cïEj/ewijl het Ons gebleken is, dat de door den iceleenc. heer J. H. Wijxtsts, pastoor te Breust-Eijsden, géschrevene verklaringen van: âKerkelijke plechtigheden en godvruchtige gebruikenquot;, niets bevatten wat in strijd is met de katholieke géloofs- of sedeleer, en het lezen daarvan veel kan bijdragen tot bevordering van echt chris-telijken sin in onze scholen en huisgezinnen, verleenen Wij ook aagt;i de tweede uitgave gaarne Onze goedkeuring en aanbeveling, zooals wij die verklaringen goedkeuren en aanbevelen bij deze.
Koermokd, op den feestdag der HH. Driekoningen 1898.
Fr. A. H. BOERMANS,
Bisschop van Boermond.
I
VOORREDE.
i i ----
TT ot is eeno treurige waarheid, dat zeer vele J- -«â Katholieken den verheven zin en dezinne-I beeldige beteekenis van velo godsdienstige instellit;-gen of godvruchtige oefeningen, welke zij van hunne ouders geleerd hebben, alsook de schoone plechtigheden, waarvan zij dagelijks in de Kerk getuigen zijn, niet voldoende begrijpen.
Wordt dat alles ook in Katechkmus of onderrichting uitgelegd, dan wordt daarvan spoedig het grootste gedeelte vergeten. Van jongs af behoort dat alles den kinderen eenvoudig, duidelijk en herhaaldelijk ingeprent te worden; zij moeten dat lezen en herlezen; dan zullen zij. voor het overige des levens, â het niet meer vergeten.
Dat is ook de meening van de 'bisschoppelijke Commissie van onderwijs te Roermond.
Zijne Doorl. Hoogwaardigheid, daarover geraad-ita pleegd, was het met ons volkomen eens en keurde volgaarne het plan goed, om een boekje te schrijven, * waarin de voornaamste kerkelijke plechtigheden en godsdienstige gebruiken zouden verklaard worden.
Het thans verschijnende werkje is bestemd, om als leeshoek te dienen in de lagere scholen, uitsluitend j door Katholieke kinderen bezocht. In Collerfen p-i
- 6 -
Pensionaten kan het eveneens als leesboek voor do lagere klassen dienen, of als prijs gegeven worden.
Ook meenen wij, dat in de huisgezinnen, de rijpere jeugd en ouderen van dagen het met veel nut, tot eigen stichting, zullen lezen.
Wij hopen, dat ons boek, door velen gelezen, bij hen de liefde en den eerbied voor den godsdienst en ile gehechtheid aan de Katholieke Kerk moge vermeerderen.
DE SCHRIJVER.
INLEIDING.
In hetn het eerste hoofdstuk van dit boek zullen wij spreken over de voornaamste kerkelijke plechtigheden of ceremoniën, gebruikelijk bij de bediening der H.H. Sacramenten.
In liet tweede, over de ceremoniën der H. Mis en hare beteekenis.
In het derde, over eenige plechtigheden, aan dagen of tijden verbonden.
Wat verstaat men door ceremoniën
Daardoor verstaat men: gebeden, zegeningen en andere uiterlijke teekenen. welke, Gode ter eere, bij de Godx-dienstoefeningen of de bediening der Sacramenten gebezigd worden.
Zoo b. v. bij het H. Doopsel, do zalving des doo-pelings met H. Olie en met liet Chrisma; in de H. Mis, de gebeden, de handenwassching, do zegeningen enz., dat alles zijn ceremoniën.
Welk is het doel en liet nat dier plechtigheden?
1°. Om aan C-fod ook onze lichamelijke hulde te bewijzen, welke wij Hem, evenzeer als den inivendigen dienst des harten, schuldig zijn.
â¢2quot;. Om, door die uitwendige teekenen, ons hart beter tot de beschouwing der goddelijke dingen te verheffen en onze aandacht te boeien.
D:it do ceremoniën, bij de uitoefening van den Godsdienst, Gode aangenaam zijn, blijkt hieruit: 1°. dewijl God zelf, in hot Oude Verbond, zeer vele ceremoniën en plechtigheden, waarmede Hij wildé gediend worden, heoft voorgeschreven. (Zie Bijbelsche Geschiedenis van Schuster 1. 57. en 59.) 2°. Christus zelf gaf ons daarvan het voorbeeld: Hij bad, plat ter aarde neergevallen, in den Olijfhof; Hij zegende de broeden, toen Hij die vermenigvuldigde; Hij legde den zieken de handen op ter genezing. 3°. Do Apostelen en hunne opvolgers, die de plechtigheden hebben voorgeschreven, deden dat krachtens hot goddelijk gezag, waarmede zij bekleed zijn.
In het vierde hoofdstuk zal gehandeld worden over de Sacramentaliën en derzelver gebruik en nut.
In het vijfde zullen wij de beteekenis en het doel van de voornaamste kerkelijke instellingen en de godsdienstige oefeningen en gebruiken, welke dooide goloovigen onderhouden worden, bespreken.
EERSTE HOOFDSTUK.
§ 1. OYER HET DOOPSEL.
Als men eene kerk binnenkomt, vindt men gewoonlijk bij den uitgang, ter zuidzijde do doopvont. Zij is daar geplaatst:
1°. Om aan te duiden, dat den ongecloopten de ingang tot de kerk nog ontzegd is. 2quot;. Dewijl het Doopsel als de deur en de ingang is, waardoor men in de Kerk van Christus wordt opgenomen.
Het water der doopvont wordt plechtig gewijd Zaterdags vóór Paschen en vóór Pinksteren.
Bij de toediening des Doopsels, is de priester gekleed met rokelijn en paarse stola. Nadat hij gevraagd heeft, hoe de doopeling zal genoemd worden, doet hij het eerste exorcisme (of bezwering des duivels). Dat geschiedt om aan te toonen, dat de doopeling tot nog toe onder de macht des duivels is, doch dat thans de ziel aan die macht zal onttrokken en G ode toegewijd worden.
Waarom wordt den doopeling gezegend zout in den mond gegeven?
10 -
1° Om aan te duiden dat, gelijk het zout tegen bederf bewaart, zóó ook de mensch, door het H. Doopsel van de smet der zonde gezuiverd en het lichaam voorbereid wordt tot de glorievolle verrijzenis. 2H. Omdat de H. Schrift ons het zout voorstelt als een zinnebeeld der wijsheid: zóó worden den doopeling, door den Geest dei-wijsheid, de heiligmakende genade ingestort en bijzondere genaden geschonken, om volgens den geest der christelijke wijsheid te leven.
Vervolgens wordt door den priester aan peter en meter (die handelen en spreken in naam van den doopeling) gevraagd: Verzaakt gij cum den duivel'? â En aan al zijne werken'? â En aan al zijne ijdellwelen? Zij antwoorden op elke vraag: ik verzaak. Deze ceremonie beteekent: dat hij, die door het Doopsel, tot leerling van Christus en tot lidmaat der Kerk wil aangenomen worden, voor altoos moet afstand doen van den dienst des duivels, van zijne werken, namelijk de zonden, en van de ijdelheden der wereld, welke tot zonden leiden.
Daarna vraagt de priester: Gelooft gij in God den Vader almachtig? en zóó vervolgens den voornaamsten inhoud der 12 Geloofsartikelen. Peter en meter antwoorden telkens: Ik geloof. Die belijdenis duidt aan, dat de doopeling de
waarheden des G eloofs moet aannemen en altoos standvastig belijden.
Vóór dat het Doopsel toegediend wordt, zalft de priester den doopeling met H. Olie, welke Olie der katechumenen (of geloofsleerlingen) genoemd wordt. Deze H. Olie, evenals het H. Chrisma, uit balsem en olijfolie samengesteld, wordt op goeden Donderdag door den Bisschop gewijd.
De beteekenis dezer plechtigheid is deze: gelijk de olie verlicht en versterkt, zóó wordt de doopeling, in het H. Doopsel, door de genade verlicht en versterkt, om zijne plichten als christen te kennen en den goeden strijd des Geloofs te strijden.
Nadat de priester, tot driemaal toe, het hoofd van den doopeling heeft afgewasschen, onder het uitspreken der woorden: ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des II. Gees-tes, zalft hij het hoofd met het H. Chrisma, daarna legt hij den gedoopte een wit kleed op en eindelijk geeft hij aan peter en meter eene brandende kaars in de handen, welke zij boven den gedoopte vasthouden.
Waarom zalft de priester het hoofd des gedoopten met het H. Chrisma?
1°. Om aan te toonen, dat de gedoopte, als
een levende tempel van den H. Geest, geteekend en gezalfd is; 2°. omdat hij, naar den naam van Christus (die gezalfde beteekent) voortaan christen zal genoemd worden.
Welke is de beteekenis van het witte Meed?
Dat tie gedoopte het bovennatuurlijk sieraad der heiligmakende genade ontvangen heeft, welke hij zijn geheel leven bewaren moet.
Die ceremonie herinnert ons ook nog aan de eerste tijden der kerk. toen de bekeerlingen vooral op de vigilies van Paschen en Pinksteren, met groote plechtigheid gedoopt werden. Bij die gelegenheid droegen zij, als een teeken van onschuld, een icit kleed.
Wat beteekent de brandende kaars, welke peter en meter-in de hand houden?
Deze stelt ons voor het licht des Geloofs en het vuur der Liefde, dat den gedoopte in het H. Doopsel geschonken is.
§ 2. OVER HET VORMSEL.
De naam van dit Sacrament komt af van het werkwoord vormen, dat ook geschikt maken, bevestigen of versterken beteekent.
Het wordt dus Vormsel genoemd, omdat het
den geloovigen de biizondere genade mededeelt van bevestiging en versterking, om het Geloof standvastig te belijden.
De Bisschop is de gewone bedienaar van dit â Sacrament. Alleen in buitengewone gevallen geeft de Paus die macht ook aan een priester.
Bij de toediening van dit Sacrament strek t de Bisschop eerst de beide handen over de vormelingen uit; hij bidt intusschen, dat de H. Geest met zijne gaven en genaden over hen moge nederdalen.
Vervolgens komen de vormelingen vóór den Bisschop, die nogmaals op ieders hoofd de hand legt. terwijl hij het voorhoofd teekent met het kruis en zalft met het H. Chrisma. Daarna geeft hij den gevormde een lichten'kaakslag.
Eindelijk spreekt de Bisschop den laatsten zegen uit over alle vormelingen gezamenlijk.
Wat stelt ons de ojiïecjying der handen woor?
Dat de H. Geest, met zijne gaven, over de vormelingen nederdaalt.
Het H. Chrisma is, gelijk wij reeds gezien hebben, samengesteld uit olijfolie en balsem.
Wat duidt de zalving met Chrisma aan?
1°. Dat, gelijk de olie het lichaam versterkt, zóó dor)r dit Sacrament (lechristen nrsterkt wordt om zich nooit te schamen zijn Geloof te belijden
- 14 -
2quot;. Gelijk de welriekende balsem een aange-namen geur verspreidt, zóó wordt den ge vormde de genade geschonken, om altoos den aangena-men geur van deugd en heiligheid te verspreiden.
De zalving geschiedt onder het maken van het kruisteeken, omdat de Sacramenten dekracht, om de genade voort te brengen, a^een hebben door de verdiensten van Christus' lijden en kruisdood.
De kaakslag herinnert den gevormden, dat zij, als soldaten van Christus, moeten bereid zijn alle versmading en vervolging voor het Geloof te verdragen.
Bij het Vormsel, evenals bij het Doopsel, wordt de naam eens Heiligen gegeven, opdat de geloovigen dfe deugden van dien H. Patroon zouden navolgen en door zijne bescherming geholpen worden.
Peter en meter, bij het Vormsel en ook bij het Doopsel, nemen de verplichting op zich, om (zoover dat noodig is en zij het doen kannen) te zorgen, dat hun petekind in het Geloof onderwezen worde en christelijk leve.
§ 3. OVER HET H. SACK!MENT DES
ALTAARS.
Dit Sacrament is het heiligste, verheven-ste en waardigste van alle Sacramenten, omdat daardoor niet alleen ons Gods genaden medegedeeld worden, maar Christus zolf\ met zijne Grodheid en Menschheid. gelijk Hij door de Engelen in den Hemel aangebeden wordt, daar tegenwoordig is. Daarom wordt het genoemd: het AUerheUigste Sacrament.
Het wordt ook het H. Sacrament des Altaars genoemd: 1quot;. omdat, onder de H. Mis, Christus op het altaar, onder de gedaanten van brood en wijn, wordt tegenwoordig gesteld; 2°. omdat dit Sacrament boven het (dtaar, in den tabernakel bewaard wordt.
De heilige Hostiën (of heilige Speciën) zijn opgesloten in een gewijde zilveren vaas, ciborie geheeten. In de ciborie wordt het H. Sacrament ter aanbidding uitgesteld, daarmede wordt ookde zegen aan de neergeknielde geloovigen gegeven.
Somtijds (b. v. bij het 40 uren-gebed en op hooge feestdagen) wordt eene grootc 11. Hostie zichtbaar uitgesteld, in het midden van een zilveren standaard, welke gewoonlijk den vorm heeft
- 16 -
van eerie zon of van een kunstmatig bewerkt torentje. Dat noemt men: montrans of ostensorie.
Wanneer en hoe behoort men vóór het H. Sacrament te knielen?
1quot;. Als men de kerk in- of uitgaat, knielt men met den rechterknie, tot op den grond. Is echter het H. Sarament ter aanbidding uitgesteld, dan moet men op de beide knieën knielen en het hoofd eerbiedig buigen.
2quot;. Bij de Consecratie onder de H. Mis, alsook wanneer het Allerheiligste openlijkgedragen wordt of daarmede de zegen gegeven wordt, zit men op beide knieën, men buigt het hoofd, aanbidt den Goddelijken Heiland, in het H. Sacrament tegenwoordig, klopt rouwmoedig driemaal op de borsten maakthetteeken van het H. Kruis.
Een protestantsch Vorst k wam i n een klooster en werd ook in de kerk geleid. Daarknielden de kloosterlingen diep ter aarde neder voor het H. Sacrament. Toen eenige hovelingen daarmede spotten, zeide de Koning: Als ik het geloof dier mannen had, zou ik niet alleen diep ter aarde buigen, maar mij als het ware onder de aarde willen verbergen, uit eerbied voor de Goddelijke Majesteit.
Mocht ook altoos ons geloof zóó levendig zijn, dan zouden wij immer onze liefde en
eerbied betoonen aan Christus, in het H. Sacrament tegenwoordig!
Wat beteekenen de brandende kaarsen, bij de uitstelling van het Allerheiligste en bij de H. Mis?
1°. Licht ontsteken is een teeken van eerbied en vreugde; daarom ook wordt, op hooge feestdagen, een grooter aantallichten ontstoken.
2quot;. De brandende kaarsen herinneren ons aan de eerste tijden der Kerk, toen de H. Geheimen in onderaardsche of verborgen plaatsen moesten gevierd worden.
3quot;. De zinnebeeldige beteekenis daarvan is deze: zij herinneren ons aan Christus, het ware licht der wereld, en zij stellen ons voor: het Geloof, dat ons verstand verlicht, de Hoop, welke opwaarts stijgt, de Liefde, die ons hart moet verteren.
Het bewierooken van het H. Sacrament geschiedt als een teeken van aanbidding, gelijk in het Oude Verbond aan God reukoffers opgedragen werden. Later zullen wij zien, dat het bewierooken van personen of voorwerpen eene andere zinnebeeldige beteekenis heeft.
De Kerklamp (ook Godslamp genoemd) moet altijd bij dag en bij nacht branden daar, waar het Allerheiligste rust. Zij moet met getcone
- 18 -
olie gevuld zijn; petroleum is volstrekt verboden.
Op Gods bevel had Mozes voorgeschreven, dat op het brandaltaar een eeuwigdurend vuur zou onderhouden worden.
In het heilige des Tabernakels moesten gestadig zeven lampen branden op een gouden kandelaar.
In navolging dier voorschriften heeft de H.Kerk bepaald, dat voortdurend ten minste ééne lamp moet branden voor het aanschijn des Heeren.
Welke is de zinnebeeldige beteekenis dier lamp'?
1°. Zij herinnert ons aan de oneindige en bestendige liefde des Verlossers, die onophoudelijk in ons midden verblijft, om ons te troosten en ons gebed te verhoeren.
2°. Zij vermaant ons dat ons geloof aan Christus' tegenwoordigheid bestendig en levendig en onze liefde vurig en brandend moei wezen.
Als het Allerheiligste in processie of naaide zieken gedragen wordt, is het altoos door lantaarns of fakkels begeleid, ten teeken van geloof en eerbied.
Over de ceremoniën der H. Mis zal in een afzonderlijk hoofdstuk gesproken worden.
Waarom wordt gescheld als de zegen gegeven
- 19 -
wordt, alsook bij de voornaamste deelen der H. Mis?
Om de geloovigen opmerkzaam te maken op hetgeen aan liet altaar geschiedt en hen op te wekken, om in die oogenblikken met des te meer aandacht te bidden.
Een enkel woord over het nitdeden der H. Communie. De priester, in misgewaad of met rokelijn en stola gekleed, opent den tabernakel, terwijl de dienaar het confiteor zegt. Dan neemt de priester de ciborie in de linkerhand, vertoont met de rechter eene H. Hostie en zegt: Ziet het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, en vervolgens driemaal: Heer, ik hen niet waardig, enz.
Tn dat plechtig oogenblik knielen allen eerbiedig neder, slaan rouwmoedig op hunne borst en zeggen ook driemaal: Ucer, ik ben niet icaar-dig, dut Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden. Dan gaan zij. met gevouwen handen en het hoofd gebogen, eerbiedig aan de Tafel des Hoeren nederknielen.
- 20 -
§ 4. OVER HET H. OLIESEL.
Dit Sacrament wordt H. Oliesel genoemd, omdat het toegediend wordt door zalving met olie, H. Olie der zieken genoemd, door den Bisschop op Goeden Donderdag gewijd.
Wanneer een zieke de laatste H.H. Sacramenten ontvangen moet, dan hebben de huisgenoo-ten te zorgen, dat alles zindelijk en netjes zij in het vertrek, waar de zieke zich bevindt. Men plaatst eene tafel, met een v-itten doek bedekt, in de nabijheid des zieken; in het midden dei-tafel een kruisbeeld, daarnaast twee brandende kaarsen, een glas met wijwater en een gezegende palm. Als de zieke ook de H. Communie moet ontvangen, dan nog een glas met een weinig zuiver water, waarin de priester, na het toereiken der H. Communie, de vingers wascht. Dat water drinkt de zieke later uit of het wordt in het vuur gedaan.
Onder de toediening der H.H. Sacramenten aan den zieke, zitten alle huisgenooten biddend op de knieën.
Bij de toediening van het H. Oliesel doet de priester eerst eenige gebeden voor den zieke, waarin hij, door de voorspraak van alle Engelen en Heiligen des Hemels, van God vraagt, dat
- 21 -
Hij den zieke de genade veiieene, dit Sacra-. ment waardig te ontvangen, tot heil van ziel en lichaam.
Vervolgens zalft hem de priester op de vijf tl zintnigen, de oogcn, de oor en, den neus, den
mond en eindelijk aan handen en voeten. Bij elke zalving bidt hij. dat God den zieke moge vergeven, hetgeen hij door dat zintuig misdaan heeft.
Daarna verricht de priester nog eenige gebeden, om voor den zieke te vragen: kracht en sterkte naar de ziel en ook de gezondheid des lichaams, als hem dat zalig is. i Sterft men dan niet eerder als men dit
Sacrament ontvangen heeft ?
Neen. integendeel. Het Geloof toch leert ons, dat dit Sacrament is ingesteld, ook om den zieken de gezondheid terug te geven, als het hun zalig is. De ondervinding leert ons, dat de zieken menigmaal, na het ontvangen van het H. Oliesel, tegen alle verwachting in beterschap toenemen. i Derhalve moet men zorgen, dit Sacrament
steeds tijdig te ontvangen, als men nog bij volle kennis is; dan zal men des te overvloediger daarvan de geestelijke vruchten genieten en ook des te eerder zijne gezondheid terug bekomen.
TWEEDE HOOFDSTUK. IDE n. Ad:is.
§ 1. OVER HET ALTAAR.
Het woord altaar komt af van een la-tij nsch woord, dat verheven plaats beteekent, op welke men gewoon was te offeren. In het Oude Verbond had men ook of altaren.
Van de eerste tijden des Christendoms werd de H.Mis aan dergelijke offertafels gecelebreerd,welke toen gewoonlijk van hout vervaardigd waren. In de 6e eènw werd echter door den Paus voorgeschreven, dat alle altaren van steen moesten gemaakt of ten minste in het midden des altaars een steen aangebracht moest worden. Ook werd bepaald dat de altaren altoos den vorm van een graf zouden hebben, ter gedachtenis, dat de eerste Christenen de H. Mis opdroegen op de graven der Martelaren. Daarom bevinden zich, ook thans nog. relikwieën van Martelaren in het midden van den altaarsteen. Zij worden, bij de wijding van het altaar, dooiden Bisschop daarin gelegd en met een klein deksel van steen afgesloten.
Drie witte linnen doeken moeten het altaar bekleeden: 1°. uit eerbied voor den Goddelijken
- 23 -
Heiland, die daarop (onder de gedaanten van brood en wijn) komt rusten; 2°. tot herinnering aan de doeken, waarmede het H. Lichaam van Christus in het graf gelegd werd.
Paus Honorius III heeft voorgeschreven, dat boven elk altaar een kruisbeeld geplaatst worde, om ons te herinneren, dat in de H. Mis de offerande van het Kruis op onbloedige wijze vernieuwd wordt.
Over de brandende kaarsen hebben wij vroeger reeds gesproken.
§ '2. OVER HET PRIESTERLIJK GEWAAD.
In het Oude Verbond beval God aan Mozes;
Crij zult heilige kleederen rerveiardvjen xoor meen broeder Aaron en zijne zemen, opelat zij voor Mvj Juin priester schap vervullen.quot;
Was het passend en Gode welgevallig, dat reeds in het oude Testament de priesters bij de offeranden bijzondere en heilige kleederen droegen, hoeveel te meer wordt dat vereischt bij de heilige Offerande der Nieuwe Wet, waarvan de offers des Ouden Verbonds slechts afbeeldingen waren ?
Daarom ook worden de Misgewaden dooiden Bisschop of door een priester, die daartoe
- 24 -
de bijzondere volmacht heeft, geioijd en aan alle wereldsch gebruik onttrokken.
Thans zullen wij in het kort de Misgewaden beschrijven en aantoonen. hoe zij allen ons aan het lijden des Verlossers herinneren.
Eerst bedekt .de priester zijn schouders met een witten linnen doek, amikt genaamd.
Deze stelt ons voor den doek, waarmede in den lijdensnacht Christus de oogen verbonden werden, toen Hem de soldaten sloegen en spottend vroegen: Zeg ons. wie U geslagen heeft.
In zinnebeeldig en sin stelt hij ons voor den helm des heils, waarvan de H. Paulus spreekt, of de christelijke hoop. waarmede priesters en geloovigen vervuld moeten zijn bij de H. Misofferande.
Daarna bekleedt zich de priester met de alba, een lang wit kleed. Het herinnert ons aan het witte spotkleed,, dat den Heiland in het huis van Herodes aangetrokken werd ; het is ook het zinnebeeld van het gloriekleed, waarmede wij eens, in den Hemel, hopen versierd te worden.
De alba wordt vastgebonden met een lang wit koord, cingel genoemd, waarmede depriester zijne lendenen omgordt. Het stelt ons voor de banden, waarmede Jezus gekluisterd werd.
Aan den linkerarm draagt de priester een
langen en smallen armband, manipel genoemd. Deze herinnert ons aan den zweetdoek van Veronica .wantin vroegere eeuwen was het werkelijk een dergelijke doek. Later werd daaraan de tegenwoordige vorm gegeven.
De stool is een lange band van zijde of andere stof, welke den'priester over de borst afhangt; (bij de H. Mis is hij kruis wij ze vastgebonden). Oudtijds was de stola een kleed, dat door Koningen en aanzienlijke personen gedragen werd.
De stool is een eerekleed en een teeken der macht, waarmede de priester bekleed is; daarom wordt zij ook altoos gebruikt bij de bediening der Sacramenten, bij inzegeningen en andere priesterlijke bedieningen.
Zij herinnert ons aan de koorden, waarmede de \ erlosser aan degeeselkolomgebonden werd.
Het I'msu if el ishet bovenste kleed des priesters. In vroegere tijden was het een groote mantel, welke tot op den grond nederhing. Van daar nog de gewoonte om het kasuifel op te heffen als de Priester, na de consecratie, knielt of als hij het altaar bewierookt.
Op den voorkant ziet men eene rechte kolom, welke ons de kolom der geeseling voorstelt; op den achterkant een kruis, dat ons herinnert, dat in de H. Mis de offerande des kruises ver-
- 2(3 -
uieuwd wordt. Ditikleed is eene afbeelding van den pui'pcrau spotmautel, waarmede Cluistus bekleed werd bij Herodes.
Zinnebeeldig vermaant liet den priester en de geloovigen, dat zij standvastig liet zoete juk des Heeren moeten dragen op aarde, om tot de heerlijkheid des Hemels te komen.
Het kasnifel, de stool en de manipel worden in verschillende kleuren gebruikt, welke allen eene mystieke beteekenis hebben.
De witte kleur is een teeken van vreugde, van onschuld en reinheid; zij wordt derhalve gebezigd op de feestdagen des Verlossers, der H. Maagd en van de heilige Belijders en Maagden.
De roode kleur wordt gebruikt op Pinksteren, ter herinnering aan de vurige tongen, in welker gedaante de H. Geest over de Apostelen nederdaalde. Op de feesten der Martelaren duidt zij ons aan, dat dezen hun bloed voor Christus
vergoten hebben.
Het paars of violet is een teeken van boetvaardigheid en wordtgebruikt inden Advent, in de Vasten, op de quatertemper-en vigiliedagen, als de H. Mis van den dag gecelebreerd wordt en geen feest daarop valt. Ook wordt die kleur gebezigd op het feest der Ãnsclmldige Kinderen, omdat de Kerk alsdan treurt met de bedroefde moeders.
Het groen is de kleur der hoop; zij herinnert ons, dat wij voortdurend moeten verlangen naar ons ware vaderland; zij wordt gebezigd van na de octaaf van H. Driekoningen tot Septuagesima, en van het feest der H. Drievuldigheid tot den Advent.
De ztcarte kleur duidt rouw en droefheid aan en wordt daarom gebruikt, als de H. Mis voor overledenen wordt opgedragen.
De kelk, waarvan de priester zich bedient, stelt ons voor den kelk of beker, welken Christus in het Laatste Avondmaal gebruikte, bij de instellling der H. Mis. Ook herinnert hij ons aan den kelk des Ivjdens, dien de Heiland tot het laatste toe gedronken heeft.
Ten slotte zij opgemerkt, dat bijna over de ganèche wereld de H. Mis in het gecelebreerd wordt; slechts in enkele landen van het Oosten in het Syrisch of in het Grieksch.
A\ aarom bezigt de Kerk de Latijnsehe taal, bij de viering der H. Geheimen?
1°. Omdat het de taal was van Rome, het middelpunt der gansche Christenheid.
2°. Omdat die taal niet, gelijk de levende talen, aan verandering onderworpen is.
3°. Omdat daardoor, ook bij den eeredienst, de eenheid der Kerk over de gansche aarde voorgesteld en bevorderd wordt.
- 28 -
§ 3. OYER BE CERE3IOMÃN DER H. MIS.
De H. Mis is de onbloedige vernieuwing van de offerande des kruises: zij werd ingesteld op liet oogenblik, toen Christus zijn lijden begon.
Bij de verklaring dezer plechtigheden zullen wij er telkens op wijzen, hoe ons daardoor het lijden des Groddelijken Verlossers afgebeeld wordt.
De priester, naar het altaar gaande, stelt ons Christus voor, toen Hij uit de eetzaal naar den Hof der Olijven heenging.
De priester spreidt een witten doek van fijn linnen op het altaar uit en plaatst daarop den kelk. Op dien doek (corporaal genoemd) zal later het H. Sacrament rusten. Hij opent het boek, gaat aan den voet des altaars, maakt het teeken van het H. Kruis en doet afwisselend met den dienaar, die antwoordt in plaats vanhetgansche volk, eenige gebeden. Dan buigt de priester diep neder en zegt het confiteor of de algemeene schuldbelijdenis, om aan God voor alle fouten en gebreken vergiffenis te vragen.
Die diep gebogen houding stelt ons Christus voor in den Olijfhof, plat ter aarde neergevallen.
Nadat de dienaar, in naam van allen, Gods genade voor den priester gevraagd heeft, beklimt deze met vertrouwen het altaar en kust den
- 29 -
altaarsteen, waarin relikwieën van H. Martelaren zijn opgesloten.
Bij plechtige Hoogmissen wordt nu, alsook na de offerande, het altaar bewierookt.
Waarom geschiedt dat?
lu. Om het altaar, alsook het geofferde brood en den wijn, met meer plechtigheid aan God toe te wijden.
2'. Omdat door den altaarsteen ons, op mystieke wijze, Christus zelf wordt voorgesteld, die de ware steenrots is, uit welke ons de wateren der genade toestroomen.
Ook wordt bij deze gelegenheid depriester, f alsmede het volk bewierookt. Dat geschiedt: 1°. uit eerbied voor den bedienaar des altaars en 2°. om hem en alle geloovigen te herinneren, dat hun gebed, bij de H. Offerande, als een aangename geur, voor den Heer moet opstijgen.
Dan leest de priester, aan den rechterkant, het Introïtus fof ingang) der Mis. Vervolgens zegt hij, afwisselend met den dienaar, driemaal Kyrië eleison (Heer ontferm U onzer) ter eere ⦠van God den Vader, driemaal CU riste' eleison (Christus ontferm U onzer) ter eere van God den Zoon, en dan weer drie keeren Kg rib' eleison, tot God den H. Geest.
Dan wordt het Gloria in excelsis Deo gezongen
of gelezen. Deze vreugdezang, ook Engelenzang genoemd, begint met de woorden, waarmede de Engelen te Bethlehem degeboorte des Verlossers verkondigden. Het is een lof- en smeekgebed. Als de Mis in violette klenr of in het zwart gelezen wordt, dan blijft het Gloria weg -tot teeken van boetvaardigheid of droefheid.
Als de priester de altaart rappen opgaat, dan naar den rechterkant en vervolgens zich naar het midden begeeft, moeten wij ons aan Christus herinneren, die gevankelijk Jeruzalem, binnengevoerd en van het huis van Annas naar dcd van Kaïphas gebracht icerd.
Nadat het Gloria gebeden is, wendt de priester zich tot het volk en zegt: Dominus vobiscum (De Heer zij met ü). Hij wenscht aan het volk, dat God de Heer met zijne genade allen bijsta enhnnnegebedenverhoore.De dienaar antwoordt in aller naam: Et cum spiritu tuo (en met uwen geest). Dat is: de Heer sta U bij, vooral gedurende de H. Offerande.
Deze wensch des priesters en ook het antwoord worden verscheiden keer en herhaald, om aan te toonen de vereeniging, welke tus-schen den priester en de geloovigen bestaat en tevens om allen tot godsvrucht op te wekken.
Bij dezen eersten groet kunnen wij ons voor-
- 31 -
stellen, hoe Christus een blik wierp op Petrus, nadat deze Hem verloochend had.
Dtin leest of zingt de priester, aan den rechterkant, een of meer gebeden, waarvan het eerste gewoonlijk betrekking heeft op het feest of het Mysterie, dat dien dag gevierd wordt. Deze gebeden worden Collecten (of verzameling) genoemd, omdat zij in plaats der vereenigde ge-loovigen gedaan worden en zóó de verzameling zijn van aller wenschen en verlangens.
Die gebeden eindigen meestal met de woorden: door onzen Heer Jezus-Christus enz. omaante duiden, dat alle genaden ons door de verdiensten van Christus geschonken worden.
Die gebeden worden voorafgegaan van de uitnoodiging tot aandacht en godsvrucht: Oremus (laat ons bidden).
De priester bidt met oprjeheven handen, ten einde door zijne uiterlijke houding de vurigheid van zijn verlangen om verhoord te worden, te kennen te geven. Die wijze van bidden, in plechtige omstandigheden, was reeds gebruikelijk in de Oude Wet; ook spreekt de H. Paulus daarvan in zijnen brief aan Timotheüs.
Op het gebed des Priesters antwoordt de dienaar of het koor; Amen. (Het zij zoo). Zóó betuigen allen hunne instemming met die gebeden.
- 32 -
Daarna wordt het Epistel (of de brief) gezongen of gelezen. Deze voorlezing uit de H. Schrift wordt Epistel genoemd, omdat eertijds (en ook thans nog gewoonlijk) hier een gedeelte uit de brieven der Apostelen aan de eerste Christenen gelezen wordt.
Xa het Epistel antwoordt de dienaar: I)eo gratias! (Gode zij dank!), tot dankzegging voor de ontvangen leering.
Daarna leest de priester nog eenige gebeden, meestal aan de H. Schrift ontleend.
Hier kunnen wij ons herinneren hoe Christus hyj Pilatus vedscheli/jk beschuldigd werd.
De priester buigt vervolgens, in het midden des altaars, diep neder en bidt God, zijn hart en zijne lippen te reinigen, om op waardige wijze het Evangelie te verkondigen.
Dit stille gebed herinnert ons aan het stilzwijgen, des Verlossers in het huis van Herodes.
Het woord Evangelie beteekent: goede tijding, omdat het de geschiedenis bevat van onze Verlossing: het leven, de leering, het lijden en de verheerlijking des Zaligmakers. In elke H. Mis wordt een gedeelte gelezen uit een der boeken van de 4 Evangelisten.
Bij het zingen of lezen van het Evangelie staan alle geloovigen, om zóó te toonen, dat zij
de woorden des Evangelies eerbiedig willen aanhooren en bereidwillig de leer, daarin vervat, opvolgen. Zij maken een klein kruis op het voorhoofd, mona en borst, om te betuigen, dat zij zich nooit over het H. Evangelie schamen, het openlijk voor de menschen belijden en het in hun hart bewaren zullen.
Bij het einde kust de priester den tekst des Evangelies, uit eerbied voor het woord Gods. De dienaar antwoordt: lans tihi Christe (lof zij U, o Christus), als dankzegging, dat wij tot de kennis der waarheid geroepen zijn.
Bij het Evangelie kunnen wij denken, hoe Christus, door Herodes bespot, werd teruggezonden naar Filatus.
Op sommige, meer plechtige feesten, wordt, na het Evangelie liet Credo of de geloofsbelijdenis. gelijk die door het Concilie van Kicea werd opgesteld, gelezen of gezongen. Het is eene uitbreiding van de 12 artikelen desGeloofs.
Dan wordt de doek van den kelk afgenomen en de priester offert het brood, dat op een zilveren schoteltje (pateen) ligt, aan God op. Hierbij zij opgemerkt, dat de H. Kerk zich bij de H. Offerande bedient van ongezuurd tarwebrood, 1°. omdat Christus zich ook daarvan bediend heeft bij de instelling der H. Mis,
- 34 -
en 2°. om ons te herinneren, dat onze ziel. bij het ontvangen der H. Communie, rein moet zij ii van allen zuuixleesem der zonden.
Vervolgens wordt wijn in den kelk gedaan en daarbij eenige droppels gevoegd, omdat, volgens de Overlevering, Christus dat ook gedaan heeft in het laatste Avondmaal. Doch deze vermenging heeft nog eene andere, zinnebeeldige beteekenis, namelijk: 1°. zij duidt de ver-eeniging der menschheid met den tweeden Persoon der H. Drievuldigheid aan. 2 '. Zij stelt ons den geheimzinnigen band, welke tusschen de geloovigen en Christus bestaat, voor. 3°. Zij herinnert ons, dat op het kruis water en bloed uit de H. Zijde des Verlossers gevloeid is.
Nadat de priester ook den wijn aan God heeft opgeofferd, gaat hij ter rechterzijde van het altaar en wascht de handen.
Bij de offerande kunnen wij ons herinneren aan de cjeeseling en de kroning met doornen; hij de handenwassching aan Pilatus, die zijne handen wiesch en den Heiland onschuldig verklaarde.
De handenwassching heeft ook nog deze mystieke beteekenis: dat hij, die de H. Offerande opdraagt, van alle smet der zonde behoort zuiver te zijn.
- 35 -
Nadat de priester, in het midden des altaars, de H. Drievuldigheid gebeden heeft, de H. Offerande genadig aan te nemen, keert hij zich tot het volk en zegt: Orute,frutres. (bidt. broeders, opdat mijne en uwe offerande Go de aangenaam zij). De dienaar antwoordt met een gebed, waarin hij vraagt, dat de Heer het offer met welgevallen moge aannemen.
Hérinmmi wij ons hier, hoc Pilot ns den Heiland aan het volk vertoonde enzeide: âziet den Menschquot;.
Xa eenige gebeden in stilte gedaan te hebben, leest ile priester luid. of zingt hij de Prefatie of voorbereiding tot de H. Offerande. Zij is eene uitnoodiging tot de aanwezigen, om hun hart tot God te verheffen en den Heer te danken. Het is ook een lof- en dankgebed, dat eindigt, met de woorden: San'tus enz. (Heilig, heilig, heilig zijt gij, o God der heerscharen... gezegend zij Hij, die komt in den naam des Heeren.)
Hier wordt gescheld, om de geloovigen te herinneren, dat het oogenblik der consecratie nadert en om hen tot godsvrucht op te wekken.
Bij de Prefatie en het gebed âSanctusquot; kunnen v'ij denken aan Christus' veroordeeling. toen het volk riep'. âKruisig Hem!quot;
Thans begint het gedeelte der H. Mis, dat
Canon of vastgestelde regel genoemd wordt, omdat daarin het voorschrift vervat is, hoe de II. Offerande opgedragen moet worden en ook dewijl die gebeden niet veranderen, gelijk die in het begin en op het einde der H. Mis.
Van nn af tot aan het Pater Noster. worden alle gebeden in stilte gedaan, om ons de verhevenheid en het geheimnisvolle der heilige handeling, welke voltrokken wordt, aan te duiden.
Jn den Canon, vóór de Consecratie, bidt de priester vooral, dat God zijnen zegen moge schenken aan de gcheele Kerk en haar Opperhoofd, aan den Bisschop, als herder van het diocees, en verder bidt hij voor alle geloovigen, en meer bijzonder voor hen, die bij de H. Mis tegenwoordig zijn. Hij smeekt God door de voorspraak van alle Heiligen, om zijne alvermogende bescherming; hij strekt de handen uit over het brood en den wijn en bidt. dat de Heer ons onder het getal zijner uitverkorenen moge rekenen.
Bij den Canon moeten wij ons voorstellen, hoe Christus zijn kruis gedragen heeft en hoe Hij daaraan is vastgenageld.
Hier wordt gescheld, om de geloovigen opmerkzaam te maken, dat de consecratie gaat beginnen. Allen knielen neder.
Xu verplaatst eindelijk de priester zich als
het ware in de eetzaal van Jeruzalem, waar de Heiland de H. Mis instelde en nu doet hij hetzelfde (in naam en in plaats van Christus) wat Deze toen gedaan heeft: hij neemt het brood in zijne handen, verheft de oogen ten hemel, zegent het en spreekt de woorden dei-Consecratie uit.
Dan knielt hij. om den Goddelijken Verlosser, door de woorden der Consecratie op het altaar tegenwoordig gesteld, te aanbidden. Hij heft de H. Hostie omhoog, opdat alle aanwezigen Christus zouden aanbidden.
Hij knielt neder, neemt den kelk met wijn, spreekt ook daarover de woorden der Consecratie uit, dan knielt hij ter aanbidding neder en heft den kelk in de hoogte.
Welk een plechtig en indrukwekkend oogen-blik voor den Christen, die met de oogen des Geloofs, zijn Goddelijken Heiland, op het altaar tegenwoordig, aanschouwt en aanbidt!
Verplaats u. in dat heilig o jycnblik, aan de n roet van Jezus' kruis, sla rouivmoedir/ op de horst en aa nbid met diejmn eerbied u wen Verlosser!
In het tweede gedeelte van den Canon (na de Consecratie) smeekt de ]uiester den Hemelschen ATader, deze offerande genadig aan te nemen, hij bidt ook voor de overledenen, opdat God
hun genadig zij, en ook nog voor de geloovigen, opdat de Heer hen allen onder het getal zijner uitverkorenen opneme.
Al deze gebeden, in stilte gedaan, herinneren. o:is aan de drie plechtige iiren, gedxirendeicelke Christus aan het kruis hing.
Na een klein inleidingsgebed, zingt of leest de priester hardop het «o-s-frr {Onze Vader), om in naam des Verlossers aan den Hemelsehen Vader alles te vragen wat ons heilzaam is.
De zeven vragen van het Onze Vader herinneren ons aan. de zeven tcoorden, door Christus aan het kruis gesproken.
Na een kort gebed gedaan te hebben, breekt de priester de H. Hostie in drie deelen en laat een klein gedeelte daarvan in den kelk vallen.
Waarom wordt de H. Hostie gebroken?
1°. Omdat Christus, bij de instelling der H. Mis, dat ook gedaan heeft; Hij nam het brood, brak het en gaf het den leerlingen, zeggende mz.
2°. Om ons te herinneren, hoe bij Jezus' dood. de ziel van het lichaam is gescheiden.
Nu wendt de priester zich tot Christus, ons aller Middelaar, en zegt driemaal; Lam Gods, dat wegneemt de zonden der icereld,ontferm üonzer.
Vervolgens doet de priester drie gebeden,als nadere voorbereiding tot het plechtig oogenblik
- 39 -
der Communie; hij neemt de H. Hostie in de hand en, op de borst kloppende, zegt hij driemaal: Heer, ik hen niet icaarclig... enz. (Domme non sum dignus ...)
Daarna nuttigt de priester eerst de H. Hostie f en vervolgens den inhoud van den kelk.
Trachten wij in dat plechtig oogenblik onze godsvrucht te vernieuwen en (als wij in staat van genade zijn) de geesteli/jke Communie te doen. Zij bestaat hierin: dat men Christus met levendig geloof aanbidde, dat men verlange Hem werkelijk te ontvangen en dan zich in den geest met Hem vereenige, alsof Hij wezenlijk tot ons ware gekomen.
Bij de Communie des priesters kunnen wij ons voorstellen, hoe het B. Lichaam van Christus in het graf' gelegd is.
De priester gaat naar den rechterkant vanhet
* altaar, doet een kort gebed, wendt zich tot de geloovigen en zegt: Dominus vobiscurn.
Verheeld u hier, hoe Christus, ïdt het graf verrezen, tot zijne Apostelen sprak: âvrede zij met ü.quot;
* Daarna worden door den priester luid gelezen of gezongen een of meer gebeden, om God te bedanken, dat Hij ons aan de H. Offerande heeft willen deelachtig maken.
- 40 -
Vervolgens verkondigt hij luid, dat het H. Sacrificie der Mis geëindigd is, als hij zegt: Ite, Missa ent (gaat, de Mis is geëindigd.) Doch dan verlaten de geloovigen nog niet de kerk: zij schijnen den priester door hun afwachten, te zeggen: wij ziUlen deze plaats niet vedateu, alvorens gij ons cjezegencl hebt.
Dan spreekt hij over de aanwezigen den zegen uit, welke ons herinnert aan den zegen, door Christus, bij zijne Hemelvaart, aan de Apostelen geschonken.
Somtijds wordt, in plaats van Ite. Missa est, gezegd: Beneclicamus Ddwmo(latenwij den Heer danken) en in de zwarte Missen: Reqmjescant in pace (zij rusten in vrede). ''
Ten slotte bidt de priester een gedeelte van het H. Evangelie, dat gewoonlijk het begin is van het Evangelie van den H. Joannes, waarin op zulke verhevene wijze de Godheid van het quot; Eeuwige Woord verkondigd en tevens zijne menschwording voorgesteld wordt.
Besluit: Overweeg dikwijls de beteekenis en den diepen zin van de ceremoniën der H. Mis, om u op te wekken, die heilige Offerande altoos ' met eerbied en godsvrucht bij te wonen, opdat gij in ruime mate aan hare vruchten moogt deelachtig worden.
DERDE HOOFDSTUK.
Over eenige pleclitigheden, aan bepaalde dagen of t;jden verbonden.
§ 1. DE ADVENT.
Gelijk eerst vier duizend jaren moesten verloopen. vóór dat de beloofde Verlosser op aarde zou komen, zóó heeft ook de H. Kerk gewild, dat wij vier weken vóór Kerstmis, ons op bijzondere wijze tot dat hooge feest zouden voorbereiden.
Die tijd wordt Add-ut (komst)geheeten, dewijl hij als voorbereiding tot de komst des Heeren op aarde is ingesteld en ons ook tot zijne tweede komst in het oordeel moet voorbereiden.
Even als Joannes de Dooper, die den Joden predikte: Doet boetvaarclighnd, mint het Rijk Gods is nabij, zóó vermaant ook in die dagen de Kerk hare kinderen, om waardige vruchten van boetvaardigheid voort te brengen en zich van de wereldsche vermakelijkheden te onthouden; want het is een tijd van boete. Daarom zijn de Misgewaden des Zondags enopdedagen,
- 42 -
waarop geen feest gevierd wordt, van paarse Meur. Vroeger zelfs was de verplichting-van vasten voorgeschreven.
Op quatertemper-Woensdag wordtin den vroegen morgen de (??lt;â¢/lt;?lt;'« J/Z-splechtiggecelebreerd, tot blijk van het vurig verlangen der geloovigen naar de komst des Heeren.
Waarom geschiedt dat, terwijl het nog donker is?
Dat stelt ons voort/''» duiste rennacld ([ev dwaling en van het zedenbederf, waarin de wereld vóór de komst des Verlossers verkeerde. De dag is echter nabij, waaropde Zon der gerechtigheid, die de gansche wereld moet verlichten, verschijnen zal. Daarom is de kerk heerlijk verlicht, terwijl rondom alles nog duister is.
Zij wordt (julden Mis genoemd, omdat zij door het geloof en de godsvrucht der middeleeuwen met gouden letters in het Misboek geschreven was.
Deze Mis wordt altoos door een groot aantal geloovigen bijgewoond en vooral lt; loor de scheepslieden en anderen, die aan meer dan gewone gevaren zijn blootgesteld. Waarschijnlijk is dat een gevolg van hun godsvrucht en vertrouwen jegens de H. Maagd, de Sterre der Zee, de beschemster in alle gevaren, om hare voorspraak
bij deze gelegenheid op bijzóndere wijze in te roepen.
Bij het einde des Advents, viert de Kerk het Kerstfeest (of Christus-feest bij uitnemendheid) namelijk de (reboorte des Verlossers. Ter gedachtenis aan dien genadenrijken nacht, beginnen de diensten reeds zeer vroeg in den morgen; oudtijds zelfs begonnen zij om middennacht.
Dien dag kunnen alle priesters dr/VH.Missen lezen. Dat gebruik is zeer oud in de Kerk. Eerst hebben de Pausen (gelijk zij dat ook nog op andere feestdagen deden) drie H.H. Missen gelezen; de eerste in de kerk van den H. Lau-rentius binnen de muren; de tweede in die der H. Anastasia en de derde in de kerk van het Vatikaan. Later heeft zich dat gebruik, met goedkeuring der Pausen, over de wereld uitgebreid. In de meeste landen werd het omstreeks het jaar 800 ingevoerd.
De zinnebeeldige beteekenis van de driemaal hernieuwde offerande is deze: de eerste wordt opgedragen ter gedachtenis, dat de Zoon Gods van alle eeuwigheid van den Vader voortkomt; de tweede ter eere van Christus' geboorte te Bethlehem en de derde ter herinnering aan de komst van Jezus in onze harten, door zijne genade en vooral in de H. Communie.
Ofschoon men daartoe niet verplicht is wonen toch alle geloovigen, die daartoe de gelegenheid hebben, op dien dag drie H. Missen bij.
§ Ã. OSZE LIEVE VBOUWE-LICHTMIS.
Door de Mozaïsche Wet was voorgeschreven, dat de moeder haren eersten zoon aan G-od zou opdragen en tevens als brandoffer een lam en daarbij eene dnif of tortel ten offerzon brengen. De armen konden volstaan met eene tweede dnif of tortel in plaats van het lam te offeren. Ofschoon nu noch de Goddelijke Heiland, noch zijne H. Moeder aan dat voorschrift der Wet gebonden waren, hebben beiden zich daaraan willen onderwerpen.
Veertig dagen, nadat de Engelen des Hemels Jezus' geboorte aan de herders verkondigd hadden, toog Maria, met het Goddelijk Kind op hare armen, naar den tempel van Jeruzalem. De H. Jozef droeg het offer der armen mede.
De grijsaard Simeon kwam hen tegemoet, nam het Goddelijk Kind in zijne armen en door den H. Geest verlicht, riep hij uit: Xit laat, o Heer, Uwen dienaar in vrede gaan; want niijne ooejen hebben Uw Heil aanschouwd.
Vervolgens werd het Goddelijk Kind den Heere opgeofferd; daarom wordt dit feest ook genoemd: de opdracht van Jezus in den tempel.
Het wordt Maria-Lichtmis geheeten, dewijl, bij gelegenheid van dit feest, de H. Kerk een aantal kaarsen wijdt, welke brandende in de processie worden rondgedragen.
Dit feest is zeer oud in de Kerk; het zou zelfs, volgens Paus Benedictus XIV, tot de Apostolische tijden opklimmen; de wijding der kaarsen echter is van lateren tijd.
De priester, in paars gewaad, zegent de kaarsen, ter rechterhand van het altaar geplaatst en bidt, opdat zij, voor allen, die er een godvruchtig gebruik van maken, mogen dienen tot heil van ziel en lichaam.
De kaarsen, van irit was vervaardigd, stellen ons voor het maagdelijk-reiiie lichaam des Heeren, die in den tempel opgeofferd werd; het licht herinnert ons, dat Hij is het ware licht der wereld.
De processie stelt ons voor, hoe Maria, den Goddelijken Heiland op hare armen dragende, naar den tempel heenging. Ook moeten wij ons hierbij herinneren, dat, als wij het geluk hebben Jezus in ons hart te ontvangen in de H. Com-mimie, onze ziel alsdan, naar het voorbeeld
- Mi -
van Maria en Simeon, vervuld moet zijn met gevoelens van geloof, liefde en vurig verlangen.
De gewijde kaarsen worden door de geloo-vigen ontstoken ten tijde van onweder, maar vooral dienen zi] bij het laatste levensuur van den Christen. Wanneer ook voor ons eens dat uur zal slaan, dan zal die brandende kaars, als het ware. ons vóórlichten bij onze intrede in de eeuwigheid, waar wij eens het Eeuwige Licht hopen te aanschouwen.
In navolging der H. Maagd, die het Goddelijk Kind in den tempel opdroeg, is het gebruikelijk geworden, dat de christelijke moeders ter kerke gaan, om voor zich-zelven en haar kind Gods zegen te vragen, welke hun door den priester, in naam der Kerk vóór hetaltaar gegeven wordt
§ 3. ASCH-WOENSDAG.
Heeds in het Oude Verbond was het gebruikelijk. asch op het hoofd te strooien, ten teeken van boetvaardigheid. Dat deden de inwoners van Ninive, dat deden de vrome Judith, de geduldige Joh en vele anderen.
In vroegere eeuwen was het gebruikelijk, dat menschen, die zich aan openbaar bekende en
- 47 -
zware misdaden hadden schuldig gemaakt, daarvoor upculi/jlc boete moesten doen. Dategeschiedde meestal op Asch-Woensdag, als zijnde de eerste dag der veertigdaagsche Vasten, den tijd van versterving en boetvaardigheid. Die openbare zondaars, in boetekleed gehuld, verschenen dan bij den ingang der kerk. Daar werd hun de te verrichten boete opgelegd. Daarnawerdenzij de kerk binnengeleid en hun hoofd, ten toeken van boetvaardigheid, met asch bestrooid.
Allengskens voegilenzich.uitzuchtnaar boete-pleging, bij de openbare zondaars een aantal geloovigen, die zich ook door den priester asch op het hoofd lieten strooien. Zóó werd reeds in de elfde eeuw dat gebruik meer algemeen.
Ook thans is de Asch-W oensdag nog IBn plechtige dag in Gods Kerk; alles wekt degeloovigen op, om, in den geest der ware boetvaardigheid, de H. Vasten te beginnen.
De jMlmi'ii, op Pahn-Zondag gewijd, zijn tot asch verbrand en op het altaar geplaatst. De priester verschijnt in paars gewaad, tenteeken van rouw en droefheid. De gebeden der wijding zij n eene opwekking tot vernedering des geestes, tot boetvaardigheid des harten en verzuchtingen tot God om genade en barmhartigheid.
Vervolgens bestrooit de priester hetvoorhoofd
- 48 -
der geloovigen met de gewijde asch, terwijl hij zegt: G-edenk, o mensch! dat gij stof zijt en tot stof zult icederlieercn!'
Zóó worden alle aan hunne sterfelijkheid en vergankelijkheid hier op aarde herinnerd. Moge dat woord altoos tot in het diepste onzer ziel doordringen en ons krachtig herinneren, dat alles hier op aarde voorbijgaat, en ook ons lichaam weldra tot stof en asch zaltemgkeeren. Die gedachten zullen ons doen besluiten, om de zonde te vermijden, boete te doen over het bedreven kwaad en alleen voor G-od en de eeuwigheid te leven!
§ i. 1gt;E PASSIE-TIJD
De tijd, waarin de H. Kerk meer bijzonder het lijden des G-oddelijken Verlossers herdenkt,
begint reeds met Passie-Zondag. Op den vooravond van dien dag worden alle kruisbeelden in de kerk met een paar sen doek bekleed. Dat geschiedt: 1°. om ons te herinneren hoe Christus, eenigen tijd vóór zijn lijden, zich t voor de Joden, die Hem zochten te dooden, verborgen heeft, dewijl Zijn lijdensuur niet ge-
komen was.
i
- 49 -
2°. Om de geloovigen tot godvruchtige overweging van Jezus' lijden op te wekken.
Vooral echter is de Goede Weck (ook soms Heüicje Week genoemd.) aan de vereering en overweging van Christus' lijden toegewijd. De plechtigheden, welke alsdan in de kerk geschieden, zullen wij thans bespreken en wel eerst die van Pahn-Zondag.
De palmen wijding word t voorafgegaan van een gebed en het zingen van een Epistel en van het Evangelie, waarin do plechtige intrede des Verlossers in Jeruzalem verhaald wordt, toen het volk, met palmtakken in de hand. Hem tegemoetging en riep: Hosanna den Zone Davids! Dan zingt. de priester eene Prefatie, welke eindigt met de woorden: heilig, heilig, heilig zijt Gij, o God der Heerseiiaren, enz.
Dan eerst begint de eigenlijke icijdlng dei-palmen, welke ter rechterhand van het altaar geplaatst zijn, of door de geloovigen in de hand gehouden worden. De priester bidt alsdan, in naam der Kerk, dat Gods zegen over hen, die deze palmen gebruiken, naar lichaam en ziel moge nederdalen, alsmede over die plaatsen, waar zij bewaard zullen worden.
De palmen worden vervolgens met wijwater besproeid en bewierookt en dan uitgedeeld
4
- 50 -
aan de aanwezige priesters en aan de geloo-vigen. die in de processie znllen meegaan. Dan begint de processie, waarbij allen een palmtak in de rechterhand dragen, terwijl het koor zingt: âHosanna den Zoon van Da rid! gezegend zij Hij. die kond in den naam des Heeren; hosanna in den hooge!
Die plechtige omgang stelt ons levendig voor. hoe de Goddelijke Heiland bij zijne intrede in Jeruzalem werd verwelkomd.
Het gebruik der palmenwijding en der precessie op dezen dag werd reeds tegen het einde der 6e eeuw ingevoerd door Paus Gre-gorius den Groote.
Gedurende die plechtigheid behooren de ge-loovigen den Verlosser te loven en te prijzen als den Overwinnaar van dood en hel, en Hem te danken voor de onbegrensde liefde, ons in Zijn H. lijden bewezen.
Onder de H. Mis wordt de geschiedenis van liet bitter lijden in haar geheel gelezen of gezongen, volgens het Evangelie van den H. Mattheüs.
Den volgenden Dinsdag wordt de passie gelezen, volgens den H. Marcus, Woensdag volgens den H. Lucas, en op Goeden Vrijdag volgens den H. Joannes.
- 51
§ 5. GüEDE DOJiüERDAfct.
Op dezen dag is in de kerk alles verandenl: liet altaar is feestelijk gesierdihetpnarsekleed van het kruisbeeld op het hoogaltaar is vervangen door een icitteu doek; witte kaarsen branden en de priester verschijnt aan het altaar in plechtig, wit gewaad, als op een hoogen feestdag, il) Het Gloria m c.m'lms wordt wederom vreugdevol gezongen, terwijl de klokken luiden en de schellen klinken. En toch is het op dezen dag, dat de Heiland door een zijner leerlingen verraden werd en zijn H. lijden begonnen heeft.
Waarom dan dit vreugdebetoon ?
Omdat de H. Kerk op dezen dag dt'gedachtenis viert der instelling van het H. Sacrament des Altaars en van het Priesterschap des Nieuwen Yerbonds.
Met vreugdevolle dankbaarheid herdenkt de Kerk die heilige en geheinmis volle instelling en daarom is bij de plechtigheden vreugde met droefheid vermengd.
Zoodra het (Uuria geëindigd is. hervalt alles in eene stemming van rouw en droefheid, welke deze gansche week kenmerken. Het ge-
(1) Diiarom wordt deze dng ook Witte Do.ulerdiig gem-eird.
klingel der schellen, het gelui der klokken, liet orgelspel heeft opgehouden; geen vreugdetonen zullen meer klinken, totdat de Kerk het blijde (dleliija! zingen zal.
Die plechtige stilte moet den Christen tot ernstige gedachten stemmen; hij moet vooral in deze dagen met weemoed en liefde Jezus' bitter lijden overwegen en rouwmoedig treuren over zijne zonden, welke daarvan de oorzaak waren.
In plaats van den zilveren klank der schel, hoort men nu bij de voornaamste deelcn der H. Mis het dof geklep der houten ratel. Ook daarmede, in plaats van het klokkengelui, worden de geloovigen ter kerke geroepen. Dat gebruik is nog een overblijfsel uit de eerste tijden der Kerk en is in deze laatste dagen der Goede Week een teeken van rouw en droefheid.
Op Goeden Donderdag worden meestal geen leesmissen gedaan, maar alleen ééne Hoogmis, om ons te herinneren aan de ééne bloedige offerande des kruises en ook aan de eenheid dei-onbloedige offerande, welke Christus dagelijks, over de geheele wereld, door de handen dei-priesters, aan den Hemelschen Vader opdraagt.
De priesters, die bij den H. Dienst tegenwoordig zijn, communiceeren tegen het einde dei-Mis; alsdan kunnen wij ons voorstellen, hoe de
eerste priesters (de Apostelen) in het laatste Avondmaal de H. Communie uit de hand des Heeren zeiven ontvangen hebben.
In de Hoogmis van den dag doet zich nog eene andere buitengewone ceremonie voor. In plaats van ééne groote hostie, consecreert de priester er fiere: eene H. Hostie nuttigt hij bij de Communie; de andere legt hij in een kelk, dekt dezen met eene pateen, een pallas en een kelkdoek van witte kleur. Deze laatste H. Hostie zal hij cp Goeden Vrijdag nuttigen, want op dien dag, waarop de blorclif/c offerande des kruises op Golgotha voltrokken werd, zal in Gods Kerk het onbloedige Sacrificie niet opgedragen worden. Zóó bitter en smartelijk valt haar de groote lijdensdag!
Alhoewel op Goeden Yrijdag de eeuwigdurende Offerande niet zal opgedragen worden, wil de Kerk toch, dat hare kinderen ook op dien dag nog in de gelegenheid blijven om hunnen Goddelijken Heiland in dit H. Sacrament, hunne liefdebewijzen aan te bieden.
Daarom wordt Donderdags op een zijaltaar eene prachtig versierde rustplaats, door de geloovigen het H. Graf genoemd, voer het H. Sacrament bereid.
Daarheen draagt de priester na de Hoogmis
54 -
in plechtige processie den kelk met de H. Hostie. In de meeste kerken blijft het H. Sacrament aldus den ganschen dag ter aanbidi ling uitgesteld.
Daar, bij het H. Graf, komen de geloovigen, door hunne godvruchtige gebeden, den Godde-lijken Verlosser, in het Sacrament zijner liefde, vergoeding aanbieden voor de versmadingen, welke Hij in zijn H. lijden van de Joden verduurde en voor de onteeringen. welke Hem ook thans nogin het H. Sacrament aange(laan worden.
Na het einde van den dienst worden de altaren ontkleed; de priester neemt biddende do mappen, de kandelaars en andere sieraden weg.
Waarom geschiedt dat?
1°. Om aan te toonen, dat voor eenigen tijd de H. Offerande aldaar niet meer zal opgedragen worden.
2quot;. Om ons te herinneren, hoe de lijdende Verlosser door de beulen van zijne kleederen beroofd werd.
§ «. GOEDE VRIJDAG.
Deze dag herinnert ons aan den grooten lijdensdag, den verhevensten en heiligsten dag. welken de wereld ooit aanschouwde; den dag.
â oo â
waarop de Verlosser het bloedige zoenoffer aan Gods oneindige rechtvaardigheid aanbood, tot heil en zaligheid van het menschdom.
In de kerken heerscht een verheven ernst en eene plechtige stilte;. Geen waslicht brandt op het altaar, de godslamp zelve is uitgedoofd. Een enkele witte doek is over het altaar gespreid; hij ishetzinnebeeld van den grafdoek des Heeren. De priester, in zwart gewaad, werpt zich aan den voet des altaars neder en bidt. Yorvolgens gaat hi] ter rechterzijde van het altaar en zingt daar de treffendste gebeden: voor de Kerk en hare dienaren, voor alle geloovigen, voor Koningen en Vorsten, voor de bekeering der verblinde Joden en voor die der ongelukkige heidenen.
Dan neemt de priester het bedektekruisbeeld, maakt den sluier in drie keeren los en vertoont het afbeeldsel des Gekruisten telkens aan het volk, terwijl hij zingt: Ziet het kruishout, icauraan het Heil der tcereld gehangen heeft! Het koor antwoordt eiken keer: Komt. laat ons aanbidden!
Deze driemaal herhaalde aanbidding is eene eerherstelling, den Heiland gebracht, voor de driemaal herhaalde beschimpingen doordeJodeu bij Kaïphas, bij Pilatns en op den Golgotha Hem aangedaan.
â 56 â
Dan wordt hot kruisbeeld op een kussen ge. legd; tie priester trekt zijn schoeisel uit, valt driemaal aanbiddend neder en kust de wonden der voeten. Die vereering wordt door de andere priesters en geloovigen nagevolgd.
Eindelijk worden de kaarsen op het hoogaltaar ontstoken en het H. Sacrament wordt in processie ïüt hei H. Graf gehaald.
Xa eenige gebeden gedaan te hebben, heft de priester de H. Hostie ter aanbidding omhoog en kort daarna nuttigt hij ze.
Het altaar wordt weer ontkleed, de tabernakel staat open en ledig; dat alles roept ons in stille plechtigheid toe: Alles is volbracht. Christus is gestorcen! Gij, zijne kinderen, weent, treurt en bidt!
§ 7. GOEDE ZATERDAG.
De plechtigheden van dezen dag beginnen met de inzegening van het nieime vuur. Dat vuur wordt uit een steen geslagen, en wel om aan te duiden, dat Christus de hoeksteen is van het eeuwigdurend gebouw van Gods Kerk. die door de Joden is verworpen geworden.
â ot â
Het licht stolt ons Christus voor. die het tea re Licht der wereld is. Ook heeft deze plechtigheid nog deze zinnebeeldige beteekenis: de vonk, welke uit den steen ontspringt, herinnert ons aan den verrezen Heiland, die met goddelijk licht omstraald, uit de steenrots van zijn graf te voorschijn trad.
Dat nieuwe vuur wordt gezegend, met wijwater besproeid en bewierookt, omdat het dienen moet voor het gebruik der kerk, daarom wordt het eerst aan God toegewijd.
Een drietakkige kaars (een zinnebeeld der H. Drievuldigheid) wordt aangestoken en do priester (of de diaken) zingt driemaal; lumen Christi (het licht van Christus), waarop telkens het koor antwoordt: Beo (/rati us (Gode zij dank).
Zóó brengt de Kerk haren dank aan de H. Drievuldigheid voor het werk der volbrachte verlossing.
Yervolgens wordt de PaascMaars gezegend. Deze kaars is op buitengewone wijze versierden de wijding is zeer plechtig wegens hare hooge zinnebeeldige beteekenis. Zij stelt ons namelijk voor: l0. de vuurkolom, welke Voor de Israëlieten uitging, toen zij uit Egypte trokken, en 2f'. als zij daar met helder licht schittert, den
- 58 -
rezen Verlosser, die met liemelschen glans omstraald, aan de Apostelen verschenen is.
De Paaschkaars wordt gezet aan den kant van het Eoangelie, omdat zij Dengéne voorstelt, die de goede tijdimj aan liet menschdom gebracht heeft.
De vijf wierookkorrels, welke in die kaars kruisgewijze ingestoken wi )rden, herinneren ons aan de vijf H. Wonden des Heeren en tevens aan de specerijen, welke Magdalena bereid had, om het lichaam des Verlossers te balsemen.
De Paaschkaars wordt op Zon- en feestdagen, zoolang als Christus nog op de aarde bleef, ontstoken, tot op den dag der Hemelvaart; dan wordt zij na het Evangelie uitgedoofd.
In vroegere eeuwen werden vooral op dezen dag en Zaterdags vóór Pinksteren, de katcchu-rnenen (bekeerlingen) plechtig gedoopt. Vooraf echter werd het water in de doopvont gewijd. De Kerk heeft die wijding op gemelde dagen bijgehouden.
In verheven en statigen zang spreekt de priester de zegening uit over de wateren, welke aan zoo velen heil en zaligheid in het H. Doopsel zullen aanbrengen. Driemaal dompelt hij de
~ 59 -
Paasclikaars in de wateren en bidt, dat de kracht des H. Geestes daarover nederdale.
De priester gaat dan naar het altaar, werpt x zich aan den voet plat ter aarde neder, terwijl de litanie van Alle Heiligen gezongen wordt, om God aldus voor zijne weldaden te danken.
De H. Mis van dezen dag herinnert ons aan de Mis van Paaschnaeht uit vroegere tijden. De priester verschijnt in prachtig wit gewaad; bij het Gloria in excelsis, dat op plechtige u toon gezongen wordt, speelt weer het orgel, de schellen klinken blijde, de klokken luiden vreugdevol. Dat alles verkondigt ons de blijde tijding van 's Heeren glorievolle verrijzenis.
Xa den Epistel zingt de priester driemaal, telkens op hoogeren toon, het blijde allelvja, den kreet der overwinning.
Aan het Ite Missa est wordt van nu af, gedurende 8 dagen, tweemaal alleluja bijgevoegd.
Zalig hij, die in dezen tijd van geestelijke r vreugde, het leven der genade in zijne ziel bezit! * Moget gij dat altoos bewaren, dan zult gij in den vrede des harten hier op aarde reeds een voorsmaak hebben van de eeuwige blijdschap des Hemels!
Ãt
60 - -
§ 8. OVER DE PROCESSIES.
Elkeen weet. clat eene processie een plechtige omgang of optocht is. waarbij tloor het koor Gods lof gezongen en door de geloovigen, in eerbiedig gebed, des Heeren zegen gevraagd wordt.
Men onderscheidt vooral twee soorten van processies: die, waarin het H. Sacrament plechtig wordt omgedragen, en die. waarbij dat niet geschiedt.
Eerst een woord over de plechtige processie onder de Oktaaf van het H. Sacrament.
Niet slechts in de kerk, maar ook daar buiten is alles in feestgewaad, om den triomf des Hei-lands te vieren. Huizen en straten zijn versierd, en rustaltaren opgericht. Een kruis met vaandel opent den stoet; de geloovigen van allen ouderdom en stand volgen biddend in twee lange rij en. Eenige onschuldige kinderen, in het wit gekleed, strooien bloemen op den weg, die door Christus, in het H. Sacrament tegenwoordig, zal afgelegd worden. De muziek doet hare blijde tonen weerklinken. het koor zingt de lofzangen der Kerk, het gebed der geloovigen stijgt hemelwaarts. Dan volgt de priester met het H. Sacrament, onder een rijk versierd baldekijn, omringd door mannen, die brandende lantaarns of flambouwen dragen.
- 61 -
Zij, die hel geluk niet konden smaken, zeiven de processie te volgen, zitten vóór hunne huizen in aanbiddende houding.
Bij de rustplaatsen wordt de zegen gegeven over huizen en velden en over alle bewoners dei-parochie. Daar knielen allen neder op dezelfde plaats, waar ook eens hunne voorouders knielend den zegen ontvingen.
Volg ook gij altoos dezen triomftocht des Heeren met ingetogenheid en godsvrucht, dan zal Jezus ook over u zijne rijkste zegeningen doen nederdalen.
Thans nog iets over de processies op St. Marcusdag en in de Kruisdagen.
De processie op den feestdag van den H. Marcus, Evangelist, dagteekent van het jaar 590, toen zij door Paus Clregrorius II ingesteld werd voor de stad Rome, om de bevrijding te vragen van eene vreeselijke pestziekte, welke aldaar heerschte. Later werd zij algemeen in de Kerk.
Kruisdagen noemen wij de drie dagen, welke het feest van Christus' Hemelvaart voorafgaan. Zij worden waarschijnlijk zóó genoemd, omdat daarbij geen vaandels, maar één of meer kruisen gedragen worden. Zij zijn vooral ingesteld om van God het behoud van do vruchten der aarde af te smeeken.
- 62 -
De instelling der kmisdagen dagteekent van lt;le 5- eeuw. Zij werden het eerst gehouden door den H. Bisschop Mamertus in -KiU, tot afwering van de verschrikkelijke rampen, waardoor de stad Vienne. in Frankrijk, toen geteisterd werd. Weldra verspreide lezich (lat godvruchtig gebruik over vele landen en werd in het jaar 795 door Paus Leo III te Rome ingevoerd. Van den beginne af werden deze dagen ook als vasten-en onthouilingsdagen beschouwd. Zij zijn dat thans nog in vele Bisdommen; in het Diocees Roermond is sedert eenige jaren daarin gedispenseerd.
Hoe schoon is het en opbeurend voor het christelijk gemoed, in die dagen te zien de lange rijen van geloovigen, die daar godvruchtig biddend heentrekken door kronkelende paden. langs welige weiden, bloeiende akkers en vruchtbare velden, om Gods zegen daarover af te smeeken! Dan keert ieder naar zijn werkkring terug, in de zoete hoop, dal zijn arbeid onder Gods bijstand moge gedijen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Over de Sacraiiieiitaliën.
~W at verstaat men door Sacra me utcdiën?
Daardoor verstaat men: 1°. alles, wat de Kerk wijdt of zegent tot een godsdienstig gebruik, b.v. rozenkransen, medaljes, palmen, asch enz.
2°. De zrcjeuinrjcii zeiven, welke over personen, huizen of plaatsen worden uitgesproken.
De Sacramentaliën zijn niet, gelijk de Sacramenten, door Christus ingesteld, maar door de H. Kerk. Zij zijn wel is waar niet ter zaligheid noodzakelijk: doch het gebruik daarvan, volgens den geest der Kerk, is zeer nuttig, b.v. gewijde medailjes in zijn huis te hebben óf bij zich te dragen.
quot;Waarom zegent of wijdt de Kerk sommige zaken ?
1°. Zij doet dat naar het voorbeeld van Christus zeiven, die ook stoffelijke zaken, zooals brood en visschen. zegende.
2°. Opdat die zaken aan degenen, die God beti/intieu. ten (joede (jcdijeii mogen.
Waarom moeten wij de Sacramentaliën met eerbied en betrouwen gebruiken?
Omdat wij daardoor deelachtig worden aan de
64 -
gebeden en zegeningen der Kerk, in wier naam de priester wijdt en zegent. Het gebed der Kerk heeft eene bijzondere kracht, dewijl zij de Bruid van Christus is en haar gebed steedsvereenigd is met dat desHeiiands en der Heiligen in den Hemel.
In die gebeden vraagt de Kerk de afwering vanGodsstraffen, bescherming tegen den I)oozen vijand, voor de geloovigen vrede, zegen en heil naar ziel en lichaam.
Waarom wijdt de Kerk alles, wat bij de godsdienstoefeningen gebruikt wordt, zooals: kerk, altaar, priestergewaad, klokken?
lu. Om al die zaken te heiligen en ze uitsluitend aan den Godsdienst te verbinden.
2°. Om ze voor de geloovigen eerbiedwaardig en heilzaam te maken.
Over ile wijding van asch, palmen en kaarsen is reeds vroeger gesproken; over het wijwater zal later gehandeld worden.
Thans nog een enkel woord over de zoogenaamde Agnus Dei. Dit beteekent: Lam (jods.
Het zijn ovaalronde stukken wit was, ter grootte van het binnenste eener hand, waarop een lam, een kruis vasthoudende, is afgebeeld. Het stelt ons voor Christus, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Zij worden door den Paus plechtig gewijd op Woensdag en
- 65 -
dan op Beloken Paschen aan de aanwezigen uitgedeeld.
Dat gebruik is zeer oud in de Kerk en wel van de 5e eeuw. Het schijnt zijnen oorsprong-te danken aan eene gewoonte uit de eerste tijden des Christendoms, om namelijk op Beloken Paschen de Paaschkaars stukswijze aan de geloovigen te verdoelen. Later kwamen daarvoor in de plaats de Agnus Dei, welke niet slechts te Rome, maar ook over de gansche Kerk verspreid zijn, dewijl zij door de pelgrims van daar medegebracht worden. Zij worden eerbiedig bewaard of gedragen, om deelachtig te worden aan den zegen, welke daarover is uitgesproken. Bij de wijding bidt de Paus, dat het Clode behage, dat was te heiligen en die het godvruchtig bewaren, tegen alle onheilen naar ziel en lichaam te beschermen.
- 66 -VIJFDE HOOFDSTUK.
Over eenige kerkelijke instellingen en godvruchtige gebruiken.
§ 1. OVER ])E AFLATEN.
In dit Ik lofdstuk zal dikwijls gesproken worden over het verdienen van aflaten, aan sommige godvruchtige oefeningen verbonden. Derhalve achten wij het nuttig, daarover een enkel woord te zeggen.
Door aflaten verkrijgen wij kwijtschelding der tyjdeli/jke straffen, welke wij nog zouden moeten lijden voor zonden, die vergeven zijn.
Een aflaat geeft dus geen vergiffenis der zonden, noch van de eeuwige straf der hel, maar alleen van de tijdeli/jke straf, welke wij nog zouden moeten ondergaan in het Vagevuur, of waarvoor wij op deze wereld moeten voldoen. Die tijdelijke straffen blijven gewoonlijk nog te voldoen ook voor de doodzonden, nadat deze in de Biecht vergeven zijn; ook verdient men die door dë dagelijksche zonden.
De aflaten worden verdeeld in volleengedeelte-
â 67 â
li/jke. Door een vAlen aflaat (als men dien (jclwcl verdient) wordt ons kwijtschelding van alle nog verschuldigde straffen geschonken.
Door een gedeeltelijken aflaat krijgt men vergiffenis van een yecledte der verschuldigde tijde-*â hike straf. Zóó verdient men. door een aflaat van 100 dagen zóóveel kwijtschelding van tijdelijke straf, als men zou verkrijgen (/oor lOOclciuen . boete te plegen, volgens de oude tuchtregels der Kerk. Hoeveel vermindering van de straf des Vagevuurs wij zeiven daardoor verdienen ofaan de geloovige zielen bezorgen kunnen, moeten wij aan Gods barmhartigheid overlaten.
Tot het verdienen van gedeeltelijke aflaten | is het voldoende, dat men in staat van genade zij en het goede werk verrichte, waaraan die aflaten verbonden zijn.
Voor de volle aflaten (behalve die van den t Kruisweg, waarover later gesproken wordt) is gewoonlijk vereischt: 1°. het verrichten van een goed werk. waaraan de aflaat verbonden is: 2quot;. biechten en commnniceeren. en 3U. eenigen tijd te bidden (b.v. 5 Onze Vaders en Wees ge-groeten, met het Eere zij den Tm/rr enz.) volgens de meening der 11. Kerk.
In goedgekeurde kerkboeken vindt men een aantal gebeden, waaraan aflaten verbonden zijn.
é
(38 -
Hier zij slechts opgemerkt, dat aan het bidden der akten van Geloof, Hoop en Liefde (welke ieder godvreezend christen dagelijks bidt) een aflaat verleend is van 7 jaren en 7 maal 40 dagen; als men ze dajdijks bidt, ééns in de maand een rulle aflaat, mits men de gewone voorwaarden, hiervoren aangehaald, vervulle.
Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis der aflaten. In de eerste tijden des Christendoms werden hun. die van de Kerk waren afgevallen of aan andere openbare zondaars, die zich weer bekeerden, openbare boetplegingcn opgelegd. Wanneer de boetelingen zich eenigen tijd daaraan onderworpen hadden, dan werd hun dikwijls door den Paus of door den Bisschop het overige kwijtgescholden. Zoo zien wij reeds, hoe de H. Apostel Paulus den Corinthiër, door hem in de ban gedaan, verlichting dier straf schonk en hem weder in den schoot der Kerk opnam.
Toen later in de Kerk het gebruik der openbare boetpleging afgeschaft was, bleef echter de gewoonte om kwijtschelding te verleenendei-tijdelijke straffen, door de zonden verdiend, voortbestaan. Die kwijtschelding quot;w ordt aflaat of rrijlatln/j van straf genoemd. Daarbij past de H. Kerk op hem, die het voorgeschreven goed
werk verricht, de oneindige verdiensten van Christus en de overvloedige voldoening dei-Heiligen toe.
§ 2. OVER HET KRUISTEEKEX.
De gewoonte om dikwijls het teeken van het H. Kruis te maken, is afkomstig van do allereerste tijden des Christendoms.
De kerkleeraar Tertulianns spreekt reeds daarvan als van een zeer oud gebruik. Hij schrijft aldus: âbij elkcji uit- of iiujunr/. als wij ons kkc-den, aan tafel zetten of iets anders doen. teekenen loi/j ons met het H. Kruis. Deze cjodcruch-tige oefeninj is door de overlereriticj ingevoerd, door de gewoonte bevestigd, en door het Geloof bewaard.quot;
Ook thans nog wordt d;it godvruchtig gebruik door de geloovigen onderhonden: men maakt het H. Kruisteeken bij het opstaan, vóór elk gebed, en als men zich ter rust begeeft; de H. Kerk bezigt dat teeken onzer Verlossing bij alle inzegeningen en wijdingen.
Waarom geschiedt dat alles?
1quot;. Om ons te herinneren, dat alle gebeden slechts hunne kracht ontleenen aan Jezus'lijden en kruisdood.
- 70 -
2°. Omdat het kruisteeken, gemaakt onder aanroeping der H. Drievuldigheid, een kort gebed is tot God.
8°. Dewijl het maken van het kruisteeken een openlijke belijdenis is van ons Geloof, waardoor wij toonen Katholieken te zijn.
4quot;. Omdat het een krachtig wapen is tegen de aanvallen des duivels, die door het kruis des Heeren overwonnen is geworden.
Onderhoud derhalve het schoone gebruik om dikwijls en godvruchtig het kruisteeken te maken, dan kunt gij ook telkens een aflaat van 50 dagen verdienen.
§ 3. OVER HET WIJWATER.
/ '
ijicater noemen wij water, dat met gewijd zout vermengd, door kerkelijke gebeden, tot godsdienstig gebruik gezegend wordt.
Men besproeit zich daarmede het voorhoofd, 's morgens en 's avonds, alsook wanneer men de kerk in- of uitgaat. Daarmede worden de geloovigen besproeid in de kerk, vóór en soms ook na de diensten, alsmede alle zaken, welke de Kerk zegent of wijdt.
Bij de wijding bidt de priester, dat allen, die
- 71 -
dit water met godsvrucht zullen gebruiken van hunne zonden gereinigd en van alle onheilen naar ziel en lichaam bevrijd mogen worden.
Vervolgens zegent de priester zout en vermengt het met het water.
Dat geschiedt om aan te toonen, dat, gelijk het zout tegen bederf vrijwaart, ook zóó door de kracht Gods dit water de geloovigen tegen alle bederf behoede en hen sterke tegen de bekoringen des duivels.
Om aan de gebeden der Kerk en aan de kracht der zegening deelachtig te worden, besproeien wij ons met het gewijde water.
Bij het ingaan der kerk heeft het nog deze zinnebeeldige beteekenis: dat de christen, die vóór Gods altaar verschijnt, door oprecht berouw zijne ziel moet trachten te reinigen van de zonden.
Al deze gebruiken dagteek enen van de eerste eeuwen der Kerk. Zóó schrijft de H. Paus Alexander (de 6e na Petrus) in het jaar 119: âWij zegenen het water, met zout vermengd, voor het volk, opdat allen, die daarmede besproeid icorden, aan die zegening deelachtig en de bekoringen, des duivels van hen mogen afgeweerd icorden.quot;
§ 4. OVER HET ANGELUSGEBED.
Het godvruchtig gebruik om 's morgen^ 's middags en 's avonds het Angelusgebed te doen, ontleent zijn ontstaan aan eene burgerlijke verordening der middeleeuwen, ioen was namelijk in vele landen (in de Ue eeuw vrij algemeen) voorgeschreven, dat op zeker uui van den avond r/dnkl zou worden ten toeken, dat. overal de vuren uitgedoofd moesten worden.
In die dagen van levend geloof werd door de godsvrucht der geloovigen de gewoonte ingevoerd om drie Wees gegroeten te bidden. Later werd ook 's morgens en 's middags geluid en eveneens gebeden. Dat gebruik was bij het einde der 15e eeuw reeds algemeen.
Het Angelusrjebed in den tegenwoordigen vorm vindt men eerst in de lithurgische boeken der 16e eeuw.
Dr Engel des Heer en bracht Maria de boodschap, en zij heeft ontvangen van den H. Geest. Wees gegroet, enz.
Zie de dienstmaagd des lieer en; mij geschiede naar uw woord. AVees gegroet, enz.
En het Woord is vleesch geworden, en Het heeft onder ons gewoond. Wees gegroet, enz.
Bid voor enis, 11. Moeder Gods, opdat wij
waardUj moncn worden der beloften run Clnistiis.
Laat ons bidden: IVij hidden U, o Heer. xtort mee t/emd-e in onze harten, opdat wij, die door de boousehap des Ent/els de rnensclurording ran ChristnUwen Zoon, gekend hebben, door zijn tijden m kruis gebracht mogen worden, tof 'te heerlijkheid der verrijzenis, door denzelfden Christus, onze)/ Heer. Amen.
Het is eene zeer schoone devotie, dewijl wij daardoor op bijzondere wijze het geheim der menschwording vcrecren en tevens aan Maria onze hulde brengen. Het is daarenboven eene indrukwekkende godsvrucht, welke als het ware het karakter van een algemeen en ope/iöaörgebed heeft verkregen. Is het inderdaad niet schoon te zien, hoe in eene christelijke familie, op het teeken der klok, allen eerbiedig nederknielen, om het Angelus te bidden ? Het is zóó treffend, als men zich in den zomer beweegt te midden der landlieden, die hunnen arbeid op het veld verrichten; bij den eersten slag der klok wordt ploeg en spa losgelaten, men ontdekt eerbiedig het hoofd en het vereenigd gebed stijgt hemelwaarts.
Thans een woord over de aflaten, aan ditgebed verbonden. Eiken keer als men de gebeden doet, gelijk die boven zijn aangehaald, kan men een
- 74
aflaat van 100 dagen verdienen; daarenboven, als men het minstens ééns per dag gedurende ééne maand gebeden heeft, een vollen aflaat, mits men de gewone voorwaarden vervulle: biechten, conmumiceeren en eenigen tijd bidden volgens de meening der Kerk.
Tot het verdienen dier aflaten wordt nog ver-eischt: 1quot;. dat men bovengemelde gebeden knielend verrichte; doohgedurendedenPaaschtijd -van Paschen totZaterdag voor H. Drievuldighei' I â alsmede eiken Zaterdagavond en Zondags, altoos staande, ter herinnering aan Christus' verrijzenis.
2U. Gedurende den Paaschtijd (van Goede Zaterdag-avond tot 's middags vóór H. Drievuldigheid) moet het Regina cceli gebeden Avorden. Zij, die het niet lezen kunnen of' van buiten kennen, moeten dan niet De Engel des Heeren maar vijf' Wees gegroeten bidden.
3°. Gemelde gebeden moeten verricht worden als de Angelusklok luidt.
Zijne Heiligheid Leo XIII heeft echter toegestaan: 1quot;. dat hij, die wettig verhinderd is om het Angelusgebed Indelend te bidden, dit ook staande of zittend doen kan.
2°. Als men bij het luiden verhinderd is of het niet hoort, dan is het voldoende, de voor-
â I o - -
geschreven gebéden te doen omtrent den tijd. waarop geluid wordt.
§ 5. OYEU DEN H. ROZESKBASS.
Heeds in de eerste tijden der Kerk bedienden zich vooral de kluizenaars van steentjes of houten blokjes om het aantal Onze Vaders, welke zij gewoon waren te bidden, gemakkelijker te tellen. In de middeleeuwen werd aan dat gebed telkens het Wees gegroet bijgevoegd.
De rozenkrans, gelijk die thans gebeden wordt, werd ingesteld door den H. Dominicus in het begin der 13e eeuw. In de levensgeschiedenis des Heiligen wordt verhaald, dat hij door de H. Maagd zelve aangespoord is geworden, om het gebruik van den rozenkrans aan de volkeren te prediken.
Dit gebed wordt aldus genoemd, omdat het is een krans of kroon van geestelijke rozen, welke aan God en de H. Maagd aangeboden worden. Hij bestaat uit 15 tientallen van Wees gegroeten, tusschen welke telkens het Eere zij den Vader enz. en een Onze Vader gevoegd worden. Vóór elk vijftal tientjes (of rozenhoedje)
bidt men: Ik cjeloof in God den Vader enz. Eere zij den Vader enz. Onze Vader: Ik (jroet U, Dochter van God den Vader, dan een Wees gegroet. Ik groet U. Moeder van God den Zoon. (Wees gegroet.) Ik groet U, Bruid van God den //. Geest. (Wees gegroet.) Eere sij den Vader enz.
Bij elk der tientjes behoort men eenige oogenblikken na te denken over het mysterie, â dat daarbij uitgedrnkt wordt.
Elk tientje bestaat uit één Onze Vader, tienmaal TVees gegroet, en éénmaal Eere zij den Vader. Vóór elk tientje zegt men: Laat ons het eerste (tweede, enz.) tientje van den blijden (droevigen, enz.) Rozenkrans bidden, en daarbij aandachtig overwegen:dien Gij. o Maagd, van den If. Geest ontvangen hebt. â Onze Vader, enz. - â Verder op beurt de volgende geheimen. â Bij deze wijze van bidden behoeft men de vermelding van het geheim niet in elk Wees gegroet te herhalen.
Men kan ook de vermelding van het geheim bij elk Wees gegroet inlasschen, rn uir dan behoort men toch reeds bij het begin van ieder tientje zijne aandacht op het betreffende geheim te vestigen.
Be blijde geheimen.
1. Jezus: Dien Gij, o Maagd, van den Heiligen Geest ontvangen hebt.
2. Dien Gij, o Maagd, Elisabeth bezoekende,, gedragen hebt.
3. Dien Gij. o Maagd, gebaard hebt.
4-. Dien Gij, o Maagd, in den tempel opgedragen hebt.
5. Dien Gij, o Maagd, in den tempel weder-gevonden hebt.
Be droevige geheimen.
1. Jezus: Die voor ons water en bloed gezweet heeft.
2. Die voor ons gegeeseld is.
3. Die voor ons met doornen gekroond is.
4. Die voor ons het kruis gedragen heeft.
5. Die voor ons gekruisigd is.
Be glorierijke geheimen.
1. Jezus: Die van de dooden verrezen is.
2. Die ten Hemel opgeklommen is.
3. Die den Heiligen Geest, gezonden heeft.
4. Die U, o Maagd, ten Hemel opgenomen heeft.
5. Die U, o Maagd, in den Hemel gekroond heeft.
â 78 â
Wordt, volgens loffelijk gebruik, na den rozenkrans de litanie van Loretten gebeden, dan zegt men na het derde: Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, enz.
f. Bid voor ons Pleilige Moeder Gods. r-. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
LAAT OXS BIDDEN.
Verleen, bidden wij, o Heer en God. dat wij, Uwe dienaren, eene bestendige gezondheid naar geest en lichaam mogen genieten: en door de glorierijke voorspraak der gelukzalige Maria altijd Maagd, van de tegenwoordige droefheid verlost, en in het genot der eeuwige blijdschap mogen gesteld worden. Door Christus onzen Heer. Amen.
De rozenkrans is zeker een schoon en voortreffelijk gebed; want hij is samengesteld uit de verhevenste en heerlijkste gebeden: de geloofsbelijdenis. het gebed des Heeren. door Christus zeiven ons geleerd, de herhaalde eerbewij-zing aan de H. Drievuldigheid en het Wees gegroet, wiens eerste woorden uit den Hemel op aarde gebracht zijn en. op Gods bevel, dooiden Aartsengel het eerst uitgesproken werden.
- 79 -
De godvruchtige overweging der mysteries is zeer nnrtig: bij de blijde kan de christen vooral beschouwen de oneindige liefde van Christus, die, om onzentwille op deze wereld gekomen, in nederigheid en armoede heeft willen leven.
Bij de droeriijc mysteries moet men zich herinneren eenerzijds èn Gods oneindige rechtvaardigheid èn zijne grenzenlooze barmhartigheid ; anderzijds de oneindige boosheid der zonden, voor welke eenMensch geworden God alleen in staat was volkomen te voldoen.
Bij het overwegen der glorieuze mysteries moeten wij ons met Jezus en Zijne H. Moeder verheugen en tevens ons hart ten Hemel verheffen, alwaar ook voor ons eene plaats is 1 iereid.
Hoe lirachtiij dit gebed is, bewijzen de uitstekende genaden en de ontelbare gunsten, welke de geloovigen daardoor van God. door de voorspraak van Maria, verkregen hebben.
De H. Dorninicus heeft, door de kracht van dit gebed. ontelbare ketters tot de vare Kerk teruggebracht. Paus Clemens XI en de H. Pius V schreven daaraan toe de schitterende en wondervolle overwinning, welke de Christenen op de Turken, de grootste vijanden der Kerk en
- 80 -
der Europeesche beschaving, in de 16- eeuw behaald hebben.
Door het Opperhoofd der Kerk werd het rozenkransgebed op bijzondere wijze den ge-loovigen aanbevolen en met ontelbare aflaten verrijkt. Paus Leo Xlll (dien men den Paus ran den Rozenkrans zou mogen noemen) heeft vóór eenige jaren bevolen, dat het feest van den H. Rozenkrans (op den Tquot; Zondag van October) opbijzondereplechtige wijze zougevierd worden, en dat gedurende de maand October in alle kerken dat gebed gezamenlijk voor het H. Sacrament zou gebeden worden.
O, hoe schoon en troostend is het te zien, hoe in de Octobermaand zoo vele duizenden Katholieken daar samen nederknielen en door de voorspraak der Koningin des Hemels voor zichzelven Gods zegen en bijstand en voor de Kerk rust en vrede komen afsmeeken!
Uiterst verdienstelijkishetschoone, echt christelijk gebruik om 's avonds de hhsgenooten te vereenigen en gezamenlijk den H. Rozenkrans te bidden. Over zulke huisgezinnen zal ongetwijfeld Gods rijkste zegening voor tijd en eeuwigheid nederdalen!
Thans nog een enkel woord over de aflaten, aan het bidden van den Rozenkrans verbonden.
- 81 -
waardoor wij de zielen des Vagevuurs kunnen troosten en verlossen, en ook voldoen voor de tijdelijke straffen, welke wij zeiven doordezon-den verdiend hebben.
Alle geloovigen kunnen, als zij godvruchtig den Rozenkrans bidden en in staat van genade zijn, verdienen : minstens 100 dagen aflaat voor ieder Onze Vader en voor elk JFees gegroet, zoo dikwijls zij minstens een rozenhoedje (5 tientjes) bidden, en als zij dat alle dagen dóen, ééns in het jaar een vollen aflaat, onder de gewone voorwaarden.
Om die aflaten te verdienen is het noodig : 1°. dat de rozenkrans r/miyd zij door een daartoe gemachtigden priester, en 2quot;. dat men (zoo veel men daartoe in staat is) bij elk tientje één der 15 mysteries in het kort overwege : nu eens de 5 blijde, dan de 5 droevige en dan weer de 5 glorieuze.
Hier zij nog opgemerkt, dat een rozen
krans alleen dienen kan voor dengene, voor wien hij gezegend of bestemd is; hij kan niet aan andere personen geleend worden om de aflaten te verdienen. Dan zou hij zelfs de wijding verliezen.
Zij, die leden zijn van de Broederschap van den H. Rozenkrans of van eene 'vereeniging
6
- 82 -
van 15 personen {levenden rozenkrans genoemd) kunnen daarenboven een groot aantal roWe verdienen op verschillende dagen desjaars, gelijk dat in de kerken, waar die Broederschappen bestaan, telkens wordt afgekondigd.
§ G. OVER DEN KRUISWEG.
De Goddelijke Heiland heeft, vóór dat Hij op Golgotha den smartvollen kruisdood gestorven is. door de straten van Jeruzalem, den weg van het paleis van Pilatus tot op de hoogte des bergs, schedelplaats genaamd, afgelegd. Die straten werden later de kruvmeg genoemd. Naar men meent, zouden reeds de H. Maagd en de Apostelen, ter gedachtenis van Christus' lijden, dien weg biddende zijn opgegaan. In latere tijden legden vele Christenen dien weg af onder godvruchtige gebeden en overweging-van het lijden des Heeren. Zelfs uit afgelegen landen togen vromepelgrims naar Jeruzalem, om de heilige plaatsen en vooral den lijdensweg te bezoeken. Later werd de kruisweg in zekere staties (of rustplaatsen) verdeeld, om de godsvrucht der geloovigen op te wekken, vooral op die plaatsen, waar een of ander bijzonder feit
uit de lijdensgeschiedenis des Verlossers was voorgevallen.
De Roomsche Pausen verleenden talrijke aflaten aan de pelgrims, die deze staties te Jeruzalem bezochten en godvruchtig het lijden des Verlossers overwogen.
Toen eindelijk de stad Jeruzalem door de on-geloovige Turken was in bezit genomen, en de geloovigen slechts met het grootste gevaar or zelfs niet meer die plaatsen konden bezoeken om (Ie daaraan ver))on( leu aflaten te verdlenen, wen i daarin op een andere wijze voorzien. DePausen hebben namelijk toegestaan, dat in de kerken de 14 staties konden opgericht worden.
Paus Benedictus XFV verleende aan allo geloovigen, die de staties of den kruisweg bidden, dezelfde aflaten, welke aan de staties van Jeruzalem waren toegestaan.
Die aflaten zijn zeer menigvuldig ;daarliij zijn zelfs verscheiden volle aflaten. Men kan de hoeveelheid daarvan niet juist bepalen; zij zijn allen toevoeglijk aan de geloovige zielen.
Welke zijn de voorwaarden, vereischt om die aflaten te verdienen ?
1°. Men behoeft niet gebiecht of gecommuniceerd te hebben; bet is voldoende, dat menin staat van genade zij.
- 84 -
2°. Het is vereischt, dat men van de eene statie naar de andere ga. Mocht dat echter, wegens de groote menigte der aanwezigen, niet mogelijk zijn, dan moet men voor elke statie opstaan en zich daarheen keeren.
3quot;. Vóór iedere statie moet men eenige oogen-blikken aandachtig denken ot'overwegenhetpunt der lijdensgeschiedenis, dat daardoor voorgestelquot; 1 wordt; dit is volstrekt noodzakelijk.
Ofschoon het goed en raadzaam is, daarbij eenige gebeden uit een kerkboek of een Onze Vader te bidden, is dat toch niet absoluut voorgeschreven.
Aan het einde van den kruisweg bidt men volgens loffelijk gebruik, zes Onze Vaders en Wees (jegroeten en even zooveel malen het Eere zij den Vader, enz.
Als men in de onmogelijkheid is, denkruisweg, gelijk boven gezegd werd, te bidden, en in het bezit is van een kruis, daartoe speciaal gewijd, dan kan men dezelfde aflaten verdienen, mits men 1°. het kruis in de hand houde; 2°. in zijn gedachten de 14 staties volge en 14 maal een Onze Vader en Wees cjegroet met het Eere zij den Vader bidde en daarna de zes Onze Vaders, gelijk boven gezegd is. Voor hen, die zwaar ziek zijn en gemelde gebeden niet doen kunnen.
â 85 â
is het voldoende, te bidden een akte van berouw en dan het volgende gebed: ü dan smeeken wij, kom vwen dienaren ter hulp, d'n Gii) door Uw kostbaar bloed verlost hebt. Een ander bidt dan 3 Onze Vaders en Weesyeyroe-ten en de zieke volgt ze in de gedachten. (Deer. van V) Sept. 1896.)
§ 7. HET H. SCAPULIER.
Onder de verschillende scapulieren, is het meest bekend en verspreid het Scapulier van den Berg Garnielns. Daarover zullen wij eene korte verhandeling geven.
Op den berg Carmelus brachten de Profeten Elias en Elizeüs een groot gedeelte van hun leven door. Het was daar, dat aan Elias die wonderbare wolk verscheen, welke eene voorafbeelding was van de H. Maagd, de Moeder des Heeren. De leerlingen dier groote Profeten dienden daar G-od in de eenzaamheid.
Volgens eene godvruchtige overlevering, zouden, in de eerste eeuwen der Kerk, zich hier een aantal kluizenaars gevestigd hebben, die aldaar een klooster en eene Kerk bouwden. Zij beoefenden eene bijzondere godsvrucht jegens
- 86 -
de H. Maagd. Daar zou, volgens diezelfde overlevering, de orde der Carmelieten haren oorsprong genomen hebben.
Het H. Scapulier echter, dat door de geloo-vigen gedragen wordt, heeft zijnen oorsprong-te danken aan den zaligen Simon Stock. Hij werd geboren in het graafschap Kent, in Engeland, tegen het einde der 12e eeuw. Reeds in zijne jeugd zeide hij aan alle aardschegoe-(leren en genoegens vaarwel en trok zich inde eenzaamheid terug, om daar een verstorven leven te leiden. Twintig jaren later trad hij in de orde der Carmelieten en was daar een toonbeeld van deugd en godsvrucht. Op zekeren dag, toen hij zijn hart in het gebed voor God uitstortte, verscheen hem, naar eene vrome overlevering meldt, de H. Maagd en gaf hem het Scapulier, als het eerekleed der kinderen van Maria. Zij beloofde hem tevens, dat allen die dat kleed godvruchtig zouden dragen, hare bijzondere bescherming in het leven en ook in het uur des doods zouden ondervinden.
Paus Joannes XXII verklaart, in eene bul van 13 Maart 1322. dat de H. Maagd ook aan hem verschenen was en hem verzocht had de orde der Carmelieten te bevestigen. Zij beloofde tevens, dat zij, die tot aan hunnen dood.
- 87 -
godvruchtig het Scapulier dragen en nog eenige voorwaarden vervullen, Zaterdags na hun overlijden uit het vagevuur zullen verlost worden.
* Behalve het Scapulier van den Berg Kar-
mel, zijn nog drie andere Scapulieren, namelijk: 1°. Het Scapulier dev AllerJi. Drievuldigheid is zijnen oorsprong verschuldigd aan de Orde der Trinitarissen, tot Vryjkooping der Gevangenen. Het kleed dier orde, waarnaar het Scapulier genomen is, werd aan den H. Stichter Joannes de Matha in 1193 door een engel aangewezen.
r 2°. Dat van 0. L. Vr. der zeven Smarten
werd op den 20 Maart 1239 door de H. Maagd zelve aan hare âzeven dienaarsquot; de EE. PP. Servieten, met den regel van den H. Augus-tinus, gegeven. Zij moesten door de overweging van het lijden van J. dir. en van Maria's Smarten aan hunne eigen heiliging en die der wereld werken.
3quot;. Dat der Onbevlekte Ontvangenis werd » den 2 Febr. 1617 aan de Eerw. Zuster Ursula Benincasa door de H. Maagd aangewezen voor hen, die Maria oprecht wilden vereeren, en de kuischheid volgens hunnen staat zouden be-
- 88 -
trachten. Het heeft de bekeering der zondaars en de verbetering der zeden ten doel.
De EE. Paters Redemptoristen geven die vier Scapulieren te gelijk, met alle voorrechten en aflaten daaraan verbonden.
De -s-/'/ der Scapulieren moet zijn laken of wollen stof. De kleur van dat der H. Drievuldigheid is trit. met een klein kruisje van roode en blauwe kleur. Het Scapulier van den berg Karmel is gewoon bruin; het kan echter ook zwart wezen; dat der 7 Smarten moet zwart zijn en dat der Onbevlekte Ontvangenis hemcl-Uauw of althans lichtblauw.
Voorwaarden ek Voordeelen.
Om deelachtig te worden aan de voorrechten en aflaten aan het Scapulier verbonden.
wordt vereischt:
1°. Dat men persoonlijk het Scapulier ont-vange van een daartoe gemachtigden Priester.
2°. Dat men het altijd drage en wel om den hals. Is het verloren of versleten, dan hange men een nieuw om. Dit behoeft niet C' meer gewijd te worden.
Ziehier enkele voordeelen aan deze godsvrucht verbonden:
1°. De geloovigen, die een of meer Scapulieren dragen, zijn verbonden aan de leden dei-orde, door liet Scapulier aangeduid en hebben een bijzonder deel aan de gebeden en goede werken dier kloosterlingen.
2°. Zij kunnen een groot getal aflaten verdienen, welke, voor elk Scapulier, in het bijzonder worden aangegeven.
3quot;. In het uur des doods een vollen aflaat, als men de HH. Namen van Jezus en Maria, ten minste in zijn hart aanroept. De leden van het Scapulier van den Berg Karmel zullen op bijzondere wijze door Maria beschermd worden.
Om het Zaterdagsche voorrecht (dat is, de verlossing uit het vagevuur. Zaterdags na den dood) te bekomen, moet men:
1quot;. Do zuiverheid bewaren volgenszijnenstaat.
2°. Dagelijks het klein officie der H. Maagd of het brevier bidden. Zij, die niet lezen kunnen, moeten de kerkelijke vasten onderhouden en Woensdags en Zaterdags (behalve op Kerstdag) vleesch derven.
Indien iemand, om gewichtige redenen, wiefe van dat alles doen kan, dan is hij daarvan ontslagen; hij zal echter goeddoen een ander-goed werk aan zijn biechtvader te vragen.
- 90 â
3°. Is het volbrengen der bovengenoemde voorwaarden wel moijcUjk, doch moeielijk, dan moet men aan een daartoe gemachtigden Priester dispensatie vragen.
Draag derhalve altoos één of meer der bovengenoemde Scapulieren; eer en dien Maria getrouw als Uwe Moeder, dan zal zij u in de gevaren en vooral in het uur des doods beschermen.
§ 8 OVER DE VASTEN-. DE (JTJATEKTEM-PER- EJf DE VIGILIEDAGEN.
^~Uasten, in algemeen en zin genomen, is: zich van spijzen onthouden, om Godteeeren, door de versterving zijner zinnelijke lusten.
Is die versterving G-ode aangenaam?
Zeer zeker, want: 1quot;. God zelfheeft dikwijls het vasten voorgeschreven en daaraan vele genaden en gunsten verbonden. In de H. Schrift lezen wij daarvan ontelbare voorbeelden. Men herinnere zich slechts, hoe de stad ^sinive, die wegens hare misdaden tot on dergang veroordeel* 1 was, gespaard is gebleven, omdat de inwoners, door vasten en andere boetewerken Gods gramschap verzoend hadden. 2°. Dewijl Christus zelf en de Heiligen ons daarvan het voorbeeld ge-
geven hebben. 3°. Omdat, door het vasten, de zinnelijke lusten en hartstochten bedwongen worden. Iemand, die vast of andere verstervingen beoefent, zal beter zijne zinnelijke lusten be-heerschen en niet zoo licht in zonden vallen.
In het Oude Verbond waren vele en strenge vastendagen voorgeschreven. Ook in het begin der Kerk waren de onthoudings- en vastendagen menigvuldiger en strenger danthans. Zóó mocht men toen op de verplichte vastendagen slechts éénmaal, en wel eerst tegen den avond, een maaltijd nemen.
In het begin der !â¢gt; eeuw werd meestal tegen het middaguur de maaltijd genomen. Later werd door een algemeen gebruik de gewoonte ingevoerd, om ook 's avonds nog iets te gebruiken
De veertigdaayschv Vasten is door de Kerk ingesteld: 1°. om de geloovigen in de gelegenheid te stellen, boete te doen voor hunne zonden; 2°. om, vooral in die dagen, het bitter lijden desHeeren te overwegen, eno0. om ons waardig tot het Paaschfeest voor te bereiden.
Waarom is de H. Vastentijd op veertig dagen bepaalt 1 ?
1°. In navolging der Heiligen van het Oude Verbond, die bij sommige gelegenheden ook zooveel dagen gevast hebben. Dat deed Mozes
- 92 -
voordat hij de Tafels der Wet van God ontving; Elias bracht 40 dagen in vasten door, voordat de Heer hem op den berg Horeb verscheen.
2°. Omdat onze Goddelijke Verlosser ook veertig dagen en zooveel nachten in vasten heeft doorgebracht in de woestijn.
Behalve de yroote of veertigdaagsche vasten, heeft de H. Kerk nog andere vastendagen ingesteld, namelijk de quatertemper clay en. Dat woord beteekent: vier tijden, omdat die voorgeschreven vastendagen vier maal in het jaar terugkomen, en wel in de vier jaargetijden.
Reeds in het Oude Verbond was de vasten viermaal in het jaar voorgeschreven. In de eerste eeuwen des Christendoms waren zij niet verplichtend, maar werden als een vroom gebruik onderhouden.
De H. Leo schrijft, dat zij van de Apostolische tijden af zijn onderhouden geworden. Eerst in de 10' eeuw zijn zij als rerplichtencl voorgeschreven.
Waarom zijn de quartertemperdagen ingesteld?
1°. Om door versterving en gebed de vier jaargetijden te heiligen en boete te doen voor de zonden. 2quot;. Om Gods zegen te vragen over de vruchten der aarde en den Heer voor zijne
- 93 -
weldaden te danken. 3°. Om door bidden en vasten van God te verkrijgen, dat Hij waardige priesters aan zijn Kerk moge schenken. De wijding der priesters-tocb geschiedt meestal op die dagen.
Nu nog een woord over de viyilieclacjen.
Dat woord, afkomstig van liet Latijn, be-teekent nachtwacht of waakstonde. In kerkelij-ken zin beteekent het den dag, welke aan een groot feest voorafgaat. In de eerste tijden des Christendoms moesten de geloovigen, om hnnne godsdienstoefeningen te houden, in geheime plaatsen samenkomen. Zij begaven zich derhalve reeds op den vooravond naaide bestemde plaats, om daar den nacht in vasten en bidden, als voorbereiding voor den feestdag, door te brengen. In lateren tijd werd de dag, welke sommige feesten voorafgaat., vigilie genoemd en de vasten voorgeschreven als voorbereiding tot het feest.
De vigiliën, in het Bisdom Roermond als geboden vastendagen verplichtend, zijnde volgende: de dag vóór Kerstmis en Maria-ten-Hernelopnemincj (als deze feesten op een Maandag vallen, dan is de vigilie Zaterdags), de dag vóór Pinksteren en de Zaterdag vóór de Solemniteit der 11.11. Apostelen Petrus en Pan-
- 94 -
lus. Als echter dat feest op Zaterdag valt, dan moet Vrijdags de vastendag gehouden worden.
§ !). OVER DE CHRISTELIJKE BEGRAFESIS.
De Katholieke Kerk, als eene zorgvuldige Moeder, geleidt hare kinderen, langs de hun aangewezen levensbaan, naar het ware vaderland, den Hemel. Het kind wordt, bij zijne intrede in de wereld, door haar in het H. Doopsel opgenomen als lidmaat der groote christelijke familie.
Heeft de christen het ongeluk in zonde te vallen, dan vindt hij in het Sacrament der Biecht het zekerste en het beste middel om zich met God te verzoenen. In het Vormsel wordt hij versterkt in het Geloof: in de H. Communie ontvangt hij den Heilandzelven in zijn hart en tevens vele genaden om de zonden te vermijden. In het Priesterschap ontvangen de bedienaren der Kerk de macht en de genade, om als leeraars des volks en uitdeelers der H. Geheimen, hun ambt behoorlijk uit te oefenen. Het Huwelijk verbindt man en vrouw en scheukt hun de genade, om als christelijke eclitgenooten de plichten
van hunnen staat getrouw te vervullen. Eindelijk bij het afscheid van dit leven, dient de Kerk haren kinderen het H. Oliesel toe, tot sterking in de bekoring en in den doodstrijd. Dan worden den geloovigen in de Kerk nog ontelbare bronnen van zegeningen en genaden voor tijd en eeuwigheid geopend in de H. Offerande der Mis, in de openbare gebeden, in het verdienen der aflaten en in het godvruchtig gebruik der Sacramentaliën.
Zelfs na den dood verlaat de Kerk hare kinderen niet. Ge lachtig het woord der H. Schrift: Het is rent: licilüje en zalige gedachte, voor de overledenen te hidden, opdat zij van hunne zonden ontslagen worden, draagt zij de H. Mis op voor lt; le zielen des Vagevuurs en moedigt hare kinderen aan. om voor hunne afgestorven broeders te bidden en aflaten op te offeren.
Zelfs de lichamen dergenen, die in vereeni-ging met haar gestorven zijn, worden door de Kerk met den grootsten eerbied behandeld. Daarom worden de lijken aan huis of althans vóór de kerkdeur plechtig afgehaald. Terwijl de priester de voorgeschreven gebeden doet, besproeit hij de lijkbaar met uijirater, om het lichaam des overledenen als het ware in te zegenen en te wijden tot eene zalige verrij-
- 96 -
zenis. Het lijk wordt in de kerk zóó geplaatst, dat het aangezicht naar het hoogaltaar gekeerd is, omdat de christen zijne opstanding verwacht van den Goddelijken Heiland, in het H. Sacrament tegenwoordig. Het lijk des priesters echter wordt met het aangezicht naar het volk gekeerd, alsof hij over de menigte, welke hij zoo dikwijls in zijn leven gezegend heeft, nog een laatsten zegen wilde uitspreken.
Waarom plaatst men naast de lijkbaar brandende kaarsen?
Dat geschiedt uit eerbied voor het stoffelijk overblijfsel van den christen. Ook duidt de flikkerende vlam ons aan. dat hij in het Geloof gestorven is, in de hoop op een beter leven.
Waarom wordt de lijkbaar voor de begrafenis bewierookt ?
1°. Omdat dit lichaam (volgens het woord van den H. Paulus) een tempel des H. Gees-tes geweest is.
2°. Beduidt de wierookgeur; de deugden en goede werken, zonder welke niemand kan hopen in den jongsten dag verheerlijkt te worden.
3°. Herinneren de wierookwolken, welke ten Hemel opstijgen, den geloovigen, dat ook zóó
- 97 -
hun gebed voor de overledenen, als een aangename geur tot Gods troon behoort te klimmen.
Eindelijk wordt het lijk, onder gezang en gebed voor den overledene, naar het graf ge- -bracht. Het wordt echter niet in de gewone aarde neergelegd, want deze grond is geheiligd on den Heere toegewijd. Daar mag geen ongedoopte of iemand, die door den kerkelijken ban buiten de gemeenschap der Kerk gestorven is, of die zijnen Paaschplicht verzuimde, of de laatste H.H. Sacramenten weigerde te ontvangen, begraven worden. Die plaats, het kerkhof, is door de gebeden der Kerk ingezegend en gewijd en uitsluitend voor hare kinderen bestemd. Daarom wordt het kerkhof, in echt christelijke taal, Godsakker genoemd, (lelijk de landman de zaadkorrels in zijnen akker neerlegt, opdat zij daarin zouden vergaan, om welig op te schieten en vruchten voort te brengen, zóó legt de Kerk de lichamen harer kinderen neder in den Godsakker, in de zoete hoop dat zij daar, na tot stof vergaan te zijn, eens in den laatsten oordeelsdag, als een rijke oogst des Heeren, glorievol zullen verrijzen.
Treffend en waarlijk christelijk is hot opschrift van het katholieke kerkhof bij de stad Mimchen.
Daar staat boven den ingang dit ééne woord; Bcsurecturis. Aan hen, die eenszullm verrijzen.
In diezelfde gevoelens van christelijke hoop worden op de graven der geloovigen kruisen geplant. Het voetstuk staat in de aarde, maar de spits wijst naar den Hemel, het verblijf der Zaligen; zóó zal eens de godvreezende christen, wiens lichaam daar rust, door de verdiensten van Jezus' lijden en kruisdood, in heerlijkheid verrijzen en ten Hemel opgenomen worden.
Leef altoos zóó, dat gij ook eens zalig moogt sterven, in het zoete vertrouwen, ten jong-sten dage verheerlijkt uit het graf op te staan.
Bisschoppelijke goedkeuring.........â '
Voorrede...............quot;â a
Inleiding..............................1
EERSTE HOOFDSTUK.
§ 1. Over het Doopsel....................â¢'
5 3. â â \'ormsel..........12
^ 3. â â H Siicrament des Altiuirs ... 15
ij 4. â d II. Oliesel.........21)
TWEEDE HOOFDSTUK. (De 11. Mis.)
1. Over het Altii:ir...... . ... '2-2
j 3. â â priesterlijk gew.iiid.......23
§ 3. â de ceremoniën der H. Mis.....2S
DERDE HOOFDSTUK.
Ocer eenigc pleJitk/hede», aan bepaalde dagen of tijden verhonden.
§ 1. De Advent............11
J 3. Onze Lieve Vrouwe-Lichtmis......14
^ 3. Asch-\Voensd;ig............46
§ 4. De Piissietijd . . . ..........4S
§ 5. Goede Dondeidng........ . .51
§ G Cioede Vrijdag...........54
§ 7. Goede Znterdag. â Het nieuwe vuur . . SC)
â â De Pa aschkiinrs .... 57
,, â De doopvont.....5S
De H. Mis......59
5 8. Over de processies..........GO
100 -
VIERDE HOOFDSTUK.
Over do Sncrarnentaliën..........63
VIJFDE HOOFDSTUK.
Ocer eenige kerkelijke instellingen en godvruchtige gebruiken.
§ 1. Over de aflaten...........CG
j 2. â liet Kruisteeken.........6!)
§ 3. â â wijwater..........70
§ 4. â â Angelusgebed........
^ 5. â den 11 Rozenkrans.......75
§ 5. â â Kruisweg..........82
§ 7. â het H. Scapulier.........85
§ 8. â de vasten-, quatertemper- en vigiliedagen (J0
§ !). â â ehristelijke begrafenis......91-
L V !
â¢;r# i-rlf'M fV'i-
i gt;⦠H-f' ^ gt; ;gt;-J V- i
i rtr-VV's â â .â¢'-'â ' / -⢠# 1 - â '⢠*⢠l â gt;quot;'â¢*â¢â â¢â¢-â¢â¢;
â¢â¢^. â ' ⢠, â â .. -- â¢â â v. , ,. fquot; .. â t3quot; i -if . â¢:lt;â ;.
^'gt;;!â \ Vik /T^.'.^ )i .ij
â¢^ . lx