B IJ B E L
/ /?-
B IJ B E L
DAT 18
DE GANSCHE HEILIGE SCHRIFT
BEVATTE-XDR ALLE DB CANONIEKE BOEKE.\ DES
OUDEN EN NIEUWEN TESTAMENTS
OP LAST VAiN DE HOOG MOGENDE 11 BEKEN
STATEN-GENEUAAL DER VEREENIGDE NEDERLANDEN,
M Pklf ^ «'ê quot;t %
K.1 TOL6 B rt 8 HET UK8HUT VAN DB XATIONALE «IXODB G E HOUDEN TB UORDRBCIIT IN DB JAREN MDCXV1II B ff MDCXIX UII DE OORSPRONKELIJKE TALEN IN OKZB NRDETILANDSCUE CEI ROUW EL IJ K OVERGEZET
DITGEGEVEN DOOR HET KEDEELANDSCHE BIJBELGENOOTSCHAP 1697
iTOOilDEÃKKERIJ EOJiLOfFZEN ft HOBNKK. AUBTEKDAIL
i.)
â )
HET
OUDE TESTAMENT
REGISTER VAN DE BOEKEN
DES
OUDEN TESTAMENTS
I
I
_ . Bladz.
Genesis ................. 1_ 64
ExodH9...................64- H8
LeviticuB..................118â 158
Numon....................... 214
Deuteronomium................215â 261
Jâ¢â¢Â».................... 261â 293
Richteren................... 293â 325
gquot;41* v ⢠⢠â ⢠............... 325- 329
Kerste boek Samuel.............. 329â 371
Tweede boek Samuël.............. 371â 401!
Eerste boek der Koningen............ 40(1â 447
Tweede boek der Koningen........... 447â 486
Eerste boek der Kronieken........... 486â 523
Tweede boek der Kronieken........... 523â 567
Ezra. .................... 568â 580
ISenemia...................581_ 599
Ester.................... 599- 609
Job . .................... 609â 64:i
De Psalmen.................. 643â 725
De Spreuken................. 726â 754
De Prediker.................. 754â 764
Hot Hooglied ................ 764â 769
Jesaja........................ 834
Jeremia................... 834 - 907
De Klaagliederen van Jeremia . ......... 907â 914
Ezechiël...................914â 980
Daniël.................... 980â1000
Hoséa....................1000-1010
Joel.....................1010-1013
Amos . ...................1013-1020
Oba^ja.................... 1021â1022
Jona..................... 1022â1024
Micha.................... 1024â1030
Nahum.................... 1030â106)2
Habakuk................... 1032â1035
Zefanja.................... 1035-1038
Haggai................... 1038 -1040
Zacharia...................1WO--10Ã1
Slaleachi . . ................. 1051â1054
I
â
â
8a cï
, ,
â
; â
- -
'
an .
.L â â â - â ' â yi
. t.ïf'jo
â ⢠⢠'.; : â â¢: ⢠; ï
1 ⢠⢠; â â¢:⢠â¢â¢ i . . . fi--' li â â â â -»l â¢quot; ⢠. , . . , ,
.
. r-sv-- .
.. «.!⢠ri/ *'
. â¢. ir. lt;r-i
â
â lt;!
.-or
âââ-
HEÃ OUDE TESTAMENT.
HET EEESTE BOEK VAN IOZES
GENAAMD
GENESIS.
|
HOOFDSTUK 1. In den beginne schiep God ien hemel en de aarde. 2 De aarde nn was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. 3 En God zeide: daar zij licht: en daar werd licht. 4 En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tusschen het licht en tus-schen de duisternis; 5 en God noemde het licht dag, en de duisternis noemde hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, da eerste dag. 6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dat make scheiding tusschen wateren en wateren. 7 En God maakte het uitspansel, en maakte scheiding tusschen de wateren, die onder het uitspansel zijn en tusschen de wateren, die boven het uitspansel zijn: en het was al zoo. 8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag. |
9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in ééne plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde: en het was al zoo. 10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde hij zeeën: en God zag dat het goed was. 11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aard, welks zaad daarin zij op de aarde; en het was alzoo. 12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijnen aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijnen aard: en God zag dat het goed was. 13 Toen was het avond ge^veest en het was morgen geweest, de derde dag. 14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tusschen den dag en tusschen den nacht; en dat ze zijn tot teekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren; 15 en dat ze zijn tot lichten in het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde: en het was alzoo. 16 God dan maakte de twee groote lichten, het groote licht 1 |
GENESIS 2.
|
tot heerschappij des daags, en het kleine licht tot heerschappij des nachts, ook de sterren; 17 en God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde, 18 en om te heerschen op den dag en in den nacht en om scheiding te maken tusschen het licht en tusschen de duisternis: en God zag dat het goed was. 19 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag. 20 EnGodzeide: Dat de wateren overvloedig!ijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde in het uitspansel des hemels. 21 En God schiep de groote walvisschen en alle levende wre-meiende ziel, welke de watereu overvloediglijk voortbrachten, naar haren aard; en sille gevleu-geld gevogelte naar zijnen aard: en God zag dat het goed was. 22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën, en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde. 23 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vijfde dag. 24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort naar haren aard, vee, en kruipend en wild gedierte der aarde, naar zijnen aard: en het was alzoo. 25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijnen aard, en het vee naar zijnen aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijnen aard: en God zag dat het goed was. 20 En God zeide: Laat ons men-schen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over liet vee en over de geheele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep den mensen naar zijn bei-Ui, naar het beeld Gods schiep hij hem; man en vrouw s'Miiep hij ze. |
28 En God zegende ze, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt ze, en hebt heerschappij over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. 29 Eu God zeide: Zie, ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de gansche aarde is, en alle geboomte in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is: het zij u tot spijze. 30 Maar aan alle gedierte der aarde en alle gevogelte des hemels en alle kruipend gedierte op de aarde, waarin eene levende ziel is, heh ik al het groene kruid tot spij ze gegeven .En het was alzoo. 31 En God zag al wat hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag. HOOFDSTUK 2. Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir. 2 Als nu God op den zevenden dag volbracht had zijn werk dat hij gemaakt had, heeft hij gerust op den zevenden dag van al zijn werk dat hij gemaakt had; 3 en God heeft den zevenden dag gezegend en dien geheiligd, omdat hij op denzelven gerust heeft van al zijn werk, hetwelk God geschapen had om te volmaken. 4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de Heere God de aarde en den hemel maakte, 5 en allen struik des velds eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds eer het uitsproot; want de Hesre God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mensch geweest om den aardbodem te bouwen, 6 maar een damp was opgegaan uit de aarde en bevochtigde den ganschen aardbodem. 7 En de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens: |
GENESIS 3.
|
alzoo werd de mensch tot eene levende ziel. 8 Ook had de Heere God eenen hof geplant in Eden, tegen het Oosten, en hij stelde aldaar den mcnsch, dien hij geformeerd had. 9 En de Heere God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed ter spijze, en den boom des levens in het midden van den hof, en den boom der kennisse des goeds en des kwaads. 10 En eene rivier was voortgaande uit Eden om dezen hof te bewateren, en werd van daar verdeeld en werd tot vier hoofden. 11 De naam der eerste rivier is Pison; deze is het die het gansche land van Havila omloopt, waar het goud is; 12 en het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonyx. _ 13 En de naam der tweede rivier is Gihon: deze is het die het gansche land Kusch omloopt. 14 En de naam der derde rivier is Hiddékel: deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath. 15 Zoo nam de Heere God den mensch en zette hem in den hof Eden, om dien te bouwen en dien te bewaren. 16 En de Heere God gebood den mensch, zeggende: Van allen boom dezes hols zult gij vrijelijk eten: 17 maar van den boom der kennisse des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten ; want ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven. 18 Ook had de Heere God gesproken : Het is niet goed dat de mensch alléén zij: ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. 19 Want als de Heere God uit de aarde al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zoo bracht hij ze tot Adam, om te zien hoe hij ze noemen zoude, en zoo als Adam alle levende ziele noemen zoude, dat zoude haar naam zijn. |
20 Zoo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor den mensch vond hij geene hulpe, die als tegen hem over ware. 21 Toen deed de Heere God eenen diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en hij nam éóne van zijne ribben, en sloot derzei ver plaats toe met vleesch. 22 En de Heere God bouwde de ribbe, die hij van Adam genomen had, tot eene vrouw, en hij bracht ze tot Adam. 23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn gebeente en vleesch van mijn vleesch: men zal ze Manninne heeten, omdat ze uit den man genomen is. 24 Daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aankleven; en zij zullen tot één vleesch zijn. 25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijne vrouw, en zij schaamden zich niet. HOOFDSTUK 3. De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de Heere God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs ? 2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der boo-men dezes hofs zullen wij eten; 3 maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft. 4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; 5 maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. 6 En de vrouw zag dat die boom goed was tot spijze en dat hij een lust was voor de oogen, ja, een boom die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijne vrucht en at; en zij gaf |
m
GENESIS 4.
|
ook haren man met haar, en hij at. 7 Toen werden hun beider oogen geopend, en zij werden gewaar dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboom-bladeren te zamen en maakten zich schorten. 8 En zij hoorden de stem van lt;len Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijne vrouw voor het aangezicht van den Heere God in het midden van het geboomte des hofs. 9 En de Heere God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Ik hoorde uwe stem in den hof, en ik vreesde: want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven dat gij naakt z;ijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken ik u gebood dat gij daarvan niet eten zoudt? 12 Toen zeide Adam: De vrouw, die gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten. 13 En de Heere God zeide tot de vrouw: Wat is dit dai gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: Die slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten. 14 Toen zeide de Heere God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte des velds: op uwen buik zult gij gaan en stof zult gij eten, alle de dagen uws levens, 15 en ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad: dat zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen. 16 Tot de vrouw zeide hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe emart, namelijk uwer dracht; inet smarte zult gij kinderen baren; en tot uwen man zal uwe begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 17 En tot Adam zeide hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten, daar ik u van gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zoo zij het aardrijk om uwentwille vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten allo de dagen uws levens; |
18 ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten; 19 in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijfc stof en gij zult tot stof weder-keeren. 20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Eva, omdat zij eene moeder aller levenden is. 21 En de Heere God maakte voor Adam en zijne vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan. 22 Toen zeide de Heere God; Zie, de mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad: nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. 23 Zoo zond de Heere God hem weg uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, daar hij uit genomen was; 24 en hij dreef den mensch uit, en stelde Cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens. HOOFDSTUK 4. En Adam bekende Eva zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain, en zeide: Ik heb eenen man van den Heere verkregen. 2 En zij voer voort te baren zijnen broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaiu werd een landbouwer. 3 En het geschiedde ten einde van eenige dagen, dat Kain van de vrucht des lands den Heerb offer bracht; 4 en Habel die bracht óók, van de eerstgeborenen zijner schapen en van hun vet; en de Heerb zag Habel en zijn offer aan, 5 maar Kain en zijn offer zag hij niet aan; toen ontstak Kain |
GENESIS 5.
|
zeer en zijn aangezicht verviel. 6 En de Heere zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken en waarom is uw aangezicht vervallen? 7 is er niet, indien gij wel doet, verhooging? en zoo gij niet wel doet, de zonde ligt aan de deur; zijne begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heerschen. 8 En Kain sprak met zijnen broeder Habel; en het geschiedde als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijnen broeder Habel opstond en hem doodsloeg. 9 En de Heere zeide tot Kain: Waar is Habel uw broeder? En hij zeide: Ik weet hel niet; ben ik mijns broeders hoeder? 10 En hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Er ia eene stemme van het bloed uws broeders, dat tot mij roept van den aardbodem. 11 En nu zijt gij vervloekt, van den aardbodem, die zijnen mond heeft opengedaan om uws broeders bloed van uwe hand te ontvangen : 12 als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermcgen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde. 13 En Kain zeide tot den Heere: Mijne misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde. 14 Zie, gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor uw _ aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden dat al wie mij vindt mij zal doodslaan. 15 Doch de Heere zeide tot hem: Daarom al wie Kain doodslaat zal zevenvoudig gewroken worden. En de^Heere stelde een teeken aan Kain, opdat hem niet versloeg al wie hem vond. 1(5 En Kain ging uit van het aangezicht des Heeren, en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden. 17 En Kain bekende zijne huisvrouw, en zij werd bevrucht, en baarde Henoch; en hij bouwde eene stad, en noemde den naam dier stad, naar den naam zijns «oons, Henoch. |
18 En aan Henoch werd Irad geborergt;, en Irad gewon Mehujaël, en Mehujaël gewon Methusaël, en Methusaël gewon Lamech. 19 En Lamech nam zich twee vrouwen: de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla. 2U En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen die tenten bewoonden en vee hadden. 21 En de naam zijns broeders was Jubal: deze was de vader van allen die harpen en orgelen hanteeren. 22 En Zilla die baarde óók, Tubal-Kain, eenen^ leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Tubal-Kain was Naëma. 23 En Lamech zeide tot zijn© vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijne stem, gij vrouwen Lamechs, neemt ter oore mijne rede: voorwaar, ik sloeg wel eenen man dood om mijne wonde, en eenen jongeling om mijne buile; 24 want Kain zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal. 25 En Adam bekende wederom zijne huisvrouw, en zij baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel, want Kain heeft hem doodgeslagen. 26 En aan Seth zeiven werd óók een zoon geboren, en hij noemde zijnen naam Enos. Toen begon men den naam des Heeren aan te roepen. HOOFDSTUK 5. Dit is het boek van Adam» geslacht. Ten dage als God den mensch schiep, maakte hij hem naar de gelijkenis Gods; 2 man en vrouw schiep hij ze, en zegende ze, en noemde hunnen naam Mensch, ten dage ala zij geschapen werden. 3 En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon eenen zoon naar zijne gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijnen naam Seth. 4 En Adams dagen, nadat hy |
|
6 GEN ] Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaar; en hij gewon zonen en doch teren. 5 Zoo waren alle de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaar en dertig jaar; en hij stierf. G En Seth leefde honderd en vijfjaren; en hij gewon Enos. 7 En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 8 Zoo waren alle de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaar; en hij stierf. 9 En Enos leefde negentig jaar: en hij gewon Kenan. 10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaar; en hij gewon zonen en dochteren. 11 Zoo waren alle de dagen van Enos negenhonderd en vijfjaren; en hij stierf. 12 En Kenan leefde zeventig jaar: en hij gewon Mahalaleël. 13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalaleël gewonnen had, achthonderd en veertig jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 14 Zoo waren alle de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf. 15 En Mahalaleël leefde vijfenzestig jaren: en hij gewon Jered, 16 En Mahalaleël leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaar; en hij gewon zonen en dochteren. 17 Zoo waren alle de dagen van Mahalaleël achthonderd vijfennegentig jaar; en hij stierf. 18 En Jered leefde honderd tweeënzestig jaar: en hij gewon Henoch. 19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 20 Zoo waren alle de dagen van Jered negenhonderd tweeënzestig jaar; en hij stierf. 21 En Henoch leefde vijfenzestigjaar: en hij gewon Methusalah. 22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalah gewonnen had, driehonderd jaar; |
ISIS 6. en hij gewon zonen en dochteren. 23 Zoo waren alle de dagen van Henoch driehonderd en vijfenzestig jaar. 24 Henoch dan wandelde met God: en hij was niet meer, want God nam hem weg. 25 En Methusalah leefde honderdzevenentachtig jaar: en hij gewon Lamech. 2G En Methusalah leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd en tweeëntachtig jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 27 Zoo waren alle de dagen van Methusalah negenhonderd en negenenzestig jaar; en hij stierf. 28 En Lamech leefde honderd en tweeëntachtig jaar; en hij gewon eenen zoon; 29 en hij noemde zijnen naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk dat de Heeiie vervloekt heeft. 30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd en vijfennegentig jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 31 Zoo waren alle de dagen van Lamech zevenhonderd en zevenenzeventig jaar; en hij stierf. 32 En Noach was vijfhonderd jaar oud: en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth. HOOFDSTUK 6. En het geschiedde als de men-schen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, 2 dat Gods zonen de dochteren der menschen aanangen dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden. 3 Toen zei de de Heere: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaar. 4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der menschen ingegaan waren en zich hinderen gewonnen hadden; deze |
|
GENi ïijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn mannen van naam. 5 En de Heere zag dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aardé, en al het gedicht-sel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. 6 Toen berouwde het den Heere dat hij den mensch op aarde gemaakt had, en het smartte hem aan zijn hart; 7 en de Heere zeide: Ik zal den mensch, dien ik geschapâ¬;n heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt mij dat ik ze gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de oogen des Heeren. 9 Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijne geslachten: Noach wandelde met God. 10 En Noach gewon drie 2.onen, Sem, Cham en Jafeth. 11 Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vervuld met wrevel. 12 Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want al liet vleesch had zijnen weg verdorven ©p de aarde. 13 Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vleesch is voor mijn aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, ik zal ze met de aarde verderven. 14 Maak u eene ark van gofer-hout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult ze be-pekken van binnen en van buiten met pek. 15 En aldus is het dat gij ze maken zult: driehonderd ellen zij delengte der ark, vijftigellenhare breedte.endertigellen harehoogte. 16 Gij zult een venster aan de ark maken, en zult ze volmaken tot eene el van boven; en de deur der ark zult gij in hare zijde zetten: gij zult ze met onderste, tweede en dercte verdiepingen maken. 17 Want ik, zie, ik breng eenen watervloed over de aarde, om *lle vleesch, waarin een geest |
SIS 7. T des levens is, van onder den hemel te verderven: al wat op e!e aarde is zal den geest geven. 18 Maar met u zal ik mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uwe zonen, en uwe huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u. 19 En gij zult van al wat leeft, van allen vleesche, twee van elk doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen ze zijn. 20 Van hetgevogelte naar zijnen aard, en van het vee naar zijnen aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijnen aard, twee van elk zullen tot u komen om die in het leven te behouden. 21 En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat ze u en hun tot spijze zij. 22 En Noach deed naar al dat God hem geboden had,z()ó deed hij. HOOFDSTUK 7. Daarna zeide de Heere tot Noach: Ga gij en uw gansche huis in de ark; want u heb ik gezien rechtvaardig voor mijn aangezicht in dit geslacht. 2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee dat niet rein is twee, het mannetje en zijn wijfje; 3 ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de gansche aarde. 4 Want over nog zeven dagen zal ik doen regenen op de aarde veertig dagen en veertig nachten, en ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat dat ik gemaakt heb. 5 En Noach deed naar al dat de Heere hem geboden had. 6 Noach nu was zes honderd jaar oud als de vloed der wateren op de aarde was. 7 Zoo ging Noach, en zijne zonen, en zijne huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds. 8 Van het reine vee en van het |
|
« GEl^ vee dat niet rein -was, en van liet gevogelte en al wat op den aardbodem kruipt, 9 kwamen er twee cn twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had. 10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren. 11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen dag zijn alle fonteinen des grooten af-gronds opengebroken en de sluizen des hemels geopend; 12 en een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten. 13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem en Cham en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hen in de ark; 14 zij, en al het gedierte naar zijnen aard, en al het vee naar zijnen aard, en al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt naar zijnen aard, en al het gevogelte naar zijnen aard, alle vogelken van allerlei vleugel. 15 En van alle vleesch, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark. 16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vleesch, gelijk als hem God bevolen had. En de Heere sloot achter hem toe. 17 En de vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zoodat zij oprees boven de aarde. 18 En de wateren namen de overhand en vermeerderden zeer op de aarde: en de ark ging op de wateren. 19 Ãn de wateren namen gansch zeer de overhand op de aarde, zoodat alle hooge bergen, die onder den ganschen hemel zijn, bedekt werden; 20 vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt. |
ÃSIS 8. 21 En alle vleesch, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogeltje, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle menschen; 22 al wat eenen adem des geestes des levens in zijne neusgaten had, van alles wat op hei droge was, is gestorven. 23 Al zoo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mensch af tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was. 24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen. HOOFDSTUK 8. En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed eenen wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stille. 2 Ook werden de fonteinen des afgronds en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden. Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende; en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen. 4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararat. 5 En de wateren waren gaande en afnemende tot de tiende maand: in de tiende maand op den eerste der maand werden de toppen der bergen gezien. 6 En het geschiedde ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed, 7 en hij liet eene raaf uit, die dikwijls heen en weder ging,totdat de wateren van boven de aarde verdroogd wLren. 8 Daarna liet hij eene duif van zich uit, om te zien of de wateren |
|
GEN gelicht waren Tan boven den aardbodem; 9 maar de duif vond geene met voor de^ holte baars voets: zoo keerde zij weder tot hem in de ark, want de wateren waren op de gansche^aarde; en hij stak zijne hand uit en nam ze, en bracht ze tot zich in de ark. 10 En hij verbeidde nog zeven andere dagen, toen liet hij de duif wederom int de ark; 11 en de duif kwam tot hem tegen den avondtijd, en zie, een afgebroken olijfblad was in haren bek: zoo merkte Noach dat de wateren van boven de aarde gelicht waren. 12 Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen, en hij liet de duif uit. maar zij keerde niet meer tot hem weder. 13 En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand op den eerste dier maand, dat de wateren droogden van boven de aarde: toen deed Noach het deksel der ark af en zag toe, en zie, de aardbodem was gedroogd. 14 En in de tweede maand op den zevenentwintigsten dag der maand was de aarde opgedroogd. 15 Teen sprak God tot Noach zeggende: 16 Ga uit de ark, gij, en uwe huisvrouw, en uwe zonen, en de vrouwen uwer zonen met u. 17 Doe al liet gedierte dat met u is, van allen vleesche, aan gevogelte^ en aan vee, en aan al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde. 18 Toen ging Noach uit, en zijne zonen, en zijne huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem. 19 Al het gedierte, al het kruipende en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hunne geslachten, gingen uit de ark. 20 En Noach bouwde den Heere een altaar; en hij nam van alf het reine vee en van al het rein gevogelte, en oflerde brand-olferen op dat altaar. 21 En de Heere rook dien liefe- |
:sis 9. 9 lijken reuk, en de Heere zei de in zijn harte: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des menechen wille, want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan; en ik zal voortaan niet meer al het levende slaan gelijk als ik gedaan heb. 22 Voortaan alle de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden. HOOFDSTUK 9. En God zegende Noach en zijne zonen, en hij zeide tot hen: zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde: 2 en nlieder vreeze en ulieder verschrikking zij over al het gedierte der aarde en over al liet gevogelte des hemels, in al wat zich op den aardbodem roert en in alle visschen der zee: zij zijn in uwe hand overgegeven. 3 Al wat zich roert, dat levend is. zij u tot spijze: ik heb het u alles gegeven, gelijk het groene kruid. 4 Doch het vleesch met zijne ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten- 5 En voorwaar, ik zal uw bloed, hel bloed uwer zielen eischen,van de hand van alle gedierte zal ik het eischen, ook van de hand des menschen, van de hand van eens iegelijks broeder zal ik de ziel des menechen eischen. 6 quot;NVie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden: want God heeft den mensch naar zijn beeld gemaakt. 7 ÃVIaar gijlieden, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve. 8 Voorts zeide God tot Noach, en tot zijne zonen met hem, zeggende 9 Blaar ik, zie, ik richt mijn verbond op met u, en met uwen zade na ii, 10 en met alle levende ziel die met ii is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u, van allen die uit de 1* |
GENESIS 10
10
|
ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe. 11 En ik richt mijn verbond op met u, dat niet meer alle vleesch door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed moer zijn zal om de aarde te verderven. 12 En God zeide: Dit is het teeken des yerbonds dat ik geef tusschen mij en tusschen ulieden en tusschen alle levende ziel, die met ii is, tot eeuwige geslachten: 13 mijnen boog heb ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teeken des verbonds tusschen mij en tusschen de aarde. 14 En het zal geschieden als ik wolken over de aarde breng, dat deze boog zal gezien worden in de wolken. 15 Dan zal ik gedenken aan mijn verbond, hetwelk is tusschen mij en tusschen u en tusschen alle levende ziel van alle vleesch: en de wateren zullen niet meer wezen tot eenen vloed om alle vleesch te verderven. 16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zoo zal ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tusschen God en tusschen alle levende ziele, van alle vleesch dat op de aarde is. 17 Zoo zeide clan God tot Noach: Dit is het teeken des verbonds, dat ik opgericht heb tusschen mij en tusschen alle vleesch dat op aarde is. 18 En de zonen Noachs, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan. 19 Deze drie waren de zonen van Noach: en van deze is de gansche aarde overspreid. 20 En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte eenen wijngaard; 21 en hij dronk van dien wijn, en werd dronken ; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent. 22 En Cham, Kan aan s vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijnen beiden broederen daar buiten te kennen. |
23 Toen namen Sem en Jafeth een kleed en leiden het op hun beider schouders, en gingen achterwaarts en bedekten de naaktheid huns vaders: en hunne aangezichten waren achterwaarts gekeerd, zoodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen. 24 En Noach ontwaakte van zijnen wijn, en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had ; 25 en hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijnen broederen. 26 Voorts zeide hij: Gezegend zij de HeerBj de God van Sem; en Kanaan zij hem een knecht: 27 God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten; en Kanaan zij hem een knecht. 28 En Noach leefde^ na den vloed drie honderd en vijftig jaar. 21) Zoo waren alle de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaar: en hij stierf. HOOFDSTUK 10. Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen, Sem, Cham en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed. 2 De zonen Jafeths zijn Gomer, en Magog, en Madai, en Jay an, en Tubal, en M^ech, en Tiras. 3 En de zonen Gomers zijn As-kenaz, en Rifath, en Togarma. 4 En de zonen Jayans zijn Elisa, en Tarsis, de Kittiten en Dodaniten. 5 Van deze zijn verdeeld de eilanden der volken in hunne landschappen, elk naar zijne sprake, naar hunne huisgezinnen, onder hunne volken. 6 En Chams zonen zijn Kusch, en Mizraïm, en Put, en Kanaan. 7 En de zonen van Kusch zijn Seba, en Havila, en Sabta, en llaëma, en Sabtecha. En de zonen van Raëma zijn Scheba en Dedan. 8 En Kusch gewon Nimrod: deze begon geweldig te zijn op de aarde. 9 Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heeren ; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des Heeren. 10 En het begin zijns rijks waa Babel, en Erech, en Akkad, en Kalné in het land Sinear. |
|
GENE 11 Uit dit land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Ninevé, en Rehoboth, Ir, en Kalah, 12 en Resen, tusschen Ninevé en tusschen Kalah: dat is die groote stad. 13 En Mizraïm gewon de Lu-diten, en de Anaraiteh, en de Lehabiten en de Naftuhiten, 14 en de Pathrusiten, en de Kasluhiten, waaruit de Filistijnen voortgekomen zijn, en de Kaftoriten. 15 En Kanaan gewon Sidon, zijnen eerstgeborene, en Heth, 16 en den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet, 17 en den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet, 18 en den Arvadiet, en den Ze-mariet,enden Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Ka-naaniten verspreid. 19 En de landpale der Kanaa-niten was van Sidon, wrar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; waar gij gaat naar Sodoni en Gomorra, en Adama, en Zeboïm tot Lasa toe. 20 Dit zijn Chams zonen, naar hunne huisgezinnen, naar hunne spraken, in hunne landschappen, in hunne volken. 21 Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, de grootste. 22 Seins zonen waren Elam, en Assur, en Arpachsad, en Lud, en Aram. 23 En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Mas. 24 En Arpachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber. 25 En Heber werden twee zonen geboren: des éénen naam was Peleg, want in zijne dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan. 26 En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah, 27 en Hadoram, en üzal, en Dikla, 28 en Obal, en Abimaël, en Scheba, 29 en Ofir, enHavilaenJobab: deze allen waren Joktans zonen. 30 En hunne woning was van |
SIS 11. 11 Mesa, af, waar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het Oosten. 31 Dit zijn Sems zonen, naar hunne huisgezinnen, naar hunne spraken, in hunne landschappen, naar hunne volkeren. 32 Dit zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hunne geboorten, in hunne volken; en van deze zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed. HOOFDSTUK 11. En de gansche aarde was van éénerlei sprake en éénerlei woorden. 2 Maar het geschiedde als zij tegen het Oosten togen, dat zij eene laagte vonden in het land Sinear, en zij woonden aldaar. 3 En zij zeiden een ieder tot zijnen naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken en wel doorbranden. En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem. 4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons eene stad bouwen en eenen toren, welks opperste in den hemel zij; en laat ons eenen naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de gansche aarde verstrooid worden. 5 Toen kwam de Heere neder om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der men-schen bouwden; 6 en de Heere zeide: Zie, zij zijn éénerlei volk en hebben allen éénerlei sprake, en dit is het wat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken? 7 Kom aan, laat ons nedervaren en laat ons hunne sprake aldaar verwarren, opdat een iegelijk do sprake zijns naasten niet hoore. 8 Alzoo verstrooide de Heere hen van daar over de gansche aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. 9 Daarom noemde men haren naam Babel; want aldaar verwarde de Heere de sprake der gansche aarde, en van daar verstrooide hen de Heere over dd gansche aarde. |
GENESIS 12.
|
10 Dit zijn de geboorten van 43em. Sem was honderd jaar oud â¢en gewon Arpachsad, twee jaren na den vloed. 11 En Sem leefde, nadat hij Arpacliead gewonnen had, vijfhonderd jaar: en hij gewon zonen â en dochteren. 12 En Arpachsad leefde vijf-â en dertig jaar; en hij gewon Selah. 13 En Arpachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren: en hij gewon zonen en dochteren. 14 En Selah leefde dertig jaar: â en hij gewon Heber. 15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd â¢en drie jaren: en hij gewon zonen en dochteren. 16 En Heber leefde vierendertig jaar: en gewon Peleg. 17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd -en dertig jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 18 En Peleg leefde dertigjaar: â¢en hij gewon Rehu. 19 En Peleg leefde, nadat hij Rehn gewonnen had, tweehonderd en negen jaren: en hij gewon zonen en dochteren. 20 Eu Rehu leefde tweeëndertig jaar: en hij gewon Serug. 21 En Rehn leefde, nadat hij â¢Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren: en hij gewon zonen en dochteren. 22 En Serug leefde dertig jaar: en gewon Nahor. 23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 24 En Nahor leefde negenentwintig jaar en gewon Terach. 25 En Nahor leefde, nadat hij Terach gewonnen had, honderd en negentien jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 26 En Terach leefde zeventig jaar: en gewon Abram, Nahor en Haran. 27 En dit zijn de geboorten van Terach: Terach gewon Abram, Nahor, en Haran: en Haran gewon Lot. |
28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terach, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeën. 29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen: de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, endenaam van Nahors huisvrouw was Milka, eene dochter van Haran, vader van Milka en vader van .Tiska. 30 Eu Sarai was onvruchtbaar, zij had geen kind. 31 En Terach nam Abram zijnen zoon, en Lot Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai zijne schoondochter, de huisvrouw van zijnen zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeën om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran en woonden al daar. 32 En de dagen van Terach waren tweehonderd en vijfjaren; en Terach stierf te Haran. HOOFDSTUK 12. De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga uit uw land en uit uwe maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat ik u wijzen zal; 2 en ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen en uwen naam groot maken; en wees een zegen; 3 en ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken dieu vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. 4 En Abram toog henen, gelijk de Heere tot hem gesproken had, en Lot toog met hem; en Abram was vijfenzeventig jaren oud toen hij uit Haran ging. 5 En Abram nam Sarai zijne huisvrouw, en Lot zijns broeders zoon, en al hunne have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan. 0 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbosch Moré:en de Kanaiiniten waren toeu ter tijd in dat land. 7 Zoo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: Uwen zade zal ik dit land geven. Toen bouwda |
|
GENE hij aldaar een altaar deu Heeke, die hem verschenen wag. 8 En hij brak op van daarnaar het gebergte tegen liet Oosten van Beth-El, en hij sloeg zijne tent op, zijnde Beth-El, tegen het quot;Westen en Ai tegen hot Oosten; en hij bouwde daar den Heeke een altaar, en riep den naam des Heeeen aan. 9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het Zuiden. 10 En daar was honger in dat land: zoo toog Abram af naar Egypte, om daar ais vreemdeling te verkeeren, dewijl de iionger zwaar was in dat land. 11 En het f geschiedde als hij naderde om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijne huisvrouw: Zie toch, ik weet dat gij eene vrouw zijt, schoon van aangezicht; 12 en het zal geschieden als de Egyptenaars u zullen zien,zoo zullen zij zoggen: Dat is zijne liuis-vrouw; en zij zullen mij dooden, en u in het leven behouden. 13 Zeg toch: Gij zijt mijne zuster, opdat het mij wei ga om u, en mijne ziele om uwentwille leve. 14 En hetgeschiedde als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen dat zij zeer schoon was. 15 Ook zagen haar Farao's Vorsten, en prezen ze bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar Farao's huis. 1Ã En hij deed Abram goed om harentwille; zoodat hij had schapen, en runderen, en ezels, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen. 17 Maar de Heere plaagde Farao met groote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw. 18 Toen riep Farao Abram. en zeide: Wat is dit dat gij mij gedaan hebt? Waarom hebt gij mij niet telt; kennen gegeven dat-zij uwe huisvrouw is? 19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijne zuster, zoodat ik ze mij tot eene vrouw zoude genomen hebben; En nu, zie daar is uwe huisvrouw, neem ze en ga henen. |
SIS 13. 1^ 20 Eu F arao gebood zijnen mannen vanwege hem, en zij geleidden hem en zijne huisvrouw eii' alles wat hij had. HOOFDSTUK 13. Al zoo toog Abram op uit Egypte naar het Zuiden, hij er*, zijne huisvrouw en al wat hij; had, en Lot met hem. 2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud. 3 En hij ging, volgens zijne reizen, van liet Zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats, waar zijnetent in den beginne geweest wasr tusschen Beih-El en tusschen x4.i;. 4 cot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had? en Abram heeft aldaar deu naam des Heeren aangeroepen. 5 En Lot, die met Abram toog, had óók schapen en runderen en. tenten. G En dat land droeg ze niet om samen te wonen; want hunne-have was veel, zoodat zij samen-niet konden wonen; 7 en daar was twist tusschen do-herders van Abrams vee en tusschen de herders van Lots vee.. Ook woonden toen de Kanaani-ten en Fereziten in dat land. 8 En Abram zeide tot Lot: Laai toch geene twisting zijn tusschen mij en tusschen u, en tusschen. mijne herders en tusschen uwe-herders; want wij zijn mannen broeders. 9 Is niet het gansche land voor uw aangezicht? Scheid u toch van. mij: zoo gij de linkerhand kiest, zoo zal ik ter rechterhand gaan p en kiest gij de rechterhand, zoo zal ik ter linkerhand gaan. 10 En Lot hief zijne oogen op en hij zag de gansche vlakte vanden Jordaan, dat hij die geheel bevochtigde: eer de Heere Sodom« en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des Heeren, als-Egypteland, als gij komt te Zoar. 11 Zoo koos Lot voor zich de-gausche vlakte van den Jordaan, en Lot trok tegen het Oosten; en zij werden gescheiden, de één van den ander. 12 Abram dan woonde in het |
|
14 GENE land Kanaan; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. 13 En de mannen van Sodom waren boos en groote zondaars te^en den Heeee. 14 En de Heere zeide tot Abrain, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef nuuweoogen op en zie van de plaats waar gij zijt, noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts; _ 15 want al dit land, dat gij ziet, zal ik ii geven en uwen zade tot in eeuwigheid. 16 En ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zoodat indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, ook uw zaad zal geteld worden. 17 Maak u op, wandel door dit land in zijne lengte en in zijne breedte; want ik zal het u geven. 18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eiken-bosschen van Mamré, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den Heere een altaar. HOOFDSTUK 14. En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den Koning yan Senear, van Arjoch, den Koning van Ellasar, van Kedorlaomer, den Koning van Elam, en van Tideal, den Koning der volkeren, 2 dat zij krijg voerden met Bera, den Koning van Sodom, â¢en met Birsa, den Koning van Gomorra, Sinab, den Koning van Adama, en Semeber, den Koning van Zeboïm, en den Koning van Bela, dat is Zoar. 3 Deze allen voegden zich te zamen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. 4 Twaalf jaar hadden zij Kedorlaomer gediend, maar in het dertiende jaar vielen zij af. 5 Zoo kwam Kedorlaomer in het veertiende jaar, en de Koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaïten in Asteroth-Karnaïm, en de Zuziten in Ham en de Emiten in Schavé-Kirjathaïm, 6 en de Horiten op hun gebergte Se-ïr, tot aan het effen veld van i'aran, hetwelk aan de woestijn is. |
1IS 14. 7 Daarna keerden zij óm en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amelekiten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-Tamar woonde. 8 Toen toog de Koning van Sodom uit, en de Koning van Gomorra, en de Koning van Adama, en de Koning van Zeboïm, en de Koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorde in het dal Siddim: 9 tegen Kedorlaomer, den Koning van Elam, en Tideal, den Koning der volkeren, en Amrafel, den Koning van Sinear, en Arjoch, den Koning van Ellasar; vier Koningen tegen vijf.^ 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de Koning van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevene vluchtten naar liet gebergte. 11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hunne spijze, en trokken weg. 12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijne have en trokken weg; want hij woonde in Sodom. 13 Toen kwam er een die ontkomen was en boodschapte het aan Abram den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbosschen van Mamré, den Amoriet, broeder vanEskolenbroedervanAner,wel-ke Abrams bondgenooten waren. 14 Als Abram hoorde dat zijn broeder gevangen was, zoo wapende hij zijne onderwezenen, de in-geborenen van zijn huis driehonderd en achttien, en hij joeg ze na tot Dan tce. 15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijne knechten, en sloeg ze; en hij jaagde ze na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damascus. 1G En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijnen broeder en zijne have bracht hij weder, alsook de vrouwen en het volk. 17 En de Koning van Sodom toog uit hem tegemoet, (nadat hij wedergekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de Koningen, die methem waren) tot het dalScha-vé, dat is, het dal des Konings. |
|
GENE 18 En Melchizédek, de koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een Priester des aïlerhoogsten Gods. 19 En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram Code den Allerhoogste, die hemel en aarde bezit; 20 en gezegend zij de allerhoogste God, die uwe vijanden in uwe handen geleverd heeft. En hij gaf hem de tiende van alles. 21 En de Koning van Sodom zeide tot Abram; Geef mij de zielen, maar neem d© have voor u. 22 Doch Abram zeide tot den Koning van Sodom: Ik heb mijne hand opgeheven tot den^ Heere, den allerhoogsten God, die hemel en aarde bezit: 23 zoo ik van een draad af tot een schoenriem toe, ja, zoo ik van alles dat uwe is teisneme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt. 24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamré, laat die hun deel nemen. HOOFDSTUK 15. Na deze dingen geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram; ik ben u een schild, uw loon zeer groot. 2 Toen zeide Abram: Heere Heere, wat zult gij mij geven? daar ik zonder kinderen henenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damascener Eliëzer. 3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn. 4 En zie, het woord des Heeren was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uwen lijve voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. o Toen leidde hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en hij zeide tot hem: Zóó zal uw zaad zijn. |
3IS 15. IS 6 En hij geloofde in den Heere; en hij rekende het hem tot gerechtigheid. 7 Voorts zeide hij tot hem: Ik ben de Heere, die u uitgeleid heb uit ür derOhaldeën,omuditland te geven om dat erfel ijk te bezitten. 8 En hij zeide: Heere Heere, waarbij zal ik weten dat ik het erfelijk bezitten zal? 9 En hij zeide tot hem: Neem mij eene driejarige vaars, en eene driejarige geit, en eenen driejarigen ram, en eene tortelduiven eene jonge duif. 10 En hij bracht hem alle deze, en hij deelde ze middendoor, en hij leide elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet. 11 En het wild gevogelte kwam neder op het aas, maar Abram joeg het weg. 12 En het geschiedde als de zon was aan het ondergaan, zoo viel een diepe slaap op Abram; en zie, een schrik, en groote duisternis viel op hem. 13 Toen zeide hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat van hen niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen ze verdrukken vierhonderd jaar. 14 Doch ik zal het volk ook richten hetwelk zij zullen dienen, en daarna zullen zij uittrekken met groote have. 15 En gij zult tot uwe vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. 1G En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeeren; want de ongerechtigheid der Amoriten is tot nog toe niet volkomen. 17 En het geschiedde dat de zon onderging en het duister werd, en zie, daar was een rookendeoven en vurige fakkel, die tusschen die stukken doorging. 18 Te dienzelfden dag maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Uwen zade heb ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de groote rivier, de rivier Frath: 19 den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet, |
|
16 GENES 20 en den Hethiet, en den Fereziet, en de Ilefaïten, 21 eii den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgasiet, en den Jebusiet. HOOFDSTUK 16. Doch Sarai, Abrams hniavrouw, baarde hem niet; en zij had eene Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.^ 2 Zoo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de Heeke heeft mij toegesloten, dat ik niet bare, ga toch in tot mijne dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abraham hoorde naar de stem van Sarai. ó Zoo nam Sarai, Abrahams huisvrouw, de Egyptische Hagar, hare dienstmaagd, ten einde van tien jaren dat Abram in het land Kanaiin gewoond had, en zij gaf haar aan Abram haren man, hem tot eene vrouw. 4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag dat zij ontvangen had, zoo werd hare vrouw veracht in hare oogen. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mij ne dienstmaagd in uwen schoot gegeven; nu zij ziet dat zij ontvangen heeft, zoo ben ik veracht in hare oogen: de Heeee riclite tusschen mij en tusschen u. G En Abram zeide tot Sarai: Zie, uwe dienstmaagd is in uwe hand, doe haar wat goed is in uwe oogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. 7 En de Engel des Heeren vond haar aan eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur; 8 en hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, van waar komt gij en waar zult gij henengaan? Ãn zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouwe Sarai. 9 Toen zeide de Engel des Heeeen tot haar: Keer weder tot uwe vrouwe, en verneder u onder hare handen. 10 Yoorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grootelijksvermenigvuldigen,zoo-; S 16, 17. |
dat het vanwege de menigte niei zal geteld worden. 11 Ook zeide des Heeren Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger en zult eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam Ismaël noemen, omdat de Heere uwe verdrukking aangehoord heeft. 12 En hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht aller zijner broederen. 13 En zij noemde den naam des Heeren die tot haar sprak: Gij God des aanziens; want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar dien, die mij aanziet? 14 Daarom noemde men dien put den putLachai-Eüï; zie, hij is tusschen Kades en tusschen Bered. 15 En Hagar baarde Abram eenen zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, dien Hagar gebaard had, Ismaël. 1G En Abram was zesentachtig jaren oud toen Hagar Ismaël aan Abram baarde. HOOFDSTUK 17. Als nu Abram negenennegentigjaren oud was, zoo verscheen do Heere aan Abraham, en zeide tot hem: Ik ben God de Almachtige: wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht; 2 en ik zal mijn verbond stellen tusschen mijentus8chenu,enikzai u gahsch zeer vermenigvuldigen. S Toen viel Abram op zijn aangezicht; en God sprak tot hem, zeggende: 4 Mij aangaande, zie, mijn verbond is met u, en gij zult tot een vader van menigte der volkeren worden; 5 en uw naam zal niet meer genoemd worden Abram, maar uw naam zal wezen Abraham, want ik heb u gesteld tot een vader van menigte der Volkeren. 0 En ik zal u gansch zeer vruchtbaar maken, en ik zal u tot volken stellen, en Koningen zullen uit u voortkomen. _ 7 En ik zal mijn verbond oprichten tusschen mij en tusschen |
|
GENE u en tusschen uwen zade na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen God, en uwen zade na u. 8 En ik zal u en uwen zade na u het land uwer vreemdelingschappen geven, het geheeleland Kanaan, tot eeuwige bezitting; en ik zal hun tot eenen God zijn. 9 Voorts zeide God tot Abram: Gij nu zult mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hunne geslachten. 10 Dit is mijn verbond dat gijlieden houden zult, tusschen mij en tusschen u en tusschen uwen zade na u: dat al wat mannelijk is u besneden worde. 11 En gij zult het vleesch uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teeken zijn van het verbond tusschen mij en tusschen n. 12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uwe geslachten: de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld van allenvreemde, welke niet is van uwen zade; 13 de ingeborene uws huizes en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en mijn verbond zal zijn in ulieder vleesch, ten eeuwigen verbonde. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voor-huidsvleesch niet zal besneden worden, die ziele zal uit hare volken uitgeroeid worden: hij heeft mijn verbond gebroken. 15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam uwer huisvrouw Sarai niet Sarai noemen, maar haar naam zal zijn Sara; 1G want ik zal haar zegenen, en uook uit haar eenen zoon ge ven, ja, ik zal haar zegenen, zoodat zij tot volken worden zal: Koningen der volken zullen uit haar worden. 17 Toen viel Abraham cp zijn aangezicht en hij lachte: en hij zeide in zijn hart: Zal eenen die honderd jaar oud is een bind ge-hoven worden, en zal Sara die negentig jaar oud is baren? 18 En Abraham zeide tot God: Och dat Ismaël mocht leven voor uw aangezicht! |
3IS IS. 17 19 En God zeide: Voorwaar, Sara uwe huisvrouw zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam noemen Isaiik; en ik zal mijn verbond-met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijnen zade na hem. 20 En aangaande Ismaël heb ik u verhoord; zie, ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en hem gansch zeer vermenigvuldigen; twaalf Vorsten zal hij gewinnen, en ik zal hem tot een groot volk stellen. 21 Maar mijn verbond zal ik met Isaak oprichten, dien u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal. 22 En hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham. 23 Toen ram Abraham zijnen zoon Ismaël, en alle de ingebo-renen zijns huizes, en alle de gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder do lieden des huizes Abrahams, en hij besneed het vleesch hunner voorhuid even tenzelfden dage, gelijk ala God met hem gesproken had. 24 En Abraham was oud negenennegentigjaar,alshemhet vleesch zijner voorhuid besneden werd; 25 en Ismaël zijn zoon was dertien jaar oud, alshemhet vleesch zijner voorhuid besneden werd. 26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël zijn zoon. 27 En alle mannen zijns huizes, de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden. HOOFDSTUK 18. Daarna verscheen hem de Helke aan de eikenbosschen van Mamré, als hij in de deur der tente zat,_ toen de dag heet werd. 2 En hij_ hief zijne oogen op en zag; en zie, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij ze zag, zoo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde; 3 en hij zeide: Heere, heb ik. nu genade gevonden in uwe oogen, zoo ga toch niet van uwen knecht voorbij: |
|
16 GENES 20 en den Hetliiet, en den Fereziet, en de Eefaiten, 21 en den Amoriet, en den Kanaiiniet, en den Girgasiet, en den Jebusiet. HOOFDSTUK 16. Doch Sarai, Abrams hiij3Troii\7, baarde hem niet; enzijhadeene Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. _ 2 Zoo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare, ga toch in tot mijne dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abraham hoorde naar de stem van Sarai. $ Zoo nam Sarai, Abrahams huisvrouw, de Egyptische Hagar, hare dienstmaagd, ten einde van tien jaren dat Abram in het land Kanaiin gewoond had, en zij gaf haar aan Abram haren man, hem tot eene vrouw. 4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag dat zij ontvangen had, zoo werd hare vrouw veracht in hare oogen. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op n; ik heb mij ne dienstmaagd in uwen schoot gegeven; nu zij ziet dat zij ontvangen heeft, zoo ben ik veracht in hare oogen: de Heere richte tusschen mij en tusschen u. G En Abram zeide tot Sarai: Zie, uwe dienstmaagd is in uwe hand, doe haar wat goed is in uwe oogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. 7 En de Engel des Heeren vond haar aan eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur; 8 en hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, van waar komt gij en waar zult gij henengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouwe Sarai. 9 Toen zeide de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uwe vrouwe, en verneder u onder hare handen. 10 Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad giootclijksvermenigvuldigen,zoo- |
:s 16, 17. dat het vanwege de menigte niei zal geteld worden. i 11 Ook zeide des Heeren Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger en zult eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam Ismaël noemen, omdat de Heere uwe verdrukking aangehoord heeft. 12 En hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht aller zijner broederen. 13 En zij noemde den naam des Heeren die tot haar sprak: Gij God des aanziens; want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar dien, die mij aanziet? 14 Daarom noemde men dien put den put Lachai-Roï; zie, hij is tusschen Kades en tusschen Bered. 15 En Hagar baarde Abram eenen zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, dien Hagar gebaard had, Ismaël. 1(3 En Abram was zesentachtig jaren oud toen Hagar Ismaël aan Abram baarde. HOOFDSTUK 17. Als nu Abram negenennegentigjaren oud was, zoo verscheen de Heere aan Abraham, en zeide tot hem: Ik ben God de Almachtige: wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht; 2 en ik zal mijn verbond stellen tusschen mijentusschenu.en ikzal u gahsch zeer vermenigvuldigen. 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht; en God sprak tot hem, zeggende: 4 Mij aangaande, zie, mijn verbond is met u, en gij zult tot een vader van menigte der volkeren worden; 5 en uw naam zal niet meer genoemd worden Abram, maar uw naam zal wezen Abraham, want ik heb u gesteld tot een vader van menigte der Volkeren. 13 Eu ik zal u gansch zeer vruchtbaarmaken, en ik zal u tot volken stellen, en Koningen zullen uit u voortkomen. 7 En ik zal mijn verbond oprichten tusschen mij en tusschen |
|
GENE u en tuaachen iTwen zade na u in limine geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen God, en uwen zade na u. 8 En ik zal u en uwen zade na u het land uwer vreenideling-echappen geven, het geheele land Kanaan, tot eeuwige bezitting; en ik zal hun tot eenen God zijn. 9 Voorts zeide God tot Abram: Gij nu zult mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hunne geslachten. 10 Dit is mijn verbond dat gijlieden houden zult, tusschen mij en tusschen u en tusschen uwen zade na u: dat al wat mannelijk is u besneden worde. 11 En gij zult het vleesch uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teeken zijn van het verbond tusschen mij en tusschen u. 12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uwe geslachten: de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld vanallenvreeinde, welke niet is van uwen zade; 13 de ingeborene uws huizes en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en mijn verbond zal zijn in ulieder vleesch, ten eeuwigen verbonde. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voor-huidsvleesch niet zal besneden worden, die ziele zal uit hare volleen uitgeroeid worden: hij heeft mijn verbond gebroken. 15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam uwer huisvrouw Sarai niet Sarai noemen, maar haar naam zal zijn Sara; 1G want ik zal haar zegenen, en u ook uithaareenen zoon geven,ja, ik zal haar zegenen, zoodat zij tot volken worden zal: Koningen der volken zullen uit haar worden. 17 Toen viel Abraham cp zijn aangezicht en hij lachte: en hij zeide in zijn hart: Zal eenen die honderd jaar oud is een kind ge-horen worden, en _ zal Sara die negentig jaar oud is baren? 18 En Abraham zeide tot God: Och dat Isinaël mocht leven voor uw aangezicht! |
3IS 18. 17 19 En God zeide: Voorwaar,Sara. uwe huisvrouw zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam noemen Isaiik; en ik zal mijn verbond-met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijnen zade na hem. 20 En aangaande Isinaël heb ik u verhoord; zie, ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en hem gansch zeer vermenigvuldigen ; twaalf Vorsten zal hij gewinnen, en ik zal hem tot een groot volk stellen. 21 Maar mijn verbond zal ik met Isaak oprichten, dien uSara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal. 22 En hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham. 23 Toen nam Abrahain zijnen zoon Ismaël, en alle de ingebo-renen zijns huizes, en alle de gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden des huizes Abrahams, en hij besneed het vleesch hunner voorhuid even tenzelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had. 24 En Abraham was oud negenennegentigjaar,alshemlietvleesch zijner voorhuid besneden werd; 25 en Ismaël zijn zoon was dertien jaar oud, als hem het vleesch zijner voorhuid besneden werd. 26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël zijn zoon. 27 En alle mannen zijns huizes, de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden. HOOFDSTUK 18. Daarna verscheen hem de Helee aan de eikenbosschen van Mamré, als hij in de deur der tecite zat, toen de dag heet werd. 2 En hij hief zijne oogen op en zag; en zie, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij ze zag, zoo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde; 3 en hij zeide: Heere, heb ik.. nu genade gevonden in uwe oogen, zoo ga toch niet van uwen knecht voorbij: |
GENESIS 18.
18
|
4 dat toch een weinig water gebracht worde, en wascht uwe voeten, en leunt onder dezen boom; 5 en ik zal eene bete broods langen, dat gij uw harte sterkt; daarna zult gij voortgaan, daarom dat gij tot uwen knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doe zooals gij gesproken hebt. G En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zeide: Haast u, kneed drie maten meelbloem, en maak koeken. 7 En Abraham liep tot de runderen,en hij nam een kalf.teeder en goed, en hij gaf het aan den knecht, die haastte om dat toe te maken. 8 En hij namboterenmelk.enhet kalf dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten. 9 Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara uwe huisvrouw? En hij zeide: Zie, in de tent. 10 En hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen omtrent dezen tijd des levens, en zie, Sara uwe huisvrouw zal eenen zoon hebben. En Sara hoorde het aan de deur der tent, welke achter hem was. 11 Abraham nu en Sara waren ©ud en weibedaagd: het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen. 12 Zoo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben en mijn heer oud is? 13 En de Heere zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zoude ik ook waarlijk baren nu ik oud geworden ben? 14 Zoude iets voor den Heere te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal eenen zoon hebben. 15 En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En hij zeide: Neen, maar gij hebt gelachen. 16 Toen stonden die mannen ap van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen oen hen te geleiden. |
17 En de Heere zeide: Zal ik voor Abraham verbergen wat ik doe? 18 Dewijl Abraham gewis tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volkeren der aarde in hem gezegend zullen worden. 19 Want ik heb hem gekend, opdat hij^ zijnen kinderen en zijnen huize na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen hij over hem gesproken heeft. 20 Voorts zeide de Heere : Dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en dewijl hunne zonde zeer zwaar is, 21 zal ik nu afgaan en bezien, of zij naar het geroep, dat tot mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben; en zoo niet, ik zal 't weten. 22 Toen _ keerden die mannen het aangezicht van daar en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren. 23 En Abraham trad toe en zeide; Zult gij ook den rechtvaardige met den goddelooze ombrengen? 24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad: zult gij ze ook ombrengen, en de plaats niet sparen om de vijftig rechtvaardigen. die binnen haar zijn? 25 Het zij verre van u zulk een ding te doen; te dooden den rechtvaardige met den goddelooze, dat de rechtvaardige zij gelijk de goddelooze: verre zij het van u: zoude de Rechter der gansche aarde geen recht doen? 26 Toen zeide de Heere: Zoo ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zoo zal ik de gansche plaats sparen om hunnentwille. 27 En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en assche ben: 28^ misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken: zult gij dan om vijf de gansche stad verderven? En hij zeide: Ik zal ze niet verderven, zoo ik daar vijfenveertig zal vinden. |
|
GENI 29 En hij voer nog voort tot hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden. En hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertig wille. 30 Voorts zeide hij: Dat toch de Heere ^niet^ ontsteke dat ik spreek: misschien zullen aldaar dertig gevonden worden. En hij zeide: Ik zal het niet doen, zoo ik aldaar dertig zal vinden. 31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere: misschien zullen daar twintig gevonden worden. En hij zeide: Ik zal ze niet verderven om der twintig wille. 32 Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke dat ik alleenlijk ditmaal spreek: misschien zullen daar tien gevonden worden. En hij zeide: Ik zal ze niet verderven om der tiene wil. 33 Toen ging de Heers weg, als hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijne plaats. HOOFDSTUK 19. En die twee Engelen kwamen te Sodom in den avond, en Lot zat in de poort te Sodom;enals Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde; 2 en hij zeide: Zie nu, mijne heeren, keert toch in ten huize van uwen knecht en vernacht, en wascht uwe voeten, en gij zult vroeg opstaan en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij .zullen op de straat vernachten. 3 En hij hield bij hen zeer aan, zoodat zij tot hem inkeerden en in zijn huis kwamen; en hij maakte hun eenen maaltijd, en bakte ongezuurde koekskens, en zij aten. 4 Eer zij zich te slapen leiden, zoo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den iongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het gansche volk, van het uiterste einde af; 5 en zij riepen Lot toe en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen die dezen nacht tot u ge- |
SIS19. 19 komen zijn? Breng ze uit tot ons, opdat wij ze bekennen. 6 Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe; 7 en hij zeide: Mijne broeders, doet toch geen kwaad. 8 Zie toch, ik heb twee dochters, die geenen man bekend hebben: ik zal ze nu tot u uitbrengen, en doet haar zooals het goed is in uwe oogen; alleen doet dezen mannen niets, want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan. 9 Toen zeiden zij: Kom verder aan. Voorts zeiden zij: Deze ééne is gekomen om als een vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaad doen dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken. 10 Doch die mannen staken hunne hand uit en deden Lot tot zicli inkomen in het huis, en sloten de deur toe. 11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur des huizes waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zoodat zij moede werden om de deur te vinden. 12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier meer? eenen schoonzoon, of uwe zonen, of uwe dochteren, en allen, die gij li ebt in deze stad, breng ze uit deze plaats: 13 want wij gaan deze plaats verderven, omdat het geroep aan-gaande hen groot geworden is voor het aangezicht des Heeren, en de Heere ons uitgezonden heeft om haar te verderven. 14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijne schoonzonen, die zijne dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats, want de Heere gaat deze stad verderven; maar hij was in de oogen zijner schoonzonen als jokkende. 15 En als de dageraad opging, drongen de Engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uwe huisvrouw, en uwe twee dochteren, die voi «rhanden zijn,opdat gij in de on- |
GENESIS 19.
20
|
gereclitiglieid dezer stad niet om- Homt. 16 Maar bij vertoefde: zoo grepen dan die mannen zijne hand en de hand zijner twee dochteren, om de verschooning des Heeren over hem, en zij brachten hem uit en stelden hem buiten de stad. 17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zoo zeide hij: Behoud u omuws levens wil, zie niet achter u om en sta niet op deze gansche vlakte: behoud u naar het gebergte henen, opdat gij niet omkomt. 18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere: 19 zie toch, uw knecht heeft genade gevonden in uwe oogen,engij hebt uwe weldadigheid grootgemaakt, die gij aan mij gedaan hebt, om mijne ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte henen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve en ik sterve. 20 Zie toch. deze stad is nabij om derwaarts te vluchten, en zij is klein, laat mij toch derwaarts behouden worden, (is zij niet klein?) opdat mijne ziele leve. 21 En hij zeide tot hem: Zie, ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat ik deze stad niet omkeere, waarvan gij gesproken hebt: 22 haast u, behoud u derwaarts, want ik zal niets kunnen doen totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar. 23 De zon ging op boven de aarde als Lot te Zoar inkwam. 24 Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom enGomorra regenen, van den Heere uit den hemel; 25 en hij keerde deze steden om, en die gansche vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. 2G En zijne huisvrouw zag om van achter hem: en zij werd een zoutpilaar. 27 En Abraham maakte zich des morgens vroeg op, naar de plaats waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had, |
28 en hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het gansche land van die vlakte: en hij zag, en zie daar ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens. 29 En het geschiedde toen God ! de steden dezer vlakte verdierf, I dat God aan Abraham gedacht, I en hij leidde Lot uit het mid-' den dezer omkeering, bij het om-| keeren dier steden, in welke Lot ! gewoond had. | 30 En Lot toog op uit Zoar, en i woonde op den berg, en zijne i twee dochters met hem, want hij | vreesde binnen Zoar te wonen; | en hij woonde in eene spelonk, ! hij en zijne twee dochters, j 31 Toen zeide de eerstgeborene : tot de jongste: Onze vader is oud, en daar is geen man in I dit land om tot ons in te i gaan naar de wijze der gansche I aarde: j 32 kom, laat ons onzen vader i wijn te drinken geven, en bij hem I liggen, opdat wij van onzen vader zaad in liet leven behouden. 33 En zij gaven dien nachtharen vader wijn te drinken, en de eerstgeborene kwam en lag bij haren vader; en hij werd het niet gewaar bij haar nederliggen noch bij haar opstaan. 34 En het geschiedde des anderen daags dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijnen vader gelegen: laat ons dezen nacht hem wijn _ te drinken geven: ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden. 35 En zij gaven haren vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem; en hij werd het niet gewaar bij haar nederliggen noch bij haar opstaan. 3à En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haren vader. 37 En de eerstgeborene baarde eenen zoon, en noemde zijnen naam Moab: deze is de vader der Moabiten, tot op dezen dag. 38 En de jongste baarde óók eenen zoon, en noemde zijnen naam Ben-Ammi: deze is de |
1
|
GENES vader der kinderen Amnions, tot op dezen dag. HOOFDSTUK 20. En Abraham reisde van daar naar het land van het Zuiden, en woonde tusschen Kades en tus-Bchen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar. 2 Als nu Abraham van Sara zijne huisvrouw gezegd had: Zij is mijne zuster, zoo zond Abimélech de Koning van Gerar en nam Sara weg. 3 Maar God kwam tot Abimélech in eenen droom des nachts, en hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om de vrouw die gij weggenomen hebt, want zij is met eenen man getrouwd. 4 Doch Abimélech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere, zult gij ook een rechtvaardig volk dooden? ei Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijne zuster? en ook zij heeft^ gezegd; Hij is mijn broeder; in oprechtheid mijns harten en in reinigheid mijner handen heb ik dit gedaan. 6 En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en ik heb u ook belet tegen mij te zondigen; daarom heb ik u niet toegelaten haar aan te roeren. 7 Zoo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder, want hij is een Profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zoo gij haar niet wedergeeft, weet dat gij voorzeker sterven zult, gij en al wat het uwe is. 8 Toen stond Abimélech's morgens vroeg op en riep alle zijne knechten, en sprak alle deze woorden voor hunne ooren; en die mannen vreesden zeer. 9 En Abimélech riep Abraham en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan, en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk eenegroote zonde gebracht hebt? Gij hebt daden met mij gedaan die niet moesten gedaan worden. 10 Voorts zeide Abimélech tot Abraham: Wat hebt gij gezien. |
[ S 20, 21. 21 dat gij deze zaak gedaan hebt? 11 En Abraham zeide: Want ik dacht, alleen is de vreeze Gods in deze plaats niet, zoodat zij mij om den wille mijner huisvrouw zullen dooden. 12 En ook is zij waarlijk mijne zuster: zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden. 13 En het is geschied als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zoo épra'k ik tot haar: Dit zij uwe weldadigheid, die gij bij mij doen zult: aan alle plaatse waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder. 14 Toen nam Abimélech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden en gaf ze aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijne huisvrouw weder. 15 En Abimélech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht: woon waar het goed is in uwe oogen. lü En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uwen broeder duizend zilverlingen gegeven; zie. hij zij ueen deksel der oogen, allen die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. 17 En Abraham bad tot God, en God genas Abimélech, en zijne huisvrouw, en zijne dienstmaagden, zoodat zij baarden; 18 want de Heere had alle de baarmoeders van het huis Abi-mélechs ganschelijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw. HOOFDSTUK 21. En de HEEREbezocht Sara gelijk hij gezegd had, en de Heere deed aan Sara gelijk als hij gesproken had; 2 en Sara werd bevrucht, en baarde Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom, op den gezetten tijd, dien hem God gezegd had. 3 En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien Sara hem gebaard had. Isaiik. 4 En Abraham besneed zijnen zoon Isaiik, zijnde acht dagen oud, gelijk God hem geboden had. 5 En Abraham was honderd |
I
|
22 GENE jaar oud als hem Isaiik zijn zoon geboren werd. 6 En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al wie het hoort zal met mij lachen. 7 Voorts zeide zij: Wie zoude Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb eenen zoon gebaard in zijnen ouderdom. 8 En het kind werd groot,en werd gespeend.Toen maakte Abraham eenen grooten maaltijd op den dag als Isaak gespeend werd. 9 En Sara zag den zoon van Ha-gar de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende, 10 en zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haren zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijnen zoon, met Isaak, niet erven. 11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams oogen, ter oorzake van zijnen zoon. 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uwe oogen over den jongen en over uwe dienstmaagd: al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar hare stem; want in Isaak zal uw zaad genoemd worden, 13 doch ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. 14 Toen stond Abraham's morgens vroeg op, en nam brood en eene flesch water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haren schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort en dwaalde in de woestijn Ber-Séba. 15 Als nu het water uit de flesch uit was, zoo wierp zij het kind onder een van de struiken; 1G en zij ging en zette zich tegenover, afgaande zoover als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet aie sterven; en zij zat tegenover, en hief hare stemme op en weende. 17 En God hoorde de stem des jongens, en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar des |
3IS 21. jongens stem gehoord, ter plaats© waar hij is. 18 Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand, want ik zal hem tot een groot volk stellen. 19 En God opende hare oogen dat zij eenen waterput zag; en zij ging en vulde de flesch met water, en gaf den jongen te drinken. 20 En God was met den jongen, en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter; 21 en hij woonde in de woestijn Paran, en zijne moeder nam hem eene vrouw uit Egypteland. 22 Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimélech, mitsgaders Pichol zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende : God is met u in alles wat gij doet: 23 zoo zweer mij nu hier bij God: Zoo gij mij of mijnen zoon of mijnen neef liegen zult! Naar de weldadigheid die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij en bij het land waarin gij als vreemdeling verkeert. 24 En Abraham zeide: Ik zal zweren. 25 Doch Abraham berispt© Abimélech ter oorzake eens waterputs, dien Abimélechs knechten met geweld genomen hadden. 26 Toen zeide Abimélech: Ik heb niet geweten wie dit stuk gedaan heeft, en ook hebt gij liet mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord dan heden. 27 En Abraham nam schapen en runderen en gaf ze aan Abimélech ; en die beiden maakten een verbond. 28 Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder. 29 Zoo zeide Abimélech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt? 30 En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijne hand nemen zult, opdat liet mij tot een getuigenis zij dat ik dezen put gegraven heb. 31 Daarom noemde men di© |
|
GENE plaats Ber-Séba, omdat die beiden daar gezworen hadden. 32 Alzuo maakten zij een verbond te Ber-Séba. Daarna stond Abimélecli op, en Pichol zijn krijgsoverste, en zij keerden weder naar het land der Filistijnen. 33 En hij plantte een boschin Ber-Séba. en riep aldaar den naam des Heeren des eeuwigen Gods aan. 34 En Abraham woonde ais vreemdeling vele dagen in der Filistijnen land. HOOFDSTUK 22. En het geschiedde na deze dingen dat God Abraham verzocht, en hij zeide tot hem: Abraham.' En hij zeide: Zie hier ben ik. 2 En hij zeide: Neem nu uwen zoon, uwen eenige, dien gij lief-hebt, Isaak, en ga henen naar het land Moria en offer hem aldaar tot een brandoffer, opeen van de bergen, dien ik u zeggen zal. 3 Toen stond Abraham 's morgens vroeg op en zadelde zijnen ezel, en nam twee van zijne jongens met zich, en Isailk zijnen zoon; en hij kloofde hout voor het brandolfer en maakte zich op en ging naar de plaats, die hem God gezegd had. 4 Aan den derden dag, toen bief Abraham zijne oogen op en zag die plaats van verre; 5 en Abraham zeide tot zijne jongens: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen henengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben,dan zullen â wij tot u wederkeeren. G En Abraham nam het hout des brandoffers en leidde het op Isaak zijnen zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijne hand, en zij beiden gingen te zamen. 7 Toen sprak Isaak tot Abraham zijnen vader en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer? 8 En Abraham zeide: God zal zichzelven een lam ten brand- |
SIS 22. 23 offer voorzien, mijn zoon. Zoo gingen zij beiden te zamen. 9 En zij kwamen tot do plaats» die God hem gezegd had; en Abra ham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijnen zoon Isaak, en leidde hem op het altaar boven op het hout; 10 en Abraham strekte zijne hand uit en nam het mes om zijnen zoon te slachten. , 11 Maar de Engel des Heerew riep tot hem van den hemel en zeide: Abraham, AbrahamJ En hij zeide: Zie hier ben ik. 12 Toen zeide hij: Strek uwe hand niet uit naar den jongen, en doe hem niets; want nu weet ik dat gij godvreezen de zijt en uwen zoon, uwen eenige, van mij niet hebt onthouden. 13 Toen hief Abraham zijne oogen op en zag om, en zie, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijne hoornen; en Abraham ging en nam dien ram, en offerde hem ten brand1-offer in zijns zoons stede. 14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De Heere zal 't voorzien; waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des Heeren zal 't voorzien worden. 15 Toen riep de Engel des Hee* ren tot Abraham ten tweeden male van den hemel, 1G en zeide: Ik zweer bij mijzei ven, spreekt de Heere : daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uwen zoon, uwen eenige, niet onthouden hebt, 17 voorzeker zal ik u groote-lijks zegenen, en uw zaad zee? vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poorte zijner vijanden erfelijk bezitten; 18 en in uwen zade zullen gezegend worden alle volken der aaide, naardien gij mijner stemme gehoorzaam geweest zijt. 19 Toen keerde Abraham weder tot zijne jongens, en zij maakten zich op en zij gingen samen naar Ber-Séba; en Abraham woonde te Ber-Séba. |
|
â 24 GENES 20 Eu het geschiedde na deze dingen dat men Abraham bood-ec hapte, zeggende: Zie Milka beeft ook Nahor uwen broeder zonen gebaard: 21 Hz zijnen eergtgeborene, en Buz zijnen broeder, en Kemuël den vader van Aram, 22 en Kesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël: 23 (en Bethuël gewon Rebekka); deze acht baarde Milka aan Na-hor, den broeder Abrahams. 24 En zijn bijwijf, wier naam was Eeüma, die baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maüeha. HOOFDSTUK 23. En het leven van Sara was honderd en zevenentwintig jaar: dit â waren de jaren des levens van Sara. 2 En Sara stierf teKirjath-Arba, lt;iat is Hebron, in het land Ka-naan; en Abraham kwam om Sara te beklagen en haar te beweenen. 3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht zijner doode, en hij epraktotdezonenHeths.zeggende; 4 Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij eene erf-begrafenis bij u, opdat ik mijne doode van voor mijn aangezicht begrave. 5 En de zonen Heths antwoordden Abraham, zeggende tot hem: 6 Hoor ons, mijn heer; gij zijt een Vorst Gods in het midden van ons: begraaf uwe doode in de keur onzer graven; niemand van ons zal zijn grafvooru weren, dat gij uwe doode niet zoudtbegraven. 7 Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen Heths; 8 en hij sprak met hen, zeggende: Is het met mven wil dat ik mijne doode begrave van voor mijn aangezicht, zoo hoort mij, en spreekt voor mij bij Elron, den zoon Zohars, 9 dat hij mij geve de spelonk Machpela die hij heeft, die aan Let einde van zijnen akker is, dat hij ze mij voor het volle geld geve, tot eene erf begrafenis in bet midden van u. 10 Efron zat in het midden der conen Heths; en Efron,de Hethiet, |
CS 23, 24. antwoordde Abraham voor de oo-ren der zonen Heths, aller dergenen die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende: 11 Neen, mijn heer, hoor mij: den akker geef ik u, ook de spelonk die daarin is, die geef ik u; voor de oogen der zonen mijns volks geef ik u die: begraaf uwe doode. 12 Toen boog zich Abraham neder voor liet aangezicht van het volk des lands, 13 en hij sprak tot Efron voor de ooren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, zijt gij 't? Lieve, hoor mij: ik zal het geld des akkers geven, neem het van mij, zoo zal ik mijne doode aldaar begraven. 14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem: 15 Mijn heer, hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tusschen mij en tus-schen u? Begraaf slechts uwe doode. 1(5 En Abraham luisterde naar Efron, en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de ooren der zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar. 17 Al zoo wTerd Efrons akker, die in Machpela was, die tegenover Mamré /lt;7(7, de akker, en de spelonk die daarin was, en al het geboomte dat op den akker stond, dat rondom in zijne gan-sche landpale was, bevestigd 18 aan Abraham tot eene bezitting voor de oogen der zonen Heths, bij allen die tot zijne stadspoorte ingingen. 19 En daarna begroef Abraham zijne huisvrcuw Sara in de spelonk des akkers van Machpela, tegenover Mamré, dat is Hebron, in het land Kanaan. 20 Al zoo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham bevestigd tot eene erf-begrafenis, van de zonen Heths. HOOFDSTUK 24. Abraham nu was oud en weibedaagd, en de Heere had Abraham in alles gezegend. |
SIS 24. 25-
doe weldadigheid bij Abraham,, mijnen heer.
13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten:
14 zoo geschiede het dat diejon-ge dochter tot welke ik zal zeggen: Neig toch uwe kruik dat ik
j drinke, en die zal zeggen: Drink, en ik zal ook uwe kemelen drenken, degene zij die gij uwen. knecht Isaiik toegewezen hebt, en. dat ik daaraan erkenne dat gij. weldadigheid bij mijnen heer gedaan hebt.
15 En het geschiede eer hij ge-eindigd had te spreken, zie, zoo kwam Kebekka uit, welke aan-Bethuël geboren was, den zoon van Milka, huisvrouw van Nahor, den broeder Abrahams; en zij had hare kruik op haren schouder.
16 En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, eene maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging afnaar de fontein, en vulde hare kruik en ging op.
17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig water uit uwe kruik drinken.
18 En zij zeide: Drink, mijn. heer; en zij haastte zich en liet hare kruik neder op hare hand, en gaf hem te drinken.
19 Als zij nu voleindigdhadhem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uwe kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te-drinken.
20 En zij haastte zich en goot hare kruik uit in den drinkbak, en liep weder naar den put om. te putten, en zij putte voor alle zijne kemelen.
21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te ⢠merken of de Heere zijnen weg voorspoedig gemaakt had of niet.
22 En het geschiedde als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan hare handen,welkerge-wicht was tien sikkelen gouds.
23 Want hij had gezegd: Wien»
GENE t
2 Zoo sprak Abraham tot zijnen knecht, den oudsten zijns huizes, regeerende over alles dat hij had: Leg toch uwe hand onder mijne heupe,
3 opdat ik u doe zweren bij den Heebe, den God des hemels en den God der aarde, dat gij voor mijnen zoon geene vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaaniten in | het midden derwelken ik woon,
4 maar dat gij naar mijn land en naar mijne maagschap trekken en mijnen zoon Isaiik eene vrouw nemen zult.
5 En de knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land: zal ik dan uwen zoon moeten weder-brengen in het land waar gij uitgetogen zijt?
G En Abraham zeide tot hem: Wacht u dat gij mijnen zoon niet weder daarhenen brengt.
7 De Heere, de God des hemels, die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en die tot mij gesproken heeft, en die mij gezworen heeft, zeggende: Uwen zade zal ik dit land geven; die zelf zal zijnen Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijnenzoon van daar eene vrouw neemt.
8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zoo zult gij rein zijn van dezen mijneneed; alleenlijk breng mijnen zoon daar niet weder henen.
9 Toen leide de knecht zijne hand onder Abrahams zijns hee-ren heup, en hij zwoer hem over deze zaak.
10 En de knecht nam tien ke-melen van zijns heeren kemelen en toog henen ; _ en al het goed zijns heeren was in zijne hand; en hij maakte zich op en toog henen naar Mesopotamië naar de stad Nahors.
11 En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad bij eenen waterput, op den avondtijd, ten tijde als de putsters uitkwamen;
12 En hij zeide: Heere, God mij na heeren Abrahams, doe ze mij toch heden ontmoeten, en
GENESIS 24.
26
|
dochter zijtgij? geef liet mij toch te kennen: Ib er ook ten huize uws vaders plaats voor ons om te vernachten? 24 En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter Bethuëls, des zoons van Mil ka, dien zij Nahor gebaard heeft. 25 Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stroo en veel voeder bij ons, ook plaats om te vernachten. 2(j Toen neigde die man zijn hoofd en aanbad den Heere, 27 en hij zeide: Gelooid zijde Heere, de God mijns heeren Abrahams, die zijne weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijnen heer; aangaande mij, de Heere heeft mij op dezen weg geleid naar het huis van mijns heeren broederen. 28 En die jonge dochter liep en gaf ten huize harer moeder te kennen gelijk deze zaken waren. 29 En Rebekka had eenen broeder, wiens naam wasLaban; en Laban liep tot den man naar buiten tot de fontein. 30 En het geschiedde als hij dat voorhoofdsiersel gezien had en de armringen aan de handen zijner zuster, en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzóó heeft die man tot mij gesproken: zoo kwam hij tot dien man, en zie, hij stond bij de kemelen bij de fontein; 31 en hij zeide; Kom in, gij gezegende des Heeren ; waarona zoudt gij buiten staan? Wantik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen. 32 Toen kwam die man naai het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stroo en voeder, en water om zijne voeten te wasschen en de voeten der mannen, die bij hem waren. 33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten totdat ik mijne woorden igesproken heb. En hij zeide: Spreek. 34 Toen zeide hij: Ik Den Abrahams knecht; |
35 en de Heere heeft mijnen heer zeer gezegend, zoodat hij groot geworden is; en hij heeft hem gegeven schapen en runderen, en zilver en goud, en knechten en maagden, en kemelen en ezels. 3(j En Sara, mijns heeren huisvrouw, heeft mijnen heere eenen zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles wat hij heeft. 37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult mijnen zoon geene vrouw nemen van de dochteren der Kanaaniten, in welker land ik woon; 38 maar gij zult trekken naar mijns vaders huis en naar mijn geslacht, en zult mijnen zoon eene vrouw nemen. 30 Toen zeide ik tot mijnen heer: Misschien zal mij die vrouw niet volgen. 40 En hij zeide tot mij: De Heere voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal zijnen Engel met u zenden en hij zal uwen weg voorspoedig maken, dat gij mijnen zoon eene vrouw neemt uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis. 41 Dan zult gij van mijnen eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij ze u niet geven, zoo zult gij rein zijn van mijnen eed. 42 En ik kwam heden aan de fontein, en ik zeide: O Heere, God mijns heeren Abrahams, zoo gij nu mijnen weg voorspoedig maken zult op welken ik ga: 43 zie, ik sta bij de waterfontein; zoo geschiede dat de maagd die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig water te drinken uit uwe kruik, 44 en die tot mij zal zeggen: Drink gij óók en ik zal ook voor uwe kemelen putten,dat deze die vrouw zij, die de Heere aan mijns heeren zoon heeft toegewezen. 45 Eer ik geëindigd had te spreken in mijn hart, zie zoo kwam Rebekka uit, en had hare kruik op haren schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken. 46 Zoo haastte zy zich en liet hare kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uwe 1 kemelen drenken; en ik dronk. |
GENESIS 25.
27
|
en zij drenkte ook de kemelen. 47 Toen vraagde ik haar en zeide: AViens dochter zij t gij? En zij zeide: De dochter van Bethuël, den zoon Nahors, welken Milka hem gebaard heeft. Zoo leide ik het^ voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan hare handen; ^ 48 en ik neigde mijn hoofd en aanbad den Heere, en ik loofde den Heere, den God mij na heeren Abrahams, die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter van mijns heeren broeder voor zijnen zoon te nemen. 40 Nu dan, zoo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijnen heer doen zult, geeft het mij te kennen, en zoo niet, geeft het mij óók te kennen, opdat ik mij ter rechter- of ter linkerhand wende. 50 Toen antwoordden Laban en Bethuël en zeiden: Van den Heere is deze zaak voor.geko-men, wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken: 51 zie Kebekka is voor uw aangezicht, neem haar en trek henen; zij zij uws heeren zoons vrouw, gelijk de Heere gesproken heeft. 52 En het geschiedde als Abrahams knecht hunne woorden hoorde, zoo boog hij zich ter aarde voor den Heere. 53 En de knecht langde voort zilveren kleinoodiën en gouden kleinoodiën en kleederen, en hij gaf ze aan Rebekka; hij gaf ook haren broeder en harer moeder kostbaarheden. 54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen die bij hem waren, en zij vernachtten: en zij stonden des morgens op en hij zeide: Laat mij trekken tot mijnen heer. 55 Toen zeide haar broeder, en hare moeder: Laat de jonge dochter een dag of tien bij ons blijven; daarna zult gij gaan. 56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de Heere mijnen weg voorspoedig gemaakt heeft; Iaat mij trekken, dat ik tot mijnen heer ga. |
57 Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen en haren mond vragen. 58 Sn zij riepen Rebekka en zeiden tot haar: Zult gij me.1quot;, dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken. 59 Toen lieten zij Rebekka hunne zuster en hare voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijne mannen; GO en zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: O onze zuster, word gij tot duizenden millioe-nen, en uw zaadbezittede poorte zijner haters. 01 En Rebekka maakte zich op met hare jonge dochtcren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka en toog henen. 62 Isaak nu kwam van daar men komt tot den put Lachai-Roï; en hij woonde in het Zuiderland. 63 En Isailk was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van don avond, en hij hief zijne oogen op en zag toe, en zie, de kemelen kwamen. 64 Rebekka hief óók hare oogen op en zag Isaiik, en zij viel van den kemel af; 65 en zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer. Toen nam zij den sluier en bedekte zich. 66 En de knecht vertelde Isaiik alle de zaken, die hij gedaan had. 67 En Isaiik bracht haar in de tent zijner moeder Sara; en hij nam Rebekka en zij werd hem ter vrouwe, en hij had haar lief. Alzoo werd Isaak getroost na zijn moeders dood. HOOFDSTUK 25. En Abraham voer voort en nam eene vrouw, wier naam wasKetura. 2 En zij baarde hem Zimran, en Joksan, en Medan,en Midian, en Jisbak en Suah. 3 En Joksan gewon Schebaen Dedan; en de zonen Dedans waren de Assuriten, en Letusiten, en Leümmiten. 4 En de zonen Midians waren |
GENESIS 25.
28
|
Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, J en Eldaii: deze allen waren zonen van Ketura. 5 Doch Abraham gaf Isaiik al wat hij had; 6 maar den zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken, en zond ze weg van zijnen zoon Isaiik, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten. 7 Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijfenzeventig jaren: 8 En Abraham gaf den geest, en stierf in goeden ouderdom, oud en des /cyens zat, en hij werd tot zijne volken verzameld. 9 En Isaiik en Ismaël, zijne zonen begroeven hem in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamré is: 10 in den akker, dien Abraham van Heths zonen gekocht had; daar is Abraham begraven, en Sara zijne huisvrouw. 11 En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Isaiik zijnen zoon zegende: en Isaiik woonde bij den put Lachai-Roï. 12 Dit nu zijn de geboorten Ismaëls, des zoons Abrahams, dien Hagar, Sara's Egyptische dienstmaagd, Abraham gebaard heeft; 13 en dit zijn de namen der zonen Ismaëls, met hunne namen naar hunne geboorten: de eerstgeborene Ismaëls, Nebajoth; daarna Kedar, en Adbeël, en Mibsam, 14 en Misma.en Duma,en Massa, 15 Hadar, en Tema, Jetur, Na-fis, en Kedma. 16 Dit zijn de zonen Ismaëls, en dit zijn hunne namen in hunne dorpen en paleizen, twaalf Vorsten naar hunne volkeren. 17 En dit zijn de jaren des levens van Ismaël, honderd zevenendertig jaren; en hij gaf den geest en stierf, en hij werd verzameld tot zijne volkeren. 18 En zij woonden vanHavilatot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, waar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht aller zijner broederen. |
19 Dit nu zijn de geboorten Isaiiks, des zoons Abrahams. Abraham gewon Isaiik. 20 En Isaiik was veertig jaar oud, als hij Rebekka, de dochter Bethuëls, des S5rriërs,uit Paddan-Aram, de zuster van Laban den Syriër, zich ter vrouwe nam. 21 En Isaük bad den Heere zeer in de tegenwoordigheid van zijne huisvrouw, want zij was onvruchtbaar; en de Heere liet zich van hem verbidden, zoodat Rebekka zijne huisvrouw zwanger werd. 22 En de kinderen stieten zich te zamen in haren lijve. Toenzeide zij: Is het zoo? waarom ben ik dus? en zij ging om den Heere te vragen. 23 En de Heere zeide tot haar: Twee volkeren zijn in uwen buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand vanéén scheiden; en liet ééne volk zal sterker zijn dan het andere^ volk, en de meerdere zal den mindere dienen. 24 Als nu hare dagen vervuld waren om te baren, zie, zoo waren tweelingen in haren buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed: daarom noemden zij zijnen naam Esau. 26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Esaus verzenen hield: daarom noemde men zijnen naam Jakob. En Isaük was zestig jaar oud als hij ze gewon. 27 Als nu deze jongens groot werden, werd Esau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man wonende in tenten. 28 En Isaük had Esau lief, want het wildbraad was naar zijnen mond; maar Rebekka had Jakob lief. 29 En Jakob had een kooksel gekookt; en Esau kwam uit hei veld en was moede. 30 En Esau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat roode, dat roode daar, want ik ben moede: daarom heeft men zijnen naam genoemd Edom. '31 ïoen zeide Jakob: Verkoop |
|
GENE mij op dezen dag uwe eerstgeboorte. 32 En Esau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? 33 Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag, en hij zwoer hem: en hij verkocht Jakob zijne ee rstgeboorte. 34 En Jakob gaf Esau brood en het linzeiikooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging henen: alzoo verachtte Esau de eerstgeboorte. HOOFDSTUK 26. En daar was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen Abrahams geweest was: daarom toog Isaak tot Abimélech, derFilistijnen Koning,naar Gerar. 2 En de Heere verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte: woon in het land, dat ik u aanzeggen zal; 3 woon als vreemdeling in dit land, en ik zal met u zijn en zal u zegenen; want u en uwen zade zal ik alle deze landen geven, en ik zal den eed bevestigen, dien ik Abraham uwen vader gezworen heb; 4 en ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren dea hemels, en ik zal uwen zade alle deze landen geven; en in uwen zade zullen gezegend worden alle volken der aarde; 5 daarom dat Abraham mijner etemme gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden mijn bevel, mijne geboden, mijne inzettingen, «n mijne wetten. 6 Alzoo woonde Isaak te Gerar. 7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijne huisvrouw, zeide hij: Zij is mijne zuster; want hij vreesde te zeggen: mijne huisvrouw, opdat mij misschien, zeide hij, de mannen dezer plaats niet dooden omKebekka; want zij was schoon van aangezicht. 8 En het geschiedde als hij eenen langen tijd daar geweest was, dat Abimélech de Koning derFilistijnen ten venster uitkeek, en hij zag, dat, zie, Isaak was jokkende |
3IS 28. 29 met Rebekka zijne huisvrouw. 9 Toen riep Abimélech Isaiik en zeide: Voorwaar, zie, zij is uwe huisvrouw: hoe hebtgij dan gezegd; Zij is mijne zuster? En Isaak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwille sterve. 10 En Abimélech zeide: Wat is dit dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uwe huisvrouw gelegen, zoodat gij eene schuld over ons zoudt gebracht hebben. 11 En Abimélech gebood den ganschen volke, zeggende: Zoo wie dezen man of zijne huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden. 12 En Isaak zaaide in dat land, en hij vond in dat jaar honderd maten, want de Heere zegende hem. 13 En die man werd groot, ja, hij werd gaandeweg grooter, totdat hij zeer groot geworden was; 14 en hij had bezitting van schapen en bezitting van runderen en groot gezin, zoodat hem de Filistijnen benijdden. 15 En alle de putten die zijns vaders knechten in de dagen van zijnen vader Abraham gegraven hadden, die stopten de Filistijnen en vulden ze met aarde. 16 Ook zeide Abimélech tot Isaiik: Trek van ons, want gij zijt veel machtiger geworden dan wij. 17 Toen toog Isaak van daar en htj legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar. 18 Als nu Isaak wedergekeerd was, groef hij de waterputten op, die zij ten tijde Abrahams zijns vaders gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde der-zelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had. 19 De knechten Isaaks dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar eenen put van levend water; 20 en de herders van Gerar twistten met Isaaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe: daarom noemde hij den naam van |
GENESIS 27.
30
|
dien put Esek, omdat zij met liem gekeven hadden. 21 Toen groeven zij eenen anderen put, en daar twistten zij óók over: daarom noemde hij zijnen naam Sitna. 22 En hij brak van daar op, en groef eenen anderen put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij _ zijnen naam Keho-both, en zeide: Want nu heeft ons de Heere ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land. 23 Daarna toog hij van daar op naar Ber-Séba. 24 En de Heere verscheen hem in dien nacht, en zeide: Ik ben de G od van Abraham uwen vader: vrees niet, want ik ben met u, en ik zal u zegenen en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams mijns knechts wille. 25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den naam des Heeren aan; en hij sloeg aldaar zijne tente op, en Isaaks knechten groeven daar eenen put. 26 En Abimóiech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzath zijnen vriend en Pichol zijnen krijgsoverste. 27 En Isaiik zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat en mij van u hebt weggezonden? 28 En zij zeiden: Wij hebben duidelijk gezien dat de Heere met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tusschen ons zijn, tusschen ons en tusschen u, en laat ons een verbond met u maken: 29 zoo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten vertrekken! Gij z:jt nu de gezegende des Heeren. 30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken. 31 En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de één den ander; daarna liet ze Isaiik gaan, en zij togen van hem in vrede. 32 En het geschiedde tenzelfden dage, dat Isaamp;ks knechten kwamen en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden heui: Wij hebben water gevonden. |
83 En hij noemde denzelven Séba: daarom is do naam dier stad Ber-Séba, tot op dezen zelfden dag. 34 Als nu Esau veertig jaar oud was, nam hij tot vrouw Judith, de dochter van Beëri den He-thiet, en Basmath, de dochter Elons des Hethiets. 35 En deze waren Isaak en Re-bekka eene bitterheid des geestes. HOOFDSTUK 27. En het geschiedde als Isaiik oud geworden was, en zijne oogen donker geworden warejn, dat hij niet zien kon, toen riep hij Esau zijnen grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie hier ben ik. 2 En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet: 3 nu dan, neem toch uw gereedschap, uwen pijlkoker en uwen boog. en ga uit in het feld, jaag mij een wildbraad; 4 en maak mij smakelijke spijzen, zooals ik ze gaarne heb, en breng ze mij; dat ik ete, opdat mijne ziele u zegene eer ik sterve. 5 Kebekka hoorde toe als Isaiik tot zijnen zoon Esau sprak; en Esau ging in het veld om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht. 6 Toen sprak Kebekka tot Jakob, haren zoon, zeggende: Zie, ik heb uwen vader tot Esau uwen broeder hooren spreken, zeggende: 7 Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe. dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des Heeren, vóór mijnen dood, 8 Nu dan, mijn zoon. hoor mijne stem in hetgeen dat ik u gebiede: 9 ga nu henen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal ze uwen vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft; 10 en gij zult ze uwen vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene vóór zijnen dood. 11 Toen zeide Jakob tot Re-bekka zijne moeder: Zie, mijn |
|
GENE broeder Esau ia een harig man, en ik ben een glad man: 12 misschien zal mijn vader mij betasten, en ik zal in zijne oogen zijn als een bedrieger: zoo zonde ik eenen vloek over mij halen, en niet eenen zegen. 13 En zijne moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon: hoor alleen naar mijne stem, en ga, haal ze mij. 14 Toen ging hij, en hij haalde ze en bracht ze zijner moeder, en zijne moeder maakte smakelijke spijzen, gelijk als zijne vader gaarne had. 15 Daarna nam Rebekka Esaus haars grootsten zoons kostelijke kleederen, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob haren kleinsten zoon aan; 1G en de vellen van de geiten-bokjes trok zij over zijne handen en over de gladdigheid van zijnen hals; 17 en zij gaf de smakelijke spijzen en het brood, dewelke zij toegemaakt had, in de hand Ja-kobs haars zoons. 18 En hij kwam tot zijnen vader en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon? 19 En Jakob zeide tot zijnen vader: Ik ben Esau nw eerstgeborene; ik heb gedaan gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uwe ziele mij zegene. 20 Toen zeide Izaiik tot zijnen zoon: Hoe is dit, dat gij het zoo haastig gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de ' Heere uw God het heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht. 21 En Isatik zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon, of gij mijn zoon Esau zelf zijt of niet. 22 Toen kwam Jakob bij, tot zijnen vader Isaiik, die hem betastte; en hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen. 23 Doch hij kende hem niet, omdat zijne handen harig waren gelijk zijns broeders Esaus handen; en hij zegende hem. |
SIS 27. 31 24 En hij zeide:Zijtgij mijnzoon Esau zelf? En hij zeide: Ik ben 't. 25 Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijne ziele u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk. 2G En zijn vader Isatik zeide tot hem: Kom toch bij en kus mij, mijn zoon. 27 En hij kwam bij en hij kuste hem; toen rook hij don reuk zijner kleederen en zegende hem, en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds hetwelk de Heere gezegend heeft. 28 Zoo geve u dan God van den dauw des hemels en de^ vettigheden der aarde, en menigte van tarwe en most. 29 Volken zullen u dienen en natiën zullen zich voor u neder-buigen; wees heer over uwe broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen; vervloekt moet hij zijn zoo wie u vervloekt, en zoo wie u zegent zij gezegend. 30 En het geschiedde als Isaiik voleindigd had Jakob te zegenen, zoo geschiedde het toen Jakob maar even van zijns vaders Isaiiks aangezicht uitgegaan was, dat Esau zijn broeder van zijne jacht kwam. 31 Hij nu óók maakte smakelijke spijzen toe, en bracht ze tot zijnen vader; en hij zeide tot zijnen vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uwe ziele mij zegene. 32 En Isaiik zijn vader zeide tot hem: Wie zijfc gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau. 33 Toen verschrikte Isaak met zeer groote verschrikking gansch zeer, en zeide: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten eer gij kwaamt, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen. 34 Als Esau de woorden zijns vaders hoorde, zoo schreeuwde hij met eenen grooten en bitteren schreeuw gansch zeer, en hij zeide |
GENESIS 28.
32
|
tot zijnen vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader! 35 En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uwen zegen weggenomen. 36 Toen zeide hij: Is 't niet omdat men zijnen naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? Mijne eerstgeboorte heeft hij genomen.enzie,nu heeft hij mijnen zegen genomen. Voorts zeide hij: Hebt gij dan gee-nen zegen voor mij uitbehouden? 37 Toen antwoordde Isaak en zeide tot Esau: Zie, ik heb hem eenen heer overu gesteld en alle zijne broeders heb ik hem tot knechten gegeven, en ik heb hem met koren en most ondersteund: wat zal ik u dan nu doen, rnij n zoon? 38 En Esau zeide tot zijnen vader: Hebt'gij maar dezen éénen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij,mijn vader! En Esau hief zijne stemme op en weende. 39 Toen antwoordde zijn vader Isaük en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uwe woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn. 40 En op uw zwaard zult gij leven, en zult uwen broeder dienen; doch het zal geschieden als gij heerschen zult, dan zult rgij zijn juk van uwen hals af-rukkeE. 41 En Esau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had, en Esau zeide in zijn hart: De dagen van den â rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijnen broeder Jakob dooden. 42 Tosn aan Rebekka deze woorden.van Esau haren grootsten zoon geboodschapt werden, zoo zond zij henen en ontbood Jakob haren kleinsten zoon, en zeide tot hem: .Zie, uw broeder Esau troost zich over u, dat hij u dooden zal. 43 Nu dan, mijn zoon, hoor naar mijne stem en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban mijnen broeder, 44 en blijf bij hem öenige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders keere, 45 totdat de toorn uws broeders van u afkeere, en hij vergeten |
hebbe hetgeen gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden en u van daar nemen: waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op éénen dag? 46 En Kebekka zeide tot Isaiik: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths: indien Jakob eene vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn? HOOFDSTUK 28. En Isaak riep Jakob en zegende hem, en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geene vrouw van de dochteren Kanaans: 2 maak u op, ga naarPaddan-Arani, ten huize van Bethuël, uw moeders vader, en neem u van daar eene vrouw van de dochteren Labans, uw moeders broeder. 3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar en ver-menigvuldige u, dat gij tot eeno menigte van volkeren wordt; 4 en hij geve u den zegen Abrahams, u en uwen zademetu, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God Abraham gegeven heeft. 5 Al zoo zond Isaiik Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, Bethuëls zoon, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Esaus moeder. 6 Als nu Esau zag dat Isaiik Jakob gezegend, en hem naar Pad-dan-Aram weggezonden had om zich van daar eene vrouw tenemen; en als hij hem. zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geene vrouw van de dochteren Kanaans; 7 en dat Jakob zijnen vader en zijner moeder gehoorzaam geweest was en naar Paddan-Aram getrokken was; 8 en dat Esau zag dat de dochteren Kanaans kwaad waren in de oogen Isaaks zijns vaders, 9 zoo ging Esau tot Ismaël, en nam zich tot eeno vrouw, boven zijne vrouwen, Mahalath, de dochter Ismaëls, des zoons Abrahams, de zuster van Nebajoth. |
1
GENESIS 29.
33
|
10 Jakob clan toog uit van Ber-Séba en ging naar Haran. 11 En bij geraakte op eene pïaats vraar hij vernachtte, want de zou was ondergegaan; en hij nam van de steenen dier plaats, en maakte sijne hoofdpeluw, en leide zich te slapen te dier zelfder plaatse. 12 En hij droomde; en zie, eene ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en zie, de Engelen Gods klommen daarbij op en neder. 13 En zie, de Heere stond op dezelve, en zeide: Ik ben de Heere, de God uws vaders Abrahams en de God Isaaks: dit land waaron gij ligt te slapen, zal ik u geven en uwen zade. 14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u en in uwen zade zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, ik ben met u, en ik zal u behoeden overal waar gij henen trekken zult, en ik zal u'weder-brengen in ditzelfde land: want ik zal u niet verlaten, totdat ik sal gedaan hebben hetgeen ik tot u gesproken heb. 1G Toen nu Jakob van zijnen slaap ontwaakte, zeide hij:quot;Ge-wisselijk is de Heere aan deze plaatse, en ik heb 't niet geweten. 17 En hy vreesde, en zeide: Hoe vreeselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poorte des hemels. IS Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijne hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teeken, en goot daar olie boven op: 19 en hij noemde den naam dier plaats Beth-El, daar toch de naam dier stad te voren was Luz. 20 En Jakob beloofde eene gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten en kleederen om aan te trekken, |
21 en ik ten huize mijne vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, 1 zoo zal de Heere mij tot eenen 1 God zijn, 22 en deze steen, dien ik tot een | opgericht teeken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en alles wat gij mij geven zult, daarvan zal ik u voorzeker de tienden geven. HOOFDSTUK 20. Toen hief Jakob zijne voeten op, en ging nnar het land der kinderen van het Oosten. 2 En hij zag toe, en zie, daar was een put in het veld;en zie, daar waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende, want uit dien j put drenkten zij de kudden; en i daar was een groote steen op den j mond van dien put, 3 en derwaarts werden alle de i kudden verzameld, en zij wen tel-j den den steen van den mond des i puts, en drenkten de schapen, en j leiden den steen weder op den * mond van dien put, op zijne plaats. 4 Toen zeide Jakob tot hen: i Mijne broeders, van waar ziit gij? ; En zij zeiden: Wij zijn van Haran. 5 Eu hij zeide tot hen; Kent gij â Laban, den zoon Nahors? En zij i zeiden: Wij kennen hem. ! 6 Voorts zeide hij tot hen: Is 't wel niet hem? En zij zeiden: 'tls ; wel; en zie. Rachel zijne dochter, die komt met de schapen. 7 En hij zeide: Zie, het is nog hoog dag, het is geen tijd dat het vee verzameld worde: drenkt de I schapen, en gaat henen, weidt ze. 8 Toen zeiden zij: Wij kunnen I niet, totdat alle de kudden te za-1 men zullen verzameld zijn,en men i den steen van den mond des puts 1 afwentele, opdat wij de schapen ; drenken. | 9 Als hij nog met hen sprak zoo kwam Rachel met de schapen, j die haren vader toebehoorden; i want zij was eene herderin. 10 En het geschiedde als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, j zijn moeders broeder, en de scha-j pen vau Laban, zijn moeders broe-j der, dat Jakob toetrad en wentelde â den steen van den mond des puts, i en drenkte de schapen van Laban, zijn moeders broeder. |
|
32 GENE tot zijnen vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader! 35 En hij zeide; Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uwen zegen weggenomen. 36 Toen zeide hij: Is 't niet omdat men zijnen naam noemt Jakob, dat hij mij nn twee reizen heeft bedrogen? Mijne eerstgeboorte heeft hij genomen,en zie, nu heeft hij mijnen zegen genomen. Voorts zeide hij: Hebt gij dangee-nen zegen voor mij uitbehonden? 37 Toen antwoordde Isaük en zeide tot Esau: Zie, ik heb hem eenen heer overu gesteld en alle zijne broeders heb ik hem tot knechten gegeven, en ik heb hem met koren en most ondersteund: wat zal ik u dan nu doen, mij n zoon? 38 En Esau zeide tot zijnen vader: Hebt'gij maar dezen éénen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mij n vader! En Esau hief zij ne stemme op en weende. 39 Toen antwoordde zijn vader Isaak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uwe woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn. 40 En op uw zwaard zult gij leven, en zult uwen broeder dienen; doch het zal geschieden als gij heerschen zult, dan zult gij zijn juk van uwen hals af-â rukkeE. 41 En Esau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had, en Esau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijnen broeder Jakob dooden. 42 To3n aan Rebekka deze woor-denvan Esau haren grootsten zoon geboodschapt werden, zoo zond zij henen en ontbood Jakob haren Meineten zoon, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Esau troost zich over u, dat hij u dooden zal. 43 Nu dan, mijn zoon, hoor naar mijne stem en maak u op, vlied gij «aar Haran, tot Laban mijnen broeder, 44 en blijf bij hem öenige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders keere, 45 totdat de toorn uws broeders |
SIS 28. van u afkeere, en hij vergeten hebbe hetgeen gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden en u van daar nemen: waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op éénen dag? 46 En Rebekka zeide tot Isaak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths: indien Jakob eene vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn? HOOFDSTUK 28. En Isaak riep Jakob en zegende hem, en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geene vrouw van de dochteren Kanaans; 2 maak u op, ga naarPaddan-Arani, ten huize van Bethuël, uw moeders vader, en neem u van daar eene vrouw van de dochteren Labans, uw moeders broeder. 3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar en ver-menigvuldige u, dat gij tot eeno menigte van volkeren wordt; 4 en hij geve u den zegen Abrahams, u en uwen zade met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God Abraham gegeven heeft. 5 Al zoo zond Isaak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, Bethuëls zoon, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Esaus moeder. 6 Als nu Esau zag dat Isaak Jakob gezegend, en hem naar Pad-dan-Aram weggezonden had om zich van daareene vrouw tenemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden ha d, zeggende: Neem geene vrouw van de dochteren Kanaans; 7 en dat Jakob zijnen vader en zijner moeder gehoorzaam geweest was en naar Paddan-Aram getrokken was; 8 en dat Esau zag dat de dochteren Kanaans kwaad waren in de oogen Isaaka zijns vaders, 9 zoo ging Esau tot Ismaël, en nam zich tot eene vrouw, boven zijne vrouwen, Mahalath, de dochter Ismaëls, des zoons Abrahams, de zuster van Nebajoth. |
GENESIS 29.
33
|
10 Jakob dan toog uit van Ber-Séba en ging naar Haran. 11 En hij geraakte op eene plaats waar hij vernachtte, want de zou â was ondergedaan; en hij nam van de steenen dier plaats, en maakte zijne hoofdpeluw, en leide zich te slapen te dier zelfder plaatse. 12 En hij droomde; en zie, eene ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en zie, de Engelen Gods klommen daarbij op en neder. 13 En zie, de Heere stond op dezelve, en zeide: Ik ben de Heere, de God uws vaders Abrahams en de God Isaiiks: dit land waarop gij ligt te slapen, zal ik u geven en uwen zade. 14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u en in uwen zade zullen alle geslachten des aarc-bodems gezegend worden. 15 En zie, ik ben met u, en ik zal u behoeden overal waar gij henen trekken zult, en ik zal u weder-brengen in ditzelfde land; want ik zal u niet verlaten, totdat ik zal gedaan hebben hetgeen ik tot u gesproken heb. 1G Toen nu Jakob van zijnen slaap ontwaakte, zeide hij:quot;Ge-wisselijk is de Heere aan deze plaatse, en ik heb 't niet geweren. 17 En hy vreesde, en zeide: Hoe vreeselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poorte dep hemels. 18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijne hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teeken, en goot daar olie boven op; 19 en hij noemde den naam dier plaats Beth-El, daar toch de naam dier stad te voren was Luz. 20 En Jakob beloofde eene ge-lolte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten en kleederen om aan te trekken, |
21 en ik ten huize mijne vaders in vrede zal wedergekeerd ziinf i zoo zal de Heere mij tot eenen I God zijn, 22 en deze steen, dien ik tot een i opgericht teeken gezet heb, zal een i huis Gods wezen, en alles wat gij | mij geven zult, daarvan zal ik u i voorzeker de tienden geven. HOOFDSTUK 29. i Toen hief Jakob zijne voeten : op, en ging naar het land der kin-i deren van het Oosten. I 2 En hij zag toe, en zie, daar was ! een put in het veld; en zie, daar wji-ren drie kudden schapen nevens ; dien nederliggende, want uit dien i put drenkten zij de kudden; en i daar was een groote steen op den j mond van dien put, i 3 en derwaarts werden alle de i kudden verzameld, en zij wentel-| den den steen van den mond des i puts, en drenkten de schapen, en j leiden den steen weder op den i mond van dien put, op zijne plaats. I 4 Toen zeide Jakob tot hen: Mijne broeders, van waar zi.it gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran. 5 En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon Nahors? En zij zeiden: Wij kennen hem. 6 Voorts zeide hij tot hen: Is 't wel met hem? En zij zeiden: 't Is wèl; en zie, llachel zijne dochter, die komt met de schapen. 7 En hij zeide: Zie, het is nog hoog dag, het is geen tijd dat het vee verzameld worde: drenkt de schapen, en gaat henen, weidt ze. 8 Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat alle de kudden te za-men zullen verzameld zijn,en men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken. 9 Als hij nog met hen sprak zoo kwam Rachel met de schapen, die haren vader toebehoorden; want zij was eene herderin. 10 En het geschiedde als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broeder, en de schapen van Laban, zijn moeders broeder, dat Jakob t« gt;eirad en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijn moeders broeder. |
2
GENESIS 30.
34
|
11 En Jakob kuste Rachel, en gt; hij hiefzijne stemme open weende; : 12 En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij haars vaders broeder en j dat hij de zoon ran Eebekka was. ; Toen liep zij henen en gaf het 1 haren vader te kennen. 13 En liet geschiedde als Laban l die tijding hoorde van Jakob, zijn zusters zoon, zoo liep hij hem tegemoet en omhelsde hem en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis; en hij vertelde Laban alle deze dingen. 14 Toen zeide Laban tot hem; Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vleesch; en hij bleef bij hem eene volle maand. 15 Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij deshal ven om niet dienen? Verklaar mij, wat zal uw loon zijn? 1G En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea, en de naam der kleinste was Rachel. 17 Doch Lea had teedere oogen, maar Rachel was schoon van gedaante en schoon van aangezicht. 18 En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen om Rachel uwe kleinste dochter. 19 Toen zeide Laban: Het is beter dat ik ze u geve, dan dat ik ze eenen anderen man geve: blijf bij mij. ^ 20 Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijne oogen als eenige dagen, omdat hij haar liefhad. 21 Toen zeide Jacob tot Laban: Geef mijne huisvrouw, want mijne dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga. 22 Zoo verzamelde Laban alle de mannen dier plaats, en maakte eenen maaltijd. 23 En het geschiedde des avonds dat hij zijne dochter Lea nam en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in. 24 En Laban gaf Zilpa, zijne dienstmaagd, aan Lea zijne dochter, haar tot eene dienstmaagd. 25 En het geschiedde des morgens en zie, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit dat gij mij gedaan hebt? Heb ik niet bij u gediend om Rachel ? Waarom hebt gij mij dan bedrogen? |
26 En Laban zeide: Men doet alzoo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene. 27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u oo'k die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult. 28 En Jakob deed alzoo, en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel zijne dochter, hem tot eene vrouw. 29 En Laban gaf aan zijne dochter Rachel zijne dienstmaagd Bil-ha, haar tot eene dienstmaagd. 30 En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren. 31 Toen nu de Heere zag dat Lea gehaat was, opende hij hare baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar. 32 En Lea werd bevrucht, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Ruben; want zij zeide: Omdat de Heere mijne verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. 33 En zij werd weder bevrucht, en baarde eenen zoon, en zeide: Dewijl de Heere gehoord heeft dat ik gehaat was, zoo heeft hij mij ook dezen gegeven, en zij noemde zijnen naam Simeon. 34 En zij werd nog bevrucht, en baarde eenen zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard hebt; daarom noemde hij zijnen naam Levi. 35 En zij werd weder bevrucht, en baarde eenen zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den Heere loven; daarom noemde zij zijnen naam Juda. En zij hield op van baren. HOOFDSTUK 30. Als nu Rachel zag dat zij Jakob niet baarde, zoo benijdde Rachel hare zuster; en zij 2 eide tot Jakob: Geef mij kinderen, of indien niet» zoo ben ik dood. 2 Toen ontstak Jakobs toorn |
GENESIS 30.
|
tegen Rachel, en hij zeida: Ben ; ik dan in plaats van God, die ' des buiks vrucht van u gewesrd heeft? 3 En zij zeide: Zie daar is mijne dienstmaagd Bilha, ga tot haar in, dat zij op mijne knieën bare en ik ook uit haar gebouwd worde. 4 Zoo gaf zij hem hare dienstmaagd Bilha tot eene vrouw, en Jacob ging tot haar in. 5 En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob eenen zoon: G toen zeide Rachel: God heeft mij gericht en ook mijne stem verhoord, en heeft mij eenen zoon gegeven; daarom noemde zij zijnen naam Dan. 7 En BilhaRachels dienstmaagd werd weder bevrucht, en baarde Jacob den tweeden zoon. 8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijne zuster geworsteld, ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijnen naam Naftali. 9 Toen nu Lea zag dat zij ophield van baren, nam zij ook hare dienstmaagd Zilpa en gaf die Jakob tot eene vrouw. 10 En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob eenen zoon. 11 Toen zeide Lea: daar komt een hoop; en zij noemde zijnen naam Gad. 12 Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jacob den tweeden zoon: 13 toen zeide Lea: tot mijn geluk, want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijnen naam Aser. 14 En Ruben ging in de dagen des tarwenoogstes, en hij vond Dudaïm in het veld, en hij bracht ze tot zijne moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uwé zoons Dudaïm. 15 En zij zeide tot haar: Is 't weinig dat gij mijnen man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaïm nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaïm bij n liggen. |
16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit, hem tegemoet en zeide: Gij zult tot mij inkomen, want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaïm; en hij lag dien nachtt bij haar. 17 En God verhoorde Lea, en zij werd bevrucht, en baarde Jacob den vijfden zoon. 18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijne dienstmaagd mijnen man gegeven heb; en zij noemde zijnen naam Issaschar. 19 En Lea werd wederom bevrucht, en z-ij baarde Jakob den zesden zoon: 20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft hij begiftigd met eene goede gifte, ditmaal zal mijn man mij bijwonen, want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijnen naam Zebulon. 21 En zij baarde daarna eene dochter, en zij noemde haren naam Dina. 22 God dacht ook aan Rachel, en God verhoorde haar en opende hare baarmoeder; 23 en zij werd bevrucht, en baarde eenen zoon: en zij zeide: God heeft mijne smaadheid weggenomen. 24 En zij noemde zijnen naam Jozef, zeggende: De Heere voege mij eenen anderen zoon daartoe. 25 En het geschiedde als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Iaat mij vertrekken, dat ik ga tot mijne plaatse en naar mijn land. 26 Geef mijne vrouwen en mijne kinderen, om dewelke ik u gediend heb, dat ik vertrekke; want gij weet mijnen dienst, dien ik u gediend heb. 27 Toen zeide Laban tot hem: Zoo ik nu genade gevonden heb in uwe oogen: ik heb waargenomen dat de Heere mij o:-n uwentwille gezegend heeft. 28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal. 29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is: 30 want het weinige dat gij vóór mij gehad hebt, dat is tot eene menigte uitgebroken, en de |
GENESIS 31.
-36
|
heere heeft u gezegend bij mij-men voet: nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? 31 En hij zeide: Wat zal iku .geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij nietmetal geven, indien .gij mij deze zake doen zult: ik izal wederom uwe kudde weiden en bewaren; 32 ik zal heden door uwe gan-«che kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn. 33 Zoo zal mijne gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht: al wat niet gespikkeld en gevlekt is onder de geiten, en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. 34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord. 35 En hij zonderde af tenzelf-lt;len dage de gesprenkelde en geplekte bokken, en alle de ge-«pikkelde en geplekte geiten, al les waar wit aan was, en al het lbruine onder de lammeren, en hij â gaf ze in de hand zijner zonen. 36 En hij stelde eenen weg van drie dagen tusschen zich en tns-â¢echen Jacob; en Jacob weidde de overige kudde Labane. 37 Toen nam zich Jacob roeden van groen populierenhout en van 'hazelaar en van kastanje, en hij -schilde daarin witte strepen, ont-blootende het witte, hetwelk aan die roeden was, 88 en hij leide deze roeden, die hij geschild had, in de goten en in de drinkbakken van het wa-quot;ter, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit als zij kwamen om te drinken. 39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zoo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. 40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde â¢en al het bruine onder Labans kudde: en hij stelde zijne kudden alléén, en hij zette ze niet bij Labans kudde. |
41 En het geschiedde telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zoo stelde Jakob de roeden voor de oogen der kudde in de goten, opdat zij hit-tig werden bij de roeden; 42 maar als de kudde spade hit-tig werd, zoo stelde hij ze niet; zoodat de spadelingen Laban en de vroegelingen Jakob toekwamen. 43 En die man brak gansch zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden en dienstknechten, en kemelen en ezels. HOOFDSTUK 31. Toen hoorde hij de woorden der zonen Labans, zeggende: Jakob heeft genomen alles wat onzes vaders was, en van hetgeen dat onzes vaders was heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt. 2 Jakob zag ook het aangezicht Labans aan, en zie, dat was jegens hem niet als gisteren en eergisteren. ^3 En de Heere zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen en tot uwe maagschap, en ik zal met u zijn. 4 Toen zond Jakob henen en riep Eachel en Lea op het veld tot zijne kudde, 5 en hij zeide tot haar: Ik zie uws vaders aangezicht, dat het jegens mij niet is als gisteren eii eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest. 6 En gijlieden weet dat ik met al mijne macht uwen vader gediend heb; 7 maar uw vader heeft bedrieglijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten mij kwaad te doem 8 Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zoo lammerden alle de kudden gespikkelde; en wanneer hij al-zóó zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zoo lammerden alle de kudden gesprenkelde. 9 Alzoo heeft God uwen vader |
|
GENE het vee ontrukt en aan mij gegeven. 10 En het geschiedde ten tijde al3 de kudde hitti^ werd, dat ik mijne oogen ophiet en ik zag in den droom, en zie, de bokken die de kudde beklommen quot;waren gesprenkelde, gespikkelde en hagel vlekkige. 11 En de Engel Gods zeide tot mij in den droom: Jakob! En ik zeide: Zie hier ben ik. 12 En hij zeide: Hef toch uwe oogen op en zie, alle bokken die de kudde beklimmen zijn gesprenkelde, gespikkelde, en ha-gelvlekkige, want ik heb gezien alles wat Laban u doet. 13 Ik ben de God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teeken gezalfd hebt, waar gij mij eene gelofte beloofd heb: nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap. 14 Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis in onzes vaders huis? 15 Zijn wij niet vreemden van hem geacht/ Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd. 16 Want al de rijkdom, dien God _ onzen vader heeft ontrukt, die is onze en onzer zonen; nu dan, doe alles wat God tot u gezegd heeft. 17 Toen maakte zich Jakob op en laadde zijne zonen en zijne vrouwen op kemelen, 18 en hij voerde al zijn vee weg, eu al zijne have die hij verworven had, het vee dat hij bezat, hetwelk hij in Paddan Aram verworven had, om te komen tot Isaak, zijnen vader, naar het land Kanaan. 19 Laban nu was gegaan om zijne schapen te scheren: zoo stal Rachel de Terafim die haar vader had. 20 En Jakob ontstal zich van het harte Labaas des Syriërs, overmits hij hem niet te kennen gaf dat hij vlood. 21 En hij vlood, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op en voer over de rivier, en hij zette |
SIS 31. 3T zijn aangezicht naar het gebergte-Gilead. 22 En ten derde dage werd Laban geboodschapt dat Jakob gevloden was. 23 Toen nam hij zijne broeders met zich, en jaagde hem achterna eenen weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte Gilead. 24 Doch God kwam tot Laban. den Syriër in eenen droom desnachts, en hij zeide tot hem:Wacht u dat gij met Jakob niet spreekt, noch goed noch kwaad. 25 En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijne tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijne broederen de zijne op het gebergte Gileads. 26 Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u van. mijn harte ontstolen hebt, en-mijne dochteren ontvoerd hebt als gevangenen met den zwaarde? 27 Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt u mij ontstolen,, en hebt het mij riet aangezegd,, dat ik u geleid hadde met vreugde en met zangen, met getrommel en met harp? 28 Ook hebt gij mij niet toegelaten mijne zonen en mijn©-dochteren te kussen; nu, gij hebt dwaselijk gedaan zoo doende. 29 Het ware in de macht mijner hand ulieden kwaad te doen;, maar ulieder vaders God heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u van met Jakob te spreken, of goed of kwaad. 30 En nu, gij hebt immers willen vertrekken, omdat gij zoozeer begeerig waart naar uws vaders-huis: waarom hebt gij mijne goden gestolen? 31 Toen antwoordde Jakob en zeide tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: Opdat gij niet misschien uwe dochteren mij ont-weldigdet. 32 Bij denwelken gij uwe goden, vinden zult, laat hem niet levenonderken gij voor onze broederen-wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet dafr Kachel ze gestolen had. 33 Toen ging Laban in Jakobs-tent, en in Lea's tent, en in de ten^ |
GENESIS 31.
58
|
der beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij nit Lea's tent gegaan was, kwam hij in Kachels tent. 34 Maar Eacliel had de Terafim genomen en zij had die in een ke-jnelszadeltuig gelegd; en zij zat op dezelve: en Lab an betastte die gansche tent en hij vond niets; 35 en zij zeide tot ha-ren vader: .Dat detoorn niet ontsteke in mijns heeren oogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan, want het (laert mij naar de wij ze-der vrouwen; en hij doorzocht, maar hij vond de Terafim niet. 36 Toen ontstak Jakob en twistte met Laban, en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijne overtreding, wat is mijne zonde, dat gij mij zoo hittiglijk hebt nagejaagd ? 37 Als gij al mijn huisraad betast hebt, wat hebt gij gevonden van al het huisraad uws huizes? Leg het hier voor mijne broederen en uwe broederen en laat ze richten tusschen ons beiden. 38 Deze twintigjarenben ikbij u geweest: uwe ooien en uwe geiten hebben niet misdragen, en de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten. 39 H.et verscheurde heb ik tot u niet gebracht, ik heb het geboet; gij hebt het van mijne hand ge-ëischt, het ware des daags gestolen of des nachts gestolen. 40 Ik ben geweest dat mij bij dag de hitte verteerde en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijne oogen week. 41 Ik ben nu twintigjaren in uw huis geweest: ik heb u veertien jaren gediend om uwe beide dochte-ren, en zes jaren om uwe kudde, en gij hebt mijn loon tien malen veranderd. 42 Zoo niet de God mij ns vaders, de God Abrahams en de vreeze Isaaks, bij mij geweest was, zeker, .gij zoudt mij nu ledig weggezonden hebben. God heeft mijne ellende en den arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft. |
43 Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob: Deze dochters zijn mijne dochters, en deze zonen zijn mijne zonen, en deze kudde is mijne kudde, ja, al wat gij ziet, dat is mijn: en wat zoude ik aan deze mijne dochte-ren heden doen, of aan hare zonen, die zij gebaard hebben? 44 Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij, dat het tot een getuigenis zij tusschen mijden tusschen u. 45 Toen nam Jakob eenen steen, en hij verhoogde dien tot een opgericht teeken; 4G en Jakob zeide tot zijne broederen: Vergadert steenen; en zij namen steenen en maakten eenen hoop, en zij aten aldaar op dien hoop. 47 En Laban noemde hem Jegar-Sahadutha, maar Jakob noemde denzei ven Gilead. 48 Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tusschen mij en tusschen u. Daarom noemde men zijnen naam Gilead; 49 en Miz.pa, omdat hij zeide: Dat de Heere toezicht houde tusschen mij en tusschen u, wanneer wij de één van den ander zullen verborgen zijn. 50 Zoo gij mijne doch teren be-leedigt, en zoo gij vrouwen neemt nevens mijne doch teren, niemand is bij ons: zie toe. God zal getuige zijn tusschen mij en tusschen u. 51 Laban zeide voorts tot Jakob: Zie daar is deze zelfde hoop, en zie daar is dit opgericht teeken, hetwelk ik opgeworpen heb tusschen mij en tusschen u: 52 deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teeken zij getuige, dat ik tot u voorbij dezen hoop niet komen zal, en dat gij tot mij voorbij dezen hoop en dit opgericht toeken niet komen zult ten kwade. 53 De God Abrahams en de God Nahors, de God huns vaders, rich-te tusschen ons. En Jakob zwoer bij de vreeze zijns vaders Tsaiiks. 54 Toen slachtte Jakob eene slachting op dat gebergte, en hij noodigde zijne broederen om brood te eten; en zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte. |
|
GENEi 65 En Laban stond dqs morgens vroeg op, en kuste zijne zonen en zijne dochteren, en zegende ze; en Laban trok henen en keerde weder tot zijne plaatse. HOOFDSTUK 32. Jakob toog óók zijns weegs, en de Engelen Gods ontmoetten hgt;3m. 2 En Jakob zeide, met dat hij ze zag: Dit is een heirleger Gods; en hij noemde den naam der-zelver plaatse Mahanaïm. 3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Esau zijnen broeder, naar het land Seïr, de landstreek Edoms, 4 en hij gebood hun, zeggende: Zóó zult gij zeggen tot mijnen heer, tot Esau: Zóó zegt Jakob uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd; 5 en ik heb ossen en ezels, schapen, en knechten enmaacsde n; en ik heb gezonden om mijnen heere aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uwe oogen. G En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uwen broeder, tot Esau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem. 7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange, en hij verdeelde het volk dat met hem was, en de schapen en de runderen en de kemelen, in twee heiren; 8 want hij zeide: Indien Esau tegen het ééne heir komt en slaat het, zoo zal het overgebleven heir ontkomen. 9 Voorts zeide Jakob: O God mijns vaders Abrahams en God mijns vaders Isaiiks, o Heere, die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land en tot uwe maagschap, en ik zal wel bij u doen: 10 ik ben geringer dan alle deze weldadigheden en dan al deze trouw, die gij aan uwen knecht gedaan hebt; want ik ben met mijnen staf over dezen Jordaau gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden. 11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Esaus hand; want |
IS 32. 39 ik yreeze hem, dat hij niet misschien kome en mij sla, de moeder met de zonen. 12. Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden. 13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen dat in zijne hand kwam een geschenk voor Esau zijnen broeder, # 14 tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, 15 dertig zogende kemelinnen met hare veulens,veertigkoeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels; 16 en hij gaf ze in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijne knechten: Gaat gijlieden dóór voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tusschen kudde en tus-schen kudde. 17 En hij gebood den eerste, zeggende: Wanneer Esau mijn broeder u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij, en waarhenen gaar, gij, en wiens zijn deze voor uw aangezicht? 18 zoo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uwen knecht Jakob, gezonden tot mijnen heer, tot Esau; en zie, hij zelf is óók achter ons. 19 En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Esau, als gij hem vinden zult; 20 en gij zult ook zeggen: Zie. uw knecht Jakob is achter ons. Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen. 21 Alzoo ging dat geschenk henen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dien nacht in liet leger. 22 En hij stond op in dien nacht, en hij nam zijne twee vrouwen en |
GENESIS 33.
40
|
zijne twee dienstmaagden en zijne eif kinderen, en liij toog over het veer Jabbok: 23 en liij nam ze en deed ze over die beek trekken; en liij deed overtrekken hetgeen liij had. 24 Docli Jakob bleef alléén over; en een man worstelde met hem totdat de dageraad opging; 25 en toen hij zag dat hij hem niet overmocht, roerde hij het gewricht zijner heupe aan, zoodat het gewricht van Jakobs iieupe verwrongen werd als hij met hem worstelde; 26 en hij zeide: Laat mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Haar hij zeide: Ik zal u niet laten gaan, tenzij dat gij mij zegent. 27 En hij zeide tothem: Hoe is uw naam? En hij zeide;: Jakob. 28 Toen zeide hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heeten, maar Israël; want gij hebt n vorstelijk gedragen met God en met de mensehen, en hebt overmocht. 29 En Jakob vraagde en zeide: Geef toch wen naam te kennen. En hij zeide: quot;Waarom is 't dat gij naar mijnen naam vraagt? En hij zegende hem aldaar. 30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël ; want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziele is gered geweest. 31 En de zon rees hem op als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijne heup. 32 Daarom eten de kinderen Israels de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had aan de verrukte zenuw. HOOFDSTUK 33. En Jakob hief zijne oogen op en zag; en zie, Esau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea en onder Kachel en onder de twee dienstmaagden, 2 en hij stelde de dienstmaagden en hare kinderen vooraan, en Lea en hare kinderen meer achterwaarts, maar Eachel en Jozef de achterste. t |
3 En hij ging voorbij hun aangezicht henen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijnen broeder kwam. 4 Toen liep Esau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden. 5 Daarna hief hij zijne oogen op en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God uwen knecht genadiglijk verleend heeft. 6 Toen traden de dienstmaagden toe, zij en hare kinderen, en zij bogen zich neder; 7 en Lea trad óók toe met hare kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en lla-chel. en zij bogen zich neder. 8 En hij zeide: Foor wienis al dit heir dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de oogen mijns heeren. 9 Maar Esau zeide: Ik heb vee!, mijn broeder: het zij het uwe wat gij hebt. 10 Toen zeide Jakob: Och neen, indien ik nu genade in uwe oogen gevonden heb, zoo neem mijn geschenk van mijne hand; daarom dat ik uw aangezicht gezien heb als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt. 11 Neem toch mijnen zegen diö u toegebracht is, dewijl God hes mij genadig verleend heeft, en dewijl ik alles heb. En hij hield bij hem aan, zooclat hij het nam. 12 En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken, en ik zal vóór u trekken. 13 Maar hij zeide tothem: Mijn heer weet dat deze kinderen teeder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men ze maar éénen dag afdrijft, zoo zal de geheele kudde sterven: 14 mijn heer trekke toch voorbij voor het aangezicht zijns knechts; en ik zal mij op mijn gemak als j leidsman voegen naar den gang I van het werk, hetwelk voor mijn i aangezicht is, en naar den gang |
GENESIS 34.
|
dezer kinderen, totdat ik bij mijnen heer te Seïr kome. 15 En Eeau zei de: Laat mii toch van dit volk dat met mij is u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? Laat mij genade vindin in mijns heeren oogen, 16 Alzoo keerde Esau dien dag 7.'ederom zijns weegs naar Seïr toe. 17 Maar Jakob reisde naar Suk-kuth, en bouwde een huis voor rich, en maakte hutten voor zijn vee: daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth. 18 En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaiin, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad. 19 En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijne tentgespan-nen had, van de hand der zonen Heinors, des vaders van Sichem, voor honderd stukken geld; 20 en hij richtte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God. HOOFDSTUK 34. En Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging uit om de docht eren van dat land te bezien. 2 Sichem nu, Hemors des He-viets, des land vorsten zoon zag Iiaar, en hij nam ze en lag lij haar en verkrachtte ze. 3 En zijne ziele kleefde aan Dina, Jakobs dochter, en hij had dejonge doch ter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter. 4 Sichem sprak ook tot zijnen vader Hemor, zeggende: Neem mij deze dochter tot eene vrouw. 5 Tuen Jakob nu hoorde dat hij zijne dochter Dina verontreinigd had, zoo waren zijne zonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg totdat zij kwamen. 6 En Hemor, Sichems vader ging uit tot Jakob om met hem ie spreken. 7 En de zonen Jakobs kwamen van het veld als zij dit hoorden; en het smartte dezen mannen, en zij ontslaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, f.akobs dochter onteerende, hetwelk alzoo niet moest gedaan worden. |
8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter: geeft ze hem toch tot eene vrouw; 9 en verzwagert u met ons; geeft ons u we dochteren, en neem c voor u onze doei; teren, 10 en woont met ons: en het land zal voor uw aangezicht zijn: woont en^ handelt daarin, en sfelt u tot bezitters daarin. 11 En Sichem zeide tot haren vader en tot hare broederen: Laat mij genade vinden in uwe oogen» en wat gij tot mij zeggen zult zal ik geven; 12 vergroot zeer over mij den bruidschat en liet geschenk, en ik zal geven gelijk gij tot mij zult zeggen: geeft mij slechts de jong© dochter tot eene vrouw. 13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijnen vader, bedrieglijk, en spraken (omdat hij Dina hunne zuster verontreinigd had), 14 en zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zake niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan eenen man geven zouden die de voorhuid heeft; want dat ware ons_ eene schande. 15 Doch hierin zullen wij u te wille zijn: zoo gij wordt gelijk als wij, dat onder u beeneden worde al wat mannelijk is, 1G dan zullen wij u onze dochteren geven, en uwe dochioren zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zuilen tot één volk zijn. 17 Maar zoo gij naar ons niet zult hooren om besneden te worden, zoo zullen wij onze dochter nemen en wegtrekken. 18 En hunne woorden waren goed in de oogen van Hemor en in de oogen van Sichem, Hemors zoon; 19 en dejongeling vertoefde niet. deze zake te doen; want hij had lust in Jakobs dochter, en hij was geëerd boven al zijns vaders huis. 20 Zoo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hunner stads poort®» |
GENESIS 35.
42
|
en zij spraken tot de mannen hunner stad, zeggende: 21 Deze mannen zijn vreedzaam met ons: daarom laat ze in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (zie, het is wijd van omvang) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hunne dochteren tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochteren hun geven. 22 Doch hierin zullen deze mannen ons te wille zijn dat zij met ons wonen, om tot één volk te zijn, als al wat mannelijk is onder ons besneden wordtgelijk als zij besneden zijn. 23 Hun vee en hunne bezitting en alle hunne beesten, zullen die niet. onze zijn? Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen. 24 En zij hoorden naarHemoren naar Sichem, zijnen zoon,allen die te zijner stads poorte uitgingen, en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen die te zijner stads poorte uitgingen. 25 En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smarte waren, zoo namen de twee zonen Jakobs, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was; 26 zij sloegen ook Hemor en zijnen zoon Sichem dood met de scherpte des zwaards; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar. 27 De zonen Jakobs kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij hunne zuster verontreinigd hadden. 2S Hunne schapen en hunne runderen en hunne ezels, en hetgeen dat in de stad en hetgeen dat hi het veld was, namen zij; 29 en al hun vermogen en alle hunne kleine kinderen en hunne vrouwen voerden zij gevankelijk weg, en plunderden ze, en al wat binnenshuis was. |
30 Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, door mij] stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, ondei de Kanaiiuiten en onder de Fereziten; en ik ben weinig volks in getal: zoo zij ziek tegen mij verzamelen, zoo zullen zij mij verslaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. 31 En zij zeiden: Zoude hij dan met onze zuster als met eene hoer doen? HOOFDSTUK 35. Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, die u verscheen toen gij vluchttet voor het aangezicht van uwen broeder Esau. 2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin en tot alleii, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uwe kleederen; 3 en laten wij ons opmaken en optrekken naar Beth-El, en ^ ik zal daar een altaar maken dien God, die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, dien ik bewandeld heb. 4 Toen gaven zij Jakob alle de vreemde goden, die in hunne hand waren, en de oorsierselen, die aan hunne ooren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom die bij Sichem is. 5 En zij reisden henen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zoodat zij de zonen Jakobs niet achterna jaagden. G Alzoo kwam Jakob te Luz in het land Kanaan (dat is Beth-El), hij en al het volk dat bij hem was; 7 en hij bouwde aldaar een altaar en noemde die plaats El Beth-El; want God was hem aldaar geopenbaard als hij voor zijns broeders aangezicht vluchtte. 8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El, onder dien eik, welks naaui hij noemde Allon-Bachuth. 9 En God verscheer Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was, en hii zegende hem; |
GENESIS 3ö.
43
|
10 en God zeifle tot hem: Uw j naara is Jakob: mv naam zal 1 voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en hij noemde zijnen naam Israël. 11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige; wees i vruchtbaar en vermenigvuidig; een volk, ja, een hoop der volkeren ! zal uit u worden, en Koningen zul- ; len uit uwe lendenen voortkomen. : 12 En dit land, dat ik Abraham en Isaiik gegeven heb, dat zal ik u geven; en uwen zade na u zal ik dit land geven. 13 Toen voer God van hem op ter plaatse, waar hij mot hem gesproken had. 14 En Jakob stelde een opgericht teeken op ter plaatse waar hij met hem gesproken had, een steenen opgericht teeken, en hij stortte daarop drankoffer en goot j olie daarover; 15 en Jakob noemde den naam ' dier plaats, alwaar God met hem , gesproken had, Beth-EJ. IG En zij reisden van Beth-EJ, j en er was nog eene streek lands i om tot Efratha te komen: en ⢠Rachel baarde, en zij had her, j hard in haar baren. 17 En het geschiedde als zij i het hard had in haar baren, zoo i zeide de vroedvrouw tot haar: j Vrees niet, want dezen zoon zult gij óók 1» ebben. 18 En het geschiedde als hare . ziele uitging (want zij stierf), dat t zij zijnen naam noemde Benoni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. j 19 Alzoo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den wegnaar , Efratha, dat is Bethlehem. 20 En Jakob richtte een ge- ; denkteeken op boven haar graf; | dit is het gedenkteeken van Ba-chels graf rot op dezen dag. 21 Toen verreisde Israël, en hij i spande zijne tent op gene zijde , van Migdal-Eder. 22 En het geschiedde als Israël in dat land woonde, dat Ruben } henenging en lag bij Bilha, zijns ' vaders bijwijf; en ïsracU hoorde : het. | |
Endezonen Jakobs waren twaalf. 23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon. 24 De zonen van Rachel; Jozef en Benjamin. 25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan enNaftali. 26 En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Dit zijn Jakobs zonen, die hem geboren zijn in Paddan-Arani. 27 En Jakob kwam tot Isaiik zijnen vader in Mamró te Kirjath-Arba, dat is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd. en Isaiik. 23 En de dagen Isaaks waren honderd jaar en tachtig jaar. 20 En Isaiik gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijne volkeren, oud en zat van dagen,; en zijne zonen Esau en Jakob begroeven hem. HOOFDSTUK 36. Dit nu zijn de geboorten van Esau, dat is Edom. 2 Esau nam zijne vrouwen uit de doch teren van Kanaiin; Ada, de dochter van Elon den Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon den Heviet; 3 en Basmath, de dochter van Ismaël, de zuster van Nebajoth. 4 Ada nu baarde aan Esau Eli-faz, en Basmath baarde Rehuël, 5 en Aholibama baarde Jehu:gt; en Jaëlam en Korach. Dit zijn Esa us zonen, die hem geboren zij a in het land Kanaiin. 6 Esau nu had genomen zijne vrouwen, en zijne zonen, en zijney doc-hters, en alle de zielen zijns huizes, en zijn vee, en alle zijne-beesten, en al zijne bezitting die hij in liet land Kanaiin verworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezigt zijn» broeders Jakobs; 7 want hunne have was te veel om samen te wonen, en het land hunner vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee. 8 Derhalve woonde Esau op het gebergte Seïr; Esau is Edom. 9 Dit nu zijn de geboorte» |
|
44 GENT Esans, des vaders der Edomiten, op het gebergte Seïr. 10 Dit zijn de namen der zonen Esans: EliVaz, de zoon van Ada, Esans huisvrouw; Kehuël,de zoon van Basmath, Esans huisvrouw. 11 En de zonen van Eiifaz -waren Teman, Omar, Zefo, en Gaë-tam. en Kenaz; 12 en Timna was een bijwijf van Eiifaz, den zoon Esans, en zij baarde aan Eiifaz Amalek: dit zijn de zonen van Ada, Esaus huisvrouw. 13 En dit zijn de zonen Rehuels, â Naharh en Zerab, Sam ma en Miz-za: dat zijn geweest de zonen van Basmath, Esaus huisvrouw. 14 En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, â dochter van Zibcon, Esaus liuis-vrouw; en zij baarde aan Esau Jehus, en Ja el am. en Iv orach. 15 Dit zijn de Vorsten der zonen Esaus: de zonen van Eiifaz, den eerstgeborene Esaus, waren: de Vorst Teman, de Vorst Omar, de Vorst Zefo, de Vorst Kenaz, 16 de Vorst Korach, de Vorst â¢Gaëtam, de Vorst Amalek: dat zijn de Vorsten van Eiifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada. 17 En dit zijn de zonen Rehnëls des zoons Esaus: de Vorst Nahath, de Vorst Zerah, de Vorst Samma, de Vorst 3Ii zza: dat zij n de Vorsten Rehnëls in het lancï Edom: dat sijn de zonen van Basmath, de huisvrouw Esans. 18 En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw Esaus: de Vorst Jehus, de Vorst Jaëlam. de Vorst Kora«h: dat zijn de Vorsten van Aholibama, de dochter van Ana, de huisvrouw Esaus. 19 Dat zijnde zonen Esaus, en dat zijn hunlieder Vorsten: dat ts Edom. 2U Dit zijn de zonen van Seïr, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zi-beon, en Ana, 21 en Dison, en Ezer, en Disan: dat zijn de Vorsten der Horiten, zonen van Seïr in het ^and Edom. 22 En de zonen Lotans waren :SIS 36. |
i Hori en Hernam; en Lotans zui-l ter was Timna. 23 En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan, en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam. 24 En dit zijn de zonen Zibeons: Aja en Ana; dat is die Ana die de i muildieren in de woestijn gevonden heeft, toen hij zijns vaders Zibeons ezels weidde. 20 En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was de docht er van Ana. 20 En dit zijn de zonen Disons: Hemdan, en Esban, en Jithran, en Keran. 27 Dit zijn de zonen Ezers: i Bilhan, en Zaavan en Akan. I 28 Dir. zijn de zonen Disans: i Uz en Aran. 29 Ditzijnde Vorsten der Horiten : de Vorst Lotan, de Vorst Sobal, de Vorst Zibeon, de Vorst Ana, 30 de Vorst Dison, de Vorst Ezer, de Vorst Disan: dit zijn de Vorsten der Horiten, naar hunne : Vorsten in het land Seïr. 31 En dit zijn de Koningen die geregeerd hebben in het land Edom, eer een Koning regeerde over de kinderen Israels. 32 Bela dan, de zoon Beors, regeerde in Edom, en de naam zijner stad was Dinhaba. 33 En Bela stierf, en Joab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijne plaats. 34 En Joab stierf, en Husam uit der Temaniten land regeerde in zijne plaats. 35 En Husam stierf, en in zijne plaats regeerde Had ad, de zoon Bedads, die Midian versloeg in het veld Moabs; en de naam zijner stad was Avith. 3G En Hadad stierf, en Samla van Masreka regeerde in zijne plaats. 37 En Samla stierf, en Saul van Rehoboth aan de revier regeerde in zijne plaats. 38 En Saul stierf, en Bacilha-nan, de zoon Achbors, regeerde in zijne plaats. 39 En Baalhanan, de zoon Achbors, stierf en Hadar regeerde in â zijne plaats; en de naam zijner ! stad was Paü: en de naam zijner |
|
GENE huisvrouw waa Mehetabeël, eene dochter vai» Matred, de dochter van Mezahab, 40 En dit zijn de namen der Vorsten Esaus, naar hunne gesiach-ten, naar hunne plaatsen, met hunne namen: de Vorst Timna, de Vorst Al va, de Vorst Jeth eth, 41 de Vorst Aholibama, de Vorst Ela, de Vorst Pinon, 42 de Vorst Kenaz, de Vorst Tenian, de Vorst Mibzar, 43 de Vorst Matrdiël, de Vorst Irani: dit zijn de Vorsten Edoms, naar hunne -woningen, in den lande hunner bezitting. Hij is Esau, de vader Edoms. HOOFDSTUK 37. En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaan. 2 igt;i t zijn Jakobs geschiede-nissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaar, weidde de kudde met zijne broeders, 'en hij was een jongeling), met de zonen van Bil-ha en Je zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hunnen vader. 3 En Israël had Jozef lief boven alle zijne zonen, want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem eenen veelvervigen rok. 4 Als nu zijne broeders zagen dat hun vader hem boven alle zijne broederen liefhad, haatten zij hem en konden hem niet vredig-lijk toespreken. 5 Ook droomde Jozef eenen droom, dien hij.aan zijne broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer; 6 en hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb: _7 En zie, wij waren schoven bindende in liet midden des velds; en zie, mijne schoof stond op, en bleef ook staande; en zie uwe schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijne schoof. 8 Toen zeiden zijne broeders tot hem: Zult gij danganschelijk over ons regeeren V Zult gij dan ganschelijk over ons heerschen? |
SIS 37. 45 Zoo haatten zij hem nog te meer om zijne droomen en om zijne woorden. 9 En hij droomde nog eenen anderen droom, en verhaalde dien aan zijne broeders, en hij zeide: Zie, ik heb nog eenen droom gedroomd, en zie, de zon en de maan en elf sterren bogen zich voor mij neder. 10 En als hij het aan zijnen vader en aan zijne broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem; Wat is dit voor een droom dien gij gedroomd hebt? Zullen wij dan ganschelijk komen, ik en uwe moeder en uwe broeders, om ons voor u ter aarde te buigen? 11 Zijne broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zake. 12 En zijne broeders gingen henen om de kudde van hunnen vader te weiden bij Sichem. 13 Zoo zeide Israël tot Jozef. quot;Weiden uwe broeders niet bij Sichem? Kom. dat ik u tot hen zen-'.e. En hij zeide tot hem: Zit-, hier ben ik. 14 En hij zeide tot hem : Ga toch henen, zie naar den welstand van uwe broederen en naar tien welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zoo zond hij hem uit het dal Hebron; en hij kwam te Sichem. 15 En een man vond hem (want zie, hij was dwalende in het veld'; zoo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoniet gij ? 1G En hij zeide: Ik zoek mijne broederen; geef mij toch te kennen waar zij weiden. 17 Zoo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd, want ik hoorde ze zegge in; Lfiat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijne broederen na, en vond ze te Dothan. 18 En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem eenen listigen raad om hem te dooden, li) En zij zeiden de één tot den ander: Zie, daar komt deze mees-ter-droomer aan: 20 nu komt dan en laat ons hen» doodslaan, en hem in een dezer |
|
46 GEN1 huilen werpen; en wij zullen zeggen; Een boos dier heeft hem opgegeten; zoo zullen wi.i zien wat van zijne droomen worden zal. 21 lluben hoorde dat, en verloste hem uit hunne hand, en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan. 22 Ook zeide Ruben tot hen: Ver-giet geen bloed: werpt hem in dezen kuil, die in de woestijn is, ; en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hunne hand verloste, om hem tot zijnen vader weder te brengen. ^ 23 En het eeschiedde als Jozef tot zijne broederen kwam, zoo togen zij Jozef zijnen rok uit, den veelvervigen rok dien hij aanhad, 24 en zij namen hein en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig, er was geen water in. 25 Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hunne oogen op en zagen, en zie, een reisgezelschap van Ismaëliten kwam uit Gilead, en hunne ke-melen droegen specerijen en balsem en mirre, reizende om dat al te brengen naar Egypte. 2G Toen zeide Juda tot zijne broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan en zijn bloed verbergen? 27 Komt en laat ons hem aan deze Ismaëliten verkoopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vleesch. En zijne broeders hoorden /lt;ei». 28 Als nu de Midianitische kooplieden voorbij togen, zoo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëliten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. 29 Als nu lluben tot den kuil wederkeerde, zie, zoo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijne kleederen, 30 en Lij keerde weder tot zijne broederen en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik henengaan? 31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten eenen geitenhok, en zij doopt-n den rok in het bloed; 32 en zij zonden den veel ver vi- |
SIS 38. gen rok en deden hem tot hunnen vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet. 33 En hij herkende hem en zeide: 'tls mijns zoons rok, een boos dier heeft hem opgegeten; voorzeker is Jozef verscheurd. 34 Toen scheurde Jakob zijne kleederen, en leide eenen zak om zijne lendenen, en hij bedreef rouwe over zijnen zoon vele dagen; 35 en alle zijne zonen en alle zijne dochteren maakten zich op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal rouw bedrijvende tot mijnen zoon in het graf nederdalen. Alzoo beweende hem zijn vader. 36 En de Midianiten verkochten hem in Egypte aanPotifar,Farao's hoveling, overste der trawanten. HOOFDSTUK 38. En het geschiedde ten zeiven tijde dat Juda van zijne broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira; 2 en Juda zag aldaar de dochter van een Kanaiinitisch man, wiens naam was Sua, en hij nam ze en ging tot haar in; 3 en zij werd bevrucht, en baarde eenen zoon, en hij noemde zijnen naam Er. 4 Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Onan. 5 Ãn zij voer nog voort en baarde eenen zoon, en noemde zijnen naam Sela; doch hij was te Ke-zib, toen zij hem baarde. 6 Juda nu nam eene vrouw voor Er zijnen eerstgeborene, en haar naam was Tamar. 7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des Heeren oogen; daarom doodde hem de Heere. 8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws b roeders naam, en verwek uwen broeder zaad. ^ 9 Doch Onan wetende dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zoo |
|
GENE geschiedde liet als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijnen broeder geen zaad te geven. 10 En het was kwaad in des Heeren oogen wat hij deed; daarom doodde hij hem ook. 11 Toen zeide Juda totTamar zijne schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot worde; want hij zeide: Dat niet misschien deze óók sterve gelijk zijne broeders, Zoo ging Tamar henen en bleef in liaara vaders huis. 12 Als nu vele dagen verloopen waren, stierf de dochter van Sua, huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijne schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira zijn vriend, de Adullamiet. 13 En men gaf Tamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna om zijne schapen te scheren. 14 Toen leidde zij de kleederen haars weduwschaps van zich af; en zij bedekte zich met eenen sluier en omwond zich en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag dat Sela groot geworden was en zij hem niet ter vrouwe was gegeven. 15 Als nu Juda haar zag, zoo hield hij ze voor eene hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had; 16 en hij week tot haar af naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet dat zij zijne schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij. ingaat? 17 En hij zeide: Ik zal u eenen geitenbok van de kudde zeivlen. En zij zeide: Zoo gij pand zult geven totdat gij 't zendt. IS Toen zeide hij: Wat pand is 't dat ik u geven zal? En zij zeide: Uwen zegelring, en uw snoer, en uwen staf, die in uwe hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in, en zij ontving bij hem. 19 En zij maakte zich op en ging henen, en leide haren sluier van |
SIS 38. 47 zich af, en zij trok de kleederen van haar weduwschap aan. 20 En Juda zond den geitenbok door de hand van zijnen vriend den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond ze niet. 21 En hij vraagde de lieden van hare plaats, zeggende: Waar ia de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeitien: Hier is geene hoer geweest. 22 En hij keerde weder tot Juda en zeide: ïk heb ze niet gevonden, en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geene hoer geweest. 23 Toen zeide Juda: Zij houde het voor zich, opdat wij niet misschien tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden, maar gij hebt haar niet gevonden. 24 En hot geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Tamar uwe schoondochter heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeid-e Juda: Brengt ze hervoor, dat zij verbrand worde. 25 Als zij voorgebracht werd, zond zij tot haren schoonvader, om te zeggen: Bij ien man,wien3 deze dingen zijn, ben ik zwanger, en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring en deze snoeren en deze staf zijn. 26 En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom dat ik haar aan mijnenzoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer. 27 En het geschiedde ten tijde als zij baren zoude, zie, zoo waren tweelingen in haren buik. 28 En het geschiedde als zij baarde, dat eeu de hand uitstak; en de vroedvrouw nam ze. en zij bond eenen scharlaken drariil om zijne hand, zeggende: Deze komt het eerst uit. 29 Maar het geschiedde als hij zijne hand weder introk, zie zoo kwam zijn broeder uit: en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebrolceu r Op u is de breuke. En men noemde zijnen naam Perez. 30 En daarna kwam zijn broe- |
|
46 GENE huilen â werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegeten; zoo zullen wij zien wat van zijne droomen worden zal. 21 1 tuben hoorde dat, en verloste hem uit hunne hand, en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan. 22 Ook zeide Ruben tot hen: Ver-giet geen bloed: werpt hem in dezen kuil, die in de woestijn is, en legt de hand piet aan hem; opdat hij hem uit hunne hand verloste, om hem tot zijnen vader weder te brengen. _ 23 En het Geschiedde als Jozef tot zijne broederen kwam, zoo togen zij Jozef zijnen rok uit, den veelvervigen rok dien hij aanhad, 24 en zij namen hem en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig, er was geen water in. 25 Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hunne ©ogen op en zagen, en zie, een reisgezelschap van Ismaëliten kwam uit Gilead, en hunne ke-melen droegen specerijen en balsem en mirre, reizende om dat al te brengen naar Egypte. 26 Toen zeide Juda tot zijne broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan en zijn bloed verbergen? 27 Komt en laat ons hem aan deze Ismaëliten verkoopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vleesch. Eu zijne broeders hoorden he 28 Als nu de Midianitische kooplieden voorbij togen, zoo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëliten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. 29 Als nu Kuben tot den kuil wederkeerde, zie, zoo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijne kleederen, 30 en Lij keerde weder tot zijne broederen en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik henengaan? 31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten eenen geitenbok,en zij doopt-n den rok in het bloed; 32 en zij zonden den veelvervi- |
S1S 38. gen rok en deden hem tot hunnen vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet. 33 En hij herkende hem en zeide: 'tls mijns zoons rok, een boos dier heeft hem opgegeten; voorzeker is Jozef verscheurd. 34 Toen scheurde Jakob zijne kleederen, en leide eenen zak om zijne lendenen, en hij bedreef rouwe over zijnen zoon vele dagen; 35 en alle zijne zonen en alle zijne dochteren maakten zich op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal rouw bedrijvende tot mijnen zoon in het graf nederdalen. Alzoo beweende hem zijn vader. 36 En de Midianiten verkochten hem in Egypte aan Potifar,Farao's hoveling, overste der trawanten. HOOFDSTUK 38. En het geschiedde ten zeiven tijde dat Juda van zijne broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira; 2 en Juda zag aldaar de dochter van een Kanaanitisch man, wiens naam was Sua, en hij nam ze en ging tot haar in; 3 en zij werd bevrucht, en baarde eenen zoon, en hij noemde zijnen naam Er. 4 Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Onan. 5 Ãn zij voer nog voort en baarde eenen zoon, en noemde zijnen naam Sela; doch hij was te Ke-zib, toen zij hem baarde. 6 Juda nu nam eene vrouw voor Er zijnen ee/stgeborene, en haar naam was Tamar. 7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des Heeren oogen; daarom doodde hem de Heere. 8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uwen broeder zaad. ^ 9 Doch Onan wetende dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zoo |
|
GENE geschiedde liet als hij tot zijns broeders huisvrouw ingmg, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijnen broeder geen zaad te geven. 10 En het was kwaad in des Heeren oogen wat hij deed; daarom doodde hij hem ook. 11 Toen zeide Juda totTamar zijne schoondochter : Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot worde; want hij zeide: Dat niet misschien deze óók sterve gelijk zijne broeders. Zoo ging Tamar henen en bleef in haars vaders huis. 12 Als nu vele dagen verloc pen waren, stierf de dochter van Sua, huisvrouw_ van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijne schaapscheerders naar Thnna toe, hij en Hira zijn vriend, de Adullamiet. 13 En men gaf Tamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna om zijne schapen te scheren. 14 Toen leidde zij de kleederen haars weduwschaps van zich af; en zij bedekte zich met eenen sluier en omwond zich en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag dat Sela groot geworden was en zij hem niet ter vrouwe was gegeven. 15 Als nu Juda haar zag, 2xgt;o hield hij ze voor eene hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had; 16 en hij week tot haar af naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet dat zij zijne schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij. ingaat ? 17 En hij zeide: Ik zal u eenen geitenhok van de kudde zervlen. En zij zeide: Zoo gij pand zult geven totdat gij 't zendt. 18 Toen zeide hij: Wat pand is 't dat ik u geven zal? En zij zeide: Uwen zegelring, en uw snoer, en uwen staf, die in uwe hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in, en zij ontving bij hem. 19 En zij maakte zich op en ging Lenen, en leide haren sluier van |
SIS 38. 47 zich af, en zij trok de kleederen van haar weduwschap aan. 20 En Juda zond den geitenhok door de hand van zijnen vriend den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond ze niet. 21 En hij vraagde de lieden van hare plaats, zeggende: Waar ia de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geene hoer geweest. 22 En hij keerde weder tot Juda en zeide: ïk heb ze niet gevonden, en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geene hoer geweest. 23 Toen zeide Juda: Zij houde het voor zich, opdat wij niet misschien tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden, maar gij hebt haar niet gevonden. 24 En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Tamar uwe schoondochter heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Brengt ze hervoor, dat zij verbrand worde. 25 Als zij voorgebracht werd, zond zij tot haren schoonvader, om te zeggen: Bij denman,wieu3 deze dingen zijn, ben ik zwanger, en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring en deze snoeren en deze staf zijn. 26^ En Judakende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom dat ik haar aan mijnenzoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer, 27 En het geschiedde ten tijde als zij baren zoude, zie, zoo waren tweelingen in haren buik. 28 En het geschiedde als zij baarde, dat een de hand uitstak; en de vroedvrouw nam ze. en zij bond eenen scharlaken draatl om zijne hand, zeggende: Deze komt het eerst uit. 29 Maar het geschiedde als hij zijne hand weder introk, zie zoo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijtgij doorgebroken? Op u is de breuke. En men noemde zijnen naam Perez. 30 En daarna kwam zijn broe- |
GENESIS 39.
48
|
der uit, om wiens hand de sdiar- i laken draad was; en men noemde : zijnen naam Zerah. HOOFDSTUK 39. ,Tiyj.ïinu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, Farao's hoveling^. «en overste der trawanten, een JSgyptisch man, kocht hemnit de hand der Ismaëliten, die hem ; derwaarts afgevoerd hadden. i 2 2£n de Heetie was met Jozef, ; zoodat hij een voorspoedig man j Tv-as, en hij was in zijns heeren j des Ks'yptenaars huis. | 3 Als nu zijn heer zag dat de llKP.iiE met liem was, en dat de Heeke al wat hij deed door zijne hand voorspoedig maakte, 4 zoo vond Jozef genade in zijne oogen, en diende hom; en hij eteklo jiem over zijn huis, en al wat hij had gaf hij in zijne hand. 5En het geschiedde van toen af dai hij hem over zijn hui?en over al ivar. het zijne was gesteld had,dat d e H kere des Egyi)tenaars huis ze-om Jozefs wille, ja, de zegen deslleeren was in alles dat liij had, ii) lief huis en in het veld. (1 En hij lief, all es wat hij had in Jquot;ozcls hand, zoodat hij met hem '» an.^eending kennis had, behalve van liet brlt;jod dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante en | gehoon van aangezicht. T Kn liet geschiedde na deze ! dingen dat zijns hoeren huisvrouw | hare oogen op Jozef wierp; en zij i zeide: Xiig bij mij. 8 Maar li ij weigerde het en 1 zeide tot zijns heeren huisvrouw : ; Zie, mijn heer heeft geen kennis | met mii ivat er in het huis is; en i al wat hij heeft, dat heeft hij in ; mij no 11 and gegeven; y niemand isgrooterin dithuis ' als ik, en hij heeft mij nietsont- 1 houden dan ii, daarin dat gij zijne huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan een zóó groot kwaad doen, en zondigen tegen God? lOEnlietgeschieddealszij Jozef dng op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen ei/- bij haar te zijn, |
11 zoo gebeurde het op zekeren dag dut li ij in het huis kwam om zijn werk te doen, en niemand van de lieden des huizes waa daar binnenshuis; 12 en zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij;en hij liet zijn kleed ia hare handen vluchtte en ging uit naai buiten. 13 En het geschiedde als zij zag dat hij zijn kleed in hare hand gelaten had en naar buiten gevlucht was, 14 zoo riep zij de lieden van haar huis en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwschen man ingebracht om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem : 15 en hot geschiedde als hij hoorde dat ik mijne stem verhief en riep, zoo liet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte en ging uit naar buiten. 1G En zij leidezijn kleedbij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam. 17 Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende:De Hebreenwsche knecht,dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen om met mij te spotten; 18 en iict is geschied als ik mijne stem verhief en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet en naar buiten vluchtte. 19 En het geschiedde als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze woorden heelt mij uw knecht gedaan, zoo ontstak zijn toorn; 2(J en Jozefs heer nam hemen leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse waar des Konings gevangenen waren; alzoo was hij daar in het gevangenhuis. 21 Doch de H eek e was met Jozef en wendde zijne goedertierenheid tot hem, en gaf hem genade in de oogen des oversten van het gevangenhuis; 22 en de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand, en al wat zij daar deden deed hij; 23 dc overste van het ge van- |
GENESIS 10.
49
drukte ze uit in Farao's beker, en ik gaf den beker in Farao's hand.
12 Toen zeide Jozef tot hem: Dit is zijne uitlegging: de drie-ranken zijn drie dagen:
13 binnen nog drie dagen zal-Farao uw hoofd verbetten en zal n-in uwen staat herstellen, en gij zult Farao's beker in zijne hamV geven, naar de vorige wijze toen gij zijn schenker waart.
14 Doch gedenk mijner bij uzel-ven wanneer het u wèl gaan. zal, en doe toch weldadigheid* aan mij, en doe van mij melding
I bij Farao, en maak dat ik uit | dit huis kome,
15 want ik ben dieflijk ontstolen uit der Hebreen land: en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben.
16 Toen de overste der bakkers-zag dat hij eene goede uitlegging
1 gedaan had, zoc zeide hij tot Jo-i zef: Ik was óók in mijnen droom I en zie, drie getraliede korven» ; waren op mijn hoofd;
17 en in den oppersten korf I was van alle spijze van Farao» : die bakkerswerk is; en het ge-
â vogelte at dezelve uit den korf j van boven mijn hoofd. ! 1$ Toen antwoordde Jozef en zeide: Dit is zijne uitlegging:damp; drie korven zijn drie dagen ;
19 binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verhellen vanboven u, en hij zal u aan een
j hout hangen, en het gevogelte zal uw vleesch van boven u eten.
20 En het geschiedde op den derden dag, den dag van Farao's-geboorte, dat hij voor alie zijn© knechten eenen maaltijd maalcte; en hij verhief het hoofd van tien
j overste der schenkers en het hooitl i van den overste der bakkers in , het midden zijner knechten;
21 en hij deed den overste der schenkers wederkeeren t.-t zijn
! schenk-ambt, zoodat hij den beker ! op Farao's hand gaf,
22 maar den overste der bak-, kers hing hij op, gelijk Jozef hun i uitgelegd had.
j 23 Doch de overste der schen-| kers gedacht aan Jozef niet, maa? : vergat hem.
genhms zag gansch op goen ding dat in zijne hand was, overmits dat de Heere met hem was; en i wat liij deed, dat deeddeiltERE : wèl gedijen.
HOOFDSTUK 40.
En liet geschiedde na deze din- i gen dat de schenker des Konings van Egypte en de bakker zondigden tegen hunnen lieer, tegen den Koning van Egypte,
2 zoodat Farao zeer toornig werd op zijne twee hovelingen, op den overste der schenkers en op den overste der bakkers;
3 en hij leverde ze in bewaring ten huize van den overste der trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse waar Jozef gevangen was.
4 En de overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij ze diende; en zij waren ef.nig^. dagen in bewaring.
5 Zij droomden nu beide eer en droom, elk zijnen droom,in éónen nacht, elk naar de uitlegging ziuis drooms: de schenker en de bakker die des Konings van Egypte waren, die gevangen wareu in het gevangenhuis.
6 En Jozef kwam des morgens tot hen, en hij zag ze aan, en zie, zij waren ontr-reld.
7 Toen vraagde iiij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis in het huis zijns heeren, zeggende: 'Wanrum zijn uwe aangezichten lieden kwalijk gesteld?
amp; En zij zeiden tot hem; quot;Wij hebben eenen droom gedroomd, en daar is niemand die hem uitlegge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen nietGodes? Vertelt ze mij tocii.
9 Toen vertelde de overste der schenkers Jozef zijnen droom, en zeide tot hem: In mijnen droom, zie, zoo was een wijnstok voor inijTi aangezicht;
10 en aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, zijne trossen brachten rijpe druiven voort;
11 en Farao's beker was in mijne hand; en ik nam die druiven en
60 GENESIS 41.
HOOFDSTUK 41. | alzoó is het geschied: mij heeft
; hij hersteld iu mijnen staat, en
En het geschiedde ten einde van i hem gehangen.
twee volle jaren dat Farao droom- i 14 Toen zondFarao en riep Jozef, de, en zie, hij stond aan de rivier; en zij deden hem haastelijk uit
2 en zie, daar kwamen op uit de ! den kuil komen; en men schoor rivier zeven koeien, schoon van hem en men^ veranderde zijne aanzien en vet van vleesch, en kleederen, en hij kwam tot Farao, zij weidden in het gras; i 15 En Farao sprak tot Jozef:
3 en zie, zeven andere koeien ; Ik heb eenen droom gedroomd, kwamen na die op uit de rivier, i en daar is niemand die hem uit-leelijk van aanzien en dun van legge; maar ik heb van,uhooren \ieesch,en zij stonden bij de ancZe- j zeggen, ais gij eenen droom hoort, re koeien aan den oever van de dat gij hem uitlegt.
rivier: _ 16 En Jozel'antw^rddeFarao,
4 en die koeien, leelijk van aan- , zeggende: Het is buiten mij: God zien en dun van vleesch, aten óp 1 zal Farao's welstand aanzeggen, die zeven koeien, schoon van aan- 17 Toen sprak Farao tot Jozef : zien en vet. Toen ontwaakte Zie, in mijnen droom stond ik Farao. aan den oever der rivier:
5 Daarna sliep hij en droomde ^ 18 en zie, daar kwamen op uit de andermaal, en zie, zeven aren rivier zeven koeien, vet van rezen op in éénen halm, vet en | vleesch en schoon van gedaante, goed; en zij weidden in het gras;
G en zie, zeven dunne en van 19 en zie, zeven andere koeien
den oostenwind verzengde aren kwamen óp na deze, mager en
schoten na dezelve uit: zeer leelijk van gedaante, rank
7 en de dunne aren verslonden van vleesch, ik heb dergelijke de zeven vette en volle aren. van leelijkheid niet gezien in het Toen ontwaakte Farao, en zie, gansche Egypteland:
het was een droom. 20 en die ranke en leelijke
8 En het geschiedde in den mor- , koeien aten die eerste zeven vette genstond dat zijn geest verslagen j koeien op;
was, en hij zond henen en riep i 21 dewelke in haren buik in-alle de too venaars van Egypte en kwamen, maar men merkte niet alle de wijzen die daar waren, dat ze in haren buik ingekomen en Farao vertelde hun _ zijnen | waren, want haar aanzien was droom; maar daar was niemand leelijk gelijk ais in den beginne, die ze Farao uitleide. â Toen ontwaakte ik.
9 Toen sprak de overste der : 22 Daarna zag ik in mijnen schenkers tot Farao, zeggende: Ik | droom, en zie, zeven aren rezen gedenk heden aan mijne zonden, j op in éénen halm, vol en goed;
10 Farao was zeer vertoornd op i 23 en zie, zeven dorre, dunne en zijne dienaars, en leverde mij in ! van den oostenwind verzengde bewaring ten huize van den over- aren schoten na dezelve uit; ste der trawanten, mij en den ! 24 en de zeven dunne aren ver-overste de bakkers. ' slonden die zeven goede aren. En
11 En in éénen nacht droomden ^ ik heb het den toovenaars gezegd, wij eenen droom, ik en hij: wij j maar daar was niemand die het droomden, elk naar de uitlegging mij verklaarde.
zijns drooms. j 25 Toen zeide Jozef tot Farao:
12 En aldaar was bij ons een He- j Farao's droom die is één: liet-breeuwsche jongeling, een knecht j geen God is doende heeft hij van den overste der trawanten; i Farao te kennen gegeven.
en wij verleiden ze hem,enhij leide | 26 Die zeven schoone koeien ons onze drqomen uit, aan ieder zijn zeven jaren, die zeven schoone leide hij ze uit naar zijnen droom; j aren zijn óók zeven jaren; do
13 en gelijk hij ons uitleide, i droom die is één.
|
GENE 27 En die zeven ranke en leelijke koeien, die na gene opkwamen,zijn zeven jaren; en die zeven ranke van den oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren des hongers wezen. 28 Dit is het woord hetwelk ik tot Farao gesproken heb: hetgeen dat God is doende heeft hij Farao vertoond. 29 Zie, de zeven aankomende jaren zal er groote overvloed in het gansche land van Egypte zijn. 30 Maar na dezelve zullen er opstaan zeven jaren des hongers, dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren. 31 Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dien honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn. 32 En aangaande dat die droom aan Farao ten tweeden male is herhaald, dit is omdat de zaak van God vast besloten is, en dat God haast om dezelve te doen. 33 Zoo zie nu Farao naar eenen verstandigen en wijzen man, en zette hem over liet land van Egypte. 34 Farao doe zóó, en bestelle opzieners over het land, en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds; 35 en dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen onder de hand van Farao tot spijze in de steden, en het bewaren: 36 zoo zal. de spijze zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren des hongers, dieinEgypte-land wezen zullen, opdat het land van honger niet verga. 37 En dit woord was goed in de oogen van Farao en in de oogen aller zijner knechten. 38 Zoo zeide Farao tot zijne knechten: Zouden wij weieenen man vinden als dezen, in denwelken Gods Geest is? 39 Daarna zeide Farao tot Jozef: Naardien God u dit alles heeft kond gedaan, zoo is er niemand soo verstandig en wijs als gij; |
!IS 41. 51 40 gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik grooter zijn dan gij. 41 Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gansch Egypteland gesteld. 42 En Farao nam zijnen ring van zijne hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleederen aantrekken en leide een gouden keten aan zijnen hals; 43 en hij deed hem rijden op den tweeden wagen dien hij had, en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzoo stelde hij hem over gansch Egypteland. 44 En Farao zeide tot Jozef: Ik ben Farao; doch zonder u zal niemand zijne hand of zijnen voet opheffen in gansch Egypteland. 44 En Farao noemde Jozefs naam Zafnath-Paünéah, en gaf hem Asnath, de dochter vanro-tiféra, overste van On, tot eene vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. 46 Jozef nu was dertig jaar oud als hij stond voor het aangezicht van Farao, Koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao's aangezicht en hij toog door gansch Egypteland. 47 En het land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen. 48 En hij vergaderde alle spijze der zeven jaren die in Egypteland was, en deed de spijze in de steden: de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, deed hij daar binnen. 49 Alzoo bracht Jozef bijeen zeer veel koren, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen, want daarvan was geen getal. 50 En Jozef werden twee zonen geboren, eer een jaar des hongers aankwam, die Asnath, de dochter van Fotiféra, overste van On, hem baarde. 51 En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen: Manasse: Want, zeide hij. God heeft mij doen vergeten al mijne moeite, en het gansche huis mijns vaders. 52 En den naam des tweeden |
GENESIS 42.
52
|
noemde hij Eiraïm: Want, zeide hij, God heeft mij doen-wassen in het land mijner verdrukking. 53 Toen eindigden de zeven jaren des overvloede, die in Egypte geweest was, 54 en de zeven jaren des hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had; en daar -was honger in alle de landen; maar in gansch Egypteland -was brood. 53 Als nu gansch Egypteland hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Farao zeide tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, duet wat hij u zegt. 56 Als dan de honger over het gausche land was,zoo opende J ozef alles waarin ieU was, en verkocht aan de Egyptenaren, want de honger werd aterk in Egypteland, 57 en alle landen kwamen iu Egypte tot Jozef om te koopen, want de honger was sterk in alle landen. HOOFDSTUK 42. Toen Jakob zag dat er koren in Egypte was, zoo zeide Jakob tut zijne zonen: Waarom ziet gij op malkander? 2 Voorts zeide hij:Zie, ik heb gehoord dat er koren in Egypte is: trekt daarhenen af, en koopt ons koren ^ van daar, opdat wij leven en niet sterven. 3 Toen togen Jozefs tien broederen af om koren uit Egypte te kuopen; 4 doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijne broederen; want hij zeide: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete. 5 Alzoo kwamen Israels zonen om te koopen onder degenen die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaan. G Jozef nu was liegen t over dat land: hij v erkoch taan allen volke des lands; en Jozefs broederen kwamen en bogen zich voor hem met het aangezicht ter aarde. 7 Als Jozef zijne broederen zag, zoo kende hij ze; maar hield zich Treemd jegens hen en sprak hard met hen, en zeide tot he^: |
Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaan, om spijze te koopen. 8 Jozef kende zijne broederen, maar zij kenden hem niet. 9 Toen gedacht Jozef aan de droomen, die h ij van hen gedroomd had, en hij zeide tot hen: Gij zijfe verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen waar het land bloot is. 10 En zij zeiden tot hem :Neen mijn heer, maar uwe knechten zijn gekomen om spijze te koopen; 11 wij allen zijn ééns mana zonen; wij zijn vroom: uwe knechten zijn geen verspieders. 12 En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen om te bezichtigen waar het land bloot is. 13 En zij zeiden: Wij uwlt;j knechten waren twaalf gebroeders, ééns mans zonen in het land Kanaan ; en zie. de kleinste is heden bij onzen vader; doch de een die is niet meer. 14 Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het wat ik tot u gesproken heb,zeggende: Gij zijt verspieders. 15 Hierin zult gij beproefd worden: zoo waarlijk als Farao leeft, indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn. 1G Zendt éénen uit u. die uwen broeder hale: maar weest gijlieden gevangen, én uwe woorden zullen beproefd worden of de waarheid bij uis; en indien niet, zoo icaarlijk ah Farao leeft, zoo zijt gij verspieders. 17 En hij zette ze te zamen drie dagen in bewaring. 18 En ten derden dage zeide Jozef tot hen: Doet dit,zoozult gij leven: ik vreeze God. 19 Zoo gij vroom zijt, zoo zij één uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaai gij henen, brengt .iet koren voor den honger uwer huizen: 20 en brengt uwen kleinsten broeder tot mij: zoo zullen uwe woorden waar gemaakt worden, en gij zult niet sterven. En zij deden alzoo. 21 Toen zeiden zij de één tot |
|
GENE den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wi: zagen, toen hij ons om genade bad, maar wij hoorden niet; daarom komt deze benauwdheid over ons. 22 Eu Euben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot uniet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling; maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, zie, het wordt gezocht. 23 En zij wisten niet dat Jozef liet hoorde; want daar was een taalman tusschen hen. 24 Toen wendde hij zich om van hen af, en weende; daarna keerde hij weder tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hunne oogen. 25 En Jozef gebood dat men hunne zakken met koren vullen zoude, en dat hun geld wederkeerde een iegelijk in zijnen zak, en dat men hun teerkost gaf voor den weg; en men deed hun al zoo. 26 En zij laadden hun koren op hunne ezels en togen van daar. 27 Toen één zijnen zak open-deed om zijnen ezel voeder te geven in de herberg, zoo zag hij zijn geld; want zie, het was in den mond van zijnen zak; 28 en hij zeide tot zijne broederen : Mijn geld is wedergekeerd, daartoe ook zie, het is in mijnen zak. Toen ontging hun het harte en zij verschrikten, de één tot den ander zeggende: Wat is dit dat ons God gedaan heeft? 29 En zij kwamen in het land Kanaan tot Jakob hunnen vader, en zij gaven hem te kennen al hun wedervaren, zeggende: 30 Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken, en hij heeft ons gehouden voor verspieders des lands; 31 maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom, wij zijn geen verspieders: 32 onzer waren twaalf gebroeders, onzes vaders zonen; de een die is niet weer, en de kleinste is heden bij onzen vader in het laud Kanaan. 33 En die man, de heer van dat iand, zeide tot ons: Hieraan zal ! IS 4 3. 53 |
ik erkennen dat gijlieden vroom zijt: laat één uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen en trekt henen ; 34 en brengt uwen kleinsten broeder tot mij : zoo zal ik weten dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zij t; uwen broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land handelen. 35 En het geschiedde als zij hunne zakken ledigden, zie, zoo had een iegelijk den bun del zijns gel ds in zijnen zak, en zij zagen de bundels huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd. 36 Toen zeide Jakob hun vader tot hen: Gij berooft mij van kinderen : Jozef dieis er niet, en Simeon die is er niet, nu zult gij Benjamin wegnemen: alle deze dingen zijn tegen mij. 37 Toen sprak Ruben tot zijnen vader, zeggende: Dood twee mijner zonen,zoo ik hem totu niet we-derbreng; geef hem in mijne hand, en ik zal hem weder tot u brengen. 38 Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want zijn broederis dood,en hij is alléén overgebleven: zoo hem een verderf ontmoette op den weg dien gij zult gaan, zoo zoudt gij mijne grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen. HOOFDSTUK 43. De honger nu werd zwaar in dat laud. 2 Zoo geschiedde het als zij den leeftocht, dien ze uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert weder,koopt ons een weinig spijze. 3 Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: Gij zult^ mijn aangezicht niet zien tenzij lt;jat uw broeder met u is. 4 Indien gij onzen broeder met ons zendt, wij zullen aftrekken en u spijze koopen; 5 maarindien gij hem nietzendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht uiet zien tenzij dat uw broeder met u is. G En Israël zeide: Waarom hebt |
|
54 GENEI gij zoo kvralijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft of gij nog eenen broeder hadt? 7 En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw* vader nog? Hebt gij nog eenen broeder? Zoo gaven wij het hem te kennen volgens diezelfde woorden: hebben wij juist geweten dat hij zeggen zoude: Brengt uwen broeder af? 8 Toen zeide Juda tot Israël zijnen vader: Zend den jongeling met mij, zoo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens. 9 Ik zal borg voor hem zijn, van mijne hand zult gij hem eischen: indien ik hem niet tot u breng en hem voor uw aangezicht stel, zoo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben: 10 want hadden wij niet ge-zuimd, voorwaar, wij waren al-reede tweemaal wedergekomen. 11 Toen zeide Israël hun vader tot hen: Is 't nu alzóó, zoo doet dit; neemt van het lotfelijkste dezes lands in uwe vaten, en brengt dien man een geschenk henen af: een weinig balsem en een weinig honig, specerijen en mirre, terpentij nnoten en amandelen. 12 En neemt dubbel geld in uwe hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken wedergekeerd is, wederom in uwe hand; misschien is 't een feil. 13 Neemt ook uwen broeder mede, en maakt u op, keert wederom tot dien man. 14 En God de Almachtige geve u barmhartigheid voor het aangezicht diens mans, dat hij uwen anderen broeder en Benjamin met u late gaan. En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zoo ben ik beroofd. 15 En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld m hunne hand, en Benjamin; en zij maakten zich op en togen af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht. 1(gt; Als Jozef Benjamin met hen ïag, zoo zeide hij tot dengene die |
IS 43. over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middage met mij eten. 17 De man nu deed gelijk Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen ten huize Jozefs. 18 Toen vreesden deze mannen, omdat zij ten huize Jozefs gebracht werden, en zij zeiden: Ter oorzake van dat geld, dat in het begin in onze zakken wedergekeerd is, worden wij hier ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezels. 19 Daarom naderden zij tot dien man die over Jozefs huis was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis, 20 en zij zeiden: Och mijn heere, wij waren in 't begin gewisselijk afgekomen om spijze te koopen; 21 het is nu geschied als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zoo was ieders geld in den mond van zijnen zak, ons geld in zijn gewicht, en wij hebben hetzelve we-dergebracht in onze hand; 22 wij hebben ook ander gel din onze hand afgebracht, om spijze te koopen: wij weten niet wie ons geld in onze zakken gelegd heeft. 23 En hij zeide: Vrede zij ulie-den, vreest niet: uw God en uws vaders God heeft u eenen schat in uwe zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit. 24 Daarna bracht de man deze mannen in Jozefs huis, en hij gaf water, en zij wieschen hunne voeten ; hij gaf ook aan hunne ezels voeder. 25 En zij bereidde» het geschenk, totdat Jozef kwam op dei middag; want zij hadden gehoord dat zij aldaar brood zouden eten. 20 Als nu Jozef te huis gekomen was, zoo brachten zij hem het geschenk, hetwelk in hunne hand was, in het huis; en zij bogen zich voor hem ter aarde. 27 En hij vraagd? ze naar 7mn-nen welstand, en zeide: Is het wèl |
|
GENE met uwen rader, den oude, daar gij van zeidet? Leeft hij nog? 28 En zij zeiden: Het is wél met uwen knecht onzen vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neder. 29 En hij hief zijne oogen op en zag Benjamin zijnen broeder, den zoon zijner moeder, en zeide: .(s dit uw kleinste broeder, daar g j tot mij van zeidet? Daarna zeide hij: Mijn zoon. God zij u genadig. 30 En Jozef haastte zich, want zijn ingewand ontstak jegens zijnen broeder, en hij zocht te wee-nen; en hij ging in eene kamer en weende aldaar. 31 Daarna wiesch hij zijn aangezicht en kwam uit, en hij bedwong zichzelven, en zeide: Zet brood op. 32 En zij richtten voor hem aan in 't bijzonder, en voor hen in 't bijzonder, en voor de Egyptenaren, die met hem aten in 't bijzonder; want do Egyptenaren mogen geen brood eten met de Hebreën, dew ijl zulks den Egyptenaren een gruwel is, 33 En zij zaten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zij ne eerstgeboorte, en de jongere naar zijnejonkheid;dies verwonderden zicli de mannen onder elkander. 3-1 En hij langde hun van de gerechten, die vóór hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal grooter dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem. HOOFDSTUK 44. En hij gebood dengene die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naardat zij zullen kunnen dragen, en leg ieder mans geld in den mond van zijnen zak; 2 en mijnen beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van des kleinsten zak, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had. 3 Des morgens als het licht werd, zoo liet men deze mannen trekken, hen en hunne ezels. 4 Zij zijn ter stad uitgegaan, zij ;IS 44. ö5 |
waren i\oq niet ver gekomen, als-Jozef tot dengene die over zijn huis was zeide: Maak u op en jaag die mannen achterna, en als gij ze zult achterhaald hebben, zoo zult gij tot hen zeggen: quot;Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden? 5 Is 't deze niet waar mijn heer uit drinkt en waarbij hij ietamp; zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, dat gij gedaan hebt. G En hij achterhaalde ze en sprak tot hen diezelfde woorden. 7 En zij zeiden tot hem: quot;Waarom spreekt mijn heer zulko woorden? Het zij verre van uwe knechten dat zij zoodanig een ding doen zouden. 8 Zie, het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij totu uit het landKanaan wedergebracht; hoe zouden wij dan uit uws heeren huis zilver of goud stelen ? 9 Bij denwelken van uweknech-ten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijnen heere tot slaven zijn. 10 En hij zeide: Dit zij nu ook alzóó naar uwe woorden: bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn. 11 En zij haastten zich en een iegelijk zette zijnen zak neder op de aarde, en een iegelijk opende zijnen zak. 12 En hij doorzocht, beginnende met den grootste en voleindigend» met den kleinste; en de beker werd gevonden in Benjamins zak. 13 Toen scheurden zij hunne kleederen; en ieder laadde zijnen ezel op, en zij keerden weder naar de stad. 14 En Juda kwam met zijnebroederen in Jozefs huis, want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde. 15 En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit die gij gedaan hebt? Weet gij niet dat zulk een man als ik dai zekerlijk waarnemen zoude? 1(3 Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijnen heer zeggen? Wat |
GENESIS 45.
56
|
cr.llen ^ spreken en vat zullen wij ons rechtvaardigen ? God heeft â¢de ongerechtigheiduwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns liederen slaven, zoo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is. 17 Maar hij zeidc: Het zij verre van mij zulks te doen: die man in wiens hand de beker gevonden is. die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uwen vader. 18 Toen naderde Jnda tot hern en zeide: Och mijnheer, laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heeren ooren, en laat uw toorn tegen uwen knecht niet ont-eteken; want gij zijt even gelijk Farao. 19 Mijn heer vraagde zijne knechten, zeggende: Hebt gijlieden eenen vader of broeder? 20 Zoo zeiden wij tot mijnen heer: Wij hebben^ eenen ouden vader, en eenen jongeling des â ouderdoms, don kleinste, wiens 'broeder dood is, en hij is alléén van zijne moeder overgebleven, â en zijn vader heeft hem lief. 21 Toon zeidet gij tot uwe knechten: Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla. 22 En wij zeiden tot mijnen heer: Die jongeling zal zijnen vader niet kunnen verlaten; in dien hij zijnen vader verlaat, zoo zal hij sterven. 23 Toen zeidet gij tot uwe knechten: Indien uw kleinste broeder met u niet afkomt, zoo zult gij mijn aangezicht niet meer zien. 24 En het is geschied als wij tot uwen knecht mijnen vader opgetrokken zijn, en wij hem mijns heeren woorden verhaald hebben, 25 en dat onze vader gezegd heeft: Keert weder, koopt ons â¢een weinig spijze ^ 26 zoo hebben wij gezegd: quot;Wij zullen nïet mogen aftrekken: indien onze kleinste broeder bij ons is, zoo zullen wij aftrekken; want wij zullen diens mans aangezicht niet mogen zien, zoo deze onze kleinste broeder niet bij ons is. 27 ïoen zeide uw knecht mijn vader tot ons: Gijlieden weet dat mijne huisvrouw mij twee zonen gebaard heeft; |
28 en de één is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Voorwaar, hij isgewisselijk verscheurd geworden; en ik heb hem niet gezien tot nu toe: 29 indien gij nu dezen óók van mijn aangezien t wegneemt,en hem een verderf ontmoette, zoo zoudt gij mijne grauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen. 30 Nu dan, als ik tot uwen knecht mijnen vader koine, en de jongeling niet bij ons is, (alzoo zijne ziele aan dezes ziele gebonden is), 31 zoo zal liet geschieden als hij ziet dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uwe knechten zullen de grauwe haren van uwen knecht onzen vader met droefenis ten grave doen nederdalen. 32 Want uw knecht is voor dezen jongeling borg bij mijnen vader, zeggende: Zoo ik hem tot u niet wederbreng, zoo zal ik tegen mijnen vader alle dagen gezondigd hebben. 33 Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling mijns heeren slaaf blijven, en laat de jongeling met zijne broederen optrekken; 34 want hoe zoude ik optrekken tot mijnen vader, indien de jongeling niet met mij was? Opdat ik den jammer niet zie welke mijnen vader overkomen zoude. HOOFDSTUK 45. Toen kon zich Jozef niet bedwingen, voor allen die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man | van mij uitgaan. En daar stond i niemand bij hem, als Jozef zich aan zijne broederen bekend maakte. 2 En hij verhief zijne stemme met weenen, zoodat het de Egyp-tenaren hoorden en dat het Farao's huis hoorde. 3 En Jozef zeide tot zijne broeders: Xk ben Jozef: leeft mijn vader nog? En zijne broeders konden , hem niet antwoorden, want zij l waren verschrikt voor zijn aan-I gezicht. |
|
GENE 4 En Jozef zeide tot zijne broeders: Nadert toch tot mij ;en zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt. 5 Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uwe oogen, omdat gij mij liier-henen verkocht hebt: want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden tot behoudenis des levens. 6 quot;Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands, en er zijn nog vijf jaren, in dewelke geen ploeging nog oogst zijn zal; 7 doch God Iieeft mij voor nlie-lieder aangezicht henengezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij liet leven te behouden door eene groote verlossing. 8 Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God zelf, :lie mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot eenen heer over zijn gan-sclie huis en regeerder in Let gansche land van Egypte. 9 Haast u en trekt op tot mijnen vader, en zegt tot hem: Alzóo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot eenen heer over gansch Egypteland gesteld: kom af tot mij en vertoef niet; 10 en gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uwe zonen en de zonen uwer zonen, en uwe schapen en uwe runderen en al wat gij hebt, 11 en ik zal u aldaar onderhouden; want daar zullen nog vijf jaren dea hongers zijn: opdat gij niet verarmt, gij en uw huis en alles wat gij hebt. 12 En zie, uwe oogen zien het, en de oogen mijns broeders Benjamins, dat mijn mond tot u spreekt. 13 En boodschapt mijnen vader al mijne heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij gezien hebt; en haast u en brengt mijnen vader herwaarts af. 14 En hij viel aan Benjamins zijns broeders hals, en weende; en Benjamiu weende aan zijnen hals. 15 En hij kuste alle zijne broe- |
SIS 45. 57 deren, en hij weende over hen; en daarna spraken zijne broeders met hem. 16 Als dit gerucht in het huio Farao's gehoord werd, dat men zeide: Jozefs broeders zijn gekomen, was liet goed in de oogen Farao's en in de oogen zijner knechten; 17 en Farao zeide tot Jozef: Zeg tot uwe broederen: Doet dit, laadt uwe beesten en trekt henen, gaat naar het land Kanaan; 18 en neemt uwen vader en uwe huisgezinnen en komt toti mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten: 19 gij zijt toch gelast; doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uwe kinderkens en voor uwe vrouwen, en voert uwen vaderen komt. ! 20 En uw oog verschoone uw huisraad niet; want het beste van gansch Egypteland, dat zal uwe zijn. 21 En de zonen Israels deden alzoo. Zoo gaf Jozef hun wagenen, naar Farao's bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg. 22 Hij gaf hun allen, één voor één, wisselkleederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen en vijf wisselkleederen. 23 En zijnen vader desgelijks zond hij tien ezels, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen dragende koren eu brood, en spijze voor zijnen vader op den weg. 24 En hij zond zijne broeders henen, en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg. 25 Eu zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Ka-naiin tot hunnen vader Jakob. 26 Toen boodschapten zij hem» zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gansch Egypteland: toen bezweek zijn harte,, want hij geloofde ze niet. 27 Maar als zij tot hem gesproken hadden alle de woorden Jozefs, die hij tot hen gesproken, had, en dat hij de wagens zag. die Jozef gezonden had om hein |
|
68 GENE te voeren, zoo werd Jakobs huns vaders geest levendig, 28 en Israël zeide: Het is ge-genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog: ik zal gaan, en liein zien eer ik eterve. HOOFDSTUK 46. En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-Séba, en hij offerde offeranden den God zijns vaders Isaaks. 2 En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie hier ben ik. 3 En hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet af te trekken naar Egj'pte, want ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. 4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte, en ik zal n doen iccder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijne hand op uwe oogen leggen. 5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-Séba; en de zonen Israels vervoerden Jakob hunnen vader, en hunne kinderkens, en hunne vrouwen, op de wagens, die Farao gezonden had om hem te vervoeren. 6 En zij namen him vee en hunne have die zij in Ij et land Kanaün verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem; 7 zijne zonen en de zonen zijner zonen met hem, zijne doch-teren en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. 8 En dit zijn de namen der zonen Israels die in Egypte kwamen, Jakob en zijne zonen. De eerstgeborene Jakobs, Ruben. 9 En Rubens zonen: Henoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. 10 Ei Simeons zonen: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon eener quot;Kanaiinitische vrouw. 11 En de zonen van Levi: Gerson, Kohath en Merari. 12 En de zonen van Juda: Er â¢en Onan, en Sela, en Perez, en iZerah: doch Er en Onan waren |
51S 46. gestorven in het land Kanaan. En de zonen van Perez waren Hezron en Hamul. 13 En Issaschars zonen: Tola, en Pua, en Job, en Simron. 14 En Zebulons zonen: Sered, en Elon, en Jahleël. 15 Dit zijn Lea's zonen, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan Aram, met Dina zijne dochter: alle de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drieëndertig. 16 En Gads zonen: Ziflon, en Haggi, Suni, en Ezbon, Eri, en Arodi, en Areli. 17 En Asers zonen: Jimna en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Serah hunne zuster; en de zonen van ^cria: Heber en Malkiel. 18 Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijne dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen. 19 De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin. 20 En aan Jozef werden geboren in Egypteland Manasse en Efraïm dieAsnath, de dochter van Poti-férn.den overste te On, hem baarde. 21 En Benjamins zonen: Bela, Becher, en Asbel, Gera, en Naa-man, en Ehi, en Ros, Muppim, en Huppim, en Ard. 22 Dit zijn Rachels zonen, die aan Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen. 23 En Dans zonen: Husim. 24 En Naftali's zonen: Jahzeël, en Guni, en Jezer. en Sillem. 25 Dit zijn dezonen van Bilha, die Laban aan zijne dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve aan Jakob, zij waren allen zeven zielen. 26 Alle de zielen die met Jakob inEgypte kwamen,uit zijne heupe gesproten, uitgenomen de vrouwen der zonen Jakobs, waren allen zes en zestig zielen. 27 En Jozefs zonen, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Alle 've zielen van het huis Jakobs, die in Egypte kwamen, waren zeventig. 28 En hij zond Juda voor zijn aangezicht henen tot Jozef, pm voor zijn aangezicht aanwijzing |
|
QEH E te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen. 29 Toen spande Jozef zijnen wagen aan, en toog op, zijnen vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zoo viel hij hem aan zijnen hals, en weende lang aan zijnen hals. 30 En Israël zeide tot Jozef; Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft. 31 Daarna zeide Jozef tot zijne broederen en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao bood-schappen, en tot hem zeggen: Mijne broeders en mijns vaders huis, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen; 32en die mannen zijn schaapherders, want het zijn mannen die met vee omgaan; en zij hebben hunne schapen en hunne runderen, en al wat zij hebben, medegebracht. 33 Wanneer het nu geschieden zal dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uwe hanteering? 34 zoo zult gij zeggen: Uwe knechten zijn mannen die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zoo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel. HOOFDSTUK 47. Toen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zeide: Mijn vader en mijne broeders, en hunne schapen en hunne runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaan, en zie, zij zijn in het land Gosen. 2 En hij nam een deel zijner J broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde ze voor Farao's aangezicht. 3 Toen zeide Farao tot zijne broederen: Wat is uwe hanteering? En zij zeiden tot Farao: Uwe knechten zijn schaapherders, zoo wij als onze vaders. 4 Voorts zeiden zij tot Farao:Wij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te wonen;waut daar is geen weide voor de schapen, die uwe knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het landKa- |
S1JS 47. 59 naan; en nu, laat toch uwe knechten in het land Gosen wonen. 5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uwe broeders zijn tot u gekomen; G Egypteland is voor uw aangezicht, doe uwen vader en uwe broeders in het beste van liet land wonen ; laat ze in het land Gosen wonen, en zoo gij weet dat er onder hen kloeke mannen zijn, zoo stel ze tot veemeesters over het-gene dat ik heb. 7 En Jozef bracht zijnen vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao. 8 En Farao zeide tot Jakob: Hoe veie zijn de dagen der jaren uws levens? 9 Eu Jakob zeide tot Farao; De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren'des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen. lü En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht. 11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijne broederen woningen, en hij gaf hun eene bezitting in Egypteland, in het beste van het land% in het land Eameses, gelijk als Farao geboden had. 12 En Jozef onderhield zijnen vader en zijne broeders en het gansche huis zijns vaders met brood, tot den mond der kinder-kens toe. 13 En daar was geen brood in het gansche land, want de honger was zeer zwaar; zoodat het land van Egypte en het land Kanaan raasden vanwege dien honger. 14 Toen verzamelde Jozef al het geld dat in Egypteland en in het land Kanaan gevonden werd, voor het koren dat zij kochten;en Jozef bracht dat geld in Farao's huis. 15 Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaan verteerd was, kwamen aile de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood, want waarom zouden wij in uwe tegenwoordigheid |
|
58 GENE te voeren, zoo werd Jakobs huns vaders geest levendig, 28 en Israël zeide: Het is ge-genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog: ik zal gaan, en hem zien eer ik eterve. HOOFDSTUK 46. En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-Séba, en hij oflërde offeranden den God zijns vaders Isaaks. 2 En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie hier ben ik. 3 En hij zeide: Ik ben die God, nws vaders God; vrees niet af te trekken naar Egypte, want ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. 4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte, en ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijne hand op uwe oogen leggen. 5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-Séba; en de zonen Israels vervoerden Jakob hunnen vader, en hunne kindorkens, en hunne vrouwen, op de wagens, die Farao gezonden had om hem te vervoeren. 6 En zij namen hun vee en hunne have die zij in hot land Kanaün verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem; 7 zijne zonen en de zonen zijner zonen met hem, zijne doch-teren en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. 8 En dit zijn de namen der zonen Israels die in Egypte kwamen, Jakob en zijne zonen. De eerstgeborene Jakobs, Ruben. 9 En Rubens zonen: Henoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. 10 En Simeons zonen: Jemuël, en Jamiu, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon eener 'Kanaanitische vrouw. 11 En de zonen van Levi: Gerson, Kohath en Merari. 12 En de zonen van Juda: Er â¢en Onan, en Sela, en Perez, en iZerah: doch Er en Onan waren 5IS 46. |
gestorven in het land Kanaan. En de zonen van Perez waren Hezron en Hamul. 13 En Issaschars zonen: Tola, en Pua, en Job, en Simron. 14 En Zebulons zonen: Sered, en Elon, en Jahleël. 15 Dit zijn Lea's zonen, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan Aram, met Diua zijne dochter: alle de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drieëndertig. 16 En Gads zonen: Zifion, en Haggi, Suni, en Ezbon, Eri, en Arodi, en Areli. 17 En Asers zonen: Jimna en Jisva, en Jisvi, en Berm, en Serah hunne zuster; en de zonen van J^cria: Heber en Malkiel. 18 Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijne dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen. 19 De zonen van Kachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin. 20 En aan Jozef werden geboren in Egypteland Manasse en Efraïm dieAsnath.de dochter van Poti-férn,den overste te On, hem baarde. 21 En Benjamins zonen: Bela, Bccher, en Asbel, Gera, en Naa-man. en Ehi, en Bos, Muppim, en Huppim, en Ard. 22 Dit zijn Rachels zonen, die aan Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen. 23 En Dans zonen: Husim. 24 En Naftali's zonen: Jahzeël, en Guni, en Jezer. en Sillem. 25 Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijne dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve aan Jakob, zij waren allen zeven zielen. 26 Alle de zielen die met Jakob inEgypte kwamen,uit zijne heupe gesproten, uitgenomen de vrouwen der zonen Jakobs, waren allen zes en zestig zielen. 27 En Jozefs zonen, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Alle «.e zielen van het huis Jakobs, die in Egypte kwamen, waren zeventig. 28 En hij zond Juda voor zijn aangezicht henen Aot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing |
|
GEUE te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen. 29 Toen spande Jozef zijnen wagen aan, en toog op, zijnen vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zoo viel hij hem aan zijnen hals, en weende lang aan zijnen hals. 30 En Israël zeide tot Jozef: Dat-ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft. 31 Daarna zeide Jozef tot zijne broederen en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken 'en Farao boodschappen, cn tot hem zeggen: Mijne broeders en mijns vaders huis, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen; 32 en die mannen zij n scha a i «herders, want het zijn mannen die met vee omgaan; en zij hebben hunne schapen en hunne runderen, en al wat zij hebben, medegebracht. 33 Wanneer het nu geschieden zal dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uwe hanteeri ng? 34 zoo zult gij zeggen: Uwe knechten zijn mannen die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zoo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen ; want alle Gchaapherder is den Egyptenaren een gruwel. HOOFDSTUK 47. Toen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zeide: Mijn vader en mijne broeders, cn hunne schapen en hunne runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaan, en zie, zij zijn in het land Gosen. 2 En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde ze voor Farao's aangezicht. 3 Toen zeide Farao tot zijne broederen: Wat is uwe hanteering? En zij zeiden tot Farao: Uwe knechten zijn schaapherders, zoo wij als onze vaders. 4 Voorts zeiden zij tot FaraoiWij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te wonen;waut daar is geen weide voor de schapen, die uwe knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het landKa- |
SIS 47. 59 naanen nu, laat toch uwe knechten in het land Gosen wonen. 5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uwe broeders zijn tot u gekomen; G Egypteland is voor uw aangezicht, doe uwen vader en uwe broeders in het beste van liet land wonen ; laat ze in het land Gosen wonen, en zoo gij weet dat er onder hen kloeke mannen zijn, zoo stel ze tot veemeesters over het-gene dat ik heb. 7 En Jozef bracht zijnen vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao. 8 En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens? 9 En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren'des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen. 10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht. 11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijne broederen woningen, en hij gaf hun eene bezitting in Egypteland, in het beste van het land% in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had. 12 En Jozef onderhield zijnen vader en zijne broeders en her. gansche huis zijns vaders met brood, tot den mond derkinder-kens toe. 13 En daar was geen brood in het gansche land, want de honger was zeer zwaar; zoodat het land van Egypte en het land Kanaan raasden vanwege dien honger. 14 Toen verzamelde Jozef al het geld dat in Egypteland en in het land Kanaan gevonden werd, voor het koren dat zij kochten: en Jozef bracht dat geld in Farao's huis. 15 Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaan verteerd was, kwamen ai ie de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood, want waarom zouden wij in uwe tegenwoordigheid |
|
GJ GENE â¢terven ? want het geld ontbreekt. 16 En Jozef zeide: Geef uw vee, ïoo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt. 17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef, en Jozef gaf hun brood, voor paarden en voor het vee der schapen en voor het vee der runderen en voor ezels; en hij voedde ze met brood dat jaar, voor al hun vee. 18 Toen dat jaar voleindigd was, zoo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: quot;Wij zullen het voor mijnen heer niet verbergen, aizoo het geld verteerd is en de bezitting der beesten gekomen aan mijnen heer, zoo is er niet anders overgebleven voor het aangezicht mijns heeren, dan ons lichaam en ons land. 19 Waarom zullen wij voor uwe oogen sterven, zoo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood, zoo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven^ en niet sterven, en het land niet woest worde. 20 Alzoo kocht Jozef het geheeleland van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten ieder zijnen akker, dewijl de honger sterk over hen gewórden was; zoo werd het land Farao's eigendom. 21 En het volk aangaande, dat zette hij over in de steden, van het eene tot het andere uiterste der landpale van Egypte. 23 Alleen het land derPrieste-ren kocht hij niet; wantdePriesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk Farao hun gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet. 22 Toen zeide Jozef tot het volk: Zie, ik heb heden u enuw land gekocht voor Farao: zie daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait. 24 Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij Farao het vijfde deel zult geven, en de vier deelen zullen voor u zijn, tot zaad gt; des velds, en tot uwe spijze en dergenen die in uwe huizen zijn, en om te eten voor uwe kmderkens. 25 En zij zeiden: Gij hebt ons |
IIS 48. leven behouden; laat ons genade vinden in mijns heeren oogen, en wij zullen Farao's knechten zijn. 26 Jozef dan stelde dit in tot eene wet, tot op dezen dag, over het land van Egypte, dat Farao het vijfde deel zoude hebben; behalve dat alleen het land der Priesteren Farao's niet werd. 27 Zoo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen, en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer. 28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zoodai de dagen Jakobs, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaar. 29 Als nu de dagen Israels naderden, dat hij sterven zoude, zoo riep hij zijnen zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo leg toch uwe hand onder mijne heupe; en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; 3*0 maar dat ik bij mijne vaderen ligge; hierom zult gij mij ui tEgypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord. 31 En hij zeide: Zweer mij; en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed. HOOFDSTUK 48. Het geschiedde nu na deze dingen dat men Jozef zeide: Zie^uw vader is krank. Toen nam hij zijne twee zonen mei: zich, Manasse en Efraïm. 2 En men boodschapte Jakob en men zeide: Zie, uw zoon .Jozef komt tot u. Zco versterkte zich Israël, en zat op het bed. 3 Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige is mij verschenen te Luz in het land Ka-naan, en hij heeft mij gezegend: 4 en hij heeft tot mij gezegd: Zie, ik zal u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volkeren stellen; en ik zal uwen zade na u dat land tot eene eeuwige bepitting geven. |
|
GEKE 5 Nu dan, uwe twee zonen, die u in Egypteland geboren -waren eer ik in Egypte tot u gekomen ben, Eijnmijne: Elraïm en Manas se znl-len mijne zijn, als Ruben en Simeon. 6 Maar nw geslacht, dat gij na henznltgewinnen, zullen uwezijn: zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel. 7 Toen ik nu van Paddan kwam, zoo is Rachel bij mij gestorven in liet land Kanaan op den weg, als het nog eene kleine streek lands was om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, dewelke is Bethlehem. 8 En Israël zag de zonen Jozefs, en zeide: Wiens zijn deze? 9 En Jozef zeide tot zijnen vader: Zij zijn mijne zonen, die God mij hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng ze toch tot mij, dat ik ze zegene. 10 Doch Israels oogen wj.ren zwaar van ouderdom, hij kon niet zien. En hij deed ze tot hem naderen; toen kuste hij ze en omhelsde ze. 11 En Israël zeide tot Jozef; Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien, maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien. 12 Toen deed hen Jozef uitgaan van zijne knieën, en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde; 13 en Jozef nam die beiden, Efraïm met zijne rechterhand, tegenover Israels linkerhand, en Manasse met zijne linkerhand, tegenover Israels rechterhand, en Iiij deed ze tot hem naderen. 14 Maar Israël strekte zijne rechterhand uit en leide ze op Efraïms hoofd, hoewel hij de minste was, en zijne linkerhand op Manasse's hoofd; hij bestuurde zijne handen versto ndigi ijk, want Manasse was de eerstgeborene. 15 En hij zegende Jozefenzeide: De God, voor wiens aangezicht mijne vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben, die God, die mij gevoed heeft van dat ik was tot op dezen dag, 16 die Engel die mij verlost ?IS 49. 61 |
heeft van alle kwaad, zegene dez« jongelingen, en dat in hen mijn naam genoemd worde en de naam mijner vaderen Abraham en Isaak, en dat zij vermenigvuldigen als visschen in menigte, in het midden des lands. _ 17 Toen Jozef zag dat zijn vader zijne rechterhand op Efraïms hoofd leide, zoo was het kwaad in zij neoogen, en hij vatte zij ns vaders hand, om die van Efraïms hoofd op Manasse's hoofd af te brengen; 18 en Jozef zeide tot zijnen vader: Niet alzóó, mijn vader; want deze is de eerstgeborene: leg uwe rechterhand op zijn hoofd. 19 Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet liet; hij zal óók tot een volk worden, en hij zal óók groot worden: maar nochtans zal zijn kleinste broeder grooter worden dan hij, en zijn zaad zal eene volle menigte van volkeren worden. 20 Alzoo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God stelle u als Efraïm en als Manasse. En hij stelde Efraïm vóór Manasse. 21 Daarna zeide Israël to t Jozef : Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en hij zal u weder-brengen in het land uwer vaderen. 22 En ik heb u een stuk land? gegeven boven uwe broederen, hetwelk ik met mijn zwaard en met mijnen boog uit der Amoriten hand genomen heb. HOOFDSTUK 49. Daarna riep Jakob zijne zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal. 2 Komt te zamen en hoort gij zonen Jakobe, en hoort naar Israël, uwen vader. 3 Iluben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijne kracht en het begin mijner macht, de voortretielijkste in hoogheid en de voortrefielij kste in sterkte. 4 Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet |
GENESIS 49.
62
|
zijn; want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het gesclionden; hij heeft mij n bed beklommen. 5 Simeon en Levi zijn gebroeders: hunne handelingen zijn werktuigen van geweld. G Mijne ziele kome niet in Imn-nen verborgen raad, mijne eere worde niet vereenigd met linnne vergadering; want in hunnen toorn hebben zij de manuen doodgeslagen, en in hunnen moedwil hebben zij de ossen weggerukt. 7 Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard: ik zal ze verdeelen onder Jakob en zal ze verstrooien onder Israël. 8 Juda, gij zijt het, u zullen uwe broeders loven; uwe hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen. 9 Juda is een leeuwenwelp, gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon; hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw: wie zal hem doen opstaan? 10 De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tusschen zijne voeten, totdat Silo komt, en denzelven zullen de volkeren gehoorzaam zijn. 11 Hij bindt zijnen jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner i ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wascht zijn kleed in den wijn, en zijnen mantel in wijndrnivenbloed; 12 hij is roodachtig van oogen door den wijn, en wit van tanden door de melk. 13 Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijne zijde zal zijn naar Sidon. 14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tusschen twee pakken. 15 Toen hij de rust zag dat zij goed was, en het land dat het lustig was, zoo boog hij zijnen schouder om te dragen, en was dienende onder schatting. 16 Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls. |
17 Dan zal eene slang zijn aan den weg, eene adderslang nevens het pad, bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle. 18 Op uwe zaligheid wacht ik, Heere. 19. Aangaande Gad, eene bend© zal hem aanvallen; maar hij zal ze aanvallen in het einde. 20 Van Aser, zijn brood zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren. 21 Naftali is eene losgelatene hinde; hij geeft schoone woorden. 22 Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan eene fontein; elk der takken loopt over den muur. 23 De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en hem beschoten en gehaat; 24 maar zijn boog is in stevigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van den Machtige Jacobs; vandaar is hij een herder, een steen Israëls: 25 van uws vaders God die u zal helpen, en van den Almachtige die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder. 26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd Jozefs, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen. 27 Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten en des avonds zal hij buit uitdeel en. 28 Alle deze stammen Israels zijn twaalf; en dit is hetgeen hun vader tot hen sprak, als hij ze zegende: hij zegende ze ieder naar zijnen bij zonde ren zegen. 29 Daarna gebood hij hun en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk, begraaft mij bij mijne vaderen, in de spelonk, die daar is in den akker Efrcns des He-thiets, 30 in de spelonk, welk© is in |
|
GENE den akker van Machpela, die tegenover Mamré is in het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron den Hethiet tot eene erfbegra-fenis. 31 Aldaar hebben zij Abraham begraven en Sara i;ijne hnis-vromv, daar hebben zij Isaak begraven en Rebekka zijne huisvrouw, en daar heb ik Lea begraven. 32 De akker en de spelonk die daarin is, is gekocht van de zonen Heths. 33 Als Jacob voleindigd had zijnen zonen bevelen te geven, zoo leide hij zijne voeten te zamen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijne volken. HOOFDSTUK 50. Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem. 2 En Jozef gebood zijnen knechten den medicijnmeesters dat zij zijnen vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël. 3 En veertig dagen werden aan hem vervuld: want alzoo werden vervuld de dagen dergenen die gebalsemd werden; en de Egyp-tenaars beweenden hem zeventig dagen. 4 Als nu de dagen zijns be-weenens over waren, zoo sprak Jozef tot den huize Farao's zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, spreekt toch voor de ooren Farao's, zeggende : 5 Mijn vader heeft mij doen zweren,zeggende: Zie, ik sterve: in mijn graf dat ik mij in het land Kanaan gegraven heb, daar zult gij mij begraven. Nu dan, laat mij toch optrekken dat ik mijnen vader begrave, dan zal ik wederkomen. G En Farao zeide: Trek op en begraaf uwen vader, gelijk als hij u heeft doen zweren. 7 En Jozef toog op om zijnen vader te begraven; en met hem togen óp alle Farao's knechten. |
BIS 50. G3 de oudsten van zijn huis, en alle de oudsten des lands van. Egypte; 8 daartoe ^ het gansche huis-Jozefs en zijne broeders, en het huis zijns vaders; alleen hunne-kleine kinderen en hunne scha-pen^ en hunne runderen lieten; zij in het land Gosen. 9 En met hem togen óp zoo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir. 10 Toen zij nu aan de vlakt» van het doornbosch kwamen, dat aan gene zijde van den Jordaan is hielden zij daar eene grooteen zeer zware rouwklage, en hij-maakte zijnen vader eenen rouw van zeven dagen. 11 Als de inwoners des lands;, do Kanaaniten, dien rouw zagen in de vlakte van het doornbosch, zoo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haren naam Abel-Mizraïm, die^ aan het veer van den Jordaan is. 12 En zijne zonen deden hem gelijk als hij hun geboden had; 13 want zijne zonen vervoerden hem in het land Kanaan, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, dewelkeAbra-ham met den akker gekocht had: tot eene erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamré. 14 Daarna keerdeJozefwederin Egyte, hij en zijne broeders, en allen die met hem opgetogen waren om zijnen vader te begraven, nadat hij zijnen vader begraven had. 15 Toen Jozefs broeders zagea dat hun vader dood was, zoo zeiden zij: Misschien zal Jozef ons-haten, en hij zal ons gewisselijkquot; vergelden al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben. 16 Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende; uw vader heeft bevolen vóór zijnen dood, zeggende: 17 Zóó zult gij tot J ozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen en hunne zonde: want zij hebben u kwaad aangedaan, maar nu, vergeef toch de overtreding der dienaren des Gods-uws vaders. En Jozef weende als zij tot hem spraken. |
EXODUS 1.
*64
|
18 Daarna kwamen ook zijne broedera en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten. 19 En Jozef zeide tot hen: Vreest niet, want ben ik in de plaats van God? 20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht, opdat hij deed gelijk hei te dezen dage is, om een groot volk in het leven â te behouden, 21 Nu dan, vreest niet: ik zal u en uwe kleine kinderen onderhouden. Zoo troostte hij hen en â¬prak naar hun harte. _ 22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en zijns vaders huis; en Josef 'ieefde honderd en tien jaren; |
23 en Jozef zag van Efraïm kinderen, des derden gel ids; ook werden de zonen Machirs, des zoons van Manasse, op Jozefs knieën geboren. 24 En Jozef zeide tot zijne broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft. 25 En Jozef deed de zonen Israels zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zoo zult gij mijne beenderen van hier opvoeren. 26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in eene kist in Egypte. |
HET TWEEDE BOEK VAN I0ZES
GENAAMD
EXODUS.
|
nOOFDSTlTK 1. Dit nu zijn de namen der zonen Israels, die in Egypte gekomen .zijn met Jakob; zij kwamen er â in, elk met zijn huis. 2 Iiiiben, Simeon, Levi, en Ju da; 3 Issaschar, Zebulon, en Benjamin ; 4 Dan, enXaftali, Gad, en Aser. 5 Alle de zielen nu die uit Ja-kobs heupe voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte. 6 Toen nu Jozef gestorven was, en alle zijne broeders, en al dat geslacht, 7 zoo werden de kinderen Israels vruchtbaar en wiessen over-vloediglijk en zij vermeerderden â en werden gansch zeer machtig, zoodat het land met hen vervuld werd. 8 Daarna stond een nieuwe Ko-â ning op over Egypte, die Jozef lt;aiet gekend had; |
ö die zeide tot zijn volk: Zie, het volk der kinderen Israels ia veel, ja, machtiger dan wij: 10 kom aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede als er eenige krijg voorvalt, dat het zich óók voege bij onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. 11 En zij zetteden oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hunne lasten; want men bouwde Farao schat-steden, Pithom en Eaamses. 12 Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer liet vermeerderde en hoe meer het wies; zoodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israels. 13 En de Egyptenaars deden de kinderen Israels dienen met hardigheid, 14 zoodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelsteenen, en met allen dienst op het veld, met al hunnen dienst, dien zij^ hen deden dienen met hardigheid. |
|
EX O 15 Daarenboven sprak de Ko-sing v:;ii Egypte tot de vroedvrou-â wen der Hebreïnnen quot;welker ééner Dnam Ãifra, en der andere Pna was, lü en zei de: Wanneer gij de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet ze op do stoelen, is het een zoon, zoo doodt hem, maar is liet eene dochter, zoo laat ze leven. 17 poch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet gelijk als do Koning van Egypte tot haar cresproken had, maar zij behielden de jongskens in het leven. 18 Toen riep de Koning van Egypte de vroedvrouwen, en zei-de tot haar: Waarom hebt gijlieden deze zaak gedaan, dat gij de jongskens in 't leven behouden hebt? 19 En de vroedvrouwen zeiden tot. Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen, want zij zijn sterk: eer de vroedvrouw tot haar komt, zoo hebben zij gebaard. 20 Daarom deed God de vroed-vror. vy en goed; en dat vol k vermeerderde en het \verd_ zeer machtig. 21 En het geschiede dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zoo bouwde hij haar huizen. 22 Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen die geboren worden zult gij in de rivier werpen, maar alle dochteren ia 't leven behouden. HOOFDSTUK 2. En een man van den huizo Levi ging en nam een dochter van Levi; 2 en de vrouw werd zwanger, en baarde eenen zoon. Toen zij hem zag dat hij schoon was, zoo verborg zij hem drie maanden; 3 ducii als zij hem niet langer verbergen komle, zoo nam zij voor hem een kiste van biezen, en be-üjmde zo met lijm en met pek; en zij leide het jongsken daarin, en leide ze in de biezen aan den oever der rivier. 4 En zijne zuster stelde zich van verre, om te weten wat hem gedaan zoude worden. 5 En Farao's dochter ging af sta zich te wasschen in de rivier. |
DUS 2. 55 en here jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier. Toen zij de kiste in het midden van de biezen zag, zoo zond zij hare dienstmaagd henen en liet ze halen. 6 Toen zij ze opendeed zoo zag zij dat jongsken, en zie, het knaapje weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zei de: Dit is een van de jongskens der Hebreen, j 7 Toen zeide zijne zuster tot 1 Farao's dochter: Zal ik henen-j gaan en u eene voedstervrouw uit | de Hebreïnnen roepen, die -a dat |jongsken zoge ? 8 En de dochter Farao's zeide tot haar: Ga henen. En de jonge ! maagd ging en riep des jongskens i moeder. ! 9 Toen zeide Farao's dochter i tot haar: Neem ditjongsken henen } en zoog het mij, ik zal u uw loon : geven. En de vrouw nam het : jong.-ken en zoogde het. j 10 En toen het jongsken groot ; geworden was, zoo bracht zi.i het tot Farao's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijnen naam Mozes,en zeide: Want ik hei» hem uit het water getogen. 11 En het geschiedde in die ' dagen, toen Mo ze.- groot geworden : was, dat hij uitging tot zijne broe-' deren en bezag hunne lasten; en j hij zag dat een Egyptisch man | eenen Hebreenwschen man uit ' zijne broederen sloeg; 12 en hij zag herwaarts en ginds-i waarte, en toen hij zag dat daar i niemand was, zoo versloeg hij den ! Egyptenaar, en verborg hem in 1 het zand. 13 Desanderen daagsginghij wederom uit, en zie twee Hebreenw-sche mannen twistten; en hij zeide tot dengene die onrecht had: Waarom slaat gij uwen naaste? 14 Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit om mij te dooden, gelijk gij den Egyptenaar i gedood hebt? Toen vreesde Mozes ! en zeide: Voorwaar deze zake is i bekend geworden. | 15 Als nu Farao deze zake ' hoorde, zoo zocht hij Mozes te dooden; doch Mozes vlood voor 3 |
EXODUS 3.
66
|
Farao's aangezicht en woonde in het land Midian, en hij zat bij eenen waterput. 1G En de Priester in Midian had zeven dochteren die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders to drenken. 17 Toen kwamen de herders en zij dreven ze van daar; doch Mozes stond op en verloste ze, en drenkte hare kudden. 18 En toen zij tot haren vader Eehuël kwamen, zoo sprak hij: Waarom zijt gij heden zoo haast wedergekomen ? 19 Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand der herderen, en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt. 20 En hij zei de tot zijne dochteren: Waar is hij toch? Waarom liet gij den man nu gaan? Ivoept hem dat hij brcod ets. 21 En Mozes bewilligde bij den man te wonen, en hij gaf Mozes zijne dochter Zippöra. 22 Die baarde eenen zoon, en hij noemde zijnen naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land. 23 En het geschiedde na vele dezer dagen, als de Koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israëls zuchtten en echreeuwdeu over den dienst, en hun gekrijt over hunnen dienst kwam op tot God; 24 en God hoorde hun gekerm en God gedacht aan zijn verbond met Abraham, met Isaük, en met Jakob; 25 en God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen, HOOFDSTUK 3. En Mozes hoedde de kudde zijns schoonvaders Jethro's, des Priesters in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aau Horeb; 2 en de Engel des Heeren verscheen hem in eene vlam des vuurs uit het midden van een braambosch; en hij zag, en zie. |
het braambosch brandde in hek vuur en het braambosch werd niet verteerd. 3 En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarhenen wenden, en zien dat groot gezicht, waarom het braambosch niet verbrandt. 4 Toen de Heebe zag dat hij zich daarhenen wendde om te zien, zoo riep God tot hem uit het midden van het braambosch en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie hier ben ik. ö Eu hij zeide: Nader hier niet toe; trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats waar gij op staat is heilig land. 6 Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders,de God Abrahams, de God Isaaks, en de God Jakobs. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. 7 En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord vanwege hunne drijvers; want ik heb hunne smarten bekend. 8 Daarom ben ik nedergekomen, dat ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land naar een goed en ruim land, naar een land vloeiende van melk en honig, tot de plaats der Kanaaniten en der Hethiten en der Amoriten en derFereziten en der Heviten en der Jebusiten. 9 En nu, zie, het geschrei der kinderen Israels is tot mij gekomen, en ook heb ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyp-tenaars hen verdrukken: 10 zoo kom nu, en ik zal u tot Farao zenden, opdat gij mijp volk, de kinderen Israels, uis Egypte voert. 11 Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zoude gaan, en dat ik de kinderen Israels uit Egypte zoude voeren ? 12 Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teeken zijn dat ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid habt, zult gijlieden God dienen op dezen berg. 13 Toen zeide Mozes tot God: |
|
EXOD Zie, wanneer ik tot de kinderen Israels kom en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot nlieden gezonden, en zij mij zegden: Hoe is zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? 14 En God zeide tot Mozes: Ik zal zijn die ik zijn zal. Ook Zei-de hij; Alzóó zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Ik zal zijn heeft mij tot nlieden gezonden. 15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen; De TIeere, uwer vaderen God, de God Abrahams, de God Isaaks, en de God Jakoba. heeft mij tot ulieden gezonden; dat is mijn naam eeuwiglijk, en dat is mijne gedachtenis van geslachte tot geslachte. 16 Ga henen en verzamel de oudsten van Israël en zeg tot hen: De Heere, uwer vaderen God, is mij verschenen, de God Abrahams, Isaaks en Jakobs, zeggende: Ik heb nlieden getrouwelijk bezocht en hetgeen dat ulieden in Egypte is aangedaan: 17 daarom heb ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren tot het land der Kunaünieten en der Hethiten en der Amoriten en der Fere-ziten en der Heviten en der Je-busiten, tot het land, vloeiende van melk en honig. IS En zij zullen uwe stem hooren ; en gij zult gaan, gij en de oudsten van Israël, tot den Koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: De Heere de God der Hebreen, is ons ontmoet ; zoo laat ons nu toch gaan den weg van drie dagen in de woestijn, oprlat wij den Heere onzen God oiieren. 10 Doch ik weet dat de Koning van Egypte ul ieden niet zal laten gaan, ook niet door eene sterke hand. J20 Want ik zal mijne hand uitstrekken en Egypte slaan met alle mijne wonderen, die ik in liet midden deszelven doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken. 21 En ik zal dezen volken genade geven in de oogen der Egyp- |
ÃS 4. C7 tenaren, en het zal geschieden waaneer gijlieden uitgaan zult, zoo zult gij niet ledig uitgaan; 22 maar elke vrouw zal van hare naburin en van de waardin haars huizes eischen zilveren vaten en gouden vaten en kleederen: die zult gijlieden op uwe zonen en op uwe dochteren leggen, en zult Egypte berooven. HOOFDSTUK 4. Toen antwoordde Mozes en zeide: Maar zie, zij zullen mij niet gelooven, noch mijne stem hooren; want zij zullen zeggen: De Heere is u niet verschenen. 2 En de Heere zeide tot hem: Wat is er in uwe hand? En hij zeide: Een staf. 3 En hij zeide: Werp hem ter aarde, en hij wierp hem ter aarde: toen werd hij tot eene slang; en Mozes vlood van haar. 4 Toen zeide de Heere tot Mozes: strek uwe hand uit en grijp ze bij haren staart. Toen strekte hij zijne hand uit en vatte ze en zij werd tot eenen staf in zijne hanil. 5 Opdat zij gelooven dat u verschenen is de Heere de God hunner vaderen, de God Abrahams, de God Isaaks, en de God Jakobs. G En de Heere zeide verder tot hem: Steek nu uwe hand in uwen boezem. En hij stak zijne hand in zijnen boezem; daarna trok hij ze uit, en zie, zijne hand was melaatsch, tvü als sneeuw. 7 En hij zeide: Steek uwe hand wederom in uwen boezem. Eu hij stak zijne hand wederom in zijnen boezem; daarna trok hij ze uit zijnen boezem, en zie zij was weder als zijn ander vleesch. 8 En het zal geschieden, zoo zij u niet gelooven noch naar de stem des eersten teekens hooren, zoo zullen zij de stem des laat-sten teekens gelooven; 9 en het zal geschieden, zoo zij ook deze twee teekenen niet gelooven, noch naar uwe stem hooren, zoo neem van de wateren der rivier en giet ze op het droge, zoo zullen de wateren, die gij u'it de rivier zult nemen, tot bloed worden op het droge. |
EXODUS 5.
68
|
10 Toen zeide Mozes tot den Heere: Och Heere! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren noch van eergisteren, noch van toen af toen gij tot uwen knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong. 11 En de Heere zeide tot liem: quot;Wie heeft den mensch den mond gemaakt, of wie heeft den stomme of doove of ziende of blinde gemaakt? Ben ik het niet, de Heere? 12 En ga nn henen, en ik zal met uwen mond zijn, en zal u leeren wat gij spreken zult. 13 Doch hij zeide: Och Heere, zend toch door de hand desgenen, dien gij zoudt zenden. 14 Toen ontstak de toorn des Heeren over Mozes, en hij zeide: Is niet Aaron de Leviet uw broeder? Ik -weet dat hij zeer wol spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet zoo zal hij in zijn harte verblijd zijn. 10 Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijnen mond leggen; en ik zal met uwen mond en met zijnen mond zijn, en ik zal ulieden leeren wat gij doen zult. 1G En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal geschieden dat hij u tot eenen mond zal zijn en gij zult hem tot eenen God zijn. 17 Neem dan dezen staf in uwe hand, waarmede gij die teekenen doen zult. 18 Toen ging Mozes henen, en keerde weder tot Jethro, zijnen schoonvader, en zeide tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederom tot mij ne broederen keere, die in Egypte zijn, en zie of zij nog leven. Jethro dan zeide tot Mozes: Ga in vrede. 19 Ook zeide de Heere tot Mozes in Midian: Ga honen, keer weder in Egypte, want alle de mannen zijn dood die uwe quot;ziele zochten. 20 Mozes dan nam zijne vrouw en zijne zonen, en voerde ze op eenen ezel, en keerde weder in Egypteland; en Mozes nam den staf Gods in zijne hand. |
21 En de Heere zeide tot Mozes: Terwijl gij henentrekt om in Egypte weder te keeren, zie toe dat gij alle de wonderen doet voor Farao, die ik in uwe hand gesteld heb; doch ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. 22 Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzóó zegt de Heere: Mijn zoon, mijn eerstgeborene, is Israël; 23 en ik heb tot u gezegd: Laat mijnen zoon trekken, dat hij mij diene; maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken: zie, ik zal uwen zoon, uwen eerstgeborene, dooden. _ 24 En het geschiedde op den weg in de herberg, dat deÃEERE hem t egenkwam en heni zocht te dooden. 25 Toen nam Zippora een steenen mes en besneed de voorhuidhaars zoons, en wierp die voor zijne voeten, en zeide: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom. 26 En hij liet van hem af. Toen zeide zij: bloedbruidegom, vanwege de besnijdenis. 27 De Heere zeide ook tot Aaron: Ga Mozes tegemoet in do woestijn. Eu hij ging en ontmoette hem aan den berg Gods en hij kuste hem. 28 En Mozes gaf Aaron te kennen alle de woorden des Heerex, die hem gezonden had, en alle de teekenen, die hij hem bevolen had. 29 Toen ging Mozes en Aaron, en zij verzamelden alle de oudsten der kinderen Israels; 30 en Aaron sprak alle de woorden, die de Heere tot Mozes gesproken had, en hij deed de teeke-nen voor de oogen des volks; 31 en het volk geloofde, en zij hoorden dat de Heere de kinderen Israels bezochv, en dat hij hunne verdrukking zag, en zij neigden hunne hoofden en aanbaden. HOOFDSTUK 5. En daarna gingen Mozes en Aaron henen en zeiden tot Farao: Alzóó zegt de Heere de Godls-; raëls: Laat mijn volk trekken, i dat het mij een feest houde in i de woestijn. |
|
exo; 2 Maar Farao zeide: Wie is do Heeke, wiens stem ik gehoorzamen zoude om Israël te la ten trekken ? Ik ken denHEERE niet, en zal ook Israël «iet laten trekken. 3 Zij dan zeiden :De God der Hebreen is ons ontmoet : zoo laat ons toch lienentrekken den weg van drie dagen in de woestijn, en den Heere onzen God otteren, dat hij ons niet overkome met pestilentie of met het zwaard. 4 Toen zeide de Koning van Egypte tot hen: Gij Mozes en Aaron, waarom trekt gij het volk af van hunne werken ? Gaat henen tot uwe lasten. 5 Voorts zeide Farao: Zie, het volk des lands is aireede te veel, en zoudt gijlieden hen doen rusten van hunne lasten? 6 Daarom beval Farao tenzelf-den dage de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende: 7 Gij zult voortaan aan deze lieden geen stroo meer geven tot het maken der tichelsteenen, als gisteren e/i eergisteren; laat ze zelve henengaan en stroo voor zich-zelven verzamelen. 8 En het getal der tichelsteenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen, gij zult daarvan niet verminderen ; want zij gaan ledig, daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren. 9 Men verzware den dienst over deze mannén, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden. 10 Toen gingen de aandrijvers des volks en hunne ambtlieden en spraken tot het volk, zeggende: Zóó zegt Farao: Ik zal ulie-den geen stroo geven. 11 Gaat gij zelwe henen, haalt u stroo waar gij het vindt; doch van uwen dienst zal niets verminderd worden. 12 Toen verstrooide zich het volk in het gansche land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde voor stroo. 13 En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uwe ⺠ü S 5. 69 |
werken, elk dagwerk op zijnen dag, gelijk toen er stroo was. 14 En de ambtlieden der kinderen Israels, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, _ oi men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd inliet maken der tichelsteenen, gelijk te voren al-zoo ook gisteren en heden? 15 Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israëls en schreeuwden tot Farao, zeggende: Waarom doet gij uwen knechten alzóó ? 16 Aan uwe knechten wordt geen stroo gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelsteenen, en zie, uwe knechten worden geslagen, doch de schuld is uws volks. 17 Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den Heere offeren. 18 Zoo gaat nu henen,arbeidt; doch stroo zal u niet gegeven worden: evenwel zult gij het getal der tichelsteenen leveren. 19 Toen zagende ambtlieden der kinderen Israels dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uwe tichelsteenen, van het dagwerk op zijnen dag. 20 En zij ontmoetten Mozes en Aiiron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen, 21 en zeiden tot hen: De Heere zie op u en richte het, dewijl gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao en voor zijne knechten, gevende een zwaard in hunne handen om ons te dooden. 22 Toen wendde Mozes zich weder tot den Heere, en zeide: Heere, waarom hebt gij dit volk kwaad gedaan? Waarom hebt gij mij nu gezonden? 23 Want van toen af dat ik tot Farao ben ingegaan om in uwen naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan, en gij hebt uw volk geenszins verlost. 24 Toen zeide de Heere tot Mozes: Nu zult gij zien wat ik aan Farao doen zal; want door eene |
EXODUS 6.
70
|
ni§Lclitigeliand zal hij ze laten trekken, ja, door eene machtige hand zal hij ze uit zijn land drijven. HOOFDSTUK 6. Voorts sprak God tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de Heere. 2 En ik ben Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God de Almachtige ; doch met mijnen naam Heerè ben ik hun niet bekend geweest. 3 En ook heb ik mijn verbond met hen opgericht, dat ik huu geven zoude het land Kan aan, het land hunner vreemdeling-Bchappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn. 4 En ook heb ik gehoord het gekerm der kinderen Israels, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en heb aan mijn verbond gedacht. 5 Derhalve zog tot do kinderen Israels: Ik ben de Heere; en ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en ik zal u redden uit hunne dienstbaarheid. en zal u verlossen door eenen uitgestrekten arm en door groote gerichten, 6 en zal ulieden tot mijn volk aannemen; en ik zal u tot eenen God zijn, en gijlieden zult erkennen dat ik de Heere uw God ben, die u nitleide van onder de lasten der Egyptenaren. 7 En ik zal ulieden brengen in dat land, waarover ik mijne hand opgeheven heb, dat ik liet Abraham, Isaak en Jakob geven zoude; en ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, ik de Heere. 8 En Mozes sprak al zóó tot de kinderen Israels; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des gcestes en vanwege de harde dienstbaarheid. 9 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 10 Ga henen, spreek tot Farao, den Koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late. 11 Doch Mozes sprak voor den Heere, zeggende: Zie, de kinderen Israels hebben naar mij niet gehoord, hoe zoudo mij dan Farao hooren? Daarbij ben ik onbesneden van lippen. |
12 Evenwel sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israels, en aan Farao den Koning van Egypte, om de kinderen Israels uit Egypteland te leiden. 13 Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen. De zonen Rubens des eerstgeborenen Israels zijn Henoch en Palu, Hez-ron en Karmi; dat zijn de huisgezinnen van Ruben. 14 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en O had, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon eener KanaanUische; dat zijn Simeons huisgezinnen. 15 Dit nu zijn de namen der zonen van Levi naar hunne geboorten: Gerson, en Kohath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zevenendertig jaar. 16 De zonen Gersona: Libni en Simei', naar hunne huisgezinnen. 17 En de zonen Kohaths: Am-ram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel; en de jaren des levens van Kohath waren honderd drie-en dertig jaar. 18 En de zonen van Merar i :Mahli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hunne geboorten. 19 En Amram nam Jochébed zijne huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zevenendertig jaar. 20 En de zonen Jizhamp;rs: Ko-rach, en Nefeg, en Zichri. 21 En de zonen Uzzicls: Milt; sacl, en Elzafan, en Sithri. 22 En Aaron nam zich tot eene vrouwEliséba,Animinadabs dochter, Nahessonszuster; en zij 'naaide hem Nadab en Abihu, Elea-zar en Ithamar. 23 En de zonen van Korach waren Assir, en Elkana, en Abia-saf; dat zijn de huisgezinnen der Korachiten. 24 En Eleazar, Aarons zoon. nam voor zich eene van de dochters van Putiël tot eene vrouw, en zij baarde hem Pinehas. Dat zijn de hoofden der vaderen der |
EXODUS 7.
|
Leviten, naar hunne huisgezin-ncn. 25 Dit is Aaron en Mozea, tot v,ie lt;le Heere zeitle: Leidt de kinderen Israels uit Egypteland, naar hunne lieiren. 2G Deze zijn het, die r,ot Farao, den Koning van Egypte, spraken, ' it zij de kinderen Israels uit pte leidden; dit is Mozes en 27 En het geschiedde te dien lt;lage als de Heere tot Mozes ei'rak in Egypteland, 28 zoo sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Ik ben de Heere: .spreek tot Farao den Koning van Eprvpte alles wat ik tot u spreek. 29 Toen zeide Mozes voor liet aangezicht des Heeren: Zie, ik ben onbesneden van lippen, hoe zal dan Farao naar mij hooren? HOOFDSTUK 7. Toen zeide de Heere tot Mozes Zie, ik heb u tut eenen God gezet over Farao, en Aaron uw broeder zal uw 1'rofeet zijn. 2 Gij zult spreken alles wat ik u gebieden zal; en Aiiron uw broeder zal tpt Farao spreken, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late. 3 Doch ik zal Farao's hart verharden, en ik zal mijne teekenen en mijne wonderen in Egypteland vermenigvuldigen, 4 Farao nu zal naar uliedenniet hooren, en ik zal mijne hand aan Egypte leggen, en voeren mijne heiren, mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypteland door groote gerichten. 5 Dan zullen de Egyptenaars weten dat ik de Heere ben, wanneer ik mijne hand over Egypte uitstrekke en de kinderen Israels uit het midden van hen uit-leide. 6 Toen deed Mozes en Aaron als hun de Heere geboden had, alzóó deden zij. 7 En Mozes was tachtig jaar oud en Aaron was drieëntachtig jaar oud toen zij tot Farao spraken. 8 En de Heere sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: |
9 Wanneer Farao tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteeken voor ulieden, zoo zult gij tot Aiiron zeggen:Neem uwen staf en werp hem voor Farao's aangezicht neder: hij zal tot een draak worden. 10 Toen ging Mozes en Aaron tot Farao henen, en deden alzóó gelijk de Heere geboden had; en Aiiron wierp zijnen staf neder voor Farao's aangezicht en voor het aangezicht zijner knechten, en hij werd tot een draak. 11 Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars, en de Egyptische toovcnaars deden óók alzoo met hunue bezweringen : 12 want een iegelijk wierp zijnen staf neder, en zij werden tot draken; maar Aiirons staf verslond hunne staven. 13 Doch Farao's hart verstokte, zoodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere gesproken had. 14 Toen zeide de Heere tot Mozes: Farao's hart is zwaar: hij weigert het volk te laten trekken. 15 Ga henen tot Farao in den morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe; zoo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en den staf, die in eene slang is veranderd geweest, zult gij in uwe hand nemen; Ui en gij zult tot hem zeggen: De Heere, der Hebreen God, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat mijn volk trekken, dat het mij dipne in de woestijn; doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord. 17 Zóó zegt de Heere : Daaraan zult gij weten dat ik de Heere ben: zie, ik zal met dezen staf, die in mijne hand is, op het water dat in deze rivier is slaan, en het zal in bloed veranderd worden; 18 en de visch in de rivier zal sterven, zoodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid warden, dat zij het water uit de rivier drinken m©gen. 19 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Zeg tot Aiiron: Neem uwen staf en steek uwe hand uit |
EXODUS 3.
72
|
over de wateren der Egyptenaren, over hunne stroomen, over hunne rivieren en over hunne poelen en over alle vergadering hunner wateren, dat zij bloed worden; en daar zij bloed in het gansche Egypteland, beide in houten en in steenen veilen. 20 Mozes nu en Aiiron deden alzóó gelijk de Heere geboden had; en hij hief den staf op en sloeg het water, dar. in de rivier was, voor de oogen Farao's en voor do oogen zijner knechten: en al het water in de rivier werd in bloed veranderd, 21 en de visch die in de rivier was stierf, en de rivier stonk, zoodat de Egyptenaara het water uit de rivier niet drinken konden; en daar was bloed in het gansche Egypteland. 22 Doch de Egyptische toove-venaars deden óók alzoo niet hunne bezweringen; zoodat Farao's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk als de Heere gesproken had, 23 en Farao keerde zich om en ging naar zijn huis, en hij zette zijn hart daar óók niet op. 24 Doch alle Egyptenaara groeven rondom de rivier om water te drinken, want zij konden vau het water der rivier niet drinken. 25 Alzoo werden zeven dager vervuld nadat de Heere de rivier geslagen had. HOOFDSTUK 8. Daarna zeide de Heere tot Mozes: Ga in tot Farao en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere : Laat mijn volk trekken, dat zij mij dienen; 2 en indien gij weigert het te laten trekken, zie, zoo zal ik uwe gansche landpale met vorschen slaan, 3 dat de rivier van vorschen zal krielen, die zullen opkomen en in uw huis komen, en in uwe slaapkamer, ja, op uw bed: ook in de huizen uwer knechten, en op uw volk, en in uwe bakovens, ©n in uwe baktroggen; |
4 en de vorschen zullen opkomen up u 'en op uw volk en op alle uwe knechten. 5 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uwe hand uit met uwen staf over de stroomen en over de rivieren en over de poelen, en doe vorschen opkomen over Egypteland. 6 En Aaron strekte zijne hand uit over de wateren van Egypte, en daar kwamen vorschen op en bedekten Egypteland. 7 Toen deden de toovenaars óók alzoo met hunne bezweringen, en zij deden vorschen over Egypteland opkomen. 8 En Farao riep Mozes en Aiiron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den Heere, dat hij de vorschen van mij en van mijn volk wegneme; zoo zal ik het volk trekken laten, dat zij den Heere oiFeren. 9 Doch Mozes zeide tot Farao: Heb de eere boven mij: tegen wanneer zal ik voor u en uwe knechten en voor uw volk vuriglijk bidden, om deze vorschen van u en van uwe huizen te verdelgen, dat ze alleen in de rivier overblijven? 10 Hij dan zeide: Tegen morgen. En hij zeide: Het zij naar uw woord: opdat gij weet dat er niemand is gelijk de Heere, onze God, 11 zoo zullen de vorechen van u en van uwe huizen en van uwe knechten en van uw volk wijken, . zij zullen alleen in de rivier overblijven. 12 Toen ging Mozes en Aiiron uit van Farao, en Mozes riep tot den Heere ter oorzake der vorschen, die hij Farao had opgelegd: 13 en de Heere deed naar het woord van Mozes, en de vorschen stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden; 14 en zij vergaderden ze te za-men bij lioopen, en het land stonk. 15 Toen nu Farao zag dat er verademing was verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de Heere gesproken had. 10 Voorts zeide de Heere tot |
|
E X OI Mores: Zeg tot Aaron: Strek uwen staf nit en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde in het gansche Eg3Tpteland. 17 En zij deden alzoo:-want Aaron strekte zijne hand uit met zijnen staf en sloeg het stof der aarde, en daar werden vele luizen aan de menschen enaan het vee: al het stof der aarde werd luizen in het gansche Egypteland. 18 De toovenaars deden óók al-zoo niet hunne bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten, doch p-ij konden niet; zoo waren de luizen aan de menschen en aan het vee. 19 Toen zeiden de toovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger. Doch Farao's hart verstijfde, zoodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere gesproken had. 20 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Maak u morgenvroeg op en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan liet water uitgaan; en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere: Laat mijn volk trekken, dat ze mij dienen; 21 want zoo gij mijn volk niet laat trekken, zie, zoo zal ik eene vermenging van ongedierte zenden op u en op uwe knechten en op uw volk en in uwe huizen, alzoo dat der Egyptenaren huizen met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aard- , rijk waarop zij zijn; 22 en ik zal te dien dage het land Gosen, waarin mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet dat ik, de Heere, in het midden dezes lands ben; 23 en ik zal eene verlossing stellen tusschen mijn volk en tueschen uw volk; tegen morgen zal dit teeken geschieden. 24 En de Heere deed alzoo, en daar kwam een zware vermenging van ongedierte in Farao's huis en in zijner knechten huizen en over het gansche Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging. 25 Toen riep Farao Mozes en Aaron, en zeide: Gaat henen en |
ÃS 9. 73 offert uwen God in dit land. 26 Mozes dan zeide: Het is niet recht dat men alzóó doe; want wij zouden der Egyptenaren gruwel den Heere onzen God mogen offeren; zie, indien wij.derEgj-p-tenarcn gruwel voor hunne oogen offerden, zouden zij ons niet steenigen ? 27 Laat ons den weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij den Heere onzen God offeren, gelijk hij tot ons zeggen zal. 28 Toen zeide Farao: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den Heere uwen God offert in de woestijn; alleen dat gijlieden in het gaan geenszins te ver trekt; bidt vuriglijk voor mij. 29 Mozes nu zeide: Zie, ik ga van u, en zal tot den Heere vuriglijk bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Farao, van zijne knechten, en van zijn volk morgen wegwijke: alleen dat Farao niet meer bedrieglijk han-dele, dit volk niet latende gaan om den Heere te offeren. 30 Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vuriglijk tot den Heere: 31 en de Heere deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Farao, van zijne knechten, en van zijn volk: en er bleef niet één over. 32 Doch Farao verzwaarde zijn hart ook op datmaal, en hij liet het volk niet trekken. HOOFDSTUK 9. Daarna zeide de Heere tot Mozes: Ga in tot Farao en spreek tot hem: Alzóó zegt de Heere, de God der Hebreen: Laat mijn volk trekken, dat het mij diene; 2 want zoo gij weigert ze te laten trekken, en gij hen nog met geweld ophoudt, 3 zie, de hand des HEERENzal zijn over uw vee dat in het veld is, over de paarden, over de ezels, over de kemelen, over de runderen, en over het kleine vee, door eene zeer zware pestilentie. 4 En de Heere zal eene afzon- 3* |
EXODUS 9.
74
|
dering maken tnsschen liet vee der Israëliten en tusschen het vee der Egyptenaren, dat daar niets sterye van alles dat der kinderen Israëls is. 5 En de Heere bestemde eenen zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de Heere deze zaak in dit land doen. 6 En de Heere deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf, maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet één. 7 En Farao zond er henen, en zie, van het vee Israëls was niet tot één toe gestorven. Doch het hart Farao's werd verzwaard en hij liet het volk niet trekken. 8 Toen zeide de Heere tot Mo-zes en tot Aiiron: Neemt gijlieden uwe vuisten vol asch uit den oven, en Mozes strooie die naar den hemel voor Farao's oogen, 9 en zij zal tot klein stof worden over hetganscheEgypteland, en zij zal a~n de menschen en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaartjes, in het gansche Egypteland. 10 Eu zij namen asch uit den oven, en stonden voor Farao's aangezicht, en Mozes strooide ze naar den hemel: toen werden daar zweren, uitbrekende met blaartjes aan de menschen en aan hel vee; 11 al zoo dat de toovenaars voor Mozes niet staan konden vanwege de zweren; want aan de toovenaars waren zweren, en aan alle de Egyptenaren. 12 Doch de Heere verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere tot Mozes gesproken had. 13 Toen zeide de Heere tot Mozes: Maak u morgen vroeg op en stel u voor Farao's aangezicht, en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere, der Hebreen God: Laat mijn volk trekken dat ze mij dienen. 14 Want ditmaal zal ik alle mijne plagen in uw hart zenden en over uwe knechten en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk ik op de gansche aarde; |
15 want nu heb ik mijne hand uitgestrekt, opdat ik u en uw volk met de pestilentie zoude slaan, en dat gij zoudt van de aarde verdelgd worden. 16 Maar waarlijk, daarom heb ik u verwekt, opdat ik mijne kracht aan u betoonde, en opdat men mijnen naam ver telle op de gansche aarde. 17 Verheft gij uzelren nog tegen mijn volk, dat gij het niet wilt laten trekken, 18 zie, ik zal morgen omtrent dezen tijd eenen zeer zwar.en hagel doen regenen, desgel ij ke er in Egypte niet geweest is van dien dag af dat het gegrond is, tot nu toe. 19 En nu, zend henen, vergader uw vee en alles wat gij op het veld hebt: alle mensch en gedierte, dat op het .veld gevonden zal worden en niet in huis verzameld zijn zal, als deze hagel op hen vallen zal, zoo zullen zij eterven. 20 Die onder Farao's knechten des Heeren woord vreesde, die deed zijne knechten en zijn vee in de huizen vlieden; 21 doch die zijn hart niet zette tot des Heeren woord, die liet zijne knechten en zijn vee op het veld. 22 Toen zeide de Heere tot Kozes: Strek uwe hand uit naar den hemel, en daar zal hagel zijn in het gansche Egypteland over de menschen en over het vee en over al het kruid des velds in Egypteland. 23 Toen strekte Mozes zijnen staf naar den hemel, en de Heere gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde, en de Heere liet hagel regenen over Egypteland. 24 En daar was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen ; hij was zeer zwaar; des-gelijke is in het gansche Egypteland nooit geweest sinds dat het tot een volk geworden is. 25 En de hagel sloeg in het gansche Egypteland alles wat op het veld was, van de menschen aif tot de beesten toe, ook sloeg de hagel al het kruid des veld* |
EXODUS 10.
75
|
en verbrak al het geboomte des vel (is. 26 Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israëls wonen, daar was geen hagel. 27 Toen schikte Farao henen en hij riep Mozes en Aaron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de Heeke is rechtvaardig, ik daarentegen en mijn volk zijn goddeloos. 28 Bidt vuriglijk tot den Heere, (want het is genoeg), dat geen donder Godes noch hagel meer zij; dan zal ik nlieden laten trekken, en gij zult niet langer blijven. 20 Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zoo zal ik mijne handen uitbreiden voor den Heere : de donder zal ophouden en de hagel zal niet meer zijn, opdat gij weet dat de aarde des Heeren is. 30 Nochtans u en uwe knechten aangaande weet ik dat gijlieden voor het aangezicht des Heeren Godes nog niet vreezen zult. 31 Het vlas nu en de gerst werd geslagen, want de gerst was in de aar en het vlas was in den halm; 32 maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen, want zij waren bedekt. 33 Zoo ging Mozes van Farao ter stad uit. en breidde zijne handen uit tot den Heere: en de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet mter uitgegoten op tie aarde. 34 Toen Farao zag dat de regen en de hagel en de donder ophielden, zoo yerzondigde hij zich verder en hij verzwaarde zijn harte, hij en zijne knechten; 35 alzoo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet, gelijk als de Heere gesproken had door Mozes. HOOFDSTUK 10. Daarna zeide de Heere tot Mozes: Ga in tot Farao, want ik heb zijn hart verzwaard, ook liet hart zijner knechten, opdat ik deze mijne teekenen in het midden van hem zette, |
2 en opdat gij voor de ooren uwer kinderen en uwer kindskinderen moogt vertellen wat ik in Egypte uitgeri «htheb, en mijne teekenen, die ik onder hen gesteld hebt; opdat gijlieden weet dat ik de Heere ben. 3 Zoo ging Mozes en Aaron tot Farao, en zeiden tot hem: Zóó zegt de Heere, derHebreën God: Hoe lang weigert gij u voor mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat mijn volk trekken, dat zij mij dienen. 4 Want indien gij weigert mijn volk te laten trekken, zie, zoo zal ik morgen sprinkhanen in uwe landpale brengen; 5 en zij zullen het gezicht des lands bedekken, alzoo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen dat ontkomen is, hetgeen dat nlieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat uliedenuit het veld voortkomt; G en zij zullen vervullen uwe huizen, en de huizen aller uwer knechten, en aller Egyptenaren huizen, welke uwe vaders nochu-wer vaderen vaders gezien hebben, van dien dag aan dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot op dezen dag. En hij keerde zich om en ging uit van Farao. 7 En de knechten Farao's zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn? Laat de mannen trekken, dat zij den Heere hunnen God dienen: weet gij nog niet dat Egypte verdorven is? 8 Toen werden Mozes en Aaron weder tot Farao gebracht, en hy zeide tot hen: Gaat henen, dien't den Heere uwen God : wie en wie zijn ze die gaan zullen? 9 En Mozes zeide: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden, met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest des Heeren. 10 Toen zeide hij tot hen: De Heere zij alzóó met nlieden, gelijk ik u en uwe kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want |
EXODUS 11.
76
|
daar is kwaad voor ulieder aangezicht. 11 Niet alzoo, gij mannen gaat nu henen en dient den Heere, wamp;nt dat hebt gijlieden verzocht. En men dreef ze uit van Farao's aangezicht. 12 Toen zeide de Heere tot Mo-zes: Strek uwe hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid des lands opeten, al hetgeen dat de hagel heeft overgelaten. 13 Toen strekte Mozes zijnen staf uit over Egypteland, en de Heere bracht eenen oostenwind in dat land, dien geheelen dag en dien ganschen nacht: het geschiedde des morgens dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht, 14 en de sprinkhanen kwamen op over het gansche Egypteland, en lieten zich neder aan alle de palen der Egyptenaren, zeer zwaar; vóór dezen zijn dergelijke sprinkhanen als deze nooit geweest, en na dezen zullen er zulke niet wezen; 15 want zij bedekten het gezicht des ganschen lands, alzoo dat het land verduisterd werd, en zij aten al het kruid des lands op, en alle d§ vruchten der boomen, die de h^gel had overgelaten, en daar bleef niets groens aan de boomen nqch aan de kruiden des velds, in het gansche Egypteland. 16 Toen haastte Farao om Mozes en Aaron te roepen, en zeide; Ik heb gezondigd tegen den Heere uwen God en tegen ulieden; 17 en nu vergeeft mij toch mijne zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot den Heere uwen God, dat hij slechts dezen dood van mij wegneme. 18 En hij ging uit van Farao, en bad vuriglijk tot den Heere; 19 toen keerde de Heêre eenen zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet één sprinkhaan over in alle de land-pal e van Egypte. 20 Doch de Heere verstokte Farao's hart, dat hij de kinderen Israels niet liet trekken. |
21 Toen zeide de Heere tot Mozes; Strek uwe hand uit naar den hemel, en daar zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal. 22 Als Mozes zijne hand uitstrekte naar den^ hemel, werd er eene dikke duisternis in het gansche Egypteland, drie dagen; 23 zij zagen de één den ander niet; daar stond ook niemand op van zijne plaats in drie dagen; maar bij alle de kinderen Israels was het licht in hunne woningen. 24 Toen riep Farao Mozes, en zeide; Gaat henen, dient den Heere'; alleen uwe schapen en uwe runderen zullen vastblij ven; ook zullen uwe kinderkens met u gaan. 25 Doch Mozes zeide; Ook zult gij slachtofferen en brandoflferen in onze handen geven, die wij den Heere onzen God doen mogen; 26 en ons vee zal óók met ons gaan, daar zal geen klauw achterblijven, want van hetzelve zullen wij nemen om den Heere onzen God te dienen; want wij weten niet waarmede wij den Heere onzen God dienen zullen totdat wij daar komen. 27 Doch de Heere verhardde Farao's hart, en hij wilde ze niet laten trekken, 28 maar Farao zeide tot hem; Ga van mij, wacht u dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want ten welken dage gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven. 29 Mozes nu zeide; Gij hebt recht gesproken, ik zal niet meer uw aangezicht zien. HOOFDSTUK 11. quot;Want de Heere had tot Mozes gesproken: Ik zal nogééneplaag over Farao e:a over Egypte brengen, daarna zal hij ulieden van hier laten trekken; als hij u geheel zal laten trekken, zoo zal hij u haastelijk van hier uitdrijven: 2 spreek nu voor de ooren des volks, dat iedere man van zijnen naaste en iedero vrouw van hare naaste zilveren vaten en gouden vaten eische. 3 En de Heere gaf het vol)»: |
EXODUS 12.
77
|
genade in de oogen der Egypte-naren: ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de oogen van Farao's knechten en voor de oogen des volks. 4 Voorts zeide Mozes: Zóó heeft de Heere gezegd: Omtrent middernacht zal ik uitgaan door het midden van Egypte: 5 en alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene nf die op zijnen troon zitten zoude, tot den eerstgeborene der dienstmaagd die achter den molen is, en alle eerstgeborene van hel vee; 6 eri daar zal een groot geschrei zijn in het gansche Egypteland, dêsgelijke nooit geweest is en desgelijke niet meer wezen zal. 7 Maar bij alle kinderen Israels zal niet één hond zijne tong verroeren, van de menschen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet dat de Heere tusschen de Egyp-tenaren en tusschen de Israëli ten eene afzondering maakt. 8 Dan zullen alle deze uwe knechten tot mij afkomen en zich voor mij neigen, zeggende; Trekt uit, gij en al het volk dat uwe voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte des toorns. 9 De Heere dan had tot Mozes gesproken: Farao zal naar ulieden niet hooren, opdat mijne wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden. 10 En Mozes en Aaron hebben alle deze wonderen gedaan voor Farao's aangezicht; docli de Heere verhardde Farao's hart, dat hij de kinderen Israels uit zijn land niet trekken liet. HOOFDSTUK 12. De Heere nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende: 2 Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn, zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn. 3 Spreekt tot de gansche vergadering Israels, zeggende: Op den tiende dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis; |
4 maar indien een huis te kléin is voor een lam, zoo neme het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, ieder naardat hij eten kan: gij zult rekening maken naar het lam. 5 Gij zult een volkomen lam hebben, een mannetje, een jaar oud; van de schapen of van de geitenhokken zult gij het nemen ; G en gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de gansche gemeente der vergadering Israels zal het slachten tusschen twee avonden. 7 En zij zullen van dat bloed nemen en strijken het aan ^ de beide zij posten en aan den bovendorpel, aan de huizen in welke zij het eten zullen. 8 En zij zullen dat vleesch eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde brooden; zij zullen het met bittere saus eten. 9 Gij zult daar niet rauw van eten, ook geenszins in water gezoden, maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijne schenkelen en met zijn ingewand. 10 Gij zult daar ook niet van laten overblijven tot den morgen, maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen zult gij met vuur verbranden. 11 Aldus nu zult gij het eten: uwe lendenen zullen opgeschort zijn, uwe schoenen aan uwe voeten, en uw staf in uwe hand; en gij zult het met haast eten: het is des Heeren Pascha. 12 Want ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de menschen af tot de beesten toe, en ik zal gerichten oefenen aan alle de goden der Egyptenaren, ik de Heere! 13 En dat bloed zal ulieden tot een teeken zijn aan de huizen waarin gij zijt: wanneer ik het bloed zie, zal ik ulieden voorbijgaan, en daar zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer ik Egypteland slaan zal, |
EXODUS 12.
78
|
14 En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den Heere tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uwe geslachten tot eene eeuwige inzetting. 15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde brooden eten, maar op den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uwe huizen; want wie het gedeesemde eet van den eersten dag af tot op den zevenden dag, die zi«l zal uitgeroeid worden uit Israël. 16 En op den eersten dag zal er eene heilige verzameling zijn, ook zu!t gij eene heilige verzameling hebben op den zevenden dag: daar zal geen werk op denzelve gedaan worden; maar wat door iedere ziel gegeten zal worden, dat alleen mag door ulieden toegemaakt worden. 17 Zoo onderhoudt dan de ongezuurde brooden,^ dewijl ik juist op dien dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag hou-dén onder uwe geslachten tot eene eeuwige inzetting. 18 In de eerste maand op den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde brooden eten, tot den éénentwintig-sten dag der maand in den avond. 19 Dat er zeven dagen 1 ang geen zuurdeesem in uwe huizen, gevonden worde; want al wie het gedeesemde eten zal, die ziel zal uit de vergadering Israels uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands. 20 Gij zult niets eten dat ge-deesemd is, in alle uwe woningen zult gij ongezuurde brooden eten. 21 Mozes dan riep alle de oudsten van Israël en zeide tot hen: Leest uit en neemt u lammeren voor uwe huisgezinnen, en slacht het Pascha. 22 Neemt dan een bundeltje hysop, en doopt het in 't bloed dat in een bekken zal wezen, en strijkt aan den bovendorpel en aan de beide zij posten van dat bloed, 't welk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan |
uit de deur zijns huizes tot amp;an den morgen; 23 want de Heere zal dóórgaan om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zoo zal de Heere de deur voorbijgaan, en den ver-derver niet teelaten in uwe huizen te komen om te slaan. 24 Onderhoudt dan deze zake tot eene inzetting voor u en voor uwe kinderen tot in eeuwigheid. 25 En het zal geschieden als gij in dat land komt dat u de Heere geven zal, gelijk hij gesproken heeft, zoo zult gij dezen dienst onderhouden. 26 En het zal geschieden wanneer uwe kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor eenen dienst? 27 zoo zult gij zeggen: Dit is den Heere een Paaschoffer, die voor der kinderen Israëls huizen voorbijging in Egypte, toen hij de Egyptenaars sloeg en onze huizen bevrijdde. Toen boog zich het volk en neigde zich. 28 En de kinderen Israëls gingen en deden het: gelijk als de Heere Mozes en Aaron geboden had, alzóó deden zij. 29 En het geschiedde te middernacht dat de Heere alle de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene Farao's af die op zijnen troon zitten zoude, tot op den eerstgeborene des gevangenen, die in het gevangenhuis was en alle eerstgeborene der beesten. 30 En Farao stond op bij nacht, hij en alle zijne knechten, en alle de Egyptenaars; en daar was een groot geschrei in Egypte, want daar was geen huis waarin niet een doode wa?. 31 Toen riep hij Mozes en Aaron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zoo gijlieden als de kinderen^ van Israël; en gaat henen, dient den Heere, gelijk gijlieden gesproken hebt. 32 Neemt ook met u uwe schapenen uwe runderen, zooals gij |
EXODUS 13.
7i)
|
gesproken hebt, en gaat henen, en zegent mij ook. 33 En de Egyptenaars hielden eterk aan bij het volk, haastende om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood. 34 En het volk nam zijn deeg op eer hot gedeesemd was, hunne deegklompen, gebonden in hunne kleederen, op hunne'schouderen. 35 De kinderen Israëlg nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egypte-naren geëischt zilveren vaten en gouden vaten en kleederen. 36 Daartoe had de Heere het volk genade gegeven in de oogen der Egyptenaren, dat zij hun hunne begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren. 37 Al zoo reisden de kinderen Israëls uit van Rameses naar Suk-koth, omtrent zeshonderdduizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens; 38 en veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen en runderen, zeer veel vee. 39 En zij bakten van het deeg dat zij uit Egypte gebracht hadden ongezuurde koeken, want het was niet gedeesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zoodat zij niet vertoeven konden noch ook teerkost voor zich bereiden. 40 De tijd nu der woning, die de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaar en dertig jaar. 41 En het geschiedde ten einde van de vier honderd en dertig jaren, zoo is hot juist op denzellden dag geschied dat alle de heiren des Heeren uit Egypteland gegaan zijn. 42 Dezen nacht zal men den Heere op het vlijtigste houden, omdat hij ze uit Egypteland geleid heeft; dit is de nacht des Hee-ren, die op het vlijtigste moet ge-houden worden van alle de kinderen Israëls, onder hunne geslachten. 43 Voorts zeide de Heere tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het Pascha: geens vreemdelinge zoon zal daarvan eten; |
44 doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten: 45 geen uitlander noch huurling zal daarvan eten. 46 In één huis zal het gegeten worde; gij zult van het vleescli niet buiten uit het huis dragen, en zult geen been daaraan breken. 47 De gansche vergadering Israëls zal het doen. 48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den Heere het Pascha houden zal, dat alles wat mannelijk is bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. 49 Eénerlei wet zij den ingeborene en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. 50 En alle kinderen Israëls deden het; gelijk als de Heere Mozes en Aaron geboden had, alzóó deden zij. 51 En het geschiedde even tenzelfden dage, dat de Heere de kinderen Israëls uit Egypteland leidde, naar hunne heiren. HOOFDSTUK 13. Toen sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Heilig mij alle eerstgeborenen, wat eenige baarmoeder opent, onder de kinderen Israëls, van menschen en van beesten; dat is mijn. 3 Voorts zeide Mozes tot het volk: Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welken gijlieden uit E-gypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de Heere heeft u door eene sterke hand van hier uitgevoerd; lt; daarom zal het gedee-semde niet gegeten worden. 4 Heden gaat gijlieden uit, in de maand Abib; 5 en het zal geschieden als u de Heere zal gebracht hebben in het land der Kanaaniten en der Hethiten en der Amoriten en der Heviten en der Jebusiten, |
|
80 EXOI hetwelk hij uwen vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honig, zoo zult gij dezen dienst houden in deze maand. 6 Zeven dagen zult gij ongezuurde brooden eten, en cp den zevenden dag zal den Heeee een feest zijn. 7 Zeven dagen zullen ongezuurde brooden gegeten worden, en het gedeeeemde zal bij u niet gezien worden, ja daar zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in alle uwe palen. 8 En gij zult uwen zoon te kennen geven te dien dage, zeggende: ï)it is om hetgeen deHEERE mij gedaan heeft toen ik uit Egypte uittoog. 9 En het zal u zijn tot een tee-ken op uwe hand en tot eene gedachtenis tusschen uweoogen, opdat de wet des Heeren in u-wen mond zij, omdat u de Hee-re door eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. 10 Daarom onderhoud deze inzetting ter bestemder tijd, van jaar tot jaar. 11 Het zal ook geschieden wanneer u de Heere in het land der Kanaaniten zal gebracht hebben, gelijk hij u en uwen vaderen gezworen heeft, en hii het u zal gegeven hebben: 12 zoo zult gij tot den Heere doen overgaan alles wat de baarmoeder opent, ook alles wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult: de mannetjes zullen des Heeren zijn. 13 Doch al wat de baarvioeder der ezelin opent zult gij lossen met een lam; wanneer gij het nu niet lost, zoo zult gij het den nek breken, maar alle eerstgeborenen des menschen onder uwe zonen zult gij lossen. 14 Wanneer het geschieden zal dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat? zoo zult gij tol hem zeggen; De Heere heeft ons door eene sterke hand uit Egypte, uit den dicnsthuize, uitgevoerd; 15 want het geschiedde toen Fall S 14. |
rao zich verhardde ons te laten trekken, zoo doodde de Heere alle eerstgeborenen in Egypteland,van des menschen eerstgeborene af tot den eerstgeborene der beesten: daarom offer ik den Heere de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik. 1G En het zal tot een teekea zijn op uwe hand, en tot voor-hoofdspanselen tusschen uwe oogen; want de Heere heeft door eene sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. 17 En het is geschied toen Farao het volk had laten trekken, zoo leidde ze God niet Oj) den weg van der Filistijnen land, hoewel die nader was; want God zeide: Dat 't het volk niet rouwe als zij den strijd zien zouden, en heli niet wederkeere naar Egypte^ 18 maar God leidde het volk om door den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypteland. 19 En Mozes nam Jozefs beenderen met zich; want hij had met een zwaren eed den kinderen Israels bezworen, zeggende; God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijne beenderen mek ulieden op van hier. 20 Al zoo reisden zij uit Suk-koth, en zij legerden zich in Etham aan het einde der woestijn. 21 En de Heere toog voor hun aangezicht, des daags in eene wolkkolom dat hij ze op den weg leidde,en des nachts in eene vuurkolom dat hij ze lichtte, om voort te gaan dag en nacht; 22 hij nam de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks. HOOFDSTUK 14. Toen sprak de Heere tot Mozes zeggende; 2 Spreek tot de kinderen Israels, dat aij wederkeeren en zich legeren vóór Pi-Hahiroth, tusschen Migdol en tusschen de zee: vóór Baal-Zefon, daartegenover zult gij u legeren aan de zee. |
EXODUS 14.
81
|
3 Farao dan zal zeggen van de kinderen Israëls: Zij zijn verward in het land, de woestijn heeft ze besloten. 4 En ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en ik zal aan Farao en aan al zijn heir ver-heerlijkt worden, alzoo dat de Egyptenaars zullen weten dat ik de Heere ben. En zij deden alzoo. 5 Toen nu den Koning van Egypte werd geboodschapt dat het volk vluchtte, zoo is het hart Farao's en zijner knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken dat zij ons niet dienden ? 6 En hij spande zijnen wagen aan, en nam zijn volk nier. zich, 7 en nam zeshonderd nitge-lezene wagens, ja alle de wagens van Egypte, eu de hoofdlieden over die allen. 8 Want de Heere verstokce het hart van Farao, den Koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls najoeg; doch de kinderen Israëls waren door eene hooge hand uitgegaan. i) En de Egyptenaars jaagden ze na, en achterhaalden ze daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; alle Farao's paarden, wagens, en zijne ruiters en zijn heir; nevens Pi-Hahiroth, vóór Baiil-Zefon. 10 Als Farao nabij gekomen was, zoo hieven de kinderen Israëls hunne oogen op, en zie, de Egyptenaars togen achter ^ hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israëls tot den Heere, 11 en zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gansch geene graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt? 12 Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven. |
13 Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziei het heil des Heerex, dat hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars, die gij lieden gezien hebt, die zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. 14 De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stille zijn. 15 Toen zeide de Heere tot Mozes: Wat roept gij tot mij? Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. 16 En gij, hef uwen staf op, en strek uwe hand uit over de zee en klief ze, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge. 17 En ik, zie, ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daar ingaan; en ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijne wage-nen en aan zijne ruiteren. IS En de Egyptenaars zullen weten dat ik de Heere ben, wanneer ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijne wagenen en aan zijne ruiteren. 19 En de Engel Gods, die vóór het heir Israëls ging, vertrok en ging achter hen; de wolkkolom vertrok óók van hun aangezicht en stond achter hen, 20 en zij kwam tusschen het leger der Egyptenaren en tusschen het leger Israëls, en de wolk was tegelijk duisternis en verlichtte den nacht; zoodat de één tot den ander niet naderde den gansch en nacht. 21 Toen Mozes zijne hand uitstrekte over de zee, zoo deed de Heere de zee weggaan door een sterken oostenwind, dien gan-schen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. 22 En de kinderen Israëls zijn. ingegaan in't midden van de zöeâ op het droge, en de wateren waren hun een muur aan hunne rechter-en aan hunne linkerhand. 23 En de Egyptenaars vervolgden ze en gingen in achter hen», alle Farao's paarden, zijne wa-genen en zijne ruiteren, in het midden van do zee. |
EXODUS 15.
82
|
24 En het geschiedde in de morgen wake dat de Heere in de kolom des vuurs en der wolk zag op het leger der Egyptenaren, en hij verschrikte het leger der Egyptenaren. 25 En hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed zezwaarlijk voortvaren. Toen zeiden de Egyp-tenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht Israëls, want de Heere etrijtV. voor hen tegen de Egyp-tenaars. 26 En de Heere zeide tot Mozes: Strek uwe hand uit over de zee, dat de wateren wederkeeren over de Egypte naars, over hunne wagenen en over hunne ruiters. 27 Toen strekte Mozes zijne hand uit over de zee, en de zee kwam weder tegen het naken van den morgenstond tot hare kracht, en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet en de Heere stortte de Egyptenaars in 't midden der zee; 28 want als de wateren wederkeerden, zoo bedekten zij de wagenen en de ruiters des ganschen heirs van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee: daar bleef uiet één van hen overig. 29 Maar de kinderen Israëls gin- fen op het droge, in het middenen op het droge, in het midden er zee, en de wateren waren hun een muur aan hunne rechter- en aan hunne linkerhand. 30 Alzoo verloste de Heere Israël op dien dag uit de hand der Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan den oever der zee. 31 Ook zag Israël de groote hand, die de Heere aan de Egyptenaren bewezen had: en het volk vreesde den Heere, en geloofde in den Heere, en aan Mozes zijnen knecht. HOOFDSTUK 15. Toen zong Mozes en de kinderen Israëls den Heere dit lied en spraken, zeggende : Ik zal den Heere zingen, want hij is hoog verheven: het paard en zijnen ruiter heeft hij in de zee geworpen. |
2 De Heere is mijn kracht en lied, en hij is mij tot een heil geweest; deze is mijn God, daarom zal ik hem eene liefelijke woning maken; hij is mijns vaders God, dies zal ik hem verheffen. 3 De Heere is een krijgsman; Heere is zijn naam. 4 Hij heeft Farao's wagens en zijn heir in de zee geworpen, en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee: 5 de afgronden hebben ze bedekt, zij zijn in de diepten gezonken als een steen. 6 O Heere, uwe rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; uwe rechterhand, o Heere, heeft den vijand verbroken; 7 en door uwe groote hoogheid hebt gij die tegen u opstonden omgeworpen ; gij hebt uwen brandenden toorn uitgezonden, die ze verteerd heeft als eenen stoppel; 8 en door het geblaas van uwen neus zijn de wateren opgehoopt geworden, de stroomen hebben overeind gestaan als een hoop, de afgronden zijn stijf geworden in het harte der zee. 9 De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit deelen, mijne ziele zal van hen niet vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijne hand zal ze uitroeien: 10 gij hebt met uwen wind geblazen, de zee heeft ze bedekt zij zonken onder als lood in geweldige wateren. _ 11 O Heere, wie is als gij onder de goden? Wie is als gij, verheerlijkt in heiligheid, vreesdij k in lofzangen, doende wonder ? 12 Gij hebt uwe rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft ze verslonden. 13 Gij leidt door uwe weldadigheid dit volk dat gij verlost hebt, gij voert ze zachtkens door uwe sterkte tot de liefelijke woning uwer heiligheid. 14 De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. 15 Dan zullen de Vorsten Edoms verbaasd wezen, beving zal de machtigen der Moabiten |
EXODUS 1G.
|
bevangen, alle de ingezetenen van Kanaan zullen veremelten. 16 Verschrikking en vreeze zal op hen vallen, door de grootheid van uwen arm zullen zij verstommen als een steen, totdat uw volk, Heere, henen doorkome, totdat dit volk henen doorkome, dat gij verworven hebt. 17 Die zult gij inbrengen, en planten ze op den berg uwer erfenis, ter plaatse welke gij o Heere gemaakt hebt tot uwe woning, het heiligdom hetwelk uwe handen gesticht hebben, o Heere. 18 De Heere zal in eeuwigheid en geduriglijk regeecen; li) want Farao's paard, met zijnen wagen, met zijne ruiters, zijn in de zee gekomen, en de Heere heeft de wateren der zee over hen doen wederkeeren, maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. 20 En Mirjam de Profetes, Aarons zuster, nam eene trommel in hare hand; en alle de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. 21 Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den Heere, want hij is hoog verheven: hij heeft het paard met zijnen ruiter in de zee gestort. _ 22 Hierna deed Mozes de Israëliten voortreizen van de Schelfzee af, en zij trokken uit tot in de^ woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. 23 Toen kwamen zij t? Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter: daarom werd deszelfs naam genoemd Mara. 24 Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? 25 Hij dan riep tot den Heere en de Heere wees hem een hout, dat wierp hij in dat water: toen werd liet water zoet. Aldaar stelde hij het vo/A; eene inzetting en recht, en aldaar verzocht hij . hetzelve, |
26 en zeide: Is het dat gij met ernst naar de stemme des Hee-ren uws Gods hooren zult, en doen wat recht is in zijne oogen, en uwe ooren neigt tot zijne geboden, en houdt alle zijne inzettingen: zoo zal ik geene der krankheden op u leggen, die ik op Egypteland gelegd heb ; want ik ben de Heere, uw heelmeester. 27 Toen kwamen zij te Elim. en daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren. HOOFDSTUK 16. Toen zij van Elim gereisd waren, zoo kwam de gansche vergadering der kinderen Israels in de woestijn Sin, welke is tus-schen Sinaï, op den vijftienden dag der tweede maand nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. 2 En de gansche vergadering der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en tegen Aaron in de woestijn, 3 en de kinderen Israëls zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleeschpotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gansche gemeente door den honger te dooden. 4 Toen zeide de Heere tot Mozes: Zie, ik zal voor ulieden brood uit den hemel regenen; en het volk zal uitgaan en verzamelen elke dagmaat op haren dag, opdat ik het beproeve of het in mijne wet ga, of niet. 5 En het zal geschieden op den zesden dag, dat zij bereiden zullen hetgeén zij ingebracht zullen hebben: dat zal dubbel zijn boven hetgeen dat zij dagelijks zullen verzamelen. 6 Toen zeide Mozes en Aaron tot alle de kinderen Israëls: Aan den avond, dan zult gij weten dat u de Heere uit Egypteland uitgeleid heeft: 7 en morgen, dan zult gij des Heeren heerlijkheid zien: dewijl |
EXODUS 16.
84
|
hij uwe murraureeringen tegen den Heere gehoord heeft; want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert ? 8 Voorts zeide Mozes: Als de Heeee ulieden aan den avond vleesch te eten zal geven, en aan den morgen brood tot verzadiging, het zal zijn omdat de Heere uwe murmureeringen gehoord heeft, die gij tegen hem murmureert; want wat zijn wij? Uwe murmureeringen zijn niet tegen ons, maar tegen den Heere. 9 Daarna zeide Mozes tot Aaron: Zeg tot de gansche vergadering der kinderen Israels: Nadert voor het aangezicht des Heeren, want hij heeft uwe murmureeringen gehoord. 10 En het geschiedde als Aaron tot de gansche vergadering der kinderen Israëls sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zoo zie, de heerlijkheid des Heeren verscheen in de wolk. 11 Ook heeft de Heere tot Mozes gesproken, zeggende: 12 Ik heb de murmureeringen der kinderen Israëls gehoord: spreek tot hen, zeggende: Tus-echen de twee avonden zult gij vleesch eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten dat ik de Heere uw God ben. 13 En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger: 14 als nu de liggende dauw opgevaren was, zoo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. 15 Toen nu de kinderen Israëls het zagen, zoo zeiden zij de één tot den ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood, 't welk de Heere ulieden te eten gegeven heeft. 16 Dit is het woord dat de Heere geboden heeft: Verzameli daarvan een ieder naardat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uwe zielen; ieder zal nemen voor degenen, die in zijne tent zijn. |
17 En de kinderen Israëls deden alzoo, en verzamelden, de één veel en de ander weinig. 18 Doch als zij het met den gomer maten, zoo had degene die veel verzameld had niets over, en dengene die weinig verzameld had ontbrak niet; een iegelijk verzamelde zooveel hij eten mocht. 19 En Mozes zeide tot hen: Niemand late daarvan over tot den morgen. 20 Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot den morgen : toen wiessen daar wormen in en het werd stinkende, dies werd Mozes zeer toornig op hen. 21 Zij nu verzamelden dat allen morgen, een iegelijk naardat hij eten mocht, want als de zon heet werd, zoo versmolt liet. 22 En het geschiedde op den zesden dag dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor één; en alie de oversten der vergadering kwamen en verkondigden het Mozes. _ 23 Hij dan zeide tot hen: Dit is het dat de Heere gesproken heeft: Morgen is de ruste, de heilige sabbat des Heeren : wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt wat gij zieden zoudt; en al wat overblijft , legt het op voor u in bewaring tot den morgen. 24 En zij leiden dat op tot den morgen, gelijk Mozes geboden had; en het stonk niet en daar was geen worm in. 25 Toen zeide Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des Heeren; gij zult het heden op het veld niet vinden. 26 Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzelve zal het niet zijn. 27 En het geschiedde op den zevenden dag dat sommigen van het volk uitgingen om te verzamelen, doch zij vonden niet. 28 Toen zeide de Heere tot Mozes: Hoelang weigert gijlieden |
|
E X O 1 te houden mijne geboden en mijne wetten ? 29 Ziet, omdat de Heere ulie-den den sabbat gegeven heeft, daarom geeft hij u op der. zesden dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijne plaats: dat niemand uit zijne plaats ga op den zevenden dag. 30 Alzoo rustte het volk op den zevenden dag. 31 En het huis Israëls noemde zijnen naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken. 32 Voorts zeide Mozes: Dit is het woord, hetwelk de Heeee bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uwe geslachten, lt; opdat zij zien het brood, dat ik ulieden heb te eten gegeven in deze woestijn, toen ik u uit Egypteland uitleidde. 33 Ook zeide Mozes tot Acron: Neem eene kruik en doe een gomer vol Man daarin, en zet ze voor het aangezicht des Heeren, tot bewaring voor uwe geslachten. 34 Gelijk als de Heeee aan Mozes geboden had, alzoo zette ze Aaron vóór de getuigenis tot bewaring. 35 En de kinderen Israels aten Man veertig jaar, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaan. 36 Een gomer nu is het tiende-deel van eene efa. HOOFDSTUK 17. Daarna toog de gansche vergadering der kinderen Israëls, naar hunne dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des Heeren, en zij legerden zich te Bafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. 2 Toen twistte het volk met Mozes, en zeiden : Geeft gijlieden ons water dat wij drinken. Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den Heere? 3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zoo murmureerde het volk tegen Mozes, en |
ü S 17. 85 het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij en mijne kinderen en mijn vee van dorst deed sterven? 4 Zoo riep Mozes tot den Heere, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Daar feilt niet veel aan of zij zullen mij steenigen. 5 Toen zeide de Heere tot Mozes : Ga henen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël en neem uwen staf in uwe hand, waarmede gij de rivier ploegt, en ga henen: 6 zie, ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zoo zal daar water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzoo voor de oogen der oudsten van Israël: 7 en hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om den twist der kinderen Israëls, en omdat zij den Heere verzocht hadden, zeggende: Is de Heere in het midden van ons of niet? 8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. 9 Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op des heuvels hoogte staan, en de staf Gods zal iu mijne hand zijn. 10 Jozua nu deed als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aiiron en Hur klommen op de hoogte des heuvels. 11 En het geschiedde terwijl Mozes zijne hand ophief, zoo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijne hand nederliet, zoo was Amalek de sterkste. 12 Doch Mozes' handen werden zwaar; daarom namen zij eenen steen en leiden dien onder hem, dat hij daarop aat, en Aaron en Hur onderstutteden zijne handen, de één op deze, de ander op de andere zijde: alzoo waren zijne handen gewis, totdat de zon onderging, 13 alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards. |
EXODUS 18.
86
|
14 Toen zeide de Heere tot Mozea: Schrijf dit ter gedachteais in een boek, en leg het in de ooren van Jozua, dat ik de ge-dachtenie van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel. 15 En Mozes bouwde een altaar, en hij noemde deszelfs naam: De Heere is mijn banier. 16 En hij zeide; Dewijl de hand op den troon desHEEREN is, zoo zal de oorlog des Heer en tegen Amalek zijn, van geslachte tot geslachte. HOOFDSTUK 18. Toen Jethro, Priester van Mi-dian, Mozes' schoonvader, hoorde al wat God aan Mozes en aan Israël, zijn volk, gedaan had, dat de Heere Israël uit Egypte uitgevoerd had, 2 zoo nam Jethro,Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw, (nadat hij ze wedergezonden had), 3 met hare twee zonen, waarvan de één^ genaamd was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land), 4 en de naam des anderen was Eliëzer: Want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijne hulp feweest, en heeft mij verlost van 'arao's zwaard.eweest, en heeft mij verlost van 'arao's zwaard. 5 Toen nu Jethro, Mozes* schoonvader, met zijne zonen en zijne huisvrouw tot Mozes kwam in de woestijn aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had, 6 zoo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro kom tot u met uwe huisvrouw, en hare beide zonen met haar. 7 Toen ging Mozes uit, zijnen schoonvader tegemoet, en hij boog zich en kuste hem, en zij vraagden de één den ander, naar zijnen welstand, en zij gingen naar de tent. 8 En Mozes vertelde zijnen schoonvader alles wat de Heere aan Farao en aan de Egyptenaren gedaan had om Israëls wille, al de moeite die hun op dien weg ontmoet was, en dat de Heere ben verlost had. |
9 Jethro nu verheugde zich over al het goede 't welk de Heerk Israël gedaan had, dat hij 't verlost had uit der Egyptenaren hand: 10 en Jethro zeide: Gezegend zij de Heere, die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren en uit Farao's hand, die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft: 11 nu weet ik dat de Heere grooter is dan alle goden, want in de zaak waarin zij trotschelijk gehandeld hebben was hij boven hen. 12 Toen nam Jethro, Mozes' schoonvader, Gode brandoffer en slachtofferen, en Aaron kwam, en alle de oversten van Israël, om brood te eten met Mozes' schoonvader voer het aangezicht Gods. 13 Doch het geschiedde des anderen daags, zoo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond vóór Mozes van den morgen tot den avond. 14 Als Mozes' schoonvader zag alles wat hij het volk deed, zoo zeide hij : AVat ding is dit dat gij het volk doet? Waarom zit gij zelf alleen, en al het volk staat vóór u van den morgen tot den avond ? 15 Toen zeide Mozes tot zijnen schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt om God raad te vragenc 16 wanneer zij eene zaak hebben, zoo komt het tot mij, dat ik richte tusschen den man en tusschen zijnen naaste, en dat ik hun bekend make Godes instellingen en zijne wetten. 17 Doch Mozes' schoonvader zeide tot hem: De zaak is niet goed die gij doet: 18 gij zultgeheel vervallen, zoo gij als dit volk 't welk bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, gij alléén kunt ze niet doen. 19 Hoor nu mijne stem, ik zal u raden en God zal met u zijn: wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God; 20 en verklaar hun de instel-| lingen en de wetten, en maak j hun bekend den weg, waarin zij l wandelen zullen en het werk, I dat zij doen zullen. |
EXODUS 19.
87
|
21 Doch zie gij om onder al het volk naar kloeke mannen, god-vreezende, waarachtige r*annent de gierigheid hatende: stel ze over hen, oversten der duizenden, oversten der honderden, overaten der vijftigen, oversten der r.ienen: 22 dat zij dit volk te allen tijde richten; doch het geschiede dat zij alle groote zaken aan u brengen, maar dat zij alle kleine zaken richten; verlicht alzoo uzelven, en laat ze met u dragen. 23 Indien gij deze zake doet, en God het u gebiedt, zoo zult gij kunnen bestaan: zoo zal ook al dit volk in vrede aan zijne plaats komen. 24 Mozes nu hoorde naar zijns schoonvaders stem, en hij deed alles wat hij gezegd had; 25 en Mozes verkoos kloeke mannen uit gansch Israël, en maakte ze tot hoofden over het volk: oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, oversten der tienen, 26 dat zij het volk te allen tijde richtten, de harde zaak tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten. 27 Toen liet Mozes zijnen schoonvader trekken; en hij ging naar zijn land. HOOFDSTUK 19. In de derde maand na het uittrekken der kinderen Israels uit Egy pteland, tenzelfden dage, kwamen z,ij in de, woestijn Sinaï. 2 Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij legerden zich in de woestijn ; Israël nu legerde zich aldaar tegenover dien berg. 3 En Mozes klom op tot God, en do Heere riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot den huize Jakobs spreken en den kinderen Israels verkondigen : 4 Gijlieden hebt gezien wat ik den Egyptenaren gedaan heb, hoe ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot mij gebracht heb: |
5 nu dan, indien gij naarstiglijk mijner stemme zult gehoorzamen en mijn verbond houden, zoo zult gij mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gansche aarde is mijn; 6 en gij zult mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult. 7 En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hunne aangezichten alle deze woorden, die de Heere hem geboden had. 8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk en zeide: Al wat de Heere gesproken heeft zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden des volks wederom tot den Heere. 9 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, ik zal tot u komen in eene dikke wolk, opdat het volk hoore als ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u gelooven. Want Mozes had den Heere de woorden des volks verkondigd. 10 Ook zeide de Heere tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig ze heden en morgen, en dat zij hunne kleederen wasschen, 11 en bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de Heere voor deoogen van al_ het volk afkomen op den berg Sinaï. 12 En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en zijn einde aan te roeren: al wie den berg aanroert zal zekerlijk gedood worden; 13 geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlik ge-steenigd of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen. 14 Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesschen hunne kleederen. 15 En hij zeide iet het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw. 16 En het geschiedde ten derden dage, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en eene zware |
EXODUS 20.
|
wolk, en het geluid eener zeer sterke bazuin, zoodat al liet volk verschrikte dat in het leger was. 17 En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bcrfr?. 18 En de ganeche berg Sinaï rookte, omdat de Heere op denzei ven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op als de rook van eenen oven, en de gansche berg beefde zeer. 19 Toen het geluid der bazuin gaande was en zeer sterk werd, eprak Mozes, en God antwoordde hem met eene stem. 20 Als de Heere nedergekomen was op den berg Sinaï, op de spits des bergs, zoo riep de Heere Mozes op de spits des bergs; en Mozes klom op. 21 En de Heere zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk dat zij niet doorbreken tot den Heere om te zien, en velen van hen vallen. 22 Daartoe zullen ook de Priesters, die tot den Heere naderen, zich heiligen, dat de Heere niet tegen hen uitbreke. 23 Toen zeide Mozes tot den Heere: Het volk zal op den berg Sinaï niet kunnen klimmen; want gij hebt ons betuigd, zeggende: Paal den berg af, en heilig hem. 24 De Heere dan zeide tot hém: Ga henen, klim af; daarna zult gij, en Aaron met u, opklimmen; doch dat de Priesters en het volk niet doorbreken om op te klimmen tot den Heere, dat hij tegen hen niet uitbreke. 25 Toen klom Mozes af tot het 7olk, en zeide het hun aan. HOOFDSTUK 20. Toen sprak God alle deze woorden, zeggende; 2 Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. 3 Gij zult geene andere goden voor mijn aangezicht hebben. 4 Gij zult u geen gesneden beeld noch eenigegelijkenis maken van hetgeen dat boven in den hemel ïs, noch van hetgeen dat onderop de aarde is, noch van hetgeen dat |
in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen; want ik de Heere, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen dio mij haten; 6 en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die mij liefhebben en mijne geboden onderhouden. 7 Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdelijk gebruiken, want de Heere zal niet onschuldig houden die zijnen naam ijdelijk gebruikt. 8 Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. 9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen: 10 maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods: dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstlmecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling die in uwe poorten is; 11 want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat quot;daarin is, en hij rustte ten zevenden dage: daarom zegende de Heere den sabbatdag, en heiligde denzelven. 12 Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft. 13 Gij zult niet doodslaan. 14 Gij zult niet echtbreken. 15 Gij zult niet stelen. 16 Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste. 17 Gij zult niet begeeren uws naasten huis, gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is. 18 En al het volk zag de donderen en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rookenden berg; coenhet volk zulks zag, weken zij af en stonden van verre. |
|
EXOD 19 en zy zeiden tot Mozes: «preek gij met ons, en wij zullen hooren; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet eterven. 20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen opdat hij u yerzocht, en opdat zijne vreeze voor uw aangezicht zoude zijn, dat gij niet zondigdet. 21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid alwaar God was. 22 Toen zeide de Heere tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen; Gij hebt gezien dat ik met ulieden van den hemel gesproken heb. 23 Gij zult nevens mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken. 24 Maak mij een altaar van aarde, en offer daarop u we brand-oil eren en uwe dankofferen, uwe schapen en uwe runderen; f.an alle plaatse, daar ik mijns naams gedachtenis stichten zal, zal ik tot u komen en zal u zegenen. 25 Maar indien gij mij een steenen altaar zult maken, zoo zult gij dat niet bouwen van gehouwen steen: zoo gij uw houw-ijzer daarover verheft, zoo zult gij het ontheiligen. 26 Gij zult ook niet met trappen tot mijn altaar opklimmen, opdat uwe schaamte daarvoor niet ontdekt worde. HOOFDSTUK 21. Dit nu zijn de rechten, die gij hun zult voorstellen. 2 Als gij eenenHebreeuwschen knecht koopen zult, die zal zes jaren dienen, maar^ in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. 3 Indien 'hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zoo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zoo zal zijne vrouw met hem uitgaan. 4 Indien hem zijn heer eene vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochteren gebaard zal hebben, zoo zal de vrouw en hare kinderen ha ars heeren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan. 5 Maar indien de knecht rond- |
ÃS 21. amp;9 uit zeggen zal: Ik heb mijnen heer, mijne vrouw en mijne kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan: 6 zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur of aan den post brengen, en zij n heer zal hem meteenen priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen. 7 Wanneer nu iemand zijne dochter zal verkocht hebben tot eene dienstmaagd, zoo zal zij niet uitgaan gelijk de knechten uitgaan. 8 Indien zij kwalijk bevalt in de oogen haars heeren, dat hij ze niet ondertrouwd heeft, zoo zal hij ze doen lossen; aan een vreemd volk haar te verkoopen zal hij niet vermogen, dewijl hij trouweloos met haar gehandeld heeft. 9 Maar indien hij ze aan zijnen zoon ondertrouwt, zoo zal hij met haar doen naar het recht der dochteren. 10 Indien hij voor zir-h een© andere neemt, zoo zal hij deze hare spijze, haar deksel, en haren huwelijksplicht niet onttrekken; 11 en indien hij daar deze drie dingen niet doet, zoo zal zij om niet uitgaan, zonder geld. 12 Wie iemand slaat dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden. 13 Doch die hem niet belaagd heeft, maar God heeft hem zijne hand doen ontmoeten, zoo zal ik u eene plaats bestellen waar hij henenvliede. 14 Maar indien iemand tegen zijnen naaste moedwilliglijk gehandeld heeft, om hem met list te dooden, zoo zult gij denzelven van voor mijn altaar nemen, dat hij sterve. 15 Zoo wie zijnen vader of zijne moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden. 10 Voorts zoo wie een mensch steelt hetzij dat hij dien verkocht heeft of dat hij in zijne hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden. 17 Wie ook zijnen vader of zijne moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden. IS En wanneer mannen twis- |
EXODUS 22.
90
|
ten, en de één Blaat den ander met eenen steen of met eene vuist, en hij sterft; niet maar valt te bedde: 19 indien hij weder opstaat, en op straat gaat bij zijnen stok, zoo zal hij die hem sloeg onschuldig zijn: alleen zal hij geven lietgeen hij verzuimd heeft, en hij zal hem volkomenlijk laten heelen. 20 AVanneer ook iemand zijnen dienstknecht of zijne dienstmaagd met eenen stok slaat, dat hij onder zijne hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden. 21 Zoo hij nochtans eenen dag of twee dagen overeind blij ft, zoo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld. 22 Wanneer nu mannen kijven, en slaan eene zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat^ doch het geen doodelijk verderf is, zoo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk de man der vrouw hem oplegt, en hij zal het geven door de rechters; 23 maar indien het een doode-lijk verderf zal zijn, zoo zult gij geven ziel voor ziel, 24 oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet, 25 brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil. 2ö Wanneer ook iemand het oog zijns dienstknechts, of het oog zijner dienstmaagd slaat en het verderft, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog. 27 En indien hij zijn dienstknechts tand ^ of zijner dienstmaagd tand uitslaat, zoo zal hij hem vrijlaten voor zijnen tand. 2S En wanneer een os een man of vrouw stoot dat hij sterft, zoo zal de os zekerlijk gesteenigd worden, en zijn vleesch zal niet gegeten worden: maar de heer van den os zal onschuldig zijn. 29 Maar indien de os te voren stootig geweest is, en zijn heer daarvan overtuigd is geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of vrouw, zoo zal die os gesteenigd worden, en zijn heer zal óók gedood worden. 30 Indien hem losgeld opgelegd wordt, zoo zal hij tot lossing zijner ziel geven naar alles wat hem zal opgelegd worden; |
31 hetzij dat liij eenen zoon gestooten 1 leeft, of eene dochter gestooten laeeft, naar dat recht zal hem gedaan worden. 32 Indien, de os een knecht of dienstmaagd etoot, hij zal zijnen heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gesteenigd worden. 33 En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft en hi.i dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin, 34 de heer des kuils zal het vergoeden, liij zal den heer des-zelven het geld nitkeeren, doch dat doode zal voor hem wezen. 35 Wanneemu iemands os zijns naasten os lïvetst dat hij sterft, zoo zal men den levenden oa verkoopen, en het geld daarvan half en half doelen, en den dooden zal men óók: half en halfdeelen. 36 Of is 't kennelijk geweest dat die os van te voren stootig was. en zijn heer heeftfhein niet bewaard, zoo zal hi.i in alle manier os voor os vergelden; doch de doode zal voor hom wezen. HOOITDSrUK 22. Wanneer iemand een os of klein vee steelt, en slacht, het of verkoopt liet, die zal vijf runderen voor eenen os wedergeven, en vier schapen voor een duk klein vee. 2 Indien «en dief gevonden wordt in he t doorgraven, en hij wordt geslagen dat hij sterft, het zal hem gee n bloedschuld zijn. 3 Indien de zon over hem opgegaan is, zoo zal het hem eene bloedschuld zijn; liij zal liet volkomen wedergeven: heeft hij niet, zoo zal hij verkoclit worden voor zijne dieverij . 4 Indien dei diefstal levend in zijne hand voorzeker gevonden wordt, hetzij es of ezel of klein vee, hij zal net dubbel wedergeven. 5 Wanneer iemand een veld of wijngaard laat afwijden, en hij zijn beest dtxerin drijft, dat het in eens anders veld weide, die zal het van het beste zijns velds en |
EXODUS 22.
91
|
van het beste zijns -wijngaards wedergeven. O ^Vannecr een vmir uitga at en vat de doornen, zoodat de koren-hoop verteerd wordt, of het gtaande koren, of het veld, hij die den brand heeft aangestoken zal het volkomen wedergeven. 7 Wanneer iemand zijnen naaste geld of vaten te bewaren geeft, en het wordt uit diens mans huis gestolen: indiende dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven; 8 indien de dief niet gevonden wordt, zoo zal de heer des huizes tot de goden gebracht worden, lt;öf hij niet zijne hand aan zijns naasten have gelegd heeft. 9 Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleeding, overal 1 het verlorene, hetwelk iemand 1 zegt dat het zijne is, beider zaak i zal voor de goden komen: wel- ; ken de goden verwijzen, die zal j het zijnen naaste dubbel weder- j geven. 10 Wanneer iemand aan zijnen i naaste een ezel of os of klein vee i of eeuig beest te bewaren geeft, en het sterft, of liet wordt bezeerd, of weggedreven dat het niemand ziet, 11 zoo zal des Keeren eed tus-echen hen beiden zijn, of hij niet zijne hand aan zijns naasten have geslagen heeft; en de heer der-zelve zal dien aannemen, en hij zal het niet wedergeven. 12 Maar indien het door hem zekerlijk gestolen is, hij zal het zijnen heer wedergeven. 13 Is het gewisselijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige: zoo zal hij het verscheurde niet wedergeven. 14 En wanneer iemand van zijnen naaste wat begeert, en het wordt beschadigd of het sterft, zijn heer daar niet bij zijnde, zal hij Jiet volkomen wedergeven; 15 indien zijn heer daar bij geweest is, zal hij het niet wedergeven ; indien het gehuurd is, zoo is het voor zijne huur gekomen. |
16 Wanneer nu iemand eene maagd verlokt die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal _ haar zonder uitstel eenen bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe z.ij. 17 Indien haar vader gansche-lijk weigert haar aan hem te go-ven, zoo zal hij geld geven, naar den bruidschat der maagden. 18 De tooveres zult gij nietlaten leven. 19 Al wie bij een beest ligt, die zal zekerlijk gedood worden. 20 Wie den goden offert, behalve den Heere alleen, die zal verbannen worden. 21 Gij zult ook den vreemdeling geen overlast doen noch hem onderdrukken, want gij zij t vreemdelingen geweest in Egypteland. 22 Gij zult geene weduwe noch wees beleedigen. 23 Indien gij ze eenigszins be-leedigt, en indien zij eenigszins tot mij roepen, ik zal hun geroep zekerlijk verhoeren; 24 en mijn toorn zal ontsteken, en ik zal ulieden met het zwaard dooden, en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen weezen worden. ^ 25 Indien gij mijn volk,, dat bij u arm is, geld leent, zoo zult gij tegen hetzelve niet zijn als een woekeraar: gij zult op hetzelve geen woeker leggen. f 2G Indien gij eenigszins uws naasten kleed te pand neemt, zoo zult gij het hem wedergeven eer de zon ondergaat; 27 want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijne huid: waarin zoude hij liggen? liet zal dan geschieden wanneer hij tot mij roept dat ik liet zal hooren; want ik ben genadig. 28 De goden zult gij niet vloeken, en den overste in uw volk zult gij niet lasteren. 29 Uwe volheid en uwe tranen zult gij niet uitstellen ; den eerstgeborene uwer zonen zult gij mij geven. 30 Desgelijks zult gij doen met uwe ossen en met uwe schapen; zeven dagen zullen zij bij hunne moeder zijn, ten achtsten dage zult gij ze mij geven. 31 Gij nu zult mij heilige lie- |
EXODUS 25.
94
|
met Jozua zijnen dienaar, en Mozes klom op den berg Gods, 14 en hij zei de tot de ondsten: Blijft gij ons hier, totdat ïvij weder tot u komen; en zie, Aaron en Hnr zijn bij w: Tvie eenigo zaken heeft zal tot hen komen. 15 Toen Mozes op den berg geklommen was, zoo heeft eene wolk den berg bedekt, 16 en de heerlijkheid des Hee-ren woonde op den berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen; en ten zevenden dage riep hij Mozes uit het midden der wol k. 17 En het aanzien der heerlijk-li c-i'.l des Heekex was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de oogen der kinderen Israels. 18 En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachten. HOOFDSTUK 25. Toen sprak de Heere tot Mo-ze?, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor mij een hefoffer nemen: van alleman, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gijlieden m ij n hefoffer nemen. 3 Dit nu is het hefoffer hetwelk gij van hen nemen zult:goud en zilver en koper; 4 alsook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en lijn linnen en geiten/war; 5 en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen en sittimhout; (gt; olie tot den luchter; specerijen ter zalfolie, en tot rooking welriekende specerijen; 7 sardonyxsteenen en vervullende steenen tot den efod en tot den borstlap. 8 En zij zullen mij een heiligdom maken, dat ik in het midden van hen wone. 9 Naar al wat ik u tot een voorbeeld dezes Tabernakels en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzoo zult gijlieden die maken. |
10 Zoo zullen zij eene Ark van sittimhout maken: twee ellen en eene halve zal hars lengte zijn, en anderhalve el hare breedte, en anderhalve el hare hoogte. 11 En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrokken; en gij zult rondom op dezelve een gouden krans maken. 12 En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan hare vier hoeken, alzoo dat twee ringen aan hare ééne zijde, entwee ringen aan hare andere zijde zijn. 13 En maak handboomen van sittimhout, en overtrek ze met goud; 14 en steek de handboomen in de ringen, die aan de zijden der Ark zijn, dat men de Ark daarmede drage: 15 de draagboomen zullen in de ringen der Ark zijn, zij zullen er niet uitgetrokken worden. 1G Daarna zult gij in de Ark leggen de getuigenis, die ik u geven zal. 17 Gij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud: twee en een halve el zal zijne lengte zijn, en anderhalve el zijne breedte. 18 Gij zult ook twee cherubs van goud maken, van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels. 19 En maak u éénen cherub uit het ééne einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit liet verzoendeksel zult gijlieden de cherubs maken, uit de beide einden van hetzelve. 20 En de cherubs zullen hunne beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hunne vleugelen het verzoendeksel;en hunne aangezichten zullen tegenover elkander zijn, de aangezichten der cherubs zullen naar het verzoendeksel zijn. 21 En gij zult het verzoendeksel boven op de Ark zetten, nadat gij in de Ark de getuigenis, die ik u geven zal, zult gelegd hebben. 22 En aldaar zal ik bij u komen, en ik zal met u spreken |
EXODUS 26.
95
|
Tan boven het rerzoendeksel af, yan tusschen de twee cherubs die op de Ark der getuigenis zijn zullen, alles wat ik u gebieden zal aan de kinderen Israels. 23 Gij zult ookeene tafel maken va-n sittimhout: twee ellen zal hare lengte zijn, en eene el hare breedte, en eene el en eene halve zal hare hoogte zijn. 24 En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans rondom daaraan maken. 25 Gij zult daar ook eene 'lijst rondom aan maken; eene hand breed; en gij zult een gouden krans rondom de lijst derzelve maken. 2G Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken, en gij zult de ringen zetten aan de vier hje-ken, die aan de vier voeten der-zelve zijn zullen. 27 Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handboomen om de tafel te dragen. 28 Deze handboomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult ze met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden. 29 Gij zult ook maken hare schotelen en hare rooksehalen, en hare plateelen, en hare kroezen, (met dewelke zij bedekt zal worden); van louter goud zult gij ze maken. 30 En gij zult op deze tafel altijd hot toonbrood voor mijn aan-gczicht leggen. 31 Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken; van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijne schacht en zijne rieten; zijne schaaltjes, zijne knoopen en zijne bloemen zullen uit hem zijn. 32 En zes rieten zullen uit zijne zijden uitgaan: drie rieten des kandelaars uit zijne ééne zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijne andere zijde. 33 In het ééne riet zullen drie echaaltjes zijn gelijk amandelnoten, een knoop en eene bloem; en drie schaaltjes gelijk aman-delnoten in een ander riet. een knoop^ en eene bloem: alzóó zullen die zes rieten zijn, die uitquot; den kandelaar gaan. |
34 Maar aan den kandelaar zeiven zullen vier schaaltjes zijn gelijk amandelnoten, met zijnd-knoopen en met zijne bloemen, 35 En er zal een knoop zijn onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzóó zal hel zijn met dezes rieten, die uit den kandelaar uitgaan. _ 36 Hunne knoopen en hunne rieten zullen uit hem zijn: her zal altemaal een éónig dicht werk van louter goud zijn. 37 Gij zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijne lampen aansteken en doen lichten aan zijne zijden. 38 Zijne snuiters en zijnamp; bluschvaten zullen louter goud zijn. 39 Uit een talent louter gouds zal men dat maken, met al dit gereedschap. 40 Zie dan toe dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is. HOOFDSTUK 26. Den Tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, vaa fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubs van het allerkunstig-ste werk zult gij ze maken. 2 De lengte van ééne gordijn zal van achtentwintig ellen zijn, en de breedte ééner gordijn van vier ellen; alle deze gordijnen zullen ééne maat hebben. 3 Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn de ééne aan de andere, wederom zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn de ééne aan de andere. 4 En gij zult hemelsblauwe striklisjes maken aan den kant der ééne gordijn, aan het uiterste in do samenvoeging; alzóó zult gij ook doen aan den uitersten kant der gordijn, aau de tweede samenvoegende. |
|
90 EX O I ten, en de één Blaat den ander met ^enen steen of met eene vuist, en hij sterfc niet maar valt te bedde: 19 indien hij -weder opstaat, en op straat gaat bij zijnen stok, zoo zal hij die hem sloeg onschuldig zijn: alleen zal hij geven lietgeen hij verzuimd heeft, en hij zal hem volkomenlijk laten Leelen. 20 quot;Wanneer ook iemand zijnen dienstknecht of zijne dienstmaagd met eenen stok slaat, dat hij onder zijne hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden. 21 Zoo hij nochtans eenen dag of twee dagen overeind blij ft, zoo zal hij^ niet gewroken worden; want hij is zijn geld. 22 quot;Wanneer nu mannen kijven, en slaan eene zwangere vrouw, lt;iat haar de vrucht afgaat, doch liet geen doodelijk verderf is, zoo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk de man der vrouw hem oplegt, en hij zal het geven door de rechters; 23 maar indien het een doodelijk verderf zal zijn, zoo zult gij geven ziel voor ziel, 24 oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet, 25 brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil. 2ö Wanneer ook iemand het oog zijns dienstknechts, of het oog zijner dienstmaagd slaat en het verderft, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog. 27 En indien hij zijn dienstknechts tand e of zijner dienstmaagd tand uitslaat, zoo zal hij hem vrijlaten voor zijnen tand. 28 En wanneer een os een man of vrouw stoot dat hij sterft, zoo zal de os zekerlijk gesteenigd worden, en zijn vlecsch zal niet gegeten worden: maar de heer van den os zal onschuldig zijn. 29 Maar indien de os te voren stootig geweest is^ en zijn heer daarvan overtuigd is geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of vrouw, zoo zal die os gesteenigd worden, en zijn hoer zal óók gedood worden. 30 Indien hem losgeld opgelegd wordt, zoo zal hij tot lossing |
US 22. zijner ziel geven naar alles wat hem zal opgelegd worden; 31 hetzij dat hij eenen zoon gestooten heeft, of eene dochter gestooten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden. 32 Indien de os een knecht of dienstmaagd stoot, hij zal zijnen heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gesteenigd worden. 33 En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft en hij dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin, 34 de heer des kuils zal het vergoeden, hij zal den heer deszei ven liet geld uitkcercn, doch dat doode zal voor hem wezen. 35 Wanneer nu iemands os zijns naasten os kwetst dat hij sterft, zoo zal men den levenden os verkoopen, en het geld daarvan half en half deelen, en den dooden zal men óók half en half deelen. 30 Of is 't kennelijk geweest dat die os van te voren stootig was. en zijn heer heeft hem niet bewaard, zoo zal hij in alle-manier os voor os vergelden; doch do doode zal voor hem wezen. HOOFDSTUK 22. Wanneer iemand een os of klein vee steelt, en slacht het of verkoopt het, die zal vijf runderen voor eenen os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee. 2 Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn. 3 Indien de zon over hem opgegaan is, zoo zal het hem eene bloedschuld zijn; hij zal liet volkomen wedergeven: heeft hij niet, zoo zal hij verkocht worden voor zijne dieverij. 4 Indien de diefstal levend in zijne hand voorzeker gevonden wordt, hetzij ©s of ezel of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven. 5 Wanneer iemand een veld of wijngaard laat afwijden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in eens anders veld weide, die zal het van het beste zijns velds en |
EXODUS 22.
91
|
van het beste zijns wijngaards wedergeven. O quot;Wanneer een vmir nitgnaten vat de doornen, zoodat de koren-hoop verteerd wordt, of het etaande koren, of het veld, hij die den brand heeft aangestoken zal het volkomen wedergeven. 7 Wanneer iemand zijnen naaste geld of vaten te bewaren geeft, en het wordt uit diena mans huis gestolen: indiende dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven; 8 indien de dief niet gevonden wordt, zoo zal de heer des huizes tot de goden gebracht worden, nf hij niet zijne hand aan zijns naasten have gelegd heeft. 9 Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleeding, overal het verlorene, hetwelk^ iemand zegt dat het zijne is, beider zaak j zal voor de goden komen: wel- ! ken de goden venvijzen, die zal j het zijnen naaste dubbel weder- j geven. 10 Wanneer iemand aan zijnen ! naaste een ezel of os of klein vee I of eeuig beest te bewaren geeft, j en het sterft, of het wordt begeerd, of weggedreven dat het niemand ziet, 11 zoo zal des Heeren eed tus- ! echen hen beiden zijn, of hij niet â zijne hand aan zijns naasten have i geslagen heeft; en de heer der-zelve zal (/ün aannemen, en hij zal het niet wedergeven. 12 Maar indien het door hem zekerlijk gestolen is, hij zal het zijnen lieer wedergeven. 13 Is het gewisselijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige: zoo zal hij het verscheurde niet wedergeven. 14 En wanneer iemand van zijnen naaste wat begeert, en het wordt beschadigd of het sterft, üijn heer daar niet bij zijnde, zal hij het volkomen wedergeven; 15 indien zijn heer daar bij geweest is, zal hij het niet wedergeven; indien het gehuurd is, zoo is het yoor zijne huur gekomen. |
16 Wanneer nu iemand eene cnaagd verlokt die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, dio zal ^ haar zonder uitstel eenen bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij. 17 Indien haar vader gansclie-lijk weigert haar aan hem te go-ven, zoo zal hij geld geven, naar den bruidschat der maagden. 18 De tooveres zult gij nietlaten leven. 19 AI vie bij een beest ligt, die zal zekerlijk gedood worden. 20 Wie den goden offert, behalve den Heere alleen, die zal verbannen worden. 21 Gij zult ook den vreemdeling geen overlast doen noch hem onderdrukken, wantgij zij t vreemdelingen geweest in Egyptelaud. 22 Gij zult geene weduwe noch wees beleedigen. 23 Indien gij ze eenigszins be-leedigt, en indien zij eenigszins tot mij roepen, ik zal hun geroep zekerlijk verhoeren; 24 en mijn toorn zal ontsteken, en ik zal ulieden met het zwaard dooden, en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen weezen worden. 25 Indien gij mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zoo zult gij tegen hetzelve niet zijn als een woekeraar: gij zult op hetzelve geen woeker leggen. 2ü Indien gij eenigszins uws naasten kleed te pand neemt, zoo zult gij het hem wedergeven eer de zon ondergaat; 27 want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijne huid: waarin zoude hij liggen? liet zal dan geschieden wanneer hij tot mij roept dat ik het zal hooren; want ik ben genadig. 28 De goden zult gij niet vloeken, en den overste in uw volk zult gij niet lasteren. 29 Uwe volheid en uwe tranen zult gij niet uitstellen; den eerstgeborene uwer zonen zult gij mij geven. 3à Desgelijks zult gij doen met uwe ossen en met uwe schapen; zeven dagen zullen zij bij hunne moeder zijn, ten achtsten dage zult gij ze mij geven. 31 Gij nu zult mij heilige lie- |
J
EXODUS 23.
92
|
dttii ziju: daarom zult gij geen i vleefu.-li eten dat op liet veld ge- : echeurd is; gij zultiietdenliond voorwerpen. HOOFDSTUK 23. Gij zult geen valsch gerucht opnemen; en stel uwe hand niet bij deu goddelooze, om een getuige tot geweld te zijn. 2 Gij zult de menigte tot booze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in eene twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte oiq hei recht te buigen. 3 Ook zult gij den geringe niet voortrekken in zijne twistige zaak. 4 quot;Wanneer gij uws vijands os of zijnen ezel dwalende ontmoet, gij zult hem denzelveu zekerlijk wederbrengen. 5 Wanneer Sà uws haters ezel onder zijnen Jast ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn om het uice te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manieren met hem verlaten. 6 Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijne twistige zaak. 7 Wees verre van valsche zaken; en den onschuldige en gerechtige zult gij nietdooden; wantik zal den goddelooze niet rechtvaardigen. 8 Ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der rechtvaardigen. 9 Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken; wantgijlieden kent het gemoed des vreemde-lings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland. 10 Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijne inkomst verzamelen ; 11 maar in het zevende zult gij het laten rusten en stil liggen, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des velds eten mogen. Alzóó zult gij ook doen met uwen wijngaard en met uwe olijfboo-men. 12 Zes dagen zult gij uwe werken doen, maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat uwer dienstmaagd zoon ©n de vreemdeling adem scheppe. |
13 In alles wat ik tot ulieden gezegd heb zult gij op uwe hoede zijn; en den naam van andere goden zult gij niet gedenken, uit uwen mond zal hij niet gehoord worden. 14 Drie reizen in liet jaar zult gij mij feest houden. 15 Het feest van de ongezuurde hroodcn zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde hrooden eten, (gelijk ik u geboden heb), ter bestemder tijd in de maand Abib, want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen; doch men zal niet ledig voor mijn aangezicht verschijnen. 1G En het feest des oogstes der eerste vruchten van uwen arbeid» die gij op het veld gezaaid zult hebben. En het feest der inzameling, op den uitgang des jaars, wanneer gij uwen arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. 17 Driemaal 'sjaars zullen alle uwe mannen voor het aangezicht des Heeren Heer en verschijnen. 18 Gij zult het bloed mijne offers met geen gedeesemde 6roö-den offeren; ook zal het vette mijns feestes tot op den morgen niet vernachten. 19 De eerstelingen der eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des Heeren uws Gods brengen. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder. 20 Zie, ik zend eenen Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die ik bereid heb; 21 hoed u voor zijn aangezicht, en wees zijner stemme gehoorzaam, en verbitter hem niet; want hij zal ulieder overtredingen niet vergeven, want mijn Naam is in het binnenste van hem. 22 Maar zoc gij zijner stemme naarstiglijk gehoorzaamt en doet al wat ik spreken zal, zoo zal ik uwer vijanden vijand en uwer wederpartijder:; wederpartij zijn; 23 want mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en hij zal« inbrengen tot de Amoriten üd |
EXODUS 24.
03
|
Herliiten en Fereziten en Kana-finiten, Heviten en Jebusiten, en ik zal ze verdelgen. 24 Gij zult ii voor hunne goden i niet buigen noch hen dienen, ook zult gij naar hunne werken niet * doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hunne opgerichte l oeiden ganscheiijk vermorzelen, 25 en gij zult den Heere uwen God dienen: zoo zal hij uw brood en uw water zegenen, en ik zal de krankheden uit het midden t van u weren; 2G daar zal geen misdrachtige noch onvruchtbare in uw land zijn; ik zal het getal uwer dagen vervullen; 27 ik zal mijnen schrik voor uw aangezicht zenden, en al het I volk tot hetwelk gij komt ver-{?aagd maken, en ik zal maken dat alle uwe vijanden u den nek toekeeren. 28 Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoo-ten de Heviten, de Kanaaniten en de Hethiten. 29 Ik zal ze in één jaar van uw aangezicht niet uitstooten, opdat liet land niet woest worde, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde; 30 ik zal ze allengskens van uw aangezicht uitstooten, totdat gij gewassen zijt en het land erft. 31 En ik zal uwe landpale zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want ik zal de inwoners diens lands in ulieder hand geven, dat gij ze voor uw aangezicht uitstoot. 32 Gij zult met hen en met hunne goden geen verbond maken. 33 Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen mij niet ; ioen zondigen; indien gij hunne goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. HOOFDSTUK 24. Daarna zeide hij tot Mozes: Klim op^ tot den Heeke, gij en Aiiron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten Israels; c-n buigt u neder van verre. |
2 En dat Mozes alleen naders tot den Heere maar dat zij niet naderen; en het volk klimme óók niet op met hem. 3 Als Mozes kwam en verhaalde het volk alle de woorden des Heeren en alle de rechten, toen antwoordde al het volk met ééna stem en zij zeiden; Alle deze woorden, die de Heere gesproken ; heelt zullen wij doen. 1 4 Mozes nu beschreef alle de i woorden des HEEREK,en hij maak-| te zich des smorgena vroeg op, i en hij bouwde een airaar onder , aan den berg, en twaalf kolom-j uien, naar de twaalf stammen Is-I raëls. ' o En hij zond de jongelingen der kinderen Israels, die branduf-feren otterden en den Heeke dankoffer en offerden van jonge ossen. G En Mozes nam de helft des bloeds en zette liet in bekkens, en de helft des bloeds sprengde hij op het altaar. 7 En hij nam het boek des ver-bonds, en hij las het voor de ooren des volks; en zij zeiden: Al wat de Heere gesproken heeft zullen wij doen, en gehoorzamen. 8 Toen nam Mozes dat bloed en sprengde het op 't volk, en hij zeide: Zie, die is het bloed des verbonds, 't welk de Heere met ulieden gemaakt heeft over alle die woorden. 9 Mozes nu en Aaron klommen opwaarts, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten Israels, lü en zij zagen den God Israels, en onder zijne voeten als een werk van saffiersteen, c-n als de gestaltenis des hemels in zij no klaarheid. 11 Doch hij strekte zijne hand niet tot de afgezonderden der kinderen Israels, maar zij aten en dronken nadat zij God gezien hadden. 12 Toen zeide de Heere tot Mozes: Kom tot mij op den berg, en wees aldaar; en ik zal u stee-nen tafelen geven, en de wet en de geboden, die ik geschreven heb om hen te onderwijzen. 13 Toen maakte zich Mozes op |
EXODUS 25.
94
|
met Jozna zijnen dienaar, en Mozes ]ciom op den berg Gods, l-l en hij zeide tot de oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen; en zie, Aaron en Hur zijn bij u: wie eenigo zaken heeft zal tot hen komen. 15 Toen Mozes op den berg geklommen was, zoo heeft eene wolk den berg bedekt, itJ en de heerlijkheid des Hee-ki:n woonde oi) don berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen ; en ten zevenden dage riep hij Mozes uit het midden der wolk. 17 En het aanzien der heerlijkheid des Heeren was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de oogen der kinderen Israels. iS En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachten. HOOFDSTUK 25. Toen sprak de Heere tot Mo-ze*. zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor mij een lief-otfer nemen: van alleman,wiens hart. zich vrijwillig bewegen zal, zultgijlieden mijn hefoffer nemen. 3 Dit nu is het hefoiier hetwelk gij van hen nemen zult:gouden zilver en koper; 4 alsook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en lijn linnen en geiten/ma?*; ö en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen en sittimhout; 6 olie tot den luchter; specerijen ter zalfolie, en tot rooking welriekende specerijen; 7 sardonyxsteenen en vervullende steenen tot den efod en tor. den borstlap. 8 En zij zullen mij een heiligdom maken, dat ik in het midden van hen wone. 9 Naar al wat ik n tot een voorbeeld dezes Tabernakels en een voorbeeld van al deszells gereedschap wijzen zal, evenalzoo zult gijlieden die maken. |
10 Zoo zullen zij eene Ark van sittimhout maken: twee ellen en eene halve zal hare lengte zijn, en anderhalve el hare breedte, eu anderhalve el hare hoogte. 11 En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrekken; en gij zult rondom op dezelve een gouden krans maken. 12 En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan hare vier hoeken, al zoo dat twee ringen aan hare ééne zijde, en twee ringen aan hare andere zijde zijn. 13 En maak handboomen van sittimhout, en overtrek ze met goud; 14 en steek de handboomen in de ringen, die aan de zijden der Ark zijn, dat men de Ark daarmede dra ge: 15 de draagboomen zullen in de ringen der Ark zijn, zij zullen er niet uitgetrokken worden. 16 Daarna zult gij in de Ark leggen de getuigenis, die ik u geven zal. 17 Gij zult ook een verzoendeksel 'maken van louter goud: twee en een halve el zal zijne lengte zijn, en anderhalve el zijne breedte. 18 Gij zult ook twee cherubs van goud maken, van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels. 19 En maak u éénen cherub uit het ééne einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubs maken, uit de beide einden van hetzelve. 20 En de cherubs zullen hunne beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hunne vleugelen het verzoendeksel;en hunne aangezichten zullen tegenover elkander zrn, de aangezichten der cherubs zullen naar het verzoendeksel zijn. 21 En gij zult het verzoendeksel boven op de Ark zetten, nadat gij inde Ark de getuigenis, die ik u geven zal, zult gelegd hebben. 22 En aldaar zal ik bij u komen, eu ik zal met u spreken |
EXODUS 26.
95
|
yan boven het verzoendeksel af, Tan tusschen de twee cherubs die op de Ark der getuigenis zijn zullen, alles _ wat ik n gebieden zal aan de kinderen Israels. 23 Gij zult ookeene tafel maken va-n sittimhout: twee ellen zal hare lengte zijn, en eene e. hare breedte, en eene el en eene halve zal hare hoogte zijn. 24 En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans rondom daaraan maken. 25 Gij zult daar ook eene lijst rondom aan maken; eene hand breed; en gij zult een gouden krans rondom de lijst derzeive maken. 2G Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken, en gij zult de ringen zetten aan de vierhoeken, die aan de vier voeten uer-zelve zijn zullen. 27 Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handboomen om de tafel te dragen. 28 Deze handboomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult ze met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden. 29 Gij zult ook maken hare schotelen en hare rookschalen, en hare plateelen, en hare kroezen, (met dewelke zij bedekt zal worden); van louter goud zult gij ze maken. SO En gij zult op deze tafel altijd^ het toonbrood voor mijn aan-gezicht leggen. 31 Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken; van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijne schacht en zijne rieten; zijne schaaltjes, zijne knoopen en zijne bloemen zullen uit hem zijn. _ 32 En zes rieten zullen uit zijne zijden uitgaan: drie rieten des kandelaars uit zijne éene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijne andere zijde. 33 In het ééne riet zullen drie Bchaaltjes zijn gelijk amandelnoten, een knoop en eene bloem; en drie schaaltjes nel ijk aman- . delnoten in een ander riet. een i knoop en eene bloem: alzóó zul' len die zes rieten zijn, die uis den kandelaar gaan. |
34 Maar aan den kandelaar zeiven zullen vier schaaltjes zijn gelijk amandelnoten, met zijne-knoopen en met zijne bloemen. 35 En er zal een knoop zijn onder twee rieten, uit donzelven mi-gaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzei ven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzei ven uitgaande; alzóó zal hel zijn met dezes rieten, die uit den kandelaar uitgaan. ^ 3G Hunne knoopen en hunne rieten zullen uit hem zijn: het zal altemaal een écnig dicht werk van louter goud zijn. 37 Gij zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijne lampen aansteken en doen lichten aan zijne zijden. 38 Zijne snuiters en zijno bluschvaten zullen louter gou'i zijn. 39 Uit een talent louter gouds zal men dat maken, met al dit gereedschap. 40 Zie dan toe dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is. HOOFDSTUK 26. Den Tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken» met cherubs van het allerkunstig-ste werk zult gij ze maken. 2 De lengte van ééne gordijn zal van achtentwintig ellen zijn, en de breedte ééner gordijn van vier ellen; alle deze gordijnen zullen ééne maat hebben. 3 Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn de ééne aan de andere, wederom zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn de ééne aan de andere. 4 En gij zult hemelsblauwe striklisjes maken aan den kant der ééne gordijn, aan het uiterste in de samenvoeging; alzóó zult gij ook doen aan den uitersten kant der gordijn, aan de tweed© samenvoegende. |
EXODUS 26.
9â¬
|
5 Vijftig Btrïklisjes zult gij aan da ééne gordijn makan, en vijftig etrikliejes zult gij maken aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is: deze striklisjes zullen het ééne aan het andere samenvatten. 6 Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ééne aan de andere, met deze liaakjes,opdat het één Tabernakel zij. 7 Ook zult gij gordijnen uit geiten/mar maken tot eene tent over den Tabernakel: van elf gordijnen zult gij die maken. 8 De lengte ééner gordijn zal dertig ellen zijn, en de breedte ééner gordijn vier ellen: deze elfgor-dijnen zuilen ééne maat hebben. y En gij zult vijf dezer gordijnen bijzonder aan elkander voegen. en zes dezer gordijnen bijzonder; en de zesde dezer gordijnen zult gij dubbel maken, recht vóór op de tent. 10 Eu gij zult vijftig strikHsjes maken aan den kant van do ééne gordijn, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, die de tweede samenvoegende is. 11 Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en gij zult de haakjes in de striklisjes doen, en gij zult de tent samenvoegen dat ze één zij. 12 Het overige nu dat overschiet aan de gordijnen der tent, de helft der gordijn die overschiet, zal overhangen aan de achterste deelen des Tabernakels; 13 en ééne el van deze, en ééne el van gene zijde van hetgeen dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen der tent, zal overhangen aan de zijden des Tabernakels, arm deze en aan gene zijde, om dien te bedekken. 14 Gij zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellon en daarover een deksel van dassen vellen. 15 Gij zult ook tot den Tabernakel staande stijlen maken van Bittimhout; 16 de lengte van een stijl zal tien ellen zijn, en eene el en eene halve el zal de breedte van eiken stijl zijn. |
17 Twee houvasten zal één stijl hebben, als sporten in eene ladder gezet, de ééne nevens de andere: alzóó zult gij het met alle de stijlen des Tabernakels maken. 18 En de stijlen tot den Tabernakel zult gij aldus maken: twintig stijlen naar de zuidzijde zuidwaarts. 19 Gij zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig stijlen: twee voeten onderéénen stijl, aan zijne twee houvasten, en twee voeten onder een anderen stijl, aan zijne twee houvasten. 20 Er zullen ook twintig stijlen zijn aan de andere zijde des Tabernakels, aan den noorderhoek, 21 met hun veertig zilveren voeten: twee voeten onder éénen stijl, en twee voeten onder eenen anderen stijl. 22 Doch aan de zijde des Tabernakels tegen het quot;Westen zult gij zes stylen maken. 23 Ook zult gij twee stijlen maken tot de hoekstijlen des Tabernakels aan de beide zijden; 24 en zij zullen van beneden ah tweelingen samengevoegd zijn, zij zullen ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd zijn, met éénen ring: alzóó zal het met de twee stijlen zijn, tot twee hoekstijlen zullen zij zijn. 25 Alzoo zullen de acht stijlen zijn met hunne zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder éénen stijl, wederom twee voeten onder éénen stijl. 26 Gij zult ook richelen maken van sittimhout: vijf aan do stij- . len van de ééne zijde des Taber-j nakels, 27 en vijf richelen aan de stijlen i van de andere zijde des Taber-i nakels; alsook vijf richelen aan de stijlen van de zijde des Tabernakels, aan de beide zijden westwaarts. 28 En de middelste richel zal midden aan de stijlen zijn, doorschietende van het ééne einde tot het andere einde. 29 En gij zult de stijlen met goud overtrekken, en hunne rin- |
|
Igen (de plaatsen voor de richel en) gen (de plaatsen voor de richel en) zult gij van goud maken; de ri-chelen zult gij óók met goud â overtrekken. 30 Dan zult gij den Tabernakel oprichten naar zijne wijze, dien op den berg getoond is. 31 Daarna zult gij eenenvoor-Ihang maken van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en lijn |getweernd linnen; van het aller-Uiunstigste werk zal men dien maken, met cherubs, 32 en zult hem hangen aan vier pilaren van sittim/zowf, met goud lt;jvertogen; hunne haken zullen van goud zijn, staande op vier zilveren voeten. 33 En gij zult den voorhang onder de haakjes hangen, en gij zult «ie Arke der getuigenisse aldaar binnen den voorhang brengen, en deze zal ulieden eene scheiding maken tusschen het heilige en tusschen het heilige der heiligen. 34 En gij zult het verzoendeksel zetten op de Ark der getui-genis, in het heilige der heiligen. 35 De Tafel nu zult gij zetten buiten den voorhang, en den kandelaar tegen de tafel over aan de ééne zijde des Tabernakels, zuidwaarts; maar de tafel zult gij zetten aan de noordzijde. 3G Gij zult ook aan de deur der tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk. 37 En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittini//o«i maken, en die mèt goud overtrekken, hunne haken zullen van goud zijn, en gij zult hun vijf koperen voeten gieten. HOOFDSTUK 27. Gij zult ook een altaar maken van sittimhout: vijf ellen zal de |engte zijn en vijf ellen de breedte, (vierkant zal dit altaar zijnl,^ en drie ellen zijne hoogte. 2 En gij zult zijne hoornen maken op zijne vier hoeken, uit iietzelve zullen zijne hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken. 3 Gij zult voor hetzelve ook |
97 potten maken om zijne asch te ontvangen, ook zijne schotfelen, en zijne besprengbekkens, en zijne krauwels, en zijne koolpannen: al zijn gereedschap zult gij van koper maken. 4 Gij zult daarvoor eenen rooster maken van koperen netwerk, en gij zult aan dat net vier koperen _ ringen maken aan zijne vier einden; 5 en gij zult het onder den omloop des altaar van beneden opleggen, alzoo dat het net tot het midden des altaars zij. 6 Gij zult ook handboomen maken tot het altaar, handboomen van sittimhout, en gij zult zo met koper overtrekken. 7 En de handboomen zullen in de ringen gedaan worden, alzoo dat de handboomen zijn aan beide zijden des altaars als men het draagt. 8 Gij zult het hol, van planken, maken; gelijk als hij u op den berg gewezen heeft, alzóó zullen zij doen. 9 Gij zult ook den voorhof dea Tabernakels maken: aan den zuidhoek zuidwaarts zullen aan den voorhof behangselen zijn van iijn getweernd linnen; de lengte écner zijde zal honderd ellen zijn. 10 Ook zullen zijne twintig pilaren en derzelver twintig voeten van koper zijn; de luiken dezer pilaren en hunne banden zullen zilver zijn. 11 Alzóó zullen ook aan den noorderhoek, in de lengte, de behangsels honderd ellenlang zijn; en zijne twintig pilaren en derzelver twintig voeten van koper; de haken der pilaren en derzelver banden zullen zilver zijn. 12 En in de breedte des voor-hofs, aan den westerhoek, zullen behangselen zijn van vijftig ellen; hunne pilaren tien, en derzelver voeten tien. 13 Van gelijken zal de breedte des voorhofs aan den oosterhuek oostwaarts van vijftig ellen zijn: 14 alzoo dat er vijftien ellen der behangselen op de ééne zijde zijn, hunne pilaren drie enhim-ne voeten drie; EXODUS 27. |
4
EXODUS 28.
|
15 en vijftien ellen dcrbehang-selen aan de andere zijde, hunne pilaren drie en hunne voeten drie. 1G In de poort nu des voorhofs zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; hunne pilaren vier, en hunne voeten vier. 17 Alle de pilaren des voorhofs zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hunne haken zullen van zilver zijn, maar hunne voeten zullen van koper zijn. 18 De lengte des voorhofs zal honderd ellen zijn, en de breedte telkens vijftig, en de hoogte vijf ellen, van fijn getweernd linnen; maar hunne voeten zullen van koper zijn. 19 Aangaande al het gereedschap des Tabernakels, in al des-zelfs dienst, ja alle zijne pennen en alle de pennen des voorhofs zuilen van koper zijn. 20 Gij nu zult den kinderen Israels gebieden dat zij tot u brengen reine olie van olijven, g^estooten voor den luchter, dat men geduriglijk de lampen aan-steke. 21 In de Tent der samenkomst, van buiten den voorhang die vóór de getuigenis is, zal Aiiron en zijne zonen ze toerichten, van den avond tot den morgen, voor het aangezicht des Hekken ; dit zal eene eeuwige inzetting zijn voor hunne geslachten, vanwege de kinderen Israels. HOOFDSTUK 28. Daarna zult gij uwen broeder Aiiron, en zijne zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israels, om mij het Priesterambt te bedienen; namelijk Aiiron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen Aarons. 2 En gij zult uwen broeder Aiiron heilige kleederen maken, tot heerlijkheid en tot sieraad. 3 Gij zult ook spreken tot allen, die wijs van harte zijn, die ik met den geest der wijsheid vervuld heb, dat zij Aiiron kleederen maken om hem te heiligen, dat hij mij het Priesterambt be^ diene. |
4 Dit nu zijn de kleederen die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en gordel; zij zullen dan uwen broeder Aiiron heilige kleederen nm-ken, en zijnen zonen, om mij het Priesterambt te bedienen. 5 Zij zullen ook het goud en hemelsblauw en purper en scharlaken en fijn linnen nemen, 6 en zullen den efod maken van goud, hemelsblauw en purper, scharlaken en getweernd linnen, van het allerkunstigste werk. 7 Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijne beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. 8 En de kunstige riem zijns efods, die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfvle, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken; en lijn getweernd linnen. 9 En gij zult twee sardonyx-stecnen nemen, en de namen der zonen Israels daarop graveeren: 10 zes van hunne namen op éénen steen, en de zes overige namen op den anderen steen, naar hunne geboorten; 11 naar steensnijders werk, gelijk men de zegelen graveert, zult gij deze twee steenen graveeren met de namen der zonen Israels; gij zult ze maken dat zij omvat zijn in gouden kastjes. 12 En gij zult de twee steenen aan de scho uderbanden des efods zetten, zijnde steenen ter gedachtenis voor de kinderen Israels; en Aiiron zal hunne namen op zijne beide schouderen dragen, ter gedachtenis voor het aangezicht des hteken. 13 Gij zult ook gouden kastjes maken, 14 en twee ketentjes van louter goud: gel ij k- ei u di go n d e zult gij die maken, gedraaid werk; en de gedraaide kei entjes zult gij aan de kastjes hechten. 15 Gij zult ook een borstlap des gerichts maken, van het allerkunstigste werk, gelijk het werk des |
EXODUS 28.
90
|
efods, zult gij hem maken: Tan goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij hein maken; 1(3 vierkant zal hij zijn;en verdubbeld: een span zal zijne lengte zijn, en een span zijne breedte. 17 En gij zult. vervullende stce-nen daarin vullen, vier rijen stee-nen: eene rij van een sardis^een topaas en een karbonkel: dit is de eerste rij ; 18 en de tweede rij van een smaragd, een saffier en een diamant ; 19 en de derde rij, een hyacinth, agaat en amethyst; 20 en de vierde rij van een turkoois, en een sardonyx, en een laspis; zij zullen met goud inge-vat zijn in hunne vullingen. 21 En deze steenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen Israels, met hunne namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijnen naam; voor^ de twaalf stammen zullen zij zijn. 22 Gij zult ook aan de borstlap gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud maken. 23 Gij zult ook aan den borstlap twee gouden ringen maken, en gij zult de twee ringen aan de twee einden des borstlaps zetten. 24 Dan zult gij de twee gedraaide gouden ketentjes in de twee ringen doen, aan de einden des borstlaps; 2o maar de twee n nel ere einden der twee gedraaide liet entjes zult gij aan die twee kastjes doen, en gij zult ze zetten aan de schouderbanden des efods, recht op diens voorste zijde. 2G Gij zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden des borstlaps zetten, inwendig aan zijnen rand, die aan de zijde des efods zijn zal. 27 Nog zult gij twee gouden ringen maken, die gij zetten zult aan de twee schouderbanden des efods, beneden aan de voorste zijde, tegenover zijne voege, boven den kunstigen riem des efods. 25 Eu zij zullen den borstlap i |
I met zijne ringen aan de ringen des efods opwaarts binden met j een hemelsblauw snoer, dat hij j op den kunstigen riem des efods ; zij; en de borstlap zal van den i efod niet afgescheiden worden. I 29 Alzoo zal Aiiron de namen I der zonen Israels dragen aan den ; borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, j ter gedachtenis voor liet aange-: zicht des Heeren geduriglijk. 1 30 Gij zult ook in den borst-j lap des gerichts de Urim en do Tummim zetten, dat zij op het harte Aarons zijn, als hij voor I liet aangezicht des Heekex in-: gaan zal; alzoo zal Aiiron het i gericht der kinderen Israels geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht des Heeren. 31 Gij zult ook den mantel des efods geheel van hemelsblauw maken. 32 En deszeifs hoofdgat zal in i het midden daarvan zijn; dit gat i zal een boord rondom hebben ! van geweven werk: als het gat : eens pantsiers zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde. 33 En aan zijne zoomen zult 1 gij granaatappelen maken van hemelsblauw en van purper en van scharlaken, aan zijne zoomen i rondom, en gsuden schelletjes rondom tusschen dezelve: 34 dat er een gouden schelletje, daarna een granaatappel zij, ice- 1 derom een gouden schelletje en | een granaatappel, aan de zoomen des_mantels rondom. 35 En Aiiron zal denzelven aanhebben om te dienen, opdat zijn geluid gehoord worde als hij in het heilige voor het aange-zicht^ des Heeren ingaat en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve. 36 Voorts zult gij eene plaat maken van louter goud, en gij zult daarin graveeren, gelijk men de zegelen graveert: de Heiligheid des Heeren. 37 En gij zult dezelve aanhechten met een hemelsblauw snoer, alzoo dat zij aan den hoed zij: aan de voorste zijde des hoeds zal zij zijn. 38 En zij zal 'op het voorhoofd |
|
100 E X O L Aarons zijn. opdat Aaron dra ge do ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israels zullen geheiligd hebben, in alle gaven himner geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voor het aangezicht des Heeren aangenaam te maken. 39 Gij zult ook een en rok vol oogjes malven, van fijn linnen; gij zult ook den hoed van fijn Ãnnen maken; maar den gordel zult gij van geborduurd werk maken. 40 Den zonen Aiirons zult gij ook rokken maken, en gij zult hun gordden maken; ook zult gij hun mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad. 41 En gij zult dezelve uwen broeder Aaron en ook zijnen zonen aantrokken; en gij zult hen zalven en hunne hand vullen en hen heiligen, dat zij mij het Priesterambt bedienen. 42 Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vleesch der schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lendenen tot de dijen. 43 Aiiron nu en zijne zonen zullen die aanhebben als zij in de Tent der samenkomst gaan of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Bit zal eene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade na hem. HOOFDSTUK 29. Dit is nu de zaak die gij hun doen zult om hen te heiligen, dat ze mij het Priesterambt bedienen. Neem éénen var, het jong eens runds en twee volkomen rammen; 2 en ongezuurd brood, en ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken: van tarwemeelbloem zult gij dezelve maken. 3 En gij zult ze in éénen korf leggen, en zult ze in den korf toebrengen, met den var en de twee rammen. 4 Alsdan zult gij Aiiron en zijne zonen doen naderen aan de deur van de Tent der samenkomst; en |
ÃS 29. gij zult hen met water wasschen. o Daarna zult gij de kleederen nemen, en Aaron den rok en den mantel des efods en den efoden den borstlap aandoen, en gij zult hem omgorden met den kunstigen riem des efods, 6 en gij zult den hoed op zijn hoofd zetten: de kroon der heiligheid zult gij aan den hoed zetten. 7 En gij zult de zalfolie nemen en op zijn hoofd gieten: alzoo zult gij hem zalven. 8 Daarna zult gij zijne zonen doen naderen, en zult hen de rokken doen aantrekken. 9 En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk Aiiron en zijne zonen: en gij zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het Priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Voorts zult gij Aaron? hand vullen en de hand zijner zonen. 10 En gij zult den var nabij brengen vóór de Tent der samenkomst; en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen. 11 En gij zult den var slachten voor het aangezicht des Hekken, voor de deur van de Tent der samenkomst. 12 Daarna zult gij van het bloed des vars nemen en met uwen vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars. 13 Gij zult ook al het vet nemen hetwelk het ingewand bedekt, en het net over de lever, en beide nieren en het vet dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op het altaar. 14 Maar hat vleesch des vars en zijn vel en zijn drek zult gij met vuur verbranden buiten het leger: het is een zondoffer. ^ 15 Daarna zult gij den éénen ram nemen en Aiiron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd des rams leggen; 16 en gij zult den ram slachten en gij zult zijn bloed nemen en rondom op her altaar sprengen. 17 En den ram zult gij in zij ne deelen deelen, en gij zult zijn ingewand en zijne schenkelen |
EXODUS 20.
101
|
wasschen en op zijne deelen en op zijn hoofd leggen. 18 Alzoo zult gij den geheelen ram aansteken op het altaar: het is een brandoffer, den Heitre tot eenen liefelijken renk, het-is een vuuroffer den Heere. 19 Daarna znlt gij den anderen ram nemen, en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd des rams leggen; 20 en gij znlt den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op hctrec7ilt;!eroorlapje Atirons en op het rechteroorlapje zijner zonen, desgelijks op den duim hunner rechterhand en op den grooten teen huns rechtervoets; en dat bloed zult gij rondom op het altaar sprengen. 21 Dan zult gij nemen van het bloed dat op het altaar is, en van de zalfolie, en gij zult op Aaron en op zijne kleederen sprengen, en op zijne zonen, en op de kleederen zijner zonen met hem;opdat hij geheiligd zij, en zijne kleederen, ook zijne zonen, en zijner zonen kleederen met hem. 22 Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet dat het ingewand bedekt, en het net der lever, en de beide nieren met het vet dat aan dezelve is, en den rechterschouder ; want het is een ram der vulofferen: 23 en één bolle broods, en één koek geolied broods, en ééne vlade, uit den korf der ongezuurde broaden, die voorliet aangezicht des Heeren zijn zal; 24 en leg ze allen op de handen Atirons en op de handen zijner zonen, en beweeg ze ten beweeg-olier voor het aangezicht des Heeren. 25 Neem ze daarna van hunne hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot eenen liefelijken reuk voor het aangezicht des Heeren : het is een vuuroffer don Heere. 2G En neem de borst van den ram der vulofferen, die van Aaron is, en beweeg hem ten beweeg-offer voor liet aangezicht des Heeren; en het zal u ten deelezijn. |
27 En gij zult de borst desbe-weegoffers heiligen, en den schouder des hefoffers, die bewogen en die opgeheven zal zijn, van den ram des vuloffers, van hetgeen dat Aarons en van hetgeen dat zijner zonen is. 28 En het zal Aarons en zijner zonen zijn, tot eene eeuwige inzetting, vanwege^ de kinderen Israels, want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen Israels zal zijn van hunne dankofferen; hun hefoffer zal voor den Heere zijn. 29 De heilige kleederen nu die van Aarpn zullen geweest zijn, zullen van zijne zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, cn dat men hunne hand in dezelve vuile. 30 Zeven dagen zal hij ze aantrekken die uit zijne zonen in zijne plaats Priester zal worden, die in de Tente der samenkomst gaan zal om in het heilige te dienen. 31 Gij zult den ram der vullingen nemen, en gij zult zijn vleesch in de heilige plaatse zieden. 32 Aaron nu en zijne zonen zullen het vleesch van dezen ram eten, en het brood dat in den korf zal zijn, bij de deur van de Tent der samenkomst. 33 En die zullen die dingen eten met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hunne hand te vullen, en om hen te heiligen, maar een vreemde zal ze niet eten, want zij zijn heilig. 34 En indien daar icat overblijven zal van het vleesch der vuloffers of van dit brood, tot aan den morgen, zoo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden: het zal niet gegeten worden, want het is heilig. 35 Gij zult dan Aaron en zijnen zonen al zóó doen, naar alles wat ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hunne hand vullen. 36 Gij zult ook des daags eenen var des zondoffers bereiden tot de verzoeningen, en gij zult het altaar ontzondigen, de verzoening daarover doende; en gij zult het zalven, om het te heiligen. |
EXODUS 30.
102
|
37 Zeven dagen zult gij verzoening doen voor liet altaar en zult liet heiligen: alsdan zal dat altaar eene heiligheid der heiligheden zijn: al vrat het altaar aanroert zal heilig zijn. 38 Dit nu is het wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren die jarig zijn 's daags, ge-duriglijk. 39 Het ééne lam zult gij des morgens bereiden, maar het andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden; 40 met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestooten olie; en tot drankotter een vierdedeel van een hin wijn, tot het écno lam. 41 Het andere lam nu zult gij bereiden tusschen twee avonden; gij zult daarmede doen gelijk met het morgen-spijsoffer en gelijk met deszelfs drankolier, toteenen liefelijken reuk: het is eenvuurof-fer den Heere. 42 Het zal een gednrig brandoffer zijn bij uwe geslachten, aan de deur van de Tent der samenkomst, voor het aangezicht des Heeren: aldaar zal ik met ulie-den komen, dat ik aldaar met u spreke; 43 en daar zal ik komen tot de kinderen Israels, opdat zij geheiligd worden door mijne heerlijkheid. 44 En ik zal de Tente der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; ik zal ook Aaron en ziine zonen heiligen, opdat zij mij het Priesterambt bedienen. 45 En ik zal in het midden der kinderen Israels wonen, en ik zal hun tot eenen God zijn. 46 En zij zullen weten dat ik de Heere hun God ben, die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat ik in het midden van hen wonen zoude; ik ben de Heere, hun God. HOOFDSTUK 30. Gij zult ook een reukaltaar des reukwerks maken: van sittimhout zult gij het maken. 2 Eene el zal zijne lengte zijn, en eene el zijne breedte, vierkant zal liet zijn, maar twee ellen zijne |
hoogte; buiten uit zullen zijns hoornen zijn. 3 En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en zijne wanden rondom, alsook zijne hoornen; en gij zult er een gouden krans rondom maken. 4 Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken onder zijnen krans, aan zijne twee zij den zult gij dezelve maken, aan zijne beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handboomen, dat men het daarmede drage. 5 De draagboomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken. 6 En gij zult het zetten vóór den voorhang die vóór de Ark der getuigenis zijn zal, vóór het. verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen ik met u eamenkomen zal. 7 En Aiiron zal daarop aansteken welriekende specerijen; eiken morgen, als hij de lampen wel zal tocgericht hebben, zal Lij dezelve aansteken; 8 en als Aaron de lampen aansteken zal, tusschen de twee avonden, zal hij dat aansteken: het zal een gedurig reukwerk zijn voor het aangezicht des Heeren, bij uwe geslachten. 9 Gij zult geen vreemd reukwerk ophetzelve aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten. 10 En Aiiron zal ééns in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen met het bloed des zondoffers der verzoeningen, ééns in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uwe geslachten: het is heiligheid der heiligheden den Heehe. 11 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 12 Als gij de som der kinderen Israels opnemen zult, naar de ge-telden onder hen, zoo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziele den Heeke geven, als gij ze tellen zult: opdat onder hen geene plage zij als gij ze tellen zult. 13 Dit zullen zij geven, al wie tot de geleiden overgaat de helft |
|
EXOI eens sikkels, naar den sikkel des heiligdoms, (deze sikkel is twintig gera), de helft eens sikkels is een hefofier den Heere. 14 Al wie overgaat tot de ge-telden, van twintig jaar oud en daarboven, zal liet hefofier des Heeren geven. 15 Pe rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal het niet verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefofier des Heeren geeft om voor uwe zielen verzoening te doen. 16 Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het leggen rot den dienst van de Tent der samenkomst; en liet zal den kinderen Israels ter gedachtenis zijn voor het aangezicht des Heeeen, om voor uwe zielen verzoening te doen. 17 En de ITeere sprak tot Ho-zes, zeggende; 18 Gij zult ook een koperen waschvat maken, met zijnen koperen voet, om te wasschen; en gij zult het zetten tusschen de Tent der samenkomst en tusschen liet altaar, en gij zult water daarin doen, 19 dat Aaron en zijne zonen zich daaruit wasschen, hunne Landen en hunne voeten. 20 Wanneer zij in de Tent der samenkomst zullen gaan, zoo zullen zij zich met water wasschen, opdat zij niet sterven: of wanneer zij tot het altaar naderen om te dienen, dat zij het vuuroffer den ïIeere aansteken, 21 zij zullen dan hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun eene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade, bij hunne geslachten. 22 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 23 Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre vijfhonderd sikkels, en specerij-kaneel half zooveel, namelijlc tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerij-kalmus tweehonderd en vijftig sikkels: 24 ook kassie vijfhonderd, naar |
ÃS 30. 103 den sikkel des heiligdoms, en olie van olijfboomen een hin; 25 en maak daarvan eene olio der heilige zalving, eene zalf heel kunstig gemaakt, naar apothekers-werk : het zal eene olie der heilige zalving zijn. 2ü En mot dezelve zult gij zalven de Tent der samenkomst, en de Ark der getuigenis, 27 en de tafel met al haar gereedschap, en den kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar, 28 en het altaar des brandoffers met al zijn gereedschap, en het waschvat met zijnen voet; 2ü gij zult ze alzoo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanroert zal heilig zijn. 30 Gij zult ook Aaron en zijne zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om mij het Priesterambt te bedienen. 31 En gij zult tot de kinderen Israels spreken, zeggende; Dit zal mij eene olie der heilige zalving zijn bij uwe geslachten. 32 Op geens menschen vleesch zal men ze gieten, gij zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het ia heiligheid, zij zal ulieden heiligheid zijn. 38 De man die zulk eene zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijne volkeren. 34 Voorts zeide de Heere tot Mozes; Nepm u welriekende specerijen, mirresap, en onyché, en galban, deze welriekende specerijen en zuiveren wierook: dat elk bijzonder zij: 35 en gij zuit_ een reukwerk eener zalf daaruit maken, naar het werk des apothekers gemengd, rein, heilig. 3G En gij zult van hetzelve heel klein pulver stootcn, en gij zult daarvan leggen vóór de getuigenis in de Tent der samenkomst, waarhenen ik tot u komen zal; liet _ zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn. 37 Doch naar het maaksel dezea reukwerks hetwelk gij gemaakt |
EXODUS 31, 32.
104
|
zult hebben, zult gijlieden voor nzelven _ geen maken; het zal u heiligheid zijn toor den Heere. 38 De man die dergelijke maken zal om daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid worden uit zijne volkeren. HOOFDSTUK 31. Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Zie, ik heb met name geroepen Bezaleel, den zoon Uri's, des zoons van Hur, van den stam van Juda; 3 en ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheiden met verstand en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; 4 om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud en in zilver en in koper, 5 en in kunstige steensnijding om in te zetten, en in kunstige houtsnijding om te werken in alle handwerk; G en ik, zie, ik heb hem bijgevoegd Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan; en in het hart van een iegelijk, die wijs van harte is, heb ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken ai wat ik u geboden heb: 7 namelijk de Tent der samenkomst. en de Ark der getuigenis, en het verzoendeksel dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der Tent; 8 en de tafel met haar gereedschap; en den louteren kandelaar met al zijn gereedschap; en het reukaltaar; 9 ook des brandoffers altaar met al zijn gereedschap: en het waschvat met zijnen voet; 10 en de ambtskleederen, en de heilige kleederen des Priesters Aarons, en de kleederen zijner zonen, om het Priesterambt te bedienen; 11 ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor^ het heiligdom: naar alles wat ik u geboden heb zullen zij het maken. 12 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: |
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel mijne sabbaten onderhouden; want dit is een teekcn tusschen mij en tusschen ulie-den, bij uwe geslachten; opdar men wete dat ik do Heere ben, die u heilig. 14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is; wio hem ontheiligt zal zekerlijk gedood worden ; want een ieder, die op denzelven eenig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volkeren. 15 Zes dagen zal men het werk doen, doch op den zevenden is de sabbat der rust, eeno heiligheid des Heeren : wie op den sabbatdag arbeid doet zal zekerlijk gedood worden. 1G Dat dan de kinderen Israels den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond: 17 hij zal tusschen mij en tusschen de kinderen Israels een teeken in eeuwigheid zijn, dewijl de Heere in zes dagen den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft. 18 En hij gaf aan Mozes, als hij geëindigd had met hem op den berg JSinaï te spreken, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods. HOOFDSTUK 32. Toen het volk zag dat Mozes vertoefde van den berg af te komen, zoo verzamelde zich het volk tot Aar jn, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft,^ wij weten niet wat hem geschied zij. 2 Aiiron nu zeide tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de ooren uwer vrouwen, uwer zonen en uwar dochteren zijn, en brengt ze tot mij. 3 Toen rukte het gansche volk de gouden oorsierselen af, die in |
EXODUS 32..
105
|
hunne ooren waren, en zij brachten ze tot Aaron; 4 en hij nam ze uit hunne hand, en hij ontwierp het met een grif-lel, en hij maakte een^ gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Pit zijn uwe goden, Israë/., die u uit Egypteland opgevoerd hebben. 5 Als Aaron dat zag, zoo bouwde hij een altaar voor hetzelve, en Aaron riep uit en zeide: Morgen zal den Heere een feest zijn. 6 En zij stonden des anderen daags vroeg op en offerden brand-otïer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken, daarna stonden zij op om te spelen. 7 Toen sprak do Heere tot Mozes; Ga henen, klim af; want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven, 8 en zij zijn haast afgeweken van den weg, dien ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uwe goden. Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben. 9 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk, 10 en nu, laat mij toe dat mijn toom tegen hen ontsteke en hen vertere; zoo zal ik u tot een groot volk maken. 11 Doch Mozes aanbad het aangezicht des Heeren zijns Gods en hij zeide: O Heere, waarom zoude uw toorn ontsteken tegen uw volk, hetwelk gij met groote kracht en met eene sterke hand uit Egypteland uitgevoerd hebt? 12 Waarom zouden de Egypte-naars spreken, zeggende:' In kwaadheid heeft hij ze uitgevoerd, dat hij ze doodde op de bergen en opdat hij ze vernielde van denaardbodem? Keer af van de hittigheid uws toorns, en laat u over het kwaad uws volks berouwen. |
13 Gedenk aan Abraham, aan Isaak en aan Israël, uwe knechten, denwelken gij bij uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uiieder zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit gelieele land, waarvan ik gezegd heb, zal ik uiieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. 14 Toen berouwde het den Heere over het kwaad, hetwelk hij gesproken had zijn volk te zullen doen. 15 En Mozes wendde zich óm en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijne hand; deze tafelen waren op hare beide zijden beschreven, zij waren op de ééne en op de andere zijde beschreven; 1G en die tafelen waren Gods werk, het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd. 17 Toen nu Jozua des volks stem hoorde als het juichte, zoo zeide hij tot^Mozes: Daar is een krijgsgeschrei in liet leger. 18 Maar hij zeide: Het is geen© stem des roepens van overwinning, het is ook geene stem des roepens van nederlaag: ik hoor eene stem des zingens bij beur te. 19 En het geschiedde als hij aan het leger naderde en het kalf en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijne handen wierp en dezelve beneden aan den berg verbrak. 20 En hij nam dat kalf dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in 't vuur, en vermaalde het totdat het klein werd, en strooide het op 't water, en deed het de kinderen Israëls drinken. 21 En Mozes zeide tot Aaron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk eene groote zonde over hetzelve gebracht hebt? 22 Toen zeide Aaron: Mijns heeren toorn ontsteke niet: gij kent dit volk dat het in het booze ligt, 23 Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man die ons uit Egypteland 4* |
EXODUS 33.
li
|
opgevoerd lie eft, wij weten niet wat hem geschied zij. 24 Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af en geve het mij; en ik wierp liet in 't vuur, en dit kalf is er uitgekomen. 25 Als Mozes zag dat het volk ontbloot was, (want Aiiron had het ontbloot, tot verkleining onder degenen die tegen hen hadden mogen opstaan), 20 zoo bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den Heeke toebehoort home tot mij. Toen verzamelden zich tot hem alle de zonen van Levi; 27 en hij zeide tot hen: Alzóó zegt de ÃIeere de God Israels: Een ieder doe zijn zwaard aan zijne heup; gaat dóór en keert weder van poort tot poort in het leger, en een iegelijk doode zijnen broeder, en elk zijnen vriend, en elk zijnen naaste. 28 En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes, en daar vielen van het volk op dien dag omtrent drieduizend man. 29 quot;Want Mozes had gezegd: Vult heden uwe handen den HfeEfiE, want elk zal zijn tegen zijnen zoon en tegen zijnen broeder: en dit, opdat hij heden een zejren over ulieden geve. 30 En het geschiedde des ander-en daags, dat Mozes tot het volk zeide: Gijlieden hebt eene groote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den Heere opklimmen, misschien zal ik eene verzoening doen voor uwe zonde. 31 Zoo keerde Mozes weder tot den Heere en zeide: Och, dit volk heeft eene groote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben: 32 nu dan, indien gij hunne zonden vergeven zult! doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek, hetwelk gij geschreven hebt. 33 Toen zeide de Heere tot Mozes: Dien zoude ik uit mijn boek delgen, die aan mij zondigt. 34 Doch ga nu henen, leid dit rrolk waarhenen ik u gezegd heb: zie. mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan; doch ten dage mijns bezoeken?, zoo zal ik hunno zonde over hen bezoeken. |
35 Aldus plaagde de Heere dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aiiron gemaakt had. HOOFDSTUK 33. Voorts sprak de Heere tot Mozes : Ga henen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egyp-teland opgevoerd hebt, naar het land dat ik Abraham, Isaiik en Jakob gezworen heb, zeggende: Uwen zade zal ik het geven; 2 en ik zal eencn Engel voor uw aangezicht zenden, _ (en ik zal uitdrijven de Kanaaniten, da Amoritcn en de Ilctliiten en de Fereziten, de Heviten en de Je-busiten), 3 naar het land dat van melk en honig is vloeiende; want ik zal in het midden van u niet optrekken, want gij zij toen hardnekkig volk; dat ik u op dezen weg niet vertere. 4 Toen het volk dit kwado woord hoorde, zoo droegen-zij leed, en niemand van hen deed zijne versierselen aan, 5 En de Heere had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gii zijt een hardnekkig volk; in een oogenblik zoude ik in het midden van ulieden optrekken, en zoude u vernielen: doch nu, leg uw sieraad van u af, en ik zal weten wat ik u doen zal. 6 De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hunno versierselen, ver van den berg Horeb. 7 En Mozes nam de Tent en spande ze zich buiten hot leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde dat al wie den Heere zocht, uitging tot de Tent der samenkomst, die buiten het leger was. 8 En het geschiedde wanneer Mozes uitging naar de Tent, stond al hei volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner teut; en zij zagen Mozes |
EXODUS 34.
107
|
na, totdat Lij ter Tente ingegaan was. 9 En het goachiedde als Mozes ter Tente ingegaan was, zoo kwam de wolkkolom nederwaarts en stond in de deur der Tent; en hij sprak met Mozes. 10 Als ai het volk de wolkkolom zag staan in de denr der Tent, zoo stond al het volk op en bogen zich, een ieder in de deur zijner tent. 11 En de Heeue sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijnen vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger, doch zjjn dienaar Jozna, do zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der Tent. 12 En Mozes zeide tot den Heere: Zie, gij zegt tot mij: Voer dit volk op, maar gij laat mij niet weten vvien gij met mij zult zenden; daar gij gezegd hebt: Ik ken n bij name, xen ook: Gij hebt genade gevonden in mijne oogen. 13 Ku dau. ik bidde, indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, zoo laat mij nu uwen weg weten, en ik zal u kennen, opdat ik genade vinde in uwe oogen; eii zie aan, dat deze natie uw volk is. 14 Hij dan zeide: Zoude mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? 15 Toen zeide hij tot hem: Indien uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken; 1G want waarbij zoude nu bekend worden dat ik genade gevonden heb in uwe oogen, ik en uw volk? Is het niet daarbij dat gij met ons gaat? Alzoo zullen wij afgezonderd worden, ik en uw volk, van allen volke dat op den aardbodem is. 17 Toen zeide de Heere tot Mozes: Ook déze zaak die gij gesproken hebt zal ik doen, de-wijl gij genade gevonden hebt in mijne oogen en ik u bij name ken. 18 Toen zeide hij: Toon mij nu uwe heerlijkheid. |
19 Doch hij zeide: Ik zal al mijne goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den naam des He eren uitroepen voor uw aangezicht; maar ik zal genadig zijn wien ik zal genadig zijn, en ik zal mij ontfermen wiens ik mjj ontfermen zal. 20 Hij zeide voorts: Gij zoudfe mijn aangezicht niet kunnen zien, want mij zal geen mensch zien en leven. 21 De Heere zeide voorts:Zie, daar is^ eene plaats bij mij: daar zult gij u op de steenrots stellen; 22 en het zal geschieden wanneer mijne heerlijkheid voorbij zal gaan, zoo zal ik u in eene klove der steenrots zetten, en ik zal u met mijne hand overdekken, totdat ik zal voorbijgegaan zijn; 23 en wanneer ik mijne hand zal weggenomen hebben, zoo zult gij mijne achterste deelen zien; maar mijn aangezicht zal niet gezien worden. HOOFDSTUK 34. Toen zeide de Heere tot Mozes: Houw u twee sr,eenen tafelen gelijk de eerste waren, zoo zal ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt. 2 En wees bereid tegen den morgenstond, dat gij in den morgenstond op den berg Sinaï klimt, en stel u aldaar vóór mij op den top des bergs. 3 En niemand zal met u opklimmen: dat er ook niemand gezien worde op_ den ganschen berg; ook het kleine vee en runderen zullen tegenover dezen berg niet wijden. gt; 4 Toen hiew hij twee steenen tafelen gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op en klom op den berg Sinaï, gelijk als hem de Heere geboden had; en hij nam de twee steenen tafelen in zijne hand. 5 De Heere nu kwam nederwaarts in eene wolk, en stelde zich aldaar bij hom; en hij riep uit den naam des Heeren. G Als nu de Heere voor zijn |
EXODUS 29.
100
|
Aarons zijn, opdat Aaron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Is-raëls zullen geheiligd hebben, in alle gaven himner geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voor liet aangezicht des Heeren aangenaam te maken. 39 Gij zult ook eenen rok vol oogjes maken, van fijn linnen; gij zult ook den hoed van fijn linnen maken; maar den gordel zult gij van geborduurd werk maken. 40 Den zonen Aarons zult gij ook rokken maken, en gij zult hun gordden maken; ook zult gij hun mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad. 41 En gij zult dezelve uwen broeder Aaron en ook zijnen zonen aantrekken; en gij zult hen zalven en hunne hand vullen en hen heiligen, dat zij mij het Priesterambt bedienen. 42 Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vleesch der schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lendenen totde dijen. 43 Aaron nu en zijne zonen zullen die aanhebben als zij in de Tent der samenkomst gaan of als zij tot. het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal eene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade na hem. HOOFDSTUK 29. Dit is nu de zaak die gij hun doen zult om hen te heiligen, dat ze mij het Priesterambt bedienen. Neem éénen var, het jong eens runds en twee volkomen rammen; 2 en ongezuurd brood, en ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken: van tarwemeelbloem zult gij dezelve maken. 3 En gij zult ze in éénen korf leggen, en zult zo in den korf toebrengen, met den var en de twee rammen. 4 Alsdan zult gij Aaron en zijne zonen doen naderen aan de deur van de Tent der samenkomst; en |
gij zult hen met water wasschon, o Daarna zult gij de kleederen nemen, en Aaron den rokenden mantel des efods en den efoden den borstlap aandoen, en gij zult hem omgorden met den kunstigen riem des efods, 6 en gij zult den hoed op zijn hoofd zetten :de kroon derheiligheid zult gij aan den hoed zetten. 7 En gij zult de zalfolie nemen en op zijn hoofd gieten: alzoo zult gij hem zalven. 8 Daarna zult gij zijne zonen doen naderen, en zult hen de rokken doen aantrekken. 9 En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk Aaron en zijne zonen: en gij zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het Priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Voorts zult gij Aaron? hand vullen en de hand zijner zonen. 10 En gij zult den var nabij brengen vóór de Tent der samenkomst; en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen. 11 En gij zult den var slachten voor het aangezicht des Heeren, voor de deur van de Teut der samenkomst. 12 Daarna zult gij van het bloed des vars nemen en met uwen vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars. 13 Gij zult ook al het vet nemen hetwelk het ingewand bedekt, en het net over delever,en beide nieren en het vet dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op het altaar. 14 Maar het vleesch des vars en zijn vel en zijn drek zult gij met vuur verbranden buiten het leger: het is een zondoffer. 15 Daarna zult gij den éénen ram nemen en Aiiron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd des rams leggen; 16 en gij zult den ram slachten en gij zult zijn bloed nemen en rondom op hef, altaar sprengen. 17 En den ram zult gij in zijne deelen deelen; en gij zult zijn ! ingewand en zijne schenkelen |
EXODUS 29.
101
|
Trass'-hen en op zijne dealen en op zijn hoofd leggen. 18 AIzoo zult gij den geheelen ram aansteken op het altaar: het is een brandoffer, den IlEimE tot eenen liefelijken reuk, het is een vuuroffer den Heere. 19 Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aaron en zijne zonen znllen hunne handen op liet hoofd des rams leggen; 20 en gij zult den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen liet op hetrec//f«roorlapje Anrons en op het rechteroorlapje zijner zonen, desgelijks op den duim lumner rechterhand en op den grooten teen huns rechtervoets; en dat bloed zult gij rondom op het altaar sprengen. 21 Dan zult gij nemen van het bloed dat op het altaar is, en van de zalfolie, en gij zult opAiiron en op zijne kleederen sprengen, en op zijne zonen, enopdeklee-clcren zijner zonen met hem:opdat hij geheiligd zij, en zijne kleederen, ook zijne zonen, en zijner zonen kleederen met hem. 22 Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet dat liet ingewand bedekt, en het net der lever, en de beide nieren met het vet dat aan dezelve is, en den rechterschouder ; want het is een ram der vulofteren: 23 en één bolle broods, en één koek geolied broods, en ééne vlade, uit den korf der ongezuurde hrooden, die voorliet aangezicht des Heeren zijn zal; 24 en leg ze allen op de handen Aiirons en op de handen zijner zonen, en beweeg zetenbeweeg-olier voor het aangezicht des Heeren. 25 Neem ze daarna van hunne hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot eenen liefelijken reuk voor het aangezicht des Heeren: het is een vuuroffer den Heere. 2G En neem de borst van den ram der vulofferen, die van Aaron is, en beweeg hem ten beweeg-otier voor het aangezicht des vmci vuur jieL aangezicnt exes i Heeren; en het zal u ten deeie zijn. ' |
27 En gij zult de borst des be-weegoffers heiligen, en den schouder des hefoffers, die bewogen en die opgeheven zal zijn, van den ram des vul offers, van hetgeen dat Aarons en van hetgeen dat zijner zonen is. 28 En het zal Aarons en zijner zonen zijn, tot eene eeuwige inzetting, vanwege^ de kinderen Israels, want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen Israels zal zijn van hunne dankofferen: hun hefoffer zal voor den Heere zijn. 29 De heilige kleederen nu die van Aaron zullen geweest zijn, zullen van zijne zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, cn dat men hunne hand in dezelve vuile. 30 Zeven dagen zal hij ze aantrekken die uit zijne zonen in zijne plaats Priester zal worden, die in de Tente der samenkomst gaan zal om in. het heilige te dienen. 31 Gij zult den ram der vullingen nemen, en gij zult zijn vleesch in de heilige plaatse zieden. 32 Aiiron nu en zijne zonen zullen het vleesch van dezen ram eten, en het brood dat in den korf zal zijn, bij de deur van de Tent der samenkomst. 33 En die zullen die dingen eten met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hunne hand te vullen, en om hen te heiligen, maar een vreemde zal ze niet eten, want zij zijn heilig. 34 En indien daar rcat overblijven zal van het vleesch der vul-offers of van dit brood, tot aan den morgen, zoo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden: het zal niet gegeten worden, want het is heilig. 35 Gij zult dan Aaron en zijnen zonen al zóó doen, naar alles wat ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hunne hand vullen. 36 Gij zult ook des daags eenen var des zondoffers bereiden tot de verzoeningen, en gij zult het altaar ontzondigen, de verzoening daarover doende; en gij zult het zalven, om het te heiligen. |
J
EXODUS 30.
102
|
37 Zeven dagen zult gij verzoening doen voor liet altaar en zult liet heiligen: alsdan zal dat altaar eene heiligheid der heiligheden zijn: al vrat het altaar aanroert zal heilig zijn. 38 Dit nu is het wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren die jarig zijn 's daags, ge-duriglijk. 39 Het ééiie lam zult gij des morgens bereiden, maar het andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden; 40 met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestooten olie; en tot drankoffer een vierdedeel van een hin wijn, tot het écnc lam. 41 Het andore lam nu zult gij bereiden tusschen twee avonden; gij zult daarmede doen gelijk met het morgen-spijsoffer en gelijk met deszelfs drankoüer, toteenen liefelijken reuk: het is eenvuurof-fer den Heere. 42 Hot zal een gedarig brandoffer zijn bij uwe geslachten, aan de deur van de Tent der samenkomst, voor het aangezicht des Heeke:?: aldaar zal ik met ulie-den komen, dat ik aldaar met u spreke; 43 en daar zal ik komen tot de kinderen Israels, opdat zij gehei-licd worden door mijne heerlijkheid. 44 En ik zal de Tente der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; ik zal ook Aaron en zijne zonen heiligen, opdat zij mij het Priesterambt bedienen. 45 En ik zal in het midden der kinderen Israels wonen, en ik zal hun tot eenen God zijn. 46 En zij zullen weten dat ik de IIeske hun God ben, die hen uit Egj'pteland uitgevoerd heb, opdat ik in het midden van hen wonen zoude; ik ben de Heere, hun God. HOOFDSTUK 30. Gij zult ook een reukaltaar des reukwerks maken: van sittimhout zult gij het maken. 2 Eene el zal zijne lengte zijn, en eene el zijne breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen zijne hoogte; buiten uit zullen zijne hoornen zijn. |
3 En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en zijne wanden rondom, alsook zijne hoornen; en gij zult er een gouden krans rondom maken. _ 4 Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken onder zijnen krans, aan zijne twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijne beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handboomen, dat men het daarmede drage. 5 De draagboomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken. 6 En gij zult het zetten vóór den voorhang die vóór de Ark der getuigenis zijn zal, vóór het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen ik met u samenkomen zal. 7 En Aaron zal daarop aan steken welriekende specerijen; eiken morgen, als hij de lampen wel zal toegericht hebben, zal hij dezelve aansteken; 8 en als Aaron de lampen aansteken zal, tusschen de twee avonden, zal hij dat aansteken: liet zal een gedurig reukwerk zijn voor het aangezicht des Heeren, bij uwe geslachten. 9 Gij zult geen vreemd reukwerk ophetzelve aansteken, noch brandoffer, noch spijsolfer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten. 10 En Aaron zal ééns in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen met het^ bloed des zondoffers der verzoeningen, ééns in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uwe geslachten: het is heiligheid der heiligheden den Heere. 11 Voorts nprak de Heere tot Mozes, zeggende: 12 Als gij G.e som der kinderen Israels opnemen zult, naar de ge-telden onder hen, zoo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziele den Heere geven, als gij ze tellen zult: opcat onder hengeene plage zij als g.'j ze tellen zult.^ 13 Dit zullen zij geven, al wie i tot de getelden overgaat de helft |
EXODUS 30.
103
|
eens sikkels, naar den sikkel des heiligdoms, (deze sikkel is twintig gera), de helft eens sikkels is een hefofier den Heere. 14 Al wie overgaat tot de ge-telden, van twintig jaar oud en daarboven, zal het hefoffer des 11 eer en geven. 15 De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal het niet verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefoffer des Hee-f.ex geeft om voor uwe zielen verzoening te doen. IC» Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het leggen tot den dienst van de Tent der samenkomst; en het zal den kindoren Israëls ter gedachtenis zijn voor het aangezicht des Heerem, om voor uwe zielen verzoening te doen. 17 En de Heere sprak tot Ho-zes, zeggende: IS Gij zult ook een koperen waschvat maken, met zijnen koperen voet, om te wasschen; en gij zult het zetten tusschen de Tent der samenkomst en tusschen het altaar, en gij zult water daarin doen, 19 dat Aaron en zijne zonen zicli daaruit wasschen, hunne handen en hunne voeten. 20 quot;Wanneer zij in de Tent der samenkomst zullen gaan, zoo zullen zij zich met water wasschen, opdat zij niet sterven: of wanneer zij tot liet altaar naderen om te dienen, dat zij het vuuroffer den Heere aansteken, 21 zij zullen dan hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun eene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade, bij hunne geslachten. 22 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 23 Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre vijfhonderd sikkels, en specerij-kaneel half zooveel, ^ namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerij-kalmus tweehonderd en vijftig sikkels; |
24 ook kasde vijfhonderd, naar den sikkel des heiligdoms, en olie van olijfboomen een hin; 25 en maak daarvan eene olie der heilige zalving, eene zalf heel kunstig gemaakt, naar apothekers-werk : het zal eene olie der heilige zalving zijn. 2ü En met dezelve zult gij zalven de Tent der samenkomst, en de Ark der getuigenis, 27 en de tafel met al haar gereedschap, en den kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar, 28 en het altaar des brandoffers met al zijn gereedschap, en het waschvat met zijnen voet:_ 29 gij zult zo alzoo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanroert zal heilig zijn. 30 Gij zult ook Aaron en zijne zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om mij het Priesterambt te bedienen. 31 En gij zult tot de kinderen Israëls spreken, zeggende: Dit zal mij eene olie der heilige zalving zijn bij uwe geslachten. 32 Op geens menschen vleesch zal men ze gieten, gij zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; liet is heiligheid, zij zal ulieden heiligheid zijn. 33 De man die zulk eene zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijne volkeren. 34 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Neem u welriekende specerijen, mirresap, en onyché, en galban, deze welriekende specerijen en zuiveren wierook: dat elk bijzonder zij: 35 en gij zult een reukwerk eener zalf daarui t maken, naar het werk des apothekers gemengd, rein, heilig. 3G En gij zult van hetzelve heel klein pulver stooten, en gij zult daarvan leggen vóór de getuigenis in de Tent der samenkomst, waarhenen ik tot u komen zal; het _ zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn. 37 Doch naar het maaksel dezes reukwerks hetwelk gij gemaakt |
EXODUS 31, 32.
104
|
zult hebben, zult gijlieden voor nzelven geen maken; het zal u heiligheid zijn voor den Heere. 38 Igt;e man die dergelijke maken zal om daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid worden uit zijne volkeren. HOOFDSTUK 31. Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Zie, ik heb met name geroepen Bezaleël, den zoon Uri's, des zoons van Hur, van den stam van Juda; 3 en ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid en met verstand en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; 4 om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud en in zilver en in koper, 5 en in kunstige steen snij ding om in te zetten, en in kunstige houtsnijding om te werken in alle handwerk; 6 en ik, zie, ik heb hem bijgevoegd Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van pan ; en in het hart van een iegelijk, die wijs van harte is, heb ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken ai wat ik u geboden heb: 7 namelijk de Tent der samenkomst, en de Ark der getuigenis, en het verzoendeksel dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der Tent; 8 en de tafel met haar gereedschap; en den louteren kandelaar met al zijn gereedschap; en het reukaltaar; 9 ook des brandoffers altaar met al zijn gereedschap; en het waschvat met zijnen voet; 10 en de ambtskleederen, en de heilige kleederen des Priesters Aarons, en de kleederen zijner zonen, om het Priesterambt te bedienen; 11 ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom: naar alles wat ik u geboden heb zullen zij het maken. 12 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: |
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel mijne sabbaten onderhouden; want dit is een teeken tusschen mij en tusschen ulie-den, bij uwe geslachten; opdat men wete dat ik do Heere beu, die u heilig. 14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is; wio hem ontheiligt zal zekerlijk gedood worden; want eenieder, die op denzelven eenig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volkeren. 15 Zes dagen zal men het werk doen, doch op den zevenden is de sabbat der rust, eene heiligheid des Heeren : wie op den sabbatdag arbeid doet zal zekerlijk gedood worden. 1(3 Dat dan de kinderen Israels den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond: 17 hij zal tusschen mij en tusschen de kinderen Israels een. teeken in eeuwigheid zijn, dewijl de Heere in zes dagen den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft. 18 En hij gaf aan Mozes, als hij geëindigd had met hem op den berg JSinaï te spreken, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods. HOOFDSTUK 32. Toen het volk zag dat Mozes vertoefde van den berg af te komen, zoo verzamelde zich het volk tot Aaron, en zij zeiden tot hem: Sta o;p, maak ons goden die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft,_ wij weten niet wat hem geschied zij. 2 Aiiron nu zeide tot hen: Rukt af de gouden oorsiersel en, die in de ooren uwer vrouwen, uwer zonen en uwer dochteren zijn, en brengt ze tot mij. 3 Toen rukte het gansche volk de gouden oorsierselen af, die in |
EXODUS 32.
105
|
hunne ooren waren, en zij brachten ze tot Aaron; 4 en hij nam ze uit hunne hand, en hij ontwierp het met een griffel, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uwe goden, Israël, die ii uit Egypteland opgeroerd hebben. 5 Als Aaron dat zag, zoo bouwde hij een altaar voor hetzelve., en Aaron riep uit en zeide: Morgen zal den IIeere een feest zijn. 6 En zij stonden des anderen daags vroeg op en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken, daarna stonden zij op om te spelen. 7 Toen sprak de Heere tot Mozes; Ga henen, klim af ; want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven, 8 en zij zijn haast afgeweken van den weg, dien ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uwe goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben. 9 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk, 10 en nu, laat mij toe dat mijn toorn tegen hen ontsteke en hen ver tere; zoo zal ik u tot een groot volk maken. 11 Doch Mozes aanbad het aangezicht des Heeren zijns Gods en hij zeide: O Heere, waarom zoude uw toorn ontsteken tegen uw volk, hetwelk gij met groote kracht en met eene sterke hand uit Egypteland uitgevoerd hebt? 12 Waarom zouden de Egypte-naars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft hij ze uitgevoerd, dat hij ze doodde op de bergen en opdat hij ze vernielde van denaardbodem? Keer af van de hittigheid uws toorns, en laat u over het kwaad uws volks berouwen. |
13 Gedenk aan Abraham, aan Isaak en aan Israël, uwe knechten, denwelken gij bij u zei ven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal ulieder zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit geheele land, waarvan ik gezegd heb, zal ik ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. 14 Toen berouwde het den Heere over het kwaad, hetwelk hij gesproken had zijn volk te zullen doen. 15 En Mozes wendde zich óm en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijne hand; deze tafelen waren op hare beide zijden beschreven, zij waren op de ééne en op de andere zijde beschreven; 16 en die tafelen waren Gods werk, het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd. 17 Toen nu Jozua des volks stem hoorde als het juichte, zoo zeide hij tot Mozes: Daar is een krijgsgeschrei in het leger. 18 Maar hij zeide: Het is geene stem des roepens van overwinning, het is ook geene stem des roepens van nederlaag: ik hoor eene stem des zingens bij beurte. 19 En het geschiedde als hij aan het leger naderde en het kalf en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijne handen wierp en dezelve beneden aan den berg verbrak. 20 En hij nam dat kalf dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in 't vuur, en vermaalde het totdat het klein werd, en strooide het op 't water, en deed het de kinderen Israels drinken. 21 En Mozes zeide tot Aaron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk eene groote zonde over hetzelve gebracht hebt? 22 Toen zeide Aaron: Mijns heeren toorn ontsteke niet: gij kent dit volk dat het in het booze ligt. 23 Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man die ons uit Egypteland 4* |
|
EXODUS 33.
1%
|
opgevoerd lie eft, wij weten uiet wat hem geschied zij. 24 Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af en geve liet mij; en ik wierp het in 't vuur, en dit kalf is er uitgekomen. 25 Als Hozes zag dat het volk ontbloot was, (want Aaron had het ontbloot, tot verkleining onder degenen die tegen hen ha-lden mogen opstaan)/ 26 zoo bleef Mozes staan in da poort des legers, en zeide: Wie den Heere toebehoort home tot mij. Toen verzamelden zich tot hem alie de zonen van Levi; 27 en hij zeide tot hen: Alzóu zegt de Heere de God Israels: Een ieder doe zijn zwaard aan zijne heup; gaat dóór en keert weder van poort tot poort in het leger, en een iegelijk doode zijnen broeder, en elk zijnen vriend, en elk zijnen naaste. 28 En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes, en daar vielen van het volk op dien dag omtrent drieduizend man. 29 Want Mozes had gezegd; Vult hed en uwe handen den Hee^e, want elk zal zijn tegen zijden zoon _ en tegen zijnen broeder; en dit, opdat hij heden een zegen over ulieden geve. 30 En het geschiedde des anderen daags, dat Mozes tot het volk zeide; Gijlieden hebt eene groote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den Heere opklimmen, misschien zal ik eene verzoening doen voor uwe zonde. 31 Zoo keerde Mozes weder tot den Heere en zeide: Och, dit volk heeft eene groote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben: 32 nu dan, indien gij hunne zonden vergeven zult! doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek, hetwelk gij geschreven hebt. 33 Toen zeide de^ Heere tot Mozes: Dien zoude ik uit mijn boek delgen, die aan mij zondigt. 34 Doch ga nu henen, leid dit â¢rolk waarhenen ik u gezegd heb: zin, mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan; doch ten dage mijns bezoekens, zoo zal ik hunno zonde over hen bezoeken. |
35 Aldus plaagde de Heere dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aiiron gemaakt had. HOOFDSTUK 33. Voorts sprak do Heere tot Mozes: Ga henen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egyp-teland opgevoerd hebt, naar hes land dat ik Abraham, Isaiik en Jakob gezworen heb, zeggende: Uwen zade zal ik het geven; 2 en ik zal eenen Engel voor uw aangezicht zenden, _ (en ik zal uitdrijven de Kanaaniten, da Amoriten en de Hetliiten on de Fereziten, do Heviten en de Je-busiren), 3 naar het land dat van melk en honig is vloeiende; want ik zal in het midden van u niet optrekken, want gij zijt een hardnekkig volk; dat ik u op dezen weg niet vertere. 4 Toen het volk dit kwado woord hoorde, zoo droegen-zij leed, en niemand van hen deed zijne versierselen aan. ü En de Heere had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gii zijt een hardnekkig volk; in één oogenblik_zoude ik in het midden van ulieden optrekken, en zoude u vernielen: doch nu, leg uw sieraad van u af, en ik zal weten wat ik u doen zal. ü De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hunne versierselen, ver van den berg Horeb. 7 En Mozes nam de Tent en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende ; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde dat al wie den Heere zocht, uitging tot de Tent der samenkomst, die buiten het leger was. 8 En het geschiedde wanneer Mozes uitging naar de Tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes |
EXODUS 34,
107
|
na, totdat liij ter Tente ingegaan was. 9 En het geschiedde als 3Iozes ter Tento ingegaan was, zoo kwam de wolkkolom nederwaarts en stond in de deur der Tent; en hij sprak met Mozes. 10 Als ai het volk de woïkko-lom zag .staan in de denr der Tent, zoo stond al het volk op en bogen zich, een ieder in de deur zijner tent. 11 En de _ Heere sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijnen vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger, doch zijn dienaar Jozna, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der Tent. 12 En Mozes zeide tot den Heere : Zio, gij zegt tot mij: Voer dit volk op. maar gij laat mij niet weten wien gij met mij zult zenden; daar gij gezegd hebt: Ik ken u bij namenen ook: Gij hebt genade gevonden in mijne oogen. 13 Nu dan. ik bidde, indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, zoo laat mij nu uwen weg weten, en ik zal u kennen, opdat ik genade vinde in uwe oogen; en zie aan, dat deze natie uw volk is. 14 Hij dan zeide: Zoude mijn aangezicht moeten medegaan om n gerust te stellen? 15 Toen zeide hij tot hem: Indien uw aangezicht niet mede-gaan zal, due ons van hier niet optrekken; 1G want waarbij zoude nu bekend worden dat ik genade gevonden heb in uwe oogen, ik en uw volk? Is het niet daarbij dat gij met ons gaat? Alzoo zullen wij afgezonderd worden, ik en uw volk, van allen volke dat op den aardbodem is. 17 Toen zeide do Heere tot Mozes: Ook déze zaak die gij gesproken hebt zal ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in mijne oogen en ik u bij name ken. IS Toen zeide hii: Toon mij nu uwe heerlijkheid. |
19 Doch hij zeide: Ik zal al mijne goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den naam des Heeren uitroepen voor uw aangezicht; maar ik zal genadig zijn wien ik zal genadig zijn, en ik zal mij ontfermen wiens ik inij ontfermen zal. 20 Hij zeide voorts: Gii zoudt mijn aangezicht niet kunnen zien, want mij zal geen mensch zien en leven. 21 De Heere zeide voorts:Zie, daar is eene plaats bij mij: daar zult gij u op de steenrots stellen; 22 en het zal geschieden wanneer mijne heerlijkheid voorbij zal gaan, zoo zal ik u in eene klove der steenrots zetten, en ik zal u met mijne hand overdekken, totdat ik zal voorbijgegaan zijn; 23 en wanneer ik mijne hand zal weggenomen hebben, zoo zult gij mijne achterste deelen zien; maar mijn aangezicht zal niet gezien worden. HOOFDSTUK 34. Toen zeide de Heere tot Mozes: Houw u twee steenen tafelen gelijk de eerste waren, zoo zal ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt. 2 En wees bereid tegen den morgenstond, dat gij in den morgenstond op den berg Sinaï klimt, en stel u aldaar vóór mij op den top des bergs. 3 En niemand zal met u opklimmen: dat er ook niemand gezien worde op^ den ganschen berg; ook liet kleine vee en runderen zullen tegenover dezen berg niet wijden. - 4 Toen hiew hij twee steenen tafelen gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op en klom op den berg Sinaï, gelijk als hem de Heere geboden had; en hij nam de twee steenen tafelen in zijne hand. 5 De Heere nu kwam nederwaarts in eene wolk, en stelde zich aldaar bij hem; en hij riep uit den naam des Heeren. G Als nu de Heere voor zijn |
EXODUS 34.
108
|
aangezicht voorbijging, zoo riep hij: Heere, Heere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, 7 die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen, in het derde en in het vierde lid. 8 Mozes nu haastte en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich, 9 en hij zeide: Heere, indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo ga nu de Heere in het midden van ons; want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel. 10 Toen zeide hij: Zie, ik maak een verbond: voor uw gansche volk zal ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de gansche aarde, noch onder eenige volkeren, alzoo dat dit gansche volk, in welks midden gij zijt, dea Heer ex werk zien zal, dat het schrikkelijk is hetwelk ik met u doe. 11 Onderhoud gij hetgeen dat ik u heden gebiede: zie, ik zal voor uw aangezicht uitdrijvende Amoriten en de Kanaaniten en de Hethiten en de Fereziten en de Heviten en de Jebusiten. 12 Wacht u dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands, waarin gij komen zult, dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. 13 Maar hunne altaren zult gijlieden omwerpen, en hunne opgerichte beelden zult gij verbreken, en hunne bosschen zult gij afhouwen; 14 (want gij zult u niet buigen voor eenen anderen god; want des Heeren naam is ij veraar, een ijverig God is hij); |
15 opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land, en zij hunne goden niet nahoereeren noch hunnen goden offerande doen, en hij u noodigende, gij van hunne offerande eet, 1G en gij uwen zonen vroutcen neemt van hunne dochteren, en hunne dochteren, hare goden na-hoereerende, maken dat ook uwe zonen hare goden nahoereeren. 17 Gij zult u geen gegoten goden maken. 18 Het feest der ongezuurde hrooden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde hrooden eten, gelijk ik u geboden heb, ter gezetter tijd der maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan. 19 Al wat de baarmoeder opent is mijn, ja, al uw vee dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het groote en kleine vee. 2U Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij^ met een klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zoo zult gij hem den nek breken. Alle de eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en men zal voor mijn aangezicht niet ledig verschijnen. 21 Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten: in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten. 22 Het feest der weken zult gij óók houden, zijnde het feest der eerstelingen des tarwenoogstes, en het feest^ der inzameling, als het jaar om is. 23 Al wat mannelijk ie onder u zal driemaal in het jaar voor het aangezicht des Heeren Hee-rex des Geds Israels verschijnen. 24 Wanneer ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven en uwe landpale verwijden, dan zal niemand uw land begeeren, terwijl gij henen | opgaan zult om te verschijnen i voor het aangezicht des Heek en j uws Gods, driemaal in het jaar. 25 Gij zult het bloed van mijn | slacht oiler niet offeren met ge-j deesemd brood; het slachtoffer des l Paaschfeestes zal ook niet ver-i nachten tot den morgen. |
EXODUS 35.
109
|
26 De eerstelingen der eerste vruchten mvs lands zult gij in het Huis des Heeeen uwa Gods brengen. Gij zult het bokje in de melk zijner moeder niet koken. 27 Voorts zeide de Heeïie tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid dezer woorden heb ik een verbond met u en met Israel gemaakt. 28 En hij was aldaar meb den Heere veertig dagen en veertig nachten, hij at geen brood en hij dronk geen water, en hij schreef op de tafelen de woorden dea verbonds, de tien woorden. 29 En het geschiedde toen Mozes van den berg Sinaï afging, (die twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes als hij van den berg afging), zoo wist Mozes niet dat het vel zijns aangezichts glinsterde toen hij met hem sprak. 30 Als nu Aiiron en alle de kinderen Israels Mozes aanzagen, zie, 7.00 glinsterde het vel zijns aangezichts: daarom vreesden zij tot hem toe te treden. 31 Toen riep hen Mozes; en Aiiron en alle de oversten in de vergadering keerden weder cot hem, en Mozes sprak tot hen; 32 en daarna traden alle de kinderen Israels toe, en hij gebood hun al wat de Heeee met hem gesproken had op den berg Sinaï. 33 Alzoo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd. 34 Doch als Mozes voor het aangezicht des Heer ex kwam om met hem te spreken, zoo nam hij dat deksel af totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zoo sprak hij tot de kinderen Israels wat hem geboden was. 35 Zoo zagen dan de kinderen Israels het aangezicht van Mozes, dat het vel van Mozes' aangezicht glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met hem te spreken. HOOFDSTUK 35. |
Toen deed Mozes de gansche vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de Heere geboden heeft dat men ze doe. 2 Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der ruste den Heere; al wie daarop werk doet zal gedood worden. 3 Gij zult geen vuur aansteken in eenige uwer woningen op den sabbatdag. 4 Voorts sprak Mozes tot de gansche vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Dit is het woord dat de Heere geboden heeft, zeggende: 5 Neemt van hetgeen gijlieden hebt een hefolfer den Heere, een ieder wiens harte vrijwillig is zal het brengen ten hefoffer des Heeren : goud, en zilver, en koper; 6 alsook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar; 7 en roodgeverfde ramsvellen, en dassen vellen en sit timhout; 8 en olie voor den luchter, en specerijen voor zalfolie, en tot rooking welriekende specerijen; 9 en sardonyxsteenen en vervullende steen en tot den efod en tot den borstlap. 10 En allen, die wijs van harte zijn onder ulieden, zullen komen en maken alles wat de Heere geboden heeft: 11 den Tabernakel, zijne tent en zijn bedeksel, zijne haakjes en zijne stijlen, zijne richelen, zijne pilaren en zijne voeten; 12 de Ark en hare handboomen; het verzoendeksel en den voorhang des deksels; 13 de tafel en hare handboomen; en al haar gereedschap, en de toonbrooden; _ 14 en den kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijne lampen, en de olie tot het licht; 15 en het reukaltaar en zijne handboomen, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en het deksel der deur aan de deur des Tabernakels; 16 het altaar des brandoffers. |
J
EXODUS 36.
110
|
en '!en koperen rooBter dien her iiebben zal, ziine handboomen, en axle zijne ^ reefiackapiren; ket waHt.-Tar. --in zijnen voet; 17 ie quot;i.ehan'-'F^i'-n dea voorhof;?, zi^ne pilaren en zijne voeren, en hei deküel v^n ie poorr deH voor-bofe; ^ Xö de n«i â¢!''*.'in deH Tal emakel;?, en Ie pennen des voornoia, met hnnne zelen; IS tie am.quot; â : kleederen om in het heilige re dienen, de neiii^e kleederen de» Priesters Aarons, en de kleederen zijner zonen, om her Pri!i.sreraniLi. re bedienen. 20 T .'-n de gam-oiie ver-gïi-ter:n.r de; ;inderen Israels ui^ an quot;. ,r kei aamceziciis van ilozes; 21 en zij k-vamen, alle man, wie ;s i:arre n-m e-voojr, en een ied-.r -.viens geesr hem vrij-viili^ maalpe, iie i.nu-kren des Hss-nzir Lei-vffer ror ket werk van de Ten: :-r -amenkomst, en ror ai -.aren oiencC, en tüt de keiii^e kliederen. 22 Z-gt;o zC,vamen dan de mannen mer de vro :-ven. aiie vrij -v? iku;en van harre; zij i-rv ..:en naken en oor-;i :rselen en ringen en gpan-selen, aiie gouden vaten; ena.ie man :i â¢; een ^o i ien beweego:Ier den otferde. 23 _£:. aiie inan bij wien gevonden werd lie/nelsblanw, en pnrper, en oariairen, en :ijn linnen, en gei vn.njtT/, en r'gt;od-geyeride ra;:..-quot; r.ien, en daaBen-veiien.jii: on- i.v-.n ze. 24 Aüea, ik: een heikffer van zilver fn k .oer . f-r-i-n, :ie brattk-ten ket z-:â . i. ::b:ier des Hzzai;::; en allen oij *.vie r;irtimi;oi;t gevonden werd bra oren net ror aile werk des 25 En aiie v-o :tdie wijs van hart waren, sponnen me? kare ka.o-den, en z.â orackren het ge-sponnene, de iiemei.-biao ve en het pnrper, ket scharlaken, en ker n ne linnen. 2lt;i En aiie vr. ;v.*en welli-r Imrt kaar bewoog in wijHiieid, die sponnen her geiren.Ya/;/. 27 De over-fTen na bmchten sardonyx.i-eenen ea ⢠:i .tienen |
tot den efod en tot den borstlap, 28 en specerij en oöe rot den Inditer, en rot de zalfolie, en rot rooking welriekende spe'-er'en. 21) Alle man en vrouw, w ^ker kart nen vrijwillig bew .⢠r re brengen tot al het werk ner.velk de Hüehz geboden had te maken d'.,or de kand van mozzk. 'iar bra'/.ren de kinderen Israels tat een vrijwillig oner den Hüep.e. bó Daarna ze: : - 'dozen r i de kinderen Israels: Ziet, ne H-;:aE beeir mer na.:;'4 geroepen BezJt-leek den zoon l'.r:' des zoons van Har, van den «ram van Jo^ia; 31 en de geest Ood.'keeft kern. vervuld mer wiji-i nd, niet verstand en met w';.a;. name-iijk in alle handwerk, â gt;2 en om re bedenken â .â¢Â»rr. tigen arbeid, re weio-ren in goud en :n z:i er en in k oer, 33 en in knr..«:ige -:teenRr:ijdinir om in 'e zetten, en in k ;.o ⢠; houtsnijding om e w«r.ien in alle vern :::ig ion;: : .ver::; 34 k;j heelt nem oei: in zi:n harre ge;:oven an iwri â t omder-wijzen, hem en A.. .ka , ien zoon van Aki;iamach, van nen stam. van Dan; 30 kij keeit kem vervuld met w, .o.eid des kar -- .. or:: ⢠â maken alle werk eens vver.; nieeHier:-, en ies ailervern⢠' ;o handicap -.vo o en des bord : orders in ae-mekibianw en in â o-oer, :n ^' har-laken en in ii,n i...::en. er: des wever», maken'ie oiie weior en oedenkende ver:. :;:ieen arbei-k EOOFDSTk iü 36. Toen maakte Eezaleel en Aho-iiab, en aiie man die w a .an harve was, in wei.:quot;:: de K;:r.ii3 wijsheid en versta;.'i gegeven had om re weren iooe .omken zouden _ aiie werk ren niemre des oonii^domv, naar .ies wat de geboden na n _2 V an: 31 .zes oad geroepen EezaLeei en Ahoka,, en aiie man :ie w i van harre was, in wiens oarr üoc wijsheid gegeven had, â¢i wiens hart hem oewogen k;ui iar kij roe-rade to-, i.et werk om la: re maken. |
|
EXO D 2 Zij lt;ian namen, van voor liet a;ing':zi ht van ilw/fia lu.-t gan-l.-.-toÃer, li'towelk de kii.-.ti'iren Tfirncl.s gel rad. i hadden t-jt. !.quot;:t werk van den dienat den Leili^-'i'ju.*, om dat te maken; l '.-h zij bra hicn i-.quot;. amp;em nog aile uior-ggt;;i vrij-.vii!:^ üii'cir. 4 D'-rl-alve kv. .unenal!'4 v.'Ijzen, dl - al het v.-'U-ic doe Lilt;.:ns ciaal.'rnn. Ieder i;.an vanziju *v';ik, Ler-vdk zij ma.a];ten, 5 en zij spraken tot M jze»*, £e:.::-r';r:d'?:Het volk brengt r.e veel, n;':er dan genoeg U ton dilt;;r:.ite dea v;erk.'t, hetwelk deil££ü::ge-I-.-I'.n Loeft te rnn'ren. 0 Toen gebood Mo7X8 dat men eene .â¢â tem z .ude late^⢠Let I'r.ver, z-':g^e:^le: }! â¢n vrouw make ee:.U quot;v-rk i-er ten liefoffer des Leili^ lo:...-: werd liet volk teniggeh'^ideii . au n.â â¢â â â '/⢠te tre 7 Want O'.r gt f was Lt:n re-r.V-. r L :t g';LeeIe werk dj.1 :lt;⢠:...iken war, ja, daar was over. : Alzco maakte een ieder wijze veii harte onder degenen die het w maak'en den T^'.err.^L-l v..i. 'li-.u ^orLjiier:, va:. â¢â¢ i fijn linnen, en hemelsLlieen puri-er, en sd.ar!aken, wei *:1 â¢-r:'..4 van i.e'. â¢iilerkuiüti0-.i*.'-- â¢.-rk maakte hij ze. De lei.;/te «Vner gordijn w-i.i van achtentwintig ellen, en de éó:.-;r g .r ii'ii van *. ier ell n, alle deze gord^nen hadden t'L.e Liaa'. 10 Bn hij voegde vijf g rdiji en de ééne a n de andere, en hij le oquot; â 'â ,â Æ ...-i:jneu d*r «j.'ne aan de and :re. 11 Daar:.a :.....tl::.- Lij strik!;â¢â¢s van hemelsLlati-v â¢â¢â¢an den Liet er gordijn, aan Let uiter-t'- in de lamenvoegji g; hij deed het ook aan den uitersten kant -ier tweede Hamenquot;, -.eaeade g .â¢rdi; o. 12 Vijftig strikli-jos maakte! ij aan 'ie -V-ne gordijn, en vijj-.ie itrikliyes maakte bij aan het â¢.icerste der gordijn dat aan de tweede eamenvoeging was: deze ikli j- - vatteden de ..ine aan de andere. 13 Hij maakte ook vijftiggou- |
CS 36. lil den haakje», eni voegde de gor-: dijnen «amen, de éi-ne aan de andere.^ met deze haakjes, daS het éiln Tabernakel werd. 14 Voorts maakte hij gordijnen van geiren/um/- tot eene i.entover den TaLermilcel; van eli gdrdijr : nen ma-akte hij ze. lö^De lengte «Ono'r go-rdijn was dertig ellen en vier e'len de bceeute ééner gordijn; deze elf gordijnen hadden éene maat. 10 En hij voegde v:.:L- rd^nen te z.'.men Lij zo:: i w.'i ..i-omzes dezer gordijnen i iâzonder. 17 En hij maakte vijftig -trik-li.;jes aan den kant van de zor-iijn, '.e uit-.-r-;te in de -ramen*, .'-.rieg; '.ij r.-iaakte ook vij;tig gtri .li-ie» aan d-.-r» kant van de gordxjnder andere samenvoegii g. 18 üij maakte ook vijftig ko-r.-eren haakjes, om de Tent tarnen te v , :gein dat ze -ilt;in ware. 19 Ook maakte hij voor dé Tent een deksel van roodgeverfderams-vellen, en d.*'.arover een i-.-Liel v.- n da,--';:.vel len. 20 Hij maakte ook aan den Tai' '.-rnaL ;! stijlen van «r lt;and sittimlK.ut: '21 de len-rte van eer.en stijl wm.ï tien ellen, en eene ei quot;ti eene L.tlve el '.vaa do breedte van elke1:; stijl. -2 Tv-e houvasten L id ''én stijl, als sporten in ee: e ladder sz i. ïfc ééne ne*» .-Li b -t an-dere; alz o maakte bn bet met alle de stijlen des Tal ernakels. 23 II ij maakte ook de styjlen tot den Tabernakel: twintigstij-len naar de zuidzijde zuidwaar tr. 24 iin hij maakte veert:/ ril-vei in voeten onder de tvmtig tij len: t w e e v o e ten on d ⢠r é tl n e n stijl, aan zijne twee hou va-ten, en twee voetenondere manderen cti.;!, aan zijne twee h ..-uvastquot;::. 25 Hij maakte ook twintig 'ijlen aan de and-re zi. -l â â Ti-b. quot; aan den n rd-.; L-.ek, 2o met hunne veertig zilveren V' eten: twee voeten on 'i .'r -i' rvn gti;!, en t'-v^e voeten ond e-eenen anderen stijl. 27 D'.eh aan de zijde ' Ta- |
EXODUS 37.
112
|
beniakels tegen het Westen maakte hij zes stijlen. 28 Ook maakte hij twee stijlen tot hoekstijlen des Tabernakels aan de beide zijden; 29 en zij waren van beneden ah tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd, met cénen ring:alzóó deed hij met die beide, aan de twee hoeken. 30 Alzoo waren er acht stijlen met hunne zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder eiken stijl. 31 Hij maakte ook richel en van sittimhont: vijf aan de stijlen der ééne zijde des Tabernakels, 32 en vijf richel en aan de stijlen van de andere zijde des Tabernakels, alsook vijf richelen aan de stijlen des Tabernakels aan de beide zijden westwaarts. 33 En hij maakte de middelste richel doorschietende in het midden der stijlen, van het ééne einde tot het andere einde. 34 En hij overtrok de stijlen met goud, en hunne ringen (de Ãlaatsen voor de richelen) maaktelaatsen voor de richelen) maakte ij van goud; de richelen overtrok hij ook met goud. 35 Daarna maakte hij een voorhang van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstlgste werk maakte hij denzeive, met cherubs. 30 En hij maakte daarvoor vier pilaren van sittini7/ow£, die hij overtrok met goud; hunne haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voeten. 37 Hij maakte ook aan de deur der Teute een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk: 38 en de vijf pilaren daarvan, en hunne haken: en hij overtrok hunne hoofden en derzei ver banden met goud, en hunne vijf voeten waren van koper. HOOFDSTUK 37. |
Alzoo maakte Bezaleël de Ark van sittimhont: twee ellen en eene halve was hare lengte, en anderhalve el hare breedte, en anderhalve el hare hoogte. 2 En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte haar een gouden krans rondom. 3 En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan hare vier hoeken, alzoo dat twee ringen op de ééne zijde derzei ve waren, en twee ringen op hare andere zijde. 4 En hij maakte handboomen van sittimhont, en hij overtrok ze met goud; 5 en hij stak de handboomen in de ringen aan de zijden der Ark, om de Ark te dragen. 6 Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud: twee ellen en eene halve was deszelfs lengte, en anderhalve el deszelfs breedte. 7 Ook maakte hij twee cherubs van goud, van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden des verzoendeksels: 8 eénen cherub uit het ééne einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte hij _ de cherubs, uit deszelfs beide einden. 9 En de cherubs waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hunne vleugelen het verzoendeksel; en hunne aangezichten waren tegenover elkander, de aangezichten der cherubs waren naar het verzoendeksel. 10 Hij maakte ook eene tafel van sittimhont: twee ellen was hare lengte, en. eene el hare breedte, en eene el en eene halve hare hoogte. 11 En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan rondom. 12 Hij maakte daaraan ook eene lijst rondom, een hand breed;en hij maakte een gouden krans rondom derzelver lijst. 13 Hij goot ook vier gouden ringen daaraan, en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan de vier voeten derzei ve waren. 14 Tegenover de lijst warende ringen, tot plaatsen voor de handboomen om de tafel te dragen. |
|
EXOD 15 Hij maakte ook de hand- booinen van s.Htirahout, en hij overtrok ze niet goud, om de tafel te dragen. 16 En hij Slaakte het gereedschap dat op de tafel zijn zoude, hare schotelen en hare reukschalen en hare kroezen er. hare plateelen, (met welke zij bedekt-zoude worden), van louter goud. 17 Hij maakte ook een kandelaar van louter goud: van dicht werk maakte hij dezen kandelaar, zijne schacht en zijne rieten; zijne schaaltjes, zijne knoopen en zijne bloemen waren uit hem. 18 Zes rieten nu gingen uit zijne zijden: drie rieten des kandelaars uit zijne ééne zijde, en drie rieten des kandelaars uit zi'ne andere zijde. 19 In het ééne riet waren drie schaaltjes gelijk amandelno:en, een knoop en eene bloem; en drie schaaltjes (lelijk amandélnoten in een ander riet, een knoop en eene bloem; alzóó waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen. 2ü Maar aan den kandelaar zeiven waren vier schaaltjes gelijk amandelnoten, met zijne knoopen en met zijne bloemen. 21 En er was een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelve uit-gaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelve uitgaande; alzóó Kas het met de zes rieten, die uit.denzelve uitgingen. 22 Hunne knoopen en rieten waren uit hem: hetwasaltemaal een éénig dicht werk van louter goud. 23 En hij maakte hem zeven lampen: zijne snuiters en zijne bluschvaten waren van louter goud. 24 Hij maakte denzelve uit een talent louter goud, met alle zijne vaten. 25 En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; eene el was zijne lengte en eene el zijne breedte vierkant, maar twee ellen zijne hoogte; buiten uit hetzelve waren jsijne hoornen. |
us as. na 26 En hij overtrok het met louter goud, zijn dak en zijne wanden rondom, alsook zijne hoornen; en hij maakte er een gouden krans rondom. 27 Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan onder zijnen krans, aan zijne twee hoeken, aan zijne beide zijden, tot plaatsen voor de handboomen, dat men hem daarmede droeg. 28 En hij maakte de handboomen van sittimhout: en hij overtrok ze met goud. 29 Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk der zuiverste welriekende specerijen, apothekerswerk. HOOFDSTUK 38. Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout: vijf ellen was zijne lengte en vijf ellen zijne breedte, vierkant, en drie ellen zijne hoogte. 2 En liij maakte deszelfs hoornen op zijne vier hoeken, uit hem waren zijne hoornen; en hij overtrok hem met koper. 3 Hij maakte ook al het gereedschap des altaars, de potten, en de schoffelen en de bespreng-bekkens, en de krauwelen, en de koolpannen: alle zijne vaten maakte hij van koper. 4 Ook maakte hij aan liet altaar een rooster van koperen Tiet-werk, onder zijnen omloop, van beneden tot zijn midden toe. 5 En hij goot vier ringen aan de vier einden des koperen roosters, tot plaatsen voor de handboomen. 6 En hij maakte de handboomen van sittimhout, en overtrok ze met koper. 7 En hij deed de handboomen in de ringen aan de zijden des altaars, dat men hem met dezelve droeg; hij maakte hem hol van planken. 8 Hij maakte ook het koperen waschvat, met zijnen koperen voet, van de spiegels der te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de Teut der samenkomst. 9 Hij maakte ook den voorhof |
|
114 EXO] aan den zuidhoek zuidwaarts;de behangsel en tot den voorhof waren van lijn getweernd linnen, va» honderd eilen. 10 Hunne twintig pilaren en derzei ver twintig voeten waren van koper: de haken dezer pilaren en hunne banden waren van zilver. 11 En aan den noorderhoek honderd ellen; hunne twintig pilaren en derzei ver twintig voeten waren van koper; de haken der pilaren en derzelver banden waren van zilver. 12 Eu aan den westerhoek waren behangselen van vijftig ellen; hunne pilaren tien en derzelver voeten tien: de haken der pilaren en hunne banden waren van zilver. 13 En aan den oosthoek tegen den opgang waren vijftig ellen; 14 de behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, derzelver pilaren drie en hunne voeten drie; 15 en aan de andere zijde van de deur des voorhofs, van weerszijde, waren behangselen van vijftien ellen, hunner pilaren drie en derzelver voeten drie. lö Alle de behangselen des voorhofs rondom waren van lijn getweernd linnen. 17 De voeten nu der pilaren waren van koper, de haken der pilaren en hunne banden waren van zilver, en het overdeksel hunner hoofden was van zilver, en alle de pilaren des voorhofs waren met zilver omtogen. 18 En het deksel der poort des voorhofs was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn ge-Eweernd linnen; en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen des voorhofs. 19 En hunne vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper; hunne haken waren van zilver, ook was het overdeksel hunner hoofden en hunne banden van zilver. 20 En alle de pennen des Ta- |
ÃS 38. bernakels en des voorhofs rondom waren van koper. 21 Dit zijn de getelde dingen des Tabernakels, des Tabernakels dor getuigenis, die geteld zijn naar den mond van Mozes, ten dienste der Leviten, door de hand van Ithamar, den zoon des Priesters Aarons. 22 Bezalecl nu de zoon Uri'e, des zoons van Uur, van den stam van Ju da, maakte al wat de Heere Mozes geboden had; 23 en met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, van den stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en eenbor-duurder in _ hemelsblauw en in purper en in scharlaken en in fijn linnen. 24 Al het goud dat tot het werk verarbeid is, in het gansche werk des heiligdoms, te weten het goud des beweegolfers, was negenentwintig talenten en zevenhonderd dertig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms. 25 Het zilver nu van de getel-den der vergadering was honderd talenten en één duizend zevenhonderd en vijf en zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms. 26 Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van een ieder, die overging tot de geleiden, van twintig jaar oud en daarboven, namelijk zeshonderddui-en drieduizend en vijfhonderd en jijl tig. 27 En daar waren honderd talenten zilvers om te gieten de voeten des heiligdoms en de voeten des voorhangs: tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot eeneiig voet. 28 Maar uit de duizend en zevenhonderd en vijfenzeven tig sikkelen maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hunne hoofden, en omtoog ze met banden. 29 Het koper nu des beweegolfers was zeventig talenven en tweeduizend en vierhonderd sikkels. 30 En hij maakte daarvan de |
EXODUS 39.
1.15
|
voeten van de deur der Tent der samenkomst en liet koperen altaar, en den koperen rooster dien dit had, en al het gereedschap des altaars, 31 en de voeten des vDorhofs rondom, en de voeten der poort des voorhofs, ook alle de pennen des Tabernakels, en alle de pennen des voorhofs rondom. HOOFDSTUK 39. Zij maakten ook ambtekleederen om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige kleederen, die voor Aaron varen gelijk de Heere Mozes geboden had. 2 Aldus maakte hij den efod: van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en lijn getweernd linnen. 3 En zij rekten uit de dunne platen van goud en sneden het top draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, ^n in het midden van het scharlaken, en in het midden van het lijn linnen, van hetallerkunstig-ste werk. 4 Zij maakten samenvoegende echouderbanden daaraan: aan des-zelfs beide einden werd hij samengevoegd. o En de kunstige riem zijns efods die daarop was, die was van éénerlei werk. van hetzelfde, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en lijn getweernd linnen, gelijk de Heere Mozes bevolen had. G Zij bereidden ook de sardo-nyxsteenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgra veering gegraveerd met de namen der zonen Israels. 7 En hij zette ze op de schouderbanden des efods, tot steenen der gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk do Heere Mozes â¢geboden had. 8 Hij maakte ook den borstlap van het alleikunstigste werk, gelijk het werk des efods: van goud, .hemelsblauw, en purper, en schar-ilaken, en lijn getweernd linnen. |
9 Hij was vierkant, zy maakten den borstlap dubbel: een span was zijne lengte en een span was zijne breedte, dubbel zijnde. 10 En zij vulden daarin vier rijen steenen: eene rij van een sardis, een topaas en een karbonkel: dit is de eerste rij: 11 en de tweede rij van een smaragd, een saffier en een diamant ; 12 en de darde rij van een hyacinth, agaat en amethyst; 13 en de vierde rij van een turkoois, en een^ sardonyx, en een jaspis, omvat in gouden kastjes in hunne vullingen. 14 Deze steenen nu met de namen der zonen Israels waren twaalf, met hunne namen, met zegelgraveering, ieder met zijnen naam, naar de twaalf stammen. 15 Zij maakten ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud. lü En zij maakten twee gouden kastjes en twee gouden ringen, en zij zetteden die twee ringen aan de beide einden des borstlaps. ^ 17 _En zij zetteden de twee gedraaide gouden ketentjes aan de twee ringen aan de einden van den borstlap: 18 doch de twee andere einden der twee gedraaide ketenen zetteden zij aan de twee kastjes, en zij zetteden ze aan de schouderbanden des efods, recht op diens voorste zijde. 19 Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden des borstlaps zetteden, inwendig aan zijnen boord die aan de zijde des efods is. 20 Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetteden aan de twee schouderbanden des efods beneden aan deszelfs voorste zijde, tegenover zijne andere voege, boven den kuustigen riem des efods. 21 En zij bonden den borstlap met zijne ringen aan de ringen des efods met een hemelsblauw snosr, dat hij op den kunstige» |
EXODUS 40.
116
|
riem des efods was; opdat de borstlap van den efod niet afgescheiden wierd, gelijk de Heere Mozes geboden had. 22 En hij maakte den mantel des efods van geweven werk, geheel van hemelsblauw. 22 En het gat des mantels was in deszeifs midden, als het gat eens pantsers: dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd wierd. 24 En aan de zoomen des mantels maakten zij granaatappelen van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd; 25 zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tusschen de granaatappelen aan de zoomen des mantels rondom, tusschen de granaatappelen ; 26 dat een schelletje daarna een granaatappel was, wederom een schelletje en een granaatappel, aan de zoomen des mantels rondom, om te dienen, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 27 Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk voor Aaron en voor zijne zonen: 28 en den hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van lijn getweernd linnan; 29 en den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 30 Zij maakten ook de _ plaat van den kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift met zegel graveering: de Heiligheid des Heer en. 31 En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan den hoed van boven te hechten, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 32 Aldus werd al het werk des Tabernakels, van de Tent der samenkomst, voleindigd: en de kinderen Israels hadden het gemaakt naar alles wat de Heere Mozes geboden had, alzóó hadden zij het gemaakt. |
33 Daarna brachten zij den Tabernakel tot Mozes, de Tent en ai haar gereedschap, hare haakjes, hare stijlen, hare richelen, en hare pilaren en hare voeten; 34 en het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en den voorhang des deksels; 35 de Ark der getuigenis en hare handboomen, en liet verzoendeksel; 36 de tafel met al haar gereedschap, en de toonbrooden; 37 den louteren kandelaar, met zijne lampen, de lampen die men toerichten moest, en al deszelfe gereedschap, en de olie ten lichte; 38 voorts het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwater van welriekende specerijen, en het deksel van de deur der Tent; 39 het koperen altaar, en den koperen rooster dien dit heeft, deszelfs handboomen en al zijn gereedschap; het waschvat en zijnen voet; 40 de behangselen des voor-hofs, zijne pilaren en zijne voeten, en het deksel van de poort des voorhofs, zijne zelen, en zijne pennen, en al het gereedschap van den dienst des Tabernakels, tot de Tent der samenkomst; 41 de ambtskleederen om in het heiligdom te dienen, de heilige kleederen des Priesters Aarons, en de kleederen zijner zonen, om het Priesterambt te bedienen: 42 naar alles wat de Heere Mozes geboden had, alzóó hadden de kinderen Israels het gan-sche werk gemaakt. 43 Mozes nu bezag het gansche werk, en zie, zij hadden het gemaakt; gelijk als de Heere geboden had, alzóó hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen. HOOFDSTUK 40. Toorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 OiJ den dag der eerste maand. te Keten op den eerste der maande zult gij den Tabernakel, de Tent der samenkomst, oprichten; |
|
EXOD 3 en gij zult aldaar zetten de Ark der getuigenis, en gij zult de Ark met den voorhang bedekken ; 4 daarna zult gij de tafel daarin brengen, en gij zult schikken dat daarop te schikken is; gij zult ook den kandelaar daarin brengen, en zijne lampen aanste-ken; 5 en gij zult het gouden altaar ten reukwerke vóór de Ark der getuigenis zetten. Dan zult gij het deksel van de deur des Tabernakels ophangen. 6 Gij zult ook het altaar des brandoffers zetten vóór de deur des Tabernakels van de Teut der samenkomst. 7 Eu gij zult het wasehvat zetten tusschen de Tent der samenkomst en tusschen het altaar, en gij zult water daar/u doen. 8 Daarna zult gij den voorhof rondom zetten, en gij zul: het deksel ophangen aan de pooi t des voorhofs. 9 Dan zult gij de zalfolie nemen en zalven den Tabernakel en al wat daarin is, en gij zult den-zelve heiligen metal zijn gereedschap, en het zal eene heiligheid zijn; 10 gij zult ook het altaar des brandoffers zalven en al zijn gereedschap, en gij zult het altaar heiligen en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn; 11 dan zult gij het waschvat zalven en deszelfs voet, en gij zult het heiligen. 12 Gij zult ook Aaron en zijne zonen doen naderen tot de deur van de Tent der sameukomst, en gij zult ze met water wasschen. 13 En gij zult Aaron de heilige kleederen aantrekken, en gij zult hem zalven en hem heiligen, dat liij mij het Priesterambt bediene. 14 Gij zult ook zijne zonen doen naderen, en zult hun de rokken aantrekken, 15 en gij zult hen zalven gelijk gij hunnen vader gezalfd zult nebben, dat zij mij het Priesterambt bedienen; en het zal geschieden dat hun hunne zalving |
US 40. 117 zal zijn tot een eeuwig Priesterdom bn hunne geslachten. 16 Mozes nu deed het; naar alles wat hem de Heere geboden had, alzóó deed hij. 17 En het geschiedde in de eerste maand in het tweede jaar op den eerste der maand, dat de Tabernakel opgericht werd. 18 Want Mozes richtte den Tabernakel op, en zette zijne voeten, en stelde zijne stijlen, en zette zijne richelen daaraan, en hij richtte de pilaren deszei ven op; 19 en hij spreidde de tent uit over den Tabernakel, en hij zette het deksel der tent daar boven op, gelijk de Heere Mozes geboden had. 20 Voorts nam hij en leide de getuigenis in de Ark en deed de handboomen aan de Ark en hij zette liet verzoendeksel boven op de Ark, 21 en hij bracht de Ark in den Tabernakel, en hij hing den voorhang des bedeksels op, en bedekte de Ark der getuigenis, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 22 Hij zette ook de tafel inde Tent der samenkomst, aan de zijde des Tabernakels tegen het Noorden, buiten den voorhang; 23 en hij schikte daarop het brood in orde voor het aangezicht des Heeren, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 24 Hij zette ook den kandelaar in de tent der samenkomst recht over de tafel, aan de zijde des Tabernakels zuidwaarts; 25 en hij stak de lampen aan voor het aangezicht des Heeren, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 26 En hij zette het gouden altaar in de Tent der samenkomst, vóór den voorhang; 27 en hij stak daarop aan reukwerk van welriekende specerijen, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 28 Hij hing ook het deksel van de deur des Tabernakels. 29 En hij zette het altaar des brandoffers aan de deur des Tabernakels, der Teut der samen- |
|
118 LEVI komat; en hij _ offerde daarop brandoffer en Bpijsoffer, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 30 Hij zette ook liet waschvat tnsschen de Tent der samenkomst en tnsschen liet altaar, en hij deed water daarin om te wasschen; 31 en Mozes en Aaron en zijne zonen wieschen daaruit hunne handen en hunne voeten: 32 als zij ingingen tot de Tent der samenkomst en als zij tot het altaar naderden, zoo wieschen zij zich, gelijk de Heere Mozes geboden had. 33 Hij richtte ook den voorhof op, rondom den Tabernakel en het altaar, en hij hing het deksel der poort des voorhofs op. Alzoo voleindigde Mozes het werk. 34 Toen bedekte de wolk de :cüs i. |
Tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heeren vervulde den Tabernakel, 35 Zoodat Mozes niet kon ingaan in de Tent der samenkomst, dewijl de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des Heeren den Tabernakel vervulde. 36 Als nu de wolk opgeheven werd van boven den Tabernakel, zoo reisden de kinderen Israëls voort in al hunne reizen; 37 maar als de wolk niet opgeheven werd, zoo reisden zij niet, tot op den dag dat zij opgeheven werd. 38 Want de wolk des Heeren was op den Tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de oogen des ganschen huizes Israels, in alle hunne reizen. |
|
het deede GEN.' L E Y I rj |
i:k yke mozes a.md I c u s. |
|
HOOFDSTUK 1. En de Heere riep Mozes en sprak tut hem uit de Tent der samenkomst zeggende: 2 Spreek tot da kinderen Israels en zeg tot hen: Als een mensch uit u den Heere eene offerande zal offeren, gij zult uwe offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen. 3 Indien zijne offerande een brandoffer van runderen is, zal hij een volkomen mannetje offeren: aan de deur van de Tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezigt des Heeren. 4 En hij zal zijne hand op des brandoffers hoofd leggen, opdat het voor hem aangenaam zij om hem te verzoenen. o Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des Eeeren ; en de zonen Aarons, de |
Priesters, zullen het bloed offeren, en dat bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de Tent der samenkomst is. 6 Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en dat in zijne stukken deelen. 7 En de zonen van Aiirou. den Priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken. 8 Ook zullen de zonen Aarons, de Priesters, de stukken, het hoofd en het smeer schikken op het hout, dat op het vuur is, het-welk op het altaar is. 9 Doch zijn ingewand en zijne schenkels zal men met water wasschen ; en de Priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, oen vuurofferten liefelijken reuke den Heere. 10 En indien zijne offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij |
|
LEVIT een volkomen mannetje offeren. 11 En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des Heeren; en de zonen Aiirons, de Priesters,zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen. 12 Daarna zal hij het in zijne stukken deelen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de Priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is. 13 Doch het ingewand en de schenkel en zal men met water wasschen; en de Priester zal dat alles offeren en aansteken opliet altaar: het is een brandoffer,een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere. 14 En indien zijne offerande voor den Heere een brandoffer van gevogelte is, zoo zal hij zijne offerande van tortelduiven ol van jonge duiven offeren. lö En de Priester zal die tot het altaar brengen, en derzelver hoofd met zijnen nagel splijten, en op het altaar aansteken; en haar bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden. 1G En haren krop met zijne vederen zal hij wegdoen, en zal dat werpen bij liet altaar oostwaarts, aan de plaats van de asch. 17 Voorts zal hij die met zijne vleugelen klieven, niet afscheiden; en de Priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is: het is een brandoffer, een vuuroffer ton liefelijken reuké den Heere. HOOFDSTUK 2. Als nu eene ziel eene offerande van spijsoffer den Heere zal offeren, zijne offerande zal meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten en wierook daarop leggen; 2 en hij zal dat brengen tot de zonen Aarons, de Priesteren, welker een daarvan zijne hand vol grijpen zal uitdeszelfsmeelbloem, en uit deszelfs olie, met al des-zelfs wierook; en de Priester zal deszelfs gedenkoffer aansteken op het altaar: het is een vuuroffer |
CUS 2. 119 ten liefelijken reuke den Heere. 3 Wat nu overblijft van het spijsoffer zal Aiirons en zijner zonen zijn: het is eene heiligheid der heiligheden van de vuurof-feren des Heeren. 4 En als gij offeren zult eene offerande van spijsoffer, een go-bak des ovens, het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem met olie gemengd, en ongezuurde vla den, met olie bestreken. 5 En indien uwe offerande spijsoffer is, in de pan yelcoold, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem met olie gemengd. (5 Breek ze in stukken en giet olie daarop: het is een spijsoffer. 7 En zoo uwe offerande een spijsoffer des ketels is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden. 8 Don zult gij dat spijsoffer hetwelk daarvan zal gemaakt worden den Heere toebrengen, en men zal het tot den Priester doen naderen, die dat tot het altaar dragen zal; 9 en de Priester zal van dat spijsoffer deszelfs gedenkoffer opnemen en op het altaar aansteken: liet is een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere. 10 En wat overblijft van het spijsoffer zal Aarons en zijner zonen zijn: het is eene heiligheid der heiligheden van de vuurof-feren des Heeren. 11 Geen spijsoffer, dat gij den HeerezuI t offeren, zal met deesem gemaakt worden, want van geen zuurdeesem en van geen honig zult gijlieden den Heere vuuroffer aanstoken. 12 De offeranden der eerstelingen die zult gij den Heere of-ferOn; maar op het altaar zullen zij niet komen ten liefelijken reuke. 13 En alle offerande uws spijsoffers zult gij met zout zouten, en het zout des verbonds uws Gods van uw spijsoffer niet laten afblijven: met alle uwe offerande zult gij zout offeren. 14 En zoo gij den Heere een spijsoffer der eerste vruchten offert, zult gij het spijsoffer uwer |
|
120 LEVITI eerBte vruchten van groene aren bij het vvur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren; 15 en gij zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen: het is een spijsoffer. 16 Zoo zal de Priester deszelfs gedeiikoffer aansteken, van zijn kleingebroken graan en van zijne olie, met al den wierook: het is een vunroffer den Heere. HOOFDSTUK 3. En indien zijne offerande een dankoffer is: zoo hij ze van de runderen offert, het zij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren voor het aangezicht des Hkeren. 2 En hij zal zijne hand op het hoofd zijner offerande leggen, en zal ze slachten voor de deur van de Tent der samenkomst; en de zoiien Aarons, de Priesteren, zullen het bloed rondom op het altaar sprengen. 3 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den Heere offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is. 4 Dan zal hij beide de nieren, en het vet dat daaraan is dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen; o en de zonen Aarons zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer hetwelk op het hout zal zijn dat op het vuur is; het is een vuuroffer tenliefe-lijken reuke den Heere. 6 En indien zijne offerande van klein vee is, den Heere tot een dankoffer, het zij mannetje of wijfie, volkomen zal hij dieofferen. 7 Indien hij een lam tot zijne offerande offert, zoo zal hij het offeren voor het aangezicht des Heeren. 8 En hij zal zijne hand op het hoofd zijner offerande leggen, en hij zal die slachten vóór de Tent der samenkomst; en de zonen Aarons zullen het bloed daarvan rondom op het altaar sprengen. 9 Daarna zal hij van dat dank- |
3US 3, 4. offer een vuuroffer den Heerb offeren: zijn vet, den geheelen staart, dien hij dicht aan de rug-gegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet dat aan het ingewand is; 10 ook beide de nieren, en het vet dat daaraan ie, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen; 11 en de Priester zal dat aansteken op het altaar: het is eene spijze des vuuroffers den Heere. 12 Indien nu zijne offerande eene geit is, zoo zal hij die offeren voor het aangezicht des Heeren. 13 En hij zal zijne hand op haar hoofd leggen, en hij zal ze slachten vóór de Tent der samenkomst; en de zonen Aarons zullen haar bloed sprengen rondom op het altaar. 14 Dan zal hij daarvan zijne offerande offeren, een vuuroffer den Heere; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet dat aan het ingewand is; 15 mitsgaders beide de nieren, en het vet dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met denieren, dat zal hij afnemen; 10 en die Priester zal die aansteken op het altaar: het is eene spijze des vuuroffers ten liefelijken reuke. Alle vet zal des Heeren zijn; 17 dil zij eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in alle uwe woningen: geen vet noch bloed zult gij eten. HOOFDSTUK 4. Voorts sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Als eene ziel zal gezondigd hebben door afdwaling van eenige geboden des Heeren, dat niet zoude gedaan worden, en teyen een van die zal gedaan hebben; 3 indien de Priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben tot schuld des volks, zoo zal hij voor zijne zonde die hij gezondigd heeft offeren een var, een volko- |
|
LEVIT men jong rund, den Heepjs ten zondoffer; 4 en liij zal dien var brengen tot de deur van de Tent der samenkomst, voor het aangezicht des Heeren; en hij zal zijne hand op liet hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slacht ei; voor het aangezicht des Heeren. 5 Daarna zal do gezalfde Priester van het bloed des varren nemen en hij zal'dat tot de Tent der samenkomst brengen; 6 en de Priester zal zijnen vinger iii dat bloed doopen, en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Hee-re:-, vóór den voorhang van het heilige. 7 Ook zal de Priester van dat bit : \ doen op de hoornen van het reukaltaar der welriekende specerijen, voor het aangezieht les Heeren, die in de Tent der samenkomst is; dan zal hij al .iet bloed des varren uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, welke is aan de deur van de Tent der samenkomst. 8 Voorts al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen: het vet bedekkende het ingewand, en al het vet dat aan het ingewand is; 9 daartoe de twee nieren, en het vet dat daaraan is, dat aan de week darmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen, 10 gelijk als het van den os des dankoffers opgenomen wordt: en de Priester zal die aansteken op het altaar des brandotiers. 11 Maar de hnid van dien var, en al zijn vleesch, met zijn hoofd en met. zijne schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest, 12 en dien geheelen var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan eene reine plaats, waar men de asch uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten asch zal hij verbrand worden. 13 Indien nu de geheel e vergadering Israëls afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de oogen der gemeente verborgen is, en zij |
CÃS 4. 121 iets gedaan zullen hebben tegen eenige van alle geboden des Heeren dat niet zoude gedaan worden, en zijn schuldig geworden, 14 en die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden: zoo zal de gemeente een var, een jong rund ten zondoffer offeren, en dien vóór de Tent der samenkomst brengen; 15 en de oudsten der vergadering zullen hunne handen opliet hoofd des varren voor het aangezicht des Heeren leggen, en hij zal den var slachten voor het aangezicht des Heeren. 16 Daarna zal de gezalfde Priester van het bloed des varren tot de Tent der samenkomst brengen; 17 cn de Priester zal zijnen vinger indoopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Heeren, vóór den voorhang. 18 En van dat bloed zal hij doen op de hoornen des altaars dat voor het aangezicht des Heeren is, dat in de Teute der samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten pan den bodem van het altaar des brandoffers, welke is vóór de deur van d© Tent dor samenkomst. 19 Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen en op het altaar aansteken. 20 En hij zal dezen var doen gelijk hij den var des zondoffers gedaan heeft, alzóó zal hij hem doen; en de Priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden. 21 Daarna zal hij dien var tot-buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij den eersten var verbrand heeft: het is een zondoffer der gemeente. 22 Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen een van de ire-boden des Heeren zijns Gods door afdwaling gedaan zal hebben hetgeen niet zoude gedaan worden, zoodat hij schuldig is; 23 of men zijne zonde die hij daartegen gezondigd heeft aan hem zal bekend gemaakt hebben: zoo zal hij tot zijn offer brengen |
LEVITICUS 5.
122
|
een geitenbek, een volkomen mannetje; 24 en liij zal zijne hand op het hoofd des boks leggen, en zal hem slachten in de plaatse waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht des Heeren; het is een zondoffer. 25 Daarna zal de Priester van het bloed des zondoffers met zijnen vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar des brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed aan den bodem van het altaar des brandoffers uitgieten; 20 hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, gelijk het vet des dankoffers; zoo zal de Priester voor hem verzoening doen van zijne zonde, en het zal hem vergeven worden. 27 En. zoo eenig mensch van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, dewijl hij iets doet tegen een van de geboden des Hef.ren, dat niet gedaan zoude worden, zoodat hij schuldig is; 28 of men zijne zonde die hij gezondigd lieei-r. aan hem zal bekend gemaakt hebben: zoo zal hij tot zijne offerande brengen eene jonge geit, een volkomen wijfje, voor zijne zonde die hij gezondigd heeft; ^ 29 en hij zal zijne hand op het hoofd des zondoffers leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaatse dos brandoffers. 30 Daarna zal de Pries-ter van haar bloed met zijnen vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van het altaar uitgieten. 31 En al haar vet zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de Priester zal het aansteken opliet altaar, tot een liefelijken reuk den Heere; en de Priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. 32 Maar zoo hij een lam voor zijne offerande ten zondoffer brengt, het zal een volkomen wijfje zijn dat hij brengt. |
33 En hij zal zijne hand op het hoofd des zondoffers leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaatse waar men het brandoffer slacht. 34 Daarna zal de Friester van 1 het bloed des zondoffers met : zijnen vinger nemen, en zal het : doen op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al ; het bloed daarvan aan den bodem ; van dat altaar uitgieten, i 35 En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk het vet van het. lam dos dankoffers afgeno-, men wordt; en de Priester zal die | aansteken op het altaar, op do j vuurolferen des Heeren; en de Priester zal voor hem verzoening | doen over zijne zoude die hij gezondigd heeft, en het zal hem : vergeven worden. HOOFDSTUK 5. Als nu een mensch zal gezon-j digd hebben, dat hij gehoord heeft i eene stemme des vlqeks, waarvan hij getuige is, hetzij hij liet gezien of geweten heeft: indien hij het niet te kennen geeft, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen. 2 Of wanneer een mensch eenig onrein ding zal aangeroerd hebben, hetzij het doode aas van een 1 wild onrein gedierte, of het dlt; -ode aas van een onrein kruipend ge-I dierte: al is het voor hem verborgen geweest, nochtans is hij onrein en schuldig. 3 Of als hij zal aangeroerd hebben de onreinigheid eens men-schen, naar al zijne onreinigheid waarmede hij onrein wordt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij *a het gewaar geworden, zoo is hij schuldig. 4 Of als een mensch zal gezworen hebben, qnbedachtelijk met zijne lippen uitsprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen, naar al wat de mensch in den eed onbedachtelijk uitspreekt, en het is voor hem verborgen geweest, en hii is het gewaar geworden, zoo is nij aan een van die schuldig. 5 Het zal dan geschieden als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal waarin hij gezondigd heeft, |
|
LE VIT 6 en tot zijn schuldoffer den HrEEE voor zijne zonde die hij gezondigd heeft brengen zal een wijfje van klein vee, een lam of eene jonge geit, voor de zonde: zoo zal de Priester voor hem vanwege zijne zonde verzoening doen. 7 Maar indien zijne hand zooveel niet bereiken kan als genoeg is tot een klein vee, zoo zal hij tot zijn offer voor de schul'j die hij gezondigd heeft, den IL:ere twee tortelduiven of twee jonge duiven brengen, ééne ten zondoffer en ééne ten brandoffer. 8 En hij zal die tot den Priester brengen, welke eerst die zal offeren, die tot liet zondoffer is, en zal haar hoofd met zijnen nagel nevens haren nek splijten, maar niet afscheiden. 9 En van het bloed des zondoffers zal hij aan den wand des altaars sprengen; maar het overgeblevene van dat bloed zal uitgeduwd worden aan den bodem des altaars; het is een zond oiler. 10 En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zoo zal de Priester voor hem, vanwege zijne zonde die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het hem vergeven worden. 11 Maar indien zijne hand niet reiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zoo zal hij die gezondigd heeft tot zijne offerande brengen het tiendedeel van eene efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch^ wierook daarop leggen, want het is éen zondoffer. 12 En hij zal dat tot den Priester brengen, en de Priester zal daarvan zijne hand vol, ter gedachtenis deszelven, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuuroüeren des Heeren: het is een zondoffer. 13 Zoo zal de Priester voor hem verzoening doen over zijne zonde, die hij gezondigd heeft in eenige van die stukken, en het zal hem vergeven worden; en het zal des Priesters zijn, gelijk het spijsoffer. 14 Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 15 Als een mensch door over- |
lCUS 6. 123 treding overtreden en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat ontvreemdende van de heilige dingen des Heeren, zoo zal hij tot zijn schuldoffer den Heere brengen een volkomen ram uit de kudde, met uwe schatting aan zilveren sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, ten schuldoffer. 16 Zoo zal hij, wat hij zondigende heeft ontvreemd van de heilige dingen, wedergeven, en zal deszelfs vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij den Priester geven zal; alzoo zal de Priester met den ram des schuldoffers voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. 17 En indien een mensch zal gezondigd hebben, en gedaan teoev één van alle^ geboden des Heeren, hetwelk niet moest gedaan worden, al is 't dat hij het niet geweten heeft, nochtans is hij schuldig en zal zijne ongerechtigheid dragen. IS En hij zal een volkomen ram uit de kudde tot den Priester brengen, niet uwe schatting, ten schuldoffer; en de Priester zal voor hem verzoening doen over zijne afdwaling, door welke hij afgedwaald is, die hij niet geweten had: zoo zal het hem vergeven worden. 19 Het is een schuldoffer; hij heeft zich voorzeker schuldig gemaakt aan den Heere. HOOFDSTUK 6. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Als een mensch gezondigd en tegen den Heere door overtreding overtreden zal hebben dat hij aan zijnen naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven of ter hand gesteld was, of van roof, of dal hij met geweld zijnen naaste onthoudt; 3 of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen en met valschheid gezworen zal heiben, over iets van alles wat de mensch doet, daarin zondigende: 4 het zal dan geschieden, dewijl hij gezondigd heeft en schuldig geworden is, dat hij weder |
LEYITICTJS 6.
124
|
uitkeeren zal den roof dien hij j heeft geroofd, of hot onthondeue ' dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene dat hij gevonden heeft; 5 of van alles waarover hij val-echelijk gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijne hoofdsom wedergeven en nog het vijfdedeel daarenboven toedoen zal: wiens dat is, dien zal hij dat geven op den dag zijner schuld. d En hij zal den Heere zijn echuldoüer brengen tot den Priester, een volkomen ram uit de kudde, met uwe schatting, ten echuldoiTer. 7 Dan zal de Priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des Heeiien, en het zal hem vergeven worden; over iets van van al wat hij doet, waaraan hij gehuld heeft. 8 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 9 Gebied Aiiron en zijne zonen. zeggende: Dit is de wet des brandoffers: het is hetgeen door het branden op het altaar den ganschen nacht tot aon den morgen opvaart, alwaar het vuur des altaars zal brandende gehouden worden. ]U En de Priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vleesch aantrekken, en zal de asch opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen. 11 Daarna zal hij zijne kleederen uittrekken, en zal andere kleederen aandoen, en zal de asch tot buiten het leger uitdragen aan eene reine plaats. 12 Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgebluscht worden, maar de Priester zal daar eiken morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet der dankofteren daarop aansteken: 13 het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden, het zal niet uitgebluscht worden. |
14 Dit is nu de wet des spijsoffers: een der zonen Aarons zal dnt voor het aangezicht des Hee-ren offeren vóór aan het altaar. 35 Ei^ hij zal daarvan opnemen zijne hand vol, uit de meelbloem des spijsoffers, en van deszelfs olie, en al den wierook, die op het spijsolfer is; dan zal hij het aanstek:en op het altaar: het is eene liefelijke reuk ter gedachte-ui s aeszelven voor den Heere. 16 En het overblijvende daarvan zullen Aiiron en zijne zonen eten, ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaatse, in den voorhof van de Tent der earn enk omst zullen zij dat eten: XT het zal niet gedeesemd ge-bal-iken worden, het is hun deel da t ikge geven heb van mijne vuur-offeren: _ het is eene heiligheid der heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer. 18 Al wat mannelijk is onder de zonen Aarons zal dat eten; het zij eene eeuwige inzetting voor uw-e geslachten van de vuur-offeren lt;3es Heeren: al wat die zal aanroeren zal heilig zijn. 19 Wij ders sprak de Heere tot Mo zes, z. eggende: 20 Dit is de offerande A ar ons en zijner zonen, die zij den Heere offeren z uilen ten dage als hij zal gezalfd quot;worden: het tiendedeel een er efa meelbloem, een gedurig spijsoffer; de helft daarvan op den avond. 21 Het zal in eene pan met olie gemaakt worden, geroost zult gij het brengen, en de gebakken stukken des spijsoffers zult gij offeren ten liefel ijken reuke den Heere. 22 Ook zal de Priester, die uit zijne zonen in zijne plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het. zij eene eeuwige inzetting', het zal voor den Heere geheel aangestoken worden. 2ramp; Alzoo zal alle spijsoffer des Priesters ga n schel ijk zijn, het zal niet gegeten worden. 24 Voorts sprak de Heere tot Wozes, zeggende: 25 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen,zeggende: Dit is de wet des zoudotier: in de plaats waar |
LEVITICUS 7.
125
|
het brandoffer geslacht wordt zal het zondoüer voor het aangezicht des Heeren geslacht worden: het is eene heiligheid der heiligheden. 2ö Dc Priester, die het voor de zonde oÃert, zal dat eten; in de heilige plaatse zal het gegeten worden, in het voorhof van de Tent der samenkomst. 27 Al wat deszeifs vleesch zal aanroeren zal heilig zijn; zoo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat waarop hij gesprengd zal hebben znlt gij in de heilige plaatse wasschen. 28 En liet aarden vat waarin het gezoden is zal gebroken worden; maar zoo het in een koperen vat gezoden is, zoo zal het geschuurd en in water gespoeld worden. 29 Al wat mannelijk is onder de Priesters zal dat eten: het is eene heiligheid der heiligheden. 30 Maar geen zondoffer, van welks bloed in de Tent der samenkomst zal gebracht worden om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden: het zal in het vuur verbrand worden. HOOFDSTUK 7. Dit is nu de wet des srhuldoffers, het is eene heiligheid der heiligheden: 2 In de plaats daar zij het brand-oil'er slachten, zullen zij het schuldoffer slachten, en men zal deszelfs bloed rondom op het altaar sprengen. 3 En daarvan zal men al zijn vet offeren:, den staart, en het vet dat het ingewand bedekt; 4 ook beide da nieren en het vet dat daaraan is, dat op de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal men afnemen. 5 En de Priester zal die aansteken op het altaar, ten vuur-otfer den Heere: het is een schuldofier. 6 Al wat mannelijk is onder de Priesteren zal dat eten; in de heilige plaatse zal het gegeten worden: het is eene heiligheid der heiligheden. |
7 Gelijk het zondoffer^Jzoo zal ook het schuldoffer zijn, één^rlei wet zal voor dezelve zijn: het zal des Priesters zijn, die (laarmede verzoening gedaan zal hebben. 8 Ook de Priester, die iemands brandoffer offert, die Priester zal de huid des brandoffers hebben dat hij geofferd heeft; 9 daartoe al het spijsoffer, dat in den oven gebakken wordt, met al wat in den ketel en in de pan bereid wordt, zal des Priesters zijn die dat offert. 10 Ook alle spijsoffer, met olie gemengd of droog, zal aller zoneu Aarons zijn, des éénen als des anderen. 11 Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den Heeke offeren zal: 12 Indien hij dat tot een lofq/TVr offert, zoo zal hij, nevens het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd en ongezuurde vladen met olie bestreken offeren, en zuilen die koeken met olie gemengd en van gerooste meelbloem zijn. 13 Benevens de koeken zal hij tot zijne offerande gedeesemd brood offeren, met het lofoffer zijns dankoffers. 14 En één daarvan uit degan-ecke offerande zal hij den Heere ten hefoffer offeren; het zal des Priesters zijn, die het bloed des dankoffers sprengt. 15 Maar het vleesch van het lofoffer zijns dankoffers zal op den dag van deszelfs offerande gegeten worden, daarvan zal men niet tot den morgen overlaten. 16 En zoo het slachtoffer zijner offerande eene gelofte of vrijwillig offer is, dat zal ten dage als hij zijn offer offeren zal gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook des anderen daags gegeten worden. 17 Wat nog van het vleesch des slachtoffers overgebleven is, zal op den derden dag met vuur verbrand worden. 18 Want zoo eenigszins van dat vleesch zijns dankoffers op den derden dag gegeten wordt, wie dat geofferd heeft zal niet aangenaam zijn, het zal hem niet |
LEVITICUS 8.
128
|
toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn, en de ziel, die daarvan eet, zal hare ongerechtigheid dragen. 19 En het vleesch dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten -worden: met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vleesch, dat vleesch zal een ieder die rein is mogen eten. 20 Doch als eene ziel het vleesch van het dankoffer, hetwelk des Heeren is, gegeten zal hebben, en hare onreinigheid aan haar is, zoo zal die ziel uit hare volkeren uitgeroeid worden. 21 En wanneer eene ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, ids de onreinigheid des menschen, of liet onreine vee, of eenig onrein verfoeisel, en zal van het vleesch des dankoffers, hetwelk des Heeren is, gegeten hebben, zoo zal die ziel uit hare volkeren uitgeroeid worden. 22 Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 23 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geen vet van een os of schaap of geit zult gij eten; 24 maar het vet van een dood aas en het vet van het verscheurde mag tot alle werk gebezigd worden; doch gij zult dat gansche-lijk niet eten; 25 want al wie het vet van een stuk vee eten zal, van hetwelk men den Heere een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit hare volken uitgeroeid worden. 2G Ook zult gij in alle uwe woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte of van het vee: 27 alle ziel, die eenig Vloed eten zal, die ziel zal uit hare volkeren uitgeroeid worden. 28 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 29 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wie zijn dankoffer den Heere offert, zal zijne offerande van zijn dankoffer den Heere toebrengen. 30 Zijne handen zullen de vuur-offeren des Heeren brengen;het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een be-weegoffer voor het aangezicht des Heeren te bewegen; |
31 en de Priester zal dat vet op het altaar aansteken; doch de borst zal Aarons en zijner zonen zijn. 32 Gij zult ook den rechterschouder tot een hefoffer den Priester geven, uit uwe dank-offeren. 33 Wie uit de zonen Aarons het bloed des dankoffers en het vet offert, dien zal de rechterschouder ten deele zijn; 34 want de beweegborst en den hefschouder heb ik van de kinderen Israels uit hunne dankof-feren genomen, en^ heb dezelve aan Atiron, den Priester, en aan zijne zonen tot eene eeuwige inzetting gegeven aan de kinderen Israels. 35 Dit is de zalving Aarons en de zalving zijner zonen, van de vuurofferen des Heeren, ten dage als hij ze deed naderen om het Priesterdom den Heere te bedienen. 36 Hetwelk de Heere hun van de kinderen Israels te geven geboden heeft ten dage als liij ze zalfde: het zij eene eeuwige inzetting voor hunne geslachten. 37 Dit is de wet des brandoffers, des spijsoffers, en des zondoffer?, en des schuldoffers, en des vuloliers, en des dankoffers, 38 die de Heere Mozes op den berg Sinaï geboden heeft, ten dage als hij den kinderen Israels gebood dat zij hunne offeranden den Heere in de woestijn Sinaï zouden offeren. HOOFDSTUK 8. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Neem Atiron en zijne zonen mot hem, en de kleederen, en de zalfolie; daartoe den var des zondoffers, en de twee rammen, en de korf van de ongezuurde hrooden. 3 en verzamel de gansche vergadering aan de deur van de Tent der samenkomst. 4 Mozes nu deed gelijk de |
LEVITICUS
127
|
Heere hem geboden had, en de vergadering werd verzameld aan de deur van de Tent der samenkomst. 5 Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zake die de Heere geboden heeft te doen, Ã En Mozes deed Aiiron en zijne zonen naderen, en wieschzemet dat water, 7 Daar deed hij hem den rok aan, en gordde hem met den gordel, en trok hem den mantel aan; ook deed hij hem den efod aan, en gordde dien met den kunsti-gen riem dos efods, en ombond hem daarmede; 8 voorts deed hij hem den borstlap aan. en voegde aan den borstlap de Urim en de Tummim; 9 en hij zette den hoed opzijn hoofd, en aan den hoed boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon der heiligheid, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 10 Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde den Tabernakel en al wat daarin was, en heiligde ze; 11 en hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal, en hij zalfde het altaar en al zijn gereedschap, mitsgaders het waschvat en zijnen voet, om die te heiligen. 12 Daarna goot hij van de zalfolie op Aarons hoofd, en hij zalfde hem om hem te heiligen. 13 Ook deed Mozes de zonen Aarons naderen, en trok hun rokken aan, en gordde hen meteen gordel, en bond hun mutsen op, gelijk de Heere Mozes geboden had. 14 Toen deed hij den var des zondoffers bijkomen, en Aiiron en zijne zonen leiden hunne handen op het hoofd van den var des zondoffers, lij en men slachtte hem, en Mozes nam het bloed en deed het met zijnen vinger rondom op de hoornen des altaars, en ontzon-digde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars, en heiligde hem om voor hem verzoening te doen. |
16 Voorts nam hij al het vet, iat aan het ingewand is, en het net der lever, en de twee nieren en haar vet, en Mozes stak liet aan op het altaar: 17 maar den var met zijne huid en zijn vleesch en zijn mest heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, gelijk ais de Heere Mozes geboden had. 18 Daarna deed hij den ram des brandoffers bijbrengen, en Aiiron en zijne zonen leiden hunne handen op het hoofd des rams, 19 en men slachtte htm, en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom. 20 Hij deelde ook den ram in zijne deelen; en Mozes stak hefe hoofd aan, en die deelen, en het smeer, 21 doch het ingewand en do schenkel en wiesch hij met water: en Mozes stak dien geheelen ram aan op het altaar: het was een brandoüer der liefelijke reuke, een vuurofter was het den Heere, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 22 Daarna deed hij den anderen ram. den ram des vulofiers, bijbrengen- en Aiiron met zijne zonen leiden hunne handen op hethoofd des rams, 23 en men slachtte hem, en Mozes nam van zijn bloed en deed het op het lapje van Aiirons rechteroor, en op den duim zijner rechterhand, en op den grooten teen zijns rechtervoets; 24 hij deed ook de zonen Aiirons naderen, en Mozes deed van dat bloed op het lapje van hun rechteroor, en op den duim van hunne rechterhand, en op den grooten teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed op het altaar rondom. 25 En hij nam het vet, en den staart, en al het vet dat aan het-ingewand is, en het net der lever, en beide de nieren en haar vet, daartoe den rechterschouder; 26 ook nam hij uit den korf van de ongezuurde brooden, die voor het aangezicht des Heeren was, eenen ongezuurden koek, en ecnen geolieden broodkoek, en eene vlade, en hij leide ze op dat vet en op den rechterschouder: |
LEVITICUS 9.
Ã2S
|
27 en hij gaf dat alles in de handen Aarons en in de handen zijner zonen, en bewoog die ten beweegoöer voor het aangezicht des He eren. 28 Daarna nam ze Mozes uit hunne handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; dat waren vnlotferen der liefelijke reuke, het w as een vuurolfer den Heere. 20 Voorts nam Mozes de borst en bewoog ze ten beweegolfer voor het aangezicht des Heeren ; zij werd Mozes ten deel van den ram des vuloffers, gelijk als de Heere Mozes geboden had. uO Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed hetwelk op het altaar was; en sprengde het op Aiiron, op zijne kleederen, en op zijne zonen en op de kleederen zijner zonen met hem; en hij heiligde Aiiron, zijne klee-deren, en zijne zonen en de kleederen zijner zonen met hem. 31 En Mozes zeide tot Aaron en tot zijne zonen: Ziedt dat vleesch vóór de deur van de Tent der samenkomst, en eet liet daar, mitsgader het brood dat in den korf des vuloffers is; gelijk ik geboden heb, zeggende: Aiiron en zijne zonen zuilen dat eten. 32 Maar liet overige van het vleesch en van het brood zult gij met vuur verbranden. 33 Ook zult gij uit de deur van de Teut der samenkomst zeven dagen niet uitgaan, tot aan den dag dat vervuld worden de dagen uws vuloffers; want zeven dagen zal men uwe handen vullen. 34 Gelijk als men gedaan heeft op dezen dag, heeft de Heere te doen geboden om voor u verzoening te doen. 3ö Gij zult dan aan de deur van de Tent der samenkomst dag en nacht zeven dagen blijven, en zult de wacht des Heeren waarnemen, opdat gij niet sterft; want alzóó is het mij geboden. 36 Aiiron nu en zijne zonen deden alle de dingen, die de Heere door den dienst van Mozes geboden had. |
HOOFDSTUK 9. En het geschiedde ten achtsten dage dat Mozes Aiiron en zijne zonen en de oudsten Israels riep, 2 en hij zeide tot Aaron: Neem u een kalf een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn, en breng ze voor het aangezicht des Hee-ren. 3 Daarna spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Neemt een geitenhok ten zondoffer, en een kalf, en een lam, éénjarige, vol-komene, ten brandoffer; '1 ook eenen os en een ram ten dankoffer, om voor het aangezicht des Heeren te offeren, en spijsoffer met olie gemengd: want lieden zal de Heere u verschijnen. o Toen namen zij dat Mozes geboden had, hrermendc dat rot vóór aan de Tent der samenkomst; en de geheele vergadering naderde en stond voor het aangezicht des Heeren. 6 En Mozes zeide: Deze zaak die de Heere geboden heeft zult gij doen, en de heerlijkheid des Heeren zal u verschijnen. 7 En Mozes zeide tot Aiiron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer en uw brandoffer toe, en doe verzoening voor u en voor het volk: daarna maak de oife-rande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de Heere geboden heeft. 8 Toen naderde Aiiron tot het altaar, en slachtte liet kalf des zondoffers dat voor hern was; 9 en de zonen Aarons brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijnen vinger in dat bloed, en deed het op do hoornen des al-tJiars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars; 10 maar het ve', en de nieren, en het net van de lever van het zondofier heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk de Heere Mozes geboden had; 11 doch het vleesch en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. 12 Daarna slachtte hij het brandoffer, en de zonen Aarons lever- |
|
LE VIT den aan hem het bloed, en hij pprengde dat rondom op het altaar; 13 ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijne stukken, met het hoofd, en hij s-ak het aan op het altaar; 14 en hij wieseh het ingewand en de schenkele, en hij 6tak ze aan op het brandoffer op het altaar. 15 Daarna deed hij de offerande des volks toebrengen, en nam den bok des zondoffers die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste. 16 Voorts deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht. 17 En hij deed het spijsoffer toebrengen en vulde daarvan zijne hand, en stak het aan op het altaar, behalve het morgenbrand-cffer. 18 Daarna slachtte hij den os en den ram ten dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen Aarons leverden het bloed aan hem, hetwelk hij rondom opliet altaar sprengde; 19 en het vet van den os en van den ram, den staart, en wat het ingewand bedekt, en de nieren, en het net der lever; 20 En zij leiden het vet op de borsten, en hij stak dat vet aan op het altaar; 21 maar de borsten en den rechterschouder bewoog Aaron ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren, gelijk Mozes geboden had. 22 Daarna hief Aiironzijne handen op tot het volk en zogende hen, en hij kwam af nadat hij liet zondoffer en brandoffer en dankoffer gedaan had. 23 Toen ging Mozes met Aaron in de Tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit en zegenden het volk; en de heerlijkheid des Heeren verscheen al den volke, 24 want een vuur ging uit van het aangezicht des Heeren, en verteerde op het altaar het brandoffer en het vet. Als nuhetgan- |
ICUS 10. 129 sche volk dit zag, zoo juichten zij en vielen op hunne aangezichten. HOOFDSTUK 10. En de zonen Aarons, Nadab en Abihu, namen ieder zijn wierookvat en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des Heerex, hetwelk hij hun niet geboden had. 2 Toen ging een vuur uit van het aangezicht des Heeren en verteerde hen, en zij stierven voor het aangezicht des Heeren. 3 En Mozes zei de tot Aaron: Dat is het wat de Heere gesproken heeft zeggende: In degenen die tot mij naderen zal ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal ik verheerlijkt worden. Doch Aiiron zweeg stil. 4 En Mozes riep Misaël en El-zafan, de zonen van Uzzicl, A arons oom, en zeide tot hen: Treedt toe, draagt uwe broederen weg van voor het heiligdom tot buiten het leger. 5 Toen traden zij toe en droegen ze in hunne rokken tot buiten het leger gelijk als Mozes gesproken had. 6 En Mozes zeide tot Aiiron, en tot Eleazar en tot Ithamar zijne zonen: Gij zult uwe hooiden niet ontblooten noch uwo kleederen verscheuren, opdat gij niet sterft en groote toorn over de gansche vergadering kome; maar uwe broeders, het gansche huis Israels, zullen dezen brand, dien de Heere aangestoken heeft beweenen; 7 gij zult ook uit de deur van de Tent der samenkomst niet uitgaan, opdat gij niet sterft; want de zalfolie des Heeren is op u. En zij deden naar het woord van Mozes. 8 En de Heere sprak tot Aaron, zeggende; ö Wijn en sterken drank zult gij niet drinken, gij noch uwo zonen met u, als gij gaan zult in de Tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; het zij eene eeu- |
LEVITICUS 11.
130
|
â wige inzetting onder uwe geslachten : 10 en om onderscheid te maken tusschen het heilige en tusschen het onheilige, en tusschen het onreine en tusschen het reiné; 11 en om den kinderen Israels te leeren alle de inzettingen, die de Heere door den dienst van Mozes tot hen gesproken heeft. 12 En Mozes sprak tot Aaron en tot Eleazar en tot Ithamar, zijne overgebleven zonen: Neemt het spijsoücr, dat van de vuur-oHeren des Heeren overgebleven is, en eet het ongezuurd bij het altaar; want het is eene heiligheid (Ier heiligheden. 13 Daarom zult gij dat eten in tie heilige plaatse, dewijl het uw bescheiden deel en liet bescheiden deel uwer zonen uit des Hkeuen vuurofferen is; want al-zoo is mij geboden. 14 Ook de beweegborst en den hefschouder zult gij in eene reine plaatse eten, gij en uwe zonen en uwe dochteren met u ; want tot uw bescheiden deel en uwer zonen bescheiden deel zijn ze uit. de dankoflferen der kinderen Israels gegeven. 15 Den hefschouder en de beweegborst zullen zij nevens de vuurotferen des vets toebrengen, om ten beweegolfer voor het aangezicht des Heeren te bewegen, hetwelk u en uwen zonen metu tot eene eeuwige inzetting zijn zal. gelijk als de Heeuegeboden heeft. l(i En Mozes zocht zeer naarstig den bok des zondofiers, en zie, hij was verbrand. Dies was hij op Eleazer en op Ithamar, de overgebleven zonen Aarons, zeer toornig, zeggende: 17 Waarom hebt gij dat zondoffer niet gegeten in de heilige plaatse? Want het is eene heiligheid der heiligheden, en hij heeft u dat gegeven opdat gij de ongerechtigheid der vergadering zOudt dragen, om over hen verzoening te doen voor het aangezicht des Heeren. |
18 Zie, deszelfs bloed is niet binnen in het heiligdom gedra-j gen: gij moest dat ganschelijh i gegeten hebben in het heiligdom, 1 gelijk als ik geboden heb. 19 Toen sprak Ailron tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondofter en hun brandolfer voor het aangezicht des Heeren geofferd, en zulke dingen zijn mij wedervaren ; en had ik heden het zondoffer gegeten, zoude dat goed geweest zijn in de oogen des Heeren ?quot; 20 Als Mozes dit hoorde, zoo was het goed in zijne oogen. HOOFDSTUK 11. En de Heere sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende tot hen; 2 Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende; Dit is het gedierte dat gij eten zult uit allo beesten die op aarde zijn: 3 al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de klove de? klauwen in tweeën klieft, herkauwt, dat zult gij eten. 4 Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alléén herkauwen of de klauwen alléén verdoelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn; 5 en het konijntje, want het herkauwt wel. maar verdeelt den klauw niet, dat zal onrein zijn ; tJ en den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn; 7 ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwd© niet; dat zal u onrein zijn. 8 Van hun vleesch zult gij niet eten, en hun dood aas niefe aanroeren: zij zullen u onrein zijn. 9 Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en de rivieren vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten; 10 maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel der wateren en van alle levend© ziele, die in de wateren is, geen |
|
LEVIT vinnen noch schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn; 11 ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vleesch zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien 12 al wat in de wateren geen Tinnen noch schubben heelt, dat zal u een verfoeisel zijn. 13 En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij gullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend: 14 en de gier, en de kraai naar haren aard; 15 alle raaf naar haren aard; 16 en de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en do sperwer naar zijnen aard; 17 en de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit; 18 en de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan; 19 en de ooievaar, de reiger naar zijnen aard, en de hop, en de vledermuis. 20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn. 21 Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijne voeten schenke-len heeft om daarmede op de aarde te springen; 22 van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijnen aard, en den solham naar zijnen aard, en den hargol naar zijnen aard, en den hagab naar zijnen aard. 23 En alle kruipend gevogelte dat vier voeten heeft zal u een verfoeisel zijn; 24_ en aan deze zult gij verontreinigd worden; zoo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond; 25 zoo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot aan den avond. 26 Alle beesten die den klauw verdeelen, doch de klove niet in tweeën klieven en niet herkauwen, zullen u onrein zijn; zoo wie dezelve aangeroerd zal hebben zal onrein zijn. |
[CUS 11. 131 27 En al wat op zijne pooten gaat onder alle gedierte, op vier voelen gaande, die zullen u onrein zijn: al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben zal onrein zijn tot aan den avond; 28 ook die hun aas zal gedragen hebben, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot den avond; zij zullen u onrein zijn. 29 Voorts zal u dit onder het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad naar haren aard, 30 en de zwijnegel, en de krokodil en de hagedis, en de slak, en de mol; 31 die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte: zoo wie die zal aangeroerd hebben als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond. 32 Daartoe al hetgeen waarop iets van dezelve vallen zal als zij dood zijn, zal onrein zijn 7/elt;-zij van alle houten vat, of kleed of vel, of zak, of alle vat, waarmede eenig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn. 33 En alle aarden vat waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is zal onrein zijn en gij zult dat breken. 34 Van alle spijzen die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn, en alle drank dien men drinkt zal in alle vat onrein zijn. 35 En ,waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn. 36 Doch een fontein of put van vergadering der wateren zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn. 37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op eenig zaaibaar zaad dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn; 38 maar als water op het zaad |
|
132 LEVITK gedaan zal worden, en van Imn dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn. 39 En wanneer van de dieren die n tot spijze zijn iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond. 40 Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn kleederen wasschen en onrein zijn tot aan den avond. 41 Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, dat zal een verfoeisel zijn, het zal niet gegeten worden. 42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijne vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel. 43 Maakt uwe zielen niet verfoeilijk aan eenig kruipend gedierte dat kruipt, en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden; 44 want ik ben de Heere uw God; daarom zult gij u heiligen en heilig zijn, dewijl ik heilig ben, en gij zult uwe ziele niet verontreinigen aan eenig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert: 45 want ik ben de Heere, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl ik heilig ben. 46 Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziele die zich roert in de wateren, en van alle ziele die kruipt op de aarde; 47 om te onderscheiden tus-schen het onreine, en tusschen het reine, en tusschen het gedierte dat men eten en tusschen het gedierte dat men niet eten zal. HOOFDSTUK 12. Voorts sprak de Heeke tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende : Wanneer eene vrouw |
US 12, 13. zaad gegeven en een jongaken gebaard zal hebben, zoo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn. 3 En op den achtsten dagf zal het vleesch zijner voorhuid besneden worden. 4 Daarna zal zij drieëndertig dagen blijven in het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn. 5 Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zoo zal zij twee weken onrein zijn, volgens hare afzondering; daarna zal zij zesenzestig dagen blijven in het bloed harer reiniging. 6 En als de dagen harer reiniging voor den zoon of voor de dochter vervuld zullen zijn, zoo zal zij een éénjarig lam ten brandoffer en eene jonge duif of tortelduif ten zondolFer brengen, voor de deur van de Tent der samenkomst, tot den Priester: 7 die zal dat offeren voor het aangezicht des Heeren, en zal voor haar verzoening doen; zoo zal zij rein zijn van den vloed haars bloeds. Dit ia de wet der-gene, die een jongsleen of meisje gebaard heeft. 8 Maar indien hare hand niet genoeg voor een lam vindt, zoo zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, ééne ten 'brandoffer en ééne ten zondofier, en de Priester zal voor haar verzoening doen ; zoo zal zij rein zijn. HOOFDSTUK 13. Voorts sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 2 Een mensch, als in het vel zijns vleesch es een gezwel of zweer of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleesches tot eene plage der melaatschheid zoude worden, hij zal dan tot den Priester Aiiron of tot een uit zijne zonen de Priesteren gebracht worden. , , 3 En de Pr ester zal de plage in het vel dea vleesches bezien; zoo het haar in die plage in wit |
|
LEVIT veranderd is, en liet aanzien der plage dieper is dan het vel zijns vleesclies, zoo is het de plage der melaatschheid; als de Priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren. 4 Maar zoo de blaar in het vel zijns vleesches wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zoo zal de Priester hem die de plage heeft, zeven dagen opsluiten. 5 Daarna zal de Priester op den zevenden dag hem bezien; indien, zie, de plage, naardat hij zien kan, is staande gebleven, en de plage in het vel niet uitgespreid is, zoo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten. 6 En de Priester zal hem andermaal ^ op den zevenden dag bezien; indien, zie, de plage ingetrokken en de plage in het vel niet uitgespreid is, zoo zal de Priester hem rein verklaren: het â was eene verzwering; en hij zal zijne kleederen wasschen; zoo is hij rein. 7 Maar zoo de verzwering in het vel ganschelijk uitgespreid is, nadat hij aan den Priester tot zijne reiniging zal vertoond zijn, zoo zal hij andermaal aan den Priester vertoond worden. 8 Indien de Priester merken zal, dat, zie, de verzwering in het vel uitgespreid is, zoo zal de Priester hem onrein verklaren; het is melaatschheid. 9 Wanneer de plage der melaatschheid in een mensch zal zijn, zoo zal hij tot den Priester gebracht worden. 10 Indien de Priester merken zal, dat, zie, een wit gezwel in het vel is, hetwelk het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid des levenden vleesches in dat gezwel is: 11 dat is eene verouderde melaatschheid in het vel zijns vleesches; daarom zal hem de Priester onrein verklaren, hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein. 12 En zoo de melaatschheid in het vel ganschelijk uitbot, endft |
CUS 13. 133 melaatschheid het geheele vel desgenen, die de plage heeft, van zijn hoofd tot zijne voeten bedekt heeft, naar al het gezicht van de oogen des Priesters; 13 en de Priester merken zal, dat, zie, de melaatschheid zijn geheele vleesch bedekt heeft: zoo zal hij hem, die de plago heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd: hij is rein. 14 Maar ten welken dage levend vleesch daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn. 15 Als dan de Priester dat levende vleesch gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vleesch is onrein: het is melaatschheid. 1G Of als dat levende vleesch verkeert en in wit veranderd zal worden, zoo zal hij tot den Priester komen. 17 Als de Priester hem bezien zal hebben, dat, zie, de plage in wit veranderd is, zoo zal de Priester hem, die de plage heeft, rein verklaren: hij is rein. 18 Het vleesch ook, als in des-zelfs vel een zweer zal geweest zijn, zoo^ het genezen is, _ 19 en in de plaats van die zweer een wit gezwel of roodachtige witte blaar worden zal, zoo zal het aan den Priester vertoond worden. 20 Indien de Priester merken zal, dat, zie, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in ^ wit veranderd is, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is de plage der melaatschheid, zij is door de zweer uitgebot. 21 Wanneer nu de Priester die bezien zal hebben, dat, zie, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zoo zal de Priester hem zeven dagen opsluiten. 22 Zoo zij daarna gansch in het vel uitgespreid zal zijn, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is de plage. 23 Maar indien de blaar op hare plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer: zoo zal de Priei-ter hem rein verklaren. |
LEVITICUS 13.
134
|
24 Of wanneer in bet vel des vleesches een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van dien brand eene witte roodachtige of witte blaar is; 25 en de Priester die gezien zal hebben, dat, zie, het haar op de blaar in wit veranderd is en haar aanzien dieper is dan het vel: het is ^ melaatschheid, door den brand is zij uitgebot; daarom zal hem de Priester onrein verklaren: het is de plage der melaatschheid. 2o Maar indien de Priester die merken zal, dat, zie, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zoo zal de Priester hem zeven dagen opsluiten. 27 Daarna zal de Priester hem op den zevenden dag bezien; indien zij gansch uitgespreid is in het vel, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is de plage der melaatschheid. 28 Maar indien de blaar in hare plaats staande zal blijven, en niet in het vel uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn: het is een gezwel des brands; daarom zal de Priester hem rein verklaren, want het is de roof van den brand. 29 Voorts als in een man of vrouw eene plage zal zijn in het hoofd of in den baard, 30 en de Priester de plage zal bezien hebben, dat, zie, haar aanzien dieper is dan het vel, en geelachtig dun haar daarop is, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is schurftheid, het is melaatschheid des hoofds of des baards. 31 Maar als dePriester de plage der schurftheid zal bezien hebben, dat, zie, haar aanzien niet dieper ia dan het vel, en geen zwart haar daarop is, zoo zal de Priester hem die de plage der «churftheid heeft zeven dagen doen opsluiten. 32 Daarna zal de Priester die plage op den zevenden dag bezien; indien, zie, de schurftheid niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien der schurftheid dieper dan â het vel is. |
33 zoo zal hij zich scheren lateiv. maar de echurftheid zal hij niet scheren; en de Priester zal hem, die de schurftheid heeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten. 34 Daarna zal de Priester die schurftheid op den zevenden dag bezien; indien, zie, de schurftheid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, zoo zal de Priester hem rein verklaren; en hij zal zijne kleederen wasschen, en rein zijn. 35 Maar indien die schurftheid in het vel gansch uitgespreid is, na zijne reiniging, 36 en de Priester hem zal bezien hebben, dat, zie, de schurftheid in het vel uitgespreid is: de Priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken, hij is onrein. 37 Maar indien die schurftheid, naardat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is: die^ schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de Priester hem rein verklaren. 38 Voorts als een man of vrouw aan het vel huns vleesches blaren zullen hebben, witte blaren, 39 en de Priester zal gemerkt hebben, dat, zie, ingetrokken witte blaren in het vel huns vleesches zijn: het is een witte puist in het vel uitgebot, hij is rein. 40 En als eenen man zijns hoofda haar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein. 41 En zoo van de zijde zijns aaagezichts het haar zijns hooids zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein. 42 Maar zoo in de kaalheid of in de bles eene witte roodachtige plaag is, dat is melaatschheid, uitbottende in zijne kaalheid of in zijne bles. 43 Als de Priester hem zal bezien hebben, dat, zie, het gezwel van die plage in zijne kaalheid of bles wit roodachtig is, gelijk het aanzien der melaatschheid van het vel des vleesches: 44 die man is melaatsch, hij ia onrein; de Priester zal hemgan* |
|
LEVIT eclielijk onrein verklaren, zijne plage is op zijn hoofd. 45 Voorts zullen de kleederen des melaatschen, in welken die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bedekken; daarbij zal hij roepen: Onrein, or rein! 46 Alle de dagen in dewelke deze plage aan hem zal zijn zal hij onrein zijn; onrein is hij,hij zal alléén wonen, buiten het legertal zijne woning wezen. 47 Voorts als aan een kleedde plage der melaatschheid zal zijn, aan een wollen kleed of aaneen linnen kleed, 48 of aan den scheerdrand of aan den inslag van linnen of van wol, of aan vel, of aaneemgvèl-ienwerk; 41) en die plage, aan het kleed, of aan liet vel, of aan den scl eerdraad, of aan den inslag, of aan «enig vellentuig, groenachtig of roodachtig is: het is de plage der melaatschheid, daarom zal zij den Priester vertoond worden. 50 En de Priester zal de plage bezien, en hij zal hetgeen de plage heeft zeven dagen doen opsluiten, 51 Daarna zal hij op den zevenden dag de plage bezien; zoo de plage uitgespreid is aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vel zoude mogen gemaakt zijn, die plage is eene knagende melaatschheid, het is onrein. 52_ Daarom zal hij dat kleed, of die schering, of dien in slag van wol of van linnen, of alle vellentuig waarin die plage zal zijn, verbranden; want het is eene knagende melaatschheid, het zal met vuur verbrand worden. 53 Doch indien de Priester zal zien, dat, zie, de plage aan het kleed, of aan den scheerdraad, of â¢aan den inslag, of aan eenig vellentuig niet uitgespreid is, 54 zoo zal de Priester gebieden dat men hetgeen waaraan die plage is wassche, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen op-eluiteu. |
CUS 14. 135 55 Als de Priester, nadat het gewasschen is, de plage zal bezien hebben, dat, zie, de plage hare gedaante niet veranderd heeften de plage niet uitgespreid is: het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is eene ingraving aan zijne achterste of aan zijne voorste zijde. 56 Indien nu de Priester merken zal, dat, zie, die plage, nadat zij zal gewasschen zijn, ingetrokken is, dan zal hij ze van bet-kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren. 57 Maar zoo zij nog aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan eenig vellentuig gezien wordt: het is uitbottende mela'itscJiheid, gij zult hetgeen w:iaraan de plage is met vuur verbranden. 58 Maar het kleed, of de schering, of de inslag, of alle vellentuig, dat gij gewasschen zult hebben, als de plage daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewasschen worden, en het zal rein zijn. 59 Dit is de wet van de plage der melaatschheid van een wollen of linnen kleed, of een schering, of een inslag, of alle vellentuig, om dat rein te verklaren of onrein te verklaren. HOOFDSTUK 14. Daarna sprak de Heere tot Mbzes, zeggende: 2 Dit zal de wet des melaatschen zijn, ten dage zijner reiniging: dat hij tot den Priester zal gebracht worden. 3 En de Priester zal buiten het leger gaan; als de Priester merken zal, dat, zie, die plage der melaatschheid van den melaat-sche genezen is, 4 zoo zal de Priester gebieden, dat men voor hem die te reini-nigen zal zijn twee levende reine vogels neme, mitsgaders cederen-hout. en scharlaken, en hysop. 5 De Priester zal ook gebieden dat men den éénen vogel slachte, in een aarden vat, over levend water. |
LEVITICUS 14.
136
|
6 Dien levenden vogel zal hij nemen, en het cederenhout, en liet scharlaken, en den hysop, en zal die en den levenden vogel doopen in het bloed des vogels, die over het levende water geslacht is; 7 en hij zal over hem, die van de melaatschheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten. 8 Die nu te reinigen is zal zijne kleederen wasschen en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwasschen, zoo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijne tent zeven dagen blijven. 9 En ten zevenden dage zal het geschieden dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijnen baard, en de wenkbrauwen zijner oogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden: zoo zal hij rein zijn. 10 En op den achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren en één volkomen schaap van een jaar oud nemen, mitsgaders drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en één log olie. 11 De Priester nu die de reiniging doet zal den man die te reinigen is en die dingen stellen voor het aangezicht des Heeren, aan de deur van de Tent der samenkomst. 12 En de Priester zal dat ééne lam nemen, en het offeren tot een schuldoffer met den log olie, en zal die ten beweegoffer van het aangezicht des Heeren bewegen. 13 Daarna zal hij dat lam slachten ter plaatse waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het fichuldolfer, gelijk het zondoffer, is voor den Priester; het iseene heiligheid der heiligheden. |
11 En de Priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, hetwelk de Priester doen zal op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den grooten teen zijns rech-tervoets. 15 De Priester zal ook uit den log der olie nemen, en zal ze op des Priesters linkerhand gieten. 16 Dan zal de Priester zijnen rechtervinger indoopen, nemende van die olie, die in zijne linkerhand is, en zal met zijnen vinger van die olie zevenmaal spren- fen voor het aangezicht des en voor het aangezicht des [eeren. 17 En .van het overige dier olie, die in zijne hand zal zijn, zal de Priester doen op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den grooten teen zijns rechtervoets, bovenop het bloed des schuldoffers. 18 quot;Wat nóg overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand des Priesters geweest is, zal hij doen op het_ hoofd desgenen, die te reinigen is: zoo zal de Priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des Heeren. 19 De Priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van _ zijne onreinigheid to reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten. 20 En de Priester zal dat brandoffer en dat spijsoffer op het altaar offerenzoo zal de Priester do verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn. 21 Maar indien hij arm is en zijne hand dat niet bereikt, zoo zal hij een lam ten schuldoffer ter beweging nemen, om voor hem eene ven-.oening te doen; daarbij een tiende meelbloem mei olie gemengd, ten spijsoffer, en een log olie; 22 mitsgaders twee tortelduiven of twee jonge duiven, die zijne hand bereiken zal, van welke één ten zondoffer en één ten brandoffer zijn zaj. 23 En hij zal die ten achtsten dage zijner reiniging tot den Priester brengen, aan de deur |
|
LEVI T van de Tent der samenkomst, voor liet aangezicht des Heeren. 24 En de Triester zal liet lam des schuldoflers en den log der olie nemen, en de Priester zal die ten beweegolFer voor liet aan-gezicJit des He eren bewegen. 25 Daarna zal hij het lam des Rclmldoffers slachten, en de Triester zal van het bloed des schuldoffers nemen en doen op het rechter oorlapje desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groeten teen zijns rechtervoets. 20 Ook zal de Triester van die olie op des Triesters linkerhand gieten. 27 Daarna zal de Priester met zijnen rechtervinger van die olie, die op zijne linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezicht des Heerex. 28 En de Triester zal van de olie, die op zijne hand is, doen aan het lapje van het rechteroor desgenen die te reinigen is, en aan den duim zijner rechterhand, en aan den grooten teen zijns rechtervoets, op de plaats van het bloed des schuldoliers. 29 Eu het overgeblevene van de olie, die in de hand des Triesters is, zal hij doen op het hoofd desgenen die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen voor het aangezicht des Hee- rex. 30 Daarna zal hij de ééne van de tortelduiven of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen zijne hand bereikt zal hebben; 31 van hetgeen zijne hand bereikt zal hebben zal het ééne ten zondofter en het ééne ten brandoüer zijn, boven het spijs-oti'er; zoo zal de Triester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des IIeeren. 32 Dit is de wet desoenen in denwelken de plage der melaatsch-heid zal zijn, wiens hand in zijne reiniging dat niet zal bereikt hebben. 33 Voorts sprak de Heere tot 5Io2:es en tot Aaron, zeggende: 34 Als gij zult gekomen zijn |
CÃS 14. 137 in 't land van Kanaan, hetwelk ik u tot bezitting geven zal, en ik de plage der melaatscliheid aan een huis van het land uwer bezitting zal gegeven hebben, 35 zoo zal hij, van wien dat huis is, komen en den Triester to kennen geven, zeggende: Het schijnt mij alsof er eene plage in het huis ware. 36 En de Triester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de Triester komt om die plage te bezien, opdat niet al wat in dab huis is onrein worde; en daarna zal de Priester komen om dat huis te bezien. 37 Als hij die plage bezien zal, dat, zie, die plage is aan de wanden van dat huis, er zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien is lager dan de wand, 38 de Priester zal uit dat huis uitgaan aan de deur van hetzelve huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten. 39 Daarna zal de Priester op den zevenden dag wederkeeren: indien hij merken zal, dat, zie die plage aan de wanden van dat huis uitgespreid is, 40 zoo zal de Priester gebieden, dat zij de stpenen, in welke die plage is, uitbreken, en dezelve tot buiten de stad werpen aan eene onreine plaats; 41 en dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het stof dat zij afge-schrabd hebben tot buiten de stad aan eene onreine plaats uitstorten. 42 Daarna zullen zij andere steenen nemen en in de plaats van gene steenen brengen; en men zal ander leem nemen en dat huis bestrijken. 43 Maar indien die plage wederkeert en in dat huis uitbot, nadat men de steenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis, en nadat het zal bestreken zijn, 44 zoo zal de Priester komen: als hij nu zal merken, dat^ zie die plage aan dat huis uitgespreid is, het is eene knagende 5* |
LEVITICUS 15.
13S
|
melaatsclilieid in dat huis, het is onrein. 45 Daarom zal men dat mus, zijne steenen en zijn hout ten gronde toe afbreken, mitsgaders al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren aan eene onreine plaats. 46 En die in dat huis gaat te eenigen dage, als men hetzelve zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan den avond; 47 die ook in dat huis te slapen ligt zal zijne kleederen wasschen, insgelijks die in dat huis eet zal zijne kleederen wasschen. 48 Maar als de Priester zal weder ingegaan zijn, en zal merken, dat, zie, die plage aan dat huis niet uitgespreid is nadat het huis zal bestreken zijn, zoo zal de Priester dat huis rein verklaren, dewijl die plage genezen is. 49 Daarna zal hij om dat huis te ontzondigen twee vogeltjes nemen, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop; 50 en hij zal den éénen vogel slachten in een aarden vat, over levend water. 51 Dan zal hij dat cederenhout en dien hysop en het scharlaken en den levenden vogel nemen, en zal die in het bloed des geslachten vogels en in het levende water doopen, en hij zal dat huis zevenmaal besprengen. ^ 52 Zoo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels, en met het levende water, en met den levenden vogel, en met dat cedercnhout, en met den hysop, en met het scharlaken. 53 Den levenden vogel nu zal hij tot buiten de stad in het open veld laten vliegen; zoo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn. 54 Dit is de wet voor alle plaag der melaatschheid en voor schurftheid; 55 en voor melaatschheid der kleederen en der huizen; 5ü mitsgaders voor gezwel, en voor gézweer, en voor blaren; 57 om te leeren op welken dag iets onrein en op welken dag iets rein is. Dit is de wet dei melaatschheid. |
HOOFDSTUK 15. Voorts sprak de Heere tot Mozes en Aaron, zeggende: 2 Spreekt tot de kinderen Israels en zegt tot hen: Een ieder man als hij vloeiende zal zijn uit zijn vleesch, zal om zijnen vloed onrein zijn. 3 Dit nu zal zijne onreinigheid om zijnen vloed zijn: zoo zijn vleesch zijnen vloed uitzeevert, of zijn vleesch van zijnen vloed zich verstopt, dat is zijne onrei-nigheid. 4 Alle leger waarop die den vloed heeft zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. 5 Een ieder ook, die zijn leger zal aanroeren, zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond. 6 En die op dat tuig zit, waarop hij die den vloed heeft gezeten zal hebben, zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond. 7 En wie het vleesch desgenen die den vloed heeft aanroert, zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond. 8 Als ook hij die den vloed heeft op eenen reine zal gespuwd hebben, dan zal hij zijne kleederen wasschen en zal zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 9 Insgelijks alle zadel, waarop hij die den vloed heeft zal gereden hebben, zal onrein zijn. 10 En al wie iets aanroert dat. onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan den avond; en die hetzelve draagt zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 11 Daartoe een ieder, dien hij die den vloed heeft zal aangeroerd hebben, zonder zijne handen met water gespoeld te hebben, die zal zijne kleederen |
LEVITICUS 15.
13^
|
wassclien en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 12 Ook het aarden vat, hetwelk hij die den vloed heeft zal aangeroerd hebben, zal gebroken worden, maar alle houten vat zal met water gespoeld worden. 13 Als nu hij die den vloed heeft van zijnen vloed gereinigd ziü zijn, zoo zal hij tot zijne reiniging zeven dagen voor zich tellen en zijne kleederen was-schen, en hij zal zijn vleesch met levend water baden: zoo zal hij rein zijn. 14 En ten achtsten dage zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en zal voor het aangezicht des Hee-ren aan de deur van de Tent der samenkomst komen, en zal ze den Priester geven; 15 en de Priester zal die bereiden, ééne ten zondofier en ééne ten brandoffer: zoo zai de Priester over hem voor het aangezicht des Heeren vanwege zijnen vloed verzoening doen. 16 Voorts een man als van hem het zaad des bijliggens zal uitgegaan zijn, die zal zijn gansche vleesch met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 17 Ook alle kleed en alle vel waaraan het zaad des bijliggcns wezen zal, dat zal met water ge-wasschen worden, en onrein zijn tot aan den avond. 18 Mitsgaders de vrouw, als eeu man met het zaad des bij-liggens bij haar gelegen zal hebben, daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 19 _Maar als eene vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vleesch, zoo zal zij zeven dagen in hare afzondering zijn; en al wie haar aanroert zal onrein zijn tot aan den avond. 20 En al hetgeen waarop zij in hare afzondering zal gelegen hebben zal onrein zijn, mitsgaders alles waarop zij zal gezeten hebben zal onrein zijn. 21 En al wie haar leger aanroert zal zijne kleeuerenwasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. |
22 Ook al wie eenig tuig waarop zij gezeten zal hebben aanroert, zal zijne kleederen was-schen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 23 Zelfs indien het op het leger geweest zal zijn, of op het tuig waarop zij zat, als kij dat aanroerde, hij zal onrein zijn tot aan den avond. _ 24 Insgelijks zoo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat hare afzondering op hem zij, zoo zal hij zeven dagen onrein zijn;, daarbij alle leger waarop hij zal gelegen hebben zal onrein zijn. 25 Wanneer ook eene vrouw vele dagen, buiten den tijdharer afzondering, van den vloed haars bloeds vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven hare afzondering, zij zal alle de dagen van den vloed harer onreinigheid, als in de dagen harer afzondering, onrein zijn. 2ü Alle leger waarop zij alle de dagen haars vloeds gelegen I zal hebben, zal haar zijn als het j leger harer afzondering; en alle-tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinigheid harer afzondering. 27 En zoo wie die dingen aanroert zal onrein zijn; daarom zal hij zijne kleedcren wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 23 Maar als zij van haren vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn. 29 En op den achtsten dag zal zij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot den Priester brengen, aan de deur van de Tent der samenkomst. 30 Dan zal de Priester éónet ten zondofier en ééne ten brandoffer bereiden; en de Priester zal voor haar _ van den vlood harer onreinigheid verzoening doen voor het aangezicht des Heeken. 31 Alzoo zult gij de kinderen Israels afzonderen van hunne onreinigheid, opdat zij in hunne |
LEVITICUS 16.
140
|
onreinigheid niet, sterven, als zij mijnen Tabernakel, die in het. midden van hen is, verontreini-â gen zonden. 32 Dit is de -wet desgenen die den vloed heeft, en van wien liet zaad der bijligging uitgaat, zoodo t hij daardoor onrein wordt; 33 mitsgaders eener zwakke vrouw in hare afzondering, en â desgenen die van zijnen vloed is vloeiende, voor een man en voor eene vrouw; en^ voor een man die bij eene onreine zal gelegen hebben. HOOFDSTUK 16. En do Heere sprak tot Mozes, nadat de twee zonen Aarons ge-⬠tor ven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht dea Heeren en gestorven waren; 2 de Heere dan zeide tot Mozes: Spreek tot uwen broeder Aiiron, -dat hij niet te allen tijde ga in het heilige binnen den voorhang vóór het verzoendeksel, dat op â de Ark is, opdat hij niet sterve; want ik verschijn in eene wolk op het. verzoendeksel. 3 Hiermede zal Aaron in het -heilige gaan: met een var, een jong rund, ten zondolier, en een ram ten brandoücr. 4 Hij zal den heiligen linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vleesch izijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met den linnen hoed bedekken: dit zijn heilige kleederen, daarom zal hij â¢â zijn vleesch met water baden als hij ze zal aandoen. 5 En van de vergadering der â¢kinderen Israels zal hij nemen twee geitenbokken ten zondolfer, «n eenen ram ten brandoücr. 6 Daarna zal Aaron den var des zondoffers, die voor hem zal 'zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen. 7 Hij zal ook beide de bokken Tiemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht des Heeren, aan de deur der Tent der samenkomst. 8 En Aaron zal de loten over die twee bokken werpen: één lot voor den Heere en één lot voor den weggaanden bok. |
9 Dan zal Aaron den bok, op welken het lot voor den Heeke zal gekomen zijn, toebrengen en zal hem ten zondolier maken. 10 Maar de bok, op welken het lot zal gekomen zijn om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des Heeren gesteld _ worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaanden bok naar de woestijn uitlate. 11 Aaron dan zal den var des zondoffers, die voor hem zeiven zal zijn, toebrengen, en yoor zich-zelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal den var des zondoffers, die voor hem zeiven zal zijn, slachten. 12 Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht i des Heeren, en zijne handen vol I reukwerk van welriekende spe-j cerijen, klein gestooten; en hij zal het binnen den voorhang dragen. j 13 En hij zal dat reukwerk op 1 het vuur leggen voor het aange-| zicht des Heeren; opdat de nevel : des reukwerks het verzoendeksel ! hetwelk op de getuigenis is, be-! dekke. en dat hij niet sterve. 14 Ãn hij zal van het bloed des varren nemen, en zal met zijnen vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen: en vóór het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijnen vinger van dat bloed sprengen. 15 Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen gelijk als hi: met het bloed des varren gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel. 16 Zoo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden der kinderen Israels, en vanwege hunne overtredingen, naar alle hunne zonden, verzoening doen; en alzóó zal hij doen aan de Tent der samenkomst, welke met |
LEVITICUS 1G.
141
|
hen woont in het midden irtmner onreinigheden. 17 En geen niensch zal in de Tent der samenkomst zijn. als hij zal ingaan om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal nitkomen; alzoo zal hij verzoening doen voor zichzelven en voor zijn huis en voor degeheele gemeente Israels. 18 Daarna zal hij tot het altaar dat voor het aangezicht des Heeren is nitkomen, en verzoening voor hetzelve doen; en hij zal van het bloed des varren en van het bloed des boks nemen, on doen liet rondom op de hoornen vies altaars; 10 en hij zal daarop van dat bloed met zijnen vinger zevenmaal sprengen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden der kinderen Israels. 20 Als hij nu geëindigd zal hebben van het heilige en de Tent der samenkomst en het altaar te verzoenen, zoo zal hij dien levenden bok toebrengen: 21 en Aaron zal beide zijne handen op het hoofd des levenden boks leggen, en zal daarop alle de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hunne overtredingen, naar alle hunne zonden, belijden, en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. 22 Alzoo zal die bok op zich pl hunne ongerechtigheden in oen afgezonderd land wegdragen; en hij zal dien bok in de woestijn uitlaten. 23 Daarna zal Aaron komen in de Tent der samenkomst, en zal de linnen kleederen uitdoen, die hij aangedaan had als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar iaten. 24 En hij zal zijn vleesch in de heilige plaats met waterbaden, en zijne kleederen aandoen: dan zal hij uitgaan, en zijn brand-otfer en het brandoffer des volks bereiden en voor zich en voor het_ volk verzoening doen. |
25 Ook zal hij het vet des zondo^ers op het altaar aansteken. 2à En die den bok, welke^ een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden, en daarna zal hij in het leger komen. 27 Maar den var des zondoffers en den bok des zondoffers, welker bloed ingebracht is om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; doch hunne vellen, hun vleesch en hunnen mest zullen zij met vuur verbranden. 28 Wie nu dezelve verbrandt, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden, en daarna zal hij in het leger komen. 29 En dit zal voor u tot eene eeuwige inzetting zijn: gij zult in do zevende maand op ^ den tiende der maand uwe zielen verootmoedigen en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u ais vreemdeling verkeert. 30 Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen om u to reinigen^ van alle uwe zonden zult gij voor het aangezicht des Heeren gereinigd worden. 31 Dat zal u een sabbat der ruste zijn, opdat gij uwe zielen verootmoedigt: het is een eeuwige inzetting. 32 En de Priester, dien men gezalfd en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijnen vader het Priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen: als hij ^ de linnen klcederen, de heilige klcederen, zal aangetrokken hebben, 33 zoo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de Tent der samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de Priesters en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen. 34 En dit zal u tot eene eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van alle hunne zonden éénmaal des jaar» verzoening te doen. |
LEVITICUS 17, 18.
|
En men deed prei ijk als de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 17. Voorts gprak de Heere tot Mozea, zeggende: 2 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen en tot alle de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de Heere geboden heeft, zeggende: 3 Een ieder van het huis Israëls, die een os of lam of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger, 4 en dezelve aan de deur van de Tent der samenkomst niet brengen zal om eeneoflerande den Heere vóór den Tabernakel des Heeren te offeren, het bloed zal dien man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten: daarom zal die man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden: 5 opdat wanneer de^ kinderen Israëls hunne slachtofferen brengen, welke zij op het veld slachten, dat zij die den Heere toebrengen aan de deur van de Tent der samenkomst, tot den Priester, en dezelve tot dankofferen den Heere slachten; 6 en de Priester zal het bloed op het altaar des Heeren aan de deur van de Tent der samenkomst sprengen, en hij zal het vet aan--steken tot een liefelijken reuk den Heere. 7 En zij zullen ook niet meer hunne slachtofferen den duivelen, welke zij nahoereeren, offeren: dat zal hun eene eeuwige inzetting zijn voor hunne geslachten. 8 Zeg dan tot hen: Een ieder van den huize Israels en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen ver-keeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren, 9 en dat tot de deur van de Tent der samenkomst niet zal brengen om hetzelve den Heere te bereiden, die man zal uit zijne volkeren uitgeroeid worden. |
10 En een ieder uit den huize Israëls, en uit de vreemdelingen, lt;lie in het midden van hen als vreemdelingen verkeeren, die eenig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziele, die dat bloed zal gegeten hebben, zal ik mijn aangezicht zetten, en zal die uit het middenhaars volks uitroeien; 11 want de ziel des vleesches is in het bloed; daarom heb ik het u op het altaar gegeven, om voor uwe zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziele verzoening zal doen. 12 Daarom heb ik den kinderen Israëls gezegd: Geene ziele van u zal bloed eten, noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten. 13 Een ieder ook van de kinderen Israëls en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeeren, die een wild gedierte of gevogelte, dat gegeten wordt, op de jacht gevangen zal hebben, die zal deszelfs bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken. 14 Want het is de ziel van alle vleesch, zijn bloed is voor zijne ziel, daarom heb ik tot de kinderen Israëls gezegd: Gij zult gcens vleesches bloed eten; want de ziel van alle vleesch, dat is zijn bloed: zoo wie dat eet zal uitgerooid worden. 15 En alle ziele onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal hij rein zijn. 16 Maar indien hij die niet wascht en zijn vleesch niet baadt, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen. HOOFDSTUK 18. Voorts sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Ik ben de Heere uw Gcd. 3 Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt. en naar de werken van het land Kan aan, waarhenen ik u breng, zult gij |
|
levit: niet doen, en zult in hunne inzettingen niet wandelen. 4 Mijne rechten zult gij doen, en mijne inzettingen zult gij houden, om daarin te wandelen: ik ben de Heeke uw God. . 5 Ja, mijne inzettingen en mijne rechten zult gij houden: welk niensch dezelve zal doen, die zal door dezelve leven: ik ben de Heere. tj Niemand zol tot eenige nabestaande zijns vleesches naderen om de schaamte te ontdekken: ik ben do Heere. 7 Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken: zij is uwe moeder, gij zult hare schaamte uiet ontdekken. 8 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws vaders niet ontdekken : het is de schaamte uws vaders. 9 De schaamte uwer zuster, der dochter uws vaders of der do?hter uwer moeder, te huis geboren of buiten geboren, hare schaamte zult gij niet ontdekken. 10 De schaamte der dochter uws zoons of iler dochter uwer dochter, hare schaamte zult gij niet ontdekken; want zij zijn uwe schaamte. 11 De schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uwen vader geboren is, (zij is uwe zuster), hare schaamte zult gij niet ontdekken. 12 Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken: zij is uws vaders nabestaande. 13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdekken: want zij is uwer moeder nabestaande. 14 Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken, tot zijne huisvrouw zult gij niet naderen: zij is uwe moei. 15 Gij zult de schaamte uwer schoondochter niet ontdekken; zij is uws zoons huisvrouw, gij zult hare schaamte niet ontdekken. 16 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken : het is de schaamte uws broeders. |
OUS 18. 143 17 Gij zult de schaamte eener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons en de dochter van hare dochter zult gij niet nemen om hare schaamte te ontdekken: zij zijn nabestaanden, het is eene schandelijke daad. 18 Gij zult ook geene vrouw tot hare zuster nemen, ora haar te benauwen, door hare schaamte nevens haar in haar leven te ontdekken. 19 Ook zult gij tot do vrouw in de afzondering van hare on-reinigheid niet naderen om hare schaamte te ontdekken. 20 En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter be-zading, om met haar onrein te worden. 21 En van uw zaad zult gij niet geven om voor den Molech doer het vuur te doen gaan, en den naam uws Gods zult gij niet ontheiligen: ik ben de Heere. 22 Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bij-ligging: dat is een gruwel. 23 Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; eene vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben: het is eene gruwelijke vermenging. 24 Verontreinigt u niet met eenige van deze; want de heidenen die ik van uw aangezicht uitwerp zijn met alle deze verontreinigd ; 25 zoodat het land onrein is, en ik over hetzelve zijne ongerechtigheid bezoeke, en het land zijne inwoners uitspuwt. 26 Maar gij zult mijne inzettingen en mijne rechten onderhouden, en van alle die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling die in het midden van u als vreemdeling verkeert; 27 want de lieden dezes lands, die vóór u geweest zijn, hebben alle deze^ gruwelen gedaan, en het land is onrein geworden. 28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben, gelijk 'thet volk dat vóór u was uitgespuwd heeft. |
LEVITICUS 19.
144
|
29 Want al wie eenige van deze gruwelen doen zal, die zielen die ze doen, zullen uit liet midden van haar volk uitgeroeid -worden. 30 Daarom zult gij mijn bevel onderhouden, dat gij niets doet van die gruwelijke inzettingen, die vóór u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt: ik ben do Heere uw God. HOOFDSTUK 19. Voorts sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende: 2 Spreek totgt; de gansclie vergadering der kinderen Israels en zeg tot lien: Gij zult heilig zijn, want ik de Heere uw God ben heilig. 3 Een ieder zal zijne moeder en zijnen vader vreezen, en mijne sabbaten houden: ik ben de Heere uw God. 4 Gij zult ii tot de afgoden niet keeren en u geene gegoten goden maken: ik ben de Heers uw God. 5 En wanneer gij een dankoffer don Heere oüeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren. 6 Ten dage uws oüevens en des anderen daags zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft zal met vuur verbrand worden; 7 en zoo het op den derden dag eenigszins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn; 8 en zoo wie dat eet zal zijne ongerechtigheid dragen,omdat hij 3iet heilige des Heeren ontheiligd heeft; daarom zal die ziele uit hare volkeren uitgeroeid worden. 9 Als gij ook den oogst uws lands inoogsten zult, zult gij den hoek uws velds niet ganschelijk afoogsten, en wat van uwen oogst op te zamelen is, niet opzamelen; 10 insgelijks zult gij uwen wijngaard niet nalezen, en de afgevallene beziën van uwen wijngaard niet opzamelen ; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; ik ben de Heere uw God. |
11 Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valschelijk handelen een iegelijk tegen zijnen naaste. 12 En gij zult niet val schel ijk bij mijnen naam zweren; want gij zoudt den naam uws Gods ontheiligen: ik ben de Heere. 13 Gij zult uwen naaste niet bedrieglijk verdrukken, noch be-rooven; des daglooners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen. 14 Gij zult den doove niot vloeken, en voor het aangezicht des blinden geenen aanstoot zeiten; maar gij f zult voor uwen God vreezen: ik ben de Heere. lö Gij zult geen onrecht doen in het gerichte; gij zult het aangezicht des geringen niot aannemen, noch des grooten aangezicht voortrekken: in gerechtigheid zult gij uwen naaste richten. 1G Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uwe volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uwen naaste: ik ben de Heere. 17 Gij zult uwen broeder in uw harte niet haten; gij zult uwen naaste naarstiglijk berispen en zult de zonde in hem niet verdragen. 18 Gij zult niet wreken, noch toor?i behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zuU uwen naaste liefhebben als uzel-ven: ik ben de Heere. 19 Gij zulfc mijne inzettingen houden: gij zult geen tweeërlei aard uwer beesten laten te zamen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeërlei zaad bezaaien en een kleed van tweeërlei stof dooréén vermengd zal aan u niet komen. 20 En wanneer een man door bijligging de? zaads bij eene vrouw zal gelogen hebben, clie eene dienstmaagd is, bij den man versmaad, en geenszins gelost i9r en haar geene vrijheid is gegeven, | die zullen gegeeseld worden: zij zullen niet gedood worden, want i zij was niet vrijgemaakt, i 21 En hij zai zijn schuldoffer ' den Heere aan de deur der Teni |
|
LEVIT] der samenkomst brengen, eenen ram ten schuldoffer. 22 En de Priester zal met den ram des schuldoffers voor hein over zijne zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht des Heeren verzoening doen: en hem zal vergeving geschieden van zijne zonde, die hij gezondigd heeft. 23 Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter spijze geplant zult hebben, zoo zult gij de voorhuid daarvan, deszelfs vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten â worden: 24 maar in het vierde jaar zal al zijne vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den Heere: # 25 en in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om hot inkomen van die voor u te vermeerderen: Ik ben de Heere uw God. 26 Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogel-geschrei acht geven nochguiclie-larij plegen. 27 Gij zult de hoeken uw? hoofds niet rond afscheren, ook zult gij de hoeken uws baards niet verderven. 28 Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vleesch maken, noch sclirift eens ingedrukten teekens in u maken: ik ben de Heere. 20 Gij zult uwe dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet lioe-reere en het land net schandelijke daden vervuld worde. 30 Gij zult mijne sabbatcn honden, en mijn heiligdom zult gij vreezen: ik ben de Heeere. 31 Gij zult u niet koeren tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars; zoekt ze niet, u met hen verontreinigende: ik ben de Heere uw God. 32 Voor het grauwe haar znlt gij opstaan, en gij zult het aangezicht des ouden vereeren; en gij zult vreezen voor uwen God: ik ben de Heere. 33 En wanneer een vreemdeling bij u in uwen lande als vreem- |
143 doling verkeeren zal, gij zult hem niet verdrukken. 34 Do vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden, gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egyp-teland: ik ben de Heere uw God. 35 Gij zult geen onrecht doen in het gerichte, met de el, met het gewicht, of met de maat. 3tj Gij zult eene rechte wage hebben, rechte weegsteenen, een rechte efa, en een rechte hin:ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb. 37 Daarom zult gij alle mijne inzettingen en alle mijne rechten onderhouden en zult ze doen: ik ben de Heere. HOOFDSTUK 20. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Gij znlt ook tot de kinderen Israels zeggen: Een ieder uit de kinderen Israels, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeeren, die van zijn zaad den Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk des lands zal hem met steenen steenigen. 3 En ik zal mijn aangezicht tegen dien man zotten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij mijn heiligdom ontreinigen en mijnen heiligen naam ontheiligen zoude. 4 En indien het volk des lands zijne oogen eenigszins verbergen zal van dien man als hij van zijn zaad den Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet doode, 5 zoo zal ik mijn aangezicht tegen dien man en tegen zijn huisgezin zetten, en ik zal hem en al degenen die hem nahoe-reeren, om den Molech na te hoereeren, uit het midden huns volks uitroeien. 6 Wanneer er eene ziele is die zich tot de waarzeggers en tot do-duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereeren. 20. |
|
gt;146 LEV IT! eoo zal ik mijn aangezicht tegen die ziele zetten en zal ze uit iiet midden haars volks uitroeien. 7 Daarom heiligt u en we est heilig, want ik ben de Heere uw God; 8 en onderhoudt mijne inzettingen en doet dezelve: ik ben de Heere, die uw heilig. 9 Als er iemand is die zijnen vader of zijne moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijnen vader of zijne moeder gevloekt: zijn bloed is op hem. 10 Een man ook die met iemands huisvrouw zal overspel gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster. 11 En een man die bij zijns vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op hen. 12 Insgelijks als een man bij zijns zoons vrouw zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben eene gruwelijke vermenging gedaan : hun bloed is op hen. 13 Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben met vrouwelijke bijligging, zij beiden hebben een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op hen. 14 En wanneer een man eene vrouw en hare moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem en haar met vuur verbranden, opdat geen â¬chandelijke daad in het midden van u zij. 15 Daartoe als een man bij eenig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest dooden. 16 Alzoo wanneer eene vrouw tot eenig beest genaderd zal zijn om daarmede te doen te hebben, zoo zult gij die vrouw en dat beest dooden; zij zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op üen. 17 Ep ^Is een man zijna^iister. |
CUS 20. de dochter zijns vaders of d© dochter zijner moeder, zal genomen hebben, en hij hare schaamte gezien en zij zijne schaamte zjil gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor do oogen der kinderen huns volks uitgeroeid worden: hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt, hij zal zijne ongerechtigheid dragen. 18 En als een man bij eene vrouw die hare krankheid heeft zal gelegen, en hare schaamte ontdekt, hare fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zal hebben, zoo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden, 19 Daartoe zult gij de schaamte van de zuster uwer mueder en van de zuster uws vaders niet ontdekken; dewijl hij zijne nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hunne ongerechtigheid dragen. 20^ Als ook een man bij zijne moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijns ooms ontdekt, zij zullen hunne zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven. 21 En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid, hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn. 22 Onderhoudt dan alle mijne inzettingen en alle mijne rechten en doet dezelve, opdat u dat land, waarhenen ik u breng om daarin te wonen, niet uitspuwe; 23^ en wandelt niet in de inzettingen van het volk, hetwelk ik voor uw aar gezicht uitwerp; want alle deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben ik hunner verdrietig geworden, 24 en ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en ik zal u dat geven opdat gij hetzelve erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig: ik ben de Heere uw God, die u van de volken afgezonderd heb. 25 Daarom zult gij onderscheid maken tusschen reine en onreine beesten, en tusschen het onrein |
|
le vit; en het rein gevogelte, er. gij zult uwe zielen niet verfoeielijk maken aan de beesten en aan liet gevogelte en aan al wat op den â¢aardbodem kruipt, hetwelk ik voor u afgezonderd heb cpdatgij het onrein houdt; 26 en gij zult mij heilig^ zijn, want ik de Heeee ben heilig, en ik heb u van de volkeren afgezonderd, opdat gij mijn zoudt zijn. 27 Als nu een man of vrouw in zich eenen waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met steenen steenigen; hun bloed is op hen. hoofdstuk 21. Daarna zeide de Heere tot Mozos: Spreek tot de Fries quot;.eren, de zonen Aarons, en zeg tol hen: Over eenen doode zal een Pi ieder zich niet verontreinigen onder zijne volken; 2 behalve over zijnen bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijne moeder, en over zijnen vader, en over zijnen zoon, en over zijne dochter, en over zijnen broeder, 3 en over zijne zuster, die maagd is, hem nabestaande, die noggee-nen man toebehoord heeft: over die zal hij zich verontreinigen. 4 Hij zal zich niet verontreinigen over eenen overste onder zijne volken, om zich te ontheiligen. 5 Zij zullen op hun hoofd geene kaalheid maken, en zullen den hoek huns baards nietaf?che.ren, en in hun vleesch zullen zij geene sneden snijden. 6 Zij zullen hunnen God heilig zijn, en den naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuuroüeren des liEEREN, de spijze huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn. 1 Zij zullen geene vrouw nemen die eene hoer of ontheiligde is, noch eene vrouw nemen die van haren man verstooten is; want hij is heilig zijnen God. 8 Daarom zult gij hem heiligen, ' |
CU3 21. 147 omdat hij de spijze uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want ik beu heilig: ik ben de Heere, die u heilig. 9 Als nu de dochter van eeni-gen Priester zal beginnen te hoe-reeren, zij ontheiligt haren vader: met vuur zal zij verbrand worden. 10 En hij, die de Hopgepriester onder zijne broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft om die kleederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontblooten noch zijne kleederen scheuren. ^ 11 Hij zal ook bij geen doode lichamen komen: zeJfs over zijnen vader en over zijne moeder zal hij zich niet verontreinigen. 12 En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheilige; want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hem: ik ben de Heere. 13 Hij zal ook eene vrouw in haren maagdom nemen. 14 Eene weduwe, of verstoo-tene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar eene maagd uit zijne volken zal hij tot eene vrouw nemen; 15 en hij zaï. zijn zaad onder zijne volken niet ontheiligen, want ik ben de Heere, die hem heilig. 1G Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 17 Spreek tot Aaron, zeggende: Niemand uit uwen zade naar hunne geslachten, in denwelken een gebrek zal zijn, zal naderen om de spijze zijns Gods te offeren. 18 Want geen man in denwelken een gebrek zal zijn, zal naderen; hij zij een blind man, of kreupel, of te kort of te lang in leden; 19 of een man in denwelken eene breuke des voets of eene breuke der hand zal zijn; 20 of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oo^ zal hebben, of droge schurftheid, of etterige schurftheid, of die gebroken zal zijn aan zijn gemacht. 21 Geen man uit den zade Aarona |
|
148 LEVIT des Priesters, in denwelken een gebrek is, zal toetreden om de vmiroffsren des IIeeken te ofie-ren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden om de spijze zijns Gods te offeren. 22 De spijze zijns Gods, Tan de allerheiligste dingen en van de heilige dingen, zal hij mogen eten; 23 doch tot den voorhang zal hij niet komen en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij mijne heiligdommen niet ontheilige, want ik ben de Heere, die hen heilig. 24 En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijne zonen en tot alie de kinderen Israels. HOOFDSTUK 22. Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen, dat zij zich van de heilige dingen der kinderen Israëls, die zij mij heiligen, afzonderen, opdat zij den naam mijner heiligheid niet ontheiligen: ik beu de Heere. 3 Zeg tot hen: Alle man onder uwe geslachten, die uit nwen ganschen zade tot de heilige dingen, die de kinderen Israels den Heere heiligen, naderen zal als zijne onreinheid op hem is, die mensch zal van voor mijn aangezicht uitgeroeid worden: ik ben de Heere. 4 Niemand van den zade Aarons, die melaatsch is of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; mitsgaders die iets aanroert dat onrein is van een dood lichaam, of iemand wien het zaad der bij-ligging ontgaat; 5 of zoo ^ wie aangeroerd zal hebben eenig kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, of eenen mensch waarvan hij onrein is, naar al zijne onreinigheid: o de mensch die dat aangeroerd zal hebben, die zal onrein zijn tot aan den avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vleesch met water baden. |
CUS 22. 7 Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten, want dat is zijne spijze. 8 Het doode aas en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmede onrein te worden: ik ben de Heere. 9 Zij zullen dan mijn bevel onderhonden, opdat zij geene zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben: ik ben de Heere die hen heilig. 10 Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner des Priesters en een daglooner zullen het heilige niet eten. 11 Wanneer dan nog de Priester eene ziele met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten, en de ingeborene van zijn huis: die zullen van zijne spijze eten. 12 Maar als des Priesters dochter eenen vreemden man zal toe-behooren, zij zal van het hefoffer der heilige dingen niet eten. 13 Doch als des Priesters dochter eene weduwe of verstootene zal zijn, en geen zaad hebben, en tot haars vaders huis, als in hare jonkheid, zal wedergekeerd zijn, zoo zal zij van de spijze haars vaders eten; maar geen vreemde zal daarvan eten. 14 En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zoo zal hij deszelfs vijf-dedeel daaraan toevoegen, en zal het den Priester met het heilige wedergeven: 15 zoo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen der kinderen Israels, die zij den Heers zullen geheven hebben, 16 en hen doen dragon de ongerechtigheid der schuld, als zij hunne heilige dingen zouden eten; want ik ben de Heere, die hen heilig. 17 Voorts sprak de Heere tot Mozes zeggende: IS Spreek tot Aaron en tot zijne zonen en tot alle de kinderen Israels, en zeg tot hen .⢠Zoo wie uit den huize Israels en |
LEVITICUS 23.
149
|
nit de vreemdelingen in Israël is, die zijne ofterande zal offeren naar alle hunne geloften, en naar alle hunne vrijwillige oiieren, die zij den Heeke ten brandoffer zullen olieren: 19 het zal naar uw welgevallen zijn een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van do geiten. 20 Gij zult niet olferen iets waarin een gebrek is, want het zoude niet aangenaam zijn voor u. 21 En als iemand een dankoffer den Heere zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen eene gelofte of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij: geen gebrek zal daarin zijn. 22 Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wrattige, of droge schurftheid, of etterige schurftheid hebbende, deze zult gij den Heere geen vuuroffer op den altaar geven. 23 Doch een os of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult gij tot een vrijwillig offer bereiden: tot eene gelofte zoude het niet aangenaam zijn. 2-1 Het gedrukte, of gestootene, of gescheurde, of gesnedene, zult gij den Heere niet offeren: dat zult gij in uw land niet doen. ^ 25 Gij zult ook uit de hand des vreemden van alle deze dingen uwen God geen spijze offeren; want hunne verdorvenheid is in hen, in dezelve is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u. 2o Wijders sprak de Heere tot Mozes zeggende: 27 Wanneer een os of lam of geit zal geboren zijn, zoo zal die zeven dagen onder zijne moeder zijn; daarna, van den achtsten dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offerande des vuur-offers den Heere. 28 Gij zult ook een os of klein vee, hem en zijn jong, op éénen dag slachten. 29 En ala gij een lofoffer den Heere zult slachten, naar uwen wil zult gij het slachten. |
30 Het zal op denzelfden dag gegeten worden: gij zult daarvan niet overlaten tot op den morgen: ik ben de Heere. 31 Daarom zult gij mijne geboden houden en dezelve doen: ik ben de Heere; 32 en gij zult mijnen heiligen naam niet ontheiligen, opdat ik in het midden der kinderen Israels geheiligd worde : ik bon de Heere, die u heilig, 33 die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat ik u tot een God zij: ik ben de Heere. HOOFDSTUK 23. Daarna sprak do Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des Heeren, dewelke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn mijne gezette hoogtijden. 3 Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der ruste, eene heilige samenroeping: geen werk zult gij doen, het is des Heeren sabbat, in alle uwe woningen. 4 Deze zijn de gezette hoogtijden des Heeren, de heilige samenroeping, dewelke gij uitroepen zult op hunnen gezet ten tijd. 5 In de eerste maand op den veertiende der maand, tusschen twee avonden, is des Heeren Pascha. «3 En op den vijftienden dag dezer maand is het feest van de ongezuurde hrooden des Heeren: zeven dagen zult gij ongezuurde broaden eten. 7 Op den eersten dag zult gij eene heilige samenroeping hebben: geen dienstwerk zult gij doen. 8 Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den Heere offeren: op den zevenden dag zal eene heilige samenroeping wezen: geen dienstwerk zult gij doen. 0 En de Heere sprak tot Mozes zeggende: 10 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Als gij in |
LEVITICUS 23.
150
|
het land zult gekomen zijn, hetwelk ik ii geven zal, en gij zijnen oogst zult inoogsten, dan zult gij eene garve van de eerstelingen uwa oogstes tot den Priester brengen; 11 en hij zal die garve voor het aangezicht des Heeren bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de Priester die bewegen. 12 Gij zult ook op den dag als gij die garve bewegen zult, bereiden een volkomen lam dat éénjarig is, ten brandoffer den Heere ; 13 en zijn spijsoffer tweetiey.-den meelbloem met olie gemengd, ten vuuroffer, den Heere ten liefelijken reuke; en zijn drank-offer van wijn, het vierdedeel van een hin. 14 Ãn gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dien dag dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in alle uwe woningen. 15 Daarna zult gij u tellen van des anderen daags na den sabbat, van den dag dat gij de garve des beweegoffers zult gebracht hebben: het zullen zeven volkomen sabbaten zijn; 16 tot des anderen daags na den zevenden sabbat zult gij vijftig dagen tellen: dan zult gij een nieuw spijsoffer den Heere offeren. 17 Gijlieden zult uit uwe woningen twee beweegbrooden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedeesemd zullen zij gebakken worden: het zijn de eerstelingen den Heere. 18 Gij zult ook met het brood zeven volkomen éénjarige lammeren, en éénen var, het jong eens runds, en twee rammen offeren: zij zullen den Heere een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hunne drankofferen, een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere. 19 Ook zult gij éénen geitenhok ten zondoffer en twee éénjarige |
lammeren ten dankoffer bereiden. 20 Dan zal de Priester dezelve met het brood der eerstelingen, ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren, met de twee lammeren bewegen; zij zullen den Heere een heilig ding zijn, voor den Priester. 21 En gij zult op dien zelfden dag uitroepen, dat gij eene heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen: het is eene eeuwige inzetting in alle uwe woningen voor uwe geslachten. 22 Als gij nu den oogst uws lands zult inoogsten, zult gij, in uw inoogsten, den hoek des velds niet ganschelijk afmaaien, en de opzameling van uwen oogst niet opzamelen; voor den arme en voor den vreemdeling zult gij ze laten: ik ben de Heere uw God. 23 En de Heere sprak tot Mozes zeggende: 24 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: In de zevende maand op den eerste der maand zult gij eene ruste hebben, eene gedachtenis des geklanks, eene heilige samenroeping: 25 geen dienstwerk zult gij doen, maar gij zult den Heere vuuroffer offeren. 26 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 27 Doch op den tiende dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, eene heilige samenroe-ping zult gij hebben; dan zult gij uwe zielen verootmoedigen, en zult de:a Heere een vuuroffer offeren. 28 En op dien dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht des Heeren uws Gods. 29 Want alle ziele, dewelke op dien dag niet zal verootmoedigd 'zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit hare volkeren. 30 Ook alls ziele, die eenig werk op _ dien dag gedaan zal hebben, die ziele zal ik uit het midden haars volks verderven. |
LEVITICUS 24.
151
|
31 Gij zult geen werk doen: het is eene eeuwige^ inzetting voor uwe geslachten, in alle uwe woningen. 32 Het zal u een sabbat der ruste zijn, clan zult gij uwe zielen verootmoedigen: op, den negende der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uwen sabbat rusten. 33 Ãn de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 34 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Op den vijftienden dag dezer zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen den Heere zijn. 35 Op ^ den eersten dag zal eene heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen. 30 Zeven dagen zult gij den Heere vuurofferen offren; op den achtsten dag zult gij eene heilige samenroeping hebben, en zult den Heeee vuurofferen offeren : het is een verbodsdag. gij zult geen dienstwerk doen. 37 Dit zijn de gezette hoogtijden des Heeren, dewelke gij zult uitroepen tot heilige samen-roepingen, om den Heere vuur-offer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankoffers elk dagelijks op zijnen dag, te offeren ; 38 behalve de sabbaten des Heeren, en behalve uwe gaven en behalve alle uwe geloften en behalve alle uwe vrijwillige offeren, dewelke gij den Heere geven zult. 39 Doch op den vijftienden dag der zevende maand, als gij het inkomen des lands zult in-gegaderd hebben, zult gij des Heeren feest zeven dagen vieren ; op den eersten dag zal er ruste zijn, en op den achtsten dag zal er ruste zijn. 40 En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte boomen, met beek-willigen, en zult voor het aangezicht des Heeren uws Gods zeven dagen vroolijk zijn. |
41 En gij zult dat feest den Heere zeven dagen in het jaar vieren; het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten: in de zevende maand zult gij dat vieren. 42 Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen; 43 opdat uwe geslachten weten dat ik de kinderen Israels in loofhutten heb doen wonen, als ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; ik ben de Heere uw God. 44 Alzoo heeft Mozes de ge-zette^ hoogtijden des Heeren tofc de kinderen Israels uitgesproken. HOOFDSTUK 24. En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 2 Gebied den kinderen Israels, dat zij tot u brengen zuivere ge-stooten olijfolie voor den luchter, om de lampen geduriglijk aan te steken. 3 Aaron zal die voor het aangezicht des Heeren geduriglijk toerichten, van den avond tot den morgen, buiten den voorhang van de getuigenis, in^ de Tent der i samenkomst; het is eene eeuwige 1 inzetting voor uwe geslachten, i 4 Hij zal op den louteren kan-! delaar die lampen voor het aan-i gezicht des Heeren geduriglijk ! toerichten. 5 Gij zult ook meelbloem nemen, en twaalf koekon daarvan bakken; van twee tienden zal één koek zijn. 6 En gij zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de rein©' tafel, voor het aangezicht desv Heeren. 7 En op elke rij zult gij zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn: het is een vuuroffer den Heere. 8 Op eiken sabbatdag geduriglijk zal men dat voor het aangezicht des Heeren toerichten, vanwege de kinderen Israels, ten eeuwigen verbonde. 9 En het zal voor Aaron en-zijne zonen zijn, die dat in de-heilige plaats zullen eten; want het is hem eene heiligheid de? gt; heiligheden uit de vuurofferen |
|
152 LEYIT des Keeren, eene eeuwige inzet- 10 En de zoon eener Israëlitische vrouw gin;? uit, die in het midden der kinderen Israels de zoon eens Egyptischen mans was; en de zoon dezer Israëlitische en een Israëlitisch man twistten in iiet leger. 11 Toen lasterde de zoon der Israëlitische vrouw uitdrukkelijk den Naam en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes: de naam nu zijner moeder was Se-lomith, de dochter van Dibri, van den stam Dan. 12 En zij legden hem in de gevangenis, opdat hun naar den mond des Heeren verklaring geschieden zoude. 13 En de Heere sprak tot Mozes. zeggende: 14 Breng den vloeker uit tot buiten het leger; en allen die het gehoord hebben zullen hunne handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de geheele vergadering steenigen. lö En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Een ieder als hij zijnen God gevloekt zal hebben, zoo zal hij zijne zonde dm gen; 10 en die den naam des Heer en gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden, de gansche vergadering zal hem zekerlijk steenigen; alzóó zal de vreemdeling zijn gelijk de inboorling: als hij den Naam zal gelasterd hébben, hij zal gedood worden. 17 En als iemand eenige ziele des menschen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood â worden. 18 Maar die de ziele van een stuk vee zal verslagen hebben, hij zal 't wedergeven, ziel voor iziel. 19 Als ook iemand aan zijnen naaste een gebrek zal aangebracht hebben, gelijk hij gedaan heeft zóó zal ook aan hem gedaan worden: 20 breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek eenen mensch zal |
CUS 25. aangebracht hebben, zóó zal ook hem aangebracht worden. 21 Die dan een stuk vee verslaat, die zal het wedergeven; maar die een mensch verslaat, die zal gedood worden. 22 Eénerlei recht zult gij hebben, zóó zal de vreemdeling zijn als de inboorling; want ik ben de IIf.ere uw God. 23 En Mozes zeido tot de kinderen Israels, dat zij den vloeker tot buiten het leger uitbrengen en hem met steenen steenigen zouden; en de kinderen Israels deden gelijk als de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 25. Voorts sprak de Heere tot Mozes aan den berg Sinaï, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in het land dat ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den Heere. 3 Zes jaren zult gij uwen akker bezaaien, en zes jaren uwen wijngaard besnoeien, en de inkomst daarvan inzamelen; 4 doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den Heerej uwen akker zult gij niet bezaaien en uwen wijngaard niet besnoeien. 5 Wat vanzelf van uwen oogst zal gewassen zijn, zult gij niet in-oogsten, en rle druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; liet zal een jaar der ruste voor het land zijn. 6 En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u,en voor uwen knecht, en voor uwe dienstmaagd, en voor uwen daglooner, en voor uwen bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeeren; 7 mitsgaders voor uw vee, en voor het gedierte dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn. 8 Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren, zoodat de dagen der zeven jaarweken u negenenveertig jaar zullen zijn. |
LEVITICUS 25.
15a
|
9 Daarna zult gij in de zevende maand op den tiende der maand de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw gansche land; 10 en gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in den lande voor alle zijne inwoners; het zal u een jubeljaar zijn, en gij zult wederkeeren een ieder tot zijne bezitting en zult wederkeeren een ieder tot zijn geslacht. 11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat vanzelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden; 12 want dat is het jubeljaar, het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten. 13 Op dat Jubeljaar zu.t gij wederkeeren ieder tot zijne bezitting. 14 Daarom, wanneer gij aan uwen naaste wat veilbaars ver-koopen, of uit de hand uws naasten koopen zult, dat niemand de één den ander verdrukke. 15 Naar het getal der jaren van het jubeljaar af zult gij van uwen naaste koopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkoopen. 1G Naar de veelheid der jaren zult gij zijnen koop ^ vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijnen koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten. _ 17 Dat dan niemand zijnen naaste verdrukke, maar vreest voor uwen God; want ik bende Heere uw God. 18 En doet mijne inzettingen, en houdt mijne rechten en doet dezelve: zoo zult gij zéker wonen in het land; 19 en het land zal zijne vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe: en gij zult zéker daarin wonen. 20 En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar? Zie, wij zullen niet zaaien en onze inkomst niet inzamelen: |
21 zoo zal ik mijnen zegen gebieden over u in het zesde jaar: dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. 22 Het achtste jaur nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten tot het negende jaar toe; totdat zijne inkomst ingekomen is zult gij het oude eten. 23 Het land ook zal niet voor altoos^ verkocht worden; want het land is mijn, dewijl gij vreemdelingen enbijwonersbij mij zijt. 24 Daarom zult gij in het gansche land uwer bezitting lossing voor het land toelaten. 25 Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn© bezitting verkocht zal hebben, zoo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broeders lossen. 26 En wanneer iemand geen losser hebben, maar zijne hand bekomen en hij gevonden zal hebben zooveel genoeg is tot zijne lossing, 27 dan zal hij de jaren zijner verkooping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had weder uitkee-ren, en zal weder tot zijne bezitting komen. 28 Maar indien zijne hand niet gevonden heeft wat genoeg is om aan hem weder uit te keeren, zoo zal zijn verkochte goed in de hand van deszelfs kooper zijn tot het jubeljaar toe; maar in het. jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijne bezitting wederkeeren. 29 Insgelijks wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zoo zal zijne lossing zijn totdat het jaar zijner^ verkooping volkomen zal zijn, in een vol jaar zal zijne lossing wezen. 30 Maar is het dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het ge-heele jaar zal vervuld zijn, zoa zal dat huis, hetwelk in die stad is die een muur heeft, voor altoos blijven aan hem die dat ge~ kocht heeft, onder zijne geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan. 31 Doch de huizen der dorpen |
|
154 LE VIT die rondom geen muur hebben, zullen als het veld des lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan. 32 Aangaande de steden der Leviten, en de huizendersteden hunner bezitting, de Leviten zullen eene eeuwige lossing hebben. 33 En als men onder de Leviten lossing zal gedaan hebben, zoo zal de koop des huizes en der stad zijner bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden der Leviten zijn hunne bezitting in het midden der kinderen Israël s. 34 Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden.^ want het is eene eeuwige bezitting voor hen. 35 En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijne hand bij u wankelen zal, zoo zult gij hem vasthouden, zelfs eenen vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij ii leve. 36 Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar â¢gij zult vreezen voor uwen God, opdat uw broeder bij^u leve. 37 üw geld zult gij hem niet â¢op woeker geven, en gij zult uwe spijze niet op overwinst geven: 38 ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland gevoerd heb om u het land Kanaan te geven, opdat ik u tot een God zij. 39 Desgelijks wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf; 40 als een daglooner, als een bijwoner zal hij bij u zijn, tot het jubeljaar zal hij bij u dienen. 41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijne kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht we-derkeeren en tot de bezitting zijner vaderen wederkeeren. 42 Want zij zijn mijne dienstknechten, die ik uit Egypteland uitgevoerd heb: zij zullen niet verkocht worden gelijk men een «laaf verkoopt. 43 Gij zult geen heerschappij «ver hem hebben met wreedheid, |
CUS 25. maar gij zult vreezen voor uwen God. 44 Aangaande uwen slaaf of uwe slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volkeren zijn, die rondom u zijn; van die zult gij een slaaf of slavin koopen. 45 Gij zult ze ook koopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkee-ren, uit hen en uit hunne geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot eene bezitting zijn. 46 En gij zult u tot bezitters over hen stellen voor uwe kinderen na u, opdat zij de bezitting erven, gij zult ze in eeuwigheid doen dienen; maar over uwe broeders, de kinderen Israels, een iegelijk over zijnen broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid. 47 En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoner?, die bij u is, u:at bekomen zal hebben, en uw broeder die bij hem is verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling, den bijwoner die bij u is, of aan den stam van het geslacht des vreemdelings zal verkocht hebben: 48 nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn: een van zijne broeders zal hem lossen; 49 of zijn oom, of de zoon zijns ooms zal hem lossen, of die uit de naasten zijns vleeschea van zijn geslacht is zal hem lossen; of heeft zijne hand wat bekomen, dat hij zich zei ven losse. 50 Ãn hij zal mot zijnen koo-per rekenen van dat jaar af dat hij zich aan hem verkocht heeft, tot het jubeljaar toe; alzoo dat het geld zijner verkqoping zal zijn naar het getal der jaren, naar de dagen eens daglooners zal het met hem zijn. 51 Indien er nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijne lossing van het geld. waarvoor hij gekocht is, wedergeven. 52 En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn tot aan het jubeljaar, zoo zal hij |
|
LE VIT met hem rekenen: naar zijne ja-ven zal hij zijne lossing wedergeven. 53 Als een daglooner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geene heerschappij hebben met wreedheid voor uwe oogen. 54 En is 't dat hij hierdoor niet gelost wordt, zoo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijne kinderen met hem. 55 Want de kinderen Israels zijn mij tot dienstknechten, mijne dienstKnechten zijn ze, die ik uit Egypteland uitgevoerd heb: ik ben de Heeke uw God. HOOFDSTUK 26. Gij zult ulieden geene afgoden maken, noch gesneden beeld noch opgericht beeld zult gij u atollen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want ik ben de Heeke uw God. 2 Mijne sabbaten zult gij houden en mijn heiligdom zult gij vreezen: ik ben de Heere. 3 Indien gij in mijne inzettingen wandelen en mijne geboden houden en die doen zult, 4 zoo zal ik uwe regens geven op hunnen tijd; en het land zal zijne inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijne vrucht geven; 5 en de dorschtijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging, toe, en zult zéker in uw land wonen. 6 Ook zal ik vrede geven in den lande, dat gij zult te slapen liggen en er niemand zij die ver-schrikke; en ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. 7 En gij zult uwe vijanden vervolgen, en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tienduizend vervolgen; en uwe vijanden zullen voor uw aangezicht door liet zwaard vallen. 9 En ik zal mij tot u wenden, |
CUS 2G. 155 en zal u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen; en mijn verbond zal ik met u bevestigen. 10 En gij zult het oude dat verouderd is eten, en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen. 11 En ik zal mijnen Tabernakel in het midden van u zetten, en mijne ziele zal van u niet walgen, 12 en ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn en gij zult mij toteen volk zijn: 13 ik ben de Heere uw God, die u uit der Egyptenaren land uitgevoerd heb opdat gij hunne slaven niet zoudt zijn, en ik heb de disselboomen uws juks verbroken en heb u doen rechtop gaan. 14 Maar indien gij mij niet zult hooren, en alle deze geboden niet zult doen; 15 en zoo gij mijne inzettingen smadelijk zult verwerpen, en zoo uwe ziele van mijne rechten zal walgen, dat gij niet doet alle mijne geboden, om mijn verbond te vernietigen, 16 dit zal ik u ook doen, dat ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de oogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uwe vijanden zullen dat opeten. 17 Daartoe zal ik mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uwe haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden als u niemand vervolgt. 18 En zoo gij mij tot deze dingen toe nóg niet hooren zult, ik zal nog daartoe doen, om u zevenvoudig over uwe zonden te tuchtigen. 19 Want ik zal de hoovaardig-heid uwer kracht verbreken, en zal uwen hemel als ijzer maken en uwe aarde als koper; 20 en uwe macht zal ijdellijk verdaan worden: en uw land zal zijne inkomst niet geven, en het geboomte des lands zal zijn» vrucht niet geven. |
|
156 LEVIT 21 En zoo gij met mij in tegenheid wandelen zult, en mij niet zult willen hooren, zoo zal ik over u, naar uwe zonden, zevenvoudig slagen toevoegen; 22 want ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u berooven en uw vee uitroeien en u verminderen zal, en uwe wegen zullen woest worden. 23 Indien gij door deze dingen mij nóg niet getuchtigd zult zijn, maar met mij in tegenheid zult wandelen, 24 zoo zal ik ook met u in tegenheid wandelen, en ik zal u ook zevenvoudig over uwe zonden slaan. 25 Want ik zal een zwaard over u brengen, dat de wrake des yer-bonds wreken zal, zoodat gij in uwe steden vergaderd zult worden; dan zal ik de pest in liet midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden. 28 Als ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in éénen oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten maar niet verzadigd worden. 27 Als gij ook hierom mij niet hooren zult, maar met mij wandelen zult in tegenheid, 28 zoo zal ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en ik zal u ook zevenvoudig over uwe zonden tuchtigen. 29 Want gij zult het vleesch uwer zonen eten, en het vleesch uwer dochteren zult gij eten. 30 En ik zal uwe hoogten verderven en uwe zonnebeelden uitroeien, en zal uwe doode lichamen op de doode lichamen uwer drekgoden werpen; en mijne ziele zal van u walgen. 31 En ik zal uwe steden eene woestijn maken en uwe heiligdommen verwoesten; en ik zal uwen lieflijken reuk niet ruiken. 32 Ja, ik zal dat land verwoesten, dat uwe vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen. |
CUS 26, 33 Daartoe zal ik u onder tl® heidenen verstrooien en een zwaard achter u uittrekken, en uw land zal woest en uwe steden zullen een woestijn zijn. 34 Dan zal het land aan zijne sabbaten een welgevallen hebben alle de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten en aan zijne sabbaten een wei-gevallen hebben: 35 alle de dagen der verwoesting zal het^ rusten, overmits het niet rustte in uwe sabbaten, als gij daarin woondet. 36 En aangaande de overgeblevenen onder u, ik zal in hun hart eene weekheid in de landen hunner vijanden laten komen, zoodat het geruisch van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen daar niemand is die jaagt; 37 en zij zullen de één op den ander als voor het zwaard vallen, daar niemand is die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan; 38 maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren. 39 En de overgeblevenen onder u zuilen om hunne ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren. 40 Dan zullen zij hunne ongerechtigheid belijden en de ongerechtigheid hunner vaderen met hunne overtredingen, waarmede zij tegen mij overtreden hebben, en ook dat zij met mij in tegenheid gewandeld hebben, 41 dat ik ook met hen in tegenheid gewandeld en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben Zoo dan hun onbesneden harte gebogen wordt, en zij dan aan oe straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben, 42 dan zal ik gedenken aan mijn verbond met Jakob, en ook aan mijn verbond met Isaiik, en ook aan mijn verbond met Abra- |
|
LE VIT ham zal ik gedeuken, en aan het land zal ik gedenken: 43 als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest en aan zijne sabbaten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij mijne rechten hadden verworpen, en hunne ziele van mijne inzettingen gewalgd had. # 44 En hierenboven is dit ook: als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende mijn verbond met hen; want ik ben deHEEKEhun God. 45 Maar ik zal, hun ten heste, gedenken des verbonds der voorouderen, die ik uit Egypteland voor de oogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat ik hun tot eenen God ware : ik ben deHi:ere. 46 Dit zijn die inzettingen en die rechten en die wetten, welke de Heere gegeven heeft tusschen zich en tusschen de kinderen Israels, op den berg Sinaï, door de hand van Mozes. HOOFDSTUK 27. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: quot;Wanneer iemand eene gelofte zal afgezonderd hebben, naar uwe schatting zullen de zielen des Heeren zijn. 3 Als uwe schatting eens mans zal zijn van twintig jaren oud tot eenen die zestig jaren oud is, dan zal uwe schatting zijn van vijftig sikkelen zilvers, naar den sikkel des heiligdoms. 4 Maar is het eene vrouw, dan zal uwe schatting zijn dertig «ikkelen. 5 En is het van een die vijf jaren oud is tot een die twintig jaar oud is, zoo zal uwe schatting â eens mans twintig sikkelen zijn, en voor eene vrouw tien sikkelen. 6 Maar is het van eenen die «en maand oud is, tot eenen die |
CUS 27. 157 vijf jaren oud is, zoo zal uwe schatting eens mans zijn vijf sikkelen zilvers, en uwe schatting over eene vrouw zal zijn drie sikkelen zilvers. _ 7 En is het van eenen die zestig jaar oud is en daarboven, is het een man, zoo zal uwe schatting zijn vijftien sikkelen, en voor eene vrouw tien sikkelen. 8 Maar zoo hij armer is dan uwe schatting, zoo zal hij zich voor het aangezicht des Priesters zetten, opdat de Priester hem schatte; naar dat de hand desgenen, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de Priester hem schatten. 9 En indien het een beest is, waarvan men den Heere offerande offert, al wat hij daarvan den Heere zal gegeven hebben, zal heilig zijn. 10 Hij zal het niet vermangelen, noch hetzelve verwisselen, een goed voor een kwaad of een kwaad voor een goed; indien hij nochtans een beest voor een beest ^ eenigszins verwisselt, zoo zal dit en wat daarvoor verwisseld is heilig zijn. 11 En indien het eenig onrein beest is, van hetwelk men den Heere geen offerande offert, zoo zal hij dat beest voor het aangezicht des Priesters zetten: 12 en de Priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting. Priester, zóó zal het zijn. 13 Maar indien hij het immers lossen zal, zoo zal hij deszelfs vijfdedeel boven uwe schatting toedoen. 14 En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het den Heere heilig zij, zoo zal de Priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is: gelijk als do Priester dat geschat zal hebben, zoo zal liet stand hebben. 15 En indien hij die 't geheiligd heeft zijn huis zal lossen, zoo zal hij een vijfdedeel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, zoo zal 't het zijne zijn. 1G Indien ook iemand van den akker zijner bezitting den Heere |
|
158 LEVIT wat geheiligd zal hebben, zoo zal uwe schatting zijn naar zijn zaad: een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers. 17 Indien hij zijnen akker van het jubeljaar aan geheiligd zal hebben, zoo zal het naar mve schatting stand hebben. 18 Maar zoo hij zijnen akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de Priester het geld rekenen naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar, en het zal van uwe schatting afgetrokken worden. 19 En indien hij die den akker geheiligd heeft denzelven gan-schelijk lossen zal, zoo zal hij een vijfdedeel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, en dezelve zal hem gevestigd zijn. 20 En indien hij dien akker niet zal lossen, of indien hij dien akker aan een ander man verkocht heeft, zoo zal hij niet meer gelost worden; 21 maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal den Heere heilig zijn, als ee» verbannen akker: de bezitting daarvan zal des Priesters zijn. 22 En indien hij den Heere eenen akker heeft geheiligd dien hij gekocht heeft, en die niet is van den akker zijner bezitting, 23 zoo zal de Priester hem rekenen de som uwer schatting toi het jubeljaar; en hij zal op denzelfden dag uwe schatting geven, eene heiligheid den Heek e. 24 In het jubeljaar zal die akker wederkomen tot dien van welken hij hem gekocht had, tot hem, wiens de bezitting van dat land was. 25 Al uwe schatting nu zal naar den sikkel des heiligdoms geschieden; de sikkel zal zijn van twintig gera. 2o Maar het eerstgeborene, dat |
CTJS 27. den Heere van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os of klein vee, het is des Heeren. 27 Doch is 't van een onrein beest, hij _ zal dat lossen naar uwe schatting, en zal zijn vijfde-deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt, zoo zal het verkocht worden naar uwe schatting. ^ 28 Evenwel niets dat verbannen is, dat iemand den Heere zal verbannen hebben, van al hetgeen dat hij heeft, van een mensch of een beest, of van den akker zijner bezitting, zal verkocht noch gelost worden: al wat verbannen is zal den Heere eene heiligheid der heiligheden zijn. 29 Al wat verbannen is, dat van de menschen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden, het zal zekerlijk gedood worden. 30 Ook alle tienden des lands, van liet zaad des lands, van de vrucht van het geboomte, zijn des Heeren, zij zijn den Heere heilig. 31 Maar zoo iemand van zijne tienden immers iets lossen zal, hij zal zijn vijfdedeel daarboven toedoen. 32 Aangaande alle de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan,, het tiende zal den Heere heilig zijn. 33 Hij zal tusschen het goede en het kwade niet onderzoeken, hij zal het ook niet verwisselen ; maar indien hij dat immers verwisselen zal, zoo zal dit en wat daardoor verwisseld is, heilig zijn, het zal niet gelost worden. 34 Dit zijn de geboden, die de Heere Mozes geboden heeft aan de kinderen Israels, op den berg Sinaï. |
HUMERI 1.
HET TIERDE BOEK VAN 5IOZES
GENAAMD
NUMERL
13amp;
|
HOOFDSTUK 1. Voorts sprak de Heere tot Mozes in de woestijn Sinaï, in de Tent der samenkomst, op den eerste der tweede maand in het tweede jaar nadat zij uit Egyp-teland uitgetogen waren, zeggende : 2 Neem óp de som van de ge-heele vergadering der kinderen Israels, naar linnne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van alles wat mannelijk is, hoofd voor hoofd, 3 van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire in Israël uittrekken; die zultgij tellen naar hunne heiren, gij en Aaron. 4 En met ulieden zullen zijn van eiken stam één man, die een hoofdman is over zijner vaderen huis. 5 Deze zijn nu de namen der mannen die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeür. 6 Van Simeon, Selumiël, de zoon van Zürisaddai. 7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab. 8 Van Issaschar, Nethaneël, de zoon van Zuar. 9 Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon. 10 Van de kinderen Jozefs: van Efraïm, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur. 11 Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. 12 Van Dan, Ahiëzer, de zoon van Am mi «add ai. 13 Van Aser, Pagiël, de zoon van Ochran. |
14 Van Gad, Eljasaf, de zooit j van Dehaëh 15 Van Kaftali, Ahirajde zoon ; van En an. 16 Deze waren de geroepenen ; der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden Israels. 17 Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welke met namen uitgedrukt zijn, 18 en zij verzamelden de ge-heele vergadering op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hunne afkomst naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, hoofd voor hoofd. 19 Gelijk de Heere Mozes geboden had, zoo heeft hij ze geteld in de woestijn Sinaï. 20 Zoo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene Israels, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was van twintig jaar oud en daarboven, alleen die ten heire uittrokken: 21 hunne getelden van den stam Rubens waren zesenveertigduizend en vijfhonderd. 22 Van de zonen Simeons, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijne getelden, in het getal der namen hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was van twintig Jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken: 23 hunne getelden van den stam Simeons waren negenen-vijftigduizend en driehonderd. |
NUMERI 1.
KO
|
24 Van de zonen Gads, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 25 waren hunne getelden van den stam Gads vijfenveertigduizend zeshonderd en vijftig. 26 Van de zonen van Juda, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 27 waren hunne getelden van den stam van Juda vierenzeventigduizend en zeshonderd. 28 Van de zonen Issaschars, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 29 waren hunne getelden van den stam Issaschars vierenvijftigduizend en vierhonderd. 30 Van de zonen Zebulons, hunne geboorten naar hunne ge-.slachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 31 waren hunne getelden van den stam Zebulons zevenenvijftigduizend en vierhonderd. 32 Van de zonen Jozefs: van de zonen Efraïms, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 33 waren hunne getelden van den stam Efraïms veertigduizend en vijfhonderd; 34 van de zonen van Manasse, hunne geboorten naar hunne geslachten, ! naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar ouden daarboven, allen die ten heire uittrokken, 35 waren hunne getelden van den _ stam van Manasse tweeën-dertigduizend en tweehonderd. |
36 Van de zonen Benjamins, hunne geboorten naar liunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 37 waren hunne^ getelden van den stam Benjamins vijfendertigduizend en vierhonderd. 38 Van de zonen Dans, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen vau twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 39 waren hunne getelden van den stam Dans tweeënzestigduizend en zevenhonderd. 40 Van de zonen Asers, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar liet huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 41 waren hunne getelden van den stam Asers éénenveertigduizend en vijfhonderd. 42 Van de zonen Naftali's, hunne geboorten naar hunne geslachten, _ naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken, 43 waren hunne getelden van den stam Naftali's drieënvijftigduizend en vierhonderd. 44 Deze zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aiiron, en de oversten Israëls; twaalf mannen waren zij, elk één over het huis zijner vaderen. 45 Alzoo waren alle de getelden der zenen Israëls, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaar oud er. daarboven,f allen die in Israël v-en heire uittrokken, 46 alle de getelden dan waren zeshonderdduizend en drieduizend en vijfhonderd en vijffig. 47 Maar de Leviten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld; 48 want de Heere had tot Mozes gesproken, zeggende: 49 Alleen den stam Levi zult gij niet tellen, noch hunne som |
NUMERI
1G1
|
opnemen onder de zonen Israels. 50 Maar gij, stel de Levi ten over den Tabernakel der getuigenis en over al zijn gereedschap en over alios wat daartoe behoort; zij zullen den Tabernakel dragen en al zijn gereedschap, en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den Tabernakel legeren. 51 En als de Tabernakel zal optrekken, de Loviten zullen den-zelven afnemen; en -wanneer de Tabernakel zich legeren zal zullen de Leviten denzelven oprichten; en de vreemde die daarbij komt zal gedood worden. 52 En de kinderen Israels zullen zich legeren een iegelijk bij zijn leger en een iegelijk bij zijne banier, naar hunneheiren; 63 maar de Loviten zullen zich legeren rondom den Tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering der kinderen Israels zij; daarom zullen de Leviten de wacht van den Tabernakel der getuigenis waarnemen. 54 Zoo deden de kinderen Israels; naar alles wat de Hesue Mozes geboden had, zóó deden zij. HOOFDSTUK 2. En de Heere sprak tot Mozes en tot Anron, zeggende: 2 Do kinderen Iraëls zullen zich legeren een ieder onder i zijne banier, naar de teekenen j van het huis hunner vaderen; i rondom tegenover de Tent der | samenkomst zullen zij zich le-geren.^ 3 Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, aal zijn de banier van het leger van Juda, naar hunne heiren;en Nahesson, de zoon Amminadabs zal de overste der zonen van Juda zijn. 4 Zijn heir nu en hunne getel-den waren vierenzeventigduizend en zeshonderd. 5 En nevens hem zal zich legeren de stam Issaschars; enKe-thaneël, de zoon Zuars, zal de overste der zonen Issaschars zijn. |
ö Zijn heir nu en zijne getel-den waren vierenvijftigduizend en vierhonderd. 7 Daar lot de stam Zebulons: en Eliab, de zoon van lielon, zal de overste der zonen Zeb alons zijn. 8 Zijn heir nu en zijn getelden waren zevenenvijftigduizend en vierhonderd. 9 Alle de getelden des legers van Juda waren honderdduizend en zesentachtigduizend en vierhonderd, naar hunne heiren. Zij zullen vooraan optrekken. 10 De banier van het leger Rubens, naar hunne heiren, zal tegen het Zuiden zijn;en Elizur, de zoon van Sedeür, zal de overste der zonen Rubens zijn. 11 Zijn heir nu en zijne getelden waren zesenveertigduizend en vijfhonderd. 12 En nevens hem zal zich legeren de stam Simeons; en Selu-miël, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen Simeons zijn. 13 Zijn heir nu en hunne go-telden waren negenenvijftigduizend en driehonderd. 14 Daartoe de stam Gads; en Eljasaf, de zoon Rehuëls, zal de overste der zonen Gads zijn. 15 Zijn heir nu en hunne getelden waren vijfenveertigduizend en zeshonderd en vijftig. 16 Alle de getelden in het leger van Ruben waren honderdduizend en eenenvijftigduizend en vierhonderd en vijftig, naar hunne heiren. En zij zuilen de tweede optrekken. 17 Daarna zal de Tent der samenkomst optrekken, met het leger der Leviten, in het midden der legers; gelijk zij zich legeren zullen, alzoó zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijne plaatse. naar hunne banieren. 18 De banier van het leger Efraïms, naar hunne heiren, zal tegen het Westen zijn; en Eli-sania, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen Efraïms zijn. 19 Zijn heir nu en hunne getelden waren veertigduizend en vijfhonderd. 20 En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon ü |
NUMERI 8.
162
|
van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn. 21 Zijn lieir mi en hunne geselden waren tweeëndertigduizend en tweehonderd. 22 Daartoe de stam Benjamins; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen Benjamins zijn. 23 Zijn heir nu en hunne ge-telden waren vijfendertigduizend en vierhonderd. 24 Alle de geteldenin het leger Efraïms waren honderdenacht-duizend en éénhonderJ, naar hunne heiren. En zij zullen de derde optrekken. 25 De banier van het leger van Dan zal tegen het Noordenzijn, naar hunne heiren; en Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn. 2G Zijn heir nu en hunne ge-telden waren tweeënzestigdui-zend en zevenhonderd. 27 En nevens hem zal zichle-geren de stam Asers; en Pagiël, do zoon van Ochran, zal de ovcr-ete der zonen Asers zijn. 28 Zijn heir nu en hunne ge-telden waren éénenveertigduizend en vijfhonderd. 29 Daartoe de stam Naftali'a; en Ahira, de zoon vanEnan.zaj de overste der zonen van Naftali zijn. 30 Zijn heir nu en hunne ge-telden waren drieënvijftigduizend en vierhonderd. 31 Alle de getelden in het leger van Dan waren honderdduizend en zevenenvijftigduizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hunne banieren. 32 Deze zijn de getelden der kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen;alle de getelden der legers, naar hunne heiren, waren zeshondderdduizend en drieduizend en vijlhonderd en vijftig. 33 Maar de Leviten werden niet geteld onder de zonen Israels, gelijk als de Heeke Mozes geboden had. |
34 En de kinderen Israëls deden naar alles wat de Heere Mozes geboden had, zóó legerden zij zich naar hunne banieren, en zóó trokken zij op, een iegelijk naar zijne geslachten, naar het huis zijner vaderen. HOOFDSTUK 3. Dit nu zijn de geboorten van Aiiron en Mozes, ten dage als do Heere met Mozes gesproken heeft op den berg Sinaï. 2 En dit zijn de namen der zonen Aiirons: de eerstgeborene Nadab, daarna Abihu, Eleazar en I th a mar. 3 Dit zijn de namen der zonen Aiirons, der Priesteron die gezalfd waren, welker hand men gevuld had om het Priesterschap te bedienen. 4 Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des Hee-ren, als zij vreemd vuur vopr het aangezicht des Heeren in de woestijn Sinaï brachten, en hadden geen kinderen: doch Eleazar en Ithamar bedienden het Priesterambt voer het aangezicht huns vaders Aiirons. 5 En de Heere sprak tot Mozes zeggende: 6 Doe den stam Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht des Priesters Aarons, opdat zij hem dienen, 7 en dat zij waarnemen zijne wacht, en de wacht der geheelo vergadering, vóór de Tent der samenkomst, om den dienst des Tabernakels te bedienen; 8 en dat zij al het gereedschap van de Tent der samenkomsten do wacht der kinderen Israëls waarnemen, om den dienst des Tabernakels te bedienen. 9 Gij zult dan aan Aiiron en zijne zonen do Leviten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven, uit de kinderen Israëls. 10 Maar Aiiron en zijne zonen zult gij stellen, dat zij hun Priesterambt waarnemen; en de vreemde die nadert zal gedood worden. 11 En de Hee eie sprak tot Mozes, zeggende: 12 En ik, zie, ik heb de Leviten uit het midden der kinderen |
|
NUM Israels genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israels; en de Levi ten zullen ini.ine zijn. 13 Want alle eerstgeborene is mijn; van den dag dat ifc alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb ik mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de menschen tot de beesten; zij zullen mijne zijn: ik ben de Heere. 14 En de Heere sprak tot Mo-7.es in de woestijn Sinaï, zeggende: 15 Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hunne geslachten; al wat man-nelijk is, van eene maand oud en daarboven, die zult gij tellen. 1G En Mozes telde ze naar het bevel des Heeren, gelijk hem geboden was. 17 Dit nu waren de zonen van Levi met hunne namen: Gerson, en Kohath, en Merari. 18 En dit zijn de namen der zonen Gersons, naar hunne geslachten: Libni en Simei. 19 En de zonen Kohats, naar hunne geflachten: Amram en Jizhar, Hebron en Uzziël. 20 En de zonen van Merari, naar hunne geslachten: Mahli en Musi; dit zijn de geslachten der Leviten, naar het huis hunner vaderen. 21 Van Gerson was het geslacht der Libniten en het geslacht der Simeïten ; dit zijn de geslachten der Gersoniten. 22 Hunne getelden in getale waren van alles wat mannelijk was, van eene maand oud en daarboven, hunne getelden waren zevenduizend en vijfhonderd. 23 De geslachten der Gersoniten zullen zich legeren achter den Tabernakel westwaarts. 24 De overste nu van het vaderlijke huis der Gersoniten zal zijn Eljasat', de zoon van Laël. 25 En de wacht der zonen Ger-sons in de Tent der samenkomst zal zijn de Tabernakel en de Tent, haar deksel, en het deksel |
ClU 3. 163 aan de deur der Tent der samenkomst; 20 en de behangselen des voor-iiofs, en het deksel der deur des voorhofs, welke bij den Tabernakel en bij het altaar rondom zjjn; mitsgaders zijne zelen, tot zijnen gansclien dienst. 27 En van Kohath is het geslacht der Amramiten en het geslacht der Jizhariten, en het geslacht der Hebroniten, en het geslacht der üzziëliten; dit zijn de geslachten der Kohathiten. 28 In getale van al wat mannelijk was, van eene maand oud en daarboven, waren achtduizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms. 29 De geslachten der zonen Kohaths zullen zich legeren aan de zijde des Tabernakels zuidwaarts. 30 De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten der Kohathiten zal zijn Elizafan, de zoon Uzziëls. 31 Hunne wacht nu zal zijn de Ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren, en het gereedschap des heiligdoms met hetwelk zij dienst duen, en het deksel, en al icat tot zijnen dienst behoort. 32 De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aaron den Priester: zijn opzicht zal zijn over degenen die de wacht des heiligdoms waarnemen. 33 Van Merari is het geslacht der Maheliten en het geslacht der Musiten: dit zijn de geslachten van Merari. 34 En hunne getelden in getale van al wat mannelijk was, van eene maand oud en daarboven, waren zesduizend en tweehonderd. 35 De overste nu van het vaderlijk huis der geslachten van Merari zal zijn Zuriël, de zoon Abihaïls; zij zullen zich legeren aan de zijde zijde des Tabernakels noordwaarts. 36 En het opzicht der wachten van de zonen van Merari zal zijn over de stijlen der Tabernakels, |
|
iS4 NUM: en zijuo richelen en zijne pilaren, en zijne voeten, en al zijn gereedschap, en al icat tot zijnen dienst behoort; 37 en de pilaren des voorhofs rondom, en hunne voeten, en hunne pennen, en hunne zelen. 3S Die nu zich legeren zullen vóór den Tabernakel oostwaarst, vóór de Tent der samenkomst cegen den opgang, zullen zijn Mozes en Aaron met zijne zonen, â waarnemende de wacht des heilig-doras, voor de wacht der kinderen Israels: en de vreemde die nadert zal gedood quot;worden. 39 Alle geleiden der Leviten, welke Mozes en Aaron op het bevel des Heeken naar hunne geslachten geteld hebben, al wat mannelijk was van eene maand oud en daarboven, waren twee-ëntwintigduizend. 40 En de Iieere zei de tot Mozes: Tel allo eerstgeborenen die mannelijk zijn onder de kinderen Israels, van eene maand oud en daarboven, en neem het getal hunner namen op. 41 En gij zult voor mij de Leviten nemen (ik ben de Heere), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels, en de beesten der Leviten in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israels. 42 Mozes dan telde, gelijk als de Heeue hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels. 43 En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen van eene maand oud en daarboven, naar hunne getel-den, waren tweeëntwintigduizend tweehonderd cn drieënzeventig. 44 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 45 Neem de Leviten in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israels, en de beesten der Leviten in plaats van hunne beesten; want de Leviten zullen mijne zijn: ik ben de Heere. 46 Aangaande de tweehonderd en drieënzeventig, die gelost zullen worden, die overschieten boven de Leviten van de eerst- |
m 4. geborenen der kinderen Israels: 47 gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen; de sikkel is twintig gera. 48 En gij zult dat geld Aiiron en zijnen zonen geven, het geld der geloeten die onder hen overschieten. 49 Toen nam Mozes dat losgeld van degenen die overschoten boven de gelosten door de Leviten; 50 van de eerstgeborenen der kinderen Israels nam hij dat geld, duizend en driehonderd en vijfenzestig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; 51 en Mozes gaf dat geld der gelosten Aaron en zijnen zonen, naar het bevel des Heeren, gelijk als de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 4. En de Heere sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 2 Neemt óp de som der zonen Kohaths, uit liet midden der zonen van Levi, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, 3 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud; al wie tot dezen strijd inkomt, om het werk in de Tent der samenkomst te doen. 4 Dit zal de dienst zijn der zonen Kohaths in de Tent der samenkomst, te weten de heiligheid der heiligheden. 5 In het optrekken des legers zoo zullen Aaron en zijne zonen komen en den voorhang des deksels afnemen, en zullen daarmede de Arke der getuigenis bedekken; 6 en zij zullen een bedeksel van dassenveli en daarop leggen, on een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handboo-men aanleggen. 7 Zij zullen ook op de toontafel een kleed van 1 emelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotelen en de reukschalen en de kroezen en de dekschote-len, ook zal het gedurig brooi daarop zijn; |
NU ME EI 4.
1G5
|
8 daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een bedeksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen derzei ver handboomen aanleggen. 9 Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken den kandelaar des luchters, en zijne lampen en zijne snuiters en zijne bluschvaten en alle zijne olievaten met welke zij aan denzei ven dienen; 10 zij zullen ook denzei ven en al zijn gereedschap in een bedeksel van dassenvellen doen, en zullen hem op den draagboom leggen. 11 En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een bedeksel van dassen-vellen bedekken; en zij zullen deszeifs handboomen aanleggen. 12 Zij zullen ook nemen alle gereedschap des dienstes, niet hetwelk zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelve met oen bedeksel van dassenvellen bedekken, en zullen het op den draagboom leggen. 13 En zij zullen de asch van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden; 14 en zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap waarmede zij aan hetzelve dienen, de koolpannen, de krauwelen en de schoffelen en de sprengbekkens, al het gereedschap des altaars; en zij zullen daarover een bedeksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen deazelfs handboomen aanleggen. 15 Als nu Aiiron en zijne zonen het dekken van het heiligdom en van alle gereedschap des heilig-doms in het optrekken des legers zullen voleindigd hebben, zoo zullen daarna de zonen Kohaths komen cm te dragen; maar zij zullen het heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen Kohaths in de Tent der samenkomst. |
16 Het opzicht nu van Eleazar, den zoon Aarons des Priesters, zal zijn over de olie des luchters, en het reukwerk der welriekende specerijen, en het gedurig spijs-oÃer, en de zalfolie: het opzicht des ganschen Tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap. 17 En de Heere sprak tot Mo-zes en Aiiron, zeggende: 18 Gij zult den stam van de geslachten der Kohathiten niet laten uitgeroeid worden uit het midden der Leviten; 19 maar dit zult gij hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aaron en zijne zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijnen dienst en aan zijnen last; 20 doch zij zullen niet inkomen om te zien als men het heiligdom inwindt, dat zij niet sterven. 21 En de Heere sprak tot Mo-zes, zeggende: 22 Neem ook óp de som der zonen Gersons, naar het huis hunner vaderen, naar hunne geslachten; 23 gij zult ze tellen van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij den dienst bediene in do Tent der samenkomst. 24 Dit zal zijn de dienst der geslachten der Gersonieten, in het dienen en in den last: 25 zij zullen dan dragen de gordijnen des Tabernakels, en de Tent der samenkomst, te weten haar bedeksel; en het dassendek-sel dat er bovenop is, en het bedeksel der deur van de Tent der samenkomst; 26 en de behangselen des voor-hofs, en het bedeksel der deur van de poort des voorhofs hetwelk is bij den Tabernakel en bij het altaar rondom, en hunne zelen, en al het gereedschap van hunnen dienst, mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt opdat zij dienen. 27 De geheele dienst van de zonen der Gersoniten, in al hun- |
|
166 NÃMI nen Ifist en in al hunnen dienst, zal zijn naar liet bevel Aarons en zijner zonen; en gijlieden zult hun ter bewaring al hunnen last bevelen. 28 Dit is de dienst der geslachten van de zonen der Gersoniten in de Tent der samenkomst; en hunne wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, den zoon Aarons des Priesters. 29 Aangaande de zonen van Merari, die zult gij nanr hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen tellen: 30 gij zult ze tellen van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig 'jaar oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen den dienst van de Tent der samenkomst. 31 Dit zal nu zijn de onderhouding van hunnen last, naar al hunnen dienst, in de Tent der samenkomst: de stijlen des Tabernakels, en zijne richelen, en zijne pilaren, en zijne voeten; '32 mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, en hunne voeten, en hunne pennen, en hunne zelen, met al hun gereedschap, en met al hunnen dienst ; en het gereedschap van de waarneming van hunnen last zult gij bij namen tellen. 33 Dat is de dienst van de geslachten der zonen van Merari, naar hunnen ganschen dienst in fie Tent der samenkomst, onder de hand van Ithamar, den zoon Aarons des Priesters. 34 Mozes dan en Aaron en de oversten der vergadering telden de zon1 n der Kohathiten, naar hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen, 35 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de Tent der samenkomst ; 36 hunne getelden nu waren, naar hunne geslachten, tweedui-â zend zevenhonderd en vijftig. 37 Deze zijn de getelden van de geslachten der Kohathiten, van al wie in de Tent der samenkomst diende, dewelke Mozes en |
EI 4. Aaron geteld hebben, naar het bevel des Hekken door de hand van Mozes. 38 Insgelijks d© getelden der zonen Gersons, naar hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen, 39 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de Tent der samenkomst : 40 hunne getelden waren, naar hunne geslachten, naar het huia hunner vaderen, tweeduizend en zeshonderd en dertig. 41 Deze zijn de getelden van de geslachten der zonen Gersons, van al wie in de Tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des Heeeen. 42 En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, 43 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de Tent der samen komst; 44 hunne getelden nu waren, naar hunne geslachten, drieduizend en tweehonderd. 45 Deze zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, dewelke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des Heeren door de hand van Mozes. 46 Alle de getelden welke Mozes en Aaron en de oversten Israëls geteld hebben van de Le-viten, naar hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen, 47 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkwam om den dienst der bediening en den dienst van den last in de Tent der samenkomst te bedienen, 48 hunne getelden waren achtduizend en vijfhonderd en tachtig. 49 Men telde ze, naar het bevel des Heeren door de hand van Mozes, een ieder naar zijnen dienst en naar zijnen last; en zijne ge- |
|
NÃM] telden varen die de Heers Mozes geboden had. HOOFDSTUK 5. En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 2 Gebied den kinderen Israëls dat zij uit het leger wegzenden alie molaatsohen, en alle vloei-enden, en allen die onrein zijn van eenen doode; 3 van den man tot de vrouw toe zult gij ze wegzenden; tot buiten het leger zult ge ze wegzenden, opdat zij niet verontreinigen hunne legers, in welker midden ik woon. 4 Eu de kinderen Israëls deden alzoo, en zonden zo tot buiten het leger; gelijk de Heere tot Mozes gesproken had, alzóó deden de kinderen Israels. 5 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 6 Spreek tot de kinderen Israëls: Wanneer een man of vrouw iets van eenige menschelijke zonden gedaan zal hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den Heere, zoo is die ziele schuldig; 7 en zij zullen hunne zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daar zal hij zijne schuld weder uitkeeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelver vijfde lt;ieel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven aan den-welken hij zich verschuldigd heeft. 8 Maar zoo die man geenen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keeren,zal die schuld welke den Heere weder uitgekeerd wordt des Priesters zijn, behalve den ram der verzoening, met welken hij voor hem verzoening doen zal. 9 Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israëls, welke zij tot den Priester brengen, het zijne zijn; 10 en eens ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den Priester zal gegeven hebben zal het zijne zijn. 11 Wijders sprak de ÃIeere tot Mozes, zeggende: |
KI 5. 167 12 Spreek tot de kinderen Is-raëls^ en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijne hnisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben, 13 dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de oogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nochtans onrein geworden, en er geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is, 14 en de ijvergeest over hera gekomen is, dat hij ijvert over zijne huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is, of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijne huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is: 15 dan zal die man zijne huisvrouw tot den Priester brengen, en zal hare offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van eene efa gerstemeel; hij zal geen. olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijs-otier der ijveringen is: een spijsoffer «Ier gedachtenis dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt. 1G En de Priester zal haar doen naderen, hij zal haar stellen voor het aangezicht des Heeren. 17 En de Priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof, hetwelk op den vl^er des Tabernakels is, zal de Priester nemen en in het water doen. 18 Daarna zal de Priester de vrouw voor het aangezicht des Heeren stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontblooten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op hare handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des Priesters zal dat bitter water zijn, hetwelk den vloek medebrengt. 19 En de Priester zal haar be-ëedigen en zal tot die vrouw zeggen: Indien niemand bij u gelegen heeft, en indien gij onder uwen man zijnde niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij |
NU ME KI 6.
1G8
|
van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt; 20 maar zoo gij onder uwen man zijnde afgeweken zijt, en zoo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft behalve uw man: 21 dan zal de Priester die vrouw met den eed der vervloeking be-ëedigen, en de Priester zal tot de vrouw zeggen: De Heere stelle u tot eenen vloek en tot eenen eed in 't midden uws volks, zoodat de Heere uwe heup vervallende en uwen buik zwellende make; 22 dat dit water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om den buik te doen zwellen en de heup te doen vervallen. Dan zal de vrouw zeggen: Amen, amen. 23 Daarna zal de Priester deze vloeken in een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter warer uitdoen; 24 en hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water hetwelk de vervloeking medebrengt in haar tot bitterheden inga. 25 En de Priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal dat epijsofter voor het aangezicht des Heer en bewegen, en zal dat op het altaar ofieren. 26 De Priester zal ook van dat spijsoffer, deszei ven gedenkofter, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water dier vrouw te drinken geven. 27 Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, zoo zal het geschieden, indien zij onrein geworden is, en tegen haren man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, hetwelk vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen en hare heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden haars volks tot een vloek zijn. 28 Doch indien de vrouw niet â¢onrein geworden is, maar rein is. |
zoo zal zij vrij zijn en zal mol zaad bezadigd worden. 29 Dit is de wet der ijveringen, als eene vrouw onder haren man zijnde zal afgeweken en onrein geworden zijn, 30 of als over eenen man do ijvergeest _ zal gekomen zijn, en hij over zijne huisvrouw zal geijverd hebben: dat hij de vrouw voor het aangezicht des Heere:? stelle, en de Priester aan haar deze gansche wet volbrenge. 31 En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn;maar die vrouw zal hare ongerechtigheid dragen. HOOFDSTUK 6. En de Heere sprak tot Mozee, zeggende: 2 Spreek tot de kind oren Israels en zeg tot hen: quot;Wanneer een man ofeene vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs om zich den Heere af te zonderen: 3 van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen, wijn-edik en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch eeniga vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch versche of gedroogde druiven eten; 4 alle de dagen zijns Nazireër-schaps zal hij niet eten van iets dat van den wijnstok des wij na gemaakt is, van de kernen af tot-de basten toe. 5 Alle de dagen der gelofte zijns Nazireërschaps zal het scheermoa over zijn hoofdniet gaan;totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den Heere zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen. _ G Alle de dagen die hij zich den Heere zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens dooden niet gaan; 7 om zijnen vader of om zijne moeder, om zijnen broeder of om zijne zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen als zij dood zijn, want het Nazireërschap zijns Gods is op zijn hoofd: 8 allo de dagen zijns Nazireëï- |
|
N ü M «chaps is Lij den Huere heilig. 9 En zoo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij liet hoolU zijns Na-zireërschaps zoude verontreinigd hebben, zoo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd be-eclieren; op den zevenden dag zal hij het beschoren. 10 En op den achtsten dag zal hij twee _ tortelduiven of twee jonge duiven brengen tot den Priester, tot de deur van de Tent der samenkomst. j 1 De Priester nu zal ééne bereiden ten zondofier en ééneten brandoffer, .en zal voor hem verzoening doen van dat hij aan liet doode lichaam gezondigd heeft; alzoo zal hij zijn hoofd op dien dag heiligen. 12 Daarna zal hij de dagen zijns Nazireërschaps den Heeke afzonderen, en zal een lam dat éénjarig is brengen ten schuldolïer; en de vorige dogen zullen vervallen, omdat zijnNazireërschap verontreinigd was. 13 En dit is de wet des Nazi-zeërs: ten dage als de dagen zijns Kazireërschaps zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de Tent der samen-koir.st: 14 hij zal dan tot zijne offerande den IliiERE offeren een volkomen éénjarig lam ten brandoffer, en een volkomen éénjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer, lö en een korf ongezuurde hoe-ken, koeken van meelbloem met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer en hunne dankofferen. 1G En de Priester zal het voor het aangezicht des Heeren brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden; 17 hij zal ook den ram ten dankoffer den Heeee bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de Priester zal zijn spijsoffer en zrn dankoffer bereiden. 18 Alsdan zal de Nazireër aan do deur der Tent der samenkomst |
RI 7. 109 het hoofd zijns Nazireërschaps bescheren; en hij zal het hoofdhaar ^zijns Nazireërschaps nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is. 19 Daarna zal de Priester een gezoden schouder nemen van den ram, en een ongezuurden koek uit den korf, en eene ongezuurde vlade, en hij zal ze op de handen des gt; Nazireers leggen, nadat hij zijn Nazireërschap afgeschoren heeft; 20 en de Priester zal die bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren: het is een heilig ding voor den Priester, met de borst des beweegolfers en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die Nazireër wijn drinken. 21 Dat is de wet des Nazireërs, die zijne offerande den Heere voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben, behalve wat zijne hand bekomen zal; naar zijne-gelofte dewelke hij beloofd 'zal hebben, al zóó zal hij doen, naar de wet zijns Nazireërschaps. 22 En de Heere sprak tot Mo-zes, zeggende: 23 Spreek tot Aaron en zijne zonen, zeggende: Alzóó zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen: 24 De Heere zegene u en behoede u; 25 De Heere doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; 26 de Heere verhefte zijn aangezicht over u en geve u vrede. 27 Alzoo zullen zij mijnen Naam op de kinderen Israels leggen, en ik zal ze zegenen. HOOFDSTUK T. En het geschiedde ten dage als Muzes geëindigd had den Tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd en dezelve geheiligd had: 2 dat de oversten Israels, do hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; (deze waren de |
|
170 NÃM] oversten der stammen die over de getelden stonden); 3 en zij brachten hnnne offerande voor het aangezicht des Heeren, zes overdekte wagenen en twaalf runderen, éénen wagen voor twee oversten en éénen os voor elk eenen, en brachten ze vóór den Tabernakel. 4 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 5 Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de Tent der samenkomst; en gij zult ze aandeLe-viten geven, aan een ieder naar zijnen dienst. 0 Al zoo nam Mozes die wagenen en die runderen en gaf ze aan de Leviten. 7 Twee wagenen en vier runderen gaf hij den zonen Gersons, naar hunnen dienst; 8 en vier wagenen en acht runderen gaf hij den zonen van Me-rari, naar hunnen dienst, onder de hand van Ithamar, den zoon Aiirons des Priesters. 9 Maar den zonen Kohaths gaf hij niets; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen. 10 En de oversten otterden ter inwijding des altaars, ten dage als hetzelve gezalfd werd: de oversten dan offerden hunne offerande voor het altaar. 11 En de Heere zeide tot Mo-zes: Elke overste zal (een iegelijk op zijnen dag) zijne offerande offeren ter inwijding des altaars. 12 Die nu op den eersten dag zijne offerande offerde was Na-hesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda. 13 En zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 14 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; 15 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; |
SRI 7. 16 een geitenhok ten zondoffer; 17 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab. 18 Op den tweeden dag offerde Nethaneël, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar. 19 Hij offerde zijne offerande: een zilveren schotel welks gewicht was honderd en dertig s?7j-kelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsolfer; 20 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; 21 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; 22 een geitenhok ten zondoffer; 23 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Nethaneël den zoon van Zuar. 24 Op den derden dag offerde de overste der zonen Zebulons, Eliab, de zoon van Helon. 25 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht waamp; honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms: zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer ; 2(5 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; 27 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig wasten brandoffer: 28 een geitenhok ten zondoffer; 29 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Eliab, den zoon van Helon. 30 Op den vierden dag offerde de overste der quot;kinderen Rubens, Elizur, de zoon van Sedeiir. 31 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel dea |
|
num; heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 32 eene reukscliaal van tien gouden tikkelen, vol reukwerk; 33 een var, een jong rund, een ram, een lam, dat éénjarig was, ten brandoffer; 34 een geitenhok ten zondoffer; 35 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Elizur, den zoon van Sedeür. 3ö Op den vijfden dag offerde de oversten der kinderen Simeons, Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 37 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zil- ! veren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 38 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vul reukwerk; 39 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; 40 een geitenhok ten zondoffer; 41 en ten dankoffer, twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Selumiël, den zoon van Zurisaddai. 42 Op den zesden dag offerde de overste der kinderen Gads, Eljasaf, de zoon van Dehuël. 43 Zijne-offerande was een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig nikkeltn, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, beide vol meelbloem gemengd met olie, ten spijsoffer; 44 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; 45 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; 4G een geitenhok ten zondoffer; 47 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuël. |
;ia 7. 171 48 Op den zevenden dag offerde de overste der kinderen Efraïms, Elisama, de zoon van Ammihud. 49 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was-honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, beide vol meelbloem met olie gemengd ten spijsoffer; 50 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; 51 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; 52 een geitenhok ten zondoffer;. 53 en ten dankoffer twee runderen^ vijf rammen, vijf bokken,, vijf éénjarige lammeren. Dat was-de offerande van Elisama, den zoon van Ammihud. 54 Op den achtsten dag offerde de overste der kinderen van Ma-nasse, Gamaliel, de zoon van Pe-dazur. 55 Zijne offerande wasteen zilveren schotel^ welks gewicht was-honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 5l3 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk: 57 een var, een jon^ rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; 58 een geitenhok ten zondoffer^ 59 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Gamaliel, den zoon van Pedazur. GO Op den negenden dag offerd* de overste der kinderen Benjamins, Abidan, de zoon van Gi-deoni. Cl Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig; sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;» ü2 eene reukschaal van tien gouden nikkelen, vol reukwerk; G3 een var, een jong rund, een- |
|
172 Ninil ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; C4 een geitenhok ten zondoffer; Go en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Abidan, den zoon van Gideoni. CG Op den tienden dag offerde de overste der kinderen Dans, AMëzer, de zoon van Ammi-saddai. G7 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig pikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd ten spijsoffer; GS eene renkschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; GD een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten bran doller; 70 een geitenhok ten zondoffer; 71 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Ahiëzer, den zoon van Ammisaddai. 72 Op den elfden dag offerde de overste der kinderen Aserp, Pagiël, de zoon van Ochran. 73 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms : zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 74 eene renkschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; 75 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; 70 een geitenhok ten zondoffer; 77 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Pagiël, denzoon van Ochran. 78 Op den twanlfdemdag offerde de overste der kinderen vanNaf-tali, Ahira, de zoon van Enan. 79 Zijne offerande was een zil- |
Ptl 7. veren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 80 eene renkschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk; 81 een var, een jong rund, een ram. een lam dat éénjarig was, ten brandoffer; 82 een geitenhok ten zondoffer; 83 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf hokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Ahira, den zoon van Enan. 84 Dat is de inwijding des altaars van de oversten Israels ten dage als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen. 85 Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig: al liet zilver van de vaten was tweeduizend en vierhonderd sikkelen, i naar den sikkel des heiligdoms. 86 Twaalf gouden reukschalen vol reukwerk, elke renkschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms: al het goud der reukschalen was honderd en twintig sikkelen. 87 Alle de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf éénjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenhokken ten zondoffer. 88 En alle de runderen ten dankoffer waren vierentwintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de éénjarige lammeren zestig. Dat is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was. 89 En als Mozes in de Tent der samenkomst ging om met hem te spreken, zoo hoorde hij eene stem, tot hem sprekende van boven het verzoendeksel, hetwelk is op de Ark der getuigenis, van tusschen de twee cherubs: alzoo sprak hij tot hem. |
NmiERF 8.
173
|
HOOFDSTUK 8. En de Heere sprak totMozes, zeggende: 2 Spreek tot Aaron en zeg tot hem: Ais gij de lampen aansteken zult, recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten. 3 En Aaron deed alzco: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan, gelijk de Heere Mozes geboden had. 4 Dit werk nu des kandelaar? was van dicht goud, tot zijne schacht, tot zijne bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de Heere Mozes vertoond had, alzoo had hij den kandelaar gemaakt. 5 En de Heere sprak tel Mozes, zeggende: G Neem de Levi ten nit het midden dei kinderen Israels en reinig ze. 7 En aldus zult gij huu doen om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen hel scheermes over hun gansche vleesch doen gaan, en zullen hunne kleederen waaschen en zich reinigen. 8 Daarna zullen dj nemen een var, een jong rund. met zijn spijs-olier van meelbloem met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund. zult gij nemen ten zondoflei. 9 En gij zult dt Leviten vóór de Tent der sameiikomst doen naderen ; cn gij zult de geheele vergadering der kinderen Israels doen verzamelen. 10 Ja, gij zult de Leviten voor het aangezicht des Heeren doen naderen; en de kinderen Israels zullen hunne hauden op de Leviten leggen. 11 En Aiiron zal de Leviten bewegen tenbeweegofforvoorliet aangezicht des Heeren, vanwege de kinderen Israels, opdat zij zijn om den dienst des Heeren te bedienen. 12 En de Leviten zullen hunne handen op het hoofd der varren leggen; daarna bereidt gij één ten zondoüer en één ten brand-oüer den Heere, om over de Leviten verzoening te doen. |
13 En gij zult de Leviten stellen voor het aangezicht Aiirona en voor het aangezicht zijner zenen, en gij zult hen bewegen ten beweegotfer den Heere. 14 En gij zult de Leviten uit het midden der kinderen Israels uitscheiden, opdat de Leviten mijne zijn. 15 En daarna zullen de Leviten inkomen om de Tent dor samenkomst te bedienen; en gij zult ze reinigen, en zult ze ten be-weegoü'er bewegen. 11) Want zij zijn gegeven, zij zijn mij gegeven uit het midden der kindeven Israels; voor do opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israels lieb ik ze mij genomen. 17 Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israels is mijn. onder de menschen en onder do beesten: ten dage dat ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb ik dezelve mij geheiligd; 18 en ik heb de Leviten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels; 19 en ik heb de Leviten Aiiron en zijnen zonen tot eene gift gegeven, uit het midden der kinderen Israels, om den dienst der kinderen Israels in de Tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israels verzoening te doen. dat er geene plage zij onder de kinderen Israels, als de kinderen Israels tot het heiligdom naderen zouden. 20 En Mozes en Aiiron en de gansche vergadering der kinderen Israels deden aan de Leviten naar alles wat de Heere Mozes geboden had van de Leviten, zóó deden de kinderen Israels aan hen. 21 En de Leviten ontzondigden zich, en wieschen hunne kleede-ren, en Aiiron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren; en Aiiron deed verzoening over hen om hen te reinigen. 22 En daarna kwamen de Levi |
|
174 N U M ten om hunnen dienst te bedienen in de Teut der samenkomst, voor het aangezicht Aiirons en voor liet aangezicht zijner zonen; gelijk de Heere Mozes van de Le-viten geboden had, alzóó deden zij aan hen. 23 En de Heere sprak tot Mozes zeggende: 24 l)it is het dat de Leviten aangaat: van vijfentwintig jaar oud en daarboven zullen zij inkomen om den strijd te strijden in den dienst van de Tent der -samenkomst. 25 Maar van dat hij vijftigjaar oud is zal hij van den strijd dezes dienstens afgaan, en hij zal niet meer dienen; 26 doch zal hij met zijne broederen dienen in de Tent der samenkomst, om de â¢wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzóó zult gij aan de Leviten doen in hunne wachten. HOOFDSTUK 9. En de Heere sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende: 2 Dat de kinderen Israels liet Pascha houden zouden op zijn gezetten tijd; 3 op den veertienden dag in deze maand, tusschen de twee avonden, zult gij dat houden op zijn gezetten tijd; naar alle zijne inzettingen en naar alle zijne rechten zult gij dat houden. 4 Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, dat zij het Pascha zouden houden. 5 En zij hielden het Pascha op den veertienden dag der eerste maand, tusschen de twee avonden, in de woestijn Sinaï; naar alles dat de Heere Mozes geboden had, alzóó deden de kinderen Israels. Q Toen waren er lieden geweest-die over het doode lichaam eens menschen onrein waren, en op lt;iien dag het Pascha niet liAdden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van |
SRI 9. Mozes en voor het aangezicht van Aiiron op dezen dag. 7 En die lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het doode lichaam eens menschen: waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande des Heeren op zijn gezetten tijd niet zouden offeren in het midden der kinderen Israels? 8 En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoore wat de Heere u gebieden zal. 9 Toen sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de kinderen Is-raëls, zeggende: Wanneer iemand onder u of onder uwe geslachten over een dood lichaam onrein of op een verren weg zal zijn, hij zal evenwel den Heere het Pascha houden. 11 In de tweede maand op den veertienden dag, tusschen de twee avonden zullen zij dat houden; met ongezuurde Iroodcu en bittere saus zullen zij dat eten. 12 Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzettingen des Paschen zullen zij dar- houden. e 13 Als een man die rein is, en op den weg niet is, nalaten zal liet Pascha te houden, zoo zal die ziele uit hare volkeren uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande des Heere:' op zijn gezetten tijd niet geofferd: die man zal zijne zonde dragen. 14 En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het Pascha den Heere ook houden zal, naar de inzetting van het Pascha _ en naar zijne wijze, alzóó zal hij hel honden; het zal éénerlei inzetting voor ulieden zijn, beide den vreemdeling en den inboorling des lands. 15 En op den dag van het oprichten des Tabernakels bedekte de wolk den Tabernakel, op do Tent der getuigenis: en in den avond was over den Tabernakel als eene gedaante des vuurs, tot aan den morgen. 16 Alzóó geschiedde het gedu-riglijk; de wolk bedekte denzel- |
|
NüME ven, en des nachts was er cene gedaante des vuurs. 17 Maar naardat de wolk op-geheyen werd van boven de Tent, al zóó verreisden ook daarna de kinderen Israels: en in de plaats waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israels: 18 naar den mond des Hheren verreisden de kinderen Israëls, en naar des Heerek mond legerden zij zich. Alle do dagen in welke de wolk over den Tabernakel bleef, legerden zij zich; 19 en als de wolk vele dagen â over den Tabernakel verbleef, zoo namen de kinderen Israëls de wacht des Heeren waar, en verreisden niet. 20 Ala het. nu was dat de wolk weinige dagen op den Tabernakel â¢was, naar den mond des Heeren legerden zij^ zich, en naar den mond des Heeren verreisden zij. 21 Maar was het dat de wolk van den avond tot den morgen daar was, en de wolk in den morgen opgeheven werd, zoo verreisden zij: of des daags of des nachts, als de^ wolk opgeheven werd zoo verreisden zij. 22 Of als de wolk twee dagen of cene maand of vele dagen vertoefde op den Tabernake], blijvende daarop, zoo legerden zich de kinderen Israëls en verreisden nieten als zij verheven werd, verreisden zij. 23 Naar den mond des Heeren legerden .zij zich, en naar den mond des Heeren verreisden zij; zij namen de wacht des Hkeren â waar, naar den mond des Heeren door de hand van Mozes. HOOFDSTUK 10. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Maak n twee zilveren trompetten ; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering en tot den optocht der legers. 3 Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de geheele vergadering tot u vergaderd worden aan de deur van de Tent der samenkomst. |
EI 10. 175 4 .Maar als zij met de écne zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden ^ de oversten, do hoofden der duizenden Israëls. 5 Als gij met een gebroken ge-klank blazen zult, dan zullende legers, die tegen het Oosten gelegerd zijn, optrekken. G Maar als gij ten tweeden male met een gebroken geklank blazen zult, zullen de legers, die tegen het Zuiden legeren optrekken; met een gebroken geklank zullen zij blazen tot hunne optochten. 7 Maar in het verzamelen van de gemeente zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken. 8 En de zonen Aiirons, do Priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen u lie den zijn tot eene eeuwige inzetting bij uwe geslachten. 9 En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken geklank maken; zoo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des Heeren uws Gods, en gij zult van uwe vijanden verlost worden. 10 Desgelijks ten dage uwer vroolijkheid, en in uwe gezette hoogtijden, en in het begin uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over mvo brandotïeren en over uwe dank-ofiereii, en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods: ik ben de Heere uw God. 11 En het geschiedde in het tweede jaar in de tweede maand op den twintigste van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den Tabernakel der getuigenis ; 12 en de kinderen Israëls togen op, naar hunne tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran. 13 Alzoo togen zij vooreerst op, naar den mond des Heeren door de hand van Mozes. 14 Want vooreerst toog op do banier van het leger der kinderen van J uda, naar hunne hciren; en |
|
176 NU MI over zijn heir was Nahesson, cle zoon Amminadabs. 15 En over het lieir van den stam der kinderen Issascliars was Netlianeël, de zoon Zuars. 16 En oyer liet heir van den Btam der kinderen Zebulons was El lab, de zoon Hel on?. 17 Toen werd de Tabernakel afgenomen, en de zonen Gersons en de zonen van Merari togen op, dragende den Tabernakel. 18 Daarna toog op de banier van het leger Kubens, naar hnnne heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon Sedeürs. 19 En over het lieir van den stam der kinderen Simeons was Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 20 En oyer hot heir van den stam der kinderen Gads was El-jasaf, de zoon Dehncls. 21 Toen togen de Kohathiten op, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den Tabernakel op tegen dat deze kwamen. 22 Daarna toog op do banier des legers der kinderen Efraïms, naar hnnne heiren; en over zijn heir was Elisama, de zoon Am-mihuds. 23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon Pedaznrs. 24 En over het heir van den stam der kinderen Benjamins was Abidan, de zoon van Gideoni. 25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, eamensluitende alle de legers, naar hunne heiren; en over zijn heir was Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 26 En over het heir van den stam der kinderen Asers was Pa-giël. de zoon Ochrans. 27 En over het heir van den stam der kinderen Naftali's was Ahira, de zoon Enans. 28 Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hunne heiren, als zij reisden. 29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Kehuël den Midia-niet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar de plaats van welke de Heere gezegd heeft: ik zal u die geven; ga met ons, |
UI 11. en wij zullen u weldoen; want de Heere heeft over Israël het goede gesproken. 30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan, maar ik zal naar mijn land en naar mijne maagschap gaan. 31 En hij zeide; Verlaat ons toch niet, want dewijl gij weet dat wij ons legeven in de woestijn, zoo zult gij ous tot oogen zijn; 32 en het zal geschieden als gij met ons zult gaan, en her, goedó geschieden zal waarmede tie Heere bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen. 33 Zoo togen zij drie dagreizen van den berg des Heeren; en do Ark des verbonds des Heeren reisde voor hun aangezicht drio dagreizen, om voor iien eene rustplaats uit te zoeken. 31 En de wolk des Heeren was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden. 35 Het geschiedde nu in het optrekken van de Ark, dat Mozes zeide: 8ta óp, Heere,en laat uwe vijanden verstrooid worden en laat uwe haters van uw aangezicht vlieden. _3G En als zij rustte zeide hij: Kom weder. Heere tot de tienduizenden der duizenden Israels. HOOFDSTUK 11. En het geschiedde als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de ooren des Heeren; want de Heere hoorde liet, zoodat zijn toorn ontstak, en het vuur des Heeren onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste des legers. 2 Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes ba :i tot den Heere, en het vuur werd gedempt. 3 Daarom noemde hij den naam dier plaats Tabeëra, omdat het vuur des Heeren onder hen gebrand had. 4 En het gemeene volksken, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen daarom weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ona vleescli te eten geven'? |
NU ME KI 11. 177
5 Wij gcilenten aan de via- ; welke gij weet dat zii de oud-Bchen, die v/ij in Egypte omniet i sten des volks en deszelfsambt-aten, aan de komkommers en aan lieden zijn; en gij zult ze brengen de pompoenen en aan het look i vóór de Tent der samenkomst, en en aan de ajuinen en aan het 1 zij zuilen zich daarbij ustellen, knoflook; 17 Zoo zal ik afkomen en met
6 maar nu is onze ziel dor, daar u aldaar spreken; en van den is nietmetal behalve dit Man Geest, die op u is, zal ik afzonvoor onze oogen. 1 deren en op hen leggen; en zii
7 Het Man nu was als korian- zullen met u den last des volks derzaad, en zijne kleur was als dragen, opdat gij rf/è/i niet alléén de kleur van den bedólah. i draagt.
8 Het volk liep hier en daar 18 En tot het volk zult gij en verzamelde het, en maalde het zeggen: Heiligt u tegen morgen, met molens of stiet het in mor- , en gij zult vleesch eten; want tieren, en zood het in potten,en gij hebt voor de ooren des Hee-maakte daarvan koeken; en zijn ken geweend, zeggende; Wie zal smaak was als de smaak van de ons vleesch te eten geven? Want beste vochtigheid der olie. het ging ons wèl in Egvpte.
9 En wanneer de dauw des Daarom zal de Heere u vleesch nachts op het leger neder viel, geven en gij zult eten.
viel het Man op hetzelve neder. 19 Gij zult niet één dag noch
10 Toen hoorde Mozes hei; volk twee dagen eten, nocli vijf dagen, weenen door hunne huisgezinnen, noch tien dagen, noch twinti-g een ieder aan de deur zijner luit; dagen:
en de toorn des Heeeen ontstak 20 tot eene geheele maand toe,
zeer; ook was het kwaad in de totdat het uit uwen neus uitga
oogen van Mozes. ^ en u tot walging zij ; overmits gij
11 En Mozes zeide tot den den Heere, die in het midden Heere : \\ aarom hebt gij aan j van u is, verworpen hebt, en hebt uwen kneent kwalijk gedaan, en voor zijn aangezicht geweend, waarom heb ik geen genade in zeggende; Waarom nu zijn wij uwe oogen gevonden, dat gij den uit Egypte getogen?
last dezes ganschen volks op 21 Eii Mozes zeide: Zeshonderd-
miJ legt? duizend te voet is dit volk, in
12 lieb ik dan al dit volk ont- welks midden ik ben, en gij hebt vangen, heb ik het gebaard, dat gezegd: Ik zal hun vleesch geven, gij tot mij zoudt zeggen: Draag en zij zullen eene geheele maand het in uwen schoot, gelijk een eten.
voedstervader den zuigeling | 22 Zullen dan voor hen schapen
draagt, tot dat land hetwelk gij en runderen geslacht worden, dat
hunnen vaderen gezworen hebt? er voor hen genoeg zij? Zullen
13 Vanwaar zoude ik het vleesch alle de visschen der zee voor hen hebben om aan al dit volk te verzameld worden, dat er voor geven? quot;Want zij weenen tegen hen senoeg zij?
mij, zeggende: Geef ons vleesch, 23 Doch de Heere zeide tot
dat wij eten. Mozes: Zoude dan des Heeren
14 Ik alléén kan al dit yolk hand verkort zijn? Gij zult nu niet dragen, want het is mij te zien of mijn woord u wedervaren zwaar; j Zal of niet.
lo en indien gij alzoó aan mij ' 24 En 3Iozes ging uit en sprak
doet, dood mij toch slechts, in- de woorden des Heeren tot den dien ik genade in uwe^ oogen ' volke en verzamelde zeventig
gevonden heb, en laat mij mijn mannen uit de oudsten des volks
ongeluk niet aanzien. en stelde ze rondom de Tent.
1G En de Heere zeide tot Mo- i 25 Toen kwam de Heere afin
zes: Verzamel mij zeventig man- de wolk, en sprak tot hem, en
nen uit de oudsten Israels, van afzonderende van den Geest, die-
NUMEIU 12.
â¢573
|
*}p hem was, leide hem op de zeventig mannen, die oudsten; en â het geschiedde als de Geest op lien rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer. 26 Maar twee mannen waren in liet leger overgebleven: des éénen naam was Eldad en des anderen Medad; en die Geest rustte op hen, (want zij waren onder de ^aangeschrevenen, hoewel zij tot â â¢de Tent niet uitgegaan waren', â en zij profeteerden in het leger. 27 Toen liep een jongen henen â en boodschapte Mozes en zeide: Eldad en Medad profeteeren in bet leger. 28 En Jozua, de zoon van Nun, â de dienaar van Mozes, een van zijne uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn lieer j Mozes, verbied ze. 2(J Doch Mozes zeide tot hem; Zijt gij voor mij ijverende? Och of al het volk des Heeren Pro- ; leien waren, dat de Heere zij- | nen Geest over hen gave! 30 Daarna verzamelde zich 1 Mozes tot het leger, hij en de ' oudsten Israels. 31 Toen voer een wind uit van ; den Heere en raapte kwakkelen ; van de zee en strooide ze bij het ; leger, omtrent eene dagreizeher- ! waarts en omtrent eene dagreize i derwaarts, rondom het leger; en . zij waren omtrent twee ellen bo-ven de aarde. ^ ; 32 Toen maakte zich het volk op, dienzelfden geheelen dag en dien ganschen nacht, en den ganschen anderen dag, en zij verzamelden de kwakkelen: die het ; minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor , zich van elkander rondom het j leger. 33 Dat vleesch was nog tus-schen hunne tanden eer het gekauwd was, zoo ontstak de toorn â¢des Heeren tegen het volk, en â de Heere sloeg het volk met -eene zeer groote plage. 34 Daarom heette men den naam dier plaats Kibroth-Taava want daar begroeven zij het volk vdat belust was geweest. |
35 Van Kibroth-Taiiva verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth. HOOFDSTUK 12. Mirjam nu sprak en Atiron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Kuschitische, die hij genomen had; want hij had eene Kuschitische tot vrouw genomen; 2 en zij zeiden: Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft hij ook niet door ons gesproken? En de Heere hoorde het. 3 Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan allemen-schen, die op den aardbodem waren. 4 Toen sprak de Heere haaste-lijk tot Mozes en tot Aaron en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de Tent der samenkomst. En zij drie kwamen uit. 5 Toen kwam de Heere af in de wolkkolom, en stond nan do deur der Tent; daarna riep hij Aaron en Mirjam, en zij beiden kwamen uit. 6 En hij zeide: Hoort nu mijne woorden: zoo daar een Profeet onder u is, ik de Heere zal door een gezicht mij aan hembekend maken, door een droom zal ik met hem spreken. 7 Alzoó is mijn knecht Mozes niet, die in mijn gansche huis getrouw is: 8 van mond tot mond spreek ik met hem en flfooj* aanzien, en niet door duistere woorden, en de gelijkenis des Heeren aanschouwt hij: waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen mijnen knecht, tegen Mozes, te spreken? 9 Zoo ontstak des Heeren toorn tegen hen, en hij ging weg. 10 En de wolk week van boven de Tent; en zie, Mirjam was me-laatsch, wit a's de sneeuw. Eu Aaron zag Mirjam aan, en zie, zij was melaatsch. 11 Daarom zeide Aaron tot Mozes: Och, mijn heer, leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan en waarmede | wij gezondigd hebben. 12 Laat zij toch niet zijn als een doode, van wiens vleesch, als |
NUMERI 13.
Ã79
|
hij nit. zijn moeders lijf nitgaat, de helft wel verteerd is. 13 Mozes dan riep tot den Heere, zeggende: o God, heel ze toch. 14 En de Heere zeide tot Mozes: Zoo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespuwd had, zonde zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat ze zeven darren buiten het leger gesloten en daarna aangenomen worden. 15 Zoo werd Mirjam buiten het üeger zeven dagen gesloten: en ihet volk verreisde niet totdat Mirjam aangenomen werd; 16 maar daarna verreisde het volk van Ilazeroth, en zij legerden zich in de woestijn lJaran. HOOFDSTUK 13. En de Heere sprak tov. Moses, zeggende: 2 Zend u mannen uit die het iland Kanaan verspieden,hetwelk ik den kinderen Israels geven â¢czal: van eiken stam zijner vademen zult gijlieden ééncn man zenden, zijnde ieder een overste â¢onder hen. 3 Mozes dan zond hen uit de woestijn Paran, nnar den mond cles Heerex : alle die mannen waren hoofden der kinderen Israels. 4 En dit zijn hunne namen: van den stam Rubens Sainmua, â¢de zoon van Zokkur; ö van den stam Simeons Safat, de zoon van Hori; 6 van den stam Juda's Kaleb, de zoon van Jefunne; 7 van den stam Issaschars Ji--geal, de zoon van Jozef: 8 van den stam Efraïms Hoséa, de zoon van Nun; 9 van den stam Benjamins Palti, de zoon van Eafu; 10 van den stam Zebulons lt;3addiël, de zoon van Sodi; 11 van den stam Jozefs, voor -den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi; 12 van den stam van Dan Am-miël, de zoon van Gemalli; 13 van den stam Asers Sethur, de zoon van Michaël; 14 van den stam Naftali's Nah-â ?jj, de zoon van Wofsi; |
15 van den stam Gads Guel, do zoon van Machi. 16 Dit zijn de namen der mannen, die^ Mozes zond om dat land te verspieden; en INIozes noemde Hoséa, den zoon van Nun, Jozua. 17 Mozes dan zond hen om het land Kanaan te verspieden, en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het Zuiden, en klimt op het gebergte, 18 en beziet het land hoedanig het zij, en het volk dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel; 19 en hoedanig het land zij waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn in welke hetzelve woont, óf in legers, óf in sterkten; 20 ook hoedanig het land zij, of liet vet zij of mager, of er boomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht I -J ;s lands. Die dagen nu waren j de dagen van de eerste vruchten der wijndruiven. I 21 Alzoo trokken zij op, en ' verspiedden het land, van de i woestijn Zin af tot Kehob toe, | waar men gaat naar Hamath. 22 En zij trokken óp in het Zuiden, en kwamen tot Hebron j toe, _ en daar waren Ahiman, I Sesai en Talmai,Enakskinderen. | Hebron nu was zeven jaren ge-! bouwd vóór Zoan in Egypte. I 23 Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar eene rank af met eenen tros wijndruiven, dien zij droegen met hun tweeën op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen. 24 Die plaats noemde men het. dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden. 25 Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen; 26 en zij gingen henen en I kwamen tot Mozes en tot de 1 geheele vergadering der kinderen I Israels, in de woestijn Paran, I naar Kades, en brachten bescheid 1 weder aan hen en aan de ge- |
|
ISO $ U m i lieele vergadering, en lieten hun de vrucht des land zien; 27 en zij vertelden hem en zeiden: Wij zijn gekomen tot het land, waarhenen gij ons gezonden hebt, en voorwaar het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijne vrucht. 23 Behalve dat het een sterk volk is hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast en zeer groot; en ook hebben wij daar des Enaks kinderen gezien. 20 De Amalekiten wonen in het land van het Zuiden, maar de Hethiten en de Jebusiten en de Amoriten wonen op het gebergte, en de Kanaaniten wonen aan de zee en aan den oever van den Jordaan. Sü Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedigi ijk optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij znllen dat voorzeker overweldigen. 31 Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden; Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. 32 Alzoo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: liet land door hetwelk wij doorgegaan zijn om dat te verspieden, is een land dat zijne inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van groote lengte. 33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen Enaks, van de reuzen; en wij waren als ep~inkhanen in onzeoogen,alzóó waren wij ook in hunne oogen. HOOFDSTUK 14. Toen verhief zich de geheele vergadering, en zij hieven hunne stem op, en het volk wee üde in dien nacht; 2 en alle de kinderen Israels murmureerden tegen Mozes en tegen Atiron, en de geheele vergadering zeide tot hen: Och of wij in Egypteland gestorven wa- |
:ri 14. ren, of dat wij in deze woestijn gestorven waren! 3 Eu waarom brengt ons de Heeke naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en ouzo kinderkens ten roof worden? Zoude het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keeren ? 4 En zij zeiden de één tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeeren naar Egypte. 5 Toen vielen Mozes en Atiron op hunne aangezichten, voor het aangezicht van de gansche gemeente der vergadering van de kinderen Israels. G En Joaua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hunne kleederen; 7 en zij spraken tot de gansche vergadering der kinderen Israels, i zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn om liet to verspieden, is een uitermate goed land. 8 Indien de Heere een welgevallen aan ons heeft, zoo zal hij ons in dat land brengen en zal ons dat geven, een land hetwelk van melk en honig is vloeiende. 9 Alleen zijt tegen den lÃKEPJi; niet wederspaimig, en vreest gij niet het volk dezes lands, want zij zijn _ ons brood. Hunno schaduw is van hen geweken, en de Heere is met ons; vreest hen niet. 10 Toen zeide de gansche vergadering, dat men ze met steenen steenigen zoude. Maar de heerlijkheid des IIeeren verscheen in de Tent der samenkomst voo alle de kinderen Israels, 11 en de Heere zeide tot Mozes: Hoe lang zal mij dat volk tergen, en hoe lang zullen zij aan nüj niet gelooven, door alle teekenen die ik in het midden van hen gedaan heb? 12 Ik zal het met pestilentie slaan en ik zal het verstooten, en ik zal u tot een grooter en sterker volk maken dan dit is. 13 En Mozes zeide tot den Heere : Zoo zullen het de Egyp- |
NU 3.1 EH I 14.
1S1
|
tenaars hooren; want gij hebt door mve kracht dit volk uitliet midden van hen doen optrekken; 14 en zij zullen zeggen tot de inwoners van dat land, die gehoord hebben dat gij, Heere, in liet midden van dit volk zijt, dat gij, Heere, oog aan oog gezien wordt, dat uwe wolk over hen staat, en gij in eene wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags en in ecne vuurkolom des nachts. 15 En zoudt gij dit volk als een éénig mnn dooden, zoo zouden de heidenen, die uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende: lü Omdat de Heere dit volk niet konde brengen in dat land, hetwelk hij hun gezworen had, zoo heeft hij ze geslacht in de woestijn. 17 Nu dan, laat toch de kracht des Heek ex groot worden, gelijk als gij gesproken hebt,zeggende: IS De Heere is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die den schuUUrje geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. 10 Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte uwer goedertierenheid, en gelijk als gij ze dezen volke van Egypteland af tot hiertoe vergeven hebt. 20 En de Heere zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord. 21 Doch zekerlijk, zoo icaar-achtig als ik leef, zoo zal de gansche aarde met de heerlijkheid des Heeren vervuld worden. 22 Want alle de mannen die gezien hebben mijne heerlijkheid en mijne teekenen, die ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en mij nu tienmaal verzocht hebben, en mijner i stemme niet zijn gehoorzaam geweest, â 23 zoo zij het land, hetwelk ⢠ik hunnen vaderen gezworen i heb, zien zullen! Ja, geene van die mij getergd hebben zullen dat zien. |
24 Doch mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is en hij volhard heeft mij na te volgen, zoo zal ik hem brengen tot het land in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. 25 De Amalekiten nu en de Kanaaniten wonen in dat dal; wendt u morgen, en maakt uwe reis naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee. 2G Daarna sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 27 Hue lang zal ik bij deze booze vergadering zijn, dié tegen mij zijn mwrmureerende? Ik heb gehoord de murmureeringen der kinderen Israels, waarmede zij tegen mij zijn murmureerende; 28 zeg tot hen: Zoo waarachtig allt; ik leef, spreekt de Heere, indien ik u Me den zóó niet doe, gelijk als gij in mijne ooren gespro ke,n hebt! 29 Uwe doodo lichamen zullen in deze woestijn vallen; en allo uwe getelden, naar uw geheele getal, van twintig jaar oud en daarboven, gij die tegen mij gemurmureerd hebt, 30 zoo gij in dat land komt over hetwelk ik mijne hand opgeheven heb, dat ik u daarin zoude doen wonen! behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. 31 En uwe kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden, die zal ik daarin brengen, en die zullen het land kennen, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt. 32 Maar u aangaande, u we doode lichamen zullen in deze woestijn vallen. 33 En uwe kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn veertig jaar, en zullen uwe hoererijen dragen, totdat uwe doode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. 34 Naar het getal der dagen in dewelke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult gij uwe ongerech- |
|
182 NU Ml tigheden dragen veertig jaar, en zult gewaar worden mijne afbreking. 35 Ik, de Heere, heb gesproken: zoo ik dit deze gansche booze vergadering dergenen, die zich tegen mij verzameld hebben, niet doe! zij zullen in deze â woestijn te niet worden en zuilen daar sterven. 3G En die mannen, die Mozes gezonden had om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde de gansche vergadering tegen hem hadden doenmurmu-reeren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende, 37 diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat^ land voortgebracht hadden, stierven door een plage voor het aangezicht des Heerex. 38 Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levend van de mannen, die henengegaan waren om het land te verspieden. 39 En Mozes sprak deze woorden tot alle kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer, 40 en zij stonden des morgens vroeg op en klommen op de hoogte des bergs, zeggende; Zie hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de Heere gezegd heeft, want wij hebben gezondigd. 41 Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij al zóó het bevel des Heeren? want dat zal geen voorspoed hebben. 42 Trekt niet op, want de Heere zal in liet midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt voor het aangezicht uwer vijanden. 43 Want de_ Amalekiten en Kanaaniten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want omdat gij u afgekeerd hebt van den Heere, zoo zal de Heere met u niet zijn. 44 Nochtans poogden zij vermetel op de hoogte des bergs ie yiimmen; maar de Arke des verbonds des Heeren en Mozes scheidden niet uit het midden des legers. |
R1 15. 45 Toen kwamen de Amalekiten en de Kanaaniten, die in dat gebergte woonden, af en sloegen ze, en versmeten ze toï Horma toe. HOOFDSTUK 15. Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer gij gekomen zult zijn in het land uwer woningen dat ik u geven zal, 3 en gij een vuuroüer den Heere zult doen, een brandoffer of slachtoffer, om af te zonderen eene gelofte, óf in een vrijwillig offer, óf in uwe gezette hoogtijden, om den Heere een liefelijken reuk te maken van runderen of van klein vee, 4 zoo zal hij die zijne offerande den Heere offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie. 5 En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een hin, zult gij^ bereiden bij een brandoffer of bij een slachtoffer, voor één lam. 6 Of voor een ram zult gij eon spijsoffer bereiden van twee tienden meelbloem, gemengd mek olie, een derde deel van een hin. 7 En wijn ten drankoffer, een derde deel van een hin, zult gij offeren ten liefelijken reuke den Heere. 8 En wanneer gij een jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slachtoffer, om een gelofte af te zonderen, of ten dankoffer den Heere, 9 zoo zal hi. bij een jong rund offeren een spijsoffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin. 10 En wijn zult gij offerenten drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den Heere. 11 Alzóó zal gedaan worden met den eenen os of den eenen ram, of met het kleine vee, van de lammeren of van de geiten: 12 naar het getal dat gij be- |
|
NUME] reiden zult, zult gij alzóo doen j met elk een, naar hun getal. 13 Alle inboorling zal deze dingen alzóó doen, oiferende een vuurofter ten llefelijken reuke i den Heere. 14 quot;Wanneer ook een vreemdeling bij n als vreemdeling verkeert, of die in het midden van u is in uwe geslachten, en hij een vuuroöer zal bereiden ten liefelijken reuke den Heere, gelijk gij zult doen alzóó zal hij doen. 15 Gij gemeente, het zij ulie-den en den vreemdeling, die als vreemdeling hij u verkeert, ; éénerlei inzetting, ter eeuwige inzetting bij uwe geslachten; gelijk gijlieden, alzóó zal de vreemdeling ^ voor des Heeren | aangezicht zijn : 16 éénerlei wet en éénerlei 1 recht zal ulieden zijn en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert. 17 Voorts sprak de Heere tot Mozes zeggende: 18 Spreek tot do kinderen Israels en zeg tot hen: Als gij zult gekomen zijn in het land waarheen ik u brengen zal, 19 zoo zal het geschieden als gij van het brood des lands zult eten, dan zult gij don Heere een hefoffer olferen. 20 De eerstelingen uws deegs, een koek zult gij tot een hef- j offer offeren; gelijk het hefoffer des dorschvloers zult gij dat offeren: 21 van de eerstelingen uws i deegs^ zult gij den Heere een hefoffer geven, bij u-we gesiach- 1 ten. _ j 22 Voorts wanneer gijlieden afgedwaald zult zijn, on niet | gedaan hebben alle deze geboden, â die de Heere tot Mozes gespro- : ken heeft, 23 alles wat u de Heere door de hand van Mozes geboden heeft, van dien dag af dat het de Heere geboden heeft, en voortaan bij uwe geslachten; 24 zoo zal het geschieden, indien iets bij dwaling gedaan en voor de oogen der vergadering |
[I I 15. ISS» verhorgen is, dat de gansche vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer ten liefelijken reuke den Heere, met zijn spijsoffer en zijn drank-offer naar de wijze, en een geiten-bok ten zondoffer. 25 En de priester zal de verzoening doen voor de gansche-vergadering der kinderen Israels,, en het zal hun vergeven worden; want liet was eene afdwaling, en zij hebben hunne offerande gebracht een vuuroffer den Heere,. en hun zondoffer, voor het aangezicht des Heeren, over hunne afdwaling. 26 Het zal dan aan de gansche vergadering der kinderen Israëls-vergeven worden, ook den vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert; want het is den ganschen volke door dwaling overkomen. 27 En indien eene ziele door afdwaling gezondigd zal hebben,, die zal een eenjarige geit ten zondoffer offeren: 28 en de Priester zal de verzoening doen over de dwalende ziele, als zij gezondigd heeft door afdwaling voor het aangezicht dos Heeren, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden. 29 Den inboorling der kinderen Israels, en den vreemdeling die in hun midden als^vreemdeling verkeert, éénerlei wet zal ulieden zijn, dengenen die het door afdwaling doet. 30 Maar de ziele die iets zal gedaan hebben met opgeheven, hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den Heere, en die ziele zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk, 31 want zij heeft het Woord des Heeren veracht en zijn gebod vernietigd: die ziele zal zekerlijk uitgeroeid worden, hare ongerechtigheid is op haar. 32 Als nu de kinderen Israels in de woestijn waren zoo vonden zij eenen man hout lezendo-op den sabbatdag. S3 En die hem vonden hou^ |
NUMEIM 16.
\P4
|
lezende brachten hem totMozes e?i tot Aaron en tot de gansche vei gadering. 34 En zij stelden hem in beharing; want het was niet verklaard wat hem gedaan zoude worden. 35 Zoo zeide de Hf.ere tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden : de gansche vergadering zal_ hem met steenen steenigen buiten het leger. 3(gt; Toen bracht hem de gansche vergadering uit tot buiten het leger, en zij steenigden hem met fteenen dat hij stierf, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 37 En de Heere sprak totMozes, zeggende: 38 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen, dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hunner kleederen, bij hunne geslachten, en op de snoertjes des hoeks zullen zij een hemels-blauwen draad zetten; 39 en hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet en aan alle do geboden des Heeren gedenkt, en die doet; en gij zult naar uw hart en naar uwe oogen niet speuren, die gij 3,iH na hoereerende; '40 opdat gij gedenkt en doet alle mi ine geboden, en uwen God heilig zijt. 41 Ik ben do Heere uw God, dip u uit Egypteland uitgevoerd heb om u tot een God te zijn: ik ben de Heere uw God. HOOFDSTUK 10. Korach nu, de zoon van Jiz-har, den zoon van Kohath, den zoon van Levi, nam tot zich zoo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, den zoon van Pe-leth, zonen van lluben; 2 en zij stonden op voor het aangezicht van Mozes mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit dc ' kinderen Israels, oversten der vergadering; de geroepenen der samenkomst, mannen van naam; |
3 en zij vergaderden zich tegen Mozes en tegen Aaron, en zeiden tot hen: liet is te veel voor u; want deze gansche vergadering, zij allen zijn heilig, en de Heere is in het midden van hen; waarom dan verheit gijlieden u over de gemeente des Heer en? 4 Als Mozes dit hoorde, zoo viel hij op zijn aangezicht, ö en hij sprak tot K orach en tot zijne gansche vergadering, zeggende: Morgen vroeg, dan zal dcquot; Heere bekend maken, wie de zijne en de heilige zij, dien hij tot zich zal doen naderen; cii wien hij verkoren zal hebben, dien zal hij tot zicli doen naderen. (ï Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijne gansche vergadering, 7 en doet morgen vuur daarin, le^t reukwerk daarop voor het aangezicht des Heeren ; en het zal geschieden, dat de man, dien de Heere verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij kinderen van Levi. 8 Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij kinderen van Len: 9 is het u te weinig, dat de God Israels u van de vergadering Israels heelt afgescheiden, } om ulieden tot zich te doen naderen, om den dienst van des Heeren Tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te dienen? 1à Daar hij u en allo uwe broederen, de kinderen van Levi, met u heeft doen naderen, zoekt gij nu ook het Priesterambt? 11 Daarom gij en uwe gansche vergadering, gij zijt vergaderd tegen den Heere; want Aaron, wat is hij, dat gij tegen hem murmureert? 12 En Mozes zond henen om Dathan en Abiram, de zonen Eliabs, te roepen ; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen. 13 Is het te weinig, dat gij ons uit een land van melk en honig vloeiende hebt opgevoerd, om ons te dooden in de woestijn, dat gij ook u zei ven ten eenen-male over on» tot een overheer maakt ? |
|
N C ME 14 Ook hebt gij ons niet gebracht in een land, dat van melk en honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult ^ gij de oogen dezer mannen uitgraven? Wij zuilen niet opkomen. 15 Toen ontstak Mozea zeer, en hij zeide tot den Heeke : Zie luin offer niet aan; ik heb niet éünen ezel van hen genomen, en niet éénen van hen kwaad gedaan. 16 Voorts zeide Mozes tot Ko-rach ^ Gij en uwe gansche vergadering, weest voor het aango-zicht des Heeken, gij en zij, ook Aüron, op morgen: 17 en neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het. aangezicht des Heeken een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook gij en Aaron, een ieder zijn wierookvat. 18 Zoo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin ; en zij stonden voor de deur van de Tent der samenkomst, ook Mozes en Aaron; 19 en Korach deed de gansche vergadering tegen hen verzamelen aan de deur van de Tent der samenkomst. Toen verscheen do heerlijkheid des Heeren aan deze gansche vergadering, 20 en de Heere sprak tot Mozes en tot Aaron zeggende: 21 Scheid u af uit het midden van deze vergadering, en ik zal ze als in een oogenblik verteren. 22 Maar zij vielen op hunne aangezichten en zeiden: o God, God der geesten alles vleesches, een éénig man zal gezondigd hebben, en zult gij u over deze gansche vergadering grootelijks vertoornen ? 23 En de Heere sprak tot Mozes zeggende : 24 Spreek tot deze vergadering, zeggende : Gaat op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram. 25 Toen stond Mozes op en |
EI 16. 185 ging tot Dathan en Abiram, en achter hen gingen do oudsten van Israël. 2G En hij sprak tot de vergadering, zeggende: quot;Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloozo mannen, en roert niets aan van hetgeen dat het hunne is, opdat gij niet misschien verdaan wordt in alle hunne zonden. 27 Zoo gingen zij óp van de woningen van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur hunner tenten, met hunne vrouwen en hunne zonen en hunne kinderken s. 28 Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de Heere mij gezonden heeft om alledezo daden te doen, dat zij niet mijn eigen^harte zijn: 29 indien daze zullen sterven gelijk alle menschen sterven, en over hen eene bezoeking zal gedaan worden naar aller menschen bezoeking, zoo heeft mij de Heere niet gezonden; 30 maar indien de Heere wat-nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijnen mond zal opdoen, en verslinden ze met alles wat het hunne is, en zij levend ter helle zullen nedervaren, alsdan zult gij bekennen dat deze mannen den Heere getergd hebben. 31 En het geschiedde als hij geëindigd had alle deze woorden te spreken, zoo werd het aardrijk dat onder hen was, gekloofd, 32 en de aarde opende haren mond, en verslond ze met hunne huizen, en alle menschen, die Korach toebehoorden en al de have; 33 en zij voeren neder, zij en alles wat het hunne was, levend ter helle, en de aarde overdekte-ze, en zij kwamen óm uit het midden der gemeente. 34 En het gansche Israël, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei: want zij zeiden; Dat ons de aarde misschien niet verslinde. 35 Daartoe ging een vuur uit van den Heere, en verteerde |
NUMERI 17.
1S6
|
die tweehonderd en vijftig man-â¢nen, die reukwerk offerden. 36 En de Heere sprak tot Mo-â zes, zeggende: 37 Zeg tot Eleazar, den zoon Aarons des Priesters, dat hij de â wierookvaten uit den brand op-neme, en strooi het vuur ver weg, want zij zijn heilig: 38 tc weten de wierookvaten van deze, die tegen hunne zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overtreksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht des Heeeex, daarom zijn ze heilig, en zij zuilen den kinderen Israels tot een teeken zijn. 39 En Eleazar de Priester nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, «n zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar, 40 ter gedachtenis voor de kinderen Israels, omdat memand vreemds, die niet uit den zade Aarons is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aango-â zicht des Heeren, opdat hij niet worde als Korach en zijne vergadering; gelijk als hem de Heere door den dienst van Mo-zee gesproken had. 41 Maar des anderen daags murmureerde de gansche vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en tegen Aaron, zeggende: Gijlieden hebt des Heeren volk gedood. 42 En _ het geschiedde als de vergadering zich verzamelde telgen Mozes en Aaron, en zich wendde naar de Tent der samenkomst, zie, zoo bedekte ze die -wolk, en de heerlijkheid des Heeren verscheen. ^ 43 Mozes nu en Aaron kwamen tot voor de Tent der samenkomst ; 44 toen sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 45 Maak u óp uit het midden van deze vergadering; en ik zal ze verteren als in een oogenblik. Toen vielen zij op hunne aangezichten, 46 en Mozes zeide tot Aaron: |
Neem het wierookvat, en doo vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop ; haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een groote toorn is van voor het aangezicht des Heeren uitgegaan, de plage heeft aangevangen. 47 En Aaron nam het, gelijk als Mozes gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en zie, de plage had aangevangen onder het volk: en hij leide reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk, 48 en hij stond tnsschen de dooden en tnsschen de levenden: alzoo werd de plage opgehouden. 49 Die nu aan die plage gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach. .00 En Aüron keerde weder tot Mozes aan de deur van de Tent der samenkomst; en de plage was opgehouden. HOOFDSTUK 17. Toen sprak de Heere tot Mozes zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israël s, en neem van hen voor elk vaderlijk huis eenen staf, van alle hunne oversten, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; eens iegelijks naam zult gij schrijven op zijnen staf. 3 Docli Aarons naam zult gij schrijven op den staf van Levi; want één staf zal er zijn voor het hoofd des huizes hunner vaderen: 4 en gij zult ze wegleggen in de Tent der samenkomst vóór de getuigenis, waarhenen ik met ulieden samenkomen zal. 5 En het zal gescliieden dat de staf des mans, dien ik zal verkoren hebben, zal bloeien, en ik zal stillen de murmureeringen der kinderen Israels tegen mij, welke zij tegen ulieden murmu-reeren. 6 Mozes dan sprak tot de kinderen Israels; en alle hunne oversten gaven aan hem eenen staf, voor eiken overste éénen |
NÃMERI 18.
187
|
fltflf, naar liet huis hnnner vaderen, twaalf staven; Aarons staf was óók onder hunne staven. 7 En Mozes lei de deze staven weg voor het aangezicht des Heeren, in de Tent der getuigenis. 8 Het geschiedde nu des anderen daags, dat Mozes in de Tent der getuigenis inging; en ,zie, Aiirons staf, voor den huize Levi, bloeide; want li ij bracht bloeisel voort, en bloesemdo bloesem en droeg amandelen. 9 Toen bracht Mozes alle deze -staven uit van voor het aangezicht des Heehen tot alle de 'kinderen Israels; en zij zagen ïiet en namen elk zijnen staf. 10 Toen zeide de Heeee tot Mozes: Breng den staf van Aaron weder vóór de getuigenis in bewaring, tot een teeken voor de wederspannige kinderen; alzoo zult gij een einde maken van hunne murmureeringen tegen mij, dat zi.i niet sterven. 11 En Mozes deed het; gelijk als de Heere hem geboden had, uJzóó deed hij. 12 Toen spraken de kinderen Israels tot Mozes, zeggende; Zie, wij geven den geest, wij vergaan, wij allen vergaan: ^ 13 al wie eenigszins nadert tot den Tabernakel des Heeren zal sterven: zullen wij dan den geest gevende verdaan worden? HOOFDSTUK 18. Zoo zeide de Heere tot Aaron: â Gij, en uwe zonen en het huis «ws vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid des heiligdoms; on gij, en uwe zonen niet u, zult dragen de ongerechtigheid uws Priesterambts. 2 En ook zult gij uwe broederen, den stam Levi, den stam uws vaders, niet u doen naderen, dat _ zij u bijgevoegd worden en xi dienen; maar gij, en uwe zonen met u, zult zijn vóór de Tent der getuigenis. 3 Ãn zij zullen uwe wacht waarnemen, en de wacht der ganse he Tent; doch tot het ge-foedschap des heiligdoms en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zoo zij als gijlieden. |
4 Maar zij zullen u bijgevoegd worden en de wacht van de Tent der samenkomst waarnemen, in allen dienst der Tent; en een vreemde zal tot u niet naderen. 5 Gijlieden nu zult waarnemen de wacht des heiligdoms en de wacht des altaars, opdat er geen verbolgenheid meer zij over de kinderen Israels. 6 Want ik, zie, ik heb uwe broederen de Leviten uit het midden der kinderen Israels genomen ; zij zijn ulieden eene gave, gegeven den Heere. om den dienst van de Tent der samenkomst te bedienen. 7 Maar gij, en uwe zonen met u, zult ul ieder Priesterambt waarnemen in alle zaken des altaars, en in hetgeen van binnen den voorhang is, dat zult gijlieden bedienen: uw Priesterambt geef ik u tot eenen dienst eens geschenks; en de vreemde die nadert zal gedood worden. 8 Voorts sprak de Heere tot Aaron: En ik, zie, ik heb u gegeven do wacht mijner hefolïe-ren, met alle heilige dingen der kinderen Israels heb ik ze u gegeven om der zalving wille, en aan _ uwe _ zonen tot eene eeuwige inzetting. 9 Dit zult gij hebben van de heiligheid der heiligheden, uit het vuur: alle hunne offeranden, met alle hunne spijsoffer, en met al hun zondoffer, dat zij mij zullen wedergeven, het zal u en uwen zonen eene heiligheid der heiligheden zijn. 10 Aan het allerheiligste zult gij dat eten: al wat mannelijk is zal dat eten, het zal u een heiligheid zijn. 11 Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer hunner gave, met alle be weegofferen der kinderen Israels; ik heb ze u gegeven en uwen zonen en uwen dochteren met ii, tot eene eeuwige inzetting; al wie in uwe huizen rein is zal dat eten. 12 Al het beste van de olio. |
NUMEEI 18.
1S8
|
en al het beste van most en van koren, hunne eerstelingen, die zij den Heere zullen geven, u heb ik ze gegeven. 13 De eerste vruchten van alles dat in hun land is, die zij den Heeke zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is zal dat eten. 14 Al het verbannene in Israël zal uwe zijn. 15 Al wat de baarmoeder opent, van alle vleesch dat zij den Heere zullen brengen, onder de menschen en onder de beesten, zal uwe zijn; doch de eerstgeborenen der menschen zult gij ganschelijk lossen, ook zult gij lossen de eerstgeborenen der onreine beesten. 16 Die nu onder dezelve gelost zullen worden, zult gij van eene maand oud lossen, naar uwe schatting, voor het geld van vijf eikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, die is twintig gera. 17 Maar het eerstgeborene van eene koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van eene geit, zult gij niet lossen: zij zijn heilig; hun bloed zult gij sprengen op het altaar, en hun vet zult gij aansteken tot een vuu roller van liefelijken reuk den Iïeere, 18 en hun vleesch zal uwe zijn; gelijk de beweegborst en gelijk de rechterschouder, zal 't uwe zijn. 19 Alle hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israels den Heere zullen oüeren, heb ik u gegeven, en uwen zonen en uwen dochteren_ met u, tot eene eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn voor het aangezicht des heeren,voor u en voor uwen zade met u. 20 Ook zeide de Heere tot Aaron: Gij zult in hun land niet erven, en gij zult geen deel in het midden van henlieden hebben: ik ben uw deel en uwe erfenis in het midden der kinderen Israels. 21 En zie, aan de kinderen van Levi heb ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hunnen dienst dien zij bedienen, den dienst van de Tent der samenkomst. |
22 En de kinderen Israels zullen niet meer naderen tot de Tent der samenkomst, om zonde te dragen en te sterven; 23 maar de Leviten, die zullen bedienen den dienst van de Tent der samenkomst, en die zullen hunne ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uwe geslachten ; en in het midden der kinderen Israels zullen zij ge ene erfenis erven. 24 Want de tienden der kinderen Israels, die zij den Heere tot een hefoffer zullen ofleren, heb ik den Leviten tot een erfenis gegeven; daarom heb ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden der kinderen Israels geene erfenis erven. 25 En de Herre sprak tot Mo-zes zeggende: 26 Gij zult ook tot de Leviten spreken en tothen zeggen: Wanneer gij van de kinderen Israels de tienden zult ontvangen hebben, die ik u voor uwe erfenis van hen gegeven heb, zoo zult gij daarvan een hefofier des Heeren offeren, de tienden van die tienden; 27 en het zal u gerekend worden tot uw hefofter, als koren van den dorschvloer en als de volheid van de perskuip. 28 Al zóó zult gij óók een hefoffer des Heeren offeren van alle uwe tienden, die gij van de kinderen Israëls zult hebben ontvangen, en gij zult daarvan des Heeren hefoffer geven aan den Priester Aaron; 29 van alle uwe gaven zult gij alle hefoffer des Heeren offeren: van al het beste van die, zijn heiliging daarvan. 30 Gij zult dan tot hen zeggen : Als gij deszelfs beste daarvan offert, zoo zal het den Leviten toegerekend worden als een inkomen des dorschvloer» en als een inkomen der perskuip. 31 En gij zult dat eten in alle plaatsen, gij en uw hui»; |
|
NUM] want liet is nlieden een loon voor uwen dienst in de Tent der samenkomst. 32 Zoo zult gij daarover geene zonde dragen, als gij dcszelfs beste daarvan offert; en gij zult de heilige dingen der kinderen Israëls niet ontheiligen, dat gij niet sterft. HOOFDSTUK 19. Wijders sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 2 Dit is de inzetting van de wet die de Heeee geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij tot u brengen eene roode volkomene vaars, in dewelke geen gebrek is, op dewelke geen juk gekomen is. 3 En gij zult die geven aan Eleazar den Priester; en hij zal ze uitbrengen tot buiten het leger^ en men zal ze voor zijn aangezicht slachten. 4 En Eleazar de Priester zal van haar bloed met zijnen vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de Tent der samenkomst zevenmaal sprengen. o Voorts zal men deze vaars voor zijne oogen verbranden; haar vel, en haar vleesch, en haar bloed met haren mest zal men verbranden. 6 En de Priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van den brand dezer vaars. 7 Dan zal de Priester zijne klee-'leren wasschen en zijn vleesch met water baden/, en daarna in het leger gaan; en de Priester zal onrein zijn tot aan den avond. 8 Ook die haar verbrand heeft zal zijne kleederen met water wasschen en zijn vleesch met water baden, en onrein zijn tot nan den avond. 9 En een rein man zal de asch dezer vaars verzamelen en buiten het leger in eene reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering der kinderen Israëls, tot het water der afzondering; het is ontzondiging. 10 En die de asch dezer vaars verzameld heeft zal zijne klee- |
Pvl 19. 189 deren wasschen, en onrein zijn tot aan den avond. Dit zal den kinderen Israëls, en den vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tot eene eeuwige inzetting zijn. 11 Wie een doode, eenig dood lichaam van een mensch, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. 12 Op den derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zoo zal hij op den zevenden dag rein zijn; maar indien hij zich op den derden dag niet ontzondigt, zoo zal hij op den zevenden dag niet rein zijn. 13 Al wie een doode, het doode lichaam eens menschen die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt den Tabernakel des Heeren ; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël; omdat liet water der afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn: zijne onreinigheid is nog in hem. 14 Dit is de wet wanneer een mensch zal gestorven zijn in eene tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn. 15 Ook alle open gereedschap, waarop geen deksel gebonden is, dat is onrein. 16 En al wie in het open veld eenen die met den zwaarde verslagen is, of eenen doode, of het gebeente eens menschen, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn. 17 Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof des brands der ontzondiging, en daarop levend water doen in een vat. 18 En een rein man zal hysop nemen en in «Jat water doopen, en sprengen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan do zielen die daar geweest zijn; insgelijks aan dengenen, die een gebeente of een verslagene of een doode of een graf aangeroerd heeft. 19 En de reine zal den onreine op den derden dag en op den zevenden dag besprengen, en op |
NUMEEI 20.
190
|
den zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijne kleederen wasschen en zich met. water baden, en op den avond rein zijn. 20 \s ie daarentegen onrein zal zijn en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden der gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom des IIee-bex verontreinigd, het water der afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein. 21 Dit zal hun zijn tot cene eeuwige inzetting. Ãn die het water der afzondering sprengt, zal zijne kleederen wasschon; ook wie het water der afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan den avond. 22 Ja, al wat die onreine aangeroerd zal hebben zal onrein zijn, en de ziel die dat aangeroerd zal hebben zal onrein zijn tot aan den avond. HOOFDSTUK 20. Als de kinderen Israels, degan-eche vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren in de eerste maand, zoo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven. 2 Ãn daar was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aaron, 3 en het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och. of wij den geest gegeven hadden toen onze broeders voor het aangezicht des Heeken den geest gaven! 4 Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des Heeren in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten? Ã En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken. _ |
6 Toen ging Mozes en Aiiron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de Tent der sa^ menkomst, en zij vielen op hunne aangezichten, en de heerlijkheid des Hekken verscheen hun, 7 en de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 8 Neem dien staf en verzamel de vergadering, gij en Aiiron uw broeder, en spreekt gijlieden tot de steenrots voor hunne oogen, zoo zal zij haar water geven; al-zoo zult gij hun water voortbrengen uit de steenrots, en gij zult de vergadering en hunne beesten drenken. 9 Toen nam Mozes den staf van voor het aangezicht des Heeren, gelijk als hij hem geboden had, 10 en Mozes en Aaron vergaderden de gemeente vóór de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoorfe toch gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen ? 11 Toen hief Mozes zijne hand op en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijnen staf, en daar kwam veel water uit, zoodat de vergadering dronk, en hunne beesten. 12 Derhalve zeide de Heere tot Mozes en tot Aiiron: Omdat gijlieden mij niet geloofd hebt, dat gij mij heiligdet voor de oogen der kinderen Israels, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in dat land, hetwelk ik hun gegeven heb. 13 Dit zijn de_ wateren van Meriba, daar de kinderen Israels met den Heere om getwist hebben ; en hij werd aan hen geheiligd. 14 Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den Koning van Edom, welke zeiden: Alzóo zegt uw broeder Israël: Gij weetal de moeite die ons ontmoet is; 15 dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypto vele dagen gewoond hebben, en dat de Egyptenaars ons en onzen vaderen kwaad gedaan hebben; 16 toen riepen wij tot den Heere, en hij hoorde onze stem, en hij zond eenen Engel, en hij leidde ons uit Egypte, en zie, wij |
NÃMEEI 21.
m
|
zijn te Kade.s, eene stad aan liet uiterste uwer landpale. 17 Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker noch door de wijngaarden, en zullen het water der putten niet drinken: wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter-noch ter linkerhand, totdat wij door uwe landpalen zuilen getrokken zijn. 18 Doch Edom zeide tot hein: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met den zwaarde uitga u tegemoet. 19 Toen zeiden de kinderen Israels tot hem: Wij zuilendoor den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zoo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken. 20 Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken; en Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk en met eene sterke hand. 21 Alzoo weigerde Edom Israël toe te laten door zijne landpale te trekken; daarom week Israël van hem af. 22 Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de gansche vergadering, aan. den berg Hor. 23 De Heere nu sprak tot Mo-zea en tot Aaron aan den berg Hor, aan de pale van het land Edoms, zeggende: 24 Aiiron zal tot zijne volken verzameld worden, want hij zal niet komen in het land, hetwelk ik den kinderen Israels gegeven heb, omdat gijlieden mijnen mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba. 25 Neem Aiiron en Eleazar zijnen zoon, en doe ze opklimmen tot den berg Hor, 2ü en trek Aiiron zijne kleederen nit, en trek ze Eleazar zijnen zoon aan; want Aiiron zal verzameld worden en daar sterven. 27 Mozes nu deed gelijk de Heere geboden had; want zij beklommen den berg Hor voor de oogen der gansche vergadering, |
28 en Mozes trok Aiiron zijne-kleederen uit, en hij trok ze zijner zoon Eleazar aan; en Aiiron stierl* aldaar, op de hoogte van dien berg. Toen^kwam Mozes en Eleazar van dien berg af. 29 Toen nu de gansche vergadering zag dat Aiiron overleden was, zoo beweenden zij Aaron dertig dagen, het gansche huis Israels. HOOFDSTUK 21. Als de Kanaaniet, de Koning van Arad, wonende tegen het Zuiden, hoorde dat Israël door den weg der verspieders kwam. zoo streed hij tegen Israël, en hij voerde eenige gevangenen uit hen gevankelijk weg. 2 Toen beloofde Israël den Heere eene gelofte, en zeido: Indien gij dit volk geheel in mijne hand geeft, zoo zal ik hunne steden verbannen. 3 De Heere dan verhoorde de» stemme Israëls, en gaf de Kana-aniten over, en hij verbande henen hunne steden; en hij noemde den naam der plaats Horrna. 4 Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomiten henentogen ; doch des volks ziele werd verdrietig op dezen weg, 5 en het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen opt trekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in deze woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziele walgt over dit zeer lichte brood. 6 Toen zond de Heere vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volksvan Israël. 7 Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den Heere en tegen u gesproken hebben; bid den Heere dat hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. 8 En de Heere zeide tot Mozes: Maak u eene vurige slang, en stel ze op eene stang; en hetzagt; |
HUMERI 21.
192
|
geschieden dat al wie gebeten is, *iis hij ze aanziet zoo zai hij leven. 9 En Mozes maakte eene koperen slang en stelde ze op een stang; en het geschiedde als eene slang iemand beet, zoo zag hij de koperen slang aan en hij bleef levend. lü Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth. 11 Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan do heuvelen van Abarim in de woestijn, â die tegenover Moab ie, tegen den opgang der zon. 12 Van daar reisden zij en legerden zich bij de beek Zered. 13 Van daar reisden zij en legerden zich aan deze zijde van de 1 ^rnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Anioriten; want de Arnon is de landpale van Moab, tusschen Moab en tusschen de Amoriten, 14 (daarom wordt gezegd in hot boek der oorlogen des Heeken: Tegen Walieb, in eenen wervelwind, en tegen de beken Arnon), ^ 15 en den afloop der beken, die zich naar de ligging van Ar wendt, en leunt aan de landpale Moabs. 16 En# van daar reisden zij naar Beër. Dit is de put, van welken de Heere tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zoo zal ik hun water geven. 17 (Toen zong Israël dit lied: Spring óp, gij put; zingt daarvan bij beurte; 18 gij put, dien de Vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hunne staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana; 19 en van Mattana tot Nahaliël; en van Nahaliël tot Bamoth; 20fen van Bamoth tot het dal. dat in het veld Moabs is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet. 21 Toen zond Israël boden tot Sihon, den Koning der Amoriten, zeggende: |
22 Laat mij door uw land trekken; wij zullen niet afwijken in de akkers noch in de wijngaarden, wijt zullen het water der patten niet drinken: wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uwe landpale doorgetogen zijn. 23 Doch Sihon liet Israël niet toe door zijne landpalen door te trekken, maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet naar de woestijn, en hij kwam te Jahaz en streed tegen Israël. 24 Maar Israël sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Amnions; want de landpale der kinderen Amnions was vast. 25 Alzoo nam Israël alle deze steden in, en Israël woonde in alle de steden der Amoriten, te Kesbon en in alle hare onder-hoorige plaatsen. 2o Want Hesbon was de stad Sihons, des Konings der Amoriten; en hij had gestreden tegen den vorigen Koning der Moabi-ten, en hij had al zijn land uit zijne hand genomen, tot aan de Arnon. 27 Daarom zeggen zij tlie spreekwoorden gebruiken: Komt te Hesbon; men bouwe en be vestige de stad Sihons. 28 quot;Want daar is een vuur uitgegaan uit Hesbon, eene vlam uit de stad Sihons, zij heeft verteerd Ar der Moabiten, en de heeren der hoogten van de Arnon. ^29 Wee u Moab, gij volk van Kamos zijt verloren: hij heeft zijne zonen die ontliepen en zijne dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den Koning der Amoriten: 30 en wij hebben ze nederge-veld; Hesbon is verloren totDi-bon toe; en wij hebben ze verwoest tot Nofah toe, welke tot Medeba toe reiki. 31 Alzoo woonde Israël in het land des Amoriets. 32 Daarna zond Mozes_ om Jaëzer te verspieden; en zij namen hare onderhoorige plaatsen in, en hij dreef de Amoriten |
|
NUMl ïer ^aar waren uit de bezitting. ie 33 Toen wendden zij zich en ,n trokken op den weg van Basan, rp!. en Og, de Koning van Basan 3 ' ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd in Edreï. ^ 34 De Heeke nu zeide tot Mo-(|0 zes: Vrees hem niet, wantik heb jj. hem in uwe hand gegeven, en al jjj* zijn volk, ook zijn land, en gij ej zult hem doen gelijk als g:j Si-hon, den Koning der Amoriten, e{. die te Hesbon woonde, gedaan m [0. 35 En zij sloegen hem en zijne zonen en al zijn volk, alzoo dat ^ hem niemand overbleef: en zij namen zijn land in erfelijke bezitting. zo HOOFDSTUK 22. (â¢Â£ Daarna reisden de kinderen j.. Israels, en legerden zich in de vlakke velden Moabs, aan daze ^ zij de van den J ordaan van J ericlio. 2 Toen Balak, de zoon Zippors, 1-l zag al wat Israël aan de Amori-l_ ten gedaan had, 3 zoo vreesde Moab zeer voor e het aangezicht dezes volks, want het was veel; en Moab was be-â _ angst voor het aangezicht der 0 kinderen Israels. e 4 Derhalve zeide Moab tot de oudsten der Midianiten: Nu zal deze gemeente oplikken ai wat 1 rondom ons is, gelijk de os het groen des velds oplikt. Te dier 3 tijd nu was Balak, de zoon Zippors, Koning der Moabiten. i 5 Die zond. boden aan Bileam, u den zoon Beors te Pethor, welke , aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen,^ zeggende: Zie, daar is een volk uit Egypte getogen;zie,het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij: ü en nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik: misschien zal ik het kunnen slaan of zal het uit het land verdrijven; want ik we^t, dat wien gij zegent, die zal gezegend zijn, en wien gij vervloeit, die zal vervloekt zijn. 7 Toen gingen de oudsten der |
E I 22. 193 Moabiten en de oudsten der Midianiten, en hadden het loon der waarzeggingen in hunne hand; alzoo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden Balaks. 8 Hij dan zeide tot hen: Vernacht hier dezen nacht, zoo zal ik ulieden een antwoord weder-brengen, gelijk als de Heere tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de Vorsten der Moabiten bij Bileam. 9 En God kwam tot Bileam en zeide: Wie zijn die mannen die bij u zijn? 10 Toen zeide Bileam tot God: Balak de zoon Zippors, de Koning der Moabiten, heeft ze tot mij gezonden, zeggende: 11 Zie, daar is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het aangezicht des lands bedekt; kom nu, vervloek het mij: misschien zal ik tegen hetzelve kunnen strijden of het uitdrijven. 12 Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet trokken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend. 13 Toen stond Bileam des morgens op en zeide tot de Vorsten Balaks: Gaat naar uw land, want de Heere weigert mij toe te laten met ulieden te gaan. ^ 14 Zoo stonden dan de Vorsten der Moabiten op, en kwamen tot Balak, en^ zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan. 15 Doch Balak voer nog voort Vorsten te zenden, meer en eerlijker dan die waren, 1G die tot Bileam kwamen en hem zeiden : Alzóu zegt Balak, de zoon Zippors: Laat u toch niet beletten tot mij te komen; 17 want ik zal u zeer hoog vereeren, en al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik doen: zoo komt toch, vervloek mij dit volk. IS Toen antwoordde Bileam en zeide tot de dienaren Bal aks: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zoo vermocht ik niet het bevel des Heeken mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot. 19 En nu, blijft gijlieden toch |
|
194 NU Mil hier dezen nacht, dat ik wete â wat de Heere tot mij verder spreken zal. 20 God nu kwam tot Bileam des nachts en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij datgene doen wat ik tot u spreken zal. 21 Toen stond Bileam des morgens op en zadelde zijne ezelin, en hij trok henen met de Vorsten Moabs. 22 Doch Gods toorn werd ontstoken omdat hij henentoog, en de Engel des Heek en stelde zich in den weg, hem tot eene tegenpartij; hij nu reed op zijne ezelin, eu twee zijner jongeren waren bij hem. 23 De ezelin nu zag den Engel des Heeren staande in den weg, met zijn uitgetrokken zwaard in zijne hand; daarom week de ezelin uit den weg en ging in het veld; toen sloeg Bileam de ezelin, om dezelve naar den weg te wenden. 24 Maar de Engel des Heeren stond in een pad der â wijngaarden, zijnde een muur aan deze en een muur aan gene zijde. 25 Toen de ezelin den Engel des Heeren zag, zoo klemde zij zich zelve aan den wand, en klemde Bileams voet aan den wand; daarom voer hij voort haar te slaan. 26 Toen ging de Engel des Heeren nog verder, en stond in eene enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter-noch ter linkerhand; 27 en als de ezelin den Engel des Heeren zag, zoo leide zij zich neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met eenen stok. 28 De Heere nu opende den mond der ezelin, die tot Bileam zeide: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt? 29 Toen zeide Bileam tot de ezelin: Omdat gij mij bespot hebt; of ik een zwaard in mijne hand hadde; want ik zoude u nu dooden. |
EI 22. 30 De ezelin nu zeide tot Bile- ï am: Ben ik niet uwe ezelin, op en dewelke gij gereden hebt van 4 toen af dat gij mijn heer geweest, rei tot op dezen dag? Ben ik ooit Bi gewoon geweest u alzóó te doen? bij Hij dan zeide: neen. 4 31 Toen ontdekte de Heere de ge] oogen Bileams, zoodat hij den vo Engel des Heeren zag staande da in den weg, en zijn uitgetrokken ste zwaard in zijne hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht. r 32 Toen zeide de Engel des Bc Heeren tot hem: quot;Waarom hebt be gij uwe ezelin nu driemaal gesla ⢠ze gen? Zie, ik ben uitgegaan u tot ^ eene tegenpartij, dewijl deze weg an van mij afwijkt; _ ^ Bi 33 maar de ezelin heeft mij ge- eej zien, en zij is nu driemaal voor 'i mijn aangezicht geweken: indien BI zij voor mijn aangezicht niet ge- ik weken ware, zekerlijk ik zoude de u nu ook gedood en haar bij het en leven behouden hebben. da 34 Toen zeide Bileam tot den Tc Engel des Heeren: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten zo dat gij mij tegemoet op dezen ta] weg stondt; en nu, is het kwaad ee in uwe oogen, ik zal wederkee- al] ren. « 35 De Engel des Heeren nu wc zeide tot Bileam: Ga henen met Klt; deze mannen; maar alleen dat allt; woord, dat ik tot u spreken zal, ' dat zult gij spreken. Alzoo toog ke Bileam met de Vorsten Balaks. br 3G Als nu Balak hoorde dak sU Bileam kwam, zoo ging hij uit hem tegemoet, tot de stad der op Moabiten, welke aan de landpale Bt van de Arnon ligt, die aan het lai uiterste der landpale is; te; 37 en Balak zeide tot Bileam: ve Heb ik nie : ernstiglijk tot u ge- se; zonden om u te roepen ? Waarom J zijt gij niet tot mij gekomen? ni Kan ik u niet naar recht ver- de eeren? 38 Toen zeide Bileam tot Ba- ro lak: Zie, ik ben tot u gekomen; ve zal ik nu eenigszins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk hc God in mijnen mond leggen zal» ge dat zal ik spreken. |
NUMEHI 23.
105
|
39 Eu Bileam ging met I'alak, en zij kwamen te Kirjath-Huzoth. 40 Toen slachtte Balak runderen en schapen, en hij zond aan Bileam en aan de Vorsten, die bij hem waren. 41 En het geschiedde des morgens dat Balak Bileam nam en voerde hem op de hoogte B.iüls, dat hij van daar zage het uiterste des volks. HOOFDSTUK 23. Toen zeide Bileam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen. 2 Balak nu deed gelijk als Bileam gesproken had; en Balak en Bileam offerden eenen var en eenen ram op elk altaar. 3 Toen zeide Bileam tot Balak; Blijf staan bij uw brandoüer, en ik zal henengaan: misschien zal de Heere mij tegemoetkomen; en hetgeen dat hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte. 4 Als God Bileam ontmoet was, zoo zeide hij tot hem: Zeven altaren heb ik toegericht, en heb eenen var en eenen ram op elk altaar geollcrd. 5 Toen leide de Heere het woord in Bileams mond, en zeide: Keer weder tot Balak en spreek aldus. 6 Als hij nu tot hem wederkeerde, zie, zoo stond hij bij zijn brandoller, hij en alle de Vor-Bten der Moabiten. 7 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide ^ Uit Syrië heeft mij Balak, de Koning der Moabiten, laten halen, van het gebergte tegen het Oosten, zegoende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël. _8 Wat 7.-d.\ ik vloeken dien God niet vloekt, en wat zal ik schelden daar de Heere niet scheldt? 9 Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, dat volk zal alléén wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. |
10 Wie zal het stof Jakobs tellen, en het getal, ja, het vierdedeel van Israël? Mijne zielester-ve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne. 11 Toen zeide Balak tot Bileam: Wat hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen om mijn© vijanden te vloeken, maar zie, gij hebt ze doorgaans gezegend. 12 Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken dat de Heere in mijnen mond gelegd heeft? 13 Toen zeide Balak tot hem: Kom toch met mij aan eene andere plaats, van waar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet gan-schelijk zien; en vervloek hem mij van daar. 14 Alzoo nam hij hem mede naar het veld Zoüin op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde eenen var en eenen ram op elk altaar. 15 Toen zeide hij tot Balak: Blijf hier staan en uw brandoffer, en ik zal hem daar ontmoeten. 1G Als de Heere Bileam ont-moet was, zoo leide hij het woord in zijnen mond, en zeide: Keer weder tot Balak en spreek alzóó. 17 Toen hij tot hem kwam, zie, zoo stond hij bij zijn brandoffer, en de Vorsten der Moabiten bij hem. Balak nu zeide tot hem: Wat heeft de Heere gesproken? 18 Toen hief hij zijne spreuke op cn zeide: Sta op, Balak, en hoor, neig uwe ooren tot mij, gij zone Zippors. 19 God is geen man dat hij liegen zoude, noch eens menschen kind dat het hem berouwen zoude; zoude hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken? 20 Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl hij zegent, zoo zal ik het niet koeren, 21 Hij schouwt niet 4dn de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet hij niet aan de boosheid in Israël. De Heere zijn God is met hem, en het geklank desKo-nings is bij hem. 22 God heeft ze uit Egypte uit- |
NUMERI 22.
194
|
hier dezen nacht, dat ik wete wat de Heere tot mij verder spreken zai. 20 God nu kwam tot Bileara des nachts en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij datgene doen wat ik tot u spreken zal. 21 Toen stond Bileam des morgens op en zadelde zijne ezelin, en hij trok henen met de Vorsten Moabs. 22 Doch Gods toorn werd ontstoken omdat hij henentoog, en de Engel des Heeren stelde zich in den weg, hem tot eene tegenpartij; hij im reed op zijne ezelin, en twee zijner jongeren waren bij hem. 23 De ezelin nu zag den Engel des Heeren staande in den weg, met zijn uitgetrokken zwaard in zijne hand; daarom week de ezelin uit den weg en ging in het veld; toen sloeg Bileam de ezelin, om dezelve naar den weg te wenden. 24 Maar de Engel des Heeren stond in een pad der wijngaarden, zijnde een muur aan deze en een muur aan gene zijde. 25 Toen de ezelin den Engel des Heeren zag, zoo klemde zij zich zelve aan den wand, en klemde Bileanis voet aan den wand; daarom voer hij voort haar te slaan. 26 Toen ging de Engel des Heeren nog verder, en stond in eene enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter-noch ter linkerhand; 27 en als de ezelin den Engel dos Heeren zag, zoo leide zij zhh neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met eenen stok. 28 De Heere nu opende den mond der ezelin, die tot Bileam zeide: Wat heb ik n gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt? 29 Toen zeide Bileam tot de ezelin: Omdat gij mij bespot hebt; of ik een zwaard in mijne hand hadde; want ik zoude u nu dooden. |
30 De ezelin nu zeide tot Bileam: Ben ik niet uwe ezelin, op dewelke gij gereden hebt van toen af dat gij mijn /«eer geweest, tot op dezen dag? Ben ik ooit gewoon geweest u alzóó te doen? Hij dan zeide: neen. 31 Toen ontdekte de Heere de oogen Bileams, zoodat hij den Engel des Heeren zag staande in den weg, en zijn uitgetrokken zwaard in zijne hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht. 32 Toen zeide de Engel des Heeren tot hem: Waarom hebt gij uwe ezelin nu driemaal gesla gen? Zie, ik ben uitgegaan u tot eene tegenpartij, dewijl deze weg van mij afwijkt; 33 maar de ezelin heeft mij gezien, en zij is nu driemaal voor mijn aangezicht geweken: indien zij voor mijn aangezicht niet geweken ware, zekerlijk ik zoude u nu ook gedood en haar bij het leven behouden hebben. 34 Toen zeide Bileam tot den Engel des Heeren: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten dat gij mij tegemoet op dezen weg stonde; en nu, is het kwaad in uwe oogen, ik zal wederkee-ren. 35 De Engel des Heeren nu zeide tot Bileam: Ga henen met deze mannen; maar alleen dat woord, dat ik tot u spreken zai, dat zult gij spreken. Alzoo toog Bileam met de Vorsten Balaks. 3G Als nu Balak hoorde dat Bileam kwam, zoo ging hij uit hem tegemoet, tot de stad der Moabiten, welke aan de landpale van de Arnon Uyt, die aan het uiterste der landpale is; 37 en Balak zeide tot Bileam: Heb ik nier. ernstiglijk tot u gezonden om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik u niet naar recht vereeren? 38 Toen zeide Bileam tot Balak : Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu eenigszins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijnen mond leggen zal, dat zal ik spreken. |
NUMEEI 23.
105
|
39 Eu Bileam ging met Ealak, en zij kwamen te Kirjatli-Huzoth. 40 Toen slachtte Ãalak runderen en schapen, en hij zond aan Bileam en aan de Vorsten, die bij hem waren. 41 En liet geschiedde des morgens dat Balak Bileam nam en voerde hem op de hoogte Baals, dat hij van daar zage het uiterste des volks. HOOFDSTUK 23. Toen zeide Bileam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen. 2 Balak nu deed gelijk als Bileam gesproken had; en Balak en Bileam offerden eenen var en eenen ram op elk altaar. 3 Toen zeide Bileam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoüer, en ik zal henengaan: misschien zal de Heere mij tegemoetkomen; en hetgeen dat hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte. 4 Als God Bileam ontmoet was, zoo zeide hij tot hem: Zeven altaren heb ik toegericht, en heb eenen var en eenen ram op elk altaar geofferd. 5 Toen leide de Heere het woord in Bileams mond, en zeide: Keer weder tot Balak en spreek aldus. 6 Als hij nu tot hem wederkeerde, zie, zoo stond hij bij zijn brandoffer, hij en alle de Vorsten der Moabiten. 7 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide ^ Uit Syrië heeft mij Balak, de Koning der Moabiten, laten halen, van het gebergte tegen het Oosten, zetKiende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël. 8 Wat zal ik vloeken dien God niet vloekt, en wat zal ik schelden daar de Heere niet scheldt? 9 Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, dat volk zal alléén wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. |
10 Wie zal het stof Jakobs tellen, en het getal, ja, het vierdedeel van Israël? Mijne zielester-ve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne. 11 Toen zeide Balak tot Bileam: Wat hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen om mijne vijanden te vloeken, maar zie, gij hebt ze doorgaans gezegend. 12 Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken dat de Heere in mijnen mond gelegd heeft? 13 Toen zeide Balak tot hem: Kom toch met mij aan eene andere plaats^ van waar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet gan-schelijk zien; en vervloek hem mij van daar. 14 Alzoo nam hij hem mede naar het veld Zofim op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde eenen var en eenen ram op elk altaar. 15 Toen zeide hij tot Balak: Blijf hier staan en uw brandoffer, en ik zal hem daar ontmoeten. 16 Als de Heere Bileam ontmoet was, zoo leide hij het woord in zijnen mond, en zeide: Keer weder tot Balak en spreek alzóó. 17 Toen hij tot hem kwam, zie, zoo stond hij bij zijn brandoffer, en de Vorsten der Moabiten bij hem. Balak nu zeide tot hem: Wat heeft de Heere gesproken? 18 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide: Sta óp, Balak, en hoor, neig uwe ooren tot mij, gij zone Zippors. 19 God is geen man dat hij liegen zoude, noch eens menschen kind dat het hem berouwen zoude; zoude hij het zeggen en niet doen, of sproken en niet bestendig maken? 20 Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl hij zegent, zoo zal ik het niet keeren, 21 Hij schouwt niet j'ian de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet hij niet aan de boosheid in Israël. De Heere zijn God is met hem, en het geklank desKo-nings is bij hem. 22 God heeft ze uit Egypte uit- |
NU MER I 24.
2%
|
gevoerd; zijne krachten zijn als eens eenhoorns. 23 Want daar is geen tooverij tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israël. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewrocht heeft. 24 Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verhellen als een leeuw; het zal zich niet nederleggen, totdat het den root' gegeten en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben. 25 Toen zeide Balak tot Bi-leam: Gij zult het ganschelijk socli vloeken noch zegenen. 2(5 Doch Bileam antwoordde en seide tot Balak: Heb ik niet tot ii gesproken, zeggende: Al wat de Heere spreken zal, dat zal ik doen ? 27 Voorts zeide Balak tot Bileam: Kom toch, ik zal u aan eene andere plaats medenemen; misschien zal het recht zijn in de oogen van dien God. dat gij het mij van daar vervloekt. 28 Toen nam Balak Bileani mede tot de hoogte vanPeor, die tegen de woestijn ziet. 29 En Bileam zeide tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen. 30 Balak nu deed gelijk als Bileam gezegd had, en hij olferde een var en een ram op elk altaar. HOOFDSTUK 24. Toen Bileam zag dat het goed was in de oogen des Heeren dat hij Israël zegende, zoo ging hij ditmaal niet henen gelijk meermalen tot de tooverij en, maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn. 2 Als Bileam zijne oogen ophief en Israël zag, wonende naar zijne stammen, zoo was de Geest Gods op hem, 3 en hij hief zijne spreuke op en zeide: Bileam, de zone Beors spreekt, en de man, wien de oogen geopend zijn, spreekt: 4 de hoorder der redenen Gods spreekt, die des Almachtigen ge-aichte ziet, die verrukt wordt en wien de oogen ontdekt worden. |
5 Hoe goed zijn uwe tenten, Jakob, uwe woningen, Israël! G Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan den-vieren; de Heere heeft ze geplant als de eandelboomen, als de cederboomen aan het water. 7 Daar zal water uit zijne emmers vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn: en zijn Koning zal boven A gag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden. 8 God heeft hem uit Egypte uitgevoerd, zijne krachten zijn als eens eenhoorns; hij zal de i heidenen, zijne vijanden, verte-! ren, en hun gebeente breken en ! met zijne pijlen doorschieten. 9 Hij heeft zich gekromd, hij : heeft zich nedergelegd gelijk een leeuw en als een oude leeuw: wie zal hem doen opstaan? Zoo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij wie u vervloekt. 10 Toen ontstak de toorn Ba-; laks tegen Bileam, en hij sloeg ; zijne handen te zamen, en Balak ' zeide tot Bileam: Ik heb u ge-1 roepen om mijne vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt ze nu driemaal geduriglijk gezegend. 11 En nu, pak u weg naar uwe 1 plaats: ik had gezegd dat ik u hoog vereeren zoude, maar zie, de i Heeeb heeft die eere van u geweerd. 12 Toen zeide Bileam tot Ba-1 lak: Heb ik ook niet tot uwe boden, die gij tot mij gezonden | hebt, gesproken, zeggende: 13 Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zoo kan ik liet bevel des Heeren niet j overtreden, doende goed of kwaad j uit mijn eigen harte; wat de Heere spreken zal, dat zal ik spreken. 14 En nu, zie, ik ga tot mijn volk: kom, ik zal u raad geven en zeggen wat dit volk uwen volke doen zal in de laatste dagen. 15 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide: Bileam, de zono Beors spreekt, en de man, wien de oogen geopend zijn, spreekt; 1G de hoorder der redenen Goda |
NTJMEEI 25.
li-r
|
spreekt, en die de wetenschap ! des Allerhoogaten weet; die des Almachtigen gezichte ziet, die verrukt wordt en wien de oogen ontdekt worden. 17 Ik zal hem zien, rcaar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Daar zal een sterre voortgaan uit Jakob, en daar zal een schepter uit Israël opkomen; die zal de landpalen der Moabiten verslaan, en zal alle de kinderen Seths verstoren; 18 en Edom zal eene erfelijke bezitting zijn en Scïr zal zijnen vijanden eene erfelijke bezitting zijn; doch Israël zal kracht doen; 19 en daar zal één uit Jakob I heerschen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen. 20 Toen hij de Amaleldten zag, ! zoo hief hij zijne spreuke op en : zeide: Amalek is de eersteling ! der heidenen, maar zijn uit3rsta i is ten verderve. 21 Toen hij de Keniten zag, 1 zoo hief hij zijne spreuke op en zeide; Uwe woning is vast, eii gij hebt uw nest in eene steenrots gelegd: 22 evenwel zal Kain verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal. 23 Voorts hief hij zijne spreuke op en zeide: Och wie zal leven als God dit doen zal! 24 En de schepen van den oever der Chittiten, die zullen Assur plagen; zij zullen ook Keber plagen, en hij zal óók ten verderve zijn. 25 Toen stond Bileam op en ging henen, en keerde weder tot zijne plaats. Balak ging óók zijnen weg. HOOFDSTUK 25. En Tftiaël verbleef te Sittim, en het volle begon te hoereerenmet de doch teren der Moabiten; 2 en zij noodigden het volk tot de al ach tollers harer goden, en het volk at, en boog zich voor hare goden. 3 Als nu Israël zich koppelde aan Baiil-Peor, ontstak de toorn des Keeren tegen Israël, 4 en de Heere zeide tot Mozes: |
Neem alle do hoofden des volk*, en hang ze den Hesre tegen de zon, zoo zal do hittigheid van des Heerex toorn gekeerd worden van Israël. 5 Toen zeide Mozes tot de rechters van Israël: Een ieder doode zijne mannen, die zich aan Baiil-Peor gekoppeld hebben. 6 En zie, een man uit de kinderen Israëls _ kwam en bracht eene Midlanitische tot zijne broeders, voor de oogen van Mozes en voor de oogen van de gansche vergadering dor kinderen Israëls, toen zij weenden voor de deur der Tent der samenkomst. 7 Toen Pinehas, de zoon Elea-zars, des zoons Aarons des Priesters, dal zag, zoo stond hij op uit het midden der vergadering en nam eene spies in zijne hand, 8 en hij ging den Israclitischen man na in den hoerenwinkel en doorstak ze beiden, den Israëli-tischen man en de vrouw, door hunnen buik. Toen werd de plage van over de kinderen Israëls opgehouden. 9 Degenen nu die aan de plage stierven waren vierentwintigduizend. 10 Toen sprak de Heere tot Mozes,^ zeggende: 11 Pinehas. de zoon Eleazars, des zoons Aarons des Priesters, heeft mijne grimmigheid van over de kinderen Israëls afgewend, dewijl hij mijnen ijver geijverd heeft in het midden van hen, zoodat ik de kinderen Israëls in mijnen ijver niet vernield heb. 12 Daarom spreek: Zie, ik geef hem mijn verbond des vredes,* 13 en hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen Priesterdoms, daarom dat hij voor zijnen God geijverd en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israëls. 14 De naam nu des verslagen Israëlitischen mans, die verslagen was met do Midianitische, was Zimri, de zoon van Salu, eeu overste van een vaderlijk huis dey Simeoniten; 15 en de naam der verslagen© Midianitische vrouw was Kozbi, |
NUMEEI 26.
198
|
eene dochter van Ziir, die een hoofd -vs-as der volkeren van een vaderlijk huis onder de Midia-niten. 16 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zegcrende: 17 Handelt vijandiglijk met de Midianiten en verslaat ze; ^ 18 want zij hebben vijandiglijk tegen ulieden gehandeld door hunne listen, die zij listiglijk tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter des oversten der Midianiten, hunne zuster, die verslagen is ten dage der plage om de zaak van Peor. HOOFDSTUK 26. Het geschiedde nu na die plage, dat de Heere sprak tot Mozes en tot jEleazar, den zoon Aarons des Priesters, zeggende: 2 Neemt de ^som van de ge-heele vergadering der kinderen Israels op, van twintig jaar oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israël uittrekt. 3 Mozes dan en Eleazar de Priester spraken ze aan in de vlakke velden Moabs, aan den Jordaan van Jericho, zeggende: 4 Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven, gelijk als de Heere Mozes geboden had, en den kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen waren. 5 Ruben was de eerstgeborene Israëls. De zonen Rubens waren Henoch, van irelkeji was het geslacht der Henochiten; van Pali u het geslacht der Palluïten; 6 van Hezron het geslacht der Hezroniten; van Karmi het geslacht der Karmi ten. 7 Dit zijn de geslachten der Rubeniten, en hunne getelden waren drieënveertigduizend en zevenhonderd en dertig. 8 En de zonen van Pallu waren Eliab; 9 en de zonen Eliabs waren Nemuël, en Dathan, en Abiram: Deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aaron in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den Heere maakten, |
10 en de aarde haren mond opdeed en ze verslond met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en zij werden tot een teeken. 11 Maar de kinderen Koracha stierven niet. 12 De zonen Simeons, naar hunne geslachten; van Nemuël het geslacht der Nemuëliten, van Jamin het geslacht der Ja-miniten, van Jachin het geslacht der Jachiniten, 13 van Zerah het geslacht der Zerahiten, van Saul het geslacht der Sauliten. 14 Dat zijn de geslachten der Simeoniten: tweeëntwintigduizend en tweehonderd. 15 De zonen Gads, naar hunne geslachten; van Zefon het geslacht der Zefoniten, van Haggi het geslacht der Haggi ten, van Suni het geslacht der Suniten, 16 van Ozni het geslacht der Ozniten, van Eri het geslacht E riten, 17 van Arod het geslacht der Aroditen, van Areli het geslacht der Areliten. 18 Dat zijn de geslachten der zonen Gads, naar hunne getelden* veertigduizend en vijfhonderd. 19 De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan. 20 Alzoo waren de zonen van Juda naar hunne geslachten: van Sela het geslacht der Sela-niten, van Perez het geslacht der Pereziten, van Zerah het geslacht der Zerahiten. 21 En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezroniten, van Hamul het geslacht der Hamuliten. 22 Dat zijn de geslachten van Juda, naar hunne getelden: zesenzeventigduizend en vijfhonderd. 23 De zone:i Issaschars, naar hunne geslachten, waren: nm Tola het geslacht der Tolaïten, van Puva het geslacht der Puniten, |
NU ME EI 2G.
199
|
24 van Jasub het geslacht der Jnsubiten, van Simron het ge-elacht der Simroniten. 25 Dat zijn de geslachten Is-saschare, naar hnnne geleiden: vierenzestigduizend en driehonderd. 26 De zonen Zebulons, naar hunne geslachten, warca: van Sered het geslaclit der Serediten, van Elon het geslacht der Elo-niten, van Jahleöl het geslacht der Jahleëliten. 27 Dat zijn de geslachten der Zebuloniten,naar hunne getelden: zestigduizend en vijfhonderd. 28 De zonen Jozefs, naar hunne geslachten, quot;waren Manasse en Elraïtn. 29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machiriten; Machir nu gov on Gilead; van Gilead vat. het geslacht der Gileaditen. 30 Dit zijn de zonen Gileads: van lëzer het geslacht der li-ze-riten, van Helek het geslacht der Helekiten, 31 en van Asriël het geslacht der Asrieliten, en van Sechem het geslacht der Sechemiten, 32 en van Semida het geslacht der Semidaïten, van Hefer het geslacht der Heferiten. 33 Doch Zelafead, de zoon Hefers, had geene zonen, maar dochters; en de namen der dochters Zelafeads waren Mahla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. 34 Dat zijn de geslachten van Manasse, en hunne getelden waren tweeënvijftigduizend en zevenhonderd. 35 Dit zijn de zonen Efraïms naar hunne geslachten; van Sutélah het geslacht der Sutéla-hiten, van Becher het geslaclit der Becheriten, van Tahan het geslacht der Tahaniten. 3G En dit zijn de zonen vnn Sutélah: van Eran het geslacht der Eraniten. 37 Dat zijn de geslachten der zonen Efraïms, naar hunne getelden: tweeëndertigduizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen Jozefs naar hunne geslachten. |
38 De zonen Benjamins, naar hunne geslachten: van Bela het geslacht der Belaïten, van Asbel het geslacht der Asbeliten, van Ahiram het geslacht der Ahira-miten, 39 van Sefufam het geslacht der Sufamiten, van Hufain het geslacht der Hufamiten. 40 En de zonen van Bela waren Ard en Naaman:t;«n Ard het geslacht der Arditen, van Naaman het geslacht der Naa-miten. 41 Dat zijn de zonen Benjamins, naar hunne geslachten, en hunne getelden waren vijfenveertigduizend en zeshonderd. 42 Dit zijn de zonen van Dan, naar hunne geslachten: van Su-ham het geslacht der Suhamiten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hunne geslachten. 43 Alle de geslachten der Suhamiten, naar hunne getelden, waren vierenzestigduizend en vierhonderd. 44 De zonen Asers, naar hunne geslachten, waren: van Jimna liet geslacht der Jimnaïten, van Jisvi het geslacht der Jisviten van Beria het geslacht der Beriiten. 45 Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberiten, van Malkiël bet geslacht der Malkiëliten. j 46 En de naam der dochter Asers was Serah. 47 Dat zijn de geslachten der ! zonen Asers, naar hunne getelden: I drieënvijftigduizend en vierhon-* derd. ! 48 De zonen van Naftali, naar I hunne geslachten: van Jahzecl 1 het geslacht der Jahzeëliten, van i Guni het geslacht der Guniten, j 49 van Jezer het geslacht der I Jezeriten, van Sillem het geslacht der Sillemiten. 50 Dat zijn de geslachten van Naftali, naar hunne geslachten, en hunne getelden waren vijfenveertigduizend en vierhonderd. 51 Dat zijn de getelden der zonen Israels: zeshonderdduizend, éénduizend zevenhonderd en dertig. 52 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: |
NU ME EI 27.
200
|
53 Aan deze zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen. 54 Dengenen die velen zijn zult gij hunne erfenis meerder maken, en aan hen die weinig zijn zult gij hunne erfenis minder maken; eenen i egel ij ken zal naar zijne getelden zijne erfenis gegeven worden. 55 liet land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven. 5(3 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tusschen de velen en de weinigen. 57 Dit nu zijn de getelden van Levi, naar hunne geslachten: van Gerson het geslacht der Oersoniten. van Koliath het geslacht der Kohathi ten, van Merari het geslacht der Merariten. 58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht dor Libniten, het geslacht der Hebroniten, het geslacht der Mahliten, het geslacht der Musiten, het geslacht der Korachiten. En Kohath gewon Amram; 59 en de naam der huisvrouw van Amram was Jochébed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram Aaron en Mozes, en Mirjam hunne zuster. GO En aan Aiiron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 61 Nadab nu en Abihu waren gestorven toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des Hekrkx. lt;32 En hunne^ getelden waren drieëntwintigduizend,al wat mannelijk is, van eene maand oud en daarboven; want deze werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels. G3 Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar den Priester, die do kinderen Israels telden in de vlakke velden Moabs, aan den Jordaan van Jericho. |
G4 En onder deze was niemand uit de getelden door Mozes en Aaron den Priester, als zij de kinderen Israels telden in de woestijn van Sinaï; 65 want de Heere had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en daar was niemand van hen overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. HOOFDSTUK 27. Toen naderden de dochteren Zelafeads, des zoons van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon Machirs, des zoons van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef; (en dit zijn de namen zijner dochteren: Mahla, Noa, en Hogla, en Milk», en Tirza.) 2 En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar den Priester, en voor het aangezicht der overaten en der ganscho vergadering, aan de (leur van do Tent der samenkomst, zeggende: 3 Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering dergenen, die zich tegen den Heere vergaderd hebben in de vergadering van Ivo-rach; maar hij is in zijne zonde gestorven, en had geene zonen. 4 Waarom zoude onzes vaders naam uit het midden zijns ge-slachts weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons eene bezitting in het midden der broederen onzes vaders. 5 En Mozes bracht hare rechtzaak voor het aangezicht des Heeren ; 6 en de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 7 De dochteren Zelafeads spreken recht; gij zult haar zekerlijk geven de bezitting eener erfenis in het midden der broederen haarslt; vaders, en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen. 8 En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft en geenea |
|
NUME toon heeft, zoo zult gij zijne erfenis op zijne dochter doen komen. 9 En indien hij geene dochter heeft, zoo zult gij zijne erfenis zijnen broederen geven. 10 Indien hij nu geen broeders heeft, zoo zult gij zijne erfenis den broederen zijns vaders geven. 11 Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zoo zult gij zijne erfenis geven aan zijnen naast-bestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal den kinderen Israëls tot eene inzetting des rechts zijn, gelijk als de Heere Mozes geboden heeft. 12 Daarna zeide de Heere tot Mozes: Klim op dezen berg Abarim, en zie dat land, hetwelk ik den kinderen Israëls gegeven heb: 13 wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot uwe volken verzameld worden, gij ook, gelijk als uw broeder Aaron verzameld geworden is; 14 naardien gijlieden mijnen monde wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin in de twisting der vergadering, om mij aan de wateren voor hunne oogen te heiligen: dat zijn de wateren van Meriba, van Kades in de woestijn Zin. lö Toen sprak Mozes tot den Heeke, zeggende: 16 Dat de Heere, de God der geesten van alle vleesch, eenen man stelle over deze vergadering, 17 die voor hun aangezicht uitga en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide en die hen inleide; opdat de vergadering des Heeren niet zij als schapen die geenen herder hebben. 18 Toen zeide de Heere tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man in welken de Geest is, en leg uwe hand op hem, 19 en stel hem voor het aangezicht Eleazars des Priesters en voor het# aangezicht der gansche vergadering, en geef hem bevel voor hunne oogen; 20 en leg op hem van uwe heer- |
El 28. 201 lijkheid, opdat zij hooren, te meten de gansche vergadering der kinderen Israëls. 21 En hij zal voor het aangezicht Eleazars des Priesters staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des Heeren: uaarzijnen mond zullen zij uitgaan en naar zijnen mond zullen zij ingaan, hij, en alle de kinderen Israëls met hem, en de gansche vergadering. 22 En Mozes deed gelijk als de Heere hem geboden had; want hij nam Jozua en stelde hem voor het aangezicht Eleazars des Priesters, en voor liet aangezicht der gansche vergadering; 23 en hij leide zijne handen op hem, en gaf hem bevel, gelijk als de Heere door den dienst van Mozes gesproken had. HOOFDSTUK 28. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen: Mijne offerande, mijne spijze voor mijne vuur-offeren, mijnen liefelijken reuk zult gij waarnemen om mij te offeren op zijn gezetten tijd. 3 En gij zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, hetwelk gij den Heere offeren zult: twee volkomene éénjarige^ lammeren des dar gs, ten gedurigen brandoffer ; 4 het ééne lam zult gij bereiden des morgens, en het andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden, 5 en een tiende deel eener efa meelbloem ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel eens xiins van gestooten olie. 0 Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinaï ingesteld was ten liefelijken reuke, een vuuroffer den Heere. 7 En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel eens hins voor het ééne lam; in het heiligdom zult gij het drankoffer des sterken dranks den Heere offeren. 8 En dat andere lam zult gij bereiden tusschen de tweeavon- |
NUMEEI 27.
200
|
53 Aan deze zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen. 54 Dengenen die velen zijn zult gij hunne erfenis meerder maken, en aan hen die weinig zijn zult gij hunne erfenis minder maken; eenen iegelijken zal naar zijne getelden zijne erfenis gegeven worden. 55 Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven. 5(3 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tusschen de velen en de weinigen. 57gt;Dit nu zijn de getelden van Levi, naar hunne geslachten: van Gerson het geslacht der Gersoniten. van Kohath het geslacht der Kohathiten, van Merari het geslacht der Merari ten. 58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libniten, het geslacht der Hebroniten, bet geslacht der Mahliten, het geslacht der Musi ten, het geslacht der Korachiten. En Kohath gewon Amrain; 59 en de naam der huisvrouw van Amram was Jochébed, de dochter van Levi, wolke rle huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram Aaron en Mozes, en Mirjam hunne zuster. GO En aan Aaron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 61 Nadab nu en Abihu waren gestorven toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des h keren'. 62 En hunne getelden waren drieëntwintigduizend,al watman-iielijk is, van eene maand oud en daarboven; want deze werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels. 63 Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar den Priester, die de kinderen Israels telden in de vlakke velden Moabs, aan den Jordaan van Jericho. |
G4 En onder deze was niemand uit de getelden door Mozes en Aaron den Priester, als zij de kinderen Israëls telden in de woestijn van Sinaï; 65 want de Heere had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisseiiik zouden eterven; en daar was niemand van hen overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. HOOFDSTUK 27. Toen naderden de doch teren Zelai'eads, des zoons van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon Machirs, des zoons van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef; (en dit zijn de namen zijner dochteren: Mahla, Noa, en Hogla, en Miikj*, en Tirza.) 2 En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar den Priester, en voor het aangezicht der overaten en der gansclie vergadering, aan de deur van do Tent der samenkomst, zeggende: 3 Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering dergenen, die zich tegen den Heere vergaderd hebben in de vergadering van Ko-rach; maar hij is in zijne zonde gestorven, en had geene zonen. 4 Vvaarom zoude onzes vaders naam uit het midden zijns ge-slachts^ weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons eene bezitting in het midden der broederen onzes vaders. 5 En Mozes braciit hare rechtzaak voor het aangezicht des Heeren; 6 en de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 7 De dochteren Zelafeads spreken recht; gij^ zult haar zekerlijk geven de bezitting een er erfenis in het midden der broederen haars vaders, en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen. 8 En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft en geenen |
NUMERI 28.
201
|
toon heeft, zoo zult gij zijne erfenis op zijne dochter doen komen. 9 En indien hij geene dochter heeft, zoo zult gij zijne erfenis zijnen broederen geven. 10 Indien hij nu geen broeders heeft, zoo zult gij zijne erfenis den broederen zijns vaders geven. 11 Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zoo zult gij zijne erfenis geven aan zijnen naast-bestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal den kinderen Israels tot eene inzetting des rechts zijn, gelijk als de Heere Mozes geboden heeft. 12 Daarna zeide de Heere tot Mozes: Klim op dezen berg Abarim, en zie dat land, het welk ik den kinderen Israëls gegeven heb; 13 wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot. uwe volken verzameld worder-, gij ook, gelijk als uw broeder Aaron verzameld geworden is; 14 naardien gijlieden mijnen monde wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin in de twisting der vergadering, om mij aan de wateren voor hunne oogen te heiligen: dat zijn de watereu van Meriba, van Kades in de woestijn Zin. 15 Toen sprak Mozes tot den Heere, zeggende: 1G Dat de Heere, de God der geesten van alle vleesch, eeneu man stelle over deze vergadering, 17 die voor hun aangezicht uitga en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide en die hen inleide; opdat de vergadering des Heeren niet zij als schapen die geenen herder hebben. 18 Toen zeide de Heere tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man in welken lt;ie Geest is, en leg uwe hand op hem, 19 en stel hem voor het aangezicht Eleazars des Priesters en voor het aangezicht der gansche vergadering, en geef hem bevel voor hunne oogen; |
20 en leg op hem van uwe heerlijkheid, opdat zij hooren, te neten de gansche vergadering der kinderen Israëls. 21 En hij zal voor het aangezicht Eleazars des Priesters staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des Heeren; naar zijnen mond zullen zij uitgaan en naar zijnen mond zullen zij ingaan, hij, en alle de kinderen Israëls met hem, en de gansche vergadering. 22 En Mozes deed gelijk als de Heere hem geboden had; want hij nam Jozua en stelde hem voor het aangezicht Eleazars des Priesters, en voor het aangezicht der gansche vergadering; 23 en hij leide zijne handen op hem, en gaf hem bevel, gelijk als de Heere door den dienst van Mozes gesproken had. HOOFDSTUK 28. Yoorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Gebied den kinderen Israëls en zeg tot hen: Mijne oüerande, mijne spijze voor mijne vuur-ofteren, mijnen liefelijken reuk zult gij waarnemen om mij te ofteren op zijn gezetten tijd. 3 En gij zult tot hen zeggen*. Dit is het vuuroli'er, hetwelk gij den Heere ofleren zult: twee volkomene éénjarige^ lammeren des daags, ten gedurigen brand-offer; 4 het ééne lam zult gij bereiden des morgens, en liet andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden, 5 en een tiende deel eener efa meelbloem ten spijsoffer,gemengd met het vierendeel eens hins van gestooten olie. 6 Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinaï ingesteld was ten liefelijken reuke, een vuuroffer den Heere. 7 En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel eens hins voor het ééne lam; in het heiligdom zult gij het drankoffer des sterken dranks den Heere offeren. 8 En dat andere lam zult gij bereiden tusschen de tweeavon- 7* |
NU ME EI 23.
202
|
den, gelijk het spijsoffer Jes morgens, en gelijk zijn drankotter zult gij het bereiden, ten vmir-otïer des lielelijken reuks den Heere. 9 Maar op den sabbatdag twee volkomene éénjarige lammeren, en twee tienden meelbloem ten spijsoffer met oliegenierg l, mitsgaders zijn drankoffer: 10 het is het brandoffer des sabbats op eiken sabbat, boven het gedurig brandoffer en zijn drankoffer. 11 En in het begin nwer maanden zult gij een brandoffer den Heere offeren: twee jonge varren, en éénen ram, zeven volkomene éénjarige lammeren; 12 en drie tienden meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd tot den éénen var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd tot den éénen ram; 13 en telkens een tiende deel meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd tot het ééne lam: het is een brandoffer ten liefelijken renke, een vunroffer den Heere. 14 En hunne drankoffers zullen I zijn de helft eens Jiins tot eenen | var, en een derde deel eens hins tot eenen ram, en een vierendeel eens hins van wijn tot een lam: dat is het brandoffer der nieuwe maan in elke maand, naar de maanden des jaars. 15 Daartoe zal een geitenbek ten zondoffer den Heere boven het gedurig brandoffer bereid worden met zijn drankoffer. 16 En in de eerste maand op den veertienden dag der maand is het Pascha den Heere. 17 En op den vijftienden dag dier maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde hrooden gegeten worden. 18 Op den eersten dag zal eene heilige samenroeping zijn: geen dienstwerk zult gijlieden doen; 19 maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den Heere offeren: twee jonge varren, en éénen ram, daarbij zeven éénjarige lammeren: volkomen zullen zij u zijn. |
20 En hun spijsoffer zal zijn meelbloem met olie gemend: drie tienden tot eenen var en twee tienden tot eenen ram zult gij bereiden. 21 Telkens zult gij een tiende deel bereiden tot één lam, tot die zeven lammeren toe. 22 Daarna éénen bok ten zondofier, cm over ulieden verzoening te doen. 23 Behalve het morgen-brandoffer, hetwelk tot een gedurig brandoffer is, zult gij deze dingen bereiden. 24 Achtervolgende deze dingen zult gij des daags, zeven dagen lang, de spijze des vuuroffers bereiden ten liefelijken reuke den Heere; boven het gedurig brandoffer zal liet bereid worden met zijn drankoffer. 25 En op den zevenden dag zult gij eene heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen. 26 Insgelijks op den dag der eerstelingen, als gij een nieuw spijsoffer den Heere zult offeren naar uwe weken zult gij eene heilige samenroeping hebben: geen dienstwerk zult gij doen. 27 Dan zult gij den Heere een brandoffer ten liefelijken reuke offeren: twee jonge varren, éénen ram, zeven éénjarige lammeren; 28 en hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot éénen var, twee tienden tot éénen ram; 29 telkens een tiende bij één lam, tot die zeven lammeren toe; 30 éénen geitenhok om voor u verzoening te doen. 31 Behalve het gedurig brandoffer en zijn spijsoffer zult gij ze bereiden: zij zullen u volkomen zijn met hunne drankofferen. HOOFDSTUK 29. Desgelijks in de zevende maand op den eerste der maand zult gij eene heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen: het zal u een dag des ge-klanks zijn. 2 Dan zult gij een brandoffer ten liefelijken reuke den Heere bereiden: éénen jongen var, éénen |
|
NU ME rarar zeven volkomene éénjarige lamineren; 3 en hun spijsoffer Tan meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot den var, twee tienden tot den ram, 4 en een tiende tot één lam, tot die zeven lammerer. toe; 5 en éénen geitenhok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen; G behalve het brandoffer der maand en zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer en zijn spijsoffer, met hunne drankofferen naar hunne wijze ten liefelijken reuke, ten vuurofler den Heere. 7 En op den tiende dezer zevende maand zult gij eene heilige samenroeping hebben, en gij zult uwe zielen verootmoedigen:geen werk zult gij doen; 8 maar gij zult brandoffer ten liefelijken reuke den Heere offeren: éénen jongen var, éénen ram, zeven éénjarige lammeren: volkomen zullen zij u zijn; 9 en hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot den var, twee tienden tot den éénen ram, 10 telkens een tiende tot één lam, tot die zeven lammeren toe; 11 éénen geitenhok ten zondoffer; behalve het zondoffer der verzoeningen, en liet gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hunne drankofferen. 12 Insgelijks op den vijftienden dag dezer zevende maand zult gij eene heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk znltgij doen, maar zeven dagen zult gij den Heere een feest vieren; 13 en gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuke den Heere: dertien jonge varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren: zij zullen volkomen zijn; 14 en hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot éénen var, tot die dertien varren toe; twee tienden tot éénen ram, onder die twee rammen, 15 en telkens een tiende tot 11 ï 29. 203 |
één lam, tot die veertien lammeren toe; 16 en éénen geitenhok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 17 Daarna op den tweeden dag twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren: 18 en hun spijsoffer en hunne drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 19 en éénen geitenhok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer en zijn spijsoffer, met hun drankoffers. 20 En op den derden dag elf varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren; 21 en hunne spijsofferen en hunne drankofferen, tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 22 en éénen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en^ zijn spijsoffer, en zijn drank- offer. 23 Voorts op den vierden dag tien varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren; 24 hun spijsoffer en hunne drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal naar de wijze; 25 en éénen geitenhok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer en zijn drankoffer. 26 En op den vijfden dag negen varren, twee rammen, en veertien volkomene éénjarige lammeren; 27 en hun spijsoffer en hunne drankofteren, tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 28 en eenen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drank-offer. 29 Daarna op den zesden dag acht varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren ; 30 en hun spijsoffer en hunne |
HUMERI 30.
204
|
drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 31 en éénen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijne drankofferen. 32 En op den zevenden dag zeven varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren; 33 en hun spijsoffer en hunne drankofferen, tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun geial, naar hunne wijze; 34 en éénen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 35 Op den achtsten dag zult gij een verbodsdag hebben: geen dienstwerk zult gij doen. 3G En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuke den Ueere ; éénen var, éénen ram, zeven volkomene éénjarige lammeren; 37 hun spijsoffer en hunne drankofferen, tot den var, tot den ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 38 en éénen bok ton zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 39 Deze dingen zult gij den Heere doen op uwe gezette hoogtijden; behalve uwe geloften en uwe vrijwillige offeren, met uwe brandolieren en met uwe spijs-olleren en met uwe drankofferen en mot uwe dankofferen. 40 En Mozes sprak tot de kinderen Israël s naar al wat de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 30. En Mozes sprak tot de hoofden cler stammen der kinderen Israels, zeggende: Dit is de zake, die de Heere geboden heeft: 2 Wanneer een man den Heere eene gelofte zal beloofd of eenen eed zal gezworen ^ hebben, zijne ziel met eene verbintenis verbindende: zijn woord zal hij niet ontheiligen: naar alles dat uit zijnen mond gegaan is zal hij doen. |
3 Maar als eene vrouw den Heere eene gelofte zal beloofd hebben, en zich met eene verbintenis in het huis haars vaders in hare jonkheid zal verbonden hebb in; 4 en haar vader hare gelofte en hare verbintenis, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zal hooren, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zoo zullen alle hare geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zal bestaan. 5 Maar indien haar vader dat zal breken ten dage als hij het hoort, alle hare geloften en hare verbintenissen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar de Heere zal het haar vergeven, want haar vader heeft ze haar doen breken. G Doch indien zij immers eenen man heeft, en hare geloften op haar zijn, of de uitspraak harer lippen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, 7 en haar man dat zal hooren, en ten dage als hij het hoort tegen haar zal stilzwijgen: zoo zullen haregt; geloften bestaan, en hare verbintenissen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zullen bestaan. 8 Maar indien haar man ten dage als hij het hoorde dat zal breken, en hare gelofte die op haar was zal te niet maken, mitsgaders de uitspraak harer lippen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zoo zal de Heere het haar vergeven. 9 Aangaande de gelofte eener weduwe of eener verstootene, alles, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan. 10 Maar indien zij noo ten huize haars mans gei ofte gedaan heeft, of met eenen eed door verbintenis hare ziele verbonden heeft, 11 en haar man dat gehoord en tegen haar zal hebben stilgezwe-gen, dat niet brekende: zoo zullen alle hare geloften bestaan, mitsgaders alle verbintenis, waarmede zij hare ziel verbonden heeft zal bestaan. |
NUMERI 31.
205
|
12 Maar indien haar man die dingen ganschelijk te niet maakt ten dage als liij het hoort, niets van al wat uit hare lippen gegaan is, van hare gelofte^ en van de verbintenis harer ziele zal bestaan; haar man heaft ze te niet gemaakt, en de Eeere zal het haar vergeven; 13 alle gelofte en alle eed der verbintenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haai man te niet maken. 14 Maar zoo haar man tegen haar van dag tot dag ganschelijk stilzwijgt, zoo bevestigt hij alle hare geloften of alle hare verbintenissen, welke op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft ten dage als hij het hoorde. 15 ï)och zoo hij ze ganschelijk te niet maken zal nadat hij het gehoord zal hebben, zoo zal hij hare ongerechtigheid dragen. 1G Dat zijn de inzettingen, die de Heere Mozes geboden heeft, tusschen een man en zijne huisvrouw, tusschen een vader en zijne dochter, zijnde in hare jonkheid ten huize haars vaders. HOOFDSTUK 31. En de Heere sprak tot Mozes i zeggende: 2 Neem de wrake der kinderen ! Israels van de Midianiten; daarna j zult gij verzameld worden tot uwe | volkeren. . 3 Mozes dan sprak tot het volk, J zeggende: Dat zich mannen uit â u ten strijden toerusten, en dat zij tegen de Midianiten zijn, om de wrake_ des Heeren te doen aan de Midianiten; 4 van eiken stam onder alle stammen Israels zult gij er duizend ten strijde zenden. 5 Alzoo werden geleverd uit de duizenden Israëls duizend van eiken stam, twaalfduizend toege-rusten ten strijde; G en Mozes zond ze ten strijde, duizend van eiken stam, hen en Pinehas, den zoon Elaezars des Priesters, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten dea geklanks in zijne hand. |
I En zij streden tegen de Midianiten, gelijk als de Heere Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was. 8 Daarbij doodden zij, boven hunne verslagenen, de Koningen der Midianiten, Evi en Eekem en Zur en Hur enReba, vijf Koningen der Midianiten; ook doodden zij met den zwaarde Blleam, den zone Beors. 9 Maar de kinderen Israëls namen de vrouwen der Midianiten en hunne kinderkens gevangen, zij roofden ook alle hunne beesten en al hun vee en al hun vermogen; 10 voorts alle hunne steden met hunne woonplaatsen, en alle hunne burchten verbrandden zij met vuur; II en zij namen al den roof en al den buit, van menschen en van beesten. 12 Daarna brachten zij de gevangenen en den buit en den roof tot Mozes en tot Eleazar den Priester, en tot de vergadering der kinderen Israëls in het leger, in de vlakke velden Moabs, welke zijn aan den Jordaan van Jericho. 13 Maar Mozes en Eleazar de Priester^ en alle oversten der vergadering, gingen uit hun tegemoet, tot buiten voor het leger. 14 En Mozes werd grootelijks vertoornd tegen de bevelhebbers des heirs, de hoofdlieden der duizenden en de hoofdlieden der honderden, die uit den strijd van dien oorlog kwamen. 15 En Mozes zeide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven? 16 Zie, deze waren door Bileams raad den kinderen Israëls om oorzaak der overtreding tegen den Heere te geven, in de zaak van Peor, waardoor die plaag ontstond onder de vergadering des Heeren. 17 Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens, en doodt alle vrouw die door by- |
NÃMERI 31.
206
|
ligging des maus eeneu man be- I keiid heeft; 18 doch alle de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bij-ligging des mans niet bekend i hebben, laat voor nlieden leven. 19 En gijlieden, legert u buiten het leger zeven dagen: een ieder 1 die eenen mensch gedood en al wie eenen verslagene zult aan- i geroerd hebben, zult u op den derden dag en op den zevenden dag ontzondigen, gij en uwe ge- i vangenen. 20 Ook zult gij alle kleeding, : «n alle gereedschap van vellen, en alle geitenharen werk, en alle gereedschap van hout, ontzondigen. _ _ 1 21 En Elcazar de Priester zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de : inzetting der wet, die de Heere j Mozes geboden heeft. 22 Alleen het goud en het zilver, 1 het koper, het ijzer, het tin en ; het lood, | 23 alle ding, dat het vuur lijdt, I zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde: evenwel zal het door het water der afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt zult gij door het water laten doorgaan. 24 Gij zult ook uwe kleederen op den zevenden dag wasschen, dat gij rein wordt; en daarna zult gij in het leger komen. 25 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 26 Neem óp de somme des buits der gevangenen, van menschen en van beesten, gij en Eleazar de Priester, en de hoofden van de vaderen der vergadering; 27 en deel den buit in twee helften tusschen degenen die den strijd aangegrepen hebben, die tot den krijg uitgegaan zijn, en tusschen de gansche vergadering. 28 Daarna zult gij eene schatting voor den Heere heffen van de oorlogsmannen die tot dezen krijg uitgetogen zijn van vijfhonderd ééne ziele, uit de menschen en uit de runderen en uit de szels en uit de schapen: |
29 van hunne helft zult gij het nemen, en den Priester Eleazai geven ter heffinge des Heeren. 30 Maar van de helft der kinderen Israëls zult gij éénen gevangene van vijftig nemen, uit de menschen, uit de runderen, uit de ezels, en uit de schapen, uit alle de beesten, en gij zult ze den Leviten geven, die de wacht des Tabernakels des Heeren waarnemen. 31 En Mozes en Eleaza/ de Priester deden gelijk als de Heere Mozes geboden had. 32 De buit nu, het overschot des roofs dien het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderdduizend en zeventigduizend en vijfduizend schapen, 33 en tweeënzeventigduizend runderen, 34 en éénenzestigduizend ezels, 35 en der menschenzielen, uit de vrouwen die geene bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren tweeëndertigduizend. 36 En de helft, te iceten het deel dorgenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getale driehonderdduizend en dertigduizend en zevenduizend en vijfhonderd schapen, 37 en de schatting voor den Heere van schapen was zeshonderd vijfenzeventig; 38 en de runderen was zesendertigduizend, en hunne schatting voor den Heere tweeënzeventig; 39 en de ezels waren dertigduizend en vij fhonderd. en hunne schatting voor den Heere was éénenzestig; 40 en der menschenzielen waren zestienduizend, en hunne schatting voor den Heere tweeëndertig zielen. 41 En Mozes gaf Eleazar den Priester de schatting der heffing des Heeren, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 42 En van de helft der kinderen Israëls, welke Mozes afgedeeld had van de mannen die gestreden hadden, 43 (het halve deel nu der vergadering was uit de schapen driehonderdduizend en dertigduizend |
|
NUM. Ji zevenduizend en vijfhonderd, ' 44 en de runderen waren zesendertigduizend, _ lt; i 45 en de ezels dertigduizend en vijfhonderd, 46 en der menschenzielen zestienduizend :) 47 van die helft der kinderen Israels nam Mozes éénen gevangene uit vijftig, van menschen en van beesten, en hij gaf ze den Leviten, die de wacht van den Tabernakel des Heeren waarnamen, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 48 Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden en de hoofdlieden der honderden, 49 en zij zeiden tot Mozes: Uwe knechten hebben opgenomen de som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn, en uit ons ontbreekt niet één man; 50 daarom hebben wij een offerande des Heeren gebracht, een ieder dat hij gekregen heeft een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening I te doen voor het aangezicht des Heeren. 51 Zoo nam Mozes en Eleazar de Priester van hen het goud, alle gewrochte vaten. 52 En al het goud der heffing, dat zij den Heere otterden, was zestienduizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofd-lieden der duizenden en van de hoofdlieden der honderden. 53 Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zich zei ven. 54 Zoo nam Mozes en Eleazar de Priester dat goud van de hoofdlieden der duizenden en der honderden, en zij brachten het in de Tent der samenkomst ter gedachtenis voor de kinderen Israels, voor het aangezicht des Heeren. HOOFDSTUK 32. De kinderen Rubens nu hadden veel vee, en de kinderen Gadshad- |
RI 32. 207 den machtig veel; en zij bezagen het land van Jaëzer en het land van Gilead, en zie, deze plaats was eene plaats voor vee. 2 Zoo kwamen do kinderen Gads en de kinderen Rubens en spraken tot Mozes en tot Eleazar den Priester en tot de oversten der vergadering, zeggende: 3 Ataroth, enDibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Elealé, en Schebam, en Nebo, en Behon, 4 dit land, hetwelk de Heere voor het aangezicht dervergade-ring_ van Israël geslagen heeft, dat is een land voor vee, en uwe knechten hebben vee. 5 Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uwe oogen gevonden hebben, dat dit land aan uwe knechten gegeven worde tot eene bezitting; doe ons niet trekken over den Jordaan. 6 Maar Mozes zeide tot do kinderen Gads en tot de kinderen Rubens: Zullen uwe broeders tevi strijde gaan en gijlieden zult hier blijven? 7 Waarom toch zult gij het harte der kinderen Israels breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat do Heere hun gegeven heeft? 8 Zóó deden uwe vaders, als ik ze van Kades-Barnca zond om dit land te bezien; 9 als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol en dit land bezagen, zoo braken zij het harte der kinderen Israels, dat zij niet gingen naar het land dat de Heere hun gegeven had: 10 toen ontstak de toorn des Heeren te dien dage, en hij zwoer, zeggende: 11 Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaar oud en daarboven, het land zullen zien, dat ik Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb! want zij hebben niet volhard mij na te volgen; 12 behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, den Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den Heere na te volgen; 13 alzoo ontstak des Heeren |
NUMERI 32.
208
|
toorn tegen Israël, en hij deed ze omzwerven in de woestijn veertig jaar, totdat verteerd was hetgan-sche geslacht, hetwelk gedaan had dat kwaad was in de oogen des Heeren. 14 En zie, gijlieden zijt opgestaan in stede van uwe vaderen, eene menigte van zondige men-echen, om de hittigheid van des Heeren toorn tegen Israël te vermeerderen; 15 wanneer gij van achter hem u zult afkoeren, zoo zal hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn, en gij zult al dit volk verderven. 16 Toen traden zij toe tot hem en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee en steden voor onze kin-derkens, 17 maar wij zeiven zullen ons toerusten, ons haastende voor het aangezicht der kinderen Israëls, totdat wij ze aan hunne plaatse zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste ^ steden, vanwege de inwoners des lands. 18 Wij zullen niet wederkeeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israëls tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben een ieder van zijne erfenis; 19 want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde van den Jordaan en verder henen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van den Jordaan, tegen den opgang. 20 Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaken doen zult, indien gij u voor het aangezicht des Heeren zult toerusten ten strijde, 21 en een ieder van u die toegerust is over den Jordaan zal trekken voor het aangezicht des Heeren, totdat hij zijne vijanden voor zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben, 22 en het land voor het aangezicht des Heeren tenonderge-braclit zij: zoo zult gij daarna wederkeeren en onschuldig zijn voor den Heere en voor Israël, en dii land zal u ter bezitting zijn voor het aangozicht des Heeren. |
23 Indien gij daarentegen alzóó niet zult doen, zie, zoo hebt gij aan den Heere gezondigd; doch gij zult uwe zonde gewaarworden als zij u vinden zal. 24 Bouwt u steden voor uwe kinderkens en kooien voor uwo schapen, en doet wat uit uwen mond uitgegaan is. 25 Toen spraken de kinderen Gads en de kinderen Rubens tot Mozes, zeggende: Uwe knechten zullen doen gelijk als mijnheer gebiedt; 26 onze kinderkens, onze vrouwen, onze have en alle onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead, 27 maar uwe knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des Heeren, tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft. 28 Toen gebood Mozes hun-nenthalve den Priester Eleazar, en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israëls. 21) en Mozes zeide tot hen: Indien de kinderen Gads en de kinderen Rubens met ulieden over den Jordaan zullen trekken, een ieder die toegerust is ten oorloge voor het aangezicht de3 Heeren: als het land voor uw aangezicht zal tenondergebracht zijn, zoo zult _ gij hun het land Gilead ter bezitting geven; 30 maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zoo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in de^i lande Kanaan. 31 En de kinderen Gads en d® kinderen Rubens antwoordden, zeggende: War. de Heere tot uwe knechten gesproken heeft zullen wij alzóó doen: 32 wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des Heeren naar Let land Kanaan, en de bezitting jnzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van den Jordaan. 33 Alzoo gaf Mozes hunlieden, den kinderen Gads en den kin- |
|
NU 98 deren Rubens en den ha] ven stam van t Manasse, Jozefs zoon, het âºÃ³ koninkrijk van Sihon, Koning ij der Amoriten, en het koninkrijk li van Og, Koning van Basan, liet r- land met de steden van dien in de landpalen, de steden cles lands e rondom. o 34 En de kinderen Gads bouw den Dibon, en Ataroth, en Aroër, 35 en Atroth-Sofan, en Jaëzer, en Jogbeha, 3G en Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien. 37 En de kinderen Eubens bouwden Hesbon, en Elealé en Kirjathaïm, 38 en Nebo, en Baal-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sib-ma; en zij noemden de namen der steden die zij bouwden met andere namen. 39 En de kinderen Machirs, des zoons van Manasse, gingen naar Gilead en namen dat in, en zij verdreven de Amoriten, die daarin waren, uit de bezitting. 40 Zoo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse, en hij woonde daarin. 41 Jaïr nu de zoon van Manasse ging henen en nam hun-1 ieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr. 42 En Nobah ging henen en nam Kenath in met hare onder-hoorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijnen naam. HOOFDSTUK 33. Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hunne heiren, door de hand van Mozes en Aaron. 2 En Mozes schreef hunne uittochten naar hunne reizen, naar den mond des Heerex ; en dit zijn hunne reizen naar hunne uittochten. 3 Zij reisden dan van Barneses in de eerste maand op den vijftienden dag der eerste maand; des anderen daags van het Pascha togen de kinderen Israels uit door eene hooge hand, voor do oogen aller Egyptenaren, 4 als de Egyptenaars begroeven |
BI 33. 209 degenen, welke de Heere onu^r hen geslagen had, alle eerstgeborenen: ook had t'e Heere ge-richten geoefend aan hunne goden. 5 Als de kinderen Israels van Barneses verreisd waren, zoo legerden zij zich te Sukkoth. (3 En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is. 7 En zij verreisden van Etham en keerden weder naar Pi-Hahi-roth tegenover Baiil Zefon, en zij legerden zich voor Migdol. 8 En zij verreisden van Hahi-roth, en gingen over, door *t midden van de zee, naar de woestijn; en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham en legerden zich in Mara. 9 En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim: in Elimnu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen, en zij legerden zich aldaar. 10 En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee. 11 En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in do woestijn Sin. 12 En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dof ka. 13 En zij verreisden van Dof ka, en legerden zich in Al us. 14 En zij verreisden van Alus, en legerden zich in Bafidim; doch daar was geen water voor het volk om te drinken. 15 Zoo verreisden zij van Bafidim, en legerden zich in de woestijn Sinaï. 16 En zij verreisden uit de woestijn Sinaï, en legerden zich in Kibroth-Taiiva. 17 En zij verreisden van Kib-roth-Taava, en legerden zich in Hazeroth. 18 En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Bithma. 19 En zij verreisden van Bithma, en legerden zich in Bimmon-Pérez. 20 En zij verreisden van Birn* mon-Pérez, en legerden zich in Libna. |
NU ME KI 33.
txo
|
21 En zij verreisden van Libna, en legerden zicli in Rissa. 22 En zij verreisden van Rissa, â¢en legerden zich in Kehelatha. 28 En zi.i verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte Safer. 24 En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada. 25 En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth. 2G En verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tahath. 27 En zij verreisden van Tahath, en legerden zich in Tarah. 28 Ãn zij verreisden van Tarah, en legerden zich in Mithka. 29 Ãn zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona. 30 En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Mo-eeroth. 31 En zij verreisden van Mo-seroth, en legerden zichinBené-Jaakan. 32 En zij verreisden van Bené-Jaakan, en legerden zichinHor-Gidgad. 33 En zij verreisden van Hor-Gidgad, en legerden zich in Jotbatha. 34 En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona. 35 En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Géber. 36 En zij verreisden van Ezeon-Gébev, en legerden zich in de â¢woestijn Zin, dat is Kades. 37 En zij verreisden van Kades, en legerde» zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edoih. 38 Toen ging de Priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des Heerex, en stierf aldaar, in liet veertigste jaar na den uittocht der kinderen Israels nit Egypte-land, in de vijfde maand op den eerste der maand; 39 Aaron nn was honderd en drieëntwintig jaren oud als hij etierf op den berg Hor. 40 En de Kanaaniet, de Koning van Harad, die in het Znidcn â woonde in het land Kanaan, hoorde dat de kinderen Israels aankwamen. |
41 En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona. 42 En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon. 43 En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth. 44 En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen Abarim, in de landpale Moabs. 45 En zij verreisden van de heuvelen Aharim, en legerden zich in Dibon-Gad. 46 En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zichin Almon-Diblathaïm. 47 En zij verreisden van Almon-Diblathaïm, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo. 48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabi~ ten, aan den Jordaan van Jericho. 49 En zij legerden zich aan den Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan Abel-Sittim,_ in de vlakke velden der Moabiten. 50 En de Heeke sprak totMo-zes in de vlakke velden der Moabiten, aan den Jordaan van Jericho, zeggende: 51 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over den Jordaan zult gegaan zijn in 't land Kanaan, 52 zoo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven en alle hunne beeltenissen verderven; ook zult gij alle hunne gegoten beelden verderven en alle hunne hoogten verdelgen. 53 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen en daarin â¢wonen; want ik heb u dat land gegeven om hetzelve erfelijk te bezitten. 54 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uwe geslachten: denge- ⢠nen, die velen zijn, zult gij hunne | erfenis meerder maken, en dien, I die weinig zijn, zult gij hunne â erfenis minder maken; waarhenen j voor iemand het lot zal uitgaan, i dat zal hij hebben; naar de stam-i men uwer vaderen zult gij de I erfenis nemen. |
NTJMEEI öi.
211
|
55 Mnar indien gij de inwoners des lands niet zult voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, zoo zal het geschieden dat die gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uwe oogen en tot prikkelen in uwe zijden, en zullen u benauwen op het land waarin gij woont, 5G en het zal geschieden dat ik u zal doen gelijk als ik hun dacht te doen. HOOFDSTUK 34. Voorts sprak deHEEREtotMo-izes, zeggende: 2 Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanalin ingaat, zoo zal dit het land zijn dat u ter erfenis vervallen zal, het land Kanaan naar zijne land pal en. 3 De zuiderhoek nu zal n zijn van de woestijn Zin aan de zijden van Edoni; en de zuiderlandpale 7al u zijn van het einde der Zoutzee tegen 't Oosten, 4 en deze land pa le zal u omgaan van het Zuiden naar den opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin, en hare uitgangen zullen zijn van 't Zuiden naar Kades-Barnéa, en zij zal uitgaan naar Hazar-Addar, en doorgaan nnar Azmon, 5 voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en hare uitgangen zullen zijn nnar de zee. G Aangaande de landpale van 't Westen, daar zal u de groote zee de landpale zijn; dit zal uwe landpale van 't Westen zijn. 7 Voorts zal u de landpale van 'tNoorden deze zijn: van de groote zee af zult gij u den berg Hor afteekenen, 8 van den berg Kor zult gij afteekenen tot waar men komt te Hamath, en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad, 9 en deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en hare uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u de noorderlandpale zijn. 10 Voorts zult gij u tot eene landpale tegen 't Oosten afteeke' |
nen van Hazar-Enan naar Sefara, 11 en deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen 'v. oosten van Ain, daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den oever van de zee Kinnéreth oostwaarts, 12 voorts zal deze landpale afgaan langs den Jordaan, en har© uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijne landpalen rondom. 13 En Mozes gebood den kinderen Israels, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de Heere den negen stammen en den halven stam te geven geboden heeft. 14 Want de stam van de kinderen der Rubeniten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gaditen, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen, mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijne erfenis ontvangen: 15 twee stammen en een halve stam hebben hunne erfenis ontvangen aan deze zijde van den Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang. 16 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 17 Dit zijn de namen der mannen, die uliedon dat land ten erve zullen uitdeelen: Eleazar de Priester en Jozua, de zoon van Nun. 18 Daartoe zult gij uit eiken stam éénen overste nemen om het land ten erve uit te deelen; 19 en dit zijn de namen dezer mannen: van den stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne: 20 en van den stam der kinderen Simeons Semuël, zoon van Ammihud; 21 van den stam Benjamin Elidad, zoon van Kislon; 22 en van den stam der kinderen van Dan de overste Bukki, zoon van Jogli; 23 van de kinderen Jozefs: van den stam der kinderen Manasses, de overste Hanniël, zoon van Efod, 24 en van den stam derkinde- |
NUMERI 35.
212
|
ren Efaïmg do overste Kemuël, zoon van Siftan; 25 en van den stam der kinderen Zebulons de overste Elizafan, zoon van Parnach; 26 en van den stam der kinderen Issaschars de overste Paltiël, zoon van Azzan; 27 en van den stam der kinderen Asers de overste Achilmd, zoon van Selomi; 28 en van den stam der kinderen van Naftali de overste Pe-daël, zoon van Ammihud. 29 Dit zijn ze, dien de Heeee geboden heeft den kinderen Is-raëls de erfenissen uit te deelen in het land Kanaan. HOOFDSTUK 35. En de IIeere sprak tot Mozes in de vlakke velden der Moabi-ten, aandenJordaan van Jericho, i zeggende: 2 Gebied den kinderen Israels, dat zij van de erfenis hunner bezitting aan de Leviten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult gijlieden aan de Leviten voorsteden geven aan de steden, rondom dezelve; 3 en die steden zullen zij hebben om te bewonen, maar hare voorsteden zullen zijn voor hunne beesten en voor hunne have en voor al hun gedierte. 4 En de voorsteden der steden, die gij den Leviten geven zult, zullen van den stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom. 5 En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen 't Oosten tweeduizend ellen, en aan den hoek van 't zuiden twee duizend ellen, en aan den hoek van 't Westen tweeduizend ellen, en aan den hoek van het Noorden tweeduizend ellen, dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden. 6 De steden nu, die gij den Leviten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die gij geven zult opdat de doodslager daarhenen vliede, en boven dezelve zult gij hun tweeënveertig steden geven: |
7 alle de steden, die gij den Leviten geven zult, zullen zijn achtenveertig steden, deze met hare voorsteden. 8 Van de steden, die gij van de bezitting der kinderen Israël» geven zult, zult gij van dien die vele heeft vele nemen, en van dien die weinige heeft weinige nemen: een ieder zal, naar zijn© erfenis die zij zullen erven, van zijne steden aan de Leviten geven. 9 Voorts sprak de Heeke tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de kinderen Is-raëls en zeg tot hen: Wanneer gij over den Jordaan gaat naar het land Kanaiin, 11 zoo zult gij maken dat u steden tegemoetliggen, die u tot vrijsteden zullen zijn, opdat de doodslager daarhenen vliede die eene ziel onwetend verslagen heeft. 12 En deze steden zullen u tot eene toevlucht zijn voor den lloedvfvekeY, opdat de doodslager niet sterve totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe. 13 En deze steden die gij geven zult zullen zes vrijsteden voor u zijn. 14 Drie dezer steden zult gij geven op deze zijde van den Jordaan, en drie dezer steden zult gij geven in het land Kanaiin: vrijsteden zullen het zijn, 15 Diezelfde zes steden zullen den kinderen Israëls, en den vreemdeling en den bijwoner in het midden van hen, tot eene toevlucht zijn, opdat daarhenen vliede wie eene ziele onvoorziens verslaat. 16 Maar indien hij met een ijzeren instrument geslagen heeft zoodat hij gestorven is, een doodslager is hij: deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. 17 Of indien hij hem met een handsteen, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft dat hij gestorven is, een doodslager is hij: deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. 18 Of indien hij hem met een houten handinstrument, waarvan |
NU ME RI 26.
2i3
|
men zoude kunnen sterven, ge-slagen heeft dat hij gestorven is, een doodslager is hij: deze doodslager zal zekerlijk gedood worden: 19 de wreker des bloeds, die zal den doodslager dooden; als hij hem ontmoet zal h:j hem dooden. 20 Indien hij hem ook door haat zal gestooten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft dat hij gestorven is, '21 of hem door vijandschap met zijne hand geslagen heeft dat hij gestorven is: de slager zal zekerlijk gedood worden, een doodslager is hij, de bloed wreker zal dezen doodslager dooden als hij hem ontmoet. 22 Maar indien hij hem metterhaast zonder vijandschap gestooten heeft, of eenig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft, 23 of onvoorziens met eenigen steen, waarvan men zonde kunnen sterven, en hij dien op hem heeft doen vallen dat hij gestorven is; zoo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende: 24 zoo zal de vergadering'richten tusschen den slager en tus-schen den bloedwreker naar deze rechten, 25 en de vergadering zal den doodslager redden uit de hand des bloedwrekers, en de vergadering zal hem doen wederkeeren tot zijne vrijstad, waarhenen hij gevloden was; en hij zal daarin blijven tot den dood des Hooge-priesters; dien men met de heilige olie gezalfd heeft. 26 Doch indien de doodslager eenigszins zal gaan uit de palen zijner vrijstad waarhenen hij gevloden was, 27 en de bloedwreker hem zal vinden buiten de palen zijner vrijstad: zoo de bloedwreker den doodslager zal dooden, het zal hem geene bloedschuld zijn: 28 want hij moest in zijne vrijstad gebleven zijn tot den dood des Hoogepriesters^ Maar na den dood des Hoogepriesters zal de doodslager wederkeeren tot het land zijner bezitting. |
29 En deze dingen zullen ulie-den zijn tot eene verzetting van recht, bij uwe geslachten, in alle uwe woningen. 30 Al wie eene ziel slaat, naar den mond der getuigen zal men den^ doodslager dooden; maar een éénig getuige zal niet getuigen tegen een ziele, dat zij sterve. 31 En gij zult geene verzoening nemen voor de ziel des doodslagers, die schuldig is testerven; want hij zal zekerlijk gedood worden. 32 Ook zult gij geene verzoening nemen voor dien die gevlucht is naar zijne vrijstad, dat hij zoude wederkeeren om te wonen in het land, tot den dood des Jfoo^epriesters. 33 Zoo zult gij niet ontheiligen het land waarin gij zijt; want net bloed ontheiligt het land, en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed aat daarin vergoten is, dan door liet bloed desgenen die dat vergoten heeft. 34 Verontreinigt dan het land niet waarin gij gaat wonen, in welks midden ik wonen zal: want ik ben de Heere, wonende in het midden der kinderen Israël s. HOOFDSTUK 36. En de hoofden der vaderen van het geslacht der kinderen Gi-leads, des zoons Machirs, des zoons van Manasse, uit de geslachten der kinderen Jozefs, traden _ toe en spraken voor het aangezicht^ van Mozes, en voor het aangezicht der oversten, hoofden van de vaderen der kinderen Israël s, 2 en zeiden: De Heere heeft mijnen heer geboden, dat land door het lot den kinderen Israels in erfenis te geven;en mijnen heer is door den Heere geboden, de erfenis onzes broeders Zelafeads te geven aan zijne doch-teren. 3 Wanneer zij nu eenen van de zonen der andere stammen |
DEUTET. ONOMIüM 1.
211
|
der kinderen Israels tot vrouwen zouden worden, zoo zoude hare erfenis van de erfenis onzer vaderen afgetrokken worden, en toegedaan tot de erfenis van dien stam, aan welken zij geworden zonden: alzoo zoude van het lot onzer erfenis worden afgetrokken. 4 Als ook de kinderen Israels een jubeljaar zullen hebben, zoo zoude hare erfenis toegedaan zijn tot de erfenis van dien stam, aan welken zij zonden geworden zijn: alzoo zoude hare erfenis van de erfenis van den stam onzer vaderen afgetrokken worden. 5 Toen gebood Mozes den kinderen Israels, naar des Heeren mond, zeggende: De stam der kinderen Jozefs spreekt recht. 6 Dit is het woord dat de Hee-ke van de docht eren Zelafeads geboden heeft, zeggende: Laat ze dien tot vrouwen worden, die in hare oogen goed zal zijn;alleen dat zij aan 't geslacht vanhaars vaders stam tot vrouwen worden. 7 Zoo zal de erfenis der kinderen Israels niet omgewend worden van stam tot stam; want de kinderen Israëls zullen aanhangen een ieder aan de erfenis van den stam zijner vaderen. |
8 Voorts _ zal elke dochter, die eene erfenis erft, van de stammen der kinderen Israëls, ter vrouwe worden aan eenen van het geslacht van den stam haars vaders; opdat de kinderen Israels erfelijk bezitten een ieder de erfenis zijner vaderen., 9 Zoo zal de erfenis niet omgewend worden van den éénen stam tot den anderen: want de stammen «Ier kinderen Israëli zullen aanhangen een ieder aan zijne erfenis. 10 Gelijk als de Heere Mozes geboden had, alzoo deden de dochteren Zelafeads. 11 Want Machla, Tirza, en Hogla en Milka, en Noa, Zelafeads dochteren, zijn den zonen van hare ooms tot vrouwen ge-r worden: 12 onder de geslachten der kinderen van Manasse, Jozefs zoon, zijn tot vrouwengeworden; alzoo bleef hare erfenis aan den stam van het geslacht haars vaders. 13 Dat zijn de geboden en de rechten, die de Heere door den dienst van Mozes aan de kinderen Israëls geboden heeft in de vlakke velden der Moabiten, aan den Jordaan van Jericho. |
HET VIJFDE BOEK VAN ilOZES
GENAAMD
DEÃTERONOMIÃM.
|
HOOFDSTUK 1. Dit zijn de woorden die Mozes tot gansch Israël gesproken heeft aan deze zijde van den Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tusschen Pa-ran en tusschen Tofel en Laban Hazeroth en Di Zahab: 2 elf dogrmew zijn het van Horeb, dooi' den weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-Barnéa. |
3 En het is geschied in het veertigste jaar in degt; elfde maand op den eerste der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israëls, naar alles dat hem de Heere aan hen bevolen had: 4 nadat hij geslagen had Sihon, den Koning der Amoriten, die te Hesbon woonde, en Og, den Koning van Basan, welke woonde te Astaroth in Edréï; 5 aan deze zijde van den Jordaan, in den lande Moabs, hief Mozes dan deze wet uit te leggen, zeggende: (3 De Heere onze God sprak |
DEUTEROftOMlUM 1.
|
tot ons bij Horeb, zeggende: Gij zïjt lang genoeg bij dezen berg gebleven: 7 keert n en vertrekt, en gaat in het gebergte der Amoriten, en tot alle hunne geburen in het vlakke veld op het gebergte, en in de laagte, en in liet Zuiden, en aan de havens der zee; het land der Kaiiniten en don Libanon, tot aan de groote rivier, de rivier^ Frath. 8 Zie, ik heb dat land gegeven voor mv aangezicht: gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de Heere uwen vaderen Abraham, leaak en Jakob, gezworen heeft dat hij het hun en hunnen zade na hen geven zoude. 9 En ik sprak ter zcifder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen. 10 De Heere uw God heeft u vermenigvuldigd, en zie, gij zijt heden als de sterren des hemel in menigte. 11 De Heere uwer vaderen God doe tot u, zooals gij iv.i zijt, duizendmaal meer, en hij zegene u gelijk als hij tot u gesproken heeft. 12 Hoe zoude ik alléén uwe moeite en uwen last en uwe twistzaken dragen? 13 Neemt u wijze mannen en verstandige en ervarene van uwe stammen, dat ik ze tot uwe hoofden stelle. 14 Toen antwoorddet gij mij en zeidet: Dit woord is goed dat gij ^gesproken hebt, om te doen. 15 Zoo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde ze tot hoofden over u, oversten van duizend, en oversten van hoxderd, en oversten van vijftig, en oversten van tien, en ambtlieden voor uwe stammen. 16 En ik gebood uwen rech-teren ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tusschen uwe broederen en richt rechtvaardig tnsschen den man en tusschen zijnen broeder, en tusschen des-zelfs vreemdeling; |
17 gij zult het aangezicht in liet gericht niet kennen, gij zult den kleine zoowel als den groote hoeren, gij zult met vreezen voor iemands aangezicht, want liet gericht is Godes, doch de zake, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze hoeren. 18 Al zoo gebood ik u te dier tijde alle zaken die gij zoudt doen. 19 Toen vertrokken wij van Horeb, en doorwandelden die gansche groote en ^ vreesdij ke woestijn die gij gezien hebt, op den weg van liet gebergte dei Amoriten, gelijk de Heere onze God ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnéa. 20 Toen zei -Ie ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amoriten, dat do Heere onze God ons geven zal: 21 zie, de Heere uw God heeft dat land gegeven voor uw aangezicht ; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de Heere uwer vaderen God tot u gesproken heeft; vreest niet en ontzet u niet. 22 Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen-voor ons aangezicht henenzen-den, die ons het land uitspeuren,, en ons bescheid wederbrengen^ wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen. 23 Deze zaak nu was goed in mijne oogeu: zoo nam ik uit u twaalf mannen, van eiken stam één en man; 24 die keerden zich en togen óp naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol en verspiedden het; 25 en zij namen van de vrucht des lands in hunne hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weder, en zeiden: Het land, dat de Heere onze God ons geven zal, is goed. 26 Doch gij wildet niet optrekken, maar gij waart den mond des Heeren uws Gods weder-spannig; 27 en gij murmureerdet in uwe tenten, en zeidet: Omdat de Heere ons haat, heeft hij ons uifc |
DEÃTERONOMIUM 2.
216
|
Egypteland uitgevoerd, opdat hij ons levere in de hand derAmo-riten om ons te verdelgen. 28 Waarhenen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons harte doen smelten, zeggende; Het is een volk, grooter en langer dan wij; de steden zijn groot en gesterkt tot in den hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakiten gezien. 29 Toen zeide ik tot u: Verschrikt niet en vreest niet voor hen: 30 de Heere uw God, die voor uw aangezicht wandelt, die zal voor u strijden, naar alles dat hij bij u voor uwe oogen gedaan heeft in Egypte, 31 en in de woestijn, waar gij gezien hebt dat de Heere uw God u daarin gedragen heeft als een man zijnen zoon draagt, op al den weg dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats. 32 Maar door dit woord ge-loofdet gij niet aan den Heere uwen God, 33 die voor uw aangezicht op den weg wandelde, om u de plaats uit te zien waar gij zoudt legeren, des nachts in het vuur, opdat hij u den weg wees waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk. 34 Als nu de Heere de stem uwer woorden hoorde, zoo werd hij zeer toornig, en zwoer, zeggende: 35 Zoo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien het goede land, hetwelk ik gezworen heb uwen vaderen te zullen geven! 36 behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, die zal het zien, en hem zal ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijne kinderen, omdat hij volhard heeft den Heere te volgen. 37 Ook vertoornde zich de Hee-ke op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar óók niet inkomen. 38 Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die .zal daarin komen: sterk denzel-ven, want hij zal het Israël doen erven. |
39 En uwe kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn, en uwe kinderen die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen en dien zal ik het geven en die zullen liet erfelijk bezitten. 40 Gij daarentegen, keert u en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee. 41 Toen antwoorddet gij en zeidet tot mij: Wij hebben aan den Heere gezondigd; wij zullen optrekken en strijden, naar alles dat de Heere onze God ons geboden heeft. Als gij nu een iegelijk zijn krijgsgereedschap aan-gorddet, en willens waart om naar het gebergte henen op te trekken. 42 Zoo zeide de Heere tot mij: Zeg hun: Trekt niet op en strijdt niet, want ik ben niet in het j midden van u, opdat gij niet I voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordt. i 43 Doch als ik tot u sprak, zoo hoordet gij niet, maar waart den mond des Heeren weder-spannig en handeldet trotsche-I lijk en toogt op naar het ge-; bergte: 44 toen togen de Amoriten uit, I die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u gelijk als de bijen doen, en. zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe. 45 Als gij nu wederkwaamt en weendet voor het aangezicht des Heeren, zoo verhoorde de Heere uwe stem niet en neigde zijne ooren niet rot u. 46 Alzoo bleeft gij in Kades vele dagen, naar de dagen die gij er bleeft. HOOFDSTUK 2. Daarna keerden wij ons en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de Heere tot mij gesproken had, eu wij togen om naar het gebergte Seïr, vele dagen. 2 Toen sprak de Heere tot mij, zeggende: 3 Gijlieden hebt dit gebergte |
DEUTEKONOMIUM 2.
217
|
genoeg omgetrokken: keert u naar het Noorden. 4 En gebied den volke, zeggende: Gii zult doortrekken aan de landpalen uwer broederen der kinderen Eaaus, die in Seïr quot;wonen; zij zullen wel voor u vreezen, maar gij zul t u zeer wachten. 5 Mengt u niet met hen; want ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van eene voetzool; want ikhebEsau liet gebergte Seir ter erfenis gegeven. 6 Spijze zult gij voor geld van hen koopen dat gij eet, en ook zult gij water voor geld van hen koopen dat gij drinkt. 7 Want de Heere uw God heeft u gezegend in al liet werk uwer hand; hij kent uw wandelen door deze zoo groote woestijn: deze veertig jaren is de Heere uw God met u geweest: geen ding heeft u ontbroken. 8 Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen Esaus, die in Seir woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath en van Ezeon-Géber, zoo keerden wij ons en doortogen den weg der woestijn Moabs. 9 Toen sprak de Heere tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want ik zal u geene erfenis van hun land geven, dewijl ik Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. 10 De Emiten woonden te voren daarin, een groot en talrijk en lang volk, gelijk de Enakiten; 11 deze werden óók voor reuzen gehouden als de Enakiten; en de Moabiten noemden hen Emiten. 12 Ook woonden deHoritente voren in Seïr; maar de kinderen Esaus verdreven ze uit de bezitting en verdelgden ze van hun aangezicht, en hebben in hun-lieder plaats gewoond: gelijk als Israël gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de Heere hun gegeven heeft. 13 Nu maakt u op en trekt over de beek Zered. Alzoo trokken wij over de beek Zered. |
14 De dogen nu die wij gewandeld hebben van Kades-Bar-néa, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren achtendertig jaar, totdat liet gansche geslacht der krijgslieden uit het midden des heirlegers verteerd was, gelijk de Heere hun gezworen had. 15 Zoo was ook de hand dea-Heeren tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren. 1G En het geschiedde als alle de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende, 17 dat de Heere tot mij sprak, zeggende: 18 Gij zult heden doortrekken langs Ar, de iandpale van Moab, 19 en gij zult naderen tegenover de kinderen Arnmons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want ik zal u van het land der kinderen Amnions geene erfenis geven, dewijl ik het Lots kinderen ter erfenis gegeven heb. 20 Dit werd óók voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammoniten noemden ze Zam-zmnmiten: 21 een groot en menigvuldig en lang volk, a's de Enakiten; en de Heere verdelgde ze voor hun aangezicht, zoodat zij ze uit de bezitting verdreven en aan hunlieder plaats woonden; 22 gelijk hij aan Esaus kinderen, die in Ãeir wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht hij de Horiten verdelgde; en zij verdreven zo uit die bezitting, en hebben aan hunlieder plaatse gewoond tot op dezen dag. 23 Ook hebben de Kaftoriten, die ui tK af tor uittogen, de Av-viten die in Hazerium tot Gaza toe woonden, verdelgd en aan hunlieder plaats gewoond. 24 Maakt u op, reist henen en gaat over de beek Anion,zie,ik heb Sihon den Koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land in uwe hand gegeven: begint te erven, en mengt u met hen in den strijd. |
|
218 DEUTERO 25 Te dezen dage zal ik beginnen uwen schrik en uwe vreeze te geven over het aangezicht der volken onder den ganschen hemel; die uw genicht zullen hoo-ren, die zullen sidderen en bang zijn van uw aangezicht. 26 Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemoth tot Sihon, lt;ien Koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende: 27 Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken, ik zal noch ter rechter-noch ter linkerband uitwijken. 28 Verkoop mij spijze voor geld dat ik ete, en geef mij water voor .geld dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijne voeten doortrekken, 29 gelijk de kinderen Esaus, die in Seir wonen, en de Moabi-ten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over den Jor-daan kome in het land, dat de Heere onze God ons geven zal. 30 Maar Sihon, de Koning van Hesbon, wilde ons door hem niet laten doortrekken; want de Heere uw God verhardde zijnen geest en verstokte zijn harte, opdat hij hem in uwe hand gave, gelijk het is te dezen dage. 31 En de Heere zeide tot mij: Zie, ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten. 32 En Sihon toog ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten â strijde, naar Jahaz; 33 en de Heere onze God gaf hem voor ons aangezicht, en wij sloegen hem en zijne zonen en al zijn volk. 34 En wij namen te dier tijde alle zijne steden in, en wij verbanden alle steden, mannen en vrouwen en kinderkens: wij lieten niemand overblijven. 35 liet vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden die wij innamen. 36 Van Arocr af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot â Gilead toe, was er geene stad die |
s[OMIÃM 3. voor ons te hoog was; deHEERB onze God gaf dat alles voor ons aangezicht. 37 Alleen tot het land der kinderen Ammons naderdet gij niet, noch tot de gansche streek der beek Jabbok, noch tot de steden van dat gebergte, noch tot iets dat de Heere onze God ons verboden had. HOOFDSTUK 3. Daarna keerden wij ons en togen op den weg van Basan; en Og, de Koning van Basan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, bij Edreï. 2 Toen zeide de Heere tot mij : Vrees hem niet, want ik heb hem en al zijn volk en zijn land in uwe hand gegeven ; en gij^ zult hem doen gelijk als gij Sihon, den Koning der Amoriten die te Hesbon woonde, gedaan hebt. 3 En de Heere onze God gaf ook Og, den Koning van Basan, en al zijn volk in onze hand, zoodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven. 4 En wij namen te dier tijd alle zijne steden; daar was geene stad, die wij van hen niet namen; zestig steden, de gansche landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Basan. 5 Alle die steden waren met hooge muren, poorten, en grendelen versterkt; behalve zeer vele onbemuurde steden. 6 En wij verbanden dezelve gelijk wij Sihor, den Koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderkens. 7 Doch al het vee en den roof van die steden roofden wij voor ons. 8 Zoo namen wij te dier tijd het land uit de hand van de twee Koningen der Amoriten, die aan deze zijde van den Jordaan waren, van de beek Arnon tot den berg Hermon toe: 9 (de Sidoniërs noemen Hermon Sirion, maar de Amoriten noemen hem Ser ir): 10 alle de steden des platten |
|
DEUTERO lands, en het gansche Gilead,en het gansche Basan, tot Salkaen Edréï toe, steden des koninkrijks van Og in Basan. 11 Want Og, de Koning Tan Basan, was alléén van de overigen der reuzen overgebleven; zie, zijne bedstede, zij71de een bedstede van ijzer, is zij niet te Eabba der kinderen Amnions? Negen ellen is hare lengte en vier ellen hare breedte,naar eens mans elleboog. 12 Dit land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroëeraf, dat aan de beek Anion is, en de helft van het gebergte Gileads, met de steden van dien, gaf ik aan de Rubeniten en Gaditen. 13 En het overige van Gilead, mitsgaders het gansche Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Ma-nasse, de gansche landstreek van Argob, door het gansche Basan; datzelve werd genoemd het land der reuzen. 14 Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gansche landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gesuriten en Maachathiten; en hij noemde ze naar zijnen naam, Basan Havvoth-Jaïr tot op dezen dag. 15 En Machir gaf ik Gilead. 16 Maar den Rubeniten en Gaditen gaf ik van Gilead af tot aan de beek Anion, het midden van de beek en de landpale, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons: 17 daartoe het vlakko void, en den Jordaan, mitsgaders de land- : pale; van Kinnéreth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het Oosten. 18 Voorts gebood ik ulieden ter zelfder tijd, zeggende: De Heere uw God heelt u dit land gegeven om het te erven; allen dan die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door, voor het aangezicht uwer broederen de kinderen Israels; 19 behalve uwe vrouwen, en uwe kinderkous, en uw vee (ik weet dat gij veel vee hebt), zij |
ÃOMIUM 4. 219 zullen blijven in uwe steden, die ik u gegeven heb; 20 totdat de Heere uwen broederen rust geve gelijk ulieden, dat zij óók erven het land dat de Heere uw God hun geven zal aan gene zijde van den Jordaan; dan zult gij wederkeeren elk tot zijne erfenis, die ik u gegeven heb. 21 Ook gebood ik Jozua ter zelfder tijd, zeggende: Uwe oogen zien alles wat de Heere ulieder God aan deze twee Koningen gedaan heeft: alzóó zal de Heere aan alle koninkrijken doen, naar dewelke gij henen doortrekt. 22 Vreest ze niet, want de Heere uw God strijdt voor ulieden. 23 Ook bad ik den Heere om genade, zeggende te dier tijd: 24 Heere Heere, gij hebt begonnen uwen knecht te toon en uwe grootheid en uwe sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar uwe werken en naar uwe mogendheden! 25 Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien dat aan gene zijde van den Jordaan is, dat goede gebergte en den Libanon. 26 Doch de Heere verstoorde zich zeer om uwentwil over mij, en hoorde niet naar mij; maar de Heere zeide tot mij: Het zij u genoeg, spreek niet meer tot mij van deze zake: 27 klim op de hoogte van Pisga, en hef uwe oogen op naar het Westen en naar het Noorden en naar het Zuiden en naar het Oosten, en zie toe met uwen oogen; want gij zult over dezen Jordaan niet gaan. 28 Gebied dan Jozua en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk overgaan, en zal ze dat land dat gij zien zult doen erven. 29 Alzoo bleven wij in dit dal tegenover Betli-Peor. HOOFDSTÃK 4. Nu dan, Israël, hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden leer te doen; op- |
|
220 DEUTERO dat gij leeft, en inkomt, en liet land erft dat u de Ueere, uwer vaderen God, geeft. 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden des Heeren uvt's Gods, die ik u gebied. 3 Uwe oogen hebben gezien wat de IIeere om Baal-Peor gedaan heeft; want allo man, die Baal-Peor navolgde, dien heeft de Heere uw God uit het midden van u verdaan; 4 gij daarentegen, die den Heere uwen God aanhiugt, gij zij t heden allen levend. 5 Zie, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de Heere mijn God mij geboden heeft; opdat gij alzóó doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat om het te erven. 6 Behoudt ze dan en doet ze; want dat zal uwe wijsheid en uw verstand zijn voor de oogen der volkeren, die alle deze inzettingen hooren zullen, en zeggen; Dit groote volk alleen is een wijs en verstandig volk. 7 quot;Want wat groot volk ia er hetwelk de goden zóó nabij zijn, als de Heere onze God zoo dikwijls wij hem aanroepen? 8 En wat groot volk is er dat zóó rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganscue wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef? 9 Alleenlijk wacht u en bewaar uwe ziele wel, dat gij niet vergeet de dingen die uwe oogen gezien hebben, en dat zij niet van uw harte wijken alle do dagen uws levens; en gij zult ze aan uwe kinderen en kindskinderen bekend maken. 10 Ton dage als gij voor het aangezicht des Heeren uws Gods bij Horeb stondt, toen de Heere tot mij zeide; Vergader mij dit volk, en ik zal ze mijne woorden doen hooren, die zij zullen loeren, om mij te vreezen alle de dagen die zij op den aardbodem zullen leren, en zij zullen ze hunnen kinderen leeren; 11 en gijlieden naderdet en |
ÃOMIÃM 4. stondt beneden dien berg (die berg nu brandde van vuur tot aan het midden des hemels, daar was duisternis, wolken en donkerheid) : 12 zoo sprak de Heere tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden, maar gij zaagt geene gelijkenis, behalve de stem. 13 Toen verkondigde hij u zijn verbond dat hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee steenen tafelen. 14 Ook gebood mij de Heers ter zelfder tijd, dat ik u inzettingen en rechten leeren zoude, opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt om het_to erven. 15 Wacht u dan wel voor uwe zielen; want gij hebt geene gelijkenis gezien ten dage als de Heere op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak; 16 opdat gij u niet verderft en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van eenig beeld, de gedaante van man of vrouw; 17 de gedaante van eenig beest, dat op (ie aarde is, de gedaante van eenigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt; 18 de gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt, de gedaante van eenigen visch, die in het water is onder de aarde; 19 dat gij ook uwe oogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon en de maan en de sterren, des hemels gansche heir, en wordt aangedreven dat gij u voor die buigt en haar dient: welk© de Heere uw God aan alle volken onder den ganschen hemel heeft uitgedeeld; 20 maar ulieden heeft de Heers aangenomen en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd, opdat gij hem tot een er.Volk zoudt zijn, gelijk het te dezer dage is. 21 Ook vertoornde zich de Heere over mij om ulieder woorden; en hij zwoer dat ik over den Jordaan nie* zoude gaan, en dat ik niet zouda komen in het goede land dat do Heere uw God u ter erfenis geven zal. |
|
DEÃÃERO: 22 Want ik zal in dit land iterven, ik zal over den Jordaan niet gaan; maar gij zu't er overgaan en dat goede land erven. 23 Wacht u dat gij het verbond des Heeren uwb Gods. hetwelk hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de Heere uw God u verboden heeft; 24 want de Heere uw God is een verterend vuur, een ijverig God. 25 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van eenig ding, en doet dat kwaad is in de oogen des Heeren uwsGods, om hem tot toorn te verwekken: 26 zoo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuigen tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over den Jordaan naar toe trekt om het te erven; gij zult uwe dagen daarin niet verlengen, maar ganschelijk verdelgd worden. 27 En de Heere zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getale overblijven onder de heidenen waar de Heere u henen leiden zal. 28 En aldaar zult gij goden dienen die 'smenschen handen werk zijn, hout en steen, die niet zien noch hooien, noch eten noch ruiken. 29 Dan zult gij van daar den Heere uwen God zoeken, en vinden, als gij hem zoeken zult met uw gansche harte en met uwe gansche ziele. 30 Wanneer gij in angst zult cijn, en u alle deze dingen zullen treffen, in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeeren tot den Heere uwen God, en zijner Etem-me gehoorzaam zijn; 31 want de Heere uw God is een barmhartig God: hij zal u niet verlaten noch n verderven, en hij zal het verbond uwer va- |
OMIUM 4. 221 deren, dat hij hun gezworen heeft, niet vergeten. 32 Want vraagt toch naar de vorige dagen, die vóór u geweest; zijn, van dien dag af dat God den mensch op de aarde geschapen heeft, van het cénc einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of geiioord is als dit: 33 of een volk gehoord heeft de stemme Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend gebleven is: 34 of ook, of God verzocht heeft te gaan om zich een volk uit het midden eens^ volks aan te nemen, door beproevingen, door teekenen en door wonderen, en door strijd, en door eene sterke hand en door eenen uitgestrekten arm, en met groote verschrikkingen; naar al hetgeen dat de Heere uw God ulieden voor uwe oogen in Egypte gedaan heeft. 35 U is het getoond, opdat gij weet dat de Heere die God is; daar is niemand meer dan hij alleen. 3à Van den hemel heeft hij u zijne stem laten hooren, om ute onderwijzen; en op de aarde heeft hij u zijn groot vuur laten zien; en gij hebt zijne woorden uit het midden des vuurs gehoord. 37 En omdat hij uwe vaderen liefhad en hun zaad na hen verkoren had, zoo heeft hij u voor zijn aangezicht door zijne groot© kracht uit Egypte uitgevoerd, 38 om volken, die grooter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven, om u in te brengen, dat hij u hunliederland ter erfenis gave, gelij k het te dezen dage is. 39 Zoo zult gij heden weten en in uw harte nemen, dat de Heere die God is, boven in den hemel en onderop de aarde, niemand meer; 4à en gij zult houden zijne inzettingen en zijne geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uwen kinderen na u wel ga, en opdat gij de dagen verlengt in het land dat de Heere uw God u geeft voor altoos. |
|
222 DEUTEEO 41 Toen scheidde Mozea drie eteden uit aan deze zij de van den Jordaan, tegen den opgang der son, 42 opdat daarlienen vlood de doodslager, die zijnen naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte, dat hij in eene van deze steden vlood en levend bleef: 43 Bezer in de woestijn, inliet ellen land, voor do Rubeniten; en Eamoth in Gilead, voor do Gaditen; en Golan in Uasan, voor de Manassiten. 44 Dit is nu de wet, dio Mozes den kinderen Israels voorstelde; 45 dit zijn de getuigenissenen de inzettingen en do rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen; 46 aan deze zijde van den Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van SihoTi, den Koning der Amoriten, die te Hesbon woonde; welken Mozes eloeg, en de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen, 47 en zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, Koning van Basan: twee Koningen der Amoriten, die aan deze zijde van den Jordaan waren tegen den opgang der zon: 48 van Aroër atquot;, dat aan den oever der beek Anion is, tot aan den berg Sion, welke is Hermon; 49 en al het vlakke veld aan deze zijde van den Jordaan, naar 't Oosten, tot aan de zee des vlakken velds ouder Asdoth-Pisga. HOOFDSTUK 5. Eu Mozes riep het gansche Israël, en zeide tot hen: Hoor, Israël, de inzettingen en rechten, die ik heden voor uwe ooren spreek, dat gij ze leert en waarneemt om dezelve te doen. 2 De Heere onze God heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb. 3 Met onze vaderen heeft de Heere dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier heden allen levend zijn. 4 Van aangezicht tot aangezicht |
STOMIUM 5. heeft de Heere met u op den berg gesproken uit het midden-des yuurs, 5 (ik stond te dier tijd tusschen den Heere en tusschen u, om u des Heeren Woord aan te zeggen; want gij vreesdet voor hefc vuur en klomt niet op den berg), zeggende: 6 Ik ben de Heere uw God,, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. 7 Gij zult geene andere goden voor mijn aangezicht hebben. 8 Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch eenige gelijkenis van wat boven in den hemel of wat onder op de aarde is of wat in het water ouder de aarde is. 9 Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen; want ik de Heere uw God ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde en aan het vierde lid dergenen die mij haten; 10 en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die mij liefhebben en mij liefhebben en mijne geboden onderhouden. 11 Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken, want de Heere zal niet onschuldig houden dengenen dio zijnen naam ijdellijk gebruikt. 12 Onderhoud den sabbatdag, dat gij dien heiligt, gelijk als de Heere uw God u geboden heeft» 13 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 14 maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon noch uwe dochter, noch uw dienstknecht noch uwe dienstmaagd, noch uw os noch uw ezel nog eenig van uw vee, noch de vreemdeling die in uwe poorten is; opdat uw dienstknecht en uwe dienstmaagd ruste gelijk gij; 15 want gij zult gedenken dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de Heere uw God u van daar heeft uitgeleid door eene sterke hand en eenen uitgestrekten arm; daarom heeft u de Heere uw God geboden dat |
|
DEUTEKOI gij den sabbatdag houden ziüt. 16 Eer uwen vader en uwe moeder gelijk de Heese uw God u geboden heeft, opdat uwe dagen verlengd worden en opdat liet u wel ga in het land dat u de Heere uw God geven zal. 17 Gij zult niet doodslaan. 18 En gij zult geen overspel doen. 19 En gij zult niet eteleu. 20 En gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste. 21 En gij zult niet begeeren iiws naasten vrouw, en zult u niet laten gelusten uws naasten huis, zijnen akker, noch zijnen dienstknecht noch zijne dienstmaagd, zijnen os noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is. 22 Deze woorden sprak de Heere tot uwe gansche gemeente op den berg, uit het midden des vuurs, der wolke en der donkerheid, met een groote stem, en deed daar niets aan toe; en hij schreef ze op twee steenen tafelen en gaf ze mij. 23 En het geschiedde als gij die stem uit het midden der duisternis hoordet, en de berg van vuur brandde, zoo naderdetgij tot mij, alle hoofden uwer stammen en uwe oudsten, 24 en zeidet: Zie, de Heere onze God heeft ons zijne heerlijkheid en zijne grootheid laten zien; en wij hebben zijne stem gehoord uit het midden des vuurs; dezen dag hebben wij gezien dat God met den mensch spreekt, en dat hij levend blijft; 25 maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit groote vuur zonde ons verteren; indien wij voortvoeren de stem des Hee-ren onzes Gods langer te hoo-ren zoo zouden wij sterven. 2G Want wie is er van alle vleesch, die de stem des levenden Gods, sprekende uit liet midden des vuurs, gehoord heeft gelijk wij, en levend is gebleven? 27 Nader gij, en hoor alles wat de Heere onze God zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de Heere onze God tot u spreken zal, en |
OIVIIUM 6. 223 wij zullen het hooren en doen. 28 Als nu de Heere de stem. uwer woorden hoorde, toen gij tot mij spraakt zoo zeide de Heere tot mij; Ik heb gehoord de stem der woorden dezes volks, die zij tot u gesproken hebben: het is al-temaal goed wat zij gesproken hebben. 29 Och, dat zij zulk eene harte hadden om mij te vreezen en alle mijne geboden te allen dage te onderhouden, opdat het hun en hunnen kinderen wel ging in eeuwigheid! 30 Ga, zeg hun: Keert weder naar uwe tenten. 31 Maar gij, sta hier bij mij, dat ik tot u spreke alle de geboden en inzettingen en rechten die gij hun ieeren zult, dat zij ze doen in het land hetwelk ik hun geven zal om dat te erven.^ 32 ïs eemt dan waar, dat gij doet. gelijk als cle Heere uw God u geboden heeft, en wijkt niet af ter rechter- noch ter linkerhand- 33 In al den weg dien de Heere uw God u gebiedt zult gij gaan; opdat gij leeft en dat het u wel ga, en gij de dagen verlengt in het land dat gij erven zult. HOOFDSTUK 6. Dit zijn dan de geboden, do inzettingen en de rechten, die do Heere uw God geboden heeft om, u te leeren, opdat gij ze doet in het land naar hetwelk gij henen-trekt om dat erfelijk te bezitten; 2 opdat gij den Heere uwen God vreest, om te houden alle zijne inzettingen en zijne geboden die ik u gebied, gij en uw kind en kindskind, alle de dagen uws levens, en opdat uwe dagen verlengd worden. 3 Hoor dan, Israël, en neem waar dat gij ze doet, opdat het u wel ga, en opdat gij zeer vermenigvuldigt (gelijk als tot u de Heere uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land dat van melk en honig is vloeiende. 4 Hoor, Israël, de Heere onze God is een éénig Heere: 5 zoo zult gij den Heere uwen God liefhebben met uw ganscho |
|
224 DEUTERO harte en met uwe gansche ziele en met al uw vermogen. 6 En deze woorden, die ik u heden gel) ie do, zullen in uw harte zijn; 7 en gij zult ze uwen kinderen inscherpen, en daarvan spreken als gij in uw huis zit en als gij op den weg gaat, en als gij neder] igt en als gij opstaat. S Ãok zult gij ze tot een tee-ken binden op uwe hand, en zij zuilen u tot voorhoofdspanselen zijn tusschen uwe oogen; 9 en gij zult ze op de posten uws huizes en aan uwe poorten schrijven. 10 Als het dan zal geschied zijn dat (ie Heere uw God u zal hebben ingebracht in het land dat hij uwen vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft u te zuilen geven; groote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt, 11 en huizen, vol van alle goed, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet ge-geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt: 12 zoo wacht u dat gij den Heere niet vergeet, die u uit Egypteland, uit den diensthuize, heeft uitgevoerd. 13 Gij zult den Heere uwen God vreezen en hem dienen, en gij zult bij zijnen naam zweren. 14 Gij zult andere goden niet navolgen, van de goden der volken, die rondom u zijn, 15 want de Heere uw God is een ijverig God in het midden van u; dat de toorn des Heeren uws Gods tegen u niet ontsteke eu hij u van den aardbodem verdelge. 1G Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken, gelijk als gij hem verzocht hebt te Massa. 17 Gij zult de geboden des II r, eren uws Gods vlijtiglijk honden, mitsgaders zijne getuigenissen en zijne inzettingen, die hij u geboden heeft. 18 En gij zult doen wat recht en goed is in de oogen desllEE-ben, opdat het u wèl ga, eu dat |
^OMIUM 7 gij inkomt en erft het goede land, dat de Heekë uwen vaderen gezworen heeft: 19 om alle uwe vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de Heere gesproken heeft. 20 Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende; Wat zijn dat voor getuigenissen en inzettingen en rechten, die de Heere onze God ulieden geboden heeft? 21 zoo zult gij tot uwen zoon zeggen; Wij waren Farao's dienstknechten in Egypte, maar de Heere heeft ons door eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd; 22 en de Heere gaf teekenen en groote en kwade wonderen in Egypte aan Farao en aan zijne gansche huis voor onze oogen; 23 en hij voerde ons van daar uit, opdat hij ons inbracht om ons het land te geven, dat hij onzen vaderen gezworen had. 24 En de Heere gebood ons te doen alle deze inzettingen, om te vreezen den Heere onzen God, voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is. 25 En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen alle deze geboden voor het aangezicht des Heeren onzes Gods, gelijk als hij ons geboden heeft. HOOFDSTUK 7. Wanneer u de Heere God zal gebracht hebben in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven en hij _ vele volkeren voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de IJethiten en de Girgasitenen de Amoriten er. de Kanaaniten en de Fereziten en de Heviten en de Jebusiten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij; 2 en de Heef.e uw God hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht dat gij zo slaat, zoo zult gij ze ganschelijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken noch hun genadig zijn. 3 Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen, gij zult uwe dochters niet ge^en aan hunne |
|
DEUTERON ronen, en hunne dochters niet nemen voor uwe zonen; 4 want zij zouden uwe zonen van mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de^ toorn des Hkeren zoude tegen ulieden ontsteken en u haast verdelgen. 5 Maar alzóó zult gij hun doen: hunne altaren zult gij afwerpen en hunne opgerichte beelden verbreken, en hunne bosschen zult gij afhouwen, en hunne gesneden beelden met vuur verbranden. 6 Want gij zijt een heilig volk den Heere uwen God: u heeft de Heere uw God verkoren, dot gij hem ten yolke des eigendoms zoudt zijn uit alle volken die op den aardbodem zijn. 7 De Heere heeft geen lust tot u gehad noch u verkoren om uwe veelheid boven alle andere volken, want gij waart het minste van alle volken; 8 maar omdat de Heere ulieden liefhad, en opdat hij hield den eed dien hij uwen vaderen gezworen had, heeft de Heere u met eene sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit den dienst-huize, uit de hand van Farao, Koning van Egypte. 9 Gij zult dan weten dat de Heere uw God die God is, die getrouwe God, dewelke het verbond en de weldadigheid houdt dengenen die hem lief hebben en zijne geboden houden, tot in duizend geslachten; 10 en hij vergeldt een ieder van hen die hem haten in zijn aangezicht, om hem te verderven; hij zal het zijnen hater niet vertragen, in zijn aangezicht zal hij hem vergelden. 11 Houdt dan de geboden en de inzettingen en de rechten, die ik u heden gebiede om die te doen; 12 zoo zal het geschieden omdat gij deze rechten zult hooren en houden en dezelve doen dat de Heere mv God uhet verbond en de weldadigheid zal houden, die hij uwen vaderen gezworen heeft, 13 en hij zal u liefhebben en zal u zegenen en u doen vermenigvuldigen, en hij zal zegenen de |
OMIÃM 7. 225 vrucht uws buiks en de vrucht uws lands, uw koren en uwen most en uwe olie, de dracht uwer koeien en de kudden van uw klein vee, in het land, dat hij uwen vaderen gezworen heeft u te geven. 14 Gezegend zult gij zijn boven alle volken, daar zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uwe beesten. 15 En de Heere zal alle krankheid van u afweren, en hij zalu geene van der Egyptenaren kwade ziekten die gij kent opleggen, maar zal ze leggen op allen die u haten. 1G Gij zult dan alle die volken verteren die de Heere uw God u geven zal; uw oog zal ze niet verschoonen, en gij zult hunne goden niet dienen, want dat zoude u een strik zijn. 17 Zoo gij in uw harte zeidet; Deze volken zijn meerder dan ik, hoe zoude ik ze uit de bezitting kunnen verdrijven? 18 vrees niet voor hen:gedenk steeds wat de Heere uw God aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft; 19 de groote verzoekingen die uwe oogen gezien hebben, en de teekenen en de wonderen, en do sterke hand en den uitgestrekten arm, door welke u de Heere uw God heeft uitgevoerd: alzóó zal de Heere uw God doen aan alle volken, voor welker aangezicht gij vreest. 20 Daartoe zal de Heere uw God ook horzelen onder hen zenden, totdat zij omkomen die overgebleven en voor uw aangezicht verborgen zijn. 21 Ontzet u niet voor hun-lieder aangezicht; want de Heere uw God is in het midden van u, een groot en vreeselijk God; 22 en de Heere uw 'God zal deze volken voor uw aangezicht allengskens uitwerpen; haastelijk zult gij ze niet mogen te niet doen, opdat het wild des velds niet tegen u vermenigvuldige. 23 En de Heere zal ze geven voor uw aangezicht, en hij zal ze verschrikken met groote ver- |
|
226 DETJTERO Bchrikking, totdat zij verdelgd wordeu. 24 Ook zal hij hunne Koningen in uwe hand geven, dat gij hunnen naam van onder den hemel te niet doet: geen man zal voor uw aangezicht bestaan totdat gij ze zult hebben verdelgd. 25 De gesneden beelden van hunne goden zult gij met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet be-geeren noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt; want dat is den Heere uwen God een gruwel. 26 Gij zult dan den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk datzelve is; gij zult hetgansche-lijk verfoeien en ten eenenmale een gruwel daarvan hebben, want het is een ban. HOOFDSTUK 8. Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft en vermenigvuldigt, en inkomt en het land erft dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft. 2 En gij zult gedenken aan al den weg dien de Heere uw God u deze veertig jaar in do woestijn geleid heeft, opdat hij u verootmoedigde om u te verzoeken, om te weten wat in uw harte was, of gij zijne geboden zoudt houden of niet. 3 En hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet noch uwe vaderen gekend hadden; opdat hij u bekendmaakte, dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar dat de mensch leeft van alles dat uit des Heer en mond uitgaat. 4 Uwe kleeding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaar. 5 Bekent dan in uw harte, dat de Heere uw God u kastijdt gelijk als een man zijnen zoon kastijdt, 6 en houdt de geboden des Heeren uws Gods, om in zijne wegen te wandelen en om hem te vreezen. |
S'OMIUM 8. 7 Want de Heere uw God brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; 8 een land van tarwe en gerst, en wijnstokken en vijgeboomen en granaatappelen, een land van olierijke olijfboomen en van honig; 9 een land waarl-n gij brood zonder schaarschheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal, een land welks steenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult. 10 Als gij dan zult gegeten hebben en verzadigd zijn, zoo zult gij den Heere uwen Golt;3 loven over dat goede land, dat hij u zal hebben gegeven. 11 Wacht u dat gij den Heere uwen God niet vergeet, dat gij niet zoudt houden zijne geboden en zijne rechten en zijne inzettingen, die ik u heden gebied: 12 opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben en die bewonen, 13 en uwe runderen en uwe schapen zullen vermeerderd zijn* ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat gij hebt vermeerderd zal zijn, 14 uw harte zich alsdan ver-hefle, dat gij vergeet den Heere uwen God, die u uitEgypteland, uit den diensthuize, uitgevoerd heeft; 15 die u geleid heeft in die groote en vreeselijke woestijn, waar vurige slangen en schorpioenen icaren, waar dorheid en geen water was; die u water uit de keiachtige rots voortbracht; 16 die u in de woestijn spijsde met Man, dat uwe vaderen niet gekend hadden, om u te verootmoedigen en om u te beproeven, opdat hij u ten laatste weldeed; 17 en gij in uw harte zegt: Mijne kracht en de sterkte mijner hand heeft m j dit vermogen verkregen. 18 Maar gij zult gedenken den Heere uwen Gcd, dat hij het is die u kracht geeft om vermogen |
|
DEUTEROl te verkrijgen; _ opdat hij zijn verbond bevestige dat hij uwen vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is. 19 Maar indien liet geschiedt dat gij ..den Heere uwen God ganschelijk vergeet, en andere goden navolgt en ze dient en n voor dezelve buigt, zoo betuig ik heden tegen u dat gij voorzeker zult vergaan: 20 gelijk de heidenen, die de Heere voor uw aangezicht verdaan heeft, omdat gij der stemme des Heeren uws Gods niet gehoorzaam zult geweest zijn. HOOFDSTUK 9. Hoor Israël, gij zult lieden over den Jordaan gaan, dat gij inkomt om volken te erven die grooter en sterker zijn dan gij; steden die groot en tot in den hemel gesterkt zijn; 2 een groot en lang vo' k, kinderen der Enakiten, die gij kent en van tcelke gij gehoor;! hebt: Wie zoude bestaan voor het aangezicht der kinderen Enaks? 3 Zoo zult gij heden weten, dat de Heere uw God degene is die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: die zal ze verdelgen en die zal ze voor uw aangezicht nederwerpen, en gij zult ze uit de bezitting verdrijven en zult ze haastelijk te niet doen, gelijk als de Heere tot u gesproken heeft. 4 quot;Wanneer hen nu de Heere uw God voor uw aangezicht zal hebben uitgestooten, zoo spreek niet in uw harte, zeggende: De Heere heeft_ mij om mijne gerechtigheid ingebracht om dit land te erven: want om de goddeloosheid dezer volken verdrijft ze de Heere voor uw aangezicht uit de bezitting. 5 Niet om uwe gerechtigheid noch om de oprechtheid uws harten komt gij er in, om hun land te erven, maar om de goddeloosheid dezer volken verdrijft ze de Heere uw God voor uw aangezicht uit de bezitting, en om het woord te bevestigen dat de Heere uw God uwen vaderen, |
OMIUM 9. 227 Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft. 6 Weet dan dat u de Heere uw God niet om uwe gerechtigheid dit goede land geeft om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk. 7 Gedenk, vergeet niet, dat gij den Heere uwen God in de woestijn zeer vertoornd hebt; van dien dag af dat gij uit Egypte-land uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den Heere. 8 Want aan Horeb vertoorndet gij den Heere zeer, dat hij zich tegen u vertoornde om u te verdelgen. 9 Als ik op den berg geklommen was, om te ontvangen de steenen tafelen, de tafelen des verbonds dat de Heere met ulieden gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op den berg, at geen brood en dronk geen water; 10 en de Heere gaf mij de twee steenen tafelen, met Gods vinger beschreven, en op dezelve naar alle de woorden, die de Heere op den berg uit het midden des vuurs ten dage der verzameling met ulieden gesproken had. 11 Zoo geschiedde het, ten einde van veertig dagen en veertig nachten, als mij de Heere de twee steenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf, 12 dat de Heere tot mij zeide: Sta op, ga haastelijk af vanhier, want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastelijk afgeweken van den weg dien ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt. 13 Voorts sprak de Heere tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt en zie, het is een hardnekkig volk: 14 laat van mij af, dat ik ze verdelge en hunnen naam van onder den hemel uitdoe, en ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken dan dit is. 15 Toen koerde ik mij en ging |
|
228 DEUTEROà van den berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen des verbonds waren op beide mijne handen; 16 en ik zag toe, en zie, gij hadt tegen den Heere uwen God gezondigd, gij hadt u een gegoten kalf gemaakt, gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien u de Heere geboden had: 17 toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze henen uit beide mijne handen, en brak ze voor uwe^ oogen. 18 En ik wierp mij neder voor het aangezicht des Heeren, als \n het eerste, veertig dagen en veertig nachten, ik at geen brood en dronk geen water, om al uw «onde die gij hadt gezondigd, doende dat kwaad is in des Heeren oogen, om liem tot toorn ie verwekken; 19 want ik vreesde vanwege den toorn en de grimmigheid, waarmede de Heere zeer op ulieden vertoornd was om u te verdelgen; doch de Heere verhoorde mij ook op ditmaal. 20 Ook vertoornde zich de Heere zeer tegen Aaron om hem te verdelgen, doch ik bad ook ter zelfder tijd voor Aaron. 21 Maar uwe zonde, het kalf dat gij hadt gemaakt, nam ik en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wél, totdat het verdund werd tot stof, en zijn stof wierp ik in de beek, die van den berg afvliet. 22 Ook vertoorndet gij den Heere zeer te Tabeëra, en te Massa, en te Kibroth-Taiiva. 23 Voorts als de Heere ulieden zond uit Kades-Barnéa, zeggende: Gaat op en erft het land, dat ik u gegeven heb, zoo waart gij den mond des Heeren uws Gods wederspannig, en geloofdet hem niet en waart zijner stem niet gehoorzaam. 24 Wederspannig zijt gij geweest tegen den Heere, van den dag af dat ik u gekend heb. 25 En ik wierp mij neder voor des Heeren aangezicht, die veertig dagen en veertig nachten in welke ik mij nederwierp, dewijl |
OMIUM 10. de Heere gezegd had dat hij u verdelgen zoude: 26 en ik bad tot den Heere en zeide: Heere, Heere, verderf uw volk en uw erfdeel niet, dat gij door uwe grootheid verlost hebt, dat gij uit Egypte door eene sterke hand hebt uitgevoerd. 27 Gedenk aan uwe knechten, Abraham, Isaak en Jakob; zie niet op de hardigheid dezes volks, noch op zijne goddeloosheid, noch op zijne zonde; 28 opdat het land, van waar gij ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze de Heere niet konde brengen in het land waarvan hij hun gesproken had, en omdat hij ze haatte, heeft hij ze uitgevoerd om hen te dooden in de woestijn. 29 Zij zijn toch uw volk en uw erfdeel, dat gij door uwe groote kracht en door uwen uit-gestrekten arm hebt uitgevoerd. HOOFDSTUK 10. Ter zelfder tijd zeide de Heere tot mij: Houw u twee steenen tafelen als de eerste, en klim tot mij op dezen berg, daarna zult gij u eene kist van hout maken; 2 en ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die gij gebroken hebt, en gij zult ze leggen in die kist. 3 Alzoo maakte ik eene kist van sittimhout, en hieuw twee steenen tafelen als de eerste; en ik klom op den berg, en de twee tafelen waren in mijne hand. 4 Toen schreef hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die de Heere ten dage der verzameling op den berg uit het midden de» vuurs tot ulieden gesproken had, en de Heere gaf ze mij. 5 En ik keerde mij en ging af van den berg, en leide de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn ze, gelijk als de Heere mij geboden heeft. 6 (En de kinderen Israels |
|
DEUTERO: reisden van Beëroth Benc-Ja-kaiin en Mosera. Aldaar stierf Atiron en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het Priesterambt in zijne plaats. 7 Van daar reisden zij naarGnd-god, en van Gudgod naar Jotba-tlia, een land van waterbeken.) 8 Terzelfder tijd scheidde de Heere den stam Levi af om de Arke des verbonds des Heeren te dragen, om voor het aangezicht des Heeren te staan, om hem te dienen, en om in zijnen naam te zegenen, tot op dezen dag. 'J Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijne broederen: de Heere die is zijn erfdeel, gelijk als de Heere uw God tot hem gesproken heeft. 10 En ik stond op den berg, als de vorige dagen: veertig dagen en veertig nachten; en de Heere verhoorde mij ook op datmaal: de Heere heeft u niet willen verderven, 11 maar de Heere zcide tot mij: Sta op, ga op de rcize voor het aangezicht des volks, dat zij inkomen en het land erven, dat ik hunnen vaderen gezworen heb hnn te geven. 12 Nu dan Israël, wat eischt de Heere uw God van u, dan den Heere uwen God te vreezen, in alle zijne wegen te wandelen en hem lief te hebben, en den Heere uwen God te dienen met uwe gansohe harte en met uwe gansche ziele, 13 om te houden de geboden des Heeren en zijne inzettingen, die ik u heden gebied, u ten goede. 14 Zie, des Heeren uws Gods is de hemel en de hemel der hemelen, de aarde en al wat daarin is. 15 Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uwe vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit alle de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is. 16 Besnijdt dan de voorhuid tiws harten, en verhardt uwen nek niet meer; |
OMIUM 11. 229 17 want de Heere uw God di© is een God der goden en Heer der heeren; die groote, die machtige en die yreeselijke God, die geen aangezicht aanneemt noch geschenk ontvangt; 18 die het recht des weezen ea der weduwen doet, en den vreemdeling liefheeft, dat hij hem brood en kleeding geeft. 11) Daarom zigt;lt gijlieden don vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. 20 Den Heere uwen God zvth gij vreezen, hem zult gij dienen, en hem zult gij aanhangen en bij zijnen naam zweren. 21 Hij is uw lof, en hij is ww God, die bij u gedaan heeft deze groote en vreeselijke dingen, die uwe oogen gezien hebben. 22 Uwe vaderen togen af nuar Egypte met zeventig zielen, en nu heeft u de Heere uw God gesteld als de sterren des hemels in menigte. HOOFDSTUK 11. Daarom zult gij den Heers uwen God liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden zijn bevel en zijne inzettingen en zijne rechten en zijne geboden. 2 En gijlieden zult heden weten dat ik nietsj)n?ö/cmet uwe kinderen, die liet niet weten en de onderwijzing des Heeren uwe Gods niet gezien hebben, zijne grootheid, zijne sterke hand ea zijnen uitgestrektcn arm; 3 daartoe zijne teekenen en zijne daden, die hij in het midden van Egypte gedaan heef:, aan Farao, den Koning van Egypte, en aan zijn gansche land; 4 en wat hij gedaan heeft aau het heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan deszelfs wagenen, dat hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangé-zicht deed overstroomen, als zij ulieden van achteren vervolgden, en de Heere verdeed ze, tot op dezen dag; 5 en^ wat hij ulieden gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats; |
|
230 DEUTERO: 6 daarenboven wat hij gedaan heeft aan Dathan en aan Abiram, zonen van Eliab den zoon Rubens, hoe de aarde haren mond opdeed en hen verslond met hunne huisgezinnen en hunne tenten, ja, al wat bestond dat hen aanging, in het raidden van ganscli Israël. 7 Want het zijn uwe oogen, die gezien hebben al dit groote werk des Iïeeken dat hij gedaan heeft. 8 Houdt dan alle geboden die ik u heden gebiede, opdat gij gesterkt wordt, en inkomt, en het land erft, waarhenen gij overtrekt om dat te erven; 9 en opdat gij de dagen verlengt in liet land, dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft hun en hunnen zade te geven, een land, vloeiende van melken honig. 10 Want het land, waar gij naartoe gaat om dat te erven, dat is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk gij beznaidet met uw zaad en bewaterdet met uwen gang als een kruidhof; 11 maar liet land, waarhenen gij overtrekt om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij den regen des hemels; 12 een land, dat de IIeere uw God bezorgt: de oogen desIlEE-ren uws Gods zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars. 13 En het zal geschieden, zoo gij naarstiglijk zult hooren naar mijne geboden, die ik u heden gebiede, om den Heere uwen God lief te hebben en hem te dienen met uw gansehe harte en met uwe gansehe ziel, 14 zoo zal ik den regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat gij uw koren en uw most en uwe olie inzamelt; 15 en ik zal kruid geven op uw veld voor uwe beesten; en gij zult eten en verzadigd worden. 16 Wacht uzelven dat ulieder harte niet verleid worde, dat gij |
rOMIUM 11. afwijkt en andere goden dient en u voor die buigt: 17 dat de toorn des Heeren tegen ulieden ontsteke, en hij den hemel toesluite dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve, en gij haastelijk omkomt van het goede land dat u de Heere geeft. 18 Legt dan deze mijne woorden in uw harte en in uwe ziele en bind ze tot een teeken op uwe hand, en dat zij tot voor-hoofdspanselen zijn tusschen uwe oogen; 19 en leert die uwen kinderen, sprekende daarvan als gij in uw huis zit en als gij op den weg gaat, en als gij ncderligt en als gij opstaat; 20 en^ schrijft ze op de posten uws huizes en aan uwe poorten; 21 opdat uwe dagen en uwer kinderen dagen in het land, dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen gelijk de dagen des hemels op de aarde. 22 Want zoo gij naarstiglijk houdt alle deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, den Heere uwen God liefhebbende, wandelende in alle zijne wegen en hem aanhangende, 23 zoo zal de Heere al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten grooter en machtiger volken dan gij zijt; 24 alle plaatse, waar uwe voetzool op treedt, zal uwe zijn, van de woestijn en den Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee zal uwe landpale zijn; 25 niemand zal voor uw aangezicht bestaan, de Heere uw God zal uwen schrik en uwe vreeze geven over al het land waarop gij treden zult, gelijk als hij tot u gesproken heeft. 26 Zie, ik stel ulieden heden vóór zegen en vloek: 27 den zegen, wanneer gij hooren zult naar ce geboden des Heerex uws Gods, die ik u heden gebiede: 28 maar den vloek, zoo gij |
|
DEUTER02 niet liooren zult naar de geboden des Heeren uws Gods, en afwijkt van den wegquot;, dien ik Ti heden gebiede, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt. 29 En het zal geschieden als de Heere uw God u zal hebben ingebracht in het land, waar gij naartoe gaat om dat te erven, dan zult gij den zegen uitspreken op den berg Gerizim en den vloek op den berg Ebal. 30 Zijn zij niet aan gene zijde van den Jordaan, achter den weg van den ondergang der zon, in liet land der Ivanaaniten, die in het vlakke veld wonen tegenover Gilgal, bij de eikenbosschen van Moré? 31 Want gijlieden zult over den Jordaan gaan, dat gii inkomt om te erven het land dat de Heere uw God u geven zal, en gij zult dat erfelijk bezitten en daarin wonen: 32 neemt dan waar te doen alle de inzettingen en de rechten, die ik u heden voorstel. HOOFDSTUK 12. Dit zijn de inzettingen en de rechten, die gijlieden zult waarnemen om te di'en in het land hetwelk u de Heere uwer vaderen God gegeven heeft om dat te erven, alle de dagen die gijlieden op den aardbodem leeft. 2 Gij zult ganschelijk vernielen alle de plaatsen, alwaar de volken die gij zult erven hunne goden gediend hebben, op de hooge bergen en op de heuvelen en onder allen groenen boom. 3 En gij zult hunne altaren afwerpen, en hunne opgerichte beelden verbreken, en hunne bosschen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hunner goden nederhouwen, en gij zult hunnen naam te niet doen uit die plaatse. 4 Gij zult den Heere uwen God alzoo niet doen; o maar naar de plaats, die de Heere uw God uit alle uwe stammen verkiezen zal om zijnen naam aldaar te zetten, naar zijne |
O MITJjM 12. 231 woning zult gijlieden vragen, en daarhenen zult gij komen; 6 en daarhenen zult gijlieden brengen uwe brandofferen en uwe slachtofferen, en uwe tienden en het hefoffer uwer hand, en uwe geloften en uwe vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; 7 en aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des Heeren uws Gods eten en vrqolijk zijn, gijlieden en uwe huizen, over alles waaraan gij uwe hand geslagen hebt, waarin u de Heere uw God gezegend heeft. 8 Gij zult niet doen naar alles wat wij hier heden doen, een ieder _ al wat in zijne oogen recht is: 9 want gij zijt tot nu toe niet gekomen in de ruste en in de erfenis, die de Heere uw God u geven zal; 10 maar gij zult over den Jordaan gaan, en wonen in het land dat u de Heere uw God zal doen erven, en hij zal u ruste geven van alle uwe vijanden rondom, en gij zult zéker wonen. 11 Dan zal er eene plaats zijn die de Heere uw God verkiezen zal om zijnen naam aldaar te doen wonen: daarhenen zult gij brengen alles wat ik u gebied, uwe brandofferen en uwe slachtofferen, uwe tienden en het hef-offer uwer hand, en alle keure uwer geloften, die gij den Heere beloven zult; 12 en gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht des Heeren uws Gods, gijlieden en uwe zonen en uwe dochteren, en uwe dienstknechten en uwe dienstmaagden, en de Leviet die in uwe poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden. 13 Wacht u dat gijuwebrand-' offeren niet offert in alle plaatse, ; die gij zien zult; 14 maar in de plaats, die de ! Heere in één uwer stammen zal verkiezen, daar zultgij uwe brandofferen offeren, en daar zult gij doen al wat ik u gebied. 15 Doch naar allen lust uwer |
|
232 DEUTEEO] ziel© zult gij slachten en vlcesch eten, naar den zegen des Heeren uws Gods, dien liij u geeft in alle uwe poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als Tan een ree en als van een hert, ^ 16 alleenlijk het bloed zult gijlieden niet eten, gij zult het op de aarde uitgieten als water. 17 Gij zult in uwe poorten niet mogen eten de tiende van uw koren en van uw most en van uwe olie, noch de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen, noch eenige uwer geloften, die gij zult hebben beloofd, noch uwe vrijwillige ofiers, noch het hefoffer uwer hand; 18 maar gij zult dat eten voor het aangezicht des Heeren uws Gods, in de plaats die de Heere uw God verkiezen zal, gij en uw zoon en uwe dochter, en uw dienstknecht en uwe dienstmaagd, en de Leviet die in uwe poorten is, en gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht des Heeren uws Gods, over alles waaraan gij uwe handen geslagen hebt. 19 Wacht u dat gij den Leviet niet verlaat, alle uwe dagen in uw land. 20 Wanneer de Heere uw God uwe landpale zal verwijd hebben, gelijk als hij tot u 'gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik zal vleesch eten, dewijl uwe ziele lust heeft vleesch te eten, zoo zult gij vleesch eten naar allen lust uwer ziele. 21 Zoo de plaats, die de Heere uw God verkiezen zal om zijnen naam aldaar te stellen, ver van u zal zijn, zoo zult gij slachten van uwe runderen en van uwe schapen die de Heere u gegeven heeft, gelijk ik u geboden heb, en gij zult eten in uwe poorten «aar allen lust uwer ziele. 22 Dx-h gelijk als een ree en een hert gegeten wordt, alzuo i zult gij dat eten, de onreine en : de reine zullen het te zamen eten: i 23 alleen houdt vast. dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel, daarom zult gij de ziel met het vleesch niet eten; 24 gij zult dat niet eten, op de |
fOMIUM 13. aarde zult gij het uitgieten als water. 25 Gij zult dat niet eten, opdat het u, en uwen kinderen na u, wel ga, als gij zult gedaan helgt;-ben dat recht is in de oogen des Heeren. 26 Doch uwe heilige dingen die gij hebben zult en uwe geloften zult gij opnemen, en komen tot de plaatse, die de Heere verkiezen zal; 27 en gij zult uwe brandofferen, het vleesch en het bloed, bereiden op het altaar des Heeren uws Gods, en het bloed uwer slachtofferen zal op het altaar des Heeren uws Gods worden uitgegoten, maar het vleesch zuil gij eten. 28 Neemt waar en hoort alle deze woorden die ik gebiede, opdat het u, en uwen kinderen na u, wèl ga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en recht is in de oogen des Heeren uws Gods. 29 Wanneer de Heere uw God voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar dewelke gij henengaat om die erfelijk te bezitten, en gij die erfelijk zult bezitten en in hun land zult wonen, 30 wacht u dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn, en dat gij niet vraagt naar hunne goden, zeggende: Gelijk als deze volken hunne goden gediend hebben, alzoo zal ik óók doen. 31 Gij zult alzóo niet doen den Heere uwen God: want al wat den Heere een gruwel is, wat hij haat, hebber, zij hunnen goden gedaan; want zij hebben ook hunne zonen en hunne dochteren met vuur verbrand voor hunne goden. 32 Al dit woerd, hetwelk ik ulieden gebied, dat zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen en daarvan niet afdoen. HOOFDSTUK 13. Wanneer eenPrjfeetof droom-droomer in het midden van u |
|
DE ÃTEEO: zal opstaan en u geven een tee-ken of wonder. 2 en dat teeken of dat wonder komt, dat li ij tot u gesproken liad zeggende: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen: â 3 gij zult naar de woorden van dien Profeet of naar dier droom-droomer niet hooren; want de Heere uw God verzoekt ulieden, om te weten of gij den Heere uwen God liefhebt met u gansche hart en niet uwe gansche ziel. 4 Den Heere uwen God zult gij navolgen en hem vreezen, en zijne geboden zult gij houden en zijner stemme gehoorzaam zijn, enhem dienen en hem aanhangen. 5 En die Profeet of droom-droomer zal gedood worden; want hij heeft tot eenen afval gesproken tegen den Heere uwen God, die ulieden uit Egypteland heeft uitgevoerd en u uit den dienst-huize verlost, om u af te drijven van den weg, dien u de Iïeere uw God geboden heeft om daarin te wandelen. Zoo zult gij hetbooze uit het midden van u wegdoen. 6 Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uwe dochter, of de vrouw van uwen schoot, of uw vriend die als uwe ziele is, u zal aanporren in't heimelijk, zeggende: Laat ons gaan en dienen andere goden, dié gij niet gekend hebt, gij noch uwe vaderen, 7 van de goden der volken die rondom u zijn, nabij u of verre van u, van het ééne einde der aarde tot aan het andere einde der aarde: 8 zoo zult gij hem niet ter wille zijn en naar hem niet hooren, ook zal uw oog hem niet verschoonen, en gij zult u niet ontfermen noch hem verbergen; 9 maar gij zult hem zekerlijk doodslaan: uwe hand zal het eerst tegen hem zijn om hem te dooden, en daarna de hand des ganschen volks; 10 en gij zult hem met steenen steenigen dat hij sterft, want hij heeft u gezocht af te drijven van den Heere uwen God, die unit |
SOMIUM 14. 233 Egypteland, uit den diensthuizo, uitgevoerd heeft: 11 opdat het gansch Israël hoor© en vreeze, en niet voort vare te doen naar dit booze stuk in het midden van u. 12 Wanneer gij van ééne uwer steden, die de Heere uw God u geelt om aldaar te wonen, zult hooren zeggen: 13 Daar zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hunner stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, 14 zoo zult gij onderzoeken en nasporen en wèl navragen; en zie, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in 't midden van u gedamp;an: 15 zoo zult gij de inwoners dier stad ganschelijk slaan met de scherpte des zwaards, verbannende haar en alles wat daarin is, ook hare beesten, met de scherpte des zwaards; 1G en al haren roof zult gij verzamelen in 't midden van hare straat, en den Heere uwen God die stad en al haren roof ganschelijk met vuur verbranden; en zij zal een hoop zijn eeuwig-lijk, zij zal niet weder gebouwd worden. 17 Ook zal er niets van het verbannene aan uwe hand kleven; opdat de Heere zich wende van de hitte zijns toorns, en u geve barmhartigheid en zich uwer erbarme en u vermenigvuldige, gelijk hij uwen vaderen gezworen heeft: 18 wanneer gij de stemme des Heeren uws Gods zult gehoorzaam zijn, om te houden alle zijne geboden, die ik u heden gebied, om te doen wat, recht is in de oogen des Herren uws Gods. HOOFDSTUK 14. Gijlieden zijt kinderen des Heeren uws Gods: gij zult uzel-ven niet snijden noch kaalheid maken tusschen uwe oogen over eenen doode; |
8*
DEXJTEEONOMIUM 14.
234
|
2 want gij zijt een heilig volk den Heere verkoren om hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit alle de volken, die op den aardbodem zijn. 3 Gij zult geen gruwel eten. 4 Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult: een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten; 5 een hert, en eene ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en eene gems. 6 Alle beesten, die de klauwen verdeelen, en de kloot in twee klauwen klieven, en herkauwen ouder de beesten, die zult gij eten. 7 Maar deze zult gij niet eten, van degenen die alléén ^ herkauwen, of van degenen die alléén den gekloofden klauw verdeelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdeelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn. 8 Ook het varken, want dat verdeelt zijnen klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn: van hun vleesch zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren. 9 Dit zult gij eten van alles dat in de wateren is: al wat vinnen en schubben heeft zult gij eten. 10 Maar al wat geene vinnen en schubben heeft zult gij niet eten, het zal ulieden onrein zijn. 11 Allen reinen vogel zult gij eten. 12 Maar deze zijn het van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend; 13 en de wouw, en de kraai, en de gier naar zijnen aard; 14 en alle raaf naar haren aard; 15 en de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijnen aard; 16 en de steenuil, en de schuif-uil, en de kauw; 17 en de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje; 18 en de ooievaar en de reiger naar zijnen aard, en de hop, en de vledermuis; |
19 ook al het kruipende gevogelte zal ulieden onrein zijn, zij zullen niet gegeten worden. 20 Al het rein gevogelte zult gij eten. 21 Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uwe poorten is, zult gij het geven dat hij het ete, of verkoopt her den vreemde; want gij zijt een heilig volk den Heere uwen God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder. gt; 22 Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk iaar van het veld voortkomt; 23 en voor het aangezicht des Heeken uws Gods, ter plaatse die hij verkiezen zal om zijnen naam aldaar te doen wonen, zults gij eten de tienden van uw koren, van uwen most, en van uwe olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen, opdat gij den Heere uwen God leert vreezen alle dagen. 24 quot;Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen henen-dragen, omdat de plaats te ver van u zal zijn, die de Heere uw I God verkiezen zal om zijnen I naam aldaar te stellen, wanneer u de Heere uw God zal gezegend hebben: 25 zoo maakt het te gelde, en bindt het geld in uwe hand, en gaat naar de plaats, die de Keere uw God verkiezen zal, 2G en geeft dat geld voor alles wat uwe ziel lust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn en voor sterken crank, en voor alles wat uwe ziel van u begeeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht; des Keeren uws Gods, en weest vroolijk, gij en uw huis. 27 Maar den Leviet die in uwe poorten is zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u. 28 Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen in dat jaar, en gij zult ze wegleggen in uwe poorten; 29 zoo zal komen de Leviet, |
|
DEüTEROI dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling en de wees en de weduw die in uwe poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdatu de Heere uw God zegene in allen werke uwer hand dat gij doen zult. HOOFDSTUK U. Ten einde van zeven jaren zult gij eene vrijlating maken. 2 Dit is nu de zake der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijnen naaste zal geleend hebben, yrijlate; hij zal zijnen naaste of zijnen broeder niet manen, dewijl men den Heere eene vrijlating heeft uitgeroepen. 3 Den vreemde zult gij manen, maar wat gij bij uwen broeder hebt, zal uwe hand vrijlaten; 4 alleenlijk omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de Heere zal u overvloediglijk zegenen in het land, dat u de Heere uw God ten erve zal geven om hetzelve erfelijk te bezitten: 5 indien gij slechts der stemme des Heeren uws Gods vlij tiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen alle deze geboden die ik u heden gebied. 6 Want de Heere uw God zal u zegenen, gelijk hij tot u heeft gesproken; zoo zult gij aan vele volken leenen, maar gij zult niet ontleenen; en gij zult over veie volken heerschen, maar over u zullen zij niet heerschen. 7 Wanneer dat er onder u een arme zal zijn, een uit uwe broederen, in eene uwer poorten in uw land, dat de Heere uw God u geven zal, zoo zult gij uw hart niet verstijven noch uwe hand toesluiten voor uwen broeder die arm is; ^ 8 maar gij zult hem uwe hand mildelijk opdoen, en zult hem rijkelijk leenen, genoeg voor zijn gebrek dat hem ontbreekt. 9 Wacht u dat in uw harte geen belialswoord zij om te zeggen : Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uwen broeder die arm is, en dat gij hem niet geeft , |
rOMIUM 15. 235 en hij over u roepe tot den Heere, en zonde in n zij. 10 Gij zult hem mildelijk geven en uw hart zal niet boos zijn als gij hem geeft; want om dezer zake wille zal u de Heere uw God zegenen in al uw werk, en in alles waaraan gij uwe hand slaat. 11 Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult uwe hand mildelijk opdoen aan uwen broeder, aan uwen bedrukte en aan uwen arme in uw land. 12 Wanneer uw broeder, een Hebreër of eene Hebreïn, aan u verkocht zal zijn, zoo zal hij u zes jaren dienen; maar in het, zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan. 13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zoo zult gij hem niet ledig laten gaan: 14 gij zult hem rijkelijk opleggen van uwe kudde en van uwen dorschvloer en van uwe wijnpers ; waarin u de Heere uw God gezegend heeft, daarvan zuli gij hem geven. 15 En gij zult gedenken dat gij een dienstknecht in Egvpteland geweest zijt, en dat u de Heere uw _ God verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak. 1G Maar het zal geschieden als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is, ! 17 zoo zult gijf eenen priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuw.iglijk uw dienstknecht zijn: en aan uwe dienstmaagd zult gij óók al zoo doen. 18 Het zal niet hard zijn in uwe oogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want a/s een dub-bellooons-daglooner heeft hij u zes jaren gediend; zoo zal u de Heere uw God zegenen in allea wat gij doen zult. 19 Al het eerstgeborene, dat onder uwe runderen en onder uwe schapen zal geboren worden, zijnde een manneken, zult gij |
|
2SG DEUTERON ilen Heere uwen God heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uwen os, noch tie eerstgeborenen uwer schapen pcheren. 20 Voor liet aangezicht des Heeren uws Gods zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de Heere zal verkiezen, gij en r.w huis. 21 Doch als eeniggebrek daaraan zal zijn, heizij mank of blind, of eenig kwaad gebrek, zoo zult yij het den Heere uwen God 2jiet oiieren; 22 in uwe poorten zult gij het eten, de onreine en de reine te zamen, als een ree en als een hert. 28 Zijn bloed alleen zult gij niet eten, gij zult hetop de aarde aitgieten als water. HOOFDSTUK 16. Neemt waar de maand Ablb, dat gij den Heere uwen God Pascha houdt; want in de maand Abib heeft u de Heere uw God uit Egypteland uitgevoerd bij nacht. 2 Dun zult gij den Heere uwen God het Pascha slachten, schapen en runderen, in de plaa ts, die de Heere verkiezen zal om zijnen naam aldaar te doen wonen. y Gij zult niets gedeesemdsop hetzelve eten; zeven dagen zult gij ongezuurde Lrooden op hetzelve eten, een brood der ellende, 'want in der haast zijt gij uit Egypteland uitgetogen), opdat gij gedenkt aan den dag van uw uittrekken uit iEgyptcland alle de dagen uws levens. 4 Daar zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in eenige uwer landpalen; ook zal van het vleesch, dat gij aan den avond van den eersten dag geslacht zult hebben, niets lot den morgen overnachten. f» Gij zult het Pascha niet mogen slachten in eene uwer poorten, die de Heere uw God u geei't; G maar aan de plaats, die de Heere uw God verkiezen zal om daar zijnen naam te doen wo- |
OMIUM 16. nen, aldaar zult gij het Pascha slachten aan don avond, als de zon ondergaat, ter bestemder tijd van uw uittrekken uit Egypte. 7 Dan zult gij het koken en eten in de plaats, die de Heere uw God verkiezen zal: daarna zult gij u des morgens keeren en henengaan naar uwe tenten. 8 Zes dagen zult gij ongezuurde hrooden eten, en aan den zevenden dag is een verbodsrfrtf/ den Heere uwen God; dan zult gij geen werk doen. 9 Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij^de zeven weken beginnen te tellen; 10 daarna zult gij den Heere uwen God het feest der weken houden; het zal eene vrijwillige schatting uwer hand zijn dat gij geven zult, naardat u de Heere uw God zal gezegend hebben. 11 En gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht des Heeren uws Gods, gij en uw zoon en uwe dochter, en uw dienstknecht en uwe dienstmaagd, en de Leviet die in uwe poorten is, en de vreemdeling en de wees en de weduw die in het midden vanu zijn in de plaats die de Heere uw God zal verkiezen om zijnen naam aldaar te doen wonen; 12 en gij zult gedenken dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte; en gij zult deze inzettingen houden en doen. 13 Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uwen dorschvloer en van uwe wijnpers. 14 En gij zult vroolijk zijn op uw feest, gij en uw zoon en uwe dochter, en uw dienstknecht en uwe dienstmaagd, en de Leviet en de vreemdeling en de wees en de weduw, die in uwe poor-ten^zijn. 15 Zeven dagen zult gij den Heere uwen God feest houden in de plaats, die de Heere verkiezen zal; want de Heere uw God zal u zegetien in al uw inkomen en in al het werk uwer |
DEÃTERONOMIUM 17.
23?
|
handen; daarom zult gij immers vroolijk zijn. 16 Driemaal in het jaar zal alles 'wat mannelijk onder u is voor het aangezicht des Hei ken nws Gods verschijnen, in de plaats, die hij verkiezen zal: op liet feest der ongezuurde hrooclen,en op het feest der weken, en op liet feest^ der loofhutten; maar liet zal niet ledig voor liet aangezicht des Heeren verschijnen: 17 een ieder naar de gave zijner hand, naar den zegen des Heeren uws Gods, dien hij u gegeven heeft. 18 Eechters en ambtlieden zult gij u stellen in alle uwe poorten, die de Heere mv God u geven zal onder mve stammen, dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid. 19 Gij zult het gericht niet buigen, gij zult het aangezicht niet kennen, ook zult g j geen geschenk nemen, want het geschenk verblindt de oogen der wijzen en verkeert de woorden der rechtvaardigen. 20 Gerechtigheid, gerechtigheid zult ^ij najagen, opdat gij leeft en erfelijk bezit het land dat u de Heere uw God geven zal. 21 Gij zult u geen bosch planten van eenig geboomte bij het altaar des Heeren uw Gods, dat gij u maken zult. 22 Ook zult gij u geen opgericht beeld stellen, hetwelk de Heere uw God haat. HOOFDSTUK 17. Gij zult den Heere uwen God geen os â of klein vee offeren waaraan een gebrek is of eenig kwaad; want dat is den Heere uwen God een gruwel. 2 quot;Wanneer in het midden van u in eene uwer poorten, die de Heere uw God u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal dat kwaad is in de oogen des Herren uws Gods, overtredende zijn verbond, 3 dat hij henengaat en dient andere goden eu buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor het gansche heir des hemels, hetwelk m niet geboden heb, |
4 en het wordt u aangezegd, en gij hoort het, zoo zult gij liet wel onderzoeken; en zie, hei *s de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan : 5 zoo zult gij dien man of die vrouw, die dit booze stuk gedaan hebben, tot uwe poorten uitbrengen, dien man zeg ik of i die vrouw, en gij zult ze met i steenen steenigen, dat zij sterven- G Op den mond van twee ge-; tuigen of drie getuigen zal hij | gedood worden die sterven zal; ! op den mond van een eénig ge-! tuige zal hij niet gedood worden- 7 De hand der getuigen zal hot I eerst tegen hem zijn om hem te 1 dooden, en daarna de hand dos ; ganschen volks: zoo zult gij her. i booze uit het midden van u v. eg-i doen. 8 quot;Wanneer eene zaak aan het ! gericht voor u te zwaar zal zijn, ! tusschen bloed en bloed, tus-; schen rechtsliandel en rechts-^ handel, tusschen plage en plage, ! zijnde twistzaken in uwe poor-i ten, zoo zult gij u opmaken ea i opgaan naar de plaats, die de j Heere uw God verkiezen zal; j 9 en gij zult komen totdeLe-' vitische Priesteren, en tot den | rechter, die in die dagen zijn za! ; : en gij zult ondervragen, en zij zullen u de zaak des rechts aan-j zeggen. j 10 En gij zult doen naar het ' bevel des woord dat zij u zullen I aanzeggen, van die plaats die de , Heere verkiezen zal, en gij zult waarnemen te doen naar alle? wat zij u zullen leeren. 11 Naar het bevel der wet dia zij u zullen leeren, en naar het oordeel dat zij u zullen zeggen, | zult gij doen; gij zult niet afwijken van het woord dot zij u zullen aanzeggen, ter rechter- of ter linkerhand. | 12 De man nu die trotschelijk handelen zal, dat hij niet hoors naar den Priester, dewelke staat i om aldaar den Heere uwen God ' te dienen, of naar den rechter. |
|
238 DEUTERO dezelve man zal sterven; en gij zult liet booze uit Israël wegdoen: 13 dat al het volk het hoore en vreeze, en niet meertrotsche-lijk handele. 14 Wanneer gij zult gekomen zijn in het land dat n de Heere u God geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een en Koning over mij stellen, als alle de volken die rondom mij zijn, 15 zoo zult gij ganschelijk tot Koning over u stellen dien de Heere uw God verkiezen zal; uit Let midden^ uwer broederen zult gij eenen Koning over u stellen: gij zult niet vermogen over u te zetten eenen vreemden man die uw broeder niet is. lö Maar hij zal voor zich do paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkee-ren naar Egypte om paarden te vermenigvuldigen, dewijl de Heere uiieden gezegd heeft: Gij zult voortaan niet wederkeeren door dezen weg. 17 Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke;hij zal ook voor zich geen zilveren goud zeer vermenigvuldigen. 18 Voorts zal het geschieden als hij op den stoel zijns konink-rijks zal zitten, zoo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit het-riene^ dat voor het aangezicht der Levitische Priesteren is; 19 en het zal bij hem zijn en hij zal daarin lezen alle de dagen zijns levens, opdat hij den Heere zijnen God leere vreezen, om te bewaren alle de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen; 20 dat zijn hart zich niet ver-heffe boven zijne broederen en dat hij niet afwijke van het gebod ter rechter- of linkerhand; opdat hij de. dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijne zonen, in het midden van Israël. HOOFDSTUK IS. De Levitische Priesteren, do ganscho stam Levi, zullen geen |
tfOMIÃM 18. deel noch erve hebben met Israël : de vuurofferen des Heeren en zijn erfdeel zullen zij eten. 2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen: de Heere is zijn erfdeel, gelijk als hij tot hem gesproken heeft. 3 Dit nu zal der Priesteren recht zijn van het volk, van hen die eene oiïerande offeren, hetzij een os oi klein vee: dat hij den Priester zal geven den schouder, en de beide kinnebakken, en do pens. 4 De eerstelingen van uw koren, van uwen most on van uwe olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven; 5 want de Heere uw God heeft hem uit alle uwe stammen verkoren, dat hij sta om te dienen in den naam des Heeren, hij en zijne zonen teollendage. (5 Voorts wanneereen Leviet zal komen uit eene uwer poorten, uit gansch Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziele tot de plaats die de Heere zal hebben verkoren, 7 en hij dienen zal in den naam des Heeren zijns Gods, als alle zijne broederen do Levi ten, die aldaar voor het aangezicht des Heeren staan: 8 zoo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijne verkoopingen bij de vaderen. 9 Wanneer gij komt in het land dat de Hrere uw God u geven zal, zoo zult gij nictleeren te doen naar de gruwelen dier volken. 10 Onder u zal niet gevonden worden die zijnen zoon oi zij no dochter door het vuur doet. doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, ofquot; die op vogelgeschrei acht geeft, of too-venaar, 11 of^ een bezweerder die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar ol die de dooden vraagt; 12 want al wie zulks doet is den Heere een gruwel, en om |
|
DEÃTEROà dezer gruwelen -wille verdrijft hen tte Heere uw God yoor uw aangezicht uit de bezitting. 13 Oprecht zult gi.i zijn met den Heere uwen God. 14 Want deze volken, die gij zult erven, hoeren naar guiche-ïaars en waarzeggers; maar u aangaande, de Heere uw God heeft u zulks niet toegelaten. 15 Eenen Profeet uit jet midden van u, uit uwe broederen, als mij, zal u de Heere uw God verwekken: naar hem zult gij hooren; 1G naar alles wat gij van den Heere uwen God aanHorebten dage der verzameling geëischt hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te hooren de stem des Hee-ren mijns Gods, en dit groote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve. 17 Toen zeide de Heere tot mij: Het is goed wat zij gesproken hebben. 18 Eenen Profeet zal ik hun verv/ekken uit het midden hunner broederen, als u: en ik zal mijne woorden in zijnen mond geven, en hij zal tot hen spreken alles wat ik hem gebieden zal; 11) en het zal geschieden, de man die niet zal hooren naar mijne woorden, die hij in mijnen naam zal spreken, van dien zal ik het zoeken. 20 Maar de Profeet, die hoog-moediglijk zal handelen, sprekende een woord in mijnen naam hetwelk ik hem niet geboden heb ^ te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve Profeet zal sterven. 21 Zoo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de Heere niet gesproken heeft? â 22 Wanneer die Profeet in den naam des Heeren zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet en komt niet, dat is het woord dat de Heere niet gesproken heeft: door trotschheid heeft die Profeet dat gesproken, gij zult voor hem niet vreezen. |
OMIÃM 19. 239 HOOFDSTUK 19. Wanneer de Heere uw God de volken zal hebben uitgeroeid, welker land de Heere uw God u geven zal, en gij die erfelijk zult bezitten en in hunne steden en in hunne huizen wonen, 2 zoo zult gij u drie steden afzonderen in liet midden van uw land, hetwelk de Heere uw God u geven zal om dat erfelijk te bezitten. 3 Gij zult u den weg bereiden, en de pale uws lands, dat u de Heere uw God zal doen erven, in drieën deelen: dit nu zal zijn opdat ieder doodslager daarhenen vliede. 4 En dit zij de zake des doodslagers, die daarhenen vlieden zal dat hij leve: die zijnen naaste zal verslagen hebben door onwetendheid, dien hij tochvan gisteren en eergisteren niet haatte: 5 als, dewelke met zijnen naaste in het bosch zal zijn gegaan om hout te houwen, en zijne hand met de bijl wordt aangedreven om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van den steel, en treft zijne naaste dat hij sterft, die zal in eene dezer steden vluchten en leven: ü opdat de bloed wreker den doodslager niet najage als zijn harte verhit is, en hem achterhal e omdat de weg te ver zoude zijn, en hem sla aan het leven; daar toch geen oordcel des doods aan hem is, want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. 7 Daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult u drie steden afzonderen. 8 En indien de Heere uw God uwe landpalc zal verwijden, gelijk als hij uwen vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, hetwelk hij uwen vaderen te geven, gesproken heeft, 9 (wanneer gij al dit gebod zult waarnemen om dat te doen, hetgeen ik u heden gebiede, den Heere uwen God liefhebbende, en alle dagen in zijne wegen wandelende): zoo zult gij u nog drie steden toedoen tot deze drie; |
|
240 DEÃTEKOï 10 opdat het bloed des onsclml-digeii niet vergoten worde in het midden van uw iand, dat u de Heere uw God ten erve geeft, en bloedschulden op u zouden zijn. 11 Maar wonneer er iemand zijn zal die zijnen naaste haat, en hem lagen legt, en tegen hem opstaat en hem aan het leven slaat dat hij sterft, en vliedt tot eene van die steden, 12 zoo zullen de oudsten zijner stad zenden en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve: 13 uw oog zal hem niet ver-schoonen, maar gij zult het bloed des onschuldigen uit Israël wegdoen, dat het u wèl ga. 14 Gij zult uws naasten land-pale niet verrukken, die de voorvaderen afgepaald hebben, iu uw erfdeel dat gij erven zult in het land, hetwelk u de Heere uw God geeft om dat erfelijk te bezitten. 15 Een éénig getuige zal tegen niemand opstaan over eenige ongerechtigheid of over eenige zonde, van aile zonde die hij zoude mogen zondigen: op den mond van twee getuigen of op den mond von drie getuigen zal de zaak bestaan. 1G Wanneer een wrevelig getuige tegen iemand zal opstaan, om eene afwijking tegen hem te betuigen, 17 zoo zullen die twee mannen, dewelke den twist hebben, staan voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht der Priesters en der rechters, die in die dagen zullen zijn. 18 En de rechters zullen wèl onderzoeken; en zie, de getuige is een valsche getuige, hij heeft valschheid betuigd tegen zijnen broeder: 19 zoo zult gijlieden hem doen gelijk hij zijnen broeder dacht te doen. Aizoo zult gij het booze uit het midden van u wegdoen: 20 dat de overgebleven het hooren en vreezen, en niet voortvaren meer te doen naar dit |
OMIUM 20. booze stuk in het midden van a. 21 En uw oog zal niet ver-schoonen: ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. HOOFDSTUK 20. Wanneer gij zult uittrekken tot den strijd^ tegen uwe vijanden, en zult zien paarden en wa-genen, een volk sterker dan gij, zoo zult gij voor hen niet vreezen : want de Heere uw God is met u, die u uit Egypteland heeft opgevoerd. 2 En het {zal geschieden als gijlieden tot den strijd nadert, zoo zal de Priester toetreden en tot het volk spreken, 3 en tot hen zeggen: Hoor Israël, gijlieden zijt heden na aan den strijd tegen uwe vijanden; uw harte worde niet week, vreest niet en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; 4 want het is de Heere uw God die met u gaat, om voor u te strijden tegen uwe vijanden, om u te verlossen. 5 Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man die een nieuw huis gebouwd heeft, en heeft het 2iiet ingewijd? Die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien sterve in den strijd, en iemand anders dat in wij de. 6 En wie is de man dieeenen wijngaard geplant heeft, en heeft; deszelfs vrucht niet genoten? Die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en iemand anders dien geniete. 7 En wie is de man die eene vrouw ondertrouwd heeft, en heeft haar niet 'ot zich genomen ? Die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en een ander man haar neme, 8 Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk en zeggen: Wie is de man die vreesachtig en week van iiart is? Die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat het |
|
DEÃTERO: hart zijner broederen niet smclte gelijk zijn hart. 9 En liet zal geschieden als die ambtlieden geëindigd zullen liebben te spreken tot het volk, zoo zullen zij oversten der hei-ren aan de spitse des volks be-stelleTi. 10 Wanneer gij nadert tot eene stad om tegen haar te strijden, zoo zult gij haar den vrede toeroepen ; 11 en het zal geschieden indien zij u vrede zal antwoorden, en u opdoen, zoo zal al het volk dat daarin gevonden wordt u cijnsbaar zijn en u dienen. 12 Doch zoo zij geenen vrede met u zal maken, maar krijg tegen u voeren, zoo zult gij haar belegeren; 13 en de Heeue uw God zal haar in uwe hand geven, en gij zult alles wat mannelijk daarin is slaan met de scherpte des z waards: 14 behalve de vrouwen, en de kinderkens, en de becstei. , en al wat in de stad zal zijn, al haren buit zult gij voor u roeven; en gij zult eten den bint uwer vijanden, dien u de Heere uw God gegeven heeft. 15 Alzóó zult gij aan alle steden doen, lt; die zeer ver van u zijn, die niet zijn van derstcden dezer volken. 16 Maar van de steden dezer volken, die u de Heere uw God ten erve geeft, zultgij niets laten leven wat adem heeft, 17 maar gij zultze ganschelijk verbannen: de Hethiten en de Amoriten en de Kanailniten en de Fereziten, de Heviten en de Jebusiten, gelijk als n de Heere uw God geboden heeft; IS opdat zij uliedennietleeren te doen naar alle hunne gruwelen, die zij hunnen goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen den Heere uwen God. 19 Wanneer gij eene stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar om die in te nemen, zoo zult gij haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want gij zult daarvan |
STOMIUM 21. 24igt; | eten, daarom zult gij dat niet i afhouwen, (want het geboorn-( te van het veld is desmenschen spijze), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk. 20 Maar het geboomte, het-I welk gij kennen zult dat het» i geen geboomte ter spijze is, das i zult gij verderven en afhouwen; ' en gij zult een bolwerk bouwen I tegen deze stad dewelke tegen-; u krijg voert, totdat zij onderga. HOOFDSTUK 21. | Wanneer in het land, hetwelk; j de Heere uw God u geven zal ; om dat te erven, een verslagens-zal gevonden worden, liggende-in het veld, niet bekend zijnde wie hem geslagen heeft, | 2 zoo zullen uwe oudsten en. uwe rechters uitgaan, en zij zul-: len meten tot de steden die | rondom den verslagene zijn. 3 De stad nu die de naaste zal i zijn bij den verslagene, daar zullen de oudsten derzelver stad eene jonge koe van de runderen nemen, met dewelke niet gearbeid is, die aan het juk nietge-trokken heeft; 4 en de oudsten dezer stad-, zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal,^ dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe aldaar in het dal den nek doorhouwen. 5 Dan zullen de Priesters, do ! kinderen van Levi, toetreden; want de Heere uw God heeft zeverkoren om hem te dienen, en om in des He eren naam te zegenen, en naar hunnen mond zal. alle twist en alle plage afgedaan | worden. 6 En alle oudsten dezer stad, i die naast aan den verslagene-i zijn, zullen hunne handen was-schen over deze jonge koe, dio in dat dal de nek doorgehouwen is, 7 en zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dir. { bloed niet vergoten, en ^ onze-j oogen hebben het niet gezien; 8 wees genadig uwenvolkels-| raël, dat gij, o Heere, verlost . hebt, en leg geen onschuldig |
|
242 DEUTEHO: fcloed in het midden van uw volk Israël. En dat bloed zal voor keu verzoend zijn. 9 Alzoo zult gij het onscluildig bloed uit het midden van u wegdoen; want gij zult doen wat recht is in de oogen des Heekex. 10 Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd togen uwe vij-â¢anden, en de Heere uw God ze gegeven zal hebben in uwe hand, â¢dat gij hunne gevangenen gevankelijk wegvoert; 11 en gij onder de gevangenen zult zien eene vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt: 12 zoo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en hare nagels besnijden, 13 en zij zal het kleed barer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haren vader en hare moeder eene maand lang beweenen; en daarna zult gij tot haar ingaan en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn. 14 En het zal geschieden indien gij geen behagen in haar hebt. dat gij ze zult laten gaan naar hare begeerte; doch gij zult haar geenszins voor geld ver-koopen, gij zult met haar geen gewin drijven, daarom dat gij ze vernederd hebt. 15 Wanneer een man twee vrouwen heeft, eene beminde en eene gehate, en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn: 1G zoo zal het geschieden ten dage als hij zijne zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan denzoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is; 17 maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem dubbele portie van alles wat bij hem zal worden gevonden, want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is zijn. |
OMIUM 22. 18 Wanneer iemand eenen moedwilligenen wederspannigen zoon heeft, die der stemme zijns vaders en der stemme zijner moeder niet gehoorzaam is, en zij hem gekastijd zullen hebben en hij naar hen niet hooren zal, 19 zoo zullen zijn vader en zijne moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad en tot de poort zijner plaats, 20 en zij zullen zeggen tot de oudsten zijner stad: Deze onze zoon is afwijkende en weder-spannig, hij isgt; onzer stem niet gehoorzaam, hij is een brasser en zuiper. 21 Dan zullen alle lieden zijner stad hem met steenen over-werpen dat liij sterve; en gij zult het booze uit het midden vanu wegdoen, dat gansch Israël het hoore en vreeze. 22 Voorts wanneer in iemand eene zonde zal zijn, die het oordeel des doods icaardicj is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben, 23 zoo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult het zekerlijk ten-zelfden dage begraven; want een opgehangene is Gode een vloek. Alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de Heere uw God ten erve geeft. HOOFDSTUK 22. Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven en u van die verbergen; gij zult ze uwen broeder voorzeker weder toesturen. 2 En indien uw broeder niet nabij u is of gij hem niet kent, zoo zult ge ze tinnen in uw huis vergaderen, dat ze bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke en gij ze hem wedergeeft. 3 Alzoo zult gij ook doen aan zijnen ezel, en alzoo zult gij doen aan zijne kj ceding,ja, alzoo zult gij doen aan al het verlorene uws broeders, dat van hem verloren zal zijn en dat gij zult |
|
DEÃTEROJ hebben gevonden; gij zultuniet mogen verbergen. 4 Gij zult uws broeders ezel of zijnen os niet zien vallende op den weg en u van die verbergen; gij zult ze voorzeker oprichten met hem. 5 Het kleed eens mans zal niet zijn aan eene vrouw, en een man Kal geen vrouwenkleed aantrekken: want al wie zulks doet is den Heeee uwen God een gruwel. (j Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in eenigen boom of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zoo zult gij de moeder met de jongen niet nemen : 7 gij zult de moeder voorzeker vrijlaten, maar de jongen zult gij voor u nemen: opdat het u wel ga en gij de dagen verlengt. 8 Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zoo zult gij op uw dak eene leuning maken, opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand vallende daarvan afviel. 9 Gij zult uwen wijngaard niet met tweeërlei bezaaien, opdat de volheid des zaads dat gij zult gezaaid hebben en de inkomst des wijugaards niet ontheiligd worde. _ 10 Gij zult niet ploegen met eenen os en met eenen ezel tegelijk. 11 Gij zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen tegelijk. 12 Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken uws opper-kleeds, waarmede gij u bedekt. 13 Wanneer een man eene vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan haar zal haten, 14 en haar oorzaken van na-spraak opleggen en eenen kwaden naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen en ben tot haar genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden; 15 dan zullen de vader van deze jonge dochter en hare moeder |
OMIUM 22. 243 nemen, en tot de oudsten der stad aan de poorte uitbrengen den maagdom dezer jonge dochter; 16 en de vader van de jonge dochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijne dochter aan dezen man tot vrouw gegeven, maar hij heeft ze gehaat; 17 en zie, hij heeft oorzaken van opspraak gegeven,zeggende: Ik heb den maagdom aan uwe dochter niet gevonden: â dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voorliet aangezicht van de oudsten der stad uitbreiden. 18 Dan zullen de oudsten der stad dien man nemen en kastijden hem, 19 en zij zullen hem eene boete opleggen van honderd zilverlingen, en geven ze aan den vader van de jonge dochter, omdat hij eenen kwaden naam heeft uitgebracht over eene jonge dochter van Israël; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal ze niet mogen laten gaan alle zijne da-gen. 20 Maar indien dit woord waarachtig is, dat de maagdom aan de jonge dochter niet gevonden is, 21 zoo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot do deur van haars vaders huis, en de lieden harer stad zullen ze met stee-nen steenigen dat zij sterft, omdat zij eene dwaasheid in Israel gedaan heeft, hoereerende in haars vaders huis; zoo zult gij het booze uit het midden van u wegdoen. 22 Wanneer een man gevonden zal worden liggende bij eens mans getrouwde vrouw, zoo zullen zij ook beiden sterven, de man die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zoo zult gij het booze uit Israël wegdoen. 23 Wanneer er eene jonge dochter zal zijn die eer.e maagd is^ ondertrouwd aan eenen man, en een man haar in de stad zal gevonden en bij haar gelegen hebben, 24 zoo zult gij ze beiden uitbrengen tot de poort dier stad, en zult ze met steenen steenigen |
|
244 DEÃTEK02 dat zij sterven; do jonge dochter ter oorzake dat zij niet geroepen heeft in de stad, en den man ter oorzake dat hij zijns naasten vrouw vernederd heeft: zoo zult gij het booze uit het midden van u wegdoen. 25 En indien een man eene ondertrouwde jonge dochter in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zoo zal de man die bij haar gelegen heeft alléén sterven ; 2(5 maar de jonge dochter zult gij niets doen, de jonge dochter heeft geen zonde des doods; want gelijk of een man tegen zijnen naaste opstond en sloeg hem dood aan het leven, alzóó is lt;le/.e zaak; 27 want hij heeft ze in het veld gevonden; de ondertrouwde jonge dochter riep, en daar was niemand die haar verloste. 28 quot;Wanneer een man eene jonge dochter zal gevonden hebben die eene maagd is, dewelke niet ondertrouwd is, en zal ze gegrepen en bij iiaar gelegen hebben, en zij gevonden zullen zijn, 29 zoo zal de man die bij haar gelegen lieeft den vader van de jonge dochter vijftig zilverlingen geven, en zij zul hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan alle zijne dagen. 30 Een man zal zijns vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijns vaders slippe niet ontdekken. HOOFDSTUK 23. Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid zal in de vergadering des Heeken niet komen. 2 Geen bastaard zal in de vergadering des Heeren komen, zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des Heeren niet komen. 3 Geen Ammoniet noch Mo-abiet zal in de vergadering des Heereit komen, zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des Heeren niet komen tot in eeuwigheid; |
ïOMIIiai 23. 4 ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, ala gij ui i Egypte uittoogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileara, den zone Beors van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. 5 Doch de Heere uw God heeft naar Bileam niet willen hooren, maar de Heere uw God heeft u den vloek in eenen zegen veranderd, omdat de Heere uw God u liefhad. G Gij zult hunnen vrede en hun best niet zoeken, alle uw© dagen in eeuwigheid. 7 Den Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is broeder; den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden, wans gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land. 8 Acumaancle de kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering des Heeren komen. 9 Wanneer het leger uittrekt tegen uwe vijanden, zoo zult gij u wachten voor alle kwade zaak. 10 Wanneer iemand onder u is, die niet rein is door eenig toeval des nachts, die zal tot buiten het leger uitgaan, hij zal tot binnen het leger niet komen; 11 maar het zal geschieden dat ! hij zich tegen het naken van den ! avond met water zal baden, en j als de zon ondergegaan is zal hij i tot binnen het leger komen. 12 Gij zult ook eene plaats heb-j ben buiten liet leger, en daarhe-1 nen zult gij uitgaan naar buiten: 13 en gij zult een schopje heb-' ben nevens uw gereedschap, en i het zal geschieden als gij buiten | gezeten hebt, dan zult gij daar-I mede graven en u omkeeren, en ! bedekken wat van u uitgegaan is. 14 Want de Heere uw God | wandelt in het midden van uw I leger, om u te verlossen en om ! uwe vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger i heilig zijn, opdat hij niets schan-: delijks onder u zie en achter-! waarts van u afkeere. 1 15 Gij zult eenen knecht aan |
|
D E U T E H O 2 fijnen heer niet overleveren, die van zijnen lieer tot u ontkomen zal zijn; 16 hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats die ïiij zal verkiezen, in eene van uwe poorten, waar het goed voor hem is: gij zult hem niet verdrukken. 17 Daar zal geen hoer zijn onder de dochteren Israels, en daar zal geen scha ndj on gen zijn onder de zonen Israels. 18 Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des Heeren uws Gods brengen tot oenige gelofte, want ook die beide zijn den Heeee uwen God een gruwel. 19 Gij zult aan uwen broeder niet woekeren, niet woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van eenig ding waarmede men woekert: 2ü aan den vreemde zult gij , woekeren, maar aan uwen broeder i zult gij niet woekeren; opdat u de Heere uw God zegene in alles waaraan gij uwe hand slaat, in liet land waar gij naartoe gaat om dat te erven. 21 Wanneer gij den Heere uwen God eene gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertragen die te betalen; want de Heere uw God zal ze zekerlijk van u eischen, en zonde zoude in ii zijn. 22 Maar als gij nalaat te beloven, zoo zal het geen zonde in u zijn. 23 Wat uit uwe lippen gaat zult gij,houden en doen; gelijk als Gij den Heere uwen God een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uwen mond gesproken hebt. 24 Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zoo zult gij druiven eten naar uwen lust, tot uwe verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen. 25 Wanneer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zoo zult gij de aren met uwe hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet bewegen. |
OMIUM 24. 245 HOOFDSTUK 24. Wanneer een man eene vrouw genomen en die getrouwd zal hebben, zoo zal het geschieden indien zij geen genade zal vinden in zijne oogen omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar eenen scheid-brief zal schrijven en in hare hand geven, en laten ze gaan uit zijn huis. 2 Zoo zij dan uit zijn huis uitgegaan zijnde zal henengaan en eenen anderen man tot vrouw worden, 3 en deze laatste man haar gehaat en haar eenen scheldbrief geschreven en in hare hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn: 4 zoo zal haar eerste man die haar heeft laten gaan haar niet mogen wedernemen, dat zjj hem ter vrouwe zij, nüdat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des Heeren; alzoo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de Heere uw God ten erve geeft. 5 Wanneer een man eene nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het heir niet uittrekken; en men zal hem geenen last opleggen ; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijne vrouw die hij genomen heeft verheugen. ü Men zal beide molensteenen, immers den bovensten molensteen, niet te pand nemen:want hij neemt de ziel te pand. 7 Wanneer iemand zal gevonden worden die eene ziel steelt uit zijne broederen, uit de kinderen Israels, en gewin met hem drijft en^ verkoopt hem, zoo zal deze dief sterven en gij zult het booze uit het midden van u wegdoen. 8 Wacht u in de plage der melaatschheid, dat gij naarstig-lijk waarneemt en doet naar alles wat de Levitische Priesters ulie-den zullen leeren; gelijk ik hun |
|
246 D E U T E R O: geboden Leb, zult gij waarnemen te doen. ü Gedenkt wat de Hejrre tiav God gedaan heeft aan Mirjam, op den ^ weg als gij uit Egypte waart uitgetogen. 10 quot;Wanneer gij aan uwen naaste iets zult geleend hebben, zoo zult gij tot zijn huis niet ingaan om zijn pand te pand te nemen: 11 buiten zult gij staan en de man wien gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen. 12 Doch indien hij een arm man is, zoo zult gij met zijn pand niet nederHggen: 13 gij zult hem dat pand zekerlijk wedergeven als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voorliet aangezicht des Hekken uws Gods. 14 Gij zult den armen en nood-druftigen daglooner niet verdrukken die uit uwe broederen is, of uit uwe vreemdelingen die in uw land en uwe poorten zijn. 15 Op zijnen dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm en zijne ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot den Heere, en zonde in u zij. 16 De vaders zullen niet gedood worden voor do kinderen, en de kinderen zullen niet gedood _ worden voor de vaders: een ieder zal om zijne zonde gedood worden. 17 Gij zult het recht van den vreemdeling en van den wees niet buigen, en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen: IS maar gij zult gedenken dat gij een kneclit in Egypte geweest zijt, en de Heere uw God heeft u vandaar verlost; daarom gebied ik u deze zaak te doen. 19 Wanneer gij uwen oogst op uwen akker afgeoogst, en eene garve op den akker vergeten zult hebben, zoo zult gij niet- weder-keeren om die op te nemen: voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal zij zijn, opdat u de Heere uw God zegene in al het werk uwer handen. |
OMIUM 25. 20 Wanneer gij uwen olijfboom zult geschud hebben, zoo zult gij de takken achter u niet nauw doorzoeken: voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn. 21 Wanneer gij uwen wijngaard zult afgelezen hebben, zoo zult gij de druiven achter u niet nalezen : voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn. 22 En gij zult gedenken dat gij een knecht in Egypteland zijt; daarom gebied ik u deze zaak te doen. HOOFDSTUK 25. Wanneer er tussclien lieden twist zal zijn, en zij tot het gericht zullen toetreden dat zij ze richten, zoo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken en den onrechtvaardige verdoemen. 2 En het zal geschieden indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijne tegenwoordigheid, naardat het voor zijne onrechtvaardigheid genoeg zal zijn in getale. 3 Met veertig slapen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen, opdat niet misschien, zoo hij voortvoer hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uwe oogeu verachtelijk gehouden worde. 4 Eenen os zult gij niet muilbanden als hij dorscht. 5 Wanneer broeders te zamen wonen, en een van hen sterft en geenen zoon heeft, zoo zal do vrouw des gestorvenen aan geenen vreemden man daarbuiten geworden : haar mans-broeder zal tot haar ingaan en nemen ze zich ter vrouwe en doen haar den plicht van een mansbroeder. 6 En het zal geschieden dat de eerstgeborene, gt; dien zij zal baren, zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvenen, opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël. 7 Maar indien iiet dezen man niet bevallen zal zijns broeder» |
|
DEüTEROI vrouw te nemen, zoo zal zijns | broeders vrouw opgaan naar de i poort tot de oudsten en zeggen: ! Mijn mans broeder weigert zijnen , broeder eenen naam te verwekken in Israël, hij wil mij den pliclit van eens mans broeder niet doen. 8 Dan zullen hem d3 oudsten zijner stad roepen, en tot hem spreken; blijft hij dan daarbij staan en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen, 9 zoo zal zijns broeders vrouw voor de oogen der oudsten tot hem toetreden, en zijnen schoen van zijnen voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Alzoó zal dien man gedaan worden die zijns broeders huis niet zal bouwen. 10 En zijn naam zal in Israël genoemd worden: Het huis des-genen wien de schoen uitgetogen is. 11 Wanneer mannen de één met den ander twisten, en de vrouw des éénen toetreedt om haren man uit de hand desgenen die hem slaat te redden, en hare hand uitstrekt en zijne schamelheid aangrijpt, 12 zoo zult gij hare hand afhouwen, uw oog zal niet verschoonen. 13 Gij zult geen tweeërlei weeg-steenen in uwen zak hebben, eenen grooten en eenen kleinen; 14 gij zult in uw huis geen tweeërlei efa hebben, eene groote en eene kleine: 15 gij zult eenen volkomen en gerechten weegsteen hebben, gij zult eene volkomen en gerechte efa hebben; opdat uwe dagen verlengd worden in liet land dat u de Heere uw God geven zal. 1G Want al wie zulks doet is den Heere uwen God een gruwel, ja, al wie onrecht doet. 17 Gedenkt wat u Amulek gedaan heeft op den weg ais gij ait Egygte uitloogt: 18 hoe hij u op den weg ontmoette, en sloeg onder u in den staart olie de zwakken achter u, als gij moede en mat waart, en hij vreesde God niet. 19 Het zal dan geschieden als |
ÃOMIUM 2G. 247 u de Heere uw God rust- zal gegeven hebben van al Je uwe vijanden rondom, in het land dat de He/.re uw God u ten erve geven zal, om hetzelve erfelijk te bezitten, dat gij de gedachtenis van Amalek van onder den hemei zult uitdelgen: vergeet het niet. HOOFDSTUK 2G. Voorts zal het geschieden wanneer gij zult gekomen zijn in het land dat u de Heere uw God ten erve geven zal, en gij dat erfelijk bezitten en daarin wonen zult, 2 zoo zult gij nemen van do eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land dat u de Heere uw God geeft, en zult ze in eenen korf leggen; cn gij zult henengaan tot de plaatse, die de Heere uw God verkoren zal hebben om zijnen naam aldaar te doen wonen ; 3 en gij zult komen tot den Priester welke in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor den Heere uwen God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk de Heere onzen vaderen gezworen heeft ons te zullen geven. 4 En de Triester zal den korf van uwe hand nemen, en hij zal dien voor het altaar desHEEREN uws Gods nederzetten. 5 Dan zult gij voor het aangezicht des Heeren uws Gods betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk. 6 Doch de Egyptenaars dedey ons kwaad en verdrukten ons ei leiden ons eenen harden dienst op 7 Toen riepen wij tot den Heere, den God onzer vaderen; eu de Heere verhoorde onze stem, en zag onze ellende aan en onzen arbeid en onze onderdrukking: 8 en de Heere voerde ons uit Egypte door een sterke hand en door eenen uitgestrekten arm, en |
|
;248 DEUTEHO; â door grooten schrik, eti door teekenen en door wonderen; 9 en hij heeft ons gebracht tot deze plaats, en hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig. 10 En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, dat gij, Heere, mij gegeven hebt. Dan zult gij ze nederzetten voor het aangezicht ^ies Heeren uws Gods, en zult u buigen voor het aangezicht des Heeren uws Gods; 11 en gij zult vroolijk zijn over al het goed dat de Heere uw God u en uwen huize gegeven heeft, gij, en de Leviet, en de vreemdeling die in het midden van u is. 12 Wanneer gij zult geëindigd hebben alle tienden uws inkomens te vertienen in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden, quot;dan zult gij den Leviet, den vreemdeling, den wees en der weduwe geven, dat zij in uwe .poorten eten en verzadigd worden. 13 En gij zult voor het aangezicht des Heeren uws Gods zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, enhebhetook den Leviet en den vreemdeling, den wees en der weduwe gegeven, naar alle uwe geboden die gij mij geboden hebt; ik heb niets van uwe geboden overtreden en niets vergeten. 14 ^ Ik heb daarvan niet gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot â¢eenen doode; ik ben der stemme des Heeren mijns Gods gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles wat gij mij geboden hebt. 15 Zie nederwaarts van uwe heilige woning, van den hemel, en zegen uw volk Israël, en het land dat gij ons gegeven hebt, gelijk als gij onzen vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende. 16 Te dezen dage gebiedt u de Heere uw God deze inzettingen â¢en rechten te doen: houd en doe dezelve dan met uw gansche hart en met uwe gansche ziel. |
lt;OMIÃM 27. 17 Heden hebt gij den Heere doen zeggen, dat hij u toteenen God zal zijn, en dat gij zult wandelen in zijne wegen, en houden zijne inzettingen en zijne geboden en zijne rechten, en dat gij zijner stemme zult gehoorzaam zijn; 18 en de Heere heeft u heden doen zeggen^ dat gij hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als hij tot u gesproken heeft, en dat gij alle zijne geboden zult houden; 19 opdat hij u alzoo boven alle de volken die hij gemaakt heelt hoog zette, tot lof en tot eenen naam en tot heerlijkheid, en opdat gij een heilig volk zijt den Heere uwen God, gelijk als hij gesproken heeft. HOOFDSTUK 27. En Mozes, te zamen met de oudsten Israels, gebood den volke, zeggende: Behoudt alle deze geboden die ik ulieden heden ge-bi ede. 2 Het zal dan geschieden ten dage als gij over den Jordaan zult gegaan zijn in liet land dat u de Heere uw God geven zal, zoo zult gij u groole steenenop-richten en bestrijken ze met kalk; 3 en gij zult daarop schrijven alle woorden dezer wet, als gij overgegaan zult zijn; opdat gij komt in het land dat de Heere uw God u geven zal, een land vloeiende van melk en honig, gelijk als de Heere, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft. 4 Het zal dan geschieden als gij over den Jordaan gegaan zult zijn, dat gij deze steenen, van welke ik u heden gebiede, zult oprichten op den berg Ebal, en gij zult ze met kalk bestrijken. 5 En gij zult aldaar den Heere uwen God een altaar bouwen, een altaar van steenen; gij zult geen ijzer over dezelve bewegen; 6 van geheele steenen zult gij het altaar des Heeren uws Gods bouwen. En gij zult den Heere uwen God brandoüeren daarop offeren, 7 ook zult gij dankofferen of- |
|
DEUTERO: feren, en zult aldaar eten en vroolijk zijn voor het aangezicht des Heeren uws Gods. 8 En gij zult op deze steenen schrijven alle woorden dezer wet, die wel uitdrukkende. 9 Toorts sprak Mozes, te zamen met de Levitische Priest eren, tot gansch Israël, zeggende: Luister en hoor toe, o Israël; op dezen zijt gij den He ere inveuGodtot een volk geworden. 10 Daarom zult gij der stemme des Heeren uws Gods gehoorzaam zijn, en gij zult doen zijne geboden en zijne inzettingen, die ik u heden gebied. 11 En Mozes gebood den volke te dien dn ge, zeggende: 12 Deze zullen staan om het volk te zegenen op den berg Ge-rizim, als gij over den Jordaan gegaan zult zijn: Simeon en Levi en Juda en Issaschar en Jozef en Benjamin; 13 en deze zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Kuben, Gad en Asser, en Zebu-lon. Dan en Naftali. 14 En de Levi ten zullen betuigen en zeggen tot alle man van Israël, met verheven stem: 15 Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, eenen gruwel des Heeren, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken en zetten in het verborgen; en al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. 16 Vervloekt zij die zijnen vader of zijne moeder veracht; en al het volk zal zeggen: Amen. 17 Vervloekt zij die zijns naasten landpale verrukt; en al het volk zal zeggen: Amen. 18 Vervloekt zij die eenen blinde op den weg doet dolen; en al het volk zal zeggen: Amen. 19 Vervloekt zij die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt; en al het volk zal zeggen: Amen. 20 Vervloekt zij die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft: en al het volk zal zeggen: Amen. 21 Vervloekt zij die bij eenig |
OMIUM 28. 249 beest ligt; en al het volk zal zeggen: Amen. 22 Vervloekt zij die bij zijne zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder; en al het volk zal zeggen: Amen, 23 Vervloekt zij die bij zijne schoonmoeder ligt; en al het volk zal zeggen: Amen. 24 Vervloekt zij die zijnen naaste in het verborgen verslaat; en al het volk zal zeggen â¢. Amen. 25 Vervloekt zij die geschenk neemt, om eene ziele, bet bloed eens onschuldigen, te verslaan; en al het volk zal zeggen: Amen. 26 Vervloekt zij die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve; en al het volk zal zeggen: Amen. HOOFDSTUK 28. En het zal geschieden indien gij der stemme des Heeren uws-Gods vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen alle zijno geboden, die ik u heden gebied, zoo zal de Hekre n hoog zetten boven alle volken der aarde. 2 En alle deze zegeningen zullen over u komen en u aantref- [ ten, wanneer gij der stemme des Heeren uws Gods zult gehoorzaam zijn. 3 Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld. 4 Gezegend zal zijn de vrucht uws bulks, en de vrucht uws lands en de vrucht uwer beesten, de dracht uwer koeien en de kudden van uw klein vee. 5 Gezegend zal zijn uw korf en uw baktrog. 6 Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn-in uw uitgaan. 7 De Heere zal geven uwe vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht: door éénen weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden. 8 De Heere zal den zegen gebieden, dat hij met u zij in uwe schuren en in alles waaraan gij |
|
250 DEUTERON uwe hand slaat, en hij zal u zegenen in het land dat de Hbbre uw God u geven zal. 9 De Heere zal u zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des Hee-ren uws Gods zult houden en in zijne wegen wandelen. 1à En allo volken der aarde zullen zien dat de naam des Heeren over u genoemd is, en Eij zullen voor u vreezen. 11 En de Heere zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uwer beesten en in de vrucht uws lands, op het land dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft u te zullen geven. 12 De Heere zal u opdoen zijnen goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken leenen, maar gij cult niet ontleenen. 13 En de Heere zal u tot een hoofd maken en niet tot een etaart, en gij zult alleenlijk boven zijn en niet onder zijn, wanneer gij hoorcn zult naar de geboden des Heeren uws Gods, die ik u heden gebied te houden en te lt;ioen, 14 en gij niet afwijken zult van alle de woorden die ik ulieden heden gebied, ter rechter- of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt om die te dienen. 15 Daarentegen zal het geschieden indien gij der stemme des Heeren uws Gods niet zult gehoorzaam zijn om waar te nemen dat gij doet alle zijne gebodenen zijne inzettingen die ik u heden gebied, zoo zullen alle deze vloeken over u komen en u treffen. 16 Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld. 17 Vervloekt zal zijn uw korf en uw baktrog. 18 Vervloekt zal zijn de vrucht uws buiks en de vrucht uws ïands, de dracht uwer koeien en -de kudde van uw klein vee. 19 Vervloekt zult gij zijn in |
OMIUM 28. uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan. 20 De Heere zal onder u zenden den vloek, de verstoring en het verderf, in alles waaraan gij uwe hand slaat dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt en totdat gij haastelijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken waarmede gij mij verlaten hebt, 21 De Heere zal u de pestilentie doen aankleven, totdat hij u verdoe van het land waar gij naartoe gaat om dat te erven. 22 De Heere zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen totdat gij omkomt. 23 En uw hemel die boven uw hoofd is zal koper zijn, en de aarde die onder u is zal ijzer zijn. 24 De Heere uw God zal pulver en stof tot regen uws lands geven: van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt. 25 De Heere zal u geven geslagen voor het aangezicht uwer vijanden: door éénen weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en gij ziilt van alle koninkrijken der aarde beroerd worden. 2G En uw dood lichaam zal allen gevogelte des hemels en den beesten der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze 'afschrikken. 27 De Heere zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen, en met droge schurft en met jeukte, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden. 28 De Heere zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des hanen; 29 dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donker, en uwe wegen niet voorspoedig zult maken, maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, ea daar geen ver-» losser zijn. |
|
DEÃTEROS 30 Gij zult eeue vrouw ondertrouwen, maar een ander man zal ze beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken. 31 Uw os zal voor uwb oogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet weder-keeren; uw klein vee zal uwen vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn. 32 Uwe zonen en uwe docli-teren zullen een ander volk gegeven worden, dat het uwe oogen aanzien en naar hen bezwijken den ganschen dag, maar het zal in 't vermogen uwer hand niet zijn. 33 De vrucht uws lands en al uwen arbeid zal een volk eten dat gij niet gekend hebt, en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn. 34 En gij zult onzinnig zijn vanwege het gezicht uwer oogen dat gij zien zult. 35 De Heere zal u slaan met booze zweren aan de knieën en aan de beenen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uwe voetzool af tot aan uwen schedel. 36 De Heere zal u, mitsgaders uwen Koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt nocli uwe vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen. 37 En gij zult zijn tot eenen schrik, tot een spreekwoord en tot eene spotrede onder alle de volken, waarhenen u de Heere leiden zal. 38 Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. 39 Wijngaarden zult gij planten en bouwen, maar gij zult geenen wijn drinken noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten. 40 Olijfbuomen zult gij hel ben |
OMIUM 28. 251 in alle uwe landpalen, maar gij, zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijne vrucht, afwerpen. 41 Zonen en doch teren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan. 42 Al uw geboomte en do vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten. 43 De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen, en gij zult laag, laag nederdalen. 44 Hij zal u leenen, maar gij zult hem niet leenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn. 45 En alle deze vloeken zullen over u komen en u vervolgen en u treffen totdat gij verdelgd wordt, omdat gij der stemme des Heeren uws Gods niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden zijne geboden en zijne inzettingen, die hij u geboden heeft. 4G En zij zullen onder u tot een teeken en tot een wonder zijn, ja, onder uwe zaden tot in eeuwigheid. 47 Omdat gij den Heere uwen God niet gediend zult hebben met vroolijkheid en goedheid des harten, vanwege de veelheid van alles, 48 zoo zult gij uwe vijanden, die de Heere onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst en in naaktheid en in gebrek van alles; en hij zal een ijzeren juk op uwen hals leggen, totdat hij u verdelge. 49 De Heere zal tegen u een volk verhelfe van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk welks spraak gij niet zult verstaan; 50 een volk stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen noch den jonge genadig zijn; 51 en het zal de vrucht uwer beesten en de vrucht uwn lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, dracht uwer |
|
252 DEÃTEKOl koeien noch kudden van nw klein vee zal overig laten, totdat liij n verdoe. 52 En het zal u beangstigen in alle uwe poorten, totdat mvo hooge en vaste muren neder-vallen, op welke gij vertrouwdet, in mv gansche land; ja, het zal u beangstigen in alle uwe poorten, in uw gansche land dat u de Heere uw God gegeven heeft. 53 En gij zult eten de vrucht liws buiks, het vleesch uwer zonen en uwer doch teren die u de Heere uw God gegeven zal hebben, in de belegering en in de benauwing, waarmede uwe vijanden u zullen benauwen. 54 Aangaande den man, «lie tee-der onder u en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijnen broeder, en tegen de huisvrouw zijns schoots, en tegen zijne overige zonen, die hij overgehouden zal hebben; 55 dat hij niet aan een van hen zal geven van het vleesch zijner zonen, die hij eten zal omdat hij voor zich niets heeft overgehouden in de belegering en in de benauwing, waarmede u uw vijand in alle uwe poorten zal benauwen. 56 Aangaande de teedere en wellustige vrouw onder u, die niet beproefd heeft hare voetzool op de aarde te zetten omdat zij zich wellustig en teeder hield, haar oog zal kwaad zijn tegen den man haars schoots, en tegen haren zoon, en tegen hare dochter; 57 en dat om hare nageboorte, die van tusschen hare voeten uitgegaan zal zijn, en om hare zonen die zij gebaard zal hebben; want zij zal ze eten in het verborgen wegens gebrek van alles, in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u zal benauwen in uwe poorten. 58 Indien gij niet zult waarnemen te doen alle de woorden dezer wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vreezen dezen heerlijken en vreeselijken Naam, den Heere uwen God, |
rOMIXJM 28. 59 zoo zal de Heere uwe plagen wonderlijk maken, mitsgaders de plagen uws zaads; het zullen groote en gewisse plagen en booze en gewisse krankten zijn. 60 En hij zal op u doen kee-ren alle kwalen van Egypte, voor dewelke gij gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen. G1 Ook alle krankte en alle plage, die in het boek dezer wet niet geschreven is, zal de Heere over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt. 62 En gij zult met weinige menschen overgelaten worden, in plaats dat gij geweest zijt als de sterren des hemels in menigte; omdat gij der stemme des Heeren uws Gods niet gehoorzaam geweest zijt. 63 En het zal geschieden, gelijk als de Heere zich over ulieden verblijdde, u goeddoende en vermenigvuldigende, alzóó zal zich de Heere over u verblijden, u verdoende en u verdelgende, en gij zult uitgerukt, worden uit het land, waar gij naartoe gaat om dat te erven. 64 En de Heere zal u verstrooien onder alle volken, van het ééne einde der aarde tot het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt noch uwe vaders, hout en steen. 65 Daartoe zult gij onder dio volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de Heere zal u aldaar een bevend harte geven, en bezwijking der oogen en matheid der ziele. 66 En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult uw leven niet steker zijn. 67 Des morgens zult gij zeggen: Och dat het avond ware, en des avonds zult gij zeggen: Och dat het morgen ware, vanwege den schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vanwege het gezicht uwer oogen dat gij zien zult. 68 En do Heere zal u naar |
|
DEUTEROl Egypte doen wederkeeren in «cliepen, door den weg waarvan ik u gezegd hebt: Gij zult dien niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uwe vijanden willen verkoopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden, maar daar zal geen kooper zijn. HOOFDSTUK 29. Dit zijn de woorden des ver-bonds, dat de Heere Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israels in her. land Moabs, boven het verbond dat hij met hen gemaakt had aan Horeb. 2 En Mozes riep gansch Israël, en zeide tut hen: Gij hebt gezien al wat de HeeremEgypte-land voor uwe oogen gedaan heeft, aan Farao en aan alle zijne knechten en aan zijn land: 3 de groote verzoekingen die uwe oogen gezien hebben, die teekenen en groote wonderen. 4 Maar de Heere heeft ul. eden niet gegeven een hart cm te verstaan, noch oogen om te zien, noch ooren om te hooren, tot op dezen dag. 5 En ik heb ulieden veertig jaar doen wandelen in de woestijn: uwe kleederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uwen voet. G Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken, opdat gij wist dat ik de Heere uw God ben. 7 Toen gij nu kwaamtaan deze plaats toog Sihon, de Koning van Hesbon, uit en Og, de Koning van Basan, ons tegemoet ten strijde, en wij sloegen ze.; 8 en wij hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubeniten en Ga-diten, mitsgaders aan den halven stam der Manassiten. 9 Houdt dan de woorden dezes verbonds en doet ze, opdat gij verstandiglijk handelt in alles wat gij doen zult. 10 Gij staat heden allen voor het aangezicht des Heeren uws |
OMIUM 29. 253 Gods: uwe hoofden uwer stammen, uwe oudsten en uweambt-lieden, alle man van Israël; 11 uwe jkinderkens, uwe vrouwen, en uw vreemdeling die in. het midden van uw leger is, van uwen houthouwer tot uwen waterputter toe; 12 om over te gaan in het verbond des Heeren uws Gods, en in zijnen vloek, hetwelk do Heere uw God heden met u maakt; 13 opdat hij u heden zichzelven tot een volk bevestige, en hij u tot eenen God zij, gelijk als hij tot u gesproken heeft, en gelijk als hij uwen vaderen Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft. 14 En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en dezen vloek, 15 maar met dengenen, die heden hier met ons voor het aangezicht des Heeren onzes Gods staat en met dengenen, die hier heden bij ons niet is. 16 Want gij weet hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen zijn door liet midden der volken, die gij doorgetogen zijt, 17 en gij hebt gezien hunne verfoeiselen en hunne drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. 18 Dat onder u lieden niet zij een man of vrouw, of huisgezin of stam, die zijn harte heden wende van den Heere onzen God, om te gaan dienen de goden dezer volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage, 19 en het geschiede als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zichzel ven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, ofschoon ik naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige. 20 De Heere zal hem niet willen vergeven, maar alsdan zal des Heeren toorn en ijver rooken over dien man, en al de vloek die in dit boek geschreven is zal op hem liggen; en de |
|
251 DEUTEEO Heere zal zijnen naam van onder den hemel uitdelgen. 21 En de Heere zal hem ten kwade afscheiden van alle de stammen Israels, naar alle vloeken des verbonds dat in het boek dezer -wet geschreven is. 22 Dan zal zeggen het navolgend geslacht, uwe kinderen die na ulieden opstaan zullen, en de vreemde die uit verren lande komen zal, als zij zullen zien de plage dezes lands en deszelfs krankheden, waarmede de Heere het gekrenkt heeft, 23 dat zijne gansche aarde is zwavel en zout der verbranding, die niet bezaaid zal zijn en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch eenig kruid daarin zal opgekomen zijn: gelijk de omkeering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de Heere heeft omgekeerd in zijnen toorn en in zijne grimmigheid; 24 en alle volken zullen zeggen: Waarom heeft de Heere dezen lande alzóó gedaan? Wat is de ontsteking dezes grooten toorns ? 25 Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond des Heeren des Gods hunner vaderen hebben verlaten, dat hij met hen gemaakt had als hij ze uit Egyp-teland uitvoerde, 2G en zij henengegaan zijn en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben, goden die hen niet gekend hadden, en geen van welke hun iets medegedeeld had; 27 daarom is de toorn des Hee-ren ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al dezen vloek die in dit boek geschreven is, 28 en de Heere heeft ze uit hun land uitgetrokken, in toorn en in grimmigheid en in groote verbolgenheid, en hij heeft ze verworpen in een ander land, gelijk het is te dezen dage. 29 De verborgene dingen zijn voor den Heere onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen alle de woorden dezer wet. |
rOMIUM 30. HOOFDSTUK 30. Voorts zal het geschieden wanneer alle deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze dingen of deze vloek die ik u voorgesteld heb, zoo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken waarhenen u de Heere uw God gedreven heeft; 2 en gij zult u bekeeren tot den Heere uwen God, en zijner stemme gehoorzaam zijn, naar alles dat ik u heden gebied, gij en uwe kinderen, met uw gansche hart en met uwe gansche ziel. 3 En de Heere uw God zal uwe gevangenis wenden en zich uwer ontfermen, en hij zal u weder vergaderen uit alle de volken, waarhenen u de Heere uw God verstrooid had; 4 al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de Heere uw God vergaderen en van daar zal hij u nemen. 5 En de Heere uw God zal u brengen in het land dat uwe vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uwe vaderen. 6 En de Heere uw God zal uw harte besnijden en het harte uw» zaads, om den Heere uwen God lief te hebben met uw gansche hart en met uwe gansche ziel, opdat gij leeft. 7 En de Heere uw God zal alle die vloeken leggen op uwe vijanden en op uwe haters, die u vervolgd hebben. 8 Gij dan zult u bekeeren en. der stemme des Heeren gehoorzaam zijn, en gij zult doen alle zijne gel oden die ik u hedeigt; gebied. 9 En de Heere uw God zal u doen overvloeien in al liet werk uwer hand, in de vrucht uws-buiks en de vrucht uwer beesten en in de vrucht uws lands ten goede; want d3 Heere zal weder-keeren om zich over u te verblijden ten gcede, gelijk als hij/ |
|
DEUTER02 zicli oyer uwe vaderen verblijd heeft: 10 wanneer gij der stemme des Heeren nws Gods zult gehoorzaam zijn, houdende zijne geboden en zijne inzettingen die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeeren tot den Heere uwen God met uw gansche hart en met uwe gan-sche ziel. 11 Want dit gebod, hetwelk ik u heden gebiede, dat is voor u niet verborgen en dat is niet verre; 12 liet is niet in den hemel, om te zeggen: quot;Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij liet voor ons hale en ons hetzelve hooren late, dat wij het doen? 13 Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen : Wie zal voor ons overvaren naar gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale en ons hetzelve hooren late, dat wij het doen? 14 Want dit woord is zeer nabij u, in uwen mond ei; in uw hart, om dat te doen. 15 Zie, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en den dood en het kwade. 16 Want ik gebied u heden den Heere uwen God lief te hebben, in zijne wegen te wandelen, en te houden zijne geboden en zijne inzettingen en zijne rechten, opdat gij leeft en vermenigvuldigt, en de Heers uw God u zegene in liet land waar gij naar toe gaat om dat te erven. 17 Maar indien uw hart zich zal afwenden en gij niet hooren zult, en gij gedreven zult worden dat gij u voor andere goden buigt en dezelve dient, 18 zoo verkondig ik ulieden heden, dat gij voorzeker zult omkomen; gij zult de dagen niet verlengen op het land naar hetwelk gij over den Jordaan zijt henengaande, om daarin te komen dat gij het erfelijk bezit. 19 Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek. Kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad; |
OMIUM 31. 255 20 liefhebbende den Hjserb uw en God, zijne stemme gehoorzaam zijnde en hem aanhangende, want hij is uw leven en de lengte uwer dagen; opdat gij blijft in liet land dat de Heere uwen vaderen, Abraham, Isaiik en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven. HOOFDSTUK 31. Daarna ging Mozes henen en sprak deze woorden tot ganscb Israël, 2 en zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaar oud, ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de Heere tot mij gezegd: Gij zult over dezen Jordaan niet gaan. 3 De Heere uw God, die zal voor uw aangezicht overgaan; dio zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij ze erfelijk bezit; Jozua, die zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de Heere gesproken heeft. 4 En de Heere zal hun doen gelijk als hij Sihon en Og, Koningen der Amoriten, en hun land gedaan heeft, die hij verdelgd heeft. 5 Wanneer ze nu de Heere voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb. G Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de Heere uw God die met u gaat, hij zal u niet begeven noch u verlaten. 7 En Mozes riep Jozua, en zei-de tot hem voor de oogen des ganschen Israël: Wees sterk en heb goeden moed; want gij zult met dit volk ingaan in het land, dat de Heere hunnen vaderen gezworen heeft hun te zullen geven, en gij zult het hen doen erven. 8 De Heere nu is degene, die voor uw aangezicht gaat; die zal met u zijn, hij zal u niet begeven noch u verlaten: vrees nieit en ontzet u niet. 9 En Mozes schreef deze wet. |
|
£56 DEUTEROl en gaf ze aan de Priesteren, de zonen van Levi, die de Ark des verbonde des Heeren droegen, en aan alle oudsten van Israël. 10 En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op den gezetten tijd van het jaar der vrijlating, op het feest der loofhutten, 11 als gansch Israël zal komen om te verschijnen voor het aangezicht des Heeren uws Gods, in de plaats die hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gansch Israël uitroepen, voor hunne ooren: 12 Vergadert het volk,deinan-nen en de vrouwen en de kinderen en uwe vreemdelingen die in uwe poorten zijn, opdat zij hoo-ren en opdat zij leeren, en vreezen den Heere uwen God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet; 13 en dat hunne kinderen, die het niet geweten hebben, hooren en leeren om te vreezen den Heere uwen God, alle de dagen die gij leeft op het land, naar hetwelk gij henengaat over den Jordaan om dat te erven. 14 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, uwe dagen zijn genaderd om te sterven: roep Jozua, en stelt ulieden in de Tent der samenkomst, dat ik hem bevel geve. Zoo ging Mozes en Jozua, en zij stelden zich in de Tent der samenkomst. 15 Toen verscheen de Heere in de Tent in de wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de deur der Tent. 10 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uwe vaderen, en dit volk zal opstaan en nahoereeren de goden der vreemden van dat land waar het naartoe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal mij verlaten en vernietigen mijn verbond,dat ik met hetzelve gemaakt heb. 17 Zoo zal mijn toorn te dien dage tegen hetzelve ontsteken, en ik zal ze verlaten en mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter spijze zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen |
OMIUM 31. het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen omdat mijn God in het midden van mij niet is? 18 Ik dan zal mijn aangezicht te dien dage ganschelijk verbergen, om al het kwaad dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden. 19 En nu, schrijf ulieden dit lied, en leer het den kinderen Israels, leg het in hunnen mond, opdat dit lied mij ten getuige zij tegen de kinderen Israëls. 20 Want ik zal dit volk inbrengen in het land, dat ik zijnen vaderen gezworen heb, vloeiende van melk en honig, en het zal eten en verzadigd en vet worden: dan zal het zich wenden tot andere goden en hen dienen, en zij zullen mij tergen en mijn verbond vernietigen. 21 En het zal geschieden wanneer vele kwaden en benauwdheden hetzelve zullen treilen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit den mond zijns zaads niet vergeten word en; dewijl ik weet zijn gediclitsel dat het heden maakt, aleer ik het inbreng in het land dat ik gezworen heb. 22 Zoo schreef Mozes dit lied te dien dage, en hij leerde het den kinderen Israels. 23 En hij gebood Jozua, den zoon van Nun, en zeide: Wees sterk en heb goeden moed; want gij zult _de kinderen Israëls inbrengen in het land dat ik hun gezworen heb, en ik zal met u zijn. 24 En het geschiedde als Mozes voleindigd had d.e woorden dezer wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren, 25 zoo gebood Mozes den Levi-ten, die de Ark des verbonds des Heeren droegen, zeggende: 2(3 Neemt dit wetboek en legt het aan de zijde der Ark des verbonds des Hoeren uws Gods, dat het aldaar zi; ten getuige tegen u. 27 Want i,£ ken uwe weder-spannigheid en uwen harden nek: zie, terwijl ik nog heden met ulieden leef,zijt gij wederspannig |
|
DEUTERöl geweest tegen den Heere: hoeveel te meer na mijnen dood! 28 Vergadert tot nrj alle de oudsten uwer stammen en uwe ambtlieden, dat i!c voor hunne ooren deze woorden spreke, en tegen hen den hemel en de aarde tot getuige neme; 20 want ik weet dat p'j het na mijnen dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van don weg, dien ik u geboden heb: dan zal u dit kwaad in het lar.tste dei-dagen ontmoeten, wanneer gii zult gedaan hebben dat kwaad ia in de oogen des Heesen, om hem door het werk uwer handen tot toorn te verwekken. 30 Toen sprak Mozes voor do ooren der gansche gemeente van Israël de woorden dezes lieds, totdat zij voltrokken waren: HOOFDSTUK 32. Neig de ooren gij heme , en ik zal spreken; en de aarde hoore de redenen mijns monds. 2 Mijne leer druipe als een repen, mijne rede vloeie a's een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. 3 quot;SVant ik zal den naam des Heeren uitroepen; geeft onzen God grootheid. 4 Hij is de rotssteen, wiens werk volkomen is, want alle zijne wegen zijn gerichten; God is waarheid en is geen onrecht, rechtvaardig en recht is hij. 5 Hij heeft het tegen hem verdorven, het zijn zijne kinderen niet^ de schandvlek is hunne; het is een verkeerd en verdraaid geslacht. 6 Zult gij dit den Heere vergelden, gij dwaas en onwijs volk ? Is hij niet uw Vader, die u ver-Icregcn, die u gemaakt en u bevestigd heeft? 7 Gedenkt aan de dagen van ouds, merkt op de jaren van elk geslacht; vraagt uwen vader, die zal het u bekend maken, uwe ouden, en zij zullen het u zeggen. 8 Toen de Allerhoogste den volken_ de erfenisje uitdeelde, toen hij Adams kinderen vanéen- |
OMIÃM 32. 257 scheidde, heeft hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels; 9 want des Heeren deel is zijn volk, Jakob is het snoer zijner erve. 10 Hij vond hem in een land der woestijn, en in eene woeste, huilende wildernis: hij voerde hem rondom, hij onderwees hem, hij bewaaarde hem als zijn oogappel. 11 Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken; 12 zóó leidde hem de Heere alléén, en er was geen vreemd god met hem. 13 Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en hij deed hem honig zuigen uit de steenrots en olie uit den kei der rotse; 14 boter van koeien en melk van klein vee, met het vet dei-lammeren en der rammen die in Basan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, rei-nen wijn, hebt gij gedronken. 15 Als nu Jeschurnn vet werd, zoo sloeg hij achteruit; (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met overdekt geworden) en hij liet God varen die hem gemaakt heeft, en versmaadde den rotssteen zijns hei Is. 1G Zij hebben hem tot ijver verwekt door vreemde goden, door gruwelen hebben zij hem tot toorn verwekt. 17 Zij hebben den duivelen ge-ofterd, niet Gode, den goden die zij niet kenden, nieuwe die van nabij gekomen waren, voor dewelke uwe vaders niet geschrikt hebben. 18 Den rotssteen die u gegenereerd heeft hebt gij vergeten, en gij hebt in vergetelheid gesteld den God die u gebaard heeft. 19 Als het de Heeue zag, zoo versmaadde hij ze, uit toorn tegen zijne zonen en zijne dochteren; 20 en hij zeide: Ik zal mijn aangezicht van hen verbergen, ik zal zien welk hunlieder einde zal 9 |
|
258 DEÃTEE01 wezen; want zij zijn een ganscli verkeerd geslacht, kinderen in welke geen tronw is. 21 Zij hebben mij tot ijver verwekt door hetgene dat geen God is, zij hebben mij tot toorn verwekt door hunne ijdelheden: ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen die geen volk zijn, door een dwaas volk zal ik ze tot toorn verwekken. 22 Want een vuur is aangestoken in mijnen toorn, en zal branden tot in de onderste hel, en zal liet land met zijne inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten. 23 Ik zal kwaden over hen hoopen: mijne pijlen zal ik op hen verschieten. 24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en ik zal de tanden der beesten onder hen zenden, met vurig venijn van slangen des stofs. 25 Yan buiten zal het zwaard berooven, en uit debinnenkame-ren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man. 2G Ik zeide: In alle hoeken zoude ik ze verstrooien, ik zoude hunne gedachtenis van onder de menschen doen ophouden, _ 27 zoo ik den toorn des vijands niet schroomde, dat niet hunne tegenpartijen zich vreemd mochten houden, dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest, de IIeeke heeft dit alles niet gewrocht. 28 Want zij zijn een volk dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen. 29 O dat zij wijs waren: zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken. ^ 30 Hoe zoude een éénige duizend jagen, en twee tienduizend doen vluchten, ten ware dat hun-lieder rotssteen hen verkocht en de Heere hen overgeleverd had. 31 Want hun rotssteen is niet gelijk onze rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde. 32 Want hun wijnstok is uit |
OMIUM 32. den wijnstok van Sodom en uit de velden van Gomorra, hunne wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven, zij hebben bittere beziën: 33 hun wijn is vurig draken venijn en een wreed adderen vergif. 34 Is dat niet by mij opgesloten, verzegeld in mijne schatten? 35 Mijne is de wrake en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag hans ondergangs is nabij, en do dingen die hun zullen gebeuren haasten. 3G Want de Heere zal zijnen volke recht doen, en het zal hem over zijne knechten berouwen; want hij zal zien dat de hand is weggegaan en de beslotene en verlatene niet is. 37 Dan zal hij zeggen: Waar zijn hunne goden, de rotssteen op welken zij betrouwden, 38 welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofleren wijn zij dronken? I'at zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij. 39 Ziet nu dat ik, ik die ben, en geen God met mij: ik dood en maak levend, ik versla en ik heel; en daar is niemand die uit mijne hand redt. 40 Want ik zal mijne hand naar den hemel opheffen en ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid, 41 Indien ik mijn glinsterend zwaard wet, en mijne hand ten gerichte grijpt, zoo zal ik de wrake op mijne tegenpartijen doen we-derkeeren en mijnen hateren vergelden. 42 Ik zal mijne pijlen dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vleesch eten; van het bloed des verslagenen en des gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn 43 Juicht gij heidenen, wd! zijn volk: want hij zal het bloed zijner knechten wreken, en hij zal de wraak op zijne tegenpartijen doen wederkeeren, en verzoenen zijn land en zijn volk. 44 En Mozes kwam en sprak alle de woorden van dit lied voor de ooren des volks, hij en Hoséa, de zoon van Kun. |
DETJTEEOï* OMIUM
259
|
45 Als nu Mozes geëindigd liad alle die woorden tot gansch Israël te spreken, 4G zoo zeide hij tot hen: Zet mv hart op alle de woorden, die ik heden ouder ulieden betuige, dat gij ze uwen kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen nlle de woorden dezer wet. 47 Want dat is geen vergeefsch woord voor ulieden, maar het is uw leven; en door ditzelfde woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over den Jordaan naar toe gaat om dat te erven. 48 Daarna sprak de Heere tot Mozes op dienzelfden dag, zeggende: 49 Klim op den berg Abarim, (deze is de berg üSTebo. die in het land Moabs is, die tegen*)ver Jericho is) en zie het land Kauaan, dat ik den kinderen Isra-ils tot eene bezitting geven zal; öü en sterf op dien berg, waar-henen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uwe volken, gelük als uw broeder Aiiron stierf op den berg Hor, en werd tot zijne volken vergaderd: '51 omdat gijlieden u tegen mij vergrepen hebt in het midden der kinderen Israels, aan het twistwater te Kades in de woestijn Zin; omdat gij mij niet geheiligd hebt in het midden der kinderen Israels. 52 quot;Want van tegenover zult gij dat land zien^ maar daarlienen niet inkomen, in het land dat ik den kinderen Israels geven zal. HOOFDSTUK 33. Dit nu is dezegen,met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft vóór zijnen dood. 2 Hij zeide dan: De Hi-ere is van Smaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tienduizenden der heiligen, aan zijne rechterhand was eene vurige wet aan hen. 3 Immers bemint hij de volken; alle zijne heiligen zijn in uwe hand; zij zullen in het midden tusschen uwe voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van uwe woorden. |
4 Mozes heeft ons de wet geboden, eene erfenis van Jakobs gemeente; 5 en hij was Koning in Jeschu-run, als de hoofden des volks zich vergaderden, te zamen met de stammen Israels. G Dat Ruben leve en niet ster-ve, en dat zijne lieden van getale zijn. 7 En dit is van Juda, dat hij zeide: Hoor, Heere, de stem van Juda, en breng hem weder tot zijn volk; zijne handen moeten hem genoegzaam zijn, en wees gij h m eene iiulpe tegen zijne vijanden. b En van Levi zeide hij: Uwe Tummim en uwe Urim zijn aan den man, uwen gunstgenoot; dien gij beproefd hebt in Massa, met welken gij getwist hebt aan de wateren van Meriba; y die tot zijnen vader en tot zijne moeder zeide: Ik zie hem niet, en die zijne broederen niet kende en zijne zonen niet achtte: want zij onderhielden uw woord en bewaarden uw verbond. 10 Zij zuilen Jakob uwe rechten leeren en Israël uwe wet; zij zullen reukwerk voor uwen neus leggen, en dat gansch verteerd zal worden op uw altaar. 11 Zegen, Heere, zijn vermogen, en laat u het werk zijner handen wol bevallen; versla de lendenen dergenen die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan. 12 En van Benjamin zeide hij: De beminde des Heerex, hij zal zéker bij hem wonen; hij zal hem den ganschen dag overdekken, en tus.-chen zijne schouderen zal hij wonen. 13 En van Jozef zeide hij: Zijn land zij gezegend van den Heere, van 'net uitnemendste des hemels, van den dauw, en van de diepte, die beneden is liggende; 14 en van de uitnemendste inkomsten der zon, en van do uitnemendste voortzetting der ; |
DEUTERONOMIUM S4.
m
|
15 en van het voornaamste der oude bergen, en van liet uitne-mendste der eemvige heuvelen; 16 en van het uitnemendste der aarde en haver volheid, en van de goedgunstigheid desgenen, die in het braambosch woonde, kome de zegenina op het hoofd Jozefs, en op den schedel des afgezon-derdenlt; van zijne broederen. 17 Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijne hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stooten tot aan de einden des lands. Deze nu zijn de tienduizenden van Efraïm,en deze zijn de duizenden van Ma-nasse. 18 En van Zebr.Ion zeido hij: Verheug u, Zebulon, over uwen uittocht, en Issaschar over uwe hutten. 19 Zij zullen de volken tot den berg roepen, daar zullen zij olle-randen der gerechtigheid offeren; want zij zullen den overvloed der zeeën zuigen, en de bedekte verborgen dingen des zands. 20 En van Gad zeide hij: Gezegend zij die Gad ruimte maakt; hij woont als een oude leeuw, en verscheurt den arm, ja, ook den schedel. 21 En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks, hij verrichtte de gerechtigheid des Heeren en zijne gerichten met Israël. 22 En van Dan zeide hij: Dan is een jonge leeuw, hij zal als uit Basan voortspringen^ 23 En van Naftali zeide hij: O Naftali, wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van don zegen des Heeren ; bezit erfelijk het Westen en het Zui-dcn. 24 En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen, hij zij zijnen broederen aangenaam, en doqpe zijnen voet in olie. 25 TJzer en koper zal onder uwen schoen zijn, en uwe sterkte gelijk uwe dagen. |
2'o Niemand is er gelijk God, o Jeschurun, die op den hemel vaart tot uwe hulpe, en met zijne hoogheid op de bovenste wolken. 27 De eeuwige God zij u eene woning, en van onderen eeuwige armen; en hij verdrijve den vijand voor uw aangezicht en zegge: Verdelg. 2S Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen. 29 Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zij teen volk verlost door den Heeru, het schild uwer hulpe, en die een zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uwe vijanden geveinsdelij k aan u onderwerpen, en gij zult op hunne hoogten treden. HOOFDSTUK 34. Toen ging Mozes op uit de vlakke velden Moabs, naar den berg Nebo, op do hoogte van Pi s-ga, welk recht tegenover Jericho is, en de Heere wees hem dat gansche land, Gilead tot Dan toe; 2 en het gansche Naftali, en het land van Efraïm en Manasse, en liet gansche land van Juda, tot aan de achterste zee; 3 en het Zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de Palmstad, tot Zoar toe. 4 En de Heere zeide tot hem: Dit is het land dat ik Abraham, Isaak en Jakob gezworen Iieb, zeggende: Uwen zade zal ik het geven: ik heb het u met uwe oogen doen zien, maar gij zult daarhenen niet overgaan. 5 Alzoo stierf Mozes, de knecht des Heerex, aldaar in het land Moabs, nar.r des Heeren mond. 6 En hij begroef hem in een dal in het land Moabs, tegenover Beth-Peor; en niemand heeft zijn graf geweten tot op dezen dag. 7 Mozes nu was honderd en twintig jaar oud als hij stierf: zijn oog was niet donker geworden en zijne kracht was niet vergaan. 8 En de kinderen Israëls beweenden Mozes in de vlakke velden Moata dertig dagen: en |
JOZÃA 1.
261
|
de dagen des weenens, van den romv over Mozes, werden voleindigd. 9 Jozna nu, de zoon van Nun, was vol van den Geest der wijsheid, want Mozes had zijne handen op hem gelegd: zoo hoorden de kinderen Israels naar hem, en deden gelijk als de Heere Mozes geboden had. 10 En daar stond geen Profeet meer op in Israël gelijk Mozes, dien de Heere gekend had van aangezicht tot aangezicht; |
11 in alle de teekenen en do wonderen, waartoe hem de Heere gezonden heeft, om die in Egyp-teland te doen aan Farao en aan alle zijne knechten en aan al zijn land; 12 en in al die sterke hand en in al die groote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de oogen des ganschen Israels. |
HET BOEK JOZUA.
|
HOOFDSTUK 1. Het geschiedde nu na den dood van Mozes, den knecht de.3 IIee-ren, dat de Heere tot Jozua, den zoon van Nun, Mozes' dienaar, sprak, zeggende: 2 Mijn knecht Mozes is gestorven ; zoo maak u nu op, trek over dezen Jordaan, gij en al dit volk, tot het land dat ik hun, den kinderen Israels, geef. 3 Alle plaatse, waarop ulieder voetzool treden zal, heb ik u gegeven, gelijk als ik tot Mozes gesproken heb. 4 Van de woestijn en dezen Libanon af, tot aan de groote rivier, de rivier Frath, het gansche land der Hethiten, en tot aan de groote zee, tegen den ondergang dor zon, zal ulieder landpale zijn. 5 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan alle de dagen uws levens: gelijk als ik met Mozes geweest ben zal ik met u zijn, ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten. 6 Wees sterk en heb goeden moed; want gij zult dit volk het land erfelijk doen bezitten, dat ik hunnen vaderen heb gezworen hun te geven. 7 Alleenlij-: wees sterk en heb zeer goeden moed, dat gij waarneemt te doen naar de gansche wet, welke Mozes mijn knecht u i geboden heeft; wijk daarvan niet 1 ter rechter- noch ter linkerhand, opdat gij verstandiglijk handelt alom waar gij zult gaan. |
8 Dat het boek dezer wet niet wijke van uwen mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles dat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uwe wegen voorspoedig maken en alsdan zult gij verstandiglijk handelen. 9 Heb ik het u niet bevolen? Wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet en ontzet u niet; want de Heere uw God is met u alom waar gij henengaat. 10 Toen gebood Jozua den ambtlieden des volks, zeggende: 11 Gaat door het midden des legers, en beveelt liet volk, zeggende: Bereidt teerkost voor uiie-den; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over dezen Jordaan gaan, dat gij ingaat om te erven het land, hetwelk de Heere uw God ulieden geeft om te beërven. 12 En Jozua sprak tot de Ku-beniten en Gaditen en den halven stam van Manasse, zeggende: 13 Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes de knecht des TIee-ren ulieden geboden heeft, zeggende: De Heeue uw God geeft ulieden rust, en hij geeft u dit land: 14 laat uwe vrouwen, uwe kleine kinderen, en uw vee in het |
JOZÃA 2.
262
|
land blijven dat Mo zes nlieden aan deze zijde van den Jordaan gegeven heeft; maar gijlieden zult gewapend trekken voor het aangezicht uwer broederen, alle strijdbare helden, en zult ze helpen; 15 totdat de Heere uwen broederen rust geve als ulieden, en dat zij óók erfelijk het land bezitten dat do Heere uw God hun geeft: alsdan zult gijlieden wederkeeren tot het land uwer erfenis en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes de knecht des Heeeen ulieden gegeven heeft aan deze zijde van den Jordaan, tegen den opgang der zon. 16 Toen antwoordden zij Jo-zua, zeggende: Al wat gij ons geboden hebt zullen wij doen, en alom waar gij ons zenden zult zullen wij gaan. 17 Gelijk wij in alles naar Mozes hebben gehoord, alzóó zullen wij naar u hooren: alleenlijk dat de Heere uw God met u zij, gelijk als hij met Mozes geweest is. 18 Alle man die uwen mond wederspannig wezen zal en uwe woorden niet hooren zal, in alles wat gij hem gebieden zult, die zal gedood worden: alleenlijk wees sterk en heb goeden moed. HOOFDSTUK 2. Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die heimelijk verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat henen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ten huize van eene vrouw, eene hoer, wier naam was Eachab; en zij sliepen daar. 2 Toen werd den Koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie in dezen nacht zijn hier mannen gekomen van de kinderen Israels om dit land te doorzoeken. 3 Daarom zond de Koning van Jericho tot Eachab, zeggende* Breng de mannen uit die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn; want zij zijn gekomen om het gansche land te doorzoeken. |
4 Maar die vrouw had die beide mannen genomen en zij had ze verborgen, en zeide aldus: Daar zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet van waar zij waren: 5 en het geschiedde als men de poort zoude sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen : Ik weet niet waarhenen die mannen gegaan zijn; jaagt ze haastelijk na, want gij zult ze achterhalen. 6 Maar zij had ze op liet dak doen klimmen, en zij had ze verstoken onder de vlasstoppelen, die door haar op het dak beschikt waren. 7 Die mannen nu joegen hen na op den weg van den Jordaan, tot aan de veren; en men sloot de poort toe, nadat zij uitgegaan waren die hen najoegen. 8 Eer zij nu sliepen, zoo klom zij tot hen óp op het dak, 9 en zij sprak tot die mannen: Ik weet dat de Heere u dit land gegeven heeft, en dat ul ieder verschrikking op ons gevallen is, en dat alle de inwoners dezes lands voor ul ieder aangezicht gesmoi- j ten zijn. 10 Want wij hebben gehoord ; dat do Heere de wateren der i Schelfzee uitgedroogd heeft voor i ulieder aangezicht, toen gij uit : Eg3Tpte gingt; en wat gijlieden i den twee Koningen der Araori-i ten, Sihon en Og, gedaan hebt, 1 die aan gene zijde van den Jordaan waren, welke gijlieden verbannen hebt. 11 En als wij het hoorden, zoo i versmolt ons hart, en daar be-1 staat geen moed meer in iemand ! vanwege ulieder tegenwoordig-i heid; want de Heere ulieder I God is een God boven in den , hemel en beneden op de aarde. 12 Nu dan zweert mij toch bij 1 den Heere, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat 1 gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteeken, 13 dat gij mijnen vaderen mijn© moeder in het leven zult behouden, alsook mijne broeders en |
JOZÃA
203
|
mijne zuster?, met alles wat zij hebben, en dat p:ij onze zielen van den dood redden zult. 14 Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziele zij voor ulieden om te sterver, indien gijlieden deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan geschieden wanneer de Hkere ons dit land geeft, zoo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen. 15 Zij liet hen dan neder met een zeel door het venster; want haar huis was op den stadsmuur en zij woonde op den muur. 16 En zij zeide tot hen: Gaat op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten; en verbergt u aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd zullen zijn, en gaat daarna uwen weg. _ 17 Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen onschuldigzgn van dezen uwen eed, dien gij ons hebt doen zweren. 18 Zie, wanneer wij in het land komen, zoo zult gij dit snoer van scharlaken draad aan het venster binden, door hetwelk gij ons zult, nedergelaten hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uwen vader en uwe moeder en uwe broeders en het gansche huisgezin uws vaders: 19 zoo zal liet geschieden, al wie uit de deuren uws huizes naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij. op ons hoofd indien eene hand tegen hem zijn zal. 20 Maar indien gij deze onze zaak te kennen zult geven, zoo zullen wij onschuldig zijn van uwen eed, dien gij ons hebt doen zweren. 21 Zij nu zeide: Het zij alzóó naar uwe woorden. Toen liet zij hen gaan: en zij gingen henen: en zij bond het scharlaken snoer aan het venster. 22 Zij dan gingen henen en kwamen op het gebergte, en bleven aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd waren; |
| want de vervolgers hadden hen op al den weg gezocht, maar niet gevonden. 23 Alzoo keerden die twee mannen weder, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua, den zoon van Kim; en zij vertelden hem al wat hun wedervaren was, 24 en zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, de Heere heeft dat gansche land in onze handen gegeven, want ook alle de inwoners des lands zijn voor ons aangezicht gesmolten. HOOFDSTUK 3. Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij. reisden van Sittim, en kwamen tot aan den Jordaan, hij en alle de kinderen Israels; en zij vernachtten aldaar eer zij overtrokken. 2 En het geschiedde dat de ambt lieden op het einde van drie dagen door het midden des legers gingen, 3 en geboden het volk, zeggende: quot;Wanneer gij de Ark des verbonds des Heek en uws Gods ziet, en de Levitische Priesters dezelve dragende, verreist gijlieden óók van uwe plaats en volgt haar na: 4 dat er nochtans ruimte zij tusschen ulieden en tusschen dezelve, bij de tweeduizend ellen in de maat, en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg weet dien gij gaan zult, want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren. 5 Jozua zeide ook tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de Heeke wonderheden in het midden van ulieden doen. G Desgelijks sprak Jozua tot de Priesters, zeggende: Neemt de Ark des verbonds op, en gaat dóór voor het aangezicht dezes volks. Zij dan namen de Ark des verbonds op, en zij gingen voor het aangezicht des volks. 7 Want de Heeke had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal ik beginnen u groot te maken voor de oogen des ganschen Israëls, opdat zij weten dat ik met u zijn |
JOZUA 4.
264
|
zal gelijk als ik met Mozes geweest ben. 8 Gij clan zult den Priesteren, die de Ark des verbonds dragen, gebieden, zeggende: Wanneer gij- ; lieden komt tot aan het uiterste ! des waters van den Jordaan, staat stil in den Jordaan. ^ j 9 Toen zeide Jozua tot de kin- i deren Israels: Nadert herwaarts i en hoort de woorden des Hee- , rex uws Gods. t j 10 Voorts zeide Jozua: Hier- ! aan zult gijlieden bekennen dat I de levende God in het midden ; van u is, en dat hij ganschelijk voor uw aangezicht uitdrijven zal de Kanaüniten en de Hethiten en de Heviten en de Fereziten en de Girgasiten en de Amori-ten en de Jebusiten; 11 zie, de Ark des verbonds des Heeren der gansche aarde gaat dóór voor ulieder aangezicht in den Jordaan. 12 Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit iederen stam éénen man; 13 want het zal geschieden met dat de voetzolen der Priesteren, ; die de Ark des Heeren, des Hee- ' ren der gansche aarde, dragen, in : het water van den Jordaan zul- ! len rusten, zoo zullen de wate- ; ren van den Jordaan afgesneden worden, te loeten de wateren die van boven afvlieten, en zij zul- , len op éénen hoop blijven staan. ' 14 En het geschiedde toen het volk vertrok uit zijne tenten om 1 over den Jordaan te gaan, zoo | droegen de Priesters de Ark des ] verbonds voor het aangezicht des i volks. 15 En als zij die de Arkdroe- 1 gen tot aan den Jordaan gekomen waren, en de voeten der Priesteren, dragende de Ark, ingedoopt waren in het uiterste des waters (de Jordaan nu was vol alle (ie dagen des oogstes aan alle zijn oevers); 10 zoo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op éénen hoop, zeer ver van de stad Adam af, die terzijde van Zartan ligt; en die naar de zee des vlakken velds, te weten de Zoutzee, afliepen, die vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over tegenover Jericho. |
17 Maar de Priesters, die de Ark des verbonds des Heernn droegen, stonden steevast op het droge in het midden van den Jordaan; en gansch Israël ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door den Jordaan te trekken. HOOFDSTUK 4. Het geschiedde nu toen al het volk geëindigd had over den Jordaan te trekken, dat de Heere tot Jozua sprak, zeggende: 2 Neemt gijlieden u twaalf mannen uit het volk, uit eiken stam éénen man, 3 en gebiedt hun, zeggende: Neemt voor ulieden óp van hier uit het midden van den Jordaan, uit de standplaats van de voeten der Priesteren, en bereidt twaalf steeneu en brengt ze met ulieden over, en stelt ze in het nachtleger waar gij dezen nacht zult vernachten. 4 Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij had doen bestellen van de kinderen Israels, uit eiken stam éénen man, 5 en Jozua zeide tot hen: Gaat over vóór de Ark des Heeren uws Gods midden in den Jordaan; en heft u ieder eenen steen op zijnen schouder, naar het getal van de stammen der kinderen Israels ;# 6 opdat dif: een teeken zij onder ulieden: wanneer uwe kinderen morgen vragen zullen, zeggende: quot;Wat zijn u deze stee-ncn ? 7 zoo zult gij tot hen zeggen: Omdat de wateren van den Jordaan zijn afgesneden geweest vóór de Ark des verbonds des Heeren ; al:ï zij toog door den Jordaan werden de wateren van den Jordaan afgesneden: zoo zullen deze steenen den kinderen Israëls ter gedachtenisse zijn tot in eeuwigheid. 8 De kinderen Israëls nu deden alzóó gelijk als Jozua geboden |
JOZUA 5.
265
|
had, en zij namen twaalf steenen op, midden uit den Jordaan, gelijk als de Heefe tot Jozna gesproken had, naar het getal der stammen der kinderen Israels: en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze aldaar. 9 Jozua richtte ook twaalf stee-nen óp, midden in den Jordaan, ter standplaats van de voeten der Priesters die de Arkdesver-bcmds droegen; en zij zijn daar tot op dezen dag. 10 De Priesters nn, die de Ark droegen, stomion midden in den Jordaan, totdat alle ding volbracht was hetwelk de ÃTeere Jozua geboden had den volke aan te zeggen, naar al wat Mo-zes Jozua geboden had. En het volk haastte en liet trok over. 11 En het geschiedde als al liet volk geëindigd had .ver te gaan, toen ging de Ark des Hee-ren over en de Priesters voor het aangezicht des volks. 12 En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad. mitsgaders de halve stam van Ma-nasse, trokken gewapend voor het aangezicht der kinderen Israels, gelijk als Mozes tot hen gesproken had: lo omtrent veertigduizend toegeruste krijgslieden trokken er voor het aangezicht des Heeren ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho. 14 Te dien zeilden dage maakte de Heere Jozua groot voor de oqgen van het gansche Israël, en zij vreesden hem gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, alle de dagen zijns levens. 15 De Heere dan sprak tot Jozua zeggende: 16 Gebied den Priesterer, die de Ark der getuigenis dragen, dat zij uit den Jordaan opklimmen. 17 Toen gebood Jozua den Pn es teren, zeggende: Klimt óp uit den Jordaan. |
18 En het geschiedde toen de Priesters, die de Ark des verbond? des Heer ex droegen, uit het midden van den Jordaan op-j geklommen waren cn de voet-' zolen der Priesteren afgetrokken I waren tot op het droge zoo keerden de wateren van den Jordaan j weder in hunne plaats, en gin-! gen als gisteren en eergisteren i aan alle zijne oevers. ! 1«^ Het volk nu was den tiende i der eerste maand uit den Jor-( daan opgeklommen; en zij leger-! den zich te Gilgal, aanhetoost-; einde van Jericho. 20 En Jozua richtte die twaalf I steenen te Gilgal op, die zij uit ; den Jordaan genomen hadden; 21 en hij sprak tot de kinde-! ren Israels, zeggende: quot;Wanneer uwe kinderen morgen hunnen i vaderen vragen zullen,zeggende: I Wat zijn deze steenen? 22 zoo zult gjj het uwenkinde-' ren te kennen geven, zeggende: j Op het droge is Israël door dezen i Jordaan gegaan; ! 23 want de Heere uw God 1 heeft de wateren van den Jor-i daan voor uwe aangezichten doen uitdrogen, totdat gijlieden er 1 waart doorgegaan: gelijk als do Heere uw God aan de Schelf-: zee gedaan heeft, die hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daar doorge-' gaan waren: 24 opdat alle volken der aarde de hand des Heeren kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gij li eden den Heere uwen God vreest te allen dage. HOOFDSTUK 5. _En het geschiedde toen alle de Koningen der Amoriten, die aan deze zijde van den Jordaan westwaarts, en alle de Koningen der Kanaüniten die aan de zee waren, hoorden dat de Heere de wateren van den Jordaan had uitgedroogd voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij daar doorgegaan waren : zoo versmolt hun hart, en daar was geen moed meer in hen voor het aangezicht der kinderen Israels. 2 Te dier tijd sprak de Heere tot Jozua: Maak u steenen messen en besnijd wederom de kinderen Israels ten tweeden male. 9* |
|
2G6 JOZI 3 Toen maakte zich Jozua fiteenen messen, en besneed de , kinderen Israels op den heuvel i der voorlmiden. 4 Dit nu was de oorzaak-waarom Jozua hen besneed: al het volk dat uit Egypte getogen Ayas, de manspersonen, alle krijgslieden, waren gestorven in de woestijn, op den weg, nadat zij uit Egypte getogen waren; 5 want ol het volk dat er uittoog was besneden, maar al het volk dat geboren was in de woestijn op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden. 6 Want de kinderen Israëls wandelden veertig jaar in de woestijn, totdat vergaan was het gansche volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren, die der stemme des Heeren niet gehoorzaam geweest waren, welken de Heere gezworen had dat hij hun niet zoude laten zien het land, hetwelk de Heere hunnen vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig. 7 Maar hunne zonen heeft hij aan hunne plaats gesteld: die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden, want zij hadden hen op den weg niet besneden. 8 En het geschiedde als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zoo bleven zij in hunne plaats in het leger, totdat zij genezen waren. 9 Toorts sprak de Heere tot Jozua: Heden heb ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld: daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag. 10 Teiwijl de kinderen Israels te Gilgal gelegerd lagen, zoo hielden zij het Pascha op den veertienden dag derzelfder maand, in den avond, op de vlakke velden van Jericho. 11 En zij aten van het overjarige koren des lands, des anderen daags van het Pascha, ongezuurde _ brooden en verzengde aren, juist op dienzelfden dag. 12 En het Man hield óp des |
A 0. anderen daags nadat zij van de» lands overjarige koren gegeten hadden; en de kinderen Israels hadden geen Man meer, maar zij aten in hetzelfde jaar van de inkomst des land Kanaan. 13 Voorts geschiedde het als Jozua bij Jericho was, dat hij zijne oogen ophief en toezag, en zie, daar stond een man tegenover hem, die een uitgetogen zwaard in zijne hand had.^ En Jozua ging tot hem, en zeide tot hem: Zijt gij van ons of van onze vijanden? 14 En hij zeide: Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren, ik ben nu gekomen. Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot hem: Wat spreekt mijn heer tot zijnen^knecht? 15 Toen zeide de Vorst van het heir des Heerejï tot Jozua: Trek uwe schoenen af van uwe voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig. En Jozua deed alzoo. HOOFDSTUK 6. (Jericho nu sloot de poorten toe en was gesloten voor het aangezicht der kinderen Israels, daar ging niemand uit en daar ging niemand in.) 2 Toen zeide de Heere tot Jozua: Zie, ik heb Jericho met haren Koning en strijdbare helden in uwe hand gegeven. 3 Gij dan allen die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende éénmaal; alzóó zult gij doen zes dagen lang. 4 En zeven Priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen vóór de Ark en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan, eu de Priesters zullen met de baz .iinen blazen. 5 En het zal geschieden als men langzaam met den ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zoo zal al het volk juichen met een groot gejuich: _ dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal er inklimmen, een iegelijk tegenover zizh. |
JOZUA 6.
207
|
6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de Priesters, eu zeide tot hen: Draagt de Ark des verbonds, en dat zeven Priesters zeven ramsbazuinen dragen voor de Ark des Heeren. 7 En tot het volk zeide hij: Trekt dóór en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door vóór de Ark des Hüeren. 8 En het geschiedde gelijk Jozua tot het volk gesproken had, zoo gingen de zeven Priesters, dragende zeven ramsbazuinen voor liet aangezicht dos Heeren : zij trokken dóór en bliezen met de bazuinen, en de Ark des verbonds des Heeren volgde ze na. 9 En wie toegerust was ging voor het aangezicht der Prieste-ren, die de bazuinen bliezen, en de achtertocht volgde de Ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen. 10 Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, ja, gij zult uwe stem niet laten hooren en geen woord zal er uit uwen mond uitgaan, tot op den dag wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gij juichen. 11 En hij deed de Ark des Heeren rondom de stad gaan, omringende dezelve éénmaal: toen kwamen zij iceder in het leger, en vernachtten in het leger. 12 Daarna stond Jozua des morgens vroeg op, en de Priesters droegen de Ark des Heeren; 13 en de zeven Priesters, dragende de zeven ramsbazuinen vóór de Ark des Heeren, gingen voort en bliezen met de bazuinen, en de toegerusten gingen voor hunne aangezichten, en do achtertocht volgde de Ark des Heeren na, terwijl men ging en blies met de bazuinen. 14 Alzoo gingen zij éénmaal rondom de stad op den tweeden dag, en zij keerden weder in het leger. Alzóó deden zij zes dagen lang. 15 En het geschiedde op den zevenden dag, dat zij zich vroeg opmaakten met het opgaan des dageraads, en zij gingen rondom de stad naar dezelfde wijze zevenmaal; alleenlijk op dien dag gingen zij zevenmaal rondom de stad. |
10 En het geschiedde ten zevenden male, als de Priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht! want de Heere heeft ulieden de stad gegeven. 17 Doch deze stad zal den IIee-1 re verbannen zijn, zij en al wat i daarin is; alleenlijk zal de hoer 1 Rachab levend blijven, zij enal-I len die met haar in het huis zijn, ; omdat zij de boden die wij uit-i gezonden hadden verborgen heeft. 18 Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat j gij u misschien niet verbant, nemende van het verbannene, en het leger Israels niet stelt tot j een ban noch hetzelve beroert. | 19 Maar al het zilver en goud, 1 en de koperen en ijzeren vaten, zullen den Heere heilig zijn; tot den schat des Heeren zullen zij : komen. 20 Het volk dan juichte als zij met de bazuinen bliezen; en het I geschiedde als het volk het ge-! luid der bazuin hoorde, zoo j juichte het volk met een groot gejuich: en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich en zij namen de stad in. 21 En zij verbanden alles wat in de stad was, van den man tot de vrouw toe, van liet kind tot den oude, en tot den os en het kleine vee en den ezel, door de scherpte des zwaards. 22 Jozua nu zeide tot de twee mannen, de verspieders des lands: Gaat in het huis der vrouw, der hoer, en brengt die vrouw van I daar uit, met al wat zij heeft, gelijk als gij haar gezworen hebt. 23 Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Kachab uit, en haren vader eu hare moeder, en hare broederen en al wat zij had; ook brachten zij uit alle hare huisgezinnen, en stelden ze buiten het leger Israels. 24 De stad nu verbrandden zij |
|
2G8 JOZà met vuur, en alles wat daarin â was: alleen het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot den schat van het huis des Heeren. 25 Dus liet Jozua de hoer liachab leven, en het huisgezin Laars vaders, en al -wat zij had, en zij heeft gewoond in het midden van Israël tot op dezen dag, ; omdat zij de boden verborgen i had, die Jozua gezonden had om Jericho te verspieden. 26 En ter zelfder tijd bezwoer 1 hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht des Heeren, die zich opmaken en j deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijnen i eerstgeboren zoon, en hare poor- : ten stellen op zijnen jongsten 1 zoon. 27 Alzoo was de Heere met j Jozua, en zijn gerucht liep door i het gansche land. HOOFDSTUK 7. Maar de kinderen Israels over- ; traden door overtreding met liet j verbannene; want Achan, de zoon ; van Karmi, den zoon van Zabdi, : denzoon van Zerah, uit den stam j Juda, nam van liet verbannene. Toen ontstak de toorn des Hee- ; ren tegen de kinderen Israels, i 2 Als Jozua mannen zond van | Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zoo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt hei land. Die m .nnen nu trokken op en bespiedden Ai. i 3 Daa rna keerden zij weder naar Jozua en zeiden tot hem: Dat het gansche volk niet op- i trekke, dat er omtrent tweeduizend mannen of omtrent drieduizend mannen optrekken om Ai te slaan; vermoei daarhenen i al het volk niet, want zij zijn weinige. 4 Alzoo trokken derwaarts op van het volk omtrent drieduizend i man: welke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai, 5 en de mannen van Ai sloegen van dezelve omtrent zesen- i derüg man, en vervolgden ze van 1 |
A 7. vóór de poort tot Sebarim toe,en sloegen ze in eenen afgang. Toen versmolt het hart des volks en het werd tot water. 6 Toen verscheurde Jozua zijn© kleederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde vóór de Ark des Heeren, tot den avond toe, hij en de oudsten Israels, en zij wierpen stof op hun hoofd. 7 En Jozua zeide: Ach, Heere Heere, waarom hebt gij dit volk door den Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amoriten, om ons te verderven? Och dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van den Jordaan! 8 Och Heere, wat zal ik zeggen, nademaal Israël voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft? 9 Als het de Kanaaniten en alle inwoners des lands hooren zullen, zoo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde: wat zult gij dan uwen grooten naam doen? 10 Toen zeide de Heere tot Jozua: Sta op; waarom ligr gij dus neder op uw aangezicht? 11 Israël heeft gezondigd, en zij hebben ook mijn verbond, hetwelk ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd, 12 Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keeren, want zij zijn in den ban. Ik zal. voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt. 13 Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt n tegen morgen, want alzóo zegt de Heere de God Israels: Daar is een ban in het midden van u, Israël; gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uwer vijanden, totdat_ gij den ban wegdoet uit het midden van u. 14 Gij zult dan in den morgen- |
|
JOZU etond aankomen no ar uvre stniTi- ! men; en het zal geschieden, de i Btam welken de Heere geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten; en welk ge- i slacht de Heere geraakt zal heb- | ben, dat zal aankomen bij huis- ⢠gezinnen; en welk huisgezin de Heere geraakt zal hebben, dat zal aankomen man vcor man. 15 En het zal geschieden die geraakt zal worden met den ban, die zal met vunr verbrand worden, hij en al wat hij heeft, omdat hij het verbond des Heeren ! overtreden _ heeft, en omdat hij dwaasheid in Israël gedaan heeft. 1lt;5 Toen maakte zich Jozna des morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijne stammen, en de stam Jnda werd geraakt. 17 Als iiij het geslacht Juda deed aankomen, zoo raakte hij net geslacht Zarhi. Toer. hij het geslacht Zarhi deed aankomen man voor man, zoo werd Zadbi geraakt. 18 Als hij diens huisgezin deed aankomen man voor man, zoo werd Achan geraakt, de zoon van Karmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam Juda. 19 Toen zeide Jozua tot Achan; Mijn zoon, geef toch den Heere den God Israels do eer, en doe voor hem belijdenis, en geef mij toch te kennen wat gij gedaan hebt; verberg het voor mij niet. 20 Achan nu antwoordde Jozua en zeide: Voorwaar, ik heb tegen den Heeüe den God Israels gezondigd, en heb alzooen alzoo gedaan; 21 want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en eene gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen, en ik kreeg lust daartoe en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde in het midden mijner tent, en het zilver daaronder. 22 Toen zond Jozua boden henen, die tot de tent liepen, en zie, liet lag verborgen in zijne ! tent, en het zilver daaronder. i |
A 8. 269 23 Zij dan namen die dingen uit het midden der tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot alle de kinderen Israels; en zij stortten ze uit voor het aangezicht des Heep.ex. 24 Toen nam Jozua, cngansch Israël met hem Achan den zoon van Zerah, en het zilver en hev sierlijk overkleed en de gouden tong, en zijne^ zonen en zijne dochteren, en zijne ossen en zijne ezelen en zijn vee, en zijne tent en alles wat hij had, en zij voerden ze naar het dal Achor. 25 En Jozua zeide: Koe hebt gij ons beroerd? De Heeiie zal n beroeren te dezen dage. En gansch Israël steenigde hem met steenen, en zij verbrandden ze met vuur, en zij overwierpen ze met steenen, 26 en zij richtten over hem eenen grooten steenhoop op, zijnde tot op dezen dag. Alzoo keerde zich de Heere van dehittig-heid zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe. HOOFDSTUK 8. Toen zeide de Heere tot Jozua: Vrees niet en ontzet u niet: neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai: zie ik heb den Koning van Ai en zijn volk en zijne stad en zijn land in uwe hand gegeven. 2 Gij nu zult Ai en haren Koning doen gelijk gij Jericho en haren Koning gedaan hebt, behalve dat gij haren roof en haar vee voor ulieden rooven zult: stel u eene achterlage tegen de stad, van achter dezelve. 3 Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertigduizend mannen, strijdbare helden, en hij zond ze bij nacht uit, ^ 4 en gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad, houdt u niet zeer ver van de stad; en weest gij allen bereid. 5 Ik nu en al het volk dat bij mij is zullen tot de stad naderen, |
JOZÃA 8.
270
uit, Israël tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, vóór het vlakke veld, want hij wist niet dat iemand hem eene achterlage lei de van achter de stad.
15 Jozua dan en gansch Israël werd geslagen voor hunne aangezichten, en zij vloden door den weg der woestijn.
1G Daarom werd samengeroepen al het volk dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na en werden van de stad afgetrokken,
17 en daar werd niet één man overgelaten in Ai noch Beth-El, die niet uittrok Israël na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israël achterna.
18 Toen sprak de Heere tot Jp-i zua: Strek de spies uit die in
uwe hand is naar Ai, want ik zal haar in uwe hand geven. Toen strekte Jozua de spies die in zijne hand was naar de stad aan.
19 Toen rees de achterlage haastelijk op van hare plaats, en
; zij liepen toe, met dat hij zijne 1 hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, ; en zij haastten zich en staken i de stad aan met vuur.
20 Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zoo zagen zij, en zie, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geene ruimte om herwaarts of derwaarts te vlieden, want het
| volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.
21 En Jozua. en gansch Israël, ziende dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zoo keerden zij zich om en sloegen de mannen
! van Ai.
22 Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zoodat zij in het midden der Israëliten waren, deze van hier en gene van daar, en zij sloegen ze, totdat geen overige
I onder hen overbleef, noch die ontkwam.
23 Doch den Koning van Ai
! grepen zij levend, en zij brachten i hem tot Jozua.
en het zal geschieden wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerste zoo zullen wij voor huu aangezicht vlieden.
6 Laat zo dan uitkomen achter ons, totdat wij zo van de stad aftrekken, want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zoo zullen _ wij vlieden voor hunne aangezichten.
7 Dan zult gijlieden opstaan ; uit de achterlage en gij zult de : stad innemen; want de Heeee ; uw God zal haar in uwe hand geven.
8 En het zal geschieden, wan- : neer gij de stad ingenomen hebt, zoo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des â Heeren zult gijlieden doen: | zie, ik heb het u lieden gebo- ; den.
9 Alzoo zond hen Jozua henen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tusschen Beth-Kl en tusschen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.
10 En Jozua maakte zich des morgens vroeg op en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israël, voor het aangezicht des volks, naar Ai.
11 Ook trok al het krijgsvolk op dat bij hem was; en zij n.a-derden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai, en daar was een dal tusschen hem en tusschen Ai.
12 Hij nam ook omtrent vijfduizend man, en hij stolde ze tot eene achterlage tusschen Beth-E1 en tusschen Ai, aan het westen der stad.
13 En zij stelden het volk, het gansche leger dat aan het noorden der stad was, en zijne lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelfden nacht in het midden des dals.
14 En het geschiedde toen de Koning van Ai dat zag, zoo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen
|
JOZU 24 En het geschiedde toen de j Israëlieten een einde gemaakt j hadden van alle de inwoners van Ai te dooden op het \Teld, in de woestijn in welke zij hen nage- : jaagd hadden, en dat zij allen â door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren, zoo keerde zich ; gansch Israël naar Ai, en zij ' sloegen haar met de scherpte des ! zwaards. 25 En het geschiedde dat allen â die te dien dage vielen, zoo man- i nen als vrouwen, waren twaalf- j duizend, allen te zamen lieden van Ai. 2G Jozua trok ook zijne hand niet terug die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij alle de ; inwoners van Ai verbannen had. ; 27 Alleenlijk roofden de Israëliten voor zichzelve het vee i en den buit dier stad, naar het woord des Heeren dat hij Jozua geboden had. 28 Jozua nu verbrandde Ai en | hij stelde haar lot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag. 29 En den Koning van Ai hing hij aan een hout tot aan den avondstond, en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua dat men zijn dood lichaam van het hout afname, en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten op hetzelve een groeten steenhoop op, zijnde tot op dezen dag. 30 Toen bouwde Jozua een altaar den Heere den God Israels op den berg Ebal, 31 gelijk als Mozes de knecht des Heeren den kinderen Israels geboden had, achtereenvolgens | hetgeen dat geschreven is in 't wetboek van Mozes: een altaar van geheele steenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had; en daarop oiferden zij den Heere brandoiferen, ook oüerden zij dankoöeren. 32 Aldaar schreef hij ook op steenen een dubbel van de wet van Mozes, hetwelk hij geschreven heeft voor het aangezicht der kinderen Israels. 1 |
A 9. 271 33 En gansch Israël, met zijne oudsten en ambtlieden en zijne rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der Ark, vóór de Le-vitische Priesteren, die de Ark des verbonds des Heeren droegen, zoo vreemdelingen als inboorlingen, écne helft daarvan tegenover den berg Gerizim en ééne helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes do knecht des Heeren bevolen had, om het volk van Israël in het eerste te zegenen. 34 En daarna las hij overluid alle de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles dat in het wetboek geschreven staat. 35 Daar was niet één woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de geheele gemeente Israels, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en do vreemdelingen die in het midden van hen wandelden. HOOFDSTUK 9. En het geschiedde toen djt hoorden alle de Koningen, die aan deze zijde van den Jordaan waren, op het gebergte en in de laagte en aan alle havens der groote zee tegenover Libanon, do Hethiten en de Amoriten, deKa-naaniten, de Fereziten, de He-viten en de Jebusiten: 2 zoo vergaderden zij zich te zamen, om tegen Jozua en tegen. Israël te krijgen, eendrachiig-lijk. 3 Als nu de inwoners van Gi-beon hoorden wat Jozua met Je-richo en met Ai gedaan had, 4 zoo handelden zij óók arg-lisiigl ijk, en gingen henen en veinsden zich gezanten re zijn; en zij namen oude zakken op hunne ezels, en oude en gescheurde en samengebonden lederen wijnzakken, 5 ook oude en bevlekte schoenen aan hunne voeten, en zij hadden oude kleederen aan en al het brood dat zij op hunne reize hadden was droog en beschimmeld ; ü en zij gingen tot Jozua in het |
J O Z U A
k ine e re n I=.-aê I ff = 3 e e-ze nien la: de overs:en vergadering ..en gezv .ren ..edden e. den KzzhE ien God J-raeift: â ieer.e. mnrm-ereer ie de e:r.e:he vergadering :ete;. de evers* en.
Ié Toen zeiden ai ie de e ven; ten
- : ;:e gensehe verga iering; Wij nebben hen gezvr-:-n ?,i; den Heebe oen God 1 r . i-. daarom krnnen *vi hen nie: a-nr.-'er.;
é. di: ze..er. hen i.en.da: -vn_ ze bij he: leven benenden. .:. da: geen gr:.:e :. m ever on* /.i.quot; :e- ee 1 ⢠⢠i..e, dien vrb hen gez~'-,ren nebben.
i.1 Ve r.= zeilen de :-er-een :e: h-n: Laar. ze ie ven. en laai ze e-ver» en *-a:-;r:. :::er?
zi-n der gan.='.he vergadering.ge-
- i.ee over.-.: en :.: .een ge zege hebben.
-- En Jez-.a riep ze en «frak ::: hen, zeggen -ie: Waamp;rorn neb; gijlieden onsUedrogen, zeggêndè: V/i#. zi,:. zeer verre van e.ieder, en geze:en, d--ar gi. in he: n.ideen n= zi.: ..eende'
- er^ 1 eek: zë: g;.:-nie:
lieden; onde: ilieden a n.; e -e 1 e n v.- -â 1 e n ): n e' n :.e n of ... :h - ers .: ⢠a:e.-;.e:ee:= ;en neize miens Gods.
24 Z i en an: v.- e - rd d en J ozn a -.-n zeiden: Dev.il Le: uwen kne:: :en zeke.ni..-: va?. :e kennen gegeven, ia: de Hstes n- Ge: zijnen kneehl M.zes geb ien nee::, de: bi, n'ieden al di: land geven en alle de Inwoners des ianes^ ⢠ulieder aangezieh: ver delgen z: ede, z ..e vreetden vd; veer ons leven zeer voor el ieder aiLgezieh:en; daarom hebben v. i deze zaak gedaan.
25 En ne. zie, vil zijn in awe Land; dee geli.k he: goed en
b-.nd me: her. gemaak: hadden, ze-o he:rien zi. e ;.: z;i hunne nabn-ren varen, en ie: zij inhei midden ven hen ⢠;ren tonende.
17 Wan: e en óe i-:in leren Ih-raëls vf.:r::o^en z k-srnn.en zij :en derden d-ege .een nnnne ste-
Pi en ra en Beere
i: E:
-Je.
272
;feer Gi!/ eTi z;.: z-r: :-:r.T'* hfrm er. to: «k mar.r.-c-n leri'.-I.-;; Wij zajii gekomen verren lar.-de. zoi.u een verben : met on».
7 Toen zer;-n de mannen I=-rvrls tot de Heviten: Bfisecliieo -voonr rf-'ie'U: in }.e: rni'ii::. van or.;-, hoe z 'iien v.. dan een verbon-i rne: u n. /:en?
J Zi; 'Iin A-.-i *o* J'-Zua: V.' r zin n -â¢- e. '1 e e:. zei e Jozuci r-: j.en; V.'ie zi;: i'i.'lieden en i n waar komt l-:. :â¢
9 Zij nu zei len tot hem ; üwe J:ne';gt;.;en z'.n ni: zee: -er:en 1 fence ?e. n. en. . :n den n â '.rn der H i i.Tr. :.?⢠nâe G i-:: ⢠- e:.: v !' z b-ben zi n ?er:⢠;:e..:c-iiaiief â p-fe: hij in Egypte gedaan nee:-;
IC en ailesvathij gedaan been fefen de -'.Te-i K'.nin^én ;A:n -riten die aan gene zijde van den J- .re.. ;~.n den K -i-in? - in Ke.-.:. vn. en Onnden K -tin? '-en bc:e : . A-n-:
11 Daarom wraken tot ons onze c^'isten en oiie d-r in'-rcne:-; onzes lands, zegende: Neen.: reir.'::?.: met n in airebandeD de r^ize en bun -e-en:oen en zeit xotheL: Wi; zi;n bieder
boi , mei ons,
12 Li: ens hn : : hebben vi; irïttm onzen teerircr:: e:~ze hnizen gen .men :en :: -e
Gi
: en
gen der
quot;vr:; n:::: _â
reizen, mei: zie.
en he: i= beh-birnme 23 en deze le :e:en die vi; gevuld he nien-T, maar zie. zi; zijn g =â¢â ...enrd ; en deze onze kieedere en ieze .nze sf.hoe;
ge vr r den v an v. en- e lanre reize.
â Wc. re
n z.. n e e : deze zeer
, 14' Te-en
hennen re::.;,-:, en zi.' vratscen he_quot;:_ ien rn.m de= Kiir-i:- nien
15 En J'.z jc. neaekce ' reie nne: hen en ni. maek:e een verben : me: hen, da: hi; hen bi. he: leren behonden z ede: en de over=:en der vergadering zvr .eren hnn.
16 Er. he: ge.t.hieddeteneinde van drie dagen nada: zij he: ver-
c-n d
e mennen ven
gt;
|
J 0 z c ge!i:k het recht is in n^-e oogen oii.-? te doer:. 2o Zoo d hij hun al zoo: en }.ij rerloste ze van de had cer kinderen Israels, dat Lij ze niet do;-.e?en. 27 A]zoo ze Jozquot;a over ter zelfden dage to: hontlionwereen vramp;terp^Tters c'-r ver-^aoerir.?, en cat tot het t.-.r de-: He7.re:«s tot dezen doi* t e, aan de plaats die hij verkiezen zoude. HOOFDSTUK 10. H'-* geec â ie : le m toen Ador.2-Zédek, de K ning van Jernzalëm, fc:ei:0'.:d hod ö-.- Joz ja Ai ingenomen en K'amp;ar verbannen had. tn Ai er. K ning alzóó ge- 00^.n hoi re!;..; als Jerieho en haren Konioi' ge'quot;-or. i.-.oi.en d 11 deinwoner- v0n O! - r. reâ¢;e noe* Israel gemaakt i.a id en en in hun midden vrarem 2 zoo vrees'ien zij zee-; Gibeon vras e-*r:.e grootè ttad,als eene der kenink-ijke Fteden, ja, zij v.a= gr oter dan Ai, en ai iiare mannen varen sterk 'â 5 Daarom zond Adoni-Zédek, Koning van Jenizalem. tHo-ham den K- r.i:.i' van Hebror.. en t o t Pi re am den Koni n g van Jar-m 'i t !oo e n 10: J a: : a ⢠1 e:. I! -van Lam.;-, er. tot Do.ir den K' ning van Eg! .n. zeggen 'e: 4 K mt c r tot mij en heli t mij, da: wij Gibeon slaan, omdat zij vrede gemaakt heer: me: J jzna. en me: de kinderen I=rae!=. ö Toen werden verzameld en kv.-emen 6;» vjji Kot. in gen der Am .riten, de Koning v--n Jern-7. !â¢-:... de Koning van Hebron, de Koning van Jarmn_:hr de Koning van Lvhis. de Koning van Egl .n. zij en alle hunne legers; er. zij belegerden Gibeon en krijgden tegen !.aar. C De mannen nu van Gibeon zt n ien tót Jozoa in het leger te Gilgal, zeggende: Trek u-.vehanden niet amp;: van uwe knechten, kom haastig!ijk tot ons op, en vo-rlos ons en help ons; want alle de Koningen der Amoriten die op het gebergte wonen !oelgt;-Len zich tegen ons vergaderd. |
A 10. 273 7 Toen to g Jozua op van Gii-ga], hij en al he: krijgsvolk met hem. en alle strijdbare helden. 8 Want de Hzeee had tot Jozua geze/d: Vrees niet voor li en, van: ik heb ze in uwlt;: bandgegeven: niemand van henzaiv..- .r aangezi-bestaan. 9 A'zoo kva.n Jozo'a sneüi'k tot her : den eanachen nacht orer was hij van Gi.gal opgetr kken. 10 En de Heei^e ver=ehri;;:e ze â¼oor he: aangezicht Israel»; en bh sloe? ze meteenen £rr ten :e Gibeon, en vervolgde ze den weg waar men naarBeth-K .ron 0; gaa:. en sioeg ze tot Az-rka en tot Makke da toe. 11 He: geschiedde nu toen zij voor het aar.gezioh: van I-ra-.i vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-Horon, zoo wier: de Heebe groote steenen OphenTaxi oen }:emel, tot Azeka toe, d.a: zi; stierven: daar varen er meer die van de 1.age;steenen stierven dan die de kinderen Israels me: het zwaard dooden. 12 Toen sprak Jozua tot den ren dage als de Heff.z de am'riten voor het aangei,:.r. der kinderen Israels o-ergaf. en zei de voor de oogen dor Israëli-ten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij n.' .m in het dal A j al on 5. 13 En de zon stond s:il en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijne vijanden gebroken had. I- dit niet ges'-nre* en in het boek des oprechten? pe zon nu sv.nd stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag. 14 En daar was geen dag aan dezen gelijk, vóór hern n -oh na hem, dat de Hzei.z de stemme eens mans alzóó verhoorde; wan: de K.vF.nE streed voor Israël. 15 Toen keerde Jozua weder en gansch Israël met hem, naar het leger te Gilgal.^ 10 Maar die vijf Koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Mak-keda. 17 En Jozua werd geboodschapt, door te zeggen: Die vijf Konin- |
|
274 J O ZI â¢Ken zijn gevonden verborgen in de ppelonk bij Makkeda. 18 Zoo zeide Jozua: Wentelt -groote steenen vóór den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren; 19 maar staat gijlieden uiet â stil, jaagt uwe vijanden achterna, «n slaat ze in den staart: laat ze in hunne steden niet komen, want de Heere uw God heeft y.e in uwe hand gegeven. 20 En het geschiedde toen Jozua en de kinderen Israels geëindigd hadden hen met een en zeer groqten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de, overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren, 21 zoo keerde al het volk tot Jozua in het leger bij Makkeda in vrede: niemand had zijne tong tegen de kinderen Israels geroerd. 22 Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf Koningen uit die spelonk. 23 Zij nu deden alzoo en brachten tot. hem uit die vijf Koningen uit de spelonk: den Koning van Jeruzalem, den Koning van He-bron, den Koning van Jarmuth, den Koning van Lachis, den Koning van Eglon. 24 En het geschiedde als zij die Koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zoo riep Jozua alle de mannen Israëls, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uwe voeten op de halzen â dezer Koningen. En zij traden toe en zetteden hunne voeten op hunne halzen. 25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet uniet, zijt â sterk en hebt goeden moed; want alzóó zal de Heere allen uwen vijanden doen tegen dewelke gijlieden strijdt. 20 En Jozua sloeg hen daarna â¢Â«n doodde ze, en hing ze aan vijf houten, en zij hingen aan de houten tot den avond; 27 en het geschiedde ten tijde «Is de zou onderging, zoo beval Jozua dat men ze van de houten |
A 10. afname, en zij wierpen ze in de spelonk alwaar zij verborgen geweest waren, en zij leiden grooto steenen vóór den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zelfden dag. 28 Op denzelfden dag nam Jozua ook Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij haren Koning, henlieden en alle ziele die daarin was: hij liet geen overiffen overblijven; en hij deed den Koning van Makkeda gelijk als hij den Koning van Jericho gedaan had. 29 Toen toog Jozua dóór, en gansch Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna; 30 en de Heere gaf dezelve óók in de hand Israëls, met haren Koning; en hij sloeg ze met de scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was: hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed haren Koning gelijk hij den Koning van Jericho gedaan had. 31 Toen toog Jozua voort, en gansch Israël met hem. van Libna naar Lachis, en hij belegerde zo en krijgde tegen haar: 32 en de Heere gaf Lachis in de hand Israëls; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met dp scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was, naar alles dat hij Libna gedaan had. 33 Toen trok Horam, de Koning van Gezer, op om Lachis te helpen: maar Jozua sloeg hem en zijn _ volk, totdat hij hem geen overigen overliet. 34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gansch Israël met hem, en zij belegerden haar en krijgden tegen haar: 35 en zij namen haar in ten zelfden dage en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was verbande hij op dien dag, naar alles dat hij Lachis gedaan had. 36 Daarna loog Jozua op, en gansch Israël met hem, van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar; |
|
JOZI] 37 en zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zoo haren Koning als alle hare steden, en alle ziele die daarin was: hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles dat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziele die daarin was. 38 Toen keerde Jozua,e i gansch Israël met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar; 39 en hij nam haar in, met haren Koning, en alle hare steden, on zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziele die daarin was: hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij Hebron gedaan hadv alzóó deed hij Debir en haren Koning, en gelijk hij Libna en haren Koning gedaan had. 40 Alzoo sloeg Jozua het gan-sche land, het gebergte, en het Zuiden, en de laagte, en de af-loopingen der wateren, en alle hunne Koningen: hij liet geen overigen overblijven, ja, hij verbande alles wat adem liad, gelijk als de Heere de God Israels geboden had. 41 En Jozua sloeg ze van Kades-Barnéa en tot Gaza toe; ook het gansche land Gosen, en tot üi-beon toe. 42 En Jozua nam alle deze Koningen en hun land op eenmaal; want de Heere de God Israels streed voor Israël. 43 Toen keerde Jozua weder, en gansch Israël met hem, naar het leger te Gilgal. HOOFDSTUK 11. Het geschiedde daarna, als Jii-bin, de Koning van Hazar, dit hoorde, zoo zond hij tot Jobab, den Koning van Madon, en tot den Koning van Simron, en tot den Koning van Achsaf, 2 en tot de Koningen, die tegen het Noorden op het gebergte, en op het vlakke tegen het Zuiden van Kinneroth. en in de laagte, en in Nafoth-Dor aan de zee waren: 3 tot de Kanaiiniten tegen het Oosten en tegen het Westen, en |
A 11. 275 de Amoriten, en de Hethiten, en de Fereziten, en de Jebusiten op het gebergte, en de Heviten onderaan Hermon in het land Mizpa. 4 Deze nu togen uit, en alle hunne heirlegers met hen; veel volks, als het zand dat aan den oever der zee is in veelheid, en zeer vele paarden en wagens. 5 Alle deze Koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich te zamen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen. 6 En de Heere zeide tot Jozua: Vrees niet voor hunne aangezichten, want morgen omtrent dezen tijd zal ik ze altegader verslagen geven voor het aangezicht Israëls; hunne paarden zult gij verlammen en hunne wagenen met vuur verbranden. 7 En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en overvielen ze; 8 en de Heere gaf ze in de hand Israëls, en zij sloegen ze, en zij joegen ze t na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-Maïm, en tot het dal Mizpa tegen het Oosten; en zij sloegen ze, totdat zij geen overigen onderhen overlieten. 9 Jozua nu deed hun gelijk als hem de Heere gezegd had: hunne paarden verlamde hij en hunne wagenen verbrandde hij met vuur. 10 En Jozua keerde weder ter zelfder tijd en hij namllazorin, en haren Koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren liet hoofd aller dezer koninkrijken. 11 En zij sloegen alle ziele die daarin was met de scherpte des zwaards, die verbannende: daar bleef niets over dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur. 12 En Jozua nam alle de steden dezer Koningen in, en alle hare Koningen, en hij sloeg ze met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes de knecht des Heeren geboden had. |
|
27 4 J O Z1 ^en zijn gevonden verborgen in de spelonk bij Makkeda. 18 Zoo zeide Jozua: Wentelt -groote steenen vóór den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren; 19 maar staat gijlieden niet â stil, jaagt uwe vijanden achterna, «n slaat ze in den staart: laat ze in hunne steden niet komen, want de Heere uw God lieeft â¢ze in uwe hand gegeven. 20 En het geschiedde toen Jozua en de kinderen Israels geëindigd hadden hen met eenen zeer grooten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de, overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren, 21 zoo keerde al het volk tot Jozua in het leger bij Makkeda in vrede: niemand had zijne tong tegen de kinderen Israels geroerd. 22 Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf Koningen uit die spelonk. 23 Zij nu deden alzoo en brachten tot hem uit die vijf Koningen uit de spelonk: den Koning van Jeruzalem, den Koning van He-bron, den Koning van Jarmuth, den Koning van Lachis, den Koning van Eglon. 24 En het geschiedde als zij die Koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zoo riep Jozua alle de mannen Israëls, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uwe voeten op de halzen â¢dezer Koningen. En zij traden toe en zetteden hunne voeten op hunne halzen. 25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet uniet, zijt â¢sterk en hebt goeden moed; want alzóó zal de Heere allen uwen vijanden doen tegen dewelke gijlieden strijdt. 2(5 En Jozua sloeg hen daarna -en doodde ze, en hing ze aan vijf houten, en zij hingen aan de houten tot den avond; 27 en het geschiedde ten tijde â¢als de zon onderging, zoo beval Jozua dat men ze van de houten |
A 10. afname, en zij wierpen ze in de spelonk alwaar zij verborgen geweest waren, en zij leiden groote steenen vóór den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zelfden dag. 28 Op denzelfden dag nam Jozua ook Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij haren Koning, henlieden en alle ziele die daarin was: hij Hetgeen overitren overblijven; en hij deed den Koning van Makkeda gelijk als hij den Koning van Jericho gedaan had. 29 Toen toog Jozua dóór, en gansch Israël methem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna; 30 en de Heere gaf dezelve óók in de hand Israëls, met haren Koning; en hij sloeg ze met de scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was: hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed haren Koning gelijk hij den Koning van Jericho gedaan had. 31 Toen toog Jozua voort, en gansch Israël met h«m. van Libna naar Lachis, en hij belegerde ze en krijgde tegen haar: 32 en de Heere gaf Lachis in de hand Israëls; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was. naar alles dat hij Libna gedaan had. 33 Toen trok Horam, de Koning van Gezer, op om Lachis te helpen: maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet. 34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gansch Israël met hem, en zij belegerden haar en krijgden tegen haar: 35 en zij namen haar in ten zelfden dage en sloegen haar met de scherpte dïs zwaards, en alle ziele die daarin was verbande hij op dien dag, naar alles dat hij Lachis gedaan had. 36 Daarna toog Jozua op, en gansch Israël met hem, van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar; |
|
JOZI] 37 en zij namen haar in, en eloegen haar met de scherpte des zwaards, zoo haren Koning als alle hare steden, en alle ziele die daarin was: hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles dat hij Eglon gedaan hadden hij verbande haar, en alle ziele die daarin was. 38 Toen keerde Jozna, en gansch Israël met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar; 39 en hij nam haar in, met haren Koning, en alle hare steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziele die daarin was: hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij Hebron gedaan had, alzóó deed hij Debir en haren Koning, en gelijk hij Libna en haren Koning gedaan had. 40 Alzoo sloeg Jozua het gan-sche land, liet gebergte, en het Zuiden, en de laagte, en de af-loopingen der wateren, en alle luinne Koningen: hij liet geen overigen overblijven, ja, hij verbande alles wat adem had, gelijk als de Heere de God Israels geboden had. 41 En Jozna sloeg ze van Kades-Barnca en tot Gaza toe; ook het gansche land Gosen, en tot Gi-beon toe. 42 En Jozna nam alle deze Koningen en hun land op eenmaal; want de Heere de God Israels streed voor Israël. 43 Toen keerde Jozua weder, en gansch Israël niet hem, naar het leger te Gilgal. HOOFDSTUK 11. Het geschiedde daarna, als Jci-bin, de Koning van Hazar, dit hoorde, zoo zond hij tot Jobab, den Koning van Madon, en tot den Koning van Simron, en tot den Koning van Achsaf, 2 en tot de Koningen, die tegen het Noorden op het gebergte, en op het vlakke tegen het Zuiden van Kinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor aan de zee waren: 3 tot de Kanaaniten tegen het Oosten en tegen het Westen, en |
A 11. 275 de Amoriten, en de Hethiten, en de Fereziten, en de Jebusiten op het gebergte, en de Heviten onderaan Herinon in het land Mizpa. 4 Deze nu togen uit, en alia hunne heirlegers met hen; veel volks, als het zand dat aan den oever der zee is in veelheid, en zeer vele paarden en wagens. 5 Alle deze Koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich te zamen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen. 6 En de Heere zeide tot Jozua: Vrees niet voor hunne aangezichten, want morgen omtrent dezen tijd zal ik ze altegader verslagen geven voor het aangezicht Israels; hunne paarden zult gij verlammen en hunne wagenen met vuur verbranden. 7 En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en overvielen ze; 8 en de Heere gaf ze in de hand Israëls, en zij sloegen ze, en zij joegen ze _ na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-Maïm, en tot het dal Mizpa tegen het Oosten; en zij sloegen ze, totdat zij geen overigen onderhen overlieten. 9 Jozua nu deed hun gelijk als hem de Heere gezegd had: hunne paarden verlamde hij en hunne wagenen verbrandde hij met vuur. 10 En Jozua keerde weder ter zelfder tijd en hij namllazorin, en haren Koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd aller dezer koninkrijken. 11 En zij sloegen alle ziele die daarin was met de scherpte des zwaards, die verbannende: daar bleef niets over dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur. 12 En Jozua nam alle de steden dezer Koningen in, en alle hare Koningen, en hij sloeg ze met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes de knecht des Heeren geboden had. |
|
276 J O Z1 13 Alleenlijk verbrandden de Israëliten geen steden die op hare hen vel en stonden, behalve Hazor alleen, dat verbrandde Jozna. 14 En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich: alleenlijk sloegen zij alle de menschen met de scherpte des zwaards, totdat zij ze verdelgden, zij lieten niets overblijven dat adem had. 15 Gelijk als de Heere Mozes zijnen knecht geboden had,alzóó gebood Mozes aan Jozua, en alzoo deed Jozna; hij deed er niet een â woord af van alles dat de Heere Mozes geboden had. 16 Alzoo nam Jozna al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels en zijne laagte; 17 van den kalen berg die opwaarts naar Seïr gaat, tot Baiil-Gad toe in het dal van Libanon, onderaan den berg Hermon: alle hunne Koningen nam hij ook en sloeg ze en doodde ze. 18 Yele dagen voerde Jozna krijg tegen alle deze Koningen. 1!) Daar was geene stad die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Heviten, in-Avoners van Gibeon; zij namen ze alle in door krijg. 20 Want het was van den Heere hunne harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij ze verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij ze verdelgen zouden, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 21 Te dier tijd nu kwam Jozua en roeide de Enakiten uit van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het gansche gebergte van Juda, en van het gansche gebergte Israels: Jozua verbande ze met hunne steden. 22 Er bleef niemand van de Enakiten over in het land der kinderen Israels: alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath en te Asdod. 23 Alzoo nam Jozua al dat land in, naar alles dat de Heere tot |
A 12. Mozes gesproken had: en Jozna gaf het Israël ten erve, naar hunne afdeelingcn.naar hunne stammen. En het land rustte van den krijg. HOOFDSTUK 12. Dit nu zijn de Koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en wier land zij erfelijk bezaten, aan gene zijde van den Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het gansche vlakke veld tegen het Ãósten: 2 Sihon, de Koning der Amori-ten, die te Hesbon woonde, die van Aroër af heerschte hetwelk aan den oever der beek Arnon is, en over het midden der beek, en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Amnions; 3 en over het vlakke veld tot aan de zee Kinneroth tegen het Oosten, en tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, tegen het Oosten, op den weg naar Beth-Jesiraoth: en van het Zuiden beneden Asdoth-Pisga. 4 Daartoe de landpale van Og, den Koning van Basan, die van het overblijfsel der reuzen was, wonende te Astaroth en te Edréï, 5 en heerschte over den berg Hermon, en over Salka, en over geheel Basan, tot aan de landpale der Gesuriten en der Maachathi-ten; en de helft van Gilead, de landpale Sihons, des Konings van Hesbon. 6 Mozes de knecht desHEEREiï en de kinderen Israels sloegen ze, en Mozes de knecht des Hee-ren gaf den Rubeniten en den Gaditen en den hal ven stam van Manasse df t land tot eene erfelijke bezitting. 7 Dit nu zijn de Koningen des lands die Jozua versloeg, en de kinderen Israels, aan deze zijde van den Jordaan tegen het quot;Westen, van Baiil-Gad af in het dal van Libanon, en tot aan den kalen berg die naar Seïr opgaat; en Jozna grf het den stammen Israels tot eene erfelijke bezitting, naar hunne afdeelingen. |
|
JOZI 8 Wat op liet gebergte, en in de laagte, en in liet vlakke veld, en m de all oopingen de: wateren, en in de woestijn, en tegen het Zuiden was: de Hethiten, de Amoriten en de Kanaaniten, de Fereziten, de Heviten en de Je-busiten. De Koning van Jericho; de Koning van Ai, terzijde van Beth-El; 10 de Koning van Jeruzalem; de Koning van Hebron; 11 de Koning van Jarmuth; de Koning van Lachis; 12 de Koning van Eglon; de Koning van Gezer; 13 De Koning van Debir; de Koning van Gecler; 14 de Koning v in Horma; de Koning van Harad; 15 de Koning van Libna; de Koning van Adullam; 16 de Koning van Makke da; de Koning van Beth-El: 17 de Koning van Tappüali; de Koning van Hefer; 18 de Koning van Afek; de Koning van Lassaron; 19 de Koning van Madon; do Koning van Hazor; 20 de Koning van Simron-Me-ron; de Koning van Achsaf; 21 de Koning van Taiinach; de Koning van Megiddo; 22 de Koning van Kedes; de Koning van Jokneam aan den Karmel; 23 de Koning van Dor, te Na-fath-Dor; de Koningen der heidenen, te Gilgal; 24 de Koning van Tirza. Alle deze Koningen zijn eenendertig. HOOFDSTUK 13. Jozua nn was oud, weibedaagd; en de Heehe zeide tot hem: Gij Eijt oud geworden, weibedaagd, en er is zeer veel land overgebleven om dat erfelijk te bezitten. 2 Dit is het land dat overgebleven is: alle de grenzen der Filistijnen, en het gansche Gesuri. 3 Van de Sihor, die vóór aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het Noorden, dat den Kanaaniten toegerekend wordt: vijf Vorsten der Filistij- |
A 13. 277 nen, de Gazathiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Get hie t en Ekroniet, en de Avviten; 4 van het Zuiden, het gansche land der Kanaaniten, en Meava dat van de Sidoniërs is, totAfek toe, tot aan de landpale der Amoriten; 5 daartoe het land der Gibliten, en de gansche Libanon tegen den opgang der zon, van Baül-Gad onderaan den berg Hennon, tot aan den ingang van Hamath; 6 allen die op het gebergte wonen, van Libanon af tot Misre-foth-Maïm tos, alle de Sidoniërs; ik zal ze verdrijven van het aangezicht der kinderen Israels: alleenlijk maak dat het Israël ten erfdeel valle, gelijk als ik u geboden heb. 7 En nu, deel dit land tot eeij erfdeel aan de negen stammen en den hid ven stam van Manasse; 8 met denwelken de Kubeniten en Gaditen hunne erfenis ontvangen hebben, dewelke Mozes hunlieden gaf aan gene zijde van den Jordaan tegen het Oosten, gelijk als Mozes de knecht des Heeren hun gegeven had: 9 van Aroër af die aan den oever der beek Anion is, en de stad die in het. midden der beek is, en al het _ vlakke land van Medeba tot Dibon toe: _ 10 en alle de steden Sihons, des Konings der Amoriten, die to Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale der kinderen Amnions; 11 en Gilead, en de landpale der Gesuriten en der Maiichathi-ten, en den ganschen berg Her-mon, en gansch Basan tot Salka toe; 12 het gansche koninkrijk van Og in Basan, die geregeerd heeft te Astaroth en te Edréï: deze is overig gebleven uit het overblijfsel der reuzen, welke Mozes heeft verslagen en heeft ze verdreven; 13 doch de kinderen Israels verdreven de Gesuriten en Ma-fichathiten niet, maar Gesur en Maiichath woonden in het midden van Israël, tot op dezen dag. 14 Alleenlijk gaf hij den stam |
|
278 J O Z1 Levi geene erfenis: de vmiroüe-ren des Heeren des Gods van Israel, die zijn zijne erfenis, gelijk hij tot hem gesproken had. 15 Al zoo gaf Mozes aan den stam der kinderen Rubens naar hunne huisgezinnen, 16 dat hunne landpale was van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad die in het midden der beek is, en al het vlakke land tot Medebatoe; 17 Hesbon en alle hare steden die in het vlakke land zijn, Di-bon, en Bamoth-Baal, en lieth-Baal-Meon, 18 en Jahza, en Kedemoth, en Mefaath, 19 en Kirjathaïm, en Sibma, en Zereth-Hassuhar op den berg des dals, 20 en Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth; 21 en alle steden des vlakken lands, en het gansche koninkrijk Sihons, des Konings der Amori-ten, die te Hesbon regeerde, denwel leen Mozes geslagen heeft, mitsgaders de Vorsten van Mi-dian, Evi en Rekum en Zur en Hur en Eeba, geweldigen Sihons, inwoners des lands. 22 Daartoe hebben de kinderen Israels met het zwaard gedood Bileam, den zoon Beors, den voorzegger, nevens degenen die van hen verslagen zijn. 23 De landpale nu dor kinderen Rubens was de Jordaan en des-zelfs landpale: dat is het erfdeel der kinderen Rubens naar hunne huisgezinnen, de steden en hare dorpen. 24 En aan den stam Gads, aan de kinderen Gads naar hunne huisgezinnen, gaf Mozes, 25 dat hunne landpale was Jaëzer, en alle de steden Gileads, en het halve land der kinderen Ammons, tot Aroër toe die vóór aan Rabba is: 2(3 en van Hesbon af tot Ra-math-Mizpa en Betonim; en van Mahanaïm tot aan de landpale van Debir; 27 en in het dal, Beth-Haram, en Beth-Nimra, en Sukkoth, en Zafon, dat overig was van het l'A 14. |
koninkrijk Sihons, des Konings te Hesbon; de Jordaan en zijne landpale; tot aan het einde der zee Kinnéreth, over den Jordaan, tegen het Oosten. 28 Dit is het erfdeel der kinderen Gads naar hunne huisgezinnen, de steden en hare dorpen. 29 Voorts had Mozes den halven stam van Manasse eene erfenis gegeven, die aan den halven stam der kinderen van Manasse bleef, naar hunne huisgezinnen; 30 zoodat hunne landpale was van Mahanaïm af, het gansche Basan, het gansche koninkrijk van Og, den Koning van Basan, en alle de vlekken van Jaïr die in Basan zijn, zestig steden. 31 En het halve Gilead, en Astaroth, en Edréï, steden des koninkrijks van Og in Basan, waren van de kinderen Machirs, des zoons van Manasse, namelijk de helft der kinderen Machirs, naar hunne huisgezinnen. 32 Dat is het wat Mozes ten erve uitgedeeld had in de velden Moabs op gene zijde van den Jordaan van Jericho, tegen het Oosten. 33 Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel: de Heere de God Israels is zelf hunlieder erfdeel, gelijk als hij tot hengesproken heeft. HOOFDSTUK 14. Dit is nu hetgeen de kinderen Israëls geërfd hebben in het land Kanaan: hetwelk de Priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israëls, hen hebben doen erven; 2 door het lot hunner erfenis, gelijk als de Heere, door den dienst van Mozes, geboden had aangaande de negen stammen en den halven stam. 3 Want den twee stammen en den halven stam had Mozes een erfdeel gegeven aan gene zijde van den Jordaan, maar den Levi-ten had hij geen erfdeel onder hen gegeven. 4 Want da kinderen Jozefs waren twee stammen, Manasse |
|
JOZ en Efraïm; en den Leviten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en der-zelver voorsteden voor hun vee en voor hunne bezitting. 5 Gelijk als de Hek re Mozes geboden had, alzóó deden de kinderen Israels, en zij deelden het land. 6 Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua te Gilgal, en Kal eb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, zeide tot hem: Gij weet het woord dat de Heere tot Mozes den man Gods gesproken heeft te Kades-Barnéa, ter oor-zake van mij en ter oorzake van u. 7 Ik was veertig jaar oud toen Mozes, de knecht des Hebben, mij uitgezonden heelt van Kades-Barnéa oin het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht gelijk als 't in mijn harte was. 8 Maar mijne broeders die met mij opgegaan waren deden het harte des volks smelten: doch ik volhardde den Heere mijnen God na te volgen. 9 Toen zwoer Mozes te dicnzelf-den dage, zeggende: Imlien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uwen kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, dewijl gij volhard hebt den Heere mijnen God na te volgen! 10 En nu, zie, de Heere heeft mij in het leven behouden, gelijk als hij gesproken heeft: liet zijn nu vijfenveertig jaren sedert de Heere dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde, en nu, zie, ik ben heden vijfentachtig jaar oud: 11 ik ben nog heden zoo sterk gelijk als ik was ten dage toen Mozes mij uitzond, gelijk mijne kracht toen was, alzóó is nu mijne kracht tot den oorlog, en om uit te gaan en om in te gaan. 12 En nu geef mij dit gebergte, waarvan de Heere te dien dage gesproken heeft: want gij hebt het te dienzelfden dage gehoord, dat de Enakiten aldaar waren,en dat er groote vaste steden waren; of de Heere met mij ware, dat |
JA 15. 270 ik ze verdreef, gelijk als de Heere gesproken heeft. 13 Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel. 14 Daarom werd Hebron aan Kaleb, den zoon van Jefunne,. den Keniziet, ten erfdeel tot op dezen dag, omdat hij volhard had den Heere den God Israels na te volgen. 15 De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mensch geweest is onder de Enakiten. En het land rustte van den krijg. HOOFDSTUK 15. En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hunne huisgezinnen, was aan de land-pale Edoms; de woestijn Zin zuidwaarts was het uiterste te gen het Zuiden: 2 zoodat hunne landpale tegen het Zuiden het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af die tegen het Zuiden ziet; 3 en zij gaat uit naar het Zuiden tot den opgang van Akrab-bim, en gaat dóór naar Zin, en gaat óp van het Zuiden naar Kades-Barnéa, en gaat door Hez-ron, en gaat óp naar Addar, en gaat om Karkaa, 4 en gaat dóór naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpalo zullen naar de zee zijn. Dit zal uwe landpale tegen het Zuiden zijn. 5 De landpale nu tegen het Oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van den Jordaan. En de landpale aan de zijde tegen het Noorden zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van den Jordaan; 6 en deze landpale zal opgaan tot Beth-Hogla, en zal doorgaan van het Noorden naar Beth-Araba; en deze landpale zal opgaan tot den steen Bohans, des zoons van Buben. 7 Voorts zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den |
|
2S0 J O Z1 opgang van Adummin is, die aan liet zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Sémes, en hare uitgangen zullen wezen te En-Rogel. S En deze landpale zal opgaan door het dal des zoons Hinnoms, aan de zijde van den Jebusiet van het Zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg die vóóraan het dal van Hinnora is westwaart, hetwelk in het uiterste van het dal der Ea-faïten is tegen liet Noorden. 9 Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Neftóali, en uitgaan tot do steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baiiia, deze is Kirjath-Jearim. 10 Daarna zal deze landpale zich omkeeren van Baiiia tegen het quot;Westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jearim van liet Noorden, dat is Kesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Séines, en door Timna gaan. 11 Voorts zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan teJabneël; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee. 12 De landpale nu tegen het Westen zal zijn tot de groote zee en clerzelver landpale. Dat is de landpale der kinderen van Juda rondom henen naar hunne huisgezinnen. 13 Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des Heeren tot Jozua: de stad van Arba (vader van Enak), dat is Hebron. 14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen Enaks, Sesai en Ahiman en Talmai, geboren van Enak. 15 En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de |
A 15. naam van Debir nu was te voren Kirjath-Séfer); 16 En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Séfer zal slaan en nemen ze in, dien zal ik ook mijne dochter Ach sa tot eene vrouw geven. 17 Othniël nu, de zoon van Kenaz, Kalebs broeder, nam ze in; en hij gaf hem Achsa zijne dochter tot eene vrouw. 18 Eu het geschiede als zij tot hem kwam, zoo porde zij hem aan om een veld van haren vader to begeeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u? 19 En zij zeide: G eef mij eenen zegen, dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hooge waterweliingen en lage waterwellingen. 20 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hunne huisgezinnen. 21 De steden nu van het uiterste van den stam der kinderen van Juda tot de landpale van Edom tegen het Zuiden zijn Kabzeël, en Eder, en Jagur, 22 en Kina, en Dimona, en Adada, 23 en Kedes, en Hazor, en Jith-nan, 24 Zif, en Telem, en Bealoth, 25 en Hazor, Hadatta, en Ke-rioth-Hezron (dat is Hazor), 26 Amam, en Sema, en ÃMolada, 27 en Hazar-Gadda,enHesmon, en Beth-Pelefc, 28 en Hazar-Sual, en Beër-Séba, en Bizjotiieja, 20 Baiiia. en Ijim, en Azem, 30 en Eltolad, en Kesil, en Horma, 31 en Ziklag, en Madmauna, ; en Sansanna, 32 en Lebaoth, en Silhim, en ⢠Ain, en Kimmon: alle deze ste-; den zijn negenentwintig en hare j dorpen. 33 In de laagte zijn Estaol, en ! Zora, en Asni, 34 en Zanóah, en En-Gannim, ! Tappüah, en Enam, j 3o Jarmuth, en Adullam, Socho, en Azeka, i 30 en Saaraim, en Adithaïm, en |
|
JOZI Gerlera, en Gederothaïm: veertien eteden en hare dorpen; 37 Zenan, en Hadasa, en Mig-dal-Gad, 38 en Dilan, en Mizpa, en Jok-teël, 39 Lachis, en Bozkath, enEglon, 40 en Kabbon, en Lamas, en Kithlis, 41 en Gederoth, Betli-Dagon, en Naiiraa, en Makkeda: zestien steden en hare dorpen: 42 Libn.a, en Etlier, en Asan, 43 en Jiftah, en Asna, en Nezib, 44 en Kehila, en Achzib, en Maresa: negen steden en hare dorpen; 45 Ekron, en hare onderhoo-rige plaatsen en hare dorpen; 413 van Ekron en naar de zee toe alle die aan de zijde van As-dod zijn, en hare dorpen; 47 Asdod, hare onderhoorige plaatsen en hare dorpen; Gaza, hare onderhoorige plaatsen en hare dorpen, tot aan do rivier van Egypte; en de groote zee en hare landpale. 48 Op het gebergte nu: Samir, en Jattir, en Socho, 49 en Danna, en Kirjath-Sanna, dat is Debir, 50 en Anab, en Estemo, en Anim, 51 en Gosen, en Holon, en Gilo: elf steden en hare dorpen; 52 Arab, en Duma, en Esan, 53 en Jaimm, en Beth-Tappiiah, en Afeka, 54 en Hnmta, en Kirjath-Arba, dat is Hebron, en Zior; negen steden en hare dorpen; 55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 5G en Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah^ 57 Kain, Gibea, enTimna: tien steden en ho,re dorpen; 58 Halbul, Beth-Zur, en Gedor, 59 en Maraat, en Beth-Anoth, en Eitekon: zes steden en hare dorpen: üü Kirjath-Baal, dat isKirjath-Jearim, en Eabba: twee steden en hare dorpen. 61 In de woestijn: Beth-Araba, Middin, en Sechacha, 02 en Nib san, en de Zoutstad |
A 1G. 231 en Engédi: zes steden en 3iaro dorpen. 63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusiten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven: alzoo woonden de Jebusiten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem tot op dezen dag toe. HOOFDSTUK 1G. Daarna kwam het lot der kinderen Jozefs uit: van den Jor-daan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El; 2 en het komt van Beth-El uit naar Luz, en het gaat door tot de landpale des Arkiets, tot. Ataroth toe, 3 en het gaat aftegen het Westen naar de landpale van Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-Horon, en tot Gezer; en hare uitgangen zijn aan de zee. 4 Alzoo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen Jozefs, Manasse en Efraïm. 5 De landpale nu der kinderen Efraïms naar hunne huisgezinnen is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Ataroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon; 6 en deze landpale gaat uit tegen het Westen bij Michnie-thath, van het Noorden, en deze landpale keert zich óm tegen het Oosten naar Taanath-Silo, en gaat door dezelve van het Oosten naar Janoah, 7 en komt af van Janóahnaar Ataroth en Naharath, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan den J ordaan; 8 van Tappüah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en hare uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Efraïms, naar hunne huisgezinnen. 9 En de steden die afgezonderd waren voor de kinderen Efraïms, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, alle die steden en hare dorpen. |
|
2S0 JOZ opgang van Aduramin is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Sémes, en hare uitgangen zullen wezen te En-Ilogel. 8 En deze landpale zal opgaan door het dal des zoons Hinnoms, aan de zijde van den Jebusiet van het Zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg die _ vooraan het dal van Hinnora is westwaart, hetwelk in het uiterste van het dal der Ra-faïten is tegen het Noorden. 9 Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Neftóah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baala, deze is Kirjath-Jearim. 10 Daarna zal deze landpale zich qmkceren van Baala tegen het quot;Westen, naar het gebergte i 8eïr, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jearim van het Noorden, dat is Kesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Sémes, en door Timna gaan. 11 Voorts zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan teJabneël; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee. 12 De landpale nu tegen het Westen zal zijn tot de groote zee cn derzelver landpale. Dat is de landpale der kinderen van Ju da rondom henen naar hunne huisgezinnen. 13 Doch Kal eb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des Heeren tot Jozua: de stad van Arba (vader van Enak), dat is Hebron. 14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen Enaks, Sesai en Ahiman en Talmai, geboren van Enak. 15 En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de |
A 15. naam van Debir nu was te voren Kirjath-Séfer); 1(5 En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sófer zal slaan cn nemen ze in, dien zal ik ook mijne dochter Ach sa tot eene vrouw geven. 17 Othniël nu, de zoon van Kenaz, Kalebs broeder, nam ze in; en hij gaf hem Achsa zijne dochter tot eene vrouw. 18 Eu het geschiede als zij tot hem kwam, zoo porde zij hem aan om een veld van haren vader lo begeeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot-haar : Wat is u ? 19 En zij zeide: Geef mij eenen zegen, dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hooge waterweliingen en lage water wellingen. 20 Dit is liet erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hunne huisgezinnen. 21 De steden nu van het uiterste van den stam der kinderen van Juda tot de landpale van Edom tegen het Zuiden zijn Kabzeël, en Eder, en Jagur, 22 en Kina, en Dimona, en Adada, 23 en Kedes, en Hazor, en Jith-nan, 24 Zif, en Telem, en Bealoth, 25 en Hazor, Hadatta, en Ke-rioth-Hezron (dat is Hazor), 26 Amam, en Sema, en ÃMolada, 27 en Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Pelefc, 28 en Ilazar-Sual, en Beër-Séba, en Bizjotheja, 20 Baala. en Ijim, en Azem, 30 en Eltolad, en Kesil, en Horma, 31 en Ziklag, en Madmanna, en Sansanna, 32 en Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Kimmon: alle deze steden zijn negenentwihtig en hare dorpen. 33 In de laagte zijn Estaol, en Zora, en Asna, 34 en Zanóa.h, en En-Gannim, Tappüah, en Enam, 3o Jarmutli, en Adullam, Socho, en Azeka, 3o en Saaraïm, en Adithaïm, en |
|
JOZL- Gerlera, en Gederothaïm: veertien steden en hare dorpen; 37 Zenan, en Hadasa, en Mig-dal-Gad, 38 en Dilan, en Mizpa, en Jok-teël, 39 Lachis, en Bozkath. enEglon, 40 en Kabbon, en Lamas, en Kithlis, 41 en Gederoth, Betli-Dagron, en Naüma, en Makkeda: zestien steden en hare dorpen: 42 Libna, en Ether, en Asan, 43 en Jiftah, en Asna, cn Nezib, 44 en Kehila, en Achzib, en Maresa: negen steden en hare dorpen; 45 Ekron, en hare onderlioo-rige plaatsen en hare dorpen; 4(3 van Ekron en naar de zee toe alle die aan de zijde van As-dod zijn, en hare dorpen: 47 Asdod, hare onderhoorige plaatsen en hare dorpen; Gaza, hare onderhoorige plaatsen cn hare dorpen, tot aan do rivier van Egypte; en de groote zee en hare land pale. 48 Op het gebergte nu: Samir, en Jattir, en Socho^ 40 en Danna, en Kirjath-Sanna, dat is Debir, 50 en Anab, en Estemo, en Anim, 51 en Gosen, en Holon,en Gilo: elf steden en hare dorpen; 62 Arab, en Duma, en Esan, 53 en Janum, en Beth-Tappüah, en Afeka, 54 en Humta, en Kirjath-Arba, dat is Hebron, en Zior; negen steden en hare dorpen; 55 Maon, Karmel, en Zif, en Jnta, 5G en Jizreöl, en Jokdeam, en Zanoah^ 57 Kain, Gibea, enTimna: tien steden en hare dorpen; 58 Halhul, Beth-Zur, en Gedor, 5'.) en Maraat, en Beth-Anoth, en Eltekon: zes steden en hare dorpen: Gü Kirjath-Baal, dat isKirjath-Jearim, en Eabba: twee steden en hare dorpen. 61 In de woestijn:Beth-Araba, Middin, en Sechacha, 62 en 2sibsan, en de Zoutstad |
A 1G. 231 en Engédi: zes steden en hare dorpen. 63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusiten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven: alzoo woonden de Jebusiten bjj de kinderen van Juda te Jeruzalem tot op dezen dag toe. HOOFDSTUK 1G. Daarna kwam het lot der kinderen Jozefs uit: van den Jor-daan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El; 2 en het komt van Beth-El uit naar Luz, en het gaat dóór tot de landpale des Arkiets, tot Ataroth toe, 3 en het gaat aftegen het Westen naar de landpale van Jafleti, tot aan de landpale van hel benedenste Beth-Horon, en tot Gezer; en hare uitgangen zijn aan de zee. 4 Alzoo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen Jozefs, Manasse en Efraïm. 5 De landpale nu der kinderen Efraïms naar hunne huisgezinnen is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Ataroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon; 6 cn deze landpale gaat uifc tegen liet Westen bij Michme-thath, van het Noorden, en deze landpale keert zich óm tegen het Oosten naar Taanath-Silo, en gaat door dezelve van het Oosten naar Janóah, 7 en komt af van Janóah naar Ataroth en Naharath, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan den J ordaan; 8 van Tappüah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en hare uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Efraïms, naar hunne huisgezinnen. i) En de steden die afgezonderd waren voor de kinderen Efraïms, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, alle die steden en hare dorpen. |
|
282 JOZ 10 En zij verdreven de Ka-naaniten niet die te Gezer woonden ; alzoo woonden die Kanaani-ten in het midden der Efraïmi-ten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende. HOOFDSTUK 17. De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij Jozefs eerstgeborene was: le iccten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader Gileads, omdat hij een krijgsman was, zoo had hij Gi-lead en Basan. 2 Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hunne huisgezinnen: te weten de kinderen van Abiëzer, on de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Heler, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, den zoon Jozefs naar hunne huisgezinnen. 3 Zelafead nu, de zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, had geen zonen maar dochters, en dit zijn de namen zijner dochteren: Mahla enNoa, Hogla, Milka en Tirza. 4 Deze dan traden toe voor het â¢aangezicht van Eleazar, den Priester, en voor het aangezicht van Jozua, den zoon van Nun, en voor het aangezicht der overaten, zeggende: De Heere heeft Mozes geboden dat men ons een erfdeel geven zoude in het midden onzer broederen. Daarom gaf hij haar, naar den mond des Heehex, een erfdeel in het midden der broederen haars vaders. 5 En aan Manasse vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Basan, dat op gene zijde van den Jordaan is. t) Want de dochteren van Manasse erfden een erfdeel in het midden zijner zonen; en het land Oilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse; 7 zoo dat de landpale van Manasse was van Aser af tot Mich-«nethath, die vóór aan Sichem is; |
A 17. en deze landpale gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van Ea-Tappüah. 8 Manasse had wel het land van Tappüah, maar Tappüali zelf, aan de landpale van Manasse, hadden de kinderen Efraïms. 9 Daarna komt de landpale af naar de beek Kana, tegen het zuiden der beek. Deze steden zijn van Efraïm in het midden der steden van Manasse; en de landpale van Manasse is aan het nooiden der beek, en hare uitgangen zijn aan de zee. 10 Het was van Efraïm tegen het Zuiden, en tegen het Noorden was het van Manasse, en de zee was zijne landpale; en aan het Noorden stieten zij aan Aser, en aan het Oosten aan Issaschar. 11 Want Manasse had in Issaschar en in Aser Beth-Sean en hare onderhoorige plaatsen, en Jibleam en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners te Dor en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners te Endor en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners te Taanach en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners te Meggido en hare onderhoorige plaatsen: drie landstreken. 12 En de kinderen van Manasse konden de inu-oners van die steden niet verdrijven, want de Kanaaniten wilden in hetzelfde land wonen; 13 en het geschiedde als de kinderen Israels sterk werden, zoo maakten zij de Kanaaniten cijnsbaar, maar zij verdreven ze niet ganschelijk. 14 Toen spraken de kinderen Jozefs tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar één lot en één snoer gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zooveel de Heere mij dusver gezegend heeft? 15 Jozua mi zeide tot henlieden: Dewijl gij een groot volk zijt, zoo ga ópnaarhet woud, en houw daar voor u af in het land der Fereziten en der Refaïten, dewijl u het gebergte Efraïms te eng is. 16 Toen zeiden de kinderen |
|
JOZX] Jozefs: Dat gebergte zonde ons niet genoegzaam zijn; daar zijn ook ijzeren wagens bij alle Ka-naaniteh die in het land des dals wonen, bij die te Beth-Sean en hare onderhoorige plaatsen, en di? in het dal Jizreël zijn. 17 Verder sprak Jozna tot het huis Jozefs, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende; G'j zijt een groot volk en gij hebt groote kracht, gij zult niet één lot hebben, 18 maar het gebergte zal het uwe zijn; en dewijl het eenrwond is, zoo houw het af, zoo zullen zijne uitgangen uwe zijn; want gij zult de Kanaaniten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk. HOOFDSTUK 18. En de gansche vergadering der kinderen Israels verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar óp de Tent der samenkoms , nadat het land voor hen onderworpen was. 2 En daar bleven overig onder de kinderen Israëls, denwel ken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen. 3 En Jozna zeide tot de kinderen Israëls: Hoe lang houdt gij u zoo slap om voort te gaan om het land ce beërven, hetwelk de Heere de God uwer vaderen u gegeven heelt? 4 Geeft voor ulieden drie mannen van eiken stam, dat ik ze henenzende, en zij zich opmaken en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelve naar hunne erven, en weder tot mij komen. 5 Zij nu zullen het doelen in zeven deelen: Juda zal blijven op zijne landpale van het Zuiden, en het huis Jozefs zal blijven op zijne landpale van het Noorden. 6 En gijlieden zult het land beschrijven in zeven deelen, en tot mij herwaarts brengen dat ik voor ulieden het lot hier werpe voor het aangezicht des Heeren onzes Gods. 7 Want de Leviten hebben geen deel in het midden van ulieden, maar het Priesterdom des Hee- |
A 18. 283 een is hun erfdeel. Gad nu en Ruben en de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van den Jordaan oostwaarts, hetwelk hun Mozes, de knecht des Heeren, gegeven heeft. 8 Toen maakten zich die mannen op en gingen henen. En Jozna gebood hun die henen-gingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weder tot mij, zoo zal ik ulieden hier het lot werpen voor het aangezicht dea Heeren te Silo. 9 De mannen dan gingen henen en doortogen het land, en beschreven het. naar de steden, in zeven deelen, in een boek, en kwamen weder tot Jozua in het leger te Silo. 1U Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo voor het aangezicht des Heeren, en Jozua deel de a 1 daar den kinderen Israëls het land naar hunne afdeelingen. 11 En het lot van den stam der kinderen Benjamins kwam óp, naar hunne huisgezinnen, en do landpale van hun lot ging uit tusechen de kinderen van Juda en tusschen de kinderen van Jozef. 12 En hunne landpale was naar den hoek noordwaarts van den Jordaan; en deze landpale gaat opwaarts aan de zijde van Jericho van het Noorden, en gaat óp door het gebergte westwaarts, en hare uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-Aven; 13 en van daar gaat de landpale dóór naar Luz, aan de zijde van Luz (welke is Beth-El) zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atroth-Adder, aan den berg die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Horon is; 14 en die landpale strekt en keert zich óm naar den westhoek, I zuidwaarts van den berg die tegenover Beth-Horon zuidwaarts is; en hare uitgangen zijn aan Kirjath-Baal (welke is Kirjath-Jearim), eene stad der kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen. |
JOZUA 19.
284
|
15 De Loek nu ten zuiden ia aan het uiterste van Kirjath-Jearim; en deze landpale gaat uit ten â westen, en zij komt uit aan de fontein der wateren van Neftoali; lü en deze landpale gaat af tot aan het uiterste des bergs, die tegenover het dal des zoons Hin-noms is, die in het dal der Ee-faïten is tegen het Noorden; en gaat af door het dal Hinnoms, aan de zijde der Jebusiten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein Hogels; 17 en strekt zich van het Noorden, en gaat uit te En-Sémes; van daar gaat zij uit naar Geli-loth. welke is tegenover den opgang naar Adummim, en zij gaat af aan den steen Bohans, des zoons van Ruben; 18 en gaat dóór terzijde tegenover Araba naar het Koorden, en gaat af te Araba; 19 voorts gaat deze landpale dóór aan de zijde van Beth-Hogla noordwaarts, en de uitgangen dezer landpale zijn aan de tong der Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste van den Jor-daan zuidwaarts. Dit is de zui-derlandpale. 20 De Jordaan mi bepaalt Laar aan den hoek naar het Oosten. Dit is het erfdeel der kinderen Benjemins, in hunne landpalen rondom, naar hunne huisgezinnen. 21 De steden nu van den stam der kinderen _ Benjamins naar hunne huisgezinnen zijn Jericho, en Beth-Hogla, en Emek-Keziz, 22 en Beth-Araba, en Zema-raïm, en Beth-El, 23 En Avvim, en Para, en Ofra, 24 en Kefar-Haammonai, en Ol'ni, en Gibea: twaalf steden en hare dorpen; 2ö Gibeon, en Kama, en Be-eroth, Mizpa, en Kefira, en 2G en Moza, 27 en Tarala, 28 en (quot;deze Eekem, en Jirpeël, en Zela, Elef, en Jebusi Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders hare dorpen. Dit is hot erfdeel der kinderen Benjamins, naar hunne huisgezinnen. |
HOOFDSTUK 19. Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen Simeons, naar hunne huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden des erfdeels der kinderen van Juda. 2 En zij hadden in hun erfdeel : Beër-Séba, en Seba, en Molada, 3 en Hazar-Sual, en Bala, en Azem, 4 en Eltolad, en Bethui, en Horma, 5 en Ziklag, en Beth-Hammar-kaboth, en Hasar-Snsa, 6 en Beth-Lebaoth, en Saru-hen: dertien steden en hare dorpen; 7 Ain, Eimmon, en Ether, en Asan: vier steden en hare dorpen; 8 en alle de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baalath Beër dat is Eamath tegen het Zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Simeons, naar hunne huisgezinnen. 9 Der kinderen Simeons erfdeel is onder het snoer der kin-ren van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen, daarom erfden de kinderen Simeons in het midden huns erfdeels. 10 Daarna kwam het derde lot óp voor de kinderen Zebulons, naar hunne huisgezinnen; en de landpale huns erfdeels was toS aan Sarid; 11 en hunne landpale gaat opwaarts naar liet Westen en Ma-rala, en reikt tot Dabbéseth, en reikt tot aan de beek die vóóraan Jokneam is; 12 en zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Kisloth-Tabor, en zij komt uit te Dob rat li i en gaat opwaarts naar Jafia; 13 en van daar gaat zij oostwaarts dóór naar den opgang, naar Gat-Hófer, te Eth-Eazinen. zij komt uit te EimmonMethoar, i 't welk is Nef.; I 14 en deze landpale keert zich |
JOZXJA 10.
285
|
om tegen het. Noorden naar Han-nathon, en hare uitgangen zijn het dal van Jiftah-El, 15 en Kattah, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem: twaalf steden en hare dorpen. 16 Dit is het erfdeel der kinderen Zebulons, naar hunne huisgezinnen, deze steden en hare dorpen. 17 Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen Is-saschars, naar hunne huisgezinnen. 18 En hunne landpale v,*as Jiz-reëla, en Kesulloth, en Sunem, 19 en Hafaraïm, en Sion, en Anacharatli, 20 en Rabbith, en Kisjon, en Ebez, 21 en Eemeth, en En-Gannim, en En-Had da, en Beth-Pazzez; 22 en deze landpale reikt aan Tabor, en Sahazima, en Ueth-Sénies; en de uitgangen var. hunne landpale zijn aan den Jordaan: zestien steden en hare dorpen. 23 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Issaschars, naar hunne huisgezinnen, de 1 steden en hare dorpen. 24 Tuen ging het vijfde lot i voor den stam der kinderen Asers ! mt,_ naar hunne huisgezinnen. 25 En hunne landpale wasHel-kath, en Ha li, en Beten, en Aehsaf, 26 en Allammélech, en Aniad, en Misal; en reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sihor-Libnath, 27 en wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Da-gon, en reikt aan Zebulon, en uan liet dal Jiftaz-El noordwaarts naar Beth-Emek en Neïcl, en komt uit tot Kabul ter linkerhand, 28 en Ebron, en Kehob, en Ham-mon, en Kana, tot aan groot Sidon; 29 en deze landpale wendt zicli naar Eama, en tot aan de vaste i stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en liare uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib; i 30 en Umraa, en Afek, en Ee- | hob: tweeëntwintig steden en hare dorpen. |
31 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Asers, naar hunne huisgezinnen, deze steden en hare dorpen. 32 Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafta li: voor de kinderen van Naftali, naar hunne huisgezinnen. 33 En hunne landpale is van Helef, van Elon tot Zaanannim, en Adami-Nékeb, en Jabneël, tot Lakkum, en hare uitgangen zijn aan den Jordaan; 34 en deze landpale wendt zich westwaarts naar Aznoth-Tabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebu-lon tegen het Zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het Westen, en aan Juda aan den Jordaan tegen den opgang der zon. 35 De vaste steden nu z.iin Ziddim, Zer en Hammath, Eak-kath en Kinnéreth, 3vj en Adama, en Eama, en Hazor, 37 en Kedes, en Edréï, en En-Ha zor, 38 en Jiron, en Migdal-EI, Horem, en Beth-Anath, en Botli-Sémes: negentien steden en hare dorpen. 3ü Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Naftali, naar hunne huisgezinnen, de steden en hare dorpen. 40 Het zevende lot ging uit voor den stam der kinderen van Dan, naar hunne huisgezinnen. 41 En de landpale huns erfdeels was Zora, en Estaol, en Ir-Semes, 42 en Saiilabbin, en Ajalon, en Jithla, 43 en Elon, en Timnatha, en Ekron, 44 en Elteké, en Gibbethon, en Baalath, 45 en Jehud, en Benc-Berak, en Gath-Kimmon, 4G en Mé-Jarkon, en Eakkon, met de landpale tegenover Jafo. 47 Doch de landpale der kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen: daarom togen de kinderen van Dan óp en krijg-den tegen Lesem, en namen ze in, en sloegen ze mr;t de scherpte |
JOZ.UA 20, 21.
|
des zwaards, en erfden ze en woonden daarin, en zij noemden Lesem Dan, naar den naam huns â¢vaders Dan. 48 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen _ van Dan, naar hunne huisgezinnen., deze steden en hare dorpen. 49 Toen zij nu geëindigd hadden het land erfelijk te deelen naar zijne landpalen, zoo gaven de kinderen Israels aan Jozna, den zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen; 50 naar den mond des Heek en gaven zij hem die stad welke hij begeerde, Timnath-Sérah op liet gebergte Efraïm; en hij bouwde die stad en woonde in dezelve. 51 Dit zijn de erfdeel en, welke Eleazar, de Priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden van de vaderen der stammen door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeelden te Silo voor het aangezicht des Heeren, aan de deur der Tent der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdeden des lands. HOOFDSTUK 20. Voorts sprak de Heere tot Jozua, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels zeggende: Geeft voor ulie-den de vrijsteden, waarvan ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes, 3 dat daarhenen vliede de doodslager, die eene ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloed-wreker. 4 Als hij vlucht tot eene van die steden, zoo zal hij staan aan de deur der stadspoort, en hij zal zijne woorden spreken voor de ooren der oudsten dier stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaatse geven dat hij bij hen wone. 5 En als de bloedwreker hem najaagt, zoo zullen zij den doodslager in zijne hand niet overgeven, dewijl hij zijnen naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren eergisteren niet heeft gehaat; |
6 en hij zal in die stad wonen 1 totdat hij sta voor het aangezicht ! der vergadering voor het gericht, i totdat de Hoogepriester sterft die in die dagen zijn zal: dan zal de | doodslager wederkeerenen komen j tot zijne stad en tot zijn huis, tot de stad van waar hij gevlo-! den is. 7 Toen heiligden zij Kedes in 1 Galiléa op het gebergte van 1 Naftali, en Zichem op het ge-i bergte van Efraïm, en Kirjath- Arba, deze is Hebron, op het : gebergte van Juda; i 8 en aan gene zijde van den 1 Jordaan van Jericho oostwaarts gaven zij Bezer in de woestijn, i in het platte land, van den stam ! van Ruben, en Ãamoth in Gi-lead van den stam van Gad, en i Golan in Basan van den stam i van Manasse. ! 9 Dit nu zijn de steden, die bestemd waren voor alle dekin-! deren Israels, en voor den vreem-! deling, die in het midden van j henlieden verkeert, opdat der-| waarts vluchte al wie eene ziel ! slaat door dwaling, opdat hij niet sterve door de hand des bloedwrekers totdat hij voor het aangezicht der vergadering gestaan zal hebben. HOOFDSTUK 21. Toen naderden de hoofden der A-aderen der Leviten tot Eleazar. den Priester, en tot Jozua, den zoon van Nun, en tot de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels. 2 en zij spraken tot hen te Silo in het land Kanaan, zeggende: De Heere heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zov de, en hare voorsteden voor onze beesten. 3 Daarom gaven de kinderen Israels den Leviten van hun erfdeel, naar den mond des Hkehen, deze steden en de voorsteden derzei ve. 4 Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kohathiten; |
JOZüA 21.
28T
|
en voor de kinderen Aarons, des Priesters uit de Leviten, waren van den stam Juda en van den stam Simeon en van den stam Benjamin, door het lot, dertien steden; 5 en den overgebleven kinderen van Kohath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam Efraïm en van den stam Dan en van den lialven stam Manasse, tien steden. 6 En den kinderen van Ger-son, van de huisgezinnen van den stam Issaschar en van den stam Aser en van den stam Naf-tali en van den halven stam Manasse, in Basan, bij het lot, dertien steden. 7 Den kinderen van Merari, nnar hunne huisgezinnen, van den stam Ruben en van den stam Gad en van den stam Ze-bulon twaalf steden. 8 Alzoo gaven de kinderen Israëls den Leviten deze steden en hare voorsteden bij het lot, gelijk de ^Heeee geboden had door den dienst van Mozes. 9 Voorts gaven zij van den stam der kinderen van Juda en van den stam der kinderen van Simeon deze steden, die men bij name noemde, 10 dat zij waren van de kinderen van Aaron, van de huisgezinnen der Kohathiten uit de kinderen van Levi; want liet eerste lot was het hunne. 11 Zoo gaven zij hun de stad van Arba, den vader van Anok, (zij is Hebron) op den berg van Juda, en hare voorsteden rondom haar; 12 maar het veld der stad en hare dorpen gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne, tot zijne bezitting. 13 Alzoo gaven zij den kinderen des Priesters Aiirons de vrijstad des doodslagers, Hebron en hare voorsteden, en Libna en hare voorsteden, 14 en Jattiren hare voorsteden, en Estemóa en hare voorsteden, 15 en Hohm en hare voorsteden, en Debir en hare voorsteden, 16 en Ain en hare voorsteden. |
en Jutta en hare voorsteden, en Beth-Sémes en hare voorsteden; negen steden van deze twee stammen. 17 En van den stam Benjamin, Gibeon en hare voorsteden, Gi-bea en hare voorsteden, 18 Anathoth en hare voorsteden, en Almon en hare voorsteden : vier steden. 19 Alle de steden der kinderen Aiirons, der Priesteren, waren dertien steden en hare voorsteden. 20 De huisgezinnen nu der kinderen Kohaths, de Leviten die overgebleven waren van de kinderen Kohaths, die hadden de steden huns lots van den stam Efraïms. 21 En zij gaven hun Sichem, eene vrijstad des doodslagers, en hare voorsteden, op den berg Efraïm, en Gezer en hare voorsteden, 22 en Kibzaïm en hare voorsteden, en Beth-Horon en hare voorsteden: vier steden. 23 En van den stam Dan, Elteké en hare voorsteden, Gibbethon en hare voorsteden, 24 Ajalon en hare voorsteden, Gath-Kimmon en hare voorsteden: vier steden. 2ö En van den hal ven stam Manasse, Taanach en hare voorsteden, en Gadi-Rimmon en hare voorsteden: twee steden. 2ü Alle de steden voor de huisgezinnen der overige kinderen Kohaths zijn tien met hare voorsteden. 27 En den kinderen Gersons van de huisgezinnen der Leviten, van den hal ven stam Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Basan en hare voorsteden, en Beëstera en hare voorsteden: twee steden. 28 En van den stam Issaschar,. Kisjon en hare voorstedon, en Dobrathen hare voorsteden, 29 Jarmuth en hare voorsteden^ En-Gannim en hare voorsteden: vier steden. 30 En van den stam Aser, Misal en hare voorsteden, Abdon en hare voorsteden, 31 en Helkath en hare voorste- |
JOZÃA 22.
|
den, en Eehob en hare voorsteden: vier steden. 32 En van den stam Naftali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galiléa en hare voorsteden, en Hammoth-Dor en hare voorsteden, en Kartan en hare voorsteden: drie steden. 33 Alle de steden der Gersoni-ten, naar hunne huisgezinnen, zijn dertien steden en hare voorsteden. 34 Den huisgezinnen nu der kinderen van Merari, der overige Leviten, werd qegeven van den stam van Zebulon Jokneam en â hare voorsteden, Karta en hare voorsteden, 35 Dimna en hare voorsteden, ISTahalal en hare voorsteden: vier â¢steden. 3G En van den stam Ruben, Bezer en hare voorsteden, en Jahza en hare voorsteden, 37 Kedemoth en hare voorsteden, en Mefaath en hare voorsteden: vier steden. 38 Van den stam Gad nu, de vrijstad dos doodslagers,Ramoth in Gilead en hare voorsteden, en Mahanaïm en hare voorsteden, en Mahanaïm en hare voorsteden, 39 Hesbon en hare voorsteden, Jaëzer en hare voorsteden: alle die steden zijn vier. 40 Alle die steden waren van de kinderen van Merari, naar hunne huisgezinnen, die nog Oterig waren van de huisgezinnen der Leviten; en hun lot was twaalf steden. 41 Alle de steden der Leviten, in het midden van de erfenis der kinderen Israels, waren achtenveertig steden en hare voorsteden. 42 Deze steden waren elk met hare voorsteden rondom haar; nlzóó was het met alle die steden. 43 Alzoo gaf de Heere aan Israël het gansche land dat hij gezworen had hunnen vaderen te geven, en zij^ beërfden het en woonden daarin. 44 En de Heere gaf hun ruste rondom, naar alles dat hij hunnen vaderen gezworen had; en daar bestond niemand van alle hunne vijanden voor hun aangezicht: alle hunne vijanden gaf de Heere in hunne hand. |
45 Daar viel niet een woord, van alle de goede woorden dio de Heere gesproken had tot den huize Israels: het kwam altemaal. HOOFDSTUK 22. Toen riep Jozua de Rubeniten en de Gaditen en den halveu stam van Manasse, 2 en hij zeide tot hen: Gijlieden hebt onderhouden alles wat u Mozes, de knecht des Heeren, geboden heeft, en gij zijt mijner stemme gehoorzaam geweest in alles dat ik u geboden heb: 3 gij hebt uwe broederen niet verlaten nu langen tijd, tot quot;p dezen dag toe, maar gij hebt waargenomen de onderhouding dor geboden des Heeren uws Gods. 4 En nu, do Heere uw God heeft uwen broederen rust gegeven, gelijk hij hun toegezegd had: keert dan nu wederom, en gaat gij naar uwe tenten, naar liet land uwer bezitting, hetwelk u Mozes, de knecht des Heeren, gegeven heeft op gene zijde van den Jordaan. 5 Alleenlijk neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet die u Mozes, de knecht des Heeren, geboden heeft, dat gij den Heere uwen God liefhebt, en dat gij wandelt in alle zijne wegen, en zijne geboden houdt, en hem aanhangt, en dat gij hem dient mot uw gansche hart en met uwe gansche ziel. 6 Alzoo zegende hen Jozua, en hij liet ze gaan; en zij gingen naar hunne tenten. 7 Want aan de helft van den stam Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Basan, maar aan de andere helft van denzelven gat Jozua een erfdeel bij hunne broederen aan deze zijde van den Jordaan westwaarts. Voorts ook als Jozua hen liet trekken naar hunne tenten, zoo zegende hij hen, 8 en hij sprak tot hen, zeggende: Keert weder tot uwe tenten met veel rijkdom en met zeer veel vee, met zilver en met goud |
JOZUA 22.
289
|
en met koper en met ijzer, en met zeer veel kleederen: deelt den roof uwer vijanden met uwe broederen. 9 Alzoo keerden de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam Manasse wederom, en togen van de kinderen Israels, van Silo in het land Kanaan, om te gaan naar het land va i Gil ead, naar het land hunner bezitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren naar den mond des Heeren door den dienst van Mozes. 10 Toen zij kwamen aan de grenzen van den Jordaan, die in liet land Kanaan zijn, zoo bouwden de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam Manasse aldaar een altaar aan den Jordaan, een altaar groot in 't aanzien. 11 En de kinderen Israëls hoorden zeggen: Zie, de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam Manasse hebben een altaar gebouwd tegenover het land Kanaan, aan de grenzen van den Jordaan aan de zijde der kinderen Israëls. 12 Als de kinderen Israëls dit hoorden, zoo verzamelde zich de gansche vergadering der kinderen Israels te Silo, dat zij tegen hen optogen met een heir. 13 En de kinderen Israëls zonden aan de kinderen Rubens en aan de kinderen Gads en aan den halven stam Manasse, in het land Gilead, Pinehas, den zoon Elea-zars des Priesters: 14 en tien Vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis eenen Vorst, uit alle de stammen Israëls, en zij waren ieder een hoofd des huizes hunner vaderen over de duizenden Israëls. 15 Toen zij tot de kinderen Rubens en tot de kinderen Gads en tot den hal ven stam Manasse kwamen in het land Gilead, zoo spraken zij met hen, zeggende: |
16 Aldus spreekt de gansche gemeente des Heeren : Wat overtreding is dit, waarmede gijlieden overtreden hebt tegen den God Israëls, u heden afkeerende van achter den Heere, doordat i gij een altaar voor u gebouwd hebt, om heden tegen den Heere wederspannig te zijn? | 17 Is ons^ de ongerechtigheid i Peers te weinig, van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op dezen dag, hoewel de plage in de vergadering des Heeren geweest is? 18 Dewijl gij u heden van achter den Heere afkeert, het zal dan geschieden als gij heden wederspannig zijt tegen den Heere, zoo zal hij zich morgen grootelij ka vertoornen tegen de gansche gemeente Israëls. 19 Maar toch, indien het land uwer bezitting onrein is, komt over in het land der bezitting des Heeren, waar de Tabernakel des Heeren woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar zijt niet wederspannig tegen den Heere en zijt ook niet wederspannig tegen ons, een altaar voor u bouwende behalve het altaar des Heeren onzes Gods. 20 Heeft niet Achan, de zoon van Zerach, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet eene verbolgenheid over de gansche vergadering Israëls? en die man stierf niet alléén in zijne ongerechtigheid. 21 Toen antwoordden de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam Manasse, en zij spraken met de hoofden der duizenden Israëls: 22 De God der goden, de Heere, de God der goden, de Heere, die weet het, Israël zelf zal het óók weten. Is het door wederspannig-heid of is het door overtreding tegen den Heere, zoo behoud ons heden niet. 23 Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben om ons van achter den Heere af te keeren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dan kolfer daarop te doen, zoo eische het dc Heere. 24 En zoo wij dit niet uit zorg vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uwe kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: quot;Wat hebt gij met 10 |
JOZUA 23.
290
|
den Heere den God Israels te doen ? 25 De Heere heeft immers den Jordaan ter landpale gesteld tus-schen ons en tusschen ulieden, gij kinderen Rubens en gij kinderen Gads, gij hebt geen deel aan den Heere. Zoo mochten uwe kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij den Heere niet vreesden. 26 Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons maken, bouwende een altaar, niet ten brandoffer noch ten offer, 27 maar dat hij een getuige zij tusschen ons en tusschen ulieden, en tusschen onze geslachten na ons, opdat wij den dienst des Heeren voor zijn aangezicht dienen mochten met onze brandof-feren en met onze slachtofferen en met onze dankofferen, en dat uwe kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: Gijlieden hebt geen deel aan den Heere. 28 Daarom zeiden wij: Wanneer het geschiedt dat zij morgen alzóó tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen, zoo zullen wüj zeggen: Ziet de gedaante des altaars des Heeren, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer noch ten offer, maar het is een getuige tusschen ons en tusschen ulieden. 29 Het zij verre van ons, van ons, dat wij zouden wederspannig zijn tegen den Heere, of dat wij te dezen dage, ons van achter den Heere afkeeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten spijsoffer of ten slachtoffer, behalve het altaar des Heeren onzes Gods, dat vóór zijnen Tabernakel is. 30 Toen de Priester Pinehas, en de oversten der vergadering, en de hoofden der duizenden Israëls, die bij hem waren, de woorden hoorden die de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zoo was het goed in hunne oogen, |
31 en Pinehas, de zoon des Priesters Eleazars, zei de tot de kinderen Rubens en tot de kinderen Gads en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij dat de Heere in liet midden van ons is; dewijl gij deze overtreding tegen den Heere niet begaan hebt: toen hebt gijlieden de kinderen Israëls verlost uit de hand des Heeren. 32 En Pinehas, de zoon des Priesters Eleazars, keerde wederom met de oversten van de kinderen Rubens en windekinderen Gads uit het land Gilead naar het land Kanaiin, tot de kinderen Israëls, en zij brachten hun antwoord weder. 33 Het antwoord nu was goed in de oogen der kinderen Israëls, en de kinderen Israëls loofden God, en zeiden niet meer van tegen hen op te trekken met een heir om het land te verderven, daar do kinderen Rubens en de kinderen Gads in woonden. 34 En de kinderen Rubens en do kinderen Gads noemden dat altaar: Dat het een getuige zij tusschen ons, dat de Heere God is. HOOFDSTUK 23. En het geschiedde na vele dagen, nadat de Heere Israël rust gegeven had van alle zijne vijanden rondom henen, en Jozuaoud geworden en weibedaagd was, 2 zoo riep Jozuagansch Israël, hunne oudsten en hunne hoofden en hunne rechters en hunne ambtlieden, en hij zeidetothen: Ik ben oud geworden en weibedaagd : 3 en gijlieden hebt gezien alles wat de Heere uw God gedaan heeft aan alle deze volkeren voor uw aangezicht; want de Heere uw God zelf is het die voor u gestreden heeft. 4 Ziet, ik heb u deze overige volkeren door het lot doen toevallen ten erfdeel voor uwe stammen, van oen Jordaan af, met alle de volken die ik uitgeroeid heb, en tot de groote zee tegen den ondergang der zon. 5 En de Heere uw God zelf zal ze uitstooten voor ulieder aangezicht, en hij zal ze van voor ulieder aangezicht verdrijven; en |
|
JOZU gij zult hun land erfelijk bezitten, gelijk als de Heere uw God tot u gesproken heeft. 6 Zoo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles dat geschreven is in het wetboek van Mozes, opdat gij daarvan niet afwijkt ter rechter- noch ter linkerhand : 7 dat gij niet ingaat tot deze volkeren, ^ deze die overgebleven zijn bij ulieden; gedenkt ook niet aan den naam hunner goden, en doet er niet bij zweren, en dient ze niet en buigt u voor dieniet; 8 maar den Heere uwen God zult gij aanhangen, gelijk als gij tot op^ dezen dag gedaan hebt. 9 Want de Heere heeft van uw aangezicht verdreven groote en machtige volkeren: en u aangaande, niemand heeft voor uw aangezicht bestaan tot op dezen dag toe. 10 Een éenig man onder u zal er duizend jagen; want het is de Heere uw God zelf die voor u strijdt, gelijk als hij tot u gesproken heeft. 11 Daarom bewaart uwe ziele naarstiglijk dat gij den Heere uwen God liefhebt. 12 Want zoo gij u eenigszins afkeert en het overige van deze volkeren aanhangt, van deze die bij u overgebleven zijn, en u met met hen verzwagert, en gij tot hen zult ingaan en zij tot u: 13 weet voorzeker dat de Heere uw God niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven, maar zij zullen ulieden zijn tot een strik en tot een net, en tot een geesel aan uwe zijden en tot doornen in uwe oogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de Heere uw God gegeven heeft. 14 En zie, ik ga heden in den weg der gansche aarde; en gij weet in uw gansche hart en in uwe gansche ziel, dat er niet een éénig woord gevallen is van alle die goede woorden, welke de Heere uw God over u gesproken heeft ; zij zijn u alte overkomen, daar is van dezelve niet een éénig woord gevallen. |
A 24. 291 15 En het zal geschieden gelijk als alle die goede dingen over u gekomen zijn, die de Heere uw God tot u gesproken heeft, alzóó zal de Heere over u komen laten alle die kwade dingen, totdat hij u verdelge van dit goede land, het welk u de Heere uw God gegeven heeft. 16 Wanneer gi) het verbond des Heeren uws Crods overtreedt dat hij u geboden heeft, en gij henengaat en dient andere goden en u voor dezelve nederbuigt, zoo zal de toorn des Heeren over u ontsteken,en gij zult haastelijk omkomen van het goede land, hetwelk hij u gegeven heeft. HOOFDSTUK 24. Daarna verzamelde Jozua alle de stammen Israels te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël en deszelfs hoofden en deszelfs rechters en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zich voor het aan-gezichte Gods. 2 Toen zeide Jozua tot het gansche volk: Alzóó zegt de Heere de God Israels: Over gene zijde der rivier hebben uwe vaders van ouds gewoond, namelijk Terach, de vader Abrahams en de vader Nahors, en zij hebben andere goden gediend. 3 Toen nam ik uwen vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het gansche land Kanaan; ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Isaak. 4 En Isaiik gaf ik Jakob en Esau; en ik gaf Esau het gebergte Seïr om dat erfelijk te bezitten, maar Jakob en zijne kinderen togen af in Egypte. 5 Toen zond ik Mozes en Aaron, en ik plaagde Egypte, gelijk als ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde ik u daaruit. 6 Als ik uwe vaders uit Egypte gevoerd had, zoo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uwe vaderen na met wagens en met ruiters tot de Schelfzee. 7 Zij nu riepen tot den Heere, en hij stelde eene duisternis tus-echen u en tusschen de Egypt©- |
JOZUA 24.
292
|
naars, en hij bracht de zee over hen en bedekte ze; enuweoogen hebben gezien wat ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond. 8 Toen bracht ik u in het land der Amoriten, die over gene zijde van den Jordaan woonden: die Rtreden tegen «, maar ik gaf ze in uwe hand, en gij bezat hun land erfelijk, en ik verdelgde ze voor ulieder aangezicht. 9 Ook maakte zich Balak op, de zoon Zippors, de Koning der Moabiten, en hij streed tegen Israël; en hij zond henen endeed Bileam, den zoon Beors, roepen, opdat hij u vervloeken zoude. 10 Maar ik wilde Bileam niet hooren: dies zegende hij u ge-stadiglijk en ik verloste u uit zijne hand. 11 Toen gij over den Jordaan getrokken waart en te Jericho kwaamt, zoo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amoriten en de Fereziten en de Kanaani-ten en de Hethiten en de Girga-siten, de Heviten en de Jebusi-ten; doch ik gaf ze in ulieder hand. 12 En ik zond horzelen voor u henen: die dreven ze weg van ulieder aangezicht, gelijk de beide Koningen der Amoriten; niet door uw zwaard noch door uwen boog. 13 Dus heb ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve ; gij eet van de wijngaarden en olijfboomen, die gij niet geplant hebt: 14 en nu, vreest den Heere, en dient hem in oprechtheid en in waarheid, en doet weg de goden die uwe vaders gediend hebben aan gene zijde der rivier en in Egypte, en dient den Heere. 15 Doch zoo liet kwaad is in uwe oogen den Heere te dienen, kiest u heden wien gij di-enen zult; hetzij de goden welke uwe vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amoriten, in melker land gij woont; maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen. |
1G Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons dat wij den Heere verlaten zouden om andere goden te dienen, 17# want de Heere is onze God; hij is het, die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit j het diensthuis, heeft opgebracht, ! en die deze groote teekenen voor j onze groote oogen gedaan heeft, i en ons bewaard heeft op al den ; weg door welken wij getogen zijn, i en onder alle volken door welker : midden wij getrokken zijn; 18 en de Heere heeft voor ons 1 aangezicht uitgestooten alle die | volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen óók den | Heere dienen, want hij is onze God. 19 Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den Heere niet kunnen dienen, want hij is een heilig God, hij is een ijverig God, hij zal uwe overtreding en uwe zonden niet vergeven; 20 indien gij den Heere verlaten eu vreemde goden dienen zult, zoo zal hij zicli omkeeren en hij zal u kwaad doen, en hij zal u verdoen naar dat hij u goed gedaan zal hebben. 21 Toen zeide het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen den Heere dienen. 22 Jozua nu zeide tot het volk: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den Heere verkoren hebt om hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen. 23 En nu, doet de vreemde goden weg die in het midden van u zijn, en neigt uwe harten tot den Heere den God Israels. 24 En liet volk zeide tot Jozua: Wij zullen den Heere onzen God dienen, en wij zullen zijner stemme gehoorzamen. 25 Alzoo maakte Jozua op dien dag een verbond met het volk, en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem. 2G En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam eenen grooten steen, en hij richtte dien daar op onder den |
RICHTEREN 1.
293
|
eik, flie bij het heiligdom des Heer ex was. 27 En Jozua zeide tothetgan-(?rhe volk: Zie, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn, want hij heeft gehoord alle de redenen des Heeren, die hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uwen God niet liegt. 28 Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel. 29 En het geschiedde r a deze dingen, dat Jozua, de zoon van. Nun, de knecht des Heeren, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren. 30 En zij begroeven hem inde landpale zijns erfdeels, te Tim-nath-Sérah, welke is op oenen berg Efraïms aan het noorden van den berg Gaiis. |
31 Israël nu diende den Heere alle de dagen van Jozua, en alle de dagen van de oudsten die lang na Jozua leefden, en die al het werk des Heeren wisten, hetwelk hij aan Israel gedaan had. 32 Zij begroeven ook de beenderen Jozefs, die de kinderen uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen Hemors, des vaders van Sichem, voor honderd stukken gelds; want zij waren den kinderen Jozefs ter erfenisse geworden. 33 Ook stierf Eleazar, de zoon Aarons ; en zij begroeven hem op den heuvel van Pinehas, zijnen zoon die hem gegeven was ge- I weest op het gebergte Efraïms. |
HET BOEK DER RICHTEREK
|
HOOFDSTUK 1. En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israëli den Heere vraagden: zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaii-niten, om tegen hen te krijgen? 2 En de Heere zeide: Ju da zal optrekken; zie, ik heb dat land in zijne hand gegeven. 3 Toen zeide Juda tot zijnen broeder Simeon: Trek met mij óp in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaaniten krijgen, zoo zal ik ook met u optrekken in inv lot. Alzoo toog Simeon met hem. 4 En Juda toog op, en de Heere gaf de Kanaaniten en de Fere-ziten in hunne hand, en zij sloegen ze bij Bezek, tienduizend man. 5 En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem, en zij sloegen de Kanaaniten en de Fereziten. 6 Doch Adoni-Bezek vluchtte ; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af. |
7 Toen zeide Adoni-Bezek:Zeventig Koningen met afghouwen duimen hunner handen en hunner voeten, waren onder mijne tafel de Ir ui me! s oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzóó heeft God mij vergolden. En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar. S Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen en met de scherpte des zwaards geslagen en zij hadden de stad in het vuur gezet. 9 En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen om te krijgen tegen de Kanaaniten, wonende in het gebergte en in het Zuiden en in de laagte. 10 En Juda was henengetogen tegen de Kanaaniten die te He-bron woonden, (de naam nu van Hebron was te voren Kirjath-Arba); en zij sloegen Sesai en Ahiman en Talmai. 11 En van daar was hij heen- |
|
204 RICHTI getogen tegen de inwoners van ; Debir; de naam nu van Debir j was te voren Kirjath-Séfer. 12 En Kaleb zeide: Wie Kir- i jatb-Séfer zal slaan en baar in- | nemen, dien zal ik ook mijne j dochter Achsa tor vrouw geven. 13 Toen nam Otlmiël haar in, de zoon van Keuaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kuleh gaf hem Achsa zijne doch- | ter tot eene vrouw. 14 En her, geschiedde als zij tot hem kwam, dat zij hen» aanporde om van haren vader een veld te begeeren; en zij sprong ! van den ezel af. Toen zeide Ka- j leb tot haar: Wat is u? 15 En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook watei wellingen. Toen gal Kaleb haar hooge wellingen en lage 1 wellingen. i 10 De kinderen van den Keniet, I den schoonvader van Mozes, togen ook uit de l'almstad op met de j kinderen van J uda, naar de woes- : tijn van Jnda, die tegen hetzui- ' den van Arad is; en zij gingen henen en woonden met het volk. 17 Jnda dan toog niet zijnen broeder .Simeon, en zij sloegen de Kanaaniten. wonende te Ze-fath, en zij verbanden ze, en men noemde den naam dezer stad 11 onna. 18 Daartoe nam Juda Gaza in met, hare landpale, en Askelon met hare landpale, en Ekronmet hare landpale. 19 En de H eehe was met Juda, dat. hij de iito oners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet. voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden. 20 En zij ga ven Hebron aan Kaleb, gelijk als M ozes gesproken had ; en hij verdreef van daar de drie zonen Enaks. 21 Doch de kinderen Benia-mins hebben de Jebusiten, te Je-ruzalem wonende, niet verdreven, maar de Jebusiten woonden met de kinderen Benjamins te Jeruzalem tot op dezen dag. 22 Eu het h uis Jozefs toog ook |
RE^ 1. op naar Beth-El, en de Heere was met hen. 23 En het huis Jozefs bestelde verspieders bij Beth-El: de naam nu dezer stad was te voren Luz. 24 En de wachters zagen eenen man uitgaande uit de stad, en zij zeiden tot hem: quot;Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen. 25 En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zoo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn gansche huisgezin lieten zij gaan. 26 Toen toog deze man in'het land der Hethiten, en hij bouwde eene stad en noemde haren naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag. 27 En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch hare onderhoo-rige plaatsen, noch Taanach met hare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met hare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met hare onderhoorige plaatsen: en de Kanaaniten wilden wonen in dat land; 28 en het geschiedde als Israël sterk werd, dat hij de Kanaaniten op cijns stelde, maar hij verdreef ze niet ganschelijk. 29 Ook verdreef Efraïm de Kanaaniten niet die te Gezer woonden, maar de Kanaaniten woonden in het midden van hem, te Gezer. 30 Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaaniten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar. 31 Aser verdreef de inwoners van Akko niet, noch de inwoners van Sidon, noch Ahlab, noch Achzib, noch Helba, noch Afik, noch Rehob; 32 maar _ ie Aseriten woonden in het midden der Kanaaniten die in het land woonden, want zij verdreven ze niet. 33 Naftali verdreef de inwoners van Beth-Sémes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaaniten die in het land woon- |
EICHTEREN 2.
295
|
lt;3en; doch de inwoners van Beth-Sémesen Betk-Anath werden hun cijnsbaar. 34 En de Amoritendiongende kinderen van Dan in het gebergte, want zij lieten hun niet toe af te komen in het dal; 35 ook wilden de Amoriten wonen op het gebergte, va a Heres, te Ajalon en te Saalbi:n; maar de hand van het imis Jozefs werd zwaar, zoodat zij cijnsbaar werden. 3(i En de landpale der Amoriten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen en opwaarts henen. HOOFDSTUK 2. En een Engel des Hef.rex kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en hij zeide: Ik heb nlieden nit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land dat ik uwen vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal mijn verbond met ulieden niet verbrekeniueeuwigheid ; 2 en ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands hunne altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt mijner stemme niet gehoorzaam geweest: waarom hebt gij dit gedaan ? 3 Daarom heb ik ook gezegd: Ik zal ze voor uw aangezicht niet uitdrijven, maar zij zullen uaan de zijden zijn, en hunne goden zullen u tot een strik zijn. 4 En het geschiedde als de Engel des HsEiiEN deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zoo hief het volk zijne stemme op en weende: 5 daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij ofier-den aldaar den Heeke. G Als Jozua het volk had laten gaan, zoo waren de kinderen Israels heengegaan een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten; 7 en het volk diende den Hee-ee alle de dagen van Jozua, en alle de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua, die gezien hadden al dat groote werk des Heeren, dat hij aan Israël gedaan had. |
8 Maar als Jozua, de zoon van Kun, de knecht des Heeren, gestorven was, honderd en tien jaar oud zijnde, 9 en zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels te Timnath-Héres, op eenen berg Efraïms tegen het noorden van den berg Gaiis, 10 en al dat geslacht óók tot zijne vaderen vergaderd was:zoo stond er een ander geslacht na hen op, dat den Heeke niet kende, noch ook het werk dat hij aan Israël gedaan had. 11 Toen deden de kinderen Is-raëls dat kwaad was in de oogen des Heeeeiquot;, en zij dienden de Baiils; 12 en zij verlieten den Heere, hunner vaderen God, die ze uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondom hen waren, en bogen zich daarvoor; en zij verwekten denllEE' re tot toorn, 13 want zij verl ieten den Heere en dienden Baal en de Astaroth. 14 Zoo ontstak des Heeren toorn tegen Israël, en hij gaf ze in de hand der roovers die ze beroofden, en hij verkocht ze in de hand hunner vijanden rondom, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht hunner vijanden: 15 overal waarhencn zij uittogen was de hand des Heeren tegen hen ten kwade, gelijl: als de Heere gesproken en gelijk als de Heere hun gezworen had, en hun was zeer bang. 16 En de Heere verwekte rich-teren, die ze verlosten uit de hand dergenen, die ze beroofden; 17 doch zij hoorden ook niet naar hunne richteren, maar hoereerden andere goden na en bogen zich daarvoor: welhaast weken zij af van den weg, dien hunne vaders gewandeld hadden, hoo-rende de geboden des Heeren; al zóó deden zij niet. 18 En wanneer de Heere hun richteren verwekte, zoo was de |
RICHTEREN 3.
296
|
Heere met den richter, en verloste ze uit de hand hunner vijanden alle de dagen des richters: want het berouwde den Heere, huns zuchtens halve vanwege degenen die ze drongen en die ze drukten. 19 Maar het geschiedde met het sterven des richters, dat zij omkeerden en het meer verdierven dan hunne vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende en zich daarvoor buigende: zij lieten niets vallen van hunne werken noch van dezen hunnen harden weg. 20 Daarom ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, dat hij zei-de: Omdat dit vulk mijn verbond heeft overtreden, dat ik hunnen vaderen geboden heb, en zij naar mijne stem niet gehoord hebben: ^ ^ ^ 21 zoo zal ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten als hij stierf, 22 opdat ik Israël door hen verzoeke of zij den weg des Heeren zullen honden, om daarin te wandelen gelijk als hunne vaderen dien gehouden hebben, of niet. 23 Alzoo liet de Heere deze heidenen blijven, dat hij ze niet haastelijk uit de bezitting verdreef, die hij in de hand van Jozua niet had overgegeven. HOOFDSTUK 3. Dit nu zijn de heidenen, die de Heere liet blijven om door hen Israël te beproeven, allen die niet wisten van alle de krijgen Kanaüns: 2 alleenlijk opdat de geslachten der kinderen Israels die wisten, opdat hij ze den krijg leerde, ten minste dengenen die daar te voren niet van wisten. 3 Vijf vorsten der Filistijnen, en alle de Kanaaniten, en de Si-doniërs, en de Heviten, wonende in het gebergte des Libanons, van den berg Baal-Hermon tot waar men komt te Hamath. |
4 Deze dan waren om Israël door hen te verzoeken, opdat men wist of zij de geboden des Heb-ren zouden hooren, die hij hunnen vaderen door de hand van Mozes geboden had. 5 Als nu de kinderen Israëls woonden in het midden der Kanaaniten, der Hethiten en der Amoriten en der Feresiten en der Heviten en der Jebusiten, 6 zoo namen zij zich derzelver dochteren tot vrouwen, en gaver» hunne dochteren aan derzelver zonen, en zij dienden hunne goden. 7 En de kinderen Israëls deden dat kwaad was in de oogen des Heeren, en vergaten den Heere hunnen God, en zij dienden de Baiils en de bosschen. 8 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, en hij verkocht hen in de hand van Ku-schan Rischataïm, Koning van Mesopotamia; en de kinderen Israëls dienden Kuschan Ivitscha-taïm acht jaren. 9 Zoo riepen de kinderen Israëls tot den Heere, en de Heere verwekte den kinderen Israels' eenen verlosser die ze verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij. 10 En de Geest des Heeren was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en de Heere gaf Kuschan Rischataïm, den Koning van Syrië, in zijne hand, dat zijne hand sterk werd over Kuschan Rischataïm, 11 Toen was het, land veertig jaar stil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf. 12 Maar do kinderen Israëls voeren voort te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren; toen sterkte de hef-re Eglon, den Koning der Moabiten, tegen Israël, omdat zij deden dat kwaad was in de oogen des Heeren. 13 En hij vergaderde tot zich de kinderen Amnions en do Ama-lekiten, en hij toog henen en sloeg Israël en zij namen do Palmstad ir. bezit. 14 En de kinderen Israëls dien» den Eglon, Koning der Moabiten, achttien jaar. |
RICHTER EN 4.
297
|
15 Toen riepen de kinderen Is-raëls tot den Heere, en de Heere verwekte hun eenen verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linksch was. Eu de kinderen Israels zonden door zijne hand een geschenk aan Eglon, den Koning der Moa-biten. 16 En Ehud maakte zich een zwaard dat twee scherpten had, wélks lengte eene el was; en hij gordde dat onder zijne kleederen aan zijne rechterheup. 17 En hij bracht aan Eglon, der Moabiten Koning, dat geschenk: Eglon nu was oen zeer vet man. 18 En het geschiedde als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zoo geleidde hij het volk, dat het geschenk gedragen had; 19 maar hij zelf keerde terug van de gesneden beelden die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb eene heimelijke zaak aan u, o Koning: welke zeide: Zwijg. Eu allen die om hem stonden gingen van hem uit. 20 En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in eene koele opperzaal, die hij voor zich alléén had; zoo zeide Ehud: Ik heb Gods^ woord aan u. Toen stond hij op van den stoel. 21 Ehud dan strekte zijne linkerhand uit, en nam het zwaard van zijne rechterheup, en stak het in zijnen buik, 22 dat ook het hecht achter het lemmer inging en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijnen buik), en de drek uitging. 23 Toen ging Ehud uit naar de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot. 24 Als hij uitgegaan was, zoo kwamen zijne knechten en zagen toe, èn zie, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zoo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijne voeten in de verkoelkamer. 25 Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, zie, zoo opende hij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open: en zie, hunlieder heer lag dood ter aarde. |
26 En Ehud ontkwam terwijl zij vertoefden; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Seïrath. 27 En het geschiedde als hij aankwam, zoo blies hij met de bazuin op het gebergte Efraïms; en de kinderen Israels togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezigt henen. 28 En hij zeide tot hen: Volgt mij na, want de Heere heeft uwe vijanden, de Moabiten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af hem na, en namen de veren van den Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan; 29 en zij sloegen de Moabiten, te dier tijd, omtrent tienduizend .. man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet een man ontkwam. 30 Alzoo werd Moab te dien dage onder Israels hand tenonder-gebracht; en het land was stil tachtig jaar. 31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath; die sloeg do Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok: alzoo verloste hij ook Israël. HOOFDSTUK 4. Maar de kinderen Israels voeren voort te deen dat kwaad was in de oogen des Heeren, als Ehud gestorven was. 2 Zoo verkocht ze de Heeue in de hand van Jabin, den koning der Kanaaniten, die te Ha-zor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera: dezelve nu woonde te Haróseth der heidenen. 3 Toen riepen de kinderen Israël s tot den Heere; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de kinderen Israels met geweld onderdrukt twintig jaar. 4 Debora nu, eene vrouw die eene Profetes was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte te dier tijd Israël; 5 en zij woonde onder den palmboom van Debora, tusschen i Rama en tusschen Beth-El, op 10* |
|
296 RICHT Heere met den richter, en verloste ze uit de hand hunner vijanden alle de dagen des richters: want liet berouwde den Heere, huns zuchtens halve vanwege degenen die ze drongen en die ze drukten. 19 Maar het geschiedde met het sterven des richters, dat zij omkeerden en het meer verdierven dan hunne vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende en zich daarvoor buigende: zij lieten niets vallen van hunne werken noch van dezen hunnen harden weg. 20 Daarom ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, dat hij zei-de: Omdat dit volk mijn verbond heeft overtreden, dat ik hunnen vaderen geboden heb, en zij naar mijne stem niet gehoord hebben: ^ 21 zoo zal ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten als hij stierf, 22 opdat ik Israël door hen verzoeke of zij den weg des Heeren zullen houden, om daarin te wandelen gelijk als hunne vaderen dien gehouden hebben, of niet. 23 Alzoo liet de Heere deze heidenen blijven, dat hij ze niet haastelijk uit de bezitting verdreef, die hij in de hand van Jozua niet had overgegeven. HOOFDSTUK 3. Dit nu zijn de heidenen, die de Heere liet blijven om door hen Israël te beproeven, allen die niet wisten van alle de krijgen Kanaüns: 2 alleenlijk opdat de geslachten der kinderen Israëls die wisten, opdat hij ze den krijg leerde, ten minste dengenen die daar te voren niet van wisten. 3 Vijf vorsten der Filistijnen, en alle de Kanaaniten, en deSi-doniërs, en de Heviten, wonende in het gebergte des Libanons, van den berg Baal-Hermon tot waar men komt te Hamath. 4 Deze dan waren om Israël door hen te verzoeken, opdat men |
SEEN 3. wist of zij de geboden des Hek-ren zouden hooren, die hij hunnen vaderen door de hand van Mozes geboden had. 5 Als nu de kinderen Israëls woonden in het midden der Kanaaniten, der Hethiten en der Amoriten en der Feresiten en der Heviten en der Jebusiten, 6 zoo namen zij zich derzelver dochteren tot vrouwen, en gaven hunne dochteren aan derzelver zonen, en zij dienden hunne goden. 7 En de kinderen Israëls deden dat kwaad was in de oogen des Heeren, en vergaten den Heere hunnen God, en zij dienden de Baiils en de bosschen. 8 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, en hij verkocht hen in de hand van Ku-schan Rischataïm, Koning van Mesopotamië; en de kinderen Israëls dienden Kuschan Ivitscha-taïm acht jaren. 9 Zoo riepen de kinderen Israëls tot den Heere, en de Heere verwekte den kinderen Israels* eenen verlosser die ze verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij. 10 En de Geest des Heeren was over hem, en hij riclitte Israël, en toog uit ten strijde; en de Heere gaf Kuschan Rischataïm, den Koning van Syrië, in zijne hand, dat zijne hand sterk werd over Kuschan Rischataïm, 11 Toen was het land veertig jaar stil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf. 12 Maar de kinderen Israëls voeren voort te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren; toen sterfte de Heere Eglon, den Koning der Moabiten,tegen Israël, omdat zij deden dat kwaad was in de oogen des Heeren. 13 En hij vergaderde tot zich de kinderen Amnions en do Ama-lekiten, en hij toog henen en sloeg Israël en zij namen do Palmstad i i bezit. 14 En de kinderen Israëls dienden Eglon, Koning der Moabiten, achttien jaa,r. |
RICHTER EN 4.
297
|
15 Toen riepen de kinderen Israels tot den Heere, en de Heere verwekte hun eenen verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linksch was. En de kinderen Israels zonden door zijne hand een geschenk aan Eglon, den Koning der Moa-biten. 16 En Ehud maakte zich een zwaard dat twee scherpten had, wélks lengte eene el was; en hij gordde dat onder zijne kleederen aan zijne rechterheup. 17 En hij bracht aan Eglon, der Moabiten Koning, dat geschenk: Eglon nu was oen zeer vet man. 18 En het geschiedde als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zoo geleidde hij het volk, dat het geschenk gedragen had; 19 maar hij zelf keerde terug van de gesneden beelden die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb eene heimelijke zaak aan u, o Koning: welke zeide: Zwijg. Eu allen die om hem stonden gingen van hem uit. 20 En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in eene koele opperzaal, die hij voor zich , alléén had; zoo zeide Ehud: Ik ! heb Gods^ woord aan u. Toen â stond hij óp van den stoel. 21 Ehud dan strekte zijne lin- ! kerhand uit, en nam het zwaard van zijne rechterheup, en stak het ! in zijnen buik, 22 dat ook hot hecht achter ⢠het lemmer inging en het vet om | het lemmer toesloot (want hij | trok liet zwaard niet uit zijnen , buik), en de drek uitging. 23 Toen ging Eiiud uit naar de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot. 24 Als hij uitgegaan was, zoo kwamen zijne knechten en zagen toe, èn zie, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zoo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijne voeten in de verkoelkamer. 25 Als zij nu tot schamens toe f;ebeid hadden, zie, zoo opende lij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open: en zie, hunlieder heer lag dood ter aarde.;ebeid hadden, zie, zoo opende lij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open: en zie, hunlieder heer lag dood ter aarde. |
26 En Ehud ontkwam terwijl zij vertoefden; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Seïrath. 27 En het geschiedde als hij aankwam, zoo blies hij met de-bazuin op het gebergte Efraïms; en de kinderen Israels togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezigt henen. 28 En hij zeide tot hen: Volgt mij na, want de Heere heeft uwe vijanden, de Moabiten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af hem na, en namen de veren van den Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan; 29 en zij sloegen de Moabiten, te dier tijd, omtrent tienduizend .. man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet een man ontkwam. 30 Alzoo werd Moab te dien dage onder Israëls hand tenonder-gebracht; en het land was stil tachtig jaar. 31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath; die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok: alzoo verloste hij ook Israël. HOOFDSTUK 4. Maar de kinderen Israels voeren voort te deen dat kwaad was in de oogen des Heeren, als Ehud gestorven was. 2 Zoo verkocht ze de Heere in de hand van Jabin, den koning der Kanaaniten, die te ITa-zor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera: dezelve nu woonde te Haróseth der heidenen. 3 Toen riepen de kinderen Israëls tot den Heere; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de kinderen Israëls met geweld onderdrukt twintig jaar. 4 Debora nu, eene vrouw die eene Profetes was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte te dier tijd Israël; 5 en zij woonde onder den palmboom van Debora, tusschen Barna en tusschen Beth-El, op 10* |
|
298 KICHT het gebergte Efraïms; en de kindoren Israels gingen tot haar óp ten gerichte. 6 En zij zond henen en riep Barak, den zoon Abinóanis van Kedes-Naftali, en zij zeide tot hem: Heeft de Heere de God Israels niet geboden: Ga henen en trek op den berg Tabor, en neem met u tienduizend man van de kinderen van Nnftali en van de kinderen van Zebulon; 7 en ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, Jabins krijgsoverste, met zijne wagenen en zijne menigte, en ik zal hem in uwe hand geven? S Toen zeide Barak tot haar: Indien gij met mij trekken zult, zoo^ zal ik henentrekken; maar , indien gij niet met mij zult trekken, zoo zal ik niet trekken. 9 En zij zeide: Ik zal zeker-Jijk met u trekken, behalve dat de eere uavc niet zal zijn op dezen weg dien gij wandelt; want de Heere zal Sisera verkoopen in do hand eener vrouw. Alzoo maakte Debora zich op en toog met Barak naar Kedes. 10 Toen riep Barak Zebulon en Kaftali bijéén te Kedes, en hij toog óp op zijne voeten, wie/-tienduizend man; ook toog Debora met hem op. 11 Heber nu de Koniet had zich afgezonderd van Kain, uit de kinderen van Hobab, Mozes' schoonvader, en hij had zijne tenten opgeslagen tot aan den eik in Zaannaïm, die bij Kedes is. 12 Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, Abinoams zoon, op den berg Tabor getogen was. 13 Zoo riep Sisera alle zijne wagenen bijéén, negenhonderd ijzeren wagenen en al het volk dat met hem was, van Haruseth der heidenen tot de beek Kison. 14 Debora dan zeide tot Barak: Maak u óp, want dit is de dag in welken de Heere Sisera in uwe hand gegeven heeft: is de Heere niet voor uw aangezicht henen uitgetogen? Zoo trok Barak van den berg Tabor af, en tienduizend man achter hem. 15 En de Heere versloeg Sisera, |
EREN 4. met alle zijne wagenen en het gansche heirleger, door de scherpte des zwaards, voor Baraks aangezicht; dat Sisera van den wagen afklom en vluchtte op zijne voeten. 16 En Barak jaagde ze na, achter de wagenen en achter het heirleger, tot aan Haróseth der heidenen; en het gansche heirleger van Sisera viel door de scherpte des zwaards, dat er niet overbleef tot één toe. 17 Maar Sisera vluchtte op zijne voeten naar de tent van Jnël, de huisvrouw van Heber den Ke-niet; want^ daar was vrede tus-schen Jabin, den Koning van Hazor, en tusschen het huis van Heber den Keniet. 18 Jaël nu ging uit, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn hoer, wijk in tot mij, vrees niet. En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met eene deken. 19 Daarna zeide hij tot haar: Geef inij toch een weintg water te drinken, want mij dorst. Toen opende zij eene melkilesch en gaf hem te drinken, en dekte hem toe. 20 Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der Tent; en het zij, zoo iemand zal komen en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand. 21 Daarna nam Jaël, Hebers huisvrouw, eenen nagel der tent, en groep eenen hamer in hare hand, en ging stillekens tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns lioofds, dat hij in de narde vast werd; hij nu wasmot eenen diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf. 22 En zie. Barak vervolgde Sisera, en Jaël ging uit hem tegemoet, en zeide tot hem; Kom,en ik zal n den man wijzen dien gij zoekt. Zoo kwam hij tot haar in, en zie. Sisera lag dood, en de nagel was in de slaap zijns hoofda. 23 Alzoo heeft God te dien dage Jabin, den Koning van Kanatin, tenondexgébrarht voor het aangezicht dor kinderen Israels. |
|
RICHT] 24 En do hand der kinderen Isruëlfi ginf? steeds voort en werd hard over Jabin, den Koning van Kanaan, totdat zij Jabin, den Koning van Kanaan hadden uitgeroeid. hoofdstuk: s. Voorts zong Debora en Barak, de zoon Abinóams, tenzelfden dage, zeggende: 2 Looft den Heeee vanwege het wreken der wraken in Israël, vanwege dat liet volk zich gewillig heeft aangeboden. 3 Hoort, gij Koningen, neemt ter oore, gij Vorsten. Ik, den Heeee zal ik zingen, ik zal den Heeee den God Israels psalmzingen. Heeee, toen gij voorttoogt van Seïr, toen gij daarhenen traadt van den velde Edoms, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water. 5 De bergen vervloten van het aangezicht des Heerex, zelf Si-naï van het aangezicht des Hee-ken des Gods Israels. 6 In de dagen Sam gars, des zoons van Anath, in de dagen Jaëls, hielden de wegen op, en die op paden wandelden gingen kromme wegen. 7 De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, eeno moeder in Israël. 8 Verkoos hij nienwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of eene spies, onder veertigduizend in Israël ? 9 Mijn hart is tot de wetgevers van Israël, die zich gewillig aangeboden hebben onderden volke: looft den Heere. 10 Gij die op witte ezelinnen rijdt, gij die aan het gerichte zit, en gij die overweg wandelt, spreekt er van. 11 Van het gedrnisch der schutteren, tuHsehen de plaatsen waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheden des Heerex, van de gerechtigheden hetce~.cn aan zijne dorpen |
HEN 5. 299 in Israël: toen ging des Heeren volk af tot de poorten. 12 Waak óp, waak óp, Debora, waak óp, waak óp, spreek een lied; maak n óp, Barak, en leid uwe gevangenen gevangen, gij zoon Abinóams. 13 Toen deed hij den overgeblevene heerschen over de heerlijken onder den volke; de Heere doet mij heerschen over de geweldigen. 14 Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uwe volken. Uit Ma-chir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers. 15 Ook waren de Vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar alzoo was Barak; op zijne voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot. 16 Waarom bleeft gij zitten tusschen de stallingen, om tehoo-ren het geblaat der kudden? De gedeelten van Ruben hadden groote onderzoekingen des harten. 17 Gilead bleef aan gene zijde van den Jordaan; en Dan, waarom onthield hij z'ch in schepen ? Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijne gescheurde plaatsen. 18 Zebulon, het is een volk Jai zijne ziel versmaad hoeft ten doode, insgelijks Naliali, op do hoogte des vei cl s. 1!) De Koningen kwamen, zij streden; toen streden de Koningen van Kanaan, te Thaiinach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin dea zilvers daarvan. 20 Van den hemel streden zij, de sterren uit hare loopplaatsen streden tegen Sisera. 21 De beek Kison wentelde ze weg, de beek Kedumim, de beek Kison; vertreed, o mijne ziele, de sterken. 22 Toen werden de paardenhoeven verpletterd van het rennen, het rennen zijner machtigen. 23 Vloekt Meroz, zegt de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk, omdat zij niet geko- |
RICHTEREK 6.
300
|
men zijn tot do liulpe des IIee-ren, met de helden. 24 Gezegend zij boven de vrou-wen Jaël, Hebers des Ken iters huisvrouw; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tei)t. 25 quot;Water eischte hij, melk gaf zij; in eene heerenschaal bracht zij boter. 20 Hare hand sloeg zij aan den nagel, en hare rechterhand aan den hamer der arbeidsliedeu ; en zij klopte Sisera, zij streek zijn hoofd af, als zij zijnen slaap had doornageld en doorboord. 27Tusschen hare voeten kromde hij zich,. ^ iel henen, lag daar neder; tusschen hare voeten kromde hij zich, hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden. 2S De moeder van Sisera keek uit door het venster, en schreeuwde door de traliën: Waarom vertoeft zijn wagen te komen, waarom blijven de gangen zijner wage-nen achter? 29 De wijsten harer staatsvrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij hare redenen aan zichzelve: 30 Zouden zij dan den buit niet vinden^ en deelen, één liefje of twee liefjes voor iederen man? Voor Sisera een buit van verscheidene verven, een buit van verscheidene verven, gestikt; van verscheiden verf, aan beide zijden geslikt, voor de buithalzen. 31 Alzóo moeten omkomen alle uwe vijanden o Heeke: wie hem daarentegen liefhebben moeten zijn als wanneer de zon opgaat in hare kracht. En het land was stil veertig jaar. HOOFDSTUK 6. Maar de kinderen Israels deden wat kwaad was in de oogen des Heeren; zoo gaf ze de Heeee in de hand der Midianiten, zeven jaren. 2 Als nu der Midianiten hand sterk werd over Israël, maakten ; zich de kinderen Israels vanwege de Midianiten de holen die in de bergen zijn, en de spelonken, ©d de vestingen. |
3 Want het geschiedde als Israël gezaaid had, zoo kwamen de Midianiten op, en deAmale-kiten, en^ die van het Oosten kwamen óók op tegen hem; 4 en zij legerden zich legen hen, en verdierven de opkomst des lands tot waar gij komt te Gaza, en zij lieten geenen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os noch ezel. 5 Want zij kwamen óp met hun vee en hunne tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hunne kemelen niet tellen konde; en zij kwamen in het land om dat te verderven. 6 Alzoo werd Israël zeer verarmd vanwege de Midianiten. Toen riepen de kinderen Israels tot den Heere. 7 En het geschiedde als de kinderen Israels tot den Heere riepen ter oorzake van de Midianiten, 8 zoo zond de Heere een man, die een Profeet was, tot de kinderen Israëls; die zeide tot hen: Alzóó zegt de Heere de God Israëls: Ik heb u uit Egypte doen opkomen en u uit den dienst-huize uitgevoerd, 9 en ik heb u verlost van de hand der E^yptenaren, en van de hand aller die u drukten; en ik heb ze voor uw aangezicht uitgedreven en u hun land gegeven; 10 en ik zeide tot ulieden: Ik ben de Heere uw God, vreest de goden der Amoriten niet in welker land gij woont; maar gij zijt mijner stemme niet gehoorzaam geweest. 11 Toen kwam een Engel des Heeren en zette zich onder den eik, die te Olra is, welke Joas den Abiëzriet toekwam; en zijn zoon Gideon corschte tarwe bij de pers, om die te bergen voor het aangezicht der Midianiten. 12 Toen verscheen hem de Engel des Heeren en zeide tot hem: De Heere is met u, gij strijdbare held. 13 Maar Gideon zeide tot hem: Och mijn heer, zoo de Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? En waar zijn alle zijne wonderen, die onze |
é
|
KICHTj Td'-lers ous verteld hebben, zeg-geude: Heeft ons de Heere niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft de Heere ons verlaten en heeft ons in der Midianiten hand gegeven. 14 Toen keerde zich cle Heere tot hem, en zeide: Ga henen in deze mve kracht, en gij zult Israël uit der M idianiten hand verlossen: heb ik u niet gebonden ? 15 En hij zeide tot hem; Och mijn heer, waarmede zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis. 10 En de Heere zeide tot hem: Omdat ik met u zal zijn, zoo zult gij de Midianiten slaan als eeuen eenigen man. _ 17 En hij zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo doe mij een tee-ken dat gij het zijt die met mij spreekt. 18 Wijk toch niet van hier, totdat ik tot u kome en mijn geschenk uitbrenge en u voorzette. En hij zeide: Ik zal blijven totdat gij wederkomt. 19 En Gideon ging in en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van eene efa meel; het vleesch leide hij in eenen korf, en het nat deed hij in eenen pot; en hij bracht het tot hem uit tot onder den eik, eu zette het neder. 20 Doch de Engel Gods zeide tot hem; Neem het vleesch en de ongezuurde koeken en leg ze op dien rotssteen, en giet het sop uit: en hij deed alzoo. 21 En de Engel des Heeregt;t stak het uiterste van den staf uit, die in zijne hand was, en roerde het vleesch en do ongezuurde koeken aan: toen ging er vuur óp uit de rots en verteerde het vleesch en de ongezuurde koeken. En de Engel des Herren k^ram weg uit zijne oogen. 22 Toen zag Gideon dat het een Engel des Heere.n' was, en Gideon zeide: Ach Heere Heere, daarom omdat ik een Engel des IIeeren gezien heb van aangezicht tot aangezicht. |
EREN 6. 301 23 Doch de Heere zeide tot i hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven. 24 Toen bouwde Gideon aldaar den Heere een altaar, en noemde ; het: De Heere is vrede. Het is nog tot op dezen dag in Ofra der Abiëzriten. 25 En het geschiedde in dienzelfden nacht dat de Heere tot hem zeide; Neem eenen var van de ossen die uws vaders zijn, te weten den tweeden var van zeven jaren; en breek af het altaar des Baals, dat uws vaders is, en houw af het bosch dat daarbij is; 26 en bouw den Heere uwen God een al taar op de hoogte dezer sterkte, in eene bekwame plaats; en neem den tweeden var, en | offer een brandoffer met het iiout 1 der haag, die gij zult hebben afgehouwen. 27 Toen nam Gideon tien mannen uit zijne knechten, en deed gelijk als de Heere tot hem gesproken had. Doch het geschiedde dewijl hij zijns vaders huis en de mannen van die stad vreesde om het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht. 28 Als nu de mannen van die stad des morgens vroeg opstonden, zie, zoo was des Baals altaar omgeworpen, en de haag die daarbij was afgehouwen, en die tweede var was op het gebouwde altaar geofferd. 29 Zoo zeide zij de één tot den ander: Wie heeft dit stuk gedaan? en als zij onderzochten en navraagden, zoo zeide men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit stuk gedaan. OvJ Toen zeiden die mannen van die stad tot Joas: Breng uwen zoon uit dat hij sterve, omdat hij het altaar des Baiils heeft omgeworpen, en omdat hij de haag die daarbij was afgehouwen heeft. 31 Joas daarentegen zeiden tot allen die bij hem stonden: Zult gij voor den Baal twisten, zult gij hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog dezen morgen gedood worden. Indien hij een 1 God is, hij twiste voor zichzelven. |
|
302 KICHT omdat men zijn altaar heeft omgeworpen. 32 Daarom noemde hij hem te dien dage Jerubbaal, zeggende : Baal twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen. 33 Alle Midianiten nu en Ama-leldten en de kinderen van het Oosten waren samenvergaderd, en zij trokken over en legerden zich in het dal Jizreëla. 34 Toen toog de Geest des Heeken Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abiëzriten werden achter hem bijeengeroepen : 35 ook zond hij boden in gansch Manasse, en die werden óók achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser en in Zebuluii en in Naftali, en zij kwamen óp hun tegemoet. 30 En Gideon zcide tot God: Indien gij Israël door mijne hand zult verlossen, gelijk als gij gesproken hebt, 37 zie, ik zal een wollen vlies op den vloer leggen: indien dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de gansch e aarde, zoo ik vreten dat gij Israël door mijne hand zult verlossen,gelijk als gij gesproken hebt. 38 En het geschiedde alzoo; want hij stond des anderen daags vroeg^op en drukte het vlies uit, en hij wrong den dauw uit het vlies, eene schaal vol water. 30 En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij dat ik alleenlijk ditmaal spreek; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies beproeven: daar zij toch droogte op het vlies alleen, en op de gansch e aarde zij dauw. 40 En God deed alzoo in dienzelfden nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de gansche aarde was dauw. HOOFDSTUK 7. Toen stond Jerubbaal (dewelke is Gideon) vroeg op, en al het volk dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Ilarod, dat hij het heirleger der Midianiten had tegen het Noor- |
3REN 7. den, achter den heuvel Moré in het dal. 2 En de Heere zeide tot Gideon: Des volks is te veel hetwelk met u is, dat ik de Midianiten in hunne hand zoude geven; opdat zich Israël niet tegen mij bero§me, zeggende: Mijne hand heeft mij verlost. 3 Nu dan, roep nu uit voorde ooren des volks, zeggende: Wie bloode en versaagd is die keerc weder en spoedde zich naar het gebergte Gileads. Toen keerden uit het volk weder tweeëntwintigduizend dat er tienduizend overbleven. 4 En de Heere zeide tot Gideon: Nog is des volks te veel: doe ze afgaan naar het water, en ik zal ze u aldaar beproeven: en het zal geschieden van welken ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal metu trekken;maar al degenen van welken^ ik tot u zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken. 5 En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zeide de Heeke tot Gideon: Al wie met zijne tong uit het water zal lekken, gelijk als een hond zoude lekken, dien zult gij alléén stellen; desgelijks al wie op zijne knieën zal bukken om te drinken. 6 Toen was het getal dergenen, die met hunne hand tot hunnen mond gelekt hadden driehonderd man, maar alle overigen des volks hadden op hunne knieën gebukt om water te drinken. 7 En de Heere zeide tot Gideon : Door deze driehonderd mannen die gelekt hebben zal ik ulieden verlossen, en de Midianiten in uwe hand geven: daarom laat al dat^ volk weggaan een ieder naar zijne plaats. 8 En het volk nam den teerkost in hunne hand, en hunne bazuinen, en hij liet alle die mannen van Israël gaan een iegelijk naar zijn tent, maar die driehonderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianiten beneden in het dal. 9 En het geschiedde in denzelfden nacht dat de Heere tot |
RICHTER EN 7.
303
|
hem zeide; Sta op, ga henen af in liet leger, want ik heb het in uwe hand gegeven. 10 Vreest gij dan nog af te gaan, zoo ga af, gij en Pura uw jongen, naar het leger; 11 en gij zult hooren wat zij zullen spreken, en daarna zullen uwe handen gesterkt worden, dat gij aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af met Pura zijnen jongen tot het uiterste der schildwachten, die in het leger waren. 12 En de Midianiten en Ame-lekiten en alle de kinderen van liet Oosten lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hunne kemelen waren ontallijk, gelijk het zand dat aan den oever der zee is in menigte. 13 Toen nu Gideon aankwam, zie, zoo was er eon man die zijnen metgezel eenen droom vertelde, en zeide: Zie,ik heb eenen droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger der Midianiten, en het kwam tot aan de teat, en eloeg ze dat ze viel, en keerde ze óm het onderste boven, dat de tent daar lag. 14 En zijn metgezel antwoordde en zeide: Dit is niet anders dan het zwaard Gideons, des zoons van Joas, des Israëlitisclien mans: God heeft de Midianiten en dit gansche leger in zijn hand gegeven. 15 En het geschiedde als Gideon de vertelling dezes drooms en zijne uitlegging hoorde, zoo aanbad hij; en hij keerde weder tot het leger Israels, en zeide: Maakt u óp, want de Heere heeft het leger der Midianiten in ulie-der hand gegeven. 16 En hij deelde do driehonderd man in drie hoopen; en hij gaf eenen iegelijken eene bazuin in zijne hand, en ledige krniken, en fakkelen in het midden der kruiken; 17 en hij zeide tot hen: Ziet naar mij en doet alzóó; en zie, als ik zal komen aan het uiterste des legers, zoo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen alzóó zult gij doen; |
18 als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen die met mij zijn, dan zult gijlieden óók met de bazuin blazen, rondom het gansche leger, en gij zult zeggen: Voor den Heere en voor Gideon. 19 Alzoo kwam Gideon en honderd mannen die met hem waren in het uiterste des legers, in het begin van de middelste nachtwake, als zij maar even de wachters gesteld hadden en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken die in hunne hand waren in stukken. 20 Alzoo bliezen de drie hoopen met de bazuinen, en braken do kruiken: en zij hielden met hunne linkerhand de fakkelen, en^ met hunne rechterhand de bazuinen om te blazen, en zij riepen : Het zwaard des Heeren en Gideons. 21 En zij stonden een iegelijk in zijne plaats rondom het leger. Toen verliep het gansche leger, en zij schreeuwden en vloden. 22 Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zoo zette de Heeiie het zwaard des éénen tegen den anderen, en dat in het gansche leger; en het leger vluchtte tot Beth-Sitta toe naar Zere-dath, tot aan de grens van Abel-Mehola boven Tabbath. 23 Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen uit Nafiali en uit Aser en uit gansch Ma-nasse en zij jaagden de Midianiten achterna. 24 Ook zond Gideon boden in het gansche gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af, den Midianiten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren tot aan Beth-Bara, te weten den Jordaan: alzoo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Betli-Bara en den Jordaan. 25 En zij vingen twee Vorsten der Midianiten, Oreb en Zeebeen doodden Oreb op den rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in d,e perskuip Zeëb, en vervolgden de Midianiten; ew zij brachten do hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon over den Jordaan. |
RICHTEREN 8.
304
|
HOOFDSTUK 8. Toen zeiden de mannen Tan Efraïm tot hem: Wat stuk is dit dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept toen gij henentoogt om te strijden tegen de Midiani-ten? En zij twistten sterk met hem. 2 Hij daarentegen zei de tot hen: Wat heb ik nu gedaan gelijk gijlieden ? zijn niet Efraïms nalezingen beter dan de wijnoogst van Abiëzer? 3 God heeft de Vorsten der Midianiten, Oreb en Zeëb, in uwe hand gegeven: wat heb ik dan kunnen doen gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. 4 Als nu Gideon gekomen was aan den Jordaan, ging hij over met de driehonderd mannen die bij hem waren, zijnde moede, nochthans vervolgende; 5 en hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geef toch eenige bollen brood aan het volk dat mijne voetstappen volgt, want zij zijn moede, en ik jaag Zebah enZal-muna de Koningen der Midianiten, achterna. G Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Zalmuna aireede in uwe hand, dat wij uwenheire brood zouden geven? 7 Toen zeide Gideon: Daarom, als de Heep.e Zebah en Zalmuna in mijne hand geeft, zoo zal ik uw vleesch dorschen met doornen der woestijn en met distelen. 8 En hij toog van daar op naar Pnuël, en sprak tot hen desgelijks, en de lieden van Pnuël antwoordden hem gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden. _ 9 Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuël zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik dezen toren afwerpen. 10 Zebah nu en Zalmuna waren te K ark or, en hunne legers met hen, omtrent vijftien duizend, alle de overgeblevenen van het gansche leger der kinderen van het Oosten, en de gevallenen waren honderd en twintigduizend j mannen die het zwaarft uirtrok-! ken. |
i 11 En Gideon toog opwaart», den weg dergenen die in tenten wonen, tegen het oosten van No-bah en Jogbeha; en Iiij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. 12 En Zebah, en Zalmuna vlo-i den; ^ doch hij _ jaagde ze na, en ! hij ving de beide Koningen der ' Midianiten Zebah en Zalmuna, en verschrikte het gansche leger. 13 Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, vóór den opgang der zon, 14 zoo ! ving hij cenen jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; dieschreefhem óp de oversten van Sukkoth en hunne oudsten, zevenenzeventig mannen. 15 Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Zietdaar Zebah en Zalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Zalmuna aireede in uwe hand, dat wij uwen mannen die moede zijn brood zouden geven? 16 En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijnen distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan. 17 En den toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de lieden der stad. 18 Daarna zeide hij tot Zebah en Zalmuna: Wat waren het voor mannen, die^ gij te Tabor dood-eloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzóó waren zi., éénerlei, van gedaante als koningszonen. 19 Toen zeide hij: Het waren mijne broeden!, mijner moeder zonen: zoo waarlijk als de Heeke leeft, zoo gij ze hadt laten leven, ik zoude ulieden niet dooden. 20 En hij zeide tot Jether zijnen eerstgeborene: Sta op, dood ze, maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was. 21 Toen zeiden Zebah en Zalmuna: Sta gij o;.) en val op ons aan, want naardat de man is, zoo is zijne macht. Zoo stond Gideon |
â
RICH TE REN 9.
305
|
op en doodde Zebah en Zalmnna, en nam do maantjes die aan hunner kemel en halzen m.ren. 22 Toen zeiden de mannen van Israël tot Gideon: Heerscli over ons, zoo gij als uw zoon en uw zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianiten hand verlos-: hebt. 23 Maar Gideon zeide tot hen: ik zal over u niet heersohen ook zal mijn zoon over u niet heer-schen: de Heeke zal over u heer-schen. 24 Voorts zeide Gideon tot hen: Eéne begeerte zal ik van u be-geeren: geeft mij maar een ? egel ij k een voorhoofdsiersel van zijnen roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaëliten waren. 25 En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijnen roof. 26 En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die Irj begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes en ketenen en purperen kleederen, die de Koningen der Midianiten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de hulzen hunner kemelen geweest waren. 27 En Gideon maakte daarvan eenen efod, en stelde dien in zijne stad Ofra: en gansch Israël hoereerde aldaar dcnzelven na, en het werd Gideon en zijnen huize tot een valstrik. 28 Alzoo werden de Midianiten tenondergebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaar in de dagen Gideons. 29 En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis. 30 Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijne heup voortgekomen waren, want hij had vele vrouwen; 31 en zijn bijwijf hetwelk te Sichem was, dat baarde hem óók eenen zoon, en hij noemde zijnen naam Abimólech. |
32 En Gideon, de zoon van Joas,^stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf zijns vaders Joas, te Ofra, des Abiezriets. 33 En het geschiedde als Gideon gestorven^ was, dat de kinderen Israels zich omkeerden en de Baals nahoereerden; en zij stelden zicli Baal-Berith tot eenen god. 3'1 En de kinderen Israels dachten niet aan den Heeke hunnen God, die ze gered had van do hand aller hunner vijanden van rondom. 35 En zij deden geene weldadigheid bij den huize Jerubbaals, dat is Gideons, naar al het goede dat hij bij Israël gedaan had. HOOFDSTUK 9. Abimélech nu, de zoon van Jerubbaal, ging henen naar Sichem tot de broeders zijnermoe-I der, en hij sprak tot hen en tot het gansche geslacht van den huize des vaders zijner moeder, i zeggende: 2 Spreekt toch voor de ooren aller burgeren van Sichem: Wat ; is nu beter, dat zeventig mannen, alle zonen Jerubbaals, over u heerschen, of dat één man over u heersche? Gedenkt ook dat ik : uw been en uw vleesch ben. i 3 Toen spraken de broeders | zijner moeder van hem voor do ! ooren van alle burgeren van Si-i chem alle dezelfde woorden; en : hun hart neigde zich naar Abi-I mélech, want zij zeiden: Hij is i onze broeder. i _4 En zij gaven hem zeventig ⢠zilverlingen uit het huis van Baal-Berith, en Abimélech huurde daarmede ij dele en licht vaardige j mannen die hem navolgden. 5^ En hij kwam in zijns vaders huis te Ofra, en doodde zijne broederen, de zonen Jerubbaals, zeventig mannen, op éénen steen; i doch Jotham, Jerubbaals jongste ! zoon, werd overgelaten, want hij I had zich verstoken. 6 Toen vergaderden zich alle : burgeren van Sichem, en het I gansche huis van Millo, en gin-â gen henen en maakten Abimé- |
EICHTEEEN 9.
306
|
lech ten Koning bij den lioogen eik, die bij Sichem. is. 7 Als zij dit Jothamaanzeiden zoo ging hij henen en stond op de hoogte des bergs Gerizim, en verhief zijne stem en riep, en hij zei do tot hen: Hoort naar mij, gij burgeren van Sichem. en God zal naar ulieden hooren. 8 De boomen gingen eens henen om eenen Koning over zich te zalven, en zij zeiden tot den olijfboom: Wees gij Koning over ons. 9 Maar de olijfboom zeide tot hen; Zoude ik mijne vettigheid verlaten, die God en de mensehen in mij prijzen, en zoude ik henengaan om te zweven over de boomen? 10 Toen zeiden de boomen tot den vijgeboom: Kom gij wees Koning over ons. 11 Maar de vijgeboom zeide tot beu; Zoude ilc mijne zoetigheid en mijne goede vrucht verlaten, en zoude ik henengaan om te zweven over de boomen? 12 Toen zeiden de boomen tot lt;len wijnstok: Kom gij, wees Koning over ons. 13 Maar de wijnstok zeide tot hen: Zoude ik mijnen most verlaten, die Godenmenschen vroo-lijk maakt, en zoude ik henengaan om te zweven over de boomen ? 14 Toen zeiden alle de boomen tot den doornenbosch: Kom gij, wees Koning over ons. 15 En de doornenbosch zeide tot de boomen: Indien gij mij in der waarheid tot eenen Koning over u zalft, zoo komt, vertrouwt u onder mijne schaduw, maar indien niet, zoo ga vuur uit den doornenbosch en vertere de cederen des Libanons. 16 Alzoo nu, indien gij het in waarheiden oprechtigheid iredaan heb:, dat gij Abimélech Koning gemaakt hebt, en indien gij welgedaan hebt bij Jerubbaal en bij zijn huis, en indien gij hem naaide verdienste zijner handen gedaan hebt; 17 (want mijn vader heeft voor ulieden gestreden, en hij heeft zijne ziele ver weggeworpen, en |
u uit der Midianiten hand gered; 18 maar gij zij t heden opgestaan te^en het huis mijns vaders, en hebt zijne zonen, zeventig mannen, op éénen steen gedood; en gij hebt Abimélech, een zoon zijner dienstmaagd. Koning gemaakt over de burgeren van Sichem, omdat hij uw broeder is); 19 indien gij dan in waarheid en in oprechtigheid bij Jerubbaal en bij zijnen huize te dezen dage gehandeld hebt, zoo weest vroolijk over Abimélech, en hij zij óók vroolijk over ulieden; 20 maar indien niet, zoo ga vuur uit van Abimelerh, on ver- j tere de burgeren van Sichem en | het huis van Millo; en vuur ga i uit van de burgeren van Sichem ' en van den huize van Millo, en ! vertere Abimélech. I 21 Toen vlood Jotham, en 1 vluchtte en ging naar Beer, en ! hij woonde aldhar vanwege zijnen broeder Abimélech. 22 Als nu Abimélech drie ja-i ren over Israël geheerscht had, i 23 zoo zond God eenen boozen j geest tusschen Abimélech en tus-i schen do burgeren van Sichem, j en de burgeren van Sichem lian-| delden trouwelooslijk tegen Abimélech; j 24 opdat het geweld gedaan i aan de zeventig zonen Jerub-I baals, kwame en opdat hun bloed , gelegd wierd op Abimélech hun-i nen broeder, die ze gedood had, ! en op de burgeren van Sichem, i die zijne handen gesterkt hadden om zijne broederen te dooden. 25 En de burgeren van Sichem r bestelden tegen hem die op de i hoogten der bergen lagen leiden, 1 en al wie voorbij hen op den weg j doorging beroofden zij; en het ^ werd Ambimélech aangezegd. 26 Gaiii, de zone Ebeds, kwam ook met zijne broederen, en zij gingen over in Sichem, en de i burgeren van Sichem verlieten ! zich op hem; 27 en zij togen uit in het veld, en lazen hunne wijnbergen af, en traden (h' druiven, en maakten loiliedekens; en zij gingen |
RICIITEREN 9.
307
|
in het huis huns gods, en aten | en dronken, en. vloekten Abi-mélech. 28 En Gaal, de zoon van Ebed, | zeide: Wie is Abimélecli, en wat i is Sichem, dat wij hem dienen I zouden? Is liij niet Jenibbaals zoon, en Zeb-.il zijn bevelhebber? Dient liever de mannen Kemors, des vaders van Sichem; want waarom zonden wij hem dienen? 29 Och, dat dit volk in mijne hand ware! ik zoude Abioélech wel verdrijven. En tot Abimélech zeide hij: Vermeerder uw heir en trek uit. 30 Als Zebul, de overste der ptad, de woorden Gaüls, des zoons Ebeds, hoorde, zoo ontstak zijn i toorn; 31 en hij^ zond listiglijk boden . tot Abimélecli, zeggende: Zie, Gaal, de zoon Ebeds, cn zijne j broeders zijn te Sichem gekomen, : cn zie, zij niet deze stadhande- i len vijandiglijk tegen u : 32 zoo maak u nu op bij nacht, I gij en het volk dat met u is, en ; leg lagen in het veld; 33 en het geschiede in den morgen als de zon opgaat, zoo : maak u vroeg op en overval deze stad; en zie, zoo hij en het volk dat met hem is tot n uittrekken, zoo doe hem gelijk als uwe hand j vinden zal. 34 Abimélech dan maakte zich op en al het volk dat met hem wasgt; bij nacht, en zij leiden lagen : tegen Sichem, met vier hoopen. 1 35 En Gaal, de zoon Ebeds, ging uit, en stond aan de deur van de stadspoort; en Abimélech rees op, en al het volk dat met hem was, uit de achterlage. 3G Als Gaal dat volle zag, zoo zeide hij tot Zebul: Zie, daar komt het volk at' van de hoogten der bergen. Zebul daarentegen zeide tot hem: Gij ziet de schaduw der bergen voor menschen aan. 37 Maar Gaiil voer wijders voort te spreken, en zeide: Zie daar volk afkomende uit het midden des lands, en een hoop komt van den weg van den eik Meonenim. 3b Toen zeide Zebul tot hem: |
aar is nu uw mond waarmede gij zeidet: Wie is Abimélech dat wij hem zouden dienen? Is niet dit het volk dat gij veracht hebt? Trek toch nu uit en strijd tegen hem. 39 En Gaal trok uit voor het aangezicht der burgeren van Sichem, en hij streed tegen Abimélech. 40 En Abimélech jaagde hem na, want hij vlood voor zijn aangezicht; en daar vielen vele verslagenen tot aan de deur der ttads^oort. 41 Abimélech nu bleef te Anima: en Zebul verdreef Gaal en zijne broederen, dat zij te Sichem niet mochten wonen. 42 En het geschiedde des anderen daags dat het volk uittrok in liet veld: en zij zeiden het Abimélech aan. 43 Toen nam hij het volk en deelde ze in drie hoopen, en hij leide lagen in het veld; en hij zag toe, en zie, het volk trok uit de stad; zoo maakte hij zich tegen hen op en sloeg ze. 44 Want Abimélech en de hoopen die bij hem waren overvielen ze cn bleven staan aan de deur der stadspoort, en de twee andere hoopen overvielen allen die in het veld waren en sloegen ze. 45 Voorts streed Abimélech tegen de stad dien ganschen dag, on nam de stad in, en doodde het volk dat daarin was: en hij brak de stad af, en bezaaide ze met zout. 4G Als alle burgeren van den toren van Sichem dat hoorden, zoo gingen zij in de sterkte, in liet huis des gods Berith. 47 En het werd Abimélech aangezegd, dat alle burgeren des torens van Sichem zich verzameld hadden. 48 Zoo ging Abimélech op den berg Zalmon, hij en al het volk dat met hem was, en Abimélech nam eene bijl in zijne hand en hieuw eenen tak van deboomen, en nam hem on en legde hem op zijnen schouder; en hij zeide tot het^ volk dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen. haast ii; doet als ik. |
|
308 EICHTI 49 Zoo hieuw ook al het volk een iegelijk zijnen tak af, en volgde Abimélech na, en leide ze aan de sterkte, en verbrandde daardoor de sterkte met vuur; dat ook alle lieden des torens van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen. 50 Voorts toog Abimélech naar Tebez, en hij legerde zich tegen Tebez en nam ze in. öl Doch daar was een sterke toren in het midden der stad; zoo vloden daarhenen alle de mannen en de vrouwen, en alle burgeren van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op het dak des torens. 52 Toen kwam Abimélech tot aan den toren, en bestormde dien; en hij genaakte tot aan de deur des torens om dien met vuur te verbranden. 53 Maar een vrouw wierp een stuk van eenen molensteen op Abimélechs hoofd, en zij verpletterde zijne hersenpan. â 34 Toen riep hij haastelijk den jongen die zijne wapenen droeg, en zeide ^ tot hem: Trek uw zwaard uit en dood mij, opdat ze niet van mij zeggen: Eene vrouw heeft hem gedood. En zijn jongen doorstak hem dat hij stierf. 55 Als nu de mannen van Israël zagen dat Abimélech dood was, zoo gingen zij een iegelijk naar zijne plaats. 5u Alzoo deed God wederkee-ren Abimélechs kwaad, dat hij aan zijnen vader gedaan had, doo-dende zijne zeventig broederen; 57 desgelijks al het kwaad der lieden van Sichem deed God wederkeeren op hun hoofd; en de vloek Jothams, des zoons Je-rubbaals, kwam over hen. HOOFDSTUK 10. Na Abimélech nu stond op, om Israël te behouden. Tola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar, cn hij woonde te Samir, op het gebergte Efraïms. 2 En hij richtte Israël drieëntwintig jaar; en hij stierf, en werd begraven te Samir. |
⢠li EN 10. 3 En na hem stond op Jaïrde Gileadiet, en hij richtte Israël tweeëntwintig jaar. 4 En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ^ ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-Jaïr, tot op dézen dag, dewelke in den lande Gileads zijn. 5 En Jaïr stierf en werd begraven te Kamon. G Toen voeren de kinderen Israels voort te doen wat kwaad was in de oogen des Heeren, en dienden de Baiils en Astaroth, en de goden van Syrië, en de goden van Si don, en de goden van Moab, en de goden der kin-ren Amnions, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten lt; den Heere en dienden hem niet. 7 Zoo ontstak de toorn des Heer en tegen Israël, en hij verkocht ze in de hand der Filistijnen en in de hand der kinderen Amnions: S en zij onderdrukten en vertraden de kinderen Israëls in dat jaar; achttien jaar onder druïden zij alle de kinderen Israels die aan gene zijde van den Jordaan waren, in het land derAmoriten dat in Gilead is. 9 Daartoe togen de kinderen Amnions over den Jordaan om te krijgen, zelfs tegen Juda en tegen Benjamin en tegen het huis Efraïms, zoodat Israël zeer bang werd. 10 Toen riepen de kinderen Israels tot den Heere,zeggende: Wij hebben tegen u gezondigd, zoo omdat wij onzen God hebben verlaten als dat wij de Baals gediend hebben. 11 Maar ce Heere zeide tot de ; kinderen Israels: Heb ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amoriten, en van de kindereu Amnions, en van de Filistijnen, 12 en deSidoniërsen Amaleki-ten, en Mac niten, die u onderdrukten, toen gij tot mij riept, alsdan uit hunne hand verlost?' 13 Nochtan? hebt gij mij ver-i laten en andere goden gediend; |
RICH TE REN U.
3ö9
|
daarom zal ik u niet meer verlossen. 14 Gaat henen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laat u die verlossen ten tijde uwer benauwdheid. 15 Maar de kinderen Israëls zeiden tot den Heere: Wij hebben gezondigd; doe gij ons naar alles dat goed is in uwe oogen, alleenlijk verlos ons toch te dezen dage. 16 En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden^ den Heere. Toen werd zijne ziele verdrietig over den arbeid van Israël. 17 En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen en legerden zich in Gilead: daarentegen werden de kinderen Israëls vergaderd en legerden zich te Mizpa. IS Toen zeide het volk, de oversten van Gilead, de één tot den ander: Wie is de man die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? Die zal tot een hoofd zijn allen inwoneren van Gilead. HOOFDSTUK 11. Jefta nu de Gileadiet was een «trijdbaar held, maar hij was een hoerekind; doch Gilead had Jefta gegenereerd. 2 Giloads huisvrouw baarde hem óók zonen: en de zonen dezer vrouw, groot geworden zijnde, stieten Jefta uit en zeiden â tot hem: Gij zult in het huis onzes vaders niet erven, want gij zijt een zoon van eene andere vrouw-. 3 Toen vlood Jefta voor het aangezicht zijner broederen en woonde in het land Tob; en ij dele mannen vergaderden zich 'tot Jefta en togen met hem uit. 4 En het geschiedde naeenige dagen dat de kinderen Ammons tegen Israël krijgden. 5 Zoo geschiedde het als do kinderen Ammons tegen Israël krijgden, dat de oudsten van Gi-.?ead henengingen om Jefta te halen uit het land Tob; |
6 en zij zeiden tot Jefta; Kom en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons. 7 Maar Jefta zeide tot de oudsten van Gilead; Hebt gijlieden mij niet gehaat en mij uit mijns vaders huis gestooten ? Waarom zijt gij dan nu tot mij gekomen, terwijl gij in benauwdheid zijt? 8 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: Daarom zijn wij nu tot u wedergekomen, dat gij met ons trekt en tegen de kinderen Ammons strijdt ; en gij zult ons tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead. 9 Toen zeide Jefta tot de oudsten van Gilead: Zoo gijlieden mij wederhaalt om te strijden tegen de kinderen Ammons, en de Heere hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn? 10 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: De Heere zij toehoorder tusschen ons, indien wij niet alzóó naar uwen woordö doen. 11 Alzoo ging Jefta met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich; en Jefta sprak alle zijne woorden voor het aangezicht des Hesrex te Mizpa. 12 Voorts zond Jeftaboden tot den Koning der kinderen Ammons, zeggende; Wat hebben ik en gij met elkander te doen, dat gij tot mij gekomen zijt om tegen mijn land te krijgen? 13 En de Koning der kinderen Ammons zeide tot de boden van Jefta; Omdat Israël, als hij uit Egypte optoog, mijn land genomen heeft, van de Anion af tot aan de Jabbok en tot aan den Jordaan, zoo geef mij dat nu weder met vrede. 14 Maar Jefta voer wijders voort en zond boden tot den Koning der kinderen Ammons, 15 en hij zeide tot hem: Zoo zegt Jefta: Israël heeft het land der Moabiten en het land der kinderen Ammons niet genomen. 1(5 Want als zij uit Egypte optogen, zoo wandelde Israël door |
|
810 RICHTI de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades, 17 en Israël zond boden tot den Koning der Edomiten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de Koning der Edomiten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot denKo ning der Moabiten, die óók niet wilde. Alzoo bleef Israël in K ades. 18 Daarna wandelde iiij in. de woestijn, en toog om het land der Edomiten en het land der Moabiten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabiten, en zü legerden zich op gene zijde van de Anion; maar zij kwamen niet binnen de land-pale der Moabiten, want de Ar-non is de landpale der Moabiten. 19 Maar Israël zond boden tot Sihon, den Koning der Amori-ten, Koning van Hesbon, en Israël zeide tot hem: Laat ons tocli door uw land doortrekken tot aan mijne plaats. 20 Doch Sihon betrouwde Israël niet door zijne landpale door te trekken, maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jahza; en hij streed tegen Israël. 21 En de HeetxE de God Israels gaf Sihon met al zijn volk in Israels hand, dat zij ze sloegen; alzoo nam Israël erfelijk in liet gansche land der Amoriten, die in het land woonden, 22 en zij namen erfelijk in de gansche landpale der Amoriten, van de Arnon af tot aan de Jab-bok, en van do woestijn tot aan den Jordaan. 23 Zoo heeft nu de Heere de God Israëls de Amoriten voor het aangezicht zijns volks Israëls uit de bezitting verdreven; enzoudt gij hunlieder erfgenaam zijn? 24 Zoudt gij niet dengenen erven, dien uw god Kamos voor u uir. de bezitting verdreef? Alzoo zullen wij al dengenen erven dien de Heere onze God voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft. 25 Nu voorts, zijt gij veel beter dan Balak, de zoon Zippors, der |
HEN 11. Moabiten Koning? Heeft hij ooit h; met Israël getwist ? Heeft hij ook k ooit tegen hen gekrijgd? d 26 Terwijl Israël driehonderd n jaar gewoond heeft in Hesbon en d in hare stedekens, en in^Aroër ü en in hare stedekens, en in alle t( de steden, die aan de zijde van k de Anion zijn: waarom hebt gij het dan in dien tijd niet gered? V: 27 Ook heb ik tegen u niet g' gezondigd, maar gij doet kwalijk S met mij, dat gij tegen mij krijgt: u de Heere die Rechter is richto ^ heden tusschen de kinderen Is- v raëis en tusschen de kinderen ^ Ammons. 28 Maar de Koning derkinde- v ren Ammons hoorde niet naar do S woorden van Jefta, die hij tot ^ hem gezonden had. a 29 Toen kwam de Geest des d Heeren op Jefta, dat hij Gilead g en Manasse doortrok, want hij trok dóór tot Mizpa in Gilead, i en van Mizpa in Gilead quot;trok hij 1 dóór tot de kinderen Ammons. g 30 En Jefta beloofde den Heere r eene gelofte, en zeide; Indien gij de kinderen Ammons ganschelijk ^ in mijne hand zult geven, 31 zoo zal het uitgaande, dat uit de deur mijns huizes mij te- 1 moét zal uitgaan als ik met i vrede van de kinderen Ammons t wederkome, dat zal des Heeren zijn, en ik zal het olferen ten j brandoffer. . ,, lt; 32 Alzoo trok Jefta dóór naar £ de kinderen Amnions, om tegen j hen te strijden; en de Heere gaf ze in zijne hand; 33 en hij sloeg ze van Aroër af tot waar gij komt te Minnith, 1 twintig steden, en tot aan Abel- ] Keramim, met eenen zeer grooten 1 slag. Alzoo werden de kinderen Ammons tenondergebracht voor het. aangezicht der kinderen Israëls. 34 Toen nu Jefta te Mizpa bij zijn huis kwam, zie zoo ging zijne dochter uit, hem tegemoet, met trommelen en reien. Zij nu was alleen, een éénig kind, hij had uit zich anders geen zoon ot' dochter. 35 En het geschiedde als hij |
.
KICHTEPvEX 12.
311
|
haar zag, zoo verscheurde hij zijne kleederen, en zeide: Ach mijne dochter gij hebt mij ganschelijk ncdergebogen, en ^ij zijt onder degenen die mij beroeren; want ik heb mijnen mond opengedaan tot den IIeere, en ik zal niet kunnen teruggaan. 3(3 En zij zeide tot hem: Mijn vader, hebt gij uwen mond opengedaan tot den Heere, doe mij gelijk uit uwen mond gegaan is: naardien u de Heeke volkomen wraak gegeven heeft van uwe vijanden, van de kinderen Amnions. 37 Voorts zeide zij tot haren vader: Laat deze zaak aan mij geschieden: laat twee maanden van mij at, dat ik henenga en afga tot de bergen, en beweene mijnen maagdom, ik en mijne gezellinnen. 38 En hij zeide: Ga henen;en hij liet ze twee maanden gaan. Toen ging zij henen met hare gezellinnen, en beweende haren maagdom op de bergen. 39 En het geschiedde ten einde van twee maanden, dat zij tot haren vader wederkwam, die aan haar volbracht zijne gelofte die hij beloofd had: en zij heeftgee-nen man bekend. Voorts werd het eene gewoonheid in Israël, 40 dal de doch teren Israël s van jaar tot jaar henengingen om de dochter van Jefta den Gilearliet aan te spreken, ier dagen in het jaar. IIOOFDSTTTi 12. Toen werd de mannen Efraïms bijeengeroepen, en trokken over naar het Noorden; en zij zeiden tot Jefta : Waarom zijt gij doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen om met u te gaan? Wij zullen uw huis met u, met vuur verbranden. 2 En Jefta zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hunne hand niet verlost. |
3 Als ik nu zag dat gij niet ver- gt; lostet, zoo stelde ik mijne ziel in mijne hand, en toog dóór tot do kinderen Ammons, en de Heere gaf ze in mijne hand: waarom zijt gij dan te dezen dage tot mij opgekomen om tegen mij te strijden? 4 En Jefta vergaderde alle mannen van Gilead en streed met Efraïm; en de mannen van Gilead-sloegen Efraïm, want de Gilea-diten, zijnde tusschen Efraïm en tusschen Manasse, zeiden: Gijlieden zij t vluchtelingen van Efraïm. 5 Want de Gileaditen namen den Efraïmiten de veren van den Jordaan af; en het geschiedde als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan, zoo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraïmiet? Wanneer hij zeide: Neen, 6 zoo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibboleth; maar hij zeide: JSibbóleth, en kon het alzoo niet recht spreken: zoo grepen zij hem en versloegen hem aan de veren van den Jordaan, dat te dier tijd van Efraïm vielen tweeënveertigduizend. 7 Jefta nu richtte Israël zeamp; jaren, en Jefta de Gileadiet stierf, en werd begraven in de steden Gi leads. 8 En na hem richtte Israël Ebzan van Bethlehem. 9 En hij had dertig zonen;en-hij zond dertig dochteren naar buiten,en bracht dertig dochteren van buiten in voor ziine zonen, en hij richtte Israël zeven jaren; 10 toen stierf Ebzan en werd begraven te Bethlehem. 11 En na hem richtte Israël Elon de Zebuloniet, en hij richtte-Israël tien jaren; 12 en Elon de Zebuloniet stierf, en werd begraven te Ajalon in het land van Zebulon. 13 En na hem richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, do Pirathoniet. 14 En hij had veerti?? zonen en-dertig zoonszonen, rijdende op zeventig ezelveulens, en hij richtte Israël acht jaren; 15 toen stierf Abdon, een zoon. van Hillel, de Pirathoniet, eo |
-
|
S12 RTCHTI hij werd bepraven, te Pirathon in het land ElVaims, op den berg des Amaleldets. HOOFDSTUK 13. En de kinderen Israels voeren voort te doen wat kwaad was in de oogen des Heeren: zoo gaf ze de Heere in de hand der Filistijnen veertig jaar. 2 En daar was een man van Zora, uit liet geslacht eens Da-niets, wiens naam was Manóah; en zijne huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet. 3 En een Engel des Heeren verscheen aan deze vrouw en hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet ge-â baard, maar gij zult zwanger worden en eenen zoon baren. 4 Zoo wacht u toch nu, en drink .geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins. 5 Want zie, gij zult zwanger worden, en eenen zoon baren op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat jongsleen zal een Nazireër Gods zijn van den moederschoot af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit der Filistijnen hand. 6 Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haren man, zeggende : Daar kwam een man Gods tot mij, wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel â Gods, zeer vreeselijk; en ik vraagde hem niet van waar hij was, en zijnen naam gaf hij mij niet te kennen; 7 maar hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden en eenen zoon baren: zoo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want datjongsken zal een Nazireër Gods zijn van den iHocderschoot af tot op den dag zijns doods. 8 Toen aanbad Manóah den Heere vuriglijk en zeide: Och Heere, dat toch de man Gods dien gij gezonden hebt weder tot ons kome, en ons leere wat wij dat jongsken doen zullen dat geboren zal worden. 9 En God verhoorde de stemme van Manóah, en de Engel |
REN 13. Gods kwam wederom tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manóah was niet bij haar. 10 Zoo haastte de vrouw en liep, en gaf het haren man te kennen, en zij zeide tot hem: Zie, die man is mij verschenen, dewelke op dien dag tot mij kwam. 11 Toen stond Manóah op en ging zijne huisvrouw na, en hij kwam tot dien man en zeide tot hem: Zijt gij die man dewelke tot deze vrouw gesproken heeft? En hij zeide: Ik ben 't. 12 Toen zeide Manóah: Nu, dat uwe woorden komen; maar wat zal des jongskens wijze en werk zijn? 13 En de Engel des Heeren zeide tot Manóah: Van alles dat ik tot de vrouw gezegd heb zal zij zich wachten: 14 zij zal niet eten van iets dat van den wijnstok des wijns voorkomt, en wijn en sterken drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten : al wat ik haar geboden heb zal zij onderhouden. 15 Toen zeide Manóah tot den Engel des Heeren: Laat ons u toch ophonden en een geitenbokje voor uw aangezicht bereiden. 1(5 Maar de Engel des Heeren zeide tot Manóah: Indien gij mij zult ophouden, ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij den Heere offeren. Want Manóah wist niet dat het een Engel des Heeren was. 17 En Manóah zeide tot den Engel des Heeren. Wat is uw naam? opdat wij u vereeren wanneer uw woord zal komen. 18 En de Engel des Heeren zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar mijnen naam? Die is toch wonderlijk. 19 Toen nam Manóah een geitenbokje en het spijsoffer, en offerde het op den rotssteen den Heere. _ Er. hij handelde wonderlijk in zijn doen; en Manóah en zijne huisvrouw zagen toe: 20 en het geschiedde als de vlam van het altaar opvoer naar |
|
RICHT! ' den hemel, zoo voer de Engel veld, des Heeren op in do vlam des ïiiöt1 altaars. Als Manóah en zijne Imis-vroinv dat zagen, zoo vielen zij 7 en op hunne aangezichten v,er aarde, n te 21 En de _ Engel des Heeren lem : Terscheen niet meer aan Manóah nen, en aan zijne huisvrouw. Toen be-vam. kende Manóah dat het een Engel p en ties Heeren was, 1 hij 22 en Manóah zeide tot zijne e tot huisvrouw: wij zullen zekerlijk elke sterven, omdat wij God gezien 'eft? hebben. 23 Maar zijne huisvrouw zeide Nu, tot hem: Zoo de Heere lust had laar ons te dooden, hij liadhetbrand-ï en offer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit ken alles getoond, noch ons om de-dat zen tijd laten hooren zulks als zal dit is. 24 Daarna baarde deze vrouw iete eenen zoon, en zij noemde zijnen ijns naam Simson; en dat jongs-ken ken werd groot, en de Heers ze-och gende het. laar 25 En de Geest des Heeren len. begon hem bijwijlen te drijven tien in het leger van Dan, tusschen s u Zora en tusschen Estaol. bgl HOOFDSTUK 14. En Simson ging af naar Tim-^EN nath, en gezien hebbende eene mij vrouw te Timnath, van dedoch-uw teren der Filistijnen, gij 2 zoo ging hij opwaarts en gaf uit het zijnen vader en zijner moe-'la- der te kennen, en zeide: Ik heb gel eene vrouw gezien te Timnath, van de dochteren der Filistijnen: len nu dan, neemt mij die tot eene uw vrouw. 3 Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijne moeder: Is en er geen vrouw onder de dochte-J-gt ren uwer broederen en onder al )ie mijn volk, dat gij henengaat om eene vrouw te nemen van de Fi-ei- listijnen, die onbesnedenen ? En en Simson zeide tot zijnen vader: en Neem mij die, want zij is be-tn- vallig in mijne oogen. ah 4 Zijn vader nu en zijne moe- : lt;ier wisten niet, dat dit van den de Heere was, dat hij gelegenheid ar locht van de Filistijnen; want |
BEN 14. S13 de Filistijnen heerschten te dier tijd over Israël. o Alzoo ging Simson met zijnen vader en zijne moeder henen af naar Timnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath, ziedaar een jonge leeuw brullende hem tegemoet. 6 Toen werd de Geest des Heeren vaardig over hem, dat hij hem vanéénscheurde gelijk men een bokje vanéénscheurt.en daar was niets in zijne hand; doch hij gaf zijnen vader en zijner moeder niet te kennen wat hij gedaan had. 7 En hij kwam af en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simson s oogen. 8 En na sommioe dagen kwam hij weder om haar te nemen; toen week hij af om het aas van den leeuw te bezien; en zie, een bijenzwerm was in het lichaam van den leeuw, met honig; 9 en hij nam dien in zijne handen en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijnen vader en tot zijne moeder, en gaf hun daarvan en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen dat hij den honig uit het lichaam van den leeuw genomen had. 10 Als nn zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zoo maakte Simson aldaar eene bruiloft, want alzóó plachten de jongelingen te doen. 11 En het geschiedde als zij hem zagen, zoo namen zij dertig metgezellen die bij hem zouden zijn. 12 Simson dan zeide tot hen: Ik zal nu ulieden een raadsel t® raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen dezer bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zoo zal ik ulieden geven dertig fijne lijnwaadskleederen en dertig wisselkleederen: 13 en indien gij het mij niet zult kunnen verklaren, zoo zult» gijlieden mij geven dertig fijue lijnwaadskleederen en dertig wisselkleederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel te raden en laat het ons hooren. 14 Eu hij zeide tot hen: Spijze |
K IC H TEREN 15.
â 814
|
gins uit van den eter, en zoetigheid ging uit van den sterke. En zij konden dat raadsel in drie tlagen niet verklaren. 15 Daarna geschiedde het op â den zevenden dag, dat zij tot Simsons huisvrouw zeiden: Overreed uwen man dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u en uws vaders huis met vuur verbranden. Hebt gijlieden ons genoodigd om het onze te bezitten? Is het zoo niet? 16 En Simsons huisvrouw weende voor hem en zeide: Gij haat mij maar en hebt mij niet lief; gij hebt den kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zeide tot haar: Zie, ik heb het mijnen vader en mijner moe-lt;ler niet verklaard, zoude ik het u dan verklaren? 17 En zij weende voor hem op den zevenden der dagen in dewelke zij deze bruiloft hadden; zoo geschiedde het op den zevenden dag dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem, en zij verklaarde dat raadsel den kinderen haars volks. 18 Toen zeiden de mannen der stad tot hem op den zevenden â dag, eer de zon onderging: Wat is zoeter dan honig, en wat is sterker dan een leeuw? En hij .zeide tot hen: Zoo gij met mijn kalf niet hadt geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden. 19 Toen werd de Geest des Heeren vaardig over hem, en hij ging af naar do Askeloniten en â aloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wis-eelkleederen dengenen die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis. 20 En Simsons huisvrouw werd zijns metgezels, die hem verge-zelschapt had. HOOFDSTUK 15. En het geschiedde na sommige dagen, in de dagen des tarwen-oogstes, dat Simson zijne huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zeide: Laat mij tot |
mijne huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan; 2 want haar vader zeide: Ik sprak zeker dat gij haargansche-lijk haattet, zoo heb ik ze uwen metgezel gegeven. Is niet hare kleinste zuster schooner dan zij ? Laat ze u toch zijn in plaats van haar. 3 Toen zeide Simson van henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe. 4 En Simson ging henen en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed eene fakkel tusschen twee staarten in het midden; 5 en hij stalt de fakkelen aan met vuur, en liet ze loopen in het staande koren der Filistijnen; en hij stak in brand zoowel de korenhoopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfboomen toe. tgt; Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zeide: Simson, de schoonzoon van den Timniet, omdat hij zijne huisvrouw heeft genomen en heeft ze zijnen metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op en verbrandden haar en haren vader met vuur. 7 Toen zeide Simson tot hen: Zoudt gij alzoo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zoo zal ik daarna ophouden. 8 En hij sloeg ze, den schenkel en de heup, met eenen grooten slag: en iiij ging af, en woonde op de hoogte van den rots Etam. 9 Toen togen de Filistijnen op en legerden zich tegen Jada, en breidden zich uit in Lechi. 10 En de mannon van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetogen? Eu zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen gelijk hij ons gedaan heeft. 11 Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots Ettim, en zeiden tot Simeon: Wist gij niet dat de Filis- |
KICHTEREN 16.
315
|
tijnen over ons heerschen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan ? En hij zei de tot hen: Gelijk zij mij gedaan hebben, alzóó heb ik hunlieden gedaan ? 12 En zij zeiden tot hem:quot;Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeide Simeon tot hen : Zweert mij dat gijlieden op mij niet zult aanvallen. 13 Eu zij spraken tot hem, zeggende: Neen, maar wij zullen u wèl binden, en u in hunlieder hand overgeven; doch v/ij zullen u geenszins dooden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van de rota. 14 Als hij kwam te Lechi,zoo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest desHEE-ren werd vaardig over hem; en de touwen die aan zijne armen waren, werden als linnen draden die van het vuur gebrand zijn, en zijne banden versmolten van zijne handen* 15 en hij vond een vochtig ezelskinnebakken en hij strekte zijne hand uit en nam het, en sloeg daarmede duizend man. 16 Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebakken eenen hoop, twee hoopen, met een ezelskinue-bakken heb ik duizend maa geslagen. 17 En het geschiedde als hij geëindigd had te spreken, zoo wierp hij het kinnebakken uit zijne hand, en hij noemde die plaats Ramath-Lechi. 18 Als hem nu zeer dorstte, zoo riep hij tot den Heeke en zeide: Oij hebt door de hand uws knechts dit groote heil gegeven: zoude ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbe-snedenen ? 19 Toen kloofde God de holle plaatse die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weder en hij werd levendig. Daarom noemde hij haren naam de fontein des aanroepers, die in Lechi is tot op dezen dag. ^ 20 En hij richtte Israël in de dagen der Filistijnen twintigjaar. |
HOOFDSTUK 16. Simson nu ging henen naar Gaza, en hij zag aldaar eene vrouw, die eene hoer was, en hij ging tot haar in. 2 Toen werd den Gaziten gezegd: Simson is hier ingekomen; zoo gingen zij rondom, en leiden hem den ganschen nacht lagen in de stadspoort, doch zij hielden zich den ganschen nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem dooden. 3 Maar Simson lag tot middernacht toe: toen stond hij op te middernacht, en hij greep de deuren der stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met den grendelboom, en leide ze op zijne schouderen, en droeg ze opwaarts op de hoogte des bergs, die in het gezicht van Hebron is. 4 En het geschiedde daarna dat hij eene vrouw lief kreeg aan de beek Sorek, welker naam was De-lila. 5 Toen kwamen de Vorsten der Filistijnen tot haar óp, en zij zeiden tot haar: Overreed hem, en zie waarin zijne groote kracht zij, en waarmede wij hem zouden machtig worden en hem binden om hem te plagen; zoo zullen wij u geven een iegelijk duizend en honderd zilverlingen. (j Delila dan zeide tot Simson: Verklaar mij toch waarin uwe groote kracht zij, en waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden dat men u plage. 7 En Simson zeide tot haar: Indien zij mij bonden met zeven versche zeelen die niet verdroogd zijn, zoo zoude ik zwak worden en wezen als een ander mensch. 8 Toen brachten de Vorsten der Filistijnen tot haar óp zeven versche zeelen die niet verdroogd waren, en zij bond hem daarmede. 9 De achterlage nu zat bij haar in eene kamer. Zoo zeide zij tot hem: De Filistijnen over u, .Simson! Toen verbrak hij de zeelen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur ruikt. Alzoo werd zijne kracht niet bekend. |
RICH TEREN 16.
316
|
10 Toen zeide Delila tot Simeon : Zie, gij hebt met mij gespot en lengenen tot mij gesproken: verklaar mij toch nu waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden. 11 En hij zeide tot haar: Indien zij mij vastbonden met nieuwe touwen, niet welke geen werk gedaan is, zoo zoude ik zwak worden en wezen als een ander inensch. 12 Toen nam Delila nieuwe touwen en bond hem daarmede, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! (de achterlage nu was zittende in eene kamer) toen verbrak hij ze van zijne armen als een draad. 13 En Delila zeide tot Simson: Tot hiertoe hebt gij met mij gespot en leugenen tot mij gesproken: verklaar mij toch nu waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden. En hij zeide toe haar: Indien gij de zeven haarlokken mijns hoofds vlocht aan eenen weversboom. 14 En zij maakte ze vast met eene pin, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson!Toen waakte hij op uit zijnen slaap en nam weg de pin der gevlochten haarlokken en den weversboom. 15 Toen zeide zij tot hem: Hoe zult gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Gij hebt nu driemaal met mij gespot, en mij niet verklaard waarin uwe groote kracht zij. 16 En het geschiedde als zij hem alle dagen met hare woorden perste en hem moeielijk viel, dat zijne ziele verdrietig werd tot stervens toe, 17 zoo verklaarde hij haar zijn gansche hart, en zeide tot haar: Daar is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireër Gods van mijner moeder echoot af: indien ik geschoren werd, zoo zoude mijne kracht van mij wijken, en ik zouda z'.vak worden en wezen als alle de menschen. |
18 Als nu Delila zag dat hij haar zijn gansche hart verklaard had, zoo zond zij henen en riep de Vorsten der Filistynen, zeggende: Komt ditmaal óp, want hij heeft mij zijn gansche hart verklaard. En de Vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op, en brachten het geld in hunne hand. 19 Toen deed zij hem slapen op hare knieën, en riep eenen man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijne kracht week van hem; 20 en zij zeide: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijnen slaap, en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan als op andere malen, en mij uitschudden; wane hij wist niet dat de Heere van hem geweken was. 21 Toen grepen hem de Filistijnen en groeven zijne oogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis. 22 En het haar zijns hoofds begon loeder te wassen gelijk toen hij geschoren werd. 23 Toen verzamelden zich de Vorsten der Filistijnen om hunnen God Dagon een groot offer te offeren, en tot vroolijkheid; en zij zeiden: Onze God heeft onzen vijand Simson in onze hand gegeven. 24 Desgelijks als hem het volk zag, loofden zij hunnen god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onzen vijand, eii die ons land verwoestte en die onzer verslagenen velen maakte. 25 En het geschiedde als huii hart vroolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ona spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis, en hij speelde voor hunne aangezichten, en zij deden hem ataan tusschen de pilaren. 26 Toen zeide Simson tot den jongen, die hem bij de hand hield: Laat mij gaan. dat ik de pilaren betaste op dewelke het huis gevestigd is, dat ik daaraan leune. 27 Het huis nu was vol mannek en vrouwen, ook waren daar alle Vorsten der Filistijnen; en op |
k
RICHTEllEN 17, 18.
317
|
het dak waren omtrent drieduizend mannen en vrouwen, die toezagen als Simson speelde. 28 Toen riep Simson tot den Heere en zeide: Heere Heere, gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God, dat ik mij met ééne wraak voor mijne twee oogen aan de Filistijnen wreke. 29 En Simson vatte de twee middelste pilaren, op welke het huis was gevestigd en waarop het steunde, den écnen met zijne rechterhand en den anderen met zijne linkerhand; 30 en Simson zeide: Mijne ziele sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de Vorsten en op al het volk dat daarin was: en dor doo-den, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer dan die hij in zijn leven gedood had. 31 Toen kwamen zijne broeders ' alquot;, en zijns vaders gansche huis, i en namen hem op, en brachten i hem opwaarts, en begroeven hem tusschen Zora en tusschen E:?taol, in het graf zijns vaders Manóah. Hij nu had Israël gericht twintig jaar. HOOFDSTUK 17. En daar was een man van het gebergte Efraims, wiens naam was Micha: 2 die zeide tot zijne moeder; 1 De duizend en honderd zilver- i lingen die u ontnomen zijn, om dewelke gij gevloekt hebt en ook voor mijne ooren gesproken hebt, j zie, dat geld is bij mij: ik heb | dat genomen. Toen zeide zijne ! moeder: Gezegend zij mijn zoon den Heere. 3 Al zoo gaf hij zijner moeder j de duizend en honderd zilverlin- i gen weder. Doch zijne moeder zeide: Ik heb dat geld den Heere ganschelijk geheiligd van mijne | hand, voor mijnen zoon, om een j gesneden beeld en een gegoten ; beeld te maken; zoo zal ik het | u nu wedergeven. 4 Maar hij gaf dat geld aan zijne moeder weder. En zijne moeder nam tweehonderd zilver- ! |
lingen en gaf ze den goudsmid: die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha. 5 En de man Micha had een godshuis, en hij maakte eeneu Efod en terafim, en vulde de hand van éénen uit zijne zonen, dat hij hem tot een Priester ware. 6 In die dagen was er geen Koning in Israël: een# iegelijk deed wat recht was in zijne oogen. 7 Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda,van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde aldaar als vreemdeling. 8 En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-Juda, getogen, om te verkeeren waar hij gcleoenheid zoude vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte Efraims, tot aan het huis van Micha, om zijnen weg te gaan, 9 zoo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij ? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet van Bethlehem-Juda, en ik wandel om te verkeeren waar ik geleijen-heid zal vinden. 10 Toen zeide Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot eenen vader en tot eenen Fries-ter; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen en een stel kleederen en uwen leeftocht. Alzoo ging de Leviet met hem, 11 en de Leviet bewilligde bij dien man te blijven; en de jongeling was hem als een van zijne zonen. 12 En Micha vulde de hand des Leviets, dat hij hem tot eenen Priester werd; alzoo was hij in het huis van Micha. 13 Toen zeide Micha: Nu weet ik dat de Heere mij weldoe» zal, omdat ik dezen Leviet tot een Priester heb. HOOFDSTUK 18. In die dagen was er geen Koning in Israel; en in diezelfde dagen zocht de stam derDaniten voor zich eene erfenis om te wonen, want hun was tot op dien dag ouder de stammen Israels |
L
|
sis eight: niet (jenoegzaam ter erfenis toegevallen. 2 Zoo zonden de kinderen van Dan nit liun geslacht vijfmannen uit hunne einden, mannen die Btrijdbaar waren, van Zora en van Estaol, om het land te verspieden en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte Efraïms tot aan het huis van Micha, en vernachten aldaar. 3 Zijnde bij het huis van Micha, zoo kenden zij de stem des jon-gelings des Leviets, en zij weken daarhenen en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht: en wat doet gij alhier en wat hebt gij hier? 4 En hij zeide tot hen: Zóó en zóó heeft Micha mij gedaan, en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot e^n Priester. o Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn. 6 En de Priester zeide tot hen: Gaat in vrede; uw weg, welken §ij zult henen trekken, is vóórij zult henen trekken, is vóór en Heere. 7 Toen gingen die vijfmannen henen en kwamen te Laïs: en zij zagen het volk hetwelk in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze der Sidoniers, stil en zeker zijnde, en daar was geen erfheer die iemand om eenige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met eenig mensch. 8 En zij kwamen tot hunne broederen te Zora en te Astaol, en hunne broederen zeiden tot hen: Wat gijlieden? 9 En zij zeiden: Maakt u op en laat ons tot hen optrekken, want wij hebben dat land bezien, en zie, het is zeer goed: zoudt gij dan stille zijn? Weest niet lui om te trekken, dat gij henen inkomt om dat land in erfelijke bezitting te nemen; 10 (als gij daarhenen komt, zoo *ult gij komen tot een zorgeloos Tolk, en dat land is wijd van |
PvEN 18. ruimte); want God heeft het in In uwe hand gegeven, eene plaats, é( alwaar geen gebrek is van eenig zi ding dat op de aarde is. sl 11 Toen reisden van daar uit het geslacht der Daniten, van P Zora en van Estaol, zeshonderd ei man, aangegord met krijgswa- d penen. n 12 En zij togen op en legerden zich bij Kirjath-Jearim inJuda; tlt; daarom noemden zij deze plaats: k Machané-Dan, zie, het is achter g Kirjath-Jearim. 13 En van daar togen zij dóór ^ naar het gebergte Efraïms, en zij ^ kwamen tot aan het huis van t Micha. r 14 Toen antwoordden de vijf 1 mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, ^ en zeiden tot hunne broederen: J Weet gijlieden ook, dat in di© J huizen een efod is en terafim en f een gesneden en een gegoten beeld? Zoo weet nu wat u te doen zij. 15 Toen weken zij daarhenen, en kwamen aan het huis des-jongelings, des Leviets, ten huizo van Micha, en zij vraagden hem naar vrede. 1G Eu de zeshonderd mannen die van de kinderen van Dan waren, met hunne krijgswapenen aangegord, bleven staan aan de deur van de poort; 17 maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarhenen in, en namen weg het; gesneden beeld en den efod eu de terafim en het gegoten beeld: de Priester nu bleef staan aan de deur van de poort met de zeshonderd mannen, die met ki-ijgs-wapenen aangegord waren. 18 Als die nu ten huize van Micha waren ingegaan, en hei gesneden beeld, den efod en de terafim en het gegoten beeld weggenomen hadden, zoo zeide de Priester tot hen: Wat doet gijlieden ? 19 En zij zeiden tet bem: Zwijg» leg uwe hand op uwen mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een Pïieöteï; Wktfï |
|
RICIITi: beter dat gij een Priester zij t voor ééns mans huis, of dat gij Priester zijt voor eenen stam en een geslacht in Israël? 20 Toen werd het hart des Priesters vroolijk, en hij nam den efod en de terafim en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden des volks. 21 Alzoo keerden zij zich en togen voort; en zij stelden de kinderkens en het vee en de bagage vóór zich. 22 Als zij nn verre van Micha's huis gekomen waren, zoo werden de mannen, zijnde in de Imizen die bij het huis van Micha waren, bij ééngeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Danf; 23 en zij riepen de kinderen van Dan na, dewelke hnn aangezicht omkeerden en zeiden tot Micha: Wat is u, dat gij bij ééngeroepen zijt? 24 Toen zeide hij: Gijlieden hebt mijne goden die ik gemaakt had weggenomen, mitsgaders den Priester, eu zijt weggegaan; wat heb ik nu meer? Wat is het dan. dat gij tot mij zegt: Wat is u? 25 Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uwe stem bij ons niet hooren, opdat niet misschien mannen van bitteren gemoede op u aanvallen, en gij nw leven verliest eu het leven uws huizes. 26 Alzoo gingen de kinderen van Dan huns weegs; en Micha, ziende dat zij sterker waren dan hij. zoo keerde hij om en kwam weder tot zijn huis. 27 Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en den Priester dien hij gehad had. en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen ze met de scherpte des zwaards, en de stad verbrandden zij met vuur; 28 en daar was niemand die ze verloste, want zij was verre van Sidon, en zij hadden niets met eenogen mensch te doen; en zij lag in het dal, dat bij Beth-Rehob is. Daarna herbouwden zij de stad en woonden daarin, 29 en zij noemden den naam |
EEN ID. 319- der stad Dan, naar den naam van hunnen vader Dan, die aan Israël geboren was, hoewel de naam dezer stad te voren Laïs was. 30 En de kinderen van Da» richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, do zoon Gersoms, des zoons van Manasse, hij en zijne zonen waren Priesters voor den stam der Daniten, tot den dag toe dat het land gevankelijk is weggevoerd. 31 Alzoo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, alle de dagen dat het|liuis Gods te Silo was. HOOFDSTUK 19. Het geschiedde ook in die dagen als er geen Koning was in Israël, dat er een Levitisch man was, verkeerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte Efraïms, die zich eene vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-Juda. 2 Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hem zijnde, en toog van hem weg naar baars vaders huis te Bethlehem-Juda; en zij was aldaar eenige dagen, te weten vier maanden. 3 En haar man maakte zich op en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weder te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis haars vaders; en als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vroolijk over zijne ontmoeting^ 4 En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem» dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten eu dronken en vernachtten aldaar. 5 Op den vierden dag nu geschiedde het dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zeide de vader van de jonge vrouw tot zijnen schoonzoon: Sterk uw hart met eene bete broods, en daanuv zult gijlieden wegtrekken. 6 Zoo zaten zij neder, en zij beiden aten te zamen en dronken-Toen zeide de vader van de jonge vrouw tot den man: Bewillig tocb |
RICHTEREN 19.
820
|
en vernacht, en laat uw hart vroolijk zijn. 7 Maar de man stond op om â weg te trekken. Toen drong hem üijn schoonvader, dat hij aldaar wederom vernachtte. 8 Als hij op den vijfden dag des morgens vroeg op was om weg te trekken, zoo zeide de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden totdat de dag zich neigde, en zij beiden aten te zamen. 9 Toen maakte zich de man op om weg te trekken, hij en zijn bijwijf en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zeide: Zie toch, de 'dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, vernacht toch: zie de dag legt zich, vernacht hier, en laat uw hart vroolijk zijn, en maakt u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uwe tent. 10 Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op en trok weg, en kwam tot tegenover Jehus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezels; ook was zijn bijwijf met hem. 11 Als zij nu bij Jebus waren, zoo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijnen heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusiten wijken en daarin vernachten. 12 Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot eene vreemde stad, die niet is van de kinderen Is-taëls, maar wij zullen voorttrekken tot Gibea toe. 13 Voorts zeide hij tot zijnen jongen: Ga voort, dat wij tot eene van die plaatsen naderen, en te Gibea of te Rama vernachten. 14 Al zoo togen zij voort en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibea, dewelke Benjamins is. 15 En zij weken daarhenen, dat zij inkwamen om in Gibea te vernachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in eene straat der stad, want ker was niemand |
die ze in huis nam om te vernachten. 16 En zie, een oud man kwam van zijn werk van het veld in den avond; welke man óók was van het gebergte Efraïms, doch als vreemdeling verkeerende te Gibea: maar de lieden dezer plaats waren Benjaminiten. 17 Als hij nu zijne oogen ophief, zoo zag hij dien reizenden man op de straat der stad, en de oude man zeide: Waar trekt gij henen en van waar komt gij?^ 18 En hij zeide tot hem: Wij trekken dóór van Bethlehem-Juda tot aan de zijden van hot gebergte Efraïms, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-Juda getogen, maar ik trek nu naar het Huis des Heeren ; en daar is niemand die mij in huis neemt; 19 daar toch onze ezels zoowel stroo als voeder hebben, engt;er ook brood en wijn is voor mij, en voor uwe dienstmaagd, en voor den jongen die bij uwe knechten is: daar is geens dings gebrek. 20 Toen zeide de oude man: Vrede zij u: al wat u ontbreekt is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op de straat. 21 En hij bracht hem in zijn huis, en gaf den ezels voeder. En hunne voeten gewasschen hebbende zoo aten en dronken zij. 22 Toen zij nu hun hart vroolijk maakten, zie, zoo omringden de mannen van die stad (mannen die Belialskinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot den ouden man, den heer des huizes, zeggende: Breng den man die in uw huis gekomen is uit, opdat wij hem j bekennen. 23 Eu do man, de heer des hui-: zes, ging tot hen uit en zeide tot i hen: Niet, mijne broeders, doet | toch zoo kwalijk niet, naardien 1 deze man in mijn huis gekomen i is, zoo doet zulke dwaasheid I niet. i 24 Zie, mijne dochter die maagd | is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij die schendt ! en haar doet wat goed is in uwe |
RICnTEREN 20.
321
|
oogen; maar doet aan dezen man I zulk een dwaas ding niet. 25 Maar de mannen wilden naar ; hem niet hooren. Toen greep de ! man zijn bijwijf en bracht ze uit ; tot hen daarbuiten; en zij be- : kenden haar en waren met haar j bezig den ganschen nacht tot aan den morgen, en lieten ze gaan ; als de dageraad oprees. 26 En deze vrouw kwam tegen het aanbreken des morgenstonds, en viel neder voor de deur van het huis des mans waarin haar heer was, totdat het licht werd. 27 Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, zie, zoo lag de vrouw, zijn bijwijf, aan de deur van het huis, en hare handen op den dorpel. 28 En hij zeide tot haar: Sta op en laat ons trekken: maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op den ezel, en de man maakte zich open toog naar zijne j plaats. 29 Als hij nu in zijn huis kwam, i zoo nam hij een mes, en greep 1 zijn bijwijf, en deelde ze met ' hare beenderen in twaalf stuk- j ken, en hij zond ze in alle land- ! palen Israels. 30 En het geschiedde dat al ! wie het zag zeide: Zulks is niet j geschied noch gezien van dien dag af dat de kinderen Israels 1 uit Egypteland zijn opgetogen, tot op dezen dag: stelt uw hart daarop, geeft raad en spreekt. HOOFDSTUK 20. Toen^ togen alle kinderen Is-raëls uit, en de vergadering verzamelde zich als een éénig man van Dan af tot aan Ber-Séba toe, ook het land Gileads, tot den Heere te Mizpa. 2 En uit de hoeken des ganschen volks stelden zich alle de stammen Israels in de vergadering van Gods volk, vierhonderdduizend man te voet die het a waard uittrokken, 3 (de kinderen Benjamins nu noorden dat de kinderen Israels opgetogen waren naar Mizpa) en de kinderen Israels zeiden: Spreekt, hoe is dit kwaad geschied ? |
4 Toen antwoordde de Leviti-sche man, de man van de vrouw die gedood was, en zeide: Ik kwam met mijn bijwijf te Gibea, dewelke lienjamins is, om te vernachten ; 5 en de burgers van Gibea maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht: zij dachten mij te dooden, en mijn bijwijf hebben zij geschonden dat zij gestorven is. G Toen greep ik mijn bijwijf, en deelde ze, en zond ze in het gansche land der erfenis Israels, omdat zij eene schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden. 7 Zie, gij allen zijt kinderen Israels, geeft hier voor ulieden woord en raad. 8 Toen maakte zich al het volk op als een éénig man, zeggende: Wij zullen niet gaan een ieder naar zijne tent noch wijken een ieder naar zijn huis, 9 maar nu, dit is de zaak die wij aan Gibea zullen doen, tegen haar bij het lot: 10 en wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen Israëls. en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij komende te Gibea Benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft. 11 Alzoo werden alle mannen Israëls verzameld tot deze stad, verbonden als een éénig man. 12 En de stammen Israëls zonden mannen door den ganschen stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder ulieden geschied is? 13 Zoo geeft nu die mannen, die kinderen Belials die te Gibea zijn, dat wij ze dooden en het kwaad uit Israël wegdoen. Doch de hinderen Benjamins wilden niet hooren naar de stem hunner broederen de kinderen Israëls, 14 maar de kinderen Benjamins 11 |
|
822 RICHTI verzamelden zich uit de steden naar Gibea, om uit te trekken ten strijde tegen de kinderen Israels. 15 En de kinderen Benjamins werden te dien dage geteld uit de steden zesentwintigduizend mannen die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibea geteld werden, zevenhonderd uitgelezen mannen. 16 Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezen mannen, welke linksch waren: deze allen slingerden met eenen steen op een haar, dat het hun niet miste. 17 En de mannen Israels werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderdduizend mannen die het zwaard uittrokken: deze allen waren mannen van oorlog. 18 En de kinderen Israels maakten zich op en togen opwaarts tot het Huis Gods, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons het eerst optrekken ten strijde tegen de kinderen Benjamins ? En de Heere zeide: Juda het eerst. 19 Al zoo maakten zich de kinderen Israels in den morgenstond op, en legerden zich tegen Gibea. '20 En de mannen Israels togen uit ten strijde tegen Benjamin; voorts schikten de mannen Israël s den strijd tegen hen bij Gibea. 21 Toen togen de kinderen Benjamins uit van Gibea, en zij vernielden ter aarde op dien dag van Israël tweeëntwintigduizend man. 22 Doch het volk versterkte zich, te weten de mannen Israels, en zij beschikten den strijd wederom ter plaatse waar zij dien den vorigen dag beschikt hadden. 23 En de kinderen Israels togen op en weenden voor het aangezicht des Heeren tot op den avond, en vraagden den Heere, zeggende: Zal ik weder genaken ten _ strijde tegen de kinderen Benjamins mijns broeders ? En de Heere zeide: Trekt tegen hem op. 24 Zoo naderden de kinderen Israels tot de kinderen Benjamins des anderen daags; |
EEN 20. 25 en die van Benjamin trokken uit, hun tegemoet uit Gibea op den tweeden dag, en velden van de kinderen Israels nog achttienduizend man neder ter aarde, die allen trokken het zwaard uit. 26 Toen togen alle kinderen Israels en al het volk op, en kwamen ten huize Gods en weenden, en bleven aldaar voor het aangezicht des Heeren, en vastten dien dag tot aan den avond; en zij offerden brandofferen en dank-otieren vow het aangezicht des Heeren. 27 En de kinderen Israels vraagden den Heere, want aldaar was de Arke des verbonds Gods in die dagen. 28 En Pinehas, de zoon Elea-zars, des zoons Aarons, stond voor zijn aangezicht in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen Benjamins mijns broeders, of zal ik ophouden? En de Heere zeide: Trekt op, want morgen zal ik hem in uwe hand geven. 29 Toen bestelde Israël achterlagen op Gibea rondom. oO En de kinderen Israels togen óp aan den derden dag tegen do kinderen Benjamins, en zij schikten den strijd op Gibea, als de andere malen, 31 Toen togen de kinderen Benjamins uit, den volke tegemoet, en werden van de stad afgetrokken : en zij begonnen te slaan van liet volk en te doorsteken, gelijk de andere malen, op de straten waarvan de ééne opgaat naar het huis Gods, en de andere naar Gibea in het veld, omtrent dertig man van Israël. 32 Toen zeiden de kinderen Benjamins: Zij zijn voor ons aangezicht geslagen als te voren; maar de kinderen Israels zeiden: Laat ons vlieden, en hem van de stad aftrekken naar de straten. 33 Toen maakten zich alle mannen Israels ^ óp uit hunne plaatsen, en schikten den strijd te Baiil-Tamar ;_ook brak Israels achterlage óp uit hare plaats, na de ontblooting van Gibea. |
|
EICHTI 34 En tienduizend uitgelezen mannen van gansch Israël kwamen van tegenover Gibea, en de strijd werd zwaar; doch zij wisten niet dat het kwaad hen treffen zoude. 35 Toen sloeg de Heere Benjamin voor Israels aangezicht, dat de kinderen Israels op dien dag van Benjamin vernielden vijfentwintigduizend en honderd mannen; alle die trokken het zwaard uit. 3G En de kinderen Benjamins zagen dat zij geslagen waren; want de mannen Israels gaven den Benjaininiten plaats, omdat zij vertrouwden op de aehterlage, die zij tegen Gibea gesteld hadden. 37 En de aehterlage haastte en brak voorwaarts, naar Gibea toe; ja, de aehterlage trok rechtdoor, en sloeg de gansche stad met de scherpte des zwaards. 38 En de mannen Israels hadden eenen bestemden tijd niet de aehterlage, wanneer zij eene groote verhefling van rook van de stad zouden doen opgaan. 39 Zoo keerden zich de mannen Israels um in den strijd, en Benjamin had begonnen te slaan en te doorsteken van de mannen Israels omtrent dertig man (want zij zeiden: Immers is hij zekerlijk voor ons aangezicht geslagen, als in den vorigen strijd), 40 toen begon de verheffing op te gaan van de stad, «/s een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, zie, zoo ging de brand der stad op naar den hemel. 41 En de mannen Israels keer-den zich om; en de mannen Benjamins werden verbaasd, want zij zagen dat het kwaad hen treilen zoude. 42 Zoo wendden zij zich voor het aangezicht der mannen van Israël naar den weg der woestijn; maar de strijd kleefde ze aan, en die uit de steden vernielden ze in het midden van hen. 43 Zij omringden Benjamin, zij vervolgden hem, zij vertraden hem gemakkelijk tot vóór Gibea, tegen den opgang der zon; |
3REN 21. 323 44 en er vielen van Benjamin achttienduizend mannen: deze allen waren strijdbare mannen. 45 Toen keerden zij zich en vloden naar de woestijn tot den rotssteen van Rimmon; maar zij deden eene nalezing onder hen op de straten van vijfduizend! man, voorts kleefden zij ze ach- i teraan tot aan Gidiom, en sloegen van hen tweeduizend man. j 46 Alzoo waren allen, die op ; dien dag van Benjamin vielen, vijfentwintigduizend mannen die het zwaard uittrokken: alle die waren strijdbare mannen. 47 Doch zeshonderd mannen keerden zich en vloden naar de woestijn tot den rotssteen van liimmon, en bleven in den rotssteen van Bimmon vier maanden. 48 En de mannen Israëls keerden weder tot de kinderen Ben- i jamins, en sloegen ze met de i scherpte des zwaards, die van de 1 geheele stad, tot de beesten toe, ' ja, al wat gevonden werd; ook zetteden zij alle steden, die ge-i vonden werden, in het vuur. HOOFDSTUK 21. De mannen Israëls nu hadden te Mizpa gezworen, zeggende: : Niemand van ens zal zijne doch-! ter den Benjaininiten ter vrouwe i geven. i 2 Zoo kwam het volk tot het , Huis Gods, en zij bleven daar tot i op den avond voor Gods aange-| zicht; en zij hieven hunne stemme op en weenden met groot ' geween, 3 en zeiden: O Heere, God | van Israël, waarom is dit geschied ! in Israël, dat er heden een stam | van Israël gemist wordt? j 4 En het geschiedde desande-; ren daags, dat zich het volk I vroeg opmaakte en bouv/de aldaar i een altaar, en zij offerden brand-! otteren en dankofferen. 5 En de kinderen Israëls zei-; den: Wie is er die niet is opgekomen in de vergadering uit alle de stammen Israëls tot den Heere? ; AVant daar was een groote eed ! geschied aangaande dengenen, die |
|
824 RICHTI niet opkwam tot den Heeke te Mizpa, zeggende: Hij zal zekerlijk gedood worden. 6 En het berouwde den kinderen Israels over Benjamin hunnen broeder, en zij zeiden: Heden is een stam van Israël afgesneden. 7 Wat zullen wij belangende de vrouwen doen aan degenen die overgebleven zijn? Want wij hebben bij den Heere gezworen, dat wij hun van onze dochte-ren geene tot vrouwen zullen geven. 8 En zij zeiden: Is er iemand van de stammen Israels, die niet opgekomen is tot den Heere te 31 izpa ? En zie, van Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger tot de gemeente; 9 want het volk werd geteld, en zie, daar was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead. 10 Toen zond de vergadering daarhenen twaalfduizend mannen, van de strijdbaarste, en zij geboden hun, zeggende: Trekt henen en slaat met de scherpte des z waards de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderkens. 11 Doch dit is de zaak die gij doen zult: al wat mannelijk is, en alle vrouwen die de bijligging eens mans bekend hebben, zult gij verbannen. 12 En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochteren die maagden waren, die geenen man bekend hadden in bij ligging des mans: en zij brachten die in het leger te Silo, dewelke is in het land Kanaan. 13 Toen zond de gansche vergadering henen en sprak tot de kinderen Benjamins, die in den rotssteen van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe. 14 Alzoo kwamen de Benjami-niv.en terzelfder tijd weder; en zij gaven hun de vrouwen, die zij in het leven behouden hadden van de vrouwen van Jabes in Gi-le.ad; maar alzoo waren er nog niet genoeg voor hen. 15 Toen berouwde het den volke |
REN 21. over Benjamin, omdat de Heere eene scheur gemaakt had in de stammen Israels; 16 en de oudsten der vergadering zeiden: Wat zullen wij belangende de vrouwen doen aan degenen die overgebleven zijn? want de vrouwen zijn uit Benjamin verdelgd. 17 Wijders zeiden zij: De erfenis dergenen die ontkomen zijn is Benjamins, en daar moet geen stam uitgedelgd worden uit Israël. 18 Maar wij zullen hun geene vrouwen van onze dochteren kunnen geven; want de kinderen Israels hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij die den Benjami-niten eene vrouw geeft. 19 Toen zeiden zij: Zie, daar is een feest des Heeren te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden tcordt tegen het noorden van het Huis Gods, tegen den opgang der zon, aan den hoogen weg, die opgaat van het Huis Gods naar Si-chem, en tegen het zuiden van Lebona. 20 En zij geboden den kinderen Benjamins, zeggende: Gaat henen en loert in de wijngaarden, 21 en let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zoo komt gij voort uit de wijngaarden, en schaakt u een ieder zijne huisvrouw uit de dochteren van Silo; en gaat henen in het land Benjamins. 22 En het zal geschieden wanneer hare vaders of hare broeders zullen komen om voor ons te rechten, dat wij tot hen zullen zeggen: Zijt hun om onzentwil genadig, omdat wij geene huisvrouw voor een ieder van hen in dezen krijg genomen hebben; want gijlieden hebt ze hun niet gegeven, dat gij te dezer tijd schuldig zoudt zijn. 23 En de kinderen Benjamins deden alzoo, en voerden naar hun getal vrouwe u weg van de reiende dochters, die zij roofden; en zij togen henen en keerden weder tot hunne erfenis, en herbouw- |
RUTH 1. 825
den de steden en woonden daarin. ! von daar, een iegelijk naar zijne
erlenis.
24 Ook togen de kinderen Is-
raëls te dier tijd van daar, een i 25 In die dagen was er geen iegelijk naar zijnen stam en naar j Koning in Israël: een iegelijk zijn geslacht; alzoo togen zij uit quot; deed wat recht was in zijne oogen.
HET BOEK RUTH.
|
HOOFDSTUK 1. In de dagen als de richters richtten, zoo geschiedde liet dat er honger in het land was; daarom toog een man nit Bethlehem-Juda om als vreemdeling teyerkeeren in de velden Moabs, hij en zijne huisvrouw en zijne twee zonen. 2 De naam nu dezes mans was Elimelech, en de naam zijner huisvrouw Naomi, en do naam zijner twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathiten, van Bcthle-hem-Juda; en zij kwamen inde velden Moabs en bleven aldaar. 3 En Elimelech, de man van Naomi, stierf; maar zij werd overgelaten met hare twee zonen. 4 Die namen zich Moabitische vrouwen: de naam der ééne was Orpa en de naam der andere Ivuth, en zij bleven aldaar omtrent tien jaren. 5^ En dio twee, Machlon en Chiljon, stierven óók; alzoo werd deze vrouw overgelaten na hare twee zonen en na haren man. G Toen maakte zij zich op met hare schoondochteren en keerde weder uit de velden Moabs: want zij had gehoord in het land Moabs dat de Heere zijn volk bezocht had, gevende hun brood. 7 Daarom ging zij uit van de plaats waar zij geweest was, en hare twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg om weder te keeren naar het land Juda, 8 zoo zeide Naomi tot hare twee schoondochteren: Gaat henen, keert weder, een iegelijk tot het huis harer moeder; de Heere doe bij u de weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de dooden en bij mij ; |
9 de Heere geve u dat gij rust vindt, een iegelijk inhaarsmans huis. En als zij ze kuste, hieven zij hare stemme op en weenden; 10 en zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u weder-Idieren tot uw volk. 11 Maar Naomi zeide: Keert weder, mijne dochters, waarom zoudt gij met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijnen lijve, datzij u tot mannen zouden zijn ? 12 Keert weder, mijne dochters, gaat henen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht eenen man hadde, ja, ook zonen baarde: 13 zoudt gij daarnaar wachten totdat zij groot geworden zijn, zoudt gij daarnaar opgehouden worden om geenen man te nemen? Niet, mijne dochters; want het is mij veel bitterder dan u,maar de hand des Heeren is tegen mij uitgegaan. 14 Toen hieven zij hare stem op en weenden wederom, en Orpa kuste hare schoonmoeder, maar Rutli kleefde haar aan. 15 Daarom zeide zij : Zie, uwe zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot hare goden: keer gij óók weder, uwe zwagerin na. 16 Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen dat ik u zoude verlaten, om van achter u weder to keeren; want waar gij zult henengaan zal ik óók henengaan, en waar gij zult vernachten zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God; 17 waar gij zult sterven zal ib |
|
326 RUI fiterven, en aldaar zal ik begraven worden: alzóó doe mij de Heere en alzóó doe hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal schei-â ding maken tussclien mij en tus-schen u. 18 Als zij nu zag dat zij vas-telijk voorgenomen had met haar te gaan, zoo hield zij op tot haar te spreken. 19 Alzoo gingen die beiden totdat zij te Bethlehem kwamen. En het geschiedde als zij te Bethlehem inkwamen, dat de gansche etad over haar beroerd werd en zij zeiden: Is dit Naomi? 20 Maar zij zeide tot hen: Noemt mij niet Naomi: noemt mij Mara, want d« Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan. 21 Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen weder-keeren: waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de Heere tegen mij getuigt en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft? 22 Alzoo kwam Naomi weder en Ruth de Moabitische, hare schoondochter, met haar, die uit de velden Moaba wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het Ibegin van den gerstenoogst. HOOFDSTUK 2. Naomi nu had eenen bloedvriend haars mans, eenen man .geweldig van vermogen, van Eli-mélechs geslacht, en zijn naam was Boaz. 2 En Ruth de Moabitische zeide tot Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oplezen, achter dien in wiens oogen ik genade zal vinden. En zij zeide tot haar: Ga henen, mijne dochter. 3 Zoo ging zij henen, en kwam â en las óp in het veld achter de maaiers; en haar viel bij geval vóór een deel des velds van Boaz, die van het geslacht Elimélechs was. 4 En zie, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers: De Heere zij met ulieden. En .zij zeiden tot hem: De Heere aegene u. |
rl 2. 5 Daarna zeide Boaz tot zijnen jongen, die over de maaiers gezet was: Wiens is deze jonge vrouw? C En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zeide: Deze is de Moabitische jonge vrouw, die met Naomi wedergekomen is uit de velden Moabs; 7 en zij heeft gezegd: Laat mij toch oplezen en aren bij de garven verzamelen achter de maaiers; zoo is zij gekomen en heeft gestaan van 's morgens af tot nu toe; nu is haar tehuisblijven weinig. 8 Toen zeide Boaz tot Euth: Hoort gij niet, mijne dochter? Ga niet om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijne maagden. 9 Uwe oogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen, en gij zult achter haarlieden gaan; heb ik den jongens niet geboden dat men u niet aanroere? Als u dorst, zoo ga tot de vaten en drink van hetgeen de jongens zullen geschept hebben. 10 Toen viel zij op haar aangezicht en boog zich ter aarde, en zij zeide tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen, dat gij mij ként, daar ik eene vreemde ben? 11 En Boaz antwoordde en zeide tot haar: Het is mij wel aangezegd alles wat gij bij uwe schoonmoeder gedaan hebt na den dood uws mans, en hebt uwen vader en uwe moederen het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tct een volk, dat gij van te voren niet kendet. 12 De Heere vergelde u uwe daad, en uw loon zij volkomen van den Hkere den Godlsraëls, onder wiens vleugelen gij gekomen zijt toevlucht te nemen. 13 En zij zeide: Laat mij genade vinden in uwe oogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt en dewijl gij naar het hart van uwe dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben gelijk eene uwer dienstmaagden. |
|
RUT 14 Als het nu etenstijd was, Kei de Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet jan het brood, en doop uwe bete in den azijn. Zoo zat zij neder aan de zijde vran de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzagdigd, en hield over. 15 Als zij nu opstond om op te lezen, zoo gebood Boaz zijnen jongens, zeggende: Laat ze ook tusschen de garven oplezen, en beschaamt ze niet; 1G ja, laat ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen, en laat liet liggen dat zij liet opleze, en bestraft ze niet. 17 Alzoo las zij óp in dat veld tot aan den avond; en zij sloeg uit wat zij opgelezen had, en het was omtrent eene efa gerst. 18 En zij nam het op, en kwam in de stad; en hare schoonmoeder zag wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort en gaf haar wat zij van hare verzadiging overgehouden had. 19 Toen zeide hare schoonmoeder tot haar: quot;Waar hebt gij heden opgelezen en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij die u gekend heeft. En zij verhaalde hare schoonmoeder bij wien zij gewrocht had, en zeide: De naam des mans, bij wien ik heden gewrocht heb, is Boaz. 20 Toen zeide Naomi tot hare schoondochter: Gezegend zij hij den Heere, die zijne weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doodcn. Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande, hij is een van onze lossers. 21 En Ruth de Moabitische zeide: Ook omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens die ik heb, totdat zij den ganschen oogst dien ik heb zullen hebben voleindigd. 22 En Naomi zeide tot hare echoondochter Ruth: liet is goed, mijne dochter, dat gij met zijne maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld. 23 Alzoo hield zij zich bij de maagden van Boaz om op te lezen, totdat de gerstenoogst en |
H 3. 327 tarwenoogst voleindigd waren; en zij bleef bij hare schoonmoeder. HOOFDSTAK 3. En Naomi, hare schoonrloeder, zeide tot haar: Mijne dochter, zoude ik u geene rust zoeken, dat liet u wel ga? 2 Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden gij geweest zijt, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dorschvloer wannen. 3 Zoo baad u en zalf u en doe uwe kleederen aan, en ga af naar den dorschvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. 4 En het zal geschieden als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken waar hij zalnedergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u: zoo zal hij u te kennen geven wat gij doen zult. 5 En zij zeide tot haar: Al wat gij tot mij zegt zal ik doen. 6 Alzoo ging zij af naar den dorschvloer, en deed naar alles dat hare schoonmoeder haar geboden had. 7 Als nu Boaz gegeten en gedronken had en zijn hart vroolijk was, zoo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste eens ko-rc;?hoops. Daarna kwam zij stil-1 ekens in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich. 8 En het geschiedde te middernacht dat die man verschrikte en om zich greep, en zie, eene vrouw lag aan zijn voetdeksel. 9 En hij zeide: Wie zijt gij? En zij zeide: Ik ben Ruth uwe dienstmaagd: breid dan uwen vleugel uit over uwe dienstmaagd, want gij zijt de losser. 10 En hij zeid- Gezegend zijt gij den Heere, mijne dochter; gij hebt deze uwe laatste weldadigheid beter gemaakt dan do eerste, dewijl gij geen jonge gezellen zijt nagegaan, het zij arm of rijk. 11 En nu, mijne dochter, vrees niet: al wat gij gezegd hebt zal |
EUTH 4.
828
|
ik u doen; want de ganschestad mijns volks weet dat gij eeu deugdelijke vrouw zijt. 12 Nu dan, wel-is-waar dat ik een losser ben, maar daar is nog een losser nader dan ik. 13 Blijf dezen nacht over; voorts in den morgen zal liet ge-schieden, indien hij u lost, goed, laat liy lossen; maar indien het hem niet Inst u te lossen, zoo zal ik u lossen, zoo icaarachtio als de Heere leeft; zoo leg u neder tot den morgen toe. 14 Alzoo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot den morgen toe, en stond op eer dat de één den ander kennen konde, want hij zeide: Het worde niet bekend dat eene vrouw op den dorsch-vloer gekomen is. 15 quot;V oorts zeide hij: Lang den sluier die op u is, en houd dien. En zij hield hem; en hij matzes mah'.n gerst, en leide ze op haar; daarna ging hij in de stad. 1G Zij nu kwam tot hare schoonmoeder, welke zeide: quot;Wie zijt gij, mijne dochter? En zij verhaalde haar alles wat die man haar gedaan had; 17 ook zeide zij: Deze zes malen gerst, heeft hij mij gegeven, want hij zeide tot mij: Kom niet ledig tot uwe schoonmoeder. 18 Toen zeide zij: Zit stille, mijne dochter, totdat gij weet hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten tenzij dat hij lieden deze zaak voleindigd hebbe. HOOFDSTUK 4. En Boaz ging óp in de poort en zette zich aldaar; en zie, de losser, van welken Boaz gesproken had, ging voorbij; zoo zeide hij: Wijk herwaarts, zet u hier, gij zulk een. En hij week derwaarts en zette zich. 2 En hij nam tien mannen van de oudsten der stad, en zeide: Zet u hier; en zij zetteden zich. 3 Toen zeide hij tot dien losser; Het stuk lands, dat onzes broeders Elimélechs was, heeft Naomi, die uit der Moabiten land â¢wedergekomen is, verkocht; |
4 en ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende; â Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks; zoo gij het zult lossen, los het; en zoo men het ook niet zoude lossen, verklaar het mij dat ik liet wete; want daar is niemand behalve gij die het losse, en ik na u. Toen zeide hij; ik zal het lossen. 5 Maar Boaz zeide; Ten dage als gij het land aanvaardt van de hand Naomi's, zoo zult gij het ook aanvaarden van Ruth de Moabitische, de huisvrouw des verstorvenen, om den naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeel._ G Toen zeide die losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve; los gij mijno lossing voor u, want ik zal niet kunnen lossen. 7 Nu was dit van ouds eene oewoonte in Israël bij de lossing en bij de verwisseling, om de gansche zaak te bevestigen; zoo trok de man zijnen schoen uit en gaf dien zijnen naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël. 8 Zoo zeide deze losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u; en hij trok zijnen schoen uit. 9 Toen zeide Boaz tot de oudsten en al het volk; Gijlieden zijt heden getuigen, dat ik aanvaard heb alles wat Elimélechs geweest is, en alles watChiijons en Machlons geweest is, van de hand Naomi's; 10 daartoe aanvaard ik ook Ruth de Moabitische, Machlons huisvrouw, tot eene vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van onder zijne broederen en van de poorte zijner plaats; gijlieden zijt heden getuige. 11 En al het volk dat in de poort was, mitsgaders de oudsten, zeiden; Wij zijn getuigen; de Heere make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis Israël» |
1 SAMUÃL 1.
329
|
gebouwd hebben; en handel kloe-kelijk in Efratha, en maak ineen naam vermaard in Bethlehem; 12 en uw huis zij als het huis van Perez (dien Tamar aan Juda baarde), van het zaad, dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw. 13 AIzoo nam Boaz Ruth, en zij werd hem ter vrouwe, en hij ging tot haar in; en de Heere gaf haar dat zij zwanger werd en eenen zoon baarde. 14 Toen zeiden de vrouwen tot aomi: Geloofd zij de Heere, die niet heelt nagelaten u lieden eenen losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël. 15 Die zal u zij n tot eenen ver-li wikker der ziele, en om uwen ouderdom te onderhouden; want uwe schoondochter die u liefheeft heeft hem gebaard, die u beter is dan zeven zonen. |
16 En Naomi nam dat kinden zette het op haren schoot, en werd zijne voedster. 17 En de naburinnen gaven hem eenen naam, zeggende: Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijnen naam Obed; deze is de vader van Isai, Davids vader. 18 Dit nu zijn do geboorten van Perez: Perez gewon Hezron, 19 en Hezron gewon Ham, en Ram gewon Amminadab, 20 en Amminadab gewon Nahes-son, en Nahesson gewon Salma, 21 en Salmon gewon Boaz, en Boaz gewon Obed, 22 en Obed gewon Isai, en Isai gewon David. |
HET EERSTE BOEK SAMUÃL.
|
HOOFDSTUK 1. Daar was een man van Raraa-thaïm-Zonm, van het gebergte Efraïms, wiens naam was Elkana, een zoon Jerohams, des zoons van Elihu, den zoon van Tohu, den zoon van Zuf, een Efraï-miet. 2 En hij had twee vrouwen: de naam van de ééne was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geene kinderen. 3 Deze man nu ging opwaarts uit zijne stad van jaar tot jaar, om te aanbidden en om te offeren den Heere der heiracharen te Silo; en aldaar waren Priesters des Heeren Hofni en Pinehas, de twee zonen van Eli. 4 En het geschiedde op dien dag als Elkana otterde, zoo gaf hij aan Peninna zijne huisvrouw en aan alle hare zonen en hare doch teren deelen. |
o Maar Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; doch de Heere had hare baarmoeder toegesloten. G En hare tegenpartijdige tergde ze ook met terging om haar te vergrimmen, omdat de Heere hare baarmoeder toegesloten had. 7 En alzoo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het Huis des Heeren, zoo tergde zij haar alzóó; daarom weende zij en at niet. 8 Toen zeide Elkana haar man: Hanna, waarom weent gij, en â waarom eet gij niet, en waarom is uw harte kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zonen? 9 Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten en nadat hi] gedrun-ken had te Silo. (En Eli de Priester zat op eenen stoel bii eenen 11* |
1 SAMÃÃL 2.
S30
|
poet des Tempels des Heeren.) 10 Zij dan van ziele bitterlijk bedroefd zijnde, zoo bad zij tot den Heere en zij weende zeer; 11 en zij beloofde eene gelofte cn zeide: Heere der heirscharen, zoo gij eenmaal de ellende uwer dienstmaagd aanziet en mijner gedenkt, en uwe dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan uwe dienstmaagd een mannelijk zaad, zoo zal ik dat den Heere geven alle de dngen zijns levens, en daar zal geen scheermes op zijn hoofd komen. 12 Het geschiedde nu als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht des Heeren, zoo gaf Eli acht op haren mond^ 13 want Hanna sprak in haar harte, alleenlijk roerden zich hare lippen, maar hare stem werd niet gehoord: daarom hield Eli haar voor dronken. 14 En Eli zeide tot haar: Hoe lang zult gij u dronken aanstellen? Doe uwen wijn van u. 15 Doch Hanna antwoordde en zeide: Neen, mijn heer, ik ben eene vrouw bezwaard van geest; ik heb noch wijn noch sterken drank gedronken, maar ik heb mijne ziele uitgegoten voor het aangezicht des Heerex: 16 acht toch uwe dienstmaagd niet voor eene dochter Belials, want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid mijner gedachten en mijns verdriets. 17 Toen antwoordde Eli en zeide: Ga henen in vrede, en de God Israels zal uwe bede geven, die gij van hem geboden hebt. 18 En zij zeide: Laat uwe dienstmaagd genade vinden in uwe oogen. Alzoo ging die vrouw haars weegs; en zij at, en haar aangedicht was haar zoodanig niet Aiiecr. 19 En zij stonden des morgens vroeg op, en zij baden aan voor het aangezicht des Heeren, en zij keerden! weder en kwamen tot hnn huis te Eama. En El-kana bekende zijne huisvrouw Hanna en de Heere gedacht aan haar. |
20 En het geschiedde na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Samuël: want, zeide zij, ik heb hem van den Heere gebeden. 21 En die man Elkana toog op met zijn gansche huis, om den Heere te olferen hetjaarlijksche offer en zijne gelofte. 22 Doch Hanna toog niet op, maar zij^ zeide tot haren man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des Heeren ver-schijne en blijve daar tot in eeuwigheid. 23 En Elkana haar man zeid© tot haar: Doe wat goed is in uwe oogen, blijf totdat gij hem zult gespeend hebben; de Heere be-vestige maar zijn woord. Alzoo bleef de vrouw en zoogde haren zoon, totdat zij hem speende. 24 Daarna als zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich opwaarts, met drie varren, en eene efa meel, cn eene flesch met wijn; en zij bracht hem in het huis des Heeren te Silo: en hetjongsken was zeer jong. 25 En zij slachtten een var; alzoo brachten zij het kind tot EH. 26 En zij zeide: Och mijn heer, zoo waarachtig als uwe ziele leeft, mijn heer, ik ben die vrouw, die hier bij u stond om den Heers te bidden; 27 ik bad om dit kind, en do Heere heeft mij mijne bede gegeven, die ik van hem gebeden heb: 28 daarom heb ik hem ook den Heere overgegeven alle de dagen die hij wezen zal; hij is van den Heere gebeden. En hij bad aldaar den Heere aan. HOOFDSTUK 2. Toen bad Hanna en zeide: Mijn harte springt op van vreugd in den Heere, mijn hoorn is verhoogd in den Heere, mijn mond is wijd opgedaan over mijne ^vijanden ; want ik verheug mij in uw heil. 2 Daar is niemand heilig gelijk de Heere, want daar is niemand |
|
1 SAM 1 her dan gij, en daar is geen rotssteen -nen gelijk onze God. aam 3 Maakt het niet te veel, dat lieb gij hoog, hoog zondt spreken, dat n. iets hards uit uwen mond zoude gop gaan; want de Heere is een God den der -wetenschappen, en zijne da-gt;che den zijn recht gedaan. 4 De boog der sterken ;*s ge-op, broken, en die struikelden zijn an: met sterkte omgord. ilan 5 Die verzadigd waren hebben oor zich verhuurd om brood, en die rer- hongerig waren zij n het niet meer; in totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinde-id© ren had krachteloos is geworden, we 6 De Heere doodt en maakt uit levend, hij doet ter helle neder-be- dalen en hij doet opkomen. :oo 7 De Heere maakt arm en â¢en maakt rijk; hij vernedert, ook verhoogt hij. nd 8 Hij verheft den geringe uit )p- het stof, en den nooddruftige ver- ne hoogt hij uit den drek om te u; doen zitten bij de Vorsten, dat es hij ze den stoel der eere doe be- sri erven: want de grondvesten des aardrijks zijn des Heehex, en hij r; heeft de wereld daarop gezet. oz 9 Hij zal de voeten zijner gunst- genooten bewaren, maar de god-ït, delopzen zullen zwijgen in duis- [t, ternis; want een man vermag ie ciet door kracht. :e 10 Die met den Heere twisten zullen verpletterd worden, hij zal 0 in den hemel over hen donderen; 5- de Heere zal de einden der aarde d richten, en zal zijnen Koning sterkte geven en den hoorn zijns q Gezalfden verhoogen. a 11 Daarna ging Elkana naar 1 Kama in zij-n huis; maar dejon-r geling was den Heere dienende voor het aanschijn van den Priester Eii. 12 Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials, zij kenden den Heere niet. 13 quot;Wantde wijze dierPriesteren met het volk was, dat icanneer iemand eene offerande offerde, des Priesters jongen kwam, terwijl het vleesch kookte, met eenen drietandigen krauwel in zijne hand, |
JÃL 2. 331 14 en sloeg in de teil of in de» ketel of in de pan of in den pot: al wat de krauwel optrok, dat nam de Priester voor zich. Al-zóó deden zij allen den Israëliten, die daar te Silo kwamen. 15 Ook eer zij het vet aanstaken, kwam des Priesters jongen en zei de tot denman die offerde: Geef dat vleesch om te braden voor den Priester, want hij zai geen gekookt vleesch van u nemen, maar rauw. 16 Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet heden ganschelijk aansteken, zoo neem dan voor u gelijk als het uwe ziel lusten zal, zoo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zoo niet, ik zal het met geweld nemen. 17 Alzoo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des Heeren; want de-lieden verachtten het spijsoffer des Heeren. 18 Doch Samuël diende voor het aangezicht des Heeren, zijnde een jongeling, omgord met den linnen lijfrok. 19 En zijne moeder maakte hem eenen kleinen rok, en bracht hem dien van jaar tot jaar, alamp; zij opkwam met haren man om het jaarlijksche offer te oliereu. 20 En Eli zegende Elkana en zijne huisvrouw, en zeide: De Heere geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den Heere afgebeden heeft. Eu zij gingen naar zijne plaats. 21 Want de Heere bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en tweedoch-teren, en de jongeling Samuël werd groot bij den Heere. 22 Doch Eli was zeer oud, en hoorde al wat zijne zonen aan gansch Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hoopen samenkwamen aan do-deur der^ Tent der samenkomst; 23 en hij zeide tot hen: Waarom doet gij alzulke dingen, dat ik deze uwe booze stukken hoore* van dit gansche volk? 24 Niet, mijne zonen; want di» is geen goed gerucht dat ik hoor ^ |
1 SAMÃÃL 2.
S30
|
post des Tempels des Heeren.) 10 Zij dan van ziele bitterlijk bedroefd zijnde, zoo bad zij tot den Heeke en zij weende zeer; 11 en zij beloofde eene gelofte en zeide: Heere der heirscharen, zoo gij eenmaal de ellende uwer dienstmaagd aanziet en mijner gedenkt, en uwe dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan uwe dienstmaagd een mannelijk zaad, zoo zal ik dat den Heere geven alle de dagen zijns levens, en daar zal geen scheermes oigt; zijn hoofd komen. 12 Het geschiedde nu als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht des Heer en, zoo gaf Eli acht op haren mond; 13 want Hanna sprak in haar harte, alleenlijk roerden zich hare lippen, maar hare stem werd niet gehoord: daarom hield Eli haar voor dronken. 14 En Eli zeide tot haar: Hoe lang zult gij u dronken aanstellen? Doe uwen wijn van u. 15 Doch Hanna ant woordde en zeide: Neen, mijn heer, ik ben eene vrouw bezwaard van geest; ik heb noch wijn noch sterken drank gedronken, maar ik heb mijne ziele uitgegoten voor het aangezioht des Heeken: 10 acht toch uwe dienstmaagd niet voor eene dochter Belials, want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid mijner gedachten en mijns verdriets. 17 Toen antwoordde Eli en zeide: Ga henen in vrede, en de God Israels zal uwe bede geven, die gij van hem gebeden hebt. 18 En zij zeide: Laat uwe dienstmaagd genade vinden in uwe oogen. Alzoo ging die vrouw haars weegs; en zij at, en haar aangezicht was haar zoodanig niet iiieer. 1^ En zij stonden des morgens vroeg op, en zij baden aan voor het aangezicht des Heeren, en zij keerden _ weder en kwamen tot hun huis te Eama. En El-kana bekende zijne huisvrouw Hanna en de Heere gedacht aan haar. |
20 En het geschiedde na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Samuël: want, zeide zij, ik heb hem van den Heere gebeden. 21 En die man Elkana toog op met zijn gansche huis, om den Heere te otteren hetjaarlijksche offer en zijne gelofte. 22 Doch Hanna toog niet op, maar zij^ zeide tot haren man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des Heerek ver-schijne en blijve daar tot in eeuwigheid. 23 En Elkana haar man zeide tot haar: Doe wat goed is in uwe oogen, blijf totdat gij hem zult gespeend hebben; de Heere be-vestige maar zijn woord. Alzoo bleef de vrouw en zoogde haren zoon, totdat zij hem speende. 24 Daarna als zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich opwaarts, met drie varren, en eene efa meel, en eene flesch met wijn; en zij bracht hem in het huis des Heeren te Silo: en hetjongsken was zeer jong. 25 En zij slachtten een var; alzoo brachten zij het kind tot EH. 26 En zij zeide: Och mijn heer, zoo waarachtig als uwe ziele leeft, mijn heer, ik ben die vrouw, die hier bij u stond om den Heere te bidden; 27 ik bad om dit kind, en do Heere heeft mij mijne bede gegeven, die ik van hem gebeden heb: 28 daarom heb ik hem ook den Heere overgegeven alle de dagen die hij wezen zal; hij is van den Heere gebeden. En hij bad aldaar den Heere aan. HOOFDSTUK 2. Toen bad E!anna en zeide: Mijn harte springt op van vreugd in den Heere, mijn hoorn is verhoogd in den Heere, mijn mond is wijd opgedaan over mijne vij-anden; want ik verheug mij in uw heil. 2 Daar is niemand heilig gelijk de Heere, want daar is niemand |
1 SAMUÃL 2.
331
|
dan gij, en daar is geen rotssteen gelijk onze God. 3 Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zondt spreken, dat iets hards uit uwen mond zoude gaan; want de Heure is een God der -svetenschappen, en zijne daden zijn recht gedaan. 4 De boog der sterken is gebroken, en die struikelden zijn met sterkte omgord. 5 Die verzadigd waren hebben zicli verhuurd om brood, en die hongerig -waren zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had krachteloos is geworden. 6 De Heere doodt en maakt levend, hij doet ter helle nederdalen en hij doet «'.scZt?}* opkomen. 7 De _ Heere maakt arm en maakt rijk; hij vernedert, ook verhoogt hij. 8 Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt hij uit den drek om te doen zitten bij de Vorsten, dat hij ze den stoel der eere doe be-erven ; want de grondvesten des aardrijks zijn des Heerex, en hij heeft de wereld daarop geze:. 9 Hij zal de voeten zijner gunst-genooten bewaren, maar de god-deloozen zullen zwijgen in duisternis ; want een man vermag ciet door kracht. 10 Die met den Heere twisten zullen verpletterd v,-orden, hij zal in den hemel over hen donderen; de Heere zal de einden der aarde richten, en zal zijnen Koning sterkte geven en den hoorn zijns Gezalfden verhoogen. 11 Daarna ging Elkana naar Eama in zijn huis; maar de jongeling was den Heere dienende voor liet aanschijn van den Priester Eli. 12 Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials, zij kenden den Heere niet. 13 quot;Want de wijze dierPriesteren met het volk was, dat icanneer iemand eene offerande offerde, des Priesters jongen kwam, terwijl het vleesch kookte, met eenen drietandigen krauwel in zijne hand, |
14 en sloeg in de teil ofindea ketel of in de pan of in den pot: al wat de krauwel optrok, dal; nam de Priester voor zich. Al-zóó deden zij allen den Israëliten, die daar te Silo kwamen. 15 Ook eer zij het vet aanstaken, kwam des Priesters jongen en zeide tot denman die offerde: Geef dat vleesch om te braden voor den Priester, want hij zal geen gekookt vleesch van u nemen, maar rauw. 115 quot;Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet heden ganschelijk aansteken, zoo^ neem dan voor u gelijk als het uwe ziel lusten zal, zoo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zoo niet, ik zal het met geweld nemen. 17 Alzoo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des Heeren ; want de-lieden verachtten het spijsoffer des Heeren. 18 Doch Samuel diende voor het aangezicht des Heeren, zijnde een jongeling, omgord met den linnen lijfrok. li) En zijne moeder maakt© hem eenen kleinen rok, en bracht hem dien van jaar tot jaar, als zij opkwam met haren man om het jaarlijksche offer te offeren. 20 En Eli zegende Elkana en zijne huisvrouw, en zeide: De Heere geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den Heere afgebeden heeft. En zij gingen naar zijne plaats. 21 Want de Heere bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en tweedoch-teren, en de jongeling Samuël werd groot bij den Heere. 22 Doch Eli was zeer oud, en hoorde al wat zijne zonen aan gansch Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hoopen samenkwamen aan de deur der Tent der samenkomst; 23 en hij zeide tot hen: Waarom doet gij alzulke dingen, dat ik deze uwe booze stukken hoore-van dit gansche volk? 24 Niet, mijne zonen; want di» is geen goed gerucht dat ik hoor;. |
|
332 1 SAM gij maakt dat het volk desIlEE-ren overtreedt. 25 Wanneer een mensch tepen een mensch zondigt, zoo zullen de goden hem oordeelen; maar â wanneer een mensch tegen den Heere zondigt, wie zal voor hem bidden ? Doch zij hoorden de stemme huns vaders niet, want de Heere wilde ze dooden. 2G En de jongeling Samuel nam toe en werd groot en aangenaam beide bij den Heere en ook bij de menschen. 27 En daar kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zóó zegt de Heere: Heb ik mij niet klaorlijk geopenbaard den huize uwe vaders, toen zij in Egypte waren, in liet huis van Farao? 28 Eu ik heb hem uit alle stammen Israëls mij ten priester verkoren, om te offeren op mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om den efod voor mijn aangezicht te dragen, en heb den huize uws vaders gegeven alle de vuuroöeren der kinderen Israëls : 29 waarom slaat gijlieden achteruit tegen mijn slachtolïer en tegen mijn spijsoffer, hetwelk ik geboden heb in de woning, en eert uwe zonen meer dan mij, dat gijlieden u mest van het voornaamste aller spijsofferen van mijn volk Israël? 30 Daarom spreekt de Heere de God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de Heere: Dat zij verre van mij; want die mij eeren zal ik eeren, maar die mij versmaden zullen licht geacht worden. 31 Zie, de dagen komen dat ik uwen arm zal afhouwen en den arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uwen huize wezen zal; 32 en gij zult aanschouwen de benauwdheid der woning Gods, in plaats van al het goede dat hij Israël zoude gedaan hebben; en daar zal te geenen dage een oud man in uwen huize zijn. |
JÃL 3. 33 Doch de man, dien ik u niet zal uitroeien van mijn altaar, zoude zijn om uwe oogen te verteeren en om uwe ziele te bedroeven: en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde. 34 Dit nu zal u een teeken zijn hetwelk over uwe beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op éénen dag zullen zij beiden sterven. 3ö En ik zal mij eenen getrouwen Priester verwekken ; die zal doen gelijk als in mijn harte en in mijne ziele zijn zal; dien zal ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht mijns Gezalfden wandelen. 36 _En het zal geschieden dat al wie van uwen huize zal overig zijn, zal komen om zich voor hem neder te buigen voor een siuks-ken geld en eene bolle brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot eenige Priesterlijke bediening, dat ik eene bete broods moge eten. HOOFDSTUK 3. En de jongeling Samuël diende den Heere voor het aangezicht van Eli; en het Woord des Hee-ren was schaarsch in die dagen, er was geen openbaar gezicht. 2 En het geschiedde te dien dage, als Eli op zijne plaats ne-derlag (en zijne oogen donker begonnen te worden dat hij niet zien konde), 3 en Samuël zich ook nederge-legd had, eer de lamp Gods uitgedaan werd in den Tempel des Heeren, waar de Arke Gods was: 4 dat de Heere Samuël riep; en bij zeide: Zie hier ben ik, 5 en hij If.ep tot Eli en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Doch hij zeide: Ik heb niet geroepen, keer weder, leg u neder. En hij ging henen en leide zich neder. 6 Toen riep de Heere Samuël wederom en Samuël stond open ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Hij dan zeide: Ik heb niet |
1 SAMUÃL 4.
333
|
peroepen, juijnzoon; keer weder, leg u neder. 7 Doch Sanruël kende den Heere nog niet, en het Woord des Heeren was aan hem nog niet geopenbaard. 8 Toen riep de Heere Samnël wederom ten derden male; en hij stond op en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Toen verstond Eli dat de Heere den jongeling riep; 9 daarom zeide Eli tot Samnël: Ga henen, leg u neder, en het zal geschieden zoo hij n roept, zoo zult gij zeggen : Spreek Heere, want uw knecht hoort. Toen ging Samuël henen en leide zich op zijne plaats. 10 Toen kwam de Heere en stelde zich daar, en riep gelijk de andere malen: Sam nol, Samuël ! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort. 11 En de Heere zeide tot Samuël: Zie, ik doe een dii.g in Israël, dat al wie het hooren zal, dien zullen zijne beide ooren klinken. 12 Te dien dage zal ik verwekken over Eli alles wat ik tegen zijn huis gesproken heb: Ik zal het beginnen en voleinden. 13 Want ik heb hem te kennen gegeven dat ik zijn huis richten zal tot in eeuwigheid, om deron-gerechtigheids wille die hij geweten heeft; want a/s zijne zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zoo hoeft hij ze niet eens zuur aangezien. 14 Daarom dan heb ik den huize van Eli gezworen: Zoo de ongerechtigheid des huizes van Eli tot in der eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer! 15 Samuël nu lag tot aan den morgen, toen deed hij de deuren van het huis des Heeren open; doch Samuël vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven. 10 Toen riep Eli Samuël en zeide: Mijn zoon Samuël! Hij dan zeide: Zie hier ben ik. |
17 En hij zeide: Wat is het woord dat hij tot u gesproken { heeft? Verberg het toch niet voor | mij ; God doe u zoo, en zoo doe j hij daartoe, indien gij een woord I voor mij verbergt van alle de i woorden die hij tot u gesproken | heeft. 18 Toen gaf hem Samuël te kennen alle die woorden, en ver- i borg ze voor hem niet. En hij zeide: Hij is de Heere, hij doet wat goed is in zijne oogen. 19 Samuël nu werd groot, en lt;ie Heere was met hem en liet niet óón van alle zijne woorden op de ; aarde vallen. 20 En gansch Israël, van Dan : tot Berseba toe, erkende dat Sa-; muël bevestigd was tot een Profeet des Heeren. 21 En de Heere voer voort te verschijnen te Silo, want de Hee-he openbaarde zich aan Samuël te Silo door het Woord des Heeren. HOOFDSTUK 4. En het woord Samuëls geschiedde aan gansch Israel.^ En Israël toog uit, den Filistijnen tegemoet ten strijde, en zij legerdon zich bij Eben-Haëzer, maar de Filestijnen legerden zich bij Afek. 2 En de Filistijnen stelden zich in slagorde om Israël te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zoo werd Israël voor der Filistijnen aangezicht geslagen; want zij sloegen in de slagorde i7i het veld omtrent vierduizend man. 3 Als het volk wederom in het leger gekomen was, zoo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons de Heere heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ; ons nemen de Ark des verbonds des Heeren, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand on-, zer vijanden. | 4 Het volk dan zond naar Silo, , en men bracht van daar de Ark i des verbonds van den Heere der heirscharen, die tusschen de 1 cherubs woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren |
1 SAMUÃL 5.
S34
|
daar met de Ark des verbouds Oods. o En liefc geschiedde als de Ark des yerbonds des Heer en in liet leger kwam, zoo juiclite gansch Israël met een groot gejuich, al-izoo dat de aarde dreunde. 6 Als nu de Filistijnen de stem des juichens hoorden, zoo zeiden zij: Wat is de stem van dit -groote juichen in het leger der Hebreen ? Toen vernamen zij dat de Ark des Heeeen in het leger gekomen was. 7 Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in 2iet leger gekomen. En zij zeiden: 'Wee ons, want dergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied. 8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand dezer heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben bij de woestijn. 9 Zijt sterk en weest mannen, gij Filistijnen, opdat gij de He-Breën niet misschien dient, gelijk als zij ulieden gediend hebben; zoo zijt mannen en strijdt. 10 Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vloden een iegelijk naar zijne tenten; en daar geschiedde een zeer groote nederlaag, zoodat er van Israël vielen dertigduizend voetvolk; 11 en de Ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 12 Toen liep daar een Benjaminiet uit de slagorde, en kwam te Silo, denzelfden dag; en zijne kleederen waren gescheurd, en daar was aarde op zijn hoofd. 13 En als hij kwam, zie, zoo zat Eli op eenen stuel aan de zijde des wegs uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de Ark Gods. Als die man kwam om zulks te verkondigen in de stad., toen schreeuwde degansche stad; 14 en als Eli de stem des ge-roeps hoorde, zoo zeide hij: Wat is de steni dezer beroerte? Toen haastte zich die man, en hij kwam ®n hij boodschapte het Eli; |
15 (Eli nu was een man van achtennegentig jaren, en zijne oogen stonden stijf dat hij niet zien konde); 16 en die man zeide tot Eli: ik ben degene die uit de slagorde kom, en ik ben heden uit de slagorde gevloden. Hij dan zeide: wat is er geschied, mijn zoon ? 17 Toen antwoordde hij die do boodschap bracht en zeide ; Israël is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en daar is ook cene groote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uwe twee zoVc-n, Hofni en Pinehas, gestorven, en de Ark Gods is genomen. 18 En het geschiede als hij van de^ Ark Gods meldde, zoo viel hij achterwaarts van den stoel al aan de zijde der poort, en brak den nek en stierf, want de man was oud en zwaar: en hij richtte Israël veertig jaar. 19 En zijne schoondochter, Pinehas' huisvrouw, was bevrucht, zij zoude baren; als deze de tijding hoorde dat de Ark Gods genomen was, en haar schoonvader gestorven was en haaiman, zoo kromde zij zich en baarde, want hare weeën over- ; vielen haar. 20 En omtrent den tijd van haar sterven, zoo spraken de ] vrouwen die bij haar stonden: | Vrees niet, want gij hebt eenen zoon gebaard. Doch zij antwoordde ; niet en nam het niet ter harte, i 21 En zij noemden het jongs-I ken Ikabod, zeggende: De eere i is weggevoerd uit Israël, omdat j de Ark Gods gevankelijk weg-; gevoerd was, en omhaars schoon-; vaders en haars mans wille. 22 En zij zeide: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël, ! want de Ark Gods is genomen. HOOFDSTUK 5. De Filistijnen nu namen de Ark Gods, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod; 2 en de Filistijnen namen de 1 Ark Gods, en zij brachten ze in 1 het huis Dagons, en stelden zo â bij Dagon. |
|
1 SAM 3 Maar als die Tan Asdod des anderen daags opstonden, zie, zoo was Dagon op zijn aan gezicht ter aarde gevallen vóór de Ark des Heerex. En zij namen Dagon en zetteden hem weder op zijne plaats. 4 Toen zij nn des anderen daags 's morgens vroeg opstonden, zie, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen vóór de Ark des Heerex, maar het hoofd Dagons en de beide palmen zijner handen afgehouwen aan den dorpel: alleenlijk was Dagon daarop overgehle-ven. 5 Daarom treden de Priesters Dagons en allen die in het-Luis Dagons komen, op den dorpel Dagons te Asdod niet, tot op dezen dag. G Doch de hand des Heerex was zwaar over die van Asdod, en verwoestte ze: en hij sloeg ze met spenen, Asdod en hare landpalen. 7 ïoen nu de mannen te Asdod zagen, dat het alzco toe-(jing, zoo zeiden zij: Dat de Ark des Gods Israels hij ons niet blijve, want zijne hand is hard over ons en over Dagon onzen God. 8 Daarom zouden zij henen en verzamelden tot zich alle de Vorsten der Filistijnen, en zij zeiden: Wat zullen wij met de Arke des Gods van Israël doen ? En die zeiden: Dat de Ark des Gods Israels rondom Gath ga. Alzoo droegen zij de Ark des Gods Israëls rondom. 9 En het geschiedde nadat zij die hadden rondom gedragen, zoo was^ de hand des Heeeen togen die stad met eene zeer groote kwelling, want hij sloeg de lieden dier stad van den kleine tot den_ groote, en zij hadden spenen in de verborgen plaatsen. 10 Toen zonden zij de Ark Gods naar Ekron; maar liet geschiedde als de Ark Gods te Ekron kwam, zoo riepen die van Ekron, zeggende: Zij hebben de Ark des Gods Israëls tot mij |
ÃÃL 6. 335 rondom gebracht om mij en mijn volk te dooden. 11 En zij zonden henen en vergaderden allo de Vorsten der Filistijnen en zeiden: Zendt de Ark des Gods Israëls henen, dat zij wederkeere tot hare plaats, opdat zij mij en mijn volk niet doode. Want daar was eene doodelijke kwelling in degansche stad, en de hand Gods was daar zeer zwaar, 12 en de menschen die niet stierven werden geslagen met spenen, zoodat het geschrei der stad opklom naar den hemel. HOOFDSTUK 6. Als nu de Ark des Heeeen zeven maanden in het land der Filistijnen geweest was, 2 zoo riepen de Filistijnen de Priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de Ark des Heerex doen? Laat ons weten waarmede wij ze naar hare plaats zenden zullen. 3 Zij dan zeiden: Indien gij de Ark des Gods Israëls wegzendt, zendt ze uiet ledig weg, maar vergeldt hom ganschelijk een schnldoffer; dan zult gij genezen worden, en ulieden zal , bekend worden waarom zijne 1 hand van u niet afwijkt. 4 Toen zeiden zij: Welk is ! dat schuldoüer dat wij hem ver-i gelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen en vijf gou-| den muizen, naar het getal van ' de Vorsten der Filistijnen; want | het is éénerlei plage over u allen ' en over uwe Vorsten. ; 5 Zoo maakt dan beelden i uwer spenen, en beelden uwer ! muizen die het land verderven, ! en geeft don God Israëls do eer: misschien zal hij zijne hand : verlichten van over ulieden en : van over uwen god en van over 1 uw land, 1 6 Waarom toch zoudt gijlieden , uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen hij icovderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken dat zij heengingen? |
|
S34 daar met de Ark des verboude öods. 5 En liet geschiedde als de Ark des yerbonds des Heeren in het leger kwam, zoo juichte gansch Israël met een groot gejuich, al-zoo dat de aarde dreunde. 6 Als nu de Filistijnen de stem des juichens hoorden, zoo zeiden zij: Wat is de stem van dit .groote juichen in het leger der Hebreen ? Tuen vernamen zij dat de Ark des Heeren in het leger gekomen was. 7 Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: Clod is in het leger gekomen. En zij zeiden: 'Wee ons, want dergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied. 8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand dezer heerlijke g9-den? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben bij de woestijn. 9 Zijt sterk en weest mannen, gij Filistijnen, opdat gij de He-breën niet misschien dient, gelijk als zij ulieden gediend hebben; zoo zijt mannen en strijdt. 10 Toen streden de Filistijnen, â en Israël werd geslagen, en zij vloden een iegelijk naar zijne tenten; en daar geschiedde een zeer groote nederlaag, zoodat er van Israël vielen dertigduizend voetvolk; 11 en de Ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 12 Toen liep daar een Benjaminiet uit de slagorde, en kwam te Silo, denzelfden dag; en zijne kleederen waren gescheurd, en daar was aarde op zijn hoofd. 13 En als hij kwam, zie, zoo zat Eli op eenen stoel aan de zijde des wegs uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de Ark Gods. Als die man kwam om zulks te verkondigen in de stad, toen schreeuwde degansche stad; 14 en als Eli de stem des ge-roeps hoorde, zoo zeide hij: Wat is de stem dezer beroerte? Toen haastte zich die man, en hij kwam an hij boodschapte het Eli; |
15 (Eli nu was een man van achtennegentig jaren, en zijne oogen stonden stijf dat hij niet zien konde); 1G en die man zeide tot Eli: ik ben degene die uit de slagorde kom, en ik ben heden uit de slagorde gevloden. Hij dan zeide: wat is er geschied, mijn zoon ? 17 Toen antwoordde hij die do boodschap bracht en zeide: Israël is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en daar is ook eene groote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uwe twee zofcsn, Hofni en Pinehas, gestorven, en de Ark Gods is genomen. 18 En het geschiede als hij van de Ark Gods meldde, zoo viel hij achterwaarts van den stoel ai aan de zijde der poort, en brak den nek en stierf, want de man was oud en zwaar: en hij richtte Israël veertig jaar. 19 En zijne schoondochter, Pinehas' huisvrouw, was bevrucht, zij zoude baren; als deze de tijding hoorde dat de Ark Gods genomen was, en haar schoonvader gestorven was en haaiman, zoo kromde zij zich en baarde, want hare weeën overvielen haar. 20 En omtrent den tijd van haar sterven, zoo spraken de vrouwen die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt eenen zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet en nam het niet ter harte. 21 En zij noemden het jongs-I ken Ikabod. zeggende: De eere j is weggevoerd uit Israël, omdat i de Ark Gods gevankelijk weg-; gevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wille. 22 En zij zeide: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de Ar.'t Gods is genomen. HOOFDSTUK 5. De Filistijnen nu namen de , Ark Gods, en zij brachten ze van Eben-Haezer tot Asdod; 2 en de Filistijnen namen de | Ark Gods, en zij brachten ze in | het huis Dagons, en stelden zo i bij Dagon. 1 SAMUÃL 5. |
|
1 SAM 3 Haar als die van Asadocl des anderen daags opstonden, zie, zoo -was Dogon op zijn aangezicht ter aarde gevallen vóór de Ark des Heerex. En zij namen Dagon en zetteden hem weder op zijne plaats. 4 Toen zij nn des anderen daags 's morgens vroeg opstonden, zie, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen vóór de Ark des Heereit, maar het hoofd Dagons en de beide palmen zijner handen afgehouwen aan den dorpel: alleenlijk was Dagon daarop overgebleven. 5 Daarom treden de Priesters Dagons en allen die in het Luis Dagons komen, op don dorpel Dagons te Asdod niet, ! tot op dezen dag. G Doch de hand des H ef ren ; was zwaar over die van Asdod, ' en verwoestte ze: en hij sloeg i r'.c met spenen, Asdod en hare landpalen. 7 Toen nn de mannen te Asdod zagen, dat het alzco toe-{/ing, zoo zeiden zij: Dat de Ark des Gods Israels hij ons niet blijve, want zijne hand is hard over ons en over Dagon onzen God. 8 Daarom zonden zij henen en verzamelden tot zich alle de Vorsten der Filistijnen, en zij ! zeiden: Wat zullen wij niet de ! Arke des Gods van Israël doen ? En die zeiden: Dat de Ark des : Gods Israels rondom Gath ga. Alzoo droegen zij de Ark des ; Gods Israëls rondom. 9 En het geschiedde nadat zij | die hadden rondom gedragen, i zoo was de hand des Heetiex i tegen die stad mot eene zeer ' groote kwelling, want hij sloeg : de lieden dier stad van den kleine tot den^ groote, en zij ! hadden spenen in de verborgen 1 plaatsen. 10 Toen zonden zij de Ark Gods naar Ekron; maar het ge- ; echiedde als de Ark Gods te , Ekron kwam, zoo riepen die van Ekron, zeggende: Zij hebben de Ark des Gods Israëls tot mij |
JÃL 6. 335 rondom gebracht om mij en mijn volk te dooden. 11 En zij zonden henen en vergaderden alle de Vorsten der Filistijnen en zeiden: Zendt ds Ark des Gods Israëls henen, dat zij wederkeere tot hare plaats, opdat zij mij en mijn volk niet doode. Want daar was eene doodelijke kwelling in degansche stad, en de hand Gods was daar zeer zwaar, 12 en de menschen die niet stierven werden geslagen met spenen, zoodat het geschrei der stad opklom naar den hemel. HOOFDSTUK 6. Als nu do Ark des Heeeen zeven maanden in het land der Filistijnen geweest was, 2 zoo riepen de Filistijnen de Priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de Ark des Heerex doen? Laat ons weten waarmede wij ze naar hare plaats zenden zuilen. 3 Zij dan zeiden; Indien gij de Ark des Gods Israëls wegzendt, zendt ze niet ledig weg, maar vergeldt hem ganschelijk een schuldoffer; dan zult gij genezen worden, en ulieden zal bekend worden waarom zijne hand van u niet afwijkt. 4 Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer dat wij hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen en vijf gouden muizen, naar het_ getal van de Vorsten der Filistijnen; want het is éénerlci plage over u allen en over uwe Vorsten. 5 Zoo maakt dan beelden uwer spenen, en beelden uwer muizen die het land verderven, en geeft den God Israëls de eer: misschien zal hij zijne hand verlichten van over ulieden en van over uwen god en van over uw land. G Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebban zij niet, toen hij icovderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken dat zij heengingen? |
|
336 1 SAM 7 Nu dan, neemt en maakt eenen nieuwen wagen, en twee zogende koeien op dewelke geen juk gekomen is : spant de koeien aan den wagen, en brengt hare kalveren van achter haar weder naar huis; 8 neemt dan de Ark des Heeren en zet ze op den wagen, en legt de gouden kleinoodiën, die gij hem ten schuldoüer vergelden zult, in een koffertje aan hare zijde; en zendt ze weg dat zij henenga. 9 Ziet dan toe, indien zij den weg harer landpale opgaat naar Beth-Sémes, zoo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zoo niet, zoo zullen wij weten dat zijne hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest. 10 En die lieden deden alzoo, en namen twee zogende koeien en spanden ze aan den wagen, en hare kalveren sloten zij in huis; 11 en zij zetteden de Ark des Heeren op den wagen, en het koffertje met de gouden muizen en de beelden hunner spenen. quot;12 De koeien nu gingen recht in dien weg, op den weg naar Beth-Sémes, op ééne straat; zij gingen steeds voort al loeiende, en weken noch ter rechter-noch ter linkerhand; en de Vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Sémes. 13 En die van Beth-Sémes maaiden den tarwenoogst in het dal, en als zij hunne oogen ophieven, zagen zij de Ark, en verblijdden zich als zij die zagen. 14 En de wagen kwam op den akker van Jozua, den Bethse-miet, en bleef daar staande; en daar was een groote steen; en zij kloofden het hout des wagens, en offerden de koeien den Heere ten brandoffer. 15 En de Leviten namen de Ark des Heeren af, en het koffertje dat daarbij was, daar de gouden kleinoodiën in waren, en zetteden ^ ze op dien grooten steen; eu die lieden van Beth- |
ÃÃL 7. Sémes offerden brandofferen on ^ ' slachtten slachtofferen den Hse- net re op dien dag. ^ (ien 10 En als de vijf Vorsten der 3 Filistijnen zulks gezien hadden, gan zoo keerden zij wederom op Xud dienzelfden dag naar Ekron. gan 17 Dit nu zijn de gouden bek spenen die de Filistijnen aaa god den Heere ten schuldoffer ver- golden hebben: voorAsdodééne, iris: voor Gaza ééne, voor Askelon her ééne, voor Gath ééne, voor Ekron de ééne; 4 18 ook gouden muizen, naar dei het getal aller steden der Fili- Ve stijnen, onder de Vijf Vorsten, nil van de vaste steden af tot aan f de landvlekken; en tot aan Abel, gp.i den grooten steen, op denwelken ]\I; zij de Ark des Heeren neder- vo gesteld hadden, die tot op dezen 1 dag is op den akker van Jozua M den Bethsemiet. go 19 En de IIef.re sloeg onder zi die lieden van Beth-Sémes, om- te datgt; zij in do Ark des Heeren v, gezien hadden, ja, hij sloeg van g( het volk zeventig mannen en tL vijftigduizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat d de Heere eenen grooten slag v onder het volk geslagen had. k 20 Toen zeiden de lieden van t' Beth-Sémes: Wie zoude kunnen k bestaan voor het aangezicht des z Heeren dezes heiligen Gods, en ^ tot wien van ons zal hij ontrekken ? ' t 21 Zoo zonden zij boden tot lt; de inwoners van Kirjath-Jearim, 1 zeggende: De Filistijnen hebben i de Ark des Heeren wederge- i bracht; komt af, haalt ze opwaarts tot u, HOOFDSTUK 7. Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim en haalden de Ark des Heeren op, en zij brachten ze in het huis Abina-dabs, op den heuvel; en zij heiligden zijnen zoon Eleazar, dat hij de Ark des Keeren bewaarde. 2 En het geschiedde van dien dog af, dat de Ark des Heeren te Kirjath-Jearim bleef, en do dagen werden vermenigvuldigd. |
|
1 SAM â¢Au het werden twintig jaren; en net ganse he huis Israels klaagde den Heere achterna. 3 Toen sprak Saninël tot het gansche hnia Israels, zeggende: Indien gijlieden n met nw gansche hart tot den Heere bekeert, zoo doet de vreemde goden uit het midden van n weg, ook de Astarotli; en richt uw hart tot den Heere, en dient hem alleen, zoo zal hij u uit de hand der Filistijnen rukken. 4 De kinderen Israels nu deden de Baiils en de Astaroth weg, en zij dienden den Heere alleen. 5 Voorts zeide Samuel; Vergadert het gansche Israël naar Mizpa, en ik zal den Heere voor u bidden. 6 En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water en goten het uit voor hot aangezicht des Heerex, en zij vastten te^ dien dage, en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den Heerk gezondigd. Alzoo richtte Samuel de kinderen Israels te Mizpa. 7 Toen de Filistijnen hoorden dat de kinderen Israels zich vergaderd hadden te Mizpa, zoo kwamen de oversten der Filistijnen op tegen Israël: als de kinderen Israels dat hoorden, zoo vreesden zij voor het aangezicht der Filistijnen, 8 en de kinderen Israels zeiden tot Samuël: Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den Heere onzen God. opdat hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen. 9 Toen.nam Samuël een melklam, en hij otierde het geheel den Heere ten brandotier, en Samuël riep tot den Heere voor Israël; en de Hkere verhoorde hem: 10 en het geschiedde toen Samuël dat brandoffer offerde, zoo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en de Heere donderde te dien dage met eenen grooten donder over de Filistijnen, en hij verschrikte ze, zoodat zij verslagen werden voor het aangezicht Israëls. |
T à L S. 337 11 En de mannen Israëls togen uit viin Mizpa en vervolgden do Filistijnen, en zij sloegen ze tot onder Beth-Kar. 12 Samuël nu nam eenen steen en stelde dien tusschen Mizpa en tusschen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons do Heere geholpen. 13 Alzoo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in de landpalen Israëls; want de hand des Heeren was tegen do Filistijnen alle de dagen van Samuël. 14 En de steden, welke do Filistijnen van Israël genomen hadden, kwamen weder aan Israël, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israël derzei ver land-palo uit de hand der Filistijnen; en daar was vrede tusschen Israël en tusschen de Amoriten. 15 Samuël nu richtte Israël alle do dagen zijns levens. 16 En hij toog van jaar tot jaar en ging rondom naar Beth-E1 en Gil gal _ en Mizpa, en hij richtte Israël in alle die plaatsen. 17 Doch hij keerde weder naar Kama, want daar was zijn huis, en daar richtte hij Israël; en hij bouwde aldaar den Heere een altaar. HOOFDSTUK 8. Het geschiedde nu toen Samuël oud geworden was, zoo stelde hij zijne zonen tot richters over Israël; 2 zijns eerstgeboren zoons naam nu was Joël, en de naam zijns tweeden was Abia, en zij waren richters tc Ber-Sëba. 3 Doch zijne zonen wandelden niet in zijne wegen,maarzij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken en bogen het recht. 4 Toen vergaderden zich alle oudsten van Israël en zij kwamen tot Samuël te Kama, 5 en zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uwe zonen wandelen niet in uwe wegen: zoo zet nu eenen Koning |
|
.f538 1 SAM over ons om ons te richten, gelijk alle de volkeren hellen. 6 Maar dit woord w^.s kwaad 3n de oogen Samuels, als zij zeiden: Geef ons eenen Koning om ons te richten; en Samuël bad den Heere aan. 7 Doch de Heere zeide tot Samuël: Hoor naar de stem des volks in alles wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben mij verworpen, dat ik geen Koning over hen zal zijn. 8 Naar alle de werken die zij .gedaan hebben, van dien dag af toen ik ze uit Egypte geleid heb heb tot op dezen dag toe, en hebben mij verlaten en andere goden gediend, alzóó doen zij u ook. 9 Hoor dan nu naar hunne stem; doch ais gij hen op het hoogste zult betuigd hebben, zoo zult gij hun te kennen geven de wijze des Konings, die over hen regce-ren zal. 10 Samuël nu zeide alle de woorden des Heeren den volke aan, hetwelk eenen Koning van hem begeerde, 11 en zeide: Dit zal des Konings wijze zijn die over u re-geeren zal: hij zal uwe zonen nemen dat hij ze zich stelle tot zijnen wagen en tot zijne ruite-ren, dat zij vóór zijnen wagen henenloopen, 12 en dat hij ze zich stelle tot oversten der duizenden en tot oversten der vijftigen, en dat zij zijnen akker ploegen en dat zij zijnen oogst oogsten, en dat zij zijne krijgswapenen maken mitsgaders zijn wagentuig; 13 en uwe dochteren zal hij nemen tot apothekerespen en tot keukenmaagden en tot baksters; 14 en uwe akkers en uwe wijngaarden en uwe olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen en zal ze zijnen knechten geven; 15 en uw zaad en uwe wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze zijnen hovelingen en zijnen knechten geven; 16 en hij zal uwe knechten en uwe dienstmaagden enuwebesto |
CJÃL 9. jongelingen en uwe ezels nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen: 17 en hij zal uwe kudde vertienen, en gij zult hem tot knechten zijn. 18 Gij zult wel te dien dage roepen vanwege uwen Koning, dien gij u zult verkoren hebben, maar de Heere zal u te dien dage niet verhoeren. 19 Doch het volk weigerde Samuels stem te hooren, en zij zeiden: Neen, maar daar zal een Koning over ons zijn; 20 en wij zullen óók zijn gelijk alle de volkeren en onze Koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren. 21 Als Samuël alle de woorden des volks gehoord had, zoo sprak hij dezelve voor de ooren des Heeren. 22 De Heere nu zeide tot Samuël : Hoor naar hunne stem en stel hun een Koning. Toen zeide Samuël tot de mannen van Israël: Gaat henen, een iegelijk naar zijne stad. HOOFDSTUK 9. Daar was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiël, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath, den zoon van Afiah, den zoon eens Benjamiuiets, een dapper held. 2 Die had een zoon, wiens naam was Saai, een jongeling, en schoon, ja, daar was geen schooner man dan hij onder de kinderen Israels; van zijne schouderen en opwaarts was hij hooger dan al he-: volk. 3 De ezelinnen nu van Kis, Sauls vader, waren verloren; daarom zeide Kis tot zijnen zoon Saul: Neem nu een van de jongens met u, en maak u op, ga henen, zoek de ezelinnen. 4 Hij dan ging door het gebergte EfraVms, en hij ging door het land Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land Sahalim, maarzij waren daar niet; voorts ging hij door |
|
1 SAM1 het land Benjamin, doch zij yon- j den ze niet. ! 5 Toen zij in het land Zuf : kwamen, zeide Saul tot zijnen ' jongen die bij hem was;Komen iaat ons wederkeeren, dat niet j miaechien mijn vader van de eze- ! linnen aflate en voor ons bekom- j merd zij. 6 Hij daarentegen zeide tot ! hem: Zie toch, daar is een man I Gods in deze stad, ^n hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk: laat ons nn ' derwaarts gaan: misschien zal hij j onzen weg aanwijzen op welken | wij gaan zullen. 7 Toen zeide Saul tot zijnen j jongen: Maar zie, zoo wij gaan, i wat zullen wij toch dien man ' brengen? Want het brood is weg ; uit onze vaten, en wij hebben j geene gave om den man Gods te : brengen: wat hebben wij ? 8 En de jongen antwoordde | Saul verder en zeide: Zio, daar ! vindt zich in mijne hand het vierendeel eens zilveren sikkels: dien zal ik den man Gods geven, ' opdat hij ons onzen weg wijze, j 9 (Eertijds zeide een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot den Ziener; want die heden j een Profeet genaamd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.) | 10 Toen zeide Saul tot zijnen jongen: Uw woord is goed, kom, â laat ons gaan. En zij gingen i naar de stad waar de man Gods was. 11 Als zij opklommen door den opgaing der stad zoo vonden zij maagden, die uitgingen om water , te putten; en zij zeiden tot haar: Is de Ziener hier? 12 Toen antwoordden zij hun en zeiden: Zie, hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, de- i wijl het volk heden eene ofle- i ran de heeft op de hoogte. 13 quot;Wanneer gijlieden in de stad komt, alzoo zult gij hem vinden, j eer hij opgaat op de hoogte om te eten: want het volk zal niet eten totdat hij komt, want hij j zegent het ofler, daarna eten de i [J à L 9. 339 |
genoodigden; daarom gaat nu op, want hem zult gij heden vinden. 14 Alzoo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden der stad kwamen, zie, zoo ging Samuel uit, hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte. 15 Want de Heeke had 't ifoor Samuëls oor geopenbaard, eenen dag eer Saul kwam, zeggende* 16^Morgen omtrent dezen tijd zal ik tot u zenden een man uit het land Benjamins: dien zult gij ten voorganger zalven over mijn volk Israël, en hij zal mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand; want ik heb mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot mij gekomen is. 17 Toen Samuel Saul aanzag, zoo antwoordde hem de Heeke: Zie, dit is de man, van welken ik u gezegd heb; deze zal over mijn volk heereclien. 18 En Saul naderde tot Samuel in het midden der poort, en zeide: Wijs mij toch, waar is hier des Zieners huis? 19 En Samuël antwoordde Saul en zeide: Ik ben de Ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat gijlieden heden met mij eet; zoo zal ik u morgen vroeg laten^ gar-n^ en alles wat in uw hart is zal ik u te kennen geven. 20 quot;Want de ezelinnen aangaande, die gij heden den derden dag verloren hebt, zet uw hart daar niet op,^ want zijgt; zijn gevonden; en wiens zal zijn al het gewenschte dat in Israël is? Is het niet uwe en des ganschen huizes uws vaders? 21 Toen antwoordde Saul en zeide: Ben ik niet een zoon van Benjamin, van den kleinste der stammen Israëls? En mijn geslacht, is methetkleinste van alle de geslachten van den stam Benjamin? Waarom spreekt gij mij dan aan met zulke woorden? 22 Samuël dan nam Saul en zijnen jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genoodigden : die nu waren omtrent dertig man. 23 Toen zeide Samuël tot den |
|
340 1 sam kok: Lang dat stuk, hetwelk ik u gegeven heb, waarvan ik totu zeide: Zet het bij u weg. i 24 De kok nu bracht een schon-der op met wat daaraan was, en zette het vóór Sanl; en hij zeide: Zie, dit is het overgeblevene, zet het vóór n, eet, want het is ter bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik heb het volk ge-noodigd. Al zoo at Saul met Samuel op dien dag. 25 Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak. 2G En zij stonden vroeg op, en het geschiedde omtrent den opgang des dageraads, zoo riep Samuel Sanl op het dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Sanl op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël naar buiten. 27 Toen zij afgegaan waren aan het einde der stad, zoo zeide Samuël tot Sanl: Zeg den jongen dat hij voor onze aangezichten henenga (toen ging hij henen), maar sta gij alsnu stil, en ik zal u Gods Woord doen hooren. HOOFDSTUK 10. Toen nam Samuël eene oliekruik en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Ts het niet ahóó, dat de Heere u tot eenen voorganger over zijn erfdeel gezalfd heeft? 2 Als gij heden van mij gaat, zoo zult gij twee mannen vinden bij het graf Kachels, aan de landpale Benjamins te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijnen zoon doen? 3 Als gij u van daar en verderop begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El: één dragende drie bokjes, en één dragende drie bollen brood, en één dragende eene flesch wijn; 4 en zij zullen u naar uwen welstand vragen, en zij zullen u |
fël 10. twee brooden geven: die zult gij van hunne hand nemen. 5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden als gij aldaar in de stad komt, zoo zult gij ontmoeten eenen hoop Profeten, van de hoogte afkomende, en voor hunne aangezichten luiten en trommelen en pijpen en harpen, en zij zullen profeteeren: 6 en de Geest des Heeren zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteeren en gij zult in eenen anderen man veranderd worden. 7 En het zal geschieden als u deze teekenen zullen komen,doe gij wat uwe hand vinden zal, want God zal met u zijn. 8 Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, on zie, ik zal tot u afkomen om brand-offeren te ofteren, om te offeren olleranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome en u bekend make wat gij doen zult. d Het geschiedde nu toen hij zijnen schouder keerde om van Samuël te gaan, veranderde hem God het hart in een ander; en alle die teekenen kwamen te dien dage. 10 Toen zij nu daar aan den heuvel kwamen, zie, zoo Jcivam hem een hoop Profeten tegemoet en de Geest des Heeren werd vaardig over hem, en hij profeteerde in liet midden van hen. 11 En het geschiedde als een iegelijk die hem te voren gekend had zag, dat hij, zie, profeteerde met de Profeten, zoo zeide het volk, een ieder tot zijnen metgezel: Wat is dit dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul óók onder de Profeten? 12 Toen antwoordde een man van daar en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul óók onder de Profeten? 13 Toen hij nu voleindigd had te profeteeren, zoo kwam hij op de hoogte; 14 en Sauls oom zeide tot hem |
|
1 SAM en tot zijnen jongen: Waar zijt gijlieden henengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken ; toen wij zagen dat zij er niet waren, zoo kwamen wij tot Samuël. 15 Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuel ulieden gezegd? 16 Saul nu zeide tot zijnen oom: Hij heelt ons voorzeker te kennen gegeven dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuel gezegd had, gaf hij hem niet te kennen. 17 Doch Samuel riep het volk samen tot den Heere te Mizpa, 18 en hij zeide tot de kinderen Israels: Al zou heeft de Heere de God Israels gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, eti van de hand aller koninkrijken die u onderdrukten; 19 maar gijlieden hebt heden uwen God verworpen, die u uit alle uwe ellenden en uwe nooden verlost heelt, en hebt tot hem gezegd: Zet eenen Koning over ons. Nu dan, stelt u voor het aangezicht des Heeren, naar uwe stammen en naar uwe duizenden. 20 Toen nu Sarnuëi alle de stammen Israels had doen naderen, zoo is de stam Benjamin geraakt; 21 toon hij den stam Benjamin deed aankomen naar zijne ge-elachten, zoo werd het geslacht van Ma tri geraakt: en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden. _22 Toen vraagden zij verderden Heere of die man nog derwaarts komen zoude? De Heere dan zeide: Zie, hij heeft zich tusschen de vaten verstoken. 23 Zij nu liepen en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hooger dan al het volk, van zijnen schouder en opwaarts. 24 Toen zeide Samuel tot het fansche volk: Ziet gij wien de Ieere verkoren heelt? Wantansche volk: Ziet gij wien de Ieere verkoren heelt? Want |
ü E L 11. 341 i gelijk hij is er niemand onder het gansche volk. Toen juichte | het gansche volk, en zij zeiden: ; Do Koning level 25 Samuël nu sprak tot het volk I het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en leide het voor het aangezicht des Heeren. Toen liet Samuel het gansche volk gaan, elk naar zijn i huis. ! ^ 26 En Saul ging óók naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker harte ⢠God geroerd had. : 27 Doch de kinderen Belials i zeiden: zoude ons deze verlossen ? Eu zij verachtten hem en brachten hem geen geschenk; doch hij i was als doof. HOOFDSTUK 11. Toen toog Nahas de Ammoniet i op, en belegerde JabesinGilead. En alle de mannen van Jabes i zeiden tot Nahas: Maak een ver-l bond met ons, zoo zullen wij u ; dienen. i 2 Doch Nahas de Ammoniet i zeide tot hen: Mits dezen zal ik ; een verhand met ulieden maken, i dat ik u allen het rechteroog i uitsteke, en dat ik deze schande I op gansch Israël legge. 3 Toen zeiden tot hem de oudsten van Jabes: Laat zeven dagen 1 van ons af, dat wij boden zenden : in alle de landpalen van Israël: is : er dan niemand die ons verlost, I zoo zullen wij tot u uitgaan. 4 Als de boden te Gibea Sauls kwamen, zoo sprak zij deze woorden voor de ooren des volks; toen hief al dat volk zijne stemme op en weende. 5 En zie, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zeide: Wat is den volke dat zij weenen ? Toen vertelden zij hem de woorden der mannen van Jabes. 1 6 Toen werd de Geest Gods | vaardig over Saul als hij deze woorden hoorde, en zijn toorn ! ontstak zeer; ! 7 en hij nam een paar runde-1 ren en hieuw ze in stukken, en ! hij zond ze in alle landpale Is- |
|
S44 1 SAM iiet volk te zamen geroepen achter Saul naar Gilgal. 5 En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertigduizend wagens, en zesduizend ruiteren, en volk in menigte als het zand dat aan den oever der zee is; en zij tegenop, en legerden zich te Miclimas tegen het oosten van Beth-Aven. G Toen de mannen van Israël zagen dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zoo verborg zich het volk in de spelonken en in de doornenbosschen en in de steen klippen en in de vestingen en in de putten. 7 De Hebreen nu gingen over den Jordaan in het land Gaden Gilead: toen Saul nog zelf te Gilgal was, zoo kwam al het volk bevende achter hem. 8 En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zoo verstrooide zich het volk van hem. 0 Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer en dankofferen; en hij offerde brand-ofier. 10 En het geschiedde toen hij geëindigd _ had het brandoffer te offeren, zie, zoo kwam Samuël; en Saul ging uit, hem tegemoet om hem te zegenen. 11 Toen zeide Samuël: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren, 12 zoo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des Heeren niet ernstig aangebeden: zoo dwong ik mij zelven en heb brandoffer geofferd. 13 Toen zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan, gij hebt het gebod des Heeren uws Gods niet gehouden dat hij u geboden heeft: want de Heere zoude nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid, 14 maar nu zal uw rijk niet bestaan: de Heere heeft zich |
JÃL 14. eenen man gezocht naar zijn hart en de Heere heeft hem geboden een voorganger te zijn over zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt wat u de Heere geboden had. 15 Toen maakte zich Samuël op, en ging óp van Gilgal naar Gibea Benjamins. En Saul telde het volk dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man; 10 en Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea Benjamins, maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd. 17 En de verder vers gingen uit het leger der Filistijnen in drie hoopen: de ééne hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual, 18 en één hoop keerde zich naar den weg van Beth-Horon, en één hoop keerde zich naar den weg der landpale die naar het dal Zeboïm naar de woestijn uitziet. 19 En daar werd geen smid gevonden in het gansche land Israels, want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreën geen zwaard of spies maken. 20 Daarom moest gansch Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer of zijne spade of zijne bijl of zijn houweel scherpen liet. 21 Maar zij hadden tandige vijlen tot hunne houweelen, en tot hunne spaden, en tot de drie-tandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen. 22 En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand des ganschen volks, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan zijnen zoon werden zij gevonden. 23 En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas. HOOFDSTUK i4. Het geschiedde nu op eenen dag, dat Jonathan, de zoon Sauls, tot den jongen die zijnen wapenen droeg, zeide: Kom, en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene |
|
1 SAM zijde is; dock hij gaf liet zijnen vader niet te kennen. 2 Saul nu zat aan het uiterste van Gibea onder den granaatboom die te Migron was; en het volk dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man. 3 En Ahia, dezoon van Ahitub, den broeder van Ikabod, den zoon van Pinehas, den zoon van Eli, was Priester des Heeren te Silo, dragende den Efod. Doch het volk wist niet dat Jonathan heengegaan was. 4 Daar waa nu tusschen de doortochten, waar Jonatlim zocht door te gaan tot der Filistijnen bezetting, eene scherpte van eene steenklip aan deze zijde en eene schurpte van eene steenklip aan gene zijde, en de naam der ééne was Bozez en de naam der andere Séne ; 5 de ééne tand was gelegen tegen het Noorden, tegenover Mich-mas, en de andere tegen het Zuiden, tegenover Gibea. 0 Jonathan nu zeide tot den jongen, die zijne wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting dezer onbesnedenen overgaan: misschien zal de Heebe voor ons werken, want bij den Heere is geen verhindering om te verlossen door velen of door weinigen. 7 Toen zeide zijn wapendrager tot hem: Doe al wat in uw hart is; wend u, zie, ik ben met u naar uw hart, 8 Jonathan nu zeide: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen en wij zullen ons aan hen ontdekken : 9 indien zij aldus tot ons zeggen : Staat stil totdat wij aan ulieden komen, zoo zullen wij blijven staan aan onze plaats en tot hen niet opklimmen: 10 maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op, zoo zullen wij opklimmen, want de Heere heelt ze in onze hand gegeven; en dit zal ons een teeken zijn. 11 Toen zij beiden zich aan der Filistijnen bezetting ontdekten, zoo zeiden de Filistijnen: Zie, de Hebreen zijn uit de holen |
r à L 14. 345 uitgegaan, waarin zij zich ver1 stoken hadden. 12 Voorts antwoordden de mannen der bezetting aan Jonathan en zijnen wapendrager, en zeiden: Klimt op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jonathan zeide tot zijnen wapendrager ; Klim achter mij op, want de Heere heeft ze gegeven in de hand Israels. 13 Toen klom Jonathan op zijne handen en op zijne voeten, en zijn wapendrager hem na; en zij vielen voor Jonathans aangezicht, en zijn wapendrager dooddo ze achter hem. 14 Deze eerste slag nu, waarmede Jonathan en zijn wapendrager omtrent twintig mannen versloegen, geschiedde omtrent in de helft eens bunders, zijnde een juk ossen lands. 15 En daar was eene beving in het leger op het veld, en onder het gansche volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelve; ja, het land werd beroerd, want het was eene beving Gods. 1G Als nu de wachters Sauls te Gibea Benjamins zagen, dat, zie, de menigte versmolt en doorging en geklopt werd, 17 toen zeide Saul tot het volk dat bij hem was: Telt toch, en beziet wie ons weggegaan zij. En zij telden, en zie, Jonathan en zijn wapendrager waren daar niet. 18 Toen zeide Saul tot Ahia: Breng de Ark Gods herwaarts. {Want de Ark Gods was te dien dage bij de kinderen Israels.) 19 En het geschiedde toen Saul nog tot den Priester sprak, dat het rumoer, hetwelk in der Filistijnen leger was, zeer toenam en vermenigvuldigde: zoo zeide Saul tot den Priester: Haal uwe hand in. 20 Saul nu en al het volk dat bij hem was werd te zamen geroepen, en zij kwamen ten strijde: en zie, het zwaard des éénen was tegen den anderen; daar was eeu zeer groot gedruisch. 21 Daar waren ook Hebreën bij de Filistijnen als eertijds, die |
|
340 1 SAM kok: Lang dat stuk, hetwelk ik u gegeven heb, waarvan ik totu zeide: Zet het bij u weg. i 24 De kok nu bracht een schouder op met wat daaraan was, en zette het voor Sanl; en hij zeide: Zie, dit is het overgeblevene, zet het vóór n, eet, want het is ter bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik heb het volk ge-noodigd. Al zoo at Saul met Samuel op dien dag. 25 Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak. 2G En zij stonden vroeg op, en het geschiedde omtrent den opgang des dageraad?, zoo riep Samuel Saul op het dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël naar buiten. 27 Toen zij afgegaan waren aan het einde der stad, zoo zeide Samuël tot Saul: Zeg den jongen dat hij voor onze aangezichten henenga (toen ging hij henen), maar sta gij alsnu stil, en ik zal u Gods Woord doen hooren. HOOFDSTUK 10. Toon nam Samuël eene oliekruik en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hein, en zeide: Is het niet cd zóó, dat de Heere u tot eenen voorganger over zijn erfdeel gezalfd heeft? 2 Als gij heden van mij gaat, zoo zult gij twee mannen vinden bij het graf Rachels, aan de landpale Benjamins te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden^ die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijnen zoon doen? 3 Als gij u van daar en verderop begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El: een dragende drie bokjes, en één dragende drie bollen brood, en één dragende eene llesch wijn; 4 en zij zullen u naar uwen welstand vragen, eu zij zullen u |
rÃL 10. twee brooden geven: die zult gij van hunne hand nemen. 5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden ais gij aldaar in de stad komt, zoo zult gij ontmoeten eenen hoop Profeten, van de hoogte afkomende, en voor hunne aangezichten luiten en trommelen en pijpen en harpen, en zij zullen profeteeren: 6 en de Geest des Heeren zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteeren en gij zult in eenen anderen man veranderd worden. 7 En het zal geschieden als u deze teekenen zullen komen, do© gij wat uwe hand vinden zal, want God zal met u zijn. 8 Gij nu zult voor mijn aan-gezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen om brand-offeren te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome en u bekend make wat gij doen zult. 9 Het geschiedde nu toen hij zijnen schouder keerde om van Samuël te gaan, veranderde hem God het hart in een ander; en alle die teekenen kwamen te dien dage. 10 Toen zij nu daar aan den heuvel kwamen, zie, zoo kivam hem een hoop Profeten tegemoet en de Geest des Heeren werd vaardig over hem, eu hij profeteerde iu het midden van hen. 11 En liet geschiedde als een iegelijk die hem te voren gekend had zag, dat hij, zie, profeteerde met de Profeten, zoo zeide het volk, een ieder tot zijnen metgezel^ Wat is dit dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul óók onder de Profeten? 12 Toen antwoordde een man van daar en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul óók onder de Profeten? 13 Toen hij nu voleindigd had te profeteeren, zoo kwam hij op de hoogte; 14 en Sauls oom zeide tot hem |
1 SAMUÃL 11.
341
|
en tot zijnen jonjren: Waar zijt gijlieden henengegaan? Hij nu eeide; Om de ezelinnen te zoeken ; toen wij zageu dat zij er niet waren, zoo kwamen wij tot Samuel. 15 Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuël ulieden gezegd? 16 Saul nu zeide tot zijnen oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuël gezegd had, gaf hij hem niet te kennen. 17 Doch Samuel riep het volk samen tot den Heere te ölizpa, 18 en hij zeide tot de kinderen Israels: Al zóó heeft de Heehe de God Israels gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand aller koninkrijken die u onderdrukten; li) maar gijlieden hebt heden uwen God verworpen, die u uit alle uwe ellenden en uwe nooden verlost heeft, en hebt tot hem gezegd: Zet eenen Koning over ons. Nu dan, stelt u voor het aangezicht des Heeren, naar uwe stammen en naar uwe duizenden. 20 Toen nu Samuël alle de stammen Israels had doen naderen, zoo is de stam Benjamin geraakt; 21 toen hij den stam Benjamin deed aankomen naar zijne geslachten, zoo werd het geslacht van Matri geraakt: en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden. 22 Toen vraagden zij verderden Heere of die man nog derwaarts komen zoude? De Heere dan zeide: Zie, hij heeft zich tusschen de vaten verstoken. 23 Zij nu liepen en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hooger dan al het volk, van zijnen eehouder en opwaarts. 24 Toen zeide Samuël tot het |
tansche volk: Ziet gij wien de ansche volk: Ziet gij wien de Ieere verkoren heeft? Want : gelijk hij is er niemand onder het gansche volk. Toen juichte i het gansche volk, en zij zeiden; i Do Koning leve! 25 Samuël nu sprak tot het volk ! het récht des koninkrijks, en i schreef liet in een boek, en lelde het voor het aangezicht des Hee-1 ren. Toen liet Samuel het gan- ⢠sche volk gaan, elk naar zijn ! huis. | ^ 26 En Saul ging óók naar zijn i huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker harte God geroerd had. 27 Doch de kinderen Belials i zeiden: zoude ons deze verlossen ? En zij verachtten hem en brachten hem geen geschenk; doch hij i was als doof. HOOFDSTUK 11. Toen toog Nahas de Ammoniet i op, en belegerde Jabes inGilead. En alle de mannen van Jabes i zeiden tot Nahas: Maak een ver-j bond met ons, zoo zullen wij u | dienen. i 2 Doch Nahas de Ammoniet : zeide tot hen: Mits dezen zal ik | een verhond met ulieden maken, I dat ik u allen het rechteroog I uitsteke, en dat ik deze schande 1 op gansch Israël legge. 3 Toen zeiden tot hem de oudsten van Jabes : Laat zeven dagen i van ons af, dat wij boden zenden | in alle de landpalen van Israël: is : er dan niemand die ons verlost, I zoo zullen wij tot u uitgaan. 4 Als de boden te Gibea Sauls ⢠kwamen, zoo sprak zij deze woorden voor de ooren des volks; toen hief al dat volk zijne stemme i op en weende. 5 En zie, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zeide: Wat is den volke dat zij 1 weenen ? Toen vertelden zij hem de woorden der mannen van i Jabes. 1 6 Toen werd de Geest Gods { vaardig over Saul als hij deze woorden hoorde, en zijn toorn i ontstak zeer; i 7 en hij nam een paar runde-; ren en hieuw ze in stukken, en ! hij zond ze in alle landpale Is- |
|
842 1 SAM raëls door de hand der boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Saniuël, alzóó zal men zijnen runderen doen. Toen viel de vreeze des Heeren op het volk, en zij gingen uit als een éénig man; 8 en hij telde ze te Bezek, en der kinderen Israels waren driehonderdduizend, en der mannen van Juda dertigduizend. 9 Toen zeiden zij tot de boden die gekomen waren: Aldus zult gijlieden den mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing geschieden, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen en dat verkondigden aan de mannen te Jabes, zoo werden zij verblijd, 10 en de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot ulieden uitgaan, en gij zult ons doen naar alles dat goed is in uwe oogen. 11 Het geschiedde nu des anderen daags dat Saul het volk stelde in drie hoopen, en zij kwamen in het midden des legers in de morgenwake, en zij sloegen Amnion totdat de dag heet werd; en het geschiedde dat de overigen alzóó verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven. 12 Toen zeide het volk tot jSamuël: Wie is hij die zeide: Zoude Saul over ons regeeren? Geeft hier die mannen dat wij ze dooden. 13 Maar Saul zeide: Daar zal te dezen dage geen man gedood worden, want de Heeke heeft heden eene verlossing in Israël gedaan. 14 Voorts zeide Samuël tot het volk: Komt en laat ons naar Gilgal gaan, en het koninkrijk aldaar vernieuwen. 15 Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul aldaar Koning voor het aangezicht des Heeren te Gilgal; en zij offerden aldaar dankofleren voor het aangezicht des Heeren, en Saul verheugde zich aldaar gansch zeer met alle de mannen van Israël. |
JÃL 12. HOOFDSTUK 12. Toen zeide^ Samuël tot gansch Israël: Zie, ik heb naar ulieder stem gehoord in alles dat gij mij gezegd hebt, en ik heb eenen Koning over u gesteld. 2 En nu, zie, daar trekt do Koning voor uw aangezicht henen, en ik ben oud en grijs geworden, en zie, mijne zonen zijn bij ulieden; en ik heb voor uw aangezicht gewandeld van mijne jeugd af tot dezen dag. 3 Zie hier ben ik: betuigt tegen mij voor den Heere en voor zijnen gezalfde, wiens os ik genomen heb en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijne oogen van hem zoude verborgen hebben, zoo zal ik het ulieden wedergeven. 4 Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt, en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand ieta genomen. 5 Toen zeide hij tot hen: De Heere zij een getuige tegen ulieden, en zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijne hand niets gevonden hebt. En het volk zeide : Hij zij getuige. 6 Voorts zeide Samuël tot het volk: Het is de Heere, die Moze» en Aiiron gemaakt heeft, en die uwe vaders uit Egypteland opgebracht heeft. 7 En nu, stelt u hier, dat ik met ulieden richte voor het aangezicht dee Heeren, over alle de gerechtigheden des Heeren die hij aan u en aan uwe vaderen gedaan heeft. 8 Nadat Jakob in Egypte gekomen was, zoo riepen uwe vaders tot den Heere, en de Heere zond Mozes en Aaron, en zij leidden uwe vaderen uit Egypte, en deden ze aan deze plaatse wonen. 9 Maar zij vergaten den Heere hunnen God; zoo verkocht hij ze in de hand van Sisera, den krijgsoverste te Hazor, en in d© hand der Filistijnen, en in d© |
1 SAMUEL 13.
545
|
hand des Konings derMoabiten, die tegen lien streden. 10 En zij riepen tot den Heere en zeiden : Wij hebben gezondigd, dewijl -wij den Heere verlaten cn de Baals en Astaroth gediend hebben; en nu, nik ons uit de hand onzer vijanden, en wij zullen u dienen. 11 En de Heere zond Jerub-baal en Bedan en Jefta en Samuel, en hij rukte u uit de hand uwer vijanden rondom, alzoodat gij zeker woondet. 12 Als gij nu zaagt datNahas, de Koning der kinderen Ammons, tegen u kwam, zoo zeiaet gij tot mij: Neen, maar een Koning zal over ons reaeeren; daar toch de Heere uw God uw Koning was. 13 En nu, ziet daar de Koning dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt, en zie de Heere heeft eenen Koning over ulieden gesteld. 14 Zoo gij den Heere zult vreezen en hem dienen ennxurzijne stem hooren, en den mond des Heeren niet wederspannig zijn, zoo zult gijlieden, zoowel gij als de Koning die over u regeeren zal achter den Heere uwen God zijn; 15 doch zoo gij naar de stem des Heeren niet zult hooren, maar den mond des Heeren wederspannig zijn, zoo zal de hand des Heeren tegen u zijn als tegen uwe vaders. 16 Ook stelt u nu hier, en ziet die groote zake, die de Heere voor uwe oogen doen zal. 17 Is het niet vandaag de tar-wenoogst? Ik zal tot den Heere roepen, en by zal donder en regen geven; zoo weet dan en ziet dat uw kwaad groot, is dat gij voor de oogen des Heeren gedaan hebt, dat gij eenen Koning voor u begeerd hebt. 18 _ Toen Samuel den Heere aanriep, zoo gaf de Heere donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk den Heere en Sainuël zeer, 19 en al het volk zeide tot Samuël: Bid voor uwe knechten den Heere uwen God, dat wij niet sterven, want boven alle onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons eenen Koning begeerd hebben. |
20 Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den Heere af, maar dient den Heere met uw ganscho harte. 21 En wijkt niet af; want gij zoudt de ij del heden na voluen, die niet bevorderlijk zijn noch verlossen,^ want zij zijn ij delheden. 22 Want de Heere zal zijn volk niet verlaten om zijns grooten naams wille, dewijl het den Heere beliefd heeft ulieden zich tot een volk te maken. 23 Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij dat ik tegen den Heere zoude zondigen, dat ik zoude aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leeren. 24 Vreest slechts den Heere en dient hem trouwelijk niet uw gansche ^ harte; want ziet hoev groote dingen hij bij ulieden gedaan heeft. 25 Maar indien gij voortaan kwaad doet, zoo zult gijlieden alsook uw Koning omkomen. HOOFDSTUK 13. Saul was één jaar in zijne regeering geweest, en het tweed© jaar regeerde hij over Israël. 2 Toen verkoos zich Saul drieduizend mannen uit Israël; en daar waren er bij Saul tweeduizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibergt;. Benjamins; en het overige des» volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijne tent. 3 Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen cUe teGi-bea was, hetwelk de^ Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul op-de bazuin in het gansche land,, zeggende: Laat het de Hebreen hooren. 4 Toen hoorde het gansche Ts-, raël zeggen: Saul heeft de be- j zetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israël stinkende gewor-i den bij de Filistijnen. Toen wercD |
â
|
S44 1 SAM iiet volk te zamen geroepen achter Saul naar Gilgal. 5 En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertigduizend wagens, en zesduizend ruiteren, en volk in menigte als het zand dat aan den oever der zee is ; en zij togen op, en legerden zich te Michmas tegen het oosten van Beth-Aven. G Toen de mannen van Israël zagen dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zoo verborg zich liet volk in de spelonken en in de doornenbosschen en in de steenklippen en in de vestingen en in de putten. 7 De Hebreen nu gingen over den Jordaan in het land Gaden Gilead: toen Saul nog zelf te Gilgal was, zoo kwam al het volk bevende achter hem. 8 En hij vertoefde zeven dagen, tot den tij d dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zoo verstrooide zich het volk van hem. 9 Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer en dankolieren; en hij olferde brand-oüer. 10 En het geschiedde toen hij geëindigd had het brandoffer te ofteren, zie, zoo kwam Samuël; en Saul ging uit, hem tegemoet om hem te zegenen. 11 Toen zeide Samuël: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren, 12 zoo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des Heeren niet ernstig aangebeden: zoo dwong ik mij zelven en heb brandoffer geofferd. 13 Toen zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan, gij hebt het gebod des Heeren uws Gods niet gehouden dat hij u geboden heeft: want de Heere zoude nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid, 14 maar nu zal uw rijk niet bestaan: de Heere heeft zich |
TÃL 14. eenen man gezocht naar zijn hart en de Heere heeft hem geboden een voorganger te zijn over zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt wat u de Heere geboden had. 15 Toen maakte zich Samuël op, en ging óp van Gilgal naar Gibea Benjamins. En Saul telde het volk dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man; 1G en Saul en zijn zoon Jonathan, en het volle dat bij hen gevonden _ was, bleven te Gibea Benjamins, maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd. 17 En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen in drie hoopen: de ééne hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual, IS en één hoop keerde zich naar den weg van Beth-Horon, en één hoop keerde zich naar den weg der landpale die naar het dal Zeboïm naar de woestijn uitziet. 19 En daar werd geen smid gevonden in het gansche land Israels, want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreën geen zwaard of spies maken. 20 Daarom moest gansch Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer of zijne spade of zijne bijl of zijn houweel scherpen liet. 21 Maar zij hadden tandige vijlen tot hunne houweelen, en tot hunne spaden, en totdedrie-tandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen, 22 En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand des ganschen volks, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan zijnen zoon werden zij gevonden. 23 En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas. HOOFDSTUK 14. Het geschiedde nu op eenen dag, dat Jonathan, de zoon Sauls, tot den jongen die zijnen wapenen droeg, zeide: Kom, en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene |
|
1 SAM zijde is; doch hij gaf het zijnen vader niet te kennen. 2 Saul nu zat aan het uiterste van Gibea onder den granaatboom die te Migron was; en het volk dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man. 3 En Ahia, de zoon van Ahitub, den broeder van Ikabod, den zoon van Pinehas, den zoon van Eli, was Priester des Heeren te Silo, dragende den Efod. Doch het volk wist niet dat Jonathan heengegaan was. 4 Daar was nu tusschen de doortochten, waar Jonathan zocht door te gaan tot der Filistijnen bezetting, eene scherpte van eene steenklip aan deze zijde en eene scherpte van eene steenklip aan gene zijde, en de naam der ééne was Bozez en de naam der andere Séne; 5 de ééne tand was gelegen tegen het Noorden, tegenover Mich-mas, en de andere tegen hei Zuiden, tegenover Gibea. G Jonathan nu zeide tot den jongen, die zijne wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting dezer onbesnedenen overgaan: misschien zal de Heere voor ons werken, want bij den Heere is geen verhindering om te verlossen door velen of door weinigen. 7 Toen zeide zijn wapendrager tot hem: Doe al wat in uw hart is; wend u, zie, ik ben met u naar uw hart, 8 Jonathan nu zeide: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen en wij zullen ons aan hen ontdekken : 9 indien zij aldus tot ons zeggen : Staat stil totdat wij aan ulieden komen, zoo zullen wij blijven staan aan onze plaats en tot hen niet opklimmen: 10 maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op, zoo zullen wij opklimmen, want de Heere heeft ze in onze hand gegeven; en dit zal ons een teeken zijn. 11 Toen zij beiden zich aan der Filistijnen bezetting ontdekten, zoo zeiden de Filistijnen: Zie, de Hebreen zijn uit de holen rÃL 14. 343 |
uitgegaan, waarin zij zich verstoken hadden. 12 Voorts antwoordden de mannen der bezetting aan Jonathan en zijnen wapendrager, en zeiden : Klimt op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jonathan zeide tot zijnen wapendrager: Klim achter mij op, want de Heere heeft ze gegeven in de hand Israels. 13 Toen klom Jonathan op zijne handen en op zijne voeten, en zijn wapendrager hem na; en zij vielen voor Jonathans aangezicht, en zijn wapendrager doodde ze achter hem. 14 Deze eerste slag nu, waarmede Jonathan en zijn wapendrager omtrent twintig mannen versloegen, geschiedde omtrent in de helft eens bunders, zijnde een juk ossen lands. 15 En daar was eene beving in het leger op het veld, en onder het gansche volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelve; ja, het land werd beroerd, want liet was eene beving Gods. _1G Als nu de wachters Sauls te Gibea Benjamins zagen, dat, zie, de menigte versmolt en doorging en geklopt werd, 17 toen zeide Saul tot het volk dat bij hem was: Telt toch, en beziet wie ons weggegaan zij. En zij telden, en zie, Jonathan en zijn wapendrager waren daar niet. 18 Toen zeide Saul tot Ahia: Breng de Ark Gods herwaarts. {Want de Ark Gods was te dien dage bij de kinderen Israels.) 19 En het geschiedde toen Saul nog tot den Priester sprak, dat het rumoer, hetwelk in der Filistijnen leger was, zeer toenam en vermenigvuldigde: zoo zeide Saul tot den Priester: Kaal uwamp; hand in. 20 Saul nu en al het volk dat bij hem was werd te zamen geroepen, en zij kwamen ten strijde: en zie, het zwaard deséénenwas tegen den anderen; daar was een. zeer groot gedruisch. 21 Daar waren ook Hebreen bij de Filistijnen als eertijds, die |
|
^46 1 S AM 1 met hen in *t leger opgetogen waren rondom; deze nu vervoegden zich óók bij de Israëlieten, die bij Saul en Jonathan waren. 22 Als alle mannen van Israël, die zich verstoken hadden in het gebergte Efraïms, hoorden dat de Filistijnen vluchtten, zoo kleefden zij óók hen achteraan in den -strijd. 23 Alzoo verloste de Heere Israël te dien dage; en het leger trok over naar Beth-Aven. 24 En de mannen Israels wer-lt;len mat te dien dage, want Saul had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die spijze eet tot aan den avond, opdat ik snij aan mijne vijanden wreke. Daarom proefde het gansche volk :geen spijze. 25 En het gansche land kwam in een woud, en daar was honig op het veld: 26 toen het volk in het woud kwam, zie, zoo was ereenhonig-vloed; maar niemand raakte met â¢zijne hand aan zijnen mond, want het volk vreesde de beswering. 27 Maar Jonathan had het niet ,gehoord toen zijn vader het volk quot;bezworen had, en hij reikte het â einde des stafs uit, die in zijne hand was, en hij doopte denzel-ven in eene honigraat; als hij aiu zijne hand tot zijnen mond â wendde, zoo werden zijne oogen verlicht. 28 Toen antwoordde een man uit het volk en zeide: Uw vader heeft het volk zwaarlijk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man die lieden brood eet: daarom bezwijkt het volk. 29 Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land beroerd; ;ziet toch hoe mijne oogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van dezen honig gesmaakt heb: 30 hoeveel meer, indien het volk «heden had mogen vrijelijk eten van den buit zij ner vijanden, dien fhet gevonden heeft I Maar nu is â¢die slag niet groot geweest over lt;ie Filistijnen. 31% Doch zij sloegen te dien vdage de Filistijnen van Michmas i ÃL 14. |
tot Ajalon; en het volk was zeer moede. 32 Toe-i maakte zich het volk aan den buit, en zij namen schapen en runderen en kalveren, en zij slachtten ze tegen de aarde; en het volk at ze met het bloed. 33 En men boodschapte het Saul^ zeggende: Zie, het volk bezondigt zich tegen den Heere, etende met het bloed. En hij zeide: Gij hebt trouwelooslijk gehandeld, wentelt heden eenen grooten steen tot mij. 34 Voorts sprak Saul: Verstrooit u onder het volk en zegt tot hen: Brengt tot mij een iegelijk zijnen os en een iegelijk zijn schaap, en slacht hier en eet, en bezondigt u niet nan den Heere, die etende met hot bloed. Toch bracht al het volk een iegelijk zijnen os met zijne hand, des nachts, en slachtten ze aldaar. 35 Toen bouwde Saul den Heere een altaar; dat was het eerste altaar, hetwelk hij den Heere bouwde. 3t3 Daarna zeide Saul: Laat ons aftrekken, de Filistijnen na bij nacht, en laat ons hen beroo-ven totdat het morgenlicht wordt, en laat ons niet éénen man onder hen overig laten. Zij nu zeiden : Doe al wat goed is in uwe oogen; maar de Priester zeide: Laat ons herwaarts tot God naderen. 37 Toen vraagde Saul God: Zal ik aftrekken, de Filistijnen na? Zult gij ze in de hand Israels overgeven ? Doch hij antwoordde hem niet te dien dage. 38 Toen zeide Saul: Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt en ziet waarin deze zonde heden geschied zij: 39 want x-oo waarachtig als de Heere leeft die Israël verlost, al ware het in mijnen zoon Jonathan, zoo zal hij den dood sterven. En niemand nit het gansche volk antwoordde hem. 40 Voorts zeide hij tot het gansche Israël: Gijlieden zult aan de céne zijde zijr, en ik en mijn zoon Jonathan zullen aan de andere zijde zijn. Toen zeide het volk |
|
1 S AM 1 tot Saul: Doe wat goed. is in uwe oogen. 41 Saul nu sprak tot den Heere den God Israels: Toon den on-schuldige. Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en liet volk ging vrij uit. 42 Toen zeide Saul: Werpt het lot tusschen mij en tusKchen mijnen zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt. 43 Saul dan zeide tot Jonathan: Geef mij te kennen wat gij gedaan hebt. Toen gaf Jonathan het hem te kennen, en zeide: Ik heb maar een weinig honig geproefd^ met het uiterste des atafs, dien ik in mijne hand had: zie hier ben ik, moet ik sterven ? 44 Toen zeide Saul: Zóó doe mij God en zóó doe hij daartoe, Jonathan, gij moet den dood sterven. 45 Maar het volk zeide tot Saul: Zoude Jonathan sterven, die deze groote verlossing in Israël, gedaan heeft? Dat zij verre! Zoo waarachtig als de Heere_ leeft, zoo daar een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal! want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzoo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 46 Saul nu toog óp van achter de Filistijnen, en de Filistijnen trokken aan hunne plaats. 47 Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in en hij streed rondom tegen alle zijne vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Amnions en tegen Edom en tegen de Koningen van Zoba en tegen de Filistijnen, en overal waar hij zich wendde oefende hij straf; 48 en hij handelde dapperlijk en hij sloeg de Amalekiten. en hij redde Israël uit de hand desgenen die hem beroofde. 49 De zonen Sauls nu waren Jonathan en Jisvi en Malkisüa; en de namen zijner twee doch-teren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal. 50 En de naam van Sauls |
JÃL 15. 347 huisvrouw was Ahinóam, eene dochter van Ahimaaz; en de naam zijns krijgoversten was Abner, een zoon van Ker, Sauls oom. 51 En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon Abiëls. 52 En daar was een sterke krijg tegen de Filistijnen alle de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen die Saul zag, die vergaderde hij tot zich. HOOFDSTUK 15. Toen zeide Samuël tot Saul: De Heere heeft mij gezonden dat ik u ten Koning zalfde over zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem der woorden des Heeren. 2 Al zóó zegt de Heere der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen dat Amalek Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg toen hij uit Egypte opkwam: 3 ga nu henen en sla Amalek, en verban alles wat hij heeft, en verschoon hem niet, maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezels toe. 4 Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde ze te Telaïm, tweehonderdduizend voetvolks, en tienduizend mannen van Juda. 5 Als Saul tot bij de stad Amalek kwam, zoo leide hij eene achterlage in het dal; G en Saul liet den Keniten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekiten^ opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan alle de kinderen Israels toen zij uit Egypte opkwamen. Alzoo weken de Keniten uit het midden der Amalekiten. 7 Toen sloeg Saul de Amalekiten van Havila af, tot waar gij komt te Sur, dat vooraan Egypte is. 8 En hij ving Agag, den Ko- |
|
348 1 SAM ning der Amalekiten, levend, maar al liet volk verbande hij door de scherpte des zwaards. i) Doch Saul en het oarische volk verschoonde Agag, en de beste schapen en runderen, en de naastöesie, en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding dat verachtelijk en dat verdwijnende was, dat verbanden zij. 10 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Samuël, zeggende : 11 Het berouwt mij dat ik Saul tot Koning gemaakt hebt, dewijl hij zich van achter mij afgekeerd heeft en mijne woorden niet bevestigd heeft. ^ Toen ontstak Samuël en hij riep tot den Heere den ganse he nacht. 12 Daarna maakte zich Samuël des morgens vroeg op, Saul tegemoet; en het werd Samuël geboodschapt, zeggende: Saul is te Ivarmel gekomen, en zie, hij heeft zich eenen pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen. 13 Samuël nu kwam tot Saul, en Saul zeide tot hem: Gezegend zijt gij den Heere; ik heb des Heeren woord bevestigd. 14 Toen zeide Samuël: Wat is dit dan voor eene stem der schapen in mijne ooren en eene stem der runderen die ik hoor? 15 Saul nu zeide: Zij hebben ze van de Amalekiten gebracht, want het volk heeft de beste schapen en runderen verschoond om den Heere uwen God te offeren; maar het overige hebben wij verbannen. 1G Toen zeide Samuël tot Saul: Houd op, zoo zal ik u te kennen geven wat de Heere te nacht tot mij gesproken heeft. Hij dan zeide tot hem: Spreelv. 17 En Samuël zeide: Is het niet al zoo, toen gij klein waart in uwe oogen, dat gij het hoofd der stammen Israëls geworden zijt, _ en dat u de Heere tot Koning over Israël gezalfd heeft? 18 En de Heere heeft u op |
JÃL 15. den weg gezonden, en gezegd: Ga henen en verban de zondaars, de Amalekiten, en strijd tegen hen totdat gij dezelve te niet doet: 19 waarom toch hebt gij naar de stem des Heeren niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en _ hebt gedaan dat kwaad was in de oogen des Heeren ? 20 Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb immers naar de stem des Heeren gehoord, en heb gewandeld op den weg, op denwelken mij de Heere gezonden heeft; en ik heb Agag, den Koning der Amalekiten, uedege-bracht, maar de Amalekiten heb ik verbannen. 21 Het volk nu heeft genomen van den roof, schapen en runderen, het voornaamste van het verbannene, om den Heere uwen God op te offeren te Gilgal. 22 Doch Samuël zeide: Heeft de Heere lust aan brandoileren en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Heeren? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoller, opmerken dan het vette der rammen; 23 want wederspannigheid is eene zonde der toovcrij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst: omdat gij des Heeren woord verworpen hebt, zoo heeft hij u verworpen dat gij geen Koning zult zijn. 24 Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb gezondigd, omdat ik des Heeren bevel en uwe woorden overtreden heb, want ik heb het volk gevreesd en naar hunne stem gehoord: 25 nu dan, vergeef mij toch mijne zonde, en keer met mij weder, dar, ik den Heere aan-bidde. 2G Doch Samuël zeide tot Saul: Ik zil met u niet weder-keeren: omdat gij het woord des Heeren verworpen hebt, zoo heeft u de Heeee verworpen dat gij geen Koning over Israël zult zijn. 27 Als zich Samuël omkeerde om weg te gaan, zoo greep hij |
1 SAMUÃL 16.
1
349
|
eene slip zijns mantels en zij sclienrde. 28 Toen zeide Samuel tot hem: De Heere heeft heden het koninkrijk Israels van u afgescheurd, en heeft het uwen naaste gegeven, die beter is dan gij. 29 En ook liegt hij, die de overwinning Israëls is, niet, en het berouwt hem niet; want hij is geen mensch dat hem iets berouwen zoude. 30 Hij dan zeide: Ik heb gezondigd; eer mij nu toch voor de oudsten mijns volks en voor Israël; en keer weder met mij, dat ik den Heere uwen God aanbidde. 31 Toen keerde Samuël weder, Saul na, en Saul aanbod den Heere. 32 Toen zeide Samuël: Breng Agag, den Koning der Amale-kiten, hier tot mij. Agag nu ging tot hem weeldelijk, en Agag zeide: Voorwaar de bitterheid des doods is geweken. 33 Maar Samuël zeide: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van hare kinderen beroofd heeft, al-zóó zal uwe moeder van hare kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuël Agag in stukken voor het aangezicht des Heeren te Gilgal. 34 Daarna ging Samuël naar Eama, en Saul ging op naar zijn huis te Gibea Sauls. 35 En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns dood toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; én het berouwde den Heere dat hij Saul tot Koning over Israël gemaakt had. HOOFDSTUK 16. Toen zeide do Heere tot Samuël: Hoe lang _ draagt gij leed om Saul, dien ik toch verworpen heb dat hij geen Koning zij over Israël? Vul uwen hoorn met olie en ga henen: ik zal u zenden tot Isai den Beth-lehemiet, want ik heb mij eenen Koning onder zijne zonen uitgezien. |
2 Maar Samuël zeide; Hoe | zoude ik henengaan? Saul zal j hot toch hooren en mij dooden. Toen zeide de Heere: Neem een kalf van de runderen met u, en zeg: Ik ben gekomen om den Heere offerande te doen. 3 En gij zult Isai ten offer noodigen, en ik zal u te kennen geven wat gij doen zult, en gij zult mij zalven dien ik u zeggen zal. 4 Samuël nu deed hetgeen de Heere gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten der stad bevende hem tegemoet en zeiden: Is uwe komst wei vrede? 5 Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den Heere offerande te doen: heiligt u, en komt met mij ten oiler. En hij heiligde Isai en zijne zonen, en hij noodigde ze ten offer. 6 En het geschiedde toen zij inkwamen, zoo zag li ij Eliab aan, en dacht: Zekerlijk is deze voor den Heere, zijn gezalfde. 7 Doch de Heere zeide tot Samuël: Zie zijne gestalte niet aan noch de hoogte zijner stature, want ik heb hem verworpen. Want het is niet gelijk de mensch ziet; want de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar ; de Heere ziet het hart aan. 8 Toen riep Isai Abinadab en ! hij ^ deed hem voorbij het aan-: gezicht Samuëls gaan: doch hij j zeide: Dezen heeft de Heere ! óók niet verkoren. j 9 Daarna liet Isai Sammavoor-i hijgaan; doch hij zeide: Dezen i heeft de Heere óók niet verkoren. 10 Alzoo liet Isai zijne zeven I zonen voorbij het aangezicht ⢠van Samuël gaan; doch Samuël zeide tot Isai: De Heere heeft deze niet verkoren. i 11 Voorts zeide Samuël tot Isai: Zijn dit alle de jongelingen ? En hij zeide: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zeide tot Isai: Zend henen en laat hem halen, want wij zullen niet rondom aanzitten totdat hij hier zal gekomen zijn. 12 Toen zond hij henen en |
1 SAMÃÃL 17.
350
|
braclit hem in (hij nu -was roodachtig, mitsgaders schoon van oogen en schoon van aanzien): en de Heere zeide; ISta op, zalf hem, want deze is liet. 13 Toen nam Samuel den oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden zijner broederen: en de Geest des^ Heeeen werd vaardig over David van dien dag af en voortaan. Daarna stond ISamuél op, en hij ging naar Kama. 14 En de Geest des Heeben week van Saul, en een booze geest van den Heere verschrikte hem. , 15 Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een booze geest Gods verschrikt u: 1G onze heer zegge toch uwen knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij eenen man zoeken die op de harp spelen kan; en het zal geschieden als de booze geest Gods op u is, dat hij dan met zijne hand spele, dat het beter met u worde. 17 Toen zeide Saul tot zijne knechten: Ziet mij toch naar eenen man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij. 18 Toen antwoordde een van de jongelingen en zeide: Zie, ik heb gezien eenen zoon van Isai den Bethlehemiet, die spelen , kan, en hij is een dapper held j en een krijgsman en verstandig in zaken, en een schoon man, en de Heere is met hem. 19 Saul nu zond boden tot Isai, en zeide: Zend uwen zoon David tot mij, die bij de schapen is. 20 Toen nam Isai eenen ezel met brood, en eenen lederen zak met wijn, en een geitenbokje, en zond ze door de hand zijns zoons Davids aan Saul. 21 Alzoo kwam David tot Saul; en hij stond voor zijn aangezicht, en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager. 22 Daarna zond Saul tot Isai, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heelt genade in mijne oogen gevonden. 23 En het geschiedde als de geest Gods over Saul was, zoo nam David de harp en hij speelde |
met zijne hand: dat was Saul eene verademing, en het werd beter met hem, en de booze geesi week van hem. HOOFDSTUK 17. En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zichtusschen Socho en tusschen Azeka, aan hei einde van Dammin. 2 Doch Saul en de mannen Israels verzamelden zich en legerden zich in het Eikendal, en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan. 3 De Filistijnen nu stonden aan eenen berg aan gene, en de Israëliten stonden aan eenen berg aan deze zijde, en de vallei was tusschen hen. 4 Toen ging daar een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijne hoogte was zes ellen en een span; 5 en hij had eenen koperen helm op zijn hoofd, en hij halt;i een schubachtig pantser aan, en het gewicht des pantsers was vijfduizend sikkelen koper; 6 en een koperen scheenharnas boven zijne voeten, en een koperen schild tusschen zijne schouderen ; 7 en de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzer; en de-schilddrager ging voor zijn aan-gezigt. 8 Deze nu stond en riep totdamp; slagorden Israels, en zeide tofe hen : Waarom zoudt gijlieden uittrekken om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn^ en gijlieden knechten van Saul ? Kiest eenen man onder udietoiï mij afkome: 9 indien hij te^en mij Etrijdeu en mij verslaan kan, zoo zuilen wij ulieden tot knechten zijn: maar indien ik hem overwin en hem sla, zoo zalt gij ons tofc knechten zijn en ons dienen. 10 Voorts zeide de Filisüjni |
1 SAMUEL 17.
3JÃ
|
Ik heb lieden de slagorden Is- : raëls gelicond, zeyyende: Geeft mij eenen man, dat wij te zamen strijden. 11 Toen nu Saul en liet gnn-sclic Israël deze woorden des Fi-listijns hoorden, zoo ontzeiteden ! zij zich en vreesden zeer. 12 David nu was de zoen des Efrathiselien mans van Bsthle-hem-Juda, wiens naam was laai, eu die acht zonen had; en in de dagen Sauls was hij een oud man, afgaande onder de mannen. 13 En de drie grootste zonen van Isai gingen henen, zij volgden Saul na in den krijg. Do namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma. 14 En David was de kleinste; ; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd. 15 Doch David ging henen en kwam weder van San], om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem. 1G De Filistijn nu trad toe des morgens vroeg en des avonds; alzoo stelde hij zich Jam-veertig dagenlang. _ 17 En Isai zeide tot zijnen zoon David: Neem toch voor uwe broeders eene efa van dit geroost ko- , ren, en deze tien brooden, en j breng ze met haast in liet leger ; tot uwe broederen, 18 maar breng deze tien melk- : kazen aan den overste over dui- I zend; en gij zult uwe broederen 1 bezoeken, of het hun wol gaat, en gij zult van hen pand mede- ; nemen. 10 Saul nu, en zij, en alle mannen Israels waren bij het Eikendal met de Filistijnen strijdende. 20 Toen maakte zich 1 hivid des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam liet op_ en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep. ( 21 En de Israëliten en de Fi- j listijnen stelden slagorde t:gen | slagorde. |
22 David nu liet de vaten van-, zich onder de hand des bewaarders der vaten, en hij liep ter-slagorde ; en hij kwam en vraagde zijnen broederen naar/iuwne^ welstand. 23 Toen hij met hen sprak, ziev zoo kwam de kampvechter op ^ zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath uit der Filistijnen heir, en hij sprak ach ter volgens die woorden, en David hoorde ze. 24 Doch alle mannen in Israël,, als zij dien man zagen, zoo vluchtten zij voor zijn aangezicht en zij vreesden zeer; 25 en de mannen Israels zeiden ? Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? AVant hij is gekomen om Israël te hoonen; en het zal geschieden dat de Koning dien man, die hem slaat, met grooten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem. zijne dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël. 20 Toen zeide David tot de-mannen, die bij hem stonden,. zeggende: Wat zal men dien man doen die dezen Filistijn verslaat,, en den smaad van Israël wendt? AVant wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden des levenden Gods zoude hoonen? 27 Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord zeggende; Alzoo zal men den man doen die hem slaat. 28 Als Eliab, zijn oudste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zoo ontstak de toorn Eliabs tegen David, en hij zeide: quot;Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uwe vermetelheid en de boosheid uws harten wel, want gij zijt afgekomen opdat gij den strijd zaagt. 29 Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan ? Is er geen oorzaak ? 30 En hij wendde zich af van dien naar een ander toe, en hij zeide achtervolgens dat woord, en het volk gaf hem weder antwoord achter volgens de eerste, woorden. |
|
852 1 SAM 31 Toen nu die woorden gehoord werden die David gesproken had, en in do tegenwoordigheid Sauls verkondigd weiden, zoo liet hij hem halen, 32 En David zeide tot Saul: Aan geen mensch ontvalle liet harte om zijnentwil: uw knecht zal henengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden. 33 Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen henengaan tot dezen Filistijn om met hem te strijden, want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijne jeugd af. 34 Toen zei de^ David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen zijns vaders en daar kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg; 35 en ik ging uit, hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijnen mond; en toen hij tegen mij opstond, zoo vatte ik hem bij zijnen baard, en sloeg hem en doodde hem: 3G uw knecht heeft zoo den leeuw als den heer geslagen; al zóó zal deze onbesneden Filistijn zijn gelijk een van die, omdat hij de slagorden des levenden Gods gehoond heeft. 37 Voorts zeide David: De Heeke, die mij van de macht des leeuws gered heeft en uit de macht des beers, die zal mij redden uit de hand dezes Filistijn s. Toen zeide Saul tot David: Ga henen, en de IIeere zij met u. 38 En Saul kleedde David met zijne kleederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hein met een pantser. 39 En David gordde zijn zwaard aan over zijne kleederen, en wilde gaan; want hij had het nooit beproefd. Toen _ zeide David tot Saul: ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit beproefd; en David leide ze van zich. 40 En hij nam zijnen staf in r.ijne hand, en hij koos zich vijf gladde steenen uit de beek, en leide ze in de herderstasch die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijne hand: |
JÃL 17. al zoo naderde hij tot den Filistijn. 41 De Filistijn ging óók henen, gaande en naderende tot David; en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht. 42 Toen de Filistijn opzag en David zag, zoo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien. 43 De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? Eu de Filistijn vloekte David bij zijne goden. 44 Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zoo zal ik uw vleesch den vogelen des hemels geven en den dieren des velds. 45 David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard en eene spies en met een schild, maar ik kom tot u in den naam des Heeken der heirscharen, des Gods der slagorden Israels, dien gij gehoond hebt. 4(5 Te dezen dage zal de Heere u besluiten in mijne hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de doode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag den vogelen des hemels en den beesten des velds geven: en de gansche aarde zal weten dat Israël eenen God heeft, 47 en deze gansche vergadering zal weten dat de Heere niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des Heeren, die zal ulieden in onze hand geven. 48 En het geschiedde toen de Filistijn zich opmaakte en henen-ging en David tegemoet naderde, zoo haastte zich David en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet; 49 en David stak zijne hand in de tasch en iiij nam eenen steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd, zoodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde: |
|
1 SAM 50 alzoo overweldigde David den Filistijn met eenen slinger en met eenen steen, en hij versloeg den Filistijn en doodde hem. Doch David had geen zw aard in de hand; 51 daarom liep David, en atond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijne echeede, en hij doodde hem en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen dat hun geweldigste dood wus, zoo vluchtten zij. 52 Toen maakten zich de mannen van Israël en Juda óp en juichten; en vervolgden de Filistijnen tot waar men komt aan de val]ei, en tot aan de poorten van Ekron; en der Filistijnen verwonden vielen op den weg van Saaraïm en tot aan Gath en tot aan Ekron. 53 Daarna keerden de kinderen Israels óm van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hunne legers. 54 Daarna nam David het hoofd des Filistijns en bracht het naar Jeruzalem, maar zijne wapenen leide hij in zijne tent. 55 Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zoo waarachtiji ah uwe ziele leeft, o Koning, ik weet het niet. 56 De Koning nu zeide: Vraag gij het, wiens zoon deze jongeling is. 57 Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zoo nam hem Abner en hij bracht hem voor het aangezicht Sauls, en het hoofd des Filistijns was in zijne hand. 58 En Saul zeide tot hem: quot;Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik beu een zoon van uwen knecht laai den Beth-lehemiet. HOOFDSTUK 18. Het geschiedde nu als hij ge-eindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van Da-[JÃL IS. 353 |
vid, en Jonathan beminde hem als zijne ziel. 2 En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet weder-keeren tot zijns vaders huis. 3 Jonathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijne ziel; 4 En Jonathan deed zijnen mantel af dien hij aanhad, en gaf hem David, ook zijne kleederen, ja, tot zijn zwaard toe en tot zijnen boog toe en tot zijn gordel toe. 5 En David toog uit overal waar Saul hem zond ; hij gedroeg zich voorzichtiglijk, en Saul stelde hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de oogen des ganschen volks, en ook in de oogen der knechten Sauls. G Het geschiedde nu toen zij kwamen en David wederkeerde van het slaan der Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit alle de steden van Israël niet gezang en reien, den Koning Saul tegemoet, met trommels, met vreugde, en met muziek-instrumenten. 7 En de vrouwen spelende antwoordden elkundi'.r en zeiden: Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden. 8 Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijne oogen, en hij_ zeide: Zij hebben David tienduizend gegeven, doch mij hebben zij «mar duizend gegeven en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn. 9 En Saul had het oog op David, van dien dag aan en voortaan. 10 En het geschiedde des anderen daags dat de booze geest Gods over Saul vaardig werd, en hij_ profeteerde midden in het huis; en David speelde op snarenspel met zijne hand, als van dag tot dag. Saul nu had eene spies in de hand, 11 en Saul schoot de spies, en zeide: Ik zal David aan den wand spitten ; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af. 12 En SjiuI vreesde voor David, want de Heere was met hem, en hij was van Saul geweken. 12 |
|
854 1 SAMT 13 Daarom deed hem Saiü van zicli weg, en hij stelde^ hem zich tot een overste van duizend; en hij ging nit en hij ging in voor het aangezicht des volks. 14 En David gedroeg zich voor-zichtiglijk op alle zijne wegen, en de Heere was met hem. 15 Toen nu Saul ^ zag dat hij zich zeer voorzichtig]ijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht. 1G Doch gansch Israël enJuda had David lief, want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht. 17 Derhalve zeide Saul tot Da-vid: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot vrouw geven: alleenlijk wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des Hee-rex. (Want Saul zeide; Dat mijne hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.) 18 Doch David zeide tot Saul: quot;Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders huisgezin in Israël, dat- ik des Koniugs schoonzoon zoude worden? 19 Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter Sauls, aan David geven zoude, zoo is zij aan Adriël den Meholathiet tot vrouw gegeven. 20 Doch Michal, de dochter Sauls, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zoo was die zaak recht in zijne oogen, 21 en Saul zeide: Ik zal ze hem geven, dat zij hem ten valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: j\Iet do andere zult gij heden mijn schoonzoon worden. 22 Eb Saul gebood zijnen knechten : Spreekt met David heimelijk, zeggende: Zie, de Kosing heeft lust aan u, en alle zijne knechten hebben u lief: word dan nu des Konings schoonzoon. 23 En de knechten Sauls spraken deze woorden voor deooren Davids. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder oogen, des Konings schoonzoon te worden,daar |
ÃL 19. ik een arm en verachtzaam man ben? 24 En de knechten Sauls boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken. 25 Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: Do Koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des Konings vijanden. quot;Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen. 26 Zijne knechten nu boodschapten David deze^ woorden j en die zaak was recht in de oogen Davids, dat hij des Konings schoonzoon zoude worden. Maar de dagen waren nog niet vervuld. 27 Toen maakte zich David op, en hij cn zijne mannen gingen henen en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hunne voorhuiden, en men leverde zo den Koning volkomen, opdat hij des Konings schoonzoon worden zoude. Toen gaf Saul hem zijne dochter Michal ter vrouwe. 23 En Saul zag en merkte dat de Heere met David was; en Michal, de dochter Sauls, had hem lief. 29 Toen vreesde Saul nog meer voor David: en Saul was David vijand alle zijne dagen. 30 Als de Vorsten der Filistijnen uittogen, zoo geschiedde het als zij uittogen dat David kloeker was dan alle de knechten Sauls, zoodat zijn naam zeer geacht was. HOOFDSTUK 19. Derhal ve sprak Saul tot zijnen zoon Jonathan en tot alle zijn© knechten om David te dooden. Doch Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David; 2 en Jonathïvn verkondigde het. David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te dooden; nu dan, wacht u toch 's morgens, en blijf in liet verborgen en versteek u. 3 Doch ik zal uitgaan, en aan de hand mijns vaders staan op het veld waar gij zult zijn, en |
|
1 SAM ik zal ran u tot mijnen vader â preken, en zal zien wat liet zij: dat zal ik u verkondigen. 4 Zoo sprak dan Jonathan goed van David tot zijnen vader Saul, en hij zeide tot hem: De Koning zondige niet tegen zijnen knecht David, omdat hij tegen a niet gezondigd heeft, en omdat, zijne daden voor u zeer goed zijn. 5 quot;Want hij heeft zijne ziel in zijne hand gezet, en hij heeft den Filistijn verslagen, en de IIeere heeft een groot heil aan gansch Israël gedaan ; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd geweest: waarom zoudt gij dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak doodende? 6 Saul nu hoorde naar de stem Jonathans, en Saul zwoer: Zoo tcaaraJdio ah de Heere leeft, hij zal niet gedood worden. 7 En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hem alle deze woorden te kennen; en Jonathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren. 8 En daar werd wederom krijg, en Dayid toog uit en streed tegen de Filistijnen en hij sloeg ze met eenen grootcn slag, en zij vloden voor zijn aangezicht. 9 Doch do booze geest des Heeeen was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijne spies was in zijne hand; en David speelde op snarenspel mot de hand. 10 Saul nu zocht met de spies David aan den wand te spitten, ; doch hij ontweek van het aangezicht Sauls, die met de spies in den wand sloeg. Toen vlood ; David en ontkwam in dienzelf- : den nacht. 11 Maar Saul zond boden henen : tot Davids huis dat zij hem be- 1 waarden en dat zij hem des mor- j gens doodden. Dit gaf Michal, zijne huisvrouw, David te kennen, zeggende: Indien gij uwe : ziel dezen nacht niet behoedt, zoo j zult gij morgen gedood worden, i 12 En Michal liet David door een venster neder, en hij ging ! henen en vluchtte, en ontkwam. | 13 En Michal nam een beeld i |
J à li 19. 35 en zij leide het in het bed: en zij leide een geitenvel aan zijn© hoofdpeuluw, en dekte het met een kleed toe. 14 Saul nu zond boden om David te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek. 15_ Toen zond Saul boden om David te bezien, zeggende: Brengt hem in het bed tot mij óp, dat men hem doode. 16 Als de boden kwamen, zoo zie, er was een beeld in het bed, en daar was een geitenvel aan zijne hoofdpeuluw. 17 Toen zeide Saul tot Michal: Waarom hebt gij mij alzóó bedrogen, en hebt mijnen vijand laten gaan dat hij ontkomen isr Michal nu zeide tot Saul: Hij zeide tot mij: Laat mij gaan; waarom zoude ik u dooden: 18 Alzoo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuel te Ãama, en hij gaf hem to kennen al wat Saul hem gedaan had, en hij^ en Samuël gingen henen en zij bleven te Najoth. 19 En men boodschapte Saul, zeggende: Zie, David is te Najoth bij Kama. 20 Toen zond Saul boden henen om David te halen; die zagen eene vergadering van Profeten profeteerende, en Samuël staande over hen gestold: en de Geest Gods was over Sauls boden, en die profeteerden óók. 21 Toen men het Saul boodschapte, zoo zond hij andere boden, en die profeteerden óók; toen voer Saul voort en zond de derde boden, en die profeteerden óók. 22 Daarna ging hij ook zelf naar Kama, en hij kwam tot den groeten waterput die te Sechu was, en hij vraagde en zeide: Waar is Samuël en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn to Najoth bij liama. 23 Toen ging hij derwaarts naar Najoth bij Kama en dezelfde Geest Gods was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Eama kwam; 24 en hij toog zelf óók zijne- |
|
S5S 1 S-AM kleederen uit, en hij profeteerde zelf óók voor het aangezicht Samuels, en hij viel bloot neder dien ganschen dag en den gan-echen nacht. Daarom zegt men: Is Saul óók ouder de Profeten? HOOFDSTUK 20. Toen vluchtte David van Na-joth bij Bama, en hij kwam en zeide voor het aangezicht Jonathans: quot;Wat heb ik gedaan, vrat is mijne misdaad en wat is mijne zonde voor liet aangezicht uws vaders dat hij mijne ziele zoekt ? 2 Hij daarentegen zeide tot hem: Dat zij verre, gij zult niet sterven. Zie, mijn vader doet geen groote zaak nog kleine zaak die hij voor mijn oor niet openbaart: waarom zoude dau mijn vader deze zaak voor mij verbergen? Dat is zoo niet. 3 Toen zwoer David verder en zeide: Uw vader weet zeer wel dat ik genade in uwe oogen gevonden heb; daarom heeft hij gezegd: Dat Jonathan dit niet wete, opdat hij zich nietbekom-mere; en zekerlijk, zoo waarach-tid als de Hek re leeft en uwe ziele leeft, daar is maar als ééne schrede tusschen mij en tusschen den dood. 4 Jonathan nu zeide tot David : Wat uwe ziele zegt, dat zal ik u doen. 5 En David zeide tot Jonathan: Zie, morgen is de nieuwe maan, dat ik zekerlijk met den Koning zoude aanzitten om te eten; zoo laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan den derden avond. 6 Indien uw vader mij gewis-selijk mist, zoo zult gij zeggen: David heeft van mij zeer begeerd dat hij tot zijne stad Bethlehem mocht loopen, want aldaar is een jaarlijksch otier voor het gansche geslacht. 7 Indien hij aldus zegt: Het is goed, zoo heeft uw knecht vrede ; maar indien hij gansch ontstoken is, zoo weet dat het kwaad bij hem ten volle is besloten. 8 Doe dan barmhartigheid aan uwen knecht, want gij hebt uwen |
ÃÃL 20. knecht in een verbond des Hee-ken met u gebracht; maar is er eene misdaad in mij, zoo dood gij mij, waarom zoudt gij mij toch tot uwen vader brengen? 9 Toen zeide Jonathan: Dat zij verre van u; maar indien ik zekerlijk merkte dat dit kwaad bij mijnen vader ten volle besloten was, dat het u zoude overkomen, zoude ik dat u dan niet te kennen geven? 10 David nu zeide tot Jonathan: Wie zal het mij te kennen geven, indien uw vader u wat hards antwoordt ? 11 Toen zeide Jonathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; en die beiden gingen uit in het veld. 12 En Jonathan zeide tot David: De Heere de God Israels,â indien ik mijnen vader onderzocht zal hebben omtrent dezen tijd morgen of overmorgen, en zie, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zende en het voor uw oor openbare; 13 alzoó doe de Heere aan Jonathan en alzóó doe hij daartoe. Als mijnen vader het kwaad over u behaagt, zoo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u laten trekken dat gij in vrede henengaat; en de Heeke zij met u, gelijk hij met mijnen vader geweest is. 14 En zult gij niet, indien ik dan nog leve, ja, zult gij niet de weldadigheid des Heeren aan mij doen, dat ik niet sterve? ^ iö Ook zult gij uwe weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid, ook niet wanneer de Heere eenen iegelijken ⢠der vijanden Davids van den | aardboden zal afgesneden hebben. 16 Alzoo maakte Jonathan een verhoud met den huize Davids, zeggende: Dat het de Heere eische I van do handde* vijanden Davids. 17 En Jonathan voer voort met i David te doen zweren, omdat hij j hem liefhad; want hij had hem : lief met de liefde zijner ziele. | 18 Daarna zeide Jonathan tot 1 hem: Morgen is de nieuwe maan; i dan zal men u missen, want |
1 SAMUÃL 20.
|
nwe zitplaats zal ledig gevonden worden. 19 En als gij de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot de plaats waar gij u verborgen badt ten dage dezer handeling, en blijf bij den steen Ezel: 20 zoo zal ik drie pijlen ter zijde schieten, alsof ik naar een tee-ken schoot; 21 en zie, ik zal den jongen zenden, zcjgendc: Ga heen, zoek de pijlen: indien ik uitdrukkelijk tot den jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem, en kom gij, want er is vrede voor u, en er is geen ding, zoo waarlijk de Heere leeft. 22 Maar indien ik tot den jongen alzóó zeg: Zie de pijlen zijn van n af en verder: ga heen, want de Heere heeft u laten gaan. 23 En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken helóen: zie, de Heere zij tusschen mij en tusschen u tot in eemvigheid. 24 David nu verborg zich in het veld ; en als het nieuwe maan was, zat do Koning bij de spijze om te eten. 25 Toen de Koning zich gezet had op zijne zitplaats, op ditmaal gelijk de andere maal, aan de stede bij den wand, zoo stond Jonathan op, en Abner zat aan Sauls zijde, en Davids plaats werd ledig gevonden. 26 En Saul sprak te dien dage niets, want hij zeide: Hem is wat voorgevallen dat hij niet rein is, voorzeker is hij niet rein. 27 Het geschiedde nu des anderen daags, den tweede der nieuwe maan, ais Davids plaats ledig gevonden werd, zoo zeide Saul tot zijnen zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isai noch gisteren noch heden tot de spijze gekomen ? 28 En Jonathan antwoordde Saul: David begeerde van mij ernstiglijk naar Bethlehem te mogen gaan, |
29 en hij zeide: Laat mij toch gaan, want ons geslacht heeft een offer in de stad, en mijn broeder heeft het mij zelf geboden: heb ik nu genade in uwe oogen gevonden, laat mij toch ontslagen zijn, dat ik mijne broeders zie. Hierom is hij aan des Konings tafel niet gekomen. 3ü Toen ontstak de toorn Sauls tegen Jonathan, en hij zeide tot hem: Gij zoon der verkeerde in wederspannigheid, weet ik het niet, dat gij den zoon van Isai verkoren hebt tot uwe schande, en tot schande van de naaktheid uwer moeder? 31 quot;Want alle de dagen die de zoon van Isai op den aardbodem leven zal, zult gij noch uw koninkrijk bevestigd worden: nu dan, zend henen en haal hem tot I mij, want hij is een kind des j doods. i 32 Toen antwoordde Jonathan ; Saul zijnen vader, en zeide tot 1 hem: Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan? 33 Toen schoot Saul de spies i op hem, om hem te slaan. Alzoo i merkte Jonathan dat dit ten volle ; bij zijnen vader besloten was, ⢠David te dooden; 34 daarom stond Jonathan van ; de tafel op in hittigheid des | toorns, en hij at op den tweeden i dag der nieuwe maan geen brood, want hij was bekommerd om Da-i vid, omdat zijn vader hem ge-j smaad had. 35 En het geschiedde des morgens dat Jonathan in het veld ging, op den tijd die David bestenul was, en daar was een kleine jongen bij hem; 36 en hij zeide tot zijnen jongen : Loop, zoek nu de pijlen die ik schieten zal. De jongen liep heen, en hij schoot eenen pijl, dien hij over hem deed vliegen. 37 Toen de jongen tot aan de plaats van den pijl, dien Jonathan geschoten had, gekomen was, zoo riep Jonathan den jongen na en zeide: Is niet de pijl van u af en verder? 38 Wederom riep Jonathan den jongen na: Haast u, spoed u, sta niet stil. De jongen van Jonathan nu raapte den pijl op, en li ij kwam tot zijnen heer. 39 Doch de jongen wist daar |
1 SAMÃÃL 21.
358
|
niets van: Jonathan en David alleen wisten van de zaak. 40 Toen gaf Jonathan zijn gereedschap aan den jongen dien had, en hij zeide tot hem: Ga heen, breng het in de stad. 41 Als dp jongen heenging, zoo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander, en weenden met elkander, totdat David het gansch veel maakte. 42 Toen zeide Jonathan tot David: Ga in vrede: hetgeen wij beiden in den naam desHEEKF.x fezworen hebben, zeggende: Doezworen hebben, zeggende: Do [eere zij tusschen mij en tus-schen mijn zaad en tusschen uw zaad, zij tot in eeuwigheid. 43 Daarna stond hij openging henen, en Jonathan kwam in de â¬tad. HOOFDSTUK 21. Toen kwam David te Nob tot den Priester Achimélech; en Achimélech kwam David bevende tegemoet, cn hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alléén, en geen man met uV 2 En David zeide tot den Priester Achimélcchj De Koning heeft mij eene zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten om welke ik u gezonden heb. en die ik u geboden heb: de jongelingen nu heb ik de plaats van zulk eenen te kennen gegeven. 3 Ln nu wat is er onder uwe hand ? Geef mij vijf brooden in mijne hand, of wat er gevonden wordt. 4 En de Priester antwoordde David en zeide: Daar is geen gemeen brood onder mijne hand, maar er is heilig brood, wanneer de jongelingen zich slechts van de vrouwen onthouden hebben. 5 David nu antwoordde den Priester en zeide tot hem: Ja voorzeker, de vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren en â eergisteren toen ik uitging, en de vaten der jongelingen zijn heilig; en het is eenigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden anrfer in de vaten zal geheiligd worden. |
6 Toen gaf de Priester hem dat heilige brood, dewijl daar geen brood was dan de toonbrooden, die van voor het aangezicht des Heerex weggenomen waren, dat men warm brood daar leide ten dage als dat weggenomen werd. 7 Daar was nu een man van de knechten Sauls te dienzelfden dage opgehouden voor het aangezicht des Heek en, en zijn naam was Doeg, een Edomiet, de machtigste onder do herderen die Saul had. 8 En David zeide tot Achimélech : Is hier onder uwe hand geen spies of zwaard ? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijne wapenen in mijne hand genomen, dewijl de zaak des Konings haast had. 9 Toen zeide de Priester: Het zwaard van Goliath den Filistijn, welken gij sloegt in het Eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod: indien gij u dat nemen wilt, zoo neem het, want hier is geen ander dan dat. David nu zeide: Daar is zijnsgelijke niet, geef het mij. 10 En David maakte zich op en vluchtte te dien dage van het aangezicht Sauls, en hij kwam tot Achis, den Koning van Gath. 11 Doch de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de Koning des lands? Zong men niet van dezen in de reien, zeggende: Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden? 12 En David leide deze woorden in zijn hart, en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, den Koning van Gath. 13 Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hunne oogen, en hij maakte zichzelven gek onder hunne handen, en hij bekrabbelde de deuren der poort, en hij liet zijn zever in zijnen baard afloopen. 14 Toen zeide Achis tot zijne knechten: Zie, gij ziet dat de man razend is: waarom hebt gij hem tot mij gebracht? 15 Heb ik razenden gebrek, dat |
|
1 SAM gij dezen gebracht hebt om voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen? HOOFDSTUK 22. Toen ging David van daar, en entkwam in de spelonk Adullams. Eu zijne broeders^ hoorden het, en het gansche huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af: 2 en tot hem vergaderden alle man die benauwd was, en alle man die eenen schuldeischer had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen, zoodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen. 3 En David ging van daarnaar Mizpa der Moabiten; en hij zeide tot den Koning der Moabiten: Laat toch mijn vader en mijne flioeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet wat God mij doen zal. 4 En hij bracht ze voor liet aangezicht des Konings der Moabiten, en zij bleven bij hem alle de dagen die David in do vesting was. 5 Doch de Profeet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet, fa henen, en ga in het land vana henen, en ga in het land van uda. Toen ging David henen, en hij kwam in het woud Hereth. tgt; En Saul hoorde dat David bekend geworden was, en de mannen die bij hem waren. Saul nu zat op eenen heuvel onder het geboomte te Kama, en hij had zijne spies in zijne hand, en alle zijne knechten stonden bij hem. 7 Toen zeide Saul tot zijne knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij zonen Benjamins: zal ook de zoon van Isai u alte-gader akkers en wijnbergen geven ? Zal hij u allen tot oversten van duizenden en oversten van honderden stellen? 8 dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isai, en niemand is onder ulieden dien het wee doet van mijnentwege, en die het twor mijn oor openbaart; want 0 Ã L 22. 359 |
mijn zoon heeft mijnen knecht tegen mij opgewekt tot een la-genlegger, gelijk het te dezen dage is. 9 Toen antwoordde Doëg de Edomiet, die bij de knechten Sauls stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isai komende te Nob tot Achimélech, den zoon van Ahitub, 10 die den Heere voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath den Filistijn. 11 Toen^ zond de Koning henen om den Priester Achimélech, den zoon van Ahitub, te roepen, en zijns vaders gansche huis, do Priesters die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den Koning. 12 En Saul zeide : Hoor nu, gij zoon van Ahitub. En hij zeide: Zie hic.r ben ik, mijn heer. 13 Toen zeide Saul tot hem: Waarom hebt gijlieden tezamen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isai, daar gij hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zoude opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is? 14 En Achimélech antwoordde den Koning en zeide: Wie is toch ondor alle uwe knechten getrouw als David, en des Konings schoonzoon, en voortgaande in uwe gehoorzaamheid, en ia eerlijk in uw huis? 15 Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen ? Dat zij verre van mij: de Koning leg^e op zijnen knecht geen ding, noch op het gansche huis mijns vaders; want uw knecht heeft van alle deze dingen niets geweten, klein noch groot. 16 Doch de Koning zeide: Achimélech, gij moet den dood sterven, gij en het gansche huis uws vaders. 17 En de Koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u en doodt de Priesters des Heeren, omdat hunne hand óók met David is, en omdat zij geweten hebben dat hij vluchtte, en hebben het voor mijne ooren |
|
S60 1 SAM niet geopenbaard. Doch de knechten des^ Konings wilden hunne hand niet uitsteken om op de Pricstera des IIeesen aan te vallen. 18 Toen zeide de Koning tot Doëg quot;Wend gij u en val aan op de Priesters. Toen wendde zich Doëg de Edomiet en hij viel aan op de Priesters, en doodde te dien dage vijfentachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen; 19 hij sloeg ook Nob, de stad dezer Priesters, met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels en de schapen sloeg hij met de scherpte des z waards. 20_ Doch één der zonen van Achimélech, den zoon van Ahi-tub, ontkwam, wiens naam was Abjathar: die vluchtte David na. 21 En Abjathar, boodschapte het David, datSaul dePriesteren des Heeken gedood had. 22 Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doëg de Edomiet daar was, dat hij het voorzeker Saul zoude te kennen geven. Ik heb oorzaak gegeven tegen alle de zielen van uv.'s vaders huis : 23 blijf bij mij, vrees niet; want wie mijne ziele zoeken zal, die zal uwe ziele zoeken, maar gij zult met mij in bewaring zijn. HOOFDSTUK 23, Sn men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij berooven de schuren. 2 En David vraagde den Heere, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de Heere zeide tot David: Ga henen, en pij zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen. 3 Doch de mannen Davids zeiden tot hem: Zie, wij vreezen hier in Juda: hoeveel te meer, als wij naar Kehila tegen der Filistijnen slagorden gaan zullen. 4 Toen vraagde David den Heere nog verder, en de Heere antwoordde en zeide: Maak u op, trek af naar Kehila, want |
JÃL 23. ik geef de Filistijnen in uwe hand. 5 Alzoo toog David en zijne mannen naar Kehila, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen eenen grooten slag: alzoo verloste David de inwoners van Kehila. ü En het geschiedde toen Abjathar, de zoon Achimélechs, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met den efod in zijne hand. 7 Als Saul te kennen gegeven werd dat David te Kehila gekomen was, zoo zeide Saul: God heeft hem in mijne hand overgegeven, want hij is besloten, komende in eene stad met poorten en grendelen. 8 Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogen naar Kehila om David en zijne mannen te belegeren. i) Als nu David verstond dat Saul dit kwaad tegen hem heimelijk vóór had, zeide hij tot den Priester Abjathar: Breng den efod herwaarts. 10 En David zeide: Heere God Israels, uw knecht heefl; zekerlijk gehoord dat Saul zoekt naar Kehila te komen, en do stad te verderven om mijnentwil: 11 zullen de burgers van Kehila mij ook in zijne hand overgeven ? Zal Saul af komen, gelijk als uw knecht gehoord heeft, o Heere God Israels? Geef het toch uwen knecht te kennen. De Heere nu zeide: Hij zal afkomen. 12 Daarna zeide David: Zouden de burgers van Kehila mij en mijne mannen overgeven in de hand Sauls? En de Heere zeide: Zij zouden u overgeven. 13 Toen maakte zich David en zijne mannen op, omtrent zeshonderd man, eii zij gingen uit Kehila, _ en zij gingen henen waar zij konden gaan. Toen Saul geboodschapt werd dat David uit Kehila ontkomen was, zoo hield hij op uit te trekken. 14 David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij |
|
1 SAM bleef op deu berg in de woestijn Zif, en Saul zocht hem alle dagen, doch God gaf hem niet over in zijne hand. 15 Als David zag dat Saul uitgetogen was ora zijne ziel te zoeken, zoo f was David in de woestijn Zif in een woud. 16 Toen maakte zich Jonathan, de zoon Sauls, op en hij ging tot David in het woud, en hij versterkte zijne hand in God; 17 en hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand Sauls mijns vaders zal u niet vinden, maar gij zult Koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel. 18 En die beiden maakten een verbond voor liet aangezicht des Heekex; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis. 19 Toen togen de Zifiten op tot Saul naar Gibea, zeggende: Heeft David zich niet bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op den heuvel van Hachila, die aan de rechterhand der wildernis is? 20 Nu dan, o Koning, kom spoedig^ af naar al de begeerte uwer ziele en het komt ons toe hem over te geven in de hand des Konings. 21 Toen zeide Saul: Gezegend eijt gijlieden den Heeee, dat gij u over mij ontfermd hebt: 22 gaat toch henen en bereidt de zaak nog meer, dat gij weet en beziet zijne plaats, waar zijn gang is, wie hem daar gezien heeft, want hij heeft tot mij gezegd dat hij zeer listiglijk pleegt te handelen. 23 Daarom ziet toe en verneemt naar alle schuilplaatsen in welke hij schuilt komt dan weder tot mij mei ast bescheid, zoo zal ik met ulieden gaan; en liet zal geschieden zoo hij in het land is, zoo zal ik hem nasporen onder alle duizenden van Juda. 24 Toen maakten zij zich op on zij gingen naar Zif voor het aangezicht Sauls. David nu en aijne mannen waren in de woes- |
UÃL 24. 3G1 | tijn van Maon, in het vlakke I veld aan de rechterhand der i wildernis. | ^ 25 Saul en zijne mannen gingen ; óók _ om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van dien rotssteen afgegaan was, en j bleef in de woestijn van Maön. j Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van i Maon, 1 26 en Saul ging aan deze zijde ' des bergs, en David en zijne j mannen aan gene zijde des bergs. Het geschiedde nu dat David ; zich haastte om te ontgaan van i het aangezicht Sauls; en Saul â en zijne mannen omsingelden i David en zijne mannen om die ! te grijpen. 27 Doch daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u en kom, want de Filistijnen zijn ! in het land gevallen. 28 Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen tegemoet: daarom noemde men die plaats Séla-Mahlekoth. HOOFDSTUK 24. En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van Engédi. 2 En het geschiedde nadat Saul wedergekeerd was van achter de Filistijnen, zoo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van Engédi. 3 Toen nam Saul drieduizend uitgelezene mannen uit gansch Israël, en hij toog henen om David en zijne mannen te zoeken boven op do rotssteeuen der steenbokken. 4 En hij kwam tot de schaapskooien aan den weg, waar eeno spelonk was; en Saul ging daarin om ^ zijne voeten te dekken. David nu en zijne mannen zaten aan de zijde der spelonk. 5 Toen zeiden de mannen Davids tot hem: Zie den dag, in weiken de Heere tot u zegt: Zie, ik geef uwen vijand in uwe hand, en gij zult hem doen gelijk als het goed zal zijn in uwe oogen. En David stond op, en 12* |
|
3G2 1 SAMl eneed etillelrens eene slip tan Sauls mantel. 6 Doch het geschiedde daarna dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip Sauls afgesneden had; 7 en hij zeide tot zijne mannen: Dat late de Heere verre van mij zijn, dat ik die zake doen zoude aan mijnen heere, den gezalfde des Heeren, dat ik mijne hand tegen hem uitsteken zoude; want hij is de gezalfde des Heeren. 8 En David scheidde zijne mannen met â woorden, en liet hun niet toe dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich óp uit de spelonk, en ging op den weg. 9 Daarna maakte zich David óók op en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer Koning! Toen zag Saul achter zich om, en David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich; 10 en David zeide tot Saul: Waarom hoort gij de woorden der menschen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad'? 11 Zie, te dezen doge hebben uwe oogen gezien dat de Heere u heden in mijne hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zeide dat ik u dooden zoude; doch mijne hand verschoonde Ti, want ik zeide: Ik zal mijne hand niet uitsteken tegen mijnen heer, want hij is de gezalfde des Heeren. 12 Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijne hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zoo heb ik u niet gedood: beken en zie dat er in mijne hand geen kwaad noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nochtans gij jaagt mijne ziel dat gij ze wegneemt. 13 De Heere zal richten tus-echen mij en tusschen u, en de Heere zal mij wreken aan u; maar mijne hand zal niet tegen u zijn. 14 Gelijk het spreekwoord der ouden zegt: Yan de goddeloozen |
JÃL 25. komt goddeloosheid voort; maart mijne hand zal niet tegen u zijn. 15 Naar wien is de Koning van Israël uitgegaan? Wien jaagt gij na? Naar eenen dooden hond, naar eene eenige vloo? 16 Doch de Heere zal zijn tot rechter, en richten tusschen mij en tusschen u, en zien daarin, en twisten mijnen twist, en richten mij van uwe hand. 17 En het geschiedde toen David geëindigd had alle deze woorden tot Saul te spreken, zoo zeide Saul: Is dit uwe stem, mijn zoon David? Toen hief Saul zijne stem op en weende, _ 18 en hij zeide tot David: Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden. 19 En gij hebt mij heden aangewezen dat gij mij goed gedaan hebt; want de Heere had mij in uwe hand besloten, en gij hebt mij niet gedood. 20 Zoo wanneer iemand zijnen vijand gevonden heeft, zal hij hem op eenen goeden weg laten gaan? De Heere nu vergelde u het goede voor dezen dag, dien gij mij heden gemaakt hebt. 21 En nu, zie, ik weet dat gij voorzeker Koning worden zult, en dat het Koninkrijk Israels in uwe hand bestaan zal: 22 zoo zweer mij dan nu bij den Heere, zoo gij mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijnen naam zult uitdelgen van mijns vaders huis! 23 Toen zwoer David aan Saul; en Saul ging naar zijn huis, maar David en zijne mannen gingen óp in de vestingen. HOOFDSTUK 25. En Samuel stierf; en gansch Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Bama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran. 2 En daar was een man to Maön, en zijn bedrijf was te Kar-mel; en die man was zeer groot, en hij had drieduizend schapen ep |
1 SAMUÃL 25. 363=
duizend geiten; en hij was inliet kwamen en boodscliapten hem. scheren zijner schapen te Karmel. achtervolgens alle deze woor-
3 En de naam des mms was den.
Nabal, en de naam zijner huis- : 13 David dan zeide tot zijnevrouw Abigail; en de vrouw mannen: Een iegelijk gorde zijn was goed van verstand en schoon zwaard aan. Toen gordde een van gedaante, maar de man was iegelijk zijn zwaard aan, en David hard en boos van daden, en hij gordde óók zijn zwaard aan, en was een Kalebiet. ^ zij togen op achter David, om-
4 Als David hoorde in de trent vierhonderd man, en daar woestijn dat Nabal zijne schapen , bleven er tweehonderd bij het schoor, i gereedschap.
5 zoo zond David tien jonge- 14 Doch een jongeling uit damp; lingen, en David zeide tot de jon- i jongelingen boodschapte het gelingen: Gaat op naar Karmel, Abigail, Nabals huisvrouw, zegen als gij tot Nabal komt, zoo gende: Zie, David heeft boden zult gij hem in mijnen naam gezonden uit de woestijn om naar den welstand vragen, onzen heer te zegenen, maar hij
G en zult aizoó zeggen tot is tegen hen uitgevaren.
dien welvarende: Trede zij u, 15 Nochtans zijn zij ons zeer
en uwen huize zij vrede, en alles goede mannen geweest, en wij
wat gij hebt zij vrede. hebben geen smaadheid geleden.
7 En nu, ik heb gehoord dat en wij hebben niets gemist alle gij scheerders hebt; nu, de her- de dagen die wij met hen verders die gij hebt zijn bij ons keerd hebben, toen wij op het geweest; wij hebben hun geen veld waren:
smaadheid aangedaan, en zij 10 zij zijn een muur om onamp;
hebben ook niets gemist alle de geweest, zoo bij nacht als bij
dagen die zij te Karmel geweest dag, alle de dagen die wij bij
zijn; _ hen geweest zijn weidende damp;
8 vraag het uwen jongelingen, schapen.
en zij zullen het u te kennen 17 AVeet dan nu en zie wat geven. Laat dan deze jongelingen gij doen zult, want het kwaad genade vinden in uwe oogen, is ten volle over onzen heer be-want wij zijn op eenen goeden sloten, en over zijn gansche^ dag gekomen: geef toch uwen , huis; en hij is een zoonBelials^ knechten en uwen zoon David dat men hem niet mag aan-hetgeen dat uwe hand vinden zal. spreken.
9 Toen cle jongelingen Davids 18 Toen haastte zich Abigail gekomen waren, en in Davids en nam tweehonderd brooden, naam naar alle die woorden tot en twee lederen zakken wijn, en Nabal gesproken hadden, zoo , en vijf toebereide schapen, en hielden zij stil; ; vijf maten geroost koren, en
10 en Nabal antwoordde den , honderd stukken rozijnen, en knechten Davids en zeide: Wie tweehonderd klompen vijgen, en is David en wie is de zoon van ! leide die op ezels;
Isai? Daar zijn heden vele j 19 en zij zeide tot hare jonge-knechten die zich afscheuren elk lingen: Trekt henen voor mijn van zijnen heer. | aangezicht, zie, ik kom achter
11 Zoude ik dan mijn brood, | ulieden; doch haren man Nabal en mijn water, en mijn geslacht gaf zij het niet te kennen. vleeamp;cli nemen dat ik voor mijne 20 Het geschiedde nu toen zij scheerders geslacht heb, en zoude i op den ezel reed, dat zij afkwam ik het den mannen geven die in het holle des bergs, en zie,, ik niet weet van waar zij zijn? David en zijne mannen kwamen
12 Toen keerden zich de jon- ! af, haar tegemoet, en zij ont-gelingen Davids naar hunnen moette hen.
weg, en zij keerden weder, en i 21 David nu had gezegd i.
|
1504 1 SAM Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, alzoo dat er niets van alles wat hij heeft gemist is, en hij heeft niij kwaad voor goed vergolden: 22 zóó doe God den vijanden Davids en zóó doe hij daartoe, indien ik van allen die hij heeft iets tot morgen overlaat dat mannelijk is. 23 Toen nu Abigail David zag, zoo haastte zij zich en kwam van den ezel af; on zij viel voor liet aangezicht Davids op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde; 24 en zij viel aan zijne voeten en zeide : Och mijn heer, mijne zij de misdaad, en laat toch uwe dienstmaagd voor uwe ooren spreken, en hoorde woorden uwer dienstmaagd. 25 Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan dezen belinisman, aan Kaba 1; want gel ij k z ij n naam is, alzóó is hij: zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uwe dienstmaagd, heb de jongelingen mijns heeren niet gezien die gij gezonden hebt. 2ü En nu mijn heer, zoo icaar-aclititj als de Heere leeft en uwe ziele leeft, het is de Heere die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uwe hand u zoude verlossen; en nu, dat als Nabal worden uwé vijanden en die tegen mijnen heer kwaad zoeken. 27 En nu, dit is de zegen dien uwe dienstmaagd mijnen heere toegebracht heeft: dat hij gegeven worde den jongelingen die mijns heeren voetstappen nawandelen. 28 Vergeef toch uwer dienstmaagd de overtreding, want de Heere zal zekerlijk mijnen heer een bestendig huis maken, dewijl mijn lieer de oorlogen des Heeren oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uwe dagen af. 29 Wanneer een mensch opstaan zal om u te vervolgen en om uwe ziel te zoeken, zoo zal de ziel mijns heeren ingebonden |
JÃL 25. zijn in het bundelken der levenden bij den Heeke uwen God, maar de ziel uwer vijanden zal hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers. 30 En het zal geschieden als de Heere mijnen heer naar al het goede doen zal dat hij over n gesproken heeft, en hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël, 31 zoo zul dit u, mijnen heer, niet zijn tot wankeling noch aanstoot des harten, te weten dat gij bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelven zoude verlost hebben; en als de Heere mijnen heere weldoen zal, zoo zult gij uwer dienstmaagd gedenken. 32 Toen zeide David tot Abigail : Gezegend zij de Heere do God Israels, die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heoft; 33 en gezegend zij uw raad, en gezegend zijt gij, dat gij mij, te dezen dage geweerd hebt van te komen met bloedstorting, dat mijne hand mij verlost zoude hebben. 34 Want voorzeker Jic.l is zoo waarachtig als de Heere de God Israels leeft, die mij verhinderd heeft van u kwaad te doen, dat ten ware gij u gehaast hadt en mij tegemoet gekomen waart, zoo ware Nabal r demand die mannelijk is overgeble ven tot het morgenlicht. 35 Toen nam David uit hare hand wat zij liean gebracht had; en hij zeide tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uwe stem. gehoord en heb uw aangezicht aangenomen. 3G Toen nu Abigail tot Nabal kwam, zie, zoo had hij een maaltijd in zijn huis als eens konings maaltijd, en het hart Nabals was vroolijk op denzelven, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet één woord, klein nog groot, te kennen tot aan het morgenlicht. 37 Het geschiedde nu in den morgen, toen de wijn van Nabal gegaan was, zoo gaf hem zijne |
1 SAMUÃL 2(5.
Soa
|
huisvrouw die woorden te kennen: toen bestierf zijn hart in het binnenste van hem en hij werd als een steen: 38 en liet geschiedde omtrent na tien dn gen, zoo sloeg de Heeke Nabal dat hij stierf. 89 Toen David hoorde dat Nabal dood was, zoo zeidehij: Gezegend zij de Heere, d e den twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand Nabals, en ] heeft zijnen knecht onthouden van het kwade, en n'ai de Heere ! het kwaad Nabals op zijn hoofd heeft doen wederkeeren. En David zond henen en liet met ; Abigail sproken, dat hij ze zich ter vrouwe nam. 40 Als nu de knechten Davids tot Ahigaïl gekomen waren te ; Karmel, zoo spraken zij tothaar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, dat hij zich u ter 1 vrouwe neme. 41 Toen stond zij op en neigde zich met bet aangezicht ter aarde, en zij zeide: Zie, uwe dienstmaagd zij tot eene dienaresse om de voeten der knechten mijns hoeren te wasschen. 42 Abigail nu haastte en maakte zicli op, en zij reed op een en ezel, met hare vijf jonge maagden die hare voetstappen nawandeldcn: zij dan volgde de boden Davids na, en zij werd hem ter huis-vrouwe. 43 Ook nam David Ahinóam van Jizreël; alzoo waren ook die ! beide hem tot vrouwen. 44 Want Saul had zijne dochter Michai, de huisvrouw Davids, gegeven aan Palti, don zoon van Laïs, die van Gallim was. HOOFDSTUK 2G. De Zifiten nu kwamen tot Saul te Gibea, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op den heuvel van Hachila, vóór aan do wildernis? 2 Toen maakte zich Saul op â en toog af naar de woestijn Zif, i en met hem drieduizend man, i uitgelezenen van Israël,om David te zoeken in de woestijn Zif. |
3 En Saul legerde zich op den heuvel van Haohila, die vóór aan de wildernis is aan don weg; maar David bieef in de woestijn, en zag dat Saul achter hem kwam naar de woestijn. 4 quot;Want David had verspieder» gezonden, en hij vernam dat Saul voorzeker kwam. 5 En David maakte zich op en kwam aan de plaats wnar Saul zich gelegerd had, en David bezng de plaats waar Saul lag mot Ab-ner, den zoon van Ner, zijnen krijgsoverste; en Saul lag in den wagenburg, en het volk was rondom hem gelegerd. (5 Toen antwoordde David en sprak tot Achimélech den He-thiet, en tot Abisaï, den zoon van Zernja, den broeder Joabs, zeggende: AVie zal met mij tot Saul in het leger afgaan? Toen zeide Abisai: Ik zal met u afgaan. 7 Alzoo kwam David en Abisai tot het volk des nachts; en zie, Saul Ing te slapen in den wagenburg, en zijne spies stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, en Abner en het volk lag rondom hem. 8 Toen zeide Abisai tot David: God heeft heden uwen vijandin uwe hand besloten: laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweeden male doen. 9 David daarentegen zeide tot Abisaï: Verderf hem niet; want wie heeft zijne hand aan den gezalfde des Heeren gelegd en is onschuldig gebleven? 1U Voorts zeide David: Zoo tcaaracldig als de Heere leeft: maar de Heere zal hem slaan, of zijn dag zal komen dat hij zal sterven, of hij zal in eenen strijd trekken dat hij omkome. 11 De Heere late het verre van mij zijn, dat ik mijne hand 1 egge-aan den gezalfde des Heeren; zoo neem toch nu de spies die aan zijn hoofdeinde is, en de wateriiesch, en laat ons gaan. 12 Zoo nam David de spies en. de waterflesch van Sauls hoofdeinde, en zij gingen henen; en daar was niemand die liet zag en niemand die het merkte, ook |
1 SA3IUÃL 27.
3C6
|
niemand die ontwaakte, want zij sliepen allen; want daar was een diepe slaap des Heerex op hen gevallen. 13 Toen David aan de overzijde gekomen was, zoo stond hij op de hoogte des bergs van verre, zoodat er eene groote plaats tus-â schen hen was; 14 en David riep tot het volk â en tot Abner, den zoon van Ner, zeggende; Zult gij niet antwoorden, Abner? Toen^ antwoordde Abner en zeide: AVie zijtgij die â tot den Koning roept? 15 Toen zeide David tot Abner: .Zijt gij niet een raan, en wie is u gelijk in Israël? Waarom dan hebt gij over uwen heer den Koning geen wacht gehouden ? Want claar is een van het volk gekomen om den Koning uwen heer te verderven. 16 Deze zaak die gij gedaan ïiebt is niet goed: zoo waarachtio uls de Heere leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, die over uwen lieer, den gezalfde des Heeren. geene wacht gehouden hebt. En nu, zie waar de spies des Konings ie, en de waterflésch die aan zijn hoofdeinde was. 17 Saul nu kende de stem van David, en zeide: Is dit uwe stem, mijn zoon David? David zeide; Het is mijne stem, mijn heer l£oning. 18 Hij zeide verder: Waarom vervolgt mijn heer zijnen knecht â¢alzóó achterna? Want wat heb ik gedaan, en wat kwaad is er in mijne hand? 19 En nu, mijn heer de Koning hoore toch naar de woorden zijns knechts. Indien de Heere u tegen mij aanport, laat hem het spijsoffer rieken; maar indien het inenschenkinderen zijn, zoo zijn zij vervloekt voor het aangezicht des Heeren, dewijl zij mij heden verstoeten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel â¢des Heeren, zeggende: Ga henen, dien andere goden. 20 En nu, mijn bloed valle niet op de aarde van voor het aangezicht des Heeren; want de Ko-aaing van Israël is uitgegaan om eene eenige vloo te zoeken, gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt. |
21 Toen zeide Saul: ik heb gezondigd; keer weder, mijn zoon David, want ik zal u geen kwaad meer doen, daarvoor dat mijne ziele dezen dag dierbaar in uwe oogen geweest is; zie, ik heb dwaselijk gedaan en ik heb zeer grooteiijks gedwaald. 22 Toen antwoordde David en zeide; Zie, de spies des Konings; zoo laat een van de jongelingen overkomen en halen ze. 23 De Heere dan vergeldeeen iegelijk zijne gerechtigheid en zijne getrouwheid; want de Heere j had u heden in mijne hand gegeven, maar ik heb mijne hand j niet willen uitsteken aan den | gezalfde des Heeren. 24 En zie, gelijk als te dezen I dage uwe ziele in mijne oogen is groot geacht geweest, alzóó zij i mijne ziele in de oogen des Hee-! ren groot geacht, en hij verlosso ; mij uit allentnood. 25 Toen zeide Saul tot David; Gezegend zijt gij, mijn zoon Da- i vid; gij zult het, ja, gewisselijk i doen, en gij zult ook gewisselijk i de overhand hebben. Toen ging ' David op zijnen weg, en Saul j keerde weder naar zijne plaats. HOOFDSTUK 27. II David nu zeide in zijn harte: Nu zal ik een der dagen door , Sauls hand omkomen; mij is niet I beter dan dat ik haastelijk ont-1 kome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoopver-j lieze om mij meer te zoeken in | de gansche landpale Israels; zoo i zal ik ontkomen uit zijne hand. 2 Toen maakte zich David op en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den Koring van Gath; 3 en David bleef bij Achis te Gath, hij en zijne mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijne beide vrouwen, Ahinóam de Jizreëlitische,en Abigail, de huisvrouw Nabals, de Karmelitische. 4 Toen Saul geboodschapt werd |
|
1 SAM dat David gcvhiclit was naar Gatli, zoo voer hij niet meer voort hem te zoeken. 5 En David zeide tot Ach is: Indien ik nu genade in uwe oogen gevonden heb, men geve mij een plaats in eene van de steden des lands, dat ik daar wone, want waarom zoude uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? ü Toen gaf hem Achis te dien dage Ziklag: daarom is Ziklag der Koningen van Juda geweest tot op dezen dag. 7 Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was één jaar en vier maanden. 8 David nu toog op met zijne mannen, en zij overvielen de Oesuriten en de Gizriten en de Amelekiten, (want deze die zijn van ouds geweest de inwoners des lands,) waar gij gaat naar Sur en tot aan Egypteland; 9 en David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de Echapen en runderen en de ezels en kemels en kleederen, en keerde weder en kwam tot Achis. 10 Als nu Achis zeide: V/aar zijt gijlieden heden ingevallen V zoo zeide David: Tegen liet zuiden van Juda en tegen het zuiden der Jerahmeëliten en tegen het zuiden der Keniten. 11 En David liet noch man noch vrouw leven om te Gath te brengen, zeggende: Dat ze misschien van ons niet boodschappen, zeggende : Alzóó heelt David gedaan. En alzóó was zijne wijze alle de dagen die hij in der Filistijnen land gewoond heeft. 12 Eu Achis geloofde David, zeggende: Hij heelt zich ten eenenmale stinkende gemaakt bij zijn volk in Israël, daarom zal hij eeuwiglijk mij tot eeuen knecht zijn. HOOFDSTUK 28. En het geschiedde in die dagen, als do Filistijnen hunne legers vergaderden tot den strijd om tegen Israël te strijden, zoo zeide Achis tot David: Gij zult zeker- |
JÃL 28. 367 lijk weten dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en uwe mannen. 2 Toen zeide David tot Achis: Aldus zult gij weten wat uw knecht doen zal. En Achis zeide tot David: Daarom zal ik u ten bewaarder mijns hoofds zetten te allen dage. 3 Samuël nu was gestorven, en gansch Israël had rouw over hem bedreven, en hadden hein begraven te Ãama, te weten in zijne stad. En Saul had uit den lande weggedaan de waarzeggers en de dui velskunstenaars. 4 En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem; en Saul vergaderde^ gansch Israël, en zij legerden zich op Gilboa. ö Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zoo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer. 6 En Saul vraagde den IIeere, maar de Heere antwoordde hem niet, noch door droomeu, noch door de Urim, noch door de Profeten. 7 Toen zeide Saul tot zijne knechten: Zoekt mij eene vrouw, die eenen waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga en door haar onderzoeke. Zijne knechten nu zeiden tot liem:Zie, teEndor is eene vrouw die eenen waarzeggenden geest heeft. à En Saul vermomde zich en trok andere kleederen aan, en ging henen, en twee mannen met hem; en zij kwamen des nachts tot de vrouw, en hij zeide : Voorzeg mij toch door den waarzeggenden geest, en doe mij opkomen dien ik tot u zeggen zal. 9 Toen zeide de vrouw tot hem: Zie, gij weet w:at Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzeggers en de duivelskunstenaars uit die land heeft uitgeroeid: waarom stelt gij dan mijner ziele eenen strik om mij te dooden? 10 Saul nu zwoer haar bij den Heere, zeggende: Zoo icaarachtig als de Heere leeft, indien u eene straf om deze zaak zal overkomen! 11 Toen zeide de vrouw: AVieu zal ik u doen opkomen? En hij |
|
36S 1 SAM zeitle: Doe mij Samuel opkomen. 12 Toen nu de vrouw Samuël zag, zoo riep zij met luider stem, en de vrouw sprak tot Saul zeggende : quot;Waarom hebt gij mij bedrogen? Want gij zijt Saul. 13 En de Koning zeide tot haar: Vrees niet, maar wat ziet gij ? Toen zeide de vrouw tot Saul: Ik zie goden uit de aarde opkomende. 14 Hij dan zeide tot haar: Hoe is zijne gedaante? En zij zeide: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed. Toen Saul vernam dat het Samuël was, zoo neigde hij zich met het aangezicht ter aarde en hij boog zich. 15 En Samuël zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zeide Saul: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van mij geweken en antwoordt mij niet meer, noch door den dienst der Proleten, noch door droomen: daarom heb ik u geroepen, dat gij mij te kennen geeft wat ik doen zal. lü Toen zeide Samuël: Waarom vraagt gij mij toch, dewijl de Heere van u geweken en uw vijand geworden is? 17 Want de IIeere heeft voor zich gedaan gelijk als hij door mijnen dienst gesproken heeft en heeft het koninkrijk van uwe hand gescheurd, en hij heeft dat gegeven aan uwen naaste, aan David. 18 Gelijk als gij naar de stem des Heeren niet gehoord hebt, en de hittigheid zijns toorns niet uitgericht hebt tegen Amalek: daarom heeft de Heere u deze zaak gedaan te dezen dage, 19 en de Heere zal ook Israël met u in de hand der Filistijnen geven: e» morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn, ook zal de Heere het leger Israels in de hand der Filistijnen geven. 20 Toen viel Saul haastelijk ter aarde, zoo lang als hij was, en hij vreesde zeer vanwege de woorden Samuëls; ook was er geene kracht in hem, want hij } à L 29. |
had den geheelen dag en den go heelen nacht geen brood gegeten. 21 De vrouw nu kwam tot Saul en zag dat hij zeer verbaasd was, en zij zeide tot hem: Zie, uwe dienstmaagd heeft naar uwe stem gehoord, en ik heb mijne zielo in mijne hand gesteld, en ik heb uwe woorden gehoord die gij tot mij gesproken hebt: 22 zoo hoor gij nu toch ook naar de stem uwer dienstmaagd, en laat mij eene bete broods vóór u zetten, en eet; zoo zal er kracht in u zijn, dat gij overweg gaat. 23 Doch hij weigerde het en zeide: Ik zal niet eten. Maar zijne knechten en ook de vrouw hielden aan bij hem. Toen hoorde hij naar hunne stem, en hij stond op van de aarde en zette zich op het bed. 24 En de vrouw had een gemest kalf in huis en zij haastte zich en slachtte het, en bakte daar ongezuurde hoen en van: 25 en zij bracht ze voor Saul en voor zijne knechten, en zij aten: daarna stonden zij op en gingen weg in dienzelfden nacht. HOOFDSTUK 2D. De Filistijnen nu hadden allo hunne legers vergaderd te Afek, en de Israëliten legerden zich bij de fontein die bij Jizreël is. 2 En de Vorsten der Filistijnen togen daarhenen met honderden en met duizenden, doch David en zijne mannen togen met Achia in den achtertocht. 3 Toen zeiden de oversten der Filistijnen: Wat zullen dezeHe-breën? Zoo zeide Achis tot de oversten der Filistijnen: Is deze niet David, de knecht Sauls, des Konings van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? en ik heb in hem niets gevonden van dien dag af dat hij afgevallen is, tot dezen dag toe. 4 Doch de oversten der Filistijnen werden zeer toornig op hem en de oversten der Filistijnen, zeiden tot hem: Doe den man wederkeeren, dat hij tot zijne plaats wederkeere waar gij hem besteld hebt, en dat hij niet |
|
1 SAM1 met ons aftrekke in den strijd, opdat hij ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd; want waarmede zoude deze zich bij zijnen lieer aangenaam maken ? Is het niet met de hooiden dezer mannen ? 5 Is dit niet David, van welken zij in den rei eilander antwoordden, zeggende: Sanl heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden ? 6 Toen riep Achis David en zeide tot hem: Het is zoo icadrachtig als de Heere leeft, dat gij oprecht zijt, en uw uitgang en uw ingang met mij in het leger is goed in mijne oogen; want ik heb geen kwaad bij u gevonden van dien dag af dat gij tot imj zijt gekomen, tot dezen dag toe; maar gij zijt niet aangenaam in de oogen der Vorsten: 7 zoo keer nu om en gfi. in vrede, opdat gij geen kwaad doet in de oogen van de Vorsten der Filistijnen. 8 Toen zeide David tot Achis; Maar wat heb ik gedaan of wat hebt gij in uwen knecht gevonden, van dien dag af dat ik voor uw aangezicht geweest ben tot dezen dag toe, dat ïk niet zal gaan en strijden tegen^ de vijanden mijns heeren des Konings? 9 Achis nu antwoordde en zeide tot David ; Ik weet liet, voorwaar gij zijt aangenaam in mijne oogen als een engel Gods; maar de oversten der Filistijnen hebben gezegd; Laat hij met ons in dezen strijd niet optrekken. 10 Nu dan, maak u morgen rroeg op met de knechten uws heeren, die met u gekomen zijn; en als gijlieden u morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het ulieden licht geworden is, zoo gaat henen. 11 Toen maakte zich David vroeg op, hij en zijne mannen, dat zij des morgens weggingen, om weder te keeren in het land der Filistijnen; de Filistijnen daare ntegen togen op naar Jizreël. HOOFDSTUK 30. Het geschiedde nu als David |
IÃL 30. 369« en zijne mannen des.derden daags te Ziklag kwamen, dat de Ama-lekiten in het Zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen en dezelve met vuur verbrand hadden, 2 en dat zij do vrouwen dip daarin waren gevankelijk weggevoerd hadden; doelt zij hadden niemand doodgeslagen, van den kleinste tot den grootste, maar hadden ze weggevoerd en waren huns weegs gegaan. 3 En David en zijne mannen kwamen aan de stad, en zie, zij was met vuur verbiand, en hunne vrouwen en hunne zonen en hunne dochteren waren gevankelijk weggevoerd. 4 Toen hieven David en het volk dat bij hem was hunne stem op en weenden, totdat er geen kracht meer in hen was om te weenen.t ^ 5 Davids beide vrouwen waren óók gevankelijk weggevoerd, Alii-nóam de Jizreëlitische, en Abigail de huisvrouw Nabals des Karmeliets. ü Eu het werd David zeer bang, want het volk sprak van hem te steenigen, want de zielen van het gansche volk waren verbitterd, een iegelijk over zijne zonen en over zijne dochteren ; doch David sterkte zich in den Heeke zijnen God, 7 en David zeide tot den Priester Abjathar, den zoon Acliimé-lechs: Breng mij toch den efod hier. En Abjathar bracht den efod tot David. 8 Toen vraagde David den Hee-ee, zeggende: Zal ik deze bende achterna jagen, zal ik ze achterhalen ? En hij zeide hem: Jaag na, want gij zult gewisselijk achterhalen en gij zult gewisselijk verlossen. 9 David dan ging henen, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zoo bleven de overigen staan, 10 en David vervolgde ze, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zóó moede waren, dat |
1 SAMUÃL 3C.
|
zij over de beek Besor niet kon- ! den gaan. 11 En zij vonden een Egypti- j cchen man op het veld, en zij ! brachten hem tot David ; en zii gaven hem brood en hij at, en i zij gaven hem water te drinken, j 12 zij gaven hem ook een stuk van eenen klomp vijgen, en twee 1 stukken rozijnen, en hij at, en zijn geest kwam weder in hem: want hij had in drie dagen en ! drie nachten geen brood gegeten j noch water gedronken. 13 Daarna zeide David tot hem: quot;Wiens zijt gjj en van waar zijt : gij ? Toen zeide de Egyptische ! jongen: Ik ben eens Amalekiti- j schen mans knecht, en mijn heer ; heeft mij verlaten, omdat ik voor ! xirie dagen krank geworden ben. 14 Wij waren ingevallen tegen 1 het zuiden van de Kerethiten, en op hetgeen van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand. 15 Toen zeide David tot hem; ' .Zoudt gij mij wel 1 lenen afleiden tot deze bende? Hij dan zeide: | Zweer mij bij God dat gij mij | niet zult dooiien, en dat gij mii | niet zult overleveren in de hand 1 mijns heeren: zoo zal ik u tot ' deze bende afleiden. 1G En hij leidde hem af, en zie, | zij lagen verstrooid over de gnn-sche aarde, etende en drinkende : en dansende, om al den grooten ! buit dien zij genomen hadden uit I het land der Filistijnen en uit het land van Juda. 17 En David gloeg ze van de schemering tot aan den avond 1 van hunlieder anderen dag, en daar ontkwam niet één man van hen, behalve vierhonderd jonge | mannen, die op kemelen reden en vloden. 18 Al zoo redde David al wat 1 de Amalekieten genomen hadden, ook redde David zijne twee j vrouwen. 1(J En onder hen werd niet ge- ! mist van den kleinste tot aan i ^den grootste, en tot aan de zonen 1 -en dochteren, en van den buit : â¢ook tot alles wat zij hun geno- i men hadden: David bracht het al temaal weder. |
20 David nam ook alle de schapen en de runderen; zij drevea ze voor dat vee henen, en zeiden. Dit is Davids buit. 21 Als David tot de tweehonderd mannen kwam, die zóó moede waren geweest dat zij David niet hadden kunnen navolgen, en die zij aan de beek Besor hadden laten blijven, die gingen Dar vid en het volk dat bij hem was te genioet, en David trad tot het volk, en hij vraagde ze naar den welstand. 22 Toen antwoordde een ieder boos en Belialsrnan onder de mannen die met David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van den buit dien wij gered hebben niet geven, maar eenen iegelijken zijne vrouw en zijne kinderen, laat ze die henenleiden en weggaan. 2?) Maar David zeide: Alzóó zult gij niet doen, mijne broeders, met hetgene dat ons de Heere gegeven heeft, en heeft ons bewaard. en heeft de bende die tegen ons kwam in onze hs.nd gegeven. 24 Wie zoude toch ulieden in deze zaak hooren? Wantgt; gelijk het deel dergenen is die in den strijd mede afgetogen zijn, alzóó zal ook het deel dergenen zijn die bij liet gereedschap gebleven zijn, zij zulien gelijkelijk deelen. 25 En dit is van dien dag af en voortaan alzóó geweest; want hij heeft het tot eene inzetting en tot een recht gesteld in Is-rael, tot op dezen dag. 2G Als nu David te Ziklag kwam, zoo zond hij tot de oudsten van Juda, zijne vrienden, van don buit, zeggende: Ziet, daar is een zegen voor ulieden van den buit der vijanden des Hekken ; 27 namelijk tot die te Beth-El, en _ tot die te Ramoth tegen het Zuiden, en tot die te Jattir, 28 en tot die te Aröër, en tot die te Sifmoth, ea tot die te Es-temóa, 29 en tot die te Rachal, en tot |
SAMUÃL 1.
371
|
vrelke in de steden der Jerah-meëliten waren, en tot die welke in de steden der Keniten waren, 30 en tot die te Horma, en tot lt;lie te Kor-Asan, en tot die te Athach, 31 en tot die te Hebron, 2n tot â alle de plaateen waar David gewandeld had, hij en zijne mannen. HOOFDSTUK 81. De Filistijnen dan streden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen ! op het gebergte Gilboa. 2 En de Filistijnen hielden ; dicht op Saul en zijne zonen, en de Filistijnen sloegen Jonathan â en Abinadab en Malkisüa, de zonen Sauls: 3 en de strijd werd zwaar te-sen Saul, en de mannen die met den boog schieten trotien hem aan, en liij vreesde zeer voor «Ie schutters, i 4 Toen zeide Saul tot zijnen j wapendrager: Trek uw zwaard | 'lit en doorsteek mij -daarmede, i dat misschien deze onbesneden en , niet komen^ en mij doorsteken, i en met _ mij den spot drijven. | Maar zijn wapendrager wilde i niet,want hij vreesde zeer: toen ' ïiam Saul het zwaard en viel daarin. 5 Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, zoo viel hij óók in zijn zwaard, en stierf met 'iiein. 6 Alzoo stierf Saul, en zijne drie zonen, en zijn wapendrager ' ook alle zijne mannen, te dien dage te gelijk. |
7 Als do mannen Tsraëls, die aan deze zijde van het dal waren en die aan deze zijde van den Jordaan waren, zagen dat de mannen Israels gevloden waren, en dat Saul en zijne zonen dood waren, zoo verlieten zij de steden en zij vloden: toen kwamen do Filistijnen en woonden daarin. 8 Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zoo vonden zij Saul en zijne drie zonen liggende op het gebergte^ Gilboa; 9 en zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijne wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden en onder het volk; 10 en zij leiden zijne wapenen in het huis van Astaroth, en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San. 11 Als de inwoners van Ja-bes in Giiead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden, 12 zoo maakten zich óp alle strijdbare mannen en gingen den geheelen nacht, er zij namen het lichaam Sauls en de lichamen zijner zonen van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Ja-bes en brandden ze aldaar. 13 En zij namen hunne beenderen en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen. |
HET TWEEDE BOEK S A M U Ã L.
|
HOOFDSTUK 1. Toorts geschiedde het na Sauls dood, als David van den slag der Amalekiten was wedergekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was, ^ |
2 zoo geschiedde het op den derden dag, dat, zie, uit het heir-leger van Saul een man kwam |
|
872 2 SAMt Tviens Ideederen gescheurd â waren, j en aarde was op zijn hoofd; en i het geschiedde als hij tot David ; kwam, ^ zoo viel hij ter aarde en boog zich neder. 3 En David zeide tot hem: Van ' waar komt gij ? en hij zeide tot hem: Ik ben ontkomen uit het ; heirleger Israels. 4 Voorts zeide David tot hem: | Wat is de zaak ? Verhaal het i mij toch. Eu hij zeide dat het i volk uit den strijd gevloden was, 1 en dat ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dut ook Saul en zijn zoon Jonathan dood -waren. 5 En David zeide tot den jongen die hem de boodschap bracht: Hoe weet gij dat Saul dood is en ; zijn zoon Jonathan? 0 Toen zeide de jongen die hem de boodschap bracht: Ik kwam bij geval op het gebergte Gilboa, en zie, Saul leunde op zijne spies; en zie, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem aan: 7 zoo zag hij achter zich om en zag mij,f en hij riep mij, en ik zeide: Zie 7nc?quot; ben ik. 8 En hij zehte tot mij; Wie zijt gij? En ik zeide tot hem: Ik ben een Amalekiet. 9 Toen zeide hij tot mij: Sta toch bij mij en dood mij, want deze maliënkolder heeft mij opgehouden: want mijn leven is nog ganscli in mij. 1U Zoo stond ik bij hem en doodde hem, want ik wist dat hij na zijnen val niet leven zoude; en ik nam de kroon die op zijn hoofd was en het armgesmijde dat aan zijnen arm was, en heb ze hier tot mijnen heer gebracht. 11 Toen vatte David zijne kleederen en scheurde ze, desgelijks ook alle mannen die met hem waren; 12 en zij weeklaagden en weenden en vastten tot den avond over Saul en over Jonathan zijnen zoon, en over het volk des Heeren en over het huis Israels, omdat zij door het zwaard gevallen waren. 13 Voorts zeide David tot den jongen, die hem de boodschap |
'ÃL 1. gebracht had: Van waar zijt gij? En hij zeide: Ik ben eens vreemden mans, eens Amalekiets zoon. 14 En David zeide tot hem: Hoe? Hebt gij niet gevreesd uwe hand uit te strekken om den gezalfde des Heeren te verderven? 15 En David riep een en van de jongens, en zeide: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem dat hij stierf.^ 16 En David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: Ik heb den gezalfde des^ Heeren gedood. 17 David nu klaagde deze klage over Saul en Jonathan zijnen zoon, IS als hij gezegd had dat men den kinderen van Juda den boog zoude leeren: zie, het is geschreven in het boek des Oprechten. 19 O sieraad Israels, op uwe hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen! 20 Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochteren der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der on-besnedeneu niet opspringen vau vreugde. 21 Gij bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet op u zijn, noch velden der hefofFeren: want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild Sauls, alsof hij niet gezalfd ware geweest met oiie. 22 Van het bloed der verslagenen, van het vette der helden werd Jonathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet ledig weder. 23 Saul en Jonathan, die beminden en die iiefelijken inhim leven, zijn ook in hunnen dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen. 24 Gij dochteren Israels, weent over Saul, die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uwe kleeding. 25 Koe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd? |
2 SAMT
Jonat.lian is verslairen np uwe | hoogten.
26 Ik ben benauwd om uw ent- | wille, mijn broeder Jonathan;; pij waart mij zeer liefelijk, uwe i liefdo Avaa mij wonderlijker dan | liefde der Trouwen.
27 Hoe zijnde helden gevallen, | en do krij gswapenen verloren ?
HOOFDSTUK 2.
En liet geschiedde daarna dat i Daviti den Heere vraagde, zeg- ! pende: Zal ik optrekken in eene der steilexi van Juda? En de ! Heere zei de tot hem: Trek op. 1 En David zeide: Waarhenen zal ; ik optrekken? En hij zeide: Naar ; Hebron.
2 A-lzoo toog David derwaarts ; op, alsoolc zijne^ twee vrouwen, Ahinóara de Jizreëlitische, en Abigail, jCsTnbals des Karmeliets huisvrouw--
3 Ook cieed David zijne man- , nen optrekken die bij hem waren, , een iegelijk niet zijn huisgezin, i en zij woonden in de steden ; Hebrons.
4 Daarna kwamen de mannen van .Tuda «n zalfden aldaar Da- ! vid tot eenen Koning over het i huis quot;van Jiula. Toen boodschapten zij Da.A'id,zeggende: Ketzijn I de mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.
5 Toen zond David boden tot de mannen van .Tabee in Gilead, ; en )ii.j zeide tot hen: Gezegend j ^ijt gij den Heere, dat gij deze i weldadigheid gedaan hebt aan i nwen lieer, aan Saul, en hem be- : graven hebt.
ü Zoo doe nu de Heere aan u weldadigheid en trouw: en ik ook, ik zal aan n dit goede doen, dewi.i 1 gij deze zaak gedaan hebt.
7 En uit , laat uwe handen sterk zijn, en ziijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is: en ook ! hebben mij die van liet huis van Juda tot koning over zich ge- | zalfd.
8 A.bner nu, de zoon van Ner, ! de krijgsoverste dien Saul gehad : had, nam Isbóseth, Sauls zoon, j en voerde Lem over naar Maha-naïm, i
J Ã L 2. 373
9 en maakte hem ten Koning over Gilead, en over de Aschu-riten, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over gausch Israël.
10 Veertig jaar was Isbóseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar: alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.
11 Het getal nu der dagen die David Koning geweest is te Hebron over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
12 Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten Isbóseths, des zoons Sauls, van Mahanaïm naar Gibeon:
13 Jakob, de zoon van Zeruja, en de knechten Davids togen óók uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeom en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.
14 En Abner zeide tot Joab: Laat nu de jongens zich opmaken en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat ze zich opmaken.
15 Toen maakten zich op en gingen over in getal twaalf van Benjamin, te weten voor Isbóseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.
10 En de één greep den ander bij het hoofd en stiet zijn zwaardi in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen: daarom noemde men deze plaats Helkath-Hazzu-rim, dïe bij Gibeon is.
17 En daar was op dienzelfden dag een gansch zeer harde strijd, doch Abner en de mannen Israels werden voor het aangezicht der knechten Davids geslagen.
18 Nu waren aldaar drie zonen van Zernja, Joab en Abisai en Asaël; en Asaël was licht op zijne voeten, als een der reeën die in het veld zijn.
19 En Asaël jaagde Abner achterna, en hij week niet om van achter Abner ter rechter- of ter linkerhand af te gaan.
20 Toen zag Abner achter zich
|
374 2 SAM om en zeide: Zijt gij dit, Asaï-i? En hij zeide: Ik ben 't. 21 En Abner zeide tot liem: Wijk tot mve rechterhand of tot mve linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voorn zijn gewaad. Maar Asaël wilde niet afwijken van achter hem. 22 Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asaëi: Wijk af van achter mij: waarom zal ik n ter aarde slaan ? Hoe zoude ik dan mijn aangezicht opheffen voor uwen broeder Joab? 23 Maar hij weigerde af te wijken: zoo sloeg Abner hem met het achterste van de spies aan de vijfde ribbe, dat de spies van achter hem uitging, en hij viel aldaar en stierf op zijne plaats. En het geschiedde dat allen die tot de plaats kwamen alwaar Asaël gevallen en gestorven was, staan bleven. 24 Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna: en de zon ging onder als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is vóór Giah, op den weg der woestijn Gibeons. 25 En de kinderen Benjamins verzamelden zich achter Abner, en werden tot eenenhoop; en zij stonden op de spits van een heuvel. 20 Toen riep Abner tot Joab en zeide: Zal dan het zwaard eeuwig-lijk verteren? Weet gij niet dat het in 't laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen dat zij weder-keeren van hunne broederen te vervolgen? 27 En Joab zeide: Zoo rcaor-cichtig als God leeft, zoo gij niet gesproken hadt, zekerlijk het volk zoude aireede van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijnen broeder te vervolgen. 28 Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en jaagden Israël niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden. 29 Abner dan en zijne mannen gingen dien ganschen nacht over het vlakke veld, en zij gingen |
JÃL 3. over den Jordaan, en wandelden het gansche Bithron door, en kwamen tot Mahanaïm. 30 Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde hefc gansche volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen en Asaël; 31 maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Ab-ners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven. 32 En zij namen Asaël op, en begroeven hem in zijns vader» graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijne mannen gingen den ganschen nacht, dat hun liet lichS aanbrak te Hebron. HOOFDSTUK 3. En daar was een lange krijg tusschen het huis Sauls en tus-schen het huis Davids; doch David ging en werd sterker, maar die van het huis Sauls gingen en werden zwakker. 2 En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu,; -was Amnon, van Ahi-nóam de Jizreëlitische; 3 en zijn tweede was Kileab, van Abigail, Nab als des Karme-liets huisvrouw; en de derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Talmai, Koning van Gesur;^ 4 en de vierde Adonia, de zoon van Haggith: en de vijfde Se-fatja, de zoon van Abital; 5 en de zesde Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Deze zijn David geboren te Hebron. 6 Terwijl die krijg was tusschen het huis lt; Sauls en tusschen het huis Davids, zoo geschiedde het dat Abner zich sterkte in hefe huis Sauls. 7 Saul nu haó een bijwijf gehad, welker naam was Kizpa, de dochter van Aja; 3n Jshóscth zeide tot Abner: Waarom zijt gij ingegaan tot mijns vrders bijwijf? 8 Toen ontstak Abner zeer over Isbóseths woorden, en zeide: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan den huize Sauls uws vaders, aan zijne broederen |
2 SAMÃÃL 3.
37ègt;-
|
en aan zijne Tnenden, Leden Tveldadiglieid doe, enu nietorer-gelevevd heb in Davids hand, dat gij heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid eener vrouw ? 9 God doe Abner zóó en doe hem zóó daartoe, voorzeker gelijk als de Heeke David gezworen heeft, dat ik even alzoo aan hern zal doen, 10 overbrengende het koninkrijk van liet huls Sauls, en oprichtende den stoei Davids over Israël en over Jnda, van Dan tot Ber-Scba toe. 11 En hij kon Abner verder niet één woord antwoorden, omdat hij hem vreesde. 12 Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: quot;Wiens is het land? zeggende tcijders: Maak nw verbond met mij, en zie, mijne hand zal met n zijn, om ganscli Israel tot u om te koeren. 13 En hij zeide: Wel, ik zal een verbond met \i maken; doch één ding begeer ik van n, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat gij Michal, Sauls dochter, te voren inbrem t als gij komt om mijn aangezicht te zien. 14 Ook zond David boden tot Isbóseth, den zoon Sauls, zeggende : Geef vn'j mijne huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhniden der Filistijnen ondertrouwd heb. 15 Isbóseth dan zond henen en nam haar van den man, van Pal-tiël, den zoon van Laïs. KJ En haar man ging met haar, al gaande en ween en de achter haar, tot Bahurim toe; toen zeide Abner tot hom: Ga weg, keer weder, en hij keerde weder. 17 Abner nu had woorden met de oudsten van Israël,zeggende: Gij hebt David te voren lang tot eenen Koning over u begeerd: 18 zoo doet het nu: want de Heebe heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand Davids mijns knechts zal ik mijn volk Israël verlossen van de hand der Filistijnen en van de hand van alle hunne vijanden. |
j 19 En Abner sprak ook voor i de ooren Benjamins. Voorts ging 'i Abner ook henen om te Hebron ! voor Davids ooren te spreken | alles wat goed was in de oogerv Israels en in de oogen van het gansche huis Benjamins; 20 en Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem: en David maakte Abner en de mannen die met hem waren een maaltijd. 21 Toen zeide Abner tot David: Ik zal mij opmaken en henengaan, en gansch Israël tot i mijnen heer den Koning verga-| deren, dat zij een verbond mei i u maken, en gij regeert over alle» ! wat uwe ziel begeert. Alzoo liet David Abner gaan, en hij ging , in vrede. 22 En zie, Davids knechtenen, Joab kwamen van eene benüe, en brachten met zich eenen grooten | roof: Abner nu was niet bij David te Hebron, want hij had hem I laten gaan, en hij was gegaan in | vrede. | 23 Als nu Joab en het gansche ; heir dat met hem was aankwamen, zoo gaven zij Joab te ken-j nen, zeggende: Abner, de zoon | van Ner, is gekomen tot den Ko-; ning; en hij heeft hem laten ' gaan, en hij is gegaan in vrede. 24 Toen ging Joab tot den Koning in, en zeide: Wat hebt gij ; gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen : waarom nu hebt gij hem ; laten gaan, dat hij zoo vry is-j weggegaan? 25 Gij kent Abner, den zoon j van Ner, dat hij gekomen is om ii te oveneden, en om te weten uwen uitgang en uwen ingang,. ' ja, om te weten alles wat gij ; doet. i 2G En Joab ging uit van Da-j vid, en zond Abner boden na, die hem wederom haalden van. den bornput Sira: maar David wist het niet. 27 Als nu Abner weder teHe-1 bron kwam, zoo leidde Joab hem ! ter zijde af in liet midden der i poort, om in stilte met hem te-spreken; en hij sloeg hem aldaai-I aan de vijfde ribbe dat hij stierf^ |
|
S7o 2 SAM om zijns broeders Asaëls bloeds -wille. 28 Als David dat daarna hoorde, zoo zeide hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij den Heere tot in eeuwigheid, van liet bloed Abners, des zoons van Ner; 29 het blijve op het hoofd Joabs, en op het gansche huis zijns vaders; en daar worde van het huis van Joab niet afgesneden die eenen vloed hebbe, en melaatsch zij, en zich aan den stok hou de, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe. 30 AI zoo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hunnen broeder Asaël te Gibeon in den strijd gedood had. 31 David dan zeide tot Joab en tot al het volk dat bij hem was: Scheurt uwe kleederen, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner henen; en de Koning David ging achter de baar. 32 Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zoo hief de Koning , zijne stemme op en weende bij Aimers graf, ook weende al het volk; 33 en de Koning maakte eene klage over Abner, en zeide: Is dan Abner gestorven als een dwaas sterft? 34 Uwe handen waren niet gebonden, noch uwe voeten in koperen boeien gedaan; maar gij zijt gevallen gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het gansche volk nog meer over hem. 35 Daarna kwam al het volk om David brood te doen eten, als liet neg dag was; maar David zwoer, zeggende: God_ doe mij zóó en doe er zóó toe, indien ik vóór het ondergaan der zon brood â of ietwat smake. 36 Als nu al het volk dit vernam, zoo was het goed in hunne oogen; alles zooals de Koning gedaan had was goed in de oogen des ganschen volks; 37 en al het volk en gansch Israël merkte te dien dage, dat het van den Koning niet was dat |
JÃL 4 men Abner, den zoon van Nor, gedood had. 38 Voorts zeide de Koning tot zijne knechten: Weet gij niet dat te dezen dage een Vorst, ja, een groote in Israël gevallen is? 39 Maar ik ben heden teeder en gezalfd ten Koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik: de Heere zal den boosdoener vergelden naar zijne boosheid. HOOFDSTUK 4. Als nu Sauls zoon hoorde dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijne handen slap, en gansch Israël werd verschrikt. 2 En Sauls zoon had twee mannen, oversten van benden: de naam des éénen was Baëna en de naam des anderen Rechab, zonen van Rimmon den Beëro-thiet, van de kinderen Benjamins, want ook Beëroth werd tot Benjamin gerekend. 3 En de Beërothiten waren gevloden naar Gittaïm, en waren aldaar vreemdelingen tot op dezen dag. 4 En Jonathan, Sauls zoon, had eenen zoon die geslagen was aan beide voeten: vijfjaren was hij oud, als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam, en zijne voedster hem opnam en vluchtte; het geschiedde als zij haastte om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Melibóseth. 5 En de zonen van Rimmon den Beërothiet, Rechab en Baëna, gingen henen en kwamen ten huize van Isbóseth als de dag heet geworden was: en hij lag op de slaapstede, in den middag. 6 En zij kwamen daarin tot het midden des huizes, als zullende tarwe halen; en zij sloegen hem aan de vijfde ribbe; en Rechab en zijn broeder Bat na ontkwamen. 7 Want zij kwamen in huis als hij op zijn bed lag in zijne slaapkamer, en sloegen hem en doodden hem, en hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen henen des weegs op het vlakke veld den ganschen nacht. |
|
2 SAM 8 En zij brachten liet hoofd van Isbóseth tot David ta He-bron, en zeiden tot den Koning: Ziedaar is het hoofd van Isbóseth, den zoon van Saul, mven vijand die uwe ziele zocht: alzóó heeft de Heere mijnen heere den Koning te dezen dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad. i) Maar David antwoordde Ke-chab en zijnen broeder Baöna, den zonen van Rimmon den Beë-rothiet, en zeide tot hem: Zoo waarachtig ah de Heere ieeft, die mijne ziel uit alle benauwdheid verlost^ heeft, 10 dewijl ik hem die mij boodschapte, zeggende: Zie, Saul is dood, daar hij in zijne oogen was als een die goede boodschap bracht, nochtans gegrepen en te Ziklag gedood heb, hoewel hij meende dat ik hem bodenloon zoude geven: 11 hoeveel te meer wanneer goddelooze mannen eenen rechtvaardigen man in zijn hnis op zijne slaapstede hebben gedood! Nu dan, zoude ik zijn bloed van uwe handen niet eischen, en u van de aarde wegdoen ? 12 En David gebood zijnen jongens, en zij doodden hen, en hieuwen hunne handen en hunne voeten af, en hingen ze op bij den vijver te Hebron; maar liet hoofd van Isbóseth namen zij en begroeven het in Abners graf te Hebron. HOOFDSTUK 5. Toen kwamen alle stammen Israels tot David te Hebron, en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vleesch zijn wij, 2 daartoe ook te voren, toen Saul Koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de Heere tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult tot eenen voorganger zijn over Israël. 3 Alzoo kwamen alle oudsten Israels tot den Koning te Hebron, en de Koning David maakte een verbond met hen te Hebron voor het aangezicht des Heeren, en ü à L 6. 377 |
zij zalfden David tot Koning over Israël.# 4 Dertig jaar was David oud als hij Koning werd, veertigjaar heeft hij geregeerd: 5 te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden, en te Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over gansch Israël en Juda. 6 En de Koning toog met zijne mannen naar Jeruzalem tegen de Jebusiten die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven, dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen. 7 Maar David nam den burg Sion in: dezelve is de stad Davids. 8 Want David zeide te dien dage: Al wie de Jebusiten slaat, en geraakt aan diegt; watergoot, en die kreupelen en die blinden, die van Davids ziele gehaat zijn, did zal lot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men^ Een blinde ^ en kreupele zal in heè huis niet komen. 9 Alzoo woonde David in den burg, en noemde dien Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 10 David nu ging geduriglijk voort en werd groot, want de God der heirscharen was met hem. 11 En Hirnm, de Koning van Tyrus, zond boden tot David eu cederen hout, en timmerlieden eu metselaars; en zij bouwden David een huis. 12 En David merkte dat de Heere hem tot eenen Koning over Israël bevestigd had, en dat hij zijn koninkrijk verheven b^d om zijns volks Israels wille. 13 En David nam meet bijwijven en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was, en David werden meer zonen en dochteren geboren; 14 en dit zijn de namen dergenen die hem te Jeruzalem geboren zijn: Samnuia, enSobab, en Nathan, en Salomo, |
2 SAMÃÃL 6.
378
|
15 en Jibcliar, en Elisüa, en quot;Nefeg, en Jafia, 16 en Elisama, en Eljada, en Elifélet. 17 Als nu de Filistijnen hoorden dat zij David ten Koning over Israël gezalfd hadden, zoo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David dat hoorende toog af naar den burg. 18 En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Hefaïm. 19 Zoo vraagde David den Eeere, zeggende; Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult gij ze in mijne hand geven? En de Heere zeide tot David: Trek op, want ik zal de Filistijnen zekerlijk in uwe hand geven. 20 Toen kwam David te Baiil-Perazim; en David sloeg ze aldaar, en zeide: De Heere heeft mijne vijanden voor mijn aangezicht gescheurd al s eene scheure der wateren; daarom noemde hij den naam dier plaats Baal-Perazim. 21 En zij lieten hunne afgoden aldaar, en David en zijne mannen namen ze op. 22 Daarna togen de Filistijnen â weder op, en zij verspreidden zich in het dal Refaïm. 23 En David vraagde den Heere, dewelke zeide: Gij zult niet optrekken; maar trek óm tot achter hen, dat gij aan hen komt van tegenover de moerbe-ziënboomen; 24 en het geschiede als gij hoort het geruisch van eenen gang in de toppen der moer-beziënboomen, dan rep u, want alsdan is de Heere voor uw aangezicht uitgegaan om het heirleger der Filistijnen te slaan. 25 En David deed alzóó gelijk als de Heere hem geboden had, en hij sloeg de Filistijnen van Gibea af totdat gij komt te Gezer. HOOFDSTUK 6. Daarna verzamelde David wederom alle uifcgelezenen in Israël, dertigduizend; |
2 en David maakte zich op -en ging henen met al het volk dat bij hem was, van Baalim-Juda, om van daar op te brengen de Ark Gods, bij welke de Naam wordt aangeroepen, de Kaam des Heeren der heirscharen, die daarop woont tusschende cherubs. 3 En zij voerden de Ark Gods, op eenen nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis Abina-dabs, dat op eenen heuvel is; en Uzza en Ahio, Abinadabs zonen, leidden den nieuwen wagen. 4 Toen zij hem nu uit het huis Abinadabs, dat op den heuvel is, met de Ark Gods wegvoerden, zoo ging Ahio voor de Ark henen; 5 en David en het gansche huis Israels speelden voor het aangezicht des Heeken met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen en met luiten en met trommelen, ook met schellen en met cymbalen. 6 Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorschvloer, zoo strekte Uzza zijne hand uit aan de Ark Gods en hield ze, want de runderen struikelden. 7 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Uzza, en God sloeg hem aldaar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf aldaar bij de Ark Gods. 8 En David ontstak omdat de Heere eene scheur gescheurd had aan Uzza, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op dezen dag. 9 En David vreesde den Heere te dien dage, en hij zeide: Hoe zal de Ark des Heeren tot mij j komen? 10 David dan wilde de Ark j des Heeren niet tot zicli laten | vervoeren naar de stad Davids, maar David deed ze afwijken in ; het huis Obec-Edoms des Ge-! thiets. 11 En de Ark des Heeren bleef in het huis Obed-Edoms des Gethiets drie maanden; en de Heere zeger de Obed-Edom en zijn gansche huis. 12 Toen boodschapte men den Koning David, zeggende: De Heere heeft het huis Obed-Edoms en al wat hij heeft ge- |
|
2 SAM ceg©nd om der Arke Gods wille. Zoo ging David^ henen en haalde de Ark Gods uit het huis Obed-Edoms opwaarts naar de stad Davids, met vreugde; 13 en het geschiedde als zij die de Ark des Heeren droegen zes treden voortgetreden waren, dat hij ossen en geniest vee offerde; 14 en David huppelde met alle macht voor het aangezicht des Heeren, en David was omgord met eenen linnen lijfrok. 15 Alzoo brachten David en het gansche huis Israels de Ark des Heeren op, met gejuich en met geluid der bazuinen. 16 En het geschiedde als de Ark des Heeren in de stad Davids kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag: als zij nu den Koning David zag springende en huppelei.de voor het aangezicht des Heerzn, verachtte zij^ hem in haar hart. 17 Toen zij nu de Ark des Heeren inbrachten, stelden zij die in hare plaats, in het midden der tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor des Heeren aangezicht en dank-offeren. IS Als David geëindigd had het brandoffer en dedankofferen te offeren, zoo zegende hij het volk in den naam des Heeren der heirscharen, 19 en hij deelde uit aan het gansche volk, aan de gansche menigte Israels, van de mannen tot de vrouwen toe, aan een iegelijk een broodkoek en een schoon stuk vleesch en een flesch wijn. Toen ging al het volk henen, een iegelijk naar zijn huis. 20 Als nu David wederkwam om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet ; en zeide: Hoe is heden de Koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de oogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten heeft ontbloot, gelijk een van de ijdele Heden zich onbeschaamdelijk ontbloot! |
JÃL 7. 379 21 Maar David zeide tot Michal: Voor het aangezicht des Heeren, die mij verkoren heeft voor uwen vader en voor zijn gansche huis, mij instellende tot eenen voorganger over het volk des Heeren, over Israël â ja, ik zal spelen voor het aangezicht des Heeren. 22 Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzóó, en zal nederig zijn in mijne oogen; en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden. 23 Michal nu, Sauls dochter, had geen kind tot den dag van haren dood toe. HOOFDSTUK 7. En het geschiedde als de Koning in zijn huis zat, en de Heere hem rust gegeven had van alle zijne vijanden rondom, 2 zoo zeide de Koning tot den Profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de Ark Gods woont in het midden der gordijnen. 3 En Nathan zeide tot den Koning: Ga henen: doe al wat in uw hart is, want de Heere is met u. 4 Maar het gebeurde in denzelfden nacht dat het woord des Heeren tot Nathan geschiedde, zeggende: 5 Ga en zeg tot mijnen knecht, tot David: Zóó zegt de Heere: Zoudt gij mijf een huis bouwen tot mijne woning? 6 Want ik heb in geen huis gewoond van dien dag af dat ik de kinderen Israëls uit Egypte opvoerde, tot op dezen dag, maar ik heb gewandeld in eene tent en in een tabernakel. 7 Overal waar ik met alle do kinderen Israëls heb gewandeld, heb ik wel één woord gesproken met eenen der stammen Israëls, dien ik bevolen heb mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij mij niet een cederen huis? 8 Nu dan, alzóó zult gij tot mijnen knecht, tot David zeggen: Zóó zegt de Heere der |
|
380 2 SAM heirscharen: Ik lieb u genomen van de schaapskooi, van acliter de Bcliapen, dat gij een voorganger zondt zijn over mijn volk, over Israël; 9 en ik ben met u geweest overal waar gij gegaan zijt, en lieb alle uwe vijanden voor uw aangeziclit uitgeroeid; en ik heb u eenen grooten naam gemaakt, als den naam der grooten die op de aarde zijn. 10 En ik heb voor mijn volk, voor Israël, eene plaats besteld en hem geplant, dat ^ hij aan zijne plaats wone en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerste, 11 en van dien dag af dat ik geboden heb richters te wezen over mijn volk Israël. Doch u heb ik rust gegeven van alle uwe vijanden. Ook geeft u de Heere te kennen dat de Heere u een huis maken zal. 12 Wanneer uwe dagen zullen vervuld zijn, en gij met uwe vaderen zult ontslapen zijn, zoo zal ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uwen lijve voortkomen zal, en ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 13 liie zal mijnen name een huis bouwem en ik zal den stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 14 Ik zal hem zijn tot eenen vader, en hij zal mij zijn tut eenen zoon, dien ik, als hij misdoet, mot eene menschenroede en met plagen der menschenkin-deren zal straffen, 15 maar mijne goedertierenheid zal van hem niet wijken gelijk als ik die weggenomen heb van Saul, dien ik van voor uw aangezicht heb weggenomen. 16 Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in eeuwigheid voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 17 Kaar alle deze woorden en naar dit gansche gezicht, alzoo eprak Ka than tot David. 18 Toen ging de Koning David |
JÃL 7. in, en bleef voor het aangezicht ties Heeren, en hij zeide: Wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat gij mij tot hiertoe gebracht hebt? 19 Daartoe is dit inuweoogen nog klein geweest, Heere Heere, maar gij hebt ook over het huis uws knechts gesproken tot van verre heen, en dit naar de wet der menschen, Heere Heere. 20 En wat zal David nog meer tot u spreken? Want gij kent uwen knecht, Heere Heere. 21 Om uws woord wil en naar uw harte hebt gij alle deze grooto dingen gedaan, om aan uwen knecht bekend te maken. 22 Daarom zijt gij groot, Heere God, want er is niemand gelijk gij, en er is geen God dan alleen gij, naar alles dat wij met onze ooren gehoord hebben. 23 En wie is gelijk uw volk, gelijk Israël, een éénig volk op aarde, hetwelk God heengegaan is zich tot een volk te verlossen, en om zich eenen naam te zetten, en om voor ulieden deze groote en verschrikkelijke dingen te doen aan uw land, voor het aangeziclit uws volks, dat gij u uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hunne goden verdrijvende; 24 en gij hebt uw volk Israël u bevestigden tot een volk tot in eeuwigheid, en gij, Heere, zijt hun tot eenen God geworden. 2ü Ku dan, Heere God, doe dit woord, dat gij over uwen knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe gelijk als gij gesproken hebt; 20 en uw naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De Heere der heirscharen is God over Israël: en het huis van uwen knecht David zal bestendig zijn voor uw aangezicht. 27 Want gij, Heere der heirscharen, gij God Israels, gij hebt voor het oor uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft uw knecht in zijn harte gevon- |
|
2 SAMI den dit gebed tot u te bidden. 28 Nu dan Hecre Heeke, gij zijt dio God, en uwe woorden zullen waarheid zijn, en gij hebt dit goede tot uwen knecht gesproken : 29 zoo believe het u nu, en zegen het huis uwa knechts, dat liet in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want gij, Heere Heere, hebt het gesproken, en met uwen zegen zal uws knechts huis gezegend worden in eeuwigheid. HOOFDSTUK 8. En het geschiedde daarna dat David de Filistijnen sloeg en bracht zo onder, en David nam Metheg-Amma uit der Filistijnen Land. 2 Ook sloeg hij de Moabüen, en mat ze met een snoer, doe nde hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doo-den, en met een vol snoer om in het leven te laten: alzoo werden do Moabiten David tot knechten, brengende geschenken. 3 David sloeg ook Hadadézer, den zoon van Rehob, den Koning van Zoba, toen hij henentoog om zijne hand te wenden naar de rivier Frath; 4 en David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd rui-teren, en twintigduizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over. 5 En do Syriërs van Damascus kwamen om Hadadézer, den Koning van Zoba, te helpen, maar David sloeg van de Syriërs tweeentwintigduizend man; (i en David leide bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en de Heere behoedde David overal waar hij henentoog. ; 7 En David nam de gouden j schilden, die bij Hadadézers j knechten geweest waren, en j bracht ze te Jeruzalem. 8 Daartoe nam de Koning David zeer veel koper uit Betah en uit Berothai, Hadadézers steden. 9 Als nu ïoï, de Koning van |
ÃL S, 9. SS1 Hamath, hoorde dat David het gansche heir Hadadézers geslagen had, 10 zoo zond Toï zijnen zoon Joram tot den Koning David, om hem te vragen naar zijnen welstand en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadadézer gekrijgd en hem geslagen had (want Hadadézer voerde steeds krijg tegen Toï); en in zijne hand waren zilveren vaten en gouden vaten en koperen vaten: 11 welke do Koning David ook den Heere heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen die hij zich onderworpen had: 12 van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Ama-lek, en van den roof van Hadadézer^ den zoon van Rehob, den Koning van Zoba. 13 Ook maakte zich David eenen naam, als hij wederkwam nadat hij do Syricrs geslagen had in het. Zoutdal, achttienduizend; 14 en hij leide bezettingen in Edom, iu gansch Edom leide hij bezettingen, _ en alle Edomiten werden David tot knechten; en de Heere behoedde David overal waar hij henentoog. lö Alzoo regeerde David over gansch Israël; en David deed zijnen ganschen volke recht en gerechtig} leid. 1(5 Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir, en Josafat, zoon van Ahilud, was kanselier, 17 en Zadok, Ahitubs zoon. en Achimélech, Abjathars zoon, waren Priesters enSeraja was schrijver : 18 daar was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren Prinsen. HOOFDSTUK 9. En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis Sauls, dat ik weldadigheid aan hem doe om Jonathans wil ? 2 Het huis Sauls nu had eenen knecht wiens naam wasZiba;en |
2 SAMÃÃL 10.
SS2
|
zij riepen hem tot David. En de i Koning zeide tot hem: Zijt gij ; Ziba? En hij zeide: Uw knecht, j 3 En de Koning zeide: Is er | niet nóg iemand van het huis ; Sauls, dat ik Gods weldadigheid j aan hem doe? Toen zeide Ziba tot den Koning: Daar is nog een zoon van jonathan, die geslagen i is aan beide voeten. 4 En de Koning zeide tot hem: ; quot;Waar is hij? Eu Ziba zeide tot â den Koning: Zie, hij is in het j huis Machirs, des zoons van Am-miëls, te Lodebar. 5 Toen zond de Koning David ! henen en hij nam hom uit het j huis Machirs, des zoons van Ammiël, van Lodebar. 6 Als nu Mefibóseth, de zoon Jonathans, des zoons Sauls, tot ! David inkwam, zoo viel hij op | zijn aangezicht en boog zich no-der. En David zeide: Mefibóseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht. 7 En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen om uws vaders Jonathans wil, en ik zal u alle akkers uws vaders Sauls wedergeven, en gij zult gedurig-lijk brood eten aan mijne tafel. 8 Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dooden hond als ik ben? 9 Toen riep de Koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem Al wat Saul gedaan heeft, en zijn gansche huis, heb ik den zoon { uws heeren gegeven: 10 daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij en uwe zonen en uwe knechten, en zult , de vruchten inbrengen, opdat uws i heeren zoon brood hebbe dat hij i ete; en Mefibóseth, uws heeren i zoon, zal geduriglijk brood eten aan mijne tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. ! 11 En Ziba zeide tot den Koning: Naar alles wat mijn heer de Koning zijnen knecht gebiedt, alzóó zal uw knecht doen; ook i zoude Mefibóseth, etende aan | mijne tafel, als een van des Ko- | nings zonen zijn. |
12 Mefibóseth nu had een©» kleinen zoon wiens naam wa® Micha; en allen die in het huiamp; van Ziba woonden waren Meti-bóseths knechten. t 13 Alzoo woonde Mefibóseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des Konings tafel; en hij was kreupel aan beide zij no voeten. HOOFDSTUK 10. ^ En het geschiedde daarna dat de Koning der kinderen Ammon» stierf, en zijn zoon Hanun werd Koning in zijne plaats. 2 Toen zeide David: Tk zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zoo zond David henen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijnen vader. En de knechten Davids kwamen in het land der kinderen Ammons. 3 Toen zeiden de Vorsten der kinderen Ammons tot hunnen heer Hanun: Eert David uwen vader in uwe oogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijne knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke en die verspiede, en die omkeere? 4 Toen nam Hanun Davids knechten en schoor hunnen baard half af, en sneed hunne kleederen half af, tot aan hunne billen; en_ hij liet ze gaan. 5 Als zij dit David lieten weten, zoo zond hij hun tegemoet, want deze mannen waren zeer beschaamd; en de Koning zeide: Blijft te Jericho totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder. (5 Toen nu de k.'nderen Ammons zagen dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons henen en huurden van de Syriërs van Beth-Hehob en van _ de Syriërs van Zoba twintigduizend voetvolks, en van den Koning van Maacha duizend man, en van de mannen van Tob twaalfduizend man. 7 Als David dit hoorde, zond |
|
2 SAM hy Joab henen en het gansche heir niet de helden. 8 En de kinderen Amnions togen uit en stelden de slagorde voor de deur der poort, maar de Syriërs van Zoba en Rehob en de mannen van Tob en Maacha die varen bijzonder in het veld. 9 Als nu Joab zag dat de spits der slagorde tegen hem was. van voren en van achteren, zoo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël en stelde ze in orde tegen de Syriërs aan, 10 en het overige des volks gaf hij onder de hand zijns broeders Abisaï, die het in orde stelde tegen de kinderen Amnions aan. 11 En hij zeide: ZoodeSyricrs mij te sterk zullen zijn, zoo zult gij mij komen verlossen; en zoo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zoo zal ik komen om u te verlossen. 12 Wees sterk, en laat ons st^rk zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods; de Heere nu doe vrat goed is in zijne oogen. 13 Toen naderde Joab, en liet volk dat bij hem was, tot den strijd tegen de Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezicht. 14 Als de kinderen Ammons zagen dat de Syriërs vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abisaï en kwamen iu de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Ammons en kwam te Jeruzalem. 15 Toen nu de Syriërs zagen dat zij voor Israëls aangezk-ht geslagen waren, zoo vergaderden zij zich iceder te zamen; 1G en Hadarezer zond henen en deed de Syriërs uitkomen die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadarézers krijgsoverste, loog voor hun aangezicht henen. 17 Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gansch Israël, en toog over den Jordaan, en kwam te Helam. En de Syriërs stelden de dagorde tegen David aan en streden met hem; 18 maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David ver-iloeg van de Syriërs zevenhon- |
TÃL 11. 383 derd wagenen en veertienduizend, rui teren; daartoe sloeg hij Sobach, hunnen krijgsoverste, dat hij aldaar stierf. 19 Toen nu alle de Koningen, die Hadarézers knechten waren, zagen dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en dienden hen; en de Syriërs vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen. HOOFDSTUK 11. En het geschiedde met de wederkomst des jaars, ten tijde als de Koningen uittrekken, dat David Joab, en zijne knechten met hem, en gansch Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven en Eabba belegeren zouden. Doch David bleef te Jeruzalem. 2 Zoo geschiedde het tegen den avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van hot dak eene vrouw zich wasschende: deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien. 3 En David zond henen en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bath-séba, de dochter Eliams, de huisvrouw van Uria den Hethiet? 4 Toen zond David boden henen en liet ze halen; en als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haargt; (zij nu had zich van hare onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weder naar haar huis. 5 En die vrouw werd zwanger; zoo zond zij henen en liet David weten, en zcide: Ik ben zwanger geworden. G Toen zond David tot Joab. zeggende : Zend Uria den Hethiet tot mij; en Joab zond Uria tot David. 7 Als nu Uria tot hem kwam, zoo vraagde David naar den welstand Joabs en naar den welstand des volks en naar den welstand des krijgs; 8 daarna zeide David tot Uria: Ga af naar uw huis, en wasch uwe voeten. En toen Uria uit des Ivonings huis uitging, volgde hem een gerecht des Konings achterna. |
|
SS4 2 S A M 9 Maar Una leide zich neder voor de deur van des Konings huis, met alle de knechten zijns heeren, _ en hij giug niet af in zijn huis. 10 En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uria is niet afgegaan in zijn huis. Toenzeide David tot Uria: Komt gij niet van de reis? Waarom zijt gij niet afgegaan in uw huis? 11 En Uria zeide tot David: De Ark en Israël en Juda blijven in de tenten, en mijn heer Joab en de knechten mijns heeren zijn gelegerd in het open veld, en zoude ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken en bij mijne huisvrouw te liggen? Zoo waaracldid ah gij leeft en uwe ziele leeft, indien ik deze zaak doen zal! 12 Toen zeide David tot Uria: Blijf ook heden hier, zoo zal ik u morgen afzenden. Alzoo bleef Uria te Jeruzalem dien dag en den anderen dag; 13 en David noodigde hem, zoodat iiij voor zijn aangezicht at en dronk, en hij maakte hem dronken: daarna ging hij in den avond uit om zich neder te leggen op zijn leger met zijns heeren knechten, maar ging niet af in zijn huis. 14 Des morgens nu geschiedde het dat David eenen briefschreef aan Joab, en hij zond dien door de hand van Uria; _ 15 en hij schreef in dien brief, zeggende: Stelt Uria vooraan tegenover den sterksten strijd, en keert van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve. 1G Zoo geschiedde het als Joab op de stad gelet had, dat hij Uria stelde aan de plaats, waarvan hij wist dai aldaar strijdbare mannen waren. 17 Als nu de man nen der stad uittogen en met Joab streden, vielen er van het volk, van Davids knechten, en Uria de He-thiet stierf óók. ^ 18 Toen zond Joab henen en liet David den ganschen handel dezes strijds weten; 19 en hij beval den bode, zeg- |
JÃL 12. gende: Als gij zult geëindigd hebben den ganschen handel dezes strijds tot den Koning uitte spreken, 20 zoo zal het geschieden indien de grimmigheid des Konings opkomt, en hij tot u zegt: Waarorn zijt gij zoo na aan de stad gekomen om te strijden? Wist gij niet dat zij van den muur zouden schieten? 21 Wie sloeg Abimélech, den zoon Jerubbéseths? Wierp niet eene vrouw een stuk van eenen molensteen op hem van den muur, dat hij te Tebez stierf? Waarom zijt gij tot den muur genaderd? â dan zult gij zeggen: Uw knecht Uria de Hethiet is óók dood. 22 En de bode ging henen, en kwam in, en gaf David te kennen alles waar Joab hem om uitgezonden had; 23 en de bode zeide tot David: Die mannen zijn ons zeker te machtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur der poort; 24 toen schoten de schutters van den muur af op uwe knechten, dat er eenigen van des Konings knechten dood gebleven zijn, en uw knecht Uria de Hethiet is óók dood. 25 Toen zeide David tot den bode: Zóó zult gij tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uwe oogen, want het zwaard verteert zoowel dezen als genen r versterk uwen strijd tegen de stad, en verstoor ze; versterk hem alzoo. 26 Als nu de huisvrouw van Uria hoorde dat haar man Uria dood was, zoo droeg zij leed over haren heer. 27 En als de rouw was overgegaan, zond David henen en nam ze in zijn huis, en zij werd hem ter vrouwe en baarde hem eenen zoon. Doch deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de oogen des Heerek. HOOFDSTUK 12. En de Heere zond Nathan tot David: als die tot hem inkwam, |
2 SAMüÃL 12.
385
teide hij tot hem: Daar waren twee mannen in ééne stad, de één rijk en de ander arm.
2 De rijke had zeer vele schapen en runderen;
3 maar de arme had gansch niet dan een éénig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed dat liet groot geworden was hij hem en bij zijne kinderente gelijk: het at van zijne bete en dronk van zijnen beker, ei_ sliep in zijnen schoot, en het was hem als eene dochter.
4 Toen nn tot den rijken man een wandelaar kwam, verschoonde hij te nemen van zijne schapen en van zijne runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, icat te bereiden, en hij nam des armen mans ooilam en bereidde dat voorden man die tot hem gekomen was.
5 Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man en hij zeide tot Nathan: Zoo icaarachtig als de Heere leeft, de man die dat gedaan heeft is een kind des doods,
6 en dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat j hij deze zaak gedaan en omdat | hij niet verschoond heeft.
7 Toen zeide _ Nathan tot Da-vid: Gij zijt die man. Zóó zegt ! de Heeke de God Israels:Ik heb i u ten Koning gezalfd over Israël, ! en heb u uit Sauls hand gered: |
8 en ik heb u uws heeren huis i gegeven, daartoe uws heeren vrou- I vr-en in uwen schoot, ja, ik heb j u het huis van Israël en Juda | gegeven; en indien het weinig | is, ik zoude u alzulks enalzulks gt; daartoe doen.
9 Waarom hebt gij dan het , Woord des Heeren veracht, doen- | de dat kwaad is in zijne oogen? 1 Gij hebt Uria den Hethiet met | het zwaard verslagen, en zijne I huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen, en hem hebt gij met j het zwaard der kinderen Am- i vnons doodgeslagen.
10 Nu dan het zwaard zal van i uw huis niet afwijken tot in i eeuwigheid, daarom dat gij mij 1 veracht hebt, en de huisvrouw 1
van Uria den Hethiet genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.
11 Zóó zegt de Heere: Zie, ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uwe vrouwen nemen voor uwe oogen, en zal ze uwen naaste geven, die zal bij uwe vrouwen liggen voor de
| oogen dezer zon;
12 want gij hebt het in 't ver-^ borgen gedaan, maar ik zal deze ; zaak doen voor gansch Israël en i voor de zon.
13 Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen
i den Heere. En Nathan zeide tot I David: De Heere heeft ook uwe j zonde weggenomen, gij zult niet : sterven;
14 nochtans dewijl gij door deze 1 zaak de vijanden des Heeren I grootelijks hebt doen lasteren, ! zal ook de zoon, die u geboren i is, den dood sterven.
I 15 Toen ging Nathan naar zijn i huis. En de Heere sloeg het kind, dat de huisvrouw van Uria Da-i vid gebaard had, dat het zeer I krank werd.
I 1G En David zocht God voor ; dat jongsken, en David vastte j een vasten, en ging in en lag den j nacht over op de aarde. ! 17 Toen maakten zich de oudsten zijns huizes op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet en at geen brood met hen.
18 En het geschiedde op den zevenden dag dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet; hoe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? want het mocht kwaad doen.
19 Maar David zag dat zijne knechten mompelden : zoo merkte David dat het kind dood was; dies zeide David tot zijne knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood.
20 Toen stond David op van de aarde, en wiesch en zalfde zich, en veranderde zijne kleeding,en
13
|
SS6 2 SAM ging in liet Huis des IIeeken, en bad aan; daarna kwam hij in zijn knis en eischte brood, en zij zetleden hem brood voor en hij at. 21 Zoo zeiden zijne knechten tot hem: Wat is dit voor een ding dat gij gedaan hebt ? Om des levenden kinds wil hebt gij gevast en geweend, maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten. 22 En hij zeide: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend, want ik zeide: quot;Wie weet, de Hkere zonde mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bi eve. 23 Maar nn is het dood, waarom zonde ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen. 24 Daarna troostte David zijne huisvrouw Bathséba, en ging tot haar in en lag bij haar; en zij baarde ecnen zoon, wiens naam hij noemde Salomo; en de Hee-fà had hem lief, 25 en zond henen door de hand des Profeten Nathans, en noemde zijnen naam Jedid-Jah, om des Heeren wil. 2G Joab nn krijgde tegen Tïab-ba der kinderen Amnions, en hij nam de koninklijke stad in. 27 Toen zond Joab boden tot David en zeide : Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen; 28 _ zoc verzamel gij nu het overige des volks, en beleger de stad, en neem ze in; opdat niet, zoo ik de stad zoude innemen, mijn naam over haar uitgeroepen worde. 20 Toen verzamelde David al het volk, en toog naar Rabba, en hij krijgde tegen haar en nam ze in. 30 En hij nam de kroon haars Konings^ van zijn hoofd af, welker gewicht was een talent gouds me.t edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd f/ezei; ook voerde hij uit eenen zeer grooten roof der stad. 31 Het volk nu dat daarin was roerde hij uit, en leide het onder |
UÃL 13. zagen en onder ijzeren dorsch-wagens en onder ijzeren bijlen, en deed ze door den ticheloven doorgaan; en alzóó deed hij aan alle steden der kinderen Amnions. Daarna keerde David en al het volk weder naar Jeruzalem. HOOFDSTUK 13. En het geschiedde daarna, al-zoo Absalom, Davids zoon, eene schoone zuster had, welker naam was Tamar, dat Amnon, Davids zoon, haar liefkreeg. 2 En Amnon was benauwd tot krank wordens toe om zijner zuster Tamars wille, want zij was eene maagd, zoodat het in Amnon s oogen zwaar was haar iets te doen. 3 Doch Amnon had een vriend, wiens naam was Jonadab, een zoon van Simea, Davids broeder; cn Jonadab was een zeer wijs man; 4 die zeide tot hem: Waarom zijt gij van morgen tot morgen zoo mager,gij Koningszoon?Zult gij hot mij niet te kennen geven? Toen zeide Amnon tot hem: Ik heb Tamar, mijns broeders Ab-saloms zuster, lief. 5 En Jonadab zeide tot hem: Leg u op uw leger, en maak u kiank; als dan uw vader zal komen om u te zien, zoo zult gij tot hem zeggen; Dat toch mijne zuster Tamar kome, dat zij mij met brood spijzige, en de spijze voor mijne oogen toemake, opdat ik liet aanzie, en van hare hand ete. G Amnion dan leide zich en maakte zich krank; toen nu de Koning kwam om hem te zien, zeide Amnon tot den Koning: Dat toch mijne zuster Tamar kome. dat zij twee koe'\jes voor mijne oogen toemake, en ik van hare hand ete. 7 Toen zond David henen tot Tamar in het huis, zeggende: Ga toch henen in hel. huis uws broeders Amnons, en maak hem eene spijze. 8 En Tamar ging henen in het huis haars broeders Amnons (hij nu was nederliggende), en zij nam |
2 SAMÃÃL 13.
337
|
deeg en kneedde liet, en maakte koekjes voor zijne oogen, en bakte de koekjes; 9 en zij nam een pan, en goot ze^ uit voor zijn aangezicl: t; maar hij weigerde te eten. EnAmnon zeide: Doet alle man vin mij uitgaan. En alle man ging van hem uit. 10 Toen zeide Amnon tot Ta-mar Breng de spijs in de kamer, dat ik van uwe hand ete. Zoo nam Tamar de koekjes die zij gemaakt had, en bracht ze haren broeder Amnon in de kamer. 11 Als zij ze nu tot hem nabij bracht, dat hij ate, zoo greep hij haar, en zeide tot haar: Kom, lig bij mij, mijne zuster. 12 Maar zij zeide tot hem; Niet, mijn broeder, verkracht mij niet: â want alzóó doet men niet in Israel ; doe deze dwaasheid niet. 13 Want ik, â waarhenen 2 on de ik mijne schande brengen? En gij, gij zoudt zijn als een der dwazen in Israël. Zoo spreek toch nu tot den Koning, want hij zal mij van u niet onthouden. 14 Doch hij wilde naar hare stem niet hooren; maar sterker zijnde dan zij, zoo verkrachtte hij haar en lag bij haar. 15 Daarna haatte haar Amnon met eenen zeer grooten haat, want de haat, waarmede hij haar haatte, was grooter dan de liefde, waarmede hij haar had liefgehad; en Amnon zeide tot haar: Maak u op, ga weg. 1G Toen zeide zij tot hem: Daar zijn geene oorzaken om mij uit te drijven: dit kwaad zoude grooter zijn dan het andere dat gij bij mij gedaan hebt. Maar hij wilde naar haar niet hooren, 17 en hij riep zijnen jongen die hem diende, en zeide : Drijf nu deze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe. 18 Zij nu had een veelkleuri-gen rok aan; want alzóó werden des Konings dochteren, die maagden waren, met mantels gekleed. En zijn dienaar bracht haar uit naar buiten, en grendelde de deur achter haar toe. |
19 Toen deed Tamar asch op haar hoofd, en scheurde den veel-kleurigen rok dien zij aanhad, en zij leide hare hand op haar hoofd en ging vast henen en kreet. 20 En haar broeder Absalom zeide tot haar: Is uw broeder Amnon bij u geweest? Nu dan mijne zuster, zwijg stil, hij is uw 1 broeder; zet uw hart niet op deze zake. Alzoo bleef Tamar en was eenzaam in haars broeders Absaloms huis. 21 Als de Koning David alle deze dingen hoorde, zoo ontstak hij zeer. 22 Doch Absalom sprak niet met Amnon, noch kwaad noch ! goed, maar Absalom haatte Amnon, ter oorzake dat hij zijne zuster Tamar verkracht had. 23 En het geschiedde na twee ; volle jaren dat Absalom scJtaap-! scheerders had te Baal-Hazor, die bij Efraïm is; zoo noodigde Absalom alle des Konings zonen, 24 en Absalom kwam tot den Koning en zeide: Zie, nu heeft uw knecht scjiftapscheerders: dat 1 toch de Koning en zijne knechten met uwen knecht gaan. 25 Maar de Koning zeide tot Absalom: Niet. mijn zoon, laat ons toch niet al te zamen gaan, opdat wij u niet bezwaarlijk zijn. En hij hield bij hem aan, doch hij wilde niet gaan, maar zegende hem. 26 Toen zeide Absalom: Zoo niet, laat toch mijn broeder Amnon met ons gaan. Maar de Koning zeide tot hem : quot;Waarom zoude hij niet u gaan? 27 Als Absalom bij hem aanhield, zoo liet hij Amnon en alle des Konings zonen met hem 1 gaan? 28 Absalom nu gebood zijnen , jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vroolijk is van â den wijn, en ik tot ulicden zal ! zeggen: Slaat Amnon, dan zult ! gij hem dooden; vreest niet; is ; het niet omdat ik het u geboden ; heb? Zijt sterk en we est dapper. 29 En Absaloms jongens deden aan Amnon gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle ! ^rmen des Konings op, en reden |
2 SAMUÃL 14.
383
|
een iegelijk op zijn muildier en vloden. 30 En het geschiedde als zij op den weg waren, dat, het gerucht tot David kwam, dat menzeide: Absalom heelt alle de zonen des Konings geslagen, en daar is niet één van hen overgelaten. 31 Toen stond de Koning op, en scheurde zijne kleederen, en leide zich neder ter aarde; desgelijks stonden allo zijne knechten met gescheurde kleederen. 32 Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broeder, antwoordde en zeide: Mijn heer zegge niet dat zij alle de jongelingen, des Konings zonen, gedood hebben, maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is erop toegelegd van den dag ai' dathij zijne zuster ïamar verkracht heeft. 33 Zoo neme nu mijnheer de Koning de zaak niet in zijn hart, denkende: alle des Konings zonen zijn dood: want Amnon alleen is dood. 3-1 Absalom nu vluchtte; en de jongen die de wacht hield hief zijne oogen op en zag toe, en zie, daar kwam veel volks van den weg achter hem, aan de zijde van het gebergte. 35 Toen zeide Jonadab tot den Koning: /ie, de zonen des Konings komen; naar het woord uws knechts, alzóó is het geschied. 3G En het geschiedde als hij geëindigd had te spreken, zie, zoo kwamen de zonen des Konings, en hieven hunne stemmen open weenden, en de Koning óók, en alle zijne knechten weenden met een zeer groot geween. 37 (Absalom dan vluchtte, en toog tor, Talmai, den zoon van Ammihur, Koning van Gesur), en hij droeg rouw over zijnen zoon, allo die dagen. 38 Alzoo vluchtte Absalom en toog naar Gesur, en hij was aldaar drie jaren. 39 Toen verlangde de ziele des Konings Davids zeer om naar Absalom uitte trekken ; want hij had zich getroost over Amnon dat hij dood was. |
HOOFDSTUK 14. Als nu Joab, do zoon van Ze-ruja, merkte dat des Konings hart over Absalom was, 2 zoo zond Joab henen naar Tekóa, en nam van daar eene wijze vrouw, en hij zeide tot haar: Stel u toch alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwkleederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als eene vrouw, die sinds vele dagen rouw gedragen heelt over eenen doode; 3 en ga in tot den Koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haren mond. 4 En de Tekoïtische vrouw zeide tot den Koning, als zij op haar aangezicht ter aarde was gevallen en zich nedergebogen had, zoo zeide zij: Behoud, o Koning. ö En de Koning zeide tot haar: Wat is u? En zij zeide: Zekerlijk, ik ben eene weduwvrouwen mijn man is gestorven. à Nu had uwe dienstmaagd twee zonen, en deze beiden twistten in het veld, en daar was geen scheidsman tusschen hen; zoo versloeg de één den anderen doodde hem. 7 En zie, het gansche geslacht is opgestaan togen uwe dienst- I maagd on hebben gezegd: Geef I dien hier die zijnen broeder i verslagen heeft, dat wij hem voor I de ziel zijns broeders, dien hij doodgeslagen heeft, dooden, en . ook den erfgenaam verdelgen: alzoo zullen zij mijne kole die ; overgebleven is uitblusschen, op-j dat zij mijnen man geenen naam noch overblijfsel laten op den | aardbodem, 8 Toen zeide de Koning tot deze vrouw: Ga naar uw huis, j en ik zal voor u gebieden. 9 En de Tekoïtische vrouw zeide tot den Konii g: Mijn lieer i Koning, de ongerechtigheid zij | op mij en op mijns vaders huis, ; de Koning daarertegen en zijn ! stoel zij onschuldig. 1 10 En de Koning zeide: Spreekt i iemand tegen u, zoo breng hem |
|
2 SA Ml tot mij, en hij zal u voortaan niet meer aantnsLen. 11 En zij zeide: De Koning gedonke toch aan den Heere uwen God, dat de bloed wrekers niet te veel worden om te verderven, dat zij mijnen zojn niet verdelgen. Toen zeide hij : Zoo waarachtiii als de Heere leeft, indien er élt;;n van de haren nws zoons op du aarde zal vallen I 12 Toen zeide deze vrouw; ; Laat toch nwe dienstmaagd een woord tot mijnen lieer den Koning spreken. En hij zeide: Spreek. 13 En de vrouw zeide: quot;Waarom i hebt gij dan al zulks tegen Gods volk gedacht? Want daaruit dat i de Koning dit woord gesproken ! heeft, is hij als een schuldige, 1 dewijl de Koning zijnen verstoo-tene niet wederhaalt. 14 Want wij zullen den dood sterven, en wezen als water, dat ter aarde uitgestort zijnde niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar hij zal gedachten deuken, dat hij den ver-etootene niet van zich verstootte. 15 Nu dan, dat ik gekomen ben om dit woord tot den Koning mijnen heer te spreken, is omdat het volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zoo zeide uwe dienstmaagd: Ik zal nu tot den Koning spreken, misschien zal de Koning het woord zijner dienstmaagd doen. 1G Want de Koning zal hooren, om zijne dienstmaagd te redden van de hand des mans, die voorheeft mij en mijnen zoon te zamen van Gods erve te verdelgen. 17 Wijders zeide uwe dienstmaagd: Het woord mijns heeren des Konings zij toch tot ruste; want gelijk een Engel Gods, al-zóó is mijn heer de Koning, om te hooren het goede en het kwade; en de Heere uw God zal met u zijn. 18 Toen antwoordde de Koning en zeide tot de vrouw: Verberg nu niet voor mij de zaak die ik u vragen zal. En de vrouw zeide: Mijn heer de Koning spreke toch. 19 En de Koning zeide: Is Joabs hand met u in dit alles? |
⢠K L 14. 389 En de vrouw antwoordde en zeide: Zoo waarachtig ah uwe ziele leeft, mijn heer Koning, indien iemand ter rechter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles wat mijn heer Koning gesproken heeft; want uw knecht Joab die heeft liet mij geboden, en die heeft alle deze woorden in den mond uwer dienstmaagd gelegd: 20 dat ik de gesteldheid dezer zaak alzoo omweiidenzoude,zulks heeft uw knecht Joab gedaan; doch mijn heer is wijs, naar de wijsheid van eenen Engel Gods, om te^ merken alles wat op de aarde is. 21 Toen zeide de Koning tot Joab: Zie nu, ik heb deze zaak gedaan; zoo ga henen, haal den jongeling Absalom weder. 22 Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde en boog zich, en dankte den Koning, en Joab zeide: Heden heeft uw knecht gemerkt dat ik genade gevonden heb in uwe oogen, mijn heer Koning, omdat de Koning het woord zijns knechts gedaan heeft. 2'.gt; Alzoo maukte zich Joab op en toog naar Geaiir, en hij bracht Absalom te Jeruzalem. _ 24 En de Koning zeide: Dat hij in zijn huis keere, en mijn aangezicht niet zie. Alzoo keerde Absalom in zijn huisden zag des Konings aangezicht niet. 25 Ku was er in gansch Israël geen man zoo schoon als Absalom, zeer te prijzen, van zijne voetzool aan tot zijnen hoofdschedel toe was er geen gebrek aan hem; 2ü en als hij zijn hoofd be-schoor (nu geschiedde het ten tijde van elk jaar dat hij hetbe-schoor, omdat het hem te zwaar was zoo beschoor hij het), zoo woog het haar zijns hoofds tweehonderd sikkelen, naar des Konings gewicht. 27 Ook werden Absalom drie zonen geboren, en ééne dochter, welker naam was Tamar; deze was eene vrouw schoon van aanzien. 28 Alzoo bleef Absalom twee |
|
390 2 SAMI volle jaren te Jeruzalem dat hij des Konings aangezicht niet zag. 29 Daarom zond Absalom tot Joab, dat hij hem tot den Koning zond; maar hij wilde niet tot hem komen. Zoo zond hij nog ten anderen male; evenwel wilde hij niet komen. 30 Zoozeidehij tot zijne knechten : Ziet, het stuk akkers van Joab is aan de zijde van het mijne, en hij heeft gerst daarop: gaat henen en steekt het aan met vuur. En Absaloms knechten staken dat stuk akkers aan met vuur; 31 toen maakte Joab zich op, en kwam tot Absalom in het huis, en zeide tot hem: Waarom hebben uwe knechten het stuk akkers dat mijne is met vuur aangestoken ? 32 En Absalom zeide tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot den Koning zende, om te zeggen: Waarom ben ik van Ge-sur gekomen ? Het ware mij goed dat ik nog daar ware; nu dan, laat mij het aangezicht des Konings zien; is er dan nog eene misdaad in mij, zoo doode hij mij. 33 Toen ging Joab in tot den Koning, en zeide het hem aan. Toen riep hij Absalom, en hij kwam tot den Koning in, en boog zich voor hem op zijn aangezicht ter aarde voor des Konings aangezicht, en de Koning kuste Absalom. HOOFDSTUK 15. En het geschiedde daarna dat Absalom zich liet bereiden wagen en paarden, en vijftig mannen loopende voor zijn aangezicht henen. 2 Ook maakte Absalom zich 's morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort: en het geschiedde dat Absalom alle man die een geschil had, om tot den Koning ten gerichte te komen tot zich riep en zeide: Uit welke stad zijt gij ? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit éenen der stammen Israël s, 3 zoo zeide Absalom tot hem: |
à L 15. Zie, uwe zaken zijn goed en recht, maar gij hebt geenen verhoorder van des Konings wege. 4 Voorts zeide Absalom: Och dat men mij ten rechter stelde in den lande; dat alle man tot mij kwame, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake. 5 Het geschieddef ook als iemand naderde om zich voor hem te buigen, zoo reikte hij zijne hand uit en greep hem, en kuste hem. 6 En naar die wijze deed Absalom aan gansch Israël, die tot den Koning ten gerichte kwamen: alzoo stal Absalom het hart dei-mannen Israëls. 7 Ten einde nu van veertig jaar is 't geschied dat Absalom tot den Koning zeide: Laat mij toch henengaan en mijne gelofte, die ik den Heere beloofd heb, te Hebron betalen; 8 want uw knecht heeft eene gelofte beloofd als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Indien de Heere mij zekerlijk weder te Jeruzalem zal brengen, zoo zal ik den Heere dienen. 9 Toen zeide de Koning tot hem: Ga in vrede. Alzoo maakte hij zich op en ging naar Hebron. 10 Absalom nu had verspieders uitgezonden in alle staramen Israëls, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuinen zulthooren, zoo zult gij zeggen: Absalom is Koning te Hebron. 11 En daar gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genoodigd zijnde, doch gaande in hunne eenvoudigheid, want zij wisten van geene zaak. 12 Absalom zond ook om Achi-thófel den Giloniet, Davids raad, uit zijne stad, uit Gilo, tc halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom. 13 Toen kwam daar een boodschapper tot David, zeggende: Het hart eens iegelijken in Israël volgt Absalom na. 14 Zoo zeide David tot alle zijne knechten die met hem to |
|
2 SAM Jemzalem Traren: Maakt u op en laat ons vlieden, want er zoude voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u om weg te gaan, opdat hij niet misschien zich haaste en ons achter li ale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards. 15 Toen zeiden de knechten des Konings tot den KoningNaar alles wat mijn heer de Koning verkiezen zai, zie hier zijn uwe knechten. 1(5 En de Koning ging uit met zijn gansche huis te voet; doch de Koning liet tien bijwijven om het huis te bewaren. 17 Als nu de Koning met al het volk te voet was uitgegaan, zoo bleven zij staan in eene verre plaats; 18 en alle zijne knechten gingen aan zijne zijde henen, ook alle de Kretlii en alle dePlethi, en alle de Gethiten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des Konings aangezicht henen. 10 Zoo zeide de Koning tot Ittai den Gethiet: Waarom zoudt gij ook met ons gaan? Keer weder, en blijf bij den Koning ; want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uwe plaats: 20 gisteren zjjt gij gekomen,en heden zoude ik u met ons omvoeren om te gaan? Daar ik toch gaan moet waarhenen ik gaan kan, keer .weder, en breng uwe broederen weder; weldadigheid en trouw zij met u. 21 Maar Itai antwoordde den Koning en zeide: Zoo waarachtig ah de Heere leeft en mijnheer de Koning leeft, in de plaats waar mijn heer de Koning zal zijn, hetzij ten doode hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker óók zijn. 22 Toen zeide David tot Itai: Zoo kom en ga over. Alzoo ging Itai de Gethiet over, en alle zijne mannen, en alle de kinderen die met hem waren. 23 En het gansche land weende met luider stemme, als al het volk overging; ook ging de Ko- |
JÃL 15. 391 ning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar don weg der woestijn. 24 En zie, Zadok was óók daar, en alle de Leviten met hem, dragende de Ark des verbonds Gods, en zij zetteden de Ark Gods neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan. 25 Toen zeide de Koning tot Zadok: Breng de Ark Gods weder in de stad: indien ik genade zal vinden in des Heeren oogen, zoo zal hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders zijne woning; _ 2ü maar indien hij alzóé zal zeggen: Ik heb geen lust tot u â zie, Jn'er ben ik, hij doe mij zooals het in zijne oogen goed is. 27 Voorts zeide de Koning tot den Priester Zadok: Zijt gij niet een ziener? Keer weder in de stad met vrede, ook ulieder beide zonen, Ahimaaz uw zoon en Jonathan, Abjathars zoon, met u. 28 Ziet, ik zal vertoeven in de vlakke velden der woestijn, totdat er een woord van ulieden komt dat men mij aanzegt. 2à Alzoo bracht Zadok en Abjathar de Ark Gods weder te Jeruzalem, en zij bleven aldaar. 30 En David ging óp door den opgang der olijven, opgaande en weenende, en hot hoofd was hem bewonden, en hij zelf ging barrevoets ; ook had al het volk dat met hem was een iegelijk zijn hoofd bedekt, en gingen op, opgaande en weenende. 31 Toen gaf men David te kennen, zeggende, Achithófel is onder degenen die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O Heere, maak toch Achithófels raad tot zotheid. 32 En het geschiedde als David tot op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad, zie, toen ontmoette hem Husai de Arkier, hebbende zijnen rok gescheurd en aarde op zijn hoofd. 33 En David zeide tot hem: Zoo gij met mij voortgaat, zoo zult gij mij tot een last zijn; 34 maar zoo gij weder in do |
|
392 2 SAM stad gaat, en tot Absalom zegt: Ãw knecht, ik zal des Konings zijn; ik ben wel uws vaders knecht van te voren geweest, maar nu zoo zal ik uw knecht zijn. â zoo zoudt gij mij den raad Achithófels te niet maken. 35 En zijn niet Zadok en Ab-jathar de Priesters aldaar met n ? Zoo zal het gescliieden dat gij alle ding, dat gij uit des Konings huis zult hooren, den Priesteren Zadok en Abjathar zult te kennen geven: 30 zie, hunne beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimaaz, Zadoks zooi), en Jonathan, Abjathars zooi), zoo zult gijlieden door liun-ne hand tot mij zenden alle ding dat gij zult hooren. 37 Alzpo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem. HOOFDSTUK 16. Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, zie, toen ontmoette hem Zibtt, Meii-bóseths jongen, met een paar gezadelde ezels, en daarop tweehonderd brooden met honderd stukken rozijnen en honderd stul:-ken zomervruchten en een lederen zak wijn. 2 En de Koning zeide tot Zi-ba: Wat zult gij daarmede? En Ziba zeide: De ezels zijn voor het huis des Konings om op te rijden, en het brood en de zomervruchten om te eten voor de jongens, en de wijn opdat de moeden in de woestijn drinken. 3 Toen zeide de Koning: Waar is dan de zoon uws heeren? En Ziba zeide tot den Koning: Zie, hij blijft, te Jeruzalem, want hij zeide: Heden zal mij het huis Israels mijns vaders koninkrijk wedergeven. 4 Zoo zeide de Koning tot Ziba: Zie, het zal uwe zijn alles wat Mefiboseth heeft. En Ziba zeide: Ik buig mij neder, laat mij genade vinden inuweoogen, mijn heer Koning. _ 5 Als nu de Koning David tot aan Bahurim kwam, zie, toen kwam van daar een man uit vau |
JÃL 1G. het geslaclit des huizes Sauls, wiens naam was Simei', de zoon van Gera; hij ging steeds voort en vloekte, 6 en hij wierp David met stee-nen, mitgaders alle laiechten des Konings Davids, hoewel al het volk en alle de helden aan zijne rechter- en aan zijne linkerhand waren. 7 Aldus nu zeide Simeï in zijn vloeken: Ga uit,gij man des bloeds en gij belialsman: 8 de Heeke heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft de Heere het koninkrijk gegeven in de hand Absaloms uws zoons: zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloeds zijt. 9 Toen zeide Abisaï, de zoon van Zeruja, tot den Koning: Waarom zoude deze doode hond mijnen heer den Koning vloeken ? Laat mij toch overgaan en zijnen kop wegnemen^ 10 Maar de Koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hij vloeken; want de Heere toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zoude dan zeggen: Waarom hebt gij alzoo gedaan ? 11 Voorts zeide David tot Abi-sai en tot alle zijne knechten: Zie mijn zoon, die van mijnen lijve is voortgekomen, zoekt mijne ziel: hoeveel te meer dan nu dezo Benjaminiet! Laai hem geworden dat hij vloeke, want de Heere heeft het hem gezegd. 12 Misschien zal de Heere mijne ellende aanzien, en do Heere gt; zal mij goed vergelden voor zijnen vloek te dezen dage. 13 Alzoo ging David met zijne lieden op den weg; en Simeï ging al voort langs de zijde des bergs tegen hem over, en vloekte, en wierp met steenen van tegenover hem, en stoof met stof. 14 En de Koning kwam in, en al liet volk dat met hem was, moede zijnde; en hij verkwikte zich aldaar. 15 Absalom nu en al het volk, de mannen Israëls, kwamen te |
|
2 SAM Jeruzalem, en Acliithófel met hem. 16 En het geschiedde als Hu-pai de Arkiet, Davids vriend,tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De Koning leve, de Koning leve. 17 Maar Absalom zeide tot Hn-ead: Is dit uwe weldadigheid aan uwen vriend? Waarom zijt gij niet met uwen vriend getogen? 18 En Husai zeide tot Absa-/om: Neen, maar welken de Heere verkiest, en al dit volk, en alle mannen-van Israël, diens zal ik zijn en bij hem zal ik blijven. 19 En ten anderen, wien zoude ik dienen? Zoude het niet zijn voor het aangezicht zijns zoons? Gelijk als ik voor het aangezicht uws vaders gediend heb, alzóo zal ik voor uw aangezicht zijn. 20 Toen zeide Absalom tot Acliithófel: Geeft onder ulieden raad, wat zullen wij doen? 21 En Acliithófel zeide tot Absalom: Ga in tot de bijwijven uws vaders, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zoo zal gansch Israël hooien dat gij bij uwen vader stinkende zijt geworden, en de handen van allen die met u zijn zullen gesterkt worden. 22 Zoo spanden zij Absalom eene tent op het dak, en Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de oogen des gansch en Israels. 23 En in die dagen was Achi-thufels raad dien hij ried, alsof men naar Gods Woord gevraagd had; alzóó was alle raad van Acliithófel, zoo bij David als bij Absalom. HOOFDSTUK 17. Voorts zeide Acliithófel tot Absalom: Laat mij nu twaalfduizend mannen uitlezen, dat ik mij opmake en David dezen nacht achternajage; 2 zoo zal ik over hem komen daar hij moede en slap van lian-den is, en zal hem verschrikken, en al het volk dat met hem is |
J à L 17. 393 zal vïuchten: dan zal ik den Koning alléén slaan. 3 En ik zal al het volk tot u doen wederkeeren: de man dien gij zoekt is gelijk het wederkeeren van allen; zoo zal al het volk in vrede zijn. 4 Dit woord nu was recht in Absaloins oogen, en in de oogen van alle oudsten Israels. 5 Doch Absalom zeide: Roep toch ook Husai den Arkiet, en laat ons ook hooren wat hij zegt. 6 En als Husai tot Absalom inkwam, zoo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Acliithófel gesproken: zullen wij zijn woord doen? Zoo niet, spreek gij. 7 Toen zeide Husai tot Absalom: De raad dien Acliithófel op ditmaal geraden heeft is niet goed. 8 Wijders zeide Husai: Gij kent uwen vader en zijne mannen dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet vernachten met het volk. 9 Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen of in eene der plaatsen: en het zal geschieden als er in het eerst sommioeu onder hen vallen, dat een ieder die het zal hooren alsdan zal_ zeggen: Daar is een slag geschied onder het volk dat Absalom navolgt. 10 Zoo zoude hij die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, ten eenenmale smelten; want gansch Israël weet dat uw vader een held is, en dat het dappere mannen zijn die met hem zijn. 11 Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde gansch Israël, van Dan tot Ber-öéba f toe, als zand dat aan de zee is in menigte; en dat uw persoon mede ga in den strijd. 12 Dan zullen wij tot hem komen in eene der plaatsen waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt, 13* |
|
394 2 SAM en er zal van hem en van alle de mannen die met hem zijn ook niet één worden overgelaten; 13 en indien hij zich in eene stad zal begeven, zoo zal gansch Israël koorden tot deze stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet één steentje aldaar gevonden worde. 14 Toen zeide Absalom en alle man vnn Israël: De raad van Husai den Arkiet is beter dan Achithófels raad. Doch de Heere had het geboden, om den goeden raad Achithófels te vernietigen, opdat de Heere het kwaad over Absalom bracht. 15 En Husai zeide tot Zadok en tot Abjathar de Priesters: Alzóo en alzóó heeft Achithófel Absalom en den oudsten Israels geraden, maar alzóó en alzóo heb ik geraden: 16 nu dan, zendt haastelijk henen en boodschapt David, zeggende: Vernacht dezen naclit niet in de vlakke velden der woestijn, en ook ga spoediglijk over, opdat de Koning niet verslonden worde en al het volk dat met hem is. 17 Jonathan nu en Ahimaiiz stonden bij de fontein Kogel, en eene dienstmaagd ging henenen zeide het hun aan, en zij gingen henen en zeiden liet den Koning David aan; want zij mochten zich niet laten zien, dat zij in de stad kwamen. 18 Een jongen evenwel zag ze, en zeide het Absalom aan; doch die beiden gingen haastelijk, en kwamen in eens mans huis te Bahurim, dewelke eenen put had in zijnen voorhof, en zij daalden daarin; 19 en de vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van den put, en strooide gort daarop: alzoo werd de zaak niet bekend. 20 Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaaz en Jonathan? En de vrouw zeide tot hen: Zij zijn over dat water-riviertje gegaan. En toen zij ze |
JÃL 17. gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weder naar Jeruzalem. 21 En het geschiedde nadat zij weggegaan waren, zoo klommen zij uit den put, en gingen henen en boodschapten het den Koning David, en zij zeiden tot Davidquot;. Maakt ulicden op en gaat haastelijk over het water, want alzóó heeft Achithófel tegen ulieden geraden. 22 Toen maakte zich David op, en al het volk dat met hem was, en zij gingen over den Jordaan: bij^ het morgenlicht ontbrak er niet tot één toe, die niet over den Jordaan gegaan was. 23 Als nu Achithófel zag dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij den ezel, en maakte zich op en toog naar zijn huis in zijne stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich: alzoo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf. 24 David nu kwam te Maha-naïm; en Absalom toog over den Jordaan, hij en alle mannen Israels met hem. 25 En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het heir: Amasa nu was eens mans zoon wiens naam was Jethra, de Israëliet die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zuster van Zeruja, Joabs moeder. 26 Israël nu en Absalom legerden zich in het land Gilead. 27 En het geschiedde als David te Mahanaïm gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas van Rabba der kind3ren Ammons, en Machir, de zoon Ammiëls van Lodebar, en Bnrzillai de Gilea-diet van Eogelim, 28 bedde werk, en schalen, en aarden vaten, er. tarwe, en gerst, en meel, en geroost koren, en boonen, en linzen, ook geroost, 29 en honig, en boter, en schapen, en koeienkazen brachten tot David en tot het volk dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig en moede en dorstig in de woestijn. |
|
2 SAM HOOFDSTUK 18 En David monsterde het volk dat met liem was, en hi; stelde over hen oversten van duizenden en oversten van honderden; 2 voorts zond David het volk nit, een derde deel onder de hand Joabs, en een derde deel onder de hand van Abisai, den zoon van Zemja, Joabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ital den Gethiet. En de Koning zeide tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met nlieden uittrekken. 3 Maar het volk zeide: Gij zult niet uittrekken; want of wij ten eenermale vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen, ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen: maar (jij zijl nu als onzer tienduizend: zoo zal het nu beter zijn dat gij ons uit de stad ter hulpe zijt. 4 Toen zeide de Koning tot hen: Ik zal doen wat goed is in uwe oogen. De Koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden. 5 En de Koning gebood Joab en Abisai en Itai, zeggende: Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het als de Koning allen den oversten van Absaloms zake gebood. 6 Alzoo . toog liet volk uit in het veld, Israël tegemoet, en de strijd geschiedde bij Efraïms woud, 7 en het volk Israels werd aldaar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen, en aldaar geschiedde te dien dage een groote slag van twintigduizend ; S want de strijd werd aldaar verspreid over al dat land, en het woud verteerde meer van het volk dan die het zwaard verteerde te dien dage. 9 Absalom nu ontmoette het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier, en als het muildier kwam : à L 18. 393 |
onder de dichte takken van een grooten eik, zoo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tusschen den hemel en tusschen de aarde, en het muildier dat onder hem was ging door. 10 Als dat een man zag, zoo gaf hij het Joab te kennen en zeide: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik. 11 Toen zeide Joab tot den man die het hem te kennen gaf: Zie toch, gij hebt het gezien, waarom dan hebt gij hem niet aldaar ter aarde geslagen, alzoo het aan mij stond om u tien zilverlingen en eenen gordel te geven ? 12 Maar die man zeide tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijne handen mocht wegen, zoo zoude ik mijne hand aan des Konings zoon niet slaan; want de Koning heeft u en Abisai en Itai voor onze ooren geboden, zeggende: Hoedt u, wie Uij zijt, van den jongeling van Absalom. 13 Of ik al valschelijk tegen mijne ziel handelde, zoo zoude toch geen ding voor den Koning verborgen worden: ook gij zelf zoudt er u van tegenover stellen. 14 Toen zeide Joab: Ik zal hier bij u alzóó niet vertoeven; en hij nam drie pijlen en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van den eik; 15 en tien jongens, Joabs wapendragers, omringden lem, en zij sloegen Absalom en doodden hem. 1G Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield het volk terug. 17 En zij namen Absalom en wierpen hem in het woud in eenen grooten kuil, en stelden op hem eenen zeer grooten steenhoop; en gansch Israël vluchtte, een iegelijk naar zijne tent. IS Absalom nu had genomen en ^ in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het Koningsdal is, want hij zeide; |
|
393 2 S A M Ik heb geen zoon om nan mimen naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijnen naam: daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd Ab-ealoms hand. 19 Toen zeide Ahimaaz, Zadoks zoon : Laat mij toch henenloopen en den Koning boodschappen, dat de Heere hem recht gedaan heeft van de hand zijner vijanden. 20 Maar Joab zeide tot hem: Gij zult dezen dag geen boodschapper zijn, maar op een en anderen dag zult gij boodschappen: dezen dag nu zult gij niet boodschappen, daarom dat des Konings zoon dood is. 21 En Joab zeide tot Kuschi: Ga henen en zeg den Koning aan. wat gij gezien hebt; en Kuschi boog zich voor Joab en liep henen. 22 Doch Ahimaaz, Zadoks zoon, voer nog voort en zeide tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Kuschi achterna loopen. En Joab zeide: Waarom zoudt gij nu henenloopen, mijn zoon, zoo gij toch geen bekwame boodschap hebt? 23 Wat het ook zij, zeide hij, laat mij henenloopen. Zoo zeide hij tot. hem: Loop henen. En Ahimaaz liep den weg van het eiFen veld, en kwam Kuschi voorbij. 24 David nu zat tusschen de twee poorten; en de wachter ging op het dak der poort aan den muur, en hief zijne oogen op en zng, en zie, daar liep een man alléén. 25 Zoo riep^de wachter en zeide het den Koning aan; en de Koning zeide: Indien hij alléén is, zoo is er een boodschap in zijnen mond; en hij ging al voort en naderde. 26 Toen zag de wachter eenen anderen man loopende, en de wachter riep tot den portier en zeide: Zie, daar loopt noci een man alléén. Toen zeide de Koning: Dat is ook een boodschapper. 27 Voorts zeide de wachter: Ik zie den loop des eersten aan |
JÃL 19. als den loop van Ahimaaz, Zadoks zoon. _ Toen zeide de Koning: Dat is een goed man, en hij zal met eene goede boodschap komen. 28 Ahimaaz dan riep en zeide tot den Koning: Vrede, en hij boog zich voor den Koning met-zijn aangezicht ter aarde, en hij zeide: Geloofd zij de Heere uw God, die de mannen, dewelke hunne hand tegen mijnen heer den Koning ophieven, heelt overgegeven. 29 Toen zeide de Koning: Is het wel met den jongeling, mot Absalom? En Ahimaaz zeide: Ik zag een groot rumoer, als Joab des Konings knecht en mij uwen knecht afzond, maar ik weet niet wat. 30 En de Koning zeide: Ga om, stel u hier. Zoo ging hij om, en bleef staan. 31 En zie, Kuschi kwam aan, en Kuschi zeide: Mijnen heere den Koning wordt geboodschapt, dat de Heere u heden heeft recht gedaan van de hand aller dergenen die tegen u opstonden. 32 Toen zeide de Koning tot Kuschi: Is het wel met den jongeling, met Absalom ? En Kuschi zeide: De vijanden mijnsheeren des Konings, en allen die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling. 33 Toen werd de Koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort en weende, en in zijn gaan zeide hij alzóó: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik, voor u gestorven ware, Absalom mijn zoon, mijn zoon! HOOFDSTUK 19. En Joab werd aangezegd: Zie, de Koning weent en bedrijft rouw over Absalom. 2 Toen werd de verlossing te dienzelfden dage het gansche volk tot rouwe; want iet volk had te dien dage hooren zeggen: Hef, smart den Koning over zijnen zoon. 3 En het volk kwam te dien dage steelswijze in de stad, gelijk |
|
2 SAMI het volk zich wegsteelt dat beschaamd is, wanneer zij in den etrijd gevloden zijn. 4 De Koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en do Koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom mijn zoon, mijn zoon! 5 Toen kv/am Joab tot den Koning in hot huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht aller uwer knechten, die uwe ziel en de ziel uwer zonen en uwer dochteren en de ziel uwer vrouwen en de ziel uwer bijwijven lieden hebben bevrijd: (i liefhebbende die u haten en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heder., dat zoo Absalom leefde en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zoude zijn in uwe oogen. 7 Zoo sta nu op, ga ui:, en spreek naar liet hart uwer knechten ; want ik zweer bij den Heere als gij niet r.itgaat, zoo daar een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn dan al liet kwaad, dat over u gekomen is van uwe jeugd af tot nu toe. 8 Toen stond de Koning op en zette zich in de poort; en zij lieten alt hes volk weten,_ zeggende: Zie, de Koning zit in de poort; toen kwam al het volk voor des Konings aangezicht. Maar Israel was gevloden, een iegelijk naar zijne tenten. 9 En al liet volk in alle stammen Israels was onder zich twistende, zeggende: De Koning heeft ons gered van de hand onzer vijanden, en hij heeft ons bevrijd van de hand der Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom; 10 en Absalom, dien wij over oïis gezalfd hadden, is in den strijd gestorven: nu dan,waarom zwijgt gijlieden van den Koning weder te halen? 11 Toen zond de Koning David tot Zadok en tot Abjathar de Priesteren, zeggende: Spreekt tot de oudsten van Juda, zeggende: |
J à L 19. 307 Waarom zoudt gijlieden delaat-sten zijn om den Koning weder te halen tot zijn huis? (Wantde rede van het gansche Israël was tot den Koning gekomen in zijn huis.) 12 Gij zijt mijne broederen, mijn been en mijn vleesch zijt gij: waarom zoudt gij dan de laatsten zijn om den Koning weder te halen? 13 En tot Amasa zult gijlieden zeggen: Zijt gij niet mijn been en mijn vleesch? God doe mij zóó en doe er zóó toe, zoo gij niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht te allen dage, in Joabs plaats. 14 Alzoo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als eens éénigen mans, en zij zonden henen tot den Koning, zeggende: Keer weder, gij en alle uwe knechten. 15 Toen keerde de Koning weder, en kwam tot aan den .Tor-daan: en Juda kwam tot Gilgal, om den Koning tegemoet te gaan, dat zij den Koning over den Jor-daan voerden. 16 En Simei, de zoon van Gera, een Benjaminiet die van Bahurim was, haastte zich en kwam af met de mannen van Juda, den Koning i David tegemoet, 17 en duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de knecht van Sauls huis, en zijne vijftien zonen en zijne twintig knechten met hem; en zij togen vaardiglijk over den Jordaan, vóór den Koning. 18 Als nu de pont overvoer, om het huis des Konings over te halen, en te doen wat goed was in zijne oogen, zoo viel Simeï, de zoon van Gera, neder voor het aangezicht des Konings, als hij over den Jordaan voer, 19 en hij zeide tot den Koning; Mijn heer rekene mij niet toe do misdaad, en gedenke niet wat uw knecht verkeerdelijk gedaan heeft te dien dage als mijn heer de l Koning uit Jeruzalem uitging, dat het de Koning zich ter harte I zoude nemen. 20 Want uw knecht weet hel ⢠zekerlijk, ik heb gezondigd; docb |
2 SAMUÃL 19.
398
|
zie, ik ben heden gekomen de eerste van den ganpchen huize Jozefs, om mijnen heer den Koning tegemoet te komen. 21 Toen antwoordde Abisai.de zoon van Zernja, en zeide: Zonde dan Simeï hiervoor niet gedood worden, daar hij toch den gezalfde des Heeren gevloekt heeft. 22 Maar David zeide: Wat heb ik met nlieden te doen, gij zonen van Zernja, dat gij mij heden ten satan zoudt zijn? Zonde heden iemand gedood worden in Israël ? Want weet ik niet dat ik heden Koning geworden ben over Israël ? 23 En de Koning zeide tot Simeï: Gij znlt niet sterven, en de Koning zwoer hem. 24 Mefibóseth,Sauls zoon,kwam óók af, den Koning tegemoet;en hij had zijne voeten niet schoongemaakt, noch zijnen knevelbaard beschoren, noch zijne kleederen gewasschen, van dien dag af dat de Koning was weggegaan, tot dien dag toe dat hij met vrede wederkwam. 25 En het geschiedde als hij te Jeruzalem den Koning tegemoet kwam, dat de Koning tot hem zeide: Waarom zijt gij niet met mij getogen, Mefibóseth? 26 En hij zeide: Mijnheer Koning, mijn knecht heeft mij bedrogen ; want uw knecht zeide: Ik zal mij eenen ezel zadelen, en daarop rijden en tot den Koning trekken, want uw knecht is kreupel. 27 Daartoe heeft hij uwen knecht bij mijnen heer den Koning valschelijk aangedragen; doch mijn heer de Koning is als een Engel Gods: doe dan wat goed is ?n uwe oogen. 28 Want al mijns vaders huis is niet geweest dan lieden des doods voor mijnen heer den Koning, nochtans hebt gij uwen knecht gezet onder degenen die aan uwe tafel eten: wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen tot den Koning? 29 Toen zeide de Koning tot hem: Waarom spreekt gij meer van uwe zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba deelt het land. |
30 En Mefibóseth zeide tot den Koning: Hij neme het ook gansch weg, naardien mijn heer de Koning met vrede in zijn huis is gekomen. 31 Barzillai de Gileadiet kwam óók af van Rogelim, en hij toog met den Koning over den Jor-daan, om hem over den Jordaan te geleiden. 32 Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaar; en hij had den Koning onderhouden toen hij te Mahanaïm zijn verblijf had, want hij was een zeer groot man. 33 En de Koning zeide tot Barzillai: Trek gij met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden. 34 Maar Barzillai zeide tot den Koning: Hoe vele zullen de dagen der jaren mijns levens zijn, dat ik met den Koning zoude optrekken naar Jeruzalem? 35 Ik ben lieden tachtig jaar oud: zoude ik kunnen onderscheiden tusschen goed en kwaad? Zoude uw knecht kunnen smaken wat ik eet en wat ik drink ? Zoude ik meer kunnen hooren naar de stemme der zangers en zangeressen? En waarom zoude uw knecht mijnen heere den Koning verder tot eenen last zijn ? 36 Uw knecht zal maar een weinig met den Koning over den Jordaan gaan ; waarom toch zoude mij de Koning zulk eene vergelding doen? 37 Laat toch uw knecht weder-keeren, dat ik sterve in mijne stad, bij mijns vaders en mijner moeder graf; maai* zie, daar is uw knecht Kimham, laat die met mijnen heer den Koning overtrekken, en doe hem wat goed is in uwe oogen. 38 Toen zeide de Koning: Kimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen wat goed is in uwe oogen, ja, alles wat gij op mij begeeren zult zal ik u doen. 39 Toen nu al het volk over den Jordaan gegaan was, en de Koning óók was overgegaan, kuste de Koning Barzillai en zegende |
|
2 SAM hem: alzoo keerde hij weder naar zijne plaats. 40 En de Koning toog voort naar Gilgal, en Eamham. toog met hem voort; en al het volk van Juda had den Koning overgevoerd, alsook een gedeelte des volks Israels. 41 En zie, alle mannen Israels kwamen tot den Koning, on zij zeiden tot den Konjng: Waarom hebben u onze broeders, de mannen van Jnda, gestolen en hebben den Koning en zijn huis over den Jordaan gevoerd, en alle mannen Davids met hem? 42 Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen Israels: Omdat de Koning ons na verwant is; en waarom zijt idj nu toornig over deze zake? Hebben wij dan eemgszins gegeten van des Konings ko.'A, of heeft hij ons een geschenk geschonken ? 43 Eu de mannen Israels antwoordden den mannen van Juda en zeiden: Wij hebben tien doelen aan den Koning, en ook aan David, wij, meer dan gij: waarom hebt gij ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is om onzen Koning weder te halen? Maar het woord der mannen van Juda was harder dan het woord der mannen Israels. HOOFDSTUK 20. Toen was daar bij geval een belialsman, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een Benjaminiet, die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David en wij hebben geene erfenis aan den zoon van Isai: een iegelijk naar zijne tenten, o Israël! 2 Toen toog alle man van Israël op van achter David, Seba, den zoon van Bichri, achterna, maar de mannen van Juda kleefden hunnen Koning aan, van den Jordaan af tot aan Jeruzalem. _ 3 Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de Koning de tien vrouwen, zijne bijwijven, die hij gelaten had om is tf» bewaren, en deed ze |
ü à L 20. 399 in een huis van bewaring, en i onderhield ze, maar ging tot haar niet in; en zij waren opgesloten tot op den dag van haren dood, levende als weduwen. 4 Voorts zeide de Koning tot Amasa: .Roep mij de mannen van Juda te zamen tegen den derden dag, en gij, stel u dan hier. 5 En Amasa ging henen om Juda bijeen te roepen; maar hij bleef achter boven don gestelden tijd dien hij hem gezet had. G Toen zeide David tot Abisai: Nu zal ons Seba, de zoon van Bichri, meer kwaad doen dan Absalom: neem gij de knechten uws hoeren en jaag hem achterna, opdat hij niet misschien vaste stollen voor zich vinde, en zich onzen oogen onttrekke. 7 Toen togen uit, hom achterna, de mannen Juabs, en de Krethi i en de Plethi, en allo de helden: deze togen uit van Jeruzalem om Seba, den zoon van Bichri, ach-: torna te jagen. 8 Als zij nu waren bij den grooten steen die bij Gibeon is, zoo kwam Amasa voor hun aan- j gezicht. Eu Joab was omgord i over zijn kleed dat hij aan had, i en daarop was oen gordel, waar 1 het zwaard aan vastgemaakt was 1 op zijne lendenen in zijne schee-i do; en als hij voortging, zoo viel I het uit. 9 En Joab zeide tot Amasa: Is i liet wol mot u, mijn broeder? En ! Joab vatte met do rechterhand j den baard van Amasa, om hem te kussen. 10 En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard dat in Joabs j hand was: zoo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingevrand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ton tweeden male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn brooder Abisai, Seba, den zoon van Bichri, achterna. 11 Maar een man van Joabs jongens bleef bij hem staan, en hij zeide: Wie is er die lust heeft aan Joab, en wie is er dio voor David is, die vol ge Joab na. 12 Amasa nu lag in het bloed |
|
400 2 SAM gewenteld _ midden op de etraat. Ais nn die man zag dat al het volk staan bleef, zoo deed hij Amasa weg Tan de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, dewijl hij zag dat al wie bij hem kwam bleef staan. 13 Toen hij nu van de straat weggenomen was toog alle man voort. Joab na, om Seba, den zoon van Bichri, achterna te jagen. 14 3Cn hij toog henen door alle stammen Israels naar Abel, te weten Beth-Maacha, en het gan-sche Berim. En zij verzamelden zich en kwamen hem ook na; 15 en zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maacha, en zij wierpen eenen wal op tegen de stad, dat hij aan den tmiten-nnnir stond: en al het volk dat met Joab was verdorven den mtinr, om dien neder te vellen. 16 Toen riep eene wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hier, dat ik tot u spreke. 17 Toen hij nu tot haar naderde, zei de de vrouw: Zijt gij Joab? en hij zeide: Ik ben 't. En zij zeide tot hem : Hoor de woorden uwer dienstmaagd. En hij zeide: Ik hoor. 18 Toen sprak zij, zeggende: In vorige tijden spraken 7ij gemeenlijk, zeggende : Zij zullen zonder twijfel te Abel vragen; en alzoó volbrachten zij het. 19 Ik ben eene van de vreed-zamen, van de getrouwen in Israël, en gij zoekt te dooden eene stad, die eene moeder is in Israël: waarom zoudt gij het erfdeel des Heeeen verslinden? 20 Toen antwoordde Joab en zeide: Het zij verre, het zij verre van mi.quot;, dat ik zoude verslinden en dat ik zoude verderven; 21 de zaak is niet alzoo; maar een man van het gebergte Efraïms, wiens naam is Seba, de zoon van Bichri, heeft zijne hand opgeheven tegen den Koning, tegen David: levert hem alleen, zoo zal ik van deze stad aftrekken. Toen zeide de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over den muur geworpen worden. |
ÃL 21. 22 En de vrouw kwam in tot al het volk met hare wijsheid; en zij hieuwen Seba, den zoon van Bichri, het hoofd af, en wierpen het Joab toe; toen blies hij met de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, een iegelijk naar zijne tenten, en Joab keerde weder naar Jeruzalem tot den Koning. 23 Joab nu was over het gan-sche heir Israëls, en Benaja, de zoon van Jojada, over de Krethi en over de Plethi, 24 en Adoram was over do schatting, en Josafat, de zoon Ahiluds, was kanselier, 25 en Seja was schrijver, en Za-dok en Abjathar waren Priesters, 20^ en ook was Ira de Jaïriet Davids opperofficier. ^ HOOFDSTUK 21. En daar was in Davids dagen een honger, driejaren, jaar achter i jaar; en David zocht het aange-; zicht des Heeeen, en de Heeke zeide: Het is om Saul en om de ; bloedschuld zijns huizes, omdat | hij de Gibeoniten gedood heeft. 2 Toen riep de Koning de Gibeoniten en zeide tot hen: (de ! Gibeoniten nu die waren niet van de kinderen Israëls, maar ; van liet overblijfsel der Amori-: ten, en de kinderen Israëls had-: den hun gezworen; maar Saul i zocht ze te slaan in zijnen ijver i voor de kinderen van Israël en i Juda): 3 David dan zeide tot de Gi-: beoniten: Wat zal ik ulieden ; doen, en waarmede zal ik ver-! zoenen, dat gij het erfdeel des I Heeren zegent? 4 Toen zeiden de Gibeoniten tot hem: Het is ons niet te doen â om zilver en goud met Saul en I mot zijn huis; ook is het ons : niet te om iemand te dooden i in Israël. En hij zeide: Wat zegt ! gij dan dat ik u doen zal? 5 En zij zeiden tot den Koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft dat i wij zouden verdelgd worden, zon-! der te kunnen bestaan in eenige i landpale van Israël: |
|
2 SAMt laat ons zeven mannen van ! zijne zonen gegeven worden, dat wij ze den Heere ophangen te i Gibea Sauls, o gij verkorene des Heeren. En de Koning zeide: Ik zal ze geven. | 7 Doch de Koning verschoonde Mefibósetli, den zoon Jonathans, i des zoons Sauls, om den eed des ; Heer ex die tüsschen hen was, tusschen David en tuaschen Jonathan, Sauls zoon. 8 Maar dc Koning nam de twee zonen van Kizpa, de doch ter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Melibóseth; daartoe de vijf zonen van Mi dials.busier, i Sauls dochter, die zij Adricl,den | zoon van Barzillai, den Meho- I lathiet, gebaard had; 1) en hij gaf ze in de hand der Oibeoniten, die ze ophingen op den berg voor het aan'.rezic.it des Heeren, en die zeven vielen te gelijk; en zij werden gedood in de dagen des oogstes, in de eerste daf/en, in liet begin des gerstenoogstes. 10 Toen nam Rizpa, de dochtei-van Aja, cenen zak, en spande dien voor zich uit op eenen rotssteen. van het begin des oogstes totdat er water op hen drupte van den hemel: en zij liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags, noch hot gedierte van het veld des nachts. 11 En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had. 12 Zoo ging David henen en nam de beenderen Sauls en de beenderen Jonathans, zijns zoons, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolen liad-den van de straat I3eth-San, alwaar ze de Filistijnen hadden opgehangen ten dage a!s de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa; ! 13 en hij bracht van daar óp ! de beenderen Sauls en de beenderen Jonathans, zijns zoons, ook verzamelden zij de beenderen der gehangenen, 14 en zij begroeven de been- I deren Sauls en zijns zoons Jo- i nathaii in het land Uenjaniins te i Zela, in het graf zijns vaders Kis, en deden alles dat de Koning |
i à I. 22. 401 geboden had. Alzoo werd God na dezen don lande verbeden. 15 Voorts hadden de Filistijnen nog eenen krijg tegen Israël; en David toog af, en zijne knechten met hem, en zij streden tegen de Filistijnen,dat David moede werd. 1G En Jisbibenob, die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht zijner spies driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw z/ïacr/d; deze dacht David te slaan ; 17 maar Abisai, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg den Filistijn en doodde hem. Toen zwoeren hem dc mannen Davids, zeggende: Gij zult niet meer met ons uittrekken tan strijde, opdat gij do lampe Israels niet uit-bluscht. 18 En het geschiedde daarna dat er wederom een krijg waste Gob tegen de^ Filistijnen: toen sloeg Sibbechai de Hasathiet Saf, die van de kinderen van Rafa was. 19 Voorts was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen: en Elhanan, de zoon van Jaiiré-Ãre-gim, sloeg Beth-Halachmi, de-welke teas met Goliath den Ge-thiet, wiens spiesenhout was als een weversboom. 20 Nog was er ook een krijg te Gat.li; en daar was een zeer lang man, die zes vingers had aan zijne handen en zes teenen aan zijne voeten, vierentwintig in getale, en deze was óók aan Rafa geboren: 21 en hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea, Davids broederen sloeg hem. 22 Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand Davids endoor de hand zijner knechten. HOOFDSTUK 22. En David sprak de woorden dezes lieds tot den Heere, ten dage als de Heere hom verlost had uit de hand aller zijner vijanden en uit de hand Sauls. 2 Hij zeide dan: De Heere is mij mijne steenrots, en mijn burg, en mijn uithelper. 3 God is mijne rotse, ik zal op |
|
4ö2 2 SAM hem betromven: niïjn schild en lt;ie hoorn mijns heils, mijn hoog vertrek en mijne toevlucht, mijn verlosser; van geweld hebt gij mij verlost. 4 Ik riep den Heeee aan die te prijzen is, en ik werd verlost van mijne vijanden. 5 Want baren des doods hadden mij omvangen, beken Be-lials verschrikten mij. G Banden der helle omringden mij, strikken des doods bejegenden mij. 7 Als mij bange was, riep ik den Heeee aan. en riep tot mijnen God: enf hij hoorde mijne stemme uit zijn paleis, en mijn geroep kicam in zijne ooren. 8 Toen daverde en beefde de aarde, de fundamenten des hemels beroerden zich en daverden, omdat hij ontstoken was. 9 Kook ging op van zijnen neus, «n een vuur uit zijnen mond verteerde, kolen werden daarvan aangestoken. 10 En hij boog den hemel en daalde neder, en donkerherheid was onder zijne voeten. 11 En hij voer op eenen cherub en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds. 12 En hij zette duisternis rondom zich tot tenten, eene samen-quot;binding der wateren, wolken des hemels. 13 Van den glans voor hem henen werden kolen des vuurs â aangestoken. 14 De Heeee donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf zijne stem. 15 En hij zond pijlen uit en verstrooide ze, bliksem en verschrikte ze. 1G En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, doorliet schelden des Heeren, van liet geblaas des winds van zijnen neus. 17 Hij zond van de hoogte, hij nam mij, hij trok mij óp uit â¢groote wateren. 18 Hij verloste mij van mijnen «terken vijand, van mijne haters, omdat zij machtiger waren dan ik. 19 Zij hadden mij bejegend ten |
J ÃL 22. dage mijns ongevals, maar de Heeee was mij een steunsel, 20 en hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want hij had lust aan mij. 21 De Heeee vergold mij naar mijne gerechtigheid, hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen. 22 Want ik heb des Heeeen wegen gehouden, en ben van mijnen God niet goddeloos afgegaan. 23 Want alle zijne rechten waren voor mij, en zijne inzettingen, daarvan week ik niet af. 24 Maar ik was oprecht voor hem, en ik wachtte mij voor mijne ongerechtigheid. 25 Zoo gaf mij de Heeee weder naar mijne gerechtigheid, naar mijne reinigheid, voor zijne oogen. 2G Bij den goedertierene houdt gij u goedertieren, bij den oprechten held houdt gij u oprecht. 27 Bij den reine houdt gij u rein, maar bij den verkeerde houdt gij u verdraaid. 28 En gij verlost het bedrukte volk; maar uwe oogen zijn tegen de hoogen, gij zult ze vernederen. 29 Want gij zijt mijne lampe, o Heeee, en de Heeee doet mijne duisternis opklaren. 30 Want met u loop ik door eene bende, met mijnen God spring ik over eenen muur. 31 Gods weg is^ volmaakt; de rede des Heeeen is doorlouterd: hij is een schild allen die op hem vertrouwen. 32 Want wie ia God behalve de Heeee, en wie is een rotssteen behalve onze God? 33 God is _ mijne sterkte en kracht: en hij heeft mijnen weg volkomen geopend. 34 Hij maakt mijne voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijne hoogten. 35 Hij leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen â â â¢erbroken is. 36 Ook hebt gij mij gegeven het schild uws heils, en door uw verootmoedigen hebt gij mij groot gemaakt. 37 Gij hebt mijnen voetstap ruim gemaakt onder mij, en mij ne |
|
2 SAMI enkelen hebben niet gewankeld. 38 Ik vervolgde mijne vijanden en verdelgde ze, en keerde niet weder totdat ik ze verdaan had. 39 En ik verteerde ze en door-i?Tak ze, dat zij niet weder opstonden, maar zij vielen onder mijne voeten. 40 Want gij omgorddet mij met kracht ten strijde, gij deedt onder mij nederbukken die tegen mij opstonden, 41 En gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner tateren, en ik vernielde ze. 42 Zij zagen uit, maar er was geen verlosser, naar den Heeee, maar hij antwoordde hen niet. 43 Toen vergruisde ik ze als stof der aarde: ik stampte ze, ik breidde ze uit als slijk der straten. 44 Ook hebt gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks; gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk dat ik niet kende heeft mij gediend. 45 Vreemden hebben zich mij geveinsde!ijk onderworpen; zoo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. 46 Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hunne eloten. 47 De Hef.ee leeft, en geloofd zij mijn rotssteen, en verhoogd zij God, de rotssteen mijns heils: 48 de God die mij volkomene wrake geeft, en de volken onder mij neder werpt, 49 en die mij uitvoert van mijne vijanden; en gij verhoogt mij boven degenen die tegen mij opstaan, gij redt mij van den man alles gewelds. 50 Daarom zal ik u, o Heere, : loven onder de heidenen, en uwen naam zo.1 ik psalmzingen. 51 Hij is een toren der verlossingen zijns Konings, en hij doet goedertierenheid aan zijnen gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. HOOFDSTUK 23. Voorts zijn dit de laatste woorden Davids. David, de zoon van Isai, zegt, en de man die hoog ia |
'ÃL 23. 403 opgericht, de gezalfde des Gods Jacobs, en liefelijk in psalmen Israels, zegt: 2 De Geest des Heeren heeft door mij gesproken, en zijne rede is O]) mijne tong geweest. 3 De God Israels heeft gezegd, de rotssteen Israëls heeft tot mij gesproken: Laar zal zijn een Heerscher over demenschen, een Rechtvaardige, een Heerscher ht de vreeze Gods; 4 en hij zal zijn gelijk liet licht des morgens, wanneer de zon opgaat; des morgens zonder wolken, ivanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uil de aarde voortkomen^ 5 Hoewel mijn huis alzóó niet is bij God, nochtans heeft hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil en alle lust,hoewel hij liet Hoy niet doet uitspruiten. G Maar de mannen Belials die zuilen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten, 7 maar een iegelijk die ze zal aantasten voorziet zich met ijzer en het hout eener spies; en zij zullen ganschelijk met vuur ver-bran d worden terzelfder plaatse. 8 Dit zijn de namen der helden die David gehad heeft. Joscheb Baachébeth, de zoon van Tachke-moni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adino deEzniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal. 9 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon vanAhohi: deze uas onder de drie heiden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen Israëls waren opgetogen. 10 Deze stond op en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijne hand moede werd, ja, zijne hand aan het zwaard kleefde; en de Heere wrocht een groot heil te dien dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen. |
2 SAMÃÃL 24.
4ai
|
11 Ka liem nu -was Samma, de ' zoon van Agé, de Harariet: toen i de Filistijnen verzameld waren i in een dorp, en aldaar een stuk , akkers vras vol linzen, en het volk voor liet aangezicht der Filistijnen vluchtte, 12 zoo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen, en de Heere wrocht een groot heil. | 13_ Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in den oogst tot David in de spelonk van Adullam; en der Filistijnen hoop had zich gelegerd in liet dal Refaïm. 14 En David was toen in eene vesting; en do bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem. 15 En David kreeg lust en zei-de : Wie zal mij water te drinken i geven uit Bethlehems bornput die in de poorte is? 1G Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en ; putteden water uit Bethlehems bornput, die in de poorte is, en droegen het, en kwamen tot David. Doch hij wilde dat niet : drinken, maar goot het uit voor den Heere, 17 en zeide: Het zij verre van mij, o Heere, dat ik dit zoude doen: zoude ik drinlcen het bloed der mannen diehenengegaan zijn j met gevaar huns levens En hij wilde het niet drinken. Dit deden j die drie helden. 18 Abisai, Joabs broeder, de . zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van drie; en die hief zijne spies op tegen driehonderd, : die van hem verslagen werden: en hij had een naam onder die drie. 19 Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie. 20 Voorts Benaja, de zoon van Jojada, eens dapperen mans zoon, | groot van daden, van Kabzeël; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab, ook gmg hij af en sloeg ' eenen leeuw in het midden van eenen kuil in den sneeuwtijd. 21 Daartoe sloeg hij eenen |
Egyptischen man, een man van aanzien; en in de hand des Egyp-tenaars was eene spies, maar hij ging tot hem af met eenen staf; en hij rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en doodde hem met zijne eigene spies. 22 Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada, dies^ had hij eenen naam onder de drie helden; 23 hij_ was de heerlijkste van de dertig, maar tot de drie ecrsle kwam hij niet; en David stelde hem over zijne trawanten. 24 Asaël, Joabs broeder, was ouder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem; 25 Samma de Harodiet: Elika de Harodiet; 26 Helez de Pal tiet; Ira, de zoon van Ikes, de Tekoïet; 27 Abiëzer de Annethothiet; Mebunnai de Husatliiet;, 28 Zalmon de Ahohiet; Maha-rai de Netofathiet; 29 Heleb, de zoon van Baüna, de Kefchofathiet; Itai, de zoon van Eibai, van Gibea der kinderen Benjamins; 30 Benaja de Pirathoniet; Hid-dai van de beken van Gaas; 31 Abialbon de Arbathiet; xVz-maveth de Barhumiet; 32 Eljachba de Saalboniet; van de zonen van Jasen Jonathan; 33 Samma de Harariet ; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet; 34 Elifélet, de zoon van Ahas-bai, eens Maachathiets zooi;; Eliam, de zoon Achithófels, de Giloniet; 35 Hezrai de Karmeliet ;Paërai de Arbiet; 3G Jigal^de zo du Nathans; van Zoba; Bani de Gadiet; 37 Zelek de Ammoniet; Xa-harai de Beërothiet, de wapendrager Joabs, des- zoons van Zeruja; 38 Ira de Jethriet; Gareb do Jethriet; 39 Uria de Hethiet: zevenendertig in alles. HOOFDSTUK 24. En de toorn des Heek-f.n voer voort te ontsteken tegen Israël, en hij porde David aan tegen |
2 SAMUEL 2-1.
405
Woord des Heeren tot den Profeet Gad, Davids ziener, zeggende :
12 Ga henen en spreek tot David : Alzóó zegt de Heere : Drie dingen draag ik u voor; verkies u één uit die, dat ik u doe.
13 Zoo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of icilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij ? Merk nu en zie toe, wat antwoord ik dien zal wederbrengen die mij gezonden heeft.
14 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange: laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van menschen niet vallen.
15 Toen gaf de Heere eene pestilentie in Israël, van den morgen af tot den gezetten tijd toe; en er stierven van den volke, van Dan tot Ber-Séba toe, zeventigduizend mannen.
16 Toen nu de Engel zijne hand uitstrekte over Jeruzalem om haar te verderven, berouwde het den Heere over dat kwaad, en hij zeide tot den Engel, die het verderf onder liet volk maakte: Het is genoeg, trek uwe hand nu af. De Engel des Heeren nu was bij den dqrschvloer van Arauna den Jebusiet.
17 En David, als hij den Engel zag die het volk sloeg, sprak tot den Heere en zeide: Zie,ik, ik heb gezondigd en ik, ik heb onrecht gehandeld; maar wat hebben deze schapen gedaan? Uwe hand zij toch tegen mijns vaders huis.
18 En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zeide tot hem: Ga op, richt den Heere een altaar op, op den dorsch-vloer van Arauna den Jebusiet.
i 19 Alzoo ging David op naar 1 Gads woord, gelijk als de Heere | geboden had.
' 20 En Arauna zag toe, en zag
hen, zeggende: Ga, tel Israël en ! Jnda.
2 De Koning dan zeide tot i Joab, den krijgsoverste die bij I hem was: Trek nu óm door alle j stammen Israels, van Lan tot i Ber-Séba toe, en tel het volk, op- ; dat ik het getal des volks wete. !
3 Toen zeide Joab tot den Koning : Nu doe de Heere uw God tot dezen volke zooals deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de oogen mijns heeren des | Konings het aanzien; maar waarom heeft mijn heer de Koning lust tot deze zake?
4 Doch des Konings woord nam de overhand tegen Joab en tegen 1 de oversten des heirs. Alzoo toog Joab uit met de oversten des heirs, van des Konings annge-gezicht, om het volk Israel te tellen:
5 en zij gingen over deii Jor-daan en legerden zich bij Aroër, ter rechterhand der stad die in , het midden is van de beek Gads, en aan Jaëzer.
6 Voorts kwamen zij in Gilead, on in het lage land Hodsi; ook kwamen zij te Dan-Jaan, en rondom bij Sidon;
7 en zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden der He-viten en der Kanaiiniten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Jnda te Ber-Séba.
8 Alzoo togen zij óm door het gansche land, en ten^ einde van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem.
9 Eu Joab gaf de som des ge-telden volks aan den Koning: en in Israël waren achthonderd- j duizend strijdbare mannen, die ! het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend man.
10 En Davids hart sloeg hem nadat hij het volk geteld had, en David zeide tot den Heere: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o Hee- â ke, neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.
11 Als nu David des morgens opstond, zoo geschiedde het
|
400 1 KON! den Koning en zijne knechten tot zich overkomen; zoo ging Aranna nit, en boog zich voor den Koning met zijn aangezicht ter aarde. 21 En Aranna zeide: quot;Waarom komt mijn heer de Koning tot zijnen knecht? En David zeide: Om dezen dorschvloer van n te koopen, om den Heere een altaar te bonwen, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk. 22 Toen zeide Aranna tot David: Mijn heer de Koning neme en otfere wat goed is in zijne oogen; ziedaar do runderen ten brandoffer, en de sleden en het rnndertnig tot hout. 23 Dit alles gaf Aranna de |
STGEN 1. Koning aan den Koning^ voorts zeide Aranna tot den Koning: De Heere nw God neme een welgevallen in n. ^ 24 Doch de Koning^ zeide tot Aranna: Neen, maar ik zal het zekerlijk van n koopen voorden prijs, want ik zal den Heere. mijnen God niet offeren brand-offeren om niet. Al zoo kocht David den dorschvloer en de-runderen voor vijftig zilveren sikkelen. 25 En David bonwde aldaar den Heere een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen: alzo o werd de Heere den lande verheden en deze plage van over Israël opgehouden. |
HET EEESTE BOEK
PEU
K O IST I N G E N.
|
HOOFDSTUK 1. De Koning David nn was ond, weibedaagd; en zij dekten hem met kleederen, doch hij kreeg geen warmte. 2 Toen zeiden zijne knechten tot hem: Laat ze mijnen heere den Koning eene jonge dochter, eene maagd zoeken, die voor het aangezicht des Konings sta en hem koestere, en zij slape in nwen schoot, dat mijn heer de Koning warm worde. 3 Zoo zochten zij eene schoone jonge dochter in alle landpalen Israels^ en vonden Abisag, eene Snnamitische, en brachten ze tot den Koning. 4 En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde den Koning en diende hem: doch de Koning bekende ze niet. |
5 Adonia nu, de zoon Hag-i giths, verhief zich, zeggende: Ik ! zal Koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren en vijftig mannen loopende voor zijn aangezicht. 6 En zijn vader had hem niet bedroefd van zijne dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzóa gedaan? Eu ook was hij zeer schoon van gedaante, en Tlayriith had hem gebaard na Absalom. 7 En zijne raadslagen waren met Joab, den zoon van Zeruja, cn met Abjathar den Priester; die hielpen, volgende Adonia. 8 Maar Zadok de Priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Nathan de Profeet, en Simei, en lleï, en de helden die David had, waren met Adonia niet. 9 En Adonia slachtte schapen en runderen en gemest vee bij den steen Zohéleth, die bij de fontein Rogel is, en noodde alle |
|
1 KON! zijne broederen, de zonen des Konings, en alle mannen van Juda, des Konings knechten: 10 maar Nathan den Profeet, en Benaja, en de helden, en Salomo, zijn broeder, noodde hij niet. 11 Toen sprak Nathan tot Bathséba, de moeder van Salomo, zeggende: Hebt gij niet gehoord, dat Adonia, de zoon Haggiths, Koning is, en onze heer David weet dat niet? 12 Nu dan, kom, laat mij n toch een en raad geven, dat gij uwe ziele en mvs zoons Salomo's ziele redt. 13 Ga henen en treed in tot den Koning David, en zeg tot hem: Hebt gij niet, mijr.. heer Koning, uwe dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij Koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten? Waarom dan is Adonia Koning ? 14 Zie, als gij daar nog met den Koning spreken zult, zoo zal ik na u inkomen, en zal uwe woorden vervullen. 15 En Bathséba ging in tot den Koning in de binnenkamer; doch de Koning was zeer oud, en Abisag de Sunamitische diende den Koning. 16 En Bathséba neigde het hoofd en boog zich neder voor den Koning, en de Koning zeide: Wat is u? 17 En zij zeide tot hem: Mijn heer, gij hebt uwe dienstmaagd bij den Heeee uwen God gezworen: Voorzeker, Salomo uw zoon zal na mij Koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten. 18 En nu zie, Adonia is Koning; en nu, mijn heer Koning, gij weet het niet. 19 En hij heeft ossen en gemest vee en schapen in menigte geslacht, en genood alle de zonen des Konings, en Abjathar den Priester, en Joab den krijgsoverste, maar uwen knecht Salomo heeft hij niet genood. 20 Maar gij, mijn lieer Koning, de oogen des ganschen Israels zijn op u, dat gij hun zoudt te |
SGEN 1. 407 kennen geven wie op den troon, mijns ^ heeren des Konings na hem zitten zal; 21 anders zal het geschieden als mijn heer de Koning met zijne^ vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn. 22 En zie, zij sprak nog met den Kdning, als do Profeet Nathan inkwam; 23 en zij gaven den Koning te kennen, zeggende: Zie, de Profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht des Konings, en boog zich voor den Koning op zijn aangezicht ter aarde; 24 en Nathan zeide: 3Iijn heer Koning, hebt gij gezegd: Adonia zal na mij Koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten? 25 Want hij is heden afgegaan, en heeft geslacht ossen en gemest vee en schapen in menigte, en heeft genood alle de zonen des-Konings, en de oversten des heirs, en Abjathar den Priester; en zie, zij eten en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen: De Koning Adonia leve. 2G Maar mij die uw knecht beu, en Zadok den Priester, en Benaja, den zoon van Jojada, en Salomo uwen knecht, heeft hij niet genood. 27 Is deze zaak van mijnen heer den Koning geschied, en hebt gij uwen knecht niet bekend gemaakt wie op den troon mijns heeren des Konings na hem zitten zoude? 28 En de Koning David antwoordde en zeide: Eoept mij Bathséba; en zij kwam voor het aangezicht des Konings, en stond voor het aangezicht des Konings. 29 Toen zwoer de Koning en zeide: Zoo waar acht ij als de Heere leeft, die mijne ziele uit allen nood verlost heeft, 30 voorzeker, gelijk als ik u gezworen heb bij den Heere den God Israëls, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij Koning zijn en zal op mijnen troon in mijne plaats zitten, â voorzeker, al zóó zal ik te dezen zelfden dage doen. |
1 KONINGEN 1.
408
|
31 Toen neigde zich Batliscba met liet aangezicht ter aarde en boog zielig neder voor den Koning, en zeide: Mijn lieerde Koning David leve in eeuwigheid. 32 En de Koning David zeide: Roept mij Zadok den Priester, en Nathan den Profeet, en Benaja, den zoon van Jojada. En zij kwamen voor het aangezicht des Konings. 33 En de Koning zeide tot hen: Neemt met n de knechten uws heeren, en doet mijnen zoon Salomo rijden op de muilezelin die voor mij is, en voert hem af naar Gihon, 34 en dat Zadok de Priester met Nathan den Profeet hem aldaar tot Koning over Israël zalve; daarna zult gij met de bazuin blazen, en zeggen: De Koning Salomo leve. 35 Dan zult gij achter hem optrekken, en hij zal komen en zal op mijnen troon zitten, en hij zal Koning zijn in mijne plaats; want ik heb geboden dat 'hij een voorganger zoude zijn over Israël en over Juda. 36 Toen antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, den Koning en zeide: Amen, alzóó zegge de Heere de God mijns heeren des Konings: 37 gelijk als de Heere met mijnen heer den Koning geweest is, alzóó zij hij met Salomo, en make zijnen troon grooter dan den troon mijns heeren des Konings Davids. 38 Toen ging Zadok de Priester af met Nathan den Profeet, en Benaja, den zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en deden Salomo rijden op de muilezelin des Konings Davids, en geleidden hem naar Gihon: 39 en Zadok de Priester nam den oliehoorn uit de Tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zeide: De Koning Salomo leve. 40 En al het volk kwam óp achter hem, en het volk pijpte met pijpen en verblijdde zich met groote blijdschap, zoodat de aarde van hun geluid spleet. |
41 En Adonia hoorde het, en alle de genooden die met hem waren, die nu geëindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid der bazuinen, en zeide: Waarom is het geroep dier stad die in roer is. 42 Als hij nog sprak, zie, zoo kwam Jonathan, de zoon Ab-jathars des Priesters; en Adonia zeide: Kom in, want gij zijteen kloek man, en zult het goede boodschappen. 43 En Jonathan antwoordde en zeide tot Adonia: Ja, maar onze heer, de Koning David, heeft Salomo tot Koning gemaakt ; 44 en de Koning heeft met hem gezonden Zadok den Priester, en Nathan den Profeet, en Benaja, den zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en hebben hein doen rijden op de muilezelin des Konings; 45 daartoe hebben hem Zadok de Priester en Nathan de Profeet in Gihon tot Koning gezalfd, en zijn van daar blijde opgetogen, zoodat de stad in roer is: dat is het geroep dat gij gehoord hebt. 46 En ook zit Salomo op den troon des koninkrijks; 47 zoo zij n ook de knechten des Konings gekomen om onzen heer den Koning David te zegenen, zeggende: Uw God make den naam van Salomo beter dan uwen naam, en make zijnen troon grooter dan uwen troon. En de Koning heeft aangebeden op de slaapstede, 48 ja, ook heeft de Koning aldus gezegd: Geloofd zij de Heere de God Israels, die heden gegeven heeft eenen zittende op mijnen troon, dat mijne oogen het gezien hebben. 49 Toen verschrikten en stonden óp alle de genooden die bij Adonia waren, en gingen een iegelijk zijns weegs. 50 Doch Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op en ging henen en vatte de hoornen des altaars. 51 En men maakte Salomo be- |
|
1 KON I kend, zeggende: Zie, A don ia vreest den Koning Salomo want zie, hij heeft de hoornen des altaars gevat, zeggende: Dat de Koning Salomo mij lieden zwere dat hij zijnen knecht mst het zwaard niet dooden zal. 52 En Salomo zeide: Indien hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar indien in hem kwaad bevonden zal worden, zoo zal hij sterven. 53 Ãn de Koning Salomo zond henen en zij deden hem afgaan van het altaar, en hij kwam en boog zich neder voor den Koning Salomo, en Salomo zeide tot hem: Ga henen naar uw huis. HOOFDSTUK 2. Als nu de dagen Davids nabij waren dat hij sterven zoude, zoo gebood hij zijnen zoon Salomo, zeggende: 2 Ik ga henen in den weg der gansche aarde; zoo zijt sterk en wees een man; 3 en neem waar de wacht des Heehen itws Gods, om te wandelen in zijne wegen, om te onderhouden zijne inzettingen en zijne geboden en zijne rechten en zijne getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van j\lozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult en al waarhenen gij u wenden zult; 4 opdat de Heeke bevestige zijn woord, dat hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uwe zonen hunnen weg bewaren, om voor mijn aangezicht trouwe-lijk met hun gansche hart en met hunne gansche ziel te wandelen, zoo zal geen man, zeide hij, n afgesneden worden van den troon Israels. 5 Zoo weet gij ook wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft den twee krijgsoversten Israels, Abner den zoon van Ner, en Amasa, den zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgs-bloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan aijnen gordel die aan zijne len- |
STGEN 2. 409 I denen was, en aan zijne schoenen die aan zijne voeten waren: 6 doe dan naar uwe wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen. 7 Maar den zonen van Barzil-lai den Gileadiet zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen die aan uwe tafel eten; want alzoo naderden zij tot mij als ik vluchtte vo;gt;r het aangezicht uws broeders Ab-saloms. 8 En zie, bij u is Simei, de zoon van ^ Gera, de Benjaminiet uit Bahurim, die mij vloekte met eenen geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanaïm; doch hij kwam af, mij tegemoet aan den Jordaan, en ik zwoer hem bij den Heere, zeggende: Zoo ik hem met den zwaaide doode! 9 Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe har met bloed in het graf doet dalen. 10 En David ontsliep met zijne vaderen en werd begraven in de stad Davids. 11 De dagen nu die David geregeerd heeft over Israël zij n veertig jaar: zevenjaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drieëndertig jaren geregeerd. 12 En Salomo zat op den troon zijns vaders Davids, en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd. 13 Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, tot Bathséba, de moeder van Salomo. En zij zeide: Is uwe komst vrede ? En hij zeide: Vrede. 14 Daarna zeide hij : Ik heb een woord aan u. En zij zeide spreek. 15 Hij zeide dan: Gij weet dat het koninkrijk mijn was, en het gansche Israël zijn aangezicht op mij gezet had dat ik Koning zijn zoude; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders gewerden is, want het is van den Heere hem geworden: ^ 1G en nu begeer ik van u eene éénige begeerte, wijs mijn auu- |
|
410 1 KONI1 gezicht niet af. En zij zeide tot hem: Spreek. 17 En hij zeide: Spreek toch tot den Koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag deSunamiti-gclie tot vrouw geve. 18 En Bathséba zeide: Hot is goed, ik zal den Koning voor u aanspreken. 19 Zoo kwam Bathséba tot den Koning Salomo om hem voor Adonia aan te spreken; en de Koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijnen troon, en deed eenen stoel voor de moeder des Konings zetten; en zij zat aan zijne rechterhand. *20 Toen zeide zij: Ik begeer van u eene éénige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de Koning zeide tot liaar: Begeer, mijne moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.^ 21 En zij zeide: Laat Abisag de Sunamitische aan Adonia uwen broeder tot vrouw gegeven worden. 22 Toen antwoordde de Koning Salomo en zeide tot zijne moeder : En waarom begeert gij Abisag de Sunamitische voor Adonia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broeder, lt;lie ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar den Priester, en voor Joab, den zoon van Zeruja. 23 En de Koning Salomo zwoer bij den Heere, zeggende: Zóó doe mij God en zóó doe hij daartoe, voorzeker, Adonia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben; 24 en nu zoo waarachtig ah de Heere leeft, die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op den troon mijns vaders Davids, en die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als hij gesproken had, voorzeker, Adonia zal heden gedood worden. 25 En de Koning Salomo zond door de hand van Benaja, den zoon van Jojada: die vielophem aan dat hij stierf. 2ü En tot Abjathar den Priester |
GEN 2. zeide de Koning: Ga naar Ana-thoth op uwe akkers; want gij zijt een man des doods, maar op dezen dag zal ik u niet doo-den, omdat gij de Ark des Heeren Heeren voor het aangezicht mijns vaders Davids gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zij' geweest in alles waarin miju vader verdrukt was. 27 Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij des Heeren Priester niet was, om te vervullen het woord des Heeren, hetwelk hij over het huis van Eli te Silo gesproken had. 28 Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zicli niet had gewend achter Absalom). zoo vluchtte Joab tot do Tent des Heeren, en vatte de hoornen des altaars. 29 En het werd den Koning Salomo aangezegd dat Joab tot-de Tent des Heeren gevloden was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, den zoon van Jojada, zeggende: Ga henen, val op hem aan. 30 En Benaja kwam tot de Tent des Heeren, en zeide tot hem: Zóó zegt de Koning: Kom uit. En hij zeide: Neen, maar hier zal ik sterven. En Benaja bracht het antwoord weder aan den Koning, zeggende: Zóó heeft Joab gesproken en zóó heeft hij mij geantwoord. 31 En de Koning zeide tot hem : Doe gelijk als hij gesproken heeft en val op hem aan, en begraaf hem, opdat gij wegdoet van mij en van mijns vaders huis dat bloed dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft. 32 Zoo zal de Heere zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar liet mijn vader David niet wist: Abner, den zoon van Ner, den krijgsoverste van Israël, en Amasa, den zoon van Jether, den krijgsoverste van J uda. 33 Alzoo zal hun bloed weder- |
|
1 KONI keeren op het hoofd var. Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David en zijn zaad en zijn huis en zijn troon zal vrede hebben vandeuHEERE tot in eeuwigheid. 34 En Benaja, de zoon van Jo-jada, ging op, en viel op hem aan en doodde hemden hij werd begraven in zijn huis in de woestijn. 35 En de Koning zette Benaja, den zoon van Jojada, in zijne plaats over het heir, en Zadok den Priester zette de Koning in de plaats van Abjathar. _ 3ü Daarna zond de Koning en riep Simei', en zeide tot hem: Bouw u een huis te Jeruzalem, en woon aldaar, en ga van daar niet uit herwaarts of derwaarts; 37 want het zal geschieden ten dage uws uitgaans, als gij ever de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker dat gij den dood sterven zult: uw bloed zal op uw hoofd zijn. 38 En JSiineï zeide tot den Koning: Dat woord is goed, gelijk als mijn heer de Koning gesproken heeft, al zóó zal uw knecht doen. En Simei woonde te Jeruzalem vele dagen. 39 Doch het geschiedde met het einde van driejaren, dal twee knechten van Simei' wegliepen tot Achisj den zoon van Maiicha, den Koning van Gath; en men gaf liet Sirneï te kennen, zeggende: Zie, uwe knechten zijn in Gath. 40 Toen maakte zich Simei op, en zadelde zijnen ezel, en toog henen naar Gath tot Achis om zijne knechten te zoeken; zoo toog Simei henen en bracht zijne knechten van Gath. 41 En het werd Salomo aangezegd dat Simei uit Jeruzalem naar Gath getogen en wedergekomen was; 42 toen zond de Koningen riep Simei', en zeide tot hem: Heb ik u niet beëedigd bij den Heere en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage uws uitgaans, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker dat gij den dood zult sterven? Eu gij zeidet tot |
N GEN 3. 411 mij: Dat woord is goed dat ik gehoord heb. 43 Waarom dan hebt gij den eed des Heeren niet gehouden, ! en het gebod dat ik over u ge-! boden had? j 44 Voorts zeide de Koning tot Simeï: Gij weet al de boosheid, die uw harte weet, die gij aan mijnen vader David gedaan hebt: daarom heeft de Heere uwe boosheid op uw hoofd doen weder-keeren; 45 maar de Koning Salomo is gezegend, en de troon Davids zal bevestigd zijn voor het aangezicht des Keeren tot in eeuwig-; heid. 40 En de Koning gebood Benaja, den zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan dat hij stierf. Alzoo is het koninkrijk i bevestigd in de hand van Salomo. HOOFDSTUK 3. En Salomo verzwagerde zich met Farao, den Koning van Egypte, en nam de dochter Farao's en bracht ze in de stad Davids, totdat hij voleindigd zoude hebben het bouwen van zijn huis, en het Huis des Heerex, enden muur van Jeruzalem rondom. 2 Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want geen huis was den naam des Heeren ge-1 bouwd tot die dagen toe. ! # 3 En Salomo had den Heere lief, wandelende in de inzettingen zijns vaders Davids: alleenlijk offerde hij en rookte op de j hoogten. 4 En de Koning ging naar Gi-beon om aldaar te offeren, omdat i die hoogte groot was: duizend j brandofferen offerde Salomo op j dat altaar. 5 Te Gibeon verscheen de Hee-ke Salomo in eenen droom des nachts, en God zeide: Begeer | wat ik u geven zal. ü En Salomo zeide: Gij hebt aan uwen knecht David mijnen j vader groote weldadigheid ge-⢠daan, gelijk als hij voor uw aan-j gezicht gewandeld heeft in waarheid en in gerechtigheid en ia |
1 KONING El
412
|
oprechtheid des harten met u; en gij hebt hem deze groote weldadigheid gehouden, dat gij hem gegeven hebt eenen zoon zittende op zijnen troon, als te de- 7 Nii~ dan, Heerh mijn God, gij hebt uwen knecht Koning gemaakt in mijns vaders Davids plaats; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan; ^ ^ | S en uw knecht is in het mid- i den uws volks dat gij verkoren , hebt, een groot volk, hetwelk j niet kan geteld noch gerekend worden vanwege de menigte: 9 geef dan uwen knecht een verstandig hart om uw volk te j richten, verstandelijk onderschei- 1 dende tusschen goed en kwaad; want wie zoude dit^uw zwaar volk kunnen richten? 1(J Die zaak nu was goed in de oogen des Heeren, dat Salomo deze zaak begeerd had. 11 En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet voor u begeerd hebt vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden, maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtzaken te hoo-ren: 12 zie, ik heb gedaan naar uwe woorden; zie, ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uwsgelijke vóór u niet geweest is, en uwsgelijke na u niet opstaan zal. 13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt heb ik u gegeven, beide rijkdom en eere; dat uwsgelijke niemand onder de Koningen alle uwe dagen zijn zal. 14 En zoo gij in mijne wegen wandelen zult, onderhoudende mijne inzettingen, en mijne geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zoo zal ik ook uwe dagen verlengen. 15 En Salomo waakte op, en zie, liet was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de Ark des verbonde des Heek en', en oüerde brandotferen, eu bereidde dankofferen, en maakte een maaltijd allen zijnen knechten. |
16 Toen kwamen daar twee vrouwen die hoeren waren tot den Koning, en zij stonden voor zijn aangezicht; 17 en de ééne vrouw zeide: Och mijn heer, ik en deze vrouw wonen in één huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard. 18 Het is nu geschied op den derden dag na mijn baren, dat deze vrouw óók gebaard heelt: en wij waren te zamen, geen vreemde was met ons in het huis, behalve wij tweeën in het huis. 19 En de zoon dezer vrouw is 's nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had; 20 en zij stond te middernacht op, en nam mijnen zoon van bij mij, als uwe dienstmaagd sliep, en leide hem in haren schoot, en haren dooden zoon leide zij in mijnen schoot. 21 En ik stond in den morgen op om mijnen zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in den morgen op hem, en zie, liet was mijn zoon niet dien ik gebaard had. 22 Toen zeide de andere vrouw: | Neen, maar die levende is mijn 1 zoon, en de doode is uw zoon; 1 gene daarentegen zeide: Neen, 1 maar de doode is uw zoon, en de levende is mijn zoon. Alzoo spraken zij voor het aangezicht des Konings. 23 Toen zeide de Koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon die leeft, maar uw zoon is het die dood is; en die zegt: Neen, maar de doode is uw zoon en de levende mijn zoon. 24 Voorts zeide de Koning: Haalt mij een zwaard. En zij I brachten een zwaard voor het aangezicht des Konings; 25 en de koning zeide: Doorsnijdt dat levende kind in tweeën, i en geeft de ééne een helft en de : andere een helft. 26 Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot den i Koning (want haar ingewand ; ontstak over haren zoon), en zei-! de: Och mijn heer, geeft haar |
|
1 K O NI het levende kind, en doodt het geenszins: deze daarentegen zei-de : Het zij noch liet uwe noch het mijne, doorsnijdt het. 27 Toen antwoordde de Koning en zeide; Geeft aan géne het levende kind, en doodt het geenszins: die is zijne moeder. 28 En geheel Israël hoorde dat oordeel dat de Koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht des Konings, want zij zagen dat de wijsheid Gods in hem was om recht te doen. HOOFDSTUK 4. Alzoo was de Koning Salomo Koning over gansch Israël. 2 En deze waren de Vorsten die hij had: Azarja, de zoon van Zadok, was opperambtman; o Elihoref en Ahia, de zonen van Sisa, waren schrijvers; Jo-safat de zoon van Ahiiud, was kanselier. 4 En Benaja, de zoon van Jo-jada, was over het heir; en Zadok en Abjathar waren Priesters ; 5 en Azarja, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was o verambtman, des Konings vriend; 0 En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting. 7 En Salomo had twaalf bestelmeesters over gansch Israël, die den Koning en zijn Imis verzorgden: voor elk een was eene maand in het jaar om te verzorgen. 8 En dit zijn hunne namen: de zoon van Hur was in het gebergte Efraïms. 0 De zoon van Deker in Makaz en in Saalbim, en Beth-JSémes, en Eim Beth-Hanan. 10 De zoon van Hesed in Arub-both; hij had daartoe Socho en het gansche land Hefer. 11 De zoon van Abinadab had de gansche landstreek van Dor: deze had Tafath, de dochter van «Salomo, tot eene vrouw, 12 Baëna, de zoon van Ahilml, «Lad Taanach, en Megiddo, enhet |
NGEN 4. 413 gansche Beth-Sean, hetwelk is bij Zarethana beneden Jizreël, van Beth-Sean af tot Abel-Me-hola, tot op gene zijde van Jok-meam. 13 De zoon van Geber, was te Bamoth in Gilead: hij had de dorpen van Jaïr, den zoon van Manasse, die in Gilead zijn: ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig jcroote steden met muren en koperen grendelen. 14 Ahinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaïm. 15 Ahimaiiz was in Naftali: deze nam ook Salomo's dochter Basmath ter vrouwe. 16 Baëna, de zoon van Husai, was in Aser en in Aloth. 17 Josafat, de zoon vanParüah, in Issaschar. 18 Simei', de zoon van Ela, in Benjamin. 19 Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het laiulvan Sihon, den Koningder Amoriten, en van Og, den Koning van Basan, en hij was de eenige bestelmees-ter die in dat land was. 20 Juda nu en Israël waren velen, als zand dat aan de zee is in menigte, etende en drinkende en blijde zijnde. 21 En Salomo was heerschende over alle de koninkrijken van de rivier tot het land der Filist ijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken en dienden Salomo alle de dagen zijns levens. 22 De spijze nu van Salomo was voor éénen dag dertig kor meelbloem en zestig kor meel; 23 tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten en reeën en buffelen en gemeste vogelen. 24 Want hij had heerschappij over al wat aan deze zijde der rivier was, van Tifsah tot aan Gaza, over alle Koningen aan deze zijde der rivier; en hij had vrede van alle zijde rondom. 25 En Juda en Israël woonden | zeker, een iegelijk onder zijnen i wijnstok en onder zijnen vijge- |
|
414 1 KO-SIJ boom, van Dan tot Ber-Seba, alle de dagen van Salomo. 26 Salomo had ook veertigduizend paardenstallen voor zijne â wagenen, en twaalfduizend rui-teren. 27 Die bestelmeesters nu, een ieder in zijne maand, verzorgden den Koning Salomo en alle degenen die tot des Konings Salo-mo's tafel naderden: zij lieten geen ding ontbreken. 28 De gerst nu en het stroo voor de paarden en voor de snelle kemel en brachten zij aan de plaats waar hij was, een iegelijk naar zijnen last. 29 En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip des harten, gelijk zand dat aan den oever der zee is: 30 en de wijsheid Salomo's was grooter dan de wijsheid van alle die van het Oosten, en dan alle wijsheid der Egyptenaren; 31 ja, hij was wijzer dan alle menschen, dan Ethan deEzrahiet, en Heman, en Kalkol, enDarda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom. 32 En hij sprak drieduizend spreuken, daartoe waren zijne liederen duizend en vijf. 33 Hij sprak ook van de boo-men, van den cederboom af die op den Libanon is, tot op den hysop die aan den wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de visschen. 34 En van alle volken kwamen er om de wijsheid Salomo's te hooren, van alle Koningen der aarde, die van zijne wijsheid gehoord hadden. HOOFDSTUK 5. En Hiram, de Koning van Ty-rus, zond zijne knechten tot Salomo (want hij had gehoord dat zij Salomo tot Koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), dewijl Hiram David altijd bemind had. 2 Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende: 3 Gij weet dat mijn vader Da- |
GEN 5. vid den naam des Hef.ren zijns Gods niet konde een Huis bouwen, vanwege den oorlog waarmede zij hem omsingelden, totdat de Heere hen onder zijne voetzolen gaf. 4 Blaar nu heeft de Heere mijn God mij van rondom rust gegeven : daar is geen tegenpartij der en geene bejegening van kwaad. 5 En zie, ik denk voor den naam des Heerex mijns Gods een Huis te bouwen, gelijk als de Heere gesproken heeft tot mijnen ^ader David zeggende: Uw zoon, dien ik in uwe plaats op uwen troon zetten zal, die zal mijnen naam dat Huis bouwen 6 Zoo gebied nu, dat men mij cederen uit den Libanon houwe. en mijne knechten zullen met uwe knechten zijn, en het loon uwer knechten zal ik u geven, naar al dat gij zeggen zult; want gij weet dat onder ons niemand is die weet hout te houwen gelijk de Sidoniërs. 7 En het geschiedde als Hiram de woorden van Salomo gehoord had, dat hij zich zeer verblijdde, en zeide: Gezegend zij de Heere heden, die David eenen wijzen zoon gegeven heeft over dit groo-te volk. 8 En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord waarom gij tot mij gezonden hebt: ik zal al uwen wil doen met het cederenhout en met het dennenhout: 9 mijne knechten zullen ze afbrengen van den Libanon aan de zee, en ik zal ze op vlotten over de zee doen voeren tot die plaats, die gij mij gebieden zult, en zal die aïdaar losmaken, en gij zult ze wegnemen: gij zult ook mijnen wil doen, dat gij mijnen huize spijze geeft. 10 Al zoo gaf Hiram Salomo cederenhout en dennenhout, naar al zijnen wil; 11 en Salomo gaf Hiram twintigduizend kor tarwe tot spijze van zijn huis, en twintig kor ge-stooten olie; zulks gaf Salomo Hiram jaar op jaar 12 De Heere dan gaf Salomo wijsheid, gelijk als hij tot hem |
|
1 KOtfIK gesproken Imd; en daar was vrede tusschen Hi ram en tusschen Salomo, en zij beiden maakten een verbond. 13 En de Koning Salomo deed een uitschot opkomen nitgansch Israël, en het uitschot was dertigduizend man; 14 en hij zond ze naar i.en Libanon, tienduizend elke naand bij beurten; écne maand waren zij in den Libanon, twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot. 15 Daartoe had Salomo zeventigduizend die last droegen, en tachtigduizend houwers op het gebergte, 1G behalve de oversten van Sa-lomo's bestelden die over dat werk waren, drieduizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk hetwelk dat werk deed. 17 Als nu de Koning het gebood, zoo voerden zij groote stee-nen toe, kostelijke steenen, gehouwen steenen, om den grond van dat Huis te leggen. 18 En de bouwlieden Salomo's, en de bouwlieden Hirams, en de Gibliten behieuwen ze, en bereidden het hout toe en de siee-nen om dat Huis te bouwen. HOOFDSTUK 6. Het geschiedde nu in het vierhonderden tachtigste jaar na den uitgang der kinderen Israels uit Egypte, in het vierdejaar van het koninkrijk Salomo's over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand) dat hij liet Huis des Hef.ken bouwde. 2 En dat Huis, hetwelk de Koning Salomo den Heere bouwde, was van zestig ellen in zijne lengte, en van twintig in zijne breedte, en van dertig ellen in zijne hoogte; 3 en het voorhuis, vóóraan den Tempel, van dat Huis was in zijne lengte van twintig ellen, naar de breedte van het Huis, tien ellen in zijne breedte, vóóraan het huis. 4 En hij maakte vensteren aan het Huis van gesloten uitzichten. 5 En rondom aan den wand |
GEN G. 415 van het Huis bouwde hij kame-ren, aan de wanden van het Huis rondom, heide van den Tempel en van de Aanspraakplaats: al-zoo maakte hij zijkameren rondom. G De onderste kamer was van vijf ellen in hare breedte, en de middelste van zes ellen in hare breedte, en de derde van zeven ellen in hare breedte; want hij had aan het Huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het Huis. 7 Het Huis nu als het gebouwd werd, werd met volmaakten steen, zooals die toegevoerd was, ge-bouwd ; zoodat geene hameren nog bijlen of eenig ijzeren gereedschap gehoord werd in het Huis, als het gebouwd werd. 8 De deur der middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het Kuis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de derde. 9 Alzoo bouwde hij het Huis en voltooide het, en bedekte dat Huis met verwelfsels en rijen van cederen. 10 Hij bouwde ook de kameren aan het gansche Huis van vijf ellen in hare hoogte, en hij voegde ze vast aan dat Huis met cederenhout. 11 Toen geschiedde het woord des Heer en tot Salomo, zeggende: 12 Aangaande dit Huis dat gij bouwt, zoo gij wandelt in mijne inzettingen, en doet mijne rechten, en onderhoudt alle mijne geboden, wandelende in dezelve, zoo zal ik mijn woord met u bevestigen dat ik tot uwen vader David gesproken heb, 13 en ik zal in het midden der kinderen Israels wonen en ik zal mijn volk Israël niet verlaten. 14 Alzoo bouwde Salomo dat Huis en voltooide hetzelve. 15 Ook bouwde hij de wanden van hot Huis van binnen met cederen planken: van den vloer des Huizes tot aan het dak der wanden beschoot hij ze van binnen met hout, en overdekte- |
1 KONINGEN 6.
416
|
den vloer van het Huis met dennenplanken. 1(3 Daarbij bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het Huis, van den vloer af tot de wanden; dit bouwde hij hem van binnen tot «ene Aanspraakplaats, tot het Heilige der Heiligen. 17 Dat Huis nu was van veertig ellen, namelijk de Tempel die vooraan was. 18 En het ceder aan het Huis inwendig was gesneden met knoppen en opene bloemen; het was alles ceder, geen steen werd gezien. 19 En de Aanspraakplaats bereidde hij naar binnen in het Huis, om do Ark des verbonds des Heeren daar te zetten; 20 en de Aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in hare hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud, ook overtoog hij het cederen altaar. 21 En Salomo overtoog het Huis van binnen met gesloten goud, en hij toog voor de Aanspraakplaats eenen voorhand henen door met gouden ketenen en overtoog dien met goud: 22 alzoo overtoog hij het gansche Huis met goud, totdat liet gansche Huis voltooid was: daartoe overtoog hij met goud het geheele altaar dat voor de Aanspraakplaats was. 23 In de Aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout, elks hoogte was tien ellen. 24 En van vijf ellen was de ééne quot;leugel des cherubs, en van vijf ellen de andere vleugel des cherubs; van het einde zijns óénen vleugels tot aan het einde zijns anderen vleugels waren tien ellen. 25 Alzoo was de andere cherub van tien ellen: beide cherubs hadden éénerlei maat en éénerlei snede. 2ü De hoogte des éénen cherubs was van tien ellen, en alzoo des anderen cherubs. |
27 En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste Huis; en de cherubs spreidden de vleugelen uit, zoodat de vleugel des éénen raakte aan dezen wand, en de vleugel des anderen cherubs raakte aan den anderen wand, en hunne vleugelen naar het midden van het Huis raakten vleugel aan vleugel. 28 En hij overtoog deze cherubs met goud. 29 En alle de wanden van het Huis in het rond graveerde hij met uitgesneden graveeringeu van cherubs en van palmbommen en opene bloemen, van binnen en van buiten. 30 Daartoe overtoog hij den vloer van het Huis met goud, van binnen en van buiten. 31 En aan den ingang der Aanspraakplaats maakte hij deuren van oelieachtig hout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel des tcands. 32 De twee deuren ook waren van olieachtige boomen; en hij graveerde daarop graveeringen van cherubs en van palmboomen en van opene bloemen, dewelke hij met goud overtoog: ook trok hij goud over de cherubs en over de palmboomen. 33 En alzoo maakte hij aan de deur des Tempels posten van olieachtige boomen, uit het vierde deel van den icand. 34 En de twee deuren waren van dennenhout; de twee zijden der ééne deur waren omdraaiende, alzoo waren de twee gegraveerde zijden der andere deur omdraaiende. 3ö En hij graveerde ze met cherubs en palmboomen en opene bloemen, dewelke hij met goud overtoog, gericht naar het uit-gesnedene. 3(5 Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen steenen en eene rij cederen balken. 37 In het vierde jaar werd de grond van het Huis des Heeren gelegd, in de maand Ziv; 38 en in het elfde jaar, in de maand Bul, â¢welke is de achtste |
|
1 K ON I maand, was dit Huis voltooid, naar alle zijne stukken en naar al zijn beliooren: alzoo Leeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. HOOFDSTUK 7. Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertig jaar, en hij voltooide zijn gansche huis. 2 Hij bouwde ook het huis des wouds van den Libanon, van honderd ellen in zijne lengte, en vijftig ellen in zijne breedte, en dertig ellen in zijne hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren. 3 En het was bedekt met ceder van boven op de ribben, die op vijfenveertig pilaren waren, vijftien in eene rij. 4 Daar waren drie rijen van uitzichten, dat het ééne venster was over het andere venster in drie orden. 5 Ook waren alle de deuren en de posten vierkant van éénerlei uitzicht; en venster was tegenover venster, in drie orden. 6 Daarna maakte hij een voorhuis van pilaren: vijftig ellen was zijne lengte, en dertig ellen zijne breedte; en het voorhuis was tegenover die, en de pilaren met de dikke balken tegenover dezelve. 7 Ook maakte hij een voorhuis voor den troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis des ge-richts, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer. 8 En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer binnenwaarts dan dat voorhuis, hetwelk aan diit werk gelijk was. Ook maakte hij voor de dochter Farao's, die Salomo lot vrouw genomen had, een huis | aan dat voorhuis gelijk. 9 Alle deze dingen waren van â kostelijke steenen, naar do maten i gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van den grondslag tot aan j de neutsteenen van een palm i breed, en van buiten tot het groote voorhof. 10 liet was ook gegrondvest met kostelijke steenen, groote |
S'GEN 7. 417 steenen, met steenen van tien ellen en steenen van acht ellen; 11 en bovenop kostelijke steenen, naar de winkelmaten gehouwen, en cederen. 12 En het groote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen steenen, met eene rij van cederen balken. Zoo was het met het binnenste voorhof van het Huis des Heerex, en met het voorhuis van dat huis. 13 En de^ Koning Salomo zond henen en liet Hiram van ïyrus halen;_ 14 hij was de zoon eener weduwvrouw uit den stam Naftali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheiden met verstand en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot den Koning Salomo en maakte al zijn werjr. 15 Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte des oenen pilaars was achttien el, en een draad van twaalf ellen omving den anderen pilaar. 1G Hij maakte ook twee kapi-teelen van gegoten koper, om op de hoofden der p. laren te zetten; vijf ellen was de hoogte des éenen kapiteels, en vijf ellen de hoogte des anderen kapiteels. 17 De netten waren van netwerk, de banden van ketenwerk voor de kapiteelen die op liet hoofd der pilaren waren: zeven waren voor het ééne kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel. 18 Zoo maakte hij de pilaren, mitsgaders twee rijen rondom over het ééne net, om de kapiteelen die boven het hoofd der granaatappelen waren te bedekken; alzoo deed hij ook aan het andere kapiteel. 19 Eu de kapiteelen, dewelke waren op het hoofd der pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen. 20 De. kapiteelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover den buik, dewelke was nevens het net; en tweehonderd granaatappelen waren in rüen 14 |
1 KONINGEN 7.
418
|
rondom ooi: over het andere kapiteel. 21 Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis des , Tempels; en den rechterpilaar i opgericht hebbende, zoo noemde | hij zijnen naam Jachin, en den linkerpilaar opgericht hebbende, zoo noemde hij zijnen naam Boaz. 22 En op het hoofd der pilaren was het leliewerk; alzoo â¢werd het werk der pilaren voltooid. 23 Voorts maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij van haren éénen rand tot haren anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in hare hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen om- ! ving ze rondom. 24 En onder haren rand waren knoppen, dezelve^ rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom: twee rijen dezer knoppen waren in hare gieting gegoten. 25 Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het Noorden, i en drie ziende naar het Westen, en drie ziende naar hot Zuiden, en drie ziende naar het Oosten, en de zee was bovenop dezelve, | en alle hunne achterdeelen waren binnenwaarts. 26 Hare dikte nu was eene hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of eener leliebloem; zij hield tweeduizend bath. 27 Hij maakte ook tien koperen stellingen: van vier ellen was de lengte ééner stelling, en van vier ellen hare breedte, en van drie ellen hare hoogte. 28 En dit was het werk der stelling: zij hadden lijsten, en de lijsten warentnsschen kransen; 29 en op de lijsten, die tus-echen de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op de kransen was een voet van boven, en onder de leeuwen en runderen bijvoegselen van uitgerekt werk. 30 En ééne stelling had vier koperen raderen en koperen platen, en hare vier hoeken hadden schouderen; onder het waschvat waren deze gegoten schouderen terzijde van ieder» bijvoegselen. |
31 En de mond daarvan was^ van binnen aan den krans en daarboven, van eene el, en de mond hiervan was rond van voetwerk van eene el en een halve el; en op den mond daarvan waren ook graveeringen, en de lijsten daarvan waren vierkant, niet rond. 32 De vier raderen nu waren onder de lijsten, en de assen der raderen aan de stelling; en de hoogte van één rad was eene el en een halve el. 33 En het werk van die raderen was als het werk van een wagenrad ; hunne assen en hunne naven en hunne randen en hunne spaken waren alle gegoten. 34 En daar waren vier schouderen op de vier hoeken ééner stelling, hare schouderen waren uit de stelling. 35 En op het hoofd eener stelling was eene ronde hoogte van eene halve el rondom; ook waren op het hoofd der stelling hare handvatsels, en hare lijsten uit dezelve. 3G Hij sneed nu op de platen harer handvatsels, en op hare lijsten, cherubs, leeuwen en palm-boomen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom. 37 Dezen gelijk maakte hij de i tien stellingen; éénerlei^gieting, I éénerlei maat, éénerlei snede 1 hadden zij alle. 38 Hij maakte ook tien koperen waschvaten; ee:.i waschvat hield . veertig bath, één waschvat was vier ellen; op ilke stelling van «lie tien stellingen was één j waschvat. 30 En hij zei,te vijf dier stellingen aan de rechterzijde van het Huis, en vijf aan de linkerzijde van het Huis: maar de zee zette hij aan de rechterzij do van het Huis, oostwaarts tegen het Zuiden. 40 Daartoe mnakte Hiram de waschvaten, en de schollelen, en de besprengbekkens; en Hiram â voleindigde al het werk te maken, 1 dat hij voor den Koning Salomo |
1 KONINGEN 8.
419
|
maakte voor liet Huis des Hkeken: 41 te te eten de twee pilaren en bollen der kapiteelen die op der twee pilaren hoofd waren, en de twee netten om de twse bollen der kapiteelen te bedekken, die op het hoofd der pilaren waren, 42 en de vierhonderd granaatappelen voor de twee netten, ««-indijk twee rijen van granaatappelen voor het ééne net om de twee bollen der kapiteelen te bedekken die bovenop de pilaren waren; 43 mitsgaders de tien stellingen en de tien wasehvaten op de stellingen; 44 daartoe de eenige zee, en de twaalf runderen onder die zee ; 45 ook de potten, en de schoffelen, en de besprengbekkens, en alle deze vaten die Hiram voor den Koning Salomo voor het Huis des^ Heeren maakte alles van gepolijst koper. 46 In de vlakte van den Jor-daan goot de Koning ze, in dichte aarde, tusschen Sukkoth en tus-schen Zarethan. 47 En Salomo liet alle deze vaten ongeioogen vanwege de zeer groote menigte, het gewicht des kopers werd niet onderzocht. 48 Ook maakte Salomo alle de vaten die voor het Huis des Heeren waren; het gouden altaar, en de gouden tafel op welke de toonbrooden waren; 49 en de kandelaren, vijf aan de rechterhand en vijf aan de linkerhand, voor de Aanspraak-plaats, van gesloten goud; en de bloemen en de lampen en de snuiters van goud; 50 mitsgaders de schalen en de gaftelen en de sprengbekkens en de rookschalen en de wierookvaten van gesloten goud; daartoe de hengsels der deuren van het binnenste huis, van het Heilige der Heiligen, en der deuren van het huis des Tempels van goud. 51 Alzoo werd al het werk volbracht dat de Koning Salomo aan het Huis des Heeren maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen zijns vaders Davids; |
! het zilver en het goud, en de | vaten leide hij onder de schatten i van het Huis des Heeren. HOOFDSTUK 8. Toen vergaderde Salomo de oudsten Israëls en alle de hoofden der stammen, de oversten der 1 vaderen onder de kinderen Israëls, tot den Koning Salomo te Jeruzalem, om de Ark des , verbonds des Heeren op te brengen uit de stad Davids, dewelke i is Sion. 2 En alle mannen Israëls ver-| zamelden zich tot den Koning Salomo in de maand Ethanim op j het feest, die is de zevende maand. 3 Alle de oudsten Israëls, kwamen, en de Priesters namen de ' Ark op, 4 en zij brachten de Ark des Heeren en de Tent der samenkomst opwaarts, mitsgaders alle de heilige vaten die in de Tent waren, en de Priesters en de Levi ten brachten dezelve opwaarts. 5 De Koning Salomo nu en de gansche vergadering Israëls, die bij hem vergaderd waren, waren met hem vóór de Ark otterende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden. 6 Alzoo brachten de Priesters de Ark des verbonds des Heeren tot hare plaats, tot de Aanspraak- ' plaats des Huizes, tot het Heilige der Heiligen, tot onder de vleugelen der cherubs. 7 Want de cherubs spreidden beide vleugelen over do plaats der Ark en de cherubs : overdekten de Ark en hare hand-! boomen van boven. 8 Daarna schoven zij de hand-boomen verder uit, dat de hoofden der handboomen gezien wer-den; en zij zijn aldaar tot op dezen dag. i 9 Daar was niets in de Ark 1 dan alleen de twee steenen tafelen die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als de Heere een ] verhond maakte met de kinderen Israëls, toen zij uit Egypteland | uitgetogen waren. ' 10 En het geschiedde als de |
|
420 1 KONI Priesters uit het Heilige uitgingen, dat eene wolk het huis des Heeren vervulde; 11 en de Priesteren konden niet staan om te dienen vanwege de wolk; want do heerlijkheid des Heeren had het Huis des Hee-ren vervuld. 12 Toen zeide Salomo: De Heere heeft gezegd dat hij in donkerheid zoude wonen. 13 Ik heb immers een Huis gebouwd u ter woonstede, eene vaste plaats tot uwe eeuwige woning. 14 Daarna wendde de Koning zijn aangezicht om, en zegende de gansche gemeente Israels; en de gansche gemeente Israels stond. 15 En hij zeide; Geloofd zij de Heere de God Israels, die met zij nen mond tot mijnen vader David gesproken heeft, en heeft het met zijne hand vervuld, zeggende : 10 Van dien dag af dat ik mijn volk Israël uit Egypt el and uitgevoerd heb, heb ik geene stad verkoren uit alle_ stammen Israël s om een Huis te bouwen, dat mijn naam daar zoude wezen ; maar ik heb David verkoren dat hij over mijn volk Israël wezen zoude. 17 Het was ook in het harte mijns vaders Davids, een Huis den naam des Heeren des Gods Israels te bouwen; 18 maar de Heere zeide tot David mijnen vader; Dewijl dat in uw harte geweest is, mijnen naam een Huis te bouwen, gij hebt wèl gedaan dat het in uw harte geweest is; 19 evenwel gij zult dat Huis niet bouwen; maar uw zoon die uit uwe lendenen voortkomen zal, die zal mijnen naam dat Huis bouwen. 20 Zoo heeft de Heere bevestigd zijn woord dat hij gesproken luid; want ik ben opgestaan in de plaats mijns vaders Davids, en ik zit op den troon Israels gelijk als de Heere gesproken heeft, en ik heb een Huis gebouwd den naam des Heeren des Gods Israels. |
^GEN 8. 21 en ik heb daar eene plaata beschikt voor de Ark waarin het verbond des Heeren is, hetwelk hij met onze vaderen maakte als hij ze uit Egypteland uitvoerde. 22 En Salomo stond vóór het altaar des Heeren, tegenover de gansche gemeente Israëls, en breidde zijne handen uit naar den hemel; 23 en hij zeide: Heere God 1^-raëls, daar is geen God gelijk gij boven in den hemel noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid uwen knechten, die voor uw aangezicht met hun gansche hart wandelen; 24 die uwen knecht mijnen vader David gehouden hebt wat gij tot hem gesproken hadt; want met uwen mond hebt gij gesproken en met uwe hand vervuld, gelijk het te dezen dage is. 25 En nu, Heere God Israels, houd uwen knecht mijnen vader David wat gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor mijn aangezicht afgesneden worden die op den troon Israëls zitte: alleenlijk zoo uwe zonen hunnen weg bewaren om te wandelen voor mijn aangezicht, gelijk als gij gewandeld hebt voor mijn aangezicht. 26 Nu dan, o God Israëls, laat toch uw woord waar worden,hetwelk gij gesproken hebt tot uwen knecht mijnen vader David. 27 Maar waarlijk, zoude God op de aarde wonen'? Zie, de hemelen, ja c^e hemel der hemelen zouden u niet bevatten, hoeveel te min dit Huis dat ik gebouwd heb! 2S Wend u dan nog tot het gebed uws knechts en tot zijne smeeking, o Heere mijn God, om te hooren naar het geroepen naar het gebed., dat uw knecht heden voor uw r angezicht bidt. 21» Dat uwe oogen open zijn nacht en dag over dit Huis, over deze plaats, van dewelke gij gezegd hebt: Mijn naam zal daar zijn om te hoorfn naar het gebed, hetwelk uw knecht bidden zal in deze plaats. 30 Hoor dan naar de smeeking |
|
1 K O N11 uws knechts en uws volks Israels, die in deze plaats zullen bidden; en gij, hoor in de plaats uwer woning, in den hemel, ja hoor en vergeef. 31 Wanneer .iemand tegen zijnen naaste zal gezondigd hebben, en hij hem eenen eeddesvloeks opgelegd zal hebben, om zich-zelven te vervloeken, en de eed des vloeks voor uw altaar in dit Huis komen zal,â 32 hoor gij dan in den hemel, en doe, en richt uwe knechten, ver-oordeelende den ongerechtige, gevende zijnen weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den gerech-tige, gevende hem naar zijne gerechtigheid. 33 Wanneer uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezicht des vijands, omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij zich tot u bekeeren, en uwen naam belijden, en tot u rn dit Huis bidden en smeeken zullen. â 34 hoor gij dan in den hemel, en vergeef de zonde uws volks Israels, en breng hen weder in het land, dat gij hunnen vaderen gegeven hebt. 35 Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij in deze plaats bidden en uwen naam belijden en van hunne zonde zich bekeeren zullen, als g:j hen geplaagd zult hebben, â 36 hoor gij dan in den hemel, en vergeef de zoude uwer knechten en uws volks Israels, als gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwelken zij wandelen zullen, en geef regen op uw land, dat gij uwen volke tot eene erfenis gegeven hebt. 37 Als er honger in liet land wezen zal, als er pest wezen zal, als er korenbrand, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of eenige plage of eenige krankheid wezen zal; 38 alle gebed, alle smeeking, die van eenig mensch van al uw |
OEN 8. 4'?1 volk Israël geschieden zal; als zij erkennen een ieder de plage zijns harten, en een ieder zijne handen in dit Huis uitbreiden zal, â 39 hoor gij dan in den hemel, de vaste plaats uwer woning, en vergeef, en doe en geef een iege-lijken naar alle zijne wegen, gelijk gij zijn harte kent, want gij alleen kent het harte van alle kinderen der menschen; 40 opdat zij u vreezen alle de dagen, die zij leven zullen op het land dat gij onzen vaderen gegeven hebt. 41 Zelfs ook aangaande den vreemde, die van uw volk Israël niet zal zijn, maar uit verren lande om uws naams wille komen zal, 42 (want zij zullen hooren van uwen grooten naam en van uwe sterke hand en van uwen uitge-strekten arm), als hij komen en bidden zal in dit Huis, â 43 hoor gij in den hemel, de vaste plaats uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot u roepen zal; opdat alle volkeren der aarde uwen naam kennen, om u te vreezen gelijk uw volk Israël, en om te weten dat uw naam genoemd wordt over dit Huis hetwelk ik gebouwd heb. 44 Wanneer uw volk in den krijg tegen zijnen vijand uittrekken zal door den weg dien gij ze henen zenden zult, en zullen tot den Heere bidden, naar den weg dezer stad die gij verkoren hebt, en naar dit Huis hetwelk ik uwen naam gebouwd heb, â 45 hoor dan in den hemel hun gebed en hunne smeeking, en voer hun recht uit. 46 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen u (want geen mensch is er die niet zondigt), en gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen die hen gevangen hebben hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is; 47 en zij in het land daar zij gevankelijk weggevoerd zijn we- |
|
422 1 KON! der aan hun harte brengen zullen dat zij zich bekeeren, en tot u smeeken in het land dergenen die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld; 48 en zij zich tot u bekeeren met hun gansche harte en met hunne gansche ziele in het land hunner vijanden, die ze gevankelijk weggevoerd zullen hebben, en zij tot u bidden zullen naar den weg huns lands, 't welk gij hunnen vader gegeven hebt, naar deze stad die gij verkoren hebt, en naar dit Huis dat ik uwen naam gebouwd heb, â 49 hoor dan in den hemel, de vaste plaats uwer woning, hun gebed en hunne smeeking, en voer hun recht uit, 50 en vergeef uw volk wat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en alle hunne overtredingen waarmede zij tegen u zullen overtreden hebben, en geel hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen die ze gevangen houden, opdat zij zicli hunner ontfermen; 51 want zij zijn uw volk en uw erfdeel, die gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens: 02 opdat uwe oogen open zijn tot de smeeking uws knechts en tot de smeeking uws volks Israels, om naar hen te hooren in al hun roepen tot u. 53 Want gij hebt ze u tot een erfdeel afgezonderd uit alle volkeren der aarde : gelijk als gij gesproken hebt door den dienst van Mozes uwen knecht, als gij onze vaderen uit Egypte uitvoer-det, Heere Heere. 54 Het geschiedde nu als Salomo voleindigd had dit gansche gebed en deze smeeking tot den Heere te bidden, dat hij van voor het altaar des Heeren opstond van het knielen op zijne knieën, met zijne banden uitgebreid naar den hemel, 55 zoo stond hij en zegende de gansche gemeente Israels, zeggende met luider stem: |
SGEN 8. 56 Geloofd zij de Heere, die zijnen volke Israël rust gegeven heeft naar alles dat hij gesproken heeft; niet een éénig woord is er gevallen van alle zijne goede woorden, die hij gesproken heeft door den dienst van Mozes zijnen knecht. 57 De Heere onze God zij met ons gelijk als hij geweest is met onze vaderen, hij verlate ons niet en begeye ons niet, _ 58 ^ neigende tot zich ons hart. om in alle zijne wegen te wandelen, en om te houden zijne geboden en zijne inzettingen en zijne rechten, welke hij onzen vaderen geboden heeft. 59 En dat deze mijne woorden, waarmede ik voor den Heere gesmeekt heb, mogen nabij voor den Heere onzen God zijn, dag en nacht; opdat hij het recht zijns knechts uitvoere en het recht*zijns volks Israels, elkeen dagelijks op zijnen dag; 60 opdat alle volkeren der aarde weten dat de Heere die God is, niemand meer, 61 en ulieder hart volkomen zij met den Heere onzen God, om te wandelen in zijne inzettingen, en zijne geboden te houden, gelijk te dezen dage. 62 En de Koning en gansch Israël met hem otterden slacht-o.fleren voor het aangezicht des Heeren ; 63 en Salomo offerde ten dankoffer, dat hij den Heere offerde, tweeëntwintigduizend runderen en honderd en twintigduizend schapen; alzoo hebben zij liet Huis des Heeren ingewijd, de Koning en alle de kinderen Israëls. 64 Te dien dage heiligde de Koning het middelste des voor-hofs dat voor het Huis des Heeren was, omdat hij aldaar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, mitsgaders het vette der dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht des Heeren was, was te klein om de brandofferen en de spijsofferen en het vette der dankofferen te bevatten. 65 Ter zelfder tijd ook hield |
|
1 KON I Salomo het feest, en ganscli Israël met hem, eene groote gemeente, van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht des Heerex onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen. 66 Op den achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden den Koning; daarna gingen zij naar hnnne tenten, blijde en goedsmoeds over al het goede dat de Heere David zijnen knecht en Israël zijn volk gedaan had. HOOFDSTUK 9. Het geschiedde nn als Salomo voleindigd had te bonwen het Hnis des Heeren en het huis des Konings, en al de Tregeerte van Salomo die 't hem gelast had te maken, 2 dat de Heere ten anderen male Salomo^ verscheen, gelijk als hij hem in Gibeon verschenen was; 3 en de Heere zeide tot hem: ïk heb uw gebed en uwe smeeking gehoord, die gij voor mijn aangezicht smeekende gedaan hebt: ik heb dat Huis geheiligd hetwelk gij gebouwd hebt, opdat ik mijnen naam aldaar tot in eeuwigheid zette, en mijne oogen en mijn harte zullen daar zijn te allen dage. 4: En zoo gij voor mijn aangezicht wandelen zult gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid des harten en met oprechtheid, om te doen naar al wat ik u geboden heb, en mijne inzettingen en mijne rechten houden zult: o zoo zal ik den troon uwsko-ninkrijks over Israël bevestigen in eeuwigheid, gelijk als ik gesproken heb over uwen vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van den troon Israels. 6 Maar zoo gijlieden u ten eenenmale afkeeren zult, gij en uwe kinderen, van mij na. ie volgen, en niet houden zult mijne geboden en mijne inzettingen die ik voor uw aangezicht gegeven heb, maar henengaan en andere |
NGEN 9. 423 1 goden dienen en u voor dezene- derbuigen zult: ! 7 zoo zal ik Israël uitroeien van het land dat ik hun gegeven heb, en dit Huis hetwelk ik mijnen naam geheiligd heb zal ik i van mijn aangezicht wegwerpen, en Israël zal tot een spreekwoord | en spotrede zijn onder alle volkeren. ! 8 En aangaande dit Huis dal verheven zal geweest zijn, al wie hetzelve zal voorbijgaan zal zich ontzetten en fluiten; men zal : zeggen: Waarom heeft de Heere al zóó gedaan aan dit land en aan dit Huis? 9 En men zal zeggen: Omdat zij den Heere hunnen God ver-; laten hebben, die hunne vaderen , uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden en zich voor dezelve nedergebogen en die gediend: daarom heeft, de Heere al dit i kwaad over hen gebracht. ' 10 En het geschiedde teneinde van twintig jaren, in dewelke Salomo die twee huizen gebouwd had, het Huis des Heeren en het huis des Konings, 11 {waartoe Hiram, de Koning van Tyrus, Salomo van ceder-boomen en van denneboomen en van goud naar al zijnen lustop- ; gebracht had), dat alstoen de Koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galiléa. 12 En Hiram toog uit van Tyrus, om de steden te bezien die Salomo hem gegeven had, maar ' zij waren niet red it in zijneoogen; [ 13 daarom zeide hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot | op dezen dag. 14 En Hiram had den Koning i gezonden honderd en twintig ta-1 lenten gouds. ^ | 15 Dit nu is de oorzaak van I den uitschot, dien de Koning : Salomo deed opkomen, om het [ huis des Heerex te bouwen, en zijn huis, en Miilo, en den muur van Jeruzalem,mitsgadersHazor, ! en Mesiddo, en Gezer. I lö Want Farao, de Koning van |
|
424 1 KONI Egypte, was opgekomen en had Gezer ingenomen en met vuur verbrand, en de Kanaaniten die in de stad woonden gedood, en had haar aan zijne dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven. 17 Alzoo bouwde Salomo Gezer, en liet lage Beth-Horon, 18 en Baiilath, en Tadmor in de woestijn, in dat land; 19 en alle de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte Salomo's begeerde ie bouwen in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het gansche land zijner heerschappij. 20 Aangaande al het volk dat overgebleven was van deAmori-ten, Hethiten, Ferezjten, Heviten en Jebusiten, die niet waren van de kinderen Israëls: 21 hunne kinderen die na hen in liet land overgebleven waren, die de kinderen Israëls niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafschen uitschot, tot op dezen dag. 22 Doch van de kinderen Israels maakte Salomogeenen slaaf; maar zij waren krijgslieden, en zijne knechten en zijne Vorsten, en zijne hoofdlieden, en de oversten zijner wagenen en zijner ruiteren. 23 Deze waren de oversten der bestelden die over het werk Salomo's waren, vijfhonderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk dat in het werk doende was. 24 Doch de dochter F arao's toog van de stad Davids op tot haar huis, hetwelk hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo. 25 En Salomo offerde driemaal des jaars brandotferen en dank-ofieren op het altaar dat hij den Heeue gebouwd had, en rookte op dat hetwelk voor het aangezicht des Heeren was, als hij liet Huis voltooid had. 26 De Koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-Géber dat bij Eloth is aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom; |
fGEN 10. 27 en Hiram zond met die schepen zijne knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo; 2S en zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den Koning Salomo. HOOFDSTUK 10. En toen de Koningin van Sche-ba het gerucht Salomo's hoorde, aangaande den naam des Heeren, kwam zij om hem met raadselen te verzoeken; 2 en zij kwam te Jeruzalem met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen en zeer veel goud en kostelijk gesteente, en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was. 3 En Salomo verklaarde haar alle hare woorden ; geen ding was er verborgen voor den Koning, dat hij haar niet verklaarde. 4 Als nu de Koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis hetwelk hij gebouwd had, 5 en de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hunne kleedingen, en zijne schenkers, en zijnen opgang waardoor hij henen opging in het Huis des Heeren â zoo was in haar geen geest meer, 6 en zij zejde tot den Koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb van uwe zaken en van uwe wijsheid ; 7 en ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben en mijne oogen dat gezien hebben: en zie, de helft is mij niet aangezegd, gij hel t met wijsheid en goed overtroifen het gerucht dat ik gehoord heb. 8 quot;Welgelukzalig zijn uwe mannen, welgelukzalig _ deze uwe knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uwe wijsheid hooren. 9 Geloofd zij de Heere uw God, die behagen in u heeft gehad, om u op den troon Israels te |
|
1 KON I] zetten; omdat de Heere Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft hij u tot Koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen. 10 En zij gaf den Koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de Koningin van Schebaden Koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen. 11 Voorts ook de schepen Hi-rams, die goud uit Oiir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almug-gimliout en kostelijk gesteente; 12 en de Koning maakte van dit alrtmggimhout stéunselen voor het Huis desJElEEREN en voorliet huis des Koninge, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers: het almuggimhout was zóó niet gekomen noch gezien geweest, tot op dezen dag. 13 En de Koning Salomo gaf der Koningin van Scheba al haar behagen wat zij begeerde, behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van den Koning Salomo; zoo keerde zij en toog in haar land, zij en hare knechten. 14 Het gewicht nu van het goud dat voor Salomo in één jaar inkwam was zeshonderd zesenzestig talenten gouds; 15 behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle Koningen van Arabic, en van de geweldigen van dat land. lü Ook maakte de Koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud: zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas; 17 insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud: drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de Koning leide ze in het huis des wouds van den Libanon. IS Nog maakte de Koning eenen grooten clpenbeenen troon, en hij overtoog denzelveu met dicht goud. 19 Deze troon had zes trappen, en liet hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de |
GEN 10. 425 zitplaats toe^ en twee leeuwen stonden bij die leuningen. 20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden: desgelijks is in geene koninkrijken gemaakt geweest. 21 Ook waren alle drinkvaten van den Koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van den Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan, icanl het werd in de dagen van Salomo niet voor eenig ding geacht. 22 Want de Koning had in zee schepen van Tarsis, met de schepen Hi rams: deze schepen van Tarsis kwamen in éénmaal in drie jaren, brengende goud en zilver, elpenbeen en apen en pauwen. 23 Alzoo werd de Koning Salomo grooter dan alle Koningen der aarde in rijkdom enquot; in wijsheid; 24 en de gansche aarde zocht het aangezicht Salomo's, om zijne wijsheid te hoorendieGod in zijn harte gegeven had; 25 en zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten en gouden vaten en kleederen en harnas en specerijen, paarden en muilezels: elk ding van jaar tot jaar. 2G Daartoe vergaderde Salomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagenen en twaalfduizend ruiteren, en leide ze in de wagensteden, en bij den Koning in Jeruzalem. 27 En de Koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als steenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgeboomen, die in de laagte zijn, in menigte. 28 En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des Konings namen het linnen garen voor den prijs. 29 En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd silchelen zilvers, en een paard voor honderd en vijftig; en alzóó voerden zij die uit door hunne hand voor alle Koningen 14* |
|
426 1 koni; der Hethiten en voor de Koningen van Syrië. HOOFDSTUK 11. En de Koning Salomo had vele vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Farao: Mo-abitische, Ammonitische, Edomi-tische, Sidonisehe, Hethitische, 2 van die volken, waarvan de Heere gezegd had tot de kinderen Israels: Gijlieden znit tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen, zij zouden zekerlijk uw harte achter hunne goden neigen: aan deze hing {Salomo met liefde. 3 En hij had zevenhonderd vrouwen. Vorstinnen, en driehonderd bijwijven, en zijne vrouwen neigden zijn hart. 4 Want het geschiedde in den tijd van Salomo's ouderdom, dat zijne vrouwen zijn hart achter andere goden neigden, dat zijn hart niet volkomen met den Heere zijnen God was, gelijk het harte zijns vaders Davids; 5 want Salomo wandelde Astó-reth, den god der Sidoniërs, na, en Milkom, het verfoeisel der Ammoniten; 6 alzoo deed Salomo dat kwaad was in de oogen des Heeren, en volhardde niet den Heere te volgen gelijk zijn vader David. 7 Toen bouwde Salomo eene hoogte den Kamos, het verfoeisel der Moabiten, op den berg die vóór Jeruzalem is, en den Mo-lech, het verfoeisel der kinderen Ammons; 8 en alzóó deed hij voor alle zijne vreemde vrouwen, die haren goden rookten en ofterden. 9 Daarom vertoornde zich de Heere tegen Salomo, omdat hij zijn harte geneigd had van den Heere den God Israels, die hem tweemaal verschenen was, 10 en hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zoude nawandelen; doch hij hield niet wat de Heere geboden had. 11 Daarom zeide de Heere tot Salomo: Dewijl dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden |
:gen ii. mijn verbond en mijne inzettingen die ik u geboden heb, ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren en het uwen knecht geven. 12 In uwe dagen nochtans zal ik dat niet doen, om uws vaders Davids wille; van de hand uws zoons zal ik het scheuren. 13 Toch zal ik het geheele koninkrijk niet afscheuren: éénen stam zal ik uwen zoon geven, om mijns knechts Davids wille en om Jeruzalems wille dat ik verkoren heb. 14 Zoo verwekte de Heerb Salomo eene tegenpartij der, Ha-dad den Edomiet; hij was van des Konings zaad in Edom. 15 Want het was geschied als David in Edom was, toen Joab de krijgsoverste optoog om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg; 1G want Joab bleef aldaar zes maanden met het gansche Israël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had. 17 Doch Hadad was ontvloden, hij en eeniye Edomitische mannen uit zijns vaders knechten met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een klein jongsken. 18 En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran, en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, den Koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf. 19 En Hadad vond groote genade in de oogen Farao's, zoodat hij hem tot eens vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Tachpenea de Koningin. 20 En de zuster v^n Tachpenea baarde hem zijnen zoon Genu-bath, denwel ken Tachpenes opvoedde in Farao's huis, zoodat Genubat in Farao's huis was onder Farao's zonen. 21 Toen nu Hadad in Egypto hoorde, dat David met zijne vaderen ontslapen, en dat Joab do krijgsoverste dood was, zeid© |
1 KONIKGEN 11.
427
|
Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke. 22 Docli Farao zeide tot hem; Maar wat ontbreekt n bij mij, dat zie, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeide: Niets, maar laat mij evenwel gaan. 23 Ook verwekte hem God eenen wederpartij der, Eozon, den zoon van Eljada, die gevloden was van zijnen heer Hadadézer, den Koning van Zoba, 24 tegen welken hij ook mannen vergaderd had, en werd overste eener bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damascus, woonden zij aldaar en regeerden in Damascus ; 25 en hij was Israels tegen-part ij der alle de dagen Salomo's, en dat benevens het kwcad dat Hadad deed, want hij had eenen afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië. 2»3 Daartoe Jerobeam, de zoon Nebats, een Efraïmiet van Zere-da, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, eene weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den Koidng. 27 Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen den Koning ophief. Salomo bouwde Millo en sloot de breuk der stad zijns vaders Davids toe. 28 En de man Jerobeam was een dapper held: toen Salomo dezen jongeling zag dat hij arbeidzaam was, zoo stelde hij hem over al den last van het huis Jozefs. 29 Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de Profeet Ahia de Siloniet hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alléén op het veld waren; 30 zoo vatte Ahia het nieuwe kleed dat aan hem was, en scheurde het in twaalf stukken, 31 en hij zeida tot Jerobeam : Neem u tien stukken, want al zóó zegt de Heere de God Israels : Zie, ik zal het koninkrijk van de hand Salomo's scheuren, en u tien stammen geven; |
32 maar éénen stam zal hij hebben, om mijns knechts Davids wille, en om Jeruzalems wille, de stad die ik verkoren heb uit alle stammen Israels; 33 daarom dat zij mij verlaten en zich nedergebogen hebben voor Astóreth, den god derSido-niërs, Kamos, den god der Moa-biten, en Milkom, den god der kinderen Ammons, en niet gewandeld hebben in mijne wegen, om te doen dat recht is in mijne oogen, te weten mijne inzettingen en mijne rechten, gelijk zijn vader David. 34 Doch niets van dit koninkrijk zal ik uit zijne hand nemen; maar ik stel hem toteenen Vorst alle de dagen zijns levens, om mijns knechts Davids wille dien ik verkoren heb,_ die mijne geboden en mijne inzettingen gehouden heeft. 35 Maar uit de hand zijns zoons zal ik het koninkrijk nemen, en ik zal u daarvan tien stammen geven; 3G en zijnen zoon zal ik éénen stam geven, opdat mijn knecht David altijd eene lampe voor mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad die ik mij verkoren heb om mijnen naam daar te stellen. 37 Zoo zal ik u nemen, en gij zult regeeren over al dat uwe ziele zal begeeren, en gij zult Koning zijn over Israël. 3S En het zal geschieden zoo gij hooren zult al wat ik u zal gebieden, en in mijne wegen zult wandelen, en doen dat recht in mijne oogen is, houdende mijne inzettingen en mijne geboden, gelijk als mijn knecht David gedaan heeft, dat ik met u zal zijn, en n een bestendig huis bouwen, gelijk als ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven; 31) en ik zal om dies wille het zaad Davids verootmoedigen, nochtans niet altijd. 40 Daarom zocht Salomo Jerobeam te dooden; maar Jerobeam maakte zich op en vlood in Egypte tot Sisak, den Koning |
|
428 1 KONi: van Egypte, en was in Egypte totdat Salomo stierf. 41 Het overige nu der geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijne wijsheid, is dat niet geschreven in het boek der geschiedenissen van Salomo? 42 De tijd nu dien Salomo te Jeruzalem over het gansche Israel regeerde was veertig jaar. 43 Daarna ontsliep Salomo met zijne vaderen, en werd begraven in de stad zijns vaders Davids; en Kehabeam zijn zoon werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 12. Ãn Ttehabeam toog naar Sichem, want het gansche Israël was te Sichem gekomen om hem Koning te maken. 2 Het geschiedde nu als Jero-beam, de zoon Nebats, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den Koning Salomo gevloden, en Jerobeam woonde in Egypte), 3 dat zij henenzonden en hem lieten roepen: en Jerobeam en de gansche gemeente Israels kwamen en spraken tot Rehabe-am, zeggende: 4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst en zijn zwaar juk dat hij ons opgelegd^ heeft lichter, en wij zullen u dienen. 5 En hij zeide tot hen; Gaat henen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging henen. (j En de Koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijnen vader Salomo als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden dat men dit volk antwoorden zal? 7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden de knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen en hun antwoorden en tot hen goede woorden spreken zult, zoo zullen zij te allen dage uwe knechten zijn. 8 Maar hij verliet den raad der oudsten dten zij hem geraden |
[GEN 12. hadden, en hij hield raad met. de jongelingen die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden, 9 en hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft lichter? 10 En de jongelingen die met hem opgewassen waren spraken tot hem, zeggende: Alzóo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzóó zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lendenen : 11 indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zoo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heelt u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. 12 Zoo kwam Jerobeam en het gansche volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de Koning gesproken had, zeffgendo: Komt weder tot mij op den derden dag. 13 En de Koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten dien zij hem geraden hadden, 14 en hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. 15 Alzoo hoorde de Koning naar het volk niet; want deze omwending was van den Heere, opdat hij zijn woord bevestigde, hetwelk de Heere door den dienst van Ahia den Siloniet gesproken had tot Jerobeam, den zoon Nebats. 16 Toen gansch Israel zag dat de Koning naar hen niet hoorde, zoo gaf liet volk den Koning weder antwoord, zeggende: Wat |
|
1 KONI deel hebben wij aan David? Ja, geene erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uwe tenten, o Israël; voorzie nu uw huis, o David. Zoo ging Israël naar zijne tenten. 17 Doch aangaande de kinderen Israëls die in de steden van Juda /v woonden, over die regeerde Re- I habeam ook. 18 Toen zond de Koning Re-habeam Adoram, die over de schatting was; en liet gansche Israël steenigde hem met steenen dat hij stierf; maar de Koning Rehabeam verkloekte zich om op eenen wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. 19 Alzoo vielen de Israëliten van den huize Davids af, tot op dezen dag. 20 En het geschiedde als §;ansch Israël hoorde dat Jerobea n wedergekomen was, dat zij henen-zonden en hem in de vergadering riepen, en hem over gansch Israël Koning maakten; niemand volgde het huis Davids dan de stam Juda alleen. 21 Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het gansche huis van Juda en den stam Benjamins, honderd-tachtigduizend uitgelezenen, geoefend ten oorloge, om tegen het huis Israëls te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon Saloino's, bracht. 22 Doch het Woord Gods geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende: 23 Zeg tot Rehabeam den zoon Salomo's, den Koning van Juda, en tot het gansche huis van Juda en Benjamin, en het overige des volks, zeggende: I 24 Zóó zegt de Heere; Gij zult niet optrekken noch strijden tegen uwe broederen de kinderen Israëls, een ieder keere weder tot zijn huis,_ want deze zaak is van mij geschied. En zij hoorden het woord des Heeren, en keerden weder om weg te trekken naar het woord des Heerex. 25 Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte Efraïm en woon- |
T G E N 13. 4,23 de daarin, en toog van daar uit en bouwde Pnuël. 26 En Jerobeam zeide in zijn harte: Nu zal het koninkrijk tot het huis Davids wederkeeren: 27 zoo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het Huis des Heeren te Jeruzalem, zoo zal het harte dezes volks tot hunnen heere, tot Rehabeam, den Koning van Juda, wederkeeren ; ja, zij zullen mij dooden, en tot Rehabeam, den Koning van Juda, wederkeeren. 28 Daarom hield de Koning eenen raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem: zie uwe goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 29 En hij zette hot eene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan. 30 En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging henen voor het eene, tot Dan toe. 31 Hij maakte ook een huis der hoogten, en maakte Priosteren van de gericgsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi: 32 jen Jerobeam maakte een feest in de achtste maand op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest dat in Juda was, en olferde op liet altaar. Desgelijks deed hij te Beth-El, offerende den kalveren die hij gemaakt had: hij stelde ook te Beth-El Priesteren der hoogten die hij gemaakt had, 33 en hij offerde op het altaar dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand dewelke hij uit zijn harte bedacht had; zoo maakte hij den kinderen Israëls een feest, en offerde op dat altaar, rookende. HOOFDSTUK 13. En zie, een man Gods kwam uit Juda, door het Woord des Heeren tot Beth-El; en Jerobeam stond bij het altaar om te rooken. 2 En hij riep tegen het altaar, door het Woord des Heeren, en |
|
430 1 K O NI zeide: Altaar, altaar, zóó zegt de Heere: Zie, een zoon zal den huize Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josia: die zal op ti offeren de Priesters der hoogten, die op n rooken, en men zal menschenbeenderen op u verbranden. 3 En hij gaf te dien dage een wonderteeken, zeggende: Dit is dat wonderteeken waarvan de Heere gesproken heeft: Zie, het altaar zal vanéén gescheurd, en de asch, die daarop is, afgestort worden. 4 Het geschiedde nu als de Koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-El geroepen had, dat Jerobeam zijne hand van op het altaar uitstrekte, zeggende : Grijpt hem. Maar zijne hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij zo niet weder tot zich trekken konde. 5 En het altaaar werd vanéén gescheurd, en de asch van het altaar afgestort, naar het wonderteeken dat de man Gods gegeven had door het woord des Heerek. G Toen antwoordde de Koning en zeide tot dien man Gods: Aanbid toch het aangezicht des Hee-ren uws Gods ernstiglijk, enbid voor mij dat mijne hand weder tot mij kome. Toen bad de man Gods liet aangezicht des Heerex ernstiglijk, en de hand des Ko-nings kwam weder tot hem en werd gelijk te voren. 7 En de Koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven. 8 Maar de man Gods zeide tot den Koning: Al_gaaft gij mij de helft van uw huis, zoo zoude ik niet met u gaan, en ik zoude in deze plaats geen brood eten noch water drinken; 9 want zóó heeft mij de Heere geboden door zijn Woord, zeggende: Gij zult geen brood eten noch water drinken; en gij zult niet wederkeeren door den weg dien gij gegaan zijt. 10 En hij ging door eenen anderen weg, en keerde niet weder |
S'GEN 13. door den weg door welken hij te Beth-El gekomen was. 11 Een oud Profeet nu woonde te Beth-El; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk dat de man Gods te dien dage in Beth-El gedaan had: met de woorden die hij tot den Koning gesproken had; deze vertelden zij ook hunnen vader; 12 en hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen ? En zijne zonen hadden den weg gezien welken de man Gods was getogen, die uit Juda gekomen was. 13 Toen zeide hij tot zijne zonen : Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop ; 14 en hij toog den man Gods na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods die uit Juda gekomen is? En hij zeide: Ik ben 't. 15 Toen zeide hij tot hem: Kom met mij naar huis en eet brood. 1G Doch hij zeide: Ik kan niet met u wederkeeren noch met u inkomen, ik zal ook geen brood eten noch met u water drinken in deze plaatse; 17 want een woord is tot mij geschied door het Woord des Hee-ren: Gij zult aldaar noch brood eten noch water drinken ; gij zult niet wederkeeren gaande door den weg, door denwelken gij gegaan zijt. 18 En hij zeide tot hem: Ik ben óók een profeet gelijk gij, en een Engel heeft tot mij gesproken door het. Woord des Heeren, zeggende : Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. JDoclt hij loog hem. 19 En hij keerde met hem wederom, en at broed in zijn huis en dronk water. 20 En het geschiedde als zij aan de tafel zaten, dat het Woord des Heeren geschiedde tot den Profeet, die hem had doen wederkeeren, 21 en hij riep tot den man Clods die uit Juda gekomen was, |
1 KONINGEN 14.
431
|
Eeggende: Zóó zegt de Heere: Daarom dat gij den mond des Heeren zijt wederapannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod dat u de Heeeü uw God geboden had, 22 maar zijt wedergekeerd en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse waarvan hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood eten noch water drinken, â zoo zal uw dood lichaam in uwer vaderen graf niet komen. 23 En het geschiedde nadat hij brood gegeten en nadat hij gedronken had, dat hij hem den ezel zadelde, te loeten den Profeet dien hij had doen wederkeeren. 24 Zoo toog hij henen, en een leeuw vond hem op den weg en doodde hem: en zijn dood lichaam log geworpen op dsn weg, en de ezel stond daarbij, ook stond de leeuw bij het doode lichaam. 25 En zie, daar gingen lieden voorbij, en zagen het doode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw staande bij het doode | lichaam; en zij kwamen en zeiden 1 het in de stad waarin de oude Profeet woonde. 2G Als de Profeet die hem van den weg had doen wederkeeren dit hoorde, zoo zeide hij: Het is de man Gods die den mond des i Heeren wederspannig is geweest, daarom heeft de Hekre hem den leeuw overgegeven, die hem ge- ' broken en hem gedood heeft, naar het woord des Heeren dat hij tot hem gesproken had. 27 Voorts sprak hij tot zijne zonen, zeggende: Zadelt mijden ezel. En zij zadelden hem. 28 Toen toog hij henen, en vond zijn dood lichaam geworpen op den weg, en den ezel en den leeuw staande bij het doode lichaam: de leeuw had het doode lichaam niet gegeten en den ezel niet gebroken. 29 Toen nam de Profeet het doode lichaam van den man Gods op en leide dat op den ezel, en voerde dat wederom; soo kwam da oude Profeet in de stad, om rouw te bedrijven en hem tc begraven, |
30 en^ hij leide zijn dood lichaam in zijn graf, en zij maakten over hem eene weeklage: Ach mijn broeder! 31 Het geschiedde nu nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijne zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zoo begraaft mij in dat graf waarin de man Gods begraven is, eu legt mijne beenderen bij zijne beenderen. 32 Want de zaak zal gewis geschieden, die hij door het Woord des Heeren uitgeroepen heeft tegen het altaar dat te Beth-El is, en tegen alle de huizen der hoogten die in de steden van Samarië zijn. 33 Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijnen boozen weg, maar maakte wederom Priesters der hoogten van de geringsten des volks: wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de Priesters der hoogten; 34 en _ hij werd in deze zaak het huis Jerobeams tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem. HOOFDSTUK 14. Te dierzelfder tijd was Abia, de zoon Jerobeams, krank; 2 en Jerobeam zeide tot zijne huisvrouw: Maak u nu op, en vermom u, dat men niet merke dat gij Jerobeams huisvrouw zijt, en ga henen naar Silo: zie, daar is de Profeet Ah ia, die van mij gesproken heeft dat ik Koning zoude zijn over dit volk; 3 en neem in uwe hand tien brooden, en koeken, en eeno kruik honig, en ga tot hem: hij zal u te kennen geven wat dezen jongen geschieden zal. 4 En Jerobeams huisvrouw deed alzoo, en maakte zich op en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Ahia nu kon niet zien, want zijne oogeu stonden stijf vanwege zijnen ouderdom. |
|
432 1 KONI 5 Maar de Heere zeide tot Ahia* Zie, Jerobeams huisvrouw komt om eene zaak van u te vragen aangaande haren zoon, want hij ia krank: zóó en zóó zult gij tot haar spreken; en het zal zijn als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal. 6 En het geschiedde als Ahia hoorde het geruisch harer voeten toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in,gij huisvrouw Jerobeams, waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met eene harde loodsahap. 7 Ga henen, zeg Jerobeam: Zóó zegt de Heere de God Israels: Daarom dat ik u verheven heb uit het midden des volks, en u een voorganger over mijn volk Israël gesteld heb, 8 en het koninkrijk van den huize Davids gescheurd en dat u gegeven heb; en gij niet geweest zijt gelijk mijn knecht David, die mijne geboden hield en die mij met zijn gansche harte navolgde, om te doen alleen wat recht is in mijne oogen; 9 maar kwaad gedaan hebt, doende des meer dan allen die vóór u geweest zijn, en henen-gegaan zijt en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om mij tot toorn te verwekken, en hebt mij achter uwen rug geworpen: 10 daarom, zie, ik zal kwaad over den huize Jerobeams brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israël, en ik zal de nakomelingen van het huis Jerobeams wegdoen gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganschelijk vergaan zij. 11 Die van Jerobeam in de stad sterft zullen de honden eten, en die in het veld sterft zullen de vogelen des hemels eten; want de Heere heeft liet gesproken. 12 Gij dan maak u op, ga naar uw huis: als uwe voeten in de stad zullen gekomen zijn, zoo zal het kind sterven. 13 En gansch Israël zal hem |
GEN 14. beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den Heere den God Israels in den huize Jerobeams gevonden is. 14 Doch de Heere zal zich eenen Koning verwekken over Israël, die het huis Jerobeams te dien dage uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn? 15 De Heere zal ook Israël slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land dat hij hunnen vaderen gegeven heeft, en zal ze verstrooien op gene zijde der rivier: daarom dat zij hunne bosschen gemaakt hebben, den Heere tot toorn verwekkende; 16 en hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wille die gezondigd heeft en die Israël heeft doen zondigen. 17 Toen maakte zich Jerobeams vrouw op en ging henen, en kwam te Tirza: als zij nu op den dorpel van hetf huis kwam, zoo stierf de jongeling. 18 En zij begroeven hem, en gansch Israël beklaagde hem, naar het woord des Heeren dat hij gesproken had door den dienst van zijnen knecht Ahia den Profeet. 19 Het overige nu der geschiedenissen Jerobeams, hoe hij ge-krijgd en hoe hij geregeerd heeft, zie, die zijn geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israël s. 20 De dagen nu die Jerobeam heeft geregeerd zijn tweeëntwintig jaar; en hij ontsliep met zijne vaderen, en Nadab zijn zoon regeerde in z jne plaats, 21 Kehabeam nu, de zoon van \ Salomo, regeerde in Juda: éénenveertig jaar wai Rehabeam oud als hij Koning werd, en regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, in de stad die de Heere verkoren had uit alle de stammen Israëls om zijnen naam daar te zetten ; en de naam zijner moeder was Naama de Ammonitische. 22 En Juda deed dat kwaad |
|
1 KONI was in de oogen des Heeren, en zij verwekten hem tot ijver, meer dan alle hunne vaderen gedaan hadden met hunne zonden die zij zondigden; 23 want ook zij bouwden zich hoogten en opgerichte beelden en bosschen, op allen hoogen heuvel en onder allen groenen boom; 24 daar waren ook schandjon-gens in het land, zij deden naar alle de gruwelen der heidenen die de Heere van het aangezicht der^ kinderen Israëls uit de be-zitting verdreven had. 25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar des Konings Reha-beams, dat Sisak, de Koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem, 26 en hij nam de schatten van het Huis des Heeren en de schatten van het huis des Konings weg, ja, hij nam alles weg: hij nam ook alle de gouden schilden weg die Salomo gemaakt had. 27 En de Koning Kehabeam maakte in plaats van die koperen schilden, en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten die de deur van het huis des Konings bewaarden; 28 en het geschiedde zoo wanneer de Koning in liet Huis des Heeren ging, dut de trawanten dezelve droegen, en die weder-brachten in der trawanten wachtkamer. 29 Het overige nu der geschiedenissen Kehabeains, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? 30 En daar was krijg tusschen Eehabeam en tusschen Jerobeam, alle hunne dagen. 31 En Rehabeam ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids; en de naam zijner moeder was Naama de Ammonitische, en zijn zoon Abiam regeerde in zijne plaats. HOOFDSTUK 15. In het achttiende jaar nu des Konings Jerobeams, des zoons |
TG EN 13. 433 Nebats, werd Abiam Koning over Juda; 2 hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Maiicha, eene dochter Abisaloms. 3 En hij wandelde in alle do zonden zijns vaders, die hij vóór hem gedaan had, en zijn hart was niet volkomen met den Heere zijnen God, gelijk het harte zijns vaders Davids. 4 Maar om Davids wille gaf de Heere zijn God hem eene lampe in Jeruzalem, verwekkende zijnen zoon na hem, bevestigende Jeruzalem; 5 omdat David gedaan had dat recht was in de oogen des Heeren, en niefc geweken was van alles dat hij hem geboden had, alle de^ dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Uria den Hethiet. 6 En daar was krijg geweest tusschen Rehabeam en tusschen Jerobeam, alle de dagen zijns levens. 7 Het overige nu der geschiedenissen Abiams,# en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? Daar was ook krijg tusschen Abiam en tusschen jerobeam. S En Abiam ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids: en Asa zijn zoon regeerde in zijne plaats. i) In het twintigste jaar Jerobeams, des Konings Israëls, werd Asa Koning over Juda, 10 en hij regeerde éénenveertig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Maacha, eene dochter Abisaloms. 11 En Asa deed wat recht was in de oogen des Heeren, gelijk zijn vader David; 12 want hij nam wegdeschand-jongens uit het land en deed weg alle de drekgoden die zijne vaders gemaakt hadden; 13 ja, zelfs zijne moeder Maacha die zette hij ook af, dat zij geen Koningin was, omdat zij een afgrijselijken afgod in eenbosch gemaakt had; ook roeide Asa |
|
434 1 KONi: mt haren afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron. 14 De hoogten werden -wel niet â¢weggenomen, nochtans was het harte van Asa volkomen met den Heere alle zijne dagen. 15 En hij bracht in het Huis des Heeben de geheiligde dingen zijns vaders, en zijne geheiligde dingen, zilver en goud en vaten. 1(3 En daar was krijg tusschen Asa en tusschen Baësa, den Koning Israels, alle hunne^ dagen. 17 quot;Want Baësa, de Koning van Israël, toog op tegen Juda en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den Koning van Juda. 18 Toen nam Asa al het zilver en goud dat overgebleven was in de schatten van het Huis des Heeren, en^ de schatten van het huis des Konings, en gaf ze in de hand zijner knechten, en de Koning Asa zond ze tot Benhadad, den zoon Trabrimmons, des zoons Hezjons, den Koning van fcgt;yrië die te Damascus woonde, zeggende : 19 Daaris een verbond tusschen mij en tusschen u, tusschen mijnen vader en tusschen uwen vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud: ga henen, maak uw verbond te niet met Baësa, den Koning Israels, dat hij aftrekke van tegen mij. 20 En Benhadad hoorde naar den Koning Asa, en zond do oversten der heiren die hij had tegen de steden Israels, en sloeg Ij on, en Dan, en Abel Beth-Maacha, en het gansche Kinnero th, met het gansche land Naftali. 21 En het geschiedde als Baësa zulks hoorde, dat hij afliet van Karna te bouwen, en hij bleef te Tirza. 22 Toen liet de Koning Asa door gansch Juda uitroepen (niemand was vrij),datzij desteenen van Eama en het hout daarvan zouden wegdragen, daar Baësa mede gebouwd had; en de Koning Asa bouwde daarmede Gibea Benjamins en Mizpa. 23 Het overige nu aller geschie- |
GEN 15. denissen van Asa, en al zijne macht, en al dat hij gedaan heeft, en de steden die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? Doch in den tijd zijns ouderdoms werd hij krank, aan zijne voeten. 24 Ãn Asa ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven met zijne vaderen in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Jo-safat werd Koningin zijne plaats. 25 Nadab nu, de zoon Jerobe-ams, werd Koning over Israël in het tweede jaar van Asa, den Koning van Juda, en hij regeerde twee jaren over Israël; 2tgt; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, en wandelde in den weg zijns vaders en in zijne zonde, waarmede hij Israël had doen zondigen. 27 En Baësa, de zoon van Ahia, van den huize Issaschars, maakte eene verbintenis tegen hem, en Bat;f?a sloeg hem te Gibbethon welke der Filistijnen is, als Nadab en gansch Israël Gibbethon belegerden; 28 en Baësa doodde hem inliet derde jaar van Asa, den Koning van Juda, en werd Koning in zijne plaats. 29 Het geschiedde nu als hij regeerde, dat hij het gansche huis Jerobeams sloeg; hij liet niets over van Jerobeam wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het Woord des Heeren, dat hij gesproken had door den dienst van zijnen knecht Ahia den Si-loniet, 30 om de zonden Jerobeams, die zondigde en die Israël zondigen deed, en om zijne terging, waarmede hij den Heere den God Israëls getergd had. 31 Het overige uu der geschiedenissen Nadabs, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek Ier Kronieken der Koningen Israëls? 32 En daar was corlog tusschen Asa en tusschen Baësa, den Koning Israëls, alle hunne dagen. 33 In het derde jaar vanquot; Asa, Koning van Juda, werd Baësa, |
|
^ 1 KONI de zoon van Ahia, Koning over gansch Israël te Tirza, en regeerde vierentwintig jaar, 34 en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, en wandelde in den weg Jerobeams en in zijne zonde, waarmede Iiij Israël liad doen zondigen. % HOOFDSTUK 10. Toen geschiedde het Woord des Heeren^ tot Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende : 2 Daarom dat ik u uit het stof verheven en u tot eenen voorganger over mijn volk Israël gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg Jerobeams en mijn volk Israël hebt doen zondigen, mij tot toorn verwekkende door hunne zonden: 3 zie, zoo zal ik de nakomelingen van Baësa en de nakomelingen van zijn huis wegdoen,en ik zal uw huis maken gelijk het huis Jerobeams, des zoons Ne-bats. 4 Die van Baësa in de stad sterft zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft zullen de vogelen des hemels eten. 5 Het overige nu der geschiedenissen van Baësa, en wat hij gedaan heeft, en zijne macht, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels? G En Baësa ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven te Tirza; en zijn zoon Elaregeerde in zijne plaats. 7 Alzoo geschiedde ook het Woord des Heeken, door den dienst van den Profeet Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen zijn huis, en dat om al het kwaad dat hij gedaan had in de oogen des Heeken, hem tot toom verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelij k het huis Jerobeams, en omdat hij hetzelve verslagen had. 8 In het zesentwintigste jaar van Asa, den Koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, |
iGEN 16. 435 Koning over Israël te Tirza, en regeerde twee jaren. 9 En Zimri zijn knecht, overste van de helft^ der wagens, maakte eene verbintenis tegen hem, als hij te Tirza was zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Tirza; 10 zoo kwam Zimri in, en sloeg hem en doodde hem, in het zevenentwintigste jaar van Asa, den Koning van Juda; en hij werd Koning in zijne plaats. 11 En het geschiedde als hij regeerde, als hij op zijnen troon zat, dat hij het gansche huis van Baësa sloeg: hij liet hem niet over wat mannelijk was, noch zijne bloedverwanten noch zijne vrienden. 12 Alzoo verdelgde Zimri het gansche huis van Baësa, naar het woord des Heeren dat hij over Baësa gesproken had door den dienst van den Profeet Jehu, 13 om alle de zonden van Baësa en de zonden van Ela zijnen zoon, waarmede zij gezondigd hadden en waarmede zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den Heere den God Israëls door hunne ij delheden. 14 Het overige nu der geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls? 15 In het zevenentwintigste jaar van Asa, den Koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Tirza: en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon dat der Filistijnen is. 1G Het volk nu dat zich gelegerd had hoorde zeggen: Zimri heeft eene verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den Koning verslagen : daarom maakte het gansche Israël te dien dage Omri den krijgsoverste Koning over Israël in het leger. # 17 En Omri toog op, en gansch Israël met hem, van Gibbethon, en belegerden Tirza: 18 en het geschiedde als Zimri zag dat de stad ingenomen was. |
436 1 KONIj
dat liij^ ging in het paleis van liet huis des Koning?, en verbrandde boven zich het huis des Konings met vuur en stierf,
19 om zijne zonden die hij gezondigd had, doende dat kwaad was in de oogen des Heek en, wandelende in den weg Jerobe-ams en in zijne zonde die liij gedaan had, doende Israël zondigen.
20 Ket overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijne verbintenis die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels?
21 Toen werd het volk Israëls verdeeld in twee helften: de helft des volks volgde Tibni, den zoon Giuaths, om hem Koning temaken, en de helft volgde Ornri;
22 maar het volk dat Omri volgde was sterker dan het volk dut Tibni, den^ zoon Ginaths, volgde, en Tibni stierf en Omri regeerde.
23 In het eenendertigste jaar van Asa, den Koning van Juda, werd Omri Koning over Israël, eti regeerde twaalf jaar; te Tirza regeerde hij zes jaren.
24 En hij kocht den berg Sa-marië van Semer voor twee talenten zilvers, en bebouwde den berg, en noemde den naam der stad die hij bouwde, naar den )iaam van Semer, den heer des bergs, Samarië.
25 En Omri deed dat kwaad was in de oogen des heeren,ja, hij deed erger dan allen die voor hem geweest waren,
20 en hij wandelde in alle we-gen_ Jerobeams, des zoons Nebats, en in zijne zonde waarmede hij Israël had doen zondigen, verwekkende den Heere den God Israëls tot toorn door hunne ij delheden.
27 Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijne macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet â geschreven in het boek der Kro- I nieken der Koningen Israëls? !
28 En Omri ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven te
ÃGEN 17.
Samarië; en zijn zoon Achab regeerde in zijne plaats.
29 En Achab, de zoon van Omri, werd Koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa, den Koning van Juda, en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël te Samarië tweeëntwintig jaar,
30 en Achab, de zoon van Omri, deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, meer dan allen die vóór hem geweest waren.
31 En het geschiedde (was het eene lichte zaak dat hij wandelde in de zonden Jerobeams, des zoons Nebats?) dat hij nog ter vrouwe nam Izébel, de dochter Ethbaals, des Konings der Sido-niërs, en henenging en diende den Baiil en boog zich voor hem,
32 en hij richte den Baal een altaar op in het huis Baals, hetwelk hij te Samarië gebouwd had;
33 ook maakte Achab een bosch; zoodat Achab nog meer deed om den Heere den God Israëls tot toorn te verwekken, dan alle Koningen Israëls die vóór hem geweest waren.
34 In zijne dagen bouwde Hiël de Betheliet Jericho: op Abiram, zijnen eerstgeboren zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Se-gnb, zijnen jongsten znon, heeft hij hare poorten gesteld, naar het woord des Heeren dat hij dooiden dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.
HOOFDSTUK 17.
En Elia de Tisbiet van de in-woneren Gileads aeide tot Achab: Zoo waarachtig als de Heere de God Israëls leeft, voor wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.
2 Daarna geschiedde het Woord des Heeren tot hem, zeggende:
3 Ga weg van hier en wend u naar het Oosten, en verberg u
i aan de beek Krith die vóóraan den Jordaan is;
4 en het zal geschieden dat gij uit de beek drinken zult, en ik
|
1 KONI heb den raven geboden dat zij u daar onderhouden zullen. 5 Hij ging dan henen en deed «aar het woord des Heeren; want hij ging en woonde bij de beek Krith die vóóraan den Jor-daan is, 6 en de raven brachten hem des morgens brood en vleesch, desgelijks brood en vlee?ch des avonds, en hij dronk uit de beek. 7 En het geschiedde teneinde van vele dagen dat de beek uitdroogde, want er was geen regen in liet land geweest. 8 Toen geschiedde het quot;Woord des Heeren tot hem, zeggende: 9 Maak u op, ga henen naar Zarfath dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, ik heb daar eene weduwvrouw geboden dat zij u onderhoude. 10 Toen maakte hij zich op en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, zie, zoo was daar eene weduwvrouw hout lezende; en hij riep tot haar en zeide: Haal mij toch een weinig water in dit vat, dat ik drinke, 11 Toen zij nu henenging om dat te halen, zoo riep hij tot haar en zcide: Haal mij toch ook eene bete broods in uwe hand. 12 Maar zij zeide: zoo icaarach-tiff als de Heere uw God leeft, indien ik eenen koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de flesch; en zie, ik heb een paar kouten gelezen, en ik ga henen en zal het voor mij en mijnen zoon bereiden, dat wij het eten en sterven. 13 En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga henen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit, doch voor u en uwen zoon zult gij daarna wat maken. 14 Want zóó zegt de Heere de Gods Israels; Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der llesch zal niet ontbreken, tot op den dag dat de Heere regen op den aardbodem geven zal. 15 En zij ging henen en deed |
ÃGE^ 18. 437 naar het woord van Elia: zoo ai zij en hij en haar huis vele dagen, 16 het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de flesch ontbrak niet, naar het woord des Heeren dat hij gesproken had door den dienst van Elia. 17 En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouwe, der waardin van den huize, krank werd; en zijne krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was. 18 En zij zeide tot Elia; quot;Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Zijt gij bij mij ingekomen om mijne ongerechtigheid in gedachtenis te brengen en om mijnen zoon te dooden? 19 En hij zeide tot haar: Geef mij uwen zoon. En hij nam hem van haren schoot, en droeg hem boven in de opperzaal waar hij zelf woonde, en hij leide hem neder op zijn bed; 20 en hij riep den Heere aan en zeide: Heere mijn God,hebt gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herberg, zoo kwalijk gedaan, dat gij haren zoon gedood hebt? 21 En hij mat zich driemaal uit over het kind, en riep den Heere aan en zeide: Heere mijn God, laat toch de ziel dezes kinds in hem wederkomen. 22 En de Heere verhoorde de stem van Elia, en de ziel des kinds kwam weder in hem, dat het weder levend werd. 23 En Elia nam het kind en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het zijner moeder, en Elia zeide: Zie, uw zoon leeft. 24 Toen zeide die vrouw tot Elia *⢠Nu weet ik dat gij een man Gods zijt, en dat het Woord des Heeren in uwen mond waarheid is. HOOFDSTUK 18. En het gebeurde na vele dagen dat het Woord des Heeren geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga henen, ver- |
1 KONINGEN 18.
438
|
toon u aan Achab, -want ik zal regen geven op den aardbodem. 2 En Elia ging henen om zioh aan Achab te vertoonen. En de honger -was sterk in Samarie; 3 en Achab had Obadja den hofmeester geroepen; (en Obadja was den Heere zeer vreezende; 4 want het geschiedde als Izébel de Profeten desHEEREN uitroeide, dat Obadja hónderd Profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in eene spelonk, en onderhield ze met brood en water;) 5 en Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten. 6 En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen: Achab ging afzonderlijk op eenen weg, en Obadja sing óók afzonderlijk op eenen weg. 7 Als nu Objulju op den weg was, zie, zoo was hem Elia tegemoet en hem kennende, zoo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij mijn heer Elia? 8 Hij zeide: Ik ben het: ga heen, zeg uwen heere: Zie, Elia is hier. 9 Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uwen knecht geeft in de hand Achabs, dat hij mij doode? 10 Zoo loaarachtig als de Heere uw God leeft zoo er een volk of koninkrijk is waar mijn heer niet gezonden heeft om u te zoeken! en als zij zeiden: Hij is hier niet, zoo nam hij dat koninkrijk en dat volk eenen eed af dat zij u niet hadden gevonden. 11 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uwen heere: Zie, Elia is hier. 12 En het mocht geschieden wanneer ik van u zoude weggegaan zijn, dat de Geest des Hee-ren u wegnam, ik weet niet waarhenen, en ik kwam om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zoo zoude hij mij dooden: ik, uw knecht nu vreeze den Heere van mijne jonkheid op. |
[ 13 Is mijnen heere niet aange-1 zegd wat ik gedaan heb als Izébel | de Profeten des Heeren doodde, | dat ik van de Profeten des Hee-j rent honderd man heb verborgen, elke vijftig man in eene spelonk, i en die met brood en water onderhouden heb? j 14 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uwen heere: Zie, Elia is hier, en hij zoude mij doodslaan.quot; 15 Eu Elia zeide: Zoo icaar-: achtifj als de Heere der heirscha-i ren leeft, voor wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertoonen. 1G Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zeide het hem aan; ' en Achab ging Elia tegemoet, i 17 En het geschiedde als Achab Elia zag, dat Achab tot hem ! zeide: Zijt gij die beroerder i Israels? 18 Toen zeide hij: Ik heb Is-: raël niet beroerd, maar gij en uws i vaders huis, daarmede dat gij-i lieden do geboden des Heeren 1 verlaten hebt en de Baiile nage-: volgd zijt. li) Nu dan, zend henen verzamel tot mij het gansche Israël op den berg Karmcl, en de vier-j honderd en vijftig Profeten Baals, | en de vierhonderd Profeten van I het bosch, die van de tafel Izébel b eten. j 20 Zoo zond Achab ouder alle i kinderen Israels, en verzamelde I de Profeten op den bergKarmel. 21 Toen naderde Elia tot het gansche volk en zeide: Hoelang â hinkt gij op twee gedachten? Zoo de Heere God i?, volgt hem na, en zoo het Eaiil is, volgt hem i na. Maar het volk antwoordde j hem niet één woord. i 22 Toen zeide Elia tot het volk: | Ik ben alléén een Profeet des 1 Heeren overgebleven, en de Pro-! feten Baiils zijn vierhonderd en I vijftig mannen. i 23 Dat men ons dan twee varren geve, en dat zij voor zich den éénen var kiezen, en denzelven in stukken deelen en op hethout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal den anderen 1 var bereiden en op het hout leg- |
|
1 KONIj gen, en geen vuur daaraan leggen ; 24 roept gij daarna den naam mvs gods aan, en ik zal den naam des Heeren aanroepen; en de god die door vmir antwoorden zal, die zal God zijn. En het gansche volk antwoordde en zei-de: Dat woord is goed. 25 En Elia zeide tot ds Profeten Baals: Kiest gijlieden voor ii den éénen var, en bereidt gij hem eerst, want gij zijt velen, en roept den naam nws gods aan, en legt geen vuur daaraan. 2G En zij namen den var, dien hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen den naam Baals aan van den morgen tot op den middag, zeggende: O Baal, antwoord ons. Maar daar was geene stemme en geen antwoorder. En zij sprongen tegen liet altaar dat men gemaakt had. 27 En het geschiedde op den middag dat Elia met hen spotte en zeide: Roept met luider stemme, want hij is een god, omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij eene reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden. 28 En zij riepen met luider stemme, en zij sneden zich zeiven met messen en met priemen naar hunne wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten. 29 Het geschiedde nu als de middag voorbij was, dat zij profeteerden, totdat men het spijsoffer zoude offeren, maar daar was geene stemme, en geen antwoorder, en geene opmerking. 30 Toen zeide Elia tot het gansche volk: Nadert tot mij ; en al het volk naderde tot hem. En hij heelde het altaar des Heeren dat verbroken was. 31 En Elia nam twaalf steenen, | naar het getal der stammen der : kinderen Jakobs (tot welken het ; woord des Heeren geschied was, i zeggende: Israël zal uw naam zijn', 32 en hij bouwde met die steenen het altaar in den naam des Heeren ; daarna maakte hij eene |
sTGEN IS. groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads. 33 En hij schikte het hout, en deelde den var in stukken, en leidde hem op het hout. 34 En hij zeide: Vult vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zeide: Doet het ten tweeden male, en zij deden het ten tweeden male. Voorts zeide hij Doet het ten derden male, en zij deden het ten derden male, 35 dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water. 36 Het geschiedde nu als men het spijsoffer offerde, dat de Profeet Elia naderde en zeide: Hee-re God Abrahams, Isaaks en Israels, dat het heden bekend worde dat gij God in Israël zijt, en ik uw knecht, en dat ik alle deze dingen naar uw woord gedaan heb. 37 Antwoord mij Heere, antwoord mij, opdat dit volk er-kenne, dat gij, o Heere, die God zijt, en dat gij hun hart achterwaarts omgewend hebt. 38 Toen viel het vuur des Heeren en verteerde dat brandoffer en dat hout en die steenen en dat stof, ja, lekte dat water op, hetwelk in de groeve was. 39 Als nu het gansche volk dat zag, zoo vielen zij op hunne aangezichten en zeiden: De Heere is God, de Heere is God. 40 En Elia zeide tot hen: Grijpt de Profeten Baals, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze, en Elia voerde zamp; af aan de beek Kison en slachtt©-ze aldaar. 41 Daarna zeide Elia tot Achab: Trek op, eet en drink, want er is een genüsch eens overvloedi-gen regens. 42 Alzoo toog Achab op om te eten en te drinken. Maar Elia ging op naar de hoogte vanKar-mel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna leiddo-hij zijn aangezicht tusschenzijne-knieën, 43 en hij zeide tot zijnen jongen r Ga nu op en zie uit naar de zee». |
|
440 1 KONI Toen ging hij op en zag uit, en zeide: Daar is niets. Toen zeide hij: Ga weder heen, zevenmaal. 44 En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, eene kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat n de regen niet ophonde. 45 En het gegchiedde onder-tusschen dat de hemel van wolken en wind zwart werd, en daar kwam een groote regen; en Achab reed weg en toog naar Jizreël. 46 En de^ hand des Heeren was over Elia, en hij gordde zijne lendenen, en liep voor het aangezicht Achabs henen tot waar men te Jizreël komt. HOOFDSTUK 19. En Achab zeide Izébel aan al wat Elia gedaan had, en allen die hij gedood had, te iceten alle de Profeten met het zwaard. 2 Toen zond Izébel een en bode tot Elia, om te zeggen : Zóó doen mij de goden eri doen zoo daartoe, voorzeker ik zal morgen omtrent dezen tijd uwe ziele stellen als de ziele van hunlieder een. 3 Toen hij dat zag, maakte hij zich op en ging henen om zijns levens wille, en kwam te Ber-Seba dat in Juda is, en liet zijnen jongen aldaar; 4 maar hij zelf ging henen in de woestijn eene dagreize, en kwam en zat onder eenen jeneverboom, en bad dat zijne ziele stierve, en zeide: Het is genoeg, neem _ nu, Heere, mijne ziele, want ik ben niet beter dan mijne vaderen. 5 En hij leide zich neder en sliep onder eenen jeneverboom; en zie, toen roerde hem een Engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet. G En hij zag om, en zie, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en eene flesch met water; alzoo at hij en dronk, en leide zich wederom neder. 7 En de Engel des Heeren kwam ten anderen maal weder, en roerde hem aan en zeide: Sta !ÃGEN 19. |
op, eet, want de weg zoude voor u te veel zijn. 8 Zoo stond hij op, en at en dronk en hij ging door de kracht derzei ver spijze veertig dagenen veertig nachten tot aan den berg Gods Horeb. 9 Eu hij kwam aldaar in eene spelonk en vernachtte aldaar; en zie, het Woord des Heeren geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elia? 10 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den Heere den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe Profeten met het zwaard gedood, en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijne ziele om die weg te nemen. 11 En hij zeide: Ga uit en sta op dezen berg voor het aangezicht des Heeren. En zie, de Heere ging voorbij, en een groote en sterke wind, scheurende de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heeue henen; doch de Heere was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving: de Heere was ooi: in de aardbeving niet; 12 en na de aardbeving een vuur; de Heere was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van eene zachte stilte: 13 en het geschiedde als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijnen mantel, en uitging en stond in den ingang der spelonk. En zie, eene stem hicam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Elia? 14 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor der.. Heere den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe Profeten met den zwaarde gedood, en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijne ziele om^die weg te nemen. 15 En de Heere zeide tot hem: Ga, keer weder op uwen wegnaar de woestijn van Damascus, en ga daarin, en zalf Hazaël ten Koning over Syrië; 16 daartoe zult gij Jelui, den |
1 KONINGEN 20.
441
|
Z9011 van Nimsi, zalven ten Koning over Israël; en Elisa, den zoon van Safat, van Abel-Mel 10Ia, zult gij ten Profeet zalven in nwe plaats. 17 En liet zal geschieden dat Jehu liem die van liet zwaard Hazaëls ontkomt dooden zal: en die van liet zwaard van Jéhu ontkomt, dien zal Elisa dooden. 18 Ook heb in Israël doen overblijven zevenduizend, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor Baiil, en allen mond die hem niet gekust heeft. 19 Zoo _ ging hij van daar, en vond Elisa, den zoon Safats; deze ploegde met twaalf juk ruucle.ren voor zich henen, en hij was bij het twaalfde; er Elia ging over tot hem en wierp zijnen mantel op hem. 2à En hij verliet de runr'eren, en liep Elia na, en zeide-; Dat ik toch mijnen vader en mijne moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zeide tot hem: Ga, keer weder, want wat heb ik u gedaan? 21 Zoo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen en slachtte ze, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vleesch, hetwelk hij den volke gaf, en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na en diende hem. HOOFDSTUK 20. En Benhadad, de Koning van Syrië, vergaderde al zijne macht en tweeëndertig Koningen waren met hem, en paarden en wagenen, en hij toog op, en belegerde Samaric en krijgde tegen haar. 2 En hij zond boden tot Achab, den Koning Israels, in de stad, 3 en hij zeide hem aan: Zóó zegt BenhadadUw zilver en uw goud, dat is mijn; daartoe uwe vrouwen en uwe beste kin- j deren, die zijn mijne. 4 En de Koning Israels antwoordde en zeide: Naar uw woord, mijn heer de Koning, ik ben uwe, en al wat ik heb. o Daarna kwamen de boden 1 weder en zeiden: Alzóó spreekt |
I Benhadad, zeggende: Ik heb wel I tot u gezonden, zeggende: Uw zilver en uw goud en uwe vrouwen en uwe kinderen zult ! gij mij geven; (5 maar morgen om dezen tijd ï zal ik mijne knechten tot u I zenden, dat zij uw huis en uwer knechten huizen bezoeken, en het zal geschieden dat zij al het i begeerlijke uwer oogen in hunne handen leggen en wegnemen ⢠zullen. 1 7 Toen riep de Koning Israëls alle oudsten des lands, en zeide: Merkt toch en ziet dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden om mijne vrouwen en om mijne kinderen en om mijn zilver en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd. 8 Doch alle de oudsten en liet gansche volk zeiden tot hem: Hoor niet en bewillig niet. 9 Daarom zeide hij tot de boden i van Benhadad; Zegt mijnen heere den Koning: Alles waarom ! gij in het eerst tot uwen knecht ' gezonden hebt zal ik doen, maar j deze zaak kan ik niet doen. Zoo I gingen de boden henen en i brachten hem bescheid weder. 10 En Benhadad zond tot hem en zeide: De goden doen mij zóó en doen zóó daartoe, indien het stof van Samarië genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk dat mijne voetstappen volgt. 11 Maar de Koning Israels antwoordde f en zeide: Spreekt tot hem: t Die zich aangordt be-roeme zich niet als die zich losmaakt. 12 En het geschiedde als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de Koningen, in de tenten, dat hij zeide tot zijne knechten: Legt aan. En zij leiden aan tegen de stad. 13 En zie, een Profeet trad tot Achab, den Koning Israëls, en zeide: Zóó zegt de Heere:Hebt gij gezien al deze groote menigte? Zie, ik zal ze heden in uwe hand geven, opdat gij weet dat ik de Heere ben. 14 En Achab zeide: Door |
|
442 1 KONI -wien? En hij zeide: Zóó zegt de Heere: Door de jongens van de oversten der landschappen. En hij zeide; quot;Wie zal den strijd aanbinden? En hij zeide: Gij. 15 Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren tweehonderd tweeëndertig; en na hen telde hij al het volk, alle de kinderen Israëls, zevenduizend; 16 en zij togen uit op den â middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de Koningen, de tweeëndertig Koningen die hem hielpen. 17 En de jongens van de oversten der landschappen togen â¢eerst uit. Doch Benhadad zond ^enigen uit, en zij boodschapten hem: zeggende: Uit Samarië zijn .mannen uitgetogen. 18 En hij zeide: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt ze levend; hetzij ook dat zij' ten strijde uitgetogen zijn, grijpt ze levend. 19 Zoo togen deze jongens van de oversten der landschappen uit de stad, en het heir dat hen navolgde, 20 en een ieder sloeg zijnen man, zoodat de Syricrs vloden, en Israël jaagde ze na; doch Benhadad, de Koning van Syrië, ontkwam op een paard, met eenige ruiteren. 21 En de Koning Israëls toog uit, en sloeg paarden en wagenen, â dat hij eenen grooten slag aan de Syriërs sloeg. 22 Toen trad die Profeet tot den Koning Israëls, en zeide tot hem: Ga henen, sterk u, en bemerk en zie wat gij doen zult; want met de wederkomst des jaars zal de Koning van Syrië tegen u optrek leen. 23 Want de knechten des Ko-siings van Syrië hadden tot hem gezegd: Hunne goden zijn berg-goden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het ellen veld strijden: zoo wij niet sterker zijn dan zij ! 24 Daarom doe deze zaak: Doe de Koningen weg, elk een uit |
tïGEN 20. zijne plaatse en stel landvoogden in hunne plaats. 25 En gij, tel u een heir als dat heir dat van de uwen gevallen is, en paarden als die paarden en wagenen als die wa-genen en laat ons tegen hen op het effen veld strijden: zoo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hunne stem en deed alzoo. 26 Het geschiedde nu met de wederkomst des jaars, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij toog op naar Afek tenkrijge tegen Israël. 27 De kinderen Israëls werden óók gemonsterd, en waren verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de kinderen Israëls legerden zich tegenover hen als twee bloote geitenkudden, maar de Syriërs vervulden het lund. 28 En de man Gods trad toe, en sprak tot den Koning Israëls en zeide: Zóó zegt de Heere; Daarom dat de Syriërs gezegd hebben: De Heeee is een God der bergen en hij is niet een God der laagten, zoo zal ik al deze groote menigte in uwe hand geven opdat gijlieden weet dat ik de Heere ben. 29 En dezen waren gelegerd tegenover genen, zeven dagen; het geschiedde, nu op den zevenden dag dat de strijd aanging, en de kinderen Israëls sloegen van de Syriërs honderdduizend voetvolks op écnen dag; 30 en de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zevenentwintigduizend mannen die overgebleven waren. Ook vlood Beiihadad, en kwam in de stad van kamer in kamer. 31 Toen zeiden zijne knechten tot hem: Zie r,och, wij hebben gehoord dat de Koningen van het huis Israëis goedertierene Koningen zijn: laat ons toch zakken om onze lendenen leggen en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot den Koning Israëls; mogelijk zal hij uwe ziele in het leven behouden. 32 Toen gordden zij zakken |
|
1 KONI om hunne lendenen en koorden om hunne hoofden, en kwamen tot den Koning Israels, en zeiden: \Jvf knecht Benhadad zegt: Laat toch mijne ziele leven. En hij zeide: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder. 33 De mannen nu namen naar-stiglijk waar en vatteden het haastelijk aan, of het van hem ware, en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zeide: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op den wagen klimmen. 34 En hij zeide tot hem: De steden die mijn vader van uwen vader genomen heeft zal ik wedergeven, en maak u straten in Damascus, gelijk mijn vader in Samarië gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u mst dit verbond dan laten gaan. Zoo maakte hij een verbond nier. hem en liet hem gaan. 35 Toen zeide een man uit de zonen der Profeten tot zijnen naaste, door het Woord des Heerex: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan. 36 En hij zeide tot hem: Daarom dat gij der stemme des Hee-ren niet gehoorzaam zij t geweest, zie, als gij van mij weggegaan zijt, zoo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zoo vond hem een leeuw die hem sloeg. 37 Daarna vond hij een en anderen, en zeide: Sla mij toch. En die man sloeg hem, slaande en wondende. 38 Toen ging de Profeet henen en stond voor den Koning op den weg, en hij vermomde zich met asch boven zijne oogen- 39 En het geschiedde als de Koning voorbijging, dat hij tot den Koning riep en zeide: Uw knecht was uitgegaan in het midden des strijds, en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij eenen man en zeide: Bewaar dezen man, indien hij eenigszins gemist wordt, zoo zal uwe ziel in de plaats zijner ziel zijn, of gij zult een talent zilvers opwegen. |
ïGE N 21. 40 Het geschiedde nu als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was. Toen zeide de Koning Israëls tot hem: Zóó is uw oordeel, gij zelf hebt het geveld. 41 Toen haastte hij zich en deed de asch af van zijne oogen, en de Koning Israels kende hem dat hij een der Profeten was. 42 En hij zeide tot hem: Zóó zegt de Heere: Omdat gij den man, dien ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zoo zal _ uwe ziel in de plaats zijner ziel zijn, en uw volk in de plaats zijns volks. 43 En de Koning Israëls toog henen gemelijk en toornig naar zijn huis, en kwam te Samarië. HOOFDSTUK 21. Het geschiedde nu na deze dingen al::oo Naboth, een Jizreë-liet, eenen wijngaard had die te Jizreël was, bij het paleis Achabs, des Konings van Samarië, 2 dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geerquot; mij uwen wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven eenen wijngaard die beter is dan die; of zoo het goed in uwe oogen is, ik zal u in geld deszelfs waarde geven. 3 Maar Naboth zeide tot Achab: Dat late de Heeke verre van mij zijn, dat ik u de erven mijner vaderen geven zoude. 4 Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig ovei het woord dat Naboth de Jizreë-liet tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erve mijner vaderen niet geven; en hij leide zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood. 5 Maar Izébel, zijne huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest, dus gemelijk is en dat gij geen brood eet? 6 En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth den Jizreë-liet gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uwen wijngaard om geld, of zoo het u behaagt |
1 KONINGEN 21,
4-M
|
ik zal u een wijngaard in zijne plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijnen wijngaard niet geven. 7 Toen zeide Izébel, zijne huisvrouw, tot hem : Zoudt gij nu het koninkrijk over Israël regeeren? Sta op, eet brood, en nw hart zij vroolijk: ik zal u den wijngaard Naboths des Jiz-reëliets geven. ^ S Zij dan schreef brieven in den naam Achabs, en verzegelde ze met zijn signet, en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen die in zijne stad waren, wonende met Naboth: 9 en zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats des volks, 10 en zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en den koning gezegend, en voert hem uitensteenigthem dat hij sterft. 11 En de mannen zijner stad, die oudsten en die edelen die in zijne stad woonden, deden gelijk als Izébel tot hen gezonden had, gelijk als geschreven was in de brieven die zij tot li en gezonden had : 12 zij riepen een vasten uit, en zij zetteden Naboth in de hoogste plaats des volks. 13 Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetteden zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende^ Naboth heeft God en den Koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad en steenigden hem met steenen dat hij stierf. 14 Daarna zonden zij tot Izébel, zeggende: Naboth is gestee-nigd en is dood. 15 Het geschiedde nu toen Izébel hoorde dat Naboth ge-steenigd en dood was, dat Izébel tot Achab zeide: Sta op, bezit den wijngaard Naboths des Jiz-reëliets erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood. |
| 16 En het geschiedde als Achab hoorde dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar den wijngaard Naboths des Jizreë-liets at te gaan, om dien erfelijk j te bezitten. i 17 Doch het Woord des Heeren geschiedde tot El ia den Tisbiet, zeggende: 18 Maak u op, ga henen af, i Achab, den Koning Israels, tege-| moet die in Samarië is: zie, hij is in den wijngaard Naboths, j waarhenen hij afgegaan is om | dien erfelijk te bezitten. 19 En gij zult tot hem spreken, : zeggende: Alzóó zegt de Heere: Hebt gij doodgeslagen, en ook eene erfelijke bezitting ingenomen ? Daartoe zult gij tot hem ; spreken, zeggende: Alzoo zegt i de Heere: In plaats dat de honden het bloed Naboths gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lekken, ja, het uwe. 20 En Achab zeide tot Elia: | Hebt gij mij gevonden, o mijn ! vijand? En hij zeide: Ik heb u i gevonden, overmits gij uzelven i verkocht hebt om te doen dat kwaad is in de oogen des Heeren. i 21 Zie, ik zal kwaad over u I brengen, en uwe nakomelingen wegdoen, en ik zal van Achab | uitroeien wat mannelijk is, mits-; gaders den beslotene en verlatene j in Israël; 22 en ik zal uw huis maken 1 gelijk het huis Jerobeams, dos i zoons Nebats, en gelijk het huis i van Baësa, den zoon van Ahia, 1 om de terging waarmede gij mij j getergd hebt, en dat gij Israël i hebt doen zondigen. 23 Voorts ook over Izébel sprak de Heere, zeggende: De honden zullen Izébel even aan den voorwal Jizreëls. 24 Die van Achab sterft in de stad zullen de honden eten, en ; die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten. 25 Doch er was niemand ge-| weest gelijk Acl.ab, die zichzel-j ven verkocht had om te doen : dat kwaad is in de oogen des Heerex, dewijl Izébel, zijne hui»-i vrouw, hem ophitste; |
1 KONINGEN 22.
4i5
|
'26 en hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden: naar alles dat de Amoriten gedaan hadden, die God voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had. 27 Het geschiedde nu als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde en eenen zak om zijn vleesch leide, en vastte: hij lag ook neder in den zak,en ging langzaam. 28 En het Woord des Heeren geschiedde tot Elia den Tisbiet, zeggende: 29 Hebt gij gezien dat Achab zich vernedert voor mijn aangezicht? Daarom dewijl hij zich vernedert ^ voor mijn aangezicht, zoo zal ik dat kwaad in zijne dagen niet brengen: in de dagen zijns zoons ^ zal ik dat kwaad over zijn huis brengen. HOOFDSTUK 22. En zij zaten drie jaren stil, dat er geen krijg was tusschen Syrië en tusschen Israël. 2 Maar het geschiedde in het derde jaar, als Josafat, de Koning van Juda, tot den Koning Israels afgekomen was, 3 dat de Koning Israels tot ;ijne knechten zeide: Weet gij rlat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stille, zonder die te nemen uit de hand des Konings van Syrië. 4 Daarna zeide hij tot Josafat: Zult gij mét mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot den koning Israels: Zóó zal ik zijn gelijk gij zijt, zóó mijn volk als uw : volk, zóó mijne paarden als uwe paarden. 5 Voorts zeide Josafat tot den ! Koning Israels: Vraagt toch heden naar het Woord des HeeSÃn.^ 6 Toen vergaderde de Koning , Israels de Profeten, omtrent ; vierhonderd man, en hij zeide j tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken of zal | ik het nalaten ? En zij zeiden: Trek op, want de Heere zal ze 1 in de hand des Konings geven, j |
7 Maar Josafat zeide: Is hier ' niet nog een Profeet des Heeeen, dat wij het van hem vragen mochten? 8 Toen zeide de Koning Israels tot Josafat: Er is nog één man om door hem den Heere to vragen ; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De Koning zegge niet alzoo. 9 Toen riep de Koning Israels eenen kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla. 10 De Koning^ Israels nu en Josafat, de Koning van Juda, zaten elk op zijnen troon, bekleed met hunne kleederen, op het plein aan de deur derpoortevan Samarië; en alle de Profeten profeteerden in hunne tegenwoordigheid. 11 En Zedekia, de zoon van Kenaiina, had zich ijzeren horens gemaakt, en hij zeide: Zóó zegt de Heere: Met deze zult gij de Syriërs stooten, totdat gij ze gansch verdaan zult hebben. 12 En alle de Profeten profeteerden alzóó, zeggende: Trek op naar Ramoth, in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de Heere zal ze in do hand des Konings geven. 13 De bode nu die heengegaan was om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden der Profeten zijn uit éénen mond goed tot den Koning: dat toch uw woord zij gelijk als het woord van eenen uit hen, en spreek het goede. 14 Doch Micha zeide: Zoo waarachtig ah de Heere leeft, hetgeen de Heere tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken. 15 Als hij tot den Koning gekomen was, zoo zeide de Koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken of zullen wij het nalaten? En hij zeide tot hem: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn want de Hekre zal ze iu de hand des Konings geven. 16 Eu de Koning zeide tot |
|
446 1 KOïsl hem: Tot hoe vele reizen zal ik li bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt dan alleen de waarheid in den naam des Heerex? 17 En hij zeide: Ik zag het gansche Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen die gee-nen herder hebben: en de Heere zeide Deze hebben geenen heer; een iegelijk keere weder naar zijn huis in vrede. 18 Toen zeide de Koning Israels tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds maar kwaad profeteeren? 19 Voorts zeide hij: Daarom hoor het Woord des Heeren. Ik zag den Heere zittende op zijnen troon, en al het hemelsche heir staande nevens hem, aan zijne rechter- en aan zijne linkerhand. 20 En de Heere zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij op-trekke en valle te Eamoth in Giiead? De ééne nu zeide aldus en de andere zeide alzóó. 21 Toen ging een geest uit en stond voor het aangezicht des Heerex, en zeide: Ik zal hem overreden. En de Heere zeide tot hem: Waarmede? 22 En hij zeide: Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in den mond aller zijner Profeten. En hij zeide: Gij zult overreden en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzoo. 23 Ku dan, zie, de Heere heeft eenen leugengeest in den mond aller dezer uwer Profeten gegeven, en de Heere heeft kwaad over u gesproken. 24 Toen trad Zedeküa, de zoon van Kenaiina, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken, en hij zeide: door wat iceg is de Geest des Heerex van mij doorgegaan om u aan te spreken? 25 En Micha zeide: Zie, gij zult het zien op dienzelfden dag als gij zult gaan van kamer in kamer om^ u te versteken. 26 De Koning Israëls nu zeide: Neem Micha en breng hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des Konings; 27 en gij zult zeggen: Zóó zegt |
NGEN 22. de Koning: Zet dezen in het gevangenhuis, en spijst hem met brood der bedruktheid en met water der bedruktheid, totdat ^k met vrede wederkom. 28 En Micha zeide: Indien gij eenigszins met vrede wederkomt, zoo heeft de Heere door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: Hoort, gij volken altegader. 29 Alzoo toog de Koning Israëls en Josaphat, de Koning van Juda, op naar Eamoth in Gilead. 30 En de Koning Israëls zeide tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in den strijd komen, maar gij, trek uwe kleederen aan. Alzoo vermomde zich de Koning Israëls en kwam in den strijd. 31 De Koning van Syrië nu had geboden aan de oversten der wageuen, van welke hij tweeëndertig had, zeggende: Gij zult noch kleinen noch grooten bestrijden, maar den Koning Israëla alleen. 32 Het geschiedde dan als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Gewis die is de Koning Israëls, en zij keerden zich naar hem om te strijden. Maar Josafat riep uit; 33 en het geschiedde als de oversten der wagenen zagen dat hij de Koning Israëls niet was, dat zij zich van achter hem afkeerden, 34 .Toen spande een man den boog in zijne eenvoudigheid, en schoot den Koning Israëls tus-schen de gespen en tusschenhefe pantsier. Toen zeide hij tot zijnen voerman: Keer uwe hand en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond. 35 En de strijd nam op dien dag toe, en de Koning werd mei den wagen staande gehouden tegenover de Syrilrs; maar hij stierf des avonds, er. het bloed der wonde vloeide in den bak de»' wagens. 3G En daar ging eene uitroeping door het heirleger als do zon onderging, zeggende: Een ieder keere naar zijne stad en een ieder naar zijn land. 37 Alzoo stierf de Koning en werd naar Samarië gebracht, en |
|
2 KONI rij begroeven den Koning te Sa-marië. 38 Als men nn den wagen in den vijver van Samarië spoelde, lekten de honden zijn bloed, â¢waar de hoeren wiesschen, naar het woord des Heeren dat hij gesproken had. 39 Het overige nn der geschiedenissen Achabs, en al dat hij gedaan heeft, en het elpenbeenen huis dat hij gebouwd heeft, en alle de steden die hij gebouwd heeft, zijn dio niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels? 40 Alzoo ontsliep Achab met zijne vaderen; en zijn zoon Aha-zia werd Koning in zijne plaats. 41 Josafat nu, de zoon van Asa, werd Koning over Juda in liet vierde jaar Achabs, des Konings Israels. 42 Josafat was vijfendertig jaar oud als hij Koning werd, en regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem ; en de naam zijnei moeder was Azuba, de dochter van Silhi. 43 En hij wandelde in al den weg zijns vaders Asa, hij week daarvan niet af, doende wat recht was in de oogen des Heeren. 44 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen, het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 45 En Josafat maakte vrede met den Koning Israels. 46 Het overige nu der geschiedenissen Josafats, en zijne maclit die hij bewezen heeft, en hoe hij ^ GEN 1. 44T |
geoorloogd heeft, zijn die niet. geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? 47 Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens,. die in de dagen zijns vaders Asa overgebleven waren. 48 Toen was er geen Koning in Edom, maar eens Konings stadhouder. 49 En Josafat maakte schepen van Tarsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-Géber. 50 Toen zeide Ahazia, de zoon Achabs, tot Josafat: Laat mijne knechten met uwe knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet. 51 En Josafat ontsliep met zijne vaderen, en werd bij zijne vaderen begraven in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Joram werd Koning in zijne plaats. 52 Ahazia, de zoon Achabs» werd Koning over Israël te Samarië in het zeventiende jaar Josafats, des Konings van Juda» en regeerde twee jaren over Israël; 53 en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, want hij wandelde in den weg zijns vaders en in den weg zijner moeder, en in den weg Jerobeams, des zoons Nebats, die Israël zondigen deed; 54 en hij diende Baal en boog zich voor hem, en vertoornde den Heere den God Israels, naar alles-dat zijn vader gedaan had. |
EDE BOEK
HET TWE
K O N I
F G E K
|
HOOFDSTUK 1. En Moab viel van Israël af na Achabs dood. 2 En Ahazia viel door eene |
tralie in zijne opperzaal die ter Samarië was, en werd krank; en hij zond boden, en zeide tot. hen: Gaat henen, vraagt liaal-Ze-bub, den god van Ekron, of ik |
|
448 2 K O NI van deze krankheid genezen zal. 3 Maar de Engel des Heeren sprak tot Elia den Tisbiet: Maak n op, ga óp, den boden van den Koning van Samarië tegemoet, en spreek tot^ hen : Is het omdat er geen God in Israël is, dat gijlieden heneugaatom Baal-Zebub, den god van Ekron te vragen? 4 Daarom nu zegt de Heere p.Izóo: Gij zult niet afkomen van dat bed waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood sterven. En Elia ging weg. o Zoo kwamen de boden weder tot hem; en hij zeide tot hen: Wat is dit dat gij wederkomt? G En zij zeiden tot hem: Een man kwam óp, ons tegemoet, en zeide tot ons: Gaat henen,keert weder tot den Koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem : Zóó zegt de Heere : Is het omdat er geen God in Israël is, dat gij zendt om Baal-Zebub, den god van Ekron, te vragen? Daarom zult gij van dat bed waarop gij geklommen zijt niet afkomen, maar gij zult den dood sterven. 7 En hij sprak tot hen: Hoedanig was de gestalte des mans die u tegemoet opgekomen is en deze woorden tot u gesproken heeft ? 8 En zij zeiden tot hem; Hij was een man meteen harigWet'rf, en met eenen lederen gordel gegord om zijne lendenen. Toen zeide hij: Het is Elia do Tisbiet. 9 En hij zond tot hem eenen hoofdman van vijftig met zijne vijftig; en als hij tot hem opkwam (want zie, hij zat op de hoogte eens bergs), zoo sprak hij t.it hem: Gij man Gods, de Koning zegt: Kom af. 10 Maar Elia antwoordde en sprak tot den -hoofdman van vijftig : Indien ik dan een man Gods ben, zoo dale vnur van den hemel en vertere u en uwe vijftig. Toen «laaide vuur van den hemel en verteerde hem en zijne vijftig. 11 En hij zond wederom tot hem eenen anderen hoofdman van vijftig met zijne vijftig; deze antwoordde en sprak tot hem: Gij fGEN 2. |
man Gods, zóó zegt do Koning: Kom haastelijk af. 12 En Elia antwoordde en sprak tot hen: Ben ik een man Gods, zoo dale vuur van den hemel en vertere u en uwe vijftig. Toen daalde het vuur Gods van den hemel en verteerde hem en zijne vijftig. 13 En wederom zond hij eenen hoofdman van de derde vijftig met zijne vijftig; zoo ging de derde hoofdman van vijftig op, en kwam en boog zich op zijne knieën voor Elia, en smeekte hem en sprak tot hem: Gij man Gods, laat toch mijne ziel en de ziel uwer knechten, dezer vijftig, dierbaar zijn in uwe oogen. 14 Zie, het vuur is van den hemel gedaald en heeft dietweo eerste hoofdlieden van vijftig met hunne vijftig verteerd; maar nu, laat mijne ziel dierbaar zijn in uwe oogen. 15 Toen sprak de Engel des Heerengt; tot Elia: Ga af met hem, vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op en ging met hem af tot den Koning, 1G en hij sprak tot hem: Zóó zegt de Heere: Daarom dat gij boden gezonden hebt om Baal-Zebub, den god van Ekron, te vragen (is het omdat er geen God in Israël is om zijn Woord te vragen?), daarom, van dat bed waarop gij geklommen zijt zult gij niet afkomen, maar gij zult den dood sterven. 17 Alzoo stierf hij, naar het woord des Heeren dat Elia gesproken had; en Joram werd Koning in zijne plaats in het tweede jaar Jorams, des zoons Josalats, des Koninga van Juda; want hij had geenen zoon. 18 Het overige nu der zaken van Ahazia die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels? HOOFDSTUK 2. Het geschiedde nu als de Heere Elia met een onweder ten hemel opnemen zoude, dat Elia met Elisa ging van Gilgal. |
|
2 KON I 2 En EHa zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar Beth-El gezonden. Maar Elisa zeide: Zoo tcaarachlig als de Heere leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Al-zoo gingen zij af naar Beth-El. 3 Toen gingen de zonen der Profeten die te Beth-El waren tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet gij dat de Heere heden uwen heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het óók wel, zwijgt gij Btille. 4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zoo waarachtiy als de Heere leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Al-zoo kwamen zij te Jericho. 5 Toen traden de zonen der Profeten die te Jericho waren naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet gij dat de Heere heden uwen heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het óók wel, zwijgt gij stille. 6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar den Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zoo icaarachtip als de de Heere leeft en uwe ziel leeft, ik# zal u niet verlaten. En zij beiden gingen henen. 7 En vijftig mannen van de zonen der Profeten gingen henen en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan den Jordaan. 8 Toen nam EHa zijnen mantel en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen daar dóór op het droge. 9 Het geschiedde nu als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal eer ik van bij u weggenomen word. En Elisa zeide: Dat toch twee deelen van uwen geest op mij zijn. 10 En hij zeide: Gij hebteene harde zaak begeerd: indien gij mij zult zien als ik van bij u weggenomen worde, het zal u als G E N 2. 449 |
zóu geschieden; doch zoo niet, het zal niet geschieden. 11 En het gebeurde als zij voortgingen, gaande en spiekende, zie, zoo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tusschenhen beiden scheiding maakten; alzoo voer Elia met een on weder ten hemel. 12 En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijne ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijne kleederen en scheurde ze in twee stukken. 13 Hij hief ook Elia's mantel op die van hem afgevallen was, en keerde weder en stond aan den oever van den Jordaan. 14 En hij nam den mantel van Elia die van hem afgeval len was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de Heere, de God van Elia, ja, dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging daar dóór. 15 Als nu de kinderen der Profeten die tegenover te Jericho waren hem zagen, zoo zeiden zij: De geest van EHa rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem neder ter aarde, 16 en zij zeiden tot hem: Zie nu, daar zijn bij uwe knechten vijftig dappere mannen, laat ze toch henengaan en uwen heer zoeken, of niet misschien de Geest des Heeren hem opgenomen en op eenen der bergen of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet. 17 Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe, en hij zeide: Zendt. En^ zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden. 18 Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericlio gebleven was; en _ hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet? 19 En de mannen der stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning dezer stad is goed,gelijk ais mijn heer ziet; maar het 15 |
|
450 2 KONI â water is kwaad en liet land on-vruchtbaar.^ 20 En hij zeide: Brengt mij eene nieuwe schaal, en legt daar zout in. En zij brachten ze tot hem. 21 Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zcide: Zóó zegt do Heere: Ik heb dit water gezond gemaakt, daar zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden. 22 Alzoo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elisa dat hij gesproken had. 23 En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zoo kwamen kleine jongens uit de stad, die bespot-teden hem en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op; kaalkop, ga op! 24 En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte ze in den naam des Heeren : toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van hen tweeenveertig kinderen. 25 En hij ging van daar naar den berg Karmel, en Tan daar keerde hij -weder naar Samarië. HOOFDSTUK 3. * Joram nu, de zoon Achabs, werd Koning over Israel te Samarië in het achttiende jaar Josafats, des Konings van Juda, en hij regeerde twaalf jaar. 2 En hij deed dat kwaad wns in de oogen des Heeeen, doch niet gelijk zijn Tader en gelijk zijne moeder; want hij deed het opgerichte beeld Baiils weg, hetwelk zijn Tader gemaakt had. 3 Evenwel hing hij de zonden Jerobeams, des zoons Nebats, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af. 4 Mesa nu, de Koning der Moabiten, was een veehandelaar, en bracht óp aan den Koning Israels honderdduizend lammeren en honderdduizend rammen met de wol; 5 maar het geschiedde als Achab gestorven was, dat de |
STGEtf 3. Koning der Moabiten van den Koning Israëls afviel. 6 Zoo toog de Koning Joram ter zelfder tijd uit Samarië, en monsterde gansch Israël. 7 En hij ging henen en zond tot Josafat, den Koning van Juda, zeggende: De Koning der Moabiten is Tan mij afgevallen: zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabiten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zóó zal ik zijn gelijk gij zijt, zóó mijn volk als uw volk, zóó mijne paarden als uwe paarden. 8 En hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide: Door den weg der woestijn Edoms. 9 Alzoo toog de Koning Israëls henen, en de Koning van Juda, en de Koning Tan Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zoo had het leger en het Tee dat hen navolgde geen water. 10 Toen zeide de Koning Israëls: Ach dat de Heere deze drie Koningen geroepen heeft om die in der Moabiten hand te geven. 11 En Josafat zeide: Is hier geen Profeet des Heeeen, dat wij door hem den Heere mochten vragen? Toen antwoordde een Tan de knechten des Ko-nings Tan Israël en zeide: Hier is Elisa, de zoon Safats, die water op Elia's handen goot. 12 En Josafat zeide: Des Heeeen Woord is bij hem. Zoo togen tot hem af de Koning Israëls en Josafat en de Koning Tan Edom. 13 Maar Elisa zeide tot den Koning Israëls: quot;Wat heb ik met u te doen? Ga henen tot de Profeten uws vaders en tot de Profeten uwer moeder. Doch de Koning Israëls zeide tot hem: Neen, want de Heere heeft deze drie Koningen geroepen om die in der Moabiten hand te ge Ten. 14 En Elisa zeide: Zoo icaar-aclitig als de Heere der lieir-scharen leeft, Toor wiens aangezicht ik eta, zoo ik niet het |
|
2 SON I aAngezicht Josafats, desKonings Tan Juda, opname, ik zoude n niet aanschouwen noch u aanzien. 15 Nu dan, brengt mij eenen speelman. En het geschiedde als de speelman op de snaren si eelde, dat de hand des Heeren op hem kwam, 16 en hij zeide: Zóó zegt de Heere: Maakt in dit dal vele grachten; 17 want zóó zegt de Heere: Gijlieden zult geenen wind zien en gij zult geenen regen zien, nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zoodat gij zult drinken, gij en uwe vee en uwe beesten. 18 Daartoe is dat gering in de oogen des Heeren: hij zal ook de Moabiten in ulieder Land geven, 19 en gij zult alle vaste steden en alle uitgelezene steden slaan, en zult alle goede boomen vellen, en zult alle waterfonteinen stoppen, en alle goede stukken lands zult gij met steenen verderven. 20 En het geschiedde des morgens als men het spijsoffer offert, dat er, zie, water door den weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd. 21 Toen nu alle de Moabiten hoorden dat de Koningen opgetogen waren om tegen hen te strijden, zoo werden zij samengeroepen, van alle degenen af die den gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan de landpale. 22 En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, en de zon over dat water oprees, zagen de Moabiten dat water tegenover rood gelijk bloed; 23 en zij zeiden: Dit is bloed; de Koningen hebben voorzeker zich met het zwaard verdorven, en hebben de één den ander verslagen: nu dan aan den buit, gij Moabiten! 24 Maar als zij aan het leger Israels kwamen, maakten de Israëliten zich op en sloegen de Moabiten; en zij vloden van hun aangezicht; ja, zij kwamen in f G E N 4. 451 |
het land, slaande ook de Moabiten. 25 De steden nu braken zij af7 en een iegelijk wierp zijnen steen op alle goeden stukken lands, en vulden ze en stopten alle waterfonteinen, en velden alle goede boomen, totdat zij in Kir-Haréseth alleen de steenen daarvan lieten overblijven: en de slingeraars omsingelden en sloegen haar. 26 Doch als de Koning der Moabiten zag dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen die het zwaard uittogen, om door te breken tegen den Koning van Edom; maar zij konden niet. 27 Toen nam hij zijnen eerstgeboren zoon, die in zijne plaats Koning zoude worden, en offerde hem ten brandoffer op den muur. Daaruit werd een zeer groote toorn in Israël: daarom trokken zij van hem af en keerden weder in hun land. HOOFDSTUK 4. Eene vrouw n~i uit de vrouwen van de zonen der Profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet dat uw knecht den Heere was vreezende; nu is de schuldheer gekomen om mijne beide kinderen voor zich tot knechten te nemen. 2 En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen ? Geef mij te kennen wat gi.i in huis hebt. En zij zeide: Uwe dienstmaagd heeft nietmetal in huis dan eene kruik met olie. 3 Toen zeide hij: G a, eisch voor u vaten van buiten, van alle uwe naburen ledige vaten, maak er niet ^weinig te hebben, 4 Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uwe zonen toe; daarna giet in alle die vaten, en dat vol is zet weg. 5 Zoo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor hare zonen toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in. 6 En het geschiedde als die vaten vol waren, dat zij tot haren zoon zeide: Breng mij nog een |
|
4ö2 2 K 0 NI ] vat aan, maar hij zeide tot haar: Daar is geen vat meer. En de olie stond stil. 7 Toen kwam ze en gaf het den man Gods te kennen: en hij ! zeide: Ga henen, verkoop de olie, en betaal uwen schuldheer: gij dan, met uwe zonen, leef van het overige. 8 Het geschiedde ookopeenen dag als Elisa naar Sunem doortrok, dat aldaar eene aanzienlijke vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten; voorts geschiedde het zoo dikwijls hij doortrok, week hij daar in om brood te eten. 9 En zij zeide tot haren man: Zie nu, ik heb gemerkt dat deze man Gods heilig is, die bij ons altijd doortrekt: 10 laat ons toch eene kleine opperkamer van eenen wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed en tafel en stoel _ en kandelaar; zoo zal liet geschieden wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijkt. 11 En het geschiedde op eenen dag dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en lelde zich daar neder. 12 Toen zeide hij tot zijnen jongen Gehazi: Eocp dezeSuna-mitische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht. 13 (Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest met al deze zorgvuldigheid: wat is er voor u te dfcen? Is er iets om voor u te spreken tot den Koning of tot den krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks. 14 Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geenen zoon, en haar man is oud. 15 Daarom had hij gezegd: lïoep haar; en als hij ze geroepen had stond zij in de deur.) 16 En hij zeide: Op dezen gezetten tijd, omtrent dezen tijd des levens, zult gij eenen zoon omhelzen. En zij zeide: Neen, |
STGEN 4. mijn heer, gij man Gods, lieg tegen uwe dienstmaagd niet. 17 En de vrouw werd zwanger en baarde eenen zoon op dien gezetten tijd, omtrent den tijd des levens dien Elisa tot haar gesproken had. IS Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op eenen dag dat het uitging tot zijnen vader, tot de maaiers; 19 en het zeide tot zijnen vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zeide tot eenen jongen: Draag hem tot zijne moeder. 20 En hij droeg hem en bracht hem tot zijne moeder. En hij zat op hare knieën tot aan den middag toe; toen stierf hij. 21 En zij ging 6p en leide hem op het bed van den man Gods, daarna sloot zij voor hem toe en ging uit; 22 en zij riep om haren man, en zeide: Zend mij toch eenen van de jongens en eene van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods loope en wederkome. 23 En hij zeide: quot;Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan of sabbat. En zij zeide: Het zal wel zijn. 24 Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haren iongen: Drijf en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge. 25 Alzoo toog zij henen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde als de man Gods haar vnn tegenover zag, dat hij tot Gehazi zijnen jongen zeide; Zie daar is de Sunamitische; 20 nu, loop toch haar tegemoet en zeg tot hc,ar: Is het wel met u, is het wel met uwen man, is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel. 27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijne voeten; maar Gehazi trad toe om haar af te stooten; doch de man Gotls zeide: Laat ze geworden, want hare ziele is in haar bitterlijk bedroefd, en de Heere heeft het voor mij verborgen mij niet kond gedaan. |
|
2 KONI 28 En zij zeide: Heb ikeenen zoon van mijnen heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet? 29 En hij zeide tot Gehazi: Gord uwe lendenen, en neem mijnen staf in uwe hand, en ga henen: zoo gij iemand vindt, groet hem niet, en zoo u iemand groet, antwoord hem niet: en leg mijnen staf op het aangezicht v.'in den jongen. 30 Doch de moeder van den jongen zeide: Zoo lociarachiig cih de Heere leeft en uwe ziele leeft, ik zal u niet verlaten. Hij stond dan op en volgde haar na. 31 Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan, en hij leide den staf op liet aangezicht van den jongen; doch daar was geene stem noch opmerking. Zoo keerde hij weder, hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt. 32 En toen Elisa in het huis kwam, zie, zoo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed. 33 Zoo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den Heere; 34 en hij klom op en leide zich neder op het kind, en leggende zijnen mond op deszelfs mond, en zijne oogen op deszelfs oogen, en zijne handen op deszelfs handen, breidde hij zich over hem uit; en het vleesch des kinds werd warm. 35 Daarna kwam hij weder, en wandelde iu het huis ééns herwaarts en ééns derwaarts, en klom iroler op en breidde zich over hem uit: en de jongen niesde tot zevenmaal toe, daarna deed de jongen zijne oogen op. 3G En hij riep Gehazi en zeide: Koep deze Sunamitische. Eu hij riep ze, en zij kwam tot hem, en hij_zeide: Neem uwen zoon op. 37 Zoo kwam zij en viel voor zij no voeten en boog zich ter aarde, en zij nam haren zoon op en ging uit. 38 Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zoo was er honger in dat land, en de zonen der Profeten zaten voor zijn aangezicht: [GEN 5. 433 |
en hij zeide tot zijnen jongen: Zet den grooten pot aan en zied moes voor do zonen der Profeten. 39 Toen ging een uit in het veld om moeskruiden te lezen, en hij vond eenen wilden wijnstok, en las daarvan zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam en sneed ze in den moespot, want zij kenden ze niet. 40 Daarna schepten zij voor de manschappen op om te eten; en het geschiedde als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden : Man Gods, de dood is in den pot; en zij konden het niet eten. 41 Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot, en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot. 42 En daar kwam een man van Baal-Salisa, en bracht den man Gods brooden der eerstelingen, twintig gerstebrooden, en groene aren in hare hulzen; en hij zeide: Geef het volk, dat zij eten. 43 Doch zijn dienaar zeide: Wat zoude ik dat honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef het volk, dat zij eten; want alzóó zegt de Heere: Men zal eten en overhouden. 44 Zoo zette hij het hun voor, en zij aten en zij hielden over, naar het woord des Heeren. HOOFDSTUK 5. Naiiman nu, de krijgsoverste des Konings van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heeren, en van hoog aanzien: want door hem had de Heere den Syriërs verlossing gegeven, zoo was deze man een strijdbaar held doch melaatsch. 2 En daar waren benden uit Syrië getogen, en hadden eene kleine jonge dochter uit het land Israëls gevankelijk gebracht, die in den dienst der huisvrouw Na limans was. 3 Deze zeide tot hare vrouwe: Och of mijn heer ware voor het aangezicht des Profeten die te Samarië is, dan zoude hij hem |
|
454 2 KONI van zijuo melaatschlieid ontle-digën. 4 Toen ging hij in en gaf het zijnen heer te kennen, zeggende: Zóó en zóó heeft de jonge dochter gesproken die uit het land Israels is. 5 Toen zeide de Koning van Syrië; Ga henen, konit en ik zal eenen brief aan den Koning Is-raëis zenden. En hij ging henen, en nam in zijne hand tien talenten zilvers en zesduizend sikkelen gouds en tien wisselkiee-â¢deren. 6 En hij bracht den brief tot den Koning Israëls, zeggende: Zoo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijnen knecht Naaman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijne melaatschlieid. 7 En het geschiedde als de Koning Israëls den brief gelezen had, dat hij zijne kleederen â¢scheurde, en zeide: Ben ik dan Ood, om te dooden en levend te maken, dat deze tot mij zendt om eenen man van zijne me-laatschheid te ontledigen ? Want voorwaar, merkt toch en ziet dat hij oorzake tegen mij zoekt. 8 Maar het geschiedde als Elisa, de man _ Gods, gehoord had dat de Koning Israëls zijne kleede-ren gescheurd had, dat hij tot den Koning zond om te zeggen: quot;Waarom hebt gij uwe kleederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zoo zal hij weten dat er «en Profeet in Israël is. 9 Alzoo kwam Naaman met zijne paarden en met zijnen wagen, en stond voor de deur van het huis van Elisa. 10 Toen zond Elisa tot hem eenen bode, zeggende: Ga henen en wasch u zevenmaal in den Jor daan, en uw vleeech zal u wederkomen en gij zult rein zijn. 11 Maar Naaman werd zeer toornig en toog weg, en zeide: 2ie, ik zeide bij mijzelven; Hij zal -zekerlijk uitkomen, en staan, en den naam des Hee-ren zijns Gods aanroepen, en zijne hand over de â¦plaats strijken en den melaatsche ontledigen. |
^GENquot; ö. 12 Zijn niet Abana en Parpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren Israëls, zoude ik mij daarin niet kunnen was-schen en rein worden? Zoo wendde hij zich en toog weg met grimmigheid. 13 Toen traden zijne knechten toe, en spraken tot hem en zeiden: Mijn vader, zoo die Profeet tot u eene groote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer naardien hij tot u gezegd heeft*. Wasch u en gij zult rein zijn. 14 Zoo klom hij af, en doopte zich in den Jordaan zevenmaal, naar het woord van den man Gods: en zijn vleesch kwam weder, gelijk het vleesch van eenen kleinen jongen, en hij werd rein. 15 Toen keerde hij weder tot den man Gods, hij en zijn gan-sche heir, en kwam en etond voor zijn aangezicht, en zeide: Zie, nu weet ik dat er geen God is op de gansche aarde dan in Israël. Nu dan, neem toch een zegen van uwen knecht. 16 Maar hij zeide: Zoo waar* achlig als de Heere leeft, voor wiens aangezicht ik sta, indien ik het neme. En hij hield bij hem aan opdat hij het name, doch hij weigerde het. 17 En Naaman zeide: Zoo niet, laat toch uwen knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slacht-otier anderen goden doen, maar den Heere. 18 In deze zake vergeve de Heere uwen knecht: wanneer mijn heer in het huis Rimmons gaan zal om zich daar neder te buigen, en hij op mijne hand leunen zal, en ik mij in het huis liimraons nederbuigen zal, als ik mij alzoo nederbuigen zal in het huis Rimmons, de Heere vergeve toch uwen knecht in deze zaak. 19 En hij zeide tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem eene kleine streek lands. 20 Gehazi nn, de jongen van Elisa, den man Gods,zeide: Zie, |
|
2 S0X1 mijn heer heeft Naaman, dien ^Syriër, belet, dat men uit zijne hand niet genomen heeft wat hij gebracht had: maar zoo waarachtig als de Heere leeft, zal ik hem naloopen en zal wat van hem nemen. 21 Zoo volgde Gehazi Naiiman achterna. En toen Naaman zag dat hij hem naliep, viel hij van den wagen af hem tegemoet, en hij zeide: Is het wel ? 22 En hij zeide; Het is wel: mijn heer heeft mij gezonden om quot;te zeggen: Zie, daar straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der Profeten van het gebergte Efraïms gekomen: geef hun toph een talent zilvers en twee wisselkleederen. 23 En Naaman zeide: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilycrs in twee buidels, met twee wisselkleederen, en hij lelde ze op twee van zijne jongens, die ze voor zijnaangozicht droegen. 24 Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij ze van hunne hand en bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij togen henen. 25 Daarna kwam hij in, en stond voor zijnen heer. En Elisa zeide tot hem: Van waar, Gehazi? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan. 26 Maar hij zeide tot hem: Ging niet mijn harte mede, als die man zich omkeerde van op zijnen wagen, u tegemoet? Was het tijd om dat zilver te nemen, en om kleederen te nemen, en olijfboomen en wijngaarden, en schapen en runderen, en knechten en dienstmaagden? 27 Daarom zal u do melaatsch-heid Naamans aankleven, en uwen zade in eeuwigheid. Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaatsch, wit als de sneeuw. HOOFDSTUK 6. En de kindoren der Profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, die |
N G E h 6. 455 plaats daar^ wij wonen voor uw aangezicht is voor ons te eng: 2 laat ons toch tot aan den Jordaan gaan, en elk van daar één timmerhout halen, dat wij ons daar eene plaats maken om er te wonen. En hij zeide: Gaat henen. 3 En er zeide één: Het believe u toch te gaan met uwe knechten. En hij zeide: Ik zal gaan. 4 Zoo ging hij met hen. Als zij nu aan den Jordaan gekomen waren, hieuwen zi.i hout af. 5 En het geschiedde als één liet timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep en zeide: Ach, mijn heereI want het was geleend. # (» En de man Gods zeide; Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats aangewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het ijzer boven zwemmen, 7 en hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit en nam het. 8 En de Koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde met zijne knechten, zeggende: Mijne legering zal zijn in de plaats van zulk een. 9 Maar de man Gods zond henen tot den Koning Israels, zeggende: Wacht u dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriërs zijn daarhenen afgekomen. 10 Daarom zond de Koning Israels henen aan die plaats waarvan hem de man Gods gezegd en gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet éénmaal noch tweemaal. 11 Toen werd het harte des Konings van Syrië onstuimig over dezen handel, en hij riep zijnen knechten, en zeide tot hen: Zult gij mij don niet te kennen geven wie van de onzen voor den Koning Israels is? 12 En een van zijne knechten zeide: Neen, mijn heere Koning, maar Elisa, de Profeet die in Israël is, geeft den Koning Israels te kennen de woorden die gij in uw binnenste slaapkamer spreekt. |
2 KONINGEN 6.
456
|
13 En hij zeide : Gaat henen en ziet waar hij is, dat ik zende en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan. 14 Toen zond hij daarhenen paarden en wagenen en een zwaar heir, welke des nachts kwamen en omsingelden de stad. 15 En de dienaar des mans Gods stond zeer vroeg op, en ging uit: en zie, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn jongen tot hem; Ach mijn heer, hoe zullen wij doen? 1G En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. 17 En Elisa bad en zeide: Heef.e, open toch zijne oogen dat hij zie. En de Heeke opende de oogen des jongens dat hij zag: en zie, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa. 18 Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa, tot den Heere en zeide: 81a toch dit volk met verblindheden. En hij sloeg ze met verblindheden, naar het woord van Elisa. li) Toen zeide Elisa tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den^ man dien gij zoekt. _ En hij leidde ze naar Samarië. 20 En het geschiedde als zij re Samarië gekomen waren, dat Elisa zeide: Heere, open dezer oogen dat zij zien. En de Heeke opende hunne oogen dat zij zagen, en zie, zij waren in het midden van Samarië. 21 En de Koning Israels zeide tot Elisa, als hij ze zag: Zal ik ze slaan, zal ik ze slaan, mijn vader? 22 Doch hij zeide: Gij zult ze niet slaan: zoudt gij ook slaan die gij met uw zwaard en met uwen boog gevangen hadt? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hunnen heer trekken. |
23 En hij bereidde hun een grooten maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij ze gaan, en zij trokken tot hunnen heer. Zoo kwamen «Ie benden der Sy-riërs niet meer in het land Israels. 24 En het geschiedde daarna dat Benhadad, de Koning van Syrië, zijn geheele leger verzamelde, en optoog en Samarië belegerde. 25 En daar werd groote honger in Samarië; want zie, zij belegerden het, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen. 2(3 En het geschiedde als de Koning op den muur voorbijging, dat eene vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer Koning, 27 En hij zeide: De Heere helpt u niet, waarvan zoude ik u helpen? van den dorschvloer of van de wijnpers? 28 Voorts zeide de Koning tot haar: Wat is u? En zij zeide: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef uwen zoon dat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijnen zoon eten. 29 Zoo hebben wij mijnen zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uwen zoon dat wij hem eten, zoo heeft zij haren zoon verstoken. 30 En het geschiedde als de Koning de woorden dezer vrouw gehoord had, dat hij zijne kleederen scheurde terwijl hij op den muur voortging; enhet volk zag, dat, zie, een zak van binnen over zijn vleesch was. 31 En hij zeide: Zóó doe mij God en doe zóó daartoe, indien het hoofd van Elisa, den zoon van Sefat, heden op hem zal blijven staan. 32 (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudster, zaten bij hem.) En hij zond eenen man van voor zijn aangezicht; maar eer de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt gijlieden gezien, hoe die zoon des moordenaars gezonden heeft om mijn hoofd al te nemen? Ziet toe, als die bode komt, sluit de |
|
2 KONI deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruisch der voeten zijns heeren achter hem? 33 Als liij nog met hen sprak, zie, zoo kwam de bode tot hem af; en hij zeide: Zie, dit kwaad is van den Heere, wat zoude ik verder op den Heere wachten? HOOFDSTUK 7. Toen zeide Elisa: Hoort het Woord des Heeren: zóu zegt de Heere: Morgen omtrent dezen tijd zal eene mate meelbloem verkocht worden voor eenen sikkel, en _ twee maten gerst voor eenen sikkel, in de poort van Samarië. 2 Maar een hoofdman, op wiens hand de Koning leunde, antwoordde den man Gods en zeide : Zie, zoo de Heere vensteren in den hemel maakte, _ zoude die zaak kunnen geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uwe oogen zien, doch daarvan niet eten. 3 Er waren nu vier melaatsche mannen voor de deur der poorte; die zeiden de één tot den ander: quot;Wat blijven wij hier totdat wij sterven ? 4 Indien wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zoo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven; en indien wij hier blijven, wij zullen óók sterven: nu dan, komt en laat ons in het leger der Syriërs vallen: indien zij ons laten leven, wij zullen leven, en indien zij ons dooden wij zullen maar sterven. 5 En^ zij stonden op in de schemering, om in het leger der Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger der Syriërs kwamen, zie, toen was daar niemand. G Want de Heere had het heir der Syriërs doen hooren een geluid van wagenen en een geluid van paarden, het geluid eener groote heirkracht, zoodat zij zeiden de één tegen den ander: Zie, de Koning Israels heeft tegen ons gehuurd de Koningen der Hethiten en de Koningen der |
NGEN 7. 457 Egyptenaren, om tegen ons te komen. 7 Derhalve hadden zij zich opgemaakt en waren in de schemering gevloden en hadden hunne tenten gelaten, en hunne paarden, en hunne ezels, het leger gelijk als het was, en waren gevloden om huns levens wille. 8 Als nu deze melaatschen aan het uiterste des legers kwamen, zoogingen zij in eene tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver en goud en kleederen. en gingen henen en verborgen het; daarna keerden zij weder en kwamen in eene andere tent, namen van daar óók, en gingen henen en verborgen het. 9 Toen zeiden zij de één tot den ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil; indien wij vertoeven tot den lichten morgen, zoo zal ons de ongerechtigheid vinden. Daarom nu, komt, laat ons gaan en dit ten huize des Konings boodschappen. 10 Zoo kwamen zij en riepen tot den portier der stad, en boodschapten hem, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger der Syriërs, en zie, niemand was daar, noch eens menschen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten gelijk zij waren. 11 En hij riep de portiers; en zij deden de boodschap binnen in het huis des Konings. 12 En de Koning stond in den nacht, en zeide tot zijne knechten : Ik zal u nu te kennen geven wat de Syriërs ons gedaan hebben: zij weten dat wij hongerig zijn, daarom zijn zij uit het leger gegaan om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij ze levend grijpen, en wij zullen in de stad komen. 13 Toen antwoordde een van zijne knechten en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij zijn als de geheele menigte der Israëliten 15* |
|
458 2 KON] die liierbhmtm overgebleven zijn; zie, zij zijn als de gelieele menigte der Israëliten die vergaan zijn); laat ons die zenden, en zien. 14 Zij namen dan twee wagen-paarden, en de Koning zond het leger der Syriërs achterna, zeggende: Gaat henen en ziet. 15 En zij volgden ze na tot den Jordaan toe, en zie, de gansche weg was vol van kleederen en gereedschap, die de Syriërs in hun verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weder en boodschapten het den Koning. 1(3 Toen ging liet volk uit en beroofde het leger der Syriërs; en eene mate meelbloem werd verlcocht voor eenen sikkel, en twee maten gerst voor eenen sikkel, naar het woord des Hee-ben. 17 De Koning nu had den hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort dat hij stierf, gelijk de man Gods gesproken^ had, die het sprak als de Koning tot hem afgekomen was. 18 Want het was geschied gelijk de man Gods gesproken had tot den Koning, zeggende: Morgen omtrent dezen tijd zullen twee maten gerst voor eenen sikkel, en eene mate meelbloem voor eenen sikkel verlcocht worden in do poorten van Sama-rië. 19 En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zie, zoo de Heere vensteren in den hemel maakte, zoude liet ook naar dit woord geschieden hunnen i' En hij had gezegd: Zie, gij zult het met uwe oogenzien, doch daarvan niet eten. 20 Even alzóógeschiedde hem, want het volk vertrad hem in de poort dat hij stierf. HOOFDSTUK 8. Elisa nu had gesproken tot die vrouw welker zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op en ga henen, gij en uwhuis- |
NGEN 8. gezin, en verkeer als vreemdeling waar gij verkeeren kunt; want de Heere heeft eenen honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal. 2 En de vrouw had zich opgemaakt en had gedaan naar het Avoord van den man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin en had als vreemdeling verkeerd in het land der Filistijnen zeven jaren. 3 En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit hetland der Filistijnen wederkeerde: en zij ging uit, dat zij tot den Koning riep om haar huis en om haren akker. 4 De Koning nu sprak tot Ge-hazi, den jongen van den man Gods, zeggende: Vertel mij toch alle de groote dingen die Elisa gedaan heeft. 5 En het geschiedde als hij den Koning vertelde hoe hij eenen doode had levend gemaakt, zie, zoo riep de vrouw welker zoon hij levend gemaakt had tot den Koning om hqar huis en haren akker. Toen zeide Gehazi :Mijno heer Koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon dien Elisa heeft levend gemaakt. 6 En de Koning ondervraagd© de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de Koning haar eenen kamerling, zeggende: Doe hucir weder hebben alles wat het hare was, daarenboven alle inkomsten des akkers, van den dag af dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe. 7 Daarna kwam Elisa te Damascus, alsBenhadad, de Koning van Syrië, krank was; en men boodschapte l-ern, zeggende: De man Gods ia herwaarts gekomen. 8 Toen zeide de Koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uwe hand, en ga den man Gods tegemoet, en vraag door hem den Heere, zeggende: Zal ik van dezekrankheid genezen? 9 Zoo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijne hand, te weten alle goed van Damascus, een last van |
|
2 KONI veertig kemelen; en liij kwam en stoiul^ voor zijn aangezicht, en zeide: Uw zoon Benliaclad, de Koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen ? 10 En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg: Gij zult ganschelijk niet genezen; want de Heere heeft mij getoond dat hij den dood sterven zal. 11 En hij hield zijn gezicht staande en zette het vaat tot schamens toe, en de man Gods weende. 12 Toen zeide Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: Omdat ik weet wat kwaad gij den kinderen Israels duen zult: gij zult hunne sterkten in het vuur zetten, en hunne jonge manschap met het zwaard doodcn, en hunne jonge kinderen verpletteren, en hunne zwangere vrouwen opensnijden. 13 En Hazaël zeide: Maar wat is uw^ knecht die een hond is, dat hij deze groote zake doen zoude ? En Elisa zeide: De Heere heeft mij getoond dat gij Koning zijn zult over Syrië. 14 Zoo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijnen heer, die tot hem zeide: Wat heeft Elisa tot u gezegd ? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: Gij zult zekerlijk genezen. 15 En het geschiedde des anderen daags dat hij eene deken nam en in het water doopte, en die over zijn aangezicht uitspreidde dat hij stierf, en Hazaël werd Koning in zijne plaats. 10 In het vijfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den Koning Israels, toen Josafat Koning was van Juda, begon Joram, de zoon van Josafat, den Koning van Juda, te regeeren: 17 hij was tweeëndertig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. 18 En hij wandelde op den weg der Koningen Israels, gelijk het huis Acliabs deed; want de dochter Achabs was hem ter vrouwe geworden; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren. |
NGEN 8. 450- 19 Doch de Heere wilde Juda niet verderven, om Davids zijns knechts wille, gelijk als hij hem gezegd had, dat hij hem te allen tijde voor zijne zonen eene lamp zoude geven. 20 In zijne dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten eenen Koning over zich. 21 Daarom toog Joram over naar Zaïr, en alle de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op en sloeg de Edomiten die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagenen; en het volk vlood in zijne hutten. 22 De Edomiten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op dezen dag: toen viel Libna af in denzelfden tijd. 23 Het overige nu der geschiedenissen Jorams, en alles dat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? 24 En Joram ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids; en Ahazia zijn zoon werd Koning in zijne plaats. 25 In het twaalfde jaar Jorams, des zoons Achabs, des Konings van Israël, heiion Ahazia, de zoon Jorams, des Konings van Juda, te regeeren. 2G Tweeëntwintig jaar was Ahazia oud als hij Koning werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was Athalia, de dochter van Omri, den Koning Israels. 27 En hij wandelde in den weg van het huis Achabs, en deed dat kwaad was in de oogen des Hee-ren, gelijk het huis Achabs; want hij was een schoonzoon van het huis Achabs. 28 En hij toog met Joram, den zoon Achabs, naar den strijd te Kamoth in Gilead, tegen Hazaël, den Koning van Syrië ; en de Sy-riërs sloegen Joram. 29 Toen keerde Joram de Koning weder, opdat hij zich te Jiz-reël heelen liet van de slagen di^ hem de Syriërs te Kama geslagen hadden, als hij streed tegen Ha- |
|
4G0 2 K O NI zaël, den Koning van Syrië; en Ahazia, de zoon Jovaras, de Koning van Juda, kwam af omJo-ram, den zoon Achabs, te Jizreël te zien, want hij was krank. HOOFDSTUK 9. Toen riep de Profeet Elisa eenen van de zonen der Profeten, en hij zeide tot hem: Gord uwe lendenen, en neem deze oliekruik in uwe hand, en ga henen naar Ramoth in Gilead. 2 Als gij daar zult gekomen zijn, zoo zie waar Jehu, de zoon Josafats, des zoons van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zjjner broederen, en breng hem in eene binnenste kamer, 3 en neem de oliekruik en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg:Zóó zegt de Heere: Ik heb u tot Koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open en vlied, en vertoef niet. 4 Zoo ging de jongeling, die jongeling des Profeten, naar Ramoth in Gilead. 5 En toen hij inkwam, zie, daar zaten de hoofdlieden des heirs; â en hij zeide: Ik heb een woord aan u, o hoofdman. En Jehu zeide: Tot wien van ons allen ? En hij zeide: Tot u, o hoofdman. G Toen stond hij op en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zeide tot hem: Zoó zegt de Heere, de God Israels: Ik heb u gezalfd tot Koning over het volk des Heer en, over Israël. 7 En gij zult het huis Achabs uws heeren slaan; dat ik het bloed van mijne knechten de Profeten en het bloed van alle knechten des Heeren wreke van de hand Izébels. 8 En het gansche huis Achabs zal omkomen, en ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israël ; 9 want ik zal het huis Achabs -maken als het huis Jerobeams, des zoons Nebats, en als het huis van Baësa, den zoon van Ahia. 10 Ook zullen de honden Izébel eten op het stuk lands van Jiz- |
NGEN 9. reël, en daar zal niemand zijn die haar begraaft. Toen deed hij de deur open en vlood. 11 En als Jehu uitging tot de knechten zijns heeren, zeide men tot hem: Is het wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zeide tot hen: Gij kent den man en zijne sprake. 12 Maar zij zeiden: Het is leugen, geef het ons nu te kennen. En hij zeide: Zóó en zóó heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zóó zegt de Heere : Ik heb u gezalfd tot Koning over Israël. 13 Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed en leide het onder hem op den hoog-sten trap; en bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is Koning geworden. 14 Alzoo maakte Jehu, de zoon Josafats, des zoons van Nimsi, eene verbintenis tegen Joram. CJoram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gansch Israël uit oorzake van Hazaël, den Koning van Syrië; 15 maar de Koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreël heelen liet van de slagen die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël den Koning van Syrië.) En Jehu zeide: Zoo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken die ontkome om dit in Jizreël te gaan verkondigen. 16 Toen reed Jehu en toog naar Jizreël, want Joram lag aldaar, en Ahazia, de Koning van Juda, was afgekomen om Joram te zien. 17 De wachter nu stond op den toren te Jizreël, en zag den hoop van Jehu als hij aankwam, en zeide: Ik zie eenen hoop. Toen zeide Joram; Neem eenen ruiter en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede? 18 En de ruiter te paard toog henen hem tegemoet, en zeide: Zóó zegt de Koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen ? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hy komt niet weder. |
|
2 KONI 19 Toen zond hij eenen anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zeide hij:Zoo zegt de Koning: Is het vrede? En Jehn zeide: AVatliebr,gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij. 20 En de wachter gaf dit te kennen, zeggende; Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van Jehu, den zoon van want hij drijft onzinnig- 21 Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijnen wagen aan. Zoo toog Joram, de Koning Israels uit, en Ahazia, de Koning van Juda, een ieder op zijnen wagen, en zij togen uit, Jehu tegemoet, en vonden hem cp liet stuk Ia]id6 van Nabot den Jiz-reëliet. 22 Het geschiedde nu als J oram Jehu zag dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: quot;Wat vrede, zoolang als de hoererijen uwer moeder Izóbel en hare toovcrijen zoovele zijn ? 23 Toen keerde Joram zijne hand en vlood, en zeide tot Ahazia : Het is bedrog, Ahazia. 24 Mnar Jehu spande den boog met volle hand, en schoot Joram tusschen zijne armen, dut de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijnen wagen. 25 Toen zeide Jehu tot Bidkar zijnen hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Na-bot h den Jizreëliet; want gedenk, als ik en gij nevens eikanderen achter zijnen vader Achab reden, dat de Heere hem dezen last opleide, zeyriende: 2G Zoo ik gister avond niet gezien heb het bloed Naboths en het bloed zijner zonen, zegt de Heere, en ik u dat niet vergeld op dit stuk lands, zegt de Heeee. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het Woord des Heek ex. 27 Als Ahazia, de Koning van Juda, dal zag, zoo vlood hij door den weg van het huis des hofs, doch Jelui vervolgde hem achterna. en zeide: Slaat hem ook |
FOE N 10. 461 op den wagen, aan den opgang, naar Gur dat bij Jibleam is: en Lij vlood naar Megiddo en stierf aldaar. 28 ]En zijne knechten voerden liem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf bij zijne vaderen in de stad Davids. 29 In liet elfde jaar nu van Jorarn, den zoon Achabs, was lliazia Koning geworden over Juda.. 30 En Jehu kwam te Jizreël. Als Izébel dat hoorde, zoo blan-Ivettes zij haar aangezicht en vergierde haar hoofd, en keek ten vens ter uit. 31 Toen nu Jehu ter poorte in-Invarn, zeide zij: Is het wel, o Zhnri, zijns heeren doodslager? 32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster en zeide: quot;Wie is met mij, wie? Toen zagen op liem twee, drie kamerlingen. 33 En hij zeide: Stoot ze van Loven neder. En zij stieten zo van quot;boven neder, zoodat van haar Lloecl aan den vand en aan de paarden gesprengd werd, en hij verti-ad ze.^ 34 Als hij nu ingekomen was en gegeten en gedronken had, zeide; hij ; Ziet nu naar die ver-yloelvte, en begraaft ze, want zij is eens Konings dochter. 35 En zij gingen henen om kar te begraven, doch zij vonden niet van haar dan het bekkeneel en de voeten en de palmen Larer handen. 3G Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen; en hij zeide: Dit is het woord des Hee-jiEX, dat hij gesproken heeft door den dienst van zijnen knecht Elia den Tisbiet, zeggende: Op kt stuk lei )ilt;ls vnn Jizreël zullen de lionden het vleesch Izébels eten , 37 en het doode lichaam Izé-; bels zal zijn gelijk mest op het ; veld, in het stukjands van Jiz-j reël, dat men niet zal kunnen j zegamp;en: Dit is Izébel. HOOFDSTUK 10. â AcLab nu had zeventig zonen i teSamarië; en Jehu schreef brie- |
|
-4G2 2 K O XI: Ten, dewelke hij zond naar Sa-marië tot de overaten van Jiz-reel, de oudsten, en tot devoed-eteïJieeren Achabs, zeggende: _ 2 Zoo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, dewijl uws lieeren zonen bij u zijn, ook de wagenen en de paarden bij u zijn, mitsgaders eene vaste stad «n wapenen; 3 zoo ziet naar den beste en gerechtigste van de zonen uws heeren, zet dien op zijns vaders troon, en strijdt voor liet huis uws heeren. 4 Doch zij vreesden gansch zeer, en zeiden: Zie, twee Koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan? 5 Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheeren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uwe knechten; en al wat gij tot ons zeggen zult zullen wij doen, wij zullen niemand Koning maken: doe wat goed is in uwe oogen. G Toen schreef hij ten tweeden male aan hen eenen brief, zeggende: Zoo gij mijne zijt en gij naar mijne stemme hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heeren, en komt tot mij morgen omtrent dezen tijd naar_ Jizreël. (De zonen nu des Konings, zeventig mannen, waren bij de grooten der stad die ze opvoedden.) 7 Het geschiedde dan als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen _ des Konings namen en zeventig mannen sloegen; en zij leiden^ hunne hoofden in korven, die zij tot hem zonden naar Jizreël. 8 En daar kwam een bode en boodschapte hem, zeggende : Zij hebben de hoofden der zonen des Konings gebracht. En hij zeide: Legt ze in twee hoopen aan de deur der poort tot morgen. 9 En het geschiedde des morgens toen hij uitging, dat hij stilstond en tot al het volk zeide: Gij zijt rechtvaardig. Zie, ik heb sTGEN 10. |
eene verbintenis gemaakt tegen mijnen heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle dezen verslagen ? 10 Weet nu dat niets van het woord des Heeren, hetwelk de Heeee tegen het huis Achabs gesproken heeft, op de aarde zal vallen, want de Heeee heeft gedaan _ wat hij door den dienst van zijnen knecht Elia gesproken heeft. 11 Daartoe versloeg Jehu alle de overgeblevenen van het huis Achabs te Jizreël, en allo zijne grooten, ^ en zijne bekenden, en zijne Priesteren, totdat hij hem geen overigen liet overblijven. 12 En hij maakte zich op en toog henen, en ging naar Samarië, en zijnde te Beth-Eked der herderen, op den weg, 13 vond Jehu denbroederen van Ahazia, den Koning van Ju da, en hij zeide: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn de broederen van Ahazia, en zijn afgekomen om de zonen des Konings en de zonen der Koningin te groeten. 14 Toen zeide hij: Grijpt ze levend. En zij grepen ze levend, en zij sloegen ze bij den bornput van Beth-Eked, tweeënveertig mannen, en hij liet niet één van hen over. 15 En van daar gegaan zijnde, zoo vond hij Jonadab, den zoon Rechabs, hem tegemoet, die hem groette; en hij zeide tot hem: Is uw harte recht, gelijk als mijn hart met uw hart is?En Jonadab zeide: Het :is, ja, het is, geef uwe hand. Er hij gaf zijne hand, en hij deed hem tot zich op den wagen klimmen, 1(3 en hij zeide: Ga met mij, en zie mijnen ijver aan voorden Heeee. Zoo deden zij hem rijden op zijnen wagen. 17 En toen hij te Samarië kwam, sloeg hij allen die aan Achab te Samarië overgebleven waren, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des IIeerex dat hij tot Elia gesproken had. 18 En Jehu verzamelde al het volk, en zeide tot hen: Achab |
|
2 KONI heeft Baal een weinig gediend, JeLu zal hem veel dienen. 19 Nu daarom, roept olie profeten Baals, alle zijne dienaren en alle zijne priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb eene groote offerande aan Baal: al die gemist wordt zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren Baals ombracht. 20 Voorts zeide Jelui: Heiligt Baiil eenen \evhodadag. En zij riepen hem uit. 21 Ook zond Jehu in het gansche Israël, en alle Baals dienaars kwamen, dat niet één man _ overbleef ^ die niet kwam: en zij kwamen in het huis Baiils, dat het huis Baüls vervuld werd van het ééne tot het andere einde. 22 Toen zeide hij tot dengenen die over het kleederhuis was: Breng voor alle dienaren Baals de kleeding uit. En hij bracht voor hen de kleeding uit. 23 En Jelui kwam met Jonadab, den zoon Rechabs, in het huis Baals, en hij zeide tot Baüls dienaren: Onderzoekt_ en ziet toe, dat hier misschien bij u niet iemand zij van de dienaren des Heeren, maar de dienaren Baiils alleen. 24 Toen zij nu inkwamen, om slachtofferen en brandolieren te doen, bestelde zich Jehu daar buiten tachtig mannen, en zeide: Zoo^ iemand van de mannen die ik in uwe handen gebracht heb ontkomt, zijne ziel zal voordes-zelfs ziel zijn. 2o En het geschiedde als liij voleindigd had het brandoffer te doen, dat Jehu zeide tot de trawanten en tot de hoofdlieden: Komt in, slaat ze, dat niemand uitkome. En zij sloegen ze met de scherpte des zwaards, en de trawanten en hoofdlieden wierpen ze weg. Daarna kwamen zij tot de stad in het huis Baiils, 26 en zij brachten de opgerichte beelden uit het huis Baiils en verbrandden ze; 27 zij braken ook het opgerichte beold Baüls af; daartoe |
STCrEN 11. 403 braken zij het huis Baiils af, en maakten dat tot heimelijke gemakken tot op dezen dag. 28 Al zoo verdelgde Jehu Baal uit Israël. 20 Maar van do zonden Jero-beams, des zoons JSTebats, die Israël zondigen deed, na te volgen week Jehu niet af, te weten van de gouden kalveren die te Beth-El en die te Dan waren. 30 De Heep.e dan zeide tob Jehu: Daarom dat gij wel gedaan hebt, doende dat recht is in _ mijne oogen, en hebt den huize Achabs gedaan naar alles dat in mijn harte was, zullen u zonen tot het vierde gelid op den troon Israëls zitten. 31 Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des Hee-ren des Gods Israëls met zijn gansche harte, hij week niet van de zonden Jerobeams die Israël zondigen deed. 32 In die dagen begon de Heere Israël af te korten, want liazaël sloeg ze in alle landpalen Israëls: 33 van den Jordaan af tegen den opgang der zou, het gansche land Gileada, der Gaditen en en der Rubeniten en der Manas-siten; van Aroër die aan de beek Arnon is, en Gilead, en Basan. 34 Het overige nu der geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijne macht, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken derKoniugen Israëls ? 35 En Jehu ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem te Samarië, en zijn zoon Joahaz werd Koning in zijne plaats. 30 En de dagen die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samarië zijn achtentwintig jaren. HOOFDSTUK 11. Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, zoo maakte zij zich op en bracht al het koninklijke zaad om. 2 Maar Joséba, de dochter des Konings Jorams, de zuster van Ahazia, nam Joas, den zoon van |
|
464 2 KONI Ahazia, en stal hem uit liet midden van des Konings zonen die gedood werden, zettende hem en zijne voedster in eene slnap-kamer: en zij verborgen hem voor A thai ia, dat hij niet gedood werd. 3 En liij was met haar verstoken in het Huis des Heek ex zes jaren; en Atlialia regeerde over het land. 4 In het zevende jaar nu zond Jojada en nam de oversten van honderd met de hoofdlieden en met de trawanten, en hij bracht ze tot zicli in het Huis des Heerek; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëedigde ze in liet Huis des Heeren, en hij toonde hun den zoon des Konings; 5 en hij gebood hnn,zeggende: Dit is de zaak die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des Konings, 6 en een derde deel zal zijn aan de poort Sur, en een derde doel aan de poort achter de trawanten: zóó zult gij waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking. 7 En de twee deelen vanulie-den, allen die op den sabbat uitgaan, die zullen do wacht van het Huis des Heeren waarnemen bij den Koning. 8 En gij zult den Koning rondom omsingelen, een ieder met zijne wapenen in zijne hand, en hij die tusschen de ordeningen intreedt zal gedood worden; en we est gij bij den Koning als hii uitgaat en als hij inkomt. 0 De oversten dan van honderd deden naar al dat de Priester Jojada geboden had, en namen ieder zijne mannen die op den sabbat ingingen met degenen die op den sabbat uitgingen, en zij kwamen tot den Priester Jojada; 10 en de Priester gaf den oversten van honderd de spiesen en de schilden die des Konings Davids geweest waren, die in het Huis des Heeren waren; 11 en de trawanten stonden. |
l GEN 11. ieder met zijne wapenen in zijne hand, van de rechterzijde des Huizes tot de linkerzijde des Huizes, naar het altaar en naar het Huis toe, bij den Koning rondom. 12 Daarna bracht hij des Konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en {jaf hem de Getuigenis, en zij maakten hem Koning en zalfden hem; daarbij klapten zij met de handen, en zeiden: De Koning leve. 13 Toen nu Athalia de stemme der trawanten en des volks hoerd e, zoo kwam zij tot het volk in het Huis des Heeren; 14 en zij zag toe, en zie, de Koning stond bij den pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij den Koning, en al het volk des lands was blijde en blies met trompetten : toen verscheurde Athalia haro kleederen, en zij riep: Verraad, verraad! 15 Maar de Priester Jojada gebood den oversten van honderd die over het heir gesteld waren, en zeide tot hen: Brengt ze uit tot buiten de ordeningen en wio haar volgt doodt met het zwaard, want de Priester had gezegd: Laat ze in het Huis des Heeren niet gedood worden. 10 En zij leiden de handen aan haar, en zij ging den weg van den ingang der paarden naar het huis des Konings, en zij werd daar gedood. 17 Eu Jojada maakte een verbond tusschen den Heere en tusschen den Koning, en tusschen het volk dat het den Heere tot een volk zoude zijn, mitsgaders tusschen den Koning en tusschen het volk. 18 Daarna ging al het volk des lands in l et huis Baals, en braken dat af, zijne altaren en zijne beelden verbraken zij recht wel, en Mattan, den Priester B:\als, sloegen zij dood voor do altaren. De Priester nu bestelde de ambten in het Huis des Heeren ; 19 en hij nam de oversten van honderd, en de hoofdlieden, en |
2 KONINGEN 12.
463
|
de trawanten, en al het volk des lands; en zij brachten den Koning af uit het Huis des Heeren, en kwamen door den weg van de poort der trawanten tot het huis des Koningsbon hij zat op den troon der Koningen. 20 En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden hij des Konings huis. 21 Joas was zeven jaren oud toen hij Koning werd. HOOFDSTUK 12. In het zevende jaar van Jehu werd Joas Koning, en regeerde veertig jaar te Jeruzalem; en zijner moeder naam was Zibja van Ber-Séba. 2 En Joas deed dat recht was in de oogen des Heeren, alle zijne dagen in dewelke de Priester Jojada hem onderwees, i 3 Alleenlijk werden de hoogten : niet weggenomen; het volk offerde ! en rookte nog op de hoogten. 4 En Joas zeide tot de Pries- l teren: x\l het geld der geheiligde dingen dat gebracht zal worden in liet Huis des Heeren, te icetcn het geld desgenen die overgaat tot de gctelden, het geld van een ieder der personen naar zijne schatting, en al het geld dat in eens ieders harte komt om dat te brengen in het Huis des j Heer ex, 5 zullen de Priesters tot zich nemen, een ieder van zijnen bekende, en zij^ zullen de breuken van het Huis verbeteren, naar alles wat daar voor breuke gevonden zal worden. 6 Maar het geschiedde in het drieëntwintigste jaar des Konings Joas, dat de Priesters de breuken van het Huis niet gebeterd hadden. 7 Toen riep de Koning Joas , den Priester Jojada en de andere Priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden de breuken van het Huis niet? Nu dan, neemt geen geld van uwe bekenden, dat gij het zoudt geven voor do breuken van het Huis. ' |
8 En de Priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het Huis te verbeteren. 9 Maar de Priester Jojada nam eene kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand als iemand inkwam in het Huis des Heeren; en de Priesters die den dorpel bewaarden staken daarin al het geld dat ten Huize des Heeren gebracht werd. 10 Het geschiedde nu als zij zagen dat er veel geld in de kist was, dat des Konings schrijve? met den Hoogepriester opkwam, en zij bonden het te zamen, en telden het geld dat in het Huis des Heeren gevonden werd, 11 en zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat werk, die besteld waren over het Huis des Heeren; eu_ zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden die het Huis des Heeren vermaakten, ^ 12 en aan de metselaars, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen steenen te koopen om de breuken van het Huis des Heeren te verbeteren, en voor al dat uitgegeven werd voor het Huis om dat te beteren. 13 Evenwel werden niet gemaakt voor het Huis des Heeren zilveren schalen, gaffelen, spreng-bekkens, trompetten, noch eenig gouden vat of zilveren vat, van het geld dat ten Huize des Heeren gebracht werd, 14 maar zij gaven dat dengenen die het werk deden, en zij beterden daarmede het Huis des Heeren. 15 Daartoe eischten zij geene rekening van de mannen, dien zij dat geld in hunne handen gaven om dengenen die het werk deden te geven, want zij handelden trouwelijk. 16 Het geld van schuldoffer en het geld van zondofferen werd ten Huize des Heeren niet gebracht; het was voor de Priesters. 17 Toen trok Hazaël, de Koning-van Syrië, op en krijgde tegen Gath, en nam ze in, daarna stelde |
2 KONINGEN 13.
4GG
|
Hazacl zijn aangezicht om tegen Jeruzalem op te trekken. 18 Maar Joas, de Koning van Jnda, nam alle de geheiligde â dingen, die Josafat en Joram en Ahazia, zijne vaderen, de Koningen van Jnda, geheiligd hadden, en zijne geheiligde dingen, «n al het goud dat gevonden â vverd in de schatten van het Huis des Heeren en van het huis des Konings, en zond het totHazaël, den Koning van Syrië: toen trok hij op van Jeruzalem. 19 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven iii het boek der Kronieken der Koningen van Juda? 20 En zijne knechten stonden op en maakten eene verbintenis, en sloegen Joas in het huis van j\lillo dat afgaat naar Silla; 21 quot;\vant Jozachar, de zoon van Simeath, en Juzabad, de zoon van Somer, zijne knechten, sloegen hem dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijne vaderen in de stad Davids; en Amazia zijn zoon werd Koning in zij ne plaats. HOOFDSTUK 13. In het drieëntwintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den Koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jelui, Koning over Israël te Samarië, en regeerde zeventien jaar. 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren ; want hij wandelde de zonden Jero-beams, des zoons Nebats, na, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af. 3 Daarom ontstak des Heekex toorn tegen Israël, en hij gaf ze in de hand Hazaëls, des Konings van Syrië, en in de hand Ben-liadad:?, des zoons Hazaëls, alle die dagen. 4 Doch Joahaz bad des Heeren aangezicht ernstiglijk aan; en de Heere verhoorde hem, want hij zag de verdrukking Israels, dat de Koning van Syrië hen verdrukte. |
o (Zoo gaf de Heere Israël öenen verlosser, dat zij van onder de hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hunne tenten als te voren. 6 Nochtans weken zij niet af van de zonden des huizes Jero-beams die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin; en het bosch bleef ook staan te Samarië.) 7 Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen en tienduizend voetvolks; want de Ko- i ning van S5rrië had ze omge-i bracht, en had ze dorschende ; gemaakt als stof. 8 Het overige der geschiedenissen van Joahaz, en ai wat hij | gedaan heeft, en zijne macht, zijn die niet geschreven in het ! boek der Kronieken der Koningen Israels? 9 En Joahaz ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem te Samarië; en Joas zijn zoon 1 regeerde in zijne plaats. 10 In het zevenendertigste jaar van Joas, den Koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, Koning over Israël te Samarië. ' en radeerde zestien jaar. 11 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren ; hij week | niet af van alle de zonden Jeroue-ams, des zoons Nebats, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin. _ I 12 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijne macht waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den Koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls? 13 En Joas ontsliep met zijne vaderen, en Jerobeam zat op zijnen troon; en Joas werd begra- j ven te Samarië bij de Koningen Israëls. ^ 14 Elisa nu was/krank geweest ; van zijne krankheid van dewelke hij stierf; en Joas, de Koning Israëls, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zij no ruiteren i |
2 KONINGEN 14.
4G7
|
15 En Eiiamp;a zeide tot hem: | Neem ernen boog en pijlen; en j hij nam tot zich eenen boog en pijlen. 16 En hij zeide tot den Koning Israels: Leg uwe hand aan ; den boog; en hij leide zijne hand 1 daaraan: en EHsagt; leide zijne j handen op des Konings handen, 1 17 en hij zeide: Doe hev; venster open tegen het Oosten: en hij j deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet: en^ hij schoot. En hij : zeide: Het is een pijl der verlossing des Heerex, en een pijl der verloss'r.g ? tegen de Syriërs; â want gij z uit de Syriërs slaan in Afek tot verdoens toe. 18 Daarna zeide hij: Neem de pijlen; en hij nam ze. Toen zeide hij tot den Koning Israels: Sla tegen de aarde; en hij sloeg driemaal, daarna stond hij stil. 19 Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij moest vijf of zesmaal geslagen hebben, dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toegeslagen hebben: doch nu zult gij de Syriërs driema d slaan. 20 Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. Do benden nu der Moabiten kwamen in het land mot het ingaan des jaars. 21 En het geschiedde als zij eenen man begroeven, dat zij, zie, eene bende zagen; zoo wierpen zij den man in het graf van Elisa: en toen de man daarin kwam en het gebeente van Elisa aanroerde, wer d i.ij levend en rees op zijne voeten. 22 Hazaël nu, de Koning van Syrië, verdrukte Israël alle de dagen van Joahaz; 23 doch de Heere was hun genadig en ontfermde zich hunner, i en wendde zich tot hen, om zijns verbonds wille met Abraham, i Isaak en Jakob; en hij wilde ze niet verderven, en heeft ze niet verworpen van zijn aangezicht, tot nu toe. 24 En Hazaël, de Koning van Syrië, stierf, en zijn zoen Ben-hadad werdKoning in zijne plaats. |
25 Joas nu, de zoon van Joa-üaz, nam de steden weder in uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz zijnen vader met krijg genomen had: Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden Israël s weder. HOOFDSTUK 14. In het tweede jaar van Joas, den zoon van Joahaz, den Koning Israëls, werd Amazia Koning, de zoon van Joas, den Koning van Juda.^ 2 Vijfentwintig jaar was hij oud toen Hij Koning werd, en regeeide negenentwintig jaar te Jeruzalem; en zijner moeder naam was Joaddan van Jeruzalem. 3 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, nochtans niet als zijn vader David: hij deed naar alles dat zijn vader Joas gedaan had. 4 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen, het volk olferde en rookte nog op de hoogten. 5 Het geschiedde nu als het koninkrijk in zijne hand versterkt was, dat hij zijne knechten sloeg, die den Koning zijnen vader geslagen hadden, ü doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, daar de Heere geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden, maar een ieder zal om zijne zonden gedood worden. 7 Hij sloeg deEdomiteninhet Zoutdal, tienduizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haren naam Jokteël, tot op dezen dag. 8 Toen zond Amazia boden tot Joas, den zoon van Joahaz, don zoon van Jehu, den Koning Israëls, zeggende: Kom, iaat ons elkanders aangezicht zien. 9 Maar Joas, de Koning Israëls, zond tot Amazia, den Koning van Juda, zeggende^ De distel die op de Libanon is. zond tot den ceder die op den Libanon is, zeggende: Geef uwe dochter mijnen zoon ter vrouwe; maar het |
2 KONINGEN 14.
408
|
gedierte des velds dat. op den Libanon is ging voorbij en vertrad de distel. 10 Gij hebt de Edomiten dapper geslagen, daarom heeft nw harte u verheven: heb de eer en blijf in nw huis; want waarom zoudt gij ii in het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u? 11 Doch Amazia hoorde niet: daarom toog Joas, de Koning Israël?, op, zoodat hij en Amazia, de Koning van Juda, elkanders aangezichten zagen te Beth-Só-mes dat in Juda is; 12 en Juda werd geslagen voor het aangezicht Israels, en zij vloden een iegelijk in zijne tenten. 13 En Joas, de Koning Israels, greep Amazia, den Koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Ahazia, te Beth-Sémes, en kwam te Jeruzalem: en hij brak aan den muur Jeruzalems, van de poort Efraïms tot aan de Hoefpoort vierhonderd ellen; 14 en hij nam al het goud, en het zilver, en alle de vaten die gevonden werden in het Huis des Heeren en in de schatten van des Konings huis, mitsgaders gijzelaars; en hij keerde weder naar Samarië. 15 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijne macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amazia, den Koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels? 16 En Joas ontsliep met zijne vaderen, en werd te Samarië begraven bij de Koningen Israels; en zijn zoon Jerobeam werd Koning in zijne plaats. 17 Amazia nu, de zoon van Joas, Koning van Juda, leefde na den dood van Joas, denzoon van Joahaz, den Koning Israels, vijftien jaar. 18 Het overige nu der geschiedenissen van Amazia, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? |
19 En zij maakten eene ver-Dintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachia; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar; 20 en zij brachten hem op paarden, en hij werd te Jeruzalem begraven bij zijne vaderen in de stad Davids. 21 En het gansche volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaar oud was), en maakte hem Koning in ^ plaats van zijnen vader Amazia. 22 Die bouwde Elath, en bracht ze weder aan Juda, nadat de Koning met zijne vaderen ontslapen was. 23 In het vijftiende jaar van Amazia, den zoon van Joas, den Koning van Juda, werd te Samarië Koning, Jerobeam, de zoon van Joas, Koning over Israël, en regeerde éénenveertig jaar, 24 en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren: hij week niet van alle zonden Jerobeams, des zoons Nebats, die Israël zondigen deed. 25 Hij bracht ook weder de landpale Israëls van den ingang Hamaths tot aan de zee des vlakken velds, naar het woord des Heeren des Gods Israëls, dat hij gesproken had door den dienst van zijnen knecht Jona, den zoon van Amittai, den Profeet die van Gath-Héfer was. 26 quot;Want de Heere zag dat de ellende Israëls zeer bitter was. en dat er geene opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had. 27 En de Heere had niet gesproken dat hij den naam Israels van onder den hemel verdelgen, zoude; maar hij verloste ze door de hand Jerobeams, des zoons van Joas. 28 Het overige nu der geschiedenissen Jerobeams, en al wat hij gedaan heeft, en zijne macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damascus en Hamath, tot, Juda hehoorende, aan Israël we-dergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls? 29 En Jerobeam ontsliep met zijne vaderen, met de Koningen |
2 KONINGEN 15.
409
|
leraëls; en zijn zoon Zacharia werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 15. In het zevenentwintigste jaar Jerobeams, des Konings van Israël, werd Koning Azaria^de zoon van Amazia, den Koning van Jnda. 2 Hij was zestien jaar oud toen hij Koning werd. en hij regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem, en de^ naam zijner moeder was Jecholia van Jeruzalem. 3 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar al dat zijn vader Amazia gedaan had. 4 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen, het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 5 En de Heere plaagde den Koning dat hij melaatscii werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis, ' doch Jotham, des Konings zoon, was over het huis, richtende het volk des lands. 6 Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat ; hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Ju da ? 7 En Azaria ontsliep met zijne ; vaderen, en zij begroeven hem i bij zijne vaderen in de stad | Davids; en zijn zoon Jotham 1 werd Koning in zijne plaats. 8 In het achtendertigste jaar van Azaria, den Koning van 1 Juda, regeerde Zacharia, de zoon I Jerobeams, over Israël te Sama-rië zes maanden. 9 En hij deed dat kwaad was : in de (âºogen des He eren, gelijk | als zijne vaderen gedaan had- ! den: hij week niet at van de ! zonden Jerobeams, des zoons j Nebats, die Israël zondigen I deed. 10 En Sallum, de zoon van Jabes, maakte eene verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk en doodde hem; en hij werd Koning in zijne plaats. 11 Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, zie, dat is geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels. |
12 Dit was het woord des Heeren dat hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon Israels zitten; en het is alzóó geschied. 13 Sallum, de zoon van Jabes, werd Koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, den Koning van Juda, en hij regeerde eene volle maand te Samnrië; 14 want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Tirza en kwam te Samarië, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samarië en doodde hem, en werd Koning in zijne plaats. 15 Het overige nu der geschiedenissen Sallums, en zijne verbintenis die hij maakte, zie die zijn geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels. 1G Toen sloeg Menahem Tifsah met allen die daarin waren, ook hare landpalen van Tirza aan, omdat men niet voor ham had opengedaan, zoo sloeg hij zc : alle hare levruchte vrouwen hieuw hij in stukken. 17 In het negenendertigste jaar van Azaria, den Koning van Jiula, werd Menahem, de zoon van Gadi, Koning over Israël, en refieerde tien jaar te Samarië. 18 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren ; hij week alle zijne dagen niet af van de zonden Jerobeams, des zoons Nebats, die Israël zondigen deed. 19 Toen kwam Pul, de Koning van Assyrië, tegen het land, en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijne hand met hem zoude zijn om het koninkrijk in zijne hand te sterken. 20 Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om den Koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzoo keerde de Koning van Assyrië weder, en bleef daar niet in het land. 21 Het overige nu dergeschie- |
|
470 2 KONI denissen Menahems, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels? 22 Daarna ontsliep Menahem met zijne vaderen, en zijn zoon Pekahia werd Koning in zijne plaats. 23 In liet vijftigste jaar van Azaria, den Koning van Juda, werd Pekahia, de zoon Menahems, Koning over Israël, en regeerde twee jaar te Samarië. 24 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren : hij week niet af van de zonden Jero-bearns, des zoons Nebats, die Israël zondigen deed. 25 En Pekah, de zoon van Eemalia, zijn hoofdman, maakte eene verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samarië in liet paleis van het huis des Konings, met Argob en met Arjé, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileaditen; alzoo doodde hij hem en werd Koning in zijne plaats. 20 Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels. 27 In het tweeën vijftigste jiiar van Azaria, den Koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Eemalia, Koning over Israël, en regeerde twintig jaar te Samarië. 28 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren: hij week niet af van de zonden Jerobe-ams, des zoons Kebats, die Israël zondigen deed. ^29 In de dagen van Pekah, den Koning Israels^ kwam Tiglath-Piléser, de Koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel Beth-Maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galiléa, het gansche land van Naftali; en hij voerde ze weg naar Assyrië. 3à En Hoséa de zoon vanEla, maakte eene verbintenis tegen Pekah, den zoon van Eemalia, en sloeg hem en doodde hem, en werd Koning in zijne plaats, in |
7GEN 1G. het twintigste jaar Jothams, dea zoons van Uzzia. 31 Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan^ heeft, zie, dat is geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels. 32 In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Eemalia, den Koning Israels, werd Jotham Koning, de zoon van Uzzia, Koning van Juda. 33 Vijfentwintig jaar was hij oud als hij Koning werd, en regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. 34 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar alles dat zijn vader Uzzia gedaan had deed hij. 35 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen, het volk ofterde en rookte nog op de hoogten. Hij bouwde de Hooge poort aan het Huis des Heeren. 36 Het overige nu der geschiedenissen Jothams, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der_Koningen van Juda? 37 In die dagen begon de Heere in Juda te zenden Bezin, den Koning van Syrië, en Pekah, den zoon van Eemalia. 38 En Jotham ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de staci zijns vaders Eayids; en zijn zoon Achaz werd Koning in zijno plaats. HOOFDSTUK 16. In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Eemalia, werd Achaz Koning, de zoon Jothams, des Konings van Juda. 2 Twintig jaar was Achaz oud toen hij Koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem. En hij deed niet dat recht was in de oogen des Heeren zijns Gods, als zijn vader David, 3 want hij wandelde in den weg der Koningen Israëls, ja,hij deed ook zijnen zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen die de Heere voor |
2 KONINGEN 17. 471
, dea de kinderen Israels verdreven naderde tot liet altaar en offerde
had; i daarop;
'liie- 4 hij oflerde ook en rookte op 13 en hij stak zijn brandoffer
wat de hoogten en op de heuvelen, aan, en zijn spijsofter, en goot
^ge- ook onder alle groen geboomte, zijn drankoifer, en sprengde heb
vro- 5 Toen toog Eezin, de Koning bloed zijner dankoiferen op dat
van Syrië, op, met Pekah, den altaar.
van zoon van Kemalia, den Koning 14 Maar het koperen altaar dat ilia, Israels, naar Jeruzalem ten , voor het aangezicht des Heebeh* tam strijde; en zij belegerden Achaz, was, dat bracht hij van het voorsla, maar zij vermochten niet met ste deel des Huizes, van tusschen strijden. i zijn altaar en van tusschen het hij G Te dierzelfder tijd bracht Huis des Heeken, en hij zettere- Eezin, de Koning van Syrië, het aan de zijde zijns altaars^ nn; Elath weder aan Syrië, en wierp noordwaarts.
i'as de Joden uit Elath ; en de Sy- 15 En de Koning Achaz ge-riërs kwamen te Elath, en heb- I bood Uria den Priester, zeggende: 'as ben daar gewoond tot op dezen Steek op het groote altaar het. ar dag. morgen-brandoffer aan, en het :e- 7 Achaz nu zond boden tot avond-spijsoffer, en des Konings Tiglath-Piléser, den Koning van brandoffer, en zijn spijsoffer, en g- Assyrië, zeggende: Ik ben uw liet brandoffer van al het volk Ik knecht en uw zoon: kom op en des lands, en hun spijsoffer, en Ie verlos mij uit de hand des Ko- hunne drankofferen; en spreng re nings van Syrië en uit de hand daarop al het bloed des brands'. des Konings van Israël, die zich offers en al het bloed des slacht-)- tegen mij opmaken. offers; maar het koperen altaar ij 8 En Achaz nam het zilver zal mij zijn^ om te onderzoeken, i- en het goud dat in het Huis 1G En Uria de Priester deed i des Heekex _ en in de schatten naar alles dat de Koning Achaz*
van het huis des Konings ge- | geboden had.
vonden werd, en hij zond den ; 17 En de Koning Achaz sneed
Koning van Assyrïë een ge- ! de lijsten der stellingen at', en
schenk. ^ â nam van boven die het waschvat
9 Zoo hoorde de Koning van weg; en deed de zee af van de Assyrië naar hem; want de Ko- koperen runderen die daaronder ning van Assyrië toog op tegen waren, en hij zette die op eenen Damascus, en nam ze in, en steenen vloer;
voerde hen gevankelijk naar 18 daartoe het deksel des sab-
Kir, en hij doodde Eezin. | bats, dat zij in het Huis gebouwd
10 Toen toog de Koning Achaz hadden, en den buitensten in-Tiglath-Pilézer, den Koning van gang des Konings nam hij weg Assyrië, tegemoet naar Damas- van liet Huis des Heeren, van-cus; en gezien hebbende een wege den Koning van Assyrië. altaar dat te Damascus was, zoo lü Het overige nu dergescliie-zond de Koning Achaz aan den denissen van Achaz, wat hij ge-Priester Uria de gelijkenis des daan _ heeft, is dat niet geschre-altaars en zijne af beelding, naar ven in het boek der Kronieken zijn gansche maaksel. der Koningen van Juda?
11 En Uria de Priester bouwde 20 En xichaz ontsliep met zijneeen _ altaar, naar alles dat de vaderen, en werd begraven bij Koning Achaz van Damascus zijne ^vaderen in de stad Davids: ontboden had; alzóó deed de ! en Hizlda zijn zoon werd Koning-Priester Uria, tegen dat de Ko- in zijne plaats.
ning Achaz van Damascus kwam. â crrimr'TïQTTrtr 17
12 Als nu de koning van Da- 1 HOOIDSTÃK 17.
mascus gekomen was, zag de In het twaalfde jaar van Achaz,
Koning liet altaar; en de Koning den Koning van Juda, werd Ho--
|
â¢572 2 K à S I; â¢eéa, de zoon van Ela, Koning over Israël te Samarië, en regeerde negen jaren. 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren : evenwel niet als de Koningen Israels die vóór hem geweest waren. 3 Tegen hem toog op Salma-néser, Koning van Assyric, en Hosóa werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 4 Maar de Koning van Assyrië â¢bevond eene verbintenis in Ho-«éa, dat hij tot So, den Koning van Egyyte, boden gezonden had, en liet geschenk den Koning van A-ssyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zoo besloot hem de Koning van Assyrië en bond hem in hetgevan-genhnis. 5 Want de Koning van Assyrië toog op in het gansche land; ja, hij kwam op naar Samarië, eu hij belegerde ze drie jaren. Gin het negende jaar van Ho-séa nam de Koning van Assyrië Samarië in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden. 7 Want het was geschied dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den Heere hunnen God, die ze uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den Koning van Egypte, en hadden andere goden gevreesd, S en hadden gewandeld in de inzetting der heidenen, die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israels verdreven had en der Koningen Israels die ze gemaakt hadden. 9 En de kinderen^ Israels hadden de zaken die niet recht zijn tegen den Heere hunnen God, bemanteld, en hadden zich hoogten gebouwd in alle hunne steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe; _ 10 en zij hadden zich staande beelden opgericht en bosschen, op allen hoogen heuvel en onder Elle groen geboomte; 11 en zij hadden daar gerookt s GEN 17. |
| op alle hoogten, gelijk de hei-t denen die de Heere van hunne aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den Heere tot toorn te verwekken, 12 en zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de Heeiie tot hen gezegd had: Gij zult deze zake niet doen. 13 Als nu de Heere tegen Israël en tegen Juda door den dienst aller Profeten en aller zieners betuigd had, zeggende: Bekeert u van uwe booze wegen en houdt mijne geboden en mijne inzettingen, naar al de wet die ik uwen vaderen geboden heb, en die ik tot u door de hand mijner knechten de Profeten gezonden heb, 14 zoo hoorden zij niet, maar zij verhardden hunnen nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den Heere hunnen God niet geloofd hadden. 15 Daartoe verwierpen zij zijne inzettingen, en zijn verbond dat hij met hunne vaderen gemaakt had, en zijne getuigenissen die hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ij del werden, en achter de heidenen die rondom hen waren, van dewelke de Heere hun geboden had dat zij niet doen zouden gelijk die. IG Ja, zij verlieten alle geboden des Heeren' huns Gods, en maakten zich gegotene beelden, twee kalveren, en maakten bosschen, en bogen zich voor al het heir des hemels, en dienden Baal. 17 Ook deden zij hunne zonen en hunne dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogel-geschrei acht, en verkochten zich te doen dat li waad wa s in de oogen des Heeren, om hem tot toorn te verwekken. 18 Daarom vertoornde zich de Heere zeer over Israël, dat hij ze wegdeed van zijn aangezicht: daar bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. 19 Zelfs hield Juda de geboden |
|
2 KONI] des Heeren huns Gods^ niet, maar zij wandelden in de inzettingen Israels die zij gemaakt hadden. 20 Zoo verwierp do Hesre het gansciie zaad Israels, en verdrukte ze, en gaf ze in de hand der rooveren, totdat hij ze van zijn aangezicht weggeworpen had. 21 AVant hij scheurde Israël van den huize Davids af, en zij maakten .Terobeam, den zoon Ne-bats. Koning; en Jerobeamdreef Israël af van achter den Heere en hij deed ze eene groote zonde zondigen. 22 Alzoo wandelden de kinderen Israels in alle zonden Jero-beams die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af, 23 totdat de Heere Israël van zijn aangezicht wegdeed, gelijk als hij gesproken had door den dienst aller zijner knechten de Profeten; alzoo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar As-syrië, tot op dezen dag. 24 De Koning nu van Assyrië bracht volk van Babel en van Kutha en van Avva en van Ha-matli en Sefarvaïm, en deed ze wonen in de steden van Samarië, in de plaatse der kinderen Israels ; en zij namen Samarië erfelijk in, en woonden in hare steden. 25 En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den Heere niet vreesden; zoo zond de Heere leeuwen onder hen, die eenigen van hen doodden. 2G Daarom spraken zij tot den Koning van Assyrië,^ zeggende : De volkeren, die gij vervoerd hebt en hebt doen wonen in de steden van Samarië, weten de wijze van den God des lands niet; daarom heeft hij leeuwen onder hen gezonden, en zie, zij dooden ze, dewijl zij niet weten de wijze van den God des lands. 27 Toen gebood de Koning van Assyrië, zeggende: Brengt eenen der Priesteren daarhenen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken en aldaar wonen, en dat hij hen leere de wijze van den God van het land. |
GEN 17. 473 28 Zoo kwam een uit de Priesteren die zij van Samarië weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El, en hij leerde hen hoe zij den Heere vreezen zouden. 29 Maar elk volk maakte zijne goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hunne steden waarin zij woonachtig waren. 30 Want de lieden van Babel maakten Sukkoth-Benoth, en do lieden van Küth maakten Ner-gal, en de lieden van Kamath maakten Asima, 31 en de Avviten maakten Nibhaz en Tirtak: en de Sefar-viten verbrandden hunne zonen den Adrammélech, en Anammé-lech, den goden van Sefarvaïm, met vuur. 32 Ook vreesden zij den Heere, en maakten zich van hunne ge-ringsten Priesteren der hoogten, dewelke _ voor hen dienst deden in de huizen der hoogten. 33 Zij vreesden den Heere en dienden ook hunne goden, naar de wijze der volkeren, van dewelke zij die weggevoerd hadden. 34 Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen;zij vreezen den Heere niet, en zij doen niet naar hunne inzettingen, en naar hunne rechten, en naar de wet, en naar het gebod dat de Heere geboden heeft den kinderen Ja-kobs, wien hij den naam Israël gaf. 35 Nochtans had de Heere een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geene andere goden vreezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen; 3G maar den Heere. die u uit Egypteland met groote krachten met eenen uitgestrekten arm opgevoerd heeft, dien zult gij vreezen en voor hem zult gij u buigen en hem zult gij offerande doen; 37 en de inzettingen, en do rechten, en de wet, en het gebod dat hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen |
2 KONINGEN 18.
474
|
dago; en gij zult andere goden â¢niet vreezen. 38 En het verbond dat ik met n gemaakt lieb znlt gij niet verbeten, en gij zult andere goden niet vreezen; 39 maar den Heere uwen God zult gij vreezen, en liij zal u ü-edden uit de hand aller uwer vijanden. 40 Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hunne eerste wijze. 41 Maar deze volken vreesden den Heere, en dienden hunne -gesnedene beelden; ook doen hunne kinderen en hunne kindskinderen gelijk als hunne vaders gedaan hebben, tot op dezen dag. HOOFDSTUK 18. Het geschiedde in het derde jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den Koning Israels, dat Hiz-Ida, Koning werd, de zoon van Achaz, Koning van Juda. 2 Vijfentwintig jaar was hij oud toen hij Koning werd, en hij Tegeerde negenentwintig jaar te -Jeruzalem; en zijner moeder naam was Abia, eene dochter van Zacharia. 3 En hij deed dat recht was in â de oogen des Heerex, naar alles dat zijn vader David gedaan had: 4 hij nam de^hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en moeide de bosschen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israels tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde ze Nehustan. 5 Hij betrouwde op den Heere den God Israels, zoodat na hem zijnsgelijke niet was onder alle Koningen van Juda, noch die TÃor hem geweest waren. 6 Want hij kleefde den Heere aan; hij week niet van hem na â te volgen, en hij hield zijne geboden, die de Heere Mozes geboden had. 7 Zoo was de Heere met hem; overal waarhenen hij uittrok handelde hij kloekelijk ^daartoe viel iiij _ af van den Koning van As--eyrie, dat hij hem niet diende. 8 Hij sloeg de Filistijnen tot |
Gaza toe, en hare landpalen van den wachttoren af tot de vaste steden toe. 9 Het geschiedde _ nu in het vierde jaar des Konings Hizlda (hetwelk was het zevende jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den Koning Israels), dat Salma-néser, de Koning van Assyrië, opkwam tegen Samarië, en belegerde ze. 10 En zij namen ze in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizlda; het was het negende jaar van Hoséa, den Koning Israels, als Samarië ingenomen werd. 11 En de Koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed ze leiden in Halah, en in Habor bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden; 12 daarom dat zij der stemme des Heeeen huns Gods niet waren gehoorzaam geweest, maar zijn verbond overtreden hadden: en al dat Mozes, de knecht des Heeren, geboden had, dat hadden zij niet gehoord noch gedaan. 13 Maar in het veertiende jaar des Konings Hizlda kwam San-herib, de Koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. 14 Toen zond Hizlda, de Koning van Juda, tot den Koning van Assyrië naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij; wat gij mij opleggen zult ^zal ik dragen. Toen leide de Koning van Assyrië Hizlda, den Koning van Juda, óp driehonderd talenten zilvers en dertig talenten gouds. ^ 15 Alzoo gaf Hizlda al het zilver dat gevonden werd in het Huis des Heerex en in de schatten van het huis des Konings% 16 Te dier tijd sneed Hizlda het (foud af van de deuren des Tempels des Heeren, en van de posten die Hizlda, de Koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf dat den Koning van Assyrië. 17 Evenwel zond de Koning van Assyrië Tartan, en Kabsaris, en Kabsaké, van Lachis tot den |
|
2 KONIl Koning Hizkia, met een zwaar heir naar Jeruzalem; en zij togen op en kwamen naar Jeruzalem. En als zij opger.ogen en gekomen waren, bleven zij staan bij den watergang des oppersten vijvers, welke is bij den hoogen weg van het veld des vollers, 18 en zij riepen tot den Koning. Zoo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hillda, de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah, de zoon Asafs, de kanselier. 19 En Eabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zóó zegt de groote Koning, de Koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit â waarmede gij vertrouwt? 20 Gij zegt (doch het is een woord der lippen): Daar is raad «n macht tot den oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert? 21 Zie, nu vertrouwt gij opdien gebroken rietstaf, op Egypte, op â¢denwelken zoo iemand leunt, â¢zoo zal hij in zijne hand gaan en die doorboren: alzóó is Farao, de Koning van Egypte, allen dengenen die op hem vertrouwen. 22 Maar zoo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den Heere onzen God: â is hij die niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem? 23 Nu dan, wed toch met mijnen heere den Koning van Assyrië: en ik zal u tweeduizend paarden geven, zoo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. 24 Hoe zoudt gij dan het aangezicht eens éénigen Vorsten van de geringste knechten mijns heeren afkeeren? Maar gij vertrouwt op Egypte om de wagenen en om de rui teren. 25 Nu, ben ik zonder den Heere opgetogen tegen deze plaats om die te verderven? De Heere heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land en verderf het. 26 Toen zeide Eljakim, de zoon van Hillda, en Sebna, en Joah tot Kabsaké; Spreek toch |
N GEN 18. 475 tot uwe knechten in hetSyrisch, want wij verstaan het teel: en spreek met ons niet in het Joodsch voor de ooren van het volk dat op den muur is. 27 Maar Kabsaké zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uwen heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken ? Is het niet tot de mannen die op den muur zitten, dat ze met ulieden hunnen drek eten en hun water drinken zullen? 28 Alzoo stond Raksaké, en riep met luider stemme in het Joodsch, en hij sprak en zeide: Hoort het woord des grooten Konings, des Konings van Assyrië. 29 Zóó zegt de Koning: Dat Hizkia u niet bedriege; want hij zal u niet kunnen redden uit zijne hand. 30 Daartoe dat Hiskia u niet doe vertrouwen op den Heere, zeggende: De Heere zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand des Konings van Assyrië gegeven worden. 31 Hoort naar Hizkia niet, want zóó zegt de Koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet een ieder van zijnen wijnstok en een ieder van zijnen vijgeboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs; 32 totdat ik kome en hale u in een land als ulieder land, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zoo zult gij leven en niet sterven. En hoort niet naar Hizkia, want hij hitst u op, zeggende: De Heere zal ons redden. 33 Hebben de goden der volkeren ieder zijn land eenigszins gered uit de hand des Konings van Assyrië? 34 Waar zijn de goden van Hamath en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm, Hena en Ivva ? Ja, hebben zij Samarië nit mijne hand gered? 35 Welke zijn ze onder alle goden der landen, die hun land |
2 KONINGEN 19.
470
|
uit mijno hand gered hebben, dat de Heere Jeruzalem uit mijne hand redden zoude? 3ö Doch het volk zweeg stille en antwoordde hem geen woord; want het gebod des Konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden. 37 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah, de zoon Asafs, de kanselier, tot Ilizkia met gescheurde kleederen, en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen. HOOFDSTUK 10. En het geschiedde als de Koning Hizkia ^ dit hoorde, zoo scheurde hij zijne kleederen, en bedekte zich met eenen zak, en ging in het Huis des Heerex. 2 Daarna zond hij Eljakim den hofmeester, en Sebna den schrijver, en de oudsten der Priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja den Profeet, den zoon van Amoz; 3 eïi zij zeiden tot hem: Alzóó zegt Hiskia: Deze dag is een dag der benauwdheid en der schelding en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en daar is geen kracht om te baren. 4 Misschien zal de Heere uw God hooren alle de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heere, de Koning van Assyrië, gezonden heeft om den levenden God te honen, en te schelden met woorden die de Heere uw God gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel dat gevonden wordt. 5 En de knechten des Koning Hizkia kwamen tot Jesaja: 6 en Jesaja zeide tot hen: Zóó zult gij tot uwen heer zeggen: Zóó zegt de Heere: Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede de dienaars des Konings van Assyriëmij gelasterd hebben. 7 Zie, ik zal eenen geest in hem geven, dat hij een gerucht hooren zal, en weder in zijn land keeren; en ik zal hem door |
het zwaard in zijn land vellen. 8 Zoo kwam Rabsaké weder, en vond _ den Koning van As-syrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis vertrokken was. 9 Als hij nu van Tirhaka, den Koning van Kusch, hoorde zeggen: Zie, hij is uitgetogen om tegen u te strijden^ zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende: ^ 10 Zóó zult^ gij spreken tot Hizkia, den Koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des Konings van Assyrië niet gegeven worden. 11 Zie, gij hebt gehoord wat de Koningen van Assyrië allen landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden? 12 Hebben de goden der volkeren, die mijne vaders verdorven hebben, dezelve gered, «/amp;⢠Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen Edeus die in Telasser waren ? 13 Waar is de Koning van Hamath, en de Koning van Arpad, en de Koning der stad Sefarvaïm, Hena en Ivva? 14 Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen en die gelezen had, ging hij op in^ het Huis des Heerex, en Hizkia^ breidde die uit voor het aangezicht des Hekken; 15 en Hizkia bad voor het aangezicht des Heerex, en zeide: O Heere, God Israels, die tusschen de cherubs woont, gij zelf, gij alleen zijt de God «lier koninkrijken der aarde, gij hebt den hemel en de aarde gemaakt. 16 O Heere, neig uw oor en hoor, doe Heef e, uwe oogen open en zie, en hoor de woorden Sanheribs, die dezen gezonden heeft om den levenden God te honen. 17 Waarlijk, Heere, hebben de Koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest, 18 en hebben hunne goden in ' het vuur geworpen; want zy |
|
2 KONIà wnren geene goden, maar het werk van menschenlianden, hont en steen; daarom hebben zij die verdorven. 19 Nu dan, Heere onze God, vtrlos ons toch uit zijne hand; zoo zullen alle koninkrijken der a^rde weten dat gij, Heere, alléén God zijt. 20 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende : Zóó spreekt de Heere de God Israels: Wat gij tot mij gebeden hebt tegen Sanherib, den Koning van Assyrië, heb ik gehoord. 21 Dit is het woord dat de Heere over hem gesproken heeft: Dejonkvrouwe, de dochter Sions veracht u, zij bespot u, de dochter Jeruzalems schudt het hoofd achter u. 22 Wien hebt gij gehoond en gelasterd? en tegen wien hebt gij de stemme verheven en uwe oogen omhoog opgeheven ? Tegen den Heilige Israels. 23 Door middel uwer boden hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, ^ de zijden Libanons; en ik zal zijne hooge cederboomen en zijne uitgelezene denneboomen afhouwen en zal komen in zijne uiterste herberge, in het woud zijns schoonen velds. 24 Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijne voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd. 25 Hebt gij niet gehoord dat ik zulks lang te voren gedaan heb? en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn om de vaste steden te verstoren tot woeste hoopen. 26 Daarom waren hare inwo-neren handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren ah het gras des velds, en de groene grasscheutkens, het hooi der daken, en het brandkoren eer het overeind staat. 27 Maar ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en woeden tegen mij. |
GEN 19. 477 28 Om uw woeden tegen mijt en dat uwe woeling voor mijne ooren opgekomen is, zoo zal ik mijnen haak in uwen neus leggen, en mijn gebit in uwe lippen, en ik zal u doen wederkeeren door dien weg door denwel leen gij gekomen zijt. 29 En dat zij u een teeken, dat men in dit jaar dat van zelf gewassen is eten zal: en in het tweede jaar dat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar en maait, en plant wijngaarden en eet hunne vruchten. 30 quot;Want het ontkomene, dat overgebleven is van den huize Juda, zal wederom nederwaarts wortelen en zal opwaarts vrucht dragen. 31 AVant van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion: de ijver des Heeren der heirscharen zal dit doen. 32 Daarom zóó zegt de Heere van den Koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar eenen pijl inschieten, ook zal hij met geen schild daarvóór komen, en zal geenen wal daartegen opwerpen; 33 door den weg dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeeren, maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de Heere; 34 want ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen om mijnentwille en om Davids mijns knechts wille. 35 Het geschiedde dan in dienzelfden nacht dat de Engel des Heeren uitvoer en sloeg in het leger van Assyrië honderden vijfentachtigduizend ; en toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, zie, die allen waren doode lichamen. 36 Zoo vertrok Sanherib, de Koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Ninevé. 37 Het geschiedde nu als hij in het huis van Nisroch zijnen god zich nederboog, dat Adrammélech en Sarézer, zijne zonen, hem met het zwaard versloegen: doch zij ontkwamen in het land van Ara- |
2 KONINGEN 20.
473
|
Kit; en Esar-Haddon zijn zoon | werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 20. In die dagen werd Hizkia krank ot stervens toe, en de Profeet 1 Jesaja, de zoon van Amoz, kwam | tot hem, en zeide tot hem; Zóó j zegt de Heere : Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven en niet leven. 2 Toen keerde hij zijn aangezicht óm naar den wand, en hij bad tot den Heere, zeggende: 3 Och Heere, gedenk toch dat ik voor uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en dat goed in uwe oogen is gedaan heb. En Hizkia weende gansch zeer. 4 Het gebeurde nu als Jesaja uit het middelvoorhof no ff niet gegaan was, dat het woord des | Heeren tot hem geschiedde, zeg- j gende: . , 5 Keer weder en zeg tot Hizkia, i den voorganger mijns volks: Zóó zegt de Heere, de God uws vaders Davids: Ik heb uw gebed gehoord, ik heb uwe tranen gezien: zie, ik zal u gezond maken ; aan den ; derden dag zult gij opgaan in i het Huis des Heeren; 6 en ik zal vijftien jaar tot uwe dagen toedoen, en zal u uit de hand des Koninga van Assy-rië verlossen, mitsgaders deze stad, en ik zal deze stad beschermen om mijnentwille en om mijns knechts Davids wille. 7 Daarna zeide Jesaja: Neemt eenen klomp vijgen; en zij namen ze; en leiden ze op de zweer, en hij werd genezen. 8 Hizkia nu had gezegd tot Jesaja: quot;Welk is het teeken, dat de Heere mij gezond maken zal, en dat ik op den derden dag in des Heeren Huis zal opgaan? 9 En Jesaja zeide: Dit zal u een teeken van den Heere zijn, dat de Heere het woord dat hij gesproken heeft doen zal: zal de schaduw tien graden voorwaarts taan, of tien graden achterwaartsaan, of tien graden achterwaarts eeren ? |
10 Toen zeide Jehiskia: Het is der schaduw licht, tien graden nederwaarts te gaan ; neon, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts keere. 11 En Jesaja de Profeef riep den Heere aan, en hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keeren in de graden dewelke zij nederwaarts gegaan was in de graden van Achaz' zonnewijzer. 12 Te dier tijd zond Berodach-Baladan, de zoon Bal a dans, do Koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat Hizkia krank geweest was. 13 En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn gansche schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al dat gevonden werd in zijne schatten: daar was geen ding in zijn huis noch in zijne gansche heerschappij dat hij hun niet toonde. 14 Toen kwam de Profeet Jesaja tot den Koning Hizkia, en zeide tot hem: AVat hebben die» mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen ? En Hizkia zeide; Zij zijn uit verren land© gekomen, uit Babel. 15 En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zeide ^ Zij hebben alles gezien wat in mijn huis is, geen ding is er in mijne schatten dat ik hun niet getoond heb. 16 Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor des Heeren Woord. 17 Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uwe vaderen tot dezen dag toe opgelegd hebben naar Babel weggevoerd zal worden: daar zal niets overgelaten worden, zegt do Heere. 18 Daartoe zullen zij van uwe zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des Konings van Babel. 19 Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des Heeren, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Zoude het niet, naardien vrede en waarheid in mijne dagen wezen zal? |
I
|
2 KONI] 20 Het overige nu der ??eschic-denissen van Hizlda, en al zijne macht, en hoe hij den vijver en den watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Jnda? 21 En Hizkia ontsliep met zijne vaderen: en zijn zoen Ma-nasse werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 21. Manasse^ was twaalf jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was Hefzibah. 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heerex, naar de gruwelen der heidenen, die de Heere voor het aangezicht der ^ kinderen Israels uit do bezittingen verdreven had. 3 Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkia zijn vader verdorven had, en hij richtte den Baal altaren op, en maakte een bosch, gelijk als Achab de Koning Israels, gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze. 4 En hij bouwde altaren in het Huis des Heeren, waarvan de Heere gezegd had: Te Jeruzalem zal ik mijnen naam zetten. 5 Daartoe bouwde hij altaren al den heire des hemels, in beide de voorhoven van het Huis des Heeren. â G Ja, hij deed zijnen zoon door het vuur gaan, en pleegde gui-chelarij en gaf op vogel geschrei acht, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaars : hij deed zeer veel kwaad in de oogen des Heer en, om hem tot toorn te verwekken. 7 Hij stelde ook een gesneden beeld van het bosch, dat hij gemaakt had, in het Huis, waarvan de Heere gezegd had tot David en tot zijnen zoon Salomo: In dit Huis en te Jeruzalem, die ik uit alle stammen Israels verkoren heb, zal ik mijnen naam zetten in eeuwigheid, 8 en ik zal niet voortvaren |
GEN 21. 47^ den voet Israëls te bewegen uit dit land dat ik hunnen vaderen gegeven heb: alleenlijk zoo zij waarnemen te doen naar alle» dat ik hun geboden heb, en naar de gansche wet, die mijn knecht Mozes hun geboden hooft. 9 Maar zij hoorden niet; want Manasse deed ze dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen* die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had. 10 Toen sprak de Heere door den dienst zijner knechten de-Profeten, zeggende: 11 Dewijl dat Manasse, dec Koning van Juda, deze gruwelen-gedaan heeft, erger doende dan al dat de Amoriten gedaan hebben, die vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijne drekgoden heeft doen yondigen, 12 daarom al^uó zegt de Heere. de God Israël'..: Zie, ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda* brengen, dat een ieder die het hoort beide zijne ooren klinken zullen, 13 en ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samarië trekken, mitsgaders het paslood van het huis Achabs, en ik zal Jeruzalem uitwisschen, gelijk als men-eenen schotel uitwischt: men wischt dien uit, en men keert hem om op zijne holligheid. 14 En ik zal het overblijfsel mijns erfdeels verlaten en zal ze in de hand hunner vijanden geven, en zij zullen tot eenen roofquot; en plundering worden allen hunnen vijanden: 15 daarom dat zij gedaan-hebben dat kwaad was in mijne-oogen, en mij tot toorn verwekt-hebben, van dien dag dat hunne vaderen van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op dezen dag toe- 16 Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ééne einde tot het andere ver-vuld had: behalve zijne zonden die hij Juda zondigen deed,, doende dat kwaad was in de-oogen des Heeren. 17 Het overige nu der geschie* |
|
460 2 KONI1 denissen van Manasse, en al dat hij gedaan heeft, en zijne zonde die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in^ het boek der Kronieken der Koningen van Juda? 18 En Manasse ontsliep met -'/ij ne vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd Koning in zijne plaats. 19 Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde twee jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullémeth, eene dochter van Haruz van Jotba. 20 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had ; 21 want hij wandelde in al den weg dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden die gt; zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder: 2'i zoo verliet hij den Heere, zijner vaderen God, en hij wandelde niet in den weg des Heeren. 23 En de knechten Anions maakten eene verbintenis tegen hem, en zij doodden den Koning in zijn huis. 24 Maar het volk des lands versloeg allen die tegen den Koning Amon eene verbintenis gemaakt hadden, en het volk des lands maakte zijnen zoon Josia Koning in zijne plaats. 25 Het overige nu der geschiedenissen Amons, die hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? 26 En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 22. Josia was acht jaar oud toen hij Koning werd, en regeerde éénendertig jaar te Jeruzalem; de naam zijner moeder was Je-dida, eene dochter van Adaja van Boskath. |
GEN 22. 2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, en hij wandelde in al den weg zijns vaders Davids, en week niet af ter rechter- noch ter linkerhand. 3 Het geschiedde nu in het achttiende jaar des Konings Josia, dat de Koning den schrijver Safan, den zoon Azalja's, des zoons Messul lams, zond in het Huis des Heeren, zeggende: 4 Ga op tot Hilkia den Hoo-gepriester, opdat hij hetf geld opsomme dat in het Huis des Heeren gebracht is, hetwelk de wachters des dorpels van het volk verzameld hebben; 5 en dat zij dat geven in de hand der verzorgers van het werk die besteld zijn over het Huis des Heeren, opdat zij het geven dengenen die het werk doen^ dat in het Huis des Heeren is, om de breuken van het huis te verbeteren, 6 den timmerlieden en den bouwlieden en den metselaars, en om hout en gehouwene stee-nen te koopen om het Huis te beteren. 7 Doch er werd methengeene rekening gehouden van het geld dat in hunne hand geleverd was, want zij handelden trou-welijk. 8 Toen zeide de Hoogepriester Hilkia tot Safan den schrijver: Ik heb het wetboek in het Huis des Heeren gevonden: en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. 9 Daarna kwam Safan de schrijver tot den Koning, en bracht den Koning bescheid weder, en hij zeide: Uwe knechten _ hebben liet geld dat in het Huis gevonden was samengebracht, en hebben het gegeven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het Huis des Heeren. lü Ook gaf Safan de schrijver den Koning te kennen, zeggende : Do Priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht des Konings. 11 Het geschiedde nu als da |
2 KONINGEN 23.
481
gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoneren, dat zij tot eene verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uwe kleederen gescheurd en voor mijn aangezicht geweend hebt: zoo heb ik u ook verhoord, spreekt de Heere.
20 Daarom, zie, ik zal u verzamelen tot uwe vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uwe oogen zullen al het kwaad niet zien dat ik over deze plaatse brengen zal. En zij brachten den Koning het antwoord weder.
HOOFDSTUK 23.
Toen zond de Koning henen, en tot hem verzamelden ziek alle de oudsten van Juda en Jeruzalem.
! 2 En de Koning ging óp in ! het Huis des Heeren, en met j hem alle man van Juda en alle | inwoners van Jeruzalem, en de I Priesters en do Profeten, en al j het volk, van den minste tot den : meeste; en hij las voor hunne ; ooren allo de woorden van het i boek des verbonds dat in het 1 Huis des Heeren gevonden was. 1 3 De Koning nu stond aan ⢠den pilaar, en maakte een ver-! bond voor des Heeren aange-zicht, om den Heere na te wan-j delen, en zijne geboden en zijne ; getuigenissen en zijne inzettin-| gen met ganscher harte en met | ganscher ziele te houden, bevestigende de v/oorden dezes ver-i bonds, die in dit boek geschreven zijn; en het gansche volk stond j in dit verbond.
i 4 En de Koning gebood den Hoogepriester Hilkia, en den ; Priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarde-rs, dat zij i uit den Tempel des Heeren | alle gereedschap, dat voor Baal ' en voor het beeld van het bosch I en voor al het heir des hemels i gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden Kidrons, en liet het stof daarvan naar Beth-El dragen.
ö Daai toe schafte hij de Ke-1G
Koning de woorden des wetboeks hoorde, dat hij zijne kleederen Bcheurde;
12 en de Koning gebood Hil-kia den Priester, en Ahikam, den zoon Safans, en Aclibor, den zoon van Michaja, en Safnn den schrijver, en Asaja, den knecht des Konings, zeggende:
13 Gaat henen, vraag-, den Heere voor mij en voor liet volk en voor liet gansche Juda, over de woorden dezes boeks dat gevonden is: want de grimmigheid des Heeren is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden dezes boeks, om te doen naar al dat voor ons geschreven is.
14 Toen ging de Priester Hil-kia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja henen tot de Profetesse Hnlda, do huisvrouw Sallums, des zoons van Tikva, den zoon van Harhas, den kiee-derbewaarder, (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.
15 En zij zeide tot hen: Zóó zegt de Heere de Gods Israels: Zegt tot den man die u tot mij gezonden heeft:
16 Zóó zegt de Heere: Zie, ik zal kwaad over deze plaats brengen, en over hare inwoneren, namelijk alle de woorden des boeks dat de Koning van Juda gelezen heeft.
17 Daarom dat zij mij verlaten en andere goden gerookt hebben, opdat zij mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zoo zal mijne grimmigheid aangestoken worden tegen deze plaatse, en niet uitgebluscht worden.
18 Maar tot den Koning van Juda, die u gezonden heeft om den Heere te vragen, alzóó zult gij tot hem zeggen: Zóó zegt de Heere de God Israels: Aangaande da woorden die gij gehoord hebt:
19 omdat uw harte week geworden is en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, als gij hoordet wat ik i
|
482 2 KONI marim af, die de Koningen van Juda gesteld hadden opdat men rooken zoude op de hoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem: mitsgaders die voor Baiil, de zon en de maan en de planeten en al het heir des hemels rookten. (j Hij bracht ook heiheéldvan het bosch uit den Huize des Heeren weg buiten Jeruzalem naar de beek Kidron, en ver-brunddc het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof, en hij wierp het stol daarvan op de graven der kinderen des volks. 7 Daartoe brak hij de huizen der schanöjongens af, die aan het Huis des Heeren waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het heeld van het bosch weefden. 8 En hij bracht alle de Priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten alwaar die Priesters gerookt hadden, van Gibea aan tot Ber-Séba toe, en hij brak de hoogten der poorten af, ook die aan de deur der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, de stadspoort ine/aan de. 9 Doch de Priesters der hoogten offerden niet op het altaar des Heeren te Jeruzalem, maar zij aten ongezuurde hrooden in het midden van hunne broederen. 10 Hij verontreinigde ook To-fetii dat in het dal der kinderen Hinnoras is, opdat niemand zijnen zoon of zijne dochter den Molech door het vuur deed gaan. 11 _En hij schafte de paarden af die de Koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang in het Huis des Heeren, tot de kamer van Nathan-Mélech den hoveling, die in Darvarim was; en de wage-nen der zon verbrandde hij met vuur. 12 Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die do Koningen van J uda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het Huis |
^GEN 23. des Heeren gemaakt had,^ brah de Koning af, en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stol daarvan in de beek Kidron. 13 De hoogten ook die vóór aan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg Mashith, die Salomo, de Koning Israels, den Astóreth, het verfoeisel der Sidoniërs, en den Kamos, het verfoeisel der Moabiten, en den Milkom, den gruwel der kinderen Amnions, gebouwd had, verontreinigde de Koning. 14 Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bosschen uit, en hij vervulde hunne plaats met menschenbeen-deren. 15 Daartoe ook het altaar dat te Beth-El was, en de hoogte die Jerobeam, de zoon van Ne-bat, die Israël zondigen deed, gemaakt had, te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja,hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bosch. 18 En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven die daar op den berg waren en zond henen en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat, naar het Woord des Heeren, dat de man Gods uitgeroepen had die deze woorden uitriep. 17 Voorts zeide hij: Wat is dat voor een grafteeken dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Beth-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft. 18 En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijne beenderen verroere. Zoo bevrijdden zij zijne beenderen, net de beenderen des Profeten dia uit Sainarië gekomen was. 19 Daartoe nam Josia ook weg alle de huizen der hoogten, die in de steden van Samarië waren, die de Koningen Israels gemaakt hadden om den Heere tot toorn te verwekken; en hij deed daar- |
2 KONINGEN
23.
4Bamp;
|
mede naar alle de daden die liij te Betli-El gedaan liad. 20 En hij slachtte alle de Fries-teren der hoogten die daar v» aren, op de altaren, en verbrandde menschenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem. 21 En de Koning gebood het gansche volk, zeggende: Houdt den heere^ uwen God Paschen, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is. 22 quot;Want gelijk dit Pasehen was er geen gehouden, van de dagen der Eichteren af die Israël gericht hadden, noch in alle de dagen der Koningen Israels, noch der Koningen van Juda. 23 Maar in het achttiende jaar des Konings Josia werd dit Pascha den Heeee te Jeruzalem gehouden. 24 En ook deed Josia weg de waarzeggers en de duivelskunstenaars, en de Terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek dat de Priester Hilkia in het Huis des Heeren gevonden had. 2o En vóór hem was geen Koning zijnsgelijke, die zich tot den Heere met zijn gansche harteen met zijne gansche ziele en met zijne gansche kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had, en na hem stond zijnsgelijke niet op. 26 Nochtans keerde zich de Heere van den brand zijns groo-ten toorns niet af, waarmede zijn toorn brandde tegen Juda, om alle de tergingen waarmede Ma-nasse hem getergd had; 27 en de Heere zeide: Ik zal Juda óók van mijn aangezicht wegdoen, gelijk als ik Israël weg-gedaan heb; en ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die ik verkoren heb, en het Huis waarvan ik gezegd heb: Mijn naam zal daar wezen. 25 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? |
29 in zijne^ dagen toog Farao Necho, de Koning van Egypte, óp tegen den Koning van As-syrië naar de rivier Frath; en de Koning J osia toog hem tegemoet; en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 30 En zijne knechten voerden hem dood op eenen wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem^ en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz, den zoon van Josia, en zalfden hem en maakten hem Koning in zijns vaders plaats, 31 Drieëntwintig jaar was Joahaz oud toen hij Koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en zijner moeder naam was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. 32 En hij deed dat kwaad was-in de oogen des Heerex, naar alles dat zijne vaderen gedaan j hadden. I 33 Doch Farao Necho liet hem i binden te Eibla in het landvan. Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeeren zoude, en hij leide het land eene boete op van honderd talenten zilvers en één ta-i leut gouds. 34 Ook maakte Farao Nechc Eljakim, den zoon van Josia,. | Koning in de plaats van zijnen : vader Josia en veranderde zijnen naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij medre, en hij kwam in I Egypte en stierf aldaar. 5 3o En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao, doch hij | schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te ge-; ven; een ieder naar zijne schat-ting, eischte hij het zilver en goud af van het volk des lands, j om het aan Farao Necho te ge-1 ven. 3ö Vijfentwintig jaar was Jojakim oud toen hij Koning werd, en regeerde elf jaar te Jeruzalem^ , en zijner moeder naam was Ze-| budda, eene dochter van Pedaja van Puma. 37 En hij deed dat kwaad was» 1 in de oogen des Heeeen, naar |
2 KONINGEN 24.
484
|
alles wat zijne vaders gedaan hadden. HOOFDSTUK 24. In ziine dagen toog Nebnkad-nezar, de Koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om en rebelleerde tegen hem. 2 En de Heeiie zond tegen hem de benden der Chaldecn en de benden der Syriërs en de benden der Moabiten en de benden der kinderen Ammons, en zond ze tegen Juda om dat te verderven, naar het quot;Woord des Heeeen, dat hij gesproken had door den dienst zijner knechten de Profeten. 3 Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des IIeeren tegen Juda dat hij ze van zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Ma-nasse, naar alles dat hij gedaan had; 4 alsook om hot onschuldig bloed dat hij vergoten had, zoodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had: daarom wilde de Heere niet vergeven. 5 Het overige nu der geschiedenissen Jojakims, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet gesclire-ven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? 6 En Jojakim ontsliep met zijne vaderen, en zijn zoon Jojachin werd Koning in zijne plaats. 7 De Koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land, want de Koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al dat des Konings van Egypte was. 8 Jojachin was achttien jaar oud toen hij Koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem: en zijner moeder naam was Nehusta, eene dochter El-nathans van Jeruzalem. 0 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heerex, naar alles dat zijn vader gedaan had. 10 Te dier tijd togen de-knechten Nebukadnezars, des Konings van Babel, naar Jeruzalem, en do stad werd belegerd. |
11 Zelfs kwam Nebukadnezar, de Koning van Babel, tegen de stad, als zijne knechten die belegerden. 12 Toen ging Jojachin, de Koning van Juda, uit tot den Koning van Babel, hij, en zijne moeder, en zijne knechten, en zijne Vorsten, en zijne hovelingen; en de Koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regeering. 13 En hij bracht van daar uit alle de schatten van het Huis des Heeren, en de schatten van het huis des Konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de Koning Israëls, in den Tempel des Heeren gemaakt had, gelijk als de Heere gesproken had. 14 En hij voerde gansch Jeruzalem weg, mitsgaders alle de Vorsten en alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten dan het arme volk des lands. 15 Zoo voerde hij Jojachin weg naar Babel, mitsgaders des Konings moeder, en des Konings vrouwen, en zijne hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel: 16 en alle kloeke mannen tot zevenduizend en timmerlieden en smeden tot éénduizend, en alle helden die ten oorloge geoefend waren, deze bracht de Koning van Babel gevankelijk naar Babel. 17 En de Koning van Babel maakte Mattanja, deszelfs oom, Koning in plaats van hem, en veranderde zijnen naam in Ze-dekia. 18 Zedelda was éénentwintig jaar oud als hij Koning werd, en hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; en zijner moeder naam was Ha-mutal, eene dochter van Jere-jnia van Libua. 19 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naar alles wat Jojakim gedaan had. 20 Want het geschiedde om den toorn des Heeren tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat hy |
2 KONINGEN 2o.
4c5
|
hen van zijn aangezicht weggeworpen had: en Zedekia rebelleerde tegen den Koning van Babel. HOOFDSTUK 2c. En het gesdiiedde in het negende jaar zijner regeering in de tiende maand op den tiende der maand, dat Nebnkadnezar, de Koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gansche heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. 2^ Zoo kwam de stad in belegering, tot in liet elfde jaar des Konings Zedekia. 3 Op den negende der vierde maand, als de honger in de stad sterk werd en het volk des lands geen brood had, 4 toen werd de stad doorgebroken, en alle de krijgslieden vloden des nachts door den weg der poort, tusschen de twee muren die aan des Konings hof waren (de Chaldeën nu waren tegen de stad rondom), en de Konimj trok door den weg des vlakken velds. 5 Doch het heir der Chaldeën jaagde den Koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn heir werd van bij hem verstrooid. 6 Zij dan grepen den Koning, en voerden hem opwaarts tot den Koning van Babel naar Eibla; en zij spraken een oordeel tegen hem: 7 en zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijne oogen; en men verblindde Zedekia's oogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen en voerden hem naar Babel. 8 Daarna in de vijfde maand op den zevende der maand (dit was het negentiende jaar Ne-bukaduezars, des Konings van Babel), kwam Nebuzaradan, de overste der trawanten, de knecht des Konings van Babel, te Jeru-zalem; |
9 en hij verbrandde het Huis des Heeren en het huis des Konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem, en alle huizen der | grooten verbrandde hij met vuur; I 10 en het gansche heir der Chal-! deën, dat met den overste der trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af. 11 ^ Het overige nu des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen die tot den Koning van Babel afgevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg. 12 Maar van de arms ten des lands liet de overste der trawanten eenigen overig tot wijngaardeniers en tot .akkerlieden. 13 Voorts braken de Chaldeën de koperen pilaren die in het Huis des Heeren waren, en de stellingen, en de koperen zee die in het Huis des Heeren was, en zij voerden het koper daarvan naar Babel. 14 Zij namen ook de potten en de schoftelen en de galleien en de rookschalen, en alle de koperen vaten waar men den dienst mede deed; 15 en de overste der trawanten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was. 1G De twee pilaren, de ééne zee, en de stellingen die Salomo voor het Huis des Heeren gemaakt had: het koper van alle deze vaten was niet te wegen. 17 De hoogte ééns pilaars was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte des kapiteels was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom waren alle van koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met het net. 18 Ook nam de overste dor trawanten Seraja den Hoofdpriester, en Zefanja den tweeden Priester, en de drie dorpel bewaarders : 19 en uit de stad nam hij éénen hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen die des Konings aangezicht zagen, die in^ de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands |
1 KRONIEKEN 1.
486
|
ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands die in de stad gevonden werden. 20 Als Nebuzaradan, de overste der trawanten, deze genomen had, zoo bracht hij ze tot den Koning van Babel naar Ribla, 21 en de Koning van Babel sloeg ze en doodde ze te Ribla in het land van Haniath. Alzoo werd Jada uit zijn land gevankelijk weggevoerd. 22 Maar aangaande het volk dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de Koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij â Gedalja. den zoon Ahikams, des zoons balans. 23 Toen nu alle de oversten der heiren, zij en hunne mannen hoorden, dat de Koning van Babel Gedalja tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalja naar Mizpa; namelijk Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Karéah, en Seraja, de zoon van Tanhümeth, deNe-tofathiet, en Jaazanja, de zoon van den Maachathiet, zij en hunne mannen; 24 en Gedalja zwoer hun en hunnen^ mannen, en zeide tot hen: Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeën, blijft in het land en dient den Koning van Babel, zoo zal het u wèl |
25 Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël de zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, van koninklijken zade, kwam, en tien mannen met hem, en sloegen Gedalja dat hij stierf, mitsgaders do Joden en de Chaldeën die met hem te Mizpa waren. _ 2G Toen maakte zich al het volk op, van den minste tot den meeste, en de oversten der heiren, en kwamen in Egypte, want zij vreesden voor de Chaldeën. 27 Het geschiedde daarna in het zevenendertigste jaar der wegvoering van Jojachin, den Koning van Juda, in de twaalfde maand op den zevenentwintigste der maand, dat Evilmcrodach, de Koning van Babel, in het jaar als hij _ Koning werd het hoofd van Jojachin, den Koning van Juda, uit het gevangenhuis verhief; 28 en hij sprak vriendelijk met hem, en steide zijnen stoel boven den stoel der Koningen die bij hem te Babel waren; 29 en hij veranderde de kleederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, alle de dagen zijns levens. 30 En aangaande zijne tering, eene gedurige tering werd hem van den Koning gegeven, elk dagelijks bestemd deel op zijnen dag, alle de dagen zijns levens. |
HET EEESTE BOEI
DER
K E O N I E K E K
|
HOOFDSTUK 1. Adam, Seth, Enos, 2 Kenan Mahalaleël, Jered, 3 Henoch, Methusalali, La-aaeck, 4 Noach, Sem, Cham en Jafeth. |
[ 5 De kinderen Jafeths waren { Gomer, en Magog, en Madai, en ! Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras. G En de kinderen Gomers waren Askenaz, en Difath, ea Togarma. |
1 KRONIEKEN 1.
487
|
7 En de kinderen Javans quot;waren Elisa en Tarsisa, de Ivitriten en Dodaniten. 8 De kinderen Chams quot;waren Kusch en Mizraïm, Put en Ka-naan. 9 En de kinderen van Knsch waren Seba, en Havila, en Sabta, cn Raëma, en Sabtecha. En de kinderen van Eaëma waren Scheba en Dedan. 10 Kusch nu ge-won Nimrod: die begon geweldig te zijn op aarde. 11 En Mizraïm gewon de Ln-diten, en de Anamiten, en de Lehabiten, cn de Naftuhiten, 12 en de Pathrusiten, en de Kasluhiten (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen), en de Kaftoriten. 13 Kanaan nu gewon Sidon, zijnen eerstgeborene, en Heth, 14 en den Jebusict, en den Amoriet, en den Girgasiet, 15 en den Heyiet, en den Arkiet en den Siniet, 16 en den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet. 17 De kinderen Sems waren Elam, en Assur, en Arpachsad, en Lud, en Arara, en Uz, en liul, en Gether, en Mesech. 18 Arpachsad nu gewon Selah, en Selah gewon lieber. 19 Aan lieber nu zijn twee zonen geboren: de naam des éénen was Peleg, omdat in zijne dagen het aardrijk verdeeld is; en de naam zijns broeders was Joktan. 20 En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah, 21 en Hadoram, en TJzal. en Dikla, 22 en Ebal, en Abimaël, en Scheba, 23 en Ofir, en Havila, en Jobab: deze allen waren zonen Joktans. 24 Sem, Arpachsad, Selah, 20 Heber, Peleg, Kehu, 2o Serug, Nahor, Terach, 27 Abram, dat is Abraham. 28 De kinderen Abrahams waren Isaiik en Ismaël. 29 Dit zijn hunne geboorten: de eerstgeborene Ismaëls was Ne-1 bajoth, en Kedar, en Adbeël, eu ' Mibsam, |
' 30 Misma. en Duma, Massa, Hadad, en Tenia, | 31 Jetur, Kalis, cn Kedma: I dit zijn de kinderen Ismaëls. [ 32 De kinderen van Ketura, 1 Abrahams bijwijf: die baarde Zimran, en Joksan. en Tdeda.i, en Midian, en Jisbak, en Suah. En do kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan. 33 De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa; die allen waren zonen van Ketura. 34 Abraham nu gewon Isaak. De zonen Isaaks waren Esau en Israël. 35 En de kinderen Esaus: Elifaz, jRehuël, cn Jehus, en Jaölam, en Koraeh. 3G De kinderen van Elifaz waren Teman, en Omar, Zeri, en Gaëtam, Kenaz, en Timna, en Amalek. 37 De kinderen Eelmëls waren Na-liath, Zerah, Samma enMizza. ^ 38 De kinderen Seïrs nu waren Lotan, en^ Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan. 39 De kinderen Lotans nu waren Hori en Homam: en de zuster Lotans was Timna. 40 De kinderen Sobals waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi, en Onam. En de kinderen Zibeons waren Aja en Ana. 41 En de kinderen van Ana waren Dison; en de zonen Disons waren Ilamran, en Esban, en Jithran, en Keran. 42 De kinderen Ezers waren Bilhan, en Zaavan, en Akan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran. 43 Dit nu zijn de Koningen die geregeerd hebben in liet land Edom, eer er een Koning regeerde over dekinderen Israels. Bela, de zoon Beors, endenaam zijner stad was Dinhaba. 44 En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah van Bozra, regeerde in zijne plaats. 45 En Jobab stierf, en Hnsara uit het land der Temaniten legeerde in zijne plaats. |
|
438 1 KEON 46 En Husara stierf, eu Hadad, de zoou Bedads, regeerde in zijne plaats, die de Midianiten in bet veld Moabs versloeg; en de naam zijner stad was Avith. 47 En Hadad stierf, en Sa ml a van Maareka regeerde in zijne plaats. 48 En Samla stierf, en Saul van Rehoboth aan de rivier regeerde in zijne plaats. 49 EnSanl stierf, en Baiilhanan, de zoon Aehbors, regeerde in zij u e plaats. 50 Als Baiilhanan stierf, zoo regeerde Hadad in zijne plaats; en de naam zijner stad â¢wasPaï; en de naam zijner hnisvrouw was Mehetabeël, de dochter van Ma tred, dochter van Meza-hab. 51 Toen Hadad stierf, zoo werden Vorsten in Edom de Vorst Timna, de Vorst Al ja, de Vorst Jetheth, 52 de Vorst Aholibaina, de Vorst Eia, de Vorst Pinon, 53 de Vorst Kenaz, de Vorst Teman, de Vorst Mibzar, 54 de Vorst Magdiël, de Vorst Iram; deze waren de Vorsten Edoms. HOOFDSTUK 2. Deze zijn de kinderen Israels: Euben, Simeon, Levi en Juda. Issaschar en Zebulon, 2 Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser. 3 De kinderen van Jiula zijn Er, en Onan, en Sela: drie zijn er liem geboren van de dochter van Sua de Kanaanitisehe: en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de oogen des Hef,i?en, daarom doodde hij hem. 4 Maar Tamar zijne schoondochter baarde hem Perez en Zerah. Alle de zonen van Juda waren vijf. 5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul. G En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en He-man, en Kalkol, en Dara; deze allen zijn vijf. 7 En de kinderen van Karmi waren Achar, de beroerder Israels, [EKEN 2. |
die zich aan het verbannene vei greep. 8 De kinderen Ethans nu waren Azarja. ^ En de kinderen Hezrons die hem geboren zijn, waren Jerah-meël, en Kam, en Kelubai. 10 Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den Vorst der kinderen van J nda; 11 en Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz, 12 en Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai; 13 en Isai gewon Eliab zijnen eerstgeborene, en Abinadab den tweeden, en Simea den derden, 14 Nethaneël den vierden, Ead-üai den vijfden. 15 Ozem den zesden, David den zevenden. 1G En hunne zusters waren Zeriija en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asaël, drie. 17 En Abigail baarde Amasa, en de vader van Amasa was Jether een Ismaëliet. 18 Kaleb nu, de zoon Hezrons, gewon kinderen iiit Azuba zijne vrouw, en uit Jerioth; en de zonen van deze zijn Jeser, en Sobab, en Ardon. 19 Als nu Azuba gestorven was, zoo nam zich Kaleb Efrath, die liem Hur baarde. 20 En Hur gewon üri, en Uri gewon Bezaleël. 21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader Gileada, en hij nam ze toen hij zestig jaar oud was, en zij baarde hem Segub. 22 Segub nu gewon Jaïr, enhij had drieëntwintig steden in het land Gilead. 23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken Jaïrs, van dezelve, met Kenath en hare onderhoo-rige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader Gileads. 24 En na der. dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Ashur, den vader van Tekoa. 25 De kinderen nu van Jerah- |
1 KRONIEKEN 3.
4S9
|
meel, den eerstgeborene Hezrons, â svaren deze: de eerstgeborene was Ram, daarbij Buna, en Oren, en Ozem, en Ahia. 26 Jerahmeël had nog eene andere vrouw welker naam was Atara; zij was de moeder Onamp. 27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene Jerahmeëls, waren Maiiz, en Jamin en Eker. *28 En de kinderen Onams waren Sammai en Jada. En do kinderen van Sammai: Nadab en Abisur. 29 De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihaïl; die baarde hem Achban en Molid. *30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaïm; en Se-led stierf zonder kinderen. 31 En de kinderen van Appaïm waren Jiseï; en de kinderen van Jiseï waren Sesan: en de kinderen van Sesan, Ahlai. 32 En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether, en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen. 33 De kinderen Jonathans nu waren Peleth en Zaza.Dit waren de kinderen Jerahmeëls. 34 En Sesan had geen zonen maar dochters, en Sesan had een Egyptisch en knecht wiens naam was Jarha: 35 Sesan nu gaf zijne dochter aan zijnen knecht Jarha tot vrouw: en zij baarde hem Attai. 36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad, 37 en Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed, 38 en Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azarja, 39 en Azarja gewon Helez, en Helez gewon Elasa, 40 en Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum, 41 en Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama. 42 De kinderen nu van Kaleb, den broeder Jerahmeëls, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (deze is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader He-bron s. |
48 De kinderen Hebrons nu waren Korach, en Tappüah, on Rekem, en Sema. 44 Sema nu gewon Raliam, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai. 45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur. 46 En Efa, het bijwijf Kalebs, baarde Haran, en Moza, en Ga-zez; en Haran gewon Gazez. 47 De kinderen van Jehdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa en Saaiquot;. 48 Uit liet bijwijf Maacha ge-, won Kaleb Seber en Tirhana. 49 En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde 1 Seva, den vader van Machbena | en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa. ⢠50 Dit waren de kinderen van i Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal j de vader van Kirjath-Jearim, I 51 Salma, de vader der Beth-, lehemiten, Haref, de vader van I Beth-Gader. 1 52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroë en Hazi-Hammenuchoth. 53 En de geslachten van Kir-' jath-Jearim waren de Jethriten en de Puthiten, en de Sumathi-1 ten, en de Misraïten: van deze ! zijn uitgegaan de Zoraïten en de j Estaoliten. j 54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemiten en de j Netofathiten, Atroth, Beth-Joab, ; en de helft der Manathiten, er, . de Zoriten. j 55 En de huisgezinnen der . schrijvers die te Jabez woonden, j de Tirathiten, de Simeathiten, de i Suchathiten: deze zijn de Keni-; ten, die gekomen zijn van Ham-math, den vader des huizes van Rechab. HOOFDSTUK 3. Deze nu waren de kinderen i Davids die hem te Hebron ge-! boren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinóam de Jizre-| elitisclie; de tweede Daniël, van ; Abigail de Karmelitische; i 2 de derde Absalom, de zoon lo* |
|
490 1 KRON van Maacha, de dochter van Tal-mai, den Koning te Gesur: de vierde Adonia, de zoon van Hag-gitli ; 3 de vijfde Sefatja, van Abital; de^ zesde Jithream, van zijne huisvrouw Egla. 4 Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden^ en drieëndertig jaren regeerde hij te Jeruzalem. 5 Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren : Simea, cn Sobab, en Nathan, en Salomo, deze vier zijn van Bathsüa, de dochter Ammiëls: 6 daarbij Jibhar, en Elisama, en Elifélet, 7 en Nogah, en ISTefeg, en Jafia, 8 en Elisama, en Eljada, en Elifélet, negen. 9 Deze allen zijn zonen Davids, behalve de kinderen derbijwijven, en Tamar, hunne zuster. 10 Salomo's zoon nu was l»e-habeam, zijn zoon was Abia, zijn zoon was Asa, zijn zoon wasJo-safat, 11 zijn zoon was Joram, zijn zoon was Ahazia, zijn zoon was Joas, 12 zijn zoon was Amazia, zijn zoon was Jot ham, 13 zijn zoon was Achaz, zijn zoon was Hizkia, zijn zoon was jManasse, 14 zijn zoon was Amon, zijn zoon was Josia. 15 De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Jo-hanan, de tweede Jojakim, de derdo Zedelda, de vierde Sallum. 16 De kinderen Jojakims nu waren : Jechonia zijn zoon, Zedelda zijn zoon. 17 En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealtiël; 18 en de zonen van dezen waren Malkiram, en Pedaja, en Senna-zar, Jekamja, Hosama, en Ne-dabja. 19 De kinderen van Padajanu waren Zerubbabel en Simeï, en de kinderen Zerubbabels waren Mesullain en Hananja; en Selo-mith was hunlieder zuster; |
EKEN 4. 20 en Hasuba, en Ohel, en Be* rechja, en Hasadja, Jusabliésed, vijf. 21 De kinderen van Hananja, nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Eefaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen vanSechanja. 22 De kinderen van Sechanja waren Semaja, en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat, zes. 23 En de kinderen van Nearja waren Eljocnai, en Hiskia, en Azrikam, drie. 24 En de kinderen van Eljoënai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani, zeven. HOOFDSTUK 4. De kinderen van Juda waren Perez, Hezron, en Karmi, en Hur, en Sobal. 2 En Reaja, de zoon Sobals gewon Jaliatli, en Jahath gewon Ahumai en Lahad: dit zijn de huisgezinnen dor Zorathiten. 3 En deze zijn van den vader Etam: Jizreël en Jisma, en Jid-bas; en de naam hunner zuster was Hazzelelponi. 4 En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de^ vader van Husa; dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efra-tha, den vader van Bethlehem. 5 Ashur nu, de vader van Tekóa, had twee vrouwen. Hela en Naara. G En Naara baarde hem Ahuz-zam, en Heler, en Temeni, en Haahastari: dit zijn de kinderen van Naiira. 7 En de kinderen van Hela waren Zereth, en Zohar en Ethnan. 8 En Kos gewon Anub en Haz-zobeba, en de huisgezinnen van Aharhel, den zoon van Harum. 9 Jabez nu was heerlijker dan zijne broeders; en zijne moeder had zijnen naam Jabez genoemd, zeggende; Want ik heb hem met smarte gebaard. 10 Want Jabez riep den God Israëls aan, zeggende: Indien gij mij rijkelijk zegenen en mijne landpale vermeerderen zult, en |
1 KE.ONIEKEN 4.
431
|
uwe hand met mij zijn zal, en gij het met liet kwade al zóó maakt dat het mij niet smarte! En God liet komen wat hij begeerde. 11 En Kelnb, de broeder van Sulia, gewon Mehir; Lij is de vader van Eston. 12 Eston nu gewon Bethrafa, en Paséali, en Tehinna, den vader van Irnalias: dit zijn de mannen van Eecha. 13 En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Seraja; en de kinderen van Othniël, Hathath. 14 En Meonothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader der man nen van het dal der werkmeesters; want zij waren werkmeesters. 15 De kinderen nu van Kal eb, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen â van Ela, te weten Kenaz. lu En de kinderen van Jehal-leleël waren Zif en Zifa, Tirea en Asareël. 17 En de kinderen van Ezra waren Jether, en Merid,en Efer, i en Jalon; en zij baarde Mirjam, | en Sammai, en Jisbah, den vader . van Estemóa. 18 En zijne Joodsche huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekuthiël, den vader van Zanoah; en deze zijn de kinderen van Bithja, de dochter van Farao, die Mered genomen had. 19 En de kinderen van de huisvrouw van Hodia, de zuster Ka-hams, waren Abi-Kehila deGar-miet, en Estemóa de Maiicha-thiet. 20 De kinderen Simons nu waren Amnon en Kinna, Benha-nan en Til on: en de kinderen van Jiseï waren Zoheth en Ben-zólieth. 21 De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis van Asbéa. 22 Daarbij Jokim, en de mannen van Kozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabiten geheerscht hebben), en Jasubi-Léhem; doch deze dingen zijn oud. |
23 Deze waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn _ daar gebleven bij den Koning in zijn werk. 24 De kinderen Simeons waren Nemuel, en Jamin, Jarib, Zerah, Saul. 25 Zijn zoon was Sallum, zijn zoon was Mibsam, zijn zoon was Misma. 20 En de kinderen van Misma waren deze: Hammuelzijn zoon, Zakkur zijn zoon, Simei zijn zoon. 27 Simeï nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijne broeders hadden niet veel kinderen, en hun gansche huisgezin werd zoo zeer niet vermenigvuldigd als der kinderen van Juda. 28 En zij woonden teBer-Sébar en te Molada, en te Hazar-Sual, 29 en te Bilha, en te Ezem, en te Tolad, 30 en te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag, 31 en te Beth-Markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri,en te Saaraïm. Dit waren hunne steden, totdat David Koning werd. 32 En hunne dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan, vijf steden; 33 en alle hunne dorpen die in den omtrek dezer steden waren, tot Baiil toe. Dit zijn hunne woningen, en hunne geslachtrekening voor hen. 34 Doch Mesobab, enJamlech, en Josa, de zoon van Amazia, 35 en Joël, en Jehu, de zoon van Josibja, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël, 30 en Eljoënai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiël en Jesimeël, en Benaja, 37 en Ziza, de zoon van Sifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja: 38 deze kwamen tot namen, zijnde Vorsten in hunne huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte. 39 En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten |
amp;
1 KRONIEKEN 5.
492
|
des dais, om weide te zoeken voor Innme schapen, 40 en zij vonden vette en goede weide, en een land wijd van om- 1 vang en stil en gerust; want die van Cham woonden daar te voren. ! 41 Deze nu, die met namen beschreven zijn. kwamen in de da- ! gen van Hizkia, den Koning van Juda, en zij sloegen dergenen tenten en woningen die daar ge- ; vonden werden, en zij verbanden i hen, tot op dezen dag; en zij j woonden aan hunne plaats, want daar was weide voor hunne scha pen. 42 Ook gingen nithen, ^ we/ew 1 uit de kinderen Simeons, vijf- ' honderd mannen tot het gebergte van Seïr; en Pelatja en Nearja en Eefaja en Uzziël, de zonen , van Jiseï, waren hun tot hoofden; | 43 en zij sloegen de overigen j der ontkomenen onder de Ama- | lekiten, en zij woonden aldaar i tot op dezen dag. HOOFDSTUK 5. De kinderen Eubens nu, des 1 eerstgeborenen Israels (want hij i was de eerstgeborene, maar de- ; wijl hij ziins vaders bed ontheiligd had, werd zijne eerstgeboorte ' gegeven den kinderen Jozefs, des zoons Israels; doch niet al zoo dat 1 hij zicli in liet geslachtregister 1 naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 2 want Juda werd machtig onder zijne broederen, en «He tot i een voorganger was, was uit hem ; doch de eerstgeboorte was van Jozef): 3 de kinderen Rubens, des ' eerstgeborenen Israels, zijn He- â noch en Pallu,Hezron en Karmi. ' 4 De kinderen Joëls: zijn zoon ; Semaja, zijn zoon Gog, zijn zoon 1 Ãimeï, ö zijn zoon Micha, zijn zoon ïie.ija, zijn zoon Baiil, G zijn zoon Beëra, welken Til-gath-Piinéser, de Koning van As-syrië, gevankelijk wegvoerde: hij was de Vorst der Rubeniten. 7 Aangaande zijne broederen, in hunne huisgezinnen, als zij naar hunne geboorten in de ge-slachtrecristers gesteld werden: de hoofden zijn geweest Jehiël en Zecharja, |
8 en 13ela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nebo en Baal-jMeon. 9 En hij woonde tegen het Oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land Gilead. 10 En in de dagen Sauls voerden zij krijg tegen de Ha garenen, die vielen door hunne hand; en zij woonden in hunne tenten tegen de geheele oostzijde van Gilead. 11 De kinderen Gads nu woonden tegen hen over, in het land Ba san tot Salka toe. 12 Joël was het hoofd. en Sa-fam de tweede, maar Jacnai en Safat hieven in Basan. 13 Hunne broeders nu, naar hunne vaderlijke huizen, waren Michaül, en Mesullam. en 8che-ba, en Jorai, en Jakan, en Zia, en Heber, zeven. 14 Deze zijn de kinderen AM-hails, des zoons van Huri, den zoon van Jaróah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael den zoon van Jesisai, den zoon van Johda, den zoon van Buz. 15 Ahi, de zoon van Abdiël, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen. 1(3 En zij woonden in Gilead, in Basan eninhareonderhoorige plaatsen, en in alle de voorsteden van Saron tot aan hare uitgangen. 17 Deze allen zijn naar hunne geslachtregisters geteld in de dagen van Jotham, den Koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, den Koning Israels. 18 Van de kinderen Rubens en van de Gaditen en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarsten, mannen schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vierenveertigduizend zevenhonderd en zestig uittrekkende in het heir; 19 en zij voerden krijg tegen |
1 KRONIEKEN 6.
493
|
de Hagarencn, en tegen Jetur, en Nafis, en Nodab. 20 Doch zij werden geholpen tegen lien, en de Hagarenen werden in hunne hand gegeven, en allen die met hen waren: omdat zij tot God riepen in den krijg, zoo liet hij zich van hen verbidden, dewijl zij op hem vertrouwden. 21 En zij voerden hun vee gevankelijk weg, van hunne keme-len vijftigduizend, en tweehonderd en vijftigduizend schapen, en tweeduizend ezels, en honderdduizend zielen der menschen; 22 want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was. En zij woonden in hunne plaats totdat zij gevankelijk weggevoerd werden. 23 De kinderen nu van den halven stam Manasse woonden in dat land: zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baal-Hermon, en Senir, en den berg Hermon. 24 Deze nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten Efer, en Jiseï, en Eliël. en Azriël en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiël; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen. 2ü Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezicht had verdelgd. 26 Zoo verwekte de God Israels den geest van Pul, den Koning van Assyrië, en den geest van Tilgath-Pjlnéser, den Koning van Assyrië; die voerde hen gevankelijk weg, le icetan de 11 u-beniten en Gaditen en den halven stam Manasse, en hij bracht ze te Halah, en Habor, en Hara, rn aan de rivier Gozan. tot op dezen dag. HOOFDSTUK G. De kinderen van Levi waren Gerson, Kohath en Merari. 2 De kinderen Kohathsnn waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël. |
*3 En de kinderen Amrams waren Aaron, en Mozes, en Mirjam. En de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 4 En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisüa, 5 en Abisüa gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi, 6 en Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth, 7 en Merajoth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub, 8 en Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz, 9 en Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan, 10 en Johanan gewon Azarja: hij is het die het Priesterambt bediende in het Huis dat Salomo te .Jeruzalem gebouwd had. 11 En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub, 12 en Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum, 13 en Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja, 14 en Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak: 15 en Jozadak ging mede, als de Heere Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnezar. 10 Zoo zijn dan de kinderen van Levi: Gersom, Kohath en Merari. 17 En dit zijn de namen der zonen van Gersom: Libni en Simei. 18 En de kinderen van Kohath waren Amram, en Jizhar, en He-bron, en Uzziël. 19 De kinderen van Merari waren Mahli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Leviten, naar hunne vaderen. 20 Van Gersom: zijn zoon was Libni, zijn zoon Jahath, zijn zoon Zimma, 21 zijn zoon Joah, zijn zoon Iddo, zijn zoon Zerah, zijn zoon Jeathrai. 22 De kinderen Kohaths waren; zijn zoon Amminadab, zijn zoon Korach, zijn zoon Assir, 23 zijn zoon El kan a, en zijn zoon Ebjasaf, en zijn zoon Assir, 24 zijn zoon Tahath, zijn zoon |
1 KRONIEKEN 6.
m
|
üriël, zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul. 25 De kinderen van Elkana nu â¢waren Amasai en Ahimoth. 26 Elkana: de zoon van dezen was Elkana. zijn zoon was Zolai, en zijn zoon was Nahath, 27 zijn zoon Eliab, zijn zoon Jeroham, zijn zoon Elkana. 28 De zonen van Samuël nu â waren deze: zijn eerstgeborene â was Vasni, daarna Abia. 29 De kinderen van Merari waren Mahli, zijn zoon Libni, zijn zoon Simei, zijn zoon Uzza, '30 zijn zoon Simea, zijn zoon Haggia, zijn zoon Asaja. 31 Deze nu zijn het die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het Huis des Heeren, nadat de Ark tot rust gekomen was; 32 en zij dienden vóór den Tabernakel der Tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het Huis des Heeren te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hunne wijze in hun ambt. 33 Deze nu zijn ze die daar stonden met hunne zonen. Van de zonen der Kohathiten: He-man de zanger, dezoon van Joël, den zoon van Samuël, 34 den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliël, den zoon van Toah, 35 den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Ma-hath, den zoon van Amasai, 36 den zoon van Elkana, den zoon van Joël, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja, 37 den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korach, 38 den zoon van Jizhar, den zoon van Kohath, den zoon van Levi, den zoon van Israël. 39 En zijn broeder Asaf stond aan zijne rechtemjVZe; Asaf was de 'zoon van Berachja, den zoon van Simea, 40 den zoon van Michaël, den zoon van Baëseja den zoon van Maikki, 41 den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja, |
42 den zoon van Ethan, den zoon van Zimina, den zoon -van Simeiquot;, 43 den zoon van Jahath, den zoon van Gersom, den zoon van Levi. 44 Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzyVZe, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch, 45 den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hillda, 46 den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer, 47 den zoon van Mahli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi. 48 Hunne broeders nu, de Le-viten, waren gegeven tot allerlei dienst des Tabernakels des Huizes Gods. 49 Aaron nu en zijne zonen rookten op des brandoffers altaar en op het reukaltaar, zijnde (te-steld tot al liet werk van het Heilige der Heiligen, en om over Israël verzoening te doen, naar alles dat Mozes, de knecht Gods, geboden had. 50 Dit nu zijn de kinderen Aarons: zijn zoon was Eleazar, zijn zoon Pinehas, zijn zoon Abisüa, 51gt;zijn zoon Bukki, zijn zoon üzzi, zijn zoon Zerahja, 52 zijn zoon Merajoth, zijn zoon Amarja, zijn zoon Ahitub, 53 zijn zoon Zadok, zijn zoon Ahimaaz. _ 54 En dit waren hunne woningen, naar hunne kasteelen, in hunne landpale: namcJijk der zonen Aarons, des huisgezins der Kohathiten, want dat lot was voor hen. 55 En zij gaven hun Hebron in het land van Juda, en hare voorsteden rondom dezelve; 56 maar het veld der stad, cn hare dorpen, gaven zij aan Kaleb, den zoon van Jefunne. 57 En aan :le kinderen Aarons gaven zij steden van Juda: de vrijstad Hebron, en Libna en hare voorsteden, cn Jattir, en Este-móa en hare voorsteden. |
1 KRONIEKEN 7.
495
|
58 en Hilenenhare voorsteden, en Debir en hare voorsteden, 59 en Asan en hare voorsteden, en Beth-Sémes en hare voorsteden ; 00 van den stam Benjamins nu, Gibea en hare voorsteden, en Allémeth en hare voorsteden, en Anathoth en hare voorsteden: alle hunne steden, in hunne huisgezinnen, waren dertien ste-den. 61 Maar de kinderen Kohaths, die overgebleven -waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den hal ven stam van Ma-nasse, bij het lot, tien steden. 62 En de kinderen Gersoms, naar hunne huisgezinnen, hadden van den stam Issaschars, en van den stam Asers, en van den stam van Naftali^ en van den stam van Manasse in Basar, dertien steden. _ 63 De kinderen van Merari, naar hunne huisgezinnen, hadden van don stam ïiuben sen van den stam Gads en van den stam Zebulons, hij het lot, twaalf steden. 64 Alzoo gaven de kinderen Israels den Levi ten deze steden en have voorsteden. 65 En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda en van den stam der kinderen Simeons en van den stam der kinderen Benjamins, deze steden, welke zij bij namen noemden.- 66 Aan de overigen nu uit de huisgezinnen der kinderen Kohaths gewerden steden hunner ïandpr-le, van den stam Efraïms. 67 Want zij gaven hun van de vrijsteden: Sichein en hare voorsteden op Iset gebergte Efraïm, en Gezer en hare voorsteden, 68 en Jokmeam en hare voorsteden, en Beth-Horon en hare voorsteden, 69 en Ajalon en hare voorsteden, en Gatii-Eimmon en hare voorsteden. 70 En uit den halven stam Manasse: Aner en hare voorsteden, en Bileam en hare voorsteden. De huisgezinnen der overige kin dei en Kohaths hadden deze steden. |
71 De kinderen Gersoms hadden van de huisgezinnen van den hal ven stam Manasse: Golan in Basan en hare voorsteden, en Astaroth en hare voorsteden. 72 En van den stam Issaschar: Kedes en hare voorsteden, Do-brath en hare voorsteden, 73 en Ramoth en hare voorsteden, en Anem en hare voorsteden. 74 En van den stam Aser: Masal en hare voorsteden, en Abdon en hare voorsteden, 75 en Hukok en hare voorsteden, en Rehob en hare voorsteden. 76 En van den stam Naftali: Kedes in Galiléa en hare voorsteden, en Hammon en hare voorsteden, en Kirjathaïm en hare voorsteden. 77 De overige kinderen van Merari hadden van den stam Zebulon; Rimmono en hare voorsteden, Tabor en hare voorsteden. 7S En. aan gene zijde van den Jordaan tegen Jericho, tegen het Oosten aan den Jordaan van den .stam Ruben: Bezer in de woestijn en hare voorsteden, en Jaliza en hare voorsteden, 70 en Kedemoth en hare voorsteden, en Nafaath en hare voorsteden. 50 En van den stam Gad: Ramoth in Gilead en hare voorsteden, en Mahanaïm en hare voorsteden, 51 en Hesbon en hare voorsteden, en Jaëzer en hare voorsteden. HOOFDSTUK 7. De kinderen Tssaschar^ waren Tola en Pua, Jasib en Simron, vier. 2 De kinderen van Tola nu waren Uzzi, en Rofrija, en Je-riöl en Jahmai, en .3 ib.-am, en Samuel, hoofden der huizen hunner vaderen, van Tola, kloeke helden in hunne geslachten; hun getal was in de dagen Davids tweeentwintigduizend en zeshonderd. |
1 KRONIEKEN 7.
406
|
3 En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; on de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jissia: deze vijf waren altezainen hoofden. 4 En met hen, naar hunne geslachten, naar hunne vaderlijke huizen, waren de hoopen des krijgsheirs, zesendertigduizend ; want zij hadden vele vrouwen en kinderen. 5 En hunne broeders, in alle huisgezinnen Issaschars, kloeke helden, waren zevenentachtig-duizend, alle dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde. lt;j Igt;e liindeven Benjamins waren Bela, en Becher, en Jediaël, drie. 7 De kinderen van Bela waren Ezhon, en Uzzi, en üzziël, en Jerimotli, en Iri, vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die in geslachtregisters gesteld zijnde, waren tweeën-twintigduizend vierendertig. 8 De kinderen Becliers nu waren Zemira; en Joas, en Eliëzer, en Eijoënai, en Omri, en Jere-moth, en Abia, en Anathot, en Alémeth: deze allen waren kinderen Becliers. 1) Deze nu in geslachtregisters gesteld zijnde, naar hunne geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintigduizend en tweehonderd. 10 De _ kinderen Jediaëls nu waren Bilhan; en de kinderen Bilhans waren Jehus, en Benjamin, en Ehud, en Kenaana, en Zetlian, en Tarsis, en Ahisahar: 11 alle dezen waren kinderen Jediaëls, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventienduizend en tweehonderd, uittrekkende in het heir ten strijde. 12 Daarbij Suppim en Huppim waren kinderen vanlr, t'uHusim kinderen van Aher. 13 De kinderen van Naftali waren Jahziël, en^ Guni, en Jezor en Sallum, kindoren van Bilha. 14 De kinderen van Manasse waren Asriël, welken de vrouw van Gilead baarde: doch zijn bijwijf de Syrische baarde Ma-chir, den vader van Gilead. |
15 Machir nu nam tot vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha. En de naam ^ des tweeden was Zelefead: Zelefead nu had dochters. 16 En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Peres, en de naam zijns broeders was Sores; en zijne zonen waren Ulam en Kekem. 17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan : deze zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse. 18 Wat nu zijne zuster Molé-cheth aangaat, zij baarde Ishod, en Abiëzer, en Mahla. 19 De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi en Aniam. 20 En de kinderen Efraïms waren Suthélah, en zijn zoon was Bored, en zijn zoon ïahath, en zijn zoon Elada, en zijn zoon Tahath, 21 en zijn zoon was Zabad, en zijn zoon Suthélah, en Ezer, en Elad._ En de mannen van Gath, die in hot land geboren waren, doodden ze, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen. 22 Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijne broeders kwamen om hem te troosten. 23 Daarna ging hij in tot zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijnen naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis. 24 Zijne dochtsr nu was Soera, die bouwde neder- en opper-Beth-Horon, en Uzzen-Seëra. 25 En Refah was zijn zoon, en Besef; en zijn zoon was Te-lah, en zijn zoon Tahan, 26 zijn zoon was Ladan, zijn zoon Ammihud, zijn zoon Eli-sama, 27 zijn zoon was Nun, zijn zoon Jozua. 28 En hunne bezitting en hunne woning wao Beth-El en |
|
1 Kil ON hare cmderlioorige plaatsen; en tegen het Oosten Maüran, en tegen het Westen Gezer en hare onderhoorige plaatsen, en Sichem en hare onderhoorige plaatsen tot Gaza toe en hare onderhoorige plaatsen. 20 En aan de zijden der kinderen van Manasse was Betli-Sean en hare onderhoorige plaateen, Taanach en hare onderhoorige plaatsen, Megiddo en hare onderhoorige plaatsen. Dor en hare onderhoorige plaatsen. Jn deze hebben de kinderen Josefs, des zoon Israels, gewoond. 30 De kinderen Asers waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beiia, en Serah, hunne zuster. 31 De kinderen van Beria nu waren Heber en Malkiel: hij is de vader van Birzavith. 32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Ho than, en Sua, hunne zuster. 33 De kinderen Jaflets nu waren Pasaeh, en Bimhal, en Asvath: dit waren de kinderen Jaflets. 34 En de kinderen Seiners waren Ahi en Kohega, Jehubba en Aram. 35 En de kinderen van zijnen broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal. 36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnéfer, en Sual, en Ben, en j'inira, 37 Bezer, en Hod, en Sanima, en Silsa, en Jithran, en Beëra. 33 De kinderen Jethers nu waren Jefunne, en Pispa, en Ar v. 39 En de kinderen van L ila waren Arah, en Hanniël, en Rizja. 40 Deze allen waren kinderen Asers, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezen kloeke helden. hoofden der Vorsten ; en zij werden in geslachtregisters geteld ten heire in den krijg, hun getal was zesentwintigduizend mannen. HOOFDSTUK 8. Benjamin nu gewon Bela zijnen eerstgeborene, Asbel den tweeden, en Ahrah den derden, 2 Noha den vierden, en Ha fa den vijfden. |
LEKEN 8. 4'gt;7 3 Bela nu had deze kinderen; Addar en Gera, en Abihud. I 4 En Abisüa, en Naüman, en Ahóah, 5 en Gera, en Sefufan, en Hu-ram. G Deze nu zijn de kinderen Ehuds; deze waren hoofden der vaderen van de inwoners van Gibea, en hij voerde ze over naar Manahath; 7 en Naaman, en Ahia, en Gera, deze voerde hij weg; en hij gewon TJzza en Ahiud. 8 En Saharaïm gewon kinderen in het land Moabs (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Baiira, zijne vrouwen ; 9 en uit Hodes, zijne huisvrouw, gewon hij Jobab, en Zibja, en Mesa, en Malkain, 1U en Jeüz, en Sochja, en Minna; deze zijn zijne zonen, hoofden der vaderen. 11 Eu uit Husim gewon hij A ui tub en Elpaal. 12 De kinderen El paal s nu waren Heber, en Misam, en Se-mer: deze heeft Ono gebouwd, en Lod en hare onderlioorige plaatsen; 13 en Beria, en Sema: deze waren hoofden der vaderen der inwoners te Ajalon ; deze hebben de inwoners vc.n Gath verdreven; 14 en Ahjo, Sasak, en Jere-moth, 15 en Zebadja, en Arad, en Eder, 16 en Michaël, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria; 17 en Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber, 18 en Jisnierai, en Jizlia, en Jobab, de kinderen Elpaiils; 19 en Jakim, en Zichri, en Zabdi. 20 en Eljoënai, en Zillcthai, en Eliël, 21 en Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei; 22 en Jispan, en Heber, en Eliël, 23 en Abdon, en Zichri, en Hanau, |
1 KRONIEKEN 9.
493
slachtregisters gesteld, en zie, zij zijn geschreven in het boek der Koningen Israels. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtreding wille.
2 De eerste inwoners nu, dio in hunne bezitting, in hunne steden kwamen, waren de Israëliten, de Priesters, de Levi ten . en de Nethinim.
I 3 Maar te Jeruzalem woonden : van de kinderen van Juda, en ' van de kinderen Benjamins, en j van de kinderen van Efraïin en
Manasse:
| 4 Uthai, de zoon van Ammihud, ! den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van j de kinderen van Perez, denzoon i van Juda.
5 En van de Siloniten was Asaja de eerstgeborene, en zijne kinderen.
6 En van de kinderen van Zerah was Jehuël, en van hunne broederen waren zeshonderd en negentig.
7 En van do kinderen Benjamins waren Sallu, de zoon Me-sullams, des zoons van llodavja, den zoon van Hassenua;
8 en Jibneja, de zoon Jerohams; en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en 31e-sullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Rehuël, den zoon van Jibnia;
9 en hunne broederen, naar hunne geslachten, negenhonderd en zesenvijftig; alle deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.
10 Van de Priesterennu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
11 en Azarja, de zoon van Hilkia, den zoen van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, c en zoon van Alii-tub, overste des Huizes Gods;
12 en Adaja, de zoon Jerohams, des zoons van Pashur^den zoon van Malkia; en Masai, de zoon Adiëls, des zoons van Jahzéra, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon
ge- van Immer;
24 en Hananja, en Elam, en Annethothja,
25 en Jifdeja, en Pnucl waren zonen van Sasak;
26 en Samserai, en Seharja, en Athalja,
27 en Jaaresja en Elia, en Zicliri waren zonen Jerohams.
28 Deze waren de hooiden der raderen, hoofden naar hunne geslachten; deze woonden te J eruzalem.
29 En te Gibeon woonde de vader Gibeons, en de naam zijner huisvrouw was Maiicha;
30 en zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab, ^
31 en Gedor, en Ahio, en Zecher.
32 En Mikloth gewon Simea; en deze woonden ook tegenover hunne broederen te Jeruzalem, met hunne broederen
33 Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malkisüa, en Abina-dab, en Esbaal.
34 En Jonathans zoon was Meribbaal, en Meribbaal gewon Micha.
35 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Taaréa, en Achaz.
30 En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alémeth,en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza.
37 En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rala, zijn zoon was Elasa, zijn zoon was Azel.
38 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hunne namen: Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan: alle dezen waren zonen van Azel.
39 En de zonen van Esek zijnen broeder waren: Ulam zijn eerstgeborene, Jehus de tweede, en Elifélet de derde.
40 En de zonen Ulams waren mannen, kloeke helden, den boog spannende, en zij hadden vele zonen en zoonszonen, honderd â¢en vijftig. Alle dezen _ waren van de kinderen Benjamins.
HOOFDSTUK 9.
Eu gansch Israël werd in
|
1 KRONI 13 daartoe hunne broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend en zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het Huis Gods. 14 Van de Leviten nu waren ^eraaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari; 15 en Bakbakkar, Heres, en Oalal; en Mattanja, de zoon van Mieha, den zoon van Zichri,den zoon van Asaf; 10 en Obadja, de zoon van 1 quot;Semaja, den zoon van Gal al, den zoon van Jednthun: enBerechja, de zoon van Asa, den zoon van 1 Elkana, woonachtig indedorpen der Netofathiten. 17 De portiers nu waren Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahi-man, en hunne broeders: Sallum was het hoofd. 18 Ook tot nog toe, aan de poort des Konings oostwaarts, ⢠waren deze de portiers onder de legers der kinderen van Levi. 19 En Sallum, de zoor. van Koró, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korach, en zijne broeders van liet huis zijns vaders, de Korachilen, waren over het werk van den dienst, dorpel-waeliters des Tabernakels; gelijk hunne vaders in het leger des Heeren geweest waren bewaarders van den ingang, 20 als Tinehas, de zoon Elea- ! zars, te voren voorganger bi j hen was, met welken de Heere was. i 21 Zecharja, de zoon van Mese-lemja, was portier aan de deur der Tente der samenkomst. 22 Allen die uitgelezen waren tot portiers aan de dorpelen waren tweehonderd en twaalf, i Deze waren in het gesiaebtre- i â gister gesteld naar hunne dorpen; David en Samuël de ziener hadden ze in hun ambt bevestigd. 1 23 Zij dan en hunne zonen waren aan de poorren des Huizes . des IIeeren, in het huis der Tente aan de wachten. i 24 Die portiers waren aan de vier winden, tegen het Oosten, i |
EKEN 9. 499 tegen het Westen, tegen het Noorden, en tegen het Zuiden. 25 En hunne broeders waren op hunne dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen. 2ü Want in dat ambt waren vier overste portiers die Leviten waren, en zij waren over de kameren en over de schatten des Huizes Gods. 27 En zij bleven over nacht rondom het Huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat allen morgen. 28 En eenigen van hen waren over de vaten van den dienst, want bij getale droegen zij ze in, en bij getale droegen zij ze uit. 29 Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over alle de heilige vaten, en over de meelbloem en wijn en olie en wierook en specerij. 30 En uit de zonen der Prie-steren waren de bereiders van het reukwerk der specerijen. 31 En Mattithja uit de Leviten, welke was de eerstgeborene van (Sallum den Korachiet, was in het ambt over het werk dat in pannen gekookt wordt. 32 En uit de kinderen der Kohathiten, uit hunne broederen, waren eenigen over de brooden der toerichting, om die allesabbaten te bereiden. 33 Uit deze zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Leviten in de kameren, dienst vrij; want dag en nacht was het op hen in dat werk te zijn. 34 Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Leviten, hoofden in hunne geslachten; deze woonden te Jeruzalem. 35 Maar te Gibeon hadden gewoond Jeïel, de vader Gibeons, (zijner zuster naam nu was Maacha), 3(3 en Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Xer, en Nadab, 37 en Gedor, en Ahio, en Zecharja, en Mikloth. 38 Mikloth nu gewon Simeam; |
|
5C0 1 IIRONl] deze woonden ook te Jeruzalem, tegenover hunne broederen niet hunne broederen. 39 En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malkisua, en Abina-dab, en Esbaiil. 40 En Jonathans zoon was Meribbaal, en Meribbaal gewon Micha. 41 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Tahréa. 42 En Achaz gewon Jaëra: en Jaëia gewon Alémeth, en Ama-veth, en Zimri; en Zimri gewon Moza; 43 en Moza gewon Bina, wiens zoon was Refaja, wiens zoon was Elasa, wiens zoon was Azel. 4.4 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hunne namen:Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan: deze zijn Azels zonen. HOOFDSTUK 10. En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen_ Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 2 En de Filistijnen hielden dicht achter Saul en achter zijne zonen aan, en de Filistijnen sloegen Jonathan en Abinadab en Malkisua, de zonen Sauls; 3 en de strijd werd zwaar tegen Sanl, en de schutters met de bogen troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor do schutters. 4 Toen zeide Saul tot zijnen wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer: toen nam Saul het zwaard en viel daarin. 5 Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, zoo viel hij ook in het zwaard en stierf. 6 Alzoo stierf Saul en zijne drie zonen; ock zijn gansche huis is tegelijk gestorven. 7 Als alle de mannen Israels, die in het dal waren, zagen dat |
KEN 10,11. zij gevloden waren, en dat Saul en zijne zonen dood waren, zoü verlieten zij hunne steden en zij vloden: toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. 8 Het geschiedde nu des anderen daags als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zoo vonden zij Saul en zijne zonen liggende op het gebergte Gilboa; 9 en zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijne wapenen, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om dit te boodschappen aan hunne afgoden en aan het volk; 10 en zij leiden zijne wapenen in het huis huns gods, en zijn hoofd hechtten zij in het Huis Dagons. 11 Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles wat de Filistijnen Saul gedaan hadden, 12 zoo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul en do lichamen zijner zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven _ hunne beenderen onder eenen eikeboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen. 13 Alzoo stierf Saul in zijne overtreding waarmede hij overtreden had tegen den Heere, tegen het Woord des Heeren-hetwelk hij niet gehouden had, en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende, 14 en den Heere niet gezocht had: daarom doodde hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isai. HOOFDSTUK 11. Toen vergaderde zich gansch Israël tot David te Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vleesch; 2 zelfs ook _ te voren, zotn Saul nog Koning was, hebt gij Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft de Heere uw God tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult voorganger zijn van nvjn volk Israël. 3 Ook kwamen r.lle oudsten in Israël tot den Koning naar |
|
1 KRONI Hebron, en David maakte een | verbond met hen te Hebron voor j het aangezicht des Heeren, en ; zij zalfden David ten Koning ! over Israël, naar liet woord des j Heeren door den dienst Samuëls. ' 4 En David toog henen, en â gansch^ Israël, naar Jeruzalem, : welke is Jebus; want daar waren ; de Jebusiten, de inwoners des ; lands. o En de inwoners van Jebus ; zeiden tot David; Gij zult hier i niet inkomen. David won noch- I tans den burg Sion, welke is de j stad Davids. G Want David zeide: Al die ! de Jebusiten het eerst slaat, zal ; tot een hoofd en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd. 7 David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids. 8 En hij bouwde de stad rondom, van Mill o af en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad. 9 En David ging geduriglijk voort en werd groot, want de 1 Heere der heirscharen was met hem. 10 Deze nu waren de hoofden der helden die David had, die ! zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij i geheel Israël, om hem Koning j te maken naar het Woord des ! Heeren over Israël. 11 Deze nu zijn van het getal i der helden die David had: Jaso- j bam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd dér dertig; deze, zijne ' ppies tegen driehonderd ophef- , jende, versloeg ze op eenmaal. 12 Ãn na hem was Eleazar, de ! zoon van Dodo de Ahohiet; hij | was onder die drie helden. 13 Hij was met David te Pas- i Dammirn, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, | en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood: _ 14 en zij stelden zich in het midden van dat stuk en be- i schermden het, en zij sloegen d© i |
EKEN 11. 501 Filistijnen, en de Heeee verloste ze door eene groote verlossing. 15 En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaïrn. 16 En David was toen in de vesting; en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem. 17 En David kreeg lust en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput die ouder de poorte is? 18 Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en put-teden water uit Bethlehems bornput die onder de poorte is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den Heere, 19 en hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn van zulks te doen: zoude^ ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden. 20 Abisai nu, de broeder Joabs, die was ook het hoofd van drie, en hij, ^ verheffende zijne spies tegen driehonderd, versloeg ze; alzoo had hij een naam onder die drie; 21 uit die drie was hij geëerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan die eerste drie niet. 22 Benaja, de zoon Jojada, eens dapperen mans zoon van Kabzeël, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab, ook ging hij af en versloeg eenen leeuw in het midden des kuils in den sneeuw-tijd. 23 Hij versloeg ook eenen Egyptischen man, eenen man van groote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had eene spies in de hand als een weversboom, maar hij ging tot hem ai met eenen staf; en hij rukte de |
|
502 1 KEONI spies uit de hanii des Egypte-naars, en hij ^ doodde hem met zijne eigene spies. 24 Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada, dies had hij eenen naam onder die drie hel-den; 25 zie, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijne trawanten. 26 De helden nn der heiren waren Asaël, de broeder Joabs; Elhanan, de zoon van Dodo van Bethlehem: 27 Sammoth de Harodiet; He-lez de Peloniet; 28 Ira, de zoon van Ikkes, de Tekoïet; Abiëzer de Annetho-thiet; 29 Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de AhoMet; 30 Maharai de Netofathiet; Heled, de zoon van Baëna, de Uetofathiet; 31 Itliai, de zoon van Tvibai, van Gibea der kinderen Benjamins ; Benaja de Pirathoniet; 32 Hurai van de beken Gaiis; Abiël de Arbathiet; 33 Azmaveth de Baharumiet; Eljahba de Saiilboniet. 34 Van de kinderen Hasems des Gizoniets was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet; 35 Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van TJr; 3G Hefer de Mecherathiet; Ahia de Peloniet; 37 Hezro de Karmeliet; Xaarai, de zoon van Ezbai; 38 Joel, de broeder van Nathan ; Mibhar, de zoon van Gerij 39 Zelek de Ammoniet; Nahrai de Berothiet, wapendrager Joabs, des zoons van Zeruja; 40 Ira de Jethriet; Gareb de Jethriet: 41 Uria de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai; 42 Adina, de zoon van Siza, de Knbeniet was het hoofd der Rubeniten, nochtans waren er dertig boven hem; 43 Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat de Mithniet; |
EKEN 12. 44 Uzzia de Asterothiet; Sania» en Jeïël, de zoon Hothams des-Aroëriets; 45 Jediaël, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziety 4G Eliël Hammahavim, en Je-ribai, en Josavja, de zonen El-naams, en Jithma de Moabiet ; 47 Eliël en Obed, en Jaasiël van Mezobaja. HOOFDSTUK 12. Deze nti zijn het die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog opgesloten was voor het aangezicht Sanls, des zoons van Kis; zij waren ook onder de helden die tot dien krijg hielpen, 2 gewapend met bogen, rechts en links met steenen werpende^ en met pijlen schietende uit den boog; zij waren van de broederen Sanls, uit Benjamin. 3 Het hoofd was Ahiëzer en Joas, zonen van Semaa den Gi-beathiet; daarna Jeziël enPelet, zonen Azmaveths, en Beracha, en Jehu de Annethothiet. 4 En Jismaja de Gibeoniet was een held onder de dertig, en over dertig riesteld; en Jir-meja, en Jahaziël en Johanan, en Jozabad de Gederothiet; 5 Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja de Harufiet, 6 Elkana, en Jissia, en Aza-reël, en Joëzer, en Jasobam, de Korachiten; 7 en Joëla en Zebadia, de zonen Jerohams van Gedor. 8 Ook scheidden zich van de Gaditen af tot David in die vesting, naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog© toegerust met rondas en schild; en hunne aangezichten waren aangezichten der leeuwen, en zij waren als de reeën op de bergen in snelheid. 9 Ezer was het hoofd, Obadja de tweede, Eliab de derde, 10 Mismanna de vierde, Jirmeja de vijfde, 11 Attai de zesde, Eliël de zevende, 12 Johanan de achtste, Elzabad do negende, |
1 KRONIEKEN 12.
503
|
13 Jirmeja de tiende, Macli-bannai de elfde. 14 Deze waren van de kinderen Gads, hoofden des heirs: een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend. 15 Deze zelfden zijn het die over den Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan alle zijne oevers, en zij verdreven aile de inwoners der laagten tegen het Oosten en tegen het Westen. lo Daar kwamen ook van de kinderen van Benjamin enJuda op de vesting tot David. 17 En David ging iiit, hun tegemoet, en antwoordde en zeide tot hen: Indien gijlieden tot vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zoo zal mijn harte tegelijk over ulieden zijn: maar indien het is om mij aan mijne vijanden bedriegelijk over te 'leveren, daar toch geen wrevel in mijne handen is, de God onzer vaderen zie het en straffe het. IS En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uwe, o David, en met u zijn wij, gij zoon van Isai. Vrede, vrede zij u, en vrede uwen helperen, want uw God helpt u. Toen nam ze David aan, en stelde ze tot hoofden der benden. 19 Er vielen ook van Manasse David toe, toen hij met de Filistijnen kwam om tegen Saul te strijden, alhoewel zij ze niet hielpen; want de Vorsten der Filistijnen zonden hem weg met voordacht, zeggende: Met oer a ar van onze hoofden zoude hij Saul zijnen heer toevallen. _ 20 Toen hij naar Ziklag toog, vielen hem toe uit Manasse Adnah, en Jozabad, en Jediaöl, en Michaël, en Jozabad, en Elihu, en Zülethai, hoofden der duizenden die in Manasse waren. 21 En deze hielpen David mede tegen die benden, want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir. |
22 Want daar kwamen er te dier tijd dag op dag tot David om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods. 23 En dit zijn de getalen der hoofden dergenen die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen om het koninkrijk Sauls tot hem te wenden, naar den mond des Heerex: 24 van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zesduizend en achthonderd, toegerust ten heire; 25 van de kinderen Simeons, kloeke helden ten heire, zevenduizend en honderd; 26 van de kinderen van Levi, vierduizend en zeshonderd. 27 En Jehojada was overste der Aaroniten, en met hem waren er drieduizend en zevenhonderd. 28 En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren tweeëntwintig oversten. 29 En van de kinderen Benjamins, de broederen Sauls, drieduizend; want tot nog toe waren er velen van hen die het met den huize Sauls Melden. 30 En van de kinderen Efraïms twintigduizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen. 31 En van den halven stam Manasse achttienduizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen om David Koning te maken. 32 En van de kinderen Issa-schars, die ervaren waren in het verstaan van de tijden, om te weten wat Israël doen moest: hunne hoofden waren tweehonderd, en alle hunne broeders patten op hun woord. 33 Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftigduizend, en om eene slagorde te houden met een onwankelbaar hart. 34 En uit Naftali duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zevenendertigduizend. 35 En uit de Daniten ten strijde toegerust, achtentwintigduizend en zeshonderd. |
|
504 1 KRONI] 3G En nit Aser, nitgaande in liet heir om krijgsorde te honden, â waren veertigduizend. 37 En van gene zijde van den Jordaan, van de Kubeniten en Gaditen en den halven stam Manasse, niet allerlei krijgsgereedschap ten oorloge, honderd en twintigduizend. 38 Alle deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David Koning te maken over gansch Israël. En ook was al het overige van 1-raël één hart om David tot Koning te maken. 31) En zij waren daar bij Da-vid drie dagen lang, etende en drinkende; want hunne broeders hadden voor hen wat toebereid. 40 En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar en Zebulon en Naltali, brachten brood op ezels en op kemelen en op muildieren en op runderen, meelspijze, stukken vijgen en stukken rozijnen, en wijn en olie, en runderen en klein vee in menigte; want daar was blijdschap in Israël. HOOFDSTUK 13. En David hield raad met de oversten der duizenden en der houderden en met alle Vorsten. 2 En David zeide tot de gan-sche gemeente Israels: Indien het ulieden goed dunkt en van den Heere onzen God te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders in alle landen Israi'ls, en de Priesters en Leviten, die met hen zijn in de steden met hare voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden; 3 en laat ons de Ark on zes Gods tot ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen San Is niet gezocht. 4 Toen zeide de gansche gemeente dat men al zoo doen zoude, want die zaak was recht in de oogen des ganschen volks. 5 David dan vergaderde gansch Ifraël van de Egyptische Sihor ai' tot waar men komt te Ha- |
EKEN 13,14. j math, om de Ark Gods te bren-j gen van Kirjath-Jearim. G Toen toog David op met het | gansche Israël naar Baala, dat is, naar Kirjath-Jearim hetwelk in Juda is, dat hij van daar ophaalde de Ark Gods des Heeren ; die tusschen de cherubs woont, ' waar de Naam wordt aange-i roepen. 7 En zij voerden de Ark Gods op een nieuwen wagen uit het huis Abinadabs; Uzza nu en Ahio leidden den wagen. 8 En David en gansch Israël speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zoo met liederen als met harpen en met luiten en met trommelen en met cymbalen en met trompet- I ten. j 9 Toen zij aan den dorschvloer ; van Kidon gekomen waren, zoo strekte Uzza zijne hand uit om de ark te houden, want de runderen struikelden. 10 Toen ontstak de toorn des Heeren over Uzza, en hij sloeg hem omdat hij zijne hand had uitgestrekt naar de Ark en hij i stierf aldaar voor het aangezicht Gods. 11 En David ontstak, dat do Heere eene scheure gescheurd 'had aan Uzza: daarom noemde hij die plaats Perez-Uzza, tot op dezen dag. i 12 En David vreesde den Heere te dien dage, zeggende: Hoe zal ik de Ark Gods tot mij brengen? 13 Daarom liet David de Ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis Obed-Edoms des Gethiets. 14 Alzoo bleef de Ark Gods bij het huisgezin Obed-Edoms in zijn huis drie maanden; en de Heere zegende het huis Obed-Edoms en alles wat hij had. HOODSTUK 14. Toen zond Hiram, de Koning van Tyrus, boden tot. David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden. 2 En David merkte dat hem de |
quot;
1 KRONIEKEN lo.
500
|
Heere tot Koning bevestigd had over Israël, want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven om zijns volks Israels wille. 3 En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David gewon meer zonen en dochteren. 4 Dit nu zijn de namen der kinderen die hij te Jeruzalem had: Sammüa en Subab, Nathan en Salomo, 5 en Jibhar, en Elisüa, en El-pélet, 6 en Nogah, enNefeg, en Jafia, 7 en Elisama, en Beëljada, en Elifélet. 8 Toen de Filistijnen hoorden dat David ten Koning gezalfd was over het gansdie Israël, zoo togen alle de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, zoo toog hij uit tegen hen. 9 Toen de Filistijnen kwamen, zoo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaïm. lü Toen vraagde David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult ge ze in mijne hand geven? En de Heere zeide tot hem: Trek op, wantik zal ze in uwe hand geven. 11 Toen zij nu optogen naar Baal-Perazim, zoo sloeg David ze daar, en David zeide: God heeft mijne vijanden door mijne hand gescheurd als eenescheure der wateren; daarom noemden zij den naam dezer plaats Eaiil-Perazim. 12 En daar lieten zij hunne goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand. 13 Doch de Filistijnen voeren nog voort en zij verspreidden zich in dat dal. 14 En David vraagde God nog eens, en God zeide tot hem: Gij zult niet optrekken achter hen henen; maar omsingel ze van boven, en kom tot hen tegenover de moerbeziënboomen; 15 en het zal geschieden als gij hoort het geruisch van eenen gang in de toppen der moerbeziënboomen, kom dan uit ten strijde, want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn om |
het leger der Filistijnen te slaan. 1G David nu deed gelijk als hem Gcd geboden had, en zij sloegen het heir der Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer. 17 Alzoo ging Davids naam uit in alle die landen, en de Heere gaf zijne verschrikking over alle die heidenen. HOOFDSTUK 15. En David maakte zich huizen in zijne stad; en hij bereidde der Arke Gods eene plaats, en spande eene tent voor haar. 2 Toen zeide David: Niemand mag de Ark Gods dragen dan de Leviten; want die heeft de Heere verkoren om de Ark^ Gods te dragen, en om hem te dienen tot in eeuwigheid. 3 Ook vergaderde David gansch Israël te Jeruzalem, om de Ark des Heeren op te halen aan hare plaats die hij haar bereid had. 4 En David verzamelde de kinderen Aiirons en de Leviten. 5 Van de kinderen Kohaths was Uriël overste, en zijner broederen waren honderd en twintig. G Van de kinderen vanMerari was Asaja overste, en zijner broederen^ waren tweehonderd en twintig. 7 Van de kinderen Gersoms was Joël overste, en zij ner broederen waren honderd en dertig. 8 Uit de kinderen Elizafans was overste Semaja,enzijnerbroederen waren^ tweehonderd. 9 Uit de kinderen Hebrons was Eliël overste, en zijne broeders waren tachtig. lü Uit de kinderen Uzziëls vras Amminadab overste, en zijne broederen waren honderd en twaalf. 11 En David riep de Priesters Zadok en Abjathar, en de Leviten Uriël, Asaja, en Joël, Semaja, en Eliël, en Amminadab; 12 en hij zeide tot hen: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Leviten: heiligt u, gij en uwe broeders, dat gij de Ark des Heeren des Gods Israëls opbrengt ter plaatse die ik voor haar bereid heb; |
.
1 KRONIEKEN 16.
50:»
|
13 want omdat gijlieden ten eerste dit niet dee lt, heeft de Heeee onze God onder ons eene sclieur gemaakt, omdat wij hem niet gezocht hebben naar het recht. 14 Zoo heiligden zich dan de Priesters en Levi ten, om de Ark des Heeren des Gods Israels op te brengen. 15 En de kinderen der Levi-ten droegen de Ark Gods op hunne schouderen, met de draag-boomen die op hen waren, gelijk als Hozea geboden had naar het Woord des Heeren. 16 En David zeide tot de oversten der Leviten, dat zij hunne broeders de zangers stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten en harpen en cymba-len, dat zij zich zouden doen liooren, verheffende de stemme met blijdschap. 17 Zoo stelden dan de Leviten Heman, den zoon Joëla, en uit zijne broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hunne broederen Ethan, den zoon van Kusaja; 18 en met hen hunne broeders van de tweede orde; Zecharja, Ben, en «Taaziël, en âºSemiramoth, en Jehiël, en ünni, Eliab, en Be-naja, en T'laaseja, en Matthithja, en Elifelé, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeïël, de portiers. 19 l)e zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich hooren met koperen cymbalen; 20 en Zecharja, en Aziël, en Semiramoth, en Jehiël, en Ãnni, en Eliab, en Maaseja, en Benaja, met luiten op alamoth ; 21 en Mattithja, en Elifelé, en Jlikneja, en Obed-Edom, en Jeïël, en Azazja, met harpen op de scheminith, om den toon te versterken; 22^ en Kenanja, de overste der Leviten, was over het opheffen, hij onderwees hen in het opheffen, want hij was verstandig; 23 en Berechja en Elkana waren portiers der Ark; |
24 en Sebanja, en Josafat, en Nethaneël, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eiiëzer, de Priesters, trompetteden met trompetten vóór de Arke Gods; en Obed-Edom en Jehia waren portiers der Ark, 25 Het geschiedde nu dat David en de oudsten van Israël en de oversten der duizenden henengingen om de Ark des verbonds des Heerex op te halen uit het huis Obed-Edoms, met vreugde; 20 zoo geschiedde het, doordien dat God de Leviten hielp die de Ark dos verbonds des Heeren droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden. 27 David nu was gekleed met eenen mantel van fijn linnen, ook alle de Leviten die de Ark droegen, en de zangers, en Kenanja, de overste van het opheffen der zangers; ook had David eenen lijfrok aan van limien. 28 Alzoo bracht gansch Israël de Ark des verbonds desHF.EREN op, met gejuich en met geluid der bazuin en met trompetten en met cymbalen, makende geluid met luiten en met harpen. 29 Het geschiedde nu, toen de Ark des verbonds des Heeren tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter Sauls, door een venster keek, en den Koning David zag springende en spelende; zoo verachtte zij hem in haar hart. HOOFDSTUK 16. Toen zij do Ark Gods inbrachten, zoo stelden zij ze in hot midden der tent welke David voor haar gespannen had, en zij offerden brandofferen en dank-offeren voor het aangezicht Gods. 2 Als David geëindigd had het brandoffer en de dankoiferen te offeren, zoo zegende hij het volk in den naam dos Heeren ; 3 en hij deelde aan een iegelijk in Israël, van den man tot de vrouw, aan een iegelijk een bolle brood en een schoon stuk vlcerch en eene flesch icijn. 4 En hij stelde voor de Ark des Heeren sommigen uit de Leviten tot dienaars, en dat om den Heere den God Israels te vermelden en te loven en te prijzen. |
.
1 KRONIEKEN 16.
507
|
5 Asaf was liet hoofd, en Ze-charja de tweede na hem; Jeïël, en Semiramoth, en Jehiël, en Mattithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-Edom, en Jeïël, met instrumenten der luiten en met harpen; en Asaf liet zich hooren met cymbalen: 6 maar Benaja en Jahazië?. de Priesters steeds met trompetten vóór de Ark des verbonda Gods. 7 Te dienzelfden dage toen gaf David het eerst dezea psalm, om den Heere te loven, door den dienst Asafs en zijner broederen. 8 Looft den Heeke, roept zijnen naam aan, maakt zijne daden bekend onder de volken. 9 Zingt hem, psalmzingt hem, spreekt aandachtig]ijk van alle zijne wonderwerken. 10 lloemt in den naam zijner heiligheid: dat zich het hart quot;der-genen die den Heere zoeken verblijde. 11 Vraagt naar den Keeke en zijne sterkte; zoekt zijn aanga-zicht geduriglijk. 12 Gedenkt zijne wonderwerken die hij gedaan heeft, zijne wonderteekenen, en de oordeeien zijns monds, 13 gij zaad Israels zijns dienaars, gij kinderen van Jakob zijnen uitverkorene. 14 Hij is de Heere onze God; zijne oordeeien zijn over de geheel e aarde. 15 Gedenkt tot in eeuwigheid zijn verbond, het Woord dat hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht; lo liet vet hond dat hij met Abraham heeft gemaakt, en zijnen eed aan Isaak: 17 wel kon hij ook aan Jakob heeft gesteld tot eene inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond, 18 zeggende: Ik zal u het land Kanaiin geven, een snoer van ulieder erfdeel: 19 als gij weinige menschenin getale waart, ja, weinigen en vreemdelingen daarin. 20 En zij wandelden van volk tot volk, en van het ééne koninkrijk tot een ander volk: |
21 hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte hij Koningen om hunnentwille, zeggende : 22 Tast mijne gezalfden 7iiet aan, en doet mijnen Profeten geen kwaad. 23 Zingt den Heere, gij gan-sche aarde, boodschapt zijn heil van dag tot dag. 24 Vertelt zijne eere onder de heidenen, zijne wonderwerken onder alle volken. 25 Want de Heeke is groot en zeer te prijzen, en hij is vreeselijk boven alle goden. 2(i Want alle de goden der volkeren zijn afgoden, maar de Heere heeft de hemelen gemaakt. 27 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezicht, sterkte en vroolijkheid zijn in zijne plaats. 28 Geeft den Heere, gij ge-slachten der volkeren, geeit den Heere eere en sterkte. 29 Geeft den Heere de eere zijns naams; brengt offer en komt voor zijn aangezicht : aanbidt den Heere in de heerlijkheid des heiligdoms. 30 Schrikt voor zijn aangezicht, gij geli eel e aarde; ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde. 31 Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De Heere regeert. 32 Dat de zee bruise met hare volheid, dat het veld huppelo van vreugde met al dat daarin is. 33 Dan zullen de boomen des wonds juichen voor het aangezicht des Heeren, omdat hij komt om de aarde te richten. 34 Looft den Heere, want hij is goed, want zijne goedertierenheid is tot in eeuw igheid, 35 en zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij uwen heiligen naam loven en dat wij roemen in uwen lof. 36 Geloofd zij de Heere de God Israels van eeuwigheid tot eeuwigheid. En al liet volk zeide Amen, en het loofde den Heere. 37 Alzoo liet hij daar vóór do Ark des verbonds des Heeren |
m
|
510 1 KEONI des Konings van Zoba, geslagen had, 10 zoo zond hij zijnen zoon Hadoram tot den Koning David, om hem naar zijnen welstand te vragen en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadarézer gestreden en hem verslagen had (want Hadarézer voerde oorlog tegen Toü), en alle gouden en zilveren en koperen vaten. 11 Deze heiligde de Koning David ook den Heeee, met het zilver en het goud hetwelk hij medegebracht had van alle de heidenen, van de Edomiten, en van de 3Ioabiten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekiten. 12 Ook sloeg Absai, de zoon van Zeruja, de Edomiten in het Zoutdal, achttienduizend; 13 en hij leide bezetting in Edom, zoodat alle de Edomiten Davids knechten werden; en de Heere behoedde David overal waar hij henenging. 14 Alzoo regeerde David over gansch Israel; en hij deed zijnen ganschen volke recht en gerechtigheid. 15 Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir, en Jo eatat, de zoon Ahiluds, was kaneel ier, 16 en Zadok, de zoon Ahitubs, en Abimélech, de zoon Abjathars, waren Priesters, en Sausa icas schrijver, 17 en Benaja, de zoon van Jo-jada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen Davids waren de eersten aan de hand des Konings. HOOFDSTUK 19. En het geschiedde na dezen dat JSTahas, de Koning der kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd Koning in zijne plaats. 2 Toen zeide David; Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, want zijn vader heeft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David bollen om hem te troosten over zijnen vader. Toen de knechten Davids in het land der kinderen |
KEN 19. Ammons tot Hanun kwamen om hem te troosten, 3 zoo zeiden de Vorsten der kinderen Ammons tot Hanun: Eert David uwen vader in uwe oogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijne knechten tot u gekomen om te doorzoeken en om om tekeeren, en om het land te verspieden? 4 Daarom nam Hanun de knechten Davids en hij beschoor ze, en sneed hunne kleederen half af, tot aan de heupen, en liet ze henengaan. ö Zij nu gingen henen, en men boodschapte David van deze mannen, en hij zond hun tegemoet, want die mannen waren zeer beschaamd. De Koning dan zeide: Blijft te Jericho totdat ulieder baard weder gewassen zij, komt dan wederom. 6 Toen nu de kinderen Ammons zagen dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zoo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers om zich wagenen en rui teren te huren uit Mesopotamië, en uit Syrië-Maacha, en uit Zoba; 7 zoodat zij zich huurden tweeendertigduizend wagenen: en de Koning van Maacha en zijn volk kwamen en legerden zich. voor Medeba; ook vergaderden zich de kinderen Ammons uit hunne steden, en zij kwamen ten strijde. 8 Toen David dat hoorde, zoo zond hij Joab en het gansche heir met de helden. 9 Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zoo stelden zij de slagorde vóór de poort der stad; maar de Koningen die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld. 10 Toen Joab zag dat de spits der slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zoo verkoos hij eenigen uit alle uitge-lezenen in Israël, en hij stelde ze in orde te.^en de Syriërs; 11 en de overigen des volks gaf hij in de hand zijns broeders Absai, en zij stelden ze in orde tegen de kind?ren Ammons. 12 En hij zeide: Indien mij de |
1 KRONIEKEN 20,21.
511
|
Syriërs te sterk worden, zoo zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Amnions u te sterk worden, zoo zai ik u verlossen. 13 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods; deHEEiunnu doe wat goed is in zijne oogen. 14 Toen naderde Joab en liet volk dat bij hem was, ten strijde voor liet aangezicht der Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezicht. 15 Toen de kinderen Ammons zagen dat de Syriërs vloden, zoo vloden zij ook voor het aangezicht van Absai, zijnen broeder, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem. 1G Als de oyriërs zagen dat zij voor hot aangezicht Israels geslagen waren, zoo zonden zij boden, en brachten de Syriërs uit, die aan gene zijde der rivier woonden, en Sofach, de krijgsovers :e Hadarézers, toog voor hun aangezicht henen. 17 Toen het David werd aangezegd, zoo vergaderde hij gansch Israël, en hij toog over den Jor-daan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Als^ David de slagorde tegen de Syriërs gesteld had, zoo streden zij met hem; 18 doch de Syriërs vloden voor het aangcziclit Israels, en David versloeg van de Syriërs zevenduizend wagenen en veertigduizend mannen te voet, daartoe doodde hij Sofach den krijgsoverste. ^ 19 Toen nü de knechten Hadarézers zagen dat zij geslagen waren voor het aangezicht Israels, zoo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de Syriërs wilden de kinde^n Ammons niet meer verlossen. HOOFDSTUK 20. Het geschiedde nu ten tijde der wederkomst des jaars, ten tijde als de Koningen uittrokken, zoo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf der kinderen Amnions land, en hij kwam en belegerde 1 lïabba; maar David bleef te Je | nizalem. En Joab sloeg Kabba en verwoestte ze. |
2 En David nam de kroon huns [ Konings van zijn hoofd, en hij , bevond ze in gewicht een talent gouds, en daar was edelgesteente aan, en zij werd op Davids hoofd I gezet, en hij voerde zeer veel rooi' I uit de stad. ' 3 Hij voerde ook het volle uit : dat da arin was, en hij zaagde ze met de zage, en met ijzeren dorsch-v,-agens, en met bijlen: en alzóó deed David aan alle de steden der kinderen Ammons. Toen . kee rde David wederom met al het volk naar Jeruzalem. 4 En het geschiedde daarna als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sib-bechai de Hussathiet Sippai die van de kinderen van Rafa was; en zij werden tenondergebracht. 5 Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon Jaïrs, versloeg Lachmi, den broeder Goliaths des Gethiets, wiens spiesenhout was als een weyersboom. 6 Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijne vingers waren zes en zes, vierentwintig, en hij was óók aan Eafa geboren: 7 en hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea, den broeders Davids, versloeg hem. 8 Deze waren Eafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand Davids en door de hand zijner i knechten. HOOFDSTUK 21. Toen stond de satan op tegen ; Israël, en hij porde David aan dat hij Israël telde. 2 En David zeide tot Joab en i tot de oversten des volks: Gaat henen, telt Israël van Ber-Séba I tot Dan toe. en brengt liet tot } mij, dat ik hun getal wete. ^ 3 Toen zeide Joab: De Heere doe tot zijn volk, gelijk zij nu j zijn, honderdmaal meer: zijn zij i niet allen, o mijn heer Koning,. i mij nen heere tot knechten ? V/aar-1 om verzoekt mijn heer dit ? Waar- |
|
608 1 K K O N ] Asaf en zijne broederen, om gedurig! ijk te dienen vóór de Ark naardat op eiken dag besteld was. 38 Obed-Edoin nn met hunne broederen waren achtenzestigen hij stdde Obed-Edom, den zoon van Jeduthun, en Hosa tot portiers : 39 en den Priester Zadok en zijne broederen de Priesters vóór den Tabernakel des Heeren op de hoogte, quot;welke te Gibeon is, 40 om den Heere de brand-olieren geduriglijk te offeren op het braudolfer-altaar, des morgeus en des avonds; en zulks naar alles dat er geschreven staat in de wet des Heeren, die hij Israël geboden had. 41 En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezen en die met namen uitgedrukt zijn, om den Heere te loven, want zijne^ goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 42 Met hen dan waren Heman en Jeduthun met trompetten en cymbalen voor degenen die zich lieten hooren, en ruet instrumenten der muziek Gods; maar de zonen Jeduthuns waren aan de poort. 43 Alzoo toog het gansche volk henen, een iegelijk in zijn huis; en^ David keerde zich, om zijn huis te gaan zegenen. HOOFDSTUK 17. Het geschiedde nu als David iu zijn huis woonde, dat David tot Nathan den Profeet zeidc: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de Ark des verbonds des Heeren onder gordijnen. 2 Toen zeide Nathan tot David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u. 3 Maar het geschiedde inden-zelfden nacht dat het Woord Gods tot Nathan kwam, zeggende: 4 Ga henen en zeg tot David mijnen knecht: Alzóó zegt de Heere: Gij zult mij geen huis bouwen om in te wonen; 5 want ik heb in geen huis gewoond van dien dag af dat ik Israël heb opgevoerd, tot dezen dag toe, maar ik ben gegaan van |
EKEN 17. j tent tot tent en van tabernakel j tot taberrailed. 1 6 Overal waar ik gewandeld heb met geheel Israël, heb ik wel een woord gesproken tot één van de richters van Israël, denwelken ik gebood mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt gijlieden mij geen cederen huis? 7 Nu dan, alzóó zult gij zeggen tot mijnen knecht, tot David: Zóó zegt de Heere der heir-scharen: Ik heb u van de schaapskooi genomen, van achter do schapen, opdat gij een voorganger over mijn volk Israël zoudt zijn : 8 en ik ben met u geweest overal waar gij henengegaan zij fc, en ik heb alle uwe vijanden uitgeroeid van voor uw aangezicht; en ik heb u eenen naam gemaakt gelijk de naam is der Grooten dio op de aarde zijn. 9 En ik heb voor mijn volk Israël eene plaats besteld en hem geplant, dat hij aan zijne plaatse wone en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer krenken, gelijk als in hes eerste, 10 en van die dagen af dat ik geboden heb dat er richters wezen zouden over mijn volk Israël en alle uwe vijanden vernederd heb. Ook heb ik u te kennen gegeven dat u de Heere een huis bouwen zal. 11 En het zal geschieden als uwe dagen zullen vervuld zijn dat gij henengaat tot uwe vaderen, zoo zal ik uw zaad na n doen opstaan, hetwelk uit uwe zonen zijn zal, en ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 12 Die zal mij een huis bouwen, en ik zal zijnen stoel bevestigen tot in eeuwigheid. 13 Ik zal hem tot eenen vader zijn en hij zal mij tot eenen zoon zijn ; en mijne goedertierenheid zal ik van hem niet wenden, gelijk als ik die weggenomen heb van dien die vóór u geweest is; 14 maar ik zal hem in mijn huis bestendig maken, en in mijn koninkrijk tot in eeuwigheid: en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. |
1 KRONIEKEN 18.
509
|
15 Naar alle deze â woorden en naar dit gansche gezicht, alzóó eprak Nathan tot David. 16 Toen kwam de Koning David in, en bleef voor het aangezicht des Heeren, en hij zeide: Wie ben ik, Heere God, en wat is mijn huis, dat gij mij tot hiertoe gebracht hebt? 17 En dit is klein in uwe oogen geweest, o God: daarom hebt gij van het huis uws knechts tot verre henen gesproken, en gij hebt mij naar menschelijke wijze voorzien met deze verhooging, o Heere God. 18 quot;Wat zal David meer bij u daaraan toevoegen, vanwege de eere aan uwen knecht? Doch gij kent uwen knecht wel. 19 Heeke, om uws knechts wille eu naar uw harte hebt gij alle deze groote dingen gedaan, om alle deze groote dingen bekend te maken. 20 Heere, daar is niemand gelijk gij, en er is geen God behalve gij, naar alles wat wij met onze ooren gehoord hebben. 21 En wie is als uw volk Israël, een éénig volk op de aarde, hetwelk God henengegaan is zich tot oen volk te verlossen, dat gij u eenen naam maaktet van groote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stooten van het aangezicht van uw volk hetwelk gij uit Egypte verlost hebt? 22 Eu gij hebt uw volk Israël u ten volk gemaakt tot in eeuwigheid, en gij, Heere, zijt hun tot eenen God geworden. 23 Nu dan,. Heere, het woord dat gij over uwen knecht gesproken hebt en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid, en doe gelijk als gij gesproken hebt. 24 Ja, het worde waar, en uw naam worde _ groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De Heere der heirscharen, de God Israels, is Israels God; en het huis Davids uws knechts zij bestendig voor uw aangezicht. |
25 Want gij, mijn God, hebt voor het oor uws knechts geopenbaard dat gij hem een huis bouwen zoudt; daarom heeft uw i knecht in zijn harte gevonden ! om voor uw aangezicht te bidden. i 26 Nu dan Heere, gij zijt die i God, en gij hebt dit goede over uwen knecht gesproken; i 27 nu dan, het heeft u beliefd te zegenen het huis uws knechts, ] dat het in eeuwigheid voor uw i aangezicht zij; want gij, Heere, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid. HOOFDSTUK IS. Het geschiedde nu na dezen dat David de Filistijnen sloegen bracht ze ten onder, en hij nam Gath en hare onderhoorige plaatsen uit der Filistijnen hand. 2 Hij sloeg ook de Moabiten, alzoo dat de Moabiten Davids i knechten werden, brengende ge-i schenken. i 3 David sloeg ook Hadarézer, ! den Koning van Zoba, naar Ha-' math toe, toen hij henentoog om zijne hand te stellen aan de rivier Frath; 4 en David nam hem duizend wagens af, en zevenduizend ruiters, en twintigduizend man to voet; en David ontzenuwde alle de wagenprtrtrcZen, doch hij behield honderd wagens daarvan overig. 5 En de Syriërs van Damascuf kwamen om Hadarézer, den Koning van Zoba, te helpen, maar David sloeg van de Syriërs tweeentwintigduizend man ; 6 ^ en David leide bezetlino in Syrië van Damascus, alzoo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende, en de Heere behoedde David overal waar hij henenging. 7 En David nam de gouden schilden die bij Hadarézers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem. 8 Ook nam David zeer veel koper uit Tibhath en uit Kun, Hadarézers steden; daarvan heeft Salomo de koperen zee en de pilaren en de koperen vaten gemaakt. 9 Toen Toü, de Koning van Hamath, hoorde dat David de gansche heir kracht Hadarézers, |
i
|
510 1 KEONI des Ivoniiiga van Zoba, geslagen had, 10 zoo zond hij zijnen zoon Hadoram, tot den Koning David, om liem naar zijnen welstand te vragen en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadarézer gestreden en hem verslagen had (want Hadarézer voerde oorlog tegen Toü), en alle gouden en zilveren en koperen vaten. 11 Deze heiligde de Koning David óók den Hel re, met liet zilver en het goud hetwelk hij medegebracht had van alle de heidenen, van de Edomiten, en van de Moabiten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekiten. 12 Ook sloeg Absai, de zoon van Zeruja, de Edomiten in het Zoutdal, achttienduizend; 13 en hij leide bezetting in Edom, zoodat alle de Edomiten Davids knechten werden; en de Heere behoedde David overal waar hij henenging. 14 Al zoo regeerde David over gansch Israël; en hij deed zijnen ganachen volke recht en gerechtigheid. 15 Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir, en Jo eafat, de zoon Ahiluds, was kanselier, 1(5 en Zadok, de zoon Ahitubs, en Abimélech, de zoon Abjathars, waren Priesters, en öausa icas schrijver, 17 en Benaja, de zoon van Jo-jada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen Davids waren de eersten aan de hand des Konings. HOOFDSTUK 19. En het geschiedde na dezen dat Nahas, de Koning der kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd Koning in zijne plaats. 2 Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, want zijn vader heeft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David bollen om hem te troosten over zijnen vader. Toen de knechten Davids in het land der kinderen |
EKEN 19. Ammons tot Hanun kwamen om hem te troosten, 3 zoo zeiden de Vorsten der kinderen Ammons tot Hanun: Eert David uwen vader in uwe oogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijne knechten tot u gekomen om te doorzoeken en om om tekeeren, en om het land te verspieden? 4 Daarom nam Hanun de knechten Davids en hij beschoor ze. en sneed hunne kleederen half af, tot aan de heupen, en liet ze henengaan. à Zij nu gingen henen, en men boodschapte David van deze mannen, en hij zond hun tegemoet, want die mannen waren zeer beschaamd. De Koning dan zeide: Blijft te Jericho totdat ulieder baard weder gewassen zij, komt dan wederom. 6 Toen nu de kinderen Ammons zagen dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zoo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers om zich wagenen en ruiteren te huren uit Mesopotamië, en uit Syrië-Maacha, en uit Zoba; 7 zoodat zij zich huurden tweeendertigduizend wagenen; en de Koning van Maacha en zijn volk kwamen en legerden zich,voor Medeba; ook vergaderden zich de kinderen Ammons uit hunne steden, en zij kwamen ten strijde. 8 Toen David dat hoorde, zoo zond hij Joab en het gansche heir met de helden. 9 Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zoo stelden zij do slagorde vóór de poort der stad; maar de Koningen die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld. 1U Toen Joab zag dat de spits der slagorde van voren en van achteren tegen hem was. zoo verkoos hij eenigen uit alle uitge-lezenen in Israël, en hij stelde ze in orde tegen de Syriërs ; 11 en de overigen des volks gaf hij in de hrnd zijns broeders Absai, en zij stelden ze in orde tegen de kinderen Ammons. 12 En hij zeide: Indien mij de |
T
1 KRONIEKEN 20,21.
511
|
Syriërs te sterk worden, zoo zult gij mij komen verlossen; en indien de Milderen Amnions i te sterk worden, zoo zal ik u ver- i lossen. i 13 AVees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de | steden onzes Gpds; deHEEBJEmi doe wat goed is in zijne oogen. J 14 Toen naderde Joab en het volk dat bij hem was, ten strij de | voor liet aangezicht der Syriërs; ; en zij vloden voor zijn aange- j zicht. 15 Toen de Idnderen Ammons zagen dat de Syriërs vloden, zoo ; vloden zij ook _ voor het aange-zicht van Absai, zijnen broeder, en zij kwamen in de stad; en Joab ; kwam te Jeruzalem. lö Als de Syriërs zagen dat zij voor het aangezicht Israels geslagen waren, zoo zonden zij boden, en brachten de Syriërs uit, die aan gene zijde der rivier woonden, en Sofach, de krijgsoverste Hadarézers, toog voor hun aangezicht henen. 17 Toen het David werd aangezegd, zoo vergaderde hij ganscli Israël, en hij toog over den Jor-daan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. ; Als David de slagorde tegen de Syriërs gesteld had, zoo streden zij met hem; 18 doch de Syriërs vloden voor het aangezicht Israels, en David i versloeg van de Syriërs zevenduizend wagenen en veertigduizend mannen te voet, daartoe doodde hij Sofach den krijgs- i overste. 19 Toen nu de knechten Hadarézers zagen dat zij geslagen waren voor het aangezicht Israels, zoo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de Syriërs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen. HOOFDSTUK 20. Het geschiedde nu ten tijde der wederkomst des jaars, ten tijde als de Koningen uittrokken, zoo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf der kinderen Ammons land, en hij kwam en belegerde |
Eabba; maar David bleef te .Te ruzalem. En Joab sloeg Eabba en verwoestte ze. 2 En David nam de kroon huns Konings van zijn hoofd, en hij bevond ze in gewicht een talent gouds, en daar was edelgesteente aan, en zij werd op Davids hoofd yezet, en hij voerde zeer veel rooi uit de stad. 3 Hij voerde ook liet volk uit dat daarin was, en hij zaagde ze met de zage, en met ijzeren dorsch-wagens, en met bijlen: en alzóó deed David aan alle de steden der kinderen Ammons. Toen keerde David wederom met al het volk naar Jeruzalem. 4 En het geschiedde daarna als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sib-bechai de Hussathiet Sippai die van de kinderen van Eafa was; en_ zij werden tenondergebracht. 5 Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon Jaïrs, versloeg Lachmir den broeder Goliathsdes Gethiets, wiens spiesenhout was als een weversboom. 6 Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijne vingers waren zes en zes, vierentwintig, en hij was óók aan Eafa geboren: 7 en hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Siinea, den broeders Davids, versloeg hem. 8 Deze waren Eafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand Davids en door de hand zijner knechten. HOOFDSTUK 21. Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan dat hij Israël telde. 2 En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat henen, telt Israël van Ber-Sóba tot Dan toe, en brengt het tot mij, dat ik hun getal wete. ^ 3 Toen zeide Joab: De Heere doe tot zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer: zijn zij niet allen, o mijn heer Koning,, mijnen heere tot knechten ? Waarom verzoekt mijn heer dit ? Waar- |
|
512 1 KRONl om zonde liet Israël tot schuld worden ? 4 Doch hot woord des Konings nam de overhand tegen Joab. Derhalve toog Joab uit, en hij doorwandelde gansch Israël: daarna kwam hij weder te Jeruzalem. 5 En Joab gaf David de som des getelden volks: en gansch Israël ^ was elfhonderdduizend man die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderdduizend en zeventigduizend man die het zwaard uittrokken. 6 Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet; want des Konings woord was Joab een gruwel. 7 En deze zaak was kwaad in de oogen Gods: daarom sloeg hij Israël. 8 Toen zei de David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gel landeld. 9 De Heere nu sprak tot Gad, den ziener Davids, zeggende: 10 Ga henen en spreek tot David, zeggende: Aldus zegt de Keeue: Drie dingen leg ik u voor: kies u één uit die, dat ik u doe. 11 En Gad kwam tot David, en zeide tot hein: Zóó zegt de Heere : Keem u uit: 12 of drie jaren honger; óf drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht uwer wederpartij, en dat het zwaard uwer vijanden u achterhale; óf drie dagen het zwaard des Heeren, dat is de pestilentie in het land en eenen yerdervenden Engel des Heeren in alle de landpalen Israels. Zoo zie nu toe, wat antwoord ik dien zal wederbrengeh die mij gezonden heeft. 13 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in «le hand des Heeren vallen, want zijne barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de h.-md der menschen niet vallen. i'1 De Heere dan gaf pestilentie in Israël, en er vielen van Israël zlt;'vontigdnizend man. 10 Eu God zond eenen Engel |
EKEN 21. naar Jeruzalem om haar te verderven; en als hij haar verdierf, zag de Heere't, en het beromvde hem over dat kwaad, en hij zeide tot den verdervenden Engel: Het is genoeg, trek nu uwe hand af. De Engel des Heeren nu stond bij den dorschvloer van Ornau den Jebusiet. 16 Als David zijne oogen ophief, zoo zag hij den Engel des Heeren staande tusschen de aarde en tusschen den hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijne hand uitgestrekt over Jeruzalem. Toen vielen David en de oudsten, bedekt met zakken, op hunne aangezichten, 17 en David zeide tot God :Ben ik het niet die gezegd heb dat men het volk tellen zoude? Ja, ik zelf ben het die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O Heere mijn God, dat toch uwe hand tegen mij en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet tegen uw volk ter plage. 18 Toen zeide de Engel des Heeren tot Gad, dat hij David zeggen zoude, dat David zoude opgaan om den Heere een altaar op te richten op den dorschvloer van Oman den Jebusiet. 19 Zoo ging dan David op naar het woord Gads, dat hij in den naam des Heeren gesproken had. 20 Toen zich Oman wendde, zoo zag hij den Engel; en zijne vier zonen die bij hem waren verstaken zich, en Ornan dorschte tarwe. 21 En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David, zoo ging hij uit den dorschvloer, en boog zich neder voor David met het aangezicht ter aarde. 22 En David zeide tot Ornan: Geef mij de plaatse des dorsch-vloers, dat ik op dezelve den Heere een altaar bouwe;geefze mij voor het volle geld, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk. 23 Toen zeide Ornan tot David: Neem ze_ maar henen, en mijn lieer de Koning doe wat goed is in zijne oogen; zie, ik geef deze |
|
1 KRON rnnderen totbrandofferen,en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer, ik geef liet alles. 24 En de Koning David zeide tot Oman: Neen, maar ik zal het zekerlijk koopen voor het volle geld ; want ik zal voor den Hgere niet nemen wat uwe is, dar, ik een brandoffer om niet offere. 25 En David gaf aan Oman voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht. 26 Toen bouwde David aldaar den Heere een altaar, en hij offerde brandofferen en dankof-feren; en als hij denHEEREaan-riep, zoo antwoordde hij hem door vuur uit den hemel op het bran dofferal taar. 27 En de Heere zeide tot den Engel, dat hij zijn zwaard weder in zijne scheede steken zoude. 28 Terzelfder tijd, toen David zag dat de Heere hem geantwoord had op den dorschvloer Ornans des Jebusiets, zoo offerde hij aldaar; 29 want de Tabernakel des Heeren dien Mozes in de woestijn gemaakt had, en des brand-oilers altaar, was te dier tijd op de hoogte te Gibeon: 30 David nu konde niet henengaan voor denzei ven om God te zoeken, want hij was verschrikt voor het zwaard des Engels des Heeren. HOOFDSTUK 22. En David zeide: Hier zal het Huis Gods des Heeren zijn, en hier zal het altaar des brandoffers voor Israël zijn. 2 En David zeide dat men vergaderen zoude de vreemdelingen die in het land Israels waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen steenen die men behouwen zoude om het Huis Gods te bouwen. 3 En David bereidde ijzer in menigte, tot nagelen aan de deuren der poorten, en tot de samenvoegingen ; ook koper in menigte, zonder gewicht; 4 en cederenhout zonder getal; want de Sidoniërs en de Tyriërs |
EKEN 22. 513 brachten tot David cederenhout in menigte. 5 Want David zeide; Mijn zoon Salomo is een jongeling en tee-der; en het Huis dat men den Heere bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot eenen naam en tot heerlijkheid in allo landen: ik zal hem nu voorraad bereiden. Alzoo bereidde David voorraad in menigte vóór zijnen dood. 6 Toen riep hij zijnen zoon Salomo, en gebood hem den Heere den God Israëls een Huis te bouwen; 7 en David zeide tot Salomo: Mijn zoon, wat mij aangaat, het was in mijn harte den name des Heeren mijns Gods een Huis te bouwen; 8 doch het Woord des Heeren geschiedde tot mij,zeggende:Gij hebt bloed in menigte vergoten, want gij hebt groote krijgen gevoerd: gij zult mijnen naam geen Huis bouwen, dewijl gij veel bloed op de aarde voor mijn aangezicht vergoten hebt. 9 Zie, de zoon die u geboren zal worden, die zal een man der ruste zijn, want ik zal hem ruste geven van alle zijne vijanden rondom henen; want zijn naam zal Salomo zijn, en ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijne dagen. 10 Die zal mijnen naam een Huis bouwen, en die zal mij tot eenen zoon zijn en ik hem tot eenen vader; en ik zal den troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid. 11 Nu, mijn zoon, de Heere zal met u zijn, en gij zult voorspoedig zijn, en zult het Huis des Heeren uws Gods bouwen, gelijk als hij van u gesproken heeft. 12 Alleenlijk de Heere geven kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israël, en dat om te onderhouden de wet des Heeren uws Gods. 13 Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij waarnemen zult te doen de inzettingen en de rechten die de Heere Mozes geboden 17 |
|
614 1 K R O N1 heeft over Israël. Wees sterk en heb goeden moed, vrees niet en â wees niet verslagen. 14 Ziedaar, ik heb in mijne verdrukking voor het Hnis des Heeuen bereid honderdduizend talenten gouds, en duizendmaal duizend talenten zilvers; en des kopers en des ijzers is geen gewicht, want het is er in menigte; ik heb ook hout en steenon bereid, doe gij daar nog meer bij. 15 Ook zijn er bij u in menigte die liet werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze lieden in allerlei werk. 16 Des gouds, des zilvers en des kopers en des ijzers is geen getal: maak u op en doe het,en de Heere zal met u zijn. 17 Ook gebood David allen Vorsten Israels dat zij zijnen zoon Salomo helpen zouden, zeogende: 18 Is niet de Heere uw God met ulieden, en heeft u ruste gegeven rondom henen? Want hij heeft de inwoners des lands in mijne hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden voor het aangezicht des Heeren en voor het aangezicht zijns volks. 19 Zoo geeft dan nu uw harte en uwe ziele om te zoeken den Heere uwen God, en maakt u op en bouwt het heiligdom van God den Heere; dat men de Ark des verbonds des Heeren en de heilige vaten Gods in dit Huis brenge, dat den name des Heeren zal gebouwd -worden. HOOFDSTUK 23. Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijnen zoon Salomo ten Koning over Israël. 2 En hij vergaderde alle de Vorsten van Israël, ook de Priesters en de Leviten. 3 En de Leviten werden geteld, van dertig jaar af en daarboven en hun getal was naar hunne hoofden, aan mannen achtendertigduizend. 4 Uit deze waren er vierentwintigduizend om het werk des Huizes des Heeren aan te drij- |
EKEN 23. ven, en zesduizend ambtlieden en rechters, 5 en vierduizend portiers, en vierduizend lofzangers des Heeren met instrumenten, die ik gemaakt heb, zeicle David, om lof te zingen. 6 En David verdeelde ze in afdeelingen, naar de kinderen van Levi: Gerson, Kohath enMerari, 7 Uit de Gersoniten waren La-dan en Simei. 8 De kinderen van Ladan waren deze: Jehiël het hoofd, en Zetham, en Joël, drie. 9 De kinderen van Simei' waren Selomith, en Haziël,en Ha-ran, drie: deze waren de hoofden der vaderen van Ladan. _ 10 Da kinderen van Simeï nu waren Jahath, Zina, en Jeüs, en Beria: deze waren de kinderen van Simeï, vier. 11 En Jahath was het hoofd, en Ziza de tweede; maar Jeüs en Beria hadden niet vele kinderen, daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van ééne telling. 12 De kinderen Kohaths waren Amram, Jizhar, Hebron en Uz-ziël, vier. 13 De kinderen Amrams waren Aiiron en Mozes, Aaron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijne zonen, tot in eeuwigheid, om te rooken voor het aangezicht des Heeren, om hem te dienen, en om in zijnen naam tot in eeuwig heid te zegenen. 14 Aangar.nde nu Mozes, den man Gods, zijne kinderen werden genoemd onder den stam van Levi. 15 De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliczer. 16 Van ie kinderen Gersoms was Sebuël het hoofd. 17 De kinderen Eliëzers nu waren deze: Rehabja het hoofd: en Eliëzer had geen^ andere kinderen; maar de kinderen van Ãehabja vermeerderden ten hoogste. 18 Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd. 19 Aangaande de kinderen He-brons, Jeria was het hoofd, Amarja |
1 KRONIEKEN 24.
515
|
de tweede, Jahazicl de derde, en Jekameam de Tierde. 20 Aangaande de kinderen Uz-ziëls, Micha was het hoofd, en Jisaia de tweede. 21 De kinderen Tan Merari waren Mahli en^ Musi; de kinderen Tan Mahli waren Eleazar en Kis. 22 En Eleazar stierf, en hij had Keen zonen maar dochters; en de kinderen Tan Kis, hare broeders, namen ze.^ 23 De kinderen Tan Mn si waren Mahli, en Eder, en Jere-moth, drie. 24 Dit zijn de kinderen Tan LeTi, naar het huis hunner Ta-deren, de hoofden der Taderen, naar hunne gerekenden in het getal der namen naar hunne hoofden, doende het werk Tan den dienst Tan het Huis des Heeren, Tan twintig jaar oud en daar-boTen. 25 Want DaTid had gezegd: De Heere de God Israels heeft zijnen Tolke rust gègeTen, en hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid ; 26 en ook aangaande de LeTi-ten, dat zij den Tabernakel, noch eenig Tan deszelfs gereedschap tot deszelfs dienst hehooremle, niet meer zouden dragen. 27 Want naar de laatste woorden DaTids werden de kinderen Tan LeTi geteld, Tan twintig jaar oud en daarboTen, 28 omdat hunne standplaats was aan de hand der zonen Aarons in den dienst des Huizes des Heeren, OTer de TOorhoTen en oyer de kameren,en OTer de reiniging Tan alle heilige dingen, en liet werk Tan den dienst des Huizes Gods; 29^ te weten tot het brood der toerichting, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot de ongezuurde Tladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle maat en afmeting; 30 en om iederen morgen te staan om den Heere te loTenen te prijzen, en desgelijks des aTonds; |
* 31 en tot al het offeren der bran dofieren des IIeerenquot;, op de sabbaten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden, in getale^ naar de wijze onder hen, geduriglijk Toor het aangezicht des Heeren; 32 en dat zij de wacht Tan de Tent der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht des heiligdoms, en de wacht der zonen Aarons, hunne broederen, in den dienst des Huizes des Heeren. HOOFDSTUK 24. Aangaande nu de kinderen Aarons, dit waren hunne Terdee-lingen. De zonen Aarons waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 2 Maar Nadab stierf en Abihu Toor het aangezicht huns Taders, en zij hadden geen kinderen ; en Eleazar en Ithamar bedienden het Priesterambt. 3 David nu verdeelde ze, en Zadok uit de kinderen Eleazars, en Abimélech uit de kinderen Ithamars, naar hun ambt in hunnen dienst. 4 En der kinderen Eleazars werden meer gevonden tot hoofden der mannen, dan der kinderen Ithamars, als zij ze afdeelden: van de kinderen Eleazars waren zestien hoofden der vader-lijke huizen, maar van de kinderen Ithamars, naar hunne vaderlijke huizen, acht. 5 En zij deelden ze door loten af, deze met gene; want de oversten des heiligdoms en de oversten Gods waren uit de kinderen Eleazars en van de kinderen Ithamars. G En Semaja, de zoon Netha-neöls, de schrijver uit de Levi-ten, schreef ze op voor het aangezicht des Konings, en der Vorsten, en des Priesters Zadoks, en van Ahimélech, den zoon Abja-thars, en van de hoofden der vaderen onder de Priesters en onder de Leviten: één vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en desgelijks werd genomen voor Ithamar. 7 Het eerste lot nu ging uit |
|
516 i KRON: voor Jojarib, het tweede voor Jedaja, 8 het derde voor Harim, het vierde voor Seorim, 9 hot vijfde voor Malkia, het zesde voor Miamin, 10 het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia, 11 het negende voor Jesüa, het tiende voor Sechanja, 12 het elfde voor Eljasib, het twaafde voor Jakira, 13 het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab, 14 het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer, 15 het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzez, 16 het negentiende voor Pe-thahja, het twintigste voor Je-hezkel, 17 het éénentwintigste voor Jachin, het tweeëntwintigste voor Oamul, 18 het drieëntwintigste voor Delaja, het vierentwintigste voor Maazja. 19 Het ambt van deze in hunnen dienst was te gaan in het Huis des Heeren, naar hunne ordening door de hand Aarons huns vaders, gelijk als hem de Heere de God Israels geboden had. 20 Van de overige kinderen van Levi nu was van de kinderen Amrams Subaël; van de kinderen Subaëls was Jehdeja. 21 Aangaande Rehabja, van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd. 22 Van de Jizhariten was Se-lomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath. 23 En van de kinderen 17e6rlt;ms was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde, Jeka-meam de vierde. 24 Van de kinderen Uzziëls was Micha; van de kinderen van Micha was Samir; 25 de broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zechaija. 26 De kinderen van Merari waren Mahli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno. 27 De kinderen van Merari uit |
ÃKEN 25. Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri. 28 Van Mahli was Eleazar; en die had geen kinderen. 29 Aangaande Kis, de kinderen van Kis waren Jcrahmecl. 30 En de kinderen van Musi waren Mahli, en Eder, en Jeri-moth. Deze zijn de kinderen der Levi ten, naar hunne vaderlijke huizen. 31 En zij wierpen óók loten, nevens hunne broederen de zonen Aarons, voor het aangezicht des Konings Davids, en Zadoks, en Ahimólechs, en der hoofden der vaderen onder de Priesteren en onder de Leviten: het hoofd der vaderen tegen zijnen kleinsten broeder. HOOFDSTUK 25. En David, mitsgaders de oversten des heirs, scheidde af tot den dienst, van de kinderen Asafs en Hemans en Jeduthuns, die met harpen, met luiten en met cymbalen profeteeren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen bekwaam tot het werk van hunnen dienst. 2 Van de kinderen Asafs waren Zakkur, en Jozef, en Nethan-ja, en Asaréla, kinderen Asafs, aan de hand van Asaf, die aan des Konings handen profeteerde. 3 Aangaande Jeduthun, de kinderen Jeduthuns waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja, en Mattithja, zes, aan de handen huns vaders Jeduthuns, op harpen profeteerende met den Heere te danken en te loven. 4 Aangaande Heman, de kinderen van Heman van Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, en Je-rimoth, Hananja, Hanani, Eli-atha, Giddalti, en Romamti-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth. 5 Deze allen waren kinderen Hemans, des zieners des Konings in de woorden Gods, om den hoorn te verheffen; want God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters. 6 Deze warea altemaal aan de handen huns vaders geslcld tot |
1 KRONIEKEN 26.
517
|
het gezang des Huizee des Hee-ren, op cymbalon, luiten en harpen, tot den dienst des Huizes Goda, aan de handen des Konings, Asafs, Jeduthuns, en Hemans. 7 En hun getal met hunne broederen die geleerd waren in het gezang des Heeren, allen meesters, was tweehonderd achtentachtig. 8 En zij wierpen de loten over de wacht tegen elkander, zoo de kleine als de groote, de meester met den leerling. 9 Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijne broederen, en zijne zonen waren twaalf. ló Het derde voor Zakkur, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 11 Het vierde voor Jizri, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 12 Het vijfde voor Nethanja, zijne zonen en zijne broeder an, twaalf. 13 Het zesde voor Bukkfa, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 14 Het zevende voor Jesaréla, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 15 Het achtste voor Jesaja, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. ; 16 Het negende voor Mattanja, ' zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 17 Het tiende voor Simei, zijne | zonen en zijne broederen, twaalf. ; 18 Het elfde voor Azareël, zijne j zonen en zijne broederen, twaalf, j 19 Het twaalfde voor Hasabja, ' zijne zonen en zijne broederen, j twaalf. 2U Het dertiende voor Subaël, | zijne zonen en zijne broederen, ; twaalf. 21 Het veertiende voor Mat- 1 tithja, zijne zonen en zijne broe- i deren, twaalf. 22 Het vijftiende voor Jeremoth, ! zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 23 Het zestiende voor ITananja, ; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 24 Het zeventiende voor Jos- ' bekasa, zijne zonen en zijne I broederen, twaalf. |
25 Het achttiende voor Hanani, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 26 Het negentiende voor Mal-lothi, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 27 Het twintigste voor Eliatha, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 28 Het _ éénentwintigste voor Hothir, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 29 Het tweeëntwintigste voor Giddalti, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 30 Het drieëntwintigste voor Mahazioth, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 31 Het vierentwintigste voor Romamti-Ezer, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. HOOFDSTUK 26. Aangaande de afdeelingen der portiers, van de Korachiten was Meselemja, de zoon van Koró, van de kinderen Asafs. 2 Meselemja nu had kinderen: Zecharja was de eerstgeborene, Jediaël de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde, 3 Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoënai de zevende.^ 4 Obed-Edom had óók kinderen ; Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneël de vijfde, 5 Ammiël de zesde, Issaschar de zevende, Peüllethai de achtste; want God had hem gezegend. 6 Ook werden zijnen zoon Semaja kinderen geboren, heer-schende over het huis huns vaders, want zij waren kloeke helden. 7 De kinderen van Semaja waren Othni, en Refaël,en Obed, en Elzabad, zijne broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja. 8 Deze allen waren uit de kinderen Obed-Edoms, zij en hunne kinderen en hunne broeders, kloeke mannen, krachtig tot den dienst: er waren er tweeënzestig van Obed-Edom. 9 Meselemja nu had kinderen en broeders, kloeke lieden, achttien. |
|
5i8 1 K R O NI 10 En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri â was het hoofd (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde zijn vader hem tot een hoofd), 11 Hilkia was de tweede, Te-balja de derde, Zccharja de vierde: allo de kinderen en broederen van Hosa waren dertien. 12 Uit deze waren de afdee-lingen der portiers onder de hoofden der mannen, tot de wachten tegen hunne broederen, om te dienen in het Huis des Hekken. 13 En zij wierpen de loten, zoo de kleine als de groote, nnar hunne vaderlijke huizen, tot elke poort. 14 Het lot nu tegen het Oosten viel op Selemjamaar voor zijnen zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het Noorden; 15 Obed-Edom tegen het Zuiden, en voor zijne kinderen het huis der schatkameren; 16 Suppim en Hosa tegen het Westen, met de poort Sallécheth bij den opgaanden hoogen weg, wacht tegenover wacht. 17 Tegen het oosten waren zes Leviten, tegen het Noorden des daags vier, tegen het Zuiden des daags vier, maar bij de schatkameren twee en twee; 18 aan Parbar tegen het Westen waren er vier bij den hoogen weg, twee bij Parbar. 19 Dit zijn de afdeelingen der portiers van de kinderen der Korachiten, en van de kinderen van Merari. 20 Ook was, van de Leviten, Ahia over de schatten des Huizes Gods en over de schatten der geheiligde dingen. 21 Van de kinderen Ladans, kinderen van den Gersoniet La-dan: van Ladanden Gersoniet waren hoofden der vaderen, Jehiëli. 22 De kinderen van Jehiëli waren Zetham en Joël zijn broeder; deze waren over de schatten des Huizes des Heeren. 23 Voor de Amramiten, van de |
EKEN 27. Jizhariten, van de Hebroniten, van de üzziëliten, 24 en Sebuël, de zoon Gersoms, des zoons van Mozes, was overste over de schatten. 25 Maar zijne broeders uit Eliëzer waren deze: Rehabjawaa zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon. 26 Deze Selomith en zijne broeders waren over alle de schatten der heilige dingen, die de Koning David geheiligd had, mitsgaders de hoofden der vaderen, de oversten over duizend en honderd, en de oversten des heirs: 27 van de krijgen en van den buit hadden zij het geheiligd, om het Huis des Heeren te onderhouden. 28 Ook alles wat Samuël de ziener geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja; al wat iemand geheiligd had was onder de hand van Selomith en zijne broederen. 29 Van de Jizhariten waren Kenanja en zijne zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambt-lieden en tot rechters. 30 Van de Hebroniten waren Hasabja en zijne broeders, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten Israels op deze zijde vandenJordaan tegen het Westen, over al het werk des Heeren en ten dienste des Konings. 31 Van de Hebroniten was Jeria het hoofd, van de Hebroniten zijner geslachten onder de vaderen: in het veertigste jaar des koninkrijks Davids zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden te Jaëzer in Gilead, 32 en zijre broeders waren kloeke liede/i tweeduizend en zevenhonderd hoofden der vaderen ; en de Koning David stelde ze over de Rubeniten en Gaditen en den hal ven stam der Manas-siten, tot alle zaken Gods en der zaken des Konings. HOOFDSTUK 27. Dit nu zijn de kinderen Israëli |
-
1 KKOUIEKEN 27.
519
|
naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden en der honderden, raet hnnne ambtlieden, den Koning dienende in alle zaken der afdee-lingen, aangaande en afgaande van mannd tot maand in alle de maanden desjaars; elke afdeeling was vierentwintigduizend. 2 Over de eerste afdeeling, in de eerste maand, was Jasobam, de zoon Zabdiëls, en in zijne afdeeling waren er vierentwintigduizend; 3 hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van alle de oversten der heiren in de eerste maand. 4 En over de afdeeling in de tweede maand was Dodai de Ahohiet, en over zijne afdeeling was Mikloth óók voorganger; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend. 5 De derde overste des heirs, in de derde maand, was Benajx, de zoon van Jojada, den oppe^-ambtman, die was het hoofd: in zijne afdeeling_ waren er óók vi eren t win t i gdu i zen d. 6 Deze Benaja was een held van de dertig, en over de dertig; en over zijne afdeeling was Am-mi za bad, zijn zoon. 7 De vierde, der vierde maand, was Aeaël, de broeder Joabs, cn oa hem Zebadja, zijn zoon; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend. 8 De vijfde,inde vijfde maand was Samhuth de Jizrahiet, de overste; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend. 9 De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes de Tekoïet; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend. 10 De zevende, in de zevende maand, was Helez de Peloniet, nit de kinderen Efraïms; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend. 11 De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai de Hub-sathiet, var. de Zerahiten; in zijne afdeeling^ waren er óók vierentwintigduizend. |
12 De negende, in de negende maand, was Abiëzer de Anne-thothiet, van de Benjaminiten; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend. 13 De tiende, in de tiende maand, was jVIaharai de Netofa-thiet, van de Zerahiten; in zijne afdeeling waren er ook vierentwintigduizend. 14 De elfde, in de elfde maand, was Benaja de Pirathoniet, van de kinderen Efraïms; in zijne afdeeling waren er óók vieren-twintigduizend. 15 De twaalfde, in de twaalfde maand, was Hcldai de Netofa-thiet, lt; van Othniël; in zijne afdeeling waren er ook vierentwintigduizend. 16 Doch over de stammen Israels waren deze; over de Rube-niten was Eliëzer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Si-meonUen was Sefatja, de zoon van Maacha; 17 over de Leviten was Ha-sabja, de zoon van Kenmël; over de Aaroniten was Zadok ; 18 over Juda was Elihu, uit de broederen Davids; over Issa-schar was Omri, de zoon van i Michaël; 19 over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja, over Naftah was Jerimoth, de zoon Azriëls; 20 over de kinderen Efraïms was Hoséa, de zoon van Azazja; over den halven stam Manasse was Joel, de zoon van Pedaja; 21 over half Manasse in Gilead was Jiddq, de zoon van Zacharia; 1 over Benjamin was Jeiisiël, de ! zoon Abners; | 22 over Dan was Azareël, de I zoon van Jeroham. Deze waren de oversten der stammen Israels, j 23 Maar David nam het getal van die niet op, die twintigjaar oud en daar beneden waren, omdat de Heere gezegd had dat hij Israël vermenigvuldigen zoude als de sterreu des hemels. 24 Joab, de zoon van Zeruja, had begonnen te tellen, maar hij voleindigde het niet, omdat er deshalve een groote toorn over Israël gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht iu da |
1 KRONIEKEN 28.
520
|
relrening der Kronieken des Ko-ninga Davids. 25 En over de schatten des Konings was Azmaveth, de zoon Adiëls; en over de schatten op het land, in de steden en in de dorpen en in de torens, was Jonathan, de zoon van Uz-zia. 26 En over die die het akkerwerk deden, in den landbouw, was Ezri, de zoon Kelnbs. 27 En over de wijngaarden van Simei de Eamathiet; maar over hetgeen dat van de wijnstokken kwam tot^ de schatten des wij na was Zabdi de Silirnet. 28 En over de olijfgaarden en de wilde vijgeboomen die in de laagte waren was Baiilhanan de Gederiet; maar Joas was over de schatten der olie. 29 En over de mnderen die in Saron weidden was Sitrai de Sa-roniet; maar over de runderen in de laagten was Safat, de zoon van Adlai. 30 En over de kemelen was Obil de Ismaëliet: en over de ezelinnen van Jehdeja de Me-ronothiet. 31 En over het kleine vee was Jaziz de Hagariet. Alle dezen waren oversten over de have die de Koning David had. 32 En Jonathan, Davids oom. waa raad, een verstandig man, hij was ook schrijver; Jehiël nu, de zoon van Hachmoni, was bij de zonen des Konings. 33 En Achithófel was raad des Konings; en Hnsai de Arkiet was des Konings vriend. 34 En na Achithófel was Jojada, de zoon van Benaja,en Abjaihar; maar Joab was des Konings krijgsoverste. HOOFDSTUK 28. Toen vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten der stammen en de oversten derafdeelingen, den Koning dienende, en de oversten der duizenden en de oversten der honderden, en de oversten van alle have en vee des Konings en zijner zonen, met de kamerlingen en de helden, ja, allen kloeken held. |
2 En de Koning David stond op zijne voeten, en hij zeide: Hoort mij, mijne broeders en mijn volk. Ik had in mijn hart een Huis der ruste voor de Ark des verbond des Heeren te bouwen en voor de voetbank der voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. 3 Maar God heeft tot mij gezegd: Gij zult mijnen Name geen Huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en gij hebt veel bloed vergoten. 4 Nu heeft mij de Heere de God Israëls verkoren uit mijns vaders gansche huis, dat ik tot Koning over Israël wezen zoude in eeuwigheid; want hij heeft Juda tot eenen voorganger verkoren, en mijns vaders huis in het huis van Juda: en onder de zonen mijns vaders heeft hij een welgevallen aan mij gehad, dat hij mij ten Koning maakte over gansch Israël. 5 En uit alle mijne zonen (want de Heere heeft mij vele zonen gegeven) zoo heeft hij mijnen zoon Salomo verkoren, dat hij zitten zoude op den stoel dea Koninkrijks des Heeren over Israël. 6 En hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal mijn Huis en mijne voorhoven bouwen; want ik heb hem mij uitverkoren tot eenen zoon, en ik zal hem tot een vader zijn; 7 en ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid, indien hij sterk wezer. zal om mijne geboden en mijne rechten te doen, gelijk te dezen dage. 8 Nu dan, voor de oogen dea ganschen Israëis, der gemeente des Heeren, en voor de ooren onzes Gods, houdt en zoekt alle de geboden des Heeren uws Gods; opdat gijlieden dat goede land erfelijk bezit en uwe kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven. 9 En gij, mijn zoon Salomo, ken den God mvs vaders, en dien hem met een volkomen harteen met eene willige ziele; want da |
â
â
1 KRONIEKEN 29.
521
|
Heere doorzoekt alle harten, en hij verstaat al het gedichtsel der gedachten: indien gij hem zoekt, hij zal van u gevonden worden; maar indien gij hem verlaat, hij zal ii tot in eeuwigheid verstoeten. 10 Zie nu toe, want de Heere heeft u verkoren dat gij een Huis ten heiligdom bouwt: wees sterk en doe het. 11 En David gaf zijnen zoon Salomo een voorbeeld van het voorhuis, met zijne behuizingen en zijne schatkameren en zijne opperzalen en zijne binnenka-meren, en van het huis des verzoendeksels ; 12 en een voorbeeld van alles dat bij hem door den Geest was, namelijk van de voorhoven des Huizes des Heerex, en van alle kameren rondom, tot de schatten des Huizes Gods en tot de schatten der heilige dingen; 13 en van de afdeelingen der Priesteren en derLeviten, en van alle werk van den dienst van het Huis des Heeren, en van alle vaten van den dienst van het Huis des Heeren. 14 Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle vaten van eiken dienst; ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewicht, tot alle de vaten van eiken dienst; 15 en het gewicht tot de gouden kandelaars, en hunne gouden lampen, naar het gewicht eens iegelijken kandelaars en zijner lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht eens kandelaars en zijner lampen, naar den dienst eens iegelijken kandelaars. 16 Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen der toerichting, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafelen; 17 en louter goud tot de krauwden en tot de sprengbekkens, en tot de schotels; en tot gouden bekers, het gewicht tot eiken beker; desgelijks tot zilveren bekers, tot eiken beker het gewicht; 18 en tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld des wagens, te weten der cherubs, die de vleugels zouden uitbreiden en de Arke des verbonds des Heerex over-dekkem |
19 Dit alles heeft men mij, zeide David bij geschrifte te verstaan gegeven van de hand des Heeren, te toeten alle de werken van dit voorbeeld. ^ 20 En David zeide tot zijnen zoon Salomo: Wees sterk en heb goeden moed, en doe het, n rees niet en weesnietverslagen;want de Heere God, mijn God, zal met u zijn, hij zal u niet begeven en hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk ten dienste des Huizes des Heeren zult volbracht hebben. 21 En zie, daar zijn de afdeelin-gen der Priesteren en der Levi-ten, tot allen dienst, des Huizes Gods; en bij u zijn tot allen werko allerlei vrij willigen, met wijsheid tot allen dienst, ook de Vorsten en het gansche volk, bereid tot alle uwe bevelen. HOOFDSTUK 29. Voorts zeide de Koning David tot de gansche gemeente: God heeft mijnen zoon Salomo alleen verkoren, een jongeling en teeder: dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor eenen mensch, maar voor God den Heere. 2 Ik nu heb uit al mijne kracht bereid tot het Huis mijns Gods, goud tot gouden, en zilver tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten tcerken, sardonyxsteenen ew vervullende *teenen, versierstee-nen en borduursel, en allerlei kostelijke steenen en marmer-steenen in menigte. 3 En daartoe, uit mijn welgevallen tot liet Huis mijns Gods, het bijzonder goud en zilver dat ik heb, geve ik tot het Huis mijns Gods daarenboven, behalve al dat ik voor het Huis des heiligdoms bereid heb: 4 drieduizend talenten gouds, van het goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterden zil-vers, om de wanden der huizen te overtrekken; |
17*
|
522 1 KEON] 5 gond tot de gouden, en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle â¢werk, door de hand der -werk-ineesteren te maken. En wie is er willig heden zijne hand den Heere te vullen? G Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen, en de oversten der stammen Israels, en de oversten van het werk des Konings; 7 en zii gaven, ten dienste des Hnizes Grods, vijfduizend talenten gouds, en tienduizend drachmen, en tienduizend talenten zilvers, en achttienduizend talenten kopers, en honderdduizend talenten ijzers; 8 en bij wien steenen gevonden werden, die gaven zij in den schat des Huizes des Heeren, onder de hand Jehiëls des Gersoniets. 9 En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen harte den Heere vrijwillig; en de Koning David verblijdde zich óók met groote blijdschap. 10 Daarom loofde David den Heere voor de oogen dergansche gemeente, en David zeide: Geloofd zijt gij, Heere God onzes voders Israels, van eeuwigheid tot. in eeuwigheid. 11 Uwe, o Heere, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want alles wat in den hemel en op de aarde is is mee: uwe, o Heere, is het koninkrijk, en gij hebt u verhoogd tot een Hoofd boven alles. 12 En rijkdom en eere zijn voor uw aangezicht, en gij heerscht over alles; en in uwe hand is kracht en macht, ook staat het in uwe hand alles groot te maken en sterk te maken. 13 Nu dan, onze God, wij danken u, en loven den naam uwer heerlijkheid. 14 Want wie ben ik en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden _ verkregen hebben^ om vrijwillig te geven, als dit is? quot;Want het is alle« van u, en wij geven het u uit uwe hand; 15 want wij zijn vreemdelingen en by woners voor uw aangezicht, |
EKEN 29. gelijk alle onze vaders: onze dogen op aarde zijn als eene schaduw en daar is geen verwachting. 16 Heere onze God, al deze menigte die wij bereid hebben om u een Huis te bouwen den name uwer heiligheid, dat is van uwe hand, en het is al uwe. 17 En ik weet, mijn God, dat gij het harte proeft, en dat gij een welgevallen hebt aa% opreditig-heden: ik heb in oprechtigheid mijns harten alle deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde uw volk dat hier bevonden wordt gezien, dat het zich jegens u vrij willig gedragen heeft. 18 O Heere, gij God onzer vaderen Abrahams, Isaiiks en Is-raëls, bewaar dit in eeuwigheid in den zin der gedachten des harten uws volks, en richt hun harte tot u. 19 En geefmijnen zone Salomo een volkomen harte, om te houden uwe geboden, uwe getuigenissen en uwe inzettingen, en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen hetwelk ik bereid heb. 20 Daarna zeide David tot de gansehe gemeente: Looft nu den Heere uwen God. Toen loofde de gansehe gemeente den Heere den God hunner vaderen, en zij neigden het hoofd en zij bogen zich neder voor den Heere en voor den Koning; 21 en zij o tierden den Heere slachtofferen, ook offerden zij den Heere branclolferen, des anderen morgens van dien dag, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, met hunne drankofferen, en slachtofferen in menigte voor gansch Israël. 22 En zij aten en dronken te dien dage voor het aangezicht des Heeren met groote vreugde, en zij maakten Salomo, den zoon Davids, ten anderen male Koning, en zij zalfden hem den Heere tot Voorganger, en Zadok tot Priester. 23 Al zoo zat Salomo op den troon des Heeren, als Koning in zijns vaders Davids plaatse; |
2 KRONIEKEN 1.
523
|
en hij was voorspoedig, en gansch Israël hoorde naar hem; 24 en alle de Vorsten en helden, ja, ook alle de zonen des Konings Davids, gaven de hand dat zij onder den Koning Salomo zijn zonden. 25 En de Heere maakte Salomo groot ten hoogste voor de oogen van gansch Israël, en hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zoodanige aan geen en Koning van Israël voor hem geweest is. 26 Zoo heeft dan David, de zoon van Isai, geregeerd over gansch Israël. 27 De dagen nn die hij geregeerd heeft over Israël zijn veertig jaar: te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drieëndertig. ^ |
28 En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eere; en zijn zoon Salomo regeerde in zijne plaats. 29 De geschiedenissen nu des Konings Davids, de eerste en de laatste, zie, die zijn geschreven in de geschiedenissen Samuëls des zieners, en in de geschiedenissen des Profeten Nathans, en in de geschiedenissen Gads des zieners: 30 met al zijn koninkrijk en zijne macht, en de tijden die over hem verloopen zijn, en over Israël, en over alle de koninkrijken der landen. |
HET TWEEDE BOEK
DEU
KRONIEKEN.
|
HOOFDSTUK 1. En Salomo, de zoon Davids, werd versterkt in zijn koninkrijk, want de Heere zijn God was met hem en maakte hem ten hoogste .groot. 2 En Salomo sprak tot het gan-sche Israël, tot de oversten der duizenden en der honderden, en tot de richteren, en tot alle Vorsten in gansch Israël, de hoofden der vaderen; 3 en zij gingen henen, Salomo en de gansche gemeente met hem, naar de hoogte die te Gibeon was; want daar was de Tent der samenkomst Gods, dieMozes, de knecht des Heeren, in de woestijn gemaakt had. 4 (Maar de Ark Gods had David van Kirjath-Jearim opgebracht naar de plaats die David voor haar bereid had; want hij had voor haar eene tent te Jeruzalem gespannen.) |
5 Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar voor den Tabernakel des Heeren. Salomo nu en de gemeente bezochten denzelven; 6 en Salomo offerde daar voor het aangezicht des Heeren, op liet koperen altaar dat aan de Tent der samenkomst was, en.hij offerde daarop duizend brand-offeren. 7 In dienzelfden nacht verscheen God aan Salomo, en hij zeide tot hem: Begeer wat ik u geven zal. 8 En Salomo zeide tot God: Gij hebt aan mijnen vader David groote weldadigheid gedaan, en gij hebt mij Koning gemaakt in zijne plaats: 9 nu Heere God. laat uw woord |
|
524 2 KPwON waar worden, gedaan aan mijnen vader David; want gij liebt mij Koning geraaakt over een volk, menigvuldig als het stof der aarde: 10 geef mij nu wijsheiden we-tenschap, dat ik voor het aangezicht dezes volks uitga en inga; want wie zoude dit uw groot volk kunnen richten? 11 Toen zeide God tot Salomo: Daarom dat dit in uw harte geweest is, en gij niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eere, noch do ziel uwer haters, noch ook vele dagen begeerd hebt, maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat gij mijn volk mocht richten waarover ik u Koning gemaakt heb,â 12 de wijsheid en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal ik u rijkdom en goederen en eere geven, zooals geene Koningen die vóór u geweest zijn gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn. 13 Alzoo kwam Salomo te Je-.ruzalem, van de hoogte die te Gibeon is, van voor de Tent der samenkomst; en hij regeerde over Israël. 14 En Salomo vergaderde wagens en ruiters, zoodat hij duizend en vierhonderd wagenen en twaalfduizend ruiteren had; en hij leide ze in de wagensteden, en bij den Koning te Jeruzalem. 15 En de Koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als steenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijge-boomen, die in de laagte zijn, in menigte. 16 En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had ; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des Konings namen het linnen garen voor den priis. 17 En zij brachten op, en voerden eenen wagen uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor een honderd en vijftig; en alzóó voerden zij die door _ hunne hand uit voor alle Koningen der Hethiten en voor de Koningen van Syrië. |
[EKEN 2. HOOFDSTUK 2. Salomo nu dacht voor den naam des Heeren een Huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk. 2 En Salomo telde zeventigduizend lastdragende mannen, en tachtigduizend mannen die houwen zouden in het gebergte, mitsgaders drieduizend en zeshonderd opzieners over dezelve. 3 En Salomo zond tot llirarn, den Koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij met mijnen vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zoo doe ook met mij. 4 Zie, ik zal een Huis voor den naam des Heeren mijns Gods bouwen, om hem te heiligen, om reukwerk der welriekende specerijen voor zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting des gedurigen broods, en voorde brandoiferen des morgens en des avonds, op de sabbaten en op de nieuwe maanden en op de gezette hoogtijden des Heeren onzes Gods, hetwelk voor eeuwig is in Israel. 5 En het Huis dat ik zal bouwen zal groot zijn; want onze God is grooter dan alle goden. G Doch wie zoude de kracht hebben om voor^ hem een Huis te bouwen, dewijl de hemelen, ja, de hemel der hemelen, hem niet bevatten zouden? En wie ben ik dat ik voor hem een Huis zoude bouwen, dan alleen om reukwerk voor zijn aangezicht aan te steken? 7 Zoo zend mij nu eenen wijzen man, om te werken in goud en in zilver en in koper en in ijzer en in purper en karmozijn en hemelsblauw, en die weet gra veersel en te graveeren, met d© wijzen die bij mij zijn in Jnda en in Jeruzalem, die mijnv.viV David beschikt heeft. 8 Zend mij ook cederen-, dennen- en algummimhout uit den Libanon, want ik weet dat uwe knechten het hout van den Libanon weten te houwen; en zie, |
2 KRONIEKEN 3.
523
|
mijne knechten zullen met uwe knechten zijn; 9 en dat om mij hout in menigte te bereiden, want het Huis dat ik zal bouwen zal groot en wonderlijk zijn: 10 En zie, ik zal aan uwe knechten, de houwers die liet hout houwen, twintigduizend kor uitgeslagen tarwe en twintigduizend kor gerst geven; daartoe twiDtig-duizend bath wiju en twintigduizend bath olie. 11. Hiram nu, de Koning van Tyrus, antwoordde door schrift, en zond tot Salomo: Daarom dat de Heere zijn volk liefheeft, heeft hij u over hen tot Koning gesteld. 12 Voorts zeide Hiram: Geloofd zij de Heere de God Israels, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, dat hij den Koning David eenen wijzen zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een Huis voor den Heere en een huis voor zijn koninkrijkbouwe. 13 Zoo zend ik nu eenen wijzen man, ^ kloek van verstand, Hiram Abi, 14 den zoon eener vrouw uit de dochteren van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud en in zilver, in koper, in ijzer, in steenen en in hout, in purper, in hemelsblauw en in lijn linnen en in karmozijn, en om alie graveersel te graveeren, en om te bedenken allen vernuf-tigen vond die hem zal voorgesteld worden, met uwe wijzen en de wijzen mijns heeren uws vaders Davids. 15 Zoo zende nu mijn heer aan zijne knechten de ai-we en de gerst, de olie en den wijn waarvan hij gesproken heeft; 16 en wij zullen hout houwen uit den Libanon, naar al uwe nooddruft, en zullen het tot u met vlotten over de zee naar Jafo brengen, en gij zult het laten ophalen naar Jeruzalem. |
17 En Salomo telde alle de vreemde mannen die in het land Israële waren, achtervolgens de telling met dewelke zijn vader David die geteld had, en er werden gevonden honderd en drieën-vijftigduizend en zeshonderd; 18 en hij maakte uit dezelve zeventigduizend lastdragers, en tachtigduizend houwers in het gebergte, mitsgaders drieduizend en zeshonderd opzieners om het volk te doen arbeiden. HOOFDSTUK 3. En Salomo begon het Huif? des Heeren te bouwen te Jeruzalem, op den berg Moria, die zijnen vader David gewezen was, in de plaats die David toebereid had, op den dorschvloer Ornans des Jebusiets. 2 Hij begon nu te bouwen in de tweede maand op den tweeden dag in het vierde jaar zijns ko-ninkrijks. 3 En deze zijn de grondleggingen van Salomo om het Huis Gods te bouwen : de lengte in ellen naar de eerste maat was zestig ellen, en de breedte twintig ellen. 4 Eu het voorhuis, hetwelk vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twinti* hetwelk hij van binnen overtrok me: louter goud. 5 Het groote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna over-toog hij dat met goed goud, en hij maakte daarop palmen en ketenwerk. 6 Hij overtoog ook het huis met kostelijke steenen tot versiering : het goud nu was goud van Parvaïm. 7 Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden. 8 Voorts maakte hij het huis van het Heilige der Heiligen, welks lengte, naar de breedte van het huis, was twintig ellen, en de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtoog dat met goed goud, tot zeshonderd talenten; ö en het gewicht der nageleu |
2 KRONIEKEN 4.
526
|
was tot vijftig sikkelen gouds. | En hij overtoog de opperzalen | met goud. , i 10 Ook maakte hij, in het huis j van het Heilige der Heiligen, : twee cherubs van beeldhouw- [ werk, en hij overtoog die met , goud. 11 Aangaande de vleugelen ' der cherubs, hunne lengte was | twintig ellen: des éénen vleugel | was van vijf ellen, rakende aan | den wand van het huis, en de i andere vleugel van vijf ellen, i rakende aan~ den vleugel des | anderen cherubs; 12 insgelijks was de vleugel dea anderen cherubs van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis, en de andere ; vleugel van vijf ellen, klevende aan den vleugel des anderen cherubs: 13 de vleugels dezer cherubs spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hunne voeten, en hunne aangezichten, waren huiswaarts. 14 Hij maakte ook den voor- 1 hang van hemelsblauw ea purper en karmozijn en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop. 15 Nog maakte hij vóór het ; huis twee pilaren, van vijfendertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd j was, was van vijf ellen. 16 Ook maakte hij ketenen, | als in de Aanspraakplaats, en i hij zette ze op de hoofden der pilaren; daartoe maakte hij hon- ! derd granaatappelen, en zette ze tusschen de ketenen. 17 En hij richtte de pilaren ! op vóór aan den Tempel, éénen ; ter rechterhand en éénen ter j linkerhand; en hij noemde den naam van den rechter Jachin, en den naam van den linker Boaz. HOOFDSTUK 4. Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijne lengte, en twintig ellen in zijne breedte, en tien ellen in zijne hoogte. |
2 Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien- ellen was zij van haren éénen rand tot haren anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in hare hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. 3 Onder dezelve nu was de gelijkenis van runderen, rondom henen die omsingelende, tien in eene el, omringende de zee rondom: twee rijen dezer runderen waren in hare gieting gegoten. 4 Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het Noorden, en drie ziende naar het Westen, en drie ziende naar het Zuiden, en drie ziende naar het Oosten, en de zee was boven op dezelve; en alle hunne achterdeelen waren binnenwaarts. 5 Hare dikte nu was eene hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of eener leliebloem, bevattende vele bathen: zij hield drieduizend. G En hij maakte tien wasch-vaten, en stelde er vijf ter rechter- en vijf ter linkerhand, om daarin te wasschen: wat ten brandoffer behoort staken zij daarin, maar de zee was opdat de Priesteren zich daarin zouden wasschen. 7 Hij maakte ook tien gouden kandelaren, naar hunne wijze, en hij stelde ze in den Tempel, vijf aan de rechterhand en vijf aan de linkerhand. 8 Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze in den Tempel, vijf aan^ de rechterhand en vijf aan de linkerhand: en hij maakte honderd gouden sprengbek-kens. 9 Voorts maakte hij het voorhof der Priesteren, en het groote voorhof, mitsgaders de deuren voor het voorhof, en overtoog hunne deuren met koper. 10 De zee nu zette hij aan de rechterzijde, naar het Oosten, tegenover het Zuiden. 11 Daarbij maakte Hiram de potten, en de schoüelen, en de sprengbekkens. Alzoo voleindigde Hiram het werk te maken, |
.
|
2 K R O N ] dat liij voor den Koning Salomo aa?i het Huis Gods maakte: 12 De twee pilaren, en de bollen, en de twee kapiteelen op het hoofd der pilaren, en de twee netten om de twee bollen der kapiteelen te bedekken die op het hoofd der pilaren waren, 13 en de vierhonderd granaatappelen voor de twee netten, twee rijen van granaatappelen voor elk net, om de twee bollen der kapiteelen te bedekken, die boven op de pilaren waren; 14 hij maakte ook de stellingen, en de waschvaten maakte hij op de stellingen; 45 ééne zee, en de twaalf runderen daaronder; 1G insgelijks ae potten, en de schoffelen, en de krauwelen, en alle hunne vaten, maakte Hiram Abi voor den Koning Salomo voor het Huis des Heeren, ran gepolijst koper. 17 In de vlakte van den Jor-daan goot ze de Koning, in dichte aarde, tusschen Sukkoth en tusschen Zeredatha. 18 En Salomo maakte alle deze vaten in^ groote menigte; want Let gewicht des kopers werd niet onderzocht. 19 Ook maakte Salomo alle vaten die voor het Huis Gods varen, en het gouden altaar, en de tafelen waarop de toonbroo-den zijn; 20 en de kandelaren met hunne lampen van gesloten goud, om die naar de wijze aan te steken, vóór de Aanspraakplaats; 21 en de bloemen en de lampen en de snuiters van goud: het was het volmaakste goud; 22 mitsgaders de gaffelen en de sprengbekkens en dc rook-echalen en de wierookvaten van gesloten goud; aangaande den ingang van het huis, zijne binnenste deuren, van het Heilige der Heiligen, en de deuren van het Huis des Tempels, waren van goud. HOOFDSTUK 5. Alzoo werd al het werk volbracht dat Salomo aan het Huis |
EKEN 5. 527 des Heeren maakte. Daarna bracht Salomo de geheilige dingen zijns vaders Davids, en het zilver en het goud en alle de vaten leide hij onder de schatten van het Huis Gods. 2 Toen vergaderde Salomo de oudsten Israels en alle de hoofden der stammen, de oversten der vaderen onder de kinderen Israëls, te Jeruzalem, om de Ark des verbonds des Heeren op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion. 3 En alle mannen Israëls verzamelden zich tot den Koning op het feest, hetwelk was in de zevende maand. 4 En alle de oudsten Israëls kwamen, en de Leviten namen de Ark op, 5 en zij brachten de Ark en de Tent der samenkomst opwaarts, mitsgaders alle de heilige vaten die in de Tent waren, deze brachten de Priesters en Leviten opwaarts. 6 De Koning Salomo nu en de gansche vergadering Israëls, die bij hem vergaderd waren vóór de Ark, offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden. 7 Alzoo brachten de Priesters de Ark des verbonds des Heeren tot hare plaatse, tot de Aanspraakplaats van het Huis, tot het Heilige der Heiligen, tot onder de vleugelen der cherubs. 8 Want de cherubs spreidden de beide vleugelen over de plaats der Ark, en de cherubs overdekten de Ark en hare hand-boomen van boven. 9 Daarna schoven zij de hand-boomen verder uit, dat de hoofden der handboomen gezien werden uit de Ark vóóraan de Aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar tot op dezen dag. 10 Daar was niets in de Ark dan alleen de twee tafelen dieMozes bij Horeb daarin gedaan had, als de Heere een verhond maakte met de kinderen Israëls, toen zy uit Egypte uitgetogen waren. |
|
528 2 KROÃT 11 En Uet geschiedde als de Priesters uit net Heilige uitgingen, (want alle de Priesters die gevonden werden hadden zich geheiligd, zonder de verdeelingen te houden, 12 en de Levi ten die zangers waren van hen allen, van Asaf, van Heman, van Jeduthun, en van hunne zonen en van hunne broederen, in fijn linnen gekleed, met cynibalen en met luiten en harpen, stonden tegen het oosten des altaats, en^ met hen tot honderd en twintig Priesteren toe, trompettende met trompetten) : 13 het geschiedde dan als zij eenpariglijk trompetteden en zongen, om eene eenparige stemme te laten hooren, prijzende en lovende den Heere, en als zij de stemme verhieven met trompetten en met cymbalen en andere muziekinstrumenten, en als zij den Heeue prezen dat hij goed is, dat zijne weldadigheid is tot in eeuwigheid: zoo werd het Huis met eene wolk vervuld, namelijk het Huis des Heeren; 14 en de Priesters konden vanwege die wolk niet staan om te dienen; want de Heerlijkheid des IJzeren had het Huis Gods vervuld. HOOFDSTUK 6. Toen zeide Salomo: De Heere heeft gezegd dat hij in de donkerheid zoude wonen: 2 en ik heb u een Huis ter woonstede gebouwd, en oene vaste plaatse tot uwe eeuwige woning. 3 Daarna wendde de Koning zijn aangezicht om, en zegende de gansche gemeente Israels; en de gansche gemeente Israels stond. 4 Eu hij zeide: Gelooid zij de Heere de God Israels, die met zijnen mond tot mijnen vader David gesproken heeft, en heeft het met zijne handen vervuld, zeggende: 5 Van dien dag aan dat ik mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb ik geene stad verkoren uit alle stammen Is- |
EKEN 6. raëls om een Huis te bouwen, dat mijn naam daar zoude wezen, en geenen man verkoren om een voorganger te zijn over mijn volk Israël; G maar ik heb Jeruzalem verkoren dat mijn naam daar zoude wezen, en ik heb David verkoren dat hij over mijn volk Israël wezen zoude. 7 Het was ook in het harte mijns vaders Davids, een Huis te bouwen den Name des Heeken des Gods Israels; 8 maar de Heere zeide tot mijnen vader David: Dewijl dat in uw harte geweest is, mijnen Name een Huis te bouwen, gij hebt wel gedaan dat het in uw harte geweest is: 9 evenwel gij zult dat Huis niet bouwen, maar uw zoon die uit uwe lendenen voortkomen zal, die zal mijnen Name dat Huis bouwen. 10 Zoo heeft de Heere zijn woord bevestigd dat hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats mijns vaders Davids, en ik zit op den troon Israëls, gelijk als de Heere gesproken heeft, en ik heb een Huis gebouwd den Name des Heeren des Gods Israëls; 11 en ik heb daar de Ark gesteld, waarin het verbond des Heeren is hetwelk hij maakte met de kinderen Israëls. 12 En hij stond vóór het altaar des Heeren, tegenover de gansche gemeente Israëls, en hij breidde zijne handen uit; 13 (want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden des voorhofs, zijnde vijf ellen in zijne lengte, en vijf ellen in zijne breedte, en drie ellen in zijne hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijne knieën voor de gansche gemeente Israëls, en breidde zijne handen uit naar den hemel); 14 en hij zeide: Heere God Israëls, daar is geen God gelijk gij in den hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid uwen knechten. |
|
2 KRONI die voor uw aangezicht met hun gansche harte wandelen: 15 die nwen knecht mijnen vader David, gehouden hebt dat gij tot hem gesproken liadt; want met uwen mond hebt gij gesproken en met uwe hand vervuld, gelijk het te djzen dage is. 1G En nu, Heere God Israëls, houd uwen knecht, mijnen vader David, wat gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor mijn aangezicht afgesneden worden die zitte op den troon Israëls: alleenlijk zoo uwe zonen hunnen weg bewaren, om te wandelen in mijne wet, gelijk als gij gewandeld hebt voor mijn aangezicht. 17 Nu dan, o Heere God Israëls, laat uw woord waar worden, hetwelk gij gesproken hebt tot uwen knecht, tot David. 18 Maar waarlijk, zoude God bij de menschen op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden u niet bevatten, hoeveel te min dit Huis dat ik gebouwd heb! 19 Wend u nochtans tot het gebed uws knechts en tot zijne smeeking, o Heere mijn God, om te hooren naar het geroep en naar het gebed^ dat uw knecht voor uw aangezicht bidt. 20 Dat uwe oogen open zijn dag en nacht over dit Huis, over de plaats, van dewelke gij gezegd hebt uwen naam daar te zullen zetten; om te hooren naar het gebed hetwelk uw knecht bidden zal in deze plaats. 21 Hoor dan naar desmeekin- Ãen uws knechts en uws volks sraëls, die in deze plaats zullen bidden; en hoor gij uit de plaats uwer woning, uit den hemel, ja, hoor en vergeef.en uws knechts en uws volks sraëls, die in deze plaats zullen bidden; en hoor gij uit de plaats uwer woning, uit den hemel, ja, hoor en vergeef. 22 Wanneer iemand tegen zijnen naaste zal gezondigd hebben, en die hem eenen eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zich zeiven te vervloeken, en de eed des vloeks voor uw altaar in dit Huis komen zal, â 23 hoor gij dan uit den hemel, en doe, en richt uwe knechten, |
EKEN 6. 529 vergeldende den goddelooze, gevende zijnen weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den rechtvaardige, gevende hem naar zijne gerechtigheid. 24 Wanneer ook uw volk Israël voor het aangezicht des vij-ands zal geslagen worden, omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij zich bekeeren, en uwen naam belijden, en voor uw aangezicht in dit Huis bidden en smeeken zullen, â 25 hoor gij dan uit den hemel, en vergeef de zonde uws volks Israëls, en breng ze weder in het land dat gij hun en hunnen vaderen gegeven hebt. 2ü Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij in deze plaats bidden en uwen name belijden en van hunne zonden zich bekeeren zullen, als gij hen geplaagd zult hebben,â 27 hoor gij dan in den hemels en vergeef de zonde uwer knechten en uws volks Israëls, als gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwelken zij wandelen zullen, en geef regen op uw land, dat gij uw volk tot eene erfenis gegeven hebt. 28 Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zuilenhals iemand van zijne vijanden in het land zijner poorten hem belegeren zal, of er eenige plage of eenige krankheid wezen zal; 29 alle gebed, alle smeeking, die van eenig mensch of van al uw volk Israël geschieden zal;, als zij erkennen een ieder zij no plage en zijne smarte en een ieder zijne handen in dit Huis uitbreiden zal, â 30 hoor gij dan uit den hemel, de vaste plaats uwer woning, en vergeef, en geef eenen iegel ijken naar alle zijne wegen, gelijk gij zijn harte kent, want gij alleen kent het harte van de kinderen der menschen; 31 opdat zij u vreezen, om te |
|
1530 2 KRON; wandelen in uwe wegen, alle de dagen die zij leven zullen op het land dat gij onzen vaderen gegeven hebt. 32 Zelfs ook aangaande den vreemde, die van uw volk Israël niet zijn zal, maar uit verren lande om uws grooten Naams en uwer sterke hand en uws uitge-etrekten arms wille, komen zal; als zij komen en bidden zullen in dit Huis, â 33 hoor gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot u roepen zal; opdat alle volkeren der aarde uwen naam kennen, zoo om u te vreezen gelijk uw volk Israël, als om te weten dat uw Naam genaamd wordt over dit Huis hetwelk ik gebouwd heb. 34 quot;Wanneer uw volk in den krijg tegen zijne vijanden uittrekken zal door den weg dien gij ze henenzenden zult, en zij zullen tot u bidden, naar den weg dezer étad die gij verkoren hebt en naar dit Huis hetwelk ik uwen Naam gebouwd heb, â 35 hoor dan uit den hemel hun gebed en hunne^ smeeking, en voer hun recht uit. 36 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen u (want geen mensch is er die niet zondigt), en gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijande, dat degenen die hen gevangen hebben hen gevankelijk wegvoeren in een land dat ver of nabij is, 37 en zij in het land waarhenen zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun harte brengen zullen, dat zij zich bekee-ren, en tot u smeeken in het land hunner gevangenschap, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan en godde-looslijk gehandeld; 38 en zij zich tot u bekeeren met hun gansche harte en met hunne gansche ziele in het land hunner gevangenschap waarheen zij hen gevankelijk weggevoerd hebben, en bidden zullen naar den weg van hun land dat gij |
EKEN 7. hunnen vaderen gegeven hebt, en naar deze stad die gij verkoren hebt, en naar dit Huis dat ik uwen Name gebouwd heb, â 39 hoor dan uit den hemel, uit de vaste plaats uwer woning, hun gebed en hunne smeekingen, en voer hun recht uit, en vergeef uwen volke wat zij tegen u gezondigd zullen hebben. 40 Nu, mijn God, laat toch uwe oogen open en uwe ooren opmerkende zijn tot het gebed dezer plaatse. 41 En nu, Heere God, maak u op tot uwe ruste,gij en de Ark uwer kracht; laat uwe Priesters, Heere God, met heil bekleed worden, en laat uwe gunstgenoo-ten over het goede blijde zijn. 42 O Heere God, wend het aangezicht uws Gezalfden niet af; gedenk der weldadigheden Davids uws knechts. HOOFDSTUK 7. Als nu Salomo voleindigd had te bidden, zoo daalde het vuur van den hemel en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de Heerlijkheid des Heeren vervulde het Huis. 2 En de Priesteren konden niet ingaan in het Huis des Heeren; want de Heerlijkheid des Heeren had het Huis des Heeren vervuld. 3 En als alle de kinderen Israels dat vuur zagen afdalen, en de Heerlijkheid des Heeren over het Huis, zoo bukten zij met hun aangezicht ter aarde op den vloer, en aanbaden en loofden den Heere dat hij goed is, dat zijne weldadigheid is tot in eeuwigheid. 4 De Koning nu en al het volk otferden slachtofferen voor het aangezicht des Heeren, 5 en de Koning Salomo offerde slachtofferen van runderen tweeëntwintigduizend, en van schapen honderdtwintigduizend: al-zoo hebben de Koning en het gansche volk het Huis Gods ingewijd. 6 Ook stonden de Priesters in hunne wachten, en de Leviten met de muziekinstrumenten dee |
2 KRONIEKEN 8.
531
|
Heeren, die de Koning David gemaakt had om den Heere te loven, dat zijne weldadigheid is in eeuwigheid, als David door hunnen dienst hem prees; en de Priesters trompetteden tegenover hen, en gansch Israël stond. 7 En Salomo heiligde het middelste des voorhofs hetwelk vóór het Huis dee Heeren was, dewijl hij daar de brandofferen en het vette der dankofferen bereid had; want het koperen altaar dat Salomo gemaakt had kon het brand-offer en het spijsoffer en het vet niet bevatten.^ 8 Salomo hield ook terzelfder tijd het feest zeven dagen, en gansch Israël met hem, eene zeer grootc gemeente, van den ingang of van Hamath tot de rivier van Egypte. _ 9 En ten achtsten dage hielden zij eenen verbodsdag; want zij hielden de inwijding des air,aars zeven dagen, en het feest zeven dagen. 1U Doch op den drieëntwintigsten dag der zevende maand liet hij het volk gaan naar hunne hutten, blijde en goedsmoeds over het goede dat de Heere David en Salomo en zijn volk Israël gedaan had. 11 Alzoo voltooide Salomo liet Huis des Heerex en het huis des Konings; en al wat in Salonio's harte gekomen was, om in het Huis des Heeren en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoe-diglijk uit.. 12 En de Heere verscheen Salomo des nachts, en hij zeide tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb mij deze plaats verkoren tot een otferhuis. 13 Zoo ik den hemel toesluit dat er geen regen zij, of zoo ik de sprinkhanen gebied het land te verteren, of zoo ik pest onder mijn volk zend, 14 en mijn volk, zij over dewelke mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigen en bidden, en mijn aangezicht zoeken, en zich bekeeren van hunne booze wegen: zoo zal ik uit den hemel faooren, en hunne zonden vergeven, en hun land genezen. |
15 Nu zullen mijne oogen open zijn en mijne ooren opmerkende op het gebed dezer plaatse. 16 Want ik heb nu dit Huis verkoren en geheiligd, opdat mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid, en mijne oogen en mijn hart zullen daar te allen dage zijn. 17 En u aangaande, zoo gij voor mijn aangezicht wandelen zult gelijk als uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles dat ik u geboden heb, en mijne inzettingen en mijne rechten houden zult: 18 zoo zal ik den troon uvt koninkrijks bevestigen, gelijk als ik een verhond met uwen vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden die in Israël heersche. 19 Maar zoo gijlieden uafkee-ren zult, en mijne inzettingen en mijne geboden, die ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en henengaan en andere goden dienen en u voor die nederbui-gen zult: 20 zoo zal ik ze uitrukken uit mijn land dat ik hun gegeven heb, en dit Huis dat ik mijnen Naam geheiligd heb zal ik van mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volkeren maken. 21 En dit Huis dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder die voorbijgaat ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft de Heere dezen lande en dezen huize alzóó gedaan ? 22 En men zal zeggen: Omdat zij den Heere, hunner vaderen God, verlaten hebben, die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden en zich voor dezelve nedergebogen en die gediend, daarom heeft hij al dat kwaad over hen gebracht. HOOFDSTUK 8. Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke |
|
532 2 KRON: Salomo het Huis des Heeren en zijn huis gebouwd had, 2 dat Salomo de steden welke Hirara hem gegeven had bouwde, nn de kinderen Israels aldaar deed wonen. ?gt; Daarna toog Salomo naar Hamath-Zoba, en hij oa-erwel-digde ze. 4 Hij bouwde ook Tadmor in de woestijn, en alle de schatste-den die hij bouwde in Hamath. 5 Ook bouwde hij het hooge Beth-Horon en neder Beth-ïloron, ⢠vaste steden met muren, deuren en grendelen; ü mitsgaders IBoalath, en alle de sehatsteden die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden der rui teren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het gansche land zijner heerschappij. 7 Aangaande al het volk dat overgebleven was van de Hethi-ten en de Amoriten en de Fe-reziten en de Heviten en deJe-busiten, die niet uit Israël waren: 8 uit hunne kinderen die na hen inliet land overgebleven waren, welkede kinderen Israels niet verdaan hadden, die bracht Salomo opuitschot, tot op dezen dag. 9 Doch uit de kinderen Israels, die Salomo niet maakte tot slaven in zijn werk (want zij waren krijgslieden, en oversten zijner hoofdlieden, en oversten zijner wagenen en ziiner ruiteren), 10 uit deze dan waren oversten der bestelden die de Koning Salomo had, tweehonderd en vijftig, die overliet volk heerschappij hadden. 11 Salomo nu deed de dochter Farao's opkomen uit de stad Davids tot het huis dat hij voor haar gebouwd had, want hij zei-de : Mijne vrouw zal in het huis Pavids, des Konings Israels, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn tot welke de Ark des Heeren gekomen is. 12 Toen offerde Salomo den Heere brandofferen op het altaar des Heeren dat hij voor het voorhuis gebouwd had, |
EKEN 9. 13 zelf naar den eisch van el-ken dag offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbaten en op de nieuwe maanden en op de gezette hoogtijden, drie malen in het jaar: op het feest van de ongezuurde hrooden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten. 14 Hij stelde ook, naar de wijze zijns vaders Davids, de verdeelingen der Priesteren over hunnen dienst, en der Leviten over hunne wachten, om God te prijzen en vóór de Priesteren te dienen, naar den eisch van eiken dag; en de portiers in hunne verdeelin^en, aan elke poort; want alzoó was het gebod van David den man Gods. 15 En men week niet van des-Konings gebod aan de Priesteren en de Leviten, aangaande alle zake en aangaande de schatten. 113 Alzoo werd al het werk Sa-lomo's bereid tot den dag der grondlegging van het Huis de» Heeren, en tot het voltooien van hetzelve, dat het Huis des Heeren volmaakt werd. 17 Toen toog Salomo naar Ezeon-Géber, en naar Eloth aan den oever der zee, in het land van Edom. 18 En Hiram zond hem door de hand zijner knechten, schepen, mitsgaders knechten, kenners van de zee; en zij gingen met Salomo's knechten naar Oiir, en zij haalden van daar vierhonderd en vijftig talenten gouds, dewelke zij brachten tot den Koning Salomo. HOOFDSTUK 9. En toen de Koningin van Scheba heb geruchte Salomo's hoorde, kwam zij om Salomo met raadselen te verzoeken te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, en kemelen, dragende specerijen, en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak wiet hem al wat in haar harte was. 2 En Salomo verklaarde haar alle hare woorden, en geen ding was er verborgen voor Salomo» |
2 EKONIEKEN 9.
533
|
damp;t hij haar niet verklaarde. 3 Als nu de Koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en liet huis dat hij gebouwd had, 4 en de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan _ zijner dienaren en hunne kleedingen, en zijne schenkers en hunne kleedingen, en zijnen opgang waardoor hij opging naar het Huis des Heeren, â zoo was in haar geen geest meer, 5 en zij zeide tot den Koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb van uwe zaken en van uwe wijsheid; lt;o en ik heb hunne woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben en mijne oogen dat gezien hebben: en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd; gij hebt overtroffen het gerucht dat ik gehoord heb. 7 Welgelukzalig zijn uwe mannen, en welgelukzalig deze uwe knechten, die geduriglijk voor uw aangezicht staan en uwe wijsheid hooren. 8 Geloofd zij de ^ Heere uw God, die behagen in u gehad heeft, om u op zijnen troon, den Heeke uwen God tot een Koning te zetten; overmits uw God Israël bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zoo heeft hij u tot Koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen. 9 En zij gaf den Koning honderd en twintig talenten gouds, en specerijen in groote menigte, en kostelijk gesteente; en daar was gelijk deze specerij, die de Koningin van Scheba den Koning {Salomo gaf, geene geweest. lü Voorts ook Hirams knechten en Salomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten al-gummimhout en edelgesteente; 11 en de Koning maakte van dit algummimhout hooge gangen tot het Huis des Heeren en tot het huis des Konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers; desgelijks ook was te voren in het land van Juda niet gezien |
I geweest. ! 12 En de Koning Salomo gaf ' der Koningin van Scheba al haar I behagen wat zij begeerde, behalve i hetgene dat zij tot den Koning gebracht had; zoo keerde zii en i toog naar haar land, zij en hare | knechten. 13 Het gewicht nu van het i goud dat voor Salomo op één ; jaar inkwam was zeshonderd en i zeseuzestig talenten gouds; 14 behalve dat zij van de kra-I mers en kooplieden inbrachten; ook brachten alle Koningen van j Arabic, en de Vorsten deszelven | lands, goud en zilver aan Salomo. lö Daartoe maakte de Koning i Saiomo tweehonderd rondassen van geslagen goud: zeshonderd l sikkelen van geslagen goud liet : hij opwegen tegen elke rondas; 16 insgelijks driehonderd schil-| den van geslagen goud: driehonderd sikkelen gouds liet hij op- i wegen tot elk schild; en deKo-| ning leide ze in het huis des ! wouds Libanons. 17 Nog maakte de Koningeenen ! grooten elpenbeenen troon, en hij overtoog denzei ven met louter goud. 18 En de troon had zes trap-! pen en eene voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij de leuningen. li) En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden op de zes trappen: desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest. 20 Ook waren alle drinkvaten van den Koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds Libanons waren van gesloten goud: het zilver was in de dagen Salomo's voor niets geacht. 21 Want des Konings schepen voeren naar Tarsis, met de knechten Hirams: ééns in drie jaren kwamen de schepen van Tarsis in, brengeMde goud en zilver, elpenbeen en apen en pauwen. 22 Alzoo werd de Koning Salomo grooter dan alle koningen |
|
534 2 KEON] der aarde in rijkdom en wijsheid; 23 en alle Koningen der aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijne wijsheid te hoorendieGod in zijn hart gegeven had; 24 en zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten en gouden vaten, en kleederen en wapenrusting, en specerijen, paarden en muilezels: elke van jaar tot jaar. 25 Ook had Salomo vierduizend paardenstallen, en wagenen, en twaalfduizend ruiteren, en hij leide ze in de wagensteden, en bij den Koning te Jeruzalem. 26 En hij heerschte over alle Koningen van de rivier tot aan het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte. 27 Ook maakte do Koning het zilver in Jeruzalem te zijn als steenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgeboo-men, die in de laagte zijn, in menigte. 28 En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte en uit alle die landen. 29 Het overige nu der geschiedenissen Salomo's, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden Nathans des profeten, en in de profetie van Ahia de Siloniet, en in de gezichten van Jedi den ziener aangaande Jerobeam, den zoon Ne-bats ? 30 En Salomo regeerde te Jeruzalem over gansch Israël veertig jaar. 31 En Salomo ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Kehabeam werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 10. En Eehabeam toog naar Si-chem, want het gansche Israël was te Sichem gekomen om hem Koning te maken. 2 Het geschiedde nu als Jerobeam, de zoon Nebats, dat hoorde (dezelve nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van den Koning Salomo gevloden |
EKEN 10. was), dat Jerobeam uit Egypte wederkeerde; 3 want zij zonden henen en lieten hem roepen. Zoo kwam Jerobeam met het gansche Israël en spraken tot Rehabeam, zeggende: 4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt: nu dan maak gij uws vaders harden dienst en zijn zwaar juk dat hij ons opgelegd heeft lichter, en wij zullen u dienen. 5 En hij zeide tot hen: Komt over drie dagen weder tot mij. En het volk ging henen. G En de Koning Eehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijnen vader Salomo als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden dat men dezen volke antwoorden zal? 7 En zij spraken tot hem, zeggende : Indien gij dezen volke goedertieren en jegens hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken zult, zoo zullen zij te allen dage uw» knechten zijn. 8 Maar hij verliet den raad der oudsten dien zij hem geraden hadden, en hij hield raad met de jongelingen die met hem opgewassen waren, die voor zijn iumgezicht stonden, 9 en hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden dat wij dezen volke antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben,zeggende: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft lichter? 10 En de jongelingen die met hem opgewassen waren spraken tot hem, zeggende: Alzóo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader h-^eft ons juk zwaar gemaakt, mac.r maak gij het over ons lichter; alzóó zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lendenen: 11 indien m mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zoo zal ik boven uw juk nog daar toedoen; mijn vader heeft u met geeselen gekastijd, maar |
2 KRONIEKEN 11.
535
|
ik zal u met echorpioenen kastijden. 12 Zoo kwam Jerobeam en al het volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de Koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag. 13 En de Koning antwoordde hun hardelijk; want de Koning Eehabeam verliet den raatl der oudsten, 14 en hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende : Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen: mijn vader heeft u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. 15 Alzoo hoorde de Koning naar het volk niet; want deze omwending was van God, opdat de Heere zijn woord bevestigde hetwelk hij door den dienst van Alüa den Ãiloniet gesproken had tot Jerobeam, den zoon Nebats. 1G Toen het gansche Israël :'.ag dat de Koning naar hen niet hoorde, zoo antwoordde het volk den Koning, zeggende: quot;Wat deel hebben wij aan David? Ja.geene erve hebben wij aan den zoon van Isai; een ieder naar uwe tenten, o Israël! voorzie nu uw huis, o David! Zoo ging het gansche Israël naar zijne tenten. 17 Doch aangaande de kinderen Israels die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 18 Toen zond de Koning Rehabeam Hadoram, die over de schatting was; en de kinderen Israëls steenigden hem met stee-nen dat hij stierf; maar de Koning Rehabeam verkloekte zich om op ecnen wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. 19 Alzoo vielen de Israëliten van den huize Davids af, tot op dezen dag. HOOFDSTUK 11. Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderdtachtigduizend uitge-lezenen, geoefend ten oorloge. |
i om tegen Israël te strijden, op-| dat hij het koninkrijk weder i aan Rehabeam braclit. j 2 Doch het Woord des Heerek 1 geschiedde tot Semaja den man Gods, zeggende: I 3 Zeg tot Rehabeam den zoon ; Salomo's, den Koning van Juda, ' en tot het gansche Israël in Juda I en Benjamin, zeggende: i 4 Zóó zegt de Heere : Gij zult 1 niet optrekken noch strijden te-i gen uwe broederen, een ieder keere weder tot zijn huis, want i deze zaak is van mij geschied.. En zij hoorden de woorden des ; Heeren, en zij keerden weder i van tegen Jerobeam te trekken. | o Rehabeam nu woonde te Je-; ruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda; 6 hij bouwde nu Bethlehem, en Etam, en Tekóa, 7 en Beth-Zur, en Socho, en Adullam, 8 en Gath, en Maresa, en Zif, 9 en Adoraïm, en Lachis, en Azeka, 10 en Zora, en Ajalon, en He-bron: dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren. 11 En hij sterkte deze vastigheden. en leide oversten daarin,, en schatten van spijze en olio en wijn, 12 en in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gansch zeer : zoo was Juda en Benjamin zijne. 13 Daartoe de Priesteren en de Leviten, die in het gansche Israël waren, stelden zich bij hem uit alle hunne landpalen; 14 want de Leviten verlieten hunne voorsteden en-hunne bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijne zonen hadden ze verstoeten van het Priesterdom den Heere te mogen bedienen, 15 en hij had zich Priesteren gesteld voor de hoogten en voor de duivelen en voor de kalveren die hij gemaakt had. 1G Ka die kwamen ook uife alle stammen Israëls te Jeruzalem, die hun hart gaven om der* Heere den God Israëls te zoe- |
ÃJL
2 KRONIEKEN 12.
Ã36
|
ken, dat zij den IlEEREdenGod hunner vaderen olïerande deden. 17 Al zoo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, den zoon Sa-lomo's, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David en Salomo. 18 En Rehabeam nam zich, beuevens Mahalath, de dochter van Jerimoth, den zoon Davids, ter vrouwe Abihaïl, de dochter Eliabe, des zoons van Isai, 19 dewelke hem zonen baarde, Jeüs, en Semarja, en Zaham. 20 En na haar nam hij Maiicha, de dochter Absaloms; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith. 21 En Rehabeam had Maiicha, Absaloms dochter, liever dan alle zijne vrouwen en zijne bijwijven ; want hij had achttien vrouwen genomen en zestig bijwijven, en hij gewon achtentwintig zonen en zestig dochte-ren. 22 En Rehabeam stelde Abia, den zoon van Maiicha, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijne broederen, want het was om hem Koning te maken. 23 En hij handelde verstan-diglijk, dat hij van alle zijne zonen door alle landen van Juda en Benjamin in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij spijze .gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen. HOOFDSTUK 12. Het geschiedde nu als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had en hij sterk geworden was, dat hij de wet des Heeken verliet, en gansch Israël met hem. 2 Daarom geschiedde het in het vijfde jaar des Konings Re-â¢habeams, dat Sisak, de Koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den Heere), 3 met duizend en tweehonderd wagenen en met zestigduizend ruiteren, en des volks dat met hem kwam uit Egypte, was geen getal, Libyërs, Sukkiten en Moeren ; |
4 en hij nam do vaste steden in die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja de Pro- as ^ feet tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem ver- âevent zameld waren uit oorzake van ^a(j ( Sisak. en hij zeide tot hen: Alzóó zegt de Heere: Gij hebt mij verlaten, daarom heb ik u óók verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten Israels en de Koning, en zij zeiden: De Heeue is rechtvaardig. 7 Als nu de Heere zag dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des Heeren tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd: ik zal ze niet verderven, maar ik zal hun binnenkort ontkoming geven, dat mijne grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden; 8 doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen mijnen dienst en den dienst van de koninkrijken der landen. 9 Zoo toog Sisak, de Koning van Egypte, op tegen Jeruzalem, en hij nam de schatten van het huis des Heeren en de schatten van het huis des Konings weg, hij nam alles weg, hij nam ook alle de gouden schilden weg die Salomo gemaakt had. 10 En de Koning Rehabeam maakte m plaats van die koperen schilden, en hij beval die onder de; hand van de oversten der trawanten die de deur van het huis des Konings bewaarden, 11 en het geschiedde zoo wanneer de Koning in het Huis des Hoeren ging, dat de trawanten kwamen en die^ droegen, en die wederbracJiten in der trawanten wachtkamer. 12 En a.'s hij zich verootmoedigde, keeide de toorn des Heeren van hem af, opdat hij hein niet ten uiterste toe verdierf; ook waren er in Juda nog goed® dingen. 13 Zlt; kling |
2 KRONIEKEN 13.
537
|
13 Zoo versterkte zich de Ko-ïiing Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Eehabeam was éénenveertig jaar ond als hij Koning werd, en hij regeerde .zeventien jaar in Jeruzalem, de stad die de Heere uit alle stammen Israels verkoren had om zijnen naam daar te zetten; jen de naam zijner moeder was Naai ia. eene Ammonitische. 14 Kn hij deed dat kwaad was, dewijl hij zijn hart niet richtte om den Heere te zoeken. 15 De geschiedenissen nu van Kehabcam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja den Profeet en Iddo den ziener, verhalende de geslachtregisteren, daartoe de krijgen Rehabeams en Jerobeams in alle hunne dagen ? 16 En Rehabeam ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abia werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 13. In^ het achttiende jaar des Konings Jerobeams zoo werd Abia Koning over Juda: 2 hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter Vriëls van Gibea. En daar was itrijg tusschen Abia en tusschen Jerobeam, 3 en Abia bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderdduizend uitge-lezene mannen, en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde met achthonderdduizend uitge-lezene mannen, kloeke helden. 4 En Abia maakte zich op van boven den berg Zemaraïm, dewelke is in het gebergte Efraïm, en hij zeide: Hoort mij aan, Jerobeam en gansch Israël. 5 Staat het u niet te weten, dat de Heere de God Israels het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft tot in eeuwigheid, hem en zijnen zonen, met een zoutverbond? 6 Evenwel is Jerobeam, de zoon |
Nebats, de knecht van Salomo, den zoon Davids, opgestaan en heeft gerebelleerd tegen zijnen heere. 7 Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, den zoon Salomo's, als Rehabeam jong was en teeder van harte, dat hij zich tegen hen niet konde versterken. 8 En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des Heeren, h:lwelk in de hand is der zonen Davids: gij zijt wel eene groote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft. 9 Hebt gij niet de Priesteren des Heerex, de zonen Aarons, en de Levi ten uitgedreven, en hebt u Priesteren gemaakt gelijk de volkeren der landen ? Een iegelijk die komt om zijne hand te vullen met een jong rund en zeven rammen,_ die wordt Priester dergenen die geene goden zijn. 10 Maar ons aangaande, de Heere is onze God, en wij hebben hem niet verlaten; en do Priesters die den Heere dienen zijn de zonen Aiirons, en de Leviten zijn in hei werk. 11 En zij steken aan voor den Heere brandotferen op eiken morgen en op eiken avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, nevens de^ toerichting des broods op de reine tafel, en den gouden kandelaar en zijne lampen, om die op eiken avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht des Heeren onzes Gods, maar gij hebt hem verlaten. 12 Daarom zie. God is met ons aan de spitse, en zijne Priesteren met de trompetten des geklanks, om tegen ualarin-geklank te maken : o kinderen Israels, strijdt niet tegen den Heere den God uwer vaderen, want gij zult geen voorspoed hebben. 13 Maar Jerobeam deed een® |
|
538 2 KR ON achterlage om-wenden om van achter hen te komen: zoo waren zij vóór het aangezicht van Juda, en de achterlage achter hen. 14 Toen nu Juda omzag, zie, zoo hadden zij den strijd voor en achter; en zij riepen tot den Heere, en de Priesters trompet-teden met de trompetten. 15 En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei: en het geschiedde als de mannen van Juda een alann geschrei maakten, dat God Jerobeam en het gansche Israël sloeg vóór Abia en Juda, 1G en de kinderen Israels vloden voor het. aangezicht van Juda, en God gaf ze in hunne hand. 17 Abia dan en zijn volk sloeg ze met eenen grooten slag, want uit Israël vielen verslagen vijfhonderdduizend uitgelezene mannen. 18 Alzoo werden de kinderen Israels vernederd te dier tijd ; maar de kinderen van Juda -werden machtig, dewijl zij op den Heere hunner vaderen God gesteund hadden. 19 En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden Betli-El met hare onder-hoorige plaatsen, en Jesana met hare onderhoorige plaatsen, en Efron met hare onderhoorige plaatsen. 20 En Jerobeam behield geene kracht meer in de dagen van Abia, maar de Heere sloeg hem dat hij stierf. 21 Zoo versterkte zich Abia; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon tweeëntwintig zonen en zestien dochteren. 22 Het overige nu der geschiedenissen van Abia, zoo zijne wegen als zijne woorden, zijn beschreven in de historie van den Profeet ld do. HOOFDSTUK 14. Zoo ontsliep Abia met zijne vaderen, en zi{i begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Asa werd Koningin zijne plaats. |
EKEN 11 In zijne dagen was het land tien jaren stil. 2 En Asa deed dat goed en dat recht was in de uogen des Heeren zijns Gods; 3 want hij nam de altaren der vreemden en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bosschen af; 3 en hij zeide tot Juda dat zij den Heere den God hunner vaderen zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden. 5 Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en liet koninkrijk was voor hem stil. 6 Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en daar was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de Heere hem rust gaf. 7 AVant hij zeide tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben den Heere onzen God gezocht, wij hebben hem gezocht, en hij heeft ons rondom henen rust gegeven. Zoo bouwden zij en hadden voorspoed. i 8 Asa nu had een heir van driehonderdduizend uit Juda, rondas en sides dragende, en tweehonderdtachtigduizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende: alle dezen waren kloeke helden. 9 En Zera de Moor trok tegen hen uit met een heir van duizendmaal duizend, en driehonderd wagenen, en ^iij kwam tot Ma-resa toe. 10 Toen toog Asa tegen hem uit, en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa. 11 En Asa riep tot den Heere zijnen God, en zeide: Heere, het is niets bij u te helpen hetzij den machtige hetzij den krachtelooze: help ons, o Heere onze God, want wij steunen op u, en in uwen naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o Heere, gij zijt onze God, laat |
|
2 KRONI do sterfelijke tnensch tegen u niets vermogen. 12 En de IIeere plaagde de Mooren voor Asa en voor Juda, cn de Mooren vloden. 13 Asa nu en al het volk dat met hem was jaagde ze na tot Gerar toe; en zóóvelen vielen er van de Mooren, dat er voor hen geen hervatting was, want zij waren verbroken voor den Heere en voor zijn leger. En zij droegen zeer veel roof weg. 14 En zij sloegen alle steden rondom Gerar, want de verschrikking des Heeren was over hen, en zij beroofden alle de steden, omdat er veel roof in dezelve was. 15 En zij sloegen ook de tenten van het vee, cn voerden weg schapen in menigte en kemelen, en kwamen weder te Jeruzalem. HOOFDSTUK 15. Toen kwam de Geest Gods cp Azaria, den zoon van Oded, 2 en hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hem: Hoort mij, Asa en gansch Juda en Benjamin, de Heere is met ulieden terwijl gij met hem zijt; en zoo gij hem zoekt, hij zal van u gevonden worden, maar zoo gij hem verlaat, hij zal u verlaten. 3 Israël nu is vele dagen geweest zonder den waren God en zonder een leerenden Priester en zonder de wet; 4 maar als zij zich in hunnen nood bekeerden tot den Heere den God Israels en hem zochten, zoo werd hij van hen gevonden. 5 En in die tijden was er geen vrede voor dengenen die uitging en dengenen die inkwam, maar vele beroerten waren over alle de inwoners van die landen, 6 zoodat volk tegen volk en stad tegen stad in stukken ge-stooten werden; want God had ze met allen angst verschrikt. 7 Daarom weest gij sterk, en Iaat uwe handen niet verslappen, want daar is loon naar uw werk. 8 Als nu Asa deze woorden hoorde, en de Profetie van den Profeet Oded, sterkte hij zich cn hij deed weg de verfoeiselen |
SKEN 15. 539 uit het gonsche land Juda en Benjamin, en uit de steden die hij van het gebergte Efraïm genomen had, en vernielde het altaar des Heeren dat vóór het voorhuis des Heeren was. 9 En hij vergaderde het gansche Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm en Manasse en uit Simeon; want uit Israël vielen zij hem in menigte toe, als zij zagen dat de Heere zijn God met hem was. 10 En zij vergaderden zich te Jeruzalem in de derde maand in het vijftiende jaar des ko-ninkrijks van Asa, 11 en zij offerden den Heere tenzellden dage van den roof dien zij gebracht hadden zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen. 12 En zij traden in een verbond, dat zij den Heere den God hunner vaderen zoeken zouden met hun gansche harte en met hunne gansche ziele. 13 En al wie den Heere den God Israëla niet zoude zoeken, zoude gedood worden, van den kleine tot den groote, en van den man tot de viouw toe. 14 En zij zwoeren den Heere met luider stemme en met gejuich, desgelijks met trompetten en met bazuinen. 15 En gansch Juda was verblijd over dezen eed; want zij hadden met hun gansche hart gezworen, en met hunnen ganschen wil hem gezocht; en hij werd van hen gevonden, en de Heere gaf hun rust van rondom. 1G Ook aangaande Maacha, de moeder des Konings Asa, hij zette haar af, dat zij een afgrijselijken afgod in een bosch go-maakt had; ook roeide Asa uit haren afgrijselijken afgod, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron. 17 De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen alle zijne dagen. 18 En hij bracht in het Huis Gods de geheiligde dingen zijns vaders, en zijne geheiligde din- |
|
540 2 KRONII gen, zilver en goud en vaten. 19 En daar was geen oorlog tot in het vijfendertigste jaar des koninkrijks van Asa. HOOFDSTUK 16. In het zesendertigste jaar des koninkrijks van Asa toogBaësa, de Koning Israels, op tegen Juda en bouwde Kama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den Koning van Juda. 2 Toen bracht Asa liet zilver en het goud voort uit de schatten van het Huis des Heeren en van het huis des Konings, en zond tot Benhadad, den Koning van Syrië die te Damascus woonde, zeggende: 3 Daar is een verbond tusschen mij en tusschen u, en tusschen mijnen vader en tusschen uwen vader; zie, ik zend u zilver en goud: ga henen, maak uw verbond te niet met Baësa, den Koning Israëls, dat hij van tegen mij aftrekke. 4 En Benhadad hoorde naar den Koning Asa, en zond de oversten der heiren die hij had tegen de steden Israëls, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maïn, en alle schatsteden van Kaf tali. 5 En het geschiedde als Baësa zvïls hoorde, dat hij afliet van Kama te bouwen, en zijn werk staakte. 6 Toen nam do Koning Asa gansch Juda, en zij droegen weg de steenen van Rama, en het hout daarvan, waannede hij Baësa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Gibea en Mizpa. 7 En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, den Koning van Juda, en hij zeide tot hem: Omdat gij gesteund hebt op den Koning van Syrië, en niet gesteund hebt op den Heere uwen God, daarom is liet heir des Konings van Syrië uit uwe hand ontkomen. 8 Waren niet de Mooren en de Libyërs een groot heir met zeer vele wagenen en ruiteren? |
KEN 16,17. Toen gij nochtans op den Heerb steundet, heeft hij ze in uwe hand gegeven. 9 Want den Heere aanpaawrfc, zij ne oogen doorloopen de gansche aarde, om zich sterk te bewijzen aan degenen welker harte volkomen is tot hem: gij hebt hierin zottelijk gedaan, want van nu af zullen er oorlogen tegen u zijn. 10 Doch Asa werd toornig tegen den ziener, en zette hem in het gevangenhuis, want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa eenigen uit het volk terzelfder tijd. 11 En zie, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, zie, zij zijn ^beschreven in het boek der Koningen van Juda en Israël. 12 Asa nu in het negenendertigste jaar zijns koninkrijks werd krank aan zijne voeten: tot op het hoogste toe was zijne krankheid ; daartoe ook zocht hij den Heere niet in zijne krankheid, maar de medicijnmeesters. 13 Alzoo ontsliep Asa met zijne vaderen, en hij stierf in het éénenveertigste jaar zijner regeering; 14 en zij begroeven hem in zijn graf dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids, en leiden hem op het bed hetwelk hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar der apothekeren kunst toebereid; en zij brandden over hem eene gansch groote branding. HOOFDSTUK 17. En zijn zoon Josafat werd Koning in zijne plaats; en hij sterkto zich tegen Israël, 2 en hij leide krijgsvolk in alle vaste steden van Juda. en leide bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraïm die zijn vader Asa ingenomen had. 3 En de Heere was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baüls niet, 4 maar hij zocht den God zijm |
2 KRONIEKEN 18.
541
|
vaders en wandelde in zijne geboden, en niet naar het doen van Israël. 5 En de Heere bevestigde het koninkrijk in zijne hand, en gansch Jnda gaf Josafat geschenken, en hij had rijkdom en eere in menigte. 6 En zijn harte verhief zich in de wegen des Heeren, en hij nam verder de hoogten en de bosschen uit Juda weg. 7 In het derde jaar nu zijner regeering zond hij tot zijne Vorsten, tot Benhaïl, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nethaneël, en tot Michaja, opdat men zoude leeren in de steden van Juda; 8 en met hen de Levi ten, Semaja, en Nethanja, en Zebadja, en Asaël, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tebia, en Tob-Adonia, de Leviten; en met hen de Priesters Elisarc.a en Joram. 9 En zij leerden in Juda, en het wetboek des Heeren was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk. 10 En eene verschrikking des Heeren kwam over alle koninkrijken der landen die rondom Juda waren dat zij niet krijgden tegen Josafat. 11 En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zevenduizend en zevenhonderd rammen en zevenduizend en zevenhonderd bokken. 12 Alzoo nam Josafat toe en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden. 13 En hij had veel werk in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden, in Jeruzalem. 14 Dit nu is hunne telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderdduizend kloeke helden; 15 en naast hem was de overste 1 |
Johanan, en met hem waren tweehonderd tachtigduizend; 1G naast hem nu was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den Heere overgegeven had, en met hem waren tweehonderdduizend kloeke helden. 17 En uit Benjamin was Eljada, een kloek held, en met hem tweehonderdduizend die met boog en schild gewapend waren; 18 en naast hem was Jozabad, en met hem waren honderdtachtigduizend ten krijge toegerust. 19 Deze waren in den dienst des Konings, behalve degenen die de Koning in de vaste steden door gansch Juda gezet had. HOOFDSTUK 18. Josafat nu had rijkdom en eere in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab. 2 En ten einde van cenigfi jaren toog hij af tot Achab naar Sa-marië; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte en voor het volk dat met hem was, en hij porde hem aan om op te trekken naar Ra-moth in Gilead. 3 Want Achab, de Koning Is-raëls, zeide tot Josafat, den Koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zóó zal ik zijn gelijk gij zijt, en gelijk uw yolk is zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg. 4 Voorts zeide Josafat tot den Koning Israëls: Vraag toch heden naar het Woord des Heeren. 5 Toen vergaderde de Koning Israëls de Profeten, vierhonderd mannen, en hij zeide tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op: want God zal ze inde hand des Konings geven. 6 Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een Profeet des Heeren, dat wij het van hem vragen mochten: 7 Toen zeide de Koning Israels tot Josafat: Daar is nog één man om door hem den Heere te |
2 KRONIEKEN 18.
542
|
vragen, maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze isMicha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De Koning zegge niet alzoo. 8 Toen riep de Koning Israels eenen kamerlii)g, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, denzoon van Jimla. 9 De Koning Israels nu en Josafat, de Koning van Juda, zaten elk op zijnen troon,bekleed met hunne kleederen, en zij zaten op het plein aan de deur der poort van Samarië; en alle de Profeten profeteerden in hunne tegenwoor-digheid. 10 En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt, en hij zeide: Zóó zegt de Heere : Met deze zult gij de Syriërs stooten, totdat gij ze gausch verdaan zult hebben. 11 En alle de Profeten profeteerden alzóó, zeggende: Trek op naar Kamoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de Heere zal ze in de hand des Konings geven. 12 De bode nu die heengegaan was om Micha te roepen sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden der Profeten zijn uit éénen mond goed tot den Koning: dat nu toch uw woord zij gelijk als van een uit hen, en spreek het goede. 13 Doch Micha zeide: Zoo waarachtig als de Heere leeft, hetgeen mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken. 14 Als hij tot den Koning gekomen was, zoo zeide de Koning tot hem: Micha, zullen wij naar Kamoth in Gilead ten strijde trekken of zal ik het nalaten? En hij zeide: Trekt op en gijlieden zult voorspoedig zijn, want zij ziülen in uwe bandgegeven worden. 15 En de Koning zeide tot hem: Tot hoevele reizen zal ik u bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt dan de waarheid in den naam des Heeren? |
16 En hij zeide: Ik zag het gansche Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen die geenen herder hebben; en de Heere zeide: Deze hebben geen lieer; een iegelijk keere weder naar zijn huis in vrede. 17 Toen zeide de Koning Israels tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds maar kwaad profeteeren? 18 Voorts zeide hij: Daarom hoort het Woord des Heeren. Ik zag den Heere zittende op zijnen troon, en al het hemelsche heir staande tot zijne rechter-en zijne linkerhand. 19 En de Heere zeide: quot;Wie zal Achab, den Koning Israels, overreden, dat hij optrekke en valle te Kamoth in Gilead? Daarna zeide hij: Deze zegt aldus en die zegt alzóó. 20 Toen kwam een geest vóór en stond voor het aangezicht des Heerex, en zeide: Ik zal hem overreden. En de Heere zeide tot hem: Waarmede? 21 En hij zeide: Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in den mond van alle zijne Profeten. En hij zeide: Gij zult overreden en zult ook vermogen; ga uit en doe alzóó. 22 Nu dan, zie, de Heere heeft een leugengeest in den mond van deze uwe Profeten gegeven, en de Heere heeft kwaad over n gesproken. 23 Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe en sloeg Micha op het kinnebakken, en hij zeide: Door wat weg is de Geest des Heeren van mij doorgegaan om u aan te spreken? 24 En Micha zeide: Zie, gij zult het zien te dienzelfden dage, als gij zult gaan van kamer in kamer om n te versteken. 25 De Koning Israels nu zeide: Neemt Micha en brengt hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Jcas, den zoon des Konings; 26 en gijlieden zult zeggen: Zóó zegt de Koning: Zet dezen in het gevangenhuis, en spijst hem met brood der bedruktheid en met water der bedruktheid, tot ik met vrede wederkome. |
2 KRONIEKEN 19.
513
|
27 En Micha zeide: Indian gij eenigszins met vrede wederkomt, zoo heeft de Heef.e door mij niet Sesproken. Voorts zeide ' hij : loort, gij Tolken altegader.esproken. Voorts zeide ' hij : loort, gij Tolken altegader. 28 Al zoo toog de Koning Israels en Josafat, de Koning van Juda, op naar Ãamoth in Gilead. 29 En de Koning Israels zeide tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in den strijd komen, maar gij, trek uwe kleederen aan. Alzoo verstelde zich de Koning Israels, en zij kwamen in den strijd. 30 De Koning van Syrië nn had geboden aan de oversten der wagenen die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet strijden tegen kleinen noch grooten, maar tegen den Koning Israels alleen. 31 Het geschiedde dan als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de Koning Israels, en zij togen rondom hem om te strijden. Maar Josafat riep, en de Heere hielp hem en God wendde ze van hem af; 32 want het geschiedde als de oversten der wagenen zagen dat het de Koning Israels niet was, dat zij van achter hem .afkeerden. 33 Toen spande een man den boog in zijne eenvoudigheid, en schoot den Koning Israels tus-schen de gespen en tusschenhet pantser. Toen zeide hij tot den voerman: Keer uwe hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond. 34 En de strijd nam op dien dag toe, en de Koning Israels deed zich met den wagen staande houden tegenover de Syriëra, tot den avond toe; en hij stierf ter tijd als de zon onderging. HOOFDSTUK 19. En Josafat, de Koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem. 2 En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den Koning Josafat: Zoudt gij den goddelooze helpen, en die den Heere haten liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des Heeeen groote toornigheid. |
3 Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want gij hebt de bosschen uit het land weggedaan, en uw harte gericht om God te zoeken. 4 Josafat nu woonde te Jeru-zalem, en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-Sóba af tot het gebergte Efraïm toe, en deed ze wederkeeren tot den Heere hunner vaderen God. 5 En hij stelde rich teren in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad. G En hij zeide tot de richteren: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mensche maar den Heere, en hij is bij u in do zake van het gericht. 7 Nu dan, de verschrikking des Heeren zij op ulieden: neemt waar en doet het; want bij den Heere onzen God is geen onrecht noch aanneming van personen noch ontvanging van geschenken. 8 Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem eenigen van de Levi-ten, en van de Priesteren en van de hoofden der vaderen Israels, over het. gericht des Heeren en over rechtsgeschillen, als ze weder te Jeruzalem gekomen waren. 9 En hij gebood hun, zeggende: Doet alzóó in de vreeze des Heeren, met getrouwigheid en met een volkomen harte; 10 en in alle geschil, hetwelk i van uwe broederen die in hunne j steden wonen tot y. zal komen, j tusschen bloed en bloed, tusschen ; wet en gebod, en inzettingen en I rechten, zoo vermaant hen, dat : zij niet schuldig worden aan den Heere en eene groote toornigheid over u en over uwe broederen zij: doet alzóó, en gij zult niet schuldig worden. 11 En zie, Amarja de Hoofd-priester is over u in alle zake des Heeren; en Zebadja, de zoon Ismaëls, de Vorst van het huis Juda, in alle zake des Konings, ook zijn de ambtlieden, de Le-viten, voor uw aangezicht: weest sterk en doet het, en de Heere zal met den goede zijn. |
*
|
544 2 KR0N3 HOOFDSTUK 20. Het geschiedde nu na dezen dat de kinderen Moabs, en de kinderen Amnions en met hen anbenevens de Ammoniten tegen Josafat ten strijde kwamen. 2 Toen kwamen er die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt eene groote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Tamar, welke is Engédi. 3 Josafat nu vreesde en stelde zijn aangezicht om den Heere te zoeken; en hij riep een vasten uit in gansch Juda. 4 En Juda werd vergaderd om van den Heere hulpe te zoeken, ook kwamen zij uit alle steden van Juda om den Heere te zoeken. 5 En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het Huis des Heeren, voor het nieuwe voorhof; 6 en hij zeide: O Heere God onzer vaderen, zijt gij niet die God in den hemel? Ja, gij zijt de Heerscher over alle koninkrijken der heidenen; en in uwe hand is kracht en sterkte, zoodat niemand zich tegen u stellen kan. 7 Hebt gij niet, onze God, de inwoners dezes lands van voor liet aangezicht uws volks Israëls verdreven, en dat den zade Abrahams uws liefhebbers tot in eeuwigheid gegeven ? 8 Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben u daarin een heiligdom gebouwd voor uwen Naam, zeggende: 9 Indien over ons eenig kwaad komt, het zwaard des oordeels of pest of honger, wij zullen voor dit Huis en voor uw aangezicht staan, dewijl uw Naam in dit Huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot u roepen, en gij zult verhoeren en verlossen. 10 En nu, zie, de kinderen Am-mons en Moab, en die van het gebergte Seïr, door dewelke gij Israël niet toeliet te trekken als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen en verdelgden ze niet: 11 zie dan, zij vergelden het |
EKEN 20. ons, komende om ons uit uwe erve, die gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven. 12 O onze God, zult gij geen recht tegen hen oefenen? Want in ons is geene kracht tegen deze groote menigte die tegen ons komt, en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze oogen zijn op u. 13 En gansch Juda stond voor het aangezicht des Heeren, ook hunne kinderkens, hunne vrouwen en hunne zonen. 14 Toen kwam de Geest des Heeren, in het midden der gemeente, op Jahaziël, den zoon van Zecharja, den zoon van Benaja. den zoon van Jeiël, den zoon van Mattanja, den Leviet uit de zonen Asafs, 15 en hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij inwoners van Jeruzalem, en gij Koning Josafat, alzóó zegt de Heeke tot ulieden: Vreest gijlieden niet en wordt niet ontzet vanwege deze groote menigte, want de strijd is niet uwe maar Godes. 16 Trekt morgen tot hen af: zie, z\\ komen op bij den opgang van Ziz, en gij zult ze vinden in het einde des dals, vóóraan do woestijn van Jeruël. 17 Gij zult in dezen strijd niet te strijden hebben: stelt u zei ven, staat en ziet het heil des Heeren met u, o Juda en Jeruzalem; vreest niet en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want de Heere zal met u wezen. 18 Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde, en gansch Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des Heeren, aanbiddende den Heere, 19 en de Leviten uit de kinderen der Kohav,hiten en uit de kinderen der Korachiten stonde» op om den Heere den God Israëls met luidar stemme ten hoogste te prijzen. 20 En zij maakten zich des morgens vroeg op en togen uit naar de woestijn van Tekóa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda en gy |
|
2 KPvON inwoners van Jeruzalem: gelooft in den Heere uwen God, zoo zult gij bevestigd worden; gelooft aan zijne Profeten, en gij zult voorspoedig zijn. 21 Hij nu beraadslaagde met het volk, en hij stelde den Heere zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, vóór de toege-rusten uitgaande, en zeggende: Looft den Heere, want uwe goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 22 Ter tijd nu als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de Heere achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen. 23 Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te verdelgen: en als zij met do inwoners van Seïr een einde gemaakt haddon, hielpen zij de één den ander ton verderve. 24 Als nu Juda tot den wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en zie, liet waren doode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen. 25 Josafat nu kwam met zijn volk om hunnen buit te rooven, en zij vonden bij hen in menigte, zoowel have en doode lichamen als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want die was veel. 26 En op den vierden dagvergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij den Heere; daarom noemden zij den naam dier plaats het dal van Beracha, tot op dezen dag. 27 Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat aan hunne voorspitse, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de Heere had ze verblijd over hunne vijanden. _ 28 En zij kwamen te Jeruzalem met luiten en met harpen en met |
EKEN 21. 545 trompetten, tot het Huis des Heer ex. 29 En daar werd eene verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden dat de Heere tegen de vijanden Israels gestreden had. 30 Alzoo was het koninkrijk Josafats stille, en zijn God gaf hem rust van rondom. 31 Zoo regeerde Josafat over Juda: hij was vijfendertig jaar oud als hij Koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, eene dochter van Silhi. 32 En hij wandelde in den weg van zijnen vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de oogen des Heek ex. 33 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen, want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot den God hunner vaderen. 84 Het overige nu der geschiedenissen Josafats, der eerste en der laatste, zie, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanani, die men hem deed opv,eekenen in het boek van de Koningen Israëls. 35 Doch na dezen vergezel-schapte zich Josafat, de Koning van Juda, met Ahazia, den Koning Israëls, die handelde goddeloos in zijn doen. 36 En hij vergezel schap te zich met hem om schepen te maken om naar Tarsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeou-Géber. 37 Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de Heere uwe werken verscheurd. Alzoo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tarsis gaan. HOOFDSTUK 21. Daarna ontsliep Josafat met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd Koning in zijne plaats. 2 En hij had broederen, Josafati IS |
|
546 2 KRONI zonen, Azaria, en Jeliiël, en Ze-charja, en Azarjaliu, en Michaël, en Sefatja: deze allen waren zonen Josafats, des Konings Israëls. 3 En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver en van goud en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was. 3 Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was en zich versterkt had, zoo doodde hij alle zijne broederen met het zwaard, mitsgaders ook eenigen van de Vorsten Israëls. 5 Tweeëndertig jaar was Joram oud toen hij Koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. 6 En hij wandelde in den weg der Koningen Israëls, gelijk als het huis Achabs deed; want hij had de dochter Achabs tot eene vrouw; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren. 7 Doch de Heere wilde het huis Davids niet verderven, om des verbonds wille dat hij met David gemaakt had, en gelijk als hij gezegd had, hem en zijnen zonen te allen dage eene lamp te zullen geven. 8 In zijne dagen vielen de Edo-miten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich eenen Koning. 9 Daarom toog Joram voort met zijne oversten, en alle de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op en sloeg de Edomiten die rondom hem waren, en de oversten der wagenen. 10 Evenwel vielen do Edomiten af van onder het gebied van Juda, tot op dezen dag. Toen terzelfder tijd viel Libna af van onderzijn gebied: want hij had den Heere den God zijner vaderen verlaten. 11 Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda, en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoe-reeren, ja, hij dreef Juda tZaarioe. 12 Zoo kwam een schrift tot hem van den Profeet Elia, zeggende: Alzóó zegt de Heere de God uws vaders Davids: Omdat gij in de wegen uws vaders Josafats en in de wegen van Asa, |
3KEN 22. den Koning van Juda, niet gewandeld hebt, 13 maar hebt gewandeld in den weg.der Koningen Israëls, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereeren, achtervolgende het hoereeren van het huis Achabs, en ook uwe broederen van uws vaders huis gedood hebt, die beter waren dan gij. â 14 zie, de Heere zal u plagen met eene groote plage aan uw volk en aan uwe kinderen en aan uwe vrouwen en aan al uwe have; 15 gij zult in groote krankheden zijn door de krankheid uwer ingewanden, totdat uwe ingewanden uitgaan vanwege de krankheid, jaar op jaar. 16 Zoo verwekte de Heere tegen Joram den geest der Filistijnen en der Arabieren die aan de zijde der Mooren zijn; 17 die togen op in Juda en braken daarin, en voerden alle have weg die in het huis des Konings gevonden werd, zelfs ook zijne kinderen en zijne vrouwen, zoodat hem geen zoon overgelaten werd dan Joahaz, de kleinsto zijner zonen. 18 En na dit alles plaagde hem de Heere in zijn ingewand met eene krankheid waar geen genezen aan was; 19 dit geschiedde van jaar tot jaar, zoodat, wanneer de tijd van het einde der twee jaren uitging, zijne ingewanden met de krankheid uitgingen, dat hij stierf van booze krankheden; en zijn volk maakte hem geen branding als de branding zijner vaderen. 20 Hij was tweeëndertig jaar oud als hij Koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging hen en zonder begeerd te zijn, en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der Koningen. HOOFDSTUK 22. En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijnen kleinsten zoon, Koning in zijne plaats; want eene bende die met de Arabieren in het leger gekomen was, had alle de eersten gedood. Ahazia |
|
2 K RON dan, de zoon Jorams, des Koninga van Juda, regeerde. 2 Tweeënveertig jaar was Aha-zia oud toen hij Koning werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder waxs Athalia, eene dochter van Oinri. 3 Hij wandelde óók in do wegen van het huis Achabs, want zijne moeder was zijne raadgeef-sterom goddeloos!ijk te handelen. 4 En hij deed dat kwaad was in. de oogen des Heeren, gelijk het huis Achabs; want zij waren zijne raadgevers na den dood zijns vaders, hem ten verderve. 5 Hij wandelde ook in hunnen raad, en toog henen met Joram, den zoon Achabs, den Koning Israels, tot den strijd tegen Ha-za.ël, den Koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead. EndeSyriërs sloegen Joram, ⬠en hij keerde weder om zich te laten genezen te Jizreël, want hfi had wonden die men hem bij Raama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël, den Koning van Syrië; en Azarja, de zoon Jorams, des Konings van Juda, kwam af orn Joram, den zoon Achabs, te Jizreël te zien, want hij was krank. 7 De vertreding nuvanAhazia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, den zoon van Nimsi, denwelken de Heere gezalfd had om het huis Achabs uit te roeien. S Zoo geschiedde het als Jehu liet oordeel uitvoerde tegen het liüis Achabs, dat hij de Vorsten va.ii Juda en de zonen der broederen van Ahazia, die Ahazia dienden, vond en die doodde. 9 Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samarië), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem en begroeven hem: want zij zeiden: Hij is de zoon Josafats, die den Heere met zijngansche lia/rt gezocht heeft. Zoo had he* Inxis van Ahazia niemand die kracht behield tot het koninkrijk. 3.0 Toen nu Athalia, de moeder |
EKEN 23. 547 van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, zoo maakte zij zich op en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om. 11 Maar Josabath, de dochter des Konings, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des Konings zonen die gedood werden, en zette hem en zijne voedster in eene slaapkamer; zoo verborg hem Josabath, de dochter des Konings Jorams, de huisvrouw des Priesters Jo-jada, (want zij was de zuster van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde. 12 En hij was bij hen verstoken in het Huis Gods zes jaren; en Athalia regeerde over het land. HOOFDSTUK 23. Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten der honderden, Azarja, den zoon Jerohams, en Ismaël, den zoon Johanans, en Azarja, den zoon Obeds, en Maaseja, den zoon van Adaja, en Elisafat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2 Die togen om in Juda, en vergaderden de Levi ten uit alle steden van Juda, en de hoofden der vaderen leraëls; en zij kwamen naar Jeruzalem. 3 En die gansche gemeente maakte een verbond in het Huis Gods met den Koning, en hij zeide tot hen^ Zie, de zoon des Konings zal Koning zijn, gelijk als de Heere van de zonen Davids gesproken heeft. 4 Dit is de zaak die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de Priesteren en van de Leviten, zullen tot portiers der dorpelen zijn, 5 en een derde deel zal zijn aan het huis des Konings, en een derde deel aan de Fundamentpoort, en al het volk zal in de voorhoven zijn van het Huis des Heeren. 6 Maar dat niemand kome in het Huis des Heeren, dan de Priesteren en de Leviten die dienen: die zullen ingaan, want zij |
|
648 2 KRONI zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des Heeren waarnemen. 7 De Leviten nu zullen den Koning rondom omsingelen, een ieder met zijne wapenen in zijne hand, en die tot het Huis inkomt zal _ gedood worden; doch weest gijlieden bij den Koning als hij inkomt en uitgaat. 8 En de Leviten en gansch Juda deden naar alles dat de Priester Jojada geboden had, en zij namen een ieder zijne man nen die op den sabbat inkwamen, met degenen die op den sabbat uitgingen, want de Priester Jojada had aan de afdeelingen geen verlof gegeven: 9 voorts gaf de Priester Jojada den oversten der honderden de spiesen en de rondassen en de schilden die des Konings Davids geweest waren, die in het Huis Gods waren; 10 en hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijne hand, van de rechterzijde van het Huis tot de linkerzijde van het Huis, naar liet altaar en naar het Huis toe, bij den Koning rondom. 11 Toen brachten zij des Konings zoon voor, en zetteden hem do^ kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem Koning; en Jojada en zijne zonen zalfden hem, en zeiden: Do Koning leve! 12 Toen nu Athalia hoorde de stemme des volks dat toeliep en den Koning roemde, kwam zij tot het volk in het Huis des Heeken ; 13 en zij zag toe, en zie, de Koning stond bij zijnen pilaar aan den ingang, en de oversten en de trompetten waren bij den Koning, en al liet volk des lands was blijde en blies met trompetten, en de zangers waren er met muziekinstrumenten, en gaven te kennen dat men lofzingen zoude: toen verscheurde Athalia hare kleederen, en zij riep: Verraad, verraad! 14 Maar de Priester Jojada bracht de oversten der honderden die over het heir gesteld waren uit, en zeide tot hen: Brengt ze 3 KEN 24. |
uit tot buiten de ordeningen, en die ze volgt zal met het zwaard gedood worden; want de Priester had gezegd: Gij zult ze in het Huis aes Heeren niet dooden. 15 En zij leiden de handen aan haar, en zij ging naar den ingang van de Paardenpoort naar het huis des Konings, en zij doodden ze daar. 16 En Jojada maakte een verbond tusschen hem en tusschen al het volk en tusschen den Koning, dat zij den Heere tot een volk zouden zijn. 17 Daarna ging al het volk in het huis Baals, en braken dat af, en zijne altaren en zijne beelden verbraken zij, en Mattan, den Priester Baiils, sloegen zij dood voor de altaren. 18 Jojada nu bestelde ambten in het Huis des Heeren, onder de hand der Levitische Prieste-ren, die David in het Huis des Heeren afgedeeld had om de brandofferen des Heeren te offeren, gelijk in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar do instelling Davids. 19 En hij stelde de portiers aan de poorten van het Huis des Heeren, opdat niemand, in eenig ding onrein zijnde, inkwame. 20 En hij nam de oversten der honderden en de machtigen en die heerschappij hadden onder den volke, en al liet volk des lands, en bracht den Koning van het Huis des Heeren af, en zij kwamen door het midden der Hooge poort in het huis des Konings, en zij zetteden den Koning op den troon des konink-rijks. 21 En al her, volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden. HOOFDSTUK 24. Joas was zeven jaren oud toen hij Koning werd, en hij regeerde veertig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-Séba. 2 En Joas deed dat recht was |
|
2 KRONI in de oogen des Heeren, alle de dagen van den Priester Jojada. 3 En Jojada nam voor hem twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochteren. 4 Het geschiedde nu na dezen dat het in het harte van Joas was het Huis des Heeren te vernieuwen. 5 Zoo vergaderde hij de Pries-teren en de Leviten, en zeide tot hen: Trekt uit tot de steden van Juda, en vergadert geld van het gansche Israël, om het Huis uws Uods te beteren van jaar tot jaar; en gijlieden, haast u tot deze zake. Maar de Leviten haastten zioh niet. 6 En de Koning riep Jojada, het Hoofd, en zeide tot hem: quot;Waarom hebt gij geen onderzoek gedaan bij de Leviten^dat zi; uit Juda en Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mazes, den knecht des Heeren, en van do gemeente _ Israels, voor de Tent der getuigenis? 7 Want a!s Athalia goddeloos-lijk handelde, hadden hare zonen het Huis Gods opengebroken,ja, zelfs alle geheiligde dingen van het Huis des Heeren besteed aan de Baals. 8 En de Koning gebood, en zij maakten eene kist, en stelden die buiten aan de poort van het Huis des Heeren; 9 en men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men den Heere inbrengen zoude de schatting van Mozes, den knecht Gods, over Israël in de woestijn. 10 Toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in en wierpen in de kist, totdat men voleindigd had. 11 Het geschiedde nu ten tijde als hij de kist naar des Konings bevel door de hand der Leviten inbracht, en als zij zagen dat er veel geld was, dat de schrijver des Konings kwam, en de bestelde des Hoofdpriesters, en de kist ledig maakten, en die opnamen en die wederbrachten aan hare plaats; alzoó deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte. |
EKEN 24. 549 12 hetwelk de Koning en Jojada gaven dengenen die het werk van den dienst van het Huis des Heeren verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden om het Huis des Heeren te vernieuwen, mitsgaders ook werkmeesters in ijzer en koper om het Huis des Heeren te beteren. 13 Zoo deden de verzorgers van het werk, dat de betering des werks door hunne hand toenam; en zij herstelden het Huis Gods in zijne gestaltenis, en maakten het vast. 14 Als zij nu voleindigd hadden. brachten zij voor den Koning en Jojada het overige des gelds, waarvan hij vaten maakte voor het Huis des Heeren, vaten om te dienen en te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren vaten; en zij offerden ge-duriglijk brandofferen in het Huis des Heeren, alle de dagen van Jojada. 15 En Jojada werd oud en zat van dagen, en stierf: hij was honderd en dertig jaar oud toen hij stierf. 16 En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de Koningen; want hij had goed gedaan in Israël, beide aan God en zijnen Huize. 17 Maar na den dood van Jojada kwamen de Vorsten van Juda ^ en bogen zich neder voor den Koning; toen hoorde de Koning naar hen. 18 Zoo verlieten zij het Huis des Heeren des Gods hunner vaderen, en dienden de bosschen en de afgoden: toen was er eene groote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hunne schuld. 19 Doch hij zond Profeten onder hen, om hen tot den Heere te doen wederkeeren: die betuigden tegen hen, maar zij neigden de ooren niet. 20 En de Geest Gods toog Ze-charja, den zoon van Jojada, don Priester, aan, die boven het volk stond, en hij zeide tot hem: Zóu zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des Heeren? Daarom |
|
650 2 KR OK: zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den Heere verlaten hebt, zoo zal hij u verlaten. 21 En zij maakten eene verbintenis tegen hem, en steenig-den hem met steenen, door het gebod des Konings, in het voorhof van het Huis des Heeren. 22 Zoo gedacht de Koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijnen zoon: dewelke als hij stierf, zeide: De Heere zal het zien en zoeken. 23 Daarom geschiedde het, met den omgang des jaars, dat de heirkracht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk alle de Vorsten des volks, en zij zonden al hunnen roof tot den Koning van Damascus. 24 Hoewel de heirkracht van Syrië met weinige mannen kwam, evenwel gaf de Heere in hunne hand een heirkracht van groote menigte, dewijl zij den Heere den God hunner vaderen verlaten hadden: alzoo voerden zij de oordeelen uit tegen Joas. 25 En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in groote krankheden), maakten zijne knechten, om het bloed der zonen van den Priester Jojada, eene verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf, en zij begroeven hem in de stad Davids, maarzij begroeven hem niet in de graven der Koningen. 26 Deze nu zijn het die eene verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath de de Ammonitische, en Jozabad, de zoon van Simrith de Moabi-tische. 27 Aangaande nu zijne zonen, en de grootheid van den last bem opgelegd, en den bouw van het Huis Gods, zie, zij zijn geschreven in de historie van het boek der Koningen. En zijn zoon Ama-zia werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 25. Amazia, vijfentwintig jaar oud |
EKEN 25. zijnde, werd Koning, en regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Joaddan van Jeruzalem. 2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, doch niet met een volkomen harte. 3 Het geschiedde nu als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijne knechten die den Koning zijnen vader geslagen hadden doodde; 4 doch hunne kinderen doodde hij niet, maar hij deed gelijk in de wet in het boek van Mozes geschreven is, waar de Heere geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders, maar een ieder zal om zijne zonde sterven. 5 En Amazia vergaderde Juda, en stelde ze, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizend en tot oversten van honderd, door gansch Juda en Benjamin; en hij monsterde ze van twintig jaar oud en daarboven, en vond ze driehonderdduizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas. 6 Daartoe huurde hij uit Israël honderdduizend kloeke helden voor honderd talenten zilvers. 7 Maar daar kwam een man Gods tot hem, zeggende: O Koning, laat het heir Israels niet met u gaan; want de Heere is niet met Israël, met alle kinderen Efraïms. 8 Maar zoo gij gaat, doe het, wees sterk ten strijde: God zal u doen vallen voor den vijand, want in God is kracht om te helpen en om te doen vallen. 9 En Amazia zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten die ik aan de benden Israels gegeven heb? En de man Gods zeide: De Heere heeft meer dan dit om u te geven. 10 Toen scheidde Amazia die af, te weten de benden die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hunne plaats gingen ; daarom ontstak hun toom |
|
2 KKONI Eeer tegen Juda, en zij keerden weder tot hunne plaats in hit-tigheid des tooras. 11 Amazia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg tienduizend van de kinderen van Seïr; 12 daartoe vingen de kir deren van Juda tienduizend levend, en brachten ze op de hoogte der steenrots, en stieten ze van de spits der steenrots af, dat zij allen berstten. 13 Maar de mannen der benden, die Amazia had doen vre-derkeeren, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden eenen inval in de steden van Juda, van Samarië af tot Beth-Horon toe, en sloegen van hen drieduizend en roofden veel roof. 14 Het geschiedde nu nadat Amazia van het slaan der Edo-miten gekomen was, en dat hij de goden der kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij zich die tot goden stelde en zich voor dezelve nederboog en hun rookte. 15 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Amazia, en hij zond tot hem eenen Profeet, die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uwe hand? 16 En het geschiedde als hij tot hem sprak, dat hij tot hem zeide: Heeft men u tot des Ko-nings raadgever gesteld? Houdt gij op: waarom zouden zij u slaan? Toen hield de Profeet op, en zeide: Ik merk dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan en naar mijnen raad niet gehoord hebt. 17 En Amazia, de Koning van Juda, werd te rade dat hij zond tot Joas, den zoon van Joahaz, den zoon van Jehu, den Koning Israëls, om te zeggen: Kom,laat ons elkanders aangezicht zien. 18 Maar Joas, de Koning Israëls, zond tot Amazia, den Koning van Juda, om te zeggen: De distel die op den Libanon is zond tot den ceder die op den Libanon is, om. te zeggen: |
EKEX 25. 551 Geef uwe dochter mijnen zoon ter vrouw; maar het gedierte des vel da dat op den Libanon is ging voorbij en vertrad de distel. 19 Gij zegt, zie, gij hebt de Edomiten geslagen, daarom heeft uw hart u verheven om u te roemen: nu, blijf in uw huis; waarom zoudt gij u in het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u? 20 Doch Amazia hoorde niet, want het was van God, opdat hij ze in hunne hand gave, overmits zij de goden der Edomiten gezocht hadden. 21 Zoo toog Joas, do Koning Israëls, op, en hij en Amazia, de Koning van Juda, zagen elkanders _ aangezicht te Beth-Sémes dat in Juda is, 22 en Juda werd geslagen voor het aangezicht Israëls, en zij vloden een iegelijk in zijne tenten. 23 En Joas, de Koning Israels greep Amazia, den Koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Joahaz, te Beth-Sémes, en hij bracht hem te Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort Efraïms tot aan de Hoek-poort, vierhonderd ellen; 24 daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en alle de vaten die in het Huis Gods gevonden werden bij Obed-Edom, en de schatten van het huis des Ko-nings, mitsgaders gijzelaars, en hij keerde weder naar Samarië. 25 Amazia nu, de zoon van Joas, de Koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Joahaz, den Koning Israëls, vijftien jaar. 26 Het overige nu der geschiedenissen van Amazia, de eerste en de laatste, zie, zijn die niet geschraven in het boek der Koningen van Juda en Israël? 27 Van den tijd nu aan dat Amazia afgeweken was van achter den Heere, zoo maakten zij in Jeruzalem eene verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis; toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar; |
|
552 2 KEON: 28 en zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijne -vaderen in de stad van Jnda. HOOFDSTUK 26. Toen nam het gansche volk van Ju da Uzzia, die nu zestien i'tvar oud -was^ en zij maakten lem Koning in zijns vaders Amazia's plaats.'tvar oud -was^ en zij maakten lem Koning in zijns vaders Amazia's plaats. 2 Deze bouwde Eloth, en bracht ze weder aan Ju da, nadat de Koning met zijne vaderen ontslapen was. 3 Zestien jaar was Uzzia oud toen hij Koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia van Jeruzalem. 4 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, _ naar alles dat zijn vader Amazia gedaan had; 5 want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Za-charia, die verstandig was in de gezichten Gods. In de dagen nu dat hij den Heere zocht maakte hem God voorspoedig. 6 Want hij toog uit en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gathen den muur van Jabné en den muur van Asdod, daartoe bouwde hij steden in Asdod en onder de Filistijnen. 7 En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren die te Gur-Baal woonden, en tegen de Meüniten. 8 En de Ammoniten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging uit tot don ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste. 9 Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort en aan de hoeken, en hij versterkte ze. 10 Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; |
EKEN 26. want hij was een liefhebber van den land/;ouH7. 11 Voorts had Uzzia eene heir-kracht van geoefenden ten oorloge, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal hunner monstering, door de hand van Jeïël den schrijver en Maaseja den ambtman, onder de hand van Hananja, een van do Vorsten des Konings. 12 Het geheele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was tweeduizend en zeshonderd. 13 En onder hunne hand waa een krijgsheir van driehonderdduizend en zevenduizend e» vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorloge oefenden, om den Koning tegen den vijand te helpen. 14 En Uzzia bereidde voor hen, voor het gansche heir, schilden en spiesen en helmen en pantsers en bogen, izelfs tot do slingersteenen toe. 15 Hij maakte ook te Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat ze op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met groote steenen te schieten: zoo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk werd. 16 Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdorvens toe, en hij overtrad tegen den Heere zijnen God, want hij ging in don Tempel dos Heeren om te rooken op het reukaltaar. 17 Doch Azarja de Priester ging hem na, en met hem des Heeren Priesters, tachtig kloeke mannen; 18 en zij^ wederstonden den Koning Uzzia, en zeiden hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den Heere te rooken maar den Prie-steren, Aiirons zonen, die geheiligd zijn om te rooken ; ga uit het heiligdom, want gij hebfc overtreden, en het zal u niet tot eere zijn van den Heere God. 19 Toen werd Uzzia toornig; en hot reukwerk was in zijne |
|
2 KRONIE hand, om te rooken; als hij nu toornig werd tegen de Priesteren, rees de melaatschheid óp aan zijn voorhoofd, voor liet aangezicht der Priesteren in het Huis des Heeren, van boven het reukaltaar. 20 Alstoen zag de Hoofdpriester Azarja op hem, en alle de Priesteren, en zie, hij was me-laatsch aan zijn voorhoofd; en zij stietten hem metterhaast van daar, ja, hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de Heeee hem geplaagd had. 21 Alzoo was de Koning IJz-zia melaatsch tot aan den dag zijns doods: en melaatsch zijnde woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het Huis des Heeren afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des Konings, richtende het volk des lands. 22 Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de Profeet Jesaja, de zoon van Amoz, beschreven. 23 En Uzzia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem bij zijne vaderen, in het veld van de begrafenis die der Koningen was; want zij zeiden: Hij is melaatsch. En zijn zoon Jotham werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 27. Jotham was vijfentwintig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, eene dochter van Zadok. 2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar alles dat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in den Tempel des Heeren niet ging; en het volk verdierf zich nog. 3 Hij bouwde de Hooge poort aan het Huis des Heeren, hij bouwde ook veel aan den muur van Ofel; 4 daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda, en in |
KEN 27, 2S. 553 de wouden bouwde hij burchten en torens. 5 Hij krijgde ook tegen den Koning der kinderen Amnions, en had de overhand over hen, zoodat de kinderen Ammons in datzelfde jaar hem gaven honderd talenten zilvers, en tienduizend kor tarwe, en tienduizend gerst; dat brachten hem de kinderen Ammons wederom ook in het tweede en in het derde jaar. 6 Alzoo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijne wegen voor het aangezicht des Heeren zijns Gods. 7 Het overige nu der geschie-nissen Jothams, en alle zijne krijgen en zijne wegen, zie, zij zijn geschreven in het boek der Koningen van Israël en Juda. 8 Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem. 9 En Jotham ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 28. Achaz was twintig jaar oud toen hij Koning werd, en regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de oogen des Heeren, gelijk zijn vader David, 2 maar hij^ wandelde in de wegen der Koningen Israels; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baals. 3 Hij rookte ook in het dal des zoons Hinnoms, en hij brandde zijne zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had. 4 Ook offerde hij en rookte op do hoogten en op de heuvelen, mitsgaders onder alle groen geboomte. 5 Daarom gaf hem de Heere zijn God in de hand des Konings van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk 18* |
|
554 2 KKON; wegvoerden eene groote menigte van gevangenen, die zij te Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand des Ko-nings Israëls, die hem sloeg met eenen groeten slag. 6 Want Pek-ah, de zoon van Semalia, sloeg in Judahonderd-twintigdnizend _ dood op eenen dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den Heere, hunner vaderen God, verlaten hadden. 7 En Zichrl, een geweldig man van Efraïm, sloeg Maaseja, den zoon ties Konings, dood en Azri-kam den huisoverste, mitsgaders Elkana, den tweede na den Koning. 8 En de kinderen Israëls voerden van hunne broederen gevankelijk weg tweehonderdduizend, vrouwen, zonen en dochteren, en plunderden ook veel roof van hen, en zij brachten den roof te Samarië. 9 Aldaar nu was een Profeet-des Heeren wiens naam was Oded, die ging uit, het heir tegen dat naar Samarië kwam, en zeide tot hen: Zie, door de grimmigheid des Heeren des Gods uwer vaderen over Juda heeft hij ze in uwe hand gegeven, en gij hebt ze doodgeslagen in toornigheid, die tot aan den hemel raakte. 10 Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet alleenlijk ? bij ulieden zijn schulden tegen den Heere uwen God. 11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder die gij van uwe broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des Hferen toorn is over u. 12 Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen Efraïms, Azarja, de zoon van Jo-hanan, Bereclija, de zoon van Mesillemoth, en Jehizkla,de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon Tan Hadlai, tegen degenen die uit het heir kwamen; 13 en zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot èene schuld over ons tegen den Heere: deukt |
EKEN 28. gijlieden toe doen tot onz» zonden en tot onze schulden, hoewel wij veel schuld hebben en de hitte des toorns over Israël is? 14 Toen lieten de toegerusten de gevangenen en den roof voor het aangezicht der oversten en der gansche gemeente. 15 De mannen nu die met namen uitgedrukt zijn maakten zich op en grepen de gevangenen, en kleedden van den roof alle hunne naakten, en zij kleedden en schoeiden ze, en spijsden en drenkten ze, en zalfden ze, en voerden ze op ezels, allen die zwak waren, en brachten ze te Jericho, de Palmstad, bij hunne broederen; daarna keerden zij weder naar Samarië. 16 Ter zelfder tijd zond de Koning Achaz tot de Koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden. 17 Daarenboven waren ook de Edomiten gekomen, en hadden Juda geslagen, en gevangenen gevankelijk weggevoerd. ^ 18 Daartoe waren de Filistijnen in de sieden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Sémes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en hare onderhoorige plaatsen, en Timna en hare onderhoorige plaatsen: en zij woonden aldaar. 19 Want de Heere vernederde Juda, om Achaz des Konings Israëls wille, want hij had Juda afgetrokken, dat het gansch zeer overtrad tegen den Heere. 20 En Tilgath- Pilnéser, de Koning van Assyrië, kwam tot hem; doch hij benauwde hem, en sterkte hem niet. 21 Want Achaz nam een deel van het Huis des Heeren, en van het huis des Konings en der Vorsten, hetwelk hij den Koning van Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet. 22 Ja, ten tijde als men hem benauwde, zoo maakte hij des overtredens tegen den Heere nog meer: dit was de Koning Achaz. 23 Want hij otterde den goden van Damascus die hem geslagen |
|
2 KKOm hadden, en zei de: Omdat dogoden der Koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mi.i óók helpen: maar zij ya-ren hem tot zijnen val, mitsgaders ann gansch Israël. 24 En Achaz verzamelde de vaten van het Hnis Gods, en hieuw de vaten van het Huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het Huis des Hkeren toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem; 25 ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten om anderen goden te rooken: alzoo verwekte hij den Heere, zijner vaderen God, tot toorn. 26 Het overige nu zijner geschiedenissen en alle zijne wegen, de eerste en de^ laatste, zie, zij zijn geschreven in het boek der Koningen van Juda en Isratl. 27 En Achaz ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der Koningen Israels. En zijn zoon Jehizlda werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 20. Jelijzkia werd Koning, vijfentwintig jaar oud zijnde, en regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Abia, eene dochter van Zacharia. 2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar alles wat zijn vader David gedaan had. 3 Hij deed^ in het eerste jaar zijner regeering, in de eerste maand, de deuren van het Huis des Heerex open, en beterde ze. 4 En hij bracht de Priesteren en de Leviten in, en hij verzamelde ze in de Ooststraat. o En hij zeide tot hen: Hoort mij, o Leviten: heiligt nu uzel-ven en heiligt het Huis des Heeren des Gods uwer vaderen, en brengt de onreinheid uit van het heiligdom. 6 Yv'ant onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de oogen des Heeren onzes Gods, en hebben hemver- |
EKEX 29. 555 laten, en zij hebben hunne aangezichten van den Tabernakel des Heeren omgewend, en hebben den nek toegekeerd; 7 ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgebluscht, en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom den God Israels niet geofferd. 8 Daarom is een groote toorn des Heeren over Juda en Jeruzalem geweest, en hij heeft ze overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als gij ziet met uwe oogen. 9 quot;Want zie, onze vaders zijn door het zwaard gevallen, daartoe onze zonen en onze dochteren en onze vrouwen zijn daarom in gevangenschap geweest. 10 Ku is het in mijn hart een verbond te maken met tien Heere den God Israels, opdat de hitte zijns toorns zich van ons afkeere. 11 Mijne zonen, weest nu niet traag; want de Heere heeft u verkoren, dat gij voor zijn aangezicht staan zoudt om hem te dienen, en opdat gij hem dienaars en wierookers zoudt wezen. 12 Toen maakten zich de Leviten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joël, do zoon van Azarja, van de kinderen der Ko-hathiten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van J ehalleleël; en van de Gersoniten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah; 13 en van de kinderen Eliza-fans, Simri en Jeïël; en van do kinderen Asafs, Zecharja en Mattanja; 14 en van de kinderen Hemans, Jehiël en Simei', en van de kinderen Jeduthuns, Semaja en XJzziül. 15 En zij verzamelden hunne broederen en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod des Konings door de woorden des Heeren, om het Huis des Heeren te reinigen. 16 Maar do Priesteren gingen binnen in hot Huis des Heeren, |
|
556 2 KR O NI om dat. te reinigen, en zij brachten uit in liet voorhof van het Huis des Heeren al de onreinheid, die zij in den Tempel des Heeren vonden, en de Leviten namen die op om ze naar buiten uit te brengen in debeekKidron. 17 Zij begonnen nu te heiligen op den eerste der eerste maand, en op den achtsten dag der maand kwamen zij in het voorhuis des Heeren, en heiligden het Huis des Heeren in acht dagen, en op den zestienden dag der eerste maand maakten zij een einde. 18 Daarna kwamen zij binnen tot den Koning Hiski'a, en zeiden: Wij hebben het geheele Huis des Heeren gereinigd, mitsgaders het brandoffer-altaar met al zijn gereedschap, en de tafel der toerichting met al haar gereedschap ; 19 ook alle gereedschap dat de Koning Achaz onder zijn koninkrijk door zijne overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd: en zie.zijziju voor het altaar des Heeren. 20 Toen maakte zich de Koning Jehizlda vroeg op en verzamelde de oversten der stad, en hij ging op in het Huis des Heeren. 21 En zij brachten zeven varren en zeven rammen en zeven lammeren en zeven geitenhokken, ten zondoffer voor het koninkrijk en voor het heiligdom en voor Juda; en hij zeide tot de zonen Aarons, de Priesteren, dat zij die op het altaar des Heeren zouden offeren. 22 Zoo slachtten zij de runderen, en do Priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; insgelijks slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar. 23 Daarna brachten zij de bokken bij ten zondoffer, voor het aangezicht des Konings en der gemeente, en zij leiden hunne handen op dezelve; 24 en de Priesters slachtten ze, en ontzondigden met derzelver |
:ken 29. bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het gansche Israël; want de Koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gansch Israël bevolen. 25 En hij stelde de Leviten in het Huis des Heeren, met cym-balen, met luiten en harpen, naar het gebod Davids, en Gads des zieners des Koning?, en Nathans des Profeten, want dit gebod was van de hand des Heeren, door de hand zijner Profeten. 26 De Leviten nu stonden met de instrumenten Davids, en de Priesters met de trompetten. 27 En Hizlda beval dat men het brandoffer op het al taar zoude offeren. Ten tijde nu als dat brandoffer begon, begon het gezang des Heeren met de trompetten en met de instrumenten Davids, des Konings Israels. 28 De gansche gemeente nu boog zich neder als men het gezang zong en met trompetten trompettede: dit alles totdat het brandoffer voleindigd was. 29 Als men nu geëindigd had te offeren, bukten de Koning en allen die bij hem gevonden werden, en bogen zich neder. 30 Daarna zeide de Koning Jehizlda, en de oversten tot do Leviten, dat zij den Heere loven zouden met de woorden Davids en Asafs des zieners; en zij loofden tot blijdschap toe, en neigden hunne hoofden en bogen zich neder. 31 En Jehizlda antwoordde en zeide: Nu hebt gij uwe handen den Heere gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lof-offeren tot het Huis des Heeren. En de gemeente bracht slachtofferen en lofoffer en, en alle vrijwil ligen van hart brandofferen. 32 En het getal der brandofferen die de gemeente bracht was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren: deze allen den Heere ten brandoffer. 33 Nog waren er, als offergaven, zeshonderd runderen en drieduizend schapen. 34 Doch der Friesteren was U |
|
2 K HOIS'1 weinig en zij konden aan alle do brandofleren de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hunne broederen de Leviten, totdat het werk geëindigd was en totdat de andere Priosteren zich geheiligd hadden: want de Leviten waren rechter van hart om zich te heiligen dan de Prieste-ren. 35 En ook waren de brandof-feren in menigte, met het vet der dankotferen, en met de drankolle-ren voor de bran dolleren : ilzoo werd de dienst van het Huis des Hkeren besteld. 3G Jehizlda nu en al het volk verblijdde zich overhetgene God voor het volk bereid had; want deze zake geschiedde haastelijk. HOOFDSTUK 30. Daarna zond Jehizkia tot het gansche Israël en J uda, en schreef ook brieven naar Efraïm en Ma-nasse, dat zij zouden komen tot het Huis des Heeren te Jeruzalem, om den Heere den God Israels Paschen te houden. 2 Want de Koning had raad gehouden met zijne oversten en de gansche gemeente te Jeruzalem, om het Paschen te houden in de tweede maand; 3 want zij hadden het niet kunnen houden te dierzellder tijd, omdat de Priesteren zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zicli» niet verzameld had te Jeruzalem. 4 En deze zaak was recht in de oogen des Konings en in de oogen der gansche gemeente. 5 Zoo stelden zij dan, dat men eene stem door gansch Israël, van Ber-Séba tot Dan, zoude laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het Paschen den Heere den God Israëls te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lange niet gehouden gelijk het geschreven was. G De loopers dan gingen henen met de brieven van de hand des Konings en zijner Vorsten, door gansch Israël en Juda, en naar het gebod des Konings, zeggende : Gij kinderen Israels, bekeert u |
EKEN 3Ã. 557 tot den Heere, den God van Abraham, Isaiik eu Israël, zoo zal hij zich keeren tot de ont-komenen die ulieden overgebleven zijn uit de hand der Koningen van Assyrië. 7 En zijt niet als uwe vaders en als uwe broeders, die tegen den Heere den God hunner vaderen overtreden hebben * waarom hij ze tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet. 8 Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uwe vaderen : geeft den Heere de hand, en komt tot zijn heiligdom hetwelk hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient den Heere uwen God; zoo zal de hitte zijns toorns van u afkoeren. 9 Want als gij u bekeert tot den Heere, uwe broederen en uwe kinderen zullen barmhartigheid vinden voor het aangezicht dergenen die hen gevangen hebben, zoodat zij in dit land zullen wederkomen; want de Heere uw God is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden zoo gij u tot hem bekeert. 10 Zoo gingen de loopers dóór van stad tot stad, door het land van Efraïm 67} JVIanasse, tot Ze-bulon toe; doch zij belachten ze en bespotteden ze. 11 Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser en Ma-nasse en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem. 12 Ook was de hand Gods in Juda, hun éénerlei harte gevende, dat zij het gebod des Konings en der Vorsten deden, naar het Woord des Heeren. 13 En te Jeruzalem verzamelde zich veel volks om het feest der ongezuurde hrcoden te houden, in do tweede maand, eene zeer groote gemeente; 14 en zij maakten zich op, en namen de altaren weg die te Jeruzalem waren: daartoe namen zij alle rooktuig weg, hetwelk zij in de beek Kidron wierpen. 15 Toen slachtten zij het Pascha, op den veertiende der tweede maand; en de Priesters en do |
2 KRONIEKEN 31.
558
|
Leviten waren beschaaaind geworden en hadden zich geheiligd, en hadden brandoiferen gebracht in het Huis des Heeeen. 16 En zij stonden in hunnen stand, naar hunne wijze, naar de wet van Mozes den man Gods; de Priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand der Leviten. 17 Want eene menigte was in die gemeente die zich niet geheiligd hadden: daarom waren de Leviten over de slachting der paaschlammeren, voor iedereen die niet rein was, om die den Heeue te heiligen; 18 want eene menigte des volks, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden i zich niet gereinigd, maar aten : het Pascha niet gelijk gesclire- ⢠ven is. Doch Jehizkia bad voor ! hen, zeggende: De Heeee, die j goed is, doe verzoening voor dien, i 19 die zijn gansche harte ge- ! richt heeft om God den Heere j den God zijner _ vaderen, te zoe- i ken; hoewel niet naar de rein- I heid des heiligdoms. 20 En de Heere verhoorde | Jehizkia en heelde het volk. 21 Zoo hielden de kinderen Israels die te Jeruzalem gevonden werden het feest der ongezuurde hrooden, zeven dagen met groote blijdschap. De Leviten nu en de Priesteren prezen den Heere, dag op dag, met sterkluidende instrumenten des Heeren. 22 En Jehizkia sprak naar het harte van alle Leviten die verstand hadden in de goede kennis des Heeeen : en zij aten de offeranden des gezetten hoogtijds zeven dagen, otterende dankotle-ren en lovende den Heere den God hunner vaderen. 23 Als nu de gansche gemeente raad gehouden had om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap. 24 Want Jehizkia, de Koning van Juda, gaf der gemeente duizend varren en zevenduizend schapen, en de Vorsten gaven 1 der gemeente duizend varren en tienduizend schapen; de Priesteren nu hadden zich in menigte geheiligd. |
25 En de gansche gemeente van Juda verblijdde zich, mitsgaders de Priesteren en de Leviten, en de geheele gemeente dergenen die uit Israël gekomen waren, ook de vreemdelingen, die uit het land Israels gekomen waren en die in Juda woonden. 20 Zoo was er groote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Salomo, den zoon van David, den Koning Israels, waa desgelijks in Jeruzalem niet geweest. 27 Toen stonden deLevitische Priesteren op en zegenden het volk; en hunne stemme werd gehoord, want hun gebed kwam tot zijne heilige woning in den hemel. HOOFDSTUK 31. Als zij nu dit alles voleindigd hadden, togen alle Israëliten die er gevonden werden uit tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bosschen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit gansch Juda en Benjamiw, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden alle de kinderen Israels weder, een ieder tot zijne bezitting, in hunne steden. 2 En Jehizkia bestelde de afdeel ingen der Priesteren en der Leviten, naar hunne verdeelingen, een ieder naar zijnen dienst, cle Priesteren en de Leviten tot het brandoffer en tot de dankof-feren, om te dienen en om te loven en om te prijzen in de poort van de legers des Heerex; 3 ook het deel des Konings van zijne have tot :1e brandoiferen, tot de brandotfeien des morgens en des avonds, en de brandoiferen der sabbaten en der nieuwe maanden en der gezette hoogtijden, gelijk geschreven is in de wet des Heeren. 4 En hij zeide tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel der Priesteren en Leviten geven zouden, opdat zij |
|
2 KRON] versterkt mochten wordsn in de wet des Heeren. 5 Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen Israels vele eerstelingen van koren, most en olie en honig, en van al de inkomst des velds; ook trachten zij de tienden van alles in met menigte. G En de kinderen van Israël en Juda die in de steden van Juda woonden, die brachten óók tienden der runderen en der schapen, en tienden der heilige dingen, die den Heere hunnen God geheiligd waren, en maakten vele hoopen. 7 In de derde maand begonnen zij den grond van die hoopen te leggen, en in de zevende maand voleindigden zij. 8 Toen nu Jehizkia en de Vorsten kwamen en die hoopen zagen, zegenden zij den Hee^e en zijn volk Israel. 9 En Jehizkia ondervraagde de Priesteren en de Leviten aangaande die hoopen. 10 En Azarja de Hoofdpriester, van den huize Zadoks, sprak tot hem enzeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het Huis des Heeren te brengen, is er te eten geweest, en verzadigd te worden, ja, over te honden tot overvloed toe, want de Heere heeft zijn volk gezegend, zoodat deze veelheid overgebleven is. 11 Toen zeide Jehizkia dat men kameren aan het Huis des Heeren bereiden zoude, en zij bereidden^ ze. 12 Daarin brachten zij die heffing, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid: en daarover was Konanja de Leviet overste, en Simeï zijn broeder de tweede; 13 maar Jehiël, en Azarja, en Nahath, en Asaël, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliël, en Jis-machja, en Mahath, en Benaja waren opzieners, onder de hand van Konanja, en Simeï zijnen broeder, door het bevel van den Koning Jehizkia en van Azarja, den overste van het Huis Gods. 14 En Koré, de zoon van Jim- |
EKEN 32. 559 na, de Leviet, de portier tegen het Oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer des Heeren en het allerheiligste uit te deelen. 15 En aan zijne hand waren Eden, en Minjamin, en Jesüa, en Semaja, Amarja, en Sechanja, in de steden der Priesteren, met ge-trouwigheid, om aan hunne broederen in de afdeelingcn, zoowel den kleine als den groote, uitte deelen, 16 (benevens die gesteld waren in het geslachtregister der manspersonen, drie jaren oud en daarboven), allen die in het Huis des Heeren gingen, tot het dagelij ksch werk op eiken dag, voor hunnen dienst in hunne wachten, naar hunne afdeelingen ; 17 en met hen die gesteld waren in het geslachtregister der Priesteren, naar het huis hunner vaderen; ook de Leviten van twintig jaren oud en daarboven, in hunne wachten, naar hunne afdeelingen; 18 ook tot de geslachtrekening met alle hunne kinderkens, hunne vrouwen en hunne zonen en hunne dochteren, door de gan-sche gemeente; want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd. 19 Ook waren onder de kinderen Aarons, de Priesteren, op do velden der voorsteden hunner steden, in elke stad, mannen die met namen uitgedrukt waren, om aan alle manspersonen onder de Priesteren, en aan alle die in het geslachtregister onder de Leviten gesteld waren, deelen te geven. 20 En alzóó deed Jehizkia in geheel Juda; en hij deed dat goed en recht en waarachtig was voor het aangezicht des Heeren zijns Gods, 21 en in alle werk dat hi.i begon in den dienst van het Huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijnen God te zoeken, deed hij met zijn gansche hart, en had voorspoed. HOOFDSTUK 32. Na deze geschiedenissen en |
|
560 2 KR ONI derzelver bevestiging kwam San-lierib^ de Koning van Assyrië, en toog in Juda, en legerde zich tegen de vaste steden, en daclit ze tot zicli af te scheuren. 2 Jehizkia nn, ziende datSan-lieril) kwam en zijn aangezicht was tot den krijg tegen Jeruzalem, 3 zoo hield hij raad met zijne Vorsten en zijne helden, om de fonteinwateren te stoppen die buiten de stad waren, en zij hielpen hem; 4 want veel volk werd vergaderd, dat alle de fonteinen stopte, mitsgaders de beek die door het midden des lands henen-vloeide, zeggende: Waarom zouden de Koningen van Assyrië komen en veel water vinden? 5 Zoo versterkte hij zich, en bouwde den geheelen muur óp die gebroken was, dien hij optrok tot aan de torens, met eenen anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad Davids; en_ hij maakte geweer en schilden in menigte. 6 En hij stelde krijgsoversten over het volk, en hij vergaderde ze tot zich in de straat der stadspoort, en sprak naar hun harte, zeggende: 7 Zijt sterk en hebt eenen goeden^ moed, vreest niet en ontzet u niet voor het aangezicht des Konings van Assyrië, noch voor het aangezicht der gansche menigte die met hem is; want met ons is meer dan met hem: 8 met hem is een vleeschelijke arm, maar met ons is de Heere onze God, om ons te helpen en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, den Koning van Juda. 9 Na dezen zond Sanherib, de Koning van Assyrië, zijne knechten naar Jeruzalem (doch hij zelf was vóór Lachis, en al zijne heerschappij met hem) tot Jehizkia, den Koning van Juda, en tot het gansche Juda dat te Jeruzalem was, zeggende: 10 Zóó zegt Sanherib, de Koning van Assj'rië: Waarop ver- |
EKEN 32. trouwt gij, dat gij te Jeruzalem blijft in^ de vesting? 11 Ruit Jehizkia u niet op, dat hij u overgeve om door honger en door dorst te sterven, zeggende : De Heere onze God zal ons uit de hand des Konings van Assyrië redden? 12 Heeft niet dezelfde Jehizkia zijne hoogten en zijne altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken zeggende; Voor het eenige altaar zult gij u nederbuigen en daarop roo-ken? 13 Weet gij niet wat ik gedaan heb en mijne vaderen aan alle volken der landen ? Hebben de goden van de natiën dier landen hun land eenigszins kunnen redden uit mijne hand? 14 Wie is er onder alle goden dezer natiën welke mijne vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijne hand, dat uw God u uit mijne hand zoude kunnen redden? 15 Nu dan, dat Jehizkia ulie-den niet bedriege, en dat hij u op zulk eene wijs niet opruie, en gelooft hem niet; want geen god van eenige natie en koninkrijk heeft^ zijn volk uit mijne hand en mijner vaderen hand kunnen redden: hoeveel te min zal uw God u uit mijne hand kunnen redden ? 16 Daartoe spraken zijne knechten nog meer tegen God den Heere en tegen zijnen knecht Jehizkia. 17 Ook schreef hij brieven om den Heere den God Israels te honen, en om tegen hem te spreken, zeggende: Gelijk de goden van de natiën der landen die hun volk uit mijne hand niet gered hebben, alzoo zal de God van Jehizkia zijn volk uit mijne hand niet redden. 18 En zij riepen met luider stem in het Joodsch tegen het volk van Jeruzalem dat op den muur was, om die bevreesd to maken en die te beroeren, opdat zij de stad mochten innemen, 19 en spraken van den God Jeruzalems als van de goden der |
|
2 KRONI volkeren der aarde, een werk van 'b menschen handen. 20 Maar de Koning Jeliizkia en de Profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden daartegen, en zij riepen naar den hemel; 21 en de Heere zone. eenen Engel, die alle strijdbare helden en Vorsten^ en oversten in liet leger des Konings van Assyrië verdelgde. Zoo is hij met schaamte des aangezichts in zijn laud wedergekeerd; en als hij in het huis zijns gods ingegaan was, zoo velden hem daar met den zwaarde die uit zijn lijf voortgekomen waren. 22 Alzoo verloste deHEERE Je-hizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de hand Sanheribs, des Konings van Assyrië, en uit aller hand, en hij geleidde ze rondom henen. 23 En velen brachten geschenken tot den Heere te Jeruzalem, en kostelijkheden tot Jeliizkia, den Koning van Juda, zoodat hij daarna voor de oogen aller heidenen verheven werd. 24 In die dagen werd Jeliizkia krank tot stervens toe, en hij bad tot den Heere; die sprak tot hem, en hij gaf hem een won-derteeken. 25 Maar Jeliizkia deed geen vergelding naar de weldaad aan hem geschied, dewijl zijn harte verheven werd ; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, eene groote toornigheid. 26 Doch Jeliizkia verootmoedigde zich om de verheöing zijns harten, hij en de inwoners van Jeruzalem, zoodat de groote toornigheid des Heeren over hen niet kwam in de dagen van Jeliizkia. 27 Jeliizkia nu had zeer veel rijkdom en eere, en hij maakte zich schatkameren voor zilveren voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gei eedschap; 28 ook schathuizen voor do inkomsten van koren en most en olie, en stallen voor allerlei beesten, en kooien voor de kudden. |
EKEN 33. 5C1 29 Daartoe had hij zich steden gemaakt, mitsgaders bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer groote have. 30 Deze Jehizkia stopte ook den qpperuitgang der wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden # naar het westen der stad Davids; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk. 31 Maar het is alzoó als de gezanten der Yorsten Babels, die tot hem gezonden hadden om to vragen naar dat wonderteeken dat in het land geschied was, bij hem tear en, verliet hem God om hem te verzoeken, om te weten al icat in zijn hart was. 32^ Het overige nu der geschiedenissen van Jehizkia, en zijne goeddadigheden, zie, die zijn geschreven in het gezicht van den Profeet Jesaja, den zoon van Amoz, en in het boek der Koningen van Juda en Israël. 33 Eu Jehizkia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen Davids, daartoe deden gansch Juda en de inwoners _ van Jeruzalem hem eere aan in zijnen dood; en zijn zoon Manasse werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 33. Manasse was twaalf jaar oud als hij Koning werd, en regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem. 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naar de gruwelen der heidenen, die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had. 3 Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte den Baills altaren op, en maakte bosschen, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze, 4 en bouwde altaren in het Huis des Heeren, van hetwelk de Heere gezegd had: Te Jeruzalem zal mijn naam zijn tot in eeuwigheid. |
|
562 2 KRON 5 Daartoe bouwde hij altaren voor al liet heir des hemels, in beide de voorhoven van het lluis des Hef.ren. 6 En hij deed zijne zonen door liet vuur gaan, in het dal des zoons Hinnoms, en pleegde gui-chelarij en gaf op vogelgeschrei acht, en tooverde, en liij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren : hij deed zeer veel kwaad in de oogen des Heeren, om hem tot toorn te verwekken. 7 Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het Huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijnen zoon Salomo: In dit Huis, en te Jeruzalem, dat ik uit alle stammen Israels verkoren heb, zal ik mijnen naam zetten tot in eeuwigheid, 8 en ik zal den voet Israëls niet meer doen wijken van het land dat ik uwen vaderen besteld heb: alleenlijk zoo zij waarnemen te doen al hetgene dat ik hun geboden heb, naar de gan-sche wet en inzettingen en rechten door de hand van Mo-zes. 9 Zoo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israels verdelgd had. 10 De Heere sprak wel tot Manasse en tot zijn volk, maar zij merkten daar niet op. 11 Daarom bracht de Heere over hen de krijgsoversten die de Koning van Assyrië had, welke Manasse gevangen namen onder de doornen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. 12 En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des Heeren zijns Gods ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht des Gods zijner vaderen, 13 en bad hem; en hij liet zich van hem verbidden en hoorde zijne smeeking, en hij bracht hem weder te Jeruzalem in zijn |
EKEN 33. koninkrijk. Toen erkende Mar nasse dat de Heere God is. 14 En na dezen bouwde hij den buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot den ingang van de Vischpoort, en omsingelde Ofel, en verhief dien zeer ; hij leide ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda. 15 En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het Huis des Heeren weg, mitsgaders alle de altaren die hij gebouwd had op den berg van het Huis des Heeren en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad. 16 En hij richtte het altaar des Heeren toe, en otterde daarop dankofieren en lofofleren, en zeide tot Juda dat zij den Heere den God Israels dienen zouden. 17 Maar het volk otterde nog op de hoogten, hoewel den Heere hunnen God. 18 Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijnen God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den naam des Heeren des Gods Israels, zie, die zijn in de geschiedenissen der Koningen Israels; 19 en zijn gebed, en hoe zich God van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde en zijne overtreding, en de plaatsen daar hij hoogten op gebouwd en bos-schen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd, zie, dat is beschreven in de woorden der zieners. 20 En Manasse ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Anion werd Koning in zijne plaats. 21 Amon was tweeëntwintig jaar oud als hij Koning werd en regeerde twee jaren te Jeruzalem. 22 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon otterde aan alle de gesneden beelden die zijn vader Manasse gemaakt had, én diende ze; 23 maar hij vernederde zich |
|
2 KR ON] niet voor het aangezicht des Hee-een, gelijk IManasse zijn vader zich vernederd had, maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld. 24 En zijne knechten maakten eene verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis. 25 Maar het ^ volk des lands sloeg ze allen die de verbintenis tegen den Koning Amon gemaakt hadden, en het volk des lands maakte zijnen zoon Josia Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 34. _ Josia was acht jaren oud toen hij Koning werd, en regeerde éénendertig jaar te Jeruzalem. 2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeken, en wandelde in de wegen zijns vaders Davids, en week met af ter rechter- noch ter linkerhand. 8 quot;Want in het achtste jaar zijner regeering, toen hi; nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en_ in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bosschen en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen. 4 En men brak voor zijn aangezicht de altaren des Baals af: en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bosschen ook, en de gesneden en gegoten beelden, verbrak en vergruisde en strooide hij op de graven dergenen die hun geofferd hadden; 5 en de beenderen der Pries-teren verbrandde hij op hunne altaren ; en hij reinigde Juda en Jeruzalem. G Daartoe in de steden van Manasse en Efraïm en Simeon, ja, tot Naftali toe, in hare woeste plaatsen rondom, 7 brak hij ook de altaren af en de bosschen, en de gesnedene beelden stampte hij, die vergruizende, en alie de zonnebeelden hieuw hij af in hetgansche land Israels; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem. 8 In het achttiende jaar nu |
EKEN 34. 5G3 zijner regeering, als hij het land en het Huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azalja, en Maaseja, den overste der stad, en Joah, den zoon van Joahaz, den kanselier, om het Huis des Heeren zijns Gods te verbeteren; 9 en zij kwamen tot Hillda den Hoogepriester, en zij gaven het geld dat ten Huize Gods gebracht was, hetwelk de Levi-ten die den dorpel bewaarden vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het gansche overblijfsel Israels, en uit gansch Juda en Benjamin, waarna zij te Jeruzalem wedergekomen waren. 10 Zij nu gaven het in de hand der verzorgers van het werk die besteld waren over het Huis des Heeren, en deze gaven dat aan degenen die het werk deden, die arbeidden aan het Huis des Heeren, om het Huis te vermaken en te verbeteren; 11 want zij gaven het den werkmeesters en den bouwlieden, om gehouwen eteenen te koopen, en hout tot do samenvoegingen, en om dö huizen te zolderen die de Koningen van Juda verdorven hadden. 12 En de^ mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over _ dezelve waren Jahath en Obadja, JLeviten van de kinderen van Merari, mitsgaders Zecharja en Mesullam, van de kinderen der Kohathiten, om het werk voort te drijven; en die Levi ten waren allen verstandig op instrumenten van muziek. 13 Zij waren ook over de lastdragers en de vqortdrijvers van allen die in eenig werk arbeidden: want uit de Levitenwaren schrijvers en ambtlieden en portiers. 14 En als zij het geld uitnamen dat in het Huis des Heeren gebracht was, vond de Priester Hillda het wetboek des Heeren, gcaeven door de hand van Mozes. 15 En Hillda antwoordde en zeide tot Safan den schrijver; |
2 KRONIEKEN 34.
5G4
|
Tk heb het quot;wetboek ge Ancien in het Huis des Heeren ; en liilkia gaf Safan dat boek. 10 En Safan droeg dat boek tot den Koning; daarbenevens bracht hij nog den Koning bescheid weder, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij ; 17 en zij hebben liet geld sa-niengestort dat in het Huis des Heeren gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden en in de hand dcrgenen die het werk maakten. 18 Voorts gaf Sai'an de schrijver den Koning te kennen, zeggende : Hillda de Priester heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht des Konings. 19 gt; Het geschiedde nu als de Koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde; 20 en de Koning gebood Hil-kia, en Ahikam, den zoon van Safan, en Abdon, den zoon van Micha, en Safan den schrijver, en Asaja, den knecht des Konings, zeggende: 21 Gaat henen, vraagt den Heere voor mij en voor het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des Heeren is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het Woord des Heeren, om te doen naar al hetgene dat in dat boek geschre-ven is. 22 Toen ging Hilkia henen, en die des Konings waren, tot de Profetesse Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tokhath, den zoon van Has ra, den kleederbewaarder, (zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede gedeelte), en zij spraken zulks tot haar. 23 En zij zeide tot hen: Zóó zegt de Heere de God Israels: Zegt tot den man die ulieden tot mij gezonden heeft: |
24 Zóó zegt de Heere : Zie, ik zal kwaad over deze plaats en over hare inwoners brengen, alle de vervloekingen die geschreven zijn in het boek dat men voor het aangezicht des Konings van Juda gelezen heeft. 25 Daarom dat zij mij verlaten en andere goden gerookt hebben, opdat zij mij tot toorn verwekten met alle werken hunner handen: zoo zal mijne grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgebluscht worden. 20 Maar tot den Koning van Juda, die ulieden gezonden heeft om den Heere te vragen, tot hem zult gij alzóó zeggen: Zóó zegt de Heere de God Israels : Aangaande de woorden die gij hebt gehoord: 27 omdat uw harte week geworden is en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij zijne woorden hoordet tegen deze 'plaats en tegen hare inwoners, en hebt u vernederd voor mijn aangezicht en uwe kleederen gescheurd _ en geweend voor mijn aangezicht: zoo heb ik u ook verhoord, spreekt do Heere. 28 Zie, ik zal u verzamelen tot uwe vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uwe oogen zullen al dat kwaad niet zien, dat ik over deze plaatse en over hare inwoners brengen zal. En zij brachten den Koning dit antwoord weder. 29 Toen zond de Koninghenen en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem. 30 En de Koning ging op in het Huis des Heeren, en allo de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de Priesters en de Levi ten, en al het volk, van den groote tot den kleine toe; en men las voor hunne ooren alle de woorden des boeks dos verbonds dat in het Huis des Heeren gevonden was. 31 En de Koning stond in zijne standplaats, en maakte een verbond voor des Heeren aangezicht, om den Heere na te wan- |
|
2 KRONI delen, en om zijne geboden en eijne getuigenissen en zijne inzettingen met zijn gnnscne hart on met zijne gansche ziel te onderhonden, doende de woorden des verbonds, die in dat boek geschreven zijn. 32 En hij deed allen die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar liet verbond Gods, des Gods hunner vaderen. 33 Josia dan deed alle gruwelen weg uit alle landen die der kinderen Israels waren, en maakte allen die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen den Heere hunnen God: alle zijne dagen weken zij niet af van den Heere den God hunner vaderen na te volgen. HOOFDSTUK 35. Daarna hield Josia he- Pa-schen den Heere te Jeruzalem, en zij slachtten het Pascha op den veertiende der eerste maand. 2 En hij stelde de Priesters op hunne wachten, en hij sterkte ze tot den dienst van het Huis des Heeren. 3 En hij zeide tot de Leviten, die gansch Israël onderwezen, die den Heere heilig waren: Zet de heilige Ark in het Huis, hetwelk Salomo, de zoon Davids, des Konings Israels, gebouwd heeft; gij hebt geenen last op de schouderen: dient nu den Heere uwen God en zijn volk Israël, 4 en bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uwe atdee-lingen, naar het voorschrift van David, den Koning Israëls, en naar de beschrijving van zijnen zoon Salomo; 5 en etaat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uwe broederen, het volk, en naar de verdeeling van de vaderlijke huizen der Leviten; 6 _ en siacht het Pascha, en heiligt u. en bereidt dat voor uwe broederen, doende naar het Woord des Heeren door de hand van Mozes. |
EKEN 35. 565 7 En Josia gaf voor het volk. van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paaschotieren, naar al hetgene dat daar gevonden werd, in getale dertigduizend; maar van runderen drieduizend : dit was van des Konings have. 8 Ook gaven zijne Vorsten ten vrijwilligen offer voor den volke, voor de Priesteren en voor de Leviten; Hillda en Zecharja en Jehiël, de oversten van het Huis Gods, gaven den Priesteren tot paasch offeren tweeduizend en zeshonderd klein vee en driehonderd runderen. 9 Daartoe Konanja en Semaja en Nethaneël, zijne broeders, mitsgaders Ilasabja en Jeïël en Jozabad, de oversten der Leviten, gaven den Leviten tot paaschofferen vijfduizend Iclein vee en vijfhonderd runderen. 10 Alzoo werd de dienst toebereid ; en de Priesteren stonden in hunne standplaats, en de Leviten in hunne afdeelingen, naar het gebod dea Konings. 11 Daarna slachtte men het Pascha, en de Priesters sprengden hc.t hloed uit hunne handen, en de Leviten trokken de huiden af. 12 En zij namen het brandoffer daaraf, opdat zij die, naar de^ verdeelingen der vaderlijke huizen, den volke geven mochten om den Heere te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzoo met de runderen. 13 En zij kookten het Pascha bij het vuur, naar het recht, maar de andere heilige dingen kookten zij in potten en in ketelen en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk. 14 Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor do Priesteren; want de Priesters, de zonen Aarons, waren tot aan den nacht in het offeren van de brandofferen en het vet; daarom bereidden do Leviten voor zichzelven, en voor de Priesteren, de zonen Aarons. |
|
506 2 KRONI 15 En de zangers, de zonen Asafs, waren in hunne standplaats, naar het gebod van David en Asaf en Heman en Je-duthun, den ziener desKonings, mitsgaders de portiers aan elke poort: zij behoefden niet te wijken van hunnen dienst, overmits hunne broeders de Leviten voor hen bereidden. 16 Al zoo werd de gansche dienst des Heeren op dien dag beschikt, om Paschen te houden en brand-ofieren op het altaar des Heeren te offeren, naar het gebod van den Koning Josia. 17 En de kinderen Israels die er gevonden werden hielden het Paschen te dier tijd, en het feest der ongezuurde hrooden, zeven dagen. 18 Da-ar was ©ok geen Paschen als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël den Profeet af; en geene Koningen Israels hadden zulk een Paschen gehouden, gelijk dat Josia hield met de Priesters, en de Leviten, en gansch Juda, en wat er van Israël gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem. 19 In het achttiende jaar des koninkrijks van Josia werd dit Paschen gehouden. 20 Na dit alles, toen Josia het Huis toebereid had, toog Is echo, de Koning van Egypte, op, ora te krijgen tegen Karkemis aan den Frath: en Josia toog uit, hem tegemoet. 21 Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij Koning van Juda? Wat u aangiiat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis dat oorlog voert tegen mij, en God heeft gszegd dat ik mij haasten zoude: houd u af van God die met mij is, opdat hij u niet verderve. 22 Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem, maar hij vermomde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond Gods, maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. 23 En de schutters schoten den |
EKEN 36. Koning Josia. Toen zeide de Koning tot zijne knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond. 24 En zijne knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem _ op den tweeden wagen dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gansch Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. 25 En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hunne klaagliederen van Josia tot op dezen dag; want zij gaven ze tot eene inzetting in Israël, en zie, zij zijn geschreven in de klaagliederen. 26 Het overige nu der geschiedenissen van Josia en zijne goed-dadigheden, naar dat geschreven is in de wet des Heeren, 27 zijne geschiedenissen dan, do eerste en de laatste, zie, die zijn geschreven in het boek der Koningen van Israël en van Juda. HOOFDSTUK 36. Toen nam het volk des lands Joahaz, den zoon van Josia, en maakten hem Koning in zijns vaders plaats te Jeruzalem. 2 Drieëntwintig jaar was Joahaz. oud als hij Koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. 3 Want de Koning van Egypte zette _ hem af te Jeruzalem, en hij leide het land eene boete op van honderd talenten zilvers en één talent gouds; 4 en de Koning van Egypte maakte zijnen broeder Eljakim Koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijnen naam in Jojakim; maar zijnen broeder Joahaz nam Necho en bracht hem in Egypte. 5 Vijfentwintig jaar was Jojakim oud als hij Koning werd, en regeerde elf jaar te J eruzalem; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heerek zijns Gods. 6 Nebukadnezar, de Koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen kote- |
|
2 KROjCh I nen om hem te voeren naar Ba-bel. 7 N ebukadnezar bracht ook van de vaten des Huizes des Heeüen naar Babel, en stelde ze ir zijnen tempel te Babel. 8 Het overige nu vf.n de geschiedenissen van Jojakim, en zijne gruwelen die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, zie, dat is^ geschreven in het boek der Koningen van Israël en Juda; en Jojachin, zijn zoon, werd Koning in zijne plaats. 9 Acht jaar was Jojachin oud toen hij Koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren. lü En met de wederkomst des jaars zond de Koning Nebnkad-nezar henen en liet hem naar Babel halen, met de kostelijkste vaten van het Huis des Heehen; en hij maakte zijnen broeder Zedekia Koning over Juda en Jeruzalem. 11 Ãénentwintig jaar was Zedekia oud als hij Koning werd; en regeerde elf jaar te Jeruzalem. 12 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren zijns Gods: hij verootmoedigde zich niet aroor het aangezicht van den Profeet Jeremia, sprekende uit den mond des Heeren. 13^ Daartoe werd hij ook afvallig tegen den Koning Nebu-kaduezar, die hem beëedigd had bij God, en verhardde zijnen nek en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den Heere den God Israels. 14 Ook maakten alle oversten der Pries teren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen, en zij verontreinigden het Huis des Heeren dat hij geheiligd had te Jeruzalem. 15 En de Heere de God hunner vaderen zond tot hen door de hand zijner boden, vroeg op zijnde om die te zenden, want hij verschoonde zijn volk en zijne woning; 16 maar zij spotteden met de boden Gods en verachtten zijne |
EKEN 36. 567 woorden, zij verleidden zichzel-ven tegen zijne Profeten â totdat de grimmigheid des Heeren tegen zijn volk opging, dat er geen heel en aan was. 17 Want hij deed tegen hen opkomen den Koning der Chal-deen, die hunne jongelingen met het zwaard in het Huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet noch de maagden, de ouden noch de stokouden: hij gaf ze allen in zijne hand. 18 En alle vaten van het Huis-Gods, de groote en de kleine, en de schatten van het Huis des Heeren, en de schatten des Ko-nings en zijner Vorsten, dit alles-voerde hij naar Babel. 19 En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van _ Jeruzalem af, en alle hare paleizen verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle har© kostelijke vaten. 20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijnen zonen tot knechten, tot aan het regeeren van het Koninkrijk van Perzië; 21 opdat het Woord des Heeren vervuld wierd, door den mond van Jeremia, totdat het land aan zijne sabbaten een welgevallen had: het rustte alle de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren. 22 Maar in het eerste jaar van Kores, Koning van Perzië, opdat volbracht wierd het Woord des Heeren door den mond van Jeremia, verwekte de Heere den geest van Kores, Koning van Perzië, dat hij eene stemme liet doorgaan door zijn gansche koninkrijk, zelfs ook in geschrifte, zeggende: 23 Zóó zegt Kores, Koning van Perzië: De Heere, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven, en iiij heeft mij bevolen hem een Hui» te bouwen te Jeruzalem, dewelke in Juda is: wie is onderulieden van al zijn volk? De Heere zijn God. zij met hem, en hij trekke op. |
EZRA 1, 2.
5C8
HET BOEK EZRA.
|
HOOFDSTUK 1. In het eerste jaar nu van Kores, Koning van Perzië, opdat volbracht wierd het Woord des Heeren uit den mond van Jere-inia, verwekte de Heeke den geest van Kores, Koning van Perzië, dat hij eene stemme liet doorgaan door zijn gansche koninkrijk, zelfs ook in geschrifte, zeggende: 2 Zóó zegt Kores, Koning van Perzië: De Heere, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven, en hij heeft mij bevolen hem een Huis te bouwen te Jeruzalem, dewelke in Juda is. 3 Wie is onder nlieden van al zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Juda, en hij bouwe het Huis des Heeren des Gods Israels: hij is de God die te Jeruzalem tcoont. 4 En al wie achterblijven zoude in alle de plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen de lieden zijner plaatse bevorderlijk zijn met zilver en met goud, en met have en met beesten, benevens eene vrijwillige gave voor het Huis Gods, die te Jeruzalem woont. 5 Toen maakten zich óp de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de Priesteren en de Leviten, benevens een iegelijk wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het Huis des Heerex, die te Jeruzalem ïcoonf. 6 Allen nu die rondom hen waren sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met have, en met beesten, en met kostelijkheden, behalve alles dat vrijwilliglijk gegeven werd. 7 Ook bracht de Koning Kores |
I uit de vaten van het Huis des i Heeren, die Nebukadnezar uit i Jeruzalem had uitgevoerd en in : het huis zijns gods had gesteld; 8 en Kores, de Koning van i Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath den schatmeester, die ze Sesbazzar, den Vorst van Juda, toetelde. 9 En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negenentwintig messen. 10 dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers, andere vaten duizend: 11 alle vaten van goud en van zilver waren vijfduizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazzar op met degenen, die uit de gevangenschap opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem. HOOFDSTUK 2. Dit zijn de kinderen van dat landschap, die opgetogen uit de gevangenschap der weggevoerden, die Nebukadnezar, Koning van liabel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijne stad; 2 dewelke kwamen metZerub-babel, Jesüa, Nehemia, Seraja, Keëlajo, Mordechai, Bilsan, Mis-par, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal der mannen des volks Israëls: 3 de kinderen van Paros, tweeduizend honderd tweeënzeventig; 4 de kindereu van Sefatja, driehonderd tweeënzeventig; 5 de kinderen »'an Arah, zevenhonderd vijfenzeventig; 6 de kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesüa-Joab, tweeduizend achthonderd en twaalf; 7 de kinderen van Elam, duizend tweehonderd vierenvijftig; |
|
8 de kinderen van Zattu, negenhonderd vijfenveertig: 9 de kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig; 10 de kinderen van Bani, zeshonderd tweeënveertig; 11 de kinderen van Bebai, zeshonderd drieëntwintig; 12 de kinderen van Azgad, duizend tweehonderd tweeëntwintig ; 13 de kinderen van Adonikam, zeshonderd zesenzestig; 14 de kinderen van Bigvai, tweeduizend zesenvijftig; 15 de kinderen van Adin, vierhonderd vierenvijftig; 16 de kinderen van Ater, van Jehizkia, achtennegentig, 17 de kinderen van Bezai, driehonderd drieëntwintig; 18 de kinderen van Jora, honderd en twaalf; 19 de kinderen van Hasum, tweehonderd drieëntwintig; 20 de kinderen van Gibbar, vijfennegentig; 21 de kinderen van Bethlehem, honderd drieëntwintig; 22 de mannen van Netofa, zesenvijftig ; 23 de mannen van Anathoth, honderd achtentwintig; 24 de kinderen vanAzmaveth, tweeënveertig; 25 de^ kinderen van Kirjath Arim, Kefira en Becroth, zevenhonderd drieënveertig; 26 de kinderen van Rama en Gibea, zeshonderd éénentwintig; 27 de mannen van Michmas, honderd tweeëntwintig; 28 de mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drieëntwintig; 29 de kinderen van Nebo, tweeenvijftig ; 30 de kinderen van Magbis, honderd zesenvijftig; 31 de kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vierenvijftig; 32 de kinderen van Harim, driehonderd en twintig; 33 de kinderen van Lod, Ha did en Ono, zevenhonderd vijfentwintig ; 34 de kinderen van Jericho, driehonderd vijfenveertig; |
k 2. 56» 35 da kinderen van Senaa, drieduizend zeshonderd en dertig. 36 De Priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesiia, negenhonderd drieënzeventig; 37 de kinderen van Immer, duizend tweeënvijftig; 38 de kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zevenenveertig ; 39 de kinderen van Harim, duizend en zeventien. 40 Do Leviten: do kinderen van Jesüa en Kadmiël, van de kinderen van Hodavja, vierenzeventig. 41 De zangers: de kinderen van Asaf, honderd achtentwintig. 42 De kinderen der portiers: de kinderen van Salhim, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, deze allen waren honderd negenendertig. 43 Da Nethinim: de kinderen van Ziha.de kinderen van Hasufiu de kinderen van Tabbaoth, 44 de kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon, 45 de kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub, 46 de kinderen van Hagab, do kinderen van Samlai, de kinderen van Hanau, 47 de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Eeaja, 48 de kinderen van Kezin, de kinderen van Kekoda, de kinde-ren van Gazzam, 49 de kinderen van Uzza, do kinderen van Paséah, de kinderen van Besai, 50 de kinderen van Asna, de kinderen der Meüniten, do kinderen der_ Nefusiten, 51 de kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur, 52 de kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa, 53 de kinderen van Barkos, de kinderen van Misera, de kinderen van Témah, |
EZRA 3.
ffTO
|
54 de kinderen van Neziali, de kinderen van Hatila. 55 De kinderen der knechten van Salomo: de kinderen van Sotai, de kinderen van Soféreth, de kinderen van Pemda, 56 de kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen Giddel, 57 de kinderen van Sefatia, de kinderen van Hattil, de kinderen van ï'ochéreth-Hazzebaïm, de kinderen van Ami: 58 alle de Nethinim en de kinderen der knechten van Salomo waren driehonderd tweeënnegentig. 59 Deze togen ook op van Tel-raélah, Telharsa, Kerub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israël waren: 60 de kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van ïiekoda, zeshonderd tweeënvijftig; 61 en van de kinderen der Priesters, de kinderen van Habaja,de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de doch-teren van Barzillai den Gileadiet eene vrouw genomen had, en naar hunnen naam genoemd was. 62 Dezelve nu zochten hun register onder degenen die in het geslachtregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het Priesterdom geweerd; 63 en Hattirsatha zeidetothen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een Priester stond met Urim en met Tummim. 64 Deze gansche gemeente te zamen was tweeënveertigduizend driehonderd zestig; 65 behalve hunne knechten en hunne maagden, die waren zevenduizend driehonderd zevenendertig. ^.n zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen; 06 hunne paarden waren zevenhonderd zesendertig, hunne muildieren tweehonderd vijfenveertig, |
67 hunne kemelen vierhondftrd vijfendertig, de ezels zesduizend zevenhonderd en twintig. 68 En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten Huize des Heeren die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk voor het Huis Gods, om dat te zetten op zijne vaste plaats: 69 zij gaven naar hun vermogen voor den schat des werks, aan goud éénenzestigduizend drachmen, en aan zilver vijfduizend ponden, en honderd priesterrokken. 70 En de Priesters en de Levi-ten, en sommigen uit het volk, zoo ook de zangers als de portiers en de Nethinim, woonden in hunne steden, en gansch Israël in zijne steden. HOOFDSTUK 3. Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk als een éénig man te Jeruzalem. 2 En Jesüa, de zoon Jozadaks, maakte zich op, en zijne broederen de Priesters, en Zerubbabel, de zoon Sealtiëls, en zijne broederen, en zij bouwden het altaar des Gods Israëls, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes den man Gods; 3 en zij vestigden het altaar op zijne stelling, maar met verschrikking die over hen was vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den Heere, brandofferen des morgens en des avonds. 4 En zij hielden het feest der loofhutten gelijk geschreven is, en zij offerden brandofferen dag bij dag in getale, naar het recht, van elk dagelijks op zijnen dag. 5 Daarna ook het gedurig brandoffer, en het offer der nieuwe maanden en van alle gezette hoogtijden des Heeren die geheiligd waren: ook van een ieder die eene vrijwillige offerande den Heere vrijwilligliik offerde. 6 Van den eersten dag der zevende maand af begonnen zij den Heere brandofferen te offe- |
|
Ezr ren. Doch de grond van den Tempel des Heeren was niet gelegd. 7 Zoo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriiirs, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, Koning van Perzië, aan hen. 8 In het tweedejaar nu hunner aankomst ten Huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon Sealtiëls, en Jesüa, de zoon Jo-zadaks, en de overigen hunner broederen, de Priesters, en de Le-viten, en allen die uit de gevangenschap te Jeruzalem gekomen waren; enzij stelden de Leviten van twintig jaar oud en djuirbo-ven om opzicht te nemen over het werk van des Heeren Huis. 9 Toen stond Jesüa, zijne zonen en zijne broederenden Kadmiël met zijne zonen, kinderen van Juda, als één vian, om opzicht te hebben over degenen die het werk deden aan het Huis Gods, met de zonen van Hén a dad, hunne zonen en hunne broederen, de Leviten. 10 Als nu de bouwlieden den grond van des Heeren Tempel leiden, zoo stelden zij de Priesters aangekleed zijnde, met trompetten, en de Leviten, Asafs zonen, met cymbalen, om den Heere te loven naar de instelling Davids, des Konings van Israël. 11 En zij zongen bij beurten, den Heere lovende en dankende dat hij goed is, dat zijne weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël; en al het volk juichte met groot gejuich, als men den Heere loofde over de grondlegging van het Huis des Heeren. 12 Maar velen van de Prieste-ren en Leviten en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste Huis gezien hadden, dit Huis in zijne grondlegging voor hunne oogen zijnde, weenden met luider stemme; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde, 13 zoodat het volk niet onder- |
A 4. 571 kende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des ge-weens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, zoodat de stem tot van verre gehoord werd. HOOFDSTUK 4. Toen nu de wederpartij ders van Juda en Benjamin hoorden dat de kinderen der gevangenschap den Heere den God Israëls den Tempel bouwden, 2 zoo kwamen zij aan tot Zerubbabel en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uwen God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij hem geolferd sinds de dagen Esar-Haddons, des Konings van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken. 3 Maar Zerubbabel en Jesüa en de overige hoofden der vaderen Israëls zeiden tot hen: Het betaamt niet dat gijlieden en wij onzen God een Huis bouwen, maar wij alleen zullen het den Heere den God Israëls bouwen, gelijk als de Koning Kores, Koning van Perzië, ons geboden heeft. 4 Evenwel maalcte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstrooide ze in het bouwen, 5 en zij huurden tegen hen raadslieden om hunnen raad te vernietigen, alle de dagen van Kores, Koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Darius, des Konings van Perzië. 6 En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijnsko-ninkrijks, schreven zij eene aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. 7 En in de dagen van Artah-sasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Artahsasta, Koning van Perzië, en het schrift des briefs was in het Syrisch geschreven en in het Syrisch uitgelegd. 8 Rehum de kanselier en Sirasai de schrijver schreven een en brief |
|
572 EZI tegen Jeruzalem a«m den Koning Artahsasta, op deze manier. 9 Toen schreven llehnm de kanselier en Simsai de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaiten, de Afarsathkiten, de Tarpeliten, de Afarsiten, de Arkeviten, de Babyloniörs, de Susankiten, de Dehaviten, de Elamiten, 10 en do overige volken die de groote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd en doen wonen in de stad van Ãamarië, ook de overigen aan deze zijde der rivier op zulk een tijd. 11 Dit is een afschrift van den brief dien zij aan hem, aan den Koning Artahsasta, zonden : Uwe knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd. 12 Den Koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bomvende die oproerige en die booze stad, waarvan zij de muren voltrekken en de fundamenten samenvoegen. 13 Zoo zij nu den Koning bekend, indien deze stad zal worden opgebouwd en do muren voltooid, dat zij den cijns, ouden impost en tol niet zullen geven, en gij zult den inkomsten der Koningen schade aanbrengen. 14 Nu, omdat wij bezoldiging uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des Konings oneere te zien, daarom hebben wij gezonden en dit den Koning bekend gemaakt; 15 opdat menzoekein hetboek der kronieken uwer vaderen: zoo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat deze stad eene oproerige stad geweest is, en den Koningen en land-Bchappen _ schade ^ aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af: daarom is die stad verwoest. 16 Wij maken dan den Koning bekend, dat, zoo die stad zal worden opgebouwd en hare muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier. 17 De Koning zond antwoord |
A 5. aan Rehum den kanselier en Simsai den schrijver, en de overigen van hunne gezelschappen die te Samarië woonden, mitsgaders aan de^ overigen aan deze zijde der rivier, aldus; Vrede, en op zulken tijd. 18 De brief, dien gij aan ons gezonden hebt is duidelijk voor mij gelezen. 19 En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat die stad zicli van oude tijden af tegen die Koningen heeft verheven, en oproeren afval daarin gesticht is. 20 Ook zijn er machtige Koningen geweest over Jeruzalem, die geheerscht hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude imposten tol gegeven. 21 Geeft dan nu bevel om die mannen te beletten dat die stad opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven. 22 Weest gewaarschuwd van feil in dezen te begaan: waarom zoude het verderf tot schade dor Koningen aanwassen? 23 Toen, nadat het afschrift des briefs van den Koning Artahsasta voor Eehum, en Simsai den schrijver, en hunne gezelschappen gelezen was, togen zij in haaste naar Jeruzalem tot de Joden, en belettedeu ze met macht en geweld. 24 Toen hield het werk op van het Huis Gods die te Jeruzalem icoont, ja, het hield óp tot in liet tweede jaar des koninklijks van Darius, den Koning van Perzië. HOOFDSTUK 5. Haggai nu, de Profeet, en Za-charia, de zoon van Iddo, Profeten, profeteerden tot de Joden die in Juda en te Jeruzalem waren: in den naam des Gods Israels profeteerden zij tot hen. 2 Toen maakten zich óp Zernb-babel, de zoon Sealtiëls, en Je-süa, de zoon Jozadaks, onbegonnen te bouwen het Huis Gods die te Jeruzalem woont, en mot hen de Profeten Gods, die hen ondersteunden. 3 Te dier tijd kwam tot hen |
|
Tattenai, do landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sethar-Boze-/iai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeftnlieden bevel gegeven dit Huis v.e bou-Tveu en dezen muur te voltrekken? 4 Toen zeiden wij aldus tot hen, en welke de namen waren der mannen die dit gebouw bouwden. ö Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hen niet beletteden, totdat de zaak aan Darius kwam, en zij alsdan daarover eenen brief we-derbrachten. G Afschrift van den brief dien Tattenai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sethar-Bo-zenai en zijn gezelschap, de Afar-sechaïten die aan deze zijde der rivier waren, aan den Koning Darius zond. 7 Zij zonden een verhaal aan hem, daarin was aldus geschreven: Den Koning Darius zij allo vrede. 8 Den Koning zij bekend dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten Huize des groo-ten Gods, hetwelk gebouwd wordt met groote steenen, en het hout wordt gelegd in de wanden, en datzelve werk wordt ras gedaan en gaat voorspoediglijk door hunne handen voort. 9 Toen hebben wij de oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit Huis te bouwen en dezen muur te voltrekken? 10 Wijders hebben wij hun ook hunne namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten, dat wij mochten overschrijven denamen der mannen die hoofden onder hen zij n ; 11 en zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het Huis dat vele jaren vóór dezenis gebouwd geweest; want een groot Koning Israëls had het gebouwd en voltrokken. 12 Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft hij ze gegeven in de hand |
\ G. 573 Nebukadnezars, des Konings van Babel, des Chaldeërs, dewelke dat Huis heeft vernield en het volk naar Babel _ weggevoerd. 13 Doch in het eerste jaar van Kores, Koning van Babel, heeft de Koning Kores bevel gegeven dit Huis Gods te bouwen. 14 Ja, de vaten van Gods Huis welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den Tempel die te Jeruzalem was had weggenomen en gebracht in den tempel van Babel, die heeft de Koning Kores uitgebracht uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan eenen, wiens naam was Sesbazzar, dien hij tot landvoogd had gesteld; 15 en hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren naar den Tempel die te Jeruzalem is, en laat het Huis Gods gebouwd worden op zijne plaats. lü Toen kwam deze Sesbazzar, hij leide de fundamenten van het Huis Gods die te Jeruzalem woont: en daar is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbracht. 17 Zoo liet dan nu den Koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het scha thuis des Konings aldaar, dat te Babel is, of het zij dat een bevel van den Koning Kores gegeven zij, om dit Huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des Konings believen hiervan tot ons zende. HOOFDSTUK 6. Toen gaf de Koning Darius bevel, en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel. ^ 2 En te Ahmetha, in den burg die in het landschap Medië is, werd eene rol gevonden, en daarin was aldus geschreven: Gedachtenis: 3 in het eerste jaar des Konings Kores gaf de Koning Kores dit bevel: Het Huis Gods te Jeruzalem, dat Huis zal gebouwd worden ter plaatse daar zij oller-anden otteren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijne hoogte van zestig ellen en |
|
674 EZ Tv ,cijne breedte van zestig ellen; 4 met drie rijen van grooten steen, en ééne rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des Konings huis gegeven worden. 5 Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het Huis Gods, die Nebukadnezar uit den Tempel die te Jeruzalem was heeft weggevoerd en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den Tempel die te Jeruzalem is, aan zijne plaatse, en men zal ze afvoeren naar het Huis Gods. 6 Nu gij Tattenai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Se-thar-Bozenai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaïten die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar: 7 laat hen aan den arbeid van dit Huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit Huis Gods bouwen aan zijne plaats. 8 Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit Huis Gpds te bouwen: te weten, dat uit des Konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men ze niet belette. 9 En wat noodig is, als jonge runderen en rammen en lamineren, tot brandolferen den God van den hemel, tarwe, zout, wijn en^ olie, naar het zeggen der Priesteren die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij: 10 opdat zij offeranden van liefelijken reuk den God van den hemel offeren, en bidden voor het leven des Konings en zijner kinderen. 11 Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al degene die dit woord zal veranderen, een hout zal uit zijn huis gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen, en zijn huis zal om dieswille tot eenen drek-hoop gemaakt worden. 12 De God nu die zijnen naam |
k 6. aldaar heeft doen wonen, werpe terneder alle Koningen en volken, die hunne hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit Huis Gods dat te Jeruzalem is; ik Darius heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde. 13 Toen deden Tattenai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sethar-Bozenai en hun gezelschap, spoediglijk alzoo, naar hetgeen de Koning Darius gezonden had. 14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoedig-lijk voort, door de profetie des Profeten Haggai, en Zacharia, des zoons vanlddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel des Gods Israels, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Artahsasta, Koning van Per-zië. 15 En dit Huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk des Konings Darius. 1(3 En de kinderen Israels, de Priesters en Leviten, en de overige kinderen der gevangenschap, deden de inwijding van dit Huis Gods met vreugde. 17 En zij # offerden, ter inwijding van dit Huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren, en twaalf geitenhokken ten zondoffer voor gansch Israël, naar het getal der stammen Israels. 18 En zij stelden de Priesteren in hunne onderscheidingen, en de Leviten in hunne afdee-lingen, tot den dienst Gods die te Jeruzalem is. naar het voorschrift van het boek van Mozes. 19 Ook hielden de kinderen der gevangenschap het Pascha op den veertiende der eerste maand. 20 Want de Priesters en de Leviten hadden zich gereinigd als een éénig man, zij waren allen rein; zij slachtten het Pascha voor alle kinderen der gevangenschap, en voor hunne broederen de Priesters, en voor zichzelven. |
|
EZE 21 Alzoo aten de kinderen Is-raëls die uit de gevangenschap wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den Heere den God Israëls te zoeken; 22 en zij hielden het feest der ongezuurde btooden zeven dagen, met blijdschap, want de Heere had ze verblijd, en het harte des Konings vanAssurtot hen gewend, om hunne handen te sterken in het werk van het Huis Gods, des Gods van Israël. HOOFDSTUK 7. Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Artah-sasta, Koning van Perzië: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Hilkia, 2 den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahitub, 3 den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth, 4 den zoon van Zerahja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki, 5 den zoon van Abisüa, den zoon vanPinehas, den zoon van Eleazar, den zoon van Aaron den Hoofdpriester: 6 deze Ezra toog opuitBabel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de Heere de God Israëls gegeven heeft; en de Koning gaf hem, naar de hand des Heerex zijns Gods over hem, al zijn verzoek. 7 Ook sommigen van de kinderen Israëls en van de Prieste-ren en de Leyiten en de zangers en de portiers en de Nethi-nim togen op naar Jeruzalem in het zevende jaar van den Koning Artahsasta. 8 En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes Konings. 9 Want op den eerste der eerste maand was het begin van den optocht uit Babel, en op den eerste der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de i 7. 575 |
goede hand zijns Gods over hem; 10 want Ezra had zijn harte gericht om de wet des Heerex te zoeken en te doen, en om in Israël te leeren de inzettingen en de rechten. 11 Dit is nu het afschrift van den brief dien de Koning Artahsasta gaf aan Ezra den Priester, den schriftgeleerde: den schriftgeleerde in de woorden der geboden des Heeren en zijne inzettingen over Israël. ^12 Artahsasta, Koning der Koningen, aan Ezra den Priester, den schriftgeleerde in de wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd. 13 Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van den volke Israëls en deszelfs Priesteren en Leviten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga; 14 dewijl gij van voor den Koning en zijne zeven raadsheeren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Juda en te Jeruzalem, naar de wet uwa Gods die in uwe hand is; 15 en om henen te brengen het zilver en goud, dat de Koning en zijne raadsheeren vrij williglijk gegeven hebben den God Israëls, wiens woning te Jeruzalem is; 16 mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het gansche landschap van Babel» met de vrijwillige gave des volk» en der Priesteren, die vrij williglijk geven ten Huize huns Gods dat te Jeruzalem is: 17 opdat gij spoedig voor dat geld koopt runderen, rammen» lammeren, met hunne spijsofleren en hunne drankolferen, en die offert op het altaar des Huizes van ulieder God, dat te Jeruzalem is. 18 Daartoe wat u en uwen broederen goeddunken zal met het overige zilver en goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods. 19 En de vaten die u gegeven zijn ten dienste van het Huis uws Gods, geef die weder voor den God van Jeruzalem. |
|
sr6 EZ B 20 Het overige nu dat van noodo zal zijn voor het Huis nws Gods, dat n voorkomen zal nit te geven, zult gij geven uit het schathuis des Konings. 21 En van mij, mij Koning Artahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesteren die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles wat Ezra _ de Priester, de schriftgeleerde in de wet van den God des hemels, van u zal be-geeren, spoedig gedaan worde: 22 tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift. 23 Al wat nanr het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde voor het Huis van den God des hemels; want waartoe zoude er groote toorn zijn over het koninkrijk des Konings en zijner kinderen? 24 Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle Priesteren en Leviten, zangers, portiers, Nethi-nim en dienaars van den Huize dezes Gods, dat men den^cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen. 25 En gij Ezra, naar de wijsheid uws Gods die in uwe hand is, stel regeerders en rechters, die al het volk richten dat aan gene zijde der rivier is, allen die de wetten uws Gods wetenden aan wie ze niet weet zult gijlieden die bekend maken; 26 en al wie de wet uws Gods en de wet des Konings niet zal doen, laat over dien spoedig recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot verbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden. 27 Geloofd zij de Heere de God onzer vaderen, die al zulks in het harte des Konings gegeven heeft, om te versieren het Huis des Heeren dat te Jeruzalem is, 28 en heeft tot mij weldadigheid geneigd voor het aangezicht des Konings en zijner raads-heeren en aller geweldige Vorsten des Konings. Zoo heb ik mij gesterkt, naar de hand des Hee- |
A 8. ren mijns Gods over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd om met mij op te trekken. HOOFDSTUK 8. Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen met hunne geslachtrekening, die met mij uit Babel optogen^ onder het koninkrijk van den Koning Artahsasta: 2 van de kinderen van Pine-has, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus; 3 van de kinderen van Sechan-ja, van de kinderen van Paros, Zecharja, en met hem werden bij geslachtregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig; 4 van de kinderen van Pahath-Moab, Eljoënai, de zoon van Zerahja, en met hem tweehonderd manspersonen; 5 van de kinderen van Sechan-ja, do zoon van Jahaziël, en met hem driehonderd manspersonen; 6 en van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan, en met hem vijftig manspersonen; 7 en van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athal-ja, en met hem zeventig manspersonen ; 8 en van de kinderen van Se-fatja, Zebadja, de zoon van Mi-chaël, en met hem tachtig manspersonen ; 9 van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiël, en met hem tweehonderd en achttien manspersonen; 10 en van de kinderen van Selomith, de zoon van Josilja,en met hem honderd en zestig manspersonen; 11 en van de kinderen van Bebai, Zecharja, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig manspersonen; 12 en van de kinderen van Az-gad, Johanan, de zoon van Ka-tan, en met hem honderd en tien manspersonen; 13 en de laatsten van de kinderen van Adonikam welker, namen deze waren: Elifélet, J eïël en |
|
EZE Semaja, en met hen zestigmane-personen; 14 en van de hinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud, en met hen zeventig manepersonen. 15 En ik vergaderde ze aan de rivier gaande naar Ahava, en wij legerden ons aldaar drie dagen; toen lette ik op het volk en de Priesteren, en vond aldaar geene van de kinderen van Levi. 16 Zoo zond ik tot Eliëzer, tot Ariël, tot Semaja, en tot Elna-than, en tot Jarib, en tot Slna-than, en tot Nathan, en tot Ze-cliarja, en tot Mesnllam, de hoofden ; en tot Jojarib en tot Elna-than, de leeraars; 17 en ik gaf hnn bevel aan Iddo, het hoofd in de plaatsKa-sifja, en ik leide de woorden in hnnnen mond, om te zeggen tot Iddo, zijnen broeder, en de Nethi-nim, in de plaats Kasifja, dat zij on8_ brachten dienaars voor het Hnis onzes Gods. 18 En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, eenen man van verstand, van de kinderen van Mahli,,den zoon van Levi, den zoon Israels namelijk Serebja, met zijne zonen en broederen, achttien; 19 en Hasabja, en met hem Je-saja van de kinderen van Mera-ri, met zijne broederen en hunne zonen, twintig: 20^ en van de Kethinim, die David en de Vorsten ten dienste dor Leviten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Netlii-nim, die allen bij namen genoemd werden. 21 Toen riep ik aldaar een vasten iiit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van hem te verzoeken eenen rechten weg voor ons en voor onze kinderkens en voor al onze have. 22 Want ik schaamde mij van den Koning een heir en ruiters te begeeren, om ons te helpen tegen den vijand op den weg, omdat wij tot den Koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes^ Gods is ten goede over allen die hem zoeken, maar |
V 8. 577 zijne sterkte en zijn toorn over allen die hem verlaten. 23 Alzoo vastten wij, en verzochten zulks van onzen God: en hij liet zich van ons verbidden. 24 Toen zonderde ik er twaalf af van de oversten der Priesteren : Serebja, Hasabja, en tien van hunne broederen met hen; 25 en ik woog hun toe het zilver en het goud en de vaten, zijnde de offering voor het Huis onzes Gods, die de Koning en zijne raadsheeren en zijne Vorsten, en gansch Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden. 26 Ik woog dan aan hunne hand af zeshonderd en vijftig talenten zilvers, en honderd talenten aan zilveren vaten; aan goud, honderd talenten; 27 en twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee vaten van blinkend goed koper, begeerlijk als goud. 28 En ik zeide tot hen : Gij zijt heilig den Heere, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave voor den Heere uwer vaderen God. 29 Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt, in tegenwoordigheid van de oversten der Priesteren en Leviten en der Vorsten der vaderen Israëls, te Jeruzalem, in de kameren van des Heeeen Huis. 30 Toen ontvingen de Priesters en de Leviten het gewicht des zilvers en des gouds en der vaten, om te brengen te Jeruzalem ten Huize onzes Gods. 31 Alzoo verreisden wij van de rivier Ahava op den twaalfde der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijandsen desgenen die ons lagen leide op den weg. 32 En wij kwamen te Jeruzalem, en wij bleven aldaar drie dagen. 33 Op den vierden dag nu werd gewogen het zilver en het goud en de vaten, in het Huis onzes Gods, aan do hand van Mere-moth, den zoon van TJria, den Priester, en met hem Eleazar, de 19 |
|
678 E Z E zoon van Pfnehas, en met hen Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï, de Leviten, 34 naar liet getal en naar het gewicht van dat alles; en het gansche gewicht werd terzelfder tijd opgeschreven. 35 Ãn de weggevoerden, die nit de gevangenschap gekomen waren, offerden den God Israels brandoflTeren: twaalf varren voor gansch Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den Heere. 36 Daarna gaven zij de wetten des Konings aan des Konings stadhouders en landvoogden aan deze zijde der rivier, en zij bevorderden het volk en het Huis Gods. HOOFDSTUK 9. Als nu deze dingen voleindigd waren, traden de Vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israels en de Priesters en de Leviten zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hunne gruwelen, namelijk van de Ka-naiiniten, de Hethiten, de Fere-ziten, de Jebusiten, de Ammo-niten, de Moabiten, de Egypte-naren en de Ainoriten; 2 want zij hebben van hunne dochteren genomen voor zich-zelve en voor hunne zonen, zoodat zich vermengd heeft het heilig zaad met de volken dezer landen: ja, de hand der Vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding. 3 Als ik nu deze zake hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijnen mantel, en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder. 4 Toen verzamelden zich tot mij allen die voor de woorden van den God Israels beefden, om de overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer. 5 En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijne bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijnen mantel gescheurd had; |
A 9. en ik boog mij op mijne knieën en breidde mijne handen uit tot den Heere mijnen God; 6 en ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot u op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel. 7 Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in groote schuld, tot op dezen dag; ^n wij zijn om onze ongerechtiviieden _ overgegeven, wij, onze Koningen en onze Priesters, in de hand van de Koningen der landen, in zwaard, in gevangenschap en in roof en in schaamte des aange-zichts, gelijk het is te dezen dage. 8 En nu is er, als een klein oogenblik, eene genade geschied van den Heere onzen God, om ons eene ontkoming over te laten, en ons eenen nagel te geven in zijne heilige plaats, om onze oogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid. 9 Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten, maar hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der Koningen van Perzië, dat hij ons een^ weinig levens gaf, om het Huis onzes^ Gods te verhoogen en de woestigheden van hetzelve op te ^ richten, en om ons eene omtuining te geven in Juda en te Jeruzalem. 10 En nu wat zullen wij zeggen, o onze God, na dit alles? Want wij hebben uwe geboden verlaten, 11 die gij geboden hadt door den dienst van uwe knechten de Profeten, zeggende: Het land waar gijlieden in komt om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van de volken der landen, om hunne gruwelen, waarmede zij dat vervuld hebben van het óéne einde tot het andere einde, met hunne onreinigheid. 12 Zoo zult gij nu uwe dochteren niet geven aan hunne zo- |
|
EZ K nen, en hunne dochteren niet nemen voor uwe zonen, en zult hunnen vrede en hun best niet zoeken tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt en het goede des lands eet, en uwen kinderen doet erven tot in eeuwigheid. 13 Eu na alles dat over ons gekomen is, om onze booze werken en om onze grooteschuld;omdat gij, o onze God, belet hebt dat wij te onder zouden gaan vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons eene ontkoming gegeven als deze is, 14 zullen wij nu wederkeeren om uwe geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen ? Zoudt gij niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij 15 O Heere God Israels, gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming. zooals het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor uw aangezicht in onze schuld, want daar is niemand die deswege voor uw aangezicht zoude kunnen bestaan. HOOFDSTUK 10. Als Ezra alzoo bad, en als hij deze belijdenis deed, weenende en zich voor Gods Huis neder-werpende, verzamelde zich tot hem uit Israël eene zeer groote gemeente van mannen en vrouwen en kinderen, want het volk weende met groot geween. 2 Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiël, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: quot;Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands hij ons doen wonen; maar nu, daar is hope voor Israël dezen aangaande. 3 Laat ons dan nu een verbond maken met onzen God, dat wij alle die vrouwen en wat van haar geboren is zullen doen uitgaan, naar den raad des Heeren en dergeneu die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet. 4 Sta op, want deze zaak komt |
l 10 57Jgt; u toe, en wij zullen met uzijn: wees sterk en doe het. 5 Toen stond Ezra op, en deed de oversten der Priesteren, de Levi ten en gan-ch Israël zweren te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren. 6 En Ezra stond op van voor Gods Huis, en ging in de kamer van Johanan, den zoon van El-jasib; als hij daar kwam, at hij geen brood en dronk geen water, want hij bedreef rouwe over do overtreding der weggevoerden. 7 En zij lieten eene stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan alle de kinderen der gevangenschap, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen ; 8 en al die niet kwam in drie dagen, naar den raad der Vorsten en der oudsten, al zijne have zoude verbannen zijn, en hij zelf zoude afgezonderd wezen van do gemeente der weggevoerden. 9 Toen verzamelden zich allo mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; Het was de negende maand, op den twintigste in de maand; en al het volk zat cp de straat van Gods Huis, sidderende om deze zake en vanwege de plasregenen. 10 Toen stond Ezra de Priee-ter op en zeide tot hen: Gijlieden hebt overtreden en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om Israëls schuld te vermeerderen . 11 Nu dan, doet de Heere uwer vaderen God belijdenis, en doet zijn welgevallen, en scheidt'u'af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen. 12 En de gansche gemeente antwoordde en zeide met luider stemme: Naar uwe woorden, al-zoó betaamt het ons te doen. 13^ Maar des volks is veel,,en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van één dag noch van twee, want onzer velen hebben overtreden in deze zaak. 14 Laat toch onze Vorsten der gansche gemeente /^erover staan,, en allen die in onze steden zijn» die vreemde vrouwen bij z%ch |
|
578 EZ E zoon van Pinehas, en met hen Jozabad, de zoon van Jesüa, en Noadja, de zoon van Binnuï, de Leviten, 34 naar liet getal en naar het gewicht van dat alles; en het gansche gewicht werd terzelfder tijd opgeschreven. 35 Ãn de weggevoerden, die uit de gevangenschap gekomen waren, offerden den God Israels bran dolleren: twaalf varren voor gansch Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den Heere. 36 Daarna gaven zij de wetten des Konings aan des Konings Btadhonders en landvoogden aan deze zijde der rivier, en zij bevorderden het volk en het Huis Gods. HOOFDSTUK 9. Als nu deze dingen voleindigd waren, traden de Vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls en de Priesters en de Leviten zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hunne gruwelen, naweh'jk van de Ka-naüniten, de Hethiten, de Fere-ziten, de Jebusiten, de Ammo-niten, de Moabiten, de Egypte-naren en de Amoriten; 2 want zij hebben van hunne doch teren genomen voor zich-zelve en voor hunne zonen, zoodat zich vermengd heeft het heilig zaad met de volken dezer landen: ja, de hand der Vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding. 3 Als ik nu deze zake hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijnen mantel, en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder. 4 Toen verzamelden zich tot mij allen die voor de woorden van den God Israëls beefden, om de overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer. 5 En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijne bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijnen mantel gescheurd had; |
A. 9. en ik boog mij op mijne knieën en breidde mijne handen uit tot den Heere mijnen God; 6 en ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot u op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel. 7 Van de dn gen onzer vaderen af zijn wij in groote schuld, tot op dezen dag; ^n wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze Koningen en onze Priesters, in de hand van de Koningen der landen, in zwaard, in gevangenschap en in roof en in schaamte des aange-zichts, gelijk het is te dezen dage. 8 En nu is er, als een klein oogenblik, eene genade geschied van den Heere onzen God, om ons eene ontkoming over te laten, en ons eenen nagel te geven in zijne heilige plaats, om onze oogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid. 9 Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten, maar hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der Koningen van Perzië, dat hij ons een weinig levens gaf, om het Huis onzes Gods te verhoogen en de woestigheden van hetzelve op te f richten, en om ons eene omtuining te geven in Juda en te Jeruzalem. 10 En nu wat zullen wij zeggen, o onze God, na dit alles? Want wij hebben uwe geboden verlaten, 11 die gij geboden hadt door den dienst van uwe knechten de Profeten, zeggende: Het land waar gijlieden in komt om dat te erven, is een vuil land, dooide vuiligheid van de volken der landen, om hunne gruwelen, waarmede zij dat vervuld hebben van het óéne einde tot het andere einde, met hunne onreinigheid. 12 Zoo zult gij nu uwe doch-teren niet geven aan hunne zo- |
|
EZ K nen, en hunne dochteren niet nemen voor uwe zonen, en zult hunnen vrede en hun best niet zoeken tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt en het goede des lands eet, en uwen kinderen doet erven tot in eeuwigheid. 13 En na alles dat over ons gekomen is, om onze booze werken en om onze groote schuld; omdat gij, o onze God, belet hebt dat wij te onder zouden gaan vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons eene ontkoming gegeven als deze is, 14 zullen wij nu wederkeeren om uwe geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen ? Zoudt gij niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij ? 15 O Heere God Israels, gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, zooals het is te dezen dag:e. Zie. wij zijn voor uw aangezicht in onze schuld, want daar is niemand die deswege voor uw aangezicht zoude kunnen bestaan. HOOFDSTUK 10. Als Ezra alzoo bad, en als hij deze belijdenis deed, weenende en zich voor Gods Huis neder-werpende, verzamelde zich tot hem uit Israël eene zeer groote gemeente van mannen en vrouwen en kinderen, want het volk weende met groot geween. 2 Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiël, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: quot;Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands bij ons doen wonen; maar nu, daar is hope voor Israël dezen aangaande. 3 Laat ons dan nu een verbond maken met onzen God, dat wij alle die vrouwen en wat van haar geboren is zullen doen uitgaan, naar den raad des Heeren en dergenen die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet. 4 Sta op, want deze zaak komt l 10 57Jgt; |
u toe, en wij zullen met u zijn. wees sterk en doe het. 5 Toen stond Ezra op, en deed de oversten der Priesteren, de Levi ten en gan.-ch Israël zweren te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren. 6 En Ezra stond op van voor Gods Huis, en ging in de kamer van Johanan, den zoon van El-jasib; als hij daar kwam, at hij geen brood en dronk geen water, want hij bedreef rouwe over do overtreding der weggevoerden. 7 En zij lieten eene stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan alle de kinderen der gevangenschap, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen; 8 en al die niet kwam in drie dagen, naar den raad der Vorsten en der oudsten, al zijne have zoude verbannen zijn, en hij zelf zoude afgezonderd wezen van do gemeente der weggevoerden. 9 Toen verzamelden zich allo mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; liet was de negende maand, op den twintigste in de maand; en al het volk^ zat op de straat van Gods Huis, sidderende om deze zake en vanwege de plasregenen. 1-0 Toen stond Ezra de Priester op en zeide tot hen: Gijlieden hebt overtreden en vreemde vrouwen bij n doen wonen^ om Israëls schuld te vermeerderen. 11 Nu dan, doet de Heere uwer vaderen God belijdenis, en doet zijn welgevallen, en scheidt ü'af van de volken des lande en van de vreemde vrouwen. 12 En de gansche gemeente antwoordde en zeide met luider stemme: Naar uwe woorden, al-zóó betaamt het ons te doen. 13 Maar des volks is veel,.en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van één dag noch van twee, want onzer velen hebben overtreden in deze zaak. 14 Laat toch onze Vorsten der gansche gemeente hierover staan, en allen die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen hij zich |
|
580 EZ! hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten Tan elke stad en derzei ver rechters? ; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toqrns onzes Gods om dezer zake wil. 15 Alleenlijk Jonathan, de zoon van Asaël, en Jahzeja, do zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesnllam en Sabbethai do Leviet helpen hen. 16 En de kinderen der gevangenschap deden alzoo; en Ezra de Priester, met de mannen, de hoofden der vaderen, naar den huize hunner vaderen, en zij allen bij namen genoemd, scheidden zi8h af, en zij zaten op den eersten dag der tiende maand om deze zake te onderzoeken. 17 En zij voleindigden het met alle mannen die vreemde vrouwen hij zich hadden doen wonen, tot op den eersten dag der eerste maand. 18 En daar werden gevonden van de zonen der Priesteren, die vreemde vrouwen hij zich hadden doen wonen: van de zonen van Jesüa, den zoon van Jozadak, en zijne broederen, Maaseja, en Elië-zer, en Jarib, en Gedalja. 19 En zij gaven hunne hand, dat zij hunne vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij eenen ram van de kudde voor hunne schuld. 20 En van de kinderen van Immer: Hanani en Zebadja. 21 En van de kinderen van Ha-rim: Maaseja, en Elia, en Semaja, «n Jehiöl, en Uzzia. 22 En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Is-maël, Nethaneël, Jozabad, en Elasa. 23 En van de Leviten : Jozabad, en Simeiquot;, en Kelaja (dat is Kelita), Pethahja, Juda: en Eliëzer. 24 En van de zangera: Eljasib; |
A. 10. en van do portiers' Salluin, en Telem, en Uri. 25 En van Israël: van de kinderen van Paros: Ramja, enjiz-zia, en Mallda, en Miamin, en Eleazar, en Malkia, en Benaja. 26 En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zecharja, en Je-hiël, en Abdi, en Jeremoth, en Elia. 27 En van de kinderen van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, en Aziza. 28 En van de kinderen van Bebai; Jqhanan, Hananja, Zab-bai, Athlai. 29 En van de kinderen van Bani: Mesnllam, Mallnch, en Adaja, Jasub, en Seal, Jeramoth. 30 En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Kelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Be-zaleël, en Binnuï, en Manasse. 31 En van de kinderen van Ha-rim; Eliëzer, Jissia, Mallda, Semaja, Simeon, 32 Benjamin. Mallnch, Semarja. 33 Van de kinderen van Ha~ sum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifélet, Jeremai, Manasse, Simei'. 34 Van de kinderen van Bani: Maadai, Araram, en Uel, 35 Benaja, Bedeja, Keluhi, 36 Vanja, Meremoth, Eljasib, 37 Mattanja, Mattenai, en Jaasai, 38 en Bani, en Binnuï, Simei', 39 en Selemja, en Nathan, en Adaja, 40 Machnadbai, Sasai, Sarai, 41 Azareël, en Selemja, Semarja, 42 Sallnm, Amarja, Jozef. 43 Van de kinderen van Nebo; Jeïël, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joël, Benaja. 44 Alle dezen hadden vreemde vrouwen genomen, en sommigen van hen hadden vrouwen, bij welke zij kinderen gekregen hadden. |
NSHE3IIA 1,2. 531
HET BOEK NEHEMIA.
|
HOOFDSTUK 1. De geschiedenissen van Nelie-mia, zoon van Haclialja. Eu liet geschiedde in de maand Kisleu in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was, 2 zoo kwam Hanani, een van mijne broederen, hij en sommme mannen uit J uda; en ik vraagde ze naar de Joden die ontkomen waren, (die overgebleven waren van de gevangenschap), en naar Jeruzalem. 3 En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die^ van de gevangenschap aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in groote ellende en in versmaad-heid; en Jeruzalems muur ia verscheurd, en hare poorten zijn met vuur verbrand. 4 En liet geschiedde als ik deze woorden hoorde, zoo zat ik neder en weende, en bedreef rouw eeuige dagen, en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels. 5 En ik zeide: Och Heere, God des hemels, gij groote en vreeselijke God, die het verbond en goedertierenheid houdt dengenen die hem liefhebben en zijne gebodén houden: 6 laat toch uw oor opmerkende en uwe oogen open zijn, om te hooren naar het gebed uws knechts dat ik heden voor uw aangezicht bidde, dag en nacht, voor de kinderen Israels, uwe knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen u gezondigd hebben: ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. 7 Wij hebben het ganschelijk tegen u verdorven, en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die gij uwen knecht Hozes geboden hebt. |
8 Gedenk toch des woords dat gij uwen knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, ik zal u onder de volken verstrooien: 9 en gij zult u tot mij bekee-ren, en mijne geboden houden en die doen: al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, ik zal ze van daar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die ik verkoren heb om mijnen naam aldaar te doen wonen. 10 Zij zijn toch uwe knechten en uw volk, dat gij verlost hebt door uwe groote kracht en door uwe sterke hand. 11 Och Heere, laat toch uw oor opmerkende zijn op het gebed uws knechts, en op het gebed uwer knechten die lust hebben uwen naam te vreezen, en doe het toch uwen knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des üonings schenker. HOOFDSTUK 2. Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den Koning Anahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht stond, dat ik den wijn opnam en aan den Koning gaf. Nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. 2 Zoo zeide de Koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zoo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gansch zeer, 3 en ik zeide tot den Koning: De Koning leve in eeuwigheid. Koe zoude mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is, en hare poorten met vuur verteerd ziinV |
|
682 N E H E: 4 En de Koning zei de tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel, 5 en ik zeide tot den Koning; Zoo het den Koning goeddunkt, en zoo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe. 6 Toen zeide de Koning tot mij, daar de Koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uwe reize wezen, en wanneer zult gij wederkomen ? Eii het behaagde den Koning dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had. 7 Voorts zeide ik tot den Koning: Zoo het den Koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij over-geleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn: 8 ook eenen brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, welken de Koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis dat aan het Huis is, en voor den stadsmuur, en voor liet huis waar ik intrekken zal. En de Koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij. 9 Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de brieven des Ko-nings. En de Koning had oversten des heirs en ruitoren met mij gezonden. 10 Toen nu Sanballat de Ho-roniet en Tobia de Ammonitische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mensch gekomen was om wat goeds te zoeken voor de kip-deren Israels. 11 En ik kwam te Jeruzalem en was daar drie dagen. 12 Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinige mannen met mij, en ik gaf geenen mensch te kennen wat mijn God in mijn harte gegeven had om aan Jeruzalem te doen, en daar was geen dier met mij dan het dier waarop ik reed. 13 En ik trok uit bij nacht door |
[IA 3. de Dalpoort, en voorbij de Dra-kenfontein, en naar deMestpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en hare poorten met vuur verteerd. _ 14 En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des Ko-nings vijver: doch daar was geen plaats voor het dier om onder mij voort te gaan. 15 Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan de muur, en ik keerde weder en kwam in door de Dal poort; alzoo keerde ik wederom. 16 En de overheden wisten niet waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe aan de Joden en de Priesteren en de edelen en overheden en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven. 17 Toen zeide ik tot hen: Gijlieden ziet de ellende waarin wij zijn. dat Jeruzalem woest is en hare poorten met vuur verbrand zijn: komt, en laat ons Jeruza-lems muur opbouwen, opdat wij niet meer eene versmaadheid zijn. 18 En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, die goed over mij geweest was, alsook de woorden des Konings, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons opzijn dat wij bouwen, en zij sterkten hunne handen ten goede. 19 Als nu Sanballat de Hero-niet, en Tobia de Ammonitische knecht, en Gesem de Arabier dit hoorden, zoo be»potteden zij ons en verachtten ons, en zij zeiden: Wat is dit voor een ding dat gijlieden doet ? Wi.lt gijlieden tegen den Koning rebolleeren? 20 Toen gaf i.c hun ten antwoord en zeide tot hen : God van den hemel, die zal het ons doen gelukken, en wij zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen, maar gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid,noch gedachtenis in Jeruzalem. HOOFDSTUK 3. En Eljasib de Iloogepriester |
|
NE HE maakte zich op met zijne broederen de Priesteren, en zij bouwden de Scliaapspoort; zij heiligden haar en richtten hare deuren op; ja, zij heiligden haar tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hananeël. 2 En aan zijne hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijne hand Zakkur, de zoon van Imri. 3 De Yischpoort nu bouwden de kinderen van Senati; die zolderden ze, en richtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen. 4 En aan hunne hand verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, den zoon vanKoz; en aan hunne hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, don zoon van Mesezabeël; en aan hunne hand verbeterde Zadok, de zoon van Baëna. 5 Voorts aan hunne hanc verbeterden de Tekoïten; maar hunne voortreÃeiijken brachten hunnen hals niet ten dienste huns Heeren. à En de Oude poort verbeterden Jojada, de zoon van Paséah, en Mesullam, de zoon van Besodja; deze zolderden haar, en richtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen. 7 En aan hunne hand verbeterden Melatja de Gibeoniet, en Jadon de Meronothiet, de mannen van Gibeon en van Mizpa, tot aan den stoel des landvoogds aan deze zijde der rivier. 8 Aan zijne hand verbeterde üzziël, de zoon van Harhaja, een der goudsmeden, en aan zijne hand verbeterde Hananja, de zoon van een der apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan den breeden muur. 9 En aan hunne hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste van het halve deel van Jeruzalem. 10 Voorts aan hunne hand verbeterde Jedaja, de zoon van Ha-rumaf, en tegenover zijn huis; en aan zijne hand verbeterde ïïattus, de zoon van Hasebneja. 11 De andere maat verbeterde |
MI A 3. 583 Malkia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab: daartoe den Bakovenfa-toren. 12 En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Hallohes, overate van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijne doch-teren, 13 De Dalpoort verbeterde Ha-nun, en de inwoners van Zanóah; die bouwden haar, en richtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen; daartoe duizend ellen aan den muur tot aan de Mestpoort. 14 De Mestpoort nu verbeterde Malkia, de zoon van llechab, overste van het deel Beth-Kérem; hij bouwde haar, en richtte hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen.^ 15 En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hozé, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde haar en over dekte haar, en richtte hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen; daartoe den muur van den vijver Seiah bij desKonings hof, en tot aan de trappen die afgaan van Davids stad. 1G Na hem ver^terde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-Zur,tot tegenover Davids graven, en tot aan den gemaakten vijver, en tot aan het huis der helden. 17 Na hem verbeterden de Le-viten: Helium, de zoon van Bani; aan zijne hand verbeterde Ha-sabja, de overste van het halve deel van Kehila, in zijn deel. 18 Na hem verbeterden hunne broederen, Bavvai, de zoon van Henadad, de overste van liet andere halve deel van Kehila. 19 Aan zijne hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesüa, de overste van Mizpa, eene andere maat, tegenover den opgang naar het wapenhuis aan den hoek. 20 Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, eene andere maat: van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib den Hoogo-priester. |
NEHEMIA 4.
584
|
21 Na hem verbeterde Here-moth, de zoon van Uria, den zoon van K oz, eene andere maar: van de huisdeur van Eljasib af tot aan het einde van Eljasibs huis. 22 En na hem verbeterden de Priesteren wonende in de vlakke velden. 23 Daarna verbeterde Benjamin, en Hassub, tegenover hun huix Na hem verbeterde Azarja, de zoon van Maiiseja, den zoon van Ananja, bij zijn huis. 24 Na hem verbeterde Binnuï, de zoon van Henadad, eene andere maat: van het huis van Azarja tot aan den hoek en tot aan de punt. 25 Palal, de zoon van Uzai, tegenover den hoek en den hoo-gen toren die van des Konings huis uitsteekt, die bij den voorhof der gevangenis is. Na hem Pedaja, de zoon van Paros. 26 De Nethinim nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het Oosten, en den uitstekenden toren. 27 Daarna verbeterden de Te-koïten eene andere maat: tegenover den grooten uitstekenden toren, en tot aan den muur van Ofel. 23 Van boven de Paardenpoort verbeterden de Priesters, een iegelijk tegenover zijn huis. 29 Daarna verbeterde Zadok, zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Sein aja, de zoon van Sechanja, de bewaarder van de Oostpoort. 30 Na hem verbeterde Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zoon van Zalaf, de zesde, eene andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijne kamer. 31 Na hem verbeterde Mal Ida do zoon eens gondsmids, tot aan het huis Nethinim en der kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van de punt. 32 En tusschen de opperzaal van de punt tot de Schaapspoort toe verbeterden de goudsmeden en de kruideniers. |
HOOFDSTUK 4. Maar het geschiedde als San-ballat gehoord had dat wij den muur bouwden, zoo ontstak hij en werd zeer toornig: «n hij bespotte de Joden. 2 en sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en des heirs van Samarië, en zeide: Wat doen deze amechtige Joden ? Zal men ze laten geworden? Zullen zij otteren ? Zullen zij het in eenen dag voleindigen? Zullen zij de steenen uit de stofhoopen levend maken, daar ze verbrand zijn? 3 En Tobia de Ammoniet was bij hem, en zeide: Al is het dat zij bouwen, zoo daar een vos op-kwame, hij zoude hunnen steenen muur wel verscheuren. 4 Hoor, o onze God, dat wij zeer veracht zijn, en doe hunne versmaadheid wederkeeren op hun hoofd, en geef ze over tot eenen roof in een land der gevangenschap; 5 en dek hunne ongerechtigheid niet toe, en hunne zond© worde niet uitgedelgd van voor uw aangezicht; want zij hebben u getergd, staande tegenover de bouwlieden. 6 Doch wij bouwden den muur, zoodat de gansche muur samengevoegd werd tot zijne helft toe; want het harte des volks was om te werken. 7 En het geschiedde als San-ballat en Tobia en de Arabieren en de Ammonken en de Asdo-diten hoorden dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zoo ontstaken zij zeer, 8 en zij mar kten allen te zamen eene verbintenis, en zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en eene verbijstering daarin r.e maken. 0 Blaar wij baden tot onzen God, en zetteden wacht tegen hen, dag en nacht, hunnen thai ve. 10 Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en dea stofs is veel, zoodat wij aan den |
|
NE HE rrmnr niet zullen kunnen bou-quot;\ven. 11 Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten noch zien, totdat wij in het midden van hen komen en slaan ze dood; alzoo zullen wij het werk doen ophouden. 12 En het geschiedde als de Joden die bij hen woonden kwamen, dat zij het ons Kei tienmaal zeiden, uit alle de plaatsen door welke gij tot ons wederkeert. 13 Daarom zettede ik in de benedenste plaatsen achter den muur en op de hoogten, en ik zettede het volk naar de geslachten, met hunne zwaarden, hnnne spiesen en hunne bogen. 14 En ik zag toe en maakte mij op, en zeide tot de edelen en tot de overheden en tot het overige des volks: quot;Vreest niet voor hun aangezicht, denkt aan dien grooten en vreeseliiken Heer, en strijdt voor uwe broederen, uwe zonen en uwe doch-teren, uwe vrouwen en uwe lunzen. 15 Daarna geschiedde het als onze vijanden hoorden dat het ons bekend was geworden, en God hunnen raad te niet gemaakt had, zoo keerden wij allen weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk. 16 En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan her werk, en de helft van hen hielden de spiesen, de schilden en de bogen en de pampers; en de oversten waren achter het gansche huis van Juda. 17 Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijne ééne hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer; 18 en de bouwers, die hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijne lendenen gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies was bij mij. 19 En ik zeide tot de edelen en tot de overheden en tot het |
MI A 5. 585 overige des volks: Het werk is groot en wijd, en wij zijn op den muur afgezonderd, de één ver van den ander: 20 ter plaatse waar gij het geluid der bazuin zult hooren, daarhenen zult gij u tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden. 21 Alzoo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen, van het opgaan des dageraads tot het opkomen der sterren toe. 22 Ook zeide ik te dier tijd tot het volk: Een iegelijk vernachte met zijnen jonden binnen Jeruzalem; opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en des daags aan het werk. 23 Voorts noch ik, noch mijne broederen, noch mijne jongelingen, noch de mannen van de wacht die achter mij waren, wij trokken onze kleederen niet uit: een iegelijk had zijn geweer eio water. HOOFDSTUK 5. Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groottegen hunne broederen de Joden. 2 Want er waren er die zeiden: Onze zonen en onze doch teren, wij zijn velen ; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven. 3 Ook waren er die zeiden: Wij verpanden onze akkers en onze wijngaarden en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen. 4 Desgelijks waren er die zeiden; Wij hebben geld geleend tot des Konings cijns, v onze akkers en onze wijngaarden. 5 Nu is toch ons vleescli als het vleescli onzer broederen, onze kinderen zijn als hunne kinderen: en zie, wij onderwerpen onze zonen en onze doch teren tot dienstknechten; ja, daar zijn eenigen van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden. 6 Toen ik nu hun geroep en l'J* |
|
586 nehe: deze woorden hoorde, ontstak ik zeer, 7 en miin hart beraadslaagde in mij. Daarna twistte ik niet de edelen en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert eenen last, een iegelijk van zijnen broeder. Voorts belegde ik eene groote vergadering tegen hen, 8 en ik zeide tot hen: Wij hebben onze broederende Joden, die aan de heidenen verkocht waren, naar ons vermogen we-dergekocht: en zoudt gijlieden ook uwe broederen verkoopen, of zouden zij aan ons verkocht worden ? Toen zwegen zij en vonden geen antwoord. 9 Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet: zoudt gij niet wandelen in de vreeze onzes Gods, om de ver-smading der heidenen, onzer vijanden? 10 Ik, mijne broederen en mijne jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch dezen last nalaten. 11 Geeft hun toch heden weder hunne akkers, hunne wijngaarden, hunne olijfgaarden en hunne huizen, en liet honderdste deel van het geld en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd. 12 Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen zóó doen als gij zegt. En ik riep de Priesteren en deed ze zweren dat zij doen zouden naar dit woord. 13 Ook schudde ik mijnen boezem uit, en zeide: Alzóó schudde God mt allen man, die dit woord _ niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijnen arbeid, en hij zij alzóó uitgeschud en ledig. En de gansche gemeente zeide: Amen, en zij prezen den Heere en het volk deed naar dit woord. 14 Ook van dien dag af dat hij mij bevolen heelt hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste^ jaar af tot liet tweeëndertigste jaar van den .Koning Artahsasta, zijnde twaalf |
OA 6. jaren, heb ik met mijne broeder-ren het brood des landvoogda niet gegeten. 15 En de vorige landvoogden, die vóór mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook heerschten hunne jongens over het volk. Maar ikhebalzoo niet gedaan, om der vreeze Gods wille. 16 Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en alle mijne jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk. 17 Ook zijn er van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijne tafel geweest. 18 En wat voor éénen dag bereid werd, was een os en zes uitgelezen schapen; ook werden mij vogels bereid, en binnen tien dagen van allen wijn zeer veel; nog heb ik bij dezen het brood des landvoogds niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk. 19 Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles wat ik dezen volke gedaan heb. HOOFDSTUK 6. Voorts is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was dat ik den muur gebouwd had, en dat geene scheur daarin was overgelaten, (ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten) 2 zoo zond Sanballat en Gesem tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono.Maar zij dachten mij kwaad te doen, 3 En ik zond boden tot hen, om te zeggen : Ik doe een groot werk, zoodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zoude dit werk ophouden, terwijl ik het zoude nalaten en tot ulieden afkomen? 4 Zij zonden nu wei vietmaal |
|
NE HE tot mij op dezelfde wijze, en ik antwoordde hun op dezelfde â wijze. 5 Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze ten vijfden male zijnen jongen, met een open brief in zijne hand. t3 Daarin was geschreven: Hij is onder de volken gehoord, en Oasmu zegt: Gij en de Joden denkt te refcelleeren, daarom bouwt gij den muur; en gij zult hun ten Koning zijn, naardat deze zaken zijn. 7 Dat gij ook Profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is Koning in Juda. Nu zal het van den Koning gehoord worden, zooals deze zaken zijn: kom dan nu, en laat ons te zamen beraadslagen. 8 Doch ik zond tot hen, om te zeggen: Daar is van zulke zaken als gij zegt niets geschied, maar gij versiert ze uit uw harte. 9 Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hunne handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden. Nu dan, sterk mijne handen. 10 Als ik nu kwam in het huis van Semaja, den zoon van Delaja, den zoon van Mehetabeël, (hij nu had zich opgesloten), zoo zeide hij: Laat ons te zamen komen in liet Huis Gods, in het midden des Tempels, en laat ous^ do deuren des Tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te dooden, ja, bij nacht zullen zij komen om u te dooden. 11 Maar_ ik zeide: Zoude een man als ik vlieden? En wie is er, zijnde als ik, die in den Tempel zoude gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan. 12 Want ik merkte, en zie, God had hem niet geaonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden. 13 Daarom was hij gehuurd, opdat ik zoude vreczen, en al zóó doen, en zondigen: opdat zij iets zouden hebben tot eenen kwaden |
MI A 7. 5S7 naam, opdat zij mij zouden honen. 14 Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijne werken; en ook aan do Profetes Noadja, en aan de andere Profeten, die gezocht hebben mij vreesachtig te maken. 15 De muur nu werd voltooid op den vijfentwintigste van Elül, in tweeënvijftig dagen. 16 En het geschiedde als alle onze vijanden dit hoorden, zoo vreesden alle de heidenen die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hunne oogen; want zij merkten dat dit werk van onzen God gedaan was. 17 Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen. 18 Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van Sechanja, den zoon van Arah, en zijn zoon Johanna had genomen de dochter van Mesullam, den zoon van Berechia. 19 Ook verhaalden zij zijne goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijne woorden brachten zij uit tot hem: Tobia dan zond brieven om mij vreesachtig te maken. HOOFDSTUK 7. Voorts geschiedde het als de muur gebouwd was, dat ik do deuren oprichtte, en de portiers en de zangers en de Leviten werden besteld. 2 En ik gaf bevel aan mijnen broeder Hanani, en aan Hanan-ja, den overste van den burg te Jeruzalem; want^ hij was een man van getrouwigheid en god-vreezend boven velen; 3 en ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden tot dat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan; Iaat ze de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijne-wacht en een iegelijk tegenover zijn huis. |
|
5S8 NEHE 4 De etad nu was wijd van ruimte en groot, doch dea volks Tras weinig daarbinnen, en de huizen waren niet gebouwd. 5 Zoo gaf mijn God in mijn harte, dat ik de edelen en de overheden en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen ; en ik vond het geslachtregister dergenen die in het eerste waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus: 6 Dit zijn de kinderen van dat landschaii, die optogen uit de gevangenschap der weggevoerden, die Nebukadnezar, Koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk naar zijne stad; 7 welke kwamen met Zerub-babel, Jesüa, Nehemia, Azarja, Raamia, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispéreth, Bigvai, Ne-hum en liaëna. Dit is het getal der mannen van het volk Israëlb: 8 de kinderen van Paros waren tweeduizend honderd tweeënzeventig; 9 de kinderen van Sefatja driehonderd tweeënzeventig; 10 de kinderen van Arah zeshonderd tweeënvijftig; 11 de kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Moab, tweeduizend achthonderd achttien; 12 de kinderen van El am duizend tweehonderd vierenvijftig; 13 de kinderen van Zattu achthonderd vijfenveertig; 14 de kinderen van Zakkai zevenhonderd en zestig; 15 de kinderen van Binnuï zeshonderd achtenveertig; 16 de kinderen van Bebai zeshonderd achtentwintig; 17 de kinderen van Azgad tweeduizend driehonderd tweeëntwintig ; 18 de kinderen van Adonikam zeshonderd zevenenzestig; 19 de kinderen van Bigvai tweeduizend zevenenzestig; 20 de kinderen van Adin zeshonderd vijfenvijftig; 21 de kinderen van Ater, van Hiskia, achtennegentig; |
^IIA 7. 22 de kinderen van Hasum driehonderd achtentwintig; 23 de kinderen van Bezai driehonderd vierentwintig; 24 de kinderen van Harif honderd twaalf; 2ö de kinderen van Gibeon vijfennegentig; 26 de mannen van Bethlehem en Netofa honderd achtentachtig; 27 de mannen van Anathot honderd achtentwintig; 28 de mannen van Beth-Az-inaveth tweeënveertig; 29 de mannen van Kirjath-Jea-ram, Kefira en Beëroth zevenhonderd drieënveertig; 30 de mannen van Ram a en Gibea zeshonderd éénentwintig; 31 de mannen van Michmas honderd tweeëntwintig: 32 de mannen van Beth-El en Ai honderd drieëntwintig; 33 de mannen van het anderö Neho tweeënvijftig; 34 de kinderen van den anderen Elara duizend tweehonderd vierenvijftig; 35 de kinderen van Harim driehonderd en twintig; 36 de kinderen van Jericho driehonderd vijfenveertig; 37 de kinderen van Lod, Ha-did en Ono zevenhonderd éénentwintig; 38 de kinderen van Senaa drieduizend negenhonderd en dertig. 39 De Priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesüa, negenhonderd drieënzeventig ; 40 de kinderen van Immer duizend tweeënvijftig; 41 de kinderen van Paehur duizend tweehonderd zevenenveertig ; 42 de kinderen van Harim duizend zeventien. 43 De Leviten: de kinderen van Jesüa, van Kadmiël, van de kinderen van Hodeva, vierenzeventig. 44 De zangera: de kinderen van Asaf, honderd achtenveertig. 45 De portiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de |
|
NE HE kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acliten-dertig. 4d De Nethinim: de kinderen van Zilia, de kinderen van Ha-snfa, de kinderen van Tab-baoth, 47 de kinderen van Koros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon, 48 de kinderen van Lebana, de kinderen van Hagc.ba, de kinderen van Salmai, 49 de kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, 50 de kinderen van Reaja, de kinderen van lïezin, de kinderen van Nekoda, 51 de kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paséah, 52 de kinderen van Besr.i, de kinderen der Meiiniten, d.3 kinderen der Nefnsiten, 53 de kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur, 54 de kinderen van Bazlith, de kinderen van Meliida, de kinderen van Harsa, 55 de kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Témah, 56 de kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa. 57 De kinderen der knechten van Salomo: de kinderen van Sotai, de kinderen van Soféreth, de kinderen van Perida, 58 de ldnderen van Jaëla, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel, 59 de kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochéreth-Hazzebaïm, de kinderen van Amou: GO al de Nethinim en de kinderen der knechten van Salomo -.varen driehonderd tweeënnegentig'. 61 Ook togen deze op van Tel-niclah, Telharsa, Kernb, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis en linn zaad niet toonen, of zij uit Is-mël waren: 02 de kinderen van Dolaja, do il IA 7. 589 |
kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd tweeënveertig ; 63 en van de Priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die eene vremw van de dochteren van Barzillai den Gileadiet genomen had, en naar hunnen naam genoemd was. 64 Deze zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het Priesterdom geweerd; 65 en Hattirsatha zeide tot hen, dat^ zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een Priester stond met Urim en Tummin. 66 Deze gansche gemeente te zamen was tweeënveertigduizend driehonderd en zestig; 67 behalve hunne knechten en hunne maagden, die waren zevenduizend driehonderd zevenendertig, en zij hadden tweehonderd en vijfenveertig zangers en zangeressen; 68 hunne paarden zevenhonderd zesendertig, hunne muildieren tweehonderd vijfenveertig, 69 kemelen vierhonderd vijfendertig, ezels zesduizend zevenhonderd en twintig. 70 Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf voor den schat, aan goud duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken. 71 En anderen van de hoofden der vaderen gaven voor den schat des werks, aan goud twintigduizend drachmen, en aan zilver tweeduizend en tweehonderd ponden. 72 En wat de overigen des volks gaven was aan goud twintigduizend drachmen, en aan zilver tweeduizend ponden, en zevenenzestig priesterrokken. 73 En de Priesters, en de Le-viten, en de portiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en ganach Israël, woonden in hunne flts-don. |
KEHEMIA 8.
590
|
HOOFDSTUK 8. Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in hnnne steden waren, 2 zoo verzamelde zich al het volk als een éénig man op de straat vóór de Waterpoort, en zij zeiden tot Ezra den schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zoude halen, die de Heere Is raël geboden had. 3 En Ezra de Priester bracht de wet voor de gemeente, beide mannen en vrouwen, en allen lt;iie verstandig waren om rehoo-ren, op den eersten dag der zevende maand; 4 en hij las daarin, vóór de straat die vóór de Waterpoort is, van het morgenlicYit aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de ooren des ganschen volks waren naar het wetboek. 5 En Ezra de schriftgeleerde stond op een en hoogen houten stoel, dien zij tot die zake gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hillda, en Maaseja, aan zijne rechterhand; en aan zijne linkerhand Pedaja, on Misaël, enMalkia, en Hasum, en Hasbaddana, Zecharja en Mesullam. 6 En Ezra opende het boek voor de oogen des ganschen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk. 7 En Ezra loofde den Heebe, den grooten God, en al het volk antwoordde: Amen, Amen, met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den Heere met de aangezichten ter aarde. 8 Jesüa nu, en Bana, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Ho-dia, Maaseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Hanan, Pelaja en de Leviten onderwezen het volk in de wet, en het volk stond op zijne standplaats. 9 En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zoo maakten zij dat men het verstond in het lezen. |
10 En Nehemia (dezelve is Hattirsatha), en Ezra de Priester, de schriftgeleerde, en de Leviten die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den Heere uwen God heilig: bedrijft dan geen rouw en weent niet. Want al het volk weende als zij de woorden der wet hoorden. 11 Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt deelen dengenen voor welken niets bereid i?, want deze dag is onzen Heere heilig: zoo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren die is uwe sterkte. 12 En de Leviten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt,want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet. 13 Toen ging al het volk henen om te eten en om te drinken en om deelen te zenden en om groote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden j verstaan die men hun had bekend gemaakt. 14 En des anderen daags ver-i zamelden zich de hoofden der | vaderen des ganschen volks, de 1 Priesters en de Leviten, tot j Ezra den schriftgeleerde, en dat j om verstand te bekomen in de woorden der wet. 15 En zij vonden in de wet ! geschreven, dat de Heere dooide hand van Mozes geboden had, [ dat de kinderen Israels in loof-1 hutten zouden wonen op het feest in de zevende maand; 16 en dat zij het zouden ruchtbaar maken, en eene stemme laten doorgaan door alle hunne ste- : den en te Jeruzalem, zeggende: ; Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijf boomen en takken van andere olieachtige boomen en takken van mirteboomen en takken van palmboomen en takken van andere dichte boomen, om loofhutten te maken, zooals er geschreven is. 17 Alzoo ging Let volk uit, en haalde ze, en maakte zich loof- i hutten, een iegelijk op zijn dale. |
|
NEHE en in hunne voorhoven van Gods Huis, en op de sr.raat der Waterpoort, en op de straat van de Efraims-poort. 18 En de gansclie gemeente dergenen die uit de gevangenschap â¢waren wedergekomen maakten loofhutten en woonden in die loofhutten; want de _ kinderen Israels hadden alzoo niet gedaan einds de dagen van Jozua, den zoon van Kun, tot op dezen dag toe; en daar was zeer groote blijdschap. 19 En men las in het wetboek Oods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, «n op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht. HOOFDSTUK 9. Voorts op den vierentwintig-^ten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israels met vasten en met zakken, en aarde was op hen. 2 En het zaad Israels scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden en deden belijdenis van hunne zonden en hunner vaderen ongerechtigheden. 3 Want als zij opgestaan waren op hunne standplaats, zoo lazen zij in het wetboek des Heeren huns Gods een vierde deel van den dag, en op een ander vierde deel deden zij belijdenis en aanbaden den ILeeee hunnen God. 4 Jesüa nu, en Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Banie» Ivenani stonden op het hoog gestoelte der Leviten, en riepen niet luider stemme tot den Heeee hunnen God. 5 En de Leviten, Jesüa, en Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja, Pethahja, zeiden; Staat op, looft den Heeue uwen God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den name uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs. G Gij zijt die Heeee alleen, gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, |
UIA 9. 591 en gij maakt die alle levend; en het heir der hemelen aanbidt u. 7 Gij zijt die Heere, de God die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeën uitgevoerd, en gij hebt zijnen naam gesteld Abraham. 8 En gij hebt zijn harte getrouw gevonden voor uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat gij zoudt geven het land der Kanaaniten, der Hethiten, der Amoriten en der Fereziten en der Jebusiten en der Girgasiten, dat gij het zijnen zade zoudt geven; en gij hebt uwe woorden bevestigd, omdat gij rechtvaardig zijt. 9 En gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee; 10 ^ en gij h«bt teekenen en wonderen gedaan aan Farao en aan alle zijne knechten en aan al het volk zijns lands, want gij wist dat zij trotschelijk tegen hen handelden; en gij hebt u eenen naam gemaakt, zooals het is te dezen dage. 11 En gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan^ en hunne vervolgers hebt gij in de diepte geworpen, als een steen in sterke wateren. 12 En gij hebt ze des daags geleid met eene wolkkolom, en des nachts met eene vuurkolom, om hun te lichten op den weg waarin zij zouden wandelen. 13 En gij zijt nedergedaald op den berg Sinaï, en hebt met hen gesproken uit den hemel; en gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten en getrouwe wetten,goedo inzettingen en geboden: 14 en gij hebt hun uwen heiligen sabbat bekend gemaakt, en gij hebt hun geboden en inzettingen en eene wet bevolen door de hand van uwen knecht Mozee. 15 En gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hunnen honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hunnen dorst; en gij hebt tot hen gezegd |
|
6rf2 NE HE dat zij zouden ingaan om te erven het land, waar gij uwe hand over ophieft dat gij het hun zoudt geven. 16 Maar zij en onze vaders hebben trots o hel ijk gehandeld, en zij hebben hunnen nek verhard en niet gehoord naar uwe geboden; 17 en zij hebben geweigerd te hooren, en niet gedacht aan uwe wonderen die gij bij lien gedaan hebt, en hebben hunnen nek verhard, en in Imnne wederspannig-heid een hoofdgesteld om weder fe keeren tot hunne dienstbaarheid. Doch gij, een God vnn vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van weldadigheid, hebt ze evenwel niet verlaten. IS Zelfs als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd ; Dit is nw God, die u uit Egypte beeft opgevoerd, engroote lasteren gedaan hadden, 19 hebt gij ze nochtans door uwe groote barmhartigheid niet verlaten in de woesrijn : de wolkkolom week niet vnn hen, des daags om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts om hun te lichten, en dat op den weg waarin zij zouden wandelen. 20 En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen, en uw Man hebt gijniet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun gegeven voor hunnen dorst. 21 Al zoo hebt gij ze veertig jaar onderhouden in de woestijn ; zij hebben geen gebrek gehad, hunne kleedereu zijn niet verouderd, en hunne voeten niet gezwollen. _ 22 Voorts hebt gij hun koninkrijken en volkeren gegeven, en hebt ze verdeeld, in hoeken. Al-zoo hebben zy erfelijk bezeten het land van Sihon, te weten het land «les Konings van Hesbon, en het land van Og, Koning van Bnsnn. _ 23 Oii hebt ook hunne kinderen vermenigvuldigd als de sterren dos hemels, en gij hebt ze go-bracht in het land, waarvan gij 11A 9. |
tot hunne vaderen had{ gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten. 24 Alzoo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en gij hebt de inwoners des lands, de Kanaa-niten, voor hun aangezicht ten-ondergebracht, en hebt ze in hunne hand gegeven, mitsgaders hunne Koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen. 25 En zij hebben vaste steden en oen vet land ingenomen, en erfelijk bezeten huizen, vol van alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en boomen van spijze in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn verzadigd en vet geworden, en hebben in wellust geleefd, door uwe groote goedheid. 2»gt; Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen u gerebelleerd, en uwe wet achter hunnen rug geworpen, en uwe Profeten gedood, die tegen hen betuigden, om hen te doen we-derkeeren tot u: alzoo hebben zij groote lasteren gedaan. 27 Daarom hebt gij zegegeven in de hand hunner benauwers, die ze benauwd hebben; maar als zij_ in den tijd hunner benauwdheid tot u riepen, hebt gij van den hemel gehoord, en hun naar uwe groote barmhartigheden verlossers gegeven, die ze uit de hand hunner benauwers verlosten. 28 Maar als zij ruste hadden, deden zij wederom kwaad voor uw aangezicht: zoo verliet gij ze in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heerschten; als zij zich dan bekeerden en u aanriepen, zoo hebt gij ze van den hemel gehoord., en hebt ze naar uwe barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt. 2!) En gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen wederkee-ren tot uwe wet; maar zij hebben trotschelijk gehandeld, en niet gehoord naar uwe geboden, en tegen uwe rechten, tegen dezelvo hebben zij gezondigd, door dewelke een mensch die ze doet, |
|
NEHEi leven zal; en zij hebben hunnen echouder teruggetrokken en hunnen nek verhard, en niet gehoord. 30 Doch gij steldet liet vele jaren over ben uit, en betuigdet tegen hen door uwen Geest, door den dienst uwer Profeten; maar zij neigden het oor niet: .iaarom hebt gij y.e gegeven in de hand van de volken der landen. 31 Doch door uwe groote barmhartigheden hebt gij ze met vernield, noch hen verlaten; want gij zijt een genadig en barmhartig God. 82 Nu dan, o onze God, gij groote, gij machtige en gij vreese-lijke God, die liet verhoudende weldadigheid houdt: laat voor uw aangezicht niet gering zijn ui de moeite die ons getroffen heelt, onze Koningen, onze Vor-e'.en, en onze Priesteren, en onze Proleten, en onze vaderen, en uw gansche volk, van de dagen der Koningen van Assur af tot op dezen dag. 33 Doch gij zijt rechtvaardig in alles dat ons overkomen is; want gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddeloos-lijk gehandeld. 34 En onze Koningen, onze Vorsten, onze Priesters en onze vaders hebben uwe wet niet gedaan, en zij hebben niet geluisterd naar uwe geboden en naar uwe getuigenissen, die gij tegen hen betuigdet; 35 want zij hebben u niet gediend in hun koninkrijk, en in uw menigvuldig goed dat gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hunne booze werken. 30 Zie, wij zijn heden knechten, ja, het land dat gij onzen vaderen gegeven hebt om de vrucht van dien en liet goede van dien te eten, zie, daarin zijn wij knechten; 37 en het vermenigvuldigt zijne inkomsten voor de Koningen die gij over ons gesteld hebt om onzer zonde wille, en zij heerschen over onze lichamen en over onze beesten naar hun welgevallen; alzoo [IA 10. 5J8 |
zijn wij in groote benauwdheid. 38 En in dit alles maken wij een vast verhoud en schrijven het: en onze Vorsten, onze Levitew en onze Priesteren zullen het verzegelen. HOOFDSTUK 10. Tot de verzegelingen nu waren; Nehemia Hattirsatha, de zoon van Hachalja, en Zidkia, 2 Seraja, Azarja, Jeremia-, 3 Pashur, Amarja, Malkia, 4 Hattus, Sebanja, Malluch, 5 Harim, Meremoth, Obadjo, 6 Daniël, Ginnethon, Baruch, 7 Mesullam, Abia, Miami n, 8 Maazja, Bilgai, Semaja: dat waren de Priesters. 9 En de Leviten, namelijk Je-sua, de zoon van Azanja.Binnuï; van de zonen van Henadad, Kad-miël; 10 en hunne broeders: Sebanja, Kodia, Kelita, Pelaja, Hanan, 11 Micha, liehob, Hasabja, 12 Zakkur, Serebja, Sebanja, 13 Hodia, Bani, Beninu. 14 De hoofden des volks: Paros, Pahath-Moab, Elara, Zattu, Bani, 15 Bunni, Azgad, Bebai, 10 Adonia, Bigvai. Adin, 17 Ater, Hizkia, Azzur, 18 Hodia, Hasum, Bezai, 19 Harif, Anathoth, Nebai, 20 Magpias, Mesullam, Hezir, 21 Mesezabeël, Zadok, Jaddüa, 22 Pelatja, Hanan, Anaja, 23 Hoséa, Hanan ja, Hassub, 24 Hallohes, Pilha, Sobek, 25 Kehum, Hasabna, Maaseja, 26 en Ahia, Hanan, Anan, 27 Malluch, Harim, Baiina. 28 En het overige des volks, de Priesteren, de Leviten, de portiers, de zangers, de Nethinim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochteren, al die wetenschap en verstand had; 29 die hielden zich aan hunne broederen, hunne voortrelfelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden |
|
594 NE HE houden en dat zij zouden doen alle de geboden des Heeren onzes Heeren, en zijne rechten en zijne inzettingen; 30 en dat wij onee dochteren niet zouden geven aan de volken des lands, noch hunne dochteren nemen voor onze zonen; 31 ook als de volken des lands op den sabbatdag te koop brengen waren en allerlei koren, dat wij op den sabbat of op eenen anderen heiligen dag van hen niets zouden nemen; en dat wij liet zevende jaar zouden vrijlaten, mitsgaders allerhande be-zwaarnis. 32 Voorts zetteden wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van eenen sikkel in het jaar, voor den dienst van het Huis onzes Gods: _ 33 voor het brood der toerichting, en het gedurig spijsofter, en het gedurig ^ brandoüer der sab-baten, der nieuwe maanden, voor de gezette hoogtijden, en voorde heilige dingen, en voor de zond-oiferen om verzoening te doen over Israël, en voor alle werk van het Huis onzes Gods.^ 34 Ook wierpen wij de loten onder de Priesteren, de Leviten en het volk, over het offer van het hout dat men brengen zoude tot het Huis onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden jaar op jaar, om te branden op het altaar des Hee-een onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is. 35 Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen aller vrucht van al liet geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten Huize des Heeren ; 36 en de eerstgeborenen onzer zonen en onzer beesten, gelijk het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen onzer runderen en onzer schapen zouden brengen ten Huize onzes Gods, tot de Priesteren die in het Huis onzes Gods dienen; 37 en dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefotferen, â en de vrucht aller boomen,most -en olie, zouden brengen tot de |
UIA 11. Priesteren, in de kameren van het Huis onzes Gods, en do tienden onzes lands tot de Leviten; en dat dezelve Leviten de tienden zouden hebben in alle onze landbouwende steden; 38 en dat er een Priester, een zoon Aarons, bij de Leviten zoude zijn, als de Leviten de tienden ontvangen; en dat de Leviten de tienden der tienden zouden opbrengen ten Huize onzes Gods, in de kameren van het schathuis. 39 Want de kinderen Israels en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kameren brengen, omdat aldaar de vaten des heiligdoms zijn, en de Priesteren die dienen, en de portiers, en de zangers: dat wij alzoo het Huis onzes Gods niet zouden verlaten. HOOFDSTUK 11. Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar de overigen des volks wierpen loten, om uit tien éénen uit te brengen die in de heilige stad Jeruzalem zoude wonen, en negen deelen in de andere steden. 2 En het volk zegende alle de mannen die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen. 3 En dit zijn de hoofden des landschaps die te Jeruzalem woonden, (maar in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijne bezitting, in hunne steden, Israël, de Priesters, en de Leviten, en de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo): 4 te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uz-zia, den zoon van Zecharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahala-leël, van de kinderen van Perez; 5 en Maaseja, de zoon van Ba-ruch, den zoon van Kolhozé, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zecharja, den zoon van Si Ion 1. 6 Alle kinderen van Perez, die |
|
NEHE3 te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd achtenzestig dappere mannen. t 7 En dit zijn de kinderen Benjamins: Sallu, de zoon van Me-sullam, den zoon van Joëd, den Tioon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiël, den zoon van Jesaja, 8 en na hem Gabbai, Sallai: negenhonderd achtentwintig. 9 En Joël, de zoon van Zichri, was opziener over hen; en Juda, de zoon van Hassemia, was de tweede over de stad. 10 Van de Priesteren: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin; 11 Seraja, de zoon van Hilkia, den zoon van Mesullam, den zoon van Zn dok, den zoon van Mera-joth, den zoon van Ahitub, was voorganger van Gods Huis: 12 en hunne broederen die het werk in het Huis deden, waren achthonderd tweeëntwintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoor. van Amzi, den zoon van Zecharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malkia ; 13 en zijne broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd tweeënveertig. En Amassai, de zoon van Azareël, den zoon van Ahzai, den zoon van Mesille-moth, den zoon van Immer. 14 En hunne broederen, dappere helden, waren honderd acht-entwintig; en opziener over hen was Zabdiël, de zoon van Hag-gedolim. 15 En van de Leviten: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Ha-sabja, den zoon van Bunni; 1(5 en Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden der Leviten, wa-ren over het buitenwerk van het Huis Gods. 17 En Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zabdi, den zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed; en Bakbukja was de tweede van zijne broederen; en Abda, de zoon van Sammüa, den zoon van lt;j|alal den zoon van Jeduthun. |
: IA 11. 505 IS Alle de Leviten in de heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig. 19 En de portiers: Akkub, Tal-mon, met hunne broederen, die wacht hielden in de poorten, waren honderd tweeënzeventig. 20 Het overige nu van Israël, van de Priesteren en de Leviten, was in alle steden van Juda, een iegelij.k in zijn erfdeel. 21 En de Nethinim woonden in Ofel, en Ziha en Gispawaren over de Nethinim. 22 En der Leviten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasabja,den zoon van Mattanja, den zoon van Micha. Van de kinderen Asafs waren de zangers tegenover het werk van Gods Huis. 23 Want daar was een gebod des Konings van hen, te weten een zeker onderhoud voor de zangers, voor elk dagelijks op zijnen dag. 24 En Pethahja, de zoon van Mesezabeël, van de kinderen van Zerah, den zoon van Juda, was aon des Konings hand, in alle zaken van het volk. 25 In de dorpen nu, op hunne akkers, woonden sommigen van de kinderen van Juda: in Kir-jath-Arba en hare onderhoorige plaatsen, en in Dibon en hare onderhoorige plaatsen, en in Je-kabzeël en hare dorpen, 2G en te Jesüa, en te Molada, en te Beth-Pélet, 27 en te Hazar-Sual, en in Ber-Séba en hare onderhoorige plaatsen, 28 en te Ziklag, en in Mechona en hare onderhoorige plaatsen, 29 en te En-Kimmon, en te Zora, en te Jarmuth, 30 Zanóah, Adullam en hare dorpen, Lachis en hare akkers, Azeka en hare onderhoorige plaatsen. En zij legerden zich van Ber-Séba af tot aan het dal Hinnom. 31 De kinderen Benjamins nu van Gibea icoonden inMichmas, en Aja, en Beth-El en hare onderhoorige plaatsen, 32 Anathoth, Nob, Ananja, 33 Hazor, Kama, Gittaïm, |
NEHEMIA 12.
der vaderen beschreven mitsgaders de Fries teren tot de regea-vinquot; van Darins den Perzer.
23 De kinderen van Levi, tie hoofden der vaderen, werden beschreven in het boek der xvro-
! nieken, tot de dagen Johanans, des zoons Eljasibs, toe.
24 De hoofden dan der Le-â viten waren Hasabja, Sereoja, en
Jesüa, de zoon van Kadmiei, en i hnnne broederen tegenover hen, i om te prijzen en te danken, naar I het gebod Davids des mans bods.
i wacht tegen wacht, i 25 Maitanja, en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub waren iiortiers, de wacht
! waarnemende bij de.schatkameis
i der poorten. . , , â, ' 26 Deze waren inde dagen \ an t Joiakim, den zoon van Jesua, j den zoon van Jozadak. en in ue 1 dagen van Nehemia aen lana-I voogd, en van den I nester Lzra
; den schriftgeleerde.
27 In de inwijding nu van.ie-; ruzalems muur zochten zii de Leviten uit alle hunne idaatsen, dat zij ze te Jeruzalem brac hten
i om de inwijding te doen met i vreugde en met dankzeggingen | en niet gezang, cymbalen, luiten ' en met harpen. , , . ,
28 Alzoo werden de kinderen der zangers verzameld, zoo uit het vlakke veld rondom JeiU-zalem, als uit de dorpen van do Netofathiten. .
29 en uit den huize van bil gal en uit de velden van bibea In Azmaveth; want do zangers hadden zich dorpen gehouwa rondom Jeruzalem.
30 En de Priesters en de Leviten reinigden ziclizel ven, daal na reinigden zij het volk en de poor-
i ten en den muur.
31 ïoen deed ik de \ 01 ^ an Juda opgaan op den muur; enilc stelde twee groote dank-koren en omgangen, één ter rechterhaiKi op den muur naar de Jlestpoor.
: toe.
32 En achter hen gmgHosaj*.
en de helft der Vorsten van.Tuoa,
33 en Azhrja, Ezra, en Mesullam,
595
34 Hadit!, Zeboïm, Neballat,
35 Lod, en Ono, in liet diil der veikmeestera. . ,
3G Van de Leviten nu wooiiflen sommigen in de vevdeelingen van J uda â¬Ã¯i Benjamin.
HOOFDSTUK 12.
Dit nn ziin de Priesters en de
Leviten, die metZerubbabel, uen zoon Sealtiëla, en Jesuaoptogen: Seraja, Jeremia, Ezra,
2 Amarja, Mallucli, Hattu»,
3 Seclmnja, Kehum, Mereraotn,
4 Iddo, Ginnethoi, Abüi,
5 Miamin, Maadja, Bilga, .
ö Somaia, en Jojanb, Jecla.ia,
7 J-Jallu, Amok, Hilkia, jetlaja: dat waren de hoofden der Pues-teren en hunne broederen m üe daccen van Jesiia. ,
8 Kn de Leviten waren Jesua, Binnuï, Kadraiël, Serebja, Juda,
Mattanja; hij en zijne broeders â¢waren over de dankzeggingen; M on Bakbnkja enlJnn\, hnnne
broeders, -waren tegenover lien m de wachten. t ⢠i '
1Ã Jesua nn gewon Jomkira, , en Joiakim gewon hljasib, en i Ei.iasib gewon Jojada, i
11 en Jojada gewon Jonathan, j en Jonathan gewon Jaddua. gt; ,
12 Ln in de dagen van Jojakim i waren Priesters, hoofden der ya- : deren; van Seraja was ALeraja; i van Jeremia Hananja; i
13 van Ezra Me sul lam; van j Amarja Johanan; 1
14 van Melichu Jonathan;van ] Sebonja Jozef;
15 van Harim Adna; van Me-vajoth Helkai; . r.
1G van Iddo Zecharja; van Gm-nethon Mesullam; _
17 van Abia Zichn: van Min-i-.min, van Moadja, Piltai;
IS van Bil gal Sammua; van Semaja Jonathan, _r ,
19 en van Jojanb Matteuai, van Jedaja Uzzi; .
20 van Sallai Ivallai; van Amok Heb er:
21 van Hilkia Tïasabja; van Jedaja Nethaneel.
22 Van de Leviten werden m do dagen van Eljasib, Jojada,en Jolianan, en Jaddiia, de liootaen
|
NEHE3J 34 Ju da, en Benjamin, en Se- j maja, en Jevemia. 35 En van de kinderen der i Priesters met trompetten: Ze- I cliarja, de zoon van Jonathan, ! den zoon van Semaja, don zoon , van Mattanja, den zoon van Mi- j chaja, den zoon van Zakkur, den i zoon van Asaf; 36 en zijne broeders, Semaja, en Azareël, Milalai, Gilalal,Maai, Nethaneël, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David den man Gods; en Ezra de schriftgeleerde qino voor hun aangezicht henen. 37 Voorts naar de Fontein-poort, en tegen Ij en over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad, door den opgang des muurs, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort tegen liet Oosten. 38 Het tweede dank-kcor nu ging tegenover hen, en ik achter hetzelve met de helft des volks op den muur, van boven den Bakovens-toren tot aan den bree-den muur; 39 en van boven de poort Efraïms, en boven de Oude poort, en boven de Vischpoort, en den toren Hananeël, en den toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort. 40 Daarna stonden de beide dank-koren in Gods Huis; ook ik en de helft der overheden met mij; 41 en de^ Priesters ^ Eljakim, Maaseja, Minjamin, Michaja, El-joënai, Zécharja, Ha nan ja, met trompetten; 42 voorts Maaseja, en Semaja, en Eleazar, en Uzzi, enJohanan, en Malkia, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers hoo-ren, met Jizrahja den opziener. 43 En zij offerden op dien dag groote slachtofferen en waren vroolijk, want God had ze vroolijk gemaakt met groote vroolijkheid; en ook waren de vrouwen en de kinderen vroolijk, zoodat de vroolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd. 44 Ook werden te dien dage mannen gesteld over de kameren |
IA 13. 507 tot de schatten, tot de lufoffers, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers der steden te verzamelen de deelen der wet voor de Prieste-ren en voor de Leviten; wa«it Juda was vroolijk over de Pries-tereu en over de Leviten die daar stonden, 45 en namen de wacht huns Gods en de wacht der reiniging waar; ook de zangers en de portiers, naar het gebod Davids cn van zijnen zoon Salomo. 46 Want in de dagen Davids en Asafs, van ouds, waren er hoofden der zangers en des lof-gezangs en der dankzeggingen aan God. 47 Daarom gaf gansch Israël, in de dagen van Zerubbabel en in de dagen van Nehemia, de doelen der zangers en der portiers, van elk dagelijks op zijnen dag; en zij heiligden voor de Leviten, en de Leviten heiligden voor de kinderen Aarons. HOOFDSTUK 13. Te dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor do ooren des volks, en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonitcn en Moabiten niet zouden komen in do gemeente Gods tot in eeuwigheid, 2 omdat zij den kinderen Israels niet waren tegemoet gekomen met brood en met water, ja, hadden Bileam tegen hen gehuurd om hen te vloeken: hoewel onze God den vloek omkeerde in eenen zegen. 3 Zoo geschiedde het als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling van Israël afscheidden. 4 Eljasib nu, de Priester die gesteld was over de kamer van liet Huis onzes Gods, was vóór dezen nabestaande van Tob ia geworden, 5 en hij had hem eene groote kamer gemaakt, alwaar zij te voren wegleiden het spijsolfer, den wierook, en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor |
|
508 NE II EI tie Leviten en de zangers en de portiers, mitsgaders het hefolier der Fries teren. G Doeli onder dit alles was ik niet te Jeruzalem, want in liet tweeëndertigste jaar van Artah-sasta, Koning van^ Babel, kwam ik tot den Koning, maar ten einde van eeniye dagen verkreeg ik irrder verlof van den Koning. 7 En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad dat Eljasib voor Tobia gedaan had, makende hem eene kamer in de voorhoven van Gods Huis. 8 En het mishaagde mij zeer; zoo wierp ik al het huisraad van Tobia buiten nit de kamer. 9 Voorts gaf ik bevel en zij reinigden de kanieren, en ik bracht daar weder in de vaten van Gods IInis met het spijs-ofier en den wierook. 10^ Ook vernam ik dat der Leviten deel hun niet gegeven was, zoodat de Leviten en de zangers die het werk deden gevloden waren een iegelijk naar zijnen akker; 11 en ik twistte met de overheden, en zeide ^ Waarom is het Huis Gods verlaten? Doch ik vergaderde ze, en herstelde ze in hnnnen stand. 12 Toen bracht gansch Jnda de tienden van het koren en den most en de olie in de schatten. 13 En ik stelde tot schatmees-iers over de schatten Selemja den ^ Priester, en Zadok den schrijver, en Pedaja uit de Leviten; en aan hunne hand Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Mattanja; want zij werden 1 getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hunne broederen uit te deelen. 14 Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijne weldadigheden niet uit, die ik aan 1 het Huis mijns Gods en aan zijne wachten gedaan heb. 15 In die dagen zagikin Jnda | die persen traden op den sabbat, ! en die garven inbrachten, die zij ⢠op ezels laadden; alsook wijn, ! druiven, en vijgen, en allen last, dien zij te Jeruzalem inbrachten 1 |
11A 13. op den sabbatdag; en ik betuigde tenen hen ten dage als zij eet-waren verkochten. 16 Er woonden ook Tyriërs binnen, die visch aanbrachten en allerlei koopwaar, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Jnda en te Jeruzalem. 17 Zoo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag ? 18 Deden niet uwe vaders «al-zoo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt der hittige gramschap nog meer over Israël, ontheiligende den sabbat. 19 Het geschiedde nu als de-poorten van Jeruzalem schaduw gaven, vóór den sabbat, dat ik bevel gaf en de deuren werden» gesloten; en ik beval dat zij ze* niet, zouden opendoen tot na den sabbat, en ik stelde van mij no jongens aan de poorten, oinlal er geen last zoude inkomen op den sabbatdag. 2ü Toen vernachtten de kramers, en de yerkoopers, van alie koopwaar, buiten vóór Jeruzalem, ééns of tweemaal. 21 Zoo betuigde ik tegen hen» en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zoo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat. 22 Voorts zeide ik tot de Leviten dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen bewaken om den sabbatdag to heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God, en verschoon mij naar de veelheid uwer goedertierenheid. 23 Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdoditische, Ammo-nitische en Moabitische vrouwen hij zich hadden doen wonen; 24 en hunne kinderen spraken half Asdoditisch, en zij konden geen Joodsch spreken, maar naar de taal van ieder volk. 25 Zoo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg óommvjn |
|
EST mannen van hen, en plukte hun liet haar uit; en ik deed lien zweren bij God: Indien gij uwe dochteren aan hunne zonen zult geven, en indien gij van hunne dochteren voor uwe zonen of voor u zult nemen! 26 Heeft niet Salomo, de Koning Israels, daarin gezondigd? Hoewel er onder vele heidenen geen Koning was gelijk Iiij, en hij zijnen God lief was, en God hem tot Koning over gansch Israël gesteld had: ook hemdeden de vreemde vrouwen zondigen. 27 Zouden wij dan naar ulieden hooren, dat gij al dit groote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen hij u wonen? |
E R 1. 53Jgt; 28 Ook was er een van do kinderen van Jojada, den zoon Eljasibs, den Hoogepriester, de schoonzoon geworden van Sau-ballat den Horoniet; daarom joeg ik hem van mij weg. 29 Gedenk aan hen, mijn God, omdat zij het Priesterdom hebben verontreinigd, ja, het verbond des Priesterdoma en der Levi-ten. 30 Alzoo reinigde ik hen van alle vreemden; en ik _ bestelde de wachten der Priesteren en der Leviten, elk op zijn werk; 31 ook tot het offer des hout3 op bestemde tijden, en tot de-eerstelingen. Gedenk mijner, mijn God ten goede. |
HET BOEK ESTER.
|
HOOFDSTUK 1. Het geschiedde nu in de dagen van Aliasveros, (hij is die Ahas-veros dewelke regeerde van ludië af tot aan Moorenland toe, honderd zevenentwintig landschappen) : 2 in die dagen, als de Koning Aliasveros op den troon zijns koninkrijks zat, die op den burg Susan was: 3 in het derde jaar zijner re-geering maakte hij een maaltijd voor alle zijne Vorsten en zijne knechten: de macht van Perzen en Meden, de grootste heeren, en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht, 4 als hij vertoonde den rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de kostelijkheid des sieraads zijner grootheid vele dagen lang, honderd en tachtig dagen. 5 Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de Koning een maaltüd voor al het volk dat gevonclen werd op den burg Susan, van den grootste tot den kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van den hof van het koninklijk paleis. |
G Daar waren witte, groene en hemelsblauwe hehangseh, gevat aan fijn _ linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op eenen vloer van porfiersfee», van marmer, en albast, en kostelijke steenen. 7 En men gaf te drinken in vaten van goud, en het ééno vat was anders dan het andere vat; en daar was veel koninklijke wijn, naar des Konings vermogen. 8 En het drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong; want alzóó had de Koning vaste-lijk bevolen aan^ alle grooten zijns huizes, dat zij doen zouden naar den wil van eenen legelijken. 0 De Koningin Vasti maakte óók een maaltijd voor de vrouwen, in het koninklijk huis hetwelk de Koning Aliasveros had. 10 Op den zevenden dag, toen des Konings hart vroolijk was van den wijn, zeide hij tot IMe-huinan, Bizta, Harbona, Bigta, |
|
ooo est; en Afcagta, Zethar, eu Karkas, de zeven kamerlingen dienende voor het aangezicht desKonings A has ver os, 11 dat zij Vast! de Koningin zonden brengen voor het aange-zicht des Konings, met de koninklijke kroon, om den volkeren en den Vorsten hare schoonheid te toonen; want zij was schoon van aangezicht. 12 Doch de Koningin Vasti weigerde te komen op het woord des Konings, hetwelk door den dienst der kamerlingen haar aanoezegd was. Toen werd de Koning zeer verbolgen, en zijne grimmigheid ontstak in hem. 13 Toen zeide de Koning tot de wijzen die de tijden verstonden, (want alzóó moest des Konings zaak geschieden, in de tegenwoordigheid van alle degenen die de wet en het recht wisten: 14 de naasten nu bij hein waren Karsena, Sethar, Admatha, Tar-sis, Meres, Marsena, Memnchan, zeven Vorsten der Perzen en der Meden, die het aangezicht des Konings zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk): 15 wat men naar de wet met-de Koningin Vasti doen zonde, omdat zij niet gedaan had het woord des Konings Ahasveros door den dienst der kamerlingen ? 16 Toen zeide Memnchan voor het aangezicht des Konings en der Vorsten: De Koningin Vasti heeft niet alleen tegen den Koning misdaan, maar ook tegen alle de Vorsten en tegen alle de volkeren, die in alle de landschappen des Konings Ahasveros zijn. 17 Want deze daad der Koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zoodat zij hare mannon verachten zullen in hare oogen, als men zeggen zal: Do Koning Ahasveros zeide dat men de Koningin Vasti voor zijn aangezicht brengen zoude, maar zij kwam niet. 18 Te dezen zelfden dage zullen de Vorstinnen der Perzen en Meden óók alzoo zeggen tot alle de Vorsten desKonings, als |
: k 2. zij deze daad der Koningin zullen hooren; en daar zal verachting en toorn genoeg wezen. IB Indien het den Koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: Dat Vasti niet inga voor het aangezicht des Konings Ahasveros: en de Koning geve haar koningschap aan hare naaste, die beter is dan zij. 20 Als het bevel des Konings, hetwelk hij^ doen zal, in zijn gansche koninkrijk (want het is groot) gehoord zal worden, zoo zullen alle vrouwen aan hare mannen eere geven, van de grootste tot de kleinste toe. 21 Dit woord nu was goed in de oogen des Konings en der Vorsten, en de Koning deed naar het woord van Memnchan; 22 en hij zond brieven aan alle de landschappen des Konings, aan een iegelijk landschap naar zijne schrift en aan elk volk naar zijne sprake: Dat elk man opperheer in zijn huis wezen zoude, en spreken naar de sprake zijn volks. HOOFDSTUK 2. Na deze geschiedenissen, toen de grimmigheid des Konings Ahasveros gestild was, gedacht hij aan Vasti en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was. 2 Toen zeiden de jongelingen des Konings die hem dienden: Men zoeke den Koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht; 3 en de Koring bestelle opzichters in alle de landschappen zijns koninkrij.es, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht, in den burg Susan, in het huis der vrouwen, onder de hand van Hegai, des Konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en ineii geve haar hare versierselen. 4 En de jonge dochter die in des Konings oog schoon wezen |
|
EST] zal, worde Koningin in Vasti's plaats. Deze zaak nu was goed in de oogen des Konings, en hij deed alzoo. 5 Daar was een Joodsch man op den burg Snsan, wiens naam was Mordechai, een zoon van Jaïr, den zoon van Simei', den zoon van Kis, een Benjaminiet; 6 die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden die weggevoerd waren met Je-chonja, den Koning van Juda, denwelken Nebukadnezar, de Koning van Babel, had weggevoerd. 7 En hij was het die opvoedde Hadassa (deze is Ester, de dochter zijns ooms), want zij had geenen vader noch moeder; en zij was eene jonge dochter, schoon van gedaante en schoon van aangezicht; en als haar vader en hare moeder stierven, had ze Mordechai zich tot eene dochter aangenomen. 8 Het geschiedde nu toen het woord des Konings en zijne wet ruchtbaar werd, en toen vele jonge dochters te zanien vergaderd werden op den burg Susan, onder de hand van Hegai, dat Ester óók werd genomen in des Konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder der vrouwen. 9 En de jonge dochter was schoon in zijne oogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met hare versierselen en hare deelen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters^ haar te geven uit het liuis des Konings; en hij verplaatste haar en hare jonge dochters naar het beste van het huis der vrouwen. 10 Ester had haar volk en hare i maagschap niet te kennen gege- | ven, want Mordechai had haar l geboden dat zij het niet zoude j te kennen geven. 11 Mordechai nu wandelde alle dagen voor den voorhof van het huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Es- gt; ter, en wat met haar geschieden I zoude. I |
3E 2. 601 12 Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte om tot den Koning Ahasveros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want alzóó werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen der vrouwen; 13 daarmede kwam dan de jonge dochter tot den Koning: al wat zij zeide werd haar gegeven, dat zij daarmede ging uit het huis der vrouwen naar het huis des Konings; 14 des avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen, onder de hand van Satisgaz, den kamerling des Konings, den bewaarder der bijwijven; zij kwam niet weder tot den Koning, tenware de Koning lust tot haar had en ^zij bij name geroepen werd. 15 Als nu de beurt van Ester, de dochter van Abihaïl, den oom van Mordechai, (die hij zich tofc dochter genomen had) naakte, dat zij tot den Koning komen zoude, begeerde zij nietmetal, dan wat Hegai, des Konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, zeide; en Ester verkreeg genade in de oogen van allen die haar zagen. 16 Alzoo werd Ester genomen-tot den Koning Ahasveros, tot zijn koninklijk huis,indetiende-maand, welke is de maand Te-beth, in het zevende jaar zijns rijks. 17 En de Koning beminde Ester boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar Koningin in de plaats van Vasti. 18 Toen maakte de Koning een grooten maaltijd voor alle zijne-Vorsten en zijne knechten, den maaltijd van Ester; en hij gaf den landschappen rust, en hij gaf geschenken naar des Koninga vermogen. |
|
602 EST 19 Toen nu ton anderen male maagden vergaderd werden, zoo zat Mordechai in de poort des Konings: 20 (Ester nu hnd hare maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk Mordechai haar geboden had; want Ester deed het bevel van Mordechai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd): 21 in die dagen, als Mordechai in de poort des Konings zat, werden Bigtan en Teres, twee kamerlingen des Konings, van de dorpel wachters, zeer toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den Koning Ahasveros. 22 En deze zaak werd Mordechai bekend gemaakt, en hij gaf ze der Koningin Ester te kennen; â¢en Ester zeide het den Koning in Mordechai's naam. 23 Als men de zaak onderzocht, is het alzoo bevonden, en zij beiden werden aan eene galg gehangen; en het werd in de kroniek geschreven voor het aangezicht des Konings. HOOFDSTUK 3. Na deze geschiedenissen maakte de Koning Ahasveros Hainan groot, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijnen stoel boven alle Vorsten die bij hem waren. 2 En alle de knechten des Konings, die in de poort des Konings waren, neigden en bogen zich neder voor Haman, want de Koning had al zóó van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet en boog zich niet neder. 3 Toen zeiden de knechten des Konings, die in de poort des Konings waren, tot Mordechai: Waarom overtreedt gij des Konings gebod? 4 Het geschiedde nu toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, zoo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen of de woor- j den van Mordechai bestaan zou- : den ; want hij had hun te kennen gegeven dat hij een Jood was. I |
ER 3. 5 Toen Haman zag dat Mordechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zoo werd Haman vervuld met grimmigheid. 6 Doch hij verachtte in zijne oogen, dat hij aan Mordechai alléén de hand zoude slaan, (want men had hem het volk van Mordechai aangewezen.) maar Haman zocht alle de Joden die in het gansche koninkrijk van Ahasveros waren, namelijk het volk van Mordechai, te verdelgen. 7 In de eerste maand (deze is de maand Nisan), in liet twaalfde jaar des Konings Ahasveros, wierp men het Pür, dat is het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag en van maand tot mnnnd, tot de twaalfde maand toe: deze is de maand Adar. 8 Want Haman had tot den Koning Ahasveros gezegd: Daar is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volkeren in alle de landschappen uwskoninkrijks, en hunne wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken, ook doen zij des Konings wetten niet: daarom is het den Koning niet oorbaarlijk hen te laten blijven. 9 Indien het den Koning goeddunkt, laat er geschreven worden dat men ze verdoe: zoo zal ik tienduizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen die het werk doen, om in des Konings schatten te brengen. 10 Toen trok de Koning zijnen ring van zijne hand, en hij gaf hem aan Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, der Joden tegen partij der ; 11 en de Koning zeide tot Haman: Dat zilver zij n geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen naardat het goed is in uwe oogen. 12 Toen werden de schrijvers des Konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzeive, en daar werd geschreven naar alles wat Haman beval, aan de etadhouders des Konings, en aan de landvoogden die over elk landschap waren, en aan de Vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift en elk |
|
EST] volk naar zijne sprake: daar werd geschreven in den naam desKo-nings Ahnsveros, en Let werd met des Konings ring verzegeld. 13 De brieven nu werden gezonden door de hand der loopers tot alle de landschappen des Koning?, dat men zoude verdelgen, dooden en verdoen alle de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op éénen dag, op den dertiende der twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hunnen buit zoude rooven. 14 De inhoud van het geschrift was, dat er eene wet zoude gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen dien dag zouden gereed zijn. 15 De loopers gingen uit, voortgedreven zijnde door het woord des Konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susai'. En de Koning en Haman zaten en dronken, doch de stad Susan was verward. HOOFDSTUK 4. Als Mordechai wist al wat er geschied was, zoo verscheurde Mordechai zijne klecderen, en hij trok eenen zakaan metasch; en hij ging uit door het midden der. stad, en hij riep met een groot en bitter geroep. 2 En hij kwam tot vóór de poort des Konings; want niemand j mocht in des Konings poort inkomen bekleed met eenen zak; 3 En in ieder landschap en iedere plaats, waar het woord des Konings en zijne wet aankwam, was een groote rouw onder de Joden, met vasten en geween en misbaar: velen lagen in zakken en asch. 4 Toen kwamen Esters jonge dochters en hare kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de Koningin zeer wee, en zij zond kleederen om Mordechai aan te doen en zijnen zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan. 5 Toen riep Ester Hathach, |
K 4. 603 een van de kamerlingen des Konings, welke hij voor haar gesteld had ; en zij gaf hem bevel aan Mordechai om te weten wat dit en waarom dit ware. 6 Als Hathach nu uitging tot Mordechai, op de straat der stad die vóór de poort des Konings was, 7 zoo gaf Mordechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring van liet zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten des Konings, voor de Joden, om hen om te brengen; 8 en hij gaf hem het afschrift der geschreven wet die te Susan gegeven was om hen te^ verdelgen, dat hij ze Ester liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood dat zij tot den Koning ging, om hem te smeeken en van hem te verzoeken voor haar volk. 9 Hathach nu kwam en gaf Ester de woorden van Mordechai te kennen. 10 Toen zeide Ester tot Hathach,_ en gaf hem bevel aan Mordechai : 11 Alle knechten des Konings, en het volk der landschappen des Konings,^ weten wei, dat al die tot den Koning ingaat in den binnensten voorhof, die niet geroepen is, hetzij man of vrouw, zijn éénig vonnis is dat men 7/eiii doode, tenzij de Koning hem den gouden schepter toereike, opdat hij levend blijve: ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den Koning in te komen. 12 En zij gaven de woorden van Ester aan Mordechai te kennen. 13 Zoo zeide Mordechai dat men Ester wederom zeggen zoude : Beeld u niet in in uwe ziele, dat gij zult ontkomen in het Huis des Konings, meer dan alle de andere Joden. 14 Want indien gij eenigszins zwijgen zult te dezer tijd, zoo zal den Joden verkwikking en verlossing uit eene andere plaats ontstaan, maar gij en uws vaders huis zult omkomen: en wie weet, of gij niet om zulken tijd als deze is tot dit koninkrijk geraakt zijt. |
|
604 E S T E 15 Toen zeide Ester dat men Mordechai weder aanzeggen zonde: 16 Ga, vergader alle Joden die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet in drie dagen, des nachts noch des daags: ik en mijne jonge dochters zullen óók alzoo vasten: en alzóó zal ik tot den Koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. quot;Wanneer ik dan omkom, zoo kom ik om. 17 Toen ging Mordechai henen, en hij deed naar alles dat Ester hem geboden had. HOOFDSTUK 5. Het geschiedde nu aan den derden dag dat Ester een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van des Konings huis, tegenover het huis des Konings: de Koning nu zat op zijnen koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis. 2 En het geschiedde toen de Koning de Koningin Ester zag staande in den voorhof, verkreeg zij genade in zijne oogen, zoodat de Koning den gouden schepter die in zijne hand was Ester toereikte; en Ester naderde en roerde de spits des schepters aan. 3 Toen zeide do Koning tot haar: Wat is u. Koningin Ester, of wat is uw verzoek? Het zal Ti gegeven worden, ook tot de helft des koninkrijks. 4 Ester nu zeide: Indien het den Koning goeddunkt, zoo kome de Koning niet Haman heden tot den maaltijd, dien ik hem bereid heb. 5 Toen zeide de Koning: Doet Hamen spoeden dat hij het bevel Esters doe. Als nu de Koning met Haman tot den maaltijd dien Ester bereid had gekomen was, G zoo zeide de Koning tot Ester op den maaltijd des wijns: Wat is uwe bede ? en het zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? het zal geschieden, ook tot de helft des Koninkrijks. 7 Toen antwoordde Ester en |
R 5, 6. zeide: Mijn bede en verzoek is: 8 indien ik genade gevonden heb in de oogen des Konings, en indien het den Koning goeddunkt mij te geven mijne bede en mijn verzoek te doen, zoo kome de Koning met Haman tot den maaltijd dien ik hem bereiden zal: zoo zal ik morgen doen naar het bevel des Konings. 9 Toen ging Haman tenzélfden dage uit, vroolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mordechai zag in de poort des Konings, en dat hij niet opstond noch zich voor hem bewoog, zoo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mordechai. 10 Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond henen en liet zijne vrienden komen, en Zeres, zijne huisvrouw; 11 en Haman vertelde hun do heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles waarin de Koning hem grootgemaakt had, en waarin hij hera verheven had boven de Vorsten en knechten des Konings. 12 Voorts zeide Haman: Ook heeft de Koningin Ester niemand met den Koning doen komen tot den maaltijd,dien zij bereid heeft, dan mij, en ik ben ook tegen morgen van haar met den ivo-ning genoodigd; 13 doch dit alles baat mij niet, zoo langen tijd als ik den Jood Mordechai zie zitten in de poort des Konings. 14 Toen zeide zijne huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders alle zijne vrienden: Men make eene galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen den Koning dat men Mordechai daaraan hange: ga dan vroolijk met den Koning tot dien maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken. HOOFDSTUK 6. In dienzelfden nacht was de slaap van den Koning geweken, en hij zeide dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zoude; en zij werden in |
|
EST] de tegenwoordiglieid dea Konings gelezen. 2 En men vond geschreven dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigtana en Teres, twee kamerlingen des Konings uit de dorpel wachters, die de hand zochten te leggen aan den Koning Ahasveros. 3 Toen zeide de Koning: Wat eer en verhooging is Mordechai hiervoor gedaan V En de jongelingen des Konings, zijne dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan. 4 Toen zeide de Koning: Wie is in den voorhof? (Haman nu was gekomen in den buitenvoorhof van het huis des Konings, om den Koning te zeggen dat men Mordechai zoude hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.) 5 En des Konings jongelingen zeiden tot hem : Zie, Haman staat in den voorhof. Toen zeide de Koning: Dat hij inkome. 6 Als Haman ingekomen was, zoo zeide hem de Koning: Wat zal men den^ man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn harte: Tot wien heeft de Koning een welbehagen, om hem eere te doen, meer dan tot mij ? 7 Daarom zeide Haman tot den Koning : Den man, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft, 8 zal men het koninklijke kleed brengen dat de Koning pleegt aan te trekken, en het paard waar de Koning op pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde; 9 en men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van eenen uit de Vorsten des Konings, van de grootste heeren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft, en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal vóór hem roepen: AIzóó zal men den man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft. 10 Toen zeide de Koning tok Haman: Haast u, neem dat kleed |
R 7. 605 en dat paard, gelijk gij gesproken hebt, en doe Mordechai den Jocd alzóó, die aan de poort des Konings zit; laat niet één woord vallen van alles dat gij gesproken hebt. 11 En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep vóór hem: Alzóó zal men dien man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft. 12 Daarna keerde Mordechai wederom tot de poort des Konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde. 13 En^ Haman vertelde aan zijne huisvrouw Zeres en allo zijne vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijne wijzen en Zeres zijne huisvrouw: Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij zijt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zoo zult gij tegen hem niet vermogen, maar gij zult ge-wisselijk voor zijn aangezicht vallen. 14 Toen zij nog met hem spraken, zoo kwamen des Konings kamerlingen nabij, en zij haasteden Haman tot den maaltijd te brengen dien Ester bereid had. HOOFDSTUK 7. Toen de Koning met Haman gekomen was om te drinken met de Koningin Ester, ^ 2 zoo zeide de Koning tot Ester ook op den tweeden dag, op den maaltijd des wijns: Wat is uwe ! bede. Koningin Ester, en zij zal ! u gegeven worden ; en wat is uw verzoek ? het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks. 3 Toen antwoordde de Koningin Ester en zeide: Indien ik, o Koning, genade in uwe oogen gevonden heb, en indien het den Koning goeddunkt, men geve mij I mijn leven om mijner bede wille, en mijn volk om mijns verzoeks wille. 4 Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons verdel ge, doode en ombrenge. Indien wij |
ESTER 9.
SOS
|
Koningin Ester: Te Susan op den burg hebben do Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen Ha-mans: wat hebben zij al in de andere landschappen des Konings gedaan! Wat is nu uwe bede? en liet zal u gegeven worden;of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden. 13 Toen zeido Ester: Dunkt het den Koning goed, men late ook morgen toe. den Joden die te Susan zijn, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen Hamans aan de galg. 14 Toen zeide de Koning dat men alzoo doen zoude, en daar werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen Ha-mans op. 15 En de Joden die te Susan waren vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hunne hand niet aan den roof. 1G De overige Joden nu, die in de landschappen des Konings waren, vergaderden opdat zij stonden voor hun leven en ruste hadden van hunne vijanden, en zij doodden onder hunne haters vijf-â enzeventigduizend; maar zij sloegen hunne hand niet aan den roof. 17 Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertiende derzelve rustten zij, en zij maakten dien tot een dag der maaltijden en der vreugde. IS En de Joden die te Susan waren vergaderden op den dertiende derzelve en op den veertiende derzelve, en zij rustten op den vijftiende derzelve, en zij maakten dien tot een dag der maaltijden en der vreugde. 19 Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden lt;iag der maand Adar tot vreugde en maaltijden, en eenen vroo-1 ij ken dag, en der zending van deelen aan malkander. |
20 En Mordechai beschreef deze geschiedenissen en hij zond brieven aan alle de Joden die in alle de landschappen des Konings Ahasveros waren, dien die nabij en dien die verre waren, 21 om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag der maand Adar en den vijftienden dag derzelve, in alle en ieder jaar: 22 naar de dagen in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hunne vijanden, en de maand die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in eenen vroolijken dag; dat zij die dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en der vreugde, en der zending van deelen aan malkander, en der gaven aan de armen. 23 En de Joden namen aan te doen wat zij begonnen hadden, en wat Mordechai aan hen geschreven had: 24 omdat Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, aller Joden vijand, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pür, dat is het lot, had geworpen, om hen te verslaan en om hen om te brengen. 25 Maar als zij voor den Koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen dat zijne booze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zoude wederkeeren; en men heeft hem en zijne zonen aan de galg gehangen. 26 Daarom noemt men die dagen Purim, naar den naam van dat Pür. Hierom, vanwege alle de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelve daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was, f 27 bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad en op allen die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade: dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve en naar den bestemden tijd derzelve, in alleen ieder jaar; 28 dat deze dagen gedacht zou- |
|
ESTER 1 den worden en onderhonden, in elk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en elke stad, en dat deze dagen Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dat de gedachtenis der-zelve geen einde nemen zoude bi.i hun zaad. 29 Daarna schreef de Koningin Ester, de dochter Abihaïls, en Mordechai de Jood, met alle macht, om dezen brief van Purim ten tweeden male te bevestigen. 30 En hij zond de brieven aan alle de Joden, in de honderd zevenentwintig landschappen des koninkrijks van Ahasve-ros, met woorden van vrede en trouwe: 31 dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hunne bestemde tijden, gelijk als Mordechai de Jood over hen bevestigd had, en Ester de Koningin, en gelijk zij het bevestigd hadden voor zichzelven en voor hun |
), JOB 1. 609 zaad: do zaken van het vasten en hun geroep. ^ 32 En het bevel Esters bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek geschreven. HOOFDSTUK 10. Daarna leide de Koning Ahaa-veros schatting op het land en de eilanden der zee. 2 Alle de werken nu zij nor macht en zijns geweids, en do verklaring der grootheid van Mordechai, denwel ken de Koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der Koningen van Medio en Perzic? 3 Want de Jood Mordechai was de tweede bij den Koning Ahas-veros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte zijnor broederen, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor den welstand van zijn gansche zaad. |
HET BOEK JOB.
|
HOOFDSTUK 1. Daar was een man in het land Ãz, zijn naam was Job; en die man was oprecht en vroom en godvreezende en wijkende van liet kwaad. 2 En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren; 3 daartoe was zijn vee zevenduizend schapen en drieduizend kemelen en vijfhonderd juk ossen en vijfhonderd ezelinnen, ook was zijn dienstvolk zeer veel; zoodat deze man grooter was dan alle die van het Oosten. 4 En zijne zonen gingen en maakten maaltijden in ieders huis op zijnen dag: en zij zonden henen en noodigden hunne drie zusteren om met hen te eten en te drinken. |
| 5 Het geschiedde dan als de j dagen der maaltijden omgegaan waren dat Job henenzond en hen heiligde, en des morgens vroeg opstond en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide; Misschien hebben mijne kinderen gezondigd en God in hun harte gezegend. Al zoo deed Job alle die dagen. 6 Daar was nu een dag als de kinderen Gods kwamen om zich voor den Heere te stellen, dat de satan óók in het midden van hen kwam. 7 Toen zeide de Heere tot den satan: Van waar komt gij ? En de satan antwoordde den Heere en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. 8 En de Heere zeide tot den 20 |
ESTER 5, 6.
604
|
15 Toen zei de Ester dat men j Mordechai weder aanzeggen 1 zonde: I 16 Ga, vergader alle Joden die te Susan gevonden â worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet in drie dagen, des nachts noch des «laags; ik en mijne jonge dochters zullen óók alzoo vasten: en alzóó zal ik tot den Koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. AV an neer ik dan omkom, zoo kom ik om. 17 Toen ging Mordechai henen, en hij deed naar alles dat Ester hem geboden had. HOOFDSTUK 5. Het geschiedde nu aan den derden dag dat Ester een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van des Konings huis, tegenover liet huis des Konings: de Koning nu zat op zijnen koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van liet huis. 2 En het geschiedde toen de Koning jde Koningin Ester zag staande in den voorhof, verkreeg zij genade in zijne oogcn.zoodat de Koning den gouden schepter die in zijne hand was Ester toereikte ; en Ester naderde en roerde de spits des schepters aan. 3 Toen zeide de Koning tot haar: Wat is u, Koningin Ester, of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, ook tot de helft des koninkrijks. 4 Ester nu zeide: Indien het den Koning goeddunkt, zoo kome de Koning met Haman heden tot den maaltijd, dien ik hem bereid heb. 5 Toen zeide de Koning; Doet Haman spoeden dat hij het bevel Esters doe. Als nu de Koning met Haman tot den maaltijd dien Ester bereid had gekomen was, 6 zoo zeide de Koning tot Ester op den maaltijd des wijns: quot;Wat is uwe bede? en het zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? het zal geschieden, ook tot de helft des Koninkrijks. 7 Toen antwoordde Ester en |
zeide: Mijn bede en verzoek is: 8 indien ik genade gevonden heb in de oogen des Konings, en indien het den Koning goeddunkt mij te geven mijne bede en mijn verzoek te doen, zoo kome de Koning met Haman tot den maaltijd dien ik hem bereiden zal: zoo zal ik morgen doen naar het bevel des Konings. 9 Toen ging Haman tenzelfden dage uit, vroolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mordechai zag in de poort des Konings, en dat hij niet opstond noch zich voor hem bewoog, zoo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mordechai. 10 Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis: en Inj zond henen en liet zijne vrienden komen, en Zeres, zijne huisvrouw; 11 en Haman vertelde hun do heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles waarin de Koning hem grootgemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de Vorsten en knechten des Konings. 12 Voorts zeide Haman: Ook heeft de Koningin Ester niemand met den Koning doen komen tot den maaltijd,dien zij bereidheeft, dan mij, en ik ben ook tegen morgen van haar met den Koning genoodigd; 13 doch dit alles baat mij niet, zoo langen tijd als ik den Jood Mordechai zie zitten in de poort des Konings. 14 Toen zeide zijne huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders alle zijne vrienden: Men make een© galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen den Koning dat men Mordechai daaraan hange: ga dan vroolijk met den Koning tot dien maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken. HOOFDSTUK 6. In dienzelfden nacht was de slaap van den Koning geweken, en hij zeide dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zoude; en zij werden in |
|
EST! de tegeirwoordiglieid desKonings gelezen. 2 En men vond geschreven dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigtana en Teres, twee kamerlingen des Konings uit de dorpel wachters, die de hand zochten te leggen aan den Koning Ahasveros. 3 Toen zeide de Koning: Wat eer en verhooging is Mordechai hiervoor gedaan V En de jongelingen des Konings, zijne dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan. 4 Toen zeide de Koning: Wie is in den voorhof? (Haman nu was gekomen in den buitenvoorhof van het huis des Konings, om den Koning te zeggen dat men Mordechai zoude hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.) 5 En des Konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in den voorhof. Toen zeide de Koning: Dat hij inkome. 6 Als Haman ingekomen was, zoo zeide hem de Koning: Wat zal men den^ man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn harte: Tot wien heeft de Koning een welbehagen, om hem eere te doen, meer dan tot mij ? 7 Daarom zeide Haman tot den Koning: Den man, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft, 8 zal men het koninklijke kleed brengen dat de Koning pleegt aan te trekken, en het paard waar de Koning op pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde; 9 en men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van eenen uit de Vorsten des Konings, van de grootste heeren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft, en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal vóór hem roepen: Alzóó zal men den man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft. 10 Toen zeide de Koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed |
R 7. 605 en dat paard, gelijk gij gesproken hebt, en doe Mordechai den Jood alzóó, die aan de poort des Konings zit; laat niet één woord vallen van alles dat gij gesproken hebt. 11 En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep vóór hem: Alzóó zal men dien man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft. 12 Daarna keerde Mordechai wederom tot de poort des Konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde. 13 En ^ Haman vertelde aan zijne huisvrouw Zeres en alle zijne vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijne wijzen en Zeres zijne huisvrouw: Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij zijt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zoo zult gij tegen hem niet vermogen, maar gij zult ge-wisselijk voor zijn aangezicht vallen. 14 Toen zij nog met hem spraken, zoo kwamen des Konings kamerlingen nabij, en zij haasteden Haman tot den maaltijd te brengen dien Ester bereid had. HOOFDSTUK 7. Toen de Koning met Haman gekomen was om te drinken met de Koningin Ester, _ 2 zoo zeide de Koning tot Ester ook op den tweeden dag, op den maaltijd des wijns: Wat is uwe bede. Koningin Ester, en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek ? het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks. 3 Toen antwoordde de Koningin Ester en zeide: Indien ik, o Koning, genade in uwe oogen gevonden heb, en indien het den Koning goeddunkt, men geve mij mijn leven om mijner bede wille, en mijn volk om mijns verzoeke wille. 4 Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons verdelge, doode en ombrenge. Indien wij |
|
606 EST nog tot knechten en tot dienstmaagden waren verkocht geweest, ik zoude gezwegen hebben, of-Bchoon de onderdrukker de schade des Konings geenszins zoude kunnen vergoeden. 5 Toen sprak de Koning Ahas-veros en zeide tot de Koningin Ester: Wie is die en waar is hij, die zijn harte vervuld heeft om alzoó te doen ? 6 En Ester zeide: De man, de onderdrukker en vijand, is deze booze Hainan. Toen verschrikte Hainan voor het aangezicht des Konings en der Koningin. 7 En de Koning stond op in zijne grimmigheid van den maaltijd des wijns, en ging naar den hof van het paleis; en Haman bleef staan om van de Koningin Ester aangaande zijn leven verzoek te (loen, want hij zag dat het kwaad van den Koning over hem ten volle besloten was. 8 Toen de Koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns, zoo was Haman gevallen op het bed daar Ester op was. Toen zeide de Koning: Zoude hij ook nog de Koningin verkrachten bij mij in het huis? Het wooril ging uit des Konings mond, en zij bedekten Hamans aangezicht. 9 En Harbona, een van de kamerlingen voor het aanschijn des Konings staande, zeide:Ook zie, de galg welke Haman gemaakt heeft voor Mordechai, die goed voor den Koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toen zeide de Koning: Hangt hem daaraan. 10 Alzoo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden, en de grimmigheid des Konings werd gestild. HOOFDSTUK 8. Te dienzelfden dage gaf de Koning Ahasveros aan de Koningin Ester liet huis Hamans, des vij-ands der Joden; en Mordechai kwam voor het aangezicht des Konings, want Ester had te kennen gegeven wat hij haar was. |
ER S. 2 En de Koning toog zijnen ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mordechai; en Ester stelde Mordechai over het huis Hamans. 3 En Ester sprak verder voor het aangezicht des Konings, en zij viel voor zijne voeten, en zij weende, en zij smeekte hem dat hij de boosheid van Haman den Agagiet, en zijne gedachte die hij tegen de Joden gedacht had, zoude wegnemen. 4 De Koning nu reikte den gouden schepter Ester toe. Toen rees Ester op en zij stond voor het aangezicht des Konings; 5 en zij zeide : Indien het den Koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb, en deze zake voor den Koning recht is, en ik in zijne oogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, _ wederroepen worden, welke hij geschreven heeft om de Joden om te brengen die in alle de landschappen des Konings zijn. 6 Want hoe zal ik vermogen dat ik aanzie het kwaad dat mijn volk treffen zal, en hoe zal ik vermogen dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht? 7 Toen zeide de Koning Ahasveros tot de Koningin Ester en tot Mordechai den Jood : Zie, het huis Hamans heb ik Ester gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen omdat hij zijne hand aan de Joden geslagen had. 8 Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zooals het goed is in uwe oogen, in dos Konings naam, en verzegelt het met des Konings ring, want het schrift dat in des Konings naam geschreven en met des Konings ring verzegeld is, ia niet te wederroepen. 9 Toen werden des Konings schrijvers geroepen, te dier tijd in de derde maand (dat is de maand Sivan), op den drieëntwintigste derze'jve, en daar werd geschreven naar alles dat Mordechai gebood, aan de Joden, en |
|
EST] aan de stadhouders en .'andvoogden en oversten der landschappen, die van Indië af tot aan Mooren-land strekken, honderd en zevenentwintig landschappen, en ieder landschap naar zijn schrift en ieder volk naar zijne sprake, ook aan de Joden naar hun schrift en naar hunne sprake; 10 en men schreef in des Ko-nings Ahasveros naam, en men verzegelde liet met des Konings ring, en men zond de brieven door de hand der loopers te paard, rijdende op snelle kemelen, op muildieren van merriën geteeld ; 11^ Dat de Koning den Joden toeliet die in elke stad waren, zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen, te dooden en om te brengen alle macht des volks en des land-schaps die hen benauwen zoude, de kleine kinderen en de vrouwen, en hunnen buit te rooven; 12 op éénen dag in alle de landschappen des Konings Ahasveros, op den dertiende der twaalfde maand, dat is de maand Adar. 13 De inhoud van dat geschrift was, dat eene wet zoude gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hunne vijanden. 14 De loopers, die op snelle kemelen reden en op muildieren, togen snellijk uit, aangedreven zijnde door het woord des Konings. Deze wet nu werd gegeven op den burg Susan. 15 En Mordechai ging uit van voor het aangezicht des Konings, in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met eene groote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vroolijk. 16 Bij de Joden was licht en blijdschap en vreugde en eere; 17 ook in^ alle en een ieder landschap en i n alle en een iedere stad, ter plaatse waar des Konings woord en zijne wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vroo-i R 9. GOT |
lijke dagen; en velen uit de volkeren des lands werden Joden, want de vreeze der Joden was op hen gevallen. HOOFDSTUK 9. In de twaalfde maand nu (dat is de maand Adar), op den dertienden dag derzeive, toen des Konings woord en zijne wet nabij gekomen was dat men het doen zoude, ten dage als de vijanden der Joden hoopten over hen te heerschen, zoo is het omgekeerd; want de Joden heerschten zelve over hunne haters. 2 Want de Joden vergaderden zich in hunne steden, in alle de landschappen des Konings Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op alle die volkeren gevallen. 3 En alle de oversten der landschappen, en de stadhouders, en de landvoogden, die het werk des Konings deden, verhieven de Joden, want de vrees voor Mordechai was op hen gevallen. 4 Want Mordechai was groot in het huis des Konings. en zijn gerucht ging uit door alle land-schaxipen; want die man Mordechai werd gaandeweg grooter. 5 De Joden nu sloegen op allo hunne vijanden met den slag des zwaards en der dooding en der verderving, en zij deden met hunne haters naar hun welbehagen. 6 En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen ; 7 en Parsandatha, en Dal pon, en Aspatha, 8 en Poratha, en Adalja, en Aridatha, 9 en Parmasta, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha, 10 de tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hunne handen niet aan den roof. 11 Te dien dage kwam voor den Koning het getal der ge-dooden op den burg Susan. 12 En de Koning zeide tot dsr |
|
603 EST] Koningin Ester: Te Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen Ha-mans: wat hebben zij al in de andere landschappen des Konings gedaan! Wat is nu uwe bede? en liet zal u gegeven worden;of' wat is verder uw verzoek? het zal geschieden. 33 Toen zeido Ester: Dunkt het den Koning goed, men late ook morgen toe den Joden die te Susan zijn, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen Hamans aan de galg. 14 Toen zeide de Koning dat men alzoo doen zoude, en daar werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen Ha-mans op. 15 En de Joden die te Susan waren vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan drie-houderd mannen; maar zij sloegen hunne hand niet aan den roof. lü De overige Joden nu, die in de landschappen des Konings waren, vergaderden opdat zij stonden voor hun leven en ruste hadden van hunne vijanden, en zij doodden onder hunne haters vijfenzeventigduizend ;maarzij sloegen hunne hand niet aan den roof. 17 Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertiende derzelve rustten zij, en zij maakten dien tot een dag der maaltijden en der vreugde. 18 En de Joden die te Susan waren vergaderden op den dertiende derzelve en op den veertiende derzelve, en zij rustten op den vijftiende derzelve, en zij maakten dien tot een dag der maaltijden en der vreugde. 19 Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar tot vreugde en maaltijden, en eenen vroo-1 ijken dag, en der zending van deelen aan malkander. |
IR 9. 20 En Mordechai beschreef deze geschiedenissen en hij zond brieven aan alle de Joden die in alle de landschappen des Konings Ahasveros waren, dien die nabij en dien die verre waren, 21 om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag der maand Adar en den vijftienden dag derzelve, in alle en ieder jaar: 22 naar de dagen in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hunne vijanden, en de maand die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in eenen vroolijken dag; dat zij die dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en der vreugde, en der zending van deelen aan malkander, en der gaven aan de armen. 23 En de Joden namen aan te doen wat zij begonnen hadden, en wat Mordechai aan hen geschreven had: 24 omdat Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, aller Joden vijand, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pür, dat is het lot, had geworpen, om hen te verslaan en om hen om te brengen. 25 Maar als zij voor den Koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen dat zijne booze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zoude wederkeeren; en men heeft hem en zijne zonen aan de galg gehangen. 26 Daarom noemt men die da gen Purim, naar den naam van dat Pür. Hie;:om, vanwege alle de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelve daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was, _ 27 bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad en op allen die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade: dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve en naar den bestemden tijd derzelve, iu alleen ieder jaar; 28 dat deze dagen gedacht zou- |
|
ESTER 1 den worden en onderliónden, in elk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en elke stad, en dat deze dagen Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dat de gedachtenis der-zelve geen einde nemen zoude bi.i lmn zaad. 29 Daarna schreef de Koningin Ester, de dochter Abihaïls, en Mordechai de Jood, met alle macht, om dezen brief van Purim ten tweeden male te bevestigen. 30 En hij zond de brieven aan alle de Joden, in de honderd zevenen twintig landschappen des koninkrijks van Ahasve-ros, met woorden van vrede en trouwe: ^ 31 dat zij deze dagen van Purim bevestigen zonden op hunne bestemde tijden, gelijk als Mordechai de Jood over hen bevestigd had, en Ester de Koningin, en gelijk zij het bevestigd hadden voor zichzelven en voor hun |
I, JOB 1. 009 zaad: do zaken van het vasten en hun geroep. 32 En het bevel Esters bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek geschreven. HOOFDSTUK 10. Daarna leide de Koning Ahas-veros schatting op het land en de eilanden der zee. 2 Alle de werken nu zijner macht en zijns gewelds, en do verklaring der grootheid van Mordechai, denwel ken de Koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der Koningen van Medië en Perzic? 3 Want de Jood Mordechai was de tweede bij den Koning Ahas-veros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte zijner broederen, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor den welstand van zijn ganscho zaad. |
H E ï B O
EK JOB.
|
HOOFDSTUK 1. Daar was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en die man was oprecht en vroom en godvreezende en wijkende van liet kwaad. 2 En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren; 3 daartoe was zijn vee zevenduizend schapen en drieduizend kemelen en vijfhonderd juk ossen en vijfhonderd ezelinnen, ook was zijn dienstvolk zeer veel; zoodat deze man grooter was dan alle die van het Oosten. 4 En zijne zonen gingen en maakten maaltijden in ieders huis op zijnen dag: en zij zonden Lenen en noodigden hunne drie zusteren om met hen te eten en te drinken. |
I 5 Het geschiedde dan als de j dagen der maaltijden omgegaan waren dat Job henenzond en hen heiligde, en des morgens vroeg opstond en brandofferen olferde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijne kinderen gezondigd en God in hun harte gezegend. Alzoo deed Job alle die dagen. G Daar was nu een dag als de kinderen Gods kwamen om zich voor den Heere te stellen, dat de satan óók in het midden van hen kwam. 7 Toen zeide de Heere tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den Heere en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. 8 En de Heere zeide tot den 20 |
|
610 J O satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijnen knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij: een man oprecht en vroom, godvreezende en wijkende van het kwaad. 9 Toen antwoordde de satan den Heeee en zeide: Is het om niet dat Job God vreest? 10 Hebt gij niet eene omtni-ning gemaakt voor hem en voor zijn huis en voor al dat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in het land. 11 Maar toch, strek nu uwe hand uit en tast aan alles wat hij heeft, â zoo hij u niet in uw aangezicht zal zegenen! 12 En de Heere zeide tot den patan: Zie, al wat hij heeft zij in uwe hand: strek alleen aan hem zeiven uwe hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des Heeren. 13 Daar was nu een dag als zijne zonen en zijne dochteren aten en wijn dronken in het huis huns broeders, des eerstgeborenen, 14 dat een bode tot Job kwam en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hunne zijden; 15 doch de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongens met de scherpte des zwaards: en ik ben maar alléén ontkomen om het u aan te zeggen. 16 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel en ontstak onder de schapen en onder de jongens, en verteerde ze: en ik ben maar alléén ontkomen om het u aan te zeggen. 17 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander en zeide: De Chaldcën stelden drie hoopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongens met^ de scherpte des zwaards: en ik ben maar alléén ontkomen om het u aan te zeggen. 18 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander en zeide; Uwe 3 2. |
zonen en uwe^ dochteren aten en dronken wijn in het huis huns broeders, des eerstgeborenen: 19 en zie, een groote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven: en ik ben maar alléén ontkomen om het u aan te zeggen. 20 Toen stond Job op, en scheurde zijnen mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aard© en boog zich neder; 21 en hij zeide: Naakt ben ik uit den moederschoot gekomen, en naakt zal ik daarhenen weder-keeren. De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen: de naam des Heeren zij geloofd. 22 In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe. HOOFDSTUK 2. Wederom was er een dag als de kinderen Gods kwamen om zich voor den Heere te stellen, dat de satan óók in het midden van hen kwam om zich voor den Heere te stellen. 2 Toen zeide de Heere tot. den satan: Yan waar komt gij ? En de satan _ antwoordde den Heere en zeide: Van om t© trekken op de aarde, en van di© te doorwandelen. 3 En de Heere zeide tot den satan: Hebt gij och acht geslagen op mijnen knecht Job? Want niemand in op de aarde gelijk hij: een man oprecht en vroom, I godvreezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijne oprechtheid, hoewel gij mij tegen hem opgehitst hebt om hem te verslinden zonder oorzaak. 4 Toen antwoordde de satan den Heere en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft zal hij geven vcor zijn leven; 5 doch strek nu uwe hand uit en taat zijn gebeente en zijn vleeach aan. â zoo hij u niet in uw aangezicht zal zegenen! 6 En de Heere zeide tot den h |
A
|
JO] eatan: Zie, hij zij in uwe Land: doch verschoon zijn leven. 7 Toen giiif? de satan uit van het aangezicht des Hserex, en sloeg Job met booze zweren van zijne voetzool af tot zijnen schedel toe. 8 En hij nam zich eene potscherf om zich _ daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden der asch. 9 Toen zeide zijne huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uwe oprechtheid? Zegen God en sterf. 10 Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als eene derzottinnen spreekt; ja, zouden wij hot goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijne lippen niet. 11 Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad dat over hem gekomen was, kwamen zij ieder uit zijne plaats, Elifaz de Temaniet, en Bildad de Suhiet, en Zcfar de Naamathiet; en zij waren het ééns geworden dat zij zonden komen om hem te beklagen en om hem te vertroosten. 12 En toen zij hunne oogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hunne stemme op en weenden, daartoe scheurden zij een ieder zijnen mantel, en strooiden stof op hunne hoofden naar den hemel. 13 Alzoo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen dat do smart zeer groot was. HOOFDSTUK 3. Daarna opende Job zijnen mond en vervloekte zijnen dag. 2 Want Job antwoordde en zeide: 3 De dag verga waarin ik geboren ben, en de nacht waarin men zeide: Een jongsken is ontvangen. 4 Die dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne. |
3. â¬11 5 Dat de duisternis en des doods schaduwe hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des daags. G Die nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet ver-heuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome. 7 Zie, die nacht zij eenzaam; dat geen vroolijk gezang daarin kome. 8 Dat hem vervloeken de vervloekers des daags, die bereid zijn hunnen rouw te verwekken. 9 Dat de sterren zijns schemer tij ds verduisterd worden; hij wachte naar het licht en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads: 10 omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns sclioots noch verborgen de moeite van mijne oogen. 11 Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven als ik uit den schoot voortkwam? 12 Waarom zijn mij de knieën voorgekomen, en waartoe de borsten opdat ik zuigen zoude? ^ 13 Want nu zoude ik neder-liggen en stille zijn; ik zoude slapen, dan zoude voor mij ruste wezen: 14 met de Koningen en raads-heeren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden; lö of met de Vorsten^ die goud hadden, die hunne huizen met zilver vervulden. 10 Of als een verborgen misdracht, zoude ik niet zijn; ais de kinderkens die het licht niet gezien hebben, 17 Daar houden de boozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; 18 detdr zijn de geoondenente zamen in rust, zij hooren de stemme des drijvers niet; 19 de kleine en de groote is daar, en de knecht vrij van zijnen heer. 2,0 Waarom geeft hij den ellendige het licht, en het leven |
JOB 4. 5.
den bitterlijk bedroefden van ' gemoed? , ,
21 die verlangen naar den dood,
maar hij is er niet, en graven j daarnaar meer dan naar verbor- i gen schatten; . |
22 die blijde zijn tot opsprm- j gena toe en zich verheugen als zü het graf vinden:
'23 aan den man wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
24 Want voor mijn brood komt mijne zuchting, en mijne brullingen worden uitgestort als
25 Want ik vreesde eene vreeze en zij is mij aangekomen, en wat ik schroomde is mij overkomen.
26 Ik was niet gerust, en was niet stille en rustte niet; en de beroering is gekomen.
HOOFDSTUK 4.
Toen antwoordde Eiifaz de Temaniet en zeide:
2 Zoo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
3 Zie, ^ii hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;
4 uwe woorden hebben den struikelende opgericht, en krommende knieën hebt gij vastge-steld:
5 maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
6 Was niet uwe vreeze (jroas uwe hope en de oprechtheid uwer wegen uwe verwachting?
7 Gedenk toch, wie is de onschuldige die vergaan zij, en waar ziin de oprechten verdelgd r
8 Maar gelijk als ik gezien heb, die ondeugd ploegen en moeite zaaien, maaien dezelve.
9 Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van zijnen neus worden zij verdaan.
10 De brulling des leeuws, en de stem des lellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.
11 De oude leeuw vergaat om
612
dat er geen roof is, en de jongen eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.
12 Voorts ia tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan ge-
vat. , , , i
13 Onder de gedachten van do gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de menschen, lt;
14 kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.
15 Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijna vloesches te berge
rijzen. , , , i i
16 Hij stond, _ doch ik kende zijne gedaante niet; eene beeltenis waa voor mijne oogen; daar was stilte, en ik hoorde eene stem, zeggende:
17 Zoude een mensch rechtvaardiger zijn dan God? Zoude een man reiner zijn dan zijn Maker ? , 1 .
18 Zie, op zijne knechten zoude hij niet vertrouwen, hoewel hij in zijne Engelen klaarheid gesteld heeft:
19 hoeveel te min op degenen die leemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof ia! Zij worden verbrijzeld voor de motten. , , . .
20 Van den morgen tut den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.
21 Verreist niet hunne uitnemendheid met hen ?_ Zij eterven, maar niet in wijsheid.
HOOFDSTUK 5.
Roep nu: zal er iemand zijn die u antwoordt? En tot wien van de heiligen zult gij u keo-ren? ,
2 Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
3 Ik heb gezien eenen dwaze wortelende : doch teratond vervloekte ik zijne woning.
4 Verre waren zijne zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poorte, en daar waa geen verlosser.
|
JO 5 quot;Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de etruikroover slokte hun vermogen in. 6 Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde; 7 maar de mensch wordt tot moeite geboren, gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen. 8 Doch ik zoude naar God y.oeken, en tot God mijne aan-sprake richten; 9 die groote dingen doet die men niet doorzoeken kan, wonderen die men niet tellen kan; 10 die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten; 11 om de vernederden te stellen in het hooge, dat de rouwdra-genden door heil verheven worden. 12 Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen, dat hunne handen niet één ding uitrichten. 13 Hij vangt de wijzen in hunne arglistigheid, dat de raad der verdraaiden gestort wordt. 14 Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts, tasten zij op den middag. 15 Maar hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hunnen mond, en van de hand des sterken. 16 Zoo is voor den arme ver-wachting, en de boosheid stopt haren mond toe. 17 Zie, gelukzalig is de mensch denwelken God straft; daarom verwerp de _ kastijding des Al-mnchtigeu niet. 18 Want hij doet smarts aan, en hij verbindt; hij doorwondt, en zijne handen heelen. 19 In zes benauwdheden zal hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. 20 In den honger zal hij li verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaard s. 21 Tegen den geesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij |
5 6. 613 zult niet vreezen van de verwoesting als zij komt. 22 Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vreezen. 23 Want met de steenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn. 24 En gij zult bevinden dat uwe tent in vrede is, en gij zult uwe woning verzorgen en zult niet feilen. 25 Ook zult gij bevinden dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uwe spruiten als het kruid der aarde. 20 Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de koren-hoop te zijner tijd opgevoerd wordt. 27 Zie dit, wij hebben het doop-zocht, het is alzoo; hoor het, en bemerk gij het voor u. HOOFDSTUK 6. Maar Job antwoordde en zeide: 2 Och of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijne ellende te zamen in eene weegschaal ophief! 3 Want het zoude nu zwaarder zijn dan het zand der zeeën; daarom worden mijne woorden opgezwolgen. 4 Want de pijlen desAlmacli-tigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt: de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. 5 Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder? 6 Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout ? Is er smaak in het witte des dooiers. 7 Mijne ziele weigert mee tcoo?-den aan te roeren; die zijn als mijne laffe spijze. 8 Och, of mijne begeerte kwame, en dat God mijne verwachting gave, 9 en dat het God beliefde dat hij mij verbrijzeliie, zijne hand losliet en een einde mot mij maakte! 10 Dat zoude nog mijn troost |
|
m jo zijn, en zoude mij verkwikken in den weedom, zoo liij niet spaarde ; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden. 11 quot;Wat is mijne kracht, dat ik hopen zoude? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zoude? 12 Is mijne kracht steenen kracht? Is mijn vleesch staal? 13 Is dan mijne hulpe niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven ? 14 Aan hem die versmolten is zoude van zijnen vriend weldadigheid geschieden: of hij zoude de vreeze des Almachtigen verlaten. 15 Mijne broeders hebben trou-â¢welooslijk gehandeld als eene beek; als de storting der beken â gaan zij door, 16 die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich â¢verbergt. 17 Ten tijde als zij van hitte -vervlieten, worden zij uitgedelgd; â als zij warm worden, verdwijnen â¢zij uit hare plaats. 18 De gangen haars wegs wenden zich terzijde af; zij loopen -op in het woeste en vergaan. _ 19 De reizigers van Tema zien .ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. 20 Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daar aankomen, zoo worden zij schaamrood. 21 Voorwaar al zoo zijt gijlieden mij nu niets geworden: gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd. 22 Heb ik gezegd: Brengt mij en geeft geschenken voor mij van uw vermogen, 23 of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tyrannen? 24 Leert mij en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb. 25 O hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen dat van ulie-â¢den is ? 26 Zult gij, om te bestraffen, |
i 7. woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn? 27 Ook werpt gij u op een wees, en gij graaft tegen uwen vriend. 28 Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulie-der aangezicht zijn of ik liege. 2D Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen; ja, keert weder, nog zal mijne gerechtigheid daarin zijn. 30 Zoude onrecht op mijne tong wezen? Zoude mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven ? HOOFDSTUK 7. Heeft niet de mensch eenen strijd op aarde, en zijn zijne dagen niet als de dagen des daglooners? 2 Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de daglooner verwacht zijn werk-loon, 3 alzóó zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid. 4 Als ik te slapen ligge, don zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen, tot aan den schemertijd. 5 Mijn vleesch is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijne huid is gekliefd en verachtelijk geworden; 6 mijne dagen zijn lichter geweest dan eene weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. 7 Gedenk dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen om het goede te zien. S Het oog desgenen die mij nu ziet zal mij niet zien; uwe oogen zullen op mij zijn, maar ik zal niet meer zijn. 9 Eene wolk vergaat en vaart henen; alzóó die in het graf daalt zal niet weder opkomen. 10 Hij zal ^niet meer weder-keeren tot zijn huis, en zijne plaats zal hem niet meer kennen. 11 Zoo zal ik ook mijnen mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijnsgeestes, ik |
J 015 6.
615
|
eal klagen in bitterheid mijner ziel. 12 Ben ik dan eene zee, of een vralvisch, dat gij om m.ij wachten zet? 13 Wanneer ik zeg: Mijne bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijne klacht icat 'ivegnemen, 14 dan ontzet gij mij met droo-men, en door gezichten verschrikt gij mij; 15 zoodat mijne ziele de ver-â¢worgiug kiest, den dood meer dan mijne beenderen. iti Ik versmaad ze, ik zal toch in eeuwigheid niet leven: hond óp van mij, want mijne dagen zijn ij delheid. 17 Wat is de mensch dat hij hem groot acht, en dat gij uw harte op hem zet, 18 en dat gij hem bezoekt in eiken morgenstond, dat gij hem in eiken oogenblik beproef;,? 19 Hoe lang keert gij u niet af van mij, en laat niet van mij af totdat ik mijn speeksel inzwelg? 20 Heb ik gezondigd, wat zal ik u doen, o Menschenhoeder? Waarom hebt gij mij u tot een doelwit gesteld, dat ik mij zei ven tot eer last zij ? 21 En waarom vergeeft gij niet mijne overtreding^ en doet mijne ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen, en gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn. HOOFDSTUK 8. Toen antwoordde Bildad de Snhiet en zeide: 2 Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en zullen de redenen uws monds een geweldige wind zijn? 3 Zoude dan God het recht ver-keeren, en zonde de Almachtige de gerechtigheid verkeeren ? 4 Indien uwe kinderen gezondigd hebben tegen hem, hij heelt ze ook in de hand hunner overtreding geworpen. 5 Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt: 6 zoo gij zuiver en recht zijt. |
gewiamp;selijk zal hij nu opwaken om uwentwille, en hij zal do woning uwer gerechtigheid volmaken ; 7 uw beginsel zal wel gering zijn, maar uw laatste zeer vermeerderd worden. 8 Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen. 9 Want wij zijn van gisteren, en weten niets, dewijl onze dagen op de aarde eeiie schaduw zijn. 1à Zullen die u niet leeren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen? _ 11 Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water? 12 Als het nog in zijne groenheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het vóór alle gras. ^ 13 Alzóó zijn de paden van allen die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan: 14 van denwelken zijne hope walgen zal, en zijn vertrouwen zal zijn een huis aer spin; 15 hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan, hij zal zich daaraan vasthouden, maar liet zal niet staande blijven. lü Hij is sappig voor de zon, en zijne scheuten gaan over zijnen hof uit. 17 Zijne wortelen worden bij de springader ingevlochten, hij ziet eene steenachtige plaats. 18 Maar als God hem verslindt uit zijne plaats, zoo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien. 19 Zie, dat ia de vreugde zijns wegs, en uit het stof zullen anderen voortspruiten. 20 Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand; 21 totdat hij uwen mond met gelach ver vuile, en uwe lippen met gejuich. 22 Uwe haters zullen met schaamte bekleed worden, en de tent der goddeloozen zal niet meer zijn. |
JOB 9.
610
|
HOOFDSTUK 9. Maar Job antwoordde en zeide: Waarlijk ik weet dat het zoo is; want hoe zonde de menscli rechtvaardig zijn bij God? 3 Zoo hij lust heeft oin met hem te twisten, niet één uit duizend zal hij hem beantwoorden. 4 Hij is wijs van harten sterk van kracht: wie heeft zich tegen hem verhard en vrede gehad? 5 Die de bergen verzet dat ze liet. niet^ gewaarworden, die ze omkeert in zijnen toorn; 0 die de aarde beweegt uit dat hare pilaren zon gebiedt en zij en do sterren ver- ha re plaats, schudden; 7 die de gaat niet op, zegelt; 8 die alléén de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; 0 die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zui-den; 10 die groote dingen doet die men niet doorzoeken kan, en wonderen die men niet tellen kan. 11 Zie, hij zal vóór mij henengaan en ik zal hem niet zien, en hij zal voorbijgaan en ik zal hem niet bemerken. 12 Zie, hij zal rooven, wie zal bet hem doen wedergeven ? Wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij? 13 God zal zijnen toorn niet afkoeren; onder hem worden gebogen de hoovaardige helpers; M hoeveel te min zal ik hem, antwoorden, en mijne woorden' uitkiezen tegen hem? 15 Denwelken ik, zoo ik rechtvaardig ware, niet zoude antwoorden ; mijnen Rechter zal ik om genade bidden. 10 Indien ik roep en hij mij antwoordt, ik zal niet gelooven dat hij mijne stem ter oore genomen heeft; 17 want hij vermorzelt mij door een on weder, en vermenigvuldigt mijne wonden zonder oorzaak. |
18 hij laat mij niet toe mijnen adem te verhalen, maar hij verzadigt mij met bitterheden. 19 Zoo het aan de kracht komt, zie, hij is sterk; en zoo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden ? 20 Zoo ik mij rechtvaardige, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, hij zal mij toch verkeerd verklaren. 21 Ben ik oprecht, zoo acht ik toch mijne ziel niet, ik versmaad mijn leven. 22 Dat is één ding; daarom zeg ik: Den oprechte en den goddelooze verdelgt hij. 23 Als de geesel haastelijk doodt, bespot hij de verzoeking der onschuldigen. 24 De aarde wordt gegeven in de hand des goddeloozen; hij overdekt het aangezicht van hare rechters; zoo niet, wie is hij dan? 25 En mijne dagen zijn lichter geweest dan een looper; zij zijn weggevloden, _ zij hebben het goede niet gezien; 20 zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen, gelijk een arend naar het aas toevliegt. 27 Indien mijn zeggen is: Ik zal mijne klage vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen en mij verkwikken: 28 zoo schroom ik voor alle mijne smarten; ik weet dat gij mij niet onschuldig zult houden. 29 Ik zal toch goddeloos zijn: waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden? 3^30 Indien ik mij wasch met ifoeeuwwater, en mijne handen zuiver met zeep, 31 dan zult gij mij in de gracht induiken en mijne kleederen zullen van mij gruwen. 32 Want hij ia niet een man als ik, dien ik antwoorden zou do zoo wij te zamen in het gericht kwamen; 33 daar is geen scheidsman tusschen ons, die, zijne hand op ons beiden leggen mocht. 34 Dat hij van op mij zijne roede wegdoe, en dat zijne ver- |
*
|
JOB «chrikking mij niet verbaasd make: 35 zoo zal ik spreken en hem niet vreezen, want zoodanig ben ik niet bij mij. HOOFDSTUK 10. Mijne ziel is verdrietig over mijn leven, ik zal mijne klage op mij laten, ik zal spreken in bitterheid mijner ziel. 2 Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten waarover gij met mij twist. 3 Is het ii goed dat gij verdrukt, dat gij verwerpt den arbeid uwer handen, en over den raad der goddeloozen schijnsel geeft ? 4 Hebt gij vleeschelijke oogen? Ziet gij gelijk een mensch ziet? 5 Zijn uwe dagen als de dagen van een mensch, zijn uwe jaren als de dagen eens mans, 6 dat gij onderzoekt naar mijne ongerechtigheid, en naar mijne zonde verneemt? 7 Het is in uwe wetenschap dat ik niet goddeloos ben: nochtans is er niemand die uit uwe hand verlosse. 8 Uwe handen doen mij srnarte aan, hoewel zij mij gemaakt hebben: te zamen rondom mij zijn ze, en gij verslindt mij. 9 Gedenk toch dat gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeeren. 10 Hebt gij mij niet als melk gegoten, en mij als eene kaas doen stremmen? 11 Met vel en vleesch hebt gij mij bekleed, met beenderen ook en zenuwen hebt gij mij eamengevlochten: 12 benevens het leven hebt gij weldadigheid aan mij gedaan, en uw opzicht heeft mijnen geest bewaard. 13 Maar deze dingen hebt gij verborgen in uw harte; ik weet dat dit bij u geweest is. 14 Indien ik zondig, zoo zult gij mij waarnemen, en van mijne misdaad zult gij mij niet onschuldig houden. 15 Zoo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik |
10, 11. C17 zal mijn hoofd niet opheffen: ik ben zat van schande, maar zio mijne ellende aan. 1G Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt, gij mij, gij keert weder en stelt u wonderlijk tegen mij; 17 gij vernieuwt uwe getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt uwen toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger zijn tegen mij. 18 En waarom hebt gij mij uit de baarmoeder voortgebracht ? Och dat ik den geest gegeven hadde, en geen oog mij gezien hadde! 19 Ik zoude zijn alsof ik niet geweest ware, van den moeder-schoot zoude ik tot het graf gebracht zijn geweest. 20 Zijn mijne dagen niet weinig ?lt; Houd op, laat van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke, 21 eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods, 22 een stikdonker land als de duisternis zelve, de scha dn we des doods en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis. HOOFDSTUK 11. Toen antwoordde Zofar de Naamathiet en zeide: 2 Zoude de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zoude een klapachtig man recht hebben? 3 Zouden uwe lengenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten en niemand a beschamen ? 4 Want gij hebt gezegd: Mijne leer is zuiver, en ik ben rein in uwe oogen. 5 Maar gewissel ijk, och of God sprake en zijne lippen tegen u opende, 6 en u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet dat God voor u vergeet van uwe ongerechtigheid. 7 Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de 20* |
JOB Vs.
618
|
volmaaktheid toe den Almachtige vinden? 8 Zij is als de hoogten der hemelen â wat kunt gij doen? dieper dan de hello â wat kunt gij weten ? 9 Langer dan de aarde is hare maat, en breeder dan de zee. 10 Indien hij voorbijgaat opdat hij overlevere of vergadere, wie zal dan hem af feeeren? 11 Want hij _ kent de ijdele lieden, en hij ziet de ondeugd; zoude hij dan niet aanmerken? 12 Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mensch als het veulen eens woudezels geboren is. 13 Indien gij uw hart bereid hebt, zoo breid uw handen tot hem uit. 14 Indien er ondeugd in uwe hand is, doe die verre weg, en laat het onrecht in uwe tenten niet wonen. 15 Want don zult gij uw aangezicht opheüen uit de gebreken, en zult vast wezen en niet vreezen; 16 want gij zult de moeite vergeten, en harer gedenken ais der wateren die voorbijgegaan zijn. 17 Ja, uic tijd zal klaarder dan de middag oprijzeh; gij zult uitvliegen ; als de morgenstond zult gij zijn. 18 En gii zult vertrouwen, omdat er verwachting zijn zal; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen; 19 en gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeeken. 2à Maar de oogen der godde-loozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan, en hunne verwachting zal zijn de uitblazing der ziel. HOOFDSTUK 12, Maar Job antwoordde en zeide: 2 Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zoo zal de wijsheid met ulieden sterven. 3 Ik heb ook een hart evenals gylieden, ik zwicht niet vooru; |
en bij wien zijn niet dergelijk» dingen ? 4 Ik ben het die zijnen vriend een spot is, maar roepende tot God die hem verhoort: de rechtvaardige en oprechte is een spot. 5 Hij is eengt; verachte fakkel, naar de meening desgenen die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen. ü De tenten der verwoesters hebben rust, en die God tergen hebben verzekerdheid, om liet-gene dat God met zijne hand toebrengt. 7 En waarlijk vraag toch do beesten, en elkeen van die zal het u leeren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven. 8 Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leeren ; ook zullen het u de visschen der zee vertellen. 9 Wie weet niet uit alle deze dat de hand des Hebhen dit doet ? 10 in wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vleesch des menschen. 11 Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt? 12 In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand: 13 bij hem is wijsheid en macht, hij heeft raad en verstand. 14 Zie, hij breekt af en het zal niet herbouwd worden.;, hij besluit iemand en daar zal niet opengedaan worden. 15 Zie, hij houdt de wateren op en zij drogen uit, ook la at hij ze uit en zij keeren de aarde om, IS Bij hem is kracht en wijsheid; zijne is de dwalende en die doet dwalen. 17 Hij voert de raadsheeren beroofd weg, en de rechters maakt hij uitzii nig. 18 Den band der Koningen maakt hij los, en hij bindt den gordel aan hunne lendenen. 19 Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert hij om. 20 Hij beneemt dongetrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt hij weg. |
.
JOB 13,14.
GIJ)
|
21 Hij giet verachting over de Prinsen uit, en hij verslapt den riem der geweldigen. 22 Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduw brengt hij voort in h et licht. 23 Hij vermenigvuldig ; de volkeren en verderft ze; hij breidt de volkeren uit en leidt ze. 24 Hij neemt het hart van de hoofden des volks der narde weg, en doet ze dwalen in het woeste waar geen weg is; 25 zij tasten in de duisternis waar geen licht is, en hij doet ze dwalen als een dronkaard. HOOFDSTUK 13. Zie, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan : 2 gelijk gijlieden hvt weet, weet ik het óók; ik zwicht niet voorn. 3 Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God. 4 Want ge wissel ijk gijzijtleu-genstolteerders, gij allen zijt nietige medicijnmeesters. 5 Och of gij gansch stilzweegt! Dat zoude ulieden vóórwijsheid wezen. à Hoort toch mijne verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen. 7 Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor hem bedriegerij spreken ? 8 Zult gij zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten? 9 Zal liet goed zijn als hij u zal onderzoeken ? Zult gij met hem spotten gelijk men met een mensch spot? 10 Hij zal u gewisselijk bestraffen, zoo gij in het verborgen het aangezicht aanneemt. 11 Zal u niet zijne hoogheid verschrikken en zijne vreeze u overvallen ? 12 Uwe gedachtenissen zijn gelijk asch, uwe hoogten als hoogten van leem. 13 Houd: stille van mij opdat , ik spreke, en daar ga over mij j wat liet zij. 14 Waarom zoude ik mijn vleesch in mijne tanden nemen \ en mijne ziel in mijne han-I ; stellen? |
15 Zie, zoo hij mij doodde, zoude ik niet hopen? Evenwel zal ik mijne wegen voor zijn aangezicht verdedigen. lü Ook zal hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor zijn aangezicht niet komen. 17 Hoort naarstiglijk_ mijne-rede, en mijne aanwijzing met uwe ooren. 18 Zie nu, ik^ heb het recht ordelijk gesteld, ik weet dat ik rechtvaardig zal verklaard worden. 19 Wie is hij die met mij twist ? Wanneer ik nu zweeg, zoo zoude ik den geest geven. 20 Alleenlijk doe twee dingen niet met mij, dan zal ik mij van uw aangezicht niet verbergen: 21 doe uwe hand verre van op mij, en uwe verschrikking makö mij niet verbaasd. 22 Eoep dan, en ik zal ant woorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. 23 Hoevele misdaden en zonden heb ik? Maak mijne overtreding en mijne zonden mij bekend. 24 Waarom verbergt gij uw aangezicht en houdt mij voor uwen vijand ? 25 Zult gij een gedreven bla(J verbrijzelen, en zult gij eenen drogen stoppel vervolgen? 2G Want gij schrijft tegen mij bittere dingen, en gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid ; 27 gij legt ook mijne voeten in den stok, en neemt alle mijno paden waar; gij drukt u in do wortelen mijner voeten: 28 en hij veroudert als eenö verrotting, als een kleed dat do mot opeet. HOOFDSTUK 14. De mensch, van eene vrouw geboren, is kort van dagen en za« van onrust. 2 Hij komt voort als eene bloem en wordt afgesneden, ook vlucht hij als eene schaduw en bestaak niet. |
JOB 15.
620
|
3 Toch doet gij nwe oogen over zulk oenen open, en gij betrekt mij in het gericht met u. 4 Wie zal een en reine geven uit den onreine? Niet éón. 5 Dewijl zijne dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij u is, en gij zijne bepalingen gemaakt hebt, die hij niet over-echrijden zal: 6 wend u van hem af, dat hij ruste hebbe, totdat hij ala een daglooner aan zijnen dag een welgevallen hebbe. 7 Want voor eenen boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijne scheute niet zal ophouden; 8 indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof vei sterft; 9 hij i'.al van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal eenen tak maken gelijk eene plant. 10 Maar een# man sterft ala hij verzwakt is, en de mensch geeft den geest: waar is hij dan ? 11 De wateren verloopen uit een meer, en eene rivier droogt uit en verdort: 12 alzoo ligt de mensch neder en staat niet op: totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken noch uit hunnen el aap opgewekt worden. 13 Och of gij mij in het graf verataakt, mij verborgt, totdat uw toorn zich afkeerde; dat gij mij eene bepaling eteldet, en mijner gedachtig waart! 14 Ala een man gestorven is, zal hij weder leven ? Ik zoude alle de dagen mijns strijds hopen, totdat mijne verandering komen zoude, 15 dat gij zoudt roepen, en ik u zoude antwoorden; dat gij tot feet werk uwer handen zoudt be-geerig zijn. 16 Maar nu telt gij mijne treden, gij bewaart mij niet om mijner zonden wil, 17 mijne overtreding is in een biindelken verzegeld, en gij pakt mijne ongerechtigheid opéén. |
18 En voorwaar, een berg vallende vergaat, en eene rots wordt verzet uit hare plaats; 19 de wateren vermalen de ateenen, het stof der aarde overstelpt het gewas dat van zelf daaruit voorkomt: alzoo verderft gij de verwachting dea men-schen. 20 Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat henen: veranderende zijn gelaat, zoo zendt gij hem weg. 21 Zijne kinderen komen tot eere en hij weet het niet, of zij worden klein en hij let niet op hen; 22 maar zijn vleesch nog aan hem zijnde heeft amarte, en zijne ziele in hem zijnde heeft rouw. HOOFDSTUK 15. Toen antwoordde Elifaz de Temaniet en zeide: 2 Zal een Wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijnen buik vullen met oostenwind, 3 bestratfende door woorden die niet baten, en door redenen met welke hij geen voordeel doet? 4 Ja, gij vernietigt de vreeze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg. 5 Want uw mond leert uwe ongerechtigheid, en gij hebt de tong der argliatigen verkoren. 6 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uwe lippen getuigen tegen u. 7 Zijt gij de eerste een mensch geboren, of zijt gij vóór de heuvelen voortgebracht? 8 Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken? 9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is ? 10 Onder ons ia óók een grijze. ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader. _ 11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein en schuilt er eenigo zake bij ur 12 Waarom rukt uw harte u weg, en waarom wenken uwe oogen, 13 dat gij uwen geest keert |
.
|
JOB tegen God, en zuJhe redenen nit uwen mond laat uitgaan? 14 Wat is de mensch, dat hij zuiver zoude zijn, en die geboren is van eene vrouw, dat hij rechtvaardig zoude zijn? 15 Zie, op zijne heiligen zoude hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in zijne oogen: 1G hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water! 17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen: 18 hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hunne vaderen niet, verborgen heeft: 19 denwclken alléén het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging. 20 Te allen dage doet de god-delooze zichzelven weedom aan ; en iceiniye jaren in getale zijn voor den tyran weggelegd. 21 Het geluid der verschrikkingen is in zijne ooren; in den vrede zelf komt de verwoester over hem. 22 Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keeren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde. 23 Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet dat bij zijne hand gereed is de dag der duisternis. 24 Angst en benauwdheid verschrikken hem, zij overweldigt hem gelijk een Koning bereid ten strijde.. 25 quot;Want hij strekt tegen God zijne hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldig-lijk aan: 26 hij loopt tegen hem aan met den hals, met zijne dikke, hoog verheven schilden; 27 omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de lendenen, 28 en heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot sfeeHhoopen te^ worden. 29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; |
16. 621 en hunne volmaaktheid zal zien niet uitbreiden op de aarde. 30 Hij zal de duisternis niet ontwijken; de vlam zal zijnen scheut verdrogen, en hij zal wijken door het geblaas zij ns monds. 31 Hij betrouwe niet op ijdel-heid, waardoor hij verleid wordt, want ij delheid zal zijne vergelding wezen. 32 Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden, want zijn tak zal niet groenen. 33 Men zal zijne onrijpe druiven afrukken als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen als van een olijfboom. 34 Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken. 35 Zij ontvangen moeite en baren ijdelheid, en hun harto richt bedrog aan. HOOFDSTUK 16. Maar Job antwoordde en zeide: 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijtmoeie-lijke vertroosters. 3 Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij ahóó antwoordt?gt; 4 Zoude ik ook als gijlieden spreken, indien uwe ziele ware in mijner ziele plaats? Zoude ik woorden tegen u samenhoopen, en zoude ik over u met mijn hoofd schudden? 5 Ik zoude u versterken met mijnen mond, en de^ beweging mijner lippen zoude zich inhouden. 6 Zoo ik spreek, mijne smarte wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg? 7 Gewis hij heeft mij nu vermoeid; gij hebt mijn gansche vergadering verwoest. 8 Dat gij mij rimpelig gemaakt hebt is tot een getuige; en mijne magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht. 9 Zijn toorn verscheurt, en hij haat mij, hij knerst over mij met zijne tanden ; mijn wederpartij-der scherpt zijne oogen tegen mij. 10 Zij gapen met hunnen mond |
*
|
622 JOB, tegen mij, zij slaan met smaad-heid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamenaanmij. 11 God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgevend in de handen der godde-loozen. 12 Ik had ruste, maar hij heeft mij verbroken, en bij mijnen nek -gegrepen en mij verpletterd, en hij heeft mij zich tot een doelwit opgericht. 13 Zijne schutters hebben mij omringd; hij heeft mijne nieren doorspleten en niet gespaard ; hij heeft mijne gal op de aarde uitgegoten. 14 Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk ; hij is tegen mij aaugeloopen als een geweldige. 15 Ik heb een zak over mijne huid genaaid, ik heb mijnen hoorn in het stof gedaan, 16 mijn aangezicht is gansch bemodderd van weenen, en over mijne oogleden is des doods schaduwe, 17 daar toch geen wrevel in mijne handen is, en mijn gebed zuiver is. 18 O aarde, bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats. 19 Ook nu, zie, in den hemel is mijn getuige en mijn getuige in de hoogten. 20 Mijne vrienden zijn mijne bespotters, doch mijn oog druipt tot God. 21 Och mocht men richten voor een man met God, gelijk een kind des menschen voor zijnen vriend! 22 Want tceinige jaren in getale zullen er nog aankomen, en ik zal het pad henengaan waardoor ik niet zal wederkeeren. HOOFDSTUK 17. Mtjn geest is verdorven, mijne dagen worden uitgebluscht, de graven zijn voor mij. 2 Zijn er niet bespotters bij mij, en overnacht niei mijn oog in nunlieder verbittering? 3 Zet toch bij, stel mij een borg bij li: wie zal hij zijn? dat in mijne hand geklapt worde. |
17 IS. 4 Want hun hart hebt gij voor kloek verstand verborgen; daarom zult gij hen niet verhoogen. 5 Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen oogen zullen versmachten. 6 Doch hij heeft mij tot een spreekwoord der volkeren gesteld, zoodat ik een tronmieislag ben voor ieders aangezicht. 7 Daarom ia mijn oog door verdriet verdonkerd, en alle mijne ledematen zijn gelijk eene schaduw. 8 De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken; 9 en de rechtvaardige zal zijnen weg vasthouden, en die rein van handen is zal in sterkte toenemen. 10 Maar toch gij allen, keert weder en komt nu, want ik vind onder u geenen wijze. 11 Mijne dagen zijn voorbijgegaan, uitgerukt zijn mijne gedachten, de bezittingen mijns harten. 12 Den nacht stellen zij tot een dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis. 13 Zoo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden; 14 tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader; tot het gewormte: Mijne moeder, en mijne zuster; 15 waar zoude dan nu mijne verwachting wezen? Ja, mijne verwachting, wie zal zo aanschouwen ? lü Zij zullen nedervaren met de handboomen des grafs, als er ruste te zamen in het stof wezen zal. HOOFDSTUK 18. Toen antwoordde Bildad do Suhiet en zeic'e : 2 Hoe lang is het dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt cp, en daarna zullen wij spreken. 3 Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder oogen? |
f
JOB 19.
023
|
4 O gij die zi.ine ziele Ter-scheurt door zijnen tcorn, zal om uwentwille de aarde verlaten worden, en zal eene rots verzet worden uit hare plaats ? 5 Ja. het licht der goddeloo-zen zal uitgebluscht worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. 6 Het licht zal verduisteren in zijne tent, en zijne lamp zal over hem uitgebluscht worden. 7 De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen. 8 Want met zijne voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen : 9 de strik zal hem bij da verzenen vatten, de struikroover zal hem overweldigen. 10 Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad. 11 De beroeringen zullen hem rondom .verschrikken, en hem verstrooien op zijne voeten. 12 Zijne macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijne zijde. 13 De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijne grendelen zal hij verteren. 14 Zijn vertrouwen zal uit zijne tent uitgerukt worden: zulks zal hem doen treden tot den Koning der verschrikkingen. 15 Zij^ (de vevécliTikkinfj) zal wonen in zijne tent, daar zij de zijne niet is; zijne woning zal met zwavel overstrooid worden. 1(5 Van onderen zullen zijne wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. 17 Zijne gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geenen naam hebben op de straat. 18 Men zal hem stooten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. 19 Hij zal geenen zoon noch neef hebben onder zijn volk, en niemand zal in zijne woningen overig zijn. |
20 Over zijnen dag zu'lieü de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden. 21 Gewisselijk zoodanig zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats cZie God niet kent. HOOFDSTUK 19. Maar Job antwoordde en zeide: 2 Hoe lang zult gijlieden mijne ziele bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3 Gij hebt nu tienmaal schande mij aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij* 4 Maar ook hetzij waarlijk dat ik gedwaald hel), mijne dwaling zal bij mij vernachten. ö Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijnen smaad tegen mij drijft, (5 weet nu dat God mij heeft omgekeerd, en mij met zijn net omsingeld. 7 Zie, ik roep geweld, doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch daar is geen recht. 8 Hij heeftf mijnen weg toe-gemuurd dat ik niet doorgaan kan, en over n.ijne paden heeft hij duisternis gestold. 9 Idijne eer heeft hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft hij weggenomen. 10 Hij heeft mij rondom afgebroken, zoodat ik henenga, en heeft mijne verwachting als eenen boom weggerukt, 11 Daartoe heeft hij zijnen toorn tegen mij ontstoken, en mij bij zich geacht als zijne vijanden. 12 Zijne benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij hunnen weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijne tente. 13 Mijne broeders heeft hij verre van mij gedaan, en die mij kennen, zekerlijk zij zijn van mij vervreemd. 14 Mijne nabestaanden houden op, en mijne bekenden vergeten mij. 15Mijnehuisgenooten en mijne dienstmaagden achten mij voor |
|
624 J 01 eenen vreemde; een uitlander ben ik in hunne oogen. 16 Ik riep mijnen knecht en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijnen mond tot hem. 17 Mijn adem is aan mijne Imis-vromv vreemd, en ik smeek om der kinderen mijns schoots wille. 18 Ook versmaden mij de jonge kinderen: sta ik op, zoo spreken zij mij togen. 19 Alle menschen mijns heimei ijken raads hebben eenen gruwel aan mij, en die ik lief had zijn tegen mij gekeerd. 20 Mijn gebeente kleeft aan mijne huid en aan mijn vleesch, en ik ben ontkomen met do hnid mijner tanden. 21 Ontfermt u mijner, ontfermt n mijner, o gij mijne vrienden, want de hand Gods heeft mij aangeraakt. 22 Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vleesch? 23 Och of nu mijne woorden toch opgeschreven wierden! Och of zij in een boek ook wierden opge teekend! 24 Dat zij met eene ijzeren griüie en lood voor eeuwig in eene rots gehouwen wierden! 25 Want ik weet, mijn verlosser leeft, en hij zal de laatste over het stof opstaan; 26 en als zij na mijne hnid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen; 27 denwelken ik voor mij aan-schonwen zal, en mijne oogen zien zullen, en niet een vreemde: mijne nieren verlangen zeer in mijnen schoot. 28 Voorwaar gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt. 29 Schroomt vanwege het zwaard, want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards, opdat gij weet dat er een gericht is. HOOFDSTUK 20. Toen antwoordde Zofar do Naamathiet en zeide: |
20. 2 Daarom doen mijne gedachten mij antwoorden, en over-znlks is mijn verhaasten in mij. 3 Ik heb aangehoord eene bestraffing die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden. 4 Weet gij dit, van altoos af, van dat God den mensch op de wereld gezet heeft, 5 dat het gejuich der godde-loozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een oogenblik ? 6 Wanneer zijne hoogheid tot den hemel toe opklom, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte, 7 zal hij gelijk zijn drek in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden zullen zeggen; Waar is hij? 8 Hij zal wegvliegen als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts. 9 Het oog dat hem zag zal het niet meer doen, en zijne plaats zal hem niet meer aanschouwen. 10 Zijne kinderen zullen zoeken de armen te behagen, en zijne handen zullen zijn vermogen weder moeten uitkeeren. 11 Zijn beenderen zullen vol van zijne verborgen zonden zijn, van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal. 12 Indien het kwaad in zijnen-mond zoet is, hij dat verbergt onder zijne tong, 13 hij dat spaart en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt, â 14 zijne spijze zal in zijn ingewand veranderd worden, gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn. 15 Hij heeft goed ingeslokt. maar zal het uitspuwen, God zal het uit zijnen buik uitdrijven. 16 Het vergif der adderen zal hij zuigen, do tong der slang zal hem dooden. 17 De stroomen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien. |
|
JO] 18 Den arbeid zal liij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zoo zal hij van vreugde niet opspringen. 19 Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft dat hij niet opgebouwd had; 20 omdat hij geen rust in zijnen buik gekend heeft, zoo zal hij van zijn gewenscht goed niet behouden. 21 Daar zal niet overig zijn dat hij ete; daarom zal nij niet wachten naar zijn goed. 22 Als zijne genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bange zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen. 23 Daar zij tcat om zijnen buik te vullen â God zal over hem de hitte zijns toorr.s zenden, en over hem regenen op zijne spijze. 24 Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen â ^ de stalen boog zal hem doorschieten. 25 Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterend uit zijne gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn. _ 26 Alle duisternis zal verborgen zijn in zijne schuilplaatsen, een vuur dat niet aangeblazen is zal hem verteren, den overigen in zijne tent zal het kwalijk gaan. 27 De hemel zal zijne ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken. 28 De inkomst van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal alles henenvloeien in den dag zijns toorns. 29 Dit is het deel des godde-loozen menschen van God, en de erve zijner redenen van God. HOOFDSTUK 21. Maar Job antwoordde enzeide: 2 Hoort aandachtiglijk mijne rede, en laat dit zijn uwe vertroostingen. 3 Verdraagt mij en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan. |
21. 625 4 Is (mij aangaande) mijne klachte tot den mensch? Doch of het zoo ware, waarom zoude mijn geest niet verdrietig zijn? 5 Ziet mij aan en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond. 6 Ja, wanneer ik daaraan ge-denke, zoo word ik beroerd, en heeft een gruwen mijn vleesch gevat% 7 quot;Waarom leven de goddeloo-zen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen ? 8 Hun zaad is bestendig mek hen voor hun aangezicht, en hunne spruiten zijn voor hunno oogen. Ã Hunne huizen hebben vrede zonder vreeze, en de roede Gods is op hen niet. 10 Zijn stier bespringt en mist niet, zijne koekalften misdraagt niet. 11 Hunne jonge kinderen zenden zij uit als eene kudde, en hunne kinderen huppelen. 12 Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels. 13 In het goede^verslijten zij hunne dagen, en in een oogen-blik dalen zij in het graf. 14 Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan da kennisse uwer wegen hebben wij geen lust. 15 AVat is de Almachtige, dat wij hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij hem aanloopen zouden? 16 Doch zie, hun goed is niet in hunne hand; de raaddergod-deloozen is verre van mij. 17 Hoe dikwijls geschiedt het dat do lamp der goddeloozen uitgebluscht wordt, en hun verderf hun overkomt; dat Godhun smarten uitdeelt in zijnen toorn; 18 dat zij gelijk stroo worden voor den wind, en gelijk kaf dat de wervelwind wegsteelt; 19 dat God zijn geweld weglegt voor zijne kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaarwordt; 20 dat zijne oogen zijnen ondergang zien, en hij drink van de grimmigheid des Almachtigen! |
JOB 22.
â¢023
|
21 Want -wat lust zoude hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is? 22 Zal men God wetenschap leeren, daar hij de hoogen richt? 23 Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gansch stille en gerust was; 24 zijne melkvaten waren vol melk, en het merg zijner beenen was bevochtigd. 25 De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten. 20 Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze. 27 Zie, ik weet ulieder gedachten, en de booze verdicht-selen tcaarmede gij tegen mij geweld doet. 28 Want gij zult zeggen: Waar is het^ huis van den Prins, cn waar is de teut van de woningen der goddeloozen? 29 Hebt gijlieden nietgevraogd de voorbij gaanden op den weg, en kent gij hunne teekenen niet: 30^ dat de booze onttrokken wordt ten dage des verderis; dat zij ten dage der verbolgenheid ontvoerd worden? 31 Wie zal hem in het aangezicht zijnen weg vertonnen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden ? 32 Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop. 33 Do kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt tot zich alle menschen, en dergenen die vóór hem geweest zijn is geen getal. 34 Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uwe antwoorden overtreding overig is? HOOFDSTUK 22. Toen antwoordde Elifaz de Temaniet en zeide: 2 Zal ook een man Gode voor-deelig zijn? Maar voor zichzel-ven zal de verstandige voordeelig â¢sijn. |
3 Is het voor den Almachtige nuttigheid dat gij rechtvaardig zijt, of gewin dat gij uwe wegen volmaakt ? 4 Is het om uwe vreeze dat hij u bestraft, dat hij met u in het gericht komt? 5 Is niet uwe boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde? G Want gij hebt uwen broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de kleederen der naakten hebt gij uitgetogen; 7 den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en aan den hongerige hebt gij het brood onthouden; 8 maar was er een man van i geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin: 9 de weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der weezen zijn verbrijzeld. 10 Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd. 11 Of gij ziet de duisternis niet, en des waters overvloed bedekt u. 12 Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij ; verheven zijn. 13 Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal hij door de donkerheid oordeelen ? 14 De wolken zijn hem eene verberging dai hij niet ziet; en hij bewandelt den omgang der hemelen. 15 Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerech-tige lieden betreden hebben? 1G die rimpelig gemaakt zijn als het de tijd niet was; een vloed is over hunnen grond uit-| gestort; 17 die zeiden tot God: Wijk van ons: en â¢wat had de Almachtige hun gedaan? 18 Hij had immers hunne huizon met goed vervuld; daarom is de raad der goddeloozen verre van mij. 19 De rechtvaardigen zagen het en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen, |
|
JOB 20 dewijl onze stand niet verdelgd is, maar Let vuur liun overblijfsel verteerd heeft. 21 Gewen u toch aan hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen. 22 Ontvang toch de wet uit zijnen mond, en leg zijne redenen in uw hart. 23 Zoo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uwe tenten. 24 Dan zult gij het goud op het stof ieggen, en het Qoud van Olir bij den rotssteen der beken. 2o Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn en u krachtig zilver zijn: 26 want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en â¬ij zult tot God uw aangezicht opheft en. 27 Gij zult tot hem ernstig]ijk Lidden, en hij zal u veihooren; en gij zult uwe geloften betalen. 28 Ala gij eene zaak lie-luit, zoo zal zij u beslendig zijn; en op .uwe wegen zal het licht schijnen. 29 Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhooging, dan zal God den nederige van oogen behouden. 30 Ja, liij zal dien bevrijden die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen. HOOFDSTUK 23. Maar Jób antwoordde enzeide: 2 Ook heden is mijne klacht wederspannigheid: mijne plage is zwaar boven mijn zuchten. 3 Och of li: wi?t dat ik hem vinden zoude! Ik zoude tot zijnen stoel komen: 4 ik zoude het recht voor mijn aangezicht ordelijk voorstellen en mijnen mond zoude ik met verdedigingen vervullen; 5 ik zoude de redenen weten die hij mij antwoorden zoude, en verstaan wat hij mij zeggen zoude. ö Zoude hij naar de grootheid zijner macht met mij twisten? |
23. 24. 627 ! Neïn; maar hij zoude acht op ; mij si aan. i 7 Daar zoude de oprechte met hem pleiten, en ik zoude mij i in eeuwigheid van mijnen iiech-i ter vrijmaken. 1 8 Zie, ga ik voorwaarts, zoo is : hij daar niet, of achterwaarts, ; zoo verneem ik hem niet; 9 als hij ter linkerhand werkt, zoo aanschouw ik hem niet: bedekt hij zich ter rechterhand, ; zoo zie ik hem niet. 10 Doch hij kent den weg die bij mij is: hij beproeve mij: als goud zal ik uitkomen. 11 Aan zijnen gang heeft mijn | voet vastgehouden; zijnen weg heb ik bewaard, en ben niet 1 afgeweken. 12 liet gebod zijner lippen heb ik ook niet weggedaan: da redenen zijns monds heb ik meer ' dan mijn bescheiden deel weg-; gelegd. 13 Maar is hij tegen iemand, wie zal hem danafkeeren? Wat ; zijne ziele begeert, dat zal hij ; doen. 14 quot;Want hij zal volbrengen wat over mij bescheiden is, ' en 'lergeiijke dingen zijn er vele , bij hem. 15 Hierom word ik voor zijn aangezicht ontroerd, aanmerk ! het, en vrees voor hem; 1(» want God heeft mijn harte week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd; # 17 omdat ik niet uitgedelgrl ben voor_ de duisternis, en dat hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft. HOOFDSTUK 24. Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl die hem kennen zijne dagen niet zien ? 2 Zij tasten de landpalen aan, de kudde roovenzij en weiden zij. 3 Den ezel der weezen drijven zij weg, den os eener weduwe nemen zij te pand. 4 Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg, te zamen versteken zich de ellendigen des lands. |
|
628 JOB 5 Zie, zij zijn -woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijze en den jongeren. G Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des god-deloozen lezen zij af. 7 Den naakte laten zij vernachten zonder kleeding, die geen deksel heeft tegen de koude. 8 Van den stroom der bergen â worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen. 9 Zij rukken het weesje van de borst, en wat over den arme ligt nemen zij te pand. IC Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig die garven dragen. 11 Tusschen hunne muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen en zijn dorstig. 12 Uit de stad zuchten de lieden, en de ziele der verwonden schreeuwt uit, nochtans beschik t God niets ongerijmds. 13 Zij zijn onder de weder-strevers des lichts: zij kennen zijne wegen niet, en zij blijven niet op zijne paden. 14 Met het licht staat de moordenaar op, doodt den arme en den nooddruftige: en des nachts is hij als een dief. 15 Ook neemt hetoogdes over-spelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien ; en hij legt een deksel op het aangezicht. l(j In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgeteekend_ hadden; zij kennen het licht niet. 17 Want de morgenstond is hun te zamen de schaduwe des doods ; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduwe. 18 Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op aarde; hij wendt zich. niet tot den weg der wijngaarden. 19 De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzóó het graf degenen die gezondigd hebben. 20 De baarmoeder vergeet hem. |
25, 26. het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout. 21 De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en der weduwe doet hij niets goeds. 22 Ook trekt hij de machtigen door zijne kracht; staat hij op, zoo is men des levens niet zeker. 23 Stelt hem (rorf in gerustheid, zoo steunt hij daarop, nochtans zij n zij ne oogen op hunne wegen. 24 Zij zijn een weinig tijds vexheven, daarna is er niemand va Ti hen; zij worden nederge-drxikt, gelijk alle anderen worden zij besloten, en gelijk de top eener aar worden zij afgesneden. 25 Indien het nu zoo niet is, wi e zal mij leugenachtig maken en mijne rede tot niet brengen? HOOFDSTUK 25. Toen antwoordde Bildad de Sixliiet enzeide: 2 Heerschappij en vreeze zijn bij hem; hij maakt vrede in zijne 1kgt; ogten. 3 Is er een getal zijner benden ? Eia over wien staat zijn licht niet op ? 4 Hoe zoude dan een mensch rechtvaardig zijn bij God, en hoe zoxide hij zuiver zjjn die van eexie vrouw geboren is ? o Zie, tot de maan toe, en zij zal geen pchijnsel geven, en de sterren zijn niet zuiver in zijne oogen: 6 hoeveel te min de mensch He eene made is, en des mèn-setieu kind, die een worm is! HOOFDSTUK 26. IMaar Job antwoordde en zeide; 2 Hoe hebt gij geholpen dien die zonder kracht is, en behou-dexi den arm d ie zonder sterkte is ? 3 Hoe hel t gij hem geraden die geene wijsheid heeft, en de zaak zooals zij is, ten volle be-kexid gemaakt? 4- Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is vaxi u uitgegaan. o De dooden zullen geboren worden_ van onder de wateren en huxme inwoners. |
|
JOB 6 De hel is naakt voor hem, en geen bedekking is er voor het verderf. 7 Hij breidt het Noorden uit over het -woeste; hij hangt de aarde aan een niet. 8 Hij bindt de wateren in zijne wolken; nochtans scheurt de â¢wolke daaronder niet. 9 Hij houdt het vlakke zijns troons vast; hij spreidt zijne wolke daarover. 10 Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgeteekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.^ 11 De pilaren des hemels sidderen en ontzetten zich voor zijn schelden. 12 Door zijne kracht klieft hij de zee, en doorzijn verstand verslaat hij hare verheffing. 13 Door zijnen Geest heeft hij de hemelen versierd; zijne hand heeft de lang wemelen de slang geschapen. 14 Zie, dit zijn maar uiterste einden zijner wegen; en wat een klein stuksken der zaak hebben wij van hem gehoord! Wie zoude dan den donder zijner mogendheden verstaan ? HOOFDSTUK 27. En Job ging voort zijne spreuk op te heffen, en zeidc: 2 Zoo waarachtig ais God leeft die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige die mijne ziele bitterheid heeft aangedaan: 3 zoo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijnen neus: 4 indien mijne lippen onrecht zullen spreken, en indien mijne tong bedrog zal uitspreken! 5 Het zij verre van mij dat ik ulieden rechtvaardigen zoude; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijne oprechtheid van mij niet wegdoen. 6 Aan mijne gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn harte zal die niet versmaden van mijne dagen. 7 Mijn vijand zij alsdegodde-27, 28. G29 |
looze en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde. 8 Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijne ziel zal uittrekken? 9 Zal God zijn geroep hooren als benauwdheid over hem komt? 10 Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd ? 11 Ik zal ulieden loeren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is zal ik niet verhelen. 12 Zie, gij zelve allen hebt het gezien: en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld? 13 Dit is het deel des godde-loozen menschen bij God, en de erve der tyrannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen: 14 indien zijne kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde ; en zijne spruiten zullen van brood niet verzadigd worden: 15 zijne overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijne weduwen zullen niet wee-nen ; 10 zoo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleeding bereid als leem, 17 hij zal ze bereiden, man r de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver deelen; 18 hij bouwt zijn huis als eene mot, en als een hoeder de hm maakt: 19 rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijne oogen open, zoo is hij er niet. 20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen. 21 De oostenwind zal hem wegvoeren dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijne plaatse. 22 En God zal dit over hem werpen en niet sparen; van zijne hand zal hij snellijk vlieden. 23 Een ieder zal over hem met zijne handen klappen, en over hem fluiten uit zijne plaatse. HOOFDSTUK 28. Gewis daar is voor het zilver |
|
630 JO; een uitgang, en eene plaats yoor het goud dat zij smelten; 2 het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. 3 Het einde dat God gesteld heeft ^ voor de duisternis, en al het uiterste, onderzoekt hij : het gesteente der donkerheid en der Bchaduwe des doods. 4 Breekt er cene beek door bij dengenen die daar woont, de i'n-teren vergeten zijnde van den voet, worden van den mensch uitgeput en gaan weg. 5 Uit de aarde komt het brood voort, en onder ^zich wordt zij veranderd alsof zij vuur ware. 6 Hare steenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud. 7 De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien; 8 de jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet henenge-gaan. 0 Hij legt zijne hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om, 10 In de rotssteenen houwt hij stroomen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke. 11 Hij bindt de rivieren toe, dat niet een traan uitkomt; en het verborgene brengt hij uit in het licht. 12 Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaatse des ver-stands? 13 De mensch weet hare waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden. 14 De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15 Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. 16 Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Oür, tegen den kostelijken schoham of den saffier. 17 Men kan het goud of kristal niet gelijk waardeeren; ook is |
20. I zij ^ nkl te Terwisselen voor een | kleinood van dicht goud. 18 De ramoth en gabis zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan die der robijnen. 19 Men kan den topaas van Moorenland haar niet gelijk waardeeren en bij het lijn louter goud kan zij niet geschat worden. 20 Die wijsheid dan, van waar komt zij ? 35n waar is de plaatse des verstands? 21 Want zij is verholen voor de oogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. 22 Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze ooren gehoord. 23 God verstaat haren weg en hij weet hare plaatse; 24 want hij schouwt tot aan de einden der aarde, hij ziet onder alle de hemelen. 25 Als hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate; 26 als hij den regen eene gezette orde maakte, en eenen weg voor het weerlicht der donderen: 27 toen zag hij haar, en vertelde ze, hij schikte ze, en ook doorzocht hij ze. 28 Maar tot den mensch heeft hij gezegd: Zie, de yreeze des Heeren is de wijsheid, en van het kwaad te wijken is het verstand. HOOFDSTUK 29. En Job ging voort zijne spreuk op te heffen, en zeide: 2 Och of ik ware gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen toen God mij bewaarde! 3 toen hij zijne lampe deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij zijn licht de duis ternis doorwandelde ; 4 gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijne tente was; 5 toen de Almachtige nog met mij was, en mijne jongelingen rondom mij; 6 toen ik mijne gangen wiesch |
|
JO] In boter, en de rots bi; mij oliebeken uitgoot; 7 toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijnen stoel op de straat liet bereiden. 8 De jongelingen zagen mij en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden; 9 de oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hnnnen mond; 10 de stem der Vorsten verstak zich, en hurme tong kleefde aan hun gehemelte. 11 Als een oor mij hoorde, zoo hield het mij gelukzalig; als een oog vnj zag, zoo getuigde het van mij. 12 Want ik bevrijdde den ellendige die riep, en den wees, en die geenen helper had. 13 De zegen desgenen die verloren ging kwam op mij, en het hart der weduwe deed ik vroo-lijk zingen. 14 Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed. 15 Den blinde was ik/of oogen, en den kreupele was ik tot voeten. 16 Ik was den nooddruftige een vader; en liet geschil dat ik niet wist, dat onderzocht ik. 17 En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijne tanden. 18 En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand. 19 Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijnen tak. 20 Mijne heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijne hand. 21 Zij hoorden mij aan en wachtten, en zwegen op mijnen raad. 22 Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijne rede druppelde op hen. 23 Want, zij wachtten naar mij gelijk naar den regen, on sperden hunnen mond op ala naar den spaden regen. |
; 30. 631 24 Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht, mijns aangezichts deden zij niet nedervallen. 25 Verkoos ik hunnen weg* zat ik bovenaan, en woonde aïs^ een Koning onder de benden, als een die treurigen vertroost. HOOFDSTUK 30. Maar nu lachen over mij minderen van dagen dan ik, welker vaderen ik versmaad zoude hebben om bij de honden mijner kudde te stellen. 2 Waartoe zoude mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? Zij was door ouderdon* in hen vergaan: 3 die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste; 4 die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijzo was de wortel der jeneverstruiâ ken; 5 Zij werden uit het midden uitgedreven, (men jouwde over hen als over een dief.) 6 opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen. 7 Zij schreeuwden tusschen de struiken, onder de netelen vergaderden zij zich. 8 Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geenen naam; zij waren geslagen uit den lande. 9 Maar nu ben ik hun snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. 10 Zij hebben eenen gruwel aan mij, zij maken zich verre» van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht. 11 Want hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt: daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen. 12 Ter rechterhand staat do-jeugd op, zij stooten mijne voeten uit, en banen tegen mij hunne verderfelijke wegen. 13 Zij breken mijn pad af, zij |
|
â¬Â£2 J o; bevorderen mijne ellende, zij hebben geen helper van doen. 14 Zij komen aan als door eene â wijde brenke; onder de verwoesting nikken zij aan. 15 Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd, elkeen vervolgt als een wind mijne edele ziel, en mijn heil is als eene â wolk voorbijgegaan. 16 Daarom stort zich nu mijne ziel in mij uit, de dagen des druks grijpen mij aan. 17 Des nachts doorboort hij mijne beenderen in inij.en mijne polsaderen rusten niet. 18 Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd, hij omgordt mij als de kraag mijns roks. 19 Hij heeft mij in het slijk ge-worpen, en ik ben gelijk geworden aan stof en asch. 20 Ik schrei tot u, maar gij antwoordt mij niet; ik sta,maar gij acht niet op mij. 21 Gij zijt veranderd in eenen â wreede tegen mij; door de sterkte uwer hand wederstaat gij mij hatelijk. 22 Gij heft mij op in den wind, gij doet mij daarop rijden, en gij versmelt mij het wezen. 23 Want ik weet dat gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden. 24 Maar hij zal tot den aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijne verdrukking? 25 Weende ik niet over hem die harde dagen had ? Was mijne ziele niet beangst over den nooddruftige ? 26 Nochtans toen ik het goede verwachtte, zoo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zoo kwam de donkerheid. 27 Mijn ingewand ziedt en is niet stille; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen. 28 Ik ga zwart daarhenen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente. 29 Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen. |
; 31. 30 Mijne huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken over dorheid. 31 Hierom is mijne harp tot eene rouwklage geworden, en mijn orgel tot eene stemme der weenenden. HOOFDSTUK 31. Ik heb een verbond gemaakt met mijne oogen, hoe zoude ik dan acht gegeven hebben op eene maagd? 2 Want wat is het deel Gods van b«ven, of de erve des Al-machtigen uit de hoogten? 3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid ? 4 Ziet hij niet mijne wegen, en telt hij niet alle mijne treden? 5 Zoo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld is tot bedriegerij, 6 hij wege mij in eene rechte weegschaal, en God zal mijne oprechtheid weten. 7 Zoo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijne oogen nagevolgd is, en aan mijne handen iets aankleeft, 8 zoo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijne spruiten moeten ontworteld worden. 9 Zoo mijn harte verlokt is geweest tot eene vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb, 10 zoo moet mijne huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen. 11 Want dat is eene schandelijke daad, en het is eene misdaad hii de rechters. 12 Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen ontworteld zoude hebben. 13 Zoo ik versmaad heb het recht mijns knechts of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij ; 14 (want wat zoude ik doen als God opstond? En als hij bezoeking deed, wat zoude ik hem antwoorden ? 15 Heeft niet hij die mij in den moederschoot maakte hem |
|
óóh gemnakt, en één ons in de baanuoeder bereid?) â 16 zoo ik den armen hunne begeerte onthouden heb, of de oogen der weduwe heb laten versmachten, 17 en mijne bete alléén gegeten heb, zoodat de wees daarvan niet gegeten heeft; 18 (want van mijne jonkheid af is hij bij mij opgevoed als bij een vader, en van mijn moeders idioot af heb ik haar geleid;) â 19 zoo ik iemand heb zien omkomen omdat hij zonder kleeding was, en dat de nooddruftige geen deksel had; 20 zoo zijne lendenen mij niet gezegend hebben toen hij van de vellen mijner lammeren ver-warmd werd; â '21 zoo ik mijne hand tegen den wees bewogen heb omdat ik in de poort mijne hulp zag: â 22 mijn schouder valle vonhet schouderbeen, en mijn armbreke van zijne pijp af! 23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege zijne hoogheid. 24 Zoo ik het goud tot mijne hope gezet heb, of tot het ii.jn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen; â 25 zoo ik blijde ben geweest opdat mijn vermogen groot was, en omdat mijne hand geweldig veel verkregen had; â 26 zoo ik het licht aangezien heb wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande, 27 en mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijne hand mijnen mond gekust heeft: â 28 dat ware óók eene misdaad hij den rechter, want ik zoude den God van boven verzaakt hebben. 29 Zoo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb als het kwaad hem vond; 30 (ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, om door een en vloek zijne ziele te begeeren.) 32. 633 |
31 Zoo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och of wij van zijn vleesch hadden! wij zonden niet verzadigd worden. 32 De vreemdeling overnachtte niet op de straat, mijne deuren opende ik naar den weg. 33 Zoo ik gelijk Adam mijne overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijne misdaad verbergende! 34 Zeker ik kon wel eene groote menigte met geweld onderdrukt hebben^ maar de verachtste dei huisgezinnen zoude mij afgeschrikt hebben, zoodat ik gezwegen zoude hebben en ter deure niet uitgegaan zonde zijn. 35 Ocli of ik één en had de die mij hoorde! Zie, mij n oogmerk is, dat de Almachtige mij ant-woorde, en dat mijne tegenpartij een boek schrijve: 3G zoude ik het niet op mijnen schouder dragen? Ik zoude het op mij binden als eene kroon. 37 Het getal mijner treden zoude ik hem aanwijzen, als een Vorst zoude ik tot hem naderen. 38 Zoo mijn land tegen mij roept, en zijne voren te zamen weenen; 39 Zoo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de zielen zijner akkerlieden heb doen hijgen: â 40 dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stink-kruid. De woorden Jobs hebben een einde. HOOFDSTUK 32. Toen hielden die driemnnnen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijne oogen rechtvaardig was. 2 Zoo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheël, den Buziet van het geslacht van Ivam; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijne ziele meer rechtvaardigde dan God. 3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijne drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden. 4 Doch Elihu had gewacht |
|
634 JO] op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij. 5 Als dan Elihu zag dat er .geen antwoord was in den mond van die drie mannen ontstak zijn toorn. quot;(5 Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Bu-ziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokoud; daarom heb ik geschroomd en gevreesd uüeden mijn gevoelen te vertoonen. 7 Ik zeide: Laat de dagen spreken en de veelheid der ja-Ten wijsheid te kennen geven, 8 Zekerlijk, de Geest die in den mensch is en de inblazing des Almachtigen maakt hen verstandig. 9 De grooten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet. 10 Daarom zeg ik: Hoort naar mij: ik zal mijn gevoelen óók vertoonen. ü Zie, ik heb gewacht op ulie-der woorden, ik heb het oor gewend tot ulieder anmnerkingcn, totdat gij redenen uitgezocht hadt. 12 Als ik nu acht op u gegeven heb, zie, daar is niemuiid die Job overrede, die uit ulie-dcn zijne redenen beantwoorde:; 13 opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden: lt;jod heeft hem nedergestooten, geen mensch. 14 Nu heelt hij tegen mij geene â¢woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden. 15 Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer, zij hebben de woorden van zich verzet. IC Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet, want zij staan «til, zij antwoorden niet meer. 17 Ik zal mijn deel óók antwoorden, ik zal mijn gevoelen â óók vertoonen. 18 quot;Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij. 19 Zie, mijn buik is als de â wijn die niet geopend is; gelijk 33. |
nieuwe lederen zakken zoude hij bersten. 20 Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijne lippen openen en zal antwoorden. 21 Och dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mensch geene bijnamen gebruike! 22 Want ik weet geene bijnamen te gebruiken: in kort zoude mijn Maker mij wegnemen. HOOFDSTUK 33. En gewisselijk, o Job, hoor toch mijne redenen, en neem alle mijne woorden ter oore. 2 Zie nu, ik heb mijnen mond opengedaan: mijne tong spreekt onder mijn gehemelte. 3 Mijne redenen zullen de oprechtheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen wat zuiver is uitspreken. 4 De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. ö Zoo gij kunt, antwoord mij, schik u voor mijn aangezicht, stel u. 6 Zie, ik ben Gods gelijk gij, uit het leem ben ik óók afgesneden. 7 Zie, mijne verschrikking zal u niet beroeren, en mijne hand zal over u niet zwaar zijn. 8 Zeker, gij hebt gezegd voor mijne ooren, en ik heb de stem der woorden gehoord: 9 ik ben rein zonder overtreding, ik ben zuiver en heb geene misdaad, 10 zie, hij vindt oorzaken tegen mij, hij houdt mij voor zijnen vijand: 11 hij legt mijne voeten in den stok, hij neemt alle mijne paden waar. 12 Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, _ antwoord ik u; want ^God is meerder dan een mensch. 13 Waarom hebt gij tegen hem getwist? Want hij antwoordt niet van alle zijne daden. 14 Maar God spreekt ééns of tweemaal, doch men let niet daarop. |
|
JO 15 In den droom, door liet gezicht des nnchts, als een diepe slaap op de lieden Talt, in de sluimering op liet leger: 1G dan openbaart hij het voor het oor der lieden, en hij verzegelt hunne kastijding; 17 opdat hij den mensch afwende van zijn werk, en van den man de hoovaardij verberge: 18 dat hij zijne ziele vt.n het verdort' af houde; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. 19 Ook wordt hij gestraft met emarte op ^ zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen; 20 zoodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijne ziel de begeerlijke spijze, 21 dat zijn vleesch verdwijnt nit het gezicht, en zijne beenderen. die niet gezien werden, uitsteken, 22 en zijne ziel nadert ten ver-derve, en zijn leven tot de dir gen die dooden. 23 Is er dan bij hem een Gezant, een Uitlegger, één uit duizend, om_ den mensch zijnen rechten plicht te verkondigen, 24 zoo zal hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat liij in het verderf niet neder-dale: ik heb verzoening gevonden. 25 Zijn vleesch zal frisscher worden dan het was in de jeugd, hij zal tot de dagen zijner jonkheid weder keeren. 26 Hij zal tot God emstiglijk bidden, die in hem een welbehagen nemen zal. en zijn aangezicht ..niet gejuich aanzien, want hij zal den mensch zijne gerechtigheid wedergeven. 27 Hij zal de menechen aanschouwen, en zeggen : Ik heb gezondigd en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; 28 maar God heeft mijne ziele verlost, dat zij niet^ vocre in het verderf, zoodat mijn leven het licht aanziet. 29 Zie, dit alles werkt God twee- of driemaal met een man, 30 opdat hij zijne ziele afkeere van het verderf en hij verlicht 5 34. 635 |
worde met het licht der levenden. 31 Merk op, o Job, hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. 32 Zoo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. 33 Zoo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid lee-ren. HOOFDSTUK 34. Voorts antwoordde Elihu en zeide: 2 Hoort, gij wijzen, mijne woorden, en gij verstondigen, neigt de ooren naar mij. 3 Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt. 4 Laat ons kiezen voor ons wat recht is, laat ons kennen onder ons wat goed is. ö Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen: 0 ik moet liegen in mijn recht, mijn pijl is smartelijk zonder overtreding. 7 Wat man is er gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water, 8 en gaat overweg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, lt; en wandelt met goddelooze lieden. 9 Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet als hij welbehagen heeft aan God. 10 Daarom, gij lieden van verstand, hoort naar mij. Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht; 11 want nmr het werk des menschen vergeldt hij hem, en naar eens ieders weg doet hij het hem vinden. 12 Ook waarlijk God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet. 13 Wie heeft hem gesteld over de aarde, en wie heeft de gan-sche wereld geschikt? 14 Indien hij zijn harte tegen hem zette, zijnen geest en zijnen adem zoude hij tot zich vergaderen ; 15 alle vleesch zoude te gelijk |
JOB 35.
63G
|
den geest geven, en de mensch zonde tot stof wederkeeren. 16 Zoo er dan verstand bij u is, hoor dit, neig de ooren tot de stemme mijner woorden. 17 Zonde hij ook die het recht haat den gewonde verbinden, en zondt gij den zeer rechtvaardige verdoemen ? 18 Zoude men tot eenen Koning zeggen: Gij Belial; tot de rrinsen: Gij goddelqozen ? 19 Hoe dan tot dien die het aangezicht der Vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen zijner handen werk. 20 In een oogenblik sterven zij, zelfs te middernacht wordt een volk geschud dat het vergaat, en de machtige wordt weggenomen zonder hand. 21 Want zijne oogen zijn op ieders wegen, en hij ziet alle zij ne treden: 22 daar is geene duisternis en daar is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten. 23 Gewis hij legt den mensch niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zoude mogen treden. 24 Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hunne plaats. 25 Daarom dat hij hnnne werken kent zoo keert hij ze des nachts om, en zij worden verbrijzeld. 26 Hij klopt hen te zamen als goddeloozen, in eene plaats ie our aanschouwers xijn: 27 daarom dat zij van achter hem afgeweken zijn, en geene zijner wegen verstaan hebben; 28 opdat hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhoore. 29 Als hij stilt, wie zal dan beroeren ? Als hij het aangezicht verbergt, wie zal hem dan aanschouwen, zoowel voor een volk als voor eenen mensch alleen, 30 opdat de huichelachtige mensch niet meer regeere, en er geene strikken des volks zijn? |
31 Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: _ Ik heb uwe _ straf verdragen, ik zal het niet verderven ; 32 behalve tcat ik zie, leer gij mij ; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen. 33 Zal het van u zijn, hoe hij iets vergelden zal, dewijl gij hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek. 34 De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij hooren: 35 dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijne woorden niet met kloek verstand geweest zijn. 36 Mijn vader, laat Job beproefd worden tot den einde toe-, om zijner antwoorden wille ouder de ongerechtige lieden. 37 Want tot zijne zonde zoude hij nog overtreding toevoegen; hij zoude onder ons in de handen klappen, en hij zoude zijne redenen vermenigvuldigen tegen God. HOOFDSTUK 35. Elihu antwoordde verder en zeide: 2 Houdt gij dat voor rechtdag gij gezegd hebt: Mijne gerechtigheid is meerder dan die van God? 3 Want gij hebt gezegd: Wat zoude zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen dan met mijne zonde? 4 Ik zal u antwoord geven, en uwen vrienden met u. 5 Aanmerk den hemel en zie, en aanschouw de bovenste wolken: zij zijn hooger dan gij. 6 Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen hem ? ^ Indien uwe overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij hem? 7 Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij hem, of wat ontvangt hij uit uwe hand? 8 Uwe goddeloosheid zoude zijn tegen eenen man gelijk gij zijt, en uwe gerechtigheid voor eens menschen kind. |
é
JOB 136.
037
|
9 Vanwege hunne grootheid doen zij de onderdrukten roepen, zij schreeuwen vanwege den arm der grooten. 10 Maar niemand zegt Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in den nacht; 11 die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels? 12 Daar roepen zij, maar hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der boozen. _ 13 Gewissel ijk zal God de ijdelheid niet verhooren, en de Almachtige zal die niet aan-echouwen. 14 Dat gij ook gezegd hebt : Gij zult hem niet aanschouwen, daar is nochtans gericht voor zijn aangezicht ; wacht dan op hem. 15 Maar nu, dewijl het nie ts is, dat zijn toorn Joh bezocht Leeft, en hij hem niet zeer in overvloed doorkend heelt: 1G Zoo heeft Job in ijdelheid zijnen mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd. HOOFDSTUK 36. Elihu ging nog voortenzei.de: 2 Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen dat er nog redenen voor God zijn. 3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijnen Schepper gerechtigheid toewijzen. 4 Want voorwaar mijne woorden zullen geen valschheidzijn; een die oprecht is van gevoelen, is bij u. 5 Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt hij niet; geweldig is hij in kracht des harten. G Hij laat den goddeloozeniet leven, en het recht der ellen-digen beschikt hij. 7 Hij onttrekt zijne oogen niet van den rechtvaardige, maar met de Koningen zijn zij in den troon; daar zet hij ze voor altoos, on zij worden verheven. 8 En zoo zij, gebonden zijnde in boeien, vastgehouden worden met banden der ellende, |
9 dan geeft hij hun hun werk te kennen, en hunne overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben ; 10 en hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt dat zij zich van ongerechtigheid bekeeren zouden. 11 Indien zij hooren en hem dienen, _ zoo zullen zij hunne dagen eindigen in het goede, en hunne jaren in liefelijkheden. 12 Maar zoo zij niet hooren, zoo vergaan zij door het zwaard, en zij geven den geest zonder kennis. 13 En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet als hij ze gebonden heeft. 14 Hunne ziele zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens. 15 Hij zal den ellendige in zijne ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal hij het voor hunlieder oor openbaren. 16 Alzoo zoude hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zoude geweest zijn ; en het gerecht uwer tafel zoude vol vettigheid geweest zijn. 17 Maar gij Lebt het gericht des goddeloozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast. 18 Omdat er grimmigheid is, icacht u dat hij u misschien niet met eenen slag wegstoote, zoodat u een groot rantsoen daar niet zoude afbrengen. 19 Zoude hij uwen rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn ; of eenigo versterkingen van kracht? 20 Haak niet naar dien nacht, als de volkeren van hunne plaatse opgenomen worden. 21 Wacht u en wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren hebt, iiit oorzake van de ellende. 22 Zie, God verhoogt door zijne kracht; wie is een Leeraar gelijk hij ? 23 Wie heeft hem gesteld over zijnen weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan? |
|
638 JO I 24 Gedenk dat gij zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen. 25 Alle menschen zien het aan, de mensch schouwt het van verre. 26 Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; daar is ook geene onderzoeking van het getal zijner jaren. 27 Want hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen naar zijnen damp uitgieten; 28 welken de wolken uitgieten, en over den mensch overvloedig-lijk doen afdruipen. 29 Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen zijner hutte? 30 Zie, hij breidt over zich zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt hij. 31 Want daardoor richt hij de volken; hij heeft spijze in overvloed. 32 Met handen bedekt hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door degene die tusschen doorkomt. 33 Daarvan verkondigt zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp. HOOFDSTUK 37. Ook beeft hierover mijn harte, en springt op uit zijne plaats. 2 Hoort met aandacht de beweging zijner stemme, en het geluid dat uit zijnen mond uitgaat. 3 Dat zendt hij rechtuit onder den ganschen hemel, en zijn licht over de einden der aarde. 4 Daarna brult hij met de stem, hij dondert met de stem zijner hoogheid, hij vertraagt die dingen niet, als zijne stem zal gehoord worden. 5 God dondert met zijne stem zeer wonderbaar, hij doet groote dingen en wij begrijpen ze niet. 6 Want hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregen des regens; dan is er de plasregen zijner sterke regens. 7 Dan zegelt hij de hand van ieder mensch toe, opdat hij kenne allo de lieden zijns werks. |
37. 8 En het gedierte gaat in loer-plaatsen en blijft in zijne holen. 9 Uit de ^ binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude. 10 Door zijn geblaas geeft God de vorst, zoodat de breede wateren verstijfd worden. 11 Ook vermoeit hij de dikke wolken door klaarheid, hij verstrooit de wolke zijns lichts. 12 Die keert zich dan naar zijnen wijzen raad door omgangen, dat zij doen al wat hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde, 13 hetzij dat hij die tot eene roede, of tot zijn land, of tot weldadigheid beschikt. 14 Neem dit, o Job, ter oore; sta en aanmerk de wonderen Gods. 15 Weet gij wanneer God over dezelve orde stelt en het licht zijner wolke laat schijnen ? 16 Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken, do wonderheden desgenen die volmaakt is in wetenschappen? 17 hoe uwe kleederen warm worden, als hij de aarde stii maakt uit het Zuiden ? 18 Hebt gij met hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een^ gegoten spiegel ? 19 Onderricht ons wat wij hem zullen ze»ren; wij zuilen niets ordelik kunnen voorstellen vanwege do duisternis. 20^ Zal het hem verteld worden, als ik zóó zoude spreken? Denkt iemand datl Gewissel ijk hij zal verslonden worden. 21 En :nu ziet men het licht niet, als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat en dien zuivert; 22 als van het Noorden het goud komt; maar bij God i» eene vreeselijke majesteit. 23 Den Almachtige, dien kunnen wij niet uitvinden; hij is groot van kracht; doch door gericht en groote gerechtigheid verdrukt hij niet. 24 Daarom vreezen hem de lieden; hij ziet geene wijzen van hart aan. |
|
JO HOOFDSTUK 3S. Daarna antwoordde de Heere Job nit een on weder en zeide: 2f Wie is liij die den k ad verduistert met woorden zonder wetenschap? 3 Gord nn als een man uwe lendenen, zoo zal ik n vragen, en onderricht mij. 4 Waar waart gij toer ik de aarde grondde ? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zij t. 5 Wie heeft hare maten gezet, , want gij weet het, of wie heeft over haar een lichtsnoer getrokken? G Waarop zijn hare grondvesten nedergezonken, of wie heeft haren hoeksteen gelegd, 7 toen de morgensterren te zamen vroolijk zongen, en alle de kinderen Gods juichten V 8 Of ivie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak en uit de baarmoeder voortkwam, 9 toen ik de wolke tot hare kleeding stelde, en de donkerheid tot haren windeldoek; 10 toen ik .voor haar mek mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren, 11 en zeide: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven? 12 Hebt gij van uwe dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijne plaatse gewezen, 13 opdat hij de einden der narde vatten zoude, en de god-deloozen uit haar uitgeschud zouden worden? 14 dat aij veranderd zoude worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed? 15 en dat van de goddeloozen hun licht geweerd worde, en de hooge arm worde gebroken? 16 Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld ? 17 Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de 1 38. 63Jgt;- |
poorten van de schaduw de»-doods ? _ 18 Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedten der aarde ? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet. 19 Waar is de weg waar het licht woont? En de duisternis, waar is hare plaatse? 20 dat gij dat brengen zoudt tot zijne pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes? 21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uwe dagen zijn vele in getal. 22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagel s gezien ? 23 dien ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs. 24 Waar ia de weg waar het licht_ verdeeld wordt en de oostenwind zich verstrooit op de aarde? 25 Wie deelt voor den stortregen eenen waterloop uit, en eenen weg voor het weerlicht-der donderen? 2G om te regenen op het land waar^ niemand is, op de-woestijn waarin geen mensch is; 27 om hot woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te-doen wassen. 28 Heeft de regen eenen vader? Of wie baart de druppelen des daiiws 29 Uit wiens schoot komt het ijs voort? En wie baart den rijm. des hemels? 30 Als met eenen steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgronds wordt omvat. 31 Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of do strengen des Orions losmaken \ 32 Kunt gij de jVIazzaroth voortbrengen in haren tijd, en den Wagen met zijne kinderen leiden ? 33 Weet gij de ordinantiën de» hemels, of kunt gij de heerschappij deszelven op de aarde bestellen?' 34 Kunt gij uwe stem tot de- |
JOB 39
WO
|
â¢wolken opheffen, opdat een oyer-vloed van water n bedekke? 35 Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij ? 36 Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven ? 37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de üesschen des hemels nederleg-gen ? 38 als het etof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven. HOOFDSTUK 39. Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de gretigheid der jonge leeuwen vervullen, 2 als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten ter loering? 3 Wie bereidt der rave haren kost, als hare jongen tot God schreeuwen, dh zij dwalen omdat er geen eten is? 4 Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden ? o Zult gij de maanden tellen die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren, 6 als zij zich krommen, hare jongen met versplijting voortbrengen, hare smarten uitwerpen ? 7 Kare jongen worden kloek, worden groot door het koren, zij gaan uit en keeren niet weder tot haar. 8 Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels losgemaakt, 9 dien ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijne woningen? 10 Hij belacht het gewoel der stad, het menigerlei getier des â¢drijvers hoort hij niet. 11 Wat hij uitspeurt op de bergen is zijne weide, en hij zoekt allerlei groen gewas na. 12 Zal de eenhoorn u willen dienen ? Zal hij vernachten aan â¢uwe kribbe? |
13 Zult gij den eenhoorn met zijn ;ouw aan de voren binden? Zul hij de laagten achter u eggen? 14 Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijne kracht groot is, en uwen arbeid op hem laten? 15 Zult gij hem gelooven, dat hij uw zaad zal wederbrengen en vergaderen tol uwen dorscli-vloer ? 16 Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen ? Of de vederen des ooievaars en des struisvogels ? 17 dat zij hare eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt, 18 en vergeet dat de voet die drukken kan en de dieren des velds die vertrappen kunnen? 19 Zij verhardt zich tegen hare jongen, alsof zij de hare niet waren ; haar arbeid ia te vergeefs, omdat zij zonder vrees is. 20 Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niets medegedeeld. 21 Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte, zij belacht het paard en zijnen berijder. 22 Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijnen hals met donder bekleeden? 23 Zult gij het beroeren als eenen sprinkhaan ? De pracht van zijn gesnuif is eene verschrikking. 24 Het graaft in den grond, en het is vroclijk in zijne kracht, en trekt uit, den geharnaste tegemoet. 25 Het belacht de vreeze en wordt niel. ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard. 26 Tegen hem klettert de pijlkoker, het vlammend ijzer der spies en der lans. 27 Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet gt; dat het is het geluid dor bazuin. 28 In hst volle geklank der bazuiu zegi het: Heah, en ruikt den krijg \an verre, den donder der Vorsten en het gejuich. 29 Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijne vleugelen uit naar het Zuiden? |
Ã
JOB 40.
641
|
30 Is het naar uw bevel dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nestin de hoogte maakt ? 31 Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der Bteenrots en der vaste plaatse. 32 Van daar speurt hij de spijze op, zijne oogen zien verre af. 33 Ook slorpen zijne jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. 34 En de Heere antwoordde Job en zeide: 35 Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. 36 Toen antwoordde Job den Heere en zeide: 37 Zie, ik ben te gering: wat zoude ik u antwoorden? Ik leg mijne hand op mijnen mond. 38 Ãénmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. HOOFDSTUK 40. En de Heere antwoordde Job uit een onweder en zeide: 2 Gord nu als een man uwe lendenen: ik zal u vragen, en onderricht mij. 3 Zult gij ook mijn oordeel te niet maken, zult gij mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt? 4 Hebt gij eenen arm gelijk God? En kunt gij gelijk hij met de stemme donderen? 5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed n met majesteit en heerlijkheid. _ 6 Strooi do verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige en verneder hem. 7 Zie allen hoogmoedige en breng hem ten onder, en verpletter de goddeloozen in hunne plaats. 8 Verberg ze te zamen in het stof; verbind hunne aangezichten in het verborgen. 9 Dan zal ik ook u loven, omdat uwe rechterhand u zal verlost hebben. 10 Zie nu, de behemoth, welken ik gemaakt heb nevens u, hij eet hooi gelijk een rund. |
11 Zie toch, zijne kracht is in zijne lendenen, en zijne macht in den navel zijns buiks. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder, de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijn beenderen zijn aZsvast koper, zijne gebeenten zijn als ijzeren handboomen. 14 Hij is een hoofd der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen alle de dieren des velds aldaar. 16 Onder schaduwachtige hoornen ligt hij neder, in eene schuil-plaatse des riets en des slijks. 17 De schaduwachtige boomen bedekken hem. elkeen met zijne schaduw, de beekwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij den Jordaan in zijnen mond zoude kunnen intrekken. 19 Zoude men hem voor zijne oogen kunnen vangen ? Zoude men hem met strikken den neus kunnen doorboren? 20 Zult gij den leviathan met den angel trekken, of zijne tong met een koord, dat gij laat neder-zinken ? 21 Zult gij hem eene bieze in den neus leggen, of met een doorn zijne kaak doorboren? _ 22 Zal hij aan u vele smeekingen maken? Zal hij zachtkens tot u spreken? 23 Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot eenen eeuwigen slaaf? 24 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uwe jonge doch-teren? 25 Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden ? Zullen zij hem deelen onder de kooplieden ? 26 Zult gij zijne huid met haken vullen, of met een visschers-harpoen zijn hoofd? 27 Leg uwe hand op hem, ge- 21 |
a
|
642 JOB denk des strijds, doe liet niet meer. 28 Zie, zijne hope zal feilen; zal hij ook voor zijn aangezicht nedergeslagen worden? HOOFDSTUK 41. Niemand is zoo koen dat hij hem opwekken zoude: wie is dan hij die zich voor mijn aangezicht stellen zoude? 2 Wie is mij voorgekomen, dat ik hem zoude vergelden? Wat onder den ganschen hemel is, is mijn. 3 Ik zal zijne leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis. 4 Wie zoude het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zoude met zijnen dubbelen breidel 7i6}n aankomen ? 5 Wie zoude de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijne tanden is verschrikking. 6 Zeer uitnemend zijn zijne sterke schilden, elkeen gesloten aJs met een nauwdrukkend zegel. 7 Het ééne is zóó na aan het andere, dat de wind daar niet tus-schen kan komen. 8 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. 9 Elkeen zijner niezingen doet een licht schijnen, en zijne oogen zijn als de oogleden des dage-raads. 10 Uit zijnen mond gaan fak-kelen, vurige vonken spatten er uit. 11 Uit zijne, neusgaten komt rook voort, als uit eeuen ziedenden pot en ruimen ketel. 12 Zijn adem zoude kolen doen vlammen, en eene vlam. komt uit zijnen mond voort. 13 In zijnen hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op. 14 De stukken zijns vleesches kleven te zamen, elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen. 15 Zijn hart is vast gelijk een steen, ja, vast gelijk een deel des ondersten molensteens. 16 Voor zijne verheffing schro- |
41, 42. men de sterken, om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich. 17 Eaakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht nog pantser. 18 Hij acht het ijzer voor stroo en het staal voor verrot hout. 19 De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. 20 De werpsteenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans. 21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich opliet puntachtige als op slijk. 22 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot, hij stelt de zee als eene zalf kokerij. 23 Achter zich verlicht hij het pad: men zoude den afgrond voor grijsheid houden. 24 Op 't land is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. 25 Hij ziet alles aan wat hoog is, hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren. HOOFDSTUK 42. quot;jfoen antwoordde Job den Heere en zeide: 2 Ik weet dat gij alles vermoogt, en dat geen van uwe gedachten kan afgesneden worden. 3 Wie is hij, zegt {tij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zoo heb ik dan verhaald hetgeen ik niet verstond, dingen die voor mij te wonderbaarlijk waren, die ik niet wist. 4 Hoor toch, en ik zal spreken ; ik zal u vragen, en onderricht gij mij. 5 3iet het gehoor van het oor heb ik u gehoord, maar nu ziet u mijn oog. 6 Daarom verfoei ik mij. en ik heb berouw in stof en assche. 7 Het geschiedde nu nadat de : Heef.e die woorden tot Job gesproken had, dat de Heere , tot Elifaz den Temaniet zeide: 1 Mijn toorn is ontstoken togen u 1 en tegen uwe twee vrienden, 1 want gijlieden hebt niet recht |
â
PSALM 1.
643
|
van mij gesproken, gelijk als mijn knecht Job. 8 Daarom neemt nu voor ulie-den zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot mijnen knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat mijn knecht Job voor ulieden bidden, want zekerlijk ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat ik aan ulieden niet doe naar uwe dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van mij gesproken, gelijk mijn knecht Job. 9 Toen gingen Elifaz de Te-maniet, en Bildad de Suhiet, en Zofar de Naamathiet henen en deden gelijk als de Heere tot hen gesproken had, en de Heeee nam het aangezicht Jobs aan. 10 En de Heere wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijne vrienden, en de Heere vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zooveel. |
11 Ook kwamen tot hem aüe zijne broeders en alle zijne zusters, en allen die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem en vertroostten hem over al het kwaad dat de Heere over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk geld, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel. 12 En de Heere zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertienduizend schapen en zeshonderd kemelen en duizend j uk runderen en duizend ezelinnen. 13 Daartoe had hij zeven zonen en drie dochters: 14 en hij noemde den naam der eerste Jemima, en den naam der tweede Kezia, en den naam der derde Kerenhappuch. 15 En daar werden zoo schoone vrouwen niet gevonden in het gansche land als de dochteren van Job, en haar vader gaf ze erfdeel onder hare broederen. 16 En Job leefde na dezen honderd en veertig jaar, dat hij zag zijne kinderen en zijne kindskinderen, tot in vier geslachten. 17 En Job stierf oud en der dagen zat. |
HET BOEK
DER
PSALMEN.
|
PSALM 1. Welgelukzalig is de man die niet wandelt in den raad der goddeloozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; 2 maar zijn lust is in des Hee-ren wet, en hij overdenkt zijne wet dag en nacht. 3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet zal wèl gelukken. |
4 Alzóó zijn de goddeloozen niet, maar als het kaf dat de wind henendrijft. 5 Daarom zullen de Goddeloozen niet bestaan in het gericht: noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen; 6 want de Heere kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen zal vergaan. |
.
|
044 PSALM PSALM 2. Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ij delheid? 2 De Koningen der aarde stellen zich op, en de Vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere en tegen zijnen Gezalfde, zeggende : 3 Laat ons hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpen. 4 Die in den hemel woont zal lachen, de Heere zal ze bespotten. 5 Dan zal hij tot hen spreken in zijnen toorn, en in zijne grimmigheid zal liij ze verschrikken. 6 Ik toch heb mijnen Koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid. 7 Ik zal van het besluit verhalen : de Heere heeft tot mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon,heden heb ik u gegenereerd. 8 Eisch van mij, en ik zal de heidenen geven tot uw erfdeel, en de einden der aarde tot uwe bezitting. 9 Gij zult ze verpletteren met eenen ijzeren schepter, gij zult ze in stukken slaan als een pottenbakkersvat. _ 10 Nu dan, gij Koningen, handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij rechters der aarde. 11 Dient den Heere met vreeze, en verheugt u met beving. 12 Kust den Zoon, opdat hij niet toorne en gij op üen weg vergaat, wanneer zijn toom maar een weinig zoude ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op hem betrouwen. PSALM 3. Een psalm Davids, als hij vlood voor het aangezicht zijns zoons Absaloms. 2 O Heere, hoe zijn mijne tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op. 3 Velen zeggen van mijne ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela. 4 Docli gij, Heere, zijt een schild voor mij, mijne ecre, en die mijn hoo*d opheft. |
2, 3, 4, 5. 5 Ik riep met mijne stem tot den Heere, en hij verhoorde mij van den berg zijner heiligheid. Sela. 6 Ik lag neder en sliep: ik ontwaakte, want de Heere ondersteunde mij. 7 Ik zal niet vreezen voor tienduizenden des volks die zicb rondom tegen mij zetten. 8 Sta op, Heere, verlos mij, mijn God; want gij hebt alle mijne vijanden op het kinnebakken geslagen, de tanden der goddeloozen hebt gij verbroken. 9 Het heil is des Heeren; uw zegen is over uw volk. Sela. PSALM 4. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op de neginoth. 2 Als ik roepe, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid. In benauwdheid hebt gij mij ruimte gemaakt ; wees mij genadig en hoor mijn gebed. 3 Gij mannen, hoe lang zal mijne eere tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela. 4 Weet toch dat de Heere zich eenen gunstgenoot heeft afgezonderd; de Heere zal hoo-ren als ik tot hem roep. _ 5 Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stille. Sela. G Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den Heere. 7 Velen zeggen : Wie zal ons het goede deen zien? Verhef gij over ons het licht uws aan-schijns, o Heere. 8 Gij hebt vreugde in mijn harte gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. 9 Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen, want gij, o Heere, alleen zult mij doen zeker wonen. PSALM 5. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op do nehiloth. 2 O Heere, neem mijne rede- |
|
nen ter oore, versta mijne overdenking. 3 Merk op de stemme mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God, want tot u zal ik bidden. 4 Des morgens, Heeue, zult gij mijne stem hooren, des morgens zal ik mij tot u schikken en vacht houden. 5 Want gij zijt geen God die lust heeft aan goddeloosheid; de booze zal bij u niet verkee-ren ; 6 de onzinnigen zullen voor uwe oogen niet bestaan; gij haat alle werkers der ongerechtigheid. 7 Gij zult de leugensprekers verdoen ; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel. 8 Maar ik zal door de grootheid uwer goedertierenheid in uw Huis ingaan, ik zal mij buigen naar het paleis uwer heiligheid in uwe vreeze. 9 Heere, leid mij in uwe gerechtigheid, om mijner verspieders wille, richt uwen weg voor mijn aangezicht. 10 Want in hunnen mond is niets rechts, het binnenste is enkel verderving, hunne keel is een open graf, met hunne tong vleien zij. 11 Verklaar ze schuldig, o God; laat ze vervallen van hunne raadslagen ; drijf ze henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen u. 12 Maar laat verblijd zijn allen die op u betrouwen; laat ze tot in eeuwigheid juichen, omdat gij ze overdekt; en laat in u van vreugde opspringen die uwen naam liefhebben. 13 Want gij, Heere, zult den rechtvaardige zegenen _ gij zult hem met goedgunstigheid kronen als met een rondas. PSALM 6. Een psalm Davids, voor den opperzaiigmeester, op de neginoth, op de scheminith. 2 O Heere, straf mij niet in uwen toorn, en kastijd mij niet in uwe grimmigheid. 3 Wees mij genadig, Heere, |
M 6, 7. 645 want ik ben verzwakt; genees mij, Heere, want mijne beenderen zijn verschrikt.^ 4 Ja, mijne ziele is zeer verschrikt; en gij, Heere, hoe lang? 5 Keer weder, Heere; red mijne ziele; verlos mij om uwer goedertierenheid wil. 6 Want in den dood is uwer geene gedachtenis; wie zal u loven in het graf? 7 Ik ben moede van mijn zuchten, ik doe mijn bed den gan-schen nacht zwemmen, ik doornat mijne bedstede met mijne tranen. 8 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is verouderd vanwege alle mijne tegenpartijders. 9 Wijkt van mij, alle gij werkers der ongerechtigheid; want de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord, 10 de Heere heeft mijne smeeking gehoord, de Heere zal mijn gebed aannemen. ^ 11 Alle mijne vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden ; zij zullen terugkeeren, zij zullen in een oogenblik beschaamd worden. PSALM 7. Davids schiggajon, dat hij den Heere gezongen heeft over de woorden van Kusch, den Benjaminiet. 2 Heere mijn God, op u betrouw ik: verlos mij van alle mijne vervolgers en red mij ; 3 opdat hij mijne ziel niet roove als een leeuw, verscheurende terwijl daar geen verlosser is. 4 Heere mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijne handen is, 5 indien ik kwaad vergolden heb dien die vrede met mij had, (ja, ik heb gered dien die mij zonder oorzaak benauwde): 6 zoo vervolge de vijand mijne ziel en achterhale ze, en ver-trede mijn leven ter aarde en doe mijne eere in het stof wonen. Sela. 7 Sta óp, Heere, in uwen toorn, verhef u om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak |
|
6quot; 16 PSAL tot my: gij hebt het gericht bevolen. 8 Zoo zal de vergadering der volken u omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte. 9 Do Heere zal den volken recht doen; richt mij Heere, naar mijne gerechtigheid, en naar mijne oprechtheid die bij mij is. 10 Laat toch de boosheid der goddeloozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, gij die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God. 11 Mijn schild is bij God, die de oprechten van harte behoudt. 12 God is een rechtvaardig rechter, en een God, die te allen dage toornt. 13 Indien hij zich niet be-bekeert, zoo zal hij zijn zwaard wetten; hij heeft zijnen boog gespannen en dien bereid, 14 en heeft doodelijke wapenen voor zich gereed gemaakt; hij zal zijne pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen. 15 Zie, hij is in arbeid van ongerechtigheid en is zwanger van moeite: hij zal leugen baren. 16 Hij heeft eenen kuil gedolven en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve die hij gemaakt heeft. 17 Zijne moeite zal op zijn hoofd wederkeeren, en zijn geweld op zijnen schedel nederdalen. 18 Ik zal den _ Heere loven naar zijne gerechtigheid, en den naam des Heeren des Aller-hoogsten psalmzingen. PSALM 8. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op de gittith. 2 O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw naam op de gan-sche aarde; gij, die uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen! 3 Uit den mond derkinderkens en dér zuigelingen hebtgij sterkte gegrondvest, om uwer tegenpartijen wille, om den vijand en |
M 8, 9. wraakgierige to tloen ophouden. 4 Als ik uwen hemel aanzie, het werk uwer vingeren, de maan en de sterren die gij bereid hebt â 5 wat is de mensch dat gij zijner gedenkt, en de zoon des men-schen dat gij hem bezoekt, 6 en hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, en hebt hem met eere en heerlijkheid gekroond! 7 Gij doet hem heerschen over de werken uwer handen, gij hebt alles onder zijne voeten gezet: 8 schapen en ossen, alle die, ook mede de dieren des velds; 9 het gevogelte des hemels en de visschen der zee: hetgeen de paden der zeeën doorwandelt. 10 O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw naam op de gan-sche aarde! PSALM 9. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op müth-lab-been. 2 Ik zal den Heere loven met mijn ganscho harte, ik zal alle uwe wonderen vertellen. 3 In u zal ik mij verblijdenen van vreugde opspringen; ik zal uwen naam psalmzingen, o Allerhoogste ; 4 omdat mijne vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen lt;en vergaan zijn van uw aangezicht. 5 Want gij hebt mijn recht en mijne rechtzake afgedaan; gij hebt gezeten op den troon, o Rechter der gerechtigheid. 6 Gij hebt de heidenen gescholden, den goddelooze verdaan, hunnen naam uitgedelgd tot in eeuwigheid en altoos. 7 O vijand, zijnde verwoestingen voleindigd in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan. 8 Maar de Heere zal in eeuwigheid zitten. Lij heeft zijnen troon bereid ten gerichte. 9 En hij zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en do volken oordeelen in rechtmatigheden. 10 En de Heere zal een hoog |
PSALM 10.
647
|
vertrek zijn voor den verdrukte, een hoog vertrek in tijden van benauwdheid. 11 En die uwen naam kennen, zullen op u vertrouwen, omdat gij, Heere, niet hebt verlaten degenen die u zoeken. 12 Psalmzingt den Heere, die te Sion woont, verkondigt onder de volken zijne daden. 13 Want hij zoekt de bloedstortingen, hij gedenkt dezelve; hij vergeet het geroep der ellendigen niet. 14 Zijt mij genadig, Heere, zie mijne ellende aan, van mijne haters mij aangedaan, gij die mij verhoogt uit de poorten des doods; 15 opdat ik uwen ganschenlof in de poorten der dochter Sions vertelle, dat ik mij verheuge in uw heil. 16 De heidenen zijn gezonken in de groeve die zij gemaakt hadden, hunlieder voet is gevangen iïi het net dat zij verborgen hadden. 17 De Heere is bekend geworden, hij heeft recht gedaan; de goddelooze is verstrikt in het werk zijner handen. Higgajon. Sela. 18 De goddeloozen zullen te-rugkeeren naar de hel toe, alle godvergetende heidenen. 19 Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellen-digen in eeuwigheid verloren zijn. 20 Sta ' óp, ^ Heere, laat de mensch zich niet versterken, laat de heidenen voor uw aangezicht geoordeeld worden. 21 O Heere, jaag hun vreeze aan; laat de heidenen weten dat zij menschen zijn. Sela. PSALM 10. O Heere, waarom staat gij van verre, waarom verbergt gij u in tijden van benauwdheid? ^ 2 De goddelooze vervolgt hit-tiglijk in hoogmoed den ellendige; laar, ze gegrepen worden in de aanslagen die zij bedacht hebben. 3 Want de goddelooze roemt over den wensch zijner ziele;hij zegent den gierigaard, hij lastert den Heere. |
4 De goddelooze, gelijk hij zijnen neus omhoog steekt, onderzoekt niet: alle zijne gedachten zijn dat er geen God is. 5 Zijne wegen maken te allen 1 tijde smarte; uwe oordeelen zijn i eene hoogte verre van hem; alle ' zijne tegenpartijders, die blaast hij aan. 6 Hij zegt in zijn harte: Ik zal niet wankelen; want iJc zal van geslacht _ tot geslacht in geen kwaad zijn. 7 Zijn mond is vol van vloek en bedriegerijen en list, onder j zijne_ tong is moeite en onge-! rechtigheid. 8 Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij den onschuldige; zijne oogen verbergen zich tegen den arme. 9 Hij legt lagen in eene verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen om den ellendige te rooven ; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net. 10 Hij duikt neder, hij buigt zich, en de arme hoop valt in zijne sterke poolen. 11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, hij heeft zijn aangezicht verborgen, hij ziet niet in eeuwigheid. 12 Sta óp, Heere God, hef uwe hand op, vergeet de ellendigen niet. 13 Waarom lastert d^ goddelooze God,_ zegt in ziuï har^ ; Gij zult het niet zoeken r 14 Gij ziet het immfrw^nt gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in uwe hand geve; op u verlaat zich de arme, gij zijt geweest een helper van den wees. 15 Breek den arm des goddeloozen en boozen, zoekt zijne goddeloosheid, totdat gij ze niet vindt. 16 De Heere is Koning, eeuwig-lijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit zijn land. 17 Heere, gij hebt den wensch der zachtmoedigen gehoord; gij |
|
C48 PSALM 1 zult hun harte sterken, uw oor zal opmerken, 18 om den wees en den verdrukte recht te doen, opdat een mensch van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven. PSALM 11. Een psalm Davids, voor den opperzan gmeester. Ik betrouw op denHEERE;hoe zegt gijlieden tot mijne ziele: ZT\erf henen naar ulieder gebergte als een vogel? 2 Want zie, de goddeloozen spannen den boog, zij schikken hunnen pijl op de pees, om in het donker te schieten naar de oprechten van hart. 3 Zekerlijk, de fundamenten worden omgestooten, wat heeft de rechtvaardige bedreven? 4 De Heere is in het paleis zijner heiligheid, des Heeren troon is in den hemel; zijne oogen aanschouwen, zijne oogleden proeven de menschenkin-deren. 5 De Heere proeft den rechtvaardige; maar den goddelooze, en dien die geweld liefheeft, haat zijne ziele. 6 Hij zal op de goddeloozen regenen strikken, vuur en zwavel ; en een geweldige stormwind znl het deel huns bekers zijn. 7 Want de Heere is rechtvaardig, hij heeft gerechtigheden lief; zijn aangezicht beschouwt den oprechte. PSALM 12. Een psalm Davids, voor den opperzan gmeester op de schemi-nith. 2 Behoud, o Heere, want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de menschenkinderen. 3 Zij spreken valschheid een ieder met zijnen naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart. 4 De Heere snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong, 5 die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze |
I, 12, 13, 14. tong; onze lippen zijn onze: wie is heer over ons? 6 Om de verwoesting der ellen-digen, om het kermen der nood-druftigen, zal ik nu opstaan, zegt de Heere; ik zal in behoudenis zetten dien hij aanblaast. 7 De redenen des Heeren zijn reine redenen, zilver, gelouterd in eenen aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. 8 Gij, Heere, zult ze bewaren, gij zult ze behoeden voor dit geslacht tot in eeuwigheid. 9 De goddeloozen draven rondom, wanneer de snoodsten van 's menschen kinderen verhoogd worden. PSALM 13. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 Hoe lang, Heere, zult gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult gij uw aangezicht voor mij verbergen ? 3 Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijne ziele, droefenis in mijn harte bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn? 4 Aanschouw, verhoor mij, Heere mijn God ; verlicht mijne oogen, opdat ik in den dood niet ontslape; 5 opdat niet mijn vijand zegge; Ik heb hem o vermocht, mijne tegenpartijders zich verheugen wanneer ik zoude wankelen. G Maar ik vertrouw op uwe goedertierenheid; mijn harte zal zich verheugen in uw heil: ik zal den Heere zingen, omdat hij aan mij welgedaan heeft. PSALM 14. Een psaïm Davids, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God; zij verderven het, zij maken het gruwelijk hun werk, daar is niemand die goed doet. 2 De Heers heeft uit den hemel nedergezien op de menschenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht: 3 zij zijn allen afgeweken, te |
PSALM 15. 1G, 17.
649
|
zaraen zijn zij stinkende geworden daar is niemand die goed doet, ook niet één. 4 Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten alsof zij brood aten ? Zij roepen den Heere niet aan. 5 Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard, want God is bij het geslacht des rechtvaardigen. 6 Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de Heere zijne toevlucht is. 7 Och dat Israels verlossing uit Sion hwame! Als de Heere de gevangenen zijns volks zal doen wederkeeren, dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn. PSALM 15. Een psalm Davids. Heere, wie zal verkeeren in uwe tent, wie zal wonen op don berg uwer heiligheid ? 2 Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt; 3 die met zijne tong niet achterklapt, zijnen metgezel geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijnen naaste; 4 in wiens oogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen die den Heere vreezen; heeft hij gezworen tot zijne schade, evenwel verandert hij niet; 5 die zijn geld niet geeft op woeker, noch een geschenk neemt tegen den onschuldige: die deze dingen doet zal niet wankelen in eeuwigheid. PSALM 16. Een gouden kleinood Davids. Bewaar mij o God, want ik betrouw op u. 2 O mijne ziele, gij hebt tot den Heere gezegd: Gij zijt de Heere, mijne goedheid raakt niet tot u, 3 maar tot de heiligen die op de aarde zijn, en de heerlijken in dewelken al mijn lust is. 4 De smarten dergenen die eenen anderen god begiftigen, tullen vermenigvuldigd worden; |
ik zal hunne drankofferen van bloed niet oüeren, en hunne namen op mijne lippen niet nemen, 5 De Heere is het deel mijner erve en mijns bekers; gij onderhoudt mijn lot. ^ 6 De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja, eene schoone erfenis is mij geworden. 7 Ik zal den Heere loven, die mij raad heeft gegeven; zelfs bij n:icht onderwijzen mij mijne nieren. 8 Ik stel den Heere gedurig-lijk vóór mij; omdat hij aan mijne rechterhand is, zal ik niet wankelen. 9 Daarom is mijn harte verblijd, en mijne eere verheugt zich; ook zal mijn vleesch zéker wonen. 10 Want_ gij zult mijne ziele in de hel niet verlaten, gij zult niet toelaten dat uw Heilige de verderving zie. 11 Gij zult mij het pad des levens bekend maken: verzadiging der vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheden zijn in uwe rechterhand eeuwiglijk. PSALM 17. Een gebed Davids. Heere, hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter oore mijn gebed, met onbedrieglijke lippen gesproken. 2 Laat mijn recht van voor uw aangezicht uitgaan, laat uwe oogen de billijkheden aanschouwen. 3 Gij hebt mijn harte geproefd, des nachts bezocht, gij hebt mij getoetst, gij vindt niets: hetgeen ik gedacht heb overtreedt mijn mond niet. 4 Aangaande de handelingen des menschen, ik heb mij, naar het woord uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers, 5 houdende mijne gangen in uwe sporen, opdat mijne voetstappen niet zouden wankelen. 6 Ik roep u aan, omdat gij mij verhoort, o God; neig uw oor tot mij, hoor mijne rede. 7 Maak uwe weldadigheden wonderbaar, gij die verlost de- 21* |
|
650 PSA] genen die op u betrouwen van degenen die tegen uwe rechterhand opstaan. 8 Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de sehaduwe uwer vleugelen, 9 voor het aangezicht der god-deloozen die mij verwoesten, mijner doodvijanden die mij omringen. 10 Met hun vet besluiten zij zich, met hunnen mond spreken zij hoovaardiglijk. 11 In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hunne oogen op ons, ter aarde nederbukkende. 12 Hij is gelijk als een leeuw die begeert te rooven, en als een jonge leeuw zittende in verborgen plaatsen. 13 Sta óp, Heere, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijne ziele met uw zwaard van den goddelooze, 14 met uwe hand van de lieden, o Heere, van de lieden die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik gij vervult met uwen verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hunnen kinderkens achter. 15 Maar ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwaken. PSALM 18. Voor den opperzaugmeester, een psalm Davids, des knechts des Heeren, die de woorden dezes lieds tot den Heere gesproken heeft, ten dage als de Heere hem gered had uit de hand van alle zijne vijanden en uit de hand Sauls. 2 Hij zeide dan: Ik zal u hartelijk liefhebben, Heere, mijne sterkte. 3 De Heere is mijne steenrots, en mijn burg, en mijn uithelper; mijn God, mijne rots, op welken ik betrouw; mijn schild en hoorn mijns heils, mijn hoog vertrek. 4 Ik riep den Heere aan die |
M 18. te prijzen is, en werd verlost van mijne vijanden. 5 Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij. 6 Banden der helle omringden mij, strikken des doods bejegenden mij. 7 Als mij bang was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnen God : hij^ hoorde mijne stem uit zijn paleis, en mijn geroep voor zijn aangezicht kwam in zijne ooren. 8 Toen daverde en beefde do aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat hij ontstoken was. 9 Kook ging op van zijnen neus, en een vuur uit zijnen mond verteerde: kolen werden daarvan aangestoken. 10 En hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder zijne voeten. 11 En hij voer op eenen cherub en vloog, ja, hij vloog snel-lijk op de vleugelen des winds. 12 Duisternis zette hij tot zijne verberging; rondom hem was zijne tente, duisternis der wateren, wolken des hemels. 13 Van den glans die vóór hem was dreven zijne wolken daarhenen: hagel en vurige kolen. 14 En de Heere donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf zijne amp;tem, hagel en vurige kolen. 15 En hij zond zijne pijlen uit en verstrooide ze, en hij vermenigvuldigde de bliksemen en verschrikte ze. 16 En de diepe kolken der wateren werden gezien, en do gronden der wereld werden ontdekt, van uw schelden, o Heere, van het geblaas des winds van uwen neus. 17 Hij zond van de hoogte, hij nam mij, hij trok mij op uit groote wateren. 18 Hij verloste mij van mijnen sterken vijand _ en van mijne haters, omdat zij machtiger waren dan ik. 19 Zij hadden mij bejegend |
PSALM 18.
651
|
ten dage mijns ongevals, maar de Heere was mij tot een steun-sel; 20 en LJj voerde mij uit de ruimte, hij rukte mij uit, want bij had lust aan mij. 21 De Heere vergold mij naar mijne gerechtigheid, hij gaf mij weder naar de reinheid mijner handen. 22 Want ik heb des Herren wegen gehouden, en ben mijnen God niet goddeloos! ijk afgegaan. 23 TVant alle zijne rechten waren vóór mij, en zijne inzettingen deed ik niet van mij weg. 24 Maar ik was oprecht bij hem, en ik wachtte mij voor mijne ongerechtigheid. 25 Zoo gaf mij de Heere weder naar mijne gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen, voor zijne oogen. 26 Bij den goedertierene houdt gij u goedertieren, bij den oprechten man houdt gij u oprecht. 27 Bij den reine houdt gij u rein, maar bij den verkeerde bewijst gij u een worstelaar. 28 AVant gij verlost het bedrukte volk. maar de hooge oogen vernedert gij. 29 Want gij doet mijne lampe lichten; de Heere mijn God doet mijne duisternis opklaren. 30 Want met u loop ik door een bende, en met mijnen God' spring ik over eenen muur. 31 Gods weg is volmaakt; de rede des Heeren is doorlouterd; hij is een schild allen die op hem betrouwen. 32 Want wie is God behalve de Heere en wie is een rotssteen dan alleen onze God? 33 Het is God, die mij met kracht omgordt, en hij heeft mijnen weg volkomen gemaakt. 34 Hij maakt mijne voeten geiijk als der hinden, en I-ij stelt mij op mijne hoogten. 35 Hij leert mijne handen ten strijde, ^zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is. 36 Ook hebt gij mij het schild uws heils gegeven, en uwe rechterhand heeft mij ondersteund. |
en uwe zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt. 37 Gij hebt mijnen voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijne enkelen hebben niet gewankeld. 38 Ik vervolgde mijne vijanden en trof ze aan, en ik keerde niet weder totdat ik ze verdaan had. 39 Ik doorstak ze, dat zij niet weder konden opstaan: zij vielen onder mijne voeten. 40 Want gij omgorddet mij met kracht ten strijde; gij deedt onder mij nederbukken wie tegen mij opstonden, 41 en gij gaaft mij den nek mijner vijanden; en mijne haters, die vernielde ik. 42 Zij riepen, maar daar was geen verlosser, tot den Heere, maar hij antwoordde hun niet. 43 Toen vergruisde ik ze als stof voor den wind, ik ruimde ze weg als slijk der straten. 44 Gij hebt mij uitgeholpen van de _ twisten des volks; gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk dat ik niet kende heeft mij gediend. 45 Zoo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd ; vreeemden hebben zich mij geveinsdelij k onderworpen. 46 Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hunne sloten. 47 De Heere leeft, en geloofd zij mijn rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils: 48 de God die mij volkomene wrake geeft, en de volken onder mij brengt; 49 die mij uitbelpt van mijne vijanden; ja, gij verhoogt mij boven degenen die tegen mij opstaan, gij redt mij van den man des gewelds. 50 Daarom zal ik u, o Heere, loven onder de heidenen, en uwen naam zal ik psalmzingen: 51 ^ die de verlossingen zijns Konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan zijnen Gezalfde, aan David en aanzijn zaad tot in eeuwigheid. |
|
6Ã2 PSALM PSALM 19. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 De hemelen vertellen Gods eere, en het uitspansel verkondigt zijner handen werk. 3 De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake nit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap. 4 Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord. 5 Hun richtsnoer gaat uit over de gansehe aarde, en hnnne redenen aan het einde der wereld; hij heeft in dezelve eene tent gesteld voor de zon. 6 En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijne slaapkamer; zij is vrooïijk als een held, om het pad te loopen. 7 Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan deszelfs einden ; en niets is verborgen voor hare hitte. 8 De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele; de getuigenis des Heeren is gewis, den eenvoudige wijsheid gevende. 9 De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het harte; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de oogen. 10 De vreeze des Heeren is rein, bestaande tot in eeuwigheid; de rechten des Heeren zijn waarheid, te zamen zijn ze rechtvaardig, 11 zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel lijn goud, en zoeter dan honig en honigzeem. 12 Ook wordt uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is groote loon. 13 Wie zoude de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen. 14 Houd uwen knecht ook terug van trotschheden, laat ze niet over mij heerschen; dan zal ik oprecht zijn en rein van groote overtreding. 15 Laat de redenen mijns 19, 20, 21. |
monds en de overdenking mijns harten welbehaaglijk zijn voor uw aangezicht, o Heere, mijn rotssteen en mijn verlosser. PSALM 20. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 De Heere verhoore u in den dag der benauwdheid, de naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek. 3 Hij zende uwe hulpe uit het heiligdom en ondersteune u uit Si on; 4 hij gedenke alle uwer spijs-ofteren, en make uw brandoffer tot asch. Sela. 5 Hij geve u naar uw harte, en vervulle al uwen raad. 6 Wij zullen juichen over uw heil, en de vaandelen opsteken in den naam onzes Gods. De Heere vervulle alle uwe begeerten. 7 Alsnu weet ik dat de Heere zijnen Gezalfde behoudt; hij zal hem verhoeren uit den hemel zijner heiligheid; het heil zijner rechterhand zal zijn met mogendheden. 8 Deze vermelden van wagens, en die van paarden, maar wij zullen vermelden van den naam des Heeren onzes Gods. 9 Zij hebben zich gekromd en zijn gevallen, maar wij zijn gerezen en staande gebleven. 10 O Heere, behoud; die Koning verhoore ons ten dage onzes roepens. PSALM 21. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 O Heere, de Koning is verblijd over uwe sterkte, en hoe zeer is hij verheugd over uw heil! 3 Gij hebt hem zijns harten wensch gegeven, en deuitsprake zijner lippen hebt gij niet geweerd. Sela. 4 Want gij komt hem vóór met zegeningen van het goede, op zijn hoofd zet gij eene Kroon van fijn goud. 5 Het leven heeft hij van u |
|
PSAI begeerd, gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwig-lijk en altoos. 6 Groot is zijne eere door uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt gij hem toegevoegd. 7 Want gij zet hem to' zegeningen in eeuwigheid, gij ver-vroolijkt hem door vreugde met uw aangezicht; 8 want de Koning vertrouwt op den Heere en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen. 9 Uwe hand zal alle uwe vijanden vinden, uwe rechterhand zal uwe haters vinden. 10 Gij zult ze zetten als eenen vurigen oven ter tijd mvs/oonji-i/en aangezichts, de Heekz zal ze in zijnen toorn verslinden, en het vuur zal ze verteren. 11 Gij zult hunne vrucht van de aarde verdelgen, en hun zaad van de kinderen der mensehen. 12 Want zij hebben kwar-d tegen u aangelegd, zij hebben eene schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen; 13 want gij zult ze zetten tot een wit, met uwe pezen zult gij op hun aangezicht toeleggen. 14 Verhoog u, Heere, in uwe sterkte; zoo zullen wij zingen en uwe macht met psalmen loven. PSALM 22. Een psalm Davids, voor den opperzangnieester, op ajéleth hassahar. 2 Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten, verre zijnde van mijne verlossing, van de woorden mijns brullens ? 3 Mijn God, ik roeigt; des daags, maar gij antwoordt niet, en des nachts, en ik heb geene stilte. 4 Doch gij zijtheilig, wonende onder de lofzangen Israels : 5 op u hebben onze vaders vertrouwd, zij hebben vertrouwd en gij hebt ze uitgeholpen; _ 6 tot u hebben zij geroepen en zijn uitgered, op u hebben zij vertrouwd en zijn niet beschaamd geworden. 7 Maar ik ben een worm en |
M 22. 653 geen man, een smaad van men-schen en veracht van het volk. 8 Allen die mij zien bespotten mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: 9 Hij heeft het op den Heere gewenteld: dat hij hem nu uit-helpe, dat hij hem redde, dewijl hij lust aan hem heeft. 10 Gij zijt het immers die mij uit den buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeder borsten. 11 Op u ben ik geworpen van de baarmoeder af, van den schoot mijner moeder af zijt gij mijn God. 12 Zoo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij want er is geen helper. 13 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd; 14 zij hebben hunnen mond tegen mij opgesperd, aJs een verscheurende en brullende leeuw. 15 Ik ben uitgestort als water, en alle mijne beenderen hebben zich vanééngescheiden; mijn harte is als was, het is gesmolten in het midden mijns inge-wands. 16 Mijne kracht is verdroogd als eene potscherf, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en gij legt mij in het stof des doods. 17^ Want honden hebben mij omsingeld, eene vergadering der boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijne handen en mijne voeten doorgraven. 18 Alle mijne beenderen zoude ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. 19 Zij deelen mijne kleederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. 20 Maar gij, Heere, wees niet verre ; mijne sterkte, haast u tot mijne hulpe. 21 Red mijne ziel van het zwaard, mijne eenzame van het geweld des honds. 22 Verlos mij uit des leeuwen muil, en verhoor mij van de horens der eenhoornen. 23 Zoo zal ik uwen naam mij- |
|
C54 PSALM nen broederen vertellen, in het midden der gemeente zal ik u prijzen. 24 Gij, die den Heere vreest, prijst hem; al gij zaad Jakobs, vereert hem; en ontziet u voor hem, al gij zaad Israels. 25 Want hij heeft niet veracht noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch zijn aangezicht voor hem verborgen; maar hij heeft gehoord als die tot hem riep. 20 Van u zal mijn lof zijn in eene groote gemeente; ik zal mijne geloften betalen in tegen-woordigheid dergenen die hem vreezeu. 27 De zachtmoedigen zuilen eten en verzadigd worden, zij zullen den Heere prijzen die hem zoeken; uliedor harte zal in eeuwigheid leven. 28 Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot den Heere bekeeren, en alle geslachten der heidenen zuilen voor uw aangezicht aanbidden; 29 want het koninkrijk is des ïïeeeen, en hij heerscht onder de heidenen. 30 Alle vetten op aarde zullen eten en aanbidden, allen die in het stof nederdalen zullen voor zijn aangezicht nederbukken, en die zijne ziel bij het leven niet kan houden. 31 Het zaad zal hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten. 32 Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen den volke dat geboren wordt, omdat hij het gedaan heeft. PSALM 23. Een psalm Davids. De Heere is mijn herder, mij zal niets ontbrelcen. 2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. 3 Hij verkwikt mijne ziele, hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om zijns naams wille. 4 Al ging ik ook in een dal 23, 24, 25. |
der echaduwe des doods, ik zoude geen kwaad vreezen, want gij zijt met mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij. 5 Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijne tegenpartijders gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. 6 Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens, en ik zal in het Kuis des Heeeen blijven in lengte van dagen. PSALM 24. Een psalm Davids. De aarde is des Heeren mitsgaders hare volheid, de wereld en die daarin wonen; 2 want hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. 3 Wie zal klimmen op den berg des Heeren, eu wie zal staan in de plaatse zijner heiligheid ? 4 Die rein van handen en zuiver van harte is, die zijne ziele niet opheft met ijdelheid,endie niet bedriegelijk zweert. 5 Die zal den zegen ontvangen van den Heere, en gerechtigheid van den God zijns heils. 6 Dat is het geslacht dergenen die naar hem vragen, # die uw aangezicht zoeken, dat is Jakob. Sela. 7 Heft uwe hoofden óp gij poorten, en verheft u gij eeuwige deuren, opdat de Koning der eere inga. 8 Wie is de Koning der eere? De Heere sterk en geweldig, de Heere geweldig in den strijd. 9 Heft uwe hoofden op gij poorten, ja, heft óp gij eeuwige deuren, opdat de Koning dér eere inga. 10 Wie is hij, deze Koning der eere? De Heere der heirscharen, die is de Koning der eere. Sela. PSALM 25. Een psalm Davids. Alef. Tot u, o Heere, hef ik mijne ziel op. 2 Beth. Mijn God, op u ver- |
PSALM 26.
655
|
trouw ik, laat mij niet beschaamd worden; laat mijne vijanden niet van vreugde opspringen over mij. 3 Gimel. Ja, allen die u verwachten zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak. 4 Daleth. Heere, maak mij uwe wegen bekend, leer mij uwe paden. 5 Hé. Vau. Leid mij in uwe waarheid en leer mij, want gij zijt de God mijns heils; u verwacht ik den ganschen dag. 6 Zain. Gedenk, Heere, uwer barmhartigheden en uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. 7 Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar uwe goedertierenheid, om uwer goedheid wille, o Heere. 8 Teth. De Heere is goed en recht; daarom zal hij de zondaars onderwijzen in den weg. 'J Joel. Hij zal de zachtmoedi-pen leiden in het recht, en hij zal den zachtmoedigen zijnen weg leeren. 10 Kaf. Alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid: dengenen die zijn verbond cn zijne getuigenissen bewaren. 11 Lamed. Om uws naams wille, Heere, zoo vergeef mijne ongerechtigheid, want die is groot. 12 Mem. quot;NVie is de man die den Heere vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg dien hij zal hebben te verkiezen. 13 Nun. Zijne ziel zal ver-nachten in het goede, en zijn z.oad zal de aarde beërven. 14 Samech. De verborgenheid des Heeren is voor degenen die hem vreezen; en zijn verbond, om hun die bekend te maken. 15 Ain. Mijne oogen zijn ge-duriglijk op den Heere, want hij zal mijne voeten uit het net uitvoeren. 16 Pé. Wend u tot mij en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. 17 Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijne nooden. |
18 Besch. Aanzie mijne ellende en mijne moeite, en neem weg alle mijne zonden. 19 Hesch. Aanzie mijne vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met eenen wre-veligen haat. 20 Schin. Bewaar mijne ziel en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op u. 21 Thau. Laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht u. 22 O God, verlos Israël uit alle zijne benauwdheden. PSALM 26. Een psalm Davids. Doe mij recht, Heere, want ik wandel in mijne oprechtheid, en ik vertrouw op den Heere, ik zal niet wankelen. 2 Proef mij, Heere, en onderzoek mij, toets mijne nieren en mijn hart. 3 Want uwe goedertierenheid is voor mijne oogen, en ik wandel in uwe waarheid. 4 Ik zit niet bij ij dele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om. 5 Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de godde-loozen zit ik niet. 6 Ik wasch mijne handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o Heere: 7 om te doen hooren de stemme des lofs, en om te vertellen alle uwe wonderen. 8 Heere, ik heb liefde woning uws Huizes en de plaats des Tabernakels uwer eer. 9 Raap mijne ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds, 10 in welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is. 11 Maar ik wandel in mijne oprechtheid, verlos mij dan en wees mij genadig. 12 Mijn voet staat op effen baan; ik zal den Heere loven in de vergaderingen. |
|
656 PSALM PSALM 27. Een psalm Davids. De Heere ismijnliclitenmijn heil, voor wien zoude ik vreezen ? De Heere is mijns levens kracht, voor wien zoude ik vervaard zijn ? 2 Als de boozen, mijne tegenpartijen en mijne vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vleescli te eten, stieten zij zelve aan en vielen. 3 Ofschoon mij een leger belegerde, mijn harte zoude niet vreezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zoo vertrouw ik hierop. 4 Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik alle de dagen mijns levens mocht wonen in het Huis des He eren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in zijnen Tempel. 5 Want hij versteekt mij in zijne hut ten dage des kwaads, hij verbergt mij in het verborgene zij ner tent, hij verhoogt mij op eenen rotssteen. 6 Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijne vijanden die rondom mij zijn, en ik zal in zijne Tent qfleranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den Heere. 7 Hoor, Heere, mijne stem als ik roep; en wees mij genadig en antwoord mij. 8 Mijn hart zegt tot u: Gij zegt: Zoekt mijn aangezicht: ik zoek uw aangezicht, o Heere. 9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uwen knecht niet af in toorn; gij zijt mijne hulpe geweest: begeef mij niet en verlaat mij niet, o God mijns heils. 10 Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen. 11 Heere, leer mij uwen weg en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil. 12 Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartij ders; want valsche getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast. |
27, 28, 29. 13 Zoo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeken zoude zien in het land der levenden, ik tcare vergaan. 14 Wacht op den Heere, wees sterk, en hij zal uw harte versterken ; ja, wacht op den Heere. PSALM 28. Een psalm Davids. Tot u roep ik, Heere; mijn rotssteen, houd u niet als doof van mij af, opdat ik niet, zoo gij u tegen mij stil houdt, vergeleken worde met degenen die in den kuil nederdalen. 2 Hoor de stem mijner smeekingen ; als ik tot u roep, als ik mijne handen ophef naar de aanspraakplaats uwer heiligheid. 3 Trek mij niet weg met de goddeloozen en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hunne naasten, maar kwaad is in hun hart. 4 Geef hun naar hun doen en naar de boosheid hunner handelingen, geef hun naar hunner handen werk, doe hunne vergelding tot hen wederkeeren. 5 Omdat zij niet letten op de daden des Heeren, noch op het werk mijner handen, zoo zal hij ze afbreken en zal ze niet bouwen. G Geloofd zij de Heere, want hij heeft de stemme mijner smeekingen gehoord. 7 De Heere is mijne sterkte en mijn schild; op hem heeft mijn harte vertrouwd en ik ben geholpen: dies springt mijn harte van vreugde, en ik zal hem met mijn gezang loven. 8 De Heere is hunlieder sterkte en hij is de sterkheid der verlossingen zijns Gezalfden. 9 Verlos uw volk en zegen uwe erve, en w 3id ze en verhei ze tot in der eeuwigheid. PSALM 29. Een psalm Davids. Geeft deii Heere, gij kinderen der machtigen, geeft den Heere eere en sterkte. 2. Geeft den Heere de eere zijns naams, aanbidt den Heere |
PSALM 30,31.
657
|
in de heerlijkheid des heiligdoms. 3 De stemme des Heeren is op de wateren, de God der eere dondert; de Heere is op de groote wateren. 4 De stemme des Heeren is met kracht, de stemme des Heeren is met heerlijkheid. 5 De stemme des Heeren breekt üe cederen, ja, de Heere verbreekt de cederen Libanons; 6 en hij doet ze huppelen als een kalf, den Libanon en Sirion als een jongen eenhoorn. 7 De stemme des Heeren houwt er vlammen vuurs uit. 8 De stemme des Heeren doet de woestijn beven, de Heere doet de woestijn Kades beven. 9 De stemme des Heeren doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in zijnen Tempel zegt hem een iegelijk: Eere! 10 De Heere heeft gezeten over den watervloed, ja, de Heere zit als Koning in eeuwigheid. 11 De Heere zal zijn volk sterkte geven, de Heere zal zijn volk zegenen met vrede. PSALM 30. Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. 2 Ik zal u verhoogen, Heere, want gij hebt mij opgetrokken, sn mijne vijanden over mij niet verblijd. 3 Heere mijn God, ik heb tot u geroepen, en gij hebt mij genezen. 4 Heere, gij hebt mijne ziele uit liet graf opgevoerd; gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald. 5 Psalmzingt den Heere, gij zijne gunstgenooten, en zegt lof ter gedachtenis zijner heiligheid. G Want een oogenblik is er in zijnen toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. 7 Ik zeide wel_in mijnen voorspoed : Ik zal niet wankelen in eeuwigheid, |
8 want, Heere, gij hadt mijnen berg door uwe goedgunstigheid vastgezet; maar toen gij uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt. 9 Tot u, Heere, riep ik, en ik smeekte tot den Heere: 10 Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal u het stof loven, zal het uwe waarheid verkondigen? 11 Hoor, Heere, en wees mij genadig; Heere, wees mij een helper. 12 Gij hebt mij mijne weeklage veranderd in een rei, gij hebt mijnen zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; 13 opdat mijne eere u psalm-zingenen niet zwijge. Heere, mijn God, in eeuwigheid zal ik u loven. PSALM 31. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 Op n, o Heere, betrouw ik: laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid, help mij uit door uwe gerechtigheid. 3 Neig uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot eenen sterken rotssteen, tot een zeer vast huis, om mij te behouden. 4 Want gij zijt mijne steenrots en mijn burg: leid mij dan en voer mij om uws naams wil: 5 doe mij uitgaan uit het neb dat zij voor mij verborgen hebben, want gij zijt mijne sterkte. 6 In uwe hand beveel ik mijnen geest; gij hebt mij verlost, Heere, gij God der waarheid. 7 Ik haat degenen die op val-sche ij delheden acht nemen, en ik betrouw op den Heere. 8 Ik zal mij verheugen en verblijden in uwe goedertierenheid., omdat gij mijne ellende hebt aangezien en mijne ziele in benauwdheden gekend, 9 en mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands: gij hebt mijne voeten doen staan in de ruimte. 10 Wees mij genadig, Heere, want mij is bang; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn© ziel en mijn buik; 11 want mijn leven is verteerd |
|
65S PSA] ran droefenis, en mijne jaren van znchten; raijne kracht is ver-vaJlen door mijne ongerechtig-lieid, en mijne beenderen zijn doorknaagd. 12 Vanwege alle mijne weder-partijders ben ik ook mijnen naburen grootelijks toteenen smaad geworden, en mijnen bekenden tot eenen strik; die mij op de «traten zien, vlieden van mij weg. 13 Ik ben uit het liarte vergeten als een doode: ik ben geven-den als een bedorven vat. 14 Want ik hoorde de nasprake van velen; vrees is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij beraadslagen; zij denken mijne ziele te nemen. 15 Maar ik vertrouw op n, o Heere, ik zeg: Gij zijt mijn God. 16 Mijne tijden zijn in uwe liand: red mij van de hand mijner vijanden en van mijne vervolgers. 17 Laat uw aangezicht over uwen knecht lichten, verlos mij door uwe goedertierenheid. 18 Heere, laat mij niet beschaamd worden, want ik roep u aan; laat de goddeloozen beschaamd worden, laat ze zwijgen in het graf. 19 Laat de valsche lippen stom â worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige in hoogmoed en verachting. 20 O hoe groot is uw goed dat gij weggelegd hebt voor degenen die u vreezen, dat gij gewrocht Jiebt voor dogenen die op u betrouwen, in de tegenwoordigheid der menschenkinderen! 21 Gij verbergt ze in het verborgene uws aangezichts voorde hoogmoedigheden des mans, gij versteekt ze in eene hut voor den twist der tongen. 22 Geloofd zij de Heere, want hij heeft zijne goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende oh in eene vaste stad. 23 Ik zeide wel in mijn haasten : Ik ben afgesneden van voor uwe oogen: dan nog hoordet gij de stemme mijner smeekingen als ik tot u riep. 24 Hebt den Heere lief, gij |
M 32. alle zijne gunstgenooten; want de Heere behoedt de geloovigen, en vergeldt overvloediglijk den-gene die hoogmoed bedrijft. 25 Zijt sterk, en hij zal ulieder harte versterken, gij allen die op den Heere hoopt. PSALM 32. Eene onderwijzing Davids. Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. 2 Welgelukzalig is de mensch dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. 3 Toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd in mijn brullen den ganschen dag; 4 want uwe hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. 5 Mijne zonde maakte ik u bekend, en mijne ongererhtigheid bedekte ik niet; ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere, en gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. G Hierom zal u een ieder heilige aanbidden in vindenstij d, ja, in eenen overloop van groöte wateren zullen zij hem niet aanraken. 7 Gij zijt mij eene verberging, gij behoedt mij voor benauwdheid, gij omringt mij met vroo-lijke gezangen van bevrijding. Sela. 8 Ik zal u onderwijzen, en u leeren van den weg dien gij gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. 9 Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel welke geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat liet tot u niet genake. 10 De goddelooze heeft vele smarten, maar die op den Heere vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen. 11 Verblijdt xi in de Heere en verheugt u rechtvaardigen, en zingt vrooLjk alle gij oprech» ten van harte. |
PSALM 33,34.
G5Ã
|
Gij rechtvaardigen, zingt vroo-lijk in den Heere, lof betaamt den oprechten. 2 Looft den Heere ra et de harp, psahnzingt met de luit en het tiensnarig instrument. 3 Zingt hem een nieuw lied; epeelt wel met vroolijk geschal. 4 Want des Heeren Woord is recht, en al zijn werk getrouw. 5 Hij gerichte van de Heeren. G Door liet Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir. 7 Hij vergadert de wateren der zee als eenen hoop, hij stelt de afgronden schatkameren. 8 Laat de gansche aarde voor den Heere vreezen, laat alle inwoners van de wereld voor hem schrikken. 9 Want hij spreekt en het is er, hij gebiedt en het staat er. 10 De Heere vernietigt den raad der heidenen, hij breekt de gedachten der volkeren. 11 Maar de raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht, 12 Welgelukzalig is het volk welks God de Heere is, het volk dat hij zich ten erve verkoren heeft. 13 De Heere schouwt uit den hemel en ziet alle menschcn-kinderen, f 14 hij ziet uit van zijne vaste woonplaats op alle inwoners der aarde: 15 hij formeert hun aller harte, hij let op alle hunne werken. lo Een Koning wordt niet behouden door een groot heir, een held wordt niet gered door groote kracht; 17 het paard feilt, ter overwinning, en bevrijdt niet door zijne groote sterkte. 18 Zie, des Heeren oog is over degenen die hem vreezen, op degenen die op zijne goedertierenheid hopen, PSALM 33. heeft gerechtigheid en lief; de aarde is vol goedertierenheid des |
19 om hunne ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger. 20 Onze ziel verbeidt den Heere: hij is onze hulp en ons schild: 21 want ons hart is in hem verblijd, opdat wij op den naam zijner heiligheid vertrouwen. 22 Uwe goedertierenheid. Heere, zij over ons, gelijk als wij op u hopen. PSALM 34. Een psalm Davids, als hij zijn gelaat veranderd had voor hot aangezicht van Abimélech, die hem wegjoeg dat hij doorging. 2 Aicf. ik zal den Heere loven te allen tijd, zijn lof zal ge-duriglijk in mijnen mond zijn. 3 Beth. Mijne ziele zal zich beroemen in den Heere, de zachtmoedigen zullen het hooren en verblijd zijn. 4 Gimel. Maakt den Heere met mij groot, en laat ons zijnen naam te zamen verhoogen. 5 Duleth. Ik heb den Heere gezocht, en hij heeft mij geantwoord en mij uit alle mijne vreezen gered. (5 Hé. Vau. Zij hebben op hem gezien, ja, hem als een waterstroom aangeloopen en hunne aangezichten zijn niet schaamrood ireworden. 7 Zain. Deze ellendige riep, en de Heere hoorde, en hij verloste hem uit alle zijne benauwdheden. 8 Cheth. De Engel des Heeren legert zich rondom degenen die hem vreezen, en rukt ze uit. 9 Teth. Smaakt en ziet dat de Heere goed is; welgelukzalig is de man die op hem betrcuwt. 10 Joel. Vreest den Heere, gij zijne heiligen; want die hem vreezen hebben geen gebrek. 11 Kaf. De jonge leeuwen lijden armoede en hongeren, maar die den Heere zoeken hebben geen gebrek aan eenig goed. 12 Lamed. Komt gij kinderen. |
amp;
|
6C0 P S A: hoort naar mij: ik zal u des Heeren vreeze leeren. 13 Mem. Wie is de man die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft om het goede te zien? 14 Nun. Bewaar uwe tong van het kwade, en uwe lippen van bedrog te spreken. 15 Samech. quot;Wijk af van het kwade en doe het goede, zoek den vrede en jaag dien na. 16 Ain. De oogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun geroep. 17 Pc. ^ Het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen, om hunne gedachtenis van de aarde uit te roeien. 18 Tsade. Zij roepen, en de Heere hoort, en hij redt ze uit alle hunne benauwdheden. 19 Kof. De Heere is nabij de gebrokenen van harte, en hij behoudt de verslagenen van geest. 20 Jiesch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit die alle redt hem de Heere. 21 Schin. Hij bewaart alle zijne beenderen, niet één daarvan wordt gebroken. 22 Thau. De boosheid zal den goddelooze dooden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden. 23 De Heere verlost de ziel zijner knechten; en allen die op hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden. PSALM 35. Een psalm David?. Twist, Heere, met mijne twisters, strijd met mijne bestrijders. 2 Grijp schild en rondas, en sta óp tot mijne hulpe, 3^ en breng de spies voort, en sluit den loeg toe, mijnen vervolgers tegemoet; zeg tot mijne ziel: Ik ben uw heil. 4 Laat ze beschaamd en te schande worden die mijne ziele zoeken, laat ze achterwaarts gedreven en schaamrood worden die kwaad tegen mij bedenken. 5 Laat ze worden als kaf voor den wind, en de Engel des Heeren drijve ze weg. |
M 35. 6 Hun weg zij duister en gansch slibberig, en de Engel des Heeren vervolge ze; 7 want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen, zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijne ziel. 8 De verwoesting overkome hem dat hij het niet weet, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hem zeiven; hij valle daarin met verwoesting. 9 Zoo zal mijne ziele zich verheugen in den Heere, zij zal vroolijk zijn in zijn heil. 10 Alle mijne beenderen zullen zeggen: Heere, wie is u gelijk, die den ellendige redt van dien die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijnen beroover. 11 Wrevelige getuigen staan op, hetgeen ik niet weeteischen zij van mij. 12 Zij vergelden mij kwaad voor goed, de berooving mijner ziel. 13 Mij daarentegen aangaande, als zij krank waren, was een zak mijn kleed, ik kwelde mijne ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijnen boezem. 14 Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware, ik ging gebukt in het zwart, als een die over zijne moeder treurt. 15 Maar als ik hinkte, waren zij verblijd en verzamelden zich, zij verzameiden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hunne kleederen, en zwegen niet stil. 16 Onder de huichelende spotachtige tafelbroêrs knersten zij over mij met hunne tanden. 17 Heere, hoe lang zult gij toezien? Breng mijne ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijne eenzame van de jonge leeuwen; 18 zoo zal ik u loven in de groote gemeente, onder machtig veel volks zal ik u prijzen. 19 Laat ze zich niet verblijden over mij, die mij om valsche oorzaken vijandig zijn; noch |
â
PSALM 36, 37.
6G1
|
wenken met de oogen, die mij zonder oorzaak haten. 20 Want zij epreken niet van vrede, maar zij bedenken bedrieglijke zaken tegen de stillen in den lande ; 21 en zij sperren hunnen mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien. 22 Heere, gij hebt het gezien, zwijg niet; Heere, wees niet verre van mij. 23 Ontwaak en word wakker tot mijn recht, mijn God en Heere, tot mijne twistzaak. 24 Doe mij recht naar uwe gerechtigheid, Heere mijn God, en laat ze zich over mij niet verblijden; 25 laat ze niet zeggen in hun harte: Heah, onze ziele! laat ze niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! 26 Laat ze beschaamd en te zamen schaamrood worden die zich in mijn kwaad verblijden, laat ze met schaamte en schande bekleed worden die zich tegen mij groot maken. 27 Laat ze vroolijk zingen en verblijd zijn die lust hebben tot mijne gerechtigheid, en laat ze geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de Heere, die lust heeft tot den vrede zijns knechts; 28 zoo zal mijne tong vermelden uwe gerechtigheid en uwen lof den ganschen dag. PSALM 36. Een psalm Davids, des knechts des Heeren, voor den opperzang-meester. 2 De overtreding des godde-loozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Daar is geen vreeze Gods voor zijne oogen. 3 Want hij vleit zichzelvenin zijne oogen, als men zijne ongerechtigheid bevindt, die te haten is. 4 De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog, hij laat lia_te verstaan tot weldoen. 5 Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op eenen weg die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. en igel |
6 O Heere, uwe goedertierenheid is tot in de hemelen, uwe waarheid tot de bovenste wolken toe; 7 uwe gerechtigheid is als de bergen Gods, uwe oordeelen zijn een groote afgrond: Heere, gij behoudt menschen en beesten. 8 Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God, dies de men-schenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. 9 Zij worden dronken van de vettigheid uws Huizes, en gij drenkt ze uit de beek uwer wellusten. 10 Want bij u is de fontein des levens; in uw licht zien wij het licht. 11 Strek uwe goedertierenheid uit over degenen die u kennen, en uwe gerechtigheid over de oprechten van harte. 12 De voet der hoovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddel oozen doen mij niet omzwerven. 13 Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen, zij zijn nedergestooten en kunnen niet weder opstaan. PSALM 37. Een psalm Davids. Alef. Ontsteek u niet over de boosdoeners, benijd ze niet die onrecht doen; 2 want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen. 3 Beth. Vertrouw op den Heere en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwigheid; 4 en verlustig u in den Heere, zoo zal hij u geven de begeerten uws harten. 5 Gimel. Wentel uwen weg op den Heere en vertrouw op hem: hij zal het maken, 6 en zal uwe gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag. 7 Daleth. Zwijg den Heere en verbied hem; ontsteek u niet over dengene wiens weg voorspoedig |
.
|
662 PS Al ia, over eenen man die listige aanslagen uitvoert. 8 Bé. Laat af van toorn en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet om kwaad te doen. 9 Want de boosdoeners ziülen uitgeroeid worden; maar die den Heeke verwachten, die zullen de aarde eriélijk bezitten. 10 Vau. En nog een wenig en de goddelooze zal er niet zijn, en gij zult achtnemen op zijne plaatse, maar hij zal er niet wezen. 11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grooten vrede. 12 Zain. De goddelooze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijne tanden: 13 de HEEREbelacht hem, want hij ziet dat zijn dag komt. 14 Chet. De goddeioozen hebben het zwaard uitgetrokken en hunnen boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten die oprecht van weg zijn; 15 maar hun zwaard zal in hun hart gaan, en hunne bogen zullen verbroken worden. 16 Telh. Het weinige dat de rechtvaardige heeft is beter dan de overvloed veler goddeioozen; 17 want de armen der goddeioozen zullen verbroken worden, maar de Heere ondersteunt de rechtvaardigen. 18 Jod. Do Heere kent de dagen der oprechten, en hunne erfenis zal in eeuwigheid blij ven. 19 Zij zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd. en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden. 20 Kaf. Maar de goddeioozen zullen vergaan, en de vijanden des Heeren zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lamineren; met den rook zullen zij verdwijnen. 21 Lamed. De goddelooze ontleent en geeft niet weder, maar de rechtvaardige ontfermt zich en geeft. 22 Want zijne gezegenden zul- |
M 37. len de aarde erfelijk bezitten, maar zijne vervloekten zullen uitgeroeid worden. 23 Mem De gangen diens mans worden van den Heere bevestigd, en hij heeft lust aan zijnen weg. 24 Als hij valt, zoo wordt hij niet weggeworpen, want de Heerb ondersteunt zijne hand. 25 Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. 2G Den ganschen dag ontfermt hij zich en leent, en zijn zaad ia tot zegening. 27 Sumech. Wijk af van het kwade en doe het goede, en woon in eeuwigheid. 28 Want de Heere heeft het recht lief, en zal zijne gunstge-nooten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard, maar het zaad der goddeioozen wordt uitgeroeid. 29 De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten en in eeuwigheid daarop wonen. 30 l'é. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijne tong spreekt het recht. 31 De wet zijns Gods is in zijn harte; zijne gangen zullen niet slibberen. 32 Tsade. De goddelooze loert op den rechtvaardige en zoekt hem te dooden: 33 maar de Heere laat hem niet in zijne hand, en hij verdoemt hem niet als hij geoordeeld wordt, 34 Kof. Wacht op den Heere en houdt zijnen weg, en hij zalu verhoqgen, om de aarde erfelijk te bezitten; en zult zien dat de goddeioozen worden uitgeroeid. 35 llcich. Ik heb gezien eenen gewelddrijvenden goddelooze, die zich uitbreidde als een groene inlandsche boom; 3ü maar hij ging door en zie, hij was er niet weer : en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden. 37 Schin. Let op den vrome en zie naar den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn. 38 Maar de overtreders worden te zamen verdelgd, het einde de? |
|
PSALI goddeloozen wcrdt uitgeroeid. 39 Thau. Docli liet heil der rechtvaardigen is van den Heere, hunne sterkte in tijd van benauwdheid ; 40 en de Heere zal ze helpen en zal ze bevrijden, hij zal ze bevrijden van de goddeloozen en zal ze behouden, want zij betrouwen op hem. PSALM 38. Een psalm Davids, om te doen gedenken. 2 O Heere, straf mij niet in uwen grooten toorn, en kastijd mij niet in uwe grimmigheid. 3 Want uwe pijlen zijn in mij gedaald, en uwe hand is op mij nedergedaald. _ 4 Daar is niets geheels in mijn vleesch vanwege uwe gramschap, daar is geen vrede in mij nebeen-deren vanwege mijne zonde. 5 Want mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. 6 Mijne etterbuilen stinken, zij zijn vervuild vanwege mijne dwaasheid. 7 Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen, ik ben den ganschen dag in het zwart. 8 Want mijne darmen zijn vol van verachtelijke plage, en daar is niets geheels in mijn vleesch. 9 Ik ben verzwakt en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruisch mijns harten. 10 Heere, voor u i? al mijne begeerte, en mijn zuchten is voor u niet verborgen. 11 Mijn hart keert om en om, mijne kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner oogen, ook zij zelve zijn niet bij mij. 12 Mijne liefhebbers en mijne vrienden staan tegenover mijne plage, en mijne nabestaanden staan van verre. 13 En die mijne ziel zoeken leggen mij strikken, en die mijn kwaad zoeken spreken verdervingen, en zij overdenken den ganschen dag listen. 14 Ik daarentegen ben als een |
38, 39. 663 doove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijnen mond niefe opendoet. 15 Ja, ik ben als een man die niet hoort, en in wiens mond geene tegenredenen zijn. 16 Want op u, Heere, hoop ik; gij zult verhoeren, Heere mijn God. 17 Wrant ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zoude wankelen, zoo zouden zij zich tegen mij groot maken. 18 Want ik ben tot hinken gereed, en mijne smart is steeds vóór mij. 19 Want ik maak u mijne ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijne zonde. 20 Maar mijne vijanden zijn levend, worden machtig, en die mij om valache oorzaken haten worden groot. 21 En die kwaad voor goed vergelden staan tegen mij, omdat ik net goede najaag. 22 Verlaat mij niet, o Heere, mijn God, wees niet verre van mij. 23 Haast u tot mijne hulpe, Heere, mijn heil. PSALM 39. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, voor J eduthun. 2 Ik zeide; Ik zal mijne wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijne tong; ik zal mijnen mond met eenen breidel bewaren, terwijl de goddelooze nog tegenover mij is. 3 Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijne emarte werd verzwaard. 4 Mijn harte werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijne overdenking. Toen sprak ik met mijne tong: 5 Heere, maak mij bekend mijn einde en welke de maat, mijner dagen zij, datikwetehoo vergankelijk ik ben. 6 Zie, gij hebt mijne dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor u; immer? is een ieder mensch, hoe vast hij staat, enkel ij delheid. Sela. |
PSALM 40.
664
|
7 Immers wandelt de mensch ah in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet wie het naar zich nemen zal. 8 En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hope, die is op u. 9 Verlos mij van alle mijne overtredingen ; stel mij niet tot een smaad des dwazen. 10 Ik ben verótomd, ik zal mijnen mond niet opendoen, want gij hebt het gedaan. 11 Neem uwe plage van op mij weg; ik ben bezweken van de bestrijding uwer hand. 12 Kastijdt gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zoo doet gij zijne bevalligheid smelten als eene mot; immers is een ieder mensch ijdelheid. Kela. 13 Hoor, Heere, mijn gebed, en neem mijn geroep ter oore; zwijg niet tot mijne tranen ; want ik ben een vreemdeling bij u, een bij woner, gelijk alle mijne vaders. 14 Wend u van mij af, dat ik mij verkwikke eer dat ik henen-ga en niet meer zij. PSALM 40. Davids psalm, voor den opper-zangmeester. 2 Ik heb den Heere lang verwacht, en hij heeft zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord; 3 en hij heelt mij uit een en rui-schenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijne voeten op eenen rotssteen gesteld, hij heeft mijne gangen vastgemaakt. 4 En hij heeft een nieuw lied in mijnen mond gegeven, eenen lofzang aan onzen God; velen zullen het zien, en vreezen, en op den Heere vertrouwen. 5 Welgelukzalig is de mandie den Heeiïe tot zijn vertrouwen «telt, en niet omziet naar de hoovaardigen en die tot leugen afwijken. 0 Gij, o Heere mijnGod,hebt uwe wonderen en uwe gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij u verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zoo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zonde kunnen vertellen. |
7 Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; gij hebt mij de ooren doorboord, brandoffer en zondoffer hebt gij niet ge-ei scht. 8 Toen zeide ik: Zie, ikkome; in de rol des boeks is van mij geschreven. 9 Ik heb lust, o mijn God, om uw welbehagen te doen, en uwe wet is in het midden mijns iu-gewands. 10 Ik boodschap de gerechtigheid in de groote gemeente; zie, mijne lippen bedwing ik niet; Heere, gij weet het. 11 Uwe gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; uwe waarheid en uw heil spreek ik uit; uwe weldadigheid en uwe trouw verheel ik niet in de groote gemeente. 12 Gij, o Heere, zult uwe barmhartigheden van mij niet onthouden; laat uwe weldadigheid en uwe trouw mij gedurig-lijk behoeden. 13 Want kwaden tot zonder getal toe hebben mij omgeven, mijne ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn harte heeft mij verlaten. 14 Het behage u, Heere, mij te verlossen; Heere, haast u tot mijne hulpe. 15 Laat ze te zamen beschaamd en schaamrood worden die mijne ziel zoeken om die te vernielen, laat ze achterwaarts gedreven worden en te schande worden die lust hebben naar mijn kwaad. 16 Laat ze verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Haha! 17 Laat in u vroolijk en verblijd zijn allen die u zoeken; laat de liefhebbers uws heilsgeduriglijk zeggen: de Heere zij groot gemaakt. 18 Tk ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; gij zijt mijne hulpe en mijn bevrijder; o mijn God, vertoef niet. |
â
PSALM 41, 42, 43.
665
|
PSALM 41. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 Welgelukzalig is hij die zich verstandiglijk gedraagtjegens een ellendige: de Heere zal hen bevrijden ten dage des kwaads. 3 De Heere zal hem bewaren en zal hem bij liet leven behouden, hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte. 4 De Heeke zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijne krankheid verandert gij zijn gansche leger. 5 Ik zeide: O Heere, wees mij genadig; genees mijne ziel,want ik heb tegen u gezondigd. G Mijne vijanden spreken kwaad van mij, zefjyenrle: Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan ? 7 En zoo^ iemand van hen komt om mij te zien, hij spreekt valsch-heid, zijn hart vergadert zich 1 onrecht: gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van. 8 Alle mijne haters mompelen te zamen tegen mij, zij bedenken tegen mij hetgene mij kwaad is, zeiigende: 9 Een belialsstuk kleeft hem aan; en hij die nederligt zal niet weder opstaan. 10 Zelfs de man mijns yredes, op wien ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grootelijks verheven. 11 Maar gij; o Heere, wees mij genadig en richt mij op, en ik zal het hun vergelden. 12 Hierbij weet ik dat gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen. 13 Want mij _ aangaande, gij onderhoudt mij in mijne oprechtheid, en gij stelt mij voor uw aangezicht m eeuwigheid. 14 Geloofd zij de Heere, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid, amen, ja, amen. PSALM 42. Eene onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. |
2 Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzóó schreeuwt mijne ziele tot u,o God. 3 Mijne ziele dorst naar God, naar den levenden God: wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? 4 Mijne tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, omdat zrij den ganschen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? 5 Ik gedenk daaraan, en stort mijne ziele uit in mij, omdat ik placht henen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods Huis, met eene stemme van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. 6 Wat buigt gij u neder, o mijne ziele, en zijt onrustig in mij ? Hoop op God, want ik zal hem nog loven voor de verlossingen zijns aangezichts. 7 O mijn God, mijne ziele buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik uwer uit het land van den Jordaan en den Hermon, uit het klein gebergte. 8 De afgrond roept tot den afgrond, bij liet gedruisch uwer watergoten; alle uwe baren en uwe golven zijn over mij henen-gegaan. 9 Maar de Heere zal des daags zijne goedertierenheid gebieden, en des nachts zal zijn lied bij mij zijn, het gebed tot den God mijns levens. 10 Ik zal zeggen tot God: Mijne steenrots, waarom vergeet gij mij ? Waarom ga ik in het zwart vanwege des vijands onderdrukking? 11 Met een doodsteek in mijne beenderen honen mij mijne wederpartij ders, als zij den ganschen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? 12 Wat buigt gij u neder, o mijne ziele, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal hem nog loven; hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God. PSALM 43. Doe mij recht, o God, en twist gij mijne twistzake; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van |
PSALM 44.
6C6
|
den man des bedrogs en des onrechts. 2 quot;Want gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot gij mij danf Waarom ga ik steeds in het zwart vanwege des vijands onderdrukking? 3 Zend uw licht en uwe waarheid, dat die mij leiden, dat zij mij brengen tot den berg uwer heiligheid en tot uwe woningen; 4 en dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en u met de harp love, o God, mijn God! 5 quot;Wat buigt gij u neder, o mijne ziele, en wat ziit gij onrustig in mij ? Hoop op God, want ik zal hem nog loven; hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God. PSALM 44. Eene onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 O God, wij hebben het met onze ooren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: gij hebt een werk gewrocht in hunne dagen, in de dagen van ouds. 3 Gij hebt de heidenen met uwe hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voort-schieten. 4 Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven, maar uwe rechterhanden uw arm en het licht uws aangezichts, omdat gij een welbehagen in hen hadt. 5 Gij zelf zijt mijn Koning, o â God: gebied de verlossingen Jakob,?. 6 Door u zullen wij onze wederpartij ders met hoornen stooten, in uwen naam zullen wij vertreden die tegen ons opstaan, 7 Want ik vertrouw niet op mijnen boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen; 8 maar gij verlost ons van onze wederpartij ders, en gij maakt onze haters beschaamd. |
9 In God roemen wij dengan-schen dag, en uwen naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela. 10 Maar nu hebt gij ons verstoeten en te schande gemaakt, dewijl gij met onze krijgsheiren niet uittrekt. 11 Gij doet ons achterwaarts keeren van den wederpartij der, en onze haters berooven ons voor zich. 12 Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en gij verstrooit ons onder de heidenen. 13 Gij verkoopt uw volk om ge ene waardij, en gij verhoogt hunnen prijs niet. 14 Gij stelt ons onzen naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen die rondom ons zijn. 15 Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot eene hoofdschudding onder de volken. 16 Mijne schande is den gan-schen dag vóór mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij, 17 om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en wraakgierige. 18 Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij u niet vergeten, noch valschelijk gehandeld tegen uw verbond. 19 Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van uw pad, 20 hoewel gij ons verpletterd hebt in eene plaats der draken, en ons met eene doodsschaduw bedekt hebt. 21 Zoo wij den naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid, 22 zoude God zulks niet onderzoeken? Want hij weet de verborgenheden des harten. 23 Maar om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood, wij worden geacht als slachtschapen. 24 Waak op. waarom zoudtgij slapen, # Heere ? Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. 25 Waarom zoudt gij uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten? 26 Want onze ziele is in het |
|
PSALS stof nedergebogen, onze buik kleeft aan de aarde. 27 Sta op, ons ter hulpe, en verlos ons om uwer goedertierenheid wil. PSALM 45. Eene onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzang-meester, onder de kinderen ran Korach, op sosannim. 2 Mijn hart geeft eene goede rede op; ik spreek mijne gedichten uit van eenen Koning; mijne tong is eene pen eens vaardigen sc-hrijvers. 3 Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen; genade is uitgestort op uwe lippen; daarom heeft u God gezegend in eeuwigheid. 4 Gord uw zwaard aan de heup, o held, uwe majesteit en uwe heerlijkheid; 5 en rijd voorspoediglijk in uwe heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachr-moedigheid; en uwe rechterhand zal u vreeselijke dingen leeren. 6 Uwe pijlen zijn scherp, volken zullen onder u vallen: zij treffen in het hart van des Ko-nings^ vijanden. 7 Uw troon, o God, is eeuwig en altoos, de schepter uws ko-ninkrijks is een schepter der rechtmatigheid; 8 gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid: daarom heeft; u, o God,_ uw God gezalfd met vreugde-olie boven uwemedege-nooten. 9 Alle uwe kleederen zijn mirre en aloë en kassia, uit de elpenbeenen paleizen, van waar zij u verblijden. 10 Dochters van Koningen zijn onder uwe kostelijke staatsdoch-teren; de Koningin staat aan uwe rechterhand, in het fijnste goud van Oiir. 11 Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor, en vergeet uw volk en uws vaders huis; 12 zoo zal de Koning lust hebben aan uwe schoonheid, dewijl hij uw Heer is, zoo buig u voor hem neder. |
: 45, 46. 667 13 En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk zullen uw aangezicht met geschenk smeeken. 14 Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig; hare kleeding is van gouden borduursel. 15 In gestikte kleederen zal zij tot den Koning geleid worden : de jonge dochteren die achter haar zijn, hare metgezellinnen, zullen tot u gebracht worden, 1G zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging, zij zullen ingaan in des Konings paleis. 17 In plaats van uwe vaderen zullen uwe zonen zijn, gij zult ze tot Vorsten stellen over de gansche aarde. 18 Ik zal uwen naam doen gedenken van elk geslacht tot geslacht: daarom zullen u de volken loven eeuwiglijk en altoos. PSALM 46. Een lied op alamoth, voorden opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 God is ons eene toevlucht en sterkte, hij is krachtiglijk bevonden eene hulpe in benauwdheden. 3 Daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde de aarde hare plaat:, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën: 4 laat hare wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen^ daveren door derzei ver verheffing. Sela. 5 De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Al-lerhoogsten. 6 God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen: God zal ze helpen in het aanbreken des morgenstonds. 7 De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich: hij verhief zijne stemme, de aarde versmolt. 8 De Heere der heirscharenis met ons, de God Jakobs is ons een hoog vertrek. Sela. 9 Komt, aanschouwt de daden |
PSALM 47, 48, 49.
GG8
|
des Heeren, die verwoestingen op aarde aanricht; 10 die de oorlogen doet opbonden tot aan het einde der aarde, den boog verbreekt en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt. 11 Laat af, en weet dat ik God ben: ik zal verhoogd worden onder de heidenen, ik zal verhoogd worden op de aarde. 12 De Heere der heirscharen is met ons, de God Jakobsis ons een hoog vertrek. Sela. PSALM 47. Een psalm, voor den opper-zangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Alle gi.i volken, klapt in de hand; juicht Godemeteenestem van vreugdegezang. 3 Want de Heere, de Allerhoogste, is vieeselijk, een groot Koning over de gansche aarde. 4 Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten. 5 Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid Jakobs, dien hij heeft liefgehad. Sela. 6 God vaart op met gejuich, de Heere met geklank der bazuin. 7 PsalmzingtGode, psalrazingt, psalmzingt onzen Koning, psalm-zingt. 8 Want God is een Koning der gansche aarde; psalmzingt met «ene onderwijzing. 9 God regeert over de heidenen; God zit op den troon zijner heiligheid. 10 De edelen der volken zijn verzameld tut het volk van den God Abrahams; want de schilden der aarde zijn Godes: hij is zeer verheven. PSALM 48. Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach. 2 De Heere is groot en zeer te prijzen in de stad onzes Gods, op den berg zijner heiligheid. 3 Schoon van gelegenheid,eene vreugde der gansche aarde is de berg Sion, aan de zijden van het |
Noorden, de stad des grooten Konings, 4 God is in hare paleizen, hij is er bekend voor een hoog vertrek. 5 Want zie, de Koningen waren vergaderd, zij waren te zamen doorgetogen: 6 geliik zij het zagen, alzoo waren zij verwonderd, zij werden verschrikt, zij haastten zich weg; 7 beving greep ze aldaar aan, smart als eener barende vrouw. 8 Met eenen oostenwind verbreekt gij de schepen van Tarsis. 9 Gelijk wij gehoord hadden, alzoo hebben wij gezien in de stad des Heeren der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela. 10 O God, wij gedenken uwer weldadigheid in het midden uws Tempels. 11 Gelijk uw naam is, o God, alzoó is uw roem tot aan de einden der aarde; uwe rechterband is vol van gerechtigheid. 12 Laat do berg Sion blijde zijn, laat de dochteren van Juda zich verheugen om uwer oordeelen wille. 13 Gaat rondom Sion en omringt haar; telt hare torens; 14 zet uw harte op hare vesting; beschouwt onderscheidenlijk hare paleizen, opdat gij het den navolgenden geslachte vertelt. 15 Want deze God is onze God eeuwig en altoos, hij zal ons geleiden tot den dood toe. PSALM 49. Een psalm, voor den opperzang-meester, onder de Kinderen van Korach. 2 Hoort dit, alle gij volken; neemt ter ocren, alle inwoners der wereld; 3 zoowel geringen als aanzienlijken, te zamen rijk en arm. 4 Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn. 5 Ik zal mijn oor neigen tot eene spreuke, ik zal mijne verborgene rede openen op de harp. i 6 Waarom zoude ikvreezenin |
PSALM 50.
CG9
|
kwade dagen, ah de ongerecht,i-gen, die mij op de hielen z^jn, mij omringen? 7 Aangaande degenen die op hun goed vertrouwen en op de veelheid huns rijkdoms roemen, 8 niemand van hen zal zijnen broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven, 9 (want de verlossing hunner ziele is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden), 10 dat hij ook voortaan gedu-riglijk zoude leven en de verderving niet zien. 11 Want hij ziet dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed aan anderen nalaten. 12 Hunne binnenste gedachte is, dat hunne huizen zullen zijn in eeuwigheid, hunne woningen van geslacht tot geslacht, zij noemen de landen naar hunne namen. 13 De mensch nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten die vergaan. 14 Deze hun weg is eene dwaasheid van hen: nochtans hebben hunne nakomelingen een welbehagen in hunne woorden. Sela. 15 Men zet ze als schapen in het graf, de dood zal ze afweiden; en de oprechten zullen over hen heerschen in dien morgenstond; en het graf zal hunne gedaante verslijten, elk uit zijne woning. 10 Maar God zal mijne ziele van het geweld des grafs verlossen, want hij zal mij opnemen. Sela. 17 Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eere van zijn huis groot wordt; 18 want hij zal in zijn sterven nietmetal medenemen, zijne eere zal hem niet nadalen. 19 Hoewel hij zijne ziele in zijn leven# zegent, en zij u loven omdat gij uzelven goed doet, 20 zoo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot. in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. 21 De mensch die in waarde is en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten die vergaan. |
PSALM 50. Een psalm Asafs. De God der goden, de Heere spreekt, en roept de aarde van den opgang der zon tot aan haren ondergang. 2 Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. 3 Onze God zal komen en zal niet zwijgen: een vuur voor zijn aangezicht zal verteren, en rondom hem zal het zeer stormen. 4 Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om zijn volk te richten. 5 Verzamelt mij mijne gunst» genooten, die mijn verbond maken met offerande. 6 En de hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, want God zelf is Rechter. Sela. 7 Hoor, mijn volk, en ik zal spreken; Israël, en ik zal onder u betuigen; ik God, ben uw God. 8 Om uwe offeranden zal ik u niet straffen, want uwe brand-offeren zijn steeds vóór mij. 9 Ik zal uit uw huis geenen var nemen, noch bokken uit uwe kooien; 10 want al het gedierte des wouds is mijn, de beesten op duizend bergen; 11 ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij mij. 12 Zoo mij hongerde, ik zoude het u niet zeggen, want mijne is de wereld en hare volheid. 13 Zoude ik stierenvleesch eten of bokkenbloed drinken? 14 Offer Gode dank, en betaal den Allerhoogste uwe geloften. 15 En roep mij aan in den dag der benauwdheid: ik zal er u uithelpen, en gij zult mij eeren. 1G Maar tot den goddelooze zegt God: Wat hebt gij mijne inzettingen te vertellen, en neemt mijn verbond in uwen mond, 17 dewijl gij de kastijding haat en mijne woorden achter u he-nenwerpt? 18 Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers. |
|
670 PSAL] » U wen mond steekt gij in het kwade en uwe tong koppelt bedrog. 20 Gij zit, gij spreekt tegen nwen broeder, tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit. 21 Deze dingen doet gij, en ik zwijg; gij meent dat ik ten eenen-male ben gelijk gij: ik zal u straffen, en zal het ordelijk voor uwe oogen stellen. 22 Verstaat dit toch, gij godvergetenden, opdat ik niet ver-scheure en niemand redde. 23 Wie dank offert, die zal mij eeren; en wie zijnen weg tcèl aanstelt, dien zal ik Gods heil doen zien. PSALM 51. Een psalm Davids, voor den opperzai i gmeester, 2 toen de Profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathséba was ingegaan. 3 Wees mij genadig, o God, naar uwe goedertierenheid; delg mijne overtredingen uit, naar de grootheid uwer barmhartigheden. 4 Wasch mij wel van mijne ongerechtigheid, en reinig mij van mijne zonde. 5 Want ik ken mijne overtredingen, en mijne zonde is steeds voor mij. 6 Tegen u, u alleen heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in uwe oogen; opdat gij rechtvaardig zijt in uw spreken en rein zijt in uwe richten. 7 Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen. 8 Zie, gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt gij mij wijsheid bekend. 9 Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. 10 Doe mij vreugde en blijdschap hooren: dat de beenderen zich verheugen Jie gij verbrijzeld hebt. 11 Verberg uw aangezicht van mijne zonden, en delg uit alle mijne ongerechtigheden. |
[ 51, 32. 12 Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij eenen vasten geest. 13 Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uwen heiligen Geest niet van mij. 14 Geef mij weder de vreugde uws heils; en de vrijmoedigo geest ondersteune mij. 15 Zoo zal ik de overtreders uwe wegen leeren, en de zondaars zullen zich tot u bekeeren. 16 Verlos mjj van bloedschulden, o God, gij God mijns heils; zoo zal mijne tong uwe gerechtigheid vroolijk roemen. 17 Heere, open mijne lippen, zoo zal mijn mond uwen lof verkondigen. 18 Want gij hebt geen lust tot offerande, anders zoude ik ze geven ; in brandofferen hebt gij geen behagen. 19 De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult gij, o Godr niet verachten. 20 Doe wel bij Sion naar uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op. 21 Dan zult gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer dat gansch verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op uw altaar. PSALM 52. Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeester, 2 als Doëg de Edomiet gekomen was. en Saul te kennen gegeven en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimélech. 3 Wat beroemt gij u in het kwade, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag. 4 Uwe tong denkt enkel schade, als een geslepen scheermes, werkende bedrog. 5 Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen dan gerechtigheid te spreken. Sela. 6 Gij hebt lief alle woorden van verslinding en eene tong des bedrogs. |
PSALM 53, 54, ö5
071
|
7 God zal u ook afbreken in eeuwigheid, hij zal u wegrapen en u nit de tent uitrukken, ja, hij zal u ontwortelen uit het land der levenden. Sela. 8 En de rechtvaardigen zullen het zien en vreezen; en zij zui len over hem lachen, zengende: 9 Zie den man die God niet stelde tot zijne sterkte, maar vertrouwde op de veelheid ziins rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. 10 Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods Huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. 11 Ik zal u loven in eeuwig-heid, omdat gij het gedaan hebt; en ik zal uwen naam verwachten, want hij is goed voor uwe gunet-genooten. PSALM 53. Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeester, op mahalath. 2 De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God; zij verderven het en zij bedrijven gruwelijk onrecht; daar is niemand die goed doet. 3 God heeft iiit den hemel nedergezien op de menschen-kinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht: 4 een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, daar is niemand die goed doet, ook niet één. 5 Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan. 6 Aldaar zijn ze met vervaardheid vervaard geworden, waar geene vervaardheid was; want God heeft de beenderen des-genen die u belegerde verstrooid; gij hebt ze beschaamd gemaakt, want God heeft ze verworpen. 7 Och dat Israels verlossingen uit Sion kwamen I Als God de gevangenen zijns volks zal doen wederkeeren, clan zal zich Jakob verheugen, Ismël zal verblijd zijn. |
PSALM 54. Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeester, op de neginoth, 2 als de Ziiiten gekomen waren en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons? 3 O God, verlos mij door uwen, naam, en doe mij recht door uwe macht. 4 O God, hoor mijn gebed, neig de ooren tot de redenen mijns monds. 5 Want vreemden staan tegen mij op, en tyrannen zoeken mijne ziele; zij stellen God niet voor hunne oogen. Sela. 6 Zie, God is mij een helper, de Heere is onder degenen die mijne ziel ondersteunen. 7 Hij zal dit kwaad aan mijne verspieders vergelden; roei ze uit dour uwe waarheid. 8 Ik zal u met vrijwilligheid offeren, ik zal uwen naam, o Heere, loven, want hij is goed. )) quot;Want hij heeft mij gered uit alle benauwdheid, en mijn oog heeft gezien op mijne vijanden. PSALM 55. Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeester, op de neginoth. 2 O God, neem mijn gebed ter ooren, en verberg u niet voor mijne smeeking. 3 Merk op mij en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn© klacht en maak getier, 4 om den roep des vijands, vanwege de beangstiging de? goddeloozen: want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. 5 Mijn hart krimpt weg in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen. 6 Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij ; 7 zoodat ik zeg: Och dat mij iemand vleugelen als eener duive gave: ik zoude henenvliegen waar ik blijven mocht; 8 zie, ik zoude ver wegzwerven. |
|
672 PS AI ik zonde vernacliten in de woestijn. Sela. 9 Ik zoude haasten, dat ik ontkwame van den drij venden wind, van den storm. 10 Verslind ze, Heere, deel hunne tong; want ik zie wrevel en twist in de stad. 11 Dag en nacht omringen zij haar op hare muren; en onge-rechtigheid en overlast is binnen in haar. 12 Enkel verderving is binnen in haar, en list en bedrog wijkt niet van hare straat. 13 Want het is geen vijand die mij hoont, anders zoude ik het hebben gedragen: het is mij n hater niet die zich tegen mij groot maakt, anders zoude ik mij voor hem verborgen hebben: 14 maar gij zijt het, o mensch als van mijne waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende; 15 wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk beraadslaagden; wij wandelden in gezelschap ten Huize Gods. 16 Dat hen de dood als een schuldeischer overvalle, dat zij levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hunne woning, in het binnenste van hen. 17 Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de Heere zal mij verlossen. 18 's Avonds en 's morgens en 's middags zal ik klagen en getier maken, en hij zal mijne stem hooren. 19 Hij heeft mijne ziele in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigten zijn zij tegen mij geweest. 20 God zal hooren, en zal ze plagen, ale die van ouds zit. Sela, dewijl bij hen gansch geene verandering is en zij God niet vreezen. 21 Hij slaat zijne handen aan degenen die vrede met hem hadden, hij ontheiligt zijn verbond. 22 Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijne woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn bloote zwaarden. |
M 53. 23 Werp uwe zorg op den Heere, en hij zal u onderhouden; hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de rechtvaardige wankele. 24 Maar gij, o Ood, zult die doen nederdalen in den put des verderfs, de mannen des bloede en bedrogs zullen hunne dagen niet ter helfte torengen; ik daarentegen zal op u vertrouwen. PSALM 56. Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, op jonath elem rehokim, als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. 2 Wees mij genadig, o God, want de mensch zoekt mij op te slokken; den ganschen dag dringt mij de bestrijder. 3 Mijne verspieders zoeken mij den ganschen da££ op te slokken; want ik heb ATele bestrijders, o Allerhoogste. 4 Ten dage ah ilc zal quot;vreezen, zal ik op u vertrouwen. 5 In God zal ilc zijn. Woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vreezen; wat zoude mij vleesch doen? G Den ganschen dag verdraaien zij mijne woorden ; alle hunne gedachten zijn tegen mij ten kwade. 7 Zij rotten te zamen, zij versteken zich; z:.j passen op mijne hielen, als die op mij ne ziele wachten. 8 Zouden zij om /«inme ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God, 9 Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijne tranen in uwe ilesch; zijn ze niet in mv register? 10 Dan zullen mijne vijanden achterwaarts keeren ten dage als ik roepen zal. Dit weet ik dat God met mij i.3. 11 In God zal ik heb Woord prijzen, in den Heere zal ik het Woord prijzen. 12 Ik vertrouw op Gocl, ik zal niet vreezen: wat zoude mij de mensch doen? 13 O God, op mij zijn uwe |
PSALM 57, 58. 59.
673
|
geloften; ik zaludankzeggingen vergelden. 14 Want gij hebt mijne ziel gered van den dood: ook niet mijne voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? PSALM 57. Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, al-tasheth, als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk. 2 Wees mij genadig, o God, wees mij genadig, want mijne ziele betrouwt op u, en ik neem mijne toevlucht onder de schaduw uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan. 3 Ik zal roepen tot God den Allerhoogste, tot God, die het aan mij voleindigen zal. 4 Hij zal van den hemel zenden en mij verlossen, te schande makende dengenen die mij zoekt op te slokken. Sela. (ïod zal zijne goedertierenheid en zijne waarheid zenden. 5 Mijne ziel is in het midden der leeuwen; ik lig stokebranden, menschenkinderen welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hunne tong een scherp zwaard. 6 Yerhef u boven de hemelen, o God; uwe eere zij over de gansche aarde. 7 Zij hebben een net bereid voor mijne gangen, mijne ziel was nedergebukt; zij hebben eenen kuil voor mijn aangezicht gegraven: zij zijn er midden in gevallen. Sela. 8 Mijn harte is bereid, o God, mijn harte is bereid; ik zal zingen en psalmzingen. 9 Waak óp mijne eere, waak op gij luit en harp, ik zal in den dageraad opwaken. 10 Ik zal u loven onder de volken, o Heere, ik zal u psalmzingen onder de natiën; 11 want uwe goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en n we waarheid tot aan de bovenste wolken. |
12 Verhef u boven de hemelen, ' o God; uwe eere zij over de gansche aarde. PSALM 58. Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, al-tasheth. 2 Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij menschenkinderen ? 3 Ja^ gij werkt ongerechtigheden in het hart, gij weegt het geweld uwer handen op de aarde. 4 De goddeloozen zijn vervreemd van de baarmoeder af; de leugensprekers dolen van moeders schoot aan. 5 Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangen-â¼enijn, zij zijn als eene doove adder, die haar oor toestopt, 6 opdat zij niet hoore naar de stem der belezers, desgenen die ervaren is met bezweringen om te gaan. 7 God, verbreek hunne tanden in hunnen mond, breek af de baktanden der jonge leeuwen, o Heere. 8 Laat zo smelten als water, laat ze daarhenen drijven; legt hij zijne pijlen aan, laat ze zijn alsof ze afgesneden waren. 9 Laat hij henengaan als eene smeltende slak; laat ze, als eener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen. 10 Eer dan uwe potten den doornstruik gewaarworden, zal hij hem, als levend, als in hee-ten toorn wegstormen. 11 De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wrake aanschouwt, hij zal zijne voeten wasschen in het bloed des goddeloozen. 12 En de mensch zal zeggen: Immers is er f vrucht voor den rechtvaardige, immers is er een God die op de aarde richt. PSALM 59. Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, al-tayheth, toen Saul gezonden had die zijn huis bewaren zouden, om hem te dooden. |
22
PSALM 60.
674
|
2 Eed mij van mijue vijanden, o mijn God; stel mij in een hoog vertrek voor degenen die tegen mij opstaan. 3 Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.^ 4 Want zie, zij leggen mijner ziele lagen, sterken rotten zich tegen mij: zonder mijne overtreding en zonder mijne zonde, o Heere. 5 Zij loopen en bereiden zich zonder mijne misdaad; -waak óp, mij tegemoet, en zie. G Ja, gij Heeue, God derheir-scharen. God Israels, ontwaak om alle deze heidenen te bezoeken : wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela. 7 Tegen den avond keeren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad. 8 Zie, zij storten overvloedig-lijk uit met hunnen mond, zwaarden zijn op hunne lippen; want wie hoort het? 9 Maar gij, Heere, zult ze be-lachen, gij zult alle heidenen bespotten. 10 Tegen zijne sterkte zal ik op u wachten, want God is mijn hoog vertrek. 11 De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijne verspieders doen zien. 12 Dood ze niet opdat mijn volk het niet vergete; doe ze omzwerven door uwe macht, en werp ze neder, o Heere, ons schild: 13 om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat ze gevangen worden in hunnen hoogmoed, en om den vloek en om de leugen die zij vertellen. 14 Verteer ze in grimmigheid, verteer ze dat zij er niet zijn, en laat ze weten dat God heerscher is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela. 15 Laat ze dan tegen den avond wederkeeren, laat ze tieren als een hond, en rondom de stad gaan; 16 laat ze zelfs omzwerven om |
spijze; en laat ze vernachten, al zijn ze niet verzadigd. 17 Maar ik zal uwe sterkte zingen, en des morgens uwe goedertierenheid vroolijk roemen, omdat gij mij een hoog vertrek zij t geweest, en eene toevlucht ten dage als mij bange was. 18 Van u, o mijne sterkte, zal ik psalmzingen; want God is mijn hoog vertrek, de God mijner goedertierenheid. PSALM CO. Een gouden kleinood Davids tot leering, voor den opperzang-meester, op susan eduth, 2 als hij gevochten had met do Syriërs van Mesopotamië en met de Syriërs van Zoba, en Joab wederkwam en de Edomiten sloeg in het Zoutdal, twaalfduizend. 3 O God, gij hadt ons verstoeten, gij hadt ons gescheurd, gij zijt toornig geweest: keer weder tot ons. 4 Gij hebt het land geschud, gij hebt het gespleten: genees zijne breuken, want het wankelt. 5 Gij hebt uw volk eene harde zake doen zien: gij hebt ons gedrenkt met zwijmel wijn. 6 Maar nu hebt gij dengenen die u vreezen eene banier gegeven, om die op te heften vanwege de waarheid. Sela. 7 Opdat uwe beminden zouden bevrijd worden, geef heil door uwe rechterhand en verhoor ons. 8 God heeft gesproken in zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen: ikzalSichemdeelen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten; 9 Gileac is mijn, en Manasse ⢠is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds, Juda is mijn wetgever ; 10 Moab is mijn waschpot; op Edom zal ik mijn schoen werpen ; juich over mij,^o gij Palestina ! 11 Wie zr-1 mij voeren in eene vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom? 12 Zult gij het niet zijn, o God, die ons verstoeten hadt, en niet |
.
|
PSALM iiittoogt, o God, met onze lieir-krachten ? 13 Geef gij ons hulp uit de benauwdheid, want 's menamp;chen heil is ij delheid. 14 In God zullen wij kloeke daden doen, en hij zal onze wederpartij ders vertreden. PSALM 61. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op de neginath. 2 O God, hoor mijn gesel)rei, geef acht op mijn gebed. 3 Van het einde des lands roep ik tot u, als mijn harte overstelpt is; leid mij op eenen rotssteen, die mij te hoog zoude zijn. 4 Want gij zijt mij eene toevlucht geweest, een sterke toren voor den vijand. 5 Ik zal in uwe hut verkeeron in eeuwigheden; ik zal mijne toevlucht nemen in het verborgene uwer vleugelen. Sela. G Want gij, o God, hebt gehoord naar mijne geloften, gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen die uwen naam vreezen. 7 Gij zult dagen tot des Ko-nings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; 8 hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat ze hem behoeden. 9 Zoo zal ik uwen naam psalmzingen in eeuwigheid, opdat ik mijne geloften betale, dag bij dag. PSALM 62. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, over Jeduthun. 2 Immers is mijne ziele stil tot God; van hem is mijn heil. 3 Immers is hij mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek, ik zal niet grootelij ks wankelen. 4 Hoe lang zult gij lieden kwaad aanstichten tegen eenen man ? Gij allen zult gedood worden, gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestooten muur. 5 Zij beraadslagen slechts om hem van zijne hoogheid te ver-etooten; zij hebben behagen in 61, 62, G3. 675 |
leugen; met hunnen mond zegenen zij, maar met hun binnenste vloeken zij. Sela. _ 6 Doch gij, o mijne ziel, zwijg Gode; want van hem is mijne verwachting. 7 Hij is immers mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek, ik zal niet wankelen. 8 In God is mijn heil en mijn eere; de rotssteen mijner sterkte, mijne toevlucht is in God. 9 Vertrouwt op hem te aller tijd, o gij volk; stort ulieder hart uit voor zijn aangezicht; God is ons eene toevlucht. Sela. 10 Immers zijn de gemeene lieden ijdelheid. de groote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij te zamen lichter zijn dan de ijdelheid. 11 Vertrouwt niet op onderdrukking noch op rooverij ; wordt niet ijdel als het vermogen overvloedig aanwast, zet er het harte niet op. 12 God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord : dat de sterkte Godes is. 13 En de goedertierenheid, o Heere, is uwe; want gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk. PSALM 63. Een psalm Davids, als hij was in de woestijn van Juda. 2 O God, gij zijt mijn God, ik zoek u in den dageraad; mijne ziel dorst naar u, mijn vleesch verlangt naar u, in een land, dor en mat zonder water. 3 Voorwaar, ik heb u in het heiligdom aanschouwd, ziende uwe sterkheid en uwe eere; 4 want uwe goedertierenheid is beter dan het leven; mijne lippen zouden u prijzen. o Alzoo zoude ik u loven in mijn leven, in uwen naam zoude ik mijne handen opheffen. 6 Mijne ziel zoude als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zoude roemen met vroolijk zingende lippen. 7 Als ik uwer gedenk op mijne legerstede, zoo peins ik aan u in de nachtwaken. |
|
m PSAL3 8 Want gi.i zi.it mij eenehulpe geweest, en in de schaduw uwer vleugelen zal ik vroolijk zingen. 9 Mijne ziele kleeft u achteraan, uwe rechterhand ondersteunt mij. 10 Maar deze, die mijne ziel moeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde; 11 men zal ze storten doorliet geweld des zwaards; zij zullen den vossen ten deel worden. 12 Maar de Koning zal zich in God verblijden, een iegelijk die hij hem zweert zal zich beroemen, want de mond der leugensprekers zal gestopt worden. PSALM G4. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 Hoor, o God, mijne stemme in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik. 3 Verberg mij voor denheime-lijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid, 4 die hunne tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hunnen pijl, 5 om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten: haastig schieten zij naar hem, en vreezen niet. 6 Zij sterken zich zelve in eene booze zaak; zij houden sprake van strikken te verbergen; zij zeggen: quot;Wie zal ze zien? 7 Zij doorzoeken allerlei schalkheid, ten uiterste doorzoeken zij wat te doorzoeken is, zelfs het binnenste eens mans en het diepe hart. 8 Maar God zal ze haastig met een pijl schieten, hunne plagen zijn er; 9 en hunne tong zal ze doen aanstooten tegen zich zelve; een ieder die ze ziet zal zich wegpakken ; 10 en alle menschen zullen vreezen, en Gods werk verkondigen, en zijn doen verstandig-lijk aanmerken. 11 De rechtvaardige zal zich verblijden in den Heere, en op : 64, 65. |
hem betrouwen: en alle oprechten van harte zullen zich beroemen. PSALM 65. Een psalm Davids, een lied, voor den opperzangmeester. 2 De lofzang is in stilheid tot u, o God, in Sion; en u zal de gelofte betaald worden. 3 Gij hoort het gebed, tot u zal alle vleesch komen. 4 Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent gij. 5 Welgelukzalig is hij dien gij verkiest en doet naderen, dat hij wone in uwe voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goede van uw huis, met het heilige van uw paleis. 6 Vreeselijke dingen zult gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils, o vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee. 7 Die de bergen vast zet door zijne kracht, omgord zijnde met macht. 8 Die het bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken. 9 En die op de einden wonen, vreezen voor uwe teekenen; gij doet de uitgangen 's morgens en 's avonds juichen. 10 Gij bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt giji het grootelijks; de rivier Gods is vol water; wanneer gij het alzoo bereid hebt, maakt gij hunlied er koren gereed. 11 Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken ; gij doet ze dalen in zijne voren; gij maakt het week door de droppelen; gij zegent zijn uitspruitsel. 12 Gij kroont het jaar uwer goedheid, en uwe voetstappen druipen van vettigheid; 13 zij bedruipen de weiden der woestijn, en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. 14 De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koorn; zij juichen, ook zingen ze. |
|
PSALM ïeiie- PSALM 66. Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij gansche aarde, lied, 2 Psalmzingt de eere zijns naams, geeft eere zijnen lot', id tot 3 Zegt tot God: Hoe vreeselijk al de zijt gij in nwe werken! Om de grootheid uwer sterkte zullen tot u zich uwe vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen. idden 4 De gansclie aarde aanbidde quot;onze u en psalmzinge u, zij psalmgij. zinge uwen naam. Sela. en gij 5 Komt en ziet Gods daden : at hij hij is vreeselijk van werking aan ; wij de menschenkinderen. it het _ 6 Hij heeft de zee veranderd ; hei- in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar It gij hebben wij ons in hem verblijd, rden, 7 Hij heerscht eeuwiglijk met iwen zijne macht; zijne oogenhouden i der wacht over de heidenen: laat de afvalligen niet verhoogd worden, door Sela. met 8 Looft, gij volken, onzen God, en laat hooren de stemme zijns eeën roems: Iven, 9 die onze ziele in het leven stelt, en niet toelaat dat onze men, voet wankele. ; gij 10 Want gij hebt ons beproefd, is en o God, gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert; 1, en 11 gij hadt ons in het net ge lakt, bracht, gij hadt eenen engen i; de band om onze lendenen gelegd; «van- 12 gij hadt den mensch op ons lebt, hoofd doen rijden, wij waren in ge- het vuur en in het water gekomen, maar gij hebt ons uitge-egde voerd in eene overvloeiende veralen versching. het 13 Ik zal met brandotferen in ze- uw Huis gaan, ik zal u mijne geloften betalen, iwer 14 die mijne lippen hebben ge-gt;pen uit en mijn mond heeft uitgesproken als mij bange was. i der 15 Bramdofferen van mergbees- zijn ten zal ik u ofte ren, met rook-werk van rammen; ik zal runmet deren met bokken bereiden, lekt Sela. zin- ^16 Komt, hoort toe, o gij allen die God vreest; en ik zul ver-6G, 67, 08. Ã7: |
tellen wat hij aan mijne zielt gedaan heeft. 17 Ik riep tot hem met mijner mond, en hij werd verhoogd onde. mijne tong. 18 Had ik naar ongerechtigheid met mijn harte gezien, de IIeeite zoude niet gehoord hebben. 19 Maar zeker. God heeft gehoord, hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds. 20 Geloofd zij God, die mijr gebed niet heeft afgewend, nocl zijne goedertierenheid van mij, PSALM 67. Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de ncgi-noth. 2 God zij ons genadig en zegene ons; hij doe zijn aanschijn aan ons lichten. Sela, 3 opdat men op de aarde uwen weg kenne, onder alle heidenen uw heil. 4 De volken zullen u, o God. loven, de volken altemaal zullen u loven. 5 De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat gij de volken zult richten in rechtmatigheid ; en de natiën op de aarde, die zult gij leiden. Sela. 6 De volken zullen u, o God. loven, de volken altemaal zullen u loven. 7 De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. 8 God zal ons zegenen; enalle einden der aarde zullen hem vreezen. PSALM 68. Een psalm, een lied Davids, voor den opperzangmeester. 2 God zal opstaan, zijne vijanden zullen verstrooid worden, en zijne haters zullen van zijn aangezicht vlieden. 3 Gij zult ze verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddeloozen vergaan van Gdds aangezicht. 4 Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor GocU |
i
PSALM 68.
678
|
aangezicht, en van blijdscliap vroolijk zijn. 5 Zingt Gode, psalnizingt zijnen naam; hoogt de wegen voor hem die in de vlakke velden rijdt, omdat zijn naam is Heere; en springt op van vreugde voor zijn aangezicht. 6 Hij is een vader der weezen en een rechter der weduvren, G9d, in de woonstede zijner heiligheid; 7 een God, die de eenzamen zet in een huisgezin, voert uit die in de boeien gevangen zijn, maar de afvalligen wonen in het dorre. 8 O God, toen gij voor het aangezicht uws volks uittoogt, toen gij daarhenen traadt in de woestijn, Sela, 9 daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn, zelf* deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël. 10 Gij hebt zeer milden_regen doen druipen, o God, en gij hebt uwe erfenis gesterkt als zij mat was geworden. 11 Uw hoop woonde daarin; gij bereiddet ze door uwe goedheid voor den ellendige, o God. 12 De Heere gaf te spreken; der^ boodschappers van goede tijdingen was eene groote heir-schare. 13 De Koningen der heirscha-ren vloden weg, zij vloden weg, en zij die te huis bleef deelde den roof uit. 14 Al laagt gijlieden tusschen twee rijen van steenen, zoo ziilt gij toch ^ worden ah vleugelen eener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geel goud. 15 Als de Almachtige de Koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon. 16 De berg Basan is een berg Gods, de berg Basan is een bultige berg. 17 Waarom springt gij op, gij bultige bergen ? Dezen berg heeft God begeerd tot zijne woning, ook zal er de Heere wonen in eeuwigheid. 18 Gods wagenen zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onderhen, een Sinaï in heiligheid. |
19 Gij zijt opgevaren in de hoogte; gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen, ja, ook de wederhoorigen om 6yu te wonen, o Heere God. 20 Geloofd zij de Heere, dag bij dag overlaadt hij ons. Die God j's onze zaligheid. Sela. 21 Die God is ons een God van volkomene zaligheid; en bij den Heere, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood. 22 Voorzeker zal God den kop zijner vijanden verslaan, _ den harigen schedel desgenen die in zijne schuld wandelt. 23 De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan, ik zal wederbrengen uit de diepten der zee, 24 opdat gij uwen voet, ja, de tong uwer honden moogt steken in het bloed^ van de vijanden, van een iegelijk van hen. 25 O Grod, zij hebben uwe gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom. 2G De zangers gingen vóór, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden. 27 Looft God in de gemeenten, den Heere, gij die zijt uit de springader Israels. 28 Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerschte, de Vorsten van Juda met hunne vergadering, de Vorsten van Zebu-lon, de Vorsten van Naftali. 20 Uw God heeft uwe sterkte geboden: sterk, o God, wat gij aan ons gewrocht hebt. 30 Om uws Tempels wille te Jeruzalem zullen u de Koningen geschenk toebrengen. 31 Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren, met de kalveren der volken; en dengenen die f zich onderwerpt met stukken zilver; hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. 32 Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte, Moorenland |
|
zal zich haasten zijne Landen tot God uit te strekken. 33 Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere, Sela, 34 hem die rijdt in den hemel der hemelen, die van ouis is; zie, hij geeft zijne stem, eene stemme der sterkte. 35 Geeft Gode sterkte: zijne hoogheid is over Israël, en zijne sterkte in de bovenste wolken. 36 O God, gij zijt vreeamp;elijk uit ivwe heiligdommen; de God Israels, die geeft het volk sterkte en krachten. Geloofd zij God. PSALM C9. Een psalm Davids voor den opperzangmeester, op sosannim. 2 Verlos mij, o God, want de wateren zijn gekomen tot aan do ziel. 3 Ik ben gezonken in gronde-looze modder waar men niet kan etaan, ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. 4 Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijne keel is ontstoken, mijne oogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijnen God. 5 Die mij zonder oorzaak haten zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valsche oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb moet ik alsdan wedergeven. 6 O God, gij weet van mijne dwaasheid, en mijne schulden zijn voor u niet verborgen. 7 Laat ze door mij niet beschaamd worden die u verwachten, o Heere, Heere der heir-echaren; laat ze door mij niet te schande worden die u zoeken, o God Israëls. 8 Want om uwentwil draag ik versnmadheid, schande heeft mijn aangezicht bedekt: 9 ik ben mijnen broederen vreemd geworden, en onbekend mijner moeder kinderen. 10 Want de ijver van uw huis heeft mij varteerd; en de smaadheden dergenen die u smaden ïijn op mij gevallen.-£ 69. 679 |
11 En ik heb geweend in het vasten mijner ziele, maar het is mij geworden tot allerlei smaad. 12 En ik heb eenen zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden ; _ 13 die in de poorte zitten, klappen van mij, en ik ben een snarenspel dergenen die sterken drank drinken. 14 Maar mij aangaande, mijn gebed ia tot u, o Heere ; daar is een tijd des welbehagens, o God, door de^ grootheid uwer goedertierenheid: verhoor mij door de getrouwheid uws heils. 15 Enk mij uit liet slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijne haters, en uit de diepten der wateren. 16 Laat mij de watervloed niet overstroomen, en laat de diepte mij niet verslinden, en laat de put zijnen mond over mij niet toesluiten. 17 Verhoor mij, o Heere, want uwe goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid uwer barmhartigheden; 18 en verberg uw aangezicht niet van uwen knecht, want mij is bange; haast u, verhoor mij. 19 Nader tot mijne ziele, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil. 20 Gij weet mijne versnmadheid en mijne schaamte en mijne schande; alle mijne benauwers zijn vóór u. 21 Do versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar het is er niet; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. 22 Ja, zij hebben mij gal tot mijne spijze gegeven, en in mijnen dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. 23 Hunne tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding, tot een valstrik; 24 laat hunne oogen duister worden dat ze niet zien, en doe hunne lendenen geduriglijk waggelen. 25 Stort over hen uwe gram- |
|
680 PSALM Bcliap uit, en de hittigiieid uws toorns grijpe ze aan. 26 Him paleis zij verwoest, in hunne tenten zij geen inwoner, 27 Want zij vervolgen dien gij geslagen hebt, en maken een praat van de smarte uwer verwonden. 28 Doe misdaad tot Imnne misdaad, en laat ze niet komen tot uwe gerechtigheid. 20 Laat ze uitgedelgd worden nit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. 30 Doch ik ben ellendig en in smarte; uw heil, o God, zette mij in een hoog vertrek. 31 Ik zal Gods naam prijzen met gezang, en hem met dankzegging grootmaken; 32 en het zal den Heere aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var die de Jclamcen verdeelt. 33 De zachtmoedigen dit gezien hebbende zullen zich verblijden; en gij die God zoekt, ulieder hart zal leven. 34 Want de Heere hoort de nooddruftigen, en _ hij veracht zijne gevangenen niet. 35 Dat hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën en al wat daarin wriemelt. 3ü Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezit-ten ; 37 en het zaad zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers zijns naams zullen daarin wonen. PSALM 70. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken. 2 Haast u, o God, om mij te verlossen, o Heere, tot mijne liulpe. 3 Laat ze beschaamd en schaamrood worden die mijne ziele zoeken, laat ze achterwaarts gedreven en te schande worden die lust hebben aan mijn kwaad. 4 Laat ze terugkeeren tot loon 70, 71. |
hunner beschaming, die daar zeggen: Haha. 5 Laat in u vroolijk en verblijd zijn ^ allen die u zoeken; laat de liefhebbers uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt. 6 Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast u tot mij 5 gij zijt mijne hulpe en mijn bevrijder; Heere, vertoef niet. PSALM 71. Op u, o Heere, betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid. 2 Eed mij door uwe gerechtigheid en bevrijd mij, neig uw oor tot mij en verlos mij. 3 Wees mij tot eenen rotssteen om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; gij hebt bevel gegeven om mij te verlossen, want gij zijt mijne steenrots en mijn burg. 4 Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddeloozen, van de hand desgenen die verkeerdelijk handelt, en des opgebla-zenen. 5 Want gij zijt mijne verwachting, Heere, Heere, mijn vertrouwen van mijne jeugd af. 6 Op u heb ik gesteund van den schoot mijner moeder aan, van mijner moeder ingewand aan zijt gij mijn uithelper; mijn lof is geduriglijk van u. 7 Ik ben velen als een wonder geweest, doch gij zijt mijne sterke toevlucht. 8 Laat mijn mond vervuld worden met uwen lof, den gan-schen dag met uwe heerlijkheid. 9 Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms, verlaat mij niet terwijl mijne kracht vergaat. 10 Want mijne vijanden spreken van mij, en die op mijne ziel loeren beraadslagen te zamen, 11 zegge.ide: God heeft hem verlaten; jaagt na en grijpt hem, want daar is geen verlosser. 12 O God, wees niet verre van mij; mijn God, haast u tot mijne hulpe. 13 Laat ze beschaamd worden, laat ze verteerd worden die |
|
PSA1 mijne ziele tegen zijn; laat ze met smaad en schande overdekt â¢vrorden die mijn kwaad zoeken. 14 Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al uwen lof nog grooter maken. _ 15 Mijn mond zal uwe gerechtigheid vertellen, den ganschen dag uw heil, hoewel ik de getallen niet weet. 16 Ik zal henengaan in de mogendheden des Heeren Hf.e-ren; ik zal uwe gerechtigheid vermelden, de uwe alleen. 17 O God, gij hebt mij geleerd van mijne jeugd af, en tot nog toe verkondig ik uwe wonderen. 18 Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondig uwen arm, allen nakomelingen uwe macht. 19 Ook is uwe gerechtigheid, o^ God, tot in de hoogte: gij die groote dingen gedaan hebt: o God, wie is u gelijk? 20 Gij, die mij vele benauwdheden en rampen hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde. 21 Gij zult mijne grootheid vermeerderen en mij rondom vertroosten. 22 Ook zal ik u loven met het instrument der luit, uwe trouw, mijn God; ik zal u psalmzingen met de harp, o Heilige Israels. 23 Mijne lippen zullen juichen wanneer ik _ u zal psalmzingen, en mijne ziele die gij verlost hebt. 24 Ook zal mijne tong uwe gerechtigheid den ganschen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden die mijn kwaad zoeken. PSALM 72. Voor Salomo. O God, geef den Koning uwe rechten, en uwe gerechtigheid den zoon des Konings. 2 Zoo zal hij uw volk richten met gerechtigheid, en uweellen-digen met recht. |
M 72. 031 3 De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid. 4 Hij zal de ellendigen des volks richten, hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen. 5 Zij zullen u vreezen, zoolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. 6 Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de droppelen die de aarde bevochtigen. 7 In zijne dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. _ 8 En hij zal heerschen van do zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. 9 De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijne vijanden zullen het stof lekken. 10 De Koningen van Tarsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen, de Koningen van Scheba en Seba zullen ver-eeringeu toevoeren, 11 ja, alle Koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. 12 Want hij zal den nooddruftige redden die daar roept, mitsgaders den ellendige en die geenen helper heeft; 13 hij zal den arme en nooddruftige verschoonen en de zielen der nooddruftigen verlossen. 14 Hij zal hunne ziel van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijne oogen. 15 En hij zal leven, en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den ganschen dag zal men hem zegenen. 16 Is er een handvol koorn in liet land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal rui-schen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde. 17 Zijn naam zal zijn tot in 22* |
PSALM 73.
682
|
eeuwigheid; zoolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden, alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. 18 Geloofd zij de Heeke God, de God Israels, die alléén wonderen doet; 19 en geloofd zij de naam zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid, en de ganpche aarde worde met zijne heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen. 20 De gebeden Davids, des zoons van Isai, hebben een einde. PSALM 73. Een psalm Asafs. Immers is God Israël goed, dengenen die rein van harte zijn. 2 Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne treden waren bijkans uitgeschoten. 3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddeloozen vrede. 4 quot;Want daar zijn geen banden tot hunnen dood toe, en hunne kracht is frisch. 5 Zij zijn niet in de moeite als andere menschcn, en worden met andere menschen niet geplaagd. 6 Daarom omringt ze de hoo-vaardij als eene keten, het geweld bedekt ze als een gewaad. 7 Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan do inbeeldingen des harten te boven. 8 Zij mergelen de lieden uit, en spreken booslijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte: 9 zij zetten hunnen mond tegen den hemel, en hunne tong wandelt op de aarde. 10 Daarom keert zich zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen hehers worden uitgedrukt, 11 dat zij zeggen: Hoe zoude het God weten, en zoude er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? 12 Zie, deze zijn goddeloos. |
nochtans hebben zij ruste in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen. 13 Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd en mijne handen in onschuld gewas-schen, 14 dewijl ik den ganschen dag geplaagd ben, en mijne straffing is er alle morgens. 15 Indien ik zoude zeggen: Ik zal óók alzoo spreken: zie, zoo zoude ik trouweloos zijn aan het geslacht uwer kinderen. 1G Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijne oogen; 17 totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18 Immers zet gij ze op gladde plaatsen, gij doet ze vallen in verwoestingen. 19 Hoe worden zij als in een oogenbiik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20 Als een droom na het ontwaken, als gij opwaakt, o Heere, dan zult gij hun beeld verachten. 21 Als mijn harte opgezwollen was en ik in mijne nieren geprikkeld werd, 22 toen was ik onvernuftig en wist niets, ik was een groot beest bij u. 23 Ik zal dan geduriglijk bij u zijn; gij hebt mijne rechterhand gevat; 24 gij zult mij leiden door uwen raad, en daarna zult gij mij in heerlijkheid opnemen. 25 quot;VVien heb ik nevens u in den hemel? Nevens u lust mij ook niets op aarde. 26 Bezwijkt mijn vleesch en mijn harte, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. 27 Want zie, die verre van u zijn, zullen vergaan; gij roeit uit al die van u af hoereert; 28 maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen, ik zet mijn betrouwen, op den Heere Heere, om alle uwe werken te vertellen. |
é
PSALM 74. 75.
683
|
PSALM 74. Eeue onderwijzing, voor Asaf. O God, waarom verstoot gij in eeuwigheid ? Waarom zoude uw toorn rooken tegen de schapen uwer weide? 2 Gedenk aan uwe vergadering die gij van oudsher verworven hebt, de roede uwer erfenis die gij verlost hebt, den berg Sion waarop gij gewoond hebt. 3 Hef uwe voeten op tot de eeuwige verwoestingen, de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven. 4 Uwe wederpartijders hebben in het midden van uwe vergaderplaatsen gebruld, zij hebben hunne teekenen tot teekenen gesteld. o Een ieder werd er bekend als een, die de pijlen omhoog aanbrengt in de dichtheid van een geboomte. 6 Alzoo hebben zij nu der-zelver graveerselen te zamen met houweelen en beukhamers in stukken geslagen. 7 Zij hebben uwe heiligdommen in het vuur gezet, ter aarde toe hebben zij de woning uws naams ontheiligd. 8 Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ons hen te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand. 9 Wij zien onze teekenen niet; daar is geen Profeet meer, noch iemand bij ons, die weet hoe lang. 10 Hoe lang, o God, zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand uwen naam in eeuwigheid lasteren ? 11 Waarom trekt gij uwe hand, ja, uwe rechterhand af? Trek ze uit het midden van uwen boezem, maak een einde. 12 Evenwel is God mijn Koning van ouds af, die verlossingen werkt in het midden der aarde. 13 Gij hebt door uwe sterkte de zee gespleten, gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken; |
14 gij hebt de koppen des leviathans verpletterd, gij hebt hem tot spijze gegeven den volke in dorre plaatsen. 15 Gij hebt eene fontein en beek gekliefd, gij hebt sterke rivieren uitgedroogd. 16 De dag is uwe, ook is de nacht uwe; gij hebt het licht en de zon bereid. 17 Gij hebt alle de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt gij geformeerd. 18 Gedenk hieraan: de vijand heeft den Heere gesmaad, en een dwaas volk heeft uwen naam gelasterd. 19 Geef aan het wild gedierte de ziele uwer tortelduif niet over, vergeet den hoop uwer ellendigen niet in eeuwigheid. 20 Aanschouw het verbond, want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld. 21 Laat de verdrukte niet beschaamd wederkeeren, laat de ellendige en nooddruftige uwen naam prijzen. 22 Sta op, o God, twist uwe twistzaak, gedenk der smaadheid, die u van den dwaze wedervaart i den ganschcn dag. 23 Vergeet niet het geroep uwer wederpartij ders, het getier dergenen die tegen u opstaan klimt geduriglijk op. PSALJI 75. Voor den opperzangmeester, al-' tasheth; een psalm, een lied, voor j Asaf. I 2 Wij loven u,o God, wij loven ! dat uw naam nabij is; men ver-l telt uwe wonderen. 3 Als ik het bestemde amht zal ] ontvangen hebben, zoo zal ik | gansch recht richten. ; 4 Het land en alle zijne inwo-i ners waren versmolten, maar ik heb zijne pilaren vast gemaakt. Sela. p Ik heb gezegd tot de onzin-nigen: Weest niet onzinnig; en totdegoddeloozen: Verhoogt den hoorn niet, 6 verhoogt uwen hoorn niet omhoog, spreekt niel met stijven hals. |
PSALM 76, 77.
684
|
7 Want het verhoogen komt niet uit liet Oosten, noch uit het Westen, noch uit de woestijn, 8 maar God is Richter: hij vernedert dezen en verhoogt genen. 9 Want in des Heeren hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en hij schenkt daaruit; doch alle god-deloozen der aarde zullen zijne droesemen uitzuigende drinken. 10 En ik zal het in eeuwigheid verkondigen, ik zal den God Ja-kobs psalmzingen. 11 En ik zal alle hoornen der goddeloozen afhouwen, de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden. PSALM 76. Een psalm, een lied Asafs, voor den opperzaugmeester, op dene-ginoth. 2 God is bekend in Juda, zijn naam is groot in Israël; 3 en in Salem is zijne hutte, en zijne woning in Sion. 4 Aldaar heelt hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild en het zwaard enden krijg. Sela. 5 Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dau de roofbergen. 6 De stouthartigen zijn beroofd geworden, zij hebben hunnen slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hunne handen gevonden. 7 Van uw schelden, o GodJa-kobs, is te zamen wagen en paard in slaap gezonken. 8 Gij, vreeselijkzijtgij: en wie zal voor uw aangezicht bestaan, van den tijd uws toorns af? 9 Gij deedt een oordeelhooren uit den hemel: de aarde vreesde en werd stil, 10 als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela. 11 Want de grimmigheid des menschen zal u loftel ij k maken, het overblijfsel der grimmigheden zult gij opbinden. 12 Doet geloften en betaalt ze den Heeke uwen God, gij allen die rondom hem zij t: laat ze dien die te vreezen is geschenken brengen; |
13 die den geest der Vorsten als druiven afsnijdt, die den Koningen der aarde vreeselijk is, PSALM 77. Een psalm Asafs, voor den opperzan gmeester over Jed uthun. 2 Mijne stemme is tot God en ik roep, mijne stemme is tot God, en hij zal het oor tot mij neigen. 3 ïen dage mijner benauwdheid zocht ik den Heeue; mijne hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af; mijne ziele weigerde getroost te worden. 4 Dacht ik aan God, zoo maakte ik misbaar; peinsde ik, zoo werd mijne ziele overstelpt. Sela. 5 Gij hield mijne oogen wakende ; ik was verslagen en sprak niet. 6 Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen. 7 Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overleide ik in mijn harte, en mijn geest onderzocht : 8 Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoeten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? 9 Houdt zijne goedertierenheid in eeuwigheid op ? Heeft do toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? 10 Heeft God vergeten genadig te zijn, heeft hij zijne barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela. 11 Daarnazeideik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogst en verandert. 12 Ik zal de daden des Heeeen gedenken, ja, ik zal gedenken uwer wonderen van oudsher, 13 en zal alle uwe werken betrachten, en van uwe daden spreken. 14 O God, uw weg is in het heiligdom: wie is een groot God gelijk God? 15 Gij zijt die God die wonder doet; gij hebt uwe sterkte bekend gemaakt onder de volken. 10 Gij hebt uw volk door utoeu arm verlost, de kinderen Jakobs en Jozefs. Sela. |
k
PSALM 73.
GS5
|
17 De watereu zagen u, o God, de wateren zagen u, zij beefden: ook waren de afgronden beroerd. 18 De dikke wolken goten water uit, de bovenste wolken gaven geluid, ook gingen uwe pijlen daarhenen. 19 Het geluid uws donders was in dit ronde; de bliksemen verlichtten de wereld: de aarde werd beroerd en daverde. 20 XJw^ weg was in de zee, en uw pad in groote wateren, en uwe voetstappen werden niet bekend. 21 Gij leiddet uw volk als eene kudde door de hand van Mozes en Aaron. PSALM 78. Eene onderwijzing A.^afs. O mijn volk, neem mijne leer ter oore, neig ulieder oor tot de redenen mijns monds. 2 Ik zal mijnen mond opendoen met spreuken, ik zal verborgenheden overvloedig!ijk uitstorten van oudsher; 3 die wij gehooid hebben %u weten ze, en onze vaders ons verteld hebben. 4 Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loüelijkheden des Hoeren, en zijne sterkheid, en zijne wonderen die hij gedaan heeft. 5 Want hij heeft eene getuigenis opgericht in Jakob, en eene wet gesteld in Israel, die hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hunnen kindereu zouden bekend maken: 6 opdat het navolgende geslacht die weten zoude, de kinderen die geboren zouden worden, en zouden opstaan en vertellen ze hunnen kinderen; 7 en dat zij hunne hope op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar zijne geboden bewaren; 8 en dat zij niet zouden worden gelijk hunne vaders, een wederhoorig en wederspan nig geslacht, een geslacht dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God. |
9 De kinderen Efraïms, gewapende boogschutters, keerden óm ten dage des strijds. 10 Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in zijne wet. 11 En zij vergaten zijne daden en zijne wonderen, die hij hun had doen zien. 12 Voor hunne vaderen had hij wonder gedaan in Egypteland, in den velde Zoans. 13 Hij kliefde de zee en deed er hen doorgaan, en de wateren deed hij staan als een hoop. 14 En hij leidde ze des daags met eene wolk, en denganschen nacht met een licht des vuurs. 15 Hij kliefde de rotssteenen in de woestijn, en drenkte ze overvloedig, als uit afgronden ; 16 want hij bracht stroomen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren. 17 Kog voeren zij wijders voort tegen hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis; 18 en zij verzochten God in hun hart, begeerende spijs naar hunnen lust. 19 En zij spraken tegen God, zij zeiden; Zoude God eene tafel kunnen toelichten in de woestijn? 20 Zie, hij heeft den rotssteen geslagen, daler wateren ui r vloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken : zoude hij ook brood kunnen geven, zoude hij zijnen volke vleesch bereiden? 21 Daarom hoorde de Heere en werd verbolgen, en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël, 22 omdat zij in God niet geloofden en op zijn heil niet vertrouwden. 23 Daar hij den wolken van boven gebood en de deuren des hemels opende, 24 en regende o^ hen het Man om te eten, en gaf hun hemelsch koren. 25 Een iegelijk at het brood der machtigen; hij zond hun teerkost tot verzadiging; 26 hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde |
|
686 P S A: den zuidenwind aan door zijne sterkte, 27 en regende op hen vleesch als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën, 28 en deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijne woningen. 29 Toen aten zij en werden zeer zat, zoodat hij hun hunnen lust toebracht. 30 Zij waren nog niet vervreemd van hunnen lust, hunne spijze was nog in hunnen mond, 31 als Gods toorn tegen hen opging, dat hij van hunne vetsten doodde, en de uitgelezenen Israels nedervelde. 32 Boven dit alles zondigden zij nóg, en geloofden niet door zijne wonderen. 33 Dies deed hij hunne dagen vergaan in ijdelheid, en hunne jaren in verschrikking. 34 Als hij ze doodde, zoo vroegen zij naar hem, en keerden weder, en zochten God vroeg, 35 en gedachten dat God hun rotssteen was, en God de Allerhoogste hun verlosser. 36 En zij vleiden hem met hunnen mond, en logen hem met hunne tong; 37 want hun harte was niet recht met hem, en zij waren niet getrouw in zijn verbond. 38 Doch hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf ze niet, maar wendde dikwijls zijnen toorn af, en wekte zijne gansche grimmigheid niet op; 39 en hij bedacht dat zij vleesch waren, een wind die henengaat en niet wederkeert. 40 Hoe ^ dikwijls verbitterden zij hem in do woestijn, deden hem smarte aan in de wildernis! 41 Wanï zij kwamen alweder en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk. 42 Zij dachten niet aan zijne hand, aan den dag toen hij ze van den wederpartij der verloste; 43 hoe hij zijne teekenen stelde in Egypte, en zijne wonderheden in den velde Zoans, 44 en hunne vloeden in bloed |
M 78. veranderde^ en hunne stroomen, opdat zij niet zouden drinken. 45 Hij zond eene vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorschen die hen verdierven. 46 En hij gaf hun gewas den kruidworm, en hunnen arbeid den sprinkhaan. 47 Hij doodde hunnen wijnstok door den hagel, en hunne wilde vijgeboomen door vurigen hagelsteen. 48 Ook gaf hij hun vee den hagel over, en hunne beesten aan de vurige kolen. 49 Hij zond onder hen de hittig-heid zijns toorns, verbolgenheid en verstoordheid en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads. 50 Hij woog een pad voor zijnen toorn, hij onttrok hunne ziele niet van den dood, en hun gedierte gaf hij aan de pestilentie over. 51 En hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, de eerstelingen der krachten in de tenten Chams. 52 En hij voerde zijn volk als schapen, en leidde ze als eene kudde in de woestijn, 53 ja, hij leidde ze zekerlijk, zoodat zij niet vreesden, want de zee had hunne vijanden overdekt. 54 En hij bracht ze tot de land-pale zijner heiligheid, tot dezeu berg, dien zijne rechterhand verkregen heeft. 55 En hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed ze vallen in het snoer hunner erfenis en deed de stammen Is-raëls in hunne tenten wonen. 56 Maar zij verzochten en verbitterden God den Allerhoogste, en onderhielden zijne getuigenissen niet. 57 En zij weken terug en handelden trouwelooslijk gelijk hunne vaders, zij zijn omgekeerd als een bedrieglijke boog. 58 En zij verwekten hem tot toorn door hunne hoogten, en verwekten hem tot ijver door hunne gesnedene beelden. 59 God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israël zeer. |
PSALM 79, 80.
687
|
60 Dies verliet hij den Tabernakel te Silo, de Tent die hij tot eene woning gesteld had onder de men se hen; 61 en hij gaf zijne sterkte in de gevangenis en zijne heerlijkheid in de hand des wederpartij ders; 62 en hij leverde zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen zijne erfenis. 63 Het vuur verteerde hnnne iongelingen, en hunne jonge dochters werden niet geprezen. 64 Hunne Priesters vielen door het zwaard, en hunne weduwen weenden niet. 65 Toen ontwaakte de Heere als een slapende, als een held die juicht van den wijn; 66 en hij sloeg zijne wederpartij ders aan het achterste, hij deed hun eeuwige smaadheid aan. 67 Doch hij verwierp de tent Jozefs, en den stam Efraïms verkoos hij niet; 68 maar hij verkoos den stam Juda, den berg Sion, dien hij liefhad. 69 En hij bouwde zijn heiligdom als hoogten, als de aarde die hij gegrond heeft in eeuwigheid. 70 En hij verkoos zijnen knecht David, en nam hem van de schaapskooien; 71 van achter de zogende schaven deed hij hem komen, om te weiden Jakob zijn volk, en Israël zijne erfenis. 72 Ook heeft hij ze geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft ze geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen. PSALM 79. Een psalm Asafs. O God, heidenen zijn gekomen in uwe erfenis, zij hebben den Tempel uwer heiligheid verontreinigd, zij hebben Jeruzalem tot steenhoopen gesteld. 2 Zij hebben de doode lichamen uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijze gegeven, het vleesch uwer gunstgenooten aan het gedierte des lands. 3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten, en |
daar was niemand die ze begroef. 4 Wij zijn onzen naburen eene smaadheid geworden, een spot en schimp, dien die rondom ons zijn. 5 Hoe lang, Heere? Zult gij eeuwiglijk toornen? Zal uw ijver als vuur branden? 6 Stort uwe grimmigheid uit over de heideneü die u niet kennen, en over de koninkrijken die uwen naam niet aanroepen. 7 Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijne liefelijke woning verwoest. 8 Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast u, laat uwe barmhartigheden ons vóórkomen, want wij zijn zeer dun geworden. 9 Help ons, o God onzes heils, ter oorzake van de eere uws naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om uws naams wille. 10 Waarom, zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wrake van het vergoten bloed uwer knechten onder de heidenen voor onze oogen bekend worden. 11 Laat het gekerm der gevangenen voor uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid uws arms. 12 En geef onzen naburen zevenvoudig weder in hunnen schoot hunnen smaad, waarmede zij u, o Heere, gesmaad hebben. 13 Zoo zullen wij, uw volk en de schapen uwer weide, u loven in eeuwigheid, van geslachte tot geslacht; wij zullen uwen roem vertellen. PSALM 80. Voor den opperzangmeester op sosannim, een getuigenis, een psalm Asafs. 2 O Herder Israels, neem ter oore, di« Jozef als schapen leid-det; die tusschen de cherubs zit, verschijn blinkende. 3 Wek uwe macht op voor het aangezicht van Efraïm en Benjamin en Manasse, en kom tot onze verlossing. 4 O God, breng ons weder, en laat uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden. M |
|
688 PSA 5 O Heeee, God der lieirscha-ren, lioe lang zult gij rooken tegen het gebed mvs volks? 6 Gij spijst ze met tranenbrood, en drenkt ze met tranen uit een drieling. 7 Gij hebt ons onze naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich. 8 O God der heirscharen, breng ons weder, en laat uw aangezicht lichten, zoo zullen wij verlost worden. 9 Gij hebt eenen wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven en hebtdenzel-ven geplant; 10 gij hebt de pJaats voor hem bereid, en zijne wortelen doen inwortelen, zoodat hij het land vervuld heeft. 11 De bergen zijn met zijne schaduw bedekt geweest, en zijne ranken waren als cederboomen Gods. 12 Hij schoot zijne ranken uit tot aan de zee, en zijne scheuten tot aan de rivier. 13 Waarom hebt gij zijne muren doorgebroken, zoodat allen die den weg voorbijgaan hem plukken ? 14 Het zwijn uit het woud heelt hem uitgewroet, en liet wild des vel da heeft hem afgeweid. 15 O God derheirscharen, keer toch weder; aanschouw uit den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok, 10 en den stam dien uwe rechterhand geplant heeft, en dat om den Zoon dien gij u gesterkt hebt: 17 hij is met vuur verbrand, hij is afgehouwen; zij komen óm van het schelden uws aangezichts. 18 Uwe hand zij over den man uwer rechterhand, over desmen-echen zoon dien gij u gesterkt hebt. 19 Zoo zullen wij van u niet terugkeeren; behoudt ons in liet leven, zoo zullen wij uwen naam aanroepen. 20 O IlnEKE, God der heirscharen, breng ons weder; laat uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden. |
jM 81. PSALM 81. Voor den opperzangmeester, op de gittith, een psalm Asafs. 2 Zingt vroolijk Gode, onze sterkte; juicht den God Jakobs. 3 Heft eenen psalm aan, en geeft de trommel, de liefelijke harp met de luit. 4 Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag. 5 Want dat is eene inzetting van Israël, een recht van den God Jakobs. G Hij heeft het gezet tot eene getuigenis in Jozet, als hij uitgetogen was tegen Egypteland, alwaar ik gehoord heb eene spraak die ik niet verstond. 7 Ik heb zijnen schouder van den last onttrokken, zijne handen zijn van de potten ontslagen. 8 In de benauwdheid riept gij, en ik hielp uuit; ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela. 9 Mijn volk, zeide ih, hoor toe, en ik zal onder u betuigen; Israël, of gij naar mij hoordet! 10 Daar zal onder u geen uit-landsch god wezen, en gij zult u voor geenen vreemden God nederbuigen. 11 Ik ben de Heere uw God, die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uwen mond wijd open, en ik zal hem vervullen. 12 Maar mijn volk heeft mijne stemme niet gehoord, en Israël heeft mijner niet gewild. 13 Dies heb ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hunne raadslagen. 14 Och dat mijn volk naar mij gehoord had, dat Israël in mijne wegen gewandeld had: 15 in kort zoude ik hunne vijanden gedempt hebben en mij no hand gewend hebben tegen hunne wederpartij derr,. 16 Die den Heere haten, zouden zich hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zoude eeuwig geweest zijn. |
PSALM
17 En hij zonde het gespijsd hebben met het vette der tarwe, ja, ik zonde n verzadigd hebben met honig uit de rotssteeuen. PSALM 82.
Een psalm Asafs.
God staat in de vergadering Gods, hij oordeelt in het midden der goden:
2 Hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen, en het aangezicht der goddeloozen aannemen V Sela.
3 Doet recht den arme en den wees, rechtvaardigt den verdrukte en den arme,
4 verlost den arme en behoeftige, rukt hem uit der goddeloozen hand.
5 Zij weten niets en verstaan niets, zij wandelen steeds in duisternis, dies wankelen alle fundamenten der aarde.
G Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten:
7 nochtans zult gij sterven als een mensen, en als een van do Vorsten zult gij vallen.
8 Sta óp, o God, oordeel het aardrijk, want gij bezit alle natiën.
PSALM 83.
Een lied, een psalm Asafs.
2 O God, zwijg niet, hond u niet als doof, en wees niet stil, o God.
3 Want zie, uwe vijanden maken getier, en uwe haters steken het hoofd op.
4 Zij maken listiglijk eenen hei mei ij ken aanslag tegen uw volk, en beraadslagen tegen uwe verborgen en.
5 Zij hebben gezegd: Komt en Iaat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn, dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.
(i Want zij hebben in het harte te zamen beraadslaagd, tegen u hebben zij een verbond gemaakt:
7 de tenten Edoms en der Is-maëliten, Moab en de Hagarenen,
8 Gebal en Ammon en Amalek, j Palestina met de inwoners van Tyrus; i
9 ook heeft zich Assur bij hen j
82, 83, 84. 689
gevoegd, en zijn den kinderen Lots tot eenen arm geweest. Sela.
10 Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;
11 die verdelgd zijn te Endor, zij zijn geworden tot drek der aarde.
12 Maak hen en hunne Prinsen als Oreb en als Zeëb, en alle hunne Vorsten als Zebah en als Zalmuna;
13 die zeiden: Laat ons do schoone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.
14 Mijn God, maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.
15 Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt,
1G vervolg ze al zóó met uw on weder, en verschrik ze met uwen draaiwind.
17 Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o Heeei:, uwen naam zoeken.
13 Laat ze beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat ze schaamrood worden en omkomen;
1;) opdat zij weten dat gij alleen met uwen naam zijt de Heere, de Allerhoogste over de gansche aarde.
PSALM 84.
Voor den opperzangmeester, op de gittith, een psalm, voor de kinderen van Korach.
2 Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heeke der heirscharen!
3 Mijne ziele is begeerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren, mijn hart en mijn vleesch roepen uit tot den levenden God.
4 Zelfs vindt de musch een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt, bij uwe altaren, Heeke der heirscharen, mijn Koning en mijn God.
j 5 Welgelukzalig zijn ze die in i uw Huis wonen, zij prijzen u ! gestadiglijk. Sela. i 6 Welgelukzalig is de mensch
|
â¬88 PSA 5 O Heeee, God der lieirscha-ren, hoe lang zult gij rooken tegen liet gebed mvs volks? 6 Gij 8i)i.istzemet tranenbrood, en drenkt ze met tranen uiteen drieling. 7 Gij hebt ons onze naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich. 8 O God der heirscharen, breng ons weder, en Iaat uw aangezicht lichten, zoo zullen wij verlost worden. 9 Gij hebt eenen wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven en hebtdenzel-ven geplant; 10 gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijne wortelen doen inwortelen, zoodat hij het land vervuld heeft. 11 De bergen zijn met zijne schaduw bedekt geweest, en zijne ranken waren als cederboomen Gods. 12 Hij schoot zijne ranken uit tot aan de zee, en zijne scheuten tot- aan de rivier. 13 Waarom hebt gij zijne muren doorgebroken, zoodat allen die den weg voorbijgaan hem plukken ? 14 Het zwijn uit het woud heelt hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid. 15 O God der heirscharen, keer toch weder; aanschouw uit den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok, 10 en den stam dien uwe rechterhand geplant heeft, en dat om den Zoon dien gij u gesterkt hebt: 17 hij is met vuur verbrand, hij is afgehouwen; zij komen óm van het schelden uws aangezichts. 18 Uwe hand zij over den man uwer rechterhand, over desmen-schen zoon dien gij u gesterkt hebt. 19 Zoo zullen wij van u niet terugkeeren; behoudt ons in het leven, zoo zullen wij uwen naam aanroepen. 20 O IIeere, God der heirscharen, breng ons weder; laat uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden. |
jM 81. PSALM 81. Voor den opperzangmeester, op de gittith, een psalm Asafs. 2 Zingt ^ vroolijk Gode, onze sterkte; juicht den God Jakobs. 3 Heft eenen psalm aan, en geeft de trommel, de liefelijke harp met de luit. 4 Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestda g. 5 Want dat is eene inzetting van Israël, een recht van den God J akobs. G Hij heeft het gezet tot eene getuigenis in Jozet, als hij uitgetogen was tegen Egypteland, al-icaar ik gehoord heb eene spraak die ik niet verstond. 7 Ik heb zijnen schouder van den last onttrokken, zijne handen zijn van de potten ontslagen. 8 In de benauwdheid rieptgij, en ik hielp unit; ik antwoordde ii uit de schuilplaats des donders; ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela. 9 Mijn volk, zeide iJe, hoor toe, en ik zal onder u betuigen; Israël, of gij naar mij hoordet! 10 Daar zal onder u geen uit-landsch god wezen, en gij zult u voor geenen vreemden God nederbuigen. 11 Ik ben de Heere uw God, die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uwen mond wijd open, en ik zal hem vervullen. 12 Maar mijn volk heeft mijne stemme niet gehoord, en Israël heeft mijner niet gewild. 13 Dies heb ik het overgegeven in liet goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hunne raadslagen. 14 Och dat mijn volk naar mij gehoord had, dat Israël in mijne wegen gewandeld had: 15 in kort zoude ik hunne vijanden gedempt hebben en mij no hand gewend hebben tegen hunne wederpartij ders. 116 Die den Heere haten, zouden zich hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zoude eeuwig geweest zijn. |
PSALM 82, 83, 84.
GS9
|
17 En hij zoude het gespijsd hebben met het vette der tarwe, ja, ik zonde u verzadigd .'.rebben met honig uit de rotssteenen. PSALM 82. Een psalm Asafs. God staat in de vergadering Gods, hij oordeelt inhetnidden der goden: 2 Hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen, en het aangezicht der goddeloozeu aannemen r Sela. 3 Doet recht den arme en den wees, rechtvaardigt den verdrukte en den arme, 4 verlost den arme en behoeftige, rukt hem uit der goddeloozeu hand. 5 Zij weten niets en verstaan niets, zij wandelen steeds in duisternis, dies wankelen alle fundamenten der aarde. (3 Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten: 7 nochtans zult gij sterven als een mensch, en als een van do Vorsten zult gij vallen. 8 Sta op, o God, oordeel het aardrijk, want gij bezit alle natiën. PSALM 83. Een lied, een psalm Asafs. 2 O God, zwijg niet, houd u niet als doof, en wees niet stil, o God. 3 quot;Want zie, uwe vijanden maken getier, en uwe haters steken het hoofd op. 4 Zij maken listiglijk eenen heimei ijken aanslag tegen uw volk, en beraadslagen tegen uwe verb organen. 5 Zij hebben gezegd: Komt en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn, dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde. G Want zij hebben in het harte te zamen beraadslaagd, tegen u hebben zij een verbond gemaakt: 7 de tenten Edoms en der Is-maëliten, Moab en de Hagarenen, 8 Gebal en Ammon en Amalek, Palestina mei de inwoners van Tyrus; |
9 ook heeft zich Assur bij hen gevoegd, en zijn den kinderen Lots tot eenen arm geweest. Sela. 10 Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison; 11 die verdelgd zijn te Endor, zij zijn geworden tot drek der aarde. 12 Maak hen en hunne Prinsen als Greb en als Zeëb, en alle hunne Vorsten als Zebah en als Zalmuna; 13 die zeiden: Laat ons de schoone woningen_ Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen. 14 Mijn God, maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind. 15 Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt, 10 vervolg ze al zóó met uw onweder, en verschrik ze met uwen draaiwind. 17 Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o Heere, uwen naam zoeken. IS Laat ze beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat ze schaamrood worden en omkomen; 19 opdat zij weten dat gij alleen met uwen naam zijt de Heere, de Allerhoogste over de gansche aarde. PSALM 84. Voor den opperzangmeester, op de gittith, een psalm, voor de kinderen van Korach. 2 Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heere der heirscharen! 3 Mijne ziele is begeerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren, mijn hart en mijn vleesch roepen uit tot den levenden God. 4 Zelfs vindt de musch een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt, bij uwe altaren, Heere der heirscharen, mijn Koning en mijn God. 5 Welgelukzalig zijn ze die in i uw Huis wonen, zij prijzen u i gestadiglijk. Sela. j 6 Welgelukzalig is de mensch |
|
lt;590 PS AL J wiens sterkte in u is, in welker harte de gebaande wegen zijn. 7 Als zij door het dal der moerbeziënboomen doorgaan, stellen zij hem tot eene fontein; ook zal de regen hen gansch rijkelijk overdekken. 8 Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion. 9 Heere, God der heirscharen, hoor mijn gebed; neem het ter oore, o God Jakobs. Sela. 10 O God, ons schild, zie en aanschouw het aangezicht uws Gezalfden. 11 Want één dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elder*; ik koos liever aan den dorpel in het Huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. 12 Want God de Heere is een zon en schild, de Heere zal genade en eere geven, hij zal het goede niet onthouden dengenen die in oprechtheid wandelen. 13 Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mensch die op u vertrouwt. PSALM 85. Een psalm, voor den opper-zangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Gij zijt uwen lande gunstig geweest, Heere; de gevangenis Jakobs hebt gij gewend. 3 De misdaad uws volks hebt gij weggenomen, gij hebt alle hunne zonden bedekt. Sela. 4 Gij hebt weggenomen al uwe verbolgenheid, gij hebt u gewend van de hittigheid uws toorns. 5 Breng ons weder, o God onzes heils, en doe te niet uwe toornigheid over ons. 6 Zult gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult gij uwen toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? 7 Zult gij ons niet weder levend maken, opdat uw volk zich inu verblijde? 8 Toon ons uwe goedertierenheid, o Heere, en geef ons uw heil. |
85, 86. 9 Ik zal hooren wat God de Heere spreken zal; want hij zal tot zijn volk en tot zijne gunst-genooten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keeren. 10 Zekerlijk, zijn heil is nabij degenen die hem vreezen, opdat in ons land eere wone. 11 De goedertierenheid en waarheid zullen malkander ontmoeten, de gerechtigheid en vrede zullen malkander kussen. 12 De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien. 13 Ook zal de Heere het goede geven, en ons land zal zijne vrucht geven. 14 De gerechtigheid zal voor zijn aangezicht henengaan, en hij zal ze zetten op den weg zijner voetstappen. PSALM 88. Een gebed Davids. Heere, neig uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig. 2 Bewaar mijne ziel, want ik ben uio gunstgenoot; o gij mijn God, verlos uwen knecht die op u betrouwt. 3 Wees mij genadig, Heere, want ik roep tot u den gan-schen dag. 4 Verheug de ziel uws knechts, want tot u, Heere, verhef ik mijne ziel. ö Want gij, Heere, zijt goed en gaarne vergevende, en van groote goedertierenheid allen die u aanroepen. 6 Heere. neem mijn gebed ter oore, en geef acht op de stemme mijner smeekingen. 7 In den dag mijner benauwdheid roep ik u aan, want gij verhoort mij. 8 Onder de goden ia niemand u gelijk, Heere, en daar zijn geene gelijk uwe werken. 9 Alle do heidenen, Heere, die gij gemaakt hebt, zullen komen en zuilen zich voor uw aanschijn nederbuigen, en uwen naam eeren. 10 Want gij ziji groot, en doet |
PSALM 87 , 88.
691
|
wonderwerken; gij alleen zijt God. 11 Leer mij, Heere, uwen weg, ik zal in uwe waarheid wandelen; vereenig mijn harte totdevreeze uws naams. 12 Heere mijn God, ik zal n met mijn gansche hart loven, en ik zal uwen naam eeren in eeuwigheid; 13 want uwe goedertierenheid is groot^ over mij, en gij hebt mijne ziel uit het onderste des grafs uitgerukt. 14 O God, de hoovaardigen staan ^ tegen mij op, en de vergaderingen der tyrannen zoeken mijne ziele; en zij stellen uniet voor hunne oogen. 15 Maar gij, Heere, zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig en groot van goedertierenheid en waarheid. 16 Wend u tot mij en wees mij genadig, geef uwen knecht uwe sterkte, en verlos den zoon uwer dienstmaagd. 17 Doe aan mij een teeken ten goede, opdat het mijne haters zien en beschaamd worden, als gij, Heere, mij geholpen en mij getroost zult hebben. PSALM 87. Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid. 2 De Heere bemint de poorten Sions boven alle woningen Jakobs. 3 Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods. Sela. 4 Ik zal Rahab en Babel vermelden onder desenen die mij kennen; zie, de Filistijn en de Tyricr met den Moor, deze is aldaar geboren. 5 En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren, en de Allerhoogste zelf zal haar bevestigen. 6 De Heere zal ze rekenen in het opschrijven der volken, '/.eQfjende: Deze is aldaar geboren. Sela. |
7 En de zanders gelijk de speellieden, mitsgaders alle mijne fonteinen zullen binnen u zijn. PSALM 88. Een lied, een psalm voor da kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op mahalath leannoth, eene onderwijzing van Heman den Ezrahiet. 2 O Heere, God mijns heils, bij dage, bij nachte roep ik voor u: 8 laat mijn gebed voor uw aanschijn komen, neig uw oor tot mijn geschrei. lt; 4 Want mijne ziel is der tegen-heden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. 5 Ik ben gerekend met degenen die in den kuil nederdalen, ik ben geworden als een man die krachteloos is; G afgezonderd onder de dooden, gelijk de verslagenen die in het graf liggen, die gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van uwe hand. 7^ Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. 8 Uwe grimmigheid ligt op mij, sij hebt mij nedergedrukt met alle uwe baren. Sela. 9 Mijne bekenden hebt gij verre van mij gedaan, gij hebt mij hun tot eenen grooten gruwel gesteld; ik ben besloten en kan niet uitkomen. 10 Mijn oog treurt vanwege verdrukking; Heere, ik roep tot u _ den ganschen dag, ik strek mijne handen uit tot u. 11 Zult gij wonder doen aan de dooden, of zullen de overledenen opstaan, zullen zij u loven? Sela. 12 Zal uwe goedertierenheid in het graf verteld worden, uwe getrouwheid in het verderf? 13 Zullen uwe wonderen bekend worden in de duisternis, en uwe gerechtigheid in het land der vergetelheid? 14 Maar ik, Heere, roep tot u, en mijn gebed komt u voor in den morgenstond. 15 Heere, waarom verstoot gij mijne ziele en verborgt uw aanschijn voor mij? |
PSALM
602
|
16 Van der jeugd af ben ik bedrukt en dood brakende, ik draag uwe vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. 17 Uwe liittige toornigheden gaan over mij, uwe verschrikkingen doen mij vergaan. 18 Den ganschen dag omringen zij mij al a water, te zamen omgeven zij mij. 19 Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan, mijne bekenden zijn in duisternis. PSALM 89. Eene onderwijzing van Ethan den Ezrahiet. 2 Ik zal de goedertierenheden des Heerek eeuwiglijk zingen, ik zal uwe waarheid met mijnen mond bekend maken van geslacht tot geslacht. 3 Want ik heb gezegd: Uwe goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt gij uwe waarheid bevestigd, zPQfjeiide: 4 Ik heb een verbond gemaakt met mijnen uitverkorene, ik heb mijnen knecht David gezworen: 5 Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uwen troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela. 6 Dies loven de hemelen uwe wonderen, o IIeere, ook is uwe getrouwheid in de gemeente der heiligen. 7 Want wie mag in den hemel tegen den Heere geschat worden, icie is den Heere gelijk onder de kinderen der sterken? 8 God is grootelijks geducht in den raad der heiligen, en vreese-lijk boven allen die rondom hem zijn. 9 O Heere, God der heirscha-ren, wie is als gij grootmachtig, o Heere, en uwe getrouwheid is rondom ui 10 Gij heerscht over de opgeblazenheid der zee; wanneer hare baren zich verheffen, zoo stilt gij ze. _ 11 Gij hebt lïahab verbrijzeld als eenen verslagene, gij hebt uwe vijanden verstrooid met den arm uwer sterkte. |
12 De hemel is uwe, ook is de aarde uwe; de wereld en hare volheid, die hebt gij gegrind. 13 Het Noorden en het Zuiden, die hebt gij geschapen; Tabor en Hermon juichen in uwen naam. 14 Gij hebt eenen arm met macht, uwe hand is sterk, uwe rechterhand is hoog. 15 Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid uws troons, goedertierenheid en waarheid gaan voor uw aanschijn henen. 16 Welgelukzalig is het volk hetwelk het geklank kent: o Heere, zij zullen in het licht uws aanschijns wandelen. 17 Zij zullen zich den ganschen dag verheugen in uwen naam, en door uwe gerechtigheid verhoogd worden. 18 Want gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte, en door uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden. 19 AVant ons schild is van den Heere, en onze Koning is van den Heilige Israels. 20 Toen hebt gij in een gezicht gesproken van uwen heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld quot;bij eenen held, ik heb eenen ver-korene uit het volk verhoogd; 21 Ik heb David mijnen knecht gevonden, met mijne heilige olie heb ik hem gezalfd: 22 met welken mijne hand vast blijven zal, ook zal hem mijn arm versterken. 23 De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. 24 Maar ik zal zijne wederpar-tijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten zal ik plagen. 25 En mijne getrouwheid en mijne goedertierenheid zullen met hem zijn, en zijn hoorn zal in mijnen naam verhoogd worden. 20 En ik zal zijne hand in de zee zetten, en zijne rechterhand in de rivieren. 27 Hij zal mij noemen; Gij zijt mijn Vader, mijn God en de rotssteen mijns heils. 28 Ook zal ik hem ten eerst- |
|
PSAL geboren zoon stellen, ten hoogste over de Koningen der ac.rde. 29 Ik zal hem mijne goedertierenheid in eeuwigheid houden, en mijn verbond zal hem vast blijven. 80 En ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zij nen troon als de dagen der hemeler,. 31 Indien zijne kinderen mijne vret verlaten en in mijne rechten niet wandelen, 32 indien zij mijne inzettingen ontheiligen en mijne geboden niet houden, 33 zoo zal ik hunne overtreding met de roede _ bezoeken, en hunne ongerechtigheid met plagen. 34 Maar mijne goedertierenheid zal ik van hem niet wegnemen, en in mijne getrouwheid niet feilen. 35 Ik zal mijn verbond niet ontheiligen, en hetgene dat uit mijne lippen gegaan is zal ik niet veranderen. 3G Ik heb ééns gezworen bij mijne heiligheid; Zoo ik aan David li eg! 37 Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor mij zijn gelijk de zon. 38 Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden gelijk de maan, en de getuige in den hemel is getrouw. Sela. 39 Maar gij hebt hem verstoeten en verworpen, gij zijt verbolgen geworden tegen uwen Gezalfde. 40 Gij hebt het verbond uws knechts te niet gedaan, gij hebt zijne kroon ontheiligd tegen de aarde. 41 Gij hebt alle zijne muren doorgebroken, gij hebt zijne vestingen nedergeworpen. 42 Allen die den weg voorbijgingen hebben hem beroofd, zijnen naburen is hij tot een smaad geweest. 43 Gij hebt de rechterhand zij ner wederpartijders verhoogd, gij hebt alle zijne vijanden verblijd. 41 Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd. |
M 80. â¬93 45 Gij hebt zijne schoonheid doen ophouden, en gij hebt zij ne.u troon ter aarde nedergestooten. 4G Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort, gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela. 47 Hoe lang, o Heere, zult gij u steeds verbergen, zal uwe grimmigheid branden als een vuur? 48 Gedenk van hoedanige eeuw dat ik ben; waarom zoudt gij alle menschenkinderen te vergeefs geschapen hebben? 49 quot;Wat man leeft er die den dood niet zien zal, die zijne ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela. 50 Heere, waar zijn uwe vorige goedertierenheden, die gij David gezworen hebt bij uwe trouw ? 51 Gedenk, Heere, aan den smaad uwer knechten, dien ik in mijnen boezem draag van alle groote volken, 52 waarmede, o Heere, uwe vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen uws Gezalfden smaden. 53 Geloofd zij de Heere in eeuwigheid. Amen, ja amen. PSALM 90. Een gebed van Mozes, den man Gods. Heere, gij zijt ons geweest eene toevlucht van geslachte tot geslacht. 2 Eer de bergen geboren waren en gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt gij God. 3 Gij doet den mensch weder-keeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij menschenkinderen. 4 Want duizend jaren zijn in uwe oogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en ah eene nachtwake. 5 Gij overstroomt ze, zij zijn gelijk eenen slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het grasrfai verandert: 6 in den morgenstond bloeit het en het verandert, des avonds wordt het afgesneden en het verdort. |
PSALM 91,92.
|
7 Want wij vergaan door uwen toorn, en door nwe grimmigheid worden wij verschrikt. 8 Gij stelt onze ongerechtigheden vóór n, onze heimelijke zonden in het licht uws aan-echijns. 9 Want alle onze dngen gaan henen door nwe verbolgenheid, wij brengen onze jaren door als eene gedachte. 10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaar, of zo gt; wij zeer sterk zijn, tachtig jaar, en het nitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarhenen. 11 Wie kent de sterkte uws toorn», en uwe verbolgenheid naardat gij te vreezen zijt? 12 Leer ons alzóó onze dngen tellen, dat wij een wijs harte bekomen. 13 Keer weder, Heere, tot hoe lang? En liet berouwe u over uwe knechten. 14 Verzadig ons in den morgenstond met uwe goedertierenheid, zoo zullen wij juichen en verblijd zijn in alle onze dagen. 15 Verblijd ons naar de dagen in dewelke gij ons gedrukt hebt, naar de jaren in d- welke wij het kwaad gezien hebben. 16 Laat uw werk aan uwe knechten gezien worden, en nwe heerlijkheid over hunne kinderen. 17 En de liefelijkheid des Hee-een onzes Gods zij over ons; en bevestig gij hei, werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat. PSALM 91. Die in de schuilplaats des Al-lerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. 2 Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne toevlucht en mijn burg, mijn God op wien ik vertrouw. 3 Want hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. |
4 Hij zal u dekken met zijne vlerken, en onder zijne vleugelen zult gij betrouwen; zijne waarheid is^ een rondas en beukelaar. 5 Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl die des daags vliegt, 6 voor de pestilentie die inde donkerheid wandelt, voor het verderf dat op den middag verwoest. 7 Aan uwe zijde_ zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uwe rechterhand: tot u zal het niet genaken. 8 Alleenlijk zult gij het met uwe oogen aanschouwen, en gij zult de vergelding der godde-loozen zien. 9 Want gij, Heere, zijt mijne toevlucht; den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw vertrek: 10 u zal geen kwaad wedervaren, en geene plage zal uwe tente naderen. 11 Want hij zal zijne Engelen van u bevelen, dat zij u bewaren op alle uwe wegen; 12 zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geenen steen stoot. 13 Op den feilen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden. 14 Dewijl hij mij zeer bemint, spreekt God, zoo zal ik hem uithelpen; ik zal hem op eene hoogte stellen, want hij kent mijnen naam. 15 Hij zal mij aanroepen, en ik zal hem_ verhooren; in de benauwdheid zal ik bij hem zijn, ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken. 1(3 Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en ik zal hem mijn teil doen zien. PSALM 92. Een psalm, een lied op den sabbatdag. ^ 2 Het is goed dat men den Heere love, en uwen naam psalmzinge, o^ Allerhoogste; 3 dat men in den morgenstond uwe goedertierenheid verkondige, en uwe getrouwheid in de nachten, 4 op het tiensnarig instrument |
PSALM 93, 94.
605
|
en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. 5 quot;Want gij hebt mij verblijd, Heere, met uwe daden; ik zal juichen over de werken uwer handen. 6 O Heere, h9e groot zijn uwe werken, zeer diep zijn uwe gedachten. 7 Een onvernuftig man weet daar niet van, en een dwuas verstaat dit niet: 8 dat de goddeloozen groeien als het kruid, en alle de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in eeuwigheid verdelgd worden. 9 Maar gij zijt de Allerhoogste, in eeuwigheid de Heere. 10 Want zie, uwe vijanden, o Heere, want zie, uwe vijanden zullen vergaan; alle de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden. 11 Maar gij zult mijnen hoorn verhoogen gelijk eens eenhoorns; ik ben met versche olie overgoten, 12 en mijn oog zal mijne verspieders aanschouwen, mijne ooren zullen het hooren aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. 13 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, hij zal wassen als een cederboom op Libanon. 14 Die in het Huis des Heeren geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. 15 In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, 16 om te verkondigen dat de Heere recht is: hij is mijn rotssteen, en in hem is geen onrecht. PSALM 93. De Heere regeert, hij is met hoogheid bekleed, de Heere is bekleed met sterkte, hij heeft zich omgord, ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. 2 Van toen af is uw troon bevestigd; gij zijt van eeuwigheid af. 3 De rivieren verheffen, o Hee-be, de rivieren verheffen haar bruisen, de rivieren verheffen hare aanstooting. |
4 Doch de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van groote wateren, dan de geweldige baren der zee. 5 Uwe getuigenissen zijn zeer getrouw, de heiligheid is uwen huize sierlijk, Heere, tot lange dagen. PSALM 94. O God der wraken, o Heere, God der wraken, verschijn blinkende. 2 Gij rechter der aarde, verhef u; breng vergelding weder over de hoovaardigen. 3 Hoe lang zullen de goddeloozen, o Heere, hoe lang zullen de goddeloozen van vreugd opspringen, 4 uitgieten, hard spreken, alle 1 werkers der ongerechtigheid zich 1 beroemen? 5 O Heere, zij verbrijzelen i uw volk, en zij verdrukken uw : erfdeel. 6 De weduw en den vreemde-1 ling dooden zij, en zij vermoor-1 den de weezen, 7 en zeggen: De Heere ziet | het niet, eii de God Jakobs ' merkt het niet. 8 Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk, en gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden? 9 Zoude die het oor plant niet hooren, zoude die het oog formeert niet aanschouwen? 10 Zoude die de heidenen tuchtigt niet straffen, hij die den mensch wetenschap leert? 11 De Heere weet de gedachten des menschen dat zij ij delheid zijn. 12 Welgelukzalig is^ de man, o Heere, dien gij tuchtigt, en dien gij leert uit uwe wet, 13 om hem ruste te geven van de kwade dagen, totdat de kuil voor den goddelooze gegraven wordt. 14 Want de Heere zal zijn volk niet begeven, en hij zal zijne erve niet verlaten. 15 Want het oordeel zal we- |
PSALM 95, 06.
696
|
derkeeren tot de gerechtigheid, en alle oprechten van harte zullen hetzelve navolgen. 16 Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners, wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid ? 17 Ten ware dat de Heere mij eene hnlpe geweest ware, mijne ziel had bijna in de stilte gewoond. 18 Als ik zeide: Mijn voet wankelt, ondersteunde mij, o Heere, nwe goedertierenheid. 19 Als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben uwe vertroostingen mijne ziele verkwikt. 20 Zon zich de stoel der schadelijkheden met u vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? 21 Zij rotten zich te zamen tegen de ziele des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. 22 Doch de Heere is mij geweest tot een hoog vertrek, en mijn God tot eene steenrots mijner toevlucht. 23 En hij zal hunne ongerechtigheid op hen doen wederkee-ren, en hij zal ze in hunne boosheid verdelgen; de Heere onze God zal zo verdelgen. PSALM 95. Komt, laat ons den Heere vroo-lijk zingen, laat ons juichen den rotssteen onzes heils. 2 Laat ons zijn aangezicht tegemoet gaan met lof, laat ons hem juichen met psalmen. 3 Want de Heere is een groot God, ja, een groot Koning boven alle goden.^ 4 In wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn zijne. 5 Wiens ook de zee is, want hij heeft ze gemaakt; en zijne handen hebben het droge geformeerd. 6 Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den Heere die ons gemaakt heeft. |
7 Want hij is onze God, en wij zijn het volk zijner weide en de schapen zijner hand. Heden zoo gij zijne stemme hoort, 8 verhardt uw harte niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn, 9 waar mij uwe vaders verzochten, mij beproefden, ook mijn werk zagen. 10 Veertig jaar heb ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk dwalende van hart, en zij kennen mijne wegen niet. 11 Daarom heb ik in mijnen toom gezworen: Zoo zij in mijne ruste zullen ingaan! PSALM 96. _ Zingt den Heere een nieuw lied, zingt den Heere, gij gan-sche aarde. 2 Zingt den Heere, looft zijnen naam, boodschapt zijn heil van dag tot dag. 3 Vertelt onder de heidenen zijne eere, onder alle volken zijne wonderen. 4 Want de Heere is groot en zeer te prijzen, hij is vreeselijk boven alle goden. 5 Want alle de goden der volkeren zijn afgoden, maar do Heere heeft de hemelen gemaakt. 6 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezicht, sterkte en sieraad in zijn heiligdom. 7 Geeft den Heere, gij geslachten der volken, geeft den Heere eere en sterkte. 8 Geeft den Heere de eere zijns naams, brengt offer en komt in zijne voorhoven. 9 Aanbidt den Heere in de heerlijkheid des heiligdoms, schrikt voor zijn aangezicht, gij gansche aarde. 10 Zegt onder de heidenen: De Heere regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid. 11 Dat de hemelen zich verblijden en de aarde zich ver-heuge, dat Ie zee bruise met hare volheid. 12 Dat her. veld huppele van |
PSALM 97. 98. 99.
697
|
vreugde met al wat er in ia. dat dan lt; alle de boomen des â wonds juichen 13 voor het aangezicht des Heeren, want hij komt, want hij komt om de aarde te richten: hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met zijne waarheid. PSALM 97. De Heeee regeert, de aarde verheuge zich, dat vele eilanden zich verblijden. 2 Rondom hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gerichte zijn de vastigheid zijns troons. 3 Een vuur gaat voor zijn aangezicht henen, en het steekt zijne wederpartijen rondom aan brand. 4 Zijne bliksemen verlichten de wereld, het aardrijk ziet ze en het beeft. 5 De bergen smelten als was voor het aanschijn des Heehen, voor hat aanschijn des Heeren der gansche aarde. Be hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, en alle volken zien zijne eere. 7 Beschaamd moeten wezen allen die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen, buigt u neder voor hem, alle gij goden. 8 Sion heeft gehoord en het heeft zich verblijd, en de cloch-teren van Juda hebben zich verheugd vanwege uwe oordeelen, o Heere. 9 Want gij, Heere, zijt de Allerhoogste over de geheele aarde, gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden. 10 Gij liefhebbers des Heeren, haat het kwade: hij bewaart de zielen zijner gunstgenooten. hij redt ze uit der goddeloozen hand. 11 Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vroolijkheid voor de oprechten van hart. 12 Gij rechtvaardigen, verblijdt n in den Heere, en spreekt lof ter gedachtenis zijner heiligheid. |
PSALM 98. Een psalm. Zingt den Heere een nieuw lied, want hij heeft wonderen gedaan; zijne rechterhand en de arm zijner heiligheid heeft hem heil gegeven. 2 De Heere heeft zijn heil bekend gemaakt, hij heeft zijne gerechtigheid geopenbaard voor de oogen der heidenen. 3 Hij is gedachtig geweest aan zijne goedertierenheid^ en zijne waarheid aan het huis Israels, en alle de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods. 4 Juicht den Heere, gij gan-sche aarde, roept uit van vreugde en zingt vroolijk en psalmzingt. 5 Psalmzingt den Heere met de harp en met de stem des gezangs, 6 met trompetten en bazuin-geklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des Heeren. 7 De zee bruise met hare volheid, de wereld met degenen die daarin wonen. 8 Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugd bedrijven 9 voor het aangezicht des Heeren, want hij komt om de aarde te richten: hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid. PSALM 99. De Heere regeert: dat de volken beven; hij zit tusschen de cherubs: de aarde bewege zich. 2 De Heere is groot in Sion. en hij is hoog boven alle volken. 3 Dat zij uwen grooten en vreeselijken naam loven, die heilig is. 4 en de sterkte des Konings die het recht liefheeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob. 5 Verheft den Heere onzen God, en buigt u neder voor de voetbank zijner voeten, hij ia heilig. |
PSALM 100, 101, 102.
m
|
6 Mozes en Aaron waren onder zijne Priesters, en Samuël onder de aanroepers zijns naams; zij riepen tot den Heere en hij verhoorde ze. 7 Hij sprak tot hen in eene wolkkolom; zij hebben zijne getuigenissen onderhouden, en de inzettingen die hij hun gegeven had. 8 O Heere onze God, gij hebt ze verhoord, gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wrake doende over hunne daden. 9 Verhef den Heere onzen Ood, en buigt u voor den berg zijner heiligheid, want de Heere onze God is heilig. PSALM 100. Een lofpsalm. Gij gansche aarde, juicht den Heere. 2 Dient den Heere met blijdschap, komt voor zijn aanschijn met vroolijk gezang. 3 Weet dat de Heere God is; hij heeft ons gemaakt (en niet wij), zijn volk en de schapen zijner weide. 4 Gaat in tot zijne poorten met lof, in zijne voorhoven met lofzang; looit hem, prijst zijnen naam. 5 quot;Want de Heere is goed, zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, en zijne getrouwheid van geslacht tot geslacht. PSALM 101. Een psalm Davids. Ik zal van goedertierenheid en lecht zingen; u zal ik psalmzingen, o Heere. 2 Ik zal verstandiglijk handelen in den oprechten weg: wanneer zult gij tot mij komen ? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen in oprechtheid mijns harten. 3 Ik zal geenbelialsstuk voor mijne oogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven. 4 Het verkeerde hart zal van mij wijken, den booze zal ik niet kennen. |
5 Die van zijnen naaste in 't geheim achterklapt, dien zal ik verdelgen; die hoog van oogen is en trotsch van hart, dien zal ik niet vermogen. 6 Mijne oogen zullen zijn op de getrouwen in den lande, datfc ze bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen. 7 Wie bedrog pleegt zal binnen mijn huis niet blijven: wie leugens ^ spreekt zal vóór mijne oogen niet bevestigd worden. 8 Alle morgen zal ik allegod-deloozen des lands verdelgen, om uit de stad des Heeren alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien. PSALM 102. Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijne klachte uitstort voor het aangezicht des Heerex. 2 O Heere, hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot u komen. 3 Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep verhoor mij haastelijk. 4 Want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeente is uitgebrand als een haard. 5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zoodat ik vergeten heb mijn brood te eten. 6 Mijn gebeente kleeft aan mijn vleescn vanwege de stemme mijns zuchtens. 7 Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen. 8 Ik waak en ben geworden als eene eenzame musch op het dak. 9 Mijne vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij. 10 Want ik eet asch als brood, en vermeng mijnen drank met tranen, 11 vanwege uwe verstoordheid en uwen groeten toorn; want gij hebt mij verheven en mij loeder nederge worpen. 12 Mijne dagen zijn als eene |
PSALM 103.
699
|
afgaande schaduw, en ik verdor als gras. 13 Maar gij, Heere, blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis van geslacht tot geslacht. 14 Gij zult opstaan, gij zult u ontfermen over Sionj want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. 15 Want uwe knechten hebben een welgevallen aan hare stee-nen, en hebben medelijden met haar gruis. 16 Dan zullen de heidenen den naam des Heeren- vreezen, en alle Koningen der aarde uwe heerlijkheid: 17 als de Heere Sion zal opgebouwd hebben, in zijne heerlijkheid zal verschenen zijn, 18 zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen die gansch ontbloot is, en niet versmaad zal hebben hunlieder gebed. 19 Dat zal beschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den Heere loven; 20 omdat hij uit de hoogte zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien, dat de Heere uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben, 21 om het zuchten der gevangenen te hooren, omlostemaken de kinderen des doods; 22 opdat men den naam des Heeren vertelle te Sion, en zij nen lof te Jeruzalem: 23 wanneer de volken te zamen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den Heere te dienen. 24 Hij heeft mijne kracht op den weg terneder gedrukt, mijne dagen heeft hij verkort. 25 Ik zeide: Mijn God, neem mij niet weg in het midden mijner dagen; uwe jaren zijn van geslacht tot geslacht. 26 Gii hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen 27 die zullen vergaan, maar gij zult staande blijven: en zij alle zullen als een kleed verouden, gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd |
zijn; 28 maar gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet geëindigd worden. 29 De kinderen uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor uw aangezicht bevestigd worden. PSALM 103. Een psalm Davids. Loof den Heere, mijne ziel, en al wat binnen in mij is zijnen heiligen naam. 2 Loof den Heere, mijne ziel, en vergeet geene van zijne weldaden ; 3 die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die alle uwe krankheden geneest; 4 die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden ; lt; 5 die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends. 6 De Heere doet gerechtigheid en gerichten allen dengenen die onderdrukt worden. 7 Hij heeft Mozes zijne wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels zijne daden. 8 Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. 9 Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. 10 Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. 11 Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen die hem vreezen. 12 Zoo ver het Oosten is van het Westen, zóó ver doei hij onze overtredingen van ons. 13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen die hem vreezen. 14 Want hij weet wat maaksel dat wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. 15 De dagen des menschen zijn |
PSALM 91,92.
|
7 Want wij vergaan door uwen toorn, en door uwe grimmigheid worden wij verschrikt. 8 Gij etelt onze ongerechtigheden vóór u, onze heimelijke zondm in het licht nws aan-echijns. 9 Want alle onze dagen gaan henen door uwe verbolgenheid, wij brengen onze jaren door als eene gedachte. 10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaar, of zo ) wij zeer sterk zijn, tachtig jaar, en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarhenen. 11 Wie kent de sterkte uws toorn», en uwe verbolgenheid naardat gij te vreezen zijt? 12 Leer om alzóó onze dagen tellen, dat wij een wijs harte bekomen. 13 Keer weder, Heere, tot hoe lang ? En het berouwe u over uwe knechten. 14 Verzadig ons in den morgenstond met uwe goedertierenheid, zoo zullen wij juichen en verblijd zijn in alle onze dagen. 15 Verblijd ons naar de dagen in dewelke gij ons gedrukt hebt, naar de jaren in dctcelke wij het kwaad gezien hebben. 16 Laat uw werk aan uwe knechten gezien worden, en uwe heerlijkheid over hunne kinderen. 17 En de liefelijkheid des Hee-ren onzes Gods zij over ons; en bevestig gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat. PSALM 91. Die in de schuilplaats des Al-lerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. 2 Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne toevlucht en mijn burg, mijn God op wien ik vertrouw. 3 Want hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. |
4 Hij zal u dekken met zijne vlerken, en onder zijne vleugelen zult gij betrouwen; zijne waarheid is een rondas en beukelaar. 5 Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl die des daags vliegt, 6 voor de pestilentie die inde donkerheid wandelt, voor het verderf dat op den middag verwoest. 7 Aan uwe zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uwe rechterhand: tot u zal het niet genaken. 8 Alleenlijk zult gij het met uwe oogen aanschouwen, en gij zult de^ vergelding der godde-loozen zien. 9 Want gij, Heere, zijt mijne toevlucht; den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw vertrek: 10 u zal geen kwaad wedervaren, en geene plage zal uwe tente naderen. 11 Want hij zal zijne Engelen van u bevelen, dat zij u bewaren op alle uwe wegen; 12 zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geenen steen stoot. 13 Op den feilen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden. 14 Dewijl hij mij zeer bemint, spreekt God, zoo zal ik hem uithelpen; ik zal hem op eene hoogte stellen, want hij kent mijnen naam. 15 Hij zal mij aanroepen, en ik zal hem verhoeren; in de benauwdheid zal ik bij hem zijn, ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken. 16 Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en ik zal hem mijn heil doen zien. PSALM 92. Een psalm, een lied op den sabbatdag. # 2 Het is goed dat men den Heere _ love, en uwen naam psalmzinge, o^ Allerhoogste; 3 dat men in den morgenstond uwe goedertierenheid verkondige, en uwe getrouwheid in de nachten, 4 op het tiensnarig instrument |
PSALM 93, 94.
603
|
en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. 5 Want gij hebt mij verblijd, Heeke, met uwe daden; ik zal juichen over de werken uwer handen. 6 O Heere, hoe groot zijn uwe werken, zeer diep zijn uwe gedachten. 7 Een onvernuftig man weet daar niet van, en een dwaas verstaat dit niet: 8 dat de goddeloozen groeien als het kruidden alle de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in eeuwigheid verdelgd worden. 9 Maar gij zijt de Allerhoogste, in eeuwigheid de Heeke. 10 quot;Want zie, uwe vijanden, o Heere, want zie, uwe vijanden zullen vergaan; alle de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden. 11 Maar gij zult mijnen hoorn verhoogen gelijk eens eenhoorns; ik ben met versche olie overgoten, 12 en mijn oog zal mijne verspieders aanschouwen, mijne ooren zullen het hooren aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. 13 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, hij zal wassen als een cederboom op Libanon. 14 Die in het Huis des Heeeen geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. 15 In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, 16 om te verkondigen dat de Heere recht is: hij is mijn rotssteen, en in hem is geen onrecht. PSALM 93. De Heere regeert, hii is met hoogheid bekleed, de Heere is bekleed met sterkte, hij heeft zich omgord, ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. 2 Van toen af is uw troon bevestigd; gij zijt van eeuwigheid af. 3 De rivj.eren verheffen, o Hee-ee, de rivieren verheffen haar bruisen, de rivieren verheffen hare aanstootiug. |
4 Doch de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van groote wateren, dan de geweldige baren der zee. 5 Uwe getuigenissen zijn zeer getrouw, de heiligheid is uwen huize sierlijk, Heeke, tot lange dagen. PSALM 94. O God der wraken, o Heeke, God der wraken, verschijn blinkende. 2 Gij rechter der aarde, verhef u; breng vergelding weder over de hoovaardigen. 3 Hoe lang zullen de goddeloozen, o Heere, hoe lang zullen de goddeloozen van vreugd opspringen, , 4 uitgieten, hard spreken, alle ! werkers der ongerechtigheid zich i beroemen? 5 O Heeke, zij verbrijzelen I uw volk, en zij verdrukken uw I erfdeel. 6 De weduw en den vreemdeling dooden zij, en zij vermoorden de weezen, 7 en zeggen: _ De Heere ziet het niet, en de God Jakobs merkt het niet. 8 Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk, en gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden? 9 Zoude die het oor plant niet hooren, zoude die het oog formeert niet aanschouwen? 1Ã Zoude die de heidenen tuchtigt niet straffen, hij die den mensch wetenschap leert? 11 De Heeke weet de gedachten dos menschen dat zij ij delheid zijn. 12 Welgelukzalig is de man, o Heere, dien gij tuchtigt, en dien gij leert uit uwe wet, 13 om hem ruste te geven van de kwade dagen, totdat de kuil voor den goddelooze gegraven wordt. 14 quot;Want de Heere zal zijn volk niet begeven, en hij zal zijne erve niet verlaten. 15 Want het oordeel zal we- |
* I
PSALM 95, 06.
696
|
derkeeren tot de gerechtigheid, en alle oprechten van harte zullen hetzelve navolgen. 16 Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners, wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? 17 Ten ware dat de Heere mij eene hulpe geweest ware, mijne ziel had bijna in de stilte gewoond. 18 Als ik zeide: Mijn voet wankelt, ondersteunde mij, o Heere, uwe goedertieren]gt;ei'd. 19 Als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben uwe vertroostingen mijne ziele verkwikt. 20 Zou zich de stoel der schadelijkheden met u vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? 21 Zij rotten zich te zamen tegen de ziele des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. 22 Doch de Heere is mij geweest tot een hoog vertrek, en mijn God tot eene steenrots mijner toevlucht. 23 En hij zal hunne ongerechtigheid op hen doen wederkee-ren, en hij zal ze in hunne boosheid verdelgen; de Heeee onze God zal zo verdelgen. PSALM 95. Komt, laat ons den Heere vroo-lijk zingen, laat ons juichen den rotssteen onzes heils. 2 Laat ons zijn aangezicht tegemoet gaan met lof, laat ons hem juichen met psalmen. 3 Want de Heere is een groot God, ja, een groot Koning boven alle goden. 4 In wiens hand de diepste Elaatsen der aarde zijn, en delaatsen der aarde zijn, en de oogten der bergen zijn zijne. o Wiens ook de zee is, want hij heeft ze gemaakt; en zijne handen hebben het droge geformeerd. 6 Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den Heere die ons gemaakt heeft. |
7 Want hij is onze God, en wij zijn het volk zijner weide en de schapen zijner hand. Heden zoo gij zijne stemme hoort, 8 verhardt uw harte niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn, 9 waar mij uwe vaders verzochten, mij beproefden, ook mijn werk zagen. 10 Veertig jaar heb ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk dwalende van hart, en zij kennen mijne wegen niet. 11 Daarom heb ik in mijnen toorn gezworen: Zoo zij in mijne ruste zullen ingaan 1 PSALM 96. _ Zingt den Heere een nieuw lied, zingt den Heere, gij gan-sche aarde. 2 Zingt den Heere, looft zijnen naam, boodschapt zijn heil van dag tot dag. 3 Vertelt onder de heidenen zijne cere, onder alle volken zijne wonderen. 4 Want de Heere is groot en zeer te prijzen, hij is vreeselijk boven alle goden. 5 Want alle de goden der volkeren zijn afgoden, maar do Heere heeft de hemelen gemaakt. 0 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezicht, sterkte en sieraad in zijn heiligdom. 7 Geeft den Heere, gij geslachten der volken, geelt den Heere eere en sterkte. 8 Geeft den Heere de eere zijns naams, brengt olier en komt in zijne voorhoven. 9 Aanbidt den Heere in de heerlijkheid des heiligdoms, schrikt voor zijn aangezicht, gij gansche aarde. 10 Zegt onder de heidenen: De Heere regeert; ook zal de wereld bevesvigd worden, zij zal niet bewogen worden; hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid. 11 Dat de hemelen zich verblijden en de aarde zich ver-heuge, dat d3 zee bruise met hare volheid. 12 Dat het veld huppele van |
PSA L BI 97, 98,99.
697
|
vreugde met al wat er in i3, dat dan alle de boomen des wonds juichen 13 voor het aangezicht des Heeren, want hij komt, want hij komt om de aarde te richten; hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met zijne waarheid. PSALM 97. De Heeke regeert, de aarde verheuge zich, dat vele eilanden zich verblijden. 2 Rondom hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gerichte zijn de vastigheid zijns troons. 3 Een vuur gaat voor zijn aangezicht henen, en het steekt zijne wederpartijen rondom aan brand. 4 Zijne bliksemen verlichten de wereld, het aardrijk ziet ze en het beeft. 5 De bergen smelten als was voor het aanschijn des Heehen, voor het aanschijn des Heeren der gansche aarde. 0 Ee hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, en alle volken zien zijne eere. 7 Beschaamd moeten wezen allen die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen, buigt u neder voor hem, alle gij goden. 8 Sion heeft gehoord en het heeft zich verblijd, en de doch-teren van Juda hebben zich verheugd vanwege uwe oordeelen, o Heere. 9 Want gij, Heere, zijt de Allerhoogste over de geheele aarde, gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden. 10 Gij liefhebbers des Heeren, haat het kwade: hij bewaart de zielen zijner gunstgenooten, hij redt ze uit der goddeloozen hand. 11 Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vroolijkheid voor de oprechten van hart. 12 Gij rechtvaardigen, verblijdt u in den Heere, en spreekt lof ter gedachtenis zijner heiligheid. |
PSALM 98. Een psalm. Zingt den Heere een nieuw lied, want hij heeft wonderen gedaan; zijne rechterhand en de arm zijner heiligheid heeft hem heil gegeven. 2 De Heere heeft zijn heil bekend gemaakt, hij heeft zijne gerechtigheid geopenbaard voor de oogen der heidenen. 3 Hij is gedachtig geweest aan zijne goedertierenheid en zijne waarheid aan het huis Israels, en alle de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods. 4 Juicht den Heere, gij gansche aarde, roept uit van vreugde en zingt vroolijk en psalmzingt. 5 Psalmzingt den Heere met de harp en met de stem des gezangs, 6 met trompetten en bazuin-geklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des Heeren. 7 De zee bruise met hare volheid, de wereld met degenen die daarin wonen. gt; 8 Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugd bedrijven 9 voor het aangezicht des Heeren, want hij komt om de aarde te richten; hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid. PSALM 99. De Heere regeert; dat de volken beven; hij zit tusschen de cherubs; de aarde bewege zich. 2 De Heere is groot in Sion, en hij is hoog boven alle volken. 3 Dat zij uwen grooten en vreeselijken naam loven, die heilig is, 4 en de sterkte des Konings die het recht liefheeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob. 5 Verheft den Heere onzen God, en buigt u neder voor de voetbank zijner voeten, hij ia heilig. |
PSALM 100, 101, 102.
m
|
6 Mozes en Aaron waren onder zijne Priesters, en Samnël onder de aanroepers zijns naams; zij riepen tot den Heere en hij verhoorde ze. 7 Hij sprak tot hen in eene wolkkolom; zij hebben zijne getuigenissen onderhouden, en de inzettingen die hij hun gegeven had. 8 O Heere onze God, gij hebt ze verhoord, gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wrake doende over hunne daden. 9 Verhef den Heere onzen Ood, en buigt u voor den berg zijner heiligheid, want de Heere onze God is heilig. PSALM 100. Een lofpsalm. Gij gansche aarde, juicht den Heere. 2 Dient den Heere met blijdschap, komt voor zijn aanschijn met vroolijk gezang. 3 Weet dat de Heere God ja; hij heeft ons gemaakt (en niet wij), zijn volk en de schapen zijner weide. 4 Gaat in tot zijne poorten met lof, in zijne voorhoven met lofzang; looft hem, prijst zijnen naam. 5 Want de Heere is goed, zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, en zijne getrouwheid van geslacht tot geslacht. PSALM 101. Een psalm Davids. Ik zal van goedertierenheid en iccht zingen; u zal ik psalmzingen, o Heere. 2 Ik zal verstandiglijk handelen in don oprechten weg: wanneer zult gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen in oprechtheid mijns harden. 3 Ik zal geenbelialsstuk voor mijne oogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven. 4 Het verkeerde hart zal van mij wijken, den booze zal ik niet kennen. |
5 Die van zijnen naaste in 't geheim achterklapt, dien zal ik verdelgen; die hoog van oogen is en trotsch van hart, dien zal ik niet vermogen. 6 Mijne oogen zullen zijn op de getrouwen in den lande, dafc ze bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen. 7 Wie bedrog pleegt zal binnen mijn huis niet blijven : wie leugens # spreekt zal voor mijne oogen niet bevestigd worden. 8 Alle morgen zal ik allegod-deloozen des lands verdelgen, om uit de stad des Heeren alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien. PSALM 102. Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijne klachte uitstort voor het aangezicht des Heeren. 2 O Heeee, hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot u komen. 3 Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep verhoor mij haastelijk. 4 Want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeente is uitgebrand als een haard. 5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zoo dat ik vergeten heb mijn brood te eten. 6 Mijn gebeente kleeft aan mijn vleesch vanwege de stemme mijns zuchtens. 7 Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen. 8 Ik waak en ben geworden als eene eenzame musch op het dak. 9 Mijne vijanden smaden mij al den dag: die tegen mij razen, zweren bij mij. 10 Want ik eet ascli als brood, en vermeng mijnen drank met tranen, 11 vanwege uwe verstoordheid en uwen grooten toorn; want gij hebt mij verheven en mij iceder nederge worpen. 12 Mijne dagen zijn als eene |
PSALM 103.
699
|
afgaande echadu-w, en ill verdor als gras. 13 Maar gij, Heere, blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis van geslacht tot geslacht. 14 Gij zult opstaan, gij zult u ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig ts zijn, want de bestemde tijd ie gekomen. 15 Want nwe knechten hebben een welgevallen aan hare stee-nen, en hebben medelijden met haar gruis. 16 Dan zullen de heidenen den naam des Heereït vreezen, en alle Kdnrngen der aarde uwe heerlijkheid: 17 als de Heere Sion znl opgebouwd hebben, in zijne heerlijkheid zal verschenen zijn, 18 zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen die gansch ontbloot is, en niet versmaad zal hebben hunlieder gebed. 19 Dat zal beschreven worden voor het navolgende geslaohx: en het volk, dat geschapen zal worden, zal den Heere loven: 20 omdat hij uit de hoogte zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien, dat de Heere uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben, 21 om het zuchten der gevangenen te hooren, om los te maken de kinderen des doods; 22 opdat men den naam des Heeren vertelle te Sion, en zijnen lof te Jeruzalem: 23 wanneer de volken tezamen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den Heere te dienen. 24 Kij heeft mijne kracht op den weg terneder gedrukt, mijne dagen heeft hij verkort. 25 Ik zeide: Mijn God, neem mij niet weg in het midden mijner dagen; uwe jaren zijn van geslacht tot geslacht. 26 Gij kebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen 27 die zullen vergaan, maar gij zult staande blijven: en zij alle zullen als een kleed verouden, gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd |
zijn; 28 maar gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet geëindigd worden. 29 De kinderen uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor uw aangezicht bevestigd worden. PSALM 103. Een psalm Davids. Loof den Heere, mijne ziel, en al wat binnen in mij is zijnen heiligen naam. 2 Loof den Heere, mijne ziel, en vergeet geene van zijne weldaden ; 3 die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die alle uwe krankheden geneest; 4 die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartighe-den; _ 5 die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends. 6 De Heere doet gerechtigheid en gcrichten allen dengenen die onderdrukt worden. 7 Hij heeft Mozes zijne wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels zijne daden. 8 Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. 9 Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. 10 Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. 11 Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen die hem vreezen. 12 Zoo ver het Oosten is van het Westen, zóó ver doet hij onze overtredingen van ons. 13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen die hem vreezen. 14 Want hij weet wat maaksel dat wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. 15 De dagen des menschen zijn |
J
|
m PSALM ] 6 Mozes en Aaron waren onder zijne Priesters, en Samuël onder de aanroepers zijns naams; zij riepen tot den Heere en hij verhoorde ze. 7 Hij sprak tot hen in eene wolkkolom; zij hebben zijne getuigenissen onderhouden, en de inzettingen die hij hun gegeven had. 8 O Heere onze God, gij hebt ze verhoord, gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wrake doende over hunne daden. 9 Verhef den Heere onzen God, en buigt u voor den berg zijner heiligheid, want de Heere onze God is heilig. PSALM 100. Een lofpsalm. Gij gansche aarde, juicht den Heere. 2 Dient den Heere met blijdschap, komt voor zijn aanschijn met vroolijk gezang. 3 Weet dat de Heere God is; hij heeft ons gemaakt (en niet wij), zijn volk en de schapen zijner weide. 4 Gaat in tot zijne poorten met lof, in zijne voorhoven met lofzang; looft hem, prijst zijnen naam. 5 Want de Heere is goed, zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, en zijne getrouwheid van geslacht tot geslacht. PSALM 101. Een psalm Davids. Ik zal van goedertierenheid en lecht zingen; u zal ik psalmzingen, o Heere. 2 Ik zal verstan digi ijk handelen in den oprechten weg: wanneer zult gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen in oprechtheid mijns harten. 3 Ik zal geenbelialsstuk voor mijne oogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven. 4 Het verkeerde hart zal van mij wijken, den booze zal ik niet kennen. 5 Die van zijnen naaste in 't |
X), 101, 102. geheim achterklapt, dien zal ik verdelgen; die hoog van oogen is en trotsch van hart, dien zal ik niet vermogen. 6 Mijne oogen zullen zijn op de getrouwen in den lande, daA ze bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen. 7 Wie bedrog pleegt zal binnen mijn huis niet blijven: wie leugens # spreekt zal vóór mijne oogen niet bevestigd worden. 8 Alle morgen zal ik allegod-deloozen des lands verdelgen, om uit de stad des Heeren alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien. PSALM 102. Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijne klachte uitstort voor het aangezicht des Heeren. 2 O Heere, hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot u komen. 3 Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep verhoor mij haastelijk. 4 Want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeente is uitgebrand als een haard. 5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zoo dat ik vergeten heb mijn brood te eten. 6 Mijn gebeente kleeft aan mijn vleesch vanwege de stemme mijns zuchtens. 7 Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernisser.:. 8 Ik waak en ben geworden als eene eenzame musch op het dak. 9 Mijne vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij. 10 Want ik eet asch als brood, en vermeng mijnen drank met tranen, 11 vanwege uwe verstoordheid en uwen grooten toorn; want gij hebt mij verheven en mij iceder nederge worpen. 12 Mijne dagen zijn als eene |
|
PSA] afgaande schaduvr, en ik verdor als gras. 13 Maar gij, Heere, blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis Tan geslacht tot geslacht. 14 Gij zult opstaan, gij zult u ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd i^ gekomen. 15 Want uwe knechten hebben een welgevallen aan hare stee-nen, en hebben medelijden met haar gruis. 16 Dan zullen de heidenen den naam des Heeren- vreezen, en alle Koningen der aarde uwe heerlijkheid: 17 als de Heere Sion zal opgebouwd hebben, in zijne heerlijkheid zal verschenen zijn, 18 zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen die gansch ontbloot is, en niet versmaad zal hebben hunlieder gebed. 19 Dat zal beschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den Heere loven; 20 omdat hij uit de hoogte zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien, dat de Heere uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben, 21 om het zuchten der gevangenen te hooren, omlostemaken de kinderen des doods; 22 opdat men den naam des Heeren vertelle te Sion, en zijnen lof te Jeruzalem: 23 wanneer de volken te zamen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den Heere te dienen. 24 Kij heeft mijne kracht op den weg terneder gedrukt, mijne dagen heeft hij verkort. 25 Ik zeide: Mijn God, neem mij niet weg in het midden mijner dagen; uwe jaren zijn van geslacht tot geslacht. 26 Gij kebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen 27 die zullen vergaan, maar gij zult staande blijven: en zij alle zullen als een kleed verouden, gij zult ze veranderen als een |
UI 103. 699 gewaad, en zij zullen veranderd zijn; 28 maar gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet geëindigd worden. 29 De kinderen uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor uw aangezicht bevestigd worden. PSALM 103. Een psalm Davids. Loof den Heere, mijne ziel, en al wat binnen in mij is zijnen heiligen naam. 2 Loof den Heere, mijne ziel, en vergeet geene van zijne weldaden ; 3 die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die alle uwe krankheden geneest; 4 die uw leven verlost van het verderf, die t? kroont met goedertierenheid en barmhartighe-den; 5 die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends. 6 De Heere doet gerechtigheid en gerichten allen dengenen die onderdrukt worden. 7 Hij heeft Mozes zijne wegen bekend gemaakt, den kinderen Israëls zijne daden. 8 Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. 9 Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. 10 Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. 11 Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen die hem vreezen. 12 Zoo ver het Oosten is van het Westen, zóó ver doei hij onze overtredingen van ons. 13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen die hem vreezen. 14 Want hij weet wat maaksel dat wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. 15 De dagen des menschen zijn |
PSALM 104.
700
|
als het gras,,gelijk eene bloem des velds alzóó bloeit hij: 1G als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer. 17 Maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die hem vreezen, en zijne gerechtigheid aan kindskinderen; 18 aan degenen die zijn verbond houden, en die aan zijne bevelen denken om die te doen. 19 De Heehe heeft zijnen troon in de hemelen bevestigd, en zijn koninkrijk heerscht over alles. 20 Looft den IIeere, zijne Engelen, gij krachtige helden die zijn woord doet, gehoorzamende der stemme zijns woords. 21 Looft den Heehe, alle zijne heirscharen, gij zijne dienaars die zijn welbehagen doet. 22 Looit den Heere, alle zijne werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof den Heere, mijne ziel. PSALM 104. Loof den Heere, mijne ziel; o Heere mijn God, gij zijt zeer groot, gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid. 2 Hij bedekt zich met het licht als met een kleed, hij rekt den hemel uit als eene gordijn. 3 Die zijne opperzalen zoldert in de wateren, die van de wolken zijnen wagen maakt, die op de vleugelen des winds wandelt. 4 Hij maakt zijne Engelen geesten, zijne dienaars tot een vlammend vuur. 5 Hij heeft de aarde gegrond op hare grondvesten, zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen. 6 Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen. 7 Van uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem uws donders. 8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse die gij voor hen gegrond hadt. 9 Gij hebt eenen paal gesteld dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken. |
10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tusscheu de gebergten henen wandelen. 11 Zij drenken al het gedierte des velds, de woudezels breken er hunnen dorst mede. 12 Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, eene stemme gevende van tusschen de takken. 13 Hij drenkt de bergen uit zijne opperzalen, de aarde wordt verzadigd van de vrucht uwer werken. 14 Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des menschen, doende het brood uit de aarde voortkomen, 15 en den wijn die het hart des menschen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie ; en het brood dat het hart des menschen sterkt. 1G De boomen des Heerek worden verzadigd, de cederboo-men van Libanon die hij geplant heeft, 17 alwaar de vogeltjes nestelen: des ooievaars huis zijn de den-neboomen. 18 De hooge bergen zijn voor de steenbokken, de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen. 19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haren ondergang. 20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt; 21 de jonge leeuwen, brieschen-de om eenen roof, en om hunne spijze van God te zoeken. 22 De zon opgaande, maken zij, zich weg en liggen neder in hunne holen. 23 De mensch gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijnen arbeid tot den avond toe. 24 Hoe groot zijn uwe werken, o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van uwe goederen. 25 Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat |
PSALM 105.
701
|
zonder getal, kleine gedierten met groote. 26 Daar wandelen de schepen, en de leviathan, dien gij geformeerd hebt om daarin te spelen. 21 Zij allen wachten op n, dat gij hun hunne spijs geeft 13 zijner tijd. 28 Geeft gij ze hun, zij vergaderen ze; doet gij uwe hand open, zij worden met goed verzadigd. 29 Verbergt gij uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt gij hunnen adem weg, zij sr,erven en zij keeren weder tot hun stof. 30 Zendt gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen, en gij vernieuwt het gelaat des aardrijk?. 31 De heerlijklieid des Heeren zij tot in eeuwigheid, de Heeke verblijde zich in zijne werken. 32 Als hij de aarde aanschouwt zoo beeft zij, als hij de bergen aanroert zoo rooken zij. 33 Ik zal den IIeere zingen in mijn leven, ik zal mijnen God psalmzingen terwijl ik nog ben. 34 Mijne overdenking van liem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heere verblijden. 35 De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de god-deloozen zullen niet meer zijn. Loof den Heere, mijne ziele. Hallelujah. PSALM 105. Looft den Heere, roept zijnen naam aan, maakt zijne daden bekend onder de volken. 2 Zingt hem, psalinzingt hem, spreekt aandachtiglijk van alle zijne wonderen. 3 Roemt in den naam zijner heiligheid, het harte dergenen die den Heere zoeken verblijde zich. 4 Vraagt naar den Heere en zijne sterkte, zoekt zijn aangezicht geduriglijk. 5 Gedenkt zijne wonderen die hij gedaan heeft, zijne wonder-teekenen en de oordeelen zijns monds. 6 Gij zaad Abrahams, zijns knechts, gii kinderen Jakobs, zijne uitverkorenen, |
7 hij is de Heere onze God, zijne oordeelen zijn over de ge-heele aarde. 8 Hij gedenkt zijn verbond tot in eeuwigheid, liet Woord dat hij ingesteld heeft tot in duizend geslachten; 9 het verhond dat hij met Abraham heeft gemaakt, en zijnen eed aan Isaak; 10 welken hij ook gesteld hec?: aan Jabob tot eene inzetting, aan Israël tut een eeuwig verbond, 11 zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel. 12 Als zij weinige menschen in getale waren, ja, weinigen en vreemdelingen daarin, 13 en wandelden van volk tot volk, van het ééne koninkrijk tot het andere volk; 14 hij liet geen mensch toe hen te onderdrukken, ook bestrafte hij Koningen om hunnentwille, zeggende: 15 Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen Profeten geen kwaad. lü Hij riep ook een honger in het land, hij brak allen staf des broods. 17 Hij zond eenen man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf. 18 Men drukte zijne voeten in den stok, zijn persoon kwam in de ijzers. 19 Ter tijd toe dat zijn woord kwam heeft hem de rede des Heeren doorlouterd. 20 De Koning zond en deed hem ontslaan, de heerscher der volken die liet hem los; 21 hij zette hem tot een heer over zijn huis, en toteenen heerscher over al zijn goed, 22 om zijne Vorsten te binden naar zijnen lust, en zijne oudsten te onderwijzen. 23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham. 24 En hij deed zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan zijne tegenpartijders. 25 Hij keerde hun harte om, |
PSALM 106.
702
|
dat zij zijn volk haatten, dat zij met zijne knechten listiglijk handelden . 26 Hij zondMozes zijnen knecht, en Aaron dien hij verkoren had: 27 zij deden onder hen de bevelen zijner teckenen, en -wonderwerken in het land van Cham. 28 Hij zond duisternis en maakte het duister, en zij waren zijnen woorde niet wederspannig. 29 _ Hij verkeerde hunne -wateren in bloed, en hij doodde hunne visschen. 30 Hun land bracht vorschen voort in overvloed, tot in de binnenste kamerenhunner Koningen. 31 Hij sprak en daar kwam eene vermenging van ongedierte, luizen in hunne gansche landpale. 32 Hij maakte hunnen regen tot hagel, vlammend vuur in hun land. 33 En hij sloeg hunnen wijnstok en hunnen vijgeboom, en hij brak het geboomte hunner landpalen. 34 Hij sprak en daar kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal, 35 die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landouwe op. 36 Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen van alle hunne krachten. 37 En hij voerde ze uit met zilver en goud; en onder hunne stammen was niemand die struikelde. 38 Egypte was blijde als zij uittrokken, want hunne verschrikking was op hen gevallen. 39 Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten. 40 Zij baden, en hij deed kwakkelen komen en hij verzadigde ze met hemelbrood. 41 Hij opende eene steenrots, en daar vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als eene rivier. 42 Want hij dacht aan zijn heilig Woord, aan Abraham zijnen knecht. |
43 Alzoo voerde hij zijn volk uit met vroolijkheid, zijne uitverkorenen met gejuich; 44 en hij gaf hun de landen der heidenen, zoodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volkeren ; 45 opdat zij zijne inzettingen onderhielden en zijne wetten bewaarden. Hallelujah. PSALM 106. Hallelujah. Looft den Heere want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. 2 Wie zal de mogendheden des Heeren uitspreken, al zijnen lof verkondigen ? 3 Welgelukzalig zijn ze die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet. 4 Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot uw volk; bezoek mij met uw heil, 5 opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen, opdat ik mij verblijde met de blijdschap uws volks, opdat ik mij beroem© met uw erfdeel. 6 Wij hebben gezondigd mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddeloos!ijk gehandeld. 7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op uwe wonderen, zij zijn aan de menigte uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest ; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee. 8 Doch hij verloste ze om zijns naams wil, opdat hij zijne mogendheid bekend maakte; 9 en hij schold de Schelfzee, zoodat zij verdroogde, en hij deed ze wandelen door de afgronden als door eene woestijn; 10 en hij verloste ze uit de hand des haters, en hij bevrijdde ze van de hand des vijands; 11 en de wateren overdekten hunne wederpartijders, niet één van hen bleef er over. 12 Toen geloofden zij aan zijne woorden, zij zongen zijnen lof. 13 Doch zij vergaten haast zijne werken, zij verbreidden zijnen raad niet; 14 maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis |
PSALM 100.
703
|
15 Toen gaf hij hun hunne begeerte, maar hij zond aan hunne zielen eene magerheid. 16 En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des Heeren: 17 de aarde opende zich en verslond Dathan, en overdekte de vergadering Abirams; 18 en een vuur brandde onder hunne vergadering, eene vlam stak de goddeloozen aan brand. 19 Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld, 20 en zij veranderden hunne eere in de gedaante van eenen os die gras eet. 21 Zij vergaten God, hunnen Heiland, die groote dingen gedaan had in Egypte, 22 wonderdaden in het land Chams, vreeselijke dingen aan de Schelfzee. 23 Dies hij zeide dat hij ze verdelgen zoude, ten ware Mc zes, zijn uitverkorene, in de scheure voor zijn aangezicht gestaan had, om zijne grimmigheid af te kee-ren, dat hij ze niet verdierf. 24 Zij versmaadden ook het ge-wenschte land; zij geloofden zijn Woord niet; 25 maar zij murmureerden in hunne tenten; naar de stemme des Heeren hoorden zij niet. 26 Dies hief hij tegen hen zijne hand op, zicerende^ dat hij ze neder vellen zoude in de woestijn, 27 en dat hij hun zaad zoude nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zoude door de landen, 28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der dooden gegeten; 29 en zij hebben den Heree tot toorn verwekt met hunne daden, zqodat de plage eene inbreuk onder hen deed. 30 Toen stond Pinehas op en hij oefende gericht, en de plage werd opgehouden; 31 en het is hem gerekend tot gerechtigheid van geslacht tot geslacht, tot in eeuwigheid. 32 Zij maakten hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil ; |
33 want zij verbitterden zijnen geest, zoodat hij wat onbedachte-lijk voortbracht met zijne lippen. 34 Zij hebben die volken niet verdelgd, die de Heere hun gezegd had; 35 maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden der-zei ver werken; 36 en zij dienden hunne afgoden, en zij werden hun tot eenen strik. 37 Daarenboven hebben zij hunne zonen en hunne dochteren den duivelen opgeofferd, 38 en zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zoodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden. 39 En zij ontreinigden zich door hunne werken, en zij hebben gehoereerd door hunne daden. 40 Dies is de toorn des Heeren ontstoken tegen zijn volk, en hij heeft eenen gruwel gehad aan zijn erfdeel; 41 en hij gaf ze in de hand der heidenen, en hunne haters heerschten over hen, 42 en hunne vijanden hebben ze verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hunne hand. 43 Hij heeft ze menigmaal gered, maar zij verbitterden hem door hunnen raad, en werden uitgeteerd door hunne ongerechtigheid. 44 Nochtans zag hij hunne benauwdheid aan, als hij hun geschrei hoorde, 45 en hij dacht tot hun best aan zijn verbond, en het berouwde hem naar de veelheid zijner goedertierenheden. 46 Dies gaf hij hun barmhartigheid voor het aangezicht aller die ze gevangen hadden. 47 Verlos ons, Heere onze God, en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den naam uwer heiligheid loven, ons beroemende in uwen lof. 48 Geloofd zij de Heere, de |
PSALM 107.
704
|
Ood Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge amen. Hallelujah. PSALM 107. Looft den Heere, want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid: 2 dat zulks de bevrijden des â¢Heeren zeggen, die hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft, 3 en die hij uit de landen verzameld heeft, van het Oosten en van het Westen, van het Noorden en van de zee. 4 Die in de woestijn dwaalden, In eenen weg der wildernis; die geene stad ter woning vonden. 5 Zij waren hongerig, ook dorstig, hunne ziele was in hen overstelpt. 6 Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij hadden, heeft hij ze gered uit hunne angsten; 7 en hij leidde ze op eenen rechten weg om te gaan toteene ctad ter woning. 8 Laat ze voorden Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen; 9 want hij heeft de dorstige ziele verzadigd, en de hongerige ziele met goed vervuld, 10 die in duisternis en schaduwe des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer, 11 omdat zij wederspannig wa-Ten geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardigi ijk verworpen hadden: 12 waarom hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en daar was geen helper. 13 Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij had-tien, verloste hij ze uit hunne angsten: 14 hij voerde ze uit de duisternis en de schaduwe des doods, â¬n hij brak hunne banden. 15 Laat ze voor den Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen; |
16 want hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen. 17 De zotten worden om den weg hunner overtreding en om hunne ongerechtigheden geplaagd. 18 Hunne ziele gruwde van alle spijs, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen. 19 Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij hadden, verloste hij ze uit hunne angsten: 20 hij zond zijn Woord uit,en heelde ze, en rukte ze uit hunne kuilen. 21 Laat ze voor den Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen; 22 en dat zij lofofferen offeren, en met gejuich zijne werken vertellen. 23 Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op groote wateren, 24 die zien de werken des Heeren, en zijne wonderwerken in de diepte. 25 Als hij spreekt, zoo doet hij eenen stormwind opstaan, die hare golven omhoog verheft. 26 Zij rijzen op naar den hemel, zij dalen neder tot in de afgronden; hunne ziele versmelt van angst. 27 Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hunne wijsheid wordt verslonden. 28 Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij hadden, zoo voerde hij ze uit hunne angsten. 29 Hij doet den storm stille staan, zoodat hunne golven stilzwijgen. 30 Dan zijn zij verblijd,omdat zij gestild zijn, en dat hij ze tot de haven hunner begeerte geleid heeft. 31 Laat ze voor den Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen, 32 en hem verhoogen in de gemeente des volks, en in het |
PSALM 108, 109.
705
|
gestoelte der otidsten hem roemen. 33 Hij stelt de rivieren tot eene woestijn, en -watertoehten tot een dorstig land: 34 het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen die daarin wonen. 3o Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten; 30 en hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten liono stad ter woning, 37 en bezaaien nkkers en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen, 38 en hij zegent ze, zoodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun veo vermindert hij niet. 89 Daarna verminderen zij, en Komen te onder door verdrukking, kwaad en droefenis. 40 Hij stort verachting uit over «e Prinsen, en doet ze dwalen in het woeste waar geen weg is. 41 Maar hij brengt den nooddruftige uit do verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de kuisgezinnen als kudden. 42 De oprechten zien het en zijn verblijd, maar alle onge-rechtigheid stopt haren mond. 43 Wie is wijs? die neme deze ({inrjen waar; en dat zij verstan-diglijk letten op rle goedertierenheden des Heeren. PSALM 108. Een lied, een psalm Davids. 2 O God, mijn harte is bereid, ik znl zingen en psalmzingen, ook mijne eere. 3 Waak óp gij luit en harp, ik znl in den dageraad opwaken. 4 Ik zal u loven onder de volken, o Heere, en ik zal u psalmzingen onder de natiën ; ^ 5 want uwe goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en uwe waarheid tot aan de bovenste wolken. 6 Verhef u, o God, boven de hemelen, en uwe eere over de gansche aarde. 7 Opdat uwe beminden bevrijd worden, geef heil cZoor uwe rech-teriiand en verhoor ons. |
8 God heeft gesproken in zijn heiligdom, cfaVszal ik van vreugde opspringen: Ik zal Sichemdeelen, en het dal Sukkoth zal ik afmeten ; 9 Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Etraïm is de sterkte mijns hoofds, Juda is mijn wetgever ; 10 Moab is mijn waschpot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen. 11 W ie zal mij voeren in ecne vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom? 12 Zult gij het niet zijn, o God, die ons verstouten hadt, en die niet uittoogt, o God, met onze heirkrachten? 13 Geef gij ons hulp uit de benauwdheid, want 's menschen heil is ijdelheid. 14 Tn God zullen wij kloeke daden doen, en hij zal onze wederpartij ders vertreden. PSALM 109. Een psalm Davids, voor den opperzangmeestcr. O God mijns lofs zwijg niet. 2 Want cïe mond des godde-loozen en de mond dos bedroga zijn tegen mij opengedaan, zij hebben met mij gesproken met eene valsche tong: 3 en met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld, ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. 4 Voor mijne liefde staan zij mij tegen; maar ik was steeds in he! gebed. 5 En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijne liefde. 6 Stel eenen goddelooze over hem, en de satan sta aan zijne rechterhand. 7 Als hij gericht wordt, zoo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. *8 Dat zijne dagen weinige zijn; een ander neme zijn ambt. 9 Dat zijne kinderen weezen worden, en zijne vrouw weduwe; 10 en dat zijne kinderen hier en daar omzwerven en bedelen 23 |
J
PSALM no.
706
|
en de noodclrvft nit hnnne ver-â woeste plaatsen zoeken. 11 Dat de schuldeisclier aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijnen arbeid rooven. 12 Dat hij niemand hebbe die weldadigheid over hem nitstrekke, en dat er niemand zij die zijnen weezen genadig zij. 13 Dat zijne nakomelingen uitgeroeid worden, hnn naam worde nitgedelgd in het andere geslacht. 14 Der ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den Heere, en de zonde zijner moeder worde niet nitgedelgd; 15 dat zij gedurig voor den Heere zijn; en hij roeie hunne gedachtenis nit van de aarde. 1G Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nood-druftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te dooden. 17 Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hemoverkome en hij geen lust gehad heeft tot den zegen, zoo zij die verre van hem. 18 En hij zij bekleed met den vloek als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijne beenderen. 19 Die zij hem als een kleed waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel waarmede hij zich steeds gordt. 20 Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den Heere, en dergenen die kwaadspreken tegen mijne ziele. 21 Maar gij, o Heere Heere, maak het met mij om uws naams wil; dewijl uwe goedertierenheid goed is, verlos mij. 22 Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn harte is in het binnenste van mij doorwond. 23 Ik ga henen gelijk eene schaduw wanneer zij zich neigt, ik word omgedreven als een sprinkhaan. 24 Mijne knieën struikelen van vasten, en mijn vleesch is vermagerd, zoodat er geen vet aan is. |
25 Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zoo schudden zij hun hoofd. 26 Help mij, Heere mijn God, verlos mij naar uwe goedertierenheid ; 27 opdat zij weten dat dit uwe hand is, dat gij het, Heere, gedaan hebt. 28 Laat ze vloeken, maar zegeii gij: laat ze zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich uw knecht verblijde. 20 Laat mijne tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hunne beschaamdheid zich bedekken als mefc eenen mantel. 30 Ik zal den Heere mot mijnen mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik hem prijzen. 31 Want hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen die zijne ziele veroordeelen. PSALM 110. Een psalm Davids. De Heere heeft tot mijnen Heere gesproken: Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden gezet zal hebben tot een voetbank uwer voeten. 2 De Heere zal den sphepter uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende : Heersch in het midden uwer vijanden. 3 Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwerheirkracht, in heilige sieradicn; uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn. 4 De Heere heeft gezworen, en liet zal hem niet berouwen; Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening Melchizedeks. 5 De Heere is aan uwe rechterhand, bij zal Koningen verslaan ten dage zijns toorns. 6 Hij zal recht doen onder de heidenen: hij zal het vol doode lichamen maken; hij zal verslaan dengenen, die het hoofd, is over een groot land. 7 Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal hij i het hoofd omhoog heffen. |
PSALM 111, 112, 113.
707
|
PSALM 111. Hallelujah. AIpJ. Ik zal den Heeiielt; loven van ganscliei Iiarte, Beth, in den raad en de vergadering der oprechten. 2 Gimel. De werken des Hee-kex zijn groot, Daleth.zlj worden gezocht van allen die er lust in hebben. 3 Tlé. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid, Faw. en zijne gerechtigheid bestaat in eeuwigheid. 4 Zain. Hij heeft zijnen wonderen eene gedachtenis gemaakt, Cheth. de Heere is genadig en barmhartig. 5 Teth. Hij heeft dengenen die hem vreezen spijze gegeven ; Jod. hij gedenkt in eeuwigheid aan zijn verbond. quot;6 Kaf. Hij heeft de kracht zijner werken zijnen volke bekend gemaakt. Lamed, hun gevende de erve der heidenen. 7 Mem. De werken zijner handen zijn waarheid en oordeel. Nun. alle zijne bevelen zijn getrouw, 8 SarnccJi. ze zijn ondersteund voor altoos en in eeuwigheid, Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtheid. 9 Pé.t Hij heeft zijnen volke verlossing gezonden; Tsade. hij Jieeft zijn verbond in eeuwigheid geboden; Kof, zijn naam is heilig en vreeselijk. 10 Z?6'sc7?. De vreezedesHEEREN is het quot;beginsel der wijsheid; Schin. allen die ze doen hebben goed verstand; Thau. zijn lof bestaat tot in eeuwigheid. PSALM 112. Hallelujah. Alef.Vf elgelukzalig is de man die den Heere vreest, Belli, die grooten lust heeft in zijne geboden. 2 Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden. 3 Tie. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijne gerechtigheid bestaat in eeuwigheid. |
4 Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Chetli. hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig. 5 Teth. quot;Wel dien man die zich ontfermt en uitleent; Jod, hij beschikt zijne zaken met recht. 6 Kaf. Zekerlijk, hij zal in eeuwigheid niet wankelen; Lamed. ^ de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn. 7 Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den Heere. 8 Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vreezen,. Ain.^ totdat hij op zijne weder-partijen zie. 9 Pé. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftigen ; Tsade. zijne gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Kof zijn hoorn zal verhoogd worden in eere. 10 Besch. De goddelooze zal het zien en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijne tanden knersen, en smelten; Thau, de wensch der goddeloozen zal vergaan. PSALM 113. Hallelujah. Looft, gij knechten des Heerex, looft den naam des Heerex. 2 De naam des Heeren zij geprezen _ van nu aan tot in eeuwigheid. 3 Van den opgang der zon af* tot haren ondergang zij denaam des Heeren geloofd. 4 De^ Heere is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is zijne heerlijkheid. 5 Wie is gelijk do Heere onze God, die zeer hoog woont, 6 die zeer laag ziet, in den-hemel en op de^aarde; 7 die den geringe uit het stof. opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt, S om te doen zitten bij de Prinsen, bij de Prinsen zijns volks ; 9 die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, eene-blijde moeder van kinderen. Hallelujah. |
PSALM 114, 115, 11G.
708
|
PSALM 114. Toen _ Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk dat eene vreemde taal had, 2 zoo werd Juda tot zijn heiligdom, Israël zijne volkomene heerschappij. 3 De zee zag het en vlood, de Jordaan keerde achterwaarts. 4 De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren. 5 Wat was u, gij zee, dat gij vloodt, gij Jordnan, dat gij achter-waarts keerdet, 6 gij bergen, dat gij opsprongt als rammen, gij heuvelen als lammeren ? 7 Beef gij aarde voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs ; 8 die den rotsteen veranderde in eenen watervloed, deu keisteen in eene waterfontein. PSALM 115. Niet ons, o Heere, niet ons, maar uwen naam geef eere, om uwer goedertierenheid, om u-wer waarheid wil. 2 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God? 3 Onze God is toch in den hemel, hij doet al wat hem behaagt. 4 Hunlieder afgoden ziju zilver en goud, het werk van 's men-echen handen. 5 Zij hebben eenen mond maar spreken niet, zij hebben oogen maar zien niet; 6 ooren hebben zij maar hoo-ren niet, zij hebben eenen neus maar zij ruiken niet; 7 hunne handen hebben zij, maar tasten niet, hunne voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hunne keel. 8 Dat die ze maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. 9 Israël, vertrouw gij op den Heere, hij is hunne hulp en hun -echild. 10 Gij huis Aarons, vertrouwt op den Heere ; hij is hunne hulp en hun schild. |
11 Gijlieden die den Heere vreest, vertrouwt op den Heere, | hij is hunne hulp en hun schild. | # 12 De Heere is onzer gedach-j tig geweest, hij zal zegenen, hij : zal het huis^ Israëls zegenen, j hij zal het huis Aarons zegenen. 13 Hij zal zegenen die den j Heere vreezen, de kleinen met de grooten. 14 De Heere zal clen zegen over ulieden vermeerderen, over ulie den en over uwe kinderen. 15 Gijlieden zijt den Heere gezegend, die den hemel en de aarde gemaakt heeft. 16 Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren; maar de aarde heeft hij der menschen kinderen gegeven. 17 De dooden zullen den Heere niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn ; 18 maar wij zullen den Heere loven van nu aan tot in eeuwigheid. Hallelujah. PSALM HG. Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen; 2 want^ hij neigt zijn oor tot I mij, dies ik hem in mijne dagen ! zal aanroepen. 3 De banden des doods hadden 1 mij omvangen, en de angsten der helle hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. 4 Maar ik riep deu naam des Heeren aan, zengende: Och Heere, bevrijd mijne ziel. 5 De Heere is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermend. 6 De Heere bewaart de een-voudigen; ik was uitgeteerd, doch hij heeft mij verlost. 7 Mijne ziele, keer weder tot uwe ruste, want de Heere heeft aan u welgedaan. 8 Want gij, Heere, hebt mijne ziel gered van den dood, mijne oogen van tranen, mijnen voet van aanstoot. 9 Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren, in de landen der levenden. 10 Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest. |
PSALM 117, 118.
709
|
11 Ik zeide in mijn haasten: Alle menschen zijn leugenaars. 12 Wat zal ik den Heere vergelden voor alle zijne -weldaden aan mij beicezen ? 13 Ik zal den beker der verlossingen opnemen en den naam des IIeeren aanroepen. 14 Mijne geloften zal ik den Heere betale, nu. in de tegenwoordigheid van al zijn volk. 15 Kostelijk is in deoogendes Heer en de dood zijner gunst-genooten. 1G Och Heere, zekerlijk ik ben nw knecht, ik ben nw knecht, een zoon uwer dienstmaagd; gij hebt mijne banden losgemaakt. 17 Ik zal u offeren eene offerande van dankzegging, en den naam des Heeren aanroepen. 18 Ik zal mijne geloften den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al zijn volk, 19 in de voorhoven van het Huis des Heeren, in het midden van u, o Jeruzalem. Hallelujah. PSALM 117. Looft den Heere alle heidenen, prijst hem alle natiën; 2 want zijne goedertierenheid is geweldig over ons, en do waarheid des Heeren is in eeuwigheid. Hallelujah. PSALM 118. Looft den Heere, want hij js goed, wantzijne goedertierenheid is in eeuwigheid. 2 Dat Israël nu zegge dat zijne goedertierenheid in eeuwigheid is. 3 Het huis Aiirons zegge nu dat zijne goedertierenheid in eeuwigheid is. 4 Dat degenen die den Heere vreezen nu zeggen dat zijne goedertierenheid in eeuwigheid is. o Uit de benauwdheid heb ik den Heere aangeroepen: de Heere heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte. 6 De Heere is bij mij, ik zal niet vreezen: wat zal mij een mensch doen? |
7 De Heere is bij mij onder degenen die mij helpen, daarom zal ik mijnen lust zien aan degenen die mij haten. 8 Het is beter tot den Heere toevlucht te nemen, dan op den mensch te vertrouwen; 9 het is beter tot den Heere toevlucht te nemen, dan op Prinsen te vertrouwen. 10 Alle heidenen hadden mij omringd: liet is in den naam des Heeren dat ik ze verhouwen heb. 11 Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd: het js in den naam des Heeren dat ik ze verhouwen heb. 12 Zij hadden mij omringd als bijen, zij zijn uitgebhischt als een doornenvuur: het is in den naam des Heeren dat ik zever-houwen heb. 13 Gij hadt mij zeer hard ge-stooten.xot vallens toe, maar de Heere heeft mij geholpen. 14 De Heere is mijne sterkte en psalm, want hij is mij tot heil geweest. 15 In de tenten der rechtvaardigen is eene stem des gejuichs en des heils, de rechterhand des Heeren daet krachtige daden. 16 De rechterhand des Heeren is verhoogd, de rechterhand des Heeren doet krachtige daden. 17 Ik zal niet sterven mnar leven, en ik zal de werken des Heeren vertellen. 18 De Heere heeft mij wel hard gekastijd, maar hij heeft mij ter dood niet overgegeven. 19 Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den Heere loven. 20 Dit is de poorte des Heeren, door welke de rechtvaardigen zullen ingaan. 21 Ik zal u loven, omdat gij mi^ verhoord hebt en mij tot heil geweest zijt. 22 De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden; 23 dit is van den Heere geschied, en het ia wonderlijk in onze oogen. 24 Dit is de dag dien de Heere gemaakt heeft, laat ons op |
PSALM 119.
â -no
|
denzei ven ons verheugen en ver- I blijd zijn. 25 Och, Heere, geef nu heil, ! och, Heeke, geef nu voorspoed. 26 Gezegend zij hij die daar komt in den naams des Heeren. Wij zegenen ulieden uit het Huis des Heeren. 27 De Heere is God, die ons licht gegeven heeft. Bindt het ieestfi^er met tou-vven tot aan de hoornen des altaars. 28 Gij zijt mijn God, daarom .zal ik u loven; o mijn God, ik :zal u verhoogen. 29 Looft den Heere, -want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. PSALM 119. Alef. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de Wet des Heeren gaan. 2 Welgelukzalig zijn ze die zijne getuigenissen onderhouden, die hem van ganscher harte zoeken; 3 ook geen onrecht werken, maar wandelen in zijne wegen. 4 Heere, gij hebt geboden dat .men uwe bevelen zeer bewaren zal. 5 Och dat mijne wegen gericht werden om uwe inzettingen te bewaren! 6 Dan zoude ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zoude op alle uwe geboden. 7 Ik zal u loven in oprecht-.heid des harten, als ik de rechten uwer gerechtigheid geleerd zal hebben. 8 Ik zal uwe inzettingen bewaren, verlaat mij niet al te zeer. Bdh. 9 Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar uw Woord. 10 Ik zoek u met mijn geheele hart: laat mij van uwe geboden niet afdwalen. 11 Ik heb uwe rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen u niet zondigen zoude. |
12 Heere, gij zijt gezegend; leer mij uwe inzettingen. 13 Ik heb met mijne lippen verteld alle de rechten uws monds. 14 Ik ben vroolijker in den weg uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom. 15 Ik zal uwe bevelen overdenken en op uwe paden letten. 1G Ik zal mij zei ven vermaken in_ uwe # inzettingen, uw Woord zal ik niet vergeten. Gimel. 17 Doe wel bij uwen knecht, dat ik leve en uw Woord beware. 18 Ontdek mijne oogen, dat ik aanschouwe de wonderen van uwe Wet. 19 Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg uwe geboden voor mij niet. 20 Mijne ziele is verbroken vanwege het verlangen naar uwe oordeelen te aller tijd. 21 Gij^ scheldt de vervloekte hoovaardigen, die van uwe geboden afdwalen. 22 Wentel van mij versmaad-heid en verachting, want ik heb uwe getuigenissen onderhouden. 23 AU zelfs de Vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft uw knecht uwe inzettingen betracht. 24 Ook zijn uwe getuigenissen mijne^ vermakingen eti mijne raadslieden. Daleth. 25 Mijne ziele kleeft aan het stof: maak mij levend naar uw Woord. 26 Ik heb tt mijne wegen verteld, en gij hebt mij verhoord; leer mij uwe inzettingen. 27 Geef mij den weg uwer bevelen te verstaan, opdat ik uwe wonderen betrachte. 28 Mijne ziele druipt weg van treurigheid: richt mij op naar uw woord. 29 Wend van mij den weg der valschheid, en verleen mij genadiglijk uwe Wet. 30 Ik heb verkoren den weg |
PSALM 119.
711
|
der waarheid uwe recliten heb ik mn voorgesteld. 31 Ik kleef vast aan uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet. 32 Ik zal den weg uwer geboden loopen, als gij mijn harte verwijd zult hebben. Hé, 33 Heere, leer mij den weg uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten «inde toe. 34 Geef mij het verstard, en ik zal uwe Wet houden, ja, ik zal ze onderhouden met ganscher harte. 3o Doe mij treden op het pad uwer geboden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn harte tot uwe getuigenissen, en niet tot gierigheid. 37 Wend mijne oogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door uwe wegen. 38 Bevestig uwe toezegging aan uwen knecht, die uwe vreeze toegedaan is. 39 Wend mijne smaadheid af die ik vreeze, want uwe rechten zijn goed. 40 Zie, ik heb eene begeerte tot uwe bevelen, maak mij levend door uwe gerechtigheid. Fait. 41 En dat mij uwe goedertie-renheden overkomen, o Heere, uw heil, naar uwe toezegging; 42 opdat ik mijnen smader wat hebbe te antwoorden, want ik vertrouw op uw woord. 43 En ruk het Woord der waarheid van mijnen mond niet al te zeer, want ik hope op uwe rechten. 44 Zoo zal ik uwe Wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos. 45 En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik uwe bevelen gezocht heb. 46 Ook zal ik voor Koningen spreken van uwe getuigenissen, en mij niet schamen. 47 En ik zal mij vermaken in uwe geboden die ik liefheb. |
48 En ik zal mijne handen opheffen naar uwe geboden die ik liefheb, en ik zal uwe inzettingen betrachten. Zain. 49 Gedenk des woords tot uwen knecht gcsirroken, op hetwelk gij mij hebt doen hopen. 50 Dit is mijn troost in mijne ellende, want uwe toezegging' heeft mij levend gemaakt. 51 De hoovaardigen hebben mij bovenmate zeer bespot, nochtans ben ik van uwe Wet niet geweken. 52 Ik heb gedacht, o Heere, aan uwe oordeelen van ouds af, en heb mij getroost. 53 Groote beroering heeft mij bevangen vanwege de godde-loozen die uwe Wet verlaten. 54 Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen. 55 Heere, des nachts ben ik aan uwen naam gedachtig geweest, en heb uwe Wet le-waard. 56 Dat is mij geschied omdat ik uwe bevelen bewaard heb. Cheth. 57 De Heere is mijn deel, ik heb gezegd dat ik uwe woorden zal bewaren. 58 Ik heb uw aanschijn ern-stiglijk gebeden van ganscher harte, wecs^ mij genadig naar uwe toezegging. 59 Ik heo mijne wegen bedacht, en heb mijne voeten gekeerd tot uwe getuigenissen. GO Ik heb gehaast en niet vertraagd, uwe geboden te onderhouden. G1 De goddelooze hoopen hebben mij beroofd, nochtans heb ik uwe Wet niet vergeten. 62 Te middernacht sta ik op, om u te loven voor de rechten uwer gerechtigheid. 63 Ik ben een gezel van allen die u vreezen, en van hen die uwe bevelen onderhouden 64 Heere, de aarde is vol van uwe goedertierenheid; leer my uwe inzettingen. |
PSALM 119.
7i^
Telh.
Kaf,
|
65 Gij hebt bij uwen knecht goed gedaan, Heere, «aar uw Woord. GG Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan uwe geboden geloofd. 67 Eer ik verdrukt werd dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw W oord. 68 Gij zij t goed en goeddoende; leer mij uwe inzettingen. 69 De hoovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd, doch ik bewaar uwe bevelen van gansclier harte. 70 Hun hart is vet als smeer, maar ik heb vermaak in uwe Wet. 71 Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde. TZ De Wet uws monds is mij beter dan duizenden van goud of zilver. Joel. 73 Uwe handen hebben mij gemaakt en bereid; maak mij verstandig, opdat ik uwe geboden leere. 74 Die u vreezen, zullen mij aanzien en zich verblijden, omdat ik op uw Woord gehoopt heb. 75 Ik weet, Heere, dat uwe gerichten de gerechtigheid zijn, en dat gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt. 76 Laat toch uwe goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar uwe toezegging aan uwen knecht. 77 Laat mij uwe barmhartigheden overkomen, opdat ik leve; want uwe Wet is al mijne volmaking. 78 Laat de hoovaardigen beschaamd worden, omdat ze mij met lengen nedergestooten hebben ; doch ik betracht uwe geboden. 79 Laat ze tot mij keeren die u vreezen, en die uwe getuigenissen kennen. 80 Laat mijn harte oprecht zijn tot uwe inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde. |
81 Mijne ziele is bezweken van verlangen naar uw heil, op uw Woord heb ik gehoopt. 82 Mijne oogen zijn bezweken van verlangen naar uwe toezegging, terwijl ik zeide; Wanneer zult gij mij vertroosten? 83 quot;Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch uwe inzettingen heb ik niet vergeten. 84 Hoevele zullen de dagen uws knechts zijn? Wanneer zult gij recht doen over mijne vervolgers ? 85 De hoovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar uwe Wet. 86 Alle uwe geboden zijn waarheid ; zij vervolgen mij met leugen, help mij. 87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb uwe bevelen niet verlaten. 88 Maak mij levend naar uwe goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis uws monds onderhouden. Lamed. 89 O Heeee, uw Woord bestaat in eeuwigheid in de hemelen. 00 Uwe getrouwheid is van geslacht tot geslacht; gij hebt de aarde vast gemaakt, en zij blijft staan; 91 naar uwe ordinantiën blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn uwe knechten. 92 Indien uwe Wet niet ware geweest al mijne vermaking, ik ware in mijnen druk al lang vergaan. 93 Ik zal uwe bevelen in eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt gij mij levend gemaakt. 94 Ik ben uwe, behoud mij, want ik heb iwe bevelen gezocht. 95 De goddeloozen hebben op mij gewacht om mij te doen vergaan; ik neem acht op uwe getuigenissen. 96 Aan alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar uw gebod is zeer wijd. |
|
PS AL Mem, in ran 97 Hoe liefheb ik inve Wet! gt;P uw Zii is mijne betrachting den gan- i sen en dag; i'eKen 98 zij maakt mij door nwe ge-iczeg- boden wijzer dan mijne vijanden Queer zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij. n als 99 Ik ben verstandiger dan alle rook; mijne _ leeraars, omdat uwe ge-^niet tuigen i?sen mijne betrachting zijn: agen 100 ik ben voorzichtiger dan de zult ouden, omdat ik uwe bevelen bever- waard heb. 101 Ik heb mijne voeten ge-i mij weerd van alle kwade paden, op-et is dat ik uw Woord zoude onderhouden. raar- 102 Ik ben niet geweken van leu- uwe rechten, want gij hebt mij geleerd. ver- 103 Hoe zoet zijn uwe redenen heb mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijnen mond. uwe 104 Uit uwe bevelen krijg ik â de verstand, daarom haat ik alle ier- leugenpaden. Nun. 105 Uw Woord is eene lamp aat voor mijnen voet en een licht mijn pad. ge- 10G Ik heb gezworen en zal het .do bevestigen, dat ik onderhonden ijft zal de rechten uwer gerechtigheid. 107 Ik ben gansch zeer ver-'ü; drukt: Heeke, maak mij levend zij naar uw Woord. 108 Laat u toch^o Heere, wel-l.re gevallen de vrijwillige otleran-ik den mijns monds, en leer mij uwe ug rechten. 109 Mijne ziel is geduriglijk in in mijne hand, nochtans vergeet ik ut uwe Wet niet; id 110 de goddeloozen hebben mij eenen strik gelegd, nochtans ben U» ik niet afgedwaald van uwe be-velen; gt;P 111 ik heb uwe getuigenissen l'- genomen tot eene eeuwige erve, e- want zij zijn mijns harten vroo- lijkheid; 'b 112 ik het mijn harte geneigd w om uwe inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe. |
M 119. 713 Samech. 113 Ik haat de kwade ranken, maar heb uwe Wet lief. 114 Gij zijt mijne schuil plaats en mijn schild; op uw Woord heb ik gehoopt. 115 Wijkt van mij gij boosdoeners, dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren. 116 Ondersteun mij naar uwe toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijne hope. 117 Ondersteun mij, zoo zal ik behouden zijn, dan zal ik mij steeds in uwe inzettingen vermaken. 118 Gij vertreedt alle degenen die van uwe inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen. 119 Gij doet alle goddeloozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik uwe getuigenissen lief. 120 TT et haar mijns vleesches is te berge gerezen van verschrikking voor u, en ik heb gevreesd voor uwe oordeelen. Ain. 121 Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijne onderdrukkers. 122 Wees borg voor uwen knecht ten goede; laat de hoovaardigeu mij niet onderdrukken. 123 Mijne oogen zijn bezweken van verlangen naar uw heil en naar de toezegging uwer rechtvaardigheid. 124 Doe bij uwen knecht naar uwe goedertierenheid, en leer mij uwe inzettingen. 125 Ik ben uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal uwe getuigenissen kennen. 12G Het is tijd voor den Heeue dat hij werke, want zij hebben uwe Wet verbroken; 127 daarom heb ik uwe geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. 128 Daarom heb ik alle mee bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valsch pad heb ik gehaat. |
23*
PSALM 119.
714
|
Pé. 129 Uwe getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijne ziele. 130 De opening uwer woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende. 131 Ik heb mijnen mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar uwe geboden. 132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen die uwen naam beminnen. 133 Maak mijne voetstappen vast in uw Woord, enlaatgeeue ongerechtigheid over mij heer-schen. 134 Verlos mij van des men-Bchen overlast, en ik zal uwe bevelen onderhonden. 135 Doe uw aangezicht lichten over uwen knecht, en leer mij uwe inzettingen. 136 Waterbeken vlieten af ijit mijne oogen, omdat zij uwe Wet niet onderhouden. Tsacle. 137 Heere, gij zij t rechtvaardig, en elkeen uwer oordeelen is recht. 138 Gij hebt de gerechtigheid uwer getuigenissen en de waarheid hoogelijk geboden. 139 Mijn ijver heelt mij doen vergaan, omdat mijne wederpartij ders uwe woorden vergeten hebben. 140 Uw Woord is zeer gelouterd, en uw knecht heeft het lief. 141 ik ben klein en veracht, doch uwe bevelen vergeet ik niet. 142 Uwe gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid en uwe Wet is de waarheid. 143 Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch uwe geboden zijn mijne vermaking. 144 De gerechtigheid uwer getuigenissen is in eeuwigheid; doe ze me verstaan, zoo zal ik leven. Kof. 145 Ik heb van ganscher harte geroepen: verhoor my, o Heere, rk zal uwe inzettingen bewaren. |
146 Ik heb u aangeroepen, verlos mij, en ik zal uwe getuigenissen onderhouden. 147 Ik ben de wiorj/e»schemering voorgekomen en heb geschrei gemaakt; op uw Woord heb ik gehoopt. 148 Mijne oogen komen do wacMwaken vóór om uwe rede te betrachten. 149 Hoor mijne stem naar uwe goedertiereuheid, o Heere, maak mij levend naar uw recht. 150 Die kwade praktijken najagen genaken mij, zij wijken verre van uwe Wet. 151 Maar gij, Heere,zijt nabij, en^ alle uwe geboden zijn waarheid. 152 Van ouds heb ik geweten van uwe getuigenissen, dat gij zo in eeuwigheid gegrond hebt. ïtesch. 153 Zie mijne ellende aan, en help mij uit, want uwe Wet heb ik niet vergeten. 154 Twist mijne twistzake en verlos mij ; maak mij levend naar uwe_toezegging. 155 Het heil is verre van de goddeloozen, want zij zoeken uwe inzettingen niet. 156 Heere, uwe barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar uwe rechten. 107 Mijne vervolgers en mijne wederpartij ders zijn vele, viaar van uwe getuigenissen wijk ik niet. 158 Ik heb gezien degenen die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij dat zij uw Woord niet onderhielden. 159 Zie aan dat ik uwe bevelen liefheb; o Heere, maak mij levend naar uwe goedertierenheid. 100 Het begin uws Woords is waarheid, en in eeuwigheid is al het recht uwer gerechtigheid. Schin. 161 De Vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak, maar mijn harte heelt gevreesd, voor uw Woord. 162 Ik ben vroolijk over uwe toezegging, als een die eenen grooten buii vindt. |
PSALM 120, 121, 122.
715
|
163 Ik haat de valsclilieid en heb er eenen gruwel van, maar uwe Wet heb ik lief. 164 Ik loof u zevenmaal 's daags over de rechten uwer gerechtigheid. 16a Die uwe Wet beminnen hebben grooten vrede, en zij hebben geenen aanstoot. 166 O Heere, ik hope op uw heil en doe uwe geboden. 167 Mijne ziele onderhoudt uwe getuigenissen, en ik heb ze zeer lief. 1G8 Ik onderhoud uwe bevelen en uwe getuigenissen, want alle mijne wegen zijn vóór u. Than. 169 O Heere, laat mijn geschrei voor uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar uw Woord. 170 Laat mijn smeeken voor uw aanschijn komen, red mij naar uwe toezegging. 171 Mijne lippen zullen moen lof overvloediglijk uitstorten, als gij mij uwe inzettingen zult geleerd hebben. 172 Mijne tong zal sprake houden van uwe rede, want alle uwe geboden zijn rechtvaardigheid. 173 Laat uwe hand mij te hulpe komen, want ik heb uwe bevelen verkoren. 174 O Heere, ik verlang naar uw heil, en uwe Wet is al mijne vermaking. 175 Laat mijne ziele leven, en zij zal u loven, en laat uwe rechten mij helpen. 176 Ik heb gedwaald als een verloren schaap: zoek uwen knecht, want uwe geboden heb ik niet vergeten. PSALM 120. Een lied hammaaloth. Ik heb tot den Heere geroepen in mijne benauwdheid, en hij heeft mij verhoord. 2 O Heere, red mijne ziele van de valsche lippen, van de bedrieglijke tong. 3 Wat zal u de bedrieglijke tong geven, of wat zal ze u toevoegen ? |
4 Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen. 5 O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. 6 Mijne ziele heeft lang gewoond bij degenen die den vrede haten. 7 Ik ben vreedzaam: maar als ik spreek, zij zijn aan den oorlog. PSALM 121. Een lied hammaaloth. Ik hef mijne oogen op naar do bergen, van waar mijne hulpe komen zal. 2 Mijne hulpe is van den Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft. 3 Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uw bewaarder zal niet sluimeren. 4 Zie, de bewaarder Israels zal niet sluimeren noch slapen. 5 De Heere is uw bewaarder, de Heere is uwe schaduw, aan uwe rechterhand. 6 De zon zal u des daags niet steken noch de maan des nachts. 7 De Heere zal u bewaren van alle kwaad, uwe ziel zal hij be-wai'en. 8 De Heere zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid. PSALM 122. Een lied hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen die tot mij^ zeggen: Wij zullen in het Huis des Heeren gaan, 2 onze voeten zijn staande in uwe poorten, o Jeruzalem. 3 Jeruzalem is gebouwd als eene stad die wèl samengevoegd is: 4 waarheen de stammen opgaan, de stammen des Heeren, tot de getuigenis Israels, om den naam des Heeren te danken. 5^ Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen des huizes Davids. 6 Bidt om den vrede van Jeruzalem; wèl moeten ze varen die u Jjeminnem 7 Vrede zij in uwe vesting, welvaart in uwe paleizen. 8 Om mijner broederen en mij' |
TS ALM 123, 124, 125, 12G, 127.
716
|
ner vrienden wil zal ik nu spreken: vrede zij in n. 9 Om des Huizes des Heeben onzes Gods wille zal ik het goede voor u zoeken. PSALM 123. Een lied haminaalotli. Ik hef mijne oogen op tot u die in de hemelen zit. 2 Zie, gelijk de oogen der knechten zijn op de hand hunner heeren,ge]ijquot;k de oogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, alzóó zijn onze oogen op den Heere onzen God, totdat hij ons genadig zij. 3 Wees ons genadig, o Heere, wees ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat, 4 onze ziele is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hoovaardigen. PSALM 121. Een lied hammaaloth, van David. Ten ware de Heere, die bij ons geweest is, (zegge nu Israël), 2 ten ware# de Heere. die bij ons geweest is als de menschen tegen ons opstonden; 3 zoo zouden zij ons levend verslonden hebben als hun toorn tegen ons ontstak; 4 zoo zouden ons de wateren overloopen hebben, een stroom zoude over onze ziele gegaan zijn; 5 zoo zouden de stoute wateren over onze ziele gegaan zijn. 6 De Heere zij geloofd, die ons in hunne tanden niet heeft overgegeven tot eenen roof. 7 Onze ziel is ontkomen als een vogel uit den strik des vogelvangers ; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen. 8 Onze hulpe is in den naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft. PSALM 125. Een lied hammaaloth. Die op den Heere vertrouwen zijn als de berg Sions, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. |
2 Rondom Jeruzalem zijn bergen: alzóó is de Heere rondom zijn volk van nu aan tot in eeuwigheid. 3 quot;W ant de schepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne handen niet uitstrekken tot onrecht. 4 Heere, doe den goeden wel, en dengenen die oprecht zijn in hunne harten. 5 Maar die zich neigen lot hunne kromme wegen, die zal de Heere weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn. PSALM 126. Een lied hammaaloth. Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen die droomen. 2 Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich: toen zeide men onder de heidenen: De Heere heeft groote dingen aan deze gedaan. 3 De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan: zijn wij verblijd. 4 O Heere, wend onze gevangenis, gelijk waterstroomen in het Zuiden. 5 Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. 6 Die het zaad draagt dat men zaaien zal, gaat ai gaande en weenende: maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven. PSALM 127. Een lied hammaaloth, van Salomo. Zoo de Heere het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden des-zelfs bouwliec'.en daaraan; zoo de Heere de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter. 2 Het is te vergeefs dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet het brood der smarten: het is alzoo dat hij het zijnen beminde als in den slaap geeft. 3 Zie, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren, de vrucht des buiks is eene belooning. 4 Gelijk de pijlen zijn in de |
PSALM 128, 129, 130, 131, 132.
717
|
hand eens helds, zoodanig zijn de zonen der jeugd: 5 welgelukzalig is de man die zijnen pijlkoker met dezelve gevuld heeft, zij zullen niet beschaamd worden als zij met de vijanden spreken zullen in de poorte. PSALM 128. Een lied hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk die den Heeke vreest, die in zijne wegen wandelt. 2 Want gij zulteten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en liet zal u wel gaan. 3 Uwe huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan do zijden uws huizes, uwe kinderen als olijfplanten rondom uwe tafel. 4 Zie, alzóó zal zekerlijk die man gezegend worden die den Heere vreest. 5 De Heere zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen alle de dagen uws levens; G en gij zult uwe kindskinderen zien. Vrede over Israël. PSALM 129. Een lied hammaaloth. _ Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israël, 2 zij hebben mij dikwijls van mijne jeugd af benauwd: evenwel hebben zij mij niet over-mocht. 3 Ploegers hebben op mijn rug geploegd, zij hebben hunne voren lang getogen. 4 De Heere, die rechtvaardig is, heeft de touwen der godde-loozen afgehouwen. 5 Laat ze beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen die Sion haten. 6 Laat ze worden als gras op de daken, hetwelk verdort eer men het uittrekt, 7 waarmede de maaier zijne hand niet vult, noch de garven-binder zijnen arm, 8 en die voorbijgaan niet zeggen: De zegen des Heeeen zij bij u, wij zegenen ulieden in den naam des Heeren. |
PSALM 130. Een lied hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot uf o Heere: 2 Heere, hoor naar mijne stem, laai uwe ooren opmerkzaam zijn op de stemme mijner smeekingen. 3 Zoo gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? 4 Maar bij u is vergeving, opdat gij gevreesd wordt. 5 Ik verwacht den Heere, mijne ziel verwacht, en ik hoop op zijn Woord. 6 Mijne ziele wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen. 7 Israël hope op den Heere; want bij den Heere is goedertierenheid, en bij hem is veel verlossing,_ 8 en hij zal Israël verlossen van alle zijne ongerechtigheden. PSALM 131. Een lied hammaaloth, van David. O Heere, mijn harte is niet verheven en mijne oogen zijn niet hoog, ook heb ik niet gewandeld in dingen, mij te groot-en te wonderlijk. 2 Zoo ik mijne ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijne moeder! Mijne ziele is als een gespeend kind in mij. 3 Israël hope op den Heere van nu aan tot in eeuwigheid. PSALM 132. Een lied hammaaloth. O Heere, gedenk aan David, aan al zijn lijden; 2 dat hij den Heere gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeygende: 3 Zoo ik in de tent mijns huizes inga, zoo ik op de koeta van mijn bed klim, 4 zoo ik mijnen oogen slaap |
|
718 PSALM geve, mijnen oogleden sluimering, 5 totdat ik voor den Heere eene plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs! 6 Zie,^ wij hebben van haar gehoord in Ãfratha, wij hebben baar gevonden in de velden van J aar. 7 Wij zullen in zijne woningen ingaan, wij zullen ons neder-buigen voor de voetbank zijner voeten. 8 Sta óp, Heere, tot uwe ruste, gij en de Arke uwer sterkte. 9 Dat uwe Priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat uwe gunstgenooten juichen. 10 Weer het aangezicht uws Gezalfden niet af, om Davids uws knechts wille. 11 De Heere heeft David de waarheid gezworen, waarvan hij niet wijken zal, zefjoe.nde: Van de vrucht uws lijfs zal ik op uwen troon zetten. 12 Indien uwe zonen mijn verbond zullen houden en mijüe getuigenissen die ik hun leeren zal, zoo zullen ook hunne zonen tot in eeuwigheid op uwen troon zitten. 13 Want de Heere heeft Sion verkoren, hij heeft het begeerd tot zijne woonplaats, xefjrjende: 14 Dit^ is mijne ruste tot in eeuwigheid, hier zal ik wonen, want ik heb haar begeerd. 15 Ik zal haren kost rijkelijk zegenen, hare nooddruftigen zal ik met brood verzadigen. 16 En hare Priesters zal ik met heil bekleeden, en hare gunstgenooten zullen zeer juichen. 17 Daar zal ik David eenen hoorn doen uitspruiten, ik heb mijnen Gezalfde eene lampe toegelicht. 18 Ik zal zijne vijanden met schaamte bekleeden, maar op hem zal zijne kroon bloeien. PSALM 133. Een lied hammaaloth, van David. Zie, hoe goed en hoe liefelijk 133, 134, 135. |
is het dat broeders ook te zamen wonen. 2 Het is gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard Aiirons, die nederdaalt tot op den zoom zijner kleederen. 3 liet is gelijk de dauw Her-mons, en^ die nederdaalt op de bergen Sions; want de Heere gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in eeuwigheid. PSALM 134. Een lied hammaaloth. Zie, looft den Heere, alle gij knechten des Heekex. gij die alle nachten in het Huis des Heerex staat. 2 Heft uwe handen op naar het heiligdom en looft den Heere. 3 De Heere zegene u uit Sion, hij die den hemel en de aarde gemaakt heeft. PSALM 135. Hallelujah. Prijst den naam des Heerex, prijst hem gij knechten des Heeren, 2 gij die staat in het Huis des Heeren, in de voorhoven des Huizes onzes Gods. 3 Looft den Heere, want de Heere is goed; psalmzingt zü-nen naam, want hij is liefelijk. 4 Want de Heere heeft zich Jakob verkoren, Israël tot zijn eigendom. 5 Want ik weet dat de Heere groot is, en dat onze Heere boven alle goden is. 6 Al wat den Heere behaagt doet hij, in de hemelen en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden. 7 Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde, hij maakt de bliksemen met den regen, hij brengt den wind uit zijne schatkameren voort. 8 Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mensch af tot het vee toe. 9 Hij zond teekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte, tegen Farao en tegen alle zijne knechten. |
PSALM 136.
719
|
10 Die vele volken sloeg, en machtige Koningen doodde: 11 Sihon, den Koning der Amo-riten, en Og, den Koning van Basan, en alle de koninkrijken van Kanaan; 12 en hij gaf hun land ten erve, ten erve aan zijn volk Israël. 13 O Heere, uw naam is in eeuwigheid; Heere, uwe gedachtenis is van geslacht tot geslacht. 14 Want de Heere zal zijn volk richten, en het zal hem berouwen over zijne knechten. 15 De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van menschenhanden. 16 Zij hebben eenen mond maar spreken niet, zij hebben oogen maar zien niet, 17 ooren hebben zij maar hoeren niet, ook is er geen ad3m in hunnen mond. 18 Dat die ze maken hun gelijk worden, en allen die op hen vertrouwen. 19 Gij huis Israels, looft den Heere; gij huis Aarons, looft den Heere ; 20 gij huis van Levi, looft den Heere ; gij die den Heere vreest, looft den Heere. 21 Geloofd zij de Heere uit Sion, die te Jeruzalem woont. Hallelujah. PSALM 136. Looft den Heere, want hij is .goed,^ want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. 2 Looft den God der goden, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. 3 Looft den Heere der heeren, want zijne _ goedertierenheid is in eeuwigheid; 4 dien die alléén groote wonderen doet, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; 5 dien die de hemelen met vorstand gemaakt heeft, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; G dien die de aarde op het watQr uitgespannen heeft, _ want zijn^ goedertierenheid is in eeuwigheid; |
7 dien die de groote lichten heeft gemaakt, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid: 8 de zon tot heerschappij op den dag, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; 9 de maan en de sterren tot heerschappij m den nacht, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid ; 10 dien die de Egyptenaren geslagen heeft in hunne eerstgeborenen, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, 11 en heeft Israël uit het midden van hen uitgebracht^ want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, 12 met eene sterke hand en met eenen uitgestrekten arm, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; 13 dien die de Schelfzee in doelen deelde, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, 14 en voerde Israël door het midden van dezelve, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid ; 15 Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; 10 die zijn volk door de woestijn geleid heeft, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; 17 die groote Koningen geslagen heeft, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, 18 en heeft heerlijke Koningen gedood, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; 19 Sihon, den Amoritischen Koning, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid, 20 en Og, den Koning van Basan, want zijne goedertieren- ] heid is in eeuwigheid, 21 en heeft hun land ten erve ! gegeven, want zijne goedertieren-: heid is in eeuwigheid, 1 22 ten erve zijnen knecht Is-i raël, want zijne goedertierenheid I is in eeuwigheid; 23 die aan ons gedacht heeft 1 in onze vernedering, want zijne ! goedertierenheid is in eeuwig-i heid. |
|
720 PSALM 1 24 en hij heeft ons onzen tegenpartij (Iers ontrukt, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid ; 25 die aan alle vleesch spijze geeft,_ want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. 2G Looft den God des hemels, want zijne _ goedertierenheid is in eeuwigheid. PSALM 137. Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan fclion. 2 Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen die daarin zijn, 3 als aldaar die ons gevangen hielden de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions. 4 Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land? o Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zoo verge te mijne rechterhand zichzelve. 6 Mijne tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet gedenke, zoo ik Jeruzalem niet verhelfe boven het hoogste mijner blijdschap. 7 Heere, gedenk aan de kinderen Edoms, aan den dagJeru-zalems, die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fundament toe. 8 O dochter Babels, die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uwe misdaad vergelden zal die gij aan ons misdaan hebt; 9 welgelukzalig zal hij zijn, die uwe kinderkens grijpen en aan de steenrots verpletteren zal. PSALM 138. Een quot;psalm Davids. Ik zal u loven met mijn geheele hart, in de^ tegenwoordigheid der goden zal ik n psalmzingen. 2 Ik zal mij nederbnigen naar liet paleis uwer heiligheid, en ik zal uwen naam loven, om uwe goedertierenheid en om uwe 57, 138, 139. |
waarheid; want gij hebt vanwege uwen ganschen naam uw Woord groot gemaakt. 3 Ten dage aZs ik riep, zoo hebt gij mij verhoord, gij hebt mij versterkt mét kracht in mijne ziel. 4 Alle Koningen der aarde zullen u, o Heere, loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen uws monde; 5 en zij zullen zingen van de wegen des Heeren ; want de heerlijkheid des Heeren is groot. 6 quot;Want de Heere is hoog, nochtans ziet hij den nederige aan, en den verhevene kent hij van verre. 7 Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt gij mij levend; uwe hand strekt gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en uwe rechterhand behoudt mij. 8 De Heere zal het voor mij voleindigen; uwe goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid; laat niet varen de werken uwer handen. PSALM 139. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. Heere, gij doorgrondt en kent mij. 2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan, gij verstaat van verre mijne gedachten. 3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen en gij zijtalie mijne wegen gewend. 4 Als er nog geen woord op mijne tong is, zie, Heere, gij weet het alles. 5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en gij zet uwe hand op mij. 6 De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan daar niet bij. 7 Waar zoude ik henengaan voor uwen Geest en waar zoude ik henenvlieden voor uw aangezicht ? 8 Zoo ik opvoer ten hemel, gjg zijt daar; of bedde ik mij in de helle, zie, gij zijt daar; 9 nam ik vleugelen des dage-raads, woonde ik aan het uiterste der zee. |
|
PSALM 10 ook dadr zoude uwe hand mij geleiden, en uwe rechterhand zoude mij houden. 11 Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij. 12 Ook verduistert de duisternis voor u niet, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht. 13 Want gij bezit mijne nieren, gij hebt mij in mijn moeders buik bedekt. 14 Ik loot' u, omdat ik op een heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn uwe werken, ook weet het mijne ziele zeer wel. Ã5 Mijn gebeente was voor u niet verholen, als ik in het verborgen gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de onderste dvelen der aarde. 1(1 Uwe oogen hebben mijnen ongeformeerden klomp gezien, en alle deze dingen waren in uw boek geschreven, de dagen als ze geformeerd zouden worden, toen er nog geen van die was. 17 Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God. uwe gedachten, hoe machtig vele zijn hare sommen! 18 Zoude ik ze tellen, harer is meer dan des zands; word ik wakker, zoo ben ik nog bij u. 19 O God, dat gij den godde-looze ombracht; en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij; 20 die van u schandelijk spreken, en uwe vijanden ijdellijk verheften. 21 Zoude ik niet haten, Heere, die u haten, en verdriet hebben in degenen die tegen u opstaan ? 22 ïk haat ze met volkomen haat. tot vijanden zijn zijn ze mij. 23 Doorgrond mij o God, en ken mijn harte; beproef mij en ken mijne gedachten; 24 en zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwigen weg. PSALM 140. Een psalm Davids, voor den opperzangmeester. 2 lied 'mij, Heere, van den |
140, 141. 721 kwaden mensch, behoed mij voor den man alles gewelds: 3 die veel kwaads in 't hart denken, alle dagen samenkomen om te oorlogen. 4 Zij scherpen hunne tong als eene slang, heet addervergif is onder hunne lippen. Sela. 5 Bewaar mij, Heere, van de handen des goddeloozen; behoed mij van den man alles gewelds, van hen, die mijne voeten denken weg te stooten. G De hoovaardigen hebben mij eenen strik verborgen en koorden, zij hebben een net uitgespreid aan de zijden des wegs, valstrikken hebben zij mij gezet. Sela. 7 Ik heb tot den Hekre gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter oore, o Heere, de stemme mijner smeekingen. 8 Heere Heere, sterkte mijns heils, gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening. 9 Geef, Heere, de begeerten des goddeloozen niet, bevorder zijn kwaad voornemen niet: zij zouden zich verheften. Sela. 10 Aangaande het hoofd dergenen die mij omringen, de overlast hunner lippen overdek-ke ze. 11 Vurige kolen moeten op hen geschud worden; hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan. 12 Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des ge -weids, dien zal men jagen totdat hij geheel verdreven is. 13 Ik weet dat de Heere de rechtzaak des ellendigen en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren. 14 Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen uwen naam loven, de oprechten zullen voor uw aangezicht blijven. PSALM 141. Een psalm Davids. Heere, ik roep u aan, haast u tot mij, neem mijne stemme ter oore als ik tot u roep. 2 Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht. |
|
722 PSALM de opheffing mijner handen als het avondoffer. 3 Heere, zet eene wacht voor mijnen mond, behoed de deur mijner lippen. 4 Neig mijn hart niet tot eene kwade zake, om eenigen handel in goddeloosheid te handelen met mannen die ongerechtigheid werken ; en dat ik niet ete van hunne lekkernijen. 5 De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestrafte mij; het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hunne tegenspoeden. G Hunne rechters zijn aan de zijden der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijne redenen dat ze aangenaam waren. 7 Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had. 8 Doch op u zijn mijne oogen, Heeke Heere, op u betrouw ik, ontbloot mijne ziele niet. 9 Bewaar mij voor het geweld des striks dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid. 10 Dat de goddeloozen elk in zijn garen vallen, te zamen totdat ik zal zijn voorbijgegaan. PSALM 142. Eene onderwijzing Davids, een gebed als hij in de spelonk was. 2 Ik riep met mijne stem tot den Heere, ik smeekte tot den Heeee met mijne stem: 3 ik stortte mijne l^iacht uit voor zijn aangezicht, ik gaf te kennen voor zijn aangezicht mijne benauwdheid. 4 Als mijn geest in mij overstelpt was, zoo hebt gij mijn pad gekend. Zij hebben mij eenen strik verborgen op den weg dien ik gaan zoude. 5 Ik zag uit ter rechterhand en zie, zoo was daar niemand die mij kende; daar was geen |
142, 143. ontvlieden voor mij, niemand zorgde voor mijne ziel. G Tot u riep ik, o Heere; ik zeide: Gij zijt mijne toevlucht, mijn deel in het land der levenden. 7 Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd: red mij van mijne vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. 8 Vóór mijne ziel uit de gevangenis, om uwen naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer gij wèl bij mij zult gedaan hebben. PSALM 143. Een psalm Davids. O Heere, hoor mijn gebed, neig de óoren tot mijne smeekingen, verhoor mij naar uwe waarheid, naar uwe gerechtigheid ; 2 en ga niet in het gericht met uwen knecht, want niemand die leeft zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. 3 Want de vijand vervolgt mijne ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde, hij legt mij in duisternissen als degenen dio over lange dood zijn. 4 Daarom^ wordt mijn gee^t overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij. 5 Ik gedenk aan de dagen van ouds, ik overleg alle uwe daden; ik spreek bij mijzelven van de werken uwer handen. 6 Ik breid mijne handen uit tot u, mijne ziele is voor u als een dorstig land. Sela. 7 Verhoor mij haastelijk, Heere, mijn geest bezwijkt; verberg uw aangezicht niet van mij; want ik zoude gelijk worden dengenen die in den kuil dalen. 8 Doe mij uwe goedertierenheid in den morgenstond hooren, want ik betrouw op u; maak mij bekend den weg dien ik te gaan heb, want ik hef mijne ziele tot u op. 9 Eed mij, Heere, van mijne vijanden; bij u schuil ik. 10 Leer mij uw welbehagen doen, want gij zijt mijn God; |
PSALM 144,145.
723
|
«w goede Geest geleide mij in een effen land. 11 O Heere, maak mij levend om uws naams wille, voer mijne ziele uit de benauwdheid om uwe gerechtigheid. 12 En roei mijne vijanden uit om uwe goedertierenheid, en breng ze om, allen die mijne ziel beangstigen, want ik ben uw knecht. PSALM 144. Een psalm Davids. Gezegend zij de Heere, mijn rotssteen, die mijne handen onderwijst ten strijde, mijne vingeren ten oorloge; 2 mijne goedertierenheid en mijn burg, mijn hoog vertrek en mijn bevrijder voor mij, mijn schild en op wien ik betrouwe; die mijn volk mij onderwerpt. 3 O Heere, wat is de mensch dat gij hem kent, het kind des menschen dat gij het acht? 4 De mensch is der ijdelheid gelijk, zijne dagen zijn als eene voorbijgaande schaduw. 5 Neig uwe hemelen, Heere, en daal neder; raak de bergen aan dat ze rooken. 6 Bliksem bliksem en verstrooi ze, zend uwe pijlen uit en verdoe ze. 7 Steek uwe handen van dc hoogte uit, ontzet mij en ruk mij uit de groote wateren, uit de hand der vreemden; 8 welker mond leugen spreekt, en hunne rechterhand is eene rechterhand der valschheid. 9 O God, ik zal u een nieuw lied zingen, met de luit en het tiensnarig instrument zal ik u psalmzingen. 10 Gij die den Koningen overwinning geeft, die zijnen knecht David ontzet van' het booze zwaard: 11 ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hunne rechterhand is eene rechterhand der valschheid. 12 Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden sijn in hunne jeugd; onze dochters als hoeksteenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis. |
13 Dat onze winkelen vol zijnde den éénen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen. 14 Dat onze ossen welgeladen zijn, dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijsch zij op onze straten. 15 Welgelukzalig is het volk dien het alzóó gaat; welgelukzalig is het volk wiens God de i Heere is. PSALM 145. Een lofzang Davids. Alef. O mijn God, gij Koning, I ik zal u verhooger, en uwen naam loven in eeuwigheid en al- i toos. 2 Beth. Te allen dage zal ik u loven, en uwen naam prijzen in ' eeuwigheid en altoos. 3 Gimel. De Heere is groot en zeer te prijzen, en zijne groot- i lieid is ondoorgrondelijk. 4 Daleth. Geslacht aan geslacht zal uwe werken roemen, en zij zullen uwe mogendheden verkon- ; digen. 5 Hé. Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eere uwer majesteit, en uwe wonderlijke daden. 6 Van. En zij zullen vermelden | de kracht uwer vreeselijke daden; en uwe grootheid, die zal ik ver-i tellen. 7 Zain. Zij ziillen de gedachtenis der grootheid uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen uwe gerechtigheid met gejuich verkondigen. i 8 Gheth. Genadig en barmhar-; tig is de Heere, lankmoedig en ! groot van goedertierenheid. 9 Teth. De Heere is aan allen i goed, en zijne barmhartigheden zijn over alle zijne werken. 1 10 Jod. Alle uwe werken, Heere, zullen u loven, en uwe gunst-i genoten zullen u zegenen; i 11 lu/f. zij zullen de heerlijk-; heid uws koninkrijks vermelden, i en uwe mogendheid zullen zij | uitspreken: |
PSALM 146,147.
724
|
12 Lamed, om des menschen kinderen zijne mogendheden bekend te maken, en de eer der heerlijkheid zijns koninkrijks. 13 Mem. Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen, en uwe heerschappij is in alle geslacht en geslacht. 14 Samech. De Heeke ondersteunt allen die vallen, en hij richt óp alle gebogenen. 15 Ain. Aller oogen wachten op u, en gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd. 16 Fé. Gij doet uwe hand open en verzadigt al wat daar leeft, naar uw welbehagen. 17 Tsade. De Heere is rechtvaardig in alle zijne wegen, en goedertieren in alle zijne werken. IS Kof. De Heere is nabij allen die hem aanroepen, a.llen die hem aanroepen in waarheid. 19 liesch. Hij doet het welbehagen dergenen die hem vreezen, en hij hoort hun geroep en verlost ze. 20 Schin. De Heere bewaart alle degenen die hem liefhebben, maar hij verdelgt allo goddeloo-zen. 21 Thau. Mijn mond zal den prijs des Heeren uitspreken, en allo vleesch zal zijnen heiligen naam loven in eeuwigheid en altoos. PSALM 146. Hallelujah. O mijne ziele,prijs i den Heere. 2 Ik zal den Heere prijzen in mijn leven, ik zal mijnen God psalmzingen terwijl ik nog ben. 3 Vertrouwt niet op Prinsen, op 's menschen kind, bij hetwelk geen heil is. 4 Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijne aarde, te dienzelfden dage vergaan zijne aanslagen. 5 Welgelukzalig is hij die den Gud Jakobs tot zijne hulpe heeft, wiens verwachting op den Heere 1 zijnen God is: 6 die den hemel en de aarde i gemaakt heeft, de zee en al wat | in dezelve is; die trouwe houdt ! in eeuwigheid; ' |
7 die den verdrukten recht doet; die den hongerigen brood geeft. De Heere maakt de gevangenen los; 8 de Heere opent de oogen der blinden; de Heere richt de gebogenen op; do Heere heeft de rechtvaardigen lief; 9 de Heere bewaart de vreemdelingen ; hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddeloozen weg keert hij om. 10 De Heere zal in eeuwigheid regeeren; uw God, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Hallelujah. PSALM 147. Looft den Heere, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl hij liefelijk is; de lof is betamelijk. 2 De Heere bouwt Jeruzalem, hij vergadert Israels verdrevenen. 3 Hij geneest de gebrokenen van harte, en hij verbindt ze in hunne smarten. 4 Hij telt het getal der sterren, hij noemt ze alle bij namen. 5 Onze Heer is groot en van vele kracht, zijns verstands is geen getal. 6 De Heere houdt de zaclit-moedigen staande, de goddeloozen vernedert hij tot de aarde toe. 7 Zingt den Heere bij^ beurte met dankzegging, psalmzingtonzen God op de harp: 8 die de hemelen met wolken bedekt; die voor de aarde regen bereidt; die het gras op de bergen doet uitspruiten; 9 die het vee zijn voeder geeft, den jongen raven als zij roepen. 10 Hij heeft geen lust aan de sterkte des paerds, hij heeft geen welgevallen aan de beenen des mans: 11 de Heere heeft een welgevallen aan degenen die hem vreezen, die op zijne goedertierenheid hopen. 12 O Jeruzalem, roem den Heere, o Sion, loof uwen God. 13 Want hij maakt de grendelen uwer poorten sterk, hij zegent uwe kinderen binnen in u. 14 Die uwe landpalen in vrede |
|
PSALM stelt; hij verzadigt u met het vette der tarwe. 15 Hij zendt zijn bevel op aarde; zijn woord loopt zeer snel. 16 Hij geeft sneeuw als wol, hij strooit den rijm als asch. 17 Hij werpt zijn ijs henen als stukken: wie zoude bestaan voor zijne koude? *18 Hij zendt zijn woord, en doet ze smelten; hij doet zijnen wind waaien, de wateren vloeien henen. 19 Hij maakt Jakob zijne woorden bekend, Israël zijne inzettingen en zijne rechten. 20 Al zóó heeft hij aan geen volk gedaan; en zijne rechten, die kennen zij niet. Hallelujah. PSALM 148. Hallelujah. Looft den Heere uit de hemelen, looft hem in de hoogste plaatsen. 2 Looft hem alle zijne Engelen, looft hem alle zijne heir-scharen. 3 Looft hem zon en maan, looft hem alle gij lichtende sterren. 4 Looft hem gij hemelen der hemelen, en gij wateren die boven de hemelen zijt. 5 Dat ze den naam des Hee-ren loven; want als hij het beval, zoo werden zij geschapen. 6 En hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid, hij heeft ze eene orde gegeven die geen van hen zal overtreden. 7 Looft den Heere van de aarde, gij walvisschen en alle afgronden; 8 vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind die zijn woord doet; 9 gij bergen en alle heuvelen, vruchtboomen en alle cederboo-men; 10 het wild gedierte en alle vee, kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte; 11 gij Koningen der aarde en alle volken, gij vorsten en alle rechters der aarde; 12 jongelingen en ook maagden, gij ouden met de jongen: 13 dat ze den naam des Hee-eek loven, want zijn naam alleen 148, 149, 150. 725 |
is hoogverheven, zijne majesteit is over de aarde en den hemel. 14 En hij heeft den hoorn zijns volks verhoogd, den roem aller zijner gunstgenooten, der kinderen Israels, des volks dat nabij hem is. Hallelujah. PSALM 149. Hallelujah. Zingt den Heere een nieuw lied, zijn lof zij in de gemeente zijner gunstgenooten. 2 Dat Israël zich verblijde in dengenen die hem gemaakt heeft, dat de kinderen Sions zich verheugen over hunnen Koning. 3 Dat ze zijnen naam loven op de fluit, dat zij hem psalmzingen op de trommel en harp. 4 quot;Want de Heere heeft een welgevallen aan zijn volk, hij zal de zachtmoedigen versieren met heil. 5 Dat zijne gunstgenooten van vreugde opspringen om die eere, dat zij juichen op hunne legers. 6 De verheffingen Gods zullen in hunne keel zijn, en een tweesnijdend zwaard in hunne hand, 7 om wrake te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken; 8 om hunne Koningen te binden met ketenen, en hunne achtbaren met ijzeren boeien; 9 om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van alle zijne gunstgenooten zijn. Hallelujah. PSALM 150. Hallelujah. Looft God in zijn heiligdom, looft hem in het uitspansel zijner sterkte. 2 Looft hem vanwege zijne mogendheden, looft hem naar de menigvuldigheid zijnergrootheid. 3 Looft hem met geklank der bazuin, looft hem met dc luit en met de harp. 4 Looft hem met de trommel en fluit, looft hem met snarenspel en orgel. 5 Looft hem met helklinkende cymbalen, looft hem met cymba-len van vreugdegeluid. 6 Alles wat adem heeft lovo den Heere. Hallelujah. |
SPREUKEN 1.
DE
SPREUKEN VAN SALOMO.
726
|
HOOFDSTUK 1. De spreuken van Salomo, den zoon Davids, den Koning Israels: 2 ora wijsheid en tuclit te weten, om te verstaan redenen des verstands; 3 om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid en recht en billijkheden; 4 om den slechte kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid. 5 Die wijs is zal hoorenenzal in leer toenemen, en die verstandig is zal wijzen raad bekomen, 6 om te verstaan eene spreuke en de uitlegging, de woorden der wijzen en hunne raadselen. 7 De vreeze des Heeren is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. 8 Mijn zoon, hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet; 9 want zij zullen uwen hoofde een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uwen hals. 10 Mijn zoon, indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet; 11 indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak; 12 laat ons hen levend verslinden, als liet graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen; 13 alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen; 14 gij zult uw lot midden onder ons werpen, wij zullen allen éénen buidel hebben; â |
15 mijn zoon, wandel niet mei: hen op den weg, weer uwen voet van hun pad. 16 Want hunne ^voeten loopen ten booze, en zij haasten zich om bloed te storten. 17 Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de oogen van allerlei gevogelte; 18 en deze loeren op hun eigen bloed en versteken zich tegen hunne zielen. 19 Zóó zijn de paden eens iege-lijks die gierigheid pleegt: zij zal de ziel harermeesters vangen. 20 De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, zij verheft hare stemme op de straten, 21 zij roept in het voorste der woelige plaatsen, aan de deuren der poorten spreekt zij hare redenen in de stad: 22 Gij onverstandigen, hoe lang zult gij het onverstand beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeeren, en de zotten wetenschap haten? 23 Keert i tot mijne bestraffing: zie, ik zal mijnen geest ulieden overvloediglijk uitstorten, ik zal mijne woorden u bekend maken. _ 24 Dewijl ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, mijne hand uitgestrekt heb en daar niemand was die opmerkte, 25 en hebt al mijnen raad verworpen en mijne bestraffing niet gewild: 20 zoo zal ik ook in ulieder verderf lachen, ik zal spotten wanneer uwe vreeze komt, 27 wanneer uwe vreeze komt gelijk eene verwoesting, en uw |
|
SPREÃ1 verderf aankomt als een â wervel-â wind, wanneer n benauwdheid en angst overkomt. 28 Dan znllen zij tot mij roepen maar ik zal niet antwoorden, zij zullen mij vroeg zoeken maar zullen mij niet vinden: 29 daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben en de Freeze des Heeren niet hebben verkoren. 30 Zij hebben in mijnen raad niet bewilligd, al mijne bestraffingen hebben zij versmaad: 31 zoo zullen zij eten van de vrucht huns wegs en zich verzadigen met hunne raadslagen. 32 Want de afkeering der onverstand igen zal ze dooden, en de voorspoed der zotten zal ze verderven; 33 maar die naar mij hoort zal zéker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreeze des kwaads. HOOFDSTUK 2. Mijn zoon, zoo gij mijne redenen aanneemt en mijne geboden bij u weglegt, 2 om uw oor naar wijsheid te doen opmerken; zoo gij uw harte tot verstandigheid neigt, 3 ja, zoo gij tot het verstand roept, uwe stem verheft tot de verstandigheid; 4 zoo gij haar zoekt als zilver en naspoort als verborgen schatten: 5 dan zult gij de vreeze des Heeren verstaan en zultdeken-nisse Gods vinden. 6 Want de Heere geeft wijsheid, uit zijnen mond komt kennis en verstand. 7 Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen, hij is een schild dengenen die oprechtelij k wandelen, 8 opdat zij de paden des rechts houden, en hij zal den weg zijner gunstgenooten bewaren. 9 Dan zult gij verstaan gerechtigheid en recht en billijkheid, en alle goede pad. 10 Als de wijsheid in uw harte zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uwe ziele liefelijk zal zijn. |
EN 2, 3. 727 11 zoo zal de bedachtzaamheid' over u de^ wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden, 12 om u te redden van den kwaden weg, van den man die^ verkeerdheden spreekt, 13 van degenen die de paden der oprechtheid verlaten om te gaan in de wegen der duisternis^ 14 die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden, 15 welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hunne sporen; 16 om u te redden van de-vreemde vrouw, van de onbekende die met hare redenen vleit, 17 die den leidsman harer jonkheid verlaat en het verbond haars Gods vergeet; 18 want haar huis helt naar den dood en hare paden naar de overledenen: 19 allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen en zullen de paden des levens niet aantreffen ; 20 opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen. 21 Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven; 22 maar de goddeloozen zullen van de aarde uitgeroeid worden; en de trouweloozen zullen er van uitgerukt worden. HOOFDSTUK 3. Mijn zoon, vergeet mijne wet niet, maar uw hart beware mijne geboden. 2 Want lengte van dagen, en jaren van leven en vrede zullen zij u vermeerderen.! 3 Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten: bind ze aan uwen hals, schrijf ze op de tafel uws harten; 4 en vind gunst en goed verstand in de oogen Gods en der menschen. 5 Vertrouw op den Heere metquot; uw gansche hart, en steun op uw verstand niet. 6 Ken hem in alle uwe wegen,, en hij zal uwe paden recht maken. 7 Wees niet wijs in uwe oogenr |
SPREUKEN 4.
728
|
vrees den Heere en wijk van het kwaad; 8 het zal eene medicijn voor xivren navel zijn, en eene bevochtiging voor uwe beenderen. 9 Vereer den Heere van uw goed en van de eerstelingen van al uwe inkomst, 10 zoo zullen uwe schuren met overvloed vervuld worden en uwe perskuipen van most overloopen. 11 Mijn zoon, verwerp de tucht des Heeren niet, en wees niet verdrietig over zijne kastijding; 12 want de Heere kastijdt dengenen dien hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon in den-tcelken hij een welbehagen heeft. 13 Welgelukzalig isdemensch die wijsheid vindt, endemensch die verstandigheid voortbrengt; 14 want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en hare inkomst dan het uitgegraven goud: 15 zij is kostelijker dan robijnen, en al wat u lusten mag is met haar niet te vergelijken; 1(3 lengte der dagen is in hare rechterhand, in hare linkerhand rijkdom en eere, 17 hare wegen zijn wegen der liefelijkheid, en alle hare paden vrede ; 18 zij is een boom des levens dengenen die ze aangrijpen, en elk die ze vasthoudt wordt welgelukzalig. 19 De Heere heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid; 20 door zijne wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en druppelen de wolken dauw. 21 Mijn zoon, laat ze niet afwijken van uwe oogen, bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid ; 22 want zij zullen het leven voor uwe ziele zijn en eene aangenaamheid voor uwen hals. 23 Dan zult gij uwen weg zéker wandelen, en gij zult uwen voet niet stooten; 24 zoo gij nederligt zul t gij niet schrikken, maar gij zult neder-liggen en uw slaap zal zoet wezen. |
25 Vrees niet van haastigen schrik, noch van de verwoesting der goddeloozen, als ze komt; 26 want de Heere zal met uwe hoop wezen, en hij zal uwen voet bewaren van gevangen te worden. 27 Onthoudt het goed van zijne meesters niet, als het in 't vermogen uwer hand is het te doen; 28 zeg niet tot uwen naaste: Ga heen en kom weder, en morgen zal ik geven, terwijl het bij u is. 29 Smeed geen kwaad tegen uwen naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont. 3ü Twist met een mensch niet zonder oorzaak, zoo hij u geen kwaad gedaan heeft. 31 Wees niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijne wegen; 32 want de afwijker is den Heere een gruwel, maar zijne verborgenheid is met de oprechten ; 33 de vloek des Heeren is in het huis des goddeloozen, maar de woning der rechtvaardigen zal hij zegenen. 34 Zekerlijk, de spotters zal hij bespotten, maar den zachtmoe-digen zal hij genade geven; 35 de wijzen zullen eere be-erven, maar elk der zotten neemt schande op zich. HOOFDSTUK 4. Hoort, gij kinderen, de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten. 2 Dewijl ik ulieden goede leer geef, verlaat mijne wet niet. 3 Want ik was mijns vaders zoon, teeder, en een eenige voor het aangezicht mijner moeder. 4 Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijne woorden vast, onderhoud mijne geboden en leef. 5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet en wijk niet van de redenen mijns monds. 6 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren. 7 De wijsheid is het voornaamste: verkijg dan wijsheid, |
SPREUKEN 5.
72tgt;
|
©n verkrijg verstand met al uwe bezitting. 8 Verhef ze, en zij zal u ver-hoogen; zij zal u vereeren als gij haar omhelzen zult; 9 zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, eene sierlijke kroon zal zij u leveren. 10 Hoor, mijn zoon, en neem mijne redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden. 11 Ik onderwijs u in den weg der wijsheid, ik doe u treden in de rechte sporen; 12 in uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt zult gij niet struikelen. 13 Grijpt de tucht aan, laat niet af, bewaar zo, want zij is uw leven. 14 Kom niet op het pad der goddeloozen, en treed niet op den weg der boozen: 15 verwerp dien, ga er niet door, wijk er van en ga voorbij. 16 Want zij slapen niet zoo zij geen kwaad gedaan hebben, en hun slaap wordt weggenomen zoo zij niet iemand hebben doen struikelen; 17 want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld. 18 Staar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. 19 De weg der goddeloozen is als donkerheid, ^ zij weten niet waarover zij struikelen zullen. 20 Mijn zoon, merk op mijne woorden, neig uw oor tot mijne redenen; 21 laat ze niet wijken van uwe oogen, behoud ze in het midden uws harten ; 22 want zij zijn het leven dengenen die ze vinden, en eene medicijn voor hun geheele vleesch. 23 Behoed^ uw hart boven al dat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. 24 Doe de verkeerdheid des mends van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van li. |
25 Laat uwe oogen rechtuit zien, en uwe oogleden zich recht voor u henen houden. 26 Weeg den gang uws voets, en laat alle uwe wegen wel gevestigd zijn. # 27 Wijk niet ter rechter- of ter linkerhand, wend uwen voet af van het kwaad. HOOFDSTUK 5. Mijn zoon, merk op mijne wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand ; 2 opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uwe lippen wetenschap bewaren. 3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie; 4 maar het laatste van haar fo bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard; 5 hare voeten dalen naar den dood, hare treden houden dé helle vast: 6 opdat gij het pad des levens-niet zoudt wegen, zijn hare gangen ongestadig, dat gij hei; niet merkt. 7 Nu dan, gij kinderen, hoo. t naar mij, en wijkt niet van do redenen mijns monds. 8 Maak uwen weg verre van haar, en nader niet tot de den? van haar huis; 9 opdat gij anderen uwe eere niet geeft, en uwe jaren den wreede; 10 opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden, 11 en gij in uw laatste bruliquot;, als uw vleesch en uw lijf verteerd is, 12 en zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn harte d-3 bestraffing versmaad, 13 en heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzer^ noch mijn oor geneigd tot mijno leeraars! 14 Ik ben bijna in allo kwaac? geweest, in het midden der gemeente en der vergadering. 15 Drink water uit uwen bak. |
SPREUKEN 6
-730
|
lt;8u vloeden uit het midden van uwen bornput; 16 laat uwe fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten: 17 laat ze do uwe alleen zijn, -en van geene vreemden met u. 18 Uwe springader zij gezegend, en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd: 19 eene zeer liefelijke hinde en aangenaam steengeitje; laat u hare borsten te allen tijde dronken maken, dool steeds in hare liefde. 20 En waarom zoudt gij, mijn zoon, in eene vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen ? 21 quot;Want eens iegelijks wegen zijn voor de oogen des Heeren, en hij weegt alle zijne gangen: 22 den goddelooze zullen zijne ongerechtigheid vangen, en met de banden zijner zonde zal hij vastgehouden worden; 23 hij zal sterven omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen. HOOFDSTUK 6. Mijn zoon, zoo gij voor uwen naaste borg geworden zijt, voor eenen vreemde uwe hand toege-klapt hebt: 2 gij zijt verstrikt met de redenen uws monds, gij zijt gevangen met de redenen uws monds. 3 Doe nu dit, mijn zoon, en led u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt: ga, onderwerp uzelven, en sterk uwe naasten. 4 Laat uwen oogen geen slaap toe, noch uwen oogleden sluimering; 5 red u als eene ree uit do hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers. 6 Ga tot de mier, gij luiaard, zie hare wegen en word wijs:^ 7 dewelke geen overste, ambtman noch heerscher hebbende, S haar brood bereidt in den zomer, hare spijzo vergadert in den oogst. |
9 Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uwen slaap opstaan? 10 # Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens al nederliggende: 11 zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man. 12 Een belialsmensch, een ondeugend man gaat met verkeerd-hei lt;i des monds om, 13 wenkt met zijne oogen, spreekt met zijne voeten, leert met zijne vingeren ; 14 in zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt ten allen tijde kwaad, hij werpt twisten in: 15 daarom zal zijn verderf haastel ijk komen, hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij. 16 Deze zes haat deHEERE,ja, zeven zijn zijner ziele een gruwel: 17 hooge oogen, een valsche tong, en handen die onschuldig bloed vergieten, 18 een hart dat ondeugende gedachten smeedt, voeten die zich haasten om tot kwaad te loopen, 19 een valsche getuige lt;foeleu-genen blaast, en die tusschen broederen krakeelen inwerpt. 20 Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet; 21 bindt ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uwen hals: 22 als gij wandelt zal dat u geleiden, als gij nederligt zal het over u de wacht houden, als gij wakker wordt zal hetzelve met u spreken. 23 Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens: 24 om u ie bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tang. 25 Begeer hare schoonheid niet in uw harte, en laat ze u niet vangen met hare oogleden. 26 Want door eene vrouw dia eene hoer is koiiit men tot een stuk broods, en eens mans huis- |
SPREUKEN
731
|
vrouw jaagt de kostelijke ziel. 27 Zal iemand vuur in zijn boezem _ nemen, dat zijne kleederen niet verbrand worden? 28 Zal iemand op kolen gaar, dat zijne voeten niet branden? 29 Alzoó die tot zijns naasten huisvrouw ingaat: al wie haar aanroert zal niet onschuldig gehouden worden. 30 Men doet eenen dief geene verachting aan, als hij steelt om zijne ziele te vullen, dewijl hij honger heeft; 31 en gevonden zijnde vergeldt hij het zevenvoudig, hij geeft al het goed van zijn huis. 32 J\[aar die met eene vrouw overspel doet is verstandeloos, hij verderft zijne ziele die dat doet, 33 plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal riet uitgewischt worden. 34 quot;Want jaloerschheid is eene grimmigheid des mans, en in den dag der wrake zal hij niet verschoonen; 35 hij zal geen verzoening aannemen, en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot. HOOFDSTUK 7. Mijn zoon, bewaar mijne redenen, en leg mijne geboden bij u weg; 2 l' waar mijne geboden en leef cu mijne wet als een appel uwer oogen; â¢} bind zé aan uwe vingeren, 6e1irijf ze op de tafel uws harten; 4 zeg tot de wijsheid : Gij zijt mijne zuster, en heet het verstand uwen bloedvriend: 5 opdat zij u bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende die met hare redenen vleit. G Want door het venster van mijn huis, door mijne tralie keek ik uit; 7 en ik zag onder de slechten, ik merkte onder de jonge gezellen eenen verstandeloozen jongeling, 8 voorbijgaande op de straat, nevens haren hoek, en hij betrad den weg van haar huis. |
9 in de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid: 10 en zie, eene vrouw ontmoette hem in hoerenversier-sel, en met het hart op hare hoede; 11 deze was woelachtip; en we-derstrevig, hare voeten bleven in haar huis niet, 12 nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13 en zij greep hem aan en kuste hem, zij sterkte haar aangezicht en zeide tot hem: 14 Dankolleren zijn bij mij, ik heb heden mijne geloften betaald; 15 daarom ben ik uitgegaan u tegemoet om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb gevonden; 1G ik heb mijne bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; 17 ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekend gemaakt ; 18 kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe, laat ons ons vroolijk maken in groote liefde; 19 want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen, 20 hij heeft een bundel geld in zijne hand genomen, ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. 21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht; zij _ dreef hem aan door het gevlei harer lippen: 22 hij _ ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien: 23 totdat hem de pijl zijne lever doorsneed, gelijk een vogel zich haast naar den strik en niet weet dat dezelve tegen zijn leven is. 24 Nu dan, _ kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds. 25 Laat uw hart tot hare we- |
SPREUKEN 8.
732
|
gen niet afwijken, dwaal niet op hare paden; 2ü want zij heeft vele gewonden nedergeveld, en alle hare gedooden zijn machtig vele; 27 haar huis zijn wogen des grals, dalende naar de binnen-kameren des doods. HOOFDSTUK 8. Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de verstandigheid hare stem? 2 Op de spits der hooge plaateen aan den weg, ter plaatse waar paden zijn, staat zij; 3 aan de zijde der poorten, vooraan de stad, aan den ingang der deuren roept zij overluid: 4 Tot u, o mannen, roep ik, en mijne stemme is tot de men-schenkinderen. 5 Gij slechten, verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten, verstaat met het hart. 6 Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening niitiner lippen zal enkel billijkheid zijn; 7 Want mijn gehemelte zal de waarheid bedachtzaam^ uitspreken, en de goddeloosheid is mijnen lippen een gruwel; 8 alle do redenen mijns monds zijn in gerechtigheid, daar is niets verdraaids noch verkeerdsin; 9 zij zijn alle recht voor dengenen die verstandig is, en rechtmatig voor degenen die wetenschap vinden. 10 Neemt mijne tucht aan, en niet zilver, en wetenschap meer dan het uitgelezen uitgegraven goud. 11 Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begee-ren mag is met haar niet te vergelijken. 12 Ik de Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vind de kennis van allo bedachtzaamheid. 13 De vreeze des Heeren is te haten het kwade, de hoogvaardigheid en den hoogmoed en den kwaden weg; ik haat ook den mond der verkeerdheden.^ |
14 Raad en vastigheid zijn mijne, ik ben het verstand, mij no ie de sterkte. 15 Door mij regeeren de Koningen en stellen de Vorsten gerechtigheid, 16 door mij heerschen de Heerschers en de Prinsen, allo de rechters der aarde. 17 Ik heb lief die mij liefhebben ; en die mij vroeg zoeken zullen mij vinden. 18 Rijkdom en eere is bij mij, duurzaam goed ongerechtigheid. 19 Mijne vrucht is beter dan uitgegraven goud en dan dicht goud, en mijn inkomen dan uitgelezen zilver. 20 Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; 21 opdat ik mijne liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en ik zal hunne schatkameren vervullen. 22 De Heere bezat mij in het beginsel zijns wegs, voor zijne werken, van toen aan. 23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. 24 Ik was geboren als de afgronden nog niet waren, alsnog geeno fonteinen waren, zwaar van water; 25 aleer de bergen ingeves-t waren, voor de heuvelen was ik geboren: 2(3 hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch den aanvang van de slotjes der wereld. 27 Toen hij de hemelen be-reidche, was ik daar; toen hij eenen cirkel over het vlakke de« afgronds beschreef, 28 toen hij de opperwolken van boven vestigde, toen hij de fonteinen des afgronds vastmaakte, 29 toen hij der zee haar perk zette, opdat de wateren zijn bevel niet zouden overtreden, toen hij de grondvesten der aarde stelde: 30 toen wis ik een voedsterling bij hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, te aller tijd voor zijn aangezicht spelende, 31 spelende in de wereld zijns aardrijks, en mijne vermakingen fijn m 32 N mij. die mi 33 1 wijs» ⬠34 \ die v wakei nemei 35 het lt len vi 36 i doet die i lief. |
i
ST REUKEN 9, 10.
733
|
Eijn met de menschenkinderen. 32 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, want welgelukzalig zijn ze die mijne wegen bewaren. 33 Hoort de tucht en wordt wijs, en verwerpt die niet. 34 Welgelukzalig is de menseh die naar mij _ hoort, dagelijks wakende aan mijne poorten, waarnemende de posten mij ner deuren. 35 Want die mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere; 36 maar die tcyen mij zondigt, doet zijne ziele geweld aan; allen die mij haten hebben den dood lief. HOOFDSTUK 9. De opperste Wijsheid heeft naar huis gebouwd, zij heeft hare zeven pilaren gehouwen: 2 zij heeft haar slachtvee geel achti zij heeft haren wijn gemengd, ook heeft zij hare tafel toegericht; 3 zij heeft hare dienstmaagden uitgezonden, zij noodigt op de tinnen van de hoogten der stad: 4 Wie is slecht, hij keere zich herwaarts; tot den verstandelooze zegt zij: 5 Komt, eet van mijn brood, en drinkt van den wijn dien ik gemengd heb; 6 verlaat de slechtheden en leeft, en treedt in den weg des verstands. 7 Wie den spotter tuchtigt,behaalt zich schande, en die den goddelooze bestraft, zijne schandvlek: 8 bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben; 9 leer den wijze, zoo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zoo zal hij inleere toenemen. 10 De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand. 11 Want door mij zullen uwe dagen vermenigvuldigen, en jaren des levens zullen u toegedaan worden. 12 Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alléén dragen. |
^ Eene zotte vrouw is woel-achtig, ^ de slechtigheid zelve, en weet nietrnetal; 14 en zij zit aan de deur van haar huis op een stoel, o}) de hooge plaatsen der stad, 15 om te roepen degenen die op den weg voorbijgaan, die hunne paden recht maken, zcyoende: 16 Wie is slecht, hij keere zich herwaarts; en tot den verstandelooze zegt zij: 17 De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk: 18 maar hij weet niet dat aldaar dooden zijn, hare genooden zijn in de diepten der hel. HOOFDSTUK 10. De spreuken van Salomo. Een wijze zoon verblijdt den vader, maar een zotte zoon is zijner moeder droefheid. 2 Schatten der goddeloosheid doen ^ geen nut, maar do gerechtigheid redt van den dood. 3 De Heere laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren, maar de havo der goddeloozen stoot hij weg. 4 Die met eene bedrieglijke hand werkt wordt arm, maar de hand der vlijtigen maakt rijk. 5 Die in den zomer vergadert is een verstandig zoon, maar die in den oogst vast slaapt is een zoon die beschaamd maakt. 6 Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen, maar het geweld bedekt den mond der goddeloozen. 7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maar de naam der goddeloozen zal verrotten. 8 Die wijs van hart is neemt de geboden aan, maar wie dwaas is van lippen zal omgeworpen worden. 9 Die in oprechtheid wandelt, wandelt zéker, maar die zijne wegen verkeert zal bekend worden. 10 Die met het oog wenkt richt smart aan, en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden. 11 Do mond des rechtvaardigen is eene springader des levens. |
SPREUKEN 11.
734
|
maar het geweld bedekt den mond der goddeloozen. 12 Haat verwekt krakeelen, maar de liefde dekt alle overtredingen toe. 13 In de lippen des verstandigen i wordt wijsheid gevonden, maar i op den rug des verstandeloozen de roede. 14 De wijzen leggen wetenschap ! weg, maar den mond des dwazen | is de verstoring nabij. 15 Des rijken goed iseenestad i zijner sterkte, de armoede der , geringen is hunne verstoring. ! 16 Het werk der rechtvaardigen 1 is ten leven, de inkomst des goddeloozen is ter zonde. 17 Het pad tot het leven is j desgenen die de tucht bewaart, I maar die de bestralimg verlaat i doet dwalen. 18 Die den haat bedekt is van I valsche lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt,die is een zot. 19 In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet, maar die zijne lippen wederhoudt is kloek-verstandig. 20 De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver, het hart der goddeloozen is weinig waard. 21 De lippen des rechtvaardigen voeden er velen, maar de dwazen sterven door gebrek van verstand. 22 De zegen des Heeken, die maakt rijk, en hij voegt er geen smart bij. 23 Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid h' plegen. 24 De vreeze des goddeloozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal God geven. 25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzoó is de goddelooze niet meer; maar de rechtvaardige is eene eeuwige grondvest. 26 Gelijk edik den tanden en gelijk rook den oogen is, zoo is de luie dengenen die hem uitzenden. 27 De vreeze des Heeren vermeerdert de dagen, maar de jaren der goddeloozen worden verkort. |
28 De hoop der rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen zal vergaan. 29 De weg des Heeren is voor den oprechte sterkte, maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring. 30 De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden, maar de goddeloozen zullen de aarde niet bewonen. 31 De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort, maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden. 32 De lippen des rechtvaardigen weten wat gevallig is, maar de mond der goddeloozen enkel verkeerdheid. HOOFDSTUK 11. Eene bedrieglijke weegschaal is den Heere een gruwel, maar een volkomen weegsteen is zijn welgevallen. 2 Als de hoovaardigheid komt, zal de schande óók komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid. 3 De oprechtheid der oprechten leidt hen, maar de verkeerdheid der trouweloozen verstoort hen. 4 Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid, maar de gerechtigheid redt van den dood. 5 De gerechtigheid des oprechten maakt zijnen weg recht, maar de goddelooze valt door zijne goddeloosheid. _ G De gerechtigheid der vromen zal ze redden, maar de trouweloozen worden gevangen inhunne verkeerdheid. 7 Als de goddelooze menscb sterft, vergaat zijne verwachting^ zelfs is de allersterkste hoop vergaan. 8 De rechtvaardige wordt uifc. benauwdheid bevrijd, en de goddelooze komt in zijne plaats. 9 De huichelaar verderft zijnen naaste door den mond, maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd. 10 Eene stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen, en als de goddeloozen vergaan is er gejuich. 11 Door den zegen der oprechten wordt eene stad verheven» maar dlt; loozen 12 Di zijnen groot v 13 D wandel lijke; ceest, 1 14 A gen zi; de bel raadsl: 15 A borg g verbrc genen pen, i 113 1 houdi weldi den. 17 doet wreelt; 18 valse ilie f loon 19 ten naja 20 den opre gev; 21 niel zaai kor 2! red in |
SPREUKEN 12.
735
|
maar door den mond der godde-loozen wordt zij verbroken. 12 Die verstandeloos is, veracht zijnen naaste, maar een man van groot verstand zwijgt stille. 13 Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak. 14 Als er geene wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is de veelheid der raadslieden. 15 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat die in de hand klappen, is zeker. 16 Eene aangename huisvrouw houdt de eere vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden. 17 Een goedertieren mensch doet zijne ziele wel, maar die wreed is beroert zijn vleesch. 18 De goddelooze doet een valsch werk, maar voor dengene ilie gerechtigheid zaait is trouwe loon. 19 Alzoo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwaad najaagt naar zijnen dood jaor/t. 20 De verlieerden van harte zijn den Heere een gruwel, maar de oprechten van weg zijn zijn welgevallen. 21 Hand aan hand zal debooze niet onschuldig zijn, maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen. 22 Eene schoone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden ring in een varkenssnuit. 23 De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede, maar de verwachting der godde-loozen is verbolgenheid. 24 Daar is een die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek. 25 De zegenende ziel zal vet gemaakt worden, en die bevochtigt zal ook zelf een vroege regen worden. 26 Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk, maar zegening zal zijn over het hoofd des ver-koopers. ïrwach-erg-aan. is voor ir voor tigheid |
27 Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid: maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen. 28 Wie op zijnen rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen ais loof.^ 29 Wie zijn huis beroert zal wind erven, en de dwaas zal een knecht zijn desgenen die wijs van harte is. 30 De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens, en wie zielen vangt is wijs. 31 Zie, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddelooze en zondaar. HOOFDSTUK 12. Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig. 2 De goede zal een welgevallen trekken van den Heere, maar eenen man van schandelijke verdichtselen zal hij verdoemen. 3 De mensch zal niet bevestigd worden door goddeloosheid, maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden. 4 Eene kloeke huisvrouw is eene kroon haars heeren, maar die beschaamd maakt is als verrotting in zijne beenderen. 5 Der rechtvaardigen gedachten zijn recht, der goddeloozen raadslagen zijn bedrog. 6 De woorden der goddeloozen zijn om op bloed te loeren, maar de mond der oprechten zal ze redden. 7 De goildeloozen worden omgekeerd dat ze niet meer zijn, maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan. 8 Een ieder zal geprezen worden naardat zijne verstandigheid is,. maar die verkeerd is zal tot verachting wezen. 9 Beter is die zich gering acht en eenen knecht heeft, dan die zichzelven eert en des broodsgebrek heeft. |
|
726 SPREU 10 De rechtvaardige kent het leven zijner beesten, maar de barmhartigheden dergoddeloozen zijn wreed. 11 Die zijn land bouwt zal van brood verzadigd worden, maar die ijdele menschen volgt is verstandeloos. 12 De goddelooze begeert het net der boozen, maar de wortel der rechtvaardigen zal vrucht geven. 13 In de overtreding der lippen is do strik des boozen, maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen. 14 Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd, en de vergelding van des menschen handen zal hij tot zich wederbrengen. 15 De weg des dwazen is recht in zijne oogen, maar die naar raad hoort is wijs. 1G De toorn des dwazen wordt tcnzelfden dage bekend, maar die kloekzinnig is bedekt de schande. 17 Die waarheid ^ voortbrengt maakt gerechtigheid bekend, maar een getuige der valsch-heden bedrog. IS Daar is een die icoorden als steken van een zwaard onbedach-telijk uitspreekt, maar de tong der wijzen is medicijn. 19 Eene waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid, maar eene valsche tong is maar voor een oogenblik. 20 Bedrog is in het harte der-g-enen die^ kwaad smeden, maar degenen die vrede raden hebben blijdschap. 21 Den rechtvaardige zal geen leed wedervaren, maar de god-deloozen zullen met kwaad vervuld worden. 22 Valsche lippen zijn^ den Heere een gruwel, maar die getrouw handelen zijn zijn welgevallen. 23 Een kloekzinnig mensch bedekt de wetenschap, maar het harte der zotten roept dwaasheid uit. 24 De hand der vlijtigen zal heerschen, maar de bedriegers zullen onder cijns wezen. |
LEN 13. 25 Bekommernis in het harte des menschen buigt het neder, maar een goed woord verblijdt het. 20 De rechtvaardige is voor-treüelijker dan zijn naaste.maar de weg der goddeloozen doet ze dwalen. 27 Eene bedrieger zal zijne jachtvangst niet braden, maar liet kostelijk goed des menschen is des vlijtigen. 28 In het pad der gerechtigheid is het leven, en in den weg van haar voetpad is de dood niet. HOOFDSTUK 13. Een wijze zoon hoort de tucht des vaders, maar een spotter hoort de bestraffing niet. 2 Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten, maar de ziele der trouweloozen het geweld. 4 Die zijnen mond bewaart behoudt zijne ziel, maar voor hem is verstoring die zijne lippen wijd opendoet. 4 De ziele des luiaards is be-geerig doch daar is niet, maar de ziele der vlijtigen zal vet gemaakt worden. 5 De rechtvaardige haat leugentaal, maar de goddelooze maakt zich stinkende en doet zich schaamte aan. G De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg, maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeeren. 7 Daar is een die zich zei ven rijk maakt, en nietmetal heeft, en een die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed. 8 Het rantsoen van ieders ziele is zijn rijkdom, maar de arme hoort het schelden niet. 9 Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden, maar de lamp der goddeloozen zal uit-gebluscht worden. 10 Door hoovaardigheid maakt men niet dan gekijf, maar bij do beradenen is wijsheid. 11 Goed, van ijdelheid ijeJcomen, zal verminder! worden; maar die met de hand vergadert zal het vermeerderen. |
|
SrREU 12 De uitgeatelde Loop krenkt het hart, maar de begeerte die komt is een boom des levens. 13 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar die het gebod vreest, dien zal vergolden worden. 14 Des wijzen leer is eene springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. 15 Goed verstand geeft aangenaamheid, maar de weg der trou-weloozen is hardheid. 1G Al die kloekzinnig is handelt met wetenschap, maar een zot breidt dwaasheid uit. 17 Een goddelooze bode zal in het kwaad vallen, maar een trouwe gezant is medicijn. 18 Armoede en schande is desgenen die de tucht verwerpt, maar die de bestraffing waarneemt zal geëerd worden. 19 De begeerte die geschiedt is zoet voor de ziele, maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken. 20 Die met de wijzen omgaat zal wijs worden, maar die der zotten metgezel is zal verbroken worden. 21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen, maar den rechtvaardigen zal men goed vergolden. 22 De goede zal zijner kinders kinderen doen erven, maar het vermogen des zondaars is voor den rechtvaardige weggelegd. 23 Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze, maar daar is een die verteerd wordt door gebrek van oordeel. 24 Die zijne roede inhoudt, haat zijnen zoon; maar die hem liefheeft zoekt hem vroeg met tuchtiging. 25 De rechtvaardige eet tot de verzadiging zijner ziele toe, maar de buik der goddeloozen zal gebrek hebben. HOOFDSTUK 14. Elke wijze vrouw bouwt haar huis, maar die zeer dwaas is breekt het af met hare handen. 2 Die in zijne oprechtheid wandelt vreest den Heere, maar |
KEN 14. 737 die afwijkt in zijne wegen veracht hem. 3 In den mond des dwazen ia eene roede des hooginoeds, maar de lippen der wijzen bewaren hen. 4 Als er geene ossen zijn, zoo is de kribbe rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel. 5 Een waarachtige getuige zal niet liegen, maar een valsch getuige blaast leugenen. 6 De spotter zoekt wijsheid en daar is geene, maar de wetenschap is voor den verstandige licht. 7 Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans, want gij zoudt hij hem geene lippen der wetenschaplt; merken. 8 De wijsheid des kloekzin-nigen is zijnen weg te verstaan, maar dwaasheid der zotten is bedriegerij. 9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen, maar onder de oprechten is goedwilligheid. 10 Het hart kent zijne eigene bittere droefheid, en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen. 11 Het huis der goddeloozen zal verdelgd worden, maar de tent der oprechten zal bloeien. 12 Daar is een weg die iemand recht schijnt, maar het laatste van dien zijn wegen des doods. 13 Het harte zal ook in het lachen smart hebben, en het laatste van die blijdschap is droefheid. 14 Die afkeerig van harte is zal van zijne wegen verzadigd worden, maar een goed man van zichzelven. 15 De onnoozele gelooft alle woord, maar de kloekzinnige merkt op zijnen gang. 16 De wijze vreest, en wijkt van het kwade, maar de zot is oploopend toornig en zorgeloos. 17 Die haastig is tot toorn zal dwaasheid doen, en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden. IS De onnoozelen erven dwaasheid, maar de kloekzinnigea 24 |
|
738 SPREUj znUeu zich met wetenschap kronen. 19 De kwaden buigen voorliet aangezicht der goeden neder, en de goddel oozen voor de poorten dea rechtvaardigen. 20 De arme wordt zelfs van zijnon vriend gehaat, maar de liefhebbers des rijken zijn vele. 21 Die zijnen naaste.veracht, zondigt ; maar die^ zich der nede-rigen ontfermt, die is welgelukzalig. 22 Dwalen zij niet die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw., is voor degenen die goed stichten. 23 In allen smartelijken arbeid is overschot, maar het woord der lippen streld alleen tot gebrek. 24 Der wijzen kroon is hun , rij kdom, do dwaasheid der zotten 1 is dwaasheid. 2j Een waarachtig getuige redt i de zielen, maar die leugens blaast is een bedrieger. 2,3 Tn de v.reeze des Heeren is een sterk vertrouwen, en hij zal zijnen kinderen, eene toevlucht wezen. 27 De vreeze des Heeren is eene springader des levens, om af te wijken- Van de strikken des doods. 28 In de menigte des volks is des Konings heerl ijkheid, ra aar in gebrek van volk is eens Vorsten verstoring. 29 De lankmoedige is groot van. verstand, maar die haastig is van gemoed verheft de dwaasheid. 30 Een gezond hart is het leven des vleesches, maar nijd is verrotting der beenderen. 31 Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker, maar die zich over den nooddruftige ontfermt, die eert hem. 32 Do goddelooze zal henen-gedreven worden in zijn kwaad, maar de rechtvaardige betrouwt zelf* in zijnen dood. 33 Wijsheid rust in het harte des verst audi gen. maar^ dat in het binnenste der zotten is wordt bekend. 34 Gerechtigheid verhoogt een |
:en is. volk, maar de zonde ia een© schandvlek der natiën. 35 Het welbehagen des Konings is over een verstandigen knecht, maar zijne verbolgenheid zal zijn over deugena die beschaamd maakt. HOOFDSTUK 15. Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar een smartend woord doet den toorn oprijzen. 2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed, maar do mond der zotten stort overvloe-diglijk dwaasheid uit. 3 De oogen des Heer en zijn aan alle plaatsen,, beschouwende de kwaden en de goeden. 4 De medicijn der tong is een boom des levens, maar de verkeerdheid in dezelve is eene breuke in den geest. 5 Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden, maar die de bestraffing waarneemt zal kloek-zinniglijk handelen. ö In het huis des rechtvaardigen ia een groote schat, maar in des goddeloozen inkomst is beroerte. 7 De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien, maar het hart der zotten niet alzoo. 8 Het offer des goddeloozen is den Heere een gruwel, maar het gebed der oprechten is zijn welgevallen. 9 De weg des goddeloozen is den Heere een gruwel, maar ; dien dje de gerechtigheid najaagt : zal hij liefhebben. 10 De tucht is onaangenaam voor den gene die het pad verlaat, cn die de bestraCing haat zal sterven. 11 De hel cn het verderf zijn voor den Heere : hoeveel te meer de harten van des menschen kinderen ! 12 De spotter zal niet liefheb-ben die hem bestraft, hij zal niet gaan tot de wijzen'. 13 Een vrooiijk hart zal het aangezicht blijde maken, maar door de smarte les harten wordt de geest verslagen. 14 Een verstandig hart zal de |
KEN 16. 739
blijdt het hart, een goed gerucht maakt het gebeente vet.
31 Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der vijzen vernachten. i 32 Die de tucht verwerpt, di© i versmaadt zijne ziele; maar die do bestraffing hoort krijgt verstand.
33 De vreeze des Heeren is do tucht der wijsheid, en de nederigheid gaat vóór de eer.
HOOFDSTUK 1G.
De mensch hoeft schikkingen des harten, maar het antwoord der tong is van den Heere.
2 Alle wegen des mans zijn zuiver in zijne oogen, maar de Heere weegt de geesten.
3 W en tel uwe werken op den Heere, en uwe gedachten zullen bevestigd worden.
4 De Heere heeft alles gewrocht om zijns zelfs wille, ja, ook den goddelooze tot den dag des kwaads.
:gt; Al die hoog is van harte, is den Heere een gruwel; hand aan hand zal hij niet onschuldig zijn.
6 Door goedertierenheid en trouwe wordt de misdaad verzoend, en door de vreeze de» Heeren wijkt men af van het kwade.
7 Als iemands wegen den Heere behagen, zoo zal hij ook zijne vijanden met hem bevredigen.
8 Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
Het hart des menschen overdenkt zijnen weg, maar de Heere stuurt zijnen gang.
10 Waarzegging is op do lippen des Konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
11 Eene rechte wage en weegschaal zijn des Heeeex, alle weegsteenen des buidels zijn zijn werk.
12 Het is der Koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt do troon bevestigd.
13 De lippen der gerechtigheid
SPREU
wetenschnp opzoeken, maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
15 Alle de dagen des bedrnk-ten zijn kwaad, maar een vroolijk hart is een gedurige maaltijd.
1(5 Beter is weinig met de vreeze des Heeriet, dan een groote seliat, en onrust daarbij.
17 Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en baat daarbij.
18 Een grimmig man zol gekijf verwekken, maar de lank-rrioedigé zal den twist stillen.
19 ï)e weg des luiaards is als eene doornheg, maar het pad der oprechten is welgebaand.
20 Een wijze zoon zal don vader verblijden, maar een zot mensch veracht zijne moeder.
21 De dwaasheid is (quot;en ver-standelooze blijdschap, maar een man van verstand zal recht wan ⢠delen.
22 De gedachten worden vernietigd als or geen raad is, maar door veelhquot;'d der raadslieden zal elk een bestaan.
23 Een man heeft blijdschap in hot antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
24 De weg des levens is den verstandige naar boven, opdat hij afwijke van de helle beneden.
25 Het huis der hoovaardigen zal de Heehi: afrukken, maar de landpale der weduwe zal hij vastzetten.
26 Des boozen gedachten zijn den Heebe een gruwel, maar der reinen 'zijn liefelijke redenen.
27 Die gierigheidpleegt beroert zijn huis, maar die geschenken haat zal leven.
28 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich om te antwoorden, maar de mond der goddeloozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten. , ⢠i
29 De Hekre is verre van de goddeloozen, maar het gebed der rechtvaardigen zal hij verhoo-ren.
30 Het licht ier oogen ver-
|
740 S r R E ü zijn het welgevallen der Koningen, en elk een van hen zal liefhebben dien die rechte dingen Bpreekt. 14 De grimmigheid des Ko-nings is als de boden des doods, maar een wijs man zal die verzoenen. 15 In het licht van des Ko-nings aangezicht is leven, en zijn welgevallen is als eene wolk des spaden regens. 16 Hoeveel beter is het, wijsheid te bekomen dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver! 17 De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijne ziel die zijnen weg bewaart. 18 Hoovaardigheid is vóór de verbreking, en hoogheid des geestes vóór den val. 19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoe-digen, dan roof te deelen met de hoovaardigen. 20 Die op het woord verstan-diglijk let zal het goede vinden, en die op den Heere vertrouwt, die is welgelukzalig. 21 De wijze van hart zal verstandig genoemd worden, en de zoetheid der lippen zal de leering vermeerderen. 22 Het verstand dergenen die het bezitten is eene springader des levens, maar de tucht der dwazen is dwaasheid. 23 Eens wijzen hart maakt zijnen mond verstandig, en zal op zijne lippen de leering vermeerderen. 24 Liefelijke redenen zijn eene honigraat, zoet voor de ziele en medicijn voor het gebeente. 25 Daar is een weg die iemand recht schijnt, maar het laatste van dien zijn wegen des doods. 2G De ziel des arbeidzamen arbeidt voor hemzelven, want zijn mond buigt zich voor hem. 27 Een belialsman graaft kwaad, en op zijne lippen is als brandend vuur. 28 Een verkeerd man zal krakeel inwerpen, en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend. |
[vEN 17. 29 Een man des gewelds verlokt zijnen naaste, en hij leidt hem in eenen weg die niet goed is. 30 Hij sluit zijne oogen om verkeerdheden te bedenken, zijne lippen bijtende volbrengt hij het kwaad. 31 De grijsheid is eene sierlijke kroon, zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden. 32 De lankmoedige is beter dan de sterke, en die heerscht over zijnen geest dan die eene stad inneemt. 33 Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheel e beleid daarvan is van den Heere. HOOFDSTUK 17. Eene droge bete, en rust daarbij, is beter dan een huisvol van geslachte beesten, met twist. 2 Een verstandig knecht zal heerschen over eenen zoon die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis deelen. 3 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud, maar de Heere proeft de harten. 4 De boosdoener merkt op de ongerechtige lippen, een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong. 5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf zal niet onschuldig zijn. _ 6 De kroon der ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hunne vaderen. 7 Eene voortrefielijke lip past eenen dwaas niet, veelmin eenen Prins eene leugenachtige lip. 8 Het geschenk is in de oogen zijner heeren een aangenaam gesteente: waarhenen het zich zal wenden, zal het wël gedijen. 9 Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend. 10 De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderdmaal te slaan. 11 Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad, maar een wree- |
|
srnEu de bode zal tegen hem gezonden worden. 12 Dat een beer, die van jongen berooid is, eenen man tegemoet kome, maar niet een zot in zijne dwaasheid. 13 Die kwaad voor goed vergeldt, liet kwaad zai van zijn huis niet wijken. 14 Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft: daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt. 15 Wie den goddelooze rechtvaardigt, en wie den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja, die beiden. 16 AVaarom toch zoude in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te koopen, terwijl hij geen verstand heeft? 17 Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. 18 Een verstandeloos mensch klapt in de hand, zich borgstel-lende bij zijnen naaste. 19 Die het gekijf liefheeft, heeft do overtreding lief; die zijne deur verhoogt, zoekt verbreking. 20 AVie verdraaid is van harte zal het goede niet vinden, en die verkeerd is met zijne tong zal in het kwaad vallen. 21 quot;Wie eenen zot genereert, hij zal hem tot droefheid zijn ; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden. 22 Een blij harte zal eene medicijn goed maken, maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen. 23 De goddelooze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen. 24 In het aangezicht des ver-standigen is wijsheid, maar de oogen des zots zijn in het einde der aarde. 25 Een zotte zoon is een verdriet voor zijnen vader, en bittere droefheid voor degene die hem gebaard heeft. 26 Het is niet goed den rechtvaardige ook te doen boeten: dat de Prinsen iemand^ slaan zouden om hetgeen recht is. |
KEN 18. 741 27 Wie wetenschap weet, houdt zijne woorden in, en een man van verstand is kostelijk van geest. 28 Een dwaas zelfs die zwijgt zal wijs geacht worden, en die zijne lippen toesluit, verstandig. HOOFDSTUK 18. Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks, hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid. 2 De zot heeft geenen lust in verstandigheid, maar daarin dat zijn hart zich ontdekt. 3 Als de goddelooze komt, komt ook de verachting, en met schande versmaadheid. 4 De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren, en de springader der wijsheid ia eene uitstortende beek. 5 Het is niet goed het aangezicht des goddeloozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen. 6 De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen. 7 Do mond des zots is hemzel-ven eene verstoring, en zijne lippen een strik zijner ziele. 8 De woorden des oorblazers zijn als dergenen die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks. 9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger. 10 Do naam des Heeren is een sterke toren: de rechtvaardige zal daarhenen loopen, en in een hoog vertrek gesteld worden. 11 Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijne inbeelding. 12 Vóór de verbreking zal des menschen hart zich verheffen, en de nederigheid gaat vóór de eer. 13 Die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande. 14 De geest eens mans zal zijne krankheid ondersteunen: maar eenen verslagen geest, wie zal dien opheffen ? 15 Het hart des verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap. |
|
742 SP REU 16 De gift- des menschen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der*grooten. 17 Die de eerste is in zijne twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem. 18 Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tusache-n machtigen. 19 Een broeder is wederspan-niger dan eene sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis. 20 Van de vrucht van iemands mond zal zijn buik verzadigd worden, hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen. 21 Dood en leven zijn in het geweld der tong,en eenieder,die ze liefheeft, zal hare vrucht eten. 22 Wie eene vrouw gevonden heeft, heeft eene goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den Heeue. 23 De arme spreekt smeekingen, maar de rijke antwoordt harde dingen. 24 Een man die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden ; maar er is een liefhebber, die sneer aankleeft dan een broeder. HOOFDSTUK 19. De arme in zijne oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen en die een zot is. 2 Ook is de ziele zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt. 3 De dwaasheid des menschen zal zijnen weg verkeeren, en zijn hart zal zich tegen den Heeee vergrammen. 4 Het goed brengt vele vrienden toe, maar de arme wordt van zijnen vriend gescheiden. 5 Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn, en die leugenen blaast zal niet ontkomen. 6 Velen smeeken het aangezicht des Prinsen, en ieder is een vriend dengenen die giften geeft. 7 Alle de broederen des armen haten hem; hoe veel te meer gaan zijne vrienden verre van |
v.EN 19, hem; hij loopt ze na wet woonden, die niets zijn. 8 Die verstand bekomt heeft zijne ziele lief, hij noemt de verstandigheid waar om het goede te vinden. 9 Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn, en die leugenen blaast zal vergaan. 10 De weelde staat eenen zot niet wèl: hoe veel te min eenen knecht, te heerschen over Vorsten ! 11 Het verstand des menschen vertraagt zijnen toorn, en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan. 12 Des Konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws, maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid. 13 Een zotte zoon is zijn vader groote ellende, en het gekijf eener vrouw ah een gestadig druipen. li Huis en goed is een erve van de vaderen, maar eene verstandige vrouw is van den Heere. 15 Luiheid doet in diepen slaap vallen, en eene bedrieglijke ziel zal hongeren. 1G Die het gebod bewaart, bewaart zijne ziel; die zijne wegen veracht, zal sterven. 17 Die zich over den arme ontfermt, leent den Heere, en hij zal hem zijne weldaad vergelden. 18 Tuchtig uwen zoon, als er nog hope is, maar verhef uwe ziele niet om hem te dooden. 19 Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen ; want zoo gij hem uitredt, zoo zult gij nog moeten voortvaren. 20 Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt. 21 In het hart des mans zijn vele gedachten, maar de raad des Heeren, die zal bestaan. 22 De wemich des menschen is zijne weldadigheid, maar de arme is beter dan een leugenachtig man. 23 De vreeze des Heerex is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten, met het kwaad zal me:a niet bezocht worden. 24 Een luiaard verbergt de hand |
|
BPE-EiU rn den boezem, en hij zal ze niet metier aan zijnen mond brengen. 25 Sla den spotter, zoo zal de onnoozele kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen. 26 Wie den vader verwoest of de moeder verjaagt, is een zoon die beschaamd maakt en schande aandoet. 27 Laat af, mijn zoon. hoorende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap. 28 Een belialsgetuige bespot het recht, en de mond der goddel oozen slokt de ongerechtigheid in. 29 Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten. HOOFDSTUK 20. De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig, al wie daarin dwaalt zal niet wijs zijn. 2 De schrik eens Kcnings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijne ziele. 3 Het is eere voor een man, van twist af te blijven; maar iedere dwaas zal er zich in mengen. 4 Om den winter zal de luiaard niet ploegen: daarom zal hij bedelen in den oogst, maar daar zal niets zijn. 5 De raad in het harte oens mans is als diepe wateren, maar een man van verstand zal dien uithalen. G Elk een van de menigte der menschen roept zijne weldadigheid uit, maar wie zal eenen recht trouwen man vinden? 7 De rechtvaardige wandelt steeds in zijne oprechtheid, welgelukzalig zijn zijne kinderen na hem. 8 Een Koning zittende op den troon des gerichts verstrooit alle kwaad met zijne oogen. 9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn harte gezuiverd, ik ben rein van mijne zonde? 10 Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is den Heere een gruwel, ja, die beide. |
KJSIN; -20. 743 11 Een jongen zal ook door zijne handelingen zich hekend maken, of zijn werk zuiver en of het recht zal wezen. 12 Een hoorend oor en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. . 13 Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uwe oogen, verzadig u met brood. 14 Het is kwaad, het is kwaad, zal de kooper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen. 15 Goud is er en menigte van robijnen, maar de lippen der wetenschap zijn een kostelijk kleinood. 16 Als iemand voor eenen vreemde borg geworden is, neem zijn kleed en pand hem voor de onbekenden. 17 Het brood der leugen is den mensch zoet, maar daarna za? zijn mond vol van zandsteentjes worden. 18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen. 19 Die ah een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijne lippen verlokt. 20 Wie zijnen vader of zijne moeder vloekt, diens lamp zal uitgebluecht worden in zwarte duisternis. ,21 Als eene erfenis in het eerst verhaast wordt, zoo zal haar laatste niet gezegend worden. 22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden: wacht op den Heere, en hij aal u verlossen. 23 Tweeërlei weegsteen ie den Heere een gruwel, en de bedrieglijke weegschaal is niet goed. 24 De treden des mans zijn van den Heere, hoe zoude dan een mensch zijnen weg verstaan? 25 Het is een strik des menschen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften onderzoek te doen. 26 Een wijs Koning verstrooit de goddeloozen, en hij brengt het rad over hen. 27 De ziele des menschen is |
SPREUKEN 21.
744
|
eene lomp des Heeren, doorzoekende alle de binnenkameren dea bniks. 28 Weldadigheid ^ en waarheid bewaren den Koning, en door â¢weldadigheid ondersteunt hij zijnen troon. 29 Der jongelingen sieraad ia hunne kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid. 30 Gezwellen der^ wonde zijn in den booze eene zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks. HOOFDSTUK 21. Des Konings hart is in de hand des Heeren als waterbeken, hij neigt het tot al wat hij wil. 2 Alle weg des menschen is recht in zijne oogen, maar de Heere weegt de harten. 3 Gerechtigheid en recht te doen is bij den Heere uitgele-zener dan otter. 4 Hoogheid der oogen en trotschheid des harten en de ploeging der goddeloozen zijn zonde. 5 De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder die haastig is, alleen tot gebrek. 6 Te arbeiden om schatten met eene valsche tong, is eene voort-gedrevene ij delheid dergenen die den dood zoeken. 7 De verwoesting der goddeloozen za] ze dooranijden, omdat ze weigeren recht te doen.^ 8 De weg des menschen is gansch verkeerd en vreemd, maar het werk des zuiveren is recht. 9 Het is beter te wonen op eenen hoek van het dak, dan met eene kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap. 10 De ziel des goddeloozen begeert het kwaad, zijn naaste krijgt geen genade in zijne oogen. 11 Als men den spotter straft, wordt de onnoozele wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan. |
12 De rechtvaardige let ver-standiglijk op des goddeloozen huis. als God de goddeloozen in het kwaad stort. 13 Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen en niet verhoord worden. 14 Eene gift in het verborgen houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid. 15 Het is den rechtvaardige eene blijdschap recht te doen, maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking. 16 Een mensch die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der dooden rus-ten. 17 Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden. 18 De goddelooze is een rantsoen voor den rechtvaardige, en de trouwelooze voor de oprechten. 19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij eene zeer kijfachtige en toornige huisvrouw. 20 In des wijzen woning is een gewenschte schat en olie, maar een zot mensch verslindt zulks. 21 Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eere vinden. 22 De wijze beklimt der geweldigen stad, en werpt de sterkte haars vertrouwens neder. 23 Die zijnen mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziele van benauwdheden. 24 Die een hoovaardig pocher is, zijn naam is spotter, hij gaat met hoovaardige verbolgenheid te werk. 25 De begeerte des luiaarda zal hem dooden, want zijne handen weigeren te werken; 26 den gansch en dag begeert hij begeerlijke dingen, maar do rechtvaardige zal geven en niet inhouden. 27 Het offer der goddeloozen ia een gruwel; hoeveel te meer als zij het met een schandelijk voornemen brengen! 28 Een leugenachtig getuigd |
|
SPREU zal vergaan, en een man die hoort zal spreken tot overwinning. 29 Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijnen weg vast. 30 Daar is geene wijsheid en daar is geen verstand ea daar is geen raad tegen den Heeee. 31 Het paard wordt bereid tegen den dagdesstrijds: maai* de overwinning is des Heeren. HOOFDSTUK 22. De naam is nitgelezener dan groote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud. 2 Kijken en armen ontmoeten elkander, de Heeke heeft ze allen gemaakt. 3 Een kloekzinnig mensch ziet liet kwaad en verbergt zich, maar de verstandeloozen gaan henen door en worden gestraft. 4 Het loon der nederigheid, met de vreeze des Heeuen, is rijkdom en eere en leven. 5 Doornen en strikken zijn in den weg des verkeerden: die zijne ziel bewaart zal zich verre van die maken. 6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eisch zijns â wegs: als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken. 7 De rijke^ heerscht over de armen, en die ontleent is des leeners knecht. 8 Die onrecht zaait zal moeite maaien, en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen. 9 Die goed van oog is, die zal gezegend worden, want hij heeft van ziju brood den arme gegeven. 10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden. _ 11 Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de Koning. 12 De oogen des Heeren be-wfiren de wetenschap, maar de zaken des trouweloozen zal hij omkeeren. 13 De luiaard zegt: Daar is een leeuw buiten, ik^mocht op het |
KEN 22. 745 midden der straten gedood worden. 14 De mond der vreemde vrouwen is eene diepe gracht, hij op wien de Heere vergramd is, zal daarin vallen. 15 De dwaasheid is in het harte des jongen gebonden: de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen. 1(5 Die den arme verdrukt om het zijne te vermeerdoren, «u den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek. 17 Neig uw oor en hoor de woorden der wijzen, en stel uw harte op mijne wetenschap; 18 want het is liefelijk als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen te zamen op uwe lippen gepast worden. 19 Opdat uw vertrouwen op den Heere zij, maak ik u die heden bekend: gij ook maak ze heli end. 20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap, 21 om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid, opdat gij redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen die ii zenden? 22 Beroof den arme niet omdat hij arm is, en verbrijzel den ellendige niet in de poort; 23 want de^ Heere zal hunne twistzaak twisten, en hij zal dengenen die ze berooven de ziele rooven. 24 Vergezelschap u niet met een gramstorige, en^ ga niet óm met een zeer grimmig man, 25 opdat gij zijne padeit niet leert, en een strik over uwe ziele haalt. 26 Wees niet onder degenen die in de hand klappen, onder degenen die voor schulden borg zijn: 27 zoo gij niet hadt om te betalen, waarom zoude men uw bed van onder u wegnemen ? 28 Zet de oude palen niet terug, die uwe vaderen gemaakt hebben. 29 Hebt gij eenen man gezien die vaardig in zijn werk is, hij zal voor het gezicht der Koningen gesteld worden, voor het aan- 24* |
|
746 SP EE IJ gezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden. HOOFDSTUK 23. Als gij aangezeten zult zijn om met een heerscher te eten, zoo zult gij scherpelijk letten op den-gene die voor uw aangezicht is; '2 en zet een mes aan uwe keel, indien gij een gulzig mensch zijt; 3 en laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood. 4 Vermoei u niet om rijk te worden, sta af van uw vernuft; 5 zult gij uwe oogenlaten vliegen op hetgeen niets is? quot;Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken, gelijk een arend die naar den hemel vliegt. G Eet het brood niet desgenen die boos is van oog, en wees niet belust op zijne smakelijke spijzen; 7 want gelijk hij bedacht heeft in zijne ziel, alzóo zal hij tot u zeggen: Eet en drink, maar zijn hart is niet met n; 8 uwe bete die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen, en gij zoudt uwe liefelijke woorden verderven. 9 Spreek niet voor de ooren van een zot, want hij zoude het verstand uwer woorden verachten. lü Zet den ouden paal niet terug en kom op de akkers der weezen niet; 11 want hun Verlosser is sterk, die zal hunne twistzaak tegen u twisten. 12 Begeef uw hart tot de tucht, en uwe ooien tot de redenen der wetenschap. 13 AVeer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven: 14 gij zult hem met de roede slaan en zijne ziel van de hel redden. 15 Mijn zoon, zoo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja ik; lü en mijne nieren zuilen van vreugde opspringen, als uwe lippen billijkheden spreken zullen. 17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren, maar wees ten allen dage in de vreeze deö Heerex ; |
IEN 23. 18 want zekerlijk daar ia eeno belooning, en uwe verwachting zal niet afgesneden worden. 19 Hoor gij, mijn zoon, en word wijs, en richt uw harte op den weg, 20 quot;Wees niet onder de wijnzuipers noch onder de vleesch-vraten; 21 want een zuiper en vraat zal arm worden, en de sluimering doet verscheurde kleederen dragen. _ 22 Hoor naar uwen vader die u gewonnen heeft, en veracht uwe moeder niet als zij oud geworden is^ 23 Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid en tucht en verstand. 24 De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen, en die een wijzen zoon gewint zal zich over hem verblijden: # 25 laat uw vader zich verblijden, ook uwe moeder, en laat zij zich verheugen die u gebaard heeft. 2G Mijn zoon, geef mij uw hart, en laat uwe oogen mijne wegen bewaren; 27 want eene hoer is eene diepe gracht; en eene vreemde vrouw is een enge put; 28 ook loert zij als een roover, en zij vermenigviildigt de trou-weloozen onder de menschen. 29 Bij wien is wee, bij wien, och arme! bij wien gekijf, bij wien het geklag, bij wien wonden zonder oorzaak, bij wien de roodheid der oogen? 30 Bij degenen die bij den wijn vertoeven, bij degenen die komen om ge mengden drank na te zoeken. 31 Zie den wijn niet aan als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijne verve geeft, als hij recht opgaat: _ 32 in zijn einde zal hij als eene slang bijten, en steken als eene adder; 33 uwe oogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken; 34 en gij zult zijn gelijk een die in het hart van de zee slaapt, en gelijk een die in liet oppp.rsto van den mast flaept. |
|
SPREU 35 Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik beu niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; -wanneer zal ik opwaken ? Ik zal hem nog meer zoeken. HOOFDSTUK 24. Wees niet nijdig oyerdebooze lieden, en laat 11 niet gelusten om bij hen te zijn; 2 want hun hart bedenkt verwoesting, en hunne lippen spreken moeite. 3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd, 4 en door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed. 5 Een wijs man is sterk, en een man van wetenschap maakt de kracht vast; 6 want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning. 7 Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog^ hij zal in de poort zijnen mond niet opendoen. 8 Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen. 9 De gedachte der dwaasheid is zonde, em een spotter is den mensch een gruwel. 10 Vertoont gij u slap ten dage der benauwdheid, uwe kracht is nauw. 11 Eed degenen die ter dood gegrepen zijn, want zij wankelen ter dooding zoo gij u onthoudt. 12 Wanneer gij zegt: Zie, wij weten dat niet, zal hij die de harten weegt dat niet merken, en die uwe ziele gadeslaat, zal hij het niet weten ? Want hij zal den mensch vergelden naar zijn werk. 13 Eet honig, mijn zoon, want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte. 14 Zoodanig is de kennis der wijsheid voor uwe ziel: als gij ze vindt, zoo zal er belooning wezen, en uwe verwachting zal niet afgesneden worden. |
:EN 24. 747 15 Loer niet, o goddelooze, op de woning des rechtvaardigen, verwoest zijne legerplaats niet;. 16 want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen en opstaan, maar de goddeloozen zullen in het kwaad nederstruikelen. 17 Verblijd u niet als uw vijand valt, en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen, 18 opdat het de Heere niet zie, en het kwaad zij in zijne oogen,-en hij zijnen toorn van hem afkeere. 19 Ontsteek u niet over dey boosdoeners, wees niet nijdig over de goddeloozen; 20 want de kwade zal geen belooning hebben, de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden. 21 Mijn zoon, vrees den Heere en den Koning, vermeng u niet met hen die naar verandering staan ; 22 want hun verderf zal haas-tel ijk ontstaan, en wie weet hun beider ondergang? 23 Ook deze spreuken zijn van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen is niet goed. 24 Die tot den goddelooze zegt: Gij zijt rechtvaardig, dien zullen, de volkeren vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn; 25 maar voer degenen die hem bestrallen, zal liefelijkheid zijn, en de zegen des goeds zal op hem komen. 26 Men zal de lippen kussen desgenen die rechte woorden antwoordt.^ 27 Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker^ en bouw daarna uw huis. 28 Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uwen naaste ; want zoudt #gij verleiden met uwe lippen ?' 29 Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zóó zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk. 30 Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mensch; 31 en zie, hij was gansch opgeschoten van distelen, zijne ge- |
|
748 SPREÃl daanto was met netels bedekt, en zijn steenen echeidsmuur vas afgebroken. 32 Als ik dat aanschouwde, nam ik liet ter harte, ik zag het â¬n nam onderwijzing aan; 33 een weinig slapeus, een weinig slnimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende: 34 zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als-een .gewapend man. HOOFDSTUK 25. Ook dit zijn spreuken van Salomo, die de mannen van Hizlda, den Koning van Juda, nitgefichreven hebben. 2 Het is Gods eere eene zaak te verbergen, maar de eere der Koningen eene zaak te doorgronden. 3 Aan de hoogte des hemels, -en aan de diepte der aarde, en aan het harte der Koningen is geen doorgronding. 4 Doe het schuim van het zilver weg, en daar zal een vat voor den smelter uitkomen: 5 doe den goddelooze weg van het aangezicht des Konings, en .zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden. 6 Praal niet voor het aangezicht des Konings, en sta niet in de plaats der grooten; 7 want het is beter dat men tot u zegge: Kom hier boven-.aan, dan dat men u vcrnedere voor het aangezicht eens Prinsen dien uwe oogen gezien hebben. 8 Vaar niet haa stel ijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u .zoude mogen beschaamd hebben. 9 Twiit uwe twistzaak met uwen naaste, maar openbaar het geheim van een ander niet; 10 opdat degene die het hoort u niet smade; want uw kwaad gerucht zoude niet afgekeerd worden. 11 Eene rede, op zijn pas ge-eproken, is ah gouden appelen in zilveren geheelde schalen. 12 Een wijs bestraffer bij een |
C EN 25. hoorend oor is een gouden oorsiersel en een halssieraad van het fijnste goud. 13 Een trouw gezant is dengenen die hem zenden als de koude der sneeuw ten dage des oogstes, want hij verkwikt zijns heeren ziele. 14 Een man die zich zeiven roemt over eene valsche gift is als wolken en wind waar geen regen bij is. 15 Een overste wordt door lankmoedigheid overreed, en eene zachte tong breekt het gebeente. 1G Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is, opdat gij misschien daarvan niet zat wordt en dien uitspuwt. 17 Spaar uwen voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde en u hate. 18 Een man, tegen zijnen naaste eene valsche getuigenis sprekende, is een hamer en zwaard en scherpe pijl. 19 Het vertrouwen op eenen trouwclooze ten dage der benauwdheid is als een gebroken tand en een verstuikte voet. 20 Die liedekens zingt bij een treurig hart is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en ah edik op salpeter. 21 Indien degene die u haat hongert, geef hem brood te eten, en zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken; 22 want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hoopen, en de Heere zal bet u vergelden. 23 De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong. 24 Het is beter te wonen op een hoek vr.n het dak, dan met eene kijfachtige huisvrouw, eu dat in een huis van gezelschap. 25 Eene goede tijding uit verren lande is als koud water op eene vermoeide ziel. 2G De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddeloozen, is eene beroerde fontein en verdorven springader. 27 Veel honig te eten is niet goed, maar de onderzoeking van |
|
SPREUK de heerlijkheid van zulke dingen is eere. 28 Een man die zijnen geest niet wederhouden kan is eene opengebroken stad zonder muur. HOOFDSTUK 23. Gelijk de sneeuw in den zomer en gelijk de regen in den oogst, alzuo past den zot de eere niet. 2 Gelijk een muscb is tot wegzweven, gelijk eene zwaluw tot vervliegen, alzóó zal een vloek die zonder oorzaak is niet komen. 3 Eene zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en eene roede voor den rug der zotten. 4 Antwoord den zot naar zijne dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt. 5 Antwoord den zot naar zijne dwaasheid, opdat hij i:a zijne oogen niet wijs zij. 6 Hij snijdt zich de voeten af en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot. 7 Heft de beenen van den kreupele op: alzóó is eene spreuk in den mond der zotten. 8 Gelijk hij die een edelge-steente in eenen slinger bindt, alzóó is hij die den zot eere geeft. 9 Gelijh een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzóó is eene spreuk in den mond der zotten. 10 De grooten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders. 11 Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzóó herneemt de zot zijne dwaasheid. 12 Hebt gij^ eenen man gezien die wijs in zijne oogen is? Van eenen zot is meer verwachting dan van hem. 13 De luiaard zegt: Daar is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten. 14 Eene deur keert^ óm op hare herre: alzóó de luiaard op zijn bed. 15 De luiaard verbergt, zijne hand in den boezem, hij is te 3N 26, 27. 74JV |
moede om die weder tot zijnen mond te brengen. 16 De luiaard is wijzer in zijne^ oogen dan zeven die met reden antwoorden. 17 De voorbijgaande die zich vertoornt in eenen _ twist, die hem niet aangaat, is Qelijk die eenen hond bij de ooren grijpt. 18 Gelijk een die veinst te razen, die vuursprankels, pijlenen doodelijke dingen werpt, 19 alzóó is een man die zijnen naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede? 20 Als er geen hout is gaat het vuur uit, en als er geen oorblazer is wordt het gekijf gestild. 21 De doove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur, alzóó is een kijfachtig man om twist te ontsteken. 22 De woorden des oorblazerszijn als dergenen die geslagen zijn, en die dalen ir het binnenste des buiks. 23 Brandende lippen en een-boos hart zijn a/s eene potscherf, met schuim van zilver overto-gen. 24 Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijne lippen, maar in zijn binnenste smeedt hij bedrog; 25 als hij met zijne stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart. 26 Wiens haat door bedrog, bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden. 27 Die eenen kuil graaft zal er invallen, en die eenen steen wentelt, op hem zal hij weder-keeren. 28 Eene valsche tong haat degenen die zij verbrijzelt, en een gladde mond maakt omstooting. HOOFDSTUK 27. Beroem u niet over den dag van morgen, want gij weet nieö wat de dag zal baren. 2 Laat een vreemde u prijzen, en niet uw mond: een onbekende, en niet uwe lippen. 3 Een steen is zwaar, en hei |
|
?50 SPREU zand quot;wichtig, maar de toornig-iieid des dwazen is zwaarder dan die beide. 4 Grimmigheid en overlooping van toorn is wreedheid., maar wie zal voor nijdigheid bestaan? 5 Openbare bestraffing is beter dan verborgen liefde. 6 De wonden des liefhebbers zijn getrouw, maar de kussen des haters zijn af te bidden. 7 Eene verzadigde ziele vertreedt het honigzeem, maar voor eene hongerige ziel is alle bitter zoet. 8 Gelijk een vogel is die uit zijn nest omdoolt, alzoó is een man die omdoolt uit zijne plaats. 9 Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzoó is de zoetheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziele. 10 Verlaat uwen vriend en den vriend uws vaders niet, en ga ten huize uws broeders niet op den dag uws tegenspoeds: iDeter is een gebuur die nabij is dan een broeder die ver is. 11 Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart, opdat ik mijnen smader wat te antwoorden bebbe. 12 De kloekzinnige ziet het kwaad en verbergt zich, de ver-etandeloozen gaan voorbij en worden gestraft. 13 Als iemand voor eenen vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor eene onbekende vrouw, 14 Die zijnen vriend zegent met luider stem, zich 's morgens vroeg opmakende, het zal hem â tot een vloek gerekend worden. 15 Een gedurig druipen ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn evenge-lijk: 16 elk een die ze verbergt, .zoude den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept. 17 LJzer scherpt men met ijzer: alzoo scherpt een man het aangezicht zijns naasten. 18 Die den vijgeboom bewaart zal zijne vrucht eten, en die zijnen heer waarneemt zal geëerd worden. |
ivEN 28. 19 Gelijklt; in het water het aangezicht is # tegen het aangezicht, alzoó is dos menschen hart tegen den mensch. 20 De hel en het verderf worden niet verzadigd: alzoó worden de oogen des menschen niet verzadigd. 21 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud: al zóó is een man naar zijnen lof te proeven. 22 Al _ stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper in het midden van het gestooten graan, zijne dwaasheid zoude van hem niet afwijken. 23 Wees naarstig om het aangezicht uwer schapen te kennen, zet uw hart op de kudden; 24 want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn ? 25 Als het gras zich openbaart en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden; 26 de lammeren zullen zijn tot uwe kleeding, en de bokken de prijs des velds; 27 daartoe zult gij genoegzaamheid van geitemelk hebu ui tot uwe spijze, tot spijze van uw huis en leeftocht uwer maagden. HOOFDSTUK 28. De goddeloozen vlieden daar geen vervolger is, maar elk rechtquot; vaardige is moedig als een jonge leeuw. 2 Om de overtreding des lands zijn deszelfs Vorsten vele, maar om verstandige wetende menschen zal insgelijks verlenging wezen. 3 Een arm man die de geringen verdrukv;, is een wegvagende ? regen, zoodar, er geen brood is. 4 Die de wet verlaten, prijzen de goddeloozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen. 5 De kwade lieden verstaan het recht niet, maar die den Heere zoeker: verstaan alles. 6 De arme, wandelende in zijne oprechtheid, is beter dan die ver- |
|
BP EE U keord is van wogen, al is hij rijk. 7 Die de wet bewaart is een verstandig zoon, maar die der onmatigen metgezel is beschaamt zijnen vader. 8 Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengenen die zich des armen ontfermt. 9 Die zijn oor afwendt van de wet te hooren, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn. 10 Die de oprechten doet dwalen op eenen kwaden weg, zal zelf in zijne gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beërven. 11 Een rijk man is wijs in zijne oogen, maar de arme die verstandig is doorzoekt hem. 12 Als de rechtvaardigen op-epringeu van vreugde isergroote heerlijkheid, maar als de godde-ioozen opkomen wordt de mensch nauw gezocht. 13 Die zijne overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat zal barmh ar tighei d verk v ij gen. 14 Welgelukzalig is de mensch die geduriglijk vreest, maar die zijn hart verhardt zal in het kwaad vallen. 15 De goddel ooze, heerschende over een arm volk, is een brullende leeuw en beer die ginds en weder loopt. 16 Een Vorst die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat zal de dagen verlengen. 17 Een mensch, gedrukt om het bloed eener ziele, zal naar den kuil toevlieden: men onder-steune hem niet. 18 Die oprecht wandelt zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den éénen vallen. 19 Die zijn land bouwt zal met brood verzadigd worden, maar die ijdele menschen volgt zal met armoede verzadigd worden. 20 Een gansch getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen, maar die haastig is om rijk te tEN 29. 751 |
worden zal niet onschuldig wezen. 21 De aangezichten te kennen is niet goed, want een man zal om een stuk brood overtreden. 22 Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet dat liet gebrek hem overkomen zal. 23 Die eenen mensch bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit. 24 Die zijnen vader en zijne moeder berooft, en zegt: Het is geene overtreding, die is des verderven den mans gezel. 25 Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den Heere vertrouwt zal vet worden. 2G#Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen. 27 Die don arme geeft zal geen gebrek hebben, maar die zijne oogen verbergt zal veel vervloekt worden. 28 Als de goddeloozen opkomen verbergt zich de mensch, maar als zij omkomen vermenigvuldigen zich do rechtvaardigen. HOOFDSTUK 29. Een man die dikwijls bestraft zijnde den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zoodat er geen genezen aan is. 2 Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddelooze heerscht, zucht het volk. 3 Een man die de wijsheid bemint _ verblijdt zijnen vader, maar die een metgezel der hoeren is brengt liet goed door. 4 Een Koning houdt het land staande door het recht, maar een die tot geschenken genegen ie verstoort hetzelve. 5 Een man die zijnen naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen. G In de overtreding eens boo-zen mans is een strik, maar de rechtvaardige juicht en is blijde. 7 De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen, maar de goddelooze begrijpt de wetenschap niet. |
|
752 SP RE ü 8 Spotdrijvende lieden blazen eene stad aan brand, maar de Tvijzen keeren den toorn af. 9 Een wijs man met een dwaas man zich in rechten begeven hebbende, hetzij dat hij verstoord is of lacht, zoo is er toch geene rust. 10 Bloedgierige lieden haten den vrome, maar de oprechten zoeken zijne ziel. 11 Een zot laat zijnen ganschen geest uit, maar de wijze weder-hondt dien achterwaarts. 12 Een Heerscher die oplengen-taal acht geeft, alle zijne dienaars zijn goddeloos. 13 De arme en de bedrieger ontmoeten elkander: de Heere verlicht hun beider oogen. 14 Een Koning die den armen in trouwe recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden. 15 De roede en de bestrafling geeft wijsheid, maar een kind dat aan zichzelf overgelaten is beschaamt zijne moeder. 16 Als de goddeloozen vele worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hunnen val aanzien. 17 Tuchtig uwen zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uwer ziel vreugde geven. 18 Als er geen profetie is wordt het volk ontbloot, maar welgelukzalig is hij die de wet bewaart. 19 Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden. 20 Ãebt gij een en man gezien die haastig in zijne woorden is? Van eenen zot is meer verwachting dan van hem. 21 Als men zijnen knecht van jongs op dartel houdt, hij zal ten laatste een zoon willen zijn. 22 Een toornig man verwekt gekijf, en de gramstorige is veelvoudig in overtreding. 23 De hoogmoed desmenschc«i zal hem vernederen, maar de nederige van geest zal de eere vasthouden. 24 Die met eenen dief deelt. |
[EN 30. haat zijne ziele: hij hoort eenen vloek en hij geeft het niet te kennen. 25 De siddering des menschen legt eenen strik, maar die op den Heere vertrouwt zal in een hoog vertrek gesteld worden. 26 Velen zoeken het aangezicht des Heerschers, maar eens ieders recht is van den Heere. 27 Een ongerechtig man is den rechtvaardigen een gruwel maar die recht is van weg is den goddeloozen een gruwel. HOOFDSTUK 30. De woorden van Agur, den zoon van Jaké; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël ea Uchal. 2 Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen menschenverstand, 3 en ik heb geene wijsheid geleerd noch de wetenschap der heiligen gekend. 4 Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? AVie heeft den wind in zijne vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft alle de einden der aarde gesteld? Hoe is zijn naam, en hoe is de naam zijns zoons, zoo gij het weet? 5 Alle rede Gods is doorlouterd; hij is een schild dengenen die op hem betrouwen. 6 Doe niet tot zijne woorden, opdat hij u niet bes'jrali'e en gij leugenachtig bevonden wordt. 7 Twee dingen heb ik van u begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve: 8 doe ijdelheid en leugentaal verre van mij; armoede noch rijkdom geeft mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels; 9 opdat ik, zat zijnde, u dan niet verloochene en zegge: Wie is de Heere? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele en den naam mijns Gods aantaste. 10 Achterklap niet van den knecht bij zijnen heer, opdat hij u niet vioeke en gij schuldig wordt. 11 Daar is een geslacht dat |
|
ïijnen vader vervloekt en zijne moeder niet zegent; 12 een geslacht, dat rein in zijne oogen is, en van zijnen drek niet gewasschen is; 13 een geslacht, welks oogen hoog zijn en welks oogleden verheven zijn; 14 een geslacht, Tvelkg tanden zwaarden en welks baktanden messen zijn, om de eilendigen van de aarde en de nooddrnf-tigen van ouder de menschen te verteren. 15 De bloedzuiger heeft twee ; dochters: geef, geef. Deze drie dingen worden niet verzadigd, ja, vier zeggen niet: Het is genoeg : 1(5 het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde die, van water niet verzadigd wordt, en het vnuT zegt niet: Het is genoeg. 17 ITet^ oog dat den vader bespot of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten. 18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier die ik niet weet: 19 de weg eens arends in den hemel, de weg eener slang op eenen rotssteen, de weg van een schip in het hart der zee, en de weg eens mans bij eene maagd. 20 AIzoo is de weg eener overspelige vrouw: zij eet en wiseht haren mond af, en zegt: Ik heb ge ene ongerechtigheid gewrocht. 21 Om drie dingen ontroert zich de narde, ja, om vier, die zij niet dragen kan: 22 om eenen knecht als hij regeert, en eenen dwaas als hij van brood verzadigd is, 23 om eene hatelijke vromo als zij getrouwd wordt, en eene dienstmaagd als zij erfgenaam is van hare vrouw. 24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde, doch zij zijn wijs, met wijsheid welvoorzien: 25 de mieren zijn een onsterk volk: evenwel bereiden zij in den zomer hare spijs; 26 de konijnen zijn een mach- |
:EN 31. 753 teloos volk: nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen; 27 de sprinkhanen hebben geen Koning: nochtans gaan zij allen uit, zich verdeelende in hoopen; 28 de spinnekop grijpt met do handen, en is in de paleizen der Koningen. 29 Deze drie maken een goeden tred, ja, vier zijn er die een goeden gang maken: 30 de oude leeuw, geweldig onder de gedierten, die voorniemand zal omkeeren, 31 een windhond van goede lendenen, of een bok, en een Koning die niet tegen te staan is. 32 Zoo gij dwaselijk gehandeld hebt met u te verhellen, en zoo gij kwaad bedacht hebt â do hand op den mond! 33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus^ brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort. HOOFDSTUK 31. De woorden van den Koning Lemuël, de last waarmede zijne moeder hem onderwees. 2 Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns sohoots? Ja, wat, o zoon mijner geloften? 3 Geef aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uwe wegen om Koningen te verdelgen. 4 Het komt den Koningen niet toe, _ o Lemuël, het komt den Koningen niet toe wijn te drinken, en den Prinsen sterken drank te begeeren; 5 opdat hij niet drinke, en de inzetting vergete, en de rechtzaak aller verdrukten verandere. G Geeft sterken drank deugen© die verloren gaat, en wijn dengenen die bitterlijk bedroefd van ziele zijn; 7 dat hij drinke, en zijne armoede vergete, en aan zijne moeite niet meer gedenke. 8 Open uwen mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen die omkomen zouden; 9 open uwen mond, oordeel rechtvaardig, en doe den verdrukte en nooddruftige recht. |
PREDIKER 1.
754
|
10 Alef. Wie zal eene deugdelijke huisvrouw vinden? want hare waardij is verre boven de robijnen. 11 Beth. Het hart haars heeren vertrouwt op haar, zoodat hem geen goed zal ontbreken. 12 Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, alle de dagen Laars levens. 13 Ikihih. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen. 14 Hó. Zij is als de schepen eens koopmans, zij doet haar brood van verre komen. 15 Van. En zij staat op als het nog nacht is, en geeft haren huize spijze, en haren dienstmaagden het bescheiden deel. 16 Zain. Zij denkt om eenen akker en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij eenen wijngaard. 17 Gheth. Zij gordt hare lendenen met kracht, en zij versterkt hare armen. IS Telh. Zij smaakt dat haar koophandel goed is; hare lamp gaat des nachts niet uit. 19 Joel. Zij steekt hare handen uit naar de spil, en hare handpalmen vatten den spinrok. 20 Kaf. Zij breidt hare handpalm uit tot den ellendige, en zij steekt hare handen uit tot den nooddruftige. |
21 Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw, want haar gansche huis is met dubbele kleederen gekleed. 22 Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad, hare kleeding is fijn linnen en purper. 23 Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands. 24 Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en zij levert den koopman gordels. 25 Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn hare kleeding, en zij lacht over den toekomenden dag. 26 Pé. Zij doet haren mond open niet wijsheid, en op hare tong is de leer der goeddadig-heid. 27 Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis, en het brood der luiheid eet zij niet. 28 Kof. Hare kinderen staan op en roemen haar welgelukzalig, ooJc haar man, en hij prijst haar, zeggende: 29 'Resch. Vele dochteren hebben deugdelijk gehandeld, maar gij gaat die allen te boven. 30 Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ij delheid, maar eene vrouw die den Héere vreest, die zal geprezen worden. 31 Thau. Geeft haar van de vrucht harer handen, en laat hare werken haar prijzen in de poorten. |
HET BOEK
GENAAMD
DE PREDIKER.
|
HOOFDSTUK 1. De woorden van den Prediker, den zoon van David, den Koning te Jeruzalem. |
2 IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker, ij delheid der ijdelheden, het is al ijdelheid. 3 Wat voordeel heeft de mensch van _ al zijne:i arbeid dien hij arbeidt onder de zon? 4 Het ééne geslacht gaat en |
|
PREDI het andere geslaclit komt, maar de aarde staat in eeuwigheid; 5 ook rijst de zon op en de zon gaat onder, en zij hijgt naar hare plaats waar zij oprees; G zij gaat naar het Zuiden, en zij gaat om naar liet Noorden, de wind gaat steeds omgaande; en de wind keert weder tot zijne omgangen; 7 alle de beken gaan in de zee, nochtans wordt do zee niet vol; naar de plaats waar de beken henengaan, derwaarts gaande keeren zij weder; 8 alle deze dingen worden zóó moede dat niemand het zonde kunnen uitspreken, het oog wordt niet verzadigd^ met zien en het oor wordt niet vervuld van hooren. 9 Hetgene dat er geweest is, hetzelfde zal er zijn, en hetgene dat er gedaan is, hetzelfde zal er gedaan worden, zoodat er niets nieuws is onder do zon. 10 Is er eenig ding waarvan men zoude kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw? liet is alreeds geweest in de eeuwen die vóór ons geweest zijn. 11 Daar is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen die namaals wezen zullen. 12 Ik Prediker was Koning over Israël te Jeruzalem, 13 en ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken en na te sporen al wat er geschiedt onder den hemel: deze moeie-li.jke bezigheid heeft God den kinderen der menschen gegeven om zich daarmede tebekommeron. 14 Ik zag alle de werken aan die onder de zon geschieden: â en zie, het was al ijdelheid en kwelling des geestes: 15 het kromme kan niet recht gemaakt worden, en hetgene dat ontbreekt kan niet geteld worden. 16 Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd boven allen die vóór mij te Jeruzalem |
KER 2. 755 geweest zijn, en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien ; 17 en ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; â ik ben gewaargeworden dat ook dit eene kwelling des geestes is; 18 want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smart. HOOFDSTUK 2. Ik zeide in mijn hart: Nu welaan, ik zal u beproeven door vreugde, derhalve zie het goede aan: maar zie, ook dat was ijdelheid; 2 tot het lachen zeide ik: Gy zijt onzinnig, en tot de vreugde: quot;Wat maakt deze? 3 Jk heb in mijn hart nagespoord om mijn vleesch op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid,) en om de dwaatheid vast to houden, totdat ik zoude zien wat den kinderen der menschen het best ware dat zij doen zouden onder den hemel, oedu-rcdda het getal der dagen huns levens; 4 ik maakte mij groote werken, ik bouwde m:j huizen, ik plantto mij wijngaarden; 5 ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte boomen in dezelve van allerlei vrucht; G ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud dat met boomen groende; 7 ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes, ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen die vóór mij te Jeruzalem geweest waren; 8 ik vergaderde mij ook zilver en goud en kleinoodiën der Koningen en der landschappen, ik bestelde mij zangers en zangeressen en^ wellustigheden der menschenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel; 9 en ik werd groot en nam toe, meer dan iemand die vóór |
PKEDIKEK 1.
754
|
10 AJeif. Wie zal eene deugdelijke imiavrouw vinden? want hare -waardij is yerre boven de robijnen. 11 Beth. Het hart haars heeren vertrouwt op haar, zoodat hem geen goed zal ontbreken. 12 Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, alle de dagen Laars levens. 13 Ikilelh. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen. 14 Hé. Zij is als de schepen eens koopmans, zij doet haar brood van verre komen. 15 Vau. En zij staat op als het nog nacht is, en geeft haren huize epijze, en haren dienstmaagden Let bescheiden deel. 16 Zain. Zij denkt om eenen akker en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij eenen wijngaard. 17 Cheth. Zij gordt hare lendenen met kracht, en zij versterkt hare armen. IS Teth. Zij smaakt dat haar koophandel goed is; hare lamp gaat des nachts niet uit. 19 Jod. Zij steekt hare handen uit naar de spil, en hare handpalmen vatten den spinrok. 20 Kaf. Zij breidt hare handpalm uit tot den ellendige, en zij steekt hare handen uit tot den nooddruftige. 21 Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw, |
want haar gansche huis is met dubbele kleederen gekleed. 22 Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad, hare kleeding is fijn linnen en purper. 23 Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands. 24 Samech. Zij maakt lijn lijnwaad en verkoopt het, en zij levert den koopman gordels. 25 Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn hare kleeding, en zij lacht over den toekomenden dag. 26 Fé. Zij doet haren mond open met wijsheid, en op hare tong is de leer der goeddadig-heid. 27 Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis, en het brood der luiheid eet zij niet. 28 Kof. Hare kinderen staan op en roemen haar welgelukzalig, ook haar man, en hij prijst haar, zeggende: 29 Eesch. Vele dochteren hebben deugdelijk gehandeld, maar gij gaat die allen te boven. 30 Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ij delheid, maar eene vrouw die den Hef.re vreest, die zal geprezen worden. 31 Thau. Geeft haar van de vrucht harer handen, en laat hare werken haar prijzen in de poorten. |
HET BOEK
GENAAMD
DE PREDIKER.
|
HOOFDSTUK 1. De woorden van den Prediker, den zoon van David, den Koning te Jeruzalem. |
2 IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker, ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid. 3 Wat voordeel heeft de mensch van al zijnen arbeid dien hij arbeidt onder de zon? 4 Het ééne geslacht gaat en |
|
PEEDI het andere geslacht komt, maar de aarde staat in eeuwigheid; 5 ook rijst de zon op en de zon gaat onder, en zij hijgt naar hare plaats waar zij op -ees; G zij gaat naar het Zeiden, en zij gaat om naar liet Noorden, de wind gaat steeds omgaande; en de wind keert weder tut zijne omgangen; 7 alle de beken gaan in de zee, nochtans wordt do zee niet vol; naar de plaats waar de beken henengaan, derwaarts gaande keeren zij weder: 8 alle deze dingen worden zóó moede dat niemand het zoude kunnen uitspreken, liet oog wordt niet verzadigd^ met zien en het oor wordt niet vervuld van hooren. 9 Iletgene dat er geweest is, hetzelfde zal er zijn, en hetgene dat er gedaan is, hetzelfde zai er gedaan worden, zoodat er niets nieuws is onder do zon. 10 Is er eeuig ding waarvan men zoude kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen die vóór ons geweest zijn. 11 Daar is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen die namaals wezen zullen. 12 Ik Prediker was Koning over Israël te Jeruzalem, 13 en ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken en na te sporen al wat er geschiedt onder den hemel: deze moeie-lijko bezigheid heeft God den kinderen der menschen gegeven om zich daarmede te bekommeren. 14 Ik zag alle de werken aan die onder de zou geschieden : â en zie, het was al ij delheid en kwelling des geestes: 15 liet kromme kan niet recht gemaakt worden, en hel gene dat ontbreekt kan niet geteld worden. 1G Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd boven allen die vóór mij te Jeruzalem |
KEB 2. 755 geweest zijn, en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien ; 17 en ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; â ik ben gewaargeworden dat ook dit eene kwelling des geestes is; 18 want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smart. HOOFDSTUK 2. Ik zeide in mijn hart: Nu welaan, ik zal u beproeven door vreugde, derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ij delheid; 2 tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze? 3 Ik heb in mijn hart nagespoord om mijn vleesch op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid,) en om de dwaasheid vast to houden, totdat ik zoude zien wat den kinderen der menschen het best ware dat zij doen zouden onder den hemel, gedurende het getal der dagen huns levens; 4 ik maakte mij groote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden; 5 ik maakte mij hoven en lusthoven, eu ik plantte boomen in dezelve van allerlei vrucht; G ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud dat met boomen groende; 7 ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes, ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen die vóór mij te Jeruzalem geweest waren; 8 ik vergaderde mij ook zilver en goud en kleinoodiën der Koningen eu der landschappen, ik bestelde mij zangers en zangeressen en wellustigheden der menschenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel; 9 en ik werd groot en nam toe, meer dan iemand die vóór |
PREDIKER 3.
756
|
mij te .Tertizalem geweest was, ook bleef mijne wijsheid mij bij; 10 en al wat mijne oogen begeerden, dat onttrok ik hun niet, ik wederhield mijn hart niet van eenige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijnen arbeid, en dit was mijn deel van al mijnen arbeid: 11 toen wendde ik mij tot alle mijne werken die mijne handen gemaakt hadden, en tot den arbeid dien ik werkende gearbeid had, â zie, het was al ijdelheid en kwelling des gees-tes, en daarin was geen voordeel onder de zon. 12 Daarna wendde ik mij om te zien wijsheid, pok onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zonde een mensch, die na den Koning komen zal, doen hetgeen aireede gedaan is? 13 Toen zag ik dat da wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis; 14 de oogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis: toen bemerkte ik ook dat éénerlei geval hen allen bejegent. 15 Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzei ven bejegenen: waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan ? Toen sprak ik in mijn hart dat ook dit ijdelheid was; 16 want daar zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van eenen wijze dan van eenen dwaas zijn, aangezien hetgeen dat nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt, en hoe sterft de wijze met den zot! 17 Daarom haatte ik dit leven, want dit werk docht mij kwaad dat onder de zon geschiedt, want het is al ijdelheid en kwelling des geestes; 18 ik haatte ook al mijnen arbeid dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zoude achterlaten aan eenen mensch die na mij wezen zal, |
19 want wie weet of hij wijs zal zijn of dwaas? Evenwel zal hij heerschen over al mijnen arbeid, dien ik bearbeid heb en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon: â dat is óók ijdelheid. 20 Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid, dien ik bearbeid heb onder de zon; 21 want daar is een xiensch, wiens arbeid in wijsheid en in wetenschap en in# voorspoed is, nochtans zal hij dien overgeven tot zijn deel aan eenen^ mensch, die daaraan niet gearbeid heeft: â dit is óók ijdelheid en een groot kwaad. 22 Wat heeft toch die mensch van al zijnen arbeid, en van de kwelling zijns harten, dien hij is bearbeidende onder de zon? 23 Want alle zijne dagen zijn smarten, en zijne bezigheid is verdriet, zelfs des nachts rust zijn hart niet: â dat is óók ijdelheid. 24 Is het dan niet goed voor den mensch dat hij ete en drinke en dat hij zijne ziel het goede doe genieten in zijnen arbeid? Ik heb ook gezien dat zulks van de hand Gods is; 25 (want wie zou er van eten of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?) 26 want hij geeft wijsheid en wetenschap en vreugde aan den mensch die goed is voor zijn aangezicht, maar den zondaar geeft hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat hij het geve dien die goed is voor Gods aangezicht; â dit is óók ijdelheid en kwelling des HOOFDSTUK 3. Alles heeft eenen bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd: 2 daar is een tijd om geboren te worden eu een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te roeien; 3 een tijd om te dooden en een tijd om te genezen, een tijd |
PREDIKER 4.
757
|
om af te breken en een tijd om te bouwen; 4 een tijd om te weenen en een tijd om te lachen, een tijd om te kermen en een tijd om op te springen; 5 een tijd om steenen weg te â werpen en een tijd om steenen te vergaderen, een tijd om te omhelzen en een tijd om verre te zijn van omhelzen; C een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen; 7 een tijd om te scheuren en een tijd om toe te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken; 8 een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede: â 9 wat voordeel heeft hij die werkt, van hetgene dai. hij bearbeidt ? 10 Ik heb gezien de bezigheid die God den kinderen der men-echen gegeven heeft om zich daarmede te bekommeren: 11 hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijnen tijd, ook heeft hij de eeuw in hun hart geleid, zonder dat een mensch het werk dat God gemaakt heeft kan uitvinden van het begin tot het einde toe; 12 ik heb gemerkt dat er niets beters voor hen is dan zich te verblijden en goed te doen in zijn leven, 13 ja, ook dat ieder mensch ete en drinke en het goede geniete van al zijnen arbeid: dit is cene gave Gods; 14 ik weet dat al wat God doet in eeuwigheid zal zijn, daar is niet aan toe te doen en daar is niet af te doen, en God doet dut, opdat men vreeze voor zijn aangezicht: 15 hetgeen dat geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is aireede geweest, en God zoekt het weggedrevene. 16 Voorts heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid, en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid: |
17 ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddelooze oordeelen, want a]-daar is de tijd voor alle voornemen en over alle werk; 18 ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der menschen-kinderen, dat God hun zal verklaren en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn op zichzelven. 19 Want wat den kinderen der menschen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten, en éénerlei wedervaart hun beiden: gelijk die sterft, al zoo sterft deze, en zij allen hebben éénerlei adem, en de uitnemendheid der menschen boven de beesten is geene, want allen zijn ze ijdelheid, 20 zij gaan allen naar ééne plaats, zij zijn allen uit stof en zij keeren allen weder tot stof. 21 Wie merkt dat de adem van do kinderen der menschen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in 1 de aarde ? 22 Dies heb ik gezien dat er ! niets beters is dan dat de mensch zich verblijde van zijne werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen dat hij zie hetgene dat na hem geschieden zal? HOOFDSTUK 4. Daarna wendde ik mij en zag aan alle de onderdrukkingen die onder de zon geschieden; en zie, daar waren de tranen der verdrukten en dergenen die geenen trooster hadden: en aan de zijde hunner verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster. 2 Dies prees ik de dooden die aireede gestorven waren, boven de levenden die tot nog toe levend zijn, 3 ja, hij is beter dan die beiden die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het booze werk dat onder de zon geschiedt. 4 Verder zag ik al den arbeid en allen voorspoed des werks, |
PEEDIKBH 5.
TBS
|
dat het den mensch nijd van zijnen naaste aanhrenot: dat is óók ij delheid en kwelling des geestes. 5 De zot vouwt zijne handen samen en eet zijn eigen vleesch: 6 een handvol met rust is beter dan _ beide do vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes. 7 Ik wendde mij wederom en ik zag eene ijdelheid onder de zon. 8 Daar is er één, en geen tweede, hij heeft ook geen kind noch broedert nochtans^ is eraan al zijnen arbeid geen einde, ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, en hij zegt niet: Voor wien arbeid ik toch en doe mijne ziel gebrek hebben aan het goede ? Dit is óók ijdelheid en het is eene moeielijke bezigheid. 9 Twee zijn beter dan één, want zij hebben eene goede belooning van hunnen arbeid; 10 want indien zij vallen, de één richt zijnen metgezel op; maar wee den éénen die gevallen is, want daar is geen tweede om hem op te helpen. 11 Ook indien twee te zamen liggen zoo hebben zij warmte; maar hoe zoude één warm worden ? 12 En indien iemand den éénen mocht overweldigen, zoo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken. 13 Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oude en zotte Koning, die niet weet van meer vermaand te worden; 14 want een komt uit het ge-vangenhuis om Koning te zijn, daar ook een die in zijn koninkrijk geboren is verarmt. 1c Ik zag alle de levenden wandelen onder de zon, met den jongeling, den tweede, die in diens plaats^staan zal: 16 daar is geen einde van al het volk, van allen die vóór hen geweest zijn; de nakomelingen zuilen zich óók over hem niet verblijden : â gewisselijk dat is óók ijdelheid en kwelling des geestes. |
17 Bewaar uwen voet als gij ten Huize Gods ingaat, en wees liever nabij om te hooren, dan om der zotten slachtofler te geven, want zij weten niet dat zij kwaad doen. HOOFDSTUK 5. quot;Wees niet te snel met uwen mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel en gij zijt op de aarde; daarom laat uwe woorden weinig zijn; 2 want oelijh de droom komt door vele bezigheid, alzóó de stem des zots door de veelheid der woorden. 3 Wanneer gij eene gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen, want hij heeft geen lust aan de zotten: wat gij zult beloofd hebben, betaal het; 4 het is beter dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt. 5 Laat uwen mond niet toe dat hij uw vleesch zoude doen zondigen, en zeg niet voor het aangezicht des Engels dat het eene dwaling was: waarom zoude God grootelijks toornen om uwer stemme wille en verderven het werk uwer handen? 6 Want gelijk in de veelheid der droomen ij delheden zijn, alzóó in vele woorden; maar vrees gij God. 7 Indien gij de onderdrukking des^ armen en de be: ojving des gerichts en dor gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen, want die hooger is dan dehooge neemt er acht op, en daar zijn hoogen boven hen. 8 Het voordeel des aardrijke is voor allen, de Koning zelf wordt van hel veld gediend. 9 Die het geld liefheeft wordt des gelds nier, zat, en wie den overvloed liefheeft wordt van het inkomen niet zat: dit is óók ijdelheid. 10 ^ Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen |
Ã
|
PREDI ook die het eten: wat nuttigheid j hebben dan de bezitters daarvan, ! dan het gezicht Imnner oogen ? i 11 De slaap des arbeiders is i zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zar.heid des rijken laat hem niet slapen. 12 Daar is een kwaad dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijne bezitters bewaard tot hun eigen kwaad. 13 Of de rijkdom zelf vergaat dooreeneraoeielijkebezigheid.en hij gewint eenen zoon, en daar is nietmetal in zijne hand, 14 gelijk als hij voortgekomen is uit den moederschoot, nlzóó zal hij naakt wederkeeren, gaande gelijk hij gekomen was, en hij zal niet medenemen van zijnen arbeid dat hij met zijne hand zoude wegdragen. 15 Daaroni is dit óók een kwaad dat krankheid aanbrengt dat hij in alle maniere gelijk hij gekomen is, alzóó henengaat, en wat voordeel is het hem dat hij in den wind gearbeid heeft, 16 dat hij^ ook alle zijne dagen in duisternis gegeten heeft, en dat hij veel verdriet gehad heeft, ook zijne krankheid en onstui-migen toorn 17 Zie wat ik gezien heb, eene goede zaak die schoon is: te eten en te drinken en te genieten het goede van al zijnen arbeid dien hij bearbeid heeft onder de zon, rjedurende liet getal der dagen zijns levens hetwelk God hem geei't, want dat is zijn deel; 18 ook een iegelijk menschaan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en hij geeft hem de macht om daarvan te eten en om zijn deel te nemen en om zich te verheugen van zijnen arbeid, dat is eene gave Gods; 10 want hij zal niet veel gedenken aan de dagen zijns levens, dewijl hem God verhoort in de blijdschap zijns harten. HOOFDSTUK 6. Daar is een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, en het |
KER 6. 7£gt; is véél onder do menschent 2 een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom en goederen en eer, en hij heeft voor zijne ziel geens dings gebrek van alles wat hij begeert: # en God geeft hem de macht niet om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is óók ij delheid en eene kwade smart. 3 Indien een man honderd hinderen gewon en vele jaren leefde, zoodat de dagen zijner jaren vele waren, doch zijne ziel niet verzadigd werd van het goed en hij ook geen begrafenis had,â ik zeg dat eene misdracht beter is dan hij; 4 want met ij delheid komt zij, en in duisternis gnat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt; 5 ook heeft zij de zon niet gezien noch gekend; zij heeft meer rnst dan hij. 6 Ja, al leefde hij ook tweemaal duizend jaren: en zag het goede niet; gaan zij niet allen naar ééne plaats? 7 Ai de arbeid des menschen is voor zijnen mond: en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld. 8 Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen? 9 Beter ia het aanzien der oogen dan het wandelen der begeerlijkheid: dit is óók ij delheid en kwelling des geestes. 10 Wat ook iemand zij, aireede is zijn naam genoemd, en het is bekend dat hij een mensch is, en dat hij niet'kan richten mefc dien die sterker is dan hij. 11 Voorwaar, daar zijn vele dingen die de ijnellieid vermeerderen: wat heeft de mensch te meer daarvan1? 12 Want wie weet wat goed is voor den mensch in dit leven,. {ledv.rende het getal der dagen des levens zijner ijdelheid, welke-hij doorbrengt als eene schaduw r Want wie kan den mensch aanzeggen wat na hem wezen zaï onder de zon. |
|
760 niEDi HOOFDSTUK 7. Beter is een goede naam dan goede olie, en de dag des doods dan de dag dat iemand geboren wordt. 2 Het is beter te gaan in het klaaghuis dan te gaan in het huis des maaltijds, leant in hetzelve is het einde aller mensehen, en de levende legt het in zijn harte. 3 Het treuren is beter dan het lachen, want door de droefheid des aaugezichts wordt het harte gebeterd; 4 het hart der wijzen ie in het klaaghuis, maar het hart der zotten in het huis der vreugde. 5 Het is beter^ te hooren het bestraffen der wijzen, dau dat iemand hoore het gezang der dwazen; G want gelijk het geluid der doornen onder eenen pot, alzóó is het lachen van een zot: dit is óók ijdelheid. 7 Voorwaar, de onderdrukking zoude wel eenen wijze dol maken, en het geschenk verderft het hart. 8 Het einde eens dings is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoe-dige. Wees niet haastig in uwen geest om te toornen, want de toorn rust in den boezem der dwazen. 10 Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn dan deze? want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen. 11 De wijsheid is goed met een erfdeel, en degenen die de zon aanschouwen hebben voordeel daarvan. 12 Want de wijsheid is tot eene schaduw; en het geld istoteene schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haren bezitters het leven geeft. 13 Aanmerkt het werk Gods; want wie kan recht maken wat Lij krom gemaakt heeft? 14 Geniet het goede ten dage des voorspoeds. maar ten dage des tegenspoeds zie toe; want |
KER 7. God maakt ook den éénen tegenover den anderen, ter oorzakc dat de mensch niet zoude vinden iets dat na hem zal zijn. 15 Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid: daai is een rechtvaardige die in zijne gerechtigheid omkomt, daarentegen is er een goddelooze die in zijne boosheid zijne dagen verlengt. 1à Wees niet al te rechtvaardig en houd uzelven niet al te wijs: waarom zoudt gij verwoesting over u brengen r 17 Wees niet al te goddeloos en wees niet al te dwaas: waarom zoudt gij sterven buiten uwen tijd? 18 Het is goed dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uwe hand hiervan niet af; want wie God vreest, die ontgaat dat alles. 19 De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers die^ in eene stad zijn. 20 Voorwaar, daar is geen mensch rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt. 21 Geef ook uw hart niet tot alle woorden die men spreekt, opdat gij niet hoort dat uw kneeht v vloekt; 22 want uw hart heeft ook veelmalen bekend dat gij ook anderen gevloekt hebt. 23 Dit alles heb ik met wijsheid beproefd; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij ; 24 hetgene dat verre af is en zeer diep, wie zal dat vinden? 25 Ik keerde mij óm, en mijn hart, om te weten en om na te sporen en te zoeken wijsheid en eene sluitrede, en om te weten de goddeloosheid der zotheiden de dwaasheid der onzinnigheden; 26 en ik vond een bitterder ding dan de dood: eene vrouw welker hart netten en garen, en welker handen banden zijn: wie goed is voor Gods aangezicht zal van haar ontkomen, daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden. 27 Zie, dit heb ik gevonden, zegt de Prediker, het eén bij het |
|
ander, om de sluitrede te vinden, 28 dewelke mijne ziele nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: éénen man uit duizend heb ik gevonden, maar eene vrouw onder die allen heb ik niet gevonden. 29 Alleenlijk zie, dit heb ik gevonden: dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht. HOOFDSTUK 8. Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid des menschen verlicht zijn aangezicht, en de stuurscldieid zijns aangezichts wordt daardoor veranderd. 2 Ik zeg * Neem acht op den mond des Konings, doch naar de gelegenheid van den eed Gods. 3 Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht, blijf niet staande in eene kwade zaak; want al wat hem lust doet hij. 4 Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij ? 5 Wie het gebod onderhoudt zal niets kwaads gewaar geworden, en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten; 6 want ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des menschen veel is over hem; 7 want hij weet niet wat er geschieden zal, want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal? 8 Daar.is geen mensch die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geene heerschappij over den dag des doods, ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid hare meesters niet verlossen. 9 Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn harte begaf tot alle werk dat onder de zon geschiedt: daar is een tijd dat de ééne mensch over den anderen mensch heerscht, hem ten kwade. 10 Al zóó heb ik ook gezien de goddeloozen die begraven waren, en degenen die kwamen en uit de plaats des Heiligen gingen. |
\ER 8, 9. 7amp;1 die werden vergeten in die stad in welke zij recht gedaan hadden : dit is óók ij delheid. 11 Omdat niet haastelijk het oordeel over de booze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der menschen in hen vol om kwaad te doen. 12 Hoewel een zondaar hon-derdw?aaZ kwaad doet en God hem de dagen verlengt, zoo weet ik toch dat liet dien zal wel gaan die God vreezen, die voor zijn aangezicht vreezen; 13 maar den goddelooze zal het niet wel gaan, en hij zal de dagen niet verlengen: hij zal zijn gelijk eene schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest. 14 Daar is notj eene ijdelheid die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen wien het wedervaart naar 1 eb werk der goddeloozen, en daar zijn goddeloozen wien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen: ik zeg dat dit óók ijdelheid is. 15 Daarom prees ik de blijdschap dewijl de mensch niets beters heeft onder de zon dan toeten en te drinken en blijde to zijn, want dat zal hem aankleven van zijnen arbeid, de dagen zijns levens die hem God geeft onder de zon. 16 Als ik mijn hart begaf om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid die op aarde geschiedt; dat men ook, des daags noch des nachts, den slaap niet ziet met zijne oogen: 17 toen zag ik al het werk Gods, dat de mensch niet kan uitvinden, het werk dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mensch arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden ; ja, indien ook een wijze zeide dat hij het zoude weten, zoo zal hij het toch niet kunnen uitvinden. HOOFDSTUK 9. Zekerlijk dit alles heb ik in mijn harte gelegd, opdat ik alles klaarlijk mocht verstaan: dat de rechtvaardigen en de wijzen en hunne werken in de hand |
|
{?62 r.REDi: Kjfüds zijn; ook liefde, ook haat, â¢weet de meusch niet uit al het-^ene dat voor zijn aangezicht is; 2 alle ding wedervaart gelijk allen anderen, éénerlei we-«dervaart den rechtvaardige en den goddelooze, den goede en den reine als den onreine, zoo dien die ollert als dien die niet offert, gelijk den goede alzoo oö/j â¢den zondaar, dien die zweert gelijk als dien die den eed vreest. 3 Dit is een kwaad onder alles dat onder de zon geschiedt, dat â¢Ã©Ã©nerlei ding allen wedervaart, â¢en dat ook het hart der men-«chenkinderen vol boosheid is, â¢en dat er in hun leven onzinnig-iieden zijn in hun hart, en daarna moeten zij naar de dooden toe. 4 Want voor dengene die ver-.gezelschapt is bij alle levenden is er hoop, want een levende hond is beter dan een doode leeuw; 5 want lt;ie levenden weten dat zij sterven zullen, maar de dooden weten nietraetal, zij hebben ook geen loon jmeer, maar hun me gedachtenis is vergeten, _ G ook is aireede hunne liefde, ook hun liJiat, ook hunne nijdig-lieid vergaan, en zij hebben geen deel meer in deze eeuw in alles â¢dat onder de zon geschiedt. 7 Ga dan henen, eet uw brood met vreugde en drink uwen wijn van goeder harte, want God heelt aireede een behagen aan uwe werken: 8 laat uwe kleederen te allen tijde wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken; 9 geniet hetleven met de vrouw die gij liefhebt, alle de dagen uws ijdelen levens welke God u gegeven heeft onder de zon, alle uwe ij dele dagen; want dit is uw deel in dit leven en van u-wen arbeid dien gij arbeidt onder lt;ie zon. 10 Alles wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht; want daar is geen werk, noch verzinning, noch weten-â¢echap, noch wijsheid in het giaf waar gij henengaat. 11 Ik keerde mij en zag onder ^de zon, dat de loop niet is der |
CE li 10. snellen, noch de strijd der helden, noch ook de spijze der wijzen, noch ook de rijkdom der verstandigen, noch ook de gunst der weiwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle dezen wedervaart ; 12 dat ook de mensch zijnen tijd niet weot, gelijk devisschen die gevangen worden met het booze net, en gelijk de vogel-kens die gevangen^ worden met den strik: gelijk die, al zóu worden de kinderen der menschen verstrikt ter boozer tijd, wanneer dezelve, haastelijk over hen val t. 13 Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij: 14 daar was eene kleine stad, en weinige lieden warea daarin; en een grootivoning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde groote vastigheden tegen haar: 15 en men vond daar eenen armen wijzen man in, die de stad verloste door zijne wijsiieid; maar geen mensch gedacht aan dien armen man. lü Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen was veracht en zijne woorden niet waren gehoord geweest. 17 De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen die over de zotten heerscht. 18 De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een éénig zondaar verderft veel goeds. HOOFDSTUK 10. Eene doode vlieg doet de zalf des apotiie cers stinken en opwellen: alzóó een weinig dwaasheid eenen man die kostelijk is van â¢wijsheid-era van eer. 2 Het hart des wijzen is aan zijne rechter-, maar het hart van â¢een zot is aan zijne linkerhand; 3 en ook vanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk dat hij dwaas is. 4 Als de geest des heerschon |
PREDIKER U.
703
|
tegen u oprij et, veria at uwe pl aats niet; want het is eeu medicijn, het stilt groote zonden. 5 Daar is ttbj een kwaad dal ik gezien heb onder de zon, als eene dwaling die van het aangezicht des overeten voortkomt: 6 een dwaas wordt gszet in groote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte; 7 ik heb knechten te paard gezien en Vorsten gaande als knechten op de aarde. 8 Wie eenen kuil graaft zal daar invallen; en wie eenen muur doorbreekt, eene slang zal hem bijten; 9 wie steenen wegdraagt zal emart daardoor lijden, wie hout klieft zal daardoor in gevaar zijn. 10 Indien hij het ijzer heeft stomp gemaakt en hij slijpt de enede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen, maar de wijsheid is eene uitnemende zaak om iets recht te maken. 11 Indien de slaiig gebeten heeft eer^ de bezwering geschifd is, dan is daar geen nuttigheid voor den allerwelsprekenclsten bezweerder. 12 De woorden van eens wijzen mond zijn aangenaam, maar de lippen van een zot verslinden hem z elven; 13 het begin der woorden zijns monda is dwaasheid, en het einde zijns monda is booze dolheid. 14 De dwaaa maakt wel vele woorden, maar de menach weet niet wat het zij dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven ? 15 De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hem moede, dewijl zij niet weten naar de stad te |aan. 1G Wee u, land, welks Koning een kind is en welks Vorsten in den morgenstond eten! 17 Welgelukzalig zijt gij, land, welks Koning een zoon der edelen is en welks Vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij. lö Door groote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende. |
19 Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles. 20 Vloek den Koning niet, zelfs in uwe gedachte, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte dea hemels zoude de stem wegvoeren, en het gevleugelde zoude het woord te kennen geven. HOOFDSTUK 11. Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen. 2 Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht, want gij weetniet wat kwaad op de aarde wezen zal. 3 Als de wolken vol geworden zijn, zoo storten zij plasregen uit op de aarde ; en als de boom naar liet Zuiden of als hij naar het Noorden valt, in de plaats waar de boom valt daar zal hij wezen. 4 Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien. 5 Gelijk gij niet weet welke do weg des winds is, o/hoedanig de beenderen zijn in den schoot van eene zwangere trouw, alzóóweet gij het werk Gods niet die het alles maakt. ö Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uwe hand des avonds niet af; want gij wreet niet wat recht wezen zal, óf dit óf dat, of dat die beide te zamen goed zijn zullen. 7 Verder, het licht is zoet, en het is den oogen goed de zon te aanschouwen ; S maar indien de mensch vele jaren leeft, en verblijdt zich in die alle, zoo laat hij ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen vele zijn; en al wat gekomen is, is ijdelheid. 9 Verblijd u, o jongeling, in uwe jeugd, en Iaat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer oogen; maar weet dat God om alle deze dingen u |
*
PREDIKER 12. HOOGLIED 1.
764
|
Zal doen komen voor het gericht. 10 Zoo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe liet kwade weg van nw vleesoh, want de jeugd en de jonkheid isijdel-heid. HOOFDSTUK 12. En gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve; 2 eer dat de zon en het licht, «n de maan en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen; 3 in den dag wanneer de wachters des huizes zullen^ beven, en de sterke mannen zich zullen krommen, en de maalsters zullen stilstaan omdat zij minder geworden zijn, en die door de vensters zien verduisterd zullen worden; 4 en de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een zwak geluid van het malen, en hij opstaat op de stem van het vogelken, en alle de zangeressen nedergebogen zullen worden; 5 ook tcanneer zij voor de hoogte zullen vreezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mensch gaat naar zijn eeuwig fauis, en de rouwklagers zullen in do straat omgaan; |
6 eer dat het zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestooten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt, en het rad aan den bornput in stukken gestooten wordt, 7 en dat het stof wederom tot aarde keert als het geweest is, en de geest weder tot God keert die hem gegeven heeft. 8 IJdelheid der ij del heden, zegt de Prediker, het is al ijdel-heid. 9 En voorts, dewijl de Prediker wijs geweest is, zooieerde hij het volk nog wetenschap, en merkte op en onderzocht, hij stelde velo spreuken in orde; 10 de Prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der waarheid. 11 De woorden der wijzen zijn gelijk prikkelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen van de meesters der verzamelingen, rfie gegeven zijn van den eenigen Herder; 12 en wat boven dezelve is, mijn zoon, wees gewaarschuwd: van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezen is vermoeiing des vleesches. 13 Van alles dat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God en houd zijne geboden, want dit hetaaml allen menschen; 14 want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, het zij goed of het zij kwaad. |
HET
HOOGLIED VAN SALOMO.
|
HOOFDSTUK 1. Het hooglied, hetwelk van Salomo is. 2 Hij kusse mij met de kussen «ijns monds, want uwe uitnemende liefde is beter dan wijn. |
3 Uwe oiicn zijn goed tot reuk, uw naam is eene olie die uitgestort wordt; daarom hebben u de maagden lidf: 4 trek mij, wij zullen u naloo-pen. De Koning heeft mij gebracht in zijne binnenkameren; wij zul- |
|
HOOG len ons verheugen en in u verblijden; wij zullen uwe uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn: de oprechten hebben u lief. 5 Ik ben zwart, doch liefelijk, gij dochteren Jeruzaleme, gelijk de tenten Kedars, gelijk de gordijnen Salomo's. 6 Ziet mij niet aan dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken; zij hebben mij gezet tot eene hoedster der wijngaarden; mijnen wijngaard dien ik heb, heb ik niet gehoed. 7 Zeg mij aan, gij dien mijne ziele liefheeft, waar gij weidt, waar gij de kudde legert op den middag; want waarom zoude ik zijn als eene die zich bedekt bij de kudden uwer metgezellen? 8 Indien gij 't niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen, zoo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uwe geiten bij de woningen der herders. 9 Mijne vriendin, ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao. 10 IJ we wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren. 11 Wij zullen u gouden spangen maken met zilveren stipjes. 12 Terwijl de Koning aan zijne ronde tafel is, geeft mijn nardus zijnen reuk. 13 Mijn liefste is mij een bundeltje mirre dat tusschen mijne borsten vernacht. 14 Mijn liefste is mij een tros van cyprus in de wij ngaarden van Engédi. 15 Zie, gij zijt schoon, mijne vriendin, zie, gij zijt schoon, en uwe oogen zijn duivenoo^ew. 16 Zie, gij zijt schoon, mijn liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede. 17 De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cy-pressen. HOOFDSTUK 2. Ik ben eene roos van Saron, eene lelie der dalen. |
jIED 2. 765 2 Gelijk eene lelie onder de doornen, alzuó is mijne vriendin onder de dochters. 3 Als een appelboom onder de boomen des wouds, zóó is mijn liefste onder de zonen: ik heb grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne vrucht is mijn gehemelte zoet. 4 Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is zijne banier over mij. 5 Ondersteunt gijlieden mij met de flesschen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. 6 Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne rechterhand omhelze mij. 7 Ik bezweer u, gij dochteren Jeruzalems die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt totdat het /marluste. 8 Vat is de stem mijns liefsten; zie hem, hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen. 9 Mijn liefste is gelijk eene ree of een welp der herten; zie, hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensters, blinkende uit de traliën. 10 Mijn liefste antwoordt en zegt tot mij : Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom. 11 Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; 12 de bloemen worden gezien op het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land; 13 de vijgeboom brengt zijne jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk wet hunne jonge druifjes: sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom. 14 Mijne duive zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene eener steile plaats, toon mij uwe gedaante, doe mij uwe stemme hooren, want uwe stem is zoet en uwe gedaante is liefelijk. 15 Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want |
ââââ-1â
706 no O on.IK I) 3, 4.
onze Trijnganrden heVben joiige j liij van zilver, haren vloer van één
druifjes. ! goud, haar gehemelte aan purper: ket
1G Mijn liefste is mijn, en ik j het binnenste ws bespreid met 11
ben zijn, die weidt onder de de liefde van de dochteren Je- ine
leliën, I ruzaleras. bru
17 totdat de dag sankomt en , 11 Gaat uit en aanschouwt, gij uit
de schaduwen vlieden: keer om, dochteren Sions, den Koning de
mijn liefste, wordtgü gelijk eene Salomo, met de kroon waarmede spc
ree of een welp der herten op de zijne moeder hem kroonde op 1
bergen van Better. i den dag zijner bruiloft en op den pei
HOOFDSTUK 3 ' ^as vrelll''^e zÃns harten- me
, ' quot; ' , ' HOOFDSTUK 4. rcv
Ik zoel it s iKiohts op mijn lelt;rer ! rei
liem dien mijue ziele liefheeft. Zie, gij zijt schoon, mijne ï
ik zocht hem, maar ik vond hem vriendin, zie, gij zijt schoon : zij
niet: ikzc.kU: nwe oogen zijn duiyenoofjen slu
'i Ik zal nu opstaan en in do i tusschen uwe vlechten; uw haar foi
stad omgaan, in de wijken en in is als eene kudde geiten^ die 1
de stralen, ik zal hem zoeken hvt {ims van den berg Gilead pa:
dien mijne ziele liefheeft; ik zal afscheren. ^ eil hem zoeken dien mijne ziele lief- 2 Uwe tanden zijn als eene
heelt; ik zocht hem, maar ik kudde schapen die geschoren en
von'l hem niet. ! zijn, die uit de waschstede op- va
\\ I)e wachters die. in de stad komen, die al te zamen twee- mi
omgingen, vonden mij: ik zeide: linden voortbrengen, en geen ce Hebt u'ij hem gezien dien mijue ! onder hen is zonder jongen.
ziele liefheeft ? 3 Uwe lippen zijn als een de
4 Toen ik een weinigjevanhen scharlaken snoer, en uwe spraak ba weggegaan was, vond ik bém dien is liefelijk ; de slaap uws hoofda
mijne 7.iele liefheeft: ik hield is als een stuk van eenen gra- kc
hem vast en liet hom niet gaan, naatappel tusschen uwe vlech- m
totdat ik hem in mijn moeders I ten. ui
huis gebracht had, en in de bin- | 4 Uw hals ia als Davids toren to
nenste kamer van degeno die mij die gebouwd is tot ophanging zi gebaard heeft. i van wapentuig, waar duizend o Ik bezweer n, gij dochteren rondassen aan hangen, altemaal Jeruzalems, die bij de reeën of j zijude schilden der helden.
bij de hinden des velds zijt, dat 5 Uwe twee borsten zijn gelijk m
gij de liefde niet opwekt noch j twee welpen, tweelingen van hi
wakker maakt totdat het haar eene ree, die onder de leliën m
luste. 1 weiden. hi
li Wie is zij die daar opkomt 6 Totdat de dag aankomt en g(
uit de woestijn als rookpilaren, 1 de schaduwen vlieden, zal ik \x
berookt met mirre en wierook en : gaan tot den mirreberg en tos k
met allerlei poeder des kruide- 1 den wiero;)khouyel. ^ uiers? T Geheel zijt gij- schoon, mijne
7 Zie, het bed dat Salomo ; vriendin, en er is geen gebrek
heeft, daar zijn zestig helden , aan u. ^ d
rondom van de helden Israels, i 8 Bij mij van den Libanon n
8 die altemaal zwaarden hou- j af, o bruid, kom bij mij van den n den, geoefend ten oorloge, elk j Libanon af; zie van den top v hebbende zijn zwaard aan zijne j van Amana, van den top Senirs d heup, vanwege den schrik des : en Hermons, van de woningen r nachts. 1 der leeuwinnen, van de bergen
9 De Koning Salomo heeft i der luipaarden. . g zich eene koets gemaakt van liet 9 Gij hebt mij het hart genq- t hout Libanons; | men, mijne zuster, o bruid, gij p
10 de pilaren derzelve maakte ! hebt mij het hart genomen met l
|
één van ii-v\o oogen, keten van uwen hals. 10 Hoe scltoon is u ive uitnemende liefde, mijne zuster, o bruid! hoe veel beter is uwe uitnemende liefde dun wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijenquot; 11 quot; Uwe lippen, o bruid, druppen van honigzeem; honig en melk is onder uwe tong, en de reuk uwer kleederen is a1a de reuk van Libanon. 12 Mijne zuster, o bruid, gij zijt een beslóten hof, eene be-slotene wel, eene verzegelde fontein. 13 Uwe scheuten zijn een paradijs van granaatappelen,met edele vruchten, Cyprus en nardus, 14 nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei boomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. 15 O fontein der hoven, put der levende wateren die uit Libanon vloeien! 16 Ontwaak noordenwind, en kom gij zuidenwind; doorwaai mijnen_hof, dat zijne specerijen uitvloeien. O dat mijn liefste tot zijnen hof kwame en ate zijne edele vruchten! HOOFDSTUK 5. Ik ben in mijnen hof gekomen, o mijne zuster, o bruid, ik heb mijne mirre geplukt met mijne specerij, ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten, ik heb mijnen wijn mitsgaders mijne melk gedronken. Eet, vrienden, drinkt, en wordt dronken, o liefsten. 2 Ik sliep, maar mijn hart waakte: de stem mijns liefsten, die klopte, was: Doe mij ©pen, mijne zusier, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte; want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken met nachtdrwppels. 3 Ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe f.al ik hem weder aantrekken? Ik heb mijne voeten gowasschen, hoe zal ik ze weder bezoedelen? |
4 Mijn liefste trok zijne hand-van het gat der deur', en nniii ingewand werd ontroerd om zijnentwil. 5 Ik stond op om mijnen liefste open te doen,, en mijne handen dropen van mirre en mijne-vingers bctn vloeiende mirre, op de handvatsels van liet slot; 6 ik deed mijnen liefste open: maar mijn liefste was geweken, hij was doorgegaan; mijne ziele ging uit vanwege zijn spreken: ik zocht hem, maar ik vond hem. niet; ik riep hem, doch hij antwoordde mij niet. 7 De wachters die in de sfa^i omgingen vonden mij.zij sloegen-mij.zij verwondden mij, de wachters op de muren namen mijnen sluier van mij. 8 Ik bezweer u, gij dochters-van Jeruzalem, indien gij mijnen liefste vindt, wat zult gij hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde. 9 quot;Wat. is uw liefste meer dan-een andere liefste, ogij snhoor.ste-onder de vrouwen? Wat is uw liefste meer dan een andere-liefste, dat gij ons zoo bezworen hebt? 10 Mijn liefste is blank en rood. hij draagt de banier boven tienduizend. 11 Zijn hoofd is van het fijnste-goud, van het dichtste goud; zijne haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf. 12 Zijne oogen zijn ala derduiven bij de waterstroomen, met melk gewasschen, staande als in kasjes-'/d/- ringen. 13 Zijne wangen zijn als een bed van specerij, ah torens va;* reukwerk; zijne lippen zijn kU-leliën, druppende van vloeien demi rre. 14 Zijne handen zijn gouden ringen, gevuld met tnrkoi.is ; zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saftieren. 15 Zijne schenkel en zijn als-mannerpilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud : zijne gestalte is als de Libanon, uitgelezen als de cederen. 16 Zijn gehemelte is enkel HOOGLIED met ééne |
ED 6, 7.
mijne ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk.
13 Keer weder, keer weder, o Sulammith; keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. quot;Wat ziet gijlieden de Sulammith aan ? Zij is als een rei van twee heiren.
HOOFDSTUK 7.
Hoe schoon zijn uwe gangen in de echoenen, gij Prinsendoch-ter; de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketene, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.
2 Uw navel is als een ronde beker waaraan geen drank ontbreekt ; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën.
3 Uwe twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van eene ree.
4 Uw hals is als een elpen-beenen toren; uwe oogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort Bath-Rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damascus ziet.
5 Uw hoofd op u is als Kar-mel, en de haarband uws hoofds als purper; de Koning is als gebonden op de galerijen.
6 Hoe schoon zijt gij en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten! .
7 Deze uwe lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uwe borsten bij druiventroBBen.
S Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, ik zal zijne takken grijpen; zoo zullen dan uwe borsten zijn als druiven-trossen aan den wijnstok, en de reuk van uwen neus als appelen,
9 en uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijnen beminde gac-t, doende de lippen der slapenc'en spreken.
10 Ik ten mijns hefeten, en zijne genegenheid is tot mij.
11 Kom. mijn liefste, laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen;
12 laten wij ons vroeg opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen»
768 H O O Q L1
zoetigheid, en al wat aan hem ie, is gansch begeerlijk. Zulk een is mijn liefste, ja, zulk een is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem.
HOOFDSTUK 6.
Waar is uw liefste henenge-gaan, o gij schoonste onder de vrouwen ? NV aarhenen heeft uw liefste het aangezicht gewend, opdat wij hem met u zoeken?
2 Mijn liefste is gegaan m zijnen hof, tot de specerij bedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen.
3 Ik ben mijns liefsten, en mijn liefste is mijn, die onder de leliën weidt.
4 Gij zijt schoon, mijne vriendin, gelijk Tirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.
5 quot;Wend uwe oogen van mij af, want zij doen mij geweld aan; uw haar is als eene kudde geiten die het gras van Gilead afscheren. ..
G Uwe tanden zijn als eene kudde schapen die uit de wasch-etede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen zonder jongen.
7 Uwe wangen zijn als een Et uk van eenen granaatappel
â¢usBchen uwe vlechten.
8 Er zijn zestig Koninginnen, en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal: .
9 eene éénige is mipne duive, mijne volmaakte, de éenige harer moeder, zij is de zuivere dergene die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zoo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de Koninginnen en de bijwijven, en zullen ze prijzen.
10 AVie is zij die daar uitziet als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren ? , . .
11 Ik ben naar den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien, om te zien of de wijnstok bloeide, de gra-naatboomen uitbotteden:
12 eer ik het wiet, zette mij
|
HOOGLIED 8; de granaatappelboomen uitbotten: daar zal ik u mijne uitnemende liefde geven. 13 De dudaïm geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn liefste, die heb ik voor u weggelegd. HOOFDSTUK 8. Och dat gij mij als een broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder; dat ik u op de straat vond: ik zoude u kussen, ook zouden zij mij niet verachten; 2 ik zoude u leiden, ik zoude u brengen in mijn moeders huis, gij zoudt mij leeren, ik zoude u van specerij-wijn te drinken geven, en van het sap van mijne granaatappelen. 3 Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne rechterhand om hel ze mij. 4 Ik bezweer u, gij doch teren Jeruzalems, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt totdat het haar luste. p Wie is zij die daar opklimt uit de woestijn, en leunt op haren liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uwe moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht die u gebaard heeft. ü Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm; want de liefde is sterk als de dood, de . ijver is hard als het |
JESAJA 1. 769 graf; hare kolen zijn vurige kolen, vlammen dee Heer en. 7 Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken: al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zoude hem ten eenen-male verachten. 8 Wij hebben eene kleine zuster die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen te dien dage als men van haar spreken zal ? 9 Zoo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zoo zij eene deur is, wij zullen ze rondom bezetten met cederen planken. 10 Ik ben een muur, en mijne borsten zijn als torens: toen was ik in zijne oogen als eene die vrede vindt. 11 Salomo had eenen wijngaard te Baül-Hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor de vrucht des-zelven duizend zilverlingen. 12 Mijn wijngaard dien ik heb is voor mijn aangezicht: de duizend zilver]ingen zijn voor u, o Salomo; maar tweehonderd zijn voor de hoeders van de vrucht deszei ven. 13 O gij bewoonster der hoven, de metgezellen merken op uwe stem: doe ze mij hooren. 14 Kom haastelijk, mijn liefste, en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen. |
3T JESAJA.
DE PROFE
|
HOOFDSTUK 1. Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham,Achaz en Hizki'a, de Koningen van Juda. |
2 Hoort gij hemelen, en neem ter oore gij aarde, want de IIeere spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen mij overtreden. 3 Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de kribbe zijns hoeren; maar Israel heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet. |
|
770 J E S A 4 quot;Wee het zondige volk, het volk van zware ougereclitigheid, liet zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen. Zij hebben den Heere verlaten, zij hebben den Heilige Israels gelasterd, zij hebben zich vervreemd, icijkende achterwaarts. 5 Waartoe zond t gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken. Het gansche hoofd is krank, en het gansche hart is mat; 6 van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. 7 Uw aardrijk is eene verwoesting, uwe steden zijn met vuur verbrand, uw land dat verteren de vreemden in uwe tegenwoordigheid, en eene verwoesting is er, als eene omkeering door de vreemden. 8 En de dochter Sions is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als eene belegerde stad. 9 Zoo niet de Heere der heir-scharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn, wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. .. 10 Hoort des Heerex woord, gij oversten van Sodom; neemt ter oore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra. 11 Waartoe zal mij zijnde veelheid uwer slachtofferen ? zegt de Heere ; ik ben verzadigd van de brandofieren der rammen en het smeer der vette heesten, en heb geen lust aan het bloed der varren noch der lammeren noch dei-bokken. 12 Wanneer gijlieden voor mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uwe hand geëischt, dat gij mijne voorhoven betreden zoudt? 13 Brengt niet meer vergeefsch offer, het reukwerk is mij een gruwel, de nieuwe maanden en eabbaten en het bij éénroepen der |
ÃA L vergaderingen mag ik niet, het is ongerechtigheid, zelis de ver-bodsdagen; 14 uwe nieuwe maanden en uwe gezette hoogtijden haat mijne ziele, zij zijn mij tot eenen last, ik ben moede geworden die te dragen. 15 En als gijlieden uwe handen uitbreidt, verberg ik mijno oogen voor u; ook -wanneer gij het gebed vermenigvuldigt hoor ik niet, want uwe handen zijn vol bloed. 1G Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor mijne oogen weg, laat af van kwaad te doen. 17 Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, behandelt de twistzaak der weduwe. 18 Komt dan en laat ons te zamen richten, zegt de Heere; al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als wiLte wolle. 19 Indien gijlieden willig ziit en hoort, zoo zult gij het goede dezes lands eten; 20 maar indien gij weigert en wederspannig zijt, zoo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des Heeren hoeft het gesproken. 21 Hoe is de getrouwe stad tot eene hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers. 22 Uw zilver is geworden tot schuim, uw wijn is vermengd met water. .. â 23 Uwe Vorsten zijnafvalligen en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft de geschenken lief, 3n zij jagen de vergeldingen na; den wees doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwe komt niet voor hen. 24 Daarom spreekt de Heere Heere der lieirscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal mij troosten over mijne wederpartij-ders, ik zal mij weken van mijne vijanden. 25 En ik zal mijne hand tegen |
|
u keeren, en ik ztil uw schuim op liet allerreinste afzuiveren, en ik zal al uw tin wegnemen, 26 en ik zal ii uwe rechters wedergeven als in 't ^ eerste, en u_we raadslieden als in den beginne. Daarna zult gij eene stad der gerechtigheid, eene getrouwe stad genoemd worden. 27 Sion zal door recht verlost worden, en hare wederkeerenden door gerechtigheid. 28 Maar daar zal verbreking zijn der overtreders en der zondaars te zamen, en die den Heere verlaten zullen omkomen. 29 Want zij zullen beschaamd worden om der eiken wille die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden om der hoven wille die gij verkoren hebt; 30 want gij zult zijn als een eik welks bladeren afvallen, en als een hof die geen water heeft. 31 En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot eene vonk, en zij zullen beiden te zamen branden; en daar zal geen uitblusscher wezen. HOOFDSTUK 2. Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem. 2 En het zal geschieden in het laatste der dagen dat de berg van het Huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. 3 Eu vele volken zullen henengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tót den berg dea Heeren, tot het Huis van den God Jakobs, opdat hij ons leere van zijne wegen en dat wij wandelen in zijne paden; want uit Sion zal de Wet uitgaan, en des Heeren Woord uit Jeruzalem. 4 En hij zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volkeren, en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen: het ééne volk zal tegen het andere volk |
F A 2. 771 geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leeren. i o Komt gij huis Jakobs, en I laat ons wandelen in het licht des Heeren. G Maar gij hebt uw volk, het huis Jakobs, verlaten; want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het Oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden toonen zij hun behagen. 7 En hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde. 8 Ook is hun land vervuld met afgoden, voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgene dat hunne vingeren gemaakt hebben. 9 Daar bukt zich de gemeene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult gij het hun niet vergeven. 10 Ga in den rotssteen en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren en om de heerlijkheid zijner majesteit. 11 De hooge oogen der men-schen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden, en de Heere alleen zal te dien dage verheven zijn. 12 Want de dag des Heeren der heirscharen zal zijn tegen allen hoovaardige en hooge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; 13 en tegen alle hooge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan; 14 en tegen alle hooge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen; 15 en tegen allen hoogen toren, en tegen allen vasten muur; 16 en tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenschte schilderijen; 17 en de hoogheid des men-schen zal gebogen en de hoogheid der mannen zal vernederd worden, en de Heere alleen zal te dien dage verheven zijn, 18 en elk een der afgoden zal gan schel ijk vergaan. |
I
|
772 J E S A 19 Dan zullen zij in de spelonken der rotssteenen gaan en in de holen der aarde, vanwege den Rchrik des Heeren en vanwege do heerlijkheid zijner Majesteit, wanneer hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken. 20 Te dien dage zaldemensch zijne zilveren afgoden en zijne gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vleder-muizen: 21 gaande in de reten der rotsen, en in de kloven der steenpotsen, vanwege den schrik des Heeren en vanwege de heerlijkheid zijner majesteit, wanneer hij zich opmaken zal om de narde geweldiglijk te verschrikken. 22 Laat gijlieden dan af van den mensch, wiens adem in zijnen neus is, want waarin is hij te achten ? HOOFDSTUK 3. Want zie, de Heere Heere der heirscharen zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods en allen stok des waters; 2 den held en den krijgsman, den rechter en den Profeet en den waarzegger en den oude; 3 den overste van vijftig en den aanzienlijke en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters en dien die kloek ter taal is. 4 En ik zal jongelingen stellen tot hunne Vorsten, en kinderen zullen over hen heerschen. 5 En het volk zal gedrongen worden, de één zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijnen naaste: de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den heerlijke. G Wanneer iemand zijnen broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zefjgenae: Gij hebt een kleed, wees ons tot overste, laat toch deze aanstoot onder uwe hand wezen: 7 zoo zal hij te dien Anee zijne hand ophetfen, zeggende: Ik kan geon heelmeester wezen, daar is |
TA 3. ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks. 8 Want Jeruzalem heeft aamp;n-gestooten en Juda is gevallen, dewijl hunne tong en handelingen tegen den Heere zijn, om de oogen zijner heerlijkheid te verbitteren. 9 Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, ^en^ hunne zonde spreken zij vrij uit gelijk Sodom, zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziele, want zij doen zichzelven kwaad. 10 Zegt den rechtvaardige dat het hem wel gaan zal, dat zij de vrucht hunner werken zullen eten: 11 wee den goddelooze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden. 12 De drijvers mijns volks zijn kinders, en vrouwen heerschen over hetzelve. O mijn volk, die u leiden verleiden n, en den weg uwer paden slokken zij in. 13 De Heere stelt zich om te pleiten, en hij staat om de volkeren te richten, 14 de Heere komt ten gerichte tegen de oudeten zijns volks en deszelfs Vorsten; want gijlieden hebt dezen wijngaard verteerd, de roof des ellendigen is in uwe huizen. 15 Wat is ulieden, dat gij mijn volk verbrijzelt en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere Heere der heirscharen. 16 Voorts zegt de Heere: Daarom dat de dochteren Sions zich verheften en gaan met uitge-strekten hals, en lonken met de oogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof hare voeten gebonden waren: 17 zoo zal de Heere den schedel der dochteren Sions schurftig maken, en de Heere zal hare schaamte ontblooten. 18 Te dien dage zal de Heere wegnemen het sieraad der kou-sebanden en de netjes en de maantjes, 19 de reukdoosjes en de kleine |
|
JESAJ ketentjes en de glinsterende kleediugen, 20 de hoofdkronen en de arm-versierselen en de bindselen en de reukballetjes en de oorringen, 21 de ringen en de Toorhoofd-eierselen, 2*2 de â \visselkleederen en de manteltjes en de hoedjes en de buidels, 23 de spiegels en de fijne linnen deksels en de hulledoeken en de sluiers; 24 en het zal geschieden dat er voor specerij stank zal zijn, en loshoid voor een gordel, en kaalheid in plaats van liaaniech-ten, en oiugording eens zaks in plaats van eenen wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid. 25 Uwe mannen zullen door het zwaard vallen en uwe helden in den strijd; 2G en hare poorten zullen treuren en leed dragen, en zij zal ledig gemaakt zijnde op de aarde zitten. HOOFDSTUK 4. En te dien dage zullen zeven vrouwen éénen man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleederen zullen wij bekleed zijn: laat ons alleenlijk naar uwen naam genoemd worden, neem onze smaad-heid weg. 2 Te dien dage zal des Hee-ren Spruit zijn tot sieraad en tot heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versieringen dengenen die het ontkomen zullen in Israël. 3 En het zal geschieden dat de overgeblevene in Sion en de overgelatene in Jeruzalem^ zal heilig geheeten worden, een iegelijk die geschreven is ten leven te Jeruzalem, 4 als d-e Heere zal afgewas-scheu hebben den drek der doch teren Sions, en de bloedschulden Jeruzalems zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den Geest des oordeels en door den Geest der uitbranding. |
L 4, 5. 773 5 En de Heere zal over alle woning van den berg Sion, en over hare vergaderingen, scheppen eene wolk des daags ei.' eenen rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts, want over alles wat heerlijk ia zal eene beschutting wezen. 6 En daar zal eene hut zijn tot eene schaduw des daags tegen de hitte, en tot eene toevlucht en tot eene verberging tegen den vloed en tegen den regen. HOOFDSTUK o. Nu zal ik mijnen beminde een lied mijns liefsten zingen van zijnen wijngaard: Mijn beminde heeft eenen wijngaard en eenen vetten heuvel, 2 en hij heeft dien omtuind en van steenen gezuiverd, en hij heeft hem beplant met edele wijnstokken, en hij heeft in hel midden deszei ven eenen toren gebouwd, en ook eenen wijn-bak daarin uitgehouwen, en hij heeft verwacht dat hij yoede druiven zoude voortbrengen: maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht. 3 ïsTu dan, gij inwoners van Jeruzalem en gij mannen van Juda, oordeelt toch tusschen mij en tusschen mijnen wijngaard: 4 wat is er meer te doen aan mijnen wijngaard, hetwelk ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb ik verwacht dat hij goede druiven voortbrengen zoude, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? ^ 5 Nu dan, ik zal ulieden nu bekend maken wat ik mijnen wijngaard doen zal: ik zal zijne omheining wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijnen muur zal ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding; 6 en ik zal hem tot woestheid maken, hij zal niet besnoeid noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en ik zal de wolkec gebieden dat zij geenen regen daarop regenen. 7 AVant des Heerej? der hek- |
|
774 JE SA scharen -wijngaard is het huis Israels, en de mannen van Juda zijn eene plante zijner verlustiging; en hij heeft gewacht naar recht, maar zie, het is schurftigheid, naar gerechtigheid, maar zie, het is geschreeuw. 8 Wee dengenen die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat _ er geen plaats meer is en gijlieden alléén inwoners gemaakt wordt in het midden des lands. 9 Voor mijne ooren heeft de Heeee der heirscharen gesproken: Zoo niet vele huizen tot verwoesting zuilen â worden, de groote en de treffelijke zonder inwoner ! 10 Ja, tien bunders wijngaard zullen een éénig bath geven, en ecm homer zaad zal een ela geven. 11 Wee dengenen die zich vroeg opmakende in den morgenstond sterken drank najagen en vertoeven tot in de schemering, iotdat de wijn hen heeft verhit; 12 en harpen en luiten, trommelen en pijpen en wijn zijn in hunne maaltijden, â maar zij aanschouwen liet werk des Hee-ren niet, en zij zien niet op het maaksel zijner handen. 13 Daarom zal mijn volk ge-va ifkelijk weggevoerd worden, omdat het ge ene wetenschap heeft; en zijne heerlijken zullen honger lijden, en hunne menigte zal verdorren van dorst. 14 Daarom zal het graf zich wijd opsperren en zijnen mond opendoen zonder maat, opdat nederdale hare heerlijkheid en hare menigte, met haar gedruisch en # die in haar van vreugd opspringt. 15 Dan zal de gemeene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de oogen der hoo-vaardigen zullen vernederd worden: 16 doch de Heebe der heirscharen zal verhoogd worden door het recht, en God die Heilige zal geheiligd worden door gerechtigheid. |
JA 5. 17 En de lammeren zullen weiden naar hunno wijze, en de vreemdelingen zullen de verwoeste plaatsen der vetten eten. 18 Wee dengenen die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen; _ 19 die daar zeggen : Dat hij zich haaste, dat hij zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen. 20 Wee dengenen die het kwade goed heeten en het goede kwaad, die duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis, die het bittere tot zoet stellen en het zoete tot bitterheid. 21 Wee dengenen die in hunne oogen wijs en bij zichzelve verstandig zijn. 22 Wee dengenen die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen; 23 die den goddelooze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van hen afwenden. 24 Daarom gel ijle de tong des vuurs den stoppel verteert en het kaf door de vlam verdaan wordt, _ alzóó zal hun wortel als een uittering wezen en hunno bloem zal ais stof opvaren, omdat zij de wet des Heer en der heirscharen verwerpen en de rede des Heiligen van Israël versmaden. 25 Daarom is de toorn des Heeren ontstoken tegen zijn volk, en hij heeft tegen hetzelve zijne hand uitgestrekt, en hij heeft het geslagen, zoodat de bergen hebben gebeefd,en hunne doode licht.men zijn geworden als drek in het midden der straten* om dit alles keert zijn toom zich niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. 26 Want hij zal eene banier opwerpen onder de heidenen van verre, en hij zal zo herwaarts sissen van het einde der aarde; en zie, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen. |
|
JESAJ 27 Geen moede en seen struikelende zal onder hen wezen, niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden,noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden. 28 Welker pijlen scherp zullen zijn, en alle hunne bogen gespannen ; hunner paarden hoeven zullen als cone rots geacht zijn, en hunne raderen als een wervelwind; 29 hun gebrul zal zijn als eens ouden loeuws, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen^ brieschen, en den roof aangrijpen en wegvoeren: en daar zal geen verlosser zijn. CO En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruiden, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar zie, daar zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hare verwoestingen. HOOFDSTUK G. In het jaar toen de Koning Uzzia stierf zag ik den Heeee zittende op een hoogen en verheven troon, en zijne zoomen vervullende dc-n Tempel. 2 De serafs stonden boven hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekt© hij zijne voeten, en met twee vloog hij. 3 En de één riep tot den ander ^ en zeide: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscha-ren, de gansche aarde is van zijne heerlijkheid vol; 4 zoodat de posten der dorpe-l.en zich bewogen van de stemme des roependen, en het Huis werd vervuld met rook. 5 Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en woon in het midden eens volks dat onrein van lippen is ; want mijne oogen hebben den Koning, den Heere der heirscharen gezien. 6 Maar een van de serafs vloog tot mij, en had eene gloeiende kool in zijne hand, die hij met |
A 6, 7. 775 de tang van het altaar genomen had; 7 en hij roerde mijnen mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uwe lippen aangeroerd, alzoo is uwe misdaad van u geweken en uwe zonde is verzoend. 8 Daarna hoorde ik de stemme des Hoeren, dewelke zeide: Wien zal ik zenden, en wie zal ons henengaan? Toen zeide ik: Zie hier ben ik, zend mij henen. 9 Toen zeide hij: Ga henen en zeg tot dit volk: Hoorende hoort maar verstaat niet, en ziende ziet maar bemerkt niet. 1U Maak het hart dezes volks vet, en maak hunne ooren zwaar, en sluit hunne oogen; opdat het niet zie met zijne oogen, noch met zijne ooren hoore, noch met zijn hart versta, noch zich be-keere en hij het geneze. 11 Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En hij zeide: Totdat de steden verwoest worden zoodat er geen inwoner is, en de huizen zoodat er geen mensch is, en het land met verwoesting veratoord worde. 12 Want de Heere zal die menschen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands. 13 Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en hetzalweder-keeren en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik en gelijk de haageik, in welke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, ahöó zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn. HOOFDSTUK 7. liet geschiedde nu in de dagen van Achaz, denzoon van Jotham den zoon van Uzzia, den Koning van .Tuda, dat Eezin, de Koning van Syrië, en Pekah. de zoon van Eemalia, de Koning Israëls, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar. ^ 2 Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Sy-riërs rusten op Et'raïm, zoo bewoog zich zijn hart en het hart zijns |
776 JESAJA 7.
volks, gelijk de boomen des wouds bewogen worden van den wind.
3 En de Heere zeide tot Jesaja:
Ga nn uit, Achaz tegemoet, gij en iiw zoon Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den lioogen weg van het veld des vollers,
4 en zeg tot hem: Wacht u en wees gerust, vrees niet en uw harte worde niet week vanwege deze twee staarten dezer rookende vuurbranden, vanwege de ontste- i king des toorns van Rezin en de Syriërs, en van den zoon van Eemalia: _ i
5 omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heelt met ^Etraïm en den zoon van Remalia, zeg-gende: , ,,
G Laat ons optrekken tegen Juda en het verdriet aandoen, en het onder ons deelen, en den zoon Tabecis Koning maken in het midden van hen.
7 Aldus zegt de Heere Heere:
het zal niet bestaan en het zal niet geschieden;
8 maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijfenzestig jaar zal Efraïm verbroken worden dat het geen volk zij:
9 ondertusschen zal Samarië Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samarië. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk gij zult niet bevestigd worden.
1U En de Heere voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:
11 Eisch u een teeken van den Heere uwen God, eisch beneden in de diepte of eisch boven uit de hoogte.
12 Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eischen en ik zal den Heere niet verzoeken.
13 Toen zeide hij; Uoori gijlieden nu, gij huis Davids; is het ulieden te weinig dat gij de menschen moede maakt, dat 'pj ook mijnen God moede maakt ?
14 Daarom zal de Heere zelf ulieden een teeken geven. Zie,
eene maagd zal zwanger worden,
en zij zal eenen zoon baren, en zijnen naam Immakuël lieeten;
15 boter en lionig zal hij eten totdat hij weet het kwade te verwerpen en het goedo te ver-kiezen;
16 zekerlijk, eer dit jongsken weet het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen, zal dat land waarover gij verdrietig zijt verlaten zijn van zijne twee Koningen.
17 Doch de Heere zal over u en over uw volk en over uws vaders huis dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van dien dag af dat Efraïm van Juda is afgeweken, dooi' den Koning van Assyrië.
18 Want het zal te dien daga geschieden dat do Heere zal toesissen de vliegen die aan het einde der rivieren van Egypte rijn, en de bijen die in het land Assur zijn,
li) en zij zullen l^men, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in alle de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.
20 Te dien dage zal de Heere door een gehuurd scheermes het-welk aan gene zijde der rivier is, door den Koning van Assyrië, afscheren het hoofd en het haar der voeten, ja, het zal ook den baard gansch wegnemen.
21 En het zal geschieden te dien dage dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen,
22 en het zal geschieden dat hij vanwege de veelheid der melk die zij geven zullen boter zal eten, ja, een ieder die overgebleven zal zijn in het midden des lands, die zal boter en honig eten.
; 23 Ook zal het te dien dage i geschieden dat iedere plaats alwaar duizend wijnstokken geweest zijn van duizend zilverlingen, die zal tot doornen en distelen zijn,
24 dat men met pijlen en met : den boog aldaar zal moeten gaan; | want het gansche land zal doornen en distelen zijn,
25 ook alle de bergen die men i met houweelen pleegt om te hak-, ken, daar zal men niet komen
JESAJA 8.
777
|
uü vreeze der doornen en der distelen, maar die zuilen wezen tot inzending van den os en tot vertreding van het kleine vee. HOOFDSTUK 8. Voorts zeide de Heef.e tot mij: Neem n eenegroote rol, en schrijf daarop met eens menschen griffel: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit. 2 Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uria den Priester, en Zacharia, den zoon van Jeberechja. 3 En ik was tot de Profetes genaderd, die werd zwanger en baarde eenen zoon; en de Heere zeide tot mij : Noem zijnen naam Maher schalal chas eas; 4 Want eer dit jongsken zal kunnen roepen: Mijn vader of i mijne moeder, zal men den rijk- I dom van Damascus en den buit j van Samarië dragen voor het aangezicht des Konings van Assur. 5 En de Heere sprak nog verder tot mij, zeggende: 6 Dewijl dit volk veracht de wateren van Silóah die zachtkens gaan, en daar vreugd is bij Rezin en den zoon van Remalia: 7 daarom zie, zoo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, den Koning van Assyrië en alle zijne heerlijkheid, en hij zal opkomen over al zijne stroomen en gaan over al zijne oevers, 8 en hij zal doortrekken in Juda, hij zal liet overstroomen en daar doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken, en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël. 9 Vergezelt u te zamen gij volken, doch wordt verbroken; en neemt ter oore gij allen die in verre landen zijt, omgordt u doch wordt verbroken, omgordt u doch wordt verbroken; 10 beraadslaagt eenen raad doch bij zal vernietigd worden, spreekt een woord doch het zal niet bestaan; want God is met ons. 11 Want alzóó heeft de Heere tot mij gezegd met eene sterke hand, en hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende: |
12 Gijlieden zult niet zeggen : Eene verbintenis, van alles waar dit volk van zegt: Het is eene verbintenis; en^ vreest gijlieden hunne vreeze niet en verschrikt niet. 13 Den Heere der heirscharen, dien zult gijlieden heiligen, en hij zij uwe vreeze, en hij zij uwe verschrikking. 14 Dan zal hij ulieden tot een heiligdom zijn, maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen Israels, tot een strik en tot een netden inwoneren te Jeruzalem; 15 en velen onder hen zullen struikelen en vallen en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden. 1G Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijne leerlingen. 17 Daarom zal ik den Heere verbeiden die zijn aangezicht verbergt voor den huize Jakobs, en ik zal hem verwachten. 18 Zie, ik en de kinderen die de Heere mij gegeven heeft zijn tot teekenen en tot wonderen in Israël, van den Heere der heirscharen die op den berg Sion woont. 19 Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt de waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen en binnensmonds mompelen, zoo ze(il: Zal niet een volk zijnen God vragen? Zalmen voor de levenden de dooden vr aften ? 20 Tot de wet en tot de getuigenis ! Zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben. 21 En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden wanneer hem hongert en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijnen Koning en op zijnen God, als hij opwaarts zal zien; 22 als hij de aarde aanschouwen zal, zie, daar zal benauwdheid en duisternis zijn, hij zal ver- 25* |
JESAJA 9.
778
|
duisterd zijn door angst en voortgedreven door donkerheid. 23 Maar het land dat beangstigd was zal niet gansch verduisterd â worden; gelijk als hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft naar het land Zebulon aan en naar het land Naftali aan, alzóó heeft hij het in het laatste heerlijk gemaakt naar den weg zeewaarts aan, (lelegen over den Jordaau, aan Galiléa der heidenen. HOOFDSTUK 9. Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien, degenen die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. 2 Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nocJitanshlijde wezen voor uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is wanneer men den buit uitdeelt. 3 Want het juk van hunnen last, en den stok hunner schou-dcron, en den staf desgenen die hen dreef, hebt gij verbroken, gelijk ten dage der Midianiten, 4 toen de gansche strijd dergenen die streden met gedruisch geschiedde, en de kleederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs. 5 Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op zijnen schouder; en men noemt zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; 6 der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon Davids en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des Hekren der heir-Bcharen zal zulks doen. 7 De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israël. |
8 En al dit volk zal het gewaarworden, Efraïm en de inwoner van Samarië, in hoogmoei en grootschheid des harten zeggende: 9 De tichelsteenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stee-nen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgeboomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen. 10 Want de Heere zal Eezins tegenpartij ders tegen hem verheffen, en hij zal zijne vijanden te zamen vermengen, 11 de Syriërs van voren en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten mot vollen mond: om dit alles keert zijn toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. 12 Want dit volk keert zich niet tot dien die het slaat, eu den Heere der heirscharen zoeken zij niet. 13 Daarom zal de Heere afhouwen uit Israël den kop en den staart, den tak en de bieze, op éónen dag; 14 (de oude en aanzienlijke is de kop, maar de Profeet dio valschheid leert is de staart;) 15 want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt. 16 Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hunne jongelingen, en over hunne weezen en hunne weduwen zal hij zich niet ontfermen, want zij zijn al te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid: om dit alles keert zijn toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. 17 Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en diste-len zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben ah de verherïing des rooks. ^ 18 Vanwege de verbolgenheid des Heeren der heirscharen zal het land verduisterd worden, en het volk zal zijn als eenvoedseJ des vuurs, de één zal den ander niet verschoonen; 19 zoo hij ter rechterhand snijdt zal hij tóch hongeren, en |
JE SA JA 10.
779
|
zoo hij tor linkerhand eet zal hij tócli niet verzadigd worden, een iegelijk zal liet vleesch zijns arms eten. 20 Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen te zamen tegen Jnda zijn; om dit alles keert zijn _ toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt, HOOFDSTUK 10. We© dengenen die ongerechti-ge inzettingen inzetten, en den schrijvers die moeite voorschrijven, 2 om de armen van liet recht af te wenden en om het recht der ellendigen mijns volks te rooven, opdat de weduwen hun buit worden en opdat zij de weezen mogen plunderen. 3 Maar wat zult gijlieden doen ten dage der bezoeking en der verwoesting, die van verre komen zal ? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uwe heerlijkheid laten, 4 dat elk een zich niet zoude buigen onder de gevangenen en vallen onder de gedooden ? Om dit alles keert zijn toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. 5 Wee den Assyriër, die de roede mijns toorns is, en mijne grimmigheid Ir een stok in hunne hand: 6 ik zal hen zenden tegen een huichelachtig volk, en ik zal hem bevel-geven het volk mijner verbolgenheid, opdat hij den roof roove en de plundering plundere, en het ter vertreding stelle gelijk het slijk der straten: 7 hoewel hij het zóó niet meent en zijn hart alzóó niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen en uit te roeien niet weinige volken. 8 Want hij zegt: Zijn niet mijne Vorsten al te zamen Koningen? 9 Is niet Kalno gelijk Karke-mis? Is Hamath niet gelijk Ar-pad? Is niet Samarië gelijk Damascus ? 10 Gelijk als mijne hand gevonden heeft de koninkrijken der afgoden, ofschoon hunne gesneden beelden beter zijn dan die van Jeruzalem en dan die van Samarië: |
11 gelijk ik gedaan heb aan Samarië en ^ aan hare afgoden, zoude ik alzóó niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan hare afgoden? 12 Want het zal geschieden als de ileere een einde zal gemaakt hebben van al zijn werk op den berg Sion en te Jeruzalem, dan zal ik tehuiszoeken de vrucht der grootschheid des harten des Konings van Assyrië, en de pracht van de hoogheid zijner oogen, 13 omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijne wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volken weggenomen, en heb hunnen voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen; _ 14 en mijne hand heeft gevonden het vermogen der volken als een nest, en ik heb het gansche aa rdri j k samen geraapt gel ij k men de eieren die verlaten zijn samenraapt, en daar is niemand geweest die een vleugel verroerde of den mond opendeed of piepte. 15 Zal eene bijl zich beroemen tegen dien die daarmede houwt? Zal eene zaag pochen tegen dien die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen die hem opheffen! Als men eenen stok opheft, is het geen hout? 16 Daarom zal deHeereHEERE der heirscharen onder zijne vetten eene magerheid zenden, en onder zijne heerlijkheid zal hij eenen brand doen branden als de brand des vuurs; 17 want het licht Israels zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken ©n verteren zal zijne doornen en zijne distelenop ééndag; 18 ook zal hij verteren de heerlijkheid zijns wonds en zijns vruchtbaren velds, van de ziel af tot het vleesch toe, en hij zal zijn gelijk als wanneer een vaandrager versmelt; |
JESAJA 11.
7W
|
19 en de overgebleven boomen sijns wonds zullen weinige in getal zijn, ja, een jongen zoude ze opschrijven. 20 En het zal geschieden te dien dage dat het overblijfsel Israels en do ontkomenen van het huis Jakobs^ niet nicer steunen jmllen op dien die ze geslagen heeft, maar zij zullen steunen op den Hef.ke, den Heilige Israels, opvechtelijk. 21 Het overblijfsel zal weder-keeren, het overblijfsel Jakobs, feot den sterken God. 22 Want hoewel uw volk, o Israël is gelijk het zand der zee, soo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeeren: de verdelging is vastelijk besloten, ©vervloeiende niet gerechtigheid; 23 want eene verdelging die vastelijk besloten iszaldeHeere Heeke der heirscharen doen in het midden dezes ganschen lands. 24 Daarom zegt de Heere Hee-se der heirscharen alzóó: Vrees niet, gij mijn volk dat te Sion woont, voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijnen staf tegen u zal opheffen naar de wijze der Egyptenaren; 25 want nog een klein weinig, zoo zal volbracht worden de gramschap en mijn toorn tot hunne vernieling; 20 want de Heere der heirscharen zal tegen hem een geesel verwekken gelijk de slachting Midians was aan de rots Oreb, en {fclijh zijn staf over de zee was, denwelken hij verheffen zal naar de wijze der Egyptenaren. 27 En het zal geschieden ten-delfden dage, dat zijn last zal afwijken van uwen schouder en zijn juk van uwen hals, en het ,-Hk zal verdorven worden om des Ãeznlfden wil. 28 Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron, te Michmas legt hij zijn gereedschap af; 29 zij trekken door den doorgang, te Geba houden zij hunne vernachting. Ilooma beeft, Gibea Sauls vlucht. 30 Roep luide met uwe stemme, gij dochter gt;an Gallim;laat ze hooren tot Laïs toe, o ellendig Anathoth. |
31 Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hoopen. 32 Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal zijne hand bewegen tegen den berg der dochter Si-ons, den heuvel Jeruzalems. 33 Doch zie, de Heere Heere der heirscharen zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn zullen neder-gehouwen worden, en de verhevenen zullen vernederd worden; 34 en hij zal met ijzer de verwarde struiken des wouds omhouwen, en de Libanon zal vallen door den Heerlijke. HOOFDSTUK 11. Want daar zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en eene scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen, 2 en op hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vree-ze des Heeren; 3 en zijn ruiken zal zijn inde vreeze des Heeren, en hij zal naar het gezicht zijner oogen niet richten, hij zal ook naar het gehoor zijner ooren niet bestraffen, 4 maar hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds, en met den adem zijner lippen zal hij den goddelooze dooden ; 5 want gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn, ook zal de waarheid de gordel zijner lendenen zijn. G En de wolf zal met het lam verkeeren, en de luipaard bij den geitenhok nederliggen, en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee te zamen, en een klein jongsken zal ze drijven; 7 de koe en de berin zullen te zamen weiden, hare jongen zul- |
|
JESAJ. len te zamen nederliggen, en de leeuw zal etroo eten gelijk de os; 8 en een zoogkind zal zich vermaken over het hol van eene adder, en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in den kuil van den basilisk. 9 Men zal nergens leed doen noch verderven op den ganschen berg mijner heiligheid; want de aardfe zal vol kennisse des Hee-ren zijn, gelijk de wateren den loihm der zee bedekken. 10 Want het zal geschieden te dien dage, dat de heidenen naar den wortel van Isai, die staan zal tot eene banier der volkeren, zullen vragen, en zijne rust zal heerlijk zijn. 11 Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male zijne hand aanleggen zal om weder te ververven het overblijfsel zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Moorenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee; 12 en hij zal eene banier oprichten onder de heidenen, en hij zal de verdrevenen Israels verzamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen van de vier einden des aardrijks. 13 En de nijd Efraïms zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden: Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benau-wen; 14 maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het Westen, en zij zullen te zamen die van het Oosten be-rooven, aan Edom en Moab zullen zij hunne handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. 15 Ook zal de Heere den inham der zee van Egypte verbannen, en hij zal zijne hand bewegen tegen de rivier door de sterkte zijns winds, en hij zal dezelve slaan in de zeven stroomen, en hij zal maken dat men |
. 12, 13. 7Sl met schoenen daardoor zal gaai?, 16 en daar zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel zijns volks dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israöl geschiedde ten dage toen 'net uit Egypteland optoog. HOOFDSTUK 12. En te dienzelfden dage zult gij zeggen : Ik dank u, IIeeke, dat gij toornig op mij geweest zijt, maar uw toorn is afgekeerd en gij troost mij ; ^ 2 zie. God is mijn heil, ik zal vertrouwen en niet vreezen; want de Heere Heeke is mijn sterkte en psalm, en hij is mij tot heil geworden. 3 En gijlieden zult water sc-heigt;-pen met vreugde uit de fonteinen des heils, 4 en zult te dien dage zeggen.; Dankt den Heere, roept zijnen naam aan, maakt zijne daden [ bekend onder de volkeren, vermeldt dat zijn naam verhoogd is. 5 Psalmzingt den Heere, want hij heeft heerlijke dingen gedaan; zulks zij bekend op den ganschen aardbodem. G Juich en zing vroolijk, gij inwoneres van Sion, want de Heilige Israels is groot in het midden van u. HOOFDSTUK 13. De last Babels, dien Jesaja, de zoon van Ainoz, gezien heelt. 2 Heft óp eene banier op eeneo. hoogen berg, verheft eene stemme tot hen, beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der Prinsen. 3 Ik heb aan mijne geheilig-den bevel gegeven, ook heb ik tot mijnen toorn geroepen mijne helden, de vroolijken mijner hoogheid. 4 Daar is eene ruischende stem op de bergen gelijk eensgrooten volks, eene stem van gedruisck der koninkrijken der verzamelde heidenen: de Heere der heir-schareu monstert het krijgsheir; o zij komen uit verren lande, van het einde des hemels, d« Heere en de instrumenten aü- |
JESAJA 14.
782
|
ner gramschap, om dat gansche land te verderven. 6 Huilt gijlieden, want de dag des Heeeen is nabij, hij komt als eene verwoesting van den Almachtige. 7 Daarom zullen alle handen slap worden en aller menschen harte zal versmelten, 8 en zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als eene barende vrouw, een iegelijk zal over zijnen naaste verbaasd zijn, hunne aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn. 9 Zie, de dag des Heeren komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en des-zelfs zondaars daaruit te verdelgen. 10 Want de sterren des hemels en zijne gesternten zullen hun licht niet laten lichten, de zon zal verduisterd worden wanneer zij opgaan zal, en de maan zal haar licht niet laten schijnen; 11 want ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddeloozen hunne ongerechtigheid; en ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hoovaardij der tyrannen zal ik vernederen; 12 ik zal maken dat een man zeldzamer zal zijn dan dicht goud en een mensch dan fijn goud van Ofir. 13 Daarom zal ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van hare plaats, vanwege de verbolgenheid des Heeren der heirecharen, en vanwege den dag zijns Hittigen toorns; 14 en een iegelijk zal zijn als eene verjaagde ree, en als een schaap dat niemand vergadert, een iegelijk zal naar zijn volk omzien en een iegelijk zal naar zijn land vluchten; 15 al wie gevonden wordt die zal doorstoken worden, en al-wie daarbij gevoegd is zal door het zwaard vallen; |
16 ook zullen hunne kinder-kens voor hunne oogen verpletterd worden, hunne huizen zullen geplunderd en hunne vrouwen geschonden worden. 17 Zie, ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geenen lust hebben; 18 maar hunne bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des buiks, hun oog zal do kinderen niet verschoonen. 19 Al zoo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hoo vaardigheid derChal-deën zijn, gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft: 20 daar zal geen woonplaats zijn in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen daar niet legeren; 21 maar daar zullen neder-liggen de wilde dieren der woestijnen; en hunne huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen daar huppelen, 22 en wilde dieren der eilanden zullen in zijne verlatene plaatsen elkander toeroepen,mitsgaders de draken in de wellustige paleizen: haar tijd toch is nabij om te komen, en hare dagen zullen niet uitgesteld worden. HOOFDSTUK 14. Want de Heere zal zich over Jakob ontfermen, en hij zal Israël nog verkiezen, en hij zal ze in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen den huize Ja-kobs aanhangen, 2 en de volken zullen hen aannemen en in hunne plaats brengen, en het huis Israels zal hen erfelijk bezitten in het land des Heere:? tot knechten en tot maagden: en zij zullen gevankelijk houden degenen die hen gevangen hielden, en zij zullen heerschen over hunne drijvers. 3 En het zal geschieden ten |
JESAJA 14.
783
|
dage -wanneer n de Heeee ruste geven zal van uwe smart en van uwe beroering, en van de harde dienstbaarheid waarin men n heeft doen dienen, 4 dan zult gij deze epreuke opnemen tegen den Koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op, hoe houdt de gou-dene op? 5 De Heere heeft den stok der goddéloozen gebroken, den scepter der heerschers; 6 die de volkeren plaagde in verbolgenheid met eene plage zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerachte, die wordt vervolgd zonder dat het iemand afweren kan. 7 De gansche aarde rust, zij is stille; zij maken groot geschal met gejuich; 8 ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op die ons af hou we. 9 De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan als gij kwaamt;zij wekt om uwentw.l de doodenop, alle de bokken der aarde ;zi.i doet alle de Koningen der heidenen van hunne tronen opstaan. 10 Die altegader zullen antwoorden en tot u zeggen: Gij zijt óók krank geworden gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. 11 Uwe hoovaardij is in de hel nedergestort met het geld ank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. 12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! Hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij die de heidenen kreuktet, 13 en zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijnen troon boven de sterren Góds verlioogen, en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het Noorden; 14 ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. |
15 Ja, in de hel zult gij neder-gestooten worden, aan de zijden van den kuil. 16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeagen : Is dat diefman die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven, 17 die de wereld als eene woestijn stelde en hare steden verstoorde, die zijne gevangenen niet liec losgaan, naar huis toe? 18 Alle de Koningen der heidenen, zij allen liggen neder met eere, een iegelijk in zijn huis: 19 maar gij zijt verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed der geclooden die met het zwaard doorstoken zijn, als die die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam. 2U Gij zult bij dezelve niet gevoegd worden in de begrafenis, want gij hebt uw land verdorven en uw volk gedood: het zaad der boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden. 21 Maakt de slachting voor zijne kinderen gereed, om hunner vaderen ongerechtigheid; dat zij niet opstaan en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden. 22 Want ik zal tegen hen opstaan, spreekt de Heere derheir-scharen, en ik zal van Babel uitroeien den naam en het overblijfsel, en den zoon van den zoonszoon, spreekt de Heere; 23 en ik zal haar stellen tot eene erve der nachtuilen en tot waterpoelen, en ik zal haar met een bezem des verderfs uitvagen, spreekt de Heeee der heir-scharen. 24 De Heere der heirscharen heeft gezworen, zeggende: Indien niet gelijk ik gedacht heb het alzóó geschiede, en gelijk ik beraadslaagd heb het bestaan zal: 25 dat ik Assur in mijn land zal verbreken en hem op mijne bergen vertreden, opdat zijn juk van hen afwijke en zijn last van hunnen schouder wijke! 26 Dit is de raadslag die beraadslaagd is over het gansche |
JESAJA 15. 16.
784
|
land, en dit is de hand die uitgestrekt ia over alle volken. 27 Want de Hf.ere der heir-echaren heeft het in zijnen raad besloten: wie zal het clan breken ? En zijne hand is uitgestrekt : wie zal ze dan keeren ? 28 In het jaar toen de Koning Achaz stierf, geschiedde deze last. 29 Verheug u niet, gij gansch Palestina, dat de roede die u sloeg gebroken is; want uit den wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en hare vrucht zal een vurige vliegende draak zijn. 30 En de eerstgeborenen der armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zéker neder-liggen: uwen wortel daarentegen zal ik door den honger dooden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen. 31 Huil gij poort, schreeuw gij stad, gij zijt gesmolten, gij gansch Palestina; want van het Noorden komt een rook, en daar ia geen eenzame in zijne samenkomsten. 32 Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de Heere Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten zijns volks eene toevlucht daarin hebben zouden. HOOFDSTUK 15. De last Moabs. Zekerlijk in den nacht is Ar-Moab verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk in den nacht is Kir-Moab verwoest, zij is uitgeroeid. 2 Hij gaat op naar Barth en Dibon en naar Bamoth om te weenen, over Nebo en over Me-deba zal Moab huilen; op alle hunne hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden; 3 in hunne wijken hebben zij zakken aangegord, op hunne daken en op hunne straten huilen zij altemaal, afgaande met go-ween. 4 Zoo Hesbon als Elealé schreeuwt, hunne stemme wordt gehoord tot Jahaz toe; daarom maken de toegerusten Moabs een geschrei, eens iegelijks ziele in tem is kwalijk gesteld. |
5 Mijn harte schreeuwt over Moab, hare grendelen zijn naa? Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naa r den opgang van Luhith, want op den weg naar Horonaïm verwekken zij een jammergeschrei. G Want de wateren van Nim-rira zullen enkel verwoesting wezen, want het gras is verdord, het teeder gras is vergaan, daar is geene groente. 7 Daarom zullen zij den overvloed dien zij vergaderd hebben, en hetgeen zij weggelegd hebben, aan de beek der wilgen voeren. 8 Want dat geschreeuw zal omgaan door de land pa le Moab?, haar gehuil tot Eglaïm toe, ja, tot Beër-Elim toe zal haar gehuil zijn: i) want de wateren Dimons zijn vol bloed, want ik zal Dimoii nog meer toeschikken, te weten leeuwen over de ontkomenen Moabs, mitsgaders ^ver het overblijfsel des lands. HOOFDSTUK 16. Zendt de lammeren van den heerscher des lands van Sela af naar do woestijn henen, tot den berg der dochter Zions. 2 Anderszins zal het geschieden dat de dochteren Moabs aan de veren van Arnon zullen zijn als een zwervende vogel, uit heS nest gedreven zijnde. 3 Breng eenen raad aan, houd gericht, maak uwe schaduw op het midden van den middag gelijk den nacht, verberg de verdrevenen, en vermeld den omzwervende niet. 4 Laatm jne verdrevenen onder u verkeeren, o Moab, wees gij hun eene schuilplaats voor heè aangezicht des verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde, de verstorirg is te niet geworden, do vertreders zijn van do aarde verdelgd; 5 want daar zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en op denzei ven zal bestendigi ijk één zitten in de tento Davids, een die oordeelfe |
JESAJA 17.
785
|
en het recht zoekt en vaardig is ter gerechtigheid. 6 Wij hebben gehoerd de hoo-vaardij Moabs, hij is zeer hoo-raardig; zijn hoogmoed en zijne hoovaardij en zijne verbolgenheid zijn alzoo zijne grendelen niet. 7 Daarom zal Moab over Moab liuilen, altemaal zullen zij huilen ; over de fundamenten van Kir-Haréseth zult gijlieden zuchten, gewisselijk zij zijn gebroken. S Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heeren der heidenen hebben zijne uitgelezene planten verpletterd, zij reiken tot Jaëzer toe, zij dwalen door de woestijn, zijne scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegr.an over zee. 9 Daarom beween ik, in het ween en over Jaëzer, den wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijne tranen, o Hesbon en Elealé; want het vreugdegeschrei over uwe zomervruchten en over uwen oogst is gevallen, 10 alzoo dat de blijdschap en vroolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen noch eenig gejuich gemaakt, de druheutredei' treedt geen wijn uit in de wijnbakken: ik heb liet vreugdegeschrei doen ophouden. 11 Daarom rommelt mijn ingewand over Moab als eene harp, en mijn binnenste over Kir-Héies. 12 En het zal geschieden als men zien zal dat Moab vermoeid i.s geworden op de hoogte, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal niet vermogen. 13 Dit is het woord, dat de Heere tegen Moab gesproken heeft van toen af. 14 Maar nu spreekt de Heere zeggende: Binnen drie jaren, (als do jaren eens huurlings) dan zal de eere Moabs verachtelijk gemaakt worden, met al die groote menigte, en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen. |
HOOFDSTUK 17. De last van Damascus. Zie, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn; 2 de steden van Aroër zullen verlaten worden, voor de kudden zullen zij wezen, dieziillen Jaar neder!iggen en niemand zal ze verschrikken. 3 En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damascus, en het overblijfsel der Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israels, spreekt de Heere der heirscharen. 4 En het zal geschieden te dien dage dat de heerlijkheid Jakobs verdund zal worden, en dat de vetheid zijns vleeschea mager worden zal. 5 Want hij zal zijn gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn gelijk icannecr iemand aren leest in het dal Ivefaïm. ^ G Doch eene nalezing zal daarin overig blijven gelijk in de afschudding eens olijfbooms twee of drie beziën in den top der opperste twijg, en vier of vijf aan zijne vruchtbare takken, spreekt de Heere de God Israels. 7 Te dien dage^ zal de mensch zien naar dien die hem gemaakt heeft, en zijne oogen zullen op den Heilige Israëls zien; 8 en hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, en hetgeen zijne vingeren gemaakt hebben zal hij niet aanzien, noch de bosschen, noch de zonnebeelden. 9 Te dien dage zullen zijne sterke steden zijn als een verlaten struik en opperste tak, welke zij verlaten hebben om der kinderen Israëls wille, hoewel daar verwoesting zal wezen. 10 Want gij hebt den Goduwi |
1
|
786 JE S A; heils vergeten, en niet gedacht aan den Kotssteen uwer sterkte: daarom zult gij wel liefelijke planten planten, en gij zult hem met uitlandsche ranken bezetten ; 11 ten dage als gij ze zult geplant hebben zult gij die doen wassen, en in den morgenstond zult. gij uw zaad doen bloeien; doch het zal maar een hoop van het gemaaide zijn in den dag der krankheid en der pijnlijke «mart. 12 quot;Wee der veelheid der groote volkeren, die daar bruisen gelijk de zeeën bruisen ; en nee het geruisch der natiën, die daar ruischen gelijk de geweldige wateren ruischen: 13 de natiën zullen icd ruischen, gelijk groote wateren ruischen, doch hij zal hem schelden, zoo zal hij verre wegvliegen, ja, hij zal gejaagd worden als het kaf der bergen van den wind, en gelijk een kloot van den wervelwind; 14 f ten tijde des avonds, zie, zoo is er verschrikking: eer het morgen is, is l ij er niet meer; dit is het deel cergenen die ons berooven en het lot dergenen die ons plunderen. HOOFDSTUK 18. Wee _ het land dat schaduwachtig is aan de frontieren, dat aan de zijde der rivieren van Moorenland is; 2 dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren. Gaat henen gij snelle boden, tot een volk dat getrokken is en geplukt, tot een volk dat vreeselijk is van dat het was en voortaan; een volk van _ regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren berooven. 3 Alle gij ingezetenen der wereld en gij inwoners der aarde, als men de banier zal oprichten op de bergen zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen zult gijlieden het hooren. 4 Want alzóó heeft de Heere |
A 18. 19. tot mij gezegd; Ik zal stil zijn, en zien in mijne woning, als de glinsterende hitte op den regen, als eene wolk des dauws in do hitte des oogstes; 5 want vóór den oogst, als d© uitbotting volkomen is, en do onrijpe druif rijp wordt na den bloesem, zoo zal hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen en afkappen ; 6 zij zullen te zamen gelaten worden aan de_ roofvogels der bergen en de dieren der aarde, en de roofvogels zullen daarop overzomeren en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren. 7 Te dier tijd zal den Heere der heirscharen een geschenk gebracht worden van het volk dat getrokken is en geplukt, en van het volk dat vreeselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel ea regel, en van vertreding, welks land de rivieren berooven: tot de plaats van den naam des Heerex der heirscharen, tot den berg Sion. HOOFDSTUK 19. De last van Egypte. Zie, de Heere rijdt op eene snelle wolk, en hij zal in Egypte komen, en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden voor zijn aangezicht, en het hart der Egyp-tenaren zal smelten in het binnenste van hen. 2 Want ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iegelijk tegen zijnen broeder en een iegelijk tegsn zijnen naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk; 3 en de geest der Egyptenaren zal uitgelee'igd worden in het binnenste van hen, en hunnen raad zal ik verslinden; dan zullen zij hunne afgoden vragen, en de bezweerders, en de waarzeggers, en de duivelskunstenaars ; 4 en ik zal de Egyptenaara besluiten in de hand van harde |
|
JESA heeren, en een strenge Koning zal over hen heerschen, spreekt de Heere Heere derheirscharen. 5 En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdro-gen; 6 zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithoozen en de gedamde stroomen opdrogen, het riet en het schilf zullen verwelken; 7 het papiergewas bij de stroo-men, aan de oevers der stroomen, en al het gezaaide aan de stroomen, zal verdrogen, het zal weggestooten worden en niet meer zijn. 8 En de visschers zullen treuren, en allen die den angel in de stroomen werpen zullen rouw maken, en die het werpnet uitbreiden op de wateren zullen kwijnen; 9 en de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook de wevers van de witte stof; 10 en zij zullen met hunne fundamenten verbrijzeld worden, allen die voor loon lustige staande wateren maken. 11 Gewisselijk de Vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Farao, is onvernuftig geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Farao: Ik ben een zoon der wijzen, een zoon der oude Koningen? 12 Waar zijn nu uwe wijzen ? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat de Heere der heirscharen beraadslaagd heeft tegen Egypte. 13 De Vorsten van Zoan zijn zot geworden, de Vorsten van Kof zijn bedrogen, zij zullen ook Egypte doen dwalen tof den uitersten hoek zijner stammen. 14 De Heere heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om- en omwentelt in zijn uitspuwsel; 15 en daar zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, het- |
TA 19. 7S7 welk het hoofd of de staart, de tak of de bies doen moge. 1G Te dien dage zullen de Egyptenaars zijn als de vrouwen, en zij zullen beven en vreezen vanwege de beweging van de hand des Heeren der heirscharen, welken hij tegen hen bewegen zal; 17 en het land Juda zal den Egyptenaren tot een schrik zijn: zoo wie liat vermelden zal, die zal in zichzelven bevreesd wezen .vanwege den raad des Heeren der heirscharen dien hij tegen hen beraadslaagd heeft. 18 Te^ dien dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende do sprake Kanaans en zwerende den Heere der heirscharen: eéne zal genoemd zijn eene stad der verstoring. 19 Te dien dage zal de Heere een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teeken aan deszelfs landpale voor den Heere;^ 20 en hij zal zijn tot een teeken en tot een getuigenis den Heere der heirscharen in Egypteland, want zij zullen tot den Heere roepen vanwege de verdrukkers, en hij zal hun een Heiland en Meester zenden, die zal ze verlossen. 21 En de Heere zal den Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen den Heere kennen te dien dage, en zij zullen hem dienen vief slachtoffer en spijsoffer, en zij zullen den Heere eene gelofte beloven en betalen. 22 En de Heere zal de Egyptenaars dapper slaan, en genezen ; en zij zullen zich tot den Heere bekeeren, en li ij zal zich van hen verbidden laten en hij zal ze genezen. 23 Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte naar Assyrië, dat de Assyriers in Egypte en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen, en de Egyptenaars zullen met de Assyriers den Heere dienen. 24 Te dien dage zal Israël de derde wezen met de Egyptena- |
|
788 JESAJ ren en met de Assyriëra, een zegen in h-at midden van het land; 25 want de Heere der lieir-Bcharen zal ze zegenen, zeggende : Gezegend zij mijn volk^ de Egyptenaar», en de Assyriërs het werk mijner handen, en Israël mijn erfdeel. HOOFDSTUK 20. In het jaar toen Tartan naar Asdod kwam, als JSargon, de Koning van Assyrië, hem gezonden had, toen hij krijg voerde tegen Asdod en het innam : 2 te dier tijd sprak de Heere door den dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: Ga henen en ontbind den zak van uwe lendenen, en doe uwe schoenen van iiwe voeten. En hij deed alzoo, gaande naakt en barrevoets. 3 Toen zeide de Heere: Gelijk als mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teeken en wonder over Egypte en over Moorenland, 4 alzóó zal de Koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren en de Mooren die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets en met bloote billen, den Egyptenaren tot schaamte; 5 en zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Mooren, op welke zij zagen, en van de Egyptenaars, hunnen roem; (5 en de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Zie, alzóó is het geoaan dien op welke wij zagen, werwaarts wij henen-vloden om hulpe, om gered te worden van het aangezicht des Konings van Assyrië: hoe zullen wij dan ontkomen? HOOFDSTUK 21. De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het Zuiden daarhenen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreeselijk land. 2 Een hard gezicht is mij te kennen gegeven; die trouwelooze handelt trouwelooslijk, en die |
^ 20, 21. verstoorder verstoort; trek óp o Elam, beleger ze o Medië: ik heb al hare zuchting doen ophouden. 3 Daarom zijn mijne lendenen vol van groote krankheid, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën eener die baart; ik krom mij van hoeren, ik word ontsteld van het aanzien; 4 mijn harte dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering waar ik naar verlangd heb stelt hij mij tot beving. 5 Bereid de tafel, zie toe, gij wachter, eet, drink; maakt u óp gij^ Vorsten, bestrijkt het schild. 6 Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga henen, zet eenen wachter, laat hij aanzeggen wat hij ziet. 7 En hij zag eenen wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels, en hij merkte er zeer nauw op, met groote opmerking. 8 En hij riep: Een leeuw! Heere, ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijne hoede zetik mij gansche nachten: 9 en zie nu, daar komt een wagen met mannen en een paar ruiters. Toen antwoordde hij en zeide: Babel is gevallen, zij is gevallen, en alle de gesneden beelden harer goden heeft hij verbroken tegen de aarde. 10 O mijne dorsching en de tarwe mijns dorschvloers, wat ik gehoord heb van den Heere der heirscharen, den God Israëls, dat heb ik ulieden aangezegd. 11 De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter, wat is er van den nacht, wachter, wat is er van den nacht? 12 De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt. 13 De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult gijlieden vernichten, o gij reizende gezelschappen van Deda-niten. 14 Komt den dorstige tegemoet met water; de inwoners des lands van Tenia zijn den vluchtende met zijn brood voorgekomen ; |
|
JESA 15 want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard en voor den gespannen boog en voor de zwaarte des krijgs. 16 Want alzóó heeft de Heere tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloon eis zijn, zoo zal al de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan; 17 en het overgebleven getal der schutters, de helden der Ke-dareuen, zullen minder worden, want de Heere de God Israels heelt het gesproken. HOOFDSTUK 22. De last van het dal des gezichts. Wat is u nu, dut gij altegader op de daken klimt? 2 Gij die vol van groot gedruisch waart, gij woelige stad, gij vroo-lijk huppelende stad, uwe verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard noch gestorven in den strijd: 3 alle uwe oversten zijn te zamen weggevlucht, zij zijn van de schutters gebonden; allen die in u gevonden zijn, zijn te zamen gebonden, zij zijn van varre gevloden. 4 Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af, laat mij bitterlijk ^ weenen, dringt niet aan om mij te troosten over do verstoring der dochter mijns volks; 5 want het is een dag van beroering en van vertredingen van verwarring van den Heere, den Heere der heirscharen, in het dal des gezichts, een dag van ontmuring des muurs en van geschreeuw naar het gebergte toe. G Want Elam heeft den pijlkoker genomen, de man is op den wagen, daar zijn ruiters; en Ivir ontbloot het schild; 7 en het zal geschieden dat uwe uitgelezen dalen vol wagenen zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten tegen de poort, 8 en hij zal het bedeksel van Juda ontdekken; en te dien dage zult gij zien naar de wapenen in het huis des wouds, 9 en gijlieden zult bezien de reten der stad Davids, omdat ze 1 A 22. 789 |
vele zijn, en gij zult de wateren des ondersten vijvers vergaderen, 10 gij zult ook de huizen Je-ruzalems tellen, en gij zult huizen afbreken om de muren td bevestigen, 11 ook zult gij_ eene gracht maken tusschen beide de muren, voor de wateren des ouden vijvers: maar gij zult niet opwaarts zien op dien die zulks gedaan heelt, noch aanmerken dien die dat van verre t ij den _ geformeerd heeft. 12 En te dien dage zal de Heere, de Heere der heirscharen. roepen tot geween, en tot rouwklage.en tot kaalheid, en tot omgording des zaks; 13 maar zie, daar is de vreugde en blijdschap met runderen te dooden en schapen te kelen, vleesch te eten en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. 14 Maar de Heere der heirscharen heeft zich voor mijne ooren geopenbaard, ; Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt totdat gij sterft! zegt de Heere, de Heere der heirscharen. 15 Alzóó zegt de Heere, do Heere der heirscharen : Ga henen, pa in tot dien schatmeester, tot Sebna den hofmeester en spreek: 1G Wat hebt gij hier of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hcbt_ als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die eene woning voor zich op een rotssteen laat afteekenen? 17 Zie, de Heere zal u wegwerpen met eene mannelijke wegwerping, en hij zal uganschelijk overdekken; 18 hij zal u gewisselijk voortrollen gelijk men oenen bal rolt, in een land wijd van omvang; aldaar zult gij sterven en aldaar zullen uwe heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het Huis uws heeren. 19 En ik zal u afstooten van uwen^ staat, en van uwen stand zal hij u verstoren. 20 En het zal te dien dage geschieden dat ik mijnen knecht |
|
790 JE SA Eljakim, den zoon van Hilkia, roepen zal; 21 en ik zal liein met uwen rolc bekleeden en ik zal hem met nwen gordel sterken, en uwe heerschappij zal ik inzijne hand geven, en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize Juda tot een vader zijn; 22 en ik zal den sleutel van het huis Davids op zijnon schouder leggen, en hij zal opendoen 'ten niemand zal sluiten, eu hij zal sluiten en niemand zal opendoen. 23 En ik zal hem als eenen nagel inslaan in eene vaste plaats, en hij zal wezen tot eenen stoel der eere den huize zijns vaders, 24 eu men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uitspruitsels en der afkomeiingen, ooktxlle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot alle de vaten der flesschen. 25 Te dien dage, spreekt de Heere der heirscharen, zal die nagel, die aan eene vaste plaats gestoken was, weggenomen worden, en hij zal afgehouwen worden en hij zal vallen, en delast die daaraan is zal afgesneden worden; want de Heere heeft het gesproken. HOOFDSTUK 23. De last van Tyrus. Huilt gij schepen van Tarsis, want zij is verwoest dat er geen huis meer is, dat niemand daar meer ingaat; uit het land der Kittiten is het aan hen openbaar geworden. 2 Zwijgt gij inwoners des eilands, gij die de kooplieden van Sidon over zee varende vervulden, 3 en wiens inkomst was het zaad van Silior over de groote wateren, de oogst der rivier; en zij was de markt der heidenen. 4 Word beschaamd o Sidon, want de zee spreektja, de sterkte der zee, zeggende: Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongelingen groot gemaakt en geen jonge dochters opgebracht. |
JA 23. 6 Gelijk geweest is de tijding van Egypte, zal men ook in weedom zijn als men van Tyru» hooren zal. 6 Vaart over naar Tarsis, huilt gij inwoners des eilands. 7 Is dit uwe vroolijk huppelende stad, welker oudheid wel van oud© dagen af is, maar hare eigene voeten zullen haar verre wegdragen, om in vreemdelingschap te verkeeren. 8 Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, welker kooplieden Vorsten zijn, welker handelaars de heerlijksten in den lande zijn? 9 De Heere der heirscharen heeft liet beraadslaagd, opdat hij ontheilige de hoovaardij van alle sieraad, om alle de heerlijksten der aarde verachtelijk te maken. 1U Ga^ dóór naar uw land als eene rivier, gij dochter van Tarsis, daar is geen gordel meer. 11 Hij heeft zijne hand uitgestrekt over de zee, hij heeft de koninkrijken beroerd; de Heere heeft bevel gegeven tegen Kanaün om hare sterkten te verdelgen; 12 en hij heeft gezegd: Gij zult niet meer vroolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter Sidons. Naar de Kittiten toe, maak u op, vaar over: ook zult gij aldaar geen rust hebben. 13 Zie, het land derChaldecn: dit volk was er niet: Assur heeft het gefundeerd voor degenen die in de wildernissen woonden; zij richtten hunne sterkten op en bouwden hunne paleizen, maar hij heeft het tot eenen vervallen hoop gesteld. 14 Huilt gij schepen van Tarsis, want ulieder sterkte is verwoest. 15 En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zal vergeten worden zeventig jaren, gelijk eens Konings dagen; maar ten einde van zeventig jaar zal in Tyrus als een hoerenlied zijn: 16 Neem de harp, ga in de stad rondom, gij vergeten hoer: speel wel, zing vele liedekens, opdat er aan u gedacht worde. 11 Want het zal geschieden ten einde van zeventig jaar dat de |
|
JESA Heere Tynis zal bezoeken, en dat zij Avederkeeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken der aarde die op den aardbodem zijn. 18 En haar koophandel en haar hoerenloon zal den Heere heilig zijn, het zal niet ten sühat vergaderd noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor degenen die voor den Heere wonen, opdat zij eten tot verzadiging en dat zij duurzaam deksel hebben. HOOFDSTUK 24. Zie, de Heere maakt het land ledig en hij maakt het woest, en hij keert zijne gestaltenia ómen hij verstrooit zijne inwoners; 2 en gelijk het volk, al zóó zal de Priester wezen; gelijk de knecht, alzóo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, alzóó hare vrouw; gelijk de kooper, alzóó de ver kooper; gelijk de leener, alzóó de ontleener; gelijk de woekeraar, alzóó die van wien hij woeker ontvangt: 3 dat land zal ganschelijk ledig gemaakt worden en het zal ganschelijk beroofd worden; want de Heere heel t dit woord gesproken. 4 Het land treurt, het verwelkt; het aardrijk kwijnt, het verwelkt; de hoogsren van het volk des lands kwijnen; 5 want het land is bevlekt vanwege zijne inwoners, want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzetting, zij vernietigen het eeuwig verbond: 6 daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners des lands verbrand worden, en daar zullen weinig menschen overblijven. 7 De most treurt, de wijnstok kwijnt, allen dieblijhartigwaren zuchten; 8 de vreugde der trommelen rust, het geluid der vroolijk huppelenden houdt op, de vreugde der harp rust; 9 zij zullen geenen wijn drin- |
J A 24. 791 ken met gezang, de sterkedrank zal bitter zijn dengenen die hem drinken; 10 de woeste stad is verbroken, alle de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan; 11 daar is een klagelijk geroep op de straten om des wijns wil, alle blijdschap is verduisterd, de vreugde des lands is heengevaren : 12 verwoesting is in de stad overgebleven, eu^ met gekraak wordt de poort in stukken gebroken. 13 Want in het binnenste van het land, in het midden dezer volkeren, zal het alzóó wezen gelijk de afschudding des olijfbooms, gelijk de nalezingen wanneer de wijnoogst geëindigd is. 14 Die zullen hunne stem op-lieffen, zij zullen vroolijk zingen, vanwege de heerlijkheid des Heeren zullen zij juichen van de zee af. 15 Daarom eert den Heere in de valleien, in de eilanden der zee den naam des Heeren des Gods Israels. 16 Yan het uiterste einde der aarde hooren wij psalmen, tot verheerlijking des Rechtvaardigen. Doch 7iu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij; de trouweloozen handelen trou-welooslijk, en met trouweloosheid handelen de truuweloozen trouwelooslijk. 17 De vreeze en de kuil en do strik over u, o inwoner des lands! 18 En het zal geschieden, zoo wie voor de stem der vreeze vlieden zal, die zal in den kuil vallen; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fundamenten der aarde zullen beven; 19 de aarde zal ganschelijk verbroken worden, de aarde zal ganschelijk vanééngescheurd worden, de aarde zal ganschelijk bewogen worden, 20 de aarde zal ganschelijk waggelen gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weder bewogen |
|
792 JESAJj worden gelijk eene nachthut, en hare overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen en niet weder opstaan. 21 En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere bezoeking doen zal over de heirseha-ren des hoogen in de hoogte, en over de Koningen des aardbodems op den aardbodem; 22 en zij zullen eamenverga-derd worden gelijk de gevangenen in eenen put, en zij zullen be-eloten worden in eene gevangenis, maar na vele dagen tceder bezocht worden: 23 en de maan zal schaamrood worden en de zon zal beschaamd worden, als de Heere der heir-scharen op den berg Sion regee-ren zal en te Jeruzalem, en voor zijne oudsten zal heerlijkheid zijn. HOOFDSTUK 25. Heere, gij zijt mijn God, uzal ik verhoogen, uwen naam zal ik loven, want gij hebt wonder gedaan, uwe raadslagen van verre zijn waarheid en vastheid; 2 want gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt, de vaste stad tot een vervallen hoop, het paleis der vreemdelingen dat het geen stad meer i?, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden. ^ 3 Daarom zal u een machtig volk eeren, de stad der tyran-nieke volkeren zal n vreezen; 4 want gij zijt den arme eene sterkte geweest, eene sterkte den nooddruftige als het hem bang was, eene toevlucht tegen den vloed, eene schaduw tegen de hitte: want het blazen der ty-rannen is als een vloed tegen cenen wand. 5 Gelijk do hitte in eene dorre plaats, zult gij de onstuimigheid der vreemdelingen nederdrukken; gelijk de hitte door de schaduw eener dikke wolk, zal het gezang der tyrannen vernederd worden. 6 En de Heere der heirscha-ren zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, . 25, 26. |
van vet vol merg, van reine wijnen die gezuiverd zijn; 7 en hij zal op dezen berg verslinden het omwindsel des aan-gezichts waarmede alle volken omwonden zijn, en het bedeksel waarmede alle natiën bedekt zijn; 8 hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere Heere zal de tranen van alle aangezichten afwisschen, en hij zal de smaadheid zijns volks van de gansche aarde wegnemen; want de Heere heeft het gesproken. 9 En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, wij hebben hem verwacht en hij zal ons zalig maken; deze is de Heere, wij hebben hem verwacht, wij zullen ons verheiigen en verblijden in zijne zaligheid. 10 Want de hand des Heeren zal op dezen berg rusten, maar Moab zal onder hem gedorscht worden, gelijk het stroo gedorscht wordt tot mest. 11 En hij zal zijne handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk als een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en hij zal hunnen hoogmoed vernederen, met de lagen hunner handen. 12 En hij zal de hooge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken. HOOFDSTUK 26. ' Te dien dage_ zal dit lied gezongen worden in hetland Juda: Wij hebben eene sterke stad. God stelt heil tot muren en voorschansen; 2 doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daar inga, hetwelk do getrouwigheden bewaart. 3 Het is een bevestigend voornemen : gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op u vertrouwd. 4 Vertrouwt op den Heere tot in eeuwigheid, want in den Heere Heere is een eeuwige rotssteen; 5 want hij buigt de hoog geze- |
|
tenen neder, de verhevene stad, hij vernedert ze, hij vernedert ze tot de aarde toe, hij doet ze tot aan liet stof reiken, 6 de voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen. 7 Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt gij recht. 8 Wij hebben ook in den weg uwer gerichten u, o Heere, verwacht, tot uwen naam en tot uwer gedachtenis is de begeerte onzer ziele. y Met mijne ziel heb ik u begeerd in den nacht, ook zal ik met mijnen geest, die in het binnenste van mij is, u vroeg zoeken ; want wanneer uwe gerichten op de aarde zijn, zoo leeren de inwoners der wereld gerechtigheid. 10 Wordt den goddelooze genade bewezen, hij leert evenwel geene gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gansch richtig land, en hij ziet de hoogheid des Heeren niet aan. 11 Heere, is uwe hand verhoogd, zij zien het niet;maarzij zullen het zien en beschaamd worden, vanicege den ijver over uw volk, ook zal het vuur uwe wederpartijders verteren. 12 Heere, gij zult ons vrede bestellen, want gij hebt ons ook alle onze zaken uitgericht. 13 Heere onze God, andere heeren behalve gij hebben over ons geheerscht; doch door u alleen gedenken wij uwen naam. 14 Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt gij ze bezocht en hebt ze verdelgd, en gij hebt al hunne gedachtenis doen vergaan. 15 Gij, o Heere, hadt dit volk vermeerderd, gij hadt dit volk vermeerderd, gij waart verheerlijkt geworden: maar gij hebt ze in alle de einden dea aardrijks verre weggedaan. 16 Heere, in benauwdheid hebben zij u bezocht, zij hebben hun stil gebed uitgestort als uwe tuchtiging over hen was. |
JA 27. 793 17 Gelijk eene bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in hare weeën, alzoo zijn wij geweest, o Heere, vanwege uw aangezicht: 18 wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niets dan wind gebaard; wij deden het land geene behoudenis aan, en de inwoners der wereld vielen niet neder. 19 Uwe dooden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt óp en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw zal zijn ah een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. 20 Ga henen mijn volk, ga in uwe binnenste kamers, en sluit uwe deuren achter u toe; verberg u als een kleinen oogenblik, toU'at de gramschap overga. 21 Want zie, de Heere zal uit zijne plaats uitgaan om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken, en de aarde zal haar bloed ontdekken en zal hare doodgeslagenen niet langer bedekt houdeu. HOOFDSTUK 27. Te dien dage zal de Heere met zijn hard en groot en sterk zwaard bezoeken den leviathan, de langwemelende slang, ja, den leviathan, de kromme kronkelende slang, en hij zal den draak die in de zee is dooden. 2 Te dien dage zal er een wijngaard van rooden wijn zijn; zingt van denzei ven bij beurte. 3 Ik de Heere behoed dien-, alle oogenblik zal ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal ik hem bewaren nacht en dag. 4 Grimmigheid is bij mij niet; wie zoude mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat ik op hem zoude aanvallen en hem te gelijk verbranden zoude? 5 Of hij moest mijne sterkt© aangrijpen, hij zal vrede met mij maken, vrede zal hij met mij maken. 6 In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal |
JESAJA 2S.
794
|
bloeien en groeien, en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen. 7 Heeft hij hem geslagen gelijk hij dien geslagen heeft die hem sloeg? Is hij gedood gelijk zijne gedooden gedood zijn geworden? 8 Met mate hebt gij met hem getwist, wanneer gij liem weg-stiet; als hij hem wegnam door zijnen harden wind, in den dag des oostenwinds. 9 Daarom zal daardoor do ongerechtigheid Jakobs verzoend worden, en dit is de gansche vrucht, dat hij deszelfs zonde zal wegdoen, wanneer hij alle do steenen des altaars maken zal als verstrooide kalksteenen, de bos-schen en de zonnebeelden zullen niet bestaan. 10 Want de vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal verstoeten en verlaten worden gelijk eene woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggen en zullen hare takken verslinden. 11 Als hare takken verdord zuilen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen komende zullen ze aansteken; want het is geen volk van eenig verstand, daarom zal hij die het gemaakt heeft zich over hetzelve niet ontfermen, en die het geformeerd heeft zal aan hetzelve geen genade bewijzen. 12 En het zal te dien dage geschieden dat de Heebe dorschen zal van den stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte, doch gijlieden zult opgelezen worden, één voor één, o gij kinderen Israels. 18 En het zal te dien dagege-echieden dat er met eene groote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen die in het land Assur verloren zijn, en de weggedrevenen in het land van Egypte, en zij zullen den Heere aanbidden op den heiligen berg te Jeruzalem. HOOFDSTUK 28. |
Wee der hoovaardige kroon der droukenen van Efraïm, welks heerlijk sieraad is eene afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagenen van den wijn: 2 zie, de Heere heeft eenen sterke en machtige, daar is gelijk een hagelvloed, eene poort des verderfs; gelijk een vloed der sterke wateren die overvloeien, zal hij ze ter aarde nederwerpen met de hand; 3 de hoovaardige kronen der dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden, 4 en do afvallende bloem zijns heerlijken siéraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk eene vroegrijpe vrucht vóór den zomer, welke wanneer iemand ze ziet, terwijl zij nog in zijne hand is slokt hij ze op. 5 Te dien dage zal de Heere der heirscharen tot'eene heerlijke kroon en tot een sierlijken krans zijn den overgeblevenen zijns volks, 6 en tot eenen geest des oordeels dien die ten oordeel zit, en tot eene sterkte dengenen die den srrijd afkeeren tot de poort toe. 7 En ook dwalen deze van den wijn en zij dolen van den sterken drank, de Priester en de Profeet dwalen van den sterken drank, zij zijn verslonden van den wijn, zij dolen van sterken drank, zij dwalen in het gezicht, zij waggelen in het gericht; 8 want alle tafelen zijn vol uitspuwse:. en drek, zoodat er geen plaats schoon ia. 9 Wien zoude hij dan dekennis leeren. en wien zoude hij het gehoorde te verstaan geven ? Den gespeenden van de melk, denaf-getrokkenen van de borsten? 10 Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. 11 Daarcm zal hij door belachelijke lippen en door eene andere tong tot dit volk spreken, 12 tot hetwelk hij gezegd heeft; Dit is de rust, geeft den moede rust, en dit is de verkwikking; |
JESAJA 29.
795
|
doch zy hebbon niet willen hooren. 13 Zoo zal hun het tvookI des Hekken zijn gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij henen-gaan en achterwaarts vallen, en verbroken en verstikt en gevangen worden. 14 Daarom hoort des ITkeren Woord gij bespotters, gij heer-schers over dit volk dat te Jeruzalem is. 15 Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag^ gemaakt: wanneer de overvloeiende geesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen, want vrij hebben de leugen ons tot eene toevlucht gesteld, er. onder de valschheid hebben wij ons verborgen: â 1G daarom alzoó zegt delleere Heeee : Zie, ik leg een grondsteen in Sion, eenen beproefden steen, eenen kostelijken hoeksteen, _ die wel vast gegrondvest is: wie gelooft, die zal niet haasten; 17 en ik zal het gericht stellen naar _ het^ richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood;en de hagel zal do toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overstroo-men; 18 en ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan: wanneer de overvloeiende geesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van den-zelven vertreden worden, 19 van den tijd af als hij doortrekt zal hij ulieden wegnemen, want allen morgen zal li ij doortrekken, bij dage en bij nachte, en het zal geschieden dat het gerucht te verstaan enkel beroering wezen zal; 20 want het oed zal korter zijn dan dat men zich daarop uitstrekken kunne, en het deksel zal te smal wezen als men zich daaronder voegt. |
21 Want de Heere zal zien opmaken gelijk op den berg Pera-zim, hij zal beroerd zijn gelijk in het dal Gibeons, om zijn werk te doen â zijn werk zal vreemd zijn, en om zijne daad te doen â zijne daad zal vreemd zijn. 22 Nu dan, drijft den spot niet, opdat uwe banden niet vaster gemaakt worden: want ik heb van den Heere Heere der heir-scharen gehoord eene verdelging, ja, eene die vast besloten is over het gansche land. 23 Neemt ter oore en hoort mijne stem, merkt op en hoort mijne rede: 24 Ploegt de ploeger den ge-heelen dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land den geheeltn dar/ 9 25 Is het niet alzoo? wanneer hij het bovenste van hetzelve elfen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezen gerst of spelt, elk aan zijne plaats. 26 En zijn God onderricht hem van de wijze, hij leert hem. 27 Want men dorscht de wikken niet met den dorsen wagen, en men laat het wagenrad niet rondom over den komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met eenen staf en den komijn met eenen stok. 23 Het broodZjorere moet verbrijzeld worden, maar hij dorscht het niet gestadig dorschende, en hij breekt het niet wet het wiel zijns wagens, en hij verbrijzelt het niet met zijne paarden. 29 Zulks komt óók voort van den Heere der heirscharen : hij is wonderlijk^ van raad, hij is groot van daad. HOOFDSTUK 29. Wee Ariël, Ariël, de stad waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar, iaat ze feest-offeren slachten 2 evenwel zal ik Ariël beangstigen; en daar zal treuring en droefheid wezen, en die stad zal mij gelijk Ariël zijn. 3 Want ik zal een leger in het |
|
796 J E S A rond om u slaan, en ik zal ii belegeren met bolwerken, en ik zal vestingen tegen u opwerpen. 4 Dan zult gij vernederd worden, gij zult uit do aarde spreken, en uwe spraak zal uit het stof zachtkens voortkomen, en uwe stem zal zijn uit de aarde als eens toovenaars, en uwe spraak zal uit liet stof piepen. 5 En de menigte uwer vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der tyrannen als voorbijvliegend kaf, en het zal iu een oogenblik haastelijk geschieden. G Gij zult van den Heere der heirscharen bezocht worden met donder en met aardbeving en groot geluid, met wervelwind en on weder cn de vlam eens verte-renden vuurs; 7 en gelijk de droom van een nachtgezicht is, aizdo'zal de veelheid aller heidenen zijn die tegen Ariel strijden zullen, zelfs allen die tegen haar en hare vestingen strijden en haar beangstigen zullen. 8 Het zal alzóó zijn gelijk wanneer een hongerige droomt: en zie, hij eet, maar als hij ontwaakt, zoo is zijne ziel ledig; of gelijk als wanneer een dorstige droomt, en zie, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, zie, zoo is hij nog mat en zijne ziele isbe-geerig; alzóó zal de menigte aller heidenen zijn die tegen den berg Sion krijgen. 9 Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vroolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet van wijn ; zij waggelen, maar niet van sterken drank. 10 Want de Heere heeft over ulieden uitgegoten eenen geest des diepen slaaps, en hij heeft uwe oogen toegesloten; de Profeten en uwe hoofden en de zieners heeft hij verblind. 11 Daarom is ulieden alle gezicht geworden als de woorden eens verzegelden boeks, hetwelk men geeft aan een die lezen kan, zeggende: Lees toch dit, en hij |
FA 29. zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld; 12 of men geeft het boek aan een die niet lezen kan,zeggende: Lees toch dit, en hij zegt: Ik kan niet lezen. 13 Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot mij nadert met zijnen mond, en zij mij met hunne lippen eeren, doch hun hart verre van mij houden, en hunne vreeze, waarmede zij mij vreezen, menschen-geboden zijn die hun geleerd zijn: 14 daarom zie, ik zal voortaan wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstand igen zal zich verbergen. 15 Wee dengenen die zich diep versteken willen voorden Heere, hunnen raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons en wie kent ons? 16 Ulieder omkeeren is alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zeide van zijnen maker: Hij heeft mij niet gemaakt, en het geformeerde vat van zijnen pottenbakker zeide: Hij verstaat het niet. 17 Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld als een woud geacht zal worden? 18 En te dien dage zullen de dooven hooren de woorden des boeks, en de oogen der blinden, zijnde uifc de donkerheid en wit de duisternis, zullen zien, 19 en de zachtmoedigen zullen vreugd op vreugd hebben in den Heere, en de behoeftigen onder de menschen zullen zich in den Heilige Israels verheugen: 20 wanneer de tyran een einde zal hebber, en het met den bespotter uit zal zijn, en allen die tot ongerechtigheid waken uitgeroeid zullen zijn, 21 die eenen mensch schuldig verklaren om een woord, en leggen dien strikken die he7i bestraft in de poort, en die den |
JESAJA 30.
797
|
rechtvaardige Terdrijven in het woeste. 22 Daarom zegt de Heere die Abraham verlost heeft, tot den huize Jakobs alzóó: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer bleek worden; 23 want als hij zijne kinderen, het werk mijner handen, zien zal in het midden van hem, zullen zij mijnen naam heiligen, en zij zullen den Heilige Jakobs heiligen en den God Israels vreezen; 24 en die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de leering aannemen. HOOFDSTUK 30. Wee den kinderen die afvallen, spreekt de Heere, om eenen raadslag te maken, maar niet uit mij, en om zich met eene bedekking te bedekken, maar niet uit mijnen geest, om zonde tot zonde te doen; 2 die gaan om af te trekken in Egypte, en vragen mijnen mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hunne toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte. 3 Want de sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. 4 Wanneer zijne Vorsten zullen geweest zijn te Zoan, en zijne gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Hanes: 5 hij zal ze allen beschaamd maken door een volk dat hun geen nut kan doen, en niet tot hulp noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaad-heid zijn zal. G De last der beesten van het Zuiden. Naar het land des angstes en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak, zullen zij hunne goederen voeren op den rug der veulens, en hunne schatten op de bulten der kemelen tot het volk dat hun geen nut zal doen. |
7 Want Egypte zal ijdellijk en tevergeefs helpen; daarom heb ik hierover geroepen; Stilzitten zal hunne sterkte zijn. 8 Nu dan, ga henen, Echrijf voor hen op eene tafel en toeken het in ecu boek, opdat het blijve tot den laatsten dag, voor altoos tot in eeuwigheid. 9 Want het is een wederspan-nig volk, het zijn leugenachtige kinderen, kinderen die des IIheren wet niet hooren willen, 10 die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet, en tot de schouwers : _ Schouwt ons niet wat recht is, spreekt tot ons zacht© dingen, schouwt onze bedriegerijen; 11 wijkt af van den weg, maakt u van de baan, laat de Heilige Israels van ons ophouden. 12 Daarom zóó zegt de Heilige Israels: Omdat gijlieden dit woord verwerpt, en vertrouwt , op onderdrukking en verkcerd-i heid, en steunt daarop: 13 daarom zal ulieden deze |- misdaad zijn gelijk eene vallende scheur uitwaarts gebogen | in eenen hoogen muur, welka j breuk haastelijk in een oogen-j blik komen zal. 14 Ja, hij zal ze verbreken ge-I lijk eene pottebakkerskruik ver-I broken wordt, in het brijzelen zal hij niet verschoonen: al zoo â dat van hare verbrijzeling niet eene scherf zal gevonden worden i om vuur uit den haard te nemen, of om water te scheppen uit eene gracht. i 15 Want alzóó zegt do Heere Heere, de Heilige Israels: Door wederkeering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zoude uwe sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild, 16 en gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden: â daarom zult gij vlieden; en : Op snelle paarden zullen wij rijden: â daarom zullen uwe vervolgers óók snel zijn; 17 éénduizend van het schelden eens éénigen, van het schelden van vijf zult gij allen vlie- |
JESAJA 81.
798
|
den, totdat gij overgelaten wordt j gelijk een mast op den top van eenen berg, en als eene banier , op eenen heuvel. 18 En daarom zal de Heebe 1 â wachten, opdat hij u genadig zij, en daarom zal hij verhoogd worden, opdat hij zich over nlie-den ontferme, want de Heeee is een God desgerichts: welgelukzalig zijn die allen, die hem verwachten. 19 Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem: gij zult ganschelijk niet weenen, gewis-selijk zal hij u genadig zijn op de stemme uws gerueps: zoo haast als hij die hooren zal, zal hij u antwoorden. 20 De Heere zal ulieden u-el brood der benauwdheid en wateren der verdrukking geven, maar uwe leeraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uwe oogen zullen uwo leeraars zien; 21 en uwe ooren zullen hooren het woord clesgenen die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven, als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand. 22 En gijlieden zult voor onrein houden het bedeksel uwer zilveren gesneden beelden, en het overtreksel uwer gouden gegoten beelden; gij zult ze wegwerpen gelijk een maanston-dig kleed, en tot elk daarvan zeggen: Henen uit! 23 Dan zal hij uw zaad, waarmede gij het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van des lands inkomen, en hetzelve zal vet en voedzaam zijn; uw vee zal te dien dage in eene wijde landouw weiden, 24 en de ossen en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschofiel en met de wan; 25 en daar zullen op allen hoogen berg en op allen verheven heuvel beekjes en watervlieten zijn, in den dag der groote slachting, wanneer de torens vallen zullen. |
2G En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen, ten dage als de Heere de breuk zijns volks zal verbinden, en de wond waarmede het geslagen is, genezen. 27 Zie, de Naam des Heeren komt van verre, zijn toorn brandt en de last is zwaar; zijne lippen zijn vol gramschap en zijne tong als een verterend vuur; 28 en zijn adem is als eene overloopende beek die tot aan den hals toeraakt: om de heidenen te schudden met eene schudding der ijdelheid, en als een misleidende toom in de kinnebakken der volkeren. 29 Daar zal een lofzang bij ulieden zijl?, gelijk in den nacht wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap des harten, gelijk van een die met pijpen wandelt om te komen tot den berg des Heeren, tot den Kotssteen Israels. 30 En de Heere zal zijne heerlijke stemme doen hooren en de nederlating zijns arms doen zien; met grimmigheid van toorn en eene vlam des verterenden vuurs, stralen en een vloed en hagelsteenen. 31 Want door de stem des Heeren zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg. 32 En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn, (op welken .de Heere dien zal hebben doen rusten,) daar zal men met trommels en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal hij tegen hen strijden. 33 Want Tofeth is van gisteren bereid, ja, hij is ook voor den Koning bereid; hij heeft hem diep en wijd gemaakt, zijns brandstapels vuur en hout is veel: de adem des Heeren zal hem aansteken als een zwavel-stroom. HOOFDSTUK 31. Wee dengenen die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen |
â
JESAJA 32.
799
|
op paarden en vertrouwen op â wagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig _ zijn; en zien niet op den Heilige Israels, en zoeken den Heeke niet. 2 Noclitans is Iiij óók wijs, en hij doet het kwaad komen, en trekt zijne woorden niet terug, maar hij zal zich opmaken tegen het huis der boosdoeners en tegen de hulpe dergenen die ongerechtigheid werken. 3 AVant de Egyptenaars zijn menschen en geen God, en hunne paarden zijn vleesch en geen geest; en de Heere zal zijne hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt zal nedervallen, en zij zullen altezamen te niet komen, 4 Want alzóó heeft de Heere tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw en een jonge leeuw over fijnen roof brult, wanneer ook eene volle menigte der herderen samengeroepen wordt tegen hem, voor hunne stem uiet verschrikt noch zich vernedert vanwege hunne veelheid: alzóó zal de Heere der heirscharen nederdalen om te strijden voor den berg Sions en voor haren heu-vel. 5 Gelijk vliegende vogelen, alzóó zal de Heere der heirscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal hij haar ook verlossen,, doorgaande zal hij haar ook uithelpen. 6 Bekeert u tot hem van welken de kinderen Israels diep afgeweken zijn; 7 want te dien dage zullen zij verwerpen een ieder zijne zilveren afgoden en zijne gouden afgoden, welke u uwe handen ter zonde gemaakt hadden; 8 en Assur^ zal vallen door het zwaard, niet eens mans, en het zwaard, niet eens menschen, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vlieden, en zijne jongelingen zullen versmelten, 9 en hij zal van vreeze doorgaan naar zijnen rotssteen, en zijne Vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de |
Heere, die te Sion vuur en to Jeruzalem eenen oven heeft. HOOFDSTUK 32. Zie, een Koning zal regeeren in gerechtigheid, en de Vorsten zullen heerschen naar recht. 2 En die man zal zijn als eene verberging tegen den wind, en eene schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in eene dorre plaats, als de schaduw van eenen zwaren rotssteen in een dorstig land. 3 En de oogen dergenen die zien, zullen niet terugzien, en de ooren dergenen die hooren, zullen opmerken. 4 En het hart der onbedacht-zamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn om bescheidenlij k te spreken. 5 De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheeten worden; 6 want een dwaas spreekt dwaasheid en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen en om dwaling te spreken tegen den Heere, om de ziel des hongerigen ledig te laten en den dorstige drank te doen ontbreken; ^ 7 en eens gierigaards gansche gereedschap is kwaad: hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valsche redenen, en het recht als de arme spreekt; 8 maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden en staat op milddadigheden. 9 Staat óp gij geruste vrouwen, hoort mijne stem; gij dochters die zoo zéker zijt, neemt mijne rede ter oore. 10 Vele dagen over het jaar zult gij beroerd zijn, gij dochters die zoo zéker zijt, want de wijnoogst zal uit zijn, daar zal geen inzameling komen. 11 Beeft gij geruste v?'Outren, weest beroerd, dochters die zoo zéker zijt; trekt u uit en ontbloot u, en gordt zakken om uwe lendenen. |
|
BOO JESA. 12 Men zal ronwklagen over de borsten, over de gewenschte akkers, over de vruchtbare wijn-Etokken; 13 op het land mijns volks zal de doorn en de distel opgaan, ja, op alle vreugdehnizen, in de vroolijk huppelende stad. 14 Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel der stad zal ophouden, Ofel en de wachttorens zullen tot spelonken zijn tot in eeuwigheid, eene vreugde der woudezels, eene weide der kudden; 15 totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte: dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal als een woud geacht worden; 16 en het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven; 17 en het werk der gerechtigheid zal vrede zijn, en de werking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid; 18 en mijn volk zal in eene woonplaats des vredes wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen. 19 Maar het zal hagelen waar men afgaat in het woud, en de stad zal laag worden in de laagte. 20 Welgelukzalig zijt gijlieden die aan alle wateren zaait, gij die den voet van den os en den ezel dencaarts henenzendt. HOOFDSTUK 33. Wee u, gij verwoester die niet verwoest zijt, en gij die trouwe-looslijk handelt daar men niet trouwelooslijk tegen u gehandeld heeft: als gij het verwoesten zult volbracht hebben zult gij verwoest worden, als gij het trouwelooslijk handelen zult voleindigd hebben zal men trouwelooslijk tegen u handelen. 2 Heere, wees ons genadig, wij hebben op u gewacht; wees hun arm allen morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde der benauwdheid. |
A 33. 3 Van het geluid des ruraocri zullen de volkeren wegvlieden, van uwe verhooging zullen de heidenen verstrooid worden. 4 Dan zal ulieder buit verzameld worden gelijk de kevers verzameld worden, men zal daarin ginds en weder huppelen gelijk de sprinkhanen ginds en weder huppelen. 5 De Heere is verheven, want hij woont in de hoogte, hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid ; 6 en het zal geschieden dat de vastheid uwer tijden, de sterkte van uire behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis, de vreeze des Heeeen zal zijn schat zijn. 7 Zie, hunne allersterksten roepen daar buiten, de boden des vredes weenen bitterlijk; 8 de gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat houdt op, hij vernietigt het verbond, hij veracht de steden, hij acht geen mensch; 9 het land treurt, het kwijnt, de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn, zoo Basan alsKar-mel zijn geschud. 10 Nu zal ik opstaan, zegt de Heere, nu zal ik verhoogd worden, nu zal ik verheven worden. 11 Gijlieden gaat met stroo zwanger, gij zult stoppelen baren; uw geest zal u als vuur verslinden, 12 en de volken zullen zijn ah de verbranding der kalk, als afgehouwen doornen zullen zij met het vuur verbrand worden. 13 Hoort gijlieden die verre zijt, wat ik gedaan heb; en gijlieden die nabij zijt, bekent mijne macht. 14 De zondaren te Sion zijn verschrikt, beving heeft de huichelaars aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons die bij een verterend vuur wonen kan, wie is er onder ons die bij een eeuwigen gloed wonen kan? 15 Die in gerechtigheden wandelt en die billijkheden spreekt, die het gewir. der onderdrukkingen verwerpt, die zijne handen uitschudt dat ze geen geschenken |
JESAJA 34.
801
|
behouden, die zijn oor stopt dat hij geen bloedschulden hoore,en zijne oogen toesluit dat hij het kwaad niet aanzie: 16 die zal in de hoogte wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn ; zijn brood wordt hem gegeven, zijne wateren zijn gewis. 17 Uwe oogen zullen den Koning zien in zijne schoonheid, zij zullen een ver gelegen land zien. 18 Uw hart zal de verschrikking overdenken, : Waar is de schrij ver, waar is de betaals-heer, waar is hij die de torens telt? 19 Gij zult niet weer dat stuur-sche volk zien, het volk dat zoo diep van spraak is dat men het iiet hooren kan, van belachelij ke tong, hetwelk men niet verstaan kan. 20 Schouw Sion aan, de stad onzer bijeenkomsten; uwe oogen zullen Jeruzalem zien, eene geruste woonplaats, eene tent die niet terneder geworpen zal worden, welker pinnen in eeuwigheid niet zullen uitgetrokken worden, en van welker zelen geene zullen verscheurd worden; 21 maar de Heere zal aldaar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn eene plaats van rivieren, van wijde stroomen; geen roeischuit zal daar doorvaren en geen treüelijk schip zal daar overvaren.^ 22 Want do Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning, hij zal ons behouden. 23 Uwe touwen zijn slap geworden, zij zullen hunnen mastboom niet kunnen recht stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden, zelfs zullen de lammen den roof rooven, 24 en geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk dat daarin woont zal vergeving van ongerechtigheid hebben. HOOFDSTUK 34. Nadert gij heidenen, om te hooren, en gij volken luistert toe; |
de aarde hoore en hare volheid, de wereld en alles wat daaruit voortkomt. 2 Want de verbolgenheid dea Heeren is over alle de heidenen, en grimmigheid overal hun heir; hij heeft ze verbannen, hij heeft ze ter slachting overgegeven; 3 en hunne verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hunne doode lichamen zal hun stank opgaan, en de bergen zullen smelten van hun bloed; 4 en al het heir der hemelen zal uitteren en de hemelen zullen toegerold worden gelijk een boek, en al hun heir zal afvallen gel ijk een blad van den wijnstok afvalt, en gelijk eene vijg afvalt van den vijgeboora. 5 Want mijn zwaard is dronken geworden in den hemel, zie, het zal ten oordeel nederdalen op Edom, en op het volk hetwelk ik verbannen heb. 6 Het zwaard des Heeren is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed der lammeren en bokken, van het smeer van de nieren der rammen ; want de Heere heeft een slachtoffer te Bozra, en eene groote slachting in bet land der Edomiten. 7 Eu de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden. 8 Want het zal zijn de dag der wrake des Heeren, een jaar der vergeldingen om Sions twistzaak; 9 en hunne beken zullen in pek verkeerd worden, en hun stof in zwavel, ja, hunne aarde zal tot brandend pek worden, 10 het zal des nachts en des daags niet uitgebluscht worden, tot in eeuwigheid zal zijn rook opgaan, van geslachte tot geslachte zal het woest zijn, tot in eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan; 11 maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit en de raaf zal daarin wonen; want hij zal 2(3 |
JESAJA 35, 36.
802
|
een richtsuoer der woestheid over hen trekken, en een richtlood der ledigheid. 12 Hunne edelen (doch zij zijn daar niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hunne Vorsten zullen niets zijn. 13 En in hunne paleizen zullen doornen opgaan, netelen en dis-telen in hunne vestingen; en het zal eene woning der draken zijn, een zaal voor de jongen der struisen; 14 en de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten en de duivel zal zijnen metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal eene rustplaats voor zich vinden; 15 daar zal de wildé meerle nestelen en leggen, en hare jongen uitbikken en onder hare schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkander verzameld worden. 16 Zoekt in het boek desHEE-ren en leest; niet één van deze dinyen zal er feilen, het één noch het ander zal men missen: want mijn mond zelf heeft het geboden, en zijn Geest zelf zal ze samenbrengen^ 17 quot;Want hij zelf heeft voor hen het lot geworpen, en zijne hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer: tot in eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslachte tot geslachte zullen zij daarin wonen. HOOFDSTUK 35. De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vroolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen en zal bloeien als eene roos, 2 zij zal lustig bloeien en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen: de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des Heekex, het sieraad onzes Gods. 3 Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. |
4 Zegt den onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet; zie, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods, hij zal komen en ulieden verlossen. 5 Alsdan zullen der blinden oogen opengedaan worden, en der dooven ooren zullen geopend worden; 0 alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong der stommen zal juichen; want in do woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis, 7 en het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woning der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn, 8 en aldaar zal eene verlievene baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden: de onreine zal daar niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn: die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. 9 Daar zal geen leeuw7 zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen, 10 en de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vroolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden. HOOFDSTUK 36. En het geschiedde in het veertiende jaar van den KoningHiz-Ida, dat Sanherib, de Koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en ze innam. 2 En de Koning van Assyrië zond Eabsaké van Lachis naar Jeruzalem tot denKoningHizlda, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hoogen weg van het veld des vollers. 3 Toen ging tot hem uit Elja-kim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna de schrijver, |
JESAJA 37.
803
|
en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. 4 En Rabsaké, zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zóó zegt de groote Koning, de Koning van Aesyrië: Wat vertrouwen is dit waarmede gij vertrouwt? 5 Ik mocht zeggen (doch het is een woord der lippen): Daar is raad en macht tot den oorlog, op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert? 6 Zie, gij vertrouwt op dien gebroken rietstaf, op Egypte, die, zoo iemand daarop leunt, in zijne hand gaan en die doorboren zal: al zóó is Farao, de Koning van Egypte, allen dengenen die op hem vertrouwen. 7 Maar zoo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den Heere onzen God: â is hij die niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult ^ij u nederbuigen ? 8 Nu dan, wed toch met mijnen heer, den Koning van Assyrië, en ik zal u tweeduizend paarden geven, zoo gij voor u de ruiter*4 daarop zult kunnen geven. 9^ Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een éénigen Vorst van de geringste knechten mijns heeren af keeren ? Maar gij vertrouwt op Egypte om de wagenen en om de rui teren. 10 En nu, ben ik zonder den Heere opgetogen tegen dit land om dat te verderven? De Heere heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verderf het. 11 Toen zeide Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsaké: Spreek toch tot uwe knechten in het Syrisch, want wij verstaan het teel; en spreek niet met ons in het Joodsch, voor de ooren des volks dat op den muur is. 12 Maar Kabsaké zeide: Heeft mijn heer mij tot uwen heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek oten en hun water drinken zullen? |
13 Alzoo stond Rabsaké, en riep met luider stem in het Joodamp;ch, en zeide: Hoort de woorden des grooten Konings, des Konings van Assyrië. 14 Alzóó zegt de Koning: Dal. Hizkia u niet bedriege ; want hij zal u niet kunnen redden. 15 Daarenboven dat Hizkia u niet doe vertrouwen op den Heere, zeggende: De Heere zal ons zekerlijk redden, deze stad zal niet in de hand des Konings van Assyrië gegeven worden. 16 Hoort naar Hizkia niet, want alzóó zegt de Koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet een ieder va?! zijnen wijnstok en een ieder van zijnen vijgeboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs; 17 totdat ik kome en hale u naar een land als ulieder land is, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden. 18 Dat Hizkia ulieden niet verleide, zeggende: De Heere zal ons redden. Hebben de goden der volkeren een ieder zijn land gered uit de hand des Konings van Assyrië ? 19 Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Selarvaïm? Hebben zij ook Samarië van mijne hand gered ? 20 Welke zijn ze onder alle de goden dezer landen, die hun land uit mijne hand gered hebben, dat de Heere Jeruzalem uit mijno hand redden zoude? 21 Doch zij zwegen stil en antwoordden hem geen woord ; want het gebod des Konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden. 22 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia met gescheurde kleederen, en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen. HOOFDSTUK 37. En het geschiedde als de Koning Hizkia dat hoorde, zoo |
JESAJA 37.
804
|
scheurde hij zijne kleederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het Huis dea Heek en. 2 Daarna zond hij Eljakim den hofmeester, en Sebna den schrijver, en de oudsten der Priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den Proleet, denzoon van Amoz; 3 en zij zeiden tot hem: Alzoó zegt IlizKia: Deze dag is een dag der benauwdheid en der schelding en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en daar is geen kracht om te baren. 4 Misschien zal de Heere uw God hoorcn de woorden van llabsaké, denwelken zijn heer, de Koning van Assyrië, gezonden heeft om den levenden God te honen, en te schelden met woorden die de Heere uw God gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel dat gevonden wordt. 5 En de knechten van den Koning Hizkia kwamen tot Jesaja; 6 en Jesaja zeide tot hen: Zóó zult gijlieden tot uwen heer zeggen: Zóó zegt de Heere : Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede mij de dienaars des Konings van Assyrië gelasterd hebben. 7 Zie, ik zal eenen geest in hem geven, dat hij een gerucht hooren zal, en weder naar zijn land keeren; en ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen. 8 ,hZoo kwam Rabsaké weder, en hij vond den Koning van Assyriö strijdende tegen Libna; want, hij had gehoord dat hij van Lach is vertrokken was. 9 Als hij nu van Tirhaka,den Koning van Kusch, hoorde zeggen ; Hij is uitgetogen om tegen u te strijden, toen hij zulks hoorde zoo zond hij icerfer boden tot Hizkia, zeggende; 10 Zóó zult gijlieden spreken tot Hizkia, den Koning van Juda, zeggende; Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des Konings van As-iyrië niet gegeven worden. |
11 Zie, gij hebt gehoord wat de Koningen van Assyrië allen landen gedaan hebben, die verbannende ; en zoudt gij gered worden ? 12 Hebben de goden der volkeren, die mijne vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden die in Telassar waren ? 13 Waar is de Koning van Ha-math, en de Koning van Arpad, en de Koning der stad Sefarvaïm, Hena en Ivva? 14 Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen en die gelezen had, ging hij op in het Huis des Heeren, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des Heeren; 15 en Hizkia bad tot den Heere, zeggende: 16 O Heere der heirscharen, gij God Israels die tusschen de cherubs woont, gij zelf, gij alleen zijt de God aller koninkrijken der aarde, gij hebt den hemelen de aarde gemaakt. 17 O Heere, neig uw oor en hoor, Heere, doe uwe oogen open en zie, en hoor alle de woorden Sanheribs, die gezonden heeft oin den levenden God te honen. 18 Waarlijk, Heere, de Koningen van Assyrië hebben alle de landen, mitsgaders derzelver landerijen verwoest, 19 en hebben hunne goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van menschenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven. 20 ïiu dan, Heere onze God, verlos ons uit zijne hand: zoo zullen alle koninkrijken deraarde weten dat gij alleen de Heere zijt. 21 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen; Alzóó zegt de Heere de God Israels: Wat gij tot mij gebeden hebt tegen Sanherib, den Koning van Assyrië, heb ik gehoord. 22 Dit is het woord dat de Heere over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter Sions, i veracht u, zij bespot u, de doch- |
JESAJA 38.
805
|
ter Jemzalems schudt het hoofd achter «. 23 quot;VVien hebt gij gehoond en gelasterd, en tegen wien hebt gij de stem verheven en uwe oogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israels. 24 Door middel uwer dienstknechten hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogte der bergen, de zijden Libanons; en ik zal zijne hooge cederboomeu en zijne uitgelezen denneboomen afhouwen, en zal komen tot zijne uiterste hoogte, in het woud zijns echoonen velds. 25 Ik heb gegraven en de wateren gedronken, en ik heb met mijne voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen gedroogd. 26 Hebt gij niet gehoord dat ik zulks lang te voren gedaan heb, en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn om de vaste steden te verstoren tot woeste hoopen. 27 Daarom waren hare inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren ah het gras des velds, en de groene grasscheutjes, als het hooi der daken, en het brandkoren eer het overeind staat. 28 Maar ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen mij. 29 Om uw woeden tegen mij, en dat uwe woeling voor mijne ooren opgekomen is, zoo zal ik mijnen haak in uwen neus leggen, en mijn gebit in uwe lippen, en ik zal u doen wederkeeren door dien weg door denwelken gij gekomen zijt. 30 En dat zij u een teeken, dat men in dit jaar eten zal dat van zelf gewassen is, en in het t weede jaar daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar en maait, en plant wijngaarden en eet hunne vruchten. 31 quot;Want het ontkomene, dat overgebleven is van den huize Tan Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal op-waarts vrucht dragen. |
32 quot;Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion: de ijver des Heeren der heirscharen zal dit doen. 33 Daarom zóó zegt de Heere van den Koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten, ook zal hij met geen schild daarvóór komen, en zal geen wal daartegen opwerpen: 34 door den weg dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeeren, maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de Heere; 35 want ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om mijnentwille en om Davids mijns knechts wille. 30 Toen voer de Engel des Heeren uit en sloeg in het leger van Assyrië honderd v ij fentachti g-duizend; en toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, zie, die allen waren doode lichamen. 37 Zoo vertrok Sanherib, de Koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Ninevé. 38 Het geschiede nu als hij in het huis van Nisroch zijnen god zich nederboog, dat Adrammélech en Sarézer, zijne zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd Koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 38. In die dagen werd Hizkiakrank tot stervens toe; en de Profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzóó zegt de Heere: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven en niet leven. 2 Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den Heere, 3 en hij zeide: Och Heere, gedenk toch dat ik voor uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in uwe oogen is ge- |
JESAJA 89.
806
|
daan heb. En Hizkia weende gausch zeer. 4 Toen geschiedde het quot;W oord des Heeren tot Jesaja, zeggende: 5 Ga henen en zeg tot Hizkia: Zóó zegt de Heere, de God uws vaders Davids: Ik heb uw gebed gehoord, ik heb uwe tranen gezien : zie, ik zal vijftien jaar tot uwe dagen toedoen, G en ik zal u uit de hand des Konings van Assyriö verlossen, mitsgaders deze stad, en ik zal deze stad beschermen. 7 En dit zal u een teeken zijn van den Heere, dat de Heere het woord dat hij gesproken heeft doen zal: 8 zie, ik zal de schaduw der graden die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keeren. Dies is de zon tien graden teruggekeerd op de graden die zij nederwaarts gegaan was. 9 Dit ie het geschrift van Hizkia, den Koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijne ziekte genezen was. 10 Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen zal ik tot de poorten des grafs henengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren. 11 Ik zeide: Ik zal den Heere niet meer zien, den Heere, in het land der levenden; ik zal de menschen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld. 12 Mijns levens tijd is weggetogen en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut, ik heb mijn leven afgesneden gelijk een wever zijn web; hij zal mij afsnijden als van den drom, van den dag tot den nacht zult gij aan mij een einde gemaakt hebben. 13 Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe: gelijk een leeuw, alzóó zal hij alle mijne beenderen breken; van den dag tot den nacht zult gij aan mij een einde gemaakt hebben. 14 Gelijk eene kraan o/zwaluw, alzoó piepte ik: ik kirde als eene duive; mijne oogen verhieven zich omhoog, o Heere, ik word onderdrukt, wees gij mijn borg. |
15 quot;Wat zal ik spreken? Gelijk hij het mij heeft toegezegd, alzóó heeft hij het gedaan; ik zal nu al zoetkens voorttreden alle mijne jaren, vanwege de bitterheid mijner ziele. 16 Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven mijns geestes; want gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen. 17 Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar gij hebt mijne ziele liefelijk omhelsd, dat ze in de groeve der vertering niet kwame; want gij hebt al mijne zonden achter uwen rug geworpen. 18 Want het graf zal u niet loven, de dood zal u niet prijzen ; die in den kuil nederdalen, zullen op uwe waarheid niet hopen. 19 De levende, de levende, die zal u loven gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen uwe waarheid bekend maken. 20 De Heere was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen, alle de dagen onzes levens, in het Huis des Heeren. 21 Jesaja nu had gezegd: Laat ze nemen eenen klomp vijgen, en tot eene pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen. 22 En Hizkia had gezegd: Welk zal het teeken zijn, dat ik ten Huize des Heeren zal opgaan? HOOFDSTUK 39. Te dier tijd zond Merodach-Baladan, de zoon van Baladan, de Koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij krank geweest, en weder sterk geworden was. 2 Er. Hizkia verblijdde zich over he;n, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn gansche wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijne schatten: daar was geen ding in zijn huis noch in zijne gansche heer- |
JESAJA 40.
807
|
Bchappij dat Hizkia hun niet toonde. 3 Toen kwam de Profeet Je-saja tot den Koning Hizkia, en zeide tot hem: Wat hsbben die mannen gezegd, en van waar zijn aij tot u gekomen? En Hizkia zeide: Zij zijn uit venen lande tot mij gekomen, uit Babel. 4 En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En.Hizkia zeide: Zij hebben alles gezien wat in mijn huis is, geen ding is er in mijne schatten dat ik hun niet getoond heb. 5 Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des Heeren der heirscharen. 6 Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uwe vaders opgelegd hebben ten schat tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden: daar zal niets overgelaten worden, zegt de Heere.^ 7 Daarbij zullen zij vo.n uwe zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des Konings van Babel. 8 Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des Heeren dat gij gesproken hebt is goed. Ook zeide hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijne dagen. HOOFDSTUK 40. Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen; 2 spreekt naar het harte van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar su*;jd vervuld is, dat hare ongerechllfaheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor alle hare zonden. 3 Een stem des roependen in de woestijn : Bereidt den weg des Heeren, maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God! 4 Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot eene vallei gemaakt worden; |
5 en de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden, en alle vleesch te gelijk zal zien dat het de mond des Heeren gesproken heeft. 6 Eene stem zegt: Eoep, en hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vleesch is gras, en al zijne goedertierenheid als eene bloem des velds: 7 het gras verdort, de bloïm valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast; voorwaar het volk is gras. 8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid. 9 O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uwe stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg tot de steden van Juda: Ziehier is uw God. 10 Zie, de Heere Heere zal komen tegen den sterke, en zijn arm zal heerschen ; zie, zijn loon is bij hem, en zijn arbeidsloon is voor zijn aangezicht. 11 Hij zal zijne kudde weiden gelijk een herder, hij zaldelam-merkens in zijne armen vergaderen en in zijnen schoot dragen, de zogende zal hij zachtkens leiden. 12 Wie heeft de wateren met zijne vuist gemeten en van de hemelen met de spanne de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in eene waag en de heuvelen in eene weegschaal ? 13 Wie heeft den Geest des Heeren bestierd, en tcie heeft hem als zijn raadsman onderwezen ? 14 Met wien heeft hij raad gehouden, die hem verstand zoude geven, en hem zoude leeren van het pad des rechts, en hem wetenschap zoude leeren, en hem zoude bekend maken den wegdesveel-voudigen verstands? 15 Zie, de volkeren zijn geacht als een druppel van eenen emmer, en als een stofje van de weeg- |
JESAJA 4L
808
|
Behaal; zie, hij werpt de eilanden henen als dun stof; 16 en de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer; 17 alle volken zijn als niets voor hem, en zij worden bij hem minder geacht dan niets en ijdel-heid: 18 bij wien dan zult gij God vergel ijken, of wat gelijkenis zult gij op hem toepassen? 19 De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goiid, en giet er zilveren ketenen toe: 20 die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit dat niet verrotte, hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden f/at niet wankele. 21 Weet gijlieden niet, hoort gij niet, is het u van den beginne niet bekend gemaakt, hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet ? 22 Hij is het die daar zit boven den kloot der aarde, en hare inwoners zijn als sprinkhanen; hij is het die de hemelen uitspant als eenen dunnen doek, en breidt ze uit als eene tent om te bewonen ; 23 die de Vorsten te niet maakt, de richters der aarde maakt hij als ijdelheid; 24 ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als hij op hen blazen zal, zoo zullen zij verdorren, en een stormwind zal ze als een stoppel wegnemen; 25 bij wien dan zult gijlieden mij vergelijken, dien ik gelijk zij ? zegt de Heilige. 26 Heft uwe oogen op omhoog, en ziet wie deze dingen geschapen heeft: die in getale hun heir voortbrengt, die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid zij-ver krachten en omdat hij sterk van vermogen is: daar wordt er niet één gemist. |
27 Waarom zegt gij dan o Jakob, en spreekt o Israël: Mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbij ? 28 Weet gij het niet, hebt gij niet gehoord dat de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van zijn verstand. 29 Hij geeft den moede kracht, en hij vermenigvuldigt de sterkte dien die geene krachten heeft: 30 de jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; 31 maar die den Heebe verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden. HOOFDSTUK 41. Zwijgt voor mij gij eilanden, en laat de volkeren de krocht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken, laat ons te zamen ten gerichte naderen. 2 Wie heeft van den opgang dien rechtvaardige verwekt, heeft hem geroepen op zijnen voet, de heidenen voor zijn aangezicht gegeven en gemaakt dat hijorer Koningen heerschte, heeft ze aan zijn zwaard gegeven als stof, aan zijnen boog als een voortgedreven stoppel. 3 dat hij ze najoeg en doortrok met vrede, door een pad hetwelk hij met zijne voeten niet betreden had? 4 Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van den beginne? Ik de Heere, die de eerste ben, en met. do laatsten bsn ik dezelfde. o De eilanden zagen het en zij vreesden; do einden der aarde beefden, zij naderden en kwamen toe: 6 de één hielp den ander, en zeide tot zijnen metgezel: Wees sterk; 7 en de werkmeester versterkte den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dengene die op het aanbeeld slaat, zéggende van het |
JESAJA 41.
809
|
goldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele. 8 Maar gij Israël mijn knecht, gij Jakob dien ik verkeren heb, het zaad Abrahams nrjns liefhebbers; 9 gij welken ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit hare bij zondersten geroepen heb, en zcide tot u: Gij zijt mijn knecht, n heb ik uitverkoren en heb u niet verworpen: â 10 vrees niet, want ik ben met u: wees niet verbaasd, want ik ben uw God; ik sterk u, ook ondersteun ik u met de rechterhand mijner gerechtigheid. 11 Zie, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niets, en de lieden die met u twisten, zullen vergaan. 12 gij zult ze zoeken maar zult ze niet vinden; de lieden die met u twisten, zullen worden als niets, en de lieden die met u oorlogen, als een nietig ding. 13 Want ik de Heere uw God grijp uwe rechterhand aan, die tot u zeg: Vrees niet, ik helpu. 14 Vrees niet gij wormpje Ja-kobs, gij volkje Israels. Ik help u, spreekt de Hf.ere, en uw Verlosser is de Heilige Israels. 15 Zie, ^ ik heb u tot eene scherpe nieuwe dorschslede gesteld, die scherpe pennen heelt; gij zult bergen dorschen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen gelijk kaf; 1(5 gij zult se wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in den Heere, in den Heilige Israels zult gij roemen. 17 De ellendigen en nooddruf-tigen zoeken water, maar daar is geen; hunne tong versmacht van dorst: ik de Heere zal ze verhoeren, ik de God Israels zal ze niet verlaten; 18 ik zal rivieren op de hooge Ãilaatsen openen, en fonteinen in i«n midden der valleien; ik zal de woestijn tot een waterpoelilaatsen openen, en fonteinen in i«n midden der valleien; ik zal de woestijn tot een waterpoel |
zetten, en het dorre land tot watertochten; 19 ik zal in de woestijn den cederboom, den sittimboom en den mirteboom en den olieach-tigen boom zetten, ik zal in de wildernis stellen den denneboom, den beuk, en den buxboom te gelijk; 20 opdat zij zien en bekennen en overleggen en tegelijk verstaan, dat de hand des Hf.eren zulks gedaan en dat de Heilige Israels zulks geschapen heeft. 21 Brengt ulieder twistzaak voort, zegt de Heere ; brengt uwe vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning Jakobs. 22 Laat ze voortbrengen en ons verkondigen de dingen die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen en het einde daarvan weten ; of doet ons de toekomende dingen hooren. 23 Verkondigt dingen die hierna komen zullen, opdat wij weten dat gij goden zij t; ja, doet goed en doet kwaad, dat wij verbaasd staan en te zamen toezien. 24 Zie, gijlieden zijt minder dan niets, en ulieder werk is erger dan eene adder; hij is een gruwel, die ulieden verkiest. 25 ik verwek eenen van het Noorden, en hij zal komen van den opgang der zon; hij zal mijnen naam aanroepen, en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker de klei treedt. 26 AVie heeft wat verkondigd van den beginne, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig? Maar daar is niemand die het verkondigt, ook niemand die uat hooren doet, ook niemand die ulieder woorden hoort. 27 11c de eerste zeg tot Sion: Zie, zie ze daar, en tot Jeruzalem: Ik zal eenen blijden boodschapper geven. 28 Want ik zag toe, maar daar was niemand, zelfs onder deze, maar er waa geen raadgever, dal 2G* |
|
810 J E S A. ik hen zonde vragen en zij mij antwoord geven zouden. 29 Zie, zij zijn altemaal ijdel-heid, hunne werken zijn een nietig ding, hunne gegoten beelden zijn wind en een ij del ding. HOOFDSTUK 42. Zie, mijn knecht, dien ik on-dersteune, mijn uitverkorene, in dmwelken mijne ziel een welbehagen heeft. Ik heb mijnen Geest op hem gegeven, hij zal liet recht den heidenen voortbrengen, 2 Hij zal niet schreeuwen, noch zijne stem verheffen, noch zijne stem op de straat laten hooren. 3 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uitblus-schen; met waarheid zal hij het recht voortbrengen. 4 Hij zal niet verdonkerd worden en hij zal niet verbroken worden, totdat hij het recht op aarde zal hebben besteld, en de eilanden zullen naar zijne leer wachten. 5 Alzóó zegt God de IIeere, die de hemelen geschapen en. dezelve uitgebreid heeft, die de aarde uitgespannen heeft en wat daaruit voortkomt, diedenvolke dat daarop is den adem geeft, en den geest dengenen die daarop wandelen. G Ik de Heeee heb u geroepen in gerechtigheid, en ik zal n bij uwe hand grijpen; en ik zal u behoeden, en ik zal u geven tot een verbond des volks, tot een licht der heidenen, 7 om te openen de blinde oogen, om den gebondene uit te voeren uit de gevangenis, cn uit het gevangen! in is degenen die in duisternis zitten. 8 Ik ben de Heere, dat ismijn naam, en mijne eer zal ik gee-nen anderen geven, noch mijnen lof aan de gesneden beelden. 9 Zie, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwelingen verkondig ik, eer dat zij uitspruiten doe ik ulieden die hooren. _ 10 Zingt den Heere een nieuw lied, zijnen lof van het einde der aarde; gij die ter zee vaart en al |
A 42. wat daarin is, gij eilanden en hunne inwoners. 11 Laat de woestijn en hare steden de stem verheften, met de dorpen die Kedar bewoont; laat ze juichen die in de rotssteenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen. 12 Laat ze den Heere de eere geven, en zijnen lof in de eilanden verkondigen. 13 De Heere zal uittrokken als een held, hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; hij zal juichen, ja, hij zal een groot getier maken ; hij zal zijne vijanden overweldigen. 14 Ik heb van ouds gezwegen, ik heb mij stilgehouden en mij ingehouden: ik zal uitschreeuwen als eene die baart, ik zal ze verwoesten en te zumen opslokken, 15 ik zal bergen en heuvelen woest maken en al hun gras zal ik doen verdorren, en ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen, 16 en ik zal de blinden leiden door den weg dien zij niet geweten hebben, ik zal ze doen treden door de paden die zij niet geweten hebben, ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en bet kromme tot recht: deze dingen zal ik hun doen, en ik zal ze niet verlaten. 17 Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden^zeggen: Gij zijt onze goden, die zullen achterwaarts keeren, en met schaamte beschaamd worden. 18 Hoort gij dooven, en staart gij blinden, om te zien. 19 Wie is er blind dan mijn knecht, en doof gelijk mijn bode dien ik zend? Wie is blind gelijk de volmaakte, en blind gelijk de knecht des Heeren? 20 Gij ziet wel vele dingen, maar gij bewaart ze niet; of-sc^ooii hij de ooren opendoet, zoo hoort hij toch niet. 21 De Heere had lust aan om zijner gerechtigheid wille, hij maakte hem groot door de wet en hij maakte hem heerlijk. |
JESAJA 43.
811
|
22 Maar nu ia het een beroofd en geplunderd volk, zij zijn allen verstrikt in de holen en verstoken in de gevangen huizen, zij zijn tot eenen roof geworden en er is niemand die ze redt, tot eene plundering en niemand zegt: Geeft ze weder. 23 Wie onder ulieden neemt zulks ter oore, icie mei kt óp en hoort wat hierna zijn zal? 24 Wie heeft Jakob tot eene plundering overgegeven, en Israël den roovers? Is het niet de Heere, hij tegen wien wij gezondigd hebben ? Want zij wilden niet wandelen in zijne wegen, en zij hoorden niet naar zijne wet: 25 daarom heeft hij over hen uitgestort de grimmiglie:d zijns toorns en de macht des oorlogs, en hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte. HOOFDSTUK 43. Maar nu, alzóó zegt de Heere, uw schepper o Jakob, en uw formeerder o Israël; Vrees niet, want ik heb u verlost, ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt mijn. 2 Wanneer gij zult gaan door het water, _ ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen ; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. 3 Want ik ben de Heef.e uw God, de Heilige Israels, uw Heiland ; ik heb Egypte, Moorenland en Seba gegeven lot uw losgeld in uwe plaats. 4 Van toen af dat gij kostelijk zijt geweest jn mijne oogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en ik heb u liefgehad; daarom heb ik menschen in uwe plaats gegeven en volken in plaats van uw ziele. 5 Vrees niet, want ik ben met u; ik zal uw zaad van den opgang brengen, en ik zal u verzamelen van den ondergang; |
6 ik zal zeggen tot het Noorden; Geef, en tot het Zuiden: Houd niet terug, breng mijne zonen van verre en mijne dochters van het einde der aarde, 7 een ieder die naar mijnen naam genoemd is, en dien ik geschapen heb tot mijne eere, dien ik geformeerd heb, dien ik ook gemaakt heb. 8 Breng voort het blinde volk hetwelk oogen heeft, en de dooven die ooren hebben; 9 laat alle de heidenen samen-vergaderd worden, en laat de volkeren verzameld worden : wie onder hen zal dit verkondigen? Of _ laatgt; ze ons doen hooren de vorige dingen, laat ze hunne getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hoore en zegge: Het is de waarheid. 10 Gijlieden zijt mijne getuigen, spreekt de Heere, en mijn knecht dien ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en mij gelooft, en verstaat dat ik het ben, dat vóór mij geen God geformeerd is, en na mij geen zijn zal: 11 ik, ik ben de IIef.re, en daar is geen Heiland behalve ik. 12 Ik heb verkondigd, en ik heb verlost, en ik heb het doen hooren, en geen vreemd rjod was onder ulieden; en gij zijt mijne getuigen, spreekt de Heere, 'dat ik God ben. 13 Ook eer de dag was, ben ik, en daar is niemand die uit mijne handredden kan; ik zal werken, en wie zal het keeren? 14 Alzóó zegt de Heere uw Verlosser^ de Heilige Israëls: Om ulieder wille heb ik naar Babel gezonden, en heb ze allen vluchtend doen nederdalen, te weten de Chaldeëp, in de schepen op welke zij juichten. 15 Ik ben de Heere uw Heilige, de Schepper Israëls, ulieder Koning. 1G Alzóó zegt de Heere, die in de zee eenen weg en in de sterke wateren een pad maakte, 17 die wagens en paarden, heir en macht voortbracht: te zamen liggen zij neder, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitge- |
|
812 J E S A blnscht, gelijk eene vlaswiek zijn zij uitgegaan. 18 Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet. 19 Zie, ik zal wat nieuws maken, nu zal liet uitspruiten:zult gijlieden dat niet weten? Ja, ik zal in de woestijn eenen weg leggen, en rivieren in de wildernis ; 20 het gedierte des velds zal mij eeren, de draken en dejonge struisen ; want ik zal in de woestijn wateren geven, rivieren in de wildernis, om mijn volk, mijnen uitverkorene, drinken te geven; 21 dit volk heb ik mij geformeerd, zij zullen mijnen lofver-tellen. 22 Doch gij hebt mij niet aangeroepen o Jakob, als gij u tegen mij vermoeid hebt o lsraël; 23 mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandotferen, en met uwe slachtotieren hebt gij mij niet geëerd; ik heb u mij niet doen dienen met spijsoffer, en ik heb u niet vermoeid met wierook; 24 mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vet uwer slachtofferen hebt gij mij niet gedrenkt; maar gij hebt mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt mij vermoeid met uwe ongerechtigheden. 25 Ik, ik ben het die uwe overtredingen uitdelg om mijnentwil, en ik gedenk uwer zonden niet. 26 Maak mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertel gij mee redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden. 27 Uw eerste vader heeft gezondigd, en uwe uitleggers hebben tegen mij overtreden: 28 daarom zal ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen. HOOFDSTUK 44. Maar hoor nu, mijn knecht Jakob, en Israël dien ik verkoren heb. 2 Zóó zegt de Heere, uw ma- |
FA 44. ker en uw formeerder van de moederschoot af, die u helpt: Vrees niet o Jakob, mijn knecht, en gij Jeschurun dien ik uitverkoren heb; 3 want ik zal water gieten op den dorstige en stroomen op het droge; ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten, en mijnen zegen op uwe nakomelingen; 4 en zij zullen uitspruitentus-schen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. 5 Deze zal zeggen: Ik ben des Heerex, en die zni zich noemen met den naam Jakobs, en gene zal met zijne hand schrijven: llc hen des Heeren, en zich toe-noemen met den naam Israels. 6 Zoo zegt de Heere, de Koning Israëls, en zijn Verlosser, de Heere der heirscharen: Ik ben de eerste en ik ben de laatste, en behalve mij is er geen God: 7 en wie zal, gelijk ik, roepen en het verkondigen, en het ordelijk vóór mij stellen, sedert dat ik een eeuwig volk gesteldheb? Eu laat ze toekomstige dingen en die komen zullen hun verkondigen. 8 Verschrikt niet en vreest niet; heb ik het u van toen af niet doen hooren en verkondigd ? Want gijlieden zijt mijne getuigen ris er ook een God behalve ik? Immers is er geen andere rotssteen: ik ken er geen. 9 De formeerders van gesneden beelden zijn al tezamen ij delheid, en hunne gewenschte dingen doen geen nut, ja, zij zelve zijn hunne getuigen: zij zien niet en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden. 10 Wie formeert eenen god, en giet een beeld dat geen nut doet? 11 Zie, alle hunne medegenoo-ten zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de menschen; dat ze zich alte-maal vergaderen, dat ze opstaan: zij zuilen verschrikken, zij zullen beschaamd worden. 12 De ijzersmid maakt eene bijl, en werkt in den gloed, en |
|
JESi formeert het met hnmere, en bewerkt het met zijnen sterken arm, hij lijdt ook honger totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water totdat hij amechtig wordt. 13 De timmerman trekt het richtsnoer nit, hij teekent het af met den draad, hij maakt het effen met de schaven, en teekent liet met den passer, en maakt het naar de beeltenis eens mans, naar de schoonheid van een mensch, dat 't in het huis blijve. 14 Als hij zich cederen afhouwt, zoo neemt hij eenen ci-presseboom of een eik, en hij versterkt zich onder de boomen des wonds; hij plant eenen olmboom, en de regen maakt dien groot. 15 Dan is het voor den mensch om te verbranden, dan neemt hij daarvan en warmt er zich bij, ook ontsteekt hij het en bakt er brood bij : â daarenboven maakt hij er eenen god van en buigt zich daarvoor, hij maakt er gt; een gesneden beeld van en knielt er voor neder. 16 Zijne helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vleesch, hij braadt een gebraad en hij wordt verzadigd, ook warmt hij zich en hij zegt: Hal ik ben warm geworden, ik heb hot vuur gezien: â 17 hot overige nu daarvan maakt hij tot oenen god, tot zijn gesneden beeld, hij knielt daarvoor ^ neder en buigt zich, en aanbidt het en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god. 18 Zij weten niet en verstaan niet, want liet heeft hunne oogen bestreken dat zij niet zien, en hunne harten dat zij niet verstaan ; 19 en niemand van hen brengt het in zijn harte, en daar is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zoude: De helft,daarvan heb ik verbrand in net vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik Leb vleesch daarbij gebraden en heb het gegeten: en zoude ik |
JA 44. 813 het overblijfsel daarvan tot eenen gruwel maken, zoude ik neder-knielen voor hetgeen dat van eenen boom gekomen is? 20 Hij voedt zich met asch, het bedrogen hart heeft hem terzijde afgeleid; zoodat hij zijne ziel niet redden kan, noch zeggen : Is er niet eene leugen in mijne rechterhand? 21 Gedenk aan deze dingen, o Jakob en Israël, want gij zijt mijn knecht, ik heb u geformeerd, gij zijt mijn knecht, Israël, gij zult van mij niet vergeten worden; 22 ik delg uwe overtredingen uit als een nevel, en uwe zonden als eene wolk: keer weder tot mij, want ik heb u verlost. 23 Zingt met vreugde gij hemelen, want de Heere heeft het gedaan: juicht gij benedenste doelen dor aarde, gij bergen maakt een groot gedreun met vreugdogezang, gij bosschen en alle geboomte daarin, want de Heere heeft Jacob verlost en zich heerlijk gemaakt in Israël. 24 Alzóó zegt de Heere, uw Verlosser en die u geformeerd heeft van den moederschoot af: Ik ben de Heere, die alles doet. die den hemel uitbreidt, ik alleen, en die de aarde uitspant door zichzelven; 25 die de teekenen dor leugen-dichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; die de wijzen achterwaarts doet koeren, en die hunne^ wetenschap verdwaast; 26 die het woord zijns knechts bevestigt, en den raad zijner boden volbrengt; die tot Jeruzalem zegt: Gij zult bewoond worden, en tot de steden van Juda: Gij zult herbouwd worden, en ik zal hare verwoeste plaatsen oprichten; 27 die tot de diepte zegt: Verdroog, en uwe rivieren zal ik verdrogen; 28 die van Kores zegt: Hij is mijn herder, en hij zal al mijn welgevallen volbrengen, zeggende ook tot Jeruzalem: AVord gebouwd, en tot den Tempel: Word gegrond. |
|
814 JESA HOOFDSTUK 45. Al/óó zegt de HEERE tot zijnen gezalfde,f tot Koree, wiens rechterhand ik vat, om de volkeren voor zijn aangezicht neder te werpen, en ik zal de lendenen der Koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de denren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: 2 Ik zal voor uw aangezicht gaan, en ik zal de kromme wegen recht maken, de koperen deuren zal ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal ik in stukken slaan; 3 en ik zal u geven de schatten die in de duisternissen zijn, en de verborgen rijkdommen; opdat gij moogt weten dat ik de Heere ben, die u bij uwen naam roept, de God Israels; 4 om Jakobs mijns knechts wille en Israels mijns uitverkorenen ; ja, ik riep u bij uwen naam, ik noemde u toe, hoewel gij mij niet kendet. 5 Ik ben de Heer*:, en niemand meer, buiten mij is er geen God; ik zal u gorden, hoewel gij mij niet kendet; 6 opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten mij niets is: Ik ben de Heere, en niemand meer; 7 ik formeer het licht en schep de duisternis, ik maak den vrede en schep het kwaad, ik de Heere doe alle deze dingen. 8 Drupt gij hemelen, van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse en gerechtigheid te zamen uitspruite: ik de Heere he'b ze geschapen. 9 Wee dien die met zijnen formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven. Zefl ook het leem tot zijnen formeerder zeggen: Wat maakt gij ? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen? 10 Wee dien die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij ? |
JA 45. 11 Alzóó zegt de Heere, de Heilige Israëls en deszelfs formeerder: Zij hebben mij over toekomende dingen gevraagd; zoudt gij mij aangaande mijne kinderen en het werk mijner handen bevel geven? 12 Ik heb de aarde gemaakt, en ik heb den mensen daarop geschapen: ik ben het; mijne handen hebben de hemelen uitgebreid, en ik heb al hun heir bevel gegeven; 13 ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en alle zijne wegen zal ik recht maken; hij zal mijne stad bouwen, en hij zal mijne gevangenen loslaten, niet voor prijs noch voor geschenk, zegt de Heere der heirscharen. 14 Alzóó zegt de Heere: De arbeid der Egyptenaren en de koophandel der Mooren en der Sabeërs, der mannen van groote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen uwe zijn, zij zullen li navolgen, in boeien zullen zij overkomenen zij zullen zich voor u buigen, ^ zij zullen u smeeken, zeggende: Gewissel ijk. God is in u, en daar is anders geen God meer; 15 voorwaar gij zijt een God die zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland. 16 Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij met schande henengaan die de afgoden maken; 17 maar Israël wordt verlost door den Heere met eene eeuwige verlossing, gijlieden zult niet beschaamd noch tot echando worden tot. in alle eeuwigheden. 18 Want alzóó zegt de Heere die de hemelen geschapen heeft, die God die de aarde geformeerd en die ze gemaakt heeft; hij heeft ze bevestigd, hij heeft ze niet geschapen dat ze ledig zijn zoude, maai heeft ze geformeerd opdat men daarin wonen zoude: Ik ben de Heere, en niemand meer; 19 ik heb niet in het verborgen gesproken in eene donkere plaats der aarde, ik heb tot den |
|
JESAJ zade Jakobs niet gezegd: Zoekt mij te vergeefs; ik ben de Heere die gerechtigheid spreekt, die rechtmatige dingen verkondigt. 20 Verzamelt u en komt, treedt hier toe te zamen, gijlieden die van de heidenen ontkomen zijt. Zij weten niets, die hunne houten gesneden beelden dragen, en eenen god aanbidden die niet verlossen kan. 21 Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt te zamen: wie heeft dat laten hooren van oudsher, wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben ik het niet-de Heere ? en daar is geen God meer behalve ik, een rechtvaardig God.en een Heiland, niemand is er dan ik. 22 Wendt u naar mij toe, wordt behouden, alle gij 3inden der aarde; want ik ben God, en niemand meer; 23 ik heb gezworen bij mij zeiven, daar is een woord der gerechtigheid uit mijnen mond gegaan, en het zal niet weder-keeren: dat mij alle knie zal gebogen worden, alle tong mij zal zweren. 24 Men zal van mij zeggen: Gewisselijk, in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot hem zal men komen, maar zij zullen beschaamd worden, allen die tegen hem ontstoken zijn; 25 maar in den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het gansche zaad Is-raëls. HOOFDSTUK 4G. Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hunne afgoden zijn geworden voor de dieren en voor do beesten ; uwe opgeladene pakken zijn een last voor de vermoeide heesten; 2 te zamen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd; zij hebben den last niet kunnen redden, maar zij zelve zijn in de gevangenis gegaan. 3 Hoort naar mij, o huis Jakobs, en het gansche overblijfsel van het huis Israëls; gij die van mij gedragen zijt van den moe- |
L 46, 47. 815 derschoot af, en opgenomen van de baarmoeder af 4 En tot den ouderdom toe zal ik dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal ik ulieden diagen; ik heb het gedaan, en ik zal u opnemen, en ik zal dragen en redden. 5 Wien zoudt gijlieden mij nabeelden en evengelijk maken en mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden? 6 Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de weegschaal; zij huren eenen goudsmid, en die maakt het tot eenen god; zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor; 7 zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem en zetten hem aan zijne plaats: daar staat hij, hij wijkt van zijne plek niet, ja, roept iemand tot hem, zoo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijne benauwdheid. 8 Gedenkt hieraan en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het harte, o gij overtreders. 9 Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat ik God ben, en daar is geen God meer, en daar is niet gelijk ik: 10 die van den beginne af verkondig het einde, en van ouds af de dingen die nog niet geschied zijn; die zeg: Mijn raad zal bestaan, en ik zal al mijn welbehagen doen; 11 die eenen roofvogel roep van het Oosten, een man mijns raads uit verren lande; ja, ik heb het gesproken, ik zal het ook doen komen; ik heb het geformeerd, ik zal het ook doen. 12 Hoort naar mij gij stijven van hart, gij die verre van de gerechtigheid zijt: 13 ik breng mijne gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en mijn heil zal niet vertoeven; maar ik zal heil geven in Sion, aan Israël mijne heerlijkheid. HOOFDSTUK 47. Daal af en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter Babels; zit op de aarde, daar is geen troon |
|
S16 JESA meer, gij dochter der Chaldeën, want gij zult niet meer genaamd worden de teedere noch de wellustige. 2 Neem den molen en maal meel; ontdek uwe vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de Echenkelen, ga door de rivieren. 3 Uwe schaamte zal ontdekt worden, ook zal uwe schande gezien worden; ik zal wraak nemen, en ik zal op n niet aanvallen ah een mensch. 4 Onzes Verlossers naam is Heere der heirscharen, de Heilige Israels. 5 Zit stilzwijgend en ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeën, want gij zult niet meer genoemd worden Koningin der koninkrijken. 6 Ik was op mijn volk zeer toornig, ik ontheiligde mijne erve, en ik gaf ze over in uwe hand; doch gij beweesthun geene barmhartigheden, ja, zelfs over den oude maaktet gij uw juk zeer zwaar; 7 en gij zeidet: Ik zal Koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt gij deze dingen niet in uw hart genomen, gij hebt aan het einde daarvan niet gedacht. è Nu dan, hoor dit gij weelde-rigo, die zoo zeker woont, die in haar hart zegt; Ik ben het, en niemand meer dan ik; ik zal niet als weduwe zitten noch de berooving van kinderen kennen: 9 doch deze beide dingen zullen a in een oogenblik overkomen, op één en dag, de berooving van kinderen en weduwschap: volkomen! ijk zullen zij u overkomen vanwege de veelheid uwer too-verijen, vanwege de menigte uwer bezweringen. 10 Want gij hebt op uwe boosheid vertrouwd, gij hebt gezegd: Niemand ziet mij: uwe wijsheid en uwe wetenschap heeft u af-keerig gemaakt, en gij hebt in uw harte gezegd: Ik ben het,en niemand meer dan ik. 11 Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult den dageraad daarvan niet weten; en een yerderf zal er op u vallen, het- |
A 4S. welk gij niet zult kunnen verzoenen; want daar zal snellijk een onstuimige verwoesting over u komen, dat gij het niet weten zult. 12 Sta nu met uwe bezweringen en met de veelheid uwer toovc-rijen, waarin gij gearbeid hebt van uwe jeugd af: of gij misschien voordeel kondt doen, of gij misschien u kondt sterken. 13 Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen: laat nu opstaan die den hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen, en laat ze u verlossen van de dingen die over u komen zullen: 14 zie, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zich niet kunnen rukken uit de macht der vlam; het zal geen kool zijn om zich hij te warmen, gemi vuur om daarvoor neder te zitten. 15 Alzóó zullen ze u zijn met welke gij gearbeid hebt, uwe handelaars van uwe jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen. HOOFDSTUK 43. Hoort dit gij huis Jakobs! die genoemd worden met den naam Israels, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijn; die daar zweren bij den naam des Heepj:^, en vermelden den God Israels, maar niet m waarheid noch ia gerechtigheid; 2 ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels: Heere der heirscharen is zijn naam. 3 De vorige dingen heb ik verkondigd van toen af, en uit mijnen mond zijn zij voortgekomen, en ik heb ze doen hooren; ik heb ze snellijk gedaan en zij zijn gekomen: 4 omdat ik wist dat gij hard zijt, en uw nek eene ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper. 5 Daarom heb ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam heb ik het u doen hooren; opdat gij niet misschien zoudt |
JESAJA 49.
817
|
«eggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld of mijn gegoten ijeeldlieeft ze bevolen. 6 Gij hebt hel gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe ik u nieuwe dingen hooren, en verborgen dingen en dié gij niet geweten hebt; 7 nu zijn ze geschapen, en niet van toen af, en vóór dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord, opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Zie, ik heb ze geweten; 8 ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen afis uw oor niet geopend geweest; want ik heb geweten dat gij gansch trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den moederschoot af een overtreder genaamd zijt. 9 Om mijns naams wille zal ik mijnen toorn langer uitstellen, en om mijns roems wille zc.1 ik, u ten goede, mij bedwingen, opdat ik u niet afhouwe. 10 Zie, ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. 11 Om mijnentwille, om mijnentwille zal ik het doen; want hoe zoude hij ontheiligd wordenI en ik zal mijne eere aan geenen anderen geven. 12 Hoor naar mij o Jakob, en gij Israël mijn geroepene. Ik ben het; ik ben de eerste, ook ben ik de laatste; 13 ook heeft mijne hand de aarde gegrond, en mijne rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten: wanneer ik roep, staan zij daar te zamen. 14 Vergadert u gij allen, en hoort: wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De Heere heeft hem lief, hij zal zijn welbehagen tegen Babel doen, en zijn arm zal tegen de Chaldeën zijn. 15 Ik, ik heb het gesproken, ook heb ik hem geroepen ; ik zal hem doen komen, eu hij zal voorspoedig zijn op zijnen weg. |
16 Nadert gijlieden tot mij, hoort dit: Ik heb van den beginne» niet in het verborgen gesproken, maar van dien tijd af dat het geschied is ben ik daar: en nu, de Heere Heeke en zijn Geest heeft mij gezonden. 17 Alzóó zegt _ de Heere uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de Heere uw God, die u leert wat nut is, die u leidt op den weg dien gij gaan moet. 18 Och, dat gij naar mijne go-boden geluisterd hadt; zoo zoude uw vrede geweest zijn als oeiio rivier, en uwe gerechtigheid als de golven der zee; 19 ook zoude uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uwe ingewanden voortkomen als des-zelfs steentjes; wiens naam niet zoude worden afgehouwen noch verdelgd van voor mijn aangezicht. 20 Gaat uit van Babel, vliedt van do Chaldeën, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks hooren, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De Heere heeft zijnen knecht Jakob verlost; 21 en: Zij hadden geen dorst, toen hij ze leidde door de woeste plaatsen; hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als hij den rotssteen kliefde, zoo vloeiden de wateren daarhenen. 22 Maar de goddeloozen hebben geen vrede, zegt de Heere. HOOFDSTUK 49. Hoort naar mij gij eilanden, en luistert toe gij volken van verre. De Helre heeft mij geroepen van den moederschoot af, van mijn moeders ingewand af heeft hij mijnen naam gemeld, 2 en hij heeft mijnen mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw zijner hand heeft hij mij bedekt; en hij heeft mij tot eenen zuiveren pijl gesteld, in zijnen pijlkoker heeft hij mij verborgen; 3 en hij heeft tot mij gezegd: Gij zijt mijn knecht, Israël door welken ik verheerlijkt zal worden. 4 Doch ik zeide: Ik heb te vergeefs gearbeid, ik heb mijne kracht onnuttelijk en ijdellijk besteed: gewisselijk, mijn recht |
J ESA JA 49.
81S
|
is bij den Heere, en mijn werkloon is bij mijnen God. 5 En nu zegt de Heere, die mij zich van den moederschoot af tot eenen knecht geformeerd heeft, dat ik Jakob tot hem we-derbrengen zoude; maar Israël zal zich niet verzamelen laten: nochtans zal ik verheerlijkt worden in de oogen des heeren,en mijn God zal mijne sterkte zijn. 6f Voorts zeide hij: Het is te gering dat gij mij een knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen Jakobs en om weder te brengen de bewaarden in Israël; ik heb u o#k gegeven ten licht der heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. 7 Alzoó zegt de Heere, de Verlosser Israels, _ zijn Heilige, tot de verachte ziele, tot dien aan welken het volk eenen gruwel heeft, tot den knecht dergenen die heerschen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook Vorsten, en zij zullen zich voor^ u buigen, om des Heeren wille die getrouw is, des Heiligen Israels die u verkoren heeft. 8 Alzoó zegt de Heere: Inden tijd des welbehagens heb ik u verhoord, en ten dage des heils heb ik u geholpen; en ik zal u bewaren, en ik zal u geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven: 9 om te zeggen tot de gebon-denen: Gaat uit, tot degenen die in de duisternis zijn: Komt te voorschijn. Zij zullen op de wegen weiden, en op alle hooge plaatsen zal hunne weide wezen; 10 zij zullen niet hongeren noch dorsten, en de hitte en de zon zal ze niet steken; want hun ontfermer zal ze leiden, en hij zal ze aan de springaders der wateren zachtkens leiden; 11 en ik zal alle mijne bergen tot eenen weg maken, en mijne banen zullen verhoogd zijn. 12 Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het Noorden en van het Westen, en geene uit het land Sinim. |
13 Juicht gij hemelen, en verheug u gij aarde, en gij bergen, maakt gedreun met gejuich ; want de Heere heeft zijn volk vertroostten hij zal zich over zijne ellendigen ontfermen. 14 Doch Sion zegt: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten. 15 Kan ook eene vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars schoots ? Ofschoon deze vergaten, zoo zal ik toch u niet vergeten. 16 Zie, ik heb n in de beide handpalmen gegraveerd, uwe muren zijn steeds vóór mij. 17 Uwe zonen zullen zich haasten, maar uwe verstoorders en uwe verwoesters zullen van u uitgaan. 18 Hef uwe oogen óp rondom, en zie, alle deze vergaderden zich, zij komen totu: Zooiuaar-achtig als ik leef, spreekt de Heere, zekerlijk gij zult u met alle dezen als met een sieraad bekleeden, en gij zult ze u aanbinden gelijk eene bruid; 19 want in uwe woeste en uwe eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult gij benauwd worden van inwoners, en die u verslonden zullen zich verre van u maken; 20 nog zullen de kinderen, waarvan gij beroofd waart, zeggen voor uwe ooren: De plaats is mij te nauw, wijk voor mij dat ik wonen mag; 21 en gij zult zeggen in uw harte: Wie heeft mij deze gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan en weggeweken, wie heeft mij dan deze opgevoed? Zie, ik was alléén o vergelaten, waar waren deze ? 22 Alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal mijne hand opheffen tot de heidenen, en tot de volkeren zal ik mijne banier opsteken ; dï.n zullen zij uwe zonen in de armen brengen, en uwe dochters zullen op den schoudèr gedragen worden; 23 en Koningen zullen uwe voedsteiheeren zijn, en hunne |
JESAJA 50, 51.
SID
|
Vorstinnen uwe zoogvrouwen: zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken, en gij zult weten dat ik de Heere ben, dat ze niet beschaamd zullen worden die mij verwachten. 24 Zoude ook eenen machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen? 25 Doch alzoó zegt de Heere: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tyranszal ontkomen; want met uwe twisters zal ik twisten, en uwe kinderen zal ik verlossen; 2lt;3 en ik zal uwe verdrukkers spijzen met hun eigen vleesch, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van zoeten wijn; en alle vleesch zal gewaar worden dat ik de Heere uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs. HOOFDSTUK 50. Alzóó zegt de Heere: Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmede ik baar weggezonden heb ? Of wie is er van mijne schuldeischers aan wien ik u verkocht heb ? Zie, om uwe ongerechtigheden zijt gij verkocht, en om uwe overtredingen is uwe moeder weggezonden. 2 Waarom kwam ik en daar was niemand, icaarom riep ik en niemand antwoordde? Is mijne hand dus gansch kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in mij geen kracht om uit te redden? Zie, door mijn schelden maak ik de zee droog, ik stel de rivieren tot eene woestijn, dat haar visch stinkt omdat er geen water is, en sterft van dorst; 3 ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn bedeksel. 4 De Heere Heere heeft mij eene tong der geleerden gegeven, opdat ik wete met den moede een woord ter rechter tijd te spreken; hij wekt allen morgen. |
hij wekt mij het oor, datikhoore gelijk die geleerd worden. 5 De Heere Heere heeft mij het oor geopend, en ik ben niet wederspannig, ik wijk niet achterwaarts. 6 Ik geef mijnen rug dengenen die mij elaan, en mijn© wangen dengenen die mij het haar uitplukken; mijn aangezicht verberg ik niet voor smaadheden en speeksel. 7 Want de Heere Heeke helpt mij, daarom word ik niet t© schande; daarom heb ik mijn aangezicht gesteld als eenen keisteen, want ik weet dat ik niet zal beschaamd worden. 8 Hij is nabij die mij rechtvaardigt; wie zal met mij twisten ? laat ons te zamen staan; wie heeft eene rechtzaak tegen mij? hij kome herwaarts tot mij. 9 Zie, de Heere Heere helpt mij, wie is het die mij zal verdoemen? Zie, zij zullen altemaal als een kleed verouderen, de motte zal ze eten. 10 Wie is er onder ulieden die den Heere vreest, die naar de stemme zijns knechts hoort ? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij be-trouwe op den naam des Heeren en steune op zijnen God. 11 Zie, gij allen die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt, wandeltlt; in de vlam van uw vuur, en in de spranken die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van mijne hand, in smarts zult gijlieden liggen. HOOFDSTUK 51. Hoort naar mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die den Heere zoekt: aanschouwt den rotssteen tcaar gijlieden uit gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt; 2 aanschouwt Abraham ulieder vader, en Sara die ulieden gebaard heeft; want ik riep hem toen hij nog alléén was, en ik zegende hem, en ik vermenigvuldigd© hem. 3 Want de Heere zal Sion |
|
820 JESA troosten, hij zal troosten alle hare woeste plaatsen, en hij zal hare woestijn maken als Eden, en hare wildernis als den hof des Heeren; vreugd en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en eene stem des gezangs. 4 Luistert naar mij mijn volk, en mijne lieden, neigt naar mij het oor; want eene wet zal van mij uitgaan, en ik zal mijn recht doen rusten tot een licht der volkereu. 5 Mijne gerechtigheid is nabij, mijn heil trekt uit, en^ mijne armen zullen de volken richten; op mij zullen de eilanden wach-tcn, en op mijnen arm zullen zij hopen. (5 Heft ulieder oogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouderen, en hare inwoners zullen insgelijks sterven; maar mijn heil zal in eeuwigheid zijn, en mijne gerechtigheid zal niet verbroken worden. 7 Hoort naar mij, gijlieden die de gerechtigheid jcent, gij volk in welks harte mijne wet is, vreest niet de smaadheid van den mensch, en ontzet u over hunne smaadredenen niet; 8 want de motte zal ze opeten als een kleed, en het schiet-wormpje zal ze opeten als wol; maar mijne gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en mijn heil van geslachte tot geslachten. 9 Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, gij arm des Heeren, ontwaak als in de verleden dagen, als in de geslachten van eertijds; zijt gij het niet die Raliab uitgehouwen hebt, die den zeedraak verwond hebt? 10 Zijt gij het niet die de zee, de wateren des grooten afgronds, droog gemaakt hebt tot eenen weg, opdat de verlosten daar doorgingen ? 11 Alzoo zullen de vrijgekoch-ten des Heeren wederkeeren en met gejuich tot Sion komen, en eeuwige blijdschap zal op hun |
FA 51. hoofd wezen; vreugd en blijdschap zullen zij aangrijpen,treuring en zuchtiug zullen weg-vlieden. 12 Ik, ik ben het die u trooste: wie zijt gij dat gij vreest voor den mensch die sterven zal, en voor eens menschen kind dat hooi worden zal, 13 en vergeet den Heere die u gemaakt heeft, die de hemelen heeft uitgebreid en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den ganschen dag vanwege de grimmigheid desbenauwers, wanneer hii zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers? 14 De omzwervende gevangene zal haastelijk losgelaten worden, en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken. 15 Want ik ben de Heere uw God, die de zee klieft dat hare golven bruisen: Heere der heir-scharen is zijn naam; 1G en ik leg mijne woorden in uwen mond, en bedek u ouder de schaduw mijner hand, om den hemel te planten en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: Gij zijt mijn volk. 17 Waak óp, waak óp, sta óp Jeruzalem, gij die gedronken hebt van de hand des Heeren den beker zijner grimmigheid; den droesem des bekers der zwijmeling hebt gij gedronken, ja, uitgezogen. 18 ^ Ãaar is niemand van alle de kinderen die zij gebaard heeft, die haar zachtkens leidt; cn niemand van alle de kinderen die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt. 19 Deze twee dingen zijn u wedervaren: wie heeft medelijden met u ? Daar is verwoesting en verbreking en honger en zwaard: door wien zal ik u troosten? 20 Uwe kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net: zij zijn vol van de grimmigheid des Heeren, van het schelden uws Gods. |
JESAJA 52, 53.
821
|
21 Daarom hoor nu dit gij bedrukte, en gij dronkene, maar niet van wijn: 22 AI zóó zegt uwe Heere, de Heere en uw God, die zi;ns volks zaak twisten zal: Zie, ik neem den beker der zwijmeling van uwe hand, den droesem des bekers mijner grimmigheid, gij zult dien voortaan niet meer drinken; 23 maar ik zal hem dien dicu bedroefd hebben in do hand geven, die tot uwe ziele zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en ge legdet uwen rug neder als narde en als eene straat dengenen die daar overgaan. HOOFDSTUK 52. Waak óp, waak óp, trek uwe sterkte aan, o Sion, trek uwe sierlijke kleederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad, want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. 2 Schud u uit het stof, maak u op, zit neder, o Jeruzalem, maak u los van de banden van uwen hals, gij gevangene dochter Sions. r 3 Want zóó zegt de Heere: Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden. 4 Want zóó zegt de Heere Heere: In vorige tijden trok mijn volk af in Egypte om als vreemdeling aldaar te verkeeren, *n Assur heeft hetzelve om niet onderdrukt. 5 En nu, wat heb ik hier te Horn, spreekt de Heere, dewijl mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die over hetzelve heerschen het doen jammeren, spreekt de Heere, en mijn naam gestadig den ganschen dag gelasterd wordt? 6 Daarom zal mijn volk, daarom zal het mijnen naam in dien dog kennen, dat ik het zelf ben die spreek: Zie, hier ben ik. 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten deegenen die het goede boodschapt, die den vrede doet hoeren; desgenen die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren; desgenen die tot Sion zegt: Uw God in Koning. |
8 Daar is een stemme uwer wachters, zij verhellen de stem, zij juichen te zamen; want zij zullen oog aan oog zien, als do Heere Sion wederbrengen zal, 9 Maakt een geschal, juicht to zamen, gij woeste plaatsen Jeru-zalems, want de Heere heeft zijn volk getroost, hij heeft Jeruzalem verlost; _ 10 de Heere heeft zijnen heiligen arm ontbloot voor de oogen aller heidenen, en alle de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods. 11 Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van haar, reinigt u, gij die de vaten des Heeren draagt ; 12 want gijlieden zult niet met haaste uitgaan noch met der vlucht henengaan, want de Heere zal voor ulieder aan gezicht henen-trekken, en de God Israels zal uw achtertocht wezen. 13 Zie, mijn knecht zal ver-standiglijk handelen, hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden. 14 Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, â alzoo verdorven was zijn gelaat, meer dan van iemand, en zijne gedaante, meer dan van andere menschen-kinderen, â 15 alzóó zal hij vele heidenen besprengen, ja, de Koningen zullen hunnen mond over hem toehouden ; want denwelken liet niet verkondigd was, die zullen hot zien, en welke het idet gehoord hebben, die zullen het verstaan. HOOFDSTUK 53. Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? 2 Want hij is als een rijsje voor zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit eene dorre aarde: hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij hem aanzagen, zoo was er geen gestalte dat wij hem zouden begeerd hebben. |
|
822 JESA 3 Hij was veracht en de onwaardigste ouder de menschen, een man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor hem; hij was veracht, en wij hebben hem niet geacht. 4 Waarlijk hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze smarten die heeft hij gedragen; doch wij achtten hem dat hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. J5 Maar hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden. 6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg; doch de Heere heeft onzer aller onge-rechtigheid op hem doen auu-loopen. 7 Als dezelve geëischt werd, toen werd hij verdrukt; doch hij deed zijnen mond niet open:als een lam werd hij ter slachting geleid,^ en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoó deed hij zijnen mond niet open. 8 Hij is uit den angst en uit het gerichte weggenomen, en wie zal zijnen leeftijd uitspreken? Want hij is afgesneden uit het land der levenden: om de overtreding mijns volks is de plage op hem geweest. 9 En men heeft zijn graf bij de goddeloozcn gesteld, en hij is bij den rijke in zijnen dood geweest, omdat hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijnen mond geweest is. 10 Doch het behaagde den Hei;re hem te verbrijzelen, hij heeft hem krank gemaakt: als zijne ziel -/Ach lot een schuldotter gesteld^ zal hebben, zoo zal hij zaad zien, hij zal de dagen verlengen, en liet welbehagen des Helken zal door zijn hand ge-lukkiglijk voortgaan. 11 Om den arbeid zijner ziele |
IA 54. zal hij het zien, en verzadigd worden; door zijne kennisse zal mijn knecht de rechtvaardige velen rechtvaardig maken, want hij zal hunne ongerechtigheden dragen. 12 Daarom zal ik hem een deel geven van velen, en hij zal de machtigen als een roof deelen, omdat _ hij zijne ziele uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is gesteld geweest, en hij veler zonden gedragen heeft en voor de overtreders gebeden heeft. HOOFDSTUK 54. Zing vroolijk, gij onvruchtbare die niet gebaard hebt ; maak geschal met vroolijk gezang en juich, die geen barensnood gehad hebt; want de kinderen der eenzame zijn meer dan de kinderen der getrouwde, zegt de Heere. 2 Maak de plaats uwer teute wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uwe koorden lang, en steek uwe pinnen vast in. 3 Want gij zult uitbreken ter rechter- en ter linkerhand, en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen. 4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en wordt niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten, en den smaad van uw weduwschap zult gij niet meer gedenken. 5 Want uw maker is uw man, Heere der heirscharen is zijn naam; e.a de Heilige Israels is uw Verlosser, hij zal de God des ganschen aardbodems genoemd worden. 6 Want de Heere heeft u geroepen als een verlatene vrouw en bedroeide van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gn versmaad zijt geweest, zegt uw God. 7 Voor^ eenen kleinen oogen-blik heb ik u verlaten, maar met groote ontfermingen zal ik u vergaderen ; |
JESAJA 55.
823
|
8 in een en kleinen tocrn heb ik mijn aangezicht van n een oogen-blik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal ik mij uwer ontfermen, zegt de Heere uw Verlosser. 9 Want dat zal mij zijn als de wateren Noachs, toen ik zwoer dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan: al-zoo heb ik gezworen dat ik niet ?neer op u toornen noch a schelden zal. 10 Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw ontfermer. 11 Gij verdrukte door or weder voortgedrevene, ongetrooste, zie, ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en ik zal n op saüïe-ren grondvesten; 12 en uwe glasvensters zal ik kristallijnen maken, en uwe poorten van robijn steenen, en uwe gansche landpale van aangename ste'enen. 13 En alle uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn. 14 Gij zult door gerechtigheid bevestigd^ worden; wees verre van verdrukking, want gij zult niet vreezen, en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken. 15 Zie, zij zullen zich zekerlijk vergaderen, doch niet uit mij; wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwille vallen. 16 Zie, ik heb den smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb ik den verderver geschapen om te vernielen. 17 Alle instrument dat tegen u bereid wordt dat zal niet gelukken, en alle tong die in het gericht tegen u opstaat zult gij verdoemen: dit is de erve der knechten des Heeren, en hunne gerechtigheid is uit mij, spreekt de Heere. |
hoofdstuk; 55. O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2 Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtelijk naar mij, en eet het gt; goede, en laat uwe ziele in vettigheid zich verlustigen. 3 Neigt uw oor en komt tot mij, hoort en uwe ziele zal leven; want ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u (teven de gewisse weldadigheden Davids. 4 Zie, ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, eenen Vorst en Gebieder der volken. 5 Zie, gij zult een volk roepen dat gij niet kendet, en het volk dat u niet kende zal tot u loopen, om des Heeren uws Gods wille, en om des Heiligen Israëls wille, want hij heeft u verheerlijkt. 6 Zoekt den Heere terwijl hij te vinden is, roept hem aan terwijl hij nabij is. 7 De goddelooze verlate zijne weg, en de ongerechtige man zijne gedachten; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal hij zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want hij vergeeft menigvul-diglijk. 8 Want mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet mijne wegen, spreekt de Heere; 9 Want gelijk de hemelen hoo-ger zijn dan de aarde, alzóó zijn mijne wegen hooger dan uwe wegen, en mijne gedachten dan ulieder gedachten. 10 Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde, en maakt dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier en brood den eter: 11 alzóó zal mijn Woord, dat uit mijnen mond uitgaat, óók zijn: het zal niet ledig tot mij wederkceren, maar het zal doen |
|
824 JESAJ hetgeen dat mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe ik het zende. 12 Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid -worden: de bergen en heuvelen zullen geschal maken we^vroolijk gezang voor uw aangezicht, en allo boomen dea velds zullen de handen samenklappen. 13 Voor eenen doorn zal een denneboom opgaan, voor eene distel zal een mirteboom opgaan; en het zal den Heere wezen tot oenen naam, tot een eeuwig toeken dat niet uitgeroeid zal worden. HOOFDSTUK 5G. Alzóó zegt de Heere: Bewaart het recht en doet gerechtigheid; want mijn heil is nabij om te komen, en mijne gerechtigheid oi n geopenbaard te worden. 2 Welgelukzalig is de mensch die zulks doet, en dos menschen kind dat vast daaraan houdt, die den sabbat houdt zoodat hij dien niet ontheiligt, en die zijne hand bewaart van eenig kwaad te doen. 3 En de vreemde die zich tot don Heere gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De Heere heeft mij gansch en al van zijn volk gescheiden, en de gesnedene zegge niet: Zie, ik ben een dorre boom. 4 Want alzóó zegt do Heere van de gesnedenen die mijne eabbaten houden, en verkiezen hetgeen waar ik lust toe heb, en Vistlioudon aan mijn verbond: 5 Ik zal hun ook in mijn Huis eu binnen mijne muren eene plaats en eenen naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteron; eenen eeuwigen naam zal ik een ieder van hen geven, die niet uitgerooid zal worden. 6 En de vreemden die zich tot den Heere voegen, en om hem te dienen^ en om den name des Heeren lief te hebben, om hem tot knechten te zijn: al wieden sabbat houdt dat hij dien niet ontheiligt, en die aan mijn verbond vasthouden. |
A 56, 57. 7 die zal ik ook brengen tot mijnen heiligen berg, en ik zal ze verheugen in mijn bodehuis, hunne brandofters en hunne slachtoffers zullen aangenaam wezen op mijn altaar ; want mijn Huis zal een bodehuis genoemd worden voor alle volkeren. 8 De Heere Heere, die de verdrevenen Israels vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens degenen die tot hem vergaderd zijn. 9 Al gij gedierte des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierte in het woud. 10 Hunne wachters zijn allen blind, zij weten niets, zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen, zij zijn slaperig, zij hebben het sluimeren lief. 11 En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, liet zijn herders die niet verstaan kunnen; zij allen koeren zich naar hunnen weg, elkeen naar zijn gewin, el/c uit zijn einde. 12 Komt herwaarts, zeggen zij, ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, Ja, grooter, veel treffelijker. HOOFDSTUK 57. Do rechtvaardige komt om, en daar is niemand die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let dat de rechtvaardige weggeraapt wordt vóór het kwaad. 2 Hij zal ingaan in den vrede; »ij zullen ruston op hunne slaapsteden, een iegelijk die in zijne oprechtheid gewandeld heeft. 3 Doel nadert gijlieden hier toe, gij kinderen der guichelares, gij overspelig zaad en gij di© hoererij bedrijft. 4 Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd opeu en steekt de tong lang; uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der vahichheid ? 5 die hlttig zijn in de eiken-bosschen, onder allen groenen |
JESAJA 58.
825
|
boom: elachtend© de kinderen aan de beken, onder de hoeken der steenrotsen. 6 Aan de gladde steenen der beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook _ stort gij voor hen drankofter uit, gij oftert hun spijsoffer; zoude ik mij over deze dingen laten troosten? 7 Gij stelt uw leger op eenen hoogen en verheven berg, ook klimt gij derwaarts op om elacht-olfer te offeren; 8 en achter de deur en de posten zet gij uw gedenkteeken; want van mij wijkende ontdekt gij u en klimt op, gij maakt uw leger wijd, en maakt u een verhond met eenigen uit dezelve, gij hebt hun leger lief in elke plaats die gij ziet. 9 En gij trekt met olie r,ot den Koning, en gij vermenigvuldigt uwe welriekende zalven; en gij zendt uwe gezanten verre weg, en vernedert u tot de helle toe. 10 Gij zijt vermoeid door uwe groote reize, maar gij zegt niet: Het is buiten hope; gij hebt het leven uwer hand gevonden; daar-oim wordt gij niet ziek. 11 Maar voor wien hebtT gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen en zijt mijner niet gedachtig geweest, gij hebt mij op uw harte nilt;*t gelegd; is het niet omdat ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest mij niet ? 12 Ik zal uwe gerechtigheid bekend maken en uwe werken, dat zij u geen nut doen zullen. 13 Wanneer gij roepen zult, zoo laat degenen die van u vergaderd zijn u redden; doch de wind zal ze allen wegvoeren, de iïdelheid zal ze wegnemen. Maar die op mij betrouwt, die zal het aardrijk erven en mijnen heiligen berg erfelijk bezitten. 14 En men zal zeggen: Verhoogt decaan, verhoogt dehaan, bereidt den weg, neemt den aanstoot uit den weg mijns volks. |
15 Want al zóó zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en by dien die eens verbrijzelden en nederigen gees-tes is, opdat ik levend make den geest der nederigen en opdat ik levend make het harte der verbrijzelden. 16 Want ik zal nieteeuwiglijk twisten, en ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zoude van voor mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen die ik gemaakt heb. 17 Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg ze; ik verborg mij en was verbolgen; evenwel gingen zij afkeerig henen in den weg huns harten. 18 Ik zie hunne wegen, en ik zal ze genezen; en ik zal ze geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hunne treurigen. 19 Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen die verre zijn en dengenen die nabij zijn, zegt de Heere, en ik zal ze genezen. 20 Doch de goddeloozen zijn als eene voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en hare wateren werpen slijk en modder op; 21 de goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede. HOOFDSTUK 58. Roep uit de keel, houd niet in, verhef uwe stem als eene bazuin, en verkondig mijnen volke hunne overtreding, enden huize Jakobs hunne zonden: 2 hoewel zij mii dagelijks zoeken, en eenen lust hebben aan de kennis mijner wegen; als een volk dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, vragen zij inij naar de rechten der gerechtigheid, zij hebben lust tot God te naderen, 3 zerjijende: Waarom vasten wij en gij ziet het niet aan, waarom kwellen wij^ onze ziele en gij weet het niet? Zie, ten dage wanneer gijlieden vast, zoo vindt gij iiicen lust, en gij eischt ge-strengel ijk al uwen arbeid. 4 Zie, tot twist en gekijf vast |
JE SA JA 59.
S2G
|
gijlieden, en om goddelooelijk met de vuist te slaan: vast niet gelijk heden, om uwe stemme te doen hooren in de hoogte. 5 Zoude het zulk een vasten zijn dat ik verkiezen zoude, dat de mensch zijne ziele eenen dag Irwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk eene bieze, en een zak en asch onder zich spreide ? Zoudt gij dat een vasten neeten, en eenen dag den Heere aangenaam ? G Is niet dit het vasten dat ik verkieze: dat gij losmaakt de strikken der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden des juks, en dat gij vrijlaat de verpletterden, en alle juk verscheurt? 7 Is het niet dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en de arme verdrevenen in huis brengt? als gij een naakte ziet dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vleesch niet verbergt? 8 Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uwe genezing zal snejlijk uitspruiten, en uwe gerechtigheid zal voor uw aangezicht henengaan, en de heerlijkheid des Heeren zal uw achtertocht wezen. 9 Dan zult gij roepen en de Heere zal antwoorden, gij zult schreeuwen en hij zal zeggen: Zie. hier ben ik; zoo gij uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken des vingers en het spreken der ongerechtigheid, 10 en zoo gij uwe ziel opent voor den hongerige, en de bedrukte ziele verzadigt: dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uwe donkerheid zal zijn als de middag; 11 en de Heere zal u gestadig leiden, en hij zal uwe ziel verzadigen in groote droogten, en uwo beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als eene springader der wateren, welker wateren niet ontbreken. 12 En die uit u voortlcomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fundamenten van geslacht tot geslacht vencoest, zult gij oprichten: en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt om te bewonen. |
13 Indien gij uwen voet van den sabbat afkeert, van te doen uwen lust op mijnen heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt eene verlustiging, opdat de Heere geheiligd worde, die te eeren is; en indien gij dien eert, dat gij uwe wegen niet doet, en uwen eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt: 14 dan zult gij u verlustigen in den Heere, en ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en ik zal u spijzigen met de erve uws vaders Jakobs; want de mond des Heeren heeft hei gesproken. HOOFDSTUK 59. Zie, de hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zoude kunnen verlossen, en zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zoude kunnen hooren ; 2 maar uwe ongerechtigheden maken eene scheiding tusschen ulieden en tusschen uwen God, en uwe zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat hij niet hoort. 3 Want uwe handen zijn met bloed bevlekt, en uwe vingeren met ongerechtigheid ; uwe lippen spreken valschheid, uwe tong dicht onrecht. 4 Daar is niemand die voor de gerechtigheid roept, en niemand die voor de waarheid in het gericht zich begeeft: zij vertrouwen op ij delheid en spreken leugen, van moeite zijn zij zwanger en zij baren ongerechtigheid. 5 Zij broeden basilisk-eieren | uit, en zij weven spinnewebben: ! die van hunne eieren eet moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, daar berst eene adder uit. 6 Hunne webben deugen niet tot kleederen, en zij zullenzich-zelven niet kunnen dekken met hunne werken: hunne werken zijn werken der ongerechtigheid, en een maaksel des wrevels is in hunne handen. |
|
JESA roder 7 Hunne voeten loopen tot het kwade, en zij haasten zich van om onschuldig bloed te vergieten; doen hunne gedachten zijn gedachten ligen der ongerechtigheid, verstoring ibbat en verbreking is op hunne ba-)pdat nen. 5, die 8 Den weg des vredes kennen dien zij niet, en daar is geen recht doet, in hunne gangen; hunne paden indt, maken zij verkeerd voor zich-eekt: zeiven, al wie daarop gaat, die tigen kent den vrede niet. doen 9 Daarom is het recht verre arde, van ons, en de gerechtigheid ! erve achterhaalt ons niet; wij wachten t de 0P. .licht, maar zie, er is 'i ge- duisternis, op eenen grooten glans, maar wij wandelen in donkerheden. 10 Wij tasten naar den wand en is gelijk de blinden, en gelijk die oude ^eon oogen hebben tasten wij; i oor wij stooten ons op den middag t het in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de eden dooden. ichen 11 Wij brommen allen gelijk »d,en als de beren, en wij kin-en steeds mge- gelijk de duiven; wij wachten niet naar recht, maar daar is geen; naar heil, maar het is verre van met ons» jeren .12 quot;Want onze overtredingen ppen zijn vele voor u, en onze zonden tong getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en voor 01ize ongerechtigheden die ken-nie- nen wij: id in 13 liet overtreden en het liegen i ver- tegen den Heeke, en het achtereken waarts wijken van onzen God; L zij liet spreken van onderdrukking rech- e1.1 afval, het ontvangen en het dichten van valsche woorden uit ieren het harte. iben: 14 Daarom is het recht achter-moet waarts geweken, en de gerech-kken tigheid staat van verre; want de eene waarheid struikelt op de straat, en wat recht is kan er niet in-niet gaan; zich- 15 ja, de waarheid ontbreekt met er, en wie van het booze wijkt, srken B^elt zich tot eenen roof. En de heid, Heere ^ zag het, en het was ïls is kwaad in zijne oogen dat er geen recht was. |
J A 60. 827 16 Dewijl hij zag dat er niemand was, zoo ontzette hij zich, omdat er geen voorspraak was: daarom bracht hem zijn arm heil aan, en zijne gerechtigheid ondersteunde hem. 17 Want hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en den helm des heils zette hij op zijn hoofd, en de kleederen der wraak trok hij aan tot kleeding, en hij deed den ijver aan als eenen mantel. 18 Is aar de werken, daarnaar zal hij vergelden, grimmigheid aan zijne wederpartijders, vergelding aan zijne vijanden; den eilanden zal hij loon vogelden. 19 Dan zullen zij den naam des Heeren vreezen van den ondergang, en zijne heerlijkheid van den opgang der zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten. 20 En daar zal een Verlosser te Sion komen, namelijk voor degenen die zich bekeeren van de overtreding in Jakob, spreekt de Heere. 21 Mij aangaande, dit is mijn verbond met hen, zegt de Heere: mijn Geest die op u is, en mijne woorden die ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond uws zaads, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe. HOOFDSTUK 60. Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. 2 Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volkeren; doch over u zal de Heere opgaan, en zijne heerlijkheid zal over u gezien worden, 3 en de heidenen zullen tot uw licht gaan, en de Koningen tot den glans die u is opgegaan. 4 Hef uwe oogen rondom op en zie: allen die zijn vergaderd, zij komen tot u, uwe zonen |
|
828 JESA zullen van verre komen, en uwe dochters zullen aan mee zijde gevoedsterd worden. 5 Dan zult gij het zien en ea-menvloeien, en uw harte zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen. G Een hoop kemel en zal u bedekken de snelle kemelen van Midian en Efa; zij allen uit Scheba zullen komen, goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen den overvloedigen lof des Heeren boodschappen. 7 Alle de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden, de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op mijn altaar, en ik zal het Huis mijner heerlijkheid heerlijk maken. 8 Wie zijn deze, die daar komen, gevloden als eene wolk, en als duiven tot hare vensters? 9 Want de eilanden zullen mij verwachten, en de schepen van Tnrsis vooreerst, om uwe kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den naam des Heeren uws Gods, en tot den Heilige Israëls, dewijl hij u heerlijk gemaakt heeft. 10 En de vreemden zullen uwe muren bouwen, en hunne Koningen zullen u dienen ; want in mijne verbolgenheid heb ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb ik mij over u ontfermd. 11 En uwe poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags noch des nachts niet toegesloten worden, opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen, en hunne Koningen tot u geleid worden. 12 Want het volk en het koninkrijk welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan, en die volkeren zullen gansch verwoest worden. 13 De heerlijkheid Libanons zal tot u komen, de denneboom, do beuke- en de buxboom te gelijk, om te versieren de plaats raijns heiligdoms, en ik zal de |
A 60. plaats mijner voeten heerlijk maken. 14 Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen die u onderdrukt hebben, en allen die u gelasterd hebben, zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten, en zij zullen u noemen de stad des Heeren, het Sion des Heiligen Israëls. 15 In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zoodat niemand door u henenging, zoo zal ik u stellen tot eene eeuwige heerlijkheid, tot eene vreugd van geslachte tot geslachte; 16 en gij zult de melk der heidenen zuigen, en gij zult de borsten der Koningen zuigen: en gij zult weten dat ik de Heeee ben, uw Heiland en uw Verlosser, de Machtige Jakobs. 17 Voor koper zal ik goud brengen, en voor ijzer zal ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor steenen ijzer; en zal uwe opzieners vreedzaam maken, en uwe drijvers rechtvaardigen. 18 Daar zal geen gewTeld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uwe landpalen ; maar uwe muren zult fij Heil heeten, en uwe poortenij Heil heeten, en uwe poorten lt;of. 19 De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot eenen glans zal u de maan niet lichten; maar de Heere zal u wezen tot een eeuwig licht, en uw God tot uwe sierlijkheid. 20 Uwe zon zal niet meer ondergaan, en uwe maan zal haar licht niet intrekken; want de Heere zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uwer treuring zullen een einde nemen. 21 Eu uw volk zal alle te za-men rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten, zij zullen zijn eene spruit mijner plantingen, een werk mijner handen, opdat ik verheerlijkt worde. 22 De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een |
JESAJA 61. 62.
829
|
machtig volk: ik de Heeee zal zulks te zijner tijd sneller doen komen. HOOFDSTUK 61. De Geest des Heeren Heeren is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft, om eene blijde boodschap te brengen denzacht-moedigen; hij heelt mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis ; 2 om nit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en den dag der wrake onzes Gods; om alle treurigen te troosten; 3 om den treurigen S .ons te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor eenen benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikeboomen der gerechtigheid, eene planting des Heeren, opdat hij verheerlijkt worde. 4 En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vroegere verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslachte tot geslachte. 5 En uitlanders zullen staan en uwe kudden weiden, en vreemden zullen uwe akkerlieden en uwe wijngaardeniers zijn; _ 6 doch gijlieden zult Priesters des Heeren heeten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hunne heerlijkheid zult gij roemen. 7 Voor uwe dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel: daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten, zij zullen eeuwige vreugd hebben. 8 Want ik de Heere heb het recht lief, ik haat den roof in het brandoffer, en ik zal geven dat hun werk in waarheid zal zijn; en ik zal een eeuwig verbond met hen maken. |
9 En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hunne nakomelingen in het midden der volkeren ; allen dio hen zien zullen, zullen ze kennen, dat zij zijn een zaad dat de Heere gezegend heeft. 10 Ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziele verheugt zich in mijnen God, want hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft hij mij omgedaan; gelijk eene bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als eene bruid zich versiert met haar gereedschap. 11 Want gelijk de aarde hare spruit voortbrengt, en gelijk een hof hetgeen in hem gezaaid is doet uitspruiten, alzoó zal de Heere Heere gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor alle de volkeren. HOOFDSTUK 62. Om Sions wille zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wille zal ik niet stil zijn, totdat hare gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als eene fakkel die brandt. 2 En de heidenen zullen uwe gerechtigheid zien, en alle Koningen uwe heerlijkheid; en gij zult met eenen nieuwen naam genoemd worden, welken des Heeren mond uitdrukkelijk noemen zal. 3 En gij zult eene sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods. 4 Tot u zal niet meer gezegd worden: de verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden : het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: mijn lust is aan haar, en uw land: het getrouwde; want de Heere heeft eenen lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. 5 Want oelijk een jongeling eene jonkvrouw trouwt, alzöó zullen uwe kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vroolijk is over de bruid, alzóö zal uw God over u vroolijk zijn. 6 O Jeruzalem, ik heb wacli- |
JESAJA 63.
830
|
ters op uwe muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen, 7 en zwijgt niet stil voor hem, totdat hij be vestige en totdat hij Jeruzalem stelle eenen lof op aarde. 8 De Heere heeft gezworen bij zijne rechterhand en bij den arm zijner sterkte: Indien ik uw koren meer zal geven spijze voor uwe vijanden, en indien de vreemden zullen drinken uwen most waaraan gij gearbeid hebt! 9 Maar die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen den Heere prijzen; en die hem vergaderen zullen, die zullen hem drinken in de voorhoven mijns heiligdoms. 10 Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg des volks; verhoogt, verhoogt eene baan, ruimt de _ steenen weg, steekt eene banier omhoog tot de volkeren. 11 Zie, de Heere heeft doen hooren tot aan het einde der aarde: Zegt der dochter Sions: Zie, uw heil komt ; zie, zijn loon is met hem, en zijn arbeidsloon is voor zijn aangezicht. 12 En zij zullen ze noemen het heilige volk, de verlosten des Heeren ; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad die niet verlaten is. HOOFDSTUK 63. Wie is deze die van Edom komt met besprenkelde kleederen, van Bozra ? Deze die versierd is in zijn gewaad, die voorttrekt in zijne groote kracht? Ik ben het. die in gerechtigheid spreek, â¢dio machtig ben te verlossen. Waarom zijt gij rood aan uw gewaad, en uwe kleederen ^ils van een die in de wijnpers treedt ? |
3 Ik heb de jpers alléén getreden, en daar was niemand van de volkeren met mij ; en ik heb ze getreden in mijnen toorn en heb ze vertrapt in mijne grimmigheid, en hunne kracht is gesprengd op mijne kleederen, en al mijn gewaad heb ik bezoedeld. 4 Want de dag der wrake was in mijn hart, en het jaar mijner verlosten was gekomen; o en ik zag toe, en daar was niemand die hielp; en ik ontzette mij, en daar was niemand die ondersteunde: daarom heeft mijn arm mij heil beschikt, en mijne grimmigheid die heeft mij ondersteund, 6 en ik heb de volkeren vertreden in mijnen toorn, en ik heb ze dronken gemaakt in mijne grimmigheid: en ik heb hunne kracht ter aarde doen nederdalen. 7 Ik zal de goedertierenheden des Heeren vermelden, den veel-voudigen lof des Heeren, naar alles dat de Heere ons heeft bewezen, en de groote goedheid aan den huize Israels, die hij hun bewezen heeft naar zijne barmhartigheden en naar de veelheid zijner goedertierenheden. 8 Want hij zeide: Zij zijn immers mijn volk, kinderen die niet liegen zullen? Alzoo is hij hun geworden tot eenen Heiland. 9 In al hunne benauwdheid was hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts heeft ze behouden; door zijne liefde en door zijne genade heeft hij ze verlost, en hij nam ze op en hij droeg ze alle de dagen van ouds. 10 Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben zijnen Heiligen Geest smarten aangedaan: daarom is hij hun in een vijand verkeerd, hij zelf heeft tegen hen gestreden. 11 Nochtans dacht hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en zijn volk^ maar nu, waar is hij die ze uit de zee opgebracht heeft, met de lt; herders zijner kudde? Waar is hij die zijnen Heiligen Geest in het midden van hen stelde ? 12 die den arm zyner heerlijkheid heeft doen gaan aan de |
|
JESAJ A recliterhaud van Mozes; die de ; wateren voor hun aangezicht ' kleefde, opdat hij zich een eeuwigen naam maakte; 13 die ze leidde door de afgronden: als een paard in de . woestijn, struikelden zij niet. 14 Gelijk een beest dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des Heeren ruste gegeven. Alzóó hebt gij uw volk geleid, opdat gij u eenen heerlijken 1 naam zoudt maken. 15 Zie van den hemel af, en aanschouw van uwe heilige en uwe heerlijke woning: waar zijn uw ijver en uwe mogendheden, i het gerommel uws ingewands i en uwer barmhartigheden? Zij houden zich jegens mij in. 16 Gij zijt toch onze vader, ; want Abraham weet van ons i niet en Israël kent ons niet:gij, o Heere, zijt onze Vader, onze , quot;Verlosser van ouds af is uw naam. 17 Heere, waarom doet g:j ons i van uwe wegen dwalen, waarom | verstokt gij ons harte dat wij u niet vreezen? Keer weder om uwer knechten wille, de stammen uws erfdeels: 18 uw heilig volk heefi: het | maar een weinig tijds bezeten, onze wederpartijders hebben uw heiligdom vertreden; 19 wij zijn geworden als die over welke gij van ouds niet hebt geheerscht, en die naar uwen naam niet zijn genoemd. HOOFDSTUK 64. Och dat gij de hemelen scheur- | det, dat gij nederkwaamt, dat de bergen voor uw aangezicht vervloten, | 2 gelijk een smeltvuur brandt, i e7i het vuur de wateren doet j opborrelen, om uwen naam aan uwe wederpartij ders bekend te maken; laat ahóó de heidenen voor uw aangezicht beven. 3 Toen gij vreeselijke dingen deedt die wij niet verwachtten'⢠gij kwaamt neder, van uw aangezicht versmolten de bergen. 4 Ja, van ouds heeft men het ! niet gehoord noch met ooren ver- I |
l 64, 65. 831 nomen, en geen oog heeft het gezien, behalve^ gij, o God, wat hij doen zal dien die op hem wacht. o Gij ontmoet den vroolijke en die gerechtigheid doet, degenen die uwer gedenken op uwe wegen ; zie, gij waart verbolgen omdat wij gezondigd hebben, in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden. 6 Doch wij allen zijn als een onreine, en alle onze ongerechtigheden zijn als een wegwerpelij k kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons weg als een wind; 7 en daar is niemand die uwen naam aanroept, die zich opmaakt dat hij u aangrijpe: want gij verbergt uw aangezicht voor ons en gij doet ons smelten door middel van onze ongerechtigheden. _8 Doch nu, Hef.re, gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn uwer handen werk: 9 Heere, wees niet zoozeer verbolgen, en gedenk niet eeuwig-lijk der ongerechtigheid; zie aanschouw toch, wij allen zijn uw volk. 10 TJwe heilige steden zijn eene woestijn geworden, Sion is eene woestijn geworden, Jeruzalem eene verwoesting; 11 ons heilig en ons heerlijk Huis, waarin onze vaders u loofden, is met vuur verbrand, en alle onze gewenschte dingen zijn tot woestheid geworden: 12 Heere, zoudt gij u over deze dingen inhouden, zoudt gij stilzwijgen en ons zoozeer bedroeven ? HOOFDSTUK 65. Ik ben gevonden van hen die naar mij niet vraagden, ik ben gevonden van degenen die mij niet zochten; tot het volk dat naar mijnen naam niet genoemd was heb ik gezegd: Zie, hier hen ik, zie, hier ben ik; 2 Ik heb mijne handen uitgebreid den ganschen dag tot een wederstrevig volk, dat wandelt |
JESAJA 65.
|
op eenen weg die niet goed is, naar zijne eigene gedachten; 3 een volk, mij geduriglijk tergende in mijn aangezicht, in hoven offerende, en rookende op tichelateenen; 4 zittende bij de graven, zoo vernachten zij bij degenen die bewaard worden, etende zwijnen-vleesch, en daar is sop van gruwelijke dingen in hunne vaten; 5 die zeggen: Houd u bij uzel-ven, naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij:âdeze zijn een rook in mijnen neus, een vuur, den ganschen dag brandende. 6 Zie, het is voor mijn aangezicht geschreven: ik zal niet zwijgen, maar ik zal vergelden, ja, in hunnen boezem zal ik vergelden 7 uwe ongerechtigheden en uwer vaderen ongerechtigheden te gelijk, zegt de Heere, die gerookt hebben op de bergen en mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen: daarom zal ik hun vorig werkloon in hunnen boezem weder toemeten. 8 AIzóó zegt de Heere: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want daar is een zegen in: alzóó zal ik het om mijner knechten wille doen, dat ik ze niet allen verderve; 9 en ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda eenen erfbezitter van mijne bergen; en mijne uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en mijne knechten zullen aldaar wonen; 10 en Saron zal tot eene schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor mijn volk dat mij gezocht heeft. 11 Maar gij verlaters des Hee-ren, gij vergeters van den berg mijner heiligheid, gij aanrichtera eener tafel voor die bende, en gij opvullers des dranks voor dat getal: 12 ik zal ulieden ook ten zwaarde tellen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat ik heb geroepen maar gij hebt niet geantwoord, ik gesproken heb maar gij hebt niet gehoord, maar_ hebt gedaan dat kwaad was in mijne oogen, en hebt verkoren hetgeen waaraan ik geen lust heb. |
13 Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Zie, mijne knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; zie, mijne knechten zullen drinken, doch gijlieden zult beschaamd zijn; 14 zie, mijne knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult kermen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen; 15 en gijlieden zult uwen naam mijnen uitverkorenen tot eene vervloeking laten; en de Heere Heere zal ulieden dooden, maar zijne knechten zal hij meteenen anderen naam noemen: 16 zoodat wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid; en wie zweren zal op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat ze voor mijne oogen verborgen zijn. 17 Want zie, ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet weer gedacht worden, en zij zullen in het harte niet opkomen. 18 Maar weest gij lieden vroolij k en verheugt u tot in eeuwigheid in hetgeen dat ik schep; want zie, ik schep Jeruzalem eene verheuging, en haar volk eene vroolijkheid; 19 en ik zal mij verheugen over Jeruzalem en vroolijk zijn over mijn volk, en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der weening noch de stem des geschreeuws. 20 Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man die zijne dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven honderd jaar oud zijnde, maar een zondaar honderd jaar oud zijnde zal vervloekt worden. 21 En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijn- |
|
gaarden planten en derzelver vrucht eten; 22 zij zullen niet bouwen dat-een ander liet bewone, zij zullen niet planten dat een ander het ete, want de dagen mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en mijne uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten; 23 zij zullen niet te vergeefs arbeiden noch baren ter verstoring, want zij zijn het zaad der gezegen den des Hef.ren, en hunne nakomelingen met hom 24 En liet zal geschieden eer zij roepen zoo zal ik antwoorden, terwijl zij nog spreken zoo zal ik hooien; 25 de wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stroo eten als een rund, en stof zal de spijs der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op mijnen panschen heiligen berg, zegt de Heere. HOOFDSTUK GG. Alzóó zegt de Heere: De hemel is mijn troon, en de aarde is de voetbank mijner voeten: waar zoude dat Huis zijn dat gijlieden mij zoudt bouwen, en waar is do plaats mijner rust? 2 quot;Want mijne hand heeft alle deze dingen gemaakt en alle deze dingen zijn geweest, spreekt de Heere; maar op dezen zal ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor mijn Woord beeft. 3 Wie eenen os slacht, slaat eenen man; wie een lam oifert, breekt eenen hond den hals; wie spijsolfer offert, is ojs die zwij-nenbloed offert; wie wierook brandt, ten gedenkofter, is ah die eenen afgod zegent. Deze verkiezen ook hunne wegen, en hunne ziele heeft Instaan hunne verfoeiselen: 4 ik zal ook verkiezen het Joon hunner handelingen, en wat zij yreezen zal ik over hen doen komen, omdat ik heb geroepen en niemand antwoordde, ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in mijne it ge- dat Q, en traan |
823 ; oogen, en verkozen hetgeen waar-! toe ik geen lust had. 5 Hoort des Heeren Woord, i gij die voor zijn Woord beeft: uwe broeders die u haten, die u verre afzonderen om mijns naams wil, zeggen: Dat de Heere heerlijk worde. Doch hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. 6 Daar zal eene stem eens grooten rumoers uit de stad zijn, eene stem uit den Tempel, de stem des Heeren, die zijnen vijanden de verdienste vergeldt. 7 Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard ; eer haar smarte overkwam, zoo is zij van een jongsken verlost. 8 Wie heeft ooit zoo iets gehoord, wie iets dergelijks gezien? Zoude een land kunnen geboren worden op eenen cénigen dag, zoude een volk kunnen geboren worden _ op eene éénige rei zo? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft hare zonen gebaard. 9 Zoude ik de baarmoeder openbreken, en niet genereeren ? zegt de Heere; zoude ik, die genereer, voortaan toesluiten?zegt uw God. 10 Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, alle hare liefhebbers; weest vroolijk over haar met vreugde, gij allen die over haar zijt treurig geweest; 11 opdat gij moogt zuigen en verzadigd worden van de borsten harer vertroostingen, opdat gij moogt uitzuigen en u verlustigen met den glans harer heerlijkheid. 12 Want alzóó zegt deJHr.ere: Zie, ik zal den vredegt; over haar uitstrekken als eene rivier, en de heerlijkheid der heidenen als eene overloopende beek: dan zult gijlieden zuigen, gij zult op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden. 13 Als een dien zijne moeder troost, alzóó zal ik u troosten: ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden. 14 En gij zult het zien, en uw harte zal vroolijk zijn, en uwe beenderen zullen groenen als het 27 JESAJA C6. |
|
834 j ERE: teedere gras; dan zal de hand des Heeren bekend worden aan zijne knechten, en hij zal zijnen vijanden gram worden. 15 Want zie, de HEEREzal met vuur komen, en zijne wagenen als een wervelwind, om met grimmigheid zijnen toorn hiertoe te wenden, en zijn scheiding met vuurvlammen; 1G want met vuur en met zijn zwaard zal de Heere in het recht treden met alle vleesch, en de verslagenen des Hee ken zullen vermenigvuldigd zijn. 17 Die zichzelven heiligen en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden der-zelve; die zwijnenvleesch eten, en verfoeisel, en muizen, â te zamen zullen zij verteerd worden spreekt de Heere. 18 Hunne werken en hunne gedachten! Het komt, dat ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen en zij zullen mijne heerlijkheid zien. 19 En ik zal een teeken aan hen zetten, en uit hen die het ontkomen zullen zijn, zal ik zenden tot de heidenen, naar Tarsis, Pul en Lüd, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de verre gelegen eilanden, die mijn gerucht niet gehoord en mijne heerlijkheid niet gezien |
IIA 1. hebben; en zij zullen mijne heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. 2U En zij zullen alle uwe broeders uit alle heidenen den Heere ten spijsoffer brengen, op paarden en op wagenen en op rosbaren en op muildieren en op snelle loo-pers, naar mijnen heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de Heere, gelijk de# kinderen Israels het spijsoffer in een rein vat brengen ten Huize des Heeren. 21 En ook zal ik uit dezelve eenigen tot Priesters en tot Levieten nemen, zegt de Heere. 22 Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die ik maken zal, voor mijn aangezicht zullen staan, spreekt de Heere, alzóo zal ooamp;uliederzaad en ulieder naam staan. 23 En het zal geschieden dat van de ééne nieuwe maan tot de andere, en van den éénen sabbat tot den anderen, alle vleesch komen zal om aan te bidden voor mijn aangezicht, zegt de Heere. 24 En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de doode lichamen der lieden zien die tegen mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitgebluscht worden, en zij zullen allen vleesch eene afgrijzing wezen. |
T JE REM IA.
DE PROFEE
|
HOOFDSTUK 1. De woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de Pries-teren, die te Anathoth waren, in het land Benjamins, 2 tot welken het Woord des Heeren geschiedde in de dagen van Josia, zoon van Amon, Koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regeering; |
8 ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, Koning van Juda, totdat voleindigd werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, Koning van Juda, totdat Jeruza em gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand. 4 Het Woord des Heeren dan geschiedde tot mij, zeggende: 5 Eer dat ik u in den moederschoot formeerde heb ik u gekend, en eer dat gij uit de baarmoeder voortkwaamt heb ik u geheiligd; ik heb u den volken tot Profeet gesteld. 6 Toen zeide ik; Ach, Heere, |
|
ÃE RE Heere, zie, ik kan niet spreken, vvant ik ben jong. 7 Maar de Heere zeide iot mij: Zeg niet: ik ben jong; want overal â¢waarhenen ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles wat ik u gebieden zal, zult gij spreken: 8 vrees niet voor hun aange-ziclit, want ik ben met u om u té redden, spreekt de Heere. 9 En de Heere stak zijne hand uit en roerde mijnen mond aan, en de Heere zeide tot mij: Zie, ik geef mijne woorden in uwen mond; 10 zie, ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken en af te breken en te verderven en te verstoren, ook om te bouwen en te planten. 11 Wijders geschiedde des Hee-ren Woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij Jeremia? En ik zeide: Ik zie eene amandelroede. 12 En de Heere zeide tot, mij: Gij hebt wel gezien ; want ik zal wakker zijn over mijn Woord om dat te doen. 13 En des Heerex Woord geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij ? En ik zeide: Ik zieeenenziedenden pot, welks voorste deel tegen het ÃN oorden is. 14 En de Heere zeide tot mij: Van het Noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands. lö Want zie, ik roep alle ge-elachten der koninkrijken van het Noorden, spreekt de Heere; en zij zuilen komen, en zetten een iegelijk zijnen troon vóór de deur der poorten van Jeruzalem, en tegen alle hare muren rondom, en tegen alle steden van Juda; 16 en ik zal mijne oordeelen tegen hen uitspreken over al hunne boosheid, dat zij mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken hunner handen. 17 Gij dan, gord uwe lendenen, en maak u op, en spreek tot hen alles wat ik u gebieden zal: wees niet verslagen voor hun aange- |
IIA 2. 835 zicht, opdat ik u voor hun aangezicht niet versla. 18 Want zie, ik stel u heden tot eene vaste stad en tot eenen ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gansche land: tegen de Koningen van Juda, tegen hare Vorsten, tegen liaro Priesteren, en tegen het volk van het land; 19 en zij zullen tegen u strijden maar tegen u niet vermogen, want ik ben met u, spreekt de Heere, om u uit te helpen. HOOFDSTUK 2. En des Heerex Woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Ga en roep voor de ooren van Jeruzalem, zeggende: Zóó zegt de Heere: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land: 3 Israël was den Heere eene heiligheid, lt;le eerstelingen zijner inkomst; allen die hem opaten werden voor schuldig gehouden, kwaad kwam hun over, spreekt de Heere. 4 Hoort des Heerex Woord, gij huis Jakobs en alle geslachten van het huis Israels; 5 zóó zegt de Heere: Wat voor onrecht hebben uwe vaders aan mij gevonden, dat zij verre van mij geweken zijn, en hebben de ij delheid nagewandeld, en zij zijn ij del geworden, 6 en zeiden niet: Waar is de Heere, die ons opvoerde uit Egypteland, die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduwe des doods, in een land waar niemand doorging en waar geen mensch woonde ? 7 En ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede daarvan te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij mijn land, en steldet mijne erfenis tot eenen gruwel. 8 De Priesters zeiden niet: Waar is de Heere? en die de |
JEREMIA 2.
836
|
â wet handelden, kenden mij niet; en do herders overtraden tegen mij; en de Profeten profeteerden door Baiil, en v/andelden naar dingen die geen nut doen. 9 Daarom zal ik nog met ulie-den twisten, spreekt do Heere, ja, met nwe kindskinderen zal ik twisten. 10 Want gaat over in de eilanden der Kittiten en ziet toe, en zendt naar Kedar en merkt er wel op, en ziet of diesgelijks ge-echied zij. 11 Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nochtans heeft mijn volk zijne eere veranderd in hetgeen dat geen nut doet. 12 Ontzet n hierover gij hemelen, en zijt verschrikt, wrordtzeer woest, spreekt de Heere, 13 want mijn volk heeft twee boosheden gedaan: mij, de springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden. 14 Is dan Israël een knecht, of is hij eene ingeborene des huizes? Waarom is hij dun ten roof geworden ? 15 De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hunne stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijne steden zijn verbrand, dat er niemand inwoont. 1G Ook hebben u de kinderen van Is of en Tachfanes den schedel afgeweid. 17 Doet gij u dit niet zelve, doordien gij den Heere uwen God verlaat ten tijde als hij u op den weg leidt? 18 En nu, wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren Sihors te drinken? En wat hebt gij te doen. met den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken? 19 Uwe boosheid zal u kastijden, en uwe afkeeringen zullen u straffen: weet dan én zie dat het kwaad en bitter is, dat gi# den Heere uwen God verlaat en jnijue vreeze niet bij u is, spreekt de Heere, de Heere der hexr- |
scharen. 20 Als ik van ouds uw juk verbroken en uwe banden verscheurd had, zoo zeidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hoogeo heuvel en onder allen groenen boom loopt gij om, hoereerende. 21 Ik had u toch geplant, eenen edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad: hoe zijt gij mij dan veranderd in verbasterde ranken eens vreemden wijnstoks? 22 Want al wiescht gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zoo is toch uwe ongerechtigheid voor mijn aangezicht ge teekend, spreekt de Heere Heere. 23 Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baiils niet nagewandeld ? Zie uwen weg in het dal, ken wat gij gedaan hebt, gij lichte, snelle kemelin die hare -wegen verdraait. 24 Zij is eene woudezelin, gewend in de â woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind : wie zonde hare ontmoeting af keeren ? Allen die haar zoeken, zullen niet moede worden, in hare maand zullen zij ze vinden. 25 Bedwing uwen voet van ont-echoeiing, en uwe keel van dorst; maar gij zegt: Het is buiten hoop; neen, want lt; ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen. 20 Gelijk een dief beschaamd wordt wanneer hij gevonden wordt, alzóc zijn die van den huize Israels beschaamd: zij, hunne Koningen, hunne Vorsten, en hunne Priesters, en hunne Profeten; 27 die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader, en toteenen steen: Gij hebt mij gegenereord; want zij keeren mij den nek toe, en niet hetar.ngezicht; maarten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons. 28 Waar zijn dan uwe goden die gij u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of ze u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal uwer steden zijn uwe goden, o Juda. 20 Waarom twist gij tegen mij ? |
JEREMIA 3.
837
|
Gij hebt allen tepen mij overtreden, spreekt de Heere. 30 Tevergeefs heb ik uwe kinderen geslagen, zij hebben de tucht niet aangenomen ; ulieder zwaard heeft uwe Profeten verteerd als een verdervende leeuw. 31 O geslacht, aanmerkt toch des Heeren Woord: Ben ik Israël eene woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid ? Waarom zegt dan mijn volk: Wij zijn heeren, wij zullen niet meer tot u komen? 32 Vergeet ook eene jonkvrouw haar versiersel, of eene bruid hare bindselen? Nochtans heeft mijn volk mij vergeten, dagen zonder getal. 33 Wat maakt gij uwen weg goed, daar gij boeleering zoekt V waarom gij ook de slechtste/tOfj-ren uwe wegen geleerd hebt. 34 Ja, het bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uwe zoomen gevonden, ik heb dat niet met opgraven gevondeu, maar aan die alle: 35 nog zegt^ gij: Zeker, ik ben onschuldig; zijn toorn isinmiera van mij f afgekeerd. Zie, ik zal met u richten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd. 3G Wat reist gij veel uit, veranderende uwen weg? Gij zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als gij van Assur beschaamd zijt. 37 Gij zult ook van hier uitgaan met uwe handen op uw hoofd; want de Heere heeft al uw vertrouwen verworpen, zoodat gij daarmede niet zult gedijen. HOOFDSTUK 3. Men zegt: Zoo een man zijne huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeeren? Zoude dat land niet grootelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met vele boe-leerders gehoereerd: keer nochtans weder tot mij, spreekt de Heere. 2 Hef uwe oogen op naar de booge plaatsen, en zie toe: waar zijt gij niet onteerd? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzóó hebt gij het land ontheiligd met uwe hoererijen en met uwe boosheid. |
3 Daarom zijn de regendrup-pelen ingehouden, en daar is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden. 4 Zult gij niet van nu af tot mij roepen: Mijn vader, lt;nj zijt dc_leidsman mijner jeugd? 5 Zal iiij in eeuwigheid den toorn behouden, zal hij dien ge-etadiglijk bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand. G Voorts zeide de Heere tot mij in de dagen van den Koning Josia: Hebt gij gezien wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hoogen berg en onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar. 7 En ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouwelooze, hare zuster Juda. 8 En ik zag, als ik, ter oor-zake van alles waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten en baarharen scheidbrief gegeven had, dat de trouwelooze, hare zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen en hoereerde zelve óók; 0 ja, het geschiedde vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde, want zij bedreef overspel met steen en met hout. 10 En zelfs in dit alles heeft zich hare trouwelooze zuster Juda tot mij niet bekeerd met haar gansche harte, maar valsclïe-lijk, spreekt de Heere. 11 Dies zeide de Heere tot mij: De afgekeerde Israël heeft hare ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouwelooze Juda. 12 Ga henen en roep deze woorden uit tegen het Noorden, en zeg: Bekeer u gij afgekeerde Israël, spreekt de Heeke, zoo zal ik mijnen toorn op ulieden niet doen vallen; want ik ben goedertieren, spreekt de Heerb, |
£
JEREMIA 4.
|
ik zal den toorn niet in eeivwig-Leid behouden. 13 Alleen ken nwe ongerechtigheid, dat gij tegen den Heeke uwen God hebt overtreden, en rrwe wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar zijt mijner stemme niet gehoorzaam geweest, spreekt de Heeee. 14 Bekeert n gij af keerige kinderen, spreekt de Heere, want ik heb n getrouwd, en ik zal Ti aannemen, één uit eene stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion; 15 en ik zal ulieden herders geven naar mijn harte, die zullen u weiden met wetenschap en verstand; 1G en het zal geschieden wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zultlt; geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de Heeke, zullen zij niet meer zeggen: De Arke des verbonds des Heeren ; ook zal zij in het harte niet opkomen, en zij zullen aan haar niet gedenken en haar niet bezoeken, en hij zal niet weder gemaakt worden. 17 Te dier tijd zullen zij Je-ruzalem noemen des Heeren troon, en alle de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des Heeren naams wille, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. 18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis Israels, en zij zullen te zamen komen uit het land van het Noorden in het land dat ik uwen vaderen ten erve gegeven heb. 19 Ik zeide wel: Hoe zal ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenschte land, de sierlijke erfenis van de heir-Bcharen der heidenen? m ar ik zeide: Gij zult tot mij roepen; Mijn vader, en gij zult van achter mij niet afkeeren. 20 Waarlijk, gelijk eene vrouw trouwelooslijk scheidt van haren vriend, alzóó hebt gijlieden trouweloos tegen mij gehandeld, gij Jmis Israëls, spreekt de Heere. |
21 Daar is eene stemme gehoord op de hooge plaatsen, een geween en smeekingen der kinderen Israëls, omdat zij hunnen weg verkeerd, en den Heere hunnen God vergeten hebben. 22 Keert weder gij afkeerige kinderen, ik zal uwe afkeeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot u, want gij zijt de Heere onze God. 23 quot;Waarlijk te vergeefs verwacht men liet van de heuvelen en de menigte der bergen:waarlijk in den Heere onzen God is Israëls heil. 24 Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd af, hunne schapen en hunne runderen, hunne zonen en hunne dochte-ren: 25 wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den Heere onzen God gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd af, tot op dezen dag, en wij zijn der stemme des Heeren, onzes Gods niet gehoorzaam geweest. HOOFDSTUK 4. Zoo gij u bekeeren zult, Israël, spreekt de Heere, bekeer u tot mij; en zoo gij uwe verfoeiselen van mijn aangezicht zult wegdoen, zoo zwerf niet om; 2 maar zweer: Zoo waarachtig als de Heere leeft! in waarheid, in recht en^ in gerechtigheid: zoo zullen zich de heidenen in hem zegenen en zich in hem beroemen. 3 Want zóó zegt de Heere tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de doornen. 4 Besnijdt u den Heere, en doet weg de voorhuiden uws harten, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem; opdat mijne grimmigheid niet uitvaro als een vuur en brande dat niemand blusschen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen. 5 Verkondigt in Juda en laai |
amp;
JEEEMIA 4.
833
|
het liooren te Jeinzalem.en zegt liet: ja, blaast de bazuin in liet land; roept met volle atem en zegt : Verzamelt ulieden, en laat ons ingaan in de vaste steden. 6 Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hoopen, blijft niet staan; want ik breng een kwaad aan van het Noorden, en eene groote breuke: 7 de leeuw is opgekomen uit zijne hage, en de verder ver der heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijne plaats, om nw land te stellen in verwoesting; uwe steden zullen verstoord worden dat er niemand in wone. 8 Hierom gordt zakken aan, bedrijft misbaar en huilt; want de hittigheid van des H i eren toorn is niet van ons afgeleerd. 9 En het zal te dier tijd geschieden, spreekt de Heere, dat het hart des Koniugs en het hart der Vorsten vergaan zal, en de Priesters zullen zich ontzetten en de Profeten zich verwonderen. 10 Toen zeide ik: Ach Heere Heere, waarlijk gij hebt dit volk en Jeruzalem grootelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben â daar het zwaard tot aan de ziele raakt. 11 Te dier tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hooge plaatsen in de woestijn, op den weg der dochter mijns volks: niet om te wannen noch om te zuiveren; 12 daar zal mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal ik óók oordeelen tegen hen uitspreken. 13 Zie, hij komt op als wolken, en zijne wagenen zijn als een wervelwind, zijne paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, want wij zijn verwoest. 14 Wasch uw hart van boosheid, o Jeruzalem, opdat gij behouden wordt: hoe lang zult gij de gedachten uwer ij delheid in het binnenste van u laten vernachten ? |
15 quot;Want eene stem verkondigt van Dan af, en doet ellende liooren van het gebergte Efraïm: lli Vermeldt den volkeren, zie, doet het hooren tegen Jeruzalem : daar komen hoeders uit verren lande, en zij verheffen hunne stem tegen de steden van Juda; 17 als de wachters der velden zijn zij rondom tegen haar, omdat zij wederspannig geweest is, spreekt de Heere. 18 Uw weg en uwe handelingen hebben deze dingen gedaan; dit is uwe boosheid, dat het zóó bitter is, dat het tot aan uw hart raakt. 19 O mijn ingewand, mijn ingewand! Ik heb barenswee; o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want gij mijne ziele hoort het geluid der bazuin en het krijgsgeschrei. 20 Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het gansche land is verstoord; haastelijk zijn mijne tenten verstoord, mijne gordijnen in een oogenblik. 21 Iloe lang zal ik de banier zien. het geluid der bazuin hooren ? 22 Zekerlijk mijn yolk is dwaas,, mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet. 23 Ik zag het land aan, en zie, het was woest en ledig; ook naar den hemel, en zijn licht was er niet;_ 24 ik zag de bergen aan, en zie, zij beefden, en alle de heuvelen schuddeden; 25 ik zag, en zie, daar was geen mensch en alle vogelen des hemels waren weggevlogen; 26 ik zag, en zie, het vruchtbare land was eene woestijn, en alle zijne steden waren afgebroken, vanwege den Heere, vanwege de hittigheid zijns toorns. 27 Want zóó zegt de Heere: Dit gansche land zal eene woestheid zijn: (doch ik zal geene voleinding maken.) 23 Hierom zal de aarde treu- |
|
840 J E R E; ren en de hemel daarboven zwart zijn: omdat ik het heb geepro-ken, ik heb het voorgenomen, en het zal mij niet ronwen, en ik zal mij daarvan niet af kee-ren. 29 Van het geroep der ruiteren en boogschutters vluchten allo de steden, zij gaan in de wolken en klimmen op de rotsen; alle de steden zijn verlaten, zoodat niemand in dezelve woont. 30 Wat zult gij dan doen, gij verwoeste? Al kleeddet gij u met scharlaken, al versierdet gij u met gouden sieraad, al be-streekt gij uwe oogen met blanketsel, zoo zoudt gij u toch tevergeefs oppronken: de boeleerdere versmaden u, zij zullen uwe ziel zoeken. 31 Want ik hoor ecne stem als van cene vrouw die in arbeid is, eene benauwdheid als van eene die in des eersten kindes nood is, de stemme der dochter Sions, zij hijgt, zij breidt hare handen uit, zengende : O wee mij nu, want mijne ziele is moede vanwege de doodslagers. HOOFDSTUK 5. Gaat óm door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe en verneemt en zoekt op hare etra-ten, of gij iemand vindt, of er één is die recht doet, die waarheid zoekt: zoo zal ik haar genadig zijn. 2 En of zij al zeggen: Zoo \c aar ach lig ah de Heere leeft, zoo zweren zij toch valschelijk. 3 O HEERE,2ien uwe oogen niet naar waarheid? Gij hebt ze geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; gij hebt ze verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezicht harder gemaakt dan eene steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeeren. 4 Doch ik zeide: Zekerlijk deze zijn arm, zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des Heeren, het recht huns Gods, niet weten; 5 ik zal gaan tot de grooten en met hen spreken, want die weten den weg des Heeren, het recht |
IIA 5. huns Gods; â maar zij hadden te zamen het juk verbroken en de banden verscheurd. 6 Daarom heeft ze een leeuw uit het woud verslagen, een wolf der wildernissen zal ze verwoesten, een luipaard waakt tegen hunne steden, al wie uit dezelve uitgaat zal verscheurd worden; want hunne overtredingen zijn vermenigvuldigd, hunne afkeeringen zijn machtig vele geworden. 7 Hoe zoude ik over zulks u vergeven ? quot;Uwe kinderen verlaten mij, en zweren bij hen die geen God zijn; als ik ze verzadigd heb, zoo bedrijven zij overspel, en verzamelen zich bij hoopen in het hoerenhuis; 8 als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op, zij hunkeren een iegelijk naar zijns naasten huisvrouw: 9 zoude ik over die dingen geene bezoeking doen, spreekt de Heere, of zoude mijne ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is ? 10 Beklimt hare muren en verderft ze, (doch maakt geene voleinding,) doet hare spitsen weg, want zij zijn des Heeren niet. 11 Want het huis Israels en het huis van Juda hebben gansch trouweloos)ijk tegen mij gehandeld, spreekt de Heere ; 12 zij verloochenen den Heere, en zeggen: Hij is 't niet, en ons zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien ; 13 ja, die Profeten zullen tot wind worden, want het Woord is niet bij hen; hun zeiven zal zoo geschieden. 14 Daarom zegt de Heere de God der heirscharen alzóó: Omdat gijlieden dit woord spreekt, zie, ik zal mijne woorden in uwen mond tot vuur maken, en dit volk lot hout, en het zal ze verteren. 15 Zie, ik zal over uliedeneen volk van verre brengen, o huis Israëls, spreekt de Heere: het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk welks spraak |
T
JEEEMIA 6.
£41
|
gij niet zult kennen, en niet aooren wat het spreken zal. 16 Zijn pijlkoker is al» een open graf; zij zijn altemaal helden. 17 En het zal uwen oogst en uw brood opeten, dat usve zonen en uwe dochteren zouden eten; het zal uwe schapen en uwe runderen opeten, het zal uwen wijnstok en uwen vijgeboom opeten, uwe vaste steden, op dewelke gij vertrouwt, zal het arm maken door het zwaard. 18 Nochtans zal ik ook in die dagen, spreekt de Heere, geene voleinding met ulieden maken. 19 En het zal geschieden wanneer gij zult zeggen: Waarom beeft ons de Heeke onze God ^ille deze dingen gedaan? dat gij tot hen zeggen zult: Gelijk als gijlieden mij hebt verlazen en vreemde goden in uw land gediend, al zóó zult gij de uitland-eche dienen in een land dat het uwe niet is. 20 Verkondigt dit in het huis Jakobs, en laat het hooren in Juda, zeggende: 21 Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk, die oogen hebben maar zien niet, die ooren hebben maar hooren niet: 22 zult gijlieden mij niet vreezen? spreekt de Heere; zult gij voor mijn aangezicht niet beven r die der zee het zand tot eenen paal gesteld heb, met eene eeuwige inzetting, dat ze daarover niet zal gaan: ofschoon hare golven zich bewegen, zoo zullen ze toch niet vermogen, ofschoon ze bruisen, zoo zullen ze toch daarover niet gaan. 23 Maar dit volk heefc een afvallig en wederspannig hart, zij zijn afgevallen en henengegaan, 24 en zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu den Heere onzen God vreezen, die den regen geeft, zoo vroegen regen als spaden regen, op zijnen tijd; die ons de weken, de gezette tijden des oogstes, bewaart. 25 Uwe ongerechtigheden wenden die dingen af, en uwe zonden weren dat goede van ulieden. |
2(5 Want onder mijn volk worden goddeloozen gevonden, een ieder van hen loert gelijk zicli de vogelvangers schikken, zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de menschen; 27 gelijk eene kooi vol is van gevogelte, alzóó zijn hunne huizen vol bedrog: daarom zijn zij groot en rijk geworden, ^ 28 zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de dalen der boozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet .-reZ/s de rechtzaak des weezen, nochtans zijn zij voorspoedig : ook oordeel en zij het recht der nooddruftigen niet. 29 Zoude ik over die dingen geene bezoeking doen? spreekt de Heere ; zoude mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? 30 Eene schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land: 31 de Profeten profeteeren val-schelijk, en de Priesters heer-schen door hunne handen, en mijn volk heeft het gaarne alzóó; maar wat zult gij ten einde van dien maken? HOOFDSTUK 6. Vlucht met hoopen, gij kinderen Benjamins, uit het midden van Jeruzalem en blaast de bazuin te Tekóa, en heft een vuur-teeken op te Beth-Kérem ; want daar kijkt een kwaad uit van het Noorden, en eene groote breuke. 2 Ik heb teel de dochter Siqns bij eene schoone en wellustige vrouw vergeleken, 3 maar daar zullen herders tot haar komen met hunne kudden, zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan, zij zullen een iegelijk zijne ruimte afweiden. 4 Heiligt den krijg tegen haar, maakt u op en laat ons optrekken op den middag; o wee ons, want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich. 5 Maakt u op en laat ons optrekken in den nacht, en hare paleizen verderven. 6 Want zóó zegt de Heere der 27* |
|
B42 J EKE: heirscharen: Houwt boomen af en werpt eenen wal op tegen Jeruzalem; zij is do stad dio bezocht zal worden, in het midden van haar is enkel verdrukking. 7 Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzóó geeft zij hare boosheid op, geweid en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor mijn aangezicht. 8 Laat u tuchtigen, Jeruzalem; opdat mijne ziele van u niet afgetrokken worde, opdat ik u niet stelle tot eene woestheid, tot een onbewoond land. 9 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Zij zullen Israels overblijfsel vlijtiglijk nalezen gelijk eenen wijnstok; breng uwe hand weder gelijk een wijnlezer aan de korven. 10 Tot wien zal ik spreken en betuigen, dat zij het hooren ? Zie, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; zie, het quot;Woord des Heeren is hun tot eenen smaad, zij hebben geen lust daartoe. 11 Daarom ben ik vol van des Heeren grimmigheid, ik ben moede geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kin-berkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien die vol is van dn gen, 12 en hunne huizen zullen omgewend worden tot anderen, te zamen met de akkers en vrouwen; want ik zal mijne hand uitstrekken tegen de inwoners dezes lands, spreekt de Heere. 13 Want van hunnen kleinste aan tot hunnen grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den Profeet aan tot den Priester toe bedrijft een ieder van hen valschheid; 14 en zij genezen de breuke der dochter mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede,vrede,doch â¢daar is geen vrede. 15 Zijn ze beschaamd omdat ze gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in 't minst niet, |
MI A G. weten ook niet van schaamrood te maken: daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als ik ze bezoeken zal zullen zij struikelen, zegt de Heere. 16 Zóó zegt de Heere: Staat op de wegen en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin, zoo zult gij ruste vinden voor uwe ziele; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. 17 Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zerigende: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. 18 Daarom hoort gij heidenen, en verneem o # gij vergadering, wat onder hen is; 19 hoor toe gij aarde, zie, ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten ; want zij merken niet op mijne woorden, en mijne wet die verwerpen zij. 20 Waartoe zal dan de wierook voor mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit verren lande ? Uwe brandoiferen zijn mij niet behaaglijk, en uwe siachtofferen zijn mij niet zoet. 21 Daarom zegt de Heere alzóó: Zie, ik zal dezen volke allerlei aanstoot stellen, en daaraan zullen zich stooten te zamen vaders en kinderen, de nabuur en zijn metgezel, en zullen omkomen. 22 Zóó zegt de Heere: Zie, daar kcmt een volk uit het land van het Noorden, en eene groote natie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde. 23 Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hunne etem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog tegen u, o dochter Sions. 24 Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden, benauwdheid heeft ona aangegrepen, weedom als eener barende vrouw. 25 Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op den weg; want |
JEREMIA 7.
843
|
des vijands zwaard is er, schrik van rondom. 26 O dochter mijns -volks, gord eencn zak aan en wentel u in de asch; maak u rouw als over een éénigen een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen. 27 Ik heb u onder mijn volk gesteld tot eenen wachttoren, tot cene vesting; opdat gij hunnen weg zoudt weten en proeven. 28 Zij zijn allen de afvalligste der afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en yzer, zij zijn altemaal verder-vers. 29De blaasbalg is verbrand, het lood is door het vuur verteerd; tevergeefs heeft de smelter 7.oo vlijtig gesmolten, dewijl do boozen niet afgezonderd zijn. 30 Men noemt ze een verworpen zilver, want de Heere heeft ze verworpen. HOOFDSTUK 7. Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heeee, zeggende: 2 Sta in de poort van des Hee-eex Huis, en roep aldaar dit voord uit, en zeg: Hoort des HeerEn woord, o gansch juda, gij die door deze poorten ingaat cm den Heere te aanbidden; ^ 3 zóó zegt de Heere der heir-Bcharen, de God Israels: Maakt uwe wegen en uwe handelingen i?oed, zoo zal ik ulieden doen wonen in deze plaats. 4 Vertrouwt niet op valsche woorden, zeggende: Des Hef.ren Tempel, des Heeren Tempel, des Heeren Tempel zijn deze. 5 Maar indien gij uwe wegen en uwe handelingen waarlijk zult goed maken, indien gij waarlijk zult recht doen tusschen den man en tusschen zijnen naaste, 6 den vreemdeling, weeze en weduwe niet zult verdrukken, en geen onschuldig bloed in deze plaats vergieten, en andere goden niet zult nawandelen, ulieden ten kwade: 7 zoo zal ik u in deze plaats, tn het land dat ik uwen vaderen gegeven heb, doen won m van eeuw tot eeuw. |
8 Zie, gij vertrouwt op voJache woorden die geen nut doe 9 Zult gij stelen, doodshiü. overspel bedrijven en valschelijk zweren, en Baal rooken, en andere goden nawandelen die gij niet kent, 10 en dan komen en staan voor mijn aangezicht in dit Huis dat naar mijnen naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost om alle deze gruwelen te doen? 11 Is dan dit Huis, dat naar mijnen naam genoemd is, in uwe oogen eene spelonk der moordenaren? Zie, ik heb het ook gezien, spreekt de Heere. 12 V»rant gaat nu henen naar mijne plaats die te Silo was, alwaar ik mijnen naam in het eerst had doen wonen, en ziet wat ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid mijns volks Israels. 13 En nu, omdat gijlieden alle deze werken doet, spreekt de Heere, en ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en ik u geroepen maar gij niet geantwoord hebt: 14 zoo zal ik aan dit Huis dat naar mijnen naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en aan deze plaats die ik u en uwen vaderen gegeven heb, doen gelijk ik aan Silo gedaan heb; 15 en ik zal ulieden van mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als ik alle uwe broeders, het gan-sche zaad Efraïms, weggeworpen heb. 1G Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop mij niet aan; want ik zal u niet hooren.^ 17 Ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem? 18 De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om geheelde koeken te maken voor de Melécheth des hemels, en anderen goden drank- |
|
844 JE EE oHeren te offeren, om mij verdriet aan te doen. 19 Doen zij mij verdriet aan? spreekt de Heere: doen zij hel zichzelven niet aan, tot beschaming huns aangezichts ? 20 Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Zie, mijn toorn en mijne grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de menschen en over de beesten, en over liet geboomte des velda en over de vrucht des aardrijks, en zal branden en niet uitgebluscht â worden. 21 Zóó zegt de Heere der heir-Bcharen, de God Israels: Doet uwe brandofferen tot uwe slacht-otieren, en eet vleesch. 22 Want ik lieb met uwe vaderen, ten dage als ik zeuitEgyp-teland uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken des brandoffers of slachtoffers, 23 maar deze zaak heb ik hun geboden, zeggende: Hoort naar mijne stemme, zoo zal ik u tot eenen God zijn en gij zult mij tot een volk zijn; en wandeltin al den weg dien ik u gebieden zal, opdat het u wel ga. 24 Doch zij hebben niet gehoord noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in liet goeddunken huns boozen harten; en zij zijn achterwaarts gekeerd en niet voorwaarts. 25 Van dien dag af dat uwe vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op dezen dag, zoo heb ik tot u gezonden alle mijne knechten de Profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. 26 Doch zij hebben naar mij niet gehoord noch hun oor geneigd, maar zij hebben hunnen nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hunne vaders. 27 Ook zult gij alle deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet hooren; gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden. 28 Daarom zeg tot hen: Dit is het volk dat naar de stem des Heeren zijns Gods niet hoort, en de tucnt niet aanneemt; de |
IIA 8. waarheid is ondergegaan en uitgeroeid van hunnen mond. 29 Scheer uw hoofdhaar af, o Jeruzalem, en werp het weg, en verhef eene weeklage op de hooge plaatsen; want de Heere heeft het geslacht zijner verbolgenheid verworpen en verlaten. 30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan dat kwaad is in mijne oogen, spreekt de Heere: zij hebben hunne verfoeiselen gesteld in het Huis dat naar mijnen naam genoemd is, om dat te verontreinigen ; 31 en zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal des zoons Hinnoms is, om hunne zonen en hunne doch-teren met vuur te verbranden: hetwelk ik niet heb geboden noch in mijn harte is opgekomen. 32 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat het niet meer zal geheeten worden Tofeth noch dal des zoons Hinnoms, maar Mqprd-dal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn; 33 en de doode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zul ze afschrikken; 34 en ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vroolijkheid en de stem der vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid; want het land zal tot eene verwoesting worden. HOOFDSTUK 8. Ter zelfder tijd, spreekt do Heere, zullen zij de beenderen der Koningen van Juda en de beenderen hunner Vorsten en de beenderen der Priesteren en do beenderen ders Profeten en de beenderen der in woneren van Jeruzalem uit hunne graven uithalen, 2 en zij zullen ze uitspreiden voor de zon en voor de maan en voor het gansche heir des hemels, die zij liefgehad en die zij gediend en die zij nagewandeld en |
JEREMIA 8.
845
|
die zij gezocht hebben, en voor dewelke zij zich nedergebogen liebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden, tot mest op den aardbodem zullen ze zijn; 3 en de dood zal voor het leven verkoren worden bij hetgansche overblijfsel der overgeblevenen uit dit booze geslacht, in alle de plaatsen der overgeblevenen, waar ik ze henengedreven zal hebben, spreekt de Heere der heirscharen. 4 Zeg wijders tot hen : Zóó zegt de Heere: Zal men vallen en niet weder opstaan ? Zal men af-keeren en niet wederkeeren? 5 Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem oS met eene altoos-durende afkeering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keeren. 6 Ik heb geluisterd en toegehoord, zij^ spreken wat niet recht is, daar is niemand die berouw heeft ever zijne boosheid, zeggende : Wat heb ik gedaan ? Een ieder keert zich om in zijnen ioop, gelijk een onbesuisd paard iu den strijd. 7 Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijne gezette tijden, en eene tortelduif en kraan en zwaluw nemen den tijd harer aankomst waar, maar mijn volk weet het recht des Heeren niet. 8 Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs, en de wet des Heeren is bij ons ? Zie, waarlijk tevergeefs werkt de Valsche pen der schriftgeleerden ; 9 de wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; zie, zij hebben des Heeren Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben ? 10 Daarom zal ik hunne vrouwen aan anderen geven, hunne akkeren aan andere bezitters; want van den kleinste aan tot den grootste toe pleegt eenieder van hen gierigheid, van den Profeet aan tot den Priester toe bedrijft een ieder van hen valsch-heid; 11 en zij genezen de breuke der dochter mijne volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede, doch daar is geen vrede. |
12 Zijn zij beschaamd omdat zij gruwel bedreven hebben ? Ja, zij schamen zich in 't minste niet, en weten niet schaamrood te worden: daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde hunner bezoeking zullen zij struikelen, zegt de Heere. 13 Ik zal ze voorzeker weg-rapen, spreekt de Heere, daar zijn geen druiven aan den wijnstok en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, het blad is afgevallen en de geboden die ik hun gegeven heb, die overtreden zij. 14 Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen : immers heeft ons de Heere onze God doen stilzwijgen en ons met galle-water gedrenkt, omdat wij tegen den Heere gezondigd hebben. 15 Men wacht naar vrede maar daar is niets goeds, naar tijd van genezing maar zie, daar is verschrikking. 16 Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord, het gansche land beeft van het geluid der brieschingen zijnerster-ken ; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen. 17 Want zie, ik zend slangen, basilisken onder ulieden^ tegen dewelke geene bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de Heere. 18 Mijne verkwikking ^ is in droefenis, mij n hart is flauw in mij. 19 Zie, de stem van het geschrei der dochter mijns volks is uit zeer verren lande: ^ Is dan de Heere niet te Sion, is haar Koning niet bij haar ? Waarom hebben zij mij vertoornd met hunne gesnedene beelden, met ij delheden der vreemden? 20 De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost. 21 Ik ben gebroken vanwege de breuke der dochter mijns volks, ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen. 22 Is er geen balsem in Gi-lead, is er geen heelmeester al- |
|
846 JEEEIV daar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen? HOOFDSTUK 9. Och dat mijn hoofd-svater ware, en mijn oog eene srringadervan tranen: zoo zoude ik dag en nacht beweenen de verslagenen der dochter mijns volks. 2 Och dat ik in de woestijn eene herberg der wandelaars hadde: zoo zonde ik mijn volk verlaten en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een tronwelooze hoop; 3 en zij spannen hunne tong als hunnen boog tot leugen, zij worden geweldig in liet land, doch niet tot waarheid; want zij gaan voort van boosheid tot boosheid, maar mij kennen zij niet, spreekt de Heere. 4 Wacht u een iegelijk van zijnen vriend, en vertrouwt niet op eenigen broeder; want elke broeder doet niet dan bedriegen, en elke vriend wandelt in achterklap; 5 en zij handelen bedrieglijk een ieder met zijnen vriend, en spreken de waarheid niet; zij lecren hunne tong leugen spreken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen. 6 Uwe woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij mij te kennen, spreekt de Heeke. 7 Daarom zegt de^ Heere der heirscharen alzóó; Zie, ik zal ze smelten en zal ze beproeven; want hoe zoude ik anders^ doen ten aanzien der dochter mijns volks? 8 Hunne tong is een moord-pijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijnen naaste van vrede^ met zijnen mond, maar in zijn binnenste legt hij zijne lagen: _9 zoude ik ze om deze dingen niet bezoeken ? spreekt de Heere : zoude mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? 10 Ik zal een geween en eene weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten der woestijn: want zii zijn afgebrand dat er niemand |
IA 9. doorgaat en men hoort er geene stem van vee; van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe zijn ze weggezworven, doorgegaan. 11 En ik zal Jeruzalem stellen tot s#ce«hoopen, tot eene woning der draken; en de steden van Juda zal ik stellen tot eene verwoesting zonder inwoner. 12 Wie is de wijze man die dit versta, en tot wien heeft de mond des Heeren gesproken dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand isaly eene woestijn, dat er niemand doorgaat? 13 Ãn de Heere zeide: Omdat zij mijne wet, die ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar mijne stem niet gehoord noch daarnaar gewandeld hebben, 14 maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten en naar de Baals, hetwelk hunne vaders hun geleerd hadden: 15 daarom zegt de Heere der heirscharen, de God Israels, alzóó: Zie, ik zal dat volk spijzen met alsem, en ik zal ze drenken met galle-water; 16 en ik zal ze verstrooien onder de heidenen die zij niet gekend hebben, zij noch hunne vaders; en ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat ik ze verteerd zal hebben. 17 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Merkt daarop en roept klaagvrouwen dat ze komen; en zendt henen naar de wijze vrouwen dat ze komen, 18 en haasten, en eene weeklage over ons aanheffen; dat onze oogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten ; 19 want daar is eene stemme van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord; wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten, omdat zo onze woningen hebben omgeworpen. 20 Hoort dan des Heeren Woord gij vrouwen, en uw oor |
JE EE 311A 10.
847
|
ontvange het Woord zijns inonds; en leert mve dochteren weeklachten en elk eene Lare metgezellin klaagliederen: 21 want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, omdekinder-kens uit te roeien van de wijken, de jongelingen van de straten. 22 Spreek: Zóó spreekt de Heeee: Ja, een dood lichaam des menschen zal liggen als mest op het open veld, en als eene garve achter don maaier, dio niemand opzamelt. 23 Zóó zegt de Keebe: Een wijze beroeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid; een rijke beroen e zich niet in zijnen rijkdom: 24 maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en mij kent, dat ik de Heeke ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op {le aarde; want in die dingen heb ik lust, spreekt de Heeke. 25 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dut ik een bezoeking zal doen over allen besnedene, met degenen die de voorhuid hebben: 2G over Egypte, en over Ju da, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab; en over allen die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want alle de heidenen hebben de voorhuid, maar liet gansche huis Israels heeft de voorhuid des harten. HOOFDSTUK 10. Hoort het woord dat de Keebe tot ulieden spreekt, o huis Israel s; 2 zóó zegt de Heeee: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de teekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten. 3 Want de inzettingen der volkeren zijn ij delheid; want het is hout dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen, met de bijl. |
4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hamereu, opdat hej niet waggele ; 5 zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook zoo is er geen goeddoen bij hen. G Omdat niemand u gelijk is, o Heere, zoo zijt gij groot, en groot is uw naam in mogendheid. 7 AVie zoude u niet vreezen, gij Koning der heidenen? want het komt u toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen en in hun gansche koninkrijk niemand u gelijk is. 8 In één ding zijn zij toch onvernuftig en dwaas: een hout is een onderwijs der ij delheden. 9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsia gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en der handen des goud-smids; hemelsblauw en purper is hunne kleeding, een werk der wijzen zijn zij altezamen. 10 Manr de Heere God is de waarheid, hij is de levende God en een eeuwig Koning; van zijne verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen zijne gramschap niet verdragen. 11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder dezen hemel.) 12 Die de aarde gemaakt heeft door zijne kracht, die de wereld bereid heeft door zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid door zijn verstand. 13 Als hij zijne stemme geeft, zoo is er een gedruisch van wateren in den hemel, en hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit zijne schatkameren. 14 Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geen wetenschap heeft, iedere |
f
JEREMIA 11.
843
|
goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is lengen, en daar is geen geest in hen: 15 ij delheid zijn ze, een werk van verleidingen, ten tijde hunner bezoeking zullen ze vergaan. 16 Jakobs deel is niet gelijk die, want hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede zijner erfenis: Heere der heir-scharen is zijn naam. 17 Eaap uwe kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting ; 18 want zóó zegt do Heere: Zie, ik zal de inwoners des lands ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden. 19 O wee mij over mijne breuke!mijne plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers eene krankheid die ik wel dragen zal. 20 Mijne tent is verstoord, en alle mijne zelen zijn verscheurd ; mijne kinderen zijn van mij uitgegaan en zij zijn er niet; daar is niemand meer die mijne tent uitspant en mijne gordijnen opricht; 21 want de herders zijn onvernuftig geworden en hebben den Heere niet gezocht, daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld en hunne gansche weide is verstrooid. 22 Zie, daar komt eene stem des geruchts en een groot beven uit het land van het Noorden: dat men de steden van Juda zal stellen tot eene verwoesting, eene woning der draken. 23 Ik weet, o Heere, dat bij den inensch zijn weg niet is; het is niet bij eenen man die wandelt, dat hij zijnen gang rich te. 24 Kastijd mij, Heere, doch met mate; niet in uwen toorn, opdat gij mij niettenietemaakt. 25 Stort uwe grimmigheid uit over de heidenen die u niet kennen, en over de geslachten die uwen naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten en hem verteerd, en zijne woning verwoest. |
HOOFDSTUK 11. Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, zeggende : 2 Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem ; 3 zeg dan tot hen: Zóó zegt de Heere de God Israels; Vervloekt zij de man die niet hoort de woorden dezes verbonds, 4 dat ik uwen vaderen geboden heb, ten dage als ik ze uit Egypteland, uit den ijzeroven, uitvoerde, zeggende: Zijt mijner stemme gehoorzaam, en doet dezelve, naar alles dat ik ulieden gebiede; zoo zult gij mij tot een volk zijn en ik zal u tot eenen God zijn; 5 opaat ik den eed bevestigo dien ik uwen vaderen gezworen heb, hun te geven een land vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o Heere. 6 Eu de Heere zeide tot mij: Roep alle deze woorden uit in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve. 7 Want ik heb uwen vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als ik ze uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar mijne stem. 8 Maar zij hebben niet gehoord noch Jiun oor geneigd, maar hebben gewandeld een iegelijk naar het goeddunken van hun-lieder boos harte: daarom heb ik over hen gebracht alle de woorden dezes verbonds, dat ik geboden heb te doen maar zij niet gedaan hebben. 9 Voorts zeide de Heere tot mij: Daar is eene verbintenis bevonden onder de mannen van Juda en onder de inwoners van Jeruzalem: 10 zij zijn wedergekeerd tot de |
JE RE Ml A 12.
819
|
ocp-ereclitifflieden hunner voor-vaderen, die mijne woorden geweigerd hebben te hooren, en zij hebben andere goden nagewan-deld om die te dienen. Het huis Israels en het huis van Juda hebben mijn verbond gebroken, dat ik met hunne vaderen gemaakt heb. 11 Daarom zegt de Heere al-zóó: Zie, ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot mij zullen roepen, zal ik naar hen niet hooren. 12 Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heneng;aan en roepen tot de goden dieh zij gerookt hebben : maar zij zullen hen gansch niet kunnen verlossen ter: tijde huns kwaads. 13 Want naar het getal uwer steden zijn uwe goden geveest, o Juda, en naar het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die , schaamte, altaren om den Baal te rooken. 14 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want ik zal niet hooren ten tijde als zij over hun kwaad tot mij zullen roepen. 15 Wat heeft mijne beminde in mijn huis te doen, dewijl zij die schandelijke daad met. velen doet, en het heilige vleesch van u geweken is? Wanneer gij kwaad doet, dan springt gij op van vreugde. 16 De Heere had uwen naam genoemd eenen groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten: maar nu heeft hij met een geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijne takken zullen verbroken worden; 17 want de Heere der heir-scharen die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken om der boosheid wille des huizes Israels en des huizes van Juda, die zij onder zich bedrijven om mij te vertoornen, rookende den Baal. |
18 De Heere nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik liet wete: toen hebt gij mij hunne handelingen doen zien. 19 En ik was als een lam, ah een os die geleid wordt om te slachten: want ik wist niet dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons den boom met zijne vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zün naam niet meer gedacht worde. 20 Maar, o Heere der heirscha-ren, gij rechtvaardige Rechter, die de nieren en het hart proeft, laat mij uwe wrake van hen zien, want aan u heb ik mijne twistzaak ontdekt. 21 Daarom zóó zegt de Heere van de mannen van Anathoth, die uwe ziele zoeken, zeggende: Profeteer niet in den naam des Heeren, opdat gij van onze handen niet sterft; 22 daarom zóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, ik zal bezoeking over hen doen: de jongelingen zullen door het zwaard sterven, hunne zonen en hunne dochteren zulien van honger sterven; 23 en zij zullen geen overblijfsel hebben; want ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathot, in het jaar hunner bezoeking. HOOFDSTUK 12. Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere, wanneer ik tegen u zoude twisten; ik zal nochtans van mee oordeelen met u spreken: waarom is der goddeloozen weg voorspoedig, waarom hebben ze rust, allen die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven ? 2 Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht: gij zijt teel nabij in hunnen mond, maar verre van hunne nieren. 3 Maar gij, o Heere, kent mij, gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met u is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der dooding. 4 Hoe lang zal het land treu- WE1 1 |
*
JEREMIA 13.
850
|
ren en het kruid des ganschen velds verdorren? Vanwege de boosheid dergenen die daarin wonen vergaan de beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet. 5 Als gij loopt met de voetgangers, zoo maken zij u moede: hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zoo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheüing van den Jordaan? 6 quot;vVant ook uwe broeders en uws vaders huis, ook die handelen trouwelooslijk tegen u, ook die roepen u met volle stem achterna; geloof ze niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken. 7 Ik heb mijn huis verlaten, ik heb mijne erfenis laten varen; ik heb de beminde mijner ziele in de hand harer vijanden gegeven. 8 Mijne erfenis is mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft hare stem tegen mij verheven, daarom heb ik ze ge-haat. 9 Mijne erfenis is mij een gesprenkelde vogel: de vogelen zijn rondom tegen haar: komt aan, verzamelt u, al gij gedierte des velds, komt om te eten. 10 Vele herders hebben mijnen wijngaard verdorven, zij hebben mijnen akker vertreden, zij hebben mijnen gewenschten akker gesteld tot eene woeste wildernis; 11 men heeft hem gesteld tot eene woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot mij; het gansche land is verwoest, omdat er niemand is die het ter harte neemt. 12 Op alle hooge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het zwaard des Herren verteert van het ééne einde des lands tot aan het andere einde des lands, daar is geen vrede voor eenig vleesch. 13 Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich gepijnigd, maar zijn niet gevorderd: wordt alzoo beschaamd vanwege ulieder inkomsten, vanwege de hittigheid des toorns des Heeren. |
14 Alzóo zegt de Heere : Aangaande alle mijne booze naburen, die de erfenis aanroeren, welke ik mijnen volke Israël erfelijk gegeven heb: zie. ik zal ze uit, hun land uitrukken, maar het huis Juda zal ik uit hunlieder midden uitrukken; 15 en het zal geschieden nadat ik ze zal uitgerukt hebben, zoo zal ik wederkeeren en mij hunner ontfermen, en ik zal ze we-derbrengen een iegelijk tot zijne erfenis en een iegelijk tot zijn land. lü En het zal geschieden indien zij de wegen mijns volks vlijtig-lijk zuilen leeren. zwerende bij mijnen naam ; Zoo ic aar ach tig als de Hebbe leeft, gelijk als zij mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baal: zoo zuilen zij in het midden mijns volks gebouwd worden. 17 Maar indien zij niet zullen hooien, zoo zal ik die natie ten eenenmale uitrukken en verdoen, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 13. Alzóo heeft de Heeee tot mij gezegd: Ga henen en koop ii eenen linnen gordel, en doe dien aan uwe lendenen; maar breng hem niet in het water. 2 En ik kocht eenen gordel naar het woord des Heekein, -an ik deed dien aan mijne lendenen. 3 Toen geschiedde des Heeren Woord ten tweeden male tot mij, zeggende: 4 Neem den gordel dien gij gekocht hebt, die aan uwe lendenen is, en maak u op en ga henen naar den Frath, en versteek dien aldaar in de kloof eener steenrots. 5 Zoo ging ik henen en verstak dien bij den Frath, gelijk als de Heere mij geboden had. 6 Het geschiedde nu teneinde van vele da^en, dat de Heere tot mij zeide; Maak u op, ga henen naar den Frath,. en neem den gordel van daar, dien ik u geboden heb aldaar te versteken. 7 Zoo ging ik naar den Frath, en groef, en nam den gordel van |
JEEEMIA 13.
Sol
|
de plaats alwaar ik dien verstoken liad; en zie, de gordel was verdorven en deugde nergens toe. 8 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 9 Zoo zegt de Heere: Alzóó zal ik verderven de hoovaardij van Jnda en de groote hoovaardij van Jeruzalem. 10 Dit booze volk, dat mijne woorden weigert te hooren, dat in het goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen en voor die zich neder te buigen, dat zal worden gelijk deze gordel die nergens toe deugt: 11 want gelijk als een gordel kleeft aan de lendenen eens mans, alzóó heb ik het gansche huis Israels en het gansche huis van Juda aan mij doen kleven, spreekt de IIeeee, om mij te zijn tot een volk en tot eenen naam en tot lof en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord. 12 Daarom zeg dit woord tot hen: Zóó zegt do Heeeede God Tsraëls: Alie üesschen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle fles-schen met wijn gevuld zullen worden ? 13 Maar gij zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heeee: Zie,ik zal alle inwoners dezes lands, zelfs de Koningen die David op zijnen troon zitten, en de Priesters en de Profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap; 14 en ik zal ze in stukken slaan, den étn tegen den ander, zoo de vaders als de kinderente zamen, spreekt de Heeee ; ik zal niet verscho men noch sparen noch mij ontfermen, dat ik ze niet zoude verderven. 15 Hoort en neemt ter oore, verheft u niet; want de Heere heeft het gesproken. 1G Geeft eere den Heere u wen God, eer dat hij liet duister maakt, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen, dat gij naar licht wacht, en hij dat tot eene schaduw des doods stelt en tot eene donkerheid zet. |
17 Zult gijlieden dan nog dat niet hooren, zoo zal mijne ziele in verborgen plaatsen weenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des Heeren kudde gevankelijk is-weggevoerd. 18 Zeg tot den Koning en tot de Koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw gansche hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald. 19 De steden van het Zuiden zijn toegesloten, en daar is niemand die ze opent; het gansche Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd. 20 Hef uwe oogen op en zie die daar van het Noorden komen: waar is de kudde die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid ? 21 Wat zult gij zeggen wanneer hij bezoeking over u doen zal, daar gij hen geleerd hebt tot Vorsten, tot een Hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen als eene barende vrouw ? 22 Wanneer gij dan in uw harte zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend ? â om de-veelheid uwer ongerechtigheid zijn uwe zoomen ontdekt, en uwe hielen hebben geweld geleden. 23 Zal ook een Moorman zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. 24 Daarom zal ik ze verstrooien ais een stoppel die doorgaat door eenen wind der woestijn. 25 Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn, van mij, spreekt de Heere ; gij die mij hebt vergeten en op leugen vertrouwt: 26 zoo zal ik ook uwe zoomen ontblooten boven uw aangezicht, en uwe schande zal gezien worden. 27 Uwe overspelen ^ en uw© hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in. het veld; ik heb uwe verfoeise- |
*
JEEEMIA 14.
852
|
len gezien: -wee u Jeruzalem, zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen? HOOFDSTUK 14. Het woord des Hebrest dat tot Jeremia geschied is over de zake der groote droogte. 2 Ju da treurt en hare poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op. 3 En hunne voortrefielijken zenden hunne kleinen naar water, zij komen tot de grachten: zij vindeu geen water, zij komen met hunne vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood en bedekken hun hoold, 4 omdat het aardrijk gescheurd ie, dewijl daar geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd. 5 quot;Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die omdat er geen jong gras is; 6 en de woudezels staan op de hooge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken, hunne oogen versmachten omdat er geen kruid is. 7 Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere, doe het om uws ^naams wille; want onze afkeeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen u gezondigd. 8 O Israels verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid, waarom zoudt gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger die slechts inkeert om te vernachten? 9 Waarom zoudt gij zijn als een versaagd man, als een held die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o Heeke, en wij zijn naar uwen naam genoemd: verlaat ons niet. 10 Alzóó zegt de Heere van dit volk: Zij hebben zoo liefgehad te zwerven, zij hebben hunne voeten niet bedwongen; daarom heeft de Heere geen welgevallen aan hen, nu zal hij hunne ongerechtigheid gedenken en hunne zonden bezoeken. |
11 Wijders zeide de Heere tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede; 12 ofschoon zij vasten, ik zal naar hun geschrei niet hooren, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, ik zal aan hen geen welgevallen hebben, maar door het zwaard en door den honger en door de pestilentie zal ik ze verteren. 13 Toen zeide ik: Ach Heere Heere, zie, die Profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien en gij zult geenen honger hebben, maar ik zal u een ge wissen vrede geven in deze plaats. 14 En do Heere zeide tot mij: Die Profeten profeleeren valsch in mijnen naam, ik heb ze niet gezonden noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken: zij profeteeren nlieden een valsch gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en huns harten bedriegerij. 15 Daarom zegt de Heere alzóó : Aangaande de Profeten die in mijnen naam profeteeren, daar ik ze niet gezonden heb, en die evenwél zeggen: Daar zal geen zwaard noch honger in dit land zijn: â die Profeten zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden. 10 En het volk tot hetwelk zij profeteeren, zal op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege den honger en het zwaard, en daar zal niemand zijn die ze begrave, hen, hunne vrouwen en hunne zonen en hunne dochteren: alzóó zal ik hunne boosheid over hen uitstorten. 17 Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen; Mijne oogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de 'onkvrouw der dochter mijns volks is gebroken meteene groote breuke, eene plage die zeer smartelijk is. 18 Zoo ik uitga in het veld. zie daar de verslagenen van hei zwaard; en zoo ik in de stad kome, zie daar de kranken van honger. Ja, zoowel de Profeten |
m
JEREMIA 15.
853
|
als de Priesters loopen óm in liet land en weten niets. 19 Hebt gij dan Judagansche-lijlc verworpen, heeft uwe ziele eene walging van Sion ? Waarom hebt gij ons geslagen dat er geen genezing voor ons is ? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking. 20 Heere, wij kenner, onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen u gezondigd. 21 Versmaad ons niet, om nws naams wille; werp den troon uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet uw verbond met ons. 22 Zijn er onder de ij delheden der heidenen die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt gij die niet, o Heere onze God? l)aarom zullen wij op u wachten, want gij doet alle die dingen. HOOFDSTUK 15. Maar de Heeke zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuel voor mijn aangezicht, zoo zoude 'och mijne ziele tot dit volk niet wezen : drijf ze weg van mijn aangezicht, en laat ze uitgaan. 2 En het zal geschieden wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zóó zegt de Heeke : _ AVie ter dood, ter dood; en wie^ ten zwaarde, ten zwaarde; en Avie ten honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis. 3 Want ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten spreekt de Heuke; met het zwaard om te dooden, en met de honden om te slepen, en met het gevogelte des hemels en met het gedierte der aarde om op te eten en te verderven; 4 en ik zal ze overgeven tot eene beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Ma-nasse, zoon van Jehizkia, Koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft. |
5 Want wie zoude u verschoo-nen o Jeruzalem, of wie zoude medelijden met u hebben, of wie zoude aftreden om u naar vrede te vragen? 6 Gij hebt mij verlaten, spreekt de Heere, gij zijt achterwaarts gegaan: daarom zal ik mijne hand tegen u uitstrekken en u verderven; ik ben des berouwens moede geworden. 7 En ik zal ze wannen met eene wan in de poorten des lands; ik heb mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hunne wegen niet wedergekeerd. 8 Hunne weduwen zijn mij meerder geworden dan zand der zeeën; ik heb hun over de moeder doen komen eenen jongeling, eenen verwoester op den middag ; ik heb hem haastelijk haar doen overvallen, de stad met verschrikkingen. 9 Zij die zeven baarde is zwak geworden, zij heeft hare ziele uitgeblazen, hare zon is ondergegaan als het nog dag was, zij is beschaamd en schaamrood geworden en hunlieder overblijfsel zal ik ten zwaarde overgeven voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de Heere. 10 Wee mij, mijne moeder,dat gij mij gebaard hebt, eenen man van twist en eenen man van krakeel den ganschen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nochtans vloekt mij ieder van hen. 11 De Heere zeide: Zoo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! Zoo ik niet, in tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tus-schenkome! 12 Zal ook eenig ijzer het ijzer van het Noorden of koper verbreken ? 13 Ik zal uw vermogen en uwe schatten tot eenen roof geven, zonder prijs; en dat om alle uwe zonden, en in alle uwe landpalen. 14 En ik zal u overvoeren met uwe vijanden, in een land dat gij niet kent; want een vuur is aan- |
JEREMIA 18.
â¢854
|
gestoken in mijnen toorn, het zul over n branden. 15 O Heere, gij weet het, gedenk mijner en bezoek mij, en â wreek mij van mijne vervolgers ; neem mij niet weg in uwe lankmoedigheid over hen; weet dat ik om uwentwil versmaadheid draag. 16 Als uwe woorden gevonden zijn, zoo heb ik ze opgegeten, en uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar uwen naam genoemd, o Heere God der heirscharen. 17 Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen: vanwege uwe hand heb ik alléén gezeten, want gij hebt mij met gramschap vervuld. 18 Waarom is mijne pijn steeds durende, en mijne plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt gij mij ganschelijk .zijn als een leugenachtige, als wateren die niet bestendig zijn? 19 Daarom zegt de Heere al-zoó: Zoo gij zult wederkeeren, 200 zal ik u doen wederkeeren; gij zult voor mijn aangezicht staan; en zoo gij^ het kostelijke van het snoode uittrekt, zult gij als mijn mond zijn: laat hen tot u wederkeeren, maar gij zult tot hen niet wederkeeren. 20 Want ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vaeten muur; zij zullen wel tegen ti strijden, maar u niet ©vermogen; want ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de Heere; 21 ja, ik zal u rukken uit de hand der boozen, en ik zal u verlossen uit de handpalm der tyrannen. HOOFDSTUK 16. En des Heeren Woord ge-Bchiedde tot mij, zeggende: 2 Gij zult u geeue vrouw nemen, en gij zult geen zonen noch dochteren nebben in deze plaats; |
3 want zóó zegt de Heere van de zonen en van de dochteren die in deze plaats geboren worden, daartoe van hunne moeders j die ze^ baren en van hunne vaders die ze gewinnen in dit land: 4 Zij zullen pijnlijke dooden eterven, zij zullen niet beklaagd ! noch begraven worden, zij zullen tot mest op den aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard | en door den honger verteerd worden, en hunne doode licha-1 men zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde j tot spijze zijn. 5 Want zóó zegt de Heere: I Ga niet in het huis desgenen die eenen rouwmaaltijd houdt, en ga 1 niet henen om terouwklagen, en ! heb geen medelijden met hen; want ik heb van dit volk (spreekt de Heere) weggenomen mijnen 1 vrede, goedertierenheid enbarm-' hartigheden; I 6 zoodat grooten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal zo niet beklagen, noch zich-, zeiven insnijden noch kaal ma-' ken om hunnentwil. { 7 Ook zal men hun niets uit-| deelen over den rouw, om iemand ' te troosten over eenen doode, noch hun te drinken geven uit 1 den troostbeker over iemands 1 vader of over iemands moeder. 8 Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, j om te eten en te drinken. 9 Want zóó zegt de Heere der ! heirscharen, de God Israels:Zie, | ik zal van deze plaats, voor ulie- der oogen en in ulieder dagen, ' doen ophouden de stem der | blijdschap, de stem des bruide-1 goms en de stem der bruid. 10 En het zal geschieden als gij dezen volke alle deze woorden zult aanzeggen, en zij tot n zeggen: Waarom spreekt de Heere al dit groote kwaad over ons, en welke is onze misdaad en welke is onze zonde die wij tegen den Heere onzen God gezondigd hebben? 11 dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uwe vaders mij verlaten hebben, spreekt de Heere, en hebben andere goden nagewan-deld, en die gediend en zich |
f
JE RE MI A 17.
855
|
voor die nedergebogen, maar mij verlaten en mijne quot;wet niet gehouden hebben, 12 en gijlieden erger gedaan hebt dan uwe vaderen; want zie, gijlieden wandelt een iegelijk naar zijns boozen harten goeddunken, om naar mij niet te hooren: 13 daarom zal ik ulieden uit dit land werpen in een land dat gij niet gekend hebt, gij noch uwe vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat ik u geene genade zal geven. 14 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heeee, dat er niet meer zal gezegd worden: Zoo waarachtïi/ als de Heere leeft die de kinderen Israë's uit Egypteland heeft opgevoerd, 15 maar: Zoo waarachtig als de Heeee leeft, die de kinderen Israels heeft opgevoerd uit het land van het Noorden, en uit alle de landen waarhenen hij ze gedreven had; want ik zal ze we-derbrengen in hun land dat ik hunnen vaderen gegeven heb. 1G Zie, ik zal zenden tot vele visschers, spreekt de Heeee, die zullen ze visschen; en daarna zal ik zenden tot vele jagers, die zullen ze jagen van op allen berg en van op allen heuvel, ja, uit de kloven der steenrotsen. 17 Want mijne oogen zijn op alle hunne wegen; zij zijn voor mijn aangezicht niet verborgen, noch hunne ongerechtigheid verholen van voor mijne oogen. 18 Dies zal ik eerst hunne ongerechtigheid en hunne zonde dubbel vergelden, omdat zij mijn land ontheiligd hebben; zij hebben mijne erfenis met de doode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld. 19 O Heere, gij zijt mijne sterkte en mijne sterkheid, en mijne toevlucht ten dage der benauwdheid; tot u zullen de heidenen komen van de einden der aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders erfelijk leugen bezeten en ij delheid, waarin toch niets was dat nut deed. |
20 Zal een mensch zich goden maken ? Zij zijn toch geen goden. 21 Daarom zie, ik zal hun bekend maken ditmaal, ik zal hun bekend maken mijne hand en mijne macht, en zij zullen weten dat mijn naam is Heere. HOOFDSTUK 17. De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griöel, met de punt eens diamants, gegraven in de tafel van hunliederharten aan de hoornen uwer altaren; 2 gelijk hunne kinderen hunner altaren gedenken en hunner bosschen, bij het groen geboomte, op de hooge heuvelen. 3 Ik zal mijnen berg met het veld, uw vermogen en alle uw© schatten ten roof geven, mitsgaders uwe hoogten, om de zonde in alle uwe landpalen. 4 Al zoo zult gij aflaten (en dat om uzelven) van uwe erfenis die ik u gegeven heb, en ik zal u uwe vijanden doen dienen in een land dat gij niet kent: want gijlieden hebt een vuur aangestoken in mijnen toorn, tot ia eeuwigheid zal het branden. 5 Zóó zegt de Heere : Vervloekt is de man die op eenen mensch. vertrouwt, en vleesch tot zijnen arm stelt, en wiens harte van den Heere afwijkt; 6 want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt wanneer het goede komt, maar blijft «n dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. 7 Gezegend daarentegen is de man die op den Heere vertrouwt, en wiens vertrouwen de Heere is; 8 want hij zal zijn als een boom die aan het water geplant is, en zijne wortelen uitschiet aan eene rivier, en gevoelt het niet wanneer er eene hitte komt, maar zijn loof blijft groen, en in een jaar van droogte zorgt hij niet en houdt niet op van vrucht te dragen. 9 Arglistig is het hart, meer dan eeuig ding, ja, doodelijk is het, wie zal het kennen? 10 Ik de Heere doorgrond het |
amp;
JE REM IA 18.
856
|
hart en proef de nieren, eu dat, om een iegelijk te geven naar de vrucht zijner handelingen. 11 Gelijk een veldhoen eieren vergadert maar broedt ze niet uit, alzóó is hij die rijkdom vergadert doch niet met recht: in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaae zijn. 12 Een troon der heerlijkheid, eene hoogheid van den eerste aan, is do plaatse onzes heilig-doms. 13 O Heere, Israël s verwachting, allen, die u verlaten, zullen beschaamd quot;worden, en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten den Heere, de springader des levenden waters. 14 Genees mij Heere, zoo zal ik genezen worden; behoud mij, zoo zal ik behouden worden; want gij zijt mijn lof. 15 Zie, zij zeggen tot mij: Waar is het Woord des Heeren? Laat het nu komen. lö Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan eenen herder achter u betaamde, ook heb ik den doodelijken dag niet begeerd, gij weet het; wat uit mijne lippen is gegaan, is voor uw aangezicht geweest. 17 quot;VVees gij mij niet tot eene verschrikking; gij zijt mijne toevlucht ten dage des kwaads. 18 Laat mijne vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen den dag des kwands, en verbreek ze met eene dubbele verbreking. 19 Alzóó heeft de Heere tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poorten der kinderen des volks, door dewelke de Koningen van Juda ingaan en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem; 20 en zeg tot hen: Hoort des Heeren woord, gij Koningen van Juda, en gansch Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat: |
21 zóó zegt de Heere: Wacht u op uwe zielen en draagt geen last op den sabbatdag, en brengt niet in door de poorten van Jeruzalem ; 22 ook zult gijlieden geenen last uitvoeren uit uwe huizen op den sabbatdag, noch eenig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als ik uwen vaderen geboden heb; 23 maar zij hebben niet gehoord noch hun oor geneigd, maar zij hebben hunnen nek verhard om niet te hooren en om de tucht niet aan te nemen. 24 Het zal dan geschieden indien gij vlijtig naar mij zult hooren, spreekt de Heere, dat gij geenen last door de poorten dezer stad op den sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop doet: 25 zoo zullen door de poorten dezer stad ingaan Koningen en Vorsten, zittende op den troon Davids, rijdende op wagenen en op paarden, zij en hunne Vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid. 26 En zij zullen komen uit de steden van Juda en uit de plaatsen rondom Jeruzalem en uitliet land Benjamins, en uit de laagte en van het gebergte en van het Zuiden, aanbrengende brandoffer en slachtoffer en spijsoffer en wierook, en aanbrengende lofoffer ten Huize des Heek en. 27 Maar indien gij naar mij niet zult hooren om den sabbatdag te heiligen, en om geenen last te dragen als hij op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat: zoo zal ik een vuur in hare poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren en niet worden uit-gebluscht. HOOFDSTUK 18. Het woord dat tot Jeremia geschied ia van den Heere, zeggende : 2 Maak u op en ga af in des pottenbakkers huis, en aldaar zal |
1
JEEEM.IA 18.
857
|
ik u mijne woorden doen hoo-ren. 3 Zoo ging ik af in des pottenbakkers huis, en zie, hij maakte een werk op de schijven; 4 en het vat dat hij maakte werd verdorven als leem, in de hand des^ pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de oogen des pottenbakkers te maken. 5 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 6 Zal ik iilieden niet kunnen doen gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de Heek e: zie, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzóó zij t gijlieden in mijne hand, o huis Israels. 7 In een oogenblik zal ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat ik het zal uitrukken en afbreken en verdoen; 8 maar indien dat volk, over hetwelk ik zulks gesproken heb, zich van zijne boosheid bekeert, zoo zal ik berouw hebben over het kwaad dat ik hetzelve gedacht te doen. 9 Ook zal ik in een oogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat ik het zal bouwen en planten; 10 maar indien het doet dat kwaad is in mijne oogen, dat het naar mijne stem niet hoort, zoo zal ik berouw hebben over het goedequot;»/^ hetwelk ik gezegd had hetzelve te zullen weldoen. 11 Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zóó zegt de Heere: Zie, ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden eene gedachte ; zoo bekeert u nu een iegelijk van zijnen boozen weg, en maakt uwe wegen en uwe handelingen goed. 12 Doch zij zeggen: Het is buiten hope, maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen een iegelijk het goeddunken zijns boozen harten. |
13 Daarom zóó zegt de Heere: Vraagt nu onder de heidenen: ! wie heeft alzulks gehoord? De i jonkvrouw Israels doet eene zeer afschuwelijke zaak. i 14 Zal men ook om eenen rotssteen des velds verlaten de sneeuw Libanons? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden ? 15 Nochtans heeft mijn volk mij vergeten, zij rooken der ij Uel-hei d ; want zij hebben ze doen aanstooten op hunne wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van eenen weg die niet opgehoogd is, 1G om hun land te stellen tot eene ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat zal zich ontzetten en met zijn hoofd schudden: 17 als een oostenwind zal ik ze verstrooien voor het aangezicht des yijands, ik zal hun den nek en niet het aangezicht laten zien ten dage huns verderfsv 18 Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van den Priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den Profeet; komt aan, en laat ons hem slaan niet de tong, en laat ons niet luisteren naar eenigc zijner woorden. 19 Heere, luister naar mij en hoor naar de stem mijner twisters. 20 Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijne ziele eenen kuil gegraven ; gedenk dat ik voor uw aangezicht gestaan heb om goed voor hen te spreken, om uwe grimmigheid van hen af te wenden. 21 Daarom geef hunne zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hunne vrouwen van kinderen berooid en weduwen worden, en laat hunne mannen door den dood omgebracht en hunne jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd. 22 Laat er een geschrei uit hunne huizen gehoord worden, wanneer gij haastelijk eene bende over hen zult brengen; dewijl zü 'A' ' |
JERE3IIA 19,20.
853
|
eenen kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijne voeten. 23 Doch gij, Heere, weet al hunnen aard tegen mij ten doode; maak geene verzoening over hunne ongerechtigheid, en delg hunne zonde niet uit van voor uw aangezicht; handel ulzóómet hen ten tijde uws toorns. HOOFDSTUK 19. Zóó zegt de Heere: Ga henen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten des volks en van de oudsten der Tries teren; 2 en ga uit naar het dal des zoons Hiunoins,_ dat vóór de deur der Zonnepoort is, en roep aldaar uit de woorden, die ik tot u spreken zal, 3 en zeg: Hoort des Heeren woord, gij Koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem: alzóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zie, ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van hetwelk een ieder die het hoort zijne ooren klinken zullen; 4 omdat zij mij verlaten, en deze plaats vervreemd, en anderen goden daarin gerookt hebben, die zij niet gekend hebben, zij noch hunne vaders, noch de Koningen van Juda, en hebben deze plaats vervuld met bloed der onschuldigen ; 5 want zij hebben de hoogten Baiils gebouwd, om hunne zonen met vuur te verbranden, den Baal tot brandoüeren; hetwelk ik niet geboden noch gesproken heb, noch in mijn hart is opgekomen. G Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth of dal van den zoon Hinnoms, maar Moord-dal; 7 want ik zal den raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal ze voor het aangezicht hunner vijanden doen vallen door het zwaard en door de hand dergenen die hunne ziel zoeken, en ik zal hunne doode lichamen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze geven. |
8 En ik zal deze stad zetten tot eene ontzetting en tot eene aanfluiting; al wie voorbij haar gaat zal zich ontzetten en fluiten over «alle hare plagen. 9 En ik zal henlieden het vleesch hunner zonen en het vleesch hunner dochteren doen eten, en zij zullen eten een iegelijk het vleesch zijns naasten, in de belegering en in de benauwing, waarmede hen hunne vijanden en die hunne ziele zoeken benauwen zullen. 10 Dan zult gij de kruik verbreken voor de oogen der mannen die met u gegaan zijn, 11 en zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere der heirscharen: Alzóó zal ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheel kan worden ; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geene andere plaats zal zijn om te begraven. 12 Zóó zal ik aan deze plaats doen, _ spreekt de Heere, en aan hare inwoners, en dat, om deze stad te stellen als een Tofeth. 13 En dehuizen van Jeruzalem en de huizen der Koningen van Juda zullen, gelijk de plaatsen van Tofeth, onrein worden, met alle de huizen op welker daken zij allen heire des hemels gerookt en vreemden goden drankolferen geofierd hebben. 14 Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarhenen hem de Heere gezonden had om te profeteeren, stond hij in den voorhof van des Heere.n Huis, en zeide tot al het volk: 15 Zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zie, ik zal over deze stad, en over allé hare steden, al het kwaad brengen dat ik over haar gesproken heb, omdat zij hunnen nek verhard hebben, om mijne woorden niet te hooren. HOOFDSTUK 20, Als Pashur, de zoon van Immer, de Priester, (deze nu wa* |
é
|
jere: aard© bestelde voorffanger in het Huia des Heeren,) Jeremia hoorde deze zetten woorden profeteerende, b eene 2 zoo sloeg Pashur den Profeet j haar Jeremia, en hij stelde hem in de luiten gevangenis, welke is in de bovenste poort Benjamins die aan het n het Huis des Heeren is. a het 3 Maar het geschiedde des andoen deren daags dat Pashur Jeremia i iege- uit de ^ gevangenis voortbracht: en,in toen zeide Jeremia tot hem: De enau- Heere noemt uwen naam niet e vij- Pasliur, maar Magor-missabib ; )eken . 4 want zóó zegt de Heere ; Zie, ik stel u tot eenen schrik vour : ver- uzelven en voor alle uwe liefman- hebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat : Zóó het uwe oogen aanzien; er ik zal aren: gansch Juda geven in de hand deze des Konings van Babel, iie ze men naar Babel gevankelijk zal weg-eekt, voeren, en slaan ze met het wor- zwaard. ofeth 5 Ook zal ik geven al hetver-idere mogen dezer stad, en al haren aven. arbeid, en al hare kostelijkheid, laats en alle schatten der Koningen i aan van Juda, en ik zal ze geven in deze de hand hunner vijanden : die th. zullen ze rooven, zullen zo nemen alein en zullen ze brengen naar Babel. van ö En gij Pashur, en alle in-itsen woners van uw huis, gijlieden met zult gaan in de gevangenis; en iken gij zult te Babel komen, en al-ookt daar sterven en aldaar begraven 'eren worden, gij en alle uwe vrienden, denwel ken gij valschelijk gopro-gt;feth feteerd hebt. eere 7 Heere, gij hebt mij oven-eed Jren, en ik ben overreed geworden, gij ides zijt mij te sterk geweest en hebt t al overmocht; ik ben denganschen dag tot een belachen, een ieder leir- van hen bespot mij; i, ik 8 want sinds dat ik spreek, alle roep ik uit, ik roep geweld en ren- verstoring, omdat mij des Heeren â¢ken Woord den ganschen dag tot ver- smaad en tot schimp is. â¢den 9 Dies zeide ik: Ik zal zijner niet gedenken, en niet meer in zijnen naam spreken; maar het werd in mijn hart als een bran-Im- dend vuur, besloten in mijne waa beenderen; en ik vermoeide mij |
11A 21. 850- om te verdragen, maar kon niet. 10 Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zegqende: Geef ous te kennen, en wij zullen het te kennen geven; alle mijne vredege-nooten geven acht op mijn hinken, zij zeguen : Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen en onze wraak van hem nemen. 11 Maar de Heere is met mij als een verschrikkelijk held, daarom zullen mijne vervolgers struikelen en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben: het zal eene eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden. 12 Gij dan, o Heere der heir-scharen, die den rechtvaardige proeft, die de nieren en het harte ziet, laat mij uwe wrake van hen zien, want ik heb u mijne twistzaak ontdekt. 13 Zingt den Heere, prijst den Heere ; want ^ hij heeft de ziel des nooddruftigen nit de hand der boosdoeners verlost. 14 Vervloekt zij de dag op welken ik geboren ben, de dag op welken mijne moeder mij gebaard heeft zij niet gezegend. 15 Vervloekt zij de man die mijnen vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een junge zoon geboren, verblijdende hem grootelij ks. 16 Ja, die man zij als de steden die de Heere heeft omge-keerd, en het heeft hem niet berouwd ; en hij hoore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei; 17 dat hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af, of mijne moeder mijn graf geweest is, of hare baarmoeder als van eene die een wiglij k zwanger is. 18 Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijne dagen in beschaamdheid vergaan? HOOFDSTUK 21. Het woord dat van den Heee» |
|
860 J EIIEIV geschied is tot Jeremia, als dc Koning Zedekia tot hem zond Pashur, den zoon van Mul Ida, en Zefanja, den zoon van Maa--Beja, den Priester, zeggende; 2 Vraag tocli den Heeui; voor ons, want Nebukadnezar, de Koning van Babel, strijdt tegen ons: misschien zal de Heere met ons doen naar alle zijne wonderen, dat hij van ons optrekke. 3 Toen zeide Jeremia tot hen: -Zóó zult gijlieden tot Zedekia zeggen: 4 Zóó zegt de Heere de God Israels: Zie, ik zal de krijgswapenen omwenden die in ulieder hand zijn, met welke gij strijdt tegen den Koning van Babel en tegen de Chaldecn, die u belegeren van buiten aan den muur; en ik zal ze verzameleu in het midden van deze stad. 5 En ik zelf zal tegen ulieden â strijden met eene uitgestrekte hand en met eenen sterken arm, ja, met toorn en met grimmig-lieid en met groote verbolgenheid. G En ik zal de inwoners dezer stad slaan, zoowel de menschen als de beesten; door eene groote â¢pestilentie zullen ze sterven. 7 En daarna, spreekt de Heere, zal ik Zedekia, den Koning van Ju da, en zijne knechten en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Ne-bukadnezar, den Koning van Ba-bel, en in de hand hunner vijanden en in do hand dergenen die hunne ziel zoeken ; en hij zal ze daan met de scherpte des zwaards, hij zal zo niet sparen noch ver-Echoonen noch zich ontfermen. 8 En tot dit volk zult gij zeggen: Zóó zegt de Heere: Zie,ik etel voor ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods: 9 die in deze stad blijft, zal eterven door het zwaard of door den honger of door de pestilentie; maar die er uitgaat en afvalt tot de Chaldeën die ulieden belegeren, die zal leven, en zijne ziel tal hem tot een buit zijn. |
IA 22. 10 Want Ik heb mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt de Heere! zij zal gegeven worden in de hand des Konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. 11 En aangaande het huis des Konings van Juda, hoort des Heeren woord: 12 O huis Davids, zóó zegt de Heere: Richt des morgens recht, en verlost den beroofde uit de hand des verdrukkers; opdat mijne gramschap niet uityare ala een vuur, en brande dat niemand blusschen kan, vanwege de boosheid uwer handelingen. 13 Zie ik teil aan u, gij inwo-neres des dals, gij rots der vlakte, spreekt de Heere, gijlieden die zegt: Wie zoude tegen ons afkomen, of wie zoude komen in ouzo woningen? 14 En ik zal over ulieden bezoeking doen naar de vrucht uwer handelingen, spreekt de Heere; en ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is. HOOFDSTUK 22. AIzuó zegt de Heere: Ga af in het huis des Konings van Juda, en spreek aldaar dit woord, 2 en zeg: Hoor het woord des Heeren, gij Koning van Juda, gij die zit op Davids troon, gij en uwe knechten en uw volk, dio door deze pcorten ingaan: 3 zóó zegt de Heere: Doet recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers, en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduwe, doet geen geweiden vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats. 4 Want indien gijlieden deze zaak ernstiglijk zult doen, zoo zullen door de poorten van dit huis Koningen ingaan, zittende David op zijnen troon, rijdende op wagens en op paarden, hij en zijne knechten en zijn volk. 5 Indien gij daarentegen deze woorden niet zult hooren, zoo heb ik bij mij gezworen, spreekt |
JEllEMIA 22.
861
|
de Heere, dat dit huis tot eene woestheid worden zal. 6 quot;Want zóó zegt de Heere van het huis des Konings van Juda: Gij zijt mij een Gilead. eene hoogte Libanons; maar zoo iku niet zette als eene woestijn en onbewoonde steden! 7 quot;NVant ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereed-Bchap; die zullen uwe uitgewezene cederen omhouwen en in het vuur werpen. 8 Dan zullen vele heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen een ieder tot zijnen naaste: Waarom heeft de Heere al zóó gedaan aan deze groote stad r 9 En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond des Heeren huns Gods hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden nederge-bogen en die gediend. 10 Weent niet over den doode en beklaagt^ hein niet; weent vrij over dien die weggegaan is, want hij zal nimmermeer wederkomen, dat hij het land zijner geboorte zie. 11 Want zóó zegt de Heere van Salluin, den zoon van Josia, l\o-fling van Juda, die in de plaats van zijnen vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen, 12 maar in de plaats waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien. 13 Wee dien die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijne opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hem zijn arbeidsloon niet; 14 die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder en aangestreken met menie. 15 Zoudt gij regeercn, omdat gij u mengt met den ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wèl? |
1(5 Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wèl; is dat niet mij te kennen? spreekt do Heere. 17 Ti laar uwe oogen en uw hart zijn niet dan op uwe gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen. 18 Daarom zegt de Heere alzoó van Jojakim, zoon van Josia, Koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broeder, of: Och zuster;zij zullen hem niet beklagen: Och heer, of: Och zijne majesteit: 19 met eene ezelsbegrafenis zal hij begraven worden, men zal hem slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten Jeru-zalems. 2U Klim op den Libanon en roep, en verhef uwe stem op den Basan; roep ook van de veren ; maar alle uwe liefhebbers zijn verbroken. 21 Ik sprak u aan in uwen grooten voorspoed, maar gij zei-det: Ik zal niet hooren. Dit is uw weg van uwe jeugd af, dat gij mijner stem niet hebt gehoorzaamd. 22 De wind zal alle uwe herders weiden, en uwe liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult gij zekerlijk beschaamd en te schande worden vanwege al uwe boosheid. 23 O gij die nu op den Libanon woont en in de cederen nestelt, hoe begenadigd zult gij zijn als u de smarten zullen aankomen, het wee als eener barende vrouio, 24 Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere, ofschoon Cho-nia, _ de zoon van Jojakim, den Koning van Juda, een zegelring ware aan mijne rechterhand, zoo zal ik u toch van daar wegrukken, 25 en ik zal u geven in de hand dergenen die uwe ziel zoeken en in de hand dergenen voor welker aangezicht gij schrikt, namelijk in de hand Nebukadnezars, desKonings van |
|
â¢062 J ERE5 Pabel, en in de hand dor Chal-deen; 26 en ik zal u, en uwe moeder die u gebaard beeft, uitwerpen in een ander land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en daar zult gij sterven; 27 en in liet land naar hetwelk hunne ziele verlangt om daar weder te komen, daarhenen zullen zij niet wederkomen. 28 Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld, of is hij een vat waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land dat zii niet kennen? 29 ó ' land, land, land, hoor des Heeren woord; 30 zóó zegt de Heere; Schrijft dezen man als kinderloos aan, als eenen man die niet voorspoedig zal zijn in zijne dagen; want daar zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids en heer-schende meer in Juda. HOOFDSTUK 23. quot;Wee den herderen, die de schapen mijner weide ombrengen en verstrooien spreekt de Heere. 2 Daarom zegt de Heere de God Israels alzóó van de herders die mijn volk weiden: Gijlieden hebt mijne schapen verstrooid en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht: zie, ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de Heere, 3 en ik zal het overblijfsel mijner schapen zelf vergaderen uit alle de landen waarhenen ik ze verdreven heb, en ik zal ze wederbrengen tot hunne kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen; 4 en ik zal herders over hen verwekken die ze weiden zullen, en zij zullen niet meer vreezen nocli verschrikt Worden, noch gemist worden, spreekt de Heere. 5 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik David eene rechtvaardige Spruite zal verwekken, die zal Koning zijnde |
IA 23. regeeren en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op aarde; 6 in zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zéker wonen, en dit zal zijn naam zijn waannede men hem zal noemen: de Heere onze gerechtigheid. 7 Daarom zie. de dagen komen, spreekt do Heere, dat ze niet meer zullen zeggen: Zoo waarachtig aU de Heere leeft die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd, 8 maar: Zoo waarachtig als de Heere leeft die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd en die het aangebracht heeft uit het land van het Koorden, en uit alle de landen waarhenen ik ze gedreven had; want zij zullen wonen in hun land. 9 Aangaande de Profeten. Mijn harte wordt in mijn binnenste gebroken, alle mijne beenderen bewegen zich, ik ben als een dronken man en als een man dien de wijn te boven gaat, vanwege den Heere en vanwege de woorden zijner heiligheid. 10 Want het land is vol over-spelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is en hunne macht niet recht. 11 Want beiden Profeten en Priesters zijn huichelaars, zelfs in mijn Huis vind ik hunne boosheid spreekt de Heere. 12 Daarom zal hun weg hun zijn als zeer^gladde plaatsen in de donkerheid, zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want ik zal een kwaad ever hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de Heere. 13 Ik _heb wel ongerijmdheid gezien in de Profeten van Sa-marië, die door den Baal profeteerden en mijn volk Israël verleidden ; 14 maar in do Profeten van Jeruzalem zie ik afschuwelijkheid, zij bedrijven overspel, en gaan om met valschheid, en sterken de handen der boosdoo- |
JEREMIA 23.
8G3
|
ners opdat zij zich niet bekeeren een iegelijk van zijne bocsheid ; zij allen zijn mij als Sodom, en hare imvoners als Gomorra. 15 Daarom zegt de Heere der heirschaven van deze Profeten alzoo: Zie, ik zal ze met alsem spijzigen en met pa 11e-water drenken; want van Jeruzalems Profeten is de huichelarij uitgegaan in het gansche land. 16 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Hoort niet naar do woorden der Profeten die n pro-feteeren; zij maken u ij del, zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des Heeren mond; 17 zij zeggen steeds tot degenen die mij lasteren: De i Hee i;i. heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tol al wie naar zijns harten goeddunken wandelt zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. 18 Want wie heeft in des Hek-een raad gestaan, en zijn Woord gezien of gehoord? Wie heeft zijn Woord aangemerkt en gehoord ? 19 Zie, een onweder des Hee-rex, eene grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder: het zal blijven op der goddeloo-zen hoofd. 20 Dos Heer en toorn zal zich niet afwenden, totdat hij zal hebben gedaan en totdat hij zal hebben daargesteld de gedachten zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten, 21 Ik heb die Profeten niet gezonden, nochtans hebben zij geloopen, ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. 22 Maar zoo zij in mijnen raad hadden gestaan, zoo zouden zij mijn volk mijne woorden hebben doen hooren, en zouden ze afgekeerd hebben van hunnen boozen weg en van de boosheid hunner handelingen. 23 Ben ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet een God van verre? |
24 Zoude zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat ik hem niet zoude zien? spreekt de Heere; vervul ik niet den hemel en de aarde? spreekt de Heere. 25 Ik heb gehoord wat de Profeten zeggen, die in mijnen naam leugen profeteeren. zeggende : Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. 26 Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der Profeten die de leugen profeteeren? Ja, het zijn Profeten van huns harten bedriegerij, 27 die daar denken om mijn volk mijnen naam te doen vergeten door hunne droomen die zij een ieder zijnen naaste vertellen, gelijk als hunne vaders mijnen naam vergeten hebben door den Baal. 28 De Profeet bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken mijn Woord is, die spreke mijn Woord waar-achtiglijk: wat heeft het stroo met het koren te doen? spreekt de Heere. 29 Is mijn Woord niet alzóó als een vuur, spreekt de Heere, en als een hamer eene steenrots te morzel slaat? 30 Daarom zie, ik wil aan de Profeten, spreekt de Heere, die mijne woorden stelen een ieder van zijnen naaste; 31 zie, ik wil aan de Profeten, spreekt de Heere, die hunne tong nemen en spreken; Hij heeft het gesproken; 32 zie, ik wil aan degenen die valsche droomen profeteeren, spreekt de Heere, en vertellen die, en verleiden mijn volk met hunne leugenen en met hunne lichtvaardigheid: daar ik zeniet gezonden en hun niets bevolen heb, en zij dezen volke gansch geen nut doen, spreekt de Heere. 33 Wanneer dan dit volk, of een Profeet, of Priester u vragen zal, zeggende: Wat is dea Heeren last? zoo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat ik ulieden verlaten zal, spreekt de Heere. 34 En aangaande den Profeet, Ãl |
|
864 J E11E M of den Priesier, of het volk dat zeggen zal: Des Heeren last: â dat ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis. 35 Aldus znlt gijlieden zeggen eon iegelijk tot zijnen naaste en een iegelijk tot zijnen broeder: Wat heeft de Heere geantwoord en wat heeft de Heere gesproken? 3G Maar des Heeren last znlt gij niet meer gedenken; want eenen iegelijken zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden des levenden Gods, des Heeren der heirscha-ren, onzes Gods. 37 Aldus zult gij zeggen tot den Profeet: Wat heeft u de Heere geantwoord en wat heeft de Heere gesproken? 38 Maar dewijl gij zegt: Des Heeren last, daarom zóó zegt de Heere: Omdat gij dit woord zegt: Des Heeren last, daar ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des Heeren last, â 39 daarom zie, ik zal n ook ganschelijk vergeten, en u, mitsgaders de stad die ik u en uwen vaderen gegeven heb, van mijn aangezicht laten varen; 40 en ik zal u eeuwige smaad-heid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten. HOOFDSTUK 24. De Heere deed mij zien, en zie, daar waren twee vijgenkor-ven, gezet vóór den Tempel des Heeren: nadat Nebukadrezar, Koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den Koning van Juda, mitsgaders de Vorsten van Juda, en de timmerlieden en de smeden, van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had. 2 In den éénen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer slechte vijgen, die vanwege de slechtheid niet konden gegeten worden. 3 En do Heere zeide tot mij: W at ziet gij Jeremia? en ik |
A 24, 25. zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de slechte zeer slecht, die vanwege de slechtheid niet kunnen gegeten worden. 4 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 5 Zóó zegt de Heere de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzóó zal ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda., die ik uit deze plaats naar het land der Chaldeën heb weggezonden ten goede; 6 en ik zal mijn oog op hen stellen ten goede, en zal ze wederbrengen in dit land, en ik zal ze bouwen en niet afbreken, en zal ze planten en niet uitrukken ; 7 en ik zal hun een hart geven om mij te kennen dat ik de Heere ben; en zij zullen mij tot een volk zijn en ik zal hun tot eenen God zijn, want zij zullen zich tot mij met hun gansche hart bekeeren. 8 En gelijk de slechte vijgen, die vanwege de slechtheid niet kunnen gegeten worden, (want aldus zegt de Heere), alzóó zal ik maken Zedekia, den Koning van Juda, mitsgaders zijne Vorsten en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in Egypte-land wonen; 9 en ik zal ze overgeven tot eene beroering ten kwade allen koninkrijken der aarde, tot smaadheid en tot een spreekwoord, tot eene spotrede en tot eenen v.oek, in alle de plaatsen waarhenen ik ze gedreven zal hebben; 10 en ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land dat ik hun en hunnen vaderen gegeven had. HOOFDSTUK 25. Het woord dat tot Jeremia geschied is overliet gansche volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, Koning van Juda, (dat was het |
JEREMIA 25.
865
|
eerste jaar van Nebukadrezar, Koning van Babel; 2 hetwelk de Profeet Jeremia gesproken heeft tot het gansche volk van Juda en tot alle de inwoners van Jeruzalem zeggende: 3 Van het dertiende jaar van Josia, den zoon van Amon, den Koning van Juda, tot op dezen dag toe, (dit is het drieëntwintigste jaar,) is het Woord des Heeren tot mij geschied, en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord. 4 Ook heeft de Heere tot u gezonden alle zijne knechten de Profeten, vroeg op zijnde en zendende, (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te hooren,) 5 zeggende: Bekeert u toch een iegelijk van zijnen boozen weg en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land dat de Heere u en uwen vaderen gegeven heeft, van eeuw tot eeuw; 6 en wandelt andere goden niet na, om die te dienen en u voor die neder te buigen, en vertoornt mij niet door uwer handen werk, opdat ik u geen kwaad doe. 7 Maar gij hebt naar mij niet | gehoord, spreekt de Heere, opdat gij mij vertoorndet door het werk uwer handen, uzelven ten kwade. 8 Daarom zóó zegt de Heere der heirscharen: Omdat gij mijne woorden niet hebt gehoord, 9 zie,-ik zal zenden en nemen alle geslachten van liet Noorden, spreekt de Heere, en tot Nebukadrezar, den Koning van Babel, mijnen knecht, en zal ze brengen over dit land en over deszelfs inwoners, en over alle deze volken rondom, en ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot eene inzetting en tot eene aanfluiting en tot eeuwige woestheden; 10 en ik zal van hen doen vergaan de stem der vroolijkheid en de stem der vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp; |
11 en dit gansche land zal worden tot eene woestheid, tet eene ontzetting, en deze volken zullen den Koning van Babel dienen zeventig jaar. 12 Maar het zal geschieden als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal ik over den Koning van Babel en over dat volk, spreekt de Heere, hunne ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Ohaldecn, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen ; 13 en ik zal over dat land brengen alle mijne woorden die ik daarover gesproken heb, al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over alle deze volken; 14 want van hen zullen zich doen dienen die óók machtige volken en^ groote Koningen zijn: alzoo zal ik hun vergelden naar hun doen en naar het werk hunner handen. 15 Want alzóó heeft de Heere de God Israëls tot mij gezegd: Neem dezen beker van den wijn der grimmigheid van mijne hand en geef dien te drinken aan alle de volken tot welke ik u zende: 16 dat ze drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard dat ik onder hen zal zenden. 17 En ik nam den beker van des Heeren hand, en ik gaf te drinken allen den volken tot welke de Heere mij gezonden had, 18 namelijk Jeruzalem en den steden van Juda, en haren Koningen en haren Vorsten, om die te stellen tot eene woestheid, tot eene ontzetting, tot eene aan-fluiting en tot eenen vloek, gelijk het is te dezen dage; 19 Farao, den Koning van Egypte, en zijnen knechten en zijnen Vorsten en al zijn volk, 20 en den ganschen gemengden hoop, en allen Koningen van het land üz ; en allen Koningen van dor Filistijnen land, en Askelon 23 |
JE RE MIA 26.
866
|
en Gaza en Ekron en het over- blijfeel van Asdod: 21 Edom en Moab en den kinderen Amnions; _ 22 en allen Koningen van Tyrua en allen Koningen van Sidon, en den Koningen der eilanden die aan gene zijde der zee zijn; 23 Dedan en Tenia en Buz, en allen die aan de hoeken afgekort zijn; 24 en allen Koningen van Arabic, en allen Koningen van den gemengden hoop die in de woestijn wonen; '25 en allen Koningen van Zimri, en allen Koningen van Elam, en allen Koningen van Mediè; 26 en allen Koningen van het Noorden, die nabij en die verre zijn,den éénen met den anderen; ja, allen koninkrijken der aarde die op den aardbodem zijn. En de Koning van Sesacli zal na hen drinken. 27 Gij zult dan tot hen zeggen : Zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Drinkt en wordt dronken en spuwt, en valt neder dat gij niet weder opstaat vanwege het zwaard dat ik onder u zal zenden. 28 En het zal geschieden wanneer zij weigeren zullen don beker van uwe hand te nemen om te drinken, dat gij tot hen zeggen zult: Zóó zegt de Heere der heirscharen: Gij zult zekerlijk drinken. 29 Want zie, in de stad die naar mijnen naam genoemd is, begin ik de plagen: en zoudtgij eenigszins onschuldig gehouden worden. Gij zult niet onschuldig worden gehouden ; want ik roep het zwaard over alle inwoners der aarde, spreekt de Heere der heirscharen. 30 Gij zult dan alle deze woorden tot hen profeteeren, en gij zult tot hen zeggen: De Heere zal brullen uit de hoogte, en zijne stemme verheffen uit de woning zijner heiligheid, hij zal schrikkelijk brullen over zijne woonstede; hij zal een vreugde-geschrei, als de druiventreders, uitroepen, tegen alle inwonera |
der aarde. 31 Het geschal zal komen tot aan het einde der aarde; want de Heehe lieel'fc eenen twist met de volken, hij zal gericht houden met allevleesch; degoddeloozen die heeft hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de Heere. 32 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, een kwaad gaat uit van volk tot volk, en een groot onweder zal verwekt worden van de zijden der aarde; 33 en de verslagenen desllEE-ren zullen te^ dien dage li(igen van het ééne einde der aarde tot aan het andere einde der aarde, zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven wor- 1 den; tot mest op den aardbodem i zullen ze zijn. i 34 Huilt gij herders en i schreeuwt, en wentelt u in de asch, gij heerlijken van de kudde; j want uwe dagen zijn vervuld dat men slachten zal, en van uwe verstrooiingen : dan zult gij vervallen als een kostelijk vat; 35 en de vlucht zal vergaan van de herders, en de ontkoming van de heerlijken der kudde; 36 daar zal zijn eene stem des geroep^, der herderen, en een gehuil der heevl ij ken van de kudde, omdat de Heere hunne weide verstoort. 37 Want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden vanwege de hittigheid des toorns des Heer en: 38 hij hseft als eene jonge leeuw zijne hut verlaten: want hunlieder land is geworden tot eene verwoesting, vanwege de hittigheid des verdrukkers, ja, vanwege de hittigheid zijns toorns. HOOFDSTUK 26. In het begin des koninkrijks van Jojakim, den zoon van Josia, Koning van Juda, geschiedde dit woord van den Heere, zeggende: 2 Zoó zegt de Heere: Sta in liet voorhof van het Huis des i Heeren, en spreek tot alle ste- |
JEEEMIA 26.
8G7
|
den van Juda, die komen om aan te bidden in liet kuis des Heeren, alle de woorden die ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet één woord af. 3 Misschien zullen ze hooren, en zich bekeeren een iegelijk van zijnen boozen weg: zoo zoude ik berouw hebben over het kwaad dat ik hun denk te doen vanwege de boosheid hunner handelingen. 4 Zeg dan tot hen: Zóó zegt de Heere: Zoo gijlieden naar ! mij niet zult hooren, dat gij wan- j delt in mijne wet die ik voor uw aangezicht gegeven heb, 5 hooren de naar de woorden van mijne knechten de Profeten, die ik tot u zend, zelfs vroeg op zijnde en zendende, doch die gij niet gehoord hebt: 6 zoo zal ik dit Huis stellen als Silo, en deze stad zal ik stellen tot eenen vloek allen volken der aarde. 7 En de Priesters en de Profeten en al het volk hoorden Jeremia deze woorden spreken in het Huis des Heeren. 8 Zoo geschiedde het als Jeremia geëindigd had te spreken alles wat de Heere geboden had tot al^ het volk te spreken, dat de Priesters en de Profeten en al het volk hem grepen, zeggende : Gij zult den dood sterven. 9 Waarom hebt gij in den naam des Heeren geprofeteerd, zeggende; Dit Huis zal worden als {Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand wone? En het gansche volk werd vergaderd tegen Jeremia in het Huis dos Heeren. 10 Als nude Vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis des Konings naar het Huis des Heeren, en zij zetteden zich bij de deur der nieuwe poort des Heeren. 11 Toen spraken do Priesters en de Profeten tot de Vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan dezen man is een oordeel des doods, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als gij met uwe ooren gehoord hebt. |
12 Blaar Jeremia sprak tot alle de Vorsten en tot al het volk, zeggende: De Heere heeft mij gezonden om tegen dit Huis en tegen deze stad te profeteeren alle de woorden die gij gehoord hebt; 13 nu dan, maakt uwe wegen en uwe handelingen goed, en gehoorzaamt der stemme des Heeren uws Gods; zoo zal het den Heere berouwen over het kwaad dat hij tegen u gesproken heeft. 14 Doch ik, zie, ik ben in uwe hand: doet mij als het goed en alsjiet recht is in uwe oogen; 15 maar weet voorzeker dat gij, zoo gij mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u en op deze stad en op hare inwoners; want in waarheid, de Heere hoeft mij tot u gezonden om alle deze woorden voor uwe ooren te spreken. 10 Toen zeiden de Vorsten er al het volk tot do Priesteren en tot de Profeten: Aan dezen man is geen oordeel des doods, want hij heeft tot ons gesproken in den naam des Heeren onzesGods. 17 Ook stonden er mannen op van de oudsten des lands, en spraken tot de gansche gemeente des volks, zeggende: 18 Micha de Morastiet heeft in de dagen van Hizlda, Koning van Juda, geprofeteerd en tot al liet volk van Juda gesproken, zeggende: Zóó zegt de Hf.ere der heirscharen: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steeuhoopen worden, en de berg dezes Huizes tot hoogten eens wonds. 1à Hebben ook Hizlda, de Koning van Juda, en gansch Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet den Heere en smookte des Heeren aangezicht, zoodat het den Heere berouwde over het kwaad dat hij tegen hen gevSpro-ken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen. 20 Daar was ook een man die in den naam des Heeren profeteerde, Uria, dezoon van Semaja, van Kirjath-Jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen |
JEPvEMIA 27.
8G8
|
dit land, naar allo de woorden ! Tan Jeremia. 21 En als de Koning Jojakira, ! mitsgaders alle zijne geweldigen i en allo de Vorsten, zijne woorden hoorden, zocht de Koning hem te dooden. Als Uria dat hoorde, zoo vreesde hij en vluchtte, en kwam in Egypte. 22 Maar de Koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elna-than den zoon van Achbor, en andere mannen met hem, naar Egypte; 23 die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot den Koning Jojakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven der kinderen des volks. 24 Maar de hand van Ahikam, den zoon van Safaii, was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand des volks om hem te dooden. HOOFDSTUK 27. In het begin des koninkrijks van Jojakim, zoon van Josia, Koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia van deuHEE-re, zeggende: 2 Alzoó zei de de Heere tot mij: Maak u banden en jukken, en doe dio aan uwen hals; 3 en zend zo tot den Koning van Edom, en tot den Koning van Moab, en tot den Koning der kinderen Ammons, en tot den Koning van Tyrus, en tot den Koning van Sidon, door de hand der boden die te Jeruzalem tot Zedekia, den Koning van Juda, komen; 4 en beveel hun aan hunne heeren te zeggen: Zóó zegt de Heere der heir?charcn, de God Israels: Zóó zult gij tot uwe heeren zeggen: 5 Ik heb gemaakt de aarde, den mensch en het vee die op don aardbodem zijn, door mijne groote kracht en door mijnen uitgestrek-ten arm, en ik geef ze aan wien het recht is in mijne oogen. 6 En nu, ik heb alle deze landen gegeven in de hand vanNe-bukadnezar, den Koning van |
Babel, mijnen knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb ik hem gegeven om hem te dienen. 7 En alle volken zullen hem en zijnen zoon en zijns zoon* zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigen lands komt: dan zullen zich machtige volken en groote Koningen van hem doen dienen. 8 En het zal geschieden, het volk en het koninkrijk dat hem Nebukadrezar, den Koning van Babel, niet zal dienen, en dat zijnen hals niet zal geven onder het juk des Konings van Babel: over dat volk zal ik, spreekt de Heere, bezoeking doen door het zwaard en door den honger en door de pestilentie, totdat ik ze zal verteerd hebben door zijne hand. 9 Gijlieden dan, hoort niet naar uwe Profeten en naar uwe waarzeggers en naar uwe droomers en naar uwe toovenaars, dewelke tot u spreken, zeggende: Gij zult den Koning van liabel niet dienen. 10 Want zij profeteeren u valscliheid, om u ver uit uw land te brengen, en dat ik u uit-stoote en gij omkomt. 11 Maar het volk dat zijnen hals zal brengen onder het juk des Konings van Babel, en hem dienen, dat zal ik in zijn land laten spreekt de Heere, en het zal dat bouwen en daarin wonen. 12 Daarna sprak ik tot Zedekia, den Koning van Juda, raar alle deze woorden, zeggende: Brengt uwe halzen onder het juk des Konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zoo zult gij leven. 13 Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk, door het zwaard, door den honger en door de pestilentie, gelijk als de Heere gesproken heeft van het volk dat den Koning van Babel niet zal dienen ? 14 Hoort dan niet naar de woorden der Profeten die tot u spreken, zeggende: Gij zult den Koning van Babel niet dienen; want zij profeteeren u valechheid. |
1
J ERE MIA 28.
869
|
15 Want ik heb ze niet gezonden, spreekt de Heeee, en zij profeteeren valsclielijk in mijnen naam; opdat ik u uitstoote en gy omkomt, gij en de Proleten die u profeteeren. 1G Ook sprak ik tot do Prie-etera en tot dit gansche volk, zeggende : Zóó zegt de Heere : Hoort niet naar de woorden uwer Profeten die u profeteeren, zeggende: Zie. do vaten van de3 Heeeen Huis zullen nu haast uit Babel wedergebrachtworden; want zij profeteeren u valscli-heid. 17 Hoort niet naar hen, maar dient den Koning van Babel, zoo zult gijlieden leven: waarom zoude deze stad tol eene woestheid worden? 13 Maar zoo zij Profeten zijn en zoo des Heeren Woord bij hen in laat ze nu bij den Heere der heirscharen voorbidden, opdat de vaten, die in liet Huis des Heeren en liet huis des Ko-nings van Juda en Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen. 10 Want zóó zegt de Heere der heirscharen van de pilaren en van de zee en van de stellingen en van het overige der vaten die in deze stad zijn overgebleven, 20 die Nebukadnezar, de Koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jeehonia, den zoon van Jojakim, Koning van Jeruzalem naar Babel gevankelijk wegvoerde, mitsgaders alle de edelen van Juda en Jeruzalem ; 21 ja, zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels, van de vaten die in het Huis des Heeren en het huis des Konings van Juda en te Jeruzalem zijn overgebleven: 22 Naar Babel zullen ze gebracht worden, en aldaar zullen ze zijn tot den dag toe dat ik ze bezoeken zal, spreekt de Heere; dan zal ik ze opvoeren en zal ze wederbrengen tot deze plaats. HOOFDSTUK 28. |
Voorts geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin des ko-ninkrijks van Zedekia, Koning van Juda, in het vierdejaar in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azzur, de Profeet die van Gibeon was, tot mij sprak in het Huis des Heeren, voor do oogen der Priesters en des gan-schen volks, zeggende: 2 Zóó spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels, zeggende : Ik heb het juk des Konings van Babel verbroken: 3 in nog twee volle jaren zal ik tot deze plaats wederbrengen alle do vaten van het Huis dea Heeren, die Nebukadnezar. de Koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen en naar Babel gebracht; 4 ook zal ik Jeehonia, den zoon van Jojakim, Koning van Juda, en allen die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn tot deze plaats wederbrengen, spreekt de Heere; want ik zal het juk des Konings van Babel verbreken. 5 Toen sprak de Profeet Jere-mia tot den Profeet Hananja, voor de oogen dor Priesteren en voor do oogen des ganschen volks, die in het Huis des Heeren stonden, 6 en de Profeet Jeremiazeide: Amen, de Heere doe alzóó, de Heere bevestige uwe woorden die gij geprofeteerd hebt, dat hij de vaten van des Heeren Huis, en allen die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel weder-brenge tot deze plaats. 7 Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uwe ooren en voor de ooren des ganschen volks: 8 do Profeten die vóór mij en vóór u van oudsher geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen groote koninkrijken geprofeteerd van krijg en van kwaad en van pestilentie; 9 de Profeet die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van dien Profeet komt, dan zal die Profeet bekend worden, dat de Heere hem in waarheid gezonden heeft. 10 Toen nam de Profeet Ha- ? ⢠t ; il! i. i i 1; |
tr
|
670 JE RE nanja het juk van den lials van den Profeet Jeremia, en hij verbrak het; 11 en Hananja sprak voor de oogen des gansehen volks, zeggende; Zóó zegt de Heere; Al-zóó zal ik verbreken het juk van Nebnkadnezar, den Koning van Babel, in nog twee volle jaren, van den hals aller der volken. En de Profeet Jeremia ging zijnsvreegs. 12 Doch des Heeren Woord geschiedde tot Jeremia, (nadat de Profeet Hananja het juk van den hals van den Profeet Jeremia verbroken had,) zeggende: 13 Ga henen en spreek tot Hananja, zeggende; Zóó zegt de Heere: Houten jukken hebt gij verbroken: nu zult gij in plaats van die ijzeren jukken maken. 14 Want zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan den hals van alle deze volken, om Nebnkadnezar, den Koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, ik heb hem ook het gedierte des velds gegeven. 15 En de Profeet Jeremia zei-de tot den Profeet Hananja; Hoor nutf Hananja; de Heere heeft u niet gezonden, maar gij hebt gemaakt dat dit volk op lengen verf rouwt. 16 Daarom zóó zegt de Heere : Zie ik zal u wegwerpen van den aardbodem; dit jaar zult gij sterven, omdat gij eenen afval ge-eproken hebt tegen den Heere. 17 Al zoo stierf de Profeet Hananja in datzelfde jaar in de zevende maand. HOOFDSTUK 29. Voorts zijn dit de woorden van den brief, dien de Profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de Prlesteren en de profeten, en tot het gansche volk dat Nebnkadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Sabel, 2 (nadat de Koning Jeehonia, |
OA 29. en de Koningin, en dekamerlin- vlnd« gen, de Vorsten van JudaenJe- . vrag( ruzalem, mitsgaders de timmer- 14 lieden en smeden, van Jeruzalem vond waren uitgegaan,) re, 3 door de hand van Elasa, den wenc zoon van Safan, en Gemarja, den â de quot; zoon van Hilkia, die Zedekia, de | sen quot; Koning van Juda, naar Babel lt; spret zond tot Nebnkadnezar, denKo- wede ning van Babel zeggende; waai 4 Zóó zegt de Heere der heir- weg\ scharen, de God Israels, tot al- 15 len die gevankelijk zijn wegge- heefl voerd, die ik gevankelijk heb verw doen wegvoeren van Jeruzalem 16 naar Babel; , zóó 5 Bouwt huizen en woont daar- vids in, en plant hoven en eet de volk vrucht daarvan; iute\ 6 neemt vrouwen en gewint niet zonen en dochteren; en neemt geni vrouwen voor uwe zonen, en geeft 17 uwe dochteren aan mannen, dat i hein zij zonen en dochteren baren: en . den wordt aldaar vermenigvuldigd der en wordt niet verminderd; mak 7 en zoekt den vrede der stad, , gen. waarhenen ik u gevankelijk heb niet doen wegvoeren, en bidt voor 18 haar tot den Heere; wont in met haren vrede zult gij vrede Leb- en ] ben. ze c 8 Want zóó zegt de Heere der allei heirscharen, de God Israels: Laat eene uwe Profeten en uwe waarzeg- en 1 gers, die m het midden van u eene zijn, u niet bedriegen, en hoort volt niet nac.r uwe droomers die gij zal j doet droomen; 19 9 want zij profeteeren u valache- den lijk in mijnen naam, ik heb ze de I niet gezonden spreekt de Heere. de I 10 Want zóó zegt de Heere: op z Zekerlijk, als zeventig jaren te lied' Babel zullen vervuld zijn, zal ik de I ulieden bezoeken, en ik zal mijn 20 goed wócrd over -a verwekken, woo u wederbiengende tot deze plaats. zijt 11 Want ik weet de gedachten . ruza die ik over u denk, spreekt de zom Heere, gedachten des vredes en 21 niet des kwaads, dat ik u geve echo het einde en de verwachting. : Ach 12 Dan zult gij mij aanroepen Zed en henengaan en tot mij bidden, ⢠uUe en ik zal naar u hoorcn; lijk 13 en gij zult mij zoeken en geve |
JEREMIA
871
|
, vinden, wanneer gij naar mij zult vragen met uw gansche liarte, 14 en ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de Hee-se, en ik zal uwe gevangenis wenden, en u vergaderen uit alle de volken en uit alle de plaatsen waarlienen ik u gedreven heb, spreekt de Heeke, en ik zal u wederbrengen tot de plaats van waar ik u gevankelijk heb doen wegvoeren. 15 Omdat gij zegt: De Heere heeft ons Profeten naar Babel verwekt, 1G daarom zegt de Heere al-zóó van den Koning die op Davids troon zit, en van al het volk dat in deze stad woont, ie neten uwe broederen die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis, 17 alzóo zegt de Heere der heirschareniZie, ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden, en ik zal ze maken^ als de afschuwelijke vijgen. die vanwege de slechtheid niet kunnen gegeten worden; 18 en ik zal ze achternajagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie, en ik zal ze overgeven tot eene beroering allen koninkrijken der aarde, tot eenen vloek en tot eenen schrik en tot eene aanfluiting en tot eene smaadheid onder alle de volken waar ik ze henengedreven zal hebben: 19 omdat zij naar mijne woorden niet gehoord hebben, spreekt de Heere, als ik mijne knechten de Profeten tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende, maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de Heere. 20 Gij dan, hoort des Heeren woord, gij allen die gevankelijk zijt weggevoerd, die ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden ; 21 zóó zegt de Heere derheir-echaren, de God ^ Israëls, van Achab; zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in mijnen naam valsche-lijk profeteeicn: Zie, ik zal ze geven in de hand van Nebukad-rezar, den Koning van Babel, en hij zal ze voor uwe oogen slaan; |
22 en van hen zal een vloek genomen worden bij alle de gevankelijk weggevoerden van Juda die in Babel zijn, dat men zegge: De Heere stelle u als Zedekia en als Achab, die de Koning van Babel aan het vuur braadde: 23 omdat zij eene dwaasheid deden in Israël en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en^ spraken hot woord yalschelijk in mijnen naam, dat ik hun niet geboden had; en ik ben degene die het weet en een getuige daarvan» spreekt do Heere. 24^ Tot Semaja nu, den Nehe-lamiet, zult gij spreken, zeggende: 25 Zóó spreekt de Heere der heirscharen, de God Israëls, zeggende : Omdat gij brieven in uwen naam gezonden hebt tot al het volk dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, den zoon van Maaseja, den Priester, en tot alle de Pries-teren, zeggende: 2G De Heere heeft u tot Priester gesteld in plaats van den Priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in des Heeren Huis over allen man die onzinnig is en zich voor een Profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok: 27 nu dan, waarom hebt gij Jeremia den Anathothiet niet gescholden, die zich bii ulieden voor een Profeet uitgeeft? 28 Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende : Het zal lang duren; bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan. 29 Zefanja nu, de Priester had dezen brief gelezen voor de ooren van den Profeet Jeremia. 30 Daarom gftschiedde des Heeren Woord tot Jeremia, zeggende: 31 Zend henen tot allen die gevankelijk weggevoerd ^ijn,zeggende: Zóó zegt de Heere van öemaja den Kehelamiet: Omdat Semaja nlieden geprofeteerd heeft, daar ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt dat gij oplengen vertrouwt. |
JEREMIA 30.
872
|
32 daarom zegt de Heere alzóó: Zie ik zal bezoeking doen over Semaja den Nelielamiet en over zijn zaad; hij zal niemand hebben die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien dat ik aan mijn volk doen zal, spreekt de Heere, want hij heeft eenen afval gesproken tegen den Heere. HOOFDSTUK 30. Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, zeggende : 2 Zóó spreekt de Heere de God Israels, zeggende; Schrijf u alle de woorden, die ik tot u gesproken heb, in een boek. 3 Want zie de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik de gevangenis van mijn volk Israël en Juda wenden zal, zegt de Heere, en ik zal ze wederbrengen in het land dat ik hunnen vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten. 4 En dit zijn de woorden die de Heere gesproken heeft van Israël en van Juda, 5 want zóó zegt de Heere: Wij hooren eene stem der ver-eclirikking, daar is vrees en geen vrede.r 6 Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie ik dan eens iegelijken mans handen op zijne lendenen, als van eene barende vromo, en alle aangezichten veranderd in bleekheid? 7 O wee, want die dag is zoo groot dat zijnsgelijke niet geweest is, en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob: toch zal hn daaruit verlost worden. 8 Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere der heirscharen, dat ik zijn juk van uwen hals verbreken en uwe banden verscheuren zal, en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen; 9 maar zij zullen dienen den Heere hunnen God, en hunnen Koning David dien ik hun verwekken zal. 10 Gij dan vrees niet, o mijn |
knecht Jakob, spreekt de Heerb, en ontzet u niet Israël, want zie, ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis, en Jakob zal wederkomen en stil en gerust zijn, en daar zal niemand zijn die hem verschrikt. 11 Want ik ben met u, spreekt de Heere, om u te verlossen; want ik zal eene voleinding maken met alle de heidenen waarhenen ik u verstrooid heb; maar met u zal ik geene voleinding maken, maar ik zal u kastijden met mate, en u niet gansch onschuldig houden. 12 Want zóó zegt de Heere: Uwe breuke is doodelijk, uwe plage is smartelijk; 13 daar is niemand die uwe zaak oordeelt aangaande het gezwel, gij hebt geen heel pleisters; 14 alle uwe lief hebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want ik heb u geslagen met ; eens vijands plage, de kastijding eens wreeden, om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uwe zonden machtig veel zijn. 15 Wat krijgt gij over uwe breuke, dat uwe smart doodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uwe zonden machtig veel zijn, heb ik u deze dingen gedaan. 16 Daarom, allen die u opeten, zullen opgegeten worden, en alle uwe wederpartij ders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u berooven, zullen ter be-rooving zijn, en allen die u plunderen, zal ik ter plundering overgeven ; 17 want ik zal u de gezondheid doen rijzen en u van uwe plagen genezen, spreekt de Heere, omdat zij u noemen de verdrevene; het is Sion, zeggen zij, niemand vraagt naar haar. 18 Zóó zegt de Heere: Zie, ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en mij over hunne woningen ontfermen en de stad zal herbouwd worden op , hare hoogte, en het paleis zal I liggen naar zijne wijze. i 19 Eu van hen zal dankzeg- |
i
JEREMIA 31.
873
|
ging uitgaan en eene etem der spelenden, en ik zal ze vermeerderen en zij zullen niet verminderd worden, en ik zal ze verheerlijken en zij zullen niet gering worden. 20 En zijne zonen zullen zijn als eertijds, en zijne gemeente zal voor mijn aangezicht bevestigd worden, en ik zal bezoeking doen over alle zijne onderdrukkers. 21 En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerscher uit het midden van hem voortkomen, cn ik zal hem doen naderen en hij zal tot mij genaken; want wie is hij die met zijn hart borg worde om tot mij te genaken? spreekt de Heere. 22 En gij zult mij tot een volk zijn en ik zal u toteenen God zijn. 23 Zie, een onwedej des Hee-ren, eene grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder, het zal blijven op het hoofd der goddeloozen; 24 de hittigheid van des Hee-ren toorn zal zich niet afwenden, totdat hij gedaan en totdat hij daargesteld zal hebben de gedachten zijns harten: in het laatste der dagen zult gij daarop letten. HOOFDSTUK 31. Terzelfder tijd, spreekt de Heere, zal ik allen geslachten Israels tot eenen God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn. 2 Zóó zegt de Heere: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als ik henenging om hem tot rust te brengen. 3 De Heere is mij verschenen van verre tijden. Ja, ik heb u liefgehad viel eene eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid. 4 Ik zal u weder bouwen en gij zult gebouwd worden, ojonk-vrouwe Israëls; gij zult weder versierd zijn met uwe trommelen en uitgaan met den rei der spelenden : 5 gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Ãamarië, de planters zullen planten en de vrucht genieten. |
C Want daar zal een dag zijn icaarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maaktu op en laat ons opgaan naar Sion, tot den Heere onzen God. 7 Want zóó zegt de Heere: Eoept luide over Jacob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het hooren, lofzingt, en zegt: O Heere, behoud uw volk, het overblijfsel van Israël. 8 Zie, ik zal ze aanbrengen uit het land van het Noorden, en zal v.q vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met eene groote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen; 9 zij zullen komen met geween, en met smeekingen zal ik ze voeren; ik zal ze leiden aan de waterbeken, in eenen rechten weg waarin zij zich niet zullen stooten; want ik ben Israël tot eenen vader, en Efraïm die is mijn eerstgeborene. 10 Hoort des Heeren Woord gij heidenen, en verkondigt in de eilanden die verre zijn, en zegt: Hij die Israël verstrooid heeft zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijne kudde. 11 Want de Heere heeft Jakob vrijgekocht, en hij heeft hem verlost uit de hand desgenen die sterker was dan hij: 12 dies zullen zij komen en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des Heeren goed, tot het koren en tot den most en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hunne ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. 13 Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want ik zal hunlieder rouw in vroolijkheid veranderen, en zal ze troosten en zal ze verblijden na hunne droefenis; 14 en ik zal de ziel der Priea- 28* p |
|
874 jere: teren met vettigheid dronken maken, en mijn volk zal met mijn goed verzadigd worden, spreelit de Heere. 15 Zóó zegt de Heere: Daar is eene stemme gehoord in Kama, eene klage, een zeer bitter geween : Kachel weent _ over liare kinderen, zij weigert zich te laten troosten over hare kinderen, omdat ze niet zijn. 1G Zóó zegt de Heere : Bedwing uwe stem van geween en uwe oogen van tranen; want daar is loon voor uwen arbeid, spreekt de Heere, want zij zullen uit des vijands land wederkomen; 17 en daar is verwachting voor uwe nakomelingen, spreekt de Heere, want uive kinderen zullen wederkomen tot hunne landpale. 18 Ik heb wel gehoord dat zich Efraïm beklaagt, zengende: Gij hebt mij getuchtigd en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn; want gij zijtde Heere mijn God. lü Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt heb ik op de heupe geklopt; ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb. 20 Is niet Efraïm mij eendier-bare zoon, is hij mij niet een troetelkind ? Want sinds ik tegen hem gesproken heb denk ik nog ernstiglijk aan hem; daarom rommelt mijn ingewand over hem, ik zal mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de Heere. 21 Kicht u merkteekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg dien gij gewandeld hebt, keer weder o jonkvrouwe Israels, keer weder tot deze uwe steden. 22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkeerige docliter? Want de Heere heeft wat nieuws op de aarde geschapen; de vrouw zal den man omvangen. 23 Zóó zegt de Heere der heir-Bcharen, de God Israels: Dit quot;woord zullen zij nog zeggen in |
IIA 31. het land van Juda en in zijne steden, als ik hunne gevangenis wenden zal: De Heere zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid. 24 En Juda mitsgaders alle zijne steden zullen te zamen daarin wonen, de akkerlieden en dia met de kudden reizen; 25 want ik heb de vei moeide ziele dronken gemaakt en ik heb alle treurige ziele vervuld. 26 (Hierop ontwaakte ik en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.) 27 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik het huis Israels en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van men-schen en zaad van beesten: 28 en het zal geschieden, gelijk ik over hen gewaakt heb om uit te rukken en af te breken en te verstoren en te verderven en kwaad aan te doen, al zóó zal ik over hen waken om te bouwen en te planten, spreekt de Heere. 29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden ; 30 maar een iegelijk zal om zijne ongerechtigheid sterven, een ieder mensch die de onrijpe druiven eet, zijne tanden zullen stomp worden. 31 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik met het huis Israëls en met hethuis van Juda een nieuw verbond zal maken: 32 niet naar het verbond dat ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als ik hunne hand aan greet «lui hen uit Egypteland uit te voeren, welk verbond met mij zij vernietigd hebben, hoewel ik ze getrouwd had, spreekt de Heere; 33 maar dit is het verbond dat ik na die dagen met het huis Israëls maken zal, spreekt de Heere: ik zal mijne wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven, en ik zal hun tot eenen God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn: 34 en zij zullen niet meer een |
JEKEMIA 32.
875
|
iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder leeren, zeggende : Kent den Heere : want zij zullen mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hnnnen grootste toe, spreekt de Heere, â¢want ik zal hunne ongerechtigheid vergeven en hunne zonde niet meer gedenken. 35 Zóó _ zegt de Heere, die de zon ten licht geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten licht des nachts, die de zee klieft dat hare golven bruisen, Heere der heirscharen is zijn naam: 3G Indien deze ordeningen van voor mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de Heere, zoo zal ook het zaad Israels ophouden dat het geen volk zij voor mijn aangezicht, alle de dagen. 37 Zóó zegt de Heere: Indien de hemelen daar boven gemeten en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zoo zal ik ook het gansche zaad Israels verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere. 38 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat deze stad den Heere zal herbouwd worden, van den toren Hananeël af tot aan de Hoekpoort; 39 en het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden; 40 en het gansche dal der doode lichamen en der asch, en alle de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paarden-poort tegen het Oosten, zal den Heere eene heiligheid zijn: daar zal niets weder uitgerukt noch afgebroken worden in eeuwigheid. HOOFDSTUK 32. Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, in het tiende jaar van Zedekia, Koning van Juda; dit jaar was het achttienae jaar van Nebukad-rezar. 2 (Het heir nu van den Koning van Babel belegerde toen |
Jeruzalem, en de Profeet Jeremia was opgesloten in het voorhof der bewaring dat in het huis des Konings van Juda is. 3 Want Zedekia, de Koning van Juda, had hem opgesloten, zeggende: Waarom profeteert gij, zeggende: Zóó zegt de Hiere: Zie, ik geef deze stad in de hand des Konings van Babel, en hij zal ze innemen; 4 en Zedekia, de Koning van Juda, zal van de hand der Chal-deën niet ontkomen, maar hij zal zekerlijk gegeven worden in do hand des Konings van Babel, en zijn mond zal tot deszelfs mond spreken en zijne oogen zullen deszelfs oogen zien; 5 en hij zal Zedekia naar Babel voeren, en aldaar zal hij zijn totdat ik hem bezoeke, spreekt de Heere: ofschoon gijlieden tegen de Clialdeën strijdt, gij zult toch geen geluk hebben.) 6 Jeremia dan zeide:DesHEE-ren Woord is tot mij geschied, zeggende: 7 Zie, Hanameël, de zoon van Sallum, uwen oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld dat bij Anathoth is, want gij hebt het recht van lossing om te koopen. 8 Alzoo kwam Hanameël, mijns ooms zoon, naar des Heeren Woord, tot mij in het voorhof der bewaring, en zeide tot mij: Koop toch mijn veld, hetwelk is bij Anathoth in het land Benjamins; want gij hebt het erfrecht en gij hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik dat het des Heerex Woord was. 9 Dies kocht ik van Hanameël, mijns ooms zoon, het veld dat bij Anathoth is ; en ik woog hem het geld toe, zeventien zilveren sikkelen. lü En ik onderschreef den brief en verzegelde dien, en deed het getuigen betuigen als ik het geld op de weegschaal gewogen had. 11 En ik nam den koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de inzettingen, en den opon brie/ ; 12 en ik gaf den koopbrief aan i' 4 H |
JEREMIA 32.
876
|
Baruch, den zoon vanNeria, den zoon van Mahseja, voordeoogen van Hanameël, mijns ooms zoon, en voor de oogen der getuigen die den koopbrief hadden onderschreven, voor de oogen van alle de Joden die in het voorhof der bewaring zaten. 13 En ik beval Baruch voor hunne oogen, zeggende: 14 Zóó zegt de Heere der heir-scharen, de God Israëls: Neem deze brieven, dezen koopbrief, zoo den verzegelden als dezen open brief, en doe zo in een aarden vat, opdat ze vele dagen mogen bestaan; 15 want zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Daar zullen nog huizen en velden en wijngaarden in dit land gekocht worden. 16 Voorts, nadat ik den koopbrief aan Baruch, den zoon van Neria^ gegeven had, bad ik tot den Heere, zeggende: 17 Ach, Heere Heere, zie, gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt door uwe groote kracht en door uwen uitgestrekten arm; geen ding is u te wonderlijk. 18 Gij die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; gij groote, gij geweldige God, wiens naam is Heere der heirscharen, 19 groot van raad en machtig van daad; (want uwe oogen zijn open over alle wegen der men-schenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijne wegen en naar de vrucht zijner handelingen ;) 20 gij die teekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland tot op dezen dag, zoo in Israël als onder andere menschen, en u eenen naam gemaakt hebt gelijk hij is te dezen dage: 21 en hebt uw volk Israël uit Egypteland uitgevoerd door teekenen en door wonderen, en door eene sterke hand en door eenen uitgestrekten arm en door groote verschrikking; |
22 en hebt hun dit land gegeven, dat gij hunnen vaderen gezworen hadt hun te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig; 23 zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten, maar hebben uwer stemme niet gehoorzaamd en in uwe wet niet gewandeld; zij hebben niets gedaan van alles dat gij hun geboden hadt te doen: dies hebt gij hun al dit kwaad doen bejegenen. 24 Zie de wallen, zij zijn gekomen aan de stad om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand der Chaldeën die tegen haar strijden, vanwege het zwaard en den honger en de pestilentie; en wat gij gesproken hebt is geschied, en zie, gij ziet het: 25 evenwel hebt gij tot mij gezegd, Heere Heere: Koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in der Chaldeën hand gegeven is. 26 Toen geschiedde des Hee-ren quot;VToord tot Jeremia, zeggende : 27 Zie, ik ben de Heere, de God van alle vleescli: zoude mij eenig ding te wonderlijk zijn? 28 Daarom zegt de Heere: al-zóó: Zie, ik geef deze stad in de hand der Chaldeën en in de hand van Nebukadnezar, den Koning van Babel, en hij zal ze innemen; 29 en de Chaldeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen op welker daken zij den Baal gerookt en anderen goden drankofferen ge-otferd hebben, om mij te vertoornen. 30 Want de kind oren Israëls en de kinderen van Juda hebben van hunne jeugd af alleenlijk gedaan dt-t kwaad was in mijne oogen, want de kinderen Israëls hebben mij door het werk hunner handen alleenlijk vertoornd, spreekt de Heere; 31 want tot mijnen toorn en tot mijne grimmigheid is mij deze stad geweest, van den dag af dat zij ze gebouwd hebben tot op |
é
JEREMIA
877
|
dezen dag toe; opdat ik haar van mijn aangezicht wegdeed, 32 om al de boosheid der kinderen Israels en der kinderen van Juda, die zij gedaan hebben om mij te vertoornen, zij, hunne Koningen, hunne Vorsten, hunne Priesteren cn hunne Profeten,en de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; 33 die mij den nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel ik ze leerde, vroeg op zijnde en leerende, evenwel hoorden zij niet om tucht aan te nemen; 34 maar zij hebben hunne verfoeiselen gesteld in het Huis dat naar mijnen naam genoemd is, ïm dat te verontreinigen, 35 en zij hebben de hoogten Baiilfl gebouwd, die in het dal van den zoon Hinnoms zijn, om hunne zonen en hunne dochteren voor den Molech door het vuur te laten gaan; hetwelk ik hun niet heb geboden noch in mijn hart is opgekomen, dat zij dezen gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen. 36 En nu, daarom zegtdellEERE, de God Israels, alzoo van deze stad, waar gij van zegt: Zij is gegeven in de hand des Konings van Babel. door het zwaard en door den honger en door de pestilentie : â 37 Zie, ik zal ze vergaderen uit alle de landen waarhenen ik ze zal verdreven hebben in mijnen toorn cn in mijne grimmigheid gt;.n in groote verbolgenheid, en ik zal ze tot deze plaats weder-brengen, en ik zal ze zéker doen wonen. 38 Ja, zij zullen mij tot een volk zijn en ik zal hun toteenen God zijn. 39 En ik zal hun éénerlei hart en éénerlei weg geven, om mij te vreezen alle de dagen, hun ten goede, mitsgaders hunne kinderen na hen. 40 En ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat ik van achter _ hen niet zal afkeeren, opdat ik hun weldoe; en ik zal mijne vreeze in hun hart geven, dat zij niet van mij afwijken. |
41 En ik zal mij over hen verblijden, dat ik hun weldoe; en ik zal ze getrouwelijk in dit land planten, met mijn gan-sche hart en met mijne gansche ziel. 42 Want zóó zegt de Heers: Gelijk als ik over dit volk gebracht heb al dit groote kwaad, alzóó zal ik over hen brengen al het goede dat ik over hen spreek. 43 En daar zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt; Het is woest, dat er geen mensch noch beest in is: het is in der Chaldeën hand gegeven: 44 velden zal men voor geld koopen, en de brieven onderschrijven en het getuigen doen betuigen, in het land Benjamins en in de plaatsen rondom Jeruzalem en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte en in de steden der laagte en in de steden van het Zuiden; want ik zal hunne gevangenis wenden, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 33. Voorts geschiedde desHEEREN quot;Woord ten tweeden^ male tot Jeremia, als hij nog in het voorhof der bewaring was opgesloten, zeggende: 2 Zóó zegt de Heere die het doet, de Heere die dat fornieerc opdat hij het bevestige, Heere is zijn naam: 3 Iloept tot mij, en ik zal u antwoorden, en ik zal u bekend maken groote en vaste dingen die gij niet weet. 4 Want zóó zegt de Heere de God Israels van de huizen dezer stad en van de huizen der Koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken: 5 Daar zijn er reel ingekomen om te strijden tegen de Chaldeën, maar het is om die te vullen met doode lichamen van menschen die ik verslagen heb i| hl |
a
JE HE MI A 33.
|
in mijnen toom en in mijne grimmigheid, en omdat ik mijn aangezicht van deze stad^ verborgen heb om al Imnlieder boosheid: 6 zie, ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal hen genezen, en zal Imn openbaren _ overvlo ed van vrede en waarheid; 7 en ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal ze bouwen als in 't eerst; 8 en ik zal ze reinigen van al hunne ongerechtigheid met dewelke zij tegen mij gezondigd hebben, en ik zal vergeven alle hnnne ongerechtigheden met dewelke zij tegen mij gezondigd en met dewelke zij tegen mij overtreden hebben, 9 en het zal mij zijn tot eenen vroolijken naam, tot eenen roem en tot een sieraiLcl bij alle heidenen der aarde, clie al het goede zullen hooren (lat ik hnn doe, en zij zullen vreezen en beroerd zijn over al het goede en over al den vrede dieio. ik haar beschik. 10 Alzóó zegt de Heere: In deze plaats, (waarvan gij zegt: Zij is woest, dat er geen mensch en geen beest in is),in de steden van Juda en op^ de straten van Jeruzalem, die zóó verwoest zijn dat er geen mensch en geen inwoner en geen beest in is, zal wederom gehoord worden 11 de stem der -vroolijkheiden de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, de stem dergenen die zeggen: Looft den Heere der heirscharen, want de Heere is goed, ^ want zijne goedertierenheid is in _ eeuwigheid; de stem dergenen die lof aanbrengen ten Huize des Heereist ; want ik zal de gevangenen des lands wenden als isi 't eerst, zegt de Heere. 12 Zóó zegt de Heere der heirscharen: In deze plaats, die zóó woest is dat er geen mensch, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in alle derzelver steden, zullen wederom woningen zijn |
van herders die de kudden doen legeren; 13 in de steel en van het gebergte, in de steden der laagte en in de steden van het Zuiden, en in het land Benjamins en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de Heere. 14 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik het goede woord verwekken zal dat ik tot het huis Israëls en over het huis van Juda gesproken heb. 15 In die dagen en te dier tijd zal ik David eene Spruitb der gerechtigheid doen uitspruiten, en hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. 16 In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zéker wonen; en deze is het die haar roepen zal: de Heere oxze gerechtigheid. 17 Want zóó zegt de Heere: Aan David zal niet worden afgesneden een man die op den troon des huizes Israëls zitte; 18 ook zal den Levitischen Priesteren van voor mijn aangezicht niet worden afgesneden een man die brandoffer offere en spijsoffer aansteke en slachtoffer bereide alle de dagen. 19 En des Heeren Woord geschiedde tot Jeremia, zeggende: 20 Alzóó zegt de Heere: Indien gijlieden mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kunt vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd, 21 zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David, dat hij geenen zoon hebbe die op zijnen troon regeere; en met de Le-viten, de Priesteren mijne dienaren. 22 Gelijk het heir des hemels niet geteld en het zand der zee niet gemeten kan worden, alzóó zal ik vermenigvuldigen het zaad mijns knechts Davids, en de Leviten die mij dienen. 23 Voorts geschiedde desHEE- |
|
JE EE] ben quot;Woord tot Jeremia, zeggende : 24 Hebt gij niet gezien wat dit volk spreekt, zeggende : De twee geslachten^ die de Hgt;3eee verkoren had, die heeft hij nu verworpen? Ja, zij versmaden mijn volk, zoodat het geen volk meer is voor hun aangezicht. 25 Zóó zegt de Heere: Indien mijn verbond niet is van dag en nacht, indien ik de ordeningen des hemels en der aarde niet heb gesteld: 26 zoo zal ik ook het zaad Jakobs en mijns knechts Davids verwerpen, dat ik van zijn zaad niet neme die daar heerschen over het zaad Abrahams, Isaaks en Jakobs; want ik zal hunne gevangenis wenden en mij hunner ontfermen. HOOFDSTUK 34. Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, (als Nebukadnezar, Koning van Ba-bel, en zijn gansche heir, en alle koninkrijken der aarde die onder de heerschappij zijner hand waren, en alle de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen alle hare steden), zeggende : 2 Zóó zegt de Heere de God Israels: Ga henen en spreek tot Zedelda, den Koning van Juda, en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere: Zie, ik geef deze stad in de hand des Konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden; 3 en gij zult van zijne hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen en in zijne hand gegeven worden; en uwe oogen zullen de oogen des Konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uwen mond spreken, en gij zult te Babel komen. 4 Maar hoor des Heeren woord, o Zedelda, Koning van Juda; zóó zegt de Heere van u: Gij zult door het zwaard niet sterven; 5 gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen uwer vaderen, der vorige Koningen, die vóór u geweest zijn, alzóó zullen zij [IA 34. 879 |
over u branden en u beklagen, zeggende: Och Heere; want ik heb het woord gesproken, spreekt de Heere. 6 En de Profeet Jeremia sprak alle deze woorden tot Zedelda den Koning van Juda, te Jeruzalem, 7 als het heir des Konings van Babel streed tegen Jeruzalem en tegen alle de overgebleven steden van Juda, tegen La-chis en tegen Azeka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda. 8 Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, nadat de Koning Zedekia een verbond gemaakt had met het gansche volk dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen: 9 dat een iegelijk zijnen knecht en een iegelijk zijne maagd, zijnde een Hebreër of eene He-breïn, zoude laten vrij gaan; zoodat niemand zich van hen, van eenen Jood, zijnen broeder, zoude doen dienen. 10 Nu hoorden alle de Vorsten en al het volk die het verbond hadden ingegaan, dat zij een iegelijk zijnen knecht en een iegelijk zijne maagd zouden laten vrij gaan, zoodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan en lieten ze gaan: 11 maar zij keerden daarna wederom en deden de knechten en maagden wederkomen die zij hadden laten vrij gaan en zij brachten ze ten onder tot knechten en tot maagden. 12 Daarom geschiedde dos Hee-ren Woord tot Jeremia van den Heere, zeggende: 13 Zóó zegt de Heere de God Israels: Ik heb een verbond gemaakt met uwe vaderen, ten dage als ik ze uit Egypte land, uit het diensthuis, uitvoerde, zeggende : 14 Ten einde van zeven jaar zult gij laten gaan een iegelijk zijnen broeder, eenen Hebreër die u zal verkocht zijn en u zes jaren gediend heeft; gij zult |
JEEEMIA 35.
880
|
hem dan van u laten vrij gaan; maar uwe vaders hoorden niet naar mij en neigden hun oor niet. 15 Gijlieden nu waart heden wedergekeerd en hadt gedaan dat recht ia in mijne oogen, vrijheid uitroepende een iegelijk voor zijnen naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor mijn aangezicht in het Huis dat naar mijnen naam genoemd is; iG maar gij zijt weder omgekeerd en hebt mijnen naam ontheiligd, en doen wederkomen een iegelijk zijnen knecht en oen iegelijk zijne maagd, die gij iiadt laten vrij gaan naar hunnen lust; en gij hebt ze ten onder gebracht om u lieden te wezen tot knechten en tot maagden. 17 Daarom zegt de Heere alzóó: Gijlieden hebt naar mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen een iegelijk voor zijnen broeder en een iegelijk voor zijnen naaste; zie, zoo roep ik uit tegen ulieden, spreekt de Heere, eene vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken der aarde. 18 En ik zal do mannen overgeven die mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds dat zij voor mijn aangezicht gemaakt hadden, wet liet kalf dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren t usschen zijne stukken doorgegaan: 19 de Vorsten van Juda en de Vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen en de Priesteren en al het volk des lands, die door de stukken des kali's zijn doorgegaan ; 20 ja ik zal ze overgeven in de hand hunner vijanden en in de hand dergenen die hunne ziel zoeken en hunne doode lichamen zullen liet gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn; |
21 zelfs Zedekia, den Koning van Juda, en zijne Vorsten zal ik overgeven in de hand hunner vijanden en in de hand dergenen die hunne ziel zoeken, te weten in de hand van het heir des Konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen. 22 Zie, ik zal bevel geven, spreekt de Heere, en zal ze weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden en zullen ze met vuur verbranden; en ik zal de steden van Juda stellen tot eene verwoesting, dat er niemand in wone. HOOFDSTUK 35. Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, in de dagen van Jojakim, denzoon van Josia, den Koning van Juda, zeggende; 2 Ga henen tot der Rechabiten huis, en spreek met hen, en breng ze in des Heerers* Huis, in een der kanieren, en geef hun wijn te drinken. 3 Toen nam ik Jaazanja, den zoon van Jeremia, den zoon van Habazzinja, mitsgaders zijne broederen en alle zijne zonen, en het gansche huis der Recha-biten, 4 en bracht ze in des Heeren Huis, in de kamer der zonen van Hanan, den zoon van Jigdalja, den man Gods, welke is bij de kamer der oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja,. den zoon van Sallum, den dorpelbewaarder ; 5 en ik zette den kinderen van der Rechabiten huis koppen vol wijn en bekers voor, en ik zeide-tot hen: Drinkt wijn. 6 Maar zij zeiden: Wij zullen geenen wijn drinken; want Jo-nadab, de zoon Rechabs, onze vader, heeft ons geboden, zeggende: ^ Gijlieden zult geenen wijn drinken, gij noch uwe kinderen, tot in eeuwigheid; 7 ook z ilt gijlieden geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard, planten of hebben, maar gij zult in tenten wonen alle uwe dagen, opdat gij vele dagen leeft in het land alwaar gij als vreemdelingen verkeert. 8 Zoo hebben wij der stemme van Jonadab, den zoon van Ke- |
JEREMIA 36.
881
|
chah, onzen vader, gehoorzaamd in alles dat hij ona geboden heeft; zoodat wij geenen wijn drinken alle onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen en onze dochteren, 9 en dat wij geen huizen bonwen tot onze woningen, ook hebben wij geenen wijngaard noch veld noch zaad, 10 cn wij hebben in tenten gewoond: al zoo hebben wij gehoord en gedaan naar alles dat ona onze vader Jonadab geboden heeft. 11 Maar het ia geschied als Nebukadnezar, de Koning van Babel, naar dit^ land optoog, dat wij zeiden: Komt, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het heir der Chaldeën en vanwege het heir der Syriërs: alzoo zijn wij te Jeruzalem gebleven. 12 Toen geschiedde des Heerex Woord tot Jeremia, zeggende: 13 Zóó zegt de Heeke der heirscharen, de God Israels. Ga henen en zeg tot de mannen van Jnda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult gijlieden geene tucht aannemen, dat gij hoort naar mijne woorden? spreekt de Heeke. 14 De woorden Jonadabs, des zoons van Rechab, die hij zijnen kinderen geboden heeft, dat zij geenen wijn zonden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geenen gedronken tot op dezen dag, maar het gebod huns vaders gehoord: en ik heb tot nlieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt naar mij niet gehoord. 15 En ik heb tot u gezonden alle mijne knechten en de Profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert n toch een iegelijk van zijnen boozen weg, en maakt uwe handelingen goed, en wandelt andere goden niet na om lien te dienen, zoo zult gij in het land blijven dat ik u en uwen vaderen gegeven heb; maar gij hebt nw oor niet geneigd noch naar mij gehoord. 16 Dewijl dan do kinderen |
Jonadabs, des zoons van Rechab, het gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft, bevestigd hebben, maar dit volk naar mij niet hoort, 17 daarom alzóo zegt de Heeke de God der heirscharen, de God Israels: Zie, ik zal over Judaen over alle inwoners van Jeruzalem brengen al het kwaad dat ik tot hen gesproken heb, omdat ik tot hen gesproken heb maar zij niet gehoord hebben, en ik tot hen geroepen heb maar zij niet hebben geantwoord. 18 Tot het huis nu derEecha-biten zeide Jeremia: Zóó zegt de Heeke der heirscharen, de God Israels: Omdat gijlieden het gebod nws vaders Jonadabs zijt gehoorzaam geweest, en hebt alle zijne geboden bewaard, en gedaan naar alles wat hij nlieden geboden heeft, 19 daarom alzóó zegt de Heeke der heirscharen, de God Israels: Daar zal Jonadab, den zoon Rechabs, niet worden afgesneden een man die voor mijn aangezicht sta, alle de dagen. HOOFDSTUK 3G. Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den Koning van Juda, dat dit woord tot Jeremia geschiedde van den Heeke, zeggende: 2 Neem n eene rol des boeks, en schrijf daarop alle de woorden die ik tot n gesproken heb over Israël en over Juda en over alle de volken, van den dag af dot ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia af, tot op dezen dag: 3 misschien zullen die van het' huis van Juda hooren al het kwaad dat ik hun gedenk te doen, opdat zij zich bekeeren een iegelijk van zijnen boozen weg, en ik hunne ongerechtigheid en hunne zonde vergeve. 4 Toen riep Jeremia Baruch, den zoon van Neria, en Baruch schreef uit den mond van Jeremia allo woorden des Heeken die hij tot hem gesproken had, op eene rol des boeks. m 11 f |
JEREMIA 36.
'882
|
5 En Jerenria gebood Bamch, zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in des Heeren Huis niet kunnen gaan: 6 zoo ga gij henen en lees in de rol, in dewelke gij uit mijnen mond geschreven hebt, de woorden des Heeren, voor de ooren des volks, in des Heeren Huis, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de ooren van gansch Juda, van allen die uit hunne steden komen: 7 misschien zal hunne smeeking voor des Heerex aangezicht nedervallen, en zullen zij zich bekeeren een iegelijk van zijnen boozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid die de Heere tegen dit volk heeft uitgesproken. 8 En Baruch, de zoon van Neria, deed naar alles dat hem de Profeet Jeremia geboden had, lezende in dat boek de woorden des Heeren, in het Huis des Heeren. 9 Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des Heeren aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen. 10 Zoo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in des Heeren Huis, in de kamer van Gemarja, den zoon van Safan, den schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur der nieuwe poort van het Huis des Heeren, voor de ooren des ganschen volks. 11 Als nu Michaja, do zoon van Gemarja, den zoon van Safan, alle de woorden des Heeren uit dat boek gehoord had, 12 zoo ging hij afnaar het huis des Konings in de kamer des schrijvers; en zie, aldaar zaten alle de Vorsten: Elisama de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja en alle de Vorsten. |
13 En Michaja maakte hun bekend alle de woorden die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor de ooren des volks. 14 Toen zonden alle de Vorsten Jehudi, den zoon van Nethanja, den zoon van Selemja, den zoon van Kuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol waaruit gij voor de ooren des volks gelezen hebt, neem die in uwe hand en kom. Alzoo nam Baruch. de zoon van Neria, de rol in zijne hand, en kwam tot hen. 15 En zij zeiden tot hem: Zit toch neder, en lees ze voor onze ooren; en Baruch las voor hunne ooren. 16 En het geschiedde als zij alle de woorden hooiden, datzi) verschrikten, de één tegen den ander, en zij zeiden tot Baruch: Voorzeker zullen wij alle deze woorden den Koning bekend maken. 17 En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons toch, hoe hebt gij alle deze woorden uit zijnen mond geschreven? 18 En Baruch zeide tot hen: Uit zijnen mond las hij tot mij alle deze woorden, en ik schreef ze met inkt in dit boek. 19 Toen zeiden de Vorsten tot Baruch: Ga^ henen, verberg u, gij en Jeremia, en niemand wete waar gijlieden zijt. 20 Zij dan gingen in tot den Koning in het voorhof; maar de rol leiden zij weg in de kamer van Elisama den schrijver; en zij verklaarden alle die woorden voor de ooren des Konings. 21 Toen zond de Koning Jehudi om de rol te halen, en hij haalde ze uit de kamer van Elisama den schrijver; en Jehudi las ze voor de ooren des Konings, en voor de ooren van alle de Vorsten die omtrent den Koning stonden. 22 (De Koning nu zat in het winterhuis, in de negende maand, en daar was een vuur voor zijn aangezicht op den haard aangestoken.) 23^ En het geschiedde als Jehudi drie stukken of vier gelezen had,^ versneed hij ^ ze met een schrijversmes, en wierp ze in het |
*
JEKEMIA S7.
SS3
|
vuur dat op den haard was, totdat de gansche rol verteerd was in het vuur dat op den haard was; 24 en zij verschrikten niet en scheurden hunne kleederen niet, de Koning noch alle zijne knechten die alle deze woorden gehoord hadden, 25 hoewel ook Elnathan en Delaja en Gemarja bij den Koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zoude verbranden; doch hij hoorde niet naar hen. 26 Daartoe gebood de Koning Jerahmeël, den zoon van Ham-mélech, en Seraja, den zoon van Azriel, en Selemja, den zoon van Abdeël, om den schrijver Baruch en den Profeet Jeremia te vangen. Maar de Heere had ze verborgen. 27 Toen geschiedde des Hee-ren Woord tot Jeremia, nadat de Koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit den mond van Jeremia, verbrand had, zeggende: 28 Neem u weder eene andere rol, en schrijf daarop alle de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol die Jojakim, de Koning van Juda, verbrand heeft. 29 En tot Jojakim, den Koning van Juda, zult gij zeggen: Zóó zegt de Heere: Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, zeggende: i)e Koning vanBabel zal zekerlijk komen en dit land verderven, en maken dat mensch en beest daarin ophouden ? 30 Daarom zegt de Heere al-zóó van Jojakim, den Koning van Juda: Hij zal geenen hebben die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte en des nachts in de vorst; 31 en ik zal over hem en over zijn zaad en over zijne knechten hunlieder ongerechtigheid bezoeken, en ik zal over hen en over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het kwaad brengen dat ik tot hen gesproken heb, maar zij hebben niet gehoord. |
32 Jeremia dan nam eene andere rol, en gaf ze aan den schrijver Baruch, den zoon van Neria; die schreef daarop, uit den mond van Jeremia, alle de woorden van het boek dat Jojakim, de Koning van Juda, met vuur verbrand had; en aan dezelve werden nog vele dergelijke woorden toegedaan. HOOFDSTUK 37. En Zedekia, zoon van Josfa regeerde als Koning in plaats van Chonia, Jojakims zoon, welken Zedekia Nebukadnezar, de Koning van Babel, Koning gemaakt had in het land van Juda. 2 Maar hij hoorde niet, hij noch zijne knechten noch het volk des lands, naar de woorden des Heeren, die hij sprak door den dienst van den Profeet Jeremia. 3 Nochtans zond de Koning Zedekia Juchal, den zoon van Selemja, en Zefanja, den zoon van Maaseja, den Priester, tot den Profeet Jeremia, om te zeggen: Bid toch voor ons tot den Heere onzen God. 4 (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden des volks, en zij hadden hem nog niet in het gevangenhuis gesteld. 5 En Farao's heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chal-deën die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zoo waren zij van Jeruzalem opgetogen.) 6 Toen geschiedde des Heeren Woord tot den Profeet Jeremia, zeggende: 7 Zóó zegt de Heere de God Israëls: Zóó zult gijlieden zeggen tot den Koning van Juda, die u tot mij gezonden heeft om mij te vragen: Zie, Farao's heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkeeren in zijn land, in Egypte. 8 En de Chaldecn zullen wederkeeren en tegen deze stad strijden, en zij zullen ze innemen en zullen ze met vuur verbranden. ]A. H '~s, -J gt; [I tuk ' } h VJ. M u jii Ã' |
JEKEMIA 38.
884
|
9 Zóó zegt de Heere : Bedriegt uwe zielen niet, zeggende: De Chaldeën zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken. 10 Want al sloegt gijlieden het gausche heir der Chaldeën die tegen n strijden, en daar bleven van hen eenige verwonde mannen over, zoo^ zouden zich die een iegelijk in zijne tent opmaken, en deze stad met vuur verbranden. 11 Voorts geschiedde het ala het heir der Chaldeën van Jeruzalem was opgetogen vanwege Farao's heir, 12 dat Jeremia uit Jeruzalem uitging om te gaan in het land Benjamins, om van daar te scheiden door het midden des volks. 13 Als hij in de poort Benjamins was, zoo was daar de wachtmeester, wiens naam was Jeria, de zoon van Selemja, den zoon van Hananja; die greep den Profeet Jeremia, zeggende: Gij wilt tot de Chaldeën vallen. 14 En Jeremia zeide: Het is valsch, ik wil niet tot de Chaldeën vallen. Doch hij hoorde niet naar hem, maar Jeria greep Jeremia aan en bracht hem tot de Vorsten. 15 En de Vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem, en zij stelden hem in het gevangenhuis, ten huize van Jonathan den schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt. 16 Als Jeremia in de plaats des kuils en in de cellen gekomen was, en Jeremia aldaar vele dagen gezeten had, 17 zoo zond de Koning Zedelda henen en liet hem halen, en de Koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgen, en zeide: Is er ook een woord van den Heere? En Jeremia zeide: Daar is, en zeide: Gij zult in de hand des Konings van Babel gegeven worden. 18 Voorts zeide Jeremia tot den Koning Zedekia: Wat heb ik tegen u of tegen uwe knechten of tegen dit volk gezondigd. |
dat gijlieden ^ mij in het gevangenhuis gesteld hebt? 19 Waar zijn nu ulieder Profeten die u geprofeteerd hebben, zeggende: De Koning van Babel zal niet tegen ulieden nocb tegen dit land komen? 20 Nu dan, hoor toch, o mijn heer Koning, laat toch mijne smeeking voor uw aangezicht neder vallen, en breng mij niet weder in Jonathans des schrijvers huis, opdat ik aldaar niet sterve. 21 Toen gaf de Koning Zedekia bevel, en zij bestelden Jeremia in het voorhof der bewaring, en men gaf hem des daags een bol brood uit de bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Alzoo bleef Jeremia in het voorhof der bewaring. HOOFDSTUK 38. Als Sefatja, de zoon van Mat-tan, en Gedalja, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Mal Ida, de woorden hoorden die Jeremia tot al het volk sprak, zeggende: 2 zóó zegt de Heere: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door den honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijne ziel tot eenenbuit hebben en zal leven; 3 zóó zegt de Heere: Dezo stad zal zekerlijk gegeven worden in de hand van het heir des Konings van Babel, dat zal ze innemen: â 4 Zoo zeiden de Vorsten tot den Koning: Laat toch deze man gedood worden, want aldus maakt hij de handen der krijgslieden die in deze stad zijn overgebleven, en de handen des ganschen volks sl.ip, zulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt dezes volks vrede niet, maar het kwaad. 5 En^ de Koning Zedelda zeide: Zie, hij is in uwe hand, want de Koning zoude geen ding tegen u vermogen. 6 Toen namen zij Jeremia, en wierpe Mal kis lech, ' waring af met geen v inia zc 7 A Moorn die t( was, den 1 Koniu jjainim 8 z het In sprak 9 M nen 1 in all aan d in de daar zoude den li meer 10 ^ Moon de: 1 nen den kuil, 11 . |
JEREMIA 33.
885
|
wierpen hem in den kuil van Mal Ida, den zoon van Haramé-lech, die in liet voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen: in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk. 7 Als nu Ebed-Mélech de Moorman, een der kamerlingen, die toen in des Konings huis was, hoorde dat zij Jeremia in den kuil gedaan hadden, (do Koning nu zat in de poort Beu- quot; Jainins,) 8 zoo ging Ebed-Mélech uit het huis des Konings uit, en hij sprak tot den Koning,zeggende: 9 Mijn heer Koning, deze mannen hebben kwalijk gehar.deld in alles dat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremia, dien zij in den kuil geworpen hebben; daar hij toch op zijne plaats zoude gestorven zijn vanwege den honger, dewijl er geen bruod meer in de stad is. 10 Toen gebood de Koning den Moorman Ebed-Mélech, zeggende : Neem van hier dertig mannen onder uwe hand, en haal den Profeet Jeremia op uit den kuil, eer dat hij sterve. 11 Alzoo nam Ebed Mélech de mannen onder zijne hand, en ging in des Konings huis tot onder de schatkamer, en nam van daar eenige oude, verscheurde en oude, versleten lompen, en hij liet ze met zelen af tot Jeremia in den kuil. 12 En Ebed-Mélech de Moorman zeide tot Jeremia: Leg nu deze oude, verscheurde en versleten lompen onder de okselen uwer armen, van onderen aan de zelen. En Jeremia deed alzoo. 13 En zij trokken Jeremia bij de zelen, en haalden hem op uit den kuil, en Jeremia bleef in het voorhof der bewaring. 14 Toen zond de Koning Zede-kia henen en liet den Profeet Jeremia tot zich halen, in den derden ingang die aan des Hee-ren Huis was; en de Koning zeide tot Jeremia: Ik zal u een ding vragen, verheel geen ding voor mij. |
15 En Jeremia zeide tot Zede-kia: Als ik hel u verklaren zal, zult gij mij zekerlijk niet doo-den? En als ik u raad zal geven, gij zult toch naar mij niet hooren. lü Toen zwoer de Koning Ze-dekia aan Jeremia in het verborgen, zeggende: Zoo icaarach-tig als de Heere leeft die ons deze ziel gemaakt heeft, indien ik u zal dooden, of indien ik u zal overgeven in de hand dezer mannen die uwe ziel zoeken! 17 Jeremia dan zeide totZede-kia: Zóó zegt de Heere de God der heirscharen, de God Israels: Indien gij gewilliglijk tot do Vorsten des Konings van Babel zult uitgaan, zoo zal uwe ziel leven, en deze stad zal niet verbrand worden met vuur, en gij zult leven, gij en uw huis. 18 Maar indien gij tot de Vorsten des Konings van Babel niet zult uitgaan, zoo zal deze stad gegeven worden in de hand der Chaldeën, en zij zullen ze met vuur verbranden; ook zult gij van hunne hand niet ontkomen. 19 En de Koning Zedekia zeide tot Jeremia: Ik ben bevreesd voor de Joden die tot de Chaldeën gevallen zijn, dat zij mij misschien in derzeiver hand overgeven, en zij den spot met mij drijven. 20 En Jeremia zeide: Zij zullen u niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stemme des Heeren, naar welke ik tot u spreek; zoo zal het u wel gaan en uwe ziel zal leven. 21 Maar indien gij weigert uit te gaan, zoo is dit het woord dat de Heere mij heeft doen zien: 22 Ziedaar, alle de vrouwen dio in het huis des Konings van Ju-da zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de Vorsten des Konings van Babel; en dezelve zullen zeggen: Uwevrede-genooten hebben u aangehitst, en hebben u overmocht, uwe voeten zijn in den modder gezonken, zij zijn achterwaarts gekeerd. 23 Zij zullen dan al uwe vrouwen en alle uwe zonen tot de |
|
886 JERE1 Chaldeën uitvoeren; ook zult gij zeil van hunne hand niet ontkomen, maar gij zult door de hand des Konings van Babel gegrepen worden, en gij zult deze stad met vuur verbranden. 24 Toen zeide Zedekia tot Jeremia: Dat niemand wete van deze woorden, zoo zult gij niet eterven. 25 En als de Vorsten zullen hooien dat ik met u gesproken heb, en tot u komen en tot u zeggen: Verklaar ons nu, wat hebt gij tot den Koning gesproken? Verheel het niet voor ons, zoo zullen wij u niet dooden; en wat heeft de Koning tot u ge-eproken? â 26 zoo zult gij tot hen zeggen: Ik wierp mijne smeeking voor des Konings aangezicht neder, dat hij mij niet zoude laten wederbrengen in Jonathans huis, om aldaar te sterven. 27 Als dan alle de Vorsten tot Jeremia kwamen en hem vraagden, verklaarde hij hun naar alle deze woorden die de Koning geboden had; en zij lieten van hem af omdat de zaak niet was gehoord. 28 En Jeremia bleef in het voorhof der bewaring tot op den dag dat Jeruzalem werd ingenomen, en hij^ was er nog als Jeruzalem was ingenomen. HOOFDSTUK 39. In het negentiende jaar van Zedekia Koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebu-kadrczar, de Koning van Babel, en al zijn heir, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar. 2 In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand op den negende der maand, werd de stad doorgebroken. 3 En alle de Vorsten des Konings van Babel togen in, en hielden stand bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sarézer, fcJamgar-Nebu, Sarsechim Eab-saris, Nergal-Sarézer Kabmag, en alle de overige Vorsten des Konings van Babel. 4 En het geschiedde als Zede-[IA 39. |
kia, de Koning- van Juda, en alle de krijgslieden hen zagen, zoo vloden zij en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des Konings hof, door de poort tusschen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds. 5 Doch het heir der Chaldeën jaagde ze achterna, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadnezar, den Koning van Babel, naar Ribla in het land van Hamath; die sprak oordeelen tegen hem uit: 6 en de Koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia te Eibla voor zijne oogen, ook slachtte de Koning van Babel alle edelen van Juda; 7 en hij verblindde de oogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren: 8 en de Chaldeën verbrandden het huis des Konings en de huizen des volks met vuur, en zij braken de muren van Jeruzalem af. 9 Het overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen die tot hem gevallen waren, met het overige des volks die overgebleven waren, voerde Nebuzara-dan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel. 10 Maar van het volk die arm waren, die nietmetal hadden, liet Nebuzaradan, de overste der trawranten, eenigen over in het land van Juda, en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers. 11 Maar van Jeremia had Ne-bukadrezar. de Koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzaradan, den overste der trawanten, zeggende: 12 Neem hem, en stel uwe oogen op hem. en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzoó met hem. 13 Zoo zond Nebuzaradan, de overste der trawanten, mitsgaders Nebusazban Kabsaris, en Nergul- |
|
JERE] Sarézar Eabmag, en alle de oversten des Konings van Babel; 14 zij zonden dan henen en namen Jeremia uit het voorhof der bewaring, en gaven hem over aan Gedalja, den zoon van Ahi-kam, den zoon van Safan, dat hij^ hem henen uitbracht naar huis: alzoo bleef hij in het midden des volks. 15 Het Woord des Heerek was ook tot Jeremia geschied als hij in het voorhof der bewaring besloten was, zeggende; 16 Ga henen en spreek tot Ebed-Mélech den Moorman, zeggende: Zóó zegt de Heere der heirseharen, de God Israels: Zie, ik zal mijne woorden brengen over deze stad ten kwade en niet ten goede, en zij zullen te dien dage voor uw aangezicht zijn. 17 Maar ik zal u te dien dage redden, spreekt de Heere, en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen voor welker aangezicht gij vreest; 18 want ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uwe ziel tot een buit hebben, omdat gij op mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 40. Het woord dat van den Heere geschied is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de overste der trawanten, hem had laten gaan van Kama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel gevankelijk werden weggevoerd. 2 Want de overste der trawanten liet Jeremia halen, en zeide tot hem: De Heere uw God heeft dit kwaad over deze plaats gesproken, 3 en de Heere heeft het doen komen en gedaan gelijk als hij gesproken had, want gijlieden hebt gezondigd tegen den Heere en zijner stemme niet gehoorzaamd: daarom is ulieden deze zaak geschied. 4 !Nu dan, zie, ik heb u heden [IA 40. 88T |
losgemaakt van de ketenen die aan uwe hand waren: indien het goed is in uwe oogen met mij naar Babel te komen, zoo kom, en ik zal mijn oog op ustellend-maar indien het kwaad is in uwe oogen met mij naar Babel te komen, zoo laat het; zie, het gansche land is voor uw aangezicht ; _ waarhenen het goed en recht in uwe oogen is te gaan, ga daar. 5 En dewijl hij nog niet zal wederkeeren, zoo keer gij tot Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dien de Koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft, en woon bij hem in het midden des volks; of overal waar het in uwe oogen recht is te gaan, ga er henen. En de overste der trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan. 6 Alzoo kwam Jeremia tot Gedalja, den zoon van Ahikam, te Mizpa, en hij woonde bij hem in het midden des volks, die in het land waren overgelaten. 7 Toen nu alle oversten der heiren die in het veld waren,zij en hunne mannen, hoorden dat de Koning van Babel Gedalja, den zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen en de vrouwen en de kinderkens, en van de armsten des lauds, van degenen die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd: 8 zoo kwamen zij tot Gedalja te Mizpa, namelijk Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan en Jonathan, de zlt;men van Ka-réah, en Serajah, ae zoon van Tanhümeth, en de zonen van Eiai den Netofathiet, en Jezanja, de zoon eens Maachathiets, zij en hunne mannen; 9^ en Gedalja, de zoon van Ahikam, den zoon van Safan, zwoer hun en hunnen mannen, zeggende: Vreest niet van de Chaldeën te dienen, blijft in het land en dient den Koning van Babel, zoo zal het u wel gaan. 10 En ziet, ik woon te Mizpa.,. om te staan voor het aangezicht |
|
â¬88 JEItE]) der Chaldeën die tot ons zullen komen: gijlieden dan, verzamelt wijn en zomervruchten en olie, en doet ze in uwe vaten, en woont in uwe steden die gij hebt ingenomen. 11 Als ook alle de Joden die in Moab en onder de kinderen Amnions en in Edora en die in alle die lauden waren, hoorden dat de Koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had, en dat hij Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, over hen gesteld had: 12 zoo keerden alle de Joden weder uit alle de plaatsen waarhenen zij gedreven waren en kwamen in het land van Juda tot Gedalja te Mizpa, en zij verzamelden zeer veel wijn en zomervruchten. 13 Doch Juhanan, de zoon van Karéah, en alle oversten der hei-ren die in het veld waren, kwamen tot Gedalja te Mizpa, 14 en zeiden tot hem: Weet gij wel dat Baiilis, de Koning der kinderen Amnions, Isniacl, den zoon van Nethanja, uitgezonden heeft om u aan het leven te slaan ? Maar Gedalja, de zoon van Ahikam, gelooide hen niet. 15 Johanan nochtans, de zoon van Karéah, sprak tot Gedalja in het verborgen te Mizpa, zeggende: Laat mij toch henengaan en Ismaël, den zoon van Ne-thanja, slaan, en niemand zal het weten: waarom zoude hij u aan het leven slaan, en gansch Juda, die tot u vergaderd zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan? 16 Maar Gedalja, de zoon van Ahikam, zeide tot Johanan, den zoon van Karéah: Doe deze zaak niet, want gij spreekt valsch van Ismaël. HOOFDSTUK 41. Maar het geschiedde in de zevende maand dat Ismaël, de zoon van Nethanja,denzoon van Elisama, van koninklijken zade, en de oversten des Konings, te weten tien mannen met hem, kwamen tot Gedalja, den zoon |
IA 41. van Ahikam, te Mizpa, en zij aten aldaar brood te zamen te Mizpa. 2 En Ismaël, de zoon van Ne-thanja, maakte zich op, mitsgaders de tien mannen die met hem waren,en zij sloegen Gedalja, den zoon van Ahikam, denzoon van Safan, met het zwaard: alzoo doodde hij hem dien de Koning van Babel over het land gesteld had. 3 Ook sloeg Ismaël alle de Joden die met hem, namelijk met Gedalja, te Mizpa waren, en de Chaldeën, de krijgslieden die aldaar gevonden werden. 4 Het geschiedde nu op den tweeden dag nadat hij Gedalja gedood had, en niemand het wist, 5 zoo kwamen er lieden van Sichem, van Silo en van Samarië, tachtig man, hebbende den baard afgeschoren en de kleederen gescheurd en zichzelven gesneden, en spijsolier en wierook waren in hunne hand om ten Huize des Heeren te brengen. 6 En Ismaël, de zoon van Ne-thanja, ging uit van Mizpa, hun tegemoet, al gaande en weenende; en het geschiedde als hij ze aantrof, dat hij zeide: Komt tot Gedalja, den zoon van Ahikam. 7 Maar het geschiedde als zij in het midden der stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethanja^ hen keelde en xoierp ze in het midden des kuils, hij en de mannen die met hem waren. 8 Doch onder hen werden tien mannen gevonden die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld, van tarwe en gerst en olie en honig. Zoo liet hij af en doodde ze niet in het midden hunner broederen. 9 De kuil nu waarin Ismaël alle de doode lichamen der mannen die hij aan de zijde van Gedalja geslagen had henenwierp, is dezelfde dien de Koning Asa maakte vamp;.nwege Baësa, den Koning Israëls; dezen vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de verslagenen. 10 En lamaël voerde het gan- |
1*:
JEREMIA 42.
8S9
|
sche overblijfsel des volks, dat te Mizpa was, gevankelijk, te weten des Koüings dochteren en al het volk die te Mizpa -vvaren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste der trawanten, aan Ge-dal ja den zoon van ALikain, bevolen had; Ismaël dan, de zoon van Nethanja, voerde ze gevankelijk weg, en toog henen om over te gaan tot de kinderen Amnions. 11 Toen nu Johanan, de zoon van Karéah, en alle de oversten der hei ren die met hem waren, al het kwaad hoorden dat Ismaël, de zoon van Nethanja, gedaan had, 12 zoo namen zij alle de mannen, en togen henen om met Ismaël, den zoon van Nethanja, te strijden; en zij vonden hem aan het groote water dat bij Gi-beon is. 13 En hot geschiedde als al het volk dat met Ismaël was Johanan zag, den zoon van Karéah, en alle de oversten der heiren die met hem waren, zoo werden zij verblijd; 14 en al het volle dat Ismaël van Mizpa gevankelijk had weggevoerd wendde zich om, en zij keerden zich en gingen over tot Johanan, den zoon van Karéah. 15 Doch Ismaël, de zoon van Nethanja, ontkwam van Johanans aangezicht met acht mannen, en hij toog tot de kinderen Amnions. 16 Toen nam Johanan, de zoon van Karéah, mitsgaders alle de oversten der heiren die met hem waren, het gansche overblijfsel des volks dat hij wedergebracht had van Ismaël, den zoon van Nethanja, van Mizpa, (nadat hij Gedalja, den zoon van Ahikam, verslagen had,) te weten de mannen die krijgslieden waren, en do vrouwen en kinderkens en kamerlingen die hij van Gibeon had wedergebracht; 17 en zij togen henen en sloegen zich neder te Geruth-Kim-ham dat bij Bethlehem is, om voort te trekken dat zij in Egypte kwamen, 18 voor het aangezicht der |
Chaldeën; want zij vreesden voor hunlieder aangezicht, omdat Ismaël, de zoon van Nethanja, Gedalja, den zoon van Ahikam, geslagen had, dien de Koning van Babel over het land gesteld had. HOOFDSTUK 42. Toen traden toe alle oversten der heiren, en Johanan, de zoon van Karéah, en Jezanja, de zoon van Hosaja, en al het volk van den kleinste tot den grootste toe, 2 en zeiden tot den Proleet Jeremia: Laat toch onze smeeking voor uw aangezicht neder-vallen, en bid voor ons tot den Heere uwen God, voor dit gansche ^ overblijfsel; want wij zijn weinig van veel overgelaten, gelijk uwe oogen ons zien: 3 dat ons de Heere uw God bekend make den weg dien wij zullen ingaan en de zake die wij zullen doen. 4 En de Profeet Jeremia zeido tot hen: Ik heb het gehoord; zie, ik zal tot den Heere uwen God bidden naar uwe woorden en het zal geschieden, het gansche woord dat de Heere u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, en ik zal u geen woord onthouden. 5 Toen zeiden zij tot Jeremia: De Heere zij tusschen ons tot een^ waarachtig en gewis getuige: indien wij niet naar alle woord met hetwelk u de Heere uw God tot ons zal zenden, alzóó zullen doen! G Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stem des Herken onzes Gods, tot welken wij u zenden, gehoorzaam zijn; opdat het ons wel ga wanneer wij der stem des Heerex onzes Goda zullen gehoorzaam zijn. 7 En het gebeurde ten einde van tien dagen dat des Heeren Woord tot Jeremia geschiedde. 8 Toen riep hij Johanan, den zoon van Karéah, en alle oversten der heiren die met hem waren, en al het volk van den kleinste af tot den grootste toe ; 9 en hij zeide tot hen: Zóó zegt de Heere de God Israels, 'f- |
JEREMIA 43.
690
|
tot welken gi.i mij gezonden hebt om uwe smeeking voor zijn aangezicht neder te werpen: 10 Indien gijlieden in dit land snit blijven wonen, zoo zal ik u bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want ik heb berouw over het kwaad dat ik u aangedaan heb: 11 vreest niet voor het aangezicht des Rollings van Babel, voor wiens aangezicht gij vreest: vreest niet voor hem, spreekt de Heere, want ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijne hand te redden; 12 en ik zal ulieden barmliar-tigheid geven, dat hij zich uwer â erbarme en u weder in uw land brenge. 13 Maar zoo gijlieden zultzeg-â gen: Wij zullen in dit land niet blijven, dat gij de stem des Hee-ken uws Gods niet gehoorzaam â zijt, 14 zeggende: Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geenen krijg zullen zien noch liet gel uid der bazuin hooren. noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven; â 15 nu dan, daarom hoort des He eren woord, gij overblijfsel van Juda: zóó zegt de Hfere der heirscharen, de God leraëls: Indien gij ganschelijk uw aangezicht zult stellen om in Egypte te gaan, en zult henengaan om aldaar als vreemdelingen te ver-keeren, 16 zoo zal het geschieden dat liet zwaard waar gij voor vreest u aldaar in Egypteland zal achterhalen, en de honger waar gij voor zorgt zal u aldaar «w Egypte achteraankleven, en gij zult aldaar eterven: 17 zóó zullen alle de mannen zijn^ die hun aangezicht stellen om in Egypte te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren; zij zullen sterven door het zwaard, door den honger en door de pestilentie, en zij zullen niemand hebben die overblijve of ontkome van het kwaad dat ik over hen aal brengen. |
18 Want zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Gelijk als mijn toorn en mijne grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzóó zal mijne grimmigheid over ulieden uitgestort worden als gij in Egypte zult gekomen zijn, en gij zult wezen tot eene vervloeking en tot eene ontzetting en tot eenen vloek en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien. 19 De Heere heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda: Gaat niet in Egypte. quot;Weet zekerlijk dat ik heden tegen u betuigd heb. 20 Gewisselijk, gij hebt uwe zielen verleid; want gij hebt mij tot den Heere uwen God gezonden, zeggende: Bid voor ons tot den Heere onzen God, en naar alles wat de Heere onze God zal zeggen, alzóó mank het ons bekend, en wij zullen het doen. 21 Nu heb ik het u heden bekend gemaakt, maar gij hebt niet gehoord naar de stemme des Heerenquot; uws Gods, noch naar al hetgeen met hetwelk hij mij tot u gezonden heeft. 22 Zoo weet nu zekerlijk, dat gij door het zwaard, door den honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse waar het u gelust heeft henen te gaan om aldaar als vreemdelingen te verkeeren. HOOFDSTUK 43. En het geschiedde als Jeremia geëindigd had tot het gansche volk te spreken alle de woorden des Heeren huns Gods, met dewelke hem de Heere hun God tot hen gezonden had, te iceten alle die woorden: 2 zoo sprak Azarja, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Ka.-éah, en alle de trotsche mannen, zeggende tot Jeremia: Gij spreekt leugen, de Heere onze God heeft u niet gezonden om te zeggen: Gijlieden zult niet gaan in Egypte, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren; 3 maar Baruch, do zoon van Neria, hitst u tegen ons op. opdat |
JEREMIA 44.
891
|
hU ons ovorgevo in de hand der j Ghaldeën, dat zij ons dooden en ons gevankelijk naar Babel weg- i voeren. 4 Alzoo gehoorzaamde Johanan, ⢠de zoon van Karéah, en alle de oversten der heiren, en al het i ] volk, der stemme des Heep.en i 1 niet, om in het land van Juda | | te blijven; 5 maar Johanan, de zoon van i Karéah, en alle de oversten der I j heiren namen hot gansche over- ; blijfsel van Juda, die van alle de | heidenen waar zij waren henen-i gedreven wedergekeerd waren om |in het land van Juda te wonen, ! 6 de mannen en do vrouwen en de kinderkens, en des Konings j dochteren, en alle ziele die Ne- â ] buzaradan, de overste der trawanten, bij Gedalja, den zoon Ivan Ahikam, den zoon van Safan, «gelaten had, ook den Profeet Jeremia en Baruch, den zoon van Neria; 7 en zij togen in Egypteland, want zij waren der stemme des Heerex niet gehoorzaam; en zij ; kwamen tot Tachpanhes. 8 Toen geschiedde des He iren i Woord tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende: 9 Neem groote steenen in uwe ; hand, en verberg ze in de klei in den ticheloven die bij de deur i van Farao's huis te Tachpanhes is, voor de oogen der Joodsche mannen; i- 10 en zeg tot hen: Zóó zegt de ' Heere dor heirscliaron de God ; Israels; Zie, ik zal henenzonden l en Nebukadrezar, den Koning \ van Babel, mijnen knecht, halen, en ik zal zijnen troon zetten I boven op deze steenon die ik lt; verborgen heb; en hij zal zijne ! schoone tont daarover spannen. 11 En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ter dood, ter dood; en wie ter gevangenis, ter ; gevangenis; en wie ten zwaaide, ten zwaaide. 12 En ik zal een vuur aanste-| ken in de huizen der goden van ; Egypte, en hij zal ze verbranden |
en gevankelijk wegvoeren; en hij zal Egypteland aantrekken gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en hij zal van daar uittrekken in vrede. 13 En hij zal de opgerichte beelden van Beth-Sémes hetwelk in Egypteland is verbreken, en hij zal de huizen der goden van Egypte met vuur verbranden. HOOFDSTUK 44. Het woord dat tot Jeremia geschiedde aan alle de Joden die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Notquot;, en in het land Pathros, zeggende: 2 Alzóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Gij hebt gezien al het kwaad dat ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en zie, zij zijn eene woestheid te dezen dage, en niemand woont daarin: 3 vanwege hunne boosheid die zij gedaan hebben om mij te tergen, gaande om te rooken en andere goden te dienen die zij niet kenden, zij, gij, noch uwe vaders. 4 En ik heb tot u gezonden alle mijne knechten de Profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet die ik haat; 5 maar zij hebben niet gehoord noch hun oor geneigd om zich van hunne boosheid tebekeeren, dat zij anderen goden niet rookten. 6 Daarom is mijiie grimmigheid en mijn toorn uitgestort, en heeffc gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zoodat ze tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage. 7 En nu, zóó zegt de Heere de God der heirscharen, de God Israels: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uwe zielen, opdat gij u den man en de vrouw, het kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat'? 8 tergende mij door de werken uwer handen, rookende anderen |
JEREMIA 44
892
|
goden in liet land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt om daar als vreemdelingen te verkeeren, opdat gij nzelven uitroeit, en opdat gij wordt tot eenen vloek en tot eene emaadheid onder alle volken der aarde? 9 Hebt gij vergeten de boosheden uwer vaderen, en de boosheden der Koningen van Juda, en de boosheden hunner vrouwen, en uwe boosheden, en de boosheden uwer vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem ? 10 Zij zijn tot op dezen dag « or? niet verbrijzeld van harte, en zij hebben niet gevreesd noch gewandeld in mijne v/et en in mijne inzettingen, die ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht uwer vaderen gegeven heb. 11 Daarom zóó zegt do Heere der heirscharen, de God Israels: Zie, ik zal mijn aangezicht tegen ulieden stellen ten kwade en om gaiisell Juda uit te roeien; 12 en ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hunne aangezichten gesteld hebben om in Egypteland te gaan, om aldaar ais vreemdelingen te verkeeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden, door het zwaard zullen zij vallen, door den honger zullen zij verteerd worden, van den kleinste tot den grootste toe; door het zwaard en door den honger zullen zij sterven, en zij zullen worden tot eene vervloeking, tot eene .ontzetting en tot eenen vloek en tot eene smaad-heid. 13 Want ik zal bezoeking doen over degenen die in Egypteland wonen, gelijk als ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door den honger en door de pestilentie; 14 zopdat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn om aldaar als vreemdelingen te verkeeren, geenen zal hebben die ontkome of overblijve, te weten om weder te keeren in het land van Juda, waarnaar hunne ziel verlangt weder te keeren om aldaar te wonen; maar zij zullen er niet wederkeeren, behalve die ontkomen zullen. |
15 Toen antwoordden aan Je-remia alle de mannen die wisten dat hunne vrouwen anderen goden rookten, en alle de vrouwen die daar stonden, zijnde eene groote hoop, mitsgaders al het volk die in Egypteland, in Pa-thros woonden, zeggende: 16 Aangaande het woord dat gij tot ons in des Heeren naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet hooren; 17 maar wij zullen ganachelijk doen al hetgeen dat uit onzen mond is uitgegaan, rookendeder Melccheth des hemels en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onzo vaders, onze Koningen en onze Vorsten, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem: toen werden wij met brood verzadigd, en waren vroolijk en zagen geen kwaad. 18 Maar van toen af dat wij opgehouden hebben der Melccheth des hemels te rooken en haar drankofferen te offeren, hebben wij aan alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd. 19 Ook wanneer wij der Melé-cheth des hemels rooken en haar drankofferen offeren, maken wij haar geheelde koeken om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen zonder onze mannen ? 20 Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot. de vrouwen, en tot al liet volk die hem zulks geantwoord hadden, zeggende: 21 Het rooken dat gijlieden in de steden van Juda en in de straten yan Jeruzalem gerookt hebt, gij en uwe vaderen, uwe Koningen en uwe Vorsten en het volk des lands, heeft de Heere daaraan niet gedacht en is het niet in zijn hart opgekomen ? 22 zoodat het de Heere niet meer kon ie verdragen, vanwege de boosheid uwer handelingen, |
JEREMIA 45, 4G.
893
|
Tacwege de gruwelen die gij deedt; daarom is uw land ge-worden^ tot eene woestheid en tot ontzetting en tot eenen vloek, dat er niemand in woont, gelijk het is te dezen dage: 23 vanwege dat gij gerookt hebt, en dat gij tegen den Heere ge-zondigd liebt, en des Heeren stem niet gehoorzaam zijt geweest, en in zijne wet en in zijne inzettingen en in zijne getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom ia u dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage. 24 Voorts zeide Jeremia tot al het volk en tot alle de vrouwen: Hoort des Heeren woord, gü gansch Juda die in Egypteland zijt; 25 zóó spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels, zeggende: AanoaanrJe u en uwe vrouwen, zij hebben toch met uwen mond gesproken, en gij hebt het met uwe handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften die wij beloofd hebben ganschelijk houden, rookende der Melécheth des hemels en haar drankolferen offerende: nu, zij hebben uwe. geloften volko-menlijk bevestigd en uwe geloften vol komen lijk gehouden. 26 Daarom hoort des Heeren woord, gij gansch Juda die in Egypteland woont: Zie, ik zweer bij mijnen grooten naam, zegt de Heere, zoo mijn naam met den mond van eenig man van Juda in gansch Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zoo icaarcicldig als de Heere Heere leeft. 27 Zie, ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn; 28 maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeeren in het land van Juda, weinig in getale; en liet ganeche overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn om aldaar als vreemdelingen te verkeeren, zullen weten wiens woord bestaan zal, het mijne of het hunne. |
29 En dit zal ulieden het teeken zijn, spreekt de Heere, dat ik in deze plaats over u bezoeking zal doen, opdat gij weet dat mijne woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade: 30 alzóó zegt de Heere: Zie, ik zal Farao Hofra, den Koning van Egypte, geven in de hand zijner vijanden^ en in de hand dergenen die zijne ziel zoeken, gelijk als ik Zedekia, den Koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, den Koning van Babel, zijnen vijand en die zijne ziel zocht. HOOFDSTUK 45. Het woord dat de Profeet Jeremia gesproken heeft tot Raruch, den zoon van Neria, als hij die woorden uit den mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierdejaar van Jojakim, den zoon van Josia, den Koning van Juda, zeggende: 2 Alzóó zegt de Heere de God Israels van u, o Baruch: 3 Gij zegt: Wee nu mij, want de Heere heeft droefenis tot mijne smarte gedaan; ik ben moede van mijn zuchten en vind geen rust. 4 Zóó zult gij tot hem zeggen: Zóó zegt de Heere: Zie, wat ik gebouwd heb breek ik af, en wat ik geplant heb ruk ik uit, zelfs dit ganeche land: 5 en zoudt gij u groote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, ik breng een kwaad over alle vleesch, spreekt de Heere ; maar ik zal u uwe ziele tot eenen buit geven, in alle plaatsen waar gij zult henentrekken. HOOFDSTUK 46. Het- woord des Heeren dat tot den Profeet Jeremia geschied is tegen de heidenen. 2 Tegen Egypte; tegen het heir van Farao Necho, Koning van Egypte dat aan de rivier Frath bij Karkemis was, dat Nebukadrezar, de Koning van |
JEÃIEMIA 46.
m
|
Babel, sloeg in het vierde jaar yau Jojakim, den zoon van Josia, den Koning van Juda. 3 Kust het schild en de rondas toe. en nadert tot den strijd. 4 Spant do paarden aan en ldir.it op, gij ruiters, en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsers aan. ö Waarom zie ik dat zij ver- i eaagd en achterwaarts gedreven zijnquot;? Zelfs hunne helden zijn verslagen en nemen de vlucht en zien niet om, daar is schrik van rondom, spreekt de Keeee. 6 De snelle ontvüede niet en de held ontkomeniet; tegen het Koorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen. 7 quot;Wie is deze die optrekt als een stroom, wiens wateren zich j bewegen als de rivieren? 5 Egypte trekt op als een stroom, en zijne wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad en daarin wonen verderven. lJ Trekt óp gij paarden, en raast gij wagens, en laat de helden uittrekken: de Mooren en de Puteërs die_ het schild handelen, en de Lydiërs die den boog handelen en spannen. lü Maar deze dag is des Heeren, des Heeken der heirscharen, een dag der wrake, dat hij zich wreke van zijne wederpartijdere, en het zwaard zal eten en ver- 1 zadigd en dronken worden van hun bloed; want de Heere Heeee der heirscharen heeft een slacht-ofler in het land van het Noorden, aan de rivier Frath. 11 Ga op naar Gilead en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte:tevergeefsvermenig- j yuldigt gij t de artsenijen, daar i is geen heeling voor u. 12 De volken hebben uwe 1 schande gehoord, en het land , is vol van uw gekrijt; want zij hebben zich gestooten, held tegen held, zij zijn beiden te zamen gevallen. |
13 Het woord dat de Heere tot den Proleet Jeremia sprak van de aankomst van Nebukad-rezar, den Koning van Babel, om Egypteiand te slaan. 14 Verkondigt in Egypte en doet het hooren te Migdol, doet het ook hooien te Nof en te Tachpanhes; zegt: Stel erunaar en maak u gereed, want het zwaard heeft verteerd wat rondom u is. 15 quot;Waarom zijn uwe sterken weggevaagd? Zij stonden niet, omdat de Heeke ze voortdreef; 16 hij maakte der struikelenden veie, ja, de één viel op den ander, zoodat zij zeiden: Sta op en laat ons wederkeeren tot ons volk en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. 17 Daar riepen zij: Farao, do Koning van Egypte, is maar een gedruisch, hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan. 18 Zoo waarachtig ah ik leef, spreekt de Koning, wiens naam is Heere der heirscharen, hij zal voorzeker, als Tabor onder de bergen en als Karmel bij de zee, aankomen. 19 Maak voor u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij inwoneres, gij dochter van Egypte; want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden dat er niemand in wone. 20 Egypte is eene zeer schoon© vaars: èj slachter komt, hij komt van het Noorden. 21 Zelfs hare gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren, maar die hebben zich óók gewend, zij zijn te zamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking. 22 Hare stem zal gaan als eener slang; want zij zullen met krijgsmacht daarhenen trekken, en tot haar met bijlen komen gelijk houthouwers. 23 Zij hebben haar woud afgehouwen, spieekt de Heere, hoewel het niet is te onderzoeken, want zij zijn meer dan |
|
JEREM de sprinkhanen, zoodat men ze niet tellen kan. 24 De dochter van Egypte is beschaamd, zij ia gegeven in de hand des volks van het Noorden. 25 Do Iïeere der heirscharen, de God Israels, zegt; Zie, ik zal bezoeking doen over de menigte van ïso, en over Farao, en over Egypte, en over hare goden en over hare Koningen, ja, over Farao en over degenen die op hem vertrouwen; 20 en ik zal ze geven in de hand dergenen die hunne ziel zoeken, en in de hand van Nebnkadrezar, den Koning van Babel, en in de hand zijner knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt de Hi mir.. 27 Maar gij mijn knecht Jakob, vrees niet, en ontzet u niet, o Israël; want zie, ik zal n verlossen uit verre landen, ei uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen en stille en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken. 28 Gij dan mijn knecht Jakob, vrees niet, spreekt de Keere, want ik ben met u; want ik zal eene voleinding maken met alle de heidenen waarhenen ik u gedreven zal hebben, doch met u zal ik geene voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u nietgansch onschuldig houden. HOOFDSTUK 47. Het woord des Heeren dat tot den Profeet- Jeremia geschiedde tegen de Filistijnen, eer dat Farao Gaza sloeg. 2 Zóó zegt de Heere: Zie, wateren komen op van het Koorden, en zullen worden tot eene overloopende beek, enover-loopen het land en zijne volheid, de stad en die daarin wonen; en de menschen zullen schreeuwen en alle de inwoners des lands zullen huilen, 3 vanwege het geluid van het getrappel der hoeven zijner sterke paarden, vanwege het geraas zijner wagenen en het bolderen zijner raderen: de vaders |
A 47. 48. 805gt; zien niet om naar den kinderen., vanwege de slapheid der handen, 4 vanwege den dng die er komt om alle de Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgebleven helper af te snijden; want de Heere zal der Filistijnen, het overblijfsel van het eiland Kaft or, verstoren. 5 Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel van hun dal; hoelang zult gij uzelven insnijdingen maken? (5 O wee, gij zwaard des Hee-ren, hoe lang zult gij niet stilhouden ? Vaar in uw scheede, rust en wees stil. 7 Hoe zoudt gij stilhouden? De Heere heeft toch aan het zwaard bevel gegeven tegen Askelon, en tegen de zeehaven^ aldaar heeft hij het besteld. HOOFDSTUK 48. Tegen Moab zegt de Heere der heirscharen, do God Israels, alzóo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaïm is beschaamd, zij is ingenomen: de stad des hoogeu vertreks is beschaamd en verschrikt. 2 Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zcygende: Komt en laat ons haar uitroeien dat zij geen volk meer zij; ook gij, o Madmen, zult nederge-houwen worden, het zwaard zal achter u gaan; 3 daar is eene stem des gekrijts van Horonaïm: Verstoring en eene groote breuk! 4 Moab is verbroken, hare kleine hinderen hebben een ge-krijt laten hooren. 5 Want in den opgang van. Luhith zal geween bij geween opgaan, want in den afgang van Horonaïm hebben Moabs wederpartij ders een jammergeschrei gehoord. G Vlucht, redt^ uwe ziele en wordt als de heidestruik in de woestijn; 7 want om uw vertrouwen op uwe werken en op uwe schatten zult gij óók ingenomen worden,. |
|
B96 JERE] en Kamos zal uitgaan in geyan-penis, zijne Priesters en zijne Vorsten te zamen; 8 want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet ééne stad ontkomen zal, en liet dal zal verdorven en het eifen veld verdelgd worden; want de Heere heeft het gezegd. 1) Geef Moab vederen, want al vliegende zal zij nitgaan; en hare steden zul 1 en ter verwoesting worden dat niemand in dezelve wone. 10 Vervloekt zij die des Hee-ren werk bedrieglijk doet, ja, vervloekt zij die zijn zwaard van het bloed onthoudt. 11 Moab is van zijne jeugd af gerust geweest, en hij heeft op zijne hefle stilgelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis: daarom is zijn smaak in hem gebleven en zijn reuk niet veranderd. 12 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik hem vreemde gasten zal toe-schikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijne vaten ledigen, en hunlieder flesschen in stukken slaan; 13 en Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israëls beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen. 14 Hoe zult gij zeggen; Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde? 15 Moab is verstoord en uit zijne steden opgegaan, en de keur zijner jongelingen is ter nl ach ting afgegaan, spreekt de Koning wiens naam is Heere der heir-Bcharen. 16 Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zich zeer. 17 Beklaagt hem, gij allen die rondom hem zijt; en allen die zijnen naam kent, zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken ? 18 Daal neder uit uice heerlijkheid en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon; |
[IA 48. want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uwe vestingen verdorven. 19 Sta aan den weg en zie toe, gij inwoneres van Aroër; vraag den vluchtenden man en de ont-komene vrouw; zeg: Wat is er geschied ? 20 _ Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt, verkondigt te Arnon dat Moab verstoord is. 21 En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza en over Mefaath, 22 en over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaïm, 23 en over Kirjathaïm en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon, 24 en over Kerioth, en over Bozra, ja, over alle steden van Moabs _ land die verre en die nabij zijn. 25 Moabs hoorn is afgesneden en zijn arm verbroken, spreekt de Heere. 26 Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den Heere; zoo zal Moab met de handen klappen in zijn uit-spuwsel, en hij zelf zal óók ter belaching zijn. 27 Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zoo bewoogt van den tijd af dat uwe woorden van hem waren? 28 Verlaat de steden en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab, en wordt gelijk eeneduive die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt. 29 Wij hebben Moabs hoo-vaardij gehoord, (hij is zeer hoo-vaardig,; zijne trotschheid en zijne hoovaardij en zijnen hoogmoed en zijns harten hoogheid. 30 Ik leen zijne verbolgenheid, spreekt de Heere, maar niet alzóój zijne grendelen doen het zóó niet. 31 Darrom zal ik over Moab huilen, ja, om gansch Moab zal ik krijten; over de lieden van Kir-Heres zal men zuchten. 32 Boven het geween vanJaë-zer zal ik u beweencn, gij wijnstok van Sibma; uwe wijnranken |
JEREMIA 49.
897
|
zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uwe zomervruchten en op uwen wijnoogst, 33 zoodat do blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want ik heb den wijn doen ophouden uit de kuipen, men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei, het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn. 34 Vanwege Hesbons gekrijt tot Elealé toe, tot Jahaz toe hebben zij hunne stem verheven, van Zoar tot aan Horonaïm, die driejarige vaars; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden. 35 En ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de Heere, dien die op de hoogte offert en die zijnen goden rookt. 3G Daarom zal mijn hart over Moab getier maken als de fluiten, ook zal mijn hart over de lieden van Kir-Héres getier maken als de fluiten, omdat het overschot dat hij gemaakt had verloren is. 37 Want alle hoofden zijn kaal en alle baarden afgekort, op alle handen zijn insnijdingen en op de lendenen is een zak; 38 op alle daken Moabs en op allo hare straten is overal misbaar; want ik heb Moab verbroken als een vat waar men geen lust aan heeft, spreekt de Heere. 39 Hoe is hij verslagen! zij huilen, hoe heeft Moab den nek met schaamte gewend! Alzoozal Moab allen die rondom hem zijn tot belaching en tot eene ontzetting worden. 40 Want zóó zegt de Heere: Zie, hij zal snel vliegen als een arend, en hij zal zijne vleugelen over Moab uitbreiden: 41 elk eene der steden is gewonnen en elk eene der vastigheden is ingenomen, en het hart van Moabs helden zal te dien dage wezen als het harte een er vrouw die in nood is; 42 want Moab zal verdelgd worden dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den Heere. |
43 De vreeze en de kuil en de strik over u, gij inwoner van Moab, spreekt de Heere: 44 die van de vrees ontvliedt zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt zal in den strik gevangen worden: want ik zal over haar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen, spreekt de Heere. 45 Die voor *s vijands macht vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en eene vlam van tusschen Si-hon, en heeft de hoeken Moabs en den schedel der kinderen van het gedruisch verteerd. 46 Wee u Moab, het volk van Kamos is verloren; want uwe zonen zijn weggenomen in de gevangenis, ook zijn uwe dochters in gevangenis. 47 Maar _ in het laatste dei dagen zal ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de Heere. Tot hiertoe is Moabs oordeel. HOOFDSTUK 49. Tegen de kinderen Amnions zegt de Heere alzóó: Heeft dan Israël geene kinderen, heeft hij geenen erfgenaam? Waarom is dan Malkam erfgenaam van Gad, en ic aar om woont zijn volk in deszelfs steden? 2 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik over Rabba der kinderen Ammons een krijgsgeschrei zal doen hoo-ren, en zij zal tot eenen woesten hoop worden, en hare onderhoo-rige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen die hem geërfd hadden, zegt de Heere. 3 Huil, o Hesbon, want Ai is verstoord; krijt, gij dochters van Rabba, gordt zakken aan, bedrijft misbaar en loopt óm bij de tuinen; want Malkam zal wandelen in gevangenis, zijne Priesteren en zijne Vorsten te zamen. 4 Wat roemt gij optttcedalen? Uw ^ dal is weggevloten, gij al-keerige dochter, dio op hare |
29
JEREMIA 49.
898
|
echatten vertrouwt, zeggende: Wie zoude tegen mij komen? 5 Zie, ik zal vreeze over u brengen, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen, van allen die rondom u zijn; en gijlieden zult, een iegelij k voor zich henen, uitgedreven worden, en niemand zal de omdol enden vergaderen. 6 Maar daarna zal ik de gevangenis der kinderen Ammons quot;wenden, spreekt de Heere. 7 Tegen Edom zegt de Heere der heirscharen alzóo: Is er dan geen wijsheid meer te Teman? ; Is de raad vergaan van de ver-etandigen, is hunlieder wijsheid onnut geworden ? 8 Vliedt, wendt t u, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Dedan; want ik heb Esaus verderf over hem gebracht, den tijd dat ik hem bezocht heb. 9 Zoo daar wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet eene nalezing hebben overgelaten ? Zoo daar dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zooveel hun genoeg ware ? 10 Maar ik heb Esau ontbloot, ik heb zijne verborgen plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijne broeders en zijne naburen, en hij is er niet meer. 11 Laat uwe weezen achter: ik zal ze in het leven behouden; en laat uwe weduwen op mij vertrouwen. 12 Want zóó zegt de Heere: Zie, degenen welker oordeel het niet is den beker te drinken, zullen ganschelijk drinken, en zoudt gij eenigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult ganschelijk drinken. 13 Want ik heb bij mijzelven gezworen, spreekt de Heere, dat Bozra worden zal tot eene ontzetting, tot eene smaadheid, tot eene woestheid en tot eenen vloek ; en alle hare steden zullen worden tot eeuwige woestheden. |
14 Ik heb een gerucht gehoord van den Heere, en daar is een gezant gezonden onder dehei(3e^en ^91 nen, om te zeggen: Vergadert uJen,^ zij en komt aan tegen haar, en maakt see is b u op ten strijde. net rus 15 Want zie, ik heb u klein 24 Da: gemaakt onder de heidenen, üJ J1®6 veracht onder de menschen; rluchtei 1G uwe schrikkelijkheid heeft langegn u bedrogen, en de trotschheki jmarten uws harten, gij die woont in detiebben kloven der steenrotsen, die u .25 11 ophoudt op de hoogte der heu-aiet g velen: al zoudt gij uw nest zoo vroolij k hoog maken als de arend, zoo ,26 Da zal ik u van daar nederstooten, lingen spreekt de Heere. en alle 17 Alzoo zal Edom worden tot te die eene ontzetting; al wie voorbij worden haar gaat zal zich ontzetten en heirsch fluiten over alle hare plagen. 27 ei 18 Gelijk de omkeering van ken in Sodom en Gomorra en harer na- en he' buren zal het zijn, zegt de Heere: vertere niemand zal daar wonen, eu 28 rl geen menschenkind daarin ver- koninli keeren.^ ' Kebuk 19 Zie, gelijk een leeuw van Babel, de verheffing des Jordaans, zal hij zóó: jV opkomen tegen de sterke woning; Kedar want ik zal hem in een oogen- van he blik daaruit doen loopen; en 29 Z wie daartoe verkoren is, dien zal liunne ik tegen haar bestellen; want gordiji wie is mij gelijk, evit wie zoude en hu: mij dagvaarden, en wie is die nemer herder, die voor mijn aangezicht uitroe bestaan zoude? 30 A 20 Daarom hoort des Heeren woont raadslag dien hij over Edom woner heeft beraadslaagd, en zijne ge- Heeri dachten die hij gedacht heeft Konii over de inwoners van Teman: raadsl Zoo de geringsten van de kudde slaagi hen niet zullen nedertrekken!quot; lien g Indien hij hunlieder woning niet 31 1 boven .ien zal verwoesten! het a 21 De aarde heeft gebeefd van zeker het geluid huns vals, van het re, d; gekrijt, welks geluid gehoord is jdel h bij de Schelfzee. 32 22 Zie, hij zal opkomen en snel ten r vliegen als een arend, en zijne hun vleugelen over Bozra uitbreiden, zal z en het .hart van Edoms helden tie we zal te c'.ien dage wezen als het ken hart eener vrouw die in nood is. jverd» 23 Tegen Damascus. Beschaamil brem is Hamath en Arpad; omdat zij 33 |
JEEEMIA 50.
TT
899
|
iheidew^en boos gerucht gehoord heb-iclert u?en, zijn zij gesmolten; bij de maakt tee is bekommernis, men kan er aiet rusten. i klein ,24 Damascus is slap geworden, denen,!ij heeft zich gewend om te n; rluchten, en siddering heeft haar l heeft, langegrepen: benauwdheid en chheid imarten als eener barende mmw in de hebben haar bevangen. die u 25 Hoe is de beroemde stad rheu-niet gelaten, de stad mijner jsfc zoo poolijkheid ? d, zoo _ 2G Daarom zullen hare jonge-ooten, lingen vallen op hare straten, en alle hare. krijgslieden zullen [en tot te dien dage nedergehouwen oorbij worden, spreekt de Heere der en en heirscharen; m. 27 eni k zal een vuur aanste-g van ken in den muur van Damascus, er na- en het zal Benhadads paleizen eere: verteren. i, en 28 Tegen Kedar en tegen de i ver- koninkrijken van Hazor, die Kebukadrezar, de Koning van r van Babel, sloeg, zegt de Heere al-:al hij zóó: Maakt u op, trekt op tegen ning; Kedar en verstoort de kinderen ogen- van het Oosten. i; en 29 Zij zullen hunne tenten en '.n zal hunne kudden nemen, hunne want gordijnen en al hun gereedschap oude en hunne kemelen voor zich weg-s die nemen, en zij zullen tegen hen uitroepen. Schrik van rondom. 30 Vliedt, zwerft fluks henen, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Hazor, spreekt de Heere; want Nebukadrezar, de Koning van Babel, heeft eenen raadslag tegen ulieden beraadslaagd en eene gedachte tegen hen gedacht. 31 Maakt u op, trekt op tegen het volk dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt de Hee-bie, dat geene deuren noch grendel heeft, die alléén wonen. 32 En hunne kemelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en ik zal ze verstrooien in alle winden, te weten degenen die aan de hoeken afgekort zijn : en ik zal hun verderf van alle zijne zijden aanbrengen, spreekt de Heere. 33 En Hazor zal worden tot zicht erex Idom 3 ge-iceft aan: idde ken f niet van het d is snel ijne ien, den het d is. Lind |
eene draken woning, eene verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen en geen menschenkind daarin verkeeren. 34 Het woord des Heeren dat tot den Profeet Jeremia geschied is tegen Elam, in het begin de» koninkrijks van Zedekia, den Koning van Juda, zeggende; 35 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hunlieder geweld; 36 en ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal ze in alle die winden verstrooien, en daar zal geen volk zijn waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen; 37 en ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht hunner vijanden en voor het aangezicht dergenen die hunne ziel zoeken en ik zal een kwaad over hen brengen, de hitte mijns toorns, spreekt de Heere ; en ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat ik ze verteerd zal hebben; 38 en ik zal mijnen troon in Elam stellen, en zal den Koning en de Vorsten van daar verdelgen, spreekt de Heere. 39 Maar het zal geschieden in het laatste der _ dagen dat ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 50. Het woord dat de Heere gesproken h.eeft tegen Babel, tegen het land der Chaldeën. door den dienst van den Profeet Jeremia. 2 Verkondigt onder de heidenen en doet hooren, en werpt eene banier op, laat hooren, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Me-rodach is verpletterd, hare afgoden zijn beschaamd, hare drekgoden zijn verpletterd. 3 Want een volk komt tegen haar op van het Noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de menschen af tot de beesten toe zijn ze weggezworven, doorgegaan. i 1 * hi i. I |
JEREMIA 46.
m
|
Babel, sloeg in het vierde jaar van Jojakim, _ den zoon van Josia, den Koning van Juda. 3 iiust het schild en de rondas toe, en nadert tot den strijd. 4 »Spant de paarden aan en klimt op, gij ruiters, en stelt u niet helmen; veegt de spiesen, trekt cle pantsers aan. ö Waarom zie ik dat zij ver- | eaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hunne helden zijn verslagen en nemen de vlucht en zien niet om, daar is schrik van rondom, spreekt de Keere. 6 De snelle ontvliede niet en de held ontkomeniet; tegen het Noorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen. 7 AVie is deze die optrekt als ; een stroom, wiens wateren zich 1 bewegen als de rivieren? 5 Egypte trekt op als een stroom, en zijne wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad en daarin wonen verderven. 9 Trekt op gij paarden, en raast gij wagens, en laat de , helden uittrekken: de Mooren i en de Pateers die het schild handelen, en de Lydiërs die den boog handelen en spannen. lü Maar deze dag is des Heeren, des Heeeen der heirscharen, een dag der wrake, dat hij zich wreke van zijne wederpartijders, j en het zwaard zal eten en verzadigd en dronken worden van hun bloed; wantdeHeereHeeije i der heirscharen heeft een slachtoffer in het land van het Noorden, aan de rivier Frath. 11 Ga op naar Gilead en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter I van Egypte:tevergeefsvermenig- j yuldigt gij _ de artsenijen, daar ! is geen heeling voor u. 12 De volken hebben uwe i schande gehoord, en het land i is vol van uw gekrijt; want zij I hebben zich gestooten, held tegen held, zij zijn beiden te zamen gevallen. 13 Het woord dat de Heere tot den Profeet Jeremia sprak van de aankomst van Nebukact* |
rezar, den Koning van Babel, om Egypteiand te slaan. 14 Verkondigt in Egypte en doet het hooren te Migdol, doet het ook hooren te Nof en te Tachpanhes; zegt: Stel erunaar en maak u gereed, want het zwaard heeft verteerd wat rondom u is. 15 Waarom zijn uwe sterken weggevaagd? Zij stonden niet, omdat de Heere ze voortdroef; _ 16 hij maakte der struikelenden vele, ja, de één viel op den ander, zoodat zij zeiden: Sta op en laat ons wederkeeren tot ons volk en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. 17 Daar riepen zij: Farao, do Koning van Egypte, is maar een gedruisch, hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan. IS Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Koning, wiens naam is Heere der heirscharen, hij zal voorzeker, als Tabor onder de bergen en als Karmel bij de zee, aankomen. li) Maak voor u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij inwoneres, gij dochter van Egypte; want Nof zal ter ver-woesting worden, en zal verbrand worden dat er niemand in wone. 20 Egypte is eene zeer schoon© vaars: c.'j slachter komt, hij komt van het Noorden. 21 Zelfs hare gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren, maar die hebben zich óók gewend, zij zijn te zamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking. 22 Kare stem zal gaan als eener slang; want zij zullen met krijgsmacht daarhenen trekken, en tot haar met bijlen komen gelijk houthouwers. 23 Zij hebben haar woud afgehouwen, spreekt de Heere, hoewel het niet is te onderzoeken, want zij zijn meer dan |
|
JEEEM de sprinkhanen, zoodat men ze niet tellen kan. 24 De dochter van Egypte is beschaamd, zij is gegeven in de hand des volks van het Koorden. 25 De IIeere der heirscharen, de God Israels, zegt: Zie, ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over hare goden en over hare Koningen, ja, over Farao en over degenen die op hem vertrouwen; 26 en ik zal ze geven in de hand dergenen die hunne ziel zoeken, en in de hand van Nebnkadrezar, den Koning van Babel, en in de hand zijner knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van onds, spreekt de Hi:ere. 27 Maar gij mijn knecht Jakob, vrees niet, en ontzet u niet, o Israël; want zie, ik zal n verlossen uit verre lauden, en uw zaad uit het land hunnar gevangenis ; en Jakob zal wederkomen en stille en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken. 28 Gij dan mijn knecht Jakob, vrees niet, spreekt de Heere, want ik ben met u; want ik zal eene voleinding maken met alle de heidenen waarhenen ik u gedreven zal hebben, doch met u zal ik geene voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet gansch onschuldig houden. HOOFDSTUK 47. Het woord des ITkerex dat tot den Profeet Jeremia geschiedde tegen de Filistijnen, eer dat Farao Gaza sloeg. 2 Zóó zegt de Heere: Zie, wateren komen op van het Noorden, en zullen worden tot eene overloopende beek, en over-loopen het land en zijne volheid, de stad en die daarin wonen; en de menschen zullen schreeuwen en alle de inwoners des lands zullen huilen, 3 vanwege het geluid van het getrappel der hoeven zijner sterke puurden, vanwege het geraas zijner wagenen en het bolderen zijner raderen: de vaders |
A 47, 48. 895* zien niet om naar den kinderen, vanwege de slapheid der handen, 4 vanwege den dag die er komt om alle de Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgebleven helper af te snijden; want de Heere zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland Kaftor, verstoren. 5 Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel van hun dal; hoelang zult gij uzelven insnijdingen maken? (3 O wee, gij zwaard des Hee-ren, hoe lang zult gij niet stilhouden ? Vaar in uw scheede, rust en wees stil. 7 Hoe zoudt gij stilhouden? De Heere heeft toch aan het zwaard bevel gegeven tegen Askelon, en tegen de zeehaven,, aldaar heeft hij het besteld. HOOFDSTUK 48. Tegen Moab zegt de Heere der heirscharen, de God Israels, alzóó: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaïm is beschaamd, zij is ingenomen: de stad des hoogen vertreks is beschaamd en verschrikt. 2 Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt en laat ons haar uitroeien dat zij geen volk meer zij; ook gij, o Madmen, zult nederge-houwen worden, het zwaard zal achter u gaan; 3 daar is eene stem des gekrijts van Horonaïm: Verstoring en eene groote breuk! 4 Moab is verbroken, hare kleine hinderen hebben een ge-krijt laten hooren. 5 quot;Want in den opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in den afgang van Horonaïm hebben Mcabs wederpartij ders een jammergeschrei gehoord. 6 Vlucht, redt uwe ziele en wordt als de heidestruik in de woestijn; 7 want om uw vertrouwen op uwe werken en op uwe schatten zult gij óók ingenomen worden,. |
|
B96 J E R E! en Kamos zal uitgaan in gevangenis, zijne Priesters en zijne Vorsten te zamen; 8 want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet ééne stad ontkomen zal, en liet dal zal verdorven en liet effen veld verdelgd worden; want de Heere heeft het gezegd. l.) Geef Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en hare steden zullen ter verwoesting worden dat niemand in dezelve wone. 10 Vervloekt zij die des Hee-ren werk bedrieglijk doet, ja, vervloekt zij die zijn zwaard van het bloed onthoudt. 11 Moab is van zijne jeugd af gerust geweest, en bij heelt op zijne helie stilgelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en lieeft niet gewandeld in gevangenis: daarom is zijn smaak m hem gebleven en zijn reuk niet veranderd. 12 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik hem vreemde gasten zal toe-schikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijne vaten ledigen, en hunlieder flesschen in stukken slaan; 13 en Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israëls beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen. 14 Hoe zult gij zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde? 15 Moab is verstoord en uit zijne steden opgegaan, en de keur zijner jongelingen is ter islachting algegaan, spreekt de Koning wiens naam is Heere der heir-scharen. 16 Moabs verderf is nabij om to komen, en zijn kwaad haast zich zeer. 17 Beklaagt hem, gij allen die rondom hem zijt; en allen die zijnen naam kent, zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken ? 18 Daal neder uit uice heerlijkheid en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon; |
IIA 48. want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uwe vestingen verdorven. 19 Sta aan den weg en zie toe, gij inwoneres van Aroër; vraag den vluchtenden man en de ont-komene vrouw; zeg: Wat is er geschied ? 20 Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt, verkondigt te Arnon dat Moab verstoord is. 21 En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza en over Mefaath, 22 en over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaïm, 23 en over Kirjathaïm en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon, 24 en over Kerioth, en over Bozra, ja, over alle steden van Moabs land die verre en die nabij zijn. 25 Moabs hoorn is afgesneden en zijn arm verbroken, spreekt de Heere. 26 Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den Heere; zoo zal Moab met de handen klappen in zijn uit-spuwsel, en hij zelf zal óók ter belaching zijn. 27 Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zoo bewoogt van den tijd af dat uwe woorden van hem waren? 28 Verlaat de steden en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab, en wordt gelijk eeneduive die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt. 29 Wij hebben Moabs hoo-vaardij gehoord, (hij is zeer hoo-vaardig,) zijne trotschheid en zijne hoovaardij en zijnen hoogmoed en zijns harten hoogheid. 30 Ik ken zijne verbolgenheid, spreekt de Heere, maar niet al zóó ; zijne grendelen doen het zóó niet. 31 Daarom zal ik over Moab huilen, ja, om gansch Moab zal ik krijten; over de lieden van Kir-Hérea zal men zuchten. 32 Boven het geween van Jac-zer zal ik u beweenen, gij wijnstok van Sibma; uwe wijnranken |
JEREMIA 49.
897
|
zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uwe zomervruchten en op uwen wijnoogst, 33 zoodat do blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want ik heb den wijn doen ophouden uit de kuipen, men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei, het vreugdegeschrei zal geen. vreugdegeschrei zijn. 34 Vanwege Hesbons gekrijt tot Elealé toe, tot Jahaz toe hebben zij hunne stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaars; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden. 35 En ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de Heere, dien die op de hoogte ofiert en die zijnen goden rookt. 3G Daarom zal mijn hart over Moab getier maken als de fluiten, ook zal mijn hart over do lieden van Kir-Héres getier maken als de fluiten, omdat het overschot dat lui gemaakt had verloren is. 37 Want alle hoofden zijn kaal en alle baarden afgekort, op alle handen zijn insnijdingen en op de lendenen is een zak; 38 op alle daken Moabs en op allo hare straten is overal misbaar; want ik heb Moab verbroken als een vat waar men geen lust aan heeft, spreekt de Heere. 39 Hoe is hij verslagen! zij huilen, hoe heeft Moab den nek met schaamte gewend! Alzoozal Moab allen die rondom hem zijn tot belaching en tot eene ontzetting worden. 40 Want zóó zegt de Heere: Zie, hij zal snel vliegen als een arend, en hij zal zijne vleugelen over Moab uitbreiden: 41 elk eene der steden is gewonnen en elk eene der vastigheden is ingenomen, en het hart van Moabs helden zal te dien dage wezen als het harte eener vrouw die in nood is; 42 want Moab zal verdelgd worden dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den Heere. |
43 De vreeze en de kuil en de strik over u, gij inwoner van Moab, spreekt de Heere: 44 die van de vrees ontvliedt zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt zal in den strik gevangen worden: want ik zal over haar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen, spreekt de Heere. 45 Die voor 's vijands macht vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon ; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en eene vlam van tusschen Si-hon, en heeft de hoeken Moabs en den schedel der kinderen van het gedruisch verteerd. 46 Wee u Moab, het volk van Kamos is verloren; want uwe zonen zijn weggenomen in de gevangenis, ook zijn uwe dochters in gevangenis. 47 Maar in het laatste dei dagen zal ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de Heere. Tot hiertoe is Moabs oordeel. HOOFDSTUK 49. Tegen de kinderen Ammona zegt de Heere alzóó: Heeft dan Israël geene kinderen, heeft hij geenen erfgenaam? Waarom is dan Malkam erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in deszelfs steden? 2 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik over Rabba der kinderen Ammons een krijgsgeschrei zal doen hoeren, en zij zal tot eenen woesten hoop worden, en hare onderhoo-rige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen die hem geërfd hadden, zegt de Heere. 3 Huil, o Hesbon, want Ai is verstoord; krijt, gij dochters van Rabba, gordt zakken aan, bedrijft misbaar en loopt óm bij de tuinen; want Malkam zal wandelen in gevangenis, zijne Priesteren en zijne Vorsten te zamen. 4 Wat roemt gij op mee dalen? Uw dal is weggevloten, gij af-keerige dochter, die op hare |
29
|
«98 JE RE; echatten vertrouwt, zeggende: quot;Wie zoude tegen mij komen? 5 Zie, ik zal vreeze over u brengen, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen, van allen die rondom u zijn; en gijlieden zult, een iegelij k voor zich henen, uitgedreven worden, en niemand zal de omdolenden vergaderen. 6 Maar daarna zal ik de gevangenis der kinderen Ammons â¢wenden, spreekt de Heere. 7 Tegen Edom zegt de Heere der heirscharen alzóó: Is er dan geen wijsheid meer te Teman ? Is de raad. vergaan van de ver-etandigen, is hunlieder wijsheid onnut geworden ? 8 Vliedt, wendt ^ u, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Dedan; want ik heb Esaus verderf over hem gebracht, den tijd dat ik hem bezocht heb. 9 Zoo daar wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet eene nalezing hebben overgelaten ? Zoo daar dieven bij nacht gelcomen tear en, zouden zij niet verdorven hebben zooveel hun genoeg ware ? 10 Maar ik heb Esau ontbloot, ik heb zijne verborgen plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijne broeders en zijne naburen, en hij is er niet meer. 11 Laat uwe weezen achter: ik zal ze in het leven behouden; en laat uwe weduwen op mij vertrouwen. 12 Want zóó zegt de Heere: Zie, degenen welker oordeel het niet is den beker te drinken, zullen ganschelijk drinken, en zoudt gij eenigszins onschuldig gehouden worden ? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult ganschelijk drinken. 13 Want ik heb bij mij zei ven gezworen, spreekt de Heere, dat Bozra worden zal tot eene ontzetting, tot eene emaadheid, tot eene woestheid en tot een en vloek ; en allo hare steden zullen worden tot eeuwige woestheden. 14 Ik heb een gerucht gehoord van den Heere, en daar ia een |
CIA 49. gezant gezonden onder de heidennen, om te zeggen: Vergadert u en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde. 15 Want zie, ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de menschen; 16 uwe schrikkelijkheid heeft, u bedrogen, en de trotschheid uwb harten, gij die woont in de kloven der steenrotsen, die u ophoudt op de hoogte der heuvelen : al zoudt gij uw nest zoo hoog^ maken als de arend, zoo zal ik u van daar nederstooten, spreekt de Heere. 17 Alzoo zal Edom worden tot eene ontzetting; al wie voorbij haar gaat zal zich ontzetten en fluiten over alle hare plagen. 18 Gelijk de omkeering van Sodom en Gomorra en harer naburen zal het zijn, zegt de Heere : niemand zal daar wonen, eu geen menschenkind daarin ver-keeren. 19 Zie, gelijk een leeuw van de verheffing des Jordaans, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want ik zal hem in een oogen-blik daaruit doen loopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal ik tegen haar bestellen; want wie is mij gelijk, ett wie zoude mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor mijn aangezicht bestaan zoude? 20 Daarom hoort des Heeren raadslag dien hij over Edom heeft beraadslaagd, en zijne gedachten die hij gedacht heeft over de inwoners van Teman: Zoo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken f Indien hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten! 21 De aarde heeft gebeefd van het geluid huns vals, van het gekrijt, welks geluid gehoord is bij de Schelfzee. 22 Zie, h ij zal opkomen en snel vliegen als een arend, en zijne vleugelen over Bozra uitbreiden, en het hart van Edoms helden zal te dien dage wezen als het hart eener vrouw die in nood is. 23 Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij |
JEREMIA 50.
899
|
een boos gerucht gehoord hebben^ zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten. 24 Damascus is slap geworden, zij heeft zich gewend om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen: benauwdheid en smarten als eener barende vrouw hebben haar bevangen. 25 Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad mijner vroolij kheid ? 2G Daarom zullen hare jongelingen vallen op hare straten, en alle hare krijgslieden zullen te dien dage nedergehouwen worden, spreekt de Heere der heirscharen; 27 eni k zal een vuur aansteken in den muur van Damascus, en het zal Benhadads paleizen verteren. 28 Tegen Kedar en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de Koning van Babel, sloeg, zegt de Heere al-zóó: Maakt u op, trekt op tegen Kedar en verstoort de kinderen van het Oosten. 29 Zij zullen hunne tenten en hunne kudden nemen, hunne gordijnen en al hun gereedschap en hunne kemelen voor zich wegnemen, en zij zullen tegen hen uitroepen. Schrik van rondom. 30 Vliedt, zwerft fluks henen, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Hazor, spreekt de Heere; want Nebukadrezar, de Koning van Babel, heeft eenen raadslag tegen ulieden beraadslaagd en eene gedachte tegen hen gedacht. 31 Maakt u op, trekt op tegen liet volk dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt de Heere, dat geene deuren noch grendel heeft, die alléén wonen. 32 En hunne kemelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en ik zal ze verstrooien in alle winden, te weten degenen die aan de hoeken afgekort zijn ; en ik zal hun verderf van alle zijne zijden aanbrengen, spreekt de Heere. |
33 Eu Hazor zal worden tot eene draken woning, eene verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen en geen menscheukind daarin verkeeren. 34 Het woord des Heeren dat tot den Profeet Jeremia geschied is tegen Elam, in het begin de» koninkrijks van Zedekia, den Koning van Juda, zeggende: 35 Zóó zegt de Heere der heirscharen : Zie, ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hunlieder geweld; 36 en ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal ze in alle die winden verstrooien, en daar zal geen volk zijn waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen; 37 en ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht hunner vijanden en voor het aangezicht dergenen die hunne ziel zoeken en ik zal een kwaad over hen brengen, de hitte mijns toorns, spreekt de Heere ; en ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat ik ze verteerd zal hebben; 38 en ik zal mijnen troon in Elam stellen, en zal den Koning en de Vorsten van daar verdelgen, spreekt de Heere. 39 Maar het zal geschieden in het laatste der dagen dat ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 50. Het woord dat de Heere gesproken h.eeft tegen Babel, tegen liet land der Chaldeën, door den dienst van den Profeet Jeremia. 2 Verkondigt onder de heidenen en doet hooien, en werpt eene banier op, laat hooren, verbergt het niet; zegt; Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Me-rodach is verpletterd, hare afgoden zijn beschaamd, hare drekgoden zijn verpletterd. 3 Want een volk komt tegen | haar op van het Noorden; dat I zal haar land zetten in vcrwoes-, ting, dat er geen inwoner in zal ! zijn; van de menschen af tot de ! beesten toe zijn ze weggezworven, i doorgegaan. |
|
900 JERE] 4 In dezelfde dagen en ter zelf-der tijd, spreekt de Heere, zullen de kinderen Israels komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en weenende zullen zij lienengaan en den Heeue hunnen God zoeken. 5 Zij zullen naar Sion vragen, op den weg herwaarts zullen hunne aangezichten zijn; zij zullen komen en den Heere toegevoegd worden mei een eeuwig verbond dat niet zal worden vergeten. 6 Mijn volk waren verloren schapen, hunne herders hadden ze verleid, zij hadden ze gevoerd naar de bergen; zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hunne legering; 7 allen die hen vonden aten hen op, en hunne wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben: daarom dat zij gezondigd hebben tegen den Heere in de woning der gerechtigheid, # ja leoeti den Heere, de verwachting hunner vaderen. 8 Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat weg uit der Chaldeën land, en weest als de bokken voor de kudde henen. 9 Want zie, ik zal eene verzameling van groote volken uit het land van het Noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten, van daar zal zij ingenomen worden; hunne pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geene zal ledig wederkeeren; 10 en Chaldéa zal ten roof zijn, allen die het berooven, zullen verzadigd worden, spreekt de Heere. 11 Omdat gij u verblijd hebt, omdat gij van vreugde zij t opgesprongen, gij plunderaars mijner erfenis; omdat gij geil geworden zijt als eene grazige vaars, en gebriescht hebt als de sterke paarden: 12 zoo is uwe moeder zeer beschaamd, die u gebaard heeft is schaamrood geworden; zie, zij is geworden de achterste der liei-denen, eene woestijn, dorheid en wildernis; |
[JA 50. 13 vanwege de verbolgenheid des Heeren zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel en al eene verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat zal zich ontzetten en lluiten over alle hare plagen. 14 Kust u tegen Babel rondom, gij allen die den boog spant; schiet op haar, spaart de pijlen niet, want zij heeft tegen den Heere gezondigd. 15 Juich over haar rondom, zij heeft hare hand gegeven; hare fundamenten zijn gevallen, hare muren zijn afgebroken; want dat is des Heeren wrake, wreekt u aan haar. doet haar gelijk als zij gedaan heeft. 1G Roeit uit van Babel den zaaier en dien de sikkel handelt in den oogsttijd; laat ze vanwege het verdrukkende zwaard zich keeren een iegelijk tot zijn volk, en vlieden een iegelijk naar zijn land. 17 Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste die hem heeft opgegeten was de Koning van Assur, en deze de laatste Nebukadrezar, de Konjng van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld. 18 Daarom zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zie, ik zal bezoeking doen over den Koning van Babel en over zijn land, gelijk als ik bezoeking gedaan heb over den Koning van Assur; 19 en ik zal Israël weder tot zijne woning brengen, en hij zal weiden op den Karmel en op den Basan, en zijne ziel zal op het gebergte Efraïms en Gileads ver» zadigd worden. 20 In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heere, zal Israels ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden;want ik zal ze dengene vergeven dien ik zal dosn overblijven. 21 Tegen het lanil Merathaim, trek tegen hetzelve op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen. |
JEREMIA 50.
901
|
spreekt de Heere, en doe naar alles dat ik u geboden heb. 22 Daar is een krijgsgeschrei in het land, en eene groote breuke. 23 Hoe is de hamer der gan- eche aarde zoo afgehouwen en verbroken, hoe is Babel geworden tot eene ontzetting onder de heidenen! 24 Ik heb u een strik gesteld, dies zijt gij ook gevangen, o Babel, dat gij het niet wist; gij zijt gevonden en ook gegrepen, omdat gij u tegen den Heere in strijd gemengd hebt. 25 De Heere heeft zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten zijner gramschap voortgebracht; want dat is een werk des Heeren, des Heeren der heir-scharen, in het land der Chaldeën. 2G Komt aan tegen haar van het uiterste, opent hare schuren, vertreedt haar als korenhoopen en verbant ze, laat ze geen overblijfsel hebben. 27 Doodt met het zwaard alle hare varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd hunner bezoeking. 28 Daar is eene stem der ge-vluchten en ontkomenen uitliet land van Babel, om in Sion te verkondigen de wrake des Heeren onzes Gods, de wrake zijns Tempels. 29 Laat u hooren tegen Babel, gij schutters, gij allen die den boog spant, legert u tegen iiaar rondom, laat niemand van haar ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles dat zij gedaan heeft; want zij heeft trotschelijk gehandeld tegen den Heere, tegen den Heilige Israels. 30 Daarom zullen hare jongelingen vallen op hare straten, en alle hare krijgslieden te dien dage uitgeroeid worden, spreekt de Heere. 31 Zie, ik ml aan u, gij trot-Bche, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen; want uw dag is gekomen, de tijd dat ik u bezoeken zal. |
32 Dan zal de trotsche aanstoo-ten en vallen, en daar zal niemand zijn die hem opricht; ja, ik zal een vuur aansteken in zijne steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren. 33 Zóó zegt de Heere der heirscharen: De kinderen Israels en de kinderen van Juda zijn te zamen verdrukt geweest: en allen die ze gevangen hadden hebben ze vastgehouden, zij hebben geweigerd ze los te laten. 34 Maar hun verlosser is sterk, Heere der heirscharen is zijn naam; hij zal hunnen twist zekerlijk twisten, opdat hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere. 35 Het zwaard zal zijn over de Chaldeën, spreekt de Heere, en over de inwoners van Babel en over hare Vorsten en over hare wijzen. 36 Het zwaard zal zijn over de leugenaars dat ze zot worden, het zwaard zal zijn over hare helden dat ze versagen; 37 het zwaard zal zijn over zijne paarden en over zijne wa-genen, en over den ganschen ge-mengden hoop die in het midden van haar is, dat ze tot vrouwen worden; het zwaard zal zijn over hare schatten dat ze geplunderd worden; 38 droogte zal zijn over hare wateren dat ze uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke aJgoden. 39 Daarom zullen de wilde dieren der woestijnen met de wilde dieren der eilanden daarin wonen, ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht: 40 gelijk God Sodom en Go-morra en hare naburen heeft omgekeerd, spreekt de Heere, alzóó zal niemand aldaar wonen en geen menschenkind in haar ver-keeren. 41 Zie, daar komt een volk uit het Noorden, en eene groote na- |
JEREMIA 51.
902
|
tie en geweldige Koningen zullen van de zijden der aarde opgewekt worden. 42 Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn ze en zullen niet barmhartig zijn; hunne stem zal bruisen als de zee; en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel. 43 De Koning van Babel heeft hun gerucht gehoord, en zijne handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als eene barende vrouw.^ 44 Zie, gelijk een leeuw van de verheffing des Jordaans, zal hij opkomen tegen de sterke â¢woning; want ik zal ze in een oogenblik daaruit doen loopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal ik tegen haar bestellen; want wie is mij gelijk en wie zoude mij dagvaarden, en wie is de herder, die voor mijn aangezicht bestaan zoude? 45 Daarom hoort den raadslag des Heeren dien hij over Babel heeft beraadslaagd, en zijne gedachten die hij gedacht heeft over het land derChaldeën: Zoo de geringsten vm de kudde hen niet zullen nedertrekken! Zoo hij de woning boven hen niet zal verwoesten! 46 De aarde is bevende geworden van het geluid der inneming van Babel, en het gekrijt is gehoord onder de volken. HOOFDSTUK 51. Zóó zegt de Heehe: Zie, ik zal een en verdervenden wind opwekken tegen Babel en tegen degenen die daar wonen in het hart van degenen die tegen mij op-etaan; 2 en ik zal Babel wanners toezenden, die haar wannen en haar land uitledigen zullen; want zij zullen ten dage des kwaads van rondom tegen haar zijn. 3 De schutter spanne zijnen boog tegen dien die zich verheft in zijn pantser: en verschoont liare jongelingen niet, verbant al haar heir: |
4 dat de verslagenen liggen in het land der Chaldecn, en do doorstokenen op hare straten. 5 Want Israël en Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijnen God, van den Heehe der heirscharen, (hoewel hun land vol van schuld is,) van den Heilige Israels. 6 Yliedt uit het midden van Babel, en redt een iegelijk zijne ziel, wordt niet uitgeroeid in hare ongerechtigheid: want dit is de tijd der wrake des Heeren, die haar de verdienste betaalt. 7 Eabel was een gouden beker in de hand des Heeren, die de gansche aarde dronken maakte; de volken hebben van haren wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden. 8 Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt _ balsem voor hare pijn, misschien zal zij genezen worden. 9 Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat ze dan, en laat ons een iegelijk in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan den hemel en is verheven tot aan de bovenste wolken. 10 De Heere heeft onze gerechtigheden hervoorgebracht; komt en laat ons in Sion het werk des Heeren onzes Gods vertellen. 11 Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; de Heere heeft den geest der Koningen van Medië opgewekt: want zijn voornemen is tegen Babel, dat hij haar verderve; want dit is de wrake des Heeren, de wrake zijns Tempels. 12 Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen: want gelijk de Heere heeft voorgenomen, alzoó heeft hij gedaan wat hij over de inwoners van Babel gesproken heeft. 13 Gij die aan vele wateren woont, die machtig zijt van schatten, uw einde is gekomen, de maat uwer gierigheid. 14 De Heere der heirscharen |
JEREMIA 51.
903
|
heeft gezworen bij ziine ziel: Ofschoon ik u met menschen als met kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkander een vreugdegeschrei over u toeroepen. 15 Die de aarde geraas.kt heeft door zijne kracht, die de wereld bereid heeft door zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid door zijn verstand. 16 Als hij zijne stemme geeft, zoo is er een gedruisch van wateren in den heinel, en hij doet de dampen opklimmen van liet einde der aarde; hij maakt de bliksemen met den regeu, en doet den wind voortkomen uit zijne schatkameren. 17 Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en daar is geen geest in hen: 18 ij delheid zijn ze, een werk van verleidingen, ten tijde hunner bezoeking zullen ze vergaan. 19 Jakobs deel is niet gelijk die, want hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede zijner erfenis: Heere der heir-echaren is zijn naam. 20 Gij zijt mij een voorhamer en krijgswapenen, en door u zal ik volken in stukken slaan, en door u zal ik koninkrijken verderven ; 21 en door u zal ik in stukken slaan het paard en zijnen ruiter, en door u zal ik in stukken slaan den wagen en zijnen ruiter; 22 en door u zal ik in stukken slaan den man en de vrouw, en door u zal ik in stukken slaan den oude en den jonge, en door u zal ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw; 23 en door u zal ik in stukken slaan den herder en zjjne kudde, en door u zal ik in stukken slaan den akkerman en zijn juk ossen, en door u zal ik in stukken slaan landvoogden en overheden. |
24 Maar ik zal Babel en alle inwoneren van Chaldéa vergelden al hunne boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder oogen, spreekt de Heere. 25 Zie, ik uil aan u, gij verdervende berg, (spreekt de Heere), gij die de gansche aarde verderft; en ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot eenen berg des brands; 26 en zij zullen uit u geenen steen nemen tot een hoek, ook geenen steen tot fundamenten; want gij zult tot eeuwige woestheden zijn, spreekt de Heere. 27 Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijéén de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt eenen krijgsoverste tegen haar; brengt paarden opwaarts, als ruige kevers; 28 heiligt tegen haar de heidenen, de Koningen van Medië, hare landvoogden en alle hare overheden, ia, het gansche land harer heerschappij. 20 Dan zal het land beven en pijn lijden; want elk eene van des Heeren gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot eene verwoesting, dat er geen inwoner zij. 30 Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hunne macht is bezweken, zij zijn tot vrouwen geworden; zij hebben hunne woningen aangestoken, hunne grendels zijn verbroken. 31 De looper zal den looper tegemoet loopen en de kondschapper den kondschapper tegemoet, om den Koning van Babel bekend te maken dat zijne stad van het uiteinde is ingenomen, 32 en dat de veren ingenomen en de rietpoelen met vuur verbrand zijn, en dat de krijgslieden verbaasd zijn. 33 Want zóó zegt de Heerb der heirscharen, de God Israels: De dochter van Babel is als een |
|
904 jere: dorschvloer, het is tijd dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen. 34 Nebukadrezar, de Koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heelt mij verslonden als een draak, hij heeft zijnen buik gevuld van mijne lekkernijen; hij heeft mij verdreven. 35 Het geweld dat mij en mijn vleesch is aangedaan, zij op Babel, zegge de inwoneres van Si on; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldéa, zegge Jeruzalem. 3G Daarom zóó zegt de Heere ; Zie, ik zal uwen twist twisten en we wrake wreken, en ik zal hare zee droog maken en hare springader opdrogen; 37 en Babel zal worden tot «fewihoopen, eene woning der draken, eene ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij. 38 Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen, brieschen als leen wen wel pen. 39 Als zij verhit zijn, zal ik hunnen drank opzetten en zal ze dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen eenen eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, spreekt de Heere. 40 Ik zal ze afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken. 41 Hoe is Sesach zoo veroverd, en de roem der gansche aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot eene ontzetting onder de heidenen! 42 Eene zee is over Babel gerezen, door de veelheid barer golven is zij bedekt; 43 hare steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis, een land waarin niemand woont en waar geen men-schenkind doorgaat. 44 En ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en ik zal uit zijnen muil uithalen wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toe- |
[IA 51. vloeien, want ook Babels muur is gevallen. 45 Gaat uit, mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijne ziele vanwege de hittigheid van den toom des Heeren, 46 en opdat ulieder harte mis; schien niet week worde en gij vreest van het gerucht dat gehoord zal worden in het land; want daar zal een gerucht komen in het ééne jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en daar zal geweld zijn in het land, heer over heer.f 47 Daarom zie, de dagen komen, dat ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel, en haar gansche land zal beschaamd worden, en alle hare verslagenen zullen in het midden van haar liggen; 48 en de hemel en de aarde mitsgaders al wat daarin is zullen juichen over Babel, want van het Noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de Heere. 49 Gelijk Babel geweest is tot eenen val der verslagenen Is-raëls, alzóó zullen te Babel d© verslagenen des ganschen lands vallen. 50 Gij ontkomenen van het zwaard, gaat weg en blijft niet staan; gedenkt aan den Heere van verre, en laat Jeruzalem in ulieder harte opkomen. 51 Gis moogt zeflgen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt, omdat uitland-schen over de heiligdommen van des Heeren Huisgekomen zijn:â 52 daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik bezoeking doen zal over hare gesneden beelden, en de doodelijk verwonde zal kermen in haar gansche land. 53 Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast do hoogte harer sterkte, zoo zullen haar tóch verstoorders van mij overkomen, spreekt de Heere. 54 Daar is eene stem des ge- |
JEKEMIA 52.
9a5
|
krijts mt^ Babel, en eene groote breuke uit het land der Chal- deën; 55 want de Heere verstoort ]3:ibel, en zal de grootsche stem irit haar doen vergaan: want hunlieder golven zullea bruisen als groote wateren, het geruisch van hunlieder geluid zal zich verheften. 5G Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en hare helden zullen gevangen worden, hunne bogen zijn verbroken; want de Heere, de God der vergelding, zal haar zekerlijk betalen. 57 En ik zal hare Vorsten en hare wijzen, hare landvoogden en hare overheden en hare helden dronken maken, en zij zullen eenen eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, spreekt de Koning, wiens naam is de Heere der heirscharen. 58 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Die breede muur van Babel zal ten eenenmale ontbloot worden, en hare hooge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zoodat de volken tevergeefs en de natiën ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat werden. 59 Het woord dat de Profeet Jeremia beval aan Sera ja, den zoon van Neria, den zoon van Mahseja, ^ als hij van Zedelda, den Koning van Juda, naar Babel toog, in het vierdejaar zijner regeering; en Seraja was een vreedzaam Vorst. GO Jeremia nu schreef al het kwaad dat over Biibel komen zoude, in een boek, te iceien alle deze woorden die tegen Babel geschreven zijn; 61 en Jeremia zeide tot Seraja: Als gij te Babel komt, zoo zult gij zien en lezen allo deze woorden, (gt;2 en zult zeggen; O Heere, gij hebt over deze plaats gesproken, dat gij ze zult uitroeien zoodat er geen inwoner in zij, van den mensch tot op het beest, maar dat ze worden zal tot eeuwige woestheden. |
63 En het zal geschieden als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij eenen steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath, 64 en zult zeggen: Alzóó zal Babel zinken en niet weder opkomen, vanwege het kwaad dat ik over haar zal brengen, en zij 1 zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden ' van Jeremia. HOOFDSTUK 52. Zedelda was éénentwintig jaar oud als hij Koning werd, en hij j regeerde elf jaar te Jeruzalem en zijner moeder naam was Ha mutal^ eene dochter van Jeremia van Libna. i 2 En hij deed dat kwaad was i in de oogen des Heeren, naar alles wat Jojakim gedaan had. 3 Want het geschiedde om den ' toorn des Heeren tegen Jeruzalem en Juda, totdat hij hen van zijn aangezicht weggeworpen had; j en Zedelda rebelleerde tegen den ' Koning van Babel.^ 4 En het geschiedde in het negende jaar zijner regeering in de tiende maand op den tiende der maand dat Nebukadrezar, do Koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gansche heir, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. 5 Alzoo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den Koning Zedelda. 6 In de vierde maand op den ; negende der maand, als de hon-! ger in de stad sterk werd en het volk des lands geen brood had. 7 toen werd de stad doorgebroken, en allo de krijgslieden vloden en trokken des nachts uit de stad, : door den weg der poort tusschen ! de twee muren die aan des Ko-i nings hof waren, (de Chaldeën nu waren tegen de stad rondom,) en zij togen door den weg des vlakken velds. 8 Doch het heir der Chaldeën 1 jaagde den Koning na; en zij : achterhaalden Zedelda in de 1 vlakke velden van Jericho, en al 29* |
|
906 JERE zijn heir werd van bij hem ver-etrooid. 9 Zij dan grepen den Koning, en voerden hem opwaarts tot den Koning van Babel naar Ribla in het land van Hamath; die eprak oordeelcn tegen hem: 10 en do Koning van Babel slachtte de zonen van Zedelda voor zijne oogen, en hij slachtte ook alle de Vorsten van Judate Eibla; 11 en hij verblindde de oogen van Zedelda, en hij bond hem met twee koperen ketenen ; alzoo bracht hem de Koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis tot den dag zijns doods toe. 12 Daarna in de vijfde maand op den tiende der maand, (dit jaar was het negen tiende jaar van den Koning Nebukadrezar, den Koning van Babel,) alsNcbnzar-adan, de overste der trawanten, die voor het aangezicht des Ko-nings van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was, 13 zoo verbrandde hij het Huis des Heeren en het huis desKo-nings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem, en alle huizen der grooten verbrandde hij met vuur, 14 en het gansche heir der Chaldeën dat met den overste der trawanten was brak alle muren van Jeruzalem rondom af. 15 Van de armsten nu des volks, en het overige des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen die tot den Koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan, de overste der tra-Tvanten, gevankelijk weg. 16 Maar van de armsten des lands liet Nebuzaradan, de overste der trawanten, eeniyen over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. 17 Voorts braken de Chaldeën de koperen pilaren die in het Huis des Heeren waren, en de stellingen, en de koperen zee die in het Huis des Heeren was, en zij voerden al het koper daarvan aaar Babel. 18 Ook namen zij depottenen |
IIA 52. de schoffelen en de gaffelen en de sprengbekkens en de rook-schalen, en alle de koperen vaten waar men de dienst mede deed; 19 en de overste der trawanten nam weg de schalen en de wierookvaten en de sprengbekkens en de potten en de kandelaars en de rookschalen en de kroezen, wat geheel goud en wat geheel zilver quot;was. 20 De twee pilaren, de ééne zee, en de twaalf koperen runderen die in de plaats der stellingen waren, die de Koning Salomo voor het Huis des Heeren gemaakt had; het koper daarvan, te weten van alle deze vaten, was zonder gewicht. 21 Aangaande de pilaren, achttien ellen was de hoogte van éénen pilaar, en eene draad van twaalf ellen omving hem, en zijne dikte was vier vingeren, en hij was hol: 22 en het kapiteel daarop was koper, en de hoogte des óénen kapiteels was vijf ellen, en een net, en granaatappelen op het kapiteel rondom, alles koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met granaatappelen. 23 En de granaatappelen waren zesennegentig, gezet naar den wind; alle granaatappelen waren honderd, over het net rondom. 24 Ook nam de overste der trawanten Serajaden Hoogepriester, en Zefanja den tweeden Priester, en de drie dorpel bewaarders; 25 en uit de stad nam hij óénen hoveling die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen die des Konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden,mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands die in het midden der stad gevonden werden. 26 Als Xebuzaradan, de overste der trawanten, deze genomen had, zoo bracht hij ze tot den Koning van Babel naar Ribla, 27 en de Koning van Babel sloeg ze en doodde ze te Ribla |
KLAAGLIEDEEEN 1.
907
|
in het land van Haniath. Alzoo werd Ju da uit zijn land gevankelijk weggevoerd. 28 Dit is het volk dat Nebu-kadrezar gevankelijk heeft weggevoerd; in het zevende jaar, drieduizend drieëntwintig Joden; 29 in het achttiende jaar van Nebukadrezar voerde hij gevan-keltjk iceg achthonderd tweeëndertig zielen uit Jeruzalem; 30 in het drieëntwintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebu-zaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg van de Joden zevenhonderd vijfenveertig zielen: alle zielen zijn vierduizend en zeshonderd. |
31 Het geschiedde daarna in het zevenendertigste iaar der ge-vankelijke wegvoering van Joja-chin, den Koning van Juda, in de twaalfde maand op den vijfentwintigste der maand, dat Evü-merodach, de Koning vanBabeU in het em-te jaar zijns koninkrijks het hoofd van Jojachin, den Koning van Juda, verhief en hem uit het gevangenhuis uitbracht; 32 en hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijnen stoel boven den stoel der Koningen die bij hem te Babel waren; 33 en hij veranderde de kleederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, alle de dagen zijns levens. 34 Eu aangaande zijne vertering, eeue gedurige tering werd hem van den Koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemd deel op zijnen dag, tot op den dag zijns doods, alle de dagen zijn» levens. |
DE
K L A A G L I E D E E E N
VAN J E E E M I A.
li
|
HOOFDSTUK 1. Alef. Hoe zit de stad zoo eenzaam, die vol volks was; zij is als cene weduwe geworden, zij die groot was onder de heidenen, eene Vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden. 2 Jldh. Zij weent steeds des nachts, en hare tranen loopen over hare kinnebakken; zij heeft geen trooster onder alle hare liefhebbers, alle hare vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. 3 Gimel. Juda is in de gevangenis gegaan vanwege de ellende en van wege de veelheid der dienstbaarheid, zij woont onder de heidenen; zij vindt geen rust, alle hare vervolgers achterhalen ze tusschen de engten. |
4 Daleth. De wegen Sions treuren omdat niemand op het feest komt, alle hare poorten zijn woest,, hare Priesters zuchten, hare jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid. 5 llé. Hare tegenpartijders zijn ten hoofd geworden hare vijanden zijn gerust, omdat de Heere haar bedroefd heeft vanwege de^ veelheid harer overtredingen; hare kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartij ders. 6 Van. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; hare Vorsten zijn als de herten die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers. 7 Zain. Jeruzalem is tn de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap indachtig - |
|
908 K L A A G 3j I. aan alle hare gewenschte dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartijders valt, en zij gcenen helper heeft: de tegen-partijders zien haar aan, zij spotten met hare rustdagen. 8 Cln iJ'. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als eene afgezonderde vrome geworden; allen die haar eertien achten haar onwaard, dewijl zij hare naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts ge-keerd. 9 Teth. Hare onreinheid is in hare zoomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste: daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald, zij heeft geenen trooster. â¢Heere, zie mijne ellende aan, want de vijand maakt zich groot. 10 Joel. l)e tegenpartij der heeft zijne hand aan .alle hare ge-wenschte dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan gij geboden liadt dat ze in uwe gemeente niet komen zouden. 11 Kof. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hunne gewenschte dingen voor spijze gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, Heere, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben. 12 Lamed. Gaat het ulieden niet aan, gij allen die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, ⢠of er eene smart zij gelijk mijne smart die mij aangedaan is, waarmede de Heere mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid zijns tooms. 13 Mem. Van de hoogte heeft â hij een vuur in mijne beenderen gezonden, waarover hij geheerscht â¢lieeft; l.ij heeft voor mijne voeten een net uitgebreid, hij heeft mij â¢achterwaarts doen keeren, hij heeft mij woest en ziek gemaakt den ganschen dag. 14 Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door zijne hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijnen hals geklommen ; hij heeft mijne kracht doen vervallen; de Heere heeft |
DEREN 1. mij in hunne handen gegeven, ik kan niet opstaan. 15 Samech. De Heere heeft alle mijne sterken in het midden van mij vertreden; hij heeft eeno bijéénkomst over mij uitgeroepen om mijne jongelingen te verbreken; de Heere heelt de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, getreden. 16 Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet van water, omdat de trooster die mijne ziele zoude verkwikken verre van mij is; mijne kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft. 17 Fe. Sion breidt hare handen uit, daar is geen trooster voor haar; de Heere heeft aan Jakob geboden, dat die rondom hem zijn zijne tegenpartij ders zouden zijn; Jeruzalem is als eene afgezonderde vrouw onder hen. 18 Tuide. De Heere is rechtvaardig, want ik ben zijnen mond wederspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijne smart; mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn in de gevangenis gegaan. 19 Kof. Ik riep tot mijne liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijne Priesters en mijne oudsten hebben in do stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hunne ziel mochten verkwikken. 20 liesch. Aanzie, Heere, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van bui ten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood. 21. Schin. Zij hooren dat ik zuchte, maar ik heb geenen trooster; alle mijne vijanden hooren mijn kwaad, en zij zijn vroolijk dat gij het gedaan hebt; als gij den dag zult voortgebracht hebben dien gij uitgeroepen hebt, zoo zullen zij zijn gelijk ik ben. 22 Thau. Laat al hun kwaad voor uw aangezicht komen, en |
|
KLAAGLI doe hun gelijk als gij mij gedaan hebt vanwege allo mijne overtredingen, want mijne zuchten zijn vele en mijn hart is mat. HOOFDSTUK 2. AJpf. Hoe heeft de Heïïre de dochter Sions in zijnen toorn bewolkt! Hij heeft de heerlijkheid Israels van den hemel op de aarde nedergeworpen, en hij heelt aan do voetbank zijner voeten niet gedacht in den dag zijns toorns. 2 JJelh. De He ore heeft alle de woningen Jakobs verslonden en heeft ze niet verschoond, hij heeft de vastigheden der dochter van Jnda afgebroken in zijne verbolgenheid, hij heeft gemaakt dat ze de aarde raken; hij heeft het koninkrijk en deszelfs Vorsten ontheiligd. 3 Gimel. Hij heeft in ontsteking des toorns den geheel en hoorn Israels afgehouwen, hij heeft zijne rechterhand achterwaarts getrokken toen de vijand kwam, en hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur dat rondom verteert. 4 Ikilelh. Hij heeft zijnen boog gespannen als een vijand, hij heeft zich met zijne rechterhand gesteld als eene tegenpartijder, dat hij doodde alle de begeerlijke dingen der oogen ; hij heeft zijne grimmigheid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur. 5 Hé. De Heere is geworden als een vijand; hij heeft Israël verslonden, hij heeft alle hare paleizen verslonden, hij heeft hare vastigheden verdorven: en hij heeft bij de dochter van Ju da het klagen en kermen vermenigvuldigd. G Van. En hij heeft zijne hut met geweld afgerukt als een hof, hij heeft zijne vergaderplaats verdorven, de Heere heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat ; en hij heeft in de gramschap zijns toorns den Koning en den Priester smadelijk verworpen. |
ADEREN 2. 009- 7 Zaiu. De Heere heeft zijn altaar verstooten, hij heeft zijn heiligdom te niet gedaan, hij heeft de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in het Huis des Kek-ren eene stemme verheven ais op den dag eens gezetten hoogtij ds. 8 Glicih. De Heere heeft gedacht te verderven den muur der dochter Sions, hij heeft het richtsnoer daarover getrokken, hij heeft zijne hand niet afgewend dat hij ze niet verslond; en hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt. 9 Teth. Hare poorten zijn in de aarde verzonken, hij heeft hare grendelen verdorven en gebroken; haar Koning en hare â Voreten zijn onder de heidenen, daar is geene wet; hare Profeten vinden ook geen gezicht van den Heere. 10 Jod. De oudsten der dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken-aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd' ter aarde hangen. 11 Kaf. Mijne oogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd, mijne lever is ter aarde uitgeschud vanwege de breuke der dochter mijns volks, omdat het kindeken en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken; 12 Lamed. AU zij tot hunne moeders zeggen: Waar is koren en wijn? als zij op de straten der stad in onmacht zinken als-de verslagenen; als zich hunne ziel uitschudt in den schoot hunner moeders. 13 Mem. Wat getuigen zal ik u brengen? Wat zal ik bij u vergelijken, Sü., dochter Jeruza-lems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Sions? Want uwe breuke is zoo groot als de zee, wie kan u heelen? 14 Nun. Uwe Profeten hebben uwe ijdelheid en ongerijmdheid |
|
310 KLAAGLI gezien, en zij hebben u uwe ongerechtigheid niet geopenbaard, om uwe gevangenis at te wenden, maar zij hebben voor u gezien ij dele laaten en uitstootingen. 15 Samech. Allen die over weg gaan klappen^ met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeru-zalems, zeggende: Is dit die stad waarvan men zeide dat zij volkomen van schoonheid was, eene vreugde der gansche aarde? 1G LJé. Alle uwe vijanden sperren hunnen mond op over u, zij liuiten en knersen met de tanden, zij zeggen Wij hebben ze verslonden; dit is immers de dag dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. 17 Aiu. De Heere heeft gedaan â wat hij gedacht had, hij heeft .zijn woord* vervuld dat hij bevolen had van oude dagen, hij heeft afgebroken en niet gespaard; en hij heeft den vijand over u verblijd, hij heeft den hoorn uwer tegenpartij ders verhoogd. 18 Tscule. Hun hart schreeuwde iot den lleere: O gij muur dei-dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als eene beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op. 19 Kcif. Maak u op, maak ge-echrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Hee-eex als water; hef uwe handen tot hem op .voor de ziel uwer kinderkens die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten. 20 Resell. Zie, Heere, aanschouw toch, aan wien gij alzóó gedaan hebt: zullen dan de vrouwen liare vrucht eten, de kinderkens die men op de handen draagt? Zullen dan de Profeet en de Priester in het heiligdom des Heeren gedood worden? _ 21 ScMn. De jonge en de oude liggen qp de aarde op de straten, mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn door het zwaard â gevallen; gij hebt ze in den dag |
SDEEEN 3. uws toorns gedood, gij hebt zo geslacht en niet verschoond. 22 Thau. Gij hebt mijne verschrikkingen van rondom geroepen, als tot eenen dag eens ge-zetten hoogtij ds, en daar is niemand aan den dag des toorns des Heeren ontkomen of overgebleven ; die ik op de handen gedragen en opgevoed heb, dio heeft mijn vijand omgebracht. HOOFDSTUK 3. Alef. Ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede zijner verbolgenheid. 2 A lef. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis en niet in het licht. 3 Alef. Hij heeft zich immers tegen mij gewend, hij heeft zijne hand den ganschen dag veranderd. 4 Beth. Hij heeft mijn vleesch en mijne huid oud gemaakt, hij heeft mijne beenderen gebroken. 5 Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en hij heeft mij met galle en moeite omringd. 6 Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen die over lange dood zijn. 7 Gimel. Hij heeft mij ommuurd dat ik er niet kan uitgaan, hij heeft mijne koperen boeien verzwaard. 8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit hij de oor en voor mijn gebed. 9 Gimel. Hij heeft mijne wegen toegemuurd met uitgehouwen steenen, hij heeft mijne paden verkeerd. 10 Daletli. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. 11 JUaleth. Hij heeft mijne wegen afgewend en hij heelt mij in stukken gebroken, hij heeft mij woest gemaakt. 12 iJaletli. Hij heeft zijnen boog gespannen, en hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. 13 llé. Hij heeft zijne pijlen in mijne nieren doen ingaan. 14 Bé. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den ganschen dag. |
KLAAGLIEDEREN 3.
911
|
15 Hé. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, hij lieeftmij met alsem dronken gemaakt. 16 Vau. Hij heeft mijne tanden met zandsteentjes verbrijzeld, hij heeft mij in de asch nedergedrukt. 17 Vau. En gij hebt mijne ziele verre van den vrede ver-stooten, ik heb het goede vergeten. 18 Vau. Toen zeide ik: Mijne sterkte is vergaan, en mijne hope van den Heere. . 19 Zain. Gedenk aan mijne ellende en aan mijne balling-echap, aan den alsem en galle. 20 Zain. Mijne ziele gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij. 21 Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen. 22 Cheth. Het zijn de goedertierenheden des Heerex dat wij niet vernield zijn, dat zijne barmhartigheden geen einde hebben; 23 Cheth. Zij zij n_ all en morgen nieuw, uwe trouw is groot. 24 Cheth. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op hem hopen. 25 Teth. De Heere is goed dengenen die hem verwachten, der ziele die hem zoekt. 26 Teth. Het is goed dat men hope en stille zij op het heil des Heeren. 27 Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijne jeugd draagt. 20 Joel. Hij zitte eenzaam en zwijge stil, omdat hij het hem opgelegd heeft. 29 Jod. Hij steke zijnen mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting. 30 Jod. Hij geve zijne wang dien die hem slaat, hij worde zat van smaad. 31 Kaf. Want de Heere zal niet verstoeten in eeuwigheid; 32 Kaf. maar als hij bedroefd heeft, zoo zal hij zich ontfermen naar de grootheid zijner goedertierenheden ; 33 Kaf. want hij plaagt en bedroeft des menschen kinderen niet van harte. |
34 Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder zijnd voeten verbrijzelt, 35 Lamed, dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des allerhoogsten, 36 Lamed, dat men eenen mensch verongelijkt in zijne twistzaak â zoude de Heere het niet zien? 37 Mem. Wie zegt iets hetwelk geschiedt, zoo de Heere het niet beveelt? 38 Mem. Gaat niet nit den mond des Allerhoogsten hot kwade en het goede? 39 Mem. Wat klaagt dan een levend mensch? Een ieder Iclage vanwege zijne zouden. 40 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en In at ons wederkeeren tot den Heere. 41 Nun. Laat ons onze harten opheften, mitsgaders de handen, tot God in den hemel,zeggende : 42 Nun. Wij hebben overtreden en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt gij niet gespaard. 43 Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt en gij hebt ons vervolgd; gij hebt on* gedood, gij hebt niet verschoond. 44 Samech. Gij hebtu met eene wolk bedekt, zoodat er geen gebed dóórkwam. 45 Samech. Gij hebt ons foi een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld in het midden der volkeren. 46 Pé. Alle onze vijanden hebben hunnen mond tegen ons opgesperd. 47 Pé. De vreeze en de kuil zijn over ons gekomen; de verwoesting en de verbreking. 48 Pé. Met waterbeken stroomt mijn oog, vanwege debreukeder dochter mijns volks. 49 Ain. Mijn oog vliet en kan niet ophouden, omdat er geen rust is; 50 Ain. totdat de Heere van den hemel het aanschouwe en het zie. 51 Ain. Mijn oog doet mijn ziel moeite aan, vanwege alle de doek-teren mijner stad. 52 Tóade. Die mijne vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mjj |
|
912 KLAAGL1 als een vogelken dapperlijk gejaagd. 53 Tsaile. Zij hebben mijn leven in eenen kuil uitgeroeid, en zij hebben eenen steen op mij geworpen. 54 Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden. 55 Kof. Heere, ik heb uwen naam aangeroepen uit den ondersten kuil. 56 Kof. Gij hebt mijne stemme gehoord; verberg uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. 57 Kof. Gij zijt genaderd ten dage als ik u aanriep, gij hebt gezegd: Vrees niet. 58 Besch. Heere, gij hebt de twistzaken mijner ziele getwist, gij hebt mijn leven verlost. '59 Besch. Heere, gij hebt gezien de verkeerdheid die men mij aangedaan heeft: oordeel mijne rechtzaak. GO Besch. Gij hebt al hunne wrake gezien, alle hunne gedachten tegen mij. 01 Schiu. Heere, gij hebt hun smaden gehoord cu alle hunne gedachten tegen mij; G2 Schin. do lippen dergenen die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den ganschen dag. 63 Sc7nn. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel. 04 Th au. Heere, geef hun weder die vergelding naar het werk hunner handen. 05 Thau. Geef hun een deksel dos harten, uw vloek zij over hen. 60 Thau. Vervolg ze met toorn en verdelg ze van onder den hemel des Heeren. HOOFDSTUK 4. AU'f. Hoe is het goud sroo verdonkerd, het goede fijne goud zoo veranderd I Hoe zijn destee-nen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen! 2 Beth. De kostelijke kinderen Sions, tegen lijn goud geschat, hoe zijn ze nu gelijk gerekend aan de aarden ilesschen, het werk van do handen eens pottenbakkers ! |
2DEREN 4. 3 Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hare welpen; maar de dochter mijns volks is als eeno wreede geworden, gelijk de struisen in de woestijn. 4 Daleth. De tong van het zoog-kind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderkens eischen brood, er is niemand die het hun mededeelt. 5 Hé. Die lekkernijen atenr versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgevoed zijn, omhelzen den drek. 6 Vau. En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is grooter dan de zonde van Sodom, dat alp in een oogenblik omgekeerd word en geen handen hadden er arbeid aan. 7 Zain. Hare edelsten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk, zij waren rooder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier; 8 Cheth. maar nu is hunne gedaante verduisterd van zwartheid, men kent ze niet op de straten: hunne huid kleeft aan hunne beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout. 9 Teth. De verslagenen van hefc zwaard, die zijn gelukkiger dan de verslagenen van den honger; want die vlieten daarhenen als doorstoken zijnde, omdat ergeen vruchten der velden zijn. 10 Joel. De handen der barmhartige vrouwen hebben har© kinderen gekookt, zij zijn haar tot spijze geworden bij do verbreking der dochter mijns volks. 11 Kaf. De Heere heeft zijne grimmigheid volbracht, hij heeft; de hittigheid zijns toorns uitgestort, en hij heeft te Sion een vuur aangestoken hetwelk hare fundamenten verteerd heeft. 12 Lamed. De Koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch alle de inwoners der wereld, dat de tegenpartij der en vijand tot de poorten van Jeruzalem zoude ingaan. 13 JSlem. Het is vanwege de zonden harer Profeten en demisdaden harer Priesteren, die in |
|
KLAAGLI het midden vnn haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben. 14 Nun. Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zoodat men niet Ivonde zijn of men raak ie hunne kl cederen aan. 15 SimecJi. Zij riepen tot hen; Wijkt, hier is een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan. Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, wegge-zworven; Z'j zeiden onder de heidenen: Zij znlkn er niet langer wonen. 1g Fó. Des Heeren aangezicht heeft ze verdeeld, hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht der Pries-teren niet geëerd, zij hebben den ouden geen genade bewe-zen. 17 Ain. Nog bezweken ons onze obgen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten me tons gapen naar een volk dat niet konde verlossen. 18 Tsade. Zij hebben onze gangen nagespoord, dat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen. 19 Kof. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels, zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd. 20 Resch. De adem onzer neuzen, de gezalfde des Heeren, is gevangen in hunne groeven; van wien wij zeiden; Wij zullen onder zijne schaduw leven onder de heidenen. 21 Schin. Wees vroolijk en verblijd u, gij dochter Edoms die in het land Uz woont, doch de beker zal ook tot u komen, gij zult dronken worden en ontbloot worden. 22 Thau. Uwe ongerechtigheid heeft een einde, o gij dochter 8ions; hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren; maar uwe ongerechtigheid, o gij dochter Edoms, zal hij bezoeken, hij zal uwe zonden ontdekken. |
SDEEEN 5. 513 HOOFDSTUK 5. Gedenk, Heere, wat ons geschied is, aanschouw het en zie onzen smaad aan. 2 Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de_ ui tl anders. 3 Wij zijn wcezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen. 4 Ons water moeten wij voor geld drinken, ons hout komt ons op prijs te staan. 5 Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij moede, men laat ons geen rust. 6 Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assy-riër, om met brood verzadigd to worden. 7 Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet meer, en wij-dragen hunne ongerechtigheden. 8 Knechten heerschen over ons, daar is niemand die ons uit hunne-hand rukke. 9 Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn. 10 Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers. 11 Zij hebben de vrouwen in Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda. 12 De Vorsten zijn door hun-lieder hand opgehangen, de aangezichten der ouden zijn niet geëerd geweest. 13 Zij hebben de jongelingen weggenomen om te malen, endejongens struikelen onder het houtig De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel. 15 Onzes harten vreugd houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd. 1G De kroon onzes hoofds ia afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zoo gezondigd hebben! 17 Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze oogen duister geworden: 18 om des bergs Sions wille die verwoest is, waar de vossen op-loopen.' |
EZECHIÃL 1.
914
|
19 Gij, O Heere, zit iu eeuwigheid, mv troon is van geslachte tot geslachte. 20 Waarom zoudt gij ons steeds vergeten, waarom zoudt gij ons zoo langen tijd verlaten? |
21 Heere, bekeer ons tot n, zoo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds. 22 Want zoudt gij onsgansche-lijk verwerpen ? Zoudt gij zoozeer tegen ons verbolgen zijn? |
DE PROFEET EZECHIEL.
|
HOOFDSTUK 1. In het derti gste jaar in de vierde maand, op den vijfde dier maand, als ik in het midden der weggevoerden was bij de rivier Kebar, zoo geschiedde het dat de hemelen werden geopend en ik gezichten Gods zag. 2 Op den vijfde dier maand, (dat was het vijfde jaar van de wegvoering van den Koning Jojachin,) 3 geschiedde het Woord des Heeren uitdrukkelijk tot^ Eze-chiël, den zoon van Buzi, den Priester, in het land der Chal-deën, bij de rivier Kebar; en de hand des Heeren was daar op hem. 4 Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het Noorden af, eene groote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die nolle; en uit het midden daarvan was als de kleur van Hasmal, uit het midden des vuurs. 5 En uit het midden daarvan hiram de gelijkenis van vier dieren; en dit was hunne gedaante; zij hadden de gelijkenis vaneen mensch. 6 en elk een had vier aangezichten, insgelijks had elk een van hen vier vleugelen; 7 en hunne voeten waren rechte voeten, en hunne voetplanten waren gelijk de voetplanten eens kalfs en glinsterden gelijk de verve van glad koper; 8 en menschenhanden waren onder hunne vleugelen, aan hun-ae vier zijden; en die vier hadden hunne aangezichten en hunne vleugelen. |
9 Hunne vleugelen waren samengevoegd, de ééne aap den anderen ; zij keerden zich niet om als zij gingen, zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht henen. 10 De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens menschen, en het aangezicht eens leeuws hadden die vier aan de rechterzijde, en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht, ook hadden die vier een arends aangezicht. 11 Ook waren hunne aangezichten en hunne vleugelen opwaarts verdeeld; elk een had er twee samengevoegd aan dc andere, en twee bedekten hunne lichamen. 12 En zij gingen el k een rechtuit voor zijn aangezicht henen; waarhenen de Geest was om te gaan, gingen zij ; zij keerden zich niet om als zij gingen. 13 Aangaande de gelijkenis der dieren, hunne gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen; dat vuur ging steeds tusschen die dieren, en het vuur had eenen glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. 14 De dieren nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht. 15 Als ik die dieren zag, zie, zoo was daar een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelve. 16 De gedaante der raderenen derzelver maaksel was als de verve van een turkoois, en de vier hadden éénerlei gelijkenis; |
IP
EZECHIÃL 2.
915
|
daartoe was hunne gedaante en hun maaksel, alsof het ware een rad in 't midden van een rad. 17 Als zij gingen, zij gingen op hunne vier zijden; zij keerden zich niet om als zij gingen. 18 En hunne velgen, die waren zoo hoog dat ze vreeselijk waren; en hunne velgen waren vol oogen rondom aan die vier raderen. 19 Als nu de dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de raderen opgeheven; 20 waarhenen de Geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de Geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover hen opgeheven; _ want de geest der dieren was in de raderen; 21 als die gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden aij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven, want de geest der dieren was in de raderen. 22 En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verve van het vreeselijk kristal, van boven af over hunne hooiden uitgespreid. 23 En onder dat uitspansel waren hunne vleugelen rechtop, de ééne aan den andere: ieder had er twee die herwaarts hunne lichamen bedekten, en ieder had er twee die ze derwaarts bedekten. 24 En als zij gingen hoorde ik een geruisch hunner vleugelen, als het geruischvan vele wateren, als de stem des Almachtigen, als de stem eens geroeps, als het gedreun eens heirlegers: als zij stonden, zoo lieten zij hunne vleugelen neder. 25 En daar geschiedde eene stem van boven het uitspansel hetwelk boven hunne hoofden was, als zij stonden en hunne vleugelen nedergelaten hadden. 26 En boven het uitspansel hetwelk was boven hunne hoofden, was de gelijkenis eens troons als de gedaante eens saffiersteeus; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als de gedaante eens menschen, daar bovenop zijnde; |
27 en ik zag als de verve van Hasmal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante zijner lendenen en opwaarts ; en van de gedaante zijner lendenen en nederwaarts zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan hem rondom: 28 gelijk de gedaante van den boog die in de wolken is ten dage des plasregens, alzóó was de gedaante van den glans rondom ; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des Heeren. En als ik 't zag viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde eene stem van een die sprak. HOOFDSTUK 2. En hij zeide tot mij: Menschen-kind, sta op uwe voeten en ik zal met u spreken. 2 Zoo kwam in mij, als hij tot mij sprak, de Geest die mij stelde op mijne voeten; en ik hoorde d en die tot mij sprak, 3 en hij zeide tot mij: Men-schenkind, ik zend u tot de kinderen Israëls, tot de rebelleeren-de volken die tegen mij gerebelleerd hebben, zij en hunne vaderen hebben overtreden tegen mij tot op dezen huidigen dag. 4 En deze kinderen zijn hard van aangezicht en stijf van hart: ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere Heere. 5 En zij, hetzij dat zehethoo-ren zullen of hetzij dat ze het laten zullen, (want zij zijr een wedcrspannig huis,) zoo zullen zij weten dat een Profeet in het midden van hen geweest is. 6 En gij menschenkind, vrees niet voor hen en vrees niet voor hunne woorden, hoewel weerbar-etigen en doornen bij u zijn en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hunne woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis. 7 Mnar gij zult mijne woorden tot hen «preken, hetzij dat ze Wr |
|
91G EZEC hooren zullen of hetzij dat ze liet laten zullen; want zij zijn wederspannig. 8 Doch gij menschenkind, lioor hetgeen dat ik tot u spreek; wees gij niet wederspannig gelijk dat wederspannige huis, open uwen mond en eet wat ik u geve. ü Toen zag ik, en zie, daar was eene hand tot mij uitgestoken en zie, daarin was de rol eens boeks; 10 en hij _ spreidde die voor mijn aangezicht uit, en zij was beschreven vóór en achter, en daarin waren beschreven klaagliederen en verzuchting en wee. HOOFDSTUK 3. Daarna zeide hij tot mij: Mcn-Echenkind, eet wat gij vinden zult: eet deze rol en ga, spreek tot het huis Israels. 2 Toen opende ik mijnen mond en hij gaf mij die rol te eten, 3 en hij zeide tot mij: Menschenkind, geef uwen buik te eten, en yul_ uw ingewand met deze rol die ik u geef. Toen at ik, en het was in mijnen mond als honig, vanwege de zoetigheid. 4 En hij zeide tot mij: Menschenkind, ga henen, kom tot het huis Israëls, en spreek tot hen met mijne woorden. 5 Want gij zijt niet gezonden tot een volk, diep van spraak en zwaar van tong, maar tot het huis Israels; ü niet tot vele volkeren, diep van spraak en zwaar van tong, welker woorden gij niet kunt verstaan: zouden zij niet, zoo ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben ? 7 Maar het huis Israels wil naar u niet hooren, omdat zij naar mij niet willen hooren ; want het gansche huis Israëls is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn ze. 8 Zie, ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hunne aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd; (J uw voorhoofd heb ik gemaakt als een diamant, harder dan eene rots: vrees hen niet, en ont- |
[ÃÃL 3. zet u niet voor hunne aangezichten, omdat ze een wederspannig huis zijn. 10 Voorts zeide hij tot mij: Menschenkind, vat alle mijne woorden die ik tot u spreken zal in uw harte en hoor ze met uwe ooren; 11 en ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen en zeg tot hen; Zóó zegt de Heero Heere; hetzij dat ze hooren zullen of hetzij dat zij het laten zullen. 12 Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij eene stem van groote ruisching, zefi-(jende: Geloofd zij de heerlijkheid des Heeren uit zijne plaats. 13 En ik hoorde het geluid van der dieren vleugelen, die de ééne^ den andere raakten, en het geluid der raderen tegenover hen, en het geluid eener groote ruisching. 14 Toen hief de Geest mij op en nam mij weg, en ik ging henen, bitter bedroefd door de hitte mijns geestes; maar de hand des Heeren was sterk op mij. 15 En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-Abib, die aan de rivier Kebar woonden, en ik bleef waar zij woonden, ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen. 16 Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen dat het Woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 17 Menschenkind, ik heb u tot eenen wachter gesteld over het huis Israels; zoo zult gij het woord uit mijnen mond hooren en hen van mijnentwege waarschuwen. 18 Als ik tot den goddelooze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet om den goddelooze van zijn goddeloozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in liet leven behoudt, â die goddelooze zal in zijne ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen. 19 Doch als gij den goddelooza |
?
EZECHIÃL 4.
917
|
waarschuwt, en hij zich van zijne goddeloosheid en van zijnen god-deloozen weg niet bekeert, â hij zal in zijne ongerechtigheid eter-ven, maar gij hebt uwe ziel bevrijd. 20 Als ook een rechtvaardige zich van zijne gerechtigheid afkeert en onrecht doet, en ik eenen aanstoot voor zijn aangezicht leg, â hij zal sterven ;om-Jat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijne zonde sterven, en zijne gerechtigheden die hij gedaan heeft zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen. 21 Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt, â hij zal zekerlijk leven omdat hij gewaarschuwd is en gij hebt uwe ziel bevrijd. 22 En de hand des Heeren was daar op mij, en hij zeidetot mij: Maak _ u op, ga uit in de vallei, en ik zal daar met u spreken. '23 En ^ ik maakte mij 9P en ging uit in de vallei, en zie, de heerlijkheid des Heeren stond aldaar, gelijk de heerlijkheid die ik gezien iiad bij de rivier Kebar, en ik viel op mijn aangezicht. 24 Toen kwam de geest in mij en stelde mij op mijne voeten, en hij sprak met mij en hij zeide tot mij: Ga, sluit u op binnen in uw huis. 25 Want u aangaande, men-echenkind, zie, zij zouden dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmede binden: daarom zult gij niet uitgaan in het midden van hen. 20 En ik zal uwe tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestrafienden man; # want zij zijn een wederspan nig huis. 27 Maar als ik met u spreken zal, zal ik u ven mond opendoen, en gij zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere Heere: Wie hoort die hoore, en wie het laat die late het; want zij zijn een wederspan nig huis. |
HOOFDSTUK 4. En gij menschenkind, neem u eenen tichelsteen en leg dien voor uw aangezicht, en ontwerp daarop de stad Jeruzalem; 2 en maak eene belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar eenen wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom. 3 Voorts, neem u eene ijzeren pan, en stel ze tot eenen ijzeren muur tusschen u en tusschen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat ze in belegering kome, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israëls een teeken. 4 Lig gij ook neder op uwe linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israels: naar het getal der dagen dat gij daarop zult liggen, zult gij hunne ongerechtigheid dra gen. 5 Want ik heb u gegeven de jaren hunner ongerechtigheid, naar het getal der dagen, driehonderd en negentig dagen, dat gijf de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen zult. 0 Als gij nu deze voleindigen zult lig ten anderen male neder op uwe rechterzijde, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van J uda dragen veertig dagen: ik heb u gegeven eiken dag voor elk jaar. 7 Daarop zult gij uw aangezicht richten tegen de belegering Jeruzalems, en uw arm zal ontbloot zijn, en gij zult tegen haar profeteeren. 8 En zie, ik zal dikke touwen aan u leggen, dat gij u niet omkeert van uwe ééne zijde op uwe andere zijde, totdat gij de dagen uwer belegering voleindigd hebt. 9 En neem gij voor u tarwe en gerst en boonen en linzen en gierst en spelt, en doe die in één vat, en maak die u tot brood: naar het getal der dagen die gij op uwe zijde nederliggen zult, driehonderd en negentig dagen zult gij dat eten. 1U Uwe spijze nu die gij eten |
|
918 E Z E C zult, zal in gewicht zijn twintig sikkelen daags; van tijd tot tijd zult gii die eten. 11 Gij zult _ ook water naar zékere maat drinken, het zesde deel van een hin; van tijd tot tijd zult gij het drinken. 12 En gij zult een gerstekoek eten, en dien zult gij met drek van 's menschen afgang bakken voor hunne oogen. 13 En de Heere zeide: Alzoó zullen de kinderen Israëls hun brood onrein eten onder de heidenen waarhenen ik ze verdrijven zal. 14 Toen zeide ik: Ach, Heere Heere, zie, mijne ziele is niet verontreinigd geweest; want ik heb van mijne jeugd af tot nu toe geen dood aas noch dat verscheurd is gegeten, en geen ver-foeielijk vleesch is in mijnen mond gekomen. 15 En hij zeide tot mij: Zie, ik heb u rundermest gegeven voor menschendrek, zoo zult gij uw brood daarmede bereiden. 16 Daarna zeide hij tot mij : Gij menschenkind, zie, ik breek den staf des broods in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken: 17 opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de één met den andere verbaasd worden en in hunne ongerechtigheid uitteren. HOOFDSTUK 5. En gij menschenkind, neem u een scherp mes, een scheermes der barbieren zult gij u nemen, hetwelk gij zult laten gaan over uw hoofd en over uwen baard. Daarna zult gij eene weegschaal nemen, en die Ztare?idee-len : 2 een derde deel zult gij in het midden der stad met vuur verbranden, naar dat de dagen der belegering vervuld worden; dan zult gij een derde deel nemen, slaande met een zwaard rondom hetzelve; en een derde deel zult gij in den wind strooien; |
1IÃL 5. want ik zal het zwaard achter hen uittrekken. 3 Gij zult ook weinige in getale daarvan nemen en in uwe slippen binden. 4 En nog ^ zult gij van die nemen en die werpen in het midden des vuurs, en zult ze verbranden met vuur: daaruit zal voortkomen een vuur tegen het geheele huis van Israël. 5 Alzoó zegt de Heere Heere: Dit is Jeruzalem, welke ik in het midden der heidenen gezet heb, en landen rondom haar henen; 6 doch zij heeft mijne rechten veranderd in goddeloosheid meer dan de heidenen, en mijne inzettingen meer dan de landen die rondom haar zijn; want zij hebben mijne rechten verworpen, en in mijne inzettingen hebben zij niet gewandeld. 7 Daarom zegt de Heere Heere alzoó: Dewijl gijlieden dies meer gemaakt hebt dan de heidenen die rondom yt zijn, in mijne inzettingen niet gewandeld hebt en mijne rechten niet gedaan hebt, zelfs^ naar de rechten der heidenen die rondom u zijn niet gedaan hebt: 8 daarom zegt de Heere Heere alzóó: Zie, ik wil aan u, ja, ik; want ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de oogen van die heidenen; 9 en ik zal onder u doen hetgeen ik niet gedaan heb, en desgelijks ik voortaan niet doen zal, om aller uwer gruwelen wil. 10 Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hunne vaders eten; en ik zal gerichten onder u oefenen, en ik zal uw overblijfsel in alle winden verstrooien. 11 Daarom zoo waarachliQ als ik leve, spreekt de Heere Heere, (omdat _ gij mijn heiligdom verontreinigd hebt met alle uwe verfoeiselen en met alle uwe gruwelen): zoo ik ook niet daarom u verminderen en mijn oog u niet verschoonen zal, en ik ook niet zal sparen! |
EZECHIÃL
m
|
12 Een derde deel van u zal aan de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal ik in alle winden verstrooien, en ik zal het zwaard achter hen uittrekken: 13 alzoo zal mijn toorn volbracht worden, en ik zal mijne grimmigheid op hen doen rusten, en mij troosten; en zij zullen weten, dat ik, de Heere, in mijnen ijver gesproken heb, als ik mijne grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben. 14 Daartoe zal ik n ter woestheid en ter _ smaadheid zetten onder de heidenen die rondom u zijn, voor de oogen van al dengene die voorbijgaat. 15 Zoo zal de smaadheid en hoon een ouderwijs en ontzetting den heidenen zijn die rondom u zijn, wanneer ik over u gerichten in toorn en in grimmigheid en in grimmige straffen oefenen zal: ik de Heere heb het gesproken. 16 Wanneer ik de booze pijlen des hongers tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die ik uitzenden _ zal om u te verderven, zoo zal ik den honger over u vermeerderen en u den staf des broods breken. 17 Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen berooven zullen, zal ik over u zenden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan, en het zwaard zal ik over u brengen: ik de Heere heb het gesproken. , HOOFDSTUK 6. En het Woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls en profeteer tegen dezelve, 3 en zeg: Gij bergen Israëls, hoort het woord des Heeren Heeren ; zoo zegt de Heere Heere tot de bergen en tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen: Zie, ik, ik breng over u het zwaard, en ik zal uwe hoogten verderven; |
4 daartoe zullen uwe altaren verwoest en uwe zonnebeelden verbroken worden, en ik zal uwe verslagenen nedervellen voor het aangezicht uwer drekgoden; 5 en ik zal de doode lichamen der kinderen Israëls voor het aangezicht hunner drekgoden leggen, en ik zal uwe beenderen rondom uwe altaren strooien. 6 In alle uwe woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uwe altaren woest en eenzaam zijn, en uwe drekgoden verbroken worden en ophouden, en u-we zonnebeelden afgehouwen, en uwe werken uitgedelgd worden; 7 en de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat gij weet dat ik de Heere ben. 8 Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als gij eenigen zult hebben die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer gij in de landen zult verstrooid worden. 9 Dan zullen uwe ontkomenen mijner gedenken onder de heidenen waar zij gevangen zullen geworden zijn, omdat ik verbroken ben door hun boerachtig hart dat van mij afgeweken is, en door hunne oogen die hunne drekgoden nahoereeren; en zij zullen eene walging aanzichzel-ven hebben over de boosheden die ze in alle hunne gruwelen gedaan hebben. 10 En zij zullen weten dat ik de Heere ben; ik heb niet tevergeefs gesproken van hun dit kwaad aan te doen. 11 Zóó zegt de Heere Heere: Sla met uwe handen en stamp met uwen voet, en zeg: Ach, over alle uwe gruwelen der boosheden van het huis Israëls; want zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie vallen; 12 die ver af is zal door de pest sterven, en die nabij is door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is zal door honger sterven: alzoo zal ik mijne grimmigheid tegen hen. volbrengen. |
EZECHIÃL 7.
â 520
|
13 Dan zult gij weten dat ik de Heere beu, als hunne verslagenen in het midden hunner drekgoden rondom hunne altaren â¢wezen zullen, op alle hooge heuvelen, op alle toppen der bergen, en onder allen groenen boom en onder alle dichte eiken, de plaats alwaar zij allen hunnen drekgoden liefelijken reuk maakten. 14 Daarom zal ik mijne hand over hen uitstrekken en zal liet land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath henen, in alle hunne woningen: en zij zullen bevinden dat ik de Heere ben. HOOFDSTUK 7. Daarna geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende: 2 Voorts gij menschenkind, zóó zegt de Heere Heere van het land Israels : Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken des lands. 3 Nu is het einde over u; want ik zal mijnen toorn tegen u zenden, en ik zal u richten naar uwe wegen, en ik zal op u brengen alle uwe gruwelen; 4 en mijn oog zal u niet ver-echoonen en ik zal niet sparen, maar ik zal uwe wegen op u brengen, en uwe gruwelen zullen in lt; het midden van u zijn, en gijlieden zult weten dat ik de Heere ben. 5 Zóó zegt de Heere Heere: Een^ kwaad, een éénig kwaad, zie, is gekomen; 6 een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, het is ópgewaakt tegen u; zie, het kwaad is gekomen. 7 De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner des lands; de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en daar ia geen wederklank der bergen. 8 Nu zal ik in kort mijne grimmigheid over u uitgieten, en mijnen toorn tegen u volbrengen, en zal op u brengen alle uwe gruwelen; |
9 en mijn oog zal niet ver-Fchoonen en ik zal niet sparen; ik zal u geven naar uwe wegen, en uwe gruwelen zullen in hel midden van u zijn; en gijlieden zult weten dat ik de HEEjtEben die slaat. 10 Zie, de dag, zie, fle moi'oen-stond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hoovaardij heeft gegroend, 11 het geweld is opgerezen tot eene roede der goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hunne menigte noch van hun gedruisch en geene klage zal over hen zijn. 12 De tijd is gekomen, de dag is genaakt: de kooper zij niet blijde, en de verkooper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de geheele menigte en het land. 13 Want de verkooper zal tot het verkochte niet wederkeeren, ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; overmits het gezicht aangaande de geheel© menigte van het land niet zal terugkeeren; en niemand zal door zijne ongerechtigheid zijn leven sterken. 14 Zij hebben met de trompet getrompet en hebben alles bereid, maar niemand trekt ten strijde; want mijn brandende toorn is over de geheele menigte van het land. 15 Het zwaard is buiten, en de pest en de honger van binnen; die op het veld is zal door het zwaard sterven, en die in de stad is, dien zal do honger en de pest verteren. 10 En hunne ontkomenden zullen icél ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zrj allen zullen zijn gelijk duiven der dalen, kermende een ieder om zijne ongerechtigheid. 17 Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen hen en vlieten als water. 18 Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op alia hunne hoofden kaalheid. 10 Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal |
EZECHIÃL 8.
921
|
tot onreinheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten dage der verbolgenheid des Heeren, hunne ziel zullen zij niet verzadigen en hunne ingewanden zullen zij niet vullen; want her, zal de aanstoot hunner ongerechtigheid zijn. 20 En hij heeft de schoonheid zijns sieraads tot luister gezet, maar zij hebben daarin beelden hunner gruwelen en hunner verfoeiselen gemaakt: daarom heb ik dat hun tot onreinheid gesteld, 21 en ik zal het in de hand der vreemden overgeven ten roof, en den goddeloozen der aarde ten buit, en zij zullen het ontheiligen; 22 ook zal ik mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen mijn verborgen plaavs ontheiligen, want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen. 23 Maak eene keten, want het land is vol van bloedgerichten, en do stad is vol van geweld. 24 Daarom zal ik de kwaadste der heidenen doen komen, die hunne huizen erfelijk bezitten zullen, en zal den hoogmoed der sterken doen ophouden, en die hen heiligen zullen ontheiligd worden. 25 De ondergang komt, en zij zullen den vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn; 26 ellende zal op ellende komen, en zal gerucht op gerucht wezen: dan zullen zij het gezicht van een Profeet zoeken, maar de wet zal vergaan van den Priester en de raad van de oudsten; 27 de Koning zal rouw bedrijven, en de Vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk des lands zullen beroerd zijn: ik zal hun doen naar hunnen weg, en met hunne rechten zal ik ze richten; en zij zullen weten dat ik do Heeee beu. HOOFDSTUK 8. |
Het geschiedde nu in het zesde jaar in de zesde maand op den vijfde der maand, als ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand des Heeren Heeren daar over mij viel. 2 Toen zag ik, en zie, eene gelijkenis als de gedaante van vuur; van de gedaante zijner lendenen en nederwaarts was vuur, en van zijne lendenen en opwaarts als de gedaante eener klaarheid als do verve van Hasmal. 3 En hij stak de gelijkenis eener hand uit en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tusschende aarde en tusschen den hemel, en bracht mij in de gezichten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het Noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld der ijvering dat tot ijver verwekt. 4 En zie, de heerlijkheid van den God Israëls was aldaar, naar de gedaante die ik in de vallei gezien had; 5 en hij zeide tot mij.: Menschenkind, hef nu uwe oogen op naar den weg van het Noorden. En ik hiefmijne oogen op naar den weg van het Noorden, en zie, tegen het Noorden, aan de poort van het altaar, was dit beeld der ijvering, in den ingang. 6 En hij zeide tot mij: Menschenkind, ziet gij wel wat zij doen, «de groote gruwelen die het huis Israëls hier doet, opdat ik van mijn heiligdom verre wegga? Doch gij zult nog wederom groote gruwelen zien. 7 Zoo bracht hij mij tot de deur des voorhofs. Toen zag ik en zie, daar was eene holte in den wand. 8 En^ hij zeide tot mij: Menschenkind, graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en zie, daar was eene deur. 9 Toen zeide hij tot mij: Ga in, en zie de booze gruwelen die zij hier doen. 10 Zoo ging ik in en ik zag |
EZECHIÃL 9.
?522
|
'ten zie, daar was alle beeltenis Tan kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle drekgoden van liet huis Israels, geheel rondom aan den wand gemaald; 11 en zeventig mannen uit de oudsten van het huis Israels, met Jaazanja, den zoon van Safan, staande in het midden van hen, -stonden voor hunne aangezichten, en een ieder had zijn rookvat in zijne hand, en eene overvloedige wolk des reukwerks -ging op. 12 Toen zeide hij tot mij; Hebt gij gezien, menschenkind, wat de oudsten van het huis Israëls doen in de duisternis, een ieder in zijne gebeelde bin-nenkameren? Want zij zeggen: de Heere ziet ons niet, de Heere heelt het land verlaten. 13 En hij zeide tot mij: Gij .zult nog wederom groote gruwelen zien die zij doen. _ 14 En hij bracht mij tot de «deur der poort van het Huis des Heeren, die naar het Noorden is, en zie, daar zaten vrouwen beweenende den Tammuz. 15 En hij zeide tot mij: Hebt ^gij menschenkind, dat gezien ? Oij zult nog wederom grooter -gruwelen zien dan deze. 16 En hij bracht mij tot het -binnenste voorhof van het Huis -des Heeren; en zie, aan de deur van den Tempel des Heeren, tusschen het voorhuis en tus-â¢schen het altaar, waren omtrent vijfentwintig mannen: hunne jachterste leden waren naar den quot;Tempel des Heeren, en hunne â aangezichten naar het Oosten; -en deze bogen zich neder naar het Oosten voor de zon. 17 Toen zeide hij tot mij: Hebt gij, menschenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze {gruwelen te doen die zij hier â¢doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zookeeren ;zij zich^ om mij te vertoornen, â want zie, zij steken de wijnranken aan hunnen neus. |
18 Daarom zal ik ook handelen in grimmigheid: mijn oog zal niet verschoonen en ik zal niet sparen; hoewel ze voor mijne ooren met luider stemme roepen, nochtans zal ik ze niet hooren. HOOFDSTUK 9. Daarna riep hij voor mijne ooren wet luider stemme, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elk een met zijn verdervend wapen in zijne hand. 2 En zie, zes mannen kwamen van den weg der hooge poort die gekeerd is naar het Noorden, en elk een met zijn verpletterend wapen in zijne hand; en één man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijne lendenen: en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar. 3 En de heerlijkheid des Gods Israëls hief zich op van den cherub waarop hij was, tot den dorpel van het Huis; en hij riep tot den man die met linnen bekleed was, die den schrijvers-inktkoker aan zijne lendenen had; 4 en de Heere zeide tot hem: Ga dóór door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teeken een teeken op de voorhoofden der lieden die zuchten en uitroepen over alle de gruwelen die in het midden derzei ve gedaan worden. ^ 5 Maar tot die anderen zeide hij voor mijne ooren: Gaat dóór door de stad achter hem, en slaat: ulieder oog verschoone niet, en spaart niet; 6 doodt ouden, jongelingen, en maagden, en kinderkens, en vrouwen, tot verdorvens toe; maar genaakt aan niemand op denwelken het teeken is, en begint van mijn heiligdom. En zij begonr en van de oude mannen die vóór het Huis waren. 7 En hij zeide tot hen: Verontreinigt het Huis, en vervult de voorhoven met verslagenen: gaat henen uit. En zij gingen henen uit en zij sloegen in de stad. 8 Het geschiedde nu als zij ze |
EZECHIÃL 10.
923
|
geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel en riep en zeide: Ach, Heere Heere, zint gij al het overblijfsel Israels verderven, met uwe grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem? 9 Toen zeide hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israels en Juda is uitermate groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggeni, De Heere heeft het land verlaten, en de Heere ziet niet. 10 Daarom ook wat mij aangaat, mijn oog zal niet verschoo-nen en ik zal niet sparen; ik zal hunnen weg op hun hoofd geven. _ 11 En zie, de man die met linnen bekleed was, aan wiens lendenen de^ inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan gelijk als gij mij geboden hadt. HOOFDSTUK 10. Daarna zag ik, en zie, boven het uitspansel hetwelk was over het hoofd der cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis eens troons; en hij verscheen op dezelve. 2 En hij sprak tot den man, bekleed met linnen, en hij zeide ; Ga in tot tusschen de wielen, tot onder den cherub, en vul uwe vuisten met vurige kolen van tusschen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijne oogen. 3 De cherubs nu stonden ter rechterzijde van het Huis, als die man inging; en eene wolk vervulde het bovenste voorhof. 4 Toen hief zich de heerlijkheid des Heeren omhoog van boven den cherub, op den dorpel van het Huis; en het Huis werd vervuld met eene wolk, en het voorhof was vol van den glans der heerlijkheid des Heeren; 5 en het geruisch van de vleugelen der cherubs werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem des almachtigen Gods wanneer hij spreekt. |
6 Het geschiedde nu, als hij den man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tusschen de wielen, van tusschen de cherubs: dat hij inging en stond bij een rad. 7 Toen stak een cherub zijne hand uit van tusschen de cherubs tot het vuur, hetwelk was tusschen de cherubs, en nam daarvan en gaf het in de vuisten desgenen die met linnen bekleed was; die nam het en ging uit. 8 Want daar werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens menschen hand onder hunne vleugelen. 9 Toen zag ik, en zie, vier raderen waren bij de cherubs; een rad was bij eiken cherub; en de gedaante der raderen was als de verve van een turkooissteen. 10 En aangaande hunne gedaanten, die vier hadden éénerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest een rad in het midden van een rad. 11 Als die gingen, zoo gingen deze op hunne vier zijden; zij keerden zich niet om als zegingen; maar de plaats waarhenen het hoofd zag, die volgden ze na; zij keerden zich niet om als ze gingen. 12 Hun gansche lijf nu, en hunne ruggen, en hunne handen, en hunne vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol oogen rondom; die vier hadden hunne raderen. 13 Aangaande de raderen, elk een derzelve werd voor mijne ooren genaamd Galgal.f 14 En elk een had vier aangezichten: het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens menschen, en het derde het aangezicht eens leeuws, en het vierde het aangezicht eens arends. 15 En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier dat ik bij de rivier Kebar gezien had. 16 En als de cherubs gingen; zoo gingen die raderen nevens dezelve; en als de cherubs hun- |
EZECHIÃL 11.
924
|
ne vleugelen ophieven om zich van de aarde omhoog te hellen, zoo keerden zich die raderen ook niet om van bij hen. 17 Als die stonden, stonden deze; en als die opgeheven werden, hieven deze zich óók op; want de geest der dieren was in hen. 18 Toen ging de heerlijkheid des Heeren van boven den dorpel des Huizes weg, en stond boven de cherubs. 19 En de cherubs hieven hunne vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijne oogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen: en elk een stond aan de^ deur der Oostpoort van het Huis des Heeren, en de heerlijkheid van den God Israëls was van boven over hen. 20 Dit is het dier dat ik zag onder den God Israëls bij de rivier Kedar; en ik bemerkte dat het cherubs waren. 21 Elk een had vier aangezichten en elk een had vipr vleugelen, en de gelijkenis van menschenhanden was onder hunne vleugelen; 22 en aangaande de gelijkenis van hunne aangezichten, het waren dezelfde aangezichten die ik gezien had bij de rivier Ke-bar, hunne gedaanten en zij zelve; zij gingen ^ ieder rechtuit voor zijn aangezicht henen. HOOFDSTUK 11. Toen hief de Geest mij op en bracht mij tot de Oostpoort van het Huis des Heeren, welke oostwaarts ziet; en zie, aan de deur _ der poort waren vijfentwintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaazan.ja, den zoon van Azzur, en Pelatja, den zoon van Benaja, Vorsten des Volks. 2 En hij zeide tot mij: Men-echenkind, deze zijn de mannen die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad; 3 die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zoude de pot en wij het vleesch zijn. |
4 Daarom profeteert tegen hen, profeteert, o menschenkind. 5 Zoo viel dan de Geest des Heeren op mij, en hij zeide tot mij: Zeg: Zóó zegt de Heere : Alzóó zegt gijlieden, o huis Israëls; want ik weet elk een der dingen die in uwen geest opklimmen. 6 Gij hebt uwe verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en gij hebt derzelver straten met de verslagenen vervuld; 7 daarom zóó zegt de Heere Heere; Uwe verslagenen die gij in het midden derzelve nederge-legd hebt, die zijn het vleesch, en deze stadm is _ de pot; maar ulieden zal ik uit het midden derzelve doen uitgaan. 8 Gi.ilieden hebt het zwaard gevreesd, en het zwaard zal ik over u brengen, spreekt de Heere Heere. 9 Ook zal ik ulieden uit het midden derzelve doen uitgaan, en ik zal u overgeven in de hand der vreemden; en ik zal recht onder u doen. 10 Gij^ zult door het zwaard vallen; in de landpale Israëls zal ik u richten, en gij zult weten dat ik de Heere ben. 11 Deze stad zal ulieden niet tot een en pot zijn, en gij zult in het midden derzelve niet tot vleesch zijn: in de landpale Israëls zal ik u richten, 12 en gij zult weten dat ik de Heere ben, omdat gij in mijne inzettingen niet gewandeld en mijne rechten niet gedaan hebt, maar naar de rechten der heidenen die rondom u zijn gedaan hebt. 13 Het geschiedde nu als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen viel ik neder op mijn aangezicht en riep met luider stemme en zeide: Ach, Heere Heere, zult gij gansch een einde maken met het overblijfsel Israëls? 14 Toen geschiedde het Woord des_HREKEN tot mij, zeggende: 15 Menschenkind, het zijn uwe |
EZECH1ÃL 12.
925
|
broederen, uwe broederen, de mannen uwer maagschap, en het gansche huis Israëls, ja, dat gansche huis, tot welke de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maak u verre af van lt;ïen Heere; dit land is ons tot eene erfbezitting gegeven. 16 Daarom zeg: Zóó zegt de Heere Heere : Hoewel ik ze verre onder de heidenen^ weggedaan heb, en hoewel ik ze in de landen verstrooid heb, nochtans zal ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn in de landen waarin zij gekomen zijn. 17 Daarom zeg: Alzóó zegt de Heere Heere: Ja, ik zalulieden vergaderen de volkeren en ik zal u verzamelen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, en ik zal u het land Israëls geven; 18 en zij zullen daarhenen komen, en alle deszelfs verfoeiselen en alle deszelfs gruwelen van daar wegdoen. 19 En ik zal hun éénerlei harte geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en ik zal het steenen harte uit hun vleesch wegnemen, en zal hun een vleeschen hart geven, 20 opdat zij wandelen in mijne inzettingen, en mijne rechten bewaren en dezelve doen; en zij zullen mij tot een volk zijn en ik zal hun tot een God zijn. 21 Maar welker hart het hart hunner verfoeiselen en hunner gruwelen nawandelt, derzelver weg zal ik op hun hoofd geven, spreekt de Heere Heere. 22 Toen hieven de cherubs hunne vleugelen op, en de raderen tegenover hen; en de heerlijkheid des Gods Israëls was over hen van boven. 23 En de heerlijkheid des Heeren rees op van het midden der stad, en stond op den berg die tegen het oosten der stad is. 24 Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht door den Geest Gods in Chaldéa tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht dat ik gezien had voer van mij op; |
25 en ik sprak tot do gevankelijk weggevoerden alle de woorden des Heeren die hij mij had doen zien. HOOFDSTUK 12. Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, gij woont in het midden van een wederspan-nig huis, welke oogen hebben om te zien, en niet zien, ooren hebben om te hooren, en niet hooren; want zij zijn een weder-spannig huis. 3 Daarom gij, menschenkind, maak u gereedschap als dergenen die vertrekken, en vertrek bij dag voor hunne oogen, en gij zult vertrekken van uwe plaats tot eene andere plaats voor hunne oogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn. 4 Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hunne oogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen die vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hunne oogen, gelijk zij uitgaan die vertrekken. 5 Doorgraaf u den wand voor hunne oogen, en breng daardoor uio gereedschap uit. 6 Voor hunne oogen zult gij het op de schouderen dragen, in 't donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want ik heb u den huize Israëls tot een wonderteeken gegeven. 7 En ik deed alzoo gelijk als mij bevolen was: ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als liet gereedschap dergenen die vertrekken ; daarna in den avond groef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in 't donker, en ik droeg het op den schouder voor hunne oogen. 8 En des morgens geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende: 9 Menschenkind, heeft niet het huis Israëls, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij ? 10 Zeg tot hen: Alzóó zegt do Ir || i P' |
|
926 E Z E C H Heere Heere: Deze last is tegen den Vorst te Jeruzalem, en het gansche huis Israels dat in het midden van hen is. 11 Zeg: Ik ben lüieder won-derteeken; gelijk als ik gedaan heb, alzóü zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoeren in de gevangenis henengaan. 12 En de Vorst die in het midden van hen is, zal het ge-reedscJiap op den schouder dragen in 't donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie. 13 Ik zal ook mijn net over hem uitspreiden, dat hij in mijn jachtgaren gegrepen worde; en ik zal hein brengen in Babylonië, het land der Chaldeën: ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. 14 En allen die rondom hem zijn tot zijne hulpe, en alle zijne benden zal ik in alle winden verstrooien; en ik zal het zwaard achter hen uittrekken. 15 Alzoo zullen zij weten dat ik de Heebe ben, wanneer ik ze onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal. 1G Doch ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij hunne gruwelen vertellen onder de heidenen waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben. 17 Daarna geschiedde het quot;Woord des Heeren tot mij, zeggende : 18 Menschenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken. 19 En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzóo zegt de Heere Heere van de inwoners van Jeruzalem in het land Israels : Zij zullen hun brood met kommer eten en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijne volheid, van- |
EÃL 13. wege het geweld aller dergenen die daarin wonen; 20 en de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal eene wildernis zijn; en gij zult weten dat ik de Heere ben. 21 Wederom geschiedde het Woord des Heeren tot mij,zeggende : 22 Menschenkind, wat is dit voor een spreekwoord dat gijlieden hebt in het land Israels, zeggende: De dagen zullen verlengd worden en al het gezicht zal vergaan? 23 Daarom zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere : Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht. 24 Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israels. 25 quot;Want ik ben de Heere, ik zal spreken; het woord dat ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uwe dagen, o wederspannig huis, zal ik een woord spreken en hetzelve doen, spreekt de Heere Heere. 26 Voorts geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 27 Menschenkind, zie, die van het^ huis Israëls zeggen: Het gezicht dat hij ziet is voor velamp; dagen, en hij profeteert van tijden die verre zijn. 28 Daarom zeg tot hen: Alzoó zegt de Heere Heere: Geene mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord hetwelk ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 13. En des Heeren quot;Woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, profeteer tegen de Profeten Israëls die pro-feteeren, en zeg tot degenen dio uit hun hart profeteeren: Hoori des Heeren woord; |
.IÃL 13. 927'
migheid splijten, en daar zal een overstelpende plasregen zijn in. mijnen toorn, en groote hagelsteenen in mijne grimmigheid-om dien te verdoen.
14 Zoo zal ik den wand afbreken dien gijlieden met looze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde nederwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; alzoo zal de stad vallen, en gij zult in het midden van haar omkomen; en gij zult weten dat ik de Heerb ben.
15 Zoo zal ik mijne grimmigheid tegen den wand voortbrengen, en tegen degenen die hem pleisteren met looze kalk; en ik zal tot uliedeu zeggen: Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden zijn er niet:
16 te weten de Profeten Israëls-die van Jeruzalem profeteeren,. en voor haar een gezicht des-vredes zien daar geen vrede is,, spreekt de Heere Heere.
17 En gij, menschenkind, zet uw aangezicht tegen de dochters-uws volks, dewelke profeteeren. uit haar hart, en profeteer tegeiv haar,
18 en zeg: Zóó zegt de Heer© Heere: Wee die vroutcen diekussens naaien voor alle okselen der armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle stature, om de zielen te jagen. Zult gij de zielen mijns volks jagen», en zult gij u de zielen in het leven behouden ?
19 En zult gij mij ontheiligenu bij mijn volk voor handvollem van gerst en voor stukken brood» om zielen te dooden die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden die uiet zouden leven, door uw liegen tot mijn volk dat de leugen hoort ?
20 Daarom ^ zóó zegt de Heere-Heere: Zie, ik wil aan uwe kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven,, en ik zal ze uit uwe armen wegscheuren ; en ik zal die zielen, losmaken, de zielen die gij jaagt naar de bloemhoven.
i 21 Daartoe zal ik uwe hoofd-
EZECH
3 zóó zegt de Heere Heere: Wee over die dwaze Profeten die hunnen geest nawandelen en hetgeen zii niet gezien hebben.
4 Uwe Profeten, o Israël, zijn als vossen in do woeste plaatsen.
5 Gij zijt in de bressen niet opgetreden, noch hebt den muur toegemuurd voor het huis Israels, om in den strijd te staan ten dage des Heeren.
6 Zij zien ij delheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De Heere heeft gesproken, daar de Heeke hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.
7 Ziet gij niet een ij del gezicht en spreekt eene leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De Heere spreekt, daar ik niet gesproken heb ^
8 Daarom zóó zegt de Heere Heere: Omdat gijlieden ijdel-heden spreekt en leugen ziet, daarom zie, ik teil aan u, spreekt de Heere Heere;
9 en mijne hand zal zijn tegen de Profeten die ijdelheidzienen leugen voorzeggen ; zij zullen in de vergadering mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis Israels niet komen: en gij zult weten dat ik de Heere Heere beu.
1U Daarom; ja, daarom dat zij mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is, en dat de één eenen leemen wand bouwt, en zie, de anderen denzelven pleisteren met looze kalk â
11 zeg tut degenen die met looze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; daar zal een overstelpende plasregen zijn, en gij, o groote hagelsteenen, zult vallen, en een groote stormwind zal hem splijten.
12 Zie, als de wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is de pleistering waarmede gij gepleisterd hebt?
13 Daarom alzóó zegt de Heere Heere : Ja, ik zal hem door eenen grooten stormwind in mijne grim- i
EZECHIÃL 14.
928
|
dekselen echeuren, en mijn volk uit uwe hand redden, zoodat zij niet meer in uwe hand zullen zijn tot eene jacht; en gij zult weten dat ik de Heere ben. 22 Omdat gijlieden het harte des rechtvaardigen door valsch-heid hebt bedroefd gemaakt, daar ik hem geene smart aangedaan heb : en omdat gij de handen des goddeloozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijnen boozen weg niet afkeeren zoude, dat ik hem in het leven behield; 23 daarom zult gij niet meer ijdelheid zien noch waarzegging gebruiken, maar ik zal mijn volk uit uwe hand redden, en gij zult weten dat ik de Heere ben. HOOFDSTUK 14. Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten Israels en zaten neder voor mijn aangezicht. 2 Toen geschiedde desHEEREN Woord tot mij, zeggende: 3 Menschenkind, deze mannen hebben hunne drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezicht gesteld: word ik dan ernstiglijk van hen gevraagd ? 4 Daarom spreek met hen en zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere: Een ieder uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den Profeet, â ik de Heere zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden; lt; 5 opdat ik het huis Israëls in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hunne drekgoden van mij vervreemd zijn. 6 Daarom zeg tot het huia Israëls : Alzóó zegt de Heere Heere : Bekeert u en keert u af van uwe drekgoden, en keert uw aangezicht af van alle uwe gruwelen. 7 Want ieder man uit het huis Israëls, en uit den vreemdeling die in Israël verkeert, die zich van achter mij afscheidt, en zet |
zijne drekgoden op in zijn harte, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den Profeet om mij door hem te vragen, â ik ben de Heere, hem zal geantwoord worden door mij; 8 en ik zal mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem stellen tot een teeken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden mijns volks; en gijlieden zult weten dat ik de Heere ben. 9 Als nu een Profeet overreed zal zijn en iets gesproken zal hebben, ik de Heere heb dien Profeet overreed, en ik zal mijne hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van mijn volk Israël; 10 en zij zullen hunne ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn, alzóó zal zijn die ongerechtigheid des Profeten; 11 opdat het huis Israëls niet meer van achter mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met alle hunne overtredingen; alsdan zullen zij mij tot een volk zijn en ik zal hun tot eenen God zijn, spreekt de Heere Heere. 12 Voorts geschiedde des Hee-ren Woord tot mij, zeggende: 13 Menschenkind, ais een land tegen mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zoo zal ik mijne hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken en eenen honger daarin zenden, dat ik daaruit menschen en beesten uit-roeie; 14 ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in des-zelfs midden waren, zij zouden door hunne gerechtigheid alleen \ hunne ziele bevrijden, spreekt de Heere Heere. 15 Zoo ik het boos gedierte door het land laat doorgaan, het- i welk dat van kinderen berooft zoodat het woest wordt, dat er I niemand doorgaat vanwege het i gedierte: | 16 die drie mannen indeszelfs ! midden ziindQ, zoo tcaaraclitig aU |
EZECHIÃL 15, 16.
929
|
ik leve, spreekt de Heere Heere, zoo zij zonen en zoo zij doehte-ren bevrijden zouden! Z:j zelve alleen zouden bevrijd worden maar het land zoude woest worden. 17 Of als ik het zwaard breng over dat land, en zeg; Zwaard, ga dóór door dat land, zoodat ik daarvan uitroeie menschen en beesten: 18 ofschoon die drie mannen in deszelfs midden waren, zoo waarachtig ah ik leve, spreekt de Heere Heere, zij zouden zonen noch doch teren bevrijden, maar zij zelve alleen zouden bevrijd worden. 19 Of ah ik de pestilentie in dat land zend, en mijne grimmigheid met bloed daarover uitgiet, om daarvan menschen en beesten uit te roeien: 20 ofschoon Noach, Daniël en Job in deszelfs midden waren, zoo ic aar ach tig als ik leve cpreekt de Heere Heere, zoo zij eenen zoon of zoo zij eene dochter zouden bevrijden! Zij zouden alleen hunne ziele door hunne gerechtigheid bevrijden. 21 Want alzóó zegt de Heere Heere : Hoeveel te meer als ik mijne vier booze gerichten, het zwaard en den honger en het booze gedierte en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit menschen en beesten uit te roeien! 22 Doch zie, daarin zullen ont-komenen overblijven die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren: zie, zij zullen tot u-lieden uitkomen, en gij zult hunnen weg zien en hunne handelingen, en gij zult vertroost worden over het kwaad dat ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat ik zal gebracht hebben over haar. 23 Zoo zullen zij u vertroosten, als gij hunnen weg en hunne handelingen zien zult, en gij zult weten dat ik niet zonder oorzaak gedaan heb al wat ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere Heere. |
HOOFDSTUK 15. En des Heeren Woorl geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, wat is het hout des wijnstoks meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan hetgeen onder het hout eens wouds is? 3 Wordt daarvan liout genomen om een stuk werks te maken? Neemt men daarvan eene pin om eenig vat daaraan te hangen? 4 Zie, het wordt den vure overgegeven, opdat het verteerd worde ; het vuur verteert beide zijne einden, en zijn middelste wordt verbrand: zoude het deugen tot een stuk werks? 5 Zie, toen het gehéél was, werd het tot geen stuk werks gemaakt: hoeveel te min als liet vuur het verteerd heeft zoodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werks gemaakt worden ? G Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Gelijk als het hout des wijnstoks is onder het hout des wouds, hetwelk ik den vure overgeef opdat het verteerd worde, alzóó zal ik de inwoners van Jeruzalem overgeven; 7 want ik zal mijn aangezicht tegen hen stellen: als zij van het ééne vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren: en gij zult weten dat ik de Heere ben, als ik mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben; 8 en ik zal liet land woest maken, omdat zij zwaar]ijk overtreden hebben, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 1G. Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, maak Jeruzalem hare gruwelen bekend, 3 en zeg: Alzóó zegt de Heer© Heere tot Jeruzalem: Uwe handelingen en uwe geboorten zijn uit het land der Kar aaniten: uw vader was een Amcriet en uwe moeder eene Hethitische. 4 En aangaande uwe geboorten, ten dage als gij geboren waart 30 |
|
930 EZECE -werd uw navel niet afgesneden, en gij waart, niet met water ge-wasschen toen ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven noch in windselen gewonden ; 5 geen oog had medelijden met u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uwe ziele, ten dage toen gij geboren waart. 0 Als ik bij u voorbijging, zoo zag ik u vertreden zijnde in uw bloed, en ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, ik zeide tot u in uw bloed: Leef. 7 Ik heb u tot tienduizend, als het gewas des velds gemaakt; en gij zijt gegroeid en groot geworden, en zijt gekomen tot groote sierlijkbeid: uwe borsten zijn vast geworden en uw haar is gewassen ; doch gij waart naakt en bloot. 8 Als ik nu bij u voorbijging, zag ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zoo breidde ik mijnen vleugel over u uit en dekte uwe naaktheid,ja, ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heere, en gij werdt mijne. 9 Daarna wiesch ik u met water, en ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie. 10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en ik schoeide u met dassenvellen, en omgordden met Hjn linnen, en bedekte u met zijde. 11 Ook versierde ik u met sieraad, en deed armringen aan uwe handen en eene keten aan uwen hals. 12 Desgelijks deed ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uwe ooren, en eene kroon der heerlijkheid op uw hoofd. 13 Zoo waart gij versierd met goud en zilver, en uwe kleeding was lijn linnen en zijde en gestikt werk; gij at meelbloem en honig en olie, en gij waart gansch zeer schoon, en waart voor- |
lÃL 16. spoedig, dat gij een koninkrijk werdt. 14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uwe schoonheid; want die was volmaakt door mijne heerlijkheid die ik op u gelegd had, spreekt de Heere Heere. 15 Maar gij hebt vertrouwd op uwe schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uwen naam, ja, hebt uwe hoererijen uitgestort aan een ieder die voorbijging: voor hem was zij. 16 En gij hebt van uwe kleederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd: zulks is niet gekomen en zal niet geschieden. 17 Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van mijn goud en van mijn zilver dat ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd; 18 en gij hebt uwe gestikte kleederen genomen en hebt ze bedekt, en gij hebt mijne clie en mijn reukwerk voor hunne aangezichten gesteld; 19 en mijn brood hetwelk iku gaf, meelbloem en olie en honig, waarmede ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hunne aangezichten gesteld tot eenen liefelijken reuk: zóó is het geschied, spreekt de Heere Heere. 20 Voorts hebt gij uwe zonen en uwe dochteren die gij mij gebaard hadt genomen, en hebt ze den zei ven geofferd om te verteren; is her, wat kleins van uwe hoererijen, 21 dat gij mijne kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan? 22 Ook hebt gij bij alle uwe gruwelen en uwe hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed. 23 Het is ook geschied na al uwe boosheid, (wee, wee ul spreekt de Heere Heere,) 24 dat gij u een verwelfsel gebouwd hebt, en u eene hoogo |
|
EZECH plaats gemaakt hebt in elke straat; 25 aan elk hoofd van dsn weg hebt gij uwe hooge plaats gebouwd, en hebt uwe schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uwe beenen geschreden vooreen ieder die voorbijging, en hebt uwe hoererijen vermenigvuldigd. 2(5 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uwe naburen, die groot van vleesch zijn; en gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd, om mij tot toorn te verwekken. 27 Zie, daarom strekte ik mijne hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en ik gaf u over in den lust dergenen die u haten, der dochteren der Filistijnen, die vanwege uwen schandelijken weg beschaamd waren. 28 Voorts hebt gij gehoereerd met de kinderen van Asaur. omdat gij onverzadel ijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij óók niet verzadigd geworden, 29 maar gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaiin tot in Chaldéa; en daarmede óók zijt gij niet verzadigd geworden. 30 Hoe zwak is uw harte, (spreekt de Heere Heere,) als gij alle deze dingen doet, zijnde het werk van eene heerschende boerachtige vrouw; 31 als gij uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uwe hooge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als eene hoer, het hoerenloon beschimpende. 32 O die overspelige vrouw! Zij neemt in plaats van haren man de vreemden aan. 33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan alle uwe boeleerders, en gij beschenkt ze, opdat ze tot u van rondom zouden ingaan om uwe hoererijen. 34 Zoo geschiedt met u in uwe hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt om te hoereeren; want als gij hoerenloon geeft, en hethoe- |
Ià L 16. 931 renloon u niet gegeven wordt, zoo zijt gij tot een tegendeel geworden. 35 Daarom, o hoer, hoor de» Heeren woord: 36 alzóó zegt de Heere Heere: Omdat uw vergif uitgestort is,, en uwe schaamte door uwe hoererijen met uwe boeleerders ontdekt is, en met alle de drekgoden uwer gruwelen, en na hefc bloed uwer kinderen dat gij hun gegeven hebt: 37 daarom zie, ik zal alle uwe boeleerders vergaderen met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen die gij liefgehad hebt, met allen die gij gehaat hebt; en ik zal ze van rondom vergaderen tegen u, en ik zal voor hen uwe naaktheid ontdekken, dat zij uwe gansche naaktheid zien zullen. 38 Daartoe zal ik u naar de rechten der overspeelsters en der bloedvergietsters richten, en ik zal u overgeven den bloede der grimmigheid en des ij vers; 39 en ik zal u in hunne hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken en uwe hooge plaatsen omwerpen, en uwe kleederen u uittrekken, en uwe sierlijke juweelen nemen, en u naakt en bloot laten. 40 Daarna zullen zij tegen u eene vergadering doen opkomen, en zullen u met steenen stee-nigen en u met hunne zwaarden doorsteken; 41 zij zullen ook uwe huizen met vuur verbranden, en oordee-len tegen u uitvoeren voor veler vrouwen oogen; en ik zal u doen ophouden van eene hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven. 42 Zoo zal ik mijne grimmigheid op u doen rusten en mijn ijver zal van u afwijken, en ik zal stille zijn en niet meer toornig wezen. 43 Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jonkheid, en mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zoo zal ik ook uwen tv eg op iiw hoofd geven, spreekt de Heere Heere, en gij. zult die schandelijke daad niet |
|
932 EZECII doen boven olie uwe gruwelen, i 44 Zie, een ieder die spreekwoorden gebruikt zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zoo de moeder is, is hare dochter. 4ö Gij zijt de dochter uwer moeder, die een walg had van haren man en van hare kinderen; en gij zijt de zuster uwer zusters, die een walg gehad hebben van hare mannen en van hare kinderen: uwe moeder was een Hethitische, en uw vader een Amoriet: 46 uwe groote zuster nu is Sa-marië, zij en hare dochteren, dewelke woont aan uwe linkerhand; maar uwe zuster die kleiner is dan gij, die aan uwe rechterhand woont, is Sodom en hare dochteren. 47 Doch gij hebt in hare wegen niet gewandeld noch naar hare gruwelen gedaan: liet was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in alle uwe wegen. 48 Zoo waarachlio ah ik leve, spreekt de Heere Heere, indien Sodom uwe zuster, zij met hare dochteren, gedaan heeft gelijk gij gedaan hebt en uwe dochteren ! ^ 49 Zie, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom: hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en hare dochteren, maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet; 50 en zij verhieven zich en deden gruwelijkheid voor mijn aangezicht^ daarom deed ik ze weg, nadat ik het gezien had. 51 Samarië ook heeft naar de helft uwer zonde niet gezondigd, en gij hebt uwe gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uwe zusters gerechtvaardigd door alle gruwelen die gij gedaan hebt: 52 draag gij dan ook uwe schande, gij die voor uwe zusteren geoordeeld hebt door uwe zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij: wees gij dan ook be-Bchaamd en drang uwe schande, |
IÃL 16. omdat gij uwe zusters gerechtvaardigd hebt. 53 Als ik hare gevangenen we-derbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sodom en hare dochteren, en de gevangenen van Samarië en hare dochteren, dan zal tic tcedcrhrengen do gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar; 54 opdat gij uwe schande draagt, en te schande gemaakt wordt om al hetgeen dat gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult. 55 Als uwe zusters, Sodom en hare dochteren zullen weder-keeren tot haren vorigcn staat, mitsgaders Samarië en hare dochteren zullen wederkeeren totharen vorigen staat, zult gij ook en uwe dochteren wederkeeren tot uwen vorigen staat. 56 Ja, uwe zuster Sodom is in uwen mond niet gehoord geweest ten dage uwsgrootenhoogmoeds, 57 aleer uwe boosheid ontdekt was. Als de tijd was der versmading van de dochteren van Syrië, en van alle degenen die rondom hetzelve waren, de dochteren der Filistijnen die u verachtten van rondom, 58 hebt gij uwe schandelijke daden en uwe gruwelen gedragen, spreekt de Heeee. 59 Want alzoó zegt de Heere Heere: Ik zal u ook doen gelijk als gij gedaan hebt, die den eed veracht hebt, brekende het verbond. GO Evenwel zal ik gedachtig wezen mijns verbonds met u in de dagen uwer jonkheid, en ik zal met u een eeuwig verbond oprichten. 61 Dan zult gij uwe wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uwe zusteren die grooter zijn dan gij, met degenen die kleiner zijn dan gij, aannemen zult; wantik zal u dezelve geven tot dochteren. maar niet uit uw verbond. 62 Want ik zal mijn verbond met u oprichten, en gij zult -weten dat ik de Heere ben; 03 opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt, en niet meer uwen mond opent vanwege uweschan- |
EZECHIÃL 17.
933
|
de, â¢wanneer ik voor u verzoening doen zal over al hetgene dat gij gedaan hebt spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 17. En des Heeren Woord geschiedde tot mij zeggende: 2 Menschenkind, etel een raadsel voor en gebruik eere gelijkenis tot het huis Israels, 'd en zeg: Alzoó zegt de Heere Heere: Een arend die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van eenen ceder; 4 hij plukte den top zijner jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel, hij zette hem in eene stad van kooplieden. 5 Hij nam ook van het zaad des lands en leidde het in eenen zaadakker, hij nam het, hij zette het bij vele wateren met groote voorzichtigheid: G en het sproot uit, on werd tot eenen welig uitloopenden wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijne takken naar hem, dewijl zijne wortelen onder hem waren. Zoo werd hij tot eenen wijnstok die ranken voortbracht en scheuten uitwierp. 7 Nog was er een groote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en zie, deze wijnstok voegde zijne wortelen naar denzelve toe en wierp zijne takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zoude naar de bedden zijner planting toe. 8 Hij was in eene goede landouw bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot eenen heerlij ken wijnstok worden mocht. 0 Zeg: Alzoó zegt de Heere Heere: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijne wortelen uitdrukken en zijne vrucht afsnijden, dat hij droog worde ? Hij zal aan alle de bladeren van zijn gewas verdrogen, en dat niet door eenen grooten arm noch door veel volk. |
om dien van zijne wortelen weg te voeren. 10 Ja, zie, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gansch verdrogen ? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen. 11 Daarna geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 12 Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet wat deze dingen zijn? Zeg: Zie, de Koning van Babel is te Jeruzalem gekomen, en heelt haren Koning genomen en hare Vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel; 13 daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tot eenen eed gebracht, en de machtigen des lands heeft hij weggenomen; 14 opdat het koninkrijk nederig zoude zijn, zich niet verheffende, en dat het zijn verbond houdende bestaan mocht. 15 Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijne boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volk bestellen zoude: zal hij gedijen, zal hij ontkomen die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen? 16 Zoo loaarachtig ah ik leve, spreekt de Heere Heere, zoo hij niet in de plaats des Konings die hem Koning gemaakt heelt, wiens eed hij veracht en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven! 17 Ook zal Farao door een groot heir en door menigte van Icrijgs-vergadering met hem in oorlog niets uitrichten, als men eenen wal zal opwerpen en als men sterkten_ bouwen zal, om vele zielen uit te roeien. 18 Want hij heelt den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, zie, zijne hand gegeven had; dewijl hij alle deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen. 19 Daarom alzoó zegt de Heere Heere: Zoo waarachtig als ik leve, zoo ik mijnen eed dien hij |
EZECHIÃL 18.
S34
|
veracht heeft, en mijn verbond dat hij gebroken heeft, niet op zijn hoofd geef! 20 En ik zal mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in mijn jachtgaren; en ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem richten over zijne overtreding waardoor hij tegen mij overtreden heeft. 21 Daarbij zullen alle zijne vluchtelingen met alle zijne benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden, en gijlieden zult weten dat ik de Heere gesproken heb. 22 Alzóó zegt de Heere Heere : Ik zal ook van den oppersten tak lt;ies hoogen ceders nemen dat ik zetten zal, van het opperste zijner jonge takjes zal ik eenen teederen afplukken, denwelken ik op eenen hoogen en verheven berg planten zal; 23 op den berg der hoogte Is-raëls zal ik hem planten, en hij eal takken voortbrengen en vrucht dragen, en hij zal tot eenen heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zullen alle gevogelte van allerlei vleugel, in de schaduw zijner takken zullen ze wonen. 24 Zoo zullen alle boomen des velds weten dat ik de Heere den hoogen boom vernederd heb, den nederigen boom verheven heb, den groenen boom verdroogd en den droogen boom bloeiende gemaakt heb: ik de Heere heb tiet gesproken en zal het doen. HOOFDSTUK 18. Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 2 Wat is ulieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van het land Israëls, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden? 3 Zoo waarbchtio ah ik leve, «preekt de Heere Heere, zoo het «lieden meer gebeuren zal dit epreekwoord in Israël te gebruiken! |
4 Zie, alle zielen zijn mijne; gelijk de ziel des vaders, alzóó ook de ziel des zoons, ze zijn mijne: de ziel die zondigt, die zal sterven. 5 Wanneer nu iemand rechtvaardig is en doet recht en gerechtigheid, 6 niét eet op de bergen, en zijne oogen niet opheft tot de drekgoden van het huis Israëls, noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert, 7 en niemand verdrukt, geeft den schuldenaar zijn pand weder, geenen roof rooft, den hongerige zijn brood geeft en den naakte met kleeding bedekt, 8 niet geeft op woeker noch overwinst neemt, zijne hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tusschen den één en den ander oefent, 9 in mijne inzettingen wandelt en mijne rechten onderhoudt, om trouwelijk te handelen : â die rechtvaardige zal ge-wisselijk leven, spreekt de Heere Heere. 10 Heeft hij nu een zoon gewonnen die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijnen broeder een van deze dingen doet, 11 en die alle die dingen niet doet, maar ook op de bergen eet en verontreinigt de huisvrouw zijns naasten, 12 verdrukt den ellendige en den nooddruftige, rooft veel roof, geeft het pand niet weder, en heft zijne oogen op tot de drekgoden, doet gruwel, 13 geeft op woeker en neemt overwinst: â zoude die leven? Hij zal niet leven: alle die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden, zijn bloed zal op hem zijn. 14 Zie nu, heeft hij eenen zoon gewonnen, die alle de zonden zijns vaders die hij doet aanziet, en toeziet dat hij dergelijke niet doet, 15 niet eet op de bergen, noch zijne oogen opheft tot de drekgoden van het huis Israëls, do |
EZECHIÃL ld.
935
|
huisvrouw zyns naasten niet verontreinigt, 16 en niemand verdrukt, het pand niet behoudt en geenen roof rooft, zijn brood den hongerige geeft en den naakte met kleeding bedekt, 17 zijne hand van den ellendige afhoudt, geen woeker noch overwinst ^ neemt, mijne rechten doet en in mijne inzettingen wandelt: â die zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders, hij zal gewisselijk leven. 18 Zijn vader, dewijl hij met onderdrukking onderdrukt heeft, des broeders goed geroofd heeft, en gedaan heeft dat niet goed was in liet midden zijner volkeren : ziedaar, hij zal sterven in â¢zijne ongerechtigheid. 19 Maar gijlieden zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders? Immers zal de zoon die recht en gerech-tigheid gedaan heeft en alle mijne inzettingen onderhouden en die gedaan heeft, gewisselijk leven. 20 De ziele die zondigt, die zal eterven: de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons: de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddeloozen zal op hem zijn. 21 Maar wanneer de goddelooze zich bekeert van alle zijne zonden die hij gedaan heeft en allo mijne inzettingen onderhoudt en doet recht en gerechtigheid: hij aal gewisselijk leven, hij zal niet eterven; 22 alle zijne overtredingen die hij gedaan heeft zullen hem niet gedacht worden, in zijne gerechtigheid die hij gedaan heeft zal hij leven. 23 Zoude ik eenigszins lust hebben aan den dood des goddeloozen ? spreekt de Heere Heere : is het niet, als hij zich bekeert van zijne wegen, dat hij leve? |
24 Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtig-tieid en onrecht doet, doende naar alle de gruwelen die de goddelooze doet, zoude die leven? _ Alle zijne gerechtigheden die hij gedaan heeft zullen niet gedacht worden: in zijne overtreding waardoor hij overtreden heeft, en in zijne zonden die hij gezondigd heeft, daarin zal hij sterven. 25 Toch zegt gijlieden: De weg des Heeren is niet recht: â hoort nu, o huis Israels, is mijn weg niet recht? Zijn niet uwe wegen onrecht! 26 Als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, en daarin sterft: hij zal in zijn onrecht dat hij gedaan heeft sterven. 27 Maar als de goddelooze zich bekeert van zijne goddeloosheid die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid: die zal zijne ziel in het leven behouden ; 28 dewijl hij toeziet en zich bekeert van alle zijne overtredingen die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven. 29 Evenwel zegt het huis Israels: De weg des Heeren is niet recht; â zouden mijne wegen, o huis Israels, niet recht zijn? Zijn niet uwe wegen onrecht? 30 Daarom zal ik u richten, o huis Israels, een ieder naar zijne wegen, spreekt de Heere Heere: keert weder en bekeert u van alle uwe overtredingen, zoo zal de ongerechtigheid u niet tot eenen aanstoot worden. 31 Werpt van u weg alle uwe overtredingen waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw harte en eenen nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels? 32 Want ik heb geen en lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere Heere : daarom bekeert u en leeft. HOOFDSTUK 19. Voorts hef gij eene weeklage op over de Vorsten Israels, 2 en zeg: Wat was uwe moeder ? eene leeuwin, onder de leeu- |
EZECHIÃL 20.
938
|
wen nederliggende; zij bracht hare welpen op in het midden der jonge leeuwen. 3 Zij voedde nu een van hare welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te rooven, hij at menschen op. 4 Dit hoorden de volkeren van hem, hij werd gegrepen in hunne groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland. 5 Zij nu ziende dat ze in hope was geweest, doch hare verwachting verloren was, zoo nam zij een ander van hare welpen, hetwelk zij tot eenen jongen leeuw stelde. (5 Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te rooven, hij at menschen op; 7 hij bekende hunne weduwen, en hij verwoestte hunne steden; zoodat het land en zijne volheid ontzet werd van de stem zijns brullens. 8 Toen begaven zich de volkeren tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit, in hunne groeven werd hij gegrepen, 9 en zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot den Koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijne stem niet meer gehoord wierd op de bergen Israels. 10 Uwe moeder was als een wijnstok in uwe stilheid, geplant bij wateren, hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren ; 11 en hij had sterke roeden tot schepters der heerschers, en de stam van elke roede werd hoog tusschen de dichte takken; en hij werd gezien door zijne hoogte, met de menigte zijner takken. 12 Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijne vrucht verdroogd, zijne sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd, het vuur heeft ze verteerd. |
13 en nu is hij geplant in eene woestijn, in een dor en dorstig land. 14 Daarbij is een vuur uitgegaan uit eene roede zijner ranken, dat zijne vrucht verteerd heeft; zoodat aan hem geene sterke roede is tot een schepter om te heerschen. Dit is eene weeklage en is tot eene weeklage geworden. HOOFDSTUK 20. En het geschiedde in het zevende jaar in de vijfde maand, op den tiende dier maand, dat er mannen uit de oudsten Israels kwamen om den Heere to vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht, 2 Toen geschiedde des Heeren quot;Woord tot mij ^zeggende: 3 Menschenkind, spreek tot do oudsten Israels en zeg tot hen; Alzóó zegt de Heere Heere: Komt gij om mij te vragen? Zoo loaaracldip als ik leve, zoo ik van u gevraagd worde, spreekt de Heere Heere. 4 Zoudt gij hun recht geven, zoudt gij hun recht geven, o menschenkind? Maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend, 5 en zeg tot hen: Alzóó zegs de Heere Heere: Ten daj^e als ik Israël verkoos, zoo hief ik mijne hand op tot het zaad van het huis Jakobs, en maakte mij-zelven hun in Egypteland bekend; ja, :'k hief mijne hand tot hen op, zeggende: Ik ben do Heere uw God. 6 Te dien dage hief ik mijno hand tot hen op, dat ik ze uit Egypteland uitvoeren zoude, in een land dat ik voor hen uitge-speurd had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen; 7 en ik zeide tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen zijner oogen weg, en verontreinigt ulie-den niet met de drekgoden van Egypte: ik de Heere ben uw God. 8 Maar zij waren wederspannig tegen mij en wilden naar mij niet hooren: niemand wierp da |
EZEGHIÃL 20.
937
|
verfoeiselen zijner oogcn â \vcg, noch verliet do drekgoden van Egypte; daarom zeide ik dat ik mijne grimmigheid over hen uitgieten zonde, om mijnen toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland. 9 Doch ik deed het om mijns naams wille, opdat hij niet ontheiligd ^ wierde voor de oogen der heidenen in welker midden zij waren; aan welke ik mij voor derzelver oogen bekend gemaakt heb, om hen nit Egypteland nit te voeren. 10 En ik voerde ze nit Egypteland en bracht ze in de woestijn. Daar gaf ik hun mijne inzettingen en maakte hun mijne rechten bekend, dewelke zoo ze een mensch doet, zal hij door dezelve leven. 12 Daartoe ook gaf ik hun mijne sabbat en, om een toeken te zijn tussclien mij en tusschen hen, opdat zij zouden weten dat ik de IIeere ben die ze heilige. 13 Maar het huis Israels werd wederspannig tegen mij in de woestijn; zij wandelden in mijne inzettingen niet, en verwierpen mijne rechten, dewelke zoo ze een mensch doet, zal hij door dezelve leven; en zij ontheiligden mijne sabbaten zeer, dat ik zeide mijne grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn om hen te verdoen. 14 Maar ik deed het om mijns naams wille, opdat die niet ontheiligd wierde voor de oogen van die heidenen voor welker oogen ik hen uitvoerde. 15 Evenwel hief ik ook mijne hand op tot hen in de woestijn, dat ik ze niet zoude brengen in het land dat ik hun gegeven had, vloeiende van molk en honig, hetwelk het sieraad is van alle lauden: 16 daarom dat zij mijne rechten verwierpen en in mijne inzettingen niet wandelden, en mijne sabbaten ontheiligden; want hun hart wandelde hunne drekgoden na. 17 Doch mijn oog verschoonde ze, dat ik ze niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn; |
18 maar ik zeide tot hunne kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt hunne rechten niet, en verontreinigt u niet met hunne drekgoden. 19 Ik ben de ïïeeue uw God, wandelt in mijne inzettingen, en onderhoudt mijne rechten, en doet dezelve; 20 en heiligt mijne sabbaten, en zij zuilen tot een teekenzijn tusschen mij en tusschen ulic-den, opdat gij weet dat ik de IIeere uw God ben. ^ 21 Maar die kinderen waren óók wederspannig^ tegen mij, zij wandelden niet in mijne inzettingen, en mijne rechten namen zij niet waar om die te doen, dewelke zoo ze een mensch doet, zal hij door dezelve leven: zij ontheiligden mijne sabbaten. dat ik zeide mijne grimmigheid te zullen uitgieten over hen, volbrengende mijnen toorn tegen hen in de woestijn. 22 Doch ik keerde mijne hand af, en deed het om mijns naams wille, opdat hij voor de oogen der heidenen niet zoude ontheiligd worden, voor welker oogen ik hen uitgevoerd had. 23 Ik hief ook mijne hand tot hen op in de woestijn, dat ik ze verspreiden zoude onder de heidenen en hen verstrooien in do landen; 24 omdat zij mijne rechten niet gedaan hadden, maar mijne inzettingen verworpen cn mij no sabbaten ontheiligd hadden, en hunne oogen achter de drekgoden hunner vaderen waren. 25^ Daarom gaf ik hun ook inzettingen die niet goed waren en rechten waarbij ze niet leven zouden, 26 en ik verontreinigde hen in hunne giften, omdat zij door het vuur deden doorgaan al dat de baarmoeder opent; opdat ik zo verwoesten zoude ten einde dat zij zouden weten dat ik do Iïeere ben. 27 Daarom, menschenkind, 3ü* |
|
938 EZECI spreek tot het huis Israels en zeg tot hen; Alzóó zegt de Heere Heere: Hiermede nog hebben mij uwe vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen mij overtreden hebben; 28 als ik hen in het land gebracht had, over hetwelk ik mijne hand opgeheven had om het hun te geven, zoo zagen zij naar allen hoogen heuvel en alle dicht geboomte, en offerden daar hunne otteren, en gaven daar hunne tergende offeranden, en daar zetteden zij hunnen liefelijken reuk, en daar otterden zij hunne drankotteren. *29 En ik zcide tot hen: Wat is die hoogte waarhenen gij gaat ? Nochtans is de naam daarvan genaamd Hoogte, tot op dezen flag toe. 30 Daarom zeg tot den huize Israels; Alzóó zegt de Heere Heere; Zipt gij verontreinigd geworden in den weg uwer vaderen, en hoereert gij achter hunne verfoeiselen? 31 Ja, met het offeren uwer gaven, met uwe kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan alle uwe drekgoden tot op dezen dag toe; en zoude ik van u gevraagd worden, o huis Israels? .Zoo z/raar-achtiy als ik leve, spreekt de Heere Heere, zoo ik van u gevraagd worde! 32 Daarom wat in uwen geest opgeklommen is zal geenszins geschieden, dat gij zegt; Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen. 33 Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo ik niet met eene sterke hand en uitgestrekten arin^ en met eene uitgegoten grimmigheid over u zal regeeren! 34 Want ik zal u uit de volkeren voeren en u vergaderen uit de landen waarin gij verstrooid zijt door eene sterke hand en door eene uitgegoten grimmigheid. 35 Daartoe zal ik u brengen in de woestijn der volkeren, en |
IÃL 20. ik zal met u aldaar richten, aangezicht aan aangezicht; ^ 36 gelijk als ik gericht heb met uwe vaderen in de woestijn van Egypteland, alzóó zal ik met u richten, spreekt de Heere Heere; 37 en ik zal ulieden onder do roede doen doorgaan, en ik zal u brengen onder den band de» verbonds. 38 Daartoe zal ik die weder-spannig zijn en_ die tegen mij overtreden uit ulieden uitzuiveren, ik zal ze uit liet land hunner vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in liet landschap Israels niet wederkomen, en gij zult weten dat ik de Heere ben. 39 En gijlieden, o huis Israels, alzóó zegt de Heere Heere : Gaat henen, dient een ieder zijne drekgoden, ook hierna, dewijl gijlieden naar mij niet hoort; doch ontheiligt niet meer mijnen heiligen naam met uwe giften en met uwe drekgoden. 40 Want op mijnen heiligen berg, op den hoogen berg Israels, spreekt de Heere Heere, daar zal mij het gansche huis Israels in het land dienen, zij allen; daar zal ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal ik uwe hef-otteren eischen en de eerstelingen uwer hellingen met alle uwe geheiligde dingen: 41 ik zal een welgevallen aan ulieden nemen om den liefelijken reuk, wanneer ik u van de volkeren uitvoeren en u vergaderen zal uit de landen in dewelke gij^ zult verstrooid zijn, en ik zai in u geheiligd worden voor de oogen der heidenen; 42 en gij zult weten dat ik de Heere ben, als ik u in het landschap Israels gebracht zal hebben, in het land waarover ik mijne hand opgeheven heb om het uwen vaderen te geven. 43 Daar zult gij dan gedenken aan uwe wegen en aan alle uwe handelingen waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van uzelve eene walghag hebben |
EZECHIÃL 21.
939
|
over alle n-we boosheden die gij gedaan hebt. 44 Zoo zult gij weten dat ik de Heere ben, als ik met u gedaan zal hebben, om mijns naams wille, niet naar uwe booze wegen noch naar uwe verdorven handelingen, o huis Israels, spreekt de Heere Heere. 45 Voorts geschiedde des Hee-ren quot;Woord tot mij, zeggende: 46 Menschenkind, zet uw aangezicht naar den weg van het Zuiden, en drup meereden tegen het Zuiden, en profeteer tegen het woud van het veld in het Zuiden, 47 en zeg tot liet zuiderwoud: Hoor des Heeeen woord; alzóo zegt de Heere Heere: Zie, ik zal een vuur in u aansteken, hetwelk in u allen groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgebluscht worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het Zuiden tot het Koorden toe, 48 en alle vleesch zal zien dat ik, de Heere, dat aangestoken heb, het zal niet uitgebluscht worden. 49 En ik zeide: Ach Heere Heere, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen? HOOFDSTUK 21. En des Heeken Woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup uwe reden tegen de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël, 3 en zeg tot het land van Israël : Alzóo zegt de IIeere : Zie, ik wil aan u, en ik zal mijn zwaard uit zijne scheede trekken, en ik zal van u uitroeien den rechtvaardige en dengoddelooze; 4 omdat ik dan van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddelooze, daarom zal mijn zwaard uit zijne scheede uitgaan tegen alle vleesch, van het Zuiden tot het Noorden; |
5 en alle vleesch zal weten dat ik, de Heere, mijn zwaard uit zijne scheede getrokken heb: het zal ni3t meer wederkeeren. 6 Maar gij, menschenkind, zucht; zucht voor hunne oogen, met verbreking der lendenen en met bitterheid, 7 En het zal geschieden als zij tot u zeggen zullen: quot;Waarom zucht gij? dat gij zeggen zult: Om het gerucht, want het komt; en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieën cds water henen-vlieten; zie, het komt en het zal geschieden, spreekt de Heero Heere. 8 Wederom geschiedde dea Heeren quot;Woord tot mij, zeggende : 9 Menschenkind, profeteer en zeg: Alzóó zegt de Heere: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt en ook geveegd; 10 het is gescherpt opdat het eene slachting slachte, het is geveegd opdat het eenen glinster hebbe: of wij rfom zullen vroolijk zijn ? het is de roede mijns zoons, die alle hout versmaadt. 11 En hij heeft hetzelve te vegen gegeven, opdat men het met de hand handelen zoude; het zwaard is gescherpt en hot is geveegd, om het in de hand des doodslagers te geven. 12 Schreeuw en huil, o menschenkind, want het zal zijn tegen mijn volk, het zal zijn tegen alle do Vorsten Israels: verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij mijn volk zijn: daarom klop op de heup. 13 Als er beproeving was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadende roede zijn? spreekt de Heere Heere. 14 Daarom, gij menschenkind profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden ten derden male, het is het zwaard dergenen die verslagen zullen worden; het is het zwaard der grooten die verslagen zullen worden, dat tot hen in de-binnenste kameren indringen zal. 15 Ik heb de punt des zwaard» |
|
940 EZECI] gezet tegen alle liumio poorten, opdat het hart versmelte cn de aanstooten vermenigvuldigen; ach, liet is toegemaakt opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten. 1G Houd u bijéén, o zwaard, keer u rechtsom, schik u, keeru linksom, waarhenen uw aangezicht gesteld is. 17 En ik zelf zal ook mijne hand tegen mijne hand slaan, en mijne grimmigheid doen rusten; ik de Heere heb het gesproken. 18 Wederom geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende : 19 Gij nu, menschenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard des Konings van Babel kome: uit één land zullen ze beide voortkomen; cn kies eene zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad. 20 Gij zult eenen weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Eabba der kinderen Ammons of tegen Juda, tot de vaste slad Jeruzalem. 21 Want de Koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te_ gebruiken; hij zal zijne pijlen slijpen, hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien. 22 De waarzegging zal aan zijne rechterhand zijn op Jeruzalem, om de hoofdlieden te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heften met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen. 23 Dit zal hun in hunne oogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eeden beëedigd zijn onder hen; maar hij zal cle ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden. 24 Daarom zegt de Heere Heere al zóó: Omdat gijlieden uwe onge-rechtigheid doet gedenken, doordien uwe overtredingen ontdekt worden, zoodat uwe zonden gezien worden in alle uwe handelingen ; omdat uwer gedacht |
IÃL 22. wordt, zult gij met de hand gegrepen worden. 25 En gij, o onheilig, goddeloos Vorst Israels, wiens dag komen zal ten tijde der uiterste ongerechtigheid, 20 alzóó zegt de Heere Heere: Doe dien hoed weg en hef die kroon af: deze zal dezelfde niet wezen ; ik zal verhoogen dien die nederig is en vernederen dien die hoog is. 27 Tk zal die Jcroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome die daartoe recht heeft en icicn ik dat geven zal 28 En gij, menschenkind, profeteer en zeg: Alzóó zegt de Heere Heere van de kinderen Ammons en van hunne smading; zoo zeg: Het zwaard^ het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren; 29 terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen die van de goddeloozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid. 30 Keer uw zwaard weder in zijne scheede. In de plaats waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal ik u richten, 31 en ik zal over u mijne gramschap uitgieten^ ik zal tegen u door het vuur mijner verbolgenheid blazen, en ik zal u overgeven in de hand van brandende raenschen, smeders des verderfs; 32 het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands: uwer zal niet gedacht worden, want ik de Heere heb het gesproken. HOOFDSTUK 22. Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende; 2 Gij nu. menschenkind,zoudt gij der b'oedstad recht geven? Zoudt gij haar recht geven ? Ja, maak haar bekend alle hare gruwelen, 3 en zeg: Alzóó zegt de Heere Heere: O stad, die in haar mid- |
EZECHIÃL 22.
Â¥â¢
941
|
den bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zicli-zelve maakt om zich te verontreinigen. 4 door uw bloed dat gij vergoten hebt zijt gij schuldig geworden, en met uwe drekgoden die gij gemaakt hebt hebt gij n verontreinigd, en hebt nwe dagen doen naderen en zijt tct mve jaren gekomen : daarom heb ik n den heidenen overgegeven tot eenen smaad, en allen landen tot eenen spot; 5 die nabij en verre van n zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust. 6 Zie, de Vorsten Israels zijn in u geweest, een ieder naar zijne kracht, om bloed te vergieten. 7 Vader en moeder hebben zij in u licht geacht.met den vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld, zij hebben in u den wees en de weduwe^ verdrukt. 8 Mijne heilige dingen hebt gij veracht, en mijne sabbaten hebt gij ontheiligd. 0 Achterklappers zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de bergen gegeten, zij hebben schandelijkheid in het midden van u gedaan. 10 Men heeft de schaamte des vaders in u ontdekt, die onrein was door afzondering hebben zij in u verkracht; 11 daartoe heeft de één gruwel gedaan met zijns naasten huisvrouw, en een ander heeft zijns zoons vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijne zuster, zijns vaders dochter, verkracht. 12 Zij hebben geschenken inu genomen om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt gij genomen, en gij hebt gierigheid gepleegd aan uwen naaste door verdrukking; maar gij hebt mij vergeten, spreekt do Heere Heere. 13 Zie dan, ik heb mijne hand geslagen om uwe gierigheid die gij bedreven hebt, en om uw bloed, die in het midden van u geweest zijn: |
14 zal uw hart bestaan? zullen uwe handen sterk zijn, in de dagen als ik met u handelen zal ? Ik de Heere heb het gesproken en zal het doen; 15 en ik zal u verstrooien onder de heidenen en u verspreiden in do landen, en uwe onreinheid uit u verteren: 16 zoo zult gij in u ontheiligd zijn voor de oogen der heidenen en gij zult weten dat ik de Heere ben. 17 Wijders geschiedde des Hee-ren' Woord tot mij, zeggende: 18 Menschenkind, die van den huize Israels zijn mij tot schuim geworden, zij zijn allen koper of tin of ijzer of lood in het midden des ovens, zilverschuim zijn zo geworden. 19 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Omdat gijlieden allen tot schuim geworden zijt. daarom zie, ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen; 20 orlijk zilver of koper of ijzer ! of lood of tin in het midden eens ! ovens vergaderd wordt, om het ! vuur daarover op te blazen opdat ! men het smelte, alzóó zal ik ulie-1 den vergaderen in mijnen toorn, en in mijne grimmigheid daar i laten en smelten; 21 ja, ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur : mijner verbolgenheid, dat gij in i het midden van haar zult ge-! smolten worden; ! 22 gelijk het zilver inhetmid-I den des ovens gesmolten wordt, alzóó zult gijlieden in het mid-j den van haar gesmolten worden, ! en gij zult weten dat ik de Heere mijne grimmigheid over u uitgegoten heb. 23 Voorts geschiedde desHEE-rex Woord tot mij, zeggende: 24 Menschenkind, zeg tot haar: Gij zijt een land dat niet gereinigd is, dat zijnen plasregen niet heeft gehad ten dage der gramschap. 25 De verbintenis harer Profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw die eenen roof rooft: zij eten de zielen op, den schat en het kostelijke nemen zij weg, hare weduwen ver- |
iif
|
942 E Z E C H menigvuldigen zij in het midden van haar. 26 Hare Priesters doen mijne wet geweld aan, en zij ontheiligen mijne heilige dingen: tus-fldien het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tusschen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hunne oogen van mijne sabbaten, ja, ik word in het midden van hen ontheiligd. 27 Hare Vorsten zijn in het midden van haar als wolven die eenen roof rooven, om bloed te vergieten en om zielen te verderven, opdat zij gierigheid zouden plegen. 28 Hare Profeten nu pleisteren hen met looze kalk, ziende ij delheid en hun leugen voorzeggende; zeggende: Alzóó zegt de Heere Heeee â en de Heere heeft niet gesproken. 29 Het volk des lands pleegt enkel verdrukking en bedrijft enkelrooverij ;ook onderdrukken zij den ellendige en nooddruftige, en den vreemdeling verdrukken zij zonder recht. 30 Ik zocht nu eenen man uit hen die den muur mocht toemuren, en voor mijn aangezicht in de bres staan voor het land, opdat ik het niet mocht verderven ; maar ik vond niemand. 31 Daarom heb ik mijnegram-schap over hen uitgegoten, door het vuur mijner verbolgenheid heb ik ze verteerd: hunnen weg heb ik op hun hoofd gegeven spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 23. Voorts geschiedde desHEEREX Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, daar waren twee vrouwen, dochteren van ééne moeder. 3 Deze hoereerden in Egypte; in hare jeugd hoereerden zij: daar werden hare borsten gedrukt, en daar werden de tepelen haars maagdoms betast. 4 Hare namen nu waren Ohola de grootste, en Oholiba hare zuster; en zij werden mijne en |
[ÃL 23. baarden zonen en dochteren; dit waren hare namen: Samarië is Ohola, en Jeruzalem Oholiba. 5 Ohola nu hoereerde, zijnde onder mij: en zij werd verliefd op hare boeleerders, op de Assy-riërs die nabij waren, 6 bekleed met hemelsblauw, Vorsten en overheden, altemaal gewenschte jongelingen, ruiters, rijdende op paarden. 7 Alzoo bedreef zij hare hoererijen met dezelve, die allen de keure der kinderen Assurs waren ; en met allen op dewelke zij verliefd was, met alle derzelver drekgoden verontreinigde zij zich. 8 Zij verliet ook niet hare hoererijen gébracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in hare jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hunne hoererij over haar uitgestort. 9 Daarom gaf ik haar in de hand harer boeleerders over, in de hand der kinderen Assurs op dewelke zij verliefd was. 10 Deze ontdekten hare schaamte ; hare zonen en hare dochters namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg eenen naam onder de vrouwen, nadat men gerichten over haar geoefend had. 11 Als hare zuster Oholiba dit zag, zoo verdierf zij hare min nog meer dan die; en hare hoererijen meer dan de hoererijen van hare zuster; 12 zij werd verliefd op de kinderen Assurs, de Vorsten en overheden die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiters rijdende op paarden, altemaal gewenschte jongelingen. 13 Toen zag ik dat zij verontreinigd was; zij hadden beiden éénerlei W5g. 14 Ja, zij deed tot hare hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan den wand zag, de beelden der Chal-deën, geschilderd met menie, 15 gegord met een gordel aan hunne lendenen, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hunne hoofden, die allen in het aanzien |
EZECHIÃL 23.
^43
|
hoofdlieden waren, naar de ge-ïijkenis der kinderen Babels, van Chaldéa, het land hunner geboorte : 16 zoo werd zij^ op dezelve verliefd niet het opzien harer oogen, en zij zond boden tot hen naar Chaldéa. 17 De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot hot leger der minne, en verontreinigden haar met hunne hoererij, ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd hare ziel van hen afgetrokken. 18 Alzoo ontdekte zij hare hoererijen en ontdekte hare schaamte: toen werd mijne ziel van haar afgetrokken, gelijk als mijne ziel was afgetrokken van hare zuster. 19 Doch zij vermenigvuldigde hare hoererijen, gedenkende aan de dagen haver jeugd, als 2ij gehoereerd had in het land van Egypte; 20 en zij werd verliefd meer dan derzei ver bijwijven, welker vleesch is als het vleesch der ezels, en welker vloed is als de vloed der paarden. 21 Alzoo hebt gij weder opgehaald de schandelijke daad uwer jeugd, als die van Egypte uwe tepel en betastten vanwege de borsten uwer jeugd. 22 Daarom, o Oholiba, al zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal uwe boeleerders, van dewelke uwe ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en ik zal ze van rondom tegen u aanbrengen: 23 de kinderen van Babel en alle Chaldeën^Pekod en Soa en Koa, e)i alle kinderen vanAssur met hen ;gie.wenschtejongelingen, die allen Vorsten en overlieden zijn, hoofdlieden en vermaarde lieden, die allen te paard rijden. 24 Die zullen tegen u komen met karren, wagens en wielen, en met eene vergadering van volkeren, rondassen en schilden en helmen, zij zullen zich rondom tegen u zetten, en ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hunne rechten; |
25 en ik zal mijnen ijver tegen u zetten, dat zij in grimmigheid met u zullen handelen; zij zullen uwen neus en uwe ooren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uwe zonen en uwe dochteren wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden; 26 zij zullen u ook uwe kleederen uittrekken en uw sieraad-tuig wegnemen. 27 Zoo zal ik uwe schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uwe hoererij gchracht uit Egypteland; en gij zult uwe oogen naar hen niet opheffen en aan Egypte niet meer gedenken. 28 Want al zóó zegt de Heer© Heere : Zie, ik zal u overgeven in de hand dergenen die gij haat, in de hand dergenen van dewelke uwe ziel is afgetrokken. 2!) Die zullen met u handelen uit haat, en al uwen arbeid weg-j nemen, en u naakt en bloot laten, j dat uwe hoerenschaamte ontdekt worde, mitsgaders uwe schande-i lijkheid en uwe hoererijen. 30 Deze dingen zal men u doen, dewijl gij de heidenen nagehoe-reerd hebt, en omdat gij u met hunne drekgoden verontreinigd hebt: 31 in den weg uwer zuster hebt ! gij gewandeld, daarom zal ik haren beker in uwe hand geven. 32 Alzóó zegt de Heere Heere: j Gij zult den beker uwer zuster drinken die diep en wijd is: gij j zult tot belaching en spot wor-I den; de beleer houdt veel in. 33 Van dronkenschap en jam-! roer zult gij vol worden; de be-I ker van uwe zuster Samarië is i een beker der verwoesting en der : eenzaamheid: I 34 gij zult hem drinken en uitzuigen, en zijne scherven zult gij ! brijzelen en uwe borsten zult gij I afrukken; want ik heb het ge-! sproken, spreekt de Heere, Heere. 35 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Omdat gij mij vergeten en mij achter uwen rug geworpen hebt, zoo draag gij ook uwe ! schandelijkheid en uwe hoere-i rijen. |
|
944 EZEOIi 36 En de Heere zeide tot mij: Menschenkind, zoudt gij Ãliola en Oholiba reclit geven ? Ja, vertoon haar hare gruwelen. 37 Vvant zij hebben overspel gedaan, en daar is bloed in hare handen; en zij hebben met hare drekgoden overspel gedaan, daartoe hebben zij ook hare kinderen die zij mij gebaard hadden voor hen door het imur laten doorgaan tot spijs. 38 Nog hebben zij mij dit gedaan: zij hebben mijn heiligdom te dien dage verontreinigd, en mijne sabbaten ontheiligd. 39 Want als zij hunne kinderen voor hunne drekgoden geslacht hadden, zoo kwamen zij op denzelfden dag in mijn heiligdom om dat te ontheiligen; en zie, alzóó hebben zij gedaan in het midden van mijn Huis. 40 Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen die van verre zouden komen; tot dewelke als een bode gezonden was, zie, zoo kwamen zij, voor dewelke gij u wiescht, uwe qogen blan-ketten en n met sieraad ver-fiierdet; 41 en gij zat op een heerlijk bed, voor hetwelk eene tafel toe gericht was, en op hetwelk gij mijn reukwerk en mijne olie gezet hadt. 42 Als nu het geruisch der menigte daarop stil was, zoo zonden zij tot mannen uit de menigte der menschen, en daar werden wijnzuipers aangebracht uit de woestijn; die deden armringen aan hare handen en eene sierlijke kroon op hare hoofden. 43 Toen zeide ik van deze, die van overspel verouderd was: Nu zullen zij hoereeren de hoererijen dezer hoer, en die óók. 44 En men ging tot haar in gelijk men ingaat tot eene vrouw die eene hoer is, alzóó gingen zij in tot Ohola en tot Oholiba, die schandelijke vrouwen. 45 Rechtvaardige mannen dan, die zullen ze richten naar het recht der overspeelsters en naar liet recht der bloe.lvergietsters; |
IÃL 24. want zij zijn overspeelsters, en bloed is in hare handen. 4G Want alzóó zegt de Heere Heere: Ik zal eene vergadering tegen haar doen opkomen, en zal. ze ter beroering en en ten roof overgeven; 47 en de vergadering zal zo met steenen steenigen, en ze met hunne zwaarden nederhouwen; hare zonen en hare dochteren zullen zij dooden, en hare huizen met vuur verbranden. 48 Alzoo zal ik de schandelijkheid uit het land doen ophouden, opdat alle vrouwen onderwezen worden dat zij naar uwe schandelijkheid niet doen. 40 Alzoo zullen zij uwe schandelijkheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer drekgoden dragen; en gijlieden zult weten dat ik de Heere Heere beu. HOOFDSTUK 24. Wijders geschiedde des IIeeren Woord tot^ mij in het negende jaar in de tiende maand op den tiende der maand, zeggende: 2 Menschenkind, schrijf u den naam van den dag op, oven van dezen zelfden dag: de Koning van Babel legt zich voor Jeruza-zalem even op dezen zalfden dag. 3 En gebruik eene gelijkenis tot dat wederspannig huis en zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere: zet eenen pot toe, zet hem _ toe, en giet ook water daarin. 4 Doe zijne stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en de schouder; vul hem met de keur der beenderen. 5 Neem de keur van de kudde en stook ook eenen brandstapel van de beenderen daaronder, doe hem wel opzieden: ook zullen zijne beenderen daarin gekookt worden. 6 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Wee der bloedstad, den pot welks schuim in hem is, en van welken zijn schuim niet is uitgegaan! Trek stuk bij stuk daaruit, laat het lot over hem niet vallen. |
EZEOHIÃL 24.
945
|
7 Want haar bloed is in het midden van haar, op eene gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelve met stof te bedekken. _ 8 Opdat ik de grimmigheid doe 1 opgaan om wraak te oefenen, heb i ik ooh haar bloed op eene gladde j steenrots gelegd, opdat het niet j bedekt worde. 9 Daarom alzóó zegt de Heere ! Heere: Wee der bloedstad; ik zal ook den brandstapel groot j maken. 10 Draag veel hout toef steek I het vuur aan, verteer het vleesch, , en kruid het met specerijen en , laat de beenderen verbranden. i 11 8tel hem daarna ledig op â zijne kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijne onreinheid in liet midden van hem veremei te, zijn schuim verteerd worde. 12 Met ijdelheden heeft zij mij moede gemaakt: toch is haar overvloedig schuim van haar niet uitgegaan; haar schuim moei in liet vuur. 13 In uwe onreinheid is schandelijkheid ; omdat ik u gereinigd heb en gij niet gereinigd zij t, zoo zult gij van uwe onreinheid niet meer gereinigd worden, totdat ik mijne grimmigheid op u zal hebben doen rusten. 14 Ik de Heere heb het gesproken, het zal komen en ik zal het doen ; ik zal er niet van wijken en ik zal niet verschoonen noch berouw hebben; naar uwe wegen en naar uwe handelingen zullen zij u richten, spreekt de Heere Heere. 15 Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 1G Menschenkind, zie, ik zal den lust uwer oogen van u wegnemen door eene plage; nochtans zult gij niet rouwklagen noch weenen, en uwe tranen zullen niet voortkomen. 17 Houd stil van kermen, gij zult geen doodenrouw maken; bind uwen hoed op u, en doe uwe schoenen aan uwe voeten ; en de bovenste lip zult gij niet bewinden, en zult der lieden brood niet eten. |
18 Dit sprak ik tot het volk in den morgenstond, en mijne huisvrouw^ stierf in den avond; en ik deed in den morgenstond gelijk als mij geboden was; 19 en het volk zeide tot mij: Zult gij ons met te kennen geven wat deze dingen beduiden, dat gij aldus doet? 20 En ik zeide tot hen: Het Woord des Heeren is tot mij geschied, zeggende: 21 Zeg tot het huis Israels: Alzóó zegt de Heere Heehe: Zie, ik zal mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uwer sterkte, de begeerte uwer oogen eii de verschooning uwer ziele, en uwe zonen en uwe dochteren die gij verlaten hebt zullen door het zwaard vallen. 22 Dan_ zult gijlieden doen gelijk als ik gedaan heb: de bovenste lip zult gij niet bewinden, en der lieden brood zult gij niet eten. 23 En uwe hoeden zullen op uwe hoofden zijn, en uwe schoenen aan uwe voeten: gij zult niet rouwklagen noch weenen, maar gij zult in uwe ongerechtigheden versmachten en een iegelijk tegen zijnen broeder zuchten. 24 Alzoo zal ulieden Ezechiël tot een wonderteeken zijn; nanr alles dat hij gedaan heeft zult gij doen; als dit komt, dan zult gij weten dat ik de Heere Heere ben. 25 En gij, menschenkind, zal het niet zijn ten dage als ik van hen zal wegnemen hunne sterkte, de vreugde huns sieraads, den lust hunner oogen en het verlangen hunner zielen, hunne zonen en hunne dochteren: 26 dat te dien dage eenontko-mene tot u zal komen, om uice ooren dat te doen hooren? 27 Tenzelfden dage zal uw mond bij dien die ontkomen is opengedaan worden, en gij zult spreken en niet meer stom zijn; alzoo zult gij hun tot een wonderteeken zijn, en zij zullen weten dat ik de Heere ben. |
EZECHIÃL 25, 26.
â 946
|
HOOFDSTUK 25. En des Heeren Woord ge-«chiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen de kinderen Amnions en profeteer tegen hen; 3 en zeg tot de kinderen Amnions : Hoort des Heeren Heeren â woord: alzóó zegt de Heere Heere: Omdat gij gezegd hebt: Ha! over mijn heiligdom als het ontheiligd â werd, en over het land Israels als het verwoest werd, en over het iiuis van Juda als zij in gevangenis gingen: 4 daarom zie, ik zal aan u die van liet Oosten overgeven tot eene bezitting, dat zij hunne burchten in u zetten en hunne â woningen in u stellen; die zullen uwe vruchten eten en die zullen uwe melk drinken. 5 En ik zal Rabba tot eenen kemelstal maken, en de kinderen Ammons tot eene schaapskooi; en gij zult weten dat ik de Heere ben. 0 Want alzóó zegt de Heere Heere : Omdat gij met de hand geklapt en met den voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uwe plundering over het land Israels: 7 daarom zie, ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en u den keidenen ten buit geven, en zal u uit de volkeren uitroeien en u uit de landen verdoen: ik zal u verdelgen, en gij zult weten dat ik de Heere ben. 8 Alzóó zegt de Heere Heere: Omdat Moab en Seïr zeggen: Zie, het huis Juda is gelijk alle de heidenen: 9 daarom zie, ik zal de zijde Moabs openen van de steden af, van zijne steden die van zijne grenzen af zijn, het sieraad des lands, Beth-Jesimoth,Baal-Meon, en tot Kirjathaïm toe; 10 voor die van het Oosten, met het land der kinderen Ammons, hetwelk ik ter bezitting zal overgeven; opdat der kinderen Ammons onder de heidenen niet weer gedacht worde. |
11 Ik zal ook in Moab gerich.-ten oefenen, en zij zullen weten dat ik de Heere beu. 12 Alzóó zegt de Heere Heere : Omdat Edom met enkele wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda, en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben: 13 daarom alzóó zegt de Heere Heere: Ik zal ook mijne hand uitstrekken tegen Edom, en ik zal mensch en beest uit haar uitroeien, en zal haar tot eene woestheid stellen van Teman af, en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen; 14 en ik zal mijne wrake doen aon Edom door de hand mijns volks Israels, en zij zullen togen Edom naar mijnen toorn en naar mijne grimmigheid handelen: alzoo zullen zij mijne wrake gewaarworden, spreekt de Heere Heere. 15 Alzóó zegt de Heere Heere : Omdat de Fil i stijnen door wraak gehandeld hebben en van hart^ wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door eene eeuwige vijandschap, lü daarom alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik strek mijne hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Kerethiten uitroeien en het overblijfsel van de zeehaven verdoen; 17 en ik zal groote wrake met grimmige straüen onder hen doen, en zij zullen weten dat ik de Heere bei», als ik mijne wrake aan lien gedaan zal hebben. HOOFDSTUK 26. En het gebeurde in het elfde jaar op den eerste der maand, dat des Heeren Woord tot mij geschiedde, zeggende: 2 Menschenkind, daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Ha! zij is verbroken, de poort der volkeren, zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest: 3 daarom alzóó zegt de Heere Heere : Zie, ik wil aan u, o Tyrus, en ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof ik de zee met hare golven deed opkomen. |
EZECHIÃL 27.
947
|
4 Die zullen de muren van Tynis verderven en hare torens afbreken; ja, ik zal ze tot eene gladde steenrots maken. 5 Zij zal in het midden der zee zijn uitspreiding van netten; â¢want ik heb het gesproken, spreekt delt; Heere Heere ; en zij zal den heidenen ten roof worden. 6 En hare dochteren die in het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten dat ik de Heere ben. 7 Want al zóó zegt de Heere Heere : Zie, ik zal Nebukadrezar, den Koning van Babel, den Koning der Koningen, van het Noorden tegen Tyrus brengen met paarden en met wagenen en met ruiteren en fcr/jV/svergaderingen en veel volk. 8 Hij zal uwe dochteren op het veld met het zwaard dooden, en hij zal sterkten tegen u maken en een wal tegen u opwerpen, en rondassen tegen u opheffen; 9 en hij zal muurbrekers tegen uwe muren stellen, en uwe torens met zijne zwaarden afbreken. 10 Yanwege de menigte zijner paarden zal u derzei ver stof bedekken ; uwe muren zullen beven vanwege het gedruisch der ruiteren en wielen en wagenen. als hij door uwe poorten zal intrekken gelijk door de ingangen eener doorgebroken stad. 11 Hij zal met de hoeven zijner paarden alle uwe straten vertreden, uw volk zal hij met het zwaard dooden, en elk eene van de kolommen uwer sterkte zal ter aarde nederstorten; 12 en zij zullen uw vermogen rooven en uwe koopmanswaren plunderen en uwe muren afbreken en uwe kostelijke huizen omwerpen, en uwe steenen en uw hout en uw stof zullen zij in het midden der wateren werpen. 13 Zoo zal ik het gedeun uwer liederen doen ophouden, en het geklank uwer harpen zal niet meer gehoord worden. 14 Ja, ik zal u maken tot eene gladde steenrots; gij zult zijn tot uitspreiding der netten, gij zult niet meer gebouwd worden; want ik de Heere heb het gesproken, spreekt de Heere Heere. |
15 Alzóó zegt de Heere Heerb tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid uws vals beven, als de doodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden ? 16 En alle Vorsten der zee zullen afdalen van hunne tronen, en hunne mantels van zich doen, en hunne gestikte kleederen uittrekken; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij nederzitten, en t'eiken oogenblik sidderen en over u ontzet zijn; 17 en zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe zijt gij uit de zeeën vergaan, gij welbewoonde, gij beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en hare inwoners; die hunnen schrik gaven aan allen die in haar woonden. 18 Nu zullen de eilanden sidderen ten dage uws vals; ja, de eilanden die in de zee zijn, zullen beroerd worden vanwege uwen uitgang. 10 Want alzóó zegt de Heere Heere; Als ik u zal stellen tot eene verwoeste stad, gelijk de steden die niet bewoond worden, als ik eenen afgrond over u zal doen opkomen en de groote wateren u zullen overdekken: 20 dan zal ik u doen nederdalen met degenen die in den kuil nederdalen tot het oude volk, en zal u doen nederliggen in de onderste plaatsen der aarde, in de woeste plaatsen die van ouds geweest zijn, met degenen die in den kuil nederdalen, opdat gij niet bewoond wordt; en ik zal het sieraad herstellen in het land der levenden. 21 Maar u zal ik tot eenen grooten schrik stellen, en gij zult er niet meer zijn; als gij gezocht wordt, zoo zult gij niet meer gevonden worden in eeuwigheid, de Heere Heere. HOOFDSTUK 27. Wijders geschiedde des Heb- |
|
943 EZECI een Woord tot mij, zeggende: 2 Gij dan, mensclienkiiid, lief een klaaglied op over Tyrus: 3 en zeg tot Tyrns, die daar woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zoo zegt de Heere Kei:re : O Tyrus, gij zegt; Ik ben volmaakt in schoonheid. 4 Uwe landpalen zijn in het hart der zeeën, uwe bouwers hebben uwe schoonheid volkomen gemaakt; 5 zij hebben alle uwe scheeps-boorden uit denneboomen van Senir gebouwd, zij hebben cederen van den Libanon gehaald om masf.en voor ti te maken; G zij hebben uwe riemen iiü eiken van Basan gemaakt, uwe roeibanken hebben zij gemaakt. van weibetreden elpenbeen uit do eilanden der Kittiten: 7 iijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper uit de eilanden van Elisa was uw bedeksel. 8 De inwoners van Sidon en Arvad waren uwe roeiers; uwe wijzen, o Tyrus, die in u waren, die waren uwe schippers; 9 de oudsten van Gebal en hare wijzen waren in u, verbeterende uwe breuken; alle schepen der zeelieden waren in u, om onder-lingen handel met u te drijven; 10 Perzen en Lydiërs en Puteërs waren in uw heir, uwe krijgslieden ; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad; 11 de kinderen van Arvad en uw heir waren rondom op uwe muren, en de Gammaditen waren op uwe torens; hunne schilden hingen zij rondom aan uwe muren, die maakten uwe schoonheid volkomen. 12 Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin en lood handelden zij op uwe markten. 13 Javan, Tubal en Mesech die waren uwe kooplieden, met men-schenzielen en koperen vaten dieven zij onderlingen handel met u. |
ÃÃL 27. 14 Uit het huis van Togarma leverden zij paarden en ruiteren en muilezels oj) uwe markten. 15 De kinderen van Dedan waren uwe kooplieden, vele eilanden waren de koophandel uwer hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weder tot eene vereering. 16 Syrië dreef koophandel met u vanwege de veelheid uwer werken ; met smaragden, purper en gestikt werk en zijde en ra-rnoth en kadkod handelden zij op uwe markten. 17 Juda en het land Israels die waren uwe kooplieden; met tarwe van Minnith, en pannag, en honig, en olie, en balsem dreven zij onderlingen handel met u. 18 Damascus dreef koophandel met u om de veelheid uwer werken, vanwege de veelheid van allerlei goed, met wijn van Heibon en witte wol. 19 Ook leverden Dan en Ja-van, de omreizer, op uwe markten ; glad ijzer, kassia en kalmus was in uwen onderlingen koophandel. 20 Dedan handelde met u met kostelijke kleeden voor wagens. 21 Arabic en alle Vorsten van Ivedar die waren de kooplieden uwer hand; met lammeren en rammen en bokken, daarmede handelden zij met u. 22 De kooplieden van Scheba en Raëma waren uwe kooplieden; met alle hoofdspecerij en met ille kostelijk^ gesteente en goud handelden zij op uwe markten. 23 Har an en Kannu en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad handelden met u: 24 die waren uwe kooplieden met volkomen sieradiën, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schoone kleederen, gebonden met koorden en in cederJiout ge« pakt onder uwe koopmanschap. 25 De schepen van Tarsis zongen van u, v(ui7De(fe den onderlingen koophandel met u; en gij waart vervuld en zeer verheerlijkt in het hart der zeeën. |
EZECHIÃL 28.
949
|
26 Die \i roeien hebben n in groote wateren gevoerd: de oos-temvind heeft u verbroken in het hart der zeeën; 27 uw goed en nwe marlctwa-ren, nw^ onderlinge koop;iandeI, uwe zeelieden en uwe schippers, die uwe breuken verbeteren en die ouderlingen handel met u drijven, en alle uwe krijgslieden die in u zijn, zelfs met uwe gansche gemeente die in liet midden van u is, zullen vallen in het hart der zeeën ten dage uwb vals. 28 Van het geluid des ge-schreeuws uwer schippers zullen de voorsteden beven; 20 en allen die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hunne schepen nederklimmen, op het land zullen zij blijven staan: 30 en zij zullen hunne stem over n laten hooien en bitterlijk schreeuwen, en zij zullen stof op hunne hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de asch; 31 en zij zullen zich oyer u gansch kaal maken en zakken aangorden, en zullen over u wecnen niet bitterheid der ziele en bittere rouwklage; 32 en zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen en over u weeklagen, r.r{Kiende: Wie is geweest als Tyrns, als. de uitgeroeide in het midden der zee? 33 Als uwe marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt gij vele volken verzadigd, met de veelheid uwer goederen en uwen onderlingen koophandel hebt gij de Koningen der aarde rijk gemaakt. 34 Ten tijde dat gij uit de zeeën verbroken zijt in de diepten der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uwe gansche gemeente in 't midden van u gevallen. 35 Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hunnen Koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht. |
30 De handelaars onder de volken fluiten_ u aan; gij zijt een groote schrik ge warden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. HOOFDSTUK 28. Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, zeg tot den Arorst van Tyrus: Zóó zegt de Heere Heeke: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Gods stoel in liet hart der zeeën; â terwijl gij een mensch en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart als Gods hart. 3 Zie, gij zijt wijzer dan Daniël, zij hebben niets dat toegesloten is voor u verborgen; 4 door uwe wijsheid en door uw verstand hebt gij vermogen voor u verkregen, ja, gij hebt goud en zilver verworven in uwe schatten; 5 door de grootheid uwer wijsheid in uwen koophandel hebt gij uw verinogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen. 6 Daarom zegt de Heere Heehid alzóó: Omdat gij uw hartgesteld hebt als Gods hart, 7 daarom zie, ik zal vreemden over u brengen, de geweldigste der heidenen; die zullen hunne zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uwen glans ontheiligen: 8 ter groeve zullen zij u doen nederdalen, en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het harte der zeeën. 9 Zult gij dan wellicht voor het aangezicht uws doodslagers zeggen: Ik ben God, daar gij een mensch zijt en geen God, in de hand desgenen die n verslaat? 10 Gij zult den dood der on-besnedenen sterven door de hand der vreemden; want ik heb het gesproken spreekt de Heere Heere. 11 Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 12 Menschenkind, hef een |
EZECHIÃL 29.
950
|
klaaglied aan over den Koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zóo zegt de Heere Heere; Gij ver-zegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid, 13 gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardissteenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonyxsteenen, en jaspisstee-nen, saffieren, robijnen en smaragden en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt waren ze bereid. 14 Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub, en ik had u al zoo gezet; gij waart op Gods heiligen berg, gij wandeldet in het midden der vurige steenen; 15 gij waart volkomen in uwe wegen van den dag af dat gij geschapen zijt: totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. 1G Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub, verdoen uit het midden der vurige steenen. 17 Uw hart verheft zich over uwe schoonheid, gij hebt uwe wijsheid bedorven vanwege uwen glans; ik heb u op de aarde henengeworpen, ik heb u voor het aangezicht der Koningen gesteld om op u te zien.^ 18 Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uwe heiligdommen ontheiligd; daarom heb ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en ik heb u gemaakt tot asch op de aarde voor de oogen aller dergenen die u zien. 19 Allen die u kennen onder de volken zijn over u ontzet, gij zijt een groote schrik geworden, en zult er niet metr zijn tot in eeuwigheid. 20 Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: |
21 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen Sidon en profeteer tegen haar, 22 en zeg: Zóó zegt de Heere Heere: zie, ik wil aan u, o Si-don, en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten _ dat ik de Heerk ben, als ik gerichten in haar zal hebben geoefend en in h'aar geheiligd zal zijn. 23 Want ik zal de pestilentie in haar zenden; en bloed in hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar» door het zwaard dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten dat ik de Heere ben. 24 En het huis Israels zal geen smartenden doorn nog weedoende distel meer hebben, van allen die rondom hen zijn, die hen berooven: en zij zullen weten dat ik de Heere Heere ben. 25 Alzóo zegt de Heere Heere : Als ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken onder dewelke zy verstrooid zijn, en ik onder hen voor de oogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen dat ik aan mijnen knecht, aan Jakob, gegeven heb: 26 en zij zullen daarin zéker wonen en huizen bouwen en wijngaarden planten, ja, zij zullen zéker wonen, als ik gerichten zal hebben geoefend tegen alle dio hen beroofd hebben, van degenen die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat ik de Heere hun God ben, HOOFDSTUK 29. In het tiende jaar in de tiende maand op den twaalfde der maand geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen Farao den Koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen het gansche Egypte; 3 spreek en zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik wil aanu, o^ Farao, Koning van Egypte, dien groot en zeedraak die in het midden zijner rivieren ligt, die daar zegt: Mijne rivier is mijn |
E ZE CHI ÃL 29.
951
|
en ik heb voor mij gemaakt; 4 maar ik zal haken in uwe kaken doen, en de visschenuwer rivieren aan uwe schubben doen kleven, en ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en alle de visschen uwer rivieren zullen aan uwe schubben kleven; 5 en ik zal u verlaten in de woestijn^ u en alle de visschen uwer rivieren; op het open veld zult gij vallen, gij zult niet verzameld noch vergaderd worden; aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb ik u ter spijze gegeven. 6 En alle de inwoners van Egypte zullen weten dat ik de Heere ben, omdat zij den huize Israi ls een rietstaf geweest zijn: 7 als zij u bij uwe hand grepen, zoo werdt gij gebroken en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zoo werdt gii ver-verbroken en liet alle lendenen op zich zelve staan. 8 Daarom zóó zegt de Heere Heeke; Zie, ik zal het zwaard over u brengen en ik zal uit u mensch en beest uitroeien; 9 en Egypteland zal worden tot eene wildernis en woestheid, en zij zullen weten dat ik de Heere ben; omdat hij zegt: De rivier is mijn, en ik heb die gemaakt. 10 Daarom zie, ik wil aan u en aan uwe rivier, en ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van den toren van Syëne af tot aan de land-pale van Moorenland. 11 Geen menschenvoet zal door hetzelve doorgaan en geen beestenvoet zal door hetzelve doorgaan, en het zal veertig jaar onbewoond zijn; 12 want ik zal Egypteland stellen tot eene verwoesting in het midden der verwoeste lauden, en zijne steden zullen eene woestheid zijn in het midden der verwoeste steden, veertig jaar; en ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen en zal zever-spreiden in de landen. 13 Maar zóó zegt de Heere |
Heere : Ten einde van veertig jaar zal ik de Egyptenaars vergaderen uit de volken waarhenen zij verstrooid zijn geworden» 14 en ik zal de gevangenis der Egyptenaren wenden, en hen wederbrengen in het land Pa-thros, in het land huns koophandels, en aldaar zullen zij een nederig koninkrijk zijn; 15 en het zal nederiger zijn dan de^ andere koninkrijken, en zich niet meer verhellen boven de heidenen ; want ik zal ze verminderen, dat zij niet zullen heerschen over de heidenen; 16 en het zal den huize Israëls niet meer zijn tot een vertrouwen dat der ongerechtigheid doe gedenken, wanneer zij naar henlieden omzien; maar zij zullen weten dat ik de Heere Heere ben. 17 Voorts gebeurde het in het zevenentwintigste jaar in de eerste maand op den eerste der maand, dat het Woord des Hee-ben tot mij geschiedde, zeggende; 18 Menschenkind, Nebukad-rezar, de Koning van Babel heeft zijn heir eenen grooten dienst doen dienen tegen Tyrus: alle hoofden zijn kaal geworden en alle zijden zijn uitgeplukt, en noch hij noch zijn heir heeft loon gehad vanwege Tyrus voor den dienst dien hij tegen haar gediend heeft. 19 Daarom zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal Nebukadrezar den Koning van Babel Egypteland geven; en hij zal deszelfs menigte^ wegvoeren en deszelfs buit buitmaken en deszelfs roof rooven, en het zal het loon zijn voor zijn heir: 20 tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor mij gewrocht hebben, spreekt de Heere Heere. 21 Te dien dage zal ik den hoorn van het huis Israëls doen uitspruiten, en u opening deamp; monds geven in het midden van. hen; en zij zullen weten dat ik de Heere ben. |
EZECHIÃL 30.
|
HOOFDSTUK 20. Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, profeteer en zeg; Zóó zegt^ de lieere Heere : Huilt: Acl), die dag! 3 Want do dag is nabij, ja, de dag des Heeren is nabij, een â wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn, 4 en het zwaard zal komen in Egypte, en daar zal groote smart zijn in Moorenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen hare menigte â wegnemen, en hare fundamenten zullen verbroken worden: 5 Moorenland, en Tut.enLud, en al de gemengde hoop, en Kub, en de kinderen van het land des verbonds zullen met hen vallen door het zwaard. 6 Zóó zegt de Heere : Ja, zij zullen vallen die Egypte ondersteunen, en de hoovaardij harer sterkte zal nederdalen: van den .toren van Syëne af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heere Heere; 7 en zij zullen verwoest worden in het midden der verwoeste landen, en hare steden zullen zijn in het midden der verwoeste steden; 8 en zij zullen weten dat ik de Heeüe ben, als ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en alle hare helpers zullen verbroken â worden. 9 Te dien dage zullen er boden van voor mijn aangezicht in schepen uitvaren om het zorgelooze Moorenland te verschrikken, en daar zal groote smart bij hen .z:ju, als in den dag van Egypte; want zie, het komt aan. 10 Zóó zegt de Heere Heere: Ja, ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand Ne-Imkadrezars des Konings van Babel; 11 hij, en zijn volk niet hem, de geweldigste der heidenen, zullen aangevoerd worden om het ïand te verderven, en zij zullen hunne zwaarden tegen Egypte uittrekken en het land met verslagenen vervullen; |
12 en ik zal de rivieren iot droogte maken, en het land verknopen in do hand der boozen, en ik zal het land met zijne volheid verwoesten door de hand der vreemden: ik de Heere heb het gesproken. 13 Zóó zegt de Heere Heere: Ik zal ook de drekgoden verdoen en de nietige afgoden doen verdwijnen uit Nof; en er zal geen Vorst meer zijn uit Egypteland, en ik zal eene vreeze in Egypteland stellen. 14 En ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen inZoan, en ik zal gerichten oefenen in No. 15 En ik zal mijne grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en ik zal de menigte van No uitroeien. 1G En ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer groote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn. 17 De jongelingen van Aven en Pibéseth zullen door het zwaard vallen, en de doeljlcrs zuilen gaan in de gevangenis. 18 En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als ik het juk van Egypte aldaar zal verbreken, en de hoovaardij harer sterkte in haar zal ophouden; haar zal eene wolk bedekken, en hare dochters zullen gaan in do gevangenis. 19 Alzoo zal ik gerichten oefenen in Egypte, en zij zullen weten dat ik de Heere ben. 20 Ook gebeurde het in het elfde jaar in de eerste maand op den zevende der maand, dat het Woord^ de3 Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 21 Menschenkind, ik heb den arm van Farao den Koning van Egypte verbroken, en zie, hij zal niet verbonden worden met pleisters op te loggen,meteenen windeldoek aan te doen om dien te verbinden, om dien te sterken dat hij het zwaard houde. 22 Daarom zegt de Heere Heere alzoo rZie, ik icil aan Farao den Koning van Egypte, en zal zijne armen verbreken, beide den sterke |
EZEOHIÃL 31.
953
|
en den verbrokene, en ilc zal het zwaard uit zijne band doen vallen; 23 en ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen en zal ze verspreiden in de lauden. 24 En ik zal de armen des Ko-nings van Babel sterken, en mijn zwaard in zijne hand geven; maar Farao's armen zal ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen gelijk eendoo-delijk verwonde kermt. 25 Ja, ik zal de armen des Ko-nings van Babel sterken, maar Farao's armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten dat ik de Heere ben, als ik mijn zwaard in de hand des Konings van Babel zal hebben gegeven, en hij hetzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt. 26 En ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen en zal ze verspreiden in de landen: alzóó zullen zij weten dat ik de Heeue ben. HOOFDSTUK 31. Het gebeurde ook in het elfde jaar in de derde maand op den eerste der maand, dat des Hee-hex Woord tot mij geschiedde, zeggende: 2 Menschenkind, zeg tot Farao den Koning van Egypte, en tot zijne menigte: quot;Wien zijt gij gelijk in uwe grootheid? 3 Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof en hoog van stam; en zijn top was tus-schen dichte takken. 4 De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijne stroo-men rondom zijne planting, en zond zijne waterleidingen uit tot alle boomen des velds. 5 Daarom werd zijn stam hooger dan alle boomen des velds, en zijne takjes werden menigvuldig en zijne scheuten lang vanwege de groote wateren, als hij uitschoot. G Alle vogelen des hemels nestelden op zijne takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijne scheuten; en alle groote volken zaten onder zijne schaduw. |
7 Alzoo was hij schoon in zijne grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan groote wateren was. 8 De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de denne-boomenwaren aan zijne takken niet gelijk, en de kastanjeboomen waren niet gelijk zijne scheuten: geen boom in Gods hof was hen gelijk in zijne schoonheid; 9 ik had hem zóó schoon gemaakt door de veelheid zijner takken,^ d.at alle boomen van Eden die in Gods hof waren hem benijdden. 10 Daarom zóó zegt de Heero Heeue : Omdat gij u verheven hebt over turen stam, ja, hij stak zijnen top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijne hoogte: 11 daarom gaf ik hem in de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zoude handelen: ik dreef hem uit om zijne goddeloosheid. ^ 12 En vreemden, de geweldigste ! der heidenen, roeiden hem uit ea i verlieten hem; zijne takken vie-| lep. op de bergen en in alle val-! leien, en zijne scheuten werden verbroken bij alle stroomen des lands; en alle volken der aarde gingen weg uit zijne schaduwen verlieten hem, 13 alle vogelen des hemels woonden op zijnen omgevallen stam, en alle dieren des veld» waren op zijne scheuten: 14 opdat zich geene waterrijke boomen verhelfen over hunnen stam, en hunnen top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geene hoornen die water drinken op zich zelve staan vanwege hunne hoogte; want zij zijn alle overgegeven ter dood tot het onderste der aarde, in het midden der menschenkinderen, tot degenen die in den kuil nederdalen. 15 Zóó zegt de Heere Heere: Ten dage als hij ter helle nederdaalde maakte ik een treuren, ik bedekte om zijnentwil den af- |
EZECHIÃL 32.
1954
|
tgrond, _ en weerde de etroomen Tan dien, en de groote wateren werden geschud; en ik maakte den Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil omwonden. 16 Van het geluid zijns vals deed ik de heidenen beven, als ik hem ter helle deed nederdalen met degenen die in den kuil nederdalen; en alle boomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle toornen die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde; 17 deze daalden ook met hem neder ter helle,' tot de verslagenen door het zwaard, en die zijn arm geweest waren, die onder zijne schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden. 18 Wien zijt gij alzoo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de boomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de boomen van Eden tot het onderste der aarde: in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao en zijne gansche menigte, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 32. Het gebeurde ook in het twaalfde jaar in de twaalfde maand op den eerste der maand, dat het Woord des Heeren tot mij ge--schiedde, zeggende; _ 2 Menschenkind, hef een klaaglied aan over Farao den Koning van Egypte, en zeg tot hem; Gij waart eenen jongen leeuw onder de heidenen gelijk, en gij waart als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uwe rivieren, en beroerdet het water met uwe voeten en vermodderdet hunne rivieren. 3 Al zóó zegt de Heere Heebe: Ik zal daarom mijn net over u uitspreiden door eene vergadering van vele^ volken ; die zullen u optrekken in mijn garen. 4 Dan zal ik u laten op het land, ik zal u henenwerpen op 2iet open veld, en ik zal al het .gevogelte des hemels op u doen wonen, en het gedierte der gan-sche aarde van u verzadigen; |
5 en ik zal uw vleesch henen geven op de bergen, en de dalen met uwe hoogheid vervullen; 6 en ik zal het land waarin gij zwemt van uw bloed drenken tot aan de bergen, en de stroomen zullen van u vervuld worden. 7 En als ik u zal uitblusschen, zal ik den hemel bedekken en zijne sterren zwart maken,ik zal de zon met wolken bedekken,en de maan zal haar licht niet laten lichten: 8 alle lichtende lichten aan den hemel die zal ik om uwentwil zwart maken, en ik zal eene duisternis over uw land maken, spreekt de Heere Heere. 9 Daartoe zal ik het hart van vele volken bekommerd maken, als ik uwe verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen die gij niet gekend hebt; 10 en ik zal maken dat zich vele volken over u ontzetten, en hunnen Koningen zullen de haren over u te berge staan, als ik mijn zwaard zal zwaaien voor hunne aangezichten; en zij zullen elk oogenblik sidderen, een ieder voor zijne ziele, ten dage uws vals. 11 Want zóó zegt de Heere Heeke: Het zwaard desKonings van Babel zal over u komen. 12 Ik zal uwe menigte vellen door de zwaarden der helden, die al te zamen de geweldigste der heidenen zijn; die zullende hoovaardr van Egypte verstoren, en hare gansche menigte zal verdelgd worden. 13 En ik zal alle hare beesten verdoen van bij de groote wateren, en geen merischenvoet zal ze meer beroeren en geene beestenklauwen zullen ze beroeren. 14 Dan zal ik hunne wateren doen zinken, en ik zal hunne rivieren doen gaan als olie, spreekt de Heere Heere: 15 als ik Egypteland zal hebben gesteld tot eene verwoesting^. |
EZECHIÃL 32.
955
|
en het land van zijne volheid zal woest zijn geworden, als ik geslagen zal hebben allen die daarin wonen; alzoo zullen zij weten dat ik de Heere ben. 16 Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen, de dochteren der heidenen zul; len het klagelijk zingen, zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over hare gansche menigte, spreekt de Heere Heere. 17 Voorts gebeurde het in het twaalfde jaar op den vijftiende der maand dat het Woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 18 Menschenkind, weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen (haar en de dochteren der prachtige heidenen) in de onderste plaatsen der aarde, bij degenen die in den kuil zijn nedergedaald. 19 Boven wien zijt gij liefelijk? Daal neder en leg u bij de on-besnedenen. 20 In het midden der verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven: trekt ze henen met al hare menigte. 21 De machtigste der helden zullen hem met zijne helpers toespreken uit het midden der hel; zij zijn nedergedaald, de on-besnedenen liggen er verslagen van het zwaard. 22 Daar is Assur met zijnen ganschen hoop, zijne graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard; 23 welks graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en zijn hoop is rondom zijn graf: zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die eenen schrik gaven in het land der levenden. 24 Daar is Elam met zijne gansche menigte rondom zijn graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot de onderste plaatsen der aarde, die hunnen schrik hadden gegeven in het land der levenden: nu dragen zij hunne schande met degenen die in den kuil zijn nedergedaald. |
25 In het midden der verslagenen hebben zij hem eene legerstede gesteld onder zijne gansche menigte, rondom hem zijn zijne graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik van hen gegeven is in het land der levenden: nu dragen zij hunne schande met degenen die in den kuil zijn nedergedaald; hij is gelegd in het midden der verslagenen. 26 Daar is Mesech en Tubal, met zijne gansche menigte; rondom hem zijn zijne graven ; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat zij hunnen schrik gegeven hebben in het land der levenden. 27 Maar zij liggen niet met de helden die onder de onbesnede-nen gevallen zijn, die ter helle zijn nedergedaald met hunne krijgswapenen, en welker zwaarden men gelegd heeft onder hunne hoofden: welker ongerechtigheid nochtans op hunne beenderen is, omdat der helden schrik in het land der levenden geweest is. 28 Gij ook zult verbroken worden in het midden der onbesnedenen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard. 29 Daar is Edom, zijne Koningen en alle zijne Vorsten, die met hunne macht gelegd zijn bij de verslagenen van het zwaard, deze liggen met de onbesnedenen en met degenen die in den kuil zijn nedergedaald. 30 Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniërs die met de verslagenen zijn nedergedaald, beschaamd zijnde vanwege hunnen schrik die uit hunne macht voort-kxeam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hunne schande met degenen die in den kuil zijn nedergedaald. 31 Farao zal hen zien, en zich troosten over zijne ganscho |
|
956 EZECE Dienigte, de verslagenen van liet zwaard. Farao en zijn gansche heir, spreekt de Heero^ Heere. 32 Want ik heb óók mijnen schrik gegeven in het land der levenden; dies zal hij gelegd worden in het midden der onbe-snedenen, bij de verslagenen van het zwaard, Farao en zijne gansche menigte, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 33. En des Heeren Woord ge-Echiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, spreek tot de kinderen nws volks en zeg tot hen: Wanneer ik het zwaard over eenig land breng, en het volk des^ lands eenen man uit hunne einden nemen en dien voor zich tot eenen wachter stellen; 3 en hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin en waarschuwt het volk; 4 en een, die het geluid der bazuin ^ hoort, icel hoort maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd; 5 hij hoorde het geluid der bazuin maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij die zich laat waarschuwen behoudt zijne ziel. G Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen en ; blaast niet met de bazuin, zoodat het volk niet is gewaarschuwd, en het zwaard komt en neemt eene ziele uit hen weg, â: die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal ik van de hand des wachters eischen. 7 Gij nu, o menschenkind, ik Leb u tot eenen wachter gesteld over het h';is Israels, zoo zult gij het woord uit mijnen mond hooren en hen van mijnentwege waarschuwen. 8 Als ik tot den goddelooze zeg: O goddelooze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet om den goddelooze van zijnen weg af te manen, â die goddelooze zal in zijne ongerechtigheid |
[ÃL 33. sterven, maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen. 9 Maar als gij den goddelooze van zijnen weg afmaant, dat hij zich van dien bekeere, en hij zich van zijnen ^weg niet bekeert: zoo zal hij in zijne ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uwe ziele bevrijd. 10 Daarom gij menschenkind, zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten; ho© zouden wij dan leven? 11 Zeg tot hen: Zoo ic aar ach tig als ik leve, spreekt de Heere Heere, zoo ik lust heb in den dood des goddeloozen! Maar daarin heh ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels? 12 Gij dan, o menschenkind, zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding, en aangaande de goddeloosheid dea goddeloozen, hij zal om dezelve niet vallen ten dage als hij zich van zijne goddeloosheid bekeert, en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door deze zijne gerecJi-iiglieid ten dage als hij zondigt. 13 Als ik tot den rechtvaardige zeg dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijne gerechtigheid vertrouwt en onrecht doet, zoo zal aan alle zijne gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht dat hij doet, daarin zal hij sterven. 14 Als ik ook tot den goddelooze zeg: Gij zult den dood sterven, en hij zich van zijne zonde bekeert en recht en gerechtigheid doet; 15 geeft de goddelooze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zoodat hij geen onrecht doet, â hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven; 16 alle zijne zonden die hij |
EZECHIÃL 34.
957
|
gezondigd heeft zullen hem niet toegerekend worden, hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven. 17 Toch zeggen de kir deren uws volks: De weg des Hoeren is niet recht â terwijl hun eigen weg niet recht is. 18 Als do rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, zoo zal hij daarin sterven: 19 en als de goddelooze zich bekeert van zijne goddeloosheid en doet recht en gerechtigheid, zoo zal hij daarin leven: 20 toch zegt gij: De weg des Heeren is niet recht! Ik zal nlieden richten een ieder naar zijne wegen, o huis Israels. 21 En het geschiedde in het twaalfde jaar^ onzer gevankelijke wegvoering, in do tiende maand op den vijfde der maand, dat er een tot mij kwam die van Jeru-zalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. 22 Nu was de hand des Heeren op mij geweest des avonds eer die ontkomene kwam en had mijnen mond opengedaan totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzoo werd mijn mond open gedaan en ik was niet meer stom. 23 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 24 Menschenkind, de inwoners van die woeste plaatsen in liet land Israëls spreken, zeggende: Abraham was een éénig manden bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen: het land is ons gegeven tot eeno erfelijke bezitting. 25 Daarom zeg tot hen: Zóó zegt de Heere Heere: Gij eet vleesch met het bloed, en heft uwe oogen op tot uwe drekgoden, en vergiet bloed: en zoudt gij het land erfelijk bezitten? 26 Gij slaat op ulieder zwaard, gij doet gruwel en verontreinigt een ieder de huisvrouw zijns naasten: en zoudt gij het land erfelijk bezitten? |
27 Alzóó zult gij tot hen zeggen: De Heere Heere zegt alzóó: Zoo waarachtig als ik leve, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zoo ik niet dien die in het open veld is het wild gedierte overgeve dat het hem verslinde, en die in de vestingen en in de spelonken zijn door de pestilentie zullen sterven! 28 quot;Want ik zal het land tot eene verwoesting en eenen schrik stellen, en de hoovaardij zijner sterkte zal ophouden, en de bergen Israëls zullen woest zijn dat er niemand overgaat: 29 dan zullen zij weten dat ik de Heere ben, als ik het land toé eene verwoesting en eenen schrik zal gesteld hebben, om alle hunne gruwelen die zij gedaan hebben. 30 En gij, o menschenkind, de kinderen uws volks die spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen, en de één spreekt met den ander, een iegelijk met zijnen broeder, zeggende: Komt toch en hoort wat het woord zij dat van den Heere voortkomt; 31 en zij komen tot u gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als mijn volk, en hooren uwe woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkoozingen met hunnen mond, maar hun hart wandelt hunne gierigheid na. 32 En zie, gij zijt hun als een lied der minne, als een die schoon van stem is of die wel speelt; daarom hooren zij uwe woorden, maar zij doen ze niet. 33 Maar als dat komt, (zie, liet zal komen), dan zullen zij weten dat er een Profeet in 't midden van hen geweest is. HOOFDSTUK 34. En des Heeren Woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, profeteer tegen de herders Israëls, profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzóó zegt de Heere Heere: Wee den herderen Israëls, die zichzelven weiden! Zullen niet de herders de schapen weiden? 3 Gij eet het vette en bekleedt u met de wol, gij slacht het ge- |
|
S58 EZMCH meste, maar de schapen weidt gij niet; 4 de zwakken sterkt gy niet, en liet kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerscht over hen met strengheid en met hardheid. 5 Alzoo zijn ze verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn al het wild gedierte desveldstot spijze geworden, dewijl ze verstrooid waren. 6 Mijne schapen dolen op alle bergen en op allen hoogen heuvel, ja, mijne schapen zijn verstrooid op den ganschen aardbodem, en daar is niemand die er naar vraagt en niemand die ze zoekt. 7 Daarom gij herders, hoort des Heeren Woord: 8 Zoo waarachtig ah ik leve, spreekt de Heere Heere, zoo ik niet! Omdat mijne schapen geworden zijn tot eenen roof, en mijne schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is en mijne herders naar mijne schapen niet vragen, en de herders weiden zichzelven maar mijne schapen niet weiden: 9 daarom gij herders, hoort des Heeren Woord. 10 Alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik wil aan de herders, en zal mijne schapen van hunne hand eischen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zoodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden ; en ik zal mijne schapen uit hunnen mond rukken, zoodat ze hun niet meer tot spijze zullen zijn. 11 Want zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik, ja, ik zal naar mijne schapen vragen en zal ze opzoeken; 12 gelijk een herder zijne kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzóó zal ik mijne schapen opzoeken, en ik zal ze redden uit alle de plaatsen waarhenen zij verstrooid zijn ten dage der wolke ©n der donkerheid; |
IEL 34. 13 en ik zal ze uitvoeren van de volken en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land, en ik zal ze weiden op de bergen Israels, bij de stroomen en in alle bewoonbare plaatsen des lands; 14 op eene goede weide zal ik ze weiden, en op de hooge bergen Israëls zal hunne kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in eene goede kooi, en zullen weiden in eene vette weide, op de bergen Israels. 15 Ik zal mijne schapen weiden, en ik zal ze legeren, spreekt de Heere Heere; 1G het verlorene zal ik zoeken, en het weggedrevene zal ik we-derbrengen, en het gebrokene zal ik verbinden, en het kranke zal ik sterken; maar het vette en het sterke zal ik verdelgen, ik zal ze weiden met oordeel. 17 Want gij, o mijne schapen, de Heere Heere zegt alzóó: Zie, ik zal richten tusschen klein vee en klein vee, tusschen de rammen en de bokken. 18 Is het u te weinig dat gij de goede weide afweidt, zult gij nog het overige uwer weiden met uwe voeten vertreden? En zult gij de bezonken wateren drinken, en de overgelatene met uwe voeten vermodderen? 19 Mijne schapen dan, zullen zij afweiden wat met uwe voeten vertreden is, en drinken wat met uwe voeten vermodderd is? 20 Daarom zegt de Heere Heere alzóó tot hen: Zie, ik, ja, ik zal richten tusschen het vette klein vee en tusschen het magere klein vee. 21 Omdat gij alle de zwakken met de zijde en met den schouder verdringt, en met uwe hoornen stoot, totdat gij dezelve naar buiten toe verstrooid hebt, 22 daarom zal ik mijne schapen verlossen, dat ze niet meer tot eenen roof zullen zijn; en ik zal richten tt.sschen klein vee en klein vee. 23 En ik zal eenen éénigen Herder over hen verwekken, en hij zal ze weiden, namelijk mijn |
EZECHIÃL 35.
959^
|
knecht David; die zal ze quot;weiden en die zal hun tot eenen Herder zijn; 24 en ik de Heere zal hun tot eenen God zijn, en mijn knecht David zal Vorst zijn in her, midden van hen: ik de Heere heb het gesproken. 25 En ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zéker -wonen in de woestijn en slapen in de wouden. 26 Want ik zal dezelve, en de plaatsen rondom mijnen heuvel, stellen tot een zegen; en ik zal den plasregen doen nederdalen in zijnen tijd, plasregens van zegen zullen er zijn. 27 En het geboomte des velds zal zijne vrucht geven, en het land zal zijne inkomst geven, en zij zullen zéker zijn in hun land, en zullen weten dat ik de Heere ben als ik de disselboomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen die zich van hen deden dienen. 28 En zij zullen den heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden; maar zij zullen zéker wonen, en daar zal niemand zijn die ze verschrikt. 29 En ik zal hun eene plant van naam verwekken; en zij zuilen niet meer -weggeraapt worden door honger in het land, en den smaad der heidenen niet meer dragen; 30 maar zij zullen weten dat ik, de Heere hun God, met hen ben, en dat zij mijn volk zijn, liet huis Israels, spreekt de Heere Heere. _ 31 Gij nu, o mijne schapen, schapen mijner weide, gij zijt menschen, maar ik ben uw God, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 35. Wijders geschiedde des Hee-ren Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr en profeteer tegen hetzelve, |
3 en zeg tot hetzelve: Alzóó zegt de Heere Heere : Zie, ik wil aan u, o gebergte Seïr, en ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en zal u stellen tot eene verwoesting en eenen schrik; 4 ik zal uwe steden stellen tot eenzaamheid, en gij zult eene verwoesting worden, en zult weten dat ik de Heere ben. 5 Omdat gij eene eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen Israels doen wegvloeien door het geweld deszwaards,ten tijde huns verderfs, ten tijde der uiterste ongerechtigheid, 6 daarom zoo waarachtig oZsik leef, spreekt de Heere Heere, ik zal u voorzeker ten bloede bereiden en het bloed zal u vervolgen; alzoo gij het bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen. 7 En ik zal het gebergte Seïr tot de uiterste verwoesting stellen, en ik zal uit hetzelve uitroeien _ dien die er doorgaat en dien die wederkeert; 8 en ik zal zijne bergen met zijne verslagenen vullen: uwe heuvelen en uwe dalen en alle uwe stroomen, in dezelve zullen de verslagenen van het zwaard liggen; y tot eeuwige verwoestingen zal ik u stellen, en uwe steden zullen niet bewoond worden; alzoo zult gij weten dat ik de Heere ben. 10 Omdat gij zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, al schoon de Heere daar ware: 11 daarom zoo icnarachtig ah ik leef, spreekt de Heere Heere, ik zal ook handelen naar uwen toorn en naar uwe nijdigheid, die gij uit uwen haat tegen hen hebt te werk gesteld; en ik zal bij hen bekend worden, wanneer ik u zal gericht hebben. 12 En gij zult weten dat ik, de Heere, alle uwe lasteringen gehoord heb, die gij tegen de bergen Israels gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons ter spijze gegeven. 13 Alzoo hebt gij u met uwen. |
EZECHlfiL 36.
9C0
|
mond tegen mij groot gemaakt en uwe woorden tegen mij vermenigvuldigd : ik heb het gehoord. 14 Alzóó zegt de Heere Heere : Gelijk het gansche land verblijd is, a/200 zal ik u de verwoesting aandoen. 15 Gelijk gij u verblijd hebt over de erfenis des huizes Israels, omdat ze verwoest is, alzóó zal ik aan u doen: het gebergte Seïr ön gansch Edom zal geheel eene verwoesting worden, en zij zullen weten dat ik de Heere ben. HOOFDSTUK 36. En gij, menschenkind, profeteer tot de bergen Israels en zeg: Gij bergen Israels, hoort des Heeren Woord; 2 alzóó zegt de Heere Heere: Omdat de vijand van u zegt: Ha! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden: 3 daarom profeteer en zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Daarom omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, opdat gij voor het overblijfsel der heidenen ten erve zoudt zijn, en gij gebracht zijt op de klapachtige lip en in opspraak des volks: 4 daarom gij bergen Israels, hoort het Woord des Heeren Heeren; zóó zegt de Heere Heere tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stroomen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaat-een en tot de verlaten steden, die tot eenen roof en tot eenen spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen die rondom zijn: 5 daarom zóó zegt de Heere Heere: Zoo ik niet in het vuur mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der heidenen en tegen het gansche Edom, die mijn land zichzelven ten erve gegeven hebben, met blijdschap des gan-pchen harten, met begeerige plundering, opdat de landerijen daarvan ten roof zouden zijn ! 6 Daarom profeteer van het land Israels, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stroomen en tot de dalen: Zóó zegt de Heere Heere; Zie, ik heb in mijnen ijver en in mijne grimmigheid gesproken, omdat gij den smaad der heidenen gedragen hebt: |
7 daarom zóó zegt de Heere Heere: Ik heb mijne hand opgeheven: zoo niet de heidenen die rondom u zijn, zelve hunne schande zullen dragen! 8 Maar gij, o bergen Israels, gij zult weder uice takken geven en uwe vrucht voor mijn volk Israels dragen, want zij zullen weldra komen. 9 Want zie, ik ben bij u en ik zal 11 aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden; 10 en ik zal menschen op u vermenigvuldigen, het gansche huis Israels, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond en do eenzame plaatsen bebouwd worden. 11 Ja, ik zal menschen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en ik zal u doen bewonen als in uwe vorige tijden, ja, ik zal het beter maken dan in uwe beginselen, en gij zult weten dat ik de Heere ben. 12 En ik zal menschen op u doen wandelen, namelijk mijn volk Israels; die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun tot erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer berooven. 13 Zóó zegt de Heere Heere: Omdat zij tot u zeggen: Gij zijt een land dat menschen opeet, en gij zijt een land dat uwe volken berooft: 14 daarom zult gij niet meer menschen opeten, en uwe volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere Heere; 15 en ik zal maken dat men den schimp der heidenen niet meer over u hoore, en^ gij zult den smaad der natiën niet meer dragen, en gij zult uwe volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere Heere. 1G Wijders geschiedde des Heeren quot;NVoord tot mij, zeggende: 17 Menschenkind, het huis Israels, als zij in hun land woon- |
|
der, toen verontreinigden zij hetzelve mefc hunnen weg en met j hnnne handelingen, hun -weg was voor# mijn aangezicht als de onreinheid eener afgezonderde vrome. 18 Daarom goot ik mijne grim-micheid over hen uit, o n des bloeds wille dat zij in hel land vergoten hadden, en om hunne drekgoden icaarmede zij dat verontreinigd hadden; _ 19 en ik verstrooide ze onder de heidenen en zij werden verspreid in de landen': ik oordeelde ze naar hunnen weg en naar hunne handelingen. 20 Als zij nu tot de heidenen kwamen waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij mijnen heiligen naam, omdat men van hen zeide: Deze zijn het volk des Heeren en zijn uitzijn land I uitgegaan. _ 21 Maar ik verschoonde Jtcii om mijnen heiligen naam, dien het huis Israels ontheiligde onder de heidenen waarhenen zij gekomen waren. 22 Daarom zeg tot het huis Israels: Zóó zegt de Heere Heeue: ïk doe het niet om uwentwil, gij huis Israels, maar om mijnen heiligen naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen waarhenen gij gekomen zijt. 23 Want ik zal mijnengrooten naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen wellen dat ik de Heere ben, spreekt de Heere Heere, als ik aan u voor hunne oogen zal geheiligd zijn. 24 Want ik zal u uit de heidenen balen en zal u uit alle de landen j vergaderen, en ik zal u in uw I land brengen. # 25 Dan zal ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden, i van alle uwe onreinheden en I van alle uwe drekgoden zal ik u ! | reinigen. 26 Eu ik zal u een nieuw hart i geven, en zal een nieuwen geest | geven in het binnenste van u; â en ik zal het steenen hart uit uw j |
05t vleesch wegnemen, en zal u een vleeschen hart geven. 27 En ik zal mijnen Geest geven in het binnenste van u, en ik zal maken dat gij in mijne inzettingen zult wandelen en mijne rechten zult bewaren en doen. 28 En gij zult wonen in het land dat ik uwen vaderen gegeven heb, en gij zult mij tot een volk zijn en ik zal u tot eenen God zijn. 29 En ik zal u verlossen van alle uwe onreinheden; en ik zal roepen tot het koren en zal dat vermenigvuldigen, en ik zal gee-nen honger op u leggen; 'óO en ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst des voids vermenigvuldigen, opdat gi.i de smaadheid des hougers niet meer ontvangt onder de heidenen. t»l Dan zult. gij gedenken aan uwe booze wegen en uwe handelingen die niet goed waren, en gij zult eene walging van u zelve hebben over uwe onge-rechligheden en over uwe gruwelen. 32 Ik doe het niet om uwentwille, spreekt de Heere Heeke, het zij u bekend- Schaamt u en wordt schaamrood van uwe wegen, gij huis Israels. 33 Alzóó zegt de Heere Heere; Ten dage als ik u reinigen zal van alle uwe ongerechtigheden: dan zal ik de steden doen bewonen en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden; 34 en het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het eene verwoesting was voor de oogen van een ieder die er doorgi ng; 35 en zij zullen zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden, en de eenzame en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond. 30 Dan zullen de heidenen die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten dat ik, de Heere, de verstoorde plaatsen bebouw en het verwoeste beplant; 31 E 7. bi O Tï 1à Ij |
EZECHIÃL 37.
962
|
ik de Heere heb het gesproken en zal het doen. 37 Alzóó zegt de Heere Heere : Daarenboven zal ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat ik het hun doe: ik zal ze vermenigvuldigen van menschen als schapen; 38 gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hunne gezette hoogtijden, alzóó zullen de eenzame steden vol zijn van menschenkudden, en zij zullen weten dat ik de Heere ben. HOOFDSTUK 37. De hand des Heeeen was op mij, en de Heere voerde mij uit in den Geest, en zette mij neder in het midden eenervallei: deze nu was vol beenderen; 2 en hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom, en zie, daar waren er zeer vele op den grond der vallei, en zie, zij waren zeer dor. 3 En hij zei de ^ot mij; Men-schenkind, zullen deze beenderen levend worden ? En ik zeide Heere Heere, gij weet hel. 4 Toen zeide hij tot mij : Profeteer over deze beenderen en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren Woord; 5 alzóó zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Zie, ik zal den geest in u brengen en gij zult levend worden; G en ik zal zenuwen op u leggen, en vlcesch op u doen opkomen, en eene huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten dut ik de Heere ben. 7 Toen profeteerde ik gelijk mij bevolen was, en daar werd een geluid als ik profeteerde, en zie, eene beroering; en de beenderen naderden tot elkander, elk been tot zijn been, 8 en ik zag, en zie, daar werden zenuwen op dezelve, en daar kwam vleesch op, en hij trok eene huid boven over dezelve, maar daar was geen geest in hen. |
9 En hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest, profeteer menschenkind, en zeg tot den geest: Zóó zegt de Heere Heere : Gij geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoo-den, opdat zij levend worden. 10 En ik profeteerde gelijk als hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hunne voeten, een gansch zeer groot heir. 11 Toen zeide hij tot mij: Menschenkind, deze beenderen die zijn het gansche huis Israëls ; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. 12 Daarom profeteer en zeg t®t hen: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal uwe graven openen en zal ulieden uit uwe graven doen opkomen, o mijn volk, en ik zal u brengen in het land Israëls; 13 en gij zult weten dat ik de Heere ben, als ik uwe graven zal hebben geopend en als ik u uit uwe graven zal hebben doen opkomen, o mijn volk; 14 en ik zal mijnen geest in u geven en gij zult leven, en ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten dat ik de Heere dit gesproken en gedaan heb, spreekt de Heere. 15 Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 1G Gij nu menschenkind, neem u een hout en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijne metgezellen; en neem een ander hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het gansche huis Israëls, zijne metgezellen. 17 Doe gij ze dan naderen het één tot het ander, tot een éénig hout; en zij zullen tot één worden in uwe hand. 18 En waaneer de kinderen uws volks tot i:. zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven wat u deze dingen zijn ? 19 zoo spreek tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal het hout van Jozef, dat in Efra-iins hand geweest is, en van de stammen Israëls, zijne metgezellen, nemen, en ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van |
|
EZECT Juda, en zal ze maken tot een éénig hout, en zij zullen één worden in mijne hand. 20 De houten nu op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uwehandziju voor ulieder oogen. 21 Spreek dan tot hen: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen ze in hun land; 22 en ik zal ze maken tot aen éénig volk in het land op de bergen Israëls, en zij zullen te za-men^ een en éénigen Koning tot Koning hebben, en zij zullen niet meer tot twee volken zijn noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn; 23 en zij zullen zich niet meer verontreinigen met hunne drekgoden en met hunne verfoeiselen en met alle hunne overtredingen, en ik zal ze verlossen uit alle hunne woonplaatsen in dewelke zij^ gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zoo zullen zij mij tot een volk zijn en ik zal hun tot eenen God zijn. 24 En mijn knecht David zal Koning over hen zijn, en zij zullen allen te zamen éénen Herder hebben; en zij zullen in mijne rechten wandelen, en mijne inzettingen bewaren en die doen. 25 En zij zullen wonen in het land dat ik mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hunne kinderen en hunne kindskinderen tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. 26 En ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en ik zal mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid; 27 en mijn Tabernakel zal bij hen zijn, en ik zal hun tot eenen God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn: |
I à L 38. 963 28 en de heidénen zullen weten dat ik de Heere ben, die Israël heilige, als mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid. HOOFDSTUK 38. Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind, zet uw aau-gezicht tegen Gog, het land van Magog, den Hoofdvorst van Me-sech en Tubal, en profeteer tegen hem, 3 en zeg: Zóó zegt de Heere Heere : Zie, ik wil aan u, o Gog, gij Hoofdvorst van Mesech en Tubal; 4 en ik zal u omwenden, en haken in uwe kaken leggen, en ik zal u uitvoeren, mitsgaders uw gansche heir, paarden en ruiteren die altemaal volkomen wel gekleed zijn, eene groote menigte met rondas en schild, die altemaal zwaarden handelen; 5 Perzen, Mooren en Puteërs met hen, die altemaal schild en helm voeren, G Gomer en alle zijne benden, het huis van Togarma aan de zijden van het Noorden, en alle zijne benden; vele volken metu. 7 Wees bereid en maak u gereed, gij en uwe gansche vergadering die tot u vergaderd zijn en wees gij hun tot eene wacht. 8 Na vele dagen zult gij bezocht worden, in het laatste der jaren zult gij komen in het land dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn: als dat land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij altemaal zéker zullen wonen, 9 dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als eene onstuimige verwoesting, gij zult zijn als eene wolk om het land te bedekken, gij en alle uwe benden, en vele volken met u. 10 Alzóó zegt de Heere Heere: Te dien dage zal het ook geschieden dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij |
|
564 EZECH zult eene kwade gedaclite denken, 11 en zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen _ tot degenen die in ruste zijn, die zéker wonen, die altemaal wonen zonder muur, «n geenen grendel noch deuren hebben; 12 om buit te buiten en om roof te rooven, om uwe hand te wenden tegen do woeste plaatsen die nu bewoond zijn, en tegen een volk dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands. 13 Scheba en Dedan en de kooplieden van Tarsis, en alle hare jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt gij om buit te buiten ? hebt gij uwe vergadering vergaderd om roof te rooven, om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een grooten buit te buiten? 14 Daarom profeteer, o men; echenkind, en zeg tot Gog: Zóó zegt de Heere Heere: Zult gij het te dien dage, als mijn volk Israël zéker woont, niet gewaar worden ? 15 Gij zult dan komen uit uwe plaats, uit de zijden van het Noorden, gij en vele volken met ii, die altemaal op paarden zullen rijden, eene groote vergadering en een machtig heir; 16 en gij zult optrekken tegen mijn volk Israël als eene wolk, om het land te bedekken: in het laatste der dagen zal het geschieden, dan zal ik u aanvoeren tegen mijn land, opdat de heidenen mij kennen, als ik aan u, o Gog, voor hunne ©ogen zal geheiligd worden. 17 Zóó zegt de Heere Heere: Zijt gij die van welken ik in vroeger dagen gesproken heb, door den dienst van mijne knechten de Profeten Israëls, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat ik u tegen hen zoude aanvoeren? 18 Maar het zal geschieden te dien dage, ten dage als Gog |
IÃL 39. tegen het land Israëls zal aan-komen, spreekt de Ileere Heere, dat mijne grimmigheid in mijnen neus zal opkomen. 19 Want ik heb gesproken in mijnen ijver, in het vuur mijner verbolgenheid: Zoo er niet te dien^ dage een Kroot beven zal zijn in het land Israëls, 20 zoodat voor mijn aangezicht beven zullen de vieschen der zee, en het gevogelte des hemels, en het gedierte des velds, en al het kruipend gedierte dat op het aardrijk kruipt, en alle menschen die op den aardbodem zijn; en de bergen zullen ncder-geworpen worden, en de steile plaatsen zullen nedervallen, en alle muren zullen ter aarde nedervallen; 21 want ik zal het zwaard over hem roepen op alle mijne bergen, spreekt de Heere Keere: het zwaard van een ieder zal tegen zijnen broeder zijn. 22 En ik zal^ met hem richten door_ pestilentie en door bloed, en ik zal eenen overstelpenden plasregen en groote hagelsteenen, vuur en zwavel regenen op hem en op zijne _ benden en op de vele volken die met hem zullen zijn: 23 alzoo zal ik mij groot maken en mij heiligen en bekend worden voor de oogen veler heidenen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben. HOOFDSTUK 39. Voorts gij menschenkind, profeteer tegen Gojr en zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik wiL aan u, o Gog, Hoofdvorst van Mesech en Tubal; 2 en ik zal n omwenden, en eenen zeshoak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het Noorden, en ik zal u brengen op de bergen Israëls. 3 Maar ik znl uwen boeg uit uwe linkerhand slaan, en ik znl uwe pijlen uit uwe rechterhand doen vallen. 4 Op de bergen Israëls zult gij vallen, gij en alle uwe benden en de volken die met u zijn; ik |
|
EZECI heb u don roofvogelen, de i gevogelte van allen vleugel en den gedierte des velds tot spijs gegeven. 5 Op het open veld zult gij vallen; want ik heb het geapro-ken, spreekt de Heere Heebe. G En ik zal een vuur zenden in Magog en onder degenen die in do eilanden zéker wonen, en zij zullen veten dat ik de Heere ben. 7 En ik zal mijnen heiligen naam in het midden mijns volks Israels bekend maken, en zal mijnen heiligen naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten dat ik de Heere ben, de Heilige in Israël. 8 Zie, het komt en zal geseliie-den, spreekt de Heere Heere; dit is de dag van welken ik gesproken heb. 9 En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zoo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zoo van handstokken als van spieeen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren, 10 zoodat zij geen hout uit het veld zullen dragen noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen berooven degenen die hen beroofd hadden, en plunderen die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere Heere. 11 En het zal te dien dage geschieden (lat ik Gog aldaar eene grafstede in Israël zal geven, het dal der dourgangers naar het oosten der zee; en dat zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijne gansche menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte. 12 Het huis Israels nu zal ze begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang; 13 ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot eenen naam zijn ten dage als ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere Heepe |
lÃL SD. 9(53 14 Ook zullen zij mannen afzonderen die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te beoraven degenen die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen: ten einde van zevei* maanden zullen zij onderzoek doen, 15 en deze doorgangers zullen door liet land doorgaan, en aU iemand een menschenbeen ziet, zoo zal hij een merkteeken daarbij oprichten, totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gods menigte. 1(3 Ook zoo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzoo zullen zij het land reinigen. 17 Gij dan, menschenkind, zóó zegt de Heere Heere: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel en tot al het gedierte des veldsi Vergadert u en komt aan, verzamelt u van rondom tot mijn slachtoffer dat ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer op de bergen Israels, en eet vleeschen drinkt bloed; 18 het vleesch der helden zult gij eten, en het bloed van da Vorsten der aarde drinken, der rammen, der lammeren en bokken en varren, die altemaal gemeste van Basan zijn; 19 en gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe, van mijn slachtoffer dat ik voor u geslacht heb; 20 en gij zult verzadigd worden aan mijne tafel van rijpaarden en wagenpaantera, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere Heere. 21 En ik zal mijne eere zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen mijn oordeel zien dat ik gedaan heb, en mijne hand die ik aan hen gelegd heb; 22 en die van het huis Israëls zullen weten dat ik de Heere hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan. 23 En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israëls gevankelijk zijn weggevoerd om |
|
966 EZECH hunne ongerechtigheid, omdat zij tegen mij hadden overtreden, en dat ik mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zoodat zij alte-maal door het zwaard gevallen zijn; 24 naar hunne onreinheid en naar hunne overtredingen heb ik met hen gehandeld, en ik heb mijn aangezicht voor hen verborgen. 25 Daarom zóó zegt de Heere Heere: Nu zal ik Jakobs gevangenen wederbrengen,. en zal mij ontfermen over liet ganschehuis Israels, en ik zal ijveren over mijnen heiligen naam; 26 als zij hunne schande zullen gedragen hebben, en alle hunne overtreding met dewelke zij tegen mij hebben overtreden, toen zij in hun land zéker woonden, en er niemand was die ze verschrikte. 27 Als ik ze zal hebben weder-gebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en ik aan hen geheiligd zal zijn voor de oogen van vele heidenen, 28 dan. zullen zij^ weten dat ik do Heere hunlieder God ben, dewijl ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten; 29 en ik zal mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer ik mijnen Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 40. In het vijfentwintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars op den tiende der maand, in het veertiende jaar nadat de stad geslagen was, op dienzelfden dag, was de hand des Heerrn op mij, en bracht mij derwaarts: 2 in de gezichten Gods bracht hij mij in het land Israëls, en hij zette mij op eenen zeer hoo- |
[ÃL 40. gen berg, en aan denzelven was als een gebouw eener stad tegen het Zuiden. 3 Als hij daarhenen gebracht had, zie, zoo was er een man wiens gedaante was als de gedaante van koper, en in zijne hand was een linnen snoer en een meetriet; en hij stond in de poort. 4 En die man sprak tot mij: Menschenkind, zie met uwe oogen en hoor met uwe ooren, en zet uw hart op alles wat ik u zal doen zien ; want opdat ik u zoude doen zien, zij t gij herwaarts gebracht: verkondig daarna den huize Israels alles wat gij ziet. 5 En zie, daar was een muur buiten aan het Huis rondom henen, en in^ des mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van eene cl en een handbreed, en hij mat de breedte des gebouws, één riet, en de hoogte, één riet. 6 Toen kwam hij tot de poort welke zag den weg naar het Oosten, en hij ging bij derzelver trappen op, ^ en mat den dorpel der poort, één riet de breedte, en den anderen dorpel, één riet de breedte; 7 en elk kamertje, één riet de lengte en één riet de breedte; en tusschen de kamertjes, vijf ellen; en den dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, étn riet. 8 Ook mat hij het voorhuis der poort van binnen, één riet. 9 Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en hare posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen. lü En de kamertjes der poort den weg naar het Oosten toe waren drie van deze en drie van gene zijde, die drie hadden eénerlei maat; ook hadden de posten van deze en van gene zijde éénerlei maat. 11 Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort, dertien ellen. |
|
12 En daar was eene ruimte vóóraan de kamertjes, van ééne el van deze, en eene ruimte van óéne el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze en zes ellen van gene zijde. 13 Toen mat hij de poort van het dak van het ééne kamertje af tot aan het dak van een ander, de breedte was vijfentwintig el len, deur was tegenover deur. 14 Ook maakte hij poorten van zestig ellen, namelijk tot den post des voorhofs, rondom de poort henen; 15 en van het voorste deel der poort des ingangs, tot aan het voorste deel van liet voorhuis der binuenpoort, waren vijftig ellen. 1(3 En daar waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hunne posten binnenwaarts in de poort rondom henen: alzoó ook aan de voorhuizen: de vensters nu waren rondom henen binnenwaarts, en aan de posten waren palmboomen. 17 Voorts bracht hij mij in het buitenste voorhof, en zie, daar waren kameren, en een plaveisel dat gemaakt was in hot voorhof rondom henen: dertig kameren waren er op het plaveisel. 18 Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van de poorten: dit was het benedenste plaveisel. 19 En hij mat de breedte, van het voorste deel der benedenste poort af, vóóraan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen oostwaarts en noordwaarts. 20 De poort nu aangaande die den weg naar het Noorden zag, aan het buitenste voorhof, hij mat hare lengte en hare breedte ; 21 en hare kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde, en hare posten en hare voorhuizen waren naar de maat der eerste poort; vijftig ellen hare lengte, en de breedte van vijfentwintig ellen. 22 En hare vensters en hare voorhuizen en hare palmboomen waren naar de maat der poort die den weg naar het Oosten zag; |
967 en men ging daarin óp met zeven trappen, en hare voorhuizen waren vóóraan dezelve. 23 De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het Noorden en van het Oosten, en hij mat van poort tot poort honderd ellen. 24 Daarna voerde hij mij den weg naar het Zuiden, en zie, daar was eene poort den weg naar het Zuiden ; en hij mat hare posten en hare voorhuizen, naar deze maten. 25 En zij had vensteren, ook aan hare voorhuizen, rondom henen, gelijk deze vensteren : de ] -ngte was vijftig ellen, en de l.eedte vijfentwintig ellen. 26 En hare opgangen waren van zeven trappen, en hare voorhuizen waren vóóraan dezelve; en zij had palmboomen éénen van deze en éénen van gene zijde, aan hare posten. 27 Ook was er eene poort in het binnenste voorhof, den weg naar het zuiden; en hij mat van poort tot poort, naar het Zuiden, honderd ellen. 28 Voorts bracht hij mij door de zuiderpoort tot het binnen-voorhof, en hij mat de zuiderpoort naar deze maten; 29 en hare kamertjes en hare posten en hare voorhuizen waren naar deze maten ; en zij had vensteren, ook in hare voorhuizen, rondom henen: de lengte was vijftig ellen en de breedte vijfentwintig ellen. 30 En daar waren voorhuizen rondom henen: de lengte was vijfentwintig ellen en de breedte vijf ellen. 31 En hare voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmboomen aan hare posten, en hare opgangen waren van acht trappen. 32 Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, oostwaarts, en hij raat de poort naar deze maten, 33 ook hare kamertjes en hare posten en hare voorhuizen naar deze maten; en zij had vensteren, ook aan hare voorhuizen, rondom henen: de lengte was vijftig ellen. EZECHIÃL 40. |
|
9CS EZECI en de breedte vijfentwintig ellen. 34 En hare voorhuizen waren aan het binnenste voorhof, ook waren er palmboomen aan hare posten, van deze en van gene zijde; en hare opgangen waren van acht trappen. 35 Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort, en hij mat naar deze maten 36 hare kamertjes, hare posten en hare voorhuizen; ook had zij vensteren rondom henen: de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijfentwintig ellen. 37 En hare posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmboomen aan hare posten, van deze en van gene zijde; en hare opgangen waren van acht trappen. 38 Hare kameren nu en hare deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wiesch men het brandofter. 39 En in het voorhuis der poort waren twee tafelen van deze en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer en het zondolfer en het schuld-oller. 40 Ook waren er aan de zijde van buiten des opgangs, aan do deur der noorderpoort, twee tafelen ; en aan de andere zijde die aan het voorhuis der poort was, twee tafelen: 41 vier tafelen van deze en vier tafelen van gene zijde, nan de zijde der poort, acht tafelen waarop men slachtte. 42 Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen steenen, de lengte éóne el en ééne halve, en de breedte ééne el en ééne halve, en de hoogte ééne el; op dezelve nu leide men het gereedschap waarmede men het brandoller en slachtolfer slachtte. 43 De haardsteenen mi waren een handbreed dih, ordelijk geschikt in het Huis rondom henen; en op de tafelen was het olfer-vleesch. 44 En van buiten de binnenste poort waren de kameren der zangers, in het binnenste voornof |
IÃL 41. dat aan de zijde van de noorderpoort was; en liet voorste deeï derzelve was den weg naar het Zuiden: ééne was er aan de zijde van de oostpoort, ziende den weg naar het Noorden. 45 En hij sprak tot mij: Deze kamer, welker voorste deel den weg naar het Zuiden is, is voor de Priesteren die de wacht des huizes waarnemen; 4(3 maar de kamer, welker voorste deel# den weg naar het Noorden is, is voor de Priesteren die de wacht des altaars waarnemen, dat zijn de kinderen Zadoks.dio uit de kinderen van Levi tot den Heere naderden om hem te dienen. 47 En hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was vóóraan het Huis. 48 Toen bracht hij mij tot het voorhuis des Huizes, en hij mat eJlcen post van het voorhuis, vijf ellen van deze en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze en drie ellen van gene zijde; 49 de lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; cn het was met trappen, dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze en één van gene zijde. HOOFDSTUK 41. Voorts bracht hij mij tot den Tempel; en hij mat de posten, zes ellen de 'breedte van deze en zes ellen de breedte van gene zijde, de breedte der Tent; 2 en de breedte der deur tien ellen, en de zijden der deur, vijf ellen van deze en vijf ellen van gene zijde; ook mat hij de lengte daarvan, veertig ellen, en do breedte twintig ellen. 3 Daarna ging hij in naar binnen en mat den post der deur, twee ellen, en de deur zes ellen, en de breedte der deur zeven ellen. 4 Ook mat hij de lengte daarvan, twintig elien, en de breedte twintig ellen, vóóraan den Tem- |
|
EZECH pel; en hij zeide tot mij: Dit is de heiligheid der heiligheden. 5 En hij raat den wand des Huizes, zes ellen; en de breedte van ellce zijkamer, vier ellen, van alle zijden rondom het Huis. 6 De zijkamers nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, en dat dertig malen; en zij kwamen, in den wand die aan her, Huis was, tot de zijkamers, rondom henen, opdat ze vastgehouden mochten worden; want zij werden niet vastgehouden in den wand des Huizes. 7 En het was voorde zijkamers opwaarts naar boven al wijder, en gaf zich rondom; want het Huis was omsingeld opwaartsnaar boven, rondom het Huis henen; daarom was de breedte des Huizes naar boven, en alzoo ging het onderste op naar het bovenste door het middelste. 8 En ik zag de hoogte dos Huizes rondom henen. De fundamenten der zijkamers waren van een vol riet, zes ellen, de el tot tot den oksel toe fjenomen. 0 De breedte van den wand die tot de zijkamers was naar buiten, was vijf ellen; en wat ledig gelaten was, was de plaats der zijkamers die aan het Huis waren. 10 En tusschen de kamers was eene breedte van twintig ellen, van alle zijden rondom het Huis. 11 De deuren nu van de zijkamers waren naar het ledig ge-latene toe, de ééne deur den weg naar het Noorden en de andere deur naar het Zuiden; en de breedte van de ledig gelatene plaats was vijf ellen rondom henen. 12 Voorts van het gebouw, dat vóóraan de afgesneden plaats was in den hoek naar den weg van het ' Westen, was de breedte zeventig ellen, en van den wand des gebouws, was de breedte vijf ellen rondom henen,en delengte daarvan negentig ellen. 13 Voorts mat hij het Huis, de lengte honderd ellen; ook de afgesneden plaats en het gebouw, en de wanden daarvan, de lengte honderd ellen. |
[ÃL 41. 969 14 En de breedte van het voorste deel des Huizes en der afgesneden plaats tegen het Oosten, honderd ellen. 15 Ook mat hij de lengte des gebouws vóóraan de afgesneden plaats, dat achter dezelve was, en derzei ver galerijen van deze en van gene zijde, honderd ellen; met den binnensten Tempel en de voorhuizen des voorhofs. 16 De dorpelen, en de gesloten vensters, en de galerijen rondom die drie tegenover den dorpel, waren beschoten met hout rondom henen; en van de aarde tot aan de vensteren; en de vensteron waren bedekt; 17 tot hetgeen boven de deur was, en tot het binnenste en buitenste Huis toe, en aan den gan-schen wand rondom henen, in het binnenste en buitenste, alles hij maten. 18 En het was gemaakt, met cherubs en palmboomen; zoodat er een palmboom was tusschen cherub en cherub, en elke cherub had twee aangezichten: 19 namelijk een menschen-aan-gezicht tegen den palmboom van deze, en eens jongen leeuws aangezicht tegen den palmboom van gene zijde, gemaakt in het gan-sche Huis rondom henen. 20 Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmboomen gemaakt, ook aan den wand des Tempels. 21 De posten des Tempels waren vierkant; en aangaande het voorste deel des heiligdoms, de ééne gedaante was als de andere gedaante. 22 De hoogte des houten altaars was drie ellen, en zijne lengte twee ellen, en het had zijne hoeken; en zijne lengteen zijne wanden waren van hout. En hij sprak tot mi.i: Dit is de tafel die voor des Heeren aangezicht zal zijn. 23 De Tempel nu en het heiligdom hadden heide twee deuren. 24 En daar waren twee bladen aan do deuren, te weten twee bladen die men omdraaien kon- 31* |
EZECHIÃL 42.
970
|
de; twee aan de ééne deur, en twee bladen aan de andere. 25 En aan dezelve, namelijk aan de deuren des Tempels waren cherubs en palmboomen gemaakt, gelijk als er aan de wanden gemaakt waren; en het hout aan het voorste deel van liet voorhuis van buiten was dik. 26 En aan de gesloten vensteren waren ook palmboomen van deze en van gene zijde, aan de zijden van het voorhuis, en aan de zijkamers van het Huis, en aan de dikke planken. HOOFDSTUK 42. Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof, den weg naar den weg van het Noorden, en hij bracht mij tot do kamers die tegenover de afgesneden Elaats en die tegenover het ge-laats en die tegenover het ge- ouw tegen het Noorden waren: 2 vóóraan de lengte van de honderd ellen naar de deur van het Noorden, en de breedte was vijftig ellen. 3 Tegenover de twintig ellen die het binnenste voorhof had, en tegenover het plaveisel dat het buitenste voorhof had, rcas galerij tegen galerij, in drie rijen. 4 En vóór de kamers waseene wandeling van tien ellen de breedte, naar binnen toe, en een weg van eene el; en de deuren van dezelve waren tegen het Noorden. 5 De bovenste kamers nu waren nauwer (omdat de galerijen hooger waren dan dezelve) dan de ondersteen dan de middelste des gebouws; 6 want zij waven wel van drie rijen, maar hadden geene pilaren gelijk de pilaren der voorhoven; daarom waren ze nauwer dan de onderste en dan de middelste van de aarde af. 7 De muur na die naar buiten tegenover de kamers was, den weg naar het buitenste voorhof toe, vóóraan de kamers, do lengte van dien was vijftig ellen, |
8 want de lengte der kamers die het buitenste voorhof had was vijftig ellen; en zie, vooraan den Tempel waren honderd ellen. 9 Van onder deze kamers nu was de ingang van het Oosten, als iemand tot dezelve ingaat uit het buitenste voorhof. 10 Aan de breedte van des voorhofs muur, den weg naar het Oosten, vóóraan de afgesneden plaats en vóóraan het gebouw, waren kamers; 11 en de weg vóór dezelve henen was als de gedaante der kamers die den weg naar het Noorden waren, naar hare lengte, al-zóó naar hare breedte; en alle hare uitgangen waren ook naar hare wijzen en naar hare deuren. 12 En gelijk de deuren der kamers die den weg naar het Zuiden waren, was er eene deur in het hoofd van den weg, den weg vóóraan den rechten muur, den weg naar het Ooste« als men daar ingaat. 13 Toen zeide hij tot mij: De kamers van het Noorden en do kamers van het Zuiden die vóóraan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kamers, waarin de Priesters die tot den Heerb naderen de allerheiligste dingen zullen eten ; aldaar zullen zij de allerheiligste dingen^ nederleggen, en het spijsoffer en het zondoffer en het schuldoffer, want de plaats is heilig. 14 Als de Priesters ingegaan zullen _ zijn, zoo zullen zij uit het heiligdom niet weder uitgaan in het buitenste voorhof, maar aldaar hunne kleedcren neder-leggen in dewelke zij gediend hebben, want die zijn eene heiligheid; en zij zullen andere kleederen aantrekken, en naderen tot hetgeen dat voor het volk is. 15 Als h.j nu de maten van het binnenste Huis geëindigd had, zoo bracht hij mij uit den weg naar de poort die den weg naar het Oosten zag, en hij mat ze rondom 1 enen. 16 Hij mat de oostzijde met het meetriet. vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. 17 Hij mat de noordzijde, vijf- |
|
E ZEGH honderd rieten, met het meetriet, rondom. 18 De zuidzijde mat hij, vijfhonderd rieten,^ met het meetriet. 19 Hij ging óm naar de westzijde en hij mat vijfhonderd rieten met het meetriet. 20 Hij mat het aan de vier zijden ; het had eenen muur rondom henen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tusschen het heilige en onheilige. HOOFDSTUK 43. Toen leidde hij mij tot de poort, de poort die den wegnaar het Oosten zag. 2 En zie, de heerlijkheid van den God Israels kwam van den weg naar het Oosten, en zijne stem was als het geruisch van vele wateren, en de aarde werd verlicht van zijne heerlijkheid; 3 en alzo(5 was de gec.aante van het gezicht dat ik zag, gelijk het gezicht dat ik gezien had toen ik kwam om do stad te verderven, en het waren gezichten als het gezicht dat ik gezien had aan de rivier Kebar: en ik viel op mijn aangezicht. 4 En de heerlijkheid des Hebben kwam in het Huis door den weg der poort die den weg naar het Oosten zag. 5 En de Geest nam mij op en bracht mij in het binnenste voorhof; en zie, de heerlijkheid des Heeeen had het Huis vervuld. 6 En ik hoorde een die met mij sprak uit het Huis, en de man was bij mij staande. 7 En hij zeide tot mij: Men-schenkind, dit is de plaats mijns troons en de plaats der zolen mijner voeten, alwaar ik^ wonen zal in het midden der kinderen Israëls in eeuwigheid; en die van het huis Israëls zullen mijnen heiligen naam niet meer verontreinigen, zij noch hunne Koningen, met hunne hoererij en met de doode lichamen hunner Koningen, op hunne hoogten: 8 als zij hunnen dorpel stel- |
IÃL 43. 971 den aan mijnen dorpel en hunnen post nevens mijnen post, dat er maar een wand tusschen mij en tusschen hen was, en verontreinigden mijnen heiligen naam met hunne gruwelen die zij deden; waarom ik ze verteerd heb in mijnen toorn. 9 Nu zullen zij hunne hoererij en de doode lichamen hunner Koningen verre van mij wegdoen, en ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid. 10 Gij menechenkind, wijs den huize Israels dit Huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hunne ongerechtigheden, en laat ze het bestek afmeten. 11 En indien zij schaamrood worden vanwege alles dat zij gedaan hebben, zoo maak hun bekend den vorm des Huizes en zijne gestaltenis, en zijne uitgangen en zijne ingangen, en alle zijne vormen en alle zijne ordinantiën, ja, alle zijne vormen en alle zijne wetten; en schrijf het voor hunne oogen, opdat zij zijnen ganschcn vorm en alle zijne ordinantiën bewaren en dezelve doen. 12 Dit is do wet des Huizes: op de hoogte des bergs zal zijne gansche grens rondom henen eene heiligheid der heiligheden zijn; zie, dit is de wet des Huizes. 13 En dit zijn do maten des altaars naar do ellen, zijnde de el eene el en een handbreed: de boezem dan eene el, en eene el de breedte; en zijn einde aan zijnen rand rondom één span: en dit is de rug des altaars. 14 Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen, en de breedte ééne el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte eene el. 15 En de Harël vier ellen; en van den Ariël en verder opwaarts, de vier hoornen. 16 De Ariël nu, twaalf elfen de lengte met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijne vier zijden. 17 En het afzetsel veertien el- |
EZEOHIÃL 44.
972
|
len de lengte met veertien éllen breedte, aan zijne vier zijden; en de rand rondom hetzelve, de helft eener el; en de boezem daaraan, eene el rondom; en zijne trappen ziende naar het Oosten. 18 En hij zeide tot mij: Men-schenkind, zóó zegt de Heere Heere: Dit zijn de ordinantiën des altaars, ten dage als men hem zal ma ken, om brandoffer daarop te offeren en om bloed daarop te sprongen. 19 En gij zult aan de Leviti-sche Priesteren, dewelke uit den zade Zadoks zijn, die tot mij naderen (spreekt de Heere Heere) om mij te dienen, geven een var, een jong rund, ten zondoffer; 20 en gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijne vier hoornen, en aan do vierhoeken des afzetsels, en aan den rand rondom: alzoo zult gij hem ontzondigen en hem verzoenen. 21 Daarna zult gij den var des zondoffers nemen, en hij zal hem verbranden in eene bestelde plaats des Huizes buiten het heiligdom. 22 En op den tweeden dag zult gij eenen volkomen geiten-bok offeren ten zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, gelijk als zij dien ontzondigd hebben met den var. 23 Als gij een einde zult gemaakt hebben met liet ontzondigen, dan zult gij eenen var, een volkomen jong rund offeren, en eenen volkomen ram van de kudde; 24 en gij zult zo offeren voor het aangezicht des Heeben, en de Priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den Heere. 2quot;) Zeven dagen zult gij dagelijks eenen bok des zondoffers bereiden; ook zullen zij eenen var, een jong rund, en eenen ram van de kudde, heide volkomen, bereiden. 26 Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en hem reinigen, en zijne handen vullen. |
27 Als zij nu deze dagen zullen voleindigd hebben, dan zal het op den achtsten dagen voortaan geschieden, dat de Priesters uwe brandofferen en uwe dank-offeren op het altaar zullen bereiden ; en ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 44. Toen deed hij mij wederkee-ren den veg naar de poort des buitensten heiligdoms die naar het Oosten zag; en die was toegesloten. 2 En de Heere zeide tot mij: Dt ze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden noch iemand door dezelve ingaan, omdat de Heere de God Israels door dezelve is ingegaan: daarom zal zij toegesloten zijn. 3 De Vorst, de Vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des Heeren : door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van hetzelve zal hij uitgaan. 4 Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, vooraan het Huisden ik zag, en zie, de heerlijkheid des Heeren had het Huis des Heeren vervuld. Toen viel ik op mijn aangezicht, 5 en de Heere zeide tot mij: Menschenkind, zet er uw hart op, en zie met uwe oogen, en hoor met uwe ooren alles wat ik met u spreken zal, van alle inzettingen des Huizes des Heeren, en van alle zijne wetten; en zet uw hart op den ingang des Huizes met alle uitgangen des heiligdoms. 6 En zeg tot ^Je wederspanni-gen, tot het huis Israels: Zóó zegt de Heere Heere: Het is te veel voor ulieden vanwege alle uwe gruwelen, o huis Israels; 7 dewijl gijlieden vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vleesch, om in mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten mijn Huis; als gij mijn brood, liet ^et en het bloed offer-det, en zij mijn verbond verbraken, nevens alle uwe gruwelen; |
EZECHIamp;L 44.
|
8 en gijlieden^ hebt de wacht van mijne heilige dingen niet â¢waargenomen, maar gij hebt u zeiven eenigen tot wachters mijner wacht gesteld in mijn heiligdom. 9 Alzoo zegt de Heere Heere: Geen vreemde, onbesneden van hart en onbesneden vanvleesch, zal in mijn heiligdom ingaan, van eenigen vreemde die in het midden der kinderen Israels is. 10 Maar de Leviten die verre van mij geweken zijn als Israël ging dolen, die van mij zijn afgedwaald, hunne drekgoden achterna, zullen wel hunne ongerechtigheid dragen: 11 nochtans zullen zij in mijn heiligdom bedienaars zijn in de ambten aan de poorten des Huizes, en zij zullen het Huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan om hen te dienen. 12 Omdat zij hen gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en den huize Israels tot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb ik mijne hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere Heeue, dat zij hunne ongerechtigheid zullen dragen; 13 en zij zullen tot mij niet naderen om mij het Priesterambt te bedienen, en om te naderen tot alle. mijne heilige dingen, tot de allerheiligste dingen, maar zullen hunne schande dragen en hunne gruwelen die zij gedaan hebben. 14 Daarom zal ik ze stellen tot wachters van de wacht des Huizes, aan al zijnen dienst en aan alles wat daarin zal gedaan worden. 15 Maar de Levitische Priesters, de kinderen Zadoks, die de wacht mijns heiligdoma hebben waargenomen als de kinderen Israels van mij afdwaalden, die zullen tot mij naderen om mij te dienen, en zullen voor mijn aangezicht fitaan om mij het vet en het bloed te ofleron, spreekt de Heere Heere ; |
16 die zullen in mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot mijne tafel naderen om mij te dienen, en zij zullen mijne wacht waarnemen. 17 En het zal geschieden als zij tot de poorten des binnensten voorhofs zullen ingaan, dat zij linnen kleederen zullen aantrekken ; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten des binnensten voorhofs en binnenwaarts. 18 Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hunne lendenen zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet. 19 En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hunne kleederen in dewelke zij gediend hebben uittrekken, en dezelve nederleg-gen in de heilige kamers, en zullen andere kleoderen aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hunne kleederen. 20 En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten wassen: behoorlijk zullen zij hunne hoofden bescheren. 21 Ook zal geen Priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan. 22 Ook zullen zij zich geen weduwe of verstootene tot vrouw nemen; maar jonge dochters van den zade des huizes Israels, of eene weduwe die eene weduwe zal zijn van eenen Priester, zullen zij nemen. 23 En zij zullen mijn volk onderscheid leeren tusschen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tusschen het onreine en reine. 24 En over eene twistzaak zullen zij staan om te richten, naar mijne rechten zullen zij ze richten; en zij zullen mijne wetten en mijne inzettingen op alle mijne gezette hoogtijden houden, en mijne sabbaten heiligen. |
EZECHIÃL 45.
974
|
25 Ook zal geen van hen tot eenen dooden menscli ingaan, dat hij onrein worde; maar om eenen vader, of om eene moeder, of om eenen zoop, of om eene dochter, om eenen broeder, of om eene zuster die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen. 2ü En na zijne reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen. 27 En ten dage als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere Heere. 28 Dit nu zal hun tot eene erfenis zijn: ik ben hunne erfenis; daarom zult gij hunlieden geene bezitting geven in Israël; ik ben hunne bezitting. 29 Het spijsoffer en het zondoffer en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het ver-bannene in Israël het hunne zijn. 30 En de eerstelingen aller eerste vruchten van alles, en alle hefofferen, zullen der Priesters zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den Priester geven, om den zegen op uw huis te doen rusten. 31 Geen aas noch wat ver-Bcheurd is van het gevogelte of van het vee, zullen de Priesters eten. HOOFDSTUK 45. Als gijlieden nu het land zult doen vallen in erfenis, zoo zult gij een hefoffer den Heere offe-reK, tot eene heilige plaats, van het land: de lengte zal zijn de lengte van vijfentwintigduizend mee trieten, en de breedte tienduizend; dat zal in zijne geheele grens rondom heilig zijn. 2 Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot eene buitenruimte rondom. 3 Alzoo zult gij meten van deze maat, de lengte van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend; en daarin zal het heiligdom zijn met het heilige der heiligen. |
4 Dat zal eene heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de Priesters die het heiligdom bedienen, die naderen om den Heere te dienen; en het zal hun eene plaats zijn tot huizen, en eene heilige plaats voor het heiligdom. 5 Yoorts zullen de Leviten, de dienaars des Huizes, óók de lengte hebben van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend, hunlieden tot eene bezitting; voor twintig kamers. 6 En tot bezitting van de stad zult gij geven de breedte van vijfduizend, en de lengte van vijfentwintigduizend, tegenover het heilig hefoffer: voor het gansche huis Israels zal het zijn. 7 De Vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, vóóraan het heilig hefoffer en vóóraan de bezitting der stad: van den westerhoek westwaarts, en van den oosterhoek oostwaarts; en de lengte zal zijn tegenover een der deelen van de westergrens tot de^ oostergrens toe. 8 Dit land aangaande, het zal hem tot eene bezitting zijn in Israël; en mijne Vorsten zullen mijn volk niet meer verdrukken, maar den huize Israels het land laten naar hunne stammen. 9 Alzóó zegt de Heere Heere: Het is te veel voor u, gij A^orsten Israels; doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uwe uitdrijvingen op van mijn volk, spreekt de Heere Heere. lü Een rechte weegschaal en een rechi.e efa en een rechte bath zult gijlieden hebben; 11 een efa en een bath zullen van éénerlei maat zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde, ook een efa het tiende dee. van een homer; de maat daarvan zal zijn naar den homer. 12 En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig eikkelen. |
EZECHIÃL 46.
975
|
vi.ifentwintig sikkelen en vijftien sikkelen zal nlieden een pond zijn. 13 Dit is het hefoffer dat gijlieden offeren zult: het zesde deel eener efa van een homer tarwe; ook znlt gij het zesde deel eener efa geven van een homer gerst. 14 Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie, gij zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, hetwelk is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer. 15 Voorts één lam nit de kudde van de tweehonderd, uit het waterrijke land van Israël, tot spijsoffer en tot brandoffer en tot dankofferen, om verzoening over hen te doen, spreekt de Heere Heere. 16 Al het volk des lands zal in dit hefoffer zijn, voor den Vorst in Israël. 17 En het zal den Vorst opgelegd zijn te offeren de brand- i offeren en het spijsoffer en het : drankoifer, op de feesten en op j de nieuwe maanden en op de sabbaten, op alle gezette hoogtijden des huizes Israels; hij zal het zondoffer en het spijsoffer en het brandoffer en de drankofferen doen, om verzoening te doen voor het huis Israël s. 18 Alzóó zegt de Heere Heere: In de eerste mdand op den eerste der maand zult gij eenen volkomen var, een jong rund, nemen, en gij zult het heiligdom ontzondigen. 10 En de Priester zal van het bloed des zondoffers nemen, en doen het aan de posten des Huizes, en aan de vier hoeken van het afzetsel des altaars, en aan de posten van de poort des binnensten voorhofs. 20 Alzóó zult gij ook doen op den zevende in die maand, vanwege den afdwalende en vanwege den slechte; alzóó zult gijlieden het Huis verzoenen. 21 In de eerste maand op den veertienden dag der maand zal «lieden het Paschen zijn; een feest van zeven dagen, ongezuurde brooden zal men eten* |
22 En de Vorst zal op dien dag voor ziehzelven en voor al het volk des lands bereiden eenen var des zondoffers. 23 En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer den Heere bereiden, van zeven varren en zeven rammen die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lanu, en een zondoffer van eenen geitenhok dagelijks. 24 Ook zal hij een spijsoffer bereiden, een efa tot eenen var en een efa tot eenen ram, en een hin olie tot een efa. 25 In de zevende maand op den vijftienden dag der maand zal hij op het feest desgelijks doen, zeven dagen lang; gelijk het zondoffer, gelijk het brandoffer, en ge-ijk het spijsoffer, en gelijk de olie. HOOFDSTUK 46. Alzóó zegt de Heere Heere: De poort des binnensten voorhofs die naar liet Oosten ziet, zal de zes werkdagen gesloten zijn, maar op den sabbatdag zal ze geopend worden; ook zal zo geopend worden op den dag van de nieuwe maan. 2 En de Vorst zal ingaan door het voorhuis dier poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de Priesters zullen zijn brandoffer en zijne dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; dqch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond. 3 Ook zal het volk des lands aanbidden vóór de deur dier poort, op de sabbaten en op de nieuwe maanden, voor het aangezicht des Heeren. 4 Het brandoffer nu dat de Vorst den Heere zal offeren, zal op den sabbatdag zijn zes volkomen lammeren en een volkomen ram; 5 en het spijsoffer, een efa tot den ram, maar tot de lammeren zal liet spijsoffer eene gave zijner hand zijn: en olie, een hin tot een efa. |
EZECHIÃL 46.
976
|
G Maar op den dag van de nieuwe maan, een var, een jong rund, een der volkomene, en zes lammeren, en een ram; volkomen zullen ze zijn. 7 En tot spijsoffer zal hij bereiden een efa tot den var en en een efa tot den ram, maar tot de lammeren zooals zijne hand bekomen zal; en een hin olie bij een efa. 8 En als de Vorst ingaat, zal hij. door den weg van het voorhuis der poort ingaan, en door deszelfs weg weder uitgaan. 9 Maar als het volk des lands voor het aangezicht des Heeren komt op de gezette hoogtijden, wie door den weg van de noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door den weg van den zuiderpoort tceder uitgaan; en die door den weg van de zuiderpoort ingaat, zal door den weg van de noorderpoort weder uitgaan; hij zal niet wederkeeren door den weg der poort door dewelke hij is ingegaan, maar recht voor zich henen uitgaan. 10 Do Vorst nu zal in het midden van hen ingaan, als zij ingaan; en als zij uitgaan, zullen zij te zamen uitgaan. 11 Voorts op de feesten en op de gezette hoogtijden zal het spijsoffer zijn een efa tot eenen var en een efa tot eenen ram, maar tot de lammeren eene gave zijner hand; en olie, een hin tot een efa. 12 En als de Vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankofferen tot een vrijwillig offer den Heere, zoo zal men hem de poort openen die naar het Oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijne dankofferen doen, gelijk als hij zal gedaan hebben op den sabbatdag; en als hij weder uitgaat, zal men de poort sluiten nadat hij uitgegaan zal zijn. 13 Wijders zult gij een volkomen jarig lam dagelijks bereiden ten brandoffer den Heere : allen morgen zult gij dat bereiden. |
14 En gy zult ten spijsoffer daarop doen allen morgen een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een spijsoffer den Heere, fot eeuwige inzettingen, geduriglijk. 15 Zij zullen dan het lam en het spijsoffer en de olie allen morgen bereiden tot een gedurig brandoffer. 16 Alzóó zegt de Heere Heere: Wanneer de Vorst aan iemand van zijne zonen een geschenk zal geven van zijne erfenis, dat zullen zijne zonen hebben, het zal hunne bezitting zijn in erfenis. 17 Maar wanneer hij van zijne erfenis een geschenk zal geven aan eenen van zijne knechten, die zal dat hebben tot het vrijheidsjaar toe, dan zal het tot den Vorst wederkeeren: het is immers zijne erfenis, zijne zonen die zullen het hebben. 18 En de Vorst zal niets nemen van de erfenis des volks, om hen van hunne bezitting te berooven: van zijne bezitting zal hij zijnen zonen erf nalaten; opdat niet mijn volk een iegelijk uit zijn© erfenis verstrooid worde. 19 Daarna bracht hij mij door den ingang die aan de zijde der poort was, tot de heilige kameren den Priesteren ioébeJioorende,die naar het Noorden zagen; en zie, aldaar was eeno plaats aan beide zijden, naar het Westen. 20 En hij zeide tot mij: Dit is de plaats alwaar de Priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken, en waar zij het spijsoffer zullen bakken; opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen. 21 Toen bracht hij mij uit in het buitenste voorhof, en voerde mij óm in de vier hoeken des voorhofs; en zie, in eiken hoek des voorhofs was een ander voor-hofje; 22 in de vier hoeken des voorhofs waren voorhofjes met schoor-steenen, van veertig ellen de lengte en dertig de breedte; deze vier hoekhofjes hadden éénerlei maat. |
EZECHIÃL 47.
977
|
23 En daar was rondom in 'dezelve een ringmuur, rondom deze vier; en daar waren keukens gemaakt beneden aan de ringmuren rondom. ^ 24 En bij zeide tot mij: Dit zijn de keukens alwaar de dienaars des Huizes het slachtolfer des volks zullen koken. HOOFDSTUK 47. Daarna bracht hij mij weder tot de deur des Huizes, en zie, daar vloten wateren uit, vanonder den dorpel des Huizes naar het Oosten^ want het voorste deel des Huizes was in het Oosten; en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des Huizes, van het zuiden des altaars. 2 En hij bracht mij uit door den weg van de noorderpoort, en voerde mij óm door den weg van buiten tot de buitenpoort, langs den weg die naar het Oosten ziet; en zie, de wateren sprongen uit de rechterzijde. 3 Als nu die man naar het Oosten uitging, zoo was er een meetsnoer in zijne hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen. 4 Toen mat hij nog duizend ellen en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lendenen. 5 Voorts mat hij nog duizend, en het was eene beek waar ik niet konde doorgaan; want de wateren waren hoog, wateren waar men door zwemmen moest, eene beek waar men niet konde doorgaan. 6 En hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, menschenkind ? Toen voerde hij mij en bracht mij weder tot den oever der beek. 7 Als ik wederkeerde, zie, zoo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte van deze en van gene zijde. |
8 Toen zeide hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galiléa, en dalen af in het vlakke veld ; daarna komen ze in de zee: in de zee uitgebracht zijnde, zoo worden do wateren gezond. 9 Ja, het zal geschieden dat alle levende ziele die er wemelt, overal waarhenen eene der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel visch zijn,omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden ; en het zal leven, alles waarhenen dezo beek zal komen. 10 Ook zal het geschieden dat er visschers aan dezelve zullen staan van Engédi af tot Enëglaïm toe; daar zullen plaaUen zijn tot uitspreiding der netten; hun visch zal naar zijnen aard wezen als de visch van de groote zee, zeer menigvuldig. 11 Doch hare modderige plaatsen en hare moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven. 12 Aan de beek nu, aan haren oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboom-te, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijne maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen, want zijne wateren vlieten uit het heiligdom; en zijne vrucht zal zijn tot spijs en zijn blad tot heeling. 13 Alzóó zegtdeHeereHEEKE: Dit zal de landpale zijn, naar welke gij het land ten erve zult nemen, naar de twaalf stammen Israels; Jozef ttoee snoeren. 14 En gij zult dat erven, de één zoowel als de ander, over hetwelk ik mijne hand heb opgeheven dat ik het uwen vaderen zoude geven, en dit land zal ulieden in erfenis vallen. 15 Dit nu zal de landpale des lands zijn: aan den noorderhoek, van de groote zee af, den weg van Hethlon, waar men komt te Ze-dad; 16 Hamath, Berotha, Sibraïm dat tusschen de landpale van Damascus en tusschen de landpale van Hamath is; Hazer-Hat- |
EZECHIÃL 48,
978
|
ticlion, dat aan de landpale van Hauran is. 17 Alzoo zal de landpale van de zee af zijn, Hazar-Enon, de landpale van Damascus, en het Noorden noordwaarts, en de landpale van Hamath: en dat zal de noorderhoek zijn. 18 Den oosterhoek nu zult gijlieden meten van tussohen Hauran, en van tusachen Damascus, en van tusschen Gilead, en van tussohen bet land Israële aan den Jordaan, van de landpale af tot de oostzee toe: en dat zal de oosterhoek zijn. 19 En den zuiderhoek zuidwaarts van Tamar af tot aan het twistwater van Kades, voort naar de beek henen, tot aandegroote zee: en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn. 20 En den westerhoek, de groote zee, van de landpale at tot waar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westerhoek zijn. '21 Dit land nu zult gij ulieden uitdeden naar de stammen Israels. 22 Maar het zal geschieden dat gij hetzelve zult doen vallen in erfenis voor ulieden en voor de vreemdelingen die in het midden van u verkeeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen ulieden zijn als een inboorling ouder de kinderen Israels; zij zullen met ulieden in erfenis vullen in het midden der stammen Israels. 23 Ook zal het geschieden, in den stam bij welken de vreemdeling verkeert, aldaar zult gij Jieyn zijne erfenis geven, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 48. Dit nu zijn de namen der stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde van den weg van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-Enan, de landpale van Damascus, noordwaarts aan de zijde van Hamath, (ook zal hij den ooster- cn westerhoek hebben), zal Dan ééu.snoer hébben. |
2 En aan de landpale van Dan, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Aser één. 3 En aan de landpale van Aser, van den oosterhoek af tot den westerhoek toe, Naftali één. 4 En aan de landpale van Naftali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe.Manasse één. 5 En aan de landpale van Ma-nasse, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Efraïm éém 6 En aan de landpale van Efraïm, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Ruben één. 7 En aan de landpale van Ruben, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Juda één. 8 Aan de landpale nu van Juda, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, zal het hefolfer zijn dat gijlieden zult offeren, vijfentwintigduizend meetrieten in breedte, en de lengte als van een der andere deelen van den oosterhoek tot den westerhoek toe; en het heiligdom zal in deszelfs midden zijn. 9 Het hefoffer dat gijlieden den Heeke zult offeren, zal wezen de lengte van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend; 10 en daarin zal het heilig hefoffer zijn voor de Priesters, noordwaarts de lengte van vijfentwintigduizend, en westwaarts de breedte van tienduizend, en oostwaarts de breedte van tienduizend, en zuidwaarts de lengte van vijfentwintigduizend; en het heiligdom des Heeren zal in deszelfs midden zijn. 11 Het zal zijn voor de Prieg-teren die geheiligd zijn uit do kinderen Zadoks, die mijne wacht hebben waargenomen, die niet gedwaald hebben als de kinderen Israels dwaalden, gelijk als de andere Leviten gedwaald hebben. 12 En het geofferde van het hefoffer dos lands zal hunlieden eene heiligheid der heiligheden zijn aan de landpale der Leviten. 13 Voorts zullen de Leviten tegenover cle landpale der Priesters hebben de lengte van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend; de gansche lengte zal zijn vijfentwintigdui- |
EZECHIÃL 48.
979
|
zend, en de breedte tienduizend. 14 En zij zullen daarvan niet verkoopen, noch de eerstelingen des lands verwisselen nocli overdragen, want het is eene heiligheid den Heere. 15 Maar de vijfduizenc, dat is hetgeen overgelaten is in de breedte, vóóraan de vijfentwintigduizend, dat zal onheilig zijn, voor de stad tot bewoning en tot voorsteden: en de stad zal in het midden daarvan zijn. 16 En dit zullen hare maten zijn: de noorderhoek vierduizend en vijfhonderd meetneten, en de zuiderhoek vierduizend en vijfhonderd, en van den oosterhoek vierduizend en vijfhonderd, en de westerhoek vierduizend en vijfhonderd. 17 De voorsteden nu der stad zullen zijn noordwaarts tweehonderd en vijftig, en zuidwaarts tweehonderd en vijftig, en oostwaarts tweehonderd en vijftig, â¢en westwaarts tweehonderd en vijftig. 18 En het overgelatene in de lengte, tegenover het heilig hefoffer, zal zijn tienduizend oostwaarts en tienduizend westwaarts, «n het zal tegenover het heilig hefoffer zijn, en de inkomst daarvan zal wezen tot onderhoud voor degenen die de stad dienen. 19 En die de stad dienen, zullen haar dienen uit alle stammen Israels. 20 Het. gansche hefoffer zal zijn van vijfentwintigduizend meet-Heten met vijfentwintigduizend: vierkant zult gijlieden het heilig hefoffer offeren, met de bezitting der stad. 21 En het overgelatene zal voor den Vorst zijn, van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, vóóraan de vijfentwintigduizend meet-rieten des hefoffers, tot aan de ooster- en wester-landpale, vóóraan de vijfentwintigduizend aan de wester-landpale, tegenover de andere deelen, dat zal voor den Vorst zijn; en het heilig hefoffer en het heiligdom des Huizes zal in het midden daarvan zijn. |
22 Van de bezitting nu der Leviten en van de bezitting der stad af, zijnde in het midden van hetgeen dat des Vore ten zal zijn, wat tusschen de landpale van Juda en jusschen de landpale van Benjamin is, zal des Vorsten zijn. 23 Aangaande het overige der stammen nu: van den oosterhoek tot den westerhoek toe. Benjamin één snoer; 24 en aan de landpale van Benjamin, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Simeon één; 25 en aan de landpale van Simeon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Issascharéén; 2G en aan de landpale van Is-saschar, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Zebulon één; 27 en aan de landpale van Zebulon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Gad één; 28 aan de landpale nu van Gad, aan den zuiderhoek zuidwaarts, daar zal de landpale zijn van Tamar af, naar het twistwater van Kades, voort naar de beek henen, tot aan de groote zee. 29 Dit is het land dat gijlieden zult doen vallen in erfenis voor de stammen Tsraëls, en dit zullen hunne deelen zijn, spreekt de Heere Heere. 30 Voorts zullen dit de uitgangen der stad zijn; van den noorderhoek vierduizend en vijfhonderd maten, 31 en de poorten der stad zullen zijn naar de namen der stammen Israels, drie poorten noordwaarts : ééne poort van Ruben, ééne poort van Juda, ééne poort van Levi. 32 En aan den oosterhoek vierduizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: namelijk ééne poort van Jozef, ééne poort van Benjamin, ééne poort van Dan. 33 De zuiderhoek óók vierduizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: ééne poort van Simeon, ééne poort van Issaschar, ééne poort van Zebulon. 34 De westerhoek vierduizend |
DANIÃL 1.
980
|
en vijfhonderd, derzei ver poorten drie: ééue poort van Gad, ééne poort van Aser, éóne poort van Naftali. |
35 Rondom achttienduizend; en de naam der stad zal van dien dag af zijn: de Heere 13 aldaar. |
DE PEOFEET DANIEL.
|
HOOFDSTUK 1. In het derde jaar des konink-rijks van Jojakim den Koning van Juda kwam Nebukadnezar de Koning van Babel te Jeruzalem en belegerde haar. 2 En do Heere gaf Jojakim den Koning van Juda in zijne hand, en een deel der vaten des Huizes Gods; en hij bracht ze in het land Ãinear, in liet huis zijns gods', en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods. 3 En de Koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voortbrengen zoude ecniyen uit de kinderen Israels, te weten uit het koninklijk zaad en uit de prinsen, 4 jongelingen aan dewelke geen gebrek was, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in allo wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid was om te staan in des Konings paleis, en dat men ze onderwees in de boeken en spraak der Chaldeën. 5 En de Koning verordende wat men hun dag bij dag geven zoude van de stukken der spijze des Konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men ze drie jaren _ al zou opvoedde, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des Konings. 6 Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. 7 Eu de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsasar, en Hananja Sadrach, en Misaël Mesach, en Azarja Abednego. |
8 Daniël nu nam voor in zijn hart dat hij zich niet zoude ontreinigen met de stukken van do spijze des Konings, noch met den wijn zijns dranks: daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. 0 En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen. 10 Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniël: Ik vrees mijnen heer den Koning, die ulieder spijze en ulieder drank verordend heeft; want waarom zoude hij ulieder aangezichten droeviger zien dan der jongelingen die in gelijkheid met ulieden zijn? AIzjoo zoudt gij mijn hoofd bij den Koning schuldig maken. 11 Toen zeide Daniël totMel-zar, dien de overste der kamerlingen ^ gesteld had over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja: _ 12 Beproef toch uwe knechten tien dagen lang, en men geve ons van liet gezaaide te eten en water te drinken; 13 en men zie voor uw aangezicht onze gedaanten en de gedaante der jongelingen die do stukken van de spijze des Konings eten: en doe met uwe knechten naar dat gij zien zult. 14 Toen hoorde hij ze in deze zake, en hij beproefde ze tien dagen. 15 Ten einde nu der tien dagen zag men dat hunne gedaanten schooner waren en zij vetter waren van vleesch dan alle de |
DANIÃL 2.
9S1
|
iongelingen die de stukken van de spijze des Konings aren. 16 Toen geschiedde het dat Melzar de stukken hunner spijze wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide. 17 Aan deze vier jong3lingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken en wijsheid, maar Daniël gaf hij verstand in allerlei gezichten en droo-men. 18 Ten einde nu der dagen waarvan de Koning gezegd had dat men ze zoude inbrengen, zoo bracht ze de overste der kamerlingen m voor het aangezicht Nebukadnezars, 19 en de Koning sprak met hen; doch daar werd onder hen allen niemand gevonden gelijk Daniël, Hananja, Misaël en Azarja; en zij stonden voer het aangezicht des Konings. 20 En in alle zaken van verstandige wijsheid die de Koning hun afvroeg, zoo vond 1 ij ze tienmaal boven allo de too venaars en sterrenkijkers die in zijn cransche koninkrijk waren. 21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van den Koning Kores toe. HOOFDSTUK 2. In het tweede jaar nu des ko-ninkrijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar droo-men: daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken. 2 Toen zeide de Koning dat men roepen zoude de toovenaars en de sterrenkijkers en de gui-chelaars en de Ohaldeën, om den Koning zijne droomen te kennen te geven. Zij nu kwamen en stonden voor het aangezicht des Konings; 3 en de koning zeide tot hen; Ik heb eenen droom gedroomd, en mijn geest is ontsteld, om dien droom te weten. 4 Toen spraken de Ohaldeën tot den Koning in het Syrisch: O Koning, leef in eeuwigheid; zeg uwen knechten den droom, zoo zullen wij de uitlegging te kennen geven. |
5 De Koning antwoordde en zeide tot de Ohaldeën: De zaak is mij ontgaan: indien gij mij den droom en zijne uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden en uwe huizen zullen tot eenen drekhoop gemaakt worden; 6 maar indien gijlieden den droom en zijne uitlegging te kennen geeit, zoo zult gij geschenken en gaven en groote eere van mij ontvangen: daarom geeft mij den droom en zijne uitlegging te kennen. 7 Zij antwoordden ten tweeden male en zeiden: De Koning zegge zijnen knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. 8 De Koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet dat de zaak mij ontgaan is; 9 indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is eenerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere: daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven. 10 De Ohaldeën antwoordden voor den Koning en zeiden: Daar is geen mensch op den aardbodem die des Konings woord zoude kunnen te kennen geven: daarom is er geen Koning, groote of heerscher, die zulk eene zaak begeerd heeft van eenigen toovenaar of sterrenkijker of Ohaldeër; 11 want de zaak die de Koning begeert is te zwaar,en daar is niemand anders die dezelve voor den Koning te kennen lean geven dan de goden, welker woning bij het vleesch niet is. 12 Daarom werd de Koning toornig en zeer verbolgen, en zeide dat men alle de wijzen te Babel zoude ombrengen. 13 Die wet dan ging uit, en |
980 DANIÃL 1.
en vijfhonderd, derzel ver poorten i 35 Rondom achttienduizeiul; drie: céne poort van Gad, ééne | en de naam der stad zal van poort van Atscr, ééne poort van ; dien dag af zijn: de Hezre 13 Kaltali. i aldaar.
DE PROFEET DAKIÃL.
|
HOOFDSTUK 1. In het derde jaar des koninklijks van Jojakim den Koning van Juda kwam Kebukadnezar de Koning van Babel le Jeru-zalem en belegerde haar. 2 Kn de IIeere gal' Jojakim den Koning van Juda in zijne baud, en een deel der vaten dos Huizes Gods; en hij bracht ze in Jiet land Sineur, in het huis zijns gods, en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods. '6 En de Koning zeide tot i Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voortbrengen zoude eeuiytn uit de kinderen i Israels, te weten uit het konink- . lijk zaad en uit de prinsen, 4 jongelingen aan dewelke ' geen gebrek was, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in ' alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van versland, en in dewelke bekwaamheid was i om te staan in des Konings paleis, en dat men ze onderwees in de boeken en spraak der Chaldeën. 5 En de Koning verordende wat men hun dag bij dag geven zoude van de stukken der spijze des Konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men ze drie jaren al zoo opvoedde, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des Konings. G Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. 7 En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsasar, 1 en Hananja Sadrach, en Misaël Mesach, en Azarja Abednego. |
8 Daniël nu nam voor in zijn hart dat hij zich niet zoude ontreinigen met de stukken van do spijze des Konings, noch met den wijn zijns dranks: daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. i) En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor liet aangezicht van den overste der kamerlingen. 10 Want de overste der kamerlingen zeide tot Dajiiël: Ik vrees mijnen heer den Koning, die ulieder spijze en ulieder drank verordend heeft; want waarom zoude hij ulieder aangezichten droeviger zien dan der jongelingen die in gelijkheid met uiieden zijn? Alzoo zoudt gij mijn hoofd bij den Koning schuldig maken. 11 Toen zeide Daniël totMel-zar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja: 12 Beproef toch uwe knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten en water te irinken; 13 en men zie voor uw aangezicht onze gedaanten en de gedaante der jongelingen die do stukken -an de spijze des Konings eten: en doe met uwe knechten naar dat gij zien zult. 14 Toen hoorde hij ze in deze zake, en liij beproefde ze tien dagen. 15 Ten einde nu der tien dagen zag men dat hunne gedaanten schooner waren en zij vetter waren van vleesch dan alle de |
DANIÃL 2.
9S1
|
jongelingen die de Btukken van de spijze dee Konings aten. 1(5 Toen geschiedde het dat Melzar de stukken hunner Bpij ze wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide. 17 Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken en wijsheid, maar Daniël gaf hij verstand in allerlei gezichten en droo-inen. 18 Ten einde nu der dagen waarvan de Koning gezegd laad dat men ze zoude inbrengen, zoo bracht ze de overste der kamerlingen m voor het aangezicht Nebukadnezars, 19 en de Koning sprak met hen; doch daar werd onder hen allen niemand gevonden gelijk Daniël, Hananja, Misaël en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des Konings. 20 En in alle zaken van verstandige wijsheid die de Koning hun afvroeg, zoo vond hij ze tienmaal boven alle de toove-naars en sterrenkijkers die in zijn fransche koninkrijk waren. 21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van den Koning Kores toe. HOOFDSTUK 2. In liet tweede jaar nu des ko-ninkrijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar droo-men: daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken. 2 Toen zeide de Koning dat men roepen zoude de toovenaars en de sterrenkijkers en de gui-chelaars en de Ohaldeën, om den Koning zijne droomen te kennen te geven. Zij nu kwamen en stonden voor het aangezicht des Konings; 3 en de koning zeide tot hen; Ik heb eenen droom gedroomd, en mijn geest is ontsteld, om dien droom te weten. 4 Toen spraken de Chaldeën tot den Koning in het Syrisch: O Koning, leef in eeuwigheid; zeg uwen knechten den droom. |
zoo zullen wij de uitlegging te kennen geven. 5 De Koning antwoordde en zeide tot de Chaldeën: De zaak is mij ontgaan: indien gij mij den droom en zijne uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden en uwe huizen zullen tot eenen drekhoop gemaakt worden; 6 maar indien gijlieden den droom en zijne uitlegging te kennen geeft, zoo zult gij geschenken en gaven en groote eere van mij ontvangen: daarom geeft mij den droom en zijne uitlegging te kennen. 7 Zij antwoordden ten tweeden male en zeiden: De Koning zegge zijnen knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. 8 De Koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet dat de zaak mij ontgaan is; 9 indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is eenerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere: daarom zegt nnj den droom, dan zal ik weten dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen ge-ven. 10 De Chaldeën antwoordden voor den Koning en zeiden: Daar is geen mensch op den aardbodem die des Konings woord zoude kunnen te kennen geven: daarom is er geen Koning, groote of heerscher, die zulk eene zaak begeerd heeft van eenigen toovenaar of sterrenkijker of Chaldeër: 11 want de zaak die de Koning begeert is te zwaar,en daar is niemand anders die dezelve voor den Koning te kennen hem geven dan de goden, welker woning bij het vleesch niet is. 12 Daarom werd de Koning toornig en zeer verbolgen, en zeide dat men alle de wijzen te Babel zoude ombrengen. 13 Die wet dan ging uit, en |
DANIÃL 2.
»82
|
de Tvijzen werden gedood; men zocht ook Daniël en zijne metgezellen om gedood te worden. 14 Toen bracht Daniël eenen raad en oordeel in aan Arjoch den overste der trawanten des Konings, die uitgetogen was om de wijzen van Babel te doo-den; 15 hij antwoordde en zeidetot Arjoch den bevelhebber des Konings: Waarom * zoude de wet van 's Konings wege zoo verhaast worden? Toen gaf Arjoch aan Daniël de zaak te kennen. 16 En Daniël ging in, en verzocht van den Koning, dat hij hem eenen bestemden tijd wilde geven, dat hij den Koning de uitlegging te kennen gave. 17 Toen ging Daniël naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijnen metgezellen, llananja, Misaël en Azarja, te kennen, 18 opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniël en zijne metgezellen met de overige wijzen van Jiabel niet omkwamen. 19 Toen werd Daniël in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard. Toen loofde Daniël den God des hemels; 20 Daniël antwoordde en zeide: De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want zijne is de wijsheid en de kracht. 21 Want hij verandert de tijden en stonden, hij zet de Koningen al' en hij bevestigt de Koningen; hij geelt den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen die verstand hebben; 22 hij openbaart diepe en verborgen dingen, hij weet wat in het duister is, want het licht woont bij hem. 23 Ik dank en ik loof u, o God mijner vaderen, omdat gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekendgemaakt hebt wat wij van u verzocht hebben, want gij hebt ons des Konings zake bekend gemaakt. |
24 Daarom ging Daniël in tot Arjoch, dien de Koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om; maar breng mij in voor den Koning, en ik zal den Koning de uitlegging te kennen geven. 25 Toen bracht Arjoch met haaste Daniël in voor den Koning, en hij sprak al zóó tot hem : Tk heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die den Koning de uitlegging zal bekend maken. 26 De Koning antwoordde en zeide tot Daniël, wiens naam Beltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom dien ik gezien heb, en zijne uitlegging? 27 Daniël antwoordde voor den Koning en zeide: De verborgenheid die de Koning eischt, kunnen de wijzen, de sterrenkijkers, de tooyenaars en de waarzeggers den Koning niet te kennen geven ; 23 maar daar is een God in den hemel die verborgenheden openbaart: die heeft den Koning Nebukadnezar^ bekend gemaakt wat er geschieden zal in het laatste der dagen. Uw droom en de gezichten uws hoofds op uw leger zijn deze: 29 Gij, o Koning, op uw leger zijnde, klommen uwe gedachten op, wat hierna geschieden zoude: en hij die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven wat er geschieden zal. oü Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door de wijsheid die in mij zij boven alle levenden, maar daarom opdat men den Koning de uitlegging zoude bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zouc.t weten. 31 Gij, o Koning, zaagt, en zie, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk en deszelfs glans Wf.s uitnemend) staande tegen u over, en zijne gedaante was schrikkelijk. 32 Het hoofd van dit beeld was van zuiver goud, zijne borst en zijne armen van zilver, zijne» buik ⬠33 z zijne 1 en een 34 Ll steen handei zijne en ver 35 T maald zilver gelijk des zu weg, voor c steen heeft berg, aarde 36 l leggii Konii 37 lt; ning God konii eer g |
DANIÃL 2.
983
|
buik en zijn dijen van koper, 33 zijne sclienkelen van ijzer, zijne voeten eensdeels van ijzer en eensdeels van leem. 34 Bit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijne voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. 35 Toen werden te zamen ver-maald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorschvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en daar werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen die het beeld geslagen heeft werd tot eenen grooten berg, alzoo dat hij de geheele aarde vervulde. 36 Dit is de droom; zijne uitlegging nu zullen wij voor den Koning zeggen. 37 Gij, o Koning, zijt een Koning der Koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht en sterkte en eer gegeven; 38 en overal waar menschen-kinderen wonen heeft hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uwe hand gegeven, en hij heeft u gesteld tot een heerscher over alle dezelve; gij zijt dat gouden hoofd. '39 En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan liet uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk, van koper, hetwelk heerschen zal over de geheele aarde. 40 En het vierde koninkrijk zal hard zijn gelijk ijzer, aangezien het ijzer alles vermaalt en vergruist: gelijk nu het ijzer dat dit alles verbreekt, alzoo zal het vermalen en verbreken. 41 En dat gij gezien hebt de voeten en de teenen ten deele van pottenbakkers leem en ten deele van ijzer: dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des -ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem; |
42 en de teenen der voeten ten deele ijzer en ten deele leem; dat koninkrijk zal ten deele hard zijn en ten deele broos. ibel om. nen en eng de ; maar -oning, uitleg- i met n Ko- ; hem: ?e van-Ju da Dg de :en. de en naam ichtig Iroom zijne 43 En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem: zij zullen zich icel door men-schelijk zaad vermengen, maar zij zullen de één aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt. 44 Doch in de dagen van die Koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken dat. in eeuwigheid niet zal verstoord worden, en dat koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden: het zal alle die koninkrijken vermalen en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. 45 Daarom hebt gij gezien dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde: de groote God heeft den Koning bekend gemaakt wat liierna^ geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijne uitlegging is zeker. 46 Toen viel de Koning Nebu-kadnezar op zijn aangezicht en aanbad Daniël, en hij zeide dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoöer doen zoude. 47 De Koning antwoordde Daniël en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is en een Heer der Koningen, en die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren. 48 Toen maakte de Koning-Daniël groot, en hij gaf hom vele groote geschenken; en hij stelde hem tot een heerscher over het gansche landschap van Babel, en tot een overste der overheden over alle de wijzen van Babel. 49 Toen verzocht Daniël van den Koning; en hij stelde Sa-drach, Mesach en Abednego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniël bleef aan de poorte des Ko-nings. |
DANIÃL 3.
^84
|
HOOFDSTUK 3. De Koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zi.ine breedte zes ellen; hij richtte het op in het Dal Dura, in het landschap van Babel. 2 En de Koning Nebnkadnezar zond henen om te verzamelen â de stadhouders, de overheden en de landvoogden, de wethon-ders, de schatmcepters, de raads-heeren, de ambtlieden, en alle de bewindvoerders der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld hetwelk de Koning Nebukadne-zar had opgericht. 3 Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheeren, de fimbtlieden, en alle de bewindvoerders der landschappen, tot inwijding vaji het beeld hetwelk de Koning Nebnkadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld dat Nebnkadnezar opgericht had. 4 En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natiën en tongen, 5 ten tijde als gij hooren zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalters, des accoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zoo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld hetwelk de Koning Nebnkadnezar heelt opgericht; 6 en wie niet nedervalt en aanbidt, die zal terzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden. 7 Daarom op dien tiid als alle de volken hoorden Let geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalters, en allerlei soorten van muziek, aanbaden alle volken, natiën en tongen nedervallende het gouden beeld hetwelk de Koning Nebnkadnezar had opgericht. 8 Daarom naderden juist terzelfder tijd Chaldeeuwsche mannen, die de Joden openlijk beschuldigden ; |
9 zij antwoordden en zeiden tot den ^ Koning Nebnkadnezar; O Koning, leef in eeuwigheid. 10 Gij, o Koning, hebt een bevel gegeven, dat alle menschen die hooren zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalters en des accoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen en het gouden beeld aanbidden zouden; 11 en wie niet nederviel en aanbad, die zoude in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden. 12 Daar zijn Joodsche mannen, die gij over de bediening van het landschap Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen, o Koning, hebben op u geen acht gesteld, uwe goden eeren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan hetwelk gij opgericht hebt. 13 Toen zeide Nebnkadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voortbrengen zoude: toen werden die mannen voor den Koning gebracht. 14 Nebnkadnezar antwoordde en zeide tot hen; ïs het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat gijlieden mijne goden niet eert en het gouden beeld dat ik opgericht heb niet aanbid t. ? 15 Nu dan, zoo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde als gij hooren zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel,der psalters en des accoordgezangs, en allerlei soort van muziek, nedervalt en aanbidt het beeld dat ik gemaakt heb, zooü'twcl; maar zoo gijlieden het niet aanbidt, terzelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God die ulieden uit mijne handen verlossen zoude? 1G Sadrach, Mesach en Abed- |
DANIÃL 4.
985-
|
nego antwoordden en zeiden tot den Koning Nebnkadnezar: quot;Wij liebben niet van noode n op deze zaken te antwoorden. 17 Zal 't zoo zijn, or.ze God dien wij eeren is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en hij zal on* nit uwe hand, o Koning, verlossen. 18 Maar zoo nieten zij bekend, o Koning, dat wij uwe goden niet zullen eeren, noch het gouden beeld dat gij hebt opgericht zullen aanbidden. 19 Toen werd Nebnkadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet maken zoude dan men dien placht heet te maker.; 20 en tot de sterkste mannen van kracht die in zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abednego linden zouden, om ze te werpen in den oven des brandenden yuurs. 21 Toen werden die mannen gebonden in hunne mantels, hunne broeken en hunne hoeden en hunne andere kleederen, en zij wierpen ze in het midden van den oven des brandenden vuurs. 22 Daarom dan, dewijl het woord des Konings aandreef, en de oven zeer heet was, zoo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abednogo opgeheven hadden, gedood. 23 Maar dis die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abednego, in liet midden van den oven des brandenden vuurs gebonden zijnde gevallen waren, 24 toen ontzette zich de Ko-ning Nebnkadnezar, en hij stond op in haast, antwoordde en zeide tot zijne raadsheeren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs gebonden zijnde geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den Koning: 't Is gewis, c Koning. |
25 Hij antwoordde en zeide: Zie, ik zie vier mannen los wandelende in het midden des vuurs, en daar is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk van eenenzoon der goden. 2G Toen naderde Nebnkadnezar tot de deur van den oven des branden 1 en vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abednego, gij knechten des allerhoogstcn Gods, gaat uit en komt hier. Toen gingen Sadrach, Mesach en Abednego uit het midden des vuurs. 27 Toen vergaderden zich de-stadhouders, de overheden en do landvoogden en de raadsheeren des Konings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hunne lichamen niet geheerscht had, en dat het haar huns hoofde niet verbrand was en hunno mantels niet veranderd waren,, ja dat do reuk des vuurs daardoor niet gegaan was. 28 Ncbukudnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijnen Engel gezonden en zij ne knechten verlost heeft die op hem vertrouwd hebben,, en des Konings _ woord veranderd, en hunne lichamen overgegeven hebben, opdat zij geenen God eerden noch aanbaden dan hunnen God. 29 Daarom wordt van mij een. bevel gegeven, dat alle volk,, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abednego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want daar is geen andere God die alzóó verlossen kan. 30 Toen maakte de Koning Sadrach, Mesach en Abednego voorspoedig in het landschap van Babel. HOOFDSTUK 4. De Koning Nebnkadnezar aan alle volken, natiën en tongen,, die op den ganschen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd. 2 Het behaagt mij te verkondigen de teekenen en wonderen. |
DANIÃL 4.
9S6
|
die de allerhoogste God aan mij gednan heeft. 3 Hoe groot zijn zijne teekeneu en hoe machtig zijne wonderen, zijn rijk is een een wig rijk en zijne heerschappij is van geslacht tot geslacht. 4 Ik _ Nebnkadnezar, _ gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende, 5 zag een droom die mij vervaarde, en de gedachten die ik op mijn bed had en de gezichten mijns hoofds beroerden mij. (j Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zoude inbrengen alle de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van dien droom zouden bekend maken. 7 Toen kwamen in de toove-naars, de sterrenkijkers, de Chal-deön en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen, maar zij mankten mij zijne uitlegging niet bekend; 8 totdat ten laatste Daniel voor mij inkwam, wiens naam IBeltsazar is, naar _ den naam mijns Gods, in wien^ ook de geest der heilige godenis; en ik vertelde den droom voor hem, ze(igen de : 9 Beltsazar, gij overste der toovenaars, dewijl ik weet dat de geest der heilige goden in u is, en ^ geen verborgenheid u zwaar is, zoo zeg de gezichten mijns drooms dien ik gezien heb, te weten zijne uitlegging. 10 De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren (feire; ik zag, en zie, daar was een boom in het midden der aarde, en zijne hoogte was groot: 11 de boom werd groot en sterk, en zijne hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der gansche aarde. 12 Zijn loof was schoon en zijne vruchten waren vele, en daar was spijze aan denzeive voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alle vleesch werd daarvan gevoed. |
13 Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds op mijn leger, en ziekeen wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel, 14 roepende met kracht en aldus zeggende: Houwt dien boom af en kapt zijne takken af, stroopt zijn loof af en verstrooit zijne vruchten, dat de dieren van onder hen wegzwerven en de vogelen van zijne takken; 15 doch laat den stam met zijne wortelen in de aarde, en met eenen ijzeren en koperen band in het teedere gras des velds; en laat hij in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in }gt;et kruid der aarde. 16 Zijn hart worde veranderd, dat het geens menschen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan. 17 Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der menschen, en geeft ze aan wien hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de menschen. 18 Dezen droom heb ik. Koning Nebnkadnezar, gezien; gij nu Bellsazar, zeg de uitlegging van dien, dewijl alle de wijzen mijns koninkrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken, maar gij kunt wel, dewijl de geest der heilige goden in u is. 19 Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang, en zijne gedachten beroerden hem. ^ De Koning antwoordde Bn zeide: Beltsazar, laat u de droom en zijne uitlegging niet beroeren. Beltsazar antwoordde en zeide: Mijn heer, de droom wedervare uwen hate-ren, en zijne uitlegging uwen wederpartij ders. 20 De boom dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het |
|
DA NI gansche aardrijk gezien werd, 21 en wiens loof schoon en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was vcor allen, onder wien het gedierte des velds woonde en in wiens takken de vogelen des hemeln nestelden, â 22 dat zijt gij, o Koning, die groot en sterk zijt geworden; want uwe grootheid is zóó gewassen dat zij reikt aan den hemel, en uwe heerschappij aan het einde des aardrijks. 23 Dat nu de Koning eenen wachter, namelijk eenen heilige, gezien heeft van den hemel afkomende, die zeide: Houwt dezen boom af en verderft hem, doch laat^ den stam met zijne wortelen in de aarde, en met eenen ijzeren en koperen band in het teedere gras des velds, en in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan: â⢠24 dit is de beduiding, o Koning, en dit is een besluit des Allerhoogsten, hetwelk over mijnen heere den Koning komen zal: 25 te weten, men zal u van do menschen verstoeten, en niet het gedierte des velds zal uwe woning zijn, en men zal u kruid als den ossen te smaken geven, en gij zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en daar zullen zeven tijden over u voorbijgaan: totdat gij bekent dat de Allerhoogste^ heerschappij heeft over do koninkrijken der menschen, en ze geeft wien hij wil. 26 Dat er ook gezegd is, dat men den stam met de wortelen van dien boom laten zoude: â uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat .ffij zult bekend hebben dat de hemel heerscht. 27 Daarom, o Koning, laat mijn raad u behagen, en breek uwe zonden af door gerechtigheid, en uwe ongerechtigheden door genade te bewijzen aan do ellen-digen: of er verlenging van uwen vrede mocht wezen. |
à L 4. 087 28 Dit alles overkwam don Koning Nebukadnezar. 29 Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Dabei wandelde, 30 sprak de Koning en zeide: Is dit niet het groote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkto mijner macht en ter eere mijner heerlijkheid? 31 Dit woord nog zijnde in des Konings mond, viel er eene stem uit den hemel: U, o Koning Nebukadnezar, wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan; 32 en men zal u uit de men-echcn verstoeten, en uwe woning zal bij de bêesten des veld zijn; men zal u gras te smaken geven als den ossen, en daar zullen zeven tijden over u voorbijfraan: totdat gij bekent dat de Allerhoogste over de koninkrijken der menschen heerschappij heeft, en dat hij ze geeft aan wien hij wil. 33 Terzelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar ; want hij werd uit do menschen verstoeten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn baar wies als der arenden vederen, en zijne nagelen als der vogelen. 34 Ten einde dezer dagen nu hief ik, Nebukadnezar, mijne oogen op ten hemel, want mijn vei stand kwam weder in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwigleyende, omdat zijne heerschappij is eene eeuwige lieer-schappij, en zijn koninkrijk is van_ geslachte^ tot geslachte; 35 en alle inwoners der aarde zijn als niets geacht, en hij doet naar zijnen wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en daar is niemand die zijne hand afslaan of tot hem zeggen kan: Wat doet gij ? 80 Terzelfder tijd kwam mijn verstand weder in mij: ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijne majesteit en mijn |
|
9SS DAN] glans weder op mij, en mijne raadsheeren en mijne geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd, en mij werd grooter heerlijkheid toegevoegd. 37 Nu prijs ik, Nebnkadnezar, en verhoog en verheerlijk den Koning des hemels, omdat allo zijne werken waarheid en zijne paden gerichten zijn, en hij is machtig te vernederen degenen die in hoogmoed wandelen. HOOFDSTUK 5. De Koning Beltsazar maakte een grooten maaltijd voor zijne duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend. 2 Als Beltsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voortbrengen zoude, die zijn vader Nebukadnezar uit den Tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de Koning en zijne geweldigen, zijne vrouwen en zijne bijwijven uit dezelve dronken. 3 Toen bracht men voort de gouden vaten die men uit den Tempel van het Huis Gods die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had, en de Koning en zijne geweldigen, zijne vrouwen en zijne bijwijven dronken daaruit; 4 zij dronken den wijn, en prezen de gouden en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de steenen goden. 5 Terzelfder ure kwamen daar vingeren van eens menschen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de Koning zag liet deel der hand die daar schreef. G Toen veranderde zich de glans des Konings, en zijne gedachten verschrikten hem, en de banden zijner lendenen werden los, en zijne knieën stieten tegen malkander aan; 7 zoodat de Koning met kracht riep, dat men de sterren kijkers, de Chaldeën en de waarzeggers inbrengen zoude, en de Koning |
15 L 5. antwoordde en zeide tot de wij zeis van Babel: Alle man die dit schrift lezen en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met eene gouden koten om zijnen hals, en hij zal de tierde heerscher in dit koninkrijk zijn. 8 Toen kwamen alle de wijzen des Konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den Koning deszelfs uitlegging bekend maken. 9 Toen verschrikte de Koning Beltsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijne geweldigen werden verbaasd. 10 Om deze woorden des Konings en zijner geweldigen ging de Koningin in het huis des maaltijds: de Koningin spraken zeide: O Koning, leef in eeuwigheid: laat uwe gedachten u niet verschrikken en uw glans niet veranderd worden: 11 daar is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is; want in de dagen \iws vaders is bij hem gevonden licht en verstand en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is: daarom stelde hem de Koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der toovenaars, der sterrenkijkers, der Chaldeën en der waarzeggers, uw vader, o Koning ; 12 omdat een voortreffelijke geest en wetenschap en verstand van een die droomen uitlegt, en der verklaring van raadselen, en van een die knoopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, dien de Koning den naam Beltsazar gaf: laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven. 13 Toen werd Daniël voorden Koning ingebracht. De Koning antwoordde en zeide tot Daniël: Zijt gij die Daniël, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de Koning, mijn vader, u?t Juda gebracht heeft? Ã4 Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht en verstand en |
|
D A NI Toortreflelijke -wijelieid in u gevonden wordt. 15 Nu zoo zijn vóór mij gebracht de wijzen en de sterren-kijkers, om dit schrift te lezen en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven. 16 Doch van u heb ik gehoord dat gij uitleggingen kunt geven en knoopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult lezen en deszelfs uitlegging mij bekend maken, zult gij met purper bekleed worden, met eene gouden keten om uwen hals, en gij zult de derde heerscher in mijn koninkrijk zijn. 17 Toen antwoordde Daniël en zeide voor den Koning: Heb uwe gaven voor u zeiven en geef uwe vereeringen aan een ander: ik zal nochtans het echrift voor den Koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken. 18 Wat u aangaat, o Koning, de allerhoogste God heeft uwen vader Nebukadnezar het koninkrijk en grootheid en eer en heerlijkheid gegeven; 19 en vanwege de grootheid die hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volkeren, natiën en tongen voor hem: wien hij wilde doodde hij en wier» hij wilde behield hij in het leven, en wien hij wilde verhoogde hij en wien hij wilde vernederde hij. 20 Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest zicli verhardde ter hoovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestooten, en men nam deeere van hem weg; 21 en hij werd van de kinderen der menschen verstooten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijne woning was bij do woudezels ; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt: totdat hij bekende dat God, de Allerhoogste, Heerscher is over de koninkrijken der menschen, en |
à L 6. 9S9 over dezelve stelt wien hij wil. 22 En gij Beltsazar, zijn zoon, hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt; 23 maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van zijn huis vóór u^ gebracht, en gij en uwe geweldigen, uwe vrouwen en uwe bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken; en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niets zien, noch hooren, noch weten, hebt gij geprezen, maar dien God in wiens hand uw adem is en bij wien alle uwe paden zijn hebt gij niet verheerlijkt: â 24 toen is dat deel der hand van hem gezonden en dit schrift ge teekend geworden; 25 dit nu is het schrift dat daar geteekend is: Mené mexé tekèl ufarsin. 2(3 Dit is de uitlegging dezer woorden: Mené: God heeft uw koninkrijk geteld en hij heeft het voleind; 27 TEKÃL: gij zijt in weegschalen gewogen en gij zijt te licht gevonden; 28 peties: uw koninkrijk is verdeeld en het is den Meden en den Perzen gegeven. 29 Toen beval Beltsazar en zij bekleeden Daniël met purper, met eene gouden keten om zijnen hals; en zij riepen overluid van hem dat hij de derde heerscher in het koninkrijk was. 30 In dienzelfden nacht werd Beltsazar der Chaldeën Koning gedood. HOOFDSTUK G. Darius de Medicr nu ontving het koninkrijk omtrent tweeënzestig jaren oud zijnde. 2 En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganscho koninkrijk zijn zouden; 3 en over dezelve drie Vorsten, van welke Daniël de eerste â zijn zoude, denwelken de stad-1 houders zelve zouden rekenschap |
DANIÃL 6.
990
|
geven opdat de Koning geen Bcliade leed. 4 Toen overtrof deze Daniël de Vorsten en de stadhouders, daarom dat een voortreffelijker geest in hem was; en de Koning dacht hern^ te stellen over het geheele koninkrijk. 5 Toen zochten de Vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden tegen Daniël vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was en geen vergrijp noch misdaad in hem gevonden werd. 6 Toen zeiden die mannen: quot;Wij zullen tegen dezen Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij dat wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods. 7 Zoo kwamen deze Vorsten en de stadhouders met hoopen tot den Koning en zeiden aldus tot hem: O Koning Darius, leef in eeuwigheid. 8 Alle de Vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheeren en landvoogden hebben gezamenlijk beraadslaagd, eeno koninklijke ordinantie te stellen en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek doen zal van eenigen god of mensch, behalve van u, o Koning, in den kuil der leeuwen zal geworpen worden. 9 Nu, o Koning, gij zult een gebod bevestigen en een geschrift teekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag herroepen worden. 10 Daarom teekende de Koning Darius dat geschrift en gebod. 11 Toen nu Daniël verstond dat dit geschrift geteekend was, ging hij in zijn huis, (hij nu had in zijne opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan) en hij knielde driemaal 's daags op zijne knieën, en hij bad en deed belijdenis voor zijnen God, gan-schelijk gelijk hij vóór dezen gedaan had. |
12 Toen kwamen die mannen met hoopen, en zy vonden Daniël biddende en smeekende voor zijnen God. 13 Toen kwamen zij nader en spraken voor den Koning van het gebod des Konings: Hebt gij niet een gebod geteekend, dat alle man die in dertig dagen van eenigen god of mensch iets verzoeken zoude, behalve van u, o Koning, in den kuil der leeuwen zoude geworpen worden ? De Koning antwoordde en zeide: Het is een vast woord, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden. 14 Toen antwoordden zij en zeiden voor den Koning: Daniël, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda, heeft, o Koning, op u geen acht gesteld noch op liet gebod dat gij geteekend hebt, maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed. 15 Toen de Koning deze rede hoorde was hij zeer bedroefd bij zich zei ven, en hij stelde het hart op Daniël om hem te verlossen, ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich om hem te redden. 1G Toen kwamen die mannen met hoppen tot den Koning, en zij zeiden tot den Koning: quot;Weet, o Koning, dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordinantie die de Koning verordend heeft mag veranderd worden. 17 Toen beval de Koning en zij brachten Daniël voort, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de Koning antwoordde en zeide tot Daniël: Uw God, dien gij geduriglijk eert, die verlosse u. 18 En daar werd een steen gebracht en op den mond des kuils gelegd ; en de Koning verzegelde öenzelven met zijnen ring en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zoude veranderd worden. 19 Toen ging de Koning naar zijn paleis, en overnachtte nuch-teren, en liet geen vreugdespel |
DANIÃL 7.
991
|
voor zicli brengen, en zijn slaap â week verre van hem. 20 Toen stond de Koning in den vroegen morgenstond met liet licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen. 21 Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met eene droeve stem ; de Koning antwoordde en zaide tot Daniël: O Daniël, gij knecht des levenden Gods, heeft ook uw God dien gij gedurig]ijk eert u van de leeuwen kunnen verlossen ? 22 Toen sprak Daniël tot den Koning: # O Koning, leef in eeuwigheid: 23 mijn God heeft zijnen Engel gezonden, en hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o Koning, tegen u geen misdaad gedaan. 24: Toen werd de Koning bij zich zeiven zeer vroolijk, eu zeide dat men Daniël uit den kuil trekken zoude. Toen Daniël uit den kuil opgetrokken was, zoo wrerd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijnen God geloofd had. 25 Toen beval de Koning en zij brachten die mannen voort, die Daniël overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hunne kinderen, en hunne vrouwen, en zij kwamen niet op den grond des kulls, of de leeuwen heersch-ten over hen, zij vermorzelden ook alle hunne beenderen. 2G Toen schreef de Koning Darius aan alle volkeren, natiën en tongen die op de gansche aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd. 27 Van mij is een bevel gegeven, dat men in de gansche heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor liet aangezicht van den God Daniëls; want hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en zijne heerschappij is tot den einde toe; |
28 hij verlost en redt, en hij doet teekenen en wonderen m den hemel en op de aarde: di© heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost. 29 Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius en in het koninkrijk van Kores den Perziaan. HOOFDSTUK 7. In het eerste jaar van Beltsa-zar, den Koning van Dabei, zag Daniël eenen droom en gezichten zijns hoofds op zijn leger; toen schreef hij dien droom en hij zeide de hoofdsom der zaken. 2 Daniël antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht, bij nacht, en zie, de vier winden des hemels braken voort op de groote zee. 3 En daar klommen vier groote dieren óp uit de zee, het één van het ander verscheiden; 4 het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe totdat zijne vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld als een mensen, en aan hetzelve werd eens men-schen hart gegeven. 5 Daarna zie, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ééne zijde, en het had drie ribben in zijnen muil tusschen zijne tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel yleesch. 6 Daarna zag ik, en zie, daar was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijnen rug, ook had dat dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven. 7 Daarna zag ik in de nachtgezichten, en zie, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk, en het had groote ijzeren tanden, het at en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijne voeten; en het was verschillend van alle de dieren die vóór hetzelve geweest wa- |
|
902 D A N J ren: en het Lad tien hoornen. 8 Ik gaf aelit op de hoornen, â¢en zie, eene andere kleine hoorn kwam óp tusschén dezelve, en â¢drie nit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzei ve; en zie, in dien hoorn waren oogen als menschenoogèn, en een mond groote dingen sprekende. 9 Dit zagt;c ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen zich zette, wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar zijns lioofds als zuivere wol; zijn troon was vuurvonken, des-zell's raderen een brandend vuur; 10 eene vurige rivier vloeide en cing van voor hem uit, duizendmaal duizenden dienden hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden vóór hem: het gericht zette zich en de boeken werden geopend. 11 Toen zag ik toe vanwege de stem der groote woorden welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om door het vuur verbrand te worden; 12 en aangaande de overige â¢dieren, men nam hunne lieer-.schappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tut tijd en stonde toe. 13 Voorts zag ik in de nachtgezichten, en zie, daar kwam een met de wolken des hemels, als â¢eens menschen zoon, en hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden hem voor denzei venaderen; 14 en hem werd gegeven heerschappij en eer en het koninkrijk, dat hem alle volkeren, natiën en tongen eeren zouden; zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij die niet vergaan zal, en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. 15 Mij, Daniël, werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam,en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij. 1G Ik naderde tot een dergenen die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer za ken te kennen. |
ÃL 7. 17 Deze groote dieren, die vier zijn, zijn vier Koningen die uit de aarde opstaan zullen. 18 Maar de heiligen der hooge plaatsen zullen dat koninkrijk ontvangen, en zij zullen het rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden. 19 Toen wenschte ik naar de waarheid aangaande het vierde dier, hetwelk verschillend was van alle de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijne klauwen van koper, het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijne voeten; 20 en aangaande do tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen die opkwam, en voor welken er drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn die oogen had en een mond die groote dingen sprak, en wiens aanzien grooter was dan zijner metgezellen: 21 ik had gezien dat die hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht, 22 totdat do Oude van dagen kwam, en liet gericht gegeven j werd aan de heiligen der ïiooge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam dat de heiligen het rijk bezaten. 23 Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verschillend zal zijn van alle die rijken; en het zal do gansche aarde opeten en het zal dezelve vertreden en het zal zo verbrijzelen. 24 Belangende nu de tien hoornen, uit dat koninkrijk zullen tien Koningen opstaan; en een ander zal na hen opstaan, en die zal verschillend zijn van de vo-rigen, en hij zal drie Koningen vernederen; 25 en hij zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en hij zal de heiligen der hooge plaatsen verstoren, en hij zal meenen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszeifsliand overgegeven worden tot eenen tijd en tijden en een gedeelte eens tijds. |
DANIÃL 8.
093
|
26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijne heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende tot den einde toe. 27 Maar het rijk en de heer-fichappij en de grootheid der koninkrijken onder den ganschen hemel zal gegeven worden aan het volk der heiligen der hooge plaatsen, welks rijk een eeuwig rijk zijn zal, en alle heerschappijen zullen hem eeren en gehoorzamen. 28 Tot li iertoe is het einde dezer rede. Wat mij, Daniël, aangaat, mijne gedachten verschrikten mij zeer; en mijn glans veranderde aan mij ; doch ik bewaarde dat woord in mijn h art. HOOFDSTUK 8. Tn het derde jaar van het koninkrijk des Konings Beltsazars verscheen mij een gezich':, mij Daniël, na hetgeen dat mij in het eerste verschenen was: 2 en ik zag in een gezicht, (het geschiedde nu toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is), ik zag dan in een gezicht, dat ik aan don vloed Ulai was. 3 En ik hief mijne oogen op en ik zag, en zie, een ram stond vóór dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de ééne was hooger dan de andere, en de hoogste kwam het laatst op. 4 Ik zag dat de ram met do hoornen tegen het Westen stiet, en tegen het Noorden, en tegen het Zuiden, en geene dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en daar was niemand die uit zijne hand verloste, maar hij deed naar zijn welgevallen en iiij maakte zich groot.! 5 Toen ik dit overleide, zie, daar kwam een geitenhok van het Westen over den ganschen aardbodem, en roerde de aarde niet aan: en die bok had een aanzienlijken hoorn tusschen zijne oogen. |
6 En hij kwam tot den ram die da twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloei, en hij 1 iep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht; 7 en ik zag hem nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijne beide hoornen, en in den ram was geen kracht om voor zijn aangezicht te bestaan, en hij wierp hem ter aarde en hij vertrad hem, en daar was niemand die den ram uit zijne macht verloste. 8 En de geitenhok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die groote hoorn, en daar kwamen óp aan deszelfs plaats vier afin-zienlijke, naar de vier winden des hemels. 9 En uit eenen van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het Zuiden, en^tegen het oosten, en tegen het sierlijke land. 10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels, en hij wierp er sommiv-en van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder en vertrad ze; 11 ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst van dat heir, en van den zelve werd weggenomen het gedurig ofr'er, en de woning zijns heiligdoms werd nederge-worpen, 12 en het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig oifer; en hij wierp de waarheid ter aarde, en deed het, en het gelukte wel. 13 Daarna hoorde ik eenen heilige spreken, en de heilige zeide tot den ongenoemde die daar sprak: Tot hoe lang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zoo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden ? 14 En hij zeide tot mij : Tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens: dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden. 15 En het geschiedde toen ik dat gezicht zag, ik Daniël, zoo zocht ik het te verstaan, en zie, 32 |
DANIÃL 9.
994
|
daar otond vóór mij als do gedaante eens mans. 16 En ik hoorde tussclien Ulai eens menschen stemme, die riep en zeide: Gabriel, geef dezen liet gezicht te verstaan. 17 En hij kwam nevens mij waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik en ik viel op mijn aangezicht. Toen zeide liij^ tot mij: Vers ta,^ gij menschenkind; want dit gezicht zal zijn tut den tijd van het einde. 18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in eenen diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde. Toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijne standplaats; 19 en hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn. 20 De ram met de twee hoornen dien gij gezien hebt, zijn de Koningen der Meden en der Perzen. 21 Die harige bok nu is de Koning van Griekenland; en de groote hoorn welke tusschen zijne oogen is, is de eerste Koning. 22 Dat er nu vier aan zijne plaats stonden toen hij verbroken was: vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijne kracht. 23 Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste zullen gebracht hebben, zoo zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande; 24 en zijne kracht zal sterk worden, doch niet door zijne kracht; en hij zal het wonderlijk verderven; en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij aal de sterken mitsgaders het heilige volk verderven ; 25 en door zijne kloekheid zoo zal hij de bedriegerij doen gedij en # in zijne hand, en hij zal zich in zijn harte verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der Vorsten; doch hij zal zonder hand verbroken worden. |
26 Het gezicht nu van den avond en _ den morgen, dat er gezegd is, is de waarheid;en gij, sluit dit gezicht toe, want daar zijn nog vele dagen toe; 27 Toen werd ik, Daniël, zwak, en was eenige dagen krank: daarna stond ik op, cn deed des Konings werk; en ik was ontzet, over dit ge .icht, maar nienun l merkte Let. HOOFDSTUK 9. In het eerste jaar van Darius den zoon van Ahasveros, uitliet zaad der Meden, die Koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeën: 2 m het eerste jaar zijner regeering merkte ik, Daniël, in do boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het Woord des Hee-ren tot den Profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen J eruzalems, zeventig jaar was. 3 En ik stelde mijn aangezicht tot God den Ueere, om hem to zoeken met den gebede en smee-kingen, met vasten cn zak en asch; 4 ik bad dan tot den Heere mijnen God en deed belijdenis en zeide: Och Heere, gij groote en verschrikkelijke God, die het verbond en de weldadigheid houdt dien die hem liefhebben en zijne geboden houden, 5 wij hebben gezondigd en hebben onrecht gedaan en godde-looslijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van uwe geboden en van uwe rechten; G en wij hebben niet gehoord naar uwe dienstknechten de Profeten, die in uwen naam spraken tot onze Koningen, onze Vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands. _ 7 Bij li, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de be-scliaamdLeid der aangezichten, gelijk hel is te dezen dage bij de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in alle de landen daar gij ze henen gedreven hebt om hianne over- |
DANIÃL 9.
995
|
treding waarmede zij tegen u overtreden hebben. 8 O Heere, bij ons is de be-Bchaamdheid der aangezichten, bij onze Koningen, bij onze Vorsten en bij onze vaderen, omdat wij tegen n gezondigd hebben. 9 Bij den Heere onzen God zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben; 10 en wij hebben der stemme des Heeren onzes Gods niet gehoorzaamd, dat wij in zijne wetten wandelen zouden die liij gegeven heeft voor onze aangezichten door de hand van zijne knechten de Profeten, 11 maar geheellsraël heeft uwe wet overtreden, met af te wijken, dat zij uwer stemme met gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek en die eed die geschreven is in de wet van Mozes den knecht Gods, dewijl wij tegen hem gezondigd hebben; 12 en hij heeft zijne woorden bevestigd, die hij gesproken heeft tegen ons en tegen onze richters die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gan-echen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is. 13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, a]::oo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des Heeren onzes Gods niet, afkee-rende van onze ongerechtigheden, en verstandig achtge rende op uwe waarheid. 14 Daarom heeft de Heere over het kwade gewaakt en hij heeft het over ons gebracht, want de Heere onze God is rechtvaardig in alle zijne werken die hij gedaan heeft, dewijl wij zijner stemme niet gehoorzaamden. 15 En nn, o Heere onze God, die uw volk uit Egypteland uitgevoerd hebt met eene sterke hand, en hebt u eenen naam gemaakt gelijk hij is te dezen dage: wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest. |
16 O Heere, naar alle uwe gerechtigheden laat toch uw toom en uwe grimmigheid afgekeerd worden van uwe stad Jeruzalem, uwen heiligen berg; want om onzer zonden wille en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en uw volk tot ver-emaadheid bij allen die rondom ons zijn. 17 En nu, o onze God, hoor naar het gebed uws knechts en naar zijne smeekingen, en doe uw aangezicht lichten over uw heiligdom dat verwoest is, om des Heeren wil. 18 Neig uw oor, mijn God, en hoor; doe uwe oogen open en zie onze verwoestingen, en do stad die naar uwen naam genoemd is; want wij werpen onze sraeekin-gen voor uw aangezicht niet neder op onze ongerechtigheden, maar op uwe barmhartigheden die groot zijn. 19 O Heere, hoor; o Heere, vergeef; o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet, om uws zelfs wille o mijn God; want uw stad en uw volk is naar uwen naam genoemd. 20 Als ik nog sprak en bad, en beleed mijne zonde en de zonde van mijn vclk Israël, en mijne smeeking nederwierp voor het aangezicht des Heeren mijns Gods, ter wille van den heiligen berg mijns Gods; 21 als ik nog sprak in den ge-bede, zoo^ kwam de man Gabriöl, dien ik in den beginne in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende omtrent den tijd des avondoffers; 22 en hij onderrichtte mij en sprak met mij en zeide: Daniël, nu ben ik uitgegaan om u den zin te doen verstaan. 23 In den beginne uwer smee-kingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen om u dat te kennen te geven, want gij zijt een zeer gewenscht man; versta dan dit woord en merk op dit gezicht. 24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad, om de overtreding te sluiten en om de zonden te verzegelen, en om ae ongerech- |
|
S96 DAN! tigheden te verzoenenden om eene eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht en den Profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven. 25 Weet dan en versta: van den uitgang des woords, om te doen -wetlerkeeren en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den Vorst zijn zeven weken en tweeënzestig weken; de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in be-nauwdheid der tijden. 26 En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar liet zal niet voor hem zeiven zijn; en een volk des Vorsten, hetwelk komen zal, zal do stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met eenen overstroomenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. 27 En hij zal velen het verbond versterken ééne week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden; en over den gruwe-lijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleindiging toe, die vastelijk besloten zijnde zal uitgestort worden over den verwoeste. HOOFDSTUK 10. In het derde jaar van Kores den Koning van Perzië, werd aan Daniël, wieno naam genoemd werd Beltsazar, eene zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in eenen gezetten grooten tijd; en hij verstond die zaak en hij had verstand van het gezicht. 2 Tn die dagen was ik, Daniël, treurende de drie weken . der dagen; 'ó begeerlijke spijs at ik niet, en vleesch of wijn kwam in mijnen mond niet, ook zalfde ik mij gansch niet, totdat die drie weken tijds vervuld waren. 4 En op don vierentwintigsten dag der eerste maand, zoo was ik asn den oever der groote rivier, welke is Hiddékel; |
SL 10. 5 en ik hief mijne oogenopen zag, en zie, daar was een Man met linnen bekleed, en zijne lendenen waren omgord met iijn goud van Ufaz; 6 en zijn lichaam was gelijk een turkoois, en zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en zijne oogen gelijk vurige fakkelen, en zijne armen en zijne voeten gelijk de verw van gepolijst koper; en de stemme zijner woorden was gelijk de stem eener menigte. 7 En alleen ik, Daniël, zag dat gezicht, maar de mannen die bij mij waren zagen dat gezicht niet; doch eene groote verschrikking viel op hen en zij vloden om zich te versteken. 8 Ik dan werd alléén overgelaten en zag dit groot gezicht, en daar bleef in mij geen kracht overig, en mijne sierlijkheid werd aan inij veranderd in eene verderving, zoudat ik gecne kracht behield. 9 En ik hoorde de stem zijner woorden; en toen ik de stem zijner woorden hoorde, viel ik in eenen diepen slaap op mijn aangezicht, niet mijn aangezicht ter aarde. 10 En zie, eene hand roerde mij aan en maakte, dat ik mij bewoog op mijne knieën en do palmen mijner handen. 11 En hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer gewenschte man, merk op de woorden die ik tut u spreken zal, en sta op uwe standplaats, want ik ben alsnu tot u gezonden. En toen hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende. 12 Toen zeide hij tot mij; Vrees niet, Daniël, want van den eersten dag af dat gij uw harte begaaft om te verstaan en om u zeiven te verootmoedigen voor het aangezicht uws Gods, zijn uwe woorden gehoord, en om uwer woorden wille ben ik gekomen. 13 Doch de Vorst des konink-rijks van Perzië stond tegenover mij éénentwintig dagen; en zie, Michaël, een van de eerste Vors ten, kwam om mij te helpen, en |
DANIÃL II.
flfïï
|
ik werd aldaar gelaten bij de Koningen van Perzië. 14 Xu ben ik gekomen om n te doen verstaan hetgeen dat uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen, want Let gezicht is nog voor vele dagen. 15 En toen hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde en ik werd stom. 16 En zie, een den menschen-kinderen gelijk raakte mijne lippen aan: toen deed ik mijnen mond open en ik sprak en zeide tot dien die tegenover mij stond : Mijn Heere, om des gezichts wille keoren zich mijne weeën over mij zoodat ik geen kracht be-honde; 17 en hoe kan de knecht van dezen mijnen heer spreken met mijnen Heere? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geene kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven. 18 Toen raakte mij wederom aan een als in de gedaante van een mensch, en hij versterkte mij, 19 en hij zeide: Vrees niet,gij zeer gewenschte man, vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk. Eu terwijl hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want gij hebt mij versterkt. 20 Toen zeide hij: Weet gij waarom ik tot u gekomen ben ? Doch nn zal ik wederkeeren om te strijden tegen den Vorst der Perzen; en als ik zal uitgegaan zijn, zie, zoo zal de Vorst van Griekenland komen. 21 Doch ik zal u te kennen geven hetgeen dat geteekend is in het geschrift der waarheid; en daar is niet één die zich met mij versterkt tegen deze, dan uw Vorst Michaël. HOOFDSTUK 11. Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius den Mediër, om hem te versterken en te steunen. |
2 En nu, ik zal ii de waarheid te kennen geven: zie, daar zullen nog drie Koningen in Perzië opstaan, en de vierde zal verrijkt worden met grooten rijkdom meer dan alle de inuhrei-: en nadat hij zich in zijnen rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland, j 3 Daarna zal er een geweldig | Koning opstaan, die met groote heerschappij heerschen zal, en hij i zal doen naar zijn welgevallen. 4 En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijne nakomelingen, ook niet naar zijne heerschappij, waarmede hij heerschte; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen dan deze. 5 En de Koning van het Zuiden, die een van zijne Vorsten is, zal sterk worden, doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heerschen, zijne heerschappij zal een groote heerschappij zijn. G Op het einde nu van sommifje jaren zullen zij zich met malkander bevrienden, en de dochter des Koningt van het Zuiden zal komen tot den Koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij en zijn arm niet bestaan, maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heef t, en die haar gesterkt heeft in die tijden. 7 Doch uit de spruit harer wortelen zal er een opstaan in zijnen staat, die zal met heir-kracht komen, en hij zal komen tegen de sterke plaatsen des Konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen en hij zal ze bemachtigen. 8 Ook zal hij hunne goden, met hunne Vorsten, met hunne gewenschte vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen : en hij zal eeaige jaren staande blijven boven den Koning van het Noorden. 9 Alzoo zal de Koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken. |
DANIÃL 11.
998
|
10 Doch zijne zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen eene menigte van grooto heiren verzamelen, en een ran hen zal snellijk komen, en als een vloed overstroomen en doortrekken, en liij zal wederom komen en zich â in den strijd mengen, tot aan zijne sterke plaats toe. 11 En do Koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken en strijden tegen hem, tegen den Koning van het Noorden, die óók eene groote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijne hand gegeven worden. 12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheöen en hij zal er eenige tienduizenden nedervellen. Evenwel zal hij niet gesterkt worden; 13 want de Koning van het Noorden zal wederkeeren en hij zal een grooter menigte dan de eerste was oprichten, cn aan het einde van de tijden der jaren zal hij snellijk komen met eene groote heirkraclit en met groot goed. 14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den Koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen. 15 En de Koning van het Noorden zal komen, en eenen wTal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, daar zal geen kracht zijn om te bestaan. 16 Maar hij die tegen hem komt zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijne hand wezen. 17 En hij zal zijn aangezicht stellen om met de kracht zijns ganschen rijks te komen, en hij zal billijke voonvaarden medebrengen, en hij zal het doen, want hij zal hem eene dochter der vrouwen geven, om haar te te verderven; maar zij zal niet |
vaststaan en zij zal voor hem niet zijn. 18 Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keeren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijnen smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijnen smaad op hem zal doen wederkeeren. 19 En hij zal zijn aangezicht keeren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstooten en vallen en niet gevonden worden. 20 En in zijnen staat zal er een opstaan, doende een geld-eischer doortrekken in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in eenige dagen gebroken worden, nochtans niet door toornigheden noch door oorlog. 21 Daarna zal er een verachte in zijnen staat opstaan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilte komen en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen. 22 En de armen der overstrooming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de Vorst des verbonds. 23 En na de vereeniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal^ optrekken en hij zal met weinig volks gesterkt worden. 24 Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen dat zijne vaders en de vaders zijner vaders niet gedaan hebben; roof en buit en goederen zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden zijne gedachten denken, docb i,ot een zekeren tijd toe. 25 En hij zal zijne kracht en zijn hart verwekken tegen den Koning van het Zuiden, met eene groote heirkraclit; en de Koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met eene groote en zeer machtige heir-kracht; dc ch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. 26 En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en deszelfs heirkracht |
L
DANIÃL 11.
999
|
zal overstroomen, en vele verslagenen zullen vallen. 27 En beider dezer Koningen hart zal wezen om kwaad te doen, en aan ééne taïel zullen zij leugen spreken; ea het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd. 28 En hij zal tn zijn land wederkeeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en wederkeeren in zijn land. , , , 29 Ter bestemder tijd zal hij wederkeeren en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste noch gelijk de laatste reize. 30 Want er zullen schepen van de Kittiten tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal wederkeeren en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkeerende zoo zal hij acht geven op de verlaters van het heilig verbond. 31 En daar zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen -ai de sterkte, en zij zullen het gedurig ofrer wegnemen, en eenen verwoestenden gruwel stellen. 32 En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk die hunnen God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen. 33 En de leeraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen doorliet zwaard en door vlam, door gevangenis en door berooving, vele dagen. 34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met eene kleine hulp geholpen worden; doch velen zich door vleierijen tot hen vervoegen. 35 En van de leeraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor eenen bestemden tijd. |
36 En die Koning zal doen naai zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen en groot maken boven allen god, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleindigd zij; want liet is vast besloten, het zal geschieden. 37 En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen ; hij zal op geenen God acht-geven, maar hij zal zich boven alles groot maken. 38 En hij zal den god Maüzzim in zijne standplaats eeren; namelijk den god, welken zijne vaders niet gekend hebben, zal hij eeren met goud en met zilver en met kostelijk gesteente en met gewenschte dingen. 39 En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen die hij kennen zal, zal hij de eere vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heerschen over velen, en hij zal het land uitdeelen om prijs. 40 En op den tijd van het einde zal de Koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stooten; en de Koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen met wagenen en met ruiteren en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstroomen en doortrekken. 41 En hij zal komen in het land des sieraads, enveleZawfe» zullen ternedergeworpen worden; doch deze zullen zijne hand ontkomen; Edom en Moab en de de eerstelingen der kinderen Amnions. 42 En hij zal zijne hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen; 43 en hij zal heerschen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over alle de gewenschte dingen van Egypte; en die van Lybië en de Mooren zullen in zijne gangen wezen. 44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden |
Ã:|
|
1000 DANIÃL 12, zullen hem verschrikken, daarom zal hij uittrekken met groote grimmigheid, om velen te verdelgen en te verbannen; 45 en hij zal de tenten van zijn paleis planten tnsschen de zeeën aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen en zal geenen helper hebben. HOOFDSTUK 12. En te dier tijd zal Michaël opstaan, die groote Vorst, die voor de kinderen uws volks staat; als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest,'!.is sinds dat er een volk geweest is, tot op dien tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al die bevonden wordt geschreven te zijn in het boek. 2 En velen van degenen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en gene tot versmaad-heden cn tot eeuwige afgrijzingen. 3 De leeraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. 4 En gij, Daniël, sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek tot den tijd van het einde: velen zullen het nasporen, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. 5 En ik, Daniël, zag, en zie, daar stonden twee anderen, de één aan deze zijde van den oever der rivier en de ander aan gene zijde van den oever der rivier. G En hij zeide tot den Man |
HOSÃA 1. bekleed met linnen, die boven öes op het water der rivier was: Tot Hei hoe lang zal het zijn, dat er een hen einde van deze wonderen zal hoe wezen? rije 7 En ik hoorde dien Man, be- gan kleed met linnen, die boven op He: het water van de rivier was, en 3 hij hief zijne rechter- en zijne Oo: linkerhand op naar den hemel, 2aïi en zwoer bij dien die eeuwiglijk her leeft, dat na eenen bestemde]! 4 tijd, bestemde tijden, en eeno No helft, en als hij zal voleindigd 'no{ hebben _ te verstrooien de hand lt;ie des heiligen volks, alle deze zoc dingen voleindigd zullen worden. en 8 Dit hoorde ik, doch ik ver- hu stond het niet; en ik zeide: Mijn ^ Heere, wat zal het einde zijn scl van deze dingen? brlt; à En hij zeide: Ga henen, els Daniël; want deze woorden zijn ' toegesloten en^ verzegeld tot den ba tijd van het einde. to 10 Velen zullen er gereinigd R en wit gemaakt en gelouterd aa worden; doch de goddeloozen h( zullen goddelooslijk handelen, ze en geene van de goddeloozen zullen het verstaan, maar de y.f verstandigen zullen het verstaan. 1c 11 En van dien tijd af, dat G het gedurig offer zal weggenomen d en de verwoestende gruwel zal n gesteld zijn, zullen zijn duizend n tweehonderd en negentig dagen. 12 Welgelukzalig is hij die e; verwacht en raakt tot duizend b driehonderd en vijfendertig dagen. r 13 Maar gij, ga henen tot het z einde, want gij zult rusten, eu c zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen. 1 |
ET HOSÃA.
DE PROFE
|
HOOFDSTUK 1. Het Woord des Heeren, dat geschied is tot Hoséa den zoon van Beëri, in do dagen van Uzzia, |
Jotham, Achaz, Hizkia, Koningen van Juc.a, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, Koning van Israël. 2 Het begin van het Woord |
|
HOS dea Heeren door Hoséa. De Heere dan zeide tot Hoséa: Ga henen, neem u eene vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganschelijk van achter den Heere. 3 Zoo ging hij henen en nam Gomer, eene dochter van Dib-2aïm; en zij ontving, en baarde hem eenen zoon. 4 En de Heere zeide tot hem: Noem zijnen naam Jizreël; want nog een weinig tijds, zoo zal ik de bloedsclmlden Jizreëls bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis Israels doen ophouden; 5 en het zal te dien dage geschieden dat ik Israels boog verbreken zal in het dal Jizre-els. 6 En zij ontving wederom, en baarde eene dochter; en hij zeide tot hem: Noem haren naam Lo-Ruliama; want ik zal mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels, maar ik zal ze zekerlijk wegvoeren. 7 Maar over het huis van Juda aal ik mij ontfermen en zal ze verlossen door den Heere hunnen God, en ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. 8 Als zij nu Lo-Euhama gespeend had, ontving zij, en baarde eenen zoon. 9 En hij zeide: Noem zijnen naam Lo-Ammi, want gijlieden zijt mijn volk niet, zoo zal ik ook de uwe niet zijn. 10 Nochtans zal het getal der kinderen Israels zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en hot zal geschieden dat ter plaatse waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods; 11 en de kinderen van Juda, en de kinderen Israels zullen eamenvergaderd worden, en zich een éénig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizrecl zal groot zijn. |
ÃA 2. 1001 12 Zegt tot uwe broederen: Ammi, en tot uwo zusteren; Ruhama. HOOFDSTUK 2. Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij mijne vrouw niet is en ik haar man niet ben; en laat ze hare hoererijen van haar aangezicht en hare overspeligheden van tusschen hare borsten wegdoen, 2 opdat ik ze niet naakt uit-stroope, en zette ze als ten dage toen zij geboren werd, ja, make ze als eene woestijn en zette ze als een dor land, en doode ze door dorst, 3 en mij over hare kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn. 4 Want hunne moeder hoereert, die hen ontvangen heeft handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijne boeleerders nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijne wol en mijn vlas, mijne olie en mijnen drank geven. 5 Daarom zie, ik zal uwen weg met doornen betuinen, en ik zal eenen heiningmuur maken, dat zij hare paden niet zal vinden : 6 en zij zal hare boeleerders naloopen maar dezelve niet aantreffen, en zij zal ze zoeken maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan en keeren weder tot mijnen vorigen man, want toen was het mij beter dan nu. 7 Zij bekent toch niet, dat ik haar het koren en den most en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baal gebruikt hebben. 8 Daarom zal ik wederkomen en mijn koren wegnemen op zijnen tijd, en mijnen most op zijnen gezetten tijd; en ik zal wegrukken mijne wol en mijn vlas, dienende om hare naaktheid te bedekken; 9 en nu zal ik hare dwaasheid ontdekken voor de oogen harer boeleerders, en niemand zal ze uit mijne hand verlossen. 32* |
|
1002 10 En ik zal doen ophouden al hare vroolijkheid, hare feesten, hare nieuwe maanden en hare sabbaten, ja, alle hare gezette hoogtijden. 11 En ik zal verwoesten haren wijnstok en haren vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon dat mij mijne boeleerders gegeven hebben; maar ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten. 12 En ik zal over haar bezoeken de dagen der Baals, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd heeft met haar voor-hoofdsiersel en haar halssieraad, en is hare boeleerders nagegaan, maar heeft mij vergeten, zoo spreekt de Heere. 13 Daarom zie, ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn, en ik zal naar haar harte spreken; 14 en ik zal haar geven hare wijngaarden van daar af, en het dal Achor tot eene deur der hope; en aldaar zal zij zingen als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland. 15 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heeee, dat gij m»? noemen zult: Mijn man, en mij niet meer noemen zult: Mijn Baiil; 16 en ik zal de namen der Baals van haren mond wegdoen, en zij zullen niet meer bij hunne namen gedacht worden. 17 En ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds en met het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte des aardbodems, en ik zal den boog en het zwaard en den krijg van de ^ aarde verbreken, en zal ze in zekerheid doen nederlig-gen. 18 En ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja, ik zal u mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht en in goedertierenheid en in barmhartig-heden, |
19 en ik zal u mij ondertrouwen in geloof, en gij zult den Heere kennen. 20 En het zal te dien dage geschieden dat ik verhooren zal, spreekt de Heere; ik zal den hemel verhooren, en die zal de aarde verhooren; 21 en de aarde zal het koren verhooren mitsgaders den mo^t en de olie, en die zullen Jizreël verhooren; 22 en ik zal ze mij op de aarde zaaien, en zal mij ontfermen over Lo-Kuhama; en ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt mijn volk, en dat zal zeggen: O mijn God. HOOFDSTUK 3. En de Heere zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin eene vrouw, die bemind zijnde van haren vriend, nochtans overspel doet: gelijk de Heere de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden en beminnen de flesschen der druiven. 2 En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen en een homer gerst en een halve homer gerst. 3 En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen xoormi} eenzaam blijven zitten, (gij zult niet hoe-reeren noch eenen anderen man geworden), en ik ook voor u. 4 quot;VVant de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten zonder Koning en zonder Vorst, en zonder oll'er en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. 5 Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeeren, en zoeken den Heere hunnen God en David hunnen Koning, en zij zullen vreezende komen tot den Heere en tot zijne goedheid, in het laatste der dagen. HOOFDSTUK 4. Hoort des Heeren Woord, gij kinderen Israëls; want de Heere heeft eenen twist met de inwoners des lands, omdat er geene trouw noch weldadigheid, noch kennisse Gods in het land is. HO Sà A 3, 4- |
|
2 maar vloeken en liegen en doodslaan en stelen en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedsclml-den. 3 Daarom zal het land trenren, en een iegelijk die daarin woont â wegkwijnen, met het gedierte des velds en met het gevogelte des hemels, ja, ook de visschen der zee zullen weggeraapt worden. 4 Doch niemand twiste noch bestrafte iemand; want uw volk is als die met den Priester twisten. 5 Daarom zult gij vallen bij dag, ja, zelfs de Profeet zal met u vallen bij nacht; en ik zal uwe moeder uitroeien. 6 Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennisse is, dewijl gij de kennisse verworpen hebt, heb ik u ook verworpen, dat gij mij het Priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal ik ook uwe kinderen vergeten. I Gelijk zij meerder geworden zijn, alzóó hebben zij tegen mij gezondigd: ik zal hunne eere iu schande veranderen. 8 Zij eten de zonde mijns volks, en verlangen een ieder met zijne ziel naar hunne ongerechtigheid : 9 daarom gelijk het volk, alzóó zal de Priester zijn, en ik zal zijne wegen over hem bezoeken en zijne handelingen hem vergelden; 10 en zij zullen eten maar niet verzadigd worden, zullen hoereeren maar niet uitbreken in menigte; want zij hebben nagelaten den Heere in acht te nemen. II Hoererij en wijn en most neemt het hart weg. 12 Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest der hoererijen verleidt ze, dat zij van onder hunnen God weghoereeren. 13 Op de hoogten der bergen offeren zij, en op de heuvelen rooken zij, onder een eik en populier en ijpeboom, omdat derzei ver schaduw goed is; daar-1A 5. 1003 |
om hoereeren uwe dochteren, en uwe bruiden bedrijven overspel. 14 Ik zal over uwe dochteren geen bezoeking doen omdat ze hoereeren, en over uwe bruiden omdat ze overspel doen; want zij zelve scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren: het volk dan dat geen verstand heeft, zal omgekeerd worden. 15 Zoo gij, o Israël, wilt hoereeren, dat immers Ju da niet schuldig worde: en komt gij toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-Aven, en zweert niet: Zoo waarachtig als de Heere leeft! 16 Want Israël is onhandig als eene onhandige koe: nu zal hen de Heere weiden als een lam in de ruimte. 17 Efraïm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen. 18 Hunne zuiperij is afvallig; zij doen niets dan hoereeren; hunne schilden (het is eene schande!) beminnen het woord: Geeft. 19 Een wind heeft hen gebonden in zijne vleugelen, en zij zullen beschaamd worden vanwege hunne offeranden. HOOFDSTUK 5. Hoort ^ dit, gij Priesters, en merkt op gij huis Israels, en neemt ter oore gij huis des Ko-nings; want ulieden gaat dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te Mizpa en een uitgespannen net op Tabor. 2 En die afwijken verdiepen zich om te slachten ; maar ik zal him allen een tuchtmeester zijn. 3 Ik ken Efraïm, en Israël is voor mij niet verborgen: dat gij, o Efraïm, nu hoereert, en Israël verontreinigd is. 4 Zij stellen hunne handelingen niet aan om zich tot hunnen God te bekeerenj want de geest der hoererijen is in 't midden van hen, en den Heere kennen zij niet. 5 Dies zal Israëls hoovaardij in zijn aangezicht getuigen, en Israël en Efraïm zullen vallen |
|
T004 HOSà door hunne ongerechtigheid, ook zal Jnda met hen vallen. G Met hunne schapen en met hunne runderen zullen zij dan gaan om den Heere te zoeken, maar hem niet vinden: hij heeft zich van hen onttrokken. 7 Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den Heere, want zij hebben vreemde kinderen gewonnen: nu zal hen de nieuwe maand verteren met hunne deelen. 8 Blaast de bazuin te Gibea, de trompet te Kama; roept luid tc Beth-Aven: Achter u. Benjamin! 9 Efraïm zal tot verwoesting worden ten dage der straf; onder de stammen Israels heb ik bekend gemaakt dat gewis is. 10 De Vorsten van Juda zijn geworden gelijk die de landpale verrukken; ik zal mijne verbolgenheid als water over hen uitgieten. 11 Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij beeft zoo gewild, hij heeft gewandeld naar het gebod: 12 daarom zal ik Efraïm zijn als eene mot, en den huize van Juda als eene verrotting. 13 Als Efraïm zijne krankheid zag en Juda zijn gezwel, zoo toog Efraïm tot Assur en hij zond tot den Koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen en zal het gezwel van ulieden niet heelen; 14 want ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw; ik, ik zal verscheuren en henengaan, ik zal wegvoeren en daar zal geen redder zijn; 15 ik zal henengaan en keeren weder tot mijne plaats, totdat zij zich zelve schuldig kennen en mijn aangezicht zoeken: als het hun bang zal zijn, zullen zij aaij vroeg zoeken. HOOFDSTUK 6. Komt en laat ons wederkeeren tot den Heere, want hij heeft verscheurd en hij zal ons genezen, hij heeft geslagen en hij sal ons verbinden; |
A C. 7. 2 hij zal ons na twee dagen levend maken, op den derden dag zal hij ons doen verrijzen en wij zullen voor zijn aangezicht leven. 3 Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om den Heere te kennen, zijn uitgang is bereid als de dageraad; en hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands. 4 Wat zal ik u doen, o Efraïm, wat zal ik u doen, o Juda, dewijl uwe weldadigheid is als eene morgenwolk, en als eene vroeg-komende dauw die henen gaat. 5 Daarom heb ik ze behouwen door de Profeten, ik heb ze gedood door de redenen mijns monds; en uwe oordeelen zullen voortkomen aan het licht. 6 Want ik heb lust tot weldadigheid en niet tot offer, en tot de kennisse Gods meer dan tot brandoöeren ; 7 maar zij hebben het verbond overtreden als Adam, daar hebben zij trouwelooslijk tegen mij gehandeld. 8 Gilead is eene stad van werkers der ongerechtigheid, zij is betreden van bloed. 9 Gelijk de benden der straatschenders op iemand wachten, alzoo is het gezelschap der l'ries-ters; zij moorden op den weg naar Sichem, waarlijk zij doen schandelijke daden. 10 Ik zie eene afschuwelijke zaak in het huis Israels: aldaar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd ; 11 ook heeft hij 11, 0 Juda, eenen oogst gezet, als ik de gevangenen mijns volks weder-bracht. HOOFDSTUK 7. Terwijl ik Israël genees, zoo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, mitsgaders de boosheden van Ssmarië; want zij werken valschheid, en de dief gaat er in, de bende der straatschenders stroopt daarbuiten; 2 en zij zeggen niet in hun hart, dat ik al hunne boosheid |
HOSÃA 8.
1005
|
â ben: nu omsingelen hen hunne handelingen, zij zijn voor mijn aangezicht. 3 Zij verblijden den Koning met hunne boosheid ea de Vorsten met hunne leugenen. 4 Zij bedrijven al tezamen overspel, zij zijn gelijk een bakoven die heet gemaakt is door den bakker; die ophoudt van wakker te zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed t totdat het doorge-zuurd zij. 5 Het is de dag onzes Konings, de Vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijne hand voort met de spotters. 6 Want zij voeren hun hart aan als eenen bakoven, tot hunne lagen; hunlieder bakker slaapt den gansehen nacht; 'smorgens brandt hij als een vlammend vuur. 7 Zij zijn altezamen verhit als een bakoven, en zij verteren hunne richters; alle hunne Koningen vallen, er is niemand onder hen die tot mij roept. 8 Efraïm, die verwart zich met de volken, Efraïm is een koek die niet is omgekeerd; 9 vreemden verteren zijne kracht en hij merkt het niet, ook is de grauwheid op hem verspreid en hij merkt het niet. 10 Dies zal de hoovaardij Israels in zijn aangezicht getuigen; dewijl zij zich niet bekeeren tot den Heere hunnen God, noch hem zoeken in alle dezen. 11 Want Efraïm is als eene botte duif zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan henen tot Assur: 12 wanneer zij zullen henengaan, zal ik mijn net over hen uitspreiden, ik zal ze als vogelen dos hemels doen nederdalen, ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hunne vergadering. 13 Wee hun, want zij zijn van mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen mij overtreden! ik zoude ze welver-lossen, maar zij spreken leugens tegen mij; |
14 zij roepen ook niet tot mij mei hun hart, wanneer zij huilen op hunne legers; om koren en most verzamelen zij zich maar zij wederstreven tegen mij. 15 Ik heb ze wel getuchtigd en hunne armen gesterkt, maar zij denken kwaad tegen mij; 1G zij keeren zich, maar niet tot den Allerhoogste, zij zijn als eene bedriegelijke boog; hunne Vorsten vallen door het zwaard vanwege de gramschap hunner tong: dit is in hunne bespotting in Egypteland. HOOFDSTUK 8. De bazuin aan uwen mond: hij komt als een arend tegen het Huis des Heeren, omdat zij mijn verbond hebben overtreden en zijn tegen mijne wet afvallig geworden. 2 Dan zullen zij tot mij roepen: Mijn God wij, Israël, kennen u. 3 Israël heeft het goede verstoeten: do vijand zal hem vervolgen. 4 Zij hebben Koningen gemaakt maar niet uit mij, zij hebben Vorsten gesteld maar ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud nebben zij voor zich zelve afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden. 5 Uw kalf, o Samarië, heeft « verstoeten; mijn toorn is tegen hen ontstoken: hoe lang zullen zij de reinheid niet verdra-gen? , . 6 Want dat is ook uit Israël: een werkmeester heeft het gemaakt en het is geen God, maar liet zal iot stukken worden, het kalf van Samarië. 7 Want zij hebben wind gezaaid en zullen eenen wervelwind maaien; het zal geen staand koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken: of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. 8 Israël is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden gelijk een vat waar men geen lust toe heeft. 9 Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel die alleen voor zich zei ven is; die van |
|
1006 HOS Efraïm hebben boeleerdere om hoerenloon gehuurd. 10 Dewijl zij clan onder de heidenen hoeleerders om hoerenloon gehuurd hebben, zoo zal ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege den last van den Kouing der Vorsten. 11 Omdat Efraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zoo zijn hem de altaren geworden tot zondigen. 12 Ik schrijf hem de voortreffelijkheden mijner wet voor, maar die zijn geacht als wat vreemds. 13 Aangaande de offeranden mijner gaven, zij offeren vleesch en eten het, «laar de Heere heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal hij hunne ongerechtigheid gedenken en hunne zonden bezoeken: zij zullen weder naar Egypte keeren. 14 Want Israël heeft zijnen Maker vergeten en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar ik zal een vuur zenden in zijne steden dat zal zijne paleizen verteren. HOOFDSTUK 9. Yerblijd u niet, o Israël, tot opspringens toe, gelijk de volken; want gij hoereert van uwen God af, gij hebt hoerenloon lief op alle dorschvloeren des korens. 2 De ^/ojsc/zvloer en de wijnkuip zal hen niet voeden, en de most zal hun liegen. 3 Zij zullen in des Heeren land niet blijven, maar Efraïm zal weder naar Egypte keeren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten. 4 Zij zullen den Heere geene drankofferen doen van wijn, ook zouden ze hem niet zoet zijn, hunne offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen die dat zouden eten zouden onrein worden; want hun brood zal voor hunne ziele zijn, het zal in des Heeren huis niet komen. 5 Wat zult gijlieden dan doen op eenen gezetten hoogtijdsdag en op eenen feestdag des Heeren ? |
à A 9. 6 Want zie, zij gaan daarhenen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen. Mof zal ze begraven: begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hunne tenten zijn. 7 De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden: de Profeet is een dwaas, de man des Geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot. 8 De wachter van Efraïm is met mijnen God; maar de Profeet is een vogelvangers-strik op alle zijne wegen, een haat in het Huis zijns Gods. 9 Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gi-bea: hij zal hunne ongerechtigheid gedenken, hij zal hunne zonden bezoeken. 10 Ik vond Israël als druiven in de woestijn, ik zag uwe vaderen als de eerste vrucht aan den vjjgebooin in haar begin; maar zij gingen in tot Baiil-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gansch verfoeilijk naar hunne boeleering. 11 Aangaande Efraïm, hunne heerlijkheid zal wegvliegen ais een vogel, van de geboorte en van den moederschoot en van de ontvangenis af. 12 Al mochten zij hunne kinderen groot brengen, ik zal er hen toch van berooven, dat ze onder de menschen niet zullen zijn; want ook wee hun als ik van hen zal geweken zijn. 13 Efraïm is gelijk als ik Tyrus aanzag, die geplant is in eene liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijne kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager. 14 Geef hun Heere â wat zult gij geven? Geef hun eene misdragende baarmoeder en uitdrogende borsten. 15 Al hunne boosheid is te Gilgal, want daar heb ik ze gehaat om de boosheid hunner handelingen; ik zal ze uit mijn Huis uitdrijven, ik zal ze voortaan |
|
HOSà niet meer lief hebben; alle hunne Vorsten zijn afvalligen. 16 Efraïm is geslagen, hnn wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; jfi, ofschoon zij genereerden, zoo zal ik toch de gewenschte van hunnen schoot dooden. 17 Mijn God zal ze verwerpen omdat ze naar hem niet hooren, en zij zullen omzwervende zijn onder de heidenen. HOOFDSTUK 10. Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt icecler vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd, naar de goedheid zijns lands hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt. 2 Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; hij zal hunne altaren doorhouwen, hij zal hunne opgerichte beelden verstoren. 3 Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geenen Koning ; want wij hebben den Heere niet gevreesd : wat zoude ons dan een Koning doen? 4 Zij hebben woorden gesproken, val schel ijk zwerende i'n het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen op de voren der velden. 5 De inwoners van Samarië zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven ; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijne Kemarim {die zich over hetzelve verheugden) over zijne heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren. 6 Ja, dat zelf zal naar Assur gevoerd worden tot een geschenk voor den Koning Jareb: Efraïm zal schaamte behalen en Israël zal beschaamd worden vanwege zijnen raadslag; '7 de Koning van Samarië is afgehouwen, als schuim op het water; 8 en de hoogten van Aven, Israels zonde, zullen verdelgd worden, doornen en distelen zullen op hunne altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de ber- |
L 10, 11. 1007 gen: Bedekt ons, en tot de heuvelen: Valt op ons. 9 Sinds de dagen van Gibea hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibea tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen. 10 Het is in mijnen lust dat ik ze zal binden, en volken zullen tegen hen verzameld worden, als ik ze binden zal in hunne twee voren. 11 Dewijl Efraïm eene vaars is, gewend gaame te dorschen, zoo ben ik over de schoonheid van haren hals overgegaan; ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor hem eggen. 12 Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid, braakt u een braakland: dewijl het tijd is den Heere te zoeken, totdat hij kome en over u de gerechtigheid regene. 13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uwen weg, op de veelheid uwer helden: 14 daarom zal er een groot ge-druisch ontstaan onder uwe volken, en alle uwe vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd er verpletterd met de zonen. 15 Alzóó heeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israëls Koning is in den dageraad ten eenenmale uitgeroeid. HOOFDSTUK 11. Als Israël een kind was, toen heb ik hem liefgehad, en ik heb mijnen zoon uit Egypte geroepen. 2 Maar gelijk zij henlieden riepen, alzóó gingen zij van hun aangezicht weg; zij otterden den Baals en rookten den gesneden beelden. 3 Ik nochtans leerde Efraïm gaan; hij nam zeopzQnearmen; maar zij bekenden niet dat ik ze genas. 4 Ik trok ze metmenschenzelen, met koorden der liefde, en was |
|
1008 HO Sà hun als degenen die het juk van op hunne kinnebakken oplichten, en ik reikte hem voeder toe. 5 Hij zal in Egypteland niet wederkeeren, maar Assur,diezal zijn Koning zijn, omdat zij weigeren zich te bekeeren. G En liet zwaard zal in zijne steden blijven en zijnegrendelen verteren en verslinden, vanwege hunne beraadslagingen; 7 want mijn volk blij ft hangen aan de afkeering van mij; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet één verhoogt hem. 8 Hoe zoude ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël r Hoe zoude ik u maken alsAda-ma, u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in mij omgekeerd, al mijn berouw is te zamen ontstoken. 9 Ik zal de hittigheid mijns toorns niet uitvoeren, ik zal niet wederkeeren om Efraïm te verderven ; want ik ben God en geen mensch, de Heilige in het midden van u, en ik zal in do stad niet komen. 10 Zij zullen den Heere achterna wandelen, hij zal brullen als een leeuw: wanneer hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen, 11 zij zullen bevende aankomen als een vogelken uit Egypte en als eene duive uit het land van Assur, en ik zal ze doen wonen in hunne huizen, spreekt de Heeue. HOOFDSTUK 12. Die van Efraïm hebben mij omsingeld met leugen, en het huis Issaëls met bedrog, maar Juda heerschte nog met God, en was met de heiligen getrouw. 2 Efraïm weidt zich met wind en jaagt den oostenwind na; den ganschen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting, en zij maken verbond met Assur, en do olie wordt naar Egypte gevoerd. 3 Ook heeft de Heeee eenen twist met Juda, en hij zal bezoeking doen over Jakob naar |
12, 13. zijne wegen, naar zijne handelingen zal hij hem vergelden. 4 In den moeilerechoot hield hij zijnen broeder bij de verzenen ; en in zijne kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God, 5 ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen den Engel en onvermocht hem; hij weende en smeekte hem. Te Beth-El vond hij hem, en aldaar sprak hij met ons; 6 namelijk de Heere, de God der heirscharen, Heere is zijn gedenknaam. 7 Gij dan, bekeer u tot uwen God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uwen God. 8 In des koopmans hand ia eene bedriegelijke weegschaal^ hij bemint te verdrukken: 9 toch zegt Efraïm: Evenwel ben ik rijk geworden, Ik heb mij. groot goed verkregen; in aï mijnen arbeid zullen zij mij geene ongerechtigheid vinden die zonde zij- 10 Maar ik ben de Heere uw God van Egypteland af; ik zal u nog in tenten doen wonen als in de dagen der samenkomst; 11 en ik zal spreken tot do Profeten, en ik zal het gezicht vermenigvuldigen, en door den. dienst der Profeten zal ik gelijkenissen voorstellen. 12 Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ij delheid; te Gilgal olleren zij ossen,, ja, hunne altaren zijn als steen-hooien op de voren der velden, 13 Jakob vlood toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om eene vrouw en hoedde om eene vrouw; 14 maar d^ Heere voerde Israël op uit Egypv.e door eenen Profeet, en door eenen Profeet werd hij gehoed. 15 Efraïm daarentegen heeft hem zeer bitterlijk vertoornd: daarom zal hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijnen smaad vergelden. HOOFDSTUK 13. Als Efraïm sprak, zoo beefde men, hij heeft zich verheven in |
|
II O SI Israël; maar hij is schuldig ge-â¢worden aan deu I3aiil en is gestorven. 2 En nu zijn zij voortgevaren te zondigen; en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal smeden werk zijn: waarvan zij nochtans zeggen: De menschen die offeren zullen de kalveren kussen. 3 Daarom zullen zij zijn als eene morgenwolk en als een vroeg komende dauw die henen gaat, als kaf van den dorschvloer en gelijk rook uit den schoorsteen wordt weggestormd. 4 Ik ben toch de Heere uw God van Egypteland af; daarom zoudt gij geenen God kennen dan mijt alleen, want daar is geen Heiland dan ik. _ 5 Ik heb u gekend in de woestijn, in zeer heeten lande. G^Daarnazijn zij,naardat hunne weide was verzadigd geworden; als zij verzadigd zijn geworden, heeft zich hun harte verheven; daarom hebben zij mij vergoten. 7 Dies werd ik hun als een felle leeuw, als een luipaard loerde ik op den weg; 8 ik ontmoette ze als een beer die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en ik verslond ze aldaar als een oude leeuw; het wild gedierte des velds verscheurde ze. 9 Het. heeft u bedorven o Israël ; want in mij is uw hulp. 10 quot;Waar is uw Koning nu ? dat hij u behoude in alle uwe steden; en uwe richters, waar gij van zeidet: Geef mij eenen Koning en Vorsten? 11 Ik gaf u eenen Koning in mijnen toorn, en nam hem weg in mijne verbolgenheid. 12 Efraïms ongerechtigheid is samengebonden, zijne zonde is opgelegd; 13 smarten eener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind, want anders zoude hij geen tijd in de kindergeboorto blijven staan. 14 Doch ik zal ze van liet geweld der hel verlossen, ik zal ze |
A Ã4. 1009 vrijmaken van den dood; odoodgt; waar zijn uwe pestilentiën ? Hei, waar ia uw verderf? Berouw zal van mijne oogen verborgen zijn. 15 Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostenwind komen, een wind des Heeren, opkomende uit de woestijn; en zijne springader zal uitdrogen en zijne fontein zal verdrogen: die zal den schat van alle gewenscht huisraad rooven. HOOFDSTUK 14. Samarië zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haren God; zij zullen door het zwaard vallen, hunne kinderken» zullen verpletterd en hnnno zwangere vrome en zullen opengesneden worden. 2 Bekeer u, o Israël, tot den Heere uwen God; want gij zijt gevallen om uwe ongerechtigheid. 3 Neemt deze woorden met u, en bekeert u tot den Heere; zegt tot hem: Neem weg allo ongerechtigheid en geef hetgoede, zoo zullen wij betalen de varren onzer lippen. 4 Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal een wees bij u ontferming vinden. 5 Ik zal hunne afkeering genezen, ik zal ze vrijwillig liefhebben; want mijn toorn is van hem gekeerd. 6 Ik zal Israël zijn als de dauw: hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijne wortelen uitslaan als do Libanon; 7 zijne scheuten zullen zich uitspreiden, en zijne heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij-zal eenen reuk hebben als de Libanon. 8 Zij zullen wederkeeren, zittende onder zijne schaduw ; zij zullen ten leven voortbrengen als koren en bloeien als de wijnstok; zijne gedachtenis zal zijn als do wijn van Libanon. 9 Efraïm, wat heb ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord en zal op hem zien, ik |
JOÃL 1.
1010
|
zal hem zijn als een groenende denneboom, uwe vrucht is uit mij gevonden. |
10 Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig ? die bekenne ze; want des Heeren wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. |
DE PROFEET JOEL.
|
HOOFDSTUK 1. Het Woord des Heeren dat geschied is tot Joel, den zoon van Pethuël. 2 Hoort dit gij oudsten, en neemt het ter oore, alle inwoners des lands. Is dit geschied in uwe dagen, of ook in de dagen uwer vaderen ? 3 Vertelt uwen kinderen daarvan, en laat het uwe kinderen hunnen kinderen vartellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht. â 4 Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten; en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten; en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. 5 Waakt óp gij dronkenen, en weent, en jammert alle gij wijnzuipers, om den nieuwen wijn, dewijl hij van uwen mond is afgesneden. 6 Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijne tandenziinleeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws; 7 het heeft mijnen wijnstok gesteld tot eene verwoesting, en mijnen vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganschelijk ontbloot en nedergeworpen, zijne ranken zijn wit geworden. 8 Kerm als eene jonkvrouw die met een zak omgord is vanwege den man harer jeugd. 9 Spijsoffer en drankoffer is van het Huis des Heeren afgesneden; de Priesters, des Heeren dienaars, treuren. |
10 Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw. 11 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen om de tarwe en om de gerst; want de oogst des velds is vergaan. 12 De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw, de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom; alle boomen des velds zijn verdord, ja, de vroolijk-heid is verdord van de menschen-kinderen. 13 Omgordt u en rouwklaagt, gij Priesters; huilt, gij dienaars des altaars; gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods ; want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het Huis uws Gods. 14 Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten en alle inwoners dezes lands ten Huize des Heeren uws Gods, en roept tot den Heere. 15 Ach die dag! want de dag des Heeren is nabij en zal als eene verwoe sting komen van den Almachtige. 16 Is niet de spijze voor onze oogen afgesneden, blijdschap en verheuging van het Huis onzes Gods ? 17 De granen ziin onder hunne kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. 18 O hoe zucht het vee! De runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geene weide; |
|
JOà ook zijn de echaapskudden ver- Tvoest. 19 Tot u, o Heeue, roep ik; want een vuur Leeft de weiden der woestijn verteerd, en eene vlam heeft alleboomen des velds aangestoken. 20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot u; want de water-stroomen zijn uitgedroogd, en 3en vuur heeft de weiden der woestijn verteerd. HOOFDSTUK 2. Blaast ^ de bazuin te Sion, en roept luide op den berg mijner heiligheid: laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des Heeren komt, want hij is nabij. 2 Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, des-gelijke van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zijn zal tot in jaren van vele ge-6lachten. 3 Vóór hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt eene vlam; liet land is vóór hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve eene woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve. 4 Deszelfs gedaante is als de gedaante van paarden, en als ruiters zoo zullen zij loopen; 5 zij zullen daarheuen springen als een gedruisch van wagenen, op de hoogten der bergen, als het gedruisch eener vuurvlam die stoppelen verteert, als een machtig volk dat in slagorde gesteld is. 6 Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn, alle aangezichten zullen betrekken als een pot. 7 Als helden zullen zij loopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken een iegelijk in zijne wegen, en zullen hunne paden niet verdraaien; 8 ook zullen zij de één den ander niet dringen, zij zullen daarhenen trekken elk in zijne |
L 2. 1011 baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden. 9 Zij zullen in de stad om-loopen, zij zullen loopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen, zij zullen door de vens-teren inkomen als een dief. 10 De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en de maan worden zwart, en de sterren trekken haren glans in. 11 En de Heere verheft zijne stem voor zijn heir henen;want zijn leger is zeer groot, want hij is machtig, doende zijn woord; want do dag des Heeren is groot en zeer vreeselijk en wie zal hem verdragen ? 12 Nu dan ook, spreekt de Heere, bekeert u tot mij met uw gan-sche harte, en dat met vasten en met geween en met rouwklage; 13 en scheurt uw hart en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heere uwen God; want hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertie-rendheid, en berouw hebbende over het kwade; 14 wie weet, hij mocht zich wenden en berouw hebben, en hij mocht eenen zegen achter zich overlaten tot spijsoffer en drank-offer voor den Heere uwen God. 15 Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit; 16 verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit hare slaapkamer. 17 Laat de Priesters, des Hee-ren dienaars, weenen tusschen het voorhuis en het altaar, en laat ze zeggen: Spaar uw volk, o Heere, en geef uwe erfenis niet over tot eene smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heer-schen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar ishun-lieder God? 18 Zoo zal de Heere ijveren over zijn land, en hij zal zijn volk verschoonen; |
JOÃL 3.
1012
|
19 en de Heere zal antwoorden en tot zijn volk zesgen: Zie, ik zend nlieden het koren en den most en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en ik zal n niet meer overgeven tot eene emaadheid onder de heidenen. 20 En ik zal dien van het Noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de oostzee en zijn einde naar de achterste zee, en zijn stank zal opgaan en zijne vuiligheid zal opgaan; want hij heelt groote dingen gedaan. 21 Vrees niet, o land, verheug u en wees blijde; wantdeHEEUE heeft groote dingen gedaan. 22 Vreest niet, gij beesten des velds, want de weiden der woestijn zullen ïceJer jong gras voortbrengen ; want het geboomte zal zijne vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven. 23 En gij kinderen van Sion, verheugt u en zijt blijde in den He f. re uwen God; want hij zal u geven dien Leeraar ter gerechtigheid, en hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in do eerste maand; 24 en de dorschvloeren zullen vol koren zijn, en deperskuipen van most en olie overloopen. 25 Alzoo zal ik ulieden do jaren vergelden die de sprinkhaan, de kever en de kruidworm en de rups heeft afgegeten, mijn groot heir dat ik onder u gezonden heb; 26 en gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den naam des Heeren uws Cods, die wonderlijk gehandeld heeft; en mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid. 27 En gij zult weten dat ik in het midden van Israël ben, en dat ik de Heere uw God ben, en niemand meer; en mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid. |
28 En daarna zal het geschieden dat ik mijnen Geest zal uitgieten over alle vleesch, en uwe zonen en uwe dochteren zullen profe-teeren; uwe ouden zullen droo-men droomen, uwe jongelingen zullen gezichten zien; 29 ja, ook over de dienstknechten en over de dienstmaagden zal ik in die dagen mijnen Geest uitgieten. f 30 En ik zal wonderteekenen geven in den hemel en op de aarde, bloed en vuur en rook-pi laren. 31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die groote en vreeselijke dag des Heeken komt. 32 En het zal geschieden, al wie den naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de Heere gezegd heelt; en dat, bij de overgebleven die de Heere zal roepen, HOOFDSTUK 3. Want zie, in die dagen en te dier tijd als ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden, 2 dan zal ik alle heidenen vergaderen en zal ze afvoeren in het dal Josatats, en ik zal met hen aldaar richten vanwege mijn volk en mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en mijn land gedeeld, 3 en hebben het lot over mijn volk geworpen, en een jongsken gegeven om eene hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken. 4 En ook, wat hebt gij met mij te doen, gij Tyrus en Si don en alle grenzen van Palestina?Zoudt gij mij eene vergelding weder geven? Haar zoo gij mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk zal ik uwe vergelding op uw hoofd wederbrengen, 5 omdat gij mijn zilveren mijn goud hebt weggenomen, en hebt mijne beste kleinoodiën in uwe tempelen gebracht, 6 en gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij ze verre |
AMOS 1.
1013
|
van hunne landpale mocht brengen. 7 Zie, ik zal ze opwekken uifc de plaats waarhenen gij ze hebt verkocht, en ik zal uwe vergelding wederbrengen op uw hoofd; 8 en ik zal uwe zonen en uwe dochteren verkoopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkoopen zullen aan die van Scheba, aan een ver gelegen volk; want de Heere heeft het gesproken. 9 Roept dit uit onder de heidenen, heiligt eenen krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden. 10 Slaat uwe spaden tot zwaarden en uwe sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held. 11 Rot te hoop en korat aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u. (O Heere, doe uwe helden derwaarts nederdalen!) 12 Ue heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal Josafats; maar aldaar zal ik zitten om te richten alle heidenen van rondom. 13 Slaat den sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol en de perskuipen loopen over; want hunlieder boosheid is groot. 14 Menigten, menigten in het dal des dorschwagens; want de dag des Heeren is nabij in het dal des dorschwagens. |
15 De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haren glans ingetrokken. 16 En de Heere zal uit Sion brullen en uit Jeruzalem zijne stem geven, dat hemel en anrdo beven zullen; maar de Heere zal de toevlucht zijns volks en de sterkte der kinderen Israels zijn, 17 en gijlieden zult weten dat ik de Heere uw God ben, wonende op Sion, den berg mijner heiligheid; en Jeruzalem zal eene heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. 18 En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en do heuvelen van melk vlieten, en alle stroomen van Juda vol van water gaan; en daar zal eene fontein uit het Huis des Heeren uitgaan en zal hetdal vanSittim bewaren. 19 Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom _ zal worden tot eene woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben. 20 Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht; 21 en ik zal hunlieder bloed reinigen dat ik niet gereinigd had, en de Heere zal wonen in Sion. |
DE PROFEET AM OS.
|
HOOFDSTUK 1. De woorden van Amos, die onder de veeherders was van Tekóa, dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, Koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, Koning van Israël, |
twee jaren vóór de aardbeving. 2 Eu hij zeide: De Heere zal brullen uit Sion en zijne stem verhetfen uit Jeruzalem, en de woningen der herders zullen treuren en de hoogte van Kar-mel zal verdorren. 3 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Damas- |
AMOS 2.
1014
|
ens en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ij zeren dorschwagens hebben gedorscht. 4 Daarom zal ik een vunr in Hazaëls huis zenden, dat zal Benhadads paleizen verteren; 5 en ik zal den grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien den inwoner uitBikeath-Aven, en dien die den schepter houdt uit Beth-Eden: en liet volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt de He ere. 6 Alzóó zegt do Heere; Om drie overtredingen van^ Gaza en om vier zal ik dat niet afwenden ; omdat zij mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met eene volkomene wegvoering, om het aan Edom over te leveren. 7 Daarom zal ik een vuur zenden in den muur van Gaza, dat zal hare paleizen verteren; 8 en ik zal den inwoner uitroeien uit Asdod, en dien die den schepter houdt uit Askelon; en ik zal mijne hand wenden I tegen Ekron, en het overblijfsel i der Filistijnen zal vergaan, zegt de Heere Heere. 9 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Tyrus en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij mijn volle met eene volkomene wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond der broederen. 10 Daarom zal ik een vuur zenden in den muur van Tyrus, dat zal hare paleizen verteren. 11 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Edom en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat hij zijnen broeder met het zwaard heeft vervolgd en zijne barmhartigheden verdorven, en zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijne verbolgenheid altoos behoudt. 12 Daarom zal ik een vuur zenden in Teman, dat zal de paleizen van Bozra verteren. 13 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen der kinderen Ammons en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij de |
zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hunne landpale te verwijden. 14 Daarom zal ik een vuur aansteken in den muur van Rabba, dat zal hare paleizen verteren, met een gejuich ten dage des strijds, met een on-weder ten dage des wervel winds ; 15 en hun Koning zal gaan in gevangenis; hij en zijne Vorsten te zamen, zegt de Heere. HOOFDSTUK 2. Alzóó zegt de Heere : Om drie overtredingen van Moab en om vier zal ik dat niet afwenden j omdat hij de beenderen des Ko-nings van Edom tot kalk verbrand heeft. 2 Daarom zal ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruisch, met gejuich, met geluid der bazuin; 3 en ik zal den richter uit het midden van haar uitroeien, en alle hare Vorsten zal ik met hem dooden, zegt de Heere. 4 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Juda en om vier zal ik dat niet afwenden ; omdat zij de wet des Heerenquot; verworpen en zijne inzettingen niet bewaard hebben, en hunne leugenen hen verleid hebben, die hunne vaders hebben na gewandeld. 5 Daarom zal ik een vuur in Juda zenden, dat zalJeruzalema paleizen verteren. 6 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen Israels en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld _ verkoopen, en den nooddruftige om een paar schoenen: 7 die daarnaar hijgen dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij, en den wegderzacht-moedigen verkeeren: en de man en zijn vader gaan tot eene jonge dochter, om mijnen heiligen naam te ontheiligen; 8 en zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande klee- |
AMOS 3.
1015
|
deren, en drinken den wijn der beboeten, in liet Luis hunner goden. 9 Ik daarentegen heb den Amoriet voor hun aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar ik heb zijne vrucht van boven en zijne wortelen van onderen verdelgd. 10 Ook heb ik ulieden uit Egypteland opgevoerd, en ik heb u veertig jaar in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat; 11 en ik heb sommigen uit uwe zonen tot Profeten verwekt, en uit uwe jongelingen tot. Nazi-reërs: is dit niet al zoo, gij kinderen Israels? spreekt de Heere. 12 Maar gijlieden hebt den Nazireërs wijn te drinken gegeven, en gij hebt den Profeten geboden, zeggende: Gij zult niet profeteeren. 13 Zie, ik zal uwe plaatsen drukken gelijk als een wagen drukt die vol garven is; 14 zoodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijne kracht niet verkloeken, en een held zal zijne ziel niet bevrijden; 15 en die den boog handelt zal niet bestaan, en die licht is op zijne voeten zal zich niet bevrijden, ook zal die te paard rijdt zijne ziele niet bevrijden: 16 en de kloekhartigste onder de heidén zal te dien dage naakt henenvlieden, spreekt de Hebre. HOOFDSTUK 3. Hoort dit woord dat deHEERE tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israël, namelijk tegen het gansche geslacht dat ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende: 2 Uit alle geslachten des aardbodems heb ik ulieden alleen gekend: daarom zal ik alle uwe ongerechtigheden over ulieden bezoeken. 3 Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat ze bijéénge-komen zijn? |
4 Zal een leeuw brullen in het woud als hij geenen root' heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijne stem verheffen, tenzij hij wat gevangen hebbe? 5 Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen als men ganschelijk niet heeft gevangen? 6 Zal de bazuin in de stad geblazen worden dat het volk niet siddert? Zal er een kwaad in de stad zijn dat de Heerb niet doet? 7 Gewis de Heere Heere zal geen ding doen, tenzij hij zijne verborgenheid aan zijne knechten de Profeten geopenbaard hebbe. 8 De leeuw heeft gebruld, wie zoude niet vreezen? De Heere Heere heeft gesproken, wie zoude niet profeteeren? 9 Doet het hooren in de paleizen te Asdod en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamelt u op de bergen van âºSamarië, en ziet de groote beroerten in het midden van haar en de verdrukten binnen in haar, 10 Want zij weten niet te doen dat _ reent is, spreekt de Heere: die in hunne paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring. 11 Daarom, zóó zegt de Heere Heere: De vijand! en dat rondom het land! Die zal uwe sterkte van u nederstorten, en uwe paleizen zullen uitgeplunderd worden. 12 Alzóó zegt de Heere: Gelijk als een herder twee schenkels of een stukje van een oor uit des leeuwen muil redt, alzóó zullen de kinderen Israël- gered worden,, die daar zitten te Samarië in den hoek van het bed en op de sponde van de koets. 13 Hoort en betuigt in het huis Jakobs, spreekt de Heere Heere, de God der heirscharen, 14 dat ik ten dage als ik Israël s overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zaï doen over de altaren van Beth-El, en de hoornen des altaar» |
AMOS 2.
1014
|
ens en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorschwagens hebben gedorscht. 4 Daarom zal ik een yunr in Hazaëls huis zenden, dat zal Benhadads paleizen verteren; 5 en ik zal den grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien den inwoner uit Bikeath-Aven, en dien die den schepter houdt uit Beth-Eden; en liet volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt de Heere. 6 Alzóó zegt do Heere: Om drie overtredingen van Gaza en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met eene volkomene wegvoering, om het aan Edom over te leveren. 7 Daarom zal ik een vuur zenden in den muur van Gaza, dat zal hare paleizen verteren; 8 en ik zal den inwoner uitroeien uit Asdod, en dien die den schepter houdt uit Askelon; en ik zal mijne hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel der Filistijnen zal vergaan, zegt de Heere Heere. 9 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Tyrus en om vier zal ik dat niet afwenden ; omdat zij mijn volk met eene volkomene wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond der broederen. 10 Daarom zal ik een vuur zenden in den muur van Tyrus, dat zal hare paleizen verteren. 11 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Edom en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat hij zijnen broeder met het zwaard heeft vervolgd en zijne barmhartigheden verdorven, en zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijne verbolgenheid altoos behoudt. 12 Daarom zal ik een vuur zenden in Teman, dat zal de paleizen van Bozra verteren. 13 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen der kinderen Ammons en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij de |
zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hunne landpale te verwijden. 14 Daarom zal ik een vuur aansteken in den muur van Kabba, dat zal hare paleizen verteren, met een gejuich ten dage des strijda, met een on-weder ten dage des wervel winds ; 15 en hun Koning zal gaan in gevangenis; hij en zijne Vorsten te zamen, zegt de Heere. HOOFDSTUK 2. Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Moab en om vier zal ik dat niet afwenden ; omdat hij de beenderen des Ko-nings van Edom tot kalk verbrand heeft. 2 Daarom zal ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruisch, met _ gejuich, met geluid der bazuin; 3 en ik zal den richter uit het midden van haar uitroeien, en alle hare Vorsten zal ik met hem dooden, zegt de Heere. 4 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Juda en om vier zal ik dat niet afwenden ; omdat zij de wet des Heeregt;' verworpen en zijne inzettingeix niet bewaard hebben, en hunne-leugenen hen verleid hebben^ die hunne vaders hebben nage-wandeld. 5 Daarom zal ik een vuur in Juda zenden, dat zalJeruzalems paleizen verteren. 6 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen Israels en om vier zal^ ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld _ verkoopen, en den nooddruftige om een paar schoenen: 7 die daarnaar hijgen dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij, en den wegderzacht-moedigen verkeeren: en de man en zijn vader gaan tot eene jonge dochter, om mijnen heiligen naam te ontheiligen; 8 en zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande klee- |
|
AM deren, en drinken den wijn der beboeten, in liet Luis hunner goden. 9 Ik daarentegen heb den Amoriet voor hun aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar ik heb zijne vrucht van boven en zijne wortelen van onderen verdelgd. 10 Ook heb ik nlieden uit Egypteland opgevoerd, en ik heb u veertig jaar in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat; 11 en ik heb sommiijen uit uwe zonen tot Profeten verwekt, en uit uwe jongelingen tof Nazi-reërs: is dit niet alzoo, gij kinderen Israels? spreekt de Heere. 12 Maar gijlieden hebt den Nazireërs wijn te drinken gegeven, en gij hebt den Profeten geboden, zeggende: Gij zult niet profeteeren. 13 Zie, ik zal uwe plaatsen drukken gelijk als een wagen drukt die vol garven is; 14 zoodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijne kracht niet verkloeken, en een held zal zijne ziel niet bevrijden; 15 en die den boog handelt zal niet bestaan, en die licht is op zijne voeten zal zich niet bevrijden, ook zal die te paard rijdt zijne ziele niet bevrijden: 16 en de kloekhartigste onder de heidén zal te dien dage naakt henenvlieden, spreekt de Hebre. HOOFDSTUK 3. Hoort dit woord dat de Heere tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israël, namelijk tegen het gansche geslacht dat ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende: 2 Uit alle geslachten des aardbodems heb ik ulieden alleen gekend: daarom zal ik alle uwe ongerechtigheden over ulieden bezoeken. 3 Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat ze bijéénge-komen zijn? |
gt; S 3. 1015 4 Zal een leeuw brullen in het woud als hij geenen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijne stem verheffen, tenzij hij wat gevangen hebbe? 5 Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen als men ganschelijk niet heeft gevangen? 6 Zal de bazuin in de stad geblazen worden dat het volk niet siddert? Zal er een kwaad in de stad zijn dat de IIeerb niet doet? 7 Gewis de Heere Heere zal geen ding doen, tenzij hij zijne verborgenheid aan zijne knechten de Proleten geopenbaard hebbe. 8 De leeuw heeft gebruld, wie zoude niet vreezen? De Heere Heere heeft gesproken, wie zoude niet profeteeren? 9 Doet het hooren in de paleizen te Asdod en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamelt u op de bergen van Samarië, en ziet de groote beroerten in het midden van haar en de verdrukten binnen in haar, 10 Want zij weten niet te doen dat ^ recht is, spreekt de Heere : die in hunne paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring. 11 Daarom, zóó zegt de Heere Heere: De vijand! en dat rondom het land! Die zal uwe sterkte van u nederstorten, en uwe paleizen zullen uitgeplunderd worden. 12 Alzóó zegt de Heere; Gelijk als een herder twee schenkels of een stukje van een oor uit dea leeuwen muil redt, alzóó zullen de kinderen Israël.- gered worden,, die daar zitten te Samarië in den hoek van het bed en op de sponde van de koets. 13 Hoort en betuigt in het huis Jakobs, spreekt de Heere Heere, de God der heirscharen, 14 dat ik ten dage als ik Israëls overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de altaren van Ãeth-El, en de hoornen des altaar» |
AMOS 4, 5.
1016
|
zullen worden afgehouwen en ter aarde vallen; 15 en ik zal het winterhuis met liet zomerhuis slaan, en de elpenbeenen huizen zullen vergaan en de groote huizen een einde nemen, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 4. Hoort dit woord, gij koeien van Basan, gij die op den berg van Samarie zijt, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; gij die tot hare heeren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken. 2 De Ileere Heere heeft ge-Eworen bij zijne heiligheid, dat er, zie, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uwe nakomelingen met vischangels; 3 en gij zult# door de bressen uitgaan een ieder voor zich henen, en gij zult hetgeen in het paleis gebrucld is wegwerpen, spreekt de Heere. 4 Komt te Beth-El en overtreedt, te Gilgal maakt des over-tredens veel, en brengt uwe offeren des morgens, uwe tienden om de drie dagen; 5 en rookt van het gedeesemde een lofoffer, en roept vrijwillige oileren uit, doet het hooren; want alzóó hebt gij het gaarne, gij kinderen Israels, spreekt de Heere Heere. ü Daarom heb ik ulieden ook reinheid der tanden gegeven in alle uwe steden, en gebrek aan brood in alle uwe plaatsen: nochtans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere. 7 Daartoe heb ik ook den regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot aan den oogst, en heb doen regenen over de ééue stad, maar over de andere^ stad niet doen regenen; het ééne stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde; 8 en twee, drie steden togen om naar éóne stad opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd: nochtans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere. |
9 Ik heb ulieden geslagen met brandkoren en met honingdauw; de veelheid uwer hoven en uwer wijngaarden en uwer vijgeboomen en uwer olijfboomen at de rups op: nochtans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere. 10 Ik heb de pestilentie onder ulieden gezonden, naar de wijze van Egypte; ik heb uwe jongelingen door het zwaard gedood en uwe paarden gevankelijk laten wegvoeren, en ik heb den stank uwer heirlegers zelfs in uwen neus doen opgaan; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere. 11 Ik heb sommigen onder u-lieden omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, gij die waart als een vuurbrand die uit den brand gered is:nochtans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere. 12 Daarom zal ik u alzoó doen, o Israël; omdat ik u dan dit doen zal, zoo schikt u, o Israël, om uwen God te ontmoeten. 13 Want zie, die de bergen formeert en den wind schept, en den mensch bekend maakt wat zijne gedachte zij, die den dageraad duisternis maakt en op de hoogten der aarde treedt, Heere, God der heirscharen, is zijn naam. HOOFDSTUK 5. Hoort dit woord dat ik over ulieden ophef, een klaaglied, o huis Israels. 2 De jonkvrouwe Israels is gevallen, zij zal niet weder opstaan; zij is verlaten op haar land, daar is niemand die haar opricht. 3 War. t zóó zegt de Heere Heere: De stad die uitgaat met duizend zal honderd overhouden, en die uitgaat met honderd zal tien overhouden, in den huize Israels. 4 Want zóó zegt de Heere tot het huis Israels: Zoekt mij en leeft. 5 Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet |
AMOS 6.
1017
|
over naar Ber-Séba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Betli-El zal worden tot niets. l 6 Zoekt den Heere en leeft; opdat hij niet doorbreke in het j huis Jozefs als een vuur dat ver- j teert, zonder dat er iemand is | die het blusclit in Beth-El: 7 die het recht in alsem ver- | keeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen. 8 Die het Zevengesternte en den Orion maakt, en de doods-schadmv in morgenstond verandert, en den dag als de nacht verdnistert, die de wateren dei-zee roept, en giet ze nit op den aardbodem: Heere is zijn naam. 0 Die zich verkwikt door verwoesting over eenen sterke, zoo-dat de verwoesting komt over eene vesting. 10 Zij haten in de poort den-gene die bestraft, en hebben eenen gruwel van dien die oprecht spreekt. 11 Daarom omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zoo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenschte wijngaarden geplant maar gij zult derzelver wijn niet drinken. 12 Want ik weet dat uwe overtredingen menigvuldig en uwe zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstooten de nood-druftigen in de poort. 13 Daar zal de verstandige te dier tijd zwijgen; want het zal een booze tijd zijn. 14 Zoekt het goede en niet het booze, opdat gij leeft: en alzóo zal do Heere» de God der heir-scharen, met ulieden zijn, gelijk gij zegt. 15 Haat het booze en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort: misschien zal de Heere de God der heirscharen Jozefs overblijfsel genadig zijn. 16 Daarom zoo zegt de Heere, de God der heirscharen,de Heere: i Op alle straten zal rouwklage I zijn, en in alle wijken zullen zij I zeggen: Ach, ach, en zullen den akkerman roepen tot treuren, en rouwklage zal zijn bij degenen die verstand van kermen hebben ; |
17 ja, in alle wijngaarden zal rouwklage zijn; want ik zal door het midden van u doorgaan, zegt de Heere. 18 Wee dengenen diedesIlEE-ren dag begeeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht. 19 Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijne hand aan den wand, en hem beet eene slang. 20 Zal dan niet des Heeren dag duisternis zijn en geen licht, en donkerheid zoodat er geen glans aan zij ? 21 Ik haat, ik versmaad uwe feesten, en ik mag uw verbods-daffen niet rieken. 22 Want ofschoon gij mij brand-ofieren offert mitsgaders uwe spij soil eren, ik heb er loch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uwe vette heesten mag ik niet aanzien. 23 Doe het getier uwer liederen van mij weg, ook mag ik uwer luiten spel niet hooren. 24 Maar laat het oordeel zich daarhenen wentelen als do wateren, en de gerechtigheid als eene sterke beek. 25 Hebt gij mij veertig jaar in de woestijn slachtoiferen en spijsoffer toegebracht, o Huis Israels? 26 Ja, gij droegt de tent van uwen Melech, en den Kiun,uwe beelden, de ster uws Gods dien gij u zei ven hadt gemaakt. 27 Daarom zal ik ulieden gevankelijk wegvoeren, ver boven Damascus henen, zegt de Heebe, wiens naam is God der heirscharen. HOOFDSTUK G. Wee den genisten te Sion, en den zekeren op den berg vai Samaric; die de voornaamsteu zijn van de eerstelingen der vol- |
AMOS 7.
1018
|
keren, en tot welke die van den imize Israels komen. 2 Gaat over naar Kalné en ziet toe, en gaat van daar naar Ha-math, de groote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen: of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of Imnne landpale grooter dan uwe landpale? 3 Gij die den boozen dag verre etelt, en den stoel des gewelds nabij brengt; 4 die daar liggen op elpenbee-nen bedsteden en weelderig zijn op hunne koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal; 5 die op het geklank der luit kwinkeleeren, en zichzelven muziekinstrumenten uitdenken, gelijk David; 6 die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie. maar bekommeren zich niet over de verbreking Jozefs. 7 Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de vooreten die in gevangenis gaan, en het banket dergenen die weelderig zijn zal wegwijken. 8 De Heere Heere heeft gezworen bij zich zeiven (spreekt de Heere, de God der heirscha-ren): Ik heb een en gruwel van Jakobs hoovaardij, en ik haat zijne paleizen; daarom zal ik de stad en hare volheid overleveren. 9 En het zal geschieden zoo daar tien mannen in eenig huis zullen overgelaten zijn, dat zij eterven zullen; 10 en de naaste vriend zal een iegelijk van die opnemen, of die-hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zai zeggen tot dien die binnen de zijden des huizes is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg; want zij waren niet om des Heeren naam te vermelden. 11 Want zie, de Heere geeft bevel, en hij zal het groote huis slaan met inwatering en het kleine huis met spleten. |
12 Zullen ook paarden rennen op eene steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem: 13 gij die blijde zijt over een nietig ding, gij die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen ? 14 Want zie, ik zal over ulie-den, o huis Israels, een volk verwekken, spreekt de Heere, de God der heirscharen: die zullen ulieden drukken van waar men komt te Hamath, tot aan de beek der wildernis. HOOFDSTUK 7. De Heere Heere deed mij aldus zien, en zie, hij formeerde sprinkhanen in het begin des voorkomens van het nagras; en zie, het was het nagras; na des Konings afmaaiingen. 2 En het geschiedde als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere Heere, vergeef toch : wie zoude er mn, Jakob blij ven staan ? want hij is klein. 3 Toen berouwde zulks den Heere: Het zal niet geschieden, zeide de Heere. 4 Wijders deed mij de Heere H,:ere aldus zien, en zie, de Heere Heere riep uit dat hij wilde twisten met vuur; en het verteerde eenen grooten afgrond, ook verteerde het een stuk land. 5 Toen zeide ik: Heere Heere, houd toch op: wie zoude er van Jakob blijven staan? want hij is klein. 6 Toen berouwde zulks den Heere: Ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere Heere. 7 Nou deed hij mij aldus zien, en zie, de Heere stond op een muur die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in zijne hand; 8 en de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, ik zal het paslood stellen in het midden van mijn volk Israël, ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan; |
AMOS a
1019
|
9 maar Isaaks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen verstoord worden, en ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard. 10 Toen zond Amazia, de Priester te Beth-El, tot Jerobeamden Koning Israëls, zeggende: Amos heeft eene verbintenis tegen u gemaakt in het midden van het huis Israëls; het land zal alle zijne woorden niet kunnen verdragen; 11 want alzoo zegt Amos: Je-robeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd. 12 Daarna zeide Amazia tot Amos: Gij ziener, ga weg, vlied in het land Juda, en eet aldaar brood en profeteer aldaar; 13 maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteeren, want dat is des Konings heiligdom en dat is het huis des ko-ninkrijks. 14 Toen antwoordde Amos en zeide tot Amazia: Ik was geen Profeet noch eens Profeten zoon, maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af; 15 maar de Hehre nam mij van achter de kudde, en de Heeiie zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot mijn volk Israël. 16 Nu dan, hoor des Heeren Woord; gij zegt: Gij zult niet profeteeren tegen Israël, noch mee rede doen druppen tegen het huis Isaaks. 17 Daarom zegt de Heere alzóó: Uwe vrouw zal in de stad hoe-reeren, en uwe zonen en uwe dochteren zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd. HOOFDSTUK 8. De Heere Heere deed mij aldus zien, en zie, een korf met zomervruchten. |
2 En hij zeide: Wat ziet gij Amos ? En ik zeide: Eenen korf met zomervruchten. Toen zeide de Heere tot mij: Het einde ia gekomen over mijn volk Israël, ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. 3 Maar de gez.angen des Tempels zullen te dien dage huilen, spreekt de Heere Heere: vele doode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen. 4 Hoort dit, gij die den nooddruftige opslokt, en dat om te vernielen de ellendigen des lauds, 5 zeggende: Wanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkoopen, en do sabbat dat wij koren mogen openleggen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrootende, en verkeerdelijk handelende met be-driegelijke weegschalen; 6 dat wij de armen voor geld mogen koopen, en den nooddruftige om een paar schoenen: dan zullen wij het kaf van het koren verkoopen. 7 De Heere heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid: Zoo ik alle hunne werken in eeuwigheid zal vergeten i 8 Zoude het land hierover niet beroerd worden en al wie daarin woont treuren? Ja, het zal geheel oprijzen als eene rivier, en het zal heen en weder gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte. 9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere Heere, dat ik de zon op den middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dag verduisteren; 10 en ik zal uwe feesten in rouw en alle uwe liederen in weeklagen veranderen, en op alle lendenen eenen zak en op alle hoofden kaalheid brengen; en ik zal het land stellen in rouw, zooals er is over eenen eenigenz'O^m, en deszelfs einde als eenen bitteren dag. 11 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat ik eenen honger in het land zal zenden; niet eenen honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hooren de woorden des Heeren ; |
AMOS 9.
1020
|
12 en zij zullen zwerven van zee tot zee, en van liet Noorden tot het Oosten: zij zullen om-loopen om het Woord des Hebben te verzoeken, maar zullen het ft iet vinden. 13 Te dien dage zullen de Bchoone jonkvrouwen en de jongelingen van dorst versmachten ; 14 die daar zweren bij desehuid van Samarië, en zeggen: Zoo waarachliu als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-Séba leeft; en zij zullen vallen en niet weder opstaan. HOOFDSTUK 9. Ik zag den Heere staan opliet altaar, en hij zeide: Sla dien knop, dat de posten beven, en doorklief ze allen in het hoofd; en ik zal hun achterste met het zwaard dooden, de vliedende zal onder hen niet ontvlieden nocii de ontkomende onder hen be-iiouden worden. 2 Al groeven zij tot in de hel, zoo zal ze mijne hand van daar halen; en al klommen zij in den hemel, zoo zal ik ze van daar doen nederdalen; 3 en al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zoo zal ik ze naspeuren en van_ daar halen; en al verborgen zij zich van voor mijne oogen op den grond van de zee, zoo zal ik van daareene slang gebieden die zal ze bij-ten; 4 en al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zoo zal ik van daar het zwaard gebieden dat het hen doode, en ik zal mijn oog tegen hen zetten ten kwade en niet ten goede. 5 Want de Heere Heere der heirscharen is 't die het land aanroert dat het versmelt, en allen die er in wonen treuren, en dat het geheel oprijst als eene rivier, en verdronken wordt als door de rivier van Egypte ; 6 die zijne opperzalen in den hemel bouwt, en zijne bende, die heeft hij op aarde gefundeerd; die de wateren der zee roept, en giet zo uit op den aardbodem: Heere is zijn naam. |
7 Zijt gijlieden mij niet als de kinderen der Mooren, o kinderen Israels ? spreekt de Heere: heb ik Israël niet opgeroerd uit Egypt el and, en de Filistijnen uit Kaftor, en de Syriers uit Kir. 8 Zie, de oogen des Heeren Heeren zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat ik het huis Jakobs nietgansche-lijk zal verdelgen, spreekt do Heere. 9 Want zie, ik geef bevel en ik zal het huis Israels onder allo de heidenen blindden, gelijk als zaad geschud wordt in eene zeef, en- niet één steentje zal er ter aarde vallen. 10 Alle zondaars mijns volks zullen door het zwaard sterven, die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen. 11 Te dien dage zal ik de vervallen hut Davids weder oprichten, en ik zal hare reten dicht maken, en wat aan haar is afgebroken weder oprichten, en zal ze bouwen als in de dagen van ouds; 12 opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en alle de heidenen die naar mijnen naam genoemd worden, quot;spreekt de Heere die dit doet. 13 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat de ploeger den maaier en de druiventreder den zaadzaaier genaken zal, en do bergen zullen van zoeten wijn druipen en alle heuvelen zullen smelten; 14 en ik zal de gevangenis mijns volks Israels wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten en derzei ver wijn drinken, en zij zullen hoven maken en dcrzelyer vrucht eten; 15 en ix zal ze in hun land planten, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun laiuï dat ik hun gegeven heb, zegt do Heere uw God. |
A
O B A D J A.
1021
DE PROFEET OB AD JA.
|
Het gezicht van Obadja. AIzóó zegt de Heere Hef.re vanEdom: quot;Wij hebben een gerucht gehoord van den IIeere en daar is een gezant gezonden onder de heidenen: etaat op, en laat ons opstaan tegen haar ten strijde. 2 Zie, ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht; 3 de trotschheid uws _ harten heeft u bedrogen, hij die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijne hooge woning; die in zijn hart zegt: Wie zoude mij ter aarde nederstooten ? 4 Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij ir.v ner-t tusschen de sterren, zoo zal ik u van daar nederstooten, spreekt de Heere. 5 Zoo daar dieven, zoo daar nachtroovers tot u gekomen waren: (hoe zijt gij uitgeroeid!) zouden zij niet gestolen hebben zooveel hun genoeg was ? Zoo daar wijnlezers tot li gekomen waren, zouden zij niet eene nalezing hebben overgelaten? G Hoe zijn Esaus goederen nagespeurd,- zijne verborgen schatten opgezocht! 7 Alle uwe bondgenooten hebben u tot aan de landpale uitgeleid, uwe vredegenooten hebben u bedrogen, zij hebben u over-mocht; die uw brood eten zuUen een gezwel onder u zetten; daar ia geen verstand in hem. 8 Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de Heere, dat ik de wijzen uit Edom en het verstand uit Esaus gebergte zal doen vergaan ? 9 Ook zullen uwe helden, o Teman, versaagd zijn, opdat een ieder uit Esaus gebergte door den moord worde uitgeroeid. 10 Om het geweld, begaan aan uwen broeder Jakob, zal schaamte u bedekken, en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid. |
11 Ten dage als gij tegenover hem stondt, ten dage als de uit-landers zijn heir gevangen voerden, en de vreemden zijn poorten introkken en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als een van hen. 12 Toen moest gij niet gezien hebben op den dag uws broeders; den dag zijner vervreemding,noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda ten dage huns ondergangs, noch uwen mond groot gemaakt _ hebben ten dago der benauwdheid, 13 noch ter poorte mijns volks ingegaan zijn ten dage huns ver-derfs, noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad ten dage zijns verderfs, noch mee handen uitgestrekt hebben aan zijn heir ten dage zijns verderfs, 14 noch gestaan hebben op de wegscheiding orn^ zijne ontkome-nen uit te roeien, noch zijne overgeblevenen overgeleverd hebben ten dage der benauwdheid. 15 Want de dag des Heeren is nabij over alle do heidenen: gelijk als gij gedaan hebt zal u gedaan worden, uwe vergelding-zal op uw hoofd wederkeeren. 1G Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg mijner heiligheid, zullen alle de heide-denen geduriglijk drinken, ja, zij zullen drinken en in zwelgen, en zullen zijn alsof zij er niet geweest waren. 17 Maar op den berg Sion zal i ontkoming zijn en hjj zal eene heiligheid zijn, en die van den ' huize Jakobs zullen hunne erf-i goederen erfelijk bezitten. 18 En Jakobs huis zal een ( vuur zijn, en Jozefs huis eene â vlam, en Esaus huis tot eenen ! stoppel; en zij zullen tegen hen 1 ontbranden en zullen ze verteren. |
JONA 1.
1022
|
zoodat Esaus huis geenen overgeblevene zal hebben; want de Heere heeft het gesproken. 19 En die van het Zuiden zullen Esaus gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen i erfelijk bezitten, ja, zij zullen liet j veld Efraïms en het veld van | Samarië erfelijk bezitten, en Ben- j jamin Gilead, |
20 en de gevankelijk -wegge- 1 voerden van dit heir der kinderen Israels hetgeen der Kanaani-ten was tot Zarfath toe, en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem hetgeen datinSefarad is; zij zullen de steden van het Zuiden erfelijk bezitten; 21 en daar zullen Heilanden op den berg Sion opkomen om Esaus gebergte te richten, en het koninkrijk zul des Heeren zijn. |
DE PEOEEET JOÂ¥A.
|
HOOFDSTTTK 1. En het Woord des Heeren ge-Echiedde tot Jona den zoon van Amittai, zeggende: 2 Maak u op, ga naar de groote stad Ninevé, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor mijn aange-zicht. 3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren ; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan en ging neder in hetzelve, om met hen te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren. 4 Maar de Heere wierp eenen groaten wind op de zee, en daar werd een groote storm in de zee, zoodat het schip dacht te breken. 5 Toen vreesden de zeelieden, en riepen een iegelijk tot zijnen god, en wierpen de vaten die in het schip waren, in de zee, om het van dezelve te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder en was met eenen diepen slaap bevangen. 6 En de opperschipper naderde tot hem en zeide tot hem: Wat is u, gij hardslapende ? Sta op, roep tot uwen God: misschien zal die God aan ons gedenken, dat wy niet vergaan |
7 Voorts zeiden zij een ieder tot zijnen metgezel: Komt en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten om wiens wille ons dit kwaad overJcomt. Alzoo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona. 8 Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu, om wiens wille ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en van waar komt gij ? Welk is uw land en van welk volk zijt gij? 9 En hij zeide tot hen: Ik i ben een Hebreër: en ik vreeze den Heere, den God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft. 10 Toen vreesden die mannen met groote vreeze, en zeiden tot hem: Wat hebt gij^ dit gedaan! want de mannen wisten dat hij van des Heeren aangezicht vlood; want hij had het hun te kennen gegeven. 11 Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons ? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger. 12 En hij zeide tot hen :Xeemt mij op en werpt mij in de zee, zoo zal de zeelt; stil worden van ulieden; want ik weet dat deze groote storm ulieden om mijnentwil overkomt. 13 Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen |
é
JON A 2, 3.
1023
|
aan liet droge, doch zij konden niet; want de _ zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen. 14 Toen riepen zij tot den Heeee en zeiden: Och Heere, laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziele, en .'eg geen onschuldig bloed op ons; want gij, Heere, hebt gedaan gelijk als_het u heeft behaagd. 15 En zij namen Jona op en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van hare verbolgenheid. 1(3 Dies vreesden de mannen den Heere met grooto vreeze, en zij slachtten den Heere slachtoffer en beloofden geloften. 17 De Heebe nu beschikte eenen grooten visch om Jona in te slokken, en Jona was in het ingewand van den visch drie dagen en drie nachten. HOOFDSTUK 2. En Jona bad tot den Heere zijnen God uit het ingewand van den visch, 2 en hij zeide: Ik riep uit mijne benauwdheid tot den Heere, en hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en gij hoordet mijne stem; 3 want gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeën, en de stroom omving mij, alle uwe baren en uwe golven gingen over mij henen. 4 En ik zeide: Ik ben uitgestoo-ten van voor uwe oogen: noch-tans zal ik den Tempel uwei-heiligheid weder aanschouwen. 5 De wateren hadden mij omgeven tot^ de ziele toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden. 6 Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen, de grendelen der aarde waren om mij honen in eeuwigheid; maar gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o Heere mijn God. 7 Als mijne ziele in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere, en mijn gebed kwam tot u in den Tempel uwer heiligheid. |
8 Die de valsche ij delheden onderhouden, verlaten hunnen weldoener;_ 9 maar ik zal u offeren met de stemme der dankzegging, wat ik beloofd heb zal ik betalen. Het heil is des Heeren. 10 De Heere nu sprak tot den visch, en hij spuwde Jona uife op het droge. HOOFDSTUK 3. En _ het Woord des Heeren geschiedde ten anderen male tot Jona, zeggende: 2 Maak u op, ganaardegroote stad Ninevé, en predik tegen haar de prediking die ik tot u spreek. 3 Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé, naar het Woord des Heeren. Ninevé nu was eene groote stad Gods, van drie dagreizen. 4 En Jona begon in de stod te gaan, ééne dagreize, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd. 5 En de lieden van Nineve geloofden aan God en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hunnen grootste af tot hunnen kleinste toe. 6 Want dit woord geraakte tot den Koning van Ninevé, en hij stond op van zijnen troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich, en hij bedekte zich met eenen zak en zat neder in de asch ; 7 en hij liet uitroepen, en men sprak te Ninevé uit bevel des Konings en zijner grooten, zeggende : Laat mensch noch beest, rund noch schaap iets smaken, laat ze niet weiden noch water drinken; 8 maar mensch en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterkei ijk tot God roepen, en zij zullen zich bekeeren een iegelijK van zijnen boozen weg en van het geweld dat in hunne handen is: 9 wie weet. God mocht zich wenden en berouw hebben, en hij mocht zich wenden van de hit- |
J OX A 4, MICH A 1.
1024
|
tiglieid zijns toorns, dat wij niet vergingen. 10 En God zag hunne werken, dat zij zich bekeerden van hunnen boozen weg, en liet berouwde God over liet kwaad dat hij ge-eproken had hun te zullen doen, en deed het niet. HOOFDSTUK 4. Dat verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak: 2 en hij bad tot den IIei:re en zeide: Och Heere, was dit mijn woord niet als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist dat gij een genadig en barmhartig God zijt, linkmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad. 3 Nu dan, Heere, neem toch mijne ziele van mij, want hei is mij beter te sterven dan te leven. 4 En de Heere zeide: Is uw toorn billijk ontstoken? o Jona nu ging ter stad uit en zette zich tegen het oosten der stad, en hij maakte zich aldaar een verdek, en zat daaronder in de schaduw, totdat hij zien zoude wat van de stad zoude worden. |
6 En God de Heere beschikte eenen wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over den wonderboom wc/groote blijdschap. 7 Maar God beschikte eenen worm des anderen daags in 't opgaan van den dageraad, die stak den wonderboom dat hij verdorde; 8 en het geschiedde als de zon oprees, dat God eenen stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona dat hij amechtig werd; en hij wenschte zijner ziele te mogen sterven, en zeide: Het is mij beter te sterven dan te leven. 9 Toen zeide God tot Jona:Is uw toorn billijk ontstoken over den wonderboom? En hij zeide: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe. 10 En de Heere zeide: Gij verschoont den wonderboom, aan welken gij niet hebt groot gemaakt, die in éénen nacht werd en in éénen nacht verging: 11 en ik zoude die groote stad Ninevé niet verschoonen, waar veel meer dan honderdentwintigduizend menschen in zijn die geen onderscheid weten tasschen hunne rechterhand en hunne linkerhand, daartoe veel vee? |
DE PROFEET MICHA.
|
HOOFDSTUK 1. Het Woord des Heeren dsit geschied is tot Micha den Mora-F.tiot, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, Koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samarië en Jeruzalem. 2 Hoort gij volken altemaal; merk op, gij aarde mitsgaders hare volheid: de Heere Heere nu zal tot een getuige zijn tegen ! ulieden, de Heere uit den Tempel 1 zijner heiligheid. |
3 Want zie, de Heere gaat uit van zijne plaats, en hij zal nederdalen en treden op de hoogten dor aarde; 4 en de bergen zullen onder hem versmelten en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren die uitgestort worden in de laagte. 5 Dit allea om de overtreding |
1*1
MICIIA 2.
1025
|
Jakobs en om de zonden des huizes Israels: wio is het begin van de overtreding Jakobs? Is liet niet Samarië? en wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem? 6 Daarom zal ik Samarië stellen tot eenen^ steenhoop des velds, tot plantingen eena wijngaard s, en ik zal hare steen en in de vallei storten en hare fundamenten ontdekken ; 7 en alle hare gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en alle hare hoerenbelooningenzullen met vuur verbrand worden, en alle hare afgoden zal ik stellen tot eene woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeeren. 8 Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen, ik zal beroofd en naakt gaan, ik zal misbaar maken als de draken en treuren als de jonge struisen; 9 want hare plagen zijn doo-delijk, want zij zijn gekomen tot aan Juda, hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem. lü Verkondigt liet niet te Gath, weent zoo jammerlijk niet; wentel u in het stof, in het stof van Afra. 11 Ga dóór, gij inwoneres van Safir, met bloote schaamte, de inwoneres van Zaanan gaat niet uit: rouwklage is te Beth-IIaëzel; hij zal zijnen stand van ulieden nemen, 12 want de inwoneres van Maroth is krank om des goeds wille, want een kwaad is van den Heere al gedaald tot aan de poort van Jeruzalem. 13 Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoneres van Lachis, (deze is der dochter Slons gt; het begin der zonde), want in u zijn Israëls overtredingen gevonden. 14 Daarom geef geschenken aan Moréseth Gaths, de huizen van Achzib zullen den Koningen Jsraëls tot eene lengen zijn. |
15 Ik zal u nóg eenen erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Maresa, hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid Israëls. 16 Maak u kaal en scheer u om uwe troetelkinderen, verbreed uwe kaalheid als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd. HOOFDSTUK 2. Wee dien die ongerechtigheid bedenken en kwaad werken op hunne legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewiU het in de macht van hunne hand is. 2 En zij begeeren akkers en rooven ze, en huizen en nemen ze weg; alzoo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijne erfenis. 'ó Daarom alzóó zegt de Heere: Zie, ik denk een kwaad over dit geslacht, ^ waaruit gijlieden uwe halzen niet zult uittrekken, en zult zoo rechtop niet gaan; want het zal een booze tijd zijn. 4 Te dien dage zal men eene spreuke over ulieden opheffen, en men zal eene klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten eenenmale verwoest; hij verwisselt miins volks deel; hoe ontvreemdt hij 't mij, hij deelt uit, afwendende onze akkers. 5 Daarom zult gij niemand hebben die het snoer werpt in het lot in de gemeente desHEE- ren. 6 Profeteert gijlieden niet, zeil' gen zij, laat die profeteeren; zij profeteeren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden. 7 O gij die Jakobs huis ge-heeten zijt, is dan de Geest des Heeren verkort? Zijn dat zijne werken? Doen mijne woorden geen goed bij dengene die recht wandelt? 8 Maar gisteren stelde zich mijn volk op tot vijand tegenover een kleed; gij stroopt eenen mantel van degenen die gerust voorbijgaan, wederkomende van den strijd. 9 De vrouwen mijns volks verdrijft gij, elk eene uit het huis harer vermakingen; van hare |
33
|
1020 M ï C U kimlerlreiiB neemt pij mijn sieraad in eeuwigheid. 10 Maakt u dan óp en gaat henen, want dit la}id zal do ruste^ niet zijn; omdat het verontreinigd ia, zal het u verderven, en dat met eene geweldige verderving. 11 Zoo daar iemand is die niet wind omgaat en valsehelijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteeren voor wijn en voor sterken drank; dat is een Profeet dezes volks. 12 Voorzeker zal ik u, o Jakob, gansch verzamelen, voorzeker zal ik _ Israels overblijfsel vergaderen; ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra, als eeno kudde in het midden harer kooi zullen ze van men-schen deunen. 13 De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort gaan en door dezelve uittrekken, en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan, en de Heere in hunne spits. HOOFDSTUK 3. Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs en gij oversten des huizes Israels: betaamt het ulieden niet het recht te weten? 2 Zij haten het goede en hebben het kwade lief, zij rooven hunne huid van hen af, en hun vleesch van hunne beenderen; 3 ja, zij zijn het die het vleesch mijne volks eten, en hunne huid afstroopen, en hunne beenderen verbreken, en vanéén leggen als in eenen pot en als vleesch in het midden eens ketels. 4 Alsdan zullen zij roepen tot den Heere, doch hij zal ze niet verhooren, maar zal zijn aangezicht te dier tijd voor hen vergen, gelijk als zij hunne handelingen gemaakt hebben. 5 Alzóó zegt de Heere tegen de Profeten die mijn volk verleiden ; die met hunne tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hunnen mond, tegen dien heiligen zij eenen krijg. ti Daarom zal het nacht voor |
A 3, 4. ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze Profeten ondergaan, en de dag zal over hen zwart worden; 7 en do zieners zullen beschaamd en de waarzeggers schaamrood worden, en zij zullen altezamen de bovenste lip bedekken, want daar zal geen antwoord van God zijn. 8 Maar waarlijk, ik ben vol kracht van den Geest des Hee-ren, en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijne overtredingen en Israël zijne zonde. 9 Hoort nu dit, gij hoofden des huizee Jakobs en gij oversten des huizes Israëls, die van het gericht eenen gruwel hebt en al wat recht is verkeert, 10 bouwende Sion met bloed en Jeruzalem met onrecht. 11 Hare hoofden richten om geschenken, en hare Priesters leeren om loon, en hare Profeten waarzeggen om geld: tóch steunen zij op den Heere, zeggende: Is de Heere niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. 12 Daarom, om uwentwille, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot eteenhoopen worden en de berg dezes Huizes tot hoogten eens woude. HOOFDSTUK 4. Maar in 't laatste der dagen zal het geschieden dat do berg van het Huis des Heeren zul vastgesteld zijn op den top der bergen, e:i hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien: 2 en vele heidenen zullen henen gaan en zeggen: Komt en laat ons opgaan ten berge des Heeren en ten Huize des God» Jakobs, opdat hij ons leere van zijne wegen en wij in zijne paden wan'1 Men; want uit Sion zal de wet uitgaan en dee Heeren Woord nit Jeruzalem. 3 En hij zal onder grooto |
MIOPIA 5.
1027
|
volken richten en machtige heidenen straffen, tot verre toe en zij zullen hunne zwaaróen slaan tot spaden en hunne spiesen tot sikkelen, het ééne volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leeren; 4 maar zij zullen zitten een ieder onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, en daar zal niemand zijn die ze verschrikt: want de mond desHEE-ren der heirscharen heeft het gesproken. 5 Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods, maar wij zullen wandelen in den naam des Heerek onzes Gods, eeuwiglijk en altoos. 6 Te dien dage, spreekt de Heere, zal ik haar die hir kende was verzamelen, en haar die verdreven was vergaderen, en die ik geplaagd had; 7 en ik zal haar die hinkende was maken tot een overblijfsel, cn haar die verre henen verstoeten was tot een machtig volk; en de Heere zal Koning over hen zijn op den berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid. 8 En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions, tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochter Jeruzalem s. 9 Nu, waarom zoudt gij zoo groot geschrei maken ? Is er geen Koning onder u, is uw Raadgever vergaan, dat u smarte als eener barende vrouw heeft aangegrepen? 10 Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Si-ons, als eene barende vrouw; want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden, aldaar zal u de Heere verlossen uit de hand uwer vijanden. 11 Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen : Laat ze ontheiligd worden en laat onze oogen Sion aanschouwen ; |
12 maar zij weten de gedachten des Heeren niet en verstaan zijnen raadslag niet, dat hij ze vergaderd heeft als garven tot den dorschvloer. 13 Maak u op en dorsch, o dochter Sions, want ik zal uwen hoorn ijzer maken en uwe klauwen koper maken, en gij zult vele volkeren verpletteren; en ik zal hun gewin den Heere verbannen, en hun vermogen den Heere der gansche aarde. 14 Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal eene belegering tegen ons stellen, zij zullen den Kichter Israels met de roede op het kinnebakken slaan. HOOFDSTUK 5. En gij Bethlehem Efratha,zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een Heer-scher zal zijn in Israël, en wiens uitgangen zijn van ouds van de dagen der eeuwigheid. 2 Daarom zal hij hen overgeven tot den tijd toe, dat zij, die baron zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen zijner broederen zich bekeeren met de kinderen Israels. 3 En hij zal staan en zal weiden in de kracht des Heeren, in de hoogheid van den naam des Heeren zijns Gods; en zij zullen wonen; want nu zal hij groot zijn tot aan de einden der aarde. 4 En deze zal Yredezijn: wanneer Assur in ons land zal komen en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zoo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht Vorsten uit de menschen: 5 die zullen het land Assurs afweiden met het zwaard, en het land Nimrods in deszelfs ingangen: alzoo zal hij ons redden van Assur. wanneer dezelve in ons land zal komen en wanneer hij in onze landpale zal treden. 6 En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den Heere, als droppelen op het |
MICH A 6.
im
|
kruid dat naar geenen man wacht noch menschenkinderen verbeidt; 7 ja, het overblijfsel Jakobs zal zijn onder de heidenen, in liet midden van veie volken, als een leeuw onder de beesten des wonds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, dewelke, wanneer hij doorgaat, zoo vertreedt en verscheurt hij dat niemand redt. 8 Uwe hand zal verhoogd ziju boven uwe wederpartijders, en alle uwe vijanden zullen uitgeroeid worden. _ . 9 En het zal te dien dage ge- [ sollieden, spreekt de Heeke, dat ' ik uwe paarden uit het midden van u zal uitroeien, en ik zal uwe wagenen verdoen; 10 en ik zal de steden uws lands uitroeien en ik zal alle uwe vestingen afbreken; 11 en ik zal de^ tooverijen uit uwe hand uitroeien en gij zult geene guichelaars hebben; 12 en ik zal uwe gesneden beelden en uwe opgerichte beelden uit hot midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen; 13 voorts zal ik uwe bosschen uit het midden van u uitroeien, en ik zal uwe steden verdel-gen: 14 en ik zal in toom en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen die niet hooren. HOOFDSTUK 6. Hoort nu wat de Heere zegt: Maakt u op, twist met de bergen en laat de heuvelen uwe stom hooren. 2 Hoort, gij bergen, den twist des Heeren mitsgaders gij sterke fundamenten der aarde; want do Heere heeft eenen twist met zijn volk, en hij zal zich met Israël in recht begeven. 3 O mijn volk, wat heb ik u gedaan ^ en waarmede heb ik u vermoeid? Betuig tegen mij. 4 Immers heb ik u uit Egyp-teland opgevoerd en u uit den dicnstluiize verlost; en ik heb voor uw aangezicht henengezon-den Mozes, Aaron en Mirjam. |
à Mijn volk, gedenk toch wat Balak de Koning van Moab beraadslaagde, en wat Bileam de zoon Beors hem antwoordde; en loat geschied is van Sittim at tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des Heeren kent. G Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, en mij bukken voor den hoogen God? Zal ik hem tegenkomen met brandofferen, met éénjarige kalveren? 7 Zoude de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtredingen, de vrucht mijns lijfs voor de zonde mijner ziele? 8 Hij heeft u bekendgemaakt, o mensch, wat goed is; en wat eischt de Heere van u, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met uwen God? 9 De stemme des Heeren roept tot de stad (want uw naam ziet het wezen); Hoort de roede en wie ze besteld heeft. 10 Zijn er niet nog in eens ieders goddeloozen huis schatten der goddeloosheid en een schaarsche efa, die te verfoeien is? 11 Zoude ik rein zijn met eene goddelooze weegschaal en met eenen zak van bedriegelijke weeg-steenen ? 12 Dewijl hare rijke lieden vol zijn van geweld, en hare inwoners lengen spreken, en hunne tong bedriegelijk is in hunnen mond, 13 zoo zal ik u ook krenken, u slaande en verwoestende om uwe zonden. 14 Gij zult eten maar nietver-zadigd^ worden, en uwe neder-drukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen zal ik aan het zwaard overgeven. ISGü zult zaaien maar niet maaien, gij zult olijven treden maar n met de olie niet zalven, |
lT A 7. 1029
i ze ten zijn, zal mij de Heere oen licht zijn.
9 Ik zal des If keren gramschap dragon, want ik heb tegen hein gezondigd; totdat hij mijnen twist twiste en mijn recht uit-voero : hij zal mij uitbrengen aan het licht, ik zal mijnen lust zien aan zijne gerechtigheid.
10 En mijne vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is do Heere uw God? Mijne oogen zullen aan haar zien, nu zal zij worden tot vertreding, als slijk dor straten.
11 Ten dage als hij uwe muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre henengaan.
12 Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe, en van de vestingen tot aan do rivier, en van zee tot zoo, en van gebergte tot gebergte.
13 Maar dit land zal worden tot eeno verwoesting zijner inwoners halve, van wege do vrucht hunner handelingen.
14 (Jij dan, weid uw volk mot uwen staf, de kudde uwer erfenis, dio alléén woont in het woud in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weidon in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
15 Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen toen gij uit Egypteland uittoogt.
1G De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn van wege al hunne macht; zij zullen de hand op den mond leggen, hunne ooron zullen doof worden;
17 zij zullen het stof lekken als do slang, als kruipende dieren der aarde zullen zij zich bewegen uit hunne sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den Heere onzen God, en zullen voor voor u vreezen.
18 Wie is een God gelijk gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt zijnen toorn niet in eeuwigheid, want hij heeft lust aan goedertierenheid.
19 Hij zal zich onzer weder
MICT
en most, maar geenen -sviju driii-keu.
16 Want do iuzettingeu van Omri worden onderhouden, en het gansehe werk des huizes AchaLa, en gij wandolt in der-zei ver raadslagen: opdat ik u stel] o tot verwoesting, en hare inwoners tot aanfluiting; al zoo zult gij do smaadheid mijns volks dragen.
HOOFDSTUK 7.
Ai mij, want ik ben als wanneer do zomervruchten zijn ingezameld, als wanneer do nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; daar is geene druif om to eten, mijne ziele begeert vroegrijpe vrucht.
2 Do goedertierene is vergaan uit don lande, en daar is niemand oprecht onder do nienschen; zij loeren al tomaal op bloed, zij jagen eed iegelijk zijnen broeder u\et een jachtgaren.
3 Om Diet beide handen wel dapper kwaad te doen, zoo eischt do Vorst, en de rechter oordeelt om vergolding; en de grooto dio spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht inéén.
4 De best© van hen is als een doorn, de oprechtste is scherper dan oe do dooruhegge: de dog uwer wachters, uwe bezoeking, is go-komen, nu zal hunne verwarring wezen.
5 Gelooft oenen vriend niet, vertrouwt nipt op oenen voor-naamsten vriend; bewaart de deuren uws monds voor haar die in uwen schoot ligt.
6 quot;Want do zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen hare moeder, do schoondochter tegen hare schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijne huisgo-nooten.
7 Maar ik zal uitzien naar den Hkere, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij hooien.
8 Verblijd u niet over mij, o mijno vijandin: wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan ; wanneer ik in duisternis zal ge-
|
1026 MI on kiiulerkenB Tieerat- gij mijn sieraad in eeuwigheid. 10 Maakt u dan óp en gaat henen, .want dit land zal do ruste niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het te verderven, en dat met eene geweldige verderving. 11 Zoo daar iemand is die met wind omgaat en valsehelijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteeren voor wijn en voor sterken drank; dat is een Profeet dezes volks. 12 Voorzeker zal ik u, o Jakob, gansch verzamelen, voorzeker zal ik Israels overblijfsel vergaderen; ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra, als eene kudde in het midden harer kooi zullen ze van men-echen deunen. 13 De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort gaan en door dezelve uittrekken, en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan, en de Heere in hunne spits. HOOFDSTUK 3. Voorts zcide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs en gij oversten des huizes Israels: betaamt het ulieden niet het recht te weten? 2 Zij haten het goede en hebben het kwade lief, zij rooven hunne huid van hen af, en hun vleesch van hunne beenderen; 3 ja, zij zijn het die het vleesch mijne volks eten, en hunne huid afstroopen, en hunne beenderen verbreken, en vanéén leggen als in eenen pot en als vleesch in het midden eens ketels. 4 Alsdan zullen zij roepen tot den Heere, doch hij zal ze niet verhoeren, maar zal zijn aangezicht te dier tijd voor hen vergen, gelijk als zij hunne handelingen gemaakt hebben. 5 Alzóó zegt de Heere tegen de Profeten die mijn volk verleiden; die met hunne tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hunnen mond, tegen dien heiligen zij eenen krijg. Daarom zal het nacht voor |
A 3, 4. ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze Profeten ondergaan, en de dag zal over hen zwart worden; 7 en de zieners zullen beschaamd en de waarzeggers schaamrood worden, en zij zullen altezamen de bovenste lip bedekken, want daar zal geen antwoord van God zijn. 8 Maar waarlijk, ik ben vol kracht van den Geest des Hee-ren, en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijne overtredingen en Israël zijne zonde. 9 Hoort nu dit, gij hoofden des huizes Jakobs en gij oversten des huizes Israëls, die van het gericht eenen gruwel hebt en al wat recht is verkeert, 10 bouwende Sion met bloed en Jeruzalem met onrecht. 11 Hare hoofden richten om geschenken, en hare Priesters leeren om loon, en hare Profeten waarzeggen om geld: tóch steunen zij op den Heere, zeggende: Is de Heere niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. 12 Daarom, om uwentwille, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zul tot steenhoopen worden en de berg dezes Huizes tot hoogten eens wonds. HOOFDSTUK 4. Maar ï.n 't laatste der dagen zal het geschieden dat de borg van het Huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, e.i hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien: 2 en vele heidenen zullen henen gaan en zeggen: Komt en laat ons opgaan ten berge des Heeren en ten Huize des Gods Jakobs, opdat hij ons leere van zijne wegen en wij in zijne paden wan'blen; want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heeren Woord uit Jeruzalem. 3 En hij zal onder groote |
|
MIC volken richten en maclitigo heidenen straffen, tot verre toe en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden en hunne spiesen tot sikkelen, het ééne volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg met meer leeren; 4 maar zij zullen zitten een ieder onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, en daar zal niemand zijn die ze verschrikt: want de mond desIÃEE-ren der heirscharen heeft het gesproken. 5 Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods, maar wij zullen wandelen in den naam des Heeref onzes Gods, eenwiglijk en altoos. 6 Te dien dage, spreekt de IIeere, zal ik haar die hinkende was verzamelen, en haar die verdreven was vergaderen, en die ik geplaagd had; 7 en ik zal baar die hinkende was maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoeten was tot een machtig volk; en de Heere zal Koning over hen zijn op den berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid. 8 En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions, tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochter Jeruzalems. 9 Nu, waarom zoudt gij zoo groot geschrei maken? Is er geen Koning onder u, is uw Kaadge-ver vergaan, dat u smarte als eener barende vrouw heeft aangegrepen ? 10 Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Si-ons, als eene barende vrouw; want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan _ en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden, aldaar zal u de Heere verlossen uit de hand uwer vijanden. 11 Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden en laat onze oogen Sion aan-ichouwen; |
[A 5. 1027 12 maar zij weten de gedachten des Heeren niet en verstaan zijnen raadslag niet, dat hij ze vergaderd heeft als garven tot den dorschvloer. 13 Maak u op en dorsch, o dochter Sions, want ik zal uwen hoorn ijzer maken en uwe klauwen koper maken, en gij zult vele volkeren verpletteren; en ik zal hun gewin den Heere verbannen, en hun vermogen den Heere der gansche aarde. 14 Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal eene belegering tegen ons stellen, zij zullen den llichter Israels met de roede op het kinnebakken slaan. HOOFDSTUK 5. En gij Bethlehem Efratha,zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een Heer-scher zal zijn in Israël, en wiens uitgangen zijn van ouds van do dagen der eeuwigheid. 2 Daarom zal hij hen overgeven tot den tijd toe, dat zij, die baron zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen zijner broederen zich bekeeren met de kinderen Israels. 3 En hij zal staan en zal weiden in de kracht des Heeren, in de hoogheid van den naam des Heeren zijns Gods; en zij zullen wonen; want^ nu zal hij groot zijn tot aan de einden der aarde. 4 En deze zal quot;Vredezijn: wanneer Assur in ons land zal komen en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zoo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht Vorsten uit de menschen: 5 die zullen het land Assurs afweiden met het zwaard, en het land Nimrods in deszelfs ingangen: alzoo zal hij ons redden van Assur. wanneer dezelve in ons land zal komen en wanneer hij in onze landpale zal treden. 6 En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den Heere, als droppelen op het |
|
1028 M1C kruid dat naar geenen man wacht noch menschenkinderen verbeidt; 7 ja, het overblijfsel Jakobs zal zijn onder do heidenen, in liet midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder do echaapskudden, dewelke, wanneer hij doorgaat, zoo vertreedt en verscheurt hij dat niemand redt. 8 Uwe hand zal verhoogd zijn boven uwe ^ wederpartijders, en alle uwe vijanden zullen uitgeroeid worden. 9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt do Hef.re, dat ik uwe paarden uit het midden van u zal uitroeien, en ik zal uwe wagenen verdoen; 10 en ik zal de steden uwe lands uitroeien en ik zal alle uwe vestingen afbreken; 11 en ik zal do tooverijen uit uwe hand uitroeien en gij zult geene guichelaars hebben; 12 en ik zal uwe geeneden beelden en uwe opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen; 13 voorts zal ik uwe bosschen uit het midden van u uitroeien, en ik zal uwe steden verdel-gen: 14 en ik zal in toom en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen die niet hooren. HOOFDSTUK 6. Hoort nu wat de Heere zegt: Maakt u op, twist met de bergen en laat de heuvelen uwe stom hooren. 2 Hoort, gij bergen, den twist des Heeren mitsgaders gij sterke fundamenten der aarde; want do Heere heeft eenen twist met zijn volk, en hij zal zich met Israël in recht begeven. 3 O mijn volk, wat heb ik u gedaan ^ en waarmede heb ik u vermoeid? Betuig tegen my. 4 Immers heb ik u uit Egyp-telaud opgevoerd en u uit den dicusthuize verlost; en ik heb |
IA 6. voor uw aangezicht henengezon-den Mozes, Aaron en Mirjam. 5 Mijn volk, gedenk toch wat Balak de Koning van Moab beraadslaagde, en wat Bileam de zoon Beors hem antwoordde; en wat geschied is van Sittim at tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des Heeren kent. G Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, en my bukken voor den hoogen God? Zal ik hem tegenkomen met brandofferen, met éénjarige kalveren? 7 Zoude de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtredingen, de vrucht mijns lijfs voor de zonde mijner ziele? 8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch, wat goed is; en wat eischt de Heere van u, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met uwen God? 9 De stemme des Heeren roept tot de stad (want uw naam ziet het wezen): Hoort de roede en wie ze besteld heeft. 10 Zijn er niet nog in eens ieders goddeloozen huis schatten der goddeloosheid en een schaarsche efa, die te verfoeien is? 11 Zoude ik rein zijn meteene goddelooze weegschaal en met eenen zak van bedriegelijke weeg-steenen? 12 Dewijl hare rijke lieden vol zijn van geweld, en hare inwoners leugen spreken, en hunne tong bedriegelijk is in hunnen mond, 13 zoo zal ik u ook krenken, u slaande en verwoestende om uwe zonden. 14 Gij zult eten maar niet verzadigd worden, en uwe nedcr-drukking i;al in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen zal ik aan het zwaard overgeven. 15aGy zult zaaien maar niet maaien, gij zult olijven treden maar n met de olie niet zalven. |
T A 7. 1lt;)29
i zeten zijn, zal mij de Heereeen licht zijn.
9 Ik zal den Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen hen: gezondigd; totdat hij mijnen twist twiete en mijn recht uit-voere : hij zal mij uitbrengen aan het licht, ik zal mijnen lust zien aan zijne gerechtigheid.
1U En mijne vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is do Heere uw God? Mijne oogen zullen aan haar zien, nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
11 Ten dage als hij uwe muren zal herbouwen, te dien doge zal het besluit verre henengaan.
12 Te dien dage zal liet ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe, en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.
13 Maar dit land zal worden tot eene verwoesting zijner inwoners halve, van v/ege de vrucht hunner handelingen.
14 Gij dan, weid uw volk met uwen staf, de kudde uwer erfenis, die alléén woont in het woud in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weidenm Basanen Gilead, als in de dagen van ouds.
15 Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen toen gij uit Egypteland uittoogt.
1G De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn van wege al hunne macht; zij zullen de hand op den mond leggen, hunne ooren zullen doof worden;
17 zij zullen het stof lekken als de slang, als kruipende dieren der aarde zullen zij zich bewegen uit hunne sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den Heere onzen God, en zullen voor voor u vreezen.
18 Wie is een God gelijk gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het over-blijfsel zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt zijnen toorn niet in eeuwigheid, want hij heeft lust aan goedertierenheid.
19 Hij zal zich onzer weder
MIC ï
en most, maar geenen wiju drinken.
16 Want do inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gansche werk des huizes Acliabs, en gij wandelt in der-zolver raadslagen: opdat ik u stelle tot verwoesting, en hare inwoners tot aanfluiting; alzoo zult gij de smaadheid mijns volks dragen.
HOOFDSTUK 7.
Ai mij, want ik ben als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld, als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn: daar is geene druif om te eten, mijne ziele begeert vroegrijpe vrucht.
2 De goedertierene is vergaan uit don lande, en daar ia niemand oprecht onder de menachen ; zij loeren aUemaal opbloelt;l,iij jagen eed iegelijk zijnen broeder met een jachtgaren.
3 Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zoo eischt de Vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de groote die spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht inéén.
4 De beste van hen is als een doorn, de oprechtste is scherper dan eene doorn hegge: de dag uwer wachters, uwe bezoeking, is gekomen, nu zal hunne verwarring wezen.
5 Gelooft eenen vriend niet, vertrouwt nipt op eenen voornaams ten vriend; bewaart de deuren uws monds voor haar die in uwen schoot ligt.
6 Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen hare moeder, de schoondochter tegen hare schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijne huisge-nooten.
7 Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij hooien.
8 Verblijd u niet over mij, o mijne vijandin: wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal ge-
|
HOOFDSTUK 1. De last van Ninevé. Het boek des gezichte van Nahum den Elkosiet. 2 Een ijverig God en een wreker ie de Heere, een -wreker ie de Heere, en zeer grimmig; een wreker ie de Heere aan zijne wederpartij dere, en hij behoudt den toorn zijnen vijanden. 'ó De Heefe ie lankmoedig, doch van groote kracht, en hij houdt den ncliuldige geenszins onschuldig. Des Hkeren weg is in wervelwind en in storm, en de wolken zijn het stolquot; zijner voeten. 4 Hij scheidt de zee en maakt ze ^ droog, en hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwijnen, ook kwijnt de bloem van Libanon. 5 De bergen beven voor hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor zijn aangezicht, en de wereld en allen die daarin wonen. 6 Wie zal voor zijne gramschap staan en wie zal voor de hittig-lieid zijne toorne bestaan? Zijne grimmigheid ie uitgeetortals vuur, en de rotseteenen worden van hem vermorzeld. 7 De Heere is goed, hij ie ter sterkte in den dag der benauwdheid, en hij kent degenen die op hem betrouwen. 8 En met eenen doorgaanden vloed zal hij hare plaats te niet maken, en duisternis zal zijne vijanden vervolgen. 9 Wat denkt gijlieden tegen de Heere? Hij zal zelfeenevoleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen. lo:iO N A U U M 1, 2. outfermen, hij zal onzts ougerech- j 20 gij zult Jakob de trouwe: tigheden dempen, ja frij zult alle I Aljialiain de goedertierenhoid hnnue zonden in de diepten der geven, die gij onzen vaderen van zee werpen: I oude dagen af gezworen liebt. |
10 Dewijl zij in malkander gevlochten zijn ale doornen, en dronken zijn gelijk zij plegen dronken te zijn, zoo worden zij volkomenlijk verteerd ale een dorre stoppel. 11 Van u ie een uitgegaan die kwaad denkt tegen den Heere, een belialsraadsman. 12 Alzóo zegt de Heere: Zijn zij voorspoedig, en zoo velen, al-zoo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan: ik heb u wel gedrukt, maar ik zal u niet meer drukken; 13 maar nu zal ik zijn juk van u breken en zal uwe banden verscheuren. 14 Doch tegen u heeft de Heere bevolen, dat er van uwen naam niemand meer gezaaid zal worden: uit het huis uwe Gods zal ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden. 15 Zie op de bergen de voeten deegenen die het goede boodschapt, die vrede doet hooren: vier uwe vierdagen, o Juda, betaal uwe geloften; want de be-lialeman zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij ie ganech uitgeroeid. HOOFDSTUK 2. De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting, bezichtig den weg, sterk de lendenen, versterk de kracht zeer; 2 want de Heere heeft de hoo-vaardij Jakobs afgewend gelijk de hoovaardij Israels, want de plunderaare hebben ze ledig gemaakt en zij hebben hunne wijnranken verdorven. 3 1 zijn nian de fakk bere schv 4; ken, op c zijn doo: blil; 5 ken etri: zul' ale wes 6 len zal 7 wei het ma me tro £ vij wc St! ni da de wlt; 1 ui er al al ee l⬠le oi w d v z 1] v 1 1 DE PROFEET NAHUM. |
4
NAHUM 3.
1031
|
3 Do Bchilden zijner helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannen zijn scharlaken ver wig, de wagens zijn in het vuur der fakkelen ten dage als hij zich bereidt, en de spiesen worden geschud. 4 De wagens razen door de wijken, zij loopen ginds en weder op de straten; hunne gedaanten zijn als der fakkelen, zij loopen door malkander henen als de bliksemen. 5 Hij zal aan zijn voortrefTelij-ken gedenken, doch zij zullen struikelen in hunne tochten; zij zullen haasten naai hunnen muur, als het beschutsel vaardig zal wezen. 6 De poorten der rivieren zullen geopend worden, en hot paleis zal versmelten. 7 En Huzzab zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar heeten voort te gaan; en hare maagden zullen haar geleiden als met eene stemme der duiven, trommelende op hare harten. 8 Ninevé ia wel als een watervijver, van dedagen af dat zij geweest is, doch zij zullen vluchten : Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien. 9 Rooft zilver, rooft goud, want daar is geen einde des voorraads, der heerlijkheid van allerlei ge-wenschte vaten. 10 Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar harte versmelt, on de knieën schudden, en in allo de lendenen is smart, en hun aller aangezichten betrekken als een pot. 11 Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen ? alwaar de leeuw, de oude leeuw en het leeuwenwelp wandelde, en daar was niemand die hen verschrikte; 12 de leeuw die genoeg roofde voor zijne welpen en worgde voor zijne oude leeuwinnen, die zijne holen vervulde met roof en zijne woningen met het geroofde. 13 Zie, ik wil aan u, spreekt de Heeke der heirscharen, en ik zal hare wagenen in rook verbranden, en het zwaard zal uwe jonge leeuwen verteren, en ik zal uwen roof uitroeien van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden. |
HOOFDSTUK 3. quot;Wee der bloedstad, die gansch vol leugen en verscheuring isl De roof houdt niet op. 2 Daar is het geklap der zweep, en het geluid van het bolderen der raderen, en de paarden stampen en de wagens springen op; 3 de ruiter steekt omhoog zoo het vlammende^ zwaard als de bliksemende spies, en daar zal veelheid der verslagenen zijn en eene zware menigte der doode lichamen, ja, daar zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hunne lichamen struikelen: 4 om der groote hoererijen wille der zeer bevallige hoer, dermees-teresse der tooverijen, die met hare hoererijen volkeren verkocht heeft, en geslachten met hare tooverijen. 5 Zie, ik wil aan u, spreekt de Heere der heirscharen, en ik zal uwe zoomen ontdekken boven uw aangezicht, en ik zal den heidenen uwe naaktheid en don koninkrijken uwe schande wijzen; 6 en ik zal verfoeielijke dingen op u werpen en u tot schande maken, en ik zal u als eenen spiegel stellen; 7 en het zal geschieden dat allen die u zien van u weg vlieden zullen, en zeggen: Ninevé is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken? 8 Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee; 9 Moorenland en Eg5Tpte waren hare macht, en daar was geen einde; Put en Libyë waren tot uwe hulp: 10 toch is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis, ook zijn hare kinderen op het hoofd aller straten verpletterd geworden, en over hare gecerden hebben zij liet lot geworpen en alle hare grooten |
IIA BAK UK 1.
10132
|
zijn in boeien gebonden geworden. 11 Ook zuU gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij eene sterkte zoeken vanwege den vijand. 12 Alle uwe vastigheden zijn vijgeboomen met de eerste vruchten : indien zij geschud worden, zoo vallen zij dien op den mond die ze eten wil. 13 Zie, uw volk zal inhetmid-den van u tot vrouwen worden, «ie poorten uws lands zullen uwen vijanden wijd geopend worden, het vuur zal uwe grendelen verteren. 14 Schep u water ter belegering; versterk uwe vastigheden; ga in de klei en treed in betleem, verbeter den ticheloven. lö Het vuur zal u aldaar verteren, het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten als de kevers; vermeerder u als kevers, vermeer- | der u als sprinkhanen. |
1G Gij hebt meer handelaars dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen en wegvliegen. 17 Uwe gekroonden zijn als do sprinkhanen, en uwe krijgsoversten als de groote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen : wanneer de zon opgaat zoo vliegen zij weg, alzoo dat hunne plaats onbekend is, waar zij geweest zijn. 18 Uwe herders zullen sluimeren, o Koning van Assur, uwe voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen. 19 Daar Ih geen samentrekking voor uwe breukc, uwe plage is smartelijk; allen die hot gerucht van u hooren, zullen de handen over u klappen; want over wien is uwe boosheid niet geduriglijk gegaan ? |
1) E 1' R O F E E T HA R A K Tl K.
|
HOOFDSTUK 1. De last welken Habakuk de I'rofeet gezien heeft. 2 Heere, hoe lang schreeuw ik en gij hoort niet, hoe lang roep ik tot u: Geweld! en gij verlost niet? 3 Waarom laat gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegenover mij en daar is twist en men neemt gekijf op. 4 Daarom wordt de wet nagelaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddelooze omringt den rechtvaardige, daarom komt het recht verdraaid voort. 5 Ziet onder de heidenen en aanechouwt, en verwondert u, verwondert u; want ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet gelooven zult als het verteld zal worden. |
6 quot;Want zie, ik verwek de Chaldeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten der aarde, o n erfelijk te bezitten wo-nin ;en die de zijne niet zijn. 7 Schrikkelijk en vreesdijk is hetzelve; zijn recht en zijne hoogheid gaat van hemzelven uit. 8 Want zijne paarden zijn lichter dan c'e luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwol ven, en zijne ruiters verspreiden zich; ja, zijne ruiters zullen van verre komen, zi., zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten. 9 Het zal geheellijk tot geweld komen; wat zij inslorpen zullen met hunne aangezichten, zullen zij hrengeu naar het Oosten; en |
HA BAK UK 2.
iOW
|
het znl de pevnnpenoii Torzame-len alfi zand. 10 En bij zal dn Koningen be-Bchimpen, en de Prinsen zullen hem eene belarhing zijn, bij zal alle vestingen belacben; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen. 11 Dan zal bij den geest veranderen, en bij zal doortrekken en zich schuldig maken, houdende. deze zijne krarlit voor zijnen God. 12 Zijt gij niet van oude af de IIeere, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven : o IIef.re, tot een oordcel hebt gij hem ge-pteld, en o rote, om te strafien hebt gij hem gegrondvest. 18 Gij zijt te rein van oogen dut gij het kwaad zondtzien, en de kwelling kunt gij niet aanschouwen: waarom zoudt gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt gij zwijgen, als de goddelooze dien verslindt die rechtvaardiger is dan bij ? 14 En waarom zoudt gij de menschon maken als de viqsrhen der zee, als bet kruipende gedierte dat geenen heerscher heelt ? 15 Hij trekt ze alle met den engel op, hij vergadert ze in zijn garen en bij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt bij zich, 16 daarom offert bij aan zijn garen en rookt aan zijn net; want door dezelve is zijn deel vet geworden en zijne spijze smoutig. 17 Zal bij dan daarom altoos zijn garen ledi^ maken, en zal hij niet verscboonen met altoos de volkeren te dooden? HOOFDSTUK 2. Ik stond op mijne wacht en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien wat hij in mij spreken zoude, en wat ik antwoorden zoude op mijne be-strafïing. 2 Toen antwoordde mij de Hkere en zeide: Schrijf het gezicht en stel het duidelijk op tafelen opdat daarin leze wie voorbij loopt. |
3 Want het gezicht znl nog tot eenen ^bestemden tijd zijn, dan zal hij het op het einde voortbrengen en niet liegen: zoo bij vertoeft, _ verbeid hein, want bij zal gewissel ijk komen, bij zal niet achterblijven. 4 Zie, zijne ziel verheft zich, ze is niet recht in hem; maar do rechtvaardige zal door zijn gelooi leven. 5 En ook dewijl bij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trotseb man is, en in zijne woning niet blijft; die zijne ziele wijd open doet als het graf, en gelijk de dood is die niet zat wordt, en tot zich verzamelt alle de heidenen en vergadert tot zich alle volken: 6 zouden dan niet deze alle van hem eene spreuke opheffen, en eene uitlegging der raadselen van hem? Ãn men zal zeggen: Wee dien die vermeerdert hetgeen het zijne niet is, (hoe lang?) en dien die op zich laadt dik slijk. 7 Zullen niet onvoorziens opstaan die u bijten zullen, en ontwaken die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden ? 8 Omdat gij vele heidenen beroofd hebt, zoo zullen alle overgebleven volkeren u berooven, om het bloed der menschen, en het geweld aan bet land, de stad en alle inwoners derzei vev 9 Wee dien die met kwade gierigheid begeert voor zijn huis, opdat bij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de baud des kwaads. lü Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeien b? vele volkeren, zoo hebt gij ge zondigd lenen uwe ziel. 11 Want de steen uit den muur roept en de balk uit het hout antwoordt dien. 12 Wee dien die, de stad met. bloed bouwt en die de stad met onrecht bevestigt. 13 Zie, ip het niet van den ITf.ere der HeirsHiaren, dat do volkeren arbeiden ten vure, en 33* |
|
1034 HABA de lieden zich tevergeefsch vermoeien ? 14 Want de aarde zal vervuld morden, dat zij de heerlijkheid des Heeren bekenne, gelijk do wateren den hodem der zee bedekken. 15 Wee dien die zijnen naaste te drinken geeft, gij die uwe wijnflesch daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hunne naaktheden aauschouwt: 16 gij zult ook verzadigd worden met schande vooreer; drink gij óók en ontbloot de voorhuid: de beker der rechterhand des Heeren zal zich tot u wenden, en daar zal een schandelijk uit-braaksel over uwe heerlijkheid zijn. 17 Want het geweld dat tegen Libanon begaan is zal u bedekkenen de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds wille der menschen, en des ge-welds in het land, de stad en aan alle hare inwoners. 18 Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleeraar is, dat de formeerder op zijnfor-meersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft? 19 Wee dengene die tot het hout zegt: Word wakker, en: Ontwaak, tot den zwijgenden steen. Zoude hetleeren? Zie, het is met goud en zilver overtrokken, en daar is gansch geen geest in het midden van hetzelve. 20_Maar de Heere is in zijnen heiligen Tempel: zwijg voor zijn aangezicht, gij gansche aarde. HOOFDSTUK 3. Een gebed van Habakuk den Profeet op sigjonoth. 2 Heere, als ik uwe rede gehoord heb, heb ik gevreesd; uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren ; in den toorn gedenk des ontfermens. 3 God kwam van Teman, en de Heilige van den berg Paran. Sela^ Zijne heerlijkheid bedekte |
CTJK 3. de hemelen, en het aardrijk was vol van zijnen lof. 4 En daar was een glans als des lichts; hij had hoornen aan zijne hand, en aldaar was zijne sterkte verborgen. 5 Voor zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor zijne voeten henen. 6 Hij stond en mat het land, hij zag toe en maakte de heidenen los: en de al oude bergen zijn verstrooid geworden, de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuwigheid zijn zijne, 7 ik zag de tenten van Kuschan onder de ij delheid; de gordijnen van het land Midian schuddeden. 8 Was de Heere ontstoken tegen de rivieren? Was uw toorn tegen de rivieren, was uwe verbolgenheid tegen de zee, toen gij op uwe paarden reedt? Uwe wagens waren heil. 9 Do naakte grond werd ontbloot door uwen boog, om de eeden aan de stammen gedaan door het Woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekliefd. 10 De bergen zagen u en leden smarte; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijne stem, hij hief zijne zijden op in de hoogte. 11 De zon, de maan stonden stil in hare woning; met het licht gingen uwe pijlen daarhenen, met glans uwe bliksemende spies. 12 Met gramschap tradt gij door het land, met toom dorschtet gij de heidenen. 13 Gij tcogt uit tot verlossing uws volks, tot verlossing met uwen Gezalfde: gij dqorwonddet het hoofd van het huis des god-deloozen, ontblootende den grond tot den hals toe. Sela. 14 Gii doorboordet met zijne staven het hoofd zijner dorplieden ; zij hebben gestormd om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij den ellendige in het verborgen zouden opeten. 15 Gij betradt wief uwe paarden de zee, de geweldige wateren werden een hoop. 16 Als ik het hoorde, zoo werd mijn buik beroerd, voor de stem |
|
ZEFA hebben mijne lippen gebeefd, verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijne plaats. Zekerlijk ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle. 17 Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en er geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de volden geen spijze voortbrengen, dat men de kudde uit |
FJA 1. 1035 de kooi afscheuren zal en dat er geen rund in de stallingen wezen zal: 18 zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils. 19 De Heere Heere is mijne sterkte; en hij zal mijne voeten maken als der hinden, en hij zal mij doen treden op mijne hoogten. Voor den opperzangmeester op mijne neginoth. |
DE PROFEET ZEE AN JA.
|
HOOFDSTUK 1. Het Woord des Heerett, hetwelk geschied is totZefonja, don zoon van Kuschi, den zoon van Gedaija, den zoon van Amarja. den zoon van Hizkia; in de dagen van Josia den zoon van Amon, den Koning van Ju da. 2 Ik zal zekerlijk alles weg-rapen uit dit land, spreekt de Heere; 3 ik zal wegrapen menschen en beesten, ik zal wegrapen de vogelen des hemels en devisschen der zee, en de ergernissen met de goddeloozen; ja, ik zal ^ de menschen uit dit land uitroeien, spreekt de Heere. 4 En ik zal mijne hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem, en ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal, en den naam der Kemarim met de Priesters; 5 en die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, en die zich nederbuigende zweren bij den Heere en zweren bij Mal kam; 6 en die terugkeeren van achter den Heere, en die den Heere niet zoeken en vragen naar hem niet. 7 Zwijg voor het aangezicht des |
Heeren Heeren, want de dag des Heeren is nabij, want de Heere heeft een slachtoffer bereid, hij heeft zijne genoodigdengeheiligd. 8 En liet zal geschieden in den dag van het slachtoffer des Heeren, dat ik bezoeking zal doen over de Vorsten, en over de kinderen des Kouings, en over allen die zich kleeden met vreemde kleeding; 9 ook zal ik ten zelfden dage bezoeking doen over al wie over den dorpel springt, dio het huis hunner heeren vervullen met geweld en bedrog. 10 En daar zal te dien dage, spreekt de Heere, eene stemme des gekrijts zijn van de Visch-poort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en eene groote breuke van de heuvelen af. 11 Huilt gij inwoners der laagte, want al het volk van koophandel is uitgehouwen, alle de gelddra-gers zijn uitgeroeid. 12 Ãn het zal geschieden te dien tijde, ik zal Jeruzalem met lantarens doorzoeken, en ik zal bezoeking doen over de mannen die stijf geworden zijn op hunnen droesem, die in hun hart zeggen: De Heere doet geen goed en hij doet geen kwaad. 13 Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hunne huizen |
|
1036 ZPFAl tot verwoesting; zij bouwen wel huizen mar.r zij zullen ze niet bewonen, en zij planten wijngaarden maar zij zullen derzei ver wijn niet drinken. 14 De groote dag des Hekken ïh nabij, hij iö nabij eu zeer haaetende: do stem van den dag dos Heeren; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen. J5 Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn, een dag der benauwdheid en des angstes. een dag der woestheid en verwoesting, een dng der duisternis en der donkerheid, een dag der wolken en der dikke donkerheid, 16 een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hooge hoeken. 17 En ik zal de mensehen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen den Heere gezondigd; en hun Moed zal vergoten worden als stof en hun vleesch zal worden als drek. 18 Noch hun zilver noch hun goud zal ze kunnen redden ten (iage der verbolgenheid dos Hee-ren, maar door het vuur zijns ijvers zal dit gansche land verteerd worden; want hij zal eene voleinding maken, gewifselijk eene haastige, met alie do inwoners dezes lands. HOOFDSTUK 2, Doorzoekt uzelve nauw, ja, doorzoekt nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt: 2 eer het besluit bare, (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt, dewijl de dag van den toorn des Heeren over ulieden nog niet komt. 3 Zoekt den Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die zijn recht werken. Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid: misschien zult gij verborgen worden in den dag des toorns des Heeren. 4 quot;Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen ; Asdod zal men in |
JA 2. den middag verdrijven, en Ekron zal ontworteld worden. 5 Wee den inwoners van de landstreek der zee, het volk der Kerethiten: het Woord des Heeren zal tegen ulieden zijn, gij Kanaan, der Filistijnen land, en ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn. 6 En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders en betuinin-gen der kudden: 7 en de landstreek zal wezen voor het overblijfsel des huizes van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen Askelons legeren, als de Heerf, hun God hen zal bezocht en hunne gevangenis zal gewend hebben. 8 Ik heb de beschimping Moabs gehoord, en de scheldwoorden der kinderen Amnions, waarmede zij mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen deszei fs land pale. 9 Daarom, zoo iraarachtip ah ik leef, spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Amnions als Go-morra, eene netelheide en eene zoutgroeve en eene verwoesting tot in eeuwigheid; de overigen mijns volks zullen ze berooven, en het overige mijns volks zal ze erfelijk bezitten. 10 Dat zullen zij hebben in plaats van hunnen hoogmoed; want zij^ hebben beschimpt en hebben zich groot gemaakt tegen het volk des Heeren der heirscharen. 11 Vreeselijk zal de Heere tegen hen wezen, want hij zal alle de gjden der aarde doen uitteren; en een iegelijk zal hem uit zijne plaats aanbidden, alle de eilanden der heidenen. 12 Ook gij Mooren zult verslagenen mijns zwaards zijn. 13 Hij zal ook zijne hand uitstrekken tegen het Noorden, en hij zal Assur verdoen, en hij zal Nmevé stellen tot eene verwoesting, droog als eene woestijn. 14 En in liet midden van haar |
|
ZEFA zullen de kudden legeren, al het gedierte der volkeren; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op hare granaatappelen vernachten; eene atem zal in het venster zingen, verwoesting zal in den dorpel zijn, als hij haar ceder werk zal ontbloot hebben. 15 Dit is die stad die cpspringt van vreugde, die zéker woont, die in haar hart zegt: Ik ben 't, en buiten mij is er geene meer; hoe is zij geworden tot woestheid, eene rustplaats van het gedierte: een ieder die daar doortrekt zal ze aanfluiten, hij zal zijne hand bewegen. HOOFDSTUK 3. Wee der ijselijke en der bevlekte, der verdrukkende stad; 2 zij hoort naar de stemme niet, zij neemt de lucht niet aan; zij vertrouwt niet op den Heeee, tot haren God nadert zij niet. 3 Hare Vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar, hare richters zijn a vond wolven die de beenderen niet breken tot aan den morgen; 4 hare Profeten zijn lichtvaardig, gansch trouwelooze mannen; hare Priesters veroncreinigenhet heilige, zij doen der wet geweld aan. 5 De rechtvaardige Heere is in het midden van haar, hij doet geen onrecht; allen morgen geelt hij zijn recht in het licht, daar ontbreekt niets; doch de verkeerde weet van geen schaamte. 6 Ik heb de heidenen uitgeroeid, hunne hoeken zijn verwoest, ik heb hunne straten eenzaam gemaakt, dat niemand daar doorgaat; hunne steden zijn verstoord, zoodat er niemand is, dat er geen inwoner is. 7 Ik zeide: Immers zult gij mij vreezen, gij zult de tucht aannemen, opdat hare woning niet uitgeroeid zoude worden: al wat ik haar bezocht heb, waarlijk zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben alle hunne handelingen verdorven. 8 Daarom verwacht mij, spreekt *rJA 3. 1037 |
de Heere, ten dage als ik mij opmaak tot den roof; want mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen mijne gramschap,de gansche hittigheid mijns toorns uit te storten, want dit gansche land zal door het vuur mijns ij vers verteerd worden. 9 Gewisselijk, dan zal ik tot de volken eene reine spraak wenden, opdat zij allen den naam des Heeren aanroepen, opdat zij hem dienen met eenparigen schouder. 10 Van de zijde der rivieren der Mooren zullen mijne ernstige aanbidders, met de dochter mijner verstrooiden, mijne offerande brengen. 11 Te dien dage zult gij niet beschaamd wezen van wege alle uwe handelingen waarmede gij tegen mij overtreden hebt; want alsdan zal ik uit het midden van u wegnemen die van vreugde opspringen over uwe hoovaardij, en gij zult u voortaan niet meer verhellen om mijns heiligen bergs wille; 12 maar ik zul in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op den naam des Heeren betrouwen. 13 De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hunnen mond zal geen bedrie-gelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en neder-liggen, en niemand zal ze verschrikken. 14 Zing vroolijk gij dochter Sions, juich Israël; wees blijde en spring op van vreugde van ganscher harte, gij dochter Je-ruzalems: 15 de Heere heeft uwe oor-deelen weggenomen, hij heeft uwen vijand weggevaagd; de Koning Israëls, de Heere is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien. lö Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet o Sion, laat uwe handen niet slap worden. |
|
1038 11A G lt; 17 De Heerjs uw God is in het midden van u, een held die verlospen zal; bij zal over u vroolijk zijn met blijdschap, hij zal zwijgen in zijne liefde, hij r.al zich over u verheugen met gejuich. 18 De bedroefden om der bijéénkomst wille zal ik verzamelen, zij zijn uit u; de beschimping is een last op haar. 19 - Zie, ik zal te dien tijde alle _ uwe verdrukkers verdoen: en ik zal de hinkenden behoe- |
AI 1. den en de uitgestootenen verzamelen, en ik zal ze stellen tot eenen lof en tot eenen naam in het gansche land waar zij beschaamd zijn geweest. ^ 20 Te dien tijde zal ikulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk als ik u verzamelen zal; zekerlijk, ik zal ulieden zetten tot eenen naam en tot eenen lof onder alle volkerenf der aarde, als ik uwe gevangenissen voor uwe oogen wenden zal, zegt de Heere. |
DE PROFEE
T HAGGAI.
|
HOOFDSTUK 1. In^ het tweede jaar van den Koning Darius in de zesde maand op den eersten dag der maand geschiedde het Woord des Heeren, door den dienst van Haggai, den Profeet, tot Ze-rubbabel den zoon van Sealtiël, den quot;Vorst van Juda, en tot Jozua den zoon van Jozadak, den Hoogepricster, zeggende: 2 Alzóó spreekt de Kekke der heirscharen, zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd dat des Heeren Huis gebouwd worde. 3 En het Woord des Heeren geschiedde door den dienst van den Profeet Haggai, zeggende: 4 Is het voor ulieden wel de tijd dat gij woont in uwe gewelfde huizen, en zal dit Huis woest zijn? 5 Nu dan, alzóó zegt de Heere der heirscharen: Stelt uw hart op uwe wegen. 6 Gij zaait veel, en gij brengt weinig in: gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken wordens toe; gij kleedt u, maar niet tot uwe verwarming; en die loon ontvangt, die ontvangt dat loon in eenen doorboorden buidel. |
7 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Stel uw hart op uwe wegen. 8 Klimt op het gebergte en brengt hout aan, en bouwt dit Huis, en ik zal een welgevallen daaraan hebben en verheerlijkt worden, zegt de Heere. 9 Gij ziet om naar veel, maar zie, gij bekomt weinig, en als gij liet in huis gebracht heb, zoo blaas ik daarin. Waarom dat? spreekt de Heere der heirscharen : om mijns Huizes wille, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis. 10 Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijne vruchten; 11 want ik heb eene droogte geroepen over het land en over de bergen, en over het koren en over den most en over de olie en over hetgeen dat de aardbodem zoude voortbrengen, ook over de mensehen en over de beesten, en over allen arbeid der handen. 12 Toen hoorde Zerubbabel de zoon van Sealtiël, en Jozua de zoon van Jozadak, de Hooge-priester, en al het overblijfsel des volks, naar de stemme des Heeren hun Gods, en naar de |
|
IIAG( woorden van den Profeet Haggai, gelijk als hem de Heere hun God gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des IIeeren. 13 Toen sprak Haggai de bode des Heeben, in de boodschap des Heeren tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de Heere. 14 En de Heere verwekte den geest van Zerubbabel den zoon van Sealtiël, den Vorst van Juda, en den geest van Jozua den zoon van Jozadak, den Hoogepriester, en den geest van het gansche overblijfsel dos volks, en zij kwamen en maakten het werk in het Huis des Heeren der heirscharen, huns Gods, HOOFDSTUK 2. op den vierentwintigsten dag der maand in de zesde maand in het tweede jaar van den Koning Darius. 2 In de zevende maand op den éénentwintigste der maand geschiedde het woord des Heeren door den dienst van den Profeet Haggai, zeggende: 3 Spreek nu tot Zerubbabel den zoon van Sealtiël, den Vorst van Juda, en tot Jozua den zoon van Jozadak, den Hoogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende: 4 Wie is onder ulieden overgebleven, die dit Huis in zijne eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Ib dit niet als niets in uwe oogen ? 5 Doch nu, wees sterk gij Zerubbabel, spreekt de Heere, en wees sterk gij Jozua, zoon van Jozadak, Hoogepriester, en wees sterk al gij volk des lands, spreekt de Heere, en werkt; want ik ben met u, spreekt de Heere der heirscharen, G met het Woord in hetwelk ik met ulieden een verhond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en mijnen Geest staande in het midden van u: vreest niet. |
AI 2. 1039 7 Want alzóó zegt de Heere der heirscharen: Nog ééns, een weinig tijd* zal het zijn en ik sal de hemelen en do aarde en de zee en het droge doen beven; 8 'ja, ik zal alle de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den wensch aller heidenen, en ik zal dit Huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Heere der heirscharen. 9 Mijn is het zilver en mijn i^ het goud, spreekt de Heere der heirscharen. 10 De heerlijkheid van dit laatste Huis zal grooter worden dan van het eerste, zegt de Heere der heirscharen; en in deze plaats zal ik vrede geven, spreekt de Heere der heirscharen. 11 Op den vierentwintigsten dag der negende maand in het tweede jaar van Darius geschiedde het Woord des Heeren door don dienst van den Profeet Haggai, zeggende: 12 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Vraag nu den Priesters de wet, zeggende: 13 Zie, iemand draagt heilig vleesch in de slip zijns kleeds, en hij raakt met zijne slip aan het brood of aan het moes of aan den wijn of aan de olie of aan eenige spijze: zal hst heilig worden? Eu de Priesters antwoordden en zeiden: Neen. 14 En Haggai zeide: Indien iemand die onrein is van een dood lichaam iets van die dingen aanroert: zal het onrein worden? En de Priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden. 15 Toen antwoordde Haggai en zeide: Alzóó is dit volk en alzóó is deze natie voor mijn aangezicht, spreekt de Heere, en alzóó is al het werk hunner handen, en wat zij daar ofteren, dat is onrein. 16 En nu, stelt er toch ulieder harte op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen Selegd werd aan den Tempel eselegd werd aan den Tempel es Heeren; 17 eer die dingen geschiedden. |
|
KMO ZAOH^ kwam iemand tot den horen-hoop van twintig maten, zoo waren er maar tien; komende tot den wijnbak om vijïtigmaten van do pera te echeppen, zoo waren er maar twintig. 18 Ik sloeg ulioden metbrand-koren en met honingdauw, en met hagel al het werk uwer handen: en gij hc.erdet u niet tot mij, spreekt de Heetir. 19 Stelt er toch uw harte op, van dezen ^ dag af en opwaarts, van den vierentwintigsten dag der negende maand af, van den dag af als het fundament aan den Tempel des Heeken is gelegd geworden, stelt er uw harte op: 20 is er nog zaad in de schuur ? Zelfs tot den wijnstok en den vijgeboom eu den granaatappel-boom en den olijfboom die niet gedragen heeft, die zal ik van dezen dag af zegenen. |
Tl IA 1. 21 Het Woord des Heeren nu geschiedde ten t weeden male tot Haggai, op den vierentwintigsten der maand, zeggende: 22 Spreek tot Zerubbabel den Vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen; 23 en ik zal den troon der koninkrijken oiukeeren, en verdelgen de vastigheid der koninkrijken der heidenen; en ik zal den wagen omkeeren en die daarop rijden, en de paarden ec die daarop rijden zullen neder-storten, een iegelijk in des anderen zwaard. 24 Te dien dage, spreekt do Heere der heirscharen, zal ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon vanSealtiël, mijn knecht, spreekt de Heere, en ik zal u stellen als een zegelring; want u heb ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen. |
DE PEOEEEG
ZACHAK1A.
|
HOOFDSTUK 1. In de achtste maand in het tweede jaar van Darius geschiedde het Woord des Heeren tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den Profeet, zeggende: 2 De Heere is zeer vertoornd geweest tegen uwe vaders. 3 Daarom zeg tot ben: Al zóó zegt de Heere der heirscharen: Keert weder tot mij, spreekt de Heers der heirscharen, zoo zal ik weder tot ulieden ]veereu,zegt de Heere der heirscharen. 4 Weest niet al8 uwe vaders tot welke de vorige Profeten riepen, zeggende: Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Bekeert u toch van uwe booze wegen en uwe booze handelingen, maarzij hoorden niet en luisterden niet naar mij, spreekt de Heere. |
5 Uwe vaders, waar zijn die? en de Profeten, zullen zij in eeuwigheid leven? 6 Nochtans mijne woorden en mijne inzettingen die ik mijnen knechten den Profeten geboden had, hebben zij uwe vaders niet getroffen ? zoodat zij wederkee-rende zeiden^ Gelijk als de Heere der heirscharen gedacht heeft ons te doen naar onze wegen en naar onze handelingen, alzóó heeft iiij met ons gedaan. 7 Op den vierent win tigs ten dag in de elfde maand (die is de maand Sebat) in^ het tweedejaar van Darius geschiedde het Woord des Heeren tot Zacharia, den zoon van Berechja. den zoon van Iddo, den Profeet, zeggende: 8 Ik zag des nachts, en zie, een man rijdende op een rood paard, en hij stond tusschen de mirten |
|
ZAOHi die in de diepte waren; en achter hom waren roode, bruins en witte paarden. 9 En ik zeide: Mijn Heere, wat zijn deze? Toen zeide tot mij de Engel die met mij sprak: Ik zal n toonen wat deze zijn. 10 Toen antwoordde de man die tusschen de mirten stond, en zeide: Deze zijn het die de Heere uitgezonden heeft om hot land te doorwandelen. 11 En zij antwoordden den Engel des Heeren die tusschen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en zie, het gansche land zit en het is stil. 12 Toen antwoordde de Engel des Heeren en zeide: Heere der heirscharen, hoe lang zult gij u niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden vun Juda, op welke gij gram geweest zijt deze zeventig jaren. 13 En de Heere antwoordde den Engel, die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden. 14 En de Engel die met mij sprak zeido tot mij: Roep uit, zeggende: Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met eenen grooten ijver, 15 en ik ben met eenen zeer grooten toorn vertoornd tegen die geruste^ heidenen ; want ik was een weinig toornig, imutrzij hebben ten kwade geholpen. 16 Daarom zegt de Heere alzóó: Ik ben.tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen ^ mijn Huis zul daarin gebouwd worden, spreekt de Heere dor heirscharen, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. 17 Roep nog, zeggende: Alzóó zegt de Heere dor heirscharen: Mijne steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede, want de Heere zal Sion nog troosten en hij zal Jeruzalem nog verkiezen. 18 En ik hief mijne oogen op en zag, en zie, daur waren vier hoornen. |
RIA 2. 1041 19 En ik zeide tot den Engel die met mij sprak: Wat zijn deze: En hij zeide tot mij: Dit zijn die hoornen welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben. 20 En de Heere toonde mij vier smeden. 21 Toen zeide ik: Wat komen die maken? En hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen die Juda verstrooid hebben, zoodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zi.in gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land Juda om dat te verstrooien. HOOFDSTUK 2. Wederom hief ik mijne oogen op en ik zag, en zie, daar was een man, en in zijne hand was een meetsnoer. 2 En ik zeide: Waar gaat gjj henon ? En hij zeide tot mij: Om Jeruzalem te meten, om te zien hoe groot hare breedte, en hoo groot hare lengte wezen zal. 3 En zie, de En.rel die met mij sprak ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet, 4 en hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgo-wijze bewoond worden, vanwege de veelheid der menschen on der beesten die in haar midden wezen zal; 5 en ik zal haar wezen, spreekt de Heere, een vurige muur rondom, en ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. G Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de Heere; want ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de Heere. 7 Hui, Sion! ontkom, gij die woont bij de dochter Babels. 8 Want zóó zegt de Heere dor heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, hoeft hij mij gezonden tot de heidenen die u-lieden beroofd hebben; want die |
ZACHARIA 3, 4.
1042
|
ulieden aanraakt, die raakt zijnen oogappel aan. 9 Want zie, ik zal mijne hand over hen bewegen, en zij zullen hunnen knechten een roof wezen: alzoo zult gijlieden weten dat de Heere der heirscharen mij gezonden heeft. 10 Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie, ik kom, en ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Heere; 11 en vele heidenen zullen te dien dage den Heere toegevoegd worden, en zij zullen tot mij een volk wezen, en ik zal in het luidden van u wonen; en gij zult weten dat de Heere der heir-echaren mij tot u gezonden heeft. 12 Dan zal de Heere Juda erven voor zijn deel in het heilige land, en hij zal Jeruzalem nog verkiezen. 13 Zwijg, alle vleesch, voor het aangezicht des Heeren, want hij iy ontwaakt uit zijne heilige woning. HOOFDSTUK 3. Daarna toonde hij mij Jozua den Hoogeprieeter, staande voor het aangezicht van den Engel des Heeren, en de satan stond aan zijne rechterhand om hem te wederstaan. 2 Doch de Heere zeide tot den satan: De Heere schelde u gij satan, ja, de Heere schelde u, die^ Jeruzalem verkiest: is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? 3 Jozua nu was bekleed met vuile kleederen als hij voor het aangezicht des Engels stond. 4 Toen antwoordde hij en sprak tot degenen die voor zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile kleederen van hem weg. Daarna sprak hij tot hem: Zie, ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen, en ik zal u wisselkleederen aandoen. 5 Dies zeg ik: Laat ze eenen reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetteden dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem kleederen aan; en'de Engel des Heeren stond daarbij. |
6 Toen betuigde de Engel des Heeren Jozua, zeggende: 7 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Indien gij in mij^ne wegen zult wandelen en indien gij mijne wacht zult waarnemen, zoo zult gij óók mijn Huis richten en óók mijne voorhoven bewaren, en ik zal u wandelingen geven onder deze die hier staan. 8 Hoe nu toe, Jozua, gij Hoo-gepriester, gij en uwe vrienden die voor uw aangezicht zitten, want zij ziin een wonderteeken; want zie, ik zal mijnen knecht, de Spruite, doen komen. 9 Want zie; aangaande dien steen welken ik gelegd heb voor het aangezicht van Jozua, op dien éénen steen zullen zeven oogen wezen; zie, ik zal zijn graveersel graveeren, spreekt de Heere der heirscharen, en ik zal de ongerechtigheid dezes lands op éénen dag wegnemen, 10 Te dien dage, spreekt de Heere der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijnen naaste noodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom. HOOFDSTUK 4. En de Engel die met ra ij sprak kwam weder en hij wekte mij op gelijk een man die van zijnen slaap opgewekt wordt; 2 en hij zeide tot mij: Wat ziet gij ? En ik zeide: Ik zie, en zie, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijne zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren: 3 en twee olijfboomen daarnevens, één ter rechterzijde van het oliekruikje en één aan des-zelfs linkerzijde. 4 En ik ai.twoordde en zeide tot den Engel die met mij sprak, zeggende: Miin Heere, wat zijn deze dingen? 5 Toen antwoordde de Engel die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gii niet wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere. 6 Toen antwoordde hij en sprak |
ZACHAKIA 5, 6.
1043
|
tot mij, zeggende: Dit is het Woord des Heeren totZerubba-bel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heeke der heirscharen. 7 Wie zijt gij, o groote berg? Voor het aangezicht Zerubbabels zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen, met toeroepingen: Genade, genade zij denzelve. 8 Het Woord des Heeren geschiedde verder tot mij, zeggende: 9 De handen Zerubbabels hebben dit Huis gegrondvest, zijne handen zullen het ook voleindigen, opdat gij weet dat de Heere der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft. 10 Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zul.'en, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand Zerubbabels; dat zijn de oogen des Heeren, die het gansche land doortrekken. 11 Voorts antwoordde ik en zeide tot hem : Wat zijn die twee olijfboomen ter rechterzijde des kandelaars en aan zijne linkerzijde? 12 Eu andermaal antwoordende, zoo zeide ik tot hem: Wat zijn die twee takjes der olijfboomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zicli gieten? 13 En hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere. 14 Toen zeide hij : Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der gansche aarde staan. HOOFDSTUK 5. En ik hief mijne oogen weder op en ik zag, en zie, eene vliegende rol. 2 En hij zeide tot mij : Wat ziet gij ? En ik zeide: Ik zie eene vliegende rol, welker lengte is v»a twintig ellen en hare bretdte van tien ellen. |
6 Toen zeide hij tot mij : Dit is de vloek die uitgaan zal over het gansche land; want een iegelijk die steelt zal van hier volgens dien vloek uitgeroeid worden, desgelijks een iegelijk die valschelijfc zweert zal van hier volgens dien vloek uitgeroeid worden. 4 Ik breng dezen vloek voort, spreekt de Heere der heirscharen, dat hij kome in het huis des diefs en in het huis desgenen die bij mijnen naam val-schelijk zweert, en hij zal in het midden zijns huizes overnachten, en hij zal het verteren met zijne houten en zijne steenen. 5 En de Engel die met mij sprak ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uwe oogen op en zie, wat dit zij dat er voortkomt. 6 En ik zeide: Wat is dat? Eu hij zeide: Dit is een efa die voortkomt. Voorts zeide hij: Dit is het oog over hen in het gansche land. 7 En zie, eene plaat van lood werd opgeheven, en daar was eene vrouw, zittende in het midden der efa. 8 En het zeide: Deze is de goddeloosheid; en hij wierp ze in het midden van de efa, en hij wierp het looden gewicht op den mond derzeive. 9 En ik hief mijne oogen op en ik zag, en zie, twee vrouwen kwamen voort, en wind was in hare vleugelen, en zij hadden vleugelen als de vleugelen eens ooievaars, en zij voerden de efa tusschen de aarde en tusschen den hemel. 10 Toen zeide ik tot den Engel die met mij sprak: Waarhenen brengen zij deze efa? 11 En hij zeide tot mij: Om haar een huis te bouwen m het land Sinear, dat zij daar gevestigd en gesteld worde op hare grondveste. HOOFDSTUK 6. En ik hief mijne oogen weder op en ik zag, en zie, vier wagens gingen er uit van tusschen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper, |
ZACHAIIIA 7.
1041
|
2 aan den eerbton wageu waren roode paarden, en aan den tweedon wagen waren zwarte paarden, 3 on aan den derden wagen witte paarden, en aan den vierden wagen hagel vlekkige paarden die sterk waren. 4 En ik antwoordde en zeide tot den Engel die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere? 6 En de Engel antwoordde en zeide tot mij : Deze zijn de vier winden des hemels, uitgaande van waar zij stonden voor den Heere der gansche aardo. 6 Aan welken wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar liet Noorderland; en de witte gaan uit, dezelve achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland. 7 En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan om het land te doorwandelen; want hij had gezegd: Gaat henen, doorwandelt het land. Eu zij doorwandelden het land. 8 En hij riep mij en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze die uitgegaan zijn naar het Noorder-land, hebben mijnen Geest doen rusten in het Noorderland. 9 En des Heeuen Woord geschiedde tot mij, zeggende: 10 Neem van de gevankelijk weggevoerden, van Heldai, van Tobia en van Jedaja, en kom gij^ te dien dage, en ga in ten huize van Josia den zoon van Zefanja, dewelke uit Babel gekomen zijn; 11 te weten, neem zilver en goud en maak kronen, en zet ze op het hoofd van .Tozua den zoon van Jozadak, den Hooge-priester; 12^ en spreek tot hem, zeggende: Alzóó spreekt de Heers der heiracharen, zeggende: Zie, een man wiens naam is Spruite, die zal uit zijne plaatse spruiten, en hij zal des Heeren Tempel bouwen; 13 ja, hij zal den Tempel des Heeren bouwen, en hij zal het sieraad dragen, en hij zal zitten en heerschen op zijnen troon, en hij zal Priester zijn op zijnen troon, en de raad des vredes zal tusschen die beiden wezen. |
14 En die kronen zullen wezen voor Helein, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor Hen deu zoon van Zefanja, tot eene gedachtenis in den Tempel des Heeren. 15 En die verre zijn zullen komen, en zullen bouwen aan den Tempel des Heeren, en gijlieden zult weten dat de Heere der heirscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij vlijtiglijk zulthooren naar de stemme des Heeren uws Gods. HOOFDSTUK 7. Het gebeurde nu in het vierde jaar van den Koning Darius, dat het Woord des Heeren geschiedde tot Zacharia, op den vierde der negende maand, na-melijk in Kisleu; 2 toen men naar het Huis Gods gezonden had Sarézer en Regem-Mélech en zijne mannen, om het aangezicht des Heeren te smeeken, 3 zeggende tot de Priesters die in^ het Huis des Heeren der heirscharen waren, en tot de Profeten, zeggende: Moet ik weenen in de vijfde maand, mij afzonderende, gelijk als ik gedaan heb nu zoovele jaren ? 4 Toen geschiedde het Woord van den Heere der heirscharen tot mij, zeggende: 5 Spreek toi; het gansche volk dezes lands en tot de Priesters, zeggende: Toen gij vasttet en rouwklaagdet in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, ^ hebt gijlieden mij, mij eenigszins gevast? 6 Of als gij aat en als gij dronkt, waart gij het niet die daar aat en gij die daar dronkt? 7 Zijn het niet de woorden welke de Heere uitriep door den dienst der vorige Profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en hare steden rondom haar, en het Zuiden en de laagte bewoond was? 8 Voorts geschiedde het Woord |
ZACXIAKiA ft.
in 15
|
vlos ITeeken tot Zacliaria, zeggende; 9 Alzóó sprak de Hf.eue der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden de één aan den ander; 10 en verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw harte de een des anderen kwaad. 11 Maar zij weigerden op te merken, en togen hunnen schouder terug, en zij verzwaarden hunne ooren opdat zij niet hoorden; 12 en zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden die de IIeere der heirscharen zond in zijnen Geest, door den dienst der Profeten: waaruit on t-Ftaau is een groote toorn van den Heere der heirscharen. Daarom is het geschied, gelijk als hij geroepen had,doch zij niet gehoord hebben, alzóó riepen zij ook, maar ik hoorde niet, zegt do IIeere der heirscharen ; 14 ina.ir ik heb ze woggestormfl onder alle heidenen welke zij niet kenden, en het land werd achter hen verwoest, zoodat er niemand doorging noch wederkeerde ; want zij stelden het ge-wcnpchte land tot eene verwoesting. HOOFDSTUK 8. Daarna geschiedde het Woord des Heeren der heirscharen tot mij, zeggende: 2 Alzóó zegt de ITeere der heirscharen: Ik heb geijverd over Sion met eenen grooten ijver, ja, met groote grimmigheid hob ik over haar geijverd. 3 Alzóó zegt de II eere : Ik ben wedergekeerd tot Sion, en ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal gehee-ten worden eene stad der waarheid, en de berg des HnERENder heirscharen een berg der heiligheid. |
4 Alzóó zegt de IIeere der heirscharen: Daar zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem, en ieder zal zijnen stok in zijne hand hebben, vanwege de veelheid der dagrm: 5 en de straten dier stad zullen vervuld worden met jongens en meisjes spelende op hare straten. 6 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Omdat het wonderlijk is iu de oogen van het overblijfsel dezes volks in deze da^en, zoude het daarom ook in mijne oogen wonderlijk zijn? spreekt de Heere der heirscharen. 7 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, ik zal mijn volk verlossen uit het land van den opgang en uit het land van den ondergang der zon, 8 en ik zal ze herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen mij tot een volk zijn en ik zal hun tot eenen God zijn, in waarheid en in gerechtigheid. 9 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Laat uwe handen sterk zijn, gijlieden die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der Profeten, die geweest zijt ten dage als de grond van het Huis des Heeren der heirscharen gelegd is, dat de Tempel gebouwd zoude worden. 10 Want vóór die dagen kwam des menschen loon te niet, en het loon van het vee was geen, en de uitgaande en de inkomende hadden geeneu vrede vanwege den vijand, want ik zond alle menschen een iegelijk tegen zijnen naaste 11 maar nu zal ik aan liet overblijfsel dezes volks niet wezen gelijk in de vorige dagen, spreekt de Heere der heirscharen ; 12 want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijne vrucht geven, en de aarde zal hare opbrengst geven, en de hemelen zullen hunnen dauw geven, en ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven, |
Z ACH ARIA 9.
1046
|
13 en het zal geacliieden, gelijk als gij, o huis van Juda en gij, o huis Israels, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzóó zal ik ulieden behoeden en gij zult eene zegening wezen: vreest niet, laat uwe handen sterk zijn. 14 Want alzóó zegt de Heere der heirscliaren: Gelijk als ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen mij uwe vaders groo-telijks vertoornden, zegt de Heere der heiracharen, en het heeft mij niet berouwd: 15 alzóó denk ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda: vreest niet. 16 Dit zijn de dingen die gij doen zult: spreekt de waarheid een iegelijk met zijnen naaste, oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uwe poorten: 17 en denkt niet de een des anderen kwaad in uw hart, en hebt een valschen eed niet lief; want allo deze zijn dingen die ik haat, spreekt de Heere. 18 Wederom geschiedde het Woord des Heeren der heirscha-ren tot mij,zeggende: 19 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Het vasten der vierde en het vasten der vijfde en het vasten der zevende en het vasten der tiende maand zal den huize Juda tot vreugde en tot blijdschap en tot vroolijkehoogtij den wezen ; hebt dan de waarheid en den vrede lief. 20 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Nog zal het geschieden dat de volken en de inwoners van alle steden komen zul-lenj 21 en de inwoners der ééne stad zullen gaan tot fa inwoner» der andere, zeggende: Laat ons vlijtig henengaan om te smee-ken het aangezicht des Heeren en om den Heere der heirscharen te zoeken; ik zal óók henengaan. 22 Alzoo zullen vele volken en machtige heidenen komen, om den Heere der heirscharen to Jeruzalem te zoeken en om het aangezicht des Heeren te smeeken. |
23 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen vaneen Joodschen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is. HOOFDSTUK 9. De last van het Woord des Heeren over het land Hadrach en Damascus, deszeifs ruste ; want de Heere heeft een oog over don mensch, gelijk over alle de stammen Israels; 2 en ook zal hij Hamath met hetzelve bepalen, Tyrus en Si-don, hoewel zij zeer wijs is, 3 en Tyrus zich sterkten gebouwd heeft en zilver verzameld heeft als stof, en lijn goud als slijk der straten : 4 Zie, de Heere zal haar uit het bezit stooten, en hij zal hare vesting in de zee verslaan, en zij zal met vuur verteerd worden. 5 Askelon zal het zien en zal vreezen, desgelijks Gaza en zal groote smarte hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen waar zij op zagen haar heeft te schande gemaakt; en de Koning uit Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden, 6 en de bastaard zal te Asdod wonen, en ik zalfden hoogmoed der Filistijnen uitroeien; 7 en ik zal zijn bloed uit zijnen mond wegdoen, en zijne verfoeiselen van tusschen zijne tanden : alzoo zal hij óók onzen God overblijven, ja, hij zal zijn als een Vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet. 8 En ik zal mij rondom mijn huis legeren vanwege het heir-leger, vanwege den doorgaande en vanwege den wederkeerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga, want nu heb ik het met mijne oogen aangezien, 9 Verheug u zeer. gij dochter Slons, juich gij docnter Jeruza- |
ZACHAR1A 10.
1047
|
leins: zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en hy is een Heiland; arm, en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen. 10 En ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien en de paarden uit Jeruzalem, ook zal destrijd-boog uitgeroeid worden, en hij zal den heidenen vrede spreken; en zijne heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. 11 U ook aangaande, o Sion, door^ het bloed uws verbonds heb ik uwe gebondenen uit den kuil, waar geen water in is, uitgelaten. 12 Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen die daor hoo^t: ook heden verkondig ik, dat ik u dubbel zal wedergeven ; 13 als ik mij Juda zal genpan-nen en ik Efraïm den boo,? zal gevuld hebben, en ik uwe kinderen, o Sion, zal verwekt hebben tegen uwe kinderen, o Griekenland, en u gesteld zal hebben als het zwaard eens helds. 14 En de Heere zal over hen verschijnen; en zijne pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere Heere zal met de bazuin blazen, en hij zal voort-treden met stormen uit het Zuiden. 15 De Heere der heirscharen zal ze beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingersteenen zullen ten onder gebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruisch maken als do wijn, en zij zullen vervuld worden gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars; 16 en de Heere hun God zal ze te dien dage behouden, als zijnde de kudde zijns volks; want gekroonde steenen zullen in zijn land als eene banier opgericht worden. 17 Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijne schoonheid wezen 1 Het koren zal de jongelingen en de most zal de jonkvrouwen sprekende maken. |
HOOFDSTUK 10. Begeert van den Heere regen ten tijde des spaden regens; de Heere maakt de weerlichten; en hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld. 2 Want de terafim spreken ij delheid, en de waarzeggers zien valschheid, en zij spreken ij dele droomen, zij troosten met ij delheid: daarom zijn zij henengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden, want daar was geen herder. 3 Tegen de herders was mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb ik bezoeking^ gedaan; maar de Heere der heirscharen zal zijne kudde bezoeken, het huis van Juda, en hij zal ze stellen gelijk het paard zijner majesteit in den strijd; 4 van hetzelve zal de hoeksteen, van hetzelve zal de nagel, van hetzelve zal de strijdboog, te zamen zullen van hetzelve alle drijvers voortkomen; 5 en zij^ zullen âzijn als de helden die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen, en zij zullen die beschamen die op paarden rijden. 6 En ik zal het huis van Juda veraterken en het huis Jozefs zal ik behouden, en ik zal zo weder inzetten; want ik heb mij hunner ontfermd, en zij zullen wezen alsof ik ze niet verstooteu had; want ik ben de Heere hun God en ik zal ze verhoeren. 7 En zij zullen zijn als een held Efraïms, en hun hart zal zich verblijden als van den wijn; en hunne kinderen zullen het zien en zich verblij den, hun harte zal zich verheugen in den Heere. 8 Ik zal ze toesissen en zal ze vergaderen; want ik zal ze verlossen, en zü zullen vermenigvuldigd worden, gelijk zij te voren vermenigvuldigd waren. 9 En ik zal ze onder de volken zaaien, en zij zullen mijner gedenken In verre plaatsen, en |
7i A C TT A TT T A 11.
1048
|
zij zullen leven met hnnne kinderen en wederkeeren. 10 Want ik zal ze -wederbren-gen uit Egypteland en ik zal ze vergaderen uit Asayrië, en ik zal ze in het land van Cilead en Libanon brengen, mnar het zal bnn niet genoeg wezen. 11 En hij zal door de zee gaan die benauwende, en hij zal de golven in de zee plaan, en alle de diepten der rivier zullen verdrogen : dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de flchepter van Egypte zal wegwijken. 12 En ik zal ze eterken in den ITeere, en in zijnen naam zullen zij wandelen, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 11. Doe uwe deuren open, o Libanon, opdat het vuur uwe cederen vertere. 2 Huilt gij dennen, dewijl de cederen gevallen zijn, dewijl die heerlijke boomen verwoest zijn; huilt gij eiken lïasans, dewijl het sterke wond nedergevallen is. 3 Daar is eeue stem des ge-jammers der herders, dewijl hunne heerlijkheid verwoest is; eene stem des gebruis der jonge leeuwen, dewijl de hoogmoed des Jordaans verwoest is. 4 Alzoó zegt de Heere mijn God: Weid deze slachtschapen, 5 welker bezitters ze dooden, houden het voor geen schuld, en ieder dergenen die ze ver-koopen, zegt: Geloofd zij de Heere dat ik rijk geworden ben, in niemand van degenen die ze weiden vererhoont ze. fi Zekerlijk, ik zal niet meer de inwoners dezes lands ver-echoonen, spreekt de IIf.ere; maar zie, ik zal de menschen overlereren, elkeen in de hand zijns naasten en in de hand zijns Konings, en zij zullen dit land te morzel slaan, en ik zal zenit hunne hand niet verlossen. 7 Dies heb ik deze slacht-pchapen geweid, dewijl zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij fenomen twee stokken, den éénenenomen twee stokken, den éénen |
eb ik genoemd Lièfelijkheid, en den anderen heb ik genoemd Samenbinders ; en ik heb die schapen geweid. 8 En ik heb drie herders in ééne maand afgesneden, want mijne ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hunne ziel een walg van mij. 9 En ik zeide: Ik zal ulieden niet vieer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de één des anderen vleesch verslinden. 10 En ik nam mijnen stok Liefelijkheid en ik verbrak denzei ven, te niet doende mijn verbond hetwelk ik met alle deze volkeren gemaakt had: 11 dus werd het te dien dage vernietigd, en al zóó hebben de ellendigen onder de schapen die op mij wachtten bekend dat het des Heeren woord was. 12 Want ik had tot hen gezegd : Indien het goed is in uwe oogen, brengt aflijn loon, en zoo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen. 13 Doch de Heere zeide tot mij: Werp ze henen voor den pottenbakker; een heerlijke prijs dien ik waard geacht ben geweest van hen I En ik nam die dertig zilverlingen en wierp ze in het Huis des Heeren, voor den pottenbakker. 14 Toer. verbrak ik mijnen tweeden stok Samenbinders, te niet doende de broederschap tusschen Juda en tusschcn Israël. 15 Voorts zeide de Heere tot mij : Neem u nog eens dwazen herders gereedschap. 16 Want zie, ik zal een herder verwekken in dit land: wat gereed is om afge?neden te worden zal hij nieïquot;. bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het ver-brokene zal hij niet heelen, en het stilstaande zal hij niet dragen ; maar het (vleesch van het vette zal hij eten, en derzelver klauwen zal hij verscheuren. 17 Wee den nietigen herder, den veriater der kudde: het zwaard zal over zijnen arm zijn |
Z A OH A UIA 12, 13.
1049
|
en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten eencnmale verdorren, en zijn rechteroog zalteneenen-malo donker worden. HOOFDSTUK 12. De last van het Woord des Hekken over Israël. De Heere spreekt, die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest, en des menschen geest in zijn binnenste formeert. 2 Zie, ik zal Jeruzalem stellen tot eene drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom, ja, ook zal ze zijn over Juda in de belegering tegen Jeruzalem. 8 En het zal te dien dage geschieden dat ik Jeruzalem stellen zal tot eenen lastigen steen allen volken: allen die zich daarmede beladen, zullen gewis doorsneden worden; en alle de volkeren der aarde zullen zich tegen haar verzamelen. 4 Te dien dage, spreekt do H eeke, zal ik alle paarden met schuwheid slaan en hunne ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal ik mijne oogen openen, en alle paarden der volkeren zal ik met blindheid slaan. 6 Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij eene sterkte zijn in den Heere der heirscharen, hunnen God. 6 Te dien dage zal ik de leidslieden van Juda stellen als eenen vurigen haard onder het hout en als eene vurige lakkei onder de schoven, en zij zullen ter rechter- en ter linkerzijde allo volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in hare plaats te Jeruzalem. 7 En de Heere zal de tenten van Juda allereerst behouden, opdat de heerlijkheid van liet huis Davids en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem zich niet verheffe tegen Juda. 8 Te dien dage zal de Heere de inwoners van Jeruzalem beschutten, en wie on «Ier hen struikelen zoude zal te dien dage zijn als Davfd, en het huis Davids zal zijn als goden, als de Engel des Heerin voor hun aangezicht. |
9 En het zal te dien dage geschieden, dat ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen die tegen Jeruzalem aankomen. 10 Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden, en zij zullen mij aanschouwen dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over hem rouwklagen als met de rouwklage over een eeni-gen zoon, en zij zullen over hem bitterlijk kermen gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. 11 Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk de rouwklage van Hadad-Ãimmon in het dal van Me-giddon; VJ. en het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder: het geslacht van het huis Davids bij-i zonder en hunne vrouwen bij-! zonder, en het geslacht van hét huis Nathans bijzonder en hunne j vrouwen bijzonder, 13 het geslacht van het huis | van Levi bijzonder en hunne | vrouwen bijzonder, het geslacht j van Simeï bijzonder en hunne i vrouwen bijzonder; M alle de overige geslachten, j elk geslacht bijzonder en hunne 1 vrouwen bijzonder. HOOFDSTUK 13. Te dien dage zal er eene fon-i tein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en en tegen de onreinigheid, 2 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere der heirscharen, dat ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat ze niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de Profeten en den onrein en geest zal ik uit het land wegdoen. 3 En het zal geschieden, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijne moeder, di« |
ZACUAllIA 14.
lOOU
|
Lem gegenereerd hebben, tot Lem zullen zeggen: Gij zult niet leven, dewijl gij valschheid gesproken hebt in den naam des Heeren ; en zijn vader en zijne moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken wanneer hij profeteert. 4 En het zal geschieden te dien dage, dat die Profeten beschaamd zullen worden, een iegelijk vanwege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geenen haren mantel aandoen om te liegen; 5 maar hij zal zeggen: Ik ben geen Profeet, ik ben een man die het land bouwt; want een mensch heeft mij daartoe geworven van mijne jeugd af. 6 En zoo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uwe handen? Zoo zal hij zeggen : Het zijn de wonden waarmede ik geslagen ben in het huis mijner liefhebbers. 7 Zwaard, ontwaak tegen mijnen herder en tegen den man die mijn metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla dien herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar ik zal mijne hand tot de kleinen wenden. 8 En het zal geschieden in het gansche land, spreekt de Heere, twee deelen daarin zullen uitgeroeid worden en den geest geven, maar het derde deel zal daarin overblijven; 9 en ik zal dat derde deel in het vuur brengeu, en ik zal het louteren gelijk men zilver loutert, en ik zal het beproeven gelijk men goud beproeft; het zal mijnen naam aanroepen en ik zal liet verhooren; ik zal zeggen: Het is mijn volk, en het volk, en het zal zeggen: De Heere is mijn God. HOOFDSTUK 14. Zie, de dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem; |
2 want ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde ver-Eamelen, en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden, en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. 3 En de Heere zal uittrekken, en hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als hij gestreden heeft, ten dage des strijds; 4 en zijne voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg die vóór Jeruzalem ligt, tegen het Oosten; en do Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het Oosten en naar het Westen, zoodat er eene zeer groote vallei zal zijn; en de céne helft des bergs zal wijken naar het Noorden, en de andere helft naar liet Zuiden. 5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei mijner bergen, (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia den Koning van Juda; dan zal de Heere mijn God komen, en alle de heiligen met u, o Heere. G En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht en de dikke duisternis ; 7 maar het zal een éénige dag zijn, die den Heere bekend zal zijn; het zal noch dag noch nacht zijn; en het zal geschieden ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. 8 Ook zal het te dien dage geschieden dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oost-zee toe; zij zullen des zomers en des winters zijn. 9 En de Heere zal tot Koning over de gansche aarde zijn; te dien dage zal de Heere één 1 zijn; en zijn naam één. ! 10 Dit gansche land zal rond-! om als een vlak veld gemaakt i worden, van Gibea, tot Kimmen | toe, zuidwaarts van Jeruzalem; I en zij zal verhoogd en bewoond |
MALEACIII 1.
lim
|
worden in hure plaata, van de poort Benjamins af tot aan de plaats van de eerete poort, tot aan de hoekpoort toe, en van den toren Hananeël tot aan des Koninge wijnbakken toe; 11 en zij zullen daarin wonen en daar zal geen verbanning meer zijn, want Jeruzalem zal zéker wonen. 12 En dat zal de plag3 zijn waarmede de Heeke alle de volken plagen zal die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Lij zal eens iegelijks vleeach, daar hij op zijne voeten staat, doen uitteren, en eens iegelijks oogen zullen uitteren in hunne holten, en eens iegelijks tong zal in hunnen mond uitteren. 13 Ook zal het te dien dage geschieden dat er een groot ge-druisch van den Hef,re onder hen zal wezen, zoodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, en eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan. 14 En ook zal Juda te Jeruzalem strijden ; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver en kleederen in groote menigte. 15 Alzoo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der ke-melen en der ezels en aller beesten zijn, die in die heirle-gers geweest zijn zullen, gelijk geuer plage geweest is. |
1G En het zal geschieden dat alle de overgeblevenen van alle heidenen die togen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den Heere der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten; 17 en het zal geschieden, zoo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem om den Koning, den Heere der heirscharen te aanbidden, zoo zal er over henlieden geen regen wezen; 18 en indien het geslacht der Egyptenaren. over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zoo zal die plage ovet hen^ zijn, met welke de Heere die heidenen plagen zal die niet optrekken zullen om te vieren het feest der loofhutten ; 19 dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller heidenen die niet optrekken zullen om het feest der loofhutten te vieren. 20 Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: de heiligheid des Heeren. En de potten in het Huis des Heeren zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar; 21 ja, alle de potten in Jeruzalem en in J uda zullen den Heere der heirscharen heilig zijn; zoodat allen die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen en in dezelve koken; en daar zal geen Kanaaniet meer zijn in het Huis des Heeren der heirscharen te dien dage. |
DE PROFEET MALEACIII.
|
HOOFDSTUK 1. Do last van het Woord des Heeren tot Israël door den dienst van Maleachi. 2 Ik heb ulieden liefgehad, zegt de Heere; maar gij zegt: quot;NVaariu hebt gij ons liefgehad? |
Was niet Esau Jakobs broeder? spreekt de Heere: nochtans heb ik Jakob liefgehad, 3 en Esau heb ik gehaat, en ik heb zijne bergen gesteld tot eene verwoesting en zijn erf voor de draken der woestijn. 4 Ofschoon Edom zeide: wy |
MALEAOH1 2.
1062
|
zijn verarmd, doch wii zullen de woeste plaatsen weder bouwen: alzóó zegt de Heere der lieirscharen: Zullen zij bouwen, zoo zal ik afbreken; en men zal ze noemen landpale der goddeloosheid, en een volk op hetwelk de Heere vergramd is tot in eeuwigheid. 5 En uwe oogen zullen het zien, en gijlieden zult zeggen: Do Heere zij groot gemaakt van de landpale Israël a af. 6 Een zoon zal den vader eeren en een knecht zijnen lieer, ben ik dan een vader, waar is mijne eer? en ben ik een lieer, waar ia mijne vreeze? zegt de Heere der lieirscharen tot u, o Priesters, verachters mijns naams; maar gij zegt: Waarmede verachten wij uwen naam? 7 Gij brengt op mijn al taai-verontreinigd brood, en zegt; Waarmede verontreinigen wij u? Daarmede dat gij zegt: Des Heeren tafel is verachtelijk. 8 Want als gij wat blinds aanbrengt om te olleren, het is hij u niet kwaad; en als gij wat kreupels of kranks aanbrengt, het ia niet kwaad. Breng dat toch uwen Vorst: zal hij een welgevallen aan u hebben of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt de Heere dor heira-â¢haren. 9 Nu dan, smeekt toch het aangezicht Gods dat hij ous ge-nadig zij: zulks is van uwe hand geschied: zal hij uw aangezicht opnemen? zegt de Heere der heirschareri. 1U Wie ia er ook onder u die de deuren om niet toesluit? En gij steekt het vuur niet aan op mijn altaar om niet. Ik heb geenen luat aan u, zegt de Heere der lieirscharen, en het spijsoffer is mij van uwe hand niet aangenaam; 11 maar van den opgang der zon tot haren ondergang zal nilt;jn naam groot zijn onder de heidenen, en aan alle plaats zal mijnen naam reukwerk toegebracht worden en een rein BpijöOÃer; want mijn naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de Heere der heirscha- |
12 maar gij ontheiligt dien ale ^ij zegt: Des Heeren tafel is nj Dlt; ontreinigd, en haar inkomen, hare spijze, is verachtelijk. 13 Nog zegt gij : Zie, wat eene vermoeidheid I maar gij zoudt het kunnen wegblazen, zegt de Heere der lieirscharen; gij brengt ook hetgeen dat geroofd is en dat kreupel en krank is; gij brengt ook spijsoffer: zoude mij zulks aangenaam zijn van uwe hand ? zegt de Heere. 14 Ja, vervloekt zij de bedrieger (lie een mannetje in zijne kudde heeft, en den Heere belooft en oifort wat verdorven is; want ik ben een groot Kuning, zegt de Heere der lieirscharen, en mijn naam is vreeseiijk onder de heidenen. HOOFDSTUK 2. En nu gij Priesters, tot u wordt dit gebod yezowten ; 2 indien gij het niet zult hoo-ren en indien gij liet niet zult ter harte nemen, om mijnen naam eere te geven, zegt de Heere der lieirscharen, zoo zal ik den vloek onder u zenden en ik zal uwe zegeningen vervloeken ; ja, ik heb ook alreede elkeen derzeive vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt._ 'd Zie, ik zal u het zaad verderven; en ik zal drek op uwe aangezichten strooien, den drek uwer leesten, zoodat men u met denzei ve wegnemen zal. 4 Dan zult gij weten dat ik dit gebod tot u gezonden heb, opdat mijn verbond met Levi zij, zegt de Heere der heirscha-ren. 5 Mijn verbond met hem was het leven en de vrede, en ik gaf hem die tot eene vreeze; en hij vreesde mij, en hij werd om mijns naams wille verschrikt. à De wet der waarheid was in zijnen mond, en daar werd geen onrecht in zijne lippen gevonden ; hij wandelde met mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bek rechtig 7 s\ ters z waren, mond is eer heirscl 8 IV afgewe doen hebt 1 dorvei schart 9 I aclite voor gij 1 maar in de lü : vadei gesel wij tegei het â 11 |
|
hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. 7 Want de lippen des Priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijnen mond de wet zoeken; want hij | is een Engel des Heeren der heirscharen. 8 Maar gij zijt van don weg afgeweken^ gij hebt er velen doen struikelen in de wet; gij hebt het verbond van Levi verdorven, zegt de He ere der heirscharen. 9 Daarom heb ik u ook verachtelijk en onwaardig gemaakt voor het gansche volk, dewijl gij mijne wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet. 10 Hebben wij niet allen één en vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom ham leien wij dan trouwelooslijk, de éen tegen den ander, ontheiligende liet verbond onzer vaderen? 11 Juda handelt trouwelooslijk, en daar wordt een gruwel gedaan in Israël en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid des Heeren, welk hij liefheeft; want hij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd. 12 De Heere zal den man die zulks doet uitroeien uit do hutten Jakobs, dien die waakt, en dien die antwoordt, en die den Heerk der heirscharen spijsoffer brengt. 13 Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des Heeren bedekt met tranen, met weening en met zuchting, zoodat hij niet meer het spijsoffer aan-echouwen noch mot welgevallen van uwe hand ontvangen wil. 14 Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de Heere een getuige gew iest is tusschen u en tusschen de huisvrouw uwer jeugd, met welke gij trouwelooslijk jiandelt, daar zij toch uwe gezellin en de huisvrouw uws verbonds is. 15 Heeft hij niet maar éénen gemaakt, hoewel hij des geestes overig had? En waarom maar dien éénen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom wacht u met uwen geest, en dat niemand sirsoha- lieu ale tafel is komen, k; at eeiie zoudt segt de brengt l^is en js; gij do mij n uwe |
1053 trouwelooslijk handde tegen »Te huisvrouw zijner jeugd. 16 Want de Heerk de God Israels zegt dat hij het verlaten haat, alhoewel hij den wrevel bedekt met zijn kleed, zegt de Heere der heirscharen: daarom wacht u met uwen geest dat gij niet trouwelooslijk handelt. 17 Gij vermoeit den Heere met uwe woorden: toch zegt gij: Waarmede vermoeien wij hem? Daarmede dat gij zegt: Al wie kwaad doet is goed in do oogen des Heeren, en hij heeft lust aan zoodanigen; of: Waar is do God des oordeels? HOOFDSTUK 3. Zie, ik zend mijnen Engel die voor mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijkzal tot zijnen Tempel komen die Heere dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan welken gij lust hebt; zie, hij komt, zegt de Heere der heirscharen. 2 Maar wie zal den dag zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan als hij verschijnt? Want hij zal zijn als het vuur eens goudsmids en als zeep der vollers; 3 en hij zal zitten, louterende en het zilver reinigende, en hij zal de kinderen van Levi reinigen en hij zal ze doorlouteren als goud en als zilver: dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in gereehtigheid. 4 Dan zal het spijsofier van Juda en Jeruzalem den Heere zoet wezen, als in de oude dagen en als in de vorige jaren; 6 en ik zal tot uliedcn ten oordeel naderen, en ik zal een snel getuige zijn tegen de toove-n.aars, en tegen de^ overspelers, en tegen degenen die valschelijk zweren, en tegen degenen die het loon des daglooners met geweld inhouden, die de weduwe en den wees en den vreemdeling het recht verkeeren, en mij niet vreezen, zegt de Heere der heirscharen. 6 Want ik, de Heere, word niet veranderd: daarom zijt gij, MALBAOHI 3. |
|
10f)4 M A I. E 1 o kinderen Jakobs, niet verteerd. 7 Van uwer vaderen dagen af zijt gij afgeweken van mijne inzettingen en hebt ze niet bewaard: keert weder tot mij, en ik zal tot u woderkeeren, zegt de Heere der heirscharen; maar gij zegt: quot;Waarin zullen wij wederkeeren ? 8 Zal een mensch God beroo-ven? Maar gij berooft mij, en zegt: Waarin berooven wij u? Jn de tienden en het hefoffer. 9 Met eenen vloek zijt gij vervloekt, omdat gij mij berooft, zelfs het gansche volk. 10 Brengt # alle de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in mijn Huis; en beproeft mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, of ik u dan niet openen zal de venateren des hemels, en u zegen afgieten, zoodat er geen schuren genoeg wezen zullen. 11 En ik zal om uwentwille den opeter schelden dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal ii geene misdracht voortbrengen, zegt de Heere der heirscharen. 12 En alle heidenen zullen u gel ukzalignoemen,want gij lieden zult een lustig land zijn, zegt de Heere der heirscharen. 13 Uwe woorden zijn tegen mij te sterk geworden, zegt de Heere ; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen u gesproken? 14 Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is hot dat wij zijne wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan voor het aangezicht des Heeren der heirscharen. 15 En nu, wij achten dehoog-moedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen worden gebouwd; ook verzoeken zij God en ontkomen. 16 Alsdan spreken die den Heere vreezen, een ieder tot zijnen naaste: De Heere merkt |
CHl 4. er toch op en hoort, en daar is een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven voor degenen die den Heere vreezen en voor degenen die aan zijn naam gedenken. 17 En zij zullen, zegt de Heere der heirscharen, te dien dage dien ik maken zal, mij een eigendom zijn, en ik zal ze ver-schoonen gelijk als een man zijnen zoon verschoont die hem dient. 18 Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den god-delooze, tusschen dien die God dient en dien die hem niet dient. HOOFDSTUK 4. Want zie, die dag komt, brandende als een oven: dan zullen allo hoogmoedigen en al wie goddeloosheid doet een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heere der heirscharen, die hnn noch wortel noch tak laten zal. 2 Ulieden daarentegen die mijnen naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder zijne vleugelen, en gij zult uitgaan en toenemen als mestkal-veren, 3 en gij zult de goddeloozen vertreden; want zij zullen asch worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage dien ik maken zal, zegt do Heere der heirscharen. 4 Gedenkt der wet van Mozea miinen knecht, die ik hem bevolen heb op Horeb aan gansch Israël; der inzettingen en rechten, 5 Zie, ik zend ulieden den Profeet Elia, eer dat die groote en die vreeselijke dag des Heeren komen zal; 6 en hij zal het harte der vaderen tot de kinderen wederbren-gen, en het harte der kinderen tot hunne vaders; opdat ik niet kome en de aarde met den ban ela. |
TESTAMENTS.
RINDE DES
aar ia i aanbenen voor m ge-
[eere
HET
NIEUWE TESTAMENT
REGISTER VAN DE BOEKEN
DES
NIEUWEN T E S T A M E N T S
Bladz.
Het Evangelie van Mattheüs.......... . 1â 43
Het Evangelie van Marcus............44â 71
Het Evangelie van Lucas............71â116
Het Evangelie van Johannes...........110â150
De Handelingen der Apostelen..........150â194
BRIEVEN VAN P AU LUS :
Aan de .Romeinen . ..................194â212
Eerste aan de Corinthiërs . ......... . 212â229
Tweede aan de Corinthiërs ..... ...........229â241
Aan de Galatiërs..............................241â247
Aan de Efeziërs..... 4 ......, . . . 247â253
Aan de Filippenzen............................253â257
Aan de Colossenzen............. . 257â261
Eerste aan de Thessalonicensen....................261â265
Tweede aan de Thessalonicenzen...... . . . 205â267
Eerste aan Timotheüs..............2Ã7â271
Tweede aan Timotheüs.................272â275
Aan Titus....................................275â277
Aan Filémon..................................277â278
Aan de Hebreërs................................278â291
ALGEMEENS BRIEVEN ;
Van Jacobus............... ⢠⢠292â296
Eerste van Petrus . ...........................296â301
Tweede van Petrus...............3U1â304
Eerste van Johannes............................304â309
Tweede van Johannes.............309
Derde van Johannes . . ............310
Van Judas..................310â312
De Openbaring van Johannes...........312â332
I
a^SHHHHnflHHftSKi
. ms
. :;
p â
-
.m .
, ⢠mmm â¢
HET NIEUWE TESTAMENT.
HET HEILIG EVANGELIE
NAAK DE nESCnUIJVING VAN
MA TT HEUS.
|
HOOFDSTUK 1. Hot boek des geslaclits van Jezus Christus, don zoon van David, den zoon van Abraham. 2 Abraham gewon Lsaak, en Isaiik gewon Jakob, en Jakob gewon Juda en zijne broeders; ?gt; en Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram; 4 en Aram gewon Aminadab, on Aminadab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon; 5 en Salmon gewon Böoz bij llachab, en Böoz gewon Obed bij Uuth, en Obed gewon Jesse; à en Jesse gewon David den Koning. En David de Koning gewon Salomo, bij degene die Uria's vrouw nas oeiceest; 7 en Salomo gewon Roboam, en Roboam gewon Abia, en x\bia gewon Asa; 8 en Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozjas; 9 en Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias; 10 en Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias; |
11 en Josias gewon Jechonias en zijne broe(iers, omtrent do Babylonische overvoering. 12 En na de Babylonisoheovervoering gewon Jechonias Sala-thiël, en Salathiël gewon Zoro-babel; 13 en Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon EljaWim, en Eljakim gewon Azor; 14 en Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud; 15 en Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthah, enMat-than gewon Jakob; 16 en Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jezus gezegd Christus. 17 Alle de geslachten dan van Abraham tot David ztfw veertien geslachten, en van David tot do Babylonische overvoering zijn veertien geslachten, en van do Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Cliris-tus was nu aldus: wantals Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zamen gekomen waren werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 19 Jozef nu, haaruian,alzoohij |
|
2 MATTI rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, -was van wille haar heimelijk te verlaten. 20 En alzoo hij deze dingen in den zin had, zie, de Engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, {jij zoon Davids, wees niet bevreesd Maria uwe vrouw tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat ia uit den Heiligen Geest: 21 en zij zal eenen zoon baren en gij zult zijnen naam heeten Jezus; want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden. 22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zonde worden hetgeen van den Heere gesproken is door den Profeet, zeggende: 23 Zie, de maagd zal zwanger worden en eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde. God met ons. 24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed gelijk de Engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijne vrouw tot zich genomen, 25 en bekende haar niet, totdat zij dezen haren eerstgeboren zoon gebaard had, en heette zijnen naam Jezus. HOOFDSTUK 2. Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, (lelrgen in Judéa, in de dagen van den Koning Hero-des, zie, e.enifle wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, 2 zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien zijne ster in 't Oosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden. 3 De Koning Herodes nu dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem; 4 en bijéénvergaderd hebbende alle de Overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, wnar de Christus zoude geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judéa gelegen; |
EÃS 2. want al zóó is geschreven door den Profeet: 6 En gij Bethlehem, gij land van Juda, zijt geenszins de minste onder de Yorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen die mijn volk Israël weiden zal. 7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd wanneer de ster verschenen was; 8 en hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist henen en onderzoekt naarstiglijk naar dat kindeken, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik óók kome en dat-zelve aanbidde. 9 En zij den Koning gehoord hebbende, zijn henengereisd ; en zie, de ster, die zij in 't Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats waar het. kindeken was. 10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde; 11 en in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kindeken met Maria zijne moeder, en ne-dervallende hebben zij hetzelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken, goud en wierook en mirre. 12 En door Goddelijke openbaring vermaand^ zijnde in den droom, dat zij niet zouden we-derkeeren tot Herodes, vertrokken zij door eenen anderen weg weder naar hun land. 13 Toen zij nu vertrokken waren, zie, de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het kindeken en zijne moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het kindeken zoeken, om hetzelve te dooden. 14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het kir deken en zijne moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte, 15 en was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zonde worden hetgeen van den Heere |
|
MATT] gesproken is door den Profeet zeggende: Uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen. 16 Als Herodes zag dat hij van de wijzen bedrogen was, toen wevd hij zeer toornig, en eenigen afgezonden hebbende, heeft hij omgebracht alle de kinderen die binnen Bethlehem en in alle des-zelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd dien hij van de wijzen naar-etiglijk onderzocht had. 37 Toen is vervuld geworden 't geen gesproken is door den Profeet Jeremia, zeggende: 18 Eene stemme is in Rama gehoord, gek lag, geween en veel gekerm; Kachel beweende hare kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat ze niet zijn. 1!) Toen Herodes nn gestorven was, zie, de Engel des Herren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte, 20 zeggende: Sta op, neem het kindeken en zijne moeder tot n, en trek in het land Israels; want zij zijn gestorven die de ziel des kindekens zochten. 21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het kindeken en zijne moeder, en is gekomen in 't land Israels. 22 Maar als hij hoorde, dat Archelaüs in Judéa Koning was, in de plaats van zijnen vader Herodes, vreesde hij daarhenen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de deelen van Galiléa. 23 En daar gekomen zijnde, nam hij zijne woonplaats in de stad genaamd Nazareth; opdat vervuld zonde worden wat door de Profeten gezegd is, dat. hij Na-zarener zal geheeten worden. HOOFDSTUK 3. En in die dagen kwam Johannes de Dooper, predikende in de woestijn van Judéa, 2 en zeggende: Bekeert u, want lipt Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. 3 Want «leze is 't van denwelken gesproken ia door Jesaja den |
EÃS 3. 3 Profeet, zeggende: De stemme des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht. 4 En deze Johannes had zijne kleeding van kemelshaar, en eenen lederen gordel om zijne lendenen; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. 5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa en 't geheele land rondom den Jor-daan; 6 en werden van hem gedoopt in den Jordaan, belijdende hunne zonden. 7 Hij dan ziende velen van de Farizeërs en Sadducecrs tot zijnen doop komen, sprak tot hen : Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? 8 Brengt^ dan vruchten voort der bekeering waardig; 9 en meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot eenen vader ; wantik zegge u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 10 En ook is aireede de bijl aan den wortel der hoornen gelegd ; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in 't vuur geworpen. 11 Ik doop u wel met water tot bekeering ; maar die na mij komt is sterker dan ik, wiens schoenen ik niet waardig ben hem na te dragen: die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen; 12 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorsch vloer doorzuiveren, en zijne tarwe in zijne schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusschclijk vuur verbranden. 13 Toen kwam Jezus van Ga-liléa naar den Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. 14 Doch Johannes weigerde hem zeer, zeggende: Mij is noodig van u gedoopt te worden, en komt gij tot mij ? 15 Maar Jezus antwoordende zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtig- |
|
4 MATTE iieid t.o vervullen. Toen liet hij van hem af. 16 En Jezus gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit liet water; en zie, de hemelen werden hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen gelijk eeue duive, en op hem komen. 17 En zie, eene stemme uit de hemelen, zeggende: Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwel-ken ik mijn welbehagen heb. HOOFDSTUK 4. Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. 2 En als hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde hem ten laatste. 3 En de verzoeker tot hem gekomen zijnde, zeide: Indien gij Gods zoon zijt, zeg dat deze steenen brood worden. 4 Doch hij antwoordende zeide : Daar is geschreven: De menscli zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat. 5 Toen nam hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde hem op de tinne des Tempels, G en zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, werp uzelven nederwaarts; want daar is geschreven, dat hij zijne Engelen vanu bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeuiger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot. 7 Jezus zeide tot hem: Daar is wederom geschreven: Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. 8 Wederom nam hem de duivel mede op eenen zeerhoogen berg, en toonde hem alle de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid, 9 en zeide tot hem: Alle deze dingen zal ik u geven, indien gij nedervallende mij zult aanbidden. 10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan; want daar staat geschreven: Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en hem alleen dienen. |
EÃS 4. 11 Toen liet de duivel van hem af: en zie, de Engelen zijn toegekomen en dienden hem. 12 Als nu Jezus gehoord had dat Johannes overgeleverd was, is hij wedergekeerd naarGaliléa. 13 En Nazareth verlaten hebbende is komen wonen teKaper-naiim, gelegen aan de zee, in do landpalen van Zebulon en Naftali, 14 opdat vervuld zoude worden 't geen gesproken is door Jesaja den Profeet, zeggende: 15 Het land Zebulon en het land Naftali, aan den we^c der zee over den Jordaan, Gal ilea der volkeren, 16 het volk dat in duisternis zat heeft een groot licht gezien ; en degenen die zaten inhetland en de schaduwe des doods, den-zelven is een licht opgegaan. 17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te zeggen : Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. 18 En Jezus wandelende aan de zee van Galiléa zag twee broeders, namelijk Simon gezegd Petrus, en Audréas zijnen broeder, het net in zee werpende, (want zij waren visschers); 19 en hij zeide tot hen: Volgt mij na, en ik zal u visschers der menschen maken. 20 Zij dan_ terstond do netten verlatende, zijn hem nagevolgd. 21 En hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jacobns den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Zebedeüs hunne netten vermakende, en heeft hen geroepen. 22 Zij dan terstond verlatende het schip en hunnen vader, zijn hem nagevolgd. 23 En Jezus omging geheel Galiléa, leerende in hunne Synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekten en alle kwale onder het volk. 24 En zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot hem »11''») di« kwa- |
|
M A T T i lijk gestold waren, mot verscheiden ziekten en pijnen bevangen zijnde, eu van den duivel bezeten, en nuianzieken, en geraakten; en hij gen as dezelve. 25 En veie scharen volgden hem nu, van Galiléa, en van De-capolis, en van Jeruzalem, en wan Judca, en van over denjordaan. HOOFDSTUK 5. Eu Ji'.zità de scharen ziende, is geklommen op eeneu berg, en als hij nedergezeten was, kwamen zijne discipelen tot lietn. 2 En zijnen mond geopend hebbende leerde hij hen, zeggende ; _ 3 Zalig zijn. de armen van geest; want hunner is hefc Koninkrijk der hemelen. 4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig zijn de zachtmoedigen: want zij zullen het aard ijk be-erven. ö Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de bannliart i'. en ; want hun zal barmhartigheid geschieden. 8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. U Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. 10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wille; want hunner is hot Koninkrijk der hemelen. 11 Zalig zijt gij als u de rnen-schen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwille. 12 Verblijdt en verheugt want uw loon ?'« groot in de hemelen; want alzóó hebben zij vervolgd de Profeten die vóór u {jeiceest zijn.. 13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal hd gczoiuen worden? liet deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden. H Gij zijt hot licht der we- |
i E à {S ö. 6 reld; eene stad boven op eenen berg liggende kan niet verborgen zijn; 15 noch men steekt eene kaars aan en zet die ouder eene korenmaat, maar op eenen kandelaar, en zij schijnt allen die in het huis zijn. 16 Laat uw licht al zoo schijnen voor de menschen dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader die in de hemelen is verheerlijken. 17 Meent niet dat ik gekomen ben om do Wet of de Profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zegge ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet ééne jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. 19 Zoo wie dan één van deze minste geboden zal ontbinden, en de menschen alzóó zal geleerd hebben, die zal do minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zoo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want ik zegge u, tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der Farizeërs, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. 21 Gij hebt gehoord dat tot do ouden gezegd is: Gij zult niet dooden; maar zoo wie doodt,die zal strafbaar zijn door het gericht. 22 Doch ik zegge n, zoo wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door 't gericht; en wie tot zijnen broeder zegt: llaka, die zal strafbaar zijn door den grootenKaad; maar wie zegt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helsche vuur. 23 Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar oiferon, en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft, 24 laat dadr uwe gave voor |
|
6 MATT] liet altaar, en ga henen, verzoen n eerst met uwen broeder, en kom dan en ofler uwe gave. 25 Wees haastelijk welgezind jeqtus uwe wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter over-lev ere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. 2() Voorwaar ik zegge u, gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. 27 Gij bebt gehoord dat va7i de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen. 28 Maar ik zegge u, dat zoo wie eene vrouw aanziet om dezelve te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan. 29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trek het uit en werp het van u, want het is u nut dat één uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. 30 En indien uwe rechterhand u ergert, houw ze af en werp ze van u; want het is u nut dat één uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. 31 Daar is ook gezegd: Zoo wie zijne vrouw verlaten zal, die geve haar eenen scheidbrief 32 Maar ik zegge u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet; en zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. 33 Wederom hebt gij gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gquot;j zult den IIkeke uwe eeden houden. 34 Maar ik zegge u, zweert ganschelijk nietnoch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods; 35 noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank zijner voeten: noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des grootenKoniugs ; % noch bij uw hoofd zult gij |
[EÃà 6. zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken. 37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen: wat boven deze is, dat is uit den booze. 38 Gij hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand. 39 Maar ik zegge u, dat gij den booze niet wederstaat; maar zoo wie u op de rechterwang plaat, keer hem ook de andere toe; 40 en zoo iemand met u rechten wil, en uwen rok nemen, laat hem ook den mantel; 41 en zoo wie u zal dwingen ééne mijl te gaan, ga met hem twee mijlen. 42 Geef dengenen die iets van u bidt, en keer u niet af van dengenen, die van u leenen wil. 43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten. 44 Maar ik zegge u, hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen die u haten, en bidt voor degenen die u geweld doen, en die u vervolgen; 45 opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders die in de hemelen is; want hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Want indien gij liel'hebt die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen ? Doen ook niet de tollenaars alzoc? 48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is. HOOFDSTUK 6. Hebt acht dat gij uwe aalmoes niet doet voor de menschen, om van hen gezien te worden: anders hebt gij geen loon bij uwen Vader die in de hemelen is. 2 Wanneer gip dan aalmoes doet, zoo laat vóór u niet trompetten, gelijk de geveinsden in |
|
M ATT 1 de Synagogen en op de straten doen, opdat ze van demenechen geëerd mogen worden: voorwaar zegge ik u, zij hebben hun loon weg. 'i Maar als gij aalmoes doet, zoo laat uwe linkerAawrf niet weten wat uwe rechter doet, 4 opdat uwe aalmoes in 't verborgen zij: en uw Vader die iu 't verborgen ziet, die zal het u in 't openbaar vergelden. 5 En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden : want die plegen gaarne in de Synagogen en op de hoeken der straten staande te bidden, opdat zij van de mensclien mogen gezien worden: voorwaar ik zegge u, dat zij hun loon weg hebben. G Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader die in 't verborgen is; en uw Vader die in 't verborgen ziet, zal 't u in 't openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zoo gebruikt geen ij del verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij meenen dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoord worden. 8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij van noode hebt eer gij hem bidt. 9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, die in de hemelen zijl, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel alzóo ook op de aarde; 11 geef ons heden ons dagelij ksch brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze; want uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen. 14 Want indien gij den men-Bchen hunne misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u vergeven; 15 maar indien gij den rnen- |
E à S 6. 7 schen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven. 1G En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht gelijk de geveinsden; want zij mismakei» hunne aangezichten, opdat zij van de menschen mogen gezien worden als zij vasten. Voorwaar ik zegge u, dat zij hun loon weg hebben. 17 Maar gij, als gij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht, 18 opdat het van de menschen niet gezien worde als gij vast maar van uwen Vader die in 't verborgen ziet, zal 't u in het openbaar vergelden. 19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen ; 20 maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen; 23 maar indien uw oog boos is, zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat iu u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn! 24 Niemand kan twee heeren dienen : want óf hij zal den éénen haten en den anderen liefhebben, óf hij zal den éénen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. 25 Daarom zegge ik u: zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken zult, noch voor uw lichaam, waarmede gij u klecden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dandekleediug? 2G Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien,noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven. |
|
8 matt] 27 Wie tor.h van u kan met bezorgd te zijn écno el tot zijne lengte toedoen? 28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen ; zij arbeiden niet en spinnen niet, 29 en ik zegge u, datook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk eene van deze. 'SO Indien nu God het gras des yelds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, zal hij n niet veel meer kleeden, gij kleinge-loovigen? 31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? 32 Want alle deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelsche vader weet dat gij alle deze dingen bel loeft. 33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden. 34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. HOOFD .STUK 7. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden. 3 En wat ziet gij den splinter die in het oog uws broeders is, maar den balk die in uw oog is merkt gij niet? 4 Of hoe zult gij tot uwen broeder zeggen: Laat toe dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, daar is een balk in uw oog. 5 Gij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. 6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet |
:eüö 7. te eeniger tijd dezelve methunne voeten vertreden en zich om-keerende u verscheuren. 7 Bidt, en u zal gegeven worden ; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9 Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zoude bidden om brood, die hem eenen steen zal geven, 10 en zoo hij hem om eenen visch zoude bidden, die hem eene slang zal geven? 11 Indien dan gij die boos zijt weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader die in de hemelen is goede gaven geven dengenen die ze van hem bidden. 12 Alle dingen dan, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo; want dat is de Wet en do Profeten. 13 Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan; 14 want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden. 15 Maar wacht u van de vulsche Profeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. 16 Aan hjnne vruchten zult gij ze kennen. Leest men ook eene druil' van doornen, of vijgen van distel en? 17 Alzóó iedere goede boom brengt voort goede vruchten, en eeu kwade boom brengt voort kwade vruchten. 18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Tedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. |
|
M ATTI 20 Zoo znlt gij dan dezelve aan hnnne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tot mij zegt: Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der lie-inelen, maar die daar doet den wil mij na Vaders, die in de hemelen ie. 22 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen : Heere, Heere, hebben â wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft; 25 en daar is slagregen ueder-gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen; en het is niet gevallen; want het was op eene steenrots gegrond. 26 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27 en de slagregen ia nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen; en het is gevallen, en zim val was groot. 28 En het is geschied als Jezus (ieze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetteden over zijne leer; 29 want hij leerde hen als machthebbenae, on niet als de Sch ri ftgel eerden. HOOFDSTUK 8. Toen hy nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. 2 En zie, een melaatsche kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. |
EÃSS, 9 3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij van zijne melaatschheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem: Zie dat gij dit niemand zegt: maar ga henen, toon uzelven den Priester, en offer de gave die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. 5 Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, 6 en zeggende: Heere, mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heere, ik beu niet waardig dat gij ondef mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu hoorende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden: Voorwaar zegge ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden. 11 Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham en Isaak en Jacob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen ; 12 en de kinderen des Konink-rijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal v/eening zijn en kneraing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelf-der ure. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag |
1»
|
10 MATT] zijne vrouwe moeder te hed liggen, hebbende de koorts. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zy stond op eu diende hen. 16 En als het laat geworden was, hebben zij veleu, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hij wierp de booze geesten uit met het woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zoude worden wat gesproken was door Jesaja den Profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen. 19 En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot hem.enzeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook henengaat. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd neder-legge. 21 En een ander uit v-nne discipelen zeide tot hem. 'Ieere, laat mij toe dat ik eerst i enen-ga en mijnen vader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat de dooden hunne dooden begraven. 23 En als hij in 't schip gegaan was, zijn hem zijne discipelen gevolgd. 24 En zie, daar ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep. 25 En zijne discipelen bij hem komende, nebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan. 26 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleinge-loovigen? Toen stond hij open bestrafte de winden en de zee, en daar werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijnl 28 En als hij aan de overzijde |
EÃS 9. was gekomen in het land der Gergesénen, zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. 29 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zone Gods, wai hebben wij met u te doen? Zijfc gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? 30 En verre van hen was eenquot; kudde veler zwijnen weidende; 31 en de duivelen baden hom. zeggende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen. En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen : en zie, de geheelo kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in 't water. 33 En die ze weidden zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied was. 34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zy hem zagen, baden zij dat hij uit hunne landpalen wilde ver-trekken. HOOFDSTUK 9. En in het schip gegaan zynde, voer hij over en kwam in zijne stad. En zie, zij brachten tot-hem eenen geraakte, op een bed liggende. 2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En zie, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelve: Deze lastert God. 4 Eu J'3zus ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten? 5 Want wat is lichter, te zeggen: De zenden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte): Sta op. |
MATTHEÃS 8.
|
20 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tot mij zegrt: Heore.Heer©,, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen ia. 22 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen :Heere,Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naamp;m duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Tk heb u nooit gekend: gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft; 25 en daar is slagregen neder-gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen; en het is niet gevallen; want. het was op eene steenrots gegrond. 26 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft: 27 en de slagregen is nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen; en het is gevallen, en zijn val was groot. '28 En het is geschied als Jezus «leze woorden geëindigd had, ^ de scharen zich ontzettedeu over zijne leer; 29 want hij leerde hen als machthebbende, en niet als de Scliriftgeleerden. HOOFDSTUK 8. Toen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. 2 En zie, een melaatsche kwam en aanbad hem, zeggende: He ere, indien gjj wüt, gij kunt mij reinigen. i |
3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd Mi van zijne melaatschheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem: Zie dat gij dit niemand zegt; maar ga henen, toon uzelvenden Priester, en otfer de gave die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. 5 Als nu Jezus te Kapemaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, H en zeggende: Heere, mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heere, ik ben niet. waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een menach onder de macht ran anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot dezen : Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu ilit hoorende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden; Voorwaar zegge ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden. 11 Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en quot;Westen, en zullen met Abraham en Isaak en Jacob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; 12 en de kinderen des Konink-rijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd; Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelt-der ure. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag |
|
10 MATTI zijne vrouws moedor te hed liggen, hebbende do koorts. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen. 16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hij wierp de hooze geesten uit met het -woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zoude worden wat gesproken was door Jesaja den Profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen. 19 En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot bem,enzeide tot hem: Meester, ik zal n volgen waar gij ook henengaat. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd neder- lli En een ander uit z^'ne discipelen zeide tot hem: Heere, laat mij toe dat ik eerst henen-^a en mijnen vader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat do dooden hunne dooden begraven. 23 En als hij in 't schip gegaan was, ziin hem zijne discipelen gevolgd. 24 En zie, daar ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep. 25 En zijne discipelen bij hem komende, hebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan. 26 En hij zeide tot hen: quot;Wat zijt gij vreesachtig, gij kleinge-loovigen? Toen stond hij open bestrafte de winden en de zee, en daar werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijn! 28 En als hij aan de overzijde |
EÃS 9. was gekomen in het land der Gergesénen, zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. 29 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zone Gods, wat hebben wij met u te doen? Zyt gij hier gekomen^ om ons te pijnigen vóór den tijd? 30 En verre van hen was eene kudde veler zwijnen weidende; 31 en de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen. En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen; en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in 't water. 33 En die ze weidden zijn gevlucht ; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied was. 34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij hem zagen, baden zij dat hij uit hunne landpalen wilde vertrekken. HOOFDSTUK 9. En in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam in zijne stad. En zie, zij brachten tot hem eenen geraakte, op een bed liggende. 2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn n vergeven. 3 En zie, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelve: Deze lastert God. 4 En Jezus ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten? 5 Want wat is lichter, te zeggen : De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 6 Doch opdat gii moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte): Sta op. |
MATTHEÃS 8.
|
20 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tot mij zegt: Heero.Heere,, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is. 22 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen n£.am duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtigman, die zyn huis op eene steenrots gebouwd heeft; 25 en daar is slagregen neder-gevallen, en de watentroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen; en het is niet gevallen; want het was op eene steenrots gegrond. 26 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27 en de slagregen is nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen; en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd had, da/, de scharen zich ontzetteden over zijne leer; 29 want hij leerde hen als machthebbende, en niet als de Sch riftgeleerde n. HOOFDSTUK 8. Toen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. 2 En me, een melaatschekwam en aanbad hem, zeggende: Heere, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. l |
3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd Itij van zijne melaatschheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem: Zie dat gij dit niemand zegt: maar ga henen, toon uzelven den Priester, en offer de gave die Mozes geboden beeft, hun tot eene getuigenis. 5 Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, 6 en zeggende: Heere, mijn knecht iigt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heere, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de macht va it anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot, dezen : Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht; Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu dit hoorende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden : Voorwaar zegge ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden. 11 Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en quot;Westen, en zullen met Abraham en Isaak en Jacob aanzitten in bet Koninkrijk der hemelen; 12 en de kinderen des Konink-rijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelf-der ure. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag !⦠|
|
10 MATT! zijue vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen. 16 En als het laat geworden waa, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hij wierp de booze geesten uit met het woord, en hij geuas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zoude worden wat gesproken was door Jesaja den Profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen. 19 En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot hem,enzeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook henengaat. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hy het hoofd neder-legge. 21 En een ander nlt zijne discipelen zeide tot hem: Heerk, laat mij toe dat ik eerst henen-igt;a en mynen vader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat de dooden hunne dooden begraven. 23 En als hij in 't schip gegaan was, zijn hem zijne discipelen gevolgd. 24 En zie, daar ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep. 25 En zijne discipelen bij hem komende, hebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wii vergaan. 26 En hij zeide tot hen: Wat zyt gij vreesachtig, gij kleinge-loovigen ? Toen stond hij op en bestrafte de winden en de zee, en daar werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijn! 28 En als hij aan de overzijde |
EÃS 9. was gekomen in het land der Gergesenen, zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. 29 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zone Gods, wat. hebben wij met u le doen? Zijt gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? 30 En verre van hen was eene kudde veler zwijnen weidende; 31 en de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen. ^ En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen; en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in 't water. 33 En die ze weidden zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied icas. 34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij hem zagen, baden zij dat hij uit hunne landpalen wilde vertrekken. HOOFDSTUK 9. En in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam in zijne stad. En zie, zij brachten tot hem eenen geraakte, op een bed liggende. 2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En zie, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelve: Deze lastert God. 4 En Jezus ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten? 5 Want wat is lichter, te zeggen: De zonden zijn u vergeven^ of te zeggen: Sta op en wandel ( 6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht tneft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte): Sta opt |
MATTHEÃS 8.
9
|
20 Zoo znlt gij dan dezelve aan bunne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tot mij zegt: Ileere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet, den wil mijns Vaders, die in de hemelen is. 22 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen : Heere, He^re, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrotsgel'ouwdheeft; 25 en daar is slagregen neder-gevallen, en de water^troomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen; en het is niet gevallen; want het was op eene steenrots gegrond. 26 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd beeft; 27 en de slagregen is nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen; en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetteden over zijne leer; 29 want hij leerde hen als machthebbende, en uiet als de Schri ftgeleerden. HOOFDSTUK 8. Toen hij nu van den berg afgeklommen wa», zijn hem vele scharen gevolgd. 2 En zie, een melaatsche kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. |
3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij van zijne melaatfichheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem: Zie dat gij dit niemand zegt: maar ga henen, toon uzelven den Priester, en offer do gave die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. 5 Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, 6 en zeggende: Heere, mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heere, ik ben niet waardig dat gij ondei mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de macht ran anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hy komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu dit hoor end e, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden: Voorwaar zegge ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden. 11 Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham en Isaak en Jacob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; 12 en de kinderen des Konink-rijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste auif temis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelf-der ure. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag |
|
10 MATT] zijne vrouwe moeder te led liggen, hebbende de koorts. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen. 16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hij wierp de hooze geesten uit met het woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zoude worden wat gesproken was door .Tesaja den Profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. .18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen. 19 En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot hem,enzeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook henengaat. 20 En Jezus zeide tot hem; De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd neder-legge. 21 En een ander uit ajine discipelen zeide tot hem: -Ieere, laat mij toe dat ik eerst enen-ga en mijnen vader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat de dooden hunne dooden begraven. 23 En als hü in 't schip gegaan was, zün hem zijne discipelen gevolgd. 24 En zie, daar ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hijsliep. 25 En züne discipelen bij hem komende, nebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan. 26 En hij zeide tot hen; Wat züt gij vreesachtig, gij kleinge-loovigen ? Toen stond hij op en bestrafte de winden en de zee, en daar werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijn! 28 En ais hij aan de overzijde |
EÃS 9. was gekomen in het land der Gergesénen, zijn hem twee, vau den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. 29 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zone Gods, wat hebben wij met u te doen? Zi.it gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? 30 En verre van hen was eene kudde veler zwijnen weidende; 31 en de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen. _ En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen: en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in 't water. 33 En die ze weidden zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied was. 34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zijj hem zagen, baden zij dat hij uit hunne landpalen wilde vertrekken. HOOFDSTUK 9. En in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam in zijne stad. En zie, zij brachten tot hem eenen geraakte, op een bed liggende. 2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En zie, sommigen der Schrift- feleerden zeiden in zichzelve; )eze lasterteleerden zeiden in zichzelve; )eze lastert God. 4 En Jezus ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gy kwaad in uwe harten? 5 Want wat is lichter, te zeggen: De zonden zijn u vergeven. ol te zeggen: Sta op en wandel r 6 'Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeido hü tot den geraakte): Sta op. |
MATTHEÃS 8.
9
|
20 Zoo znlt gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tot mij zegt: Heere, Heeve, zal ingaan in het Komnkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mij ub Vaders, die in de hemelen ie. 22 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in uwen nat.m geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrotsgeliouwdheeft; 25 en daar is slagregen neder-gevallen, en de wateirstroomen zijn gekomen, en de winden hebben^ gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen; en het is niet gevallen; want net was op eene steenrots gegrond. 26 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27 en de slagregen is nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen; en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is geschied als Jezus deze woorden ceëindigd had, dat de scharen zicnontzetteden over zijne leer; 29 want hij leerde hen als machthebbende, en niet ala de Schriftgeleerde n. HOOFDSTUK 8. Toen hij nu van den berg afgeklommen waa, zijn hem vele â charen gevolgd. 2 En zie, een melaatsclie kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. |
3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij van zijne melaatBchheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hem: Zie dat gij dit niemand zegt: maar ga henen, toon uzelven den Priester, en oflfer de gave die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. 5 Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, 6 en zeggende: Heere, mijn knecht ligt te huia geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 Eu Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heere, ik ben niet waardig dat gij ondel mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de macht «an anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu fïiïhoorende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden: Voorwaar zegge ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden. 11 Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en quot;Westen, en zulleu met Abraham en Isaiik en Jacob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; 12 en de kinderen deaKoniuk-rijka zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en kuersiug der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd; Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelf-der ure. 14 Eu Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zpg l* |
|
10 MATT] zijne vrouwe moeder te hed liggen, hebbende de koorts. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen. 16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hij wierp de booze geesten uit met het woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zoude worden wat gesproken was door Jesaja den Profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen. 19 En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot hem,enzeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook nenengaat. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd neder-legge. 21 En een ander uif v.üne discipelen zeide tot hem: üeebe, laat mij toe dat ik eerst henen-ga en mijnen vader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat de dooden hunne dooden begraven. 23 En als hij in 't schip gegaan was, zijn nem zijne discipelen gevolgd. 24 En zie, daar ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep. 25 En zijne discipelen bij hem komende, nebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wil vergaan. 26 En hij zeide tot hen: Wat zijt ^ij vreesachtig, gij kleinge-loovigen ? Toen stond hij op en bestrafte de winden en de zee, en daar werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zi^nf 28 En als hij aan de overzijde |
:eüs 9. was gekomen in het land der Gergesénen, zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. 29 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zone Gods, wat hebben wij met u te doenf Zijt gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? 30 En verre van hen was ecne kudde veler zwijnen weidende; 31 en de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe dat wij in die Kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen: Gaat. henen. _ En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen: en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in 't water. 33 En die ze weidden zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied was. 34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zy hem zagen, baden zij dat hij mt hunne landpalen wilde vertrekken. HOOFDSTUK 9. En in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam in zijne stad. En zie, zij brachten tot hem eenen geraakte, op een bed liggende. 2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot. den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En zie, sommigen der Schrift- feleerden zeiden in zichzelve:eleerden zeiden in zichzelve: gt;eze lastert God. 4 En Jezus ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten? 5 Want wat is lichter, te zeggen : De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wondel? 6 Doch opdat gii moogt weten, dat de Zoon aes menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte): Sta op, |
MAÃTHEÃS 17.
23
|
heeft ü dat niet geopenbaard, raaar mijn Vader die in de hemelen is. 18 En ik zegge u ook dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijne gemeente bcmven, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij niemand zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus. 21 Van toen aan begon Jezus zijnen^ discipelen te vertoonen, dat hij moest henen gaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesteren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. 22 En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende: Hecre, ivcei u genadig: dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 24 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich-zelven, en neme zijn kruiE op en volge mij. 25 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. 26 Want wat baat het een roensch, zoo hy de geheel e wereld gewint, en lijdt schade zijner ziele? Of wat zaleenmensch geven tot lossing van zijne ziel ? 27 Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zijm Vaders, met zijne Engelen, en alsdan zal hij een iegelijk vergelden naar zyn doen. |
28 Voorwaar zegge ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn Koninkrijk. HOOFDSTUK 17. En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleen. 2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit gelijk het licht. 3 En zie, van hen werden gezien Mozes en Elia, met hem samensprekende. 4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, 't is goed dat wij hier zijn: zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakeJen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en eenen voor Elia. 5 Terwijl hij nog sprak, zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, eene stem uit de wolk zeggende; Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb: hoort hem. 6 En de discipelen dit hoorende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Ãlia eerst moet komen? 11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weder oprichten ; 12 maar ik segge u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben |
|
24 MATTE gewild: alzóó zal ook de Zoon des menschen van hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Johannes den Dooper gesproken had. 14 En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere, ontferm u over mijn zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in 't vuur en menigmaal in *t water: 16 en ik heb hem tot uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordende zei-de: 0 ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 En Jezus zeidetothen: Om uws ongeloofs wille; want voorwaar zegge ik u, zoo gij een geloof haat als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ãa henen van hier derwaarts, en hij zal henengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, 23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dago zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt hy de didrachmen niet? 25 Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende; Wat dunkt |
EÃS 18. n, Simon? de Koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of ' van de vreemden? 26 Petrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven, ga henen naar de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij eenen stater vinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in 't Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dot in 't midden van hen, 3 en zeide: Voorwaar zegge ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. 4 Zoo wie dan zichzelven zal, vernederen gelijk dit kindeken deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen; 5 en zoo wie zoodanig een kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij. 6 Maar zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. 7 Wee der wereld van de ergernissen ; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen, doch wee dien mensch door welken de ergernis komt. 8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze van u: het is beter tot het leven in te gaan kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende in 'fc eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp het van u: het is u beter maar één oog heb- |
MATTHEÃS 17.
23
|
heeft n dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. 18 En ik zegge u ook dat gij zijt Petras, en op deze petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen ; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij niemand zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus. 21 Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te vertoonen, dat hij moest henengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesteren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. 22 En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende; Hecre, icees u genadig; dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 24 Toen zeide Jezus toe zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich-zelven, en neme zyn kruis op en volge mij. 25 Want zoo wie zyn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. 26 Want wat baat het een mensch, zoo hü de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziele ? Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? 27 Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne Engelen, en alsdan zal hij een iegelijk vergelden naar zijn doen. |
28 Voorwaar zegge ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn Koninkrijk. HOOFDSTUK 17. En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johanneszijnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleen. 2 En hij word voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit gelijk het licht. 3 En zie, van hen werden gezien Mozes en Elia, met hem samensprekende. 4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, 't is goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en eenen voor Elia. 5 Terwijl hij nog sprak, zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, eene stem uit de wolk zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb: hoort hem. 6 En de discipelen dit hoerende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezas alleen. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen? 11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; 12 maar ik zegge u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben |
|
24 M A T T JH gewild: alzóó zal ook de Zoon des menscheu van hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Johannes den Dooper gesproken had. 14 En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere, ontferm n over mijn zoon, want hij is maanziek, en ia in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in 't vuur en menigmaal in 't water: 16 en ik heb hem tot nwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordende zei-de: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 En Jezus zeidetothen: Om uws ongeloofa wille; want voorwaar zegge ik u, zoo gij een geloof haat als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts, en hij zal henengaan; en niets zal n onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zii in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des menSchen zal overgeleverd worden in de handen der raenschen, 23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt hij de didrachmen niet? 25 Hü zeide: Jeu En toen hij In huis gekomen was, voorkwam bem Jezus, zeggende; Wat dunkt |
EÃS 18. n, Simon? de Koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of van de vreemden? 26 Petrus zeide tot hem: Tan de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hungeenen aanstoot geven, ga henen naar de zee, werp den angel nif,9 en neem den eersten viscli die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij eenen stater Tinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in 't Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus een kindeken tot zich^ geroepen hebbende, etelde dat in 't midden van hen, 3 en zeide: Voorwaar zegge ik n, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkrens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. 4 Zoo wie dan zichze j ven zal, vernederen gelijk dit kindelven deze is de meeste in het ^Koninkrijk der hemelen; 5 en zoo wie zoodanig «en kindeken ontvangt in mijnennaam, die ontvangt my. 6 Maar zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen lials gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. 7 Wee der wereld van de ergernissen; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen, doch wee dien mensch door welken de ergernis komt. 8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw 25e af en werp ze van u: het is beter tot het leven in te gaan kreupel of verminkt zijnde., dan twee handen of twee voeten hebbende in 't eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien nw oog a ergert, trek het uit en werp het van u: het is u beter maar ^én oog heb- |
MATTHEÃS 17.
23
|
heeft xi dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. 18 Eu ik zegge u ook dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal ii geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij niemand zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus. 21 Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te vertoonen, dat hij moest henengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesteren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. 22 Eu Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende :Hecre. wees u genadig: dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der inenschen zijn. 24 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich-zelven, en neme zijn kruis op en vol ge mij. 25 Want zoo wie zyn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. 26 Want wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziele ? Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel ? 27 Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zyni Vaders, met zijne Engelen, en alsdan zal hij een iegelijk vergelden naar zijn doen. |
28 Voorwaar zegge ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood uiet smaken zuilen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien ko men in zijn Koninkrijk. HOOFDSTUK 17. Eu n i zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleen. 2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit gelijk het licht. 3 En zie, van hen werden gezien Mozes en Elia, met hem samensprekende. 4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, *t is goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en eenen voor Elia. 5 Terwijl hy nog sprak, zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, eene stem uit de wolk zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb: hoort hem. 6 Eu de discipelen dit hoorende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Ãlia eerst moet komen? 11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; 12 maar ik zegge u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben |
MATÃHEÃS 18.
|
gewild: alzóó zal ook do Zoon des menschen van hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Johannes den Dooper gesproken had. 14 En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere, ontferm n over mijn zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in 't vuur en menigmaal in 't water: 16 en ik heb hem tot uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordende zei-de: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 En Jezus zeidetothen: Om uws ongeloofs wille; want voorwaar zegge ik u, zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts, en hij zal henengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd woeden in de handen der menschen, 23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Ãw Meester, betaalt hij de didrachmen niet? |
25 Hü zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende; Wat dunkt u, Simon? de Koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of van de vreemden? 26 Petrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zyn dan de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven, ga henen naar de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij eenen stater vinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in 't Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in 't midden van hen, 3 en zeide: Voorwaar zegge ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. 4 Zoo wie dan zichzelven zal, vernederen gelijk dit kindeken deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen; 5 en zoo wie zoodanig een kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij. 6 Maar zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. 7 Wee der wereld van de ergernissen ; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen, doch wee dien mensch door welken de ergernis komt. 8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze van u: het is beter tot het leven in te gaan kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende in 't eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp net van u: het is u beter maar één oog heb- |
M ATTHEÃS 17.
23
|
heeft u dat niet geopenbaard, | maar mijn Vader die in de hemelen is. 18 En ik zegge u ook dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijne gemeente bon wen, en de poorten der hel znllen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal u geven de slentelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zim. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij niemand zeggen zouden dat hijwaa Jezus de Christus. 21 Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te ^ertoonen, dat hij moest henengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesteren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. 22 En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende: Hecre, wees u genadig: dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 24 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich-zelven, en neme zijn kruis op en volge mij. 25 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. 26 Want wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziele ? Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? 27 Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zy ni Vaders, met zijne Engelen, en alsdan zal hij een iegelijt vergelden naar zijn doen. |
28 Voorwaar zegge ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn Koninkrijk. HOOFDSTUK 17. En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleen. 2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit gelijk het licht. 3 En zie, van hen werden gezien Mozes en Elia, met hem samensprekend e. 4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, 't is goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en eenen voor Elia. 5 Terwijl hij nog sprak, zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, eene stem uit de wolk zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb: hoort hem. 6 En de discipelen dit hoorende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende : Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen? 11 Doch Jezus^ antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; 12 maar ik zegge u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben |
MATTÃEÃS 18.
|
gewild: alzóó zal ook do Zoon des menschen van hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen dat hij hnn van Johannes den Dooper gesproken had. 14 En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere, ontferm n over mijn zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in 't vuur en menigmaal in 't water: 16 en ik heb hem tot uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordende zei-de: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen ? Brengt hem mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 En Jezus zeidetothen: Om uws ongeloofs wille; want voorwaar zegge ik u, zoo gij een geloof haat als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts, en hij zal henengaan; en niets zalu onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen : De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, 23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden : Uw Meester, betaalt hij de didrachmen niet? 25 Hy zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende; Wat dunkt |
u, Simon? de Koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of van de vreemden? 26 Petrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij 27 Maar opdat vrij hun geenen aanstoot geven, ga henen naar do zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij eenen stater vinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in 't Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in 't midden van hen, 3_ en zeide: Voorwaar zegge ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der lt; hemelen geenszins ingaan. 4 Zoo wie dan zichzelven zal, vernederen gelijk dit kindeken deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen; 5 en zoo wie zoodanig een kindeken ontvangt in mij non naam, die ontvangt mij. 6 Maar zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. 7 Wee der wereld van de ergernissen ; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen, doch wee dien mensch door welken de ergernis komt. 8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze van u: het is beter tot het loven in te gaan kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende in 't eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp het van u: het is u beter maar één oog heb- |
MATTHEÃS 17.
23
|
heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. 18 En ik zegge n ook dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij niemand zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus. 21 Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te vertoonen, dat hij moest henengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en O ver pries teren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. 22 En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende: Hecre, wees u genadig: dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 24 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich-zelven, en neme zijn kruis op en volge mij. 2o Want zoo wie zyn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. 26 Want wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziele ? Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? 27 Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne Engelen, en alödan zal hij een iegelijk vergelden naar zijn doen. |
28 Voorwaar zegge ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn Koninkrijk. HOOFDSTUK 17. En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleen. 2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit gelijk het Jicht. 3 Eu zie, van hen werden gezien Mozes en El ia, met hem samensprekende. 4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, 't is goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en_ eenen voor Elia. 5 Terwijl hij nog sprak, zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, eene stem uit de wolk zeggende; Deze is mijn geliefde Zoon, in den wel ken ik mijn welbehagen heb: hoort hem. 6 En de discipelen dit hoorende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijue discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen? 11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; 12 maar ik zegge u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben |
|
24 MATTE gewild: alzóó zal ook de Zoon des menechen Tan hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Johannes den Dooper gesproken had. 14 En als zij bij de schare gekomen -waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere, ontferm u over mijn zoon, want hij is maanziek, en is iu zwaar lijden; want menigmaal valt hij in 't vuur en menigmaal in 't water: 16 en ik heb hem tot uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordende zei-de: O ougeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 En Jezus zeidetothen: Om uws ongeloofs wille; want voorwaar zegge ik u, zoo gij een geloof haat als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Gra henen van hier derwaarts, en hij zal henengaau; en niets zal u onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, 23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: üw Meester, betaalt hij de didrachmen niet? 25 Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende; Wat dunkt |
EÃS 18. u, Simon? de Koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of van de vreemden? 26 Petrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven, ga henen naar de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij eenen stater vinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. Te dierzelfder ure kwamen do discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in 't Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in 't midden van hen, 3 en zeide: Voorwaar zegge ik u, indien gi j u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. 4 Zoo wie dan zichzelven zal, vernederen gelijk dit kindeken deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen; 5 en zoo wie zoodanig een kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij. 6 Maar zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. 7 Wee der wereld van de ergernissen ; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen, doch wee dien mensch door welken de ergernis komt. 8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze van u: het is beter tot het leven in te gaan kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende in 't eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp het van u: het is u beter maar één oog heb- |
MAÃT11EÃS 18.
25
|
beude tot liet leven in te gaan, dan twee oogen hebbende in 't helsche vuur geworpen te worden. 10 Ziet toe dat gij niet één van deze kleinen veracht; want ik zegge^ ulieden, dat hunne Engelen in de hemelen altijd zien liet aangezicht mijns Vaders die in de hemelen is. 11 Want de Zoon des mensclien is gekomen om zalig i,e maken dat verloren was. 12 Wat dunkt u? indien eenig rnensch honderd schapen had, en één uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen henen-gaande het afgedwaalde zoeken ? 13 En indien het geschiedt dat hij hetzelve vindt, voorwaar, ik zegge u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve dan over de negen en negentig die niet afgedwaald zijn geweest 14 Alzóó is de wil niet uws Vaders die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga. 15 Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga henen on bestraf hem^ tusschen u en hem alleen; indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen ; 1G maar indien hij n niet hoort, zoo neem nog één of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. 17 En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente, en indien hij ouk der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 18 Voorwaar zegge ik u,al wat gij op aarde binden zult. zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. 19 Wederom zegge ik u,indien daar twee van u samen stemmen op de aarde, over eenige zaak die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader die in de heiue-]0}i J'IS. |
20 want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen. 21 Toen kwam Petrus tot hem en zeide; Heere, hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal ? 22 Jezus zeide tot hem: Ik zegge u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeveuinaal. 23 Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker Koning, die rekening met zijne dienstknechten houden wilde. 24 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een die hem schuldig was tienduizend talenten. 25 En als hij niet had om te betalen, beval zijn heer dat men hem zoude verkoopen, en zijne vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zoude betaald worden. 2b De dienstknecht danneder-vallende aanbad hem, zeggende: Heere, wees lankmoedig over mij en ik zal u alles betalen. 27 En de heer van dezen dienstknecht met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen en de schuld hem kwijtgescholden. 28 Maar die dienstknecht uitgaande, heeft gevonden eenen zijner mededienstknechten die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt. 29 Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijne voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 30 Doch hij wilde niet, maar ging henen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zoude betaald hebben. 31 Als nu zijne mededienstknechten zagen hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden en komende verklaarden zij hunnen heer al wat er gescbien |
MATTUEÃS 19.
26
|
32 Toun heelt hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot liera: (jJij booze dienstknecht, nl die schuld heb ik u kwijt-pescholden, dewijl gij mij gebeden hebt: 33 behoordet gij ook niet u over uwen mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb ? 34 En zijn heer vertoornd zijnde, leverde hem den pijni-gers over, totdat hij zonde betaald hebben al wat hij hom schuldig was. 35 Al zóó zal ook mijn hemel-sche Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden. HOOFDSTUK 19. En het geschiedde toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok van Galiléa, en kwam over den Jordaan, in de landpalen van Judéa. 2 En vele scharen volgden hem, en hij genas ze aldaar. 3 En de Farizeërs kwamen tot hem, verzoekende hem, en zeggende tot hem: Is het een mensch geoorloofd zijne vrouw te verlaten om allerlei oorzaak? 4 Doch hij antwoordende zeide tot hen: llebt gij niet gelezen, die van den beginne den mensch gemaakt heeft, dat hij ze gemaakt heeft man en vrouw, 5 en gezegd heeft: Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zal _ zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn: 6 alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, acheide de mensch niet. 7 Zij zeiden tot hem: quot;Waarom heeft dan Mozes geboden, eenen Bcheidbrief te geven en haar te verlaten? 8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten ; maar van den beginne is 't alzóó niet ge-woest. |
9 Maar ik zegge u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat anders dan om hoererij, en eene andere trouwt, die doet overspel; en die de verlatene trouwt doet óók overspel. 10 Zijne discipelen zeiden tot hem: Indien de zaak des men-schen met de vrouw alzóó staat, zoo is 't niet oorbaar te trouwen. 11 Doch hij zeide tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar wien het gegeven is. 12 Want daar zijn gesnedenen die uit moeders lijf alzóó geboren zijn, en daar zijn gesnedenen die van de menschen gesneden zijn, en daar zijn gesnedenen die zichzelve gesneden hebben om het Koninkrijk der hemelen: die dit vatten kan, vatte hel. 13 Toen werden kinderkens tot hem gebracht, opdat hij de handen hun zoude opleggen, en bidden; en de discipelen bestraften dezelve. 14 Maar Jezus zeide: Laaf af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen. 15 En als hij hun de handen opgelegd had, vertrok hij van daar. 1à En zie, er kwam een tot hem, en zeide tot hem: Goede Meester^ wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe ? 17 En hij zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderbond de geboden. 18 Hij zeide tot hem: Welke? En Jezus, zeide: Deze: gij zult niet dooden; gij zult geen overspel doei:.; Rij zult niet stelen; gij zult geene valeche getuigenis geven; 19 eer uweu vaderen uwe moeder, en gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. 20 De jongeling zeide tot hem: Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af: wat ontbreekt mij nog? |
MATTI1EÃS 20.
27
|
21 Jezus zeide tot hem: Zoo gij wilt volmaakt zijn, ga henen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. 22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus zeide t;)t zijne discipelen: Voorwaar, ik zegge u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan. 24 En wederom zegge ik u, liet is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan _ dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods. 25 Zijne discipelen nu hoerende, werden zeer verslagen, zeggende: quot;Wie kan dan zalig worden ? 2G En Jezus hen aanziende, zeide tot hen: Bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. '27 Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Zie, wij l ebben alles verlaten en zijn u gevolgd: wat zal ons dan geworden ? 28 En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, ik zegge u, dat gij die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. 29 En zoo wie zal verlaten hebben huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers om mijns naams wille, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. 30 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatamp;ten de eersten. HOOFDSTUK 20. Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijnen wijngaard. |
2 En als hij mot de arbeiders ééns geworden was voor eenen penning 's daags, zond hij zo henen in zijnen wijngaard. 3 En uitgegaan zijnde omtrent de dorde ure, zag hij anderen ledig staande op de markt; 4 en hij zeide tot hen: Gaat gij óók henen in den wijngaard, en zoo wat recht is zal ik u geven. En zij gingen. 5 Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks. 6 En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den geheelen dag ledig? 7 Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij henen in den wijngaard, en zoo wat recht is zult gij ontvangen. 8 Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijn-gaards tot zijnen rentmeester: Koop de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. 9 En als zij kwamen die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder eenen penning. 10 En de eersten komende meenden dat zij meer ontvangen zouden; en zijzei ve ontvingen óók elk eenen penning. 11 En dien ontvangen hebbende murmureerden zij tegen den heer des huizes, 12 zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid, en gij hebt ze óns gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben. 13 Doch hij antwoordende zeide tot eenen van hen: Vriend, ik doe u geen onrecht: zijt gij niet met mij ééns geworden voor eenen penning? 14 Neem het uwe en ga henen : ik wil dezen laatsten ook geven gelijk als u. 15 Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil ? Of is uw oog boos omdat ik goed ben? 1G Alzóó zullen de laatsten do eersten zijn en do eersten de |
MATTHEÃS 21.
|
laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. 17 En Je/us opgaaiule naar Jeruzalem, nam tot zich de twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen; 18 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den üverpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood ver-oordeelen; 10 en zij zullen hem den heidenen overleveren, om hem te bespotten en te geeselen en te kruisigen; en ten derden dage zal hij weder opstaan. 2U 'i'oen kwam de moeder der zonen van Zebedeüs tot hem met hare zonen, hem aanbiddende, en begeerende wat van hem. 21 En hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot hem: Zeg dat deze mijne twee zonen zitten mogen de één tot uwe rechter- en de ander tot uwe linker-hand in uw Koninkrijk. 22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken dien ik drinken zal, en mot den doop gedoopt worden waarmede ik gedoopt word ? Zij zeiden tot hem: W ij kunnen. 23 En hij zeide tot hen; Mijnen drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop waarmede ik gedoopt word zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne linker/zancZ staat bij mij niet te geven, maar het zal oeiie-ven Korden dien het bereid is van mijnen Vader. 24 En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van do twee broeders. 25 En als hen Jezus tot zich geroepen had, zeide hij; Gij j weet dat de oversten der volke- | ren heerschappij voeren over i hen, en de grooten gebruiken | macht over hen. 26 Doch alzóo zal het onder ] U uiet zijn, maar zoo wie onder I u zal willen groot worden, di? zij uw dienaar; |
27 en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht: 28 gelijk de Zoon des men-pchen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven lol een rantsoen voor velen. 29 En als zij van Jericho uitgingen, is hem eene groote schare gevolgd. 30 En zie, twee blinden zittende aan den weg, als zij hoorden da t Jezus vi lorbijging, riepen, zeggende: Heere, gij Zone Davids, ontferm u onzer. 31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden, maar zij riepen te meer, zeggende; Ontferm u onzer, lie ere, gij Zone Davids. 32 En Jezus /staande riep zo en zeide: Wat wilt gij dal ik u doe? 33 Zij zeide tot hem: Heere, dat onze oogen geopend worden. =; 34 En Jezus innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hunne oogen aai»; en terstond werden hunne oogen : ziende, en zij volgden hem. HOOFDSTUK 21. En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Bethl'agé aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen; 2 Gaat henen in het vl^k dat tegen u over Hul, en gij zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en een veulen met haur: ontbindt ze en brengt zo tot mij. 3 En indien u iemand iets zegt, zoo zult gij zeggen dat de Heere deze van noode heeft, en hij zal ze terstond zenden. 4 D t alles nu is geschied opdat vervuld worde 't gene gesproken is door den Profeet, zeggende: 5 Zegt der dochter Sums: Zie. uw Kening komt iol u, zachtmoedig en gezeten op eene ezelin en een veulen, zijnde een jong eener jukdragendo ezelin* |
-
M ATT IIE Ã S 21.
29
|
6 En do discipelen hcnenge-gaan zijnde, en gedaan hebbende gelijk Jezus hun bevolen had, 7 brachten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleedoren op dezelve, en zetteden hem daarop. 8 En de meeste schare spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van do boomen en spreidden ze op den weg. !) En de scharen die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is hij die komt inden naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! 10 En als hij te Jeruzalem inkwam, werd de geheele stad beroerd, zeggende: Wie is deze? 11 En do scharen zeiden: Deze ia Jezus, de Profeet van Nazareth in Galiléa. 12 En Jezus ging in den Tempel Gods, en dreef uit allen die verkochten en kochten in den Tempel, en keerde de tal els der wisaelaars om, en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten ; l;'. en hij zeide tot hen: Daar is geschreven: Pdijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een muordenaarskuil gemaakt. 14 En daar kwamen blinden en kreupelen tot hem in den Tempel, en hij genas dezelve. 15 Als nu de Overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden die hij deed, en de kinderen roepende in den Tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids: namen zij dat zeer kwalijk, 10 en meiden tot hem: Hoort gij wel wat deze zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt gij u lof toebereid? 17 En hen verlatende ging hij van daar uit de stad naar liethanië, en overnachtte aldaar. i.s En des morgens vroeg als hij wederkeerde naar de stad hongerde hem. |
19 En ziende eenen vijgeboom aan den weg, ging hij naar hem toe, en vond niets aan denzei ven dan alleen bladeren, en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid. En de vijgeboom verdorde terstond. 20 En do discipelen dat ziende verwonderden zich, zeggende: Hoe is do vijgeboom zoo terstond verdord ? 21 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Voorwaar zegge ik u, indien gij goloof hadt en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleen doen 't geen den vijgeboom is geschied, maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zoude geschieden; 22 en al wat gij zult begeeren in 't gebed, geloovende, zult gij ontvangen. 23 En als hij in den Tempel gekomen was, kwamen tot hem, terwijl hij leerde, de Overpriesters en de Ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet gij deze dingen, en wie heeft u deze macht gegeven ? 24 En Jezus antwoordende zeide tot hen; Ik zal u ook één woord vragen, hetwelk indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik u ook zeggen door wat macht ik deze dingen doe: 25 De doop van Johannes, van waar was die, uit den hemel of uit de menschen? En zij overleiden bij zichzelve en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? 26 En indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo vreezen wij de schare, want zij houden allen Johannes voor een Profeet. 27 En zij Jezus antwoordende zeiden: Wij weten 't niet. En hij zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door wat macht ik dit doe. 28 Maar wat dunkt u? Een mensch had twee zonen, en gaande tot den eerste zeide hij; |
|
SO MATT! Zoon, ga henen, werk heden in miinen wijngaard. '29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende ging hij henen. 30 En gaande tot den tweede zeide hij desgelijks, en deze ant-wpordde en zeide: Ik ga, lieer; en hij ging niet. 31 Wie van deze twee heeft den wil dos vaders gedaan? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, ik zegge n, dat de tollenaars en de hoeren n voorgaan in het Koninkrijk Gods. 32 Want Johannes is tot n gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem gelooid; doch gij zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te gelooven. 33 Hoort eene andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die eenen wijngaard plantte, en zette eenen tuin daarom, en groef eenen wijnpersbak daarin, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buitens/anifc. 34 Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot do landlieden om zijne vruchten te ontvan-gen. 35 En do landlieden nemende zijne dienstknechten, hebben den éénen geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestee-nigd. HG Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in gdal dan de eerste; en zij deden hun desgel ij ks. 37 En ten laatste zond hij tot hen zijnen zoon, zeggende: Zij zullen mijnen zoon ontzien. 38 Maar de landlieden don zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam: komt, laat ons hem dooden en zijne erfenis aan ons behouden. 39 En hem nemende wierpen zij hem uit buitenden wijngaard, en doodden hem. 40 Wanneer dan de heer des |
EÃS 22. wijngaards komen zal, ual zal hij dien landlieden doen? 41 Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard anderen landlieden verhuren, die hem de vruchten op hare tijden zullen geven. 42 Jezus zeide tot hen: Heht gij nooit gelezen in de Schriften: Do steen dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, van den Heere is dit geschied en het is wonderlijk in onze oogen ? 43 Daarom ^ zegge ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en aan een volk gegeven dat zijne vruchten voortbrengt. 44 En wie op dezen steen val t, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 45 En als de O verpriesters en Farizeërs deze zijne gelijkenissen hoorden, verstonden zij dat hij van hen sprak. 4(i En zoekende hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze hem hielden voor eon Profeet. HOOFDSTUK 22. En Jezus antwoordende sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende: 2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker Koning die zijnen zoon een bruiloft bereid had, 3 en zond zijne dienstknechten uit om de genooden ter bruiloft te roepen, en zij wilden niet komen. 4 Wederom zond hij andore dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genooden: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid, mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed: komt tot de bruiloft. 5 Maar zij zulks niet achtende, zijn henengegaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijne koopmanschap; 6 en de anderen grepen zijne |
MATTITEÃS 22.
31
|
(lionsfcknecliten, deden hun smaadheid aan, en doodden ze. 7 Als nu de Koning dat hoorde, werd hij toornig, en zij no krijgsheiren zendende heeft hij die doodslagers vernield en hunne stad in brand gestoken. S Toen zeide hij tot zijne dienstknechten: De bruiloft ia wel bereid, doch de genooden waren 't niet waardig. 9 Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zoovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. 10 En die dienstknechten uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden, beide kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gin ten. 11 En als de Koning ingegaan was om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar eenen mensch niet bekleed zijnde met een bruiloftskleed, 12 en zeide tot hem: Vriend, hoe zij t gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde. 13 Toen zeide de Koning tot de dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis: daar zal zijn weening en knersing der tanden. 14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. 15 Toen gingen de Farizeërs henen en hielden te zamen raad, hoe zij hem verstrikken zouden iu zijne rede. 1G En zij zonden uit tot hem hunne discipelen met de Hero-dianen, zeggende: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods in waarheid leert, en naar niemand vraagt; want gij ziet den persoon der menschen niet aan: 17 zeg ons dan, want dunkt u, is het geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet? 18 Maar Jezus _bekennende hunne boosheid, zeide: 19 Gü geveinsden, wat verzoekt gij mij ? Toont mij den schattingpenning. En zij brachten hem eenen penning. |
20 En hij zeide tot hen: quot;Wiens is dit beeld en het opschrift? 21 Zij zeiden tot hem: Des Keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Gods is. 22 En zij dit hoorende verwonderden zich, en hem verlatende zijn zij weggegaan. 23 Te dienzelfden dage kwamen tot hem de Sadduceers. «lie zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem, 24 zeggende: Meester, Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft geen kinderen hebbende, zoo zal zijn broeder deszeifs vrouw trouwen en zijnen broeder zaad verwekken. 2ö Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste eenevronio getrouwd hebbende stierf, en dewijl hij geen zaad had zoo liet hij zijne vrouw voor zijnen broeder. 20 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevende toe. 27 Ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven. 28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven? want zij hebben ze allen gehad. 29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, nh-t wetende de Schriften noch de kracht Gods. 30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk en worden niet ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als Engelen Gods in den hemel. 31 En wat aangaat de opstanding der dooden, hebt gij niet gelezen 't geene van God tot u lied en gesproken is, die daar zegt: 32 Ik ben de God Abrahams en de God Isaiiks en de God Jakobs? God is niet een God der dooden, maar der levenden. 33 En de scharen dit hoorende, werden verslagen over zijne leer. 34 En de Farizeërs gehoord hebbende dat hij den Sadduceers |
|
32 MATT1 flen mond gestopt had, zijn to zamen by één vergaderd; 35 en eén uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, hem verzoekende, en zeggende: 3G Meester, welk is het groote gebod in de wet? 37 En Jezus zeide tot hem: («ij zult liefhebben den Heore uwen God met geheel uw harte en met geheel uwe ziele en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het groote gebod.» 39 En hot tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. 40 Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en do Profeten. 41 Als nu de Farizeers te zamen vergaderd waren, vraagde hen Jezus, 42 en zeide: Wat dunkt u van den Christus? wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids zoon. 43 Hij zeide tot hen: Hoo noemt hem dan David in den Geest zijm n lleere, zeggende: 44 De Heere heeft gezegd tot mijnen Hecre: Zit aan mijne reehter/mm/, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 45 Indien hem dan David noemt zijnen Heere, hoe is hij zijn zoon? 46 En niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durfde hem van dien dag aan iets meer vragen. HOOFDSTUK 23. Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen, 2 zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeers zijn gezeten op den stoel van Mozes. 3 Daarom al wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt dat en doet /iet; maar doet niet naar hunne werken; want zij zeggen het, en doen het niet. 4 Want zij binden lasten die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders der menschen: maar |
EÃS 2a zij willen die met hunnen vinger niet verroeren. 5 En alle hunne werken doen zij om van de menschen gezien te worden; want zij maken hun- â ne gedenkcedels breed, en ma- | ken «ie zoomen van hunne klee- | deren groot. 0 En zij beminnen de voor- | aanzitting bij de maaltijden, en de voorgestoelten in do Synagogen, 7 ook de begroetingen op do markten, en van de menschen genaamd te worden Rabbi, liabbi. 8 Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want één in uw Meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders. 9 En gij zult niemand uwen Vader noemen op de aarde; want één is uw Vader, namelijk die in de hemelen is. 10 En gij zult niet meesters genoemd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus. 11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. 12 En wie zichzelven verhoo-gon zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. 13 Maar wee n, gij Schriftgeleerden en Farizeers, gij geveinsden, want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de^ menschen, overmits gij^ daar niet ingaat, en degenen die ingaan zouden niet laat ingaan. 14 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeers, gij geveinsden; want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs,^ gij geveinsden; want gij omreist zee en land om éénen Jodengenoot temaken; en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt. 16 Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zoo wie gezworen zal hebben bij den Tempel, dat is niets; maar zoo wio gezworen |
|
M ATT F «al hebben bij bet goud des Tempels, die is schuldig. 17 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud of de Tempel die het goud heiligt? 18 En zoo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij de gave die daarop ia, die is schuldig. 19 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave of het altaar dat de gave heiligt? 20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve en bij al wat daarop is; 21 en wie zweert bij den Tempel, die zweert bij denzeive en bij dien die daarin woont; 22 en wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij dien die daarop zit. 23 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, _ gij geveinsden; want gij vertient do munt eu de dille en den komijn, en gij iaat nó. het zwaarste der wet, namelijk^ het oordeel en de barmhartigheid en het geloof. Deze dingen moest men doen en de andere niet nalaten. 24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt en den kemel doorzwelgt. 25 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, ^ gij geveinsden; want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn ze vol van roof en onmatigheid. 26 Gij blinde Farizeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzei ve rein worde. 27 Wee u, gij Schriftgeleerden en T^arizeërs, gij geveinsden ; want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. 28 Alzóó ook schijnt gij wel den menschen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid. |
E à S 24. 33 29 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij bouwt de graven der Proleten op, en versiert de graf-teekenen der rechtvaardigen, 30 en zegt: Indien wij ten tijde onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der Profeten. 31 Aldus getuigt gij tenen uzelve, dat gij kinderen zijt der-genen die de Profeten gedood hebben. 32 Gij dan ook, vervult de maat uwer vaderen. 33 Gij slangen, gij adderenge-broftdsels, hoe zoudt gij de hel-eche verdoemenis ontvlieden ? 34 Daarom zie, ik zend tot u Profeten en Wijzen en Sohrift-goleerden, en uit dezelve zult gij Hommigen dooden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geeselen in uwe Synagogen; en zult ze vervolgen van stad tot stad ; 35 opdat op u kome al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tusschen den Tempel en het altaar. 36 Voorwaar zegge ik u, alle deze dingen zullen komen over dit geslacht. 37 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en stee-nigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bij één vergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bij één vergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt u woest gelaten. 39 Want ik zegge u, gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend i# hij die komt in den naam des Heeren. HOOFDSTUK 24. En Jezus ging uit en vertrok van den Tempel; en zijne dis- |
|
34 MATT1 cipelen kwamen bij hem, om hem de gebouwen des Tempels te toonen. 2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet alle deze dingen? Voorwaar zegge ik u, hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk zal het teeken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld? 4 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Ziet toe dat u niemand verleide; 5 want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden. 6 En gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen: ziet toe, wordt niet verschrikt; want alle die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. 7 Want het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en hel ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en daar zullen zijn hongersnooden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. 8 Doch alle die dingen zijn maar een beginsel der smarten. 9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u dooden, en gij zult gehaat worden van alle volkeren om mijns naams wille. 10 En dan zullen er velen feërgerd worden, en zullen el-eërgerd worden, en zullen el- ander overleveren en elkander haten. 11 En vele valsche Profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. 12 En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zoo zal de liefde van velen verkouden. 13 Maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden. 14 En dit Evangelie des Ko- |
EÃR 24. ninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volkeren; en dan zal het einde komen. 15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël den Profeet,_ staande in de heilige plaats, (wie het leest, die merke daarop), 1G dat alsdan die in Judéa zijn, vlieden op de bergen; 17 die op het dak is, kotne niet af om iets uit zijn huis weg te nemen; 18 en die op den akker is, keere niet weder terug om zijne kleederen weg te nemen. 19 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen. 20 Doch bidt dat uwe vlucht niet geschiede des winters noch op eenen sabbat; 21 want alsdan zal er groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. 22 En zoo die dagen niet verkort werden, geen vleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wille zullen die dagen verkort worden. 23 Alsdan zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. 24 Want daar zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 25 Zie, ik heb hei u voorzegd. 26 Zoo zij dan tot u zullen zeggen: Zie, hij is in de woestijn, gaat riet uit; zie, hij is in de binnenkameren, gelooft het niet. 27 Want gelijk do bliksem uitgaat van het Oosten en schijnt tot her, Westen, alzóó zal ook de toekomst van den Zoon des menschen wezen. 28 Want alwaar het doode lichaam :5al zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. |
MATTHEÃS 25.
35
|
29 En terstond na do verdrnk-l«ng dier dap:en zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. 80 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen, en dan zullen alle de geslachten «Ier aarde weenen, en zullen don Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid. 31 En hij zal zijne Engelen uitzenden met eene baznin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijéén vergaderen uit de vier winden, van hel ééne uiterste der hemelen tot het, andere uiterste derzelve. 32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teer wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is : 33 alzóó ook gijlieden, w.-in-neer gij alle deze dingen zult zien, zoo weet dat het nabij is voor de deur. 34 Voorwaar, ik zegge u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan totdat alle deze dingen zullen geschied zijn. 35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. 36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de Engelen der hemelen, dan mijn Vader alleen. 37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzóó zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensehen. 38 Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe op welken Noach in de ark ging, 39 en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam: alzóó zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. |
40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn; de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden ; 41 daar zullen twee vromcen malen in den molen : de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. 42 Waakt dan, want gij weet niet in welke ure uw Heere komen zal. 43 Maar weet dit, dat zoo de heer des huizes geweten had in welke nachtwaak de dief komen zoude, hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven. 44 Daarom zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent zal de Zoon des menschen komen. 45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijnen dienstboden gesteld heeft, om hunlieden hun voedsel te geven ter rechter tijd? 40 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer komende zal vinden alzóó doende. 47 Voorwaar, ik zeg u, dat hij hem zal zetten over alle zijne goederen. 48 Maar zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: Mijn heer vertoeft te komen, 49 en zoude beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards : 50 zoo zal de heer dezes dienstknechts komen ten dage op welken hij hem niet verwacht, en ter ure die hij niet weet, 51 en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden: daar zal weening zijn en knersing der tanden. HOOFDSTUK 25. Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet. 2 En vijf van haar waren wijze en vijf waren dwaze. I |
MATTHEÃS 25.
36
|
3 Die dwaas waren, bare lam-pen nemeude, namen geen olie met zich; 4 maar de wijze namen olie in hare vaten, met hare lampen. 5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig en vielen in slaap. 6 En te middernacht geschiedde er een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet. 7 Toen stonden alle die maagden op en bereidden hare lampen. 8 En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uwe olie: want onze lampen gaan uit. 9 Doch de wijze antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij ; maar gaat liever tot de verkoopers en koopt voor uzelve. 10 Als zij nu henengingen om te koopen, kwam de bruidegom: en die gereed waren gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. 11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heere, Heere, doe ons open. 12 En hij antwoordende zeide: Voorwaar zeg ik u, ik ken u niet. 13 Zoo waakt dan, want gij weet den dag niet noch de ure, in dewelke de Zoon des menschen komen zal. 14 Want het is gelijk een mensch, die buitenslands reizende zijne dienstknechten riep, en gaf hun zijne goederen over; 15 en den éénen gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond. 16 Die nu de vijf talenten ontvangen had ging henen en handelde daarmede, en won andere vijf talenten. 17 Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee. 18 Maar die het ééne ontvan- Sen had ging henen en groef inen had ging henen en groef in e aarde, en verborg het geld zijns heeren. |
19 En na eeneu langen tijd kwam de heer van die dienstknechten, en hield rekening met hen. 20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende : Heere, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten neb ik boven dezelve gewonnen. 21 En zijn heer zeide tot hem: Wèl,gij guede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten: ga in in de vreugde uws heeren. 22 En die de twee talenten ontvangen had kwam óók tot hem, en zeide: Heere, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere twee talenten heb ik boven dezelve gewonnen, 23 Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten: ga in in de vreugde uws heeren. 24 Maar die het ééne talent ontvangen had kwam óók en zeide: Heere, ik kende u dat gij een hard mensch zijt, maaiende waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt; 25 en bevreesd zijnde ben ik henengegaan en heb uw talent verborgen in de aarde: zie, gij hebt het uwe. 26 Maar zijn heer antwoordende zeide tot hem: Gij booze en luie dienstknecht, gij wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader waar ik niet gestrooid heb: 27 zoo moest gij dan mijn geld bij de wisselaren gedaan hebben, en ik komende zoude het mijne wedergenomen hebben met woeker. 28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene die de tien talenten heeft. 29 Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene die niet heeft, van dien |
A
MA TT HE ÃS 2lt;l
37
|
zal genomen worden ook wat Lij heeft. 30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in d« buitenste duisternis: dadr zal weening zijn en knersing der tanden. 31 En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en alle de heilige Engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid ; 32 en vóór hem zullen alle de volkeren vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt; 33 en hij zal de schapen tot zijne rechter?m«d zetten, maar de bokken tot zijne linkerhand. 34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot zijne rechterAanrZ zijn: Komt gij geze-genden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk 't welk u bereid is van de grondlegging der wereld; 35 want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven, ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd, 36 ik was naakt en gij hebt mij gekleed, ik ben krank geweest en gij hebt mij bezocht, ik was in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen. 37 Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende: Heere, _ wanneer hebben wij u hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig en te drinken gegeven? 38 En . wanneer hebben wij u een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt en gekleed? 39 En wanneer hebben wij u krank gezien of in de gevangenis, en zijn tot u gekomen? 40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg ik u, voor zooveel gij dit één van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan. 41 Dan zal hij zegger ook tot degenen die ter linker/^«7?d zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur hetwelk den duivel en zijne engelen bereid is; |
42 want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij niet te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven, 43 ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd, naakt en gij hebt mij niet gekleed, krank en in de gevangenis en gij hebt mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook deze hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt of krank, of in de gevangenis en hebben u niet gediend ? 45 Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, zeg ik u, voor zooveel gij dit één van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij óók niet gedaan. 46 En deze zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. HOOFDSTUK 26. En het is geschied als Jezus alle deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zei de: 2 Gij weet dat na twee dagen het Pascha is, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden. 3 Toen vergaderden de Over-priesters en de Schriftgeleerden en de Ouderlingen des volks in de zaal des Hoogepriesters, die genaamd was Kajafas, 4 en beraadslaagden te zamen dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden. 5 Doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk. 6 Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon den melaatsche, 7 kwam tot hem eene vrouw hebbende eene albasten flesch met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op zij n hoofd, daar hij aan tafel zat. 8 En zijne discipelen dal zien- |
WATTHEÃS 26.
|
de, nameu liet zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies? 9 Want deze zalf had duur kunnen verkocht en de penningen den armen gegeven worden. 10 Maar Jezus s-w/Ars verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan mij gewrocht. 11 Want de armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd. 12 Want als zij deze zalf op mijn lichaam gegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot eewe «oor-here.iding van mijne begrafenis. 13 Voorwaar zeg ik u, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis ge-t»proken worden van hetgeen zij gedaan heeft. 14 Toen ging een van de twaalve, genaamd Judas Iskariot, tot de O verpriesters, 15 en zeide: Wat wilt gij mij ^even, en ik zal hem u overleveren ? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren pen-aingen. 1G En van toen af zocht hij gelegenheid dat hij hem overleveren mocht. 17 En op den eersten dag der ongehevelde hrooden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot hem: Waar wilt gij dat wij u bereiden het Pascha te eten ? 18 En hij zeide: Gaat henen in de stad tot zulk eenen, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, ik zal bij u het Pascha houden met mijne discipelen. 19 En de discipelen deden gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het Pascha. 20 En als het avond geworden was zat hij aan met de twaalve. 21 En toen zij aten zeide hij: Voorwaar, ik zegge u, dat een van u mij zal verraden. 22 En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot hem te zeggen: Ben ik het, Heere? En hij antwoordende zeide: |
Die de hand met mij in den schotel indoopt, die zal mij verraden. 24 De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest. 25 En Judas die hem verried antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. 26 En als zij aten nam Jezus het brood, en gezegend hebbende brak hij het, en gaf liet den discipelen, en zeide: Neemt,eet, dat is mijn lichaam. 27 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; 28 want dat is mijn bloed, het Woed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. 29 En ! ik zeg u, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders. 30 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nacht; want daar is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. 32 Maar nadat ik za l opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Gal iléa. 33 Doch Petrus antwoordende zeide tot hem: Al werden zij ook allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. 34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, mij driemaal zult verloochenen. 35 Petrus zeide tot hem: Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen |
MATT IIE Ã S 26.
39
|
Desgelijks zeiden ook alle de discipelen. 36 Toen ging Jezus met hen in eene plaats genaamd Gethse-raané, en zei de tot de d iscipelen: Zit hier neder totdat ik henenga en aldaar zal gebeden hebben. 37 En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Ze-bedeüs, begon hij droevig en zeer beangst te worden. 38 Toen zeide hij tot hen: Mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt met mij. 39 En een weinig voortgegaan zijnde viel hij op zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van mij voorbijgaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wilt. 40 En hij kwam tot de discipelen en vond ze slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gijlieden dan niet één uur met mij waken ? 41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is_ wel gewillig, maar het vleesch is zwak. 42 Wederom ten tweeden male henengaande bad hij, zeggende: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan tenzij dat ik hem drinke, uw wil geschiede. 43 En komende hij hen, vond hij ze wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard. 44 En hen latende ging hij wederom henen en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden. 45^ Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust; zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 46 Staat op, laat ons gaan: zie, hij is nabij die mij verraadt. 47 En als hij nog sprak, zie. Judas, een van de twaalve, kwam, en met hem eene groote schare met zwaarden en stokken, den van de Overpriesteren en Ouderlingen des volks. |
48 En die hem verried had hun eon teek en gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, die is het: grijpt hem. 49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij : Wees gegroet. Rabbi; en hij kuste hem. 50 Maar Jezus zeide tot hem : Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem. 51 En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des Hoogepriesters, hieuw zijn oor nf. 52 Toen zeide Jezus tot hem : Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. 53 Of meent gij dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden, en hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten. 54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeofirn dat het alzóó geschieden moet? 55 Terzelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen eenen moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik bij u, loerende in den Tempel, en gij hebt mij niet gegrepen; 56 doch dit alles is geschied opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten alle de discipelen, hem verlatende. 57 Die nu Jezus gevangen hadden, leidden hem henen tot Kajafas den Hoogepriester. alwaar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren. 58 En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal des Hoogepriesters, en binnengegaan zijnde zat hij bij de dienaren, om het einde te zien. 59 En de O verpriesters en de Ouderlingen en de geheele groote Eaad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem doo-den mochten, en vonden niet; GO en hoewel daar vele valsche |
£
MATTHEÃS 27.
40
|
getuigen toegekomen waren, zoo vonden zij toch niet. 61 Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen, en zeiden; Deze heeft gezegd: Ik kan den Tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzei ven opbouwen. .62 En de Hoogepriester op-sfaande zeide tot hem: Antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen u? 63 Doch Jezus zweeg stil. En de Hoogepriester antwoordende zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zone Gods? 64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch ik zegge ulieden, van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen zittende ter rechter/mmZ der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. 65 Toen verscheurde de Hoogepriester zijne kleederen, zeggende : Hij heeft God gelasterd: wat hebben wij nog getuigen van noode? Zie, nu hebt gij zijne {/oiMastering gehoord ; 66 wat dunkt ulieden? En zij antwoordende zeiden: Hij is des doods schuldig. 67 Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en sloegen hem met vuisten; 68 en anderen gaven hem kinnebakslagen, ^ zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het die u geslagen heeft? 69 En Petrus zat buiten in de zaal; en eene dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart óók met Jezus den Galileër. 70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet wat gij zegt. 71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem eene andere dienalmaafld, en zeide tot degenen die aldaar waren: Deze was óók met Jezus den Nazarener. 72 En hij loochende het wederom met eenen eed, zeggende: Ik ken den mensch niet. 73 En een weinig daarna, die daar stonden bijkomende zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt óók van die, want ook uwe spraak maakt u openbaar. |
74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den mensch niet. 75 En terstond kraaide de haan: en Petrus werd indachtig aan het woord van Jezus, die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buitengaande weende hij bitterlijk. HOOFDSTUK 27. Als het nu morgenstond geworden was, hebben alle de Over-priesters en de Ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden; 2 en hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hem over aan Pontius Pilatus den Stadhouder. 3 Toen heeft Judas die hem verraden had, ziende dat hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen de.n Overpriesteren en den Ouderlingen wedergebracht, 4 zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dal aan? Gij moogt toezien. 5 En^ als hij de zilveren penningen in den Tempel geworpen had vertrok hij, en henengaande verworgde zichzelven. 6 En de Overpriesters de zilveren penningen nemende, zeiden : Het is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is. 7 En te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottebakkers, tot eene begrafenis voor de vreemdelingen. 8 Daarom is die akker genaamd de akk3r des bloeds tot op den huidigen dag. 9 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den Profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertijr zilveren penning ei genomen, de waarde van den gewaardeerde van de |
i
MATTÃIEÃS 27.
41
|
kinderen Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben, 10 en hebben dezelve gegeven voor den akker des pottebak-kers; volgens 't geen mij de Heere bevolen heeft. 11 En Jezus stond voor den Stadhouder; en do Stadhouder vraagde Hem, zeggende; Zijt gij de Koning der Joden? En Jezus zeide hem: Gij zegt het. 12 En als hij van de Overpriesters en de Ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets. 13 Toen zeide Pilatus tot hem : Hoort gij niet boevele zaken zij tegen u getuigen ? 14 Maar hij antwoordde hem niet op een éénig woord, alzoo dat de Stadhouder zich /.eer verwonderde. 15 En op het feest was de Stadhouder gewoon den volke eenen gevangene los te laten, welken zij wilden. 16 En zij hadden toen eenen welbekenden gevangene, genaamd Barabbas. 17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen : Welken wilt gij dat ik u zal loten, Barabbas of Jezus die genaamd wordt Christus. 18 Want hij wist dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden. 19 En als hij op den rechterstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niets te doen met dien rechtvaardige, want ik heb heden veel geleden in den droom om zijnentwil. 20 Maar de Overpriesters ende Ouderlingen hebben de scharen aangeraden, dat zij zouden Barabbas begeeren en Jezus dooden. 21 En de Stadhouder antwoordende zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Barabbas. 22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik doen met Jezus die genaamd wordt Christus ? Zij zeiden allen tot hem : Laat hem gekruisigd worden. 23 Doch de Stadhouder zeide: |
Wat heeft hij dan kwaads gedaan ? En zij riepen te meer, zeggende: Laat hem gekruisigd worden. 24 Als nu Pilatus zag dat hij niets vorderde, maar veel meer dat er^ oproer werd, nam hij water en wiesch de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes rechtvaardigen: gijlieden moogt toezien. 25 En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed koine over ons en over onze kinderen. 26 Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus gegeeseld hebbende, gaf hij hem over om gekruisigd te worden. 27 Toen namen de krijgsknechten des Stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderde over hem de gansche bende. 28 En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem eenen purperen mantel om; 29 en eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetteden zij die op zijn hoofd, en eenen rietstok in zijne rechterAami; en vallende op hunne knieën voor hem, bespotteden zij hem, zeggende: Wees gegroet gi.i Koning der Joden : 30 en op hem gespuwd hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd. 31 En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem henen om te kruisigen. 32 En uitgaande vonden zij eenen man van Cyrene, met name Simon; dezen dwongen zij dat hij zijn kruis droeg. 33 En gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats, 34 gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd; en als hij dien geproefd had, wilde hij niet drinken. 35 Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende; opdat vervuld zoude worden het- 2* |
m
|
42 MATTE geen gezegd is door den Profeet: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over mijne kleeding geworpen. 36 En zij nederzittende bewaarden hem aldaar. 37 En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: Deze is Jezus de Koning der Joden. 38 Toen werden met hem twee moordenaars gekruisigd, één ter rechter- en één ter Imkerzijcle. 39 En die voorbijgingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden 40 en zeggende: Gij die den Tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos uzelven; indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis. 41 En desgelijks ook de O verpriesters met de Schriftgeleerden en Ouderlingen en Farizeërs hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft hij verlost, hij kan zich zei ven niet verlossen; indien hij de Koning Israëls is, dat hij nu afkome van het kruis, en wij zullen hem gelooven. 43 Hij heeft op God betrouwd: dat hij hem nu verlosse, indien hij hem wèl wil; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars die met hem gekruisigd waren. 45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de ge-heele aarde, tot de negende ure toe. 46 En omtrent de negende ure riep Jezus met eene groote stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani, dat is: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten! 47 En sommigen van die daar stonden zulks hoorende, zeiden; Deze roept Elia. 48 En terstond een van hen foeloopende nam een spons, en die met edik gevuld hebbende stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken. 49 Doch de anderen zeiden: |
EÃS 27. Houd op, laat ons zien of Eliu komt om hem te verlossen. 50 En Jezus wederom met eene groote stem roepende, gaf den geest. 51 En zie, het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden, 52 en de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren werden opgewekt; 53 en uit de graven uitgegaan zijnde na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, deze was Gods Zoon. 55 En aldaar waren vele vrouwen van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa om hem te dienen; 56 onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeüs. 57 En als het avond geworden waa, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was: 58 deze kwam tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam gegeven zoude worden. 59 En Jozef het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad, 60 en leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had; en eenen grooten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg. 61 En aldaar was Maria Magdalena en de andere Maria, zittende tegenover het graf. 62 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de O verpriesters en de Farizeërs tot Pilatus, 63 zeggende: Heere, wij zijn |
MATT H E Ã S 28.
4n
|
indachtig dat deze verleider nog levende gezegd heelt: Na drie dagen zal ik opstaan. 64 Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht en stelen hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de dooden: en zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste. 65 En Pilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht: ga at henen, verzekert het gelijk gij 't verstaat. 66 En zij henengaande verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende. HOOFDSTUK 28. En laat tia den sabbat, als het begon te lichten tegen den eersten j dag der week, kwam jVïaria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien. 2 En zie, daar geschiedde eene grooto aardbeving; want een Engel des Heeren nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzei ven. 3 En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne kleeding wit gelijk de sneeuw. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden. 5 Maar de Engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus die gekruisigd was; 6 Hij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. 7 En gaat haastelijk henen en zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden; en zie, hij gaat u vóór naar Galiléa: daar zult gij hem zien. Zie, ik heb het ulieden gezegd. 8 En haastelijk uitgaande van het graf, met vreeze en groote blijdschap, liepen zij benen om hetzelve zijnen discipelen f.e boodschappen. |
9 En als^ zij henengingen om zijnen discipelen te boodschappen, zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet. En zij tot htm komende grepen zijne voeten en aanbaden hem. 10 Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt mijnen broederen, dat zij henengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij mij zien. 11 En als zij henengingen, zie, eenigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den O verpriesters alle de dingen die geschied waren. 12 En zij vergaderd zijnde met de Ouderlingen,en tezamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel geld, 13 en zeiden: Zegt: Zijne discipelen zijn des nachts gekomen en hebben hem gestolen, als wij sliepen. 14 En indien zulks komt gehoord te worden van den Stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen en maken dat gij zonder zorg zijt. 15 En zij het geld genomen hebbende, deden gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag. 16 En de elf discipelen zijn henengegaan naar Galiléa, naar den berg waar Jezus hen bescheiden had. 17 En als zij hem zagen, baden zij hem aan; doch sommigen twijfelden. 18 En Jezus bij hen komende sprak tot hen zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. 19 Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, dezelve doo-pende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. 20 En ziet, ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. |
MATTHEÃS 27.
40
|
getuigen toegekomen waren, zoo vonden zij toch niet. 61 Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen, en zeiden; Deze heeft gezegd: Ik kan den Tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzei ven opbouwen. J)2 En de Hoogepriester op-sfaande zeide tot hem: Antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen u? 63 Doch Jezus zweeg stil. En degt; Hoogepriester antwoordende zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zone Gods? 64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch ik zegge ulieden, van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen zittende ter rechter/mruZ der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. 65 Toen verscheurde de Hoogepriester zijne kleederen, zeggende: Hij heeft 6W gelasterd: wat hebben wij nog getuigen van noode? Zie, nu hebt gij zijne (jot/ö'lastering gehoord; 66 wat dunkt ulieden? En zij antwoordende zeiden: Hij is des doods schuldig. 67 Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en sloegen hem met vuisten; 68 en anderen gaven hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het die u goslagen heeft? 69 Eu Petrus zat buiten in de zaal; en eene dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart óók met Jezus den Galileër. 70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet wat gij zegt. 71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem eene andere dienstmaagd, en zeide tot degenen die aldaar waren: Deze was óók met Jezus den Nazarener. 72 En hij loochende het wederom met eenen eed, zeggende: Ik ken den inensch niet. 73 En een weinig daarna, die daar stonden bijkomende zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt óók van die, want ook uwe spraal? maakt u openbaar. |
74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den mensch niet. 75 En terstond kraaide de haan: en Petrus werd indachtig aan het woord van Jezus, die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buitengaande weende hij bitterlijk. HOOFDSTUK 27. Als het nu morgenstond geworden was, hebben alle de Over-priesters en de Ouderlingen dea volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden; 2 en hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hem over aan Pontius Pilatus den Stadhouder. 3 Toen heeft Judas die hem verraden had, ziende dat hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den Overpriesteren en den Ouderlingen wedergebracht, 4 zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien. 5 Ent als hij de zilveren penningen in den Tempel geworpen had vertrok hij, en henengaande verworgde zichzelven. 6 En de OverprieBters de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd dezel ve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is. 7 En te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottebakkers, tot eene begrafenis voor de vreemdelingen. 8 Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds tot op den huidigen dag. 9 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den Profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertij? zilveren penningen genomen, de waarde van deL. gewaardeerde van de kindere: gewaard 10 en voor d' kers; 1 Heere 1 11 E Stadhoi v raagdlt; de Kol zeide ï 12 E tere en digd ^ 13 T Hoort tegen 14 l niet c dat d( wonde 15 Stadh eenen welkt 16 welb( ii aam 17 ren, ; ken Bara word 18 door hadc 19 stoel vron gen( met heb dro( 2C Out aan abb 2 der var zal Bai 2 zal na; de: Vr |
|
MAT TH spraakl kinderen Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben, te ver- 10 en hebben dezelve gegeven Ik ken voor den akker de» pottebak-kers; volgens *t geen mij de 3haan: Heere bevolen heeft, % aan 11 En Jezus stond voor den flie tot Stadhouder; en do fetadhouder 3 haan vraagde Hem, zeggende: Zijt gij gij mij de Koning der Joden? En Jezus a naar zeide hem: Gij zegt het. bitter- 12 En als hij van de Overpries-ters en de Ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets. 13 Toen zeide Pilatus tot hem : (1 ge- Hoort gij niet hoe vele zaken zij Over- tegen u getuigen ? n des 14 Maar hij antwoordde hem omen niet op een éénig woord, alzoo )oden dat de Stadhouder zich zeer verwonderde. ende, 15 En op het feest was de aven Stadhouder gewoon den volke latus eenen gevangene los te laten, welken zij wilden, hem 16 En zij hadden toen eenen ver- welbekenden gevangene, ge-I, en naamd Barabbas. nin- 17 Als zij dan vergaderd waden ren, zeide Pilatua tot hen : Welken wilt gij dat ik u zal laten, igd, Barabbas of Jezus die genaamd oed. wordt Christus, ons 18 Want hij wist dat zij hem door nijdigheid overgeleverd *en- hadden. pen 19 En als hij op den rechter-ide stoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeg-dl- gende : Heb toch niets te doen ei- met dien rechtvaardige, want ik xfd heb heden veel geleden in den an, droom om zijnentwil, is. 20 Maar de Overpriesters en de en Ouderlingen hebben de scharen tie aangeraden, dat zij zouden Bar-ot abbas begeeren en Jezus dooden. u- 21 En de Stadhouder antwoor dende zeide tot hen; Welken id van deze twee wilt gij dat ik u in zal loslaten? En zij zeiden: Barabbas. n 22 Pilatus zeide tot hen: Wat n zal ik doen met Jezus die ge-n naamd wordt Christus ? Zij zei-a den allen tot hem: Laat hem ge-a kruisigd worden. s 23 Doch de Stadhouder zeide: |
EÃS 27. 41 Wat heeft hij dan kwaads gedaan ? En zij riepen te meer, zeggende: Laat hem gekruisigd worden. 24 Als nu Pilatus zag dat hij niets vorderde, maar veel meer dat er^ oproer werd, nam hij water en wiesch de handen voor d^ schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes rechtvaardigen: gijlieden moogt toezien. 25 En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed home over ons en over onze kinderen. 26 Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus gegeeseld hebbende, gaf hij hem over om gekruisigd te worden. 27 Toen namen de krijgsknechten des Stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderde over hem de gansche bende. 28 En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem eenen purperen mantel om; 29 en eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetteden zij die op zijn hoofd, en eenen rietstok in zijne rechterhand; en vallende op hunne knieën voor hem, bespotteden zij hem, zeggende: Wees gegroet gij Koning der Joden; 30 en op hom gespuwd hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd. 31 En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem henen om te kruisigen. 32 En uitgaande vonden zij eenen man van Cyrene, met name Simon; dezen dwongen zij dat hij zijn kruis droeg. 33 En gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats, 34 gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd; en als hij dien geproefd had, wilde hij niet drinken. 35 Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende; opdat vervuld zonde worden het- 2* |
MATTHEÃS 27.
42
|
geen gezegd is door den Proleet: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over mijne kleeding geworpen. 36 En zij nederzittende bewaarden hem aldaar. 37 En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: Deze is Jezus de Koning der Joden. 38 Toen werden met hem twee moordenaars gekruisigd, één ter rechter- en één ter linkerzytüe. 39 En die voorbijgingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden 40 en zeggende: Gij die den Tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos uzelven; indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis. 41 En desgelijks ook de Over-priesters met de Schriftgeleerden en Ouderlingen en Farizeërs hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft hij verlost, hij kan zich zei ven niet verlossen; indien hij de Koning Israels is, dat hij nu afkome van het kruis, en wij zullen hem gelooven. 43 Hij heeft op God betrouwd: dat hij hem nu verlosse, indien hij hem luèl wil; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars die met hem gekruisigd waren. 45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de ge-heele aarde, tot de negende ure toe. 46 En omtrent de negende ure riep Jezus met eene groote stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani, dat is: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten! 47 En sommigen van die daar stonden zulks hoorende, zeiden; Deze roept Elia. 48 En terstond een van hen /oeloopende nam een spons, en die met edik gevuld hebbende stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken. 49 Doch de anderen zeiden: |
Houd op, laat ons zien of Elia komt om hem te verlossen. 50 En Jezus wederom met eene groote stem roepende, gaf den geest. 51 En zie, het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden, 52 en de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren werden opgewekt; 53 en uit de graven uitgegaan zijnde na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, deze was Gods Zoon. 55 En aldaar waren vele vrouwen van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa om hem te dienen; 56 onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeüs. 57 En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was: 58 deze kwam tot Pilatns en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam gegeven zoude worden. 59 En Jozef het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad, 60 en leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had; en eenen grooten stsen teyen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg. 61 En aldaar was Maria Magdalena en de andere Maria, zittende tegenover het graf. 62 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de O verpriesters en de Farizeërs tot Pilatus, 63 zeggende; Heere, wij zijn |
.
|
MATT H indachtig dat deze verleider nog levende gezegd heelt: Na drie dagen zal ik opstaan. 64 Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht en stelen hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgeeiaan van de dooden: en zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste. 65 En Pilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht: gaat henen, verzekert het gelijk gij 't verstaat. 66 En zij henengaande verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende. HOOFDSTUK 28. En laat na den sabbat, als het begon te lichten tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien. 2 En zie, daar geschiedde eene grooto aardbeving; want een Engel des Heeren nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzei ven. 3 En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne kleeding wit gelijk de sneeuw. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden. 5 Maar de Engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weer, dat gij zoekt Jezus die gekruisigd was; 6 Hij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. 7 En gaat haastelijk henen en zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden; en zie, hij gaat u vóór naar Galiléa: daar zult gij hem zien. Zie, ik heb het ulieden gezegd. 8 En haastelijk uitgaande van het graf, met vreeze en grooto blijdschap, liepen zij henen om |
EÃS 28. 43 helzehe zijnen discipelen re boodschappen. 9 En als zij henengingen om zijnen discipelen te boodschappen, zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet. En zij tot hem komende grepen zijne voeten en aanbaden hem. 10 Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt mijnen broederen, dat zij henengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij mij zien. 11 En als zij henengingen, zie, eenigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den Overpriesters alle de dingen die geschied waren. 12 En zij vergaderd zijnde met de Ouderlingen,en tezamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel geld, 13 en zeiden: Zegt: Zijne discipelen zijn des nachts gekomen en hebben hem gestolen, als wij sliepen. 14 En indien zulks komt gehoord te worden van den Stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen en maken dat gij zonder zorg zijt. 15 En zij het geld genomen hebbende, deden gelijk zij geleerd waren. En dit woord ie verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag. 16 En de elf discipelen zijn henengegaan naar Galiléa, naar den _ berg waar Jezus hen bescheiden had. 17 En als zij hem zagen, baden zij hem aan; doch sommigen twijfelden. 18 En Jezus bij hen komende sprak tot hen zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. 19 Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, dezelve doo-pende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. 20 En ziet, ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. |
MARCUS 1.
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCimiJVlNG VAN
M ARC TT S.
41
eene duive op hem nederdalen
11 En daar geschiedde eene ! stem uit de hemelen: Gij zijt | mijn geliefde Zoon, in denwel-
ken ik mijn welbehagen heb.
12 En terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn.
13 En hij was aldaar in tie woestijn veertig dagen, verzocht van den satan, en was bij de wilde gedierten, en do Engelen dienden hem.
14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods,
15 en zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen: bekeert u en gelooft het Evangelie.
10 En wandelende bij de Gal i-leesche zee, zag hij Simon en Andreas zijnen broeder, werpende het net in de zee, (want zij waren visamp;chers)»
17 en Jezus zeide tot hen: Volgt mij na, en ik zal maken dat gij visschers der menschen zult worden.
18 En zij terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd.
19 En vandaar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, en hen in het schip hunne netten vermakende;
20 en terstond riep hij ze; en zij latende hunnen vader Zebedeüs in het schip met de huurlingen, zijn hem nagevolgd.
21 En zij kwamen binnen Ka-pernaüm; en terstond op den
HOOFDSTUK 1.
Het begiu des EvanRelies van ! Jkzus Christus den Zoon Gods. j
2 Gelijk geschreven is in de Profeten: Zie, ik zende mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal:
3 de stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des IJeeren, maakt zijne paden recht.
4 Johannes was doopende in de woestijn, en predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden.
5 En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem, en werden allen van hem gedoopt in de rivier den Jordaan, belijdende hunne zonden.
6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen lederen gordel om zijne lendenen en at sprinkhanen en wilden honig.
7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben nederbukkende den riem zijner schoenen te ontbinden.
8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doopeu met den Heiligen Geest.
9 En het geschiedde in die dagen dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in den Jordaan.
10 En terstond als hij uit het water opklom, zag hij de hemelen opengaan, en den Geest gelijk
MA. KG US 2,
â 13
|
sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, leerde hij. 22 Ãn zij stonden verslagen over zijne leer; want hij leerde hen als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. 23 En daar was in hunne Synagoge een mensch met eencn onreinen geest, en hij riep uit, 24 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij gelomen om ons te verderven? Tk ken u wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. 25 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga uit van hem. 2G En de onreine geest hem scheurende, en roepende, met eene groote stem, ging uit van hem. 27 En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij hem gehoorzaam zijn! 28 En zijn gerucht ging terstond uit in het geheel omliggende land van Galiléa. 29 En van stonde aan uit de Synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jacobus en Johannes. 30 En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar. 31 En hij tot haur gaande vatte hare hand, en richtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende hen. 32 Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot hem allen die kwalijk gesteld en van den duivel bezeten waren. 33 En de geheele stad was bijéénvergaderd omtrent de deur. 34 En hij genas er velen die door versoheiden ziekten kwalijk gesteld waren, en wierp vele duivelen uit, en liet den duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden. |
35 En 's morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde ging hij uit en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar. 1 36 En Simon en die met hom waren zijn hem nagevolgd. 37 En zij hem gevonden hebbende, zeiden tot hem: Zij zoeken u allen. 38 En hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat ik ook daar predike; want daartoe ben ik uitgegaan. 39 En hij predikte in hunne Synagogen, door geheel^ Gal ilea, en wierp de duivelen uit. 40 En tot hem kwam een me-laatsche, biddende hem en vallende voor hem op de knieën, en tot hem zeggende : Indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. 41 En Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd. 42 En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hij werd gereinigd. 43 En als hij hem strengel ijk verboden had. deed hij hem terstond van zich gaan, 44 en zeide tot hem: Zie dat gij niemand iets zegt; maar ga henen en vertoon uzelven den Priester, en oil er voor uwe reiniging hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 45 Maar hij uitgegaan zijnde begon vele dingen te verkondigen en dat woord te verbreiden alzoo dat hij niet meer openlijk in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen, en zij kwamen tot hem van alle kanten. HOOFDSTUK 2. En na sommiue dagen is hij wederom binnen Kapernaüm gekomen. En het werd gehoord dat hij in huis was; 2 en terstond vergaderden daar velen, alzoo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en hij sprak het Woord tot hen. 3 En daar kwamen sommigen tot hem, brengende eenen ge- |
|
43 MAK zichzelf verdeeld is, zoo kan dat huis niet bestaan; 26 en indien de satan tegen zichzelven opstaat en verdeeld is, zoo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. 27 Daar kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijne^ vaten ontrooven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis be-rooven. 28 Voorwaar, ik zegge u, dat alle de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben; 29 maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geene vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels. 30 Want zij zeiden: Hij heeft eenen onreinen geest. 31 Zoo kwamen dan zijne broeders en zijne moeder, en buiten staande zonden zij tot hem en riepen hem. 32 En de schare zat rondom hem; en zij zeiden tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders daar buiten zoeken u. 33 En hij antwoordde hun, zeggende: Wie is mijne moeder of mijne broeders? 34 En vondom overzien hebbende die óm hem zaten, zeide hij: Zie, mijne moeder en mijne broeders. 35 Want zoo wie den wil Gods doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder. HOOFDSTUK 4. En hij begon wederom te lee-ren omtrent de zee; en daar vergaderde eene groote schare bij hem, alzoo dat hij in het schip gegaan zijnde nederzat op de zee: en de geheele schare was op het land aan de zee. 2 En hij leerde hun vele dingen door gelijkenissen, en hij zeide in zijne leering tot hen: 3 Hoort toe. Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. 4 En het geschiedde in het |
JUS 4. zaaien, dat het ééne deel van het zand viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen en aten het op. 5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had; G maar^ als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had zoo is het verdord. 7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiessen op en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. 8 En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht die opging en wies, en het ééne droeg dertig- en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. 9 En hij zeide tot hen: Wie ooren heelt om te hooien, die hoore. lü En als hij nu alleen was, vraagden hem degenen die omtrent hem waren, met de twaalve, naar de gelijkenis. 11 En hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen die buiten zijn, geschieden alle deze dingen door gelijkenissen, 12 opdat zij ziende zien en niet bemerken, en hoerende hooren en niet verstaan, opdat zij zich niet te eeniger tijd be-keeren en hun de zonden vergeven worden. 13 En hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij alle de gelijkenissen verstaan ? 14 De zaaier is die het Woord zaait. 15 En deze zijn die bij den weg bezaaid worden, waarin het woord gezaaid wordt, en als zij het gehoord hebben, zoo komt de satan terstond en neemt het woord weg hetwelk in hunne harten gezaaid was. 16 En deze zijn desgelijks die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden, welke als zij het woord gehoord hebben, terstond |
|
MAKlt; hetzelve met vreugde outvaugen, 17 en hebben geeneu wortel in zichzelve, maar zijn voor eenen tijd; daarna als verdrukking of vervolging komt om des woorda wille, zoo worden zij terstond geërgerd. 18 En deze zijn die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen die het woord hoeren, 19 en de zorgvuldigheden dezer wereld en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijk!)eden omtrent de andere dingsn inkomende, verstikken het woord, en het wordt onvruchtbaar. 20 En deze zijn die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het woord hooren en aannemen, en dragen vruchten, het ééne dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. 21 En hij zeide tot hen: Komt ook de koars opdat ze onder de korenmaat of onder het bed gezet worde? Js 't niet opdat ze op den kandelaar gezet worde? 22 quot;Want daar is niets verborgen dat niet geopenbaard zal worden, en daar is niets geschied om verborgen te zijn, maar opdat het in 't openbaar zoude komen. 23 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 24 En hij zeide tot hen: Ziet wat gij hoort. Met wat mate gij meet zal u gemeten worden, en u die hoort zal meer toegelegd worden. 25 Want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft. 26 En hij zeide: Alzóó is het Koninkrijk Gods, alsof een mensch het zaad in de aarde wierp, 27 en voorts sliep en opstond, nacht en dag, en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe; 28 want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna^ de aar, daarna het volle koren in de aar. 29 En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sik-) U S 5. 49 |
kei daarin, omdat de oogst daar is. 30 En hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijken? 31 Namelijk bij een mostaardzaad, hetwelk wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van alle de zaden die op de aarde zijn; 32 en wanneer het gezaaid is, gaat het op en wordt het meeste van alle de moeskruiden, en maakt groote takken, alzoo dat de vogelen des hemels onder zijne schaduw kunnen nestelen. S3 En door vele zulke gelijkenissen sprak hij tot hen het Woord, naardat zij het hooren konden; 34 en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet, maar hij verklaarde alles zijnen discipelen in 't bijzonder. 35 Ãn op dien dag, als 't nu avond geworden was, zeide hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. 36 En zij de schare gelaten hebbende, namen hem mede, gelijk hij in het schip was; en daar waren nog andere scheepkens met hem. 37 En daar werd een groote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzoo dat het nu vol werd. 38 En hij was in het achterschip slapende op een oorkussen, en zij wekten hem op en zeiden tot hem: Meester, bekommert het u niet dat wij vergaan? 39 En hij opgewekt zijnde bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil: en de wind ging liggen, en daar werd groote stilte. 40 En bij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? 41 En zij vreesden hem met groote vreeze en zeiden tot elkander: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn? HOOFDSTUK 5. En zij kwamen over op de |
|
50 M A R ( andere zijde der zee, in het land der Gadarenen. 2 En als hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette hem uit de graven een mensch met eonen onreinen geest; 3 dewelke zijne woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen ; 4 want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te tem-men; 5 en hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zich-zelven met steenen. 6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe en aanbad hem; 7 en met eene groote stem roepende, zeide hij : Wat heb ik niet u ie doen, Jezus, gij Zoon Gods des Allerhoogsten ? Ik bezweer u bij God dat gij mij niet pijnigt. 8 (Want hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mensch.) 9 Eu hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio, want wij zijn velen. 10 En hij bad hem zeer, dat hij hen buiten dat land niet wegzond. 11 En aldaar aan de bergen was eene groote kudde zwijnen weidende; 12 en alle de duivelen baden hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. 13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, (daar waren ernu omtrent tweeduizend), en versmoorden in de zee. 14 En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zit/fcs in de stad en op het land; en zij gingen uit om te zien wat het was dat er geschied was. |
ÃS 5. 15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende en gekleed en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd. 16 En die het gezien hadden vertelden hun wat den bezetene geschied was en ook van de zwijnen. 17 En zij begonnen hem te bidden dat hij van hunne landpalen wegging. 18 En als hij in het schip ging, bad hem degene die bezeten was geweest, dat hij met hem mocht zijn. 19 Doch Jezus liet hem dal niet toe, maar zeide tot hem: Ga henen naar uw huis tot do uwen, en boodschap hun wat groote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe hij zich uwer ontfermd heeft. 20 En hij ging henen en begon te verkondigen in 'l land van Decapolis wat groote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen. 21 En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde eene groote schare bij hem; en hij was bij de zee. 22 En zie, daar kwam een van de oversten der Synagoge, met name Jaïrus: en hem ziende viel hij aan zijne voeten, 23 en bad hem zeer, zeggende: Mijn dochterken is in haar uiterste; ik hid u dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven. 24 En hij ging met hem, en eene groote schare volgde hem, en zij verdrongen hem. 25 En eene zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, 26 en ^eel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was, 27 deze van Jezus hoerende, kwam onder de schare van |
MARCUS 6.
51
|
achtereu, on raakte zijn kleed aan; 28 want zij zeide: Indien ik maar zijne kleederen mag aanraken, ik zal gezond worden. 29 En terstond ia de fontein baars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was. 30 En terstond Jezus bekennende in zichzelven de kracht die van hem uitgegaan was, keerde zich om in de schare, en zeide: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt ? 31 En zijne discipelen zeiden tot hem: Gij ziet dat de schare u verdringt, en zegt gij: Wie heeft mij aangeraakt? 32 En hij zag rondom, om haar te zien die dat gedaan had. 33 En de vrouw vreezende en bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor hem neder, en zeide hein al de waarheid. 34 En hij zeide tot haar ; Dochter, nw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede, en wees genezen van deze uwe kwaal. 35 Terwijl hij nog sprak, kwamen eenigen van het huis van den overste der synagoge, zeggende: Uwe dochter is gestorven, wat zijt gij den Meester nog moeie- 36 En Jezus terstond gehoord hebbende het woord dat er gesproken werd, zeide tot den overste der Synagoge: Vrees niet, geloof alleenlijk. 37 En hij liet niemand toe hem te volgen dan Petrus, en Jacobus, en Johannes, den broeder van Jacobus; 38 en kwam in het huis van den overste der Synagoge,_en zag de beroerte en degenen die zeer weenden en huilden; 39 en ingegaan zijnde zeide hij tot hen : Wat maakt gij beroerte en wat weent gij ? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. 40 En zij belachten hem; maar hij, als hij ze allen had uitgedreven, nam bij zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met hem waren, en ging binnen waar het kind lag. |
41 En hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi, 't welk is overgezet zijnde: Gij dochterken, (ik zegge u) sta op. 42 En terstond stond het dochterken op en wandelde; want het was twaalf jaren oud; enzijont-zetteden zich met groote ontzetting. 43 En hij gebood hun zeer dat niemand dat zoude weten, en zeide dat men haar zoude te eten geven. HOOFDSTUK 6. En hij ging vandaar weg. en kwam in zijn vaderland, en zijne discipelen volgden hem. 2 En als het sabbat geworden was, begon hij in de Synagoge te leeren; en velen die hem hoorden ontzetteden zich, zeggende: Van waar komen dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit die hem gegeven is, dat ook zulke krachten door zijne handen geschieden ? 3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jacobus en Joses,en van Judas en Simon? En zijn zijne zusters niet hier bij ons ? En zij werden aan hem geërgerd. 4 En Jezus zeide tot hen: Een Profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijne magen en in zijn huis. 5 En hij kon aldaar geene kracht doen; dan hij leide weinigen zieken de handen op en genas ze. 6 En hij verwonderde zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, leerende. 7 En hij riap tot zich de twaalve, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten; 8 en hij gebood hun dat zij niets zouden nemen tot den weg dan alleen eenen staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel; 9 maar dat ze schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn. |
MARCUS G.
52
|
10 Eu hij zeide tot lien: Zoo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar totdat gij vandaar uitgaat. 11 En zoo wie u niet zullen ontvangen noch u hooren, vertrekkende vandaar schudt het stof af dat onderaan uwe voeten is, hun tot een getuigenis. Voor-waar zeg ik n, het zal Sodom of Gomorra verdraaglijker zijn in don dag des oordeels dan die stad. 12 En uitgegaan zijnde predikten zij dat zij zich zouden be-keeren; 13 en zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele krankenmet olio, en maakten ze gezond. 14 En de Koning Herodes hoorde liet (want zijn naam was openbaar geworden) en zeide: Johannes die doopte is van de dooden opgewekt, en daarom werken die krachten in hem; 15 anderen zeiden: Hij isElia; en anderen zeiden; Hij is een Profeet, of als een der Profeten. l(j Maar als Herodes het hoorde, zeide hij : Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de dooden opgewekt. 17 Want deze Herodes eenigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias de huisvrouw van zijnen broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had; 18 want Johan nes zeide tot He-rodes: Het is niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben. 19 En Herodias leide op hem toe en wilde hem dooden, en kun niet; 20 want Herodea vreesde Johannes, wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne. 21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes op den dag zijner geboorte een maaltijd aanrichtte voor zijne grooten en de oversten over duizend en do voornaarasteii van Galiléa; |
22 en als de dochter van dezo Herodias inkwam en danste, en Herodes en degenen die mede-aanzaten behaagde, zoo zeide de Koning tot het dochterken: Eisch van mij wat gij ook wilt, en ik zal hot u geven; 23 en hij zwoer haar: Zoo wat gij van mij zult eischen zal ik geven, ook tot de helft mijns ko-ninkrijks. 24 En zij uitgegaan zijnde zeide tot hare moeder: Wat zal ik eischen ? En die zeide: Het hoofd van Johannes denDooper. 25 En zij terstond met haast ingaande tot den Koning, heeft het geëischt, zeggende: Ik wil dat gij mij nu terstond in een schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooper. 26 En de Koning zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om do eeden en degenen die medeaan-zaten, wilde hij haar 't zelve uiel afslaan; 27 en de Koning zond terstond eenen scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging henen en onthoofde hem in de gevangenis, 28 en bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf 't zelve het dochterken, en het dochterken gaf *t zelve harer moeder. 29 En als zijne discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en leiden dat in een graf. 30 En de Apostelen kwamen loeder te zamen tot Jezus, en boodschapnen hem alles, beide wat zij gedaan hadden en wat zij geleerd hadden. 31 En hij zeide tot hen: Komt gijlieden in eene woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want daar waren velen die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. 32 En zij vertrokken in een schip naar eene woeste plaats alleen. 33 En de scharen zagen ze henen varen, en velen werden hem |
MABCTTS 7.
fS3
|
kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun vóór, en gingen te zamen tot hem. 34 En Jezua uitgaande zag eene groote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, want zij waren als schapen die geenon herder hebben; en hij begon hun vele dingen te leeren. 35 En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen zijne discipelen tot hem en zeiden ⢠Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag: 36 laat ze van u, opdat ze henengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden voor zichzelve mogen koopen; want zij hebben niet wat zij eten zullen. 37 Maar hij antwoordende zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot hem: Zullen wij henengaan en koopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven? 38 En hij zeide tot hen: Hoeveel brooden hebt gij ? Gaat honen en beziet het. En toen zij liet vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee visschen. 39 Ãn hij gebood hun dat zij ze allen zouden doen nederzitten bij gezelschappen op het groene gras. 40 En zij zaten neder in gedeelten, bij honderd te zamen en bij vijftig te zamen. 41 En als hij de vijf brooden en de twee visschen genomen had, zag bij op naar den hemel, zegende, en brak de brooden, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen : en de twee visschen, deeldo hij voor allen. 42 En zij aten allen, en aijn verzadigd geworden; 43 en zij namen óp twaalf volle korven brokken, en van de visschen. 44 En die de brooden gegeten hadden waren omtrent vijfduizend mannen. 45^ En terstond dwong hij zijne discipelen in het schip te gaan. |
en vóór henen te varen naar de andere zijde tegenover Bethsaïda, terwijl hij de schare van zich zoude laten. 46 En als hij denzelven hun afscheid gegeven had, ging hij op den berg om te bidden. 47 En als het nu avond was geworden, zoo was het schip in 't midden van de zee, en hij was alleen op het land. 48 En hij zag dat zij zich zeer pijnigden om 't schip voort te krijgen (want de wind was hun tegen); en omtrent de vienle nachtwake kwam hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. 49 En zij ziende hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer; 50 want zij zagen hem allen, en werden ontroerd. En terstond sprak hij met hen, en zeide tot hen : Zijt welgemoed, ik ben het, vreest niet. 51 En hij klom tot hen in 't schip, en do wind stilde; en zij ontzetteden zich bovenmate zeer in zichzelve. en waren verwonderd. 52 Want zij hadden niet pelet on het iconder der brooden ; want hun hart was verhard. 53 En als zij overgevaren waren, kwamen zij in 't land Gen-nésareth, en havenden aldaar. 54 En als zij uit het schip gegaan waren, werden zij terstond hem kennende. 55 En het geheele omliggende land doorloopende, begonnen zij op beddekens degenen die kwalijk gesteld waren om te dragen, ter plaatse waar zij hoorden dat hij was. 56 En zoo waar hij kwam, in vlekken of steden of dorpen, daar leiden zij de kranken op de markten, en baden hem dat zij maar den zoom zijns kleeds aanraken mochten : en zoovelen als er hem aanraakten werdeu gezond. HOOFDSTUK 7. En tot hem vergaderden de Fa- |
|
54 MAR1 rizeêrs en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren: 2 en ziende dat sommigen van zijne discipelen met onreine, dat is met ongewasschen handen brood aten, berispten zij hen. 3 Want de Farizeërs en alle de Joden eten niet tenzij^ dat zij eerst de handen dikwijls was-schen, houdende de inzetting der ouden; 4 en van de markt hom en de eten zij niet tenzij dat ze eerst gewasschen zijn; en vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben te houden, name-lijlc de wasschingen der drinkbekers en kannen en koperen vaten en bedden. 5 Daarna vraagden hem de Farizeërs en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen uwe discipelen niet meer naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewasschen henden? 6 Maar hij antwoordde en zei-de tot hen: Wel heeftJesajavan u geveinsden geprofeteerd, gelijk geschreven^ is : Dit volk eert mij met de^ lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij ; 7 doch tevergeefs eeren zij mij, leerende leerlingen die geboden zijn der menschen; 8 want nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen, namelijk wasschingen der kannen en drinkbekers, en andere dergelijke dingen doet gij vele. 9 En hij zeide tot hen: Gij doet zelcer Gods gebod wel te niet, opdat gij uwe inzetting zoudt onderhouden. 10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uwen vader en uwe moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 11 Maar gijlieden zegt: Zoo een mensch tot vader of moeder zegt: Eet is korban, (dat is te zegyen, een gave), zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, die voldoet; 12 en gij laat hem niet meer toe iets aan zijnen vader af zijne moeder te doen, |
US 7. 13 makende alzoó GodsWoord krachteloos door uwe inzetting die gij ingezet hebt; en dergelijke dingen doet gij vele. 14 En tot zich de gansche schare geroepen hebbende, zeide hij tot hen : Hoort mij allen en verstaat: 15 daar is niets van buiten den mensch in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen: maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het welke den mensch ontreinigen. 16 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 17 En toen hij van de schare in huis gekomen was, vraagden hem zijne discipelen van de gelijkenis. 18 En hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzóó onwetend ? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mensch ingaat hem niet kan ontreinigen ? 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende alle de spijzen, 20 En hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mensch, dat ontreinigt den mensch. 21 Want van binnen uit het hart der menschen komen voort kwade^ gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, 22 dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand: 23 alle deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch. 24 En van daar opstaande ging hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde hij niet dat het iemand wist, en hij kon nochtans niet verborgen zijn. 25 Want eene vrouw, welker dochterken eenen onreineu geest had, van hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan zijne voeten. 26 Deze nu was eene Grieksche vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicië ^ en zij bad hem dat hij den duivel uitwierp uit hare dochter. |
MARCUS 8.
55
|
27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden: want het is niet betamelijk, dat men het brood der kinderen neme en den hondekens yoorwerpe. 28 Maar zij antwoordde en zei-de tot hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen. 29 En hij zeide tot haar: Om dezes woords wille ga henen: de duivel is uit uwe dochter uitge-gevaren. 30 En als zij in haar huis kwam, vond zij dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed. 31 En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galiléa, door het midden der landpalen van Decapolis. 32 En zij brachten tot hem eenen doove, die zwaarlijk sprak, en baden hem dat hij de Land op hem leide. 33 Eu hem van de schare alléén genomen hebbende, stak hij zijne vingeren in zijne ooren, en gespuwd hebbende raakte hij zijne tong aan; 34 en opwaarts ziendenaarden hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem: EtFatha, dat is word geopend. 35 En terstond werden zijne ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht. 3G En hij gebood hun dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij het des te meer. 37 En zij ontzetteden zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en hij maakt dat de dooven hooren en de stommen spreken. HOOFDSTUK 8. In diezelfde dagen, als ereene zeer groot© schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en zeide tot hen: 2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare. |
want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden ;f 3 en indien ik ze nuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. 4 En zijne discipelen antwoordden hem: Vanwaar zal iemand deze met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen ? 5 En hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij? En zij zeiden: Zeven. 6 En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde. En hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende brak hij ze, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze der schare voor. 7 En zij hadden weinige visch-kens; en als hij gezegend had, zeide hij dat zij ook die zouden voorleggen. 8 En zij hebben gegeten en zijn verzadigd geworden; en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. 9 Die nu gegeten hadden waren omtrent vierduizend; en hij liet ze gaan. 10 En terstond in het schip gegaan zijnde met zijne discipelen, is hij gekomen in dedeelen van Dalmanutha. 11 En de Farizeërs gingen uit en begonnen met hem te twisten, begeerende van hem een teeken van den hemel, hem verzoekende. 12 En hij zwaarlijk zuchtende in zijnen geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teeken? Voorwaar ik zeg u, zoo aan dit geslacht een teeken gegeven zal worden! 13 En hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde voer hij weg naar de andere zijde. 14 En zijne discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan één brood met zich in het schip. 15 En hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdeesem der Farizeërs en van den zuurdeesem van Herodes. |
|
m ai a Ti ( 16 Eu zij overJeiden onder elkander, zeggende: IJ el is omdat wij geen brooden hebben. 17 En Jezxis dat bekennende, zeide tot heo : Wat overlegt gij dat gij geen quot;brooden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet? hebt gij nog uw verhard hart? 18 Oogcn hebbende ziet gij niet, _ en ooren hebbende hoort gij niet? 19 En gedenlU gij niet, toen ik de vijf brooden brak onder de vijfduizendmannen,hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen bem; Twaalf. 20 En toen ik de zeven brak onder de vierduizend mannen, hoeveel volle maucleu met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven. 21 En hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet? 22 En hij kwam te Bethsaïda; en zij brachten tot hem eenen blinde, en bmlen hem dat hij hem aanraakte. 23 En de hand des blinden genomen hebben de, leidde hij hem uit buiten het vlek, en spuwde in zijne oogen. en leide de handen op hem, en vraagde hem of Lij iets zag. 24 En hij opziende zeide: Tk zie de menschen; want ik zie ze als boomen, wandelen. 25 Daarna leide hij de handen wederom op zijne oogen, endeed hem opzien; en hij werd hersteld, en zag ze allen, ver en klaar. 26 En hij zond hem naar zijn huis, zeggende : Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek. 27 En Jezus ging nit en zijne discipelen nnar de vlekken van Cesaréa Filippi ; en op den weg vraagde hij zijne discipelen, zeggende tot hen : quot;Wie zeggen de menschen dat ik: ben ? 28 En zij antwoordden: Johannes de Dooper; en anderen: Elia; en anderen: Een van de Profeten. 29 En hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben? |
US 9. En Petrus antwoordende zeidt tot hem: Gij zijt de Christus. 30 En hij gebood hun scherpe-lijk, dat zij 't niemand zouden zeggen van hem. 31 En hij begon hun teleeren, dat de Zoon des menschen veel moest lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en Ov^r-priesters en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen weder opstaan; 32 en dit woord sprak hij vrij uit. En Petrus bem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen. 33 Maar hij zich omkeerende en zijne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga henen achter mij, satan; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 34 En tot zich geroepen hebbende de schare met zijne discipelen, zeide hg tot hen: Zoo wie achter mij wil komen, die ver-loochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij. 35 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal 'tzelve verliezen: maar zoo wie zijn leven zal verliezen om mijnentwille en om des Evangelies wille, die zal *t zelve behouden. 36 Want wat zoude het den mensch baten, zoo hij degeheele wereld won en zijner ziele schade leed ? 37 Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel? 38 Want zoo wie zichmijnsen mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des it enschen óók schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige Engelen HOOFDSTUK 9. En hij zeide tot hen: Voorwaar ik zeg ii, dat er sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is. |
|
MARC 2 En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en bracht ze opeenen hoogen berg bezijden alleen. En hij werd voor hen van gedaante veranderd; 3 en zijne kleederen werden blinkende, zeer wit ala sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zóó wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elia met Mozes, en zij spraken met Jezus. 5 En Petrus antwoordende zei-de tot Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en voor Elia eenen. 6 Want hij wist niet wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd. 7 En daar kwam een wolk die ze overschaduwde, en eer e stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon: hoort hem. 8 En baastelijk rondom ziende, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen bij zich. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hij hun dat zij niemand verhalen zouden li et-geen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mcnschen uit de dooden zoude opgestaan zijn. 10 En zij behielden dit woord bn zichzelven, vragende onder elkander wat het was, uit de dooden opstaan ? 11 En zij vraagden hem, zeggende : Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat Elia eerst komen moet ? 12 En hij antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen en alles weder oprichten; en het zal geschieden gelijk geschreven is van den Zoon des menschen, dat hij veel lijden zal en veracht worden. 13 Maar ik zeg u dat ook Elia gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is. 14 En als hij bij de discipelen gekomen was, zag hij eenegroote |
US 9. 57 schare rondom hen, en een ine Schriftgeleerden met hen twistende, 15 En terstond de geheel e schare hem ziende werd verbaasd, en toeloopende groetten zij hem. 16 En hij vraagde de Schriftgeleerden: Wat twist gij met deze ? 17 En een uit de schare antwoordende zeide: Meester, ik heb mijnen zoon tot u gebracht, die een stommen geest heeft; 18 en waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden e7i verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. 19 En hij antwoordde hem en zeide: O ongeloovig geslacht, hoe lang zal ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen ? Brengt hem tot mij. 20 En zij brachten denzei ven tot hem; en als hij hem zag, scheurde hem terstond de geest: en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. 21 En hij vraagde zijnen vader: Hoe langen tijd is het dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Yan zijne kindsheid af; 22 en menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons. 23 En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengenen die gelooft. 24 En terstond de vader des kinds roepende met tranen zeide: Ik geloof, Heere, kom mijner ongeloovigheid te hulp. 25 En Jezus ziende dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem : Gij stomme en doove geest, ik beveel u, ga uit van hem en kom niet meer in hem. 26 En hij roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en hel hind werd als dood, al zoo dni |
MARCUS 10.
CS
|
velen zeiden dat liet gestorven â was. 27 En Jezus hem bij de hand grijpende, richtte hem op, en hij stond op. 28 En als hij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alleen; Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen ? 29 En hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten. 80 En vandaar weggaande, reisden zij door Galiléa, en hij wilde niet dat het iemand wist; want hij leerde zijne discipelen en zeide tot hen: De Zoon des menpchen zal overgeleverd worden in de banden der menschen, en zij zullen hem dooden, en gedood zijnde zal hij ten derden dage weder opstaan. 32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden hem te vragen. 33 En hij kwam te Kapernaüm, en in het huis gekomen zijnde, vraagde hij hun: quot;Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg? 34 Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zoude zijn. 35 En nedergezeten zijnde riep hij de twaalve, en zeide tot hen: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar. 36 En nemende een kindeken, stelde hij dat midden onderhen, en omving het met zijne armen, en zeide tot hen : 37 Zoo wie één van zoodanige kinderkens zal ontvangen in mijnen naam, die ontvangt mij; en zoo wie mij zal ontvangen, die ontvangt mij niet, maar dien die mij gezonden heeft. 38 En Johannes antwoordde hem, zeggende: Meester, wij hebben eenen _ gezien die de duivelen uitwierp in uwen naam, welke ons niet. volgt; en wij hebben 't hem verboden, omdat hij ons niet volgt. |
39 Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want daar is niemand die eene kracht doen zal in mijnen naam, en haastelijk van mij zal kunnen kwalijk spreken. 40 Want wie tégen ons niet is, die is vóór ons. 41 Want zoo wie ulieden eenen beker water te drinken zal geven in mijnen naam, omdat gij discipelen van Christus zijt, voorwaar zegge ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. 42 En zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem beter dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware. 43 En indien uwe hand u ergert, houw ze af: het is u beter verminkt tot het leven in te gaan dan de twee handen hebbende henen te gaan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur, 44 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 45 En indien uw voet u ergert, houw hem af: het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende geworpen te worden in de hel, in het onuitblusschelijk vuur, 46 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 47 En indien uw oog u ergert, werp het uit: het is u beter maar één oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee oogen hebbende in het helsche vuur geworpen te worden, 48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. 50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelve, en houdt vrede onder elkander. HOOFDSTUK 10. En van daar opgestaan zijnde, ging hij namp;ar de landpalen var» Judéa, door de overzijde van |
MARCUS 10.
59
|
f den Joidaan ; en de scharen kwamen wederom te zamen bij hein, en gelijk hij gewoon was, leerde hij ze wederom. 2 En de Farizeërs tot hem komende, vraagden hem, of het een man geoorloofd is zijne vrouw te verlaten, hem verzoekende. 3 Maar hij antwoordende zeide tot hen: Wat heeft u Mozes gebodent 4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten, eenen scheidbrief te schrijven en haar te verlaten.^ 5 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven; (i maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt. 7 Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, 8 en die twee zullen tot één vleesch zijn: alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. 9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet. 10 En in het huis vraagden hem zijne discipelen wederom van hetzelve. 11 En hij zeide tot hen: Zoo wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel tegen haar. 12 En indien eene vrouw haren man zal verlaten en met een ander trouwen, die doet overspel. 13 En zij brachten kinderkens tot hem, opdat hij ze aanraken zoude; en de discipelen bestraften degenen die ze tot hem brachren. 14 Maar Jezus dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. 15 Voorwaar zeg ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. 10 Eu hij omving ze met zijne armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende hij dezelve. |
17 En als hij uitging op den weg, liep een tot hem, en voor hem op de knieën vallende, vraagde hem: Goede meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? 18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God. 19 Gij weet do geboden: gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis geven; gij zult niemand tekort doen ; eer uwen vader en uwe moeder. 20 Doch zeide tot hij antwoordende hem: _ Meester, alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af. 21 En Jezus hem aanziende beminde hem, en zeide tot hem; Eén ding ontbreekt u: ga henen, verkoop alles wat gij hebt en geef den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij. 22 Maar hij treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus rondom ziende, zeide tot zijne discipelen: Hoe bezwaarlijk zuMeu degenen die goed hebben in het Koninkrijk Gods inkomen.^ 24 En de discipelen werden verbaasd over deze zijne woorden. Blaar Jezus wederom antwoordende zeide tot hen : Kinderen, hoe zwaar is 't, dat degenen die op het goed hun betrouwen zetten in 't Koninkrijk Gods ingaan : 25 het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. 26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden? 27 Doch Jezus hen aanziende, zeide: Bij de menslt;-hen is 't onmogelijk, maar niet bij God; |
MARCUS 10.
60
|
want alle dingen zijn mogelijk bij God. 28 En Petrus begon tot Lem te zeggen; Zie, wij hebben alles verlaten en ziju u gevolgd. 29 En Jezus antwoordende zeide: Voorwaar zegge ik ulieden, daar is _ niemand die verlaten heeft huis, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, om mijnentwille en des Evangelies wille, 30 of hij ^ ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd huizen, en broeders en zusters, en moeders en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. 31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen die de laateten zijn de eersten. 32 En zii waren op den weg, opgaande naar Jeruzalem, en Jezus ging vóór hen; en zij waren verbaasd, en hem volgende waren zij bevreesd. En do twaalve wederom tot zich nemende, begon hij hun te zeggen dedingen die hem overkomen zouden, 33 zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den Overpriesteren en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en hem den heidenen overleveren; 34 en zij zullen hem bespotten, en hem geeselen, en hem bespuwen, en hem dooden; en ten derden dage zal hij weder opstaan. 35 En tot hem kwamen Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zeggende: Meester, wij wilden we/ dat gij ons deedt zoo wat wij begeeren zullen. 36 En hij zeide tot hen: Wat wilt gij dat ik u doo? 37 En zij zeiden tot hem: Geef ons dat wij mogen zitten de één aan uwe rechterband en de ander aan uwe Imker/tand in uwe heerlijkheid. 38 Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken dien ik drink, en met den dood gedoopt worden waar ik mede gedoopt word? |
39 En zii zeiden tot hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker dien ik drinke zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden waar ik mede gedoopt word; 40 maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne linker/mncZ staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is. 41 En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jacobus en Johannes zeer kwalijk te nemen. 42 Maar Jezus hen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet dat degenen die geacht worden oversten te zijn der volkeren, heerschappij voeren oyer hen, en hunne grooten gebruiken macht over hen. 43 Doch alzóó zal 't onder u niet zijn; maar zoo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn; 44 en zoo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn. 45 Want ook de Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. 46 En zij kwamen te Jericho. En als hij en zijne discipelenen eene groote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs de blinde, aan den weg, bedelende. 47 En hoerende dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner. 48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zooveel te meer: Gij Zone Davids, ontferm u mijner. 49 En Jezus siiistaande zeide dat men hem roepen zoude; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed, sta op, hij roept u. 50 En hij zijnen mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus. |
MARCUS 11.
61
|
51 En Jezus ^ antwoordendo zeido tot hem: Wat ^vilt gij dat ik tl doen zal ? En de blinde zeide tot hem: Kabboni, dat ik ziende mag worden. 52 En Jezus zeide tot hem: Ga henen, uw geloof haeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg. HOOFDSTUK 11. En toen zij Jeruzalem genaakten, te Bethfagé en Bethanië aan den Olijfberg, zond hij twee van zijne^ discipelen uit, 2 en zeide tot hen: Gaat henen in het vlek dat tegen u over is, en terstond als gij in 't zelve komt, zult gij vinden een veulen gebondeD, op hetwelk geon mensch gezeten heeft: ontbindt het en brengt het. 3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? z:)0 zegt dat de Heere hetzelve van noode heeft, en hij zal het terstond herwnarts zendon. 4 En zij gingen henen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve. 5 En sommigen van degenen die aldaar stonden zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt? 6 Doch zij zeiden tot hen gelijk Jezus oevolen had; en zij lieten ze gaan. 7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hunne kleederen daarop; en hij zat op hetzelve. 8 En velen spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen en spreidden ze op den weg. 9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is hij die komt in de name des Heerenl 10 Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, 't welk komt in den naam des Heeren I Hosanna in do hoogste hemelenl 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den Tempel; en als hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging hij uit naar Bethanië met de twaaive. |
12 En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde hem. 13 En ziende van verre eenen vijgeboom die bladeren had, ging hij om te zien of hij ook iets op denzelve zoude vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond hij niets dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet. 14 En Jezus antwoordende zeide tot denzelve: Niemand ete eenige vrucht meer van u in der eeuwigheid. En zijne discipelen hoorden het. 15 En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus in den Tempel gegaan zijnde, begon degenen die in den Tempel verkochten en kochten uit te drij ven, en de tafels der wisselaars en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten keerde hij om, 16 en liet niet toe dat iemand eenig vat door den Tempel droeg; 17 en hij leerde, zeggende tot hen : Is er niet geschreven : Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken ? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt. 18 En do Schriftgeleerden en de Overpriesters hoorden dat, en zochten hoe zij hem dooden zouden; want zij vreesden hem, omdat de gansche schare ontzet was over zijne leer. 19 En als het nu laat geworden was, ging hij uit buiten de stad. 20 En des morgen s vroeg voorbijgaande, zagen zij dat de vijgeboom verdord was van de wortels af. 21 En Petrus zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot hem: Ivabbi, zie, de vijgeboom dien gij vervloekt hebt is verdord. 22 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Hebt geloof op God. 23 Want voorwaar zeg ik u, dat zoo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal |
MARCUS 12.
0*2
|
gelooyen dat hetgeen hij zegt geschieden zal, het zal hem geworden zoo wat hij zegt. 24 Daarom zeg ik u, alle dingen die gij biddende begeert, gelooft dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. 25 En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft indien gij ieta hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader die in de hemelen is ulieden uwe miedaden vergeve. 26 Maar indien gij niet^ vergeeft, zoo zal uw Vader die in de hemelen is ook uwe misdaden niet vergeven, 27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als hij in den Tempel wandelde, kwamen tot hem de Overpriesters en de Schriftgeleerden en de Ouderlingen, 28 en zeiden tot hem: Door wat macht doet gij deze dingen, en wie heeft u deze macht gegeven, dat gij deze dingen doen zondt. 29 Maar Jezus antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen: _ antwoordt mij ook, en zoo zal ik u zeggen door wat macht ik deze dingen doe: 30 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de menschen? Antwoordt mij. lil En zij overleiden onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? 32 Maar indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo vreezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een Profeet was. 33 En antwoordende zeiden zij tot Jezus; Wij weten 't niet. En Jezus antwoordende zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door wat macht ik deze dingen doe. HOOFDSTUK 12. En hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een inensch plantte eenen wijngaard, en zette eenen tuin daarom, en groef eenen wijnpersbak, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands. |
2 En als het de tijd was, zond hij eenen dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards; 3 maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig henen. 4 En hij zond wederom eenen anderen dienstknecht tot hen, en dien steenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde. 5 En wederom zond hij eenen anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden. 6 Als hij dan nog éénen zoon had, die hem lief was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijnen zoon ontzien. 7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam ; komt, laat ons hem dooden, en de erfenis zal onze zijn. 8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit buiten den wijngaard. 9 Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven. 10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; 11 van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen? 12 En zij zochten hem te vangen, maar zij vreeaden de schare; want zij verstonden dat hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten hem en gingen weg. 13 En zij zonden tot hem eenigen der Farizeërs en der Herodianen, opdat zij hem in zyne rede vangen zouden. 14 Deze nu kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en naar nie- |
|
MARC mand vraagt; want gij ziet den persoon der mensclieii niet aan, maar gij leert den weg Gods in der waarheid: is het geoorloofd den ^ Keizer schatting te geven of niet? Zullen wij geven of niet geven ? 15 En hij wetende hunne geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij? Brengt mij eenen penning, dat ik hem zie. 16 En zij brachten eenen. En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tot hem: Des Keizers. 17 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Geeft dan den Keizer dat des Keizers ia, en Gode dat Gods is. En zij verwonderden zich over hem. 18 En de Sadduceërs kwamen tot hem, welke zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem zeggende: 19 Meester, Mozes heeft ons geschreven, indien iemands broeder sterft, en eene vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijnen broeder zaad verwekken. 20 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en stervende liet geen zaad na. 21 De tweede nam haar óók, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na, en de derde desgelijks ; 22 en alle de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na. De laatste van allen is ook de vrouw gestorven. 23 Iii de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij zijn van deze? want die zeven hebben haar tot eene vrouw gehad. 24 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom dat gij de Schriften niet weet noch de kracht Gods ? 25 Want als zij uit de dooden zullen opgestaan zijn, zoo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk Engelen die in de hemelen zijn. 26 Doch aangaande de dooden. |
ÃS 12. 63 dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornbosch tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams en de God Isailks en de God Jakobs? 27 God is niet een God der dooden maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer. 28 En een der Schriftgeleerden, hoorende dat zij te zamen in woorden waren, en wetende dat hij hun wel geantwoord had, kwam tot hem en vraagde hem: Welk is het eerste gebod van alle? 29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle do geboden is: Hoor Israël, de Heere onze God is een éénig Heer; 30 en gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw verstand en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod. 31 En het tweede hieraan gelijk, is dit: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Daar is geen ander gebod grooter dan deze. 32 En de Schriftgeleerde zeide tot hem: Meester, gij hebt wel in waarheid gezegd, dat er een éénig God is, en daar is geen ander dan hij; 33 en hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel do kracht, en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan alle de brandofferen en de slachtofferen. 34 En Jezus ziende dat hij verstandiglijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde hem meer vragen. 35 En Jezus _ antwoordde en zeide, leerende in den Tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een zoon Davids is? 36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter- |
MARCUS 13.
64
|
hand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 37 David dan zelf noemt hem zijnen Heer, en hoe is hij zijn zoon ? En de menigte der schare hoorde hem gaarne. 38 En hij zeide tot hen in zijne leer: Wacht n voor de Schriftgeleerden, die gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn op de markten, 39 en de voorgestoelten hc.hhen in de Synagogen, en de vooraan-zittingen bij de maaltijden; 40 welke de huizen der weduwen opeten, en dat ouder den schijn van lang te bidden: deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. 41 En Jezus gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. 42 En daar kwam eene arrne weduwe, die wierp twee kleine penningen daarin, hetwelk is een oort. 43 En Jezus zijne discipelen tot zich geroeuen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben ; 44 want zij allen hebben van hunnen overvloed daarin geworpen, maar déze heeft van haar gebrek al wat zij had daarin geworpen, haren ganechen leeftocht. HOOFDSTUK 13. En als hij uit den Tempel ging, zeide een van zijne discipelen tot hem: Meester, zie, hoe-danige steenen en hoedanige gebouwen ! 2 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ziet gij deze groote gebouwen? Daar zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den Tempel over, vraagden hem Petrus en |
Jacobus en Johannes en Andreas alleen: 4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teeken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden? 5 En Jezus hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe dat u niemand verleide; 6 want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en zullen velen verleiden. 7 En wanneer gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen, zoo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden, maar nog is het einde niet. 8 Want het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en daar zullen aardbevingen zijn in verscheiden plaatsen, en daar zullen hongers-nooden wezen en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten. 9 Maar ziet gij voor uzelve toe; want zij zullen u overleve-veren in de raadsvergaderingen en in de Synagogen; gij zult geslagen worden, en voor Stadhouders en Koningen zult gij gesteld worden om mijnentwille, hun tot een getuigenis. 10 En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder allo de volken. 11 Doch wanneer zij u leiden zullen om u over te leveren,zoo zijt te voren niet bezorgd wat gij spreken zult, en bedenkt het niet, maar zoo wat u in die ure gegeven zal worden, dat spreekt: want gij zijt het niet die spreekt, maar de Heilige Geest. 12 En de ééne broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen ds ouders, en zullen ze dooden. 13 En gij zult gehaat worden van allen om mijns naams wille; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. 14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, |
MARCUS 14.
ti5
|
wanrYan door den Profeet Daniël gesproken ie, staande waar het niet behoort, (wie het leest, die merke daarop), alsdan die in Jndca zijn, dat ze vlieden op de bergen; 15 en die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in oiü iets uit zijn huis weg te nemen; 16 en die op den akker is, keere niet weder terug om zijn kleed te nemen. 17 Maar wee den bevruchten en den zoogenden vrouwen in die dagen. 18 Doch bidt dat uwe vlucht niet geschiede des winters 19 want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal. 20 En indien de Hesre de dagen niet verkort had, geen vleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wille, die hij heeft uitverkoren, heeft hij de dagen verkort. 21 En alsdan zoo iemand tot ulieden e zal zeggen: Zie hier ia de Christus, of zie hij is daar, gelooft het niet. 22 Want er zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan, en zullen teekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen. 23 Maar gijlieden, ziet toe: zie, ik heb u alles voorzegd. 24 Maai* in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, 25 en de sterren des hemels zullen daaruit gt; vallen, en de krachten die in de hemelen zijn zullen bewogen worden. 26 En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien, komende in de wolken met groote kracht en heerlijkheid. 27 En alsdan zal hij zijne Engelen uitzenden, en zal zijne 1 uitverkorenen bij éénvergaderen ! uit de vier winden, van het ' uiterste der aarde tot het uiterste des hemels. |
28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer nu zijn tak teer wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat do zomer nabij is: 29 alzoó ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zoo weet dat het nabij voor de deur is. 30 Voorwaar ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan totdat allo deze dingen zullen geschied zijn. 31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. 32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de Engelen die in den hemel zijn, noch do Zoon, dan de Vader. 33 Ziet toe, waakt en bidt, want gij weet niet wanneer de tijd is. 34 Gelijk een mensch buitenslands reir.ende zijn huis verliet, en zijne dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood dat hij zoude waken: 35 zoo waakt dan, (want gij weet niet wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond), 36 opdat hij niet onvoorziens kome en u slapende vinde. 37 En hetgeen ik ü zegge, dat zegge ik allen: waakt. HOOFDSTUK 14. En het Pascha en het feest der ongehevelde hrooden was na twee dagen; en de O verpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij hem met listigheid vangen en dooden zouden. 2 Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde. 3 En als hij te Bethanië was in het huis van Simon den me-laatscho, daar hij aan tafel zat, kwam eene vrouw hebbende een albasten llesch met zalf van on- 3 |
MARCUS 14.
|
vervalschte narclns van grooten prijs; en de albasten flesch gebroken hebbende, goot die op zijn hoofd. 4 En daar waren sommigen die dat zeer kwalijk namen bij zich-zelve, en zeiden: quot;Waartoe is dit verlies der zalf geschied? 5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar. 6 Maar Jezus zeide; Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gewrocht. 7 Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt kunt gij hun weldoen; maar mij hebt gij niet altijd. 8 Zij heeft gedaan 't geen zij konde; zij is voorgekomen om mijn lichaam te zalven, tot eene voorbereiding ter begrafenis. 9 Voorwaar zegge ik u, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van 't geen zij gedaan heeft. 10 En Judas Iskariot, een van de twaalve, ging henen tot de Overpriesters, opdat hij hem hun zoude overleveren. 11 En zij dat hoorende waren verblijd en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij hem bekwamelij k zoude overleveren. 12 En op den eersten dag der ongehevelde hrooden, wanneer zij het Pascha slachtten, zeiden zijne discipelen tot hem: Waar wilt gij dat wij henengaan en bereiden, dat gij het Pascha eet ? 13 En hij zond twee van zijne discipelen uit, en zeide tot hen; Gaat henen in de stad, en u zal een mensch ontmoeten, dragende eene kruik water: volgt dien; 14 en zoo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal? 15 En hij zal u wijzen eene groote opperzaal, toegerust en gereed: bereidt het ons aldaar, |
16 En zijne discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha. 17 En als het avond geworden was, kwam hij met de twaalve. 18 En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar ik zeg u dat een van u, die met mij eet, mij zal verraden. 19 En zij begonnen bedroefd te worden en de één na den ander tot hem te zeggen: Ben ik *t? en een ander: Ben ik 't? 20 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: 't Is een uit de twaalve, die met mij in den schotel indoopt. 21 De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest. 22 En als zij aten nam Jezus brood, en als hij gezegend had brak hij het, en gaf het hun, eu zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam. 23 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun dien, en zij dronken allen uit denzei ven. 24 En hij zeide tot hen: Dat is mijn bloed, het des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar ik zeg u, dat ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods. 26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 27 Et. Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan mij geërgerd worden; want daar is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. 28 Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Ga-liléa. 29 En Petrus zeide tot hemi |
MARCUS 14.
07
|
Ofschoon zij allen geërgerd wier-den, zoo zal ik toch niet geërgerd rcorden. 30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar ik zegge n, dat heden in dezen nacht, eer de liaan tweemaal gekraaid zal hebben, gij mij driemaal zult verlooche-nen. 31 Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen. 32 En zij kwamen in eene plaats welker naam was Gethse-mané, en hij zeide tot zijne discipelen: Zit hier neder, totdat ik gebeden zal hebben. 33 En hij nam met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden, 34 en zeide tot hen: Mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt. 35 En een weinig voortgegaan zijnde viel hij op de aarde, en bad, zoo het mogelijk ware, dat die ure van hem voorbijginge. 36 En hij zeide: Abba, Vader, alle dingen zijn u mogelijk: neem dezen drinkbeker van mij weg; doch niet wat ik wil,maar wat gij wilt. 37 En hij kwam en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij ? Kunt gij niet één uur waken? 38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is wel gewillig, maa'r het vleesch is zwak. 39 En wederom henengegaan zijnde, bad hij, sprekende dezelfde woorden. 40 En wedergekeerd zijnde, vond hij ze wederom slapende, want hunne oogen waren bezwaard; en zij wisten nier. wat zij hem antwoorden zouden. 41 En hij # kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust. Het is genoeg, de ure is gekomen; zie, de Zoon des menschén wordt overgeleverd in de handen der zondaren. |
42 Staat op, laat ons gaan: zie, die mij verraadt is nabij. 43 En terstond als hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalve, en met hem eene groote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de O verpriesters en de Schriftgeleerden en Ouderlingen. 44 En die hem verried had hun een gemeen teeken gegeven, zeggende : Dien ik kussen zal, die is het: grijpt hem, en leidt hem zekerlijk henen. 45 En als hij gekomen was^ ging hij terstond tot hem, en zeide: Kabbi, Rabbi, en kust© hem; 46 en zij sloegen hunne handen aan hem, en grepen hem. 47 En een dergenen die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des Hoo-gepriesters en hieuw hem zijn oor af. 48 En Jezus antwoordende zeide tot hen : Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen eenen moordenaar om mij te vangen? 49 Dagelijks was ik bij ulieden in den Tempel leerende, en gij hebt mij niet gegrepen ; maarrffï geschiedt opdat de Schriften vervuld zouden worden. 50 En zij hem verlatende zijn allen gevloden. 51 En een zeker jongeling volgde hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem ; 52 en hij het lijnwaad verlatende is naakt van hen gevloden, 53 En zij leidden Jezus henen tot den Hoogepriester, enbij hem vergaderden alle de Overpries-ters en de Ouderlingen en do Schriftgeleerden. 54 En Petrus volgde hem van verre tot binnen in de zaal des Hoogepriesters, en hij was mede-zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur. 55 En de Overpriesters en de geheele Raad zochten getuigenis tegen Jezus, om hem te dooden, en vonden niet; 56 want velen getuigden val- |
MARCUS 15.
«s
|
ichelijk tegen hem, en de getuigenissen â waren niet eenparig. 57 En eenigen opstaande getuigden valsclielijk tegen hem, zeggende: 5S Wij hebben hem hooren zeggen: Ik zal dezen Tempel, die mot handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen eenen anderen, zonder handen gemaakt, bouwen. 59 En ook alzóó was hunne getuigenis lüiet eenparig. 60 En de Hoogepriester in 't midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt gij niets? quot;Wat getuigen dezen tegen u ? 61 Maar hij zweeg etil en antwoordde niets. Wederom vraagde hem de Hoogepriester en zeide tot hem: Zijt gij de Christus,de Zoon des gezegenden Gods ? 62 En Jezus zeide: Ik ben 't; en gijlieden zult den Zoon des menschen zien zitten ter rech-terhand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels. 63 En do Hoogepriester verscheurende zijne kleederen, zei-do: Wat hebben wij nog getuigen van noode? 64 Gij hebt do godólaetermg gehoord : wat dunkt ulieden ? En zij allen veroordeelden hem des doods schuldig te zijn. 65 En sommigen begonnen hem te bespuwen, en zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot hem te zeggen: Profeteer; en de dienaars gaven hem kinnebakslagen. 66 Eu als Petrus beneden in de zaal was, kwam eene van de dienstmaagden des Hoogepries-ters ; 67 en ziendo Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Na-zarener. 68 Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken hem niét, en ik weet niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide. 69 En de dienstmaagd hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen die daarbij stonden: Deze is één van die. |
70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna die daarbij stonden zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk gij zijt één van die; want gij zijt óók een Galileër, en uwe spraak gelijkt. 71 En hij begon zichzelven te vervloeken, en te zweren: Tk ken dezen mensch niet dien gij zegt. 72 En do haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, hetwelk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En hij zich vandaar makende, weende. HOOFDSTUK 15. En terstond des morgens vroeg hielden de Overpriesters te zamen raad^ met do Ouderlingen en Schriftgeleerden, en de geheele Baad; en Jezus gebonden hebbende, brachten zij hem henen, en gaven hem aan Pilatus over. 2 En Pilatus vraagde hem: Zijt gij de Koning der Joden? En hij antwoordende zeide tot hem: Gij zegt het. 3 En de Overpriesters beschuldigden hem van vele za/^n, maar hij antwoordde niets. 4 En Pilatus vraagde hem wederom, zeggende: Antwoordt gij niets ? Zie hoevele zaken zij tegen u getuigen. 5 Eu Jezus heeft niets meer geantwoord, zoodat Pilatus zich verwonderde. 6 En op het feest liet hij hun eenen gevangene los, wien zij ook begeerden. 7 Eu daar was een, genaamd Barabbas, gevangen met andere medeojaroermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had. 8 En de schare riep uit, en begon te begeeren dat hij deed gelijk hij hun altijd gedaan had. 9 En Pilattis antwoordde hun, zeggende: Wilt gij dat ik u den Koning der Joden loslate? 10 (Want hij wist dat hem de Overpriesters door nijd overgeleverd hadden). |
MARCUS 15.
6S
|
11 Maar de Overpriestera be-â wogen do schare, dat hij hun liever Barabbas zoude loslaten. 12 En Pilatus antwoordende zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan dat ik met hèm doen zal, dien gij een Koning der Joden noemt? 13 En zij riepen wederom; Kruis hem. 14 Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen to meer: Kruis hem. 15 Pilatus nu willende de schare te wille zijn, heeft hun Barabbas losgelaten, cn gaf Jezus over, als hij hem gegeeseld had, om gekruist te worden. 16 En de krijgsknechten leidden hem binnen in de zaal, welke is het Rechthuis, en riepen de gansche bende te zamen; 17 en deden hem eenen purperen mantel aan, en eene doornenkroon gevlochten hebbende, zetteden hem die op; 18 eu begonnen hem te groeten, # zeggende: Wees gegroet gij Koning der Joden; 19 en sloegen zijn hoofd met eenen rietstok, en bespuwden hem, en vallende op de knieën aanbaden hem. 20 En als zij hem bespot hadden, deden zij hem den purperen mantel of, en deden hem zijne eigene kleederen aan, en leidden hem uit om hem te kruisigen. 21 En zij dwongen eenen Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander enRufus,dat hij zijn kruis droeg. 22 En zij brachten hem tot de plaats Golgotha, 't welk is overgezet zijnde Hoofdschedelplaats. 23 En zij gaven hem gemirre-den wijn te drinken; maar hij nam dien niet. 24 En als zij hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zoude. 25 En het was de derde ure, en zij kruisigden hem. |
26 En het opschrift zijner beschuldiging was boven hem geschreven : De Koning der Joden. 27 En zij kruisigden met hem twee moordenaars, éénen aan zijne rechter- en éénen aan zijne li-nkerzijde. 28 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En hij is met de misdadigen gerekend. 29 En die voorbijgingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden, en zeggende: Ha,gij die den ! Tempel afbreekt en in drie dagen â opbouwt, 30 behoud uzelven en kom af ; van het kruis. i 31 En insgelijks ook de Over-priesters met de Schriftgeleerden zeiden tot elkander al spottende: Hij heeft anderen verlost, zich-zelven kan hij niet verlossen; 32 de Christus, de Koning Israels kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en gelooven mogen. Ook die met hem gekruist waren smaadden hem. 33 En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. 34 En ter negende ure riep Jezus met groote stem, zeggende: Eloï, Eloï, lamma sabachtani, 't welk is overgezet zijnde: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten! 35 En sommigen van die daarbij stonden, dit hoerende, zeiden: Zie, hij roept El ia. 36 En er liepeenen vulde eene spons met edik, en stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien of El ia komt om hem af te nemen. 37 En Jezus eene groote stem van zich gegeven hebbende, gaf den geest. 38 En het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden. 39 En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover hem stond, ziende dat hij alzoo roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk deze mensch was Gods Zoon. 40 En daar waren ook vrouwen |
|
70 MARC van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Mag-dalena, en Maria de moeder van Jacobus den kleine envauJoses, «n Salome, 41 welke ook toen hij in Gali-léa was, hem waren gevolgd en hem gediend hadden, en vele andere vrouwen die met hem naar Jeruzalem opgekomen waren. 42 En als het nu avond was .geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke i.s de vóor-eabbat, 43 kwam Jozef dievanArima-théa n-as, een achtbaar Raadsheer, die ook zelf'het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende ging hij in tot Pi-latus en begeerde net lichaam van Jezus. 44 En Pilatus verwonderde zich dat hij aireede gestorven was, en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem of hij lang gestorven was: 45 en als hij 't van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam. 46 En hij kocht fijn lijnwaad, en hem afgenomen hebbende, wond hein in dut fijne lijnwaad, «n leide hem in een graf hetwelk uit een steenrots gehouwen was, en hij wentelde cenen steen tegen de deur des grafs. 47 En Maria Magdalena, en Maria de moeder van Joses aan-«ciiouwden waar hij gelegd werd. HOOFDSTUK 1G. En als de sabbath voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en hem zalfden. 2 En zeer vroeg op den eersten day der week kwamen zij tot het graf, als de zon opging, 3 en zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen? ^ 4 (Eu opziende zagen zij dat de steen afgewenteld was) want Jiij was zeer groot. 5 En in het graf ingegaan |
US 16. zijnde, zagen zij eenen jongeling zittende ter rechterzü't/e, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. 6 Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd. Gij zoekt Jezus den Nazarener die gekruist was : hij is opgestaan, hij is hier niet; zie, de plaats waar zij hem gelegd hadden. 7 Doch gaat henen, zegt zijnen discipelen en Petrus, dat hij u voorgaat naar Galiléa: aldaar zult gij hem zien, gelijk hij ulie-den gezegd heeft. 8 En zij haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreemd. 9 En als Jezus opgestaan was 's morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke hij zeven duivelen uitgeworpen had. 10 Deze henengaande boodschapte het dengenen die met hem geweest waren, welke treurden en weenden. 11 Eu als deze hoorden dat hij leefde en van haar gezien waa geloofden zij het niet. 12 En na dezen is hij geopenbaard in eene andere gedaante aan twee van hen, daar zij wandelden en in het veld gingen. 13 Deze ook henengaande boodschapten het den anderen, maar zij geloofden ook die niet. 14 Daarna is hij geopenbaard aan de elve daar zij aanzaten, en verweet hun hunne ongeloovig-heid en hardigheid der harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen die hem gezien hadden nadat h j opgestaan was. 15 En hij zeide tot hen: Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie allen creature. 16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. 17 En dengenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen: in mijnen naam |
LUCAS 1.
71
|
Eullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij «preken; 18 slangen zullen zij opnemen; en al is het dat zij iets doode-lijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op krankenzullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden. |
19 De Heere dan nadat hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechter/m/uZ Gods. 20 En zij uitgegaan zijnde predikten overal, en de lieere wrocht mede, en bevestigde het Woord door teekenen die daarop volgden. Amen. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAB DE BESGBBIJVING VAN
LU C A S.
|
HOOFDSTUK 1. Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in Cvrde te stellen een vor.haal van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben, 2 gelijk ons overgeleverd hebben die van den beginne zelve aanschouwers en ^ dienaars des Woords geweest zijn: 3 zoo heeft het ook mij goed-gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus, 4 opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen waarvan gij onderwezen zijt. 5 In de dagen van Herodes den Koning van Judéa was er een zeker Priester met name Zacha-rias, van de dagorde van Abia; en zijne vrouw was uit de doch-tcren Aarons, en haar naamEli-zabet. G En zij waren beiden rechtvaardig voor God, en wandelende in allo de geboden en de rechten des Heeren onberispelijk. 7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was en zij beiden verre oy hunne dagen gekomen waren. |
8 En het geschiedde dat alshy liet Priesterambt bediende voor God in de beurt zijner dagorde, 9 naar de gewoonte der Priesterlijke bediening, hem ten lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den Tempel des Heeren om te reukofferen ; 10 en al de menigte des volks was buiten biddende, ter ure des reukoffers. 11 En van hem werd gezien een Engel des Heeren, staande ter rec.hter;.'7/VZe van het altaar des reukoffers. 12 En Zacharias htm ziende werd ontroerd, en vreeze is op hem gevallen. 13 Maar de Engel zeide tot hem: Vrees niet,Zacharias,want uw gebed is verhoord, en uwe vrouw Elizabet zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Johannes; 14 en u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijne geboorte verblijden. 15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lijf af; |
LUCAS 1.
72
|
1G en hij zal velen der kindereu Israels bekeeren tot den Heere hunnen God; 17 en hij zal vóór hem henengaan in den geest en de kracht van Elia, om te bekeeren de harten der vaderen tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk. 18 En Zacharias zeide tot den Engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijne vrouw is verre op hare dagen gekomen. 10 En de Engel ant woordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen; 20 en zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot op den dag dat deze dingen geschied zullen zijn; omdat gij mijne woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hunnen tijd. 21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd dat hij zoo lang vertoefde in den Tempel. 22 En als hij uitkwam kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden dat hij een gezicht in den Tempel gezien had. En hij wenkte hun toe en bleef stom. 23 En het geschiedde als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naarzijn huis ging. 24 En na die dagen werd Eli-zabet zijne vrouw bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende: 25 Alzóó heeft mij de Heere gedaan, in de dagen in welke hij mij aangezien heeft, om mijne versmaadheid onder de menschen weg te nemen. 26 En in de zesde maand werd de Engel Gabriël van God gezonden naar eenestadin Galiléa, genaamd Nazareth, 27 tot eene maagd, die ondertrouwd was meteenen man wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria. |
28 En de Engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet gij begenadigde; de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. 29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overleide hoedanig deze groe-tenis mocht zijn. 30 En de Engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. 31 En zie, gij zult bevrucht worden, en eeneu zoon baren, en zult zijnen naam heeten Jezus. 32 Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden, en God de Heere zal hem den troon zijns vaders Davids geven; 33 en hij zal over het huis Ja-kobs Koning zijn in eeuwigheid, en zijns Koninkrijks zal geen einde zijn. 34 En Maria zeide tot den Engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geenen man beken? 35 En de Engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Gees«s zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen : daarom ook dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. 36 En zie, Elizabet uwe nicht is ook zelve bevrucht met eenen zoon in haren ouderdom ; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde; 37 want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. 38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren : mij geschiede naar uw woord. En de Engel ging weg van haar. 39 En Maria opgestaan zijnde in die dagen, reisde met haast naar het gebergte in eene stad van Juda. 40 en kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet. 41 En het geschiedde als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zoo sprong het kindeken op in haren buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest, 42 en riep uit met groote stem, |
i
LÃOAS 1.
73
|
en zeide: Gezegend zijt gi.i onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks. 43 En van waar Jcomt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? 44 quot;Want zie, als de stem uwer gvoetenis in mijne ooren ge-Hcliiedde, zoo sprong het kindeken van vreugde op in mijnen buik. 45 En zalig is zij die geloofd heeft; want de dingen die haar van den Heere gezegd zij n, zullen volbracht worden. 4G En Maria zeide: Mijne ziel maakt groot den Heere, 47 en mijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker, 48 omdat hij de vernedering zijner dienstmaagd heeft aangezien ; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken alle de geslachten ; 49 want groote dingen heeft aan mij gedaan hij die machtig is, en heilig is zijn naam, 50 en zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over degenen die hem vreezen. 51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijn en arm; hij heeft verstrooid de noogmoedigen in de gedachten hunner harten: 52 hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft hij verhoogd; 53 hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en rijken heeft hij ledig weggezonden. 54 Hij heeft Israël zijnen knecht opgenomen, opdat_ hij gedachtig ware der barmhartigheid, 55 (gelijk hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham en zijn zaad), in eeuwigheid. 5G En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis. 57 En de tijd van Elizabet werd vervuld dat zij baren zoude, en zij baarde eenen zoon. 58 En die daar rondom woonden en hare magen hoorden, dat de Heere zijne barmhartigheid grootelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd. |
59 En het geschiedde dat zij op den achtsten dag kwamen om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias naar den naam zijns vaders. 60 En zijne moeder antwoordde en zeide: Niet a/zoo, maar hij zal Johannes heeten. G1 En zij zeiden tot haar: Daar is niemand in uw maagschap die met dien naam genaamd wordt. G2 En zij wenkten zijnen vader, hoe hij wilde dat hij genaamd zoude worden. 63 En als hij een schrijftafel ken geëischt had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. 64 En terstond werd zijn mond geopend en zij ne tong losgemaakt, en hij sprak, God lovende. 65 En daar kwam vreeze over allen die rondom hen woonden; en in het geheele gebergte van Judéa werd veel gesproken van alle deze dingen. _ 66 En allen die het hoorden namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem. 67 En Zacharias zijn vader werd vervuld met den Heiligen Geest en profeteerde, zeggende: 68 Geloofd zij de Heere de God Israëls, want hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht zijnen volke, 69 en_ heeft eenen hoorn der zaligheid^ ons opgericht in het huis Davids zijns knechts, 70 gelijk hij gesproken heeft door den mond zijner heilige Profeten, die van den beginne der wereld geweest zijn, 71 namelijk eene verlossing van onze vijanden en van de hand aller dergenen die ons haten; _ 72 opdat hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan zijn heilig verbond, 73 en aan den eed dien hij Abraham onzen vader gezworen heeft, om ons te geven 74 dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, hem dienen zouden zonder vreeze, 3* |
LUCAS 2.
74
|
75 in heiligheid en gerechtigheid voor hem, allo de dagen onzos levens. 70 En gij kindeken zult een Profeet des Allerhoogsten genaamd wordenwant gij zult voor het aangezicht des Heeren henengaan om zijne wegen te bereiden. 77 om zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden, 78 door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte, 79 om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op den weg des vredes. 80 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen tot den dag zijner vertooning aan Israël. HOOFDSTUK 2. En het geschiedde in diezelfde dagen dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zoude worden. 2 Deze eerste beschrijving geschiedde als Cyrenius over Syrië Stadhouder was. 3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad. 4 En Jozef ging ook op van Galiléa, uit de stad Nazareth, naar Judéa tot do stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het .huis en geslacht Davids was), 5 om beschreven te worden met Maria zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. 6 En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld â werden dat zij baren zoude; 7 en zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem indoeken, en leide hem neder in de kribbe, omdat voor hen geene plaats was in do herberg. 8 En daar waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde. |
9 En zie, een Engel des Heeren stond bij hen, en do heerlijkheid des Heeren omscheen ze, en zij vreesden met groote vreeze. 10 En de Engel zeide tot hen; Vreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, 11 namélijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. 12 En dit zal u hetteeken zijn: gij zult het kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. 13 En van stonde aan was daar met den Engel eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzend© God en zeggende: 14 Eere zij God in de hoogste hemden en vrede op aarde, in do menechen een welbehagen. 15 En het geschiedde als do Engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan henengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk do Heere ons heeft kond gedaan. 16 En zij kwamen met iiaaste, en vonden Maria en Jozef, en het kindeken liggende in de kribbe. 17 En als zij het gezien hadden, maakten zij alomme bekend liet woord dat hun van dit kindeken gezegd was. 18 En allen die het hoorden verwonderden zich over hetgeen hun van de herders gezegd werd: 19 doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende dv' in haar harte. 20 En de herders keerden we derom, verheerlijkende en prij zonde God over alles wat zij ge-hoord on gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. 21 En als acht dagen vervuld waren óat men het kindeken besnijden zoude, zoo werd zijn naam genaamd Jezus, welke genaamd was van den Engel eerhijinhet lichaam ontvangen was. |
i
-
|
LUC acht- 22 En als de dagen harer rei-niging vervuld waren naar de Aee- Wet van Mozes, brachten zij hem heer- te Jeruzalem, opdat zij hem den ?nze, Heere voorstelden, eeze. 23 (gelijk geschreven is in de hen; Wet des Hoeren: Al wat manver nelijk is dat de moeder opent, gt;, die zal den Heere heilig genaamd worden), a ge- 24 en opdat zij offerande gaven, kei» naar hetgeen in deWer.desllee-stad ren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven, zijn: 25 En zie, daar was een mensch ;n in te Jeruzalem wiens naam was de in Simeon ; en deze mensch was rechtvaardig en godvreezend, ver-daar wachtende de vertroosting Is-e des raöls, en de Heilige Geest was en do op hem; 26 en hem uas eene Goddelijke )gste openbaring gedaan door den Hei-in do ligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude eer hij den Chris-3 do tus des Heeren zoude zien. i wa- 27 En hij kwam door den Geest her- in den Tempel; en als de ouders Laat het kindeken Jezus inbrachten, »eth- om naar de gewoonte der Wet oord met hem te doen, ^ do 28 zoo nam hij hetzelve in zijne n. armen, en loofde God, en zcide: aste, 29 Nu laat gij, Heere, uwen iquot;, en dienstknecht gaan in vrede, naar de uw woord; 30 want mijne oogen hebben had- uwe zaligheid gezien, :end 31 die gij bereid hebt voor het kin- aangezicht van alle de volkeren: 32 een licht tot verlichting der i'den heidenen, en tot heerlijkheid van jeen uw volk Israël. erd: 33 En Jozef en zijne moeder leze verwonderden zich over hetgeen ⢠leg- van hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende hen, en we zeide tot Maria zijne moeder: prij Zie, deze wordt gezet tot een val i ge- en opstanding veler in Israël, en -lijk tot een teeken dat wedersproken zal worden, mld 35 (en ook een zwaard zal door ibe- uw zelfs ziele gaan), opdat de aam gedachten uit vele harten geopen-imd baard worden. het 36 En daar was Anna eene Profetes, eene dochter Fanuëls, |
IS 2. 75 uit den stam Aser; deze was tot grooten ouderdom gekomen, welke met haren man zeven jaren had geleefd van haren maagdom af; 37 en zij was eene weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den Tempel, met vasten en bidden God dienende nacht en dag. 33 En deze te dier ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten. 39 En als zij alles voleindigd hadden wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galiléa tot hunne stad Nazareth. 40 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest en vervuld met wijsheid, en de genade Gods was over hem. 41 En zijne ouders reisden alle jaren naar Jeruzalem op het feest van Pascha. 42 En toen hij twaalf jarenoud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte des feestdags, 43 en do dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en zijne moeder wisten 't niet; 44 maar meenende dat hij in 't gezelschap op den weg was, gingen zij eene dagreize, en zochten hem onder de magen en onder de bekenden. 45 En als zij hom niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, hem zoekende. 46 En het geschiedde na drie dagen, dat zij hem vonden in den Tempel, zittende in het midden der leeraren, hen hoorende en hen ondervragende; 47 en allen die hem hoorden ontzetteden zich over zijn verstand en antwoorden. 48 En zij hem ziende werden verslagen, en zijne moeder zeide tot hem : Kind, waarom hebt gij ons _ zóó gedaan ? Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht. |
|
76 LUC. 49 En hij zeide tot hen: Wat is hel dat gi.i mij gezocht hebt ? Wist gij niet dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders? 50 En zij verstonden het woord â¢niet dat hij tot hen sprak. En hij ging met hen af, en kwam te JNazareth, en was hun onderdanig. En zijne _ moeder bewaarde alle deze dingen in haar hart. 52 En Jezus nam toe in wijsheid en in genade bij God en de menechen. HOOFDSTUK 3. En in het vijftiende jaar der regeering van den Keizer Tibe-Tius, als Pontius Pilatus Stadhouder was over Judéa, en Herodes een Viervorst over Galiléa, en Filippus zijn broeder een Viervorst over Ituróa en over het land Trachonitis, en^ Lysanias een Viervorst over Abiléne, 2 onder de Hoogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het Woord Gods tot Johannes, den Zoon van Zacharias, in de woestijn; 3 en hij kwam in al het omliggende land des Jordaans, predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden, 4 gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja den Profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht: 5 alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme tceyen zullen tot eenen rechten weg worden, en de oneffene tot eflene wegen, 6 en allo vleesch zal de zaligheid Gods zien. 7 Hij zeide dan tot de scharen die uitkwamen om van hem gedoopt te worden: Gij adderenge-broedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden voor den toekomenden toorn? 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelve: Wij hebben Abraham tot eenen va- |
.S 3. der; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 9 En de bijl ligt ook aireede aan don wortel der hoornen; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 10 En de schnren vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? 11 En hij antwoordende zeide tot hen: Wie twee rokken heeft deele hem mede die er geen heeft, en wie spijze heeft doe desgelijks. 12 En daar kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester, wat zullen wij doen? 13 En hij zeide tot hen: Eischt niets meer dan hetgeen u gezet is. 14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en Iaat u vergenoegen met uw bezoldingen. 15 En als het volk verwachtte, en allen in hunne harten over-leiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware, 1G zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water, maar hij komt die sterker^ is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem van zijne schoenen te ontbinden: déze zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur; 17 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer dóórzuiveren, en de tarwe zal hij in zijne schuur samenbrengen, maar het kaf zal hij met onuit-blusschelijk vuur verbranden. 18 Hij dan ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie. 19 Maar als Herodes do Viervorst van hem bestraft werd, om den wille van Herodias, de vrouw van Filippus zijnen broeder, en over alle booze stukken die Herodes deed, |
LUCAS 4.
7T
|
20 zoo heeft hij ook dit nog boven alles daartoe gedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft. 21 En het geschiedde toen al het volk gedoopt quot;werd, en Jezus óók gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd, 22 en dat de Heilige Geest op hem nederdaalde in lichamelijke gedaante gelijk eene dnive, en dat er eene stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij ziit mijn geliefde Zoon, in u heb ik mijn welbehagen. 23 En hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzoo men meende) de Zoon vau Jozef, den zoon van Heli, 24 den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Jannas, den zoon van Jozef, 25 den zoon van Mattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naüm, den zoon van Esli, den zoon van Naggai, 26 den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoo7i van Juda, 27 den zooii van Johannes, den zoon van Rhesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiël, den zoon van Neri, 28 den zoon van Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmodam, den zoon van Er, 29 den zoon van Joses, den zoon van Eliëzer, den zoon van Jorim, den zo on _ van Matthat, den zoon van Levi, 30 den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim, 31 den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David. 32 den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Boöz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson, 33 den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda, |
34 den zoon van Jakob, den zoon van Isaak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor, 35 den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala, 36 den zoon van Kaïnan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noach, den zoon vaa Lamech, 37 den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Mala-leël, den zoon van Kaïnan, 38 den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God. HOOFDSTUK 4. En Jezus vol des Heiligen Geestes keerde wederom van den Jordaan, en werd door den Geest gelêid in de woestijn, 2 en werd veertig dagen verzocht van den _ duivel, en at gansch niet in die dagen; en aio dezelve geëindigd waren, zoo hongerde hem ten laatste. 3 En de duivel zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen dat hij brood worde. 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Daar is geschreven, dat de mensch bij brood alleen niet zal leven, maar bij allo woord Gods. 5 En als hem de duivel geleid had op eenen hoogen berg, toonde hij hem alle de koninkrijken der wereld in een oogenblik tijds; 6 en de duivel zeide tot hem: Ik zal u al deze macht en de heerlijkheid dier koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven^ en ik geef ze wien ik ook wil: 7 indien gij dan mij zult aanbidden, zoo zal het alles uwe zijn. 8 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ga weg van mij, satan; want daar is geschreven: Gij zult den Heere uwen God aanbidden, en hem alleen dienen. |
LUCAS 4.
|
O En hij leidde hem naar Jeruzalem en stelde hem^ op de tinne des Tempels, en zeide tot hem: Indien gij de Zoon Gods zijt, werp uzelven van hier nederwaarts ; 10 want daar is geschreven, dat hij zijne Engelen van u bevelen zal, dat zij u bewaren zullen, 11 en dat zij u op de handen nemen zullen, opdat gij uwen voet niet te eeniger tijd aan eenen steen stoot. 12 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Daar is gezegd: Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. 13 _ En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week }iij van hem voor eenen tijd. 14 En Jezus keerde weder door do kracht des Geestes naar Ga-liléa; en liet gerucht van hem ging uit door het geheele omliggende land. 15 En hij leerde in hunne Synagogen, en werd van allen geprezen. 16 En hij kwam te Nazareth, waar hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des sabbats in de Synagoge, en fltond op om te lezen. 17 En hem werd gegeven het boek van den Profeet Jesaja;en als hij het boek opengedaan had, vond hij de plaats waar geschreven was: 18 De Geest des Heeren is op mij, daarom heeft hij mij gezalfd ; hij heeft mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van harte, 19 om den gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezicht, om de verslagenen henen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Heeren. 20 En als hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat hij^ neder; en de oogen van allen in de Synagoge waren op hem geslagen. 21 En hij begon tot hen te zeggen : Heden is deze Schrift in uwe ooreu vervuld. |
22 En zij gaven hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden diö uit zijnen mond voortkwamen, en zeiden: Is deze niet de zoon J ozefs ? 23 En hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees uzelven; wat wij gehoord hebben_ dat in Kaper-naüm geschied is, doe dat ook hier in uw vaderland. 24 En hij zeide: Voorwaar ik zegge u, dat geen Profeet aangenaam is in zijn vaderland. 25 Maar ik zegge u in der waarheid, daar waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zoodat er groote hongersnood werd over het geheele land; 26 en tot geene van haar werd Elia gezonden dan naar Sarepta Sidonis, tot eene vrouw, die weduwe icas. 27 En daar waren vele mo-laatschen in Israël ten tijde van den Profeet Eliaa: en geen van hen werd gereinigd danJSTaaman de Syriër. 28 En zij werden allen in do Synagoge met toorn vervuld als zij dit hoorden; 29 en opstaande wierpen zij hem uit buiten de stad, en leidden hem op den top des bergs op denwel ken hunne stad gebouwd was, om hem van de steilte af te werpen; 30 maar hij door het midden van hen doorgegaan zijnde ging weg. 31 En hij kwam af naar Kaper-naüm, eene stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen. 32 En zij waren verslagen over zijne leer, want zijn woord was met macht. 33 Eu in de Synagoge was een mensch hebbende eenen geest ee.os onreinen duivels, en hij riep uit met groote stem, 34 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u fe doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij gekomen om ons te verderven ? Ik ken u |
LUCAS 5.
79
|
wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte hem, zeggende; Zwijg stil en ga van hem iiit. En de duivel hem in 't midden geworpen hebbende voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. SO En daar kwam eene ver-baasheid over allen, en zij spraken te zamen tot elkander, zeggende: Wat Woord is dit, dat hij met mcxclit en kracht den onreineu geesten gebiedt en zij varen uit! 37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen des om-liggenden lands. 38 En Jezus opgestaan zijnde uit de Synagoge, ging in het'huis van Simon ; en Simons vrouws moeder was met eene groote koorts bevangen, en zij baden hem voor haar. 39 En staande boven haar, bestrafte hij de koorts, en cie koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande diende hen. 40 En als de zon onderging, brachten allen die krankenhadden, met verscheiden ziekten bevangen, die tot hem, en hij leide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve. 41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende^ en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods. En hen bestraffende, liet hij die niet spreken, omdat zij wisten dat hij de Christus was. 42 En als het dag werd, ging hij uit eh trok naar eene woeste plaats; en de scharen zochten hem, en kwamen tot bij hem, en hielden hem op, dat hij van hen niet zoude weggaan. 43 Maar hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben ik uitgezonden. 44 En hij predikte in de Synagogen van Galilca. HOOFDSTUK 5. En hec geschiedde als de schare op hem aandrong om het Woord |
Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Gennésareth; 2 en hij zag twee schepen aan deii oever van 't meer liggende, ; en de visschers waren d.taruit 1 gegaan en spoelden de netten. _ 3 En hij ging in een van die : schepen, hetwelk van Simon was, i en bad hem dat hij een weinig van 't land afstak: en nederzit-j tende leerde hij de scharen uit j het schip. 4 En als hij afliet van spreken, i zeide hij tot Simon: Steek af i naar de diepte, en werpt uw© netten uit om te vangen. 5 En Simon antwoordde en i zeide tot hem: Meester, wij hebben den geheelen nacht over gearbeid en niets gevangen; doch | op uw woord zal ik het net uit-| werpen. ! 6 En als zij dat gedaan had-! den, besloten zij eene groote i menigte visschen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hunne mede-; genooten die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen; en zij kwamen; en vul-! den beide schepen, zoodat zij bijna zonken- 8 En Simon Petrus rfa/. ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende ; Heere, ga uit j van mij, want ik ben een zondig ; mensch. 9 Want verbaasdheid had hem ^ bevangen en allen die inet hem i waren, over de vangst der vis-: schen, die zij gevangen hadden; 10 en desgelijks ook Jacobus en Johannes, de zonen van Zebe- i deüs, die Simons medegenooten : waren. En Jezus zeide tot Simon: -Vrees niet; van nu aan zult gij : men schen vangen. 11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten ; zij alles en volgden hem. 12 En het geschiedde als hij in j eene dier steden was, zie, daar i icus een man vol melaatschheid; ' en Jezus ziende viel hij op het ; aangezicht, en bad hem, zeggende : Heere, zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen. 13 En hij de hand uitstrek- |
LUCAS 3.
76
|
49 En hij zeide tot hen: quot;Wat is het dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders? 50 En zij verstonden het woord niet dat hij tot hen sprak. En hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde all© deze dingen in haar hart. 52 En Jezus nam toe in wijsheid en in genade bij God en de menschen. HOOFDSTUK 3. En in het vijftiende jaar der regeering van den Keizer Tiberius, als Pontius Pilatus Stadhouder was over Judéa, en He-rodes een Viervorst over Galiléa, en Filippus zijn broeder een Viervorst over Ituréa en over het land Trachonitie, en Lysanias een Viervorst over Abiléne, 2 onder de Hoogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het Woord Gods tot Johannes, den Zoon van Zacharias, in de woestijn; 3 en hij kwam in al het omliggende land des Jordaans, predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden, 4 gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja den Profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht: 5 alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme tceyen zullen tot eencn rechten teeg worden, en de oneffene tot efiene wegen, 6 en allo vleesch zal de zaligheid Gods zien. 7 Hij zeide dan tot de scharen die uitkwamen om van hem gedoopt te worden: Gij adderenge-broedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden voor den toekomenden toorn? 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelve: Wij hebben Abraham tot eenen vader; want ik zeg u, dat God |
zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 9 En de bijl ligt ook aireede aan den wortel der hoornen; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? 11 En hij antwoordende zeide tot hen: Wie twee rokken heeft deele hem mede _die er geen heeft, en wie spijze heeft do© desgelijks. 12 En daar kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester, wat zullen wij doen? 13 En hij zeide tot hen: Eischt niets meer dan hetgeen u gezet is. 14 En hem vrangden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldingen. 15 En als het volk verwachtte, en allen in hunne harten over-leiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware, lü zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water, maar hij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem van zijne schoenen te ontbinden: déze zal u doopen met don Heiligen Greest en met vuur; 17 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer dóórzuiveren, en de tarwe zal hij in zijne schuur samenbrengen, maar het kaf zal hij met onuit-blusschelijk vuur verbranden. 18 Hij dan ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie. 19 Maar als Herodes do Viervorst van hem bestraft werd, om den wille van Herodias, de vrouw ven Filippus zijnen broeder, en over alle booze stukken die Herodes deed, |
LUCAS 4.
7T
|
20 zoo heeft hij ook dit nog boven alles daartoe gedaan, dat bij Johannea in de gevangenis gesloten heeft. 21 En het geschiedde toen al het volk gedoopt werd, en Jezus óóh gedoopt -was en bad, dat de hemel geopend -werd, 22 en dat de Heilige Geest op hem nederdaalde in lichamelijke fedaante gelijk eene dnive, enedaante gelijk eene dnive, en at er eene stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb ik mijn welbehagen. 23 En hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzoo men meende) de Zoon van Jozef, den zoon van Heli, 24 den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Jannas, den zoon van Jozef, 25 den zoon van Matiathias, den zoon van Amos, den zoon van Naiim, den zoon van Esli, den zoon van Naggai, 2G den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoon van Juda, 27 den zoon van Johannes, den zoon van Ehesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiël, den zoon van Neri, 28 den zoon van Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmodam, den zoon van Er, 29 den zoon van Joses, den zoon van Eliëzer, den zoon van Jorim, dén zoon van Matthat, den zoon van Levi, 30 den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim, 31 den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David. 32 den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Boöz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson, 33 den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda, |
34 den zoon van Jakob, clea zoon van Isaak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor, 35 den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala, 36 den zoon van Kaïnan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noach, den zoon va» Lamech, 37 den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Mala-leël, den zoon van Kaïnan, 38 den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God. HOOFDSTUK 4. En Jezus vol des Heiligen Geestes keerde wederom van den Jordaan, en werd door den Geest gelèid in de woestijn, 2 en werd veertig dagen verzocht van den duivel, en at gansch niet in die dagen; en als dezelve geëindigd waren, zoo hongerde hem ten laatste. 3 En de duivel zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen dat hij brood worde. 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Daar is geschreven, dat do mensch bij brood alleen niet zal leven, maar bij allo woord Gods. 5 En als hem de duivel geleid had op eonen hoogen berg, toonde hij hem alle de koninkrijken der wereld in een oogenblik tijds; 6 en de duivel zeide tot hem: Ik zal n al deze macht en de heerlijkheid dier keninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze wien ik ook wil: 7 indien gij dan mij zult aanbidden, zoo zal het alles uwe zijn. 8 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ga weg van mij, satan; want daar is geschreven: Gij zult den Heere uwen God aanbidden, en hem alleen dienen. |
amp;
|
7S LUC 9 En hij leidde liem uaar Jeruzalem en stelde liem^ op de tinne des Tempels, en zeide tot hem: Indien gij de Zoon Gods zijt, werp uzelven van hier nederwaarts ; 10 want daar is geschreven, dat hij zijne Engelen van u bevelen zal, dat zij bewaren zullen, 11 en dat zij u op de handen nemen zullen, opdat gij uwen voet niet te eeniger tijd aan eenen steen stoot. 12 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Daar is gezegd: Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. 13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week Jiij van hem voor eenen tijd. 14 En Jezus keerde weder door do kracht des Geestes naar Ga-liléa; en het gerucht van hem ging uit door het geheele omliggende land. 15 En hij leerde in hunne Synagogen, en werd van allen geprezen. 1G En hij kwam te Nazareth, waar hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des sabbats in de Synagoge, en atond op om te lezen. 17 En hem werd gegeven het boek van den Profeet Jesaja; en als hij het boek opengedaan had, vond hij de plaats waar geschreven was: 18 De Geest des Heeren is op mij, daarom heeft hij mij gezalfd ; hij heeft mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van harte, 19 om den gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezicht, om de verslagenen henen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Heeren. 20 En als hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat hij neder; en de oogen van allen in de Synagoge waren op hem geslagen. 21 En hij begon tot hen te zeggen : Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld. |
LS 4. 22 En zij gaven hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden die uit zijnen mond voortkwamen, en zeiden: Is deze niet de zoon J ozefs ? 23 En hij zeide tot henr Gij zult zonder twijfel tot mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees uzelven; wat wij gehoord hebben^ dat in Kaper-naüm geschied is, doe dat ook hier in uw vaderland. 24 En hij zeide: Voorwaar ik zegge u, dat geen Profeet aangenaam is in zijn vaderland. 25 Maar ik zegge u in der waarheid, daar waren veie weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zoodat er groote hongersnood werd over het geheele land* 2G en tot geene van haar werd Elia gezonden dan naar Sarepta Sidonis, tot eene vrouw, die weduwe teas. 27 En daar waren vele me-iaatschen in Israël ten tijde van den Profeet Elisa: en geen van hen werd gereinigd danNaaman de Syriër. 28 En zij werden allen in do Synagoge met toorn vervuld als zij dit hoorden; 29 en opstaande wierpen zij hem uit buiten de s!ad, en leidden hem op den top des bergs op denwelken hunne stad gebouwd was, om hem van de steilte af te werpen; 30 maar hij door het midden van hen doorgegaan zijnde ging weg. 31 En hij kwam afnaarKaper-naüm, eene stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen. 32 En zij waren verslagen over zijne leer, want zijn woord was men macht. 33 En in de Synagoge was een mensch hebbende eenen geest eens onreinen duivels, en hij riep uit met groote stem, 34 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u fe doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij gekomen om ons te verderven V Ik ken u |
LUCAS 5.
79
|
wie gij zijt, namelijk do Heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga van hem uit. En de duivel hem in 't midden geworpen hebbende voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. SG En daar kwam eene ver-baasheid over allen, en zij spraken te zamen tot elkander, zeggende: Wat Woord is dit, dat hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit! 37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen desom-liggenden- lands. 38 En Jezus opgestaan zijnde uit de Synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met eene groote koorts bevangen, en zij baden hem voor haar. 39 En staande boven haar, bestrafte hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande diende hen. 40 En als de zon onderging, brachten allen die kranken hadden, met verscheiden ziekten he-vangen, die tot hem, en hij leide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve. 41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende, en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods. En hen bestraifende, liet hij die niet spreken, omdat zij wisten dat hij do Christus was. 42 En als het dag werd, ging hij uit eh trok naar eene woeste plaats; en de scharen zochten hem, en kwamen tot bij hem, en hielden hem op, dat hij van hen niet zoude weggaan. 43 Maar hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk God» verkondigen, want daartoe ben ik uitgezonden. 44 En hij predikte in de Synagogen van Galiléa. HOOFDSTUK 5. En het geschiedde als de schare op hem aandrong om het Woord |
Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Gennésareth; 2 en hij zag twee schepen aan den oever van 't meer liggende, en de visschera waren daaruit gegaan en spoelden de netten. ^ 3 Ea hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem dat hij een weinig van 't land afstak: en nederzit-tende leerde hij de scharen uit het schip. 4 En als hij afliet van spreken, i zeide hij tot Simon: Steek af i naar de diepte, en werpt uwe netten uit-om te vangen. 5 En Simon antwoordde en l zeide tot hem: Meester, wij hebben den geheelen nacht over gearbeid en niets gevangen; doch | op uw woord zal ik het net uit-j werpen. G En als zij dat gedaan hadden, besloten zij eene grooto i menigte visschen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hunne mede-! genooten die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen ! helpen; en zij kwamen; en vul- ⢠den beide schepen, zoodat zij bijna zonken. 8 En Simon Petrus ziende, viel neder aan do knieën van ; Jezus, zeggende; Heere, ga uit i van mij, want ik ben een zondig ; mensch. 9 Want verbaasdheid had hem j bevangen en allen die met hem I waren, over de vangst der vis-1 schen, die zij gevangen hadden; 10 en desgelijks ook Jacobus en Johannes, de zonen van Zebe- * deiis, die Simons medegenooten | waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij menschen vangen. 11 En als zij do schepen aan land gestuurd luidden, verlieten , zij alles en volgden hem. 12 En het geschiedde als hij in ! eene dier steden was, zie, daar ! ivas een man vol melaatschheid; en Jezus ziende viel hij op het aangezicht, en bad hem, zeggende : Heere, zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen. 13 En hij de hand uitstrek- |
LUCAS 5.
80
|
kende raakte hem aan en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond giug de melaatschhtoid van hem. 14 En hij gebood hem dat hij hefc niemand zeggen zoude ; maar ga henen, zeide /^7, vertoon uzel-ven den Priester, en offer voor uwe reiniging gelijk Mozes geboden heeft, linn tot een getuigenis. 15 Maar liet gerucht van hem ging te meer voort, en vele scharen kwamen te zameu om hem te hooren, en door hem genezen te worden van hunne krankheden; 1G maar hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar. 17 En 't geschiedde op een dier dagen dat hij leerde, en daar zaten Farizeërs en Leeraars der wet, die van alle vlekken van Galiléa en Judéa en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was daar om hen te genezen, 18 En zie, ecnigc mannen brachten op een bed eenen mensch die geraakt was, en zochten hem in te brengen en vóór hem te leggen. 11) En niet vindende waardoor zij hem inbrengen mochten, wegens de schare, zoo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken in het midden, voor Jezus. 20 En hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mensch, uwe zonden zijn u vergeven. 21 En^ de Schriftgeleerden en de Farizeërs begonnen te overdenken, zeggende: Wie is deze, die fl^rfslastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven dan God alleen ? 22 Maar Jezus hunne overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uwe harten ? 23 Wat is lichter, te zeggen : TJwe zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 24 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (zeide hij tot den geraakte): Ik zegge u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis. |
25 En hij terstond vóór hen opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen daar hij op gelegen had, ging henen naar zijn huis. God verheerlijkende. 26 Eu ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreeze, zeggende: Wij hebben heden ongeloofelij ke dingen gezien. 27 En na dezen ging hij uit, en zag eenen tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij. 28 En hij alles verlatende stond op en volgde hem. 29 En Levi richtte hem een grooten maaltijd aan in zijn huis; en daar was een groote schare van tollenaren en van anderen die met hen aanzaten. 30 En hunne Schriftgeleerden en de Farizeërs murmureerden tegen zijne discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren? 31 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. 32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering. 33 En zij zeiden tot hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der Farizeërs, maar de uwe eten en drinken? 34 Doch hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen terwijl de bruidegom bij hen is doen vasten? 35 Maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn: dan zullen zij vasten in die dagen. 36 En hij zeide ook tot hen eene gelijkenis: Niemand zet eenen lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook dat nieuwe hel oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overéén. 37 En niemand doet nieuwen |
A
LUCAS 6.
81
|
wijn in oude lederen zakken; anders zoo zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de lederen zakken zullen verderven ; 38 maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij worden beiden te zaraen behouden. 39 En niemand die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is beter. HOOFDSTUK 6. En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat hij door het gezaaide ging; en zijne discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen. 2 En sommigen der Farizeërs zeiden tot hen: Waarom doet gij wat niet geoorloofd is te doen op de sabbaten? 3 En Jezus hun antwoordende zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, 't welk David deed wanneer hem hongerde en dengenen die met hem waren? 4 hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, en de toonbrooden genomen en gegeten heelt, en ook gegeven dengenen die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten dan alleen den Prieste-ren? 5 En hij zeide tot hen: De Zoon des menschen is een Heer ook van den sabbat. 6 En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat hij in de Synagoge ging, en leerde. En daar was een mensch, en zijne rechterhand was dor; 7 en de Schriftgeleerden en de Farizeërs namen hem waar, of hij op den sabbat genezen zoude, opdat zij cenüje beschuldiging tegen hem mochten vinden. 8 Doch hij kende hunne gedachten, en zeide tot den mensdi die de dorre hand had: Rijs op en sta in 't midden. En hij opgestaan zijnde stond overeind. 9 Zoo zeide dan Jezus tothen; Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbaten, goed te doen of kwaad te doen? een mensch te behouden of te verderven ? |
10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide hij tot den mensch: Strek uwe hand uit; en hij deed alzoo, en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. 11 En zij werden vervuld mefc uitzinnigheid, en spraken te za-men met elkander, wat zij Jezu» doen zouden. 12 En het geschiedde in die dagen dat hij uitging naar den berg om te bidden, en hij bleef den nacht over in het gebed tot God. 13 En als het dag was geworden, riep hij zijne discipelen tot zich, en verkoos er twaalf uit hen, die hij ook Apostelen noemde: 14 namelijk Simon, welken hij ook Petrus noemde, en Andreas zijnen broeder, Jacobiis en Johannes, Filippus en Bartholo-meüs; 15 Mattheüs en Thomas, Jacobus den zoon van Alfeüs; en Simon genaamd Zelotes; 16 Judas Jacobi, en Judas Is-kariot, die ook de verrader ge- i worden is. 17 En met hen afgekomen zijn-i de, stond hij op eene vlakke ! plaats, en met hem de schare zijner . discipelen, en eene groote menigte i des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon, 18 die gekomen waren om hem te hooren en om van hunne ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. 19 En al de schare zocht hem aan te raken; want daar ging kracht van hem uit, en hij genas ze allen. 20 En hij zijne oogen opslaande over zijne discipelen, zeide : Zalig zijt gij armen; want uwer is het Koninkrijk Gods. 21 Zalig zijt gij die nu hongert, want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij die nu weent, want gij zult lachen. 22 Zalig zijt gij wanneer u de |
â
LUCAS G.
82
|
meDschen haten, en wanneer zij li afscheiden en smaden, en uwen naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des niensciien wille. 23 Verblijdt u te dien dageen zijt vroolijk; want zie, uw loon ia groot in den hemel; want hunne vaderen deden desgelijks den Profeten. 24 Maar wee u gij rijken, want gij hebt uwen troost weg. 25 Wee u die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u die nu lacht, want gij zult treuren en weenen. 2G Wee u wanneer alle de men-sclien wel van u spreken, want hunne vaderen deden desgelijks den valschen Profeten. 27 Maar ik zegge ui ie den die dit hoort: Hebt uwe vijanden lief, doet wel dengenen die u haten. 26 zegent degenen die u vervloeken, en bidt voor degenen die u geweld doen. 29 Dengene die u aan do wang slaat, biedt ook do andere; en dengene die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen; 30 maar geef een iegelijk die van u begeert, en van dengene die het uwe neemt eisch niet weder. 31 Eu gelijk gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks. 32 En indien gij lief hebt die u liefhebben, wat dank hebt gij ? Want ook de zondaars hebben lief degenen die hen liefheb-ben. 33 En indien gij goed doet dengenen die u goed doen, wat dank hebt gij ? Want ook de zondaars doen hetzelfde. 34 En indien gij leent dengenen van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars leenen den zondaren, opdat zij evenge-lijk weder mogen ontvangen. j 35 Maar hebt uwe vijanden i lief, en doet goed, en leent zonder | iets weder te hopen; en uw loon i zal groot zijn, en gij zult kin- ; deren des Allerhoogsten. zijn; ; |
want hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen. 3(5 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; Iaat los, en gij zult losgelaten worden; 38 geelt, en u zal gegeven worden : eene goede, neergedrukte en geschudde en overloopende maat zal men in uwen schoot geven; want met dezelfde maat waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden. 39 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: Kan ook wel een blinde eenen blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? 40 Do discipel is niet boven zijnen meester, maar een iegelijk volmaakt di.-cipel zal zijn gelijk zijn meester. 41 En wat ziet gij den splinter die in uws broeders oog is, en den balk die in uw eigen oog is merkt gij niet? 42 Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik den splinter die in uw oog is uitdoe, daar gij zelf den balk die in uw oog is niet ziet? Gij geveinsde, doe eerst den balk uit uw oog, cn dan zult gij bezien om den splinter uit te doen die in uws broeders oog is. 43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt. 44 Want iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geene druif van bramen. 45 De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten, en de kwade mcnsch brengt üiet. kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond. 4G En wat noemt gij mij Heere, Heere, en doet niet hetgeen dat ik zegge? 47 Een iegelijk die tot mij |
LUCAS 7.
83
|
komt en mijne woorden hoort en dezelve doet, ik zal u toonen wieii hij gelijk is. 4S Hij is gelijk een mensch die een huis bouwde, en groef, en yerdiepte, euleido het fundament op eene steenrots: als nu de hooge | vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en j kon het niet bewegen; want het | was op de steenrots gegrond. 49 Maar wie ze gehoord en niet i gedaan zal hebben, is gelijk een ! mensch die een huis bouwde op â de aarde zonder fundament: tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, : en het viel terstond, en de val j van dat huis was groot. HOOFDSTUK 7. Nadat hij^ nu alle zijne woorden voleindigd had ten aanhoore des volks, ging hij in te Kaper-naüm. 2 En een dienstknecht van een i zeker hoofdman over honderd, ; die hem zeer waard was, krank i zijnde lag op zijn sterven. 3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot hem de Ouder- ! lingen der Joden, hem biddende dat hij wilde komen en zijnen dienstknecht gezond maken. 4 Deze nu tot Jezus gekomen zijnde, baden hem emstiglijk, zeggende: Hij is waardig dat gij hem dat doet; 5 want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd. 6 En Jezus ging met hen. Eu als hij nu niet verre van het huis was, zond do hoofdman over honderd tot hem ceniue vrienden, en zoide tot hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen: 7 daarom heb ik ookmijzelven niet waardig geacht om tot u te komen; maar _ zog het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 8 Want ik ben óók een mensch onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik. zeg tot dezen: lt;3la en hij gaat; en tofc den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. |
0 Ãn Jezus dit hoorende, verwonderde zich over hem, en zich omkeerende zeide tot de schare die hem volgde: Ik zegge ulie-den, ik heb zoo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden. 10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond. 11 En het geschiedde op den volgenden dag, dat hij ging naar eene stad genaamd Naïn, en met hem gingen vele van zijne discipelen en eene groote schare. 12 En als hij de poort der stad genaakte, ziedaar, een doode werd uitgedragen, die een eeniggeboren zoon zijner moeder was, en zij teas weduwe, en eene groote scharo van de stad was met haar. 13 En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. 14 En hij ging toe en raakte de baar aan, (de dragers nu stonden stil), en hij zeide : Jongeling, ik zegge u, sta op. 15 En de doode zat overeind en begon te spreken, en hij gaf hem aan zijne moeder. 16 En vreeze beving ze allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft zijn volk bezocht. 17^ En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judéa en in al het omliggende land. 18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem van alle deze dingen. 19 En Johannes zekere twee van zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zond ze tot Jezus, zeggende: Zijt gij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen ? 2U En als de mannen tot hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Dooper heeft ons tot u afgezonden, zeggende: Zijt gij die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen ? |
LUCAS 7.
84
|
21 En in die ure genas hij er velen van ziekten en kwalen en booze geesten, en velen blinden gaf hij het gezicht. 22 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Gaat henen en boodschapt Johannes wéder de dingen die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatschen gereinigd worden, de dooven hooren, de dooden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt; 23 en zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden. 24 Als nu deboden van Johannes weggegaan waren, begon hij van Johannes tot de scharen te zeggen: quot;Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? 25 Maar wat zij t gij uitgegaan te zien? Een mensch met zachte kleederen bekleed? Zie, die in heerlijke kleeding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven. 26 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een Profeet? Ja, ik zegge u, ook veel meer dan een Profeet. 27 Deze is het van welken geschreven is: Zie,ikzendemijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal. 28 Want ik zegge ulieden, onder die van vrouwen geboren zijn is niemand meerder Profeet dan Johannes de Dooper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij. 29 En al het volk hem hoerende, en de tollenaars die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God; 30 maar de Farizeërs en de Wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelve verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. 31^ En de Ileere zeide: Bij wien zal ik dan de menschen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk? |
32 Zij zijn gelijk den kinderen die op de markt zitten en elkander toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongenen gij hebt niet geweend. 33 Want Johannes de Dooper is gekomen noch brood etende noch wijn drinkende, en gij zegt: Hij heeft den duivel. 34 De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende, en gij zegt: Zie daar oen mensch die een vraat en wijnzuiper ?quot;x, een vriend van tollenaren en zondaren. 35 Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van alle hare kinderen. 3G En een der Farizeërs bad hem dat hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeërs huis zat hij aan. 37 En zie, eene vrouw in de stad welke eene zondares was, verstaande dat hij in des Farizeërs huis aanzat, bracht eene albasten llesch met zalve, 38 en staande achter aan zijne voeten weenende, begon zij zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met de zalve. 39 En de Farizeër die hem genood had zulks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende: Deze indien hij een Profeet ware, zoude wel weten, ^ wat en hoedanige vrouw deze is die hem aanraakt; want zij is eene zondares. 40En Jezus antwoordende zeide tot hem: Simon, ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester, zeg het. 41 Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de één was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig; 42 en als zij niet hadden om te _ betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben? 43 En Simon antwoordende zeide: Ik acht dat hij 't is wien hij het meeste kwijtgescholden | heeft. En hij zeide tot hem: Gij i hebt recht geoordeeld. 1 44 En hij zich omkeerende naa? |
i
|
LÃC Bid en de vrouw, zeide tot Simon: Ziet heb- deze vrouw? Ik ben in uw jen en huis gekomen; water hebt gij niet tot mijno voeten gegeven; ooper maar deze heeft mijne voeten ten de met tranen nat gemaakt en met zegt: het haar van baar hoofd afgedroogd. en l-j 45 Gij hebt mij geenen kus ende, gegeven; maar deze, van dat zij ïnscii ingekomen is, heeft niet afge-er ü, laten mijne voeten te kussen, zon- 46 Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft scht- mijne voeten met zalf gezalfd, hare 47 Daarom zegge ik u, hare zonden zijn haar vergeven die bad vele waren, want zij heeft veel n in- liefgehad; maar dien weinig ver-:eër3 geven wordt, die heeft weinig lief. 48 Eu hij zeide tot haar: Uwe i de zonden zijn u vergeven, was, 49 En die medeaanzaten be-eërs gonnen te zeggen bij zichzelve: 3ten Wie is deze dio ook de zouden vergeeft? i.jno 50 Maar hij zeide tot de vrouw: ijne- Uw geloof heeft u behouden, ga len, heneu in vrede. HOOFDSTUK 8. Ive. En het geschiedde daarna dat ge- hij reisde van de éóne stad en bij vlek tot de andere, predikende in- en verkondigende het Evangelie ido van het Koninkrijk Gods, en de ige twaalve waren met hem, kt; 2 en sommige vrouwen die van booze geesten en krankhe-ide den _ genezen waren, namelijk 'te Maria Magdalena, van welke or, zeven duivelen uitgegaan waren, 3 en Johanna de huisvrouw ^er van Chuzas den rentmeester van le- Herodes, en Susanna, en vele jf- andere, die hem dienden van er hare goederen. 4 Als nu eene groote schare m bijeenvergaderde, en zij van alle m Bteden tot hem kwamen, zoo m zeide hij door gelijkenis: i? 5 Een zaaier ging uit om zijn le zaad te zaaien; en als hij zaaide m viel het ééne bij den weg, en m werd vertreden, en de vogelen ij des hemels aten dat op; 6 en het andere viel op eene w eteenrots, en opgewassen zijnde |
l S 8. 85 is het verdord, omdat het geen vochtigheid had; 7 en het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende verstikten hetzelve; 8 en het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende riep hij: Wie ooreu heeft om tis hooreu. die hoore. 9 En zijne discipelen vraagden hem. zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen? 11) En hij zeide: U is 't gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek ib in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en hoorende niet verstaan. 11 Dit is nu de gelijkenis:Het zaad is het Woord Gods. 12 En die bij den weg bezaaid worden zijn deze die hooreu; daarna komt de duivel en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat ^ zij niet zouden geloovea en zalig worden. 13 En die op de steenrots he-zaaid worden zijn deze, die wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en deze heiben geenen wortel, die maar voor eeneu tijd geloo-ven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af. 14 En dat in de doornen valt, deze zijn die gehoord hebben, en henengaande verstikt worden door do zorgvuldigheden en rijkdom en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht, 15 En dat in de goede aarde vult zijn deze, die het Woord gehoord hebbende, 't zelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen. 16 En niemand die eene kaars ontsteekt bedekt dezelve mot een vat of zet ze onder een bed, maar zet ze op eeneu kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen. 17 Want daar is niets verborgen dat niet openbaar zal wor- |
LUCAS a
86
|
den, noch heimelijk dat niet bekend zal worden en in 't openbaar komen. 18 Ziet dan hoe gij hoort; want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden ; en zoo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben zal van hem genomen worden. 19 En zijne moeder en zijne broeders kwamen tot hem, en konden bij hem niet komen vanwege de schare. 20 En hem werd geboodschapt van eenigen die zeiden: Uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, begeerende u te zien. 21 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Mijne moeder en mijne broeders zijn deze, die Gods Woord hooren en hetzelve doen. 22 Eu het geschiedde in een van die^ dagen dat hij in een echip ging, en zijne discipelen met hem; en hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde des meers. En zij staken af. 23 En als zij voeren, viel hij in slaap; en daar kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol icater en waren in nood. 24 En zij gingen tot hem en wekten hem op, zeggende:Meester, Meester, wij vergaan. En hij opgestaan zijnde bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en daar werd stilt'?. 25 En hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij bevreesd zijnde verwonderden zich, zeggende tot elkander; Wie is toch deze, dat hij ook de winden en het water gebiedt en zij zijn hem gehoorzaam! 2(5 En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is tegenover Galiléa. 27 En als hij aan het land uitgegaan was, ontmoette hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en hij â was met geen kleederen bekleed. |
en bleef in geen huis, maar in de graven. 28 En hij Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor hem neder, en zeide met eene grooto stem: Wat heb ik met Mie doen, Jezus, gij Zoon Gods des Aller-hoogsten? Ik bid u dat gij mij niet pijnigt. 29 Want hij had den onreinen geest geboden dat hij van den mensch zoude uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad, en hij werd met ketenen en met boeien gebonden om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. 30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio; want vele duivelen waren in hem gevaren. 31 En zij baden hem, dat hij hun niet gebieden zoude in den afgrond henen te varen. 32 En aldaar was eene kudde veler zwijnen weidende op den berg; en zij baden hem, dat hij hun wilde toelaten in dezelve te varen; en hij liet het hun toe. 33 En de duivelen uitvarende van den mensch, voeren in do zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer, en versmoorde. 34 En die ze^ weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht, en henengaande boodschapten het in de stad en op het land. 35 En zij gingen uit om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mensch van welken de duivelen uitgevaren waren, zittende aan de voeten van Jezus, gekleed en wèl bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. ^ 36 En ook die et gezien hadden verhaalden hun hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de geheele menigte van het omliggende land der Gadarenen baden hem dat hij van hen wegging; want zij waren met groote vreeze bevangen; en |
LUCAS 9.
87
|
hij in het Bchip gegaan zijnde keerde wederom. 38 En de man van welken de duivelen uitgevaren waren, bad hem dat hij mocht bij hem zijn. Maar Jezus liet hem van zich gaan, zeggende: 89 Keer weder naar uw huis, en vertel wat groote dingen u God gedaan heeft. Eu hij ging henen, door de geheele dtad verkondigende wat groote dingen Jezus hem gedaan had. 40 En het geschiedde als Jezus wederkeerde, dat hem de Bchare ontving; want zij waren allen hem verwachtende. 41 Eu zie, daar kwam een man wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der Synagoge ; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad hem dat hij in zijn huis wilde komen; 42 want hij had eene éénige dochter van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als hij henenging zoo verdrongen hem de scharen. 43 En eene vrouw die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haren leeftocht aan medicijnmeesters ten koste geiegd had, en van niemand had kunnen genezen worden, 44 van achteren tot hem komende, raakte den zoom zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed iiaar bloeds. 45 En Jezus zeide: Wie is het die mij heeft aangeraakt ? En als zij het allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen u, en zegt gij; Wie is het die mij aangeraakt heeft? 4G Ei» Jezus zeide: Iemand heeft mij aangeraakt; want ik heb bekend dat kracht van mij uitgegaan is. 47 1).' vrouw nu ziende dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor hem nederval-lende verklaarde hem voor al het volk om wat oorzaak zij hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. 48 Eu hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede. |
49 Als hij nog sprak, kwam daar een van het huis van den overste der Synagoge, zeggende tot hem; Uwe dochter is gestorven; wees den Meester niet moeielijk. 50 Maar Jezus dat hoorende antwoordde hem, zeggende: Vrees niet; geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden. 51 En als hij in het huis kwam, liet hij niemand inkomen dan Petrus en Jacobus en Johannes, en den vader en de moeder des kinds. 52 En zij schreiden allen en maakten misbaar over haar. En hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt. 53 Eu zij belachten hem, wetende dat zij gestorven was. 54 Maar als hij ze allen uitgedreven had, greep hij hare hand en riep, zeggende: Kind, sta op. 55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en hij gebood dat men haar te eten geven zoude. 50 En hare ouders ontzetteden zich; en hij beval hun dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was. HOOFDSTUK 9. En zijne twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf hij hun kracht en macht over alle de duivelen, en om ziekten te genezen ; 2 en zond ze henen om te prediken het Koninkrijk Gods. en de kranken gezond te maken. 3 En hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. 4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit. 5 En zoo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad schudt ook het stof af van uwe voeten, tot een getuigenis tegen hen. ü En zij uitgaande doorgingen alle de vlekken, verkondigende |
LUCAS 9.
«s
|
liet Evaogelie, en genezende de Ziehen overal. 7 En Herodes de Viervorst hoorde alle de dingen die van hem geschiedden, en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan; 8 en van sommigen, dat Elia verschenen was; en van anderen, dat een Profeet van de ouden was opgestaan. 9 En Herodes zeide: Johannes heb ik onthoofd: wie is nu deze, van welken ik zulke dingen hoor ? En hij zocht hem te zien. 10 En de Apostelen wedergekeerd zijnde, verhaalden hem al wat zij gedaan hadden. En hij nam ze mede, en vertrok alleen in eene woeste plaats der stad genaamd Bethsaïda. 11 En de scharen ai verstaande, volgden hem; en hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van noode hadden maakte hij gezond. 12 En de dag begon te dalen; en de twaalve tot hem komende, zeiden tot hem; Laat de schare van u, opdat zij henengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in eene woeste plaats. 13 Maar hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf brooden en twee vis-fichen; tenzij dan dat wij henengaan en spijze koopen voor al dit volk. 14 Want daar waren omtrent vijfduizend mannen. Doch hij zeide tot zijne discipelen : Doet hen nederzitten bij afdeelingen, eik van vijftig. 15 Eu zij deden al zoo, en deden ze allen nederzitten. 16 En hij de vijf brooden en de twee visschen genomen hebbende, zag op naar den hemel en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen om der schare voor te leggen. |
17 En zij aten en werden allen verzadigd; en daar werd opgenomen hetgeen hun van de brokken overgeschoten was twaalf korven. 18 En het geschiedde als hij alleen was, biddende, dat de discipelen met hem waren, en hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen dat ik ben? 19 En zij antwoordende zeiden; Johannes de Dooper; en anderen, Elia; en anderen, dat eenig Profeet van de ouden opgestaan is. 20 En hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik beu? En Petrus antwoordende zeide: De Christus Gods. 21 En hij gebood hun scherpe-lijk en beval dat zij dit niemand zeggen zouden, 22 zeggende: De Zoon des men-schen moet veel lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en Overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood, en ten derden dage opgewekt worden. 23 En hij zeide tot allen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op en vol ge mij, 24 want zoo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwille, die zal het behouden. 25 Want wat baat het een raensch die de geheele wereld zoude winnen, en zichzelven verliezen of schade zijn» zelfs lijden ? 26 Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd, hebben, diens zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer hij komen zal in zijne heerlijkheid en in de heerlijkheid des Vaders en der heilige Engelen. 27 En ik zegge u waarlijk, daar z.jn sommigen dergeneu die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij liet Koninkrijk Gods zullen gezien hebben. 28 Ee. het geschiedde omtrent acht dagen na deze woorden, dat hij medenam Petrus en Johannes en Jacobus, en klom op den berg om te bidden. 29 En als hij bad, werd de go- |
u
LUCAS 9.
89
|
daante zijns aangezichts veranderd, en zijne kleeding wit en zeer blinkende. 30 En zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mo-zes en Elia; 31 dewelke gezien z?jnde in heerlijkheid, zeiden zijnen uitgang dien hij zoude volbrengen te Jeruzalem. 32 Petrus nu en die met hem ie ar en, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde zagen zij zijne heerlijkheid en de twee mannen die bij hem stonden. 33 En het geschiedde als zij van hem afscheidden, zoo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en voor Elia eenen, niet wetende wat hij zeide. 34 Als hij nu dit zeide, kwam eene wolk en overschaduwde hen: en zij werden bevreesd,als die in de wolk ingingen. 35 En daar geschiedde eene stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon: hoort hem. 36 En als de stem geschiedde, zoo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden. 37 En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat hem eene groote schare in *t gemoet kwam. 38 En^ zie, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid u^ zie toch mijnen zoon, want hij is mij een eenig-geborene: 39 en zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem; 40 en ik heb uwe discipelen gebeden dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. 41 En Jezus antwoordende zeide : O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog bij ulieden zijn en ulieden verdragen? Breng uwen zoon hier. |
42 En nog als hij naar 7jm toekwam, scheurde hem de duivel en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijnen vader weder. 43 En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over alle de dingen die Jezus gedaan had, zeide hij tot zijne discipelen: 44 Legt gij deze woorden in uwe ooren: Want de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in der menschen handen. 45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzoo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord hem te vragen. 46 En daar rees eene overlegging onder hen, namelijk wie van hen de meeste ware. 47 Maar Jezus ziende de overlegging hunner harten, nam een kindeken en stelde dat bij zich, 48 en zeide tot hen: Zoo wie dit kindeken ontvangen zal in mijnen naam, die ontvangt mij; en zoo wie mij ontvangen zal, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. Want wie de minste onder u allen is, die zal groot zijn. 49 En Johannes antwoordde en zeide: Meester, wij hebben eenen gezien die in uwen naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij u met ons niet volgt. 50 En Jezus zeide tot hem: Verbiedt het niet, want wie tegen ons niet is, die is vóór ons. 51 En het geschiedde als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo richtte hij zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen; 52 en hij zond boden uit voor zijn aangezicht; en zij henenge-reisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor hem herhero te bereiden. 53 En zij ontvingen hem niet, omdat zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem. 54 Als nu zijne discipelen Ja- |
LUCAS 10,
'SO
|
cobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt gij dat â¢wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft ? 55 Maar zich omkeerende be-â etrafte hij ze en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt; 56 want de Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek. 57 En het geschiedde op den weg als zij reisden, dat een tot hem zeide: Heere, ik zal u volgen waar gij ook henengaat. 58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd nederlegge. 59 En hij zeide tot eenen anderen: Volg mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe dat ik henenga «n eerst mijnen vader begrave. 60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat de dooden hunne dooden begraven; doch gij, ga henen â en verkondig het Koninkrijk Gods. 61 En ook een ander zeide: Heere, ik zal u volgen: maar laat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn. 62 Eu Jezus zeide tot hem: Isiemand die zijne hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods. HOOFDSTUK 10. En na dezen stolde de Heere nog zeventig anderen, en zond ze henen voor zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats waar hij komen zoude. 2 Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom bidt den Heere des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstootte. 3 Gaat henen; zie, ik zend u â¢als lammeren in het midden der wolven. |
4 Draagt geenen buidel, noch male, noch schoenen, en groet niemand op den weg. 5 En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zijdezen huize. 0 En indien aldaar een zoon des vredes is, zoo zal uw vrede tot u wederkeeren. 7 En blijft ii\ dat huis, etende en drinkende hetgeen van hen voorgezet icordt; want de arbeider is zijn loon waardig. Gaat niet over van het ééne huis in het andere huis. 8 En in wat stad gij zult ingaan en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt, 9 en geneest do kranken die daarin zijn, en aegttothen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. 10 Maar in wat stad gij zult ingaan en zij u niet ontvangen, uitgaande op hare straten zoo zegt: 11 Ook het stof dat uit uwe stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is. 12 En ik zeg u, dat het voor die van Sodom verdraaglijker wezen zal in dien dag dan voor die stad. 13 Wee u Chorazin, wee u Bethsaïda I Want zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en asch zittende zich bekeerd hebben. 14 Doch het zal Tyrus en Si-don verdraaglijker zijn in het oordeel dan ulieden. 15 En gij Kapernaüra, dat tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoo-ten worden. 1G Wie u hoort die hoort mij, en wie u verwerpt die verwerpt mij; en wie mij verwerpt die verwerpt dengene die mij gezonden heeft. 17 En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende : Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam. 18 En hij zeide tot hen: Ik |
LUCAS 10.
91
|
eag den satan als een bliksem uit den hemel vallen. 19 Zie, ik geef u de maelit om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u eenigszins beschadigen. 20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen. 21 Te dier ure verheugde zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank u Yader, Heere des hemels en der aarde, dat gij deze dingen roor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja. Vader, want alzoó is geweesthet welbehagen voor u. 22 Alle ^ dingen zijn mij van mijnen Vader overgegeven; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon, en wien het de Zoon zal willen openbaren. 23_En zich keerende naar de discipelen^ zeide hij tot hen alleen: Zalig zijn _ de oogen die zien hetgeen gij ziet. 24 Want ik zeg u dat vele Profeten en Koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord. 25 En zie, een zeker quot;Wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven be-erven ? 2G En hij zeide tot hem: Wat is in de Wet geschreven ? Hoe leest gij? 27 En hij antwoordende zeide: Gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel en uit geheel uw verstand, en uwen naaste als uzelven. 28 En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord: doe dat en gij zult leven. 29 Maar hij willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: Eu wie is mijn naaste? |
30 Eu Jezus antwoordende zeide. Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem uitgetogen en daartoe zware slagen gegeven hebbende, henengingen, en lieten hem half dood liggen. 31 En bijgeval kwam een zeker Priester dien weg af, en hem ziende ging hij tegenover hem voorbij. 32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. 33 Maar een zeker Samaritaan reizende kwam omtrent hein, en hem ziende werd hij met innerlijke ontferming bewogen; 34 en hij tot hem gaande verbond zijne wonden, gietende daarin^ olie en wijn; en hem hefiende op zijn eigen beest, voerde hij hem in de herberg en verzorgde hem. 35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem : Draag zorg voor hem: en zoo wat gij meer aan hem te koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven als ik wederkom. 36 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was? 37 En hij zeide: Die barmhartigheid _ aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hom: Ga henen en doe gij desgelijks. 38 En liet geschiedde als zij reisden, dat hij kwam in een vlek; en eene zekere vrouw met name Martha ontving hem in haar huis. 39 En deze had eene zuster genaamd Maria, welke ook zittende aan de voeten van Jezus zijn woord hoorde. 40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daar bijkomende zeide zij : Heere, trekt gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alléén laat dienen? Zeg don haar dat zij mij helpe. 41 En Jezus antwoordende zeide tot huar: Martha, Martha. |
LUCAS 11.
92
|
gij bekommert en ontrust u over yele dingen, 42 maar één ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. HOOFDSTUK 11. En het geschiedde toen hij in eeuc zekere plaats was biddende, als hij ophield, dat een van zijne discipelen tot hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijnen discipelen geleerd heeft. 2 En hij zeide tot hen: quot;Wanneer gij _ bidt, zoo zegt: Onze Vader die in de hemelen zijt, liw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel ahóó ook op de aarde; 3 geef ons eiken dag ons dagelij kscli brood; 4 en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. 5 En hij zeide tot hen: Wie van u zal eenen vriend hebben, en zal te middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend, leen mij drie brooden, G overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet wat ik hem voorzette: 7 en dat die van binnen antwoordende zoude zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer: ik kan niet opstaan om u te geven. 8 Ik zeg ulieden, hoewel hij niet zoude opstaan en hem geven omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid wille zal hij opstaan en hem geven zoovele als hij er behoeft. 9 En ik zegge ulieden: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 10 Want een iegelijk die bidt, i die ontvangt; en die zoekt, die j vindt; en die klopt, dien zal j opengedaan worden. |
11 En wat vader onder u,dien de zoon om brood bidt, zal hem eenen steen geven? of ook om eenen visch, zal hem voor eenen visch eene slang geven? 12 Of zoo hij ook om een ei zoude _ bidden, zal hij hem een schorpioen geven? 13 Indien dan gij die boos zijt weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen die hem bidden. 14 En hij wierp eenen duivel uit, en die was stom; en het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich; 15 maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt do duivelen uit door Beëlzebul, den overste der duivelen. 16 En anderen hem verzoekende, begeerden van hem een teeken uit den hemel. 17 Maar hij kennende hunne gedachten, zeide tot hen: Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis tegen zichzelf verdeeld zijnde^ valt: 18 indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt dat ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp. 19 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uwe zonen uit?Daarom zullen déze uwe rechters zijn. 20 Maar indien ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen. 21 Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zoo is al wat hij heeft in vrede: 22 maar als een daarover komt die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijne ge-heele wapenrusting waar hij op vertrouwde, en deelt zijnen rouf uit. 23 Wie met mij niet is, die ia tégen mij; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. |
LUCAS 11.
93
|
24 Wanneer de onreine geest van den niensch nitgevaren is, zoo gaat hij door dorp plaatsen, zoekende rust, en die niet vindende zegt hij : Ik zal weder-keeren in mijn huis waar ik uitgevaren ben; 25 en komende vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd. 26 Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde wonen zij aldaar en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. 27 En het geschiedde als hij deze dingen sprak, dat eene zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot hem zeide: Zalig is de buik, die u gedragen heeft, en de borsten, die gij hebt gezogen. 28 Maar hij zeide: Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods hooren en hetzelve bewaren. 29 En als de scharen dicht bijéónvergaderden, begon hij te zeggen: Dit is een boos geslacht: het verzoekt een teeken, en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet. 30 Want gelijk Jona den Nine-viten een teeken geweest is, alzóó zal ook de Zoon des men-schen zijn voor dit geslacht. 31 De Koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordeelen; want zij is gekomen van de einden der aarde om te hooren de wijsheid van Salomo, en zie, meer dan Sal#mo is hier. 32 Do mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona, en zie, meer dan Jona is hier. 33 En niemand die eene kaars ontsteekt, zet die in het verborgen noch onder eene korenmaat, maar op eene kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen. |
34 De kaars des lichaanis is het oog: wanneer dan uw 00,7 eenvoudig is, zoo is ook uw ge-heele lichaam verlicht; maar zoo het boos is, zoo is ook uw gc-heele lichaam duister. 35 Zie dan toe, dat niet het. licht hetwelk in u is, duisternis zij. 36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht ia, niet hebbende eenig deel dat duister is, zoo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht. 37 Als hij nu dit sprak, bad hem een zeker Farizeër dat hij bij hem het middagmaal wildé eten; en ingegaan zijnde zat hij aan. 38 En de Farizeër dat ziende, verwonderde zich dat hij niet eerst vóór het middagmaal zich gewasschen had. 39 En de Heere zeide tot hem: Nu, gij Farizeërs, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar het binnenste van u is vol roof en boosheid. 40 Gij onverstandigen, die het buitenste heeft gemaakt, heeft hij ook niet het binnenste gemaakt ? 41 Doch geeft tot aalmoezen hetgeen daarin is, en zie, alles is u rein. 42 Maar wee u, Farizeërs, want gij vertient _ munt en ruit en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. 43 Wee u, Farizeërs, want gij bemint het voorgestoelte in do Synagogen, en de begroetingen op de markten. 44 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden, want gij zijt gelijk de graven die niet openbaar zijn, en de menschen die daarover wandelen weten 't niet. 45 En een van de Wetgeleerden antwoordende zeide tot hem: Meester, als gij deze dingen zegt, zoo doet gij ook ons smaad-heid aan. 46 Doch hij zeide: Wee ook u. Wetgeleerden, want gij belast |
|
94 LU Ci de menschen met lasten zwaar om te dragen, en zelve raakt gij die lasten niet aan met één van uwe vingeren. 47 Wee n, want gij bouwt de graven der Profeten, en uwe vaderen hebben dezelve gedood. 48 Zoo getuigt, gij dan dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hunne graven. 49 Waarom ook de Wijsheid Gods zegt: Ik zal Profeten en Apostelen tot hen zenden, en van die zullefi zij sommiycn doo-den, en sommigen zullen zij uitjagen, 50 opdat van dit geslacht afge-eischt worde het bloed van alle de Profeten dat vergoten is van de grondlegging der wereld af, 51 van het bloed Abels tot het bloed van Zacharia, die gedood is tusschen het altaar en het Huis Gods; ja, zeg ik u, het zal afgeëischt worden van dit geslacht. 52 Wee u, gij Wetgeleerden, wantlt; gij hebt den sleutel der keunis weggenomen: gijzelve zijt niet ingegaan, en die ingingen hebt gij verhinderd. 53 En als hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeërs hard aan te houden, en hem van vele dingen te doen spreken, 54 hem _ lagen leggende, en zoekende iets uit zijnen mond te bejagen, opdat zij hem beschuldigen mochten. HOOFDSTUK 12. Als intusschen vele duizenden der schare bijéénvergaderd waren, zoodat zij elkander vertraden, begon hij te zeggen tot zijne discipelen: Vooreerst, wacht uzelve voor den zuurdeesem der Farizeërs, welke is geveinsdheid. 2 En daar is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en verborgen dat niet zal geweten worden. 3 Daarom al wat gij in de duisternis gezegd hebt zal in hot licht gehoord worden, en wat gij |
S 12. in het oor gesproken hebt in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden. 4 En ik zeg u mijnen vrienden, vreest niet voor degenen die het^ lichaam dooden, en daarna niets méér kunnen doen; 5 maar ik zal u toon en wien gij vreezen zult: vreest dien, die nadat hij gedood heeft ook macht heeft in de hel te werpen: ja, ik zeg u, vreest dien. 6 Worden niet vijf muschkens verkocht voor twee penningskens? En niet één van die is voor God vergeten. 7 Ja, ook de haren uws hoofd» zijn alle geteld. Vreest dan niet: gij gaat vele muschkens te boven. 8 En ik zeg u, een iegelijk die mij belijden zal voor de men-schen, dien zal ook de Zoon «les menschen belijden voor de Engelen Gods; 9 maar wie mij verloochenen zal voor de menschen, die zal verloochend worden voor de Engelen Gods. 10 En een iegelijk die eem'g woord spreken zal tegen den Zoon des menschen het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden. 11 En wanneer zij u henen-brengen zullen in de Synagogen en tot de overheden en de machten, zoo zijt niet bezorgd, hoe ot wat gij tot verantwoording zeggen of wat gij spreken zult; 12 want de Heilige Geest zal u in die ure leeren hetgeen gij spreken moet. 13 En een uit de schare zeide tot hem,: Meester, zeg mijnen broeder dat hij met mij de erfenis deele. 14 Maar hij zeide tot hem: Mensch, wie heeft mij tot een rechter of scheidsman over ulie-den gesteld? 15 En hij zeide tot hen: Ziet toe en we.cht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed (lelegen, dat iemand leeft uit zijne goederen. 16 En hij zeide tot hen eene |
LUCAS 12.
9c*
|
gelijkenis, en sprak: Eens rijken menschen land had wel gedragen ; 17 en hij overleide bij zichzel-ven, zeggende: Wat zal ik doen? want ik heb niet waarin ik mijne vruchten zal verzamelen. 18 En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijne goederen, 19 en ik zal tot mijne ziel zeggen: Ziele, gij liebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren: neem rust, eet, drink, wees vroo-lijk. 20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? 21 Alzóó is 'tmet df/en diezich-zelven schatten vergadert, en niet rijk is in God. _ 22 En hij zeide tot zijne discipelen: Daarom zeg ik a, zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleeden zult: 23 het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding. 24 Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve: hoeveel gaat gij de vogelen te boven! 25 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen? 26 Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gii voor de andere dingen bezorgd? 27 Aanmerkt de leliën, hoe zij wassen ; zij arbeiden niet en spinnen niet, en ik zeg u, ook Salomo in al zijne heerlijkheid is niet bekleed geweest als eene van deze. 28 Indien nu God het gras, dat heden op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, hoeveel te meer u, gij kleingeloovigen I 29 En gijlieden, vraagt niet wat gij eten of wat gij drinken zult, en weest niet wankelmoedig; |
30 want alle deze dingen zoeken de volkeren der wereld; maar uw Vader weet dat gij dezamp; dingen behoeft. 31 Maar zoekt het Koninkrijk. Gods, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden. 32 Vrees niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vader»-welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven. 33 Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes; maakt uzelven-buidels die niet verouden; eenea schat die niet afneemt in de hemelen, waar de dief niet bijkomt noch de mot verderft. 34 Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn. 35 Laat uwe lendenen omgord-zijn, en de kaarsen brandende; 3G en zijt gij den menschen gelijk die op hunnen heer wachten^ wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. 37 Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer als hij komt zal wakende vinden: voorwaar ik zeg u, dat hij zich zal omgorden^ en zal ze doen aanzitten, en bijkomende zal Lij hen dienen. 38 En zoo hij komt in de tweed© nrtc/^waak, en komt in de derde-waak, en vindt ze alzóó, zalig zijn die dienstknechten. 39 Maar weet dit, dat indien de heer des huizes geweten had in welke ure de dief zoude komen hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven. 40 Gij dan, zijt óók bereid» want in welke ure gij het niet meent zal de Zoon des menschen komen. 41 En Petrus zeide tot hem: Heere, zegt gij deze gelijkenistot ons, of ook tot allen? 42 En de Heere zeide: Wie i» dan de getrouwe en voorzichtig© huisbezorger, dien de heer over zijne dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven? 43 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer als hij komt zal vindea alzóó doende: |
|
96 LUC. 44 waarlijk, ik zeg ulieden dat hij hem over alle zijne goederen zetten zal. 45 Maar indien die dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: Mijn heer vertoeft te komen en zoude beginnen de knechten en de dienstmaagden^ te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden, 4G zoo zal de heer van dien j dienstknecht komen ten dage op i welken hij hem niet verwacht, ! en ter ure die hij niet weet, en i zal hem afscheiden, en zal zijn ' deel zetten met de ontrouwen. 47 En die dienstknecht welke i geweten heefteden wil zijnshee- | ren, en zich niet bereid noch naar i zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden; j 48 maar die denzelven niet ge- | weten he«ft, en gedaan heeft din- i gen die slagen waardig zijn, die j zal met weinige slagen geslagen i worden. En een iegelijk wien ' veel gegeven is, van dien zal veel geëischt worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien j zal men overvloediger eischen. i 49 Ik ben gekomen om vuur j op de aarde te werpen: en wat â wil ik,_ indien het aireede ontstoken is ? 50 Maar ik moet met eenen j doop gedoopt worden, en hoe l word ik geperst, totdat het vol- j bracht zij I 51 Meent gij dat ik gekomen i ben om vrede te geven op de i aarde? Neen, zeg ik u, maar veeleer verdeeldheid. 52 Want van nu aan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn., drie tegen twee, en twee tegen drie; 53 de vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen i hare schoondochter; en de schoon- lt; dochter tegen hare schoonmoeder. ' 54 En hij zeide ook tot de 1 scharen: quot;Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het Westen, tér- ; stond zegt gijlieden: Er komt ; rogen; en het geschiedt alzoo; 1 |
a.s 13. 55 en wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zoo zegt gij: Daar zal hitte zijn; en het geschiedt. 56 Gij geveinsden,liet aansclwjn der aarde en des hemels weet gij te beproeven, en hoe beproeft gij dezen tijd niet? 57 En waarom oordeelt gij ook van uzelve niet hetgeen recht ia? 58 Want als gij henengaatmet uwe wederpartij voorde overheid, zoo benaarstig u op den weg om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. 59 Ik zeg u, gij zult vandaar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningsken betaald zult hebben. HOOFDSTUK 13. En daar waren te dierzelfder tijd eenigen tegenwoordig, die hem boodschapten van de Gali-leers, welker bloed Pilatus met hunne olleranden gemengd had. 2 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Meent gij dat deze Galileërs zondaars zijn geweest boven alle de Galileërs, omdat zij zulks geleden hebben? 3 Ik zeg u, neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij all en desgelijks vergaan. 4 Of die achttien op welke de toren in Silqam viel en doodde ze, meent gij dat deze schuldenaars zijn geweest boven alle menschen die in Jeruzalem wonen? 5 Ik zeg u, neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan. G En hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had eenen vijgeboom, geplant in zijnen wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. 7 En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kom nu drie jaren zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit: waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aardo? |
LUCAS 13.
97
|
8 En hij antwoordende zeide tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben ; 9 en indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zoo zult gij hem namaals uithouwen. 10 En hij leerde op den sabbat in eene der Synagogen. 11 En zie, daar was eene vrouw die eenen geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen en kon zich ganschelijk niet oprichten. 12 En Jezus haar ziende riep ze tot zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uwe krankheid. 13 En hij leide de handen op haar, en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God. 14 En de overste der Synagoge, kwalijk nemende dat Jezus op den Sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Daar zijn zes dagen op welke men moet werken; komt dan op dezelve en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats. 15 De Heere dan antwoordde hem en# zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijnen os of ezel van de kribbe los, en leidt henen om te doen drinken? 16 En deze die eene dochter Abrahams is, welke de satan, zie, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band op den dag des sabbats? 11 En als hij dit zeide, werden zij allen beschaamd die zich tegen hem stelden, en al de schare verblijdde zich over alle de heerlijke dingen die van hem geschiedden ? 18 En hij zeide: Waaraan is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal ik hetzelve vergelijken r 19 Het is gelijk een mostaardzaad, hetwelk een mensch genomen en in zijnen hof ge worpen heeft: en het wies op en werd tot eenen grooten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijne takken. |
20 En hij zeide wederom: Waarbij zal ik het Koninkrijk Gods vergelijken? 21 Het is gelijk een zuurdeesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meel: totdat het geheel gezuurd was. 22 En hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, loerende, en richtende zijne reize naar Jeruzalem. 23 En er zeide een tot hem: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden? En hij zeide tot hen: 24 Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zeg ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; 25 namelijk nadat de Heere des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open; en hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet van waar gij zijt. 26 Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. 27 En liij zal zeggen: Ik zeg u, ik ken u niet vanwaar gij zijt: wijkt van mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid. 28 Aldaar zal zijn weening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham en Isaiik en Jakob en alle de Profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulie-den buiten uitgeworpen. 29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. 30 En zie, daar zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en daar zijn eersten die de laatsten zullen zijn. 31 Te dien dage kwamen daar eenige Farizeërs, zeggende tot hem: Ga weg en vertrek van hier, want Herodes wil u dooden. 32 En hij zeide tot hen: Gaat 4 |
|
98 LUC heuen en zegt dien vos: Zie, ik werp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dag'' word ik voleindigd. 33 Doch ik moet heden en morgen en den volgenden dag reizen ; want het gebeurt niet, dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. 34 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bij éénverga deren, gelijker-wijs eene hen hare kiekens onder ^le vleugelen vernadert, en gijlieden hebt niet gewild. 35 Zie, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar ik zeg u, dat gij mij niet zult zieu, totdat de tijd zal gekomen zijn als gij zult zeggen: Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. HOOFDSTUK 14. En het geschiedde als hij gekomen was in het huis van een der oversten der Farizeërs, op den sabbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen. 2 En zie, daar was een zeker waterzuchtig mensch vóór hem. 3 En Jezus antwoordende zei-de tot de Wetgeleerden en Farizeërs, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken? 4 Maar zij zwegen stil, en hij nam hem en genas hem, en liet hem gaau. 5 En hij hun antwoordende zeide; quot;Wiens ezel of os van ulieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbate ? 6 En zij konden hem daarop niet weder antwoorden. 7 En hij zeide tot de genooden eene gelijkenis, aanmerkende hoe zij de vooraanzittingen verkoren, zeggende tot hen: 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zoo zet tl niet op de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij, 9 en hij komende, die u en hem |
S 14. genood heeft, tot u zegge: Geef 20 dezen plaats, en gij alsdan zoudt eene beginnen met schaamte de laatste kan plaats te houden. 21 10 Maar wanneer gij genood gekc zult zijn, ga henen en zet u op ding de laatste plaats: opdat wanneer de hij komt die u genood heelt, hij zeid tot u zegge: Vriend, ga hooger Ga op: alsdan zal het u eere zijn en i voor degenen die met u aanzitten. arm 11 Want een iegelijk die zich- pele zeiven verhoogt zal vernederd 22 worden en die zich zei ven verne- Ilee devt zal verhoogd worden. bevc 12 En hij zeide ook tot den- plan gene die hem genood had: Wan- 23 neer gij een middagmaal of avond-- diei maal zult houden, zoo roep niet en 1 uwe vrienden, noch uwe broeders, mei: noch uwe magen, noch uice rijke 24 geburen, opdat ook dezelve u niet niei te eeniger tijd wedernooden en gen u vergelding geschiede. sma 13 Maar wanneer gij eenmaal- 25 tijd zult houden, zoo nood armen, herr verminkten, kreupelen, blinden: zeid 14 en gij zult zalig zijn, omdat 2,j zij niet hebben om u te vergel- en den; want het zal u vergolden moe worden in de opstanding der en rechtvaardigen. # zelf 15 En als een van degenen die mijl medeaanzaten deze din gen hoorde, 27 zeide hij tot hem: Zalig is hij en die brood eet in het Koninkrijk disc Gods. # _ 28 16 Maar hij zeide tot hem: een* Een zeker mensch bereidde een eers groot avondmaal, en hij noodde kosl er velen; tot 17 en hij zond zijnen dienst- 20 knecht uit ter ure des avond- het maals, om den genooden te zeg- niet gen: Komt, want alle dingen zijn het nu gereed. spot 18 En zij begonnen allen zich 3Ã eendrs.chtiglijk te verontschuldi- beg( gen. De eerste zeide tot hem: Ik niet heb eenen akker gekocht, en het 31 is noodig dat ik uitga en hem den bezie; ik bid u houd mij voor Kor verontschuldigd. _ ned 19 En een ander zeide: Ik heb mac vijf juk ossen gekocht, en ik ga onti henen om die te beproeven; ik tigd bid u, houd mij voor veront- 32 schuldigd. uit, |
é
LUCAS 15.
9^
|
20 En een ander zeide: Iklieb eene vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen. 21 En die dienstknecht iceder-gekomen zijnde boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in. 22 En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is daar plaats. 23 En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde ; 24 want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen die genood waren mijn avondmaal smaken zal. 25 En vele scharen gingen met hem en hij zich omkeerende zeide tot hen: 2,3 Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen, en broeders _ en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn: 27 en wie zijn kruis niet draagt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u willende eenen toren bouwen, zit niet eerst neder en overrekent de kosten, of hij ook heeft hetgeen tot volmaking nooclifl is? 29 opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heelt en niet kan voleindigen, allen die het zien hem beginnen te bespotten, 30 zeggende: Deze mensch heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen. 31 Of wat Koning; gaande naar den krijg om tegen een anderen Koning te slaan, zit niet eerst neder en beraadslaagt, of hij machtig is met tienduizend te ontmoeten dengene die met twintigduizend tegen hem komt ? 32 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl gene nog verre is, en |
begeert hetgeen tot vrede dient. 33 A1ZÃà dan een iegelijk van u die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn. 34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden? 35 Het is noch voor het land noch voor den mesthoop geschikt: men werpt het weg. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. HOOFDSTUK 15. En alle de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te hooren. 2 En de Farizeërs en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 Wat mensch onder u heb-bende# honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in dewoestij n, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde; 6 en te huis komende roept hij de vrienden en de gebnren t© zamen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. 7 Ik zegge ulieden, dat er al-zoo blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van nood© hebben. 8 Of wat vrouw hebbende tien penningen, indien zij éénen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk tot- | dat zij dien vindt? 9 En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de gebiirinnen te zamen, zeggende: Weest blijde met mij, ! want ik heb den penning gevon- I den dien ik verloren had. |
.
|
98 LUC. henen en zegt dien vos: Zie, ik â *verp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage word ik voleindigd. 33 Doch ik moet heden en morgen en den volgenden dag reizen; quot;want het gebeurt niet, dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. 34 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en eteenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bij éénvergaderen, gelijker-wijs eene hen hare kiekens onder ^le vleugelen vernadert, en gijlieden hebt niet gewild. 35 Zie, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar ik zeg u, dat gij mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn als gij zult zeggen: Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. HOOFDSTUK 14. En het geschiedde als hij gekomen was in liet huis van een der oversten der Farizeërs, op den sabbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen. 2 En zie, daar was een zeker waterzuchtig mensch vóór hem. 3 En Jezus antwoordende zei-de tot de quot;Wetgeleerden en Farizeërs, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken? 4 Maar zij zwegen stil, en hij nam hem en genas hem, en liet hem gaan. 5 En hij hun antwoordende zeide; Wiens ezel of os van ulieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats ? 6 En zij konden hem daarop niet weder antwoorden. 7 En hij zeide tot de genooden eene gelijkenis, aanmerkende hoe zij de vooraanzittingen verkoren, zeggende tot hen; 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zoo zet tl niet op de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij, 9 en hij komende, die u en hem l S 14. |
genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats, en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. 10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga henen en zet u op de laatste plaats : opdat wanneer hij komt die u genood heelt, hij tot u zegge: Vriend, ga hooger op: alsdan zal het u eere zijn voor degenen die met u aanzitten. 11 Want een iegelijk die zich-zelven verhoogt zal vernederd worden en die zich zei ven vernedert zal verhoogd worden. 12 En hij zeide ook tot den-gene die hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe magen, noch utve rijke geburen, opdat ook dezelve u niet te eeniger tijd wedcrnooden en u vergelding geschiede. 13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden; 14 en gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen. 15 En als een van degenen die medeaanzaten deze din gen hoorde, zeide hij tot hem: Zalig is hij die brood eet in het Koninkrijk Gods. 16 Maar hij zeide tot hem: Een zeker mensch bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen; 17 en hij zond zijnen dienstknecht uit ter ure des avond-maals, om den genooden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. 18 En zij begonnen allen zich eendrachtiglijk te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb eenen akker gekocht, en het is noodig dat ik uitga en hem bezie; ik bid u houd mij voor verontschuldigd. 19 En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga henen cm die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. |
LUCAS 15.
9£
|
20 En een ander zeide : Ik lieb eene vroinv getrouwd en daarom kan ik niet komen. 21 En die dienstknecht iceder-gekomen zijnde boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in. 22 En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is daar plaats. 23 En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde; 24 want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen die genood waren mijn avondmaal smaken zal. 25 En vele scharen gingen met hem v en hij zich omkeerende zeide tot hen: 2G Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen, en broeders _ en zusters, ja, ook zelfs zijii eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn: 27 en wie zijn kruis niet draagt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. 2S Want wie van u willende eenen toren bouwen, zir. niet eerst neder en overrekent de kosten, of hij ook heeft hetgeen tot volmaking noodig is 7 29 opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet kan voleindigen, allen die het zien hem beginnen te bespotten, 30 zeggende: Deze mensch heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen. 31 Of wat Koning gaande naar den krijg om tegen een anderen Koning te slaan, zit niet eerst neder en beraadslaagt, of hij machtig is met tienduizend te ontmoeten dengene die met twintigduizend tegen hem komt? 32 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl gene nog verre is, en |
begeert hetgeen tot vrede dient. 33 A1ZÃà dan een iegelijk van u die niet verlaat alles wat bij heeft, die kan mijn discipel niet zijn. 34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden ? 35 Het is noch voor het land noch voor den mesthoop geschikt: men werpt het weg. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. HOOFDSTUK 15. En alle de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te hooren. 2 En de Farizeërs en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zon-daar?, en eet met hen. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 Wat mensch onder u heb-bende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in dewoestij n, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde; 6 en te huis komende roept hij de vrienden en de geburen te zamen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ikhebmijn schaap gevonden dat verloren was. 7 Ik zegge ulieden, dat er al-zoo blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben. 8 Of wat vrouw hebbende tien penningen, indien zij éénen penning verliest, ontsteekt niet eene^ kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk totdat zij dien vindt? 9 En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen te zamen, zeggende : Weest blijde met mij,, want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. |
f
LUCAS 10.
100
|
10 Alzóó (zeg ik ulieden) is daar blijdschap voor d© Engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert. 11 En hij zeide: Een zeker mensch had twee zonen. 12 En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13 En niet vele dagen daarna, de jongste zoon alles bijéénvergaderd hebbende, is weggereisd in een \ergelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk. 14 En als hij het alles verteerd had, werd daar een groote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden; 15 en hij ging henen en voegde zich bij een van de burgers van dat land, en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden : 16 en hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien. 17 En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger. 18 Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, 19 en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden: maak mij als eenen van uwe huurlingen. 20 En opstaande ging hij naar zijnen vader. En als hij nog verre van he.n was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en fot-loopende viel hem om zijnen hals en kuste hem. 21 En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22 Maar de Vader zeide tot zijn© dienstknechten: Brengt hier voort het beste kleed en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijn© hand en schoenen aan de voeten, |
23 en brengt het gemeste kalf en slacht het, en laat ons eten en vroolijk zijn; 24 want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn. 25 En zijn oudste zoon was in het veld, en als hij kwam en het huis genaakte, hoord© hij het gezang en het gerei; 26 en tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde wat dat mocht zijn. 27 En deze zeide tot hem: üw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft. 28 Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29 Doch hij antwoordende zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zoovel© jaren en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een boksken gegeven, opdat ik met mijn© vrienden mocht vroolijk zijn; 30 maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht. 31 En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe: 32 men behoorde dan vroolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. HOOFDSTUK 16. En hij zeide ook tot zijne dis-cipelen: Daar was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had, en deze werd bij hem ver-klaagd als die zijne goederen doorbracht. 2 En hij riep hem en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u ? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij zult niet meer rentmeester kunnen zijn.. |
é
LUCAS 1G.
101
|
3 En de rentmeester zeide bij zicbzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet wat ik doen zal, opdat wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hunne huizen ontvangen. 5 En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eerste: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig? 6 En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, ennederzittende schrijf haastelijk vijftig. 7 Daarna zeide hij tot eenen anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide:Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en schrijf tachtig. 8 En de heer prees den on-rechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht. 9 En ik zeg ulieden, maakt uzelven vrienden uit den on-rechtvaardigen Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. 10 Die getrouw is in 't minste, die is ook in 't groote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig. 11 Zoo gij dan in denonrecht-vaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen ? 12 En zoo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven? 13 Geen huisknecht kan twee heeren dienen; want óf hij zal den éénen haten en den anderen liefhebben, óf hij zal den éénen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt God niet dienen en den Mammon. |
14 En alle deze dingen hoorden ook de Farizeërs die geldgierig waren, en zij beschimpten hem. 15 En hij zeide tot hen: Gij zijt het die uzelve rechtvaardigt voor de menschen, maar God kent uwe harten; want dat hoog is onder de menschen, is een gruwel voor God. 16 De Wet en de Profeten «(/w-tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve. 17 En het is lichter dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel der wet valle. 18 Een iegelijk die zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk die de verlatene van den man trouwt, die doet óók overspel. 19 En daar was een zeker rijk mensch, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allo dagen vroolijk en prachtig. 20 En daar was een zeker bedelaar met name Lazarus, welke lag voor zijne poort, vol zweren, 21 en begeerde verzadigd te worden van de kruimkens die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en likten zijne zweren. 22 En het geschiedde dat de bedelaar stierf, en van de Engelen gedragen werd in den schoot Abrahams. 23 En de rijke stierf óók, en werd begraven. En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. 24 En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner en zend Lazarus^ dat hij het uiterste zijns vingers in het water doope, en verkoele mijne tong; wantik lijd smarten in deze vlam. 25 Maar Abraham zeide:Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu |
|
â wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten. 26 En boven dit alles, tusschen ons en nlieden is eene groote klove gevestigd, zoodat degenen die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen. 27 En hij zeide: Ik bid u dan vader, dat gij _ hem zendt tot mijns vaders hnis; 28 want ik heb vijf broeders: dat hij hvsA dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. 29 Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de Profeten: dat ze die hooren. 30 En hij zeide: Neen, vader Abraham, maar zoo iemand van de dooden tot hen henenging, zij zonden zich bekeeren. 31 Doch Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de Profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen. HOOFDSTUK 17. En hij zeide tot de discipelen: Het kan niet wezen dat er geen ergernissen komen, doch wee hem door welken zij komen; 2 het zoude hem nutter zijn dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en hij in de zee geworpen, don dat hij één van deze kleinen zoude ergeren. 3 Wacht uzelve. En indien uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf hem, en indien het hem leed is, zoo vergeef het hem. 4 En indien hij zevenmaal 's daags tegen u zondigt, en zevenmaal 's daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed, zoo zult gij het hem vergeven. 5 En de Apostelen zeiden tot den Heere: Vermeerder ons het geloof. 6 En de Heere zeide: Zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tegen dezen moerbeziënboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zoude u gehoorzaam zijn. |
I Eu wie van u heeft eenen dienstknecht ploegende of de leekten hoedende, die tot hem als hij van den akker inkomt terstond zal zeggen: Kom bij en zit aan? 8 Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid dat ik te avond zal eten, en omgord u en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben, en eet en drink gij daarna? 9 Dankt hij ook dien dienstknecht, omdat hij gedaan heeft hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neen. 10 Alzóó ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren to doen. II En het geschiedde als hij naar Jeruzalem reisde, dat hij door het midden van Samarië en Galiléa ging. 12 En als hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten hem tienrne-laatsche mannen, welke van verre stonden; 13 en zij verhieven limine stem, zeggende: Jezus, Meester, ontferm u onzer. 14 En als hij ze zag, zeide hij tot hen: Gaat henen en vertoont uzelve den Friesteren. En het geschiedde terwijl zij henengingen dat zij gereinigd werden. 15 En één van hen ziende dat hij genezen was, keerde weder, met groote stem God verheerlijkende; 16 en hij viel op het aangezicht voor zijne voeten, hem dankende, en deze was een Samaritaan. 17 En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet do tien gereinigd geworden ? En waar zij n de negen? 18 Zijn er geene gevonden die wederkeeren om Gode eere te geven, dan deze vreemdeling? 19 En hij zeide tot hem: Sta op en ga lenen; uw geloof heeft u behouden. 20 En gevraagd zijnde van de Farizeërs, wanneer het Konink- |
|
LUCi rijk Gods komen zoude, heeft hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, 21 en men zal niet zeggen: Zie hier of zie daar; want zie, het Koninkrijk Goda is binnen ulieden. 22 En hij zeide tot de discipelen: Daar zullen dagen komen, wanneer gij zult begeeren éénen der dagen van den Zoon des menschen te zien, en gij zult dien niet zien. 23 En zij zullen tot u zeggen: Zie hier of zie daar is hij: gaat niet henen, en volgt niet. 24 Want gelijk de bliksem, die van het # ééne einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, al zóó zal ook de Zoon des menschen wezen in zijnen dag. 25 Maar eerst moet hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht. 26 En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, al zóó zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des menschen: 27 zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam en verdierf ze allen. 28 Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; 29 maar op den dag op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en zwavel van den hemel, en verdierf ze allen: 30 even al zóó zal het zijn in den dag op welken de Zoon des menschen geopenbaard zal worden. 31 In dien dag wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die keere desgelijks niet naar hetgeen achter is. 32 Gedenkt aan de vrouw van Lot. 33 Zoo wie zijn leven zal zoeken |
S 13. 103 te behouden, die zal het verliezen; en zoo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in 't leven behouden. 34 Ik zeg u, in dien nacht zullen twee op één bed zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. 35 Twee vrome en zullen te zamen malen: de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. _3G Twee zullen op den akker zijn: de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. 37 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Waar Heere? En hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden. HOOFDSTUK 18. En hij zeide ook eene gelijkenis tot hen, daartoe dat men altijd bidden moet en niet vertragen, 2 zeggende: Daar was een zeker rechter in eene stad, die God niet vreesde en geen mensch ontzag. 3 En daar was eene .zekere weduwe in die stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijne wederpartij. 4 En hij wilde voor eenen langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vrees en geen mensch ontzie, 5 nochtans omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zoo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd breke. 6 En de Heere zeide: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt: 7 zal God dan geen recht doen zijnen uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen, hoewel hij lankmoedig is over hen? 8 Ik zeg u dat hij hun haaste-lijk recht doen zal. Doch de Zoon des menschen als hij komt, zal hij ook geloof vinden op de aarde ? 9 En hij zeide# ook tot sommigen die bij zichzelven vertrouwden dat zij rechtvaardig |
LUCAS 18.
lOi
|
â¢waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: 10 Twee menschen gingen óp in den Tempel ora te bidden. de één was een Farizeër en de ander een tollenaar. 11 De Farizeër staande bad dit bij zichzelven: O God, ik dank u dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roovers, on-rechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar; 12 ik vast tweemaal ter weke, ik geef tienden van alles wat ik bezit. 13 En de tollenaar van verre staande wilde ook zelfs de oogen niet ophetien naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig. 14 Ik zeg nlieden, deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis weer dan die; want een ieder die zichzelven verhoogt zal vernederd worden, en die zichzel ven vernedert zal verhoogd worden. 15 En zij brachten ook de kin-derkens tot hem, opdat hij die zoude aanraken, en de discipelen dat ziende bestraften dezelve. 1G Maar Jezus riep die kinderwens tot zich, en zeide: Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert hen niet; want der-zulken is het Koninkrijk Gods. 17 Voorwaar zeg ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen. 18 En een zeker overste vraagde hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? 19 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God. 20 Gij weet de geboden: gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geene valsche getuigenis geven; eer uwen vader en uwe moeder. 21 En hij zeide: Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid aan. |
22 Doch Jezus dit hoorende zeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u: verkoop alles wat gij hebt en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. 23 Maar als hij dit hoorde werd hij zeer droevig; want hij was zeer rijk. 24 Jezus nu ziende dat hij zeer droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het Koninkrijk Gods ingaan; 25 want het is lichter dat een kemel ga door het oog van eeno naald, dan dat een rijke in 't Koninkrijk Gods inga. 26 En die dit hoorden zeiden: Wie kan dan zalig worden? 27 En hij zeide: De dingen die onmogelijk zijn bij de menschen, zijn mogelijk bij God. 28 En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd. 29 En hij zeide tot hen: Voorwaar ik zeg ulieden, dat er niemand is die verlaten heeft huis, of ouders of broeders, of vrouw of kinderen, om het Koninkrijk Gods, ^ 30 die niet zal veelvoudig we-derontvangen in dezen tijd, en in de komende eeuw het eeuwige leven. 31 En hij nam de twaalve bij zich, en zeide tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen, wat geschreven is door de Profeten; 32 want hij zal den heidenen overgeleverd worden, en hij zal bespot worden en smadelijk behandeld worden en bespuwd worden; 33 en hem gegeeseld hebbende zullen zij hem dooden; en ten derden dage zal hij weder opstaan. 34 En zij verstonden geen van deze dingen, en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet hetgeen gezegd werd. 35 En het geschiedde als hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende. |
|
36 En deze hoorer. de de schare voorbijgaan, vraagde %vat dat ware. 37 En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging. 38 En hij riep, zeggende: Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner. 39 En die voorbijgingen be-Btraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zooveel te meer: Zone Davids, ontferm u mijner. 40 En Jezus sf//staande beval dat men denzelven tot hem brengen zoude; en als hij nabij hem gekomen was, vraagde hij hem, 41 zeggende: Wat wilt gij dat ik u doen zal? En hij zeide: Heere, dat ik ziende mag worden. 42 En Jezus zeide tot hem: Word ziende: uw geloof heeft u behouden. 43 En terstond werd hij ziende, en volgde hem. God verheerlijkende. En al het volk cZa£ ziende, gaf Gode lof. HOOFDSTUK 19. En Jezus ingekomen zijnde, ging door Jericho. 2 En zie, daar was een man met name geheeten Zacheüs; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; 3 en hij zocht Jezus te zien, wie hij was, en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. 4 En vooruitloopende klom hij op eenen wilden vijgeboom, opdat hij hem mocht zien; want hij zoude door dien weg voorbijgaan. 5 En als Jeziis aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag hij hem, en zeide tot hem: Zacheüs, haast u en kom af; want ik moet heden in uw huis blijven. 6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving hem met blijdschap. 7 En allen die het zagen murmureerden, zeggende: Hij is tot eenen zondigen man ingegaan om te herbergen. 8 En Zacheüs stond en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijne goederen, Heere, geef ik |
105 den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. 9 En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is; 10 want de Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. 11 En als zij dat hoorden, voegde hij daarbij en zeide eene gelijkenis, omdat hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden. 12 Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zich-zelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te kee-ren. 13 En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling totdat ik kom. 14 En zijne burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niec dat deze over ons Koning zij. 15 En her, geschiedde toen hij wederkwam,als hij het koninkl ijk ontvangen had. dat hij zeide dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, wien hij het geld gegeven had, opdat hij weten mocht wat een iegelijk met handelen gewonnen had. 16 En de eerste kwam en zeide: Heere, uw pond heeft tien ponden daarenboven gewonnen. 17 En hij zeide tothern: Wèl, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zoo heb macht over tien steden. 18 En de tweede kwam en zeide: Heere, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 19 En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden. 20 En een ander kwam zeggende : Heere, zie hier uw pond, 't welk ik in een zweetdoek weggelegd had; 21 want ik vreesde u, omdat gij een straf mensch zijt; gij neemt weg dat gij niet gelegd 4* f LUCAS 19. \p |
|
106 LUC hebt, cn gij maait dat gij niet gezaaid hebt. 22 Maar hij zeide tot hem: Uit uwen mond zal ik 11 oor-deelen, gij booze dienstknecht. Gij wist dat ik een straf mensch ben, wegnemende dat ik niet gelegd heb, en maaiende dat ik niet gezaaid heb: 23 waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik komende had hetzelve met woeker mogen eischen ? 24 En hij zeide tot degenen die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geelt het die de tien ponden heeft. 25 En zij zeiden tot hem: Heere, hij heeft tien ponden. 26 Want ik zegge n, dat een iegelijk die heeft zal gegeven worden maar van dengene die niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft. 27 Doch deze mijne vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen Koning zoude zijn, brengt ze hier en slaat ze hier vóór mij dood. 28 En dit gezegd hebbende reisde hij voor hen henen, en ging op naar Jeruzalem. 29 En het geschiedde als hij nabij Bethfagé en Bethanië gekomen was, aan den berg genaamd den Olijfberg, dat hij twee van zijne discipelen uitzond, 30 zeggende: Gaat henen in dat vlek dat tegenover is, in 't welk inkomende zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mensch ooit heeft gezeten: ontbindt hetzelve en brengt het. 31 En indien iemandu vraagt: Waarom ontbindt gij dat ? zoo zult gij alzóó tot hem zeggen: Omdat de Heere het van noode heeft. 32 En die uitgezonden waren henengegaan zijnde, vonden het gelijk hij hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden de hoeren van hetzelve tot hen: quot;Waarom ontbindt gij het veulen? 34 En zij zeiden: Do Heere heef het van noode. |
LS 19. 35 En zij brachten hetzelve tot Jezus; en hunne kleederen op het veulen geworpen hebbende, zetteden zij Jezus daarop. 36^ En als hij voor/reisde, spreidden zij hunne kleederen onder hem op den weg. 37 En als hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met groote stem, vanwege alle de krachtige daden die zij gezien hadden, 38 zeggende: Gezegend is do Koning die daar komt in den naam des Heeren! Vrede zij in den hemel en heerlijkheid inde hoogste plaatsen! 39 En sommigen der Farizeërs uit de schare zeiden tot. hem: Meester, bestraf uwe discipelen. 40 En hij antwoordende zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat zoo deze zwijgen, de steenen haast roepen zuilen. 41 En als hij nabij kwam en de stad zag, weende hij over haar, 42 zeggende: Och of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient / Maar nu is het verborgen voor uwe oogen. 43 Want daar zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden eene verschansing rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen en u van alle zijden benauwen, 44 en zullen u tot den grond nederwerpen, en uwe kinderen in u, en zij zullen in u den écnen steen op den anderen steen niet la.en, daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. 45 En gegaan zijnde in den Tempel, begon hij uit te drijven degenen die daarin verkochten en kochten, 46 zeggende tot henDaar is geschreven: Mijn Huis is een Huis des gebeds; maar gij hebt dat tot e2n kuil der moordenaren gemaakt. 47 En hij leerde dagelijks in den Tempel; cn de Overpriestera en de {Schriftgeleerden en de |
LUCAS 20.
107
|
oversten des volks ZDcliten lieui te dooden, 4S en zij vonden niet wat zij doen zouden; want al het volk hing hem aan en hoorde hem. HOOFDSTUK 20. En het geschiedde op een van die dagen, als hij in den Tempel het volk leerde en het Evangelie verkondigde, dat de O ver priesters en Schriftgeleerden met de ouderlingen daaroverkwamen, 2 en spraken tot hem, zeggende: Zes ons door wat macht gij deze dingen doet, of wie hij is die u deze macht heeft gegeven ? 3 En hij antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen, en zegt mij: 4 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de menschen ? 5 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen : Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd ? 6 En indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo zal ons al liet volk sfceenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een Profeet was. ^ 7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten van waar die was. 8 En Jezus zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door vrat macht ik deze dingen doe. 9 En hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker menschplantte eenen wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok eenen langen tijd buitenslands. 10 En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden eenen dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden, maar do landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig henen. 11 En wederom zond hij nog eenen anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en emadelijk behandeld hebbende, zouden zij hem ledig henen. |
12 En wederom zond hij nog eenen derde; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. 13 Eu de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijnen geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende zullen zij hem ontzien. 14 Maar als^ de landlieden hem zagen, overleiden zij onder eikander, en zeiden: Deze is de erfgenaam : komt laat ons hem dooden, opdat de erfenis onze worde- 15 En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden,, doodden zi) hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen? 16 Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden zeiden zij: Dat zij verre. 17 Maar hij zag ze aan, en zeide: Wat is dan dit hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden? 18 Een iegelijk die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorselen. 19 En de Overpriesters en d© Schriftgeleerden zochten te dier ure de handen aan hem te slaan, maar zij vreesden het volk; want zij verstonden dat hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had. 20 En zij namen hem waar, en zonden verspieders uit, die zich-zelve veinsden rechtvaardig te zijn, opdat zij hem in zijne rede vangen mochten, om hem aan de heerschappij en de macht des Stadhouders over te leveren. 21 En zij vraagden hem, zeggende: Meester, wij weten dat gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid: 22 is het ons geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet ? 23 En hij hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij ? 24 Toont mij eenen penning: wiens beeld en opschrift heefü hij ? En zij antwoordende zeiden^ Des Keizers. |
LUCAS 21.
103
|
25 En hi.i zeide tot hen:Geeft dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Gods is. 26 En zij konden hem in zijn â woord niet vatten voor het volk, en zich verwonderende over zijn antwoord, zwegen zij stil. 27 En tot hem kwamen sommigen der Saddueeërs, welke tegensprekende zeqgen dat er geene opstanding is, en vraagden hem, 28 zeggende: Meester, Mozes heeft ons geschreven, zoo iemands broeder sterft, die eene vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal en zijnen broeder zaad verwekken. 29 Daar waren nu zeven broeders ; en de eerste nam eene vrouw, en hij stierf zonder kinderen. 30 En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. 31 En de derde nam die vrouw, en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. 32 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. 33 In de opstanding dan wiens vrouw van deze zal zij zijn? want die zeven hebben dezelve tot eene vrouw gehad. 34 En Jezus antwoordende zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven 35 maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doo-den, zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden ; 36 want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den Engelen gelijk ; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. 37 En dat de dooden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbosch, als hij den Heere noemt den God Abrahams en den Godlsaaksen den God Jakobs: |
38 God nu is niet een God der dooden maar der levenden; want zij leven hem allen. 39 En sommigen der Schriftgeleerden antwoordende zeiden: Meester, gij hebt wel gezegd. 40 En zij durfden hem niet meer iets vragen. 41 En hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij^ dat de Christus Davids zoon is? 42 En David zelf zegt in hot boek der Psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter7m»rf, 43 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 44 David dan noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn zoon? 45 En daar al het volk het hoorde, zeide hij tot zijne discipelen : 46 Wacht u van de Schriftgeleerden, die willen wandelen in lange kleederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de Synagogen, en de vooraanzittingen iu de maaltijden; 47 die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen: deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. HOOFDSTUK 21. En opziende zag hij de rijken hunne gaven in de schatkist werpen. 2 Eh hij zag ook eene zekere arme weduwe twee kleine ningshens daarin werpen; ^ 3 en hij zeide: Waarlijk ik zegge u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ^geworpen; 4 want die allen hebben van hunnen overvloed 2??geworpen tot de gaven Gods, maar déze heeft van haar gebrek al den leeftocht dien zij had daarin geworpen. 5 En als sommigen zeiden van den Tempel, dat hij metschoone steener. en begiftigingen versierd was, zeide hij: 6 Wat deze dingen aangaat die gij aanschouwt, daar zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten |
LUCAS 21.
109
|
worden, die niet zal worden afgebroken. 7 En zij vraagden hem, zeggende: Moester, wanneer zullen dan deze dingen zijn? En welk is liet teeken wanneer deze dingen zullen gescliieden ? _8 En hij zeide: Ziet dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder mijnen naam, zeggende : Ik ben de Christus, en de tijd is nabij gekomen: gaat dan hen niet na. 9 En wanneer gij zult hooren van oorlogen en beroerten, zoo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden, maar nog is terstond het einde niet. 10 Toen zeide hij tot.hen: Het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het éév.e koninkrijk tegen Jiet anderekoninkvijk; 11 en daar zullen groote aardbevingen wezen in verscheiden plaatsen, en hongersnooden, en pestilentiën; daar zullen ook schrikkelijke dingen en groote teekenen van den hemel geschieden. 12 Maar vóór dit alles zullen zij hunne handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de Synagogen en gevangenissen ; en gij zult getrokken worden voor Koningen en Stadhouders, om mijns naams wille; 13 en dit zal u overkomen tot eene getuigenis. 14 Neemt dan in uwe harten voor van te voren niet te overdenken hoe gij u verantwoorden zult; 15 want ik zal u monden-wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken noch we-derstaan allen die zich tegen u zetten. 16 En gij zult overgeleverd worden ook van ouders en broeders en magen en vrienden, en zij zullen er sommigen uit u dooden, 17 en gij zult van allen gehaat worden om mijns naams wille. 18 Doch niet een haar van uw hoofd zal verloren gaan. |
19 Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid. 20 Maar wanneer gij zult zien dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo^ weet alsdan dat hare verwoesting nabij gekomen is. 21 Alsdan die in Judéa zijn, dat zq vlieden naar de bergen; en die in 't midden van dezelve zijn, dat ze daar uittrekken; en die op de velden zijn, dat ze in dezelve niet komen; 22 want deze zijn dagen der wrake, opdat alles vervuld worde wat geschreven is. 23 Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen ; want daar zal groote nood zijn in het land, en toorn over dit volk; 24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken ; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn. 25 En daar zullen teekenen zijn in de zon en maan en sterren, en op de aarde benauwdheid der volkeren, met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven, 20 en den menschen het harte zal bezwijken van vreeze en verwachting der dingen die het ! aardrijk zullen overkomen; want ! de krachten der hemelen zullen j bewogen worden. | 27 En alsdan zullen zij den : Zoon des menschen zien komen I in eone wolk met groote kracht I en heerlijkheid. 1 23 Als nu deze dingen begin-I nen te geschieden, zoo ziet omhoog en heft uwe hoofden opwaarts, omdat uwe verlossing nabij is. 29 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: Ziet den vijgeboom en alle de boomen: 30 wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zoo weet gij uit uzelve dat de zomer nu nabij is: 31 alzóó ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden. |
|
no lug zoo weet dat liet Koninkrijk Gods nabij is. 32 Voorwaar ik zegge n, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn. 33 De hemel en de aarde znllen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. 34 En wacht uzelve, dat uwe harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overcome. 35 Want gelijk een strik zal hij komen over alle degenen die op den ganschen aardbodem gezeten zijn. 36 Waakt dan te aller tijd,biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden alle deze dingen die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des menschen. 37 Des daags nu was hij leerende in den Tempel; maar des nachts ging hij uit, en vernachtte op den berg genaamd den Olijf6e?v/. 38 En al het volk kwam 's morgens vroeg tot hem in den Tempel, om hem te hooren. hoofdstuk 22. En het feest der ongehevelde hrooden, genaamd Pascha, was nabij; 2 en de Overpriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe zij hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk. 3 En de satan voer in Judas die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal dertwaalve; 4 en hij ging henen en sprak met de O verpriesters en de hoofdmannen, hoe hij hem hun zoude overleveren. 5 En zij waren verblijd, en zijn het ééns geworden dat zij hem geld geven zouden. 6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid om hem hun over te leveren zonder oproer. 7 En de dag der ongehevelde hrooden kwam, op denwelke het Pascha moest geslacht worden. 8 En hij zond Petrus en Jo- |
AS 22. hannes uit, zeggende : Gaat henen en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten mogen. 9 En zij zeiden tot hem: Waar wilt gij dat wij het bereiden? 10 En hij zeide tot hen: Zie, als gij in de stad zult gekomen zijn, zoo zal u een mensch ontmoeten, dragende eene kruik water: volgt hem in het huis waar hij ingaat; 11 en gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal? 12 En hij zal u eene groote toegeruste opperzaal wijzen: bereidt het aldaar. 13 En zij henengaande vonden 't gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha. 14 Eri als de ure gekomen was, zat hij aan en de twaalf Apostelen met hem. 15 En hij zeide tot hen: Ik heb grootelijks begeerd dit Pascha met u te eten eer dat ik lijde; 16 want ik zeg u dat ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods. 17 En als hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden; 18 want ik zeg u, dat ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn. 19 En hij nam brood, en als hij gedankt had brak hij het, en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam hetwelk voor u gegeven wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. 20 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed hetwelk voor u vergoten wordt. 21 Doch zie, de hand desgenen die mij verraadt is met mij aan de tafel; 22 en de Zoon des menschen gaat wel henen gelijk besloten is, doch wee dien mensch door welken hij verraden wordt. |
|
LUC J 23^ En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van ben bet toch mocht zijn die dat doen zoude. 24 En daar -werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn. 2b En hij zeide tot hen: De Koningen der volkeren heerschen over hen, en die macht over hen hebben worden weldadige heeren genaamd. 26 Doch gij niet alzoo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste; en die voorganger is, als een die dient.^ 27 _ Want wie is meerder, die aanzit of die dient? Is het niet die aanzit? Maar ik ben in 't midden van u als een die dient. 28 En gij zijt degenen die met mij steeds gebleven zijt in mijne verzoekingen. 29 En ik verordineer n het Koninkrijk, gelijkerwijs mijn Vader mij dat verordineerd heeft; 80 opdat gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. 31 En de Heere zeide: Simon, Simon, zie, de satan heeft «lieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; 32 maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloofnietophoude: en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders. 33 En hij zeide tot hem: Heere, ik ben bereid met u ook in de gevangenis en in den dood te gaan! 34 Maar hij zeide: Ik zeg u Petrus, de haan zatheden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben dat gij mij kent. 35 En hij zeide tot hen: Als ik u uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken ? En zij zeiden: Niets. 3G Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie eenen buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male, en die geen heeft, die ver-koope zijn kleed en koope een zwaard. |
S 2.1. 111 37 Want ik zegge u, dat. nog dii hetwelk geschreven is in mij moet volbracht worden, namelijk: En hij is met de misdadigen gerekend; want ook die dingen die van mij geschreven zijn hebben een einde. 38 En zij zeiden: Heere, zie hier twee zwaarden. En bij zeide tot hen: Het is genoeg. 39 En uitgaande vertrok hij, gelijk hij gewoon was, naar den Olijfberg; en hem volgden ook zijne discipelen. 40 En als hij aan die plaats gekomen was, zeide hij tot hen: Bidt dat gij niet in verzoeking komt. 41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent eenen steenworp, en knielde neder en bad, 42 zeggendeVader, of gij wildet dezen drinkbeker van mij wegnemen! Doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede. 43 En van hem werd gezien een Engel uit den hemel dio hem versterkte. 44 En in zwaren strijd zijnde, bad hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk groote druppelen bloeds, die op de aarde afliepen. 45 En als hij van het gebed opgestaan was, kwam hij tot zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid; 4t) en hij zeide tot hen: Wat slaapt gij ? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. 47 En als hij nog sprak, zie daar eene schare; en een van de twaalve, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus om hem te kussen. 48 En Jezus zeide tot hem; Ju da Si verraadt gij den Zoon des menschen met eenen kus? 49 En die bij hem waren, ziende wat er geschieden zoude, zeiden tot hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan? oO En een uit hen sloeg den dienstknecht des Hoogepriesters en hieuw hem zijn rechteroor af. 51 En Jezus antwoordende zeide: Laat ze tot hiertoe gewor- |
|
112 LUC. den, en raakte zijn oor aan en heelde hem. 52 En Jezus zeide tot de Over-priesters en de hoofdmannen des Tempels en de Ouderlingen, die tegen hem gekomen waren : Zij t gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen eenen moordenaar? 53 Als ik dagelijks met u was in den Tempel, zoo hebt gij de handen tegen mij niet uitgestoken ; maar dit is uwe ure en de macht der duisternis. 54 En zij grepen hem en leidden hem weg, en brachten hem in het huis des Iloogepriesters. En Petrus volgde van verre; 55 en _ als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in 't midden van hen. 50 En eene zekere dienstmaagd ziende hem bij het vuur zitten, en hare oogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met hem. 57 Maar hij verloochende hem, zeggende: Vrouw, ik ken hem niet. 58 En kort daarna een ander hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mensch, ik ben niet. 59 En als het omtrent één uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In waarheid ook deze was met hem, want hij is ook een Galileër. _ GO Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt. En terstond als hij nog sprak kraaide de haan; 61 en de Heere zich omkee-rende zag Petrus aan, en Petrus werd indachtig aan het woord des Heeren, hoe hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben zult gij mij driemaal verloochenen. 02 En Petrus naar buiten gaande weende bitterlijk. G?» En de mannen die Jezus hielden bespotteden hem, en sloegen hem ; 64 en als zij hem overdekt hadden, sloegen zij hem op het aangezicht, en vraagden hem, .S 23. |
zeggende: Profeteer, wie het is die u geslagen heeft? 65 En vele andere dingen zeiden zij tegen hem lasterende. 66 En als het dag geworden was, vergaderden de Ouderlingen des volks, en do Overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten hem in hunnen liaad, 67 zeggende: Zijt gij de Christus? zeg het ons. En hij zeide tot hen: Indien ik het u zeg, gij^ zult net niet gelooven; 68 en indien ik ook vraag, gij zult mij niet antwoorden of loslaten. 69 Van nu aan zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechievhand der kracht Gods. 70 En zij zeiden allen: Zijt gij dan de Zoon Gods? En hij zeide tot hen: Gij zegt dat ili het ben. 71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode? Want wijzelve hebben het uit zijnen mond gehoord. HOOFDSTUK 23. En de geheele menigte van hen stond op en leidde hem tot Pilatus. 2 En zij begonnen hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden dat deze het volk verkeert, en verbiedt den Keizer schattingen te geven, zeggende dat hij zelf Christus de Koning is. 3 En Pilatus vraagde hem, zeggende: Zijt gij de Koning der Joden? En hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het. 4 En Pilatus zeide tot de Overpriesters en de scharen: ik vind geen schuld in dezen mensch. 5 En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, leerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hiertoe. 6 Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, y raagde hij of die mensch een GalLeër was; 7 en verstaande dat hij uit het gebied van Herodes was, zond hij hem henen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was. |
|
LUC 8 En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij vas sedert lang begeerig geweest hem te zien, omdat hij veel van hem hoorde, en hoopte eenig teeken te zien dat van hem gedaan zoude worden. 9 En hij vraagde hem met vele woorden; ^ doch hij antwoordde hem niets. 10 En de Overpriesters en de Schriftgeleerden stonden en beschuldigden hem heftiglijk. 11 En Herodesmet zijne krijgslieden hem veracht en bespot hebbende, deed hem een blinkend kleed_ aan, en zond hem weder tot Pilatus. 12 En op dien dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen elkander. 13 En als Pilatus do Over-priesters en de Oversten en het volk bijééngeroepen had, zeide hij tot hen: 14 Gij hebt dezen mensch tot mij gebracht als eenen die het volk afkeerig maakt; en zie, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geen schuld gevonden van hetgeen waar gij hem mede beschuldigt; 15 ja, ook Herodes niet; wantik heb ulieden tot hem gezonden, en zie, daar is van hem niets gedaan dat des doods waardig is; 16 zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten. 17 En hij moest hun op het feest eenen loslaten. 18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: quot;Weg met dezen, en laat ons Barabbas los; 19 dewelke was om zeker oproer dat in de stad geschied was, en om eenen doodslag, in de gevangenis geworpen. 20 Pilatus dan riep 7mn wederom toe, willende Jezus loslaten. 21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis hem, kruis hem. 22 En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft deze dan kwaads gedaan? Ik heb |
l S 23. 113 geen schuld des doods in hem gevonden: zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten. 23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eischende dat h!j zoude gekruisigd^ worden, en hun en der Overpriesteren geroep werd geweldiger. 24 En Pilatus oordeelde dat hun eisch geschieden zoude; 25 en hij liet hun los dengene die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëischt hadden, maar Jezus gaf hij over tot hunnen wil. 26 Ãn als zij hem wegleidden, namen zij eenen Simon van Cyrene, komende van den akker, en leiden hem liet kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. 27 En eene groote menigte van volk en van vrouwen volgde hem, welke ook weenden en hem beklaagden. 28 En Jezus zich tot haar keerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over uzelve en over uwe kinderen; 29 want zie, daar komen dagen in welke men zeggen zal: Zalig zijn de _onvruchtbaren, en do buiken die niet gebaard hebben en de borsten die niet gezoogd hebben. 30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons; 31 want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? 32 En daar werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid om met hem gedood to worden. 33 En toen zij kwamen op do plaats genaamd Hoofdschedel-plaats, kruisigden zij hem aldaar, en de kwaaddoeners, den éénen ter rechter- en den anderen ter linkerzyVZe. 34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En verdeelendo zijne kleederen, wierpen zij het lot. 35 En het volk stond en zag |
|
114 LUC het aan; en ook de oversten mefc hen beschimpten hem, zeggende: Anderen heeft hij verlost, dat hij nn zichzelven verlosse, zoo hij is de Christus, de uitverkorene Gods. 3ö En ook do krijgsknechten tot hem komende bespotteden hem, en brachten hem edik, 37 en zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven. 38 En daar was ook een opschrift boven hem geschreven, met Grieksche en Romeinsche en Hebreeuwsche letters: Deze is de Koning der Jodex. 39 En één van de kwaaddoeners die gehangen waren lasterde hem, zeggende: Indien gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons. 40 Maar de andere antwoordende bestrafte hem, zeggende: Vreest gy ook Gud niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? 41 En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf waardig 't geen wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. 42 En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner als gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn. 43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn. 44 En het was omtrent de zesde ure, en daar werd duisternis over de geheel e aarde, tot do negende ure toe; 45 en de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des Tempels scheurde middeno'oo/-. 46 En Jezus roepende met groote stemme, zeide: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. En als hij dat gezegd had, gaf hij den geest. 47 Als nu de hoofdman over honderd zag wat er geschied was, verheerlijkte hij God en zeide: Waarlijk deze mensch was rechtvaardig. 48 E n alle de scharen die samengekomen waren om dit te aan-echouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden weder, slaande op hunne borsten. |
24. 49 En alle zijne bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die hem te zamen gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan. 50 En zie, een man met name Jozef, zijnde een Raadsheer, een goed en rechtvaardig man, lt;51 _ (deze had niet mede bewilligd in hunnen raad en handel), van Arimathéa eene stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte: 52 deze ging tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. 53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en leide het in een graf^ in eenegt; rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was. 54 En het was de dag der voorbereiding, en de Sabbat kwam aan. 55 En ook de vrouwen, die met hem gekomen waren uit Galiléa, volgden, en aanschouwden het graf, en hoe zijn lichaam gelegd werd. 56 En wedergekeerd zijnde bereidden zij specerijen en zalven; en op den Sabbat rustten zij naar het gebod. HOOFDSTUK 24. En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende cie specerijen die zij bereid hadden, en sommigen met haar. 2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf; 3 en ingegaan zijnde vonden zij het^ lichaam des Keeren Jezus niet. 4 En het geschiedde als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twse f mannen stonden bij haar in blinkende kleederen ; 5 en als zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij de dc oden? 0 Hij Is hier niet, maar hij is opgestaan. Gedenkt hoe hij tot u gesproken heeft als hij nog in Galiléa was. |
|
LüCi 7 zeggende: De Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden en ten derden dage weder op-etaan. 8 En zij werden indachtig aan zijne woorden ; 9 en wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij alle deze dingen aan de elve en aan alle de anderen. 10 En deze waren Maria Mag-dalena, en Johanna, en Maria lt;le moeder van Jacobus, en de anderen met haar, die dit tot de Apostelen zeiden. 11 En hare woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. 12 Doch Petrus opstaande liep tot het graf, en nederbr.kkende zag hij de linnen doeken liggende alléén, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven over hetgeen geschied was. 13 En zie, twee van hen gingen op dien dag naar een vlek dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs; 14 en zij spraken te zamen onder elkander van alle deze dingen die er gebeurd waren. 15 En het geschiedde terwijl i'.ij te zamen spraken en elkander ondervraagden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen ging: 16 en hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet kenden. 17 En hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig? 18 En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende zeide tot hem : Zijt gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet^ de dingen die deze dagen daarin geschied zijn? 10 En hij zeide tot hen: Welke? Eu zij zeiden tot hem: De dingen aangaande Jezus den Nazarener, welke een Profeet was krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk; 20 en hoe onze Overpriesters en Oversten denzelven overge- |
.S 24. 115 leverd hebben tot het oordeel des doods, en hem gekruisigd hebben. 21 En wij hoopten dat hij was degene die Israël verlossen zoude; doch ook benevens dit alles is het heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn. 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn; 23 cn zijn lichaam niet vindende kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van Engelen gezien hadden, die zeggen dat hij leeft. 24 Ãn sommigen dergenen die met ons zijn gingen henen tot het graf, en bevonden het alzóó gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar hem zagen zij niet. 25 En hij zeide tot hen; O onverstandigen en tragen van harte om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben. 23 Moest de Christus met deze dingen lijden, en alzóó in zijne heerlijkheid ingaan? 27 Ãn begonnen hebbende van Mozes en van alle de Profeten, lelde hij hun uit in alle de Schriften hetgeen van hem geschreven was. 28 En zij kwamen nabij het vlek _ -waar zij naar toe gingen; en hij hield zich alsof hij verder gaan zoude; 29 en zij dwongen hem, zeggende: Blijf met ons, want het is bij den avond en de dag is gedaald. En hij ging in, om met hen te blijven. 30 En het geschiedde als hij met hen aanzat, dat hij het brood nam en het zegende; en als hij het gebroken had gaf hij het hun: 31 en hunne oogen werden geopend, en zij kenden hem; en hij kwam weg uit hun gezicht. 32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als hij tot ons sprak op den weg en als hij ons de Schriften opende ? 33 En zij opstaande te dier ure, keerden weder naar Jeruzalem; en vonden de elve samen- |
JOHANNES 1.
116
|
vergaderd, en die met lien waren, 34 welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien. 35 En zij vertelden hetgeen op den weg geschied teas, en hoe hij Imn bekend was geworden in 't breken des broods. 30 En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus zelf in 't midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden. 37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden dat zij eenen geest zagen. 38 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten? 39 Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf; tast mij aan en ziet, want een geest heeft geen vleescli en beenderen, gelijk gij ziet dat ik heb. i 40 En als hij dit zeide, toonde i hij hun de handen en de voeten, j 41 En toen zij het van blijdschap nóg niet geloofden en zich , verwonderden, zeide hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten? j 42 En zij gaven hem een stuk 1 van eenen gebraden visch, en | van honigraten, 43 en hij nam het en at het j voor hunne oogen. |
44 En hij zeide tot hen: Dit ' zijn de woorden die ik tot u sprak als ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden wat van mij geschreven is in de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen. 45 Toen opende hij him verstand opdat zij de Schriften verstonden, 46 en zeide tot hen: Alzóó is er geschreven, en alzóó moest de Christus lijden, en van de dooden opstaan ten derden dage, 47 en in zijnen naam gepredikt worden bekeering en vergeving der^ zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. 48 En gij zijt getuigen van deze dingen. 49 En zie, ik zend de belofte mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. 50 En hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en zijne handen opheffende zegende hij hen. 51 En het geschiedde als hij zo zegende, dat hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel. 52 En zij aanbaden hem, en keerden weder naar Jeruzalem met groote blijdschap. 53 En zij waren te allen tijdo in den Tempel, lovende en dankende God. Amen. |
ÃIEÃ HEILIG EYANG-ELIE
NAAE DE BESCHRIJVING VAN
J O H A N N E S.
|
HOOFDSTUK 1. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. |
3 Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is. 4 In hetzelve was het leven, en het leven was het licht dermen-echen; |
*
|
johain 5 en het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. ü Daar was een mensch van God gezonden, wiens naam was Johannes; 7 deze kwam tot eene getnige-nis, om van hellicht te getuigen, opdat zi.i allen door hem geioo-ven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar ivas gezonden opdat hij van het licht getuigen zoude. 9 Bit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt; en de wereld heeft hem niet gekend. 11 Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hmi niet aangenomen. 12 Maar zoo velen hem aangenomen hebben, dien heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven; 13 welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. 14 En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijklieid als des Eeniggebore-nen van den Vader) vol van genade en waarheid. 15 Johannes getuigt van hem en heeft geroepen, zeggende: Deze was het van welken ik zeide: Die na mij komt is voor mij geworden, want hij was eer dan ik. 16 En uit zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade; 17 want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft hem on* verklaard. 19 En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden eenige Priesters en Levieten afzonden |
NES 1. 117 van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen : Wie zijt gij ? 20 En hij beleed, en loochende het niet, en beleed: Ik beu de Christus niet. 21 En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elia? Enhij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de Profeet? En hij antwoordde: Neen. 22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven ? 23 Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja de Profeet gesproken heeft. 24 En de afgezondenen waren uit de Farizeërs. 25 En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zoo ^ij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de Profeet? 26 Johannes antwoordde hun, zeggende : Ik doop met water, maar hij _ staat midden onder ulieden dien gij niet kent; 27 dezelve is 't die na mij komt, welke vóór mij geworden is, wien ik niet waardig ben dat ik zijnen schoenriem zoude ontbinden. 28 Deze dingen zijn geschied in Bethabara, over den Jordaan, waar Johannes was doopende. 29 Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komen, en zeide: Zie, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. 30 Deze is 't van welken ik gezegd heb: Na mij komt een man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. 31 En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël zoude geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen doopende met het water. 32 Eu Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel gelijk een duive en hij bleef op hem. 33 En ik kende hem niet; maar die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op welken gij den Geest |
|
m JOH Ais zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is 't die met den Heiligen Geest doopt. 34 En ik heb gezien en heb getuigd, dat deze de Zoon Gods is. 35 Des anderen daags -wederom stond Johannes, en twee uit zijne discipelen; 36 en ziende op Jezus daar â wandelende, zeide hij: Zie, het Lam Gods. 37 En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. 38 En Jezus zich omkeerende en ziende hen volgen, zeide tot hen: 30 Wat zoekt gij ? En zij zeiden tot hem: Rabbi ('t welk is te zeggen, overgezet zijnde. Meester), waar woont gij ? 40 Hij zeide tot hen; Komt en ziet. Zij kwamen en zagen waar hij woonde, en bleven dien dag bij hem; en het was omtrent de tiende ure. 41 Andréas de broeder van Simon Petrus was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en hem gevolgd waren; 42 deze vond eerst zijnen broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias; 't welk is, overgezet zijnde, de Christus. 43 En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus^hem aanziende zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult genaamd worden Cefas; hetwelk overgezet wordt Petrus. 44 Des anderen daags wilde Jezus henengaan naar Galiléa, en vond Filippus en zeide tot hem: Volg mij. 45 Filippus nu was van Beth-saïda, uit de stad van Andréas en Petrus. 46 Filippus vond Nathanaël en zeide tot hem; Wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de Wet geschreven heeft, en de Profeten, namelijk Jezus, den zoon Jozefs, van Nazareth. 47 En Nathanaël zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Komen zie. 4S Jezus zag Nathanaël tot |
NES 2. zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet in welken geen bedrog is. 49 Nathanaël zeide tot hem: Van waar kent gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij ouder den vijgeboom waart, zag ik u. 50 Nathanaël antwoordde eu zeide tot hem: Babbi, gij zijt de Zoon Gods, gij zijt de Koninfr Israël s. 51 Jezus antwoordde en zeide tot hem : Omdat ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgeboom, zoo gelooft gij : gij zult grooter dingen zien dan deze. 52 En hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden, van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de Engelen Gods opklimmende eu nederdalende op den Zoon des menschen. HOOFDSTUK 2. En op den derden dag was daar een bruiloft te Kana in Galiléa, en de moeder van Jezus was aldaar ; 2 en Jezus was óók genood, en zijne discipelen, tot de bruiloft. 3 En als er wijn ontbrak, zeide de moeder v.n Jezus tot hem: Zij hebben geen wijn. 4 Jezus zeis ie tot haar: Vrouwe, wat heb ik met u te doen f Mijne ure is nog niet gekomen. 5 Zijne moeder zeide tot do dienaars: Zoo wat hij ulieden zal zeggen, doe dat. 6 En aldaar waren zes steenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metróten. 7 Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. 8 En hij zeide tot hen: Schept nu en draagt het tot den hofmeester. En zij droegen het. 9 Als nu de hofmeester het water dat wijn geworden was geproefd had (en hij wist niet van waar da wijn was, maar de dienaren die^ het water geschept hadden wisten het) zoo riep ds hofmeester den bruidegom, 10 en zeide tot hem: Alleman |
|
JOÃÃAl zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard. 11 Dit begin der teeker en heeft Jezus gedaan te Kana in Galilca, en heeft zijne heerlijkheid geopenbaard; en zijne disscipelen geloofden in hem. 12 Daarna ging hij af naar Kapernaüm, hij en zijne aioeder en zijne broeders en zijne discipelen, en zij bleven aldaar niet vele dagen. 13 En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 14 En hij vond in den Tempel die ossen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende; 15 en een geesel vantouwkens gemaakt hebbende, dreef hij ze allen uit den Tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte hij uit, en keerde de tafels om: 16 en hij zeide tot degenen die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het Huis mijns Vaders tot een huis van koophandel. 17 En zijne discipelen werden indachtig dat er geschreven is: De ijver van uw Huis heeft mij verslonden. 18 De Joden antwoordden dan en zeiden tot hem: Wat teeken toont gij ons, dat gij deze dingen doet? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen Tempel, en in drie dagen zal ik denzel-ven oprichten. 20 De Joden zeiden dan: Zesenveertig jaren is over dezen Tempel gebouwd, en gij, zult gij dien in drie dagen oprichten? 21 Maar hij zeide dit van den Tempel zijns lichaams. 22 Daarom als hij opgestaan was van dedooden, werden zijne discipelen gedachtig dat liij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had, 23 En als hij te Jeruzalem was |
NES 3. m op het Pascha, in het feest, geloofden velen in zijnen naamj ziende zijne teekenen die hij de^l. 24 Maar Jezus zelf betrouwde hun zichzelven niet, omdat hij ze allen kende, 2ö en omdat hij niet van noode had dat iemand getuigen zoude van den mensch: waivt hij zelf wist wat in den mens» was. HOOFDSTUK 3. En daar was een mensch uit de Farizeërs, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden: 2 deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem: Rabbi, wij weten dat gij zijt een 1 eeraar van God gekomen; want niemand kan deze teekenen doen die gij doet, zoo God met hem niet is. 3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. 4 Nicodemus zeide tot hem; Hoe kan een mensch geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaa'i in den buik zijner moeder ingaan en geboren worden ? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. 6 Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch, en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7 Verwonder u niet dat ik u. gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8 De wind blaast waarhen en hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt en waar hij henengaat: alzóó is een iegelijk die uit den Geest geboren is. 9 Nicodemus antwoordde en zeide tot hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 10 Jezus antwoordde en zeido-tot hem: Zijt gij een leeraar Is- |
JOHANNES 3.
120
|
raë;3 en -weet gij deze dingen niet? 11 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, wij ^ spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben, en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan. 12 Indien ik ulieden de aard-sche dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij geloo-ven indien ik ulieden de he-melsche zoude zeggen? 13 En niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des menschen die in den hemel is. 14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzóó moet de Zoon des men-echen verhoogd worden, 15 opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16 Want alzóó lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17 Want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld opdat hij de wereld veroordeelen zoude, maar opdat de wereld door hem zoude behouden worden. 18 Die in hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is aireede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam des eeniggeboren Zoons Gods. 19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensehen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos. 20 Want een iegelijk die kwaad doet. haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden; 21 maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. 22 Na dezen kwam Jezus en zijne discipelen in het land van |
Judéa, en onthield zich aldaar met hen, en doopte. 23 En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar en werden gedoopt; 24 want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Daar rees _ dan eene vraag van eenigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging: 26 en zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Rabbi, die met u was over den Jordaan, wel leen gij getuigenis gaaft, zie, die doopt en zij komen allen tot hem. 27 Johannes antwoordde en zeide: Een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven is. 28 Gijzelve zijt mijne getuigen dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar dat ik voor hem henen uitgezonden ben. 29 Die de bruid heeft is de bruidegom; maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld geworden. 30 Hij moet wassen, maar ik minder worden. 31 Die van boven komt is boven allen. Die uit de aarde is voortycJiomen, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde: die uit den hemel komt is boven allen ; 32 en hetgeen hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij, en zijne getuigenis neemt niemand aan. 33 Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is. 34^ Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods; want God geeft hem den Geest niet met mate. lt; 35 De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in zijne hand gegeven. 30 Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam. |
JOHANNES 4.
Ã21
|
ïb, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. HOOFDSTUK 4. Als dan de Heere verstond dat de Farizeöra gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, 2 (hoevrel Jezus zelf niet doopte, maar zijne discipelen), 3 zoo verliet hij Judéaen ging â wederom henen naar Galiléa. 4 En bij moest door Samarië gaan. 5 Hij kwam dan in eene stad van ^Samarië, genaamd Sichar, nabij het stuk land hetwelk Jakob zijnen zoon Jozef gaf; 6 en aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan vermoeid zijnde van de reis, zat alzoo neder nevens de fontein; het was omtrent de zesde ure. 7 Daar kwam eene vrouw uit Samarië om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef mij te drinken. 8 (Want zijne discipelen yraren henengegaan in de stad, opdat zij spijze zouden koopen.) 9 Zoo zeide dan de Samari-taansche vrouw tot hem: Hoe begeert gij, die een Jood zijt, van mij te drinken die eene Sa-maritaansche vrouw ben ? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de^ gave Gods kendet, en wie hij is die tot u zegt: Geef mij te drinken, zoo zoudt gij van hem hebben begeerd, en hij zoude u levend â water gegeven hebben. 11 De vrouw zeide tot hem: Heere, gij hebt niets om mede te putten, en de put is diep: van waar hebt gij dan het levend water ? 12 Zijt gij meerder dan onze vader Jakob die ons den put gegeven heeft, en hij zelf heeft daaruit gedronken, en zijne kinderen, en zijn vee? 13 Jezus autwoordde en zeide tot haar: Een ieder die van dit water drinkt zal wederom dorsten; |
14 maar zoo wie gedronken zal hebben van het water dat ik hem geven zal, dien zal in eeuwig-heid niet dorsten, maar het water dat ik hem zal geven zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leveu. 15 De vrouw zeide tot hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen om te putten. 16 Jezus zeide tot haar: Ga henen, roep uwen man en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide: Ik hebgeenenman. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd : Ik heb geenen man; 18 want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt is uw man niet: dat hebt gij in waarheid gezegd. 19 De vrouw zeide tot hem: Heere, ik zie dat gij een Profeet zijt. 20 Onze vaderen hebben op dezen berg aangebeden, en gijlieden zegt dat te Jeruzalem de plaats is, daar men moet aanbidden. 21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof mij, de ure komt, wranneer gijlieden noch op dezen berg, noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden. 22 Gijlieden aanbidt wat gij niet weet, wij aanbidden wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden; 23 maar de ure komt en is nu, wanneer de^ ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook alzulken, die hem al zóó aanbidden. 24 God is een geest, en die hem aanbidden, moeten hem aanbidden in geest en waarheid. 25 De vrouw zeide tot hem: Ik weet dat de Messias^ komt (die genaamd wordt Christus); wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal hij ons alle dingen verkondigen. 2G Jezus zeide tot haar: Ik ben het, die met u spreek. 27 En daarop kwamen zijne discipelen, en verwonderden zich |
|
122 J OHAjS dat liij met eene vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt gij, üi wat spreekt gij met haar? 28 Zoo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging henen in de stad, en zeide tot de lieden: 29 Komt, ziet een mensch die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: is deze niet de Ohristus ? 3U Zij dan gingen uit de stad en kwamen tot hem. 31 En ondertusschen baden hem de discipelen, zeggende: llabbi, eet. '62 Maar hij zeide tot hen: Ik heb eene spijze om te eten, die gij niet weet. 33 Zoo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heelt hem iemand te eten gebracht? 34 Jezus zeide tot hen: Mijne spijze is, dat ik doe den wil desgenen die mij gezonden heeft en zijn werk volbrenge. 35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie, ik zeg u, heft uwe oogen op en aanschouwt de landen, want zij zijn aireede wit om te oogsten. 36 En die maait ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zich te zamen verblijden beide die zaait en die maait; 37 want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is t die zaait en een ander die maait. 38 Ik heb u uitgezonden om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben 't bearbeid, en gij zijt tot hunnen arbeid ingegaan. 30 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in hein, om het woord der vrouw die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. 40 Als dan de Samaritanen tot hem gekomen waren, baden zij hem dat hij bij hen bleve; en hij bleef aldaar twee dagen. 41 En daar geloofden er veel meer om zijns woords wille, 42 en zeiden tot de vrouw: Wij gelooven niet meer om uws |
NEb 4. zeggens wille, want wijzelvo hebben hem gehoord, en weten dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld. 43 En na de twee dagen ging hij van daar, en ging henen naar Galiléa; 44 want Jezus heeft zelf getuigd, dat een Profeet in zijn eigen vaderland geen eere heelt. 45 Als hij dan in Galiléa kwam, ontvingen hem de Gali-leërs, gezien hebbende alle do dingen die hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het leest gegaan. 46 Zoo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galiléa, waar hij het water wijn gemaakt had. En daar was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaüm: 47 deze gehoord hebbende dat Jezus uit Judéa in Galiléa kwam, ging tot hem en bad hem dat hij afkwame en zijnen zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven. 48 Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden teekenen en wonderen ziet, zoo zult gij niet gelooven. 49 De koninklijke hoveling zeide tot hem: Heere, kom af eer mijn kind sterft. 50 Jezus zeide tot hem: Ga henen, uw zoon leeft. En de mensch geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging-henen. 51 En als hij nu afging, kwamen hem zijne dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: CJw kind leeft. 52 Zuo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was, en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven uur verliet hem de koorts. 53 De vader bekende dan, dat het op dezelfde ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon Iseft; en hij geloofde zelf, en zijn geheele huis. 54 Dit tweede teeken heeft Jezus wederom gedaan als hij uit Judéa in Galiléa gekomen was. |
|
J0HA1 HOOFDSTUK 5. Na dezen was er een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 2 En daar ia te Jeruzalem aan de Schaapsjjoori een badvrater, hetwelk in 't Hebreeu-wsch toe-genaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. 3 In dezelve lag eene groote menigte van kranken, blinden, krenpelen.^verdorden, wachtende op de roering des waters; 4 want een Engel daalde neder op zekeren tijd in het badwater, en beroerde het^water: die dan het eerst daarin kwam na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. 5 En aldaar was een zeker mensch die achtendertig jaren krank gelegen had. 6 Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden ? 7 De kranke antwoordde hem: Heere, ik heb niet een mensch om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zoo daalt een ander vóór mij neder. 8 Jezus zeide tot hem: Sta op, sieem uw beddeken op en wandel. 9 En terstond werd de mensch gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op dien dag. 10 De Joden zeiden dan tot dengene die genezen was: Het is sabbat, 't is u niet geoorloofd het beddeken te dragen. 11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op en wandel. 12 Zij vraagden hem dan:quot;Wie is de mensch die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op en wandel? 13 En die gezond gemaakt was wist niet wie hij was; want Jezus was ontweken,, alzoo daar eene (jroote schare in die plaats was. 14 Daarna vond hem Jezus in |
NES 5. 123 den Tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden: zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. 15 De mensch ging henen en boodschapte den Joden, dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. 16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij deze dingen op den Sabbat deed. 17 En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk óók. 18 Daarom zochten dan de Joden te meer hem te dooden, omdat hij niet alleen den Sabbat brak, _ maar ook zeide^ dat God zijn eigen Vader was, zichzelven Gode evengelijk makende. 19 Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de Zoon kan niets van zichzelven doen, tenzij hij den Vader dat ziet doen; want zoo wat die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. 20 Want do Vader heeft den Zoon lief, en toont hem alles wat hij doet, en hij zal hem grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert. 21 Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzóó maakt ook de Zoon levend die hij wil. 22 Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel den Zoon gegeven, 23 opdat zij allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet die hem gezonden heeft. 24 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, die mijn woord hoort, en gelooft hem die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. 25 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem van den Zoon Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven; |
JOHANNES Ã.
124
|
2G want gelijk de Vader liet leven heeft in ziebzelven, alzóó heeft hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven, 27 en heeft hem macht gegeven ook gericht te honden, omdat hij des menschen Zoon is. 28 Verwondert u daar niet over; want de ure komt, in welke allen die in de graven zijn zijne stem zullen hooren, 29 en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. 30 Ik kan van mij zelven niets doen: gelijk ik hoor, oordeel ik, en mijn oordeel is rechtvaardig; want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders die mij gezonden heeft. 31 Indien ik van mijzelven getuig, mijne getuigenis is niet waarachtig: 32 er is een ander die van mij getuigt, en ik weet dat de getuigenis welke hij van mij getuigt waarachtig is. 33 Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven; 34 doch ik neem geene getuigenis van een mensch, maar dit zeg ik opdat gijlieden zoudt behouden worden. 35 Hij was eene brandende en lichtende kaars, en gij hebt u voor een en korten tijd in zijn licht willen verheugen; 36 maar ik heb eene getuigenis meerder dan die van Johannes ; want de werken die mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, die werken die ik doe, getuigen van mij dat mij de Vader gezonden heeft. 37 En de Vader die mij gezonden heeft, die heeft zelf van mij getuigd: gij hebt noch zijne stem ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien, 38 en zijn Woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft dien niet, dien hij gezonden heeft. 39 Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het |
| eeuwige leven te hebbenden die i ! zijn het die van mij getuigen. ! 40 En gij wilt tot mij niet komen opdat gij het leven moogt hebben. 41 Ik neem geene eere van j menschen: 42 maar ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelvoj : niet hebt. ! 43 Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander , komt in zijnen eigenen naam, : dien zult gij aannemen. 44 Hoe kunt gij gelooven, gij ; die eere van elkander neemt, en j de eere die van God alleen is niet zoekt? 45 Meent niet dat ik u verklagen zal bij den Vader: die u verklaagt is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. 46 Want indien gij Mozes ge-loofdet, zoo zoudt gij mij gelooven ; want hij heeft van mij geschreven. 47 Maar zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven? HOOFDSTUK 6. Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galiléa, welke is de zee van Tiberias; 2 en hem volgde eene groote schare, omdat zij zijne teekeneu zagen die hij deed aan de kranke n. 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met zijne discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Jezus dan de oogen opheffende en ziende dat eene grooto schare quot;ot hem kwam, zeide toe Filippus: Van waar zullen wij brooden koopen, opdat deze eten mogen ? 6 (Doch dit zeide hij hem beproevende, want hij wist zelf wat hij doen zoude.) 7 Fil'ppus antwoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. |
JOHANNES 6.
125
|
8 Eeu van zijne discipelen, ! \ namelijk Andréas, de broeder van ' Simon Petrus, zeide tot hem: 1 9 Hier is een jongsken dat vijf t gerstenbrooden heeft, en twee , vischkens; maar wat zijn deze onder zoo velen? 10 En Jezus zeide; Doet de n\enschcn nederzitten. En daar was veel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijfduizend in getal. 11 En Jezus nam de brooden, en gedankt^ hebbende deel de^ hij Ee den discipelen, en de discipelen dengenen die nedergezeten waren; desgelijks ook van de vischkens zooveel zij wilden. 12 En als zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne discipelen; Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. 13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met de brokken van de vijf gerstebroodcn, welke overgeschoten waren dengenen die gegeten hadden. 14 De menschen dan gezien hebbende het teeken dat Jeziis gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet die in de wereld komen zoude. 15 Jezus dan wetende dat zij zouden komen, en hem met geweld nemen, opdat zij hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen. 16 En als het avond geworden was, gingen zijne discipelen af naar de zee; 17 en in liet schip gegaan zijnde kwamen zij óver de zee naar Kapernaüm. En het was aireede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen; _ 18 en de zee verhief zich, overmits daar een groote wind waaide. 19 En als zij omtrent vijfentwintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus wandelende op de zee en komende bij het schip, en zij werden bevreesd. 20 Maar hij zeide tot hen: Ik ben het, zijt niet bevreesd. |
21 Zij hebben dan hem gewil-liglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land daar zij naar toe voeren. 22 Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende dat aldaar geen ander scheepken _ was dan dat ééne daar zijne discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met zijne discipelen in dat scheepken met was gegaan, maar dat zijne discipelen alléén weggevaren waren ; 23 (doch daar kwamen andere scheepkens van Tiberias nabij do plaats, waar zij het brood gegeten hadden als de Heere gedankt had;) 24 toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was noch zijne discipelen, zoo gingen zij óók in de schepen, en kwamen te Kapernaüm, zoekende Jezus; 25 en als zij hem gevonden hadden óver de zee, zeiden zij tot hem: Rabbi, wanneer zijt gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, gij zoekt mij niet omdat gij teekenen gezien hebt, maar omdat gij van de brooden gegeten hebt cn verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des menschen ulieden geven zal; want dezen heeft God de Vader verzegeld. 28 Zij zeiden dan tot hem: quot;Wat zullen wij doen, opdat wii de werken Gods mogen werken r 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen : Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in hem dien hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot hem: Wat teeken doet gij dan, opdat wij het mogen zien en u ge-looven? Wat werkt gij? 31 Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven is: Hiigafhun het brood uit den hemel te eten. 32 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel; |
JOHANNES o.
124
|
2G want geli.ik de Vader het leven heeft in zichzelven, alzóó heeft hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven, 27 en heeft hem macht gegeven ook gericht te houden, omdat hij des menschen Zoon is. 28 Verwondert u daar niet over; want de^ ure komt, in welke allen die in de graven zijn zijne stem zullen hooren, 29 en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan Lebben tot de opstanding der verdoemenis. ^ 30 Ik kan van mijzelven niets doen: gelijk ik hoor, oordeel ik, en mijn oordeel is rechtvaardig; want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders die mij gezonden heeffc. 31 Indien ik van mijzelven getuig, mijne getuigenis is niet waarachtig: 32 er is een ander die van mij getuigt, en ik weet dat de getuigenis welke hij van mij getuigt waarachtig is. 33 Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven; 34 doch ik neem geene getuigenis van een mensch, maar dit zeg ik opdat gijlieden zoudt behouden worden. 35 Hij was eene brandende en lichtende kaars, en gij hebt u voor een en korten tijd in zijn licht willen verheugen; 36 maar ik heb eene getuigenis meerder dan die van Johannes; want de werken die mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, die werken die ik doe, getuigen van mij dat mij de Vader gezonden heeft. 37 En de Vader die mij gezonden heeft, die heeft zelf van mij getuigd: gij hebt noch zijne stem ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien, 38 en zijn Woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft dien niet, dien hij gezonden heeft. |
39 Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebbenden die zijn het die van mij getuigen. 40 En gij wilt tot mij niet komen opdat gij het leven moogt hebben. 41 Ik neem geene eere van i menschen: 42 maar ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelvo ; niet hebt. 43 Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander 1 komt in zijnen eigenen naam, ; dien zult gij aannemen. 44 Hoe kunt gij gelooven, gij I die eere van elkander neemt, en j de eere die van God alleen is ! niet zoekt? 45 Meent niet dat ik u verklagen zal bij den Vader: die u verklaagt is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. 46 Want indien gij Mozes ge-loofdet, zoo zoudt gij mij gelooven; want hij heeft van mij geschreven. 47 Maar zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven? HOOFDSTUK 6. Na dezen vertrok Jezus over de zee van_ Galiléa, welke i^ de zee van Tiberias; 2 en hem volgde eene grootej schare, omdat zij zijne teekeneul zagen die hij deed aan de kran-ken. 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met zijne discipelen. 4 Er. het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Jezus dan de oogen opheffende en ziende dat eene grooto schare tot hem kwam, zeide to: Filippus: Van waar zullen wij brooden koopen, opdat deze eten mogen V 6 (Doch dit zeide hij hem beproevende, want hij wist zelf wat hij doen zoude.) 7 Filippus antwoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. |
JOHANNES 6.
125
|
8 Een van zijne discipelen, namelijh Andréas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot hem; 9 Hier is een jongsken dat vijf gerstenbrooden heeft, en twee vischkens; maar wat zijn deze onder zoo velen ? 10 En Jezus zeide: Doet de raenschcn nederzitten. Er. daar was veel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijfduizend in getal. 11 En Jezus nam de brooden, en gedankt hebbende deelde hij se den discipelen, en de discipelen dengenen die ncdergezeten waren; desgelijks ook van de vischkens zooveel zij â wilden. 12 En als zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. 13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met de brokken van de vijf gerstebroodcn, welke overgeschoten waren dengenen die gegeten hadden. 14 De menschen dan gezien hebbende het teeken dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet die in de wereld komen zoude. 15 Jezus dan wetende dat zij zouden komen, en hem met geweld nemen, opdat zij hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen. 16 En als het avond geworden was, gingen zijne discipelen af naar de zee; 17 en in het schip gegaan zijnde kwamen zij óver de zee naar Kapernaüm. En het was aireede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen; ^ 18 en de zee verhief zich, overmits daar een groote wind waaide. 19 En als zij omtrent vijfentwintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus wandelende op de zee en komende bij het schip, en zij werden bevreesd. 20 Maar hij zeide tot hen: Ik ben het, zijt niet bevreesd. |
21 Zij hebben dan hem gewil-liglijk in het, schip genomen; en ! terstond kwam het schip aan ' het land daar zij naartoe voeren. I 22 Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee 1 stond, ziende dat aldaar geen ander scheepken _ was dan dat ! ééne daar zijne discipelen ingegaan waren, cn dat Jezus met 1 zijne discipelen in dat scheepken ! niet was gegaan, maar dat zijne â discipelen alléén weggevaren wa-! ren; 23 (doch daar kwamen andere ; scheepkens van Tiberias nabij do | plaats, waar zij het brood gegeten hadden als de Heere gedankt had;) 24 toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was noch zijne discipelen, zoo gingen zij óók in de scliepen, en kwamen te Kapernaüm, zoekende Jezus; 25 en als zij hem gevonden hadden óver de zee, zeiden zij tot hem: Rabbi, wanneer zijt gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, gij zoekt mij niet omdat gij teekenen gezien hebt, maar omdat gij van de brooden gegeten hebt cn verzadigd zijt. 27 quot;Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des menschen ulieden geven zal; want dezen heeft God de Vader verzegeld. 28 Zij zeiden dan tot hem: Wat zullen wij doen, opdat wil de werken Gods mogen werken r 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in hem dien hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot hem: Wat teeken doet gij dan, opdat wij het mogen zien en u ge-looven? Wat werkt gij? 31 Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven is: Hiigafhun het brood uit den hemel te eten. 32 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel; |
JOHANNES 6.
126
|
33 want het brood Gods ia hij die uft den hemel nederdaalt, en die der wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot hem: Heere, geef ons altijd dit brood. 35 En Jezus zeidetothen: Ik ben het brood des levens: die tot mij komt zal geenszins hongeren, en die in mij gelooft zal nimmermeer dorsten. 3ü Maar ik heb u gezegd, dat gij mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet. 37 Al wat mij de Vader geeft zal tot mij komenden die tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen. 3S Want ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat ik mijnen wil zoude doen, maar den wil desgenen die mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil des Vaders die mij gezonden heeft, dat al wat hij mij gegeven heeft, ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage. 40 En dit is de Avil desgenen die mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in hem gelooft, het eeuwige j leven hebbe, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 41 De Joden dan murmureer- â den over hem, omdat hij gezegd 1 had: Ik ben het brood dat uit den hemel nedergedaald is; 42 en zij zeiden: Is deze niet | Jezus, de zoon Jozefs, wiens vader I en moeder wij kennen ? Hoe zegt i deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald ? 43 Jezus antwoordde dan en , zeide tot hen: Murmureert niet j onder elkander. 44 Niemand kan tot mij komen, ; tenzij dat de Vader die mij ge- ' zonden heeft hem trekke; en ik j zal hem opwekken ten uitersten dage. 45 Daar is geschreven in de ; Profeten: En zij zullen allen van : God geleerd zijn. Een iegelijk ; dan die het van den Vader ge- i hoord en geleerd heeft, die komt ; tot mij; 46 niet dat iemand den Vader , gezien heeft dan die van God is: I deze heeft den Vader gezien. |
47 Voorwaar, voorwaar zeg ik | u, die in mij gelooft heeft het eeuwige leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uwe vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven: 50 dit is het brood dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet sterye. 51 Ik ben het levende brood dat uit den hemel nedergedaald is : zoo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven: en het brood dat ik geven zal is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze zijn vleesch te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik ulie-den, tenzij dat gij het vleesch van den Zoon desgt; menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelve. 54 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage; 55 want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. 56 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. 57 Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo die mij eet, dezelve zal leven door mij. 58 Dit is het brood dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uwe vaderen het manna gegeten hebben en zijn gestorven: die dit brood eet zal in eeuwigheid leven. 59 Deze dingen zeide hij inde Synagoge leerende te Kapernaiim. 60 Velen dan van zijne discipelen dü hoorende, zeiden: Deze rede is hard, wie kan dezelve hooren! 61 Jezus nu wetende bij zich-zelven dat zijne discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit? G2 Wat zoude het dan zijn zoo gij den Zoon des menschen zaagt opvaren waar hij te voren was? |
JOHANNES 7.
127
|
63 De geest is het die levend waakt, het vleesch is niets nut: de -woorden die ik tot u spreek zijn geest en zijn leven. 64 Maar daar zijn sommigen i van ulieden die niet gelooven. ; Want Jezus wist van den beginne wie zij waren die niet geloofden, en -wie hij was die hem verraden zoude. 65 En hij zei de: Daarom heb ik u gezegd, dat niemand tot mij komen kan tenzij dat het hem gegeven zij van mijnen Vader. 66 Van toen af gingen velen zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met hem. 67 Jezus dan zeide tot de twaalve; Wilt gijlieden ook niet weggaan ? 68 Simon Petrus dan antwoordde hem; Heere, tot wien zullen wij henengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens; 69 en wij hebben geloofd en bekend dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u twaalf uitverkoren ? en één uit u is een duivel. 71 En hij zeide dit van Judas Simons zooii Iskariot; want deze zoude hem verraden, zijnde een van de twaalve. HOOFDSTUK 7. En na dezen wandelde Jezus in Galiléa; want hij wilde in Judéa niet wandelen, omdat de Joden hem zochten te dooden. 2 En het feest der Joden, ?z«J/2e-lijk de /oc/huttenzetting, was nabij. 3 Zoo zeiden dan zijne broeders tot hem: Vertrek van hier en ga henen in Judéa, opdat ook uwe discipelen uwe werken mogen aanschouwen die gij doet; 4 want niemand doet iets in 't verborgen, en zoekt zelf dat men openlijk van hem spreke. Indien gij deze dingen doet, zoo openbaar uzelven aan de wereld. ö Want ook zijne broeders geloofden niet in hem. 6 Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid. |
7 Do wereld kan ulieden niet haten, maar mij haat zij, omdat ik van dezelve getuige dat hare werken boos zijn. 8 Gaat gijlieden op tot dit feest; ik ga nog niet op tot dit feest, want mijn tijd is nog niet vervuld. 9 En als hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef hij in Galiléa. 10 Maar als zijne broeders opgegaan waren, toen ging hij ook zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in 't verborgen. 11 De Joden dan zochten hem op het feest, en zeiden: quot;Waar is hij ? 12 En daar was veel gemurmel van hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar hij verleidt de schare. 13 Nochtans sprak niemand vrij moediglij k van hem, om de vreeze der Joden. 14 Doch als het nn in het midden van het feest was, zoo t ing Jezus op in den Tempel en leerde. 15 En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet deze de Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft? 16 Jezus antwoordde hun en zeide: Mijne leer is de mijne niet, maar desgenen die mij gezonden heeft; 17 zoo iemand wil deszelfswil doen, die zal van dize leer bekennen of zij uit God is, dan of ik van mij zei ven spreek. 18 Die van zichzelven spreekt, 1 zoekt zijne eigene eere ; maar die de eere zoekt desgenen die hem gezonden heeft, die is waarachtig en geen ongerechtigheid is in hem. 19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven ? en niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij mij te ; dooden ? 20 De schare antwoordde en ; zeide: Gij hebt den duivel: wie 1 zoekt u te dooden? 21 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Eén werk heb ik gedaan, en gij verwondert n allen, 22 Daarom Mozes heeft ulieden |
JOHANNES 7.
128
|
de besnijdenis gegeven, (niet dat ze uit Mozes ie, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mensch op den sabbat. 23 Indien een mensch de be-enijdenia ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet verbroken -worde, zijt gij toornig op mij, dat ik een geheelen menscb gezond gemaakt heb op den sabbat ? 24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. 25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is deze niet dien zij zoeken te dooden? 26 En zie, hij spreekt vrijmoedigi ijk en zij zeggen hem niets. Zouden nu wel de Oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus? 27 Docli van dezen weten wij van waar hij is; maar de Christus wanneer hij komen zal, zoo zal niemand weten van waar hij is. 28 Jezus dan riep in den Tempel, leerende en zeggende: En gij kent mij, en gij weet van waar ik ben; en ik ben van mij zei ven niet gekomen, maar hij is waarachtig die mij gezonden heeft, welken gijlieden niet kent; 29 maar ik ken hem, want ik ben van hem, en hij heeft mij gezonden. 30 Zij zochten hem dan te grijpen ; maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijne ure was nog niet gekomen. 31 En velen uit de schare geloofden in hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal hij ook meer teekenen doen dan die welke deze gedaan heeft ? 32 De Farizeërs hoorden dat de schare dit van hem murmelde; en de Farizeërs en de O verpriesters zonden dienaren, opdat zij hem grijpen zouden. 33 Jezus dan zeide tot hen; Nog eenen kleinen tijd ben ik bij u, en ik ga henen tot den-gene die mij gezonden heeft. 34 Gij zult mij zoeken en gij zult mij niet vinden, en waar ik ben kunt gij niet komen. |
35 De Joden dan zeiden tot elkander; quot;Waar zal deze henengaan, dat wij hem niet zullen vinden ? Zal hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leeren ? 36 Wat is dit voor een rede die hij gezegd heeft: Gij zult mij zoeken en zult wïj niet vinden, en waar ik ben kunt gij niet komen ? 37 En op den laatsten dag, zijnde de groote dag van het feest, stond. Jezus en riep, zeggende: Zoo iemand dorst, die kome tot mij en drinke. 38 Die in mij gelooft, gelijker-wijs de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 (En dit zeide hij van den Geest, denwelken ontvangen zouden die in hem gelooven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.) 40 Velen dan uit de schare deze rede hoorende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet; 41 anderen zeiden: Deze is do Christus; en anderen zeiden: zal dan de Christus uit Galiléa komen? 42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was? 43 Daar werd dan tweedracht onder de schare om zijnentwille; 44 en sommigen van hen wilden hem grijpen, maar niemand sloeg de hand aan hem. 45 De dienaars dan kwamen tot de O verpriesters en Farizeërs; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij hem niet gebracht? 46 De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mensch alzóó gesproken gelijk deze mensch. 47 De Farizeërs dan antwoordden hur.: Zijt ook gijlieden verleid? 48 Heeft iemand uit de Overeten in hem geloofd, of uit de Farizeërs ? 49 Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt. 50 Nicodemus zeide tot hen, |
|
JOHAN welke des nfichts tot hem gekomen -was, zijnde een uit hen: 51 Oordeelt ook onze wet den mensch, tenzij dat ze eerst van hem gehoord heeft en verstaat vrat hij doet ? 52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gy óók uit Galiléa ? Onderzoek en zie, datuitGaliléa geen Profeet opgestaan is. Ã3 En een iegelijk ging henen naar zijn huis. HOOFDSTUK 8. Maar Jezus ging naar den Olijfberg. 2 En des morgens vroeg kwam hij wederom in den Tempel, en al het volk kwam tot hem; en nedergezeten zijnde leerde hij hen. 3 En de Schriftgeleeiden en de Farizéërs brachten iot hem eeno vrouw in overspel gegrepen; 4 en haar gesteld hebbende in 't midden, zeiden zij tct hem: 3 lees ter, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande; 5 en Mozes heeft ons in do wet geboden, dat dezulken ge-steenigd zullen worden: gij dan, wat zegt gij? ⢠G En dit zeiden zij hem verzoekende, opdat zij iets hadden om hem te beschuldigen. Maar Jezus nederbukkende schreef met den vinger in de aarde. 7 En als zij hem bleven vragen, richtte hij zich op en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar. 8 En wederom nederbukkende schreef hij in de aarde. 9 Maar zij dit hoorende, en van hunne conscientie overtuigd zijnde, gingen uit, de één na den ander, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alléén gelaten, en de vrouw in 't midden staande. 10 En Jezus zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar; Vrouw, waar zijn deze uwe beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld'? |
NES 8. 129 11 En zij zeide: Niemand Heere. En Jezus zeide tot haar: Zoo veroordeel ik u óók niet: ga henen en zondig niet meer. 12 Jezus dan sprak wederom tot hen, zeggende: Ik ben het licht der wereld: die mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. 13 De Farizéërs dan zeiden tot hem: Gij getuigt van uzel ven, uwe getuigenis is niet waarachtig. 14 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hoewel ik van mijzei ven getuig, zoo is nochtans mijne ^ getuigenis waarachtig, want ik weet vanwaar ik gekomen ben en waar ikhenenga; maar gijlieden weet niet vanwaar ik kom en waar ikhenenga. 15 Gij oordeelt naar het vleeech, ik oordeel niemand. 16 En indien ik ook oordeel, mijn oordeel is waarachtig; want ik ben niet alléén, maar ik en de Vader die mij gezonden heeft. 17 En daar is ook in uwe wet geschreven, dat de getuigenis van twee menschen waarachtig is: IS ik ben het die van mijzelven getuig, en de Vader die mij gezonden heeft getuigt van mij. li) Zij dan zeiden tot hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde : Gij kent noch mij noch mijnen Vader; indien gij mij kendet, zoo zoudt gij ook mijnen Vader kennen. 20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, loerende in den Tempel; en niemand greep hem, want zijne ure was nog niet gekomen. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen : Ik ga henen, en gij zult mij zoeken, en in uwe zond© zult gij sterven; waar ik henen ga kunt gijlieden niet komen. 22 De Joden dan zeiden: Zal hij ook zichzelven dooden, omdat hij zegt: Waar ik henenga kunt gijlieden niet komen? 23 En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt van beneden, ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, ik ben niet uit deze wereld. 5 |
JOHANNES 8.
130
|
24 Ik heb u dan gezegd dat gij in uwe zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft dat ik die ben, gij zult in uwe zonden sterven. 25 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij ? En Jezus zeide tot hen: Wat ik van den beginne ulieden ook zegge. 26 Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordeelen; maar die mij gezonden heeft is waarachtig, en de dingen die ik van hem gehoord heb, dezelve spreek ik tot de wereld. 27 Zij verstonden niet dat hij hun van den Vader sprak. 28 Jezus dan zeide tot hen: Wanneer gij den Zoon des inen-schen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan dat ik die ben, en dat ik van mij zei ven niets doe, maar deze dingen spreek ik gelijk mijn Vader mij geleerd heeft. 29 En die mij gezonden heeft is^ met mij: de v ader heeft mij niet alléén gelaten, want ik doe altijd wat hem behaaglijk is. 3ü Als hij deze dingen sprak geloofden velen in hem. 31 Jezus dan zeide tot de Joden die in hem geloofden: Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen, 32 en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. 33 Zij antwoordden hem : Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt gij dan: Gij zult vrij worden? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voonvaar zeg ik u, een iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zonde; 35 en de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk. 36 Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. 37 Ik weet dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt mij te dooden; want mijn woord heeft in u geene plaats. |
38 Ik spreek wat ik bij mijnen Vader gezien heb: gij doet dan ook wat gij bij uwen vader gezien hebt. 39 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt gij de werken Abrahams doen; 40 maar nu zoekt gij mij te dooden, een mensch die u de waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb: dat deed Abraham niet. 41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij, wij hebben éénen vader, namelijk God. 42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zoo zoudt gij mij liefhebben; want ik ben van God uitgegaan en kom van hem ; want ik ben ook van mijzelven niet gekomen, maar hij heeft mij gezonden. 43 Waarom kent gij mijne sprake niet? Het is omdat gij mijn woord niet kunt hooren. 44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een men-schenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem.Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. 45 Maar mij, omdat ik w de waarheid zeg, gelooft gij niet. 46 Wie van u overtuigt mij van zonde? En indien ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij mij niet? 47 Die uit God is hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt. 48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot hem: Zeggen wij niet wel, dat gij een Samaritaan zijt en den duivel hebt? 49 Jezus antwoordde: Ik het den duivel niet, maar ik eer mijnen Vader, en gij on teert mij. 50 Doch ik zoek mijne eere |
|
JOHAN niet: daar is een die ze zoekt en oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo iemand mi.in woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. 52 De Joden dan zeiden tot hem: Nu bekennen wij dat gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de Profeten, en zegt gij: Zoo iemand mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwig- hei(3? 53 Zijt gij meerder dan onze vader Abraham, welke gestorven is? En de Profeten zijn gestorven; wien maakt gij nzelven? 54 Jezus antwoordde ^ Indien ik mij zei ven eer, zoo is mijne eere niets, mijn Vader is het die mij eert, wélken gij zegt dat uw God is, 55 en gij kent hem niot; maar ik ken hem, en indien ik zeg dat ik hem niet ken, zoo zal ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar ik kenne hem en bewaar zijn woord. 56 Abraham uw vader heeft met verheuging verlangd, opdat hij mijnen dag zien zoude, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest. 57 De Joden dan zeiden tot hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt gij Abraham gezien? 58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, eer Abraham was ben ik. 59 Zij namen dan steenen op, dat zij ze op hem wierpen; maar Jezus verborg zich en ging uit den Tempel, gaande door het midden van hen, en ging alzóó voorbij. HOOFDSTUK 0. En voorbijgaande zag hijeenen mensch blind van de geboorte af. 2 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind zoude geboren worden? 3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijne |
NES 9. 131 ouders, maar dit is gesclned opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. 4 Ik moet werken de werken desgenen die mij gezonden heeft, zoolang het dag is: de nacht komt, wanneer niemand werken kan. 5 Zoolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld. 6 Dit gezegd hebbende, spuwde hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de oogen des blinden, 7 en zeide tot hem: Ga henen, wasch u in het badwater Si loam ('t welk overgezet wordt Uitgezonden). Hij dan ging henen en wiesch zich, en kwam ziende. 8 De geburen dan, en die hem te^ voren gezien hadden dat hij blind was, zeiden: Is deze niet die zat en bedelde? 9 Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het. 10 Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de oogen geopend? 11 Hij antwoordde en zeide : De mensch genaamd Jezus maakte slijk, en bestreek mijne oogen, en zeide tot mij: Ga henen naar het badwater Siloam en wasch u. En ik ging henen en wiesch mij, en ik werd ziende. 12 Zij dan zeiden tot hem: Waar is die? Hij zeide: Ik weet het niet. 13 Zij brachten hem tot de Farizeërs, hem namelijk die te voren blind geiceest teas. 14 En het was sabbat als Jezus het slijk maakte en zijne oogen opende. 15 De Farizeërs dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was: en hij zeide tot hen: Hij leide slijk op mijne oogen, en ik wiesch mij, en ik zie. 16 Sommigen dan uit de Farizeërs zeiden: Deze mensch is van God niet, want hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mensch die een zondaar is zulke teekenen doen? En daar was tweedracht onder hen. |
JOHANNES 10.
m
|
17 Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van hem, dewijl hij mve^ oogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet. 18 De Joden dan geloofden van hein niet dat hij blind geweest was en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen die ziende geworden was; 19 en zij vraagden hen, zeggende : Is deze uw zoon, welken gij zegt dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu? 20 Zijne ouders antwoordden iiun en zeiden: Wij weten dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; 21 maar hoe hij nu ziet weten wij niet, of wie zijne oogen geopend heeft weten wij niet; hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zei ven: hij zal van zich-zelven spreken. 22 Dit zeiden zijne ouders omdat zij de Joden vreesden ; want de Joden hadden aireede te za-men een besluit gemaakt, zoo iemand hein beleed Christus te zijn, dat die uit de Synagoge zoude geworpen worden; 23 daarom zeiden zijne ouders : Hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zei ven. 24 Zij dan riepen voor de tweede maal den mensch die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eere: wij weten dat deze mensch een zondaar is. 25 Hij dan antwoordde en zei-de: Of hij een zondaar is weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie. 26 En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft hij u gedaan? hoe heeft hij uwe oogen geopend? 27 Hij antwoordde hun: Ik heb het u aireede gezegd en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom hooren? Wilt gijlieden óók zijne discipelen worden? 28 Zij gaven hem dan scheldwoorden en zeiden: Gij zij t zijn discipel, maar wij zijn Mozes' discipelen; |
29 wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet van waar hij is. 30 De mensch antwoordde en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet van waar hij ie, ennoch lans heeft hij mijne oogen geopend. 31 En wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig ia en zijnen wil doet, dien hoort hij. 32 Van alle eeuwe is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend Ij eelt. 33 Indien deze van God niet ware, hij zoude niets kunnen doen. 34 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit. 35 Jezus hoorde dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende zeide hij to them: Gelooft gij in den Zone Gods? 36 Hij antwoordde en zeide: Wie is hij. Heere, opdat ik iu hem mag gelooven ? 37 En Jezus zeide tot hem : En gij hebt hem gezien, en die met u spreekt, dezelve is het. SS En hij zeide: Ik geloof, Heere; en hij aanbad hem. 39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, ^ opdat degenen die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. 40 En dit hoorden eenigen uit de Farizeërs die bij hem waren, en zeiden tot hem : Zijn wij clan óók blind? 41 Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoo zoudt gij geen zonde hebben: maar nu zegt gij: Wfj zien: zoo blijft dan uwe zonde. HOOFDSTUK 10. Voorwaar, voorwaar, zeg ik ulie-den, die niet ingaat door de deur in den stal t der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar; 2 maar die door de deur ingaat is een herder der schapen. |
JOHANNES 10.
123
|
3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen lioorenzijne stem, en hij roept zijne^ schapen bij name, en leidt ze uit. 4 En wanneer hij zij tie schapen nitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen henen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijne etem kennen; 5 maar oenen vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden, overmits zij de stem des vreemden niet kennen. 6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen, maar zij verstonden niet wat het was dat hij tot hen sprak. 7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, ik ben de deur der schapen. 8 Allen, zoovelen ala er vóór mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur: indien iemand door mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. 10 De dief komt niet dan opdat hij stele en slachte en ver-derve: ik ben gekomen opdat zij het leven hebben en overvloed hebben. 11 Ik ben de goede Herder. De goede Herder stelt zijn leven voor de schapen; 12 maar de huurling en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen en verlaat de schapen, en vliedt, en de wolf grijpt ze en verstrooit de schapen; 13 en de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geene zorg voor de schapen. 14 Ik ben de goede Herder, en ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend. 15 Gel ijker wij s^ de Vader mij kent, ahoo ken ik ook den Vader; en ik stel mijn leven voor de schapen. 1G Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet ik óók toebrengen; en zij zullen mijne stem hooren, enhet zal worden ééne kudde en één Leider. |
17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven af-legge, opdat ik hetzelve wederom neme. 18 .Niemand neemt hetzelve van mij, maar ik leg het van mij-zei ven af: ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen; dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. 19 Daar werd dan wederom tweedracht onder de Joden om dezer woorden wille; 20 en velen van hen zeiden: Hij heeft den duivel en is uitzinnig; wat hoort gij hem? 21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden oogen openen? 22 En het was het feest der vernieuwing des Tempels te Jeruzalem, en het was winter; 23 en Jezus wandelde in den Tempel, in het voorhof Salomo's. 24 De Joden dan omringden hem, en zeiden tot hem: Hoe lang houdt gij onze ziele op? Indien gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit. 25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet. De werken die ik doe in den naam mijns Vaders, die getuigen van mij; 26 maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb. 27 Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken dezelve, en zij volgen mij, 28 en ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken. 29 Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. 30 Ik en do Vader zijn één. 31 De Joden dan namen wederom steenen op om h*m te steenigen. 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van mijnen Vader: om |
JOHANNES 11.
134
|
quot;welk werk van die steenigt gij mij ? 33 De Joden antwoordden liem, zeggende: Wij steenigen n niet over eenig goed werk, maar over as tering, en omdat gij een mensch zijnde uzelven God maakt. 34 Jezus antwoodde hun; Is er niet geschreven in uwe wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden? 35 Indien tie icet die goden genaamd heeft tot welke het Woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden, 36 zegt gijlieden tot mij, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God, omdat ik gezegd heb: Ik ben Goils Zoon? 37 Indien ik niet doe de werken mijns Vaders, zoo gelooft mij niet; 38 maar indien ik ze doe, en zoo gij mij niet gelooft, zoo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en ^ gelooyen dat de Vader in mij is, en ik in hem. 39 Zij zochten dan wederom hem te grijpen, eu hij ontging uit hunne hand. 40 En hij ging wederom over den Jordaan, tot de plaats waar Johannes eerst doopte, en hij bleef aldaar. 41 En velen kwamen tot hem en zeiden: Johannes deed wel geen teeken, maar alles_ wat Johannes van dezen zeide was waar. 42 En velen geloofden aldaar in hem. HOOFDSTUK 11. En daar was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanië, uit het vlek van Maria en hare zuster Martha, 2 (Maria nu was degene die den Heere gezalfd heeft met zal ve, en zijne voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.) 3 Zijne zusters dan zonden tot hem, zeggende: Heere, zie, dien gij liefhebt is krank. |
4 En Jezus dat hoorende zei-de : Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde. 5 Jezus nu had Martha en li are zuster en Lazarus lief. G Als hij dan gehoord had dat hij krank was, toen bleef hij 7ioq twee dagen in de plaats -waar hij was. 7 Daarna zeide hij verder tot de discipelen: Laat ons -wederom naar Judéa gaan. 8 De discipelen zeiden tot hein: Rabbi, de Joden hebben u uu onlangs gezocht te steenigen, en gaat gij wederom derwaarts? 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren inden dag? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; 10 maar indien iemand, in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is. 11 Dit sprak hij, en daa-rna zeide hij tot hen: Lazarus onze vriend slaapt, maar ik gallenen om hem uit den slaap optewek-ken. 12 Zijne discipelen danzeiclen: Heere, indien hij slaapt zoo zal hij gezond worden. 13 Doch Jezus had gespro leen van zijnen dood; maar lijmeenden dat hij sprak van de ruste des slaaps. 14 Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven, 15 en ik ben blijde om went-wille dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hem gaan. 16 Thomas dan, genaamd Di-dymus, zeide tot zijne xnedediscipelen: Laat ons óók gaan, opdat wij met hem sterven. 17 Jezus dan gekomen zij nde vond dat hij nu vier dagen in het graf geweest was. 18 (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien staciiën van daar.) 19 En velen uit de Jodenwaren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zou. den over haren broeder. 20 Martha dan, als zij hoorde dat Jezus kwam, ging h.emtege- |
|
JOH AN moet; doch Maria bleef in huis zitten. 21 Zoo zeicle Martha dan tot Jezus: Heere, waart gij hier geweest, zoo ware mijn broeder niet gestorven ; 22 maar ook nu weet ik, dat alles wat gij van God begeeren zr.lt, God het u geven zal. 23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan. 24 Martha zeide tot hem: Ik weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. 25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: die in mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven; 26 en een iegelijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid: gelooft gij dat? 27 Zij zeide tot hem : Ja, Heere, ik heb geloofd dat gij zijt de Christus, de Zoon Gods die in de wereld komen zoude. 28 En dit gezegd hebbende ging zij henen, en riep Maria hare zuster heimelijk, zeggende: De Meester is daar en hij roept u. 29 Deze als zij dut hoorde, stond haastelijk op en ging tot hem. 30 (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats waar hem Martha te gemoet gekomen was.) 31 De Joden dan die met haar in het huis waren en haar vertroostten, ziende Maria dat zij haastelijk opstond en uitging, vol gden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar weene. 32 Maria dan als zij kwam daar Jezus was, en hem zag, viel aan zijne voeten, zeggende tot hem: Heere, indien gij hier geweest waart, zoo ware mijn broeder niet gestorven. 33 Jezus dan als hij haar zag weenen, en de Joden die met haar kwamen óók weenen, werd zeer bewogen in den geest en ontroerde zichzelven, 34 en zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot hem: Heere, kom en zie het. |
NES 11. 135 35 Jezus weende. 36 De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief hij hem had. 37 En sommigen uit hen zeiden: Kon hij, die de oogen des blinden geopend heeft, niet maken dat ook deze niet gestorven ware ? 38 Jezus dan wederom in zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was eene spelonk, en een steen was daarop gelegd. 39 Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha de zuster des gestorvenen zeide tot hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar geleocn. 40 Jezus zeide tot haar: Heb ik u niet gezegd, dat zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? 41 Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag; en Jezus hief de oogen opwaarts en zeide: Vader, ik dank u dat gij mij gehoord hebt. ^ 42 Doch ik wist dat gij mij altijd hoort; maar om der schare wille die rondom staat heb ik dit gezegd, opdat zij zouden ge-looven dat g'j mij gezonden hebt. 43 En als hij dit gezegd had, riep hij met groote stem: Lazarus kom uit. 44 En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoekeii, en zijn aangezicht was omwonden met eenen zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem en laat hem henengaan. 45 Velen dan uit de Joden die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in hem; 46 maar sommigen van hen gingen tot de Farizeërs, en zeiden tot hen 't geen Jezus gedaan had. 47 De Overpriesters dan en de Farizeërs vergaderden den Raad, en zeiden: Wat zullen wij doen ? Want deze mensch doet vele teekenen. 48 Indien wij hem alzóó laten geicorden, zij zullen allen in hem |
JOHANNES 12.
136
|
gelooven, en de Romeinen zullen komen en wegnemen beide onze plaats en volk. 49 En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars IIoo-geprieater was, zeide tot hen: Gij verstaat niets, 50 en gij bedenkt niet dat liet ons nut is, dat één mensch sterve voor het volk, en het geheele volk niet verloren ga. _ 51 En dit zeide hij niet uit zichzelven, maar zijnde de Hoo-gepriester ^ van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zoude voor het volk; 52 en niet alleen voordat volk, maar opdat hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één zoude vergaderen. 53 Van dien dag af beraadslaagden zij te zamen, dat zij hem dooden zouden. 54 Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden, maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad genaamd Efraïm, ein verkeerde aldaar met zijne discipelen. 55 En het Pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem vóór het Pascha, opdat zij zichzelve reinigden. 56 Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den Tempel: Wat dunkt u ? Dunlct u dat hij niet komen zal tot het feest? 57 De Overpriesters nu en de Farizeërs hadden een gebod gegeven, dat zoo iemand wist waar hij was. hij het zoude te kennen geven, opdat zij hem mochten vangen. HOOFDSTUK 12. Jezus dan kwam zes dagen vóór het Pascha te Bethanië, waar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken hij opgewekt had uit de dooden. 2 Zij bereidden hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen die met hem aanzaten. |
3 Maria dan genomen hebbende een pond zalf van onver-valschten zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezua gezalfd, en met haar haren zijne voeten afgedroogd; en het Ir.;is werd vervuld van den reuk der zalf. 4 Zoo zeide dan een van zijne discipelen, wawdy'A: Judas Simons zoon Iskariot, die hem verraden zoude: 5 quot;Waarom is _ deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven ? G En dit zeide hij niet omdat; hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd. 7 Jezus dan zeide : Laat af van haar: zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafenis. 8 Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd, 9 Eene groote schare dan der Joden verstond dat hij aldaar was; en zij kwamen niet alleen om Jezus wille, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien hij uit do dooden opgewekt had. 10 En de Overpriesters beraadslaagden dat zij ook Lazarus dooden zouden; 11 want velen van de Joden gingen om zijnentwille en geloofden in Jezus. 12 Des anderen daags eene groote schare, die tot het feest gekomen was, hoerende dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 namen de^ takken van palm-boomen, en gingen uit hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend is hij die komt in den naam des Heeren, hij die is de Koning Israels! 14 En Jezus vond eenen jongen ezel en zat daarop, gelijk geschreven is: ^ 15 Yrees niet gij dochter Sions: zie, uw Koning komt, zittende op het veulen eener ezelin. 16^ Doch^ dit verstonden zijne discipelen in 't eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig dat dit van hem geschreven was, en dal zij hem dit gedaan hadden. |
JOHANNES 12.
137
|
17 De schare dan die met hem wis, getuigde dat hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de dooden opgewekt had. 18 Daarom ging ook de schare hem tegemoet, overmits zij gehoord had dat hij dat teeken gedaan had. 19 De Farizeërs dan zeiden onder elkander: Ziet gij nel dat gij gansch niet vordert? Zie, de geheelc wereld gaat. hem na. 20 En daar waren sommige Grieken, uit degenen die opgekomen waren opdat zij op het feest zouden aanbidden: 21 deze dan gingen tot Filip-pus die van Bethsaïda in Gali-lea was, en baden hem, zeggende: Heere, wij wilden Jezus teel zien. 22 Filippus kwam en zcide het Andreas, en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus. 23 Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden. 24 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alléén; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. 25 Die zijn leven liefheeft zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tothet eeuwige leven. 2ü Zoo iemand mij dient, die volge mij, en waar ik ben, aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal hem eeren. 27 Nu is mijne ziele ontroerd, en wat zal ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure ? Maar hierom ben ik in deze ure gekomen. 28 Vader, verheerlijk uwen naam. Daar kwam dan eene stem uit den hemel, zeg pende: En ik heb hem verheerlijkt, en ik zal hein wederom verheerlijken. 29 De schare dan die daar stond en dit hoorde, zeide dat er een donderslag geschied was; |
anderen zeiden: Een Engel heeft tot hem gesproken. 30 Jezus antwoordde en zeide: Niet om mijnentwille is dezo stem geschied, maar om uwentwille. 31 Nu is het oordeel dezer wereld: nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden; 32 en ik, zoo wanneer ik van van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot mij trekken. 33 (En dit zeide hij beteeke-nende hoedanigen dood hij sterven zoude.) 34 De schare antwoordde hem: Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt gij dat de ^ Zoon des menschen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des menschen? 35 Jezus dan^ zeide tot hen: Nog eenen kleinen tijd is het licht bij nlieden: wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat do duisternis u niet bevange: en die in do duisternis wandelt, weet niet waar hij henengaat. 3G Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus, en weggaande verborg hij zich van hen. 37 En hoewel hij zoovele teekenen voor hen gedaan had, ?i067/lt;a}2s geloofden zij in hemniet, 38 opdat het woord van Jesaja den Profeet vervuld wierd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard ? 39 Daarom konden zij nietge-looven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: 40 Hij heeft hunne oogen verblind en hun harte verhard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het harte niet verstaan, en zij bekeerd worden, en ik hen geneze. 41 Dit zeide Jesaja, toen hij zijne heerlijkheid zag en van hem sprak. 42 Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in hem; 5* |
JOHANNES 13.
138
|
maar om der Farizeërs wil beleden zij het niet, opdat zij uit de Synagoge niet zouden geworpen worden; 43 want zij hadden de eere der menschen lief, meer dan de eere Gods. 44 En Jezus riep en zeide: Die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengene die mij gezonden heeft; 45 en die mij ziet, die ziet dengene die mij gezonden heeft. 46 Ik ben een licht in de wereld gekomen, opdat een iegelijk die in mij gelooft in de duisternis niet blijve. 47 En indien iemand mijne woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hein niet; want ik ben niet gekomen opdat ik de wereld oordeele, maar opdat ik de wereld zalig make. 48 Die mij verwerpt en mijne woorden niet ontvangt, heeft die hem oordeelt: het woord dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeel en ten laatste dage. 49 Want ik heb uit mijzelven niet gesproken; maar de Vader die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen zal en wat ik spreken zal. 60 En ik weet dat zijn gebod liet eeuwige leven is. Hetgeen ik dan spreek, dat spreek ik alzóó gelijk mij de Vader gezegd heeft. HOOFDSTUK 13. En vóór het feest van het Pascha, Jezus wetende dat zijne ure gekomen was, dat hij uit deze wereld zoude overgaan tot den ^ Vader, alzoo hij de zijnen die in de wereld waren liefgehad had, zoo heeft hij ze liefgehad tot den einde. 2 En als het avondmaal gedaan was, (toen nu de duivel in het hart van Judas Simons zoon Is-kariot gegeven had dat hij hem verraden zoude), 3 Jezus wetende dat de Vader hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat hij van God uitgegaan was en tot God henenging. |
4 stond op van het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende een linnen doek, omgordde zichzelven; 5 daarna goot hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wasschen, en af te drogen met den linnen doek waarmede hij omgord was. 6 Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot hem: Heere, zult gij mij de voeten wasschen ? 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. 8 Petrus zeide tot hem: Gij zult mijne voeten niet wasschen in der eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Indien ik u niet wasch, gij hebt geen deel met mij. 9 Simon Petrus zeide tot hem: Heere, niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd. 10 Jezus zeide tet hem: Dio gewasschen is heeft niet van noode dan de voeten te wasschen, maar ia geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen. 11 Want hij wist wie hem verraden zoude; daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein 12 Als hij dan hunne voeten gewasschen en zijne kleederen genomen had, zat hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij wat ik ulieden gedaan heb ? 13 Gij heet mij Meester en Heere, en gij zegt wèl, want ik ben het.^ 14 Indien dan ik, de Heere en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen; 15 want ik heb u een exempel gegeven, opdat gel ijker wijs ik u gedaan heb, gijlieden óók doet. 16 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. 17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gij dezelve doet, 18 Ik zeg niet van u allen: ik |
JOHANNES 14.
m
|
weet welke ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt opdat de Schrift vervuld worde: Die met mij het brood eet, heeft tegen mij zijne verzenen opgeheven. 19 Van nu zeg ik het ulieden eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt dat i.'i het ben. 20 Voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo ik iemand zend, wie dien ontvangt, die ontvangt mij; en wie mij ontvangt, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. 21 Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd! ontroerd in den geest, en betuigde _ en zeide: Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat een van ulieden mij zal verraden. 22 De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende van wien hij dat zeide. 23 En een van zijne discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad. ^ 24 Simon Petrus dan wenkte dezen dat hij vragen zoude, wie hij toch ware van welken hij dit zeide. 25 En deze vallende op de borst van Jezus, zeide tot hem: Heere, wie is het? 26 Jezus antwoordde: Deze is het, wien ik de bete, als ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als hij de bete ingedoopt had, gaf hij ze Judas Simons zoon Iskariot. 27 En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Dat gij doet, doe het haastelijk. ^ 28 En dit verstond niemand dergenen die aanzaten, waartoe hij hem dat zeide; 29 v,Tant sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop hetgeen wij van noode hebben tot het feest; ;of dat hij den armen wat geven zoude. 30 Hij dan de bete genomen hebbende, ging terstond uit; en het was nacht. 31 Als hij dan uitgegaan was zeide Jezus: Nu is de Zoon des menschen verheerlijkt, en God is in hem verheerlijkt. |
32 Indien God in hom verheerlijkt is, zoo zal ook God hem verheerlijken in zichzelven, en hij zal hem terstond verheerlijken. 33 Kinderkens, nog eenen kleinen tijd ben ik bij u. Gij zult mij zoeken, en gelijk ik den Joden gezegd heb: Waar ik he-nenga kunt gij niet komen, ab:oo zeg ik ulieden nu ook. 34 Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.^ 35 Hieraan zullen zij allen bekennen dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder el kander. 36 Simon Petrus zeide tot hem: Heere, waar gaat gij henen? Jezus antwoordde hom: ^Vaar ik henenga kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult mij na-maals volgen. ^ 37 Petrus zeide tot hem: Heere, waarom kan ik u niet volgen? Ik zal mijn leven voor u zetten. 38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg ik u, de haan zal niet kraaien totdat gij mij driemaal verloochend zult hebben. HOOFDSTUK 14. Uw harte worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen: anderszins zoo zoude ik het u gezegd hebben; ik ga henen om u plaatse te bereiden. 3 En zoo wanneer ik henen zal gegaan zijn en u plaatse zal bereid hebben, zoo kom ik weder en zal ii tot mij nemen, opdat gij óók zijn moogt daar ik ben. 4 En waar ik henenga weet gij, en den weg weet gij. 5 Thomas zeide tot hem: Heere, wij weten niet waar gij henen-gaat, en lioe kunnen wij don weg weten? 6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg, en de waarheid, en het I fi I âk i |
JOHANNES 14.
140
|
leven: niemand komt tot den Vader dan door mij. 7 Indien gijlieden mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook mijnen Vader gekend hebben; en van nu aan kent gij hem en hebt hem gezien. 8 Filippns zeide tot hem: Ke ere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg. 9 Jezus zeide tot hem: Ben ik zoo langen tijd met nliedon, en hebt gij mij niet gekend, Filip-pns ? Wie mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien: en hoe zegt gij: Toon ons den Vader ? 10 Gelooft gij niet dat ik in den Vader hen, en de Vader in mij is ? De vroorden die ik tot nlieden spreek, spreek ik van mijzelven niet, maar de Vader die in mij blijft, die doet de werken. 11 Gelooft mij dat ik in den Vader en de Vader in mij Ib ; en indien niet, zoo gelooft mij om de werken zelve. 12 Voorwaar, voorwaar zeg ik nlieden, die in mij gelooft, do werken die ik doe zal hij óók doen, en zal meerdere doen dan deze; want ik ga henen tot mijnen Vader, 13 _ eu zoo wat gij begeeren zult in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. 14 Zoo gij iets begeeren zult in mijnen naam, ik zal het doen. 15 Indien gij mij liefhebt, zoo bewaart mijne geboden: 16 en ik zal den Vader bidden, en hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat hij bij u blijve in der eeuwigheid, 17 nameiijk den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet; maar gij kent hem, want hij blijft bij ulieden en zal in u zijn. 18 Ik zal u geen weezen laten, ik kom weder tot u. 19 Nog eenen kleinen tijd en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult mij zien, want ik leef en gij zult leven. |
20 In dien dag zult gij bekennen dat ik in mijnen Vader 6e», en gij in mij, en ik in u. 21 Die mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is het dio mij liefheeft; en die mij liefheeft zal van mijnen Vader geliefd worden; en ik zal hem liefhebben, en ik zal mijzelven aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Iskariot, zeide tot hem: Heere, wat is het, dat gij uzelven aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? 23 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zoo iemand mij liefheeft, dio zal mijn woord bewaren; en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken. 24 Die mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort is het mijne niet, maar des Vaders die mij gezonden heeft. 25 Deze dingen heb ik tot u gesproken, bij u blijvende; 26 maar de Trooster, de Heilige Geest,# welken de Vader zenden zal in mijnen naam, dio zal u alles leeren, en zal u indachtig maken alles wat ik u gezegd heb. 27 Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u : niet gelijker wijs de wereld hem geeft, geef ik hem u. Uw harte^ worde niet ontroerd en zij niet versaagd. 28 Gij hebt gehoord dat ik tot u gezegd heb: Ik ga henen en kom iceder tot u. Indien gij mij liefhadt, zoo zoudt gij u verblijden omdat ik gezegd heb: Ik ga henen tot den Vader; want mijn Vader is meerder dan ik. 29 En nu heb ik het u gezegd eer het geschied^ is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven inoogt. 30 Ik zal niet veel meer met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan mij niets; 31 maar opdat de wereld wete dat ik den Vader liefheb, en alzóó doe gelijkerwija mij do |
|
JOIIAN Vader goboden heeft: staat op, laat ons vanhier gaan. HOOFDSTUK 15. Ik bon de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. 2 Allo rank die in mij geen vrucht draagt, die neemt hij weg, en alle die vrucht draagt, die reinigt hij opdat zij meer vrucht drage. 3 Gijlieden zijt nu rein om het woord dat ik tot u gesproken heb: _ 4 blijft in mij, en ik in u. Ge-lijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, al zóó ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok en gij de ranken die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen. 6 Zoo iemand in mij niet blijft, die is buitenge worpen gelijker-wijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in 't vuur, en zij worden verbrand. 7 Indien gij^ in mij blijft en mijne woorden in u blijven, zoo wat gij wilt zult gij begeeren, en het zal u geschieden. 8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult mijne discipelen zijn. 9 Gel ijkerwijs de Vader mij liefgehad heeft, heb ik ook u liefgehad: blijft in deze mijne liefde. 10 Indien gij mijne geboden bewaart, zoo zult gij in mijne liefde blijven, gelijkerwijs ik de geboden mijns Vaderslt; bewaard heb en blijve in zijne liefde. 11 Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde. 12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs ik ik ii liefgehad heb. 13 K iemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. |
NES 15. 141 14 Gij zijt mijne vrienden, zoo gij doet wat ik u gebied. 15 Ik heet u niet meer dienstknechten, want do dienstknecht weet niet wat^ zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd ; want al wat ik van mijnen Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt. 16 Gij hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren, en ik heb u gesteld dat gij zoudt henengaan en vrucht dragen, en dat uwe vrucht blijve; opdat zoo wat gij van den Vader begeeren zult in mijnen naam, hij u dat geve. 17 Dit gebied ik u, opdat gij elkander liefhebt. 18 Indien u de wereld haat, zoo weet dat zij mij eer dan u gehaat heeft. 19 Indien gij van de wereld waart, zoo zoude de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 20 Gedenkt het woord dat ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben,zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. 21 Maar alle deze dingen zullen zij u doen om mijns naams wille, omdat zij hem niet kennen die mij gezonden heeft. 22 Indien ik niet gekomen ware en tot hen gesproken hadde, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zonde. 23 Die mij haat, die haat ook mijnen Vader. 24 Indien ik de werken onder hen niet hadde gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beide mij en mijnen Vader gehaat. 25 Maar dit geschiedt opdat het woord vervuld worde, dat in hunne Wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. 26 Maar wanneer de Trooster |
|
142 J 0 HAN zal gekomen zijn, dien ik n zenden zal Tan den Vader, namelijk de Geest der waarheid die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen; 27 en gij zult óók getuigen, â want gij zijt van den beginne met mij geweest. HOOFDSTUK 16. Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt. 2 Zij zullen u uit de Synagogen werpen ; ja, de ure komt, dat een iegelijk die u zal dooden, zal meenen Cl ode eenen dienst te doen. 3 En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben noch mij. 4 Maar deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat wanneer do ure zal gekomen zijn, gij aan dezelve moogt gedenken dat ik ze u gezegd heb. Doch deze dingen heb ik u van liet begin niet gezegd, omdat ik bij ulieden was; ö en nu ga ik henen tot den-gene die mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt mij: Waar gaat gij henen? 6 Maar omdat ik deze dingen tot u gesproken heb, zoo heeft de droefheid uw hart vervuld. 7 Doch ik zeg u de waarheid, het is u nut dat ik wegga,'want indien ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien ik henenga, zoo zal ik hem tot u zenden. 8 En die gekomen zijnde zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: 9 van zonde, omdat zij in mij niet gelooven; ^ 10 en van gerechtigheid, omdat ik tot mijnen Vader henenga, en gij zult mij niet meer zien; 11 en van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is. 12 Nog vele dingen heb ikute zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen; 13 maar wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, hij zal u in al de waar^ *ES 10. |
heid leiden; want hij zal van zichzelven niet spreken, maar zoo wat hij zal gehoord hebben zal hij spreken _ en de toekomende dingen zal hij u verkondigen. 14 Die zal mij verheerlijken: want hij zal het uit het mijne nemen, en zal het u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft is mijne: daarom heb ik gezegd dat hij het uit het mijne zal nemen en u verkondigen. 16 Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tijd en gij zult mij zien; want ik ga henen tot don Vader. 17 Sommioen dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit dat hij tot ons zegt: Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tijd en gij zult mij zien: en: want ik ga henen tot den Vader ? 18 Zij zeiden dan: Wat is dit dat hij zegt P Eenen kleinen tijd 1' Wij weten niet wat hij zegt. 19 Jezus dan bekende dat zij hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat ik gezegd hel): Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tijd en gij zult mij zien? 20 Voorwaar, voorwaar i k zegge u, dat gij zult schreien en klagelijk weenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd. zijn, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden. 21 Eene vrouw_ wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mensch ter wereld geboren is. 22 En gij dan hebt nu wel droefheid, maar ik zal u wederzien, en uw harte zal zich verblijden en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen; 23 en in dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar voorwaar ik zegge u, al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, Jai zal hij u geven* |
JOHANNES 17.
143
|
24 Tot nog toe hebt gij niets gebeden in mijnen naam: bidt en gij zult ontvangen opdat uwe blijdschap vervuld zij. 25 Deze dingen heb ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt dat ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal. maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen. 2G In dien dag zult gij in mijnen naam bidden; en ik zeg u niet dat ik den Vader voor u bidden za] ; 27 want de Vader zelf heeft u lief, dewijl gij mij liefgehad hebt, en hebt geloofd dat ik van God ben uitgegaan. 28 Ik ben van den Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen, wederom verlaat ik de wereld en ga henen tol den Va-der. 29 Zijne discipelen zeiden tot hem: Zie, nu spreekt gij vrijuit en zegt geene gelijkenisquot;; 30 nu weten wij dat gij alle dingen weet, en gij hebt niet van noode dat u iemand vrage: hierom gelooven wij dat gij van God uitgegaan zijt. 31 Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu? 32 Zie, de ure komt en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden een iegelijk naar het zijne, en gij mij alleen zult laten. En nochtans ben ik niet alleen; want de Vader is met mij. 33 Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij in mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben ; maar iiebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. HOOFDSTUK 17. Dit heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen op naar den hemel, en zeide: Vader, do ure is gekomen, verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon u ver-heerlijke, 2 gelijker-wijs gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch, opdat al wat gij hem gegeven hebt, hij hun het eeuwige leven geve. |
3 En dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen den eenigen waaraehtigen God, en Jezus Christus dien gij gezonden hebt. 4 Ik heb u verheerlijkt op de aarde, ik heb voleindigd het werk, dat gij mij gegeven hebt om te doen: 5 en nu verheerlijk mij, gij Vader, bij uzelven met de heerlijkheid, die ik bij u had eer do wereld was. (J Ik heb uwen naam gopen-baard den menschen die gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren uwe, en gij hebt mij dezelve gegeven, en zij hebben uw Woord bewaard. 7 Nu hebben zij bekend dat alles wat gij mij gegeven hebt van u is; 8 want de woorden die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend dat ik van u uitgegaan ben, en hebben geloofd dat gij mij gezonden hebt. 9 Ik bid voor hen; ik bid niet voor de wereld,, maar voor degenen die gij mij gegeven hebt, want zij zijn uwe; 10 en al het mijne is uwe, en het uwe is mijne; en ik ben in hen verheerlijkt. 11 En ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en ik kom tot u. Heilige Vader, bewaar ze in uwen naam, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als wij. 12 Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam : die gij mij gegeven hebt heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. 13 Maar nu kom ik tot u, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelve. 14 Ik heb hun uw woord gegeven ; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk ais ik van de wereld niet ben. 15 Ik bid niet dat gij hen uit |
JOHANNES 18.
144
|
de wereld wegneemt, maar dat gij heu bewaart van den booze. Iti Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs ik van de wereld niet ben. 17 Heilig ze in uwe waarheid: uw woord is de waarheid. 18 Gelijkerwijs gij mij gezonden hebt in de wereld, ahóó heb ik hen ook in de wereld gezonden; 19 en ik heilig mij zei ven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor degenen die door hnn woord in mij gelooven zullen: 21 opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs gij Vader in mij, en ik in u, dat ook zii in ons één zijn, opdat de wereld geloove dat gij mij gezonden hebt. 22 En ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als wij één zijn: 23 ik in hen, en gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne dat gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt gelijk gij mij liefgehad hebt. 24 Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij zijn die gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die gij mij gegeven hebt; want gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u niet gekend: maar ik heb u gekend, en dezen hebben bekend dat gij mij gezonden hebt; 26 en ik heb hun uwen naam bekend gemaakt en zal hem bekend maken, opdat de liefde waarmede gij mij liefgehad hebt in hen zij, en ik in hen. HOOFDSTUK 18. Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met zijne discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken hij ging en zijne discipelen. |
2 En Judas die hem verried wist óók die plaats, dewijlJezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met zijne discipelen. 3 Judas dan genomen hebbende de bende krijgsknechten en eenifie dienaars van de Over-priesters en Farizeërs, kwam aldaar met lantaarnen en fakkelen en wapenen. 4 Jezus dan wetende alles wat over hem komen zoude, ging uit en zeide tot hen :Wien zoekt gij? 5 Zij antwoordden hem : Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas die hem verried stond óók bij hen. 6 Als hij dan tot hen zeide: Ik ben het, gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde. 7 Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener. 8 Jezus antwoordde : Ik heb u gezegd dat ik het ben: indien gij dan mij zoekt, zoo laat deze henengaan. 9 Opdat het woord vervuld zoude worden dat hij gezegd had: Uit degenen die gij mij gegeven hebt heb ik niemand verloren. 10 Simon Petrus dan hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des Hoogepriesters dienstknecht en hieuw zijn rechteroor af: en de naam van den dienstknecht was Malchus. 11 Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de scheede. De drinkbeker dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? 12 De bende dan en de overste over duizend en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden hem, 13 en leidden hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouwsvader van Kajafas, welke deszelven jaars Hooge-priester was. 14 Kajafas nu was degene die den Joden geraden had, dat het nut was dat één mensch voor het volk stierve. 15 En Simon Petrus volgde Jezus, _ en een ander discipel-, deze discipel nu was den Hooge-priester bekend, en ging mei |
JOUANKES 18.
145
|
Jezus in dea Hoogepviesters zaal. 16 En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den Hoogepriester bekend was, giug uit en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in. 17 De dienstmaagd^ dan die do deurwaarster was zeice tot Petrus : Zijt ook gij nietuitdediscipelen van dezen menscli ? Hij zeide: Ik ben niet. 18 En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen en warmde zich, 19 De Hoogepriester dan vraagde Jezus van zijne discipelen en van zijne leer. 20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb altijd geleerd in de Synagoge en in den Tempel, waar de Joden van alle plaatsen te zamen komen, en in 't verborgen heb ik niets gesproken: 21 wat ondervraagt gij mij? Ondervraag degenen die het gehoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten wat ik gezegd heb. 22 En als hij dit zeide, gaf oen van de dienaren, die daarbij stond, Jezus eenen kinnebakslag, zeggende: Antwoordt gij alzóo den Hoogepriester? 23 Jezus antwoordde hem: Indien ^ ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wèl, waarom slaat gij mij ? 24 (Annas dan had hem gebonden gezonden tot Kajafas den Hoogepriester.) 25 En Simon Petrus stond en warmde zich; zij zeiden dan tot hem : Zijt ook gij niet uit zijne discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet. 2G Een van de dienstknechten des Hoogepriesters, die maagschap was van dengene dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u rniet gezien in den hof met hem? 27 Petrus dan loochende het wederom; en terstond kraaide de haan. |
28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het Kechthuis; en het was 's morgens vroeg. En zij gingen niet in het Eechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten. 29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch? 30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien deze geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij hem en oordeelt hem naar uwe wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden. 32 Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat hij gezegd had beteekenende hoedanigen dood hij sterven zoude. 33 Pilatus dan ging^ wederom in het Kechthuis, en riep Jezus, en zeide tot hem: Zijt gij de Koning der Joden? 34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het_ u anderen van mij gezegd? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? L'w volk en de O verpriesters hebben u aan mij overgeleverd: wat hebt gij gedaan? 36 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk t is niet van deze wereld: indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier. 37 Pilatus dan zeide tot hem: Zijt gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, _ opdat ik der waarheid getuigenis geven zoude. Een iegelijk die uit de waarheid is hoort mijne stem. 38 Pilatus zeide tot hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, giug hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in hem. 39 Doch gij hebt eene gewoonte» |
JOHANNES 18.
144
|
de wereld â wegneemt, maar dat gij hen bewaart van den booze. lü Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs ik van de wereld niet ben. 17 Heilig ze in uwe waarheid: uw woord is de waarheid. 18 Gelijkerwijs gij mij gezonden hebt in de wereld, «/zoo heb ik hen ook in de^wereld gezonden; 19 en ik heilig^ mij zei ven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor degenen die door hun woord in mij gelooven zullen; 21 opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs gij Vader in mij, en ik in u, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove dat gij mij gezonden hebt. 22 En ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als wij één zijn: 23 ik in hen, en gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne dat gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt gelijk gij mij liefgehad hebt. 24 Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij zijn die gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die gij mij gegeven hebt; want gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u niet gekend: maar ik heb u gekend, en dezen hebben bekend dat gij mij gezonden hebt; 26 en ik heb hun uwen naam bekend gemaakt en zal hem bekend maken, opdat do liefde waarmede gij mij liefgehad hebt in hen zij, en ik in hen. HOOFDSTUK 18. Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met zijne discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken hij ging en zijne discipelen. |
2 En Judas die hem verried â wist óók die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met zijne discipelen. 3 Judas dan genomen hebbende ^ de bende krijgsJmechten en eenifie dienaars van de Over-priesters en Farizeërs, kwam aldaar met 1 antaaruen en fakkelen en wapenen. 4 Jezus dan wetende alles wat over hem komen zoude, ging uit en_ zeide tot hen: Wien zoekt gij ? 5 Zij antwoordden hem : Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas die hem verried stond óók bij hen. 6 Als hij dan tot hen zeide: Ik ben het, gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde. 7 Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener. 8 Jezus antwoordde : Ik heb u gezegd dat ik het ben: indien gij dan mij zoekt, zoo laat deze henengaan. 9 Opdat het woord vervuld zoude worden dat hij gezegd had: Uit degenen die gij mij gegeven hebt heb ik niemand verloren. 10 Simon Petrus dan hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des Hoogepriesters dienstknecht en hieuw zijn rechteroor af: en de naam van den dienstknecht^ was Malchus. 11 Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de scheede. Do drinkbeker dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? 12 De bende dan en de overste over duizend en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden hem, 13 en leidden hem henen, eerst r.ot Annas; want hij was de vrouwsvader van Kajafas, welke deszelven jaars Hooge-prieste- was. 14 Kajafas nu was degene die den Joden geraden had, dat het nut was dat één mensch voor het volk stierve. 15 En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel-, deze discipel nu was den Hooge-priester bekend, en ging mei |
T
J011ANKES 18.
145
|
Jezus in des Hoogepviesters zaal. 16 En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den Hoogepriester bekend was, ging uit en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in. 17 De dienstmaagd^ dan die do deurwaarster was zeide tot Petrus : Zijt ook gij niet uitdc discipelen van dezen menscb ? Hij zeide: Ik ben niet. 18 En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen en warmde zich. 19 De Hoogeprioster dan vraagde Jezus van zijne discipelen en van zijne leer. 20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot do wereld; ik heb altijd geleerd in de Synagoge en in den Tempel, waar de Joden van alle plaatsen te zamen komen, en in 't verborgen heb ik niets gesproken: 21 wat ondervraagt gij mij? Ondervraag degenen die het gehoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten wat ik gezegd heb. 22 En als hij dit zeide, gaf oen : van de dienaren, die daarbij I stond, Jezus eenen kinnebak- i slag, zeggende: Antwoordt gij 1 alzóo den Hoogeprioster? 23 Jezus antwoordde hem: In- ; dien ik kwalijk gesproken heb, ! betuig van het kwade; en indien | wèl, waarom slaat gij mij ? 24 (Annas dan had hem ge- i bonden gezonden tot Kajafas den Hoogepriester.) 25 En Simon Petrus stond en ; warmde zich; zij zeiden dan tot ! hem: Zijt ook gij niet uit zijne ' discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet. 2G Een van de dienstknechten des Hoogepriesters, die maagschap was van dengene dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u rniet gezien in den hof met hom? 27 Petrus dan loochende het wederom; en terstond kraaide de haan. |
28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het Rechthuis; en het was 's morgens vroeg. En zij gingen niet in het Rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten. 29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dozen mensch? 30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien dezo geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij hem en oordeelt hem naar uwe wet. Do Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden. 32 Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat hij gezegd had beteekenende lioedanigen dood hij sterven zoude. 33 Pilatus dan ging^ wederom in het Rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot hem: Zijt gij de Koning der Joden? 34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het_ u anderen van mij gezegd? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de O ver-priesters hebben u aan mij overgeleverd: wat hebt gij gedaan? ^3G Jezus antwoordde: M ij n Koninkrijk is niet van deze wereld: indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier. 37 Pilatus dan zeide tot hem: Zijt gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik ge« boren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, _ opdat ik der waarheid getuigenis geven zoude. Een iegelijk die uit de waarheid is hoort mijne stem. 38 Pilatus zeide tot hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot do Joden, en zeide tot ben: Ik vind geen schuld in hem. 39 Doch gij hebteene gewoonte, |
|
I J6 J OIIA i dat ik u op liet Pascha eenen loslate: quot;wilt gij dan dat ik u den Koning der Joden loslate? 40 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet dezen, maar Barabbas. En Barabbas was een moordenaar. HOOFDSTUK 19. Toen nam Pilatus dan Jezus en geeselde hem. 2 En de krijgsknechten eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetteden die op zijn hoofd, en wierpen hem een purperen kleed om. 3 en zeiden: Wees gegroet gij Koning der Joden; en zij gaven hem kinnebakslagen. 4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Zie, ik breng hem tot ulieden uit, opdat gij weet dat ik in hem geen schuld vind. 5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed: en Filatus zeide tot hen: Zie, de mensch. 6 Als hem dan de Overpries-ters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis hem, kruis hem. Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden hem en kruist hem, want ik vind in hem geen schuld. 7 De Joden antwoordden hem: Wij hebben eene wet, en naar onze wet moet hij sterven, want hij heeft zichzelven Gods Zoon gemaakt. 8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde werd hij meer bevreesd, 9 en ging wederom in het Pechthuis, en zeide tot Jezus: quot;Vanwaar zijt gij ? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10 Pilatus dan zeide^ tot hem: Spreekt gij tot mij niet? Weet gij niet dat ik macht heb u te kruisigen «en macht heb u los te laten? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt .geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van hoven gegeven ware; daarom die mij aan u heeft overgeleverd, heeft .grooter zonde. 12 Van toen af zocht Pilatus liem los te laten; maar de Joden |
K ES 19. riepen, zeggende: Indien gij dezen loslaat, zoo zijt gij des Keizers vriend niet: een iegelijk die zichzelven Koning maakt, wederspreekt den Keizer. 13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den rechterstoel, in de plaats genaamd Lithostrótos, en in 't Hebreeuwsch Gabbatha. 14 En het was de voorbereiding van het Pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Zie, uw Koning. 15 Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis hem. Pilatus zeide tot lien: Zal ik uwen Koning kruisigen ? De Overpriesters antwoordden: Wij hebben geenen Koning dan den Keizer. 16 Toen gaf hij hem dan hun over, opdat hij gekruist zoude worden. Eu zij namen Jezus en leidden hem weg; 17 en hij dragende zijn kruis, ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in 't Hebreeuwsch genaamd wordt Golgotha; 18 alwaar zij hem kruisten, en met hem twee anderen, aan elke zijde éénen, en Jezus in 't midden. 19 En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en daar was geschreven: Jezus de Nazarenee, de Koning der jodex. 20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats waar Jezus gekruist werd was nabij de stad; en het was geschreven in 't Hebreeuwsch, in 't Grieksch, en in 't Latijn. 21 De Overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden, maar, dat hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden. 22 Pilatus antwoordde: Dat ik geschreven heb, dat heb ik go-schreven. 23 De krijgsknechten dan als zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van bovenaf geheellijkgeweven; |
1-
JOHANNES 20.
117
|
24 zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien nier^ scheuren, maar laat ons daarover loten, â¢wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben mij ne kleederen onder zich verdeeld, en over mijne kleeding hebben zij liet lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. 25 En bij het kruis van Jezus stonden zijne moeder, en zijne moederszuster Maria de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. 2G Jezus nu ziende zijne moeder, en den discipel dien hij liefhad daarbij staande, zeide tot zijne moeder: Vrouwe, zie, nw zoon. 27 Daarna zeide hij tot den discipel: Zie, uwe moeder. En van die^ ure aan nam haar de discipel in zijn huis. 28 Hierna Jezus wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zoude vervuld worden, zeide: Mij dorst. 29 Daar stond dan een vat vol «dik, en zij vulden eene spons met edik, en omleiden ze met hysop, en brachten ze aan zijnen mond. 30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij: Het is volbracht, en het hoofd buigende gaf don geest. 31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was, (want die dag des eabbats was groot;), baden Pilatus dat hunne 'beenen zouden gebroken en zij â weggenomen worden. 32 De krijgsknechten dankwa-â¢men, en braken wel de beenen des eersten en des anderen die met hem gekruist was, 33 maar komende tot Jezus, als zij zagen dat hij nu gestorven â was, zoo braken zij zijne beenen niet, 34 maar een der krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam daar bloed en water uit. ^ |
35 En die het gezien heeft die heeft het getuigd, en zijne getuigenis is waarachtig, en hij weet dat hij zegt hetgeen dat waar is, opdat ook gij gelooven moogt. 36 Want deze dingen zijn geschied opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van hem zul verbroken worden; 37 en wederom zegt eene andere Schrift: Zij zullen zien in welken zij gestoken hebben. 38 Eu daarna Jozef van Ari-mathéa (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreeze^ der Joden) bad Pilatus dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg. 39 En Nicodemus kwam óók, (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), # brengende een mengsel van mirre en aloë, omtrent honderd ponden gewicht. 40 Zij namen dan het lichaam i van Jezus en bonden dat inlin-j nen doeken met de specerijen, gelijk do Joden de gewoonte ; hebben van begraven. 41 En daar was in de plaats waar hij gekruist was een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest: 42 aldaar dan leiden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was. HOOFDSTUK 20. En op den eersten (tonder week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf, en zag den steen van het graf weggenomen. 2 Zij liep dan en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij Imbben den Heere weggenomen ui# het graf, en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben. 3 Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf; 4 en deze twee liepen te gelijk. En de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf; |
JOHANNES 20.
1-18
|
5 en als hij nederbukte zag hij de doeken liggen, nochtans ging hij daar niet in. 6 Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen; 7 en den zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar afzonderlijk in eene andere plaats Eamengerold. 8 Toen ging dan ook de andere discipel daarin, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde; 9 Want zij wisten nog de Schrift niet, dat hij van de doo-den moest opstaan. 10 De discipelen dan gingen wederom naar huis. 11 En Maria stond buiten bij het graf weenende. Als zij dan weende, bukte zij in hot graf, 12 en zag twee Engelen in witte idee deren zitten, éénen aan het hoofd en éénen aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. 13 En die zeiden tot haar: Vrouw, wat weent gij ? Zij zelde tot hen: Omdat zij mijnen Hecre â¢weggenomen hebben, en ik weet niet waar zij hem gelegd hebben. 14 En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet dat het Jezus was. 15 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij ? AVien zoekt gij ? Zij meenende dat het de hovenier was, zeide tot hem: Heer, zoo gij hem tcefifgedragen hebt, zeg mij â¢waar gij hem gelegd hebt, en ik zal hem wegnemen. 16 Jezus zeide tot haar: Maria! Zij zich omkeerende zeide tot hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd Meester. 17 Jezus zeide tot haar: Eaak mij niet aan; want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ga henen tot mijne broeders, en zeg hun: ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen God. 18 Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat hij haar dit gezegd had. |
19 Als het dan avond was op dien eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vreeze der Joden, kwam Jezus e en stond in het midden, en zeide tot hen: Vredo zij ulieden. 20 En dit gezegd hebbende toonde hij hun zijne handen en zijne zijde. De discipelen dan werden verblijd als zij den Heere zagen. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden: ge-lijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zende ik ook ulieden. 22 En als hij dit gezegd had, blies hij oj) fow, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest. 23 Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn ze gehouden. 24 En Thomas, een van do twaalve, gezegd Didymus, was met hen niet toen Jezus daar kwam. 25 De andere discipelen dan zeiden tot hem : quot;Wij hebbenden Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in zijne handen niet zie het teeken der nagelen, en mijnen vinger steek in het teeken der nagelen, en steek mijne hand in zijne zijde, ik zal geenszins gelooven. 26 En na acht dagen waren zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen ; en Jezus kwam. als do deuren gesloten warer, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden. 27 Daarna zeide hij tot Thomas : Breng uwen vinger hier, en zie mijne handen, en breng uwe hand 311 steek ze in mijne zijde, en wees niet ongel 00vig maar ge-loovig. 28 Eu Thomas antwoordde en zeide Lot hem: Mijn Heere en mijn G od! 29 Jezus zeide tot hem: Omdat gij mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd: zalig zijnze die niet zullen gezien hebben en |
*
JOHANNES 21.
149
|
nochtans zullen geloofd hebben. 30 Jezus dan heeft nop wel vele andere teekenen in do tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; 31 maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij geloovende het leven hebt in zijnen naam. HOOFDSTUK 21. Na dezen openbaarde Jezus zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias; en hij openbaarde zich aldus. 2 Daar waren te zamen Simon Petrus, en Thomas gezegd Didy-mus, en Nathanaël dievanKana in Galiléa was, en de zonen van Zcbedeüs,_ en twee andere van zijne discipelen. 3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga visschen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit en traden terstond in het schip, en in dien nacht vingen zij mets. 4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was. 5 Jezus dan zeide tot hen : Kin-derkens, hebt gij niet eenige toe-spijze? Zij antwoordden hem: Neen. 6 En hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der visschen. 7 De discipel dan welken Jezus liefhad zeide tot Petrus: Het is de Heere. Simon Petrus dan hoerende dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt) en wierp zichzelven in de zee. 8 En de andere discipelen kwamen met het scheepken (want zij waren niet ver van het land, maar omtrent twee honderd ellen), elee-pende 'net net met de visschen. 9 Als zij dan aan het land ge-guan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood. |
10 Jezus zeide tot hen; Brengt van de visschen die gij nu gevangen hebt. 11 Simon Petrus ging op en trok het net op het land, vol groote visschen, lot honderd drie en vijftig; en hoewel er zoovele waren, zoo scheurde het net niet. 12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde hem vragen ; Wie zij t gij ? wetende dat het de Heere was. 13 Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en de visch desgelijks. 14 Dit was nu de derde maal dat Jezus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hij van do dooden opgewekt was. 15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon Jona's zoon, hebt gij mij liever dan deze? Hij zeide tot hem; Ja, Heere, gij weet dat ik u lief heb. Hij zeide tot hem: Weid mijne lammeren. 16 Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon Jona's zoon, hebt gij mij lief? Hij zeide tot hem: Ja, Heere, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijne^ schapen. 17 Hij zeide tot hem ten derden male: Simon Jona's zoon, hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zeide^ tot hem: Heere, gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijne schapen. 18 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, toen gij jonger waart, gord-det gij uzelven en wandeldetalwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en brengen waar gij niet wilt. 19 En dit zeide hij, beteeke-nende met hoedanigen dood hij God verheerlijken zoude. En dit gesproken hebbende zeide hij tot hem: Volg mij. |
HANDELINGEN 1.
150
|
20 En Petrus zich omkeerende zag den discipel volgen welken Jezus liefhad, die ook aan het avondmaal op zijne borst gevallen was en gezegd had: fleere, wie is hot die u verraden zal? 21 Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze? 22 Jezus zeide tot hem: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kome, wat gaat het uaan? Volg gij mij. |
23 Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zoude sterven; en Jezus had tot hem niet gezegd dat hij niet sterven zoude, maar: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kome, wat gaat het u aan? 24 Deze is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen geschreven heeft, en wij vreten dat zijn getuigenis waarachtig is. 25 En daar zijn nog vele andore dingen die Jezus gedaan lieert, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik achte dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten. Amen. |
DE HANDELINGEN
DEB
APOSTELEN,
BESCHEEVEN UOOIl LUCAS.
|
HOOFDSTUK 1. Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te loeren, 2 tot op den dag op welken hij opgenomen is, nadat hij door den Heiligen Geest aan de Apostelen, die hij uitverkoren had, bevelen had gegeven; 3 aan welke hij ook, nadat hij geleden had, zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kenteekencn, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. |
4 En als hij met hen verga; derd was, beval hij hun dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij {zeide hij) van mij gehoord hebt; 5 want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden niet lang na deze dagen. 6 Zij dan die te zamen gekomen waren vraagden hem, zeggende : Heere, zult gij in dezen tijd aan Israël het koninklijk wedercprichten ? 7 En hij zeide tot hen: Het komt ii niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijne eigene macht gesteld heeft; 8 maar gij zult ontvangen do kracht des Heiligen Geestes dio over u komen zal, en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Je- |
HANDELINGEN 2.
151
|
ruzalem als in geheel Judéa en Samaric en tot aan Let uiterste der aarde. j 9 En als hij dit gezegd had, , -werd hij opgenomen daar zij het j zagen, en eene wolk nam hem â¢weg van hunne oogen. 10 En als zij hunne oogen naar den hemel hielden terwijl hij henenvoer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleeding, 11 welke ook zeiden: Gij Ga-lileesche mannen, wat staat gij en ziet óp naar den hemel ? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzóó komen gelijkerwijs gij hem naar den hemel hebt zien henenvaren. 12 Toen keerden zij weder naar Jeruzalem, van den berg die genaamd wordt de Olijffrm/, welke is nabij Jeruzalem, liggende vandaar eene sabbatsreize. 13 En als zij ingekomen waren, gingen ^ zij óp in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jacobus, en Johannes, en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jacobus de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas de broeder van Jacobus. 14 Deze allen waren eendrachtiglijk volhardende in 't bidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broeders. 15 En in die dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (daar was nu eene schare bijéén van omtrent honderd en twintig personen); 1G t Mannen broeders, deze Schrift moest _ vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen; 17 want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen. 18 Deze dan heeft verworven eenen akker door het loon der ongerechtigheid, en_ vooroverge-vallen zijnde is midden opge-borsten, en alle zijne ingewanden zijn uitgestort; |
19 en het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzoo dat die akker in hun eigen taal ^ genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds. 20 quot;Want daar staat geschreven in het boek der Psalmen: Zijne woonstede worde woest, en daar zij niemand die in dezelve wone; en: Een ander neme zijn opzienersambt. _ 21 Het is dan noodig dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is, 22 beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe op welken hij van ons opgenomen _ is, één derzeive met ons getuige worde zijner opstanding. 23 En zij stelden er twee, Jozef genaamd Barsabas, die toe-genaamd was Justus, en Matthias. 24 En zij baden en zeiden: Gij Heere, gij kenner der harten van allen, wijs van deze twee éénen aan dien gij uitverkoren hebt, 25 om te ontvangen het lot dezer bediening en dit Apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij henenging in zijn eigen plaatse. 26 En zij wierpen hunne loten,, en het lot viel op Matthias, en hij werd met gemeene toestemming tot de elf Apostelen gekozen. HOOFDSTUK 2. En als de dag van het Pink-eterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtiglijk bijéén. 2 En daar geschiedde haaste-lijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen gedreven wind, en vervulde het geheele huis waar zij zaten; _ 3 en van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen: 4 en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken. |
HANDELINGEN 2.
152
|
5 Eu daar waren Jorleu te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen die onder den hemel zijn: 6 en als deze stemme geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7 En zij ontzetteden zich allen en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Zie, zijn niet alle deze die daar spreken Galileërs ? 8 En hoe hooren wij ze een iegelijk in onze eigen taal in welke wij geboren zijn? 9 Parthers en Meders en Ela-miten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judéa, en Cap-padocië, Pontus en Azië, 10 en Frygië, en Pamfylie, Egj'pte, en de doelen van Libye hetwelk bij Cyrene ligt, en uit-landsche Romeinen, beide Joden en Jodengenooten, 11 Cretenzen^ en Arabieren, wij hooren ze in onze talen de groote werken Gods spreken. 12 En zij ontzetteden zich allen en werden twijfelmoedig, zeggende de één tegen den ander: \Vat wil toch dit zijn? 13 En anderen spottende zeiden: Zij zijn vol zoeten wijn. 14 Maar Petrus staande met de elve, verhief ziine stem en sprak tot hen: Gij Joodsche mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan. 15 AVant deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van den dag ; 16 maar dit is het wat gesproken is door den Profeet Joël: 17 En het zal zijn in d« laatste dagen (zegt God), ik zal uitstorten van mijnen Geest op alle vleesch, en uwe zonen en uwe dochters zullen profeteeren, en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droomen droomen; 18 en ook op mijne dienstknechten en op mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten, en zij zullen^profeteeren. |
19 En ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en rookdamp. 20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de groote en doorluchtige dag des Heeren komt. 21 En het zal zijn dat een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. 22 Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden : Jezus den Nazarener, eenen man van God onder nlieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door hem gedaan heeft in 't midden van n, gelijk ook gij zelve weet: 23 dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrecht-vaardigen aan het kruis gehecht en gedood; 24 welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was dat hij van denzeive zoude gehouden worden. 25 Want David zegt van hem: Ik zag den Heere ten allen tijde vóór mij; want hij is aan mijne rechter/^ajif?, opdat ik niet bewogen worde. 26 Daarom is mijn hart verblijd en mijne tong verheugt zich, ja, ook mijn vleesch zal rusten in hope; 27 want gij zult mijne ziele in de hel niet verlaten, en zult uwen Heilige niet overgeven om verderving te zien. 28 Gij hebt mij de wegen des levens tekend gemaakt; gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezicht. 29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den Patriarch David, dat hij^ beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. 30 Alzoo hij dan een Profeet |
|
HANDEL waa, en wist dat God hem met eede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lendenen, zooveel het vleesoh aangaat, den Christus verwekken zoude, om hem op zijnen troon te zetten, 31 zoo heeft hij dit veerziende gesproken van de opstanding van Christus, dat zijne ziel niet is verlaten in de hel noeh zijn vleeseh verderving heeft gezien. 32 Dezen Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. 33 Hij dan door de rechter//arjcZ Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort dat gij nu ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt; De Heere heeft gesproken tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter/mwf/^ 35 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 36 Zoo wete dan zekerlijk het gansche Huis Israels, dat God hem tot een en Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus dien gij gekruist hebt. 37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het harte, en zeiden tot Petrus en de aigt; dere Apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders ? 38 En Petrus zeide tot hen : Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden, en pij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. 39 Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God tue roepen zal. 40 En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande ze, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht. 41 Die dan zijn woord gaarne aannamen werden gedoopt; en daar werden op dien dag tot hen |
INGEN 3. 153 t9egedaan omtrent drieduizend zielen. 42 En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. 43 En een vreeze kwam over alle ziele, en vele wonderen en teekenen geschiedden door do Apostelen. 44 En allen die geloofden waren bijéén, en hadden alle dingen gemeen; 45 en zij verkochten hunne goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van noode had ; 4G en dagelijks eendrachtiglijk in den^ Tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten, 47 en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En de Heere deed dagelijks tot de gemeente die zalig werden. HOOFDSTUK 3. Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den Tempel omtrent de ure des gebeds,zijnde de negende ure. 2 En een zeker man, die kreupel was van zijn moederslijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetteden aan de deur des Tempels genaamd de Schoone, om een aalmoes te begeeren van degenen die in den Tempel gingen: 3 welke Petrus en Johannes ziende als zij in den Tempel zouden ingaan, bad dat hij een aalmoes mocht ontvangen. 4 En Petrus sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons. 5 En hij hield de oogen op hen, verwachtende dat hij iets van hen zoude ontvangen. 6 En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb dat geef ik u : in den naam van Jezus Christus den Nazarener, sta op en wandel. 7 En hem grijpende bij de |
HANDELINGEN 4.
151
|
rechterhand, richtte hij hem op: en terstond werden zijne voeten en enkelen vast, 8 en hij opspringende stond en wandelde, en ging met hen in den Tempel, wandelende en springende en lovende God. 9 En al het volk zag hem wandelen en God loven; 10 en zij kenden hem dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schoone poort des Tempels, en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was. 11 En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, 't welk Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde. 12 En Petrus dat ziende antwoordde tot het volk: Gij Israëlitische mannen, wat verwondert gij n over dit, of wat ziet gij zoo sterk op ons, alsof wij door onze eigene kracht of godzaligneid dezen hadden doen wandelen? 13 De God Abrahams en Isa aks en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft zijn kind Jezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd hebt, en hebt hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde dat men hem zoude loslaten; 14 maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was zaude geschonken worden; 15 en den Vorst des levens hebt gij gedood: welken God opgewekt heeft uit de dooden, waarvan wij getuigen zijn. ^ 16 En door het geloof in zijnen naam heeft zijn naam dezen gesterkt dien gij ziet en kent; en het geloof dat door hem is heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in u aller tegenwoordigheid. 17 En nu, broeders, ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten; |
18 maar God heeft al zóó vervuld hetgeen hij door den mond van alle zijne Profeten te voren ^ verkondigd had, dat de Christus lijden zoude. 19 Betert u dan en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitge-wischt worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, 20 en hij gezonden zal hebben Jezus Christus, die u te voren gepredikt is: 21 welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van alle zijne heilige Profeten van alle eeuwe. 22 Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij: dien zult gij hooren in alles wat hij tot u spreken zal; 23 en het zal geschieden dat alle ziele die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke. 24 En ook alle de Profeten, van Samuel aan en die daarna {jevolgd zijn, zoovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. 25 Gijlieden zijt kinderen der Profeten, en des Verbonds 't welk _ God met onze vaderen opgericht heeft, _ zeggende tot Abraham: En in uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. 26 God opgewekt hebbende zijn kind Jezus, heeft denzelven het eerst tot u gezonden, dat hij ulieden zegenen zoude, daarin dat hij een iegelijk van u af-keere van uwe boosheden. HOOFDSTUK 4. En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de Priesters en de hoofdman des Tempels en de Saddu-ceërs, 2 zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerdeu en ver- |
.
|
HANDEI er- kondigden in Jezus de opstan-nd ding uit de dooden, en | 3 en zij sloegen de handen us aanlt; hen en zetteden ze in bewaring tot den anderen dag; u, : want het -was nu avond, e- 4 En velen van degenen die ij- het quot;Woord gehoord hadden ge-o- loofden, en het getal der mannen es werd omtrent vijfduizend. 5 En het geschiedde des an-m deren daags, dat hunne c versten m en Ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergader-t- den, r- 6 en Annas de Hoogepriester, d en Kajafus en Johannes en d Alexander, en zoovelen daar van u het Hoogepriesterlijk geslacht waren; e 7 en als zij ze in het midden v gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht of door wat naam c hebt gijlieden dit gedaan? i 8 Toen zeide Petrus, vervuld ; zijnde met den Heiligen Geest, t tot hen: Gij oversten des volks t en gij Ouderlingen Israëli l 9 alzoo wij heden gerechtelijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mensch {jeschied, waardoor hij gezond geworden is, 10 zoo zij aan u allen kennelijk en aan het gansche volk Israëls, dat door den naam van Jezus Christus _ den Nazarener, dien gij gekruist hebt, welken God van de dooden heeft opgewekt, door hem zeg ik staat deze hier vóór u gezond. 11 Deze is de steen die van u, de bouwlieden, veracht is, welke tot een hoofd des hoeks geworden is. 12 En de zaligheid is in geenen anderen; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. 13 Zij nu ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende dat zij ongeleerde en eenvoudige menschen waren, verwonderden zich, en kenden hen dat zij met Jezus geweest waren; |
IN GEN 4. 105 14 en ziende den mensch bij hen staan die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen. 15 En hun geboden hebbendo uit te gaan buiten den Raad, overleiden zij met elkander, 1G zeggende: Wat zullen wij dezen menschen doen ? AVant dat er een bekend teeken door hen geschied is, is openbaar aan allen die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen; 17 maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot eenig mensch in dezen naam spreken. 18 En als zij ze geroepen hadden, zeiden ze hun aan, dat zij ganschelijk niet zouden spreken noch leeren in den naam van Jezus. 19 Maar Petrus en Johannes antwoordende zeiden tot hen: Oordeelt gij of het recht is voor God, ulieden meer te hoeren dan God; 20 want wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben. 21 Maar zij dreigden ze nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende hoe zij ze straften zouden, om des volks wille, w'ant zij verheerlijkten allen God over hetgeen dat er geschied was; 22 want de mensch was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teeken der genezing geschied was. 23 En zij losgelaten zijnde kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de O verpriesters en de Ouderlingen tot hen gezegd hadden. 24 En als deze dat hoorden, hieven zij eendrachtiglijk hunne stem op tot God en zeiden: Heere, gij zijt de God die gemaakt hebt den hemel en de aarde en de zee en alle dingen die in dezelve zijn; 25 die door den mond Davids uwrs knechts gezegd hebt: Waar- |
|
156 o:u woeden de heidenen en hebben de volken ij del o dingen bedacht? 26 De Koningen de aarde zijn ie zaïnen opgestaan, en de oversten zijn bijéénvergaderd tegen den Heere en tegen zijnen Go-zalfde. 27 Want in waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig kind Jezus, welken gij gezalfd hebt, beide Ilerodea en Pontius Filams, met de heidenen en de volken Israels, 28 om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had dat geschieden zoude. 29 En nu dan, Heere, zie op hunne dreigingen, en geef nwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw Woord te spreken, 30 daarin dat gij uwe hand uitstrekt tot genezing, en dat teekenen en wonderen geschieden door den naam van uw heilig kind Jezus. 31 En als zij gebeden hadden, werd do plaats in welke zij vergaderd waren bewogen, en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid. 32 En der menigte van degenen die geloofden was één hart en ééne ziel, en niemand zeide dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen. 33 En de Apostelen gaven met groote kracht getuigenis van do opstanding des Heeren Jezus; en daar was groote genade over hen allen. 34 Want daar was ook niemand onder hen die gebrek had; want zoo velen als er bezitters waren van landen of huizen die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen en leiden dien aan de voeten der Apostelen; 35 en aan een iegelijk werd uitgedeeld naar dat elk van noode had. 36 En Joses, van de Apostelen toegenaamd Barnabas ('t welk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus, |
37 alzoo hij eenen akker had, verkocht dien, en bracht het geld en leide het aan de voeten der Apostelen. HOOFDSTUK 5. En ^ een zeker man met name Ananias, met Saffira zijne vrouw, verkocht eene have, 2 en onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw, en bracht een zeker deel en leide dat aan len. 3 En de voeten der Aposte- Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands? 4 Zoo het gebleven was, bleef het niet uwe. en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? Wat js het dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den menschen niet gelogen maar Godc. 5 En Ananias deze woorden hoorendo viel neder en gaf den geest. En daar kwam grooto vreeze over allen die dit hoorden. 6 En de jongelingen opstaande schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. 7 En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijne vrouw daar inkwam, niet wetende wat er geschied was. 8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zooveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zóóveel. 9 Eu Petrus zeide tot haar: Wat in het dat gij onder u hebt overééugestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, do voeten dergenen die uwen man begraven hebben zijn voor do deur, en zullen u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijne voeten, en gaf den geest; en de jongelingen ingekomen zijnde vonden ze dood, en droegen ze uit, en begroeven ze bij haren man. 11 En daar kwam groote vreeze HANDELINGEN 5. ever d| allen c 12 ] Aposte kenen volk. dracht lomo's 13 E niema Maar achtin 14 e meer geloof inanm 15 a uitdro op be als P i gehad schad 16 1 | omlig i zamei i gende reine welke 17 ] op, ei (welk ceërsquot; nijdi{ 18 lt; aan ze Ir 19 i opem geyai zeide 20 sprce volk levei 21 den, gens leerc en d zijne en a Israt kerk 22 kwa geva wed' 23 |
11!
HANDELINGEN 5.
107
|
over de geheele gemeente en over alien die dit hoorden. 12 En door de handen der Apostelen geschiedden vele teekenen en wonderen onder het volk. En zij waren allen eendrachtiglijk in het voorhof Sa-lomo's. 13 En van de anderer. durfde niemand zich bij hen voegen. Maar het volk hield zeingroote achting; 14 en daar werden er meer en meer toegedaan die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen: 15 alzoo dat zij de kranken uitdroegen op de straten en leiden op bedden en beddekens, opdat als Petrus^ kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht. 16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken en die van onreine geesten gekweld varen, welke alle genezen werden. 17 En de Hoogepriester stond op, en allen die met hem waren, (welke was de sekte der Saddu-ceë.rs), en werden vervuld met nijdigheid, 18 en sloegen liunne handeE aan^ de Apostelen, en zetteden ze in de algemeene gevangenis. 19 3Iaar de Engel des Hoeren opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde ze uit, en zeide: 20 Gaat henen, en staat en spreekt in den Tempel tot het volk alle de woorden dezes levens. 21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den Tempel en leerden. Maar de Hoogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde riepen den R;ad te zamen, en alle de oudsten der kinderen Israels, en zonden naar den kerker om hen te halen. 22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden weder en boodschapten dit, |
23 zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren, maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daar binnen. van r had, it geld !u der 24 Toen nu de i/oo^priester en de hoofdman des Tempels en de O verpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zonde. 25 En daar kwam een en boodschapte hun, zeggende: Zie, da mannen die gij in de gevangenis gezet hebt staan in den Tempel en leeren het volk. 2ü Toen ging de hoofdman henen met de dienaren, en bracht ze, doch niet met geweld; (wane zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd wierden); 27 en als zij hen gebracht hadden, stelden zij ze voor den Raad; en de Hoogepriester vraagde hen en zeide: 28 Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd dat gij in dezen naam niet zoudt leeren? En zie, gij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen mensch over ons brengen. 29 Maar Petrus en de Apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Go de meer gehoor- : zaain zijn dan den menschen. ; 30 De God onzer vaderen heeft ; Jezus opgewekt, welken gij om-; gebracht hebt, hangende hem aan het hout. ! 31 Dezen heeft God door zijne I rechter/mwJ verhoogd tot eenen I Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekeering en vergeving : der zonden. j 32 Eu wij zijn zijne getuigen van deze woorden, en ook do Heilige Geest, welken God ge-⢠geven heeft dengenen die hem gehoorzaam zijn. 33 Als zij nu dil hoorden , borst hun het Aar/., en zij hielden ; raad om hen te dooden. 34 Maar een zeker Farizeër stond op in den Raad, met name Gamaliel, een leeraar der wet, | in waarde gehouden bij al het i volk, en gebood dat men de |
A
HANDELINGEN 6.
158
|
Apostelen een weinig zoude doen buitensiacm, 35 en zeide tot hen: Gij Israëlitische mannen, ziet vóór u, wat gij doen zult aangaande deze menschen. 3G Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing: welke is omgebracht, en allen die hem gehoor gaven zijn verstrooid en tot niet geworden. 37 Na hem stond óp Judas de Galileür, in de dagen der beschrijving, en maakte veel volk afvallig achter zich: en deze is óók vergaan, en allen die hem gehoor gaven zijn verstrooid geworden. 38 En nu zeg ik ulieden, houdt af van deze menschen en laat ze gaan; want indien deze raad of dit werk uit menschen is, zoo zal liet gebroken worden; 39 maar indien het uit God is, zoo kunt^ gij dat niet breken; opdat gij niet misschien gevonden wordt ook tegen God te strijden. 40 En zij gaven hem gehoor; en als zij de Apostelen tot zich geroepen hadden, geeselden zij hen, en geboden hun dat ze niet zouden spreken in den naam van Jezus, en lieten ze gaan. 41 Zij dan gingen henen van het aangezicht des Eaads, verblijd zijnde dat zij waren waardig geacht geweest,_ om zijns naams wille smaadheid te lijden; 42 en zij hielden niet óp alle dagen in den Tempel en bij de huizen te leeren en Jezus Christus te verkondigen. HOOFDSTUK 6. En in dezelfde dagen, als de disci pelen vermenigvuldigen, ontstond eene murmureering der Griekschen tegen de Hebreërs, omdat hunne weduwen in de dagelijksche bediening verzuimd werden. 2 En de twaalve riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen dienen. |
3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zake; 4 maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des Woords. 5 En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkozen Stefanus, eenen man vol des ge-loofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaüs, een Jodengenoot van Antiochië; 6 welke zij voor de Apostelen stelden; en deze, als zij gebeden hadden, leiden hun de handen op. 7 En het Woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer, en een groote schare der Pries-teren werd den geloove gehoorzaam. 8 En Stefanus, vol geloof en kracht, deed wonderen en groote teekenen onder het volk. 9 En daar stonden óp sommigen die waren van de Synagoge genaamd der Libertijnen, en der Cyreneërs, en der Alexandrijnen, en dergenen die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus; 10 en zij konden niet weder-staan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak. 11 Toen maakten zij mannen op die zeiden; Wij hebben hem hooren spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God; 12 en zij beroerden het volk en de Ouderlingen en de Schriftgeleerden, en hem aanvallende grepen zij hem en leidden hem voor den Raad, 13 en stelden valsche getuigen die zeiden: Deze mensch houdt niet óp lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet; 14 want wij hebben hem hooren zeggen, dat deze Jezus de Na-zarener deze plaats zal verbreken |
HANDELINGEN 7.
159
|
en dat hij de zeden veranderen zal die ons Mozes overgeleverd heeft. 15 En allen die in den Raad zaten, de oogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens Engels. HOOFDSTUK 7. En de Hoogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzóó? 2 En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham nog zijnde in Mesopotamic, eer hij woonde in Haran, 3 en zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land dat ik u wijzen zal. 4 Toen ging hij uit het land der Chaldeërs, en woonde in Haran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht hij hem over in dit land, waar gij nu in woont; 5 en hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet eenen voetstap, en beloofde dat hij hem hetzelve tot eene bezitting geven zoude, en zijnen zade na hem, als hij non geen kind had. 6 En God sprak alzóó, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zonden dienstbaar maken en kwalijk behandelen vierhonderd jaren; 7 en het volk dat zij dienen zullen zal ik oordeelen, sprak God, en daar zullen zij uitgaan, en zij zullen mij dienen in deze plaats. 8 En hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzóó gewon hij Isaak, en besneed hem op den achtsten dag; en Isaak gewon Jakob, en Jakob de twaalf Patriarchen. 9 En de Patriarchen nijdig zijnde verkochten Jozef om naar Egypte gébracht te icorden; en God was met hem, 10 en verloste hem uit alle zijne verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao den Koning van Egypte; en hij stelde hem tot een overste over Egypte en zijn geheele huis. |
11 En daar kwam een hongersnood over het geheele land van Egypte en Kanaan, en grooto benauwdheid, en onze vaderen vonden geen spijze. 12 Maar als Jakob hoorde dat in Egypte koren was, zond hij onze vaderen de eerste maal uit; 13 en in de tweede reis werd Jozef zijnen broederen bekend, en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar. 14 En Jozef zond henen en ontbood zijnen vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijfenzeventig zielen. 15 En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hij zelf en onzo vaderen; 16 en zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor eene som gelds van de zonen van Hemor, den vader van Sichem. 17 Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte; 18 totdat^ een ander Koning opstond, die Jozef niet gekend had. 19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zoodat ze hunne jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen. 20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders; 21 en als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot eenen zoon. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, en was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart zijne broeders de kinderen Israël s te bezoeken. |
HANDELINGEN 7.
ICO
|
24 En ziende cenen die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. 25 En hij meende dat zijne broeders zouden verstaan, dat God door zijne hand hun verlossing geven zoude; maar zij hebben het niet verstaan. 2u En den volgenden dag werd hij van hen gezien daar zij vochten, en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders : waarom doet gij elkander ongelijk? 27 En die zij nen naaste ongel ij k deed verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld ? 28 Wilt gij mij do'/j ombrengen, gelijkenvijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht heb? 29 En Mozes vluchtte op dat woord, en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen gewon. 3U En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren in de woestijn van den berg 8inaï, in een vlammig vuur van het doornbosch. 31 Mozes nu dat ziende verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging om dat te bezien, zoo geschiedde eene stem des Heeren tot hem, 32 zengende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Isaaks en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. 33 En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uwe voeten, want de plaats in welke gij staat is heilig land. 34 Ik heb duidelijk gezien de mishandeling mijns volks, dat in Egypte is, en ik heb hun zuchten gehoord, en ben nederge-komen om hen daaruit te verlossen; en nu kom herwaarts, ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mozes welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld ? dezen zeg ik heeft God tot eenen overste en verlosser gezonden door de hand des Engels die hem verschenen was in het doornbosch. |
36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en teekenen in 't land van Egypte en in de Roode zee, en in de woestijn veertig jaren. 37 Doze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Heere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij: dien zult gij hooren. 38 Deze is het die in de vergadering des volles in de woestijn Mas met den Engel die tot hem sprak op den berg Sinaï, en niet onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven; 39 denwelken onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hunne harten imüer naar Egypte. 40 zeggende tot Aaron: Maak ons goden die voor ons henengaan ; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is. 41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde zich, en gaf hen over dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der Profeten: Hebt gij ook slachtofieren en offeranden mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Is-raëls ? 43 Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel Molochs, en het gesternte uws Gods Remfan, de afbeeldingen die gij gemaakt hebt om die te aanbidden: en ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylonië'. 44 De Tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had hij die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zoude naaide afbeelding die hij gezien had; 45 welken ook onze vaderen ontvangen hebbende, met Jozua |
HANDELINGEN 8.
1G1
|
gebracht hebben in het land dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangedicht onzer vaderen, tot de dagen Davids toe: 46 dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs. 47 En Salomo bouwdo hem een Huis. 48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt, gelijk de Profeet zegt: 49 De hemel is mij een troon, en de aarde een voetbank mijner voeten: hoedanig Huis zult gij mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats mijner ruste. 50 Heeft niet mijne hand alle deze dingen gemaakt? 51 Gij hardnekkigen en onbe-snedenen van harten en ooren, gij wederstaat al tijd den Heiligen Geest,_ gelijk uwe vaderen alzóó ook gij._ 52 VVien van de Profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van welken gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt, 53 gij die de wet ontvangen hebt door bestellingen der Engelen, en hebt ze niet gehouden. 54 Als zij nu dit hoorden, borsten hunne harten en zij kners-ten^de tanden tegen hem. 55 Maar hij vol zijnde des Heiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechter7/and Gods; 56 en hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen ter rechterZiawd Gods. 57 Maar zij roepende met groote etem, stopten hunne ooren, en vielen eendrachtelijk op hem aan, 58 en wierpen hem ter stad uit, en steenigden hem. Eu de getuigen leiden hunne kleederen af aan de voeten eens jongelings genaamd Saul us, |
59 en zij steenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijnen geest. _ 60 En vallende op de knieën riep hij met groote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe. En als hij dat gezegd had ontsliep hij. HOOFDSTUK 8. En Saulus had mede een welbehagen aan zijnen dood. En daar werd te dien dage eene groote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was, en zij werden allen verstrooid door de landen van Judéaen Samarië, behalve de Apostelen. 2 En ecnifje godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen ten grave, en maakten grooten rouw over hem. 3 En Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hij ze over in de gevangenis. ^ 4 Zij dan nu die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het Woord. 5 En Filippus kwam af in de stad van Samarië, en predikte hun Christus. 6 En de scharen hielden zich eendrachtiglijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de teekenen die hij deed. 7 Want van velen die onreine geesten hadden gingen dezelve uit, roepende met groote stem, en vele geraakten en kreupelen werden genezen; 8 en daar werd groote blijdschap in die stad. 9 En een zeker man met name Simon was te voren in de stad pleegende tooverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samarië, zeggende van zichzelven dat hij wat groots was; 10 welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den groote, zeggende: Deze is de groote kracht Gods. 11 En zij hingen hem aan, omdat hij eenen langen tijd met tooverij en hunne zinnen verrukt had. |
HANDELINGEN 8.
1G2
|
12 Maar toen zij Filippns geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, -worden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen. 13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde bleef gedurig bij Filippus ; en ziende de teekenen en groote krachten die daar geschiedden, ontzette hij zich. 14 Als nu de Apostelen die te Jeruzalem waren hoorden, dat Samarië het quot;Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, 15 dewelke afgekomen zijnde baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten; 1G (want hij was nog op niemand van hen gevallen, maarzij waren alleen gedoopt in den naam des Heeren Jezus.) 17 Toen leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest. 18 En als Simon zag dat door de oplegging van de handen der Apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zoo bood hij hun geld aan, 19 zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat zoo wien. ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange. 20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt. 21 Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God. 22 Bekeer u dan van deze uwe boosheid, én bid God, of misschien u deze overlegging uwe harten vergeven wierd, 23 want ik_ zie dat gij zijt in eene gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid. 24 Doch Simon antwoordende zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt. 25 Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en ge-eproken hadden, keerden weder naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen. |
26 En een Engel des Heeren sprak tot Filippus,zeggende:Sta op en ga henen tegen het Zuiden, op den weg die van Jeruzalem afdaal t naar Gaza, welke woest is. 27 En hy stond op en ging henen. En zie, een Moorman, een kamerling en een machtig lieer van Candacé de Koningin der Mooren, die over al haren schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem; 28 en hij keerde wederom, en zat op zijnen wagen, en las den Profeet Jesaja. 29 En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe en voeg u bij dezen wagen. 30 En Filippus liep toe, en hoorde hem den Profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook hetgeen gij leest? 31 En hij zeide: Hoe zoude ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus dat hij zoude opkomen en bij hem zitten. 32 En de plaats der Schriftuur die hij las was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is vóór dien die het scheert, alzóó doet hij zijnen mond niet open. 33 In zijne vernedering is zijn oordeel weggenomen, en wie zal zijn geslach t verhalen ? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 Fin de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u,van wien zegt de Profeet dit, van zichzelven of van iemand anders ? 35 En Filippus deed zijnen mond open, en beginnende van die Schrift, verkondigde hem Jezus. 36 En als zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water, en de kamerling zeide: Zie daar water: wat verhindert mij gedoopt re worden ? 37 En Filippus zeide: Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd. En hij antwoordende zeide: Ik geloof dat |
amp;
HANDELINGEN 9.
163
|
Jezus Christus de Zoon Gods ia. 38 Eu bij gebood den -wagen stil te houden, en zij daalden beiden af in het water, zoo Fi-lippus als de kamerling, en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus -weg, en de Kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijnen weg met blijdschap. 40 Maar Filippus werd gevonden te Azótus; en hel land doorgaande, veiklt; aidigdo hij het Evangelie in alle steden, tot hij te Cesaréa kwam. HOOFDSTUK 9. En Saulus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot den Hoogepriester, 2 en begeerde brieven van hem naar Damascus aan de Synagogen, opdat zoo hij eenigen die van dien weg waren vond, hij dezelve, beide mannen en vrouwen, zoude gebonden brengen naar Jeruzalem. 3 En als hij reisde is het geschied dat li ij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel; 4 en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij eene stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? 5 en hij zeide; Wie ziit gij Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt: het is u hard te verzenen tegen de prikkels te slaan. 6 En hij bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere wat wilt gij dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet. 7 En de mannen die met hem overweg reisden stonden verbaasd, hooiende wel de stem maar niemand ziende. 8 En Saulus stond op van de aarde: en als hij zijne oogen opendeed, zag hij niemand; en zij hem bij de hand leidende, brachten hem te Damascus. |
9 En hij was drie dagen dat hij niet zag, en at niet en dronk niet. 10 En daar was een zeker discipel te Damascus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: AnaniasI En hij zeide: Zie hier hen ik, Heere. 11 En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat genaamd de Hechte, en vraag in het huis van Judas naar eenen, met name Saulus van Tarsus; wont zie, hij bidt, 12 en hij heeft in een gezicht gezien, dat een man met name Ananias inkwam en hem de hand opleide, opdat hij wederom ziende worde. 13 En Ananias antwoordde; Heere, ik heb uit velen gehoord A an dezen man, hoeveel kwaad hij uwen heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; 14 en hij heeft hier macht van de O verpriesters, om te binden allen die uwen naam aanroepen. 15 Maar de Heere zeide tot hem: Ga henen, want deze is mij een uitverkoren vat, om mijnen naam te dragen voor de heidenen en de Koningen en de kinderen Israels; 1G want ik zal hem toonen hoeveel hij lijden moet om mijnen naam. 17 En Ananias ging henen en kwam in het huis, en de handen op hem leggende, zeide hij; Saul, broeder, de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus die u verschenen is op den weg dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. 18 En terstond vielen af van zijne oogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende, en stond op, en werd gedoopt ; 19 en als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen die te Damascus waren ; 20 en hij predikte terstond Christus in de Synagogen, dat hij de Zoon Gods is. |
1' I
*
|
164 HANDEL 21 En zij ontzetteden zich allen, die het hoorden, en zeiden; Is deze niet degene die te Jeruzalem verstoorde die dezen naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zoude brengen tot de Overpriesters ? 22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden die te Damascus woonden, bewijzende dat deze de Christus ia. 23 En als vele dagen verloopen waren, zoo hielden de Joden te zamen raad om hem te doo-den; 24 maar hunne lage werd Saulus bekend. En zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem dooden mochten; 25 doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in eene mand. 26 Saulus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet geloo-vende dat hij een discipel was. 27 Maar Barnabas hem tot zich nemende, leidde hem tot de Apostelen, en verhaalde hun hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat hij tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrij moediglij k gesproken had in den naam van Jezus. 28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem; 29 en vrijmoediglijk sprekende in den naam des Heeren Jezus, sprak hij ook en handelde tegen de Grieksche Joden; maar deze trachtten hem te dooden. 30 Doch de broeders dit verstaande, geleidden hem tot Ce-earóa, en zonden hem af naar Tarsus. 31 De gemeenten dan door geheel Judéa en Galiléaen Samarië hadden vrede, en werden gesticht; ©n wandelende in de vreeze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd. 32 Eu het geschiedde als Pe- |
NGEN 9. trus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen aie te Lydda woonden. 33 En aldaar vond hij een zeker mensch met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke was geraakt. 34 En Petrus zeide tot hem: Eneas, Jezus Christus maakt u fezond; sta op en spreid uzelven ezond; sta op en spreid uzelven et hed. En hij stond terstond op. 35 En zij zagen hem allen die te Lydda en Saróna woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere. 36 En teJoppewas eene zekere discipel in met name Tabitha, hetwelk overgezet zijnde is gezegd Dorcas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen die zij deed. 37 En het geschiedde in die dagen dat zij krank werd en stierf; en als zij ze gewasschen hadden, leiden zij haar in de opperzaal. 38 En al zoo Lydda nabij Joppe was, de discipelen hoorende dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende dat hij niet zoude vertoeven tot hen over te komen. 39 En Petrus stond op en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden; en alle de weduwen stonden bij hem, weenende en toonende de rokken en kleederen, die Dorcas gemaakt had als zij bij haar was. 40 Maar Petrus hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad; en zich keerendetothet lichaam zeide hij: Tabitha, sta op. En zij deed hare oogen open, en Petrus gezien hebbende zat zij overeind; _ 41 en hij gaf haar de hand en richtte ze op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij ze levend voor hen. 42 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heere. 43 En het geschiedde dat hij vele dagen te Joppe bleef bij eenen zekeren Simon, eenen le-derbereider. |
HANDELINGEN 10.
165
|
HOOFDSTUK 10. En daar -was een zeker man te Cesaréa met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Italiaansche, 2 godzalig, en vreezende God met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God gednriglijk biddende. 3 Deze zag in een gezicht klaar-lijk omtrent de negende ure des daags een Engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! 4 En hij de oogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het, Heere? En hij zeide tot hem: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. 5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simor die toe-genaamd wordt Petrus: 6 deze ligt te huis b:j eenen zekeren Simon, lederbereideT,die zijn hnis heeft bij de zee; deze zal u zeggen wat gij doen moet. 7 En als de Engel die tot Cornelius sprak weggegaan was, riep hij twee van zijne huisknechten, en eenen godzaligen krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem waren: 8 en als hij hun alles verhaald had, zond hij ze naar Joppe. 9 En des anderen daags, terwijl deze reisden en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure 10 En hij werd hongerig en begeerde te eten; en terwijl zij het bereidden, viel over hem eene vertrekking van zinnen, 11 en hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde: 12 in hetwelk waren alle de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels. 13 En daar geschiedde eene stem tot hem: Sta óp Petrus, slacht en eet. |
14 Maar Petrus zeide: Geenszins Heere; want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was. 15 En eene stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken. 1G En dit geschiedde tot driemaal ; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel. 17 En al zoo Petrus bij zich-zelven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn dat hij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort; 18 en iemand geroepen hebbende vraagden zij, of Simon hoegenaamd Petrus daar te hnis lag. 19 En als Petrus over dat gezicht nadacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u: 20 daarom sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden. 21 En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius^ tot hem gezonden waren, en zeide: Zie, ik ben het dien gij zoekt; wat is de oorzaak waarom gij hier zijt? 22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vreezende God, en die goede getuigenis heeft van het gansche volk der Joden, is door goddelijke openbaring vermaand vaneenen heiligen Engel, dat hij u zoude ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zedigheid zoude hooren. 23 Als hij ze dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doek des anderen daags ging Petrus met hen henen, en sommigen der broederen die van Joppe vraren gingen met hem. 24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaróa. En CorneliiHJ verwachtte hen, te zamen geroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden. 25 En als hot geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius te gemoet, en vallende aae zijne voeten aanbad hij. |
|
166 HANDEL 26 Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mensch. 27 En met hem sprekende giug hij in, en vond er velen die samengekomen quot;waren; 28 en hij zeide tot hen: Gij weet hoe het een Joodschenman ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot eenen vreemde: doch God heeft mij getoond dat ik geen mensch zoude gemeen of onrein heeten. 29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zoo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden. 30 En Cornelius zeide: Voor vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis; 31 en zie, een man stond vóór mij in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uwe aalmoezen zijn voor God gedacht geworden. 32 Zend dan naar Joppe, en ontbied öimon die toegenaamd wordt Petrus: deze ligt te huis in het huis van Simon den le-derbereider aan de zee, welke hier gekomen zijnde tot u spreken zal. 33 Zoo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt wel gedaan dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. 34 En Petrus den mond opendoende zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is: 35 maar in allen yolke die hem vreest en gerechtigheid werkt, is hem aangenaam. 36 Dit is het woord dat hij gezonden heeft den kinderen Israëls, verkondigende vrede door Jezus Christus: deze is een Heer van allen. 37 Gijlieden weet de zaak die geschied is door geheel Judéa, beginnende van Galiléa, na den doop welken Johannes gepredikt heeft. |
N'GEN 10. 38 aangaande Jezus van Nazareth, hoe hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; welke het land doorgegaan is goed doende, en genezende allen die van den duivel overweldigd waren; want God was met hem. 39 En wij zijn getuigen van al f hetgeen hij gedaan heeft, beide in het Joodache land en te Jeruzalem; welken zij gedood hebben, hem hangende aan een hout. 40 Dezen heeft God opgewekt ten derden dage, en gegeven dat hij openbaar zoude worden, 41 niet al den volke, maar den getuigen die van God te voren verkoren waren, ons nanielijlc dio met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de dooden opgestaan was; 42 en hij heeft ons geboden den volke te prediken en te betuigen, dat hij is degene die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en dooden. 43 Dezen geven getuigenis alle de Profeten, dat een iegelijk die in hem gelooft vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam. 44 Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. 45 En de geloovigen die uit de besnijdenis waren, zoovelen als er met Petrus waren gekomen, ontzetteden zich dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd; 46 want zij hoorden hen opreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus: 47 Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? 48 En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den naam des Heeren. Toen baden zij hem dat hij eenige dagen bij hen wilde blijven. |
HAK DELIST GEN 11.
167
|
HOOFDSTUK 11. Do Apostelen nu en de broeders die in Judéa waren hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden. 2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen die uit de besnijdenis waren, 3 zeggemIe: Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten. 4 Maar Petrus beginnende verhaalde het hun vervolgens, zeggende ; 5 Ik was in de stad Joppe biddende, en _ zag in eene vertrekking van zinnen een gezicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken ne-dergelaten uit den hemel, en kwam tot bij mij ; 6 op welk lalcen als ik de oogen hield, zoo merkte ik en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels. 7 En ik hoorde eene stem die tot mij zeide: Sta óp Petrus, slacht en eet. 8 Maar ik zeide; Geenszins Heere, want nooit is iets dat gemeen of onrein was in mijnen mond ingegaan. 9 Doch de stem antwoordde mij ten tweeden male uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken. 10 En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel. 11 En zie, terzelfder wre stonden daar drie mannen vóór het huis daar ik in was, die van Cesaréa tot mij afgezonden waren. 12 En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zoude, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des mans huis ingegaan; 13 en hij heeft ons verhaald koe hij eenen Engel gezien had. |
die in zijn hüis stond en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon die toegenaamd is Petrus; 14 die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en geheel uw huis. 15 En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin, 16 En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest. 17 Indien dan God hun even-gelijke gavo_ gegeven heeft als ook ons, die in den Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch die God konde weren ? 18 En als zij dit hoorden waren zij tevreden en verheerlijkten God, zeggende: Zoo heeft dan God ook den heidenen de bekeering gegeven ten leven. 10 Degenen nu die verstrooid waren door de verdrukking die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende dan alleen tot de Joden. 20 En daar waren eenige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, welke te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Griekschen, verkondigende der Heere Jezus. 21 En de hand des Heeren was met hen, en een groot getal geloofde en bekeerde zich tot den Heere. 22 En het gerucht van hen kwam tot de ooreu der gemeente die te Jeruzalem _ was, en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe: 23 dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, verblijd werd, en vermaande ze allen, dat zij met een voornemen des harten Sij den Heere zouden blijven; 24 want hij was een goed man, en vol des Heiligen Geestes en des geloofs. En daar werd eeno |
HANDELINGEN 12.
168
|
groote schare den Heere toegevoegd. 25 En Barnabas ging nit naar Tarsus om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem te Antiochië^ 26 En het is geschied dat zij een geheel jaar te zamen vergaderden in de gemeente, en eene froote schare leerden, en dat doroote schare leerden, en dat do iscipelen het eerst te Antiochie Christenen genaamd werden. 27 En in dezelfde dagen kwamen eenige Profeten at van Jeruzalem te Antiochië; 28 en één uit hen met name Agabus stond op, en gaf te kennen door den Geest, dat er een groote hongersnood zoude wezen over de geheelo wereld; dewelke ook gekomen is onder den Keizer Claudius. 29 En naar dat een iegelijk der discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen die in Judéa woonden; 30 hetwelk zij ook deden, en zonden het tot de Ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus. HOOFDSTUK 12. En omtrent denzelfden tijd sloeg do Koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te behandelen. 2 En bij doodde Jacobus den broeder van Johannes met het zwaard ; 3 en toen hij zag dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der onge-hevelde brooden); 4 denwelken ook gegrepen hebbende, hij in do gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elïc van vier krijgsknechten om hem te bewaren, willende na het Paasch/e^tf hem voorbrengen voor het volk. _ 5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan. |
6 Toen hem nu Herodes zoude voorbrengen, sliep Petrus dien nacht tusschen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. 7 En zie, een Engel des Hee-ren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus wekte hij hem op, zeggende: Stahaastelijk op. En zijne ketenen vielen af van de handen. 8 En de Engel zeido tot hem: Omgord u en bind uwe schoenzolen aan. En hij deed alzoo. En hij zeido tot hem: Werp uwen mantel om en volg mij. 9 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet dat het waarachtig was, hetgeen door den Engel geschiedde, maar hij meende dat hij een gezicht zag. 10 En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort die naar de stad leidt, dewelke van zelf hun geopend werd. En uitgegaan zijnde gingen zij ééne straat voort, en terstond scheidde de Engel van hem. 11 En Petrus tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere zijnen Engel uitgezonden heeft en mij verlost heeft uit de hand van Herodes en uit al de verwachting van het volk der Joden. 12 En als hij alles overlegd had,_ ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Marcus, alwaar velen te zamen vergaderd en biddende waren. 13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam eene dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode; 14 en zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte dat Petrus aan do voorpoort stond. 15 En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef daar sterk bü dat het alzoo was. Eu zij zeiden: Het is zijn Engel. 16 Maar Petrus bleef kl oppende; en als zij opengedaan hadden, |
urn
HANDELINGEN 13.
1G9
|
zagen zij hem en ontzetteden zich. 17 En als hij hun met de hand gewenkt bad dat zo zwijgen zouden, verhaalde hij hun hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jacobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde reisde naar eene andere jj' aats. 18 En als het dag was geworden, was daar geen kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch Petrus mocht geschied zijn. 19 En als Herodes hem gezocht had en niet vond, en quot;de wachters gerechtelijk ondervraagd had, gebood hij dat ze weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Ce-saréa, en hield zich aldaar. 20 En Herodes had in den zin tegen t de Tyricrs en Sido-niörs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtiglijk tot hem, en Blastus, die des Konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden zij ^ vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des Konings land. 21 En op ecuen gezetten dag Herodes een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen; 22 en het volk riep hem toe: Een stemme Gods en niet eens menschen! 23 En van stonde aan sloeg hem een Engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eere niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten en gaf den geest. 24 En het Woord Gods wies en vermenigvuldigde. 25 Barnabas nu en Saulus keerden weder van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes die toegenaamd werd Marcus. HOOFDSTUK 13. |
En daar waren te Antiochië in de gemeente die daar was, eenige Profeten en Leeraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius van Gyrene, en Manahen, die met Herodes den Viervorst opgevoed was, en Saulus. 2 En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe ik ze geroepen heb. 3 Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij ze gaan. 4 Deze dan uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af naar Seleucië, en vandaar voeren zij af naar Cyprus: 5 en gekomen zijnde te Sa-lamis, verkondigden zij het Woord Gods in de Synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot eenen dienaar. 6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij eenen zekeren toovenaar, eenen valschen Profeet, eenen Jood, wiens naam was Bar-Jezus, 7 welke was bij den Stadhouder Sergius Paulus, eenen verstan-digen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te hoeren: 8 maar Elymas de toovenaar (want alzoo wordt zijn naam overgezet) wederstond hen, zoekende den Stadhouder van het geloof af te keeren. 9 Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is) vervuld met den Heiligen Geest, en de oogen op hem houdende, zeide: 10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeeren de rechte wegen des Heeren? 11 En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor eenen tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij die hem met de hand mochten leiden. 12 Als do Stadhouder zag 6* V, |
|
170 HANDEL 't geen geschied was, toen geloofde bij, verslageu zijnde over de leer des Heeren. 13 En Paulus en die met hem â waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, eene stad in Pamfylië; maar Johannes van hen scheidende keerde weder naar Jeruzalem. 14 En zij van Perge het land doorgaande kwamen te Antiochië, eene stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de Synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder. 15 En na het lezen der quot;Wet en der Profeten zonden de oversten der Synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien daar eenio woord van vertroosting tot het volk in u is, zoo spreekt. 10 En Paul us stond op^ en wenkte met de hand, en zeidej Gij Israëlitische mannen en gij die God vreest, hoort toe. 17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en liet volk verhoogd als zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft, ze met een hoogen arm daaruit geleid; 18 en heeft omtrent den tijd van veertig jaren hunne zeden verdragen in de woestijn: 19 en zeven volkeren uitgeroeid hebbende in het land Kanaan, heeft hun door het lot liet land derzelve uitgedeeld; 20 en daarna^ omtrent viorhom-derd en vijftig jaren, gaf hij hun richters, tot op Samuël den Profeet. 21 En van toen aan begeerden zij eenen Koning, en God gaf hun Saul den zoon van Kis, eenen man uit den stam Benjamin, veertig jaren; 22 en dezen afgezet hebbende, verwekte hij hun David tot eenen Koning; denwelken hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David den zoon van Tsai, eenen man naar mijn hart, die al mijnen wil zal doen. 28 Van dezes zaad heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus, 24 als Johannes eerst al den |
N GEN 13. volke Israels vóór zijne aankomst zijnen gepredikt had den doop der be- diend keering. bij z 25 Doch als Johannes den loop heeft vervulde, zeide hij: Wie meent . 37 r gijlieden dat ik ben? Ik ben de wekt Christus niet; maar zie, hij komt ving i na mij, wien ik niet waardig 38 2 ben de schoenen zijner voeten te nen 1 ontbinden. verge- 2(gt; Mannen broeders, kinderen wordt van het geslacht Abrahams, en 39 ( wie onder u God vreezen, tot u gij n is het Woord dezer zaligheid wordt gezonden. ^ door 27 Want die te Jeruzalem looft wonen, en hunne oversten, dezen 40 't niet kennende, hebben ook de niet stemmen der Profeten, die op de Pi eiken sabbatdag gelezen worden, 41 i hem veroordeelende, vervuld; wond 28 en geene oorzaak des doods ik wt vindende, hebben zij van Pilatus een quot; begeerd dat hij zoude gedood geloo worden: haalt 29 en als zij alles volbracht 42 ! hadden wat van hem geschreven warei was, namen zij hem sxi van het de hout en leiden hum in het graf. naast 30 Maar God heeft hem uit de woon dooden opgewekt; word' 31 welke gezien is geweest, 43 vele dagen lang, van degenen schei die met hem opgekomen waren de J van Galiléa naar Jeruzalem, die stige zijne getuigen zijn bij het volk. Barn 32 En wij verkondigen u de en 1 belofte die tot de vaderen ge- bij d schied is, dat namelijk God 44 dezelve vervuld heeft aan ons bat hunne kinderen, als hij Jezus te z; verwekt heeft: _ te hquot; 33 gelijk ook in den tweeden 45 Psalm, geschreven staat: Gij zijt ziem mijn Zoon, heden heb ik u ge- verv genereerd. geen 34 En dat hij hem uit de wede dooden heeft opgewekt, alzoo 4G dat hij niet meer zal tot ver- vrijn derving keeren, heeft hij aldus den: gezegd: Ik zal ulieden de wel- tot i dadigheden Davids geven, die zouc getrouw zijn; gij ; 35 waarom hij ook in eenen des anderen Psalm^ zegt: Gij zult oorc uwen Heilige niet overgeven om de 1 verderving te zien. 47 3ö Want David, als hij in Hee |
1
|
handel: komst zijnen tijd den raad God^ geer be- diend had, is ontslapen, en ia bij zijne vaderen gelegd, en ii loop lieeft wel verderving gezien; â¡leent . 37 maar hij, dien God opge-en de wekt heeft, heeft geene verder-komt | ving gezien. lardig j 38 Zoo zij n dan bekend, manten te nen broeders, dat door dezen n vergeving der zonden verkondigd deren wordt; is, en 39 en dat van alles, waarvan tot u gij niet kondet gerechtvaardigd gheid worden door de wet van Mozes, door dezen een iegelijk die ge-'alem looft gerechtvaardigd wordt. lezen 40 Ziet dan toe dat over ulieden k de niet kome hetgeen gezegd is in ie op de Profeten: rden, 41 Ziet, gij verachters, en ver-i; wondert n, en verdwijnt; want loods ik werk een werk in uwe dagen, Jatns een werk hetwelk gij niet zult dood gelooven zoo het u iemand verhaalt. racht 42 En als de Joden m:gegaan even waren nit de Synagoge, baden i liet de heidenen dat tegen den graf. naasten sabbat hun dezelfde it de woorden zouden ger-proken worden. eest, 43 En als de Synagoge ge-snen scheiden was, volgden velen van aren de Joden en van de godsdien-, die stige Jodengenooten Paulus en 'oik. Barnabas; welke tot hen spraken, i de en hen vermaanden te blijven ge- bij de genade Gods. God 44 En op den volgenden sab-ons bat kwam bijna de geheele stad ezus te zamen om het Woord Gods te hooren. ïden 45 Doch de Joden de scharen zijt ziende werden met nijdigheid go- vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, de wedersprekende en lasterende. Izoo 4G Maar Paulus en Barnabas ver- vrijmoedigheid gebruikende zei-Idus den: Het was noodig dat eerst ^el- tot u het quot;Woord Gods gesproken die zoude worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot,_ en uzelve nen des eeuwigen levens niet waardig suit oordeelt, zie, wij keeren ons tot om de heidenen. 47 Want alzóó heeft ons do m Heere geboden, zeggende ⢠Ik heb |
NGEN 14. 171 u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. 48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord des Heeren. en daar geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot hot eeuwige leven; 49 en het Woord des Heeren werd door het geheele land uitgebreid. 50 Maar de Joden maakten op de godsdienstige en achtbare vrouwen en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hunne landpalen. 51 Doch zij schuddeden het stof van hunne voeten af tegen dezelve, en kwamen te Iconium; 52 en d« discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest. HOOFDSTUK 14. En het geschiedde te Iconium, dat zij te zamen gingen in de Synagoge der Joden, en alzóó spraken, dat eene groote menigte beide van Joden en Grieken geloofde. 2 Blaar de Joden die ongehoorzaam waren verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. 3 Zij verkeerden dan aldaar eenen langen tijd, vrij moediglij k sprekende in den Heere, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade, en gaf dat teekenen en wonderen geschiedden door hunne handen. 4 En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de Apostelen. 5 En als daar een oploop geschiedde beide van heidenen en van Joden, met hunne oversten, om hun smaadheid aan te doen en hen te steenigen, G zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lycaonië, namelijJc _ Lystra en Derbe, en het omliggende land. |
HANDELINGEN 15.
172
|
7 en verkondigden aldaar het Evangelie. 8 En een zeker man te Lystra zat onmachtig aan do voeten, kreupel zijnde van zijn moeders lijf, die nooit had gewandeld. 9 Deze hoorde Paulus spreken ; â welke de oogen op hem houdende, en ziende dat hij geloof had om gezond te worden, 10 zeide met groote stem: Sta recht op uwe voeten. En hij sprong op en wandelde. 11 En de scharen ziende hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hunne stemmen en zeiden in 't Lycaonisch: De goden zijn den menschen gelijk geworden en tot ons nedergekomen: 12 en zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde. ^ 13 En de Priester van Jupiter die vóór hunne stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij olferen met de scharen. 14 Maar de Apostelen Barnabas on Paulus dal hoorende, scheurden hunne kleederen en sprongen onder de schare, roepende 15 en zeggende:Mannen, waarom doet gij deze dingen ? Wij zijn ook menschen van gelijke bewegingen als gij, e;n verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele din (jen bekeeren tot den levenden God, die gemaakt heeft den hemel en de aarde en do zee en al hetgeen in dezelve is: 16 welke in de verledene tijden alle de heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen; 17 hoewel hij nochtans zich-zelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijze en vroolijkheid. 18 En dit zeggende wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet oöerden. 19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Iconium, en overreedden de scharen, en stcenigdeu Paulus, en sleepten hem buiten de stad, meenendo dat hij dood was. |
20 Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe. 21 En als zij aan die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystra en Iconium en Antiochië, 22 versterkende de zielen der discipelen, en vermanende dat ze zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. 23 En als zij hun in elke gemeente met opsteken der handen Ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij ze den Heere, in welken zij geloofd hadden. 24 En Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië; 25 en als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalië; 26 en vandaar voeren zij af naar Antiochië, vanwaar zij der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk dat zij volbracht hadden. 27 En daar gekomen zijnde, en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat groote dingen God met hen gedaan had, en dat hij den heidenen de deur des ge-loofs geopend had. 28 En zij verkeerden aldaar geenen kleinen tijd met de discipelen. HOOFDSTUK 15. En sommigen die afgekomen waren van Judéa leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zoo kunt gij niet zalig worden. 2 Als «^r dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zoo hebben zij geordineerd dat. Paulus en Barnabas en eenigo anderen uit hen zouden opgaan tot de Apostelen en Ouderlingen |
HANDELINGEN 15.
1?3
|
naar Jeruzalem, over deze vraag. 3 Zij dan van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fe-niciö en Samarië, verhalende de bekeering der heidenen, en deden allen den broederen groote blijd-echap aan. 4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zi.i ontvangen van de gemeente en do Apostelenen de Ouderlingen; en zij verkondigden wat groote dingen God met hen gedaan had, _ 5 Maar, zeiden zij, daar zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeërs, die ge-loovig zijn geworden, zeggende dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. ^ C En de Apostelen en de Ouderlingen vergaderden te zamen om op deze zaak te letten. 7 En als^ daarover groove twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet dat God van vóór langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijnen mond het Woord des Evangelies zouden hooren en ge-looven. 8 En God, de kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Gceet gelijk als ook ons, 9 en heeft geen onderscheid gemaakt tusschen ons en hen, gereinigd hebbende hunne harten door het geloof. 10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen,'t welk noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar wij gelooven door do genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden op zulke wijze als ook zij. 12 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Pau-lua verhalen, wat groote teekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 En nadat deze zwegen, antwoordde Jacobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij. 14 Simeon heeft verhaald hoe |
God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor zijnen naam. 15 En hiermede stemmen overéén de woorden der Profeten, ge-lij k geschreven is : 16 Na dezen zal ik wederkeeren en weder opbouwen den Tabernakel Davids die vervallen ie, en hetgeen daarvan verbroken is weder opbouwen, en ik zal denzei ven weder oprichten, 17 opdat de overblijvende men-schen den Heere zoeken, en alle de heidenen over welke mijn naam aangeroepen is, spreekt da Heere die dit alles doet. 18 Gode zijn alle zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel ik, dat men degenen die uit de heidenen zich tot God bekeeren niet beroere, 20 maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van do dingen die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed. 21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad die hem prediken, en hij wordt op eiken sabbat in de Synagogen gelezen. 22 Toen heeft het den Apostelen en den Ouderlingen met de geheele gemeente goed gedacht, eenige mannen uit zich te verkiezen en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochië, namelijk Judas dio toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen die voorgangers waren onder de broeders; 23 en zij schreven door hen dit navolgende: De Apostelen en do Ouderlingen en de broeders tcen-schen den broederen uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cilicië zijn, zaligheid. 24 Nademaal wij gehoord hebben dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben, en uwe zielen wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet besneden worden en de wet onderhouden, welken wij dat niet bevolen hadden, 25 zoo heeft het ons eendrachtiglijk te zamen zijnde goed gedacht, eenige mannen te verkie- |
HANDELINGEN 16.
174
|
zen en tot u te zenden met onze geliefden, JBarnabas en Paulus, 26 mensdien die hunne zielen overgegeven hebben voor den naam onzes He eren Jezus Christus. 27 Wij li ebben dan Judas en Silas gezonden, die óók met den mond hetzelfde zullen verkondigen. 28 Want fact lieeffc den Heiligen Geest eu ons goed gedacht, ulie-den geenen meerderen last op te leggen dan. deze noodzakelijke dingen: 29 ncimdijk dat gij u onthoudt van hetgeeoL den afgoden geolferd is, en van lgt;loed, en van het verstikte, enva.nhoererij; van welke dingen iudi en gij uzelve wacht, zoo zult g-ij,wel doen. Vaartwel. 30 Deze do.n hun afscheid ontvangen liolgt;beude, kwamen te Antiocliië; en de menigte vergaderd lieblDende, gaven zij den brief over. 31 En zi.i , ilien gelezen hebbende, verb Jijdden zich over de vertroosting. 32 Judas mi en Silas, die ook zelve Profeton waren, vermaan-don de broeders met vele woorden, en versterkten ze. 33 Eii als zij daar een tijd Jang vertoefd liadden, lieten hen de broeders i:e.dlt;emn gaan met vrede, tot de Apostelen. 34 INXaar liet dacht Silas goed aldaar te blijven. 35 En. Paulus en Barnabas onthielden zicla te Antiochië, loerende en verlzondigende met nog vele andereia het Woord des Heeren. 3t) En na eenige dagen zeide Paulus tot Barnabas; Laat ons nu wederkeereu, en bezoeken onze broeders in elke stad in welke wij he t Woord des Heeren verkondigd liebben, hoe zij het hebben. 37 En Barnabas ried dat zij Johannes, die genaamd ia Marcus, zouden medeznenien: 38 maar Paulus achtte billijk dat men dieri niet zoude mede-nemen, die vein Pamfylic af van hen was afgeweken, en met hen |
niet was gegaan tot het werk. 39 Er ontstond dan eene verbittering, alzoo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Marcus medenam en naar Cyprus afvoer. 40 Maar Paulus verkoos Silas, en reisde henen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde; 41 en hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten. HOOFDSTUK 16. En hij kwam te Derbe en Lys-tra. En zie, aldaar was een zeker discipel met name Timotheüs, zoon van eene geloovige Jood-sche vrouw, maar van eenen Griekschen vader; 2 welke goede getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystra en Iconium. 3 Deze wilde Paulus dat mot hem zoude reizen ; en hij nam en besneed hem, om der Joden wille die in die plaatsen waren: want zij kenden allen zijnen vader dat hij een Griek was. 4 En als zij de steden door-reisden, gaven zij hun de ordonnantiën over, die van de Apostelen en de Ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden. 5 De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in het getal. 6 En als zij Frygië en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken: 7 en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen, en de Geest liet het hun niet toe; 8 en zij Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af naar Troas. 9 En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: daar was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië en help ons. 10 Als hij nu dit gezicht gezien had, zoo zochten wij ter^ |
HANDELINGEN 16.
175
|
fctond naar Macedonië to reizen besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had om denzei-ven het Evangelie te verkondigen. 11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht, naar Sa-mothrace, en den volgenden dag naar Neapolis; 12 en van daar naar Filippi, welke is de eerste stad va.n dit deel van Macedonië, een kolonie; en wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen. 13 En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden, en nedergezeten zijnde spraken wij tot de vrouwen die te zamen gekomen waren. 14 En eene zekere vrouw met name Lydia, eene purperverkoop-eter van de stad Thyadra, die God diende, hoorde ons; welker harte de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. 15 En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij ojjs,zeggende: Indien gij hebt geoordeeld dat ik den Heere getrouw ben, zoo komt in mijn huis en blijft er; en zij dwong ons. 16 En het geschiedde als wij tot het gebed henengingen, dat eene zekere dienstmaagd, hebbende eenen waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haren hee-ren groot gewin toebracht met waarzeggen. 17 Deze volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende : Deze menschen zijn dienstknechten â¢Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus f?aa7-02/*^r ontevreden zijnde, keerde zich om en zeide tot den geest: Ik gebied u in den naam van Jezus Christua dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit terzelfder ure. 19 Als nu de heeren van dezelve zagen dat de hoop huns ge-wins weg was, grepen zij Paulus en Silas en trokken ze naar de markt voor de oversten; |
20 en als zij ze tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze menschen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn; et hen erk. ie ver-n elk- 3n dat xm en 21 en zij verkondigen zeden die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen of te doen, alzoo wij Romeinen zijn. 22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen hun de kleederen afgescheurd hebbende, bevalen ze te geeselen; 23 en als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij ze in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder dat hij ze zekerlijk bewaren zoude: 24 dewelke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker en verzekerde hunne voeten in den stok. 25 En omtrent ^ middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen, en de gevangenen hoorden naar hen. 26 En daar geschiedde snel lijk eene groote aardbeving, alzoo dat ⢠de fundamenten lt;les kerkers bewogen werden; en terstond wer-: den alle dc deuren geopend, en de banden van allen werden los. 27 En de stokbewaarder wakker ! geworden zijnde, en ziende de ! deuren der gevangenis geopend, j trok een zwaard en zoude zich- zelven omgebracht hebben, mee-: nende dat de gevangenen ontvlo-j den waren. 28 Maar Paulus riep met groote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier. 29 En als hij licht geëischt had, sprong hij in en werd zeer be- j vende en viel neder aan de voe~ : ten van Paulus en Silas; 30 en hen buiten gebrachtheb-; bende, zeide hij: Lieve heeren, ; wat moet ik doen opdat ik zalig worde? 31 En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij j zult zalig worden, gij en uw huis. 32 En zij spraken tot hem het Woord des Heeren, en tot allen die in zijn huis waren. 33 En hij nam hen tot zich in die ure des nachts, en wiesch hen van de striemen; en hij werd |
HANDELINGEN 17.
176
|
terstond gedoopt, en alle do zijnen; 34 en hij bracht ze in zijn huis en zette hun de tafel voor, en verheugde zich dat hij metal zijn huia aan God geloovig geworden was. 35 En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die menschen los. 36 En do stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Pau-lus, zeggende : De hoofdmannen hebben gezonden dat gij zoudt losgelaten worden: gaat dan nu uit en reist henen in vrede. 37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in't openbaar gegeeseld en in de gevangenis geworpen, en werpen ze ons nu heimelijk daaruit? Niet alzoo; maar dat ze zelve komen en ons uitleiden. 38 En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, hooiende dat zij llo-meinen waren; 39 en zij komende baden hen, en als zij ze uitgeleid hadden, begeerden zij dat ze uit de stad gaan zouden. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in bij Lydia; en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij hen, en gingen uit de stad. HOOFDSTUK 17. En door Amfipolis en Apollonia hunnen weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar eene Synagoge der Joden was. 2 En Paul us, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sab-baten lang handelde hij met hen uit de Schriften, 3 dezelve openende, en voor oogen stellende dat de Christus moest lijden en opstaan uit de duoden, en dat deze Jezus is de Christus, dien ik, zeide hij, ulie-den verkondig. |
4 En sommigen uit hen geloofden en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken eene groote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige. 5 Maar de Joden die ongehoorzaam waren dit benijdende, namen tot zich eenige booze mannen uit de marktboeven, en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op liet huis Jasons aanvallende, zochten zij ze tot het volk te brengen. 6 En als zij ze niet vonden, trokken zij Jason en eenige broeders voor de oversten der stad, roepende: Deze, die de wereld in beroering hebben gebracht, zijn ook hier gekomen, 7 welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tegen de geboden des Keizers, zeggende dat er een andere Koning is, namelijk Jezus. 8 En zij beroerden de schare en de oversten der stad die dit hoorden; 9 doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij ze gaan. 10 En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Beréa; welke daar gekomen zijnde gingen henen naar de Synagoge der Joden: 11 en deze waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzoo waren. 12 Velen dan uit hen geloofden, en van de Grieksche achtbare vrouwen en van de mannen nir« weinige; 13 maar als de Joden van Thessalonica verstonden dat het quot;Woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen. 14 Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven aldaar. 15 En die Paulus geleidden brachten hem tot Athene toe, en |
i
I.
HANDELINGEN 18.
177
|
als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigst tot hem zouden komen, vertrokken zij. 16 En terwijl Panlus hen te verwachtte, werd zijn hem ontstoken, ziende stad zoo zeer afgodisch Athene geest in dat de was. 17 Hij handelde dan in de Synagoge met de Joden en met degenen die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen die hem voorkwamen. _ 18 En sommigen van de Epi-cureïsche en Stoïsche filosofen streden met hem, en sommigen zeiden: quot;Wat wil toch deze klapper zeggen ? maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden, omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. 19 En zij namen hem en brachten hem op de ^Zaais gmaamd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is daar gij van spreekt? 20 Want gij brengt eenige vreemde dingen voor onze ooren; wij willen dan weten wat toch dit zijn wil. 21 (Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden/mn-nen tigd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te hoo-ren.) 22 En Paulus staande in het midden van de plaats genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt; 23 want de gfatZ doorgaande, en aanschouwende uwe heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een opschrift stond: Den onbekenden God. Dezen dan, dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. 24 De God die de wereld gemaakt heeft en alles dat daarin is, deze zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt, |
25 en wordt ook van menschen-handen niet gediend als iets behoevende, alzoo hij zelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft: 26 en heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der mensch en gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hunne woning, 27 opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij hem immers tasten en vinden mochteDgt;# hoewel hij niet verre is van een iegelijk van ons. 28 Want in hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij, gelijk ook eenigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslachte. 29 Wij dan zijnde Gods geslachte, moeten niet meeiiendat de Godheid goud of zilver of steen gelijk zij, welke door men-schenkunst en bedenking gesneden zijn. 30 God dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu allen menschen alom dat zij zich bekeeren: 31 daarom dat hij eenen dag gesteld heeft op welken hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordeelen, door eenen man dien hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl hij hem uit de dooden opgewekt heeft. 32 Als zij nu van de opstanding der dooden hooiden, spotteden sommigen daarmede, en sommi- i gen zeiden: Wij zullen u weder-i om hiervan hooren. i 33 En alzoo is Paulus uit het | midden van hen weggegaan; 34 doch sommige mannen hingen hem aan en geloofden, onder i welke was ook Dionysius de j Areopagiet, en eene vrouw met 1 name Damaris, en anderen met hen. HOOFDSTUK 18. En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Corinthe, 2 en vond eenen zekeren Jood met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië |
HANDELINGEN 18.
178
|
gekomen was, en Priscilla zijne j vrouw, (omdat ClaudhiB bevolen i had dat alle de Joden uit Rome i vertrekken zouden), en iiij ging ! tot hen; 3 en omdat hij van hetzelfde | handwerk was, bleef hij bij hen | en werkte; want zij waren ten- i tenmakers van handwerk. 4 En ^ hij liandelde op eiken j sabbat in de Synagoge, en bewoog tol_ het geloof Joden en Grieken, i 5 En als Silas en Timotheüs i van Macedonië afgekomen waren, i werd Paul us door den Geest ge- I drongen, betuigende den Joden dat Jezus is de Christus. 6 Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijne kleederen af en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein, en van nu af zal ik tot de heidenen henengaan. 7 En van daar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van eenen man met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan ! de Synagoge. 8 En Crispus de overste der ! Synagoge geloofde aan den Heere j met geheel zijn huis, en velen van de Gorinthiërs hem hoorende ' geloofden en werden gedoopt. 9 Eu de Heere zeide tot Pau- i lus door een gezicht in den nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet; 10 want ik ben met u, en nie- ; mand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen ; want ik ; heb veel volks in deze stad. 11 En hij onthield zich aldaar j een jaar en zes maanden, leerende j ouder hen het woord Gods. 12 Maar als Gallio Stadhouder I van Achaje was, stonden de Joden eendrachtiglijk tegen Paulus ' op, en brachten hem voor den rechterstoel, 13 zeggende: Deze raadt den menschen aan, dat ze God zou- ' den dienen tegen de wet. 14 En als Paulus zijnen mond [ zoude opendoen, zeide Gallio tot â de Joden: Zoo daar eenig onge- ! lijk of kwaad stuk hegaan ware, ! o Joden, zoo zoude ik met reden ulieden verdragen, I |
15 maar indien daar geschil is over een woord en namen en over de wet die onder u is, zoo zult gijzelve toezien, want ik wil | over deze dingen geen rechter zijn. 16 En hij dreef ze weg van den rechterstoel. 17 Maar alle de Grieken namen Sosthenes den overste der Synagoge en sloegen hem voor den rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan. 18 En als Paulus daar nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en voer van daar naar Syrië, en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Cenchrea geschoren hebbende, want hij had eene gelofte (/erfaaw. 19 En hij kwam te Efeze aan, en liet ze aldaar; maar hij ging in de Synagoge en handelde met de Joden. 20 En als zij baden dat hij langer bij hen blijven zoude, bewilligde hij het niet, 21 maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet noodzakelijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeeren, zoo God wil; en hij voer weg van Efeze. 22 En als hij te Oesaréa was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar An-tiochië; 23 en als hij aldaar eenigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde ^ vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende alle de discipelen. 24 En een zekere Jood met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. 25 Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van Geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk den doop van Johannes; 26 en ieze begon vrij moediglij k te spreken in de Synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem |
HANDELINGEN 19.
179
|
tot zich en leiden hem den weg Gods nauwkeuriger uit. 27 En als hij wildenaar Achaje reizen, schreven de broeders, hem vermaand hebbende, aan de discipelen dat zij hem ontvangen zouden; welke daar gekomen zijnde veel beeft toegebracht aan degenen die geloofden door de genade. 28 Want bij overtuigde de Joden met grooten ernst in 't openbaar, bewijzende door de Schriften dat Jezus de Christus was. HOOFDSTUK 19. En het geschiedde terwijl Apollos te Corinthe was, dat Paulus de bovenste deelen des lands doorreisd hebbende te Efeze kwam; en eenige discipelen aldaar vindende, 2 zeide hij tot hen: Kebt gij den Heiligen Geest ontvangen als gij geloofd hebt ? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord of daar eeu Heilige Geest is. 3 En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In den doop van Johannes. 4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk dat zij gelooven zonden in ilengenen die na hem kwam, dat /s in Christus Jezus. 5 En die hem hoorden werden gedoopt in den naam des Hecren Jezus; 6 en als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken met vreemde talen en profeteerden. 7 En alle deze waren omtrent twaalf mannen. 8 En hij ging in de Synagoge en sprak vrijmoediglijk drie maanden lang, met hen handelende en hun aanradende do zaken van het Koninkrijk Gods. 9 Maar als sommigen verhard werden en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van den weg des Bceren voor do menigte, week hij van hen en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. |
10 En dit geschiedde twee jaren lang, alzoo dat allen die in Azië woonden het Woord des Heeren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken. 11 En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus, 12 alzoo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken» en dat de ziekten van hen weken en de booze geesten van hen uitvoeren. 13 En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel' bezweerders, hebben zich onderwonden den naam des Heeren Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, dien Paulus predikt. 14 Leze nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Jood-schen O verpriester, die dit deden. 15 Maar de booze geest antwoordende zeide : Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij ? 1G En do mensch in welken de booze geest was sprong op hen, en hen meester geworden zijnde kreeg hij de overhand j tegen hen, alzoo dat zij naakt i en gewond uit dat huis ontvlo-j den. 17 En dit werd allen bekend, : beiden Joden cn Grieken die te ' Efeze woonden, en daar viel i een vreeze over hen allen, en de naam des Heeren Jezus werd j groot gemaakt. 18 En velen dergenen die ge-I loofden kwamen, belijdende en j verkondigende hunne daden. 19 Velen ook dergenen dio ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijéén en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid, en berekenden do waarde derzelve, en bevonden vijftigduizend zilveren penningen. 20 Alzoo wies het Woord dc-a |
HANDELINGEN 19.
180
|
Heeren met macht en nam de overhand. 21 En als deze dingen volbracht waren, nam Panlus voor in den geest Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende; Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Kome zien. 22 En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen die hem dienden, namelijk Ti-motheüs en Erastns, bleef hij zelf eenen tijd lang in Azië. 23 Maar op dienzelfden tijd ontstond daar geene kleine beroerte vanwege den weg des Heer en. 24 Want een met name Demetrius, een zilversmid die kleine zilveren tempelen^ van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe; 25 welke hij te zamen vergaderd hebbende met de handwerkersvan dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben ; ^ 26 en gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk niet alleen van Efezc^ maar ook bijna van geheel Azië overreed cn afgekeerd heeft, zeggende dat het geen goden zijn die met handen gemaakt worden; 27 en wij zijn niet alleen in gevaar dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de groote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook hare majesteit zal tenondergaan, aan welke gansch Azië en de geheele wereld godsdienst bewijst. 26 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid en riepen, zeggende: Groot is de Diana der Efeziërs! 29 En de geheele stad werd vol verwarring, en zij liepen met een gedruisch eendrachtiglijk naar do schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. 30 En als Paulus tot het volk |
wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe; 31 en sommigen ook der overeten van Azië, die hem vrienden ^ waren, zonden tot hem en baden ^ dat hij zichzelven op de schouw-jf1pn(ie plaats niet zoude begeven. ü 32 Zij riepen dan de een dit, o 35 de ander wat anders; want de p.preiS(l vergadering was verward, en het ^â¢n; Dieereiideel wist niet om wat / oorzaak zij te zamen gekomen waren. 83 En zij deden Alexander uit de schare voorkomen , al zoo hem de Joden voortstieten; en Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 34 Maar als zij verstonden dat hij een Jood was, werd daar ééne stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Efeziërs! 35 En als de Aasschrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Efeze, wat mensch is er toch die niet weet, dat de stad der Efeziërs de tempelbewaarster is van de groote godin Diana, en van het beeld dat uit den hemel gevallen is? 36 Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zoo is het behoorlijk dat gij stil zijt en niets onbedachts doet. 37 Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkroo-vers zijn noch uwe godin lasteren. 38 Indien dan nu Demetrius en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand eenige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden en daar zijn Stadhouders: laat ^ze elkander verklagen. 39 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in eene wettelijke vergadering beslecht worden. 40 Want wij staan in gevaar dat wij van oproer zullen ver-klaagd worden om den dag van heden, alzoo daar geene oorzaak is waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende liet hij de vergadering gaan. |
HANDELINGEN 20.
181
|
HOOFDSTUK 20. Nadat nu het oproer gestild was, Paulus do discipelen tot zich geroepen ^ en gegroet hebbende, ging uit om naar Mace-vn /7«'/ donië te reizen. ant de ^ .^n a^s *quot;â¢) deelen door-en }iet|sereisd en hen met vele redenen ââi vermaand had, kwam hij in komen Griekenland; 3 en als hij aldaar drie maanden doorgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden als hij naar Syrië zoude varen, zoo werd hij van zin weder te keeren door Macedonië. 4 En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Beréa, en van de Thessalonicenzen Aris-tarchus en Secundus, en Gajus van Derbe, en Timothsüs, en van die van Azië Tychicua en Trofimus; 5 deze voor henen gegaan zijnde wachtten ons te Troas. 6 Wij nu voeren at van Filippi na de dagen der ongeheyelde hrooden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden. 7 En op den eersten dag der week, als do discipelen bij één-gekomen waren om brood te breken, handelde Paulus mot hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot middernacht ^ 8 en daar waren vele lichten in de opperzaal, waar zij vergaderd waren. 9 En een zeker jongeling met name Eutychus zat in het venster, en met eenen diepen slaap overvallen zijnde, alzoo Paulus lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen. 10 Doch Paulus afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende zeido hij: Weestniet beroerd, want zijne ziel is in hem. 11 En als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken en taal gegeten had, en lang tot den hem de Jr over-ri enden i baden cliouw- |
dageraad toe met hen gesproken had, vertrok hij alzoo. 12 En zij brachten den knecht levend, en waren bovenmate vertroost. 13 Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wrij Paulus zouden innemen; want hij had het alzóó bevolen, en hij zelf zoude te voet gaan. 14 En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mity-léne; 15 en van daar afgevaren zijnde kwamen wij den volgenden dao tegen Chios over, en des anderen daags leiden wij aan to Samos, en bleven te Trogylliura, en den dag daarna kwamen wij te Miléte. 16 Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zoude verslijten; want hij spoedde zich, om (zoo het hem mogelijk ware) op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij zond van Milcte naar Efeze, en hij ontbood do Ouderlingen der gemeente; 18 en als zij tot hem gekomen waren zeide hij tot hen: Gijlieden weet,f van den eersten dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den ganschen tijd geweest beu, 19 dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden; 20 hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was. dat ik u niet zoude verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizon, 21 betuigende beiden Joden en Grieken de bekeering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus. 22 En nu zie, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar ontmoeten zal, 23 dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeg- |
HANDELINGEN 21.
182
|
gendo dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. 24 Maar ik acht op geen ding, noch hond mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijnen loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods. 25 En nu zie, ik weet dat gij allen, waar ik doorgegaan ben predikende liet Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult. 20 Daarom betuig ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van al 1 en; '21 want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zoude verkondigd hebben al den raad Gods. 28 Zoo hebt dan acht op uzelve, en op de geheele kudde over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke hij verkregen heeft door zijn eigen bloed. 29 quot;Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; 30 en uit uzelve zullen mannen opstaan sprekende verkeerde dingen, om de discipelen ai' te trekken achter zich. 31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren ïang nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. 32 En nu broeders, ik beveel u Gode en den Woorde zijner genade, die machtig is op te bouwen en u een erfdeel te geven onder alle de geheiligden. 33 Ik heb niemands zilver of goud of kleeding begeerd; 34 en gijzelve weet, dat deze handen tot mijne nooddruft, en dengenen die met mij waren, gediend hebbem 35 Ik heb u in alles getoond, dat ^ men alzóo arbeidende de zwakken moet opnemen, en ge-clenken aan de woorden des Hoeren Jezus, dat hij gezegd heeft: liet is zaliger te geven dan te ontvangen. |
36 En als hij dit gezegd had. heeft hij nederknielende met hen allen gebeden. 37 Eu daar werd een groot geween van hen allen: en zij vallende om den hals van Paulus kusten hem, 38 zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip. HOOFDSTUK 21. En als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zoo liepen wij rechtuit en kwamen te Cos, en den dap daaraan te Ehodus, en van daar te Patara. 2 En een schip gevonden hebbende dat naar Fenicië overvoer, gingen wij er in en voeren af. 3 En als wij Cyprus in 't gezicht gekregen en dat aan do linkerJiand gelaten h ;dden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen. 4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zoude opgaan naar Jeruzalem. 5 Toen het nu geschiedde dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad, en aan den oever nederknielende hebben wij gebeden; 6 en als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zijlieien keerden wederom elk naar het zijne. 7 Tv ij nu de vaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemaïs, en de broeders gegroet heibende, bleven eene» dag bij hen. 8 En des anderen daarj - gingen Paulus en wij die met hem waren van daar en kwamen te Cesarca, en gegaan zijnde ia |
|
HANDEL het liTiïs van Fiiippiia den Evangelist, (die ecu was van de zeven), bleven wij Lij liem. 9 Deze nu had vier dochters, noo maagden, die profeteerden. 10 En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker Proleet at' van Judéa, met name Agabns: 11 en hij kwam tot ons, en nam den gordel van Pan lus. en zichzelven l'anden en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzóó te Jeruzalem binden, en overleveren inde handen der heidenen. 12 Als wij nu dit^ hoorden, baden beide wij en die van die plaats waren, dat hij niet zonde opgaan naar Jeruzalem. 13 Maar Paulns antwoordde: Wat doet gij dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar cok te sterven te Jeruzalem voor den naam des Heeren Jezus. 14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede. 15 En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen óp naar Jeruzalem; 16 en met ons gingen ook sommiijen dor discipelen van Cesaréa, leidende met zich een zekeren Mnason van Cyprus, eenen ouden discipel, bij denwelken wij zouden tehuis liggen. 17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blij del ijk. 18 En den volgenden dag ging Paulns met ons in tot Jacobus; en alle de Ouderlingen waren daar gekomen. 19 En als hij ze gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijnen dienst gedaan had. 20 En zij dat gehoord hebbende, looi'den den _ Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet broeder, hoevele duizenden van Joden daar zijn die gelooven, en zij |
:KGEN 21. 183 zijn allen ij veraars roor de wet; 21 en zij zijn aangaande u bericht, dat gjj alle de Joden die onder de heidenen zijn leert van Mozes afvallen, zeggende dat zij de kinderen niet zonden besnijden noch naar de wijzen der i:et wandelen. 22 Wat is er dan ie doen?liet is zeer noodig dat de menigte samenkome; want zij zullen hooren dat gij gekomen zijt. 23 Doe dan hetgeen wij u zeggen. Wij hebben vier mannen die een gelofte gedaan hebben : 24 neem deze tot u, en heilig n met hen, en doe do onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen; en allen mogen weten, dat er niets is aan hetgeen waarvan zij aangaande u bericht zijn, maar dat gij alzóó wandelt, dat gij ook zelf de wet onderhoudt. 25 Doch van de heidenen die gelooven hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhonden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij. 26 Toen nam Paulns demannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde-dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeolferd was. 27 Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in den Tempel, en beroerden al het volk , en sloegen de handen aan hem, 28 roepende: Gij Israëlitische-mannen, komt te hulp! Deze is de mensch die tegen het volk en de wet en deze plaats allen overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den Tempel gebracht en heeft deze heilige plaats ontheiligd. 29 Want zij hadden te voren Trofimus den Efeziër met hem in de stad gezien, welken zij |
II INDELINGEN 22.
184
|
meenden dat Paul us in den Tempel gebracht had. 30 Eu cle geheele stad kwam in beroering, en het volk liep te zamen, en zij grepen Paul us en trokken hem buiten den Tempel; en terstond werden de deuren gesloten. 31 En als zij hem zochten te dooden, kwam het gerucht tot den overste^ der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was; 32 welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu den overste en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan. 33 Toen naderde do overste en greep hem, en beval dat men hem met twee ketenen zoude binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had. 34 En onder de schare riep de één dit, de ander wat anders: doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij dat men hem in de legerplaats zoude brengen. 35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het dat hij van de krijgsknechten gedragen werd, vanwege het geweld der schare; 36 want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem! 37 En als Paulus nu in de legerplaats zoude geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken ? En hij zeide: kent gij Gricksch ? 38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen oproer verwekte en de vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde ? 39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Joodsch man van Tarsus, een burger van eene niet onver-niaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. 40 En als hij het toegelaten had, Paulus staande op de trappen wenkte met de hand tot het volk en als daar groote stilte geworden was, sprak hij ze aan | in de Hebreeuwsche taal, zeg- 1 gende: |
HOOFDSTUK 22. Mannen broeders en vaders, hoort mijne verantwoording die ik tegenwoordig tot u doen zal. 2 (Als zij nu hoorden dat hij in de Hebreeuwsche taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:) 3 Ik ben een Joodsch man, te Tarsus in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten Gamaliels onderwezen naar de nauwgezetste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods gelijkerwijs gij allen heden zijt; 4 die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in do^ gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen: 5 gelijk mij ook de IIoogepriester getuige is, en de geheele Raad der Ouderlingen; van de-welken ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, bennaar Damascus gereisd, om ook degenen die daar waren gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. 6 Maar het geschiedde mij als ik reisde en Damascus genaakte, omtrent den middag, datsnellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen; 7 en ik viel ter aarde, en ik hoorde eene stem tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? 8 En ik antwoordde: Wie zijt gij Heere? En hij zeide tot mij: Ik beu Jezus de Nazarener .velken gij vervolgt. 9 En die met mij waren zagen wel heb licht, en werden zeer bevreesd, maar de stem desgenen die tot mij sprak hoorden zij niet. 10 En ik zeide: TIeere, wat zal ik doen? En de Heere zeide tot mij: Sta op en ga henen naar Damascus, en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen u geordineerd is te doen. 11 En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, |
HANDELINGEN 23.
185
|
. zoo werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damascus. 12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, yoede getuigenis hebbende van alle de Joden die Jaar woonden, 13 kwam tot mij, en bij mij staande zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hem. 14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd om zijnen wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit zijnen mond te hoeren ; 15 want gij zult hem getuige zijn bij alle menschen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. 16 En nu wat vertoeft gi; ? Sta op, en laat u doopen en uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Heeren. 17 En het gebeurde mij als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in den Tempel bad, dat ik in eene vertrekking van zinnen was, 18 en dat ik hem zag, en hij tot mij zeide: Spoed u en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uwe getuigenis van mij niet aannemen. 19 En ik zeide: Heere,zij weten dat ik in de gevangenis wierpen in de Synagogen geeselde die in u geloofden; 20 en toen het bloed van Stefa-nus uwen getuige vergoten werd, dat ik daar óók bijstond; en mede een welbehagen had in zijnen dood, en de kleederen bewaarde dergenen die hem doodden. 21 En hij zeide tot mij: Ga henen, want ik zal u ver tot de heidenen afzenden. 22 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hunne stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk eenen, want het is niet behoorlijk dat hij leve. 23 En als zij riepen en de kleederen van zich smeten en stof in de lucht wierpen, |
24 zoo beval de overste dat men hem in de legerplaats zoude brengen, en zeide dat men hem met geeselen onderzoeken zoude, opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzoo over hem riepen. 25 En alzoo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd die daar stond: Is het ulieden geoorloofd eenen Romeinschen mensch, en dien onveroordeeld, te geeselen ? 26 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij too en boodschapte het den overste, zeggende: Zie wat gij te doen hebt; want deze man is een Eomein. 27 En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, züt gij een Romein? En hij zeide: Ja. 28 En de overste antwoordde : Ik heb dit burgerrecht voor eeno groote som geld verkregen En Paulus zeide : Maar ik ben ook een burger geboren. 29 Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben; en de overste werd óók bevreesd, toen hij verstond dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden. 30 En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval dat de Over-priesters en hun geheele Raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende stelde hij hem vóór hen. HOOFDSTUK 23. En Paulus de oogen op den Raad houdende, zeide: Mannen broeders, ik heb met alle goede conscientie voor God gewandeld tot op dezen dag. 2 Maar de Hoogepriester Ananias beval degenen die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand. Zit gij ook om mij te oordeelen naar de wet, en beveelt gij tegen de wet dat men mij zal slaan? 4 En die daarbij stonden zeiden: Scheldt gij den Hoogepriester Gods ? |
HANDELINGEN 23.
186
|
5 En Paiilns zeide: ik Tnet niet, broeders, dat het de Hooge-priester was; want daar is ge-sclireven^Den overste uwsvolks zult gij niet vloeken. 6 En Paulus weteude dat het ééne deel was van de Sadduceërs en het andere van de Farizeërs, riep in den Eaad: Mannenbroeders, ik ben een Farizeër, eens Farizeërs zoon: ik word over de hoop en opstanding der dooden geoordeeld; 7 En als hij dit gesproken had, ontstond daar tweedracht tus-echen de Farizeërs en de Sadduceërs, en do menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceërs ^ zeggen dat er geene opstanding is, noch Engel of geest; maar de Farizeërs belijden het beide, 9 En daar geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeërs stonden op en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mensch; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een Engel, laat ons tegen God niet strijden. 10 En als daar groote tweedracht ontstaan was, de overste vreezende dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zoude afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen. 11 En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuigd hebt, alzoó moet gij ook te Rome getuigen. 12 En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden eene samenrotting, en vervloekten zichzelve, zeggende dat zij noch eten noch drinken zouden totdat zij Paulus zouden gedood hebben. 13 En zij waren meer dan veertig die dezen eed te zamen gedaan hadden; |
14 dewelke gingen totdeOver-priesters en de Ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszelve met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 Gij dan nu, laat den overste weten met den Raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nader kennis zoudt nemen van zijne zaken: en wij zijn bereid hem om te brengen eer hij bij u komt. 16 En als de zoon van Paulus zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus. 17 En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling henen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen. 18 Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen, 19 De overste nu nam hem bij de hand, en terzijde gegaan zijnde vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen? 20 En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen om van u te begeeren, dat gij Paulus morgen in den Raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. 21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelve met eene vervloeking verbonden hebben, noch te eten noch te drinken totdat aij hem zullen omgebracht hebben: en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. 22 De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en |
HANDELINGEN 24.
1S7
|
tweehonderd soluitters, tegen de derde ure des nachts; 24 en laat ze zaddbeesten be-: stellen, opdat zij Panlua daarop zetten en behouden overbrengen tot den Stadhouder Felix. 25 En hij schreef eenen brief, hebbende dezen inhoud: 20 Claudius Lysias aan den raachtigsten Stadhouder Felix « gröetenia. 27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen vras, en van hen omgebracht zoude geworden zijn, ben ik daarover gekomen met liet krijgsvolk, en heb hem hun j ontnomen, bericht zijnde dat hij ; een Romein is; 28 en willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hunnen Baad; 20 welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet, maar geene beschuldi-; ging tegen hem te zijn dia den dood of banden waardig is. 30 En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden eene Jage tegen dezen man geleodzoude worden, zoo heb ik hein terstond aan u gezonden, gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel. 31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paul us en brachten hem des nachts te Antipatris; 32 en des anderen daags, latende do ruiters met hem trekken keerden zij wederom naar de legerplaats. 33 Dewelke als zij te Cesaréa gekomen waren en den brief den â¦Stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus vóór hem gesteld. 34 En de Stadhouder den brief gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij was; en verstaande dat hij van Cilicië was, 35 zeide hij: Ik zal u hooren als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het Rechthuis van Herodes zoude bewaard worden. |
HOOFDSTUK 24. En vij f dagen daarna k wam de I Hoogepriester Ananias af met do 1 Ouderlingen en eenen zekeren | voorspraak genaamd Tertullus, j dewelke verschenen voor den | Stadhouder tegen Paulus. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: 3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat vele lollelijke diensten dezen volke geschieden door uwe voorzichtigheid, inach-tigste Felix, nemen wij gansche-lijk en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, korte-lijk hoort. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn eene pest, en een die oproer verwekt onder alle de Joden door de era««cfo wereld, en een opperste voorstander van de sekte der Nazareners: 6 die ook gepoogd heeft den Tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordeelen. 7 Maar Lysias de overste daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht, 8 gebiedende zijne beschuldigers tot u te komen: van denwelko gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzoo waren. 10 Maar Paulus, als hem de Stadhouder gewenkt had dat hij zoude spreken, antwoordde: Dewijl ik weet dat gij nu vele jaren over dit volk rechter geweest zij t, zoo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed: 11 alzoo gij kunt weten dat hefc niet meer dan twaalf da.^en zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem. 12 En zij hebben mij noch in den Tempel gevonden tot iemand sprekende of eenige samenrotting |
HANDELINGEN 22.
1S4
|
raeeuden dat Paul us in Tempel gebracht had. 30 En de geheele stad kwam in beroering, en het volk liep te zamen, en zij grepen Paul us en trokken hem buiten den Tempel; en terstond werden de deuren gesloten. 31 En als zij hem zochten te dooden, kwam het gerucht tot den overstelt; der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was; 32 welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu den oyerste en de krijgsknechten ziende, hielden op van Faulus te slaan. 33 Toen naderde de overste en greep hem, en beval dat men hem met twee ketenen zoude binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had. 34 En onder de schare riep de één dit, de ander wat andere: doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij dat men hem in de legerplaats zoude brengen. 35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het dat hij van de krijgsknechten gedragen werd, vanwege het geweld der schare; 36 want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem! 37 En als Paulus nu in de legerplaats zoude geleid worden, zeide hij tot den overste; Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken ? En hij zeide: kent gij Grioksch ? 38 Zijt gij dein niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen oproer verwekte en de vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde ? 39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Joodsch man van Tarsus, een burger van eene niet onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. 40 En als hij het toegelaten i had, Paulus staande op de trappen 1 wenkte met de hand tot het | volk en als daar groote stilte ! den |
geworden was, sprak hij ze aan in de Hebreeuwsche taal, zeggende : HOOFDSTUK 22. Mannen broeders en vaders, hoort mijne verantwoording die ik tegenwoordig tot u doen zal. 2 (Als zij nu hoorden dat hij in de Hebreeuwsche taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:) 3 Ik ben een Joodsch man, te Tarsus in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan do voeten Gamaliels onderwezen naar de nauwgezetste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ij veraar Gods gel ijkerwijs gij allen heden zijt; 4 die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in do^ gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen: 5 gelijk mij ook de Hooge-priester getuige is, en de geheele Kaad der Ouderlingen; van de-welken ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, bennaar Damascus gereisd, om ook degenen die daar waren gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. 6 Maar het geschiedde mij als ik reisde en Damascus genaakte, omtrent den middag, datsnellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen; 7 en ik viel ter aarde, en ik hoorde eene stem tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? ^ 8 En ik antwoordde: Wie zijt gij Heere? En hij zeide tot mij: Ik ben Jezus de Nazarener welken gij vervolgt. 9 En die inet mij waren zagen wel her. licht, en werden zeer bevreesd, maar de stem desgenen die tot mij sprak hoorden zij niet. 10 En ik zeide: TIeere, wat zal ik doen.3 En de Heere zeide tot mij: Sta op en ga henen naar Damascus, en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen u geordineerd is te doen. 11 En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, |
HANDELINGEN 23.
185
|
zoo werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damascus. 12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van alle de Joden die Jaar woonden, 13 kwam tot mij, en bij mij staande zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hem. 14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd om zijnen wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit zijnen mond te hoeren ; 15 want gij zult hem getuige zijn bij alle menschen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. 16 Eu nu wat vertoeft gij? Sta op, en laat u doopen en uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Heeren. 17 En het gebeurde mij als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in den Tempel bad, dat ik in eene vertrekking van zinnen was, 18 en dat ik hem zag, en hij tot mij zeide: Spoed u en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uwe getuigenis van mij niet aannemen. 19 En ik zeide: Heere, zij weten dat ik in de gevangenis wierp en in de Synagogen geeselde die in u geloofden; 20 en toen het bloed van Stefa-nus uwen. getuige vergoten werd, dat ik daar óók bijstond; en mede een welbehagen had in zijnen dood, en de kleederen bewaarde dergenen die hem doodden. 21 En hij zeide tot mij: Ga henen, want ik zal u ver tot de heidenen afzenden. 22 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hunne stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk eenen, want het is niet behoorlijk dat hij leve. 23 En als zij riepen en de kleederen van zich smeten en stof in de lucht wierpen, |
24 zoo beval de overste dat men hem in de legerplaats zoude brengen, en zeide dat men hem met geeselen onderzoeken zoude, opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzoo over hem riepen,. ze aan 1, z eg- nadere, ng dio lat hij 1 heu ch te an, te [ opge- oeten ar de irlijke Gods izijt; I heb in in â¢ende 25 En alzoo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd die daar stond: Is het ulieden geoorloofd eenen Romeinschen mensch, en dien onveroordeeld, te geeselen ? 2(5 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe en boodschapte het den overste, zeggende: Zie wat gij te doen hebt; ^ want deze man is een Romein. 27 En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja. 28 En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht vooreeno groote som yeld verkregen En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren. 29 Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben; en de overste weni óók bevreesd, toen hij verstond dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden. 30 En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval dat de Over-priesters en hun geheele Raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende stelde hij hem vóór hen. HOOFDSTUK 23. En Paulus de oogen op den Raad houdende, zeide: Mannen broeders, ik heb met alle goede conscientie voor God gewandeld tot op dezen dag. 2 Maar de Hoogepriester Ananias beval degenen die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand. Zit gij ook om mij te oordeelen naar de wet, en beveelt gij tegen de wet dat men mij zal slaan? 4 En die daarbij stonden zeiden : Scheldt gij den Hoogepriester Gods? |
HANDELIKGEN 23.
186
|
5 En Pauliia zeide: ik wiet niet, broeders, dat het de Hooge-priester was; want daar is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken. 6 En Paulus wetende dat het ééne deel was van de Sadduceërs en het andere van de Farizeërs, riep in den Eaad: Mannenbroeders, ik ben een Farizeër, eens Farizeërs zoon: ik word over de hoop en opstanding der dooden geoordeeld; 7 En als hij dit gesproken had, ontstond daar tweedracht tus-sclien de Farizeërs^ en de Sadduceërs, en de menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceërs zeggen dat er geene opstanding is,_nqch Engel of geest; raaar de Farizeërs belijden het beide. 9 En daar geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeërs stonden op en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mensch; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een Engel, laat ons tegen God niet strijden. 10 En als daar groote tweedracht ontstaan was, de overste vreezende dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zoude afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen. 11 En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuigd hebt, al zóó moet gij ook te Rome getuigen. 12 En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden eene samenrotting, en vervloekten zichzelve, zeggende dat zij noch eten noch drinken zouden totdat zij Paulus zouden gedood hebben. 13 En zij waren meer dan veertig die dezen eed te zamen gedaan hadden; |
14 dewelke gingen tot de Over-priesters en de Ouderlingen, en aeiden: Wij hebben onszeive met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 Gij dan nu, laat den overste weten met den Raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nader kennis zoudt nemen van zijne zaken: en wij zijn bereid hem om te brengen eer hij bij w komt. 16 En als de zoon van Paulus zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus. 17 En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling henen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen. 18 Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 De overste nu nam hem bij de hand, en terzijde gegaan zijnde vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen? 20 En hij zeide: De Joden zijn overééngekomen om van u te begeeren, dat gij Paulus morgen in den Raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. 21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelve met eene vervloeking verbonden hebben, noch te eten noch te drinken totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. 22 De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en iweeho lerde , 24 ei «tellen toetten ttut de: 25 E hebbei 20 C macht groete ' 27 I den f om gel ben i ihet k lontno een T! 28 e vraaro brach Raad 20 i digd ner t ging dood 30 ; ven ^ laget word aan i de b( pen 1 den. 31 lijk Paul nach |
|
HANDEL , nieta iweelionderd schutters, tegen de it wij Berde ure des nachts; ben. ') 24 en laat ze zarfelbeeeten be-â verste fctellen, opdat zij Paul us daarop ij hem potten en behouden overbrengen sof gij not den Stadhouder Felix. n van i 25 Eu hij schreef eenen brief, bereid [hebbende dezen inhoud: I bij it 2G Claudius Lysias aan den Iraachtigsten Stadhouder Felix 'aulua jgroetenia. had, 27 Alzoo deze man van de Jo-de Ie- iden gegrepen was, en van hen 5 het omgebracht zoude geworden zijn, ben ik daarover gekomen met :h een liet krijgsvolk, en heb hem hun hon- ontnomen, bericht zijnde dat hij i jon- een Romein is; ïrste; 28 en willende de zaak weten bood- waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hunnen racht Raad; eide: 20 welken ik bevond beschul-t mij digd te worden over vragen hun-ddat ner wet, maar geene beschuldi-oudo ging tegen hem te zijn die den zeg- dood of banden waardig is. 30 En als mij te kennen gege-tnbij ven was, dat van de Joden eeno ijnde lage tegen dezen man fjelefjd zoude t gij worden, zoo heb ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook izijn de beschuldigers voor u te zeg-u te gen hetgeen zij tegen hem had-rgen den. Vaarwel. igen, 31 De krijgsknechten dan, ge-zou- lijk hun bevolen was, namen Paul us en brachten hem des vant nachts te Antipatris; l uit 32 en des anderen daags, lat,en-elke de do ruiters met hem trekken doe- keerden zij wederom naar de le-loch gerplaats. tot- 33 Dewelke als zij te Cesarea â¢icht gekomen waren en den brief den eed. Stadhouder overgeleverd hadden, ?ing hebben zij ook Paulus vóór hem , gesteld. , T . . den 34 En de Stadhouder tien hucj ide: gelezen hebbende, vraagde uit mij wat provincie hij was; en verstaande dat hij van Cilicië was, ofu- 35 zeide hij: Ik zal u hooren 'ich a]s ook llw beschuldigers hier bij '⢠zullen gekomen zijn. En hij be-!ch- val dat hij in het Rechthuis irea van Herodes zoude bewaard wor-den. |
NGEN 24. 187 HOOFDSTUK 24. En vijf dagen daarna kwam de Hoogepriester Ananiaa af met do Ouderlingen en eenen zekeren voorspraak genaanul Tertullus, dewelke verschenen voor den Stadhouder tegen Paulus. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: 3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volke geschieden door uwe voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij gansche-lijk en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, korte-lijk hoort. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn eene pest, en een die oproer verwekt onder alle de Joden door de {/a^scta wereld, en een opperste voorstander van de sekte der Nazareners: 6 die ook gepoogd heeft den Tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordeelen, 7 Maar Lysias de overste daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht, 8 gebiedende zijne beschuldigers tot u te komen: van denwelko gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzoo waren. 10 Maar Paulus, als hem de Stadhouder gewenkt had dat hij zoude spreken, antwoordde: Dewijl ik weet dat gij nu vele jaren over dit volk rechter geweest zij t, zoo verantwoord ik mij zei ven met des te beteren moed: 11 alzoo gij kunt weten dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem. 12 En zij hebben mij noch in den Tempel gevonden tot iemand sprekende of eetiige samcnrotiing |
HANDELINGEN 23.
186
|
5 En Paiilus zeide: ik wist niet, broeders, dat het de Hooge-priester was; want daar is geschreven r^Den overste uws volks zult gij niet vloeken. 6 En Paulus wetende dat het ééne deel was van de Saddnceërs en het andere van de Farizeërs, riep in den Baad: Mannen broeders, ik ben een Farizeër, eens Earizeërs zoon: ik word over de hoop en opstanding der dooden geoordeeld; 7 En als hij dit gesproken had, ontstond daar tweedracht tus-echen de Farizeërs^ en de Saddnceërs, en do menigte werd verdeeld. 8 Want de Saddnceërs _ zeggen dat er geene opstanding is, noch Engel of geest; maar de Farizeërs belijden het beide. 9 En daar geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeërs stonden op en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mensch; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een Engel, laat ons tegen God niet strijden. 10 En als daar groote tweedracht ontstaan was, de overste vreezende dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zoude afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen. 11 En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuigd hebt, alzoo moet gij ook te Rome getuigen. 12 En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden eene samenrotting, en vervloekten zichzelve, zeggende dat zij noch eten noch drinken zouden totdat zij Paulus zouden gedood hebben. 13 En zij waren meer dan veertig die dezen eed te zamen gedaan hadden; |
14 dewelke gingen totdeOver-priesters en de Ouderlingen, en aeiden: Wij hebben onszelve met vervloeking vervloekt, nieta te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 Gij dan nu, laat den overste weten met den Raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nader kennis zoudt nemen van zijne zaken: en wij zijn bereid hem om te brengen eer hij bij u komt. 16 En als de zoon van Paulua zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus. 17 En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling henen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen. 18 Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 De overste nu nam hem bij de hand, en terzijde gegaan zijnde vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen? 20 En hij zeide: De Joden zijn overééngekomon om van u te begeeren, dat gij Paulus morgen in den Raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. 21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelve met eene vervloeking verbonden hebben, noch te eten noch te drinken totdat aij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. 22 De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en |
*
HANDELINGEN 24.
107
|
tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts; 24 en laat ze zarfdbeeaten bestellen, opdat zij Panlus daarop zotten en behouden overbrengen tot den Stadhouder Felix. 25 En hij schreef eenen brief, hebbende dezen inhoud: 2G Claudius Lysias aan den maohtigsten Stadhouder Felix groe tenia. 27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zoude geworden zijn, ben ik daarover gekomen niet i het krijgsvolk, en heb hem hun | ontnomen, bericht zijnde dat hij 1 een Romein is; 28 en willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hunnen Raad; 20 -welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet, maar geene beschuldiging tegen hem te zijn die den dood of banden waardig is. 30 En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden eeno lage tegen dezen man oeleridzoude worden, zoo heb ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel. 31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Panlus en brachten hem des nachts te Antipatris; 32 en des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken keerden zij wederom naar de legerplaats. 33 Dewelke als zij te Cesaréa gekomen waren en den brief den Stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Panlus vóór hem gesteld. 34 En de Stadhouder den brie/ gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij was; en verstaande dat hij van Cilicië was, 35 zeide hij: Ik zal u hooren als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het Rechthuis van Herodes zoude bewaard worden. |
HOOFDSTUK 24. En vijf dagen daarna kwam de Hoogepriester Ananias af met de Ouderlingen en eenen zekeren voorspraak genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den Stadhouder tegen Paulus. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: 3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat veie loffelijke diensten dezen yolke geschieden door uwe voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij gansche-lijk en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, korte-lijk hoort. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn eene pest, en een die oproer verwekt onder alle de Joden door de (/az/scZ/e wereld, en een opperste voorstander van de sekte der Nazareners: 6 die ook gepoogd heeft den Tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordeelen, 7 Maar Lysias de overste daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht, 8 gebiedende zijne beschuldigers tot u te komen: van den welke gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzoo waren. 10 Maar Paulus, als hem de Stadhouder gewenkt had dat hij zoude spreken, antwoordde; Dewijl ik weet dat gij nu vele jaren over dit volk rechter geweest zij t, zoo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed: 11 alzoo gij kunt weten dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem. 12 En zij hebben mij noch in den Tempel gevonden tot iemand sprekende of eenige samenrotting |
HANDELINGEN 25.
183
|
dea Toïks makende, noch in do Synagogen, noch in de stad; 13 en zij kunnen niet bewijzen â waarvan zij mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik, naar dien weg welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzóó diene, geloovende alles wat in de Wet en in de Profeten geschreven is, 15 hebbende hope op God, welke dezo ook zelve verwachten, dat er eene opstanding der dooden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen; 1G en hierin oefen ik mijzelven, om altijd eene onergerlijke con-Bcieutie te hebben bij God en do menschen. 17 Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en ofl'eranden: 18 waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den Tempel, niet met volk noch met beroerte, eenige Joden uit Azië: ly welke behoorden hier vóór u tegenwoordig te zijn en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij. 20 Of dat deze zelve zeggen, of zij eenig onrecht in mij gevonden hebben als ik voor den Raad stond, 21 dan van dit éénig woord, hetwelk ik riep staande onder hen: Over de opstanding der dooden word ik heden van ulie-den geoordeeld. 22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij ze uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias de overste zal afgekomen zijn, zoo zal ik volle kennis nemen van uwe zaken. 23 En hij beval den hoofdman over honderd dat Paulus zoude bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zoude beletten hem te dienen of tot hem te komen. 24 En na sommige dagen Felix daar gekomen zijnde met Drusilla zijne vrouw, die eene Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van_ het geloof in Christus. |
25 En als hij handelde van rechtvaardigheid en matigheid en van het toekomend oordeel, Felix zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga henen, en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zoo zal ik u tot mij roepen: 2G en te gelijk ook hopende, dat hem van Faulus geld gegeven zoude worden opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak methem. 27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Fes-tus in zijne plaats; en Felix willende den Joden gunstbewijzen, liet Paulus gevangen. HOOFDSTUK 25. Festus dan in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesaréa óp naar Jeruzalem; 2 en de Hoogepriester en de voornaamsten der Joden verschenen vóór hem tegen Paulus, en baden hem, 3 begeerende gunst tegen hem, opdat hij hem zoude doen komen te Jeruzalem, en leggende eene lage om hem op den weg om to brengen. 4 Doch Festus antwoordde dat Paulus te Cesaréa bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zoude verreizen: 5 Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat^ zij mede afreizen, en zoo daar iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen. 6 En als hij onder hen niei meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesaréa; en des anderen daags op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij dat Paulus zoude voorgebracht worden. 7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van Jeruzalem afgekomen waren rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij n.et konden bewijzen; 8 dewijl hij zich verantwoordende zei'de: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den Tempel, noch tegen den Keize? iets gezondigd. |
HANDELINGEN
139
|
9 Maar Festns willende den .Toden gunstbewijzen, antwoordde Faulus en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? 10 En Paulus zeide: Ik eta voor den rechterstoel des Keizers, waar ik geoordeeld moet worden: den Joden heb ik geen cnrecht gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet. 11 Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen waarvan deze mij beschuldigen, zoo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den Keizer. 12 Toen antwoordde Festus, als hij met den Raad gesproken had: Hebt gij u op den Keizer beroepen, gg zult tot den Keizer gaan. 13 En als eenige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de Koning Agrippa en Bernice te Cesaréa om Festus te begroeten. 14 En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulue aan den Koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten; 15 om wiens wille, als ik te Jeruzalem was, de Overpriesters en de Ouderlingen der Joden verschenen, begeerende vonnis tegen hem: 16 aan dewelke ik antwoordde, dat de llomeinen de gewoonte niet hebben eenig mensch uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging. 17 Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zoo beu ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gebeten, en beval dat de man zoude voorgebracht worden: 18 over welken de beschuldigers hier s taande geene zaak hebben ingebracht waarvan ik vermoedde, |
19 maar hadden tegen hem eenige vragen van hunnen godsdienst, en van zekeren Jezus die gestorven was, welken Paulus zeide te leven. 20 En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden. 21 En als Paulus zich boricp dat men hem tot de kennisneming des Keizers bewaren zoude, zoo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden ter tijd toe dat ik hem tot den Keizer zenden zonde. 22 En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mensch hooren. En hij zeide: Morgen zult gij hem hooren. 23 Des anderen daags dan als Agrippa gekomen was en Bernice met groote pracht, en als zij ingegaan waren in het Rechthuis met de oversten over duizend en de mannen die de voornaamsten der stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht. 24 En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen alle, die met ^ ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij do gansche menigte der Joden Jieeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende dat hij niet meer behoort te leven. 25 Maar ik bevonden hebbende dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den Keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. 26 Van welken ik niets zekers heb aan den^ heere te schrijven; daarom heb ik hem voorulieden voorgebracht, en meest voor u. Koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat hebbe te schrijven ; 27 want het dunkt mij tegen rede, eenen gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen die tegen hem zijn te kennen to geven. HOOFDSTUK 26. En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd vooruzelven |
HANDELINGEN 26.
190
|
te spreken. Toen strekte Paulns de hand uit, en verantwoordde zich aldus: 2 Ik acht mijzelven gelukkig, o Koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles waarover ik van de Joden beschuldigd word ; 3 allermeest dewijl ik weet dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen die onder de Joden zijn: daarom bid ik u dat gij mij lankmoediglijk hoort. 4 Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten alle de Joden, 5 als die van over lang mij te voren gekend hebben, (indien zij het wilden getuigen), dat ik naar de nauwgezetste sekte van onzen godsdienst als een Farizeër geleefd heb. G En nu sta ik en word geoordeeld over de hope der belofte, die van God tot de vaderen geschied is; 7 tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen ; over welke hope ik, o Koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd. 8 Wat? Wordt het bij ulieden ongeloofelijk geoordeeld dat God de dooden opwekt? 9 Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den naam van Jezus van Nazareth vele wederpartij dige dingen moest doen; 10 hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de O verpriesters ontvangen hebbende ; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe; 11 en door alle de Synagogen heb ik ze dikwijls gestraft en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik ze vervolgd ook tot in de bui-teiilandsche steden. 12 En als ik daarvoor ook naar Damascus reisde, met macht en last welke ik van de Overprie?-ters had, |
13 zag ik, o Koning, in 't midden van den dag op den weg een licht, boven den glans der zon van den hemel mij en degenen, die met mij reisden omschijnende; 14 en als wij allen ter aardo nedergevallen waren, hoorde ik eene stem tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwscho taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan. 15 En ik zei de: Wie zijt gij, Heere ? En hij zeide: Ik ben Je zus, dien gij vervolgt. 16 Maar richt u op en sta op uwe voeten; want hiertoe ben ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige dei-dingen, beide die gij gezien hebt en in welke ik u noij zal verschijnen, 17 verlossende u van dit volk en van de heidenen, tot dewelke ik u nu zende 18 om hunne oogen te openen, en hen te bekeeren van de duis ternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de ge-heiligden, door het geloof in mij 19 Daarom, o Koning Agrippa ben ik dat hemelsch gezicht niet ongehoorzaam geweest, 20 maar heb, eerst dengenen die te Damascus waren, en te Jeruzalem, en in het geheeleland var Judéa, en den_ heidenen verkon digd, dat zij zich zouden beteren en tot God bekeeren, werker-doende der bekeering waardig. 21 Om dezer zaken wille hebben mi: de Joden in den Tempel gegrepen en gepoogd om te brengen. 22 Dan hulpe van God verkre gen hebbende, sta ik tot op dezer dag, betuigende beiden klein er groot, niets zeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes ge sproken hebben dat geschicdei: zoude quot;⢠23 namelijk dat de Christur lijden moest, en dat hij de eerste uit de opstanding der doodei.. |
HANDELING EN
Ã91
|
zijnde, een licht zoude verkondigen aan dit volk en aan de heidenen. 24 En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festas met grooto stem: Gij raast Paulns, de groote geleerdheid brengt u tot razernij. 25 Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festij, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand. 2ö Want de Kunihg weet van deze dingen, tot welke ik ; ook vrijmoedigheid gebruikende i Je- spreek: want ik geloof niet dat hem iets van deze dingen verborgen is, want dit is in geenen hoek geschied. 27 Gelooft gij, o Koning Agrip-pa, de Profeten? Ik weet dat gij ze gelooft. 28 En Agrippa zeide totPaulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden. 29 En Paulus zeide: Ik wenschte wel van God, dat èn bijna ènge-heellijk, niet alleen gij maar ook allen die mij heden hooren, zoo-danigen werden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden. 30 En als hij dit gezegd had, stond de Koning^ op, endeStad-houder, en Bernice, en die met hen gezeten waren; 31 en aan eene zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mensch doet niets des doods of der banden waa'rdig. 32 En Agrippa zeide tot Fes-tus: Deze mensch kon losgelaten worden, indien hij zich op den Keizer niet had beroepen. HOOFDSTUK 27. En als het besloten was dat wij naar Italië zonden afvaren, leverden zij Paulus en eenige andere gevangenen over aan eenen hoofdman over honderd met name Julius, van de keizerlijke bende. 2 En m een Adramytteensch schip gegaan zijnde, alzoo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aris-tarchüs de Macedoniëi van Thes-salonica was met ons. |
3 En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon ; en Julius vriendelijk met Paulns handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan om van hen verzorgd te worden. 4 En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus honen omdat de winden ons tegen waren ; 5 en de zee, die langs Cilicië en Pamfylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra en Lycië. G En de hoofdman aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandrië, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan. 7 En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Cnidus gekomen waren, overmits de wind het ons niet toeliet, zoo voeren wij onder Creta henen, tegenover Sal-rnone; 8 en hetzelve nauwelijks voor-bijzeilende, kwamen wij in eene zekere plaats genaamd Schoone-havens, waar de stad Lasea nabij was. 9 En als er veel tijd verloopen en de vaart nu zorglijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande ze Paulns 10 en zeide tot hen: Mannen, ik zie dat de vaart zal geschieden met hinder en groote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven. 11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman cn den schipper dan hetgeen van Paulus gezegd werd. 12 En alzoo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meeremZceZ geraden ook van daar te varen, of zij soms te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde eene haven in Creta, strekkende tegen het Zuidwesten en tegen het Noordwesten. 13 En alzoo de zuidenwind zacht waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben. |
HANDELINGEN 27.
192
|
en afgevaren zijnde zeilden zij j dicht voorbij Creta henen. 14 Maar niet lang daarna sloeg tegen hetzelve een stormwind genaamd Euroclydon; 15 en als het schip daarmede weggerukt werd, en niet tegen den wind kon opzeilen, gaven 1 wij het op en dreven henen. 16 En loopende onder een zeker eilandje genaamd Clauda, konden wij nauwelijks do boot machtig worden; 17 dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpse-len, het schip ondergordendo; en alzoo zij vreesden dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil en dreven alzoo henen; 18 en alzoo wij van het onwe-der geweldiglijk geslingerd werden, deden zij den volgenden dag eenen uitworp, 19 en den derden dag wierpen wij met onze eigene handen het Bcheepsgereedschap uit; 20 en als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zoo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden benomen. 21 En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Creta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben. 22 Doch alsnu vermaan ik u-lieden goedsmoeds te zijn; want daar zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u,maar alleen van het schip. 23 Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een Engel Gods, wiens ik ben, welken ik ook diene, 24 zeggende: Vrees niet Paulus, gij moet voor den Keizer gesteld worden; en zie. God heeft u geschonken allen die met u varen. |
25 Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloove God, dat het alzóó zijn zal gelijkor-wijs het mij gezegd ia. 26 Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen. 27 Als nu do veertiende nacht gekomen was, alzoo wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden^ de scheepslieden dat hun eenig land naderde. 28 Eu het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen; 29 en vreezende dat zij ergens op harde _ plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wenschten dat het dag wierd. 30 Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen, 31 zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien deze in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden. 32 Toen hieuwen de krijgsknechten ^ de touwen af van de boot en lieten haar afvallen. 33 En ondertusschen dat het dag zoude worden, vermaande Paulus hen allen dat zij zouden spijze nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten en niets hebt genomen: 34 daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behoud; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. 35 En als hij dit gezegd en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid, en hetzdve gebroken hebbende, begon hij te eten. 36 Er_ zij allen goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelve spijze. 37 Wij waren nu in het schip |
é
HANDELINGEN 28.
193
|
in alles tweehonderd zesenzeventig zielen. 38 En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip en wierpen het koren uit in de zee. 39 En toen het dag werd kenden zij het land niet; maar zij merkten eenen zekeren inham die eenen oever had, tegen den-wclken zij geraden vonden, zoo zij konden, het schip aan te zetten. 40 En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan do zee over, metéén de roer-banden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe. 41 Maar vervallende op eene plaats die de zee aan beide zijden had, zetteden zij het schip daarop; en het voorschip vastzittende bleef onbeweeglijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren. 42 De raadslag nu der krijgslieden was dat zij de gevangenen zouden dooden, opdat niemand ontzwommen zijnde zoude ontvlieden ; 43 maar de hoofdman willende Paul us behouden, belette hun dat voornemen, en beval dat degenen die zwemmen konden zich «erst zouden afwerpen en aan /and komen, 44 en de anderen, sommigen op planken, en sommigen op eenige stukken van het schip. En alzoo is het geschied dat zij allen behouden aan land gekomen zijn. HOOFDSTUK 28. En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij dat het eiland Melito heette. 2 En de barbaren bewezen ons geen gemeene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen die opkwam en om de koude. 3 En als Paulus een hoop rijze-ren bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam daar eene adder uit door de hitte en vatte zijne hand. |
4 En als de barbaren het beest aan zijne hand zagen hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mensch is gewis een doodslager, welken de wrake niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is. 5 Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads; 6 en zij verwachtten dat hij zoude opzwellen of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden en zagen dat geen ongemak over hem kwam, veranderden zij en zeiden dat hij een god was. 7 En hier omtrent die plaats had de voornaamste van het eiland met name Publius zijne landhoeven, die ons ontving en drie dagen vriendelijk herbergde. 8 En het geschiedde dat da vader van Publius, met koortsen en den roeden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had leide hij de handen op hem, en maakte hem gezond. _ 9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden hadden in het eiland, en werden genezen: 1U die ons ook eerden met vele eere, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van noode was. 11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexan-drië, dat op het eiland overwinterd had, hebbende tot een tee-ken Castor en Pollux. 12 En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij al-daar drie dagen; 13 van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Rhegium; en alzoo na eenen dag de wind Zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Puteoli; 14 alwaar wij broeders vonden, ! en werden gebeden zeven dagen bij hen te blijven; en alzoo gingen^ wij naar Rome. 15 En van daar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet 7 |
é
ROMEINEN 1.
194
|
tot Appiusmarkt en do Drie Tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en greep moed. 16 En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zich-zelven te^ wonen met den krijgsknecht die hem bewaarde. 17 En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen die de voornaamsten der Joden waren, en als zij pamen-gekomen waren zeide hij tot hen: Mannen, broeders, ik die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen, 18 dewelke mij onderzocht hebbende, mij wilden loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was; 19 maar als de Joden zulH tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den Keizer te beroepen, doch niet alsof ik mijn volk van iets te beschuldigen had. 20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen. 21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen, noch iemand van de broeders hier gekomen zijnde heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken. 22 Maar wij begeeren wel van n te hooren, wat gij gevoelt; want ^ wat deze sekte aangaat, ons is bekend dat ze overal tegengesproken wordt. |
23 En als zij hem eenen dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijne woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitleide, en betuigde, en poogde lien te bewegen tot het geloof van Jezus, beide uit de quot;Wet van Mozes en de Profeten, van 's morgens vroeg tot den avond toe. 24 En sommigen geloofden wel hetgeen dat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet; 25 en tegen elkander oneens zijnde scheidden zij, als Paulus dit ééne woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja den Profeet tot onze vaderen, 26 zeggende: Ga henen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken; 27 want het harte dezes volks is dik geworden, enmetde ooren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan ; opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zij zich bekeeren en ik hen geneze. 28 Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen hooren. 29 En als hij dit gezegd had gingen de Joden weg, vele twisting hebbende onder elkander. 30 En Paulus bleef twee ge-heele jaren in zijn eigen gehuurde woning en ontving allen die tot hem kwamen, 31 predikende het Koninkrijk Gods, en '.leerende vandenHeere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAÃLÃS
AAN DE
ROMEINEN.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus een dienstknecht van |
Jezus Christus, een geroepen j Apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods, |
i
|
KOMET 2 (hetwelk hij te voren beloofd had door zijne Profeten, in de heilige Schriften,) 3 van zijnen Zoon, (die geworden is uit den zade Davids naar het vleeseh; 4 die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon Gods naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden), namelijk Jezus Christus onzen Heere: 5 (door wolken wij hebben ontvangen genade en het Apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder alle de heidenen, voor zijnen naam; 6 onder welke gij óók zijt, geroepenen van Jezus Christus): _ 7 allen die te Rome zijt, geliefden Gods en geroepene heiligen, genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 8 Eerstel ijk dank ik mijnen God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de geheele wereld. 9 Want God is mijn getuige, welken ik dien in mijnen geest, in het Evangelie zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk, 10 altijd in mijne gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eeniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd door den wille Gods om tot ulieden te komen. 11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige geestelijke gave mocht mededeelen, ten einde gij versterkt zoudt worden: 12 dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderling geloof, zoo het uwe als het mijne. 13 Doch ik wil niet dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen, (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u eenige vrucht zoude hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen. 14 Beiden Grieken en barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar: 15 alzoo hetgeen in mij is, dat is volvaardig om u ook die te |
N E ST I. 195 Kome zijt het Evangelie te verkondigen. 10 Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet,* want het U eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft^ eerst den Jood, en ook den Griek. 17 Want do rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit den geloove leven. 18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerech-tighei-l der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden: 19 overmits_ hetgeen van God kennelijk is in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn: 21 omdat zij God kennende hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verij deld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. 22 Zich uitgevende voorwijzen zijn zij dwaas geworden, 23 en hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende ge: Herten. 24 Daarom heeft zo God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinig-heid, om hunne lichamen onder elkander te onteeren: 25 als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen is in eeuwigheid. Amen. 26 Daarom heeft ze God over- |
|
196 ROME! gegeven tot oneerbare bewegingen; want ook hunne vrouwen Lebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature, 27 en insgelijks ook de mannen nalatende het natuurlijk gebruik uer vrouw, zijn verhit geworden in hunnen lust tegen elkander, mannen met mannen schande-lijkheid bedrijvende, en do vergelding van hunne dwaling die daartoe behoorde in zichzelve ontvangende. 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zoo heeft God ze overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen: 29 vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid^ moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; 30 oorblazers, achterklappers, haters van God, emaders, hoo-vaardigen, laatdunkenden, uitvinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam; 31 onverstandigen, verbondbre-ters, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen: 32 dewelke daar zij het recht Gods weten, {namelijk dat degenen die zulke dingen deen vies doods waardig zijn), niet alleen dezelve doen, maar ook mede â¢ien welgevallen hebben in degenen die ze doen. HOOFDSTUK 2. Daarom zijt gij niet te veront-schuldigen, o mensch, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin^ gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij die anderen oordeelt doet dezelfde dingen. 2 En wij weten dat het oordeel Gods naar waarheid is over degenen dio zulke dingen doen: 3 en denkt gij dit, o mensch, die oordeelt degenen die zulke dingen doen, en dezelve doet, fiat gij het oordeel Gods zult antvlieden ? 4. Of veracht gij den rijkdom |
NEN 2. zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekeerine leidt? fa 5 Maar naar uwe hardigheid en onbekeerlijk harte vergadert gij uzelven toorn als een schat in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, 6 welke een iegelijk vergelden zal naar zijne werken: 7 dengenen wel, die met volharding in goed doen heerlijkheid en eere en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven; ! 8 maar dengenen die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden icor-den: 9 verdrukking en benauwdheid over alle ziele des menschen dio het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek; 10 maar heerlijkheid en cere en vrede een iegelijk die het goede werkt, eerst den Jood, en ooJc den Griek. 11 Want daar is geen aanneming des persoons bij God. 12 Want zoovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zoovelen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden: 13 (want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar do daders der wet zullen gerechtvaardigd worden; 14 want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, deze de wet niet hebbende zijn zichzelven een wet, lö als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie mede-getuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigendeO 16 in den dag wanneer God de verborgene dingen der menschen zal oordeelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. |
EOMETNEN 3.
197
|
17 Zie, gij wordt een Jood genaamd, en rust op de wet, en roemt op God; 18 en gij weet zijnen wil, en beproeft de dingen die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; 19 en gij betrouwt n zei ven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in dnis-ternis zijn, 20 een onderrichter der on-wijzon en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waar-beid in de wet: 21 die dan een ander leert, leert gij nzelvenniet? Die pre likt dat men niet stelen zal, steelt gij ? 22 Die zegt dat men geen over-epel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij liet heilige? 23 Die op de wet roemt, ont-eert gij God door de overtreding der wet? 24 Want de naam Gods wordt om uwentwille gelasterd onder do heidenen, gel ijk geschreven is. 25 Want de besnijdenis is wel nnt indien gij de wet doet,maar indien gij een overtreder der wet zijt, zoo is uwe besnijdenis voorhuid geworden. 2G Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijne voorhuid tot eene be-sni.Ulenis gerekend worden? 27 En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt n'niet oordeel en, die dooide letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt? 2S quot;Want die is niet een Jood, die het in 't openbaar is, noch die is do besnijdenis, die het in 't openbaar in het vleesch is: 29 maar die is een Jood, die het in het verborgen is; en de besnijdenis den harten, in den geest, niet in de letter^ is de besnijdenis', wiens lof niet is uit do menschen maar uit God. HOOFDSTUK 3. Welk is dan het voordeel van den Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis? |
j 2 Veel in alle manieren. Want i dit is wel het eerste, dat hun de | woorden Gods zijn toebetrouwd. 3 Want wat is het, al zijn ; sommigen ongeloovig geweest? | Zal hunne ongeloovigheid het | geloof Gods te niet doen? 4 Dat zij verre; doch God zij j waarachtig, maar alle mensen leugenachtig, gelijk als geschreven is: Opdat gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint wanneer gij oordeelt. 5 Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechfigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig als hij toorn over ons brengt? (ik spreek naar den mensch:) 6 dat zij verre; anders hoe zal God de wereld oordeelen? 7 Want indien de waarheid Gods door mijne leugen overvloediger is geworden tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld, 8 Gii zeoven wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, ongelijk sommigen zeggen dat wij zeggen): Laat ons liet kwade doen. opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is. 9 Wat dan ? Zijn wij uitne-inender? Ganschelijk niet;want wij hebben te voren beschuldigd beide Joden en Grieken, dat zo allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven is: Daar is niemand rechtvaardig, ook niet één; 11 daar is niemand die verstandig is, daar is niemand die God zoekt; 12 allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden, daar is niemand die goed doet, daar is ook niet tot één toe; 13 hun keel is een geopend graf; met hunne tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is ouder hunne lippen; 14 welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; 15 hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten; lü vernieling en ellendigheid is in hunne wegen. |
ROMEINEN 1
108
|
17 en den weg des vredes hebben zij niet gekend: 18 daar is geen vreeze Gods voor hunne oogen. 19 quot;Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij : 20 daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor hem, want door de wet is de kennis der zonde. 21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de Wet en de Profeten ; 22 namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die gelooven; want daar is geen onderscheid. 23 Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijne genade door de verlossing die in Christus Jezus is, 25 welken God voorgesteld heeft fot eene verzoening door het geloof in zijn bloed, tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods, 26 tot eene betooningvan zijne rechtvaardigheid in dezen tegen-woordigen tijd; opdat hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene die uit het geloof van Jezus is. 27 Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs. 28 Wij besluiten dan dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. 29 Is God een God der Joden alleen, en is hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen; 30 nademaal hij een éénig God is, die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en do voorhuid door het geloof. |
31 Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre, maar wij bevestigen de wet. HOOFDSTUK 4. Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham onze vader verkregen heeft naar het vleesch? 2 Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. 4 Nu, dengene die werkt wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld; 5 doch dengene die niet werkt, maar gelooft in hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid, 6 gelijk ook David den mensch zalig spreekt welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken, 7 zeggende: Zalig zijn ze welker ongerechtigheden vergeven zijn en welker zonden bedekt zijn, 8 Zalig is de man welken de Heere de zonde niet toerekent. _9 Deze zaligspreking dan, is die cdleen over de besnijdenis of ook over de voorhuid? Want wij zeggen dat aan Abraham het geloof ^gerekend is tot rechtvaardigheid. 10 Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was of in de voorhuid ? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid. 11 En hij heeft het teekender besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs did hem in de voorhuid icas toegerekend, opdat hij zoude zijn een vader van allen die gelooven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde, 12 en een vader der besnijdenis, dengenen namelijk die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetst appen des geloofs van onzen |
HOMEINEN 5.
199
|
vader Abraham, 't Tvelk in de voorhuid was. 13 Want de belofte tsuiet door de wet aan Abraham oï zijn zaad geschied, namelijk dat hij een erfgenaam der wereld z du de zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs. H Want indien degenen die uit de wet zijn erfgenamen zijn, zoo is Lot geloof ijdel geworden en de beloftenis te niet gedaan. 15 Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is daar is ook geene overtreding. 1G Daarom is ze uit het geloof, opdat ze zij naar genade, ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit dengeloove Abrahams is, welke is een vader van ons allen, 17 (gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld;) voor hsm aan welken hij geloofd heeft, namelijk God die de dopden levend maakt, en roept de dingen die niet zijn alsof ze waren. 18 quot;Welke tegen hope op hope geloofd heeft, dat hij zoude worden een vader van vele volken, volgens hetgeen gezegd was: Al-zoó zal uw zaad wezen; 19 en niet verzwakt zijnde in 't geloove, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt dat aireede verstorven was, alzoo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorvén was; 20 en hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in 'tgeloof, gevende God de eer, 21 en ten volle verzekerd zijnde dat hetgeen beloofd was, hij ook machtig was te doen. 22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen om zijnentwille geschreven, dat het hem toegerekend is, 24 maar ook om onzentwille, welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen die ge-looven in hem, die Jezus onzen |
Heere uit de dooden opgewekt heeft, 25 welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. HOOFDSTUK 5. Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heer Jezus Christus ; 2 door welken wij ook de toe-leiding hebben door het geloof tot deze genade _ in welke wij staan, en roemen in de hope der heerl ij kheid G ods. 3 En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, _ 4 en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hope; 5 en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. G Want Cristus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloozen gestorven. 7 Want nauwelijks zal iemand voor eenen rechtvaardige sterven: want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven; 8 maar God bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren: 9 veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door hem behouden worden van den toorn. 10 Want indien wij vijanden zijnde met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons, veel meer zullen wij verzoend zijnde behouden worden door zijn leven; 11 en niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God door onzen Heere Jezus Christus, door welken wij nu de verzoening gekregen hebben. 12 Daarom gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzóó de dood tot alle menschen doorgegaan is, in |
|
200 ROME walken allen gezondigd hebben; 13 want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is; 14 maar de dood heeft geheerscht van Adam tot Mozes toe, ook over degenen die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding Adams, welke een voorbeeld is desgenen die komen zoude. lo Doch niet gelijk de misdaad, alzóó is ook de genadegift. Want indien door de misdaad van éénen velen gestorven zijn, zoo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is éénes menschen Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. IG En niet gelijk de schuld was door den tienen die gezondigd heeft, al zóó fs de gift. quot;Want de schuld is wel uit ééne misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot reeht vaardigmaki ng. 17 Want indien door de misdaad van één en de dood geheerscht heeft door dien éénen, veel meer zullen degenen die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heerschen door dien éénen, namelijk Jezus Christus. 18 Zoo dan gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen over allo menschen tot verdoemenis, alzoo ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaardig-making des levens; 1(J want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mcnsch velen tot zondaars ge-Efceld zijn geworden, alzóó zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. 20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde: en waar de zonde meerder geworden is, daar is do genade veel meer overvloedig geweest; 21 opdat gelijk de zonde geheerscht. heeft tot den dood, alzóó |
NEN 6. ook de genade zoude heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere. HOOFDSTUK 6. Wat zullen wij dan zeggen? Zuilen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde ? 2 Dat zij verre. Wij die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? 3 Of weet^ gij niet, dat zoo-velen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in zijnen dood gedoopt zijn ? 4 Wij zijn dan met hem begraven door den doop in den dood, opdat gel ij kerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzóó ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. 5 Want indien wij met hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods, zoo zuilen wij het ook zijn in de gelijkmaking zijner opstanding, 6 dit wetende dat onze oude mensch met hem gekruisigd i«, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen; 7 want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. 8 Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij dat wij ook met hem zullen leven, 9 wetende dat Christus opgewekt zijnde uit de dooden niet meer sterft : de dood heerscht niet meer over hem. 10 Want dat hij gestorven is, dat is hij der zonde éénmaal gestorven; en dat hij leeft, dat leeft hij Gode. 11 Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood ^ zij t, maar Gode levende zi;t in Christus Jezus onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heerschein uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van dat linhaavi. 13 En stelt uwe leden niet dor |
ROMEINEN 7.
201
|
zonde tot wapenen der ongerechtigheid, ^ maar etelt uzelve Gode als uit de dooden levend geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. 14 Want de zonde zal over u niet heerschen : want gij zij t niet onder de wet maar onder de genade. 15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet maar onder de genade? Dat zij verre. 16 Weet gij niet, dat wien gij uzelve stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt^ desgenen wien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood. óf der gehoorzaamheid tot gerechtigheid. 17 Maar Gode zij dank, dat gij teel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zjt aan het voorbeeld der leer tot hetwelk gij overgegeven zijt, 18 en vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid. 19 Ik spreek op menschelijke wijze, om der zwakheid uws vleesches wille; want gelijk gij uwe leden gesteld hebt oui dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid, alzoó stelt nu uwe Leden om dienstbaar /e zijn der gerechtigheid tot heiligmaking. 20 Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van do gerechtigheid. 21 Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzelve is de dood. 22 Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. 23 Want de bezoldiging der zonde is de Jood, maar de genade-gifte Gods, is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere. HOOFDSTUK 7. |
quot;Weet gij niet, broeders, (want ik spreek tot degenen die de wet verstaan), dat do wet heerscht over den mensch zoo langen tijd als hij leeft? 2 Want eene vrouw die onder den man staat is aan den levenden man verbonden door de wet, maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. 3 Daarom dan indien zij eens anderen mans wordt terwijl de man leeft, zoo zal zij eene overspeelster genaamd worden: maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dab zij geen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt. 4 Zoo dan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood doorheb lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk desgenen die van de dooden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden. 5 Want toen wij in het vleesch waren, werkten de bewegingen der zonden die door de wet zijn in onze leden, om den duod vruchten te dragen; G maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn onder welken wij gehouden waren, alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter. 7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre; ja, ik kende do zonde niet dan door de wet j want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeeren. 8 Maar de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood. 9 En zonder do wet, zoo leefde ik eertijds: maar als het gebod gekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven, 10 en het gebod dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden. 11 Want do zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, 7* |
110MEINEN 3.
202
|
liecft mij verleid en door hetzelve gedood. 12 Alzoo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. 13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre; maar de zonde is mij de dood yetcorden, opdat zij zonde openbaar worden zonde te zijn, werkende mij door het goede den dood: opdat de zonde bovenmate wierd zondigende door het gebod. 14 Want v. ij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde. 15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. 16 En indien ik hetgene doe dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe dat zij goed is; 17 ik dan doe datzelve nn niet meer, maar de zonde die in mij woont. 18 Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont. quot;Want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet; 19 want het goede dat ik wil doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. 20 Indien ik hetgene doe dat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont. 21 Zoo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt; 22 want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den in-wendigen mensch, 23 maar ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde die in mijne leden is. 24 Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? 25 Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere. 26 Zoo dan ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch do wet der zonde. |
HOOFDSTUK 8. Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. 3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door heft vleesch _ krachteloos was, heeft God zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de zondo veroordeeld in het vleesch; 4 opdat het recht der wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 5 Want die naar het vleesch zijn bedenken dat des vleesches is, maar die naar den Geest zijn bedenken dat des Geestes is; G want het bedenken des vleesches is de duod, maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede; 7 daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet; 8 en die in het vleesch zijn kunnen Gode niet behagen. 9 Doch gijlieden^ zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in u woont; maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe. 10 En indien Christus in ulie-den is, zoo is wel het lichaam dood om der zonde wille, maar do geest is leven oin der gerechtigheid wille. 11 En indien de Geest desgenen die Jezus uit de dooden opgewekt aeeft in u woont, zoo zal hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe s terfel ij ke lichamen le vend maken door zijnen Geest die in u woont. 12 Zoo dan, broeders, wij zijn |
ROMEINEN
203
|
Bcliuldenaarfl niet den vleesche, om naar liet vleesch te leven. 13 Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven; maar in dien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven. 14 Want zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. 15 Want gij hebt niet ontvangen don Geeat dei dienst-baarheic^ wederom tot vreeze, maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming^ tot kindoren, door welken wij roepen: Abba, Vader! 1G Die G eest getuigt met onzen geest dat wij kindereu Gods zijn; 17 en indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en inedeërfgenamen van Christus; zoo wij anders met him lijden, opdat wij ook met hem verheerlijkt worden. 13 Want ik houde her, daarvoor, dat het lijden dezes togen-woordigen tijds niet is te waar-decren togen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden. 19 Want het schepsel, als mot opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20 Want het schepsel _ is der ijdelhoid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wille die het der ijdclheid onderworpen heeft; 21 op hoop dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, lot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat het gansche schepsel te zamen zucht en te zamen als in barensnood is tot nu toe. 23 En niet alleen dit, maar ook wijzelve die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelve, zeg il\', zuchten in onszeive, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk do verlossing onzes lichaams. 24 Want wij zijn in hope zalig geworden. Do hoop nu die gezien wordt is geene hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen ? |
2ö Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zoo verwachten wij het met lijdzaamheid 26 En desgelijks komt ook ue Geest onze zwakheden mede to hulp; want wij weten niet wat v/ij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27 En die de harten doorzoekt, weet welke de meening des Geestes zij, dewijl hij naar God voor de heiligen bidt. 28 En wij weten, dat dengenen die God liefhebben alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar zijn voornemen geroepen zijn. 29 Want die hij te voren gekend heeft, die heeft hij ook te voren verordineerd den heelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen; 30 en die hij te voren verordineerd heeft, deze heeft hij ook geroepen; en die hij geroepen heeft, deze heeft hij ook gerechtvaardigd ; en die hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zoo God vóór ons is wie zal tégen ons zijn? 32 Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven, hoe zal hij ons ook met hem niet alle dingen schenken? 33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. 34 Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechter/miuZ Gods is, die ook voor ons bidt. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? 3G (gelijk geschreven is: Want om uwentwille worden wij den ganschen dag gedood, wij zijn i geacht als schapen der slachting.) |
ROMEINEN 9.
20-1
|
37 Maar in dit alles zijn quot;wij meer dan ovenvinnaars, door hem die ons liefgehad heeft. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch Engelen noch overheden, noch machten, nog tegenwoordige noch toekomende diugen, 39 noch hoogte noch diepte, nog eenig ander lt; schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Hecre. HOOFDSTUK 9. Ik zeg do waarheid in Christus, ik lieg niet,(mijne consciëntie mij medegetuigenis gevende door den Heiligen Geest), 2 dat het mij eene groote droefheid, en mijn hart eene gedurige smarte is. 3 Want ik zoude zelf iceZwen-schen verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, die mijn maagschap zijn naar het vleesch; 4 welke Israëliten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen; 5 welker zijn de vaderen, en uit welke Christus is zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven alle te prijzen in eeuwigheid. Amen. 6 Doch ik zeg dit niet alsof liet Woord Gods ware uitgevallen. Want die zijn niet allen Israel, die uit Israël zijn; 7 noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: lu Isaak zal u het zaad genoemd worden: 8 dat is, niet de kinderen des vleesches, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. 9 Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal ik komen, en Sara zal eenen zoon hebben. 10 En niet alleen deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit éénen bevrucht was, namelijk Isaiik onzen vader. |
11 quot;Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods dat naar de verkiezing is vast bleve, niet uit de werken maar uit den roepende, 12 zoo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen; 13 gelijk geschreven is: Jakob heb ik liefgehad, en Esau heb ik gehaat. 14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God ? Dat zij verre. 15 Want hij zegt tot Mozes: Ik zal mij ontfermen diens ik mij ontferm en zal barmhartig zijn dien ik barmhartig ben. 16 Zoo is het dan niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. 17 Want de Schrift zegt tot Farao: Hiertoe heb ik u verwekt, opdat ik in u mijne kracht bewijzen zoude, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde. 18 Zoo ontfermt hij zich dan diens hij wil, en verhardt dien hij wil. 19 Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt hij dan nog? want wie heeft zijnen wil wederstaan? 20 Maar toch, o mensch, wie zijt gij die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene die het gemaakt heeft zeggen; Waarom nebt gij mij alzóó gemaakt ? 21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het óóns vat ter eere en het andere tor oneere? 22 En of God willende zijnen toorn bewijzen en zijne macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft do vaten des toorns, tot het verderf toebereid; 23 en opdat hij zoude bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? |
ROMEINEN 10.
2ü5
|
24 Welke hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit. de Joden maar ook uit de heidenen: 25 gelijk hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen mijn volk niet was mijn volk noemen, die niet bemind was beminde; 26 en het zal zijn in de plaats waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij kindereren des levenden Gods genaamd worden. 27 En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zoo zal het overblijfsel behouden werden.r 28 Want hij voleindt eene zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid ; want de Ilcere zal eene afgesneden zake doen op de aarde. 29 En gelijk Jesaja -.e voren gezegd heeft: Indien de Heere Zebaotli ons geen zaad _ had overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest. 30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die do rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid die uit het geloof is; 31 maar Israël, dat de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen. 32 Waarom ? Omdat ze die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet; want zij hebben zich gestooten aan den steen des aanstoots, 33 gelijk geschreven is: Zie, ik leg in Sion eenen steen des aanstoots en eene rots der ergernis, en een iegelijk die in hem gelooft zal niet beschaamd worden. HOOFDSTUK 10. Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed dat ih tot God voor Israël doe, is tot hunne zaligheid. 2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij eenen ijver tot God Lebben, maar niet met verstand. |
3 Want alzoo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten,_ zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. 4 Want het einde der wet k Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft. 5 Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid die uit de wet is, zengende: Do mensch die deze dingen doei zal door dezelve leven. G Maar de rechtvaardigheid die uit het geloof is spreekt aldus: Zeg niet in uw harte: Wie zal in den hemel opklimmen? Dat is Christus van loven afbrengen. ^ 7 Of wie zal in den afgrond nederdalen ? Dat is Christus uit de dooden opbrengen. 8 Maar wat zegt ze? Nabij u is het Woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs 't welk wij prediken: 9 namelijk, indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw harte gelooven dat God hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden; 10 want met het harte gelooft men ter rechtvaardigheid, en niet den mond belijdt men ter zaligheid. 11 Want de Schrift zegt: Een iegelijk die in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. 12 Want daar is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Hoer van allen, rijk zijnde over allen die hem aanroepen. 13 Want een iegelijk die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. 14 Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben ? En hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben ? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt? Ã5 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefe- |
ROMEINEN 11.
203
|
lijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen! 16 Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam gefeest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd? 17 Zoo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods. 18 Maar ik zeg; Hebben zij het niet gehoerd? Ja toch, hnn geluid is over de geheelo aarde uitgegaan, en hunne woorden tot de einden der wereld. 19 Maar ik zeg; Heeft Israel liet niet verstaan ? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot ja-loerschhcid verwekken door de-genen die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken. 20 En Jesnja verstout zich en zegt: 11^ ben gevonden van degenen die mij niet zochten, ik }jen openbaar geworden dengenen die naar mij niet vraagden. 21 Maar tegen Israel zegt hij : Pen geheelen dag heb ik mijne handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. HOOFDSTUK 11. Ik zeg dan: Heeft God zijn volk verstoeten ? Dat zij verre; want ik ben óók een Israëliet, uit liet zaad Abrahams, van den stam Benjamin. 2 God heeft zijn volk niet verstoeten, hetwelk hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet wat de Schrift zegt van Elia ? hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende: 3 Heere, zij hebben uwe Profeten gedood en uwe altaren omgeworpen, en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijne ziel. 4 Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord ? Ik heb mij-zei ven norj zevenduizend mannen overgelaten, die de# knie voor het beeld van Baal niet gelogen hebben. 5 Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. |
6 En indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zoo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer. 7 Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden, 8 (gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven eenen geest des diepen slaaps, oogen omniet te zien, en ooren om niettehoo-ren), tot op den huidigen dag. 9 En David zegt: Hun tafel worde tot eenen strik en tot eenen val en tot eenen aanstoot en tot eene vergelding voor hen: 10 dat hunne qogen verduisterd worden om niet te zien, en verkrom hunnen rug allen tijd. 11 Zoo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zonden? Dat zij verre; maar door hunnen val is de zaligheid den heidenen geirorden, om hen tot jaloersehheid te verwekken. 12 En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hunne vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hunne volheid. 13 Want ik fpreek tot u, heidenen : voor zooveel ik der heidenen Apostel ben, maak ik mijne bediening heerlijk, 14 of ik soms mijn vleeseh tot jaloersehheid verwekken en eeni-gen uit hen behouden mocht. 15 Want indien hunne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal do aanneming wezen, anders dan het leven uit de dooden ? 16 En indien de eerstelingen heilig zijn, zoo is ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, zoo zij.i ook de takken heilig. 17 En zoo eenige der takken afgebroker zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in der-zelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des |
ROMEINEN 12.
207
|
olijfbooms mede dee'iaclitig zijt geworden, 18 zoo roem niet tegen de tokken ; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar do wortel u. 19 Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zonde ingeënt worden. 20 Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. quot;Wees niethoog-gevoelende, maar vrees; 21 want is liet dat God de na-tnnrlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat hij ook mogelijk u niet spare. 22 Zie dan de goedertierenheid en de gestrengheid Gods: de gestrengheid wel over degenen uie gevallen zijn, maar de goedertierenheid over ii, indien gij in de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden. 23 Maar ook zij, indien ze in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig dezelve weder in te enten. 24 Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zuil en déze, die natuurlijke tokken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden! 25 Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, (opdat gij nietwij s zij t bij uzelve), dat do verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. 2G En alzóó zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen, en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob: 27 en dit is hun een verbond van mij, als ik hunne zonden zal wegnemen. 28 Zoo zijn zij wel vijanden wat aangaat het Evangelie, om uwentwille, maar wat aangaat de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wille; |
29 want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouweiijk. SU Want gelijker wijs ook gijlieden eertijds Gode ongchoor-, zaam geweest zijt, maar nu barm-! hartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid, ; 31 alzóó zijn ook deze nu on-! gehoorzaam geweest, opdat ook ' zij door uwe barmhartigheid : zouden barmhartigheid verkrij-' gen; 32 want God heeft ze allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat hij hun allen zoude barmhartig zijn. 33 O diepte des rij kdoms beide der wijsheid en der kennisso ; Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen! 34 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, of wie is zijn raadsman geweest? 35 Of wie lieeft hem eerst gegeven, en het zal hemwederver-golden worden? 3G Want uit hem, en door hem, en tot hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 12. j Ik bidde u dan, broeders, door | de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eene le-: vende, heilige en Gode welbe-i hagelijke offerande, teel he is uwe ! redelijke godsdienst; 2 en wordt dezer wereld niet . gelijkvormig, maar wordt veran-i derd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehaaglijke en volmaakte wille Gods zij. 3 Want door de genade die mij gegeven is zeg ik een iegelijk i die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgene men behoort wijs te zijn, maar dut hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft. 4 Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben, 5 alzóó zijn wij velen één |
ROMEINEN 13.
|
lichaam in Cliristue, maar elkeen zijn wij elkanders leden. 6 Hebbende nu verscheiden gaven, naar de genade die ons gegeven is, 7 zoo laat ons die gaven besteden, hetzij Profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij dlie leert, in het leeren; 8 hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt eenen afkeer van het booze, en hangt, het goede aan. 10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eere de één den ander voorgaande. 11 Zijt niet traag in 't benaarstigen. Zij t vurig van geest. Dient den Heere. 12 Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. 13 Doelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. 14 Zegent ze die u vervolgen: zegent, en vervloekt niet. 15 Verblijdt u met de blijden, en weent met de weenenden. 16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hooge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelve. 17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk 13 voor alle menschen. IS Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen. 19 Wreekt uzelve niet, beminden, maat geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt do wrake toe, ik zal het vergelden, zegt de Heere. 20 Indien dan uwen vijand hongert, zoo spijzig hem; indien hem dorst, zoo geef hem te drinken ; want dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen. 21 Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede. |
HOOFDSTUK 13. Alle ziele zij den machten over haar gesteld onderworpen; want daar is geen macht dan van God, en de machten die daar zijn, die zijn van God geordineerd: 2 alzoo dat die zich tegen do macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelve een oordeel halen. 3 Want de oversten zijn niet tot eene vrees den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vreezen, doe het goede, en gij zult lof vari haar hebben, ^ 4 want zij is Gods dienaresse, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs, want zij is Gods dienaresse, een wreekster tot straf dengene die kwaad doet. 5 Daarom is het noodigonderworpen te zijn, niet alleenlijk om der straf maar ook om dor conscientie wille. 6 Want daarom betaalt gij oo^c schatting; want zij zijn dienaars Gods, hierin geduriglijk bezig zijnde. 7 Zoo geeft dan een iegelijk wat gij schuldig zijt, schatting wien gij de schatting, tol wioii gij den tol, vrcezo wien gij de vreeze, eero wien gij de eeio sclmldiq zijt. 8 Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander lief heeft, die heeft de wet vervuld. 9 Want dit: Gij zult geon overspel doen, gij zult niet don-den, gij zult niet stolen, gij zult geene valsche getuigenis geven, gij zult^ niet begeeren, en zoo daar eenig ander ^ebod is, wordt in dit woord als in eene hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzelyen, 10 De liefde doet den naaste geen kwaad; zoo is dan de liefde de vervulling der wet. 11 En dit zeg il: te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds we- |
ROMEINEN 14.
209
|
ten, dat het dc ure is dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben. 12 De nacht is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen: Iaat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts; 13 laat ons, als in den dag, eerbaar wandelen, niet in bras-serijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid : 14 mnar doet aan den He ere Jezus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden. HOOFDSTUK M. Dengene nu die zwak is in 't geloof neemt aan, maar niet tot twistige f-amensprekingen. 2 De één gelooft wel dat men alles eten mag, maar die zwak is eet moeskruiden. 3 Die eet verachte hom niet die niet eet^ en die niet eet oor-deele hem niet die daar eet: want God heeft hem aangenomen. 4 quot;Wie zijt gij die eens anders huisknecht oordeelt? Hij staat of hij valt zijnen eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God ia machtig hem vast te stellen. 5 Do één acht wel den éénen dag boven den anderen dag, maar de ander acht alle dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. G Die den dag waarneemt die neemt hem waar den Heere, en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God. 7 Want niemand van ons leeft zichzelven en niemand sterft zichzelven; 8 want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere, hetzij dat wij eterven, wij sterven den Heere: hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren. |
9 Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weder levend geworden, opdat hij beide over dooden en levenden heer-schen zoude. _ 10 Maar gij, wat oordeelt gij uwen broeder? Of ook gij, wat veracht gij uwen broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden. 11 Want daar is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor mij zal alle knie zich buigen, en allo tong zal God belijden. 12 Zoo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven. 13 Laat ons dan elkander niet meer oordeelen; maar oordeelt dit liever, namelijk dat gij den broeder geenen aanstoot of ergernis geeft. 14 Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein. _ 15 Maar indien uw broeder om der spijze wille bedroefd wordt, zoo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uwe spijze, voor welken Christus gestorven is. 16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde. 17 Want het Koninkrijk Gods is niet spijze^ en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. 18 Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehage-lijk en aangenaam den menschen. 19 Zoo dan laat ons najagen hetgeen tot den vrede en lieigeeu tot do stichting onder elkander dient. 20 Verbreek het werk Gods niet om der spijze wille. Alle dingen zijn wel rein, maar het is kwaad den mensch die met aanstoot eet. 21 Het is goed geen vleesch te eten noch wijn te drinken, noch iets waaraan uw broeder zich stoot of geërgerd wordt, of waarin hy zwak is. |
KOMEIXEN 15.
210
|
22 Hebt gij geloof, heb dat bij «zeiven voor God. Zalig is hij, die ziel) zei ven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt. 23 Maar die twijfelt indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet; en al wat nit het geloof niet is, dat is zonde. HOOFDSTUK 15. !\raar wij die sterk zijn, zijn eclmldig de zwakheden der on-eterken te dragen, en niet ons-zelven te behagen. 2 Dat dan een iegelijk van ons zijnen^ naaste behage ten goede, tot stichting. 3 Want ook Christus heeft zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven ia: De smadin-gen dergenen die n smaden zijn op mij gevallen. 4 Want al wat te voren ge-echreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden. 5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve n, dat gij eensgezind zijfr-onder elkander naar Christus Jezus, 6 opdat gij eendrachtiglijk met éénen mond moogt verheerlijken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus. 7 Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft; tot de heerlijkheid Gods. 8 En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis vanwege de waarheid Gods, opdat hij bevestigen zoude de beloftenissen der vaderen, 9 ,en de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik u belijden onder de heidenen, en uwen naam lof-zingon. 10 En wederom zegt hij: Weest vroolijk, gij heidenen met zijn volk. 11 En wederom: Looft den ITeere alle gij heidenen, en prijst hem alle gij volken. 12 En wederom zegt Jesaja: |
Daar zal zijn de wortel vanlsai, en die opstaat om over de heidenen te gebieden: op hem zullen de heidenen hopen. 13 De God nu der hope ver-vulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloove, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hope, door de kracht des Heiligen Geestes. 14 Doch, mijne broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij^ ook zelve vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen ; 15 maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indaohtigmakende, om de genade die mij van God gegeven is, 16 opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie Gods bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest. 17 Zoo heb ^ ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die | God aangaan. 18 Want ik zoude niet durven j iets zeggen, 't welk Christus door i mij niet gewrocht heeft tot ge-| hoorzaamheid der heidenen, met | woorden en werken, 19 door kracht van teekenen en wonderheden, en door do kracht van den Geest Gods, zoodat ik van Jeruzalem af en rond- i om, tot IIlyrië toe, het Evangelie ! van Christus vervuld heb ] 20 en alzoo zeer begeerig ge-i weest ben om het Evangelie to verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fundament zoude bouwen; 21 maar gelijk geschreven is: Denwelken van hem niet was geboodschapt, die zullen het zien, i en dewe. ke het niet gehoord heb-1 ben, die zullen het verstaan. | 22 Waarom ik ook menigmaal ! verhinderd geweest ben tot u te ' komen; i 23 maar nu ge ene plaats meer ! hebbende in deze gewesten, en i van over vele jaren groot ver- |
ROMEINEN 16.
211
|
langen hebbende om tot u te komen, 24 zoo zal ik -wanneer ik naar Spanje reize tot u komen; want ik hoop in 't doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te -worden, als ik eerst van nlieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn. 25 Maar nu reis ik nav; Jeruzalem, dienende den heiligen. ^26 Want Let heeft dien van Macedonië en Achaje goed gedacht, eene algemeene handreiking te_ doen aan de armen onder de heiligen die te Jeruzalem zijn. 27 Want het heeft hun zoo goed gedacht; ook zijn zij hunne schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke poederen deelachtig zijn geworden, zoo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 2S Als ik dan dit volbrachten hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen; 29 en ik weet dat ik tot u komende, met vollen zegen des évangelies van Christus komen zal. 30 En ik bidde u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus en door de liefde dos G â¢esres, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; 31 opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judéa, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen; 32 opdat ik met blijdschap door den wille Gods tot u mag komen en met u verkwikt worden. 33 En de God des vredes zij met u allen. Amen. HOOFDSTUK 16. En ik beveel u Febe onze zuster, die eene dienaresse is der gemeente die te Cenchrea is; 2 opdat gij haar ontvangt in den Heere gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat in wat zaak zij u zoude mogen van noode hebben; want zij is eene voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven. |
3 Groet Priscilla en Aquiïa, mijne medewerkers in Christus Jezus, 4 die voor mijn leven hunnen hals gesteld hebben; dewelke niet alleen ik dank, maar ook alle de gemeenten der heidenen, 5 Groet ook de gemeente in hun huis. GroetEpénetus mijnen beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus. 6 Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. 7 Groet Andronicua enJunias, mijne magen en mijne medesre-vangenen, welke vermaard zijn onder de Apostelen, die ook vóór mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Amplias mijnen beminde in den Heere. 9 Groet Urbanus onzen medearbeider in Christus, en Stachys mijnen beminde. 10 Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet ze die van het huisgezin van Aristobülus zijn. 11 Groet Horodion, die van mijn maagschap is. Groet ze die van het huisgezin van Narcissus r.m, opgenen namelijk die in deu Heere zijn. 12 Groet Tryféna en Tryfosa, rromcen die in den Heere arbeiden. Groet Persis de bemind© zuster,^ die veel gearbeid heeftin den Heere. 13 Groet Eufus den uitverkorene in den Heere, en zijne moeder en de mijne. 14 Groet Asyncritus, Flegon, Hernias, Patrobas. Hermes, en do broeders die met hen zijn. 15 Groet Filologus en Julia, Nereus en zijne zuster, en Olym-pas, en alle cle heiligen die met hen zijn. 16 Groet elkander met eeuen. heiligen kus. De gemeenten van. Christus groeten ulieden. 17 En ik bidde u, broeders, neemt acht op degenen die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer die gij van ons geleerd hebt, en wijkt af van dezelve. 18 Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar |
|
212 1 CORIN' hunnen buik, en verleiden door Bchoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen. 19 Want uwe gehoorzaamheid ia tot kennis van allen gekomen. Ik verblijd mij dan uwenthalve; en ik wil dat gij wija zijt in het goede, doch onnoozel in het kwade. 20 En de God des vredes zal den satan haast onder uwe voeten verpletteren. De genade onzes Ileeren Jezus Chriatws zij met ulieden. Amen. 21 U groeten Timotheüs mijn medearbeider, en Lucius en tJa-eon en Sosipater mijne bloedver-wanten. 22 Ik Tertius, die den brief ge-pchreven heb, groet u in den Heere. 23 U groet Gajus, de huiswaard |
niÃRS i. van mij en van de geheele gemeente. U groet Erastns dereiTt-meester der stad, en de broeder Quartus. 24 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 Hem nu die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en do prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, 26 maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid desgeloofs ouder alle de heidenen bekend is gemaakt ; 27' hem, den alleen wijzen God, zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. |
DE EEESTE BÃIEP VAN
DEN APOSTEL PAÃLÃS
DE
HIÃ E S.
AAN
CORIN
|
HOOFDSTUK 1. Paulus een geroepen Apostel van Jezus Christus door den wille Gods, en Sosthenes de broeder 2 aan de gemeente Gods die te Corintho is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen die den naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaatse, beide hunnen en onzen Heere: 3 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 4 Ik dank mijnen God allen tijd over u, vanwege de genade Gods die u gegeven is in Christus Jezus, |
5 dat gij in alles zijt rijk geworden in hem, in alle rede en allo kennis, G ^ gelijk de _ getuigenis van Christus bevestigd is onder u; 7 alzoo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende do openbaring onzes Heeren Jezus Christus; S welke God u ook zal bevestigen to-: den einde toe, om on-straffelijk te zijn in den dag onzes Heeren Jezus Christus. 9 God is getrouw, door welken gij geroepsn zjjt tot de gemeenschap van zijnen Zoon Jezus Christus, onzen Heere. 10 Maar ik bid u, broeders, door den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij allen liet-zelfde spreekt en dat onder u |
1 CORINTH 1 Ã ES 2.
213
|
geeno sclieuringcn zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in eenen zelfden zin en in een zelfde ge-I voelen. 11 Want mij is van bekend gemaakt, mijne broeders, door die van Chloe's huisgezin zijn, dat er twisten onder n 2.ijn. 12 En dit zeg ik dat een iegelijk van ii zegt: Ik ben van Paulas, en ik van Apollot, en ik van Cefas, en ik van Christus. 13 Is Christus gedeeld ? IsPau-lus voor n gekruist? Of zijt gij in Paulns' naam gedoopt? 14 Ik dank God dat ik niemand van ulieden gedoopt heb dan Crispus en Gajus: 15 opdat niet iemand zegge dat ik in mijnen naam gedoopt heb. 1G Doch ik heb ook het huisgezin van _ Stefanus gedoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb. 17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 18 Want het Woord des krui-ses is wel dengenen die verloren f^aan dwaasheid^maar ons die behouden worden is het een kracht Gods; 19 want daar is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaa®, en het verstand derver-standigen zal ik te niet maken. 20 Waar is de wijze? Waar is de Schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer v/ereld niet dwaas gemaakt ?lt; 21 Want nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zoo heeft het God behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken die gelooven: 22 overmits de Joden een tee-ken begeeren, en do Grieken wijsheid zoeken; 23 doch wij prediken Christus den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis, en den Grieken eene dwaasheid: |
24 maar hun die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, predi-Icen tcij Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods. 25 Want het dwaze Gods is wijzer dan de menschen, en het zwakke Gods is sterker dan de menschen. 26 Want gij ziet uwe roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, nicfc vele edelen; 27 maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat hij de wijzen beschamen zoude: en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat hij het sterke zoude beschamen; 28 en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets i's, opdat hij hetgeen iets is te niet zoude maken; 29 opdat geen vleesch zou da roemen voor hem. 30 Maar uit hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing; 31 opdat het zij gelijk geschreven is: Wie roemt, roeme in den Heere. HOOFDSTUK 2. En ik, broeders, als ik tot u gekomen ben, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden of van wijsheid u verkondigende de getuigenis Gods; 2 want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en dien gekruisigd. 3 En ik was bij ulieden in zwakheid en in vreeze en iu vele beving, 4 en mijne rede en mijne prediking was niet in bewegelijke woorden der menschelijke wijsheid, maar in betooning desgees-tes en der kracht; 5 opdat uw geloof niet zoude zijn iu wijsheid der menschen, maar in de kracht Gods. 6 En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch eene wijsheid niet dezer wereld, noch |
|
214 1 COEim der oversten dezer wereld die te niet worden; 7 maar wij spreken de â wijslieid Gods, beslaande in verborgenheid, dio bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was: 8 welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft. Want indien zij ze gekend hadden, zoo zonden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben; 9 maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en in het hart dos men-schen niet is opgeklommen; hetgeen God bereid heeft dien die hem liefhebben. 10 Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest. Want _ de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 11 Want wie van de menschen weet hetgeen des menschen is, dan de geest des menschen die in hem is? Alzoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. 12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die nit God is, opdat wij zonden weten de dingen die ons van God geschonken zijn; 13 dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de men-schelijke wijsheid leert, maar met uoorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende. 14 Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden. 15 Doch de geestelijke inensch onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. 16 Want wie heeft den zin des Hoeren gekend, die hem zoude onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus, |
HIÃKS 3. HOOFDSTUK 3. En ik, broeders, kon tot n niet spreken als tot geestelijken,maar als tot^ vleeschelijken, als tot jonge kinderen in Christus. 2 Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijze, want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet, 3 want gij zijtnog vleeschelijk. Want dewijl onder u nijd is en twist en tweedracht, zijt gij nie* vleeschelijk en wandelt yij niet naar den inensch ? 4 Want als de één zegt: Ik ben van Panlus. en een ander: Ik hen van Apollos, zijt gij niet. vleeschelijk ? 5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars door welke gij geloofd hebt, en dat gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft? G Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt, maar God heeft den wasdom gegeven: 7 zoo is dan noch hij die plant iets, noch hij die nat maakt, maar God die den wasdom geeft. 8 En die plant en die nat maakt zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. 9 Want wij zijn Gods medearbeiders : Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij. 10 Naar de genade Gods die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt. 11 Want niemand kan een ander fundament loggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk 1=) Jezus Christus. 12 En indien iemand op di? fundament bouwt goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen, 13 eens iegelijks werk zal openbaar worden ; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt: en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. 14 Zoo iemands werk blijft, dat |
1 CORINTHIÃES 4.
215
|
hij gebouwd Iieeft, dio zal loon ontvangen; 15 zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzóó als door vuur. 16 Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont? 17 Zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. 18 Niemand bedriege zichzel-ven; zoo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs mag worden. 19 quot;Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Want daar is geschreven: Hij vat de wijzen in hunne arglistigheid; 20 en wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen dat ze ij del zijn. 21 Niemand dan roeme op men-Bchen, want alles is het uwe: 22 hetzij Paul us hetzij Apol los hetzij Cefas, hetzij de wereld hetzij leven hetzij dood, hetzij tegenwoordige hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe; 23 doch gij zijt van Christus, on Christus is Gods. HOOFDSTUK 4. Alzoo lioude ons een ieder mensch als dienaars van Christus en uitdeelers der verborgenheden Gods. 2 En voorts wordt in de uitdeelers vereischt, dat elk getrouw bevonden worde. 3 Doch mij is 't voor het minst dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menschel ijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzei ven niet; 4 want ik ben mijzelven van geen ding bewust, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar die mij oordeelt is de Heere. 5 Zoo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, welke ook in 't licht i zal brengen hetgen in de duis- i ternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten: en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God. |
6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apol los bij gelijkenis toegepast om uwentwille, opdat gij aan ons zoude leeren niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de één om eens anders wille, opgeblazen wordt tegen den ander. 7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen? En zoo gij hefc ook ontvangen hebt, wat roomt gij alsof gij bet niet ontvangen hadt ? 8 Aireede zijt gij verzadigd, aireede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerscht; en och of gij heerschtet, opdat ook wij met u heersehen mochten. 9 Want ik acht dat God ons, die de laatste Apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en den Engelen en den mensch en. 10 Wij zijn dwazen om Christus wille, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken,maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten. 11 Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats, 12 en arbeiden, werkende met onze eigene handen; wij worden gescholden en wij zegenen, wij worden vervolgd en wij verdragen, 13 wij worden gelasterd en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsel der wereld en aller af-schrapsel tot na toe. 14 Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik v. 15 Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zoo hebt gij toch niet vele vaders. Want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. |
1 CORINTniÃRS 5, G.
2t6
|
16 Zoo vermaan ik u dan, zijt mijne navolgers. 17 Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijne wegen die in Christus zijn, gel ijkerwij s ik alomme in alle gemeenten leer. 18 Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zoude. 19 Maar ik zal haast tot u komen, zoo de Heere wil, en ik zal dan verstaan niet de woorden dergenen die opgeblazen zijn, maar do kracht. 20 Want het Koninkrijk Gods is niet Qelegen in woorden, maar in kracht. 21 Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid ? HOOFDSTUK 5. Men hoort ganschelijk dat er hoererij onder u is, en zoodanige hoererij die ook onder de heidenen niet genaamd wordt, alzoo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft: 2 en zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veelmeer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft? 3 Doch ik, als wel met het lichaam afwezend maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb aireede, also/ i/c tegenwoordig icare, dengene, die dat alzoo bedreven heeft, besloten, 4 in den naam onzes Heeren Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest te zamen vergaderd zullen zijn, met de kracht onzes Heeren Jezus Christus, 5 denzulken over te geven den satan tot verderf des vleesches, opdat de geest behouden mag worden in den dag des Heeren Jezus. 6 Uw roem is niet goed. Weet gij niet dat een weinig zuur-deesem het geheele deeg zuur maakt ? |
7 Zuivert dan den ouden zuur-deesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij on-gezuurd^ zijt. Want ook ons Pascha ia voor ona geslacht, namelijk Christus. 8 Zoo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdeesem, noch in^ den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde hiooden der oprechtheid en der waarheid. 9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders; 10 doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de roovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan. 11 Maar nu heb ik u geschreven dat gij u^niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roover, dat gij met zoodanig eenen ook niet zult eten. 12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordeelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn? 13 Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen booze uit ulieden weg. HOOFDSTUK 6. Durft iemand van ulieden, die eene zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrecht-vaardigen, en niet voor de heiligen? 2 Weet gij niet dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minsne rechtzaken? 3 Weet gij niet dat wij de Engelen oordeelen zullen, hoeveel te meer de zaken die dit leven aangaan? 4 Zoo gij dan rechtzaken hebt die dit leven aangaan, zet die daarover die in do gemeente minst geacht zijn. 5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u geen die |
,
1 CORINTHIÃRS 7.
217
|
wijs is, ook niet één, die zoude kunnen oordeelen tusschen zijne broeders ? G Maar de ééne broeder gaat met don anderen broeder te recht, e-n dat voor ongeloovigen. ^ . 7 Zoo is er dan nu ganschelijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk, waarom lijdt gij niet liever schade ? 8 Maar gijlieden doet ongelijk en doet schade, en dat den broederen. 0 Of weet gij niet dat de on-rechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? 10 Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspeler?, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaarde, geen laste raars, geen roevers zullen het Koninkrijk Gods beërven. quot;11 En dit waart gij sommigen; maar gij zijt atgewasschen. maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den naam des Heeren Jezus en door den Geest on ze s Gods. 12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder geenes macht mij laten brengen. 13 Do spijzen zijn voor den buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam. 14 En God hoeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door zijne kracht. 15 quot;Weet gij niet dat uwe lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Oiristus nemen en maken ze leden eener hoer? Dat zij verre. 1G Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt één lichaam met haar is? Want die twee, zegt hij, zullen tot één vleesch wezen. |
17 Maar die den Heere aanhangt is^één geest met hem. 18 Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mensch doet is buiten het lichaam; maar dio hoererij bedrijft,^ die zondigt tegen zijn eigen lichaam. lt; 19 Of weet gij niet, dat. uliede? lichaam een tempel is des Heiligen Geestes die in u is, dien gij van God hebt, en dut gij uzelffl niet zijt? 20 Want gij zijt duur gekocht: zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen Geest, weiko Gods zijn. HOOFDSTUK 7. Aangaande nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt, hei» is een mensch goed geene vrouw ! aan te raken; ⢠'2 maar om der hoererije willo zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijko vrouw zal haren eigen man hebben. 'ó De man zal aan de vrouw do schuldige goedwilligheid betalen, en desgelijks ook de vrouw aan don man. 4 Do vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar do man; en desgelijks ook do man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. 5 Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met heider toestemming voor eenen tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijéén, opdat n de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden. G Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. 7 Want ik wilde dat alle menschen waren gel ijle als ik zelf ben; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de ander alzóo. 8 Doch ik zeg den ongetrouw-den en den weduwen: het ia hun goed indien zij blijven gelijk als ik. 9 Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat ze trou- |
1 CORINTHIÃRS 7.
213
|
â wen; want het is quot;beter te tron-wen dan te branden. 10 Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide; 11 en indien zij ook scheidt, dat zi.i ongetrouwd blij ve, of zich met den man verzcene; en dat de man de vrouw niet verlate. 12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: indien eenig broeder eene ongeloovigo vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate; 13 en eene vrouw die eenen ongoloovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. 14 Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovigo vrouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein; maar nu zijn zij heilig. 15 Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide; de broeder of de zuster wordt in zoodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt. Maar God heeft ons tot vrede geroepen. 1G ^ Want wat weet gij vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij man, of gij do vrouw zult zalig maken? 17 Doch gelijk God aan een Iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzóó wandele; en alzóó ordineer ik in alle de gemeenten. 18 Is iemand besneden zijnde geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand in de voorhuid zijnde geroepen, die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. 20 Een iegelijk blij ve in die beroeping daar hij in geroepen is. 21 Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen? laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. |
22 Want die in den Heere geroepen is een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Hee-ren; desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. 23 Gij zijt duur gekocht: wordt geen dienstknechten der men-schen. 24 Een iegelijk daar hij in geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God. 25 Aangaande nu de maagden heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb om getrouw te zijn. 26 Ik houde dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood, dat het zeg ik den mensch goed is nlzóó te zijn. 27 Zijt gij aan eene vrouw verbonden? zoek geene ontbinding; zijt gij ongebonden van eene vrouw? zoek geene vrouw. 28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleesch. En ik spaar ulieden. 29 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 30 en die weenen, als niet weenende; en die blijde zijn, nis niet blijde zijnde: en die koopen, als niet bezittende: 31 en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende. Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. 32 En ik wil dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen; 33 maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen. 34 Eene vrouw en eene maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen |
|
der wereld, hoe zij den man zal behagen. 35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet opdat ik eenen strik over u zoude werper, maar om u te leiden tot hetgeen wèl voegt en bekwaam is om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden. 36 Maar zoo iemand acht dat hi.i ongevoeglijk handelt met zijne maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en hetalzoo moet geschieden, die doe wat hij wil: hij zondigt niet: dat ze trouwen. 37 Doch die vaststaat in zijn hart, geene noodzaak hebbende, maar macht heeft overzijn eigen wil, en dit in zijn harte besloten i heeft dat hij zijne maagd zal bewaren die doet wèl. 38 Al zoo dan die haar ten huwelijk uitgeeft die doet wèl; en j die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter. 39 Eene vrouw is door de wet verbonden zoo langen tijd haar ; man leeft: maar indien haar man i ontslapen is, zoo is zij vrij om , te trouwen wien zij wil, alleenlijk in den Heere. 40 Maar zij is gelukkiger indien zij al zóó _ blijft, naar mijn ; gevoelen. En ik meen ook den ! Oeest Gods te hebben. HOOFDSTUK 8. Aangaande nu do dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat wij allen te zamen ! kennis hebben. De kennismaakt | opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 En zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. 3 Maar zoo iemand God liefheeft die is van hem gekend. 4 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één. 5 quot;Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde, |
219 (gelijk er vele goden en velo he eren zijn), 6 nochtans hebben wij maar éénen God, den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot hem, en ïjjaar éénen Heere, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wij door hem. 7 Doch in allen is de kennis niet; _ maar sommigen met eene conscientie des ai gods tot nog toe, eten als iefs dut den afgoden geofferd is ; en hunne consciëntie zwak zijnde wordt bevlekt. S De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam ; want hetzij dat wij eten, wij hebben geenen overvloed; en hetzij dat wijniet eten, wij hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe, dat deze uwe macht niet eeniger wijze een aanstoot worde dengenen die zwak zijn, 10 Want zoo iemand u, die de kennis hebt, ziet in den afgodstempel aanzitten, zal de conscientie van hem die zwak is niet gestijfd worden om te eten de | dingen die den afgoden geofferd â zijn? ! 11 En zal de broeder die zwak i is door uwekennis verloren gaan, i om wTelken Christus gestorven is? I 12 Doch gijlieden alzóó tegen de broeders zondigende en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus. 13 Daarom indien de spijze mijnen broeder ergert, zoo zal ik in eeuwigheid geen vlecsch etenj. opdat ik mijnen broeder niet ergere. HOOFDSTUK 9. Ben ik niet een Apostel ? Ben ik niet vrij ? Heb ik niet Jezus Christus onzen Heere gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere? 2 Zoo ik anderen geen Apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns Apostel-schaps zijt gij lieden in den Heere. 3 Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek over mij doen is deze. 4 Hebben wij# niet macht om te eten en te drinken? 1 COEINTIIIÃRS 8, 9. |
|
218 vren; want het is beter te trouwen dan te branden. 10 Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de yrouw van den man niet geheide; 11 en indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blij ve, of zich met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. 12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: indien eenig broeder eene ongeloovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate; 13 en _ eene vrouw die eenen ongeloovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. 14 Want de ongeloovige man is geheiligd ^ door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein; maar nu zijn zij heilig. 15 Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide: de broeder of de zuster wordt in zoodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt. Maar God heeft ons tot vrede geroepen. 16 Want wat weet gij vrouw, of gij den man zult zalig maken V Of wat weet gij man, of gij do vrouw zult zalig maken? 17 Doch gelijk God aan een Iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk lt;le Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzóó wandele; en alzóó ordineer ik in alle de gemeenten. 18 Is iemand besneden zijnde geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand in de voorhuid zijnde geroepen, die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. 20 Een iegelijk blijve in die beroeping daar hij in geroepen is. 2\ Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen? laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. |
22 Want die in den Heere geroepen is een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Hee-ren; desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. 23 Gij zijt duur gekocht: wordt geen dienstknechten der men-schen. 24 Een iegelijk daar hij in geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God. 25 Aangaande nu de maagden heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg ravjn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb om getrouw te zijn. 26 Ik houde dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood, dat het zeg ik den mensch goed is al zóó te zijn. 27 Zijt gij aan eene vrouw verbonden ?gt; zoek geene ontbinding; zijt gij ongebonden van eene vrouw / zoek geene vrouw. 28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleesch. En ik spaar ulieden. 29 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 30 en die weenen, als niet weenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde: en die koopen, als niet bezittende; 31 en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende. Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. 32 En ik wil dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen; 33 maar die getrouwd is bekommert zich met do dingen der wereld, hoe iiij de vrouw zal behagen. 34 Eene vrouw en eene maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide tan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen 1 CORINTHlÃRS 7. |
|
der wereld, hoe zij den man zal behagen. 35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet opdat ik eenen strik over u zoude werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wèl voegt en bekwaam is om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden. 3(5 Maar zoo iemand acht dat hij ongevoeglijk handelt met zijue maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en hetalzoo moet geschieden, die doe wat hij wil: hij zondigt niet: dat ze trouwen. 37 Doch die vaststaat in zijn hart, geene noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen hvil, en dit in zijn harte besloten | heeft dat hij zijne maagd zal bewaren die doet Avèl. 38 AJzoo dan die haar tenhu-! welijk uitgeeft die doet wèl; en Idle ze ten huwelijk niet uitgeeft, i die doet beter. 39 Eene vrouw is door de wet verbonden zoo langen tijd haar man leeft: maar indien haar man ontslapen is, _ zoo is zij vrij om te trouwen wien zij wil, alleenlijk in den Heere. 40 Maar zij is gelukkiger indien zij alzóó blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben. HOOFDSTUK 8. Aangaande nu do dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennismaakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 En zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. 3 Maar zoo iemand God liefheeft die is van hem gekend. 4 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één. o quot;Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde, |
219 (gelijk er vele goden en velo heeren zijn), 6 nochtans hebben wij maar éénen God, den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot hem, en waar éénen Heere, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wij door hem. 7 Doch in allen is de kennis niet; _ maar sommigen met eene conscientie des ai gods tot nog toe, eten als iefs dat den afgoden geofferd is ; en hunne conscientie zwak zijnde wordt bevlekt. 8 De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam ; want hetzij dat wij eten, wij hebben geenen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe, dat deze uwe macht niet eeniger wijze een aanstoot worde dengenen die zwak zijn, 10 Want zoo iemand u, die de kennis hebt, ziet in den afgodstempel aanzitten, zal de conscientie van hem die zwak is niet gestijfd worden om te eten de dingen die den afgoden geofferd zijn? 11 En zal de broeder die zwak is door uwe kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is? 12 Doch gijlieden alzóó tegen de broeders zondigende en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus. 13 Daarom indien de spijze mijnen broeder ergert, zoo zal ik in eeuwigheid geen vleescheten, opdat ik mijnen broeder niet ergere. HOOFDSTUK 9. Ben ik niet een Apostel ? Ben ik niet vrij ? Heb ik niet Jezus Christus onzen Heere gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere? 2 Zoo ik andoren geen Apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns Apostel-schaps zijt gij lieden in den Heere. 3 Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek over mij doen is deze. 4 Hebben wij^ niet macht om te eten en te drinken? 1 COEINTHIÃRS 8, 9. |
|
220 1 COEIN' 5 Hebben v.ij niet macht ora eeno vrouw eene zuster zijnde met ons om te leiden, gelijk ook de andere Apostelen en de broeders des Heeren en Cefas? (gt; Oiquot; hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken ? 7 Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging? AVieplant eenen wijngaard, en eet niet van zijne vrucht? 01' wie weidt eeno kudde, en eet niet van do melk der kudde? 8 Spreek ik dit naar den monsch, uf zegt ook de wet dit niol ? Want in de wet van Mozes is gc-rhreven: Gij zult eenen dor-fi-'hiMiden os niet muilbandon. Zo;-^t ook God voor do ossen ? 10 Of zegt hij (/.'/i ganschel ijk om onzentwille? quot;SVant om on-zentwille is dat geschreven; over-mits die ploegt op hope, moet ploegen, en die op hope dorscht moet zijner hope deelachtig wor-den. 11 Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het eeno grooto zaak zoo wij het uwe dat lichamelijk is maaien? 32 Indien anderen dezer macht over u deelachtig zijn, icaarom niet veel meer wij ?_ Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet eenige verhindering geven aan het Evangelie van Christus. li' Weet gij niet dat degenen die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten, en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar doelen ? 14 Alzóó heeft ook do Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. 15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven opdat het alzuó aan mij geschieden zoude; want hot ware _ mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijnen roem zoude ij del maken. ltgt; Want indien ik het Evan-fieüe verkondig, het is mij geen |
HIÃRS 9. roem; want de nood is mij op-gelogd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig. 17 Want indien ik dat gewillig doe, zoo heb ik loon; maar indien onwillig, de uitdeeling ia mij evenwel toebetrouwd. 18 Wat loon heb ik don? Namelijk dat ik het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stel, om mijne macht in het Evangelie niet te misbruiken. 19 Want daar ik van allen vrij was,heb ik mijzol ven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen. 20 En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik do Joden winnen zoude; dengenen die onder de wet zi.in hen ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zoude; 21 dengenen die zonder do wet zijn hen ik geworden als zonder de wet zijnde,(voor God nochtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn winnen zoude. 22 Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude: allen bon ik alles geworden, opdat ik immers eenigen behouden zoude. 23 En dit doe ik om des Evangelies wille, opdat ik hetzelve mede deelachtig zoude worden. 24 quot;Weet gijlieden niet, dat dio in do loopbaan loopen, allen wol loopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loop alzóó, dat gij dien moogt verkrijgen. 25 En een iegelijk diepm prijs strijdt onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 26 Ik loop dan alzóó, niet als op het oi. zekere ; ik kamp alzóó, niet als de lucht slaande; 27 maar ik bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet eenigszins» |
|
1 CORINT daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde. HOOFDSTUK 10. En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijfc, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn, 2 en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en i.i de zee, 3 en allen dezelfde geestelijke spijze gegeten Lebben, 4 en allen denzeliden geestelijken drank gedronken hebben, want zij dronken nltdegeestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus. 5 Maar in 't meeren^ceZ van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn terneder geslagen. 6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij ge en en lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben. 7 Ãn wordt geen afgodendienaars gelijkerwijs als Bommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 8 En laat ons niet hoereeren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en vielen op éénen dag drieëntwintigduizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. 10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderven 11 En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. 12 Zoo dan die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. 13 Ulieden heeft geene verzoeking bevangen dan mensche-lijlae ; doch God is getrouw, welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar hij zal met de verzoeking ook |
HIÃES 10. 221 de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen. 14 Daarom mijne geliefden, vliedt van den afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik: oordeelt gij hetgeen ik zeg. 16 De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzegijinde zegenen, is die niet een gemeen-Bfhap des bloeds van Christus? Hot brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap dea iichaams van Christus? 17 Want één brood is hel, zóó zijn wij velen één lichaam,dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. 18 Ziet Israel dat naar het vleesch is: hebben niet degenen die de offeranden eten gemeenschap met het altaar? 19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat hetafgoden-oiler iets is? 20 Ja, ik zeg dat hetgeen de heidenen offeren, zij het den duivelen offeren, en niet Gode. En ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. 21 Gij kunt den drinkbeker des Heoren niet drinken en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn der tafel des Heeren en der tafel der duivelen. 22 Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan hij? 23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 24 Niemand zoeke wat zijns-zelfs is, maar een iegelijk zoeke dat des anderen is. 25 Eet al wat in liet vleesch-huis verkocht wordt, niets ondervragende om der conscienlio wille. 2G Want de aarde is des Heeren, en de volheid^ derzelve. 27 En indien u iemand van do ongeloovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende om der conscientie wille. 28 Maar zoo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer, cvihet |
|
222 1 COIlINa niet, om desgenen wille, die u dal te kennen gegeven heeft, en om der conscientie wille; want de aarde is des Heeren, en de volheid derzeive. 29 Doch ik zeg om de conscientie, niet van uzelven maar des anderen; want waarom wordt mijne vrijheid geoordeeld van eone andere conscientie? 30 En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen waarvoor ik dankzeg? 31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets doet, doet het alles ter eere Gods. 32 Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, èn den Grieken, èn der gemeente Gods. 33 Gelijkerwijs ik ook in alles allen behage, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden. HOOFDSTUK 11. Weest mijne navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus. 2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik u die overgegeven heb. 3 Doch ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens i egel ij ken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het hoofd van Christus. 4 Een iegelijk man die bidt of profeteert hebbende iets op het hoofil, die onteert zijn eigen hoofd; 5 maar eene iegelijke vrouw die bidt of profeteert met onge-dekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is één en het-zelfile alsof haar het haar afgesneden ware. 6 Want indien eene vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het leelijk is voor eene vrouw, geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. 7 Want de man moet hot hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid |
IIIÃRS 11. Gods is; maar do vrouw is de heerlijkheid des mans. 8 Want de man is uit do vrouw niet, maar de vrouw uit den man. 0 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. 10 Daarom moet de vrouw eene macht op het hoofd hebben, om der Engelen wille. 11 Nochtans is nofh de man zonder de vrouw, noch 'le vrouw zonder den man in den Heere. 12 Want gelijkerwijs do vrouw uit den man is, al zóó is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God. 13 Oordeelt gij onder uzelve: is het betamelijk dat lt;le vrouw ongedekt God bidde ? 14 Of leert u ook rle natuur zelve niet, dat zoo een -.nan lang haar draagt, het hem eene on-eere is, 15 maar zoo eene vrouw lang haar draagt, dat her hnar eene eere is, omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven? 16 Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch do gemeente Gods. 17 Dit nu hetgeen ik n aan-zegge prijs ik niet, namrlijh dat gij niet tot beter maar rot erger samenkomt. 18 Want eerstelijk, als gij samenkomt in de gemeente, zoo hoor ik dat er scheurinfren zijn onder u en ik geloof het ten deele. 19 Want daar moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen die oprecht zijn openbaar mogen worden onder u. 20 Als gij dan bijéén te zamen komt, dat is niet des Heeren. Avondmaal eten. 21 Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de ander is dronken. 22 Hebt gij dan geen huizem om daar te eten en te drinken? Of veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt gij degenen die niet hebben? Wat zal ik u zeg- |
HÃÃUS 12. 22S
HOOFDSTUK 12.
; En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet dat gij onwetende zijt.
2 Gij weet dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden henengetrokken naar dat gij geleid wordt.
3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door den Geest Gods _ spreekt, Jezus eene vervloeking noemt; en niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
4 En daar is verscheidenheid der gaveu, doch het is dezelfde Geest;
5 en daar is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere;
6 en daar is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God die alles in allen werkt.
7 Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen dat oorbaar is.
8 Want dezen wordt door den Geest _ gegeven het woord der wijsheid, en aan een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest;
9 en aan een ander het geloof, door denzelfden Geest; en aan een ander de gaven der gezond-makingen, door denzelfden Geest;
10 en aan een ander de werkingen der krachten; en aan een ander de profetie ; en aan een ander onderscheidingen dei geesten; en aan een ander menigerlei talen; en aan een ander uitlegging der talen.
11 Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, deelende aan een iegelijk in 't bijzonder gel ijkerwijs hij wil.
12 Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en alle de leden van dit ééne lichaam vele zijnde maar ^ één lichaam zijn, alzoó ook Christus.
13 Want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij dienstknechten hetzij
1 COEIKT
gen? Zal ik u prijzen? In dezen | prijs ik u niet.
23 Want ik heb van den Heere ; ontvangen hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus inden nacht, in welken hij verraden werd, het brood nam,
24 en als hij gedankt had brak hij het, en zeide: Noemt, eet, dat is mijn lichaam dat voor w verbroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis.
25 Desgelijks nam hij ook den drinkbeker na liet ^ eten de.3 Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed: doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis.
20 Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat hij komt.
27 Zoo dan wie on waardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn nan het lichaam en bloed des Heeren.
28 Maar de mensch beproeve zichzelven, en ete alzoó van het brood en drinke van den drinkbeker.
29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
30 Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
31 Want indien wij onszelve oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden.
32 Maar als wij geoordeeld worden, zoo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
33 Zoo dan, mijne broeders, als gij te zamen komt om te eten, verwacht elkander.
34 Doch zoo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel te zamen komt. De overige dingen nu zal ik ordineeren als ik zal gekomen zijn.
1 COEINTHIÃKS 13.
224
|
vrijen: en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. 14 Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden. 15 Indien do voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zoo ben ik van het f lichaam niet, is die daarom niet van het lichaam? 1G En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zoo ben ik van het lichaam niet, is het daarom niet van het lichaam? 17 Ware het geheele lichaam het oog. waar zoude het gehoor zijn? Ware het geheele lichaam gehoor, waar zoude de reuk zijn ? 18 Maar nu heeft God de leden gezet, elk van dezelve in het lichaam gelijk hij gewild heeft. 19 En waren ze allen maar één lid, waar zoude het lichaam zijn? 20 Maar nu zijn er_wel vele leden, doch maar één lichaam. 21 En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van noode, of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van noode. 22 Ja veeleer, de leden dieo?2s dunken de zwakste des lichaama te zijn, die zijn noodig; 23 en die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzei ven doen wij overvloediger eero aan, en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering. 24 Doch onze sierlijke hebben het niet van noode; maar God heeft het lichaam alzdd samengevoegd, gevende overvloediger e«re aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft, 25 opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen. 26 En hetzij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich aile do leden mede. 27 En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in 't bijzonder. |
2S En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste Apostelen, ten tweede Profeten, ten derde Leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeeringen, menigerlei talen. 29 Zijn ze allen Apostelen? Zijn ze allen Profeten? Zijn ze allen leeraars? Zijn ze allen krachten ? 30 Hebben ze allen gaven der gezondmakingen? Spreken ze allen met menigerlei talen? Zijn ze allen uitleggers? 31 Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u eenen weg die nog uitnemender is. HOOFDSTUK 13. Al ware het dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende echel geworden. 2 En al ware het dat ik de gave der Profetie had, en wist alle de verborgenheden en al de wetenschap, en al ware het dat ik al het geloof had. zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets. 3 En al ware het dat ik alle mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf opdat ik verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geen nuttigheid geven. 4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet 1 ichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen ; 5 zij handelt niet ongeschikte-lijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; 6 zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid; 7 zij bedekt alle dingen, zij ! gelooft alle dingen, zij hoopt alle j dingen, zij verdraagt alle dingen. 1 8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. |
1 COKIKTHIÃRS 14.
225
|
9 Want wij kennen tendeele en â¢wij profeteeren ten deele; 10 doch â¢wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten deele is te niet gedaan worden. 11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overleide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. 12 Want wij zien nu dooreenen spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. 13 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie: doch de meeste van deze is de liefde. HOOFDSTUK 14. Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven; maar meest dat gij moogt profeteeren. 2 Want die eene vreemde taal spreekt, spreekt nien den men-schen maarGode; want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hii verborgenheden; 3 maar die profeteert, spreekt den menschen stichting en vermaning en vertroosting. 4 Die eene vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert, die sticht de gemeente. 5 En ik wil wel dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer dat gij profeteert; want die profeteert is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitlegge, opdat de gemeente stichting moge ontvan-gen. 6 En nu broeders, indien ik tot u kwam en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zoude ik u doen, zoo ik tot u niet sprak óf in openbaring, óf in kennis, of in profetie, óf in leering? 7 Zelfs ook de levenlooze dingen die geluid geven, 't zij fluit, 't zij citer, zoo zij geen onderscheid met hunnen klank geven, hoe zal bekend worden hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt ? |
8 Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden? 9 Alzoo ook gijliedea indien gij piet door de taal eene duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in de lucht spreekt. 10 Daar zijn, naar het voorvalt, zoovele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem. ^ 11 Indien ik dan de kracht der stem niet weet, zoo zal ik hem die spreekt barbaarsch zijn, en hij die spreekt zal bij mij barbaarsch zijn. _ 12 Alzoo ook gij, dewijl gij ij verig zijt naar geestelijke gaven, zoo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der gemeente. 13 Daarom die in eene vreemde taal spreekt, die bidde dat hij het moge uitleggen. _ 14 Want indien ik in eene vreemde taal bid, mijn geest bidt icel, maar mijn verstand is vruchteloos. 15 Wat is 't dan? Ik zal icel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal teel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. 1G Anderszins indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene die de plaats eens onge-leerden vervult amen zeggen op uwe dankzegging, dewijl hij niet weet wat gij zegt? 17 Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar do ander wordt niet gesticht. 18 Ik dank mijnen God dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen; 19 maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tienduizend woorden in eene vreemde taal. '20 Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in 't verstand volwassen, 8 |
1 CORINTHIÃRS 15.
226
|
21 In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook alzóó zullen zij mij niet hooien, zegt de Heere. 22 Zoo dan, de vreemde talen zijn tot lt; een teeken niet den genen die gelooven, maar den ongeloovigen; en de profetie niet den ongeloovigen, maar dengenen die gelooven. 23 Indien dan do geheele gemeente bijéénvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en ongeleerden of ongeloovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen dat gij uitzinnig waart? 24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongeloovigo of ongeleerde inkwam, die wordt van allen overtuigd en hij wordt van allen geoordeeld, 25 en alzóó worden de verborgen dingen zijns harten openbaar: en alzóó vallende op zijn aangezicht zal hij God aanbidden, en verkondigen dat God waarlijk onder u is. 26 Wat is het dan broeders? Wanneer gij te zamen komt, een iegelijk van u heeft hij eenen psalm, heeft hij eene leer, heeft hij eene vreemde taal, heeft li ij eenequot; openbaring, heeft hij eenê uitlegging, laat alle dingen geschieden tot stichting. 27 En zoo iemand eene vreemde taal spreekt, dat het door twee of ten meeste drie geschiede, en bij beurte, en dat één het uitlegge, 28 maar indien daar geen uitlegger is, dat hij z wij ge in de gemeente, doch dat hij tot zich-zelven spreke en tot God. 29 En dat twee of drie Profeten spreken, en dat de anderen oordeelen: ^ 30 doch indien eenen anderen die daar zit ieis geopenbaard is, dat de eerste zwijge. 31 Want fdj kunt allen de één na den ander profeteeren, opdat zij allen leeren en allen getroost worden. 32 En de geesten der Profeten Z^n den Profeten onderworpen. |
33 Want God is geen God van verwarring maar van vrede, gel ijk in alle de gemeenten der heiligen. 34 Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. 35 En zoo zij iets willen leeren, laat ze te huis haar eigene mannen vragen. Want het staat lee-lijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken. 30 Is het Woord Gods van u uitgegaan, of is het tot u alléén gekomen? 37 Indien iemand meent een Profeet te zijn of geestelijk, die erkenne dat hetgeen ik u schrijf des Heeren geboden zijn; 33 maar zoo iemand onwetend is, die zij onwetend. 39 Zoo dan, broeders, ijvert om te profeteeren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken. 40 Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. HOOFDSTUK 15. Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat, 2 door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij liet behoudt op zoodanige wijs als ik het u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. 3 Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hergeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 en dat hij is begraven, en dat hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften ; 5 en dat hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalve. Daarna is hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op éénmaal, van welke het mee-ramp;ndeel nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is hij gezien van Jacobus, daarna van alle do Apostelen. |
1 CORINTHIÃRS 15.
227
|
8 En ten laast© van allen is hij . ook van mij als van een ontijdig geborene gezien. 9 Want ik ben de minste van de Apostelen die niet waardig ben een Apostel genaamd te â worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. 10 poch door de genade Gods ben ik dat ik ben; en zijne genade die aan mij bewezen is, is niet ij del geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij ia. _ 11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzóó prediken wij en alzóó hebt gij geloofd. 12 Indien nu Christus gepredikt wordt dat hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u dat er geeno opstanding der dooden is? 13 En indien daar geene opstanding der dooden is, zoo is Christus óók niet opgewekt. 14 En indien Christus nietop- tewekt is, zoo is dan onze preikin g ij del, en ij del is ook uw geloof,ewekt is, zoo is dan onze preikin g ij del, en ij del is ook uw geloof, 15 en zoo worden yrij ook bevonden valsche getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd dat hij Christus opgewekt heeft: dien hij niet heeft opgewekt, zoo namelijk de dooden niet opgewekt worden. 16 Want indien de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt. 17 En indien Christus niet opgewekt is, zoo ia uw geloof tevergeefs; zoo zijt gij nog in uwe zonden. 18 Zoo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn. 19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen. 20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, en is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. 21 Want dewijl de dood door eenen mensch is, zoo is ook de opstanding der dooden door eenen mensch. |
22 Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzóó zullen ze ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar een iegelijk in zijne orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn in zijne toekomst. 24 Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben, wanneer hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht. 25 Want hij moet als Koning heerschen, totdat hij alle de vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben. 26 De laatste vijand die te niet gedaan wordt is de dood. 27 Want hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen.Doch wanneer hij zegt dat. hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar dat hij uitgenomen wordt die hem alle dingen onderworpen heeft. 28 En wanneer hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien, die hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 29 Anders wat zullen zij doen die voor de dooden gedoopt worden? Indien de dooden gan-schelijk niet opgewekt worden, waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt? 30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar? 31 Ik sterve allo dagen, 't icellc ih hetuio bij onzen roem dien ik heb in Christus Jezus onzen Heere. 32 Zoo ik naar den mensch tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij indien de dooden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. 33 Dwaalt niet. Kwade samen-sprekingen verderven goede zeden. 34 Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet, want sommigen hebben de kennisse Gods niet. Ik zeg het u tot schaamte. 35 Maar, zal iemand zeggen, |
1 CORINTHIÃRS 16.
228
|
hoe zullen de dooden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen? 36 Gij dwaas, hetgeen gij zaait wordt niet levend tenzij dat het gestorven zij. 37 En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij liet lichaam niet dat worden zal, maar een hloot graan, naar het voorvalt, van tarwe of van eenig der andere granen. 38 Maar God geeft hetzelve een lichaam gelijk hij wil, en een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. 39 Allo vleesch is niet hetzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der menschen, en een ander is liet vleesch der beesten, en een ander der visschen, en een ander der vogelen. 40 En daar zijn hemelsche lichamen en daar zijn aardsche lichamen, maar eene andere is de heerlijkheid der hemelsche en eene andere der aardsche. 41 Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere is de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid ?ier sterren; want de céne ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. 42 Alzóó zal ook de opstanding der dooden _ zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in on-verderfelijkheid. 43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Daar iquot;S een natuurlijk lichaam en daar is een geestelijk lichaam. 45 Alzóó is er ook geschreven: De eerste mensch Adam js geworden tot eene levende ziel, de laatste Adam tot eenen levend-makenden geest. 46 Doch het geestelijke is niet eerst,maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. |
47 De eerste mensch is uit de aarde aardsch; de tweede mensch is de Heere uit den hemel. 48 Hoedanig de aardsche is, zoodanig zijn ook de aardschen: en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook do hemel-schen: 49 en gelijkerwijs wij hetbeeld des aardschen gedragen hebben, alzóó zullen wij ook het beeld des hemclschen dragen. 50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beëerven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de on verderfelijkheid niet. 51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid ; wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen_ veranderd worden, 52 in een punt des lijd?, ineen oogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit verderfelijke moet overderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke onverderfelijkheid zal aangedaan hebben, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. 55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning? 56 De prikkel nu des doods ia de zonde, en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. 58 Zoo dan mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, al s die weet dat uw arbeid niet ij del is in den Heere. HOOFDSTUK 16. Aangaande nu de verzameling die voor de heiligen geidiiedt, gelijk als ik aan de gemeenten in Galatië verordineerd heb, doet ook gij alzóó. |
2 CORINTHIÃRS 1.
229
|
2 Op eiken eersten dag der week logge een iegelijk van u iets bij ziclizelven -weg, vergaderende eenen schat, naar dat hij welvaart verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn, 3 En wanneer ik daar zal gekomen zijn, die gij zult bekwaam achten door brieven, dezelve zal ik zenden om uwe gaven naar Jeruzalem over to dragen. 4 En indien het Je waardig mocht zijn dat ik ook zelf reizen zoude, zoo zullen z:j met mij reizen. 5 Doch ik zal tot u komen wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn (want ik zal door Macedonië gaan); 6 en ik zal mogelijk bij ublijven of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden waar ik zal henenreizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in 't voorbijgaan, maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten. 8 Maar ik zal te Efeze blijven tot den Pinksterrfafl. 9 Want mij is eene groote en krachtige deur geopend, en daar zijn vele tegenstanders. 10 Zoo nu Timotheüs komt, ziet dat hij buiten vreeze bij u zij; want hij werkt het werk des Heeren gelijk als ik. 11 Dat hem dan niemand verachte, maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen. |
12 En wat aangaat Apollos den broeder, ik heb hem zeer gebeden dat hij met do broederen tot u komen zoude; maar hetwasgan-schelijk zijn wil niet dat hij nu zoude komen; doch hij zal komen wanneer het hem welgelegen zal zijn. 13 Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk. 14 Dat alle uwe dingen in de liefde geschieden. 15 En ik bidde u, broeders, gij kent het huis van Stelanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelve den heiligen ten dienste hebben, geschikt, 16 dat gij ook u iian de zooda-nigen onderwerpt, en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidfc- 17 En ik verblijd mij over da aankomst van Stefanus en For-tunatus en Achaïcus; want deze hebben vervuld 't geen mij aan u ontbrak. 18 Want zij hebben mijnen geest verkwikt, en oofe den uwen. Erkent dan de zoodanigen. 19 U groeten de gemeenten van Azië; V groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de gemeente die te hunnen huize is. 20 U groeten alle de broeders. Groet elkander met een heiligen kus. 21 De groetenis met mijne hand, van Paulus. 22 Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking: Maranatha. 23 De genade des Heeren Jezus Christus zij met u. 24 Mijne liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen. |
DE TWEEDE BKIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
CORINTHIÃRS.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel van Jezus |
Christus door den wille Gods, en Timotheüs, de broeder, aan do gemeente Gods die te Corinthe |
2 CORINTHIÃRS 1.
230
|
ie, met alle de heiligen die in geheel Achaje zijn: 2 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezns Christus. 3 Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezns Christus, de Vader der barmhartigheden en de G9d aller vertroosting, 4 dio ons vertroost in alle onze verdrukking, opdat wij zonden kunnen vertroosten degenen die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting met welke wij-zelve van God vertroost worden. 5 Want gelij k h e t 1 ij den van Christus overvloedig is in ons, alzoo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. 6 Doch hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden 't welk wij óók lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid; 7 en onze hope van u is vast, als die weten dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook al zóó gemcetiêcliGp hebt aan de vertroosting. 8 Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetende zijt van onze verdrukking die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzoo dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven. 9 Ja, wij hadden al zelve in onszeive het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelve vertrouwen zouden, maar op God die de^ dooden opwekt; 10 die ons uit zoo grooten dood verlost heeft en nog verlost, op welken wij hopen dat hij one nog verlossen zal: H alzoo gijlieden ook mede-arbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons te weeg gebracht, oolc voor ons dankzegging door velen gedaan worde. |
12 Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis onzer consciëntie, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleeschelijke wijsheid, maar in de genade Gods in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij nlieden. 13 Want wij schrijven u geene andere dingen dan die gij kent of erkent; en ik hoop dat gij ze ook tot den einde toe erkennen zult, 14 gel ijkerwijs gij ook ten deele ons erkend hebt dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt in c'en dag des Heeren Jezus. 15 En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij eene tweede genade zoudt hebben, 16 en door uwe stad naar Macedonië gaan, en wederom van Macedonië tot u komen, en van nlieden naar Judéa geleid worden. 17 Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik naar het vleesch voor hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zoude wezen ja ja, en neen neen? 18 Doch God is getrouw, dat ons woord hetwelk tot u is geschied niet is geweest ja en neen; 10 want de Zone Gods Jezus Christus, die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij en Silvanus en Timotheüs, was niet ja en neen, maar is geweest ja in hem. 20 Want zoovele beloften Gods als er zijn, die zijn in hem ja, en zijn in hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons. 21 Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God; 22 die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven. 23 Doch ik roep God aan tot een getuige over mijne ziel, dat ik om u te sparen nog te Co-rinthe niet ben gekomen. 24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof. Maar voorgen om in Eoude. 2 Wa droef,/ vroolijj van mi 3 Eb opdat droefh van w den: dat m schap 4 AS verdn bartel ven, i word» zoudl diglij 5 I heeft maai niet |
2 CORINTHIÃRS 2, 3.
231
|
HOOFDSTUK 2. Maar ik heb dit bij mij zei ven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen eoude. 2 Want indien ik uliedcn bedroef, wie is het toch die mij zal vroolijk mak-en, dan degene die van mij bedroefd is geworden ? 3 En dit heb ik n gesel ire ven, opdat ik daar komendeniet zonde droefheid hebben van degenen van welke ik moest verblijd worden ; vertrouwende van n allen, dat mijne blijdschapn allerfc/yrf-schap ia. 4 Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des harten met vele tranon geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verst}»an die ik overvloe-diglijk tot u heb. 5 Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten deele, (opdat ik hem niet bozware) ulieden allen. 6 Den zoodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen geschied is; 7 alzoo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zoodanige door al te overvloedige droefheid niet eenigszins worde verslonden. 8 Daarom bid ik u dat gij de liefde aan hem bevestigt. 9 Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uwe beproeving mocht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt. 10 Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ik óók; want zoo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb, heh ik het vergeven om uwentwille, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan over ons geen voordeel krijge. 11 Want zijne gedachten zijn ons niet onbekend. 12 Voorts als ik te Troas kwam om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij eene deur geopend was in den Heere, zoo heb ik geen rust gehad voor mijnen geest, omdat ik Titus mijnen broeder niet vond; niet in aaar in wereld irmeeet |
13 maar afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië. 14 En Gode zij dank, die ons allen tijd doet triomfeeren in Christus, en den reuk zijner ken-nisse door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 15 Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan: 1G dezen wel een reuk des doods ten doode, maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam? 17 Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koop; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus. HOOFDSTUK 3. Beginnen wij onszelve wederom, u aan te prijzen ? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving'van u? 2 Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle menschen, 3 als die openbaar zijt geworden dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt maar door den Geest des levenden Gods, niet in steenen tafelen maar in vleeschen tafelen des harten. 4 En zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. 5 Niet dat wij van onszeivo bekwaam zijn iets te denken als uit onszelve; maar onze bekwaamheid is uit God; 6 die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des nieuwen Testaments, niet der letter maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 7 En indien de bediening des doods, in letters bestaande en in steenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzoo dat de kinderen Israels het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien om do heerlijkheid zijnt |
2 COKINTHIÃRS 4.
232
|
aangezichts, die te niet gedaan zoude worden, 8 hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn! 9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen deele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien hetgeen te niet gedaan wordt in heerlijkheid was, veelmeer is hetgeen blijft in heerlijkheid. 12 Dewijl wij dan zoodanige hope hebben, zoo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in 't spreken, 13 en doen niet gel ijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht leide, opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde desgenen dat te niet gedaan wordt. 14 Maar Inmne zinnen zijn verhard geworden. Want tot op den duo van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt. 15 Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart; 16 doch zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen. 17 De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. 18 En wij allen met ongedek-ten aangezichte de heerlijkheid des Heeren ah in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. HOOFDSTUK 4. Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zoo vertragen wij niet, |
2 maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalschende, maar door openbaring der waarheid onszelve aangenaam makende bij alle conscientiën der menschen, in de tegenwoordigheid Gods.^ 3 Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen die verloren gaan: 4 in dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, name' lijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. 5 Want wij prediken niet ons-zelve, maar Jezus Christus den Heere; en onszelve, dat wij uwe dienaren zijn om Jezus wille. 6 Want God die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zoude schijnen, is degene die in onze harten geschenen heeft, om te aeven verlichting van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. 7 Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godea en niet uit ons; 8 als die in alles verdrukt worden doch niet benauwd, twijfelmoedig docli niet mismoedig, 9 vervolgd doch niet daarin verlaten; nedergeworpen doch niet verdorven, 10 altijdgt; de dooding des Heeren Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zoude geopenbaard worden. 11 Want wij die leven worden altijd in den dood overgegeven om Jezus wille, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zoude geopenbaard worden. 12 Zoo dan de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulie-den. 13 Dewijl wij nu denzelfden geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daaiom heb ik gesproken. |
|
zoo gelooyen wij ook, daarom spreken wij ook, 14 wetende dat hij die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en met ulieden daar zal stellen. 15 Want alle deze dingen zijn om uwentwille, opdat de vermenigvuldigde genade door de dankzegging van velen overvloedig worde ter heerlijkheid Gods. 16 Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mcnsch verdorven wordt, zoo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. 17 Want onze lichte verdrukking, die zeer haast vooTbijffaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heeriijkheid: 18 dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig. HOOFDSTUK 5. Want wij weten dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met _ handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen. 2 Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede die uit den hemel is overkleed te worden, 3 zoo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. 4 Want ook wij die in dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven^ verslonden worde. 5 3^ie ons nu hiertoe bereid heeft is God, die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. G Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten dat wij inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere; 7 (want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.) 8 Maar wij hebben goeden |
233 moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer begeerig, hetzij inwonende hetzij uitwonende, om hem welbehage-lijk te zijn. 10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam genchiedl, naardathij gedaan heeft, hetzij goed hetzij kwaad. 11 Wij dan wetende den schrik des Heeien, bewegen de menschen tot het geloof, en zijn Gode openbaar ^ geworden; doch ik hoop ook in uwe conscienticn geopenbaard te zijn. 12 Want wij prijzen onszelve u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof zoudt hebben tegen degenen die in het aangezicht roemen en niet in het hart. 13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode,hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden. 14 Want de liefde van Christus dringt ons: 15 als die dit oordeelen, dat indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven niet meer zichzelven zouden leven, maar dien, die voor hen gestorven en opgewekt is. 1G Zoo dan wij kennen van nu aan niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nochtans kennen wij hem nu niet meer naar het vleesch. ^ 17^ Zoo dan indien iemand in Christus is, die is^ een nieuw schepsel : het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden. 18 En alle deze dingen zijn uit God, die ons met zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. 19 Want God was in Christus de wereld met zichzelven ver- m li â 2 CORINTEIÃRS 5. |
2 CORINTHIÃRS 6, 7.
234
|
zoenende, hunne zonden hun niet toerekenende, en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd. 20 Zoo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen. 21 quot;Want dien die geene zonde gekend heeft, heeft hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in hem. HOOFDSTUK 6. En wij ah medearbeidende bidden n ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben. 2 Want hij zegt: In den aan-genamen tijd heb ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb ik u geholpen: zie, nu is het de welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid. ^ 3 Wij geven geenen aanstoot in eenig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde; 4 maar wij als dienaars Gods maken_ onszelve in alles aangenaam, in veel verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in nooden, in benauwdheden, 5 in slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten, 6 in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, 7 in het woord der waarheid, in de kracht Gods; door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter- en aan de linkemjde, 8 door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en nochtans waar-achtigen, 9 als onbekenden en nochtans bekend, als stervende en zie wij leven, als getuchtigd en niet gedood, 10 als droevig zijnde doch altijd blijde, als armen doch velen rijk makende, als niets hebbende en nochtans alles bezittende. |
11 Onze mond ïs opengedaan tegen u, o Corinthiërs, ons hart is uitgebreid. 12 Gr ij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uwe ingewanden. 13 Nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijne kinderen), zoo wordt gij óók uitgebreid. 14 Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen. Want wat deelgenootschap heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15^ En wat samenstelling heeft Christus met lielial, of wat deel heeft de geloovige met den on-geloovige ? 16 Of wat samenvoeging heeft de Tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods, gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen en ik zal onder hen wandelen, en ik zal hun God zijn, en zij zullen mij een volk zijn. 17 Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en ik zal ulieden aannemen. 18 En ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige. HOOFDSTUK 7. Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons ons-zelve reinigen van alle besmetting des vleesches en des gees-tes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods. 2 Geeft ons plaats: wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht. 3 Ik zeg dit niet tot uwe veroordeeling. Want ik heb te voren gezegd dat gij in onze harten zijt, om te zamen te sterven en te zamen -e leven. 4 Ik heb veel vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met vertroosting, ik bea |
2 COEINTHIÃRS 7.
235
|
zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. 5 ^ Want ook als wij in Macedonië gekomen zijn, zoo heeft ons vleesch geene^ rust gehad, maar wij quot;waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vreeze. 6 Doch God, die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus. 7 En niet alleen door zijne komst, maar ook door de vertroosting met welke hij over n vertroost is geweest, als hij onfj verhaalde uw verlangen, uw kermen, uwen ijver voor mij; alzoo dat ik te meer verblijd ben geweest. 8 Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, liet berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie dat die zendbrief, hoewel voor eenen kleinen tijd, u bedroefd heeft. 9 Nu ^ verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekeering. Want gij zijt bedroefd geweest naai God, zoodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt. 10 Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid, maar de droefheid der wereld werkt den dood. 11 Want zie, dit, dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe groote naarstigheid heeft het in u gewrocht, ja verantwoording, ja onlust, ia vreeze, ja verlangen, ja ijver, ja wrake: in alles hebt gij nzelve bewezen rein te zijn in deze zaak. 12 Hoewel ik dan u geschreven heb, dat is niet om diens wil die onrecht gedaan had, noch om diens wil wien onrecht gedaan was, maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u zoude openbaar worden, in de tegenwoordigheid Gods. 13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uwe vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van |
u tllen verkwikt is _ geworden. 14 Want indien ik iets bij hem oyer u geroemd heb, zoo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzóó ia ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden. 15 En zijne innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreeze en beven hebt ontvangen. 16 Ik verblijde mij dan dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben. HOOFDSTUK 8. Voorts maken wij u bekend, broeders, do genade Gods die in de gemeenten van Macedonië gegeven is: 2 dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hunne zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goedda-digheid. 3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig hot), ja, boven vermogen gewillig geweest, 4 ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening die voor de heiligen geschiedt; 5 en deden niet alleen gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelve eerst aan den ïïeere en daarna aan ons, door den wil van God. 6 Alzoo dat wij Titus vermaanden, dat gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzóo nog deze gave bij u voleinden zoude. 7 Zoo dan gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof en in woord en in de kennis en in alle naarstigheid, en in uwe liefde tot ons, ziet dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. 8 Ik zeg dit niet ah gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid üwer liefde beproevende. 9 Want gij weet de genade onzes Heeren Jezus Cliristus, |
â
2 COIUNTIIIÃRS 9.
238
|
dat hij om uwenhTille is arm geworden, daar lii.i rijk was, opdat gij door zijne armoede aoudt rijk worden. 10 En ik zeg in dezen mijne aieening. Want dit is n oorbaar, als die niet al leen het doen maar ook het willen van over oen jaar te voren hebt begonnen. 11 Maar nu voleindigt ook het doen, opdat gelijk als er geweest idB de volvaardigheid desgemoeds o-m te willen, er ook alzóó zij het voleindigen uit hetgene dat gij hebt. 12 Want indien te voren de yolvaardigheid des gemoeds daar is, zoo is iemand aangenaam naar hetgeen dat hij heeft: niet iraar hetgeen dat hij niet heeft. 13 Want dit zeg ik niet opdat anderen zouden verlichting heb-ten, en gij verdrukking: 24 maar opdat uit gelijkheid, ha dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te ver* vullen, opdat er gelijkheid worde, 15 gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over, en die weinig verzameld had, had niet te weinig. 16 Doch Gode zij dank, die dezelfde naarstigheid voor u in ]*et hart van Titus gegeven heeft, 17 dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig sijnde gewillig tot u gereisd is. 18 En wij hebben ook met liern gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door alle de gemeenten. 19 ^ En dat niet alleen, maar hij is ook van de gemeenten verkoren, om met ons te reizen saet deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid dos Hoeren zei ven en de volvaardigheid uwe gemoeds; 20 dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed die van ons wordt bediend: 21 als_ die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere maar ook voor de mon-ficlien. |
22 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben dat hij naarstig is, en nu veel naarstiger door het groot vertrouwen dat hij heeft tot ulieden. 23 Hetzij dan Titus, hij ia mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der gemeenten en een eere van Christus. 24 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde en onzes rooms van u, ook voor het aangezicht der gemeenten. HOOFDSTUK 9. Want van de bediening die voor de heiligen geschiedt is het mij onnoodig aan u te schrijven. 2 Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedo-niërs dat Achaje van over een jaar bereid is geweest, en de ijver van u heyonnen heeft er velen opgewekt. 3 Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem dien icij over u hebben niet zoude ijdel gemaakt worden in dezen deele, opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn, 4 en dat niet mogelijk zoo de Macedoniërs met mij kwamen en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen gij) beschaamd worden in dezen vasten grond des roemens. 5 Ik heb dan noodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst, tot u zouden komen, en voorbereiden uwen te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij alzoo als een zegen, en niet als eene vrekheid. 6 En dit zeg ik, die spaarza-melijk zaait zal ook apaarzame-lijk maaien, en die in zegeningen zaait zal ook in zegeningen maaien. 7 Een iegelijk doe gelijk hij in zijn harte voorneemt, niet uit droefheid of uit nooddwang. Want God heeft een blij moedigen gever lief. 8 En God is machtig alle ge- |
2 CORlNTIIIÃrwS 10.
237
|
nade te doen overvloedig zijn in u, opdat gij in alles allen tijd alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn. 9 Gelijk er geschreven is: Hij heelt gestrooid, hij heeft den armen gegeven, zijne gerechtigheid blijft in der eeuwigheid. 10 Doch die het zaad den zaaier verleent, die verleene ook brood tot spijze, en vermenig-vuldige uw zaaisel en termeerdere de vruchten uwer gerechtigheid ; 11 dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid. lt; welke door ons werkt dankzegging tot God. 12 ant de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God; Vó dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mede deeling aan hen en aan allen; 14 en door hun gebod voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u. 15 Doch Gode zij dank voor zijne onuitsprekelijke gave. HOOFDSTUK 10. Voorts ik Paul us zelf bidde u door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die tegenwoordig zijnde wel gering ben onder u, maar afvvezend stout ben tegen u; 2 ik bid dan, dat ik tegenwoordig zijnde niet stout mag zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stou-telijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten alsot wij naar het vleesch wandelden. 3 Want wandelende in het vleesch voeren wij den krijg niet naar het vleesch; 4 want de wapenen onzes krijgs zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God tot ne-derwerping der sterkten; |
5 dewijl wij de overleggingen, temederwerpen, en alle hoogt© die zicli verheft tegen de ken-niese Gods, ^ en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus, G en gereed hebben Jtetgct'K-dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uwe gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet gij aan dat voor oogen is? Indien iemand bij zichzel-ven betrouwt dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijker wijs hij van Christus is, alzoo wij ook van Christus zijn. 8 Want indien ik ook iets overvloediger zoude roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting en niet tot uwe nederwerping, zot» zal ik niet beschaamd worden: 9 opdat ik niet zoude schijnen, alsof ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want de brieven (zegge*, zij) zijn wel gewichtig en krachtig, maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak en de red© is verachtelijk. 11 Dezulke bedenke dit, daft hoedanigen wij zijn in het woord door brieven als wij afwezig zijn, wij ook zoodanigen zijn in de daad als wij tegenwoordig zijn. 12 Want wij durven onszelvc-niet rekenen of vergelijken niet sommigen die zichzelve prijzen* maar deze verstaan niet dat zijquot; zichzelve meten en zichz-elv© vergelijken. 13 Doch wij zullen niet roemen buiten de maat, maar claartH, dat wij naar de maat des regels, welke maat God ons toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 14 Want wij strekken onszeivs niet te wijd uit, als die tot ö. niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in. het Evangelie van Christus; 15 niet roemende buiten de maat in anderer arbeid, maar hebbende hoop, als uw geluo/quot; zal gewassen zijn, dat wij onda? |
2 CORINTHIÃIIS 11.
233
|
ulieden ovcrvloediglijk zullen vergroot worden naar onzen regel, 16 om het Evangelie te verkondigen in de plaatsen die aan gene zijde van u gelegen zijn; niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen aireede bereid is. 17 Doch wie roemt, die roeme in den Heere; 18 want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd. HOOFDSTUK 11. Och qf gij mij een weinig verdroogt in de onwijsheid; ja, ook verdraagt mij. 2 Want ik ben ijverig over u met eenen ijver Gods. Want ik heb ulieden toebereid, om u als eene reine maagd aanéénenman voor te stellen, namelijk aan Christus; 3 doch ik vreeze dat eenigszins gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, al-zóó uwe zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid die in Christus is. 4 Want indien degene die komt eenen anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij eenen anderen Geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zoo verdroogt gij hem met recht; 5 want ik acht dat ik nergens in minder ben geweest dan de uitnemendste Apostelen. 6 En indien ik ook onbedreven ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden. 7 Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb opdat gij zoudt vgrhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb? 8 Ik heb andere gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende^om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen. |
9 Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld die van Ma-cedonië^ kwamen ; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren en zal mij nog alzoo houden. 10 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden. 11 Waarom? Is het omdat ik u niet liefheb ? God weet het. 12 Maar dat ik doe, dat zal ik nóg doen, om de oorzaak af te snijden dengenen die oorzaak hehhen viiWzn, opdat zij in 't geen zij roemen bevonden mochten worden gelijk als wij. 13 Want zulke valsche Apostelen zijnbedriegelijke arbeiders, zich veranderende in Apostelen van Christus. 14 En het is geen wonder; want ^ de satan zelf verandert zich in eenen Engel des lichts: 15 zoo is het dan niets groots indien ook zijne dienaars zich veranderen als waren bedienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hunne werken. 16 Ik zeg wederom, dat niemand meene_ dat ik onwijs ben; doch zoo niet, neemt mij dan aan als eenen onwijze, opdat ik óók een weinig mag roemen. 17 Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond des roemens. 18 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik óók roemen. 19 Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt. 20 Want gij verdraagt het zoo u iemand dienstbaar maakt, zoo u iemand opeet, zoo iemand vd/t u neemt, zoo zich iemand verheft, zoo u iemand in het aangezicht slaat. 21 Ik zeg dit naar oneer, alsof wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is, (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik óók stout. |
2 CORINTHIÃRS 12.
239
|
22 Zijn zij Hebreërs? Ik ook. Zijn zjj Israëliten? Ik ook. Zijn zij het geslacht Abrahams? Ik ook. 23 Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde): ik ben boven hen: in arbeid overvloediger, in slagen nitue-mender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. 24 Van de Joden heb ik veertig slagen min één vijfmaal ont-vangen.^ 25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, ééns ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een ganschen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. 26 In 't reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valsche broeders; 27 in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. 28 Behalve de dingen die van buiten zijn overvalt mij dagelijks de zorg van alle de gemeen-ten. 29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er ge-ergerd, dat ik niet brande? 30 Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. 31 De God en Vader onzes Heeren lt; Jezus Christus, die geprezen is in der eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32 De Stadhouder van den Koning Aretas in Damascus bezette de stad der Damasceners, willende mij vangen. 33 En ik werd door een venster in eene mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijne handen. HOOFDSTUK 12. Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar. Want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren. |
2 Ik ken eenen mensch in Christus, voor veertien jaren, (of het geschied zij in het lichaam weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet. God weet het) dat do zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel; 3 en ik ken een zoodanig mensch, (of het_ in het lichaam of buiten het lichaam geschied zij weet ik niet. God weet het) 4 dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken. 5 Van den zoodanige zal ik roemen, doch van mij zei ven zal ik niet roemen dan in mijne zwakheden. 6 Want zoo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn; want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houd daarvan af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet dat ik ben, of dat hij uit mij hoort. 7 En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zoude verheifen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verhelien. 8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zoude wijken. 9 En hij heeft tot mij gezegd: Mijne genade is u genoeg, want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Zoo zal ik dan veel liever roemen iu mijne zwakheden, opdat _ de kracht vaü Christus in mij wone. 10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus wille; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. 11 Ik ben roemend onwijs geworden: gij hebt mij genoodzaakt; want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben |
|
210 2 COKINÃ in geen ding minder geweest dan de nitnemendste Apostelen, hoewel ik niets ben. 12 De merkteekenen van een Apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met teekenen en wonderen en krachten. 13 Want wat ia er waarin gij minder geweest zij t dan de andere gemeenten, anders dan dat ik zelf ii niet lastig ben geweest ? Vergeeft mij dit ongelijk. 14 Zie, ik ben ten derden male gereed om tot n te komen, en zal n niet lastig zijn; want ik zoek niet het nwe maar n; want de kinderen moeten n.ot schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen. 15 En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe zielen te koste gegeven worden; hoewel ik u overvloediger beminnende minder bemind word. 1G Doch het zij zoo: ik heb u niet bezwaard, maar al zoo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen. 17 Heb ik door iemand dergenen die ik tot u gezonden heb van u mijn voordeel gezocht ? 18 Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden: heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? liehhen wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen? 19 Meent gij wederom dat wij ons bij verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid Gods in Christus; en dit alles, i geliefden, tot uwe stichting. 20 Want ik vreeze, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet eenigszins zal vinden zoodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat daareenigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten: 21 opdat wederom als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen die te voren |
IIIÃRS 13. gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van do onreinigheid en hoererij en ontuchtigheid die zij gedaan hebben. HOOFDSTUK 13. Dit is de derde maal dal ik tot u kom: in den mond van twee of drie getuigen zal allo woord bestaan. 2 Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezend aan degenen die te voren gezondigd hebben, en aan alle do anderen, dat zoo ik wederkom, ik hen niet zal sparen; 3 dewijl gij zoekt eene proeve van Christus die in mij spreekt, welke in^ u niet zwak is, maar krachtig is onder u. 4 Want hoewel hij gekruist ia door zwakheid, zoo leeft hij nochtans door de kracht Gods; want ook wij zijn zwak in hem, maar zullen met hem leven door de kracht Gods in u. o Onderzoekt uzelve of gij in het geloof zijt, beproeft uzelve. Of kent gij uzelve niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt. G Doch ik hoop dat gij zult vcsiaan dat wij niet verwerpelijk zijn. J En ik wensch van God dat gij geen kwaad doett niet opdat wij beproefd zonden bevonden worden, maar opdat gij hot goedo zoudt doen en wij als verwerpelijk zouden zijn. 8 Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid. 9 Want wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn en gij sterk zijt: en wij wenschen ook dit, vamelijk uwe rolmaking. 10 Daarom schrijf ik afwezend deze dingen, opdat ik niet tegenwoordig zijnde gestrengheid zoude gebruiken, naar de macht, die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing en niet totn^der-werpmg. |
|
11 Vooits, broeders, zijt blijde, ivordt vol mankt, zijt getroost, zijt eensgezind, leett iu vrede: en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. 12 Groet elkander met eenen |
241 U groeten alle de heiligen kns. heiligen. 13 De genade des Heeren.Tezr.a Christus en de liefde Gods en do gemeenschap des Heiligen Geestea zij met u allen. Amen. GALATIÃRS 1. |
DE BEIEF VAN DEN APOSTEL PAULÃS
AAN DE
G A L A T I E R S.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel (geroepen niet van menschen, noch door een^menscli, maar door Jezus Christus, en God den Vader die hem uit do dooden opgewekt heeft), 2 en alle de broeders die mot mij zijn, aan de gemeenten van Galatic: 3 genade zij u en vrede van God den Vader en onzen Heere Jezus Christus; 4 die zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat hij ons trekken zoude uit deze tegenwoordige booze â¢\vercld, naar den wil onzes Gods en Vaders, 5 denwel ken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. G Ik verwonder mij, dat gij zoo haast wijkende van dengenen die ii in de genade van Christus geroepen .heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie, 7 daar er geen ander is; maar daar zijn sommigen die u ontroeren en _ het Evangelie van Christus willen verkceren. 8 Doch al ware het ook dat wij, of een Engel uit den hemel ii een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij n verkondigd hebben, die zij vervloekt. |
0 Gelijk wij te voren gezegd hebben, zoo zeg ik ook nu wederom: indien u iemand een Evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. lü Want predik ik nu de menschen of God? Of zoek ik menschen te behagen? Want indien ik nog menschen behaagde, zoo ware ik geen dienstknecht van Christus. 11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie hetwelk van mij verkondigd is,niet is naar den mensch. 12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mensch ontvangen noch geleerd, maar door ' de openbaring van Jezus Christus. 13 \\ ant gij hebt mijnen omgang gehoord die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte, 14 en dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijne vaderlijke inzettingen. 15 Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijn moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door zijne genade, 1G zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik denzelven door het Evangelie onder de heidenen zoude verkondigen, zoo ben ik |
GAL ATIÃRS 2.
2-13
|
terstond niet te rade gegaan met â vleesch en bloed, 17 en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem tot degenen die yoor mij Apostelen waren, maar ik ging henen naar Arabië, en keerde wederom naar pamascue. 18 Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen, 19 en zag geenen anderen van de Apostelen dan Jacobus den broeder des Heeren. 20 Hetgeen nu dat ik u schrijf, zie, ik getuig voor God dat ik niet lieg. 21 Daarna ben ik gekomen in i de gewesten van Syrië en van ! Cilicië. 22 En ik was van aangezicht onbekend aan de gemeenten in Judéa, die in Christus zijn. 23 Maar zij hadden alleenlijk gehoord dat men zeide: Degene die ons eertijds vervolgde verkondigt nu het geloof hetwelk bij eertijds verwoestte. 24 En zij verheerlijkten God in mij. HOOFDSTUK 2. Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende. 2 En ik ging óp door eene openbaring, en stelde hun het Evangelie yoor dat ik predik onder de heidenen, en in 't bijzonder dengenen die in achting waren, opdat ik niet soms tevergeefs zouden loopen of geloopen hebben. 3 Maar ook Titus die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden. 4 En dat om der ingekropen valsehe broederen wille, die van terzijde ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen, 5 denwelken wij ook niet een uur zijn geweken met onderwerping, opdat de waarheid des |
Evangelies bij u zoude verblijven. 6 En van degenen die geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren verschilt mij niet: God neemt den persoon des menschen niet aan; want die geacht waren hebben mij niets toegebracht. 7 Maar daarentegen, als zij zagen dat mij het Evangelie dei-voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus der besnijdenis: 8 (quot;quot;'ant die in Petrus krach-tiglijk werkte tot het Apostelschap der besnijdenis,, die werkte ook krachtiglijk in mij onder do heidenen); 9 eu als Jacobus en Cefas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die mij gegeven was bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rzchievhand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen en zij tot de besnijdenis zouden gaan. 10 Alleenlijk dat wij de armen zouden gedenken, hetwelk ik mij ook benaarstigd heb te doen. 11 En toen Petrus te Antio-chiö gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was. 12 Want eer sommigen van Jacobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen: maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vreezende degenen die uit de besnijdenis waren. 13 En ook de andere Joden veinsden met hem; alzoo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hunne veinzing. 14 Maar als ik zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid des Evangelies, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij die een Jood zijt naar heidensche wijze leeft, en niet naar Joodsche wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodsche wijze te leven ? 15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen ; 16 doch wetende dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door |
GALAT1ÃRS 3.
243
|
het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat tv ij zouden gerechtvaardigd -worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden. 17 Maar indien wü, die in Christus zoeken gerechtvaardigd to worden, ook zelve zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde ? Dat zij verre. 18 Want indien ik hetgeen ik afgebroken heb wederom opbouw, zoo stel ik mij zei ven tot een overtreder. 19 Want ik ben door do wet der wet gestorven, opdat ik Godo leven zoude. 20 Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij ; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad heeftenzichzelven voor mij overgegeven heeft. 21 Ik doe de genade Gods niet te niet. quot;Want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus tevergeefs gestorven. HOOFDSTUK 3. O gij uitzinnige Galatiërs, wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn, denwelken Jezus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? 2 Dit alleen wil ik van u leeren, hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet of uit de prediking des^ geloofs ? 3 Zijt gij zóó uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vleesch? 4 Hebt gij zooveel tevergeefs geleden ? indien ook maar tevergeefs ! 5 Die u dan den Geest verleent en krachten onder u werkt, doet hij dat uit d© werken der wet of uit de prediking des geloofs? |
6 Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, 7 zoo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn Abrahams kinderen zijn. 8 En de Schrift te voren ziende dat God de heidenen uit. het geloof zoude rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zengende: In u zullen allo de volkeren gezegend worden. _ 9 Zoo dan die uit het geloof zijn worden gezegend met den geloovigen Abraham. 10 Want zoovelcn als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 12 Doch de wet is niet uit het geloof, maar de mensch die deze dingen doet zal door dezelve leven. 13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. 14 Opdat de zeirening Abrahams tot de heidenen komen zoude in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof. 15 Broeders, ik spreek naar den mensch: zelfs eens menschen verbond dat bevestigd is doet niemand te niet, of niemand doet daartoe. 16 Nu zoo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uwen zade, hetwelk is Christus. 17 En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd t f IS If p C! W'-, ' Itif- |
GALATI^HS 1
214
|
is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt om de belol'tenis te niet te doen. IS Want indien de erfenis uit de wet is, zoo is ze niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door do beloftenis genadiglijk gegeven. li) Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wille daarbij gesteld, totdat het zaad zoude gekomen zijn, dien het beloofd was; en ^ zij is door de Engelen besteld in do hand des middelaars. 20 En do middelaar is niet middelaar van éénen, maar God is één. 21 Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre. Want indien lt; daar eene wet gegeven ware die machtig was levend te maken, zoo zoude waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. 22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den geloo-vigen zoude gegeven worden. 23 Doch eer het geloof kwam waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof dat geopenbaard zoude worden. 24 Zoo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden; 25 maar als het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 2(3 Want gij zijtallen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. 27 Want zoovel en als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. 28 Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw. Want gij allen zijt één in Christus Jezus. 29 En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. |
HOOFDSTUK 4. Doch ik zeg, zoo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles, 2 maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. 3 Alzoó wij ook toen wij kin-tieren waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder do eerste beginselen der wereld; 4 maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, 5 opdat hij degenen die onder de wet waren verlossen zoude, en opdat wij de aanneming tot kindereu verkrijgen zouden. 6 En overmits gij kinderen zijtr zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abbo, Vader! 7 Zoo dan gij zijt niet meer een ^dienstknecht maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus. 8 Maar toen als gij God niei kendet, diendet gij degenen die van nature geen goden zijn; !) en nu als gij God kent, ja, veel meer van God gekend zijt hoe keert gij u wederom tot de, zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van vore» aan wilt dienen? 10 Gij onderhoudt dagen, en» maanden, en tijden, en jaren. 11 Ik vreeze voor u, dat ik soms tevergeefs aan u gearbeid heb. 12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij ; broeders, ik bid u: gij hebt mij geen ongelijk gedaan. 13 En gij weet dat ik u door zwakheid des vleesches het Evangelie do eerste maal verkondigd heb. 14 en mijne verzoeking die in mijn vle^sch geschiedde hebt gij |
GALATIÃRS 5.
245
|
niet veracht noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als eenen Engel Gods, ja, als Christus Jezus. 15 Welke was dan uwe geluk-achtingV Want ik gsef u getuigenis, dat gij, zoo het mogelijk â¢ware, uwe oogeu zoudt uitgegraven en nirj gegeven hebben. 1G Ben ik uan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende ? 17 Zij ijveren niet recht over u, maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zouct ijveren. 18 Doch in het goede allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk als ik bij u tegenwoordig ben, _ 19 mijne kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, tot Christus eene gestalte in u krijge. 20 Doch ik wilde dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijne stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u. 21 Zegt mij, gij die ouder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? 22 Want daar is geschreven, dat Abraham twee zonen had, cénen uit de dienstmaagd en éénen uit de vrije. 23 Maar gene die uit de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren geweest; doch deze die uit de vrije was, door de beloftenis. 24 Hetwelk dingen zijn die andere beduiding hebben. Want deze zijn de twee verbonden: het eéne van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Hagar. 25 Want dit, namelijk Hagar, in Sinaï, een berg in Arabic, en komt overeen met Jeruzalem dat nu is, en dienstbaar is met hare kinderen. 26 Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is onzer aller moeder. 27 Want daar is geschreven: Wees vroolijk, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die geen barensnood hebt; want de kinderen der eenzame zjjn veel meer dan dergene die den man heeft. |
28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Isaiik was. 29 Doch gelijkerwijs toen die naar het vleesch geboren was dengene vervolgde die naar den geest {leboren icas, alzoó ook nu. 30 Maar wat zegt de Schrift V Werp de dienstmaagd uit en haren zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. 31 Zoo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmitagd maar der vrije. HOOFDSTUK 5. Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. 2 Zie. ik Paulus zeg u, zoo gij u laat besnijden, dat Christus u niets nut zal zijn; 3 en ik betuig wederom aan een iegelijk menscli die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de geheele wet te doen. 4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd icilt worden: gij zijt van de genade vervallen. 5 Want wij verwachten door den Geest uit het geloofde hope der rechtvaardigheid. 6 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. 7 Gij liept wel, wie heeft u verhinderd der waarheid gehoorzaam te zijn? 8 Dit gevoelen is niet uit hem die u roept. 9 Een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele deeg. 10 Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niets anders zult gevoelen; maar die u ontroert zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. 11 Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? |
|
246 GALA! Zoo is dan de ergenis des kruises vernietigd. 12 Och of zij ook afgesneden wierden die u onrustig maken. 13 Want gij zijt tot vrijheid eroepen, broeders; alleenlijk cre- ruild de vrijheid niet tot eene oorzaak voor het vleesch, maar dient elkander door de liefde. 14 Want de geheele wet wordt in één woord vervuld, namelyk in dit: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzelven. 15 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt. 10 Eu ik zeg, wandelt door den Geest,_ en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet. 17 Want het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest-tegen het vleesch; en deze staan tegen elkander, alzoo dat gij niet doet hetgeen gij wildet. 18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet ouder de wet. 19 .De werken des vleesches nu zijn openbaar: welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, 20 afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, 21 nijd, moord, dronkenschap-pen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. 22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. 23 Tegen de zoodanigen is de wet niet. 24 Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. 25 Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. 26 Laat ons niet zijn zoekers |
IÃKS 6. van ij dele eer, elkander tergende, elkander benijdende. HOOFDSTUK 6. Broeders, indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt den zoodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid: ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. 2 Draagt^ elkanders lasten, en vervult alzoo de wet van Christus. 3 Want zoo iemand ijiieent iets te zijn daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. 4 Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander. 5 Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. ti En die onderwezen wordt in het Woord deele mede van allo góederen dengene die hem onderwijst. 7 Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten. Want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien. 8 Want die in zijn eigen vleesch zaait zal uit het vleesch verderfenis maaien, maar die in den geest zaait zal uit den geest het eeuwige leven maaien. 9 Doch laat ons goed doende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zoo wij niet verslappen. 10 Zoo dan terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huis-genooten des geloofs. 11 Ziet hoe grooten brief ik u geschreven heb met mijne hand. 12 Alle degenen die een schoon gelaat willen toonen naar het vleesch, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. 13 Want ook zij zelve die besneden werden houden de wet niet; maar zij willen dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vleesch roemen zouden. |
EFEZIÃES 1.
217
|
14 Maar het zij verre ran mij dat ik zoude roemen anders dan in het kruis onzes Heeren Jezus Christus, door welken de -wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld, 15 want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. |
16 En zoovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods. 17 Voorts niemand doe mij moeite aan: want ik draag do litteekenen des Heeren Jezus ia mijn lichaam. 18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest, broeders. Amen. |
DE BItlEF VAN DEN APOSTEL PAÃLÃS
AAN DE
EFEZTERS.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wille Gods, aan de heiligen die teEfezezijn en geloovigen in Christus Jezus; 2 genade zij u en vrede van God onzen Yader en den Heere Jezus Christus. _ 3 Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. 4 Gelijk hij ons uitverkoren heeft in hem vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor hem in de liefde, 5 die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in zichzel-ven, naar het welbehagen van zijnen wil, 6 tot prijs der heerlijkheid zijner genade door welke hi^ ons begenadigd heeft in den Geliefde, 7 in welken wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk do vergeving der misdaden, naar den rijkdom zijner genade, |
8 met welke hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid, 9 ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van zijnen wil, naar zijn welbehagen, 't welk hij voorgenomen had in zichzolven, 10 om in de bedeeling van do volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is, 11 in hem in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die te voren verordineerd waren naar liet voornemen desgenen dio alle dingen werkt naar den raad van zijnen wil, 12 opdat wij zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben. 13 In welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, 14 die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregene verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid. |
EFEZIÃIIS 2.
248
|
15 Daarom ook ik gehoord heb- ! bende het geloof in den Heero i Jezus dat onder u lt; is, en de j liefde tot alle de heiligen, 1G hond niet op voor n te dan- i ken, gedenkende uwer in mijne gebeden, 17 opdat de God onzesHeeren Jezus Christus, de Vader der â¢heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in zijne kennis, 18 namelijk verlichte oogen uws verstands, opdat gij moogt weten welke zij de hope van zijne roeping, en welke de rijkdom zij van ^ de heerlijkheid zijner erfenis in de heiligen; 19 en welke de uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons die gelooven, naar de werking der sterkte zijner macht, 20 die hij gewrocht heeft in Christus, als hij hem uitdedoo-den heeft opgewekt en hem heeft gezet tot zijne rechter/ianrf in den hemel, 21 verre boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam die genaamd wordt niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomende, 22 en heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft â¢hem der gemeente gegeven tot een hoofd boven alle dingen, 23 welke zijn lichaam is, cu de vervulling desgenen die alles in allen vervult. HOOFDSTUK 2. En u heeft hij mede levend gemaakt daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, 2 in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, 3 onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook do anderen. |
4 Maar God, die rijk ïs in barmhartigheid, door zijnegroote liefde, waarmede hij ons liefgehad heeft, 5 ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons lovend gemaakt met Christus, (uit genade zijt gij zalig geworden), 6 en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons medegezet in den hemel in Christus Jezus, 7 opdat hij zoude betoonen in de toekomende^ eeuwen den uit-nemenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave: _9 niet uit de werken, opdat niemand roeme. 1à Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen. 11 Daarom gedenkt, dat gij die eertijds heidenen waart in het vleesch, en die voorhuid genaamd werdt van degenen die genaamd zijn besnijdenis in het vleesch, die met handen geschiedt, 12 dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen van de verbonden dei-belofte, geene hope hebbende en zonder God in de wereld. 13 Maar nu in Christus Jezus gij, die eertijds verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus. 14 Want hij is onze vrede, die deze beide één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, 15 heeft hij de vijandschap in zijn vleesch te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande, opdat hij die twee in zichzelven tot éènen nieuwen mensch zoude scheppen, vrede makende, 16 en opdat hij die beide met God zoude in één lichaam verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. |
|
17 En komende heeft hij door het Evangelie vrede verkondigd u die verre waart en dien die nabij waren. 18 Want door hem hsbben wij beiden den toegang door éénen Geest tot den Vader. 19 Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huis-genooten Gods, 20 gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, 21 op welken het geheele gebouw, bekwamelij k samengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen Tempel in den Heere, 22 op welken ook gij medcge-bouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest. HOOFDSTUK 3. Om deze oorzaak hen ik Paulus de gevangene van Christus Jezus voor u die heidenen zijt: 2 indien gij maar gehoord hebt van de bedeeling Gods die mij gegeven is aan u, 3 dat hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb, 4 waaraan gij dit lezende kunt bemerken mijne wetenschap in deze verbolgenheid van Christus), 5 welke in andere eeuwen den kinderen der menschen niet is bekend gemaakt, gelijk ze nu is geopenbaard aan zijne heilige Apostelen en Profeten door den Geest; 6 namelijk dat de heidenen zijn medeërfgenamen en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenooten zijner belofte in Christus door het Evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is naar de werking zijner kracht. 8 Mij, den allerminste van alle do heiligen, is deze genade gegeven, om onder do heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus, |
249 9 en allen te verlichten, dat ze mogen verstaan welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, 10 opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods, 11 naar het eeuwig voornemen dat hij gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heere, 12 in denwelken wij hebben do vrijmoedigheid en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan hem. 13 Daarom bid ik dat gij niet vertraagt in mijne verdrukkingen voor u, 't welk is uwe heerlijkheid. 14 Oin deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Yader onzes Heeren Jezus Christus, 15 uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genaamd wordt, 1G opdat hij u geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch, 17 opdat Christus door het geloof in uwe harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; 18 opdat gij ten volle kondet begrijpen met allo de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij, 19 en bekennen do liefde van Christus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt toe al de volheid Gods. 20 Hem nu die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, 21 hem zeg ih zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alio geslachten,iot alle eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 4. Zoo bidde ik u dan, ik de gevangene In den Heere, dat gij EFEZIÃES 3, 4. |
EFEZIÃRS 4.
250
|
â¢wandelt waardiglijk der roeping met welke gij geroepen zijt, 2 met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in lietdu, 3 u benaarstigende te behon-den de eenigheid des Geestes door den band des vredes. 4 Eén lichaam is het en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer roeping; 5 één Heere, één geloof, één doop; 6 één God en Vader van allen, die daar ia boven allen en door allen en in u allen, 7 Maar aan elk van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus. 8 Daarom zegt hij : Als hij opgevaren is in de hoogte, heeft hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den menschen gaven gegeven. 9 Nu dit: Hij is opgevaren,wat Is het dan, dat hij ook eerst is nedergedaald in de benedenste deelen der aarde? 10 Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is ver boven alle de hemelen, opdat hij alle dingen vervullen zoude. 11 En dezelve heeft gegeven sommigen tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Evangelisten, en sommigen tot. Herders en Leeraars, 12 tot de volmaking der heiligen tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus. 13 Totdat wij^ allen zullen komen tot de eenigheid desgeloofs en dor kennis van den Zoon Gods, tot eenen volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; 14 opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der menschen, door arglistigheid om listiglijk tot dwaling te brengen, 15 maar^ de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in hem die het hoofd is, namelijk Christus, |
16 uit welken het geheele lichaam, bekwamelijk te zamen gevoegd en te zamen vastgemaakt zijnde door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van ieder deel in zijne mate, den wasdom des lichaams^ bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. 17 Ik zeg dan dit en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt gelijk als de andere heidenen wandelen in de ij delheid huns gemoeids: 18 verduisterd in het veratand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door do verharding huns harten, 19 welke ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gicriglijk te bedrijven. 20 Doch gij hebt Christus alzóó niet geleerd, 21 indien gij maar hem gehoord hebt en door hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is, 22 te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mensch die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, 23 en dat gij zoudt vernieuwd worden in don geest uws ge-moeds, 24 en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. 25 Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid een iegelijk met zijnen naaste: want wij zijn elkanders leden. 26 Wordt toornig en zondigt niet: de zon ga niet onder over uwe toornigheid, 27 en geeft den duivel geene plaats. 28 Dio gestolen heeft stele niet meer, maar arbeide liever, werkende wat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen dengene, die nood heeft. 29 Geen vuile rede ga uit uwen |
EFEZIÃRS 5.
251
|
mond, raaar zoc) er eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien die ze hoeren. 30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. 31 Alle bitterheid en toornigheid en gramschap en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid. 32 Maar zi.it jegens elkander goedertieren, barmhartig, verge-vende^ elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft. HOOFDSTUK 5. Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen; 2 en wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot eenen welriekenden reuk. 3 Maar _ laat hoererij en alle onreinigheid of gierigheid onder n ook niet genaamd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt ; 4 noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen, maar veelmeer dankzegging. 5 Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. 6 Dat ti niemand verleide met Squot;dele woorden; want om dezequot;dele woorden; want om deze ingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. 7 Zoo zijt dan hunne medege-nooten niet. 8 Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere: wandelt als kinderen des lichts, 9 (want de vrucht des Geestes is in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid), 10 beproevende wat den Heere wel behagel ijk zij. |
11 En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. 12 Want hetgeen heimelijk, van hen geschiedt, is schandelijk ook te zeggen. 13 Maar alle deze dingen van het licht bestraft zijnde worden openbaar: want al wat openbaar maakt is licht. 14 Daarom zegt hij: Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de dooden, en Christus zal over u lichten. 15 Ziet dan hoe gij voorzich-tiglijk wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen, 16 den tijd uitkoopende, dewijl de dagen boos zijn. 17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren zij. 18 En wordt niet dronken van wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest, 19 sprekende onder elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heere in uw hart, 20 dankende altijd over alle dingen God en den Vader in den naam onzes Heeren Jezus Christus, 21 elkander onderdanig zijnde in do vreeze Gods. 22 Gij vrouwen, weest uwen eigen mannen onderdanig, gelijk den Heere: 23 want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is; en hij is de behouder des lichaams. 24 Daarom gelijk de gemeente Christus onderdanig is, alzóóook de vrouwen haren eigen mannen in alles. 25 Gij mannen, hebt uwe eigeno vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en zichzelven voor haar heeft overgegeven, 2G opdat hij ze heiligen zoude, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord, 27 opdat hij ze zichzelven zoude heerlijk voorstellen, eene gemeente die geen vlek of rimpel |
EFEZIÃRS 6.
2c3
|
heeft of iets dergelijks, maar dat zij zonde heilig zijn en onberispelijk. ^ 28 Alzoó zijn de mannen schuldig hunne eigene vrouwen lief te hebben gelijk hunne eigene lichamen. Die zijne eigene vrouw liefheeft die heeft zichzelven lief. 29 Want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt liet, gelijkerwijs ook de Hcere de gemeente. 30 Want wij zijn leden zijns lichaams, van zijn vleesch en van zijn been. 31 Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zuilen tot één vleesch wezen. 32 Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente. 33 Zoo dan ook gijlieden elk in 't bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw alzoó lief als zichzelven; en de vrouw zie dat Bij den man vreeze. HOOFDSTUK 6. Gij kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in den Heere; want dat is recht. 2 Eer uwen vader en uwe moeder, (hetwelk het eerste gebod is met een belofte), 3 opdat het u wol ga en dat gij lang leeft op aarde. 4 En gij vaders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn, maar voedt ze op in de leering en vermaning des Heeren. 6 Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uioen heeren naar liet vleesch, met vreeze en beven, in eenvoudigheid uws harten gelijk als aan Christus, 6 niet naar oogendienst als menschenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil Gods van harte, 7 dienende met goedwilligheid den Heere en niet de meuschen, 8 wetende dat zoo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, liy dat van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht hetzij vrije. |
9 En gij heeren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging, als die weet dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat er geene aanneming des persoons bij hem is. 10 Voorts mijne broeders, wordt krachtig in den Heere en in de sterkte zijner macht. 11 Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staar, tegen de listige omleidingen des duivels. 12 Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, teg^u de machten, tegen de gewei'd-hebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 13 Daarom neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boo-zen dag, en alles verricht hebbende staande blijven. 14 Staat dan uw lendenen omgord hebbende mot de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid, 15 en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes; 16 bovenal _ aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uit-blusschen. 17 En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, 't welk is GodsWoord; 18 met alle bidding en smeeking biddende te allen tijde in den geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeeking voor alle heiligen, 19 en voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in do opening mijns monds, met vrijmoedigheid om de verborgenheid des Evangelies bekend te maken; 20 waarover ik een gezant ben in een keten; opdat ik in hetzelve vrr moediglijk mag spreken gelijk mij betaamt te spreken. 21 En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat en |
riLIPPENZEN 1.
253
|
wat ik doe, dat alles zal u Ty-chicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken; 22 denwelken ik te dien einde tot ii gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten en hij uwe harten zoude vertroosten. |
23 Vrede zij den broederen en liefde met geloof, van God den Vader en den Heere Jezus Chris.-ais. 24 De genade zij met alle degenen die onzen Heere Jezua Christus liefhebben in on verderfelijkheid. Amen. |
DE BEIEF VAN DEN APOSTEL PAÃIPS
AAN DE
F I L I P P E N Z E K
|
HOOFDSTUK 1. Paulus en Timotheüs, dienstknechten van Jezus Christus, nan alle de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, met de Opzieners en Diakenen: 2 geuade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 3 Ik dank mijnen God zoo dikwijls als ik uwer gedenk, 4 (altijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap 't gebed doende), 5 over uwe gemeenschap aan liet Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe: 6 dit vertrouwende, dat hij die in u een goed werk begonnen heeft, dal voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus; 7 gelijk het bij mij recht is dat ik _ van u allen dit gevoel, crndat ik in mijn harte houd dat gij, beide in mijne banden en in mijne verantwoording en bevestiging des Evangelies, gij allen zey ik mijner genade mede deelachtig zijt. 8 Want God is mijn getuige, hoe zeer ikf begeerig ben naar ii allen met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. |
9 En dit bidde ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen, 10 opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen: opdat gij oprecht zijt en zander aanstoot te geven, tot den dag van Christus, 11 vervuld met vruchten der gerechtigheid die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God. 12 En ik wil dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij i.lt; oe-schied meer tot bevordering dea Evangelies gekomen is; 13 alzoo dat mijne banden in Christus openbaar geworden zijn in 't gansche Rechthuis en aan alle anderen, 14 en dai het meerendeel der broederen in den Heere, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken. 15 Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid. 16 Gene verkondigen wel Christus uit twisting niet zuiver, meenewde aan mijne banden verdrukking toe te brengen; 17 doch deze uit liefde, dewijl |
FILIPPENZEN 2.
254
|
zij -weten dat ik tot verantwoording des Evangelies gezet ben. 18 Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel hetzij in waarheid, verkondigd, en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. 19 Want ik weet dat dit mij ter zaligheid gedijen zal door uw gebed en toebrenging des Geestes van Jezus Christus, 20 volgens mijne ernstige verwachting en hoop, dat ik in geene zaak zal beschaamd worden, maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk altijd alzoo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven hetzij door den dood. 21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. 22 Maar of te leven in het vleesch, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste; 24 maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwille, 25 En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap des ge-loofs, 26 opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne tegenwoordigheid wederom bij u. 27 Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus; opdat hetzij ik kome en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken mag hooren, dat ^ij staat in éénen geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies: 28 en dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen die tegenstaan hetwelk hiin wel een bewijs is des verderfs, maar ü der zaligheid, en dat van God. |
29 Want u is uit genade gegeven in de zake van Christus, niet alleen in hem te gelooven maar ook voor hem te lijden, 30 den zelfden strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt en nu in mij hoort. HOOFDSTUK 2. Indien er dan eenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn, 2 zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende van één gemoed en van één gevoelen zijnde. 8 Doel geen ding door twisting of ijdele eere, maar door ootmoedigheid achte de één den ander uitnemender dan zichzelven. 4 Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. 5 Want dat gevoelen zij in u 't welk ook in Christus Jezus was, 6 die in de gestaltenis Gods zijnde geen roof geacht heeft Gode evengel ijk te zijn, 7 maar heeft zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden; 8 en in gedaante gevonden als een mensen, heeft hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. 9 Daarom heeft hem ook God uitermace verhoogd, en heeft hem eenen naam gegeven welke boven allen naam is, 10 opdat in den naam van Jezus zich zoude ^ buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zoude belijden dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid Gods des Vaders. 12 AIzdo dan, mijne geliefden, gelijk gij altijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijne te- |
FILIPPEHZEN 3.
255
|
genwoordiglieid alleen, maar veel meer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; 13 want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen. 14 Doet alle dingen zonder mnrmureeren en tegenspreken, 15 opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstralfelijk in 't midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld; 16 voorhoudende het Woord des levens, mij tot oenen roem tegen den dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb geloopen noch te vergeefs gearbeid. 17 Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd word over de offerande en bediening uws ge-loofs, zoo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen, 18 en om datzelfde verblijdt gij u óók, en verblijdt u ook met mij. 19 En ik hoop in den Heere Jezus, Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik óók welgemoed mag zijn als ik uwe zaken zal verstaan hebben. 20 Want ik heb niemand die even al zoo gemoed is, dewelke oprechtelijk uwe zaken zal bezorgen. 21 Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. 22 En gij weet zijne beproeving dat hij, als een kind zijnen vader, met mij gediend heeft in het Evangelie. 23 Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zenden zoo haast als ik in mijne zaken zal voorzien hebben; 24 doch ik vertrouw in den Heere, dat ik ook zelf haast tot u komen zal. 25 Maar ik heb noodig geacht tot u te zenden Epafroditus, mijnen broeder en medearbeider en medestrijder, en uwen afgezon-dene en bedienaar mijner nooddruft, |
26 dewijl hij zeer begeerig was naar u allen, en zeer beangst was, omdat gij gehoord hadt dat hij krank was. 27 En hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft zich zijner ontfermd, en niet alleen zijner maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zoude hebben. 28 Zoo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij hem ziende wederom u zoudfc verblijden, en ik te minder zoude droevig zijn. 29 Ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde. 30 Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervuilen zoude. HOOFDSTUK 3. Voorts, mijne broeders, ver-, blijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet verdrietig, en het is u zeker. 2 Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. 3 Want wij zijn de besnijding, wij die God in den Geest dienen, en in Christus Jezns roemen, en niet in het vleesch betrouwen ; 4 hoewel ik neb dat ik ook in het _ vleesch betrouwen mocht. Indien iemand anders meent te betrouwen in het vleesch, ik nog meer, 5 besneden ten achtsten dage, uit het geslacht Israels, van den stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreërs, naar de wet een Farizecr, 6 naar den ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid, die in de wei is, zijnde onberispelijk. 7 Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wille schade geacht. S Ja, gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van ï ff M' i i |
FILIPPENZEN 4.
256
|
Cbrietus Jezus mijnen Heeve, om -wiens wille ik alle die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, 9 en in hem gevonden worde niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christiia is, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof; 10 opdat ik hem kenne, en de kracht zijner opstanding, en de gemeenschap zijns lijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende: 11 of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden. 12 Niet dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders, ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb. 14 Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat vóór is, jaag ik naar het wit tot den prijs der^ roeping liods, die van boven is in Christus Jezus. 15 Zoovelen dan als wij vol-TP.aakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets apderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren. 1G Doch daar wij toegekomen zijn, laat ons daarin naar den-zelfdon regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 17 Weest mede mijne navolgers, broeders, en merkt op degenen die alzoó wandelen gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. 18 Want velen wandelen an-(Jers, van dewelke ik u dikwijls gezegd heb en nu ook weenende zeg, dat ze vijanden des kruises van Christus zijn, 19 welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aardsche dingen bedenken. 20 Maar ónze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den |
Zaligmakâ¬!r verwachten, namehjJc den Heere Jezus Christne, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor hij ook allo dingen zichzelven kan onderwerpen. HOOFDSTUK 4. Zoo dan, mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon, staat alzoó in den Heere, geliefden. 2 Ik vermaan Euodia en ik vermaan Synthyché, dat zij eensgezind zijn in den Heere. 3 En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees deze vromcen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens en mijne andere medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens. 4 Verblijdt u in den Heere allen tijd; wederom zeg ik, verblijdt u. 5 Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. De Heere is nabij. 6 quot;Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles door bidden en smeek en, met-dankzegging, bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus. 8 Voorts, broeders, al wat-waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al v.'at wèl luidt, zoo daar eenige deugd is en zoo daar eenige lof ie, be-denkt dat. 9 Hetgeen gij ook geleerd en I ontvangen en gehoord en in mij i gezien hebt, doet dat: en de ! God des vredes zal met u zijn. I 10 En ik ben grootelijks ver-j blijd geweest in den Heere, dat I gij n i eenmaal wederom ver- wakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. |
COLOSSENZEN 1.
257
|
11 Niet dat ik zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in 't geen ik ben, 12 en ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. 13^ Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft. 14 Nochtans hebt gij wèl gedaan dat gij met mijne v erdrukking gemeenschap gehad hebt. 15 En ook gij Filippenzen, weet dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geene gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen. 1G Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden tot mijne nooddruft. |
17 Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht die overvloedig is tot uwe rekening. 18 Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden als ik van Epafroditus ontvangen heb dat van u gezonden icas, als een wel-riekenden reuk, eene aangename oflerande, Gode welbehagelijk. 19 Doch mijn God zal naar zijnen rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus. 20 Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 21 Groet alle heiligen in Christus Jezus. U groeten de broeders die met mij zijn. 22 Alle de heiligen groeten u, en meest die van het huis des Keizers zijn. 23 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAÃLÃS
AAN DE
COLOSSENZEN.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Timotheiis de broeder 2 aan de heilige en geloovige broederen _ in Christus _ die te Colosse zijn: genade zij u en vrede van God onzen Yader en den Heere Jezus Christus. 3 Wij danken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, altijd voor u biddende; 4 alzoo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde die gij helt tot alle heiligen, |
5 om de hope die u weggelegd is in de hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt door het woord der waarheid, namelijk des Evangelies; 6 hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld; en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag af dat gij hel gehoord hebt en de genade Gods in waarheid bekend hebt: 7 gelijk gij ook geleerd hebt van Epafras onzen geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u, |
9
|
258 COLOSSI 8 die ons ook verklaard heeft trwe liefde in den Geeet. 9 Waarom ook â¢wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor n te bidden en te begeeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand, 10 opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in ido kennisse Gods; 11 met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap; 12 dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hébhen in de erve der heiligen in liet licht; 13 die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde, 14 in denwelken wij de verlossing hebben door zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden, 15 dewelke liet beeld ia des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creature. 16 Want door hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen : 17 en hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen door hem. 18 En hij is het hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, hij die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat hij in allen de eerste zoude zijn. 19 Want het is fles Vaders welbehagen geweest, dat in hem al de volheid wonen zoude; 20 en dat hij door hem vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem zeg ik alle dingen verzoenen zoude tot zichzelven, hetzij de dingen die |
NZEN 2. op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. 21 En hij heeft u die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de booze werken, nu ook verzoend 22 in het lichaam zij nsvleesches door den dood, opdat hij u zoude heilig en onberispelijk en on-beschuldiglijk vóór zich^ stellen: 23 indien gij maar blijft in 't geloof gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt ia onder al de creature die onder den hemel is; van hetwelk ik Paulus een dienaar geworden ben; 24 die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vleesch de overblijfselen der verdrukkingen van Christua voor zijn lichaam, 't welk is de gemeente ; 25 welker dienaar ik geworden ben naar de bedeeling Gods, di© mij gegeven is aan u om te vervullen het Woord Gods: 26 namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van aZ/e eeuwen en van alle geslachten, maar nu# geopenbaard is aan zijne heiligen, 27 aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de hope der heerlijkheid; 28 denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mensch en leerende een iegelijk mensch in a7.Ie wijsheid, opdat wij een iegelijk mensch volmaakt zouden stellen in Christus Jezus; 29 waartoe ik ook arbeide, strijdende naar zijne werking die in mij werkt met kracht. HOOFDSTUK 2. Want ik wil dat gij weet hoe grooten strijd ik voor u heb, en vcor degenen die te Laodicéa zijn, en zqovelen als er mijn aangezicht in het vleeach niet hebben gezien, 2 opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij samenge- |
COLOSSENZEN 3.
25Sgt;
|
voegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der yolle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus, 3 in denwelken alle de schatten der wijsheid en der kennis veerborgen zijn. 4 En dit zeg ik opdat niet iemand n misleide met beweegredenen die eenen schijn hebben. 5 Want hoewel ik met het vleesch van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uwe goede ordening en do vastheid uws geloofs in Christus. 6 Gelijk gij dan Christus Jezus den Heere hebt aangenomen, wandelt alzóó in hem, 7 geworteld en opgebouwd in hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zij t, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging. 8 Ziet toe dat niemand u als eenen roof vervoere_ door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overlevering der menschen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus. 9 Want in hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk ; 10 en gij zijt in hem volmaakt, die het ïloofd is van alie overheid en macht; 11 in weiken gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in het uittrek!:en van het lichaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus: 12 zijnde^ met hem begraven in den doop, in welken gij ook met hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeft. 13 En hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid uws vleesches, mede levend gemaakt met hem, alle uwe misdaden u vergevende; 14 uitgewischt hebbende het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk zeg ik een igerwij ze tegen ons was, en heeft dat uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kmio genageld hebbende: de |
15 en de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeffc hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd. 16 Dat u dan niemand oor-deele in spijs of in drank, of in het stuk des feestcZaj/s of der nieuwe maan of der sabbafcen, 17 welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. 18 Dat dan niemand u over-heersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der Engelen, intredende in 't geen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches, 19 en het hoofd niet behoudende, uit hetwelk het geheele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en te zamen gevoegd zijnde, opwast met Godgelijken wasdom. 20 Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, alsof gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast, 21 namelijk: Kaak niet, en smaak niet, en roer niet aan? 22 welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leeringen der menschen; 23 dewelke wel hebben een scJiijnrede van wijsheid in eigen-willigen f/o»/ quot;dienst, en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in eenigo waarde, maar tot verzadiging des vleesches. HOOFDSTUK 3. Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechter-hand Gods; 2 bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want gij zijs gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. 4 Wanneer nu Christus zal ge- |
COLOSSENZEN 4.
2G0
|
openbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid. 5 Doodt dan uwe leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijlie beweging, kwade begeerlijkheid, en do gierigheid, welke is afgodendienst : G om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid ; 7 in dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet. 8 Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil «preken uit uwen mond. 9 Liegt niet tegen elkander, .dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mensch met zijne werken, 10 en aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld des-genen die hem geschapen heeft; 11 waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen. 12 Zoo doet dan «aan, als uitverkorenen Gods, heiligen enbe-.minden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid: 13 verdragende elkander en vergevende de één den ander, zoo iemand tegen iemand eeniiie klachte heelt; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzóó. 14 En boven dit alles, doet ddn de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid. 15 En de vrede Gods heersche in uwe harten, tot welken gij ook .geroepen zijt in één lichaam; en weest dankbaar. 16 liet Woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijs- ! heid; leert en vermaant elkander j met psalmen en lofzangen en , .geestelijke liedekens, zingende j den Heere met aangenaamheid | in uw hart. |
17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam des Heeren Jezus, dankende God en den Vader door hem. 18 Gij vrouwen, zijt uwen eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere. 19 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar. 20 Gij kinderen, zijt uicen ouders gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehagelijk. 21 Gij vaders, tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, niet met oogendiensten als menschenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God. 23 En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den menschen, 24 wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus. 25 Maar wie onrecht doet, die zal het onrccht dragen dat hij gedaan heeft, en er is geene aanneming des persoons. HOOFDSTUK 4. Gij heeren, doet uwen dienstknechten recht en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heere hebt in de hemelen. 2 Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in 't zelve met dankzegging; 3 biddende metéén ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te sprekende verborgenheid van Christüs, om welke ik ook gebonden ben, 4 opdat ik dezelve mag openbaren gelijk ik moet spreken. 5 Wandelt met wijsheid bij degenen die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkoopende. 6 Uw woord zij altijd in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten hoe een iegelijk moet antwoorden. 7 Alle mijne zaken zal u be- |
|
1 THESSALO kend maken Tyclncus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar en mededienstknecht in den Heere, 8 denwelken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uwe zaken wete en uwe harten vertrooste; 9 met Onésimus den getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u allee bekend maken dat hier is. 10 U groet Aristarchus mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, (aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt; zoo hij tot u komt, ontvangt hem), 11 en Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn: deze alleen zijn mijne medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij eene vertroosting geweest zijn. 12 U groet Epafras die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus altijd strijdende voor u tfICENZEN 1. 261 |
in do gebeden, opdat gij etaan moogt volmaakt en volkomen in al den wil Gods. 13 Want ik geef hem getuigenis dat hij grooten ijver heeft over u en degenen die in Laodicóa zijn en degenen die in Hiera-polis zijn. 14 U groet Lucas de medicijnmeester, de geliefde, en Demas. 15 Groet de broedoren die in Laodicta zijn, en Nymfas, en do gemeente die in zijn huis is. _ 1G En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt dat die ook in de gemeente der Lao-dicenzen gelezen worde, en dat ook gij dien leest die uit Laodicóa qeschreven is. 17 En zegt aan Archippus: Zio op de bediening die gij aangenomen hebt in den Ileero, dat gij die vervult. 18 De groetenis met mijne hand, van Paul us. Gedenkt mijne banden. De genade zij met u, Amen. |
DE EERSTE BEIEP VA?
DEN APOSTEL PAÃLTJS
AAN
DE
THESSALO
NICENZEK
|
HOOFDSTUK 1. Paul us en Silvanus en Timo-theüs aan de gemeente der Thes-ealonicenzen, tcelke js in God den Vader en den Heere Jezus Christus; genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 2 Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; 3 zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hope op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; |
4 wetende, geliefde broeders, uwe verkiezing van God. 5 Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid, gelijk gij weet hoe-danigen wij onder u geweest zijn om uwentwille. 6 En gij zijt onze navolgers geworden en des Heeren, het Woord aangenomen hebbendein |
1 THESSALONICENZEN 2.
262
|
vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes, 7 alzoo dat gij voorbeelden geworden zij t allen den geloovigen in Macedonië en Achaje. 8 Want van u is het Woord des Heeren ruchtbaar geworden niet _ alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in allo plaatsen ie uw geloof dat (jij op God hebt uitgegaan, zoodat wij niet van noode hebben iets daarvan te epreken. 9 Want zij zelve verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen, 10 en zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten, denwel ken hij â gt;jit do dooden opgewekt heeft, namelijk Jezus, dio ons verlost van den toekomenden toorn. HOOFDSTUK 2. Want gij weet zelve, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ij del is geweest; 2 maar hoewel wij te voren'geleden hadden, en oolc ons smaad-lieid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zoo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie Oods tot u te spreken in veel strijd. 3 Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog ; 4 maar gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zoude toebetronwd worden, alzóó epreken wij, niet als menschen behagende, maar Gode, die onze harten beproeft. 5 Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met eenig bedeksel van gierigheid, God is getuige; 6 noch zoekende eer uit men-echen, noch van u noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus' Apostelen ; |
7 maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als een voedster hare kinderen koestert, 8 alzóó wij, tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededeelen niet alleen liet Evangelie Gods, maar ook onze eigene zielen, daarom omdat gij ons lief geworden waart. 9 Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie Gods onder u gepredikt. 10 Gij zijt getuigen en God, hoe heiliglijk en rechtvaardiglijk en onberispelijk wij u die gelooft geweest zijn: 11 gelijk gij weet, hoe een iegelijk van u, als een vader zijne kinderen, vermaanden en vertroostten, 12 en betuigden dat dj zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot zijn Koninkrijk en heerlijkheid. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat als gij het Woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt niet als der menschen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft. 14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods die in Judéa zijn in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe eigene medeburgers, gelijk als zij van de Joden; 15 welke ook gedood hebben den Heere Jezus en hunne eigene Profeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en alle menschen tegen zijn, 16 en ons verhinderen te spreken tot de heidenen, dat zy zalig mochten worden; opdat zij altijd hunne zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde. 17 Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaar- |
1 THESSALONICENZEN 3, 4.
263
|
ctigd om uw aangezicht te zien, met groote begeerte. 18 Daarom Lebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de eatan heeft Tiet ons belet. 19 Want welke is onze hoop of blijdschap of kroon des roems ? Zijt gij die ook niet, voor onzen Heere Jezus Christus in zijne toekomst ? 20 Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap. HOOFDSTUK Daarom deze heceerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne te Athene willen alléén gelaten worden, 2 en hebben gezonden Timo-theüs, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken en u te vermanen aangaande uw geloof, 3 opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want gij weet zelve dat wij hiertoe gesteld zijn. 4 Want ook toen wij bij u waren, voorzeiden wij u dat wij zouden verdrukt worder, gelijk ook geschied is, en gij weet het. o Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden oni uw geloof te verstaan, of niet misschien de verzoeker u zoude verzocht hebben en onze arbeid ijdel zoude wezen. 6 Maar als Timotheüs nu van ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had van uw geloof en liefde; en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeerbegeerigzijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden: 7 zoo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof; 8 want nu leven wij, indien gij vastBtaamp;i in den Heere. _ 9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap waarmede wij ons om uwentwille verblijden voor onzen God, |
10 nacht en dag zeer overvloe-diglijk biddende om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken hetgeen aan uw geloof ontbreekt. 11 Doch onze God en Vader zelf en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u. 12 En de Heere vermeerdere u en make u overvloedig in do liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 opdat hij uwe harten ver-sterke om onberispelijk te zijn in heiligmaking voor onzen God en Vader, in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus met alle zijne heiligen. HOOFDSTUK 4. Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Hoere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt. 2 Want gij weet wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus. 3 Want dit is de wil Gods, uwe heiligmaking: dat gij u onthoudt van alle hoererij, 4 dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eere, 5 niet in kwade beweging der begeerlijk, gelijk als de heidenen die God niet kennen. 6 Dat niemand zijnen broeder vertrede noch bedriege in zijne handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. 7 Want God heeft ons niet ge-roepon tot onreinigheid, maar tot heiligmaking. 8 Zoo dan wie dit verwerpt, die verwerpt geen mensch, maar God, die ook zijnen Heiligen Geest in ons heeft gegeven. 9 Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van noode dat ik u schrijve, want gijzelve zijt van God geleerd om elkander lief te hebben. |
1 THESSALONICENZEK 5.
264
|
10 Want gij doet ook hetzelve aan alle de broederen die in geheel Macadonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt, 11 en dat gij u benaarstigt stil te zijn en uwe eigene dingen te doen, en te werken met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben; 12 opdat gij eerlijk wandelt bij degenen die buiten zijn, en geen ding van noode hebt. 13 Doch, broeders, ik wil niet dat gi.j onwetende zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk als de anderen, die geene hope hebben. 14 Want indien wij gelooven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzóó zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus weder-brengen met hem. 15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij die leTend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen vóórkomen degenen die ontslapen zijn. 16 Want de Heere zelf zal met een geroep, met de stem des Archangels en met de bazuin Gods, nederdalen van den hemel, en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heero wezen. 18 Zoo dan vertroost elkander met deze woorden. HOOFDSTUK 5. Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijve. 2 Want gij weet zelve zeer wel, dat de dag des Heeren alzóó zal komen gelijk een dief in den nacht. 3 Want wanneer wij zullen zeggen; Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood eene bevrucht© vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden, |
4 Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zoude bevangen. 5 Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags, wij zijn niet des nachts noch dor duisternis. 6 Zoo laat ons dan niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn. 7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken. 8 Maar wij die des dags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm de hoop der zaligheid. 9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid door onzen Heere Jezus Christus, 10 die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken hetzij dat wij slapen, te zamen met hem leven zouden. 11 Daarom vermnant elkander, en sticht de één den ander, gelijk gij ook doet. 12 En wij bidden u, broeders, erkent degenen die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heere en u vermanen. 13 en acht ze zeer veel in liefde, om huns werks wille. Zijt vreedzaam onder elkander. 14 En wij bidden u, broeders vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen. , 15 Ziet dat _ niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde, maar jaagt allen tijd het goede na, zoo jegens elkander als jegens allen. 16 Verblijdt u te allen tijd. 17 Bidt zonder ophouden. 15 Dankt God in alles; want dit is de wil Gods in Christus Jezus over u. 19 Bluscht den Geest niet uit. 20 Veracht de Profetiën niet. 21 Beproeft alle dingen: behoudt het goede. |
2 THESSALONICENZEN 1, 2.
26o
|
22 Onthoudt u van allen schijn des kwaads. 23 En do God des vredes zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Hee-ren Jezus Christus. 24 Hij die u roept is getrouw, die het ook doen zal. |
25 Broeders, bidt voor ons. 26 Groet^ alle de broeders mot eenen heiligen kus. 27 Ik bezweer ulieden bij den Heerc, dat deze zendbrief allen den heiligen broederen gelezen worde. 28 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met ulieden. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAÃLÃS
AAN DE
THESSALONICENZEN.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus en Silvanus en Timo-theüs aan de gemeente clerThes-salonicenzen, wellce is in God onzen Vader en den Heere Jezus Christus: 2 genade zij n en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 3 quot;Wij moeten God allen tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde van een iegelijk van u allen jegens elkander overvloedig wordt, 4 alzoo dat wijzelve van n roemen in de gemeente Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in alle uwe vervolgingen en verdrukkingen die gij verdraagt. 5 Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods voor hetwelk gij ook lijdt; 6 alzoo het recht is bij God, verdrukking te vergelden dengenen die u verdrukken, 7 en u die verdrukt wordt verkwikking met ons, in de openbaring des Heeren Jezus van den hemel met do Engelen zijner kracht, |
8 met vlammend vuur wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen die het Evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn; 9 dewelke zullen fof straf lijden het^ eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van do heerlijkheid zijner sterkte, 10 wanneer hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden in zijne heiligen, en wonderbaar te worden in allen die gelooven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag. 11 Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en het werk des geloofs met kracht; 12 opdat de naam onzes Heeren Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus. HOOFDSTUK 2. En wij bidden u, broeders, door de toekomst onzes Heeren Jezus Christus en onze toevergadering tot hem, 2 dat gij niet haastelijk bewo-9* |
2 THESSALONICENZEN 3.
266
|
gen Tvordt van verstand, of ver-scbrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. 3 Dat _ n niemand verleide in eenigerlei wijs; want die komt niet tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij do mensch der zonde, de zoon des verderfs, 4 die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den Tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven ver-toonende dat hij God is. o Gedenkt gij niet dat ik nog bij u zijnde u deze dingeu gezegd heb ? G En nu wat hem wederhoudt weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijuer eigen tijd. 7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht; alleenlijk die hem nu wederhoudt, die zal hem ueder-houden totdat hij uit het midden zal weggedaan worden; 8 en alsdan zal de ongerech-tige geopenbaard worden, den-weiken de Heere verdoen zal door^ den geest zijns monds, en te niet maken door de verschijning zijner toekomst, 9 hem zeg ik wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht en teekenen en wonderen der leugen, 10 en in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan, daarom dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun zenden eene kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven; 12 opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. 13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat God u van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloo? der waarheid; |
14 waartoe hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid onzesHee-ren Jezus Christus. 15 Zoo dan, broeders, staat vast, en houdt de inzettingen die u geleerd zijn, hetzij door ons woord hetzij door onzen zendbrief : 1G en onze Heere Jezus Christus zelf, en onze God en Vader dio ons heeft liefgehad, en gegeven heeft eene eeuwige vertroosting en goede hope in genade, 17 vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goed woord en werk. HOOFDSTUK 3. Voorts, broeders, bidt voor ons opdat het quot;Woord des Heeren zijnen loop hebbe, en verheerlijkt worde gelijk ook bij u, 2 eu opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en booze menschen; want het geloof is niet aller. 3 Maar de Heere is getrouw, die u zal versterken en bewaren van den booze. 4 En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij hetgeen wij u bevelen ook doet en doen zult. 5 Doch de Heere richte uwe harten tot de liefde Gods en tot de lijdzaamheid van Christus. 6 En wij bevelen u, broeders, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij u onttrekt aan een iegelijk broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar do inzetting die hij van ons ontvangen heeft. 7 Want gijzelve weet hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u, 8 en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn: 9 niet dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelve u geven zouden tot een voorbeeld 1 om ons na te volgen. |
|
1 TIMOl 10 quot;Want ook toen vrij bij u waron, liebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ete. 11 Want wij hooren dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende maarijdele dingen doende. 12 Doch de zoodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende hun eigen brood eten. 13 En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen. 14 Maar indien iemand ons woord, door dezen brief (jeschre- |
HE ÃS 1. 207 ven, niet gehoorzaam is, teekent dien, en vermengt u nief. met hem, opdat hij beschaamd worde 5 15 en houdt hem niet als eenen vijand, maar vermaant hem als eenen broeder. 1G De Heere nu des vredes zelf geve u vrede te allen tij d in allerlei wijze. De Heere zij met u allen. 17 De groetenis met mijne hand van Paulus; hetwelk 13 een teek en in iederen zendbrief: al zóó schrijf ik. 18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
DE EEESTE BRIEF VAN
DEN APOSTEL PAULUS
H E Ã S.
T I M O
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus die onze hope is, 2 aan Timqtheüs mijnen oprechten zoon in het geloof: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God onzen Vader en Christus Jezus onzen Heere. 3 Gelijk ik u vermaand heb dat gij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, zoo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geene andere leer te leeren, 4 noch zich te begeven tot fabelen en oneindige geslachtrekeningen, welke meer ticititxiagen voortbrengen dan stichting Gods die in het geloof is. 5 Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart en uit eene goede conscientie en uit een ongeveinsd geloof, |
6 waarvan sommigen afgewekert zijnde, hebben zich gewend tot ijdelspreking; 7 willende leeraars der wet zjjn, niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 8 Doch wij weten dat de wet goed is, zoo iemand die wettelijk gebruikt, 9 en hij dit weet, dat den rechtvaardige de wet niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halsstarrigen, den goddeloo-zen en den zondaren, den on-heiligen en den ongoddelijken» den vadermoorders en den moe-dermoorders, den doodslagers, 10 den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den menschen-dieven, don leugenaars, den mein-eedigen, en zoo er iets anderamp; tegen de gezonde leer is, 11 naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, daSj mij toebetrouwd is. |
|
268 1 TIMOTl 12 En ik dank hem die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen Heere, dat hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende, 13 die te voren een {jodlt;](iste-raar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in mijne ongeloovigheid: 14 doch de genade onzes Hee-ren is zeer overvloedig geweest, met geloof en lielde die daar is in Christus Jezus. 15 Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben; 16 maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al zijne lankmoedigheid zoude betoonen, tot een voorbeeld dergenen die in hem gelooven zullen ten eeuwigen leven. 17 Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzien-lijken, den alleen wijzen God, zij eere en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat gij naar de Profetieën die over u voorafgegaan zijn, in dezelve den goeden strijd strijdt, 19 houdende het geloof, en eene goede conscientie; welke sommigen verstooten hebbende, in het geloof schipbreuk geleden hebben: 20 onder welke is Hymenéüs en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leeren niet meer te lasteren. HOOFDSTUK 2. Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat er gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle men-echen, 2 voor Koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen [E à S 2. 3. |
in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, 4 welke wil dat alle menschen zalig worden en tot kennisseder waarheid komen. 5 Want daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus, 6 die zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, de getuigenis te zijner tijd; 7 waartoe ik gesteld ben een Prediker en Apostel, (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet) een leeraar der heidenen in geloof en waarheid. 8 Ik wil dan dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting. 9 Desgelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelve versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleeding, 10 maar ('t welk den vrouwen betaamt die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. 11 Eene vrouw late zich leeren in stilheid, in alle onderdanigheid. 12 Doch ik laat de vrouw niet toe dat ze leere, noch over'den man heersche, maar teil dat ze in stilheid zij. 13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva; 14 en Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde is in overtreding geweest. 15 Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in geloof en liefde en heiligmaking met matigheid. HOOFDSTUK 3. Dit is een getrouw^ woord: zoo iemand tot eens Opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. 2 Een Opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, |
1 TIMOTHEÃS 4.
269
|
gaarne herbergende, bekwaam om te loeren; _ 3 niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen yuilgewin-zoeker, maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig; 4 die zijn eigen hnis wel regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende met alle stommigheid; 5 (want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragon ?) G geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle. 7 En hij moot ook eeno goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid en in den strik des duivels. 8 De Diakenen insgelijks moeien eerbaar ^ zijn, niet tweo-tongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuilgowin-zoekers; 9 houdende de verborgenheid des geloofs in eeno reine consciëntie. 10 En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat ze daarna dienen, zoo zij onbestraftelijk zijn. 11 Do vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarstors, wakker, getrouw in alles. 12 Dat de Diakenen ééner vrouwe mannen zijn, die hunne kinderen en hunne eigene huizen wel regeeren. 13 Want die wel gediend hebben verkrijgen zichzelven oenen goeden opgang en veel vrijmoedigheid in liet geloof, hetwelk is in Christus Jezus. 14 Deze dingen schrijf ik u, hopende zoor haast tot u te komen; 15 maar zoo ik vertoeve, opdat gij moogt weten hoe men in het Huis Gods moet verkoeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. |
16 En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de Engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. HOOFDSTUK 4. Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leoringen der duivelen, 2 door geveinsdheid dor leugensprekers, hebbende hunne eigene conscientie als met een brandijzer toegeschroeid; 3 verbiedende te huwen, ge-hiedende van spijzen te onthouden die^ God geschapen hoeft tot nuttiging mot dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid hebben bekend. 4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde. 5 Want het wordt geheiligd door het Woord Gods en door het gebed. 6 Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zoo zult gij eengt; goed ^ dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer welke gij achtervolgd hebt. 7 Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. 8 Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toeko-menden levens. 9 Dit is een getrouw woord en alle^ aanneming waardig. 10 Want hiertoe arbeiden wij ook en worden gesmaad, omdat wij gehoopt hebben op don levenden God, die een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovigen. 11 Beveel deze dingen en leer ze. 12 Niemand verachte uwe jonkheid; maar wees een voorbeeld dor geloovigen in het woord, iu wandel, in liefde, in don in geloof, in reinigheid. |
1 TIMOTHEÃS 5.
270
|
13 Houd dan in 't lezen, in 't vermanen, in 'tleeren, totdat ik kom. 14 Verzuim de gave niet die in u is, die u gegeven is door do profetie, met oplegging der handen des Ouderlingscliaps. 15 Bedenk deze dingen, wees liierin hezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. 16 Heb acht op uzelven en op de leer, volhard in deze. Want dat doende zult gij èn uzelveu behouden èn die u hooren. HOOFDSTUK 5. Bestraf eenen ouden man niet har del ijk, maar vermaan hem als eenen vader, de jonge als broeders, 2 de oude vrouicen als moeders, de jonge als zusters in alle rei-nigheid. 3 Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn. 4: Maar zoo eenige weduwe kinderen heeft of kindskinderen, dat die leeren eerst aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen, en den voorouderen wedervergelding te doen; want dit is goed en aangenaam voor God. 5 Die nu waarlijk weduwe is en alléén gelaten, die hoopt op God, en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag. G Maar die haren wellust volgt, die is levende gestorven. 7 En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. 8 Doch zoo iemand de zijnen en voornamelijk zijne huisge-nooten niet verzorgt, die heeft liet geloof verloochend, en is erger dan een ongeloovige. 9 Dat eene weduwe gekozen â worde niet minder dan van zestig jaren, welke ééns mans vrouw geweest is, 10 getuigenis hebbende van goede werken, zoo zij kinderen opgevoed heeft, zoo zij gaarne heeft geherbergd, zoo zij der heiligen voeten heeft gewasschen, zoo zij den verdrukten genoegzame hulpe gedaan heeft, zoo zij alle goed werk nagetracht heeft. 11 Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zoo willen zij huwen, |
12 hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan. 13 En metéén ook leeren zij ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig en ijdele dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt. 14 Ik wil dan dat de jonge weduwen huwen, kinderen telen, het huis regeeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven. 15 Want eenigen hebben zich aireede afgewend achter den satan. 16 Zoo eenig geloovig man of geloovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulpe doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij aan degenen die waarlijk weduwen zijn genoegzame hulpe doen mag. 17 Dat de Ouderlingen die wèl regeeren dubbele eer waardig geacjit worden, voornamelijk die arbeiden in het woord en de leer. 18 Want de Schrift zegt: Eenen dorschenden os zult gij niet muilbanden. En: Da arbeider is zijn loon waardig. _ 19 Neem tegen eenen Ouderling geene beschuldiging aan, andera dan onder twee of drie getuigen. 20 Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreeze mogen hebben. 21 Ik betuig voor God en den Heere Jezus Christus en de uitverkoren Engelen, dat gij deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 22 Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden. Bewaar izelven rein. 23 Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uwe maag en menigvuldige zwakheden. 24 Van sommige menschen ziju de zonden te voren open- |
|
baar, en gaan vooraf tot hunne veroordeeling, en in sommigen ook volgen zij na. 25 Desgelijks ook de goede â werken zijn te voren openbaar, en daar liet anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden HOOFDSTUK 6. De dienstknechten, zoovelen als er onder het juk zijn, zullen hunnen heeren alle eere waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde. 2 En die geloovige heeren hebben, zullen ze nie t verachten, omdat ze broeders zijn, maar zullen ze te meer dienen, omdat zij geloovig en geliefd zijn, als die dezer weldaad mede deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen. 3 Indien iemand eene andere leer leert, en niet overéénkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus, en met de leer die naar de godzaligheid is, 4 die is opgeblazen en weet niets, maar hij raast omtrent tzasivragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade bedenkingen, 5 verkeerde _ krakeelingen van tnenschen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, mcenende dat de godzaligheid oen gewin zij. Wijk af van dezulken. 6 Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging. 7 Want wij hebben niets in de wereld gebracht: liet is openbaar dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen, 8 maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. 9 Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang. 10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad: tot â welke sommigen lust hebbende sijn afgedwaald van het geloof, |
271 en hebben zichzelve met vele smarten doorstoken. 11 Maar gij, o mensche Gods, vlied deze dingen, en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid. 12 Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 13 Ik beveel u voor God die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod houdt, onbevlekt m onberispelijk, tot op de verschijning onzes Heeren Jezus Christus; 15 welke te zijner tijd ver-toonen zal de zalige^ en alleen machtige Heere, de Koning der Koningen en Heere der heeren, 16 die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk ' licht bewoont, denwel ken geen mensch gezien heeft, noch zien kan; welken zij eere en eeuwige kracht. Amen. 17 Beveel den rijken in deze tegenwoordige ^ wereld dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hunne hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God die ons alle dingen rijkelijk verleent om te | genieten; 18 dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeelende zijn en gemeen- | zaam; 19 leggende zichzelven weg tot eenen schat een goed fundament ; tegen bet toekomende, opdat zij ; het eeuwige leven verkrijgen i mogen. j 20 O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, eenen afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel roepen, en van de 1 tegenstellingen der valschelijk i genaamde wetenschap; I 21 dewelke sommigen voorge-' ven de, zijn van het geloof afge-I weken. De genade zij met u. I Amen. 1? i m 1 TIMOTHEÃS 6. vt Hl |
I
A
2 TIMOTHEÃS 1.
272
DE TWEEDE BEIEE VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN
TIMOTHEÃS.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is, 2 aan Timotheüs mijnen geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Yadèr en Christus Jezus onzen Heere. 3 Ik dank God, dien ik diene van mijne voorouderen aan in eene reine conacientie, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijne gebeden nacht en dag, 4 zeer begeerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uwe tranen, opdat ik moge met blijdschap vervuld worden, 5 als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uwe grootmoeder Loïs en uwe moeder Eunice, en ik ben verzekerd dat het ook in u woont. 6 Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is door oplegging mijner handen. 7 Want God heeft ons niet gegeven eenen geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid. 8 Schaam u dan niet der getuigenis _ onzes Heeren, noch mijns, die zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht Gods, 9 die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met eene heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in |
Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen, 10 doch nu geopenbaard is door de verschijning onzes Zaligmakers Jezus Christus, die deu dood heeft te niet gei laan, en het. leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie, 11 waartoe ik gesteld ben een Prediker en een Apostel en een Leeraar der heidenen; 12 om welke oorzaak ik ook deze dingen lij de, maar ik word niet beschaamd; want ik weet wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat hij machtig is mijn pand bij hem weggelegd te bewaren tot dien dag. 13 Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is: 14 bewaar het goede pand dat n toebetrouwd is, door den Heiligen Geest die in ons woont. 15 Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn zich van mij afgewend hebben, onder dewelke is Fygellus en Hermógenes. 1G De Heere geve den huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd; 17 maar als hij te Rome gekomen was, heelt hij mij zeer naarstiglijk gezocht, en heeft »«0 gevonden. 18 De Heere geve hem dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere in dien dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft weet gij zeer wel. |
é
2 TIMOTHEÃS 2,3.
273
|
HOOFDSTUK 2. Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade d.iein Chris-tua Jezus is; 2 en hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe men-schen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren. 3 Gij dan lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. 4 Niemand die in den krijg dient wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moge behagen die hem tot den krijg aangenomen heeft. 5 En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond zoo hij niet wettelijk heeft gestreden. 6 De landman als hij arbeidt, moet alzoo het eerst de vruchten genieten. 7 Merk hetgeen ik zeg; doch de Heere geve u verstand in alle dingen. 8 Houd in gedachteniu dat Jezus Christus uit de dooi en is opgewekt, welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie, 1) om hetwelk ik verdrukkingen lijd tot de banden toe als een kwaaddoener, maar het Woord Gods is niet gebonden. 10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 11 Dit is een getrouw woord; want indien wij met hem gestorven zijn, zoo zullen wij ook met hem leven; 12 indien wij verdragen, wij zullen ouk met hem heerschen; indien wij hem verloochenen, hij zal ons óók verloochenen; 13 indien wij ontrouw zijn, hij blijft getrouw: hij kan zichzel-ven niet verloochenen. 14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere dat zij geen woordenstrijd voeren, wellc tot geen ding nut is dan tot verkeering der toehoorders. 15 Benaaratig u om uzelven |
Gode beproefd voor te stellen, ah een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt. 16 Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel roepen; want zij zullen in meerder goddeloosheid toenemen, 17 en hun woord zal voorteten gelijk de kanker; onder welka is Hymenéüs en Filétus, 18 die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding aireede geschied is, en verkceren het geloof van sommigen. 19 Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die de zijnen zijn, en: Een iegelijk die den naam van Christus noemt sta af van ongerechtigheid. 20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten, en sommige ter eere, maar sommige ter oneere. 21 Indien dan iemand zich-zelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Hee-ren, tot alle goed werk toebereid. 22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid, en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede met degenen die den Heero aanroepen uit een rein hart. 23 En verwerp de_ vragen die dwaas en zonder leering zijn, wetende dat ze twistingen voortbrengen ; 24 en een d enstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leeren, en die de kwaden kan verdragen; 25 met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan, of hun God te eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid, 26 en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil. HOOFDSTUK 3. En weet dit, dat in de laatste |
2 T1M0THEÃS 4.
£74
|
dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Want de menschen zullen zijn eigenlievend, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, 3 zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 4 verraders^ roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods, 5 hebbende eene gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze._ 6 Want van deze zijn het die in de huizen insluipen, en nemen de vrouw kens gevangen die met zonden beladen zijn en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden, 7 vrouwkens, die altijd leeren -en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen. 8 Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, al-zóó staan ook deze de waarheid tegen, menschen verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof. 9 Maar zij zullen niet meer toenemen; want hunne uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van gene geworden is. 10 Maar gij hebt achtervolgd mijne leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid, 11 mijne vervolgingen, mijn lijden, zooals mij overkomen is in Antiochië, in Iconium en in Lystra: hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost. ^ 12 En ook allen die godza-liglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. 13 Doch de booze menschen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid. 14 Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan ie, wetende van wien gij het geleerd hebt, |
15 en dat gij van kinds af da heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is. 16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is; 17 opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust. HOOFDSTUK 4. Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, die de levenden en dooden oordeelen zal in zijne verschijning en in zijn Koninkrijk; 2 predik het Woord ; houd adn tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer. 3 Want daar zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leeraars opgaren naar hunne eigene begeerlijkheden, 4 en zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keeren tot fabelen. 5 Maar gij wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een Evangelist; maak dat men van uwen dienst ten volle verzekerd zij. 6 Want ik word nu tot een drankofler geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. 7 Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 8 voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij in dien dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen die zijne verschijning liefgehad hebben. 9 Benaarstig u haastelijk tot mij te komen. 10 Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordig© |
TITUS 1.
273
|
wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd, Crescens naar Galatië.Titus naar Dalmatië. 11 Lucas is alleen met mij. Neem Marcus mede en breng Tiem met n; -want hij is mij zeer nut tot den dienst. 12 Maar Tychicus heb ik naar Efeze gezonden. 13 Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Carpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid do perkamenten. 14 Alexander de kopersmid heeft mij veel kwaad betoond: de Heere vergelde hem naar zijne werken. 15 Van welken wacht gij u óók; want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. 16 In mijne eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar z?j hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. |
17 Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij ten volle zoude verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden hooren; en ik ben uit den muil des leeuws verlost. 18 En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot zijn hemelsch Koninkrijk. Den welken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 19 Groet Prisca en Aquila en het huis van Onesiforus. 20 Erastus is te Corinthe gebleven, en Trofimus heb ik te Miléte krank gelaten. 21 Benaaretig u om vóór den winter te komen. U groet Eubü-lus, en Pudens, en Linus, en Claudia, en alle de broeders. 22 De Heere Jezus Christus zij met uwen geest. De genade zij met ulieden. Amen. |
DE mm VAN DEN APOSTEL PAÃLÃS
AAN
T I T IJ S.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een dienstknecht Gods lt;?n een Apostel van Jezus Christus naar hot geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die naar do godzaligheid is, 2 in do hope des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te zijner tijd, 3 namelijk pin Woord, door de prediking die mij toebetrouwd is, naar het bevel Gods onzes Zaligmakers, aan Titus mijnen oprechten zoon naar het gemeen geloot: |
4 genade,barmhartigheid, vrede zij u van God den Vaderenden Heere Jezus Christus onzen Zaligmaker. 5 Om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen dat nog ontbrak voorts zoudt terechtbrengen, en dal gij van stad tot stad zoudt Ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb: 6 indien iemand onberispelijk is, ééner vrouwe man, geloovige kinderen^ hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, noch ongehoorzaam zijn. 7 quot;Want een Opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet geneigd tot toornigheid, nlei |
TITUS 2, 3.
276
|
geneigd tot den wijn, geen smij-ter, geen vuilgewinzoelcer, 8 maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuisch; 9 die vasthoudt aan liet getrouwe Woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te wederleggen. 10 Want daar zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers, en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn, 11 welken men moet den mond stoppen: die geheele huizen ver-keeren, leerende wat niet behoort om vuil gewins wille. 12 Een uit hen, zijnde hun eigen Profeet, heeft gezegd; De Cretenzen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken. 13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf ze scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 en zich niet begeven tot de Joodsche fabelen en geboden der menschen die zich van de waarheid afkeeren. 15 Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongeloovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en conscientie zijn bevlekt. 16 Zij belijden dat ze God kennen maar zij verloochenen hem met de werken, alzoo zij afschuwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk ongeschikt. HOOFDSTUK 2. Doch gij, spreek hetgeen de gezonde leer betaamt: 2 dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in 't geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid. 3 De oude vrouwen insgelijks, dat zij in hare dracht zijn gelijk den heiligen betaamt, dat ze geen lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijn begevende, wirmrleera-ressen zijn van het goede; |
4 opdat zij de jonge vrouwen leeren voorzichtig te zijn, hare mannen lief te hebben, hare kinderen lief te hebben, 5 matig te zijn, kuisch te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haren eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde. 6 Vermaan de jonge mannen insgelijks dat zij matig zijn. 7 Betoon uzelven in alles een voorbee-ld van goede werken; betoon in de leer onvervalschtheid, deftigheid, oprechtheid, 8 het Woord gezond en onverwerpelijk, opdat degeen die daartegen is beschaamd worde en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen. 9 Vermaan de dienstknechten, dat zij hunnen eigen heeren onderdanig zijn, dat ze in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende ; 10 niet onttrekkende, maarlief, goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God onzen Zaligmaker in alles mogen versieren. 11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen allen menschen, 12 en onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereld-sche begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld, 13 verwachtende de zalige Iiopo en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus, 14 die zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat hij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid, en zichzelven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken. 15 Spreek dit, en vermaan en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte. HOOFDSTUK 3. Vermaan hen dat zij den overheden en machten onderdanig zijn, dat ze daaraan gehoorzaam zijn, dat ze tot allo goed werk bereid zijn;^ 2 dat ze niemand lasteren, geen |
.
FILÃMON.
277
|
vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen. 3 Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende; 4 maar wanneer de goedertierenheid van God onzen Zaligmaker en zijne liefde tot de menschen verschenen is, 0 heeft hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, 6 denwelken hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus onzen Zaligmaker; 1 opdat wij gerechtvaardigd zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. 8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik dat gij ernstiglijk bevestigt, opdat degenen die aan God gelooven zorg dragen om goede werken voor te staan. Deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den menschen. |
9 Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtrekeningen en twistingen en strijdvoeringen over de wet; want zij zijn onnut en ij del. 10 Verwerp eenen ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning, 11 wetende dat do zoodanige verkeerd is en zondigt, zijnde bij zichzelven veroordeeld. 12 Als ik Artemas tot u zal zenden of Tychicus, zoo benaars-tig u tot mij te komen te Nico-polis, want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren. 13 Geleid Zenas, den Wetge-geleerde, en Apollos zorgvuldig-lijk, opdat hun niets ontbreke. 14 En dat ook de onzen leeren goede werken voor te staan tot noodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15 Die met mij zijn groeten u allen. Groet ze die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen. |
DE BEIEF VAN DEN APOSTEL PAULÃS
AAN
F I L Ã M O K
|
Paulüs, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüsde broeder, aan Filémon den geliefde, en onzen medearbeider, 2 en aan Appia de geliefde, en aan Archippus onzen medestrijder, en aan de gemeente die te uwen huize is: 3 genade zij ulieden en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 4 Ik dank mijnen God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijne gebeden. |
5 al zoo ik hoor uwe liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus en jegens alle de heiligen; 6 opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, 't welk in ulieden is door Christus Jezus. 7 Want wij hebben groote vreugde en vertroosting over uwe liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u. broeder. |
|
278 KEBRI 8 Daarom hoewel ik groote vrij-moedightid heb in Christus om u te bevelen hetgeen betamelijk is, 9 zoo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zoodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus; 10 ik bid u dan^ voor mijnen zoon, denwelken ik in mijne banden heb geteeld, namelijk Onésimus: 11 die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb. 12 Doch gij, neem hem, dat is mijne ingewanden, loeder aan; 13 denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zoude in de banden des Evangelies; 14 maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uwe goeddadigheid niet zoude zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid. 15 Want veellicht is hij daarom voor eenen kleinen tijd van u gesoheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben: 1G nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een |
à ES 1. dienstknecht, namelijh een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel meer dan n, beide in het vleesch en in don Heere. 17 Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zoo neem hem aan gelijk als mij. 18 En indien hij u iets verongelijkt heelt of schuldig is, reken dat mij toe. 19 ik, Paul us, heb het geschreven met deze mijne hand ; ik zal hot betalen; opdat ik u niet zegge dat gij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt. 20 Ja, broeder, ^ laat mij uwer hierin _ genieten in den Heere; verkwik mijne ingewanden in den Heere. 21 Ik heb aan u geschreven vertrouwende op uwe gehoorzaamheid, en ik weet dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg. 22 En bereid mij ook tegelijk eene herberg; want ik hoop dat. ik door uwe gebeden uliedenzal geschonken worden. 23 ü groeten Epafras mijn medegevangene in Christus Jezus, 24 Marcus, Aristarchus, Demas, Lucas, mijne medearbeiders. 25 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest, Amen. |
DE BEIEF VAN DE
f APOSTEL PAULÃS
DE
E Ã R S.
H E -B R
|
HOOFDSTUK 1. God voortijds veelmaal en op velerlei wijs tot de vaderen ge-Bproken hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon, 2 welken hij gesteld heeft tot' een erfgenaam van alles, door â¢welken hij ook de wereld gemaakt heeft. |
3 Dewelke alzoo hij is het afschijnsel zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagft door het woord^ zijner kracht, nadat hij de reinigmaking onzer zonden door zichzelven teweeggebracht heeft, is gezeten aan de vechteThand der Majesteit in de hoogste hemelen, 4 zooveel treüelijker geworden |
ilEBKEÃRS 2.
27^
|
dan de Engelen, als hij uitne-mender naam boven hen geërfd lieeft. 5 Want tot â wien van de Engelen heeft hij ooit gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd? En wederom: Ik zal hem tot een Vader zijn en hij zal mij tot een Zoon zijn? 6 En als hij wederom den eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt hij: En dat alle Engelen Gods hem aanbidden. 7 En tot de Engelen zegt hij â wel: Die zijne Engelen maakt geesten, en zijne dienaars eene vlam des vuurs; 8 maar tot den Zoon zegt hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid ; de schepter uws Ko-ninkrijks is een rechte schep-ter; 9 gij hebt rechtvaardigheid liefgehad en ongerechtigheid gehaat: daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe medegenooten. 10 En: Gij Heere hebt in den beginne de aarde gegrond; en de hemelen zijn werken uwer handen ; 11 dezelve zullen vergaan, maar gij blijft altijd; en zij zuilen alle als een kleed verouden, 12 en als een dekkleed zult gij ze inéénrollen, en zij zullen veranderd worden; maar gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet ophouden. 13 En tot welken der Engelen heeft hij ooit gezegd: Zit aan mijne rechter/^am?, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten? 14 Zijn ze niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wille die de zaligheid beërven zullen ? HOOFDSTUK 2. Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eeniger tijd doorvloeien. 2 Want indien het woord door de Engelen gesproken vast isge-â¢weest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardig© vergelding ontvangen heef!:, |
3 hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zóó groote zaligheid geen acht nemen ? Dew?lke begonnen zijnde verkondigd to worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen die hem gehoord hebben, 4 God bovendien medegetui-gende door teekenen en wonderen en menigerlei krachten, en bedeelingen des Heiligen Geestesnaar zijnen wil. 5 Want hij heeft aan de Engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. 6 Maar daar heeft iemand ergens betuigd, zeggende: Wat is do mensch dat gij zijner gedenkt* of des menschen Zoon dat gij hem bezoekt! 7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met heerlijkheid en eere hebt gij hem gekroond, en gij hebt hem gesteld over de werken uwer handen. 8 Alle dingen hebt gij onder zijne voeten onderworpen. Want daarin dat hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft hij niets uitgelaten dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn. 9 Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eere gekroond, die een weinig minder dan de Engelen geworden was, vanwege-het lijden des doods, opdat hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zoude. 10 Want het betaamde hem, om welken allo dingen zijn, en door welken alle dingen zijn, dat-hy vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zoude heiligen. 11 Want èn hij die heiligt en zij die geheiligd worden zijn allen uit één; om welke oorzaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, 12 zeggende: Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen. |
HEBREÃRS 3.
280
|
in het midden der gemeente zal ik u lof zinpen; 13 en wederom: Ik zal mijn betrouwen op hein stellen; cn wederom: Zie daar, ik en de kinderen die mij God gegeven heeft. 14 Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat hij door den dood te niet doen zonde dengenen die het geweld des doods had, dat is den duivel, 15 en verlossen zonde alle degenen die met vreeze des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren. 1G Want waarlijk hij neemt de Engelen niet aan,maar hij neemt het zaad Abrahams aan. 17 Waarom hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester zoude zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. 18 Want in hetgeen hij zelf verzocht zijnde geleden heeft kan hij degenen die verzocht worden te'hulp komen. HOOFDSTUK 3. Hierom, heilige broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis Christus Jezns, 2 die getrouw is dengene die hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was. 3 Want deze is zooveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene die het huis gebouwd heeft meerdere eere heeft dan het huis. _ 4 Want ieder huis wordt van iemand gebouwd, maar die dit alles gebouwd heeft is God. 5 En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijngt; huis als een dienaar, tot getuigenis der dingen die daarna gesproken zouden worden, 6 maar Christus als de Zoon over zijn eigen huis, wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en den roem der hope tot den einde toe vasthouden. |
7 Daarom gelijk do Heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijne stemme hoort, 8 zoo verhardt uwe harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering ten dage der verzoeking in de woestijn, 9 alwaar mij uwe vaders verzocht hebben; zij hebben mij beproefd, en hebben mijne werken gezien, veertig jaren lang. 10 Daarom was ik vertoornd over dat geslacht, en sprak; Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben mijne wegen niet gekend. 11 Zoo heb ik dan gezworen in mijnen toorn : Indien zij in mijne ruste zullen ingaan! 12 Ziet toe, broeders, dat niet te eeniger tijd in iemand van u zij een boos ongeloovig hart, om af te wijken van den levenden God; 13 maar vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde. 14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij namelijk het beginsel van dezen vasten grond tot den einde toe vast behouden, 15 terwijl daar gezegd wordt: Heden indien gij zijne stemme hoort, zoo verhardt uwe harten niet, gelijk in de verbittering schied is. 16 Want sommigen als zij die gehoord hadden, hebben hem verbitterd, doch niet allen die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. 17 Over welke nu is hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in do woestijn? 18 En welken heeft hij gezworen dat^ zij in zijne ruste niet zouden ingaan, anders dan dengenen die ongehoorzaam geweest waren V |
|
19 En wij zien dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. HOOFDSTUK 4. Laat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd de belofte van in zijne ruste in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. 2 Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het quot;Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben. 3 Want wij die geloofd hebben gaan in de ruste, gelijk hij gezegd heeft: Zoo heb ik dan gezworen in mijnen toorn: Indien zij zullen ingaan in mijne ruste! hoewel zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren. 4 Want hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: Eu God heeft op den zevenden dag van alle zijne werken gerust. 5 En in deze plaats wederom: Indien zij in mijne ruste zullen ingaan! 6 Dewijl dan blijft, dat sommigen in die ruste ingaan, en degenen wien het Evangelie het eerst verkondigd was niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid, 7 zoo bepaalt hij wederom een zekeren dag, namelijk lieden, door David zeggende zoo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden indien gij zijne stemme hoort, zoo verhardt uwe harten niet. 8 Want indien Jezus hen in do rust gebracht heeft, zoo had hij daarna niet gesproken van eenen anderen dag. 9 Er blijft dan eene ruste over voor het volk Gods. 10 Want die ingegaan is in zijne rust, die heeft zelf óók van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne. 11 Laat ons dan ons benaarstigen om in die ruste in te |
281 gaan, opdat niet iemand ïn hetzelfde exempel der ongeloovig-heid valle. 12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat dóór tot de verdeeling der ziele en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten, 13 en daar is geen schepsel onzichtbaar voor hem, maar all(* dingen zijn naakt en geopend voor de oogen desgenen met welken wij te doen hebben. 14 Dewijl wij ^ dan eenen grooten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgedaan is, namelijk Jezus den Zoon Gods, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geenen Hoogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. 16 Laat ons dan met vrijmoemoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmliartigheid mogen verkrij gen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. HOOFDSTUK 5. Want alle Hoogepriester uit de menschen genomen, wordt gesteld voor de menschen in de zaken die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden; 2 die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is. 3 En om dier zwakheid wille moet hij, gelijk voor het volk, alzóó ook voor zichzelven offeren voor de zonden. 4 En niemand neemt zichzelven die eere aan, maar die van God geroepen wordt gelijkerwijs als Aaron. 5 Alzóó ook Christus heeft zichzelven niet verheerlijkt om Hoogepriester te worden, maar HEBREÃRS 4, o. |
HEBREÃRS 6.
|
die tot hem gesproken heeft: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd. 6 Gelijk hij ook op eene andere plaats zegt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchizédeks. 7 Die in de dagen zijns vleesches gebeden en emeekingen tot dengenen, die hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen, geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vrees, 8 hoewel hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen hij heeft geleden, 9 en geheiligd zijnde, is hij allen die hem gehoorzaam zijn eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden, 10 en is van God genaamd een Hoogepriester naar de ordening Melchizédeks. 11 Van denwelken wij hebben vele diugen, en zwaar om te verklaren, te zeggen; dewijl gij traag om te hooren geworden zijt. 12 Want gij, daar gij leeraars behoordet te zijn, vanwege den tijd, hebt wederom van noode dat men u leere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden «Zo-die melk van noode hebben en niet vaste spijs. 13 Want een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het Woord der gerechtigheid, want hij is een kind. 14 Maar der volmaakten is de vaste spijs, die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. HOOFDSTUK 6. Daarom nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren, niet wederom leggende het fundament van de bekeering van doode werken, en van het geloof in God, 2 van de leer der doopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der dooden, en van het eeuwig oordeel. |
3 En dit zullen wij ook doen, indien God het toelaat. 4 Want het is onmogelijk, degenen die ééns verlicht geweest zijn, en de hemelsche gave ge-emaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, 5 en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, G en afvallig worden, die zep ik wederom te vernieuwen tot bekeering, als welke zichzelven den Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken. 7 Want de aarde die den regen menigmaal op haar komende indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; 8 maar die doornen en dist el en draagt, die is verwerpelijk en nabij _ de vervloeking, welker einde is tot verbranding. 9 Maar, geliefden, wij verzekeren ons aangaande u betere dingen, en mot de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzóó spreken. 10 Want God is niet onrechtvaardig, dat hij uw werk zoude vergeten, en den arbeid der liefde die gij aan zijnen naam bewezen hebt, als die do heiligen gediend hebt en nog dient. 11 Maar wij begeeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze tot de volle verzekerdheid der hope, tot den einde toe; 12 opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergen en die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven. 13 Want als God Abraham (ie belofte deed, dewijl hij bij niemand die meerder was had te zweren, zoo zwoer hij bij zichzelven, 14 zeggende: Waarlijk, zegenende zal ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal ik u vermenigvuldigen. 15 En alzóó lankmoediglijk |
HEBREÃRS 7.
283
|
verwacht hebbende, heeft hij do belofte verkregen. 16 Want de menscl.en zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestig ing is den-zelven een einde van alle tegen-spreking, # 17 waarin God willende den erfgenamen der beloftenis over-vloediglijker bewijzen de onveranderlijkheid zijns raads, is met eenen eed daartusschen gekomen; 18 opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat Godliege, eene sterke vertroosting zonden hebben, wij namelijk die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hope vast te houden; 19 welke wij hebben als een anker der ziel, 't welk zeker en vast is, en ingaat in hefc binnenste des voorhangsels, 20 waar de voorlooper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening Melchizédeks een Hoogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid. HOOFDSTUK 7. Want deze Melchizédek was Koning van Salem, een Priester des allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging als hij wederkeerde van hot verslaan der Koningen, en hem zegende; 2 aan welken ook Abraham van alles de tiende deelde; die vooreerst overgezet wordt Koning der gerechtigheid, en daarna ook was een Koning van Salem, 't welk is een Koning des vre-des; 3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtrekening, noch begin der dagen noch einde des levens hebbende; maar denZone Gods gelijk geworden zijnde, blijft een friester in eeuwigheid. 4 Aanmerkt nu hoe groot deze geweest is, aan denwelken ook Abraham de Patriarch tiende gegeven heeft uit den buit. 5 En die uit de kinderen van Levi het Priesterschap ontvangen, hebben wel bevel om tiende te nemen van het volk naar de wet, dat is van hunne broederen. |
hoewel die uit do lendenen Abrahams voortgekomen zijn, C maar hij die zijne geslachtrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tiende genomen, en hem die de beloftenissen had heeft hij gezegend. 7 Nu zonder eenig tegenspreken, hetgeen minder is wordt i gezegend van hetgeen meerder is. 8 En hier nemen wel tienden i de menschen die _ sterven, maar : aldaar neemt ze die van welken ! getuigd wordt dat hij leeft. 9 En om zoo te spreken, ook j Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tiende gegeven; 10 want hij was nog in de lendenen des vaders, als hem Melchizédek tegemoet ging. 11 Indien dannu de volkomenheid door het levitische Priesterschap ware, (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen,) wat nood was het nog, dat een ander Priester naar de ordening Melchizédeks zoude opstaan, en die niet zoude gezegd worden te zijn naar de ordening Aarons? 12 Want het Priesterschai) veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet. 13 Want hij, op wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft. 14 Want het is openbaar dat onze Heere uit Juda gesproten is, op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het Priesterschap. 15 En dit is nog veel meer | openbaar, zoo er naar de gelij* i kenis van Melchizédek een ï ander Priester opstaat, 16 die di' niet naar de wet des vleeschelijken gebods is gewor- ' den, maar naar de kracht des j onvergankelijken levens. 17 Want hij getuigt: Gij zijt ⢠Priester in der eeuwigheid naar | de ordening Melchizédeks. 18 quot;Want de vernietiging van 1 Let voorgaande gebod gechiedt ; om deszelfs _ zwakheids en on-' profijtelijkheids wille; |
â¢1:'
ll-:; -it:
HE BREÃ ES 8.
284
|
19 want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van eene betere hoop, door welke wij tot God genaken. 20 Eu voor zooveel liet niet zonder eedzwering is gtschied, (want géne zijn wel zonder eedzwering Priesters geworden, 21 maar déze met eedzwering door dien, die tot hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchi-zédeks): 22 van een zooveel beter Verbond is Jezus borg geworden. 23 En géne zijn wel vele Priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven; 24 maar déze, omdat hij in eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap, 25 waarom hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door hem tot God gaan ; alzoo hij altijd leeft om voor hen te bidden. 26 Want zoodanig een Hooge-priester betaamt ons, heilig, on-noozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden; 27 dien het niet alle dagen noodig was, gelijk den Hooge-priesters, eerst voor zijne eigene zonden slachtofferen op te oüe-Ten, daarna voor de zonden des volks; want dat heeft hij éénmaal gedaan, als hij zichzelven opgeofferd heeft. 28 Want de wet stelt tot Hooge-priesters menschen die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon die in der eeuwigheid geheiligd is. HOOFDSTUK 8. De hoofdsom nu der dingen waarvan wij spreken is, dat wij hebben zoodanigen Hoogepries-ter, die gezeten is aan de rech-terhand van den troon der Majesteit in de hemelen, 2 een bedienaar des heiligdoms, en des waren Tabernakele, welken de Heere heeft opgericht, en geen mensch. |
3 Want een iegelijk Hooge-priester wordt gesteld om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was dat ook deze iets had, dat hij zoude offeren. 4 Want indien hij op aarde ware, zoo zoude hij zelfs geen Priester zijn, terwijl daar Priesters zijn, die naar de wet gaven offeren; 5 welke het vóórbeeld en de schaduw der hemelsche dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den Tabernakel volmaken zoude. Want zie, zegt hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den ber^ getoond is. 6 En nu heeft hij zooveel uit-nemender bediening gekregen, als hij ook eens beteren Ver-bonds Middelaar is, 't welk in betere beloftenissen bevestigd is. 7 Want indien dat eerste Verhond onberispelijk geweest ware, zoo zoude voor het tweede geene plaats gezocht zijn geweest. 8 Want hen berispende zegt hij tot hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heero, en ik zal over het huis Israels en over het huis van Juda een nieuw Verbond oprichten, 9 niet naar het Verbond dat ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dat mijn Verbond niei gebleven, en ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere. 10 Want dit is het Verbond dat ik met het huis Israels maken zal na die da.^en, zegt de Heere: ik zal mijne wetten in hun verstand geven, en in hunne harten zal ik die inschrijven; en ik zal hun tot een God zijn en zij zij zullen mij tot een volk zijn. 11 En zij zullen niet leeren een iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder,zeggende: Ken den Heere; want zij zullen mü allen kennen, van den kleine |
HEBREÃRS 9.
285
|
onder hen tot den groote onder hen; 12 want ik zal hunne ongerechtigheden genadig zijn, en hunne zonden en hunne overtredingen zal ik geenszins meer gedenken. 13 Als hi.i zegt: Een nieuw Verbond, zoo heeft hij het eerste oud gemaakt: wat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning. HOOFDSTUK 9. Zoo had dan wel ook het eerste Verton cl rechten des Gofhdien-etes, en het wereldlijk heiligdom. 2 Want de Tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar en de tafel en de toonbrooden, welke genaamd wordt het heilige; 3 maar achter het tweede voorhangsel was de Tabernakel genaamd het heilige der heiligen, 4 hebbende een gouden wierookvat, en de Arke des verbonds alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik daar het manna in was, en de staf Aarons die gebloeid had, en de tafelen des verbonds. 5 En boven over deze vlrfc waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden : van welke dingen wij nu van stuk tot etuk niet zullen zeggen. 6 Deze dingen nu aldus toebereid zijnde, zoo gingen wel de Priesters in den eersten Tabernakel te allen tijde om de Godsdiensten te volbrengen; 7 maar in den tweeden Taher-â¢ndkel ging alleen de Hoogepries-ter éénmaaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden, 8 waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dai de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was zoolang de eerste Tabernakel nog stand had, 9 welke was eene afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtoüeren geofferd werden, die dengene die den dienst pleegde niet konden heiligen naar de conscientie, |
10 bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheiden was-schingen, en rechtvaardigraakin-gen des vleesches, tot op den tijd der verbetering opgelegd. 11 Maar Christus de Hooge-priester der toekomende goederen gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakteren Tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit manksel, ] 12 noch door het bloed der i bokken en kalveren maar door zijn eigen bloed, éénmaal ingegaan in het heiligdom, ecne eeuwige verlossing teweeggebracht I hebbende. I 13 Want indien het bloed der | stieren en bokken, en de asch | der jonge koe besprengende de onreinen, hen heiligt tot de rei-' nigheid des vleesches: ! 14 hoeveel te meer zal het : bloed van Christus, die door den ; eeuwigen Geest zichzelven Godo ; onstraffelijk opgeofferd heeft, uwe ! conscientie reinigen van doode werken, om den levenden God j te dienen. 15 En daarom is hij de Middelaar des nieuwen Testaments, opdat, de dood daartusschen gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die ondsr het eerste Testament waren, degenen die geroepen zijn de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden. 16 Want waar een testament is, daar is het noodzaak dat de dood des testamentmakers ius-schenlzomo; 17 want een testament is vast in de dooden, dewijl het nog geen kracht heeft wanneer de testa-mentmaker leeft: 18 waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. 19 Want als alle de geboden naar de wet van Mozes tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water en purperen wol en hysop, besprengende beide het boek zelf en al het volk, 20 zeggende: Dit is het boek |
IIEBKEÃHS 10.
286
|
des Testaments, 't -welk God aan nlieden heeft geboden. 21 En hij besprengde desgelijks ook den Tademakel en alle de vaten van den dienst met het bloed. 22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving. 23 Zoo was het dan noodzaak, dat wol de vóórbeeldingen der dingen die^ in de hemelen zijn door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelsche dingen zelve door betere oüeranden dan deze. 24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons. 25 Noch ook opdat hij zich-zelven dikwijls zoude opofferen, gelijk do Hoogepriester alle jaren in het heiligdom ingaat met vreemd bloed: 26 (anders had hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af); maar nu is hij éénmaal in de voleinding der eeuwen gpopenbaaard, om de zonde te niet te doen door zijns zelfs offerande. 27 En gelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel, 28 alzóó ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen die hem verwachten tot zaligheid. HOOFDSTUK 10. Want do wet, hebbende eene schaduw der toelcomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij allo jaren gedurig opofferen nimmermeer heiligen degenen die daar toegaan: 2 anderszins zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden, omdat degenen die den dienst pleegden geen conscientie meer zouden hebben der zonden, |
éénmaal gereidigd geweest zijnde, 3 maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden. 4 Want het isf onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. 5 Daarom komende in de wereld zegt hij : Slachtoffer en offerande hebt gij niet gewild, maar gij hebt mij het lichaam toebereid ; 6 brandofferen en offer voor de zonde hebben u met behaagd: 7 toen sprak ik: Zie, ik kom (in het begin des boeks is van mij geschreven) om uwen wil to i doen, o G^od. 8 Als hij te voren gezegd had: Slachtoffer en offerande en brandoffers en ojfer voor de zonde hebt gij niet gewild, noch hebben u behaagd, (dewelke naar de wet geofferd worden), 9 toen sprak hij: Zie, ik kom om uwen wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. 10 In welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des li-chaams van Jezus Christus éénmaal {teschied. 11 En een iegelijk Priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; 12 maar deze, één slachtoffer voor de zonde geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter//awcZ Gods, 13 voorts verwachtende totdat zijne vijanden gesteld worden tot een voetbank zijner voeten. 14 Want met^ éóne offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. 15 En de E'eilige Geest getuigt het ons óók. 16 Want nadat hij te voren gezegd had: Dit is het Verbond dat ik met hen maken zal na die i dagen, zegt de Heere: Ik zal ! mijne wetten geven in hunne I harten, en ik zal die inschrijven I in hunne verstanden: 1 17 en hunner zonden en hun ner lt; geensï |
HEBREÃRS 11.
287
|
ner ongerechtigliedeii zal ik geenszins meer gedenken. 18 Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde. 19 Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 op eenen verschen en levenden weg, welken hij ons inge-wijd^ heeft door het voorhangsel, dat is door zijn vleesch, 21 en dewijl tcij hehhcn eenen grooten Priester over hot huis Gods, 22 zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade conscieutie, en het lichaam ge-wasschen zijnde met rein water: 23 laat ons de onwankelbare belijdenis der hope ^«süiouden; (want die het beloofd heeft is getrouw) ; 24 en laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken: 25 en laat ons onze onderlinge bijéénkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen: en dat zooveel te meer als gij ziet dat de dag nadert. 26 Want zoo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft daar geen slachtoffer meer over voor de zonden, 27 maar eene schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. 28 Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen; 29 hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan ? |
30 Want wij kennen hem die gezegd heeft ' Mijne is de wrake, ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom : De Heere zal zijn volk oordeelen. 31 Vreeselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods. 32 Doch gedenkt der vorige dagen, in dewelke nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lij den s hebt verdragen, 33 ten deele als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt, enten, deele als gij gemeenschap gehad hebt met degenen die alzoo behandeld werden. 34 Want gij hebt ook over mijne banden medelijden gehad, en. de_ rooting uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende dat gij hebt in uzelve een beter en blijvend goed in de hemelen. 35 Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke eene grooto vergelding des loons heeft. 36 Want gij hebt lijdzaamheid van noode, opdat gij den wille Gods gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen. 37 Want nog een zeer weinig tijds, en hij die te komen staat zal komen en niet vertoeven. 38 Maar de rechtvaardige zal uit den geloove leven: en zoo iemand zich onttrekt, mijne ziel heeft in hem geen behagen. 39 Maar wij zijn niet van degenen die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen dio gelooven tot behoudenis der ziele. HOOFDSTUK 11. Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet. 2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. 3 Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat d© dingen die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. 4 Door het geloof heeft Abel eene meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft dat hij rechtvaardig was, alzoo God |
HEBREÃRS 11.
288
|
over zijne gaven getuigenis gaf ; en door dat geloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zoude zien, en hij werd niet gevonden, daarom dat God hem w eggenomen had. Want vóór zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad dat hij Gode behaagde. 6 Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet gelooven dat hij is, en een be-looner is dergenen die hem zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, door goddelijke aanspraak vermaand zijnde aangaande de dingen die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid die naar het geloof is. 8 Door het geloof is Abraham geroepen zijnde gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zoude, en hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zoude. 9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land; en heeft in tabernakelen gewoond, met Isaiik en Jakob die medeerfgenamen waren derzelfde belofte, 10 want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. 11 Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen om zaad te geven, en boven den tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard, overmits zij hem getrouw heeft geacht die het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van éénen, en dat van eenen verstorvene, zoovelen in menigte geboren als de sterren des hemels, en als het zand dat aan den oever der zee ie, hetwelk ontelbaar is. |
13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, do beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. 14 Want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken. 15 En indien zij aan dat va-derlnnd gedacht hadden van 't welk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keeren; 16 maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want hij had hun eene stad bereid. 17 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Isaak geofferd, en hij die de beloften ontvangen had heeft zijnen eenig-geborene geofferd, 18 (tot denwel ken gezegd was: In Isaiik zal u het zaad genaamd worden), overleggende dat God machtig was hem ook uit de dooden te verwekken; 19 waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft. 20 Door het geloof heeft Isaiik zijne zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. 21 Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelijk der zonen Jozefs gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijnen staf. 22 Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld van den uitgang der kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente. 23 Door het geloof werd Mozes toen hij geboren was drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des Konings niet. 24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genaamd te worden; |
HEBEEÃKS 12.
289
|
25 verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben, 26 achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vreezende den toorn des Konings, want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij het Pascha uitgericht, en de bespren-ging des bleeds, opdat de ver-derver der eerstgeborenen hen niet raken zoude. 29 Door het geloof zijn zij de Roode zee doorgegaan als door het droge; hetwelk de Egypte-naars óók beproevende, zijn verdronken. 30 Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als ze tot zeven dagen toe omringd waren geweest. 31 Door het geloof is Rachab de hoer niet omgekomen met de ongehoorzameii, als zij de verspieders met vrede had ontvangen. 32 En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zoude ik verhalen van Gideon, en Barak, en Simeon, en Jefta, en David, en Samuel en de Profeten; 33 welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt, 34 de kracht des vuurs hebben uitgebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht; 35 de vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding toe-der gekregen ; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aanrjeho-den verlossing niet aannemende, opdat zij eene betere opstanding verkrijgen zouden, |
80 en anderen hebben bespottingen en geeselingen geleden, en ook banden en gevangenis; 37 zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht, hebben gewandeld in schaapsvellen en ingeitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde, 38 (welker de wereld niet waardig was), hebben in woestijnen gedoold en op bergen en ruquot; spelonken en in de holen der aarde. 39 En deze allen hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen, 40 alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. HOOFDSTUK 12. Daarom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons voorgesteld is, 2 ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, dewelke voor de vreugde, die _ hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterband des troons Gods. 3 Want aanmerkt dezen, die zoodanig een tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uwe zielen. 4 Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; 5 en gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van hem bestraft wordt. 6 Want dien de Heere liefheeft kastijdt hij, en hij geeselt eenen iegelijken zoon dien hij aanneemt. 7 Indien gij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt zich God jegens u als zonen; (want wat 10 |
|
290 HEBRE zoon is er dien de vader niet kastijdt?) 8 maar indien gij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden en niet zonen. gt;9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleesches weltotkastijders gehad, en wij ontzagen ze: ziil-len wij dan niet veel meer den quot;Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want géne hebben ons wel voor eenen korten tijd naar dat het hun goeddacht gekastijd, maar déze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geene xaalc van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich eene vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn. 12 Daarom richt weder óp de trage handen en de slappe knieën, 13 en maak rechte paden voor nwe^ voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, maar dat het veel meer genezen worde. 14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal: 15 toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet eenige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve Telen ontreinigd worden. 16 Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige geluk Esau, die om ééne spijze het recht van zijne eerstgeboorte â¢weggaf. 17 Want gij weet, dat hij ook daarna de zegening willende be-erven, verworpen werd; want hij Tond geene plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. 18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, 19 en tot het geklank der ba-*uin, en de stem der woorden. |
SRS 13. welke die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden; _ 20 (want zij konden niet dragen hetgeen daar geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gesteenigd of met een pijl doorschoten worden ; 21 en Mozes, zóó vreeselijk was het gezicht, zeide: Ik ben zeer bevreesd en bevende); 22 maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemel-sche Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen, 23 tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, 24 en tot den Middelaar dee nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. 25 Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt; want indien deze niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen is; 26 wiens stem toen de aarde bewoog, maar nu heeft hij verkondigd, zeggende: Nog éénmaal zal ik bewegen niet alleen de aarde maar ook den hemel. 27 ISni dit icoord: Nog éénmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen als welke gemaakt waren ; opdat blijven zouden de dingen die niet beweeglijk zijn. 28 Daarom al zoo wij een beweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vaSÃiouden, door dewelke^ wij welhagelijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 29 Want onze God is een verterend vuur. HOOFDSTUK 13. Dat de broederlijke liefde blijve. 2 Vergeet de herbergzaamheid |
HEBREÃRS 13.
201
|
niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd. 3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij ook zelve in het lichaam kwalijk behandeld waart. 4 Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen. 5 Vw wandel zij zonder geldgierigheid, en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want hij heeft gezegd: Ik zal u niet bâ¬!-geven en ik zal u niet verlaten. 6 Zoodat wij vrij moedigi ijk durven zeggen: De Heere is mij een helper, en ik zal niet vreezen wat mij een menach zal doen. I Gedenkt uwer voorgangeren, die u het quot;Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. 8 Jezus Christus is gisterenen heden dezelfde en in der eeuwigheid. 9 Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leeringen; want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben die daarin gewandeld hebben. 10 Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten die den Tabernakel dienen, II Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den Hooge-prlester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. 12 Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. 13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerglaats, zijne smaadheid dragende. |
14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15 Laat ons dan door hem altijd Gode opofferen eene offerande des lofs; dat is, de vrucht der lippen die zijnen naam belijden. 1G En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zoodanige offeranden heeft God een welbehagen. 17 Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen: opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende: want dat is u niet nuttig. 18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij eene goede consciëntie hebben, als die in alles eerlijk willen wandelen. 19 En ik bidde u te meer dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden. 20 De God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, 21 die volmake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wilmoogt doen: werkende in u hetgeen voor hem welbehagelijk is door Jezus Christus, denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 22 Doch ik bid u, broeders, verdraagt liet woord dezer vermaning; want ik heb u in 't kort geschreven. 23 Weet dat de broeder Timo-theüs losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien. 24 Groet alle uwe voorgangers en alle heiligen. U groeten die van Italië zijn. 25 De genade zij met u allen, Amen. |
HEBEEÃES 11.
288
|
over zijne gaven getuigenis gaf; en door dat {jeloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zoude zien, en hij werd niet gevonden, daarom dat God hem weggenomen had. Want vooi^ zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad dat hij Gode behaagde. G Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet gelooven dat hij is, en een be-ïooner is dergenen die hem zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, door goddelijke aanspraak vermaand zijnde aangaande de dingen die nog niet gezien werden, cn bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid^ tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke orA: hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid die naar het geloof is. 8 Door het geloof is Abraham geroepen zijnde gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zoude, en hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zoude. 9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land; en heeft in tabernakelen gewoond, met Isaak en Jakob die medeerfgenamen waren derzelfde belofte, 10 want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. 11 Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen om zaad te geven, en boven den tijd Jiaars ouderdoms heeft zij gebaard, overmits zij hem getrouw heeft geacht die het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van éénen, en dat van eenen verstorvene, zoovelen in menigte geboren als de sterren des hemels, en als het zand dat aan den oever der zee ie, hetwelk ontelbaar is. |
13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, do beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. 14 Want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken. 15 En indien zij aan dat va-derland gedacht hadden van [t welk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keeren; 16 maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want hij had hun eene stad bereid. 17 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Isaak geofferd, en hij die de beloften ontvangen had heeft zijnen eenig-geborene geofferd, 18 (tot denwel ken gezegd was: In Isaak zal u het zaad genaamd worden), overleggende dat God machtig was hem ook uit de dooden te verwekken; 19 waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft. 20 Door het geloof heeft Isaak zijne zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. 21 Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelijk der zonen Jozefs gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijnen staf. 22 Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld van den uitgang der kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente. 23 Door het geloof werd Mozes toen hij geboren was drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des Konings niet. 24 Door hei geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genaamd te worden; |
HEBKEÃRS 12.
289
|
25 verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor eenen tijd ie genieting der zonde te hebben, 26 achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vreezende den toorn des Konings, want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloofheefthij het Pascha uitgericht, en de bespren-ging des bleeds, opdat de ver-derver der eerstgeborenen hen niet raken zonde. 29 Door het geloof zijn zij de Koode zee doorgegaan als door het droge; hetwelk de Egypte-naars óók beproevende, zijn verdronken. 30 Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als ze tot zeven dagen toe omringd waren geweest. 31 Door het geloof is Rachat de hoer niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen. 32 En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zoude ik verhalen van Gideon, en Barak, en Simeon, en Jefta, en David, en Samuel en de Profeten; 33 welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt, 34 de kracht des vuurs hebben uitgebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht; 35 de vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding ive-dergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeho-den verlossing niet aannemende, opdat zij eene betere opstanding verkrijgen zouden, 3G en anderen hebben bespot |
tingen en geeselingen geleden, en ook banden en gevangenis; 37 zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht, hebben gewandeld in schaapsvellen ew in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde, 38 (welker de wereld niet waardig was), hebben in woestijnen gedoold en op bergen en in spelonken en in de holen der aarde. 39 En deze allen hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen, 40 alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. HOOFDSTUK 12. Daarom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons voorgesteld is, 2 ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofa Jezus, dewelke voor de vreugde, die hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechter/mnrf des troons Gods. 3 Want aanmerkt dezen, die zoodanig een tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uwe zielen. _4 Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde: 5 en gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van hem bestraft wordt. 6 Want dien de Heere liefheeft kastijdt hij, en hij geeselt eenen iegelijken zoon dien hij aanneemt. 7 Indien gij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt zich God jegens u als zonen; (want wat 10 |
HEBEEÃRS 13.
290
|
zoon ia er dien de vader niet kastijdt ?) 8 maar indien gij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij daji bastaarden en niet zonen. .9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleesches wel tot kastij ders gehad, en wij ontzagen ze: zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want géne hebben one wel voor eenen korten tijd naar dat het hun goeddacht gekastijd, maar déze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geene xaalc van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich eene vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn. 12 Daarom richt weder óp de trage handen en de slappe knieën, 13 en maak rechte paden voor uwe^ voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, maar dat het veel meer genezen worde. 14 Jaagt den vrede_ na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal: 15 toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet eenige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden. 16 Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige gelijk Esau, die om ééne spijze het recht van zijne eerstgeboorte â¢weggaf. 17 Want gij weet, dat hij ook daarna de zegening willende be-erven, verworpen werd; want hij vond geene plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. 18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg. en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, |
19 en tot het geklank der ba-min, en de stem der woorden, welke die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden; ^ 20 (want zij konden niet dragen hetgeen daar geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gesteeuigd of met een pijl doorschoten worden; 21 en Mozee, zóó vreeselijk was â. p het gezicht, zeide: Ik ben zeer zai y-c bevreesd en bevende); .0 . ^ 22 maar gij zijt gekomen tot giengi den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemel-sche Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen, 23 tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God den Hechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, 24 en tot den Middelaar des aansc nieuwen Testaments Jezus, en | neT 1 het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. 25 Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt; want indien deze niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen is; 28 wiens stem toen de aarde bewoog, maar nu heeft hij verkondigd, zeggende: Nog éénmaal zal ik bewegen niet alleen de aarde maar ook den hemel. 27 En dit icoorrf; Nog éénmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen als welke gemaakt waren ; opdat blijven zouden de dingen die niet beweeglijk zijn. 28 Daarom alzoo wij een beweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welhagelijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 29 Want onze God is een verterend vuur. HOOFDSTUK 13. Dat de broederlijke liefde blijve. 2 Vergeet de herbergzaamheid niet; w migen ' bergd. 3 Ge of gij Icicalijli 4 He der all maar met h heeft geven 6 2 durve een h wat ii 7 G die u hebb( 8 J hede heid 9 ^ verse gen; hart niet nutt daw 10 het^ eter nen 11 VOO het pri( der pla op( he^ de 1 uil zij |
HEBREÃES 13.
291
|
niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd. 3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij ook zelve in het lichaam kwalijk hehandéld waart. 4 Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen. 5 Uw wandel zij zonder geldgierigheid, en zijt^ vergenoegd met het tegenwoordige; want lij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en ik zal n niet verlaten. 6 Zoodat wij vrij moediglij k durven zeggen ^ De Heere is mij een helper, en ik zal niet vreezen wat mij een mensch zal doen. 7 Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. 8 Jezus Christus is gisterenen heden dezelfde en in der eeuwigheid. 9 Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leerin-gen; want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, niet doorspijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben die daarin gewandeld hebben. 10 Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten die den Tabernakel dienen. 11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den Hooge-priester, derzei ver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. 12 Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. 13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerglaats, zijne smaadheid dragende. |
14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15 Laat ons dan door hem altijd Gode opofferen eene offerande des lofsj dat is, de vrucht der lippen die zijnen naam belijden. 16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zoodanige offeranden heeft God een welbehagen. 17 Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen: opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende: want dat is u niet nuttig. 18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij eene goede consciëntie hebben, als die in alles eerlijk willen wandelen. 19 En ik bidde u te meer dat gy dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden. 20 De God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, 21 die volmake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wilmoogt doen: werkende in u hetgeen voor hem_ welbehagelijk is door Jezus Christus, denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 22 Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in 't kort geschreven. 23 Weet dat de broeder Timo-theüs losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien. 24 Groet alle uwe voorgangers en alle heiligen. U groeten die van Italië zijn. 25 De genade zij met u allen, Amen. |
fde öid
H EB KEÃRS 13.
290
|
dien de vacfler niet zoon is er kastijdt?) 8 maar indien gij zoncler kas-tijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden en niet zonen. .9 Voorts, wij hebben d© vaders onzes vleesclies wel totkastijders gehad, en wij ontzagen ze: znl-len wij Jan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want géne hebben om wel voor eenon korten tijd naar dat het hun goeddacht gekastijd, maar déze kastijdt ons -tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijding, als die tegenwoordig is, ecliijut geene xaalc van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich eene vreedzame ^vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijnv 12 Daarom richt weder óp de trage handenen deslappekinieën, 13 en maak rechte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen, kreupel is niet verdraaid â¢word©, maar dat het veel meer genezen worde. 14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking-, zonder welke niemand den lieere zien zal: 15 toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Oods ; dat niet eenige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden. 16 Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilig-e ge-lyk Esau, die om ééne spijze het recht van zijne eerstgeboorte â¢weggaf. 17 Want gij weet, dat hij ook daarna de zegening willende be-erven, verworpen werd ; want hij vond geene plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. 18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg. en het brandende vuur, en donkerlieid, ©n duisternis, en onweder, 19 en tot het geklank der ba-Buin, ©n de stem der voorden. |
welke die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden; _ 20 (want zij konden niet dragen hetgeen daar geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, _het zal gesteenigd of met een pijl doorschoten worden ; 21 en Mozee, zóó vreeselijk was het gezicht, zeide: Ik ben zeer bevreesd en bevende); 22 maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemel-sche Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen, 23 tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen op- feschreven zijn, en tot God den techter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen,eschreven zijn, en tot God den techter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, 24 en tot den Middelaar dee nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. 25 Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt; want indien deze niet zijn ontvloden7 die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen is; 28 wiens stem toen de aarde bewoog, maar nu heeft hij verkondigd zeggende: Nog éénmaal zal ik ^bewegen niet alleen de aarde maar ook den hemel. 27 En dit woord: Nog éénmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen als welke gemaakt waren ; opdat blijven zouden de dingen die niet beweeglijk zijn. 28 Daarom alzoo wij een beweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbagelijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 29 Want onze God is een verterend vuur. HOOFDSTUK 13. Dat de broederlijke liefde blijve. 2 Vergeet de herbergzaamheid niet; tv migen bergd. 3 Ge of gij kicalijli 4 He der all maar zal Gc 5 Ui gierigl met h heeft geven 6 2 durve een h wat n 7 G die u hebb( aansc ner v |
HEBREÃRS 13.
291
|
niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd. 3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij ook zelve in het lichaam kwalijk behandeld waart. 4 Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen. 5 Uio wandel zij zonder geldgierigheid, en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want lij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en ik zal n niet verlaten. 6 Zoodat wij vrijmoediglijk durven zeggen ^ De Heere is mij een helper, en ik zal niet vreezen wat mij een mensch zal doen. 7 Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. 9 Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leeringen ; want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben die daarin gewandeld hebben. 10 Wij hebhen een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten die den Tabernakel dienen. 11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den Hooge-priester, derzei ver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. 12 Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zonde heiligen, buiten de poort geleden. 13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerglaats, zijne smaadheid dragende. ien dat t meet dragen rd: In-in berg ïigd of orden; ijk was n zee?; |
14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15 Laat ons dan door hem altijd Gode opofferen eene offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen die zijnen naam belijden. 16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zoodanige offeranden heeft God een welbehagen. 17 Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen: opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende: want dat is u niet nuttig. 18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij eene goede consciëntie hebben, als die in alles eerlijk willen wandelen. 19 En ik bidde u te meer dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden. 20 De God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, 21 die volmake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wilmoogt doen: werkende in u hetgeen voor hem welbehagelijk is door Jezus Christus, denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 22 Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in 't kort geschreven. 23 Weet dat de broeder Timo-theüs losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien. 24 Groet alle uwe voorgangers en alle heiligen. U groeten die van Italië zijn. 25 De genade zij met u allen, Amen. |
fde eid
JACOBUS 1.
292
|
HOOFDSTUK 1. Jacobus, een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn, zaligheid. 2 Acht het voor groote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, 3 wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. 4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk. 5 En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt: en zij zal hem gegeven worden. 6 Maar dat hij ze begeere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt is eene bare der zee gelijk, die van den wind gedreven en op- en neergeworpen wordt. 7 Want die mensch meene miet dat hij iets ontvangen zal van den Heere. 8 Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijne wegen. 9 Maar de broeder die nederig is roeme in zijne hoogheid, 10 en de rijke_ in zijne vernedering, want hij zal als eene bloem van het gras voorbijgaan. 11 quot;Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijne bloem is afgevallen, en de schoone gedaante haars aanschijns is vergaan: alzóó zal ook de rijke in zijne wegen verwelken.^ |
12 Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zoo zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen die hem liefhebben. 13 Niemand als hij verzocht wordt zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en hij zelf verzoekt niemand. 14 Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. 15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.^ 16 Dwaalt niet, mije geliefde broeders. 17 Alle goede gave en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij welken geene verandering is of schaduw van omkeering. 18 Naar zijnen wil heeft hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen zijner schepselen. 19 Zoo dan, mijne geliefde broeders, een iegelijk mensch zij rasch om te hooren, traag om te spreken, traag tot toorn. 20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. 21 Daarom afgelegd hebbende alle vuilheid en overvloed van boosheid, ^ ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat jn u geplant wordt, 't welk uwe zielen kan zalig maken. 22 En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelve met gend- 23 der dade welk zicht 24 ⢠benu :: heef hij a 25 maa en ' gete maa zeg zijn 2ü dat zijn mac god 21 ; god is c zoe ziel de DE ALGEMEENE BEIEP VAN DEN APOSTEL JACOBUS. |
JACOBUS 2.
293
|
met valsche overlegging bedriegende. 23 Want zoo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aange-zielit bemerkt in eenen spiegel. 24 Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten hoedanig hij was. 25 Maar die inziet in de volmaakte wet die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze geen ver-getelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze zeg Ui zal gelukkig zijn in dit zijn doen. 2ü Indien iemand onder u dunkt dat hij godsdienstig is, en hij zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel. 27 De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld. HOOFDSTUK 2. Mijne broeders, hebt niet het geloof on zes Heeren Jezus Christus, des Heeren der heerlijkheid, met aanneming des per-soons. 2 Want zoo in uwe vergadering kwam een man met eenen gouden ring aan den vinger, in eene sierlijke kleeding, en daar kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding, 3 en gij zoudt aanzien den-gene die de sierlijke kleeding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op eene eervolle plaats, en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar, of zit hier onder mijne voetbank; 4 hebt gij dan niet in uzelve een onderscheid gemaakt, enzijt rechters geworden van kwade overleggingen? 5 Hoort, mijne geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in 't geloof, en erfgenamen des Koninkrijks 't welk hij belooft dengenen die hem liefhebben ? |
G Maar gij hebt den arme oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken ze u niet voor de rechterstoelen? 7 Lasteren zij niet den goeden naam die over u aangeroepen is ? 8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar do Schrift: Gij zult uwen naaste lief hebben als uzelven, zoo doet gij wel; 9 maar indien gij den persoon aanneemt, zoo doet gij zonde en wordt van de wet bestraft als overtreders. 10 Want wie de geheele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. 11 quot;Want die gezegd heeft; Gij zult geen overspel doen, die heeft ook gezegd: Gij zult niet dooden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult dooden, zoo zijt gij een overtreder der wet geworden. 12 Spreekt alzóó en doetalzoo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. 13 Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene die geene barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. 14 Wat nuttigheid is het mijne broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft, en heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zalig maken? 15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelij ksch voedsel, 16 en iemand van u tot hen zoude zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd, en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat ? 17 Alzóó ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood. 18 Maar, zal iemand zeggen, gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uwe werken, en ik zal u uit |
JACOBUS 3.
294
|
mijne werken mijn geloof too-nen. 19 Gij gelooft dat God een éénig God ie; gij doet wel: de duivelen gelooven liet ook, en eij sidderen. 20 Maar wilt gij weten, o ij del mensch, dat het geloof zonder de werken dood ia? 21 Abraham onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij leaak zijnen zoon geofferd heeft op het altaar? 22 Ziet gij wel dat het geloof medegewrocht heeft met zijne werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? 23 Eu de^ Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend Gods genaamd geweest. 24 Ziet ^ gij dan nu dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof? 25 En_ desgelijks ook Kachab de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen weg uitgelaten ? 26 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzóó is ook het geloof zonder de werken dood. HOOFDSTUK 3. Zijt niet vele meesters, mijne broeders, wetende dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. 2 quot;Waut wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het ge-heele lichaam in den toom te houden. 3 Zie, wij leggen den paarden toornen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun geheele lichaam om; 4 zie, ook de schepen, hoewel ze zoo groot zijn en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer. |
waarhenen ook de begeerte des stuurders wil: 5 alzóó is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans groote dingen. Zie, een klein vuur, hoe grooten hoop hout het aansteekt. 6 De tong is óók een vuur, een wereld der ongerechtigheid: alzóó is de tong onder onze leden gesteld, welke het geheele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van do hel. 7 Want alle natuur beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de mensche-lijke natuur; 8 maar de tong kan geen mensch temmen- Zij is een on-bedwingelijk kwaad, vol van doodelijk venijn. 9 Door haar loveji wij God en den Vader; en door haar vervloeken wij de menschen, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. 10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijne broeders, alzoo niet geschieden. 11 Welt ook een fontein uit eene zelfde ader het zoet en het bitter? 12 Kan ook, mijne broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzóó lean geen fontein zout en zoet water voortbrengen. 13 Wie is wijs en verstandig onder u? Die bewijze uit zijnen goeden wandel zijne werken, in zachtmoedige wijsheid. 14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Deze is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar is aardsch, natuurlijk, duivelsch. 1G# Want waar nijd en twistgierigheid is., aldaar is verwarring en alle tooze handel. 17 Maar de wijsheid die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, beschei den, g jhartigh 'ten, n en ong 18 } vaardii zaaid maken |
JACOBUS 4, 5.
295
|
den, gezeggelijk, vol van barm-[hartiglieid en van goede vruchten, niet _ partijdig oordeelende en oncreveinsd. 18 En ^ do vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede ge-(zaaid voor degenen die vredo maken. HOOFDSTUK 4. Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen ze niet hiervan, namelijlc uit uwe wellusten die in uwe leden strijd voeren? 2 Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naardinyen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. 3 Gij bidt, en gij ontvangt niet. omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt. 4 Overspelers en overspeelsters, weet gij niet dat de vriendschap der wereld vijandschap Gods ir? Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld. 5 Of meent gij dat do Schrift tevergeefs zegt: De Geest die in ons woont, heeft die lust tot nijdigheid? G Ja, hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft hij genade. 7 Zoo onderwerpt u danGode; wederstaat den duivel, en hij zal van n vlieden. 8 Naakt tot God, en hij zal tot u naken. Reinigt de handen gij zondaars, en zuivert de harten gij dubbelhartigen. 9 Gedraagt u als ellendigen en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en une blijdschap in bedroefdheid. 10 Vernedert u voor den Heere, en hij zal u verhoogen. 11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijtgij geen â¢rte dee 'Ug een ochtans klein ^ut liet |
dader der wet, maar een rechter. 12 Daar is een eenig Wetgever, die behouden kan en verderven, doch wie zijt gij, die een ander oordeelt? 13 Welaan nu gij die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk eene stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven en winst doen, 14 gij die niet weet wat morgen geschieden zal; want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. 15 In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. 16 Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed: alle zoodanige roem is boos. 17 Wie dan weet goed te doen en niet doet, dien is het zonde. HOOFDSTUK 5. Welaan nu gij rijken, weent en huilt over uwe ellendigheden die over u komen. 2 Uw rijkdom is verrot, en uwe kleederen zijn van de motten gegeten geworden 3 uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. 4 Zie, het loon der werklieden die uwe landen gemaaid hebben, 't welk van u verkort is, roept, en het geschrei dergenen dio geoogst hebben is gekoinen tot in de ooren des Heeren Zebaöth. 5 Gij hebt weelderig geleefd op do aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slachting. 6 Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige, en hij wederstaat u niet. 7 Zoo zijt dan lankmoedig, broeders, tot do toekomst des Heeren. Zie. de landman verwacht do kostelijke vrucht des |
1 PETRUS 1.
296
|
lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en den spaden regen zal hebben ontvangen. 8 quot;W eest gij óók lankmoedig, versterkt uwe harten, want de toekomst des Heeren genaakt. 9 Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt: zie, de Hechter staat voor de deur. 10 Mijne broeders, neemt tot een exempel des lijdens en der lankmoedigheid de Profeten, die in den naam des Heeren gesproken hebben. 11 Zie, wij houden ze gelukzalig die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid Jobs gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, _ dat de Heere zeer barmhartig is en een ontfermer. 12 Doch vóór alle dingen, mijne broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw ja zij ja, en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt. 13 Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds, dat hij psalmzinge. 14 Is iemand krank onder u. |
dat hij tot zich roepe de Ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren: 15 en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zoo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden. 16 Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt. Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel. 17 Elia was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en hij bad een gebed dat het niet zoude regenen, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. 18 En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht hare vrucht voort. 19 Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert, 20 die wete, dat degene die eenen zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken. |
DE EEESÃE ALGEMEEiNE BE1EE
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK I. Petrus, een Apostel van Jezus Christus, den vreemdelingen verstrooid in Pontus, Galatië, Cap-pad ocië, Azië en Bithynië, 2 den uitverkorenen naar de voorkennis Gods des Vaders, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenig-Tuldigd. |
3 Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, 4 tot eene onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelke-lijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, 5 die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid, die bereid is om |
1 PETRUS 2.
297
|
geopenbaard te worden in den laatsten tijd. 6 In welken gij n verheugt, nu een weinig tijds (zoo het noodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen ; 7 opdat de beproeving uws ge-loofe, die veel kostelijker is dan des gouds, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; 8 denwelken gij niet ges.ien hebt en nochtans liefhebt; in denwelken gij nu, hoewel hem niet ziende, maar geloovende, u verheugt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, 9 verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. 10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de Profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan u i/e-schied, 11 onderzoekende op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, die in hen was, beduidde en te voren getuigde het lijden dat op Christus komen zoude, en de heerlijkheid daarna vol {jende, 12 denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn door degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, die van den hemel gezonden is; in welke dingen de Engelen be-geerig zijn in te zien. 13 Daarom opschortende de lendenen uws verstands, en nuch-teren zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade die u toegebracht wordt in deopenbaring van Jezus Christus. 14 Als gehoorzame kinderen wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die te voren in uwe onwetendheid waren. 15 Maar gelijk hij die u geroepen heeft heilig is, zoo wordt ook gij zelve heilig in al uwen wandel, 16 daarom dat er geschreven |
is: Zijt heilig, want ik ben heilig. 17 En indien gij tot eenen Vader aanroept dengene die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zoo wandelt in vreeze den tijd uwer inwoning, 18 wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, 19 maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbe-straffelijk en onbevlekt lam; 20 dewelke wel vóórgekend is geweest voor de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwille, 21 die gij door hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zoude. 22^ Hebbende dan uwe zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zoo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart, 23 gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk maar uil onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwigblijvende Woord Gods. 24 Want alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen; 25 maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het woord dat onder u verkondigd is. HOOFDSTUK 2. Zoo legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen ; 2 en als nieuwgeboren kinder-kens zijt zeer begeerig naar de redelijke onvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen ; 3 indien gij anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is. 10* |
1 PETEUS 3.
298
|
4 Tot -welken komende als tot eenen levenden steen, van de menschen wel verworpen maar bij God uitverkoren en dierbaar, 5 zoo wordt gij ook zelve als levende steenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig Frieaterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Chris-tus. 6 Daarom is ook vervat in de Schrift; Zie, ik leg in Sion eenen uitersten hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is; en die in hem gelooft zal niet beschaamd â worden. 7 U dan die gelooft is hij dierbaar; maar den ongehoorzamen icordt (jezend: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen desaan-etoots, en eene rots der ergernis; 8 dengenen namelijk die zich aan het woord rtooien, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, 10 gij die eertijds geen volk waart, maar mi Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. 11 Geliefden, ik vermaan «als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleesche-lijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel ; 12 en houdt uwen wandel eerlijk onder de heidenen, opdat in 't geen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken die zij in « zien God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking. 13 Zijt dan aller menschelijko ordening onderdanig om des Hee-ren wil, hetzij den Koning, als de opperste macht hebbende, 14 hetzij denStadhouderen.als die van hem gezonden worden tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goed doen. gt; _ |
15 Want al zóó is 't de wille Gods, dat gij weldoende den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze menschen; 16 als vrijen, en niet de vrijheid hebbende tot een deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods. 17 Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den Koning. 18 Gij huisknechten, zijt met alle vreeze onderdanig den hee-ren, niet alleen den goeden en bescheiden, maar ook den harden. 19 Want dat is genade, indien iemand om de conscientio voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. 20 Want wat lof is het, indien gij verdraagt als gij zondigt en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt als gij wel doet en daarover lijdt, dat is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft ons een exempel nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt navolgen, 22 die geen zonde gedaan heeft, en daar is geen bedrog in zijnen mond gevonden, 23 die als hij gescholden werd niet wederschold, en als hij leed niet dreigde, maar gaf het over aan dien die rechtvaardiglijk oordeelt, 24 lie zelf onze zonden in zijn lichu im gedragen heeft op het hou.r, opdat wij der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door wiens striemen gij genezen zijt. 25 Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. HOOFDSTUK 3. Desgelijks gij vrouwen, zijt uwen eigen mannen onderdanig, opdat ook zoo cenigen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder wordei 2 al ben i vreeze 3 quot;V hetgee het \ hange ren af 4 n des hi versie digen telijk 5 1 zelve vrou-v warei derda 6 g zaam heer, den : vrees king 7 ( bij vrou eere erfge met niet |
1 PETEUS 4.
299
|
zonder woord mogen gewonnen worden, 2 als zij zullen ingezien hebben uwen kuischen wandel in vreeze. 3 Welker versiersel zij, met hetgeen uiterlijk is, hestaanóem , het vlechten des baars, en omhangen van goud, of vankleede-ren aan te trekken, 4 maar de verborgen mensoh des harten, in het onverderfelijk versiersel van eenen zachtmoe-digen en stillen geest, die kostelijk is voor God. 5 Want al zóó versierden zich-zelve eertijds ook al de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haren eigen mannen onderdanig : 6 gel ijl: Sara Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor eenige verschrikking. 7 Gij mannen insgelijks, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat als^ het zwakste eere gevende, als die ook mede-erfgenamen der genade des levens met haar zijt, opdat uwe gebeden niet verhinderd worden. 8 En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; 9 vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen: wetende dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven. 10 Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijne tong van het kwaad, en zijne lippen dat ze geen bedrog spreken; 11 die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na. 12 Want de oogen des He eren zijn over de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen. |
13 En wie is het die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zij fc van het goede ? 14 Maar indien gij ook lijdt; om der gerechtigheid wille, zoo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreeze van hen, en wordt niet ontroerd; 15 maar heiligt God den Heer» in uwe harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeischt van de hope, die in u is, met zachtmoedigheid en vreeze. 16 En hebt een goede consciëntie, opdat in 't geen zij ;kwa-lijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden die uwen goeden wandel in Christus lasteren. 17 Want het is beter dat gij wel doende (indien het de wil Godamp; wil) lijdt, dan kwaad doende. 18 Want Christus heeft óók eens voor de zonden geleden, hij rechtvaardig voor de onrecht-vaardigen, opdat hij ons tot God zoude brengen; die wel is gedood in het vleesch, maar levend gemaakt door den Geest. 19 In denwelken hij ook he-nengegaan zijnde den geesten die in de gevangenis zijn gepredikt heeft, 20 die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van No ach, als d.9 ark toebereid werd, waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. 21 Waarvan het tegenbeeld de doop ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een© vraag is eener goede conscientie tot God, door de opstanding van Jezus Christus; 22 welke is aan de rechtcr7lt;anlt;? Gods, opgevaren ten hemel, de Engelen en machten en krachten hem onderdanig gemaakt zijnde, HOOFDSTUK 4. Dewijl dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vleesch geleden heeft, die |
1 PETRUS 5.
900
|
heeft opgehouden van de zonde, 2 om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen, maar naar den wille Gods den tijd die overig is in het vleesch te leven. 3 Want het is ons genoeg, dat â¢wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wij nzuiperij en, brasserij en, drinkerijen, en gruwelijke afgoderijen, 4 waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren; 5 dewelke zullen rekenschap geven dengenen die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden. 6 Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zouden naar God in den geest. 7 En het einde aller dingen is nabij : zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden. _ 8 Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonde bedekken. 9 Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureeren. 10 Een iegelijk gelijk hij gave ontvangen heeft, alzóó bediene hij dezelve aan den ander, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods. 11 Indien iemand spreekt, die eprelce als de woorden Gods; indien iemand dient die diene als uit kracht die God verleent; opdat God in allen # geprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der ver-drukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame, |
13 maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Chris; tus, ahóó verblijdt ur^ opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. 14 Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij zalig: want de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods rust op u. Wat hen aangaat, hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, hij wordt verheerlijkt. 15 Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een die zich met eens anders doen bemoeit ; 16 maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen deele. 17 Want het is de tijd dat het oordeel beginne van het Huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn? 18 En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen? 19 Zoo dan ook die lijden naar den wil Gods, dat zij hunne zielen hem als den getrouwen Schepper bevelen met wèl doen. HOOFDSTUK 5. De Ouderlingen die onder u zijn vermaan ik, die een mede-ouderling en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid die geopenbaard zal worden: 2 weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover niet uit bedwang maar gewilliglijk, noch om vuil gewin maar met een volvaardig gemoed, 3 noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Hee-ren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. 4 En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. |
2 PETRUS 1.
301
|
5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hoovaamp;r-digen, maar den nederigen geeft hij genade. 6 Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat hij u verhooge te zijner tijd. 7 Werpt al uwe bekommerms op hem, want hij zorgt voor u. 8 Zijt nuchteren eu waakt; want ^ uwe tegenpartij de duivel gaat óm als een briesende leeuw, zoekende wien hij zoude mogen verslinden, 9 denwelken wederstaat, vaat zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap die in de wereld is volbracht wordt. |
10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig iyds zullen geleden hebben, dezelve volmake, bevestige, versterke en fundeere ulieden. 11 Hem zij de heerlijkheid en de kracht m alle eeuwigheid. Amen. 12 Door Silvanus die u een getrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik met weinige tooorden geschreven, vermanende en betuigende dat deze is de waarachtige genade Gods, in welke gij staat. 13 U groet de mede-nitverko-ren gemeente die in Babylon is, en Marcus mijn zoon. 14 Groet elkander met eenen kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus Jezus zijt. Amen. |
DE TWEEDE ALGEMEENS BEIEP
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1, Simeon Petrus, een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus ^ 2 genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis Gods en van Jezus onzen Heere, 3 gelijk ons zijne Goddelijke kracht alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort geschonken heeft, door de kennis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 4 door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt liet verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid. |
5 En gy tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, 6 en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, 7 en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jecreïjs allen. 8 Want zoo deze dingen bij u zijn en in overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis onzes Heeren Jezus Christus. 9 Want bij welken deze din» gen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende ver- |
2 PETRUS 2.
S02
|
geten de reiniging zijner vorige zonden. 10 Daarom, broeders, benaar-etigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken; â want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. 11 Want alzóó zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt. 13 En ik acht het recht te zijn, zoolang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning, 14 alzoo ik weet dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard. 15 Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, â¢Jat gij na mijnen uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben. 16 Want wij zijn geen kun-stiglijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekendgemaakt hebben de kracht en toekomst onzes Heeren Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van zijne majesteit. 17 Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig eene stem van de hoogwaardige heer-lijkbeid tot hem gebracht werd; Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb. 18 En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel Sebracht is geweest, toen wij met em op den heiligen berg waren.ebracht is geweest, toen wij met em op den heiligen berg waren. 19 En wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is, en gij doet wèl dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten. 20 Dit eerst wetende dat geen |
Profetie der Schrift ie van eigen uitlegging; 21 want de Profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. HOOFDSTUK 2. En daar zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft verloochenende, en een haastig verderf over zich-zelve brengende; 2 en velen zullen hunne ver-derfenissen navolgen, door welke do weg der waarheid zal gelasterd worden: 3 en zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel sedert lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet. 4 Want indien God de Engelen die gezondigd hebben niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 5 en de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach den prediker der gerechtigheid zijn achttal bewaard heeft, als hij den zondv oed over de wereld der goddeloozen heeft gebracht: 6 en de steden van Sodom en Gomorra tot asch verbrandende met omkeering veroordeeld heeft, en toe een exempel gezet dengenen die goddelooslijk zouden leven; 7 en den^ rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den on-tuchtigen wandel der gruwelijke menschen, a aar uil verlost heeft; 8 (want deze rechtvaardige man wonende onder hen, heeft dag op dag zijne rechtvaardige ziel gekweld door het zien en hooren van hunne ongerechtige werken): 9 zoo weet de Heere de god- zalig®15 lossen, te bew deels c 10 TC naar 1 geerlij heersc zijn, de hc te las 11 lt; en k lastei den 1 12 diere voor en à laste zuilquot; vertl 13 looi de lt; mat smc hui ma 1 spe zoi zie oei de |
â¦2 PETRUS 3.
303
|
Ealigen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels om gestraft te worden; 10 maar allermeest degenen die naar het vleesch in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten: die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet echroiren te lasteren; 11 daar de Engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen haar voor don Heere voortbrengen. 12 Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden, 13 en zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijksche weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn; 14 hebbende de oogen vol overspel en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kindereu der vervloeking; 15 die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Bileam den zoon Beors, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft; 1G maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad ; want het jukdragenue stomme dier, sprekende met menschen-etem, heeft des Profeten dwaasheid verhinderd. 17 Deze zijn waterlooze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. 18 Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken door de begeerlijkheden des vleesches, en door ontuchtigheden, degenen die waarlijk ontvloden waren van degenen die in dwaling wandelen. |
19 belovende hun vrijheid, daar zijzelve dienstknechten zijn der verdorvenheid; want^ van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt. 20 Want indien zij, nadat ze door de kennis des Heeren en Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 21 Want het ware hun beter dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij dien gekend hebbende, zich weder alkeeren van het heilig gebod dat hun overgegeven was. 22 Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De^ hond ia wedergekeerd tot zijn eigen uit-braaksel, en de gewasschen zeug tot de wenteling in het slijk. HOOFDSTUK 3. Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke heide ik door vermaning iiw oprecht gemoed opwekke, 2 opdat gij gedachtig zijt aan de woorden die van de heilige Profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers Apostelen zijn: 3 dit eerst wetende, dat in t laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eigen begeerlijkheden zullen wandelen, 4 en zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst ? want van dien dag dat de vaderen ontslapen zijn blijven alle dingen alzóó gelijh van het begin der schepping. 5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen van overlang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande, 6 door welke de wereld die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. |
1 JOHANNES 1.
m
|
7 Maar de hemelen die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschen. 8 Doch deze ééne zaak zij n niet onbekend, geliefden, dat éón dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. 9 De Heere vertraagt de belofte niet, (gelijk eenigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekeering komen. 10 Maar de dag desHeerenzal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden. 11 Dewijl dan deze dingen alle verga.an, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid, 12 verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen door vuur ontstoken zijnde zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. |
13 Maar wij verwachten, naar zijne belofte, nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. 14 Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigfcu dat gij onbevlekt en onbestraffe-lijk van hem bevonden moogt worden in vrede; 15 en acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid, ge-lijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft, 16 gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste menschen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. 17 Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u dat gij niet door de verleiding der gruwelijke menschen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid ; 18 maar wast óp in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus, Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen. |
DE EERSTE ALamp;EMEENE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens: |
2 (want het leven is geopenbaard, en wij hebben liet gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard): 3 Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons ge- |
1 JOHANNES 2.
805
|
meenscliap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den vader en met zijnen Zoon Jezus Christus. 4 En deze dingen schrijven quot;wij u, opdat uwe blijdschap vervuld zij. 6 En dit is de verkondiging die wij van hem gehoord hebben en wij u verkondigen, dat God een licht _ is en gansch geene duisternis in hem is. 6 Indien wij zeggen dat wij gemeenschap niet hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet; 7 maar indien wij in het licht wandelen, gelijk hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus zijnen Zoon reinigt ons van alle zonde. 8 Indien wij zeggen dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij onszelve en de wt arbeid is in ons niet. 9 Indien wij onze zonden belijden, hij is getrouw en rechtvaardig, dat hij ons de zonden vergeve en ons reinige van allo ongerechtigheid. 10 Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij hem tot een leugenaar en zijn woord is niet in ons. HOOFDSTUK 2. Mijne kinderkens, ik schrijf | u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak bij den quot;Vader, Jezus Christus den rechtvaardige. 2 En hij is eene verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld. 3 En hieraan kennen wij dat wij hem gekend hebben, zoo wij zijne geboden bewaren. 4 Die daar zegt: Ik ken hem, en zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; 5 maar zoo wie zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden. |
Hieraan kennen wy dat wij in hem zijn. 6 Die zegt dat hij in hem blijft, die moet ook zelf alzóó wandelen gelijk hij gewandeld heeft, 7 Broeders, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt. Dit oude gebod iamp; het woord dat gij van den beginne gehoord hebt. S Wederom schrijf ik u een nieuw gebod: hetgeen waarachtig is ;in hem, zij ook in u _ icaar-achtig; want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu. 9 Die zegt dat hij in het licht is, en zijnen broeder haat, die is-in de duisternis tot nog toe. 10 Die zijnen broeder liefheeft blijft in het licht, en geene ergernis is in hem, 11 maar die zijnen broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij lienengaat; want de duisternis heeft zijne oogen verblind. 12 Ik schrijf u, kinderkens# want de zonden zijn u vergeven om zijns naams wille. 13 Ik schrijf u, vaders, want1 gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den booze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend. 14 Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den booze overwonnen. 15 Hebt de wereld niet lief noch 't geen in de wereld is: zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. 16 Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. 17 En de wereld gaat voorbij |
1 JOHANNES 3.
S06
|
en hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet blijft in der eeuwigheid. 18 Kinderkens, het is de laatste â ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de Antichrist komt, zoo zijn ook nu vele Antichristen geworden ; waaruit wij kennen dat liet de laatste ure is. 19 Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet: want indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat ze zouden openbaar worden dat ze niet allen uit ons zijn. 20 Doch^ gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. 21 Ik heb u niet geschreven omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. 22 Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. 23 Een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook den Yader niet. 24 Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve^ in u. Indien in u blijft wat gij van den beginne gehoord hebt, zoo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven. 25 En dit is de belofte die hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven. 26 Dit heb ik u geschreven van degene die u verleiden. 27 En de zalving, die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet vannoode dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem bl ij ven. 28 En nu, kinderkens, blijft in hem, opdat wanneer hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van hem niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst. |
29 Indien gij weet dat hij rechtvaardig is, zoo weet gij dat een iegelijk die de rechtvaardigheid doet uit hem geboren is. HOOFDSTUK 3. Ziet hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten dat als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk _ wezen; want wij zullen hem zien gelijk hij is. 3 En een iegelijk die deze hope op hem heeft, die reinigt zich-zelven, gelijk hij rein is. 4 Een iegelijk die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid, want de zonde is de ongerechtigheid. o En gij weet dat hij geopenbaard is opdat hij on/.e zonden zoude wegnemen, en geen zonde is in hem. 6 Een iegelijk die in hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk die zondigt, die heeft hem niet gezien en heeft hem niet gekend. 7 Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk hij rechtvaardig is. 8 Die de zonde doet is uit den duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat hij ^ de werken des duivels verbreken zoude. 9 Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren. 10 Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijnen broeder niet liefheeft. 11 Want dit is de verkondiging die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben. |
1 JOHANNES 4.
307
|
12 Niet gelijk Kaïn, fZ/e uit den booze -was en zijnen broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijne werken booa waren, en zij na broeders rechtvaardig. 13 Verwondert u niet, mijne broeders, zoo u de wereld haat. 14 Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijnen broedei niet liefheeft, blijft in den dood. 15 Een iegelijk die zijnen broeder haat is een doodslager, en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in hem blijvende. IC Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. 17 Zoo wie nu het goed dor wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zi.in hart toe voor hem, hoe blijf:, de liefde Gods in hem? 18 Mijne kinderkens, laat ons niet liefhebben met het woord noch met de tong, maar met de daad en waarheid. 19 En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor hem. 20 Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en hij kent alle din-gen. # ^ 21 Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid tot God, 22 en zoo wat wij bidden, ontvangen wij van hem, dewijl wij zijne geboden bewaren en doen hetgeen behagelijk is voor hem. 23 En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam zijns Zoons Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk hij ons een gebod gegeven heeft. 24 En die zijne geboden bewaart, blijft in hem, en hij in denzelven. En hieraan kennen wij dat hij in ons blijft, namelijk Mit den Geest dien hij ons gegeven heeft. |
HOOFDSTUK 4. Geliefden, gelooft niet eenen iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn; want vele valsche Profeten zijn uitgegaan in de wereld. 2 Hieraan kent gij den Geest Gods: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; 3 en alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den Antichrist, welke geest gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu aireede in de wereld. 4 Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want hij ia meerder die in u is, dan die in de wereld is. 5 Zij zijn uit de wereld: daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen. 6 Wij zijn uit God. Die God kent hoort ons, die uit God niet is hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid en den geest der dwaling. 7 Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde isuit God, en een iegelijk die liefheeft is uit God geboren en kent God. 8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde. 9 Hierin is do liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijnen eeniggeboren Zoon gezon^ den heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat hij ons lief heeft gehad, en zijnen Zoon gezonden heeft tot eene verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, indien God ons alzoó lief heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben. 12 Niemand heeft #-ooit God aanschouwd: indien wij elkander liefhebben, zoo blijft God in ons, en zijne liefde is in ons volmaakt. 13 Hieraan kennen wij dat wij in hem blijven, en hij in ons. |
1 JOHANNES 5.
308
|
omdat hij ons van zij non Geest gegeven beeft. 14 En wij hebben't aanschouwd en getuigen, dat de Vader zijnen Zoon gezonden heeft tot eenen Zaligmaker^ der wereld. 15 Zoo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zoon Gods is, God blijft in hem en hij in God. 16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in Goden God in hem. 17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk hij is, wij óók zijn in deze wereld. 18 Daar is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest is niet volmaakt in de liefde. 19 Wij hebben hem lief, omdat hij ons eerst liefgehad heeft. 20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief, en zijnen broederhaat, die is een leugenaar; want die zijnen broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, dien hij niet gezien heeft ? 21 En dit gebod hebben wij van hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijnen broeder lief-hebbe. HOOFDSTUK 5. Een iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk die liefheeft dengene die geboren heeft, die heeft ook lief dengene die uit hem geboren is. 2 Hieraan kennen wij dat wij do kinderen Gods liefhebben wanneer wij God liefhebben en ⢠zijne geboden bewaren. 3 Want dit is de liefde Gods, dat wij . zijne geboden bewaren. En zijne geboden zijn niet zwaar. 4 Want al wat uit God geboren is overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof. ^ |
5 Wie is het die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon Gods? 6 Deze is het die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus de Christus: niet doorliet water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het die getuigt dat de Geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. 8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één. 9 Indien wij de getuigenis der menschen aannemen, de getuigenis Gods is meerder; want dit is de getuigenis Gods, welke hij van zijnen Zoon getuigd heeft. 10 Die in den Zoon Gods gelooft, heeft de getuigenis in zich-zelven; die God niet gelooft, heeft hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van zijnen Zoon. 11 En dit is de getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in zijnen zoon. 12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon Gods niet heeft, die heeft het leven niet. 13 Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den naam des Zoons Gods, opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den naam des Zoons Gods. 14 En dit is de vrijmoedigheid die wij tot hem hebben, dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil, hij ons verhoort. 15 En indien wij weten dat hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zoo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wij van hem gebeden hebben. 16 Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen eene zonde niet tot den dood, die zal GocZ bidden, en hij zal hem het leven geven, dengenen zeg ik die zondigen niet tot den dood. Er is eene |
2 JOHANNES.
309
|
zonde tot zonde zeg bidden. 17 Alle ongerechtigheid ia zonde, en daar is zonde niet tct den dood. 18 Wij weten, dat een iegelijk die uit God geboren is niet zondigt; maar die uit God gel oren is bewaart zichzelven, en de booze vat hem niet. 19 Wij weten dat wij uit God den dood: voor die ik niet dat hij zal |
zijn, en dat de geheele wereld ligt in het booze. 20 Doch wij weten dat de Zoon Gods gekomen is, en ons het verstand gegeven heeft dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus: deze is de waarachtige God en liet eeuwige leven. 21 Kinderkens, bewaart uzelvo van de afgoden. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
De Ouderling aan de uitverkorene vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben, 2 om der waarheid wille die in ons blijft, en met ons zal zijn in der eeuwigheid: 3 genade,barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den vader en van den Heere Jezus Christus, den zoon des Vaders, in waarheid en liefde. 4 Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uwe kinderen gevonden heb, dié in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader. 5 En nu bid ik u uitverkorene vrouw, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar 't geen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben. 6 En dit is de liefde, dat wij wandelen naar zijne geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen. |
7 Want daar zijne vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is. Deze is de verleider en de Antichrist. 8 Ziet toe voor uzelve, dat wij niet verliezen 't geen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen. 9 Een iegelijk die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon. 10 Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem^ niet in huis, en zegt tot hem niet: Weesgegroet. 11 Want die tot hem zegt: Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijne booze werken. 12 Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn. 13 U groeten de kinderen van uwe zueter de uitverkorene. Amen. |
3 JOHANNES. JUDAS.
810
DE DEEDE BEIEF
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
De Ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid lieiheb. 2 Geliefde, vóór alle dingen wonsch ik dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziele welvaart.^ 3 Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen en getuigden van uwe waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt. 4 Ik heb geen meerdere blijd-echap dan hierin, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen. 5 Geliefde, gij doet trouwelijk in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan do vreemdelingen, 6 die getuigd hebben van uwe liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zoo zult gij wel doen. 7 Want zij zijn voor zijnen naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen. 8 Wij dan zijn schuldig de zoodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid. |
9 Ik heb aan de gemeente geschreven ; maar Diotrefès, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 10 Daarom, indien ik kom, zoo zal ik in gedachtenis brengen zijne werken die hij doet, met booze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zoo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen die_ het willen doen, en werpt ze uit de gemeente. 11 Geliefde, volgt het kwado niet na, maar het goede. Die goed doet is uit God, maar die kwaad doet heeft God niet gezien. 12 Aan Demetrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen óók, en gij weet dat onze getuigenis waarachtig is. 13 Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen; 14 maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken. 15 Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met |
DE ALGEMEENE BEIEF
VAN DEN
APOSTEL JUDAS.
|
Judas, een dienstknecht van 1 Jezus Christus, en broeder van Jacobus, aan de geroepenen, die I door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard : |
JUDAS.
311
|
2 barmlinrtigiieid en vrede en liefde zij u vermenigvuldigd. 3 Geliefden, alzoo ik alle naar-Btigheid doe om u te schrijven van de gemeene zaligheid, zoo heb ik noodzaak gehad aan n te schrijven, en n te vermanen dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. 4 quot;Want daar zijn sommige men-echen ingeslopen, die eertijds tot dit oordeel te voren opgeschreven zijn, goddeloozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den éénigen heerscher God en onzen Heere Jezus Christus verloochenen. 5 Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere het volk uit Egyp-teland verlost hebbende, wederom degenen die niet geloofden verdorven heeft. G En de Engelen die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft hij tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard : 7 gelijk Sodom en Gomorra en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vleesch zijn nagegaan, tot een exempel voorgesteld ?.iin, dragende de straf des eeuwigen vuurs. 8 Desgelijks evenwel ook deze, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vleesch, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. 9 Maar Michaël de Archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heerebestratieu. 10 Maar deze *t geen zij niet weten, dat lasteren zij; en 'tgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich. 11 AVeo hun: want zij zijn den weg Kaïns ingegaan, en door de verleiding van het loon Bileams ïijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking Korachs ver-gaan. |
12 Deze zijn vlekken in uwe liefdemaaltijden, en als zij mefe u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelze zonder vrees; zij zijn waterlooze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als boomen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld ; 13 wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. 14 En van deze heeft ook Henoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Heere is gekomen met zijne vele duizende heiligen, 15 om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddeloozen onder hen, vanwege alle hunne goddelooze werken die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege alle de harde icoor-den die de goddelooze zondaars tegen hem gesproken hebben. 1G Deze zijn murmureerdera, klagers over hunnen staat, wandelende naar hunne begeerlijkheden, en hun mond spreekt zeer opgeblazene dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wille. 17 Maar, geliefden, gedenkt gij der woorden die voorzegd zijn van de Apostelen onzes Heeren Jezus Christus: 18 dat zij u gezegd hebben dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hunne goddelooze begeerlijkheden wandelen zullen. 19 Deze zijn het die zichzelve afscheiden, natuurlijke menechen, den Geest niet hebbende. 20 Maar, geliefden, bouwt gij uzelve op uw allerheiligst gelootV biddende in den Heiligen Geest; 21 bewaart uzelve in de liefde Gods, verwachtende de barmhar- ; tigheid onzes Heeren Jezus Christus ten eeuwigen leven. 22 En ontfermt u wel over eenigen, onderscheid makende; |
JUDAS, OPENBARING 1.
312
|
23 maar behoudt anderen door vrees, en grijpt ze uit het vuur; â¢en haat ook den rok die van het vleesch bevlekt is. |
24 Hem nu die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voorrijn© heerlijkheid in vreugde, 25 den alleen wijzen God onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen. |
DE OPENBARING
VAN
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten, en die hij door zijnen Engel gezonden en zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft: 2 dewelke het Woord ^Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. 3 Zalig is hij die leest en zijn zij die hooren de woorden dezer Profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij. 4 Johannes aan de zeven gemeenten die in Azië zijn: genade zij u en vrede van hem die is, en die was, en die komen zal, en van de zeven Geesten die vóór zijnen troon zijn, 5 en van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de dooden, en de Overste van de Koningen der aarde. Hem die ons heeft liefgehad en ons van onze zanden gewasschen heeft in zijn bloed, 6 en die ons gemaakt heeft tot Koningen en Priesters Gode en zijnen Vader, hem zeg ik zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. |
7 Zie, hij komt met de wolken, en alle oog zal hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven; ja, amen. 8 Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, die is, en die was, en die komen zal, de Almachtige. 9 Ik Johannes, die ook uw broeder ben en medegenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus. 10 En ik was in den geest op den dag des Heeren, en ik hoorde achter mij eene groot© stem als eener bazuin, 11 zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste; en: Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatira, en naar Sardes, en naar Filadellia, en naar Laodicéa. 12 En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende zag ik zeven gouden kandelaren, 13 en ir het midden van de zeven kandelaren eenen, den zoon des menschon gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de |
OPENBARING 2.
313
|
voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; 14 en zijn hoofd en liacr was â wit gelijk als witte wol, gelijk sneeuw, en zijne oogen gelijk eene vlam vuurs; 15 en zijne voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in eenen oven; en zijne stem als eene stem van vele wateren. 16 En hij had zeven sterren in zijne rechterhand: en uit zijnen mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in hare kracht. 17 En toen ik hem zag viel ik als dood aan zijne voeten; en gt;iij leide zijne rechter/ianrf op mij, zeggende tot mij: Vrees niet, ik ben de eerste en de laatste, 18 en die leef, en ik ben dood geweest; en zie, ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels der hel en des doods. 19 Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is en hetgeen geschieden zal na dezen: 20 De verborgenheid der zeven sterren die gij gezien hebt in mijne vechterhand, en de zeven gouden kandelaren. Do zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten. HOOFDSTUK 2. Schrijf aan den Engel der gemeente van Efeze: Dit zegt hij die de zeven sterren in zijne rechter7?«97^ houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt: 2 Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt verdragen, en dat gij beproefd hebt degenen die voorgeven dat zij Apostelen zijn, en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden; 3 en gij hebt verdragen en hebt geduld, en gij hebt om mijns naams wille gearbeid, en zijt niet moede geworden. |
4 Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. 5 Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal u haast el ijk iü'komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert. 6 Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaïten haat, welke ik óók haat. 7 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is. 8 En schrijf aan den Engel der gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weder levend is geworden: 9 Ik weet. uwe werken, en verdrukking, en armoede, (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen die zeggen dat ze Joden zijn en zijn 't niet, maar zijn eene Synagoge des satans. 10 Vrees geen der dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal eenigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en gij zult eene verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tDt den dood, en ik zal u geven de kroon des levens. 11 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint zal van den tweeden dood niet beschadigd worden. 12 En schrijf aan den Engel der gemeente die in Pergamus is: Dit zegt hij die het tweesnijdend scherp zwaard heeft: 13 Ik weet uwe werken, en waar gij woont namelijk daar de troon des satans is; en gij houdt mijnen naam, en hebt mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas mijn getrouwe getuige was, welke gc- i dood is bij ulieden daar de satan ! woont. I 14 Maar ik heb eenige weinige ' dingen tegen u, dat gij aldaar |
OPENBARING 3.
814
|
hebt, die de leering Bileams houdeu, die Balak leerde den kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat ze zouden afgodenoffer eten en lioereeren. 15 Alzóó hebt ook gij die de leering der Nicolaïten houden, hetwelk ik haat. 16 Bekeer u; en zoo niet, ik zal u haastelijk 6??komen, en zal tegen lien krijg voeren met het zwaard mijns monds. 17 Die ooren heeft, die hoore quot;5vat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van het manna dat verborgen is, en ik zal hem geven eenen witten keursteen, en op den keursteen eenen nieuwen naam geschreven, welken niemand kent dan die hem ontvangt. 18 Eu schrijf aan den Engel der gemeente te Thyatira: Dit zegt de Zoon Gods, die zijne «ogen heeft als een vlamme vuurs, en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk: ! 19 Ik weet uwe werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste. 20 Maar ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Izébel, die zichzelve zegt eene profetes te zijn, laat leeren en mijne dienstknechten verleiden dat ze hoereeren en afgodenoffer eten. 21 En ik heb haar tijd gegeven opdat zij zich zoude bekee-ren van hare hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. 22 Zie, ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in groote verdrukking, zoo zij zich niet bekeeren van hunne â werken. 23 En hare kinderen zal ik door den dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten dat Ik het ben die nieren en harten onderzoek. En ik zal ulieden geven een iegelijk naar uwe werken. |
24 Doch ik zeg tot ulieden, en tot de anderen die in Thyatira zijn, zoo velen als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen; Ik zal u gee-nen anderen last opleggen. 25 Maar hetgeen gij hebt, houdt dat totdat ik zal komen. 26 En die overwint en die mijne werken tot den einde toe bewaart, ik zal hem macht geven over de heidenen, 27 en hij zal ze hoeden met eenen ijzeren staf; zij zullen als pottebakkersvaten vermorzeld worden, gelijk ik ook van mijnen Vader ontvangen heb. 28 En ik zal hem de morgenster geven. 29 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 3. En schrijf aan den Engel der gemeente die te Sardes is: Dit zegt die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood. 2 Wees wakende, en versterk het overige dat sterven zoude; want ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God. 3 Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zoo zal ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure ik over u komen zal. 4 Doch gij hebt eenige weinige namen ook te Sardes, die hunne kleederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met mij wandelen in witte kleederen, overmits zij het waardig zijn. 5 Die overwint, die zal bekleed woiden met witte kleederen ; en ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en ik zal zijnen naanü belijden voor mijnen Vader en voor zijne Engelen. 6 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. 7 En schrijf aan den Engol |
OPENBARING 4.
315
|
der gemeente die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en hij sluit en niemand opent: 8 Ik weet uwe werken; zie, ik heb eene geopende deur voor u gegeven, en niemand k£-n die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt mijn Woord bewaard en hebt mijnen naam niet verloochend. 9 Zie, ik geef u eenigen uit de Synagoge des satans, dergenen die zeggen dat ze Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, ik zal maken dat zij zuilen komen en aanbidden voor uwe voeten, en bekennen dat ik u liefheb. 10 Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt. zoo zal ik ook u bewaren uit dlt;i ure der verzoeking, die over de ge-heele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde wouen. 11 Zie, ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme. 12 Die overwint, ik zal hem maken tot eenen pilaar in den Tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daar uitgaan; en ik zal op hem schrijven den naam mijns Gods, en den naam der stad mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem dat uit den hemel van mijnen God afdaalt, en ook mijnen nieuwen naam. 13 Die ooren heeft, die hooro â¢wat de Geest tot de gemeenten zegt. 14 En schrijf aan den Engel van do gemeente der Laodicen-zen: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods: 15 Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt noch heet: och of gij koud waart of heet! lü Zoo dan omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, ik zal u uit mijnen mond spuwen. 17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt. |
18 Ik raad u dat gij van mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt. 19 Zoo wie ik liefheb, die bestraf en kastijd ik: wees dan ijverig en bekeer u. 20 Zie, ik sta aan de deur en ik klop: indien iemand mijne stem zal hooren en de deur opendoen, ik zal tot hem inkomen, en ik zal met hem avondmaal houden, en hij met mij. 21 Die overwint, ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk als ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in zijnen troon. 22 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 4. Na dezen dag zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had als eener bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en ik zal u toonen hetgeen na dezen geschieden moet. 2 Eu terstond werd ik in den geest; en zie, daar was een troon gezet in den hemel, en er zat een op den troon. 3 En die daarop zat, was in 't aanzien den steen jaspisensardiua gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen smaragdus gelijk. 4 En rondom den troon waren vierentwintig tronen; en op de tronen zag ik de vierentwintig Ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij hadden gouden kronen op hunne hoofden. 5 En van den troon gingen uit bliksemen en donderslagen en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende vóór den troon; welke zijn de zeven Geesten Gods. |
OPENBARING 5.
31G
|
G En vóór den troon waa eene glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons en rondom den troon vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. 7 En het eerste dier was eenen leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mensch, en het vierde dier was eenen vliegenden arend gelijk. S En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol oogen; en zij hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, die was en die is en die komen zal. 9 En wanneer de dieren heerlijkheid en eer en dankzegging gaven hem die op den troon zat, die in alle eeuwigheid leeft, 10 zoo vielen de vierentwintig Ouderlingen vóór hem die op den troon zat, en aanbaden hem die leeft lin alle eeuwigheid, en wierpen hunne kronen vóór den troon, zeggende; 11 Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; want gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij, en zijn ze geschapen. HOOFDSTUK 5. En ik zag in de rechter72«n^ desgenon die op den troon zat een boek, beschreven vanbinnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. 2 En ik zag eenen sterken Engel, uitroepende met eene groote stem: Wie is waardig het boek te openen en zijne zegelen open te breken ? 3 En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onderdo aarde, kon het boek openen noch hetzelve in zien. 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was om dat boek te openen en te lezen, noch hetzelve in te zien. |
5 En een van de Ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw die uit den stam Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijne zeven zegelen open te breken. 6 En ik zag, en zie, in het midden van den troon en van de vier dieren en in het midden van de Ouderlingen een Lam staande als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven oogen, dewelke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle laiiiden. 7 En het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter/mnd desgenen, die op den troon zat. 8 En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vierentwintig Ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citers en gouden fiolen, zijnde vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen. 9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen en zij no zegelen te openen; want gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie; 10 en gij hebt ons onzen God gemaakt tot Koningen en Pries-teren, en wij zullen als Koningen heerschen op de aarde. 11 En ik zag, en ik hoorde eene stem veler Engelen rondom den troon en de dieren en de Ouderlingen, en hun getal was tien-duizendmaal tienduizenden en duizendmaal duizenden, 12 zeggende met eene groote stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging. 13 En fclle schepsel dat inden hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen; Hem die op den troon zit en he^ Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden: Amen. En de vierentwintig Ouderlingen vielen neder en aanbaden dengene die leeft in alle eeuwigheid. |
OPENBARING 6, 7.
81?
|
HOOFDSTUK 6. En ik zag, toen het Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als eene stem van eenen donderslag: Kom en zie. 2 En ik zag, en zie, een wit paard, en die daarop zat had eenen boog, en hem is eene kroon gegeven, en hij ging uit overwinnende, en opdat hij over-wonne. 3 En toen het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie. 4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien die daarop zat werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkander zouden dooden ; en hem werd een groot zwaard gegeven. 5 En toen het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie. En ik zag, en zie, een zwart paard, en die daarop zat had eene weegschaal in zijne hand. 6 En ik hoorde eene stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor eenen penning, en drie maatjes gerst voor eenen penning; en beschadig de olie en den wijn niet. 7 En toen het het vierde zegel geopend had, hoorde ik eene stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie. 8 En ik zag, en zie, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood, en de hel volgde hem na; en hun werd macht gegeven om te dooden tot het vierde deel der aarde toe, met zwaard en met honger en met den dood en door de wilde beesten der aarde. 9 En toen het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen die gedood waren om het Woord Gods en om de getuigenis die zij hadden. 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen ? |
11 En nan een iegelijk werden lange witte kleederen gegeven, en hun werd gezegd dat zij nog eenen kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne _ broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zij. 12 En ik zag toen het het zesde zegel geopend had, en zie, daar werd eene groote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed, 13 en de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, als hij van eenen grooten wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggeweken, als een boek dat toegerol d wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hunne plaatsen. 15 En de Koningen der aarde, en de grooten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelve in de spelonken en in de steenrotsen der bergen, 16 en zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht desgenen die op den troon zit, en van den toorn des Lams; 17 want de groote dag zijns toorns is gekomen en wie kan bestaan ? HOOFDSTUK 7. En na dezen zag ik vier Engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden dor aarde, opdat geen wind zoude waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen eeni-gen boom. 2 Eu ik zag eenen anderen Engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods: en hij riep met eene groote stem tot de vier Engelen, welken macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, 3 zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de hoornen, totdat wij de dienstknech- |
|
318 OPENB^ ten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hunne voorhoofden. 4 En ik hoorde het getal der- Senen die verzegeld waren; hon-enen die verzegeld waren; hon- erdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels. 5 Uit het geslacht Juda waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Ruben waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Gad waren twaalfduizend verzegeld; 6 uit het geslacht Aser waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Naftali waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Manasse waren twaalfduizend verzegeld; 7 uit het geslacht Simeon waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Levi waren twaalfduizend verzegeld; uit liet geslacht lesaschar waren twaalfduizend verzegeld; 8 uit het geslacht Zebulon waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Jozef waren twaalfduizend verzegeld; uit l et geslacht Benjamin waren twaalfduizend verzegeld. 9 Na dezen zag ik, en zie, eene froote schare, die niemand tellenroote schare, die niemand tellen on, uit alle natie en geslachten en volken en talen, staande vóór den troon en vóór het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen, en imlmtakken waren in hunne handen. 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God die op den troon zit, en het Lam. 11 En alle de Engelen stonden rondom den troon en rondom de Ouderlingen en de vier dieren, en vielen voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God, 12 zeggende: Amen. De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen. 13 En een uit de Ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn |
RING 8. zij en van waar zijn ze gekomen? 14 En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij : Deze zijn het die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen ge-wasschen en hebben hunne lango kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. 15 Daarom zijn zij vóór den troon Gods, en dienen hem dag en nacht in zijnen Tempel; en die op den troon zit zal hen overschaduwen. 16 Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte. 17 Want het Lam dat in't midden des troons is zal ze weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren ; en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen. HOOFDSTUK 8. En toen het het zevende zegel geopend had, werd daar een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur. 2 En ik zag de zeven Engelen die voor God stonden, en hun werden zeven bazuinen gegeven, 3 En daar kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij 't met de gebeden aller heiligen zoude leggen op het gouden altaar dat vóór der. troon ia. 4 En do rook des reukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels vóór God. ö En de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving. 6 En de zeven Engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen. 7 En de eerste En^el heeft gebazuind, en daar is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde |
OPENBARING 9.
31Ã
|
geworpen: en het derde deel der booinen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. 8 En do tweede Engel heeft gebazuind, en daar werd iets, als een groqte berg van vmir brandende, in de zee geworpen: en het derde deel der zee is bloed geworden. 9 En het derde deel der schepselen in do zee die leven hebben is gestorven, en het derde deel der schepen is vergaan. 10 Eu de derde_ Engel heeft gebazuind, en daar is eene groote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren en op de fonteinen der wateren. 11 En de naam der ster wordt genaamd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem, en vele menschen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. 12 En de vierde Engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en liet derde deel der sterren, opdat het derde deel derzeive zoude verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zoude lichten, en van den nacht desgelijks. 13 En ik zag, en ik hoorde eenen Engel vliegen in 't midden des hemels, zeggende met groote stem: Wee, wee, wee dengenen die op de aarde wonen, van wege de overige stemmen der bazuin der drie Engelen die nog bazuinen zullen. HOOFDSTUK En de vijfde Engel heeft gebazuind, en ik zag eene ster gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds. 2 En zij heeft den put des afgronds geopend; en daar is rook opgegaan uit den put, als rook eens grooten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts. |
3 En uit den rook kwamen eprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben. 4 En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch eenige groente» noch eenigen boom, dan de menschen alleen die het zegel Goda aan hunne voorhoofden niet hebben. 5 En hun werd nmcht gegeven» niet dat zij ze zouden dooden,. maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden ; en hunne pijniging was als de pijniging van een schorpioen wanneer hij een mensch gestoken heeft. 6 En in die dagen zullen de menschen den^ dood zoeken en zullen dien niet vinden, en zij zullen begeeren te sterven en de dood zal van hen vlieden. 7 En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk die tot den oorlog bereid zijn; en op hunne hoofden waren alamp; kronen het goud gelijk; en hunne aangezichten als aangezichten van menschen. 8 En zij hadden haar als haar der vrouwen; en hunne tanden waren als tanden der leeuwen. 9 En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruisch hunner vleugelen was als een gedruisch der wagenen, wanneer vele paarden naar den strijd loopen. 10 En zij hadden staarten den schorpioeneii gelijk, en daar waren angels in hunne staarten; en hunne macht was de menschen te beschadigen vijf maanden. 11 En zij hadden over zich tot eenen Koning den engel des afgronds ; zijn naam was in 't He-breeuwsch Abaddon, en in de Grieksche taal had hij den naam Apollyon. 12 Het ééne wee is weggegaan: zie, daar komen nog twee weeën na dezen. 13 En de zesde Engel heeft gebazuind, en ik hoorde ééne stem uit de vier hoornen des gouden altaars dat vóór God was, 14 zeggende tot den zesden |
OPENB AKINQ 10.
320
|
Engel die de bazuin had: Ontbind de vier Engelen die gebonden zijn bij de groote rivier den Eufraat. 15 En de vier Engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure en dag en maand en jaar, opdat zij het derde deel der menschen zouden dooden. 16 En het getal van de heir-legers der ruiterij was tweemaal tienduizenden der tienduizenden: en ik hoorde hun getal. 17 En ik zag alzóó de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige en hemelsblauwe en sulferverwige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hunne monden ging uit vuur en rook en sulfer. 18 Door deze drie werd het derde deel der menschen gedood, namelijk door het vuur en door den rook en door het sulfer dat uit hunne monden uitging. 19 Want hunne macht is in hunnen mond en in hunne staarten. Want hunne staarten zijn der slangen gelijk, en hebben hoofden en beschadigen met dezelve. 20 En de overige menschen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen, en de gouden en zilveren en koperen en steenen en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch hooren, noch wandelen ; 21 en hebben zich ook niet bekeerd van hunne doodslagen, noch van hunne venijngevingen, noch van hunne hoererij, noch van hunne dieverijen. HOOFDSTUK 10. En ik zag eenen anderen sterken Engel afkomende van den hemel, die bekleed wasmeteene W9lk, en een regenboog was boven zijn hoofd, en zijn aangezicht was als de zon, en zijne voeten waren als pilaren van vuur. |
2 En hij had in zijne hand een boeksken dat geopend was ; en hij zette zijnen rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde. 3 En hij riep met eene groote stem.gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hunne stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, zoo zoude ik ze geschreven hebben; en ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. 5 En de Engel, dien ik zag staan op de zee en op de aarde, hief zijne hand op naar den hemel; 6 en hij zwoer bij dien die leeft in alle eeuwigheid, die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat daar geen tijd meer zal zijn; 7 maar in de dagen der stem des zevenden Engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk hij zijnen dienstknechten den Profeten verkondigd heeft. 8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij en zeide: Ga henen, neem het boeksken dat geopend en in de hand des Engels is, die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging henen tot den Engel zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig. 10 En ik nam dat boeksken uit de hand des Engels, en ik at dat op; en het was in mijnen mond zoet als honig, en als ik het gegeten had werd mijn buik bitter. 11 En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteeren voor vele^ volken en natiën en talen en Koningen. |
OPENBARIKG 11.
321
|
HOOFDSTUK 11. En mij werd een rietstok ge- teven, eeneeven, eene meetroede gelijk; en e Engel stond en zeide: Sta op, en meet den Tempel Gods, en het altaar, en degenen die daarin aanbidden. 2 En laat den voorhof, uit, die van buiten _ den Tempel is, en meet dien niet; want hij is den heidenen gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden. 3 En ik zal mijnen twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteeren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. 4 Deze zijn de twee olijfboo-men en de twee kandelaren, die vóór den God der aarde staan. 5 En zoo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hunnen mond uitgaan en zal hunne vijanden verslinden; en zoo iemand hen wil beschadigen, die moet alzóó gedood worden. 6 Deze hebben macht den hemel te sluiten, opdat er geen regen regene in de dagen hunner profeteering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zoo menigmaal als zij zullen willen. 7 En als zij hunne getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest dat uit den afgrond opkomt hun krijg aandoen, en het zal ze overwinnen en zal ze dooden. . 8 En hunne doode lichamen zullen liggen op de straat der groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is. 9 En de menschen uit de volken en geslachten en talen en natiën zullen hunne doode lichamen zien drie dagen en eenen halyen, en zullen niet toelaten dat hunne doode lichamen in graven gelegd worden. 10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenKen zenden, omdat deze twee Profeten degenen die op de aarde wonen gepijnigd hadden. |
11 En na die drie dagen en eenen hal ven is^ een geest dea levens uit God in hen gegaan, en zij stonden op hunne voeten, en daar is groote vrees gevallen op degenen die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden eene groote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts óp. En zij voeren óp naar den hemel in de wolk, en hunne vijanden aanschouwden ze. 13 En in die ure geschiedde eene groote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en daar zijn in de aardbeving gedood zevenduizend namen van menschen, en do overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven. 14 Het tweede wee is weggegaan: zie, het derde wee komt haast. 15 En de zevende Engel heeft gebazuind, en daar geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzesHee-ren en van zijnen Christus, en hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid. 1G En de vierentwintig Ouderlingen, die vóór God zitten op hunne tronen, vielen neder op hunne aangezichten en aanbaden God, 17 zeggende: Wij danken u, Heere God almachtig, die is, en die was, en die komen zal, dat gij uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning hebt ge-heerscht: 18 en de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen, en de tijd der dooden om geoordeeld te worden, en om het loon te geven aan uwe dienstknechten de Profeten en de heiligen en degenen die uwen naam vreezen, de kleinen en de groeten, en om te verderven degenen die de aarde verderven. 19 Eu de Tempel Gods in den 11 |
|
322 O P E N B AI hemel is geopend geworden, en de Ark zijns verbonds is gezien in zijnen Tempel, en daar werden bliksemen en stemmen en donderslagen en aardbeving en groote hagel. HOOFDSTUK 12. En daar werd een groot teeken gezien in den hemel, namelijk eene vrouw bekleed met de zon, en de maan was onder hare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf sterren: 2 en zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 3 En daar werd een ander teeken gezien in den hemel en zie, daar was een groote roode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden. 4 En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond vóór de vrouw die baren zoude, opdat hij haar kind zoude verelinden wanneer zij het zoude gebaard hebben. 5 En zij baarde eenen manne-lijken zoon, die alle de heidenen zoude hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon. 6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij eene plaats had haar van God bereid, opdat zij ze aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. 7 En daar werd krijg in den hemel; Michaël en zijne Engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde óók en zijne engelen. 8 En zij hebben niets vermocht, en hunne plaats is niet meer gevonden in den hemel. 9 En de groote draak is geworpen, namelijk de oude _ slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de geheele wereld verleidt, hij is zeg ik geworpen oj) de aarde, en zijne engelen zijn met hem geworpen. 10 En ik hoorde eene groote etom, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid en de kracht |
ING 12, 13. en het Koninkrijk geworden on-zes Gods, en de macht van zijnen Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaarde voor onzen God dag en nacht, is nederge worpen, 11 en zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lame, en door Let woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot den dood toe. 12 Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen en gij die daarin woont. Wee dengenen die de aarde en de zee bewonen; want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grooten toorn, wetende dat hij eenen kleinen tijd heeft. 13 En toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, zoo heeft hij de vrouw vervolgd die het jongsken gebaard had. 14 En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij zoude vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en eenen hal ven tijd, buiten het gezicht der slang. 15 En de slang wierp uit haren mond achter de vrouw water als eene rivier, opdat hij haar door de rivier zoude doen wegvoeren. 16 En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haren mond en verzwolg de rivier welke de draak uit zijnen mond had geworpen. 17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging henen om krijg te voeren tegen de overigen van haar geslacht, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben. 18 En ik stond op het zand der zee. HOOFDSTUK 13. En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was een naam van gro^fólastering. 2 En het beest dat ik zag was eenen pardel gelijk, en zijne voeten als de voeten eens beers, |
|
OPENBA en zijn mond als de mond eens leen we. En de draak gaf hem zijne kracht en zijnen troon en groote macht. 3 En ik zag één van zijne hoofden als tot den dood gewond, en zijne doodelijke wond werd genezen; en de geheele aarde verwonderde zich achter het beeet. 4 En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? Wie kan krijg voeren tegen hetzelve ? 5 En aan hetzelve werd een mond gegeven om groote dingen en (/or7slaeteringen te spreken, en aan hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen tweeënveertig maanden. â¦5 En het opende zijnen mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren, er zijnen Tabernakel, en die in den hemel wonen. 7 En hetzelve werd macht gegeven om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen ; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslachten taal en volk. 8 En allen die op de aarde wonen zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens dos Lams dat geslacht is, van de grondlegging der wereld. 9 Indien iemand ooren heeft, die hoore. 10 Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zeJj' in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen. 11 En ik zag een ander beest nit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van 't eerste beest in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt dat de aarde en die da arin wonen het eerste beest aanbidden, welks doodelijke wond genezen wae. |
R T N G 14. 323 13 En het doet groote teekencn zoodat het ook virir uit den hemel (loet afkomen op de aarde vóór de menschen, 14 en verleidt degenen die op de aarde wonen, door de teekenen die hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest, zeggende tot degenen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest, dat de wond dos zwaards had en leefde,een beeld zouden maken. 15 En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest eenen geest te geven, opdat het beeld van het oeest ook zoude spreken, en maken dat allen die het beeld van het beest niet zouden aanbidden gedood zouden worden. 16 En het maakt dat het aan allen, kleinen en grooten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteeken geeft aan hunne rechterhand of aan hunne voorhoofden, 17 en dat niemand mag koopen of verkoopen dan die dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams. 18 Hier is de wijsheid: die het verstand heeft berekene het getal van het beest, want het is een getal eens menschen, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig. HOOFDSTUK 14. En ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion, en met hem honderdvieren veertigduizend hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. 2 En ik hoorde eene stem uit den hemel, als eene stem veler wateren en als eer.e stem van een grooten donderslag. En fk hoorde eene stem van citerspelers, spelende op hunne citers; 3 en zij zongen als een nieuw gezang vóór den troon en vóór de vier dieren en de Ouderlingen, en niemand kon dat gezang loeren dan de honderdvierenveertig-duizend, die van de aarde gekocht waren. |
|
324 OPENB^ 4 Deze zijn liet die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Deze zijn liet die liet Lam volgen waar het ook henengaat. Deze zijn gekocht uit de menschen, tot eerstelingen voor God en het Lam. 5 En in hunnen mond is ge.en bedrog gevonden, want zij zijn onberispelijk vóór den troon Gods. G En ik zag eenen anderen Engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwig Evangelie, om te verkondigen aan degenen die op de aarde wonen, en aan alle natie en geslacht en taal en volk, 7 zeggende met eene groote stem: Vreest God en geeft hem heerlijkheid; want de ure zijns oordeels is gekomen; en aanbidt hem die den hemel en de aarde en de zee en de fonteinen der wateren gemaakt heeft. 8 En daar is een andere Engel gevolgd, zeggende: Zij is ge-gevallen, zij is gevallen, Babylon die groote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt. 9 En een derde Engel is hen gevolgd, zeggende met eene groote stem : Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteeken aan zijn voorhoofd of aan zijne hand, 10 die zal óók drinken uit den wijn van den toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is in den drinkbeker^ zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden ^inet vuur en sulfer voor de heilige Engelen en voor het Lam. 11 En de rook van hunne pijniging gaat óp in alle eeuwig lieid, en zij hebben geene rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns naams ontvangt. 12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn ze die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus. 13 En ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide; Schrijf: Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, van nu |
RING 15. aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij zijns rusten mogen van hunnen arbeid; de gl en hunne werken volgen met hen. Godf 14 En ik zag, en zie, eene witte 3 wolk, en op de wolk was een van gezeten, des menschen Zoon ge- Godi lijk, hebbende op zijn hoofd een zegg gouden kroon en in zijne hand zijn een scherpe sikkel. macl 15 En een andere Engel kwam waai uit den Tempel, roepende met Kon eene groote stem tot dengene die 4 op de wolk zat: Zend uwe sikkel Hee: en maai; want de ure om te heei maaien is voor u gekomen, de- heil: wijl de oogst der aarde is rijp len geworden. wan 1G En die op de wolk zat, zond baai zijne sikkel op de aarde, en de 5 aarde werd gemaaid. de 1 17 En een andere Engel kwam der uit den Tempel die in den hemel wer( is, hebbende ook zélf een scherpe 6 sikkel. zevlt; 18 En een andere Engel kwam uit uit van het altaar, die macht rein had over het vuur, en hij riep omg met een groot geroep tot den- gon gene die de scherpe sikkel had, 7 zeggende: Zend ^ uwe scherpe gaf sikkel en snijd af de druiven- gou takken van den wijngaard der Goc aarde, want zijne druiven zijn 8 rijp. mei 19 En de Engel zond zijne sik- ⢠Go( kei op de aarde, en sneed de nie; druiven af van den wijngaard gaa der aarde, en wierp ze in den zev grooten wijnpersbak van den toorn Gods. 20 En de wijnpersbak werd E buiten de stad getreden, en daar uit is bloed uit den wijnpersbak zev gekomen, tot aan de toornen der gic paarden, duizend zeshonderd Go stadiën ver. 2 HOOFDSTUK 15. Soc en En ik zag een ander groot en gez wonderlijk teeken in den hemel, het namelijk zeven Engelen hebbende dei de zeven laatste plagen; want in 3 deze is de toom Gods geëindigd. zijl 2 En ik zag als eene glazen we zee me: vuur gemengd; en die all de overwinning hadden van het in beest er. van zijn beeld, en van 4 zijn merkteeken en van het getal fio |
OPENBARING 16.
325
|
zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods. 3 En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn uwe werken, Heere, gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, gij Koning der heiligen. e 4 Wie zoude u niet vreezen, Heere, en uwen naam niet verheerlijken? Want gij zijt alleen heilig; want alle volkeren zullen komen en vóór u aanbidden ; want uwe oordeelen zijn openbaar geworden. 5 En na dezen zag ik, en zie, de Tempel van den Tabernakel der getuigenis in den hemel werd geopend, 6 en de zeven Engelen die de zeven plagen hadden, kwamen uit den Tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. 7 En een van de vier dieren gaf den zeven Engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods die in eeuwigheid leeft. 8 En de Tempel werd vervuld met rook uit do heerlijkheid * Gods, en uit zijne kracht; en niemand kon in aen Tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven Engelen geëindigd waren. HOOFDSTUK 16. En ik hoorde eene groote stem uit den Tempel, zeggende tot de zeven Engelen: Gaat henen en giet de fiolen van den toorn Gods uit op de aarde. 2 En de eerste ging henen en goot zijne fiool uit op de aarde: en daar werd een kwaad en boos gezweer aan de menechen, die het merkteeken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden. 3 En de tweede Engel goot zijne fiool uit in de zee: en zij werd bloed als eens dooden, en alle levende ziel is gestorven in de zee. 4 En de dorde Engel goot zijne fiool uit in de rivieren en in do fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed. |
5 En ik hoorde den Ergel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig Heere, die is, en die was, en die zijn zal, dat gij dit geoordeeld hebt; 6 dewijl zij het bloed der heiligen en der Profeten vergoten hebben, zoo hebt gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig. 7 En ik hoorde eenen anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, gij almachtige God, uwe oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig. 8 En de vierde Engel goot zijne fiool uit op de zon: en haar is macht gegeven de menschen to verhitten door vuur, _9 en de menschen werden verhit met groote hitte, en lasterden den naam Gods, die macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om hem heerlijkheid te geven. 10 En de vijfde Engel goot zijne fiool uit op den troon van het beest: en zijn rijk is verduisterd geworden, en zij kauwden hunne tongen van pijn, 11 en zij lasterden den God des hemels vanwege hunne pijnen en vanwege hunne zweren, en zij bekeerden zich niet van hunne werken. 12 En de zesde Engel goot zijne fiool uit op op de groote rivier den Eufraat: en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zoude worden de weg der Koningen, die van den opgang der zon komen zullen. 13 En ik zag uit den mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen Profeet drie onreine geesten gaan, den vorschen gelijk; 14 want het zijn geesten der duivelen, en zij doen teekenen, welke uitgaan tot de Koningen der aarde, en der geheele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien grooten dag des almachtigen Gods. 15 Zie, ik kom als een dief. Zalig is hij die waakt en zijne |
or E NTJ A RING 17.
326
|
kleederen bewaart, opdat hij niet naakt â¢wandele, eu men zijne schaamte niet zie. 16 En zij hebben ze vergaderd in de plaats welke in 't He-breeuwsch genaamd wordt Armageddon. 17 En de zevende Engel goot zijne fiool uit in de lucht; en daar kwam eene groote stem uit den Tempel des hemels, van den troon, zeggende: Het is geschied. 18 En daar geschiedden stem-nien en donderslagen en bliksemen, en daar geschiedde eene groote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de menschen op de aarde geweest zijn, mtwieZyA* eene zoodanige aardbeving en zóó groot. 19 En de groote stad is in drie deelen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen. Eu het groote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns zijner gramschap. 20 En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden. 21 En een groote hagel elk als een talent zwaar, viel neder uit den hemel op de menschen; en de menschen lasterden God vanwege de plage des hagels, want deszelfs plage was zeer groot. HOOFDSTUK 17. En een uit de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden kwam en eprak met mij, en zei de tot mij: Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote h'iar, die zit op vele wateren; 2 met welke de Koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij. 3 En hij bracht mij weg in eene quot;woeetijn, in dengeest: en ik zag eene vrouw zittende op een scharlakenrood bee^t, dat vol was van namen der i/oJölastering,en zeven hoofden had en tien hoornen. |
4 En de vrouw was bekleed niet purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk gesteente en paarlen, en had in hare hand een gouden drinkbeker, ^ vol van gruwelen en van onreinigheid harer hoererij. 5 En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk: Verborgenheid, het groote Babyion, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. 6 Eu ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij als ik ze zag, met groote verwondering.^ 7 En de Engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u ? Ik zal u zeggen de verbolgenheid van de vrouw en van het beest dat haar draagt, 't welk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen. 8 Het beest dat gij gezien hebt, was en is niet, en het zal opkomen uit den afgrond, entenver-derve gaan; en die op de aarde wonen (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld) zullen verwonderd zijn, ziende het beest dat was en niet is, hoewel het is. 9 Hier is 't verstand dut wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen op welke de vrouw zit. 10 En het zijn ook zeven Koningen: de vijf zijn gevallen, en de één is, de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven. 11 En het beest dat was en niet is, die is ook de achtste Koning, en is uit de zeven, en gaat ten verderve. 12 En de tien hoornen die gij gezien hebt, zijn tien Koningen, die het koninkrijk nog niet hebben cntvangen, maar als Koningen macht ontvangen op ééne ure met het beest. 13 Deze hebben éénerlei meening, en zullen hunne krachten macht aan het beest overgeven. 14 Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal ze overwinnen, (want het is een Heere der heeren en een Koning der |
OPENBARING 18.
327
|
Koningen), en die met hem zijn, 1 de geroepenen en uir.verkorenen en geloovigen. 15 En hij zeide tot mij: De â wateren die gij gezien hebt, daar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en tongen. lö En de tien hoornen die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen ze woest maken en naakt, en zij zullen haar vleesch eten, en zullen ze met vuur verbranden. 17 Want God heeft hun in hunne harten gegeven, dat zij zijne meening doen, en dat zij óenerlei meening doen, en dat zij hun koninkrijk aan het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. 18 En de vrouw die gij gezien hebt, is de groote stad die het koninkrijk heeft over de Koningen der aarde. HOOFDSTUK 18. En na dezen zag ik eencn anderen Engel afkomen uit deu hemel, hebbende groote macht, en de aarde is yerlichigeworden van zijne heerlijkheid. 2 En hij riep krachtiglijk met eene groote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen de groote amp;lad Babylon, en is geworden eene woonstede der duivelen, en eene bewaarplaats van alle onreine geesten en eene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte. 3 Dewijl uit den wijn des toorns .harer hoererij alle volkeren gedronken hebben, en de Koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht harer weelde. 4 En ik hoorde eene andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij aan hare zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt. 5 quot;Want hare zonden zijn de ééne op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden. |
6 Vergeldt haar gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare wrerken; in den drinkbeker waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. 7 Zooveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft en weelde gehad heeft, zoo groote pijniging en rouw doet haar aan. quot;Want zij zegt in haar hart: Ik zit als eene Koningin, en ben geene weduw, en zal geen rouw zien. 8 Daarom zullen hare plagen op écnen dag komen, namelijk dood en rouw en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Ileere God die haar oordeelt. 9 En de Koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen ze bewee-nen en rouw over haar bedrijven, â¢wanneer z:j den rook haars brands zullen zien, 10 van verre staande uit vreeze van hare pijniging, zeggende: quot;Wee, wee, de groote stad Babyion, de sterke stad, want uw oordeel ia in ééne ure gekomen. 11 En de kooplieden der aarde zullen we enen en rouw maken over haar, omdat niemand hunne waar meer koopt: 12 waar van goud en van zilver en van kostelijk gesteente en van paarlen, en van fijn lijnwaad en van purper en van zijde en van scharlaken, en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, van ijzer en van marmersteen, 13 en kaneel en reukwerk en welriekende zalf en wierook, en wijn en olie, en meelbloem en tarwe, en lastbeestenen schapen; en van paarden en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der menschcn. 14 En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan, en al wat lekker en wat heerlijk was is van u weggegaan en gr. zult dat niet meer vinden. 15 De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreeze |
OPENBAKING 19.
328
|
van hare pijniging, weenende en rouw makende, 16 en zeggende: Wee, wee, de groote stad, die bekleed was met tijn lijnwaad en purper en scharlaken, en versierd met goud en met kostelijk gesteente en met paarlen; want in ééne ure is zoo groote rijkdom verwoest. 17 En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en aljen die ter zee handelen, stonden van verre, 18 en riepen, ziende den rook van haren brand, en zeggende: Wat stad was deze groote stad gelijk? 19 En zij wierpen stof op hunne hoofden, en riepen, weenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de groote stad, in dewelke allen die schepen in de zee hadden, van hare kostelijkheid rijk geworden zijn: want zij is in één uur verwoest geworden. 20 Bedrijf vreugde over haar gij hemel, en gij heilige Apostelen en gij Profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld. 21 En een sterke Engel hief eenen steen op als een grooten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal do groote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden. 22 En de stem der citerspelers en der zangers en der fluitspelers en der bazuinblazers zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden. 23 En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en eener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde, want door uwe tooverij zijn alle volken verleid geweest. 24 En in dezelve is gevonden het _ bloed der Profeten en der heiligen en aller dergenen die gedood zijn op de aarde. |
HOOFDSTUK 19. En na dezen hoorde ik als eene groote stem eener groote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid en de heerlijkheid en de eere en de kracht zij den Heere onzen God. 2 Want zijne oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig, dewijl hij de groote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij, en hij het bloed zijner dienaren van hare hand gewroken heeft. 3 En zij zeiden ten tweeden male: Halleluja. En haar rook gaat op in alle eeuwigheid. 4 En de vierentwintig Ouderlingen en de vier dieren vielen neder en aanbaden God die op den troon zat, zeggende: Ameiv Halleluja! 5 En eene stem kwam uit den troon, zeggende: Looft onzen God, gij alle zijne dienstknechten en gij die hem vreest, beide klein en groot. 6 En ik hoorde als eene stem eener groote schare en als eene stem veler wateren en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja; want do Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerscht. 7 Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, én hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zichzelvo bereid. 8 En haar is gegeven dat zij bekleed worde met rein en blinkend lijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardig-makingen der heiligen. 9 Er. hij zeide tot mij: Schrijf: Zalig zijn ze die geroepen zijn tot het Avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zeide tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden Gods. 10 En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie dat gij dab niet doe*,; ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen die de getuigenis van Jezus hebben: aanbid God. Want de getuige- |
OPENBARING 20.
320
|
nis van Jezus is de geest der Profetie. 11 En ik zag den hemel geopend : en zie, een wit paard, en die op hetzelve zat was genaamd Getrouw en Waarachtig, en hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. 12 En zijne oogen waren als eene vlam vuurs, en op zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden: en hij had eenen nat.m geschreven, dien niemand wist dan hij zelf. 13 En hij was bekleed meteen kleed dat ^met bloed geverwd was; en zijn naam wordt genaamd het Woord Gods. 14 En de heirlegers in den hemel volgden hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. 15 En uit zijnen mond ging een scherp zwaard, opdat hij daarmede de heidenen slaan zoude. En hij zal ze hoaden met eene ijzeren roede; en hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods. lü En hij heeft op zijn kleed en op zijne dij dezen naam geschreven: Koning der Koningen en Heer der heeren. 17 En _ ik zag eenen engel staande in de zon; en hij riep met eene groote stem, zeggende tot alle de vogelen, die in het midden des hemels vlogen: Komt herwaarts en vergadert u tot het avondmaal des grooten Gods, 18 opdat gij eet het vleesch der Koningen, en het vleesch der oversten over duizend, en het vleesch der sterken, en het vleesch der paarden en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en grooten. 19 En ik zag het beest en de Koningen der aarde en hunne heirlegers vergaderd om krijg te voeren tegen hem, die op het paard zat, en tegen zijn heirleger. |
20 En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valsche Profeet, die de teekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die het merkteeken van het beest ontvangen hadden, en die des-zelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs die met sulfer brandt. 21 En de overige werden gedood met het zwaard desgenen die op het paard zat, 'twelk uit zijnen mond ging; en alle de vogelen werden verzadigd van hun vleesch. HOOFDSTUK 20. En ik zag eenen Engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds en eene groote keten in zijne hand; 2 en hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren. 3 En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zoude, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij eenen kleinen tijd ontbonden worden. 4 En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven ; en ik zag de zielen dergenen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het woord Gods, en die het beest en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand; en zij leefden en heerschten als Koningen met Christus de duizend jaren. 5 Maar de overigen der dooden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maarzij zullen Priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met hem als Koningen heerschen duizend jaren. 7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijne gevangenis ontbonden worden, |
OPENBARING 21.
330
|
8 en hij zal uitgaan om de volden te verleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog, om hen te vergaderen tot den kriig; welker getal is als het zand aan de zee. 9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en daar kwam vuur neder van God nit den hemel, en heeft ze verslonden. 10 En de duivel die hen verleidde werd geworpen in den poel van vuur en sulfer, alwaar net beest en de valsebe profeet is; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. 11 En ik zag eenen grooten â¢witten troon, en dengene die daarop zat, van wiens aangezicht do aarde en de hemel wegvlood, en geene plaats is voor die gevonden. 12 En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken. 13 En de zee gaf de dooden die in haar waren ; en de dood en de hel gaven de dooden die in hen waren, en zij werden geoordeeld een iegelijk naar zijne werken. 14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs: dit is de tweede dood. 15 En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs. HOOFDSTUK 21. En ik zag eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 2 En ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. 3 En ik hoorde eene groote stem uit don hemel, zeggende: |
Zie, de Tabernakel Gods is bij de menschen, en hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn. 4 En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. 5 En die op den troon zat zeide: Zie, ik maak alle dingen nieuw. En hij zeide tot mij: Schrijf; want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. 6 En hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en do Omega, het begin en het einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet. 7 Die overwint zal alles be-erven, en ik zal hem een God zijn en hij zal mij een zoon zijn. 8 Maar den vreesachtigen, en ongeloovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en toovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel die brandt van vuur en sulfer; 't welk is de tweede dood. 9 En tot mij kwam een van de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden, welke waren vol geweest van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, en ik zal u toonen de bruid, de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in den geest op eenen grooten en hoogen berg, en hij toonde mij de groote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God; 11 en zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als de steen jaspis, blinkende gelijk^ kristal. 12 En zij had eenen grooten en hoogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf Engelen, en namen daarop geschreven welke zijn de namen van de twaalf geslachten der kinderen Israels. |
OPENBARING 22.
331
|
poorten; poorten; poorten. 14 En de miiiir der stad had twaalf fundamenten, en in dezelve de namen der twaalf Apostelen des Lams. 15 En hij die met mij sprak had een gouden rietstok, opdat hij de stad zoude meten, en hare poorten, en haren niuur. 16 En de stad lag vierkant, en hare lengte was zoo groot als hare breedte; en hij mat de stad met den rietstok op twaalfduizend stadiën, de lengte en de breedte en de hoogte derzei ve waren even gel ijk. 17 En hij mat haren muur op honderd vierenveertig ellen, naar de maat eens mensclicu, welke des Engels was. 18 En het gebouw van haren muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk. 19 En de fundamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. ^ Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcédon, liet vierde smaragdus, 20 het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beryl, het negende topaas, het tiende chry-sopraas, het elfde hyacintli, het twaalfde amethyst. 21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen: iedere poort was uit ééne parel; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas. 22 En ik zag geen en Tempel in dezelve; want de Heere de almachtige God is haar Tempel, en het Lam. 23 En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen ; want de heerlijkheid Gods heeft ze verlicht, het Lam is hare kaars. 24 En de volkeren die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de Koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eere in dezelve, 13 Van het Oosten â waren drie I poorten;, van het Noorden drie I van het Zuiden drie | van het quot;Westen drie : |
25 en hare poorten zullen niet gesloten worden des daags;want aldaar zal geen nacht zijn; _ 2(5 en zij zullen de heerlijkheid en de eere der volkeren daarin brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt, maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. HOOFDSTUK 22. En hij toonde mij eene zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams. 2 In *t midden van hare straat, en op de ééne en de andere zijde der rivier, was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en do bladeren des booms waren tot genezing der heidenen, 3 En geene vervloeking zal er meer tegen iemand zijn. En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen hem dienen, 4 en zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. 5 En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van noode hebben; want de Heere God verlicht ze, en zij zullen als Koningen heerschen in alle eeuwigheid. 6 En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige Profeten, heeft zijnen Engel gezonden,om zijnen dienstknechten te toonen hetgeen haast moet geschieden. 7 Zie, ik kom haastelijk. Zalig is hij die de woorden der Profetie dezes boeks bewaart. S En ik Johannes ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien _ had, viel ik neder om te aanbidden voor de |
OPENGA.lilNG 22.
|
voeten des Engels die mij deze dingen toonde. . . 9 En hij zeide tot mij : Z}e dat gij het niet doel; want Len nw mededienstknecht, ^ uwer broederen de Profeten, dergenen die de woorden dezes boeks bewaren: aanbid God. 10 En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der Profetie dezes boeks niet; want de tijd isnabu- 11 Die onrecht doet, dat luj nog onrecht doe; en die vuil t.Sf dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en _ die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. 12 En zie, ik kom haastelijK» en mijn loon is met mij, ometfu iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. _ 13 Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, (ie eerste en de laatste. 14 Zalig zijn ze die zijne geboden doeu, opdat hunne inaclit zij aan den boom des levens, ea zij door de poorten mogen iJ1quot; gaan in de stad. 15 Maar buiten zullen zijn (Je honden, en de toovenaars, en (Je hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, % en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet. |
16 Ik Jezus heb mijnen En^el gezonden, om ulieden deze din- . gen te getuigen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgen-ster. ^ ., 17 En de Geest en de Bruid zeggen: Kom. En die het hoort zegge: Kom. En die dorst heeft kome; en die wil, neme het water des levens om niet. 18 Want ik betuig aan een iegelijk die do woorden der Profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn; 19 en indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer Profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en iiit hetgeen in dit boek geschreven is. 20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom Heere Jezus. 21 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
EINDE DES NIEUWEN TESTAMENTS.
}f heeft
En^el :e din-
ienten. sslacht Lorgen-
Bruid t hoort t heeft ne het
an een er Pro-Indien
oedoet, oen de eschre-
afdoet s dezer [eel af-levens, en uit ^venis. jetuigt, Amen,
Eleeren l allen.