienstknecht trezond. 11 En het geschiedde op den volgenden dag, dat hij ging naar eene stad genaamd Naïn, en met hem gingen velen van zijne discipelen en eene groote schare. 12 En als hij de poort der stad genaakte, zienaar, een doode werd uitgedragen, die een eeniggeboren zoon zijner moeder tra*, en zij was weduwe, en eene groote schare van de stad was niet haar. 13 En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. 14 En hij «ring toe en raakte de baar aan (de drairers nu stonden stil), en hij zeide: Jon-geling, ik zeg u, sta op. 15 En de doode zat overeind en begon te spreken; en hij gaf hem aan zij.ie moeder. |
|
16 En vrees beving ze allen, en xij verheerlijkten God, zejr-gende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft zijn volk bezocht. 17 En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judéa en in al het omliggende land. 18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem van alle deze dingen. 19 En Johannes zekere twee van zijne discipelen tot zich geroepen hebbci.de, zond ze tot Jezus, zeggende; Ziit gij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen ? 21) En als de mannen tot hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Dooper heeft ons tot u afVezoi.dcn, zetrgende: Zijt gij die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen ? 21 En in die ure genas hij er velen van ziekten en kwalen en booze ireesten, en velen blinden gaf hij het gezicht. 22 En Jezus antwoordende, zeide tot hen: Gaat henen en boodschapt Johannes wéder de dingen die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de me-laatschen gereinigd worden, de dooven hooren, de dooden opgewekt worden, den ai-men het Evangelie verkondigd wordt; 23 en zaliir is hij, die aan mij niet zal geër-erd worden. 24 Als nu de boden van Johannes wegireiraan waren, -ron hij van Johannes iot de scluiren te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen 'i Een riet dat van den wind finds en weder bewogen wordt? 25 Maar wiit zijt gij uitiregaan te zien 'r Een mensch met zachte kleederen bekleed? Zit-, die in heerlijke kleedintr en wellust zijn. die zijn in de koninklijke boven. 26 Maar wèt zijt gij uitgegaan |
;AS 7. 61 tenien? Een Profeet? Ja, ik zeg u, ook veel meer dan een Profeet. 27 Deze is het van welken geschreven is: Zie, Ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal. 28 Want ik zeg ulieden, onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder Profeet dan Johannes de Dooper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij. 29 En al het volk hem hoo-rende, en de tollenaars die met den doop van Johai.nes gedoopt waren, rechtvaardigden God; 30 maar de Farizeërs en de Wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. .SI En de Heere zeide: Bij wien zal ik dan de menschen van dit iieslacht verirelijken, eu wien fcijn zij gelijk? 32 Zij zijn geiijk den kindereu die op de markt zitten en elkander toeroepen, en zeggen : Wij hebben u op de fluit gespeeld en trij hebt niet gedanst; wij hebben n klaagliederen gezongen en }:ij hebt niet geweend. 33 Want Johannes de Dooper is gekomen noch brood etende, noch wijn drinkende, en gij zegt: Hij heeft den duivel. 34 De Zoon des menschen is gekomen etei.de en drinkende, en gij zegt: Ziedaar een mensch die een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren. 35 Doch de wijsheid is ge-rechtvaardifd geworden van alle hare kinderen. 36 En een der Farizeërs bad hem dat hij met hem ate; en in trepaan zijnde in des Farizeërs-huis, zat hij aan. 37 En zie, eene vrouw in de stad welke eene zondares was, verstaande dat hij in des Farizeërs huis aauzat, bracht^eene |
|
02 LUC albasten flcsch met zalf; 38 en staande achter aan zijne voeten, weenende, betcou zij zijne voelen nat te maken met tranen, en zij droosde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met de zalf. 39 En de Farizeër die hem tre-nood had, zulka ziende, sprak bij ziehzelven, zeggende: Deze, indien hij een Profeet was, zoude wel weten, wat en hoe-danige vrouw deze is die hem aanraakt, want zij is eene zondares. 40 Kn Jezus antwoordende, zeide tot hem: Simon, ik heb u wat te zeggen. Kn hij sprak: Meester, zeg het. 41 Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de één was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig; 42 en als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer liefhebben? 43 En Simon antwoordende, zeide: Ik acht dat hij 'tis wien hij het meest kwijtgescholden heeft. En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld. 44 En hij zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot mijne voeten gegeven; maar déze heeft mijne voeten met tranen nat gemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd. 45 Gij hebt mii geenen kus gegeven; maar déze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen. 4f. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar déze heeft mijne voeten met zalf gezalfd. 47 Daarom zeg ik u, hare zonden zijn haar vergeven die vele waren, want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig |
IS 8. vergeven wordt, die heeft weinig lief. 48 En hij zeide tot haar: Uwe zonden zijn u vergeven. 49 En die niedeaanzaten, begonnen tezegireu bij ziehzelven: Wie is deze, die ouk de zouden vergeeft ? 50 Maar hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga henen in vrede. HOOFDSTUK 8. EN het geschiedde daarna dat hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het E-vangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalveN het geschiedde daarna dat hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het E-vangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalve waren met hem, 2 en sommige vrouwen die van booze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdaléna, van welke zeven duivelen uitgegaan waren, 3 en Johanna, de huisvrouw van Chuzas, den rentmeester van llerodes, en Susanna, en vele andere, die hem dienden van hare goederen. 4 Als nu eene groote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot hem kwamen, zoo zeide hij door gelijkenis: 5 Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ééne bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten het op; (i en het andere viel op eene steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geen vochtigheid had; 7 en het andere viel in het midden van de doornen: en de doornen mede opwassende, verstikten hetzelve; 8 en het andere viel in de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep hij : Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. 9 En zijne discipelen vraag- |
|
LUC den hem, zegende: Wat ma? deze gelijkenis wezen ? 10 En hij zeide: U is het ge-«even de verborirenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en hoo-rende niet verstaan. 11 Dit nu is de gelijkenis: liet zaad is het Woord Gods. 12 En die bii den we? bezaaid morden, zijn nezen die hooren; daarna Komt de duivel en neemt het Woord uit hun hart wesr, opdat zij niet zouden gelooven en zalifj worden. 13 En die up de steenrots bezaaid worden, zijn dezen, die wanneer zij het jjehoord hel)-ben, het Woord met vreutrde ontvangen; en dezen hebben geenen wortel, die maar voor eenen tijd Relooven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af. 14 Eu dat in de doornen valt, dezen zijn die gehoord hebben, en henen^aande, verstikt worden door de zomvuldi rheden en rijkdom en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht. 15 En dat in de goede aarde valt, zijn dezen, die het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, ea in volstandigheid vruchten voortbrengen. 1(gt; En niemand die eeue kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat of zet ze ouder ren bed, maar zet ze op eenen kandelaar, opdat de-renen die inkomen het lieht zien mogen. 17 Want daar is niets verborgen dat niet openbaar zal worden, noch heimelijk dat niet bekend zal worden en in 't openbaar komen. IS Ziet dan hoe gij hoort; want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zoo wie niet heeft, ook hetzeen hij meent te hebben, zal vku hem genomen worden. |
AS S. 93 19 En zijne moeder en zijne broeders kwamen tot hem, en konden bij hem niet komen vanwege de schare. 20 En hem werd geboodschapt van eenigeu die zeiden: Uwe moeder en uwe broeders staan daar ouiten, begeereude u te zien. 21 Maar hij antwoordde en zeide tot hen; Mijne moeder en mijne broeders zijn dezen, die Gods Woord hooren en hetzelve doen. 22 En het geschiedde tn een van die dagen dat hij in een schip ging, en zijne discipelen met hem; en hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde des meers. En zij staken at'. 23 En als zij voeren, viel hij in s.aap; en daar kwam een storm van wind op het meer, on zij werden vol water en waren in nood. 24 En zij giiiiren tot hem en wekten hein op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan. Kn hij opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de water-trolven, en zij hielden op, en daar werd stilte. 25 Eu hij zeide tot hen: Waar is uw «eloof? Maar zij bevreesd zijnde, verwoi.deiden zich, zesr-gende tot elkander: Wie is toch deze, dat hij ook den winden en het water zebiedt, en zij zijn hem gehoorzaam ? 20 En zij voeren voort naar het land der Gadamien, hetwelk is tezenover Galiléa. 27 En als hij aan het land uitgegaan was, ontmoette hem een zeker man uit de stad, die sedert lanzen tijd met duivelen was bezeten geweest; en hij was met zeen kleederen bekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. 28 En hij Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor hem neder, en zeide met eeue groo-te stem; Wat heb ik met u ie doen, Jezus, gij Zoon Gods |
|
m LUC des Allerhooersten ? Ik bid u dat srij mij niet piinist. 29 Want hii had den onreir nen geest geboden dat hij van den mensch zoude uitvaren; want hij had hem nienijren tijd bevansren gehad, en hij werd met ketenen en met boeien gebonden om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. 30 Hn Jezus vraagde hem, zeggende; Welke is uw naam? En hij zeide: Legio; want vele duivelen waren in hem Bevaren. 31 En zij baden hem, dat hij hun niet gebieden zoude in den afgrond henen te varen. 32 En aldaar was eene kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden hem, dat hij hun wilde toelaten in dezelve te varen; en hij liet het hun toe. 33 En de duivelen uitvarende van den mensch, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steil t-e af in het meer, en versmoorde. 34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht, en henengaande, boodschapten het in de stad en op het land. 35 En zij giniren uit om te zien hetgeen ireschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mensch van welken de duivelen uitgevaren waren, zittende aan de voeten van Jezus, gekleed en wèl bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. 36 En ook die het gezien hadden, verhaalden hun hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de geheele menigte van het omliggende land der Ga-darénen baden hem dat hij van hen wegging; want zij waren met groote vrees bevangen; en hij in het schip gegaan zijnde, keerde weder. |
.S 8. 38 En de man van welken de duivelen uitgevaren waren, bad hem dat hij mocht bij hem zijn. Maar Jezus liet hem vèn zich gaan, zeirgende: 39 Keer weder naar uw huis, en vertel wat groote dingen u God gedaan heeft. En hij ging henen, door de geheele stad verkondigende wat groote dingen Jezus hem gedaan had. 40 En het geschiedde als Jezus wederkeerde, dat hem de schare ontving; want zij waren allen hem verwachtende. 41 En zie, daar kwam een man wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der Synatroge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad hem dat hij in zijn huis wilde komen ; 42 want hij had eene éénige dochter van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als hij henen ging, zoo verdrongen hem de scharen. 43 En eene vrouw die twaalf jaren lang den vloed des bloed» gehad had, welke al haren leeftocht aan medicijnmeesters ten koste geleird had, en van niemand had kunnen genezen worden, 44 van achteren tot hem komende, raakte den zoom zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed baars bleeds. 45 En Jezus zeide: Wie is het die mij heeft aangeraakt? En als zij het allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen u, en zegt irij; Wie is het die mij aan-'eraakt heeft ? 4fi Ei J.'ius zeide: Iemand heeft mij aangeraakt; want ik heb bekend dat kracht van mij uitgecraan is.' 47 De vrouw nu ziende dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor hem neder-vallende, verklaarde hem voer al het volk om wat oorzaak zij |
|
hem aangeraakt had, en hoe zij terstund genezen was. 48 En hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede. 49 Als hij nog sprak, kwam daar een van het huis van den overste der Synagoge, zeggende tot hem: Uwe dochter is gestorven; wees den Meester niet moeielijk. 51) Maar Jezus dat hoorende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet; geloof alleenlijk, en zü zal behouden worden. amp;1 En als hij in het huis kwam, liet hij niemand inkomen dan Petrus en Jacobus en Johannes, en den vader en â¢de moeder des kinds. óquot;2 En zy schreiden allen en maakten misbaar over haar. En hjj zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt. 53 En zij belachten hem, wetende dat zij gestorven was. 54 Maar als hij ze allen uitgedreven had, greep hij hare hand en riep, zeggende: Kind, sta op! 55 En liaar geest keerde weder, en zjj is terstond opgestaan; en hjj gebood dat men haar te eten geven zoude. 56 En hare ouders ontzetten zich; en hij beval hun dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was. HOOFDSTUK 9. EN zijne twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf hij hun kracht en macht over alle de duivelen, en om ziekten te genezen,N zijne twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf hij hun kracht en macht over alle de duivelen, en om ziekten te genezen, 2 en zond ze henen om te prediken het Koninkrijk Gods, en â¢de kcanken gezond te maken. 3 En hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. |
.S 9. 95 4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit. 5 En zoo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uwe voeten, tot een getuigenis tegen hen. (gt; En zij uitgaande, gingen alle de vlekken door, verkondigende het Evangelie, en genezende de zietcen overal. 7 En Uerodes de Viervorst hoorde alle de dingen die van hem geschiedden, en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan; M en van sommigen, dat Elia verschenen was; en van anderen. dat een Profeet van de ouden was opgestaan. 9 En 11 erodes zeide: Johannes heb ik onthoofd: wie is nu deze, van welken ik zulke dingen hoor? Eu hij zucht hem te zien. 10 En de Apostelen wedergekeerd zijnde, verhaalden hem al wat zij gedaan hadden. En hij nam ze mede, en vertrok alléén in eene woeste plaats der stad senaamd Bethsaïda. 11 Eu de scharen dut verstaande, volgden hem; en hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van nuode hadden, maakte hij gezond. 12 En de dag beiron te dalen; en de twaalve tot hem komende, zeiden tot hem : Laat de schare vün u, opdat zij henen^aande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijs vinden; want wij zijn hier in eene woeste plaats. 13 Maar hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf brooden en twee vis-schen; tenzij dan dat wij henengaan en spijs koopen voor al dit volk. |
|
9(1 LUC 14 Want daar waren omtrent vijf duizend nianueu. Doch hij zeide tot zijne discipelen: Doet hen ncderzitten bij afdeelinKcn, elk van vijftitr. 15 Kn zij deden alzóó, en deden ze allen nederzitten. 1(» En hij, de vijf broeden en de twee visschen genomen hebbende, zas; öp naar den hemel en zegende die, en brak ze, en ^af ze den dicipelen om der schare voor te leitRen. 17 Kn zij aten en werden allen verzadigd; en daar werd opgenomen hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven. is Kn het peschiedde als hij alléén was, biddende, dat de discipelen met hem waren, en hij vraasrde hun, zejrfrende: Wie zeggen de scharen dat ik ben ? l1.» Kn zij antwoordende, zeiden: JoliHimes de Dooper; en anderen, Elia; en anderen, dat eenig Profeet van de ouden opgestaan is. *20 En hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt fdj dat ik ben? En Petrus antwoordende, zeide: De Christus Gods. *21 Kn hij gebood hun scher-pelijk en beval dat zij dit niemand zeggen zouden, 22 zeRsrende: De Zoon des menschen moet veel lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en Overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood, en ten derden dage opgewekt worden. 2H Kn hij zeide tut allen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloocüene xichzelven, en neme ziju kruis dagelijks op en vol ge mij. ... '24 ant zoo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal het behouden. 25 Want wat baat het een mensch die de geheele wereld zoude winnen, en zichzelven |
AS 9. verliezen of schade zijns zelfs lijden ? 2fi Want zoo w ie zich mijns en miiner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer hij komen zal in zijne heerlijkheid en in de heerliik-heiil des Vaders en der heilige Engelen. 27 Kn ik zeg u waarlijk, daar zijn sommigen dergenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk Gods zullen gezien hebben. 28 Kn het geschiedde omtrent acht dagen na deze woorden, dat hij medenam Petrus en Johannes en Jacobus, en klom op den berg om te bidden. 29 Kn als hij bad, werd de gedaante zijns aangezichts veranderd, en zijne kleeding ^ it en zeer hlinkende. 30 Kn zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en Klia: 31 dewelke gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden zijnen uitgang dien hij zoude volbrengen te Jeruzalem. 32 Petrus nu en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij zijne heerlijkheid en de twee mannen die bij hem stonden. 33 Kn het geschiedde als zij van hem afscheidden, zoo zeide Petrus tut Jezus : Meester, het is goed dat wij hier ziin; en laat ons drie tabernakelen maken, voor u éénen, en voor Mozes éénen, en voor Klia éénen, niet wetende wat hij zeide. 34 Als hij nu dit zeide, kwam eene wolx en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die iu de wolk ingingen. 35 En daar geschiedde eene stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon: hoort hem. 36 En als de stem geschiedde. |
|
7.oo werd Jezus alléén Revon-den. Ku zij zweden stil, en verhaalden in die dai;i'ii nic-iiiand iets vau hetgeen zij gezien hadden. IfJ En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den her» afkwamen, dat hem eene groote schare te gcmoet kwam. tis En zie, een man van de schare riep uit, ze-rstende ; Meester, ik bid u, zie tuch mijnen zoon aan, want hij is mij een eeniggeborene: :w en zie, een sreest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks vsUi hem, en verplettert liem; 40 en ik heb uwe discipelen ^ttheden dat zij hem zuuden uitwernen, en zij hebben niet gekund. 41 En Jezus antwoordende, zeide: O ongeloovi^ en verkeerd geslacht, hoe lauj; zal ik nog bij ulieden zijn en nlie-deu verdragen? Breng uwen zoon hier. 4 2 En nog als hij naar hem toe kwam, scheurde hem de duivel en verscheurde Am ; maar Jezus bestrafte dea on-reinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hein zijnen vader weder. 4» En zij werden allen versla-tren «ver de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over alle de dimren die Jezus eedaaii had, zeide hij tot zijne discipelen: 44 Lest irij deze woorden in uwe ooren: Want de Zoon des menschen zal overgeleverd worde.» in der menschen han-dt'u. 45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verhorren, alzo» dat zij liet niet be-repen; en zij vreesden van dat woord hem te vrnquot;en. 41» En daar rees eene overleg- |
is» y; King onder hen, namelijk wie van hen de meeste ware. 47 Maar Jezus ziende de overlegging hunner harten, nam een kindekeu en stelde dat bij zich, 4S cn zeide tot hen: Zoo w ilt;' dit 'xiudeken ontvangen zal in mijnen naam, die ontvangt mij ; en zoo wie mij ontvangen zal, die ontvangt Hem die mij gezonden heeft. Want die de minste ouder u allen is, die zal groot zijn. 49 En Johannes antwoordde en zeide: Meester, wij hebben eenen gezien die in uwen naam de duivelen uitwierp, en wij hebben 't hem verboden, omdat h;j u met ons niet volgt. 51» En Jezus zeide tot hein : Verbiedt het niet, want wie tégen o.is niet is, die is voor ons. 51 Eu het geschiedde als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo richtte hij zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen: 5-2 en hij zond boden uit voor zijn aanireziehi, en zij henen-gereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor hem herberg te bereiden. ;â gt;;lt; En zij ontvingen hem niet. omdat zijn aangezicht was aU reizende naar Jeruzalem. 54 Als nu zij.e discipelen Jacobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Ileere, wilt gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft? 55 Maar zich omkeerende, be; strafte hij ze en zeide: üij weet niet quot;van hoedauigen geest gij zijt; 5fi want de Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gin-^en naar een ander vlek. 57 En het geschiedde op den weg als zij reisden, dat een tot hem zeide; Jleere, ik zal |
|
98 LUC:4 u volgen wanr {?'j honen-};aat. 58 En Jezus zeide tot hein; De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten ; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hooi'd nederleirsre. 59 En hij zeide tot eenen anderen : Volg mij. Docli hij zeide: Heére, laat mij toe dat ik henenira en eerst mijnen vader bejxrave. fio Maar Jezus zeide tot hem : Laat de dooden hunne dooden begraven; doch gij, }ra henen en verkondig het Koninkrijk Gods. fil En ook een ander zeide: Heere, ik zal u volsen; maallaat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn. (52 En Jezus zeide tot hem: ^Niemand die zijne hand aan den ploi'S slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods. HOOFDSTUK 10. EN na dezen stelde de Heere nog zeventig anderen, en zond ze henen voor zijn aanRe-zicht, twee en twee, i.i iedere stad en plaats waar hij komen zoude.N na dezen stelde de Heere nog zeventig anderen, en zond ze henen voor zijn aanRe-zicht, twee en twee, i.i iedere stad en plaats waar hij komen zoude. 2 Hij zeide dan tot hen: De ooirst is wel proot, maar de arbeiders zijn weiniare; daarom bidt d«M Heere des ooirsti-s, dat hij arbeiders in zijnen oo^st uitstoote. 3 Gaat henen: zie, ik zend u als lammeren in het midden der wolven. 4 Draa-'t geenen buidel, noch male, noch schoenen, en groet niemand op den weg. 5 En in wat huis gij zult ingaan, ze-rt eerst: Vrede zij dezen huize! fi En indien aldaar een zoon des vredes is, zoo zal uw vrede op hem rusten: maar indien niet, zoo zal uw vrede tot u wederkeeren. |
S 10. 7 En blijft in dat huis, etende en drinkende hetgeen van hen ruoryezet wordt; want de arbeider Is zijn loon waardig. . Gaat niet óver van /iet êêne huis in het andere huis. « En in wat stad gij zult ingaan en zij u ontvangen, eet hetgeen u lieden voorgezet wordt; 9 en geneest de kranken die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. 10 Maar in wat stad gij zult. ingaan en zij u niet ontvangen, uitgaande op hare straten zoo zegt: 11 Ook het stof dat uit uwe stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is. 12 En ik zeg u, dat het. dien run Sodoni verdraaglijker wezen zal in dien dag dan die stad. 13 Wee u C'liorazin, wee u Bethsaida! Want zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en asch zittende, zich bekeerd hebben. 14 Doch het zal Tyrus en Si-don verdraaglijker zijn in bet oordeel dan ulieden. ló En gij Kapérnaüm,. dat tot den hemel toe verhoogd zijt, gij znlt tot de hel toe nederge-stooten worden. 16 Wie u hoort, die hoort mij, en wie u verwerpt, die verwerpt mij; en wie mij verwerpt, die verwerpt dengenen die mij gezonden hoeft. 1/ En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam. 15 En hij zeide tot hen: Ik zag den satan gt;.ls een bliksem uit den hemel vallen. 19 Zie, ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te |
|
treden, en over alle kracht des vijand»; en green dins ^al u eenisszins beschadigen. 20 Doch verblijdt u drirtrin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veelmeer dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen. 21 Te dier ure verheugde zich Jezus in don geest, en zeide: Ik dank L' Vader, Ileere des hemels en der a.irde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandi ren verborgen hebt, en hebt dezelvedei kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzóó is geweest het welbehagen voor U. 22 Alle dingen zijn mij van mijnen Vader over regeven; en niemand weet wie de Zooa is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon, en wien het de Zoon zal wille.i openbaren. 23 En zich kcere'nde naar de discipelen, zeide hij tot hen alléén: Zalig zij i de oogeu die zien hetgeeii gij ziet. 24 Want ik zeg u dat vele Profete.i en Koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet geziea, e.i te hooren hetgeen 'rij hoort, en hebben het niet schoord. 25 En zie, een zeker Wetgeleerde sto.id op, hem verzoekende, e.i zeg ce.ide; Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerve i ? 26 En hij zeide tot hem: Wat is in de Wet geschreven? Hoe leest gij ? 27 En hij antwoordende, zeide: Gij zult deii Ileere uwen God liefhebbt.i uit g.-heel uw hart en uit geheel uwe ziel e.i uit geheel uwe kracht en uit geheel uw verstand, en uwen naaste als uzelven. 2S Ea hij zeide tot hem : Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven. 29 Maar nij willende z'chzel-ven rechf aardi-ren, zeide tot Jezus; Kn wie is mijn aaste? :lt;0 En Jezus antwoordende. |
S 10. 99 zeid'?: Een zeker mens'ch kwam ut' van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen en daartoe zware slagen gegeven hebbende, hcnenirintren, e« lieten hem halfdood lig ren. 31 Eu bijireval kwam een zeker Friester dien weir af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. .'{â¢2 En desrelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij en zag hem, en ging terenover hem voorbij. 33 Maar een ^eker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hii met innerlijke ontferming bewo-, gen; 34 en nij tot hem gaande, verbond nijne wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem hellende op zijn ei'jén beest, voerde hij hem in de herberg en verzorgde hem. 35 En des anderen daa rs, weggaande, lanrde hij twee penningen uit, en iraf zeden waard, en zeide tot hem : Draa * zorg voor hem; en zoo wat gij meer aan hem ten koste zult le riren, dat zal ik u wedergeven als ik wederkom. 31» Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn des renen die ouder de moordenaars gevallen was ? 37 Kn hij zeide: Die barmhartigheid aan hem iredaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem: 'Ja henen en doe irij desgelijks. 3* En het geschiedde als zij reisden, dat hij kwam in een vlek; eneene zekere vrouw, met name Martha, ontving hem in haar hui*. 39 En deze had eene zuster, genaamd Marin, welke ook zittende aan de voet n van Jezus zijn woord hoorde. 4lt;i Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en-daar bijkomende, zeide zij : Ileere,trekt 'ij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alléén laat dienen? |
WO LUC.
Zeg dan haar dat zij mij helpe.
41 Kn Jezus antwoordende, zeide tot haar; Martlia, Martha, gij bekommert en ontrukt u over vele dingen,
42 maar één ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.
HOOFHSTUK 11.
EN het geschiedde toen hij in eene zekere plaats was biddende, als hij ophield, dat een van zijne diseipelen tot hem zeide; Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijnen discipelen geleerd heeft.N het geschiedde toen hij in eene zekere plaats was biddende, als hij ophield, dat een van zijne diseipelen tot hem zeide; Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijnen discipelen geleerd heeft.
2 En hij zeide tot hen : Wanneer gij bidt, zoo zegt: Onze Vader die in de hemelen z\)t, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel alzóó ook op de aarde;
H geef ons eiken dag ons dage-iijksch brood;
4 en vergeet ons on/.e zonden, want ook wij vergeven aan een ieirelijk die ons schuldig is; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
5 En hij zeide tot hen: Wie van u zal eenen vriend hebben, en zal te middernacht tot hem gaan,en tot hem zeggen ; Vriend, leen mij drie brooden,
6 overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet wat ik hem voorzette;
7 en dat die van binnen antwoordende, zoude zeggen; Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en miine kinderen zi^n met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om u te geven ?
S Ik zeg ulieden, hoewel hij niet zoude opstaan en hem geven omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid wil zal hij on-staan en hem geven zooveel als hij er behoeft.
U En «k zeg ulieden: Bidt,
AS 11.
en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
10 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.
11 En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem eenen steen geven? of ook om eenen visch, zal hem voor eenen visch eene slang geven?
12 Of zoo hij ook om een ei zoude bidden, zal hij hem een schorpioen geven?
l.S Indien dan gij die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, boeveel te meer zal de hemelM-he Vader den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden!
14 En hij wierp eenen duivel nit, en die was stom; en het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich;
15 maar sommigen van hen zeiden; Hij wernt de duivelen uit door Ueëlzebul, den overste der duivelen.
1(5 En anderen hem verzoekende, begeerden van hem een teeken uit den hemel.
17 Maar hij kennende hunne gedachten, zeide tot hen : leder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis te^en zichzelf verdeeld zijnde, valt: IS indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? De-wiil gij zegt dat ik door Beël-zebul de duivelen uitwerp.
19 En indien ik door Beëlzc-bul de duivelen uitwerp, door wien werpen uwe zonen ze uit? Daarom zullen dézen uwe rechters zijn.
20 Maar indien ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods «ot u gekomen.
21 Wanneer een sterke gewn-
|
pende zijn hof bewaart, zoo is al vrat hij heeft, in vrede ; â¢22 maar als een daarover komt die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijne fte-heele wapenrusting waar hij op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit. 23 Wie mtH mij niet is, die is téfcen mij; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. 24 Wanneer de onreine jreest van den menseh uitpevaren is, zoo gant hii door dorre plaatsen. zoekende rust, en die niet vindende, zeitt hij ; Ik zal we-derkeeren in mijn huis waar ik uitgevaren hen; 25 en komende, vindt hij het mot hezemea gekeerd en versierd. 2») Dan gaat hij henen en neemt met zieh zeven eik'ere quot;eesten, hoozer dan hijzelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien menseh wordt erger dan het eerste. 27 En het geschiedde als hij deze dingen sprak, dat eei e zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot hem zeide: Zalig is de buik, die u gedragen heeft, en de borsten, die gij hebt gezogen. 2S Maar hij zeide: Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods hooren en hetzelve bewaren. 29 En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon hij te zeggen: Dit is een boos geslacht: het verzoekt een teeken, en aan hetzelve zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet. :lt;(⢠Want gelijk Jona voor de Ninevieten een teeken geweest is. alzóó zal ook de Zoon des menschen zijn voor dit geslacht. :{1 De Koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordeelen ; want zii is gekomen van de einden der aarde om te hooren |
S 11. 101 de wijsheid van Salomo; en zie, meer dan Salomo is hier. 32 De mannen van N inevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier. 33 En niemand die eene kaars ontsteekt, zet die in het verborgen noch onder eene korenmaat, maar op eenen kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen. 34 De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheele liehaam verlicht; maar zoo her boos is, zoo is ook uw (jeheelr lichaam duister. 35 Zie dan toe, dat i iet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij. 36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende eenig deel dat duister is, zoo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht. 37 Als hij nu dit sprak, bad hem een zeker Farizeer, dat hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat hij aan. 3s Kn de Farizeër dat ziende, verwonderde zich dat hij niet eerst vóór het middagmaal zich gewasschen had. :lt;lJ En de lleere zeide tot hem: Nu, gij Farizeërs, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. 40 Gij onverstandigen, die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt? 41 Doch geeft tot aalmoezen hetgeen daarin is, en zie, alles is u rein. 42 Maar wee u, Farizeërs; want cij vertient munte en ruit en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde |
|
102 LUC.J Gods. Pit moest men doeu en het andere niet nalaten. 4H Wee u, Farizeërs; want pij bemint het voorgestoelte in de Syna-'OKen, en de begioelin-pen op de markten. 44 Wee u, gij Scliriftercleerdeu en Faiizeërs, pij geveinsden; want pij zijl pelijk de praven die niet openhaar zijn, en de menschen die daarover wandelen weten 't niet. 45 Eu een van de Wetgeleerden antwoordende, zeide tot hem: Meester, als pij deze dingen zequot;t zoo doet pij ook ons smaadheid aan. 4'! Doeh hij zeide: Wee ook u, Wetpeleerden, want pij belast de menschen met lasten zwaar om te drapeu, en zeiven raakt pij die lasten niet aan met één van uwe vinperen. 47 Wee u; want pij bouwt de praven der Profeten, en uwe vaderen hebben dezelven pe-dood. 4M Zoo petuipt pij dan dat pij mede behapen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben ze pedood, en gij bouwt hunne irraven. 49 Waarom nok de Wijsheid Gods zegt: Ik zal Profeten en Apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij soininii/fn donden, en sommiijeu zullen zij uitjagen, 50 opdat van dit geslacht af-peëiseht worde het bloed van alle de Profeten dat verpoten is van de urondlepping der wereld af, 51 van het bloed Abels tot h t bloed va i Zacharia, die pedood is tussehen het altaar en het Huis Codti ; ja, zesr ik u, het zal afVeeiseht worden van dit peslaeht. 52 Wee u, irij Wetpeleerden; want '.rij hebt den sleutel der kennis wep -enomen : pijzelven zijt niet inpepaan, en die ingingen, hebt irij verhinderd. 53 En als hij deze dinpen tot hen zeide, begonnen de Schrift- |
5 12. peleerden en Farizeërs hard aan te houden, en hem van vele dingen te doen spreken, 54 hem lagen leggende, en zoekende iets uit zijnen mond te bejagen, opdat zij hem beschuldigen mochten. HOOFDSTUK 12. AT,S intusschen vele duizenden der schare bijeenver-gaderd waren, zoodat zii elkander vertraden, bepon hij te ze pen tot zijne discipelen ; Vooreerst, wacht uzelvcn voor den zuurdeesem der Farizeërs, welke is geveinsdheid. 2 En daar is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en verborpen dat niet zal geweten worden.T,S intusschen vele duizenden der schare bijeenver-gaderd waren, zoodat zii elkander vertraden, bepon hij te ze pen tot zijne discipelen ; Vooreerst, wacht uzelvcn voor den zuurdeesem der Farizeërs, welke is geveinsdheid. 2 En daar is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en verborpen dat niet zal geweten worden. Daarom al wat pij in de duisternis p. zepd hebt, zal in het licht pehoord worden; en wat pij in h' t oor pesproken hebt in de binnenkamers, zal op de daken pepredil-t worden. 4 En ik zep u mijnen vrienden, vreest niet voor degenen die het lichaam dooden, en daarna niets méér kunnen doen; 5 maar ik zal u toonen wien â¢/ij vieezen zult: vreest' dien, die nadat Hij «cdood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen : ja, ik zeg u, vreest dien. fi Worden niet vijf muschkeus verkocht voor twee pennings-kens? Eu niet één van die is voor God verpeten. 7 Ja, ook de haren uws hoofds zijn alle ireteld. Vreest dan niet: pij traat vele muschkeus te boven. s En ik zej; u, een iegelijk die mij belijden zal voor de meu-schen, dien zal ook de Zoon «les menschen belijden oor de En-pelen Gods; 9 maar wie mij verloochenen zal voor de menschen, die zal verloochend worden voor de Engelen God:. |
AS 12. 103
zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.
22 En hij zeide tot zijne discipelen: Daarom zeg ik u, zijt niet bezorgd voor uw leven, wat ir j eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleeden zult:
21$ het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding.
24 Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve: hoeveel gaat gij de vogelen te boven!
25 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen?
2'; Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor andere dingen bezorgd? 27 Aanmerkt de leliën, hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet, en ik ze-r u, ook Salomo in al zijne heerlijkheid is niet hekleed geweest als ééne van deze.
2S Indien nu God het gras, dat heden op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt, alzóo bekleedt, hoeveel te meer u, --'ij kleingeloovigen! 2lt;.t En gijlieden, vraagt niet wat gij eten of wat irij drinken zult, en weest niet wankelmoedig ;
30 want alle deze dingen zoeken de volkeren der wereld; maar uw Vader weet dat gij deze dingen behoeft.
:{1 Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en alle deze dimren zullen u toegeworpen worden. ;J2.Vrees niet, gi^ klein kuddeken; want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.
Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes; maakt uzel-veu buidels die niet verouden, eeuen schat die niet afneemt in de hemelen, waar de dief niet bijkomt noch de mot verderft.
LUC.
10 En em iegelijk die eeuiy woord spreken /.al tesen den Zoon des meiiKelien, het zal hein verareven worden; maar wie teïen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden.
11 En wanneer zij u henen-brengen zullen in de Synagogen en tot de overheden en de machten, zoo zijt niet bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zeggen of wat gij spreken zult;
12 want de Heilige Geest zal u in die ure leeren hetgeen gij spreken moet.
n En een uit de schare zeide tot hem: Meester, zeg mijnen broeder dat hij met mij de erfenis deele.
14 Maar hij zeide tot hem: Mensch, wie heeft mij tot een rechter of scheidsman over ulie-den gesteld?
15 En hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid: want liet is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijne goederen.
Ifi En hij zeide tot hen eene gelijkenis, en sprak: Eens rijken menschel» land had wèl gedragen;
17 en hij overleide bij zich-zelven, zeggende: Wat zal ik doen? want ik heb niet waarin ik mijne vruchten zal verzamelen.
IS En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijne goederen,
19 en ik zal tot mijne ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren : neem rust, eet, drink, wees vroolijk.
â¢20 Maar God zeide tot hem : Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?
31 Alzóó i» 't met dien die
|
ÃOi LUCi :{l Want waar uw schat is, aldaar zal (Kik uw hart xijn. H5 Laat uwe lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende; :«» en zijt Kà den mensehen gelijk dit' op liunneu heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als iiij komt en klopt, zij hein terstond inoeen opendoen. ;{7 Zalig zijn die dienstknechten, welke de lieer als hij komt, zal wakende vinden: voorwaar ik zes? u, dat hij zich zal om-jrorden, en ze zal doen aanzit-ten; en bijkomende, zai hij hen dienen. :{,s En zoo hij komt in de tweede nac/itwuHk, en komt in de derde waak, en vindt ze alzóó. zalig zijn die dienstkneehten. S;gt; Maar weet dit, dat indien de heer des huizes 'eweteu had, in welke ure de dief zoude komen, hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven. 10 Gij dan, zijt óók bereid: want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensehen komen. 11 En Petrus zeide tot hem: Ileere, zegt gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen ? â¢12 En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijne dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te â W Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer als hij komt, zal vinden alzóó doende: It waarlijk, ik zeg ulieden dat hij hem over alle zijne goederen zetten zal. 4ó Maar indien die dienstknecht in zijn hart zou zeggen : Mijn heer vertoeft te komen, en zoude be-rinnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden, 4i) zoo zal de heer van dien dienstknecht komen ten dage ,S 12. |
op welken hij hem niet verwacht, en ter ure die li ij niet weet, en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen. 47 En die dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns heeren, en zich niet bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden; 48 maar die denzelven niet geweten heeft en gedaan heeft ilinyen die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. Eu een iegelijk wien veel gereven is, van dien zal veel geëisclit worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eischeii. 49 Ik ben gekomen om vuur op de aa.de te werpen; en wat wil ik, indien het aireede ontstoken is? 50 Maar ik moet met cenen doop gedoopt worden, en hoe word ik sreperst, totdat het volbracht is! 51 Meent gij dat ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Neen, zeg ik u, maar veeleer verdeeldheid. W Want van nu aan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie; 53 de vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de docht-r tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter, en de schuondoehter tegen hare schoonmoeder. 54 En hij zoide ook tot de scharen : Wanneer gij eene wolk ziet opiraan van het Westen, ter-stondzegt gijlieden : Daar komt regen; en het geschiedt alzoo; 55 en wanneer gij den zuidenwind zift waaien, zoo zegt gij; Daar zal hitte zijn; en het geschiedt. 5(1 Gij geveinsden, het aanschijn der aarde en des hemels |
|
LU C.J weet ffij to beproeven, en hoe beproeft jfij dezen tijd niet? 57 En wnaiom oordeelt gij ook van uzelven niet hetgeen recht is? 58 Want als gij henenpraat met uwe wederpartij voor de overheid, /.00 benaarsti? u op den wei? om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de srerecutsdie-naar uin de gevangenis werpe. 59 Ik zeg u, gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningsken betaald zult hebben. HOOFDSTUK IS. EN daar waren te dierzelfdcr tijd eenigen tenen woord is, die hem boodschapten van de Galilcers, welker bloed Pilatus met hunne ofteranden gemengd had.N daar waren te dierzelfdcr tijd eenigen tenen woord is, die hem boodschapten van de Galilcers, welker bloed Pilatus met hunne ofteranden gemengd had. 2 Kn Jezus antwoordde en zei-de tot hen: Meent irij dat deze Galilcers zondaars zijn geweest boven alle de Galileëra, omdat zij zulks geleden hebben ? :t Ik zeg u, neen zij; maar indien «ij u niet bekeert, z gt;0 zult gij allen desgelijks vergaan. 4 Of die achttien, op welke de toren in Silónm viel en doodde ze, meent gij dat deze schuldenaars zijn geweest boven alle meuschen die in Jeruzalem wonen ? 5 Ik zeg u, neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan. fi Kn hij zeide deze gelijkenis-. Ken zeker man had eenen vijgeboom, geplant in zijnen wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. 7 Kn hij zeide tot den wijngaardenier : Zie, ik kom nu die jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, on vind ze niet. houw hem uit: waartoe ,S 13. 105 |
beslaat hij ook onnuttelijk dc aarde ? 8 Kn hij antwoordende, zeide tot hem: Meere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; 9 en indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan maar indien niet, zoo zult gij hem nainaals uithouwen. 10 Kn hij leerde op den sabbat in een der Synagogen. 11 Kn zie, daar was eenc vrouw die eenen geest der krankheid achttien jaren lang gehad liad, en zij was samen-irebogen en kon zich gansche-lijk niet oprichten. 12 Kn Jezus haar ziende, rieigt; ze tot zich, en zeide tot haar : Viouw, «ij zijt verlost van uwe krankheid. IH Ku hij leide de handen op haar, en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God. 14 Kn dc overste der Synagoge, kwalijk nemende dat Jezus op den sabbat irene/.en had, antwoordde en zeide tot de schare: Daar zijn zes dagen op welke men moet werken: komt dan op dezelve en hiat n genezen, en niet op den dag des sahbats. 15 De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij sreveinsdc, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijnen os of ezel van de kribbe los, en leidt Am henen om te doen drinken? i(5 Kn deze, die eene dochter Abrahams is, welke de satan, zie, nu achttien jaren gebonden bad, moest die niet lossye-maakt worden van dezen bami o]) den dag des sabbats? 17 Kn als hij dit zeide. werden zij allen beschaamd die zich tegen hem stelden, en al de schare verblijdde zich over alle de heerlijke dingen die van hem geschiedden. IS Kn hij zeide : Waaraan is het Koniukrijk Gods gelijk. |
|
106 LUC â¢en wnarbij zal ik hetzelve vergelijken? 19 liet is gelijk een mostaardzaad, hetwelk een inensch ^e-uonien en in zij.ien hot' geworpen heeft; en het wies op en werd tot eenen jrruoten boom, en de vogelen des hemels nestelden i.i zijiie t ikken. 20 En hij zeide wederom : Waarhij zal ik het Koninkrijk Gods vergelijken - â¢21 Het is relijk een zuur-deesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. 22 Eu hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, leerende, en richtende zijne reis naar Jeruzalem. 23 Eu daar zeide een tot hem: Ileere, zijn er ook weinigen die zalig worden ? Eu hij zeide tot hen; 21 Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (ze.ic ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen ; 25 namelijk nadat de heer des 'huizes zal opiesiaan zii.i en de deur zal gesloten hebben, en sij zult beginnen huiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer. heer, doe ons open! en hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet van waar Rà zijt. , . 26 Alsdan zult t;ij beginnen te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid ge-reten en gedronken, en irij hebt in onze straten geleerd. 27 En hij zal zergen: Ik zeg u, ik ken u niet van waar gij zijt: wijkt van mij af, alle gij werkers, der ongerechtigheid.' 28 Aldaar zal zijn weening en knersinn der tanden, wanneer gij zult zien Abraham en Isaak en Jakob en alle de Profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen. |
S 14. 29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. Ill En zie, daar zijn laatsteu die de eersten zullen zijn, en daar zijn eersten die de laatsteu zullen zijn. 31 Te die.i dare kwamen daar een i re Farizevrs, zeggende tot hem: Ga welt; en vertrek van hier, want llerodes wil u doo-deu. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen en zegt dien vos: Zie. ik werp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, en ten derden datje word ik voleindigd. 33 Doch ik moet heden en morgen en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. 34 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en stee-nigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvenra-deren, gelijkerwijs eene hen hare kiekens onder de vleugelen verf/adert, en gijlieden hebt niet gewild. 35 Zie, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar ik zeg u, dat gij mij niet zult zien, totdat de. tijd zal gekomen zijn als gij zult zeggen: Gezegend is hij die komt in den naam des lleeren. HOOFDSTUK 14. EN het geschiedde als 'hij gekomen was in het huis van een der oversten der Fari-zeërs, op de i sabbat, om brood te eten, da: zij hem waarnamen.N het geschiedde als 'hij gekomen was in het huis van een der oversten der Fari-zeërs, op de i sabbat, om brood te eten, da: zij hem waarnamen. 2 En zie, daar was een zeker waterzuchtig meusch vóór hem. 3 En Jezus antwoordende, zeide tot de Wctgeleer en en Fa-rizeers, en tprak: Is het ook |
|
LUCi ïreoorloofd op den sabbnt gezond te tnaki n ? 4 Maar zij zweden stil. Eu hij nam hem en ^enas hein, en liet hem gaan. 5 Eu hij hun antwoordende, ieide: Wiens ezel of os van ulieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den da;; des sahhats ? (i Kn zij konden hem daarop niet weder antwoorden. 7 Kn hij zeide tot de penoo-den eene gelijkenis, aanmerkende hoe zij de voornai.zittingen verkoren,ze 'gende tot hen : 8 Wanneer jrij van iemai.d ter hruiloit irenood zult zijn, zoo zet u niet op de eerste zitplaats; opdat niet missehien een waardiger dan sjij \an hem genood zij, 9 en hij komende die u en hem gei ood heeft, tot u zenge ; Geet di-zepi plaats, en irij alsdan zoudt bepinnen met scliaanite de hmtste plaats te houden. 1(» Maar wanneer trij genood zult zijn, pa henen en zet u op de laatste plants; opdat wanneer hij komt die u irenood heeft, hij tot u zeme : Vriend, sra hoorer op : alsdan zal het u eer zij , oor degenen die met u aa..zitten. 11 Want een iegelijk die zieli-zelven verhoopt, zal vernederd worden en die zichzelven vernedert zal verhoogd worden. 1. En hij zeide ook ot den-srenen die hem irenood had: Wanneer irij een middairmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noeh uwe magen, noeh uwe. rijke ireburen, opdat ook dezelven u niet te eeniger tijd wedernooden en u vergelding ares-chiede. i:{ Maar wanneer irij een maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kreu^ielen, blinden; 14 eu gij zult zalip zijn, om- |
S 14. 107 dat zij niet hebben om n te verfrelden ; want het zal u ver-trolden worden in de opstan-dinsr der reehtvaardi ren. 15 En als een van degenen die medeaa .zaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot hem: Zaliir if. hij die brood eet in het Koninkrijk Gods. Ifi Mai.r hij zeide tot hem: Een zeker mensch bereidde een «rroot a\oigt;dmaal, en hij noodde er velen; 17 en hij zond zijnen dienst-kneeht uit ter ure des avond-maals, om den irenooden te zegiren: Komt, want alle din-sren zijn nu irereed. IS En zij begonnen allen zich eendraehüiglijk te verontschuldigen. !gt;»â eerste zeide tot hem : Ik heb eenen akker pekocht, en het is no diir dat ik uitpa en hem bezie; ik bid u, houd mij voor veiontsehi Idipd. 19 En ee i a der zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik tra henen om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor ver-ontschuhligd. En een ander zeide: Ik heb eene vrouw getrouwd,, eu daarom kan ik niet komen. â¢J1 En die diemtknecht weder-trekomen ziji.de, boodschapte deze dintren zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toor-nig, en zeide tot ziji.en dienstknecht: Ga haastelijk uit in de stiaten eu wijken der stad, en brentr de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier i . â¢J2 En de dienstknecht zeide: lieer, hlt; t is geschied, trelijk trij bevolen hebt, en nop is er plaats. â¢J'.J En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uil in de wegen en heg-ren, e dwirnr ze in te komen, opdat mijn huis vol worde, *24 want ik ze? ulieden, dat niemand van die mannen die trenood waren, mijn avondmaal smaken zal. |
|
106 LUC.' â en wnarbij zal ik hetzelve vergelijken ? 1quot;J Het is irelijk een mostaard-zaud, hetwelk een rneuscü jje-uoinen en in zij.ien hot' geworpen heeft; en het wies op en werd tot cenen jrrooten boom, en de vogelen des hemels nestelden i.i zijne t ikken. 20 Eu hij zeide wederom: Waarbij zal ik het Koninkrijk Gods vergelijken .' 21 Het is relijk een zuur-deesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie mateu meel, totdat het geheel gezuurd was. 22 En hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, leerende, en richtende zijne reis naar Jeruzalem. 23 Eu daar zeide een tot hem: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden ? En hij zeide tot hen. 24 Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zeg ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen ; 25 namelijk nadat de heer des 'huizes zal opgestaan zii.i en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: lieer, heer, doe ons open! en hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet van waar gij zijt. , . 26 Alsdün zult cij beginnen te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gebeten eu gedronken, en idj hebt in onze straten geleerd. 27 En hij zal ze-riren: Ik zea: u, ik ken u niet van waar gij zijt; wijkt van mij af, alle gij werkers, der ongerechtigheid.quot; 28 Alddar zal zijn weening eu knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham en Isaamp;k en Jakob en alle de Profeten in het Koninkrijk Gods, maar uliedeu buiten uitgeworpen. |
S 14. 29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden eu Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. lil En zie, daar zijn laatsten die de eersten zullen zijn, eu daar zijn eersten die de laatsten zullen zij.i. .'lt;1 Te die.i date kwamen daar eenige Farizevrs, zeggende tot hem: Ga weg en vertrek van hier, want lierodes wil u doo-deu. ;t2 En hij zeide tot hen: Gaat henen en zegt dien vos: Zie, ik werp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, en ten derdeii daye word ik voleind i ;d. Doch ik moet heden eu morgen en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en stee-nigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kindereu willen bijeenversra-dereu, gelijkerwijs eene hen hare kiekens onder de vlemre-lon vergadert, en gijlieden hebt nier. gewild. 35 Zie, uw huis wordt uliedeu woest gelaten. En voorwaar ik zeg u, dat gij mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn als gij zult zegsren: Gezegend is bij die komt in den naam des lieereu. HOOFDSTUK 14. EN het geschiedde als hijN het geschiedde als hij gekomen was in het huis van een der oversten der Fari-zeërs, op den sahbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen. 2 En zie, tiaar was een zeker wateâ¢â zuchtig meuseh vóór hem. 3 En .Jezus antwoordende, zeide tot de Wc .geleer en en Fa-rizeërs, en sprak: Is het ook |
|
LUC, geoorloofd op den sabbat gezond te maki n ? 4 Maar zij zweden stil. Ka hij nam hem en genas hem, en liet hem gaan. 5 En hij hun antwoordende, seide: Wiens ezel otquot; or van ulieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabhats ? (gt; En zij konden hem daarop niet weder antwoorden. 7 En hij zeide tot de genoo-den eene gelijkenis, aanmerkende hoe zij de vooraai.zittingen verkoren,ze-gendetot hen: S Wanneer irij van iemai.d ter hruiloit irenood zult zijn, zoo zet u niet op de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij \an hem genood zij, 9 en hij komende die u en hem ge. ood heeft, tot u zeir-ge: Geet dezevi plaats, en irij alsdan zondt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. ld Maar wanneer srij genood zult zijn, ira henen en zet u op de laatste plants; opdat wanneer hij komt die u irenood heeft, hij tot u zcrire: Vriend, -ra hoo-rer op ; alsdan zal het u eer zij . oor degenen die met u aanzitten. 11 Want een iegelijk die zieh-zelven verhoogt, zal vernederd worden en die zichzelven vernedert zal verhootrd worden. 1- En hij zeide ook ot den-ireuen die hem trenood had: Vyanneer ïij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet uwe vrienden, noeh uwe broeders, noeh uwe magen, noeh uwe rijke treburen, opdat ook dezelven u niet te eeniger tijd wedernooden en u vergeldins? ireï-chiede. 1:$ Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden; 14 en gij zult zalig zijn, om-5 14. 107 |
dat zij niet hebben om u te vertrelden; want het zal u verdolden worden in de op^tan-dinir der reehtvaardi-ren. 15 En als een van degenen die inedeaai zaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot hem: Zaliir is hij die hrood eet in het Koninkrijk Gods. l'i Ma..r hij zeide tot hem: Een zeker menseh bereidde een Kroot avondmaal, en hij noodde er velet.; 17 en hij zond zijnen dienst-kneeht uit ter ure des avond-maals, om den irenouden te zegden: Komt, want alle dingen zijn nu irereed. IS Kn zij begonnen allen zich eendi-arhtigiijk te verontschuldigen. lgt;e eerste zeide tot hem : Ik heb eenen akker irekoeht, en liet is no diir dat ik uit*lt;a en hem bezie; ik bid u, houd mij voor veiontsehi.ldigd. lit En eei a der zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga. henen om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor ver-otitscliultlistf. 2tt En een ander zeide-. Ik heb eene vrouw getrouwd,, en daarom kan ik niet komen. -1 En die diem tknecht weder-irekomen ziji.de, boodschapte deze dinsren zünen heer. Toen werd de heer des huizes toor-nit;, en zeide tot ziji.en dienstknecht: Ga haastt lijk uit in de straten en wijken der stad, en breiiK de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier i . â¢J2 En de dienstknecht zeide: lieer, h. t is ireschied, gelijk srij bevolen hebt, en.nog is er ]ilaats. â J'5 En de heer zeide tot den dienstknectit: Ga uit in de wegen en heggen, e. dwinur ze in te komen, ojidat mijn huis vol worde; â¢24 want ik zet ulieden, dat niemand \an die mannen die genood waren, mijn avondmaal smaken zal. |
|
KiS LUC. â¢J.'i En vclo scharen pinjren met hem; en hij zich omkeereude, zeide tot hen: â J(! Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader en moeder, eu vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja, ook zelfs zijn eifcen leven, die kan mijn discipel niet zijn; â¢27 en wie zijn kruis niet draaft en mij navolsrt, die kan mijn discipel niet zijn. Want wie van u willende t-enen toren bouwen, zit niet eerst neder en ovt-rrekent de kosten, of hij ook Leeft het-sreen tot volmakini; noodig is! i'.t opdat niet misschien, als hij het fundament sreleïd heeft en niet kan voleindigen, allen die het zien, hem herinnen te bespotten, zegende: Deze mensch heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen. :U Of wat Koning Kaande naar den krijs, oni tejfen eencn anderen Koning te slaan, zit niet eerst neder en beraadslaairt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengenen die met twintig duizend te^en hem komt ? Anders zendt hij gezanten uit, terwijl sene not? verre is, en beareert hetireen tot vrede dient. :« Alzóó dan een iegelijk van u die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn. Het zout is troed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden? S5 Het is noch voor tu-t land noch voor den mesthoop Re-schikt: men werpt het wei;. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. HOOFDSTUK 15. EN alle de tollenaars en deN alle de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te i.ooren. |
2 EndeFarizeërsendeSchrift-â¢releerden murmureerden, ze^-frende: Déze ontvangt de zondaars, en eet met hen. En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zegende; 4 AVat mensch onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de lieden en negentig in de woestijn, en jraat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt? ó En als hij het gevonden heeft, h*ijt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde; igt; en te huis komende, roept hij de vrienden en ^eburen te zamen, zefrfjende tot hen; Weest blijde niet mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. 7 Ik zeg ulieden dat er alzóó blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert, meer dan over negen en negentisc rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben. 5 Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij éénen penniiit; verliest, ontsteekt niet eene kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstig-lijk totdat zij dien vindt ? En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburiiinen te zamen, zesjrende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. ld Alzóó (zes? ik ulieden] is daar blijdschap voor de Engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert. 11 En hij zeide: Een zeker mensch had twe zonen. 12 En de jongste van hen zeide tot don vader: Vader, geef mij het deel des ^oeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het coed. 1:$ En niet vsle dasren daarna, de jongste zoon alles bijeen-vergaderd hebbende, is weggerei 3d in een vergelegen land, en |
|
heeft aldaar zijn jroed doorsre-bracht, levende overdadiirlijk. 14 Eu als hij het alles verteerd had, werd daar een proote hon-^ersHOod iit dat land, en hij begon gebrek te lijden; 15 en hij ging benen en voedde zich bij een van de burgers van dat land, en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden; Ifi en hij be-reerde zijnen buik te vullen met den draf dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien. 17 En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij : lioevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! IS Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, 19 en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden: maak mij als eenen van uwe huurlingen. 20 En opstaande, ging hij naar zijnen vader. En als hij nog verre t'«« hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en foeloo-pende, viel hem om zijnen hals en kuste hem. â Jl En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22 Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijne hand en schoenen aan de voeten, en brengt het gemeste kalf en slacht het. en laat ons eten en vroolijk zijn; 24 want deze mijn zoon was dood en is weder leve.id srew den, en hij was verloren en is trevonden. En zij begonnen vroolijk te ziin. 25 Eu zijn oudste zoon was in |
». H'H het veld, en als hij kwam en het huis genaakte, hoorde liij het gezang en het gerei; 2rgt; en tot zich geroepen hebbende ten van de knechten, vraagde wat dat mocht zijn. 27 En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het iremeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder-ontvangen heeft. 2S Maar hij werd toornig en â vilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 25) Doch hij antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien n hw zoovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een boksken ge-ireven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn; :«» maar als deze uw zoon gekomen ia, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt irij hem het gemeste kalt geslacht. Hl En hij zeide tot hem: Kind. gij zijr altijd bij mij, en al liet mijne is het uwe: .quot;{2 men beiioorde dan vroolijk. en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. HOOFDSTUK KJ. EN hij zeide ook tot zijne discipelen : Daar was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had, en déze werd bij hem verkiaa-zd als die zijne goederen doorbracht.N hij zeide ook tot zijne discipelen : Daar was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had, en déze werd bij hem verkiaa-zd als die zijne goederen doorbracht. 2 En hij riep hem en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u'r Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want srij âzult niet meer rentmeester kunnen zijn. :$ En de rentmeester zeide bij zichzeiven: quot;Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet wat ik doen zal. |
|
110 LUC. opdat, wanneer ik van het rent-ineesterschap atVezetzal wezen, zij mij in hunne huizen unt-van eren. ft Kn liij riep tot zich een iegelijk van de schuldei aars zijns heeren, en zeide tc»t den eersten : Hoeveel zijt gt;iij mijnen heer scliuldip ? 6 En liij zeide; Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: jS'eem uw handschrift, en ne-derzittende, schrijf haastelijk vijftig. 7 Daarna zeide hij tot eenen anderen: En jrij, tioeveel zijt ^ij schulditr? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem; Neem uw handschrift, en schrijl tachtig. 8 En de heer prees den onrecht-vaardisren rentmeester, omdat hij voorzichtiirlijk â cdaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorziclitiser dan de kinderen des lichts in hun geslacht 9 En ik zes ulieden, maakt uzelven vrienden uit den on-rechtvaarditren Mammon, opdat, wanneer u Ontbreken zal, zij u mosren ontvangen in de eeuwisre tabernakelen. 10 Die getrouw is in 't minste, die is ook in 't groote Retrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig-. 11 Zoo trij dan in den onrecht-vaardigen Mammon niet jre-tronw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen ? 12 En zoo ifij in eens anders fjoetl niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe ireven ? 13 Geen huisknecht kan twee heeren dienen; want of hij zal den éénen haten en den anderen liefhebben, óf hij zal den éénen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt God niet dienen en den Mammon. 14 En alle deze dingen hoorden ook de Farizeërs die sreld-Sieriff waren, en zij beschimpten hem amp; 1G. |
ló En hij zeide tot hen: Gij zijt het die uzelven rechtvaardigt voor de menschen, maar God kent uwe harten; want wat hoog is oi.der de me. schen, is een frn.wel voor God. Ifi De Wet en de l!r feten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkoi dijrd. en eei. iegelijk doet geweld op hetzelve. 17 En het is lichter dat de hemel en de aaide vooi bijiraan. dan dat één tittel der Wet val e. IS Een iejrelijk die ziji.e vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel; en een ieire-lijk die de verlatei.e van den man trouw t, die doet óok overspel. 19 En daar was een zeker rijk mensch, en was ⢠ekleed met purper en zeer fijn lij..waad, levende alle dagen vroolijk ea prachtig. 2ti En daar was een zeker bedelaar met name Lazarus, welke lag voor zijne poort, vol zweren, 21 en bes-eerde verzadigd te worden van de kiuimkens die van de tafel des rijken vielen'; maar ook de hoi den kwamen en lekten zijne zweren. 22 En het ü:« schiedde dat de bedelaar stierf, en van de Engelen gediagen werd in den schoot Abiahams. 23 En de rijke stierf óók, en werd bei-raven. En als hij in de hel zijne ooi-ei. ophiel,zijnde in de pijn, zaïr hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. 24 En hij riep en zeide: Vader Abiaham, ontleim u mijner en zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vinders in het water doope, en mijne tong verkoele; want ik lijd smarten in deze vlam. 25 Maar Abraham zeide; Kind, gedenk dat g.j uw goed ontvangen hebt .n uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; |
|
en nu wordt hij vertroost, en SU lijdt smarten. 2(5 Ãu boven dit alles, tus-schen ons en ulieden is eene ^roote kloof «jevesti ïd, zoodat degenen die vau hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die dddr zijn, van daar tot ons overkomen. â¢ij Eu hij zeide: Ik hid u dan, vader, dat «ij hem zendt tot mijns vaders huis; 2S want ik hel) vijf broeders: dat hij hun Uit betui^e, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijni^in^. â 29 Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de Profeten: dat ze die hoo.en. 30 En hij zeide: Neen, vader Abraham, maar zoo iemand van de dooden tot hen henen-jjinfc, zij zouden zich bekeeren. .Hl Docli Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de Profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen. HOOFDSTUK 17. EN hij zeide tot de discipelen: Het kan niet wezenaat er «eene ergernissen komen, doch weeN hij zeide tot de discipelen: Het kan niet wezenaat er «eene ergernissen komen, doch wee hem door welken zij komen! 2 Het zoude hem nutter zijn dat een molensteen om zijnen hals K^daa.i ware, en hij in de zee geworpen, dan dat hij één van deze kleinen zoude ergeren. 3 Wacht uzelven. En indien uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf hem; en indien het hem leed is, zoo vergeef het hem. 4 En indien hij zevenmaal 's daags tegen u zondigt, en zevenmaal 's daa^s tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed, zoo zult gij het hem vergeven. 5 En de Apostelen zeiden tot |
S 17. 111 den Heere: Vermeerder ons het geloot'. lt;gt; En de Heere zeide: Zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, ïij zoudt tegen dezen moerbeziobooin zeggen; Word ontworteld en in de zee geplant! en hij zoude u gehoorzaam zijn. 7 En wie van u heelt eenen dienstknecht ploegende of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van dea akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij en zit aan? S Maar zal hij niet zeggen: Bereid wat ik te avond zal eten, en onr.'ord u en dien mij, totdat ik «al gegete.i ea gedronken heijben, en eet en drink, gij daarna? Dankt hij ook dien dienstknecht, omdat hij tredaan heeft hetgeen hein bevolen was? ik meen, neen. U) Alzó') ook irij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn oanutte dienstknechten, want wij hebben 'tiaar gedaan hetyeen wij schuldig waren te doen. 11 En het ireschiedde als hij naar Jeruzalem reisde, dat hij door het midden van Samarié en Galiléa ging. 12 En als hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten hem tien melaatsche mannen, welke van verre stonden; 13 en zij verhieven hunae stem, zeg .rende: Jezus, Meester, ontferm u onzer! 14 En als hij zezasr, zeide hij tot hen: Gaat henen en vertoont uzelven lt;ien Priesteren. En het geschiedde, terwijl ze henengingen, dat zij gereiniird werden. 15 En één van hen, ziende dat hij genezen was, keerde weder, met groote stem God verheerlijkende; \6 en hij viel op het aangezicht voor zijne voeten, hem dankende; en déze was een Samaritaan. |
|
112 LUCA 17 Kil J«zus antwoordende, â /.eidu: Zijn niet de tien Kerei-niifd fftworden f En waar zijn de negen? 18 Zijn er peenen erevonden die uederkeeren om tiode eere te {reven, dan deze vreemde-liiiK? 19 Kn liij zeide tot hem: Sta op en tra henen; uw t;e*001 heeft u behouden. â¢JU Kn Kevraagd zijnde van de Karizeërs, wanneer het Koninkrijk Gods komen zoude, heeft hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, 21 en men zal niet zegiren: Zie hier, of, ziedaiir; \\ant zie, het Koninkrijk Gods is binnen nlieden. 22 Kn hij zeide tot de disei-pelen: Daar zullen dagen komen, wanneer gij zult begee-ren éénen der dagen van den Zoon des menschen te zien, en gij zult dien niet zien. 2.'{ Kn zij zullen tot u zeggen: Zie hier, of, zie dafir is hij: gaat niet henen, en volgt niet. 24 Want gelijk de bliksem, die van het ééne einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel sehijnt, alzóigt; zal ook de Zoon des menscheu wezen in zijnen dag. 25 Maar eerst moet hij veel lijden, en verworpen worden van dit ireslacht. 26 Kn gelijk het geschied is in de dairen vun Noach, al-zóó zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensehen : 27 Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag op welken ZSoaeh in de ark ging, en de zondvloed kwam en verdierf ze allen. 2S Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij Jvochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; |
S IS. 29 maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en zwavel van den hemel, en verdierf ze allen : 30 even alzóó zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des nienschen geopenbaard zal worden. 31 In dien dag, wie oj» het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die koine niet af om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die keere desgelijks niet naar hetgeen achter is. 32 Gedenkt aan de vrouw van Lot. 33 Zoo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal bet verliezen ; en zoo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in 't leven behouden. 34 Ik zeg u, in dien naeht zullen twee op één bed zijn: de één zal aangenomen en de ander jral verlaten worden. 35 Twee vrouwen zullen te zamen malen: de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. 3lt;; Twee zullen op den akker zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. 37 Kn zij antwoordden en zeiden tot hem; Wrtiir, Heere? Kn hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden. HOOFDSTUK 18. EN hij zeide ook eene gelijkenis tot hen, daartoeN hij zeide ook eene gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet en niet vertragen, 2 zeggend;: Daar was een zeker rechter in eene stad, die God niet vreesde en geen mensch ontzag. 3 Kn daar was eene zekere weduwe in die stad, en zij kwam tot hem, zeirgende: Doe mij recht tegen mijne wederpartij. |
|
LUC- 4 En hij wilde voor eeiien hm-urn tijd niet; maar daarna zt'ide hij bij zichzolveii: Hoewel ik God niet vrees eu geen menscii ontzie, 5 nochtans omdat deze weduwe mij moeielijk valt, zoo zal ik 'jaar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome eu mij liet hoofd hreke. ti Kn de IIcere zcide: Hoort wat de on rechtvaardige rechter /.'gt. 7 Zal God dan treeu recht doen zijnen uitverkorenen «lie dag en nacht tot hem roepen, hoewel hij lankmoedig is over hen ? s Ik zeg u dat IIij hun haas-t'.'lijk recht doen zal. Doch de Zoon des inenschen als hij komt. zal hij ook geloof vinden op de aarde? 11 En hij zeide ook tot sommi-gen die bij ziehzelven vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en de anderen uiets achtten, deze gelijkenis: 10 Twee menschen gingen öp in den Tempel om te bidden : de eén was een Farizeër en de ander een tollctiaar. U De Farizet'r staande, bad dit bij ziehzelven; O God, ik dank u dat ik niet ben gelijk de andere menschen, movers, onreciit vaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar; 12 ik vast tweemaal ter week, ik ireef tienden van alles wat ik bezit. i;{ En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig. 11 Ik zeg ulieden, deze sing :if gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder die ziehzelven verhoout,-/al vernederd worden, en die ziehzelven vernedert, zal verhoogd worden. 15 Eu zij brachten ook de kin- |
lS 18. ii:t derkens tot hem, o|gt;dat hij die zoude aanraken; en de disci-pelen dat ziende, bestraften de-zelven. ltgt; Maar Jezus riep die kiiuler-leeus tot zich, en zeide: Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert hen niet; want derzulkeu is het Koninkrijk Gods. 17 Voorwaar zesr ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen. IS Kn een zeker overste vraair-de hein, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? 1«» Kn Jezus zeide tot hem: Wat noemt irij mij sroed? Niemand is goed dan één, namelijk God. 2U Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; t?ij zultgeenevalschegetuigenis sieven; eer uwen vader en uwe moeder. â »! Kn hij zeide ; Alle deze dingen lieb ik onderhouden van mijne jonkheid aan. '2'2 Doch Jezus dit hoorende, zeide tot hem: Nog één dins ontbreekt u: verkoop alles wat irij hebt en deel het onder de armen, en gij .â uit eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. â¢2'i Maar als hij dit hoorde, werd hij zeer droevig; want hij was zeer rijk. 04 Jezus nu ziende dat hij zeer droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die «oed hebben, in het Ko-nmkrijk Gods ingaan! â¢jrgt; Want het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in 't Koninkrijk Gods inica. 2f) En die dit hoorden, zeiden; Wie kan dan zalig worden? â¢J7 Kn hij zeide: De dingen die onmogelijk zijn bij de menschen, zijn mogelijk bij God. |
|
114 LUC SS En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn n iTevoltfd. St) Kn bij zeide tot ben; Voorwaar ik zejr ulieden, lt;lac er niemand is die verlaten heelt linis, of ouders of broeders, o vrouw of kinderen, om bet Koninkrijk Góds, :iü die niet zal veelvouditr we-derontvan^en in dezen tijd en in de komende eeuw befeeu-wige leven. 31. Kn bij nam de twaalve bij zich, en zeide tot hen: Zie, wij jiaau óp naar Jeruzalem, en het zal alles vnlbraebt worden aan den Zoon des menseben, wat geschreven is door de Profeten; .quot;à want hij zal den .beidenen overgeleverd worden, en iiij zal bespot worden en smadelijk behandeld worden en bespuwd worden; 3H en hem seueeseld hebbende, zullen zij hem dooden; en ten derden da^e zal bij wederop-staan. .quot;lt;4 Kn zij verstonden geen van deze dingen, en dit woord was voor hen verboriren, en zij verstonden niet betreen gezegd werd. :tó En bet geschiedde als hij nabij Jeriebo kwam, dat een zeker blinde aau den weg zat, bedelende. :lt;f) Kn «leze boorende de schare voorbijgaan, vraagde wat dat was. 37 Kn zij boodschapten hem, dat Jezus de ISazarener voorbijging. 3« Kn hij riep. zeggende : Jezus, ;dj Zoon Davids, ontferm u mijner! 39 Kn die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen oude ; maar bij riep zooveel te neer; Zoon Davids, ontferm u nijner! 40 En Jezus «Mstaande, beval at men denzelven tot hem rengen zoude; en als bij nabij em gekomen was, vraagde bij em. |
S 19. 41 .zesgepdc: Wat wilt gij dat ik u doen zal ? Kn hij zeide; IIee-re, dat ik ziende moge worden. 42 En .Jezus zeide tot hem: Word ziende: uw geloof heeft u behouden. 43 En terstond werd bij ziende, en volgde hem. God verheerlijkende. Eu al bet volk dat ziende, gaf Gode lof, IIOOFBSTUK 19. ENN Jezus ingekomen zijnde, ^ing door Jericho. 2 En zie, daar was een man met name gebeeten ZacbeUs; en deze was een overste der tollenaren, en bij was rijk ; 3 en bij zocht Jezus te zien, wie bij was. en kon niet vanwege de schare, omdat hij kleiu van persoon was. 4 Kn vooruitloopende, klom bij op eenen wilden vijgeboom, opdat hij hein mocht zien; want bij zoude door dien weg voorbijgaan. .ï En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag bij hem, en zeide tot hem: ZacbeUs, baast u en kom af; want ik moet heden in uw buis blijven. l! En hij haastte zich en kwam af, en ontving hem met blijdschap. 7 En allen die het zagen, murmureerden. zetr^ende; Hij is tot eenen zondigen man ingegaan om te berberiren. 5 En Zacheüs. stond en zeide tot den lleere: Zie, de helft â¼au mijne goederen, lleere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. 9 En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen buize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is; 10 want de Zoon des mcnscben is gekomen om te, zoeken en zalig te make.a wat verloren was. |
|
11 En als zij dat hoorden, voedde hij daarbij en zeide eeiie eelijkenis, omdat li ij nabij Jeruzalem was, eu omdat zij meendeii dat' liet Koninkrijk Gods terstüi.d zoude openbaar worden. 1*2 Hij zeide dan : Ben zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om v«or zicli-zelven een Koninkrijk te ontvangen, en dan, weder te keeren. T3 En geroepen hebbende zijne tien dienstkneehten, «if hij bun tien ' ponden, en zeide tot hen: Doet handeliii}; totdat ik kom. 14 En zijne bitrrers haatten hem, en zonden hein gezanten na, zeggende: Wij willen niet dat deze over ons Koning zij. 15 En het geschiedde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide dat die dienstkneehten tot hem zouden treroepen worden, wien hij het geld gegeven had, opdat hij weten mocht wat een iegelijk met handeien gewonnen had. Ifi En de eerste kwam en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daarbij gewonnen. 17 En hij zeide tot hem: Wèl, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zoo heb macht over tien steden. IS En de tweede kwam en zeide; Heer, uw pond heeft vijf ponden srewonnen. l'J En hij zeide ook tot dezen: En irij, wees over vijf steden, ill En een ander kwam, zesr-gende: Heer, ziehier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had; 21 want ik vreesde u, omdat gij een straf mensch zijt; irij neemt weg wat quot;ij niet gelegd hebt, en vrij maait wat gij niet gezaaid hebt. 2quot;2 Maar hij zeide tot hem: Uit uwen mond zal ik u oor- |
S 19. 11S deelen, irij booze dienstknecht. Gij wist dat ik een straf mensch ben, wegnemende wat ik niet gelegd heb, en maaiende wat ik niet gezaaid heb: 23 waarom hebt irij dan mijn geld niet in de baiik gesteven, en ik komende, had hetzelve met winst mogen eiscben? 24 En hij zeide tot degenen die bij hem stonden ⢠Neemt dat pond van hem weg, en ^eett het dien die de tien ponden heeft. 25 En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien- ponden. 2(gt; Want ik ze'.r u, dat aan eea ieirelijk die heeft, zal gegeveu worden; maar van dengenen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heett. 27 Doch deze mijne vijanden,quot; die niet hebben gewild dat ik. over hen Koning zoude zijn, brengt ze. hier en slaat ze hier vóór mij dood 28 En dit «rezegd hebbende, reisde hij voor hen henen, eu ging óp naar Jeruzalem. 2fl En het geschiedde, als bij-nabij Betb:agé en Bethanië gekomen was, :ian den berg, genaamd de Olijfberg, dat bij-twee van zijne discipelen uitzond, .'to zeirsende Gaat henen in dat vlek dat tegenover is, in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waar--op geen mensch ooit heeft gezeten : ontbindt hetzelve en brengt het 31 En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat' zoo zult gij alzoó tot hem zeggen: Omdat de Hcere het van noode heeft. 32 En die uitgezonden waren, henengegaan zijnde, vonden het irelijk hij hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heeren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen? 34 En zij zeiden: De Heere heeft het van noode. |
|
llfi LUK :{.=gt; Hu zij brachten hetzelve tot Jezus; en hunne kleedereu op het veulen jjeworpen lu-h-bende, zetten zij Jezu» daar-quot;P- . , En als hij «oortreisde, spreidden zij hunne kleederen onder kern op den wejr. :lt;7 En als hij nu irenaakte »nn den atVanir des Olijf beril», hegcu al de menigte der discipelen zich te verblijden, en Uod te loven met proote stem, vanwege alle de krachtige daden die zij gezien hadden, .'{S zenRei.de . Gezegend t« de Koning die daar komt in den naam des Eleeren! Vrede rij in den hemel en heerlijkheid in de hooirste plaatsen! ;lt;9 En sommigen der l-'arizeërs uit de schare zeiden tot hem: Meester, bestraf uwe discipelen. 4» En hij nntwoordende, zeide tot hen. Ik zeg ulieden, dat zoo dézen zwijsren, de steenen haast roepen /.uilen. 41 En als hij nabij kwam en de stad zag, weende hij over haar, 42 zegirende: Och of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient.' Maar nu is het verhortten voor uwe oogen. 4.'{ Want daar zullen dairen over u komen, dat uwe vijanden rene versehansinsr rondom u zullen opwerpen, en u zullen omsingelen en u van alle zijden benauwen, 44 en u tot den grond zullen nederwerpen, en uwe kinderen in u; en zij zullen in u ilea éénen steen op den anderen steen niet laten, daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. 45 En gegaan zijnde in den Tempel, begon hij uit te drijven degenen die daarin verkochten en kochten, 4« zeggende tot hen: Daar is geschreven: Mijn Huis is een Huis des gebeds ; maar gij hebt |
AS 20. dat tot een kuil der moordenaren «cmaakt. 47 En hij leerde dagelijks in den Tempel; en de Overpries-ters en de Schriftgeleerden en de oversten des volks zochten hem te dooden, 4S en zij vonden niet wat zij doen zouden; want al het volk hing hem aan en hoorde hem. HOOFDSTUK 2l). EN het geschiedde op één van die dagen, als hij in den Tempel het volk leerde en het Evangelie verkondigde, dat de Overpriesters en Schriltgeleer-den met de Ouderlingen daarover kwamen,N het geschiedde op één van die dagen, als hij in den Tempel het volk leerde en het Evangelie verkondigde, dat de Overpriesters en Schriltgeleer-den met de Ouderlingen daarover kwamen, 2 en lot hem spraken, zeggende; Zei; ons door wat macht jrii deze dingen doet, of wie hij is die u deze macht heeft gegeven. En hij antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vratren. en zegt mij â . 4 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit dc inensclien? 5 En zij overleiden onder elkander, zeirgei.de: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij zeitgen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? fi En indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo zal ons al het volk steenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een Profeet was. 7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten van waar die was. S Eu Jezus xeide tot hen : Zoo zeg ik u óók niet door wat macht ik deze dingen doe. â¢) En hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mensrh plantte eenen wijngaard, en hij verhuurde dien aan la ullieden, en trok eenen laniren tijd buitenslands. Ih En als het dc tijd was, zond hij tot de landlieden eenen dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijn- |
|
LUCJ waards geven zouden: maar de landlieden sloegen den/elven, en zonden hem ledig henen. 11 En wederom zond hij nor eenen anderen dienstknecht; maar ook dien srcslniren en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledij henen. 12 En wederom zond hij nog eenen derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. i:» En de beer des wijn waards zeide: Wat zal ik doen ? Ik zal mijnen gelietden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien. 14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt. laat ons hem dooden, opdat de erfenis «le onze worde. 15 En als zij hem buiten den wijniraard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wljugaards hun doen ? Ifi II ij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. Eii als zij dat hoorden, zeiden zijt Dat zij verre. 17 Maar hij zag ze aan, en zeide: Wat is dan dit hetwelk geschreven stuat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, déte is tot een hoofd des hoeks geworden? 18 Een iegelijk die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 19 En de üverpriesters en de Schriftgeleerden zochten te dier ure de banden aan hem te slaan, maar zij vreesden liet volk; want zij verstonden dat hij deze gelijkenis tegen hèn gesproken had. â¢JO En zij namen hem waar, en zonden verspieders uit, die zich-zelven veinsden reclitvaardig te zijn, opdat zij hem in zijne rede vangen mochten, om hem aan de heerschappij en de |
S 20. 117 macht des Stadhouders over te leveren. 21 'in zij vraagden hem, zeg-gente: Meester, wij weten dat gij ri'cht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid: 22 is het ons neoorloofd den Keizer schatting te geven of niet? 2:1 En hij hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen; Wat verzoekt gij mij? 24 Toont mij eenea penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij antwoordende, zeiden; Des Keizers. 25 En hij zeide tot hen: Geeft dan d-'ii Keizer wat des Keizers is, en Gode wat Gods in. 2ii Ei zij konden hem in zim woord niet vatten voor het volk, en zich verwonderend»* over zijn antwoord, zwegen zij stil. 27 En tot hem kwamen sommigen der Sadduceërs, welke tegensprekende, zegtjen dat er geene opstanding is, en vraagden hem, 2S zeggende: Meester, Mozes heeft ons geschreven, zoo iemands broeder sterft, die eene vrouw beeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal en zijnen broeder zaad verwekken. 29 Daar waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en hij stierf zonder kinderen. HO En de tweede nam die vrouw, en onk deze stierf zonder kinderen. Hl En de derde nam die vrouw, en desgelijks ook de zeven, en hebben seen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. H.' En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. Xi In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? want die zeven hebben dezelve tot eene vrouw gehad. 34 En Jezus autwoordend?. |
|
118 LUC zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen en worden ten huwelijk uitsefceveu; 35 maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstandina: uit de â¢dooden, zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden; 3f» want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den Engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen â der opstanding zijn. 37 Kn dat de dooden opgewekt zullen Worden, heeft ook Mozes -aangewezen bij het doornenbosch, als hij den lleere noemt â den God Abrahams en den God Isaftks en den God .lakobs; 38 God nu is niet een God der â dooden, maar der levenden; want zij leven Hem allen. 39 En sommi en der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden : Meester, gij hebt wèl gezegd. 4') En zij durfden hem niet moer iets vrasren. 41 En hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij dat de Christus l)a-quot;Vrids zoon is? 4-2 En David zelf zezt in het boek der Psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter/ia»^, 43 totdat Ik uwe vijanden zal ^ezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 44 David dan noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn zoon? 45 En daar al het volk /iet hoorde, zeide hij tot zijne discipelen : 4'; Wacht u van de Schriftgeleerden, die w illen wandelen in lange kleederen, en beminnen â de groetingen op de markten, â en de voorgestoelten in de Synagogen, en de vonraanzit-tingen in de maaltijden; 47 die der weduwen huizen «peten, en onder een schijn lange gebeden doen : dezen zullen zwaarder oordeel ontvan-«en.- |
21. HOOFDSTUK 21. EN opziende, zag hij de rijken hunne gaven in de schatkist werpen.N opziende, zag hij de rijken hunne gaven in de schatkist werpen. 2 Eu hij zas: ook eene zekere arme weduwe twee kleine pen-ninyskeus daarin werpen ; 3 en hij zeide: Waarlijk ik zei; u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft iwgewor-pen; 4 want die allen hebben van hunnen overvloed wttreworpen tot de gaven. Gods,.maar déze heeft van haar gebrek al den leeftocht dien zij had, daarin geworpen. 5 En als sommigen zeiden van den Tempel, dat hij met schoo-ne steenen en bcgif'tigingen versierd was, zeide hij : lt;gt; Wat deze dingen aanyaat düe gij aanschouwt, daar zullen da^en komen, in welke nietmt steen, op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. 7 En zij vraagden hem, zeg-irendc: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn? en welk is het teeken wanneer deze dingen zullen geschieden ? 8 En hij zeide: Ziet dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen 01.der mijnen naam, zegende: Ik ben de Christus, en de tijd is nabij gekomen: gaat dan hen niet na. 9 En wanneer gij zult hooren van oorlogen en beroerten, zoo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden, maar noy is terstond het einde niet. 10 Toen zeide hij tot hen : Het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ééne koninkrijk, tegen hei andere koninkrijk; 11 en daar zullen groote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnooden, en pestilentiën; daar zullen |
|
LUC. ook schr ikkelijke din zen en ïïroote teekenen van den- hemel geschieden. 12 Maar vóór dit all^s zullen /ij hunne handen aan ulieden slaan, en u vervolden, u overleverende in de Synagogen en gevaugenissen; en gij zult getrokken worden voor Koningen en Stadhouders, om mijns naams wil; 13 en dit zal u overkomen tot oene getuigenis. 14 Neemt dan in uwe harten voor, van te voren niet te overdenken hoe gij u verantwoorden zult; 15 want ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken noch wederstaan allen die zich tegen u zetten. l(i En gij zult overgeleverd worden ook van ouders en broeders en magen en vrienden, en zij zullen er sommiyen uit u dooden, 17 en gij zult van allen gehaat worden om mijns naams wil. is Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan, l'J Beait uwe zielen in uwe lijdzaamheid. *20 Maar wanneer srij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdim dat hare verwoesting nabij trekomen is. ;21 Alsdamp;n die in Judéa zijn, dat ze vlieden naar de bergen; en die in 't midden van dezelve zijn, dat ze daar uittrekken; en die op de velden zijn, dat ze in dezelve niet komen; 22 want deze zijn de dagen der wraak, opdat alles vervuld worde wat geschreven is. 23 Doch wee den bevruchten en den . zoogenden vrouwen in die dagen; want daar zal irroo-te nood zijn in het land, en toorn over dit volk; 24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Je- |
S 21. 119 ruzalem zal van de heidenen vertrecen worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn. 25 En daar zullen teekenen zijn in de zon en maan en sterren, en op de aarde benauwdheid der volkeren, met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zuHen geven, 2lt;i en den mensehen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zuilen bewogen Morden. 27 En alsdèn zullen zij den Zoon des menselien zien komen in eene wolk met groote kracht en heerlijkheid. 28 Als nu deze dingen bezinnen te geschieden, zoo ziet omhoog en heft uwe hoofden opwaart», omdat uwe verlossing nabij is. 29 Kn lnj zeide tot hen eene gelijkenis: Ziet den vijgeboora en alle de booinen : 30 wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zoo weet gij uit uzelven dat de zomer nu nabij is; 31 alzóó ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zoo weet dat het Koninkrijk Gods nabij is. 32 Voorwaar ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal ge-schied zijn. 33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zuilen geenszins voorbijgaan. 34 En wacht uzelven, dat uwe harten niet te eehiger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens ooer-kome. 35 Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen die op den ganschen aardbodem gezeten zijn. |
|
120 LUC;! :vt; Waakt dan te aller tiid, biddrude dat «ij inno^t waardig geacht worden te ontvlieden alle deze dingen die geschieden zuilen, en te staan voor den Zoon des inenschen. 37 Des daags nu wus hij lee-rende in den Tempel; maar des nachts ging hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd de OlijtTir/v/. :w En al het volk kwam 's morgens vroeg tot hem in den Tempel, om hein te hooren. HOOFDSTUK 22. EN het feest der on gehevelde N het feest der on gehevelde brootlru, genaamd Pascha, was nabij ; 2 en de Overpriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe zij hem ombrencen zouden; want zij vreesden het volk. :gt; En de satan voer in Judas die toe^cnaamd was Iskariut, zijmie uit het -retal der twualve; 4 en hij ^ing henen en sprak met de Overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij hem hun zoude overleveren. 5 Kn zij waren verblijd, en zijn het ééns geworden dat zij hem geld geven zouden. (i En hij beloofde het, en zocht gelegenheid om hem hun over te leveren zonder oproer. 7 En de dag der ongehevel-de broaden kwam, op denwel-ken liet l'ascha moest geslacht worden. S Kn hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: (laat henen en bereidt ons liet Pascha, opdat wij het eten mogen. i) En zij zeiden tot hein: Waar wilt i^ij dat wij het bereiden'r 10 En hij zeide tot hen; Zie, als gij in de stad zult gekomen zijn, zuo zal u een inenseh out. moeten, dragende cene kruik water: volgt hein in het huis waar hij ingaat; 11 eu gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis; De |
Meester zegt u ; Waar is de eetzaal, waar ik het Pascha met mijne discipeleu eten zal ? 12 En hij zal u ee.ie groote toegeruste opperzaal wijzen: hereidt het aldaar. 13 En zij he .en^aa ide, vonden het irelijk hij hun gezegd had, eu bereidden het Pascha. 14 En als de ure â rekoinen was, zat hij aan en de twaalc Apostelen met hem. 15 En hij zeide tot hea: Ik heb grootclij\s begeerd dit Pascha met u te eten eerdat ik lijd ; Ifi want ik zeg u, dat ik niet meer daar an eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk (Jods. 17 Eu als hij een drinkbeker genomen had, eu gedankt had, zeide hij: Neemt dezen en deelt hem oader ulieden; IS want k zeg u, dat ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn. 1!) En hij naiii brood, en als hij gedankt had, brak hij het, en gaf het huii, zeggende: Dat is mijn lichaam hetwelk voor u gegeven woidt: doet dat tot mijne gedachtenis. 2'Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende; Deze drinkbeker 1.* hr-t nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt. 21 Doch zie, «Ie hand desgeneu die mij verraadt, is met mij aan de tafel; 22 en de Zoon des inenschen gaat wel henen irelijk besloten is, doch wee dien menscli dooi-welken hi.i verraden wordt! 23 En zij bernnnen onder elkander te vragen, w ie van hen het toch mocht zijn die dat doen zoude. 24 En daar werd ook twisting onder hen, w ie van hen scheen de meeste te zijn. 25 En h'j zeide tot hen; lgt;e Koningen der volkeren heer- |
|
sriien over hen, en die macht nver hen hebben, worden weldadige keereu geiiaamd. 26 Doch Rij niet aizoo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste; en die voorganger is, als een die dient. 27 Want wie is meerder, die aanzit of die'dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik hen in 't midden vau u als een die dient. 2s En irij zijt degenen die met mij steeds gebleven zijt in mijne verzoekin -eo. 2'.» En ik verordineer u het Koninkrijk, gel ijkerwijs mijn Vader mij dat verordineerd heeft; 30 opdat gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oor-deelende de twaalf geslachten Israëls. 31 En de Ileere zeide: Simon, Simon, zie, de satan heeft n-lieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; 32 maar Ik heb voor u are beden, dat uw geloof niet op-houde: en gij, als srij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders. :« En hij zeide tot hem: Hee-re, ik ben bereid met ü ook in de gevangenis en in den dood te gaan. 34 Maar hij zeide; Ik zeg n Petrns, de haait zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben dut gij mij kent. 35 En hij zeide tot hen: Als ik n uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? Kn zij zeiden: Niets. 36 Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie eeneu buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male, en die er geen heeft, die verkoope z'jn kleed en koope een zwaard. 37 Want ik zeg u, dat nog dit hetwelk geschreven is, in mij moet volbracht worden, name- |
S 22. 121 lijk: Eu hij i» met de misda-di;en gerekend; want ook die dingen die van mij r/eschreven zijn, hebben een einde. 3S En aij zeiden: Heere, ziehier twee zwaarde.i. En hij zeide tol hei: Het is genoeir. 39 En uitgaande, vertrok hij, gelijk hij gewoon was, naar den Olijfberg; en hem volgden ook zijne discipelen. 40 En als hij aan die plaats gekomen was, zeide hij tot hen: Bidt dat gij niet in verzoeking komt. 41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent eeneu steenworp, en knielde neder en bad, 42 zeg re-ide: Vader, of gij wil-det dezen drinkbeker van mij wegnemen! Doch niet mijn wil, maar de Uwe geschiede. 43 En van hem werd gezien een Engel uit den hemel die hem versterkte. 44 En in zwaren strijd zijnde, bad hij te ernsti 'er. En zijn zweet werd gelijk -rroote druppelen bloeds, die op de aarde afliepen. 45 En als hij van het gebed opgestaan was, kwam hij tot zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid; 4'gt; en hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt. opdat gij niet in verzoeking komt. 47 En als hij nog sprak, ziedaar eene scnare; en één van de twaalve, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus om hem te kussen. 4S En Jezus zeide tot hem : Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met eeneu kus ? 49 En die bij hem waren, ziende wat er geschieden zoude, zeiden tot hem: Heere. zullen wij met het zwaard slaan ? 51) En één uit hen sloeg den dienstknecht des Hoogepries-ters en hieuw hem zijn rechteroor af. |
|
\22 LUC 51 En Jezus .antwoordende, zcide: Ii«at ze tot hiertoe lt;/e-wordeu, en raakte zijn oor aan en heelde hem. 52 En Jezus zeide tot de O verpriesters en de Looldinannen â des Tempels en de Ouderlingen, die teiren hem {rekouien waren: â¢Zijt Rij uitbegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar ? 53 Als ik dadelijks met u was in den Tempel, zoo hebt gij de handen teiren mij niet' uitgestoken; maar dit is üwe ure en de macht der duisternis, 54 En zij grepen hem en leidden hem u-et/, en biaehten hem in het huls des llooirepries-ters. En Petrus, volgde van â¢verre; â5 en als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederza-ten, zat Petrus in 't midden van hen. 5(gt; En eene zekere dienstmaagd ziende hem bij het vuur zitten, en hare oogeu op hem houdende, zeide : Ook deze was met hem. 57 Maar hij verloochende hem, zegireude: Vrouw, ik ken hem niet. 58 En kort daarna een ander hem ziende, zeide; Ook fiij zijt â van die. Maar Petrus zeide: Menseh, ik ben niet. 59 En als het omtrent één uur geleden was, bevestigde dat een Ander, zeggende: In waarheid ook deze was met hem; want hij is ook een Galileür. fiO Maar Petrus zeide Menseh, ik weet niet wat gij zegt. En terstond als hij nog sprak, kraaide de haan; 61 en de. Ileere zich omkee-rende, zag Petrus aan, en Petrus werd i|idachtilt;; aan het woord des lleeren. hoe hij hem gezegd luid: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. 62 En Petrus naar buiten praande, weende bitterlijk. |
S 23. 6a En de mannen die Jezus hielden» bespotten hem, en sloegen hem; (i4 en als zij hem overdekt hadden, sloegen zij hem op het aangezicht, en vraagden hem, zeggende: .Profeteer, wie het is die u geslagen heeft. Ii5 En vele andere dingen zeiden zij tegen hem, lasterende. 66 En als het dag geworden was, vergaderden de Ouderlingen des volks, en de Over-priesters en Schriftgeleerden, en brachten hem in hunnen Raad, 67 zeggende: Zijt gij de Christus? zeg het ons. En hij zeide tot hen: Indien ik het u-zeg, gij zult het niet gelooven; en indien ik ook vraag, gij zult mij ,niet antwoorden of loslaten. ('9 Van nu aan zal de Zoon des mei sclicn gezeten zijn aan de rechterArt/uZ der kracht Gods. 7(1 En zij zeiden allen: Zijt gij dan de Zoon Gods f En hij zeide tot hen: Gij zegt dat ik het ben. 71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode? Want wijzelven hebben het uit zijnen mond gehoord. HOOFDSTUK 23. EN de geheele menigte van hen stond op en leidde hem tot Pilatus.N de geheele menigte van hen stond op en leidde hem tot Pilatus. . En zij begonnen hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden dat deze het volk verkeert, en vei biedt den Keizer sehattiniren te ireven, zeggende dat hij zelf Christus, de Koning is. 3, En Pilatus vraagde hem, zeggende: Zijt gij de Koning der Joden? En hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het. 4 En Pilatus zeide tot de Over-priesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen menseh. 5 En zij hielden te sterker aan. |
|
LUC: «efTfifende: Hij beroert het volk, leerende door geheel Judéa, bc-^ouuen hebbende van Galiléa tot hiertoe. 6 Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraa-rde hij of die menseli een Galileër was; 7 en verstaande dat hij uit het gebied van lierodes was, zond hij hein henen tot 1 lei odes, die ook zelf in die dagen binneu Jeruzalem was. 8 En als lierodes Jezus zaïr, werd hij zeer verblijd; want hij was sedert laiiT begeerig geweest hem te zien, omdat hij veel van hem hoorde, en hoopte eeniff teeken te zien dat van hem gedaan zoude worden. 9 En hij vraagde hem met vele woorden; doch hij antwoordde hem niets. Kt En de OverpHesters en de Schrift-rel eerden stonden en beschuldigden hem heftiglijk. 11 En lierodes met zijne krijgslieden hem veracht en bespot hebbende, deed hem een blinkend kleed aan, en zond hem weder tot Pilatus. 12 En op dien da-r werden Pilatus en Ilerodes vrienden met elkander; want zij waren te voren iu vijaudscbup tegen elkander. 13 En als Pilatus de Overpries-ters en de oversten en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen: 14 Gij hebt dezen menseh tot mij gebracht als eenen die het volk afkeerig maakt; en zie, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geen sebuld gevonden van hetgeen waar gij hem mede beschuldigt; 15 ja, ook Ilerodes niet; want ik heb ulieden tot bean gezonden, en zie, daar is van hem niets gedaan dat des doods waardig is; 16 zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten. 17 En hij moest hun op het feest ééueu loslaten. |
5 23. 123 IS ])och al de menigte riep gelijkelijk, zeirirende: Weg met dt-zen, en laat ons Bar-Abbas los; 19 dewelke was om zeker oproer dat in de stad geschied was, v.n vm eenen doodslag, in de ^e* aii ienis geworpen. 20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten. 21 Maar zij riepen daartegen, zeggende; Kruis hem, kruis hem! 22 Eii hij zeide . ten derden male tot lien: Wat beeft deze dan kwaads iredaan ? Ik beb geen schuld des doods in hem gevonden: znu zal ik hem dan kastijden ⢠n loslaten. ⢠23 Maar 7 ij bielden tón met groot geroep, eisebei de dat bij zoude gebruist worden, en hun en der Overpriesteren geroep werd quot;eweidi 'er. 24 En Pilatus oordeelde dat hun eisch geschieden zoude; 25 en bij liet bun los dengenen die om oproer en doodslag in de geva irenis treworpen was, welken zij geeischt hadden, maar Jezus gaf hij óver tot hunnen wil. 2fi En als zij hem wegleidden, namen zij eeueu Pinion van Cyréne, komende van den akker, en leiden bem het k-ruis op, dat hij het achter Jezus droeir. 27 En eene groote menigte van volk en van vrouwen volgde hem, welke ook weenden en hem beklaagden. 2s En Jezus zicb tot haar kee-rende, zeide: Gy dochters van Jeruzalem, weent nb-t over mij, maar weent over uzelven en over uwe kinderen ; 29 want-zie, daar komen dagen in welke men zeirgen zal: Zali'.r zijn de onvrucbtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben. 30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt |
|
124 LUC. op oub, en tot de heuvelen: itedokt ons; :lt;! want iiiditni zij dit doen aan het i;roene hout, wat zal aan het dorre; â resehieden ? ;{? En daar werden ook twee andoren, zijnde kwaaddoeners, jrelcid om met hem gedood te worden. .*« En toen zij kwamen op de plaats, irei.aamd lloofdsehrdcl-jtlants, kruisigden zij hem aldaar, en de kwaaddoeners, den ééuen ter rechter- en den anderen ter liuker;t;V/«gt;. :lt;4 En Jezus zeide: Vader, ver-ireef het hun. want zij weten niet wat zij doen. En verdee-lende zijne kleederen, wierpen zij het lot. .'lt;5 En het volk stond en za;; het aan; en (Mik de oversten met hen beschimpten hem. zes-Rende: Anderen heelt hij verlost, dat hij nu zichzelven ver-losse, zoo hij is de Christus, de uitverkorene Gods. .'Hi En ook de krijgsknechten tot hem komende, bespotten hem, en brachten hem edik, 37 en zeiden: Indien «ij de Konim; der Joden zijt, zoo verlos uzelven. 3S En daar was ook een opschrift boven hem geschreven, met Grieksche eu Romeinsche en Hebreeuwscheletters : Dkzk is dr Konixg nxn Jookn. 'M En één van de kwaaddoeners die tfchanuien waren, lasterde hem, ze-mende: ⢠Indien jjij de Christus zijt, verlos uzelven en ons. 40 Maar dc andere antwoordende, bestrafte hem, zeisen de: Vreest irij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? 41 En wij toch rechtvaardiir-lijk, want wij ontvangen ut rut waardig hetReen wij gedaan hebben; maar déze heeft niets onbehoorlijks Rcdaau. 42 Eu hij zeide tot Jezus: ileere, Rcdcnk mijner als Rij in uw Koninkrijk zult Rckomen zijn. |
S 23. 4'.i En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeu: ik u. heden zult sü mij iu het Paradijs zijn. 44 En het was omtrent de zesde ure, en daar werd duisternis over de Reheele aarde, tot de neRende ure toe; 45 eu de zou werd verduisterd: en liet voorhanirsel des Tempels scheurde middeuc/oor. 4fi En Jezus roepende met Rroote stem, zeide; Vader: in uwe handen beveel ik mijnen Reest. En ais hij dat rc-zeifd had, ^af hij den Reest. 47 Als nu de hoofdman over honderd za? wat er Rcschied was, verheerlijkte hij God eu zeide: Waarlijk, deze mensch was rechtvaardiR. 4S En alle de scharen die sa-menirekoineu waren om dit te aanschouwen, ziende de diniren die Reschied waren, keerden weder, slaande op hunne borsten. 49 En alle zijne bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die hem te zaïncn gevolRd waren van Galiléa, en zalmen * dit aau. 5it Eu zie. een man met name Jozef, zijnde een Raadsheer, een sroed en rechtvaardiR man 51 {deze had niet mede bewil-liscd iu hunnen raad en handel), van Arimathéa, eeue stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte: 52 deze Riiu tot l'ilatus en be-Rccrde het lichaam van Jezus. 5:lt; En ais hij hetzelve afRe-noinen had, woud hij het in een fijn lijnwaad, en leide het in een Rraf, in eeue rots Re-houwen, waarin nog nooit iemand RelcRd was. 54 En iiet was de das der voorbereiding, en de sabbat kwam aan. 55 En ook de vrouwen, die met hem Rckomen waren uit Galiléa, vol^deu, en aanschouw den het trraf, en hoe ziju lichaam geleed werd. |
|
56 Eii wcderirekeerd zijnde, be-mddcii zij specerijcMi en zalven ; en op den sabbat i ustteu /.ij naar het gebod. HOOFDSTUK 24. EN op den eerstenN op den eersten dag der week, zeer vroe;; in den morgenstond, innuen zij naar bet Krat', dra-rende de specerijen die zij bereid hadden, en sommigen met haar. 2 Kh zij vonden den steen afgewenteld van het irraf; :! en iniregaan zijnde, vonden zij het lichaam des lleeren Jezus niet. 4 Ku het geschiedde als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleederen; 5 en als zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar; Wat zoekt gij den levende bij de doodeu? 6 Hij is hier niet, maar hij is opgestaan. Gedeukt hoe hij tot u gesproken heeft als hij nog in Galiléa was, 7 zeggende: De Zoon des men-schcu moet ovenreleverd worden in de handen der zondige meuschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage weder-opstaau. 8 En zij werden indachtig aau zijne woorden: 9 en wederjiekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij alle deze dingen aan de elve en aan alle de anderen. » 10 En dezen waren Maria Mag-daléna, en Johanna, en Maria de moeder van Jacobus, en de anderen met haar, die dit tot de Apostelen zeiden. 11 En hare woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. 12 Doen Petrus opstaande, liep tot het graf, en nederbukken-de, zag hii de linnen doeken ligirende alléén, en ging weg, zich verwonderende bij zich-was. |
U En zit, twee van hen gingen op dien dag i.aar eeu vlek dat zestig studilt; n van Jeruzalem was, welks naam was Em-raaüs; 14 en zij spraken samen onder elkander van alle deze dingen die cr gebeurd waren. 15 En het geschiedde (terwijl zij te sanién spraken en elkander ondervraagden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen gins:; ir. en hunne oogen werden gehouden, dat zij liem niet kenden. 17 En hij zeidc tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende oniier elkander verhandelt, en waarom ziet gij droe-vig ? is En de élt;*n, wiens naam was Kléopas, a.itwoordende, zeidc tot hem: Zijt gij alléén een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dintren die dezer dagen daarin 'resehied zijn ? ID En hij zcide tot hen; Welke? En zij zeiden tot hem: De dimren aangaande Jezus den Nazarcner, welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk; 2(1 en hoe onze Ovcrpriesters en oversten denzelveu overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en hem gekruisigd hebben. 21 En wij hoopten dat hij was degene die Israël verlossen zoude; doch ook benevens dit alles is het heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn. 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het irraf «eweest zijn; 2:i en zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een â rezicht van Engelen ïrezien hadden,die zeggen dat hij leeft. LUCAS 24. 125 zelveu over hetgeen geschied |
|
120 LUC 24 En sommiffen dersrenen die met ons zijn, Rinsren henen tot het graf, en bevonden het al-zóó gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar hèm zagen zij niet. 25 En hij zeide tot hen: O onverstandigen en tra ren van hart om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben. 26 moest de Christus niet deze dingen lijden, en ulzóó in zijne heerlijkheid ingaan? 27 En begonnen hebbende van Mozes en van alle de Profeten, leide hij hun uit in alle de Schriften hetgeen van hem ye-schreven was. 28 En zij kwamen nabij het vlek waar zij naar toe gingen; en hij hield zich alsof hij verder gaan zoude; 29 en zij dwongen hem. zeggende : Blijf met ons, want het is bij den avond en de dag is gedaald. En hij ging in, om met hen te blijven. .quot;{O En het geschiedde als hij met hen aanzat, nam hij het brood, en zegende het; en als hij het gebroken had, gaf hij het hun; 31 en hunne oogen werden geopend, en zij kenden hem; en hij kwam weg uit hun gezicht. 32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons. als hij tot ons sprak op den weg en als hij ons de Schriften opende? 33 En zij opstaande te dier ure. keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elve sa-menvergaderd, en die met hen waren. 34 welke zeiden: De Ileere is waarlijk opgestaan, en is van Simon trezieh. 35 En zij vertelden hetgeen op den weg i/eirhieil iraa, en hoe hij hun bekend was geworden in 't breken des broods. 3'! En als zij van deze dingen spraken, stoiid Jezus zelf in |
S 24. het midden van hen, en zeide tot hen : Vrede zij ulieden. 'W En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meendeu dat zij ceuen geest zagen. 3S En hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten? Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf; tast mij aan en ziet, want een gèest heeft geen vleesch en beenderen, gelijk gij ziet dat ik heb. 4'gt; En als hij dit zeide, toonde hij hun de handen en de voeten. 41 En toen zij hèt van blijdschap nög niet geloofden en zich verwonderden, zeide hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten? 42 En zij gaven hem een stuk van eenen *rebraden visch, en van honi rrate i; 4,lt; en hij nam het en at het voor hunne oogen. 44 Eil hij zeide tot hen: Dit zijn de -woorden die ik quot;tot u sprak, als ik nog met u was, nanieliik dat het alles moest vervuld worden wat van mij sreschreven is in de wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen. 4-i Toen opende hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. ^ en zeide tot hen: Alzóó is er geschreven, en alzóó moest de Christus lijden, en van de dooden opstaan ten derden dage, 47 en in zijnen naam gepredikt worden bekeering en vergeving der monden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. 4s En gij zijt getuigen van deze diiuren. 49 En zie. Ik zend de belofte mijns Vaders op u; maar blijft arij in de stad Jeruzalem, totdat ^ij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. |
|
50 Eu hij leidde hen buiteu tot aan Be than ië, eo zijne han-den opheffende, zetrende hij hen. 51 Eh het geschiedde als hij ze zegende, dat hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel. |
lt;ES 1. 127 52 En zij aanbaden gt; hem, en keerden weder naar Jeruzalem met groo:e blijdschap. 53 En zij waren te allen tijde in den Tempel, lovende eu dankende God. Amen. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJFING VAN
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. IN den beginne w as het \yoord en het Woord was bij God, en het Woord was God.N den beginne w as het \yoord en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zoi der hetzelve is geen ding geutaukt dat gemaakt is. 4 In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen; 5 en het licht schijnt in de duisternis, en- de duisternis heeft hetzelve niet betrrepen. 6 Daar was een mei.sch van God gezonden, wiens i.aam was Johannes; 7 deze kwam tot eene iretui-genis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door hem gelooven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar tws yezoaden opdat hij van het licht getuisren zoude. 9 T)it was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld. 10 Hij was in de. wereld, en de wereld is door hem gemaakt; en de wereld heeft hem niet gekend. |
11 Hij is gekomen tot hef. zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen. 12 Maar zoovelen hem aangenomen hebben, dien heeft hi} macht gegeven kii.deren Gods te y\orAcu, namelijk die in zijnen naam gelooven; H welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vlee-sches, noch uit den .wil des mans, maur uit God geboren zijn. 14 En het Woord is vleesch ireworden, en heelt onder ons gewoond (en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, .eene heeilijkheid als des Eeuiggebo-renen van den Vader) vol van genade en waarluid. 15 Johannes getuigt van hem en heeft geroepen, zeggende: Déze was het van welken ik zeide: Die n mij komt is vóór mij ireworden, want hij was eer dan ik.. IT) En uit zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor renade; 17 want de wet is door Mozes sregeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden 18 Niemand heeft ooit God irezien: de eenigereboren Zoon, die in den schoot des Vader» |
|
ÃS JOIIANNl is, tlic heeft Hem onê verklaard. ligt; En dit is de iretunreiiis vnu Johaiiues, toen de Jitden eemi/e i'riesters en Levieten at'zunden van Jeruzalem, opdat /,1.1 hem zouden vragen: Wie zijt irij ? Ãà En hij beleed en loochende het niet, en beleed: Ik ben de Christus niet. â¢21 En zij vraagden hem; Wat dan? Z)ji Rij Elia? En hij zeide; Ik ben die niet. Zijt ijij de Profeet? En hij antwoordde: Neen. '2'2 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt cij? opdat wij antwoord Reven inoRen dengenen die ons â¢rezonden hebben; wat zei?t trij van uzelven? Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: .Maakt den we-r des lleeren recht, Rel ijk Jesaja de Profeet gesproken liceft. 24 En dlt;! J'.l rezondenen waren uit de Farizeörs. â¢2b Eu zij vraagden hem en spraken tot hem ⢠Waarom doopt Rij dan, zoo Rij de Christus niet zijt, noch Elia, nocli de Profeet? 2'» Johannes antwoordde hun, r.eRRende: Ik doop met water, maai* hij staat midden onder uliedcn dien tdj niet kent: '27 dezelve is 't die na mij komt, welke vóór mij Rewor-den is, wien ik niet waardiR ben dat ik ziji-.en schoenriem zoude ontbinden. is Deze diiiRen zijn Resehied in Ketli^ibara óver den Jordaau, waar Johannes was doopende. â¢2'J Des anderen daa-rs zbr Johannes Jezus tot zich komen, en zeide: Zie, bet I.am Gods dat de zonde der wereld weR-neemt. :«⢠Deze is 't van welken ik ire-zeRd heb: Na mij komt een man, die vóór mij rcworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël zonde Reopen baard worden, daór-iS 1. |
om ben ik Rekomen, doopende met het water. :« Ea Johannes RetuiRde, zeR-Rende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel Re-lijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar die mij Rezonden heeft om te doopen met water, die had mij RezeRd: Op welken Rij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is 't die met den HeiliReu Geest doopt. 34 En ik heb Rezien en heb tretuiRd, dat déze de Zoon Gods is. 35 Des anderen daaRS wederom stond Johannes, en twee uit zijne discipelen; .'{fi en ziende op Jezus daar wandelende, zeide hij: Zie, het Lalt;n Gods. :lt;7 En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volRden Jezus. ;is En Jezus zich omkeerende en ziende hen volgen, zeide tot hen: 39 Wat zoekt Rij ? En zij zeiden tot hem: Rabbi (hetwelk is te zcRRen, overRezet zijnde, Meester), waar woont Rij? 4!! Hij zeide tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zaReu waar hij woonde, en bleven dien das bij hem; en het was omtrent de tiende ure. 41 Andréas, de broeder van Simon Petrus was één van de twee, die het van Johannes Rehoord hadden en hem rc-volRdâ¢waren : 42 deze vond eerst zijnen broeder Simon, en zeide tot hem : W ij hebben Revonden den Messias; hetwelk is, overRezet zijnde, de Christus. 43 En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jona: irij zul: genaamd worden Cefas; hetwelk overgezet wordt Petrus. 44 Des anderen daags wilde |
129
|
I zeicic tot hem: Voli? nnj. 40 I'ilippus nu was van Beth-saïdu, uit dc stad van Andréas en Petrus. -Hi Filippus vond NathAnaCl on zeidc tot hein: Wij hebben dien gevonden, van welken Clozes in de Wet seschreven heeft, en de Profeten, namelijk Jezus, den zoon Jozefs, van Nazareth. 47 K» NathAnaël zeide tot hein: Kan uit Nazaretli iets â¢â Soeds zijn? Filippus zeide tot hein : Kom en zie. 4S Jezus zaK NathAnaël tot zieh komen, en zeid«^ van hem : Zie, waarlijk een Israëliet in welken seen bedroic is. 49 Nathanaël zeide tot hem : A an waar kent it'j mij ? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Ker u Filippus riep, daar «ij onder den vij^eboom waart, za'ï ik u. 50 NathAnaël antwoordde en zeide tot hem: Uabbi, uij zijt «le Zoon Gods, gij zijt de Ko-ninjr Israëls. .jl Jezus antwoordde en zeide tot Item: Omdat ik u srezivrd heb: Ik zaij u onder den vij ce-hoom, zoo gelooft «ij: irij zult grootere dinven zien dan deze. 52 En hij zeide tot hein: Voorwaar, voorwaar zeg ik ulie-den, van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de Engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des meiischen. HOOFDSTUK 2. EN op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Cialüéa, en de moeder van Jezus was aldaar;N op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Cialüéa, en de moeder van Jezus was aldaar; 2 en Jezus was óók genood, 'â¢n zijne discipelen, tot de bruiloft. â¢quot;{ En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot hem: Zij hebben geen wijn. |
4 Jezus zeide tot haar: Viouw, wat heb ik met u te (Men/ Mijne ure is nog niet gekomen. 5 Zijne moeder zeide tot de di naars: Zoo wat liij uiiedeu zal zeggen, doet ilut. «! En aldaar waren zes steenen watervaten gesteld, naar de reini'ïimr der Joden, elk houdende twee of drie metrèten. 7 Jezus zeide tot hen: Vuit de watervaten met water. Ku zij vulden ze tot boven toe. S En hij zei.le tot hen : Schept nu en draagt het tot den hofmeester. En zij droegen het. 9 Als nu de hofmeester bet water dat wijn «eworden was, geproefd lad (en bij wist niet van waai de wijn was, maar de dienaren die liet water geschept badden, wisten bet), zoo riep de hofmeester den bniide -gom, lt» en zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wèl gedronken heeft, alsdan den minderen; nuiar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard. 11 Dit begin der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in (ialiléa, en heeft zijne heerlijk-beid geopenbaard; en zijne dis-eipelen geloofden in hem. 12 Daarna ginif hij af naar Kapérnaiun, bij en zijne moeder en zijne broeders en zijne discipelen, en zij bleven aldaar niet veie dagen. IU En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus ging óp naar Jeruzalem. 14 En bij vond in den Tempel die ossen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars datir zittende; 15 en een sreesel van tnuw-kens gemaakt hebbende, dreef hij ze allen uit den Tempel, ook de schapen en de ossen; en bet seld der wisselaren stortte bij uit, en koerde de tafels om; l'i en hij zeide tot degenen die JOHANNES 2. Jezus hcnonsraan nnnr Galilén, lt;â¢11 voihI Filipitus |
|
130 JOH ATS de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier wesr; maakt niet het Huis mijns Vaders tot een huis vau koophandel. 17 En zijne discipelen werden indachtig dat ér sreschreven is: De ijver van uw Huis heeft mij verslonden. IS De Joden dan antwoordden en zeiden tot hem: Wat teeken toont sij ons, dat tïij deze dingen doft ? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie da^en zal ik denzel-ven oprichten. 20 De Joden dan zeiden: Zes en veertiir jaren is over dezen Tempel gebouwd, en fiij, zult p;ij dien in drie da^en oprichten ? 21 Maar hij zeide dit van den tempel zijns liehaams. 22 Daarom als hij opgestaan was van de dooden, werden zijne discipelen gedachtip: dat hij dit tot hen sezeird had, en zij gelootden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had. 23 En als hij te Jeruzalem was op het Pascha, op het feest, ireloofden velen in zijnen naam, ziende zijne teekenen die hij deed. 24 Maar Jezus zelf betrouwde hun zichzelven niet, omdat hij ze allen kende, 25 en omdat hij niet van noo-de bad dat iemand getuigen zoude van den mensch; want hijzelf wist wat in den mensch was. HOOFDSTUK 3. EN daar was een mensch uit tie Farizeèrs, wiens naam was Nieodémus, een overste der Joden:N daar was een mensch uit tie Farizeèrs, wiens naam was Nieodémus, een overste der Joden: 2 déze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem : Rabbi, wij weten dat gij zijt een Leer-aar vau God gekomen; want uicmaud kan deze teekcnen |
S'ES 3. doen die gij doet, zoo God met hem niet is. :i Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. 4 Nicodémus zeide tot hem; Hoe kan een menseh geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in den buik zijner moeder ingaan en geboren worden ? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. fi Hetgeen uit bet vleesch geboren is, dat is vleesch, en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7 Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8 De wind blaast waarhenen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar irij weet niet van waar hij komt en waar hij benenraat : alzóó is een iegelijk die uit den Geest geboren is. 9 Nicodémus antwoordde en zeide tot hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10 Jezus antwoordde en zeido tot hem: Zijt gij een Leeraar Israels en weet gij deze dingen niet? 11 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben, en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan. 12 Indien ik ulieden de aard-scbe dingen gtzeiid heb en gij niet gelooft. Loc zult gij ge-looven indien ik ulieden de hemelsche zoute zeggen? 13 Eu niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemt-l nedergekomen is, namelijk de Zoon delt; measchen die in den hemel is. 14 En gelijk W.ozes de slang |
|
in de woestijn verhoogd heeft, alzóó moet de Zoon des meu-schen verhoogd worden, 15 opdat een ie relijk die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 1G Want al/.üo lief heeft God de wereld gehad, dat ilij fijnen eeniggeboren Zoon gegeven ! heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17 Want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat hij de wereld veroordeelen zoude, maar opdat de wereld door hem zoude behouden worden. IS Die in hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is aireede veroordeeld, dewijl liij niet heeft ireloofd in den naam van den eeniggebo-ren Zoon Gods. 19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld trekomen is, en de menselien hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos. â¢20 Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden; 21 maar die de waarheid doet, komt tot het Hcht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. 22 Na dezen kwam Jezus en zijne discipelen in het land van Jndéa, en onthield zich aldaar met hen, en doopte. 2.'{ En Johannes doopte óók in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar en werden gedoopt; 24 want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Daar rees dan eene vraag van eenifjen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging; 2fi en zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Itabbi, |
NES 4. 131 die met u was óver den Jor-daan, welken irij getuigenis gaaft, zie, die doopt, en zij komen allen tot hem. quot;27 Johannes antwoordde en zeide: Een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven is. Cs Gijzelven zijt mijne getuigen dat ik gezegd heb; Ik ben de Christus niet, maar dat ik voor hein henen uitgezonden ben. 29 Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend des-bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruide-!;oms. Zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld geworden. W ilij moet wassen maar ik minder worden. :U Die van boven komt, is boven allen. Die uit de aarde is voortge/iomèn, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde ; die uit den hemel komt, is boven allen; en hetgeen hij gezien en gehoord heeft, dat jetuiirt hij, en zijne getuigenis neemt niemand aan. Die zijne getuigenis aange-iioinen heeft, die heeft bezegeld dat God waarachtig is; :{4 want dien God sezonden heeft, die spreekt de woorden Gods; want God geeft hem den Geest niet met mate. :{5 De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in zijne hand gegeven. :lt;igt; Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. HOOFDSTUK 4. ALS dan de lleere verstond dat de Farizeërs gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte datv JohannesLS dan de lleere verstond dat de Farizeërs gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte datv Johannes |
|
I.V2 JOIIAgt; 2 {hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zyue discipelen^, 3 zoo verliet hij Judéa en irins ..ederom henen naar Galiléa. 4 En hij moest door Samarië praan. 5 Hij kwam dan in eene stad van Samarië, irenaamd Sichar, nabij het stuk land hetwelk .lako'b zijnen zoon Jozef lyaf; lt;gt; en aldaar was de fontein Ja-kobs. Jezus dan veimoeid zijnde van de reis, zat alzoo neder nevens de fontein: het was omtrent de zesde ure. 7 Daar kwam eene vrouw uit Samarië om water te putten. Jezus zeide tot haar ; Geef mij te drinken. 8 (Want zijne diseipelen waren henenireiraan in de stad, opdat zij spijs zouden koopen.) U Zoo zeide dan de Sainari-taansehe vrouw tot hem: Hoe begeert irij, die een Jood zijt, van mij te drinken die eene Samaritaansehe vrouw beu? Want de Joden honden ^een ^emeensehap met de Samaritanen. 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien -rij de «ave Gods kendet, en wie hij is die tot u zect: Geef mij te drinken, zoo zoudt. gij van hein hebben begeerd, en hij zoude u levend water geireven hebben. 11 De vrouw zeide tot hem: Heere, gij hebt niets om mede te putten, en de pu is diep: van waar hebt gij dan het levend water? IC Zijt irij meerder dan ouz« vader Jakob die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijne kinderen, en zijn vee? i;{ Jezus antwoordde en zeide tot haar: Ken ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; 14 maar zoo wie sredronken zal hebben van het water dat ik hem ireven zal, die zal in eeuwierheid niet dorsten, maar liet water dat ik hem zal geven. |
.ES 1. zal iu hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwiire leven. 15 De vrouw zeide tot hem : Heere, geef mij di\t water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen om te putton. Ugt; Jezus zeide tot haar: Ga henen, roep uwen man en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geenen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wèl gezegd: Ik heb geenen man; IS want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nü hebt, is uw man niet: dat hebt gij met waarheid gezesrd. lü De vrouw zeide tot hem; Heere, ik zie dat gij een Profeet zijt. Onze vaderen hebben op dezen berg aanâ /ebeden, en gijlieden zegt dat te Jeruzalem d«* plaats is, waar men moet aanbidden. 21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof mij, «le ure komt, wanneer gijlieden noch op dezen berir, imeh te Jeruzalem den Vader zult aanbidden. 22 Gijlieden aanbidt wat «ij niet weet, wij aanbidden wat wij weten; want de zaligheid is uit «le Joden; 23 maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbid-«lers den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want «le Vader zot'kt «gt;ok «le-zulken, die Hem alzóó aan-bid«len. 24 God is «'en geest, en «lie Hem aanbidde'i, moeten Urm aanbidden in geest en waarheid. 2ó De vrouw zeide tot hem: Ik weet dat de Messias komt («lie genaannl w«gt;r«lt quot;hristus); wanneer die zal 'rekomen zijn, zoo â¢/.al hij ons alle dingen verkondigen. â¢2lt;i Jezus zeide tot haar: 'k ben het, die met u spreek. 27 En daarop kwamen zij.ie |
JOHANNES 4.
133
|
discipelen, cm verwonderden zich dnt hij met eene vrouw-sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraa-t irij, of wat spreekt };ij oiot haar? â¢28 Zoo verliet de vrouw dan haar watervat, en tfintf henen in de stad, en zeide tot de lieden : â¢29 Komt, ziet een mensch die mij rczc -d heeft alles wat ik ücdaan heb ; is déze niet de Christus? HO Zij dan Kgt;igt;Keii uit de stad en kwamen tot hem. .'il Kn ondcrtusschen baden hem de discipelen, zeggende : Kahbi, eet. Hi Maar hij zeide tot hen: Ik heb eene spijs om te eten die !«ij niet weet. :u Zoo zeiden dan de discipelen teiren elkander : Heeft hein iemand te eten gebracht ? :u Jezus zeide tot hen; Mijne spijs is, dat iü doe den w il desfrenen die mij trezonden heeft, en zij . werk volbreng. :lt;5 Ze'it gijlieden niet: Het zijn nog vier maande., en dun komt de oo^st? Zie, ik zeg u, heft uwe oo-;en op en aanschouw t dc landen, want zij zijn aireede w it om te oogsten. ;{lgt; Kn die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zich te zanien veiblijdc.i beiden die zaait i'ii die maait; :i7 want hierin is die spreuk waarachtig: Ken ander is 't die zaait, en een ander die maait. :w Ik heb u uitgezonden om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben 't bearbeid, en -rij zijt tot hunnen arbeid ingeraan. Kn velen der Samaritanen uit die stad geloofden in hem, om bet woord der vrouw die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik iredaaii heb. -10 Als dan de Samaritanen tot hem gekomen waren, baden zij hem dat hij bij hen bleve; en bij bleef aldaar twee dagen. |
41 En daar geloofden veel meerderen om zijns woords wil, 42 en zeictcn tot de vrouw: Wij gelooven niet meer om uws zeir -ens w il, want wijzelven hebben hem ire boord, en weten dat «léze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld. 4:{ Kn na de twee dagen ging hij van daar, en ging henen naar Calil-a: 44 want Jezus heeft zelf prc-tuitrd, dat een Profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft. 45 Als hij dan in (ïaliléa kwam, ontvingen hem de Ga-lileers, gezien hebbei.de alle de dingen die bij te Jeruzalem op het feest gedaan had ; want ook zij waren tot het feest gedaan. 4fi Zoo kwam dan Jezus wederom te Wana in Galiléa, waar hij het water wijn gemaakt liad. Kn daar was een zeker koninklijk hureliny, wiens zoon krank was, te Kapér-naiun: 47 déze gehoord hebbende dat Jezus uit Judéa in Galiléa kwam, gins; tot hem en bad hem dat hij afkwame en zijnen zoon gezond maakte; want bi.) lag op zijn sterven. 4S Jezus dan zeide tot hem â¢. Tenzij dat gijlieden teekenen en wonderen ziet, zoo zult gij niet gelooven. 49 De koninklijke horeliny zeide tot hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft. óO Jezus zeide tot hem: Ga henen, uw zoon leeft. Kn de mensch geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging henen. 51 Kn als hij nu afding, kwamen hem zijne dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende : Uw kind leeft. 52 Zoo vraatrde hij dan van hen de ure in welke het beter |
|
1^4 JOH A IS met hem frcworden was, en zij zeiden tot liem: Gisteren te zeven uur verliet hem de koorts. 53 De vader dan bekende, dat het in die ure iras in dewelke Jezus tot hein tcezejrd had: Uw zoon leeft; en hij irelooide zelf, â¬n zijn geheele huis. 54 Dit tweede teeken heeft Jezus wederom sredaan, als hij uit Judéa in Galiléa gekomen â was. HOOFDSTUK 5. quot;VTA dezen was er een feest der Joden, en Jezus ging iip naar Jeruzalem. 2 En daar is te Jeruzalem aan de Schaapskooi een badwater, hetwelk in 't 11 ebreen wseh toeirenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. .3 In dezelve lag eene sroote menisrte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters; -l want een Engel daalde neder op zekeren tijd in het badwater, en beroerde het water: die dan het eerst daarin kwam na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. 5 En aldaar was een zeker mensch, die acht en dertig jaren krank gelegen had. rgt; Jezus ziende dezen liggen^ en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt trij irezond worden ? 7 De kranke antwoordde hem: Heere, ik heb geen mensch om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zoo daalt een ander vóór mij neder. 8 Jezus zeide tot hem: Sta ^p, neem uw beddeken op en wandel. 9 En terstond werd de mensch gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was ^abbat op dien dag |
10 De Joden zeiden dan tot dengenen die genezen was: Het is sabbat, 't is u niet geoorloofd het beddeken te dragen. 11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd; gt;eem uw beddeken op en wandel. 1'J Zij vraairden hem dan: AYic is de mensch die u gezegd heeft: Keem uw beddeken op en wandel? 13 En die gezond gemaakt was, wist niet wie hij was; want Jezus was ontweken, alzoo daar eene yroote schare in die plaats was. 14 Daarna vond hem Jezus in den Tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden: zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. l.rgt; De mensch ging henen en boodschapte den Joden, dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. Ifi En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij deze dingen op den sabbat deed. 17 En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk óók. 15 Daarom dan zochten de Joden te meer hem te dooden, omdat hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide dat God zijn eigen Vader was, zichzelven Godc evengelijk makende. 19 Jezus dan antwoordde en zeide tot hen : Vooiwaar, voorwaar zeg ik u, de Zoon kan niets van zichzelven doen, tenzij hij den Vader dat '.iet doen; want zoo wat die doet, hetzelve doet ook de Zoon detgelijks. 20 Want de Vader heeft den Zoon lief, en noont hem alles wat Hij doet, en Hij zal hem grootere werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert. 21 Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend |
JOHANNES 5.
13a
|
maakt, alzóó maakt ook de Zoon levend die hij wil. â Ji Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven, opdat /.ij allen den Zoon eeren, urelijk zij den Vader eeren. Wie den Zoon niet eert, ec;rt den Vader niet die hem gezonden heeft. 24 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, die mijn woord hoort, en gelooft Hem die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. â J5 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de ure komt en is nu, wanneer de doodeii zullen hooren de stem van den Zoon Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven; want gelijk de Vader het leven heeft in ziehzelven, alzóó heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in ziehzelven, â 27 en heeft hem macht gegeven ook gericht te houden, omdat hij desmenschen Zoon is. 28 Verwondert u daar niet over; want de ure komt, in welke allen die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, 29 en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die liet kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. 30 Ik kan van mijzelveu niets doen: gelijk ik hoor, oordeel ik, en mijn oordeel is rechtvaardig; want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders die mij gezonden heeft. 31 Indien ik \an mijzelven ge-tuig,.mijne getuigenis is niet waarachtig: 33 daar is een ander die van mij getuigt, en ik weet, dat de getuigenis welke Hij van mij getuigt, waarachtig is. |
33 Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven; 34 doch ik neem geene getuigenis van een meusch, inaar dit zeg ik. opdat gijlieden zoudt behouden worden. 35 Hij was eene brandende en lichtende kaars, en gij hebt u voor een korten tijd in zijn licht willen verheutcen; 3t! maar ik heb eene getuigenis meerder dan die van Johannes; want de werke». die mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, die werken die ik doe, getuigen van mij, dat mij ue Vader gezonden heeft. 37 En de Vader die mij gezonden heeft, die heeft zelf v?ii mij getuigd: gij hebt noch zijne stem ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien; 38 en zijn Woord hebt gij niet in u blijvende; want uij gelooft dien niet, dien Hij gezonden heeft. 39 Onderzoekt de Schriften, waiTl LïlJ mci'lir lil rte'/Clve lU't eeuwige leven te hebben, en die zijn het die van mij getuigen ; 4(1 en gij wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben. 41 Ik neem geene eer van menschen; 42 maar ik ken uliedcn, dat gij «Ie liefde Gods in uzelven niet hebt. 43 Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo ecu ander komt in zijnen eigenen naam, dien zult irij aannemen. 44 Hoe kunt gij gelóoven, gij die eer van elkander neemt, en de eer die van God alléén is, niet zoekt ? 45 Meent niet dat ik u verklagen zal bij den Vader: die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. 4'i Want indien irij Mozes ge-loofdet, zoo zoudt gij mij ge- |
|
13fi JOIIA^ h»ovi'u; want hij beeft van mij gcsvhrevcii. »7 Maar zoo }Cà 2ijiu'schriften niet treiooft, hoe zult sü mijne woorjk'i. KCluoveu 'r HOOFDSTUK n. N.\ dezen vertrok Jezus over «ie zee van Galiléa, welke is.\ dezen vertrok Jezus over «ie zee van Galiléa, welke is tie zee van Tiberias; 2 en hein voi^tle eene Rroote M-hare, omdat zij zijne treke-nen zajfen die hij deed aan de k ranken. :s Kn Jezus «inir tip den berjf, en zat aldaar neder met zijne diseipilen. 4 Kn bet Pascha, bet feest der Joden, was 1 abij. 5 Jezus dan de oojren opheffende en zieiide dat eene tcioote schare tot hein kMain, zcide tot i'ilipiius: Van waar zullen wij biooden koopen, opdat dezen eten luoven 'r â¦gt; (Doch dit zcide hij hem beproevende, wai.t hij wist zelf wat hij doen zoude.) 7 1'ilippus ai.twoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoejf, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. S Ken van zijne discipelen, namclyik Andreas, de broeder van pinion Petrus, zcide tot hein: l» Hier is een jongsken dat vijf gorstebrooden heeft, en twee viwhkens; maar wat zijn déze onder zoovelen r !(⺠Kn Jezus zcide: Doet de iiie-msoben nederzitten. Kn daar \\i»» vi'd gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal. 11 Kn Jezus nam de brooden, en â¢.quot;â dankt hebbende, deelde hij ze den discipelen uit, en de discipelen dengenen die neder-gezeren waren : desgelijks ook van de vislt;*hkenst zooveel zij wildquot;n. 12 Ka als zij verzadigd waren. |
!SKS fi. zcide hij tot zijne discipelen: Vergadert de overgesehotene biokken, opdat er niet» verloren ira. i:i Zij vertraderden te dan, en vulden twaalf korven me.: brokken van de vijf gerstc-brooden, welke overgeschoten waren dcimencu die gegeten hadden. 14 De menschen dan, gezien hebbende het teckcn dat Jezus gedaan had, zeiden; Jféze is waarlijk de Proleet die in di-wereld komen zoude. 15 Jezus dan wetende dat zij zouden komen, en hem met geweld nemcii, opdat zij hem Koning maakten, ontweek wederom op uen berg, hijzelf alléén. li! Kn als het avond geworden was, gingen zijne discipelen aV naar de zee; I/ en in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naur Kapélnnum. Kn het was ah cede duister geworden, en Jezus was tot beu niet ge komen; 18 en de zee verhief zich, ovcimits er een gioote wind waaide. iy Kn als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus wandclei.de op de zee en komende hij het schip; en zij werden bevreesd. 21» Maar hij zcide tot hen: Ik ben 't, zijt niet bevreesd. 21 Zij hebben hem dan gc-williglijk in het schip genomen; en terstond kwam het. M-hip aan het land waar zij naar toe voeren. 22 Des anderen daags de schare die aan de ar.deie zijde der zee stond, ziende dat aldaar geen ander scheepken was dan dat ééne waar zijne discipelen ingc-aan waren, en dat Jezus met zijne discipelen in dat scheepken niet w_as ge-traan, maar tint zijne discipelen alléén weggevaren waren |
JOHANNES (1.
isr
|
(doch «laar kwamen andere veheepkens van Tiberias imbii de plaats, waar zij het brood ffejreten hadden, als de Heere jredankt had); â¢24 toen dan de schare za-r, dat Jezus aldaar niet was noeh zijne discipelen, zoo jjin^en zij óók in de schepen, en kwamen te KapcrnaUm, zoekende Jezus; 2ó «mi als zij hem gevonden hadden óver de zee, zeiden zij tot hem: Kahhi, wanneer zijt ifij hier sjekomen? '2(5 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeir ik u, j?ij zoekt mij niet omdat srij teekenen irezien hebt, maar omdat srij van de brooden secreten hebt en ver zadiird zijt. â¢27 Werkt niet om de spijs die venraat, maar lt;gt;m de s])ijs die-blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensehen ulieden ireven zal; want dezen heeft God de Vader bezegeld. â¢2S Zij zeiden dan tot hem; quot;Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mo^en werken? â 21) Jezus antwoordde en zeide tot hen : Dit is het werk Gods, dat «ij gelooft in hein dien Hij gezonden heeft. .quot;W Zij zeiden dan tot hem: AVat teeken doet srij dun, opdat wij het mogen zien en u gelooven? Wat werkt gij? 31 Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, crclijk geschreven is; Hij «af hun het brood uit den hemel te eten. 32 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeif ik u, Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel; :n want het brood (Jods is hij die uit den hemel nederdaalt, en die der wereld het leven geeft. ;gt;4 Zij zeiden dan tot hem; |
Heere, geef ons altijd dit brood. ;(ii liu Jezu.« zeide tot hen: Ik ben het brood des levens : die tot mij komt, zal i-rcenszins hongeren, en die in mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. .quot;«! .Maar ik heb u !rez«!gd, dat gij mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet. :{7 Al wat mij de Vader «reeft, zal tot mij komen, en die tot mij komt, ïal ik geenszins uitwerpen. 3S \Vant ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat ik mijnen wil zoude doen, niaav den wil desgenen die mij gezonden heeft. :«l Un dit is de wil des Vaders die mij gezonden heeft, dat al wat llij mij geireven heeft, ik. daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten da-re. 41) Ãn dit is de wil desirenen die mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in hem irelooft. het eeuwige leven hebbe, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 41 lgt;e Joden dan murmureerden over hein, omdat hij gezegd had: ik ben het brood dat uit den hemel nedergedaald is ; 42 en zij zeiden: Is deze niet Jezus, de zoon Jozefs, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zeirt déze dan : Ik ben uit den hemel nedergedaald ? 4;i Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. 44 Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader die mij trezonden heeft, hemtrekke; en ik zal hem opwekken ten. uitersten dage. 45 Daar is geschreven in de l'rofeten: Un zij zullen allen van God ireleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en ireleerd heeft, die komt tot mij; |
|
138 JOH AN 46 niet dat iemand den Vader sczien heeft dan die van God as: deze heeft den Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar zes? ik u, die in mij gelooft, heeft het eeuwige leven. 4S Ik ben het brood des levens. 49 Uwe vaderen hebben het manna ge-reten in de woestijn en zij zijn gestorven: 50 dit is het brood dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet â sterve. 51 Ik ben het levende brood lt;lat uit den hemel nedergedaald is: zoo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven; en het brood dat ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk ik seven zal voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden Oliver elkander, zengende: Hoe kan ons deze zijn vleesch te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zes: ik ulieden, tenzij dat sij het â¢vleesch van den Zoon des men-sehen eet en zijn bloed drinkt, zon hebt gij geen leven in u-zelven- 54 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem opwekken ten uitersten «lase; 55 want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. 50 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. 57 Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzóó die mij eet , dezelve zal leven door mij. 5S Dit is het brood dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uwe vaderen het imanna gegeten hebben en zijn gestorven; die dit brood eet, aal in der eeuwigheid leven. |
lt;ES (5. 51) Deze dingen zeide hij in de Synagoge, leerende te Kapér-uaUm. (io Velen dan van zijne discipelen dit hoorende, zeiden: Deze rede is hard, wie kan dezelve hooren? (il Jezus nu wetende bij zich-zelven. dat zijne discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen : Enrert ulieden dit ? fgt;2 Wat zonde het dan zijn, zoo irij den Zoon des menschen zaa^t opvaren waar hij te voren was ? De is het die levend maakt, het vleesch is niets nut: de woorden die ik tot u spreek, zijn arcest en zijn leven. )i4 Maar daar zijn sommigen van ulieden die niet irelooven. Want Jezus wist van den be-irinne wie zij waren die niet geloofden, en wie hij was die hem verraden zoude. fi5 En hij zeide: Daarom heb ik u -rezerd, dat niemand tot mij komen kan, tenzij dat het hein gegeveu zij van mijnen Vader. Van toen af gingen velen zijner dicipelen teru'-r, en wandelden niet meer met hem. CtJ Jezus dan zeide tot de fwaalve: Wilt gijlieden óók niet wesssaan? (is Simon Petrus dan antwoordde hem: Ileere, tot wien zullen w ij henen?aan ? Gij hebt de wcorueu des eeuwigen levens; ii9 en wij hebben geloofd en bekend, dat s:ij 7ijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 7lt;» Jezus antwoordde hun : Heb ik niet u twaalve uitverkoren ? en één uit u is een duivel. 71 En hij zeide dit van Judas Simons zonn Iskariot; want deze zoude hem vjrraden, zijnde een van de twaalve. |
|
JOH AIS HOOFDSTUK 7. EN na dezen wandelde Jezus in Galiléa; want hij wilde in Judéa niet wandelen, omdat de Joden hem zuchten te dooden.N na dezen wandelde Jezus in Galiléa; want hij wilde in Judéa niet wandelen, omdat de Joden hem zuchten te dooden. 2 Kn liet feest der Joden, na-melijk de loo/hutteHzettiug, was nabij. Zoo zeiden dan zijne broeders tot hein ; Vertrek van hier en ira henen in Judéa, opdat ook uwe discipelen uwe werken inosen aanschouwen die Rij doet; 4 want niemand doet iets in 't verboriren. en zoekt zelf dat men openlijk van hem spreke. Indien irij deze dingen doet, zoo openbaar uzelven aan de wereld. 5 Want ook zijne broeders geloofden niet in hem. (» .lezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is uos niet daar, maar uw tijd is altijd bereid. 7 De wereld kan nlieden niet haten, maar mij l.uat zij, omdat ik van dezelve -etuis dat hare werken bo s zijn. S Gaat gijlieden â 'â¢p tot dit feest; ik ga nog niet óp tot dit feest; want infjn tijd is nog niet vervuld. 9 En als hi.i deze dingen tot hen gezegd had, bleef hij in Galiléa. 10 Maar als zijne broeders opgegaan waren, toen tring hij ook zelf óp tot het feest, niet openlijk, maar als in 't verborgen. 11 De Joden dan zochten hem op het feest, en zeiden: Waar is hij? 12 Kn daar was veel gemompel van hem onder de scharen; sommisren zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar hij verleidt de schare. 13 Nochtans sprak niemand vrijmoedi-rlijk van hem, om de de vrees der Joden. 14 Doch als het nu in het iES 7. 139 |
midden var, het feest was, zoo ging Jezus op in den Tempel en leerde. 13 En de Joden verwonderden zich, zegirende: Hoe weet déze de Schriftei , daar hij ze niet geleerd heeft? l(i Jezus antwoordde hun en zeide: Mijne leer is de mijne niet, maar desgenen die mij gezonden heeft: 17 zoo iemand wil deszelfs wil doen. die zal van deze leer bekennen of zij uit God is, dan or' ik van mijzelven spreek. 18 Die van /. chzelven spreekt, zoekt zijne eigene eer; maar die de eer zoekt desgenen die hem gezonden heeft, die is waarachtig, en geen ongerech-tisheid is in hem. 19 Heeft Mozes u niet de Wet gesreven ? en niemand van n doet de Wet. Wat zoekt jcij mij te dooden? 20 De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel: wie zoekt u te dooden ? 21 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Eén werk heb ik gedaan, en gij verwondert u allen. 22 Daarom Mozes heeft nlieden de besnijdenis gegeven (niet dat ze uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mensch op den sabbat. 2:5 Indien een mensch de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet verbroken worde, zijt gij toorniir op mij, dat ik een ge-heelen mensch irezond gemaakt heb op den sabbat? 24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een recht-vaardi'r oordeel. 2') Sommigen dan uit die van Jernztlem zeiden: Is deze niet dien /.ij zoeken te dooden ? 26 En zie, hij spreekt vrij-moedurlij k en zij zessen hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus? 27 Doch van dezen weten wij |
|
140 JOU Agt; van waar hij is; maar dc Christus wanneer liij kmneii zal, /.do zal iiiuniand weten van waar hij is. is Jezus dan riep, in den Tempel leerende en zejrj'ende: Kn sjij kent mij, en irij weet van waar ik beu; en ik ben van mijzelven i iet jrekomeu. maar Hij is waaiaeliti^ die mij .trezonden heeft, welken jjijlie-den niet kent; maar ik ken Hem, Mant ik ben van Hem, en Hij heelt mij gezonden. Zij zochten hem dan te ;r rij pen ; nu ar niemand sloeir de iuind aan hem, want zijne ure was nos; niet bekomen. Hl Kn velen uit de schare tre-hiittden in hem, en zeiden : AVanneer de Christus zal gekomen zijn, zal hij nok meer teekenen doen dun die welke deze iredaan heet't? :V2 J)c Farizeërs hoorden dat de schare dit van hem mompelde; en de Farizeërs en de Overpriestcr» zouden dienaren, opdat zij hem irrijpen zouden. Xi Jezus dan zeide tot hen: No;4 cencn kleinen tijd ben ik bij u, en ik t'a henen tot dengenen die mij gezonden heeft. .'14 Gij zult mij zoeken en ifij zult mij niet vinden, en waar Ik ben, kunt srij niet komen. Hó De «Inden dan zeiden tot elkander: Waar zal deze he-nen^aan, dat wij hem niet zullen vinden ? Zal hij tot de verstrooide Grieken ^aan, en de Grieken leeren? :iigt; AVat is dit voor een rede die hij srezegd heeft: Gij zult mij zoeken en zult mij niet vinden, en waar ik ben kunt sij niet komen? :I7 Kn op den laatsten das, zijnde de -rroote dag van het feest, stond Jezus eii riep, ze-r-irende: Zoo iemand dorst, die kome tot mij en driuke. :is Die in mij irelooft, jcelij-kerwijs de Schrift zelt;rt, stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien. |
â lt;'.1 (Eu dit zeide hij van den Geest, denwelken outvaniren zouden die in hein srelooveu; want de Heilhre Geest was nop: niet, overmits Je/.us not? niet verheerlijkt was.) 40 Velen dan uit de schare deze rede boorende, zeiden ; Deze is waarlijk de Profeet; 4' anderen zeiden: Deze is dc Christus; en anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galiléa komen ? 42 Zesrt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zadc Davids, en van bet vlek Uetb-lebem, waar David was? 4H Daar werd dan tweedracht onder de schare om zijnentwil ; 44 en somnibren van ben wilden hem irrijpen; maar niemand sloe^ de handen aan hem. 45 Dc dienaars dan kwamen tot de Overpricsters en Farizeërs; en die zeiden tut hen: Waarom hebt };ij hem niet st'-braebt? 4(i De dienaars antwoordden : Nooit beeft een mensch alzóó gesproken gelijk deze mensch. 47 Dc Farizeërs dan antwoordden bun : Zijt ook trijlieden verleid ? 4S Heeft iemand uit de oversten in hem geloofd, of uit de Farizeërs ? 41) Maar deze schare, die de Wet niet weet, is vervloekt. 50 Nicodémus ztide tot ben, welke des nachts tot hem f?e-komeu was, zijnde één uit hen : ól Oordeelt ook onze Wet den mensch, tenzij dal ze eerst van hem ire boord heelt en verstaat wat bij doet? 52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt «ij óók uit Galiléa? Onderzoek en zie, dat uit Galiléa Keen Profeet opgestaan is. n'l En een iegelijk ging henen naar zijn huis. |
JOHANNES S.
141
|
HOOFDSTUK S. MAAR Jezus «U'S naar den Olijfberg.AAR Jezus «U'S naar den Olijfberg. â¢2 En des morgens vroes kwam hij wederom in den Tempel, en «1 het volk kwam tot hem; en nedcrgezcten zijnde, leerde hij hen. :i En de Schriftgeleerden en «Ie Farizeërs brachten tot hem «â¢ene vrouw in overspel gegrepen ; I en haar gestehl hebbende in het midden, zeiden zij tot hem: Meester, deze vrouw is op de «laad zelve gegrepen, overspel begaande; 5 en Mozes heeft ons in de AVet geboden, dat dezulken ge-steenigd zullen worden: gij dan, wat zegt gij ? « En dit zeiden zij hem verzoekende, opdat zij ietn had-«len om hem te beschuldigen. Maar Jezus nederbukkende, schreef niet den vinger in de aarde. 7 En als zij hem bleven vragen, richtte hij zich op en zeide tot hen; Die van ulieden zon-«ler zonde is, werpe het eerst den steen op haar. S En wederom nederbukkende, schreef hij in de aanle. 9 Maar zij lt;lgt;t hoorende, en van hunite conacientie overtuigd zijnde, gingen uit, de één na den ander, beginneiwle van «le oudsten tot d»; laatsten; en Jezus wer«l alléén gelaten, en de vrouw in 't midden staande. 10 En Jezus zich oprichtende, en niemand ziende dan «le vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uwe beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld ? II En zij zeide: Niemand, Heere. En Jezus zeide tot haar: Zoo vemordeel ik u óók niet: ga henen en zondi' niet meer. 12 Jezus dan sprak wederom tot hen, zeggende: Ik ben het licht der wereld: die mij volgt. |
zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. 1.'{ De Farizeérs dan zeiden tot hem: Gij getuigt van uzelven, uwe i;etuigenis is niet waarachtig. 11 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hoewel ik van mij-zelven getuig, zoo is nochtuun mijne iretuiirenis waarachtig, want ik weet van waar ik gekomen ben en waar ik henen-Ka; mam- irijlieden weet niet van waar ik kom en waar ik henenna. 15 Gij oordeelt naar het vleesch, ik oonleel niemand. K» En indien ik ook oordeel, mijn oordeel ?s waarachtig; want ik ben niet alléé.i, maar ik en de Vader die mij gez«)ii-den heeft. 17 En daar is ook in uwe Wet geschreven, dat de getuigenis van twee inenschen waaraeh-ti'; is: IS ik ben het die van mijzelven getui-;, en de Vader «lie mij gezonden heeft, iretui^t van mij. l'.l Zij dan zeiden tot hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch mij, noch mijnen Vader; indien gij mij kemlet, zoo zoudt gij ook mijnen Vader kennen. â¢J(t Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, leerende in den Tempel; en niemand srreep hem, wa. t zijne ure was nog niet irekomen. â Jl Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ira henen, en gij zult mij zoeken, en in uwe zonde zult gij sterven; waar ik henenga, kunt gijlieden niet komen. *22 De Joden dan zeiden: Zal hij ook zichzelveu dooden, oni-«lat iiij zegt: Waar ik henenga, kunt gijlieden niet komen? C i En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt van bededen, ik ben van boven; gij zijt uit deze werehl, ik ben niet uit deze w ercld. |
|
142 JOH A? 24 Ik heb u dan srezesd dat jjij in uwe zouden zult sterven; want ii.clie.i fj'j 'â¢ilt;-'t gelooft dat ik die ben, _ij zult iu uwe zonden sterven. 25 Zij zeiden dun tot hem : Wie zijt irij ? Un Jezus zeide tot hen: Wat ik van den beginne ulieden ook zeir. 20 Ik heb vele diiigen van u te zeif^en en teoordeelen; maar die mij gezundou heeft, is waarachtig, en de din-en die ik van Hem irehooid heb, dezelve spreek ik tot de wereld. 27 Zij verstoi.den niet dat hij hun van den Vader sprak. 28 Jezus dan zeide tot hen: Wanneer srij dei. Zoon des men-sehen zult veihoo'd hebben, dan zult ?rij verstaan dat ik die ben, en dni ik van mijzelven niets doe; maar deze dingen spreek ik irelijk mijn Vader mij ireleerd heeft. 29 En die mij quot;ezonden heeft, is met mij: de Vader heeft mij niet a:léé.i gelaten, want ik doe altijd waf Ilem liehaag-lijk is .'{li Als hij deze dineren sprak, geloofden veieu in hem. 31 Jezus dan zeide tot de Joden die in hem eeloofden: Indien gijlieden i.i mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne diseipelen, 32 en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. 33 Zij antwoordden hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt gij dan: Gij zult vrij worden ? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, een iegelijk die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde; 35 en de dienstknecht blijft niet eeuwiirlijk iu het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk. 36 Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. |
NES 8. 37 Ik weet dat irij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt mij te dooden, wai.t mijn woord heeft in u geene plaats. 38 Ik spreek wat ik bij mijnen Va ier gezien heb: gij doet dan ook wat gij bij uwen vader gezien hebt. :lt;9 Zij antwoordden en zeiden tot hem : Abrai.am is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien L-ij Abiahams kindereu waart, zoo zwudt gij de werken Abrahams doeii; 40 maar nu zoekt gij mij te dooden, een mensch die u de waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb; di\t deed Abraham niet. 41 Gij doet de werken uws vaders. Zij dan zeiden tot hem: W ij zijn niet gcboien uit hoererij; wij hebben éénen Vader, namelijk God. 42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader was, zoo zoudt gij mij liefhebben; want ik ben van God uitgegaan en kom run Hem; want ik ben ook van mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft mij gezonden. 43 Waarom kent gij mijne spraak niet? Het is omdat gij mijn woord niet kunt hoo-ren. 44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een menschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uitzijn ti^en; want hij is een leugenaar en de vader der leuyen. 45 Maar mij, omdat ik m de waarheid zeg, gelooft gij niet. i(i Wie van u overtuigt mij van zonde? En ind en ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij mij niet? 47 Die uit God is, hoort de woordeu Gods; daarom hoock |
JOHANNES 9.
143
|
gijlieden niet, omdat gij uit (God niet zijt. 4« De Joden dan aiit\voorlt;l-dea en zeiden tot hein: Zes-gen wij niet wèl, dat srij een Samaritaan zijt en den duivel hebt? 4«.) Jezus antwoordde: Ik heb den duivel niet, maar ik eer mijnen Vader, eu sà onteert mij. 51' Doch ik zoek mijne eer niet: daar is een die ze zoekt eu oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zet; ik u, zoo iemand mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. 52 l)e Joden dan zeiden tot hem: :Nu bekennen wij dat gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de Prototen, en zegt gij: Zoo iemand mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid? 55 Zijt irij meerder dan onze vader Abraham, welke gestorven is? Eu de Profeten zijn gestorven: wiea maakt gij u zeiven ? 54 Jezus antwoordde: Indien ik mijzelven eer, zoo is mijne eer niets: mijn Vader is het die mij eert, welken gij zegt dat uw God is, 55 en gij kent Hem niet: maar ik ken Hem, en indien ik zeg dat ik Hem niet ken, zoo zal ik ulieden gelijk zijn, dat in een leugenaar; maar ik ken Hem en bewaar zijn Woord. 5G Abraham uw vader heeft met verheuging verlangd, opdat hij mijnen dag zien zoude, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest. 57 De Joden dan zeiden tot hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt gij Abraham gezien ? 5S Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, eer Abraham was ben ik. 59 Zij namen dau steenen op. |
dat zij ze op hem wierpen; maar Jezus verborg zich en ging uit den Tempel, gaande door het midden van hen, eu ging alzóó voorbij. HOOFDSTUK 9. EN voorbijraande, zag hij eenen menscb, blind van de geboorte af.N voorbijraande, zag hij eenen menscb, blind van de geboorte af. 2 En zijne discipelen vraagden hem, zegirende: Kabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind zoude geboren worden ? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd nock zijne ouders; maar dit is ye-schied opdat de werken Gods-in hem zouden geopenbaard worden. 4 Ik moet werken de werken desgenen die mij gezonden heeft, zoolang het dag is: de-nacht komt, wanneer niemand werken kan. 5 Zoolang ik in de wereld beu, beu ik het licht der wereld. H Dit gezegd hebbende, spuwde hij vip de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de oogen des blinden, 7 en zeide tot hem: Ga henen, wasch u in het badwater Siló-am (hetwelk ovenrezet wordt Uitgezonden). Hij dan ging henen en wiesch zich en kwam ziende. S De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden dat hij. blind was, zeiden : Is deze niet die zat en bedelde? 9 Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het. 10 Zij dan zeiden tot hem Hoe zijn u de oo,ren geopend? 11 Hij antwoordde en zeide:. De menseh, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijne oogen, en zeide tot mij: Ga. henen naar het badwater Siâ lóam en wasch u. En ik ging: |
JOHANNES 9.
144
|
henen en wicsch mij, en ik werd ziende. li Zij dan zeiden tot hem: Waiu- is die? Hij zcidc: Ik weet liet niet. n Zij brachten hein tot de Favizeërs, hein nameliik die te voren blind i/eireent inis. '14 Kn het was sabbat als .le-z«s het slijk maakte en zijne oo^en ojiende. ló |)e Farizeei izeers dan vraagden ook wederom, hoe hij xiende geworden was; en hij ,/eide tot hen : Hij leide slijk op mijne oo-ren, en ik wieseh mij, en ik zie. Hgt; Soinmi'ren dan uit de Fa-rizeers zeiden : Deze menseh is van (Jod niet, want hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden : Hoe kun een menseh die een zondaar is, zulke teekenen doen r Kn daar was tweedracht onder hen. 17 Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zeirt srij van hem, dewijl hij uwe oo^en ire; o|iend heeit? En hij zeide: Hij is een Profeet. IS De Joden dan freloofdeu van hem niet, dat hij blind geweest was en ziende was geworden, totdat zij jreroepen luidden de oudeis desi^eueu die y/iende geworden was; 19 en zij vraagden hun, zeir-ijende: Is déze uw zoon, weiken jrij zetct dat hlind steboren is? Hoe ziet hij dan nu ? â¢20 Zijne ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten dat déze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; â¢Jl maar hoe hij nu ziet, weten wij niet, ot' wie zijne ooiren geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijnen ouderdom, vraant hemzelven; hij zal van ziehzel-ven spreken. 22 Dit zeiden zijne ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden aireede te zaïnen een besluit wniaakt, zoo iemand hem beleed Christus te zijn, dat die uit de Syna-{lose zoude jreworpeu worden; |
daarom zeiden zijne ouders: Hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hemzeiven. â¢24 Zij dan riepen voor de tweede maal den menseh die blind ireweest was, en zeiden tot hein: Geef Gode de eer: wij weten dat deze menseh een zondaar is. *25 Hij dan antwoordde en zeide: Of hij een zondaar is, weet ik niet; één dinir weet ik, dat ik hlind was, en nu zie. 2li En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft hij u gedaan? hoe heeit hij uwe oogen geopend ? 27 Hij antwoordde hun: Ik heb het u aireede gezegd en gij hebt het niet gehoord; «wat wilt gij het wederom hooren? Wilt gijlieden óók zijne disei-pelen worden? 2quot;» Zij gaven hem dan scheldwoorden en zeiden: Gij zijt zijn discipel, maar wij zijn Mozes' discipelen; 2U wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet van waar hij is. :;ii De menseh antwoordde en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet van waar hij is, en nochtans heeft hij mijue oogen geopend. ;il Kn wij weten dat. God de zondaars niet hoort ; maar zoo iemand godvruehtig is en zijnen wil doet, dien hoort Hij. :{2 Van alle eeuw is liet niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend heeft. :rlt; Indien déze van God niet ware, hij zoude niets kunnen doen. ;{4 Zij antwoordde i en zeiden tot hem: Gij zij: geheel in zonden geboren, en leert «ij ons? Kn zij wicrpei hem uit. Ito Jezus hoorde dat zij hem uitgeworpen hadde i, en hem vindende, zeide hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon Gods? |
.milANKKS lil.
145
|
.Ifi Hij antwoonldc en zt'ide: quot;Wie is hij, lleere, opdat ik ia hem niojje ^elooven r :{7 Eu Jezus zeide tot hein; Eu ^ij hebt hem gezien, en die niet u spreekt, dezelve is het. .'is Eu hij zeide: Ik ireloof, lleere : en hij aanhad hem. :J9 Eu Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel m deze wereld gekomen, opdat degenen lt;lit' niet zien, zien ino£en, en die zien, blind worden. â¢10 En '«Ut hoorden eeniyen uit de Farizeërs die bij hem waren, en zeiden tot hem: Zijn wij tlau óók blMid ? -II Jezus zeide tot hen: Indien i;ij blind waart, zoo zoudt j;ij ^een zonde hebben; innar nu zegt gij; Wij zien; zou blijft dan uwe zonde. HOOFDSTUK 10. VOORWAAR, voorwaar ze-; ik ulieden, die uiet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar;OORWAAR, voorwaar ze-; ik ulieden, die uiet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar; â¢J maar die door de deur ingaat, is een herder der sehapen. :$ Dezen doet de deurwachter enen, en de schapen hooren zijne stem; en hij roent zijne schapen bij name, en leidt ze uit. 4 Eu wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft, zoo icaat hij voor hen henen ; en de schapen volden beu», overmits zij zijne steui kennen; ó maar eenen vreemde zullen zij geenszins volden, maar zullen villi hem vlieden, overmits â /.ij de stem der vreemden uiet kennen. lt;» Deze «elijkeuis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet wat het was dat hij tot hen sprak. 7 Jezus dan zeide wederom tot hen; Voorwaar, voorwaar zes ik u, ik ben de deur der schapen. |
S Allen, zcnvelen ala er vóór mij zijn «eAomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen uiet srelioord. 'J Ik ben de deur ; indinu iemand door mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. 10 De dief komt uiet dau opdat hij stele en slaehte eu vci-derve: ik ben gekomen, opdat, zij het leven hebben eu overvloed hebben. 11 Ik ben de Roede Herder. De Roede herder stelt zijn leven voor de schapen; 1- maar de huurling eu die Keen herder is, wien de schaliën uiet eigei: zijn, ziet den wolf komen en verlaat de schapen, en vliedt, en de wolf icrijpt ze eu verstrooit de schapen ; W en de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geeue zorg voor de schapen. 14 Ik ben de goede Herder, en ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend. 15 Gelijkerwijs de Vader mij keut, alzóó ken ik ook den Vader ; en ik stel mijn leven voor de schapen. H» Ik heb hor andere schapen, die van dezen stal niet zij li ; déze moet ik óók tocbren-iren, eu zij zullen mijne stem hooren, en het zal worden ééue kuilde en één herder. 17 Daarom beeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven alley:, opdat ik hetzelve wederom neme. IS Kiemand neemt hetzelve van mij; maar ik leir het van mijzelven af: ik heb macht hetzelve af te icriren en heb macht hetzelve weder te nemen; dit i;ebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. l'.t Daar werd dan wederom tweedracht ouder de Joden om dezer woorden wil; 2ü eu velen van hen zeiden: 10 |
|
i4r. joh an: Hij heeft den duivel en is uit-zinniir; wat hoort «jcij hem r 21 Andereu zeiden r Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden oo^en openen? K En het was het leest der vernieuwing des Tempels te Jeruzalem, en het was winter; 23 en Jezus wandelde in den Tempel, in het voorhof Salomo's. â 24 De Joden dan omringden hem, en zeiden tot hem: Hoe-lang houdt «ij onze ziel op? Indien snj de Christus zijt, zeg het ons vrijuit. â¢25 Jezus antwoordde hun; Tk heb het u gezegd, en gij «gelooft het niet. De werken die ik doe in den naam mijns Vaders, die getuigen van mij; 21» maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van mijne schapenï gelijk ik u gezegd heb. 27 .Mijne schapen hooren mijne stem, en ik keu dezelve, en zij volgen mij, 28 en ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwiirheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken. â â¢29 Mijn Vader die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. 3(1 Ik en de Vader zijn één. 31 Dc; Joden dan namen wederom stceiieu op om hem te steenigen. 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele Mc (lelijke werken getoond van mijnen Vader : om welk werk van die steenigt gij mij ? 33 De Joden antwoordden hem, zeggende: Wij steenigen u niet over eeniy troed werk, maar over £KMZ«lastering, en omdat srij een mensch zijnde, uzelven God maakt. 34 Jezus antwoordde hun : Is er niet geschreven in uwe Wet: Ik heb gezegd ; Gij zijt goden ? |
ES 11. 3» Indien de Wet die goden genaamd heeft tot welke het Woord Gods geschied fc, en de Schrift niet kan gebroken worden, :«) zegt gijlieden lot mii, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heelt: Gij lastert God, omdat ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon ? 37 Indien ik niet doe de werken mijns Vaders, zoo gelooft mij niet; 3S maar indien ik ze doe, en zoo gij mij niet gelooft, zoo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en gelooven dat de Vader in mij is, en ik in Hem. :ii) Zij zochten dan wederom hem te grijpen, en hij ontging uit hunne hand. 40 E.i hij ging wederom over den Jordaan, tot de plaats waar Johannes eerst doopte, en hij bleef aldaar. 41 En velen kwamen tot hem en zeiden : Johaimes deed wel geen teeken, maar alles war. Johannes van dezen zeide, was waar. 42 En velen geloofden aldaar in hem. HOOFDSTUK 11 EN daar was een zekerN daar was een zeker man krank,#e/lt;aami? Lazarus, van üethanië, uit het vlek van Maria en hare zuster Martha. 2 (Maria nu wus degene die den Heere srezaltd heeft met zalf, en zijne voeten afgedroogd heeft met hare haren; welker broeder Lazarus krank was.) 3 Zijne zusters dan zonden tot hem, zctïgenc.e: Heere, zie, dien gij lief hebt, is krank. 4 En Jezus dat loorende, zei-de : Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde. 5 Jezus nu had Martha en |
|
JOH A KIS hare zuster en Lazarus lief. ti Als hij dan gehoord liad dat hij krank was, toen bleef hij nuf/ twee dagen in de plaats waar hij was. 7 Daarna zeide hij verder tot de diseipelen; Laat ons w ederom naar Judea iraan. s De discipelen zeiden tot hem: Kabbi, de Joden hebben u nu onlangs jrezoebt te steeniiren, en gaat gij wederom derwaarts? 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag ? Indien iemand in den das w an-delt, zoo stoot hij zieh niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; 10 mnar indien iemand in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is. 11 Dit sprak hij, en daarna zeide hij tot hen : Lazarus onze vriend slaapt, maar ik tra henen om hem uit den slaap op te wekken. 1*2 Zijne discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt zoo zal hij gezoi.d worden. i:{ Doch Jezus had gesproken van zijnen dood; maar zij meenden dat hij sprak van de rust des slaaps. 14 Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven, 15 en ik ben blijde om uwent-wil dat ik daar niet geweest ben, opdat gij 'relooveu moogt; docb laat ons tot hem gaan. 1»gt; Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot ziine medediscipelen: Laat ons óók gaan, opdat wij met hem sterven. 17 Jezus da., gekomen zijnde, vond dat hij nu vier dagen in het graf ireweest was. IS (Bethanic nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën van daar.) 19 En velen uit de Joden w aren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haren broeder. |
ES 11. 147 20 Martha dan, als zij hoordt-dat Jezus knam, 'ing hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten. 21 Zoo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart gij hier geweest, zoo ware mijn broeder niet tres torven; 22 maar ook nu weet ik, dat alles wat irij van God beueeren zult. God het u geven zal. 2.{ Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan. 24 Martha zeide tot hem : Ik weet dat hij opstaan zal in de-opstanding ten laatsten dage. 25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: die in mij urclcoit zal leven, al ware hij ook irestorven; 26 en een iegelijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in tier eeuw igheid: gelooft gij dat ? 27 Zij zeide tot hem: Ja, Heere, ik heb gelooid dat gij zijt de Christus, de Zoon Gods die in de wereld komen zoude. 28 En dit gezegd hebbende, ging zij henen, en riep Maria hare zuster heimelijk, zeggende; De Meester is daar, en hij roept u. 29 Déze als zij dat hoorde, stond haastelijk op en ging tot hem. 39 (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats waar hem Martha te gemoet gekomen was.) 31 De Joden dai. die met haar in het huis waren en haar vertroostten, ziende Maria dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zegtrei.de: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar weene. 32 Maria dan als zij kwam. waar Jezus was, en hem zag, viel aan zijne voeten, zeggende tot hem: Heere, indien gij hier geweest waart, zoo ware mijn broeder niet gestorven. 33 Jezus dan al hij haar zag weenen, en de Joden die met haar kwamen, óók weenen. |
|
148 JOHAX werd zeer bewoKCii in den peest t'n ontroerde zichzelven, H4 en zeide: Waar hebt srij hem jrele^d ? Zij zeiden tot hein; lleere, kom en zie het. 35 Jezus weende. H(i De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief hij hem had. -.17 En sommigen uit hen zeiden: Kon hij, die de oofren des blinden geopend heeft, niet inakeu dat ook déze niet jï'-'-s tor ven ware ? Tis Jezus dan wederom in aiehzelveu zeer bewo-ren zijnde, kwam tot het irraf; en het was lt;»ene spelonk, en een steen \\hs daarop irelesd. â JU Jezus zeide; Neemt den steen wei;. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot lienn lleere, hij riekt nu al, want hij heeft vier da^en aldaar yeleneu. â¢lH Jezus zeide tot haar: Heb ik u niet «ezepd, dat zoo (jij irelooft, srij de heerlijkheid Gods zien zult ? 41 Zà namen dan den steen wep, waar de gestorvene la-r; en Jezus hief de oojren opwaarts en zeide: Vader, ik dank Lquot; dat (Jij mij gehoord hebt. 42 Doelt ik wist dat Gij mij altijd hoort; maar om der schare wil die rondom staat, heb ik dit jjezetcd, ojidat zij zouden jrelooven dat Gij mij gezonden hebt. 4'S Kn als hij dit gezeird had, riep bij met irroote stem: J^i-zarus, kom uit! 44 En de gestorvene kwam uit. gebonden aan handen en voeten met prafdoeken, en zijn Hanpezieht was omwonden n.ct oenen zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem en laat hem henenpaan. 45 Velen dan uit de Joden die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden hetjreen Jezus gedaaa had, geloofden in hem; 46 maar sonnnipren van hen gingen tot de Fameërs, en |
3NESH. zcideKi tot hen hetgeen Jezus gnlaiLii Lad. 4/ 1 gt;e Uvfrpriesters dan en de F«riieërs vergaderden den Hand» cu zeiden: Wat zullen wij d«jeii? Want deze inensch doet ^ele teekenen. 4S Indien v\ij hem alzóó laten gmr^ien, zij zullen allen in hem srelooven, en de Komeinen zullei amp; komen en wegnemen beide onze plaats en volk. â l'j E â i ééu uit hen, naiiielijk Kajatquot;quot;as, die dat jaar llooge-priester was zeide tot hen: Gij verstaat niets, Si ei ft t;ij bedenkt niet dat het ons iiut is, dat één inensch slervti voor het volk, en het ge-heeli' volk niet verloren ga. 51 En dit zeide hij niet uit zirliz^lven, maar zijnde lloo-(;eiiri«slcr van dat jaar pro-leieer-dc hij dat Jezus sterven zoude voor het volk; 52 eü niet alleen voor het volk, maar opdat hij ook de kinderen Gods, die verstrooid «are»», tot ééu zoude vergaderen - â¢ill V«n dien daar dan af beraad-siaagrfeii zij te /.amen, dat zij hem «looden zouden. 51 J «zus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden, iiirhi- jtinfr van daar naar het land bij dlt;f woestijn, naar de siail jicnaaind Efraïin, en verkeerde aldaar met zijne disci-jieicn _ 55 Kii het Pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land «iiiL't'ii óp naar Jeruzalem vóór iiet Pascha, opdat zij zich-zeivei ft reinigden. 51 Zij zochten dan Jezus, en zeide*.i ouder elkander, staande ia de Ki Tem pel: Wat dunkt u r Iluiik£: u dat hij niet; komen zal tot h«t feest ? 5/ I gt;e üverpriesters nu en de Farizeeërs hadden â¢-â¢en aebod geseven, dat zoo iemand wist vaar hij was, hij het zoude te kennen seven, opdet zij hem inocli. ten vangen. |
|
JO ii AN: HOOFDSTUK 12. JEZUS dan kwnm zes dagen vóór het Puseha te Hetliauiö, vaar Lazarus was, die ^esior-ven was fjewecst, welken hij opgewekt had uit de dooden. EZUS dan kwnm zes dagen vóór het Puseha te Hetliauiö, vaar Lazarus was, die ^esior-ven was fjewecst, welken hij opgewekt had uit de dooden. '2 Zij bereidden hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen die met hem aanzaten. Maria dan spnnmen hebbende een pond zalf van on-vervalschten zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met hare haren zijne voeten aftredroosjd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf. I Zoo zeide dan één van zijne diseipelen, nnnielijk Judas Simons zoon Iskuriot, die hem verraden zoude: ft Waarom is deze zalf niet verkoeht voor driehonderd penningen, en den armi'n gegeven ? lt;gt; En dit zeide hij niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droejr hetgeen Keireven werd. 7 Jezus dan zeide: Laat af van haar ; zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafenis. 8 Want de annen hebt «ijlie-den altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd. 9 Eene jrroote schare dan der Joden verstond «lat hij aldaar was; en zij kwamen niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien hij uit de dooden opirewekt had. 10 En de Overpriesters be-raadslaaquot;den dat zij ook Lazarus dooden zouden; II want velen van de Joden gingen henen om zijnentwil en geloofden in Jezus. 12 Des anderen daags eene fïroote schare die tot het feest |
:ES 12. 149 gekomen wj-s, hoorende dat Jezus naar Jeruzalem kwam, i:{ namen de takken van palm-boomen, en gingen uit hem te gemoet, e:i riepen : Hosanna, gezegend hij die komt in den naam des ïleeren, Aij die ia de Koning Israels! 14 En Jezus voi d renen jongen ezel en zat daarop, gelijk geschreven is: 15 Vrees niet, gij dochter Si-ons: zie, uw Koning komt, zittende op het veulen eener ezelin. l(i Doch dit verstonden zijne discipelen in 't eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig dat dit van hem geschreven was, en dal zij hem dit gedaan hadden. 1quot; De schare dan die met hem was, getuigde dat hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de dooden opgewekt had. IS Daarom iring ook de schare hem te gemoet, overmits zij gehoord had, dat hij dat teeken gedaan had. 19 De Earizeërs dan zeiden onder elkai.der: Ziet gij tce£ «lat gij gansch niet vordert? Zie, de ye/ieele wereld gaat hem i:a. CO En daar waren sommige Grieken, uit degenen die opgekomen waren, opdat zij op het feest z«gt;uden aanbidden : 21 dézen dan gingen tot Filip-pus die van Bethsaïda in Gali-iéa was, en baden hem, zeggende: lleere, w ij wilden Jezus wel zien. 22 Ei lippus kwam en zeide het Antlréas, en Amlréas en Eilippus wederom zeulen het Jezus. 2:s Maar Jezus antwoordde hun, zei.'gei'de: De ure is gekomen, «lat «le Zoon «les men-schen zal verheerlijkt worden, 24 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, indien het tarwegraan in «le aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alléén; maar |
|
H-iO JOHAS Indien liet sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. â¢25 Die zij.i leven liefheeft, 7,al hetzelve veilie/.en; en die zijn leven haat i.. «leze wereld, zal hetzelve bewaren tot het -eeuwiire levea. 26 Zoo ieina. d mij dient, die volgc mij, e.. waar ik hen, aldaar zaï ook mijii dienaar zijn. En zoo iema.id mij dieut, de Vader zal hem eeren. â¢27 Nu is mijne ziel ontroerd, en wat zal ik /.e-iren? Vader, verlos mij uit deze ure? Maar hierom ben ik in deze ure ge-jkomen. SS Vader, verheerlijk uwen naam. Daar kwam dan eene stem uit den hemel, zcyyrnde; En Ik heb hem verheerlijkt, â en Ik zal hem wederom ver-lieerlijkio. 29 De schare dan die daar stond en iht hooide, zeide dat er een dondergt;ia' geschied was; anderen zeiden: Een Engel heeft tot hem gesproken. :5n Jezus antwoordde en zeide: Niet om mijnentwil is deze stem geschied, maarom uwent-ivil. 31 Nu is het oordeel dezer â wereld: nu zal de overste dezer â¢wereld buitengeworpen worden ; 32 en ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot mij trekken. 33 (En d t zeide hij, beteeke-nende hóedanigen dood hij sterven zoude.) 34 De schare antwoordde hem : Wij hebben uit de Wet gehoord dat de Christus blijft in der eeuw'^heid; en hoe zegt gij dat dc Zoon des menschen moet verhoord worden ? , Wie is deze Zoon des menschen 't 35 Jezus dan zeide tot hen: Nog eenen kleinen tijd is het licht bij ulieden : wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevaivre; «u die inde duisternis wandelt, weet niet waar hij henen gaat. |
'fES 12. 3r. Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat irij kinderen des lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus, en weggaande, verborg hij zich van hen. 37 En hoewel hij zoovele teekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in hein niet, 38 opdat het woord van Jesaja den Profeet vervuld wierd, dat hij gesproken heeft : lleere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard ^ :lt;â¢) Daarom konden zij niet ire-looven, dew ij Jesaja wederom gezeird heelt: '4lt;t 11 ij heeft hunne oogen verblind en hun hart verhard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en tk hen geneze. 4 Dit zeide Jesaja, toen hij zijne heerlijkheid zag en van hem sprak. 42 Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in hem; maar om der Farizeërs w il beleden zij het niet, op-lt;lat zij uit de Synasoge niet zouden geworpen worden; 4'{ want zij hadden de eer der menschen lief, meer dan dc eer Gods. 44 En Jezus riep enneide: Die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengenen die mij gezonden heeft; 45 en die mij ziet, die ziet dengenen die mij gezonden heeft. 40 Ik ben een licht, in de wereld irekomen, opdat een ie'.rel ijk die in mij gelooft, in de duisternis niet blijve. 47 En indien iemand mijne woorden gehoord en niet sre-loofd zal hebben, ik oordeel hem niet ; want ik ben niet gekomen opdat ik de wereld oor-deele, maar opdat ik de wereld zalitr make. 48 Die mij verwerpt en mijne woorden niet ontvangt, heeft |
|
JO HAN die hem oordeelt: liet woord dat ik gesproken heb, diït zal hem oordeeieu teu laatsteu da'jre. 49 Want ik heb uit mijzelveu niet fjesproken; maar de Vader die mij gezonden heeft, die heeft mij een ^ebed !lt;e|^?veii, wat ik zeggen zal en wat ik spreken zal. 51) En ik weet dat zijn jrebod het eeuwige leven is. Hetgeen ik dan spreek, dat spreek ik alzóó gelijk mij de Vader gezegd heeft. HOOFDSTUK 13. EN vóór het feest van het Pascha, Jezus wetende dat zijne ure Kekomen was, dat hij «it deze wereld zoude overgaan tot den Vader, alzoo hij de zijnen die in de wereld waren, liefgehad had, zoo heeft hij ze liefgehad tot den einde.N vóór het feest van het Pascha, Jezus wetende dat zijne ure Kekomen was, dat hij «it deze wereld zoude overgaan tot den Vader, alzoo hij de zijnen die in de wereld waren, liefgehad had, zoo heeft hij ze liefgehad tot den einde. 2 En als het avondmaal iredaan was (toen nu de duivel in het hart van Judas Simons zoon Iskariot gegeven⢠had dat hij hem verraden zoude), S Jezus wetende dat de Vader hem alle dingen in de handen tregeven had, en dat hij van God uitgegaan was en tot God henengini;, 4 stond óp van het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende een linnen doek, omgordde zichzelveu; ó daarna goot hij Mater in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wasschen, en af te droiren met den linnen doek waarmede hij omgord was. (i Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot hem: Heere, zult gij mij de voeten wassehen ? 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe, weet gij nü niet, maar gij zult hut na dezen verstaan. 5 Petrus zeide tot hem: Gij zult mijne voeten niet was- |
S'ES 13. 151 schen in der eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Indien ik u niet wasch, gij hebt geen deel met mij. y Simuu Petrus zeide tot hem: Heere, niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd. 10 Jezus zeide tot hem: Die gewasschen is heeft niet van noode dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen. 11 Want hij wist wie hem verraden zoude; taarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein. 12 Als hij dan hunne voeten gewasschen en zijne kleederen genomen had, zat hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij wat ik ulieden gedaan heb ? 13 Gij heet mij Meester en Heere, en gij zegt wél, want ik ben het. 14 Indien dan ik, de Heere en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt sij óók schuldig elkanders voeten te wasschen; 15 want ik heb u een exempel gegeven, opdat gelijkerwijs ik u iredaan heb, gijlieden óók doet. IK Voorwaar, voorwaar zes ik u, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. 17 Indien gij deze dineren weet, zalig zijt K'j zoo gij dezelve doet. IS Ik zeg niet van u allen: ik weet welken ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt opdat de Schrift vervuld worde: Die met mij het brood eet, heeft tegen mij zijne verzenen opgeheven. 19 Van nu aan zes ik het ulieden eer het sesehied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, urij gelooven moogt dat ik het ben. 20 Voorwaar, voorwaar zeg ik |
|
152 JOHAN uf zoo ik iemand zend, wie dien ontvangt,dieoutvaiiift mij; en wie mij ontvanirt, die ontvangt Hem die mij gezonden heeft. '21 Jezus deze dingen peze-rd hebbende, werd ontroerd in den ïeest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar ik zes n, dat één van ulicden mij zal verraden. '22 De diseipelen dan zasen op elkander, twijfelende van wieu hij rint zeide. 23 En één van zijne diseipelen was aanzittende in den sehoot van Jezus, welken Jezus liefhad. 24 Simon Petrus dan wenkte dezen dat hij vragen zoude, wie hij toeh was van welken hij dit zeide. 25 En deze vallende op de horst van Jezus, zeide tot hem : Heere, wie is het? 2(5 Jezus antwoordde: Déze is bet, wien ik de bete, als ik ze ingedoopt heb, areven zal. En als bij de bete imredoont had, Kaf bij ze aan Judas Simons zoon Iskariot. 27 Eu na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat Rij doet, doe het haas ti-lijk. 2S En dit verstond niemand dersenen die aanzaten, waartoe hij hem dot zeide; 29 want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop hetgeen wij van noode hebben tot het feest; of dat hij den armen wat seven zoude. :«i Hij dan de bete genomen hebbende, sins terstond uit; en bet was naeht. .'{1 /Vis hij dan uit-resaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensehen verheerlijkt, en God is in hem verheerlijkt. 32 Indien God in hem verheerlijkt is, zoo zal ook God hem verheerlijken in ziehzel-ven, en Hij zal hem terstond verheerlijken. |
NES 14. :n Kinderkens. nosr eenen kleinen tijd ben ik bij u. Gij zult mij zoeken, en selijk ik den Joden gezegd heb: \Va^_ ik henenira, kunt (rij quot;iet komen, alzoo zes ik ulieden ut óók. 34 Een nieuw sebod treef ik u, dat sij elkander lief hebt; selijk ik u liefgehad heb, dat ook SU elkander lief hebt. 35 Hieraan zullen zij allen bekennen dat irij mijne diseipelen zijt, zoo s'j liefde hebt onder elkander. 36 Simon l'etrus zeide tot hem: Heere, waar sraat s'j henen? Jezus antwoordde hein: Waar ik benensa, kunt sü 'quot;ij nü niet volsen, maar sU zult mij namaals vol-ren. 37 Petrus zeide tot hem: Heere, waarom kan ik u nu niet volsen? Ik zal mijn leven voor u zetten. 3S Jezus antw oordde hem : Zult. sij uw leven voor mij zetten ? Voorwaar, voorwaar zes ik u, de haan zal niet kraaien, totdat sij mij dri emaal verloochend zult hebben. HOOFDSTUK 14. ÃW hart worde niet ontroerd: sijliedeu selooft iu God, selooft ook in mij.W hart worde niet ontroerd: sijliedeu selooft iu God, selooft ook in mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woninsen : anderszins zoo zoude ik het u sezesd hebben; ik sa henen om u plaats te bereiden.- 3 En zoo wanneer ik henen zal iresaau zijn en u plaats zal bereid hebben, zoc kom ik weder en zal n tot mij nemen, opdat sà quot;ók zijn moost waar ik ben. 4 En waar ik henentra, weet sij, «'n den wes weet sij- 5 Thomas zeide tot hem: Heere, wij weten niet waar s'j benenraat, en hoe kunnen wij den wes weten? r» Jezus zeide tot hem: Ik be;» de wes, en de waarheid, en |
153
|
7 Indien mij gekend liadt, zoo zondt !?ij ook mijnen Vader gekend hebben; en van nu aan kent ^ij Hem en hebt Hem jrezien. 8 Filippus zeide tot hem : Ilee-re, toon ons den Vader, en het is ons jjenoe!;. 9 Jezus zeide tot hem : Ben ik zoo langen tijd met ulieden, en hebt srij mij niet gekend, Filinpus? Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien: en hoe zegt gij: Toon ons den Vader? 1» Gelooft gij niet dat ik in den Vader ben, en de Vader in mij is? J)e woorden die ik tot ulieden spreek, spreek ik van mijzelven nier, maar de Vader die in mij blijft, die doet de werken. 11 Gelooft mij dat ik in den Vader beu, en de Vader in mij is; en indien niet, zoo gelooft mij om de werken zelve. 1-2 Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, die in mij gelooft, de werken die ik doe, zal hij óók doen, en zal meerdere doen dan deze; want ik ga henen tot mijnen Vader, IH en zoo wat arij begeeren zult in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. 14 Zoo gij iets begeeren zult in mijnen naam, ik zal het doen. 15 Indien ^ij mij liefhebt, zoo bewaart mijne geboden: 1(5 en ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat hij bij u hlijve in der eeuwigheid, 17 namelijk den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet; maar gij kent hem, want hij blijft bij ulieden en zal in u zijn. is Ik zal u geene weezen laten, ik kom tceder tot u. |
1'.) Nog eenen kleinen tijd en de wereld zal mij niet meer zien; maar irij zult mij zien, want Ik leef en gij zult leven. *2igt; In dien dai; zult idj bekennen dat ik in mi jnen Vader ben, en gij in mij, en ik in u. 21 Die mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is het die mij liefheeft; en die mij liefheeft, zal van mijnen Vader geliefd worden; en ik zal hem liefhebben, en ik zal mijzelven aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Iskariot, zeide tot hem: Heere, wat is liet, dat L'ij uzelven aan óns zult openbaren en niet aan de wereld ? 2:{ Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren; en mijn V uier zal hem liefhebben, en w j zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken. 24 Die mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is bet mijne niet, maar des Vaders die mij gezonden heeft. 25 Deze diiilt;;cn heb ik tot n gesproken, bij u blijvende ; 2!gt; maar de Trooster, de Heilige Geest, welken de Vader zenden zal in mijnen naam, die zal u alles leeren, en zal n indaehtig maken alles wat ik u gezegd heb. 27 Vrede laat ik u, mijnen vrede geef iku: niet gelijker-wijs de wereld hem geeft, ireef ik hem n. Uw hart worde niet ontroerd en /.ij niet versaagd. 28 Gij hebt irehoord dat ik tot. u gezegd heb: Ik i;a henen en kom weder tot n. Indien gij mij liefhadt, zoo zondt gij n verblijden omdat ik gezetrd heb: Ik ura henen tot den Vader; want mijn Vader is meerder dan ik. 211 Kn nu heb ik het u gezegd eer het gesehied is, opdat wau- JOHANNES 14. het leven: niemand komt tot den Vader dan door mij. |
|
854 JO II AN neer bet crescliied zal ziju, gij â sjelooven moourt. :lt;() Ik zal niet veel meer met \i spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan mij niets; .'{1 maar opdat de wereld wete dat ik den Vader liefheb, ea -alzóó doe srelijkerwijs mij de Vader irebodeu beeft: staat op, Iaat ons van bier gaan. HOOFDSTUK 15. IK ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman.K ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. â¢2 Alle rank die in mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, en alle die vrucht draagt, lt;lic reinigt Hij, opdat zij meer vrucht dnrre. Gijlieden zijt nu rein om het woord dat ik tot u gesproken heb ; â J blijft in mij, en ik in u. Ge-lijkerwijs de rank geen vrucht kan drairen van zichzelve, zoo 7,ij niet in den wijnstok blijft, .alzóó ook srij niet, zoo gij in mij niet blijft. ö Ik ben de wijnstok en gij de ranken: die in mij blijft, en ik in hem, die draa-rt veel vrucht: want zonder mij kunt gij niets â¢doen. «gt; Zoo iemand in mij niet blijft, â¢die is buitemrewqrpen geliiker-wijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in 't vuur, en zij worden verbrand. 7 Indien trij in mij blijft en mijne woorden in u blijven, zoo wat gij wilt, zult quot;ij begeeren, en het zal u geschieden. H Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat uij veel vrucht â draagt; en gij zult mijne discipelen zijn. 9 Gelijkerwijs de Vader mij liefgehad beeft, heb ik ook u lieferehad: blijft in deze mijne liefde. ld Indien sij mijne sreboden (bewaart, zoo zult trij in mijne üefde blijven, gelijkerwijs ik [ES 15. |
de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijne liefde. 11 Deze dint'en heb ik tot u gesproken opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde. li Dit is mijn irebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs ik u liefgehad heb. 13 Niemand beeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. 14 Gij zijt mijne vrienden, zoo srij doet wat ik u gebied 15 Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden srenoemd; want al wat ik van miinen Vader gehoord heb, dat heb ik u bekendgemaakt. 1(gt; Gij hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb ü uitverkoren. en ik heb u gesteld dat srij zoudt heneniraan en vrucht dragen, en dat uwe vrucht blijve; opdat zoo wat srij van den Vader bei'ceren zult in mijnen naam. Hij u dat geve. 17 Dit gebied ik u, opdat gij elkander liefhebt. is Indien u de wereld baat, zoo weet dat zij mij eer dan u gehaat heeft. l'J Indien sdj van de wereld waart, zoo zoude de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom baat u de wereld. 2» Ge 'enkt het woord dat ik u arezevrd heb: Ken dienstknecht is niet meerder «ian zijn heer. Indien zij mij vervolgd nebben, zij zullen ook «i vervoleen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het üwe bewaren. â¢21 Maar alle deze dingen zullen zij u doen om mijns naams wil, omdat zij Hem niet kennen die mij gezonden heeft. 22 Indien ik niet gekomen |
|
JOH AS was en tot hen gesproken had, zij had(l(Mi ireeu zoude'; maar nu hebben zij ^een voorwendsel voor hunne zonde. 23 Die mij haat, die haat ook mijnen Vader. 24 Indien ik de werken onder hen niet had iredaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze jrezien, en beiden mij en mijnen Vader gehaat. *20 Maar dit geschiedt opdat liet woord vervuld worde dat in hunne Wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. 2fi Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, dien ik u zenden zal van den Vader namelijk de Geest der waarheid die van don Vader uitgaat, die aal van mij getuigen; 27 en irij zult óük getuigen, want irij- zijt van den beginne niet mij geweest. HOOFDSTUK Ifi. DEZE dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërirerd wordt.EZE dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërirerd wordt. 2 Zij zullen u uit de Synagogen werpen; ja, «Ie ure komt, «lat een iegelijk die u zal doo-lt;len, zal mcenon Gode 'eenen dienst te doen. :5 En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben noch mij. 1 Maar deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat wanneer de ure zal gekomen zijn, irij aan dezelve moot?t geden ken «lat ik ze u ireze-rd heb. Doch deze dingen heb ik u van den beginne niet gezegd, omdat ik bij ulieden was; 5 en nu s:a ik henen tot dengenen die mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt mij: Waar iraat gij henen? «gt; Maar omdat ik deze din ren tot u gesproken heb, zoo heeft lt;ES 10. 155 |
de droefheid uw hart vervuld. 7 Doch ik ieg u de waarheid, het is u nut dat ik wegga; want ind'en ik niet weg-ira, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien ik henensa, zoo zal ik hem tot u zenden. S En die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: lt;⢠van zonde, omdat zij in mij niet geloovea; 10 en van gerechtigheid, omdat ik tot mijnen Vader henen-ga, en gij zult mij niet meer zien; 11 en van oordcel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld i». 12 Nog vele dingen heb i'; u te zeg-ren, doch gij kunt die nu niet dragen; 1;$ maar wanneer die zal gekomen zijn, nmm'Ujk de Geest der waarheid, hij zal u in al de waarheid leiden; want hij zal van zichzelven niet spreken, maar zoo wat hij zal gehoord hebben, zal hij spreken, cn de toekomende dingen zal hij u verkondi'ren. 14 Die zal mij verheerlijken; want hij zal 't uit het mijne nemen, en zal 't u verkondigen. 15 Al wat de Vade heeft, is het mijne: daarom heb ik ire-zegd dat hij 't uit het mijne zal nemen en u verkondigen. ir. Eenen kleinen t[nl en gij zult mij niet zien. en wederom eenen kleinen tijd en -jij zult mij zien. want ik ga henen tot den Vader. 17 Sommigen dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit dat hij tot ons zegt ; Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien,en wederom eenen kleinen tijd en gij zult mij zien; en: Want ik ga henen tot den Vader ? is Zij zöiden dan: Wat is dit |
|
156 J011A3 dat hij /.pjrt? Eencii kleinen tijd' Wij weten niet Mat hij 19 Jezus dan bekende dat zij hem uilden vragen, en zeine tot hen: Vra.iat srij daarvan onder eikander, dat ik jjezejjd heb: Keuen kleinen tijd en ^ij zult mij niet zit'ii. en wederom renen kleinen tijd en sü zult mij zien ? 20 Voorwaar, voorwaar ik zej? u, dut irij zult schreien en klaaglijk weenen, maar de wereld zal zich verblijden; en K'j zult bedroffd zijn, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden. 21 Kene vrouw wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij hef kindeken };p-Imard heelt, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mensch ter wereld geboren is. â¢22 En trij dan hebt nu wel droefheid, maar ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdscha|i van u wegnemen ; 2:1 en in «lier» dapr zult jj'j 'quot;'j niets vragen. Voorwaar, voorwaar ik zeg u, al wat â¢jij den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal Hij u seven. 24 Tot i:os? toe hebt â rij niets gebeden in mijnen naam - bidt en srij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zij. in Deze dingen heb ik door gelijkeniss'-n tot u gesproken; maar de ure komt dat ik niet meer door «elijk nissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen. 2(; In dien da;; zult jrij in mijnen naam bjdden; en ik zeg u niet dat ik den Vader voor u bidden zal; 27 want de Vader zelf heett u lief, dewijl trij mij lieftrehad hebt. en hebt gi'llt;iofd dat ik van God ben uitge; aan. |
NES 17. 28 Ik ben van den Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat ik de wereld en ga henen tot den Vader. Zijne discipelen zeiden tot hem: Zie, nü spreekt gij vrijuit en zegt geene gelijkenis; :«⢠nü weten wij dat srij alle dingen weet, en gij hebt niet van noode dat u iemand vrage hierom irelooven wij dat gij van (iod uitgegaan zijt. ;n Jtzus antwoordde hun; Gelooft gij nu ? 32 Zie, de ure komt en is nü gekomen, dat gij zult verstrooid worden een iesrelijk naar het zijne, en jrij mij alléén zult latent. En nochtans ben ik niet alléén; want de Vader is met mij. Xi Deze dingen heb ik tot n gesproken, oi dat irij in mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen. HOOFDSTUK 17. DIT heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen óp naaiden hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon U ver heerlijke;IT heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen óp naaiden hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon U ver heerlijke; 2 gelijkerw ijs Gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch, opdat al wat Gij hem gegeven hebt, hij hun het eeuwige leven geve. 3 En dit is liet eeuwige leven, dat zij Lquot; kennen, den eenitren w aarachtiiren God, en Jezus Christus dien Gij gezonden hebt. 4 Ik h b U verheerlijkt op de aarde, ik heb voleindk'd het werk, dat Gij mij gegeve.i hebt om te doen. quot;gt; En nu verheerlijk mij. Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid die ik bij V had, eer de wereld was. |
|
joh ais f» Ik hrb uwen naam Reopen-baard den inenschen die (Jij mij uit de wereld geireven hebt. Zij waren de uwen, en Gij hebt mij dezelven jfeeeven, en zij hebben uw Woord bewaard. 7 Nu hebben zij bekend dat alles wat Gij mij gegeven hebt, van U is; S want de woorden die Gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend dut ik van U ui1:-segaau ben, en hebben geloofd dat Gij mij gezonden liebt. 9 Ik bid voor hen; ik bid uiet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij mij gegeven hebt, want zij zijn de uwen; 10 en al het mijne is het uwe, en liet uwe is het mijne; en ik ben in hen verheerlijkt. 11 En ik ben niet meer in de wereld, maar dézen zijn in de wereld, en ik kom tot ü. Heilige Vader, bewaar ze in uwen iianm, die Gij mij «egeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als wij. 12 Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam: die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Sehrift vervuld worde. i:{ Maar nu kom ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdseliap vervuld mogen hebben in zieh-zelven. 14 Ik heb hun uw Woord gegeven ; en de wereld heelt ze gehaat, omdat zii van de wereld niet zijn, gelijk als ik van de wereld niet ben. 15 Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze. U! Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld uiet ben. |
ES IS. 157 17 lleilia ze in uwe waarheid: uw Woord is de waarheid, is Gelijkerwijs Gij mij gezonden hebt in de wereld, alzui'i heb ik hen óók in de wereld gezonden; li» en ik heilig mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd rno-ren zijn in waarheid. 20 En ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen die door hun woord in mij ge-looven zullen: 21 opdat zij allen ^én zijn, gelijkerwijs Gij Vader in mij, en ik in U, dat. ook ;.ij in ons één zijn, opdat de wereld -re-loove dat Gij mij gezonden hebt. 22 En ik heb him de heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als wij één zijn: ik in hen, en quot;Gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne dat Gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt gelijk Gij mij liefgehad hebt. 24 Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij zijn die Gij mij sjeijeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mouen aanschouwen, die Gij mij ire^even hebt; want Gij hebt mij lief-!;ehad vóór de grondlegging dei-wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft IJ niet gekend; maar ik heb U gekend, en dezen hebben bekend dat Gij mij gezonden hebt; 2(5 en ik heb hun uwen naam bekendgemaakt en /-al hem bekendmaken, opdat de liefde waarmede (Jij mij liefgehad hebt in hen zij, en ik in hen. hoofdstuk IS. JEZUS dit gezegd hebbende, sins; uit met zijne discipelen over de heek Kedron, waar een hof was, in welken hij ging en zijne discipelen.EZUS dit gezegd hebbende, sins; uit met zijne discipelen over de heek Kedron, waar een hof was, in welken hij ging en zijne discipelen. 2 En Judas die hem verried. |
|
158 JOH AI wist óók die «laats, dewijl Jezus aldaar dikwijls veranderd was geweest, met zijne discipelen. ;{ Judas dan irenonien hebbende «Ie bende kr'ijyskncchteii en eeuige dienaars van de üver-priesters en Farizeërs, kwam aldaar met lantaarnen en fakkelen en wapenen. 4 Jezus dan wetende alles wat over hem komen zoude, jrini; uit en zeide tot hen : AViea zoekt ïij ? 5 Zij antwoordden hem: Jezus den gt; azaiener. Jezus zeide tot lien: Ik ben 't. En Judas die hem verried, stond óok bij hen. lt;gt; Als hij dan tot hen zeide: Ik ben 't, irinsren zij achterwaarts en vielen tér aarde. 7 Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt pij? En zij zeiden: Jezus den ZSazarener. â S Jezus antwoordde: Ik heb u gezeild dat ik het ben: indien tfij dan mij zoekt, zoo laat dézen henensaan. 9 Ojidat het woord vervuld zoude worden dat hij jfezetrd had: Uit deirenen die Gjj mii geireven hebt, heb ik niemanu verloren. 10 Simon Petrus dan hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloep des Ilooirepriesters dieiistknecbt en hieuw zijn rechteroor at'; en de naam van den dienstknecht was Malchus. 11 Jezus dan zeide tot Petrus; Steek uw zwaard in de scheede. Pen drinkbeker dien mij de Vader ireireven heeft, zal ik dien niet drinken? 12 !)e bende dan en de overste over «luizend en de dienaars dei-Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden hem, KJ en leidden hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouw vader van Krijafas, welke de 1 loopepriester van dat jaar was. 14 K.^jafas nu was degene die den Joden geraden had, dat |
NES 18. het nut was dat één menscb voor het volk stierve. 15 En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel: deze discipel nu was den Iloo-srepriester bekend, en pimr met. Jezus in des 11 oogepriesters zaal; 1(gt; en Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den lloogepriester bekend was, ging uit en sprak met de denrwaarster, en bracht Petrus in. 17 !gt;«⢠dienstmaaird dan die de denrwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook srij niet uit de discipelen van dezen mensch? Hij zeide: Ik ben niet. Is En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en w armden zich. Petrus stond bij hen en w armde zich. 19 De lloogepriester dan vraagde Jezus van zijne discipelen en van zijne leer. '3i Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb altijd ireleerd in de Synagoge en iu den Tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen, en in 't verborgen heb ik niets gesproken : 21 wat ondervraagt Kij mij? Ondervraag degenen die liet gehoord hebben, wat ik tot hen iresprokei. heb; zie,dez3n weten wat ik gezetrd heb. f2 En als hij dit zeide, irat een . van de dienaren, die «laar-bij stond, Jezus eenen kinnebakslap, ze-.'pende: Antwoordt pij alzóó den Hoosrepriester? 2:5 Jezus antwoordde hem: Indien ik kwalijk pesproken heb, betnip van het kwade; en indien wèl, waarom slaat gij mij ? 24 (Annas dan had hem pe-bonden pezonden tot ivajafas den Hoopepriester.) 20 En Simon Petrus stond eu warmde zich; zij zeiden dau |
|
JOIIA? tot hem: Zijt ook sij niet uit zijne discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik beu niet. 2(5 Een van do dienstknechten des llooirepnesters, die maagschap was van dengenen wieu Petrus liet oor atïehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met hem ? 27 Petrus dan loochende het wederom; en terstond kraaide de haan. 2.;i Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het Rechthuis; en het \yas 's morgens vroeg. En zij gingen niet in het Ileeht-huis, opdat zij niet veront-reiniird zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten. 29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: AVat beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch? .»0 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien déze geen kwaaddoener was, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zeide tot hen: Neemt ïij hem en oordeelt hem naar uwe wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is óns niet geoorloofd iemand te dooden. 32 Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat hij gezegd had, beteekenende hoedanigen dood hij sterven zoude. 'Xi Pilatus dan «ring wederom in het Rechthuis, en riep .Jezus, en zeide tot hem: Zijt gij de Koning der Joden? 34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van mij gezegd ? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de Overpriesters hebben u aan mij overgeleverd: wat hebt gij gedaan? 3(gt; Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van déze wereld: indien mijn Konink- |
NES 19. 159 rijk van déze wereld was, zoo-zouden mijne dienaars sestre-den hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar uü is mijn Koninkrijk niet van hier. â lt;7 Pilatus dan zeide tot hem: Zijt gij dan een Koning? .te-zus antwoordde: Gij zeijt dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik areboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, opdat ik der waarheid iretuiïenis geven zoude. Een ie-relijk die uit de waarheid is, hoort mijne stem. 38 Pilatus zeide tot 'lem: Wat is waarheid? Eu a.s hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in hem. 39 Doch irij hebt ecne gewoonte, dat ik u op het 1'aseha éénen loslaat; wilt !-rij dan dat ik u den Koning der Joden loslaat? 4(1 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet dezen, maar Uar-Abbas. En Bar-Abba» was een moordenaar. HOOFDSTUK 19. T^OEN nam Pilatus dan Jezus JL en geeselde hem. 2 En de krijgsknechten eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op zijn hoofd, en wierpen hem een purperen kleed om, 3 en zeiden: Wees gegroet gij Koning der Joden; en zij gaven hem kinnebakslagen. 4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen : Zie, ik brenir hem tot ulieden uit, opdat gij weet dat ik in hein geen schuld vind. 5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed; en Pilatus zeide tot hen : Zie, de mensch. 0 Als hem dan de Overpriesters en de dienaars zaïren, riepen zij, zeggeude: Kruis- |
|
if.n joh an: hem, kruis hem! Pilatus zcidc tot hen: Neemt frijHeden hem on kruist hem; want ik vind in hem ireen schuld. I 7 De Joden antwoordden hem: \Vij hebben eene wet, en i.aar onze wet moet liij sterven; want liij heeft zichzelven Gods Xoon gemaakt. H Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd, 9 en lïinjï wederom in her. Iteehthuis, en zeide tot Jezus-. quot;Van waar zijt ïij? Maar Jezus iïatquot; hem ireen antwoord. ld Pilatus dan zeide tot hem: Spreekt sij tot mij niet? quot;Weet frij niet dat ik macht heb n te kruisigen en macht heb u los' te laten? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt s;een macht hebben tc-â¢-Cen mij, indien het u niet van boven ifCireven was; daarom die mij aan u heeft overgeleverd, heeft irrooter zonde. 12 Van toen af zocht Pilatus hein los te laten; maar de Joden riepen, zeg-rende: Indien ?cij dezen loslaat, zoo zijt ijij des Keizers vriend niet: een ieirelijk die zichzelven Koniiii; maakt, wederspreekt den Keizer. i:lt; Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den Kechter-toel. in de plaats genaamd Litliostrótos. en in *t Ile-breeuwsch Giibbatha. 14 Un het was de voorbereiding van het Pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden; Zie, uw Koninï. 15 Maar zij riejien: Neem wei;, neem wesr, kruis hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uwen Koning kruisi-renr 1»lt;' i)verpriesters antwoordden : Wij .hebben geeucu Koning dan den Keizer. KJ Toen ijaf hij hem dan hun «ver, opdat hij gekruist zoude worden. En zij namen Jezus cu leidden hem weg; |
.ES 19. 17 en hij dragende zijn kruis, ging uit raar de plaats genaamd Iloofd^chedelplaats, welke in 't Hebreeuwsch genaamd wordt Gólgotha; IS alwaar zij hem kruisten, en met hem twee anderen, aan elke zijde éénen, en Jezus in 't midden. 19 En Pilatus scheef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en daar was geschreven: Jkzus dk Nazarenkr, »k Koning ni»n Jorrn. 20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden: want de plaats waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in 't Hebreeuwsch, in 't Grieksch, en in 't Latijn. 21 De Overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat hij uczeurd heeft: Ik ben de Koning der Joden. 22 Pilatus antwoordde: AVat ik jresehrevcn heb, dat heb ik geschreven. 2:5 De krijgsknechten dan als zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van hoven af geheellijk geweven; 24 zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld word-', diezent: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en over mijne kleeding hebben zij het lot t-eworpen. Dit hebben dan dc krijgsknechten uredaa gt;. 25 En bij het kruis van Jezus stonden zijne moeder, en zijne moederszuster Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Mag-daléna. 20 Jezus nu ziende zijné moeder, en den discipel dien hij i liefhad, daarbij staarde, zeide |
JOHANNES 20.
ir»i
|
tot zijne moeder: Vrouw, zie, uw zoon. â¢J7 Daarna zeide hij tot den discipel : Zie, uwe moeder. Kn van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis. 2S Hierna Jezus wetende dnt nu alles volbracht was, opdat «le Schrift zoude vervuld worden, zeide: Mij dorst. 29 Daar stond dan een vat vol edik, en zij vulden eene spons met edik, en omleiden ze met hysop en brachten ze aan zijnen mond. 'M Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij: Het is volbracht, en het hoofd buigende, jraf hii den «eest. .'{1 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die das des sabbats was Kroot), baden Pilatus dat hunne beeuen zouden gebroken en zij weggenomen worden. 32 De krijarskneehten dan kwamen, en braken wel de bcenen des eersten en des anderen die met hem gekruist was; 'Si maar komende tot Jezus, als zij zagen dat hij nu (restorden was, zoo braken zij zijne beenen niet; 34 maar een der krijgsknechten doorstuk zijne zijde met eene speer, en terstond kwam lt;t bloed en water uit. 35 Kn die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijne getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij zeijt hetgeen waar is, opdat ook gij geloo-ven mougt. 3(! Want deze dingen zijn geschied opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van hem zal verbroken worden; 37 en wederom zegt eene andere Schrift; Zij zullen zien iquot;i welken zij gestoken hebben. 38 Ua daarna Jozef van Ari-inathéa (die een discipel '-m |
Jezus was, maav bedekt om de vrees der Joden) bad Pila-tus dat hij het lichaam van Jezus mocht wegnemen; en Pila-tus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg. 3ii En Nicodémus kwam óók, (die het eerst des nachts tot Jezus gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë, omtrent honderd ponden gewicht. 4ii Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van beuraven. 41 Kn daar was iu de plaats waar hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest: 4'J aldaar dan leiden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij HOOFDSTUK 20. EN op den eerstenN op den eersten dag der week ging Maria Ma^daléna vroeg, als het nog duister was, naar het graf, en zag den steen van het graf weggenomen. '2 Zij liep dan en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben. 3 Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf; 4 en deze twee lieper te gelijk. Kn de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst tot hetüraf: rgt; en als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen, nochtans ging hij er niet in. (gt; Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf. en zag de doeken liggen; |
|
ins joiian; 7 ca dcu zweetdoek die op zijn hoofd greweest was, zay hij niet bij de doeken liggen, maar afzondeilijk iii eene a/t-dere plaats same.,gerold. .S Toen ging dan ook de andere discipel er in, die het eerst tot het graf irekouiea was, en zag het en geloofde; 9 want zij wisten nog de Schrift niet, dat hij van de dooden moest opstaan. Kt De discipelen dan gingen wederom naar huis. 11 En Maria sto. d buiten hij het graf, weenende. Als zij dan weende, hukte zij i.s het graf, 12 en zag twee Enirelen in witte kleedeieu zitten, éénen aan het hoofd en éénea «tan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelexen had. 13 En die zeiden tot haar: Vrouw, wat weent â - ij r Zij zeide tot hen: Uiudat zij mijnen Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar zij hein gelegd hebben. 14 En ais zij dit gezesd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet dat het ezus was. 15 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wieu zoekt gij ? Zij meenende dat In t de hovenier was, zeide tot hein: Heere, zoo trij hem jm/gedm-gen hebt, zeg mij waar gij hem gelegd hebt, en Ik zal hem wegnemen. 10 Jezus zeide tot haar: Maria! Zij zicli omkeerende, zeide tot hem: Hahbouni, hetwelk is gezegd Mee.-ter. 17 Jezus zeide tot baar: Kaak mij niet aan ; want ik bei; nog niet opgevaren tot mijnen Vader ; maar fa henen tot mijne broeders, en zeg hun: Ik vaar öp tot. mijnen Vader en uwen Aader, en tot mijnen Goden uwen God. 18 Maria Mairdaléna ging en boodsehante den discipelen, dat zij den Heere gezien had. |
fES 20. en (1lt;U hij haar dit gezegd had. 19 Als het dan avond was op dien eersten dag der week, en als de deuren uesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vrees der Joden, kwam Je^us en stmid in het midden, en zeide tot hem Vrede zij ulieden. 2(1 En dit geze-rd hebbende, toonde hij hun zijne handen en zijne zijde. De discipelen dan werden verblijd, ais zij den Heere zagen. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen ; Vrede zij ulieden: ge-lijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zend ik ook u-lieden. 22 En als hij dit gezegd had, blies hij oji hen, en zeide tot. hen: Ontvangt den Heiligen Geest. 23 Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven; zoo '-ij iemands zonden houdt, diesi zijn ze gehouden. 24 En Thomas, een van dc twaalve, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus duur kwam. 25 De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben dea Heere gezien. Doch hij zeide tot Iren: Indien ik in zijne handen niet zie het tec-ken der nadelen, ei: mijnen vinger steek in het teeken der nagelen, lt;-n mijne hand steek in zijne zijde, ik zal geenszins, gelooven. 2(i En na acht dag-'n waren zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam als de d uren gesloten waren, en sto .id in liet. midden, en zeide : Vrede zi'y ulieden. quot; 27 Daarna zeide hij tot Thomas: Breng uwen vinger hier, en zie mijne handen, en breng uwe hand en steek ze in mijne zijde, en wees niet ougeloovig maar gel ovig 28 En :Thoiuas antwoordde «a |
|
⢠JOHAN zeidc tnt hom: Mijn Ileere eu mijn Go»l! '29 Jezus zeide tot hem: Omdat irij mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt 'jij irelootd: zali^ zijn ze die niet zuilen irezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. CUi Jezus dan heeft noir wel vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet zijn ge-sehreven in dit boek; 31 maar déze zijn geschreven, opdat gij geloott dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods, en opdat gij geloovende, het leven hebt in zijnen naam. HOOFDSTUK 21. quot;V1quot; \ dezen openbaarde Jezus J. i zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias; en hij openbaarde zich aldus. 2 Daar waren te zamen Simon Petrus, en Thomas gezeird l)i-dymus, en IS'atininaël, die van Kana in Galiléa was, en de zonen van Zebedeüs, en twee andere van zijne discipelen. H Simon Petrus zeide tot hen; Ik ga visschen. Zij zeiden tot hein; Wij gaan ook met u. Zij gingen uit en traden terstond in liet schip, en in dien nacht vingen zij niets. 4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was. 5 Jezus dan zeide tot hen; Kinderkens, hebt uij niet ecni-ge toespijs? Zij antwoordden hem: Neen. En hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van liet schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der visschen. 7 De discipel dan welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus; Het is de Heere. Simon Petrus dan hoorendc dat het de Heere |
S'ES 21. IfiS was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt) en wierp zichzelven in de zee. 8 En de andere discipelen kwamen met het scheepken (want zij waren niet ver van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), sleepende het net met de visschen. U Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood. K» Jezus zeide tot hen : Hrengt van de visschen d e gij nu gevangen hebt. 11 Simon Petrus ging op en trok het net op h -t land, vol groote visschen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zoovele waren, zoo scheurde het net niet. l'J Jezus zeide tot hen : Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde hem vratren; Wie zijt gij? wetende dat het de Heere was. VA Jezus dan kwam, en nam het brood, en sraf het hun, eu de visch desgelijks. 1» Dit was nu de derde maal dat Jezus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hij van de dooden opgewekt was. 15 Toen /.ij dan het middai;-inaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon Jona's zoon, hebt gij mij liever dan deze? Hij zeide tot hein: Ja, Heere, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hein: Weid mijne lammeren. If. Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male; Simon Jona's zoon, hebt gij mij lief? Hij zeide tot hem: Ja, Heere, srij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijne schapen. 17 Hij zeide tot hem ten derden male: Simon Jona's zoon, hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zeide tot hem; |
HANDELINGEN 1.
1(14
|
Heere, jrij weet alle di'iKeu, «ij weet dat ik u liefheb. Je-ius zeide tot hem: Weid mijne schapen. 18 ^ oorwaar, voorwaar ze!? ik li, toen f?ij jonirer waart, «ord-dct ijij uzelven en wandeldet alwaar ?ij wildet; maar wanneer srij zult oud geworden zijn, zoo zult ^ij uwe handen uitstre' kc», en een ander zal u gorden en brengen waar gij niet wilt. 19 En dit zeide hij, beteeke-nende met hoedani^en dood hij God verheerlijken zoude. En dit gesproken hebbende, zeide hij tot hem; Vol'r mij. 2i) En Petrus ziehomkeerende, zag den discipel volden welken Jezus liefhad, die ook aan het avondmaal op zijne borst gevallen was en irezesjd had: Ueere, wie is het die u verraden zal? |
21 Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Ileere, maar wat zal deze? 22 Jezus zeide tot hem: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kom, wat gaat iiet u aan ? Volg Kjj mij- 2'{ Dit woord clan ging uit onder de bro deren, dat deze discipel niet zoude sterven; eu Jezus had tot hem niet geze-rd dat hij niet sterven zoude, maar: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kom, wat gaat het u aan ? 24 Déze is de discipel die van deze dingen .'etuigt en deze dingen iresehre en heeft; en wij weten dat zijne getuigenis waarachti? is. 2quot;» En daar zijn nog vele andere dingen die Jezus tredaan heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven wierden, ik acht dat ook de wereld zelve de quot;eschrevene boeken niet zoude bevatten. Amen. |
DE HANDELINGEN
APOSTELEN,
BESCHREVEN DOOR LUCAS.
|
HOOFDSTUK 1. HET eerste boek heb ik gemaakt, o Theófilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leeren, 2 tot op den daaf op welken hij opgenomen is. nadat hij door den lleiligen Geest aan de Apostelen, die hij uitverkoren had, bevelen had gegeven;ET eerste boek heb ik gemaakt, o Theófilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leeren, 2 tot op den daaf op welken hij opgenomen is. nadat hij door den lleiligen Geest aan de Apostelen, die hij uitverkoren had, bevelen had gegeven; |
H aan welke hij ook, nadat hij geleden had, zichzelven leheeft, met vele â ken.-n, veertig üde van hen «e-:dlt;* vun de din-onink rijk Gods met hen versra-⢠l hij hun dat cm niet scheiaar verwachten Vaders, die gij mij gehoord nes doopte wel vend vertoond gewisse kei.ti' da-^en lanir, z:.i. zien, en sprekr gen die het 1» aangaan. 4 En als hij derd was, In-zij van JeruzHl den zouden, in de belofte des (zeide hij) va' hebt; ó want Johai. |
|
met water, raaur sjij zult met den Heilireu Geest gedoopt worden uiet luug na deze dagen. fi Zij dan die samengekomen waren, vraagden hem, zeggende ; Heere, zulc -ij in dezen tijd aan Israel het koninkrijk wederoprichter ' 7 Kn hij zeide tot hen : Het komt u niet to-.* te weten de tijden of tteleg. uli.-den, die de Vader in zijne eigene macht gesteld heeft; S maar irij zuil ontvangen de kracht des Ileiiige.i Geestes die over u komen zal, en ifij zult mijne 'etui'ren zijn, zoo te Jeruzalem ai ~ in geüeel Ju-déa en Samaric, c tot aan het uiterste der narde. 9 En als hij d t geze-rd had. werd hij op-xe.m.nea daar zij het zagen, en eene wolk nam hem weg van hun.ie oogen. 10 En als zij hunne ooren naar den hemel liiel len, terwijl hij henenvoer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleeding, 11 welke o»k zeiden: Gij Ga-lileesche mnnncii, wat staat irij en ziet op najir den hemel 'i Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzóó komen gelijkenvijs ij hem naar den hemel hebt zien lie-ncnvnren. 12 Toen keerden zij weder naar Jeruxalem van den berg, die genaamd wordt de ülijf-her(j, welke is nabij Jeruzalem, liggende van duur eene sab-batsreis. 1^ En als zij ingekomen waren, gingen zij öp i.i d ⢠opperzaal, waar zij hieven, nami-lijk Petrus en Jaeoims. en Johannes, en Andiéas, Filippus en Thomas, Bacthntomeüs en Mat-theüs, Jacobus de zoon van Alfcügt;, en Siinon Zelótes. en Judas de hroeder va.i Jacobus. I t Deze allen waren eendrachtiglijk vdlha.dende in't bidden en smeeken, met de vrouwen, |
[NGEX 1. 16n en Maria, de mceder van Jezus, en met zijne breeders. 15 En in die dagen stond Petrus óp in het midden dei discipelen, en snrak (daar was nu eene schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen) : 16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de lleüilt;re Geest door den moud Davids voorzegd heelt van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen; 17 want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen. 18 Déze dan heeft verworven eenen akker door liet loon der oiurerechti-rheid, en voorover gevallen zijnde, is midden op-re-barsten, en alle zij.ie ingewanden zijn uitgestort; lü en het is hekend treworden allen die te Jeruzalem wonen, alzoo dat die akker in hunne eigene taal urenoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds. 20 Want daar staat geschreven in het boek der Psalmen: Zijne woon stede worde woest, en daar zij niemand die in dezelve wone; en : Een ander neme zijn Opzienersambt. 21 liet is dan noodig dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is, 22 beginnende va i den doop van Johannes, tot den dag toe op welken hij van ons opgenomen is, éi-n derzelven met ons tretuige worde zijner opstanding. 2t En zij stelden er twee. Jozef genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en M'tthias. 24 En zij baden en zeiden; Gij Heere, Gij kenner der harten van allen, wijs van deze twee éénen aan, dien Gij uitverkoren hebt. |
|
IBB HANDEL 25 oin to ontvangen liet lot van deze bedieui.i'4 en dit Apos-telsehan waarv. n Judas afsfe-weken is, dat iiij lienenging in zijne eigene ulaats. 2(i En zij wierpen hunne loten, en het lot viel op Mattuias, en hij werd met algemeene toestemming tot de elf Apostelen gekozen. HOOFDSTUK 2. 17N als de dag van het Pink-7N als de dag van het Pink-stcr/cexl vervuld werd, waren »ij allen eendrachtiglijk bijeen. â¢J En daar geschiedde haaste-lijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen gedreven wind, en vervulde het geheele huis waar zij zaten; a en van hen werden gezien verdeelde to neren als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen ; 4 en zij werden allen vervuld met den 11 ei) i ren Geest, en be-gonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken. 5 En daar waren Joden te Jeruzalem wont;..de, trodvruch-titre mannen van allen volke dergenen die onder den hemel zijn; »! en als d'-ze stem geschied was, kwam de menigte samen eii werd beroerd, want een iegelijk hooide hen in zijne eigene taal spreken. 7 En zij ontzetten zich allen en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Zie, zijn niet alle dezen die daar spreken, Ga-lileërs? S En hoe hooren wij ze een iegelijk in onze eitiene taal in welke wij geboren zijn? 9 l'arthers en Metiers en Ela-anieten, en die inwoner» zijn van Mesopotamia, en Judéa, en i'appadoeië, Pontus en Azië, 10 en Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de declen van Libyë |
INGEN 2. hetwelk bij Cyréne Hot, en uitlandsche liomeinen, beiden Joden en Jodeinxenoote.i, 11 Cretenzen en Arabieren, wij hooren ze in onze talen de groote werken Gods spreken. 12 E . zij ontzetten zich allen en werden twijfelmoedig, zeg-â¢re. de de éé.i te ren den ander: Wat wil toch dit zijn? i:{ E.. andeien spottemh;, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijn. 14 Maar Petrus staande met de elve, verhief zijne stem en sprak tot hen ; Gij Joodsche mannen, en arij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan. 15 Want dezen zijn niet dronken, irelijk idj vermoedt, want het is eerst de derde ure van den das; 16 maar dit is het wat gesproken is door den Profeet Joël : , , 17 En het zal zijn in de laatste «la-ren (zei;t God), Ik zal uitstorten van mijnen Geest op alle vleeseh; en uwe zonen en uwe dochters zullen pro-feteeren, en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droomea droo-men; IS en ook op mijne dienstknechten en op mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten; en zij zullen profeteeren. 19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen op de aartle beneden, bloed en vuur en rookdamp. 2(1 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eerdat tl i groote en doorluchtige dag des Heeren komt. 21 En het /al zijn dat een iegelijk, die den naam ties Ileeien zal aanroepen, zalig zal worden. 22 Gij Israëlietiscl e mannen, hoort deze woorden: Jezus den jSazarener, etnen man |
|
IIAM)KI van God onder ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door hem gedaan heeft in 't midden van u, gelijk ook gij-zelven weet: 23 dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt ïij genomen en door de handen der onrechtvaardi'jren aan het kruis gehecht en iredood; â¢J4 welken God optrewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was dat hij van den-xelven dood zoude gehouden worden. â 25 Want David zeurt van hem: Ik zag den Heere te allen tijde vóór mij ; want Hij is aan mijne rechterArtw/, opdat ik niet bewogen worde. 2'i Daarom is mijn hart verblijd en mijne tong verheuvrt zich, ja, ook mijn vleesch zal rusten in hope ; â¢11 want Gij zult mijne ziel in de hel niet ver.aten, en zult uwen Ileiliire niet oiwgeven om verderving te zien. â¢28 Gij hebt mij de werren des levens bekendgemaakt: Gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezicht. '29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot n te spreken van den Patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn srraf is onder ons tot op dezen da?. :i(l Alzoo hij dan een Profeet was, en wist dat God hein met cede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lende, zooveel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zoude, om hem op zijnen troon te zetten, :J1 zoo heeft hij dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat zijne ziel niet is verlaten in de hel noch zijn vleesch verderving heeft gezien. .T2 Dezen Jezus heeft God op- |
INGEN 2. irgt;7 gewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. .'H Hij dan door de rechtcr/mHrf Gods verhoo 'd zijnde, en de belofte des Heili en Geestes ont-vamren hebbende .an den Vader, heeft dit uitgestort wat gij nu ziet en hoort. .'54 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De lleere heeft gesproken tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechterArt/f/, :!5 totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. .quot;{n Zoo wete dan «ekerlijk het gansche huis Israels, dat God hem tot eenen Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus dien gij gekruist hebt. :lt;7 K:» als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot l'etrus en de andere Apostelen : Wat zullen wij doen, mannen broeders? â¢is En Petrus' zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden, en trij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. :w Want i'i komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal. â¢Hl En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande ze, zeirgemle: Wordt b; houden van dit verkeerd geslacht. 41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden iredoopt; en daar werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. 42 En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. 4'5 En eene vrees kwam over alle ziel, en vele wouderen |
168 HASDEL
en teek enen geschiedden door «le Apostelen.
44 Kn allen die celoofden, waren bijeen, en hadden alle din-jjen fjenieen;
45 en zij verkochten hunne eoe-deren en have, en verdeelden dezelve aan allen, naardat elk van noodc had
4tgt; en dadelijks eendrachtiglijk in den Tempel volhardende, en van huis tot huis hrood brekende, aten zij te zanien met verheuKins en eenvoudigheid des harten,
47 en prezen God en hadden arenade bij het fansche volk. Kn de Ileere dred dairelijks tot de gemeente die zalig werden.
HOOFDSTUK
PETRUS nu en Johannes gingen te zamen Op'naar den Tempel omtrent de ure des ge-bquot;ds, zijnde de negendeETRUS nu en Johannes gingen te zamen Op'naar den Tempel omtrent de ure des ge-bquot;ds, zijnde de negende ure. 2 En eeu /.eker man, die kreupel was van moederslijf af, werd gedrairen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des Tempels, g.'naamd de Schoone, om een aalmoes te begeerenvnn degenen die in den Tempel gingen :
:{ welke l'etrus en Johannes ziende, als zij in den Tempel zouden ingaan, bad dat hij een aalmoes mocht ontvangen.
4 En Petnis sterk op hem ziende, met Johannes, zeide : Zie op
Kn hij hield de oor/en op hen, verwachtende dat hij iets van hen zoude ontvangen. «gt; En l'etrus zeide: Zilver en iroud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dut «reef ik u: in den naam van Jezus Christus den ÃNazarener, sta op en wandel. 7 En hem grijpende bij de reehterhand, richtte hij hevi op; en terstond werden zijne voeten en enkels vast,
5 en hii opspringende, stond en wandelde, en gimr met hen in den Tempel, wandelende en
MN GEN 3.
| springende en lovende God. i) En al het volk zag hem wandelen en God loven;
10 en zij kenden hem dat hij die was die om een aalmoes gezeten had aan de Schoone poort des Tempels; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was.
11 En als de kreupele, die gezond gemaakt w as, uan Petrus en Johan es vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salome's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.
12 En Petrus dat ziende, ant-wooidde tot het volk: Gij Isra-elietische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zoo sterk op Ons, alsof wij door onze eigene kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen ?
KI De God Abrahams en Isa-aks en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft zijn Kind Jezus verheerlijkt, welken gii overgeleverd hebt, en hebt hem verloochend voor het aangezicht van Pilatns, als hij oordeelde dat men hem zoude loslaten ;
11 maar «rij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was, zoude geschonken worden;
15 en den Vorst des levens hebt gij gedood: welken God opirewekt heeft uit de dooden, /waarvan wij getuiiren zijn. It! En door het geloof iu zijnen naam heeft zijn miam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof dat door hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid sregeven, in u aller tegenwoordigheid.
17 En nu. broeders, ik weet dat srij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten;
is maar God heeft alzóó vervuld hetgeen Hij door den mond
|
II AN PEL van alle zijne Profeten te voren verkondigd had, dut de Christus lijden zonde. lil Betert u dan en bekeert u, opdat uwe zonden moffen uit-irewischt worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aanse-zieht des Heeren, 20 en Hij «ezonden zal hebben Jezus Christus, die u te voren gepredikt is: welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, diü God gesproken heeft door den mond van alle zijne heilige Profeten van alle eeuw. 2quot;- Want Mozes heeft tot de vaderen irezejrd: De Heere uw God zal u een Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij: dien zult gij hooren in alles wat hij tot u spreken zal; 2H en het zal tjeschieden dat alle ziel die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke. 24 En ook alle de Profeten, van Samnël aan en die daarna gevolgd zijn, zoovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. 25 Gijlieden zijt kinderen der Profeten, en des Verbonds hetwelk God niet onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. 21» God opgewekt hebbende zijn Kind Jezus, heeft denzel-ven het eerst tot u gezonden, dat hij ulieden zegenen zoude daarin dat hij een i«-ge;ijk run n afkeere van uwe boosheden. HOOFDSTUK 4. EX terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de Priesters en de hoofdman des Tempels en de Sadduceërs,X terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de Priesters en de hoofdman des Tempels en de Sadduceërs, |
INGEN 4. 169 2 zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden en verkondigden in Jezus de opstanding uit de dooden; S en zij sloegen de handen aan hen en zetten ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond. 4 En velen van degenen die het Woord sehoord hadden, geloofden, en het getal d r mannen werd omtrent vijf duizend. 5 En het geschiedde des anderen daairs, dat hunne oversten en Ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden, (gt; en Annas de IIoo repriester, en Kajafas en Johannes en Alexander, en zoovelen daar van het IIoogepriesterlijk geslacht waren; 7 en als zij ze in het midden gesteld hadden, vraa rden zij: Door wat kracht ot door wat naam hebt quot;ij lieden dit gedaan ? 8 Toen zelde Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks en gij Ouderlingen Israels, 9 alzoo wij heden gerechtelijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mensch genchied, wAArdoor hij gezond geworden is, 10 zoo zij aan u allen kennelijk en aan het gansche volk Israels, dat door den naam van Jezus Christus den Naza-rener, dien gij gekruist hebt, welken God van de dooden heeft opgewekt, door hem, zeg ik, staat deze hier vóór u gezond. 11 Déze is de steen die van u, de bouwlieden, veracht is, welke tot een hoofd des hoeks geworden is. 12 En de zaligheid is in gee-nen anderen; want daar is ook onder den hemel sreen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. l'.i Zij nu ziende de vrijmoe- |
|
S70 HANDEI. dikheid van Petrus en Jolian-nes, en vernemende dat zij ongeleerde en eenvoudige inen-schen waren, verwonderden aich, en kenden hen dat zij niet Jezus ireweest waren; 14 en ziende den mensch bij hen staan die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeifgen. 15 Kn hun geboden hebbende uit te gaan buiten den Kaad, overleiden zij met elkander, 16 zeggende; Wat zullen wij dezen mensehen doen? Want dat er een bekend teekeu door hen geschied is, is openbaar aan allen die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet lonehenen; 17 maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen seherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot eenig mensch in dezen naam spreken. is En als zij ze geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganschelijk niet zouden «preken noch leeren in den naam van Jezus. 1!» Maar Petrus en Johannes antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt jrij of het recht is voor God, nlieden meer te hooren lt;lau God; 2(1 want wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben. â¢J1 Maar zij dreigden ze nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende hoe zij ze straften zouden,- om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was; quot;22 want de mensch was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teekeu der genc-zing geschied was. 2:i En zij losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en -verkondigden al wat de Over-priesters c.n de Ouderlingen jrot hen gezetrd hadden. 24 En als dezen' Uac hoorden, |
INGEN 4. hieven zij eendrachtelijk hunne stem óp tot God en zeiden: IIcere, Gii zijt de God die gemaakt hebt den hemel en de aarde en de zee en alle dingen die in dezelve zijn; 25 die door den mond Davids uws knechts gezegd hebt; Waarom woeden de heidenen en hebben de volken ijdele dingen bedacht? 2'! De Koningen der aarde zijn te zamen onirestaan, en de oversten zijn bijeen vergaderd tegen den Heere en tegen zijn Gezalfde. 27 Want in waarheid zijn vergaderd teren uw heilig Kind Jezus, welken Gij gezalfd hebt, beiden Ilerodes en Pontius Pi-latus, met de heidenen en de volken Israels, 28 om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had dat geschieden zoude. â 29 En nu dau, Ileere, zie op hunne dreigingen, en geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw Woord te spreken, :w daarin «lat Gij uwe hand uitstrekt tot genezing, en dat teekenen en wonderen geschieden door den naam van uw heilig Kind Jezus. 31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats in welke zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen \ervuld met den Heiligen Geest, en- spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid. En de menigte van degenen die geloofden, was één hart en ééne ziel, en niemand zeide dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen. En de Apostelen gaven met groote kracht getuigenis van de opstanding des Ileere» Jezus; en daar was groote ge. nade over hen allen. :{4 Want daar was ook niemand onder hen die gebrek had; want zoo velen nis er be- |
|
HANDEL fitters wnren van lauden of iiuizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen en leiden dien aan de voeten der Apostelen; :lt;.=gt; en aan een iegelijk werd uitgedeeld naardat elk van noo-de had. 3« En .loses, van de Apostelen toe^euaauid Bnruabas (hetwelk is, overgezet zij.ide, een zoon der vertroostinir), een Leviet, van geboorte uit Cyprus, 37 alzoo hij eenen akker had, â¢verkocht dien, en bracht het peld en leide het aan de voeten der Apostelen. HOOFDSTUK 5. EN een zeker man met name Ananias, met Safïira zijne vrouw, verkocht eene have, â¢1 on onttrok van den prijs, ook â¢met medeweten zijner vrouw, en braclit een zeker deel en leideN een zeker man met name Ananias, met Safïira zijne vrouw, verkocht eene have, â¢1 on onttrok van den prijs, ook â¢met medeweten zijner vrouw, en braclit een zeker deel en leide dat aan de voeten der Apostelen. 3 En Petrus zeide; Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Hei-li-ren Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands? ⢠I Zoo het irebleven was, bleef het niet het uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? Wat is het dat gij deze daad in uw hart hebt voorsrenomen? Gij hebt den menscheu niet gelogen maar Gode. 5 En Ananias deze woorden ' hoorende, viel neder en gaf den freest. En daar kwam groote vrees over allen die dit hoorden. fi En de jon^elinsen opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit en besroeven hem. 7 En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijne vrouw er inkwam, niet wetende wat er ireschied was. s En Petrus antwoordde haar ; Sïeg mij, hebt gijlieden het |
INGEN 5. 171 land voor zóóveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zóóveel. 'J Ei» Petrus zeide tot haar: Wat is het dat L'ij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten derireuen die uwen man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijne voeten, en gaf den jreest; en de jongelingen ingekomen zijnde, vonden ze dood, en droeiten :e uit, en begroeven ze bij haren man. 11 En daar kwam eroote vrees over de sreheele gemeente en over allen die dit hoorden. 12 Eu door de handen der Apostelen gjcschiedden vele teekenen en wonderen onder het volk. En zij waren allen eendrachtiglijk in het voorhof Salomo's. 13 Eu van de anderen durfde niemand zich bij hen voeden; maar het volk hield ze in groote achting. 14 En daar werden er meer en meer toesjedaan die den Heere treloofden, menigten beiden van mannen en van vrouwen: 15 alzoo dat zij de kranken uitdroegen op de straten en leiden op bedden en beddekens, opdat als Petrus kwam, ook maar «Ie schaduw iemand van hei. beschaduwen mocht. I(gt; En ook de meniirte uit do omliiïfrende, steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken en die van onreine geesten irekweld waren, welke allen genezen werden. 17 Kn de Hoo gpriester stond op, en allen die met hem waren (welke was de sekte der Sad-duce.-rs), en zij werden vervuld met nijdigheid, is en sloesren hunne handen aan de Apostelen, en zetten ze in de algemeene gevangenis. 19 Maar de Engel des Heeren opende des nachts de deuren |
J
|
17- HANDE1 tier sevanscnis, en leidde ze uit, en zeidc: in Gaat keuen, en staat en spreekt iu den Tempel tot het volk alle de woorden dezes levens. â Jl Als zij uti dit eehoord hadden, â riusjen zi.i teuren den mor-irenstond in den Tempel en leerden. Maar de Hooitepries-ter, en die met hem waren, srekomen zijnde, riepen den llaad te zaïneu, en alle de oudsten der kinderen Israi-ls, en zonden naar den kerker om heu te halen. Doeh als de dienaars daar kwamen, vonden zij heu in de i?evaus!enis niet, maar keerden weder en boodsehapten dit, zearprende: Wij vonden wel den kerker met aile verzekerdheid toesresloten, en de waeh-ters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend liadden, vonden wij niemand daar binnen. -4 Toen nu de ifoo^^priester en de hoofdman des Tempels en de Overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toeh dit worden zonde. 25 En daar kwam een en bood-sehapte hun, zegende: Zie, de mannen die jjij in de «evamre-nis «ezet hebt, staan in den Tempel en leeren het volk. â¢JU Toen «int? de hoofdman henen met de dienaren, en braeht ze, doch niet met ire-weld (want zij vreesden het volk, opda . zij niet gesteenixd wierden); '27 en als zij hen gebracht hadden, stelden zij ze voor den Kaad; en de Hoo^epriester vraasrde hun en zeide: ü-* Hebben wij u niet ernsti}?-lijk aansezegd dat gij in dezen naam niet zoudt leeren ? Kn zie, gij hebt met deze uwe leer .leruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen mensch over ons breuken. Maar Petrus en de Apos- |
IN GEN 5. telen antwoordden en zeiden tg Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den mensehen. ;t(i De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, welken «ij omgebracht hebt, hangende hem aan het hout. Hl Dezen heeft God door zijne rechter/irt/wZ verhoogd tot eeueu Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekeering en ver-geving der zonden. .'12 En wij zijn zijne getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, welken God gegeven heeft dengenen die Hem gehoorzaam zijn. â¢W Als zij nu dit hoorden, ⢠barstte hun het hart, en zij hieldiMi raad om hen tedooden. 'M Maar een zeker Parizeer stond óp in d'Ui Haad, met name Gamaliel, een Leeraar der Wet, in waarde «rehouden bij al het volk, en gebood dat men de Apostelen een weinig zoude doen buiten9faraM, â¢-t5 eu zeide tot hen: Gij Isra-elietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze menschen. â M» Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende dat hij wat was, wien een uretal van omtrent vierhondei-d mannen aanhing: welke is omgebracht, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en quot;ot niets geworden. .'17 Na hem stond op Judas de Galileër, in de da ren der beschrijving. en maakte veel volk afvallig aehter zich; en deze is óók vergaan, en allen die hem uchoor gaven, zijn verstrooid tre worden. 38 En nu zck ik ulieden, houdt af van deze me.ischen en laat ic yunn; want indien deze raad of dit werk uit nienscfieii is, zoo zal het gebroken worden; lt;9 maar indien het uit God is, zoo kunt gij dat i.iet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden. |
.
HANDELINGEN fi, 7.
173
|
40 En zij ^aven hein gehoor; eii als zij de A])osteleii tot zich geroepen hadden, Kceselden /,ij hen, en geboden hun. dut j ze niet zouden spn ken in den , naam van Jezus, en lieten ze ;gaan. â U Zij dan gimren henen van ; het aan!;eziclit des Baads, verblijd zijnde dat zij waren waar- ' dig geacht geweest, om zijns naams wil smaadheid te lijden; 4-2 en zij hielden niet op, alle dagen in den Tempel en bij «le huizen te leeren en Jezus , Christus te verkondigen. HOOFDSTUK 0. EN in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond e i.e muniiureering ' «Ier Griekschen tegen de lie-breörs, omdat hunne wi duwen ; in de dagclijksche bediening N in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond e i.e muniiureering ' «Ier Griekschen tegen de lie-breörs, omdat hunne wi duwen ; in de dagclijksche bediening 'i verzuimd werden. - En de twaalve riepen de menigte der discipelen tot zich, i'n zeiden: Het is niet brhoor- â lijk dat wij het Woord Gods nalaten cj. de tafelen dienen. I â 'lt; Ziet dan om, broeders, naar ; zeven mannen uit u, die yoede. getuigen»» nebben, vol «les Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wii mogei. stellen over ; «leze noodiire zaak; I maar wij nullen volharden in het irebed en in de bediening «les Woords. .â ó En dit woord behaasrde aan al de menigte; en zij verkozen | Stéfanus, ei nen man, vol tllt; s â lt;eloots en des Heili en Gees-' 'es, en rilip]gt;us, en Próchorus. jen Nicrtnor, en Timon. en Parmenas, en Nicolaüs, eenen Jodeiürenoot van A. tiochië; welke zij voor de Apostelen stelden; en dezen, als zij gein-den hadden, leiden hun de handen op. |
7 En he Woord Gods wies, en het getal . er discipelen ver-. meiiigvuldigde te -'eruzalem zeer; en eene grnote schare der Priesteren werd den ge-loove gehoorzaam. t* En Stéfanus, vel geloof en klacht, deed wonderen en groote teeketien onder het volk. En «laar stonden óp sommigen die waren van de Synagoge, genaamd der Lib. rtijnen, en d«-|r Cyreneërs, en der Alexandrijnen, en dertrenen dit; van Cilieiü en Azië waren, en twistten met Stéfunuquot;; lu en zij konden r.iet weder-staan de wijsheid en den Geest «l«)or welke hij sprak. 11 Toen maaktcm zij mannen op «lie zeiden: Wij hebben hem hooren spreke.. last«,rlijke woorden tegen M«)zcs en God; 12 en zij beloerden het volk en de Ouderlingen en de Schrittgeleeideu; en hem aanvallende, gr pen zij hem en leidden hem voor d'-n Kaad, ia en stelden vulsche getuigen die zeiden: D«'z.e mens«-h houdt niet «gt;p, lasterlijke w«M»r-den te spn-ken te-ren deze heilige plaats e. «le Wet; 14 want wij hebben hem hooren zeggen, dat «leze Jezus «1«; Nazarener deze pij ats zal verbreken, en dat bij de zeden verai.deren zal die Mozes ona ovenreleverd heeft. 15 En allen die in den Kaad zaten, de oogen op hem hou-«IcmIc, zatre.. zijn aai.gezicht als het aangezicht eens Engels. HOOFDSTUK 7- EN de Hoogepriester zeide: Zijn dan deze dintren al zoo? N de Hoogepriester zeide: Zijn dan deze dintren al zoo? '2 En hij zeide: Gij mannen broclt;lers en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen onzen va«ler Abraham, nog ziji de in Mesopotamië, eer hij \\«)onde in Haran. 3 en zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uwe maagschap, en kom in een land dat Ik u wijzen zal. 4 Toen ging hij uit het land |
|
174 HANDEL der Chaldeërs, en woonde in llaran. Eu van duar, nadat zijn vader gestorven was, brarlit Hij hem óver in dit land, waar gij nu in woont; 5 en Hij gat hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet eenen voetstap, en heloolde dat Hij hem hetzelve tot eene bezitting geven zoude, en aan zijnen zade na bem, als bij uoy geen kind had. *gt; Hn God sprak alzóó, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dut zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk behandelen vierhonderd jaren; 7 en het volk dat zij dienen zullen, zal Ik oordeelen, sprak God, en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen iu deze plaats. S En Hij iraf bem het verbond der besnijdenis; en alzoo gewon hij Isaak, en besneed hem op den aebtsten dag; en Isaük geicou Jakob, en Jakob de twaalf Patriarchen. t) En de Patriarchen nijdig zijnde, verkochten Jozef om naar Egypte gebracht te worden ; en God was met hem. Ut en verloste bem uit alle zijne verdrukkingen, en gat hem genade en wijsheid voor Earao, den Koning van Egypte; en hij stelde bem tot een overste over Egypte en zijn gelieele huis. 11 En daar kwam een hongersnood over het geheele land van Egypte en Kanaitn, en groote benauwdheid, en onze vaderen vonden geene spijs. 1-2 Maar als Jakob hoorde dat in Egypte koren was, zond hij onze vaderen de eerste maal uit; i;{ en in de tweede reis werd Jozef zijnen broederen bekend, in bet geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar. 14 En Jozef zond henen en ontbood zijnen vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande iu vijf en zeventig zielen. |
1» En Jakob kwam afin Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaderen ; l(i en zij werden overgebracht nai.r Sichem, en geleed in het graf, hetwelk Abraham ne-koeht had voor eene som gelds-van de zonen van He mor, den rader van Sichem. 17 Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, v\ies het volk en vermenigvuldigde in Egypte, IS totdat een ander Koning opstond, die Jozef niet gekend had. 19 Deze gebruikte listigheid, tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zoodat ze hunne jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen. In welken tijd Mozes werd. geboren, en hij was uitnemend schoon; welke drie maanden . opgevoed weid in het huis zijns- f vaders, 21 en als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voov zichzelve óp tot eenen zoon. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptena-ren, en was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijne broeders, de kinderen Israels; te bezoeken. 24 En ziende eenen die onrecht ^ed, beschermde hij hem, en wreekte de. genen dien overlast geschiedde, en ver i sloes den Eiryptenaar.. 25 En hij mlt; ende Jat zijne broeders zonden ' erstuan, dat God door zijne hand hun ver- | lossing geven zoude; maar zij lt; hebben het niet verstian. 2(i En den volgenden dag werd hij van hen srezien daar zij vochten, en hij diong ze tot E vrede, zeggende; Mamien, gij |
H ANDELINGEN 7-
175
|
zijt broeders: waarom doel {;à elknudei- ongelijk r â¢J7 En die zij wen naaste ongelijk deed, verstiet hern, zeggende; Wie heelt u tot een overste en rechter over ons gesteld ? 2.S Wilt irij mij óók ombrengen, gelijkenvijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt ? 29 En Mozes vluchtte op dat woord, en werd een vreemdeling in iiet land Midiau, waar hij twee zonen gewon. 30 En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des lleeren in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammend vuur van het doornenbosch. 31 Mozes nu dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts gin'; om dut te bezien, zoo geschiedde eene stem des lleeren tot hem, 32 zeyyende: Ik hen de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Isuiiks en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. 33 En de Ileere zeide tot hem: Ontbind de schoeien van uwe voeten, want de plaats in welke ^rij staat, is heilig land. 34 Ik heb duidelijk uezien de mishanduling mijns .volks dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord, en ben ne-dergekomen om hen daaruit te verlossen; en nu kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mo/.es welken zij verloochend hadden,zeggende. Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld ? dezen, zeg He, heeft God tot eenen overste en verlosser gezonden door de hand des Engels die hem verschenen was in het doornenbosch. 3(5 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en teekenen in 't land van Egypte, en in de |
Koode zee, en in de woestijn, veertig jaren. 37 Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Ileere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij: dien zult gij hooren. 38 Deze is het die in de vergadering den volks in de woestijn was met den Ei.gel die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven; 39 denwelken onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn. maar verwierpen hem en keerden met hunne harlen weder naar Egypte, 40 zeggende tot Aiiron: Maak ons goden die voor ons henen-sraan; want tcat dezen Mozes uanyaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wiv weten niet wat hem geschied is. 41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde zich, en gaf hen over, dat zij het heir des-hemels dienden, gelijk geschreven is iu het boek «Ier Profeten: Hebt irij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels? 4:t Ja, gij hebt opsenomen den tabernakel Molochs, en het gesternte uws gods Hemfau, de afbeeldingen die fi-j gemaakt hebt om die te aanoidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Habylonië. 41 De Tabernakel der aretni-genis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had 11 ij die tot Mozes-zeide, dat hij denzelven tnaken zoude naar de afbeelding die hij gezien had: 45 welken ook onze vaderen ontvangen hebbende, met Jo- |
|
170 II AN DE I zua arebracht liebbcu in bet land dat de heidenen bezaten, die God verdreven beeft van bet annirezicbt onzer vaderen, tot de dairen Davids toe: 4(5 dewelke voor God genade gevonden beeft, en begeerd beeft te vinden eene woonstede voor den God .lakobs. 47 En Salomo bouwde bem oen Huis. 4S Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met banden gemaakt, gelijk de Profeet zefrt; 49 De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank mijner voeten. Hoedanig Huis zult jrij Mij bouwen, ze^t de Heere, of welke is de plaats mijner rust? 51) Heeft niet mijne hand alle deze dingen gemaakt ? 51 Gij hurdnekki'ren en onbe-snedenen van hart en ooren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaderen aJ.züó ook gij. 52 Wien van de Profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd ? En zij hebben gedood degenen die te voren verkondigd hebben de komst des lieehtvaardigen, van welken ir ij lieden nu verraders en moordenaars geworden zijt, 5:i gii die de Wet ontvangen hebt door bestellingen der Engelen, en hebt ze niet gehouden. 54 Als zij nu dit hoorden, barstten hunne harten en zij knersten de tanden tegen hem. 55 Maar bij vol zijnde des U'eiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter reehterA«»«(f Gods; 56 en hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menRchen staande ter rech-terhund Gods. 57 Maar zij roepende met groote stem, stopten hunne ooren, en vielen eendrachtiglijk op hem aan, |
NGEN 8. 58 en wierpen bem ter stad uit, en steeniirden hem. En de getuigen leiden hunne kleederen af aan de voeten eens jon-gelings, -renaamd Saulus; 5» en zij steenigden Stéfanus, aanroepende en zeggende; : Heere Jezus, ontvang mijnen geest! «iO En vallende op de knieën, riep hij met groote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep bij. HOOFDSTUK 8. EN Saulus had mede een welbehagen aan zijnen dood. En daar werd te dien dage eene groote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Ju-déa en Samarië, behalve de Apostelen.N Saulus had mede een welbehagen aan zijnen dood. En daar werd te dien dage eene groote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Ju-déa en Samarië, behalve de Apostelen. 2 En eeniye godvruchtige mannen droegen Stéianus te zamen ten grave, en maakten grooten rouw over hem. .'1 En Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hij ze óver in de gevangenis. 4 Zij dan nu die verstrooid waren, giniren /iet land door en verkondigden het Woord. 5 Kn Filippus kwam af in de* stad van Samarië, en predikte hun Christus. fi Kn de sebaren hielden zieb eendrachtiglijk aan hetgeen van Filipnus gezegd werd, dewijl zij hoorden ?n zagen de teekenen die hij deed. 7 Want van velen die onreine geesten hadden, gi igen dezelre uir, roepende met lt;roote stem, en vele geraakten eu kreupelen werden genezen; 8 en daar werd groote blijdschap in die stad. 9 lOn een zeker man, met name Simon, was te voren in de stud plegende toovcrij, ?ii verruk- |
|
HAN DEI, leende de zinnen des volks van Samarië, zeggende van zieh-zelven dat hij wat Rroots was; 10 welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den groote, zegende: Deze is de groote kracht Gods. 11 En zij hinden hem ann, omdat hij eenen langen tijd met tooverijen hunne zinnen verrukt had. 12 Maar toen zij Filippus Re-loofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden mannen en vrouwen. Ivi En Simon geloofde ook zelf, en iredoojit zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de teekenen en irroote krachten die er geschiedden, ontzette hij zich. 14 Als nu de Apostelen die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samarië het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, 15 dewelke afirekmnen zijnde, baden voor hen, dat zijden Hei-liiren Geest ontvangen mochten Ifi (want hij was nos op niemand van hen quot;evallen, maar zij waren alleenlijk sredoopt in den naam des lieeren Jezus); 17 toen leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den lleili/en Geest. IS En als Simon za1: dat door de oplegging van de handen : der Apostelen de lleililt;re Geest ire-reven werd, zoo bood hij hun geld aan, 19 zeggende: Geeft ook my deze maeht, opdat zoo wien ik ; de handen opleir, hij den Hei-! li'ren Geest ontvamre. ; 'Ju Maar Petrus zeidetothem: l'w geld zij met u ten verder ve, omdat gü Temeend hebt â «lat de gave Gods door geld verkregen wordt. 21 Gij hebt geen doel of lot |
INGEN 8. 177 in dit woord; want uw hart is niet recht voor God. ~ Bekeer u dan van deze uwe boosheid, en bid God. of misschien u deze overleguring uws harten verreven wieid; '2'.\ want ik zie dvt trij zijt in eeue gansch bittere gal en samenknooping der ongerech-tigheid. Doch Simon antwoordende, zeide : Bidt zijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij koine van hetgeen gij gezegd hebt. *25 Zij dan nu, als zij het Woord des lieeren betuigd en gesproken hadden. keerden weder naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie iu vele vlekken der Samaritanen. -d En een Enirel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende; Sta op en ga henen te-ren het Zuiden, op den weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. 27 En hij stond op en ffing henen. En zie, een Moorman, een kamerlint; en een machtig heer van ('andaeé, de Koningin der Moorcn, die over al haren schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem; 2S en hij keerde weder, en zat op zijnen wawn, en las den Profeet Jei-ajii. *29 En de Geest zeide tot Filippus ; Ga toe en voeg u bij dezen waren. :i(t En Filippus liep toe, en hoorde hem den Profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook betreen quot;ij leest? :{| En hij zeide: Hoe zoude ik tuch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht ? En hij bad Filippus dat hij zonde opkomen en bij hem zittei . 32 En de plaats der Schriftuur die hij las, was deze: Hij is irelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stem-meloos is voor dien die het |
jIN'GEN 9.
den brengen naar Jernzalem.
3 En als hij reisde, is het geschied dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheet,i snel-lijk een licht van den hemel;
4 en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij eenc stem dietot hem zeide; Saul, Saul.wat vervólgt lij mij?
5 En hij zeide ; Wie zijt gij, lleere? En de Ileere zeide: Ik ben Jezus dien gij vervolgt: het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
fi En hij beveMide en verbaasd zijnde, zeide : lleere, wat wilt gij dat ik doen zal? En de lleere zeide tot hem: Sta oigt; en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd w.irden wat gij doen moet.
7 En de mannen die met hem overweg 'reisden, stonden verbaasd, hoorende wel de stem, maar niema.id ziende.
8 En Saulus stond óp van de aarde; en als hij zijne oogen opendeed zar hij niemand; en zij hem bij de hand leidende, brachten hem te Damascus.
9 En hij was drie dagen dat. hij niets zag; en at niet en dronk niet. '
10 En daar was een zeker discipel te Damascus, met name Ananias; en de lleere zeide tot hem in een irezieht: Ananias! En hij zeide ; Zie, hier be.i ik, lleere.
11 En de Heerc zeide tot hem: Sta op, en -ra In de straat, genaamd de Rechte, en vraan in het huis van Judas naar eenen, met name Saulus van Tarsus; want zie, hij bidt,
12 en hij heeft in een gezicht gezien, dat een ma i, met name Ananias, i.;kwam en hem de hand opleide, opdat hij wederom ziende wierd.
13 En Ana;gt;ias antwoordde: lleere, ik heb uin velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij uw n heiligen in Jeruznlem zed aan heeft;
14 en hij heeft hier macht van
178 HANDEL
scheert,- alzóó doet hij zijilen muud niet open.
33 In zijne Vernedering is zijn oordeel wepsjenomên, en wie zal zijn Reslacht verhalen ? quot;Want zijn leven tvOrdt van de aarde westrenomen.
34 En de kamerling; antwoordde Filippus en zeide : I k bid u, van wien ze;;t de Profeet dit? van zichzelven of van iemand anders?
3ó En Filippus deed zijnen mond opi'ii, en beginnende van die Schrift, verkondigde hem Jezus.
3f) En als zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide; Ziedaar water: wat verhindert mij sedoopt te worden ? 37 En Filippus zeide; Indien gij van «ranscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd. En iiij antwoordende, zeide: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon Gods is.
35 En hij gebood den wagen stil te houden, en zij daalden beiden af in het water, zoo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.
39 En toen z?j uit het water â¢waren opgekomen, nam de Geest des lleeren Filippus â wesc, en de kamerlinir zag hem niet meer; want hij reisde zijnen we r met blijdschap.
40 Maar Filippus werd gevonden te Azótus; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesaréa kwam.
HOOFDSTUK 9.
En Saul us, blazende nog dreiging en moord tegen de disci-
Ãelen des lleeren, ging tot den Ioogepriester,elen des lleeren, ging tot den Ioogepriester,
2 en begeerde brieven van hem naar Damascus aan de Synazogen, opdat, zoo hij eeni-gen die van dien we? waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zoude gebou-
|
IIAXDF1 «le Ovcrpriesters, om te bmdeii allen die uwen naam aanroepen. 15 Maar de Ileere zcide._tot hem : Ga henen, want deze is mij een uitverkoren vat, om mijnen naam te draden voor tie heidenen én de Koningen en de kindoren IsraÃls; Ifi want ik zal. hem toonen hoeveel hij lijden moet om mijnen naam. 17 En Ananias ging henen en kwam in het hnis; 011 de handen op hem lessende, zcide lijj: Saul, broeder, de Ileere heeft mij gezonden, namelijk Jezus die u verschenen is op den weg d'en gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Oeest vervuld zoudt worden. l.S En terstond vielen af van zijne oogen gelijk als schellen, »â¢11 hij werd terstond wederom â¢/.iende, en stond op, en werd gedoopt; 19 en als hij spijs genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij' de discipelen die te Damascus waren; 20 en hij predikte terstond Christus in de Synagogen, dat hij de Zoon Gods is. â 21 En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden; Is deze niet degene die te Jeruzalem verstoorde quot;wie dezen naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelven gebonden zoude brengen tot de Over-priesters ? 22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden die te Damascus woonden, bewijzende dat déze de Christus is. 23 En als vele dagen verloo-pen waren, zoo hielden de Joden samen raad om hem te dooden; 24 maar hunne lage werd Saulus bekend. En zii bewaarden de poorten, beide des daags en rNGBN 9. 17» |
des nachts, opdat zij hem doo- ; den mochten; 2rgt; doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hein neder door den inuur, hém aflatende in eene mand. 21! Saülus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet geloovende dat hij een discipel was. 27 Maar Barnabas hem tot zic'h' nemende, leidde hem tot de Apostelen, en verhaalde hun hoe hij op den weg den HeeVe gezien had, en dat hij tot hem gesproken had, en hoé hij te Damascus vrijmoediglljk gesproken had in den naam van Jezus. 28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem; 29 en vrijmoediglijk sprekende in den naam nes Heeren Jezus, sprak hij ook en handelde tegen de Griekschè Jodm; maar dezen trachtten hem te dooden. :«l Doch de broeders dit verstaande, geleidden hem tot Cesaréa, en zondeti hem af naar Tarsus. .'11 De gemeenten ilan door geheel Judéa en ffaliléa en Samarië hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreeze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Gees-tes, werden vermenigvuldigd. 32 En het geschiedde als Petrus aloin doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen die te Lj'dda woonden. 3:i En aldaar vond hij een zeker mensch, met name Enéas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was. .'14 En Petrus zeide tot hem: Enéas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid nzelven het bed. En hij stond terstond op. 35 En zij zagen hem alleh die te Lydda en Saróna woonden,. |
181) HANDEL]
dewelke zich bekeerden tot den Heere.
SR Eu te Joppe was eene zekere discipelia, met name Tahitha, hetwelk, overgezet zijnde, is Kezend Dorcas. Deze was vol van piede werken en aalmoezen die zij deed.
37 En liet geschiedde in die dagen dat zij krank werd en stierf; en als zij ze gewasschen hadden, leiden zij haar in de opperzaal.
as Eu alzoo Lydda nabij Joppe was, de discipelen hoorende dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende dat hij niet zoude vertoeven tot hen over te komen.
39 Eu Petrus stond op en ginic met hen; welken zij. als hij «laar gekomen was, in de opperzaal leidden; en alle de weduwen stonden bij hem, weenende eu toonende de rokken en klee-dcren, die Dorcas gemaakt had, als zij bij haar was.
41) Maar Petrus beboende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad; en zich keerende tot het lichaam, zeide bij : Ta-bi tha, sta op. En zij deed hare oo*reu open, en Petrus gezien beo bende, zat zij overeind;
41 en bij gat baar de hand en richtte ze op. en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij ze levend vóór htn
42 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den ïleere.
43 Eu het geschiedde dat hij vele da^en te Joppe bleef bij eenen zekeren Simon, ecnen lederbereider.
HOOFDSTUK lü.
EN daar was een zeker man te Cesaréa, met name Cornelius, een hootdmau over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanscbe,N daar was een zeker man te Cesaréa, met name Cornelius, een hootdmau over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanscbe,
2 godzalig, en vreezende God met geheel zijn huis, en doeu-
1NGEN 10.
de vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende.
3 Tgt;eze zag in een gezicht klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, een Engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius!
4 En bij de oogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide; Wat is het, Heere? En hij zeide tot hem : Uwe gebeden en uwe aaimoezen zijn tot gedachtenis opcekomen voor God.
5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon die toci;euaamd wordt Petrus:
6 deze lisrt te huis bij eenen zekeren Simon, eenen lederbereider, die zxjn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen wat gij duen moet.
7 En als de Engel die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijne huisknechten, eu eenen godzaligen krijgsknecht van degenen die gedurig quot;bij hem waren;
8 en als hij hun alles verhaald bad, zond hij ze naar Jopne.
9 Eu des anderen daags, terwijl dezen reisden en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure.
10 En hij werd hongerig en bejreerde te eten; en terwijl zij bet bereidden, viel over hem eene vertrekking van zinnen ;
11 en hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een Kroot linnen lakeu, aan de vier hoeken gebonden, en nederge-laten op de aarde;
12 in hetwelk waren alle de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de krui pende dieren, en de vogelen des hemels.
13 En daar geschiedde eene stem tot hem ; Sta op, Petrus, slacht en eet.
14 Maar Petrus zeide: Geens-
|
HAISDEI zins, Heere; want ik heb nooit iets fresjeten dat premeen ot onrein was. 15 En eene stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd lieet't, zult niet gemeen maken. 16 En dit fceschiedde tot driemaal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel. 17 En als Petrus bij ïichzel-ven twijfelde, wat toch het fre-zicht mocht zijn dat hij cezien had, zie, de mannen die van Cornelius aticezui.den waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort; 18 en iemand geroepen hebbende, vraagden zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te iiuis las. 19 En als Petrus over dat gezicht nadacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u: 2» daarom sta op, r-a af, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden. â¢21 Eu Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem trezonden waren, en zeide: Zie, ik ben bet dien gij zoekt: wat is de oorzaak waarom gij hier zijt? 22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardiir man, en vree-zende God, en die goede iretui-genis heeft van het transche volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van eenen iieilieren Eiiirel, dat hij u zoude ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden dei-zaligheid zoude hooren. 23 Als hij ze dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen henen; en sommigen der broederen die van Joppe waren, gingen met hem. 24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa. En Cor- |
NGEN 10. 181 nelius verwachtte hen, samen-gei oepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden. 25 En als het geschiedde dat Petrus inkwam, iring ( ornelius hem te gemoet, en vallende aan zijne voeten, aanbad hij. 2fi Maar Petrus richtte hem op, zeg-zende: Sta op, ik ben ook zelf een mensch. 27 En met hem sprekende, t'ing hij in, en vond er velen die samengekomen waren; 2s en hij zeide tot hen: Gij weet hoe het eenen Joodschen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaa i tot eenen vreemde; doch God heeft mij iretoond dat ik geen mensch zoude gemeen ot onrein hee-ten. -9 Paarom ben ik ook zonder tegenspreken irekomen, ontboden zijnde. Zoo vraat; ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden? :«» En Cornelius zeide: Vóór vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter regende ure bad ik in mijn huis; Hl en zie, een man stond vóór mij in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uwe r.almoezen zijn voor God gedacht geworden. 32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon die toegenaamd wordt Petrus: deze ligt tehuis in het huis van Simon, den lederbereider, aan de zee, welke hier gekomen zijnde, tot u spreken zal. Zoo heb ik dan van stonde aan tot u trezonden, en gij hebt wèl tredaan dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. 34 En Petrus den mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des nersoons is: 35 maar in allen volke is w ie |
HANDELINGEN 11.
182
|
llcm vreest en gerechtigheid werkt. Hem. aangenaam. , '36 DU ü het wourd dat Hij gezonden heeft den kindereu Is- . .raëls. verkondi jende vrede door Jezus Christus; deze is een IIeere van allen. 37 Gijlieden weet de zaak, die i geschied is door geheel Judéa, beginnende van Galilüa, na den doop welken Johannes gepredikt heeft,. 38 belauyeiidr Jezus van Nazareth, hoe God hem siezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; welke hét land doorgegaan is goeddoende, en genezende allen die van den duivel overweldigd waren; want .God was met hem. . 39 En wij zijn getuigen van al betgeen hij gedaan heeft, beide iu het Joodsehe land en te Jeruzalem; welken zijquot; gedood hebben, hem hangende aan een bout. 40 'Dezen beeft God opgewekt teu derden dage, en gegevenquot; dat hij openbaar zoude, worden, . 41 niet al den volke, maar den getui'-reii die van God te voren verkoren waren, óns namelijk die met hem gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de dooden opgestaan was; 42 en hij heeft ons geboden den volke te prediken en te betuigen, dat hij is degene die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en dooden. 43 Dezen seven getuigenis alle de Profeten, dat een iegelijk die in hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam. 44 Als Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest pp allen die hettVoord hoorden. 45 En de geloovigeu die uit de beSnijdénis waren, zoovelen als er met. Petrus waren gekomen, ontzetten zich dat de gave des Heiligen Geesteé ook.op de heidenen uitgestort âwerd; |
, 46 WQUt zij . hoorden hen spreken jnet vreemde talen, en God : .grootmaken, Toen antwoordde Petrus; 47 Kan ook. iemand bet water weren, dat .«Vezen niet gedoopt zonden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij ? .48 En hij beval dat zij zouden .gedoopt worden in den naam des Heeren. Toen baden zij hem', dat hij eenige dagen bij hen. wilde blijven'. HOOFDSTUK 11. DE Apostelen nu en de .broeders die in Judéa waren, licbbén géhoord, dat ook de heidenen het Woord.Gods aangenomen hadden.E Apostelen nu en de .broeders die in Judéa waren, licbbén géhoord, dat ook de heidenen het Woord.Gods aangenomen hadden. 2 En . toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten te uren hem deireuen die .uit de ; besnijdeuis waren, _ zeggende: Gij zïjt ingegaan . tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten. , 4 Maar Petr.us beginnende, verhaalde het hun vervolgens, zeirgende; ó Ik was in de stad Joppe biddende, en zag in eene vertrekking van zinnen een gezicht, namelijk een zeker vat, ge ijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken nedergelaten uit den hemel, en bet kwam lot bij mij; 0 op welk laken r is ik de oogen hield, zbo merkte ik en zaïr de viervoetige 'dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels. 7 En ik hoorde bene stem die tot mij zeide: Sta op. Petrus, slacht en eet. 8 Maar ik zeide; Geenszins, Heeré, want nooit is iets dat gemeen of onrein was, in mijnen mond ingegaan. 9 Doch dcstem.autwoOrddc.mij ten tweeden male uit dtfn hemel â¢â¢ .Hetgeen God gereinigd- heeft, zult gij niet gemeen maken- |
.
HANDELINGEN 12.
1S3
|
\(gt; En dit sescliiedde tot driemaal ; lt;mi alles werd wederom opgetrokken in den hemel. 11 En zie, ter zelfder «re stonden er drie mannen vóór het huis, waar ik in was, die van Ce-saréa tot mij at^ezonden waren. 12 Eu de Geest zeide tot mij, dat ik met hen paan zoude, niet twijfelende. En met mij ^inpen ook deze zes broeders, on wij zijn in des mans huis in^epaan; â ia en hij heeft ons verhaald, hoe hij eenen Engel gezien had, die in zijn huis stond eii tot hem zeide: Zend mannen naar Jop-pe, eu ontbied Simon die toe-genaamd is Petrus. 14 die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en geheel uw huis. .ló Eu als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het oegin. Ifi En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Ueiligen Geest. 17 Indien dan God hun even-gelijke gave gegeven heeft als ook ons, die in den Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch die God kon weren? 18 En als zij dit hoorden, waren zij tevreden en ver heerlij k-teii- God, zeggende: Zoo heeft «lan God ook deu heidenen de bekeering gegeven ten leven. 19 Degenen nu die verstrooid waren door de verdrukking die over Stéfan na geschied was, gingen het land door tot Fe-nicië toe, en Cyprus, en An-tiochië, tot niemand het Woord sprekende dan alléén tot de Joden. 20 En daar waren cenige Cyprische en Cyrencïsche mannen Mit beu, welke te Antiochië ge-kpmen zijnde, quot;spraken tot de Oriekschen, verkondigende den Heere Jezus. |
31 En de hand des Heeren was met hen, en een groot, getal geloofde en bekeerde zich tot den Heere. 22 En het gerucht van hen kwam tot de ooren der gemeente die te Jeruzalem was, en zij zondeu Harnabas.. uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe: â 2:5 dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, verblijd werd, en ze allen vermaande, dat zij met een voor-neineu.des harten bij den Heere zouden blijven; 24 waait hij ua.n een goed man, eji vol des Heiligen Geestes en des geloofs. En da ir werd eenc groote schare den Heere Hoe-gevoegd. 25 En Barnabas ging uit naar Tarsus om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, braebt hij hem te Antiochië. 2t) En het is geschied dat zij een geheel jaar te samen vergaderden in de gemeente, en eene groote schare leerden, en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christeneii genaamd werden. 27 En in die dagen kwamen eciiye Profeten af van Jeruzalem te Antiochië; 28 en één uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door den Goest dat er een groote homrersfiood zoude wezen over de sreheele wereld; dewelke ook gekomen is onder den Keizer Claudius. 2'.) En uaardat een iegelijk der .discipelen vermocht,quot; besloot elk van hen iets te zenden ten djenste der broederen die in Jüdéa woonden; 30 hetwelk zij opk deden, en zonden het tot de Ouderlingen door de hand, van liarnabas en Saulps. HOOFDSTUK 12. 'N omtrent dien tijd sloeg ; de Koning Herodcs de han- E |
|
184 HAXDEL Jen aan sommigen vnn de se-meente, om die kwalijk te behandelen. quot; Kn hij doodde Jacobus, den broeder van Johannes, niet het -/.waard; en toen hij zasr dat het den Joden behaaglijk was, voer hij voort ook Petrus te vaneen (en bet waren de da^en der onRe-bevelde broixlen); 4 denwelken ook seRrepen hebbende, bij in de Kevanjce-nis zette, en hem óver aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten om hem te bewaren, willende na het Paasoh-r'eest hem voorbrengen voor bet volk. 5 Petrus dan werd in de tre-vangenis bewaard; maar van de gemeente werd een geduriif irebed tot God voor hem klt;-'-daan. i» Toen hem nu Ilerodes zoude voorbrengen, sliep Petrus dien nacht tussehen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters vóór «Ie «leur bewaarden de â¢^enis. 7 En zie, een Ensel des Hce-ren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte bij hem op, zegfrende: Sta haas-telijk op. Kn zijne ketenen vielen af van de handen. s En de Enirel zeide tot hem; Omgord u en bind uwe schoenzolen aan. En hij deed alzóó. Kn hij zeide tot hem : Werp uwen mantel om en vol? mij. 9 En uitgaande, vol-rde hij hem, en wist niet dat het waarachtig was, hct'een door den Engel geschiedde, maar bij meende dat hij een gezicht zaar. 1» En als zij door de eerste en tweede wacht ireeaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort die naai- de stad leidt, dewelke vanzelf hun geopend werd. En uitgedaan zijnde, gingen zij ééne straat voort, en |
INGEA' 12. terstond scheidde de Engel van hem. 11 En Petrus tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik wharaclitiglijk dat de lleerc zijnen Engel uitgezonden heeft, en mij verlost beeft uit de hand van Ilerodes en uit al de verwachting van het volk der Joden. 12 Kn als bij alle» overleed had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Marcus, alwaar velen samen-vergaderd en biddende waren. I.t En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam eene dienstmaagd vóór om te luisteren, met name Rhode; 14 en zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte dat Petrus aan de voorpoort stond. 15 En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef daar sterk bij, dat het alzoo was. En zij zeiden: liet is zijn Emrel. Ifi Maar Petrus bleef kloppende; en als zij opengedaan hadden, zagen 7.ij hem en ontzetten zich. 17 En als hij hun met de hand gewenkt had dat ze zwijgen zouden, vemaalde bij hun, hoe hem de Heere uit de gevamre-nis uitgeleid had, en zeide: Koodscbapt dit atm Jacobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar eene andere plaats. IS En als het da1; was irewor-den, was daar geen kleine beroerte onder de krijgsknechteii. wat toch Petrus m icht geschied zijn. 19 En als Ilerodes hem gezocht bad en niet vond, en de wachters gerechtelijk ondervraagd bad, irebood hij dat ze weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Ce-saréa, ca onthield zich aldaar. |
.
|
*20 En Herodes had in den zin tegen de Tyriëra en Sidoni-rs te krijiren; maar zij kwamen eendrachtiirlijk tot hein, en Blastus, die des Koniugs kamerling was, overreed hebbende, begeerden zij vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des Konings land. â¢21 En op eenen gezetten da-r Herodes, een koninklijk kleed iian^edaan hebbende, en op den Keehterstoel gezeten zijnde, «leed eene rede tot ben; â¢22 en het volk riep hem toe; Ken stem Gods en niet eens inenRchen! 2S En van stonde aan sloeg hem een Engel des Ileeren, «iaarom dat bij Gode de eer niet gafquot;; en hij werd van de wormen gegeten en gat' den jreest. . 24 En bet Woord Gods w ies en vermenigvuldigde. â¢25 Bórnabas nu en Saulus keerden weder van Jeruzalem, als zij den dienst volbrarlit hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toe-genaamd werd Marcus. HOOFDSTUK IX EN daar waren te Antioebië i in deeemeentediedaar was, eenige Profeten en Leeraars, namelijk Kamahas, en Simeon genaamd Nijrer, en Lucius vanN daar waren te Antioebië i in deeemeentediedaar was, eenige Profeten en Leeraars, namelijk Kamahas, en Simeon genaamd Nijrer, en Lucius van ⢠Cyréne, en MAnahen die met â Herodes den Viervorst opgevoed was, en Saulus. j 2 En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Hei-lige Geest: Zondert mij af beiden BArnabas en Saulus tot bet werk, waartoe ik ze ge- ⢠menen heb. Toen vastten en baden zij, en bun de banden opirelegd liebbende, lieten zij ze iraan. 4 Dezen dan uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af naar Seleucië, en van daar voeren zij af naar Cyprus; |
5 en gekomen zijnde te Sala-der Joden; en zij hadden ook Johannes tot eenen dienaar, n En als zij het eiland doorgegaan waren toe Pafos toe, vonden zij eenen zekeren too-venaar, eenen valscben profeet, eenen Jood, wiens naam was Bar-Jezus, Engel van icbzelven : u weet de lleere ien heeft, : uit dlt;quot; uit al de volk der 7 welke was bij den Stadhouder Sergius Paulus, eenen verstandigen man. Deze, BArnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer bet Woord Gods te booren; 8 maar Elymas d gt; toovenaar (want alzóó wordt zijn naam overbezet) wederstol.d hen,zoekende den Stadhouder van het geloof af te keeren. 9 Doch Saulus (die .-rak Paulus nenaamd is) vervuld met den Heiligen Geest, en de oogen op hem houdende, zeide: 10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistiirheid, vijand van alle â¢rereebtigbeid, zult gij niet opbonden te verkeeren de rechte wegen des Heeren? 11 En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en irij zult blind zijn en de zon niet zien voor eenen tijd. En van stonde aan viel op bem donkerheid en duisternis, en rondom traande, zocht bij die hem met de band mochten leiden. 12 Al» de Stadhouder zag betgeen geschied wan, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren. i:lt; En Paulus en die met bem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, eeitr stad in Pamfylië; maar Johannes van lien scheidende, keerde weder naar Jeruzalem. 14 En zij van Pertre het land doorgaande, kwamen te Antioebië, eene stad in Pisidië, en stegaan zijnde in de Synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder. 15 En na bet lezen der Wet HAXDEL1XGEX 13. T85 ______ verkondigden zij bet Woord Gods in ae Synagogen |
|
.1SG HAN DE] en der Profeten zonden de oversten der Synasrose tot hen, zengende: Mannen broeders, indien daar eenig woord van vertroosting tot het volk in u is, zoo spreekt. Ki En l'aulus stond' op en wenkte met de hand, eazeide: Gij Israëlietische niunnen en,gij die God vreest, hoort toe. 17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en-het volk verhoogd, ais zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heett ze met een hoogen arm daaruit geleid, 18 en .heeft omtrent den tijd van veertig jaren, hunne zeden verdragen in de woestijn; 19 en zeven volkeren uitgeroeid hebbende in het land Kanaan, heeft Hij hun door het lot het Jand derzelven uitgedeeld; en daarna, omtrent vierhonderd en vijftie jaren, gaf Hij huu Richters, tot op Sam nel deu Profeet. 121 En van toen aan begeerden zij eenen Koning, en God traf hun Saul, den zoon van Kis, eenen man uit den stam Benjamin, veertig jaren; 22 en dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot eenen Koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide ; Ik heb gevonden David, den zaoti van Isai, eenen man rniar mijn hart, die al mijnen wil zal doeu. 23 Van. diens zaad heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus, 24 als Johannes eerst al den volke Israël» vóóp zijne aankomst gepredikt had deu doop der .bekeering. 25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wie meent gijlieden dat ik ben? Ik ben de ('hriaiun niet; maar zie, hij komt na mij, wien ik niet waardig bén de schoenen zijner moeten te ontbiaden. |
INGEN 13. 20 Mannen broeders, kinderen van het geslacht A bra hams, en wie ónder u God vreezen, tot u is het Woord dezer,zaligheid gezonden. â¢-7 Want die te Jeruzalem wonen, en- hunne oversten, dezen niet kennende, hebben ook de stemmen, der Proteten,'die op eiken sabbaW»f/ gelezen worden. hem veroordeelende, vervuld; , 2S en areene oorzaak des doods vindende, ' hebben zij van Pi-latus begeerd dat' hij zoude gedood, worden; 29 en als zij alles volbracht hadden wat van hem geschreven was, namen zij hem at van bet bout en leiden hem in het sraf. W Maar God heeft hem uit de dooden opirewekt; 31 welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die met hem opgekomen waren van Galiléa naar Jeruzalem, die zijne getuigen ziju bij het volk. .32 En wij. verkondigen u di-belofte die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hunne kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft: , 33 gelijk ook in den tweeden Psalm geschreven staat: Gij zijt mijn Zoon, heden, heb Ik u gegenereerd. 34 En dat Hij Innn uit de dooden heeft opgewekt, alzoo dat bij niet meer tot verderving zal keeren, heeft Jliialdus gezegd: Ik zal ulieden lt;fe wel-dadiirheden Davids geven, die getrouw zijn; 35 waarom Hij .00 c in eenen anderen Psalm zegt: Gij zult uwen Heilige niet oue/geven om verderving te zien. 36 Want David, als hij in zijnen tijd den raac Gods gediend had, is ontslapen; en is bij zijne , vaderen gelegd, en heeft wèl verderviu-t:. gezien; 87 maar hij, dien God opge- |
INGEN 14. 1S7
tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.
48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Wooid des Hee-ren; en daar sreloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwiire leven;
49 en het Woord des Heeren werd door het geheele land uitgebreid.
⢠50 Maar de Jodeh maakten 6p de godsdienstige en achtbare vrouwen en de voomaamsten van de stad, en verwekten vervolging tesen Paulus'en Bs'ir-nabas, en wierpen ze uit hunne landpalen.
ól Doch zij schudden het stof van hunne voeten af teiren dezelveu, en k\\avien te Ico-nium;
52 en de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.
HOOFDSTUK 14.
EN het geschiedde te Iconi-um, dat zij te zamen gingen in de Synagoge der Joden, en alzóó spraken, dat eene groote menigte beiden van Joden en Grieken gelooide.N het geschiedde te Iconi-um, dat zij te zamen gingen in de Synagoge der Joden, en alzóó spraken, dat eene groote menigte beiden van Joden en Grieken gelooide.
'2 Maar de Joden die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders.
.'{ Zij verkeerden dan aldaar cenen langen tijd, vrijmoedig-li-jk sprekende in den Heere, die jretuisenis -gaf aan het Woord zijner genade, en gaf dat teekeuen en wonderen geschiedden door hunne handen.
4 En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden,- en sommigen met de Apostelen.
5 Kn als daar een oploop geschiedde beiden van heidenen en van Joden, met'hunne oversten, om hun - smaadheid aan te doen en keu te steenigen,
lt;» zijn zij, alles overlegd heb» bende, gevlucht naar de ste-
HANDEL wekt heeft, heeft geene verder-vinjr gezien. -
as Zoó zij ,u dan bekend, mannen broeders, dat door dezen u vcrgevinï der zonden verkon-disrd wordt;
:lt;9 en cUit van alles, waarvan srij niet koudèt gereehtvaar-digd worden door de-Wet van Mozes, door deren een iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt.
40 Ziet dan toe dat over ulie-dén niet kome hetgeen gezegd is in de Profeten .
41 Ziet, gij verachters, en verwondert u', en verdwij'nt; want ik werk een werk in uwe dagen, een werk hetwelk inj niet znlt gelooven, zoo iemand het u verhaalt. â¢
42 En als de Joden nitgecraan waren uit de Synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.
4a Kn als de Synagoge ee-scheiden was, volirden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodenirenooten 1'au-lus en Barnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade lt;iods.
44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de geheele stad te zamen om het Woord Gods te hooren.
45 Doch de Joden de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paul us gezegd werd, wedersprekende en lasterende.
46 Maar Paulus en BArnabas vrijmoedigheid gebruikende zeiden: Het was noodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zoude worden; doch nademaal gii hetzelve verstoot, en uselven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zio, wij keeren ons tot de heidenen.
47 Want alzóó heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn
|
IMS den van Lycaonië, namelijk Lystra eu Derbe, en het om-liicsende laud, 7 eu verkondigden aldaar het Evangelie. 8 En een zeker man te Lystra zat omnaclitis: aan de voeten, kreupel zijnde van zijn moe-derslijf, die nooit had sewan-deïd. 9 Deze hoorde Puulus spre-ken; welke de ooi;en op hem houdende, en ziende dat hij geloot' had om gezond te worden, 10 zeide met groote stem: Sta recht op uwe voeten! En li ij spron;; op en wandelde. 11 En de scharen, ziende hetgeen Paulns gedaan had, verhieven hunne stemmen en zeiden in 't Lycaonisch; De goden zijn den inen^chen gelijk geworden en tot ons nederge-komen; 12 en zij noemden Barnabas Jüpiter, en Paulus Mercürius, omdat hij het woord voerde. i:i En de Priester van Jüpiter die vóór hunne stad was, als hij ossen en kranxen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de schuren. 11 Maar de Apostelen Barnabas en Paulus dut hoorende, scheurden hunne kleederen en sprongen onder de schare, roepende 15 en zengende: Mannen, waarom doet nij deze dingen' Wij zijn óók me.ischen van gelijke uewes:in?en als gij, en verkondigen ulieden, dat kà n van deze ijdele dingen zoudt bekeeren tot den levenden God, die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is: If. welke in de verledene tijden alle de heidenen heeft laten wandelen in hunne wef;en; 17 hoewel Hij nochtans zich-zeiven niet oubetui^d gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons resren en vruchtbare tijden gevende, vervul-en vrooliikheid. |
18 Eu dit zeggende, wederhiel-, den zij nauwelijks de scharen, , dat zij hun niet offerden. 19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Iconi-um, en overreedden de scharen, en steenigden Paulus, en sleepten hem bulten de stad, mee-nende dat hij dood was. 29 Doch als de discipelen hem omringd hadden, stond hij op en kwam in de stad; en de?-anderen daa^s irinc hij met Bérnabas uit naar Derbe. 21 En als zij aan die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystr» en Iconium en Antiochië, 22 versterkende de zielen dei-discipelen, en vermanende dat ze zouden bliiven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. 23 En als zij hun in elke gemeente met opsteken der handen Ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij ze den Heere, in welken zij geloofd hadden. 24 En Pisidië dooreereisd hebbende, kwamen zij in Pam-fylië; 25 en als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalië; 2(5 en van daar voeren zij ai naar Antiochië, van waar zij der grenade Gods bevolen waren ireweest tot het werk dat zij volbracht hadden. 27 En daar gekomen zijnde, en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat^roote dinüen God me: hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des geioofs geopend had. 28 En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen. H AN DELINGEN 14. lende onze harten met spij» En s. men wa de broi dien uaar de kunt gij 2 Als « derstam de bij sen hei dineerd en eeni( den op en Oui lem, ov a Zij uitgelei Kenicië de bek deden â¢lt;roote 4 En â zijnde, van de telen zij vei |
HANDELINGEN 15.
1S«»
|
HOOFDSTUK 15. Ka sommigen die afgekomen waren van Judéa, leerden de broederen, zegyeude: Indien gij niet besneden wordt naar de v/ijze van Mozes, zoo kunt gij niet zalig worden. 2 Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulas en Barnabas tegen hen, zoo hebben zij geordineerd dat Paulus en BArnabas en eenige anderen uit hen zouden opgaan tot de Apostelen «n Ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. Zij dan van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Kenicië en Samarië. verhalende de bekeeriug der heidenen, en deden allen den broederen groote blijdschap aan. 4 En te Jeruzalem gekomen /.ijnde, werden zij ontvangen van de gemeente en de Apostelen en de Ouderlingen; en zij verkondigden wat groote dingen God met hen gedaan iiad. 5 Maar, zeulen zij, daar zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeërs, die geloovig zijn geworden, zeggende dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. « En de Apostelen en de Ouderlingen vergaderden te /.amen om op deze zaak te ietten. 7 En als daarover groote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet dat God sedert langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijnen mond het Woord des Evangelies zouden iiooren en gelooven â¢S En God, de kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als ook ons. i) en heeft geen onderscheid gemaakt tusschen ons en hen, gereinigd hebbende hunne harten door het geloof. |
10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar wij gelooven door de genade des Hoeren Jezus Christus zalig te worden op zuïkv wijze als ook zij. 12 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Biirnabas en Paulus verhalen, wat groote teekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. ):{ En nadat dezen zwearen, antwoordde Jacobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij. 14 Simeon heeft verhaald, hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit Aen een volk aan te nemen voor zijnqn naam. 15 En hiermede stemmen overeen de woorden der Profeten, gelijk geschreven is: 10 Na dezen zal Ik wederkee-ren en w ederopbouwen den Tabernakel Davids die verval len is, en hetgeen daarvan verbroken is, wedei opbouwen, en Ik zal denzelven wederoprieh-ten, 17 opdat de overblijvende menschen den Ileere zoeken, en alle de heidenen over welke mijn naam aangeroepen is. spreekt de Ileere die dit alles doet. IS Gode zijn alle zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel Ik, dat men degenen die uit de heidenen zich tot God bekeeren, niet beroere, 2» maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed 21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad die hem prediken, en hij wordt |
|
190 HANDELI op eiken sabbat in de Syiiago--lt;;en eelezen. ⢠22 Toen heeft het den Apostelen en den Ouderlingen met de gebeele geipecnte aroed gedacht, eenige mannen uit zich te verkiezen en met Paul us en Bjir-' nabas te zenden naar Antio-chië, namelijk Judas, die toe-genaamd wordt BSrsabas, en Silas, mannen die voorgangers waren onder de broeders; 2't en zij schreven door hen dit nai'olypnde; De Apostelen en de Ouderlrngeu en de broeders â wenèchen den broederen uit de heidenen, die in Antio-chie en Syrië en Cilicië zijn, zaligheid. 24 Nademaal wij gehoord hebben dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben, en nwe zielen wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet besneden worden en de Wet onderhouden, welken wij dat niet bevolen hadden, 20 zoo neeft het ons eendrachtiglijk te zamen z'jnde, goed gedacht, eenige mannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden, Jiórnabas en Faulus, 26 mensehen die hunne zielen overgegeven hebben voor den naam onzes Heeren Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die óók met den mond hetzelfde zullen verkondigen. 25 Want het heeft den Heiligen Geest en ons coed gedacht, ulieden geen meerderen last op te legsen dan deze noodzakelijke dineren: 29 namelijk dat gij u onthoudt van lietgeen den afiroden geotterd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zoo zult gij wèl doen. Vaarwel. 30 Dezen dan hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te iGEN 16. |
Antioclüë; en de menigte ver-araderd hebbende, gaven zij den brief over. Hl En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting. 32 Judas nu en Silas, die ook zelve Profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden en versterkten ze. 33'En ais zij daar een tijd-Inng vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de Apostelen. 34 Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven. 35 En Paulus en Bérnabas onthielden zich te Antiochië, leerende en verkoiidigende met nog vele anderen het Woord des Heeren. 36 En na eenige dagen zeide Paulus tot H^rnabas: Laat ons nu wederkeeren en bezoeken onze broeders in elke stad in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 37 En Barnabas ried dat zij Johannes, die genaamd is Marcus, zouden medenemen; 38 maar Paulus achtte billijk dat men dien niet zoude mede-nemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk. 3a Daar ontstond dan eene verbittering, alzoo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat RArnabas Marcus medenam en naar Cyprus afvoer. 40 Maar Paulus verkoos Silas, en reisde benen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde; 41 en hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten. HOOFDSTUK 16. EX hij kwam te Der be en liystra. En zie.aldaar waseen zeker discipel met name Timó-theüs, zoon van eene geloovigeX hij kwam te Der be en liystra. En zie.aldaar waseen zeker discipel met name Timó-theüs, zoon van eene geloovige |
|
HAKDEL Joodsohe ' vrouw, maar vUu eencu Griekscheu vader-; 2 welken qoede Kt'tI'iK6'1'8'quot;0quot; ireVeii werd van 'de broederen te'Lystra en-Icbnium. Deze wilde Pao lus dat Biet hem zoude reizen; en hij nam en besneed hem, om der Joden wil die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijnen vader dat hij een Griek was. 4 En als zij de steden doorreisden, gaven zij hun de ordonnantiën over, die van de Apostelen en de Ouderlingen te Jeruzalem goedgevonden waren, om die te onderhouden. 5 De gémeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in (fetal. (i En als zij Fry gil1 en het land van Galatie doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken; 7 «/« aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen, en de Geest liet het hun niet toe; s en zij Mysië voorbijgereisd zijnde, kwamen af naar Troas. 9 En van T'aulus werd in den naeht een gezicht gezien: daar was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië en help ons. lu Als hij nu dit gezicht gezien had, zoo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had om denzelven het Evangelie te verkondigen. 11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en den volgenden day naar Ne£polis; IC en van daar naar Filipni, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, eene kolonie; en wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen. l'J En op den dag des sabbats |
NGEN 16. 10à gingen vij buiten de stad aan (de rivier, waar het gebed placht 'te geschieden, en nedertieze--ten zijnde, spraken wij tot de-vrouwen die samengekomen waren. 14 En eene zekere vrouw, met name Lydia, eene purperverkoopster van de stad-Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paul us gesproken werd. ⢠15 En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld dat ik den Heere getrouw ben, zou komt Li mijn huis en blijft er; en zij dwonir ons. Ifi En het geschiedde als wij tot het gebed henengingen, dat eene zekere dienstmaagd, hebbende eeneu waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haren heeren groot gewin toebracht met waarzeirgen. 17 Deze voliïde l'aulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze menschen zijn dienstknechten Gods des Alleriioog-sten, die ons de.i weg der zaligheid verkondiiren. IS En dit deed zij vele dairen lang. Maar l'aulus daarover ontevreden /.ij,.de, keerde zich om, en zeide tot den geest: Ik gebied u in den naam van Jezus Christus dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit ter zelfder ure. 19 Als nu de heeren van dezelve zagen dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas en trokken ze naar de markt voor de oversten ; '20 en als zij ze tot de hoofdmannen srebracht hadden, zeiden zij : Deze menschen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn; Cl en zij verkondigen zeden die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen of te doen, alzoo wij Romeinen zijn. |
|
192 HANDEL] â¢22 En de schare stond gt;reza-menlijk tegen hen op; en de hoofdinannen hun de kleederen afgescheurd hebbende, bevalen xe te Reeselen; â¢2'i en als zij hun vele slagen SCfTCven hadden, wierpen zij /.e in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder dat hij y.e zekerlijk bewaren zoude; '24 dewelke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker â¢â¢ii verzekerde hunne voeten in den stok. â¢Jó En omtrent middernacht bnden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen, en de gevangenen hoorden naar hen. 2^) En daar geschiedde snel-lijk eene groote aardbeving, alzoo dat de fundamenten des kerkers bewosren werden; en terstond werden alle de deuren ireopend, en de banden van allen werden los. 27 En de stokbewaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard en zonde zichzelven omgebracht hebben, meeuende dat de gevangenen ontvloden waren. 2S Maar Paulus riep met groote stem, zeggende: Do»; uzclven geen kwaad; want wij zijn allen hier. 29 En als hij licht geëischt had, sprong hij in en werd zeer bevende en viel neder aan de voeten van Paulus en Si-las; :ii» en hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heeren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde ? :U En zij zeiden: Geloof in den Ileere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. 32 En zij spraken tot hem het Woord des Heeren, en tot allen die in zijn huis waren. t En hij nam hen tot zich in die ure . des nachts, en wiesch hen van de striemen; en hij |
NGEN 17. werd terstond gedoopt, en alle de zijnen; :t4 en hij bracht ze in zijn huis, en zette Jiuh de tafel voor, en verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was. :lt;ó En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die menschen los. :«â¢gt; En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zegaende: De hoofdmannen hebben gezonden dat ïij zoudt losgelaten worden: gaat dan nu uit en reist henen in vrede. 37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons die Romeinen zijn, onveroordeeld in 't openbaar getreeseld en in de gevangenis geworpen, en werpen ze ons nu heimelijk daaruit? Niet alzoo; maar dat ze zeiven komen en ons uitleiden. 3S En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, hoorende dat zij llomeinen waren; 39 en zij komende, baden hen, en als zij ze uitgeleid hadden, begeerden zij dat ze uit dc stad gaan zouden. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, tringen zij in bij Lydia; en de broeders gezien lu-bbende, vertroostten zij hen, ea gingen uit de stad. HOOFDSTUK 17. EN door Amfipolis en Apol-loniaN door Amfipolis en Apol-lonia hunnen weg genomen hebbende, kwamen zij te Thes-salonica, alwaar eene Synagoge der Joden was. 2 En Paulus, gelijk hij gewoon was, gin^ bij hen in; en ⢠irie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften, 3 dezelve openende, en voor oogen stellende dat dc Christus moest lijden en opstaan uit de docdcn, en dai. deze Jezus is |
|
HANDEL de Christus, dien ik, zeide hij, uliedcn verkondig. 4 En sommigen uit hen '.re-loofden en werden aan Paul us en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken eene groote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige. 5 Maar de Joden die onarehooi-zaam waren, dit benijdende, namen tot zich eenise booze mannen uit de marktboeven, en mankten dut het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis Jasons aanvallende, zochten zij ze tot het volk te brengen. (5 En als zij ze niet vonden, trokken zij Jason en cenige broeders voor de oversten dei-stad, roepende: Dezen, die de wereld in beroering hebben gebracht, zijn ook hier gekomen, 7 welke Jason in zijn huis genomen heelt; en alle dezen doen tegen de geboden des Keizers, zeggende dat er een andere Koning is, namelijk Jezus. 8 En zij beroerden de schare en de oversten der stad die dit hoorden; 9 doch als zij van Jason en de anderen arenoeirdoening ontvangen hadden, lieten zij ze gaan. ld En de broeders zonden terstond des nachts Puulus en Silas weg naar Beréa; welke daar gekomen zijnde, henen-gint;en naar de Synagoge der Joden: 11 en dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, nis die het Woord ontvingen met alle toeareneirenheid, onderzoekende dairelijks de Schriften, of deze dingen alzóó waren. 12 Velen dan uit hen geloofden, en van de Grieksche achtbare vrouwen en van de mannen niet weinige; 1.'{ maar als de Joden van Thessalonica verstonden dat het Woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwa- |
NGKX 17. 193 men zij ook da Ar en bewogen de scharen. 14 Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weir, dat hij sing als naar de zee; maar Silas en Timótheüs bleven aldaar. ló En die Paulus ireleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timótheüs, dat zij ten spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij. 1(5 En terwijl Paulus Upn te Athene verwachtte, werd zijn freest in hem ontstoken, ziende dat de stad zoozeer afgodisch was. 17 Hij handelde dan in de Synagoge; met de Joden en met dejrenen die godsdienstig waren, en o;) de markt alle dagen met degenen die hem voorkwamen. 15 En sommigen van de Epi-curelsche en Stoïsche philoso-fen streden met hem, en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeiriren? maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden, omdat hij hun Jezus en de op-standimr verkondigde. 19 En zij namen hem en brachten hem op de plaats, yenaumd Areópaarus, zeggende: Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is, waar gij van spreekt? â¢21' Want gij brengt eenige vreemde dingen voor onze ooren; wij willen dan weten wat toch dit zijn wil. 21 (Allen die van Athene nu, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden hunnen tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te hooren.) 22 En Paulus staande in het midden var, de plaatn. t/enaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdiei;-stiger zijt; |
13
|
194 HANDEL] 23 want de stad doorgaande, en aanschouwende uwe heilig* dommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: Des onbekkn; den Gon. Dezen dan, dien irij niet kennende dient, verkondig ik ulieden, â¢24 De God die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is, deze zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt, â 25 en wordt ook van men-schenhanden niet gediend nis iets behoevende, alzoo Hij zelf allen het leven en den adem en alle dintren geeft, â¢2fi en heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der men-schen gemaakt, om op den ge-heelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren ireordineerd, en de bepalingen van hunne woning, 27 opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochteu, hoewel Hij niet ver is van een iegelijk van ons. 28 Want in Hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij, gelijk ook eenigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslacht. â¢29 Wij dan zijnde Gods geslacht, moeten niet meenen dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk is, welke door menschenkunst en bedenking gesneden zijn. 30 God dan de tijden der onwetendheid voorbijgezien hebbende, verkondigt lm allen men-schen alom dat zij zich bekeeren: 31 daarom dat Hij eenen dag gesteld heeft op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordeelen, door eenen man dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij hem uit de dooden opgewekt beeft. |
SGEN 18. 32 Als zii nu van de opstanding der dooden hoorden,spotten sommigen daarmede, en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan hooren. 33 En alzoo is Paulus uit het midden van hen weggegaan; 34 doch sommige mannen hingen hem aan en geloofden, ónder welke ook Dionysius de Areópagiet was, en eene vrouw met name DUmaris, en anderen met hen. HOOFDSTUK 18. EN na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Co-rinthe,N na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Co-rinthe, 2 en vond eenen zekeren Jood met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla zijne vrouw (omdat Claudius bevolen had dat alle de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; 3 en omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen en werkte; want zij waren tentenmakers van handwerk. 4 En hij handelde op eiken sabbat in de Synagoge, en bewoog tot het ijeloof Joden en Grieken. 5 En als Silas en Timótheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden dat Jezus is de Christus. fi Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijne kleederen af en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; Ik ben rein, rn van nu af zal ik tot de heidenen henengaan. 7 En van daar geiraan zijnde, kwam hij in het huis van eenen man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de Synagoge. 8 En Crisp us, de overste der Synagoge, geloofde aan den Ileere met geheel zijn huis, en velen van de Corinthiërs hem |
|
HANDEL] hoorende, geloofden en werden gedoopt. y En de Ileere zeide tot Pau-lus door een gezicht in den nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet; 1U want ik ben niet u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want ik heb veel volk in deze stad. 11 En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lee-rende onder hen het Woord Gods. 12 Maar als Gallio Stadhouder van Ach.ije was, stonden de Joden eendrachtiglijk tegen Paulus op, e:i brachten hem voor den Rechterstoel, 13 zeggende: Déze raadt den menschen aan, dat ze God zouden dienen tegen de Wet. 14 En als Faulus zijnen mond zoude opendoen, zeide Gallio tot de Joden : Zoo daar eenig ongelijk of kwaad stuk begaan was, o Joden, zo» zoude ik met reden ulieden verdragen: 13 maar indien daar geschil is over een woord en namen en over de Wet die onder u is, zoo zult gijzelven toezien; want ik wil over deze dingen geen Hechter zijn. Ifi En hij dreef ze weg van den Rechterstoel. 17 Maar alle de Grieken namen Sósthenes, den overste der Synascoge, en sloegen hem voor den Rechterstoel; en Gallio trok zich i;een van deze dingen aan. 18 En als l'aulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en voer van daar naar Syrië, en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Cenchrea sescho-ren hebbende; want hij had eene gelofte ijedaan. 19 En hij kwam te Efeze aan, en liet ze aldaar; maar hij irinic in de Synagoge en handelde met de Joden. 20 En als zij baden dat hij langer bij hen blijven zoude, bewilligde hij het niet; |
NGEN 19. 195 21 maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet volstrekt het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeeren, zoo God wil. En hij voer weg van Efeze. 22 En als hij te Cesaréu was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de gemeente ge-irroet hebbende, ging hij af naar Antiochië; en als hij aldaar eenigen tijd ireweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende alle de discipelen. 24 En een zekere Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man. i v am te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. 25 Deze was in den weg des Ileeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Ileeren, wetende alleenlijk den doon van Johannes; 20 en deze begon vrijmoedig-lijk te spreken in de Synagoge. En als Aquila en Priscilla hem gehoord hadden, namen zij hem tot zich en leiden hem den weg Gods nauwkeuriger uit. 27 En als hij naar AchJije wilde reizen, schreven de broeders, hem vermaand hebbende, aan de discipelen dat zij hem ont-vangen zouden; welke daar gekomen zijnde, veel heeft toegebracht aan degenen die geloofden door de genade. 2S Want hij overtuigde de Joden met grooten ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften dat Jezus de Christus was. HOOFDSTUK 19. EX het geschiedde terwijl Apollos te Corinthe was, dat Paulus, de bovenste deelen X het geschiedde terwijl Apollos te Corinthe was, dat Paulus, de bovenste deelen des lands doorreisd hebbende. |
|
19« HANDEL to Hfeze kwam; en cciiij?c discipelen aldaar vindende, 2 zei de liij tot hen: Ilebt sij den lleiliiren (Jeest ontvangen als gij {jelootd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij ht'bben zelfs niet gehoord of er een Heilige Geest is. 3 Kn liij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden : In den doop van Johannes. 4 Maar I'aulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk dat zij areiooven zouden in dengenen die na hem kwam, dat is in (-'liristns Jezus. 5 En die hnm hoorden, werden gedoopt in den naam des llee-ren Jezus; fi en als I'aulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken met vreemde talen en profeteerden. 7 En alle dezen waren omtrent twaalf mannen. 8 En hij ging in de Synagoge en sprak vrijmoedighjk drie maanden lang, met hen handelende en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods. y Maar als sommigen verhard werden en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van den weg des Heer en voor de menigte, week hij van hen en scheidde de discipelen af, dadelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. in En dit geschiedde twee jaren lang, alzoo dat allen die in Azië woonden, het Woord des Heeren Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken. 11 En God deed ongewone krachten door de handen van Paul us, 12 alzoo dat ook van zijn lijf qp de kranken gedragen werden de z\v eetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken en de booze geesten van hen uitvoeren. 13 Eu sommigen van de om- |
NGEN 19. zwervende Joden, zijnde duivel-bezweerders, hebben zich onderwonden den naam des Heeren Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden, zcirgende: Wij bezweren u bij Jezus, dien I'aulus predikt. 14 Dezen nu waren zekere zeven zonen van Sceva. een Joodsehen üverpriester, die dit deden. 15 Maar de booze geest antwoordende, zeide: Jezus ken ik, en ran I'aulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt irij? Hi En de mensch in welken dr booze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg hij de overhand tegen hen, alzoo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden. 17 Eu dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken die te Efeze woonden, en daar viel eene vrees over hen allen, en de naam des Heeren Jezus werd grootgemaakt; Is en velen dergenen die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hunne daden. 19 Velen ook dergenen die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid, en berekenden de waarde derzelve, en bevonden die vijftig duizend zilveren peu-uinrjen. 2(1 Alzoo wies het Woord des Heeren met macht en nam de overhand. 21 En als deze dingen volbracht waren, nam I'aulus voor in den geest, Macedonië en Achilje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende : Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Home zieu. 22 En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timótheüs en Erastus, bleef hijzelf een tijd{a/(^ in Azië. 2:$ Maar op dien tijd ont- |
|
II AN DELI stond daar jceene kleine beroerte vanwege dea wei; des J leer en'. 24 Want een, met name Demetrius, een zilversmid die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, braeht dien van die lamst geen klein gewin toe; â¢2h welke hij samenvergaderd hobbende met de handwerker» van dergelijke dingen, zcidc: Mannen, gij weet dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben; '2G en gij ziet en boort, dat deze Paulus veel volk niet alleen van Kteze maar ook bijna van geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn die met handen gemaakt worden; -7 en wij zijn niet alleen in gevaar dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de groote godin Piana als niets geaeht zal worden, en dat ook hare majesteit zal ten onder gaan, aan welke â ;anseh Azië en de yeheele wereld godsdienst bewijst. 25 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid en riepen, zeggende; Groot is de Diana der Kfesiërs ! 21) En de geheele stad werd vol verwarri..;?, en zij liepen met een gedruiseh eendraeh-tiglijk naar de schouwplaats, met zich trekkende (iajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Faulus op de reis. ;«l En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten de discipelen het hem niet toe; .tl en sommigen ook der oversten van Azië, die vrienden van hem waren, zouden tot hem en baden dat bij zichzelven op de â schouwplaats niet zoude begeven. ;i2 Zij riepen dan de één dit, «Ie ander wat anders; want de vergadering was verward, en het wxccrewdeel wist niet om wat oorzaak zij samengekomen waren. |
NGEN 20. w 197 3:1 En zij deden Alexander uit de schare voorkomen, alzoo hem de Joden voortstieten; en Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij bet volk verantwoording doen. :t4 .Maar als zij verstonden dat hij een Jood was, werd daar ééne stem van allen, roepende omtrent twee uren lansj: Groot is de Diana der Efe/.iërs! 35 En als de s/m/jischrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Efeze, wat meiisch is er toch die niet weet, dat de stad der Efeziërs de tempelbewaarster is van de srroote rodin Diana, en van het beeld dut uit den hemel ge-vullen is? .'W Dewijl dan deze dingen on-wedersprckelijk zijn, zoo is het behoorliik dat sii stil zijt en niets onnedachts doet. :{7 Want irij hebt deze mannen hier gebracht, die noch tempel-movers zijn noch uwe godin lasteren. :w Indien dan nu Demetrius, en die met hein van de kunst zijn, tegen iemand ecuige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden en daar zijn Stadhouders: laat ze elkander verklagen. :«9 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in eene wettige vergadering beslecht worden. 4(1 Want wij staan in gevaar dat wij van oproer zullen ver-klaagd worden om den day van heden, alzoo daar geene oorzaak is waardoor wij reden zullen kunnen ircven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan. HOOFDSTUK 20. N'ADAT nu het oproer gestild was, Paulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.'ADAT nu het oproer gestild was, Paulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen. |
|
19S HANDEL 2 En alR bij die deelen door-gereisd en hen niet vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland; en als hij aldaar drie maanden doorgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden als hij naar Syrië zoude varen, zoo werd hij van zin weder te keeren door Macedonië. 4 En hem vergezelschapte tot in Azië Sópater van Beréa, en van de Thessalonieenzen Aris-tarchus en Secundus, en Gajus van Derbe, en Timótheus, en van die van Azië Tychicus en Trófinius: 5 dezen vooraf henengesaan zijnde, wachtten ons te Troas. fgt; Wij mi voeren af van Filip-pi na de dagen der ongehevel-de broaden, en kwamen in vijf dagen hij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden. 7 En op den eersten dag der week, als de discipelen bljcen-eekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijue rede uit tot middernacht; 8 en er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren. lt;J Eu een zeker jongeling, met name Eutychus. zat i-n het venster, en met eenen diepen slaap overvallen zijnde, alzoo l'auius lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende, viel van de derde zoldering nederwaarts eu werd dood opgenomen. lil Doch Paulus afgekomen zijnde, viel op hem, en hem onivamrende, zeide hij: Weest niet beroerd, want zijne ziel is in hem. 11 En als hij veder boven gegaan was, en brood gebroken, en wat gesreten had, en lang, tot den dageraad toe, met hen gesproken hud, vertrok hij al-zoo. |
NGEN 20. 12 En zij brachten den knecli* levend, en waren bovenmate vertroost. 13 Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het alzóó bevolen, en hijzelf zoude te voet gaan. 14 En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mity-léue; 15 en van daar afgevaren ziin-de, kwamen wij den volgenocn dag tegen Chios over, en des anderen daags leiden wij aan te Samos, en bleven te Tro-iryllium, en den dag daarna kwamen wij te Miléte. 10 Want Paulus liad voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zoude verslijten; want hij spoedde zich, om (zoo het hem mogelijk was) op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij zond van Miléte naar Efeze, en hij ontbood de Ouderlingen der gemeente; is en als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dair af dat ik iu Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den ganschen tijd geweest ben, 19 dienende den Ileere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lairen der Joden; â¢20 hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zoude verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar eu bij de huizen, 21 betuigende beiden Joden en Grieken de bekeering tot God en het geloof iu onzen Ileere Jezus Chris tus. 22 En nu zie, ik, gebonden zijnde dooi den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar ontmoeten zal, 23 dan dat de Heilige Geest |
|
II AN DE LI van stad tot stad betuigt, zej?-geude, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. 24 Maar ik acht op seen dins, eu houd mijn leven niet dierbaar voor mijzeivcn, opdat ik mijnen loop met blijdschap mo^e volbrengen, en den dienst welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuig n het Evangelie der genade Gods. 25 En nu zie, ik weet dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult. 2() Daarom betuig ik ulieden op dazen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen; 27 want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zoude verkondigd hebben al den raad Gods. 28 Zoo hebt dan acht op uzel-ven, en op de geheele kudde over dewelke de IIeili.ce Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed. 2!) Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde uiet sparen; 3(1 en uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om dc discipelen af te trekken achter zich. 31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lauff nacht en da^ uiet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. 32 En nu, broeders, ik beveel u Gode en den Woorde zijner genade, die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder alledegeheiligden. 33 Ik heb nieniauds zilver of goud of kleeding begeerd; 34 en gijzelven weet, dat deze handen tot mijne nooddruft, eu dengenen die met mij waren, gediend hebben. 35 Ik heb u in alles getoond, |
IGEN 21. m dat men alzóó arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden des lleeren Jezus, dat hij gezegd heeft. liet is zaliger te geven dan te ontvangen. :«i En als hij dit irezeprd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden. 37 En daar werd een groot geween van hen allen; en zij vallende om den hals van Pau-lus, kusten hem, 3S zeer bedroefd zijnde, aller; meest over het woord «lat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip. HOOFDSTUK 21. EN als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zoo liepen wij rechtuit en kwamen te Cos, en den duy daaraan te Uhodus, en van daar te PAtara.N als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zoo liepen wij rechtuit en kwamen te Cos, en den duy daaraan te Uhodus, en van daar te PAtara. 2 En een schip gevonden hebbende dat naar Feniciü overvoer, gingen wij er in en voeren af. 3 En als wij Cyprus in 't gezicht gekregen en dat aan de linker/mlt;u/ gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen. 4 E.i de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zoude opman naar Jeruzalem. 5 Toen het nu geschiedde dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad, en aan den oever nederknielende, hebben wij gebeden; r» en als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zijlieden keerden weder elk. naar het zijne. |
|
200 11ANDE1 7 AVij nu de vnnrt volbracht hebbende van Tyru», kwamen aan te 1'toleinaïs, en de broeders Rejfroet hebbende, bleven êénen da^ bij hen. 8 En des anderen daags gingen Paulus en wij die met hein waren, van daar en kwamen te Cesaréa; en gegaan zijnde in het huis van Filippus den Evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem. 9 Deze nu had vier dochters, noy maagden, die profeteerden. 10 Kn als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker Profeet af van Judéa, met name A-rabus; 11 en hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebondtfn hebbende, Zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze srordel is, zullen de Joden alzóó te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen. 12 Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van die plaats waren, dat hij niet zoude opiraan naar Jeruzalem. Maar Paulus antwoordde: Vint doét gij dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam des Ileeren Jezus. 14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Ileeren geschiede! 15 En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen óp naar Jeruzalem; in en niet ons gingen ook Rommit/en der discipelen van Cesaréa, leidende met :ichec..en zekeren Mnasoa van Cyprus, eenen ouden discipel, bfj denwelken wij zouden te huis liggen. 17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk. |
IN GEN 21. IS En den volgenden dag ging Paulus met ons in bij Jacobus; en alle de Ouderlingen waren daar gekomen. lil En als hij ze gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijnen dienst gedaan had. 20 En zij dat gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem; Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn die gelooven, en zij zijn allen ijveraars voor de Wet; 21 en zii zijn nan gaande u bericht, dat gij alle de Joden die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende dat zij de kinderen niet zouden besnijden noch naar de wijzen der 11 et wandelen. 2- Wat is er dan te doen? Het is zeer noodig dat de menigte samenkome; want zij zullen hooren dat gij gekomen zijt. 2:{ Doe dan hetgeen wij u zeggen. Wij hebben vier mannen die eene gelofte gedaan hebben: 24 neem dezen tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mo^en, en allen mogen weten, dat er niets aan is van hetgeen waarvan zij aan-traande u bericht zijn, maar r/af gij afzóó wandelt, dat gij ook zelf de Wet onderhoudt. 25 Doch van de heidenen die gelooven, hebben wij geschreven en goed ire vonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zii zich w achten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij. 2(5 Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met nen ureheiligd zijnde, giiiir hij in den Tempel, en verkondigde dat de dagen der heiligim; vervuld waren, bliiverde daar totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was. |
|
HANDEL 27 Als nu de zeven da?en zouden voleindigd worden, za^en hem de Joden van Azië in den Tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem, 'is roepende: Gij Israëlietisehe mannen, komt te hulp! Deze is de menseh die tegen het volk en de Wet en deze plaats allen overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den Tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd. it) Want zij hadden te voren Trófimus den Kfeziër met hem in de stad gezien, welken zij meenden dat l'aulus in den Tempel gebracht had. HU En de geheele stad kwam in beroer in}?, en het volk liep samen, en zij grepen l'aulus en trokken hem bniten den Tem- Sel; en terstond werden de euren gesloten.el; en terstond werden de euren gesloten. 31 En als zij hem zochten te dooden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was; 32 welke terstond krijgs-knechten en hootdmannen over honderd tot zich nam, en naar hen toe liep. Zij nu den overste en de krijgsknechten ziende, hielden óp van Paul us te slaan. 33 Toen naderde de overste en greep hem, en beval dat men hem met twee ketenen zoude binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had. 34 En onder de schare riep de één dit, de ander wat anders; doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij dat men hem in de legerplaats zoude brengen. 35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het dat hij van de krijirsknechten gedragen werd, vanwege het geweld der schare; 3ti want de menigte des volks |
KOEN 22. 201 volgde, al roepende : Weg met hem. 37 En als Paulus nu in de legerplaats zoude geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken ? En hij zeide: Kent gij Grieksch ? 3S Zijt jiij dan niet de Egyptenaar, die vóór deze dasren oproer verwekte en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde? 3y Maar Paulus zeide : Ik ben een Joodsch man van Tarsus, een burger van eene niet onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. 40 En als hij het toeirelaUMi had, Paulus gt;taande op de trappen, wenkte .net de hand tot het volk; en als daar groote stilte geworden was, sprak hij ze aan in de llebreeuwsche taal, zeggende: HOOFDSTUK 22. MANNEN broeders en vaders, hoort mijne verantwoording dieANNEN broeders en vaders, hoort mijne verantwoording die ik tegenwoordig tot u doen zal. 2 (Als zij nu hoorden dat hij hen in de llebreeuwsche taal aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:) 3 Ik ben een Joodsch man, te Tarsus in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten Gamaliëls onderwezen naar de nauwgezetste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijver-aar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt; 4 die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beiden mannen en vrouwen: 5 gelijk mij ook de IIoogepriester getuige is, en de geheele Kaad der Ouderlingen^ van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders. ben naar Damascus gereisd, om ook degenen die dóAr |
|
202 HANDEL waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. 6 Maar het geschiedde mij, als ik reisde en Damascus lt;;enaak-te, omtrent den middag, dat snellijk uit den hemel een groot licht mij rondom om-scheeu; 7 en ik viel ter aarde, en ik hoorde eene stem, tot mij zengende: Saul, Saul, wat ver-volsrt gij mij ? 8 Eu ik antwoordde; quot;Wie zijt gij Heere? En hij zeide tot mij: Ik ben Jezus de Nazarener welken irij vervolgt. 9 En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bavreesd, maar de stem desgenen die tot mij sprak, hoorden zij niet. 10 En ik zeide: Heere, wat zal ik doen ? Eu de Heere zeide tot mij: Sta op en ga henen naar Damascus, en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen u geordineerd is te doen. 11 Eu als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zoo werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damascus. 12 En een zekere Ananias, een godvruchtiir man naar de Wet, goede getuigenis hebbende van alle de Joden die daar woonden, 13 kwam tot mij, en bij mij staande, zeide tot mij; Saul, broeder, word weder ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hem. 14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd om zijnen wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit zijnen mond te hooren; 15 want gij zult hem tot getuige zijn bij alle menschen van hetgeen gij gezieu en gehoord hebt. Ifi En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u doopeu en |
N'GEN 22. uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Ilee-ren. 17 En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in den Tempel bad, dat ik in eene vertrekking van zinnen was, 18 en dat ik hem zas:, en hij tot mij zeide: Spoed u en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uwe getuigenis van mij niet aannemen. 19 Eu ik zeide: Heere, zij weten dat ik in de gevangenis wierp en in de Synagogen gee-selde die in u gelootden; 2« en toen het bloed van Sté-fanus uwen getuige vergoten werd, dat ik daar óók bij stond, en mede een welbehagen had in zijnen dood, en de kleederen bewaarde dergenen die hem doodden. 21 En hij zeide tot mij: Ga henen, want ik zal u ver tot de heidenen afzenden. 2*2 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hunne stem, ze^frende: Weg van de aarde met zulk eenen; want het is niet behoorlijk dat hij leve! 23 En als zij riepen en de kleederen vamp;n zich smeten en stof in de lucht wierpen, 24 zoo beval de overste dat men hem in de legerplaats zoude brengen, en zeide dat men hem met geeselen onderzoeken zoude, opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzóó over hem riepen. 25 En als zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd die daar stond: Is het ulieden geoorloofd eenen liomcinschen mensch. en dien on veroordeeld, te geeselen ? 26 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde. King hij toe en boodschapte het den overste, zeggende: Zie wat gij te doen hebt; want deze mensch is eeu Romein. |
|
27 En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeu: mij, zijt sdj een Romein? En hij zeide: Ja. 2S En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor eene srroote som gelds verkregen. En Paulus zeïde: Maar Ik ben ook een huryer geboren. 29 Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben; en de overste werd óók bevreesd, toen hij verstond dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden. 30 En des anderen daags, willende de zekerlieid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval dat de Overpriesters en hun geheele Raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem vóór hen. HOOFDSTUK 23. EN Paulus de ooiren op den Raad houdende, zeide: Mannen broeders, ik heb met alle poede conscientie voor God gewandeld tot op dezen dau.N Paulus de ooiren op den Raad houdende, zeide: Mannen broeders, ik heb met alle poede conscientie voor God gewandeld tot op dezen dau. 2 Maar de Hoosepriester Ananias beval denirenen die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, atfj xewitte wand! Zit ifij ook om mij te oordcelen naar de Wet, en beveelt sij tearen de Wet dat men mij zal quot;slaan ? 4 En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt i;ij den lloo}?e-priester Gods? 5 En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de Iloo-gepriester was; want daar is geschreven: Den overste uws volks zult srij niet vloeken. fi En Paulus wetende dat het ééne deel was van de Saddu-ceërs en het andere van de Fa-rizeërs, riep in den Raad: Mannen broeders, ik ben een Fari- |
NGEN 23. 203 zeër, eens Farizeërs zoon; ik word over de hoop en opstanding der dooden geoordeeld. 7 En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tusschen de Farizeërs en de Sadduceërs, en de menigte werd verdeeld. S Want de Sadduceërs zeggen dat er geene opstanding is, noch Engel of geest; maar de Farizeërs belijden het beide. 9 En daar geschiedde een irroot geroep; en de Schriftueleerden van de zijde der Farizeërs stonden op en streden, zeirgende: Wij vinden geen kwaad in dezen me isch; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een Engel, laat ons tegen God niet strijden. Ut En als er groote tweedracht oi.tstaan was, de overste vreezende dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zoude afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen. 11 En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuisrd hebt, alzóó-moet gij ook te Rome getuigen. 12 En als het dag geworden was, maakten sommiuen van de Joden eene samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.' 13 En zij waren meer dan veertig die dezen eed te zamen gedaan hadden; 14 dewelke gingen tot de Overpriesters en de Ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszel-ven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 Gij dan nu, laat den overste weten met den Raad, dat hij hem morgen tot u af brenge, alsof gij nader kennis zuudt. |
|
HANDEL nemen van zijne zaken ; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer bij bij u komt. Ifi Eu als de zoon van Faulus' zuster deze la^e gehoord had, kwam hij daar en gins in de legerplaats, en boodschapte het l'anlus. 17 Eu Paulus riep tot zich een van de hootdmaunen over honderd, en zeide: Leid dezen jon-gelinp: henen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen. IS Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich treroepen, en begeerd dat ik dezen jon^elin^ tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 De overste nu nam hem bij de hand, en ter zijde gegaan zijnde, vraairde hij : \Vat is het dat gij mij hebt te boodschappen ? 2(1 En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen om van u te begeeren, dat jrij 1'aulus mor-â¢lt;en in den haud zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. 21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met eene vervloeking verbonden hebben, noch te eten noch te drinken totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. â¢J2 De overste dan liet den jongeling traan, hem gebiedende: Zeir niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van de hoofdinainien over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij : Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts; 24 en laat ze r«rfeZbecsten bestellen, opdat zij Paulus daar- |
NGEN 23. op zetten en behouden overbrengen tot den Stadhouder Felix. 25 En hij schreef eencn brief, hebbende dezen inhoud: 2(i Claudius Lysias aan den machtigsten Stadhouder Eelix groetenis. 27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgeoracht zoude geworden zijn, ben ik daarover !;ekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is; 2S en willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hunnen Kaad : 29 welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner Wet, maar geene beschuldiging tegen hem te zijn die den duud of banden waardig is. 3(1 En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden eene lage tegen dezen man ge-legd zoude worden, zoo hebquot; ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel. 31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en brachten hem des nachts tot Antipatris; 33 en des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij weder naar de legerplaats. 33 Dewelke als zij te Cesaréa, gekomen waren en den brief den Stadhnuder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus vóór hem gesteld. 34 En de Stadhouder den brief gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij was; en verstaande dat hij van Cilicië was, 35 zeide hij Ik zal u hooren als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het Rechthuis van IIerodes zoude bewaard worden. |
|
HOOFDSTUK 24. EN vijf dairen dnanm kwam de 11 oofjepriestcr Ananias at' met de Ouderlingen en eenen zekeren voorspraak,N vijf dairen dnanm kwam de 11 oofjepriestcr Ananias at' met de Ouderlingen en eenen zekeren voorspraak, yeuaamil Tertullus, dewelke verschenen voor den Stadhouder tegen Paiilus. *2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: 3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat velt- loffelijke diensten dezen volke geschieden door uwe voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganschelijk en overal met alle dankbaarheid ami. 4 Jlaar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid //, lt;lat srij ons, naar uwe bescheidenheid, kor-telijk hoort. 5 Mant \\ij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een die oproer verwekt onder alle de Joden door de ganse he wereld, en een opperste voorstander van de sekte der Ma-zareners; fi die ook gepoogd heeft den Tempel te ontheiligen; Melken wij ook gegrepen hebben en nnar onze Wet hebben willen oordeelen. 7 Maar Lysias de overste daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen wegsrebracht, S gebiedende zijnen beschuldigers tot u te komen: van denwelken srij zelf, hem onderzocht hebbei.de, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende, dat deze dingen alzóo waren. 10 Maar l'aulus, als hem de Stadhouder gewenkt had dat hij zoude spreken, antwoordde; Dewijl ik weet dat t'ij nu vele jaren over dit volk Hechter geweest zijt, zoo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed : |
NGEN 24. 205 11 alzoo gij kunt weten dat het .liet meer dan twaalf da-i-en zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden tc Jeruzalem. 12 En zij hebben mij noch iu den Tempel gevonden tot iemand sprekende of eeniye samenrotting des volks makende, noch in de Synagogen, noch in de stad; 13 en zij kunnen niet bewij ⢠zen waarvan zij mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik, naar dien weg welken zij sekte noemen, den God del-vaderen alzóó dien, geloo-yende alles wat in de Vi'et eu in de Profeten geschreven is, 15 hebbende hoop op God, welke d( zen ook zei ven verwachten, da; er eene opstanding der dooden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der on-rechtvaardigen; Ui en hierin oefen ik mijzelven, om altijd eene onergerlijke conscientic te hebben bij God en de mensehen. 17 Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden : iS waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den Tempel, niet met volk noch met beroerte, eenige Joden uit Azië; 19 welke behoorden hier vóór u tegenwoordig te zijn en mij te besclnildis.ren, indien zij iets tegen mij hadden. 20 Of dat dezen zeiven zegireu, of zij cetiitr o-.aeeht in mij gevonden hebben als ik voor den Kaad stond, 21 dan van dit ééniire woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der dooden word ik heden van ulieden geoordeeld! 2quot;- Toen i n Felix dit gehoord had, stelde hij ze uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben. |
|
quot;206 II AN DEI wanneer Lysias de overste zal afgekomen zijn, zoo zal ik volle kennis nemen van uwe zaken. 23 Eu hij beval den hoofdman over honderd dat l'aulus zonde bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zoude 'beletten hem te dienen of tot hem te komen. 24 En na sommige dagen Felix daar gekomen zijnde met Drusilla zijne vrouw, die eene Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus. 25 En als hij handelde van rechtvaardigheid en matigheid cn vnn het toekomend oordeel, Felix zeer bevreesd ireworden zijnde, antwoordde; Voor ditmaal ga henen, en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zoo zal ik u tot mij roepen ; 2R en te gelijk ook hopende, â dat hem van l'aulus geld gegeven zoude worden opdat hij .hem losliet; waarom hij hem â¢ook dikmaals ontbood en met Jiem sprak. 27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix I'or-â cius Festus in zijne plaats; en Felix willende den Joden gunst bewijzen, liet Faulus gevangen. HOOFDSTUK 25. FESTUS dan in de provincie gekomen zijnde, iring na drie «lagen van Cesaréa öp naar Jeruzalem;ESTUS dan in de provincie gekomen zijnde, iring na drie «lagen van Cesaréa öp naar Jeruzalem; 2 en de Hoogenriester en de A'oornaamsteu der .loden verschenen vóór hem tegen Pau-Jus, en baden hem, 3 begeerende gunst tegen hem, opdat hij hem zoude lt;loen komen' te Jeruzalem, en leggende eene lage om hem op den weg om te brengen. 4 Doch Festus antwoordde dat Faulus te Cesaréa bewaard [NGEN 25. |
werd, en dat hijzelf haast derwaarts zoude verreizen: 5 Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zoo daar iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldiiren. fi En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesaréa; en des anderen daags op den Rechterstoel gezeten zijnde, beval hij dat l'aulus zoude roo/-gebracbt worden. 7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuidigins;en tegen Paulus inbrengende, die zij niet konden bew ijzen; 8 dewijl hij zich verantwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den Tempel, noch tegen den Keizer iets gezondigd. 9 Maar Festus willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldAór voor mij over deze dingen ireoordeeld w orden ? 10 En Paulus zeide; Ik sta voor den Rechterstoel des Keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet. 11 Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets aan is van hetireen waarvan dezen mij beschuldigen, zoo kan niemand mii hun uit sunst overgeven. Ik beroep mij op den Keizer 12 Toen antwoordde Festus, als hij met den Raad gesproken had: Hebt gij u op den Keizer beroepen, gij zult tot den Keizei gaan. 13 Eu als eenige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de Koning Airrippa en Bernice te Cesaréa om Festus te begroeten. |
|
HANDEL] 14 En toen zij aldaar vele da^eu doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van l'au-lus aan den Koning verhaald, zegende: Uier is een zeker man van Felix gevangen gelaten ; 15 om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de Overpries-ters en de Ouderlingen der Joden verschenen, begeerende vonnis teu;en hem: lü aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben eeniiren mensch uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers te^en-wöordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging. 17 Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zoo ben ik, geen uitstel nemende, des duays daaraan op den Rechterstoel gezeten, en beval dat de man zoude t-oo/'gebracht worden: 18 over welken de beschuldigers hier staande, geene zaak hebben ingebracht waarvan ik vermoedde, 19 maar hadden tegen hem eenige vragen van hunnen godsdienst, en van zekeren Jezus die gestorven was, welken l'aulus zeide te leven. 20 En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldiiiir over deze dingen geoordeeld worden. 21 En als Panlus zich beriep dat men hem tot de kennisneming des Keizers bewaren zoude, zoo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden ter tijd toe dat ik hem tot den Keizer zenden zoude. 22 En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mensch icel hooren. En hij zeide. Morgen zult gij hem hooren. 2t Des anderen daags dan, als |
NGEN 26. 207 Agrippa gekomen was en Ber-nice met groote pracht, en als zij ingegaan waren in het RecLthuis met de oversten over duizend en de mannen die de voornaamsten der stad waren, werd Paul us op bevel van Festus voorgebracht. 24 En Festus zeide: Koning Agrippa, en alle gij mannen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de gansche menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende dat hij niet meer behoort ^e leven. â¢Jó Maar ik bevonden hebbende dat hij niets des doods waardi c gedaan had. en dewijl hij ook zelf zich op den Keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. â¢J6 Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven: daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, Koning Agrippa, opdat ik, na iredane onderzoeking, wat hebbe te schrijven ; 27 want het dunkt mij tegen rede, eenen gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen die tegen hem zijn, te kennen te geven. HOOFDSTUK 26. EN Agrippa zeide tot Faulus: Het is u geoorloofd voor uzelven tc spreken. Toen strekte Paul us de hand uit, en verantwoordde zichN Agrippa zeide tot Faulus: Het is u geoorloofd voor uzelven tc spreken. Toen strekte Paul us de hand uit, en verantwoordde zich aldus: 2 Ik acht mijzelven gelukkig, o Koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word; :$ allermeest dewiil ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen die onder de Joden zijn; daarom bid ik u dat gij mij lankmoediglijk hoort. 4 Mijn leven dan van der |
|
SOS HANDEL jonkheid nan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem seweest is, weten alle de Joden, ó als die sedert lans mij te voren ^ekfnd hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik naar de nauwgezetste sekte van onzen godsdienst al* een Farizeër geleefd iieb. fi En nu sta ik en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is; 7 tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriïHjk nacht en da:lt; (lod dienende, hopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agripna, van de Joden word beschuiaigd. S Wat ? Wordt het bij ulieden ongeloofelij k geoordeeld dut God de dooden opwekt ? 'J Ik meende waarlijk bij mij-zelven, dat ik te^en den naam van Jezus van .Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen; 10 hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de Overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe; 11 en door alle de Synagogen heb ik ze dikmaals gestraft en gedwongen te lasteren; en bo-veninate tevfeii hen woedende, heb ik ze vervolgd ook tot in de buiteufa/u{-w/ie steden. 12 En als ik daarvoor ook naar Damascus reisde, met macht en last welke ik van de Overpriesters had, 13 zag ik, o Konins:, in het midden van den dag op den weg een licht, boven den ?lans der zon, van den hemel mij en degenen die met mij reisden, omschijnende; 14 en als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik eene stem tot mij sprekende, en zeggende in de rle- |
INGEN 20. brceuwsche taal: Saul, Saul, wat vervolgt sij mij? Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan. 15 En ik zeide: Wie zijt stfj, Heere? En hij zeide: ik ben Jezus, dien gij vervolgt. 1(! Maar richt u op en sta op uwe voeten; want hiertoe ben ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke ik u nbg zal verschijnen, 17 verlossende u van dit volk en van de heidenen, tot dewelke ik u nu zend is om hunne oogen te openen, en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en va.i de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de ireheiligden, door het geloof in mij. li) Daarom, o Koninir Agrippa, ben ik «lat hemelsch gezicht niet ongehoorzaam geweest, â¢20 maar heb, eerst dengenen die te Damascus waren, en te Jeruzalem, cm in het jfeheele land van Judéa, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren en tot God bekeeren, werken doende der bekeering waardig. â J1 Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den Tempel gegrepen en gepoogd om te brengen. 22 Dan, hulp van God verkre-sren hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot, niets ze^sjende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zonde- 23 namel'ik dat de Christus lijden meest, en dat hij, de eerste uit de opstanding der dooden zi.nde, een licht zoude verkondigen dezen volke en den heidenen. 24 En als hij deze dingen tot verantwoorling sprak, zeide Festus men grootc stem ⢠Gij |
|
HANDEL raast, Paulus, de a:roote geleerdheid brengt u tot razernij. 25 Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand. 2(5 quot;Want de Koning weet van deze dingen, tot welken ik ook, vrijmoediirheid gebruikende, spreek; want ik geloof niet dat hem iets van deze dingen verborgen is, want dit is in geenen hoek geschied. 2quot; Gelooft srij, o Koning A-grippa, de Profeten? Ik weet dat irij ze gelooft. 2S En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden. 29 En Paulus zeide: Ik wenschte wel van God, dat èn bijna èn geheel ijk, niet alleen jrij maar ook allen die mij lieden hooren, zoodanigen wierden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden. .quot;{0 En als hij dit gezegd had, stond de Koning op, en de Stadhouder, en Berniee, en die met hen gezeten waren; :u en ter zijde gesraan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze menseh doet niets «les doods of der banden waardin. S2 En Agrippa zeide tot Festus: Deze menseh kon losgelaten worden, indien hij zich op den Keizer niet bad beroepen. HOOFDSTUK 27. EN als het besloten was dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en eenige andere gevangenen óver aan eenen hoofdman over honderd, met name Julius, van de keizerlijke bende.N als het besloten was dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en eenige andere gevangenen óver aan eenen hoofdman over honderd, met name Julius, van de keizerlijke bende. 2 En m een Adramytteenseh schip gedaan zijnde, alzoo wij de plaatsen lanirs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aris-tarchus de Macedoniër van Thessalonica was met ons. |
\'GEN 27. 209 En des anderen daaya kwamen wij aan te Sidon; en Julius vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te traan om van hen verzorgd te worden. 4 En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus henen, omdat de winden ons tegen waren ; 5 en de zee, die langs Cilicië en Pamtyliü is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te My ra in Lycië. fi En de hoofdman aldaar een schip srevoiiden hebbende van Alexandrië, lt;iat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan. 7 En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks t( irenover Cnidus geko-nlen waren, overmits de wind het ons niet toeliet, zoo voeren wij onder Creta henen, tegenover Sahnóne; S en hetzelve nauwelijks vooi-bijzeilende, kwamen wij in eene zekere plaats, genaamd Seboone-havens, waar de stad LJisea nabij was. 9 En als er veel tijd verloopen en de vaart nu zorglijk was, omdat ook de vasten nu voorhij was, vermaande Paulus ze lil en zeide tot hen: Mannen, ik zie dat de vaart zal geschieden met hinder en groote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven. 11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper dan hetgeen van Paulus irezegd werd. 12 En alzoo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerem/rrf geraden ook van daar te varen, of zij soms te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde eene haven in Creta, strekkende teiren het Zuidwesten en tegen het Noordwesten. W En alzoo de zuidenwind zacht waaide, meenden zij hun 14 |
HANDELINGEN ;17.
|
voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht voorbij Creta henen. 14 Maar niet lang daarna sloea: tegen hetzelve een stormwind, genaamd Euroelydoii; 15 en als het schip daarmede weggerukt werd, en niet tegen den wind kon opzeilen, gaveu wij het op en dreven henen. 16 En loonende onder een zeker eilandje, genaamd Clan-da. konden wij nauwelijks de boot machtig worden; 17 dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle hulpmiddelen, het schip ondersiorden-de; en alzoo zij vreesden dat zij op de drooijte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil en dreven alzoo henen; IS en alzoo wij van het on-weder geweldk'lijk geslingerd werden, deden zij den volgenden day eenen uitworp, 11) enquot; den derden (lay wierpen wij met onze eigene handen het scheepsgereedschap uit; 20 en als noch zon uoch '.re-sternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zoo werd uhh voorts alle hoop van behouden te worden benomen. â¢21 En als men langen tijd zon-â¢der eten geweest was, toen stoud Paulus ü/i in het midden van hen, en zeide: U mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Creta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben. â¢22 Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want daar zal geen verlies geschieden van ieiicindu leven onder u, maar alleen van het schip. 23 Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een Engel Gods, wiens ik ben, welken ik ook dien, |
24 zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den Keizer gesteld worden; en zie. God heeft u geschonken allen die met u varen. 25 Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof God, dat het alzóó zijn zal gelijker-wijs het mij gezegd is. 2fi Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen. 27 Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzoo wij in de Adriatische zet; herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden de scheepslieden dat hun eenig land naderde. 2S En het dieplood uitgeworpen hebbe-.ide, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen; 29 en vreezende dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wenschten dat het dag wierd. ;{(( Maar als de scheepslieden uit het schip zochten te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen, :U ze/de Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten : Indien dezen in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden. :J2 Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot en lieten haar afvallen. .â {.'1 En ondertusschen dat het dag zoude worden, vermaande Paulus hen allen dat zij zouden spijs nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dut gij verwachtende blijft zonder eten en niets hebt genomen : :{4 daarom vermaan ik n spijs te nemen, want dat dient tot uw behoud; want niemand van u zal een haar van het hoofd vanen. |
|
II AN DE I 35 En als hij dit pezend on brood genomen had, dankte hij God in aller te^enwoordis-heid, en hetzelve gebroken hebbende, be^ou hij te eten. 3fi En zij allen goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zeiven spijs. 37 Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen. 3S En als zij met spijs verza-diird waren, lichtten zij het schip en wierpen het koren uit in de zee. 39 En toen het datr werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten eenen zekeren in ham die eenen oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zoo zij konden, het schip aan te zetten. 411 En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het sch'ni aan de zee over, meteen de roer banden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe. 41 Maar vervallende op eene pliiats die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip vastzittende, bleef onbeweeglijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren. 42 De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden dooden, opdat niemand ontzwomnien zijnde, zoude ontvlieden; 43 maar de hooldman willende Pan lus behouden, belette hun dat voornemen, en beval dat degenen die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen en aan land komen, 44 en de anderen, sommigen op planken, en sommigen op eenige stukken van het schip. En alzoo is het geschied dat zij allen behouden aan land gekomen zijn. |
:N 28. 211 HOOFDSTUK 28. EN als zij ontkomen waren, toen verstonden zij dat het eiland Melite heette.N als zij ontkomen waren, toen verstonden zij dat het eiland Melite heette. 2 En de barbaren bewezen ons geen gemeene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen die opkwam, en om de koude. 3 Eu als Paulus een hoop rijzen bijeentreraapt en op het vuur geleird had, kwam er eene adder uit door de hitte en vatte zijne hand. 4 Ei, als de barbaren het beest aan /.ijne hand zagen hai-iiren, zeidei zij tot elkander: Deze men soli is gew isselijk een doodslager, welken de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is. 5 Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads; (gt; en zij verwachtten dat hii zoude opzwellen of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden en zagen dat geen oniremak over hem kwam, veranderden zij en zeiden dat hij een god was, 7 En hier onitre.it die plaats had de voornaamste van het eiland, met name 1'ublius, zijne landhoeven, die ons ontving en drie dagen vriendelijk herbergde. s En het geschiedde dat de vader van 1'ublius, met koortsen en den rooden loop bevangen zijnde, te bed lay:; tot denwelken Paulus ingintr, en als hij gebeden had, leide hij de handen op hem, en maakte hem gezond. 9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden hadden op het eiland, en werden genezen: in die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van noode was |
|
212 HANDEL 11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexaudric. dat op het eiland overwinterd had, hebbende tot een teekeu Castor en Pollux. 12 En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dai^en; n van waar wij omvoeren en te Rhcrium aankwamen; en als na éénen das de wind Zuid werd, kwamen wij den tweeden das te l'utéoli; 14 alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden zeven da^en bij hen te blijven; en aizoo fjinsen wij naar Rome. 15 En van daar kwamen de broeders, van onze zaken rc-hoord hebbende, ons te senioet tot Appiusmarkt en de Drie-Taberneu; welke I'aulus ziende, dankte hij God en greep moed. Ui En toen wij te Home gekomen waren, saf de liootd-man de srevanifenen óver aan den overste des legers; maar aan I'aulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met den krijgsknecht die hem bewaarde. 17 En liet geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen die de voornaamsten der Joden waren; en als zij saiuensekomeM waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik die niets gedaan heb teren het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handea der Romeinen, IS dewelke mij onderzocht hebbende, mij wilden loslaten, omdat geene schuld des doods in mij was; 19 maar als de Joden znlka tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den Keizer te beroepen, doch niet alsof ik mijn volk van iets te beschuldigen had. 2ii Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want |
XGEN 2S. vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen. 21 Maar zij zeidea tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen, noch iemand va.i de broeders hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken. 22 Maar wij be^eeren wel van u te hooren, wat sjij gevoelt; wairt wat deze sekte aangaat, ons is bekend dat ze overal tegengesproken wordt. 2'$ En als zij hem eenen dag iresteld haddcu, kwamen er velen iu zijne woonplaats; den-welken hij het Koninkrijk Gods uitleide, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof van Jezus, beide uit de wet van Mozes en de Profeten, van 's morgens vroeg tot den avond toe. 24 En sommi-ren geloofden wel hetgeen gezescd werd, maar sommigen geloofden niet; 25 en teren elkander oneens zijnde, scheidden zij, als Paulus dit ééne woord gezeird had, nainelijk: W61 heeft de Hcilise Geest gesproken door Jesaja den Profeet tot onze vaderen, 28 zcrirende: Ga henen tot dit volk, en zer; Met het schoor zult irij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult Sà zien en geenszins bemerken ; 2/ want net hart dezes volks is dik geworden, en met de ooren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niette eeniger tijd met de oosren zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zij zich bekeeren en Ik hen geneze. 2S Her zij u dan bekend, dat de zalishi id Gods den heidenen gezonden is, en dézen zullen hooren. 29 En als hij dit gcze-rd had, gingen dt Joden weg. veel |
ROMEINEN 1.
213
|
twisting hebbende onder elkander. |
:{ii En Paulus bleef twee f?e-lieele jaren in zijne eigene gehuurde woning, eu ontving allen die tot hem kwamen, .'U predikende het Koninkrijk Gods, en leerende van den lleere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
ROMEINEN
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS, een dienstknecht van Jezus Christus, een jieroepen Apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods AULUS, een dienstknecht van Jezus Christus, een jieroepen Apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods '2 (hetwelk II ij te voren beloofd had door zijne Profeten, in de heilige Schriften), 3 van zijnen Zoon, (die sre-worden is uit den zade Davids naar het vleesch; 4 die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon Gods naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doodei.), mimelijk Jezus Christus onzen Heere 5 (door welken wij hebben ontvangen genade en het Apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder alle «le heidenen, voor zijnen naam; fi onder welke gij óók zijt, geroepenen van Jezus Christus) : 7 allen die te Rome zijt, geliefden Gods eu seroepene heiligen, genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. S Eerstelijk dank ik mijnen God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de geheele wereld. 9 Want God is miin getuige, welken ik dien in mijnen geest. |
in het Evangelie zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk, ld te allen tijde in mijne {re-beden biddende, of mogelijk mij noi; te eeniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd door den wil Gods om tot ulieden te komen. 11 'Want ik verlang om u U zien, opdat ik u eeniire geestelijke gave mocht mededeelen, ten einde gij versterkt zoudt worden: 1*J dat is, om medevertroost te worden onder u, door het onderlint; geloof, zoo het uwe als het mijne. Ki Doch ik wil niet dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorkei.omen heb tot u te komen (en ben tot noir toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u eennre vrucht zoude hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen. 14 Beiden Grieken en barbaren, beiden wijzen en onwij-zen ben ik een schuldenaar; 15 al/.oo hetgeen in mij is. dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt, het Evangelie te verkondigen. Ki Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die |
|
214 ROMI gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. 17 AVant de rechtva;irdi?beid God*» wordt in. heUelve geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle roddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, als die de waariieid in ongerechtigheid ten onder honden; 19 overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn; 21 omdat zij God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. 22 Zicli uitrevende voor Mijzen, zijn zij dwaas geworden, 2:1 en hebben de heerlijkhei i des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. 24 Daarom heeft God ze nok overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot on-reinigheid, om hunne lichamen onder elkander te ont-eeren: 25 uls die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen. |
20 Daarom heeft God ze overgegeven tot oneerbare bewegingen; want ook hunne vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het ye-bruik tegen natuur, 27 en insgelijks ook de mannen nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hunnen lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hunne dwaling die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende. 2S En gelijk het hun nietgocd-gedacht heeft God in erkentenis te houden, zoo heeft God ze overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen: 29 vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid ; W oorblazers, achterklappers, haters van God, smaders, hoo-vaardigen, laatdunkenden, uitvinders van kwade dingen, den ouders ongehoorzaam; 31 onverstandigen, verbond-brekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, on-barmlmrtigen; H2 dewelke daar zij het recht Gods weten (nameliik dat degenen die zulke dingen doen. des doods waardig zijn), niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen. HOOFDSTUK 2. DAAROM zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, wie gij zijt,AAROM zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordcelquot;,, veroordeelt gij uzelven; wa it gij die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen. 2 En wij weten dat het oordeel Gods naar waarheid is over degenen die zulke dingen doen ; 3 en denkt gij dit, o mensch. |
|
die oordeelt desenen die zulke dingen doen, en dezelve doot, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden ? 4 Of \-eracht sij den rijkdom zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de soe-dertierenheid Gods u tot bekeering leidt? 5 Maar naar uwe hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelven toorn als een schat in den dau: des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, fi welke een iegelijk vergelden zal naar zijne werken; 7 dengenen wel, die met volharding in goeddoen heerlijkheid en eer en on verder lelijkheid zoeken, het eeuwige leven; S maar dengenen die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden : 9 verdrukking en benauwdheid over alle ziel de» meuschen die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek; 10 maar heerlijkheid en eer en vrede een iegelijk die het goede werkt, eerst den. Jood, en ook den Griek. 11 Want daar is ceen aanneming des persoons bij God. 12 Want zoovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zoovelen als eronder de wet gezondigd hebben, /.uilen door de wet ^geoordeeld worden; 1H (want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden; quot; 14 want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, dezen de wet niet hebbende, zijn zichzeiveneene wet, 15 als die betooneu het werk |
JEN 2. 21« der wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie me-degetuigende, en de sredachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende), l(i ii. den dag wanneer God de verborgene dingen der men ⢠schen zal oordeelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. 17 Zie, gij wordt een Jood genaamd, en rust op de wet, en roemt op God; is en idj weet zijnen wil, en beproeft de dingen die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; 19 en gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in de duisternis zijn, 20 eer, onderrichter der onwij-zen en een leermeester der onwetenden,hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet. 21 Die dan een ander leert, leert itij uzelven niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij? 22 Die zeirt dat men geen overspel doen zal, doet -zij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige? 2'.1 Die op de wet roemt, ont-eert gij God door de overtreding der wet? 24 Want de naam Gods wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is. 25 Want de besnijdenis is wel nut indien gij de wet doet, maar indien gij een overtreder der wet zijt, zoo is uwe besnijdenis voorhuid geworden. 2rgt; Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijne voorhuid tot eene besnijdenis gerekend worden, 27 en zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordeelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt? 28 Want die is niet een Jood,. |
ROMEINEN 3.
216
|
die het in 't openbaar is, noch die is de besnijdenis, die het in 't openbaar in het vleesch is; 29 maar die is een Jood, die het in 't verborgen is; en de besnijdenis des harten, in den «eest, niet de letter, is de besutjdenis; wiens lot'niet is uit de meuschen maar uit God. HOOFDSTUK 3. WELK is dan het voordeel van den Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis?ELK is dan het voordeel van den Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis? 2 Veel in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toebe-trouwd. 3 Want wat is 't, al zijn som-mi^en onireloovi:; sreweest? Zal hunne on^elooviidieid het geloof Gods te niet doen ? 4 Dat zij verre: doch God zij waarachtig, maar alle meusch leusenaclitiï, irelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint wanneer Gij oordeelt. ó Indien uu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeifgen ? Is God onrechtvaardi-r als Hij toorn over ons brenirt Cik spreek naar de» mensch)? â¢gt; Dat zij verre; anders hoe zal God de wereld oordeelen ? 7 Want indien de waarheid Gods door mijne leugen overvloediger is geworden tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld, 5 en zeggen wij niet liever (fielijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit koine? Welker verdoemenis rechtvaardig is. 9 Wat dan? Zijn wij uitne-mender? Ganschelijk niet; want wij hebben te voren be-hchuldigd beiden Joden en Grieken, dat ze allen onder de zonde zijn, |
10 gelijk geschreven is: Daar is niemand rechtvaardig, ook niet één; 11 daar is niemand die verstandig is, daar is niemand dit? God zoekt; 12 allen zijn zij afgeweken, te zanien zijn zij onnut geworden, daar is niemand die goeddoet, daar is ook niet tot één toe; 13 hunne keel is een geopend graf; met hunne tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hunne lippen; 14 welker mond vol is van vervloekiug en bitterheid; 15 hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten; 1(» vernieling en ellendigheid is in hunne wegen, 17 en den wetr des vredes hebben zij niet gekend: IS daar is geen vreeze Gods voor hunne oogen. li) Wij weten nu dat al wat dc wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij: 20 daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde. 21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard ire-worden zonder de wet. hebbende getuiirenis van de Wet en de Profeten: 22 namelij v de rechtvaardigheid Gods .door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die gelooven; want daar is geen onderscheid. â¢23 Want zi; hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, -4 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijne senade door de verlossing die in Christus Jezus is, 25 welken God voorgesteld |
|
HOME! heeft tot pene verzoening door het sreloof in zijn bloed, tot eene betooniiiK van zijiur rechtvaardigheid door de verneviiip der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods, 2(i tot eene hetoonin? van zijne rechtvaardigheid in dezen te^enwoordiKen tijd; opdat Hij rechtvaarditr zij, en reclit-aar-dijende dengenen die uit het geloof van Jezus is. â¢27 Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Per werken? Neen, maar door de wet des â¢rcloofs. â¢28\\ij besluiten dan dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. 29 Is God een God der Joden alleen, en is Hij het ook niet der heidenen? Ja, ook der heidenen ; .'$0 nademaal Hij een éénig God is, die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. :{1 Doen wij dan de wet te niet door het ireloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet. HOOFDSTUK 4. WAT zullen wij dan zeggen dat Abraham onze vader verkregen heeft naar het vleesrh ?AT zullen wij dan zeggen dat Abraham onze vader verkregen heeft naar het vleesrh ? 2 AVant indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God. H Want wat zeirt de Schrift? Kn Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. 4 Nu, dengenen die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar sch uld; ó doch dengenen die niet werkt, maar gelooft in Hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid; |
M:X 4. 217 lt;! g ïlijk ook David den mensch zalig spreekt welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken, 7 zpo(jende: Zaliu zijn ze welker öugereclitiirheden vergeven zijn en welker zonden bedekt zijn, S zalig is de mnn welken de Heere de zonde niet toerekent. 'J Deze zaliirsprekiug dan, is die alleen over de besnijdenis of óók over de voorhuid ? Want wij zcirsren dat aan Abraham het geïoof gerekend is tot rechtvaardigheid. ld Hce is 't hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was of in de voorhuid ? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid. 11 Kn hij heeft het teeken der besnijdenis ontvainren tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid icns toer/erekeud, opdat hij zonde zijn een vader van «Hen die gelooven, in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toererekei.d worde, 12 en een vader der besnijdenis, denirenen ntimelrk die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des quot;doofs van onzen vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was. 13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad (jenchied, namelijk dat hij een erfgenaam der wereld zoude zijn, maar dooide rechtvaardigheid des geloofs. 14 Want indien degenen die uit de net zijn, erfgenamen zijn. zoo is het yeloof ijdel geworden en de beloftenis te niet gedaan. 15 Want de wet werkt toorn; want waar ireene wet is, dddr is ook freene overtredimr. IC Daarom is ze uit het geloof, opdat ze naar genade zij, ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de |
|
218 ROME wet is, ninar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke is een vader van ons allen 17 (selijk geschreven staat: Ik heb ü tot een vader van vele volken gesteld); voor Hem aan welken hij geloofd heeft, namelijk God die de dooden levend maakt, en roept de dingen die niet zijn, alsof ze waren. 18 Welke tesren hope op hope geloofd heeft, dat hij zoude worden een vader van vele volken, volgens hetgeen gezegd was: Al/.óó zal uw zaad wezen ; 11» en niet verzwakt zijnde in 't geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt dat aireede verstorven Mas, alzoo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was; 20 en hij heeft aan de helof-tenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is sresterkt geweest in 't geloof, gevende Gode de eer, 21 en ten volle verzekerd zijnde dat hetgeen beloofd was, Ilij ook machtig was te doen. 22 Daarom is het hem ook tot reehtvaard igheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen om zijnentwil tresehreven, dat het hem toegerekend is, 24 maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, nameitik dengenen die gelooven in Hem die Jezus onzen Heere uit de dooden opgewekt heeft, 25 welke overseleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigniaking. HOOFDSTUK 5. WIJ dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus;IJ dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus; 2 door welken wij ook de toeleiding hebben door 't geloof tot deze genade in welke wij staan en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. |
En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdruk-kinsr lijdzaamheid werkt, A en de liuizaamheid bevin-ding, en de oevindin!; hoop; 5 en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. fgt; Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloozen gestorven. 7 Want nauwelijks zal iemand voor eenen rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven; S maar God bevestiurt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons sesrorven is als wij nog zondaars waren : 9 veelmeer dan, zijnde nu ee-rechtvaardi'-rd door zijn bloed, zullen wij door hem behouden worden van den toorn. 10 Want indien wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons, veelmeer zullen wij verzoend zijnde, behouden worden door zijn leven; 11 en niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God door onzen Heere Jezus Christus, door welken wij nu de verzoening gekregen hebben. 12 Daarom gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzóó de dood tot alle menschen doorgedaan is, in welken allen gezondigd hebben ; 13 want tot de wet was de zonde in 'ie wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is; 14 maar de dood heeft ge-heerscht van Adam tot Mozes toe, nok over degenen die niet irezondi^d hadden in de gelijkheid der overtreding Adams, |
NEN C. 219quot;
|
welke een voorbeeld is desge-nen die komen zoude. 15 Doeh niet gelijk de misdaad, al zoo is ook de ifenadeirit't. AVant indien door de misdaad van éénen velen ireatorven zijn, zoo is veelmeer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van éénen mensch Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. l(i En niet gelijk de schuld was door den éénen die gezondigd heeft, (dzóó is de gift. Want de schuld is wel uit ééne misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot recutvaardigmaking. 17 Want indien door de misdaad van éénen de dood sre-heerscht heeft door dien éénqji, veelmeer zullen degenen die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heer-sehen door dien éénen, namelijk Jezus Christus. IS Zoo dan gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzóó ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot recht-vaardigmaking des levens; 19 want gelijk door de ongehoorzaam heid van dien éénen mensch velen lot zondaars gesteld zijn eeworden, alzóó zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. 20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; 21 opdat gelijk de zonde ge-heerscht heeft tot den dood, alzóó ook de genade zoude heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus ouzeu Heere. |
HOOFDSTUK 6. WAT zullen wij dan zeggen?AT zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde ? 2 Dat i;ij verre. Wij die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? Of weet gij niet, dat zoovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in zijnen dood gedoopt zijn ? 4 Wij -.sijn dan met hem begraven doo' den doop in den dood, opdat irelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzóó ook wij in nieuwigheid de» levens wandelen zouden. 5 Want indien wij met hem ééne pla.it geworden zijn in de gelijkmakinir zijns doods, zoo zullen wij het ook zijn in de-gelijkmaking zijner opstanding, 6 djt wetende dat onze oude-mensch met /.em gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen; 7 want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde- 8 Indien wij nu met Christus-gestorven zijn, zoo gelooven wij dat wij ook met hem zullen leven, 9 wetende dat Christus opgewekt zijnde uit de dooden, niet meer sterft: de dood heerscht niet meer over hem. Ut Want wat hij gestorven is, dat is hij der zonde éénmaal gestorven; en wat hij leeft, dat leeft hij Gode. 11 Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heere. 12 Dat daii de zonde niet heer-sche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van dat. lichaam. 13 £n stelt uwe leden niet. |
|
320 ROME der zoude tot wapenen der on-^ereehti^heid, maar stelt uzel-veu Gode als uit de doodeu levend geworden zijnde, en ntelt uwe leden Gode tot wapenen der gerecliti^lieid. 14 Want de zonde zal over u niet hecrschen; want «ij zijt niet ouder di; wet maar ouder de {rep.ude. 15 Wat dan? Zullen wij zou-diReu, omdat wij niet zijn on-der de wet maar onder de genade? Dat zij verre. 1(5 Weet }oj niet, dat wien ïrij uzelven stelt tot dienstkneeli-teu ter gehoorzaamheid, !;ij dienstknechten zijt dess?enen wien gij gehoorzaamt, ötquot; der zoude tot den dood, öf der ^elioürzaamheid tot gereehtis-heid? 17 Maar Gode zij dank, dat jcij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat sii nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer tot hetwelk };ij overgegeven zijt, 18 en vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid. 19 Ik spreek op menschelijke wijze, om der zwakheid uws vleesches wil; want gelijk gij uwe leden gesteld hebt om dienstbaar te zijn der onreiuig-heid en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid, alzóó stelt nu uwe leden om dienstbaar te zijn der gerechtigheid tot heiligmaking. â¢2(1 Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de gerechtigheid. 21 Wat vrucht dan hadt gij toen van die din-ten waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzelvc is de dood. 22 Maar nu van de zoude vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. |
23 Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de ^e-nadegift Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere. HOOFDSTUK 7. WEET gij niet, broeders (want ik spreek tot degenen die de wet verstaou), dat de wet heerscht over deu meusch zoo langen tijd als hij leeft? 2 Want eene vrouw die onder den man staat, is aan deu levenden man yerbondea door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. .'{ Daarom dan indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo zal zij eene overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dat zij neen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt.EET gij niet, broeders (want ik spreek tot degenen die de wet verstaou), dat de wet heerscht over deu meusch zoo langen tijd als hij leeft? 2 Want eene vrouw die onder den man staat, is aan deu levenden man yerbondea door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. .'{ Daarom dan indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo zal zij eene overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dat zij neen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt. 4 Zoo dan, mijne broeders, irij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk des;jenen die van de doodeu opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden. 5 Wamt toen wij in het vleesch waren, werkten de bewegingen der zonden die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen; (i maar uu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn onder welken wij gehouden waren, alzoo d.it wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter. 7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zoude niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet beireereu. « Maar de zonde oorzaak ge- |
ROMEINEN 8.
2-21
|
nomen hebbende door bet jce-bod, heeft in mij alle be-jeer-lijklieid prewrocht; want zonder de wet is de zonde dood. U En zonder de wet, zoo leef-ile ik eertijds; maar als het ^ebod frekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben sres.orven, 1» en hec -rebod dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden. 11 Want de zonde oorzaak genomen hebbende door het jrebod, heeft mij verleid en door hetzelve gedood. 12 Alzoo is dan de wet heiliic, en liet i;ebod is heilig en reehtvaardiir en goed. i:t Is dan het iroede mij de dood geworden? l)at zij verre: maar de zonde ia mij de dood firwordm, n nil at zij zonde openhaar worden zonde te ziin, werkende mij door het goede den dood, opdat de zonde bovenmate wierd zondigende door het srebod. 14 Want wij weten dat de wet geestelijk is; maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde. 15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik nilt;-t, maar hettreen ik haat, dilt doe ik. Ifi En indien ik hetgene doe wat ik niet wil. zoo stem ik der wet toe dat zij goed is; 17 ik dan doe hetzelve nu niet meer, maar de zonde die in mij woont. is Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, ireen goed woont. Want het willen is wel bij mij, maar liet goede te doen. dat vind ik niet; 19 want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dilt doe ik. â¢2ii Indien ik hetgene doe wat ik niet wil. zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont. 21 Zoo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt; |
22 want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den in-wendigen meuseh, 23 maar ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijdt te^en de wet mijns ge-moeds, en mij gevanirenneemt onder de wet der zonde die in mijne leden is. 24 Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het liehaam dezes doods? 25 Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere. 2(gt; Zoo dan, ikzelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde. HOOFDSTUK 8. ZOO is er dan nu geene verdoemenis voordegenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest.OO is er dan nu geene verdoemenis voordegenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. .*{ Want hetsreen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God, zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesehes, en dut voor de zonde, de zonde veroordeeld in hec vleesch, 4 opdat het recht der wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 5 Want die naar het vleesch zijn. bedenken wat des vleesches is; maar die naar den Geest zijn, bedenken wat des Geestes is; fi want het bedenken des vleesches is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede; 7 daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onder- |
|
quot;222 ROME werpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet; » en die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen. 1» Doch zijlieden zijt niet in liet vleesch, muur in den Geest, zoo anders de Geest Gods in u woont; inuar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe. 10 Kn indien Christus iu ulie-den is, zoo is wel het lichaam dood om der zoude wil, maar de «eest is leven om der gerechtigheid wil. 11 En indien de Geest desire-genen die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest die in u woont. 12 Zoo dan, broeders, wij zijn schuldenuars niet aan het vleesch, om naar het vleesch tc leven. 13 Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult ,'ij sterven; maar indien irij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult uij leven. 14 Want zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. 15 Want «ij hebt niet ontvangen den geest der dienstbaarheid wederom tot vrees, maar gij hebt ontvauifen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen; Abba, Vader! l(i Deze Geest getuigt' met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn; 17 en indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en me-deérfgenamen van Christus; zoo wij anders met hem lijden, opdat wij ook met hem verheerlijkt worden. Ãs Wunt ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegen woordi^en tijds niet is te waarde eren tegen de heerlij k- |
NEN 8. heid die aan ons zal geopenbaard worden. 19 Want het schepsel, als met opgestoken hoofd, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet srewillisc, muur om diens wil die het der ijdelheid onderworpen heeft, 21 op hoop dat ook het schepsel zelf zul vrijiremaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat het sransche schepsel te zamen zucht en te zamen ula in barensnood is tot nu toe. 23 En niet alleen dit, maar ook wijzelven die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zeiven, zeg iA:,zuchten in ons-zelven, verwachtende de aunne-mimr tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. 24 Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien gt;\ordt. is geene hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 25 Maur indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zoo ver-wuchten wij het met lijdzaamheid. 2'i En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtiniren; 27 en d:e de harten doorzoekt, weet welke de meening des Geestes is, dewijl hij naar God voor de heiligen bidt. 28 En wij weten, dat dengenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar zijn voornemen ureroepeu zijn. 29 Want die II ij te voren gekend hee't die heeft H ij ook te voren verordineerd den beelde zijns Zoons gelijkvormig te |
NEN 9. 223
|
aijn, opdat hij de eerstseborene zij onder vele broederen; 30 en die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft IIij ook gerechtvaardigd; en die Hij gereehtvaardigd heeft,dezen heeft Hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zoo God vóór ons is, wie zal tégen ons zijn? 32 Die ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar hem voor ons allen heeft overgegeven, hoe zal Hij ons ook met hem niet alle dingen schenken ? Wie zal beschuldigin:; inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. 'M Wie is het die verdoemt ? Christus is het die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechter-/laud Gods is, die ook voor ons bidt. :lt;5 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard ? 3fi (gelijk geschreven is : Want om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood, wij zijn geacht als schapen ter slachtint;.) 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door hem die ons liefgehad heeft. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch Engelen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, 89 noch hoogte noch diepte noch eeuig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Ueere. |
HOOFDSTUK 9. IK zeg de waarheid in Christus, ik lie:; niet (mijne consciëntie mij inedeu'etuigeuis gevende door den Heiligen Geest),K zeg de waarheid in Christus, ik lie:; niet (mijne consciëntie mij inedeu'etuigeuis gevende door den Heiligen Geest), 2 dat het mij eene groote droefheid, en mijn hart eene gedurige smart is. Want ik zoude zelf wel wen-schen verbannen te zijn van Chris'us voor mijne broederen, die mijne maagschap zijn naar het vleesch; 4 welke Israëlieten zijn, welker b de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen ; 5 welker zijn de vaderen, en uit welke Christus is zooveel het vleesch aansraat, dewelke is God boven alles te prijzen in der eeuwigheid. Amen. (⢠Doch ik zeg dit niet alsof bet Woord Gods ware uitife-vallen. Want die zijn niet allen Israël, die uit Israel zijn; 7 noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: In Isaak zal u het zaad genoemd worden ; S dat is, niet de kinderen des vleesches, die zijn kindereu Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. 9 Want dit is het woord der beloftenis : Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal eenen zoon hebben. 10 En niet alleenlijk rfese, maar ook Kebekka is danrran een bewijs, als zij uit éénen bevrucht was, namelijk Isaak onzen vader. 11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods dat naar de verkiezing is, rast bleve, niet uit de werken maar uit den roepende. |
|
224 ROM El 12 zoo werd tot haar jreze^d; De meerdere zal den mindere dienen; 13 gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Esau heb Ik gehaat. 14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God ? Dat zij verre. 15 Want 11 ij zegt tot Mozes: Ik zal Mij oiitternien wiens Ik Mij onttenn, en zal barmhartig zijn wien Ik barmhartig beu. llgt; Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgeneu die loopt, maar de» ontfermenden Gods. 17 Want de Schrift zegt tot Farao: Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik in u mijne kracht bewijzen zoude, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gausche aarde. 18 Zoo ontfermt. Hij zich dan wiens Ilij wil, en verhardt wien IIij wil. 19 Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij daa nog? want wie heeft zijnen wil weder-staan ? â¢20 Maar toch, o menseh, wie zijt gij die tegen God antwoordt ? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzóo gemaakt ? 21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het «éne vat ter eere en het andere ter on eere ? *22 En of God willende zijnen toorn bewijzen en zijne macht bekendmaken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid: 21 en ontlat Ilij zonde bekendmaken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartiirheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? â¢24 Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen |
EN 10. uit de Joden maar ook uit de heidenen; â¢25 gelijk Hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk noemen, en die met bemind was. mijne beminde; 2(i en het zal zijn in de plaats waar tot hen gezegd was: Gii-lieden zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen ces levenden Gods genaamd worden. â¢27 En Jesaja roept over Israël: AI ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zoo zal het overblijfsel behouden worden. â¢2S Want Hij voleindt eene zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal eene afgesnedeae zaak doen op de aarde. 2!» Kn gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Zebaöth ons geen zaad had overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden, en Go-inorra gelijk gemaakt geweest. HO Wat zullen wij dan zcr-gen ? Dat de heidenen die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid die uit het gelcof is; :U maar Israël «lat de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet irckonren. :{2 Waarom ? Omdat ze die zoefden niet uit het geloot, maar tils uit de werken der wet; want zij hebben zich gestoelten aan den steen des aanstoots, :« irelijk treschreven is: Zie, Ik leg in Sinn cenen steen des aanstoons en eene rots der ergernis, en een iegelijk die in Hem gelooft, zal niet be-schaamc worden. HOOFDSTUK 10. BHOEDERS, de toegenegen heid mijns harten, en hetHOEDERS, de toegenegen heid mijns harten, en het |
|
ere bed dat ik tot God voor Isrnül doe. is tot humie zaliirheid. 2 Want ik geef hun jrctniire-nis, dat zij eeiien ijver tot God hebben, maar niet met verstand. S Want alzoo zij de rochtvaar-digheid Gods i iet kennen, en hunne eigene jcerechtijrlieid zoeken op te richten, zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. 4 Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ietrelijk die gelooft. 5 Want Mozes beschrijit de rechtvaardigheid die uit de wet is. zengende: l)e mensch die deze dingen doet, zal door dezelve leven. rgt; Maar de rechtvaardigheid die uit het geloof is, spreekt aldus; Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? dat is Christus van boren afbrengen; 7 of wie zal in don afgrond nederdalen? dat is Christus uit de dooden opbreniren. S Maar wat zeirt ze? Nabij u is het Woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken: 9 namelijk, indien trij met u-wen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven dat God hem uit de dooden opirewckt heeft, zoo zult irij zalig worden; ld want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid. )1 Want de Schrift zegt: Ken iegelijk die in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. l-J Want daar is geen onderscheid noch van .lood noch van Griek; want een zelfde is lleere van allen, rijk zijnde over allen die hem aanroepen, 1:$ Want een iegelijk die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. 14 Hoe zullen zij dan hem sEN 11. 225 |
aai roepen, in welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt? 15 Kn hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is; Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen ! Ifi Doch zij zijn niet allen In t Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd ? 17 Zoo is dan het geloof uit het srehoor, en het gehoor door het Woord Gods. IS Maar ik zeg: Hebben zij het niet geh ord? Ja toch, hun geluid is over de geheele aarde uitgeiraan, en hunne woorden tot de einden der wereld. iy Maar ik zeg; Heeft Israël het niet verstaan ? Mozes zegt eerst. Ik zal ulieden tot ja-loerschhcid verwekken door degenen die geen volk zijn ; door een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken. 2it En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevonden van de-genen die Mij niet zochten. Ik ben openbaar geworden dengenen die naar Mij niet vraagden. â¢J1 Maar tegen Israël zegt hij: Den ireheelen dag heb Ik mijne handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. HOOFDSTUK 11. IK zeg dan ; Heeft God zijn volk verstooten ? Dat zij verre; want ik ben óók een Israëliet, uit den zade Abrahams, van den stam Henjamin.K zeg dan ; Heeft God zijn volk verstooten ? Dat zij verre; want ik ben óók een Israëliet, uit den zade Abrahams, van den stam Henjamin. â 2 God heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet |
|
â 22r, ROM El wat do Schrift zept van Elia? hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zegtrende: Ileere, zij «ebben uwe Profeten gedood en uw altaren omuewoi pen, en ik ben alléén overgebleven, en zij zoeken mijne ziel. 4 Maar wat ze^t tot hom het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nuy zeven duizend mannen overuelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben. 5 Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiozinu der genade. â¢gt; En indien het door genade â is, zoo is het niet meer uit de werken; anders is de genade Seene genade moer. En indien et is uit de werken, zoo is het geene genade meer; anders is het work geen werk meer.eene genade moer. En indien et is uit de werken, zoo is het geene genade meer; anders is het work geen werk meer. 7 Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen ; maar de uitverkorenen hebben hot verkregen, en do anderen zijn verhard geworden 8 (gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven eenen geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien, en ooreu om niet te hooron), tot op den huldigen dasr. 9 En David zeït: Hunne tafel worde tot oenen strik en tot eenen val en tot oenen aanstoot en tot oene vergelding voor hen; 10 dat hunne oogen verduisterd worden om niet te zien, cn verkrom hunnen rug te allen tijde. 11 Zoo zee ik dan: Hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hunnen val ia de zaligheid don heidenen yeivorden, om hen tot jaloerschheid te verwekken. 12 En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hunne vermindering de rijkdom der |
SEN 11. heidenen, hoeveel te meer hunne volheid! 13 Want ik spreek tot u, heidenen : voor zooveel ik der hei-donen Apostel bon, maak ik mijne bedio. i..g heerlijk, 14 of ik eenigszins mijn vleosch tot jaloerschheid verwekken en eenigeu uit hen behouden ^ mocht. In Want indien hunne verwer-pinsc de verzoening is dor wereld, wat zul de aanneming wezen, anders dan het leven uit de dooden? 1(5 En indien de eerstelingen heilig zijn, zoo is ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, zoo zijn ook de takken heiliff. 17 En zoo eenige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzolver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mededeelachtig zijt geworden, | 18 zoo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt don wortel niet, maar de wortel ü. 19 Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zoude ingeënt worden. 20 Het is wèl; zij zijn door omceloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Wees niet hooggevoelonde, maar vrees; 21 want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk u niet spare. 22 Zie dan de goedertierenheid on de gestrengheid Gods : * de gestrengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien irij in de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden. 23 Maar ook zij, indien zo in het ongeloof niet blijven, zullen ineeëut worden; want God is machtig dezelve weder in te enten. |
|
^4 Want indien Rij afsehou-nen zijt uit den olijfboom die van nature wild was, en teiren nature in den goeden olijfboom injreënt, hoeveel te meer v,ullen déze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijf bflom treënt worden l â¢2n Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborReu-heid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen i«, totdat de volheid der heidenen zal ingesraan zijn. 2(gt; En alzóó zal geheel Israël zalig worden; gelijk gesehreven is: De Verlosser zal uit Sion komen, en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob; 27 en dit is hun een verbond van Mij, als Ik hunne zonden zal wegnemen- 2s Zoo zijn zij wel vijanden wat aangaat het Evangelie, om uwentwil, maar wat aangaat de verkiezing, zijn zij beminden, om der vaderen wil; 29 want de ircnadegiften en de roeping Gods zijn onberou-welijk. 30 Want gelijkerwijs ook irij-lieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door de ongehoorzaamheid van dezen, :{1 alzóó zijn ook dézen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uwe barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen; 32 want God heeft ze allen onder de ongelioor/.aamheid besloten, opdat Hij hun allen zoude barmhartig zijn. O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen ! 34 Want wie heeft den zin des Heeren gekend ? of wie is zijn raadsman geweest? 35 üf wie heeft Hem eerst ge- |
CEN 12. 227 }reven, en het zal hem weder-vergolden worden ? 36 Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 12. IK bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe liehamen stelt tot eene levende, heiligeK bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe liehamen stelt tot eene levende, heilige en Gode welbehaairlijke offerande, welke is uwe redelijke godsdienst; 2 en wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat sü moogt beproeven welke de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil Gods zij. 3 Want door de genade die mij Reïeven is, zeg ik aan een iegelijk die onder u is dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn, maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs toegedeeld heeft. 4 Want gelijk wij in één liehaani vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben, 5 alzóó zijn wij velen één lieliaam in Christus, maar elkeen zijn wii elkanders leden. â¦gt; Hehbenae nu verscheidene gaven, naar de genade die ons gegeven is, 7 :oo la ut ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des sjeloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leeren; S hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in een-vouditrbeid ; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. De liefde zij ongeveinsd. Hebt eenen afkeer van het booze, en hainrt het goede aan. 10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde. |
|
22S ROME! met pcre de één den ander voorgaande. 11 Zijt niet traar in 't benaar-stiseu. Zijt vuris van geest. Dient den Hcere. 1quot;2 Verblijdt n in de hoop. Zijt «rednldiis in de verdrukking. Volhardt in liet gebed. U Deelt mede tot de boboef-ten der beili ren. Tracht naar herbergzaamheid. 14 Z(!gei.«t ze die u vervolgen; zegent, en vervloekt niet. 15 Verblijdt n met de blijden, en weent met de weenenden. 10 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hooge dingen, maar voert n tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. 17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Kezorgt betreen eerlijk is voor alle menseheu. Is Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen. 19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want daar is geschreven; Mij komt de wraak toe, Ik zal het venrelden, zeirt de lleere. 2it Indien dan uwen vijand hongert, zoo spijzig hem; indien hem dorst, zoo geef hem te drinken; want dat doende zult (rij kolen vuurs op zijn hoofd houpen. 21 Word van het kwade niet overwonnen. maar overwin het kwade door het goede. HOOFDSTUK Vi. ALLE ziel zij den machten overLLE ziel zij den machten over /mar sresteld, onderworpen ; want daar is geen macht dan van God, en de machten die daar zijn, die zijn van God geordineerd: â¢J al zoo dat die zich teren de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze weder-staan, zullen over zichzelven een oordeel halen. Want de oversten zijn niet tot ecue vrees den goeden wer- |
XEN 13. ken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vreczen, doe het «oede, en gij zult lot van haar hebben; 4 want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; wanr, zij draaft het zwaard niet tevergeefs ; want zij is Gods dienares, eene wreekster tot straf dentrenen die kwaad doet. ó Daarom is het noodig onderworpen te zijn, niet alleenlijk om der straf maar ook om der conseientie wil. (i Want daarom betaalt -'rij ook schatting; want zij zijn dienaars Gods. hierin geuurijr-lijk beziü: zijnde. 7 Zoo geeft dan een ieirelijk wat gij schuldi-r zijt, schatting wien jrij de schattiiiir, tol wien Ki'j den tol, vrees wien sjij de vrees, eer wien gij de eer schtddiy zijt. 5 Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. 9 Want dit: Gij zult geep overspel doen, srij zult niet dooden, irij zult niet stelen, gij zult geene valsche getuiire-nis jreven, gij zult niet be-geeren, en zoo daar eenig ander gebod is, wordt in dit woord als in eene hoofdsom begrepen, iiame.'.iih in dit: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzel- 10 De liefde doet den naastgeen kwaad: zoo is dan de liefde de vervulling der wet. 11 En dit zey ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is dat wij nu uit den slaap opwaken ; want de zalitrheid is ons nu nader dan toen wij eerxt geloofd hebben. 12 De nacht is voorbijge-raan en «le das is nabij gekomen; laat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts; l:{ lat.t ons, als ia den da'r |
|
oerbaar wandelen, niet in hras-serijen en droiikeiischappen, niet in slaapkanieren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid: 14 maar doet Mn den Ileere Jezus Christus, en verzorgt liet vleesch niet tot begeerlijk-li eden. HOOFDSTUK 14. DKNGENEN nu die zwak is in het geloof, neemt aan, nxdur niet tot twisti^e samen-sprekin^en.KNGENEN nu die zwak is in het geloof, neemt aan, nxdur niet tot twisti^e samen-sprekin^en. â¢J De één gelooft wel dat men killes eten huik, maar die zwak is, eet moeskruiden. :lt; Die eet, verachte hem niet die niet eet, en die niet eet, oordeele hem niet die eet; want God heeft hem aangenomen. 1 AVie zijt jrij die eens anders huisknecht oordeelt? IIij staat of hij vait zijn ei ren heer; doch iiij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te «tellen. De één acht wel den ééncu dajc boven den anderen daic, maar de ander acht alle de da^en gelijk. Ken iegelijk zij in zijn ei^en gemoed ten volle verzekerd. t» Die den daic waarneemt, die neemt hem waar den Ileere; on die den da^ niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Ileere. Die eet, die eet zulks den Ileere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet z.dks den Ileere niet, lt;â 11 hij dankt God. 7 Want niemand van ons leeft /.iehzelven, en niemand sterft zichzelven; s want hetzij dat wij leven, wij leven den Ileere, hetzij dat wij sterven, wij sterven den Hecre: hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren. 0 Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weder levend geworden, oiidat |
NEX !4. 229 hij Leiden overdooden en levenden heerschen zoude. 10 Maar irij, wat oordeelt irij uwen broeder 'r Of ook â¢.rij, wat veracht -rij uwen broeder? Want wij zullen allen voorden rechterstoel van Christus gesteld worden. J1 Want daar is ifeschreven: Ik leef, ZPilt;t de Ileere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tontj zal God belijden. 12 Zoo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven. i:{ Laat ons dan elkander niet meer oordeelen : maar oordeelt dit liever, namelijk dat srij den broed t «een aanstoot of ergernis feeft. 14 Ik weet en ben verzekerd in den Ileere Jezus, dat seen din^ onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein. 15 Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zoo wandelt irij niet meer naar liefde. Verderf dien niet niet uwe spijze, voor welken Christus gestorven is. KJ Dat dan uw iroed niet se* lasterd worde. 17 Want het Koninkrijk Gods is niet spijs eu drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. 18 Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehaaglijk en aangenaam den nienschen. 1«) Zoo dan laat ons nnjnsen hetgeen tot den vrede en het-licen cot de stichting onder elkander dient. -0 Verbreek het werk Gods niet om der spijze wil. Alle dinKCii zijn wel rein, maar het is kwaad voor den mensch die met aanstoot eet. 21 II(;t is tfoed flt;een vleesch te eten noch wijn te drinken, noch iet* waaraan uw broeder zich stoot of ireënrerd wordt, of waarin hij zw ak is. |
|
230 ROME 22 Hebt Rij geloof, heb dat bij uzclveu voor God. Zali^ is liij die zichzelven niet oordeelt iu betreen hij voor goed houdt. 23 Maar die twijfelt indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet-, en al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. HOOFDSTUK 15. MAAR wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te draden, en niet onszelven te behagen.AAR wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te draden, en niet onszelven te behagen. 2 Dat dan een ieirelijk van ons zijnen naaste behage ten goede, tot stichting. 3 Want ook Christus heeft zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is-. De smadingen dergenen die U smaden, zijn op mij gevallen. 4 Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren ireschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden. 5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensirezind zijt onder elkander naar Christus Jezus, 6 opdat gij eendrachtiglijk met éénen mond moogt verheerlijken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus. 7 Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons anmre-nonien heeft tot de heerlijkheid Gods. S En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis vanwege de waarheid Gods, opdat hij bevestigen zoude de beloftenissen der vaderen, 1» en de heidenen God vanwege de banuhartiirheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden under de heidenen, en uwen naam lofzingen. 11) Eu wederom zegt Hij: |
NBN 15. Weest vroolijk, gij heidenen met zijn volk. 11 En wederom; Looft den Heere, alle gij heidenen, en prijst Hem, alle gij volken. 12 En wederom zegt Jesaja â¢_ Er zal zijn de wortel van Isaï, en die opstaat om over de heidenen te gebieden: op hem zullen de heidenen hopen. 13 De God nu der hope ver-vuile ulieden met alle blijdschap en vrede in het gelooven, opdat irij overvloedig moogt zijn in de hope, door de kracht des Heiligen Geestes. 14 Doch, mijne broeders, ook ikzelf ben verzekerd van u. dat gij ook zeiven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen: 15 maar ik heb u eenigszins-stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit in-darhtitr makende, om de genade die mij van God gegeven U) opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie Gods bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest. 1quot; Zoo heb ik dan roem in Christus Jezus in de dingen, die God aangaan. 18 Want ik zonde niet durven iets zeggen, hetwelk Christusdoor mij niet gewrocht heeft tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken, 19 door kracht van teekenen en wonderen, ea door de-kracht van den Geest Gods, zoodat ik van Jeruzalem af en rondon , tot Illyrië toe, het Evangelie van Christus vervuld heb; 20 en alzoo zeer begeerier «re-weest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders- fundament zoude bouwen; |
|
â¢21 maar gelijk preschreven is: Denwelken van hem niet was geboodschapt, die zullen het zien, en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. 22 Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen; 23 maar nu geene plaats meer hebbende in deze gewesten, en sedert vele jaren groot verlangen hebbende om tot u te komen, 24 zoo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; Want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder teyenn-oordiyheid eenigs-zins verzadigd zal zijn. 25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem dienende de heiligen. 2(5 Want het heeft diea van Macedonië en AchAje goedge-dacht, eene algemeene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen die te Jeruzalem zijn. 27 Want het heeft hun roo goedgedacht; ook zijn zij hunne schuldenaars; want indien â de heidenen hunner â jreestelijke goederen deelachtiir zijn geworden, zoo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 2S Als ik dan dit volbracht en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen; 29 en ik weet dat ik tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal. SC En ik hid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus en door de liefde des Geestes, dat gij met mii strijdt in de gebeden tot God voor mij; 31 opdat ik moge bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judéa, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen; 32 opdat ik met blijdschap |
VEN IB. 23F door den wil Gods tot u moge-komen en met u verkwikt worden. 33 En de God des vredes zij met u allen. Amen. HOOFDSTUK 16. EN ik beveel u Fébe onze zuster, die eene dienares is der gemeente die te Cenchrea is, 2 opdat ijij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat in wat zaak zij u zoude mogen van iioode heboen; want zij is eene voorstandster ireweest van velen, ook van mijzelven.N ik beveel u Fébe onze zuster, die eene dienares is der gemeente die te Cenchrea is, 2 opdat ijij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat in wat zaak zij u zoude mogen van iioode heboen; want zij is eene voorstandster ireweest van velen, ook van mijzelven. Groet Priscilla en Aquila, mijne medewerkers in Christus Jezus, 4 die voor mijn leven hunnen hals gesteld hebben; dewelke niet alleen ik dank, maar ook alle de gemeenten der heidenen. a Groet ook de gemeente in hun Imis. Groet Enénetus mijnen beminde, div de eersteling is van Achlije in Christus, fi Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. 7 Groet Andronicus en Junias, mijne magen en mijne mede-gevangenen, welke vermaard zijn onder de Apostelen, die ook vóór mij in Christus geweest zijn. s Groet Amplias mijnen beminde in den Heere. 9 Groet Urbanns onzen medearbeider in Christus, en Sta-chys mijnen beminde. 1» Groet Apelles die beproefd is in Christus. Groet ze die van het huisgezin van Aristobülus zijn. 11 Groet Heródion die van mijne maagschap is. Groet ze die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk die-in den Heere zijn. 1 Groet Tryféna en Tryfósa; vrouwen die in den Heere arbeiden. Groet Persis de bemiuâ |
1 COllINTIIIEUS 1.
1232
|
lt;le zuster, elie veel gearbeid heeft iu den lleere. 13 Groet Rufus den uitverkorene in den lieere, en zijne moeder en de mijne. 14 Groet Asyucritus, Flegon, Hennas. IVurobas, Hennes, en de broeders die met hen zijn. ló Groet Filólo^us en Julia, Nereus en zijne zuster, en Olympas, en alle de heiligen dii- met hen zijn. Ifi Groet elkander met eenen heiligen kus. De gemeenten van Christus groeten ulieden. 17 En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen die tweedracht en ergernissen aanrichten teiren de leer die fjij ons geleerd hebt, en wijkt af van dezelven. 15 Want dezulken dienen onzen lleere Jezus Christus niet, maar hunnen buik, en verleiden door schoonsnreken en J«rijzen de harten der eenvou-ligen.«rijzen de harten der eenvou-ligen. 19 Want uwe gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijd mij dan uwenthalve; en ik wil dat trij wijs zijt in het goede, doch on-noozel in het kwade. |
En de God des vrodes zal den satan haast onder uwe voeten verpletteren. De genade onzes Ileeren Jezus Christus zij met ulieden. Amen. 21 L' groeten Timótheüs mijn medearbeider, en Lucius en Jason en Sosipater mijne bloedverwanten. 22 Ik Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den 2'{ U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de ge-heele gemeente. U groet Eras-tus de rentmeester der stad, en de broeder Quartus. 24 De genade onzes Ileeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 Hem nu die machti? is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, 26 maar nu geopenbanrd is, en door de profetisehe Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloof» onder alle de heidenen bekend is gemaakt; 27 Hem, den alleen wijzen God, zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. |
DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
CORINTH IÃRS.
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS, eeu geroepen Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Sósthenes de broeder,AULUS, eeu geroepen Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Sósthenes de broeder, |
2 aan de gemeente Gods die te Corinthe is, den geheiliirden in Chrhtus Jezus, den geroepenen hsilhren, met allen die den naam van onzen Heerc Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beiden hunnen en onzen lieve: 3 gei.ade zij u en vrede van |
|
1 CORIN1 God onzen Vader enden Ileere Jezus Christus. â¢gt; Ik dank inijnen God te allen tijde over u, vanwege de genade Gods die u ^e^even is in Christus Jezus. 5 dat jrij iu alles zijt rijk ze-worden in hein, in alle rede en alle kennis, i\ gelijk de getuiprenis van Christus bevestigd is onder u; 7 alzoo dat hot u aan geene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring onzes lieereu Jezus Christus : S welke (foil ji ook zal bevestigen tot den einde toe, om on-straft'elijk te zijn in den dag onzes lieereu Jezus Christus. 9 G«»d is getrouw, door welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van zijnen Zoon Jezus Christus, onzen Ileere. 10 Maar ik bid u, broeders, door den naam onzes lleeren Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en ilat onder u geene scheuringen zijn, maar tUit gij samengevoegd zijt in een zeilden zin en in een zelfde gevoelen. 11 AVant mij ilt; van u bekendgemaakt, mijne broeders, door die van Chloë's huisgezin zijn, dat er twisten onder u zijn. 12 Kn dit zeg ik dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van 1'anlns, en ik van Apolios, en ik van Cefas, en ik van Christus. 13 Is Christus gedeeld? Is T'aulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paul us* naam gedoopt? 14 Ik dank God dat ik niemand van ulicdeu iredoopt heb dan Crispus en Gajus, 15 opdat niet iemand zesrge dat ik in mijnen naam gedoopt heb. Kt Doch ik heb ook het huisgezin van Stéfauas gedoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb. 17 Want Christus heeft mij |
nfeRS 1. 233 ni'.'t gezonden om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigen ; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. Is Want het Woord des krui-ses is wel dengenen die verloren gaan, dwaasheid, maar ons die behouden worden, is het ecne kracht Gods; 11) want daar is geschreven ; Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal ik te nier. maliën. Cd Waar is de wijze? Waar is de Schriftgeleerde? Waar is de ond« rzoeker dezer eeuw ? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt? 21 Want nadeinaal in de wijs-beid Gods de wereld God niet hcefi gekend door de wijsheid, zoo heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken die irelooven: 22 overmits de Joden een tee-ken begeeren, en de Grieken wijsheid zoeken; ü:{ doch wij prediken Christus den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis, en den Grieken ecne dwaasheid; â .â¢4 maar hun die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken trij Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods. 25 Want het dwaze Gods is wijzer dan de meuschen, en het zwakke Gods is sterker dan de meuschen. 2() Want gij ziet uwe roeping, broeders, dat aij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele ede- 27 maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen bcschainen zoude; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zoude besehamen ; 28 en het onedele der wereld |
|
234 1 CORINT en het verachte heeft God uitverkoren. en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is te niet zoude maken; â¢J9 opdat geen vleesch zoude roemen voor Hem. 30 Maar uit Hem zijt sij in Christus Jezus, die ous geworden is wijsheid van God, en reehtvaardiifbe d, en heiligma-kinpc, en vtrlosshiR; 31 opdat /iet zij selijk geschreven is-. Die roemt, roeme in den Heere. HOOFDSTUK 2. EN ik, broeders, als ik tot u gekomen ben, hen niet gekomen met uituemeudheid van woorden of van wijsheid u verkondigende de gt-tuigenisGods;N ik, broeders, als ik tot u gekomen ben, hen niet gekomen met uituemeudheid van woorden of van wijsheid u verkondigende de gt-tuigenisGods; 2 want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en dien gekruisigd. 3 En ik was bij ulieden in zwakheid en in vrees en in vele beving, 4 en mijne mie en mijne prediking was niet in beweeglijke woorden der nienschelijke wijsheid, maar in betooning des geestes en der kracht; 5 opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der mensehen, maar in de kracht Gods. fi En wij spreken wijsheid onder de volmaakten: doch eene wijsheid niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld die te niet worden; 7 maar wij spreken de wijsheid Gods, beataande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eerde wereld was: 8 welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft. Want indien zij ze gekend hadden, zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben; 9 maar gelijk geschreven is: Hetgeen ht;t oog niet heeft ge-[IERS 2, 3. |
zien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des meu-schen niet is opgeklommen, bet-reen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. 10 Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest. Want de Geest onderzoekt alle dinsren, ook de diepten Gods. 11 Want wie van ue menschen weet hetgeen des menschen is, dan de geest des mensehen die in hem is? Alzoo weet ook niemand hetvreen Gods is, dan de Geest Gods. 12 Doch wij hebben niet ontvangen den seest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij zouden wuten de din-iren die ons van Gud geschonken zijn; 13 dewelke wij ook spreken, niet met woorden die de nienschelijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, feestelijke dingen met geestelijke samenvoegende. 14 Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze iieeste-lijk onderscheiden worden. 15 Doch de geestelijke mensch onderscheidt wel alle dingen, maar hijzelf wordt van niemand onderscheiden. Ifi Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die hem zoude onderrichten ? Maar wij hebben den zin van Christus. HOOFDSTUK 3. EN ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelij-ken, als tot jonge kinderen in Christus.N ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelij-ken, als tot jonge kinderen in Christus. 2 Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs, want irij vermocht toen nog niet, ja, gij vermoogt ook nu nog niet, 3 want gij zijt nog vleesche- |
|
Ityk; want dewijl er onder u imd is en twist en tweedracht, /.ijt Rij niet vleeschelijk en wandelt (jij niet naar den inenseh ? 4 Want als de één zest: Ik ben van l'aulus, en een ander: Ik hen van A pol los, zijt }?ij niet vleeschelijk? 5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars door welke sjij geloofd hebt, en dut jcelijk de Hei-re aan een iegelijk gege en heeft? fgt; Ik heb geplant, Apollos heeft iiat^einaakt, maar God heeft den wasdom gegeven: 7 zoo is dan noch hij die plant iets, noch hij die natmaakt, maar God die den wasdom ^eeft. S En die plant en die natmaakt, zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. 1) Want wij zijn Gods medearbeiders: Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij. 10 jSaar de genade Gods die mij geneven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt. 11 Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelend is, hetwelk is Jezus Christus. 12 En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen, i:t eens iegelijk» werk zal openbaar worden; want de dan zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens ietrelijks werk is, zal het vuur beproeven. 14 Zoo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvannen; 15 zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden, maar zelf zal hij behouden worden, doch alzuu als door vuur. |
BIÃRS 4. 235' ;(gt; Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods iu ulieden woont? 17 Zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. IS .Niemand bedriege zichzel-ven: zoo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs mone worden. 19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God.. Want daar is geschreven: Hij vat de wijzen in hunne arglistigheid; 20 en wederom : De Heere kent de overlegningeu der wijzen dat. ze ijdel zijn. 21 Niemand dan roeme op inenschen, want alles is hel uwe: 22 hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij', toekomende dingen, zij zijn alle de uwe; 2:( doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods. HOOFDSTUK 4. ⢠ALZtK) boude ons eenLZtK) boude ons een ieder mensch als dienaars van Cliristus en uitdeelers der verborgenheden Gods. 2 En voorts wordt in de uitdeelers vereischt, dat elk getrouw bevonden worde. Doch mij is 't voor het minste dat ik van uliedeu geoordeeld worde, of van een men-sehelijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet; 4 want ik ben mijzelven van geen ding bewust, doeh ik ben daaidoor niet gerechtvaardigd ; maar die mij oordeelt, is de Heere. 5 Zoo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, welke ook in 't licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, ecu |
|
2srgt; 1 C0R1M' openbaren de raadslagen der harten; en nlsdjiu zal een iegelijk lof hebben van God. 6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apol-los bij urclijkenis toegepast om uwentwil, opdat gij aan «)ns zoudt leeren niet te gevoelen boven het^en geschreven is, dat gij niet, de één om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander. 7 Want wie onderscheidt n ? Kn wat hebt sü dat sij niet hebt ontvangen? Kn zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt «ij alsof gij het niet ont-\-angen hadt? 8 Aireede zijt prij verzadigd, aireede zijt irij rijk geworden, ronder ons hebt gij geheersebt; en och of sij heersebtet, opdat ook wij met n hcerschen mochten ! t» Want ik acht dat God ons, die de laatste Apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en den Kngelen en den inenschen. 10 Wij zijn dwazen om Christus' il, maar «ij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar «ij sterken; «ij zijt heerlijken. maar wij verachten. 11 Tot op deze tegenwoonlise ure lijden wij hon«er en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten «eslagen, en hebben geene vaste woonplaats, 13 en arbeiden. Merkende met onze eigene handen; wij worden «escholden en wij zegenen; wij worden vervolgd en wij verdragen ; l'l wij worden gelasterd en wij bidden; wij zijn «eworden als nitvaaicsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe. 14 Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen; maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u. |
ió Want al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zoo hebt {/ij toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. llgt; Zoo vermaan ik u dan, zijt mijne navolgers. 17 Daarom lieb ik Timótheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heerc, welke u zal indacliti« maken mijne weiren die in Christus zijn, «elijkerwijs ik alom in alle «emeenten leer. IS Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zoude; i*.) maar ik zal baast tot u komen, zoo de Ileere wil, en ik «al (Inn verstaan niet de woorden dergenen die opgeblazen zijn, maar de kracht; 20 want het Koninkrijk Gods is niet yelegen in woorden, maar in kracht. 21 Wat wilt «ij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid ? HOOFDSTUK 5. MEN hoort ganschelijkEN hoort ganschelijk dnt er hoererij onder u is, en zoodanige hoererij die ook onder de heidenen niet genaamd wordt, alzoo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft. 2 En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veelmeer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft? Doch ik, als wel niet het lichaam afwezend maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alresde, also/- ik tegenwoordig ware, dengenen, die dat alzoc bedreven heeft, besloten, gt; in den naam onzes Ileerei-Jezus Christus, als «ijlieden en mijn geest te zinnen vergaderd zullen zijn, met de kracht onzes Ileercn Jezus Christus, 5 denzulken ever te geven den |
|
1 CORIK1 satan tot verderf des vleesches, ojidat de {feest beliouden niove worden in den da.^ des lleeren Jezus. C L'w roem is niet ?:oed. Weet irij niet dat een weinig zuur-deesem het geheele dees zuur maakt? 7 Zuivert dan den ouden zuur-deesein uit, opdat bijeen nieuw dees zijn nioogt, gelijk {rij ongezuurd zijt. AVant ook ons l'aseha is voor ons geslaeht, namelijk Christus. 8 Zoo dan laat ons feest honden, niet in den ouden zuur-deesem, noch in den zuurdee-sein der kwaadlund en der hoosheid, maar in de ongezuurde broaden der oprechtheid en der waarheid. 9 Ik heb u geschreven in den brief, dat srij u niet zoudt vermensen niet de hoereerders; 10 doch niet jre heel lijk met de hoereerders dezer wereld, of met de sieriiraards, of met de roevers, of met de afgodendienaars ; want anders zoudt Sà uit de wereld moeten traan. 11 Maar nu heb ik u geschreven dat {rij n niet zult vermen-Sen, namelijk indien iemand, een broeder scnaamd zijnde, een hoereerder is, of een srie-risaard, of een afirodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roover, dat irij met zoodanis eenen ook niet zult eten. 1*2 AVant wat heb ik ook die buiten zijn te oordeelen ? Oordeelt sijlit'den niet die binnen zijn 'r i;( Maar die buiten zijn oordeelt God. Kn doet sij dezen booze uit ulieden wes. HOOFDSTUK G. DUllFT iemand van ulieden, die eene zaak heeft tesren een ander, te recht s«au voor de onrechtyaardisen, en niet voor de heiliven ?UllFT iemand van ulieden, die eene zaak heeft tesren een ander, te recht s«au voor de onrechtyaardisen, en niet voor de heiliven ? '2 Weet s'j quot;'«t dat deheilisen |
IIÃRS (5. srn de wereld oordeelen zullen? â üi indien door u de wereld se-oordeeld wordt, zijt sij onwaardis de minste rechtzaken? 'i Weet trij niet dat wij de Kn-Selen oordeelen zullen ? Hoe veel te meer de zaken die dit leven aansaan! 4 Zoo irij dan rechtzaken hebt die dit leven aansaan, zet die daarover die in de semeente minst seacht zijn. 5 Ik zes u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u seen die wijs is, ook niet één, die zoude kunnen oordeelen tus-scaen zijne broeders? (! Maar de éène broeder s»nt nut den anderen broeder te recht, en dat voor ouseloo-viiren! 7 Zoo is er dan nu sanschc-lijk sebrek onder u, «lai sij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt sij niet liever on-relijk? Waarom lijdt Sà quot;'ct liever schade? 8 Maar sÃlieden doet onse-lijk en doet schade, en dat den broederen ! 9 Of weet sà quot;ie dat de-onrechtvaardisen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? 10 Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afsodendienaars, noch overspelers, noch on-tuchtiiren, noch die bij mannen lis-en, noch dieven, noch s'ierisaards, noch dronkaards, seen lasteraars, seen rooveis zullen het Koninkrijk Gods beërven. 11 En dit waart irij sommi-sen; maar sà '^Ãt afirewas-schen, maar sij zijl scheilisd, maar s'j zijt irerechtvaardisd in den naam des lleeren Jezus en door den Geest onzes Gods. li Alle dinsen zijn mij slt;-'-oorloofd, maar alle dinsen zijn niet oorbaar; alle dinsen zijn mij treoorloofd, maar ik zal mij onder de macht van Seen dimj lal en b ren sen. i;{ De spijzen zijn voor den buik, en de buik ia voor de |
|
â¢23S 1 CORIN1 â spijzen-, mnar God zamp;\ beide â¢dezen en die tenietdoen. Doch het lichaum is niet voor de hoererij, maar voor den Ileere, en de Heere voor het lichaam. 14 En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons op-â vvekken door zijne kracht. 15 Weet üij niet dat uwe lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en ze leden eener hoer maken ? Dat zij verre. Ifi Of weet sdj niet, dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot éénvleesch wezen. 17 Maar die den Heere aau-liauirt is één ge.'st met hem. IS Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mensch doet, is buiten het lichaam; maar die .hoererij bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen lichaam. 19 Of weet gij niet, dat ulie-der lichaam een tempel is des Heiligen Geestes die in u is, ⢠dien gij van God hebt, en dut gij van uzelven niet ziit? 20 Want gij zijt auur gekocht: zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen â¢geest, welke Gods zijn. HOOFDSTUK 7. AANGAANDE nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt, het is een mensch goed â¢geene vrouw aan te raken;ANGAANDE nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt, het is een mensch goed â¢geene vrouw aan te raken; '2 maar om der hoererijen wil zal een iegelijk man zijne eigene vrouw hebben, en eene iegelijke vrouw zal haren eigenen man hebben. De man zal aan de vrouw ^dc schuldige goedwilligheid betalen, en desgelijks ook de vrouw aan den man. 4 De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks heeft ook de man de macht niet over zijn eigeu lichaam, maar de vrouw. |
1IÃRS 7- 5 Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor eenen tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat de satan u niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden. 6 Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. 7 Want ik wilde dat alle men-schen waren gelijk als ikzelf ben; maar een iegelijk heeft zijne eigene gave van God, de één quot;wel aldus, maar de ander alzóó. H Doch ik zeg den ongetrouw-den en den weduwen: het is hun goed. indien zij blijven gelijk als ik. *gt; Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat ze trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden. 10 Doch den getrouwden gebied niet Ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide; 11 en indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of zich met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. 12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: indien eenig broeder eene ongeloovige vrouw heeft, en deze tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate; i:lt; en eene vrouw die eenen ongeloovi-ren man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. 14 Wai t de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. ló Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide: de broeder of de zuster wordt in /.ondanige gevallrn niet dienstbaar tremaakt. Maar God heeft ons tot vrede geroepen. 16 Want wat weet gij, vrouw. |
|
of pnj den man znlt zaliir maken? Oi wat weet gij, man, of ^ij de vrouw zult zalig maken? 17 Doch gelijk God aun een ieselijk heeit uitgedeeld, irelijk de lleere een iegelijk geroe)gt;en heeft, dat hij alzóó \\a dele; en alzóu ordineer ik in alle de gemeenten. IS Is iemand besneden zijnde geroepen, die late zich geeue voorhuid aantrekken; is iemand in de voorhuid zijnde geroepen, die late zich niet besnijden. li) De besnijdenis is niets en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. 20 Ken iejelijk blijve in die roeping waar hij in geroepen is. *21 Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen, laat u dat niet bekommeren maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. 22 Want die in den lleere geroepen is een dienf-tknlt;-cht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. 2:t Gij zijt duur gekocht: wordt geene dienstknechten der men-seheu. 24 Ken iegelijk waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God. 2'gt; Aangaande de maagden nu heb ik seen bevel des lleeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartighoid van den Heere gekregen heb om getrouw te zijn. 26 Ik houde dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood, dat het, zey ik, den mensch goed is alzóó te zijn. 27 Zijt gij aan eene vrouw verbonden, zoek treene ontbinding; zijt irij niet aan eene vrouw verbonden, zoek geene vrouw. 25 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondiet niet. |
HIÃRS 7. 239 Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleesch. Kn ik spaar ulieden. 29 Maar dit zes ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 30 en tfie weenen, als niet weenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die koopen, als niet bezittende; 31 en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; wanr, de sedaantc dezer wereld gaat voorbij. 32 Kn ik wil dat gij zonder bekemmernis zijt. D;: ongetrouwde bekommert zich over de dingen des lleeren, hoe hij den lleere zal behasen; 33 maar die getrouwd is, bekommert zich over de dinsen der wereld, hoe hij de vrouw zal behasen. 34 Kei.e vrouw en eene maagd zijn o.-dcrscheiden. De ongetrouwde bekommert zich over de dingen des lleeren, opdat zij htilig zij, beidgt;-aan lichaam en aan seest; maar die getrouwd is, bekommert zich over de diiigen der wereld, hoe zij den man zal behagen. 35 Kn dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet opdat ik eeuen strik over u zoude werpen, maar om u te leiden lot hetgeen wèl voegt en bekwaam is om den lleere wèl aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden. 3'gt; Maar zoo iemand acht dat hij ongevoeglijk handelt met zijne maasd, indien zij over den jeugdigen tijd saat, en het alzoo moet geschieden, die doe wat hij wil; hij zondigt niet: dat ze trouwen. 37 Doch wie vaststaat in zijn hart, geene noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft dat hij zijne maa^d zal bewaren, die doet wèl. 38 Alzoo dan die haar ten bu- |
|
240 1 CORINTl wel ijk uitgeeft, dip doet wM; ca tlie ze ten iuiwelijk niet viit-jreeft, die duet beter. :{â¢) Eene vrouw is door de wet verbonden zoo lau^eu tijd iiaar man leeft; maar iudieu haar man ontslapen is, zoo is zij vrij om te trouwen wieu zij wil, alleenlijk in den lleere. 40 Maar zij is üelukki^er indien zij alzóó blijft, naar mijn gevoelen; en ik meen ook den Geest Gods te hebben. HOOFDSTUK S. AANGAANDE nu de dingen die den afgoden geotterd zijn, wij weten dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.ANGAANDE nu de dingen die den afgoden geotterd zijn, wij weten dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 Kn zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen; S maar zoo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend. 4 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één. 5 Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heeren zijn), nochtans hebben wij maar ééneu God, den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot Hem, en maar ééneu lleere, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wij door hem, 7 Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met eene conscientie des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hunne conscientie zwak zijnde, wordt bevlekt. S De spijs nu maakt ons Gode niet aantrenaam; want hetzij dat wij eten, wij hel)ben geen overvloed; en hetzij dat wij |
IERS 8, 9. niet eten, wij hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe, dat deze uwe macht niet eenigerwijze een aanstoot worde dengenen die zwak zijn. ld Want zoo iemand u die de kennis hebt, ziet in den afgodstempel aanzitten, zal de conscientie van hem die zwak is, niet gestijfd worden om te eten de dingen die den afgoden geofferd zijn? 11 Eu zal de broeder die zwak is door uwe kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is? 12 Doch gijlieden alzóó tegen de broeders zondigende en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus. i:» Daarom indien de spijs mijnen broeder ergert, zoo zal ik in eeuwigheid geen vleesch eten, opdat ik mijnen broeder niet ergere. HOOFDSTUK 9. BEN ik niet een Apostel? Ben ik niet vrij? Ileb ik nietJezus Christus onzen lleere gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere?EN ik niet een Apostel? Ben ik niet vrij? Ileb ik nietJezus Christus onzen lleere gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere? 2 Zo» ik anderen geen Apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns Apostelschap» zijt gijlieden in den Heere. Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek over mij doei., is deze. 4 J lebben wij niet macht om te eten en te drinken ? 5 L ebben wij niet macht om eene vrouw, eene zuster zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere Apostelen en de broeders des Heeren en ('efas ? (» O'- hebben alleen ik en B.ir-nabas geene macht van niet te werken ? 7 Wie dient ooit in den krijg op eigen bezolding ? Wie plant eenei! wijngaard, en eet niet |
|
1 CORIN1 van ziine vrucht? Of wie weidt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde? 8 Spreek ik dit naar den mensch, of zegt ook de Wet dit niet? 9 Want in de wet van Mazes is geschreven: Gij zult eenen dorschenden os niet niuilban-den. Zorgt God ook voor de ossen ? 10 Of zejrt liij dat ganschelijk om onzentwil ? Want om on-zentwil is dat geschreven; overmits die ploegt, op hope moet ploegen, en die op hope dorscht, moet zijner hope deelachtig worden. 11 Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het eene groote zaak, zoo wij het uwe dat lichamelijk is, maaien ? 12 Indien anderen dezer macht over u deelachtig zijn, waarom niet veelmeer wij ? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het alles, opdat wij niet eenisre verhindering treven aan het Kvanaelie van Christus. l.'l Weet gij niet dat degenen die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten, en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar deelen ? 14 Alzóó heeft ook de Ileere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. 15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven opdat het alzóó aan mij geschieden zoude; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijnen roem ijdel zoude maken. IR Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem; Mant de nood is mij opgelegd, en wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig! 17 Want indien ik dat gewillig doe, zoo heb ik loon; maar indien onwillig, de uitdeeling is mij evenwel toebetrouwd. |
Ià ÃRS 9. 241 18 Wat loon heb ik dan? Namelijk dat ik het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stel, om mijne macht in het Evangelie niet te misbruiken. 19 Want daar ik van allen vrij was, heb ik niijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen. 2ii En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zoude; dengenen die onder de wet zijn, ben ik yeworden als onder de we- zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn, winnen zoude; 21 dengenen die zonder de wet zijn, ben ik t/eicorden als zonder de wet zijnde (voor God nochtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn, winnen zoude. 22 Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude: allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenigen behouden zoude. En dit doe ik om des Evangelies wil, opdat ik hetzelve mede deelachtig zoude worden. 24 Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan loepen, allen wel loopen, maar dut één den prijs ontvangt? Loopt alzóó, dat gij dien moogt verkrijgen. 25 En een iegelijk die om lirijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dézen dan doen dit wel opdat zij eene verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij eene onverderfelijke. 2tgt; II: loop dan alzóó, niet als op hef onzekere; ik kamp alzóó, niet als de lucht slaande; 27 maar ik bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet soms, daar ik anderen gepre-10 |
1 CORINTHIERS 10.
|
zelf verwerpelijk HOOFDSTUK 10. EX ik wil niet, broeders, dat irij onwetende zijt, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, en allen door de zee doonreiraan zijn,X ik wil niet, broeders, dat irij onwetende zijt, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, en allen door de zee doonreiraan zijn, 2 en allen in Mozes gedoopt zijn in dc wolk en in de zee, 3 en allen dezelfde geestelijke spijs pegeten hebben, 4 en allen denzelfoen sees-telijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus. 5 Maar in 't raeerenf/lt;?e! van hen heeft God seen welsreval-len gehad; want zij zijn in de woestijn ternedergeslagen. 6 En deze dingen zijn geschied, ⢠ons tot voorbeelden, opdat wij geenen lust tot het kwaad zouden hebben, geliikerwijs als zij lust gehad hebben. 7 En wordt geen afirodendie-naars, gelijkerwijs als sommigen van hen, jrelijk geschreven staat; Het vnlk zat neder om te eten en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. S En laat ons niet hoereeren, gelijk sommi'ren van hen gehoereerd hebben, en er vielen op ééiien dag drie en twintig ' duizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelij ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. 1H En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den ver-derver. 11 En alle deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot -waarschuw i:ig van ons, op -dewelke dc einden der eeuwen gekomen zijn. .-dikt heb, â worde. |
12 Zoo dan die meent te staan, zie toe dat hij niet val le. 13 Uli den heeft geene ver-zoeking bevangen dan men-schelijke; doch God is getrouw, welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar Hij zal met de verzoeking ook dc uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen. 14 Daarom, mijne geliefden, vliedt van den afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik: oordeelt gij hetgeen ik zeg. Ifi De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeygendf zegenen, is die niet eene gemeenschap des bloeds van ChristusJ? Het brood dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des lichaams van Christus? 17 Want één brood is het, zóó zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. 18 Ziet Israël dat naar het vleesch is: hebben niet degenen die de otteranden eten, gemeenschap met het altaar ' 19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is ? 20 Ja, ik zeg dat hetgeen de hei -denen offeren, zij het den duivelen offeren, en niet Gode. En ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. 21 Gij kunt den arinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn der tafel des Heeren en der tafel der duivelen. 22 Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan hij? 2.1 Alle dingen zijn mij ge-oorloDfd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen sdchten niet. 24 Niemand zoeke wat zijns-zelfs is, maar een iegelijk |
1 CORINTH IERS 11.
243
|
zoelte wat des anderen is. â 25 Eet al wat in het vleesch-huis verkocht wordt, niets ondervragende om der conscientie wil. 20 Want de aarde is des Hee-ren, en de volheid derzelve. 27 En indien iemand van do ongeloovigen u noodt, en urij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende om der conscientie wil. 2S Maar zoo iemand tot ulieden zegt: Hat is afgodenoffer, eet het niet, om desgenen wil, die m dat te kennen gegeven heeft, en om der conscientie wil; want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve. 29 Doch ik zeg om de conscientie, niet van uzelven maar des anderen; want waarom wordt mijne vrijheid geoordeeld van eene andere conscientie? .â {() En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen waarvoor ik dankzeg? 31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods. 32 Weest zonder aanstoot te geven, èn den Joden, èn den Grieken, èn der gemeente Gods: 3quot;$ gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden. HOOFDSTUK 11. WEEST mijne navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.EEST mijne navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus. 2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik u die overgegeven heb. |
3 Doch ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het hoofd van Christus. â¢I Een iegelijk man die bidt of profeteert, hebbende op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; 5 maar eene iegelijke vrouw die bidt of profeteert met onge-dekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is één en hetzelfde alsof haar het haar afgesneden ware. C) Want indien eene vrouw niet genekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het leelijk is voor eene vrouw, geschoren te lijn of het haar afgesneden te I ebben, dat zij zich dekke. 7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. 8 Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw uit den man. 9 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. ld Daarom moet do vrouw eene macht op het hoofd hebben, om der Engelen wil. 11 Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heere. 12 Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzóó is ook de . man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God. 13 Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk dat de vrouw ongedekt God bidde? 14 Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zoo een man lang haar draagt, het hem eene oneer is, 15 maar zoo eene vrouw lang haar draagt, dat het haar eene eer is, omdat haar het lange haar voor een deksel is gegeven ? 1(5 Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods. |
|
244 1 CO RIN' 1quot; Dit nu hctgeeii ik u aiiuzcir, prijs ik niet, namelijk dut «ij niet tot beter, muur tot crjjer ünmenkoint. IS Wu.it eerstel ijk, als uij suinenkomt in de gemeente, zoo hoor ik dut er scheuringen ouder u zijn, en ik geloot' het ten deele. 19 Wunt daar moeten ook ketterijen onder u zijn, opdut degenen die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u. *20 Als ^ij dun samen hijeen-komt, dnt is niet des lleeren Avondmaal eten; 21 want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn efceu avondmaul; en déze is hongerig, en de ander is dronken. 22 Hebt gij dan geen huizen om er te eten en te drinken? Of veracht sij de gemeente Gods, en beschaamt gij degenen die niet hebheii? \Vat zul ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik n niet. 2.ft Want ik heb van den Heere ontvangen hetgeen ik u ook ovemeireven heb, dat de Heere Jezus in den nacht in welken hij verraden werd, het broo.l nam; 24 en uls hij gedankt had, brak hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. 25 Desgelijks nam hij ook den drinkbeker na het eten des Avoudmaals, en zeide; Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed: doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. 20 Want zoo dikwijls als }rij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des lleeren, totdat hij komt. 27 Zoo dan wie on waardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des lleeren drinkt, die zal schuldig zija aan het lichaam en blued des lleeren. |
[{IERS 12. 2s Maar de mensch beproeve zichzelven, en ete alzóó van het brood en drinke van deu drinkbeker. 29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven ecu oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. 30 Daarom zijn onder u vele zwakken en krunken, en velen slapen. 31 Want indien wij onszelven oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden. 32 Maar als wij geoordeeld worden, zoo worden wij van den Heere getuchtigd, opdut wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. 3'( Zoo dan, mijne broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander. 34 Doch zoo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik ordineeren, als ik zal gekomen zijn. HOOFDSTUK 12. EN van de geestelijkeN van de geestelijke anven, broeders, wil ik niet uat gij onwetende zijt. 2 Gij weet dat srij heidenen waart, tot de stomme afgoden henengetrokken, naardut gij geleid werdt. 3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door den Geest Gods spreekt, Jezus eene vervloeking noemt; en niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest 4 Kn daar is verscheidenheid der sraven, doch het is dezelfde Geest; 5 en daar is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde H eere; (j en daar is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God die alles in allen werkt. |
|
1 COR1N1 7 Maar aan een iepelijk wordt de o|gt;eiibariiiK des Geeste» fregeven tot hetgeen oorbaar is. S Want aan dezen wordt door den Geest geRevcn het woord der wijsheid, en aan een ander het woord der kennis, door den-zei tden Geest; U en aan een ander het geloof, door denzeltden Geest; en aan een ander de gaven der gezond-niakingen, door denzelfden Geest; 10 en aan een ander de werkingen der kraehten; en aan een ander profetie; en aan een ander onderscheidingen der geesten ; en aan een ander menigerlei talen; en aan een ander uitlegging der talen. 11 Doch alle deze dingen werkt één en dezelfde Geest, toedee-lende aan een iegelijk in 't bijzonder gelijkerwijs hij wil. 1*2 Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en alle de leden van dit ééne lichaam vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzóó ook Christus. IH Want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij dienstknechten hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. 14 Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden. 15 Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand .niet hen, zoo ben ik van het lichaam niet: is die daarom niet van het lichaam ? 10 lïn indien het oor zCide: Dewijl ik het ooir niet ben, â¢zoo ben ik van het lichaam niet: is het daarom niet van het lichaam? 17 Ware bet geheele lichaam het oog, waar zoude het gehoor zijn '( Ware het geheele lichaam gehoor, waar zonde de reuk zijn ? 18 Maar uu heeft God de Iel'.ÃRS 12. 245 |
den gezet, elk van dezelve iu het lichaam gelijk 11 ij gewild heeft. 19 Waren ze allen maar één lid, waar zoude het lichaam zijn ? 20 Maar nu zijn er wel vele leden, doch muur één lichaam. 21 En het ootr kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van noode, of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van noode. 22 Ja veeleer, de leden die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn noo-disr; 23 en die ons dunken de minst aan zienlijke leden des lichaams te z'jn, denzelven doen wij over-vloedisrer eer aan, en onze onsierlijke leden hebben overvloe-diger versiering. 24 Doch onze sierlijke hebben het niet van noode; maar God beeft het lichaam alzóó samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft, 25 opdat iteeu tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander quot;gelijke zorg zouden dragen. 2(» En hetzij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich alle de leden mede. 27 En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in 't bijzonder. 28 En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste Apostelen, ten tweede Profeten, ten derde Leeraars, daarna krachten, daarna traven der gezondmakingen, behulp-sels, regeeringen, menigerlei talen. 29 Zijn ze allen Apostelen ? Zijn ze allen Profeten? Zijn ze allen Leeraars? Zijn ze allen krachten ? :«» Hebben ze allen gaven der gezondmakingen? Spreken ze allen met menigerlei |
|
240 1 CORINTH talen? Zijn ze allen uitles;-gers? 31 Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs n eenen weg die nog uitiu-meuder is. HOOFDSTUK 13. AL ware het dat ik de talen der inenschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.L ware het dat ik de talen der inenschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden. 2 En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist alle de verborgen heden en al de wetenschap; en al ware het dat ik al het geloof had, zoodat ik bersen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik uiets. 3 En al ware het dat ik alle mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde; en al ware het dat ik mijn lichaam ovcr-gaf, opdat ik verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geen nuttigheid geven. â¢I De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afsunsti^; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen; 5 zij handelt niet ouKCSchik-telijlc, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; »gt; zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid; 7 zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. 8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet sredaan worden ; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. 9 Want wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele; '10 doch wanneer het vol-inuaktc zal gekomen zijn, dan |
[ERS 13, 14. zal hetgeen ten deele is, te niet gedaan worden. 11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als ee» kind, overleide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. 12 Want wij zien nü door eenen spiegel in eene duistere rede, maar alsdiln zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. 13 En nu blijft sreloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde. HOOFDSTUK 14. JAAGT de liefde na, en ijvert om de '-reestelij keAAGT de liefde na, en ijvert om de '-reestelij keynven, maar meest dat gij inoogt profeteeren. 2 Want die eene vreemde taal spreekt, spreekt niet den inenschen maar Gode; want niemand verstaat het, doch met den ireest spreekt hij verborgenheden ; 3 maar die profeteert, spreekt den menschen stichting en vermaning en vertroosting. 4 Die eene vreemde taai spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert, die sticht de sremeente. ó En ik wil wel dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer dat ïij proleteert; want die profeteert is meerder dan dit vreemde talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitlegde, opdat Je gemeente stichting inoge oatvangen. (gt; En i.u, broeders, indien ik tot ;⢠kwam en sprak vreemde talen, wat nutti -heid zoude ik u doen, zoo ik tot u niet sprak of in openbaring, óf in kennis, of in profetie, 6f in leering ? 7 Zelfs ook de levenlooze dingen die geluid geven, hetzij |
|
1 CORI NT fluit, hetzij citer, zoo zij iteen ouderscheid met /iiiuneu klank jjeven, hoe zal bekend worden hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt ? 8 quot;Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geett, wie zal zich tot den krijg bereiden ? 9 Alzoo ook gijlieden, indien sij niet door de tual eene duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want ^ij zuit zijn als die in de lucht spreekt. 10 l)aar zijn. naar het voorvalt, zoovele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem. 11 Indien ik dan de kracht der stem niet weet, zoo zal ik hem die spreekt, barbaarsch zijn, en hij die spreekt, zal bij mij barbaarsch zijn. 12 Alzoo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zoo zoekt dat gij moogt overvloedig ziju tot stichting der uemeente. 13 Daarom wie in eene vreemde taal spreekt, die bidde dat hij het moge uitleggen; 14 want indien ik in eene vreemde taal bid, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is vruchteloos. 15 Wat is 't dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden ; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. 16 Anderszins indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene die de plaats eens on-geleerden vervult, amen zegiren op uwe dankzegging;, dewijl hij niet weet wat sjij zegt ? 17 Want idj dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht. 18 Ik dank mijnen God dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen; 19 maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ll'ÃRS 14. 247quot; |
ook anderen moge onderwijzen,, dan tien duizend woorden in eene vreemde taal. 2(i Broeders, wordt geene kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. 21 In de Wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook alzóó zullen zij Mij niet hooren, zegt de Ileere. 22 Zoo dan, de vreemde talen zijn tot een teekeu niet dengenen die gelooven, maar deu ongeloovigen; en de profetie niet den ongeloovigen, maar dengenen die gelooven. 23 indien dan de geheele gemeente bijéénvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en eenige ongeleerdeu of ongeloovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen dat gij uitzinnig waart? 24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongeloovige of ongeleerde inkwam, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld, 25 en alzóó worden de verborgene dingen zijns harten openbaar; en alzóó vallende op tija aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen dat God waarlijk onder u is. 20 Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u heeft hij eenen psalm, heeft hij eene leer, heeft hij eene vreemde taal, heeft hij eene openbaring, heeft hij eene uitlegging: laat alle dingen geschieden tot stichting. 27 En zoo iemand eene vreemde taal spreekt, dat het door twee of ten meeste drie geschiede, en bij beurte, en dat één het uitlegge; 28 maar indien daar geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeeute, doch dat hij tot |
|
248 1 CORING aichzelven spreke en tot God. *29 En dat twee of drie Profeten spreken, en dat de anderen oordeelen; ;{() doch indien eenen anderen die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwij-xe. 31 Want Rij kunt allen de één na den ander profeteeren, opdat zij allen leeren en allen jcetroost worden. :J2 En de geesten der Profeten zijn den Profeten onderworpen; want God is geen God van verwarring maar van vrede, sje-lijk in alle de gemeenten der 'beilitren. 34 Dat 'uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen; want bet is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet zest. 35 En zoo zij iets willen leeren, laat ze te huis bare eigene mannen vragen; want bet staat leelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken. 3(5 Is het Wonrd Gods van n uitgegaan, of is het tot u alléén gekomen ? 37 Indien iemand meent een Profeet te zijn of geestelijk, die erkeiine dat betgeen ik u schrijf, des Ileeren geboden zijn; 38 maar zoo iemand onwetend is, die zij onwetend. 3!) Zoo dan, broeders, ijvert om te profeteeren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken. 4(» Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. HOOFDSTUK 15. VOORTS, broeders, ik maak u bekend liet Evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk irij ook staat,OORTS, broeders, ik maak u bekend liet Evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk irij ook staat, 2 door hetwelk gij ook zali-; wordt, indien gij het behoudt [IIERS 13. |
op zoodanivre wijs als ik bet u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. 3 Want ik heb ulieden te:gt; eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 en dat hij is begraven, en dat hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften; 5 en dat hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalve. 6 Daarna is hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op éénmaal, van welke het meerenrfcel nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is hij gezien van Jacobns, daarna van alle de Apostelen. s En ten laatste van allen is hij ook van mij als van een ontiidit; geborene gezien. 9 Want ik ben de minste van de Apostelen, die niet waardig ben een Apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. ld Doch door de genade Gods ben ik wat ik ben; en zijne genade die aan mij bewezen in, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is. 11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzóó prediken wij en alzóó hebt gij geloofd. 12 Indien nu Christus gepredikt wordt dat hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u dat er geene opstanding der dooden is ? 13 En indien er geene opstanding der dooden is, zoo is Christus óók niet opgewekt. 14 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof; 15 en zoo worden wij ook bevonden yalsche getuigen Gods; want w.j hebben van God sre-tuigd dat Hij Christnsopgewekt heeft: dien Hij niet heeft opge- |
|
1 CORIN' wekt, zoo namelijk de dooden uiet opgewekt worden. Ift Want indien de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt; 17 en indien Curistus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zonden; IS zoo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn. 19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van nlle menschen. 20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, en is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. 21 Want dewijl de dood door een mensch is, zoo is ook de opstanding der dooden door een mensch. 22 Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzóó zullen ze ook in Christus allen levend gemaakt worden; 2'$ maar een ietrelijk in zijne orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn in zijne toekomst. 24 Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben, wanneer hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht. 25 Want hij moet als Konins: heerschen, totdat hij alle de vijanden onder zijne voeten zal gelejrd hebben. 2r) De laatste vijand die te niet tredaan wordt, is de dood. 27 Want Hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zc-^t dat /«m alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar dat Hij uitgenomen wordt die hem alle dingen onderworpen heeft. 28 En wanneer hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien, die hem alle dingen onderworpen heeft, [I1KRS 15. i:49 |
opdat God zij alles in allen. 29 Anders wat zullen zij doen die voor de dooden gedoopt worden ? Indien de dooden gan-schelijk niet opsrewekt worden, waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt? M Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar? :n Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem dien ik heb m Christus Jezus onzen Heere. S2 Zoo ik naar den mensch tegen de beesten gevochten heb te Kfeze, wat nuttigheid is het mij, indien de dooden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. ;n Dwaalt niet. Kwade sa-mensprekingen verderven goede zeden. 34 Waakt öp reehtvaardiglijk, en zondigt niet, want sommigen hebben de kennis Gods niet. Ik zeg het u tot schaamte. :i5 Maar, zal iemand zeggen, hoe zullen de dooden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen ? 30 Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het -zestorven zij. T, En hetgeen gij zaait, danr-van zaait gij het lichaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe of van eenig der andere yranen. HS Maar God geeft aan hetzelve een lichaam irelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. .'{0 Alle vleesch is niet hetzelfde vlcesch ; maar een ander is het vleesch der menschen, en een ander is het vleesch der beesten, en een ander der vissclien, en een ander der vogelen. 10 En daar zijn hemelsche lichamen, en daar zijn aard-sche lichamen; maar eene andere is de heerlijkheid der he- |
|
250 1 CORINI melsclie en ecne andere der aardsehe. 41 Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere ft de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren ; want de téue ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. 42 Alzóó zal ook de opstanding der dooden zijn. liet lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. 43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Daar is een natuurlijk lichaam, en daar is een geestelijk lichaam. 45 Alzóó is er ook geschreven: l)e eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel, de laatste Adam tot eeiien levendmakenden geest. 46 Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. 47 De eerste mensch is uit de aarde aardsch; de tweede mensch is de lieere uit den hemel. 48 Hoedanig de aardsche ia, zoodanig zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemel-schen. 49 En gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzóó zullen wij ook het beeld des hemelschcn dragen. 50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet. 51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid : wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zul- |
11 KUS 1G. len allen veranderd worden, 5-2 in een punt des tijds, in een oogenbhk, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 5:? 'Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke onverderfelijkheid zal aan-tredaan hebben, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aangedaan hebben, alsdamp;n zal het woord geschieden dat geschreven is; De dood is verslonden tot overwinning. 55 Dood, waar is uw prikkel ? Hel, waar is uwe overwinning? 56 De prikkel nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. 5S Zoo dan, mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heere ik als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. HOOFDSTUK 16. AANGAANDE nu de verzameling die voor de heiligen ANGAANDE nu de verzameling die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de gemeenten in Galatië verordineerd höb, doet ook gij alzóó. 2 Op eiken eersten dag der week legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende eenen schat, naar dat hij welvaart verkregen heeft; opdat de inzamelingen alsdün niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn. 3 En wanneer ik er zal se-komen zijn, die ^ij zult be-kwaa-u achten door brieven, dezelve zal ik zenden om uwe |
|
1 GORINl arave naar Jeruzalem over te draden. 4 Ku indien liet de moeite wanr-dis mocht zijn dat ik ook zelf reizen zoude, zoo zullen zij met mij reizen. 5 Doch ik zal tot u komen wanneer ik Macedonië zal door-quot;egaan zijn (want ik zal door Macedonië gaan); 6 en ik zal mogelijk bij u blijven of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden waar ik zal henenreizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in 't voorbijgaan ; maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien de lleere het zal toelaten. 8 Maar ik zal te Efeze blijven tot den Pinksterrfrt*;. 9 Want mij is eene groote en krachtige deur geonend, en daar zijn vele tegenstanders. lil Zoo nu Timótheüs komt, ziet dat hij buiten vreeze bij u zij; want hij werkt het werk des Ileeren gelijk als ik. 11 Dat hem dan niemand verachte; maar ïeleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen. 12 En wat aantraat Apollos den broeder, ik heb hem zeer gebeden dat hij met de broederen tot u komen zoude; maar het was ganschelijk zijn wil niet dat hij nü zoude komen; doch hij zal komen wanneer het hem welgelegen zal zijn. |
IIÃRS Ifi. 251 i:? Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk. 14 Dat alle uwe dingen in de liefde geschieden 15 En ik bid u. broeders, gij kent het huis van Stéfanas, dat het is de eersteling van Achóje, en ilat zij zichzelven den heiligen ten dienste hebben geschikt, 16 dat ook srij u aan de zoo-daniiren onderwerpt, en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt. 17 En ik verblijd mij over de aankomst van Stéfanas en For-tuiij.tus en Acbalcus; want. dezen hebben vervuld hetgeen mij aan u ontorak. 18 Want zij hebben mijnen â¢rees: verkwikt, en oogden uwen. Erkent dan de zoodanigen. 19 U groeten de tremeenten van Azië. ü irroeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla: met de gemeente die te hunnen huize is. U groeten alle de broeders. Groet elkander met eenen heiligen kus. 21 De crroetenis met mijne hand, van 1'aulus. 22 Indien iemand den lleere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking: Ma-ran atha. 2:$ De genade des Ileeren Jezus Christus zij met u. 24 Mijne liefde zij met u allen iu Christus Jezus. Ameu.. |
|
248 1 CORIN' zichzelvcn spreke eu tot God. 29 En dat twee of drie Profeten spreken, en dat de anderen oordeelen; .'lt;0 doch indien eenen anderen die er xit, iets geopenbaard is, dat de eerste z wij're. 31 Want gij kunt allen de één na den ander profeteeren, opdat zij allen leeren en allen getroost worden. :{2 En de geesten der Profeten zijn den Profeten onderworpen; 'M want God is geen God van verwarring maar van vrede, gelijk in alle de gemeenten der beiliiren. 31 Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen: want het is haar niet toegelaten te spreken, maar beroleu onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet aegt. 35 En zoo zij iets willen leeren, laat ze te huis hare eigene mannen vragen; want het staat leelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken. 3« Is het Wonrd Gods van u uitgegaan, of is het tot u alléén gekomen '( 37 Indien iemand meent een Profeet te zijn of geestelijk, die erkenne dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn; SS maar zoo iemand onwetend is, die zij onwetend. 39 Zoo dan, broeders, ijvert om te profeteeren, en verhindert niet in vreemie talen te spreken. 40 Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. HOOFDSTUK 15. VOORTS, broeders, ik maak u bekend het Evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk srij ook staat,OORTS, broeders, ik maak u bekend het Evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk srij ook staat, 2 door hetwelk gij ook talig wordt, indien gij het behoudt |
HEUS 15. op zoodanige wijs als ik het u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. 3 Want ik heb ulieden te:i eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 en dat hij is begraven, en dat hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften; 5 en dat hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalve. fi Daarna is hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op éénmaal, van welke het meerenrfeci nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is hij gezien van Jaeobus, daarna van alle de Apostelen. s En ten laatste van allen is hij ook van mij als van een ontijdig geborene gezien, fl Want ik ben de minste van de Apostelen, die niet waardig ben een Apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. 10 Doch door de genade Gods ben ik wat ik ben; en zijne genade die aan mij heirezen in, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is. 11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzóö prediken wij en alzóó hebt gij geloofd. 12 Indien nu Christus gepredikt wordt dat hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u dat er geene opstanding der dooden is ? 13 En indien er geene opstanding der dooden is, zoo is Christus óók niet opgewekt. 11 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof; 15 en Z'.)o worden wij ook bevonden valsehe getuigen Gods; want wi.i hebben van God ire-tuigd dat Hij Christus opgewekt heeft: d'.en Hij niet heeftopge- |
|
1 CORIN' wekt, zoo namelijk de dooden uiet opgewekt worden. Ifi Want indien de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt; 17 en indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zonden; 18 zoo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn. 19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste vau alle menschen. 2(1 Maar nu, Christus is opgewekt uit de douden, en is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. 21 Want dewijl de dood door een niensch is, zoo is ook de opstanding der dooden door een mensch. 22 Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzóó zullen ze ook in Christus allen levend gemaakt worden; 2^1 maar een ietrelijk in zijne orde: de eerstelint; Christus, daarna die van Christus zijn in zijne toekomst. 24 Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben, wanneer hij zal te niet gedaan hebben alle heersehnppij en alle maeht en kraeht. 25 Want hij moet als Koninif heerschen, totdat hij aJle de vijanden onder zijne voeten zal geletrd hebben. 20 De laatste vijand die te niet tredaan wordt, is de dood. 27 Want Hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer Ilij zeirt dat hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar dat Ilij uitgenomen wordt die hem alle dingen onderworpen heeft. 28 En wanneer hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien, die hem alle dingen onderworpen heeft. |
UIERS 15. i49 opdat God zij alles in allen. 2'» Anders wat zullen zij doen die voor de dooden gedoopt worden ? Indien de dooden gan-schelijk niet opsewekt worden, waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt? :«) Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar? :n Ik sterf alle dagen, fiettrelk ik betuig bij onzen roem dien ik heb in Christus Jezus onzen Heere. :V2 Zoo ik naar den mensch tegen de beesten gevochten heb te hfeze, wat nuttigheid is het mij, indien do dooden niet opgewekt worden ? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven iv ij. .quot;tt Dwaalt niet. Kwade sa-mensprekingen verderven goede zeden. :i4 Waakt óp reehtvaardiglijk, en zondigt niet, want sommigen hebben de kennis Gods niet. Ik zeg het u tot schaamte. ;i5 Maar, zal iemand zeggen, hoe zullen de dooden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen ? .'W Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven zij. 37 En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, vau tarwe of van eenig der andere yranen. 3S Maar God geeft aan hetzelve een lichaam itclijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. 39 Alle vleesch is niet betzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der menschen, en een ander is het vleesch der beesten, en een ander der visschen, en een ander der vo'ielen. 1» En daar zijn hemclsche lichamen, en daar zijn aard-sche lichamen; maar eene andere is de heerlijkheid der he- |
|
«250 1 CORIX' meisclie en eene andere der aardscbe. 41 Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere ft de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren ; want de ééne. ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. 42 Alzóó zal ook de opstanding der dooden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt iu onverderfelijkheid. 43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Daar is een natuurlijk lichaam, en daar is een geestelijk lichaam. 45 Alzóó is er ook geschreven: l)e eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel, de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest. 46 Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. 47 De eerste mensch is uit de narde aardsch; de tweede mensch is de Heere uit den hemel. 4:* Hoedanig de aardsche ia, zoodanig zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemel-schen. 49 En gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzóó zullen wij ook het beeld des heiuelscbcn dra-gen. 50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunneu, en de verderfelijkheid beërft de ouverderfelijkheid niet. 51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid: wij zullen wel niet alleu ontslapen, maar wij zul-[IIKIIS Ifi. |
len allen veranderd worden, 5-2 in een punt des tijds, in een oogenbhk, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 5:lt; AVant dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke onverderfelijkheid zal aangedaan hebben, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aangedaan hebben, als'.l^n zal het woord geschieden dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. 55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning? 56 De prikkel nu des doods is. de zonde, en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. 58 Zoo dan, mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. HOOFDSTUK 16. A Als GAANDE nu de verzameling die voor de heiligen Als GAANDE nu de verzameling die voor de heiligen gesdnédt, gelijk als ik aan de gemeenten in Galatië verordineerd héb, doet ook gij alzóó. 2 Op eiken eersten dag der week legge een iegelijk van u iets bij zicbzelven weg, vergaderd de eenen schat, naar dat hij welvaart verkregen heeft; opdat de inzamelingen alsd)\n niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn. 3 Er. wanneer ik er zal ce-kome i zijn, die «rij zult bekwaam achten door brieven, dezelve zal ik zenden oin uwe |
|
1 COR1N1 {rave naar Jeruzalem over te drasen. 4 Ku indien het de moeite waardig; moebt zijn dat ik ook zelf reizen zoude, zoo zullen zij met mij reizen. ó Docli ik zal tot u komen wanneer ik Macedonië zal door-gegaan zijn (want ik zal door Macedonië gaan); G en ik zal moirelijk bij u blijven of ook overwinteren, opdat gij mij inoogt geleiden waar ik zal benen reizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in 't voorbijgaan ; maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien de Heere het zal toelaten. 8 Maar ik zal te Kteze blijven tot den Pinksterrfrt/y. 9 Want mij is eeue groote en krachtige deur geonend, en daar zijn vele tegenstanders. lit Zoo nu Timótheüs komt, ziet dat bij buiten vreeze bij u zij; want hij werkt het werk des Hoeren gelijk als ik. 11 Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen. 12 En wat aansraat Apollos den broeder, ik heb hem zeer gebeden dat hij met de broederen tot u komen zoude: maar het was gansrhelijk ziju wil niet dat hij nU zoude komen; doch hij zal komen wanneer liet hem welgelegen zal zijn. |
IIERS Ifi. 251 13 Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk. 14 Dat alle uwe dingen in de liefde ireschiedeu 15 En ik bid u. broeders, gij kent het huis van Stéfanas, dat het is de eersteling van Achrije, en dat zij zichzelven den heiligen ten dienste hebben geschikt, 16 dat ook srij u aan de zoo-danigen onderwerpt, en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt. 17 En ik verblijd mij over dc aankomst van Stéfanas en For-tunf.tus en Achaïcus; want dezen hebben vervuld hetgeen mij Kan u ontorak. 18 Want zij hebben mijnen gees: verkwikt, en ooft den uwen. Erkent dan de zoodanigen. 19 U groeten de sremeenten van Azië. U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla met de gemeente die te hunnen huize is. 2« U groeten alle de broeders. Groet elkander met eenen heiligen kus. 21 He groetenis met mijne band, van Paulus. 22 Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking: Ma-ran atha. 23 De genade des Ileeren Jezus Christus zij met u. 24 Mijne liefde zij met u allen in Christus Jezus. Ameu.. |
DE TWEEDE BRIEF VAN
DEN APOSTEL PAULUS
DK
HIÃRS.
AAN
C0R1
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Timótlieüs, de broeder, nan de gemeente Gods die fe Oorinthe is, met alle de heiligen die in geheel Aehüje zijn:AULUS, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Timótlieüs, de broeder, nan de gemeente Gods die fe Oorinthe is, met alle de heiligen die in geheel Aehüje zijn: '2 genade zij u en vrede van God onzen \ ader en den Heere Jezus Christus. 3 Geloofd zij de God en Vader unzcs lleeren Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting, 4 die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting met welke wijzelven van God vertroost worden. ó Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzóó is ook door Christus ouze vertroosting overvloedig. fi Doch hetzij dut wij verdrukt worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid, die sfHwroeht wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden hetwelk wü óók lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het in tot uwe vertroosting en zaligheid ; 7 en onze hone van u is vast, als die weten «lat, gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, //y ook alzóó gemeenachai» hebt aan de vertroosting. |
S Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetende zijt van onze verdrukking die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzoo dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven. 9 Ja, wij hadden al zeiven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zonden, maar op God die de dooden opwekt ; 10 die ons uit zoo grooten dood verlost heeft en uOff verlost, op welken wij hopen dat 11 ij O/is ook nog verlossen zal: 11 alzoo gijlieden ook mede-arbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht, ook voor ons dankzegging door velen gedaan wordt. 12 Want onze roem is deze, unmelijk de getuigenis onzer coMscientie, dat wij in eenvoudigheid en oprechtlieid Gods*, niet :.ii vleescheliike wijsheid, maar in de i;enaue Gods in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden. 13 Want wij schrijven u geene andere dingen dan die gij kent of ook erkent: en ik hoop dat gij ze ook tot den einde toe erkennen zult, 14 gelijkerwijs gij ook ten deele ons erkend hebt dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook |
|
de onze zijt in den daj? des lleeren Jezus. 15 Kn op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij eene tweede genade zoudt hebben, 1(5 en door uwe si ml naar Macedonië iraan, en wederom van Macedonië tot u komen, en van ulieden i;aar Judéa geleid worden. 17 Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik naar het vleesch voor, hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zoude wezen ja ja, en neen neen? Ks Doch God is getrouw, dat on8 woord hetwelk tot u is Æ/*-achied, niet is geweest ja en neen; 1!» want de Zoon Gods Jezus Christus, die onder u door ons is gepredikt, unmelijk door mij en Silvanus en Tiinótheüs, was niet ja en neen, maar is geweest ja in hem. â¢Jl» Want zoovele beloftcui Gods als er zijn, die zijn in hem ja, en zijn in hem amen, Gude tot heerlijkheid door ons. *21 Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God; 22 die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven. Doch ik roep God aan tot een sretuige over mijne ziel, dat ik om u te sparen nog te Corinthe niet ben gekomen. 24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof. HOOFDSTUK 2. MAAR ik heb dit bij mijzel-ven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zonde.AAR ik heb dit bij mijzel-ven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zonde. 2 Want indien ik ulieden bedroef, wie is het toch die |
IIIKRS 2. 258 mij zal vroolijk maken, dan degene die van mij bedroefd is ge vorden ? En dit heb ik u geschreven, opdat ik ilmir komende, niet zoude droefheid hebben van degenen van welke ik moest verblijd worden; vertrouwende van u allen, dat mijne blijdschap u aller hlijdachnp is. 4 \\ant ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheiil des harten met vele tranen ito-schreven, niet opdat irij zoudt bedroefd worden, maar opdar. irij de liefde zoudt verstaan die ik overvloediglijk tot u heb. 5 Doch indien iemand be-droer'd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten deele (opdat :k hem niet bezware) ulieden allen. f» Den zoodanrge is deze be-straflinir genoeg, die van velen yesc/iird is; 7 alzoo dat gij daarentegen Jiem liever tnoet vcnreven en vertroosten, opdat de zoodanige door al te overvloedige droefheid niet eenigszins «orde verslonden. s Daarom bid ik n dat gij dc liefde aan hem bevestigt. 'J Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uwe beproeving inoeht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt. li» Wien üij nu iets vergeeft, dien veryeef ik óók; want zoo ik ook iets vergeven heb. wien ik vergeven heb, heb ih het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus, opdat dc satan over ons geen voordeel krijsre. 11 Want zijne gedachten zijn ons niet onbekend. 12 Voorts als ik te Troas kwam om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij eene deur geopend was in den Ileere, zoo heb ik geen rust gehad voor mijnen geest, omdat ik Titus mijnen broeder niet vond; la maar afscheid van hen ge- |
|
'2M 2 CORIN1 nomen hebbende, vertrok ik ainar Macedonië. 14 Eu Gode zij dank, die ons te allen tijde doet triomfeeren in Christus, en den reuk zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 15 Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan: Ifi dézen wel een reuk des doods ten doode, maar génen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam ? 17 Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koon; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus. HOOFDSTUK 3. BEGINNEN wijonszelven wederomEGINNEN wijonszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u? 2 Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle men-schen, 3 als die openbaar zijt geworden dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt maar door den Geest des levenden Gods, niet in stee-nen tafelen maar in vleeschen tafelen des harten. 4 En zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. 5 Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God, f. die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des nieuwen Testaments, niet â¢der letter maar des Geestes; want de letter doodt, maar de â Geest maakt levend. |
[HEUS 3. 7 En indien de bediening des doods, in letters beatannde en in steenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzoo dat de kinderen Israëls liet aangezicht van Mozes niet sterk konden aanzien om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zoude worden, 8 hoe zal niet veelmeer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? 9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veelmeer is de bediening der rechtvjiardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen deele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veelmeer is hetgeen blijft, in heerlijkheid. 12 Dewiil wij dan zoodanige hope hebben, zoo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in 't spreken, 13 en doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht leide, opdat de kinderen Israëls niet sterk zouden zien op het einde desgenen dat te niet gedaan wordt, 14 Maar hunne zinnen zijn verhard geworden. Want tot op der. dag van heden blijft hetzelrde deksel in het lezen des ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt. 15 Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart; Ifi dordi zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen. 17 De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heereu is, aldaar is vrijheid. 18 En wij allen met ongedek-ten aatgezichte de heerlijkheid |
2 CORINTHIERS 4, 5.
255
|
des Ileeren dia in ecnen spiegel aanschouwende, worden ntiar hetzelfde beeld in iredaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Ileeren Geest. HOOFDSTUK 4. DAAROM dewijl wij dezehe-dieninK hebben, naar de barmhartigheid die ons sre-schied is, zoo vertragen wij niet;AAROM dewijl wij dezehe-dieninK hebben, naar de barmhartigheid die ons sre-schied is, zoo vertragen wij niet; 2 maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in artrlistisrheid, noch het Woord Gods verval-schende, maar door open ba-rins der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle conscientiën der menschen, in de tegenwoordigheid Gods. 3 Doch indien ook ons Evange-gelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen die verloren gaan: 4 in dewelke de god dozer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de ver-lichtinir van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods i». 5 Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus den Heere, en onszelven, dat wij uwe dienaren cy« om Jezus' wil. 6 Want God die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zoude schijnen, is degene die in onze harten geschenen heeft, om te (/eren verlichtins; van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. 7 Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uit ons; 8 als die in alles verdrukt worden doch niet benauwd, twijfelmoedig doch niet mismoedig, 9 vervolgd doch niet rfaarin verlaten, nedergeworpen doch niet verdorven. |
10 altijd de dooding des Hee-ren Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zoude geopenbaard worden. 11 Want wij die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zoude geopenbaard worden. 12 Zoo dan de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden. W Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is : Ik heb geloofl, daarom heb ik gesproken, zoo trelooven wij ook, daarom spreken wij ook, 14 wetende dat Hij die den Heere Jezus opsrewckt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en met ulieden daar zal stellen. 15 Want alle deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade door de dankzegging van velen overvloedig worde ter heerlijkheid Gods. Ifi Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nochtans dc inwendige vernieuwd van dair tot dag. 17 Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij-gaat. werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid: 18 dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar dc dintren die men niet ziet, want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig. HOOFDSTUK 5. WANT wij weten dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw vrin God hebben, een huis niet met handen gemaakt, ANT wij weten dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw vrin God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen. |
2 CORINTH IERS fi.
256
|
2 Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede die uit den hemel is, overkleed te worden, 3 zoo wij ook bekleed en niet naakt zullen bevonden worden. 4 Want ook wij die in dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde; nadeinaal wij niet willen ontkleed maar overkleed worden, opdat het ster-lelijke van het leven verslonden worde. 5 Die ons nu hiertoe bereid heeft, is God, die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. fi Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Ileere. 7 (Want wij wandelen door celoof ea niet door aanschouwen.) s Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Ileere in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer besfeerig, hetzij inwonende hetzij uitwonende, om hem welbehaaglijk te zijn. 10 Want wij allen moeten sre-openbaard worden voor den Rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wejjdraire hetgeen door het lickaam naardat hij tiedaan heelt, hetzij goed hetzij kwaad. 11 Wij dan wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uwe conscientiün geopenbaard te zijn. 12 Want wij prijzen onszelven u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof' zoudt hebben tegen degenen die in het aangezicht roemeo en niet in het hart. 13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; |
hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden. 14 Want de liefde van Christus drinirt ons 15 als die dit oordeelen, dat, indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En hij is voor allen gestorven, opdat degenen «lie leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar dien, die voor hen gestorven en opgewekt is. 16 Zoo dan wij kennen van nu aan niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nochtans kennen wij hem nu niet meer naar het vleesch. 17 Zoo dan indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel: het oude ia voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden. IS En alle deze dingen zijn uit God, die ons met zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. 19 Want God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende, en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd. 20 Zoo zijn wij dan eezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus' wege, laat u met God verzoenen. 21 Want dien die areene zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in hem. HOOFDSTUK 6. IpN wijpN wij als medearbeidende, j bidden u ook, dat Kà de genade Gods niet tevergeefs inoosrt ontvanwn hebben. 2 Want Hij zesrt: In den aan-genaniïn tijd heb Ik u ver- |
é
2 CORINTHIFRS 7.
|
boord, en i» den dag der zaligheid heb Ik u geholpen: zie, nu is het de welaauirenaiue tijd, zie, nu is het de dult;; der zaligheid. :i Wij geven geenen aanstoot in eenig ding, ojidat de hedie-nini; niet gelasterd worde; 4 maar wij als dienaars Gods maken ouszelven in alles aangenaam, in veel verdraagzaamheid, in verdrukkinsen,in noo-den, in benauwdheden, 5 in slagen, in irevanirenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten, (gt; iu reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde lietde, 7 in het woord der waarheid, in de kracht Gods; door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter- én aan de linker-zijde, S door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en nochtana waarach-tigen, !) als onbekenden en nochtans bekend, als stervende en zie, wij leven, als getuchtigd en niet gedood, 10 als droeviir zijnde doch altijd blijde, als armen doch velen riik makende, als niets hebbende en nochtana alles bezittende. 11 Onze mond is opengedaan tegen u, o ('orinthiërs, ons hart is uitsrebreid. 12 Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uwe ingewanden. 13 Nu, om dezelfde vergeldim» te doen (ik spreek als tot mijne kinderen), zoo wordt gij oók uitgebreid. 14 Trekt niet een ander juk aan met de onveloovigen. Want wat deelgenootschap heelt de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap beert het licht met de duisternis? |
15 En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige ? 1') Of wat samenvoesing heeft de Tempel Gods met de afgoden ? Want gij zijt de tempel des levenden Gods, gelijkerwijs God gezegd heeft; Ik zal in hen wonen en Ik zal onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn. 17 Daarom iraat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet üJin hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen, IS en Ik zal u tor een Vader zijn, en ïij zult Mij tot zonen en doch teren zijn, zegt de lieert-, de Almachtige. HOOFDSTUK 7- DEWIJL wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van a le besmetting des vleesehes en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods. 2 Geeft ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht.EWIJL wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van a le besmetting des vleesehes en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods. 2 Geeft ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht. ;i Ik zeg dit niet tot nwe ver-oordceiing; want ik heb te voren gezegd dat gij in onze harten zijt, om te zamen te sterven en te zamen te leven. 4 ik heb veel vrijmoedurheid in he spreken tegen u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met vertroostinir, ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. 5 Want ook als wij in Macedonië gekomen zijn, zoo heeft ons vleesch geene rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt : van buiten was strijd, van binnen vrees, fi Docb God, die de nederiaren vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus. 7 En niet alleen door zijne 17 |
|
258 2 C0RIN1 komst, maar ook door de ver-troostinir met welke hij over u vertroost is ireweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uwen ijver voor mij; al/.oo dat ik te meer verblijd ben geweest. 8 Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie dal die zendbrief, hoewel voor eenen kleinen tijd, u bedroeul heeft. 9 Nu verblijd ik mij, niet omdat Rij bedroefd zijt ireweest, maar omdat Rij bedroefd zijt geweest tot bekeeriiiR. Wa.it pij zijt bedroefd Reweest naar God, zoodat Rij in Reen dinR schade van ons Roledeu hebt. 10 Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke be-keerinR tot zaligheid, maar de droefheid der wereld werkt den dood. 11 Want zie, dit, dat Rij naar God zijt bedroefd ireworden, hoe Rroote naarstiRheid heeft het in u Rewrocht, ja verant woordinR, ja onlust, ja vrees, ja verlanRen, ja ijver, ja wraak: in alles hebt Rij uzelve.i bewezen rein te zijn in doze zaak. 12 Hoewel ik dan aan .u sre-schreven heb, dat is niet m diens wil die onrecht sredaa.i had, noch om diens wil wiegt;i onrecht gedaan was, maar opdat onze vlijtiRheid voor u bij u zoude openbaar worde», in de teRenwoordiRheid Gods. i:{ Daarom zijn wij vertroost geworden over uwe vertroos-tiuir, en zijn uor overvloedi er verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden. 14 Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zoo ben ik niet beschaamd Reworden; maar Relijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, 'IIBRS 8. |
alzóó is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden. 15 En zijne innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jeRens u, ala hij u aller rc-hoorzaamheid overdenkt, hoe Rij hem met vreeze en beven hebt ontvaiiRen. 1(gt; Ik verblijd mij dan dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben. HOOFDSTUK 8. VOORTS maken wij u bekend, broeders, de Renade Gods die in de gemeenten van Macedonië Regeven is;OORTS maken wij u bekend, broeders, de Renade Gods die in de gemeenten van Macedonië Regeven is; 2 dat in vele beproeving der verdrukkimr de overvloed hunner blijdschap en hunne zeer diepe armoede overvloediR Reweest is tot den rijkdom hunner goeddadiRheid. Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig ireweest, 4 ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de Rave en de rc ueenschap d zer bedienintr die voor de heiliRen geschiedt; 5 en zij deden niet alleen Relijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God; H alzoo dat wij Titus vermaalden, dat, gelijk hij te voren be ronnen had. hij ook alzóó nog deze gave bij u voleinden zoude. 7 Zoo dan gelijk Rij in, alles overvloedig zyt, in Reloof en in woord en in kennis en in alle naarstiRheid, en in uwe liefde tot ons, ziet, dat irij 'ook in deze irave overvloediir zijt. h Ik zcr dit niet Rebieden-de, maar als door de naarstiRheid van anderen ook de op-rechthiid uwer liefde beproevende. 9 Wanv. Rij weet de Renade onzes Heereu Jezus Christus, |
|
dat hij om uwentwil arm is geworden, daar hij rijk was, opdat sdj door zijne armoede zoudt rijk worden. 10 En ik zes in dezen mijne meening. Want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen maar ook het willen sedert een jaar te voren hebt begonnen. 11 Maar nu voleindigt ook het doen, opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzóu zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt. 12 Want indien te voren de volvaardigheid des gemoedsdilflr is, zoo is iemand aangeimam naar hetireen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft. 13 Want dit zeg ik, niet opdat anderep verlichtinsr zouden hebben, en gij verdrukking, 14 maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordiiren lijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde, 15 gelijk geschreven is: I)ie veel verzameld had, bad niet over, en die weinig verzameld had, had niet te weinig. 1(5 Doch Gode zij dank, die dezelfde naarstigheid voor u in bet hart'van Titus gegeven heeft, 17 dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is. IS En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door alle de gemeenten. 19 Eu dat niet alleen, maaibij is ook van de gemeenten verkoren om met ons te reizen met deze '.rave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des lleeren zeiven en de volvaardigheid uws iremoeds; 20 dit verhoedende, dat iemand ons moge lasteren in de-[IIÃRS 9. 259 |
zen overvloed die van ons wordt bediend: 21 als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere maar ook voor de men-schen. 22 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaal» beproefd hebben dat hij naarstig is, en nu veel naarstiger door het groot vertrouwen dat hi) heeft tot ulieden. 23 Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der gemeenten, en eene eer van Christus. 24 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde en onzes roems van u, ook voor het aangezicht der gemeenten. HOOFDSTUK 9. WANT van de bediening die voor de heiligenANT van de bediening die voor de heiligen geschiedt, is het mij onnoodig aan u te schrijven. 2 Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u hij de Macedoniërs, dat Ar ha je sedert een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u he-gonnen, heeft er velen opgewekt. S Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem dien wij over u hebben, niet zoude ijdel gemaakt worden in dezen deele, opdat Cgelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn, 4 en dat niet mogelijk zoo de Macedoniërs met mij kwamen en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in dezen vasten srrond des roemens. 5 Ik heb dan noodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uwen te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzoo als |
|
260 2 com NI een zegen, en niet als eeue vrekheid. (i Ku dit zc(j ik: die spaamune-lijk zaait, zal ook spaar zamel ijk maaien, en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien. 7 Ken iegelijk doe gelijk hij in zijn hart voorneemt, niet uit droefheid ot uit nooddwang. Want God heeft een blijmoedi-gen gever lief. s Ku God is maehtig alle genade te doen overvloedig zijn in u, opdat gij in alles te allen-tijde alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn. U Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid; hij heeft den armen gegeven; ziine gerechtigheid blijft in der eeuwigheid. 10 Doch die het zaad den zaaier verleent, die verleene ook brood tot spijs, en vermenig-vuldige uw zaaisel, en vermeer-dere de vruchten uwer gerechtigheid; 11 dat £ij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God. 1'_' Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God; i:$ dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de â goeddadigheid der mededeeling aan hen en aan allen, 14 en door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade God» over u. I'gt; Doch Godc zij dank voor zijne onuitsprekelijke gave. HOOFDSTUK 10. VOORTS ik, Paul us zelf, bid u door de zachtmoedigheidOORTS ik, Paul us zelf, bid u door de zachtmoedigheid |
UIERS 10. en goedertierenheid van Christus, die tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar af-wezend, stout ben tegen u; 2 ik bid dan, dat Ik tegenwoordig zijnde, niet stout mag zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stou-telijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten alsof wij naar het vleesch wandelden. Want wandelende in het vleesch, voeren wij deji krijtï niet naar het vleesch; 4 want de wapenen onzeh krijijs zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God tot nederwerping der sterkten; 5 dewijl wij de overleggingen ternederwerpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennis Gods, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus, fi en gereed hebben hetgeen dient om te wreken alle omre-hoorzaamheid, wanneer uw*-gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet gij iWn wat voor oogen is? Indien iemand bij zichzel-ven betrouwt dat lui van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijkerwijs hij van Christus Is, ulzóu ook wij van Christus zijn. 8 Want indien Ik ook iets overvloediger zoude roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting en niet tot uwe nederwerping, zoo zal ik niet beschaamd worden: 9 opdat Ik niet zonde schijnen, alsof ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want de brieven (zegden zij) zijn wel gewichtig en krachti-r; maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak, en de rede i.s verachnelijk. 11 Dezulke bedenke dit, dat hoedanigen wij zijn in het woord door brieven als wij afwezig zijn, wij ook zoodani^en |
? CORINTH IERS 11.
2fil
|
zijn inderdaad als Mij te^eu-woordi^ zijn. 12 Want wij durven onszelven niet rekenen of vergelijken mer soiumi^en die ziehzelveu prijzen ; maar dezen verstaan niet dat zij zichzelven met ziehzelven nieteM en zichzelven niét zichzelven vergelijken. 1:5 Doch wij zullen niet roemen huiten de maat, maar daarin d»t wij naar de maat des regels, welke maat God o. s toebedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 14 Want wij strekken onszelven niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, m het Evangelie van Christus; 15 niet roemende bulten de maat in anderer arbeid, maai-hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder nlieden overvloediglijk zullen verdroot worden naar onzen regel, li» om het Evanselie te verkondigen in de plaatsen die aan gene zijde van u yeleycu zijn; niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen aireede bereid is. 17 Doch wie roemt, die rocme in den Heere; Is want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd. HOOFDSTUK 11. OCH of pij mij een weinig verdroeitt in de onwijsheid; ja, ook vei draaft mij.CH of pij mij een weinig verdroeitt in de onwijsheid; ja, ook vei draaft mij. - Want ik ben ijveriur over u met eeuen ijver Gods. Want ik heb nlieden toebereid 0111 u als eene reine maagd aan éénen man voor te stellen, namelijk aan Christus; :{ doch ik vrees dat eenips-zins, gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedroiren heeft, alzóó uwe zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid die in Christus is. dnt het |
4 Want indien depene die komt, eenen anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien sij eenen anderen Geest ontvingt, dien fdj niet hebt ontvamcen, of een ander Evangelie, dat pij quot;iet hebt nanKenomen, zoo verdroegt pij hem met recht; ó want ik acht dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste Apostelen. 11 En indien ik ook onbedreven ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle diiiiren onder u openbaar fje-worden. 7 Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb opdat pij zoudt verhoosrd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb ? s Ik heb andere gemeenten beroofd, bezolding ran haar nemende om u te bedienen; en als ik bij u tegcuwoordip was en gebrek had, ben ik niemand lasti'-r gevallen. 'J Want mijn trebrek hebben de broeders vervuld die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren en zal mij nog alzoo houden. 1(1 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achéje aan mij niet zal verhinderd worden. U Waarom? Is het omdat ik u niet liefheb? God weet het. 12 Maar wat ik doe, dat zal ik nóg doen, om de oorzaak af te snijden dengenen die oorzaak hebben willen, opdat zij in 't peen zij roemen.bevonden mochten worden «elijk als wij. 18 Want zulke valsche apostelen zijr bedrieglijke arbeiders, zich veranderende in Apostelcu van Christus. |
.
2 CORINTIIIERS 12.
|
14 Eu het is Reen wonder; want de satan zelf verandert zich in een E.ürel des lichts: ló zoo is hec dun niets groots, indien ook zij.ie dienaars zich veranderen als waren ze dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hunne werken. Ki Ik ze;? wederom, dat niemand meene dat ik onwijs ben; doch zoo niet, neemt mij ddn. aan als eenen onwijze, opdat ik óók een weinig moge roe-, men. 17 Wat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond des roemens. 15 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik óók roemen. 19 Want urij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt. 20 Want gij verdraagt het, zoo iemand u dienstbaar maakt, zoo iemand u opeet, zoo iemand van u neemt, zoo iemand zich verheft, zoo iemand u in het aangezicht slaat. 21 Ik zeg dit naar oneer, alsof wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik óók stout. 22 Zijn zij Uebreërs? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad Abrahams? Ik ook. 23 Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde:) Ik ben boven hen: in arbeid overvloediger, in slagen uit-nemegt;ider, in gevangenissen overvloediger, in doodsÆ/el)fla)â menitonaal. 24 Van de Joden heb ik veertig êlayen min één vijfmaal ontvan'ren. 25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, ééns ben ik gesteeni^d, driemaal heb ik schipbreuk jreleden, een ganschen nacht en date heb ik in de diepte doorgebracht. |
26 In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de vaische broeders; 27 iu arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. 2S Behalve de din-ren die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg voor alle de gemeenten. 29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er ge-ergerd, dat Ik niet brande? 31» Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. 31 De God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die geprezen is in der eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32 De Stadhouder van den Koning Arétas ia Damascus bezette de stad der Damasce-ners, willende mij vangen. 33 En ik werd door een venster in eene mand * over den muur nedergelaten, en ontvlood aan zijne handen. HOOFDSTUK 12. TEE roemen is mij waarlijk niet oorbaar. Want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren. quot;2 Ik ken eenen mensch in Christus, vóór veertien jaren (of het oc«cAie^i«in het lichaam, weet ik niet, of buiten het. lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel; 3 ei ik ken een zoodanig mensch (of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied is, weet ik niet, God weet het), 4 dat hij opiietro ken is geweest in het Paradijs, en ge- |
.
|
hoord beeft onuitsprekelijke woorden, die bet een mensch niet peoorloofd is te spreken. 5 Van den zoodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen dan in mijne zwakheden. (» Want zoo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn; want ik zal de waarheid ze!rseu '⢠maar ik houd daarvan af, opdat niemand \aii mij denke boven hetgeen hij ziet dat ik ben, of dat hij uit mij boort. 7 En opdat ik mij door de uitiiemendheid der openbaringen niet zoude verheffen, zoo is mij pefïeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een ens?el des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheffen. 8 Hierover heb ik den Ileere driemaal frebeden, opdat hij van mij zoude wijken. 9 En hij beeft tot mij jrezesd: Mijne genade is u genoee, want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil ; want als ik zwak ben, diln ben ik machtig. 11 Ik ben roemende onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt; want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste Apostelen, hoewel ik niets ben. 12 De merkteekenen van ecu Apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met teekenen en wonderen en krachten. 13 Want wat is er waarin gij minder geweest zijt dan |
IIÃRS 12. 263 de andere gemeenten, anders dan dat ikzelf u niet lastig be n geweest ? Vergeeft mij dit ongelijk. 1-, Zie, ik ben ten derden male gereed om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen. 15 Kn ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe zielen ten koste gegeven worden ; hoewel ik u overvloediger beminnende, minder bemind word. 1(! Doch het zij zoo: ik heb u met bezwaard, maar alzoo ik 1 stig was, heb ik u met bedrog gevangen. 17 Heb ik door iemand dergenen die ik tot u ge/.onden heb, van u mijn voordeel gezocht ? IS Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden: heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? Hebben wij niet ^c-vandeld in dezeltde voetstappen? 19 Meent gij wederom dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid Gods in Christus; en dit alles, geliefden, tot uwe stichting. 20 Want ik vrees, dat, als ik gekomen zal zijn, ik u niet eenigszins zal vinden zoodani-gen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat daar eenigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten: 21 opdat wederom als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen |
|
264 2 C0RINTH1ERS hebben van de onreiniffheid en hoererij eu ontuchtigheid die zij gedaun hebben. HOOFDSTUK 13. Dit is de derde maalit is de derde maal dat ik tot u kom: in den mond van' twee otquot; drie uj^tuis611 zal alle woord bestaan. 2 Ik heb bet te voren gezegd, en zeg liet te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezend aan degenen die te voren gezondigd hebben, en aau alle de anderen, dat, zoo ik wederkom, ik hen niet zal sparen; 3 dewijl irij zoekt eene proeve van Christus die in mij spreekt, welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u. 4 Want hoewel bij gekruist is door zwakheid, zoo leeft hij nochtans door de kracht Gods; want ook wij zijn zwak in hem, maar zullen met hem leven door de kracht Gods in u. 5 Onderzoekt uzelveu of :rij in het 'reloof z.ijt, beproeft uzelveu. Of kent '-'ij uzelveu niet,dat.Je-zus Christus in u is ? tenzij dat j;ij eenigszins verwerpelijk zijt. »gt; Doch ik hoop dat ^ij zult verstaan dat wij niet verwerpelijk zijn. DE BRIEF VAN AAN GALA HOOFDSTUK 1. P AU LUS , een Apostel AU LUS , een Apostel (geroepen niet van nieuschen, .toch door ecu mensch, maar |
3, GALATIÃRS 1. 7 En ik wensch van God det iij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het f;oede zondt doen en wij als verwerpelijk zouden zijn. 8 Want wij vermosren niets te^en de waarheid, maar v)or de waarheid. y Want wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn en «ij sterk zijt; en wij wenscheu ook dit, namelijk uwe voliua-kiuar. U) Daarom schrijf ik afwe-zend deze di.i-ren, opdat ik niet tegenwoordig zijnde, xe-sirenirhcid zoude irebrniken, naar de macht, die mij de Ileere gegeven heeft tot opbouwing en niet tot neder-werpinï. 11 Voorts, broeders, zijt blijde, wordt volmaa lt;t, zijt (?**-troost, zijt eensgezind, leeft in vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. 12 Groet elkander met eeuen heiligen kus. U groeten alle de heiligen. 1H De genade des Ileeren Jezus Christus en de liefde Gods en de iremeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Anieu. \ APOSTEL PAULTJS DE r i à r s. door Jezus Christus, en God den Vader die hem uit de doo-den opgewekt heeft), 2 en alle de broeders die met mij z jn, aan de gemeenten van Ga.atië: |
GALATIERS 2.
265
|
3 genade zij u en vrede van God den Vader en onzen Heere Jezus Christus; 4 die zichzelven Regeven heeft voor onze zonden, opdat hij ons trekken zoude uit deze tegenwoordige buoze wereld, naar den wil onzes Gods en Vaders, 5 denwel ken zij de heerlijkheid in alle eeuwi^lieid. Amen. (5 Ik verwonder mij, dat mij, zoo haast tcijkendc van dengenen die u in de genade van Christus geroepen heeft, over-irebracht wordt tot een ander Evangelie, 7 daar er geen ander is; maar er zijn sonnnigeu die u ontroeren en het Evangelie van l.hristus willen verkeeren. s Doch al ware het ook dat wij, of een Engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. 9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, zoo zeg ik ook nu wederom: Indien iemand u een Evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. in Want predik ik nu de men-ëdien of God? Of zoek ik iiiensehen te behagen ? Want indien ik nog mensehen behaagde, zoo ware ik seen dienstknecht van Christus. 11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evaiurelie hetwelk van ni'j verkondigd is, niet is naar den menseh. 12 Want ik heb ook hetzelve niet van een menseh ontvangen noch treleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. i:i Want gij hebt mijnen omgang gehoord die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte, 14 en dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijne vaderlijke inzettingen. üii ons |
1.» Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijn moederslijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door zij.te genade, Ifi zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik denzelven door het Evangelie onder de heidenen zoude verkondigen, zoo ben ik terstond te rade geiraan niet met vleesch en bloed, 17 en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem tot degenen die vóór mij Apostelen waren; maar ik iring henen naar Arabic, en keerde wederom i aar Damascus. 18 'Jaarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien davren, 19 en zag ireenen anderen van de Apostelen dan Jacobus, deu broeder des Ileeren. â JU Hetgeen ik u nu schrijf, zie, ik (jetuiy voor God dat ik niet lieg. 21 Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilicië. 22 En ik was van aangezicht onbekend aan de â¢-'emeenten in Judéa, die in Christus zijn. 2:h Maar zij hadden alleenlijk gehoord dut men zeide: Degene die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof hetwelk hij eertijds verwoestte. 24 En zij verheerlijkten God in mij. HOOFDSTUK 2. DAARNA ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Uarnabas, ook Titus medegenomen hebbende.AARNA ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Uarnabas, ook Titus medegenomen hebbende. 2 En ik ging óp door eenc openbaring, en stélde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen, en in 't |
*
|
2fif. GALAI bijzonder denjrencn die in ach-ting waren, opdat ik niet eeniajs-zins tevergeefs zoude loopeu of geloopeii hebben. 3 Maar ook Titus die met mii was, een Griek zijnde, werd niet irenoodzaakt zich te laten besnijden. 4 En dat om der inarekropene valsche broederen wil, die van ter zijde ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid die wij in Christus Jezus hebben, ojidat zij ons tot dienstbaarheid zouden brengen, 5 denwelken wij ook niet een uur zijn geweken met onder-werpinjf, opdat de waarheid des Evangelies bij u zoude verblijven. fi En van degenen die geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet: God neemt don persoon des menschen niet aan ; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. quot;7 Maar daarentegen, als zij za^en dat mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis 8 (want die in Petrus krach-tiglijk Merkte tot het Apostelschap der besnijdenis, die werkte ook krachtiglijk in mij onder de heidenen); 9 en als Jacobus en Cefas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechter^a/ul der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen en zij tot de besnijdenis zouden yuan : 10 alleenlijk dat wij de armen zouden gedenken, hetwelk ik mij ook benaarstigd heb te doen. 11 En toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was. |
12 Want eer soinmigen van Jacobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vreezende degenen die uit de besnijdenis waren. i:{ En ook de andere Joden veinsden met hem: alzoo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hunne veinzing. 14 Maar als ik zag dat zij niet récht wandelden naar de waarheid des Evangelies, zei-de ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid : Indien gij die een Jood zijt, naar heidensche wijze leeft, en niet naar Jood-sche wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Jood-sche wijze te leven? 15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen ; Ifi doch wetende dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerecht-vaardigd worden. 17 Maar indien wij die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zeiven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre. 18 Want indien ik hetgeen ik afgebroken heb, wederom opbouw, zoo stel ik mijzelven tot een overtreder. 19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zoude. â¢JO Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij: en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door her, treloof des aoous Gods, die mij liefgehad heeft en zich- |
|
GALAT zeiven voor mij overgegeven heeft. 21 Ik doe de genade Gods niet te niet. Want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus tevergeefs gestorven. HOOFDSTUK 3. Ocrij uitzinnige Galatiërs, wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt ire-hoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, ouder u gekruist zijnde?crij uitzinnige Galatiërs, wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt ire-hoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, ouder u gekruist zijnde? 2 Dit alleen wil ik van u lee-ren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet oi uit de prediking des geloofs? Zijt gij zóó uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu niet het vleesch ? 4 Hebt gij zóóveel teverseefs geleden ? indien ook maar tevergeefs ! 5 Die u dan deu Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet of uit de prediking des geloofs? 1» Geliikerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. 7 Zoo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. » En de Schrift te voren ziende dat God de heidenen uit het geloof zoude rechtvaardiren, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zey-nende: In u zullen alle de volkeren gezegend worden. 9 Zoo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den geloovigen Abraham. in Want zooveleu als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetireen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. |
ERS 3. 267 11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het ge-loof leven. 12 Doch de wet is niet uit het geloof: maar de mensch die deze dingen doet, zal door dezelve leven. lil Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt; 14 opdat de zegening Abrahams tot de heidenen komen zoude in Christus Jezus, ev opdat wij de belofte des Gees-tes verkrijgen zoudeu door het geloof. 15 Broeders, ik spreek naar den mensch : zelfs eens men-schen verbond dat bevestigd is, ioet niemand te niet, of niemand doet daartoe. 16 Zoo zijn nu de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: Enden zaden, als van velen; maar als van één: En uwen zade, hetwelk is Christus. 17 En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaar gekomen is, niet krachteloos gemaakt om de belofteuis te niet te doen. is Want indien de erfenis uit de wet is, zoo is ze niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven. 19 Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zoude gekomen zijn, aan hetwelk het beloofd was; en zij is. door de Engelen besteld in de hand des middelaars. 20 En de middelaar is niet middelaar van ééneu, maar God is één. ⢠21 Is dan de wet tegen de- |
|
2(58 GALAT beloftenissen Gods ? Dat zij verre. Want indien daar eene wet tyeseven ware die inaehti ; was levend te maken, zoo zoude waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. 22 Maar de Schrift heeft het alles ouder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den fie-loovigeu zoude beseven worden. '2'i Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewariinc gesteld, en zijn besloten geweest tot oj) het sre-loof dat geopenbaard zoude worden. 24 Zoo dan, de wet is onze tuchtiueestcr sreweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden ; 25 maar als het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 2(i Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. 27 Want zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. 28 Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw. Want gij allen zijt één in Christus Jezus. 21) En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. HOOFDSTUK 4. DOCH ik zeg, zoo langen tijd als de erfgenaam een kiud is, zoo verschilt hij niets van een dienstkuecht, hoewel hij een heer is van alles;OCH ik zeg, zoo langen tijd als de erfgenaam een kiud is, zoo verschilt hij niets van een dienstkuecht, hoewel hij een heer is van alles; 2 maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. â¢'{ Alzóó wij ook, toen wij kinderen waren, zoo wareii wij dienstbaar gemaakt ouder de |
ÃRS 4. eerste beginselen der wereld; 4 maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, 5 opdat hij degenen die onder de wet waren, verlossen zoude, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. (5 En overmits irij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader ! 7 Zoo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt uij ook een erfgenaam Gods door Christus, .s Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen die van nature geen goden zijn ; 'J en nu, als gij God kent, ja veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen? 10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. 11 Ik vrees voor u, dat ik eenigszins tevergeefs aan u gearbeid heb. 12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u: gij hebt mij geen ongelijk gedaan. !.â { En irij weet dat ik u door zwakheid des vleesches het Evangelie de eerste maal verkondigd heb; 14 en mijne verzoeking die in mijn v eesch r/oar/iietlde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar };ij naaint mij aan als eenen Ãntrel Gods, ju, als Christus Jezus. 15 Welke was dan uwe ge-lukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zoo het mogelijk ware, uwe oogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben. Ki Ben ik dan uw vijand ge- |
|
GALA' worden, u de waarheid zes;-{rcnde ? 17 Zij ijveren niet récht over 11, maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren IS Doch in het goede te allen tijde te ijveren is iroed, en niet alleenlijk als ik bij n tegenwoordig beu, 19 mijiic kinderkens, die ik wederom arbeid te baren, tot Christus eene gestalte in u krijsre. â¢JO Doch ik wilde dat ik nu bij u teireuwoordig ware, en mijne stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u. 21 Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? 22 Want daar is geschreven, dat Abraham twee zonen had, éénen uit de dieitstinaagd en éénen uit de vrije. 23 Maar géne die uit de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren geweest; doch déze die uit de vrije was, door de beloften is. 24 Hetwelk dineren zijn die andere beduiding hebben. Want deze zijn de twee verbonden: het ééne van den berir Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is 11 agar. 25 Want dit, nameliik Ilaira', is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem dat nu is, en dienstbaar is met hare kinderen. 2(i Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is onzer aller moeder. 27 Want daar is ireschreven: Wees vroolijk, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die neen barensnood hebt; want de kinderen dei-eenzame zijn vele. meer dan dergene die den man heeft. 2S Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Isaak was. 29 Doch gelijkerwijs toen die naar het vleesch geboren was, |
IÃKS 5. 2quot;!) vervolgde dengenen die naar den geest geboren wua, alzoo cok nu. .«gt; Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haren zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszius e.rveu met den zoon der vrije. 31 Zoo dan, broeders, wij sijn niet kinderen der dienstmaagd maar der vrije. HOOFDSTUK C. STAAT dan in de vrijheid met welke Christus ons vrijire-maakt heeft, en wordt niet wee erom met het juk der dieistbaarheid bevangen.TAAT dan in de vrijheid met welke Christus ons vrijire-maakt heeft, en wordt niet wee erom met het juk der dieistbaarheid bevangen. 2 Zie, ik 1'aulus zeg u, zou gij 11 laat besnijden, dat Christus u niets nut zal zijn; 3 en ik betuig wederom aan een ieirelijk mensch die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehecle wet te doen. 4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet gercchtvaardigo wilt worden: gij zijt van de genade vervallen. ó Want wij verwachten dooiden Geest uit het geloof de hoon der ree h t va a rd i lieid. (gt; Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenig»' kracht, noch voorhuid, maai-het geloof, door de liefde werkende. 7 Gij lient wèl; wie heeft u verhinderu der waarheid gehoorzaam te zijn? 5 Dit gevoelen is niet uit Hem die u roept. 9 Ueu weiniir zuurdeesem verzuurt het gcheele deef. 10 Ik vertrouw van u in den Heere, dat «ij niets anders zult irevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. 11 Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom wordt ik noir vervolird ? Zoo is dan de ergernis des krui-ses vernietigd. |
|
â 270 GALA! lp Och of zij ook afgesneden vierden die u onrustig maken ! 13 Want pij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk (/ehruikt de vrijheid niet tot â eene oorzaak voor het vleesch, maar dient elkander door de liefde. 14 Want de geheele wet wordt in één woord vervuld, nameliik in dit: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzelven. 15 Maar indien sij elkander bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt. 1lt;gt; En ik ze?, wandelt door den Geest, en volbrengt de beireerUjkheid des vleesches niet. 17 Want het vleesch bezeert tei?en den Geest, en de Geest tegen het vleesch; en deze staan tevren elkander, alzoo dat «ij niet doet hetgeen pij wildct. 18 Maar indien srij door den Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder de wet. 19 De werken des vleesches nu zijn openbaar: welke zijn â overspeJ, nqererij, onrein ig-heid, ontuchtigheid, üd afgoderij, venijngeving, vij-^ndseliapiien, twisten, afirulistigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, 21 nijd. moord, dronkensehap-pen, brasserijen, en dergelijke; â¢van dewelke ik u te voren ze r, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijiv Gods niet zullen ibeërven. 22 Maar de vrucht des Gees-tes is liefde, blijdschap, vre-â de, la ikmoedi rheid, goedertierenheid, Toedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. 2'.i Tegen de zoodani.^en is de wet niet. 24 Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. 25 Indien wij door den Geest |
ERS 6. leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. 2 ) Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende. HOOFDSTUK 6. BROEDERS, indien ook eenROEDERS, indien ook een mensch overvallen ware door ee .1 re misdaad, irij die geestelijk zijt, brengt den zoodanige te recht met den geest der zachtmoedi rheid : ziende op u-zelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. :ï Draaft elkanders lasten, en vervult aloou de wet van Christus. Want zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. 4 Maar een iegelijk beproeve zij.i eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander. 5 Want een iegelijk zal zijn ei 'en pak dra quot;en. rgt; En di« onderwezen wordt in het Woord, deele mede van alle goederen dengenen die hevi onderwijst. 7 Dwaalt niet, God laat zich i.iet bespotten. Want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien. Want die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vieesirh verderfenis maaien; maar die in den geest zaait, /-ai uit den geest het eeuwige tl Doch laat ons iroeddoende i.-c -ertragen; want te zijner t .id sullen wij maaien, zoo wij . iet verslappen. ui Zoo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huis--enooten des geloofs. 11 Z et hoe irrooten brief ik u geschreven heb niet mijne hand. 12 Alle degenen die eeu |
EFEZIErtS 1.
271
|
schoon gelaat willen tooneii naar het vleosch, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwesre het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. 13 Want ook zijzelven die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen dat {rij besneden wordt, opdat zij in ü\v vleesch roemen zouden. 14 Maar het zij verre van mij dat ik zoude roemen anders dan in het kruis onzes lleeren Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en Ik der wereld; |
15 want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. '.li Eu zoovelen als er naar dezen regel zuilen wandelen, over dezelven zal zijn vrede en banuhartigheid, en over het Israël Gods. 1quot; Voorts doe niemand mij moeite aan; want ik draai; de litteekenen des lleeren Jezus in mijn lichaam. 18 De irenade onzes Heeren Jezus Chrigt;tus zij met uwen geest, broeders. Amen. |
DE BKIEP VAN DEN APOSTEL PAULUS
E F E Z I E R S.
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS, een Apostel van .lezus Christus door den wil Gods, aan de heiligen die te Efeze zijn, en geloovigcu in Christus Jezus:AULUS, een Apostel van .lezus Christus door den wil Gods, aan de heiligen die te Efeze zijn, en geloovigcu in Christus Jezus: quot;2 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Ileere Jezus Christus. Gezegend zij de God en Vader onzes lleeren Jezus Christus, die ons trezearend heelt met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus, 4 gelijk IIij ons uitverkoren heelt in hem vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; 5 die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in zichzelven, naar het welbe-hagen vau zijueu wil. |
fi tot prijs der heerlijkheid zijner genade door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde, 7 iu welken wij hebben de verlossing door zijn bloed, na-niflijk de vergevins der misdaden, naar den rijkdom zijuer genade, S met welke Hij overvloedig is ireweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid, 9 ons bekendgemaakt hebbende de verborgenheid van zijnen wil, naar zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in zichzelven, 1(1 om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in den hemel is en wat op de aarde is, 11 iu hem in weikeu wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die te voren verordineerd waren naar het voornemen des- |
|
272 EFEZ ^enen, die alle dinifen werkt naar den raad van zijnen wil, li opdat wij zouden ziin tot prijs zijner heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben. i:i In welken ook sij :ijt, nadat irij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zali^iieid, se hoor d hebt; in welken tjij ook, nadat irij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der beloi'te, 14 die het onderpand is van onze erfenis tot de verkre-rene verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid. 15 Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in den Heere Jezus dat onder u is, en de liefde tot alle de heiligen, l(i houd niet öp voor u te danken, sredenkende uwer in mijne irebede.i, 17 opdat de God onzes Hee-ren Jezus Christus, de Vader dor heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in zijne kennis, 18 namelijk verlichte oogen uws verstands, opdat «ij moogt weten welke de hope is van zijne roeping, en welke de rijkdom is van de heerlijkheid zijner erfenis in de heiligen; 19 en welke de uitnemende grootheid zijner kracht is aan ons die gelooven, naar de werking der sterkte zijner macht. 2ii die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij hem uit de dooden heeft opgewekt en hem heeft gezet tot zijne reehter-hantl in den hemel, 21 ver hoven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam die genaamd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toeko mende; 22 en Hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft hem der iremeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen, |
23 welke zijn lichaam is, en de vervulling desgenen die alles in allen vervult. HOOFDSTUK 2. EX uX u heeft Hij mede lerend gemaakt, daar irij dood waart door de misdaden en de zonden, 2 in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheiil, 'A onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de beseerlijkheden onzes vlee-sches, doende den wil des vleesches en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen. 4 Maar God die rijk is in bannliartighcid, door zijne sroo-te liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, 5 ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft omt levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden), (gt; en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus, 7 opdat Hij zoude betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8 Want uit genade zijt -jij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; it niet uit de werken, opdat niemand roeme. 11 Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen. M Daarom iredenkt, dat gij die eertijds heidenen waart in het vleesch, en die voorhuid |
|
genaamd werdt van degenen die genaamd zijn besnijdeuis in het vleescb, die met handen geschiedt, 12 dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geene hope hebbende en zonder God in de wereld. 1H Maar nu in Christus Jezus zijt gij die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. 14 Want hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des af-scheidsels gebroken hebbende, 15 heeft hij de vijandschap in zijn vleesch te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande, opdat hij die twee in zichzelven tot éénen nieuwen mensch zoude scheppen, vrede makende, Ifi en opdat hii die beiden met God in één lichaam zoude verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. 17 En komende, heeft hij door het Evangelie vrede verkondisrd u die verre waart, en dien die nabij waren. 18 Want door hem hebben wij beiden den toegang door éénen Geest tot den Vader. 19 Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, 20 gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, 21 op welken het geheele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere, 22 op welken ook gij mede-gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest. |
ÃRS 3. 273 HOOFDSTUK 3. OM deze oorzaak ik Faulus de gevangene van Christus Jezus voor u die beidenen zijt:M deze oorzaak ik Faulus de gevangene van Christus Jezus voor u die beidenen zijt: 2 indien gii maar gehoord hebt van de oedeeling der genade Gods die mij gegeven is aan u, 3 dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb, 4 waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijne wetenschap in deze verborgenheid van Christus), 5 v.elke in andere eeuwen den kinderen der menschen niet is bekendgemaakt, gelijk ze nu is geopenbaard aan zijne heilige Apostelen en Profeten door den Geest; 6 namelijk dat de heidenen zijn medeërfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelge-nooten zijner belofte in Christus door het Evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de gave der «renade Gods, die mij gegeven is naar de werking zijner kracht. 8 Mij, den allerminsten van alle de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus, 9 en allen te verlichten, dat ze mogen verstaan welke de gemeenschap der verborgenheid is, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, 10 opdat nu door de gemeente beker.dsremaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods, 11 naar het eeuwig voornemen dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heere, |
18
EFEZIERS 4.
274
|
12 in denwelken wij hebben de vrijmoedigheid en deu toegani; met vertrouwen, door het geloot' aan hem. Ki Daarom bid ik dat Kà niet vertraagt in mijne verdrukkingen voor u, hetwelk is uwe heerlijkheid. 14 Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader oiues lieerea Jezus Christus, 15 uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genaamd wordt, Ifi opdat Hij u geve, naar den r^kdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch, 17 opdat Christus door het geloof in uwe harten woue, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; 18 opdat gij ten volle kondet begrijpen met alle de iiciliren, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is, 19 en bekennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid God». 20 11 em nu die machtis: is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, 21 Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle ge-slachteu, tot alle eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 4. ZOO bid ik u dan, ik de gevanueue in don Hcere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping met welke gij geroepen zijt.OO bid ik u dan, ik de gevanueue in don Hcere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping met welke gij geroepen zijt. 2 met alle ootmoedigheid en zachtmoedisrheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde, 3 u benaarstigende te behou-deu de eenigheid des Geestes door den band des vredes. |
4 Eén lichaam is het en één Geest, gelijkerwijs gij ook Re-roepen zijt tot ééue hoop uwer roeping; 5 één Heere, één geloof, één doop; G één God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen eu in u allen. 7 Maar aan elk van ons is de srenade gegeven naar de mate der gave van Christus. 8 Daarom ze-jt Hij; Als hij opgevaren is in de hooirte, heeft hij de gevangenis sevangenge-nomen, en heeft den menschen gaven gegeven. 9 ^'u dit: Hij is opirevaren, wat is het, dan dat hij ook eerst is nedergedaald in de benedenste deelen der aarde? 1(1 Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opirevaren is ver boven alle de hemelen, opdat hij alle dingen vervullen zoude. 11 En déze heeft gegeven sommiuren tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Evau'-rclisten, en sommigen tot Herders en Leeraars, 12 tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus; 13 totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des ge-looïs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de srrootte der volheid van Christus; 14 opdat wij niet meer kin-dereu zouden zijn, die als de vloed bewogen en omtrevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der menschen, door anrlistigheid om listiglijk tot dwaling te brengen, 15 maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in hem die het Hoofd is, namelijk Christus, |
EFEZ1ERS 5.
275
|
!; IR uit welken het gehcele I lichaam, bekvvamelijk sameii- I gevoegd en samen vastgemaakt zijnde door alle voegselen der 'I toebrenging, naar de werking .â van ieder deel in gevoegd en samen vastgemaakt zijnde door alle voegselen der 'I toebrenging, naar de werking .â van ieder deel in zijne mate, i den wasdom des lichaams be- Ikomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.komt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. 117 Ik zeg dan dit en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt gelijk als de andere heidenen wandelen in , de ijdelheid huns iremoeds;17 Ik zeg dan dit en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt gelijk als de andere heidenen wandelen in , de ijdelheid huns iremoeds; IS verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns har-; ten; Hl welke onsevoelig creworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven. ; 20 Doch gij hebt Christus al-| zóó niet geleerd, 21 indien gij maar hem gehoord hebt en door hem cre-leerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is, 22 te weten dat irij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandelinir, den ouden mensch die verdorven wordt door de bcareerliikheden der verleiding, 23 en aat gij zoudt vernieuwd . worden in den geest uws ge-i moeds, ⢠24 en den nieuwen mensch ' aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaar-i dikheid en heiliirheid. 25 Daarom leirt af de leugen, â¢i en spreekt de waarheid een ^ iegelijk met zijnen naaste; ; want wij zijn elkanders leden. â¢jfi Wordt toornisr en zondigt ï niet: de zon ira niet onder over uwe toornigheid, 27 en geeft den duivel geene plaats. 28 Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende wat goed is -met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen dengenen, die nood heeft. |
29 Geen vuile rede ga uit u-wen mond, maar zoo er eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien die ze hooren. 30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. 31 Alle bitterheid en toornigheid en gramschap en iferoep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid. 32 Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartisr, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus uliedeu vergeven heeft. HOOFDSTUK 5. ZIJT dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;IJT dan navolgers Gods, als geliefde kinderen; 2 en wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot eenen welrie-kenden reuk. 3 Maar laat hoererij en alle onreinigheid of gierigheid onder u ook niet genaamd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt; i noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkeruij, welke niet betamen, maar veelmeer dankzegging. 5 Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gie-riiraard, die een afsodendie-naar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. (gt; Dat niemand u verleide met iidele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. 7 Zoo zijt dan hunne mede-genooten niet. 8 Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij |
|
27fi EFEZ licht in den Heere: wandelt als kinderen des lichts 9 (want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid), 10 beproevende wat den Heere welbehaaslijk is. 11 En hebt geen iremeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. 12 Want hetureen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zegsjen. 13 Maar alle deze dingen van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openhaar maakt, is licht. 14 Daarom zegt Hij: Ontwaak gij die slaapt, en sta öp uit de dooden, en Christus zal over u lichten. 15 Ziet dan hoe gij voorzich-tiglijk wandelt, niet als on-wijzen maar als wijzen, lfgt; den tijd uitkoopende, dewijl de daireu boos zijn. 17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des lleeren is. 18 En wordt niet dronken van wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest, 19 sprekende onder elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heere in uw hart, 20 dankende te allen tijde over alle dingen God en den Vader in den naam onzes Heeren Jezus Christus, 21 elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods. 22 Gij vrouwen, weest uwen eigenen mannen onderdanig, gelijk den Heere: 23 want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der gemeente is; en hij is de behouder des lichaains. 24 Daarom geliik de gemeente Christus onderdanig is, alzóó ook de vrouwen haren eigenen mannen in alles. |
ÃRS 6. 25 Gij mannen, hebt uwe eigene vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente lief-gehad heeft en zichzelven voor haar heeft overgegeven, 20 opdat hij ze heiligen zoude, knar gereinigd hebbende met het bad des waters door het quot;Woord, 27 opdat hij ze zichzelven heer-lijk zoude voorstellen, eene gemeente die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, maar dat zil zoude heilig zijn en onberispelijk. 2s Alzóó zijn de mannen schuldig hunne eisene vrouwen lief te hebben gelijk hunne eigene lichamen. Die zijne eigene vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief. 29 Want niemand heeft ooit z4jn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt het gel ijker wijs ook de Heere de gemeente. 30 Want wij zijn leden zijns lichaams, van zijn vleesch en van zijn been. 31 Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen; en die twee zullen tot één vleesch wezen. :{2 Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente. 33 Zoo dan ook gijlieden elk in 't bijzonder, een iegelijk hebbe zijne eigene vrouw alzóó lief aiiS zichzelven; en de vrouw zie dat zij den man vreeze. HOOFDSTUK 6. GIJ kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.IJ kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in den Heere; want dat is recht. 2 Ee:- uwen vader en uwe moeder (hetwelk het eerste gebod is met eene belofte), 3 opdat het u wèl ga en dat gij lar.g leeft op aarde. 4 En gij vaders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn, maar |
|
voedt ze öp iu de leeriug en vennanhif; de» Heeren. 5 Gij dienstknechten, zijt ge-boorzaam uwen heeren naar het vleesch, met vreeze eu beven, in eenvoudigheid uws harten, Kelijk als aan Christus, fi niet naar oogendienst als nieiiRcbenbebagers, uiaar als dienstknechten van Christus, doende den wil God» van harte, 7 dienende met goedwilligheid den He ere en niet demenschen. 8 wetende dat zoo wat soed een iegelijk gedaan zal hebben, hij dat van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht hetzij vrije. 9 En gij heeren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging;, als die weet dat ook uw eigen Ileere in de hemelen is, en dat er geene aanneming des persoons bij Hem is. 10 Voorts, mijne broeders, wordt krachtii; in den Ileere en in de sterkte zijner macht. 11 Doet Aén de geheele wapenrusting Gods, ondat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. 1*2 Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 1H Daarom neemt één de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstann in den hoozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. 14 Staat dan, uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende |
IRS 6. 277 het borstwapen der gerechtigheid, 15 en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Kvangelie des vredes; 16 bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen. 17 En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord; IS met alle bidding en smee-kiug biddende te allen tijde in den geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurinheid en smeeking voor alle de heiligen, lil en voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns inonds met vrijmoedigheid om de verborgenheid des Evangelies bekend te:naken; 20 waarover ik een gezant ben in een keten; opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken gelijk mij betaamt te spreken. 21 En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat eu wat ik doe, dut alles zal u Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekendmaken; 22 denwelken ik te dien einde tot u gezonden heb, opdat gij ouze zaken zoudt weten en hij uwe harten zoude vertioosten. 2.'J Vrede zij den broederen en liefde met geloof, van God den Vader en den Heere Jezus Christus. 24 De eenade zij met alle degenen die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onver-derielijkheid. Amen. |
DÃ BEIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
FILIPPENZEK
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS en Tiraóthcüs, dienstknechten van Jezus Christus, aan alle de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, met de Opzieners en Diakenen:AULUS en Tiraóthcüs, dienstknechten van Jezus Christus, aan alle de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, met de Opzieners en Diakenen: 2 genade zij u en vrede van God ui.zen Vader en den lleere Jezus Christus. 3 Ik dunk mijnen God zoo dikwijls als ik uwer tredenk 4 (te allen tijde in Jil mijn ure-bed voor u allen met blijdschap het Re bed doende), 5 over uwe gemeenschap aan het Kvangelie, van den eersten daR af tot nu toe: fi dit vertrouwende, dat Hij die in u een goed werk betjon-uen heeft, dat voleindigen zal tot op den da^ van Jezus Christus; 7 Relijk het bij mij recht is dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houd dat gij, beide in mijne banden en i/t mijne verantwoording en bevestig!utc des Evangelies, sij allen, zeg ik, uiijuer genade mede deelachtig zijt. 8 Want God is mijn petuiire, hoezeer ik besjeeriir ben naar u allen met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 9 En dit bid ik God, dat uwe liefde nos meer en meer over-vloedif? worde in erkentenis en alle gevoelen, 10 opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen; |
opdat gij oprecht zijt en zonder aanstoot ie geven, tot den dag van Christus, 11 vervuld niet vruchten der gerechtigheid die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God. 1'2 En ik wil dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering des Evangelies gekomen is; 13 alzoo dat mijne banden in Christus openbaar geworden zijn in 't gansche Kechthuis en aan alle anderen, 14 en dat het meerendeel der broederen in den lleere, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken. 15 Sommigen nredikeu ook wel Christus door nijd en twist, maar sonimigeu ook door goedwilligheid. Ifi Génen verkondigen wel Christus uit twisting, uiet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te brengen; 17 doch dézen uitliefde, dewijl zij weten dat ik tot verant-woording des Evangelies gezet ben. IS Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel hetzij in waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. 19 Wnnt ik weet dat dit mij ter zalighp'd gedijen zal door |
|
uw gebed en toebrenifiuK des Geestes van Jezus Christus, 20 volgens mijne ernstige verwachting en hoop, dut ik in geene zaak zal beschaamd worden, maar dat in alle vrijmoe-diu'heid, gelijk te allen tijde alzoo ook nu, Christus zal grootgemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven hetzij door den dood. 21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is my gewin. 32 Maar of te leven in het vleesch, hetzelve mij oorbaar zij. en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met ( hristus te zijn ; want dat is zeer verre het beste; 24 maar in het vleesch te blijven is uoodiger om uwentwil. 25 En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met n allen zal verblijven tot uwe bevordering en blijdschap des geloof», 26 opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne tegenwoordigheid wederom bij u. 27 Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus; opdat hetzij ik kom en u zie. hetzij ik afwezi? ben, ik van uwe zaken moge hooren, dat fiij staat in éénen geest, met één iremoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies, 28 en dat jtij in geen ding verschrikt wordt van degenen die tegenstaan; hetwelk hön wel een bewiis is des verderf», maar ü der zaligheid, en dat van God. 29 Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in hem te gelooven, maar ook voor hem te lijden, 3U denzelldeu strijd hebbeu-yZEN 2. 279 |
de, hoedanigen gij in mij ge-aien hebt en nu in mij hoort. HOOFDSTUK 2. INDIEN er dan eenige ver-troosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfennin^eu zijn,NDIEN er dan eenige ver-troosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfennin^eu zijn, 2 zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moort eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van éé i gevoelen zijnde. Doet geen ding door twisting of fjdele eer, maar door ootmoedigheid achte de één den ander uitnemender dan zicbzelven. 4 Ken iegelijk zie niet op het ziji e, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. 5 Want dat gevoelen zij in u hetwelk ook in Christus Jezus was, 6 die in de gestaltenis Gods zijnde, bet geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, 7 maar heelt zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknech: s aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden; « en in gedaante gevonden als een mensch, heeft hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. 9 Daarom heeft God hem ook uitermate verhoogd, en heeft hem eenen naam sregeven welke hoven alleft naam is, 10 opdat in den naam van Jezus zich zoude buigen alle knie derirenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zoude belijden dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid Gods des Vaders. 12 Alzoo dan, mijne gelief- |
|
280 filipp: den, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam geweest zijt, niet als iu mijne tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; 13 want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehasen. 14 Doet alle dingen zonder murmnreeren en tegenspreken, 15 opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in 't midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld; 16 voorhoudende het Woord des levens, mij tot eenen roem tegen den dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb ge-loopen noch tevergeefs gearbeid. 17 Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd word over de offerande en bediening uws geloofs, zoo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen, IS en om datzelfde verblijdt gij u óók, en verblijdt u ook met mij. 19 Eu ik hoop in den Heere Jezus, Timótheüs haast tot u te zenden, opdat ik óók welgemoed mag zijn als ik uwe zaken zal verstaan hebben. 20 Want ik heb niemand die even alzon gezind is, dewelke oprechtelijk uwe zaken zal bezorgen. 21 Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. 22 En gii weet zijne beproeving, dat hij, als-een kind zijnen vader, met mij gediend heeft in het Evangelie. 23 Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zenden, zoodra als ik in mijne zaken zal voorzien hebben; 24 doch ik vertrouw in den lleere, dat ik ook zelf haast tot u komen zal. 25 Maar ik heb noodig geacht |
nzen 3. tot u te lenden Epafroditus, mijnen broeder en medearbeider en medestrijder, en uwen afgezondene en bedienaar mijner nooddruft, 26 dewijl hij zeer begeerig was naar u allen, en aeer beangst was, omdat gij gehoord hadt dat hij krank was. 27 En hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft zich zijner ontfermd, en niet alleen zijner maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droetheid zoude hebben. 28 Zoo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij, hem ziende, wederom u zouat verblijden, en ik te minder droevig zoude zijn. 29 Ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde. 30 Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zoude. HOOFDSTUK 3. VOORTS mijne broeder», verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet verdrietig, en het is ü zeker.OORTS mijne broeder», verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet verdrietig, en het is ü zeker. 2 Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. 3 Want wij zijn de besnijding, wij cie God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vleesch betrouwen: 4 hoewel ik heb dat ik ook in het vleesch betrouwen mocht. Indien iemand anders meent te betrouwen iu het vleesch, ik nog meer, 5 beuieden ten achtsten dage, uit h?t geslacht Israels, van den stam Benjamin, een He-breër uit de Hebreërs, naar de wet een Farizeër, |
|
FILIPP1 6 naar den ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid die in de wet is, zijnde onberispelijk. 7 Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. M Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijnen Ilee-re, om wiens wil ik alle die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, 9 en in hem gevonden worde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof; 10 opdat ik hem kenne, en de kracht zijner opstanding, en de gemeenschap zijns lijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende: 11 of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden. 12 Niet dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben; maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders, ik acht niet dat ikzelf het gegrepen heb. 14 Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen vóór is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. 15 Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien «ij iets anders gevoelt, ook dat zal God u openbaren. Iji Doch waar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 17 VVeest mede mijne navolgers, broeders, en merkt op «ZEN 4. 281 |
desenen die alzóó wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. IS Want velen wandelen andtra, van dewelke ik u dikmaals gezegd heb en nu ook weenende zeg, dat ze vijanden des kruises van Cliristus zijn, 19 welker einde is het verderf, welker God is de buik, en icel-ker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aardsche dingen bedenken. 21) Maar önze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Ileere Jezus Christus, â¢21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor hij ook alle dingen zichzelven kan onderwerken. HOOFDSTUK 4. ZOO dan, mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon, staat alzóó in den Ileere, geliefden.OO dan, mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon, staat alzóó in den Ileere, geliefden. 2 Ik vermaan Kuodia en ik vermaan Syntyché, dat zij eensgezind sijn in den Ileere. 3 En ik bid ook u, gij mijn oprechte metsrezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens en mijne andere medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens. 4 Verblijdt u in den Ileere te allen tijde; wederom zeg ik, verblijdt u. 5 Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. De Ileere is nabij. f» Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles door bidden en smeeken, met dankzegging, bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boveu gaat, zal |
282 PILIPPENZEN 4.
uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus.
8 Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardi'.r is,
al wat rein is, al wat liefelijk ia, al wat wèl luidt, zoo daar eenige deu-rd is en zoo daar eeni^e lot' is, bedenkt dat.
9 Hetgeen jrij ook ajeleerd en ontvan^^n en gehoord en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn.
10 En ik ben jrroctelijks verblijd geweest in den Heere,
dat pij nu eenmaal wederom aangewakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar sij hebt de gelegenheid niet gehad.
11 Niet dat ik dit zei; vanwetre gebrek; want ik heb geleerd vergrnoegd te zijn in hetgeen ik ben;
12 en ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.
13 Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft.
14 Nochtans hebt i»ij wèl gedaan dut gij met mijne verdrukking gemeenschap gehad hebt.
15 En ook gij, Filippenzen,
weet, dat in het begin des Evaugeli s, toen ik van Macedonië vertrokken beu, geene â¢.rem een te mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen, ir. Want ook in Thessaloniea hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden tot mijne nooddruft.
17 Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht die overvloedig is tot uwe reke-ning.
18 Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden als ik van Epafroditus ontvangen heb wat van u gezonden xcaa, als een welriekenden reuk, éeneaangename offerande, Gode welbe-haairlijk.
19 Doch mijn God zal naar zijnen rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus.
20 Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
21 Groet alle heiligen in Christus Jezus. U groeten de broeders die met mij zijn.
22 Alle de heiligen groeten u, en meest die van het huis des Keizers zijn.
23 De genade otizes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen.
DE BEIEP VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAS DB
COLOSSENZEK
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Timótheüs de broeder,AULUS, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Timótheüs de broeder, 2 aan de heilige en seloo-vige broederen in Christus die te Colosse zijn: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 3 AVij danken den God en Vader onzes Ileeren Jezus Christus, altijd voor u biddende, 4 alzoo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde die gij hebt tot alle heüisren, 5 om de hone die u weggelegd is in ae hemelen, van welke Rij te voren gehoord hebt door het Woord dei-waarheid, namelijk des Evangelies; fgt; hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld; en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien das at dat trij het uehoord hebt en de genade Gods in waarheid bekend hebt: 7 jrelijk irij ook treleerd hebt van Epafras, onzen geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u, 8 die ons ook verklaard heeft uwe liefde in den Geest. |
9 Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebbei., niet ophouden voor u te bidden en te begeeren, dat gij mooirt vervuld worden met de kei. nis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand, 10 opdat jrij moogt wandelen waardiglijk den Heere tot alle behaasrlijkheid, in aMe goede werken vrucht dragence, en wassende in de kennisse Gods ; 11 met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte zijner lieerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap; 12 dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht; i:{ die ons s-etrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde, 14 in den wel ken wij de ver-lossinir hebben door zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden, 15 dewelke het beeld is des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creature. 16 Want door hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle |
COLOSSENZKN 2.
2S4
|
din^eu zijn door bon en tot hem geschapen; 17 en hij is vóór alle dingen, en alle aingen bestaan te za-men door bent. IS En bij is bet Hooid des liobaams, namelijk der gemeente, bii die bet begin is, de eerstgeborene uit de doo-den, opdat hij in allen de eerste zoude zijn. 19 Want bet is des Vaders welbehagen geweest, dat in hem al de volheid wonen zoude, 20 en dat Hij door hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem, zerj ik, alle dingen verzoenen zoude tot zichzelven, hetzij de dingen die op de aarde, betzij de dingen die in de hemelen zijn. 21 En bij heeft u die eeniids vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de booze werken, nu ook verzoend 22 in het lichaam zijns vlee-sches door den dood, opdat hij u heilig en onberispelijk en onbestraffelijk vóór zich zoude stellen: 23 indien gij maar blijft in het geloof gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies dat gij geboord hebt, hetwelk gepredikt is onder al de creature die onder den hemel is; van hetwelk ik Paulus een dienaar geworden beu; 24 die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vleesch de overblijfselen der verdrukkingen van Christus voor zijn lichaam, hetwelk is de gemeente; 25 welker dienaar ik geworden ben naar de bedeeling Gods, die mij gegeven is aan u om te vervullen bet Woord Gods: 26 namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen. |
27 aan wie God heeft willen bekendmaken, welke is de rijkdom der.heerlijkheid dezer verborgenheid onder de beidenen, welke is Christus onder u, de hope der heerlijkheid; 28 denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mensch en leerende een iegelijk mensch in alle wijsheid, opdat wij een iegelijk mensch volmaakt zouden stellen in Christus Jezus; 29 waartoe ik ook arbeid, strijdende naar zijne werking die in mij werkt met kracht. HOOFDSTUK 2. WANT ik wil dat gij weet, boe grooten strijd ik voor u heb, enANT ik wil dat gij weet, boe grooten strijd ik voor u heb, en voor degenen die te Laodicéa zijn, en zoovelen als er mijn aangezicht in bet vleesch niet hebben gezien, 2 opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus, 3 in denwelken alle de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. 4 En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen die eenen schijn hebben. 5 Want hoewel ik met bet vleescb vim u ben, nochtans ben iK met den geest bij u, mij verbliidende en ziende uwe Koede ordening en de vastheid uws geloofs in Christus. 6 Gelijk gij dan Christus Jezus den Heere hebt aangenomen, wandelt alzóó in hem, 7 geworteld en opgebouwd in hem, en bevestigd in bet geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging. 8 Ziet toe dat niemand u als eenen roof vervoere door de |
-
COLOSSENZEN 3.
285
|
philosofie en ijdele verleiding, naar de overleverine: der men-schen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus. 9 Want in hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; 10 en gij zijt in hem volmaakt, die het Hoofd is vin alle overheid en macht; 11 in welken gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in het uittrekken van het lichaam der zonden des vlee sches, door de besnijdenis van Christus: 12 zijnde met hem begraven in den doop, in welken gij ook met hem opsrewekt zijt door het geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeft. 13 En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid uws vleesches, mede levend gemaakt met hem, alle uwe misdaden u versrevende; 14 uit^ewischt hebbende het handschrift dnt tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, eenigerwijze tegen ons was, en heeft dat uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruin genageld hebbende ; 15 en de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft hij die in het openbaar ten toon iresteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd. 16 Dat u dan niemand oordeele in spijs, of in drank, of in het stuk des t'eestdays of der nieuwe maan of der sabbatten, 17 welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. 18 Dat dan niemand u over-heersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der Engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde iloor het verstand zijns vleesches. |
19 en het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het geheele lichaam, door de samenvoeg-selen en samenbindingen voorzien en samengevoeifd zijnde, 'opwast met Goddelijken wasdom. 20 l.idien gij dan met Christus de eerste beinnselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, alsof gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast, 21 namelijk: Raak niet, en smaak niet, en roer niet aan? 22 welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leeringen der menschen; 23 dewelke wel hebben eene «cAijnrede van wijsheid in eigen-willigen tforfsdienst, en nederigheid, eu in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in eenige waarde, maar tot verzadiging des vleesches. HOOFDSTUK 3. INDIEN gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechter/mnrf Gods ;NDIEN gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechter/mnrf Gods ; 2 bedenkt de dini;en die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus ver-borsren in God. 4 Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid. 5 Doodt dan uwe leden die op de aarde zijn, tiamelijk hoererij, onreinighcid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is at-godendienst: om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaam heid; 7 in dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet. |
COLOSSENZKX 4.
286
|
8 Maar nu, legt ook {;ij dit alles af, namelijk irrauischap, toorui^üeid, kwaadheid, laste-ring, vuil spreken uit uwea mond. 9 Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden meuscii met zijne werken, 10 en aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld dessrenen die hem geschapen heeft; 11 waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis cn voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar' Christus is alles en in allen. 12 Zoo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid : 1H verdragende elkander en vergevende de één den ander, zoo iemand te^en iemand eennje klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzóó. 14 En boven dit alles, lt;loet dan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid. 13 En de vrede Gods heersche in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam; en weest dankbaar. 16 liet Woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. 17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doet bet alles in den naam des Heeren Jezus, dankende God en den Vader door hem. 18 Gy vrouwen, ziit uwen eigenen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere. |
19 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar. 20 Gij kinderen, zijt uxren ouders gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehaaglijk. 21 Gij vaders, tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar het vlcesch, niet met ooirendiensten als menschen-bebagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God. 23 En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den menschen, 24 wetende dat gij van den Heere zült ontvangen de ver-irelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus. 25 Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen dat hij gedaan heeft, en er ia geene aanneming des persoons. HOOFDSTUK 4. GIJ heeren, doetIJ heeren, doet uwen dienstknechten recht en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heere hebt in de hemelen. 2 Houdt sterk «idn in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging; 3 biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben, 4 opdat ik dezelve, mag openbaren gelijk ik moet spreken. 5 Wandelt met wijsheid bij degenen die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkoopende. 6 Uw woord zij te allen tiide in aanirenaamheid, met zout oe-sprengd, opdat gij moogt weten hoe gij een iegelijk moet antwoorden. 7 Alle mijne zaken zal u bekend maken Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe |
1 THESSALONICENZEN }.
287
|
dienaar en mcdedienstkuecht ju den IIcere, S deuwelkeu ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uwe zaken wete en uwe harten vertrooste, 9 met Unésimus, den getrouwen en gelietden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekenduiaken wat hier is. 10 ü groet Aristarchus mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Bdrnabas (aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt: zoo hij tot u komt, ontvangt hem), 11 en Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn: dezen alleen zijn mijne medearbeiders in het Kouinkrijk Gods, die mij eeue vertroosting geweest zijn. 12 U groet Epafraa die uit de uwen is, een diensiknecht van Christus te allen tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil Gods. |
13 Want ik geef hem getuigenis dat hij grooten ijver heeft over u en degenen die in Laodicéa zijn en degenen die in Hiërdpolis zijn. 14 ü groet Lucas de medicijnmeester, . de gelietide, en Demas. 15 Groet de broederen die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de gemeente die in zijn huis is. IC En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt dat die ook in de gemeente der Laodicenzen gelezen worde, en dat ook gij dien leest die uit Laodicéa geschreven ia. 17 En zegt aan Archippus: Zie op de bediening die gij aangenomen hebt iudenlleere, dat gij die vervult. IS De groeten is met mijne hand, van Paulus. Gedenkt mijne banden. De genade zij met u. Amen. |
DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
THESSALONICENZEK
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS en Silvanus en Ti-inótheiis aan de gemeente der Thessalonicenzen,AULUS en Silvanus en Ti-inótheiis aan de gemeente der Thessalonicenzen, welke is in God den Vader en den lieere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den lieere Jezus Christus. 2 Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde m onze gebeden; |
3 zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hope op onzen lieere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; 4 wetende, geliefde broeders, uwe verkiezing van God. 5 Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, eu in vele verzekerdheid, gelijk gij weet hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. 6 En gij zijt onze navolgers geworden eu des Heeren, het |
l.THESSALONICENZEN 2.
|
Woord aangenomen hebbende in veie verdrukking:, met blijdschap des Heiligen Geestes, 7 alzoo dat ijij voorbeelden geworden zijt allen den geloo-vigen in Macedonië en AchAje. 8 Want van u is het Woord des Heeren ruchtbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achdje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof dat qij op God hebt, uitgegaan, zoodat wij niet van noode hebben iets daaraan te spreken. 9 Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen, 10 en zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten, denwelken Hij uit de dooden opgewekt heeft, namelijk Jezus, die ons verlost van den toekomenden toorn. HOOFDSTUK 2. WANT gij weet zeiven, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest;ANT gij weet zeiven, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest; 2 maar hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zoo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie Gods tot u te spreken in veel strijd. 3 Wartt onze vermaning is niet geweest uit verleidin?, noch uit onreinigheid, noch met bedrog; 4 maar gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zoude toe betrouwd worden, alzóó spreken wij, niet als menschen behagende, maar Gode, die onze harten beproeft. 5 Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk sij weet, noch met eetiig bedeksel van gierigheid, God is getuige; |
6 noch zoekende eer uit menschen, noch van u noch van anderen; hoewel wij m tot last konden zijn als Christus' Apostelen;, 7 maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, Kei ijk als eene voedster hare kinderen koestert, 8 alzóó wij, tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededeelen niet alleen het Evangelie Gods, maar ook onze eigene zielen, daarom omdat gn ons lief geworden waart. 9 Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evungelie Gods onder u gepredikt. 10 Gij zijt getuigen en God. hoe heiliglijk en rechtvaardig-lijk en onberispelijk wij u die gelooft, geweest zijn: 11 gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijne kinderen, veruiaau-den en vertroostten, 12 en betuigden dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot zijn Koninkrijk en heerlijkheid. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als irij het Woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt niet als der menschen woord, maar (irelijk het waarlijk is) als Gods \Voord, dat ook werkt in u die gelooft. 14 Want gij, broeders, zijt navolsers geworden der sre- . meenten Gods die in Judéa zijn, in Christus Jezus, dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe eisrene medeourgers, gelijk als zij van de Joden. 15 welke ook gedood hebben den Heere Jezus en hunne eigete Profeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en alle menschen tegen zijn, |
1 THESSALOKICENZEN 3, 4.
|
Ifi en ons verhinderen te spreken tot de heidenen, dat zij za-Hr mochten worden; opdat zij te allen tijde hunne zonden vervullen zouden. Eu de toorn is over hen srekonien tot den einde. 17 Maar wij, broeders, van u beroofd peweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aan-srezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger be-naarsti^d om uw aangezicht te zien, met ei'oote beKeerte. IS Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Pau-lus) eenmaal en andermaal, maar de satan heelt het ons belet. 19 Want welke ja onze hoop of blijdschap of kroon des roems? Zijt (dj die ook niet, voor onzen Ileere Jezus Christus in zijne toekomst ? 20 Want '.'ij zijt onze heerlijkheid en blijdschap. HOOFDSTUK 3. DAAROMAAROM deze begeerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne te Athene willen alléén gelaten worden, 2 en hebben gezonden Tiinó-theüs, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken en u te vermanen aangaande uw se-loof, 3 opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want sij weet zeiven dat wij hiertoe gesteld zijn. 4 Want ook toen wij bij u waren, voorzeiden wij u dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet het. 5 Daarom ookquot; deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden om uw geloof te verstaan, of niet misschien de verzoeker u zoude verzocht hebben eu onze arbeid ijdel zoude wezen. |
fi Maar als Timótheüs nu van ulieden tot ons gekomen was, en ms de ïoede boodschap gebracht had van uw treloof eu llefce, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer beyreerig zijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden : 7 zoo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw ireloof; 8 want nu leven wij, indien gij fffrtstaat in den Heere. 9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, vanweue al de blijdschap waarmede wij ons om uwentwil verblijden voor onzen God, 10 na 'ht en dag zeer overvloe-diirlijk biddende om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken hetgeen aan uw geloof ontbreekt? 11 Doch onze God en Vader zelf en onze Ileere Jezus Christus richte onzen weg tot u. 12 En de Heere vermeerdere u en make u overvloedig in de fiefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 opdat hij uwe harten ver-sterke om onberispelijk te zijn in heilimnaking voor onzen God en Vader, in de toekomst onzes lleeren Jezus Christus met alle zijne heiligen. HOOFDSTUK 4. VOORTS dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gijOORTS dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt. 2 Want gij weet wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus. 3 Want dit is dc wil Gods, uwe heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij, 4 dat een iegelijk van u wete |
19
|
296 1 THESSAU zijn vat te bezitten in heiligmaking en eere, 5 niet in kwade beweginsc der beseerlijkheid, gelijk als de heidenen die God niet kennen. 6 Dat niemand zijnen broeder vertrede noch bedrie^e in zijne handeling; want deeere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuitrd hebben. 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking. S Zon dan wie dit verwerpt, die verwerpt seen raenseh, maar God. die ook zijnen Heiligen Geest in ons heeft gegeven. 9 Van de broederlijke lieftie nu hebt frij niet van noude dat ik u schrijve, want trijzelven zijt van God ireleerd om elkander lief te hebben. 10 Want irij doet hetzelve ook aan alle de broederen die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloed is wordt, 11 en dat gij u benaarstiirt stil te zijn, en uwe eigene dingen te doen, en te werken met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben ; 12 opdat «ij eerlijk wandelt bij degenen die buiten zijn, en geen dins van noode hebt. 13 Doch, broeders, ik wil niet dat gij onwetende zijt van de-genen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk als de anderen, die geene hope hebben. 14 Want indien wij gelooven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzóó zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus jmterbrensren met hem. 15 Want dat zessen wij u door het Woord des Heeren, dat wij die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen vóórkomen degenen die ontslapen zijn. 16 Want de Heere zelf zal met een geroep met de stem des |
MCENZEN 5. Archangels en met de bazuin Gods, nederdalen van den hemel, en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan ; 17 daarna wij die levend over-gebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere te se-moet in de lucht; en alzóó zullen wij altijd met den Heere wezen. IS Zoo dan vertroost elkander met deze woorden. HOOFDSTUK 5. MAAR van de tijden en de se-legenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijve.AAR van de tijden en de se-legenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijve. 2 Want gii weet zeiven zeer wel, dat dedairdes Heeren alzóó zal komen, gelijk een dief in den nacht. 3 Want wanneer zij zullen zesgen: Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastis verderf hen overkomen, selijk de barensnood eene bevruchte vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden. 4 Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zoude bevangen. 5 Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dass-, wij zijn niet des nachts noch der duisternis. fgt; Zoo laat ons dan niet slapen selijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn. 7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken. 8 Maar wij die des dass zijn, laat ons nuchter zijn, aan-sedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot eenen helm de hoop der zalisheid. 9 Want God heeft ons niet gesteld ;ot toom, maar tot ver-krijgins der zalisheid door onzen Heere Jezus Christus, |
|
2 THESSALC 10 die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met hem leven zouden. 11 Daarom vermaant elkander, en sticht de één den ander, gelijk sij ook doet. 12 En wij bidden u, broeders, i erkent degenen die onder u arbeiden, en uwe voorstanders zijn in den Ueere en u vermanen, i:{ en acht ze zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander. 14 En wij bidden u, broeders, vermaant de on geregelde n, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens a.len. 15 Ziet dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde, maar jaagt te allen tijde het goede na, zoo jegens elkander als jegens allen. . Ifi Verblijdt u te allen tijde. * 17 Bidt zonder ophouden. bazuin ieu he-gestor-) staan ; d over-zamen rden in te gre-alzóó i Ueere kander i de sre-s, Lebt men u n zeer n alzóó f iu den zullen zonder |
TICENZEN 1. 291 18 Dankt God in alles; want dit is de wil Gcds in Christus Jezus over u. 19 B/uscht den Geest niet uit. 20 Veracht de profetieën niet. 21 Beproeft alle dingen; behoudt het'goede. 22 Onthoudt u van allen schijn des kwaads. 23 En de God des vredes zelf heiliire u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus- 24 Hij die u roept, is getrouw, die het ook doen zal. 25 Broeders, bidt voor ons. 2'i Groet alle de broeders met eenen heiligen kus. 27 Ik bezweer ulieden bij den Heere, oat deze zendbrief allen den heiligen broederen gelezen worde. 2S De genade onzes Heeren Jezus CLristus zij met ulieden. Amen. |
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS en Silvan us en Ti-mótheüs aan de gemeente der Thessalonicenzen,AULUS en Silvan us en Ti-mótheüs aan de gemeente der Thessalonicenzen, welke is ' in God onzen Vader en den Heere Jezus Christus: 2 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere . Jezus Christus. Wij moeten God te allen tijde danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw ge-I loof zeer wast, en omdat de liefde van een iegelijk van u allen .-ruchte Keens- jrij zijt u die bevan- â¢en des iïs; wij jch der slapen , maar luchter pen des n zijn, zijn, i, aan-nrstwa-liefde, jop der is niet tot veroor on-18, |
jegens elkander overvloedig wordt, 4 alzoo dat wijzelven van u roemen in de gemeenten Gods, over uwe lijdzaamheid en geloof in alle uwe vervolgingen en verdrukkingen die gij verdraagt : 5 een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods voor hetwelk gij ook lijdt: (gt; alzoo het recht is bij God, verdrukking te vergelden den-geneu die u verdrukken. DE TWEEDE BRIEF VAX DEX APOSTEL PAULUS AAN DB THESSALOMCENZEN. |
|
292 2 THESSALO 7 en u die verdrukt wordt, ver-kwikkinir met ons, in de openbaring des Heeren Jezus van den hemel met de Engelen zijner kracht, 8 met vlammend vuur wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen die het Evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn ; 9 dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid zijner sterkte, 11) wanneer hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden in zijne heiligen, en wonderbaar te worden in allen die gelooven (overmits onze setui-genis onder u is geloofd geworden) in dien dag. 11 Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht; 12 opdat de naam onzes Heeren Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus. HOOFDSTUK 2. EN wij bidden u, broeders, door de toekomst onzes Heeren Jezus Christus en onze toe-verKadering tot hem,N wij bidden u, broeders, door de toekomst onzes Heeren Jezus Christus en onze toe-verKadering tot hem, 2 dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschre-ren, alsof de daij van Christus aanstaande ware. Dat niemand u verleide op eenigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs, 4 die zich tegenstelt en verheft boven al wat God ge-iICENZEN 2. |
naamd of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den Tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertoonende dat hij God is. ó Gedenkt gij niet dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? 6 En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijaer eigener tijd. 7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht; alleenlijk die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weyyedaaii worden ; 8 en alsdamp;n zal de ongerecli-tige geopenbaard worden, denwelken de lleere verdoen zal door den geest zijns monds, en te niet maken door de verschijning zijner toekomst, 9 hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de. werking des satans, in alle kracht en teekeuen en wonderen der leugen, 10 en in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan, daarom dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun zenden eene kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven; 12 opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet tteloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. i:{ Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u. broeders, die van den Heere bemind zijt, dat God u van den beginne verkoren heeft tot za-liïheii, in heiligmaking des Geestis en geloof der waarheid; 14 waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid onzes Heeren Jezus Christus. 15 Zao dan, broeders, staat vaat, en houdt de inzettingen |
! TIIESSALOMCE.NSEN 'c
293
|
die u geleerd zijn, hetzij door ojia woord, hetzij door onzen zendbrief; 1(5 en onze Ileere Jezus Christus zelf, en onze God en Vader die ons heeft liefgehad, en gelteven heeft eene eeuwige vertroosting en goede hope in genade, 17 vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goed woord en werk. HOOFDSTUK 3. VOORTS, broeders, bidt voor ons, opdat bet Woord des HeerenOORTS, broeders, bidt voor ons, opdat bet Woord des Heeren zijnen loop hebbe, en verheerlijkt worde gelijk ook bij u, 2 en opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en booze menschen; want het geloof is niet aller. 3 Maar de Ileere is getrouw, die u zal versterken en bewaren van den booze* 4 £n wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij hetgeen wij u bevelen, ook doet en doen zult. 5 Doch de Heere richte uwe harten tot de liefde Gods en tot de lijdzaamheid van Christus. fi En wij bevelen u, broeders, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij u onttrekt aan een iegelijk broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting die hij van ons ontvangen heeft. 7 Want gijzel ven weet hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u. |
8 en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn: â¢J niet dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij ons-zelven u geven zouden tot een voorbeeld om ons na te volgen. 10 Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zno iemand niet wil werken, hij ook niet ete. 11 Want wij hooren dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende maar ijdele dingen doende. 12 Doch de zoodaniiten bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten. 13 En pij, broeders, vertraagt niet in goed te doen. 14 Maar indien iemand ons woord, door dezen brief ye-schreven, niet gehoorzaam is, teekent dien, en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde; 15 en houdt hem niet als oenen vijand, maar vermaant hem als eenen broeder. Ifi De Heere nu des vredes zelf geve u vrede te allen tijd op allerlei wijze. De Heere zij met u allen. 17 De groeten is met mijne hand, van Paulus; hetwelk is een teeken in iederen zendbrief : alzóó schrijf ik. 18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
DE EERSTE BUIEF VAX DEX APOSTEL PAULUS
AAN
TIMÃTHEÃS.
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS, een Apostel van Jezus Christus, naar bet bevel van God onzen Zaliinna-ker, en den Heere Jezus Christus,AULUS, een Apostel van Jezus Christus, naar bet bevel van God onzen Zaliinna-ker, en den Heere Jezus Christus, die onze bope is , 2 aan Timótbeüs mijnen op-reebten zoon in het jreloof: genade, bami hartigheid, vrede zij u van God onzen Vader en Christus Jezus onzen Heere. 3 Gelijk ik u vermaand heb dat jcij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, zoo vermaan ik het u noy, opdat gij sommigen beveelt geene andere leer te leeren, 4 noch zich te begeven tot fabelen en oneindige jreslachts-rekeningen, welke meer tv'ist-vragen voortbrengen dan stichting Gods die in het geloof is. 5 Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart en uit eene goede conscientie en â uit een ongeveinsd geloof', (5 waarvan sommigen afgeweken zijnde, hebben zich gewend tot ijdelspreking; 7 willende Leeraars der wet zijn, niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 8 Doch wij weten, dat de wet goed is, zoo iemand die wettelijk gebruikt, |
D en hij dit weet, dat den rechtvaardige de wet niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halsstarrigen, den god-deloozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelij-ken, den vadermoorders, en den inoedermoorders, den doodslagers, ld den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den men-schendieven, dea leugenaars, den meineedigen, en zoo daar iets anders tegen de gezonde leer is, 11 naar het Evangelie der heerlijkheid des zaliiren Gods, dat mij toebetrouwd is. 12 En ik dank hem die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen Heere, dat hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende, 13 die te voren een //orf#laste-raar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in mijne ongeloovigheid; 14 doch de genade onzes Hee-ren is zeer over'loedig geweest, met geloof en liefde die daar is in Christus Jezus. 15 Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is orn de zondaren zali^ te maken, van welke Ik de Noornaamste ben; Ifi maar dMrom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al zijne lankmoedigheid zoude betoo-neu, tot een voorbeeld derge- |
296
|
HOOFDSTUK 2. IK vermaan dan vóór alle dingen, dat er gedaan worden smeekiugen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen,K vermaan dan vóór alle dingen, dat er gedaan worden smeekiugen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen, 2 voor Koningen en allen die in hoogheid ziju, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want dut is goed en aantre-naam voor God onzen Zaligmaker, 4 welke wil dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen. 5 Want daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der menschen, de nieusch Christus Jezus, (i die zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor alleu, zijnde de getuigenis te zijner tijd ; 7 waartoe ik gesteld ben een Prediker en Apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik liep niet), een Leeraar der heidenen in geloof en waarheid. |
8 Ik wil dan dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twierJng. 1 TIMDTHEUS 2, 3. neu die in hem {zelooven zullen | ten eeuwigen leven. 17 Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen j God, zij eere en heerlijkheid iu alle eeuwigheid. Amen. 18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timótheüs, dat gij naar de profetieën die over u voorafgeiraan ziin, in dezelve den goeden strijd strijdt, 19 houdende het geloof, en eene goede couscieutie; welke sommigen verstooten hebbende, in het geloof schipbreuk geleden hebben: Jü onder welke is Hymeuéüs en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leeren niet vieer te lasteren. 9 Desselijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haara, of goud, of paarlen, of kostelijke kleeding, 10 maar (hetwelk den vrouwen betaamt die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. 11 Eene vrouw late zich leeren in stilheid, in alle onderdanigheid. 12 Doch ik laat de vrouw niet toe dat ze leere, noch over den man heersche, naar wil dat ze in stilheid zij. 13 Want Adair, is eerst gemaakt, daarna Eva; 14 en Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde, is in overtreding geweest. 15 Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in geloof en liefde en heiligmaking met matigheid. HOOFDSTUK 3. DIT is een getrouw woord; zoo iemand tot een Opzie-zienersambt lust heeft, die beireert een treffelijk werk. *2 Een Opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren;IT is een getrouw woord; zoo iemand tot een Opzie-zienersambt lust heeft, die beireert een treffelijk werk. *2 Een Opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren; 3 niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewin-zoeker, maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig; 4 die zijn eigen huis wèl regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende met alle stemmigheid, 5 (want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen?) 6 geen nieuweling, opdat hij |
|
296 1 TIMOl niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels vaile. 7 En hij moet ook eene goede iretuiscems hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet valle in sniaadheid en i/t den strik des duivels. s De Diakenen insgelijks moeten eerbaar xijn, niet twee-ton^is, niet die zich tot veel wijn beseven, geen vuilgewin-zoekers; 9 houdende de verborgenheid des geloofs in eene reine consciëntie. 10 En dat dezen ook eerst beproefd worden, en dat ze daarna dienen, zoo zij onbestralïe-lijk zijn. 11 De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen laste-raarsters, wakker, getrouw in alles. 12 Dat de Diakenen ééner vrouwe mannen zijn, die hunne kinderen en hunne eigene huizen wèl regeeren. l.'i Want die wèl gediend hebben, verkrijgen zichzelven eenen goeden opgang en veel vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus. 14 Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen; 15 maar zoo ik vertoef, opdat gij moosrt weten hoe men in het Huis Gods moet verkee-ren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. 10 En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de Engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. HOOFDSTUK 4. DOCH de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijdenOCH de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden |
IEÃS 4. sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen, 2 door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hunne eigene conscientie met een brandijzer toege^chroeid; 3 verbiedende te huwen, gebiedende van spijzen te onthouden die God geschapen heeft tot nuttigins met dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid hebben bekend. 4 Want alle schepsel Gods is goed, en daar is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde. 5 Want het wordt geheiligd door het Woord Gods en door het gebed. fi Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zoo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer welke gij achter-volgd hebt. 7 Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. N Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maaide godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordiiren en des toekomenden levens. 9 Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig. 10 Want hiertoe arbeiden wij ook en wotden gesmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, die een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovingen. 11 Beveel deze dingen en leer ze. 12 Niemand verachte uwe ionkheid; maar wees een voor-peeld der geloovigen in woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, ia reinig-heid. i:i Houd étiü in 't lezen, in 't |
|
1 TIMOn vermanen, in *t leereu, totdat ik kom. 14 Verzuim de gave niet die in u is, die n gegeven is door de profetie, met oplegging der handen der Ouderlingschap. 15 Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. 1(» Heo acht op uzelven en op de leer, volhard in deze; wanr. dat doende, zult gij èn uzelven behouden èn die u hooren. HOOFDSTUK 5. BESTRAF eenen oudenESTRAF eenen ouden man ftiiet hardelijk, maar vermaan hem als eenen vader, de jonge als broeders, 2 de oude vrouwen als moeders, de jonge als zusters in alle reinigheid. 3 Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn. 4 Maar zoo eenige weduwe kinderen heeft of kindskinderen, dat die leeren eerst aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen, en den voorouderen wedervergelding te doen; want dat is .^oed en aangenaam voor God. ó Die nu waarlijk weduwe is eigt; alléén gelaten, die hoopt op God, en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag; 1 maai;die haren wellust volgt, die is levende gestorven. 7 En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. 8 Doch zoo iemand de zijnen en voornamelijk zijne huisge-nooten niet verzorirt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongeloovige. 9 Dat eene weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke ééns mans vrouw geweest is, 10 getuigenis hebbende van goede werken, zoo zij kinderen opgevoed heeft, zoo zij gaarne heeft geherbergd, zoo zij der heiligen voeten heeft pewas-schen, zoo zij den verdrukten |
IEÃS 5. ':97 genoegzame hulp gedaan heeft, zoo zij alle goed werk nage-tracht heeft. 11 Maar neem de jonge weduwen niet aan ; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zoo willen zii huwen, 12 hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan. 13 En meteen ook leeren zij ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig en ijdele dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt. 14 Ik wil dan dat de jonge weduwen huwen, kinderen telen, het huis regeeren, geeu oorzaak vau lastering aan de wederpartij geven. 15 Want eenigen hebben zich aireede afgewend achter den satan. 16 Zoo eenig geloovig man of geloovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij aan degenen die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge. 17 Dat de Ouderlingen die wèl regeeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. IS Want de Schrift zegt: Eenen dorschenden os zult gij niet muilbamlen: en: De arbeider is zijn loon waardig. 19 Neem teiren eenen Ouderling geene beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen. 20 Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vrees mogen hebben. 21 Ik betuig voor God en den Ileere Jezus Christus en de uitverkorene Engelen, dat gij deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 22 Leg niemand haastelijk de |
|
298 1 TIMO handen op, en heb peen gemeenschap aan anderer zouden. Bewaar uzelven rein. 2:i Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uwe maag eu uwe menigvuldige zwakheden. 24 Van sommige menscheu zijn de zonden te voren openbaar, en gaan vooraf tot hunne veroordeeiing, en iu sommige ook volgen zij na. 25 Desgelijks ook de goede werken zijn te voren openbaar, en die waur het anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden. 1. HOOFDSTUK 6. DE dienstknechten, zoovelen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren alle eer waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde.E dienstknechten, zoovelen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren alle eer waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde. 2 En die geloovige heeren hebben, zullen ze niet verachten, omdat ze broeders zijn, maar zullen ze te meer dienen, omdat zij geloovig en geliefd ziju, als die dezer weldaad mede deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen. 3 Indien iemand eene andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus, en met de leer die naar de godzaligheid is, 4 die is opgeblazen en weet niets, maar hij raast omtrent totrtvragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade bedenkingen, 5 verkeerde krakeelingen van menschen, die een verdorven verstand hebben en van de waarheid beroofd zijn, mee-nende dat de godzaligheid een gewin is. Wijk af van dezulken. 6 Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging. 7 Want wij hebben niets in |
HEÃS fi. de wereld gebracht: het is openbaar dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen; 8 maar als wij voedsel en deksel hebben, wii zullen daarmede vergenoegd zijn. 9 Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking eu in den strik, eu in vele dwaze en schadelijke begeerliikheden, welke de menschen doen verzinken in verderf eu onder-ganir. 10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad: tot welke sommigen lust hebbende, zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken. 11 Maar gij, o mensch Gods, vlied deze dingen, en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid. 12 Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 13 Ik beveel u voor God die alle ding levend maakt, en roor Christus Jezus die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning onzes Heeren Jezus Christus; 15 welke te zijner tijd ver-toonen zal de zalige en alleen-machtige Heere, de Kouing der koningen en Heere der der heeren, 16 die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewooi t, denwelken geen mensch trezien heeft, noch zien kan; welken zij eere en eeuwige kracht. Amen. 17 Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn, noch kunne hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God |
2 TIMOTHEUS 1. die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten;
is dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken,
gaarne mededeelende zijn e« gemeenzaam;
19 leggende zichzelven weic tot eenen schat een sroed fundament te!;en liet toekomende,
20 O Timótheüs, bewaar het pand u toebctrouwd, eenen afkeer hebbende van het on-iroddelijk ijdelroepen, en van de tegenstellingen der valsche-lijk genaamde wetenschap; -1 dewelke sommigen voorgevende, zijn van het sreioof afgeweken. De genade zij met u. Amen.
opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.
DE TWEEDE BEIEF VAX DEX APOSTEL PAULUS
TIMÃTHEÃS.
|
HOOFDSTUK 1. PAULUS, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, naar de belofte des levens., dat in Christus Jezus is,AULUS, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, naar de belofte des levens., dat in Christus Jezus is, 2 aan Timótheüs mijnen geliefden zoon: crenade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en Christus Jezus onzen Heere. 3 Ik dank God, wien ik dien van mijne, voorouderen af in eeue reine conscientie, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijne gebeden nacht en dair, 4 zeer beireerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uwe tranen, opdat ik met blijdschap moge vervuld wor- ^611» . . , , ⢠5 als ik my in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uwe grootmoeder Lois en uwe moeder Eunice; en ik ben verzekerd dat het ook in u woont. |
(gt; Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is door de oplegging mijner handen. 7 Want God heeft ons niet gegeven eenen geest der vrees-acliti-rheid, maar der kracht en der liefde en der gema-tigdheid. 8 Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die zij.» gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht Gods, 9 die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met eene heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus-vóór de tijden der eeuwen, ld doch nu geopenbaard is door de verschijning onzes Zaligmakers Jezus Christus, die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan 't licht gebracht door het Evangelie, 11 waartoe ik gesteld ben een Prediker en een Apostel en een Leeranr der heidenen; 12 om welke oorzaak ik ook |
2 TIMOTHEUS 2.
strijdt, die wordt niet gekroond, zoo hij niet wettelijk heelt gestreden.
6 De landman als hii arbeidt, moet alzou het eerst de vruchten genieten.
7 Merk hetgeen ik zeje; duch de Heere geve u verstand in alle diiiiren.
8 Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opirewekt, welke is uit den zade Davids, naar mij.» Evangelie.
9 om hetwelk ik verdrukkingen lijd tot de banden toe als een kwaaddoener; maar het Woord Gods is niet gebonden.
10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen die iu Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.
11 Dit is een getrouw woord; want indien wij met Aem gestorven zijn, zou zullen wij ook met Aen leven;
12 indien wij verdragen, wij zullen ook met /tem heerschen; indien wij Aem verloochenen, hij zal ons óók verloochenen ;
13 indien wij ontrouw zijn, hij blijft getrouw: hij kan zich-zelven niet verloochenen.
14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere dat ï.ij geen woordenstrijd voeren, hetxrelk tot geen ding nut is dan tot verkeering der toehoorders.
15 Beuaarsti:; u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, als een arbeider die niet beschaamd woidt, die het Woord der waarheid recht snijdt.
lf» Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerder goddeloosheid toenemen,
17 en hun 'voord zal voort-eten gelijk de kanker; onder welke is HymenéUs en Filé-tus.
300
deze dingen lijd, maar ik word niet bescuaamd; want ik weet wieu ik geloofd heb, en ik beu verzekerd dat Hij machtig is iniju pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tut dien dag.
13 Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof eu lietde die iu Christus Jezus
is:
14 bewaar het goede pand dat « toebetrouwd is, door den Heiligen Guest die in ons woont.
15 Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn, zicli van mij afgewend hebben, onder dewelke is Fygellus en Hermógenes.
10 De Ueere geve den huize van ünesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dik-maals verkwikt, eu heeft zich mijner keten niet Kesehaamd; 17 maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer uaarsti'-dijk gezucht, en heeft mij eevonden.
IS De Heere jceve hem dat hij barmhartigheid vinde bij deu Heere in dien da:;; en hoeveel hij mi; te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel.
HOOFDSTUK 2.
GIJ dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is;IJ dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is;
2 eu hetgeen (jij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getruuwe menscheu, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren.
3 Gij dnn, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.
4 Niemand die in deu kriig dient, wordt ingewikkeld in de handelinff'm des leeftochts, opdat hij dien mo'^e behagen die Aem tot den krijg aangenomen heeft.
5 En indien ook iemand
|
18 die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding aireede geschied is, en het geloot' van sommigen verkeeren. 19 Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: D»; 11 eere kent degenen die de zijnen zijn, en: Een iegelijk die den naam van Christus noemt, sta af van on-gercchtisheid. 20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden raten, en sominiire ter eere, maar sommige ter oneere. *21 Indien dan iemand zich-zelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid. 22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid, en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede met degenen die den Ileere aanroepen uit een rein hart. 23 En verwerp de vragen die dwaas en zonder leering zijn, wetende dat ze twistingen voortbrengen; 24 en een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, innar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leeren, en die de kwaden kan verdragen; 25 met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan, of hun God te eeniger tijd bekeering irave tot erkentenis der waarheid, 2(5 en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil. HOOFDSTUK 3. EN weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.N weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Want de menschen zullen |
HEÃS 3. 301 zijn liefhebbers van ziclizelven, geldgieiig, laatdunkend, hoo-vaardig, lasteraars, den ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, 3 zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 4 verraders, roekeloos, op-treblazen, :neer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods, 5 hebbende eene gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. ;:leb ook eenen afkeer van dezen. »gt; Want van dezen zijn het die in de buizen insluipen, en de vrouwkens srevangenne-men die met zonden beladen zijn en door menigerlei begeerlijkheden re ireven worden, 7 vrouwkens, die altijd leeren en nimmermeer tot kennis dei-waarheid kunnen komen. S Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzóó staan ook dezen de waarheid tegen, menschen verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het ge- 9 Maar zij zullen niet meer toenemen; want hunne uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is. 10 Maar gij hebt achtervolgd mijne leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, liid/.aamheid, 11 mijne vervolgingen, mijn lijden, zooals mij overkomen is in Antiochië, in Icóninm en in Lystra: hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Ileere heelt mij uit alle verlost. 12 En ook allen die godzalig-lijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. 13 Doch de booze menschen en bedriegers zullen tot erger |
|
302 2 TIMOI â¢voortgaan, verleidende en verleid wordende. 14 Maar blijf «ij in hetgeen gij jrelecrd hebt en toaarrati u verzekering gedaan is, wetende van wieu sü bet geleerd hebt, 15 en dat gij van kind af de beilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is. Ifi Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is; 17 opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. HOOFDSTUK 4. IK betuig dan voor God en den Heere Jezus Cliristus,die de levenden en dooden oordee-len zal in zijne verschijning enK betuig dan voor God en den Heere Jezus Cliristus,die de levenden en dooden oordee-len zal in zijne verschijning en in zijn Koninkrijk: 2 predik het Woord; houd éón tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer. 3 Want daar zal een tiid zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leeraars â opgaren naar hunne eigene begeerlijkheden, 4 en zullen hun sehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keeren tot fabelen. 5 Maar gij, wees wakker in alles; lijd verdrukkingen; doe het werk van een Evangelist; maak dat men van uwen dienst ten volle verzekerd zij. 6 Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. 7 Ik heb den eoeden strijd gestreden, ik heb den loop ge- |
IEUS 4. eindigd, ik heb het geloof behouden ; 8 voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Hechter, mij in dien dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen die zijne verschijning liefgehad hebben. 9 Benaarstig u haastelijk tot mij te komen. 10 Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 11 Lucas is alleen met mij. Neem Marcus mede en breng Jiem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst. 12 Maar Tychicus heb ik naar Efeze gezonden. 13 Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Carpus gelaten heb, als gii komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten. 14 Alexander de kopersmid heeft mij veel kwaads betoond: de Heere vergelde hem naar zijne werken. 15 Van welken wacht gij u óók; want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. 16 In mijne eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. 17 Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij ten volle zoude verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen deze'.ve zouden hoo-ren; en ik ben uit den muil des leeuws verlost. 18 En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot zijn hemelsch Koninkrijk. Den'velken zij de heerlijkheid in tlle eeuwigheid. Amen. 19 Groet Prisca en Aquila en het huis vau Ouesiforus, |
|
20 Erastus is te Corinthe gebleven; eu Trófinius heb ik te Miléte krank gelaten. â¢J1 Benaarsti^ u om vóór den winter te komen. U Rroet Eu-bülus, en Pudens, en Linus, 3 1. 303 |
en Claudia, en alle de broeders. â¢yi De Ileere Jezus Christus zij met uwen seest. De genade zij met ulieden. Amen. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAIJLUS
AAN
T I T U S.
|
HOOFDSTUK 1. PAULCS, een dienstknecht Gods en een Apostel van Jezus Christus naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die naar de godzaligheid is,AULCS, een dienstknecht Gods en een Apostel van Jezus Christus naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die naar de godzaligheid is, â 2 in de hope des eeuwigen levens, welke God die niet liegen kan, belootd heeft vóór de tiiden der eeuwen, maar ire-openbaard heeft te zijner tijd, .quot;{ namelijk zijn Woord, door dc prediking die mij toehe-trouwd is, naar bet bevel Gods onzes Zaligmakers, aan Titus, mijnen oprechten zoon naar het cemeen geloof: 4 genade, barmhartiirbcid, vrede zij u van God den Vader en den Ileere Jezus Christus, onzen Zaligmaker. 5 Om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen tioff ontbrak, voorts zoudt terechtbrengen, en o/nlat jrij van stad tot stad Ouderlingen zoudt stellen, gelijk ik u bevolen heb; 6 indien iemand onberispelijk is, ééner vrouwe man, geloo-vige kinderen hebbende, die uiet te beschuldigen zijn van overdadigheid, noch ongehoorzaam zijn. |
7 Want een Opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet ei-genzinnig, niet geneigd tot toornigheid, niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewinzoeker, S maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuisch; 9 die vasthoudt aan het getrouwe Woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te wederleggen, ld Want daar zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers, en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn, 11 welken men den mond moet stoppen; die geheele huizen verkeeren, leerende wat niet behoort om vuilgewins wil. 12 Een uit hen, zijnde hun eigen profeet, heeft gezegd: De Cretenzen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken. M Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf ze scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 en zich niet begeven tot Joodsche fabelen en gebodeu |
|
;{(I4 TITL1 der menschen die zich van de waarheid afkeeren. 15 Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ougeloovitren is geen ding rein, maar beide bun verstand en conscientie zijn bevlekt. Ifi Zij belijden dat ze God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzoo zij gruwelijk zijn en omrehoor-zaam en tot alle goed werk ongeschikt. HOOFDSTUK 2. quot;I*|0G1I gij, spreek hetgeen de gezonde leer betaamt: 2 dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in 't geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid. H De oude vrouwen in.siielijks, dat zij in Aare dracht zijn gelijk den heiligen betaamt, dat ze geen lasteraarster» zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leeraressên zijn van het goede; 4 opdat zij de jonge vrouwen leeren voorzichtig te zijn, hare mannen lief te hebben, hare kinderen lief te hebben, 5 matig te zijn, kuisch te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haren eigenen mannen on-derdani'-f te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde. 6 Vermaan de jonge mnnnen insgelijks, dat zij matig zijn. 7 Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken; betonn in de leer onvervalscht-heid, deftigheid, oprechtheid, S het Woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene die daartegen is, beschaamd worde en niets kwaads van ulieden hebbe te zeggen. 9 Venman de dienstknechten, dat zij hunnen eigenen heeren onderdanig zijn, dat ze in alles welbehaaglijk zijn, niet tegensprekende; |
2, 3. 10 niets onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God onzen ! Zaligmaker in alles mogen ver- \ sieren. 11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen allen : menschen, 12 en onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereld-sche begeerlijkheden verzakende,'mutiglijk en rechtvaai-diglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige ! wereld, 13 verwachtende de zalige ho- : pe en verschiining der heer- ] lijkheid van den grooten God en van onzen Zaligmaker Jezus Christus, 14 die zichzelven voor ons ge- i geven heeft, opdat hij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid, en zichzelven een eigen ' volk zoude reinigen, ijverig in ï goede werken. 15 Spreek dit, en vermaan en : bestraf met allen ernst. Dal niemand u verachte. HOOFDSTUK 3. VERMAAN hen dat zij den overheden en machten onderdanig zijn, dat zeERMAAN hen dat zij den overheden en machten onderdanig zijn, dat ze hun gehoorzaam zijn, dat ze tot alle goed werk bereid zijn ; 2 dat ze niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen. 3 Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, meniserlei beireer-lijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende; 4 maar wanneer de goedertierenheid van God onzen Zaligmaker en zijne liefde tot de menschen verschenen is, 5 heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan |
305
FILEMON. hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heilieen Geestes,
fi denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus onzen Zaligmaker ;
7 opdat wij gerechtvaardigd zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.
8 Pit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik dat srij ernstiglijk bavestigt, opdat degenen die aan God gelooven,
zorg dragen om goede werken voor te staan. gt;H'ze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den menschen.
gen over de Wet; want zij zijn onnut en ijdel.
)(l Verwerp eenen ketterschen n.ensch na de eerste en tweede vermaning,
11 wetende dat de zoodanicre verkeerd is en zondigt, zijnde bij zichzelven veroordeeld.
1-2 Als ik Artenias tot u ral zenden of Tychicus, zoo be-naarstig u tot mij te komen te ^ïicópolis; want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren.
13 Geleid Zenas, den Wetgeleerde, en Apollos zorgvuldig-lijk, opdat hun niets ontbreke.
14 Kn dat ook de onzen leeren goede werken voor te staan tot noodig ffcbruik, opdat zij niet onvruohtbaar zijn.
15 Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze die ons liet', hebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen.
'J Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen en twistingen en strijdvoerin-
DE BEIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
FILEMON.
|
PAULUS, éen gevangene van Christus Jezus, en Tinió-theüs de broeder, aan Filénion den geliefde en onzen medearbeider,AULUS, éen gevangene van Christus Jezus, en Tinió-theüs de broeder, aan Filénion den geliefde en onzen medearbeider, 2 en aan Appia de geliefde, en aan Archippus onzen medestrijder, en aan de gemeente die te uwen huize is: 3 genade zij uliedeu en vrede van God onzen Vader en den lieere Jezus Christus. 4 Ik dank mijnen God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijne gebeden, 5 alzoo ik hoor uwe liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den lieere Jezus en jegens alle de heiligen. |
fi opdat de tremeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus. 7 Want wij hebben groote vreugde en vertroosting over uwe liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder, .s Daarom, hoewel ik irroote vrijmoedigheid heb in Christus om u te bevelen hetgeen betamelijk is, ü zoo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zoodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus; |
20
I1EBREERS 1.
306
|
10 ik bid u dan voor mijnen zoon, deuweikcMi ik ia mijne bandon heb geteeld, namelijk Oaésimus, 11 die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nutti;; denwelkeu ik wedergezouden heb. 12 Doch sü. neem hem, dat is, mijne iiigcwuuden, weder aan, 13 denwel ken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zoude in de banden des Evangelies; 14 maar ik heb /.onder uw goedvinden niets willen doen, opdat uwe goeddadi.^heid niet zoude zijn als naar bedwang, maar naar vrijwillisrheid. 15 Want veellicht is hij daarom voor eenen kleinen tijd ran k gescheiden geweest, quot;opdat «ij hem eeuwig zoudt weder hebben: 1(5 nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een gelietden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vleesch en in den lleere. |
17 Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zoo neem hem aan, Kelijk als mij. IS En indien hij u iets verongelijkt heeft ot' schuldig is, reken dat mij toe 19 Ik, Paulns, heb het geschreven met deze mijne hand: ik zal hel betalen; opdat ik u niet zegge dat irij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt. 20 Ja. broedar, laat mij uwer hierin genieten in den Heere; verkwik mijne ingewanden in den Heere. 21 Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uwe gehoorzaamheid, en ik weet dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg. 22 En bereid mij ook te gelijk eene herberg; want ik hoop dat ik door uwe gebeden ulieden zal geschonken worden. 23 U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus, 24 Marcus, Aristarchus, De-mas, Lucas, mijne medearbeiders. 25 De jrenade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest. Amen. |
DE BEI EP VAN DEN APOSTEL PATJLUS
AAN DK
H E B R E Ã R S.
|
HOOFDSTUK 1. GOD voortijds veelmaals en op velerlei wijze tot de vjideren gesproken hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste da^en tot ons gesproken door den Zoon,OD voortijds veelmaals en op velerlei wijze tot de vjideren gesproken hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste da^en tot ons gesproken door den Zoon, |
2 welken Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door welken 11 ij ook de wereld gemaakt heeft. 3 Dewelke, al/,oo hij is het afschijnsel zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord zijner kracht, nadat hij de reinigma-king onzer zonden door zich- |
|
telven teweeargebracbt heeft, is {jfzeteii aau de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen, 4 zooveel treffelijker geworden dan de Enirelen, als hij u'tnemender naam boven hen fjeërtd heeft. 5 Want tot wien van de Enjre-len heeft Hij ooit Rfzeird: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd.' En wederom: Ik zal hem tot een Vader zijn en hij zal Mij tot een Zoon zijn? fi En als Hij wederom den Eerstgeborene inbrengt in de wereld, ze^t Hij: En dat alle HnK^len Oods hem aanbidden. 7 En tot de Enirelen zegt Hij wel: Die zijne Engelen maakt geesten, en zijne dienaars eene vlam des vuurs, 8 maar tot den Zoon zegt HU : Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de sehepter uws Koninkrijks »s een rechte sebepter. lt;) Gij hebt rechtvaardiirheid liefgehad en ongerechtigheid irehaat: daarom heeft u, o God, uw God ifczalfd met olie der vreugde boven uwe mede-genooten. 10 En: Gij, Heere, hebt in den beginne de aarde genrrond, en de hemelen zijn werken uwer banden; 11 déze zullen vergaan, maar Gij blijft altijd; en zij zullen alle al« een kleed verouden, 12 en als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet ophouden. 13 En tot welken der Engelen heeft Hij ooit gezesd: Zit aan mijne rechter/(fl/irf, totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten? 14 Zijn ze niet allen gedien-stipe ijeesten, die tot dienst uitgezonden worden om der-irenen wil die de zaligheid beërven zullen? |
ERS 2. 307 HOOFDSTUK 2. DAAROM moeten wij ons te meer houden aan hetgeen AAROM moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eenkrer tijd doorvloeien. â 2 Want indien het woord, dooide Emreien gesnroken, vast ió geweest, en aile overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft, 3 hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht nemen? Dewelke begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen die hem gehoord hebben, 4 God bovendien medegetui-gende door teekenen en wonderen en menigerlei krachten, en bedeelmgen des Heiligen Geestes naar zijnen wil. 5 Want Hij heeft den Engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. ff Maar daar beeft iemand ergens betuigd, zetfgende: Wat is de menseh dat Gij zijner gedenkt, of des mensehen Zoon dat Gij hem bezoekt ? 7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen : met heerlijkheid en eere hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken uwer handen : 8 alle dingen hebt Gij onder zijne voeten onderworpen. Want daarin dat Hii hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets overgelaten dat hem niet onderworpen is; doch nu zien wij nog niet dat alle dingen hem onderworpen zijn. 9 Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eere gekroond, die een weinig minder dan dc Engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat hij door de genade Godu |
|
SOS HEBR ^oor allen den dood smaken zoude. 10 Want het betaamde Hem, om welken alle din-ren zijn en door welken alle dingen zijn, dat Hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zoude hei-litren. 11 Want èn hij die heiligt èn zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oor-zaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, 12 zeggende: Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lotringen; IS en wederom: Ik zal mijn betrouwen oji Hem stellen; en wederom: Ziedaar, ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft. 14 Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat hij door den dood te niet doen zoude dengenen die het jreweld des doods had, dat is, den duivel, 15 en verlossen zoude alle degenen die met vrees des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren. 10 Want waarlijk, hij neemt de Kngelen niet aan, maar hij neemt het zaad Abrahams aan. 17 Waarom hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat hij een barmhartig en een getrouw Hooge priester zoude zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. IS Want in hetgeen hijzelf v«rzocht zijnde, geleden heeft, kan hij deirenen die verzocht worden, te hulp komen. HOOFDSTUK 3. HIER0M, heilige broeders, die der hemclsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt denIER0M, heilige broeders, die der hemclsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den |
ERS 3. Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis Christus Jezus, 2 die getrouw is dengenen die hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in ?eheel zijn huis was. 3 Want deze is zooveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene die het huis gebouwd heeft, meerder eere heeft dan het huis. 4 Want ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar die dit alles gehouwd heeft, is God. 5 Kn Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis als een dienaar, tot getuigenis der dingen die daarna gesproken zouden worden; lt;gt; maar Christus, als de Zoon over zijn eigen huis, wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en den roem der hoop tot den einde toe vast behouden. 7 Daarom gelijk de HeHige Geest zegt: Heden, indien gij zijne stem hoort, M zoo verhardt uwe harten niet, gelijk het geschied ia in de verbitterins ten dage der verzoeking in de woestijn, 9 alwaar Mij uwe vaderen verzocht hebben ; zij hebben Mij beproefd, en hebben mijne werken gezien, veertig jaren lang. 10 Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak : Altijd dwalen zij met het hart, en r.ij hebben mijne wegen niet gekend. 11 Zoo heb Ik dan gezweren in mijnen toorn: Indien zij in mijne rust zullen ingaan! 12 Ziet toe, broeders, dat niet te eeniger tijd in iemand van u z j een boos, ongeloovig hart, om af te wijken van den levenden God; 13 maar vermaant elkander te allen dage, zoolang als het neden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleidiug dei zonde. |
HEBREERS 4.
309
|
14 Want wij iijn Christus deelachtiK geworden, zoo wij anders het beginsel van dezen vasten ^rond tot den einde toe vast behouden, 15 terwijl daar nezejrd wordt: Heden indien gii zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet, gelijk in de verbittering geschied ia. Ifi Want sommigen als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd; doch niet allen die uit Ejrypte door Mozes uitgedaan zijn. 17 Over welke nu is IIij vertoornd geweest veertig jaren ? Was het niet over degenen die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn ? 18 En welken heeft Hij gezworen dat zij in zijne rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen die ongehoorzaam geweest waren ? 19 En wij /ACV dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. HOOFDSTUK 4. LAAT ons dan vreezen, dat niet te eeniffcr tijd de belofte van in zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.AAT ons dan vreezen, dat niet te eeniffcr tijd de belofte van in zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. 2 Vant ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het sreloof niet (;emen!;d was in degenen die het gehoord hebben. :i Want wij die «eloofd hebben gaan in de rust. gelijk Hij lt;{ezes;d heeft: Zoo heb Ik dan gezworen in mijtien toorn ; Indien zij zullen ingaan in mijne rust! hoewel zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren, 4 Want Hij heeft ersrens van den zevenden dar/ aldus «e-sproken: En God heeft op den zevenden dag van alle zijne werken gerust. |
5 En in deze plaats wederom: Indien zij in mijne rust zullen ingaan! â¢gt; Dewyl dan blijft, dat sommigen in die rust ingaan, en degenen wien het Evangelie het eerst verkondigd was, niet iiüreiraan zijn vanwege de ongehoorzaamheid, 7 zo» bepaalt Hij wederom een zekeren dau:, ntimeliik 'lieden, door David zeggende zoo lanuen tijd daarna (gelijker-wijs gezegd is): Heden indieu idj zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet. s Want indien Jozna hen in de rust gebracht heeft, zoo had Hij daarna niet gesproken van eenen anderen dair. â¢J Daar blij ft dan eene rust óver voor het volk Gods. 1(1 Want die ingedaan is in zijne rust, die heeft zelf óók van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne. 11 Laat ons dan ons benaarstigen om in die rust in te ^aan, opdat niet iemand in hetzelfde exempel der ongeloo-vigheid valle. 12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en schern-snijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en (faat dóór tot de verdeeling der ziel en des geestes, en der samenvoegse-len en des merss, en is een oordeeler der gedachten en der overlegfriiifren des harten; KI en daar is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen destjenen met welken wij te doen hebben. 14 Dewijl wij dan eenen groo-ten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgedaan is, namelijk Jezus den Zoon Gods. zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geenen Hooirepriestor die niet kan medelijden hebben met onze zwak- |
|
310 HEBRà heden, mnur die in alle dingen irelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Ifi Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barin-hartiirheid mogen verkrijgen en genade vinden om ireliolnen te warden ter bekwamer tijd. HOOFDSTUK 5. WANT alle Hoogepriester nit de menschen genomen, wordt gesteld voor de menschen in de zaken die hij GodANT alle Hoogepriester nit de menschen genomen, wordt gesteld voor de menschen in de zaken die hij God te doen zijn, opdat' hij oftere gaven en slachtofferen voor de zonden; 2 die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is. 3 lii om dier zwakheid wil moet hij, gelijk voor het volk, alzóó ook voor zichzelven offeren voor de zonden. 4 En niemand neemt zichzelr ven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijker-wijs als Aaron. 5 Alzóu heeft ook Christus zichzelven niet verheerlijkt om Hoogepriester te worden, maar die tot hem gesproken heeft: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd. fgt; Gelijk Hij ook op eene andere plants zegt: Gij zijt Triester iu der-eeuwigheid naar de ordening Melchizédeks. 7 Hie in de dagen zijns vleesches gebeden en smeekin-gen tot denirenen die hem uit den dood kon verlossen, met sterke roening en tranen, tre-offerd hebnende, en verhoord zijnde uit de vrees, 8 hoewel hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen hij heeft geleden, 9 en ireheiligd zijnde, is hij allen die hem gehoorzaam zijn, eene oorzank der eeuwige zaligheid geworden. |
ÃRS 5, 6. 10 en is van God genaamd een Hootcepnester naar de ordening Melchizédeks. 11 Van denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zengen, dewijl ;rij traag om te hooren geworden fcijt. 12 Want gij, daar gij leeraars behoordet te zijn, vanwege den tijd, hebt wederom van noode dat men u leere welke de eerste beirinselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden als die melk van noode hebben en niet vaste spijs. 13 Want een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in Let Woord der gerechtigheid, want hij is een kind. 14 Maar der volmaakten is de vaste spijs, die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. HOOFDSTUK 6. DAAROM, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren, niet wederom lengende het fundament van de bekeering van doode werken, en van het geloof in God,AAROM, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren, niet wederom lengende het fundament van de bekeering van doode werken, en van het geloof in God, 2 van de leer der doopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der dou-den, en van het eeuwig oordeel. 3 Kn dit zullen wij ook doen, indien God het toelaat. 4 Want het is onmogelijk, degenen die ééns verlicht geweest zijn en de hemelsche gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, 5 ei gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom tej vernieuwen tot bekeering, als welke zichzelven den Zoon Gods weder- |
|
om kruisicrcn en openlijk te ^ande maken. 7 Want de aarde die den recren, uieuiprmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor deirenen. door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; « maar die doornen en diste-len draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde» is tot verbranding. 9 Maar, geliefden, wii verzekeren ons van u oetere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzóó spreken. 10 Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zoude vergeten, en den arbeid der liefde die gij aan zijnen naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en uoy dient. 11 Maar wij beireeren, dat een iegelijk van n dezelfde imarstig-hèid bewijze tot de volle verzekerdheid der hoop, tot den einde toe; 12 opdat gij niet traair wordt, maar navolgers zijt dergenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen be-erven. 13 Want als God Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand die meerder was, had te zweren, zoo zwoer Hij bij zichzelven, 14 zeggende: Waarlijk, zese-nende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal ik u vermenigvuldigen. 15 Kn alzóó lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen. Ki Want de mensehen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn; en de eed tot bevestiging :.s denzelven een einde van alle tegenspreking; 17 waarin God willende den erfgenamen der beloftenis o-vervloediglijker bewijzen de ouverauderlijkheid zijn raads, |
EES 7- 311 met eenen eed daartuegchen gekomen is; is opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God lie'-'t, eene sterke vertroosting zouden hebben, toij namelijk die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hope vast te houden; 1!) welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en imraat in 't binnenste des voorhan-rsels, 20 waar de voorlooper voor ons is ingegaan, nanielijlz Jezus, naar de ordening Mel-chizédeks een Hoogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid. HOOFDSTUK 7. 1T7 A ^ T deze Mflehizédek was VV Koning van Salem, een Priester des allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het verslaan der Koningen, en hem zegende; 2 aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overwzet wordt Koning der gerechtigheid, en daarna ook was een Koning van Salem, hetwelk is een Koning des vredes; zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin der dairen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon Gods gelijk geworden zijnde, eén Priester blijft in eeuwigheid. â¢1 Aanmerkt nu hoe groot deze ireweest is, aan denwel-ken ook Abraham de Patriarch tienden gegeven heeft uit den buit. 5 Kn die uit de kinderen van Levi het Priesterschap ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk naar de Wet, dat is, van hunne broederen, hoewel die uit de lendenen A brahams voortgc komen zijn; |
|
S En hier nemen wel tienden de mensehen die sterven, maar aldéi^r neemt ze die, van welken getuigd wordt dat hij leeft. ü En om zoo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven; ld want hij was nog in de lendenen des vaders, als hem Mel-chizédek tegemoet ging. 11 Indien dan nu de volkomenheid door het Levitisehe Priesterschap ware (want onder hetzelve heeft het volk de Wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een under Priester naar de ordening Melchi-zédeks zoude opstaan, en die niet zoude gezegd worden te zijn naar de ordening Aarons? 1*J Want het Priesterschap veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der Wet. 13 Want hij, op wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tut het altaar begeven heeft. 14 Want het is openbaar dat onze lleere uit Juda gesproten is, op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het Priesterschap. 15 En dit is nog veelmeer openbaar, zoo er naar de gelijkenis van Melchizédek een ander Priester opstaat, l(i die dit niet naar de wet des vleeschelijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvcrgankelijken levens. 17 Want Hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchizé-deks. |
18 Waut de vernietiging v*n het voorgaande gebod Reach iedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil; 19 want de Wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanlehiinc van eene betere hoop, door : welke wij tot God genaken. gt; 2ü En voor zooveel het niet zonder eedzwering ia geschied (wantgénen zijn wel zonder eedzwering Priesters geworden, 21 maar déze met eedzwerimr door dien, die tot hem gezegd heeft: De lleere heeft jrezwo-ren, en het zul Hem niet berouwen: Gij zijt Priester iu der eeuwigheid naar de ordenhiK Melchizédeks): 22 van een zooveel beter Verbond is Jezus borg geworden. 23 En génen zijn wel vele Priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven; 24 maar déze. omdat hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap, 25 waarom hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door hem tot God gaan; alzoo hij altijd leeft om voor hen te bidden. 2(5 Want zoodanig een H«oge-priester betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren en hooger dan de hemelen geworden; 27 wien het niet alle dagen noodig was, gelijk den Hooge-priesters, eerst voor zijne eigene zonden slachtofferen op te offeren, daarna voor de zonden des volks; want dat heeft hij éénmaal gedaan, als hij zich-zelven opgeofferd heeft. 28 Want de Wet stelt tot Hoo-Kepraesters mensehen die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de Wet is t/evolyd, stelt den Zoon die ;n oer eeuwigheid geheiligd .s. 312 IIEBREÃRS 7. 6 maar hij die zijne geslachts-rekeniirr uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tieudeu Kreuouien; en hein die de beloftenissen had, heeft hij gezegend. 7 Nu zonder eenig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegeud van hetgeen meerder |
IIEBREERS S, 9.
313
|
HOOFDSTUK 8. DU hoofdsom nu der dingen wuurvau w ij spreken, wij hebben zoodanigen Hoo-^repriester, die gezeten is aan de rechterAü/»/ van den troon der Majesteit in de hemelen,U hoofdsom nu der dingen wuurvau w ij spreken, wij hebben zoodanigen Hoo-^repriester, die gezeten is aan de rechterAü/»/ van den troon der Majesteit in de hemelen, 2 een bedienaar des heilik-doms, en des waren Tabernakels, welken de Ileere beeft opgericht, en jjeen niensch. 3 Want een iegelijk IJoo?e-priester wordt gesteld om va-ven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was dat ook deze iets had wat hij zoude offeren. 4 Want indien hij op aarde ware, zoo zoudt; hij zelfs peen Priester zijn, dewijl er Priesters zijn, die naar de Wet gaven offeren; 5 welke het vóórbeeld en de schaduw der hcmelsche din-jren dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den Tabernakel volmaken zoude. Want zie, ze^t Hij, dat jrii bet alles maakt naar de afbeelding die u op den berK Betoond is. fi En nu heeft hij zooveel uit-nemender bediening Kekrejren, als hij ook eens beteren Ver-bonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen beves-tisrd is. 7 Want indien dat eerste Verbond onberispelijk ireweest ware, zoo zoude voor het tweede treene plaats gezocht zijn geweest. S Want hen berispende, zegt Hij tot hen : Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls en over het huis van Juda een nieuw Verbond oprichten, 9 niet naar het Verbond dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte-laud te leiden; waut zij ziju iu dit mijn Verbond niet quot;eble-ven, en Ik beb op hen niet geacht, zegt de Heere. |
10 Went dit is het Verbond dat Ik met het huis Israels maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal mijne wetten in huu verstand geven, en in hunne harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot eeu God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 11 En zij zullen niet leercn een iegelijk zijnen naaste en een ieirelijk zijnen broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van den kleine onder hen tot den groote onder hen; 1*2 wam: Ik zal hunne ont;e-rechtigbeden genadig zijn, en hunne zonden en hunne over-tredingei: zal Ik geenszins meer gedenken. 13 Als Hij zegt: Een nieuw Verbond, zoo h cft Hij het eerste oud gemaakt: wat nu oud gemaakt en verouderd is, is nabij de verdwijning. HOOFDSTUK 9. ZOO had dan ook wel het eersteOO had dan ook wel het eerste Verbond rechten van den Gor/«dienst, en het wereldlijk heiligdom. 2 Want de Tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar en de tafel en de toonbrooden, welke genaamd wordt het Heilige; 3 maar achter het tweede voorhangsel was de Tabernakel, genaamd het Heilige dei-heiligen, 4 hebbende een gouden wierookvat, en de Ark des Ver-bonds, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik waar het manna in was, en de staf Aarons die gebloeid had, en de tafelen des Ver-bonds. 5 En boven over deze Ark waren de cherubs der heerlijk- |
é
|
314 ⢠HE BI heid, die het verzoendeksel beschaduwden : vnn welke din-j^en wij mi van stuk tot stuk niet zullen zeggen. (! Deze dingen nu aldus toe-bereid zijnde, zoo ffin^en wel de Priesters in lt;1 mi eersten Tabernakel te allen tijde om de Goddiensten te volbrengen; 7 maar in den tweeden Tabernakel ging alléén de Hoofje-priester éénmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden, S waarmede de Heilige Geest lt;lit itednidde, dat de vvef? des beiliijdoms nof? niet openbaar gemaakt was, zoolang de eerste Tabernakel nojf stand had, 9 welke was eene afbeelding voor dien te.ujenwoordi^en tijd, in welken ifaven en slacht-ofl'eren geoflerd werden, die dengenen die den dienst pleegde, niet konden heiligen naar de eonscientie, 10 heataande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wasscbin{?en, en reclitvaardis-makingen des vleescbes, tot op den tijd der verbetering opgelegd. 11 Maar Christus de Ilooge-priester der toekomende Koederen gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakte-ren Tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, 12 noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed, éénmaal ingegaan in het heiligdom, eene eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. 13 Want indien het bloed der stieren en bokken, en de asch der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigbeid des vleescbes: 14 hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door den eeuwigen Geest zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uwe couscieutie réini- |
EÃRS 9. gen van doode werken, om den levenden God te dienen I irgt; Kn d.'iürom is hij de Middelaar des nieuwen Testaments, opdat, de dood daartus-irhim. gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren, degenen die geroepeii zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden. Ifi Want waar een testament is, daar is het noodzaak dat de dood des testamentmakers lt;H,*.*e/«?/tkome; 17 want een testament is vast in de dooden, dewijl het nog geen kracht heeft wanneer de testamentuiaker leeft: is waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. 19 Want als alle de geboden naar de wet van Mozes tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water en purperen wol en hysop, en be-sprengde beide het boek zelf en al bet volk, *20 zeirgende: Pit is het bloed des Testaments hetwelk Gód aan ulieden heeft ireboden. '21 Kn hij bcsprengde desgelijks ook den Tabernakel en alle de vaten van den dienst met het bloed. 22 En bijna alledingen worden door bloed gereiniird naar de Wet, en zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving. 23 Zgt;to was het dan noodzaak, dat wel de yóórbeeldingen der dingen die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelsehe dingen zelve door betere offeranden dan deze. 24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aa.igezicht Gods voor ons; 25 noch ook opdat hij zichzelven dikmaals zoude opoffe- |
|
ren, jrolijk de Hoo|?enriester allc jaren in lift in- j?aat met vreemd bloed â¢Jii (anders had hij dikmaal» iiiueteii lijden van de ^rondle^-^inir der wereld af); maar nu is hij éénmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen door zijns zelfs ofTerande. â¢27 En uelijk het den inenHchen yezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel, â¢_'H alzóó zal ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om veler /.nnde wei; te nemen, ten anderen male zonder zonde «rezien worden van degenen die hem verwachten tot zaligheid. HOOFDSTUK 10. WANT de Wet, hebbende eene sebaduw der toekomende Roederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren â _'cduri^lijk opofTcrcn, nimmermeer heiligen degenen die er toe-vaan :ANT de Wet, hebbende eene sebaduw der toekomende Roederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren â _'cduri^lijk opofTcrcn, nimmermeer heiligen degenen die er toe-vaan : J anderszins zouden zij opse-houden hebben ireoft'erd te worden, omdat de-renen die den dienst pleegden, ijeene eonscien-tie meer zouden hebben der zonden, éénmaal gereinigd geweest zijnde; ;t maar nu f/enrliiedt in dezelve alle jaren weder gedachteniRder zonden. 4 Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt. 5 Daarom komende in de wereld, zeirt hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt mij het lichaam toebereid; 'i brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd ; 7 toen sprak ik: Zie, ik kom (in het begin des boeks is van mij geschreven) om uwen wil te doen, o God. 8 Als hij te voren gezegd had: |
ÃRS 10. . 31S Slachtoffer en offerande en brandoffers en offer voor de zonde hebt Gii niet jjewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de Wet geofferd worden), toen sprak hij: Zie, ik kom om uwen wil te doen, o God. 11 ij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. 10 In welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des li-chaams van Jezus (JhristUB, éénmaal y esc hied. 11 Kn een iegelijk Priester Btoiifi wel alle dasren dienende, en d 'zelfde slaehtofferen dik-niaahi offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen ; l'2 maar déze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter/lt;««rf Gods, K5 voorts verwachtende totdat zijne vijanden gesteld worden tot eene voetbank zijner voeten. 14 Want met ééne offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. 15 Kn de Heilige Geest getuigt het ons óók. 10 Want nadat hij te voren trezegd had: Dit is het Verhond dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de lleere: Ik zal mijne wetten â¢reven in hunne harten, en Ik zal die inschrijven in hunne verstanden; 17 en hunner zonden en hunner ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. 18 Waar nu vergeving derzel-ve is. daar is geene offerande meer voor de zonde. 19 Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te vaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 2ii op eenen verschen en levenden weg, welken hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door zijn vleesch, |
|
316 HEBRI 21 en dewijl wij hebben cenen jrrooten Priester over 't Huis Gods, 22 zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade conscieutie, en het lichaam gewasschen zijnde met rein water; 23 laat ons de enwankelbare belijdenis der hope rri^houden (want die het beloofd heeft is getrouw;) 24 en laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; 25 en laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommiicen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen : en dat zooveel te meer als gij ziet dat de da:; nadert. 26 Want zoo wij willens zondigen, nadut wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft daar geen slachtotier meer óver voor de zonden, 27 maar ecne schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. 2S Als iemand de wet van Mo-zes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen; 29 hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardijr geacht worden, die den Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan ? 30 Want wij kennen Hem die gezegd heeft: Mijne is de wrake. Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. Kn wederom: De Heere zal zijn volk oor-deelen. 31 Vreesdijk is het te vallen in de handen des levenden Gods, |
BRS 11. 32 Doch gedenkt der vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt ireweest, trij veel strijd des lijdens hebt verdragen, 33 ten deele als ^ij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt, en ten deele als ^ij gemeenschap gehad hebt met degenen die alzóó behandeld werden. 34 Want irij hebt ook over mijne banden medelijden gehad, en de rooving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende dat joj in u-zelven een beteren blijvend goed in de hemelen hebt. 35 Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke eene «roote vergelding des loons heeft. 36 Want gij hebt lijdzaamheid van noode, opdat gij den wil Gods gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen. 37 Want nosr een zeer weinig tijda en hij die te komen staat, zal komen en niet vertoeven. 38 Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zoo iemand zich onttrekt, mijne ziel heeft in hem geen behagen. 39 Maar wij zijn niet van degenen die zich onttrekken ten verderve, maar van depre-nen die i;elooven tot behoudenis der ziel. HOOFDSTUK 11. HKT geloof nu is een vaste grond der dimren die men hoopt,KT geloof nu is een vaste grond der dimren die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet. 2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. 3 Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, al- |
|
zoo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dhuren die irezicn worden. 4 Door het geloof heeft Abel eene meerdere offerande Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft dat hij rechtvaardig was, al zoo God over zijne gaven getuigenis gaf; en door dat geloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zoude zien, en hij werd niet gevonden, daarom dat God hem weggenomen had. Want vóór zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad dat hij Gode behaagde. Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want dié tot God komt, moet gelooveu dat Hij is, en een belooner is dergenen die Hem zoeken. 7 Door het geloof heeft No-ach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde aangaande de dingen die nog niet gezien werden, eu bc-vreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin: door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid die naar het geloof is. S Door het geloof is Abraham geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te traan naar de plaats, die hij tot een erfdeel «ntvangen zoude, en hij is uitgedaan niet wetende waar hij komen zoude. i) Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen trewoond, met Isaak en Jakob die medeërf-reuamen waren derzelfde belofte; 1U want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. |
ÃRS 11. ^17 11 Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen om zaad te geven, en boven den tijd haara ouderdoms heeft zij gebaard, overmits zii Hem getrouw heeft geacht aie het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van éénen, en dat van eenen verstorvene, zooveleii in menigte geboren als de sterren des hemels, en als het zand dat aan den oever der zee is, hetwelk ontallijk is. KI Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. 14 Want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken. 15 En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden van hetwelk zij uitireiraan waren, zij zouden tijd gehad hebben om w eder te keeren; If» maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is, naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun eene stad bereid. 17 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Isaiik geofferd, en hij die de beloften ontvangen had, heeft zijnen eeniggeborene geofferd 18 (tot denwelken gezegd was: In Isaiik zal u het zaad genaamd worden), overleggende dat God machtig was hem ook uit de dooden te verwekken ; 19 waaruit hij hem ook bij ge-lij kei is wedergekregen heeft. 20 Door het geloof heeft Isaamp;k zijne zonen Jakob en Esau gezegend aangaande toekomende dingen. 21 Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelijk der zonen Jozefs gezegend, eu heeft |
IIEBREERS 12.
|
aauKebe''.?n, lenuende op bet opperst4! van zijiien staf. 22 Door Let geloof heeft Jozef stervende gemeld van den uit-gang der kinderen Israels, eu heeft bevel gegeven van zijne gebeenten. 2:$ Door bet jreloof werd Mo-ze», toen hij geboren was, drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des Koniniis niet. 24 Door liet geloof heeft Clozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genaamd te worden, 25 verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben, 26 achtende de versmaad beid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, . niet vreezen-de den toorn des Kouiugs; want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij het Pascha verordineerd, en de bespremdng des bloeds, opdat de verderver der eerstirebore-nen hen niet raken zoude. 29 Door het geloof zijn zii de Roodc zee door^e^aan als door het droge; hetwelk de Eirypte-uaars óók beproevende, zijn verdronken. 30 Door het jreloof zijn de muren van Jericho gevallen, als ze tot zeven dai;en toe omringd waren geweest. 31 Poor het geloof is Kachab de hoer niet omgekomen met de ciiirehoorzainen, als zij de verspieders met vrede had ont-vamren. 32 En wat zal ik nog meer zegeeu? Want de tijd zal mij ontbreken, zoude ik verhalen van Gideon, en Barak, en |
Simson, en Jefta, en David, en Samuël, en de Profeten; 33 welke door liet geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt, 34 de kracht des vuurs hebben uit^eblusebt, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht; 35 de vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding ine-Meegekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aaiige-bodene verlossinjf niet aanne-Biende, opdat zij eene betere opstandim; verkrijgen zouden; 36 en anderen hel) ben bespottingen en geeselingen ondergaan, en ook banden en gevangenis, 37 zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaag, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht, hebben gewandeld in schaapsvellen eu in geitevel-len, verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde 38 (welker de wereld niet waardig was), hebben in woestijnen gedoold en op bergen en in apelonken en tn de holen der aarde. 39 En deze allen hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen, 40 alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. HOOFDSTUK 12. DAAROM dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laatAAROM dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat oiik afleggen alle:; last en de zoude die oiia lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons voorgesteld is. |
|
quot; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des tjeloots, Jezus, dewelke voor de vreujrde die hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht, en is gezeten aau de rechterAaarf des troons Gods. Want aanmerkt dezen, die zoodani'; een teirenspreken van de zondaren teiren zich heeft verdragen, opdat sij niet verflauwt en bezwijkt in uwe zielen. 4 Gij hebt nop: ten bloede toe niet tcRenirestaan, strijdende tegen de zonde; 5 en fiij hebt vergeten de ver-inaninu;, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Ileeren, en bezwijk niet als jrij van Hem bestraft wordt. fi Want dien de Ileere liefheeft kastijdt Hij, en Hij iree-selt eenen iegelijken zoon dien Hij aanneemt. 7 Indien f;ij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt God zich jesens u als zonen; (want wat zoon is er dien de vader niet kastijdt ?) 8 maar indien gij zonder kas-tijdini? zijt, welker allen deel-achtis zijn geworden, zoo zijt idj dan bastaarden en niet zonen. y Voorts, wij hebben de vaders onzes vleesches wel tot kastijders gehad, en wij ontzuren ze : zullen wij dan niet veelmeer den Vader der sees-ten onderworpen zijn, en leven ? 10 Want Kénen hebben ons wel voor eenen korten tijd, naar-dat het hun jroeddacht, gekastijd; maar déze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijding, als die tegenwoordi!? is, schijnt geene zaak van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij vèn zich eene vreed- |
KRS 12. 319 zame vrucht der gerechtigheid de igenen die door dezelve geoefend zijn. 12 Daarom richt weder op de traire handen en de slappe knieën, 13 en maakt rechte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar opdat het veelmeer genezen worde. 14 Jaaijt den vrede na met alle.i, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Ileere zien zal : ló toeziende dat niet iemand vcrachtere van de genade Gods; dat niet eenige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden. 10 Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige gelijk Esau, die om ééne spijze het recht van zijne eerstgeboorte weggaf. 17 Want gij weet, dat liij ook daarna de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geene plaats des be-rouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. 18 Want trij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en on-weder, 19 en tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden, welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden 20 (want zij konden niet dragen hetgeen er geboden werd : Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal sestee-nigd of met eenen pijl doorschoten worden; 21 en Mozes, zóó vreeselijk was het gezicht, zeide: Ik ben zeer bevreesd en bevende); 22 maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemel-sehe Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen, |
|
320 HEBRI 2:{ tot de ali?ompene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, 24 en tot den Middelaar des nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. 25 Ziet toe dat gij dien die spreekt, niet verwerpt; want indien dézen niet zijn ontvloden, die dengenen verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen i»; 20 wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft hij verkondigd, zegirende : Nog éénmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel. 27 Kn dit woord; Nog éénmaal, wijst Aiin de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen die niet be-weeslijk zijn. 2.S Daarom, alzoo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvan-sxen, laat ons de genade vnat-honden, door dewelke wij God welbehaaglijk mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 29 Want onze God is eeu verterend vuur. HOOFDSTUK 13. DAT de broederlijke liefde blijve.AT de broederlijke liefde blijve. 2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetens Engelen geherbergd. 3 Gedenkt der gevangenen, alsof «ij medegevangen waart, en dergenen die kwalijk behandeld worden, alsof gij ook zelve in het lichaam kicalijk behandeld waart. |
ERS 13. 4 Het huwelijk zy eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt ; maar hoereerders en overspeler» zal God oordee-len. 5 Fw wandel zij zonder geldgierigheid, en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezeird: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten ; 6 zoodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een helper, en ik zal niet vreezen wat mij een mensch zal doen. 7 Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben, en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. S Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. 9 Wordt niet om?evoerd met verscheidene en vreemde leeringen; want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben die daarin gewandeld hebben. 10 Wij hebben een altaar, van hetwelk «een macht hebben te eten die den Tabernakel dienen. 11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den Hoogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. 1*2 Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eiiren bloed her. volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. â¢3 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerplaats, zijne smaad held dragende. 14 Want wij hebben hier geene blij ;ende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15 Laat ons dan door hem altijd Gode onofteren eene of-lerande des lot's, dat is, de |
|
vrucht der lippen die zijuen naam belijdeu. Ui En verbeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zoodanitre offeranden heeft God een welbehagen. 17 Zijt uwen voorgangeren pe-hoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen: opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. 18 Bidt voor ons; Mant wij vertrouwen dat wij eene gt;;oede conscientie hebben, als die in alles eerlijk willen wandelen. 19 En ik bid u te meer dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden. 20 De God nu des vredes, die den grooten Herder der scha- |
US 1. ^ 321 pen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, 21 die volmnke u in alle goed werk, opdat gij zijnen wil moogt doen: werkende in u hetgeen voor Hem welbehaaglijk is door Jezus Christus, denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 'J2 Doch ik bid n, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in 't kort geschreven. Weet dat de broeder Timó-theüs losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien. 24 Groet alle uwe voorgange-ren en alle de heiligen. U groeten die van Italië zijn. 25 De geuade zij met u allen. Amen. |
DE ALGEMEENE BRIEF
VAN DKN
APOSTEL JACOBUS.
|
HOOFDSTUK 1. JACOBUS, een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn, zaliirheid.ACOBUS, een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn, zaliirheid. 2 Acht het voor sroote vreugde, mijne broeders, wanneer gy in velerlei verzoekingen valt, .'i wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. 4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel |
I oprecht, in geen ding gebrekkelijk. 5 En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God beireere, die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt. en zij zal hem gegeven worden. 0 Maar dat hij ze begeere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is eene bare der zee gelijk, dife van den wind gedreven en op- en neergeworpen wordt. 7 Want die mensch meene niet dat hij iets ontvangen zal van den Heere. 8 Een dubbelhartig man i» |
21
|
quot;322 JACO ousestndiir in alle zijne wesea. 9 Maar do broeder die aedcri^ is, roeme in zijne hoogheid, 10 en de rijke in zijne verne-derius:; want hij zal als eene bloem van het gras voorbijgaan. 11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het urras dor gemaakt, en zijne bloem is afgevallen, en de sehoone gedaante liaars aanscliijns is vergaan: alzóó zal ook de rijke in zijne wegen verwelken. 12 Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal ireweest zijn, zoo zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen die 11 em liefhebben. 13 Niemand als hij verzocht wordt, zegge : Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hijzelf verzoekt niemand. 14 Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt; 15 daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood. 16 Dwaalt niet, mijne geliefde broeders. 17 Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij welken geene ver-anderiir; is of schaduw van omkeering. 18 Kaar zijnen wil heeft Hij ons gebaard dooi* het Woord der waarheid, opdat wij zonden zijn als eerstelingen zijner schepselen. 19 Zoo dan, mijne geliefde broeders, een ie-relijk mensch zij rasch om te hooren, traas; ora te spreken, traair tot toorn. 20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. |
21 Daarom afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat in u seplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken. 22 En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzel-ven met valsche overlegging bedriegende. 25 Want zoo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in eenen spiegel. 24 Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggedaan, en heeft terstond vergeten hoeda-ni'-C hij was. 25 Maar die inziet in de volmaakte wet die der vrijheid is, en daarbij blijft, déze geen ver-getelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, déze, zcy ik, zal gelukkig zijn in dit zijn doen. 20 Indien iemand onder u dunkt dat hij godsdienstig is, en zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, diens godsdienst is ijdel. 27 De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze; weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld. HOOFDSTUK 2. MIJNE broeders, hebt niet het geloof onzes Heeren Jezus Christus,IJNE broeders, hebt niet het geloof onzes Heeren Jezus Christus, des Heeren der heerlijkheid, met aanneming des persoons. 2 Want zoo in uwe ver^ade-rintr kwam een man meteenen gouden ritrr aan den vinger, in eene sierlijke kleeding, en daar kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding, 3 .ïn srij zoudt aanzien den-ger.en die de sierlijke kleeding draagt, en tot hem zeïgen: Zit ïij hier op eene eervolle plaats, en ::oudt zegsen tot den arme: Sta srij di'iAr, of zit hier onder mijne voetbank: 4 hebt gij dan niet in uzelven |
|
een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleirgingen ? 3 Hoort, mijne geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld om rijk te zijn in 't geloof, en erfgenamen des Koninkrijks 'letwelk Hij belooft dengenen die Hein liefhebben? fi Maar gij hebt den arme oneer aangedaan. Overweldigen r niet de rijken, en trekken zij u 7iiet voor de Rechterstoelen? 7 Lasteren zij niet den goeden naam die over u aangeroepen is? 8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift; Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven, zoo doet gij wèl; 9 maar indien gij den persoon aanneemt, zoo doet gij zonde en wordt van de wet bestraft als overtreders. Kt Want wie de geheele wet zal houden, en iu één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. 11 Want die sezeïd heeft : Gij zult geen overspel doen, die heeft óók sezegd: Gij zult niet dooden. Indien jjij nu geen overspel zult doen, maar zult dooden, zoo zijt irij een overtreder der wet geworden. 12 Spreekt alzóó en doet al-zóó, als die door de w et der vrijheid zult geoordeeld worden. l.'i Want een onbarmhartig oordeel zal (/aan over dengenen die geene barmhartigheid sre-daan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. 14 Wat nuttigheid is het, mijne broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft, en de werken niet heeft? Kan dat geloof hem zalig maken ? 15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, ^n gebrek zouden hebben aan da-jelijksch voedsel, Jö e.-i iemand van u tot hen |
JS 3. 3quot;quot; zoude zeggen: Gaat henen ia vrede, wordt warm en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat? 17 Alzóó ook het geloof, indien het do werken niet heeft, is bij zichzelf dood. IS Maar, zal iemand zeggen, gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloot uit uwe werken, en ik zal u uit mijne werken mijn geloof toonen. 19 Gij celooft dat God een ééniï God is; gij doet wèl: de duivelen gelooven het ook, en zij sidderen. â 20 Maar wilt irij weten, o ijdel mensch, dat het geloof zonder de werken dood is? '21 Abraham onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Isaak zijnen zoon geofferd heeft op het altaar ? 22 Ziet eij wel dat het geloof medegewrocht heeft met zijne werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken ? 23 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham ireloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend Gods genaamd geweest. 24 Ziet L-ij dan nu dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloot'? 25 En desgelijks ook Rachab de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen weg uitgelaten? 2(5 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzóu is ook het geloof zonder dt: werken dood. HOOFDSTUK 3. ZIJT niet vele meesters, mijne broeders, wetende datIJT niet vele meesters, mijne broeders, wetende dat |
|
324 JACO wij te meerder o ïrdeel zullen ontv*...;eu. â¢2 Went wij struikelen allen in veel. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt nia.i, machtig; om ook het t^eheele lichaam in toom te houden. :» Zie, wij le r-ien den paarden toornen in de monden, opdat zij ons zouden srehoorzamen, en wij leiden daarmede hun ijeheele lie Imam om; 4 zie, ook de schepen, hoewel ze zoo s:root zijn en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des atuurders wil: 5 alzóó is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans tcroote dingen. Zie, een klein vuur, hoe irrooten hoop hout het aansteekt. fi De tonpr is óók een vuur, een wereld der onijerechti}?-heid: alzóó is de tonfc onder onze leden iresteld, welke het ^eheele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer aje-boorte, en wordt ontstoken van de hel. 7 Want alle natuur beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de mensclielijke natuu*-; 8 maar de tong kan geen mensch temmen. Zh is een onbedwii/gviar kw?id, vol van doodclij» veiiijn. 9 Door haar lovim wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de menschen, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. 10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. 5'»it moet, mijne broeders, alzóó nret geschieden. 11 Welt ook een fontein uit eene zelfde ader het zoet en het bitter? 12 Kan ook, mijne broeders. |
lUS 4. een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen ? Alzóó kan geene fontein zout en zoet water voort-breneren. 13 Wie is wijs en verstandi? onder u ? Die bewijze uit zijnen goeden wandel zijne werken, in zuchtmoedige wijsheid. 14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Deze is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar is aardsch, natuurlijk, dui-velsch. 16 Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle booze handel. 17 Maar de wijsheid die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeglijk, vol van barmhartigheid en van iroede vruchten, niet partijdiirlijk oor-deelende, en ongeveinsd. 18 En de vrucht der recht-vaardi-rheid wordt in vrede gezaaid voor degenen die vrede maken. HOOFDSTUK 4. VAN waarAN waar komen krijsen en vechterijen onder u '* Komen ze niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten die in uwe le* den strijd voeren? 2 Gij beseert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert waar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijje. doch trij hebt niet, omdat gij niet bidt. 3 Gij bidt, en a:ij ontransrt niet, omdat «ij kwalijk bidt, opdan lt;rij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt. 4 Overspeler» en overspeel-sters, weet gij niet dat de vriendschap der wereld eene vijandschap Gods is? Zoo wie dan een vrienc der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld. |
|
5 Of meent Rij dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest die iu ons woont, heeft die lust tot nijdigheid ? (» Ja, hij geeft meerdere genade. Daarom zeirt de Schrift: God wederstaat de hoovaafdi-gen, maar den nederigen geeft Hij genade. 7 Zoo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. ü Naakt tot God, en hij zal tot u naken. Keiui^t de banden, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartitren. 9 Gedraagt u als elleudigen en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uice blijdschap in bedroefdheid. 10 Vernedert u voor den Heere, en 11 ij zal u verhoo-gen. 11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter. 1- Daar is een éénig Wetgever, die behouden kan en verderven, doch wie zijt gij, die een ander oordeelt? 1» Welaan nu, gij die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk eene ttad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven en winst doen, 14 gij die niet weet wat morgen geschieden zal; want hoedanig is uw leven ? Want het is een damp, die voor een weinig tiidu gezieu wordt en daarna verdwijnt. 15 In plaats dat gij zoudt zeggen : Indien de lleere wil en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. Ifi Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed: al zoodanige roem is boos. |
lUS 5. 325 17 Wie dan weet goed te doen en het niet doet, dien is het zonde. HOOFDSTUK £. WELAAN nu, gij rijken, weent en huilt over uwe ellendigheden die over u komen.ELAAN nu, gij rijken, weent en huilt over uwe ellendigheden die over u komen. 2 Uw rijkdom is verrot, en uwe kleederen zijn van de motten gegeten geworden; 3 uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. 4 Zie, het loon der werklieden die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept;- en het geschrei dergenen die geoogst hebben, is -re-komen tot in de ooren des lleeren Zebaöth. 5 Gij hebt weelderig geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in eenen dag der slachting. (gt; Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige, en hij wederstaat u niet. 7 Zoo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des lleeren. Zie, de lat.dman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezflve, totdat het den vroegen en den spaden regen zal hebben ontvangen. S Weest gij óók lankmoedig, versterkt uwe harten, want de toekomst des lleeren genaakt. U Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat tïij niet veroordeeld wonlt: zie, de Hechter staat voor de deur. 10 Mijne broeders, neemt tot een exempel des lijdens en der lankmoedigheid de Profeten, die in den naam des lleeren gesproken hebben. 11 Zie, wij houden ze ireluk-zalig die verdragen. Gij hebt |
|
326 1 PET de verdraagzaamheid Jobs gehoord, en sü hebt het einde des Hecreu gezien, dat de lleere zeer barmhartig is en een Ontfermer. 2 Doch vóór alle dingen, mijne broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenitren anderen eed; maar uw ja zij ja, en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt. 13 Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde. Is iemaitd goedsmoeds, dat hij psalmzin ge. 14 Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de Ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heereu: 15 en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de lleere zal hem oprichten, en zoo hij zouden gedaan zal heb ben, het zal hem vergeven worden. |
in Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat trij gezond wordt. Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel. 17 Elia was een mensch van gelijke bewegingen als wij, ea hij bad een gebed dat het niet zoude regenen, en liet regende niet op de aarde in drie jareu en zes maanden. 18 En hij bad wederom, en dc hemel gaf regen, en de aarde bracht hare vrucht voort. 19 Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en iemand hem bekeert, 20 die wete, dat degene die eenen zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken. |
DE EERSTE ALGEMEENS BKIEP
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. PETRUS, een Apostel van Jezus Christus, den vreemdelingen verstrooid in Pontus, Galatiü, Cappadocië, Azië en Bithynië,ETRUS, een Apostel van Jezus Christus, den vreemdelingen verstrooid in Pontus, Galatiü, Cappadocië, Azië en Bithynië, 2 den uitverkorenen naar de voorkennis Gods des Vaders, in de heiliinnaking des Gees-tes, tot gehoorzaamheid en besprenïing des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. |
3 Geloofd zij de God eu Vader onzes Heeren Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hope, door de opstandincr van Jezus Christus uit de dooden, 4 tot eene onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelke-lijke erfenis, die in de hemeleu bewaard is voor u, 5 die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laats te n tijd. 6 lu Meikeu gij u verheugi, |
|
1 PET au een weinig tiids (zoo het noodi^ is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; 7 opdat de beproevins uws geloof», die veel kostelijker is dan des g;ouds, hetwelk versaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbarins: van Jezus Christus; S denwelken s?ij niet gezien hebt en nochtans lief hebt; in denwelken gij nu, hoewel hem niet ziende, niaar irelooyeude, u verheugt niet eene onuitsprekelijke en heerlijke vreutrde, 9 verkrijgende bet einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. 1U Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de Profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan u geschied, ' 11 onderzoekende op welken of boedanigen tijd de Geest van Christus, die in hen was, beduidde en tevoren getuigde het lijden dat op Christus komen zoude, en de heerlijkheid daarna volgende ; 12 denwelken geopenbaard is, dat zij niet ziebzelven maar ons bedienden deze diniren, die u nu aangediend zijn door degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, die van den hemel gezonden is; in welke dingen de Engelen begeerig zijn in te zien. 13 Daarom opschortende de lendenen uws verstands, en nuchter zijnde, hoont volko-menliik op de genade die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. 14 Als gehoorzame kinderen wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die te voren in uwe onwetendheid waren. 15 Maar gelijk Hij die u geroepen heeft, heilig is, zoo wordt ook gijzelven heilig in al meen wandel, 1G daarom dat er geschreven |
US 2. 327 - is: Zijt heilig, want Ik bec heilig. 17 En indien gij tot eenetj. Vader aanroept dengenen die zonder aanneming des per-soons oordeelt naar eens iege-lijks werk, zoo wandelt in vreeze den tijd uwer inwo-ning, 18 wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandelimr, die u van de vade-reji overgeleverd is, 19 maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraftelijk en onbevlekt Lam; . 0 dewelke wel voórgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil, -J1 die coor hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zoude. 2? Hebbende dan uwe zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zoo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart, 23 gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankeliik maar uit onvergankelijk zaad, door het levende ^n eeuwig blijvende \Voord Gods. 24 Want alle vleesch is als? gras, en alle heerlijkheid des meuschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijne bloem is afgevallen ; 25 maar het Woord des Hee-ren blijft in der eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is. HOOFDSTUK 2. ZOO legt dan fif alle kwaadheid en alle bedrog en ge-OO legt dan fif alle kwaadheid en alle bedrog en ge- |
|
veiusdheid en nijdigheid en alle achterklappini;cn; 2 en als nieuwgeborene kinderwens zijt zeer be^eerig naar de redelijke onvervalsebte melk, opdat pij door dezelve moogc opwassen; 3 indien jrij anders presmaakt hebt dat de Ileere goedertieren is. 4 Tot welken komende als tot eenen levenden steen, van de menschen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar, 5 zoo wordt pij ook zelve als levende steenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig Priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. 6 Daarom is ook vervat in de Schrift: Zie, Ik leg in Sion eenen uitersten hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is ; en die in hem gelooft, zal uiet beschaamd worden. 7 U dan die gelooft, is hij dierbaar; maar den ongeboorza-men wordt gezegd; l)e steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, déze is geworden tot een hoofd des hoeks, eu een steen des aanstoots, en eene rots der ergernis; 8 dengenen namelij/c die zich aan het Woord stooten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desge-uen die u uit de duist rnis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, 10 gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds uiet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. 11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelin-gen, dat gij u outhoudt van de vleeschelijke begeerlijkheden, welku krijg voeren tegen de ziel; |
12 en houdt uwen wandel eerlijk onder de heidenen, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken ais van kwaaddoeners, zij uit de goede werken die zij in u zien. God verheerlijken mogen in den dag der bezoe-king. l.'J Zijt dan alle menschelijkc ordening onderdanii; om des lleeren wil, hetzij den Koning, als de opperste macht hebbende, 14 hetzij den Stadhouderen, als die van hem gezonden worden tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goed doen. 15 Want alzóó is het de wil Gods, dat gij wèl doende den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen; 1(» als vrijen, en niet de vrijheid hebbende tot een deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods. 17 Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God ; eert den Koning. 18 Gij huisknechten, zijt met alle vreeze onderdanig den hee-ren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden. 19 Want dat is genade, indien iemand om de consoientie voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. â¢JO Want wat lof is het, indien gij verdraagt als gij zondigt en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt als gij wèl doet en daarover lijdt, dat is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een exempel nalatende, ondat gij zijne voetstappen zouut navol-g£ii; 22 die geene zonde gedaan heeft, en daar is geen bedrog iu zijnen mond gevonden ; |
1 petrus 3.
3:9
|
23 die al» bij eescholden werd, niet wederscbold, en als hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan dien die rechtvaar-diglijk oordeelt, 24 die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden, door wiens striemen gij genezen zijt. â¢25 Want gij waart als dwalende schapen, maar irij /.ijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. HOOFDSTUK 3. Desgelijksesgelijks gij vrouwen, zijt uwen eigenen mannen onderdauiir, opdat ook zoo eeni-gen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden, 2 als zij zullen ingezien hebben uwen kuischen wandel in vreeze. 3 quot;Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in liet vlechten des baars, en omhangen van goud, of van kleederen aan te trekken, 4 maar de verborgen mensch des harten, in bet onverderfelijk versiersel van eenen zachtmoe-digen en stillen treest, die kostelijk is voor God. 5 Want alzóó versierden zich-zelve eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren baren eigenen mannen onderdanig: G gelijk Sara Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende beer, welker dochters gij geworden zijt, als gij wèl doet, en niet vreest voor eenige verschrikking. 7 Gij mannen insgelijks, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat als het zwakste, eere gevende, als die ook medeërfgenamen der genade des levens mtt haar zijt, opdat uwe gebeden niet verhinderd worden. |
8 En eindelijk, zijt allen eens-srezind, medelijdend, de broc-iera liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; 9 vergeldt niet kwaad voor l.waad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen: wetende dat gij daartoe geroepen ziit, opdat gij zegening zoudt beërven. 10 Want wie het leven wil liefhebben, en iroede dogen zien, die stille zijne tong van het kwade, en zijne lippen dat ze geen bedrog spreken; 11 die wijke amp;f van het kwe-de, en doe het goede; die zoe-ke vrede en jasc denzelven na. 12 Want de oogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun gebed; maar het aangezicht des 11 eere iv is tegen degenen die kwaad doen. 13 En wie is bet die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het troede? 14 Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wil, zoo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreeze van hen, en wordt niet ontroerd; 15 maar heiligt God den IIeere ia uwe harten; en z-ijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeischt van de hope die in u is, met zachtmoedigheid en vreeze. Ut En hebt eene goede consciëntie, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden die uwen goeden wandel in Christus lasteren. 17 Want het is beter dat gij wèl doende (indien de wil Gods het wil] lijdt, dan kwaad doende. IS Want Christus heeft ook ééns voor de zouden geleden, hij rechtvaardig voor de on- |
|
330 1 PET rechtvanrdi^on, opdat hij ons tot God zoude breuken; die wel is gedood in het vleesch, maar lovend gemaakt door den Geest. 19 In denwelken bij ook he-nencfegaan zijnde, den geesten die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, 20 die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoe-diurheid Gods eenmaal verwachtte in de dairen van No-ach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (dat is, acht) zielen behouden werden door het water. 21 Waarvan bet tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die eene aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die eene vraag is eener goede conscieutie tot God, door de opstanding van Jezus Christus; 22 welke is aan de rechter-hand Gods, opgevaren ten hemel, de Engelen en machten en krachten hem onderdanig gemaakt zijnde. HOOFDSTUK 4. DEWIJL dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte,EWIJL dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vleesch geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde, 2 om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen, maar naar den wil Gods den tijd die overig is in het vleesch, te leven. 3 Want het is ons ffenoesr, dat wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtiirhe-den, begeerlijkheden, wijn-zuiperijen, brasserijen, drin-kerijen en gruwelijke afgoderijen, 4 waarin zij zich vreemd houden, als gij ulet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en ii lasteren; |
5 dewelke zullen rekenschap geven densenen die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden. 6 Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkon-diu'd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zoudeu naar God in den geest. 7 En het einde aller dingen is nabij: zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden. S Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zoudeu bedekken. 9 Zijt herbergzaam jearens elkander, zonder munnureeren. 10 Een iegelijk gelijk hij save ontvangen heeft, alzóó bediene hij dezelve aan den ander, als iroede uitdeelers der menigerlei genade Gods. 11 Indien iemand snreekt, die spreke als de woornen Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht die God verleent; opdat God in allen jreprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt de heerlijkheid en de kracht iu alle eeuwigheid. Amen. 12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der ver-drukkinff onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame; 13 maar gelijk jrij uremeen-schap hebt aan het lijden van Christus, a'.zóó verblijdt u: opdat gij oo lt; in de openbaring zijner heeriijkheid u moogt verblijden ev verbeugen. 14 Indien sij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij zalisr; want de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods rust op u. Wat hen aangaat, hij wordt wel gelasterd, maar vat u aangaat, hij wordt verheerlijkt. 15 Doch da', niemand vau u |
|
lijde als een doodslaser, of dief, of kwaaddoener, of als een dit' zich met eens anders doen bemoeit; IC maar indien iemand lijdt als een Christen, die sehame zich niet, maar verhcerlijke God in dezen deele. 17 Want het is de tijd dat het oordeel beginne van het IInis Gods; en indien het eerst van ons beyint, welk zal het einde zijn dergeneu die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn? IS En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de ^oddelooae en zondaar verschijnen ? 19 Zoo dan ook die lijden naar den wil Gods, dat zij hunne zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met wèl doen. HOOFDSTUK 5. Ouderlingen die onder u _ zijn, vermaan ik, die een mede-ouderlinf? en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid die geopenbaard zal worden: 2 weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover niet uit bedwang maar gewilliglijk, noch om vuilire-win maar met een volvaardig gemoed, 3 noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Her-reu, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. 4 En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zuit i-'ij de onverwelkelijke kroou der heerlijkheid behalen. D |
ÃS 5. 332 5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; ziit met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de lioo-vaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. (i Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhooge te zijner tijd. 7 Werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. S Zijt nuchter en waakt; want uwe tegenpartij, de duivel, tornt om als een briesehende leeuw, zoekende wien hij zoude moiren verslinden ; 9 derfwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap die in de wereld is, volbracht wordt. 10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuw'ge heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig thus zullen geleden hebben, deiclve volinake, be-vestige, versterke cn fundeere ulieden. 11 Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 1-J Door Silvanus die u een getrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik met weinige voorden. geschreven, vermanende en betuigende dat déze is de waarachtige genade Gods, in welke gij staat. 13 U groet de mede-uitverkoren pemeente die in Babylon is, en Marcus mijn zoon. 14 Groet elkander met eenen kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus Jezus zijt. Amen. |
;
DE TWEEDE ALGEMEENE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. SIMEON Petrus, een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Za-ligmakers Jezus Christus;IMEON Petrus, een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Za-ligmakers Jezus Christus; 2 genade en vrede zij u ver-menigvuldigd door de kennis van God en van Jezus onzen Heere, 3 Kelijk ons zijne Goddelijke kracht alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 4 door welke ons de irrootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deel-achtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf dat in de w ereld is door de begeerlijkheid. 5 En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, Ã en bii de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, 7 en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen. |
S Want zoo deze dimren bij u zijn eu in u overvhwdit; ziin, zij zullen u niet ledig of onvruchtbaar laten in de kennis onzes lleeren Jezus Christus. ü Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende verbeten de reiniging zijner vorige zonden. 10 Daarom, broeders, benaar-stigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende, zult gij nimmermeer struikelen. 11 Want alzóó zal u rijkelijk toejfevoeïd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk onzes lleeren en Zaligmakers Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt. 13 E.i ik acht het recht te zijn, zoolang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermining, 14 aizoo ik weet dat de aflegging mijns tabernakels haast rijn zal, gelijker wijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard. 15 Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat ;.;ij na mijnen uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben. Ifi Want wty zijn geen kun-stiglrk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekeud-gemaokt hebben de kracht en |
|
toekomst onzes llcercn Jezus Christus, maar wij zijn aan-schouwers geweest van zijne majesteit. 17 Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig eene stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot hem gebracht werd: Déze is mijn trelictde Zoon, in den welken Ik mijn welbehagen heb. 18 En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel gebracht is geweest, toen wij met hem op deu heiligen berg waren. 19 En wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is, en gij doet wol dat gij daarop acht hebt als op een licht, schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag nanlichte en de morgenster opga in uwe harten. 2» Dit eerst wetende dat geen profetie der Schrift is van eigene uitlegging; 21 want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menscheu, maar de heilige menscheu Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. HOOFDSTUK 2. daar zijn ook valsche a profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedek-telijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenende, m een haastig verderf over zichzelven bren-gende; 2 en velen zullen hunne verdorvenheden navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; 3 en zy zullen door irierigheid, met gemaakte woorden, van u eene koopmanschan maken; over welke het oordeel sedert lang |
1US 2. 333 niet ledig is, en hun verderf sluimert niet. 4 Wi.nt indien God de Engelen die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende, over-sregevrn heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 5 en de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach den prediker der gerechtigheid zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddeloozen heeft gebracht (» en de steden Sodom en Gomorra tot aseh verbrandende, met omkeering veroordeeld heeft, en tot een exempel gezet dengenen die goddelooslijk zouden leven; 7 en den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den on-tuchtigen wandel der gruwelijke menscheu, daaruit verlost heeft 8 (want deze rechtvaardige mnn wonende onder hen, heeft dair op dag zijne rechtvaardige ziel gekweld door het zien en hooren van hunne ongerechtige werken): 9 zoo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaar-digen te bewaren tot den dair des oordeels om gestraft te worden; 10 maar allermeest degenen die naar het vleesch in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten: die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren; 11 daar de Engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen haar voor den Heere voorbrengen. 12 Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne |
|
330 1 PK1 rechtvaardigen, opdat hij ons tot God zoude breuken; die wel is gedood in het vleesch, maar levend gemaakt door den Geest. 19 In den welken li ij ook he-nengeicaau zijnde, den geesten die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, 20 die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dairen van No-ach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (dat is, acht) zielen behouden werden door het water.. â¢21 Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die eene aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die eene vraag is een er goede conscientie tot God, door de opstanding van Jezus Christus; 22 welke is aan de rechter-hand Gods, opgevaren ten hemel, de Engelen en machten en krachten hem onderdanig gemaakt zijnde. HOOFDSTUK 4. DEWIJL dan Christus voor ons in het vleesch geleden heelt, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte,EWIJL dan Christus voor ons in het vleesch geleden heelt, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vleesch geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde, 2 om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen, maar naar den wil Gods den tijd die .overig is in het vleesch, te leven. 3 Want het is ons genoeir, dat wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtiirhe-den, begeerlijkheden, wijn-zuipcrijen, brasserijen, drin-kerijen en gruwelijke afgoderijen, 4 waarin zij zich vreemd houden, als gij uiet medeloopt tot |
US 4. dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren; ó dewelke zullen rekenschap geven dengenen die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden. fi Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkon-diird geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zouden naar God in den geest. 7 En het einde aller dingen is nabij: zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden. H Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken. 9 Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murm ureeren. 10 Een iegelijk gelijk hij sjave ontvangen heeft, alzóó bediene hij dezelve aan den ander, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods. 11 Indien iemand snreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht die God verleent; opdat Gud in allen geprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdruk kit. y onder u, die u geschiedt; tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame; 13 maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzóó verblijdt u: opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. 14 Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij zalig; want de Geest Ier heerlijkheid en de Geest Gods rust op u. Wat hen aangaat, hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, hij wordt verheerlijkt. 15 DocL dat niemand van u |
|
1 PETI lijde als een doodslnpjer, of dief, of kwaaddoener, of als een die zich met eens anders doen bemoeit; Ifi maar indien iemand lijdt als een Christen, die sehame zich niet, maar verheerlijke God in dezen deele. 17 Want het is de tijd dat het oordeel beginne van het IInis Gods; en indien het eerst van ons öeyint, welk zal het einde zijn dergenen die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn ? 18 En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen ? 19 Zoo dan ook die lijden naar den wil Gods, dat zij hunne zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met wèl doen. HOOFDSTUK 5. DE Ouderlingen die onder u zijn, vermaan ik, die een mede-ouderling en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerliikheid die geopenbaard zal worden; â¢2 weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht E Ouderlingen die onder u zijn, vermaan ik, die een mede-ouderling en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerliikheid die geopenbaard zal worden; â¢2 weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover niet uit bedwang maar gewilliglijk, noch om vuilire-win maar met een volvaardig gemoed, 3 noch als heerschappij voerende over het erfdeel de.t Hee-ren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. 4 En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult trij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. |
US 332 5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hoo-vaardi'-'cn, maar den nederigea geeft Hij génade. igt; Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhooge te zijner tijd. 7 Werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. M Zijt nuchter en waakt; want uwe tegenpartij, de duivel, sraat öin als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zoude mo'-'en verslinden ; 9 denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap die in de wereld is, volbracht wordt. 10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig thd* zullen preleden hebben, dezelve volmake, be-vestige, versterke en fundeere u lieden. 11 Hein zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. li Door Silvanus die u een sretrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik met weinige voorden geschreven, vermanende en betuigende dat déze is de waarachtige genade Gods, in welke gij staat. 13 U srroet de mede-uitverkoren fiemeente die in Babylon is, en Marcus mijn zoon. 14 Groet elkander met eenen kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus Jezus zijt. Amen. |
DE TWEEDE ALGEMEENE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. SIMEON Petrus, een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus:IMEON Petrus, een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus: 2 genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus onzen Heere, 3 gelijk ons zijne Goddelijke kracht alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 4 door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf «lat in de wereld is door de beijeer-lijkheid. 5 En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, (» en bii de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, 7 en bij de ïodzaliglieid broederlijke liefde, en hij de broederlijke liefde liefde jegens allen. s Want zoo deze dingen bij u zijn eu in u overvloedig aün. |
zij zullen u niet ledig of onvruchtbaar laten in de kennis ouzes lleeren Jezus Christus. 9 Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende verbeten de reiniging zijner vorige zonden. lil Daarom, broeders, benaar-stigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende, zult gij nimmermeer struikelen. 11 Want alzóó zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk onzes lleeren en Zaligmakers Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt. 13 En ik acht het recht te zijn, zoolang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning, 14 alzoo ik weet dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook onze Ile-ire Jezus Christus mij heeft geopenbaard. 15 Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat gij na mijnen uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben. IR Want wij zijn geen kun-stigiijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekendgemaakt hebben de kracht en |
|
toekomst onzes llceren Jezus Christus, maar wij zijn aau-schouwers geweest van zijne majesteit. 17 Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig eene stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot hem gebracht werd : Déze is mijn srelietde Zoon, iu denwelkeu Ik mijn welbehagen heb. IS En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel gebracht is geweest, toen wij met hem op deu heiligen berg waren. 19 En wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht hebt als op een licht, schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aan lichte en de morgenster opga in uwe harten. 20 Dit eerst wetende dat geen profetie der Schrift is van eigene uitlegging; 21 want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menscheu, maar de heilige menscheu Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. HOOFDSTUK 2. 1?N daar zijn onk valsche?N daar zijn onk valsche Li profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedek-telijk invoeren zullen, ook den Ileere, die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende; 2 en velen zullen hunne verdorvenheden navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; en zy zullen door irierigheid, niet gemaakte woorden, van u eene koopmanschan maken; over welke het oordcel sedert lang |
IUS 2. 333 niet ledig is, en hun verderf sluimert niet. 4 Want indien God de Engelen die i;ezondii;d hebben, niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende, over-tregeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 5 en de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach den prediker der gerechtigheid zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddeloozeu heeft gebracht; en de steden Sodom en Gomorra tot asch verbrandende, met omkeering veroordeeld heeft, en tot een exempel gezet dengenen die goddelooslijk zouden leven; 7 en den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den on-tuchtigen wandel der gruwelijke menscheu, daaruit verlost heeft 8 (want deze rechtvaardige man wonende onder hen, heeft da;; op dag zijne rechtvaardige ziel gekweld door het zien en hooren van hunne ongerechtige werken): 9 zoo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking tc verlossen, en de onrechtvaar-digen te bewaren tot den date des oordeels om gestraft te worden; 10 maar allermeest degenen die naar het vleesch iu onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren; 11 daar de Engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen haar voor den Heere voorbrengen. 12 Maar dezen, als «nredelijke dieren, die de natuur volgen en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne |
|
334 2 PE1 Terdorvenheid verdorven worden, i:{ en zullen verkrijgen hot loon der ongerechtigheid, als â¢die de dairelijksche weelde hu a vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u aijn; 14 hebbende de oosjen vol overspel en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinde-r. n der vervloeking; ló die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, «n volgen den weg van Uileam, den zouil lieors, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft; 16 maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtiirheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met menschenstem, heeft des Profeten dwaasheid verhinderd. 17 Dezen zijn waterlooze fonteinen, wolken van eenen draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. is Want zij, zeer opgeblazene delheid spiekende, verlokken oor de begeerlijkheden des vleesches, en door ontuchtigheden degenen die waarlijk â ontvloden waren van degenen die in dwalim; wandelen, lit belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, lt;Uen is hij ook tot een dienstknecht gemaakt. â JO Want indien zij, nadat ze â¢door de kennis des Heeren en .Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, vnu dezelve overwonnen worden, zoo i.s hun het laatste erger geworden dan het eerste. |
21 Want het ware hun beter dat zij den weg der gerechtin-heid niet gekend hadden, dan dut zij dien gekend hebbende, zich weder afkeeren van het heilig gebod dat hun overgegeven was, 22 Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord (jezend wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel, en de gewasschene zenic tot de wenteling in het slijk. HOOFDSTUK 3. DEZEN tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welkeEZEN tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht geuioed opwek, 2 opdat ïij gedachtig zij t aan de woorden die van de heilige Profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers Apostelen zijn: dit eerst Metende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen 4 en zetrgen: Waar is de belofte zijner toekomst? want van dien day dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzóó qeüjk van het begin der schepping. 5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen sedert lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande, fi door welke dc wereld die toet was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. 7 Maar de hemelen die nu zijn en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschen. 8 Doch deze ééne zaak zij u |
|
niet onbekeud, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. 9 De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk eeuigen dat traaurheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eeuigen verloren giian, maar dat ze alleu tot bekeering komen. 10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in Melken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die â daarin zijn, zullen verbranden. 11 Dewijl dan deze dingen alle veruaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid, 1-2 verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten ! IS Maar wij verwachten, naar zijne belofte, nieuwe hemelen en eene nieuwe aar-333 |
gerechtigheid de, in dewelke woont. 4 Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, be-naarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van hem bevonden moogt worden in vrede; rgt; en acht de lankmoedigheid on zes Heeren voor zalitrheid, srelijkerwijs ook onze sreliefde broeder l'aulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, uhe-deu geschreven heeft, 1') gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende ; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste menschea verdraaien, jjelijk ook de andere Schriften, tot hun eiiren verderf. 17 Gij dan. geliefden, zulks te .oren wetende, ziet toe dat gij niet door de verleidimr der gruwelijke menschen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid; Is maar wast öp in de genade ea kennis ouzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen. 1 JOHANNES 1. |
DE EERSTE ALGEMEENE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. |
HETGEEN van den beginne was, betreen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ooiien, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens 2 {want het leven is ireopen-baard, en wij hebben het ge zien, en wij sretuigen en ver-kondigen ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard):ETGEEN van den beginne was, betreen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ooiien, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens 2 {want het leven is ireopen-baard, en wij hebben het ge zien, en wij sretuigen en ver-kondigen ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard): 1 |
|
33r. 1 JOH A :{ hetirecn wij dun gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook Rij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus. 4 En deze dingen schrijven wij u, opdat uwe blijdschap vervuld zij. 5 En dit is de verkondiging die wij van hem gehoord hebben en wij u verkondigen, dat God een licht is en gansch geene duisternis in Hem is. G Indien Mij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet; 7 maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zoo hebben wij ge-meenschan met elkander, en het bloed van Jezus Christus zijnen Zoon reinigt ons van alle zonde. 8 Indien wij zeargea dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij ouszelven en de waarheid is in ons niet. 9 Indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. 10 Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij Hem tot een leugenaar en zijn Woord is uiet iu ons. HOOFDSTUK 2. MIJNE kinderkens, ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd beeft, wij hebben ee-nen Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige.IJNE kinderkens, ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd beeft, wij hebben ee-nen Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige. 2 En hij is eene verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld. |
3 En hieraan kennen wij dat wij hem gekend hebben, zoo wij zijne geboden bewaren. 4 Die daar zegt: Ik ken hem, en zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; 5 maar zoo wie zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden. Hieraan kennen .wij dat wij in hem zijn. fi Die zegt dat hij in hem blijft, die moet ook zelf alzóó wandelen gelijk hij gewandeld heeft. 7 Broeders, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat idj van den beginne gehad hebt. Dit oude gebod is het woord dat gij van den beginne gehoord hebt. 8 Wederom schrijf ik u een nieuw gebod: betreen waarachtig is in hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu. 'J Die zegt dat hij in het licht is, en ziinen broeder haat, die is in de duisternis tot no^ toe. 1» Die zijnen broeder liefheeft, blijft in het licht, en geene ergernis is in hem; 11 maar die zijnen broeder haat, is in de duisternis en weet niet waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijne oogen verblind. 12 Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om zijns naams wil. 13 Ik schrijf u, vaders, want gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den booze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend. 14 Ik heb u geschreven, vaders, want gii hebt hem gekend die van den beginne is. Ik heb n geschreven, jongelingen, want gii zijt sterk, en het Woord Gods blijft iu u, en gij hebr. den booze overwonnen. |
|
1 JOH.4 15 Ilebt de wereld niet lief, noch hetgeen ni de wereld is: zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. 16 Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oo^en en de jrrootsch-heid des leveiis, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. 17 Kn de wereld fjaat voorbij en hare beseerlijkheid, maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid. I-S Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dal de Antichrist komt, zoo zijn ook nu vele Antichristen geworden; waaruit wij kennen dat het de laatste ure is. ID Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn, maar dit is geschied opdat ze zouden openbaar worden dat ze niet allen uit ons zijn. 20 Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. 21 Ik heb u niet geschreven omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. 22 Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. 2;lt; Een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook deu Vader niet. 24 Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft wat gij van den beginne gehoord hebt, zoo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven 25 En dit is de belofte die hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwiare leven. 26 Dit heb ik u geschreven f.NES 3. 337 |
van degenen die u verleiden. 27 En de zalving die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode dat iemand u leere; maar gelijk deze zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven. 2.s En nu, kinderkene, blijft in hem, opdat wanneer hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van hein niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst. 29 Indien gij weet dat Hij rechtvaardig is, zbo weet gij dp.t een iegelijk die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is. HOOFDSTUK 3. ZTET hoe groote liefde ons de Vader geveven heeft,TET hoe groote liefde ons de Vader geveven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten dat, als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk wezen; want wij zullen hem zien gelijk hij is. 3 En een iegeliik die deze hoop op hem heeft, die reinigt zich-zelven, gelijk hij rein is. 4 Een iegelijk die de zonde doet, die doet ook de onirerech-tigheid; want de zonde is de ongerechtigheid. 5 En gij weet dat hij geopenbaard is, opdat hij onze zonden zoude wegnemen, en geen zonde is in hem. 6 Een iegelijk die in hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk die zondigt, die heeft hem niet gezien en heeft hem niet gekend. 7 Kinderkens, dat u niemand |
|
-BS 1 JOH A â verleide. Die de rechtvaardi}?-heid doet, die is rechtvaardig, gelijk bij rechtvaardig is. .S Uie de zo.â¢de doet, is uit den duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de .Zoon Gods geopenbaard, opdat hij de werken des duivels verbreken zoude. 9 Eeu iegelijk die uit God â¢geboren is, die doet de zoude niet; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren. 10 Hierin zijn de kinderen â Gods en de kinderen des duivels openbaar. Ken iegelijk die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijnen broeder niet liet'heett. 11 Want dit is de verkondiging die gii van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben. 12 Niet gelijk Kaïn, die uit den booze was en zijnen broe-â¢der doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijne werken boos waren, en die zijns broeders rechtvaar-â dig. ia Verwondert u met, mijne broeders, zoo u de wereld haat. 14 Wij weten dat wij overge- Kaan ziin uit den dood in het ;ven, dewijl wij de broeders liefhebben. Dieaan ziin uit den dood in het ;ven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijnen broeder niet liefheeft, blijft in den dood. 15 Een iegelijk die zijnen broeder haat, is een doodslager; en üij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende. 10 Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons tresteld heeft; en wij aijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. 17 Zoo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit aijn hrr* toe voor hem, hoe blijft liefde Gods in hem? is Mijne kinderkens, laat ons [NES 4. |
niet liefhebben met het woord noch met de tong, maar met 'le daad en waarheid. 19 En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor hem. 2(1 Want indien ons hart ona veroordeelt. God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen. 21 Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid tot God, ' 22 en zoo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij zijne geboden bewaren en doen hetgeen behaaglijk is voor Hem. . , , , 23 En dit is zijn gebod dat wij gelooven in den naam zijns Zoons Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. 24 En die zijne geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest dien Hij ons gegeven heeft. hoofdstuk 4. Geliefdeneliefden, gelooft niet eenen iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn; want vele valscheprofeten zijn uitgegaan in de wereld. 2 Hieraan kent gij den Geest Gods: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; 3 e;i alle sreest die niet belijdt dat Jezus i hristus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de yeeat van den Antichrist, welke yeest' gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu aireede in de wereld. 4 Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder die in ü is, dan die in de wereld is. |
1 JOHANNES 5.
^ 339
|
5 Zij zijn uit de wereld: daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen. (gt; quot;Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den freest der waarheid en den geest der dwaling. 7 Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk die liefheeft, is uit God geboreu en kent God. H Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde. 9 Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft ire-had, en zijnen Zoon gezonden beeft tot eene verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, indien God ons alzóó lief heeft gehad, zoo zijn ook wii schuldig elkander lief te hebben. 12 Niemand heeft ooit God aanschouwd : indien wij elkander liefhebben, zoo blijft God in ons, en zijne liefde is in ons volmaakt. !3 Hieraan kennen wij dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, ornaat Hij ons van zijnen Geest gege.?n heeft. 14 En wij hebben het aanschouwd an getuigen, dat de Vader zijnen Zoon gezonden beeft tot 'ïenen Zaligmaker der wereld. 15 Zoo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zoon Gods is. God blijft in hem en hij in God. 16 En wij hebben eekend en â¢reloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in God en God in hem. |
17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dasr des oordeels, namelijk dat gelijk Hij is, wij óók zijn in deze wereld. IS Daar is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt iu de liefde. 19 Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft. 20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief, en zijnen broeder haat, die is een leuije-naar; want die zijnen broeder nit t liefheeft dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben dien hij niet gezien heeft ? â¢-1 En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijnen broeder liefhebbe. HOOFDSTUK 5. EEN iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God !-cboien; en een iegelijk die liefheeft dengenen die geboren heeft, die heeft ook lief dei.genen die uit Hem geboren is.EN iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God !-cboien; en een iegelijk die liefheeft dengenen die geboren heeft, die heeft ook lief dei.genen die uit Hem geboren is. 2 Hieraan kennen wij dat wij de kii.deren Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijne treboden bewaren. 3 Want dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren. En zijne geboden zijn niet zwaar. 4 Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons eeloof. 5 Wie is het die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon Gods ? Ægt; Déze is het die jrekomen is door water en bloed, namelijk Jezus de Christus: niet door het water alleen, maar |
.VNNES 5.
14 En dit is de vrijmocdisr-heid die wij tot Hem hebben, dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil. Hij ons verhoort.
15 En indien wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zoo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wij van Hem jrebeden hebben.
Ifi Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen eene zonde niet tot den dood, die zal God bidden, en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zen ik, die zondigen niet tot den dood. Daar is eene zoude tot den dood; voor die zonde zeg ik niet dat hij zal bidden. , . . ., .
17 Alle ongerechtigheid is zonde, en daar is zonde niet tot den dood. .
18 Wij weten, dat een iegelijk die uit God geboren is, met zondigt; maar die uit God xe-boren is, bewaart ziehzelven, en de booze vat hem niet.
19 Wij weten dat wij uit God zijn, en dat de geheele wereld ligt in het booze. , ^ ,
20 Doch wij weten dat de Zoon Gods gekomen is, en ons het verstand gcüeven heett dat wij den Waarachtige kennen; eu wij zijn in. den. Waarach-tige. namelijk in zijnen _ Zoon Jezus Christus. Déze is de waarachtige God en het eeuwige
I 21 ^ in derken s, bewaart uzelven l van de afgoden. Amen.
340 1 J011
door lift water en liet bloed. Ku de Geest is het die iretuiKt, dat de Geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er die «e-tui-'eu in den hemel: de gt; a-dcr, het Woord, en de Heilute Geest; en deze drie zijn éen. s Eu drie zijn er die ü;etui-iten op de aarde: de Geert, e.i het water, en het bloed; en die drie zijn tot één. lt;1 Indien wij de jretuiRems der inensehen aannemen, «ie itetuiKenis Gods is meerder; want dit is de setui^enis Gods, welke Hij van zijnen Zoon «e-tuigd heeft. , _ ,
10 Die in den Zoon Gods gelooft, heeft de jretuifrenis in â /iehzelven; die God met gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl uij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heett van zijnen Zoon.
11 En dit is de getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven tregeven heett; en dit leven is in zijnen Zoon.
12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon Gods niet heeft, die heett het leven niet. , . .,
H Deze dingen heb ik u ee-sehreven, die gelooft in den naam des Zoons Gods, opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat {jij gelooft in den naam des Zoons Gods.
DE TWEEDE 33EIEP
VAX DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
DE OudcrliiiR aan de uitverkorene vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarhi-id liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben,E OudcrliiiR aan de uitverkorene vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarhi-id liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben, 2 om der waarheid wil die in ons blijft, en met ons zal zijn in der eeuwigheid: senade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde. 4 Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uwe kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij oen gebod ontvangen hebben van den Vader. 5 En nu bid ik u, uitverkorene vrouw, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad heb hen van den be-zinne, namelijk dat wij elkander liefhebben. fi En dit is de liefde, dat wij wandelen naar zijne geboden. Dit is het gebod, gelijk (jijlie-den van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen. |
7 Want daar zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vleeseh gekomen is. Déze is de verleider en de Antichrist. « Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vo. loon mo!;en ontvangen. 9 Een iegelijk die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, déze heeft beiden den Vader en den Zoon. 10 Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zent tot hem niet: Wees gegroet. 11 Want die tot hem zegt; Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijne booze werken. 12 Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn. 13 U groeten de kinderen van uwe zuster de uitverkorene. Amen. |
DE DEKDE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
| 9 Ik heb aan de gemeente geschreven; maar quot;Diótrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan.
li» l)aai;om, indien ik kom, zoo zal ik in gedaclitenis breniren zijne werken die hij doet, met booze woorden snaterende tegen ons ; en hiermede niet ver-gehoefd zijnde, zoo ontvangt hijzelf de broeders niet, en verhindert degenen die het willen doen, en werpt ze uit dé gemeente.
11 Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God, maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.
li Aa.i Demetrius wordt ge-tuivrenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve ; en w-ij getuigen óok, en gij weet dat onze tretuigenis waarachtig is.
1^ Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen;
14 maar ik hoon u haast te zien, en wij zullen mond tut mond spreken.
15 Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrieudeu
i met name.
DE Ouderling aan den se- I liefden Gajus, welken ik in ! waarheid liefheb.E Ouderling aan den se- I liefden Gajus, welken ik in ! waarheid liefheb.
2 Geliefde, vóór alle dingen wensch ik dat eij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziel welvaart.
3 Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen en getuieden van uwe waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt.
4 Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen.
5 Geliefde, irij doet trouwelijk in al hetgeen trij doei aan de broederen en aan de vreemde-gen,
fi die petui-rd hebben van uwe liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Go-de waardig is, zoo ziilt gij wèl doen.
7 Want zij zijn voor zijnen naam uit-'egnan, niets nemende van de heidenen.
S Wij dan zij.i schuldiir de zoo-danigen te ontva..gen, opdat wij medearbeiders der waarheid mogen worden. l
DE ALGEMEENE BRIEF
VAX DEN
APOSTEL JUDAS.
|
JUDAS, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jacobus, aau de Keroepeueu die door God den Vader geheiligd zijn, enUDAS, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jacobus, aau de Keroepeueu die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard: 2 barmhartigheid en vrede en liefde zij u vermenigvuldigd. 3 Geliefden, alzoo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemeene zaligheid, zoo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven, en u te vermanen dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heilizea overgeleverd is. 4 Want daar zijn sommige menscheu ingeslopen, die eertijds tot dit oordeel te voren opgeschreven zijn, goddeloozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den éénigen Heerscher, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen. 5 Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen die niet geloofden, verdorven heeft. 6 En de Engelen die hun beginsel niet bewaard hebben maar hun eigene woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden ouder de duisternis bewaard : 7 gelijk Sodom en Gomorra en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als dezen geboeleerd hebben, en ander vleesch zijn nagegaan, tot een exempel voorgesteld zijn, dragende de-straf des eeuwigen vuurs. |
8 Desgelijks evenwel ook dezeu, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vleesch, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. 9 Maar Michael de Archangel, toen aij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering te-ren hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestrafte u. 10 Maar dezen hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, iu hetzelve verderven zij zich. 11 Wee hun; want zij zijn den weg Kaïns ingegaan, en door-de verleiding van het loon Bi-leams ziju zij henen gestort, en zijn door de tegensprekiug Ko-rachs vergaan. 12 Dezen zijn vlekken in de lieideinaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vrees; zij zijn waterlooze wolken, die van de winden- omgedreven worden; zij zijn als hoornen in het af-iraan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, e/i ontworteld; 13 wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerhi-id der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. |
ARING 1.
hunne goddclooze begeerlijkheden wandelen zullen.
19 Dezen zijn het die zichzelven afscheiden, natuurlijke me.i-schen, den Geest niet hebbende.
20 Maar, geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;
-1 bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid onzes Heeren Jezus Christus ten eeuwigen leven. 22 En ontfermt u wel over eenigen, onderscheid makende;
maar behoudt anderen door vrees, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok die van het vleeseh bevlekt is.
24 Hem nu die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstralielijk te stellen voor zijne heerlijkheid in vreugde,
25 den alleenwijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.
S14 OPENB.
14 En van dezen beeft ook Henoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zegende: Zie, de Heere is gekomen niet zijne vele duizenden heiligen,
15 om gericht te houden tegen allen, en te stratfen alle god-deloozen onder hen, vanwege alle hunne uoddelooze werken die zij goddelooslijk iredaan hebben, en vanwege alle de harde woorden die de godde-looze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
16 Dezen zijn inurmureerders, klagers over hunnen staat, wandelende naar hunne begeerlijkheden, en hun mond spreekt zeer opgeblazene dingen, zich verwonderende over de personen om des voordeels wil.
17 Maar, geliefden, gedenkt gij der woorden die voorzegd zijn van de Apostelen onzes Heeren Jezus Christus:
18 dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar
DE OPENBARING
VAN
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. DE openbaring van Jezus Christus, die God hem ife-geven heeft, om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten, en die hij door zijnen Engel Kezonden en rijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft:E openbaring van Jezus Christus, die God hem ife-geven heeft, om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten, en die hij door zijnen Engel Kezonden en rijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft: |
2 dewelke het Woord Gods betuiud heeft, en de getuigenis van Jezuu Christus, en al wat hij gezien heeft. 3 Zalig is hij die leest en rijn zij die hooren de woorden dezer profetie, e.i die bewaren hetgeen in dezelve treschreveu is; want de tijd is nabij. 4 Johannes aan de zeven gemeenten die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem |
|
OPENS, die is, en die was, en die komen 2al, en van de zeven Geesten die vóór zijnen troon zijn, 5 en van Jezus Christus, die de getrouwe Getuide is, de eerstgeborene uit de dooden, en de Overste van de Koningen der aarde. Hem die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, fi en die ons tremaakt heeft tot Koniir.'en en Priesters Gode en zijnen Vader, hem, zey ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 7 Zie, hij komt met de wolken, en alle o»s zal hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven; ia, amen. 8 Ik ben ae Alpha en de Ome-sa, het beirin en het einde, zegt de Heere, die is, en die was, en die komen zal, de Ai-machtige. y Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en medegenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en ia de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland genaamd I'atinos, om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus. li) E/i ik was in den geest op den dag des Heeren, en ik hoorde achter «^nij eene groote stem als van eene bazuin, 11 zeggende: Ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste; en; Hetgeen srij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn, namrliik naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pér^amus, en naar Thyatira, en naar Sardes, en naar Filadeltia, en naar Luo-dicéa. 12 Eu ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij «esproken had; en mij oimre-keerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren. |
RING 2. 345 13 en in het midden van de zeven kandelaren eenen, den Zoon des inenschen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met eenen gouden gordel; 14 en zijn hoofd en haar was wit gelijk als witte wol, gelijk sneeuw, en zijne oogen gelijk eene vlam vuurs; 15 en zijne voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in eenen oven; en zijne stem ivas als eene stem van vele wateren. in En hij had zeven sterren in zijne rechterhai.d; en uitziinen mond irinsr een tweesnijdend scherp zwaard ; en zijn aangezicht nas srelijk de zon schijnt in hare kracht. 17 Eu toen ik hem zag, viel ik als dood aan zijne voeten; en hij leide zijne rechter/iawZ op mij, zegsende tot mij: Vrees niet; ik ben de eerste en de laatste, 18 en die leef, en ik ben dood ireweest; en zie, ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels der hel en des doods. 19 Schrijf bet-reen erij gezien hebt, en hetgeen is en hetgeen geschieden zal na dezen: 20 de verborgenheid der leven sterren die gij irezien hebt in mijne rechter/mW, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de Engelen der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten. HOOFDSTUK 2. SCHRIJF aan den Engel der gemeente van Efeze: Dit zet;t hij die de zeven sterren in zijne reehter/ialt;t(/ houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt:CHRIJF aan den Engel der gemeente van Efeze: Dit zet;t hij die de zeven sterren in zijne reehter/ialt;t(/ houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt: 2 Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en |
OPENBARING 2.
34fi
|
dat gij de kwaden niet kunt verdragen, eu dat pij beproefd bebt degenen die voorgeven dat zij Apostelen zijn, en zij zijn bet met, en bebt ze leugenaars bevonden; 3 en gij bebt verdragen en hebt geduld, en gij bebt om mijns naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden. 4 Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde bebt verlaten. 5 Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal u baastelijk bij-komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert. fi Maar dit hebt gij, dat gij de werken der iNicolaïeten haat, welke ik óók baat. 7 Die ooren beeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden vaa het Paradijs Gods is. 8 En schrijf aan den Engel der gemeente van die van Smyrna; Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weder levend is geworden: 9 Ik weet uwe werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen die zeggen dat ze Joden zijn en zijn het niet, maar zijn eene Synagoge des satans. ld Vrees geen der dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal eeniijeu van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en srij zult eene verdrukking hebben van tien dagen. quot;VVees getrouw tot den duud, en ik zal u geven de kroon des leven». 11 Die ooren beeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden. |
12 En schrijf aan den Engel der gemeente die in Pérgamus is: Dit zegt bij die het tweesnijdend scherp zwaard heeft: 13 Ik weet uwe werken, en waar gij woont, namelijk waar de troon des satans is; en gij houdt mijnen naam, en bebt mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden waar de satan woont. 14 Maar ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar bebt die de leering hileams houden, die Balak leerde den kinderen Isrnëls een aanstoot voor te werpen, opdat ze zouden afgodenoffer eten en boe-reeren. 15 Alzóó hebt ook jrij die do leering der gt;iicolaïeten houden, hetwelk ik haat. Ifi Bekeer u; en zoo niet, ik zal u baastelijk ftykomen, en zal tegen hen krijg voeren met bet zwaard mijns monds. 17 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de jremeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van het manna dat verborgen is, en ik zal hem geven eenen witten keursteen, en op den keursteen eenen nieuwen naam geschreven, welken niemand kent dan die hem ontvangt. 18 En schrijf aan den Ensel der gemeente te Thyatira: Dit zegt de Zoon Gods, die zijne oogen heeft als eene vlam vuurs, en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk : 19 Ik weet uwe werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken, en dat de laatste meer zijti dan de eerste. 2(1 Maa- ik heb eenige weinige dingen te teen u, dat irij de vrouw Jézabel, die zich zelve zegt eene profetes te zijn, laat leeren en mijne dienstknechten verleiden dat ze boereereu en afgodenoffer etet. |
|
21 En ik heb haar tijd ge -e-Ten, opdat zij zich zoude be-keeren van hare hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. 22 Zie, ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in sroote verdruk-kins?, zoo zij zich niet bekee-ren van hunne werken. 2'.i En hare ki..deren zal ik door den dood ombrengen, en alle de fremeeuten zullen weten, dat ik het ben die nieren en harten onderzoek. En ik zal ulieden 'reven een iegelijk naar uwe werken. 24 Doch ik ze-r tot ulieden, en tot de anderen die te Thya-tira zijn, zoovelen als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, srelijk zü ze-ffren; Ik zal u geenen anderen last opleggen. 25 Maar bet-reen urij hebt, houdt dat totdat ik zal komen. 2fi En die overwint en die mijne werken tot den einde toe bewaart, ik zal hem macht geven over de heidenen ; 27 en hij zal ze hoeden met eenen ijzeren staf; zij zullen als pottenbiikkersvaten vermorzeld worden, irelijk ook ik van mijnen Vader ontvangen heb. 2rt En ik zal hem de morgenster geven. 29 Die ooren heeft, die hoor.' wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 3. EN schrijf aan den Entrel der gemeente die te Sardes is: Dit zeirt die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt dat !;ij leeft, en prij zijt dood.N schrijf aan den Entrel der gemeente die te Sardes is: Dit zeirt die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt dat !;ij leeft, en prij zijt dood. 2 Wees wakende, en versterk bet overige dat sterven zoude; want ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God. 3 Gedenk dan, hoe gij het ont- |
ElING 3. 347 vangen en gehoord quot;hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien t;ij dan niet waakt, zoogt; zal ik over u komen als een dief, en -rij zult niet weten op wat ure ik over u komen zal. 4 Doch urij hebt eeuige weinige namen ook te Sardes, die hunne kleederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met mijt wandelen in witte kteederen, overmits zij het waardin zijn. 5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleederen; en ik zal zijnen naam 'geenszins uitdoen uit het boek des levens, en ik zal zijnen naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne Ensrelen. fi Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de ^remeentea zegt. 7 Kn schrijf aan den Enerei der gemeente die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de-Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en njemand sluit, en hij sluit en. niemand opent: Sik weet uwe werken; zie, ik heb eene geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt. kleine kracht, en trij hebt mijn Woord bewaard en hebt mijnen naam niet verloochend. 9 Zie, ik geef u eenigen uit de Syna-ro're des satans, der-senen dié zeg-ren dat ze Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en aanbidden voor uwe voeten, en bekennen dat ik u liefheb. in Omdat Rij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt,, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gebeele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen. 11 Zie, ik kom haastelijk; houd wat trij hebt, opdat niemand uwe kroon neme. 12 Die overwint, ik zal hem maken tot eenen pilaar in deix |
|
348 OPEKBJ Tempel mijns Gods, en bij zal niet meer daar uitgaan; en ik zal op hem schrijven den naam mijns Gods, en den naam van de stad mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem dat uit den hemel van mijnen God afdaalt, en ook mijnen nieuwen naam. 13 Die ooren heeft, die hoorc wat de Geest tot de gemeenten zegt. 14 En schrijf aan den Enamp;el van de gemeente der Laodi-renzen: Dit ze^t de Amen, de trouwe en waaracktiire Ge-tuijre, het Begin der scheppins Gods: 15 Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet: och of g'j koud waart of heet! Ifi Zoo dan omdat (iij lauw zijt, e.i noch koud, noch heet, ik zal u uit mijnen mond spuwen. 17 Want irij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt. IS Ik raad u dat gij van mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat jrij rijk moogt worden; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de scliaade uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien inooirt. 19 Zoo wie ik liet heb. die bestraf en kastijd ik: wees dan ijveritr en bekeer u. â¢.0 Zie, ik sta aan de deur en ik klop: indien iemand mijne stem zal hooren en de deur opendoen, ik zal tot hem inkomen. en ik zal met hem avondmaal houden en hij met mij. ï!l Die overwint, ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in zijnen troon. |
RING 4. 22 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 4. NA dezen zag ik, en zie, eenc deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoocd had als eener bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hier op en ik zal u too-nen hetgeen na dezen geschieden moet.A dezen zag ik, en zie, eenc deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoocd had als eener bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hier op en ik zal u too-nen hetgeen na dezen geschieden moet. 2 En terstond werd ik in den geest; en zie, daar was een troon gezet in den hemel, en daar zat een op den troon. :lt; En die daarop zat, was in 't aanzien den steen jaspis en sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen smaragd gelijk. 4 En rondom den troon waren vier en twintig tronen, en op de tronen zag ik de vier en twintig Ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij hadden gouden kronen op hunne hoofden. 5 En van den troon gingen uit bliksemen en donderslagen en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende vóór den troon; welke zijn de zeven Geesten Gods. fgt; En vóór den troon was eene glazen zt-c, kristal gelijk. En ia het midden des troons en rondom den troon vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. 7 En h«'t eerste dier was eenen leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf sr lijk, en liet derde dier had het aangezicht als een meneeh, en het vierde dier was eenen vliegenden arend gelijk. S En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol oosren; en zij hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de |
|
OPENBA ïïeere God, de Aluiacliti^e, die was, ea die is.endie kumeu znl. Kn wanneer de dieren heer-lijklieid en eere ea daukxe^ia^ â¢raven Hem die tip den troon zat, die in alle eeuwigheid leeft, ld zoo vielen de vier en twintig Ouderlingen vóór Hem die op den troon zat, en aanbaden Hem die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hunne kronen vóór den troon, zeggende : 11 Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, cn door uwen wil zijn zij, en zijn ze geschapen. HOOFDSTUK 5. EN ik zag in de rechterAaafi des?eiien die op den troon zat, een boek, beschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.N ik zag in de rechterAaafi des?eiien die op den troon zat, een boek, beschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. â¢2 En ik zag eenen sterken Ensrel, uitroepende met eene groote stem: Wie is waardig het boek te openen en zijne zegelen open te breken? 3 En niemand in den hemel, noch op de aiirde, noch onder de aarde, kon het boek openen noch hetzelve inzien. 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig bevonden was om dat boek te openen en te lezen, noch hetzelve in te zien. 5 En een vaa de Ouderliagen zeide tot mii: Ween niet; zie, de Leeuw aie uit den stam Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijne zeven zegelen open te breken. « En ik zaïj, en zie, in het midden van den troon en van de vier dieren en in het midden van de Ouderlingen een Lam staande als geslacht, hebbende zeven hoornen en xevea oogen, dewelke zijn de |
IING 5. 349 zeven Geesten Gods, die uitgezonden sija in alle landen. 7 En het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter-hand desgenen, die op den troon zat. s En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier cn twintig Ouderlin-iren voor het Lam neder, hebbende elk citers en irouden fiolen, zijnde vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen. 9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig het boek te nemen en zijne zegelen te openen ; want Kij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht en taal ea volk en natie; 1(1 en sij hebt ons onzen God gemaakt tot Koniniren en Priesteren, en wij zullen al» Koningen heerschea op de aarde. 11 En ik zag. en ik hoorde eene stem veler Engelen rondom den troon en de dieren en de Ouderlingen; en hun tretal was tiendui^endmaal tienduizenden en duizendmaal duizenden, 12 zeggende met eene srroote stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzesginfc. i;{ En alle schepsel dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alle» wat in dezelve is, hoorde ik zeciren: Hem die op den troon zit en het Lam zij de dankze^Kine en de eere en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden; Amen. En de vier en twintig Ouderungea vielen neder en aanbaden dengenen die leeft iit alle eeuwigheid. |
350
|
.HOOFDSTUK C. EN ikN ik zbk, toen bet Lam één van de zegelen geopend liad, en ik hoorde één uit de -vier dieren zeggeu. als eene stem van eencu doudershig; Kom en zie. 2 En ik zag, en zie, een wit paard, en die daarop zat, had «enen booir, en hem is eene kroon gegeven, en hij ginjc uit, overwinnende, en opdat hij overwonne. 3 En toen het 't tweede zegel geopend luid, hoorde ik het tweede dier zeggen . Kom en zie. 4 En een ander paard ^ing uit, dat rood was; en dien die daarop zat, werd macht gegeten den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkander zouden dooden; en hem werd een jroot zwaard gegeven. 5 En toen het 't derde zeijel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie. En ik zaïr, en zie een zwart paard, en die daarop zat, bad eeuc weegschaal in zijne band. 6 En ik hoorde eene stem in het midden van de vier dieren, die zeide; Een maatje tarwe voor eenen penning, en drie maatjes ge.rst voor eenen penning; en beschadie; de olie en den wijn niet. 7 En toen bet 't vierde ze^el geopend had, hoorde ik eene stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie. 8 En ik zaur, en zie, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood, en de hel volgde hem na; en hun werd macht gegeven om te dooden tot bet vierde der aarde toe, met zwaard en met hon-ger en met den dood en door de wilde beesten der aarde. 9 En toen het 't vijlde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen die gedood waren om het Woord |
ING 6, 7-Gods en om de getuigenis die zij hadden. ld En zij riepen met groote stem, zeggende: Hoe lang, o beilige en waarachtige Heer-scher oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen ? 11 En aan een ieireiijk werden lange witte kleedcren geseven, en hun werd gezeird dat zij nog eenen kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zij. 12 En ik zag, toen het 't zesde zeirel geopend had, en zie, daar werd eene groote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed, 13 en de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, als hij van eenen grooten wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggewe-ken, als een boek dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hunne plaatsen. 15 En de Koningen der aarde, en de grooten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de sne-lonken en in de steenrotsen oer bergen, lf) en zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt óp ons, en verbergt ons van het aangezicht desgenen die op den troon zit, en van den toorn des Lanrs; 17 want de groote dag zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan ? HOOFDSTUK 7. EN na d-ïzen zag ik vier Engelen stamp;au op de vier hoeken der aarde, houdende de vierN na d-ïzen zag ik vier Engelen stamp;au op de vier hoeken der aarde, houdende de vier |
|
winden der aarde, opdat geen wind zoude waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen eenigen boom. '2 En ik zag eenen anderen Engel opkomen van den op-gaiiij der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met eene srroote stem tot de vier Engelen, welken macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, 3 zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hunne voorhootden. 4 En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld waren : honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israël». 5 Uit het geslacht Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht Ruben waren twaalf duizend verze-'eld; uit het geslacht Gad waren twaalf duizend verzegeld; fi uit het geslacht Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht Nat'tali waren twaalf duizend verzegeld; uit het ureslacht Manasse waren twaalf duizend verzeireld; 7 uit het geslacht Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht Levi waren twaalf duizeiid verzegeld; uit het geslacht Issaschar waren twaalf duizend verzesreld; 8 uit het geslacht Zébulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht Benjamin waren twaalf duizend verzegeld. 9 Na dezen za-r ik, en zie, eene groote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie en geslachten en volken en talen, staande vóór den troon en vóór het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen, en palnrfaAramp;M waren in hunne anden. |
LRING 8. 351 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God die op den troou ' zit, en het Lam. 11 En alle de Engelen stonden rondom den troon en rondom de Ouderlingen en de vier dieren, en vielen voor den troou neder op hun aangezicht, en aanbaden God, 12 zeggende: Amen. De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eere en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwig beid. Amen. 13 En een uit de Ouderlingen antwoordde, zeggende tot mil: Dezen ö.ie bekleed zijn met de lamre witte kleederen, wie zijn zij en van waar zijn ze gekomen ? 14 En ik sprak tot hem : Hee-re, ïij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne laniie kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. 15 Daarom zijn zij vóór den troon Gods, en dienen hem dag en nacht in zijnen Tempel; en die op den troon zit, zal hen overschaduwen. 16 Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten. en de zon zal op hen niet vallen, noch eeuige hitte. 17 Want het Lam dat in 't midden des troons is, zal ze weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hunne oogen af-wisschen. HOOFDSTUK 8. EN toen het 't zevende zegel geopend had, werd daar een stilzwijgen in deii hemel, omtrent van een half uur.N toen het 't zevende zegel geopend had, werd daar een stilzwijgen in deii hemel, omtrent van een half uur. *2 En ik za-j de zeven Engelen die voor God stonden, en hun werden zeven bazuinen gegevcu. |
OPENBARING 9.
352
|
3 En daar kwam een andere üiifrel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk Reireven, opdat hij het met de gebeden aller heili'/en zoude leKRen op het gouden altaar dat vóór den troon is. â¢I En de rook des reukwerks viet de gebeden der heiligen ging: öp van de hand des Engels voor God. 5 En de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en daar geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving. (gt; En de zeven Engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen. 7 En de eerste Kngel heeft gebazuind, en daar is geworden hasrel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel der boomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand, .s En de tweede Engel heeft gebazuind, en daar werd iets als een groote berg, van vuur brandende, in de zee irewor-pen; en het derde deel der zee is bloed geworden. 'J En het derde deel der sehen-selen in de zee die leven hebben, is gestorven, en het derde deel der schepen is vergaan. I» En de derde Engel heeft gebazuind, en daar is eene groote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren en op de fonteinen der wateren. 11 En de naam der ster wordt genaamd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem, en vele menschen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. 12 En de vierde Engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en bet derde deel der sterren, opdat het derde deel derzelve zoude verduisterd worden, en opdat het derde deel van den dag niet zoude lichten, en van den nacht desgelijks. |
13 En ik zag, en ik hoorde eenen Engel vliegen in het midden des hemels, zeggende met grofite stem; Wee, wee, wee dengenen die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen der bazuin der drie Engelen die ttoy bazuinen zullen ! HOOFDSTUK 9. EN de vijfde Engel heeft gebazuind, en ik zag eene ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de t-leutel van den put des afgronds.N de vijfde Engel heeft gebazuind, en ik zag eene ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de t-leutel van den put des afgronds. 2 En zij heeft den put des afgionds geopend; en daar is rook opgegaan uit den put, als rook eens grooten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts. 3 En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben. 4 En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch ee-nig groen, noch eenigen boom, dan de menschen alléén die het 5;egel Gods aan hunne voorhoofden niet hebben. 5 En hun werd macht gegeven, niet dat zgt;j ze zouden doo-den, maar dat zij van hen zouden gepijnigd worden vijf maanden ; en hunne pijniging was als de pijniging van een schorpioen wanneer hij een mensch gestoken heeft. 6 En in die dagen zullen de menschen den dood zoeken en zullen dien niet vinden, en zij zullen begeeren te sterven en de dood zal van hen vlieden. 7 En de gedaanten der sprink- |
|
hanen waren den paarden pe-lijk die tot deu oorlog bereid ziju; en op hunne hoofden waren als kronen, het jroud «elijk; en hunne aangezichten ais aangezichten van menschen. S £n zij hadden haar als haar der vrouwen; en hunne tanden waren als tanden der leeuwen. 'J En zi^ hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruisch hunner vleugelen was als een gedruisch der wagenen, wanneer vele paarden uaar den strijd loo-pen. 10 En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en daar waren angels in hunne staarten; en hunne macht was de menschen te beschadigeu vijf maanden. 11 En zij hadden over zich tot eeneu Koning den engel des afgronds; zijn naam was in . 't Hebreeuwsch Abaddon, en ' in de Grieksche taal had hij den naam Apollyon. f 12 Het ééne wee is weggegaan : zie, daar komeu nog twee weeën na dezen. 13 En de zesde Engel heeft gebazuind, en ik hoorde ééne stem uit de vier hoornen des Kouden altaars dat vóór God was, 14 zegarende tot den zesden Engel die de bazuin had: Ontbind de vier Engelen die gebonden zijn bij de groote rivier den Eufraat. 15 En de vier Engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure en i dag en maand en jaar, opdat zij het derde deel der menschen zouden dooden. I Ifi En het getal van de heir-lesers der ruiterij was tweemaal tienduizenden der tienduizenden : en ik hoorde hun getal. 17 En ik zas: alzóó de paarden , in dit «rezicht. en die daarop ⢠zaten, hebbende vurisre en hemelsblauwe en sulfervervige |
IING 10. 353 borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofdèu van leeuwen, en uit hunne mondon ging uit vuur en rook en sulfer. 18 Door deze drie werd het derde deel der menschen gedood, namelijk door het vuur en door den rook en door het sulfer dat uit hunne monden uitging. 11) Want hunne macht is in hunnen mond en in hunne staarten. Want hunne staarten zijn den slangen gelijk, en hebben hoofden en beschadigen met dezelve. 20 En de overige menschen die nie: gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunne? handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen, en de gouden en zilveren en koperen en steeneu en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch hooren, noch wandelen; 21 en hebben zich ook niet bekeerd van hunne doodslagen, noch van hunne venijngevingen, noch van hunne hoererij, noch van hunne dieverijen. HOOFDSTUK 10. EN ik zag eenen anderen sterken Engel, afkomende van den hemel, die bekleed was met eene wolk; en een regenboog was bovenN ik zag eenen anderen sterken Engel, afkomende van den hemel, die bekleed was met eene wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd, en zijn aangezicht was als de zon, en zijne voeten waren als pilaren van vuur. 2 En hij had in zijne hand een boeksken dat geopend was; en hij zette zijnen rechtervoet op de zee, en deu linker op dc aarde. 3 En hij riep met eene groote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hunne stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, zoo zoude ik ze geschreven hebbeu; eu ik hoorde |
|
354 OPEN By eene stem uit iicr hemel, die tot mij zeide: Verzegel betijeeu de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. 5 En de Engel, dien ik zaj? staan op de zee en op de aarde, hief zijne hand óp naar den hemel; 6 en hij zwoer bij dien die ieeft in alle eemviRheid, die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat daar geen tijd meer zal zijn; 7 maar in de dagen der stem â des zevenden Engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de -verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij zijnen dienstknechten den Profeten, verkondiird heeft. 8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij en zeide: Ga henen, neem het boeksken dat geopend en in de hand des Engels is, die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging henen tot den Engel, zeggende tot hem; Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij : Neem dat en eet het op; en het zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig. 19 En ik nam dat boeksken uit de hand des Engels, en ik at dat op; en het was in mijnen mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. 11 En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteeren â voor vele vojken en natiën en talen en Koningen. HOOFDSTUK 11. EN mij werd een rietstok re-geven, eeneN mij werd een rietstok re-geven, eene meetroede gelijk; «n de Engel stond en zeide: Sta op, en meet den Tempel lt;3ods, en het altaar, en dege-oien die daarin aanbidden. 2 En laat het voorhof uit, dat |
JING 11 van buiten den Tempel is, en meet dat niet; want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden. :$ En ik zal mijnen twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteeren duizend tweehonderd zestig dagen met zakken bekleed. 4 Dezen zijn de twee olijfboo-men en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan. a En zoo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hunnen mond uitgaan en zal hunne vijanden verslinden; en zoo iemand hen wil beschadigen, die moet alzóó gedood worden. 6 Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat er geen regen regene in de dairen hunner profeteering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zoo menigmaal als zij zullen willen. 7 En als zij hunne getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest dat uit den afgrond opkomt, hun kri^g aandoen, en het zal ze overwinnen en zal ze dooden. 8 En hunne doode lichamen zullen liggen op de straat der groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is. 9 En de menachen uit de volken en geslachten en talen en natiën zullen hunne doode lichamen zien drie dagen en eenen halven, en zullen niet toelaten dat hunne doode lichamen in graven gelegd worden. 10 En die op de aarde wonen, die zuJen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee Profeten degenen die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. |
|
OPENBA 11 En na die drie dap;en en eenen balven is een j^eest des levens uit God in hen ^e^aan ; cn zij stonden op hunne voeten, en daar is ^roote vrees sevallen op degenen die hen aanschouw den. 12 En zij hoorden eene groote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts èp. En zij voeren öp naar den hemel in de wolk, en uunne vijanden aanschouwden ze. 13 En in die ure eeschiedde eene groote aardbeving:, en het tiende deel der stad is gevallen, en daar zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van menschen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven. 14 Het tweede wee is weggegaan: zie, het derde wee komt haast. ló En de zevende Engel heeft gebazuind, en daar geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende: lgt;e koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van zijnen Christus, en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid. Ifi En de vier en twintig Ouderlingen, die vóór God zitten op hunne tronen, vielen neder op hunne aangezichten en aanbaden God, 17 zegsrende: Wij danken U, Heere God almachtig, die is, en die was, en die komen zal, dat Gij uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning hebt geheerscht: 18 en de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen, en de tijd der dooden om geoordeeld te worden, en om het loon te geven aan uwe dienstknechten de Profeten en de heiligen cn degenen die uwen naam vreezen, de kleinen en de grooten, en om te verderven degenen die op de aarde verdierven. |
LING 12. 355 19 En de Tempel Gods in den hemei is geopend geworden, en de Ark zijns verbonds is gezien in zijnen Tempel; en daar werden bliksemen en stemmen en donderslagen en aardbeving en groote hagel. HOOFDSTUK 12. EN daar werd een groot tee-ken gezien in den hemel, N daar werd een groot tee-ken gezien in den hemel, nameliik eene vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder hare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf sterren; 2 en zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 3 En daar werd een ander tee-ken genen in den hemel; en zie, daar was een groote roode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden. 4 En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond vóór de vrouw-die baren zoude, opdat hij haar kind zoude verslinden, wanneer zij het zoude gebaard hebben. ó En zij baarde eenen manne-lijken zoon, die alle de heidenen zoude hoeden met eene ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon. 6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij eene plaats had, haar van God bereid, opdat zij ze aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. 7 En daar werd krijg in dec hemel: Michaël en zijne Engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde óók en zijne engelen. 8 En zij hebben niets vermocht, en hunne plaats is niet meer gevonden in den hemel. |
|
350 OPENS 9 En de prroote draak is geworpen, namelijk de oude slau^, welke genaamd wordt duivel en satxn, die de «eheele wereld verleidt, hij is, ze// ik, geworpen op de aarde, en zijne engelen zijn met hem geworpen. 10 En ik hoorde eene groote stem, zeggende in den hemel : Nu is de zaligheid en de kracht en het Koninkriik geworden onzes Gods, en de macht van zijnen Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaarde voor onzen God dag en nacht, is nederge-worpen, 11 en zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. 12 Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen en gij die daarin woont. Wee dengenen die de aarde en de zee bewonen ; want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grooten toorn, wetende dat hij eeuen kleinen tijd heeft. IS En toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, zoo heeft hij de vrouw vervolgd die het jongsken gebaard had. 14 En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij zoude vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij jrevoed wordt eenen tijd en tijden en eenen halven tijd, buiten het gezicht der slau'-r. 15 En de slang wierp uit baren mond achter de vrouw water als eene rivier, opdat zij haar door de rivier zoude doeu wegvoeren. 1G En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haren mond en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijnen mond had geworpen. 17 En de draak vergrimde op |
RING 13. de vrouw, en ging henen om krijg te voeren tegen de overigen van haar geslacht, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben. H En ik stond op het zand der zee. HOOFDSTUK 13. EN ik za? uit de zee een beest npkomen, hebbendi* zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was een naam van «/oeta-lastering.N ik za? uit de zee een beest npkomen, hebbendi* zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was een naam van «/oeta-lastering. 2 En het beest dat ik zag, was eenen pardel gelijk, en zijne voeten als de voeten eens heers, en zijn mond als de mond eens leeuws. En de draak gaf hem zijne kracht en zijnen troon en groote macht. 3 En ik zag één van zijne hoofden als tot den dood gewond, en zijne doodelijke wond werd genezen ; en de geheele aarde verwonderde zich achter het beest. 4 En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk ? Wie kan krijg voeren tegen hetzelve ? 5 En aa.i hetzelve werd een mond gegeven om groote dingen en jrodjflasteringen te spreken, en aan hetzelve werd macht gegeven om zulks te doeu twee en veertig maanden. G En het opende zijnen mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren, en zijnen Tabernakel, en die in den hemel wonen. 7 En aan hetzelve werd macht gegeven om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen ; en aan hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht en taal en volk. s En allen die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbid- |
|
den, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lams dat eeslacht is, van de grondleKRing der wereld. «⢠Indien iemand ooren heeft, die hoore. 10 Indien iemand in de gevan-penis leidt, die jraat zelf in de ^evanf;enis ; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijd-zanmheid en het geloot' der heiligen. 11 Hu ik zat; een ander beest nit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van het eerste beest in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt dat de aarde en die daarin wonen, het eerste beest aanbidden, welks doodelijke wond genezen was. i;{ En het doet groote teekenen, zoodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde voor de menschen, 14 en verleidt degenen die op de aarde wonen, door de teeke-nen die aan hetzelve te doen gegeven zijn in dc teirenwoordiu-heid van het beest, zegtjende tot degenen die op de aarde wonen, dat zij voor liet beest, dat de wond des zwaards had en weder leefde, een beeld zouden maken. 15 En aan hetzelve werd macht quot;egeven om het beeld van het beest eenen geest te geven opdat het beeld van het beest ook zoude spreken, en maken dat allen die het beeld van het beest niet zouden anubidden, gedood zouden worden. Ifi Eu het maakt dat het aan allen, kleinen en grooten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merktee-ken geeft aan hunne rechterhand of aau hunne voorhoofden. |
HOOFDSTUK 14. EN ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion, en niet hem honderd vier en veertig duizei d, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aau hunne voorhoofden.N ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion, en niet hem honderd vier en veertig duizei d, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aau hunne voorhoofden. 2 En ik hoorde eene stem uit den hemel ,als eene stem van vele wateren en als eene stem van een grooten donderslag. En ik hoorde eene stem van citerspelers, spelende op huuue citers; K en zij zongen als een nieuw gczaii'.; vóór den troon en vóór dc vier dieren en de Ouderlingen, en i.iemand kon dat gezang leeren dan de honderd vier en veertiir duizend, die van de aarde gekocht waren. 4 Dezen zijn het die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die het Lam volgen, waar het ook henengaat. Dezen zijn gekocht uit de menschen, tot eerstelingen voor God en het Lam. 5 En in hunnen mond is geen bedroif gevonden, want zij zijn onberispelijk vóór den troon Gods. fi En ik zag eenen anderen Engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwig Evangelie, om te verkondigen aan degenen die op de aarde wonen, en aan alle natie en geslacht en taal en( volk, 7 zegsende met eene eroote stem : Vreest God eu geeft Hem OPENBARING 14. ' 357 17 en dat niemand mag koo-pen of verkoopen dan die dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams. IS Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, berekene het getal van het beest; want het is een getal eens menschen, en zijn iretal is zeshonderd zes en zestig. |
|
358 OPENBü heerlijkheid; want de ure zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem die den hemel en de aarde en de zee en de fonteinen der wateren gemaakt heeft. 8 En daar is een andere En-{Cel sevol^d, ze^sende; Zij is Eevallen, zij is gevallen, Ballon die groote stad, omdat zij uit den wijn des tourns barer hoererij alle volken heeft gedrenkt.evallen, zij is gevallen, Ballon die groote stad, omdat zij uit den wijn des tourns barer hoererij alle volken heeft gedrenkt. 9 En een derde Engel is hen gevolgd, zeggende met eene Ãrooteroote- stem: Indien iemand et beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteeken aan zijn voorhoofd of aan zijne hand, 10 die zal óók drinken uit den wijn quot;an den toorn Gods, die ongetuengd ingeschonken is in den drinkbeker zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige Engelen en voor het Lam. 11 En de rook van hunne pijniging ^aat óp in alle eeuwigheid, en zij hebben geene rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns naams ontvangt. 12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn ze die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus. 13 En ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide; Schrijf: Zali'i zijn de dooden die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid; en hunne werken volgen met hen. 14 En ik zag, en zie, eene witte wolk, en op de wolk was een gezeten, des inenschen Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd een gouden kroon en in zijne hand eene scherpe sikkel. 15 En een andere Engel kwam uit den Tempel, roepende met eene groote stem tot dengenen die op de wolk zat: Zend uwe |
IING 15. sikkel en maai; want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden. 10 En die op de wolk zat, zond zijne sikkel op de «arde, en de aarde werd gemaaid. 17 En een andere Engel twain uit den Tempel die in den hemel is, hebbende ook zelf eene scherpe sikkel. 18 En een andere Enirel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur, en hij riep met een groot geroep tot dengenen die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uwe scherpe sikkel en snijdt èf de drui-ventakken van den wijngaard der aarde, want zijne druiven zijn rijp. 19 En de Engel zond zijne sikkel op de aarde, en sneed de druiven tif van den wijngaard der aarde, en wierp ze in den grooten wijnpersbak van den toorn Gods. 20 En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en daar is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de toornen der paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. HOOFDSTUK 15. EX ik zaïr een ander groot en wonderlijk teeken in den hemel,X ik zaïr een ander groot en wonderlijk teeken in den hemel, namelijk zeven Engelen, hebbende de zeven laatste pla-aen; want in deze is de toorn Gods geëindigd. 2 En ik zag als eene glazen zee met vuur gemengd; en die de overwinnimr hadden van het beest en van zijn beeld, en van zijn merkteeken en van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods. En zij zo;igen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het sjezang des Lams, zeggende; Groot en wonderlijk zijn uwe werken, Heere, Gij almachtige God; recht- |
OPENBARING 16.
353-
|
vaardia: en waarachtig zijn uwe wegen. Gij Koning der Leilisen. 4 Wie zoude U niet vreezen, Heere, en uwen naam niet verheerlijken? Want Gij zijt alleen heilig ; want alle volkeren zullen komen en voor ü aanbidden; want uwe oordee-len zijn openbaar peworden. 5 En na dezen zau ik, en zie, de Tempel van den Tabernakel der getuigenis in den hemel werd geopend; 6 en de zeven Engelen die de zeven pla?eii hadden, kwamen uit den Tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. 7 En een van de vier dieren gaf den zeven Engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods die in alle eeuwigheid leeft. 8 Eu de Tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit zijne kracht; en niemand kon in den Tempel Ingaan, totdat de zeven pla-pen der zeven Engelen geëindigd waren. HOOFDSTUK Ifi. EN ik hoorde eene jrroote stem uit den Tempel, zeg-jrende tot de zeven Engelen: Gaat henen en giet deN ik hoorde eene jrroote stem uit den Tempel, zeg-jrende tot de zeven Engelen: Gaat henen en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde. 2 En de eerste ging henen en soot zijne fiool uit op de aarde en daar werd een kwaad en boos irezweer aan de men-schen, die het merkteeken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden. 3 En de tweede Enjrel soot zijne fiool uit in de zee: en zij werd bloed als eens dooden, en alle levende ziel is gestorven in de zee. |
4 En de derde Engel soot zijne fiool uit in de rivieren en iu de fonteinen der wateren: en de wateren werden bloed. 5 En ik hoorde den Engel der wateren zengen: Gij zijt rechtvaardig, Heere, die is, en die was, en die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt; â¢â¢ dewijl :;ij het bloed der hei-liiren en der Profeten vergoten hebben, zoo hebt Gij hun ook bloed te drinken pegeven; want zij zijn hei waardin. 7 En ik hoorde eenen anderen van het altaar zengen: Jar Heere, Gij almachtige God, uwe oordeelen zijn waarachtig-en rechtvaardig. 8 En de vierde Engel goot zijne fiool uit op de zon: en haar is macht pegeven de men-schen te verhitten door vuur;, 9 en de menschen werden verhit met groote hitte, en lasterden den naam Gods, die macht heeft over deze plagen, en zii bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven. in En de vijfde Engel goot zijne fiool uit op den troon van het be st: en zijn rijk is verduisterd geworden, en zij kauwden hunne tongen van pijn, 11 en zij lasterden den God des hemels vanwege hunne pijnen en vanweire hunne zweren, en zij bekeerden zich niet van hunne werken. 12 En de zesde Engel goot zijne fiool uit op de groote rivier den Eufraat: en zijn water is uitgedroopd, opdat bereid zoude worden de weg der Koningen die van den opnanp der zon komen zullen. i:{ En ik zag uit den mond van den draak en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen profeet drie onreine geesten gaan, deu vor-schen gelijk; 14 want het zijn geesten der duivelen, en zij doen teekenen, welke uitnaan tot de Koningen der aarde en der ge-heele wereld om die te verpa-deren tot den krijg van dieih |
|
SfiO OPENBJ Krooten das des almachtigen Gods. 15 Zie, ik kom als een dief. Zali;; is bij die waakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en men .zijne schaamte niet zie. 16 En zij hebben ze vereraderd in de plaats welke in 't lie-breeuwsch genaamd wordt Armageddon. 17 Bn de zevende Engel goot zijne fiool uit in de lucht: en daar kwam eene srroote stem uit den Tempel des Hemels, van den troon, zeggende; liet is geschied- 18 En daar geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen, en daar geschiedde eene groote aardbeving, hoe-danige niet is geschied van dat de menschen op de aarde geweest zijn, namelijk eene zoodanige aardbeving en zóó groot. 19 En de groote stad is in drie deelen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen. En het groote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns zijner gramschap. 20 En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden. 21 En een groote hagel, elk als een talentpond zwaar, viel neder uit den hemel opdemenscben; en de menschen lasterden God vanwege de plage des hagels, want deszelfs plage was zeer groot. HOOFDSTUK 17. EN een uit de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer die zit op vele wateren,N een uit de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer die zit op vele wateren, 2 met welke de Konineen der aarde gehoereerd hebben; en die de aarde bewonen zijn |
RING 1/. dronken geworden van den wijn barer hoererij. H En hij bracht mij wejr in eene woestijn, in den freest: en ik zag eene vrouw, zittende op een scharlakenrood beest, dat vol was van namen der fwcfclastering, en zeven hoofden had en tien hoornen. 4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk Sesteente en paarlen, en had in are hand eenen gouden drinkbeker, vol van gruwelen en van onreinigheid harer hoererij.esteente en paarlen, en had in are hand eenen gouden drinkbeker, vol van gruwelen en van onreinigheid harer hoererij. 5 En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk: Verborgenheid, het groote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. H En ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij als ik ze zag, met groote verwondering. 7 En de Engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid van de vrouw en van bet beest dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden en de tien hoornen heeft. 8 Het beest dat gij gezien hebt, was en is niet, en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), zullen verwonderd zijn, ziende het beest dat was en niet is, hoewel het is. 9 Hier is het verstand dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. 10 En het ziin ook zeven Koningen: de vijf zijn gevallen, en de één is, de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijii, moet hij een weinig tijda blijven. |
OPENBARING 18.
361
|
11 En het beest dat was en niet is, dit is ook de achtste Koning, en is uit de zeven, en jraat ten verderve. 12 En de tien hoornen die (rij gezien hebt, zijn tien Koningen, die het koninkrijk iiok niet hebben ontvangen, maar als Koningen macht ontvangen op ééne ure met het beest. i:{ Dezen hebben éénerlei mee-ning, en zullen hunne kracht en macht aan het beest overgeven. 14 Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal ze overwinnen (want het is een Heere der hoeren en een Koning der koningen), en die met hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en geloovi-gen. 15 En hij zeide tot mij: De wateren die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en tonden. Ifi En de tien hoornen die «ij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen ze woest en naakt maken, en zij zullen haar vleesch eten, en zullen ze met vuur verbranden. 17 Want God heeft hun in hunne harten gegeven, dat zij zijne meening doen, en dat zij éénerlei ineening doen, en dat zij hun koninkrijk aan het beest jreven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. is En de vrouw die gy gezien hebt, is de groote stad die het koninkrijk heeft over de Koningen der aarde. HOOFDSTUK 18. EN na dezen zag ik eenen anderen Engel afkomen uit den hemel, hebbende groote macht; en de aarde is verlicht geworden van zijne heerlijkheid.N na dezen zag ik eenen anderen Engel afkomen uit den hemel, hebbende groote macht; en de aarde is verlicht geworden van zijne heerlijkheid. |
2 En hij riep krachtiglijk met eene groote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, de groote atad Babylon, en is geworden eene woonstede der duivelen, en eene bewaarplaats van alle onreine geesten en eene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; 3 dewijl uit den wijn des toorns barer hoererij alle volkeren gedronken hebben, en de Koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht barer weelde. 4 En ik hoorde eene andere stem uit den hemel, zezgende: Gaat uit va» haar, miin volk, opdat gij aan hare zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt. 5 Want hare zonden zijn de ééne op de andere irevolgd tot den hemel toe, en God is barer ongerechtigheden gedachtig geworden. fi Vergeldt haar gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken; in den drinkbeker waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. 7 Zooveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft en weelde gehad heeft, doet haar zóó groote pijniging en rouw aan. Want zij zegt in haar hart: Ik zit nis eene Koningin, en ben geene weduwe, en zal geenen rouw zien. 8 Daarom zullen hare plagen op éénen dag komen, namelijk dood en rouw en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God die haar oordeelt. 1» En de Koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen ze beweenen en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haars brands zullen |
|
362 OPENB van hare pijnijring, zeggende : Wee, wee, de groote stad Babyion, de sterke stad; want uw oordeel is ia ééu uur gekomen. 11 En de kooplieden der aarde zullen weeuen en rouw maken over baar, omdat niemand bunue waar meer koopt: 12 waar van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken, en allerlei welriekend bout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van bet kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen, 13 en kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der men-scben. 14 En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan, en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan, en gij zult dat niet meer vinden. 15 De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van baar, zullen van verre staan uit vrees van hare pijniging, weenende en rouw makende, Ifi en zeargende: Wee, wee, de groote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad en purper en scharlaken, en versierd met goud en met kostelijk gesteente en met paarlen; want in één uur is zoo groote rijkdom verwoest. 17 En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen die ter zee handelen, stonden van verre 18 en riepen, ziende den rook van haren brand, en zeggende: Wat atad was deze groote stad gelyk? |
RING 19. 19 En zii wierpen «tof op hun-.ne hoornen, en riepen, weenende en rouw bedrijvende, zegirende: Wee, wee de groote stad, in dewelke allen die schepen in de zee hadden, van hare kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in ééu uur verwoest geworden. 2(1 Bedrijf vreugde over haar, gii hemel, en gij heilige Apostelen en gij Profeten; want God beeft uw oordeel aan haar geoordeeld. 21 En een sterke Engel hief eenen steen op als een grooten molensteen, en' wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de groote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden. 22 En de stem der citerspelers en der zangers en der fluitspelers en der bazuinblazers zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en geen geluid dea molens zal in u meer geboord worden, 23 en bet licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eerts bruidegoms en ee-ner bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde, want door uwe too-verij zijn alle volken verleid geweest. 24 En in dezelve is gevonden het bloed der Profeten en der heiligen en aller dcrgeneu die gedood zijn op de aarde. HOOFDSTUK 19. EN na dezen hoorde ik als eene groott stem eener groote schare in den hemel, zeggende: Uallelajah! De zaligheid en de heerlijkheid en de eere en de kracht zij den Heere onzen God.N na dezen hoorde ik als eene groott stem eener groote schare in den hemel, zeggende: Uallelajah! De zaligheid en de heerlijkheid en de eere en de kracht zij den Heere onzen God. 2 Want zijne oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig. |
|
dewijl Hij de groote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij, en Hij het bloed zijner dienaren van hare hand gewroken heeft. 3 En zij zeiden ten tweeden male: Hallelujah! En haar rook gaat öp in alle eeuwigheid. 4 En de vieren twintig üuder-derlingen en de vier dieren vielen neder en aanbaden God die op den troon zat, zeggende: A-men. Hallelujah! 5 En eene stem kwam uit den troon, zeggende: Looft onzen God, gij alle zijne dienstknechten en gij die Hem vreest, beiden klein en groot. 6 En ik hoorde als eene stem eener groote schare en als eene stem van vele wateren en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende: Hallelujah ! want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerscht. 7 Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zichzelve bereid. 8 En haar is gegeven dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijne lijnwaad zijn de recht-vaardijjmakingen der heiligen. 9 En hij zeide tot mij: Schrijf: Zalig zijn ze die ceroepen zijn tot het Avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zei-de tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden Gods. 10 En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en die uwer broederen die de getuigenis van Jezus hebben: aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie. 11 En ik zag den hemel geopend: en zie, een wit paard, en die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en VVaarach-lING 19. 36? |
tig, en hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. 12 En zijne oojjen waren als eene vlam vuurs, en op zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en hij hadeenen naam geschreven dien niemand wist dan hijzelf. 13 En hij was bekleed met een kleed dat met bloed geverfd was; en zijn naam wordt genaamd het Woord Gods. 14 En de heirlegers in den hemel vólgden hem op witte paarden, sekleed met wit en rein fijn lijnwaad. 15 En uit zijnen mond ging een scherp zwaard, opdat hi| daarmede de heidenen slaan zoude. En hij zal ze hoeden met eene ijzeren roede; en hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods. Ifi En hij heeft op zijn kleed en op zijne dij dezen naam geschreven : Koning der koningen en Heere der heeren. 17 En ik zag eenen Ensrel, staande in de zon; en hij riep met eene groote stem, zeggende tot alle de vogelen, die in het midden des hemels vlogen : Komt herwaarts en vergadert u tot het avondmaal des groeten Gods, 18 oudat gij eet het vleesch der Koningen, en het vleesch der oversten over duizend, en het vleesch der sterken, en het vleesch der paarden en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en grooten. 19 En ik zag het beest en de Koningen der aarde en hunne heirlegers vergaderd om krijg te voeren tegen hem, die op-het paard zat, en tegen zijn heirleger. 20 En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de val-sche profeet, die de teekeneu |
|
Ml OPENB.4 in de teRenwoordi^heid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die het merk-teekeu van het beest ontvangen hadden, en die deszelt's beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuursdie met sulfer brandt. 21 En de overigen werden gedood met het zwaard dessenen die op het paard zat, hetwelk uit zijnen mond ging; en alle de vogelen werden verzadigd van hun vleesch. HOOFDSTUK 2». EN ik zag eenen Engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds en eene groote keten in zijne hand;N ik zag eenen Engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds en eene groote keten in zijne hand; 2 en hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satan, en boud hem duizend jaren, H en wierp hem in den afgrond, en sloot hein daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zoude, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hgt;j eenen kleinen tijd ontbonden worden. 4 En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zap de zielen dergenen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus en om het Woord Gods, eu die het beest en des-zelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand; en zij leefden en heerschten als Koningen met Christus de duizend jaren. 5 Maar de overigen der dooden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. ft Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over dezen heeft detwee- |
UNG 20. de dood geen macht, maar zij zullen Priesters van Oud eu' Christus zijn, en zij zullen met hem als Kouiugen heerschen duizend jaren. 7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijne gevangenis ontbonden worden, 8 en hij zal uitgaan om de volken te verleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magoe, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee. 9 En zii z' i opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en daar kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft ze verslonden. U» En de duivel die hen verleidde, werd geworpen in den poel van vuur en sulfer, alwaar het beest en de valsche profeet is; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. 11 En ik zag eenen grooten witten troon, en dengenen die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlood, en geene plaats is voor di« gevonden. 12 En ik zag de dooden, klein en groot, Maande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geo- Send, dat des levens is; en de ooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken.end, dat des levens is; en de ooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken. 13 En de zee gaf de dooden die in haar waren . en de dood en de hel gaven de dooden die in hen waren, en zij werden geoordeeld een iegelijk naar zijne werken. 14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs: dit is de tweede dood. 15 En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen iu den peel des vuurs. |
|
HOOFDSTUK 21. EN ik zap eencn nieuwen hemel en eene nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eer«te aarde was voorbijKeRaan, en de zee was niet meer. 2 Kn ik, Johannes, za^ de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is.N ik zap eencn nieuwen hemel en eene nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eer«te aarde was voorbijKeRaan, en de zee was niet meer. 2 Kn ik, Johannes, za^ de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. En ik hoorde eene proote stem uit den hemel, zesf^ende: Zie, de Tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn. 4 En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch prekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dinsen zijn wep^efraan. 5 En die op den troon zat, zei-de: Zie, ik maak alle dingen nieuw. En hij zeide tot mij: Schrijf; want deze woorden zijn waarachtig en sjetrouw. 6 Eu Hij sprak tot mij: Het is treschied. Ik ben de Alpha en de O metra, het begin en het einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet. 7 Die overwint, zal alles be-ervcn, en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. ft Maar den vreesachtigen, en ongeloovitcen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en toovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel die brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. 9 En tot mij kwam een van de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden, welke waren vol geweest van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik |
UNO 21. 305 zal u tonnen de Bruid, de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in den geest op eenen irrooten en hooien berg, en hij toonde mij de groote stad, het heiliire Jeruzalem, iH-derdalende uit den hemel van God; 11 en zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostclijksten steen gelijk, namelijk als de steen jaspis, blinkende gelijk kristal. 12 En zij had eenen grooten en hoogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf Engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen van de twaalf geslachten der kinderen Israels. 13 Van het Oosten waren drie poorten; van het Noorden drie poorten; van tiet Zuiden drie poorten; van het Westen drie poorten. 14 En de muur der stad had twaalf fundamenten, en in dezelve de namen der twaalf Apostelen des Lams. 15 En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zoude meten, en hare poorten, en haren muur. 16 En de stad lag vierkant, en hare lengte was zoo groot als hare breedte; en hij mat de stad met den rietstok op twaalt duizend stadiën; de lengte en de hreedt een de hoogte derzelve waren evengelijk. 17 En hij mat haren muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens menschen, welke des Engels was. IS En het jrebouw van haren muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas irelijk. li) En de fundamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk iresteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcédon, het vierde smaragd. |
|
3(56 OPENS. 20 het vijfde sardónyx, het zesde saraius, het zevende chrysoliet, het achtste beryl, het negeude topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist. 21 En de twaalf poorten waren twaalf paarleu: iedere poort was uit ééne parel; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. 22 En ik zag seenen Tempel in dezelve; want de Heere, de almachtise God is haar Tempel, en het Lam. 23 En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft ze verlicht, en het Lam is hare kaars. 24 En de volkeren die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de Koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eere in dezelve; 25 en hare poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn; 2fi en zij zullen de heerlijkheid en de eere der volkeren daarin brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen apreekt, maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. HOOFDSTUK 22. EN hij toonde mij eene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams.N hij toonde mij eene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams. 2 In het midden van hare straat, en op de ééne en de andere zijde der rivier, was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand sevende zijne vrucht; en de bladeren ttes booms waren tot genezing der heidenen. |
3 En geene vervloeking zal er meer tegen iemand zijn. En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen hem dienen, 4 en zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. 5 En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van noode hebben; want de Heere God verlicht ze, en zij zullen als Koningen heerschen in alle eeuwigheid. 6 En hij zeide tot mij; Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige Profeten, heeft zijnen Engel gezonden, om zijnen dienstknechten te toonen hetgeen haast moet geschieden. 7 Zie, ik kom haastelijk. Zalig is hij die de woorden der profetie dezes boeks bewaart. 8 En ik, Johannes, ben degene, die deze dinsren gehoord en gezien heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om te aanbidden voor de voeten des Engels, die mij deze dintcen toonde. 9 En hij zeide tot mij: Zie dat gij het niet doet; want ik ben uwe mededienstknecht, en die uwer broederen de Profeten, en van degenen die de woorden dezes boeks bewaren: aanbid God. 10 En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij. 11 Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig i», dat hij nog geheiligd worde. 12 En zie, ik kom haastelijk, en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. 13 Ik ben de Alpha en de Ome- |
|
ga, het begin en het einde, de eerste en de laatste. 14 Zalig zijn ze die zijne geboden doen, opdat hunne macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. 15 Maar buiten zullen zijn de honden, en de toovenaars. en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet. 16 Ik, Jezus, heb mijnen Engel gezonden, om ulieden dezedin-«en te getuigen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster. 17 Bn de Geest en de Bruid zeggen: Kom En die het hoort, aegge; Kom. En die dorst heeft, |
IING 22. 3(57 kome; en die wil, neme het wat-jr des levens om niet. 18 Want ik betuig aan een iegelijk die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn; 19 cn indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer Srofetie, God zal zijn deel af-rofetie, God zal zijn deel af- oen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is. 20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom Heere Jezus, 21 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen Amen |
EINDE DES NIEUWEN TESTAMENTS.
râ
y%;
:.v. gt; .
â I
I