ocr page 1

fc.v,ül

WET ViN 15 APRIL 1896 (StantsW 1°. ?1),

houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 152, 2de lid, der Grondwetl).

Het wetsontwerp, oorspronkelijk bij Koninklijke boodschan van 16 October 1889 aan de Tweede Kamer der Staten-G-eneraal ter overweging aangeboden (Ontw. I), werd nog in den loop van dat jaar in de Afdeelingen dier Kamer onderzocht. Het Voorloopig Verslag werd vastgesteld den 30sten Januari 1890. Eerst ruim een

1) Oorspronkelylr ingediend ontwerp (Ontw. I).

Bijlagen 1889—1890, n» 79, 1—4.

Inzending van het ontwerp aan de Tweede Kamer, 16 October 1889 (n° 1).

Voorloopig Verslag der Tweede Kamer, 30 Januari 1890 (n» 4).

Bijlabes 1890—1891, n' 19, 1—5.

Memorie van Antwoord, ingezonden bi| jbrief van 9 Februari en ontvangen 9 Maart 1891 (n° 1)

Gewijzigd ontwerp van wet (Gewijz. Ontw. I) (n» 3).

Eindverslag der Tweede Kamer na nader schriftelijk overleg met de Regeering, 31 Augustus 1891 (n« 4)

Brief, houdende intrekking van het wetsontwerp, 9 September 1891 (n° 5).

De Memorie van Toelichting is onderteekend door den Minister van Oorlog J. W. Bernansins, den Minister van quot;Waterstaat, Handel en Nijverheid Ratelaar en den Minister van Binnenlandsche Zaken Mackay, — de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer, door de beide eerstgenoemde Ministers en den Minister van Binnenlandsche Zaken de Savornhi Lokman.

De Commissie van Rapporteurs der Tweede Kamer was aamcngesteld uil ie 'hemn Dijckmerster, Termers van der Loejf —, na de vaststelling van het Voorloopig Verslag overleden en als Rapporteur vervangen door den heer Heemskerk, — Roosehoom, Farncombe Sanders en van Löhen Seis.

— brief, houdende intrekking van liet wetsontwerp, is onderteekend door den Minister van üorloquot;-Seijffardtj den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid C. Lely en den Minister van Binnenlandsche Zaken Tak van Poortvliet.

leader ingediend, ontwerp (Ontw. II).

Bijlagen 1894—1895, n0 117, 1—6.

Inzending van het ontwerp aan de Tweede Kamer, 24 December 1894 (n0 1).

Voorloopig Verslag der Tweede Kamer, 20 Maart 1895 (n» 4).

Memorie van Antwoord, ingezonden bij brief van 4/10 Juni 1895 (n0 5).

Bijlagen 1895—1896, n0 ö, 1.

Eindverslag der Tweede Kamer, 14 November 1895 (no. 1).

Handelingen 1895—1896.

Tweede Kamer.

Beraadslaging en aanneming, vergadering van 10 Maart 1896, blz. 1017—1021.

Eerste Kamer.

Voorloopig Verslag, quot;IS Maart 1896, blz. 343.

Eindverslag (met Memorie van Antwoord), 10 April 1896, blz. 362.

Beraadslaging en aanneming, vergadering van 14 April 1896, blz. 369—373.

De Memorie van Toelichting enz. is onderteekend door den Minister van Oorlog Schneider, den Minister van _V\aterstaat, Handel en Nijverheid van der Sleyden en den Minister van Binnenlandsche Zaken van Houten.

De Commissiën van Rapporteurs waren samengesteld:

die der Tweede Kamer, uit de heeren: JE. Mackay, Leli/, W. de Beaufort, de Savornin Lohman en ae Lange;

die der Eerste Kamer, uit de heeren: Bergsma, Engelberts, van Marle, Kist en van Boneval Fanre.

W. '96. Sb. 71. i

BIBLIOTHEEK DER ftIJKSUNIVERSlTEiT

U T R E C l-l T.

ocr page 2

2 wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

jaar later, 9 Maart 1891, kwam de Memorie van Antwoord, vergezeld van een gewijzigd ontwerp (Gewijz. Ontw. I), bij de Tweede Kamer in. Na kennisneming van deze stukken achtte de Commissie van Rapporteurs een nader schriftelijk overleg aangaande een drietal punten noodig. Omtrent de door tusschenkomst van den Voorzitter der Kamer tot de Regeering gerichte vragen hebben de Ministers van Oorlog Bergansius, van Waterstaat, Handel en Nijverheid Havelaar en van Binnenlandsche Zaken de Savornin Lokman bij brief van 29 Juni/7 Juli 1891 hun gevoelen medegedeeld. De vaststelling van het Eindverslag der Tweede Kamer had plaats op 81 Augustus 1891. Inmiddels waren de genoemde Ministers afgetreden (21 Augustus 1891) en vervangen respectievelijk door de heeren Seyjffardt, Lely en Tak van Poortvliet, door wie, ingevolge machtiging van de Koningin-Weduwe, Regentes, verleend bij Kabinetsrescript van 8 September 1891, het wetsontwerp werd ingetrokken.

De zaak bleef toen voorloopig rusten.

Nadat de laatstgenoemde Ministers waren afgetreden (7 Mei 1894) en vervangen respectievelijk door de heeren Schneider, van der Sleyden en van Houten, werd het ontwerp, eenigszins nader gewijzigd, bij Koninklijke boodschap van 24 December 1894 andermaal ter overweging aan de Tweede Kamer aangeboden (Outw. II). In hoofdzaak, en wel meer bepaaldelijk voor zooveel betreft de ongewijzigd gebleven artikelen 1 — 4, gedroeg de Regeering zich nu aan de vroeger met de Kamer gewisselde stukken, die daarom in deze uitgave der wet mede moesten worden opgenomen.

In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de ökatie Gods, Koningin dee Nederlanden, Prinses van Oranje-Nas-sau,

enz., enz., enz.

Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk,

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens

ocr page 3

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, S1® LID, GW. [ALG. BESCH.J 3

artikel 152, 2de lid, der Grondwet, het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, bij de wet moet worden geregeld;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State, gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ALGEMEENE BESCHOUWINGEN-

Memorie van Toelich-ting bü Ontw. I,

Bij artikel 152, 2cle lid, der Grondwet, wordt bepaald, dat het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, bij de wet wordt geregeld.

Ter uitvoering van evengemelde bepaling strekt het tegenwoordige wetsontwerp.

In dit ontwerp zijn geene bepalingen opgenomen omtrent de wijze waarop in de bovenomschreven gevallen, van eigendommen zal kunnen worden gebruik gemaakt, en zulks omdat dit, naar de meening van de onderge-teekenden, niet de bedoeling van voormelde bepaling der Grondwet kan zijn geweest.

De door het grondwetsartikel gevorderde wettelijke voorschriften toch zyn niet alleen bestemd om te kunnen gelden wanneer zich thans een der meerbedoelde gevallen onverhoopt mocht voordoen, maar moeten ook op een wellicht ver verwijderd tijdstip kunnen worden toegepast.

Het ligt dus voor de hand, dat het niet mogelijk is, reeds nu te bepalen, op welke wijze te zijner tijd zal moeten worden gebruik gemaakt van een eigendom — aangenomen, dat dit nu reeds aanwezig is — in verband met toestanden, die thans niet kunnen worden voorzien.

Bij de samenstelling van het wetsontwerp is uitgegaan van de navolgende drie beginselen:

1°. dat, in de hierbedoelde gevallen, de Staat zoo spoedig mogelijk behoort te kunnen beschikken over de eigendommen, welke tot het voorbereiden of stellen van militaire inundatiën in gebruik moeten worden genomen;

2°. dat de tijd, gedurende welken de eigendommen aan de vrije beschikking der eigenaren of andere belanghebbenden worden onttrokken, zooveel mogelijk beperkt is; en

3°. dat de schade, door het gebruik veroorzaakt, door den Staat aan de belanghebbenden volledig wordt vergoed.

ocr page 4

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over Ontw. I.

§ 1. In de considerans van dit wetsontwerp wordt gezegd dat volgens art. 15'2, 2de lid, der Grondwet het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, bij de wet moet worden geregeld.

In de Memorie van Toelichting mist men intusschen elke verklaring omtrent den zin, welke aan die grondwettelijke bepaling en met name aan de woorden sgebruik van eigendomquot; behoort te worden gegeven, terwijl in het wetsontwerp zelf die woorden telkens worden herhaald, zonder dat uit eenig artikel is af te leiden, wat bij de toepassing der voorgestelde bepalingen onder «gebruik van eigendomquot; zal zijn te begrijpen. Bij het afdeelingsonderzoek bleek omtrent de beteekenis van die uitdrukking groot verschil van gevoelen te bestaan.

Eenerzijds werd de meening verdedigd, dat, welke ook de bedoeling van den grondwetgever moge geweest zijn, de woorden, zooals zij nu eenmaal luiden, enkel betrekking hebben op gebruik van jure privato bezeten zaken.

Beschikking over zaken, die jure publico worden bezeten, kon naar de meening dezer leden niet als gebruik van eigendom worden aangemerkt, zoodat dan ook eene wet, die enkel berust op art. 152, 2de lid, der Grondwet, aan de militaire macht geene bevoegdheid kon verleenen om tegen den wil van de openbare besturen, welke kanalen, sluizen, dijken enz. be-heeren, over die zaken te beschikken.

Anderzijds werd betoogd, dat deze meening met de bedoeling der Grondwet in lijnrechten strijd was, en dat het vooral met betrekking tot eene wet, die, als de Grondwet, met weinige woorden ver strekkende beginselen heeft uit te drukken, niet aanging, zonder naar de bedoeling te vragen, enkel te letten op den letterlijken zin der woorden, welke overigens in het onderhavige geval geenszins dwongen tot de opvatting, dat beschikking over jure publico bezeten zaken buiten het voorschrift zou vallen.

Welke de bedoeling is van art. 152, 2de lid, der Grondwet, blijkt uit hetgeen bij de behandeling der voorstellen tot grondwetsherziening is geschied.

Oorspronkelijk stelde de Eegeering voor het tegenwoordig art. 152 te doen luiden als volgt:

»Waar in het algemeen belang eigendom door het openbaar gezag moet worden vernietigd of onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt,quot;

In de vergadering der Tweede Kamer van 28 April 1887 werd aan de Eegeering de vraag gedaan of, bij aanneming der voorgestelde grondwettelijke bepalingen, eene wet zou kunnen worden gemaakt, waarbij aan de militaire overheid de bevoegdheid gegeven wordt om in tijden van oorlogsgevaar het stellen van inundatiën voor te bereiden, »bij voorbeeld door het doorsteken van dammen, door het vol laten loopen van slooten, door het opzetten van boezems en dergelijke zaken meer.quot; «Vooreerstquot; — zoo werd gezegd — »dient men macht te hebben tegenover waterschapsbesturen: mij dunkt, dat zou de wetgever kunnen regelen op grond van artt. 187 en 188quot; (thans 188 en 18Ü), «betreffende den waterstaat. Maar in de tweede plaats moet men tijdelijk kunnen beschikken over particulier eigendom; het betreft hier geen overgang van eigendom, geene onbruik-baarmaking, het is geene vernietiging; in zekeren zin is het beperking van eigendom — de Eegeering heeft die uitdrukking echter uit het artikel van de Staatscommissie gelicht — maar inderdaad is het alleen tijdelijk beschikken over eigendom.quot; (Handelingen 1880—1887, blz. 1488.)

4

ocr page 5

BEPALINGEN TEK UITVOERING VAN ART. 152, 2Igt;E LIU, GW. [ALG. BESCH,] 5

De Minister van Binnenlandsche Zaken gaf daarop te kennen, dat onderwaterzetting van particulier eigendom eene inbezitneming is. «Onderwater-zettingquot;, zeide de Minister, »of uitgraving van grond kan niet anders dan of door den eigenaar of van hoogerhand geschieden, en in het laatste geval krachtens eene wet, die de macht geeft om te handelen alsof men eigenaar was. Ik maak geen onderscheid of de onderwaterzetting eene tijdelijke of duurzame is, en meen, dat zij begrepen is onder inbezitneming.quot; (Zie Handelingen, t. a, p.)

Deze verklaring gaf aanleiding tot de vraag of de Eegeering van meening was dat eene onteigening zou moeten plaats hebben om de terreinen, waarop inundatiën gesteld zullen worden, in gebruik te nemen. Op deze vraag gaf de Eegeering in de vergadering van 28 April 1887 geen bescheid.

Daarop werd een amendement ingediend, strekkende om in eene nieuwe alinea aan het artikel toe te voegen, dat gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog, oorlogsgevaar of ten behoeve van maatregelen tot handhaving der neutraliteit wordt gevorderd, bij de wet geregeld wordt. De vermelding van maatregelen tot handhaving der neutraliteit werd later uit dit amendement weggelaten, op grond dat de Kamer beslist had, dat onder «oorlogsgevaarquot; ook begrepen is de toestand, waarin militaire maatregelen tot handhaving der neutraliteit moeten genomen worden.

Harerzijds wijzigde op 2 Mei daaraanvolgende de Eegeering het voorgesteld artikel door in plaats van de woorden «onbruikbaar gemaaktquot; te lezen: «hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk, moet worden onbruikbaar gemaaktquot;.

Vervolgens verklaarde de Minister in de vergadering van 2 Mei nader, dat het vaste kenmerk van onteigening bestaat in den overgang van den eigendom op den onteigenaar.

was naar zijne meening wel eene tijdelijke inbezitneming, maar van onteigening was daarbij geen sprake.

{Handelingen blz. 1520.)

De voorsteller van het amendement gaf, toen dit in de vergadering van 3 Mei aan de orde werd gesteld,

te kennen dat de wijziging, welke de Eegeering in het artikel had gebracht, naar zijne meening niet voldoende was om in tijden van oorlogsgevaar, zoolang de staat van oorlog niet was afgekondigd, al de noodige voorbereidende maatregelen voor het stellen van inundatiën mogelijk te maken. Zijns inziens kon enkel van tijdelijke onbruikbaarma-king sprake zijn met betrekking tot de te inundeeren terreinen. «Maarquot;,

zeide hij, «dat is de hoofdzaak niet.

De hoofdzaak is om, alvorens de staat van oorlog is afgekondigd, te kunnen beschikken over sluizen, kanalen, slooten, boezems enz.

«Wanneer men bijvoorbeeld een of meer rijen schotbalken in eene keersluis plaatst, of eene sluis bezigt

Het onder water zetten van terreinen

Memorie van Antwoord op het Voorloopis Verslag der

Tweede Kamer over Ontw. I.

§ 1. Ook naar het oordeel der Eegeering moet in art. 152, 2de lid, der Grondwet en dienvolgens ook in dit wetsontwerp onder de uitdrukking «gebruik van eigendomquot; worden verstaan; gebruik van zaken of voorwerpen, die hetzij krachtens privaatrechtelijken, hetzij krachtens publiekrechtelijken titel worden bezeten.

De geschiedenis van de gemelde grondwetsbepaling — gelijk die in het Voorloopig Verslag uitvoerig is medegedeeld — bevestigt deze meening in allen deele, en te recht wordt dan ook in het Verslag opgemerkt, dat eene wet tot uitvoering van het onderwerpelijk grondwettelijk voorschrift, welke geene beschikking zou geven over waterstaatswerken ten behoeve van het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën, juist datgene zou verzuimen te regelen,

ocr page 6

1896, STBL. Nquot;. 71.

6

WET VAN 15 APRIL

tot het inlaten van water, dan is dat geen onbruikbaarmaking van die sluis. Het verhoogen van bet waterpeil in slooten is ook geen onbruikbaarmaking van die slooten ; ze worden integendeel om ze te bevaren bruikbaarder. Ook kan men niet zeggen dat het opzetten van boezems op zich zelf de boezems onbruikbaar maakt. Het komt er op aan gebruik te kunnen maken van die inundatiemiddelen, en daartoe geeft het voorgestelde Regeeringsartikel, ook nadat het gewijzigd is, geen gelegenheid. Volgens het door mij voorgestelde amendement, zal de wetgever bepalen in hoever in zoodanige gevallen van particulier eigendom gebruik kan gemaakt worden. Daarbij kan dan natuurlijk ook de quaestie van de schadeloosstelling geregeld worden.quot;

De voorsteller betoogde voorts, dat de aanneming van het amendement wenschelijk was niet enkel in het belang van de defensie, maar ook in dat der ingezetenen, omdat daardoor het nemen van de noodige voorbereidende maatregelen tot het stellen van inundatiën mogelijk zou worden, zonder dat het noodig zou wezen den staat van oorlog af te kondigen. Die afkondiging immers bracht voor de ingezetenen zeer bezwarende gevolgen met zich. {Handelingen, blz. 1526.)

De Eegeering kon zich met het amendement niet vereenigen. Naar haar oordeel was door de wijziging, welke zij in het artikel bracht, in de zaak voldoende voorzien. De Minister van Oorlog betoogde tevens, dat het amendement niet volledig was, omdat daarin niet gesproken werd van opruiming van huizen en boomen in de omgeving van forten en liniën. {Handelingen bladzz.J1528 en 153-2.) De Minister van Binnenlandsche Zaken achtte het niet raadzaam bij de redactie van eene Grondwet te veel in bijzonderheden te treden. »Er kunnen,quot; zeide hij, »ook behalve het geval van militaire inundatiën, andere gevallen zijn waarin tijdelijke onbruikbaarmaking moet plaats heb-waarvoor de bepaling geschreven is.

In het Voorloopig Verslag wordt gevraagd, hoe ver zich het recht van beschikking, bij het ontwerp toegekend, uitstrekt.

De Memorie van Toelichting bevat daaromtrent niets, gelijk te recht wordt opgemerkt. De Eegeering meende, dat art. 2 van het ontwerp duidelijk genoeg was, vermits volgens dat artikel het gebruik al dan niet gepaard kan gaan met wijziging, tijdelijke of voortdurende onbruikbaarmaking of vernietiging van het eigendom.

Welk gebruik men in elk bijzonder geval maakt, zal natuurlijk van de omstandigheden moeten afhangen.

Bij eene zoo ruime opvatting van de taak en de bevoegdheid der Eegeering zou, volgens het Voorloopig Verslag, het ontwerp meer als eene gedeeltelijke uitvoering van het eerste dan van het tweede lid van artikel 152 der Grondwet zijn te beschouwen, zoodat ook dat gedeelte van het artikel in de considerans had moeten worden aangehaald. Te recht evenwel is daartegen in het Voorloopig Verslag opgemerkt, dat, op grond van artikel V der Additionneele artikelen van de Grondwet, artikel 152, 1ste lid, buiten toepassing moet blijven totdat de daar bedoelde regeling in haar geheel is vastgesteld en in werking getreden.

Het verband der beide alinea's van het artikel moet — ook blijkens de geschiedenis daarvan — aldus worden opgevat, dat, afgescheiden en geheel onafhankelijk van het bepaalde bij het eerste lid, het tweede lid eene wettelijke regeling voorschrijft voor het gebruik van eigendommen ten behoeve van het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, — en wel eene regeling van dat onderwerp in zijn ruimslen omvang.

Noch de bevoegdheid tot het in gebruik nemen (met daarmede gepaard gaande onbruikbaarmaking of vernietiging) van een eigendom ten behoeve van de militaire inundatiën,


ocr page 7

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152. 2DE LID, GW. [ALG. BESCH.] 7

ben, bijv. het vastleggen van een schip, de onbruikbaarmaking van een stal ten eintle die te ontsmetten. Dat is wel kortstondig, maar er heeft dan toch beschikking over eigendom tegen den zin van den eigenaar plaats. En wat nog meer zegt: het kritieke punt der inunda-tiën om andere inundatiën te keeren, bijv. of het geoorloofd is een polder te laten onderloopen, ten einde een anderen polder te behouden, dat laat ik in het midden, omdat het mijns inziens zonder wettelijke regeling niet zou geoorloofd zijn; maar het is wel eens anders begrepen.quot; (Handelingen, blz. 1529.)

De voorsteller van het amendement antwoordde den Minister van Oorlog, dat de nadere wijziging van het Eegeeringsvoorstel voldoende ruimte liet ten opzichte van de dooiden Minister bedoelde opruimingen, en herhaalde verder dat die wijziging zijne bezwaren had weggenomen voor zoover deze betrekking hadden op het beschikken over de terreinen, waar de inundatiën gesteld zullen worden. »Maarquot; ■— zeide hij — »wat heeft men daaraan, als de waterschapsbesturen zeggen: gij blijft van onze sluizen af? Dan hebben wij immers geen macht om de inundatiën voor te bereiden of te stellen?quot; Hij wees er op hoe blijkens het mobilisatierapport van 1871 het voorbereiden van inundatiën in 1870 alleen mogelijk was gebleken waar overeenstemming met de polderbesturen kon worden verkregen. «Welnuquot; — vroeg hij — ))zal in de toekomst, als wij eens werkelijk in oorlogsgevaar verkeeren, dat voorbereiden van de inundatiën afhankelijk moeten blijven van de medewerking van polderbesturen?quot; (Handelingen blz. 1531.)

Op deze vraag verkreeg de voorsteller van de Kegeering geen antwoord. Zijn amendement werd aangenomen en vormt thans het tweede lid van art. 152 der Grondwet.

Uit deze geschiedenis blijkt dui-noeh het vergoeden der door dat gebruik veroorzaakte schade, steunt op de bepaling van het eerste lid van artikel 152 der Grondwet en kan, wat het toekennen van de schadevergoeding betreft, zich zelfs daarop niet gronden, zoolang de algemeene wet, waarnaar artikel V der Addi-tionneele artikelen van de Grondwet verwijst, niet tot stand is gekomen.

Ten slotte wordt in deze paragraaf van het Voorloopig Verslag de vraag gedaan, of het wetsontwerp wel voorziet in de uitvoering van het tweede lid van artikel 152 der Grondwet, m. a. w., of daaruit voor de beheerders van dijken, sluizen, kanalen enz. wel de verplichting zou voortvloeien om zich aan de bevelen der militaire overheid te onderwerpen.

Met betrekking tot deze vraag zij opgemerkt, dat volgens het bepaalde bij artikel 2 van het ontwerp de militaire overheid bevoegd is, tot het in gebruik nemen van het be-noodigd eigendom onmiddellijk over te gaan of te doen overgaan.

Derhalve worden, met betrekking tot de maatregelen in verband met de ingebruikneming gevorderd, de beheerders van de bovengemelde waterstaatswerken niet aan het militair gezag onderworpen doch geheel ter zijde gesteld.

Het is op dien grond, dat bet ontwerp geene regeling van de verhouding tusschen de militaire overheid en meergestelde beheerders behelst.

Bij de overweging van hetgeen te dezen opzichte in het Voorloopig Verslag is opgemerkt, is evenwel aan de ondergeteekenden het bezwaar niet ongegrond voorgekomen, dat door de beheerders van waterstaatswerken bij het in gebruik nemen dier eigendommen geheel ter zijde te stellen, niet alleen de mogelijkheid ontstaat, dat de door de militaire overheid te nemen maatregelen meer schade aan de in gebruik genomen eigendommen zullen toebrengen dan bepaald noodig is, doch ook de hulp


ocr page 8

1896, STEL. N0. 71.

8

WET VAN 15 APRIL

delijk, dat eene wet tot uitvoering van dit grondwettelijk voorschrift, welke geene beschikking geeft over waterstaatswerken ten behoeve van inundatiën, juist datgene verzuimt te regelen, waarvoor de bepaling geschreven is.

Hoe ver strekt zich nn het recht van beschikking bij het ontwerp toegekend uit ? De Memorie van Toelichting geeft daaromtrent geen licht. Zeker is het, dat het woord gebruik door de Eegeering in zeer ruimen zin is gebezigd; immers in art. 2 wordt met zoovele woorden gesproken van een gebruik, gepaard gaande met onbruikbaarmaking en vernietiging. Men mag uit die woorden en uit de geheele inrichting van het ontwerp wel afleiden, dat de bedoeling der Regeering geweest is de militaire overheid bevoegdheid te geven tot de beschikking over private eigendommen van welken aard ook. In zooverre zou het ontwerp meer als eene gedeeltelijke uitvoering van het eerste, dan van het tweede lid van art. 152 der Grondwet zijn te beschouwen, en vrij algemeen was men dan ook van oordeel, dat, indien in art. 2 van het ontwerp de woorden sal dan niet gepaard gaande met wijziging, tijdelijke of voortdurende onbruikbaarmaking of vernietiging van dat eigendomquot; behouden blijven, art. 152, 1ste lid, in de considerans behoort te worden aangehaald. Intusschen werd door enkelen gevraagd of op grond van art. V der Additioneele artikelen der Grondwet het eerste lid van art. 152 niet buiten toepassing blijft, totdat de daar bedoelde wettelijke regeling in haar geheel is vastgesteld.

ïen slotte rijst de vraag of het wetsontwerp wel voorziet in de uitvoering van het tweede lid van dat artikel, met andere woorden, of daaruit voor de beheerders van dijken, sluizen, kanalen enz. wel de verplichting zou voortvloeien om zich aan de bevelen der militaire overheid te onderwerpen. Ten opzichte van de beschikking over openbare werken van deskundige personen, waarvan partij zou kunnen worden getrokken, zonder noodzaak, ongebruikt zou worden gelaten.

Het gaat evenwel niet aan, de bedoelde beheerders in die mate aan de militaire overheid ondergeschikt te raaken, dat deze laatste bevoegd zou zijn, de maatregelen, welke zij voor het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën noodig acht, en waartoe het gebruik van de hierbe-doelde openbare werken wordt ver-eischt, te doen uitvoeren door hen, die het beheer over die werken voeren. Het komt voldoende voor, dat in het ontwerp eene bepaling wordt opgenomen, krachtens welke de beheerders van waterstaatswerken, gelegen binnen het te inundeeren gebied of welke in betrekking staan met het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën, verplicht zijn de bevelen na te komen, welke hun, in verband met het voorbereiden of het stellen van de inundatiën, met betrekking tot hun beheer door de militaire overheid worden gegeven.

Ook tegen het opnemen van eene bepaling, waarbij aan de meergemelde beheerders de verplichting wordt opgelegd, om aan de militaire overheid inlichtingen te geven betreffende den waterstaatkundigen toestand van de landen, die onder hun beheer staan, bestaat geen bezwaar. Alsdan komt het echter regelmatig voor, ook aan de eigenaars en gebruikers van andere eigendommen, binnen het te inundeeren gebied gelegen, de verplichting op te leggen tot het verstrekken van de voor het voorbereiden of het stellen van de inundatiën noodige inlichtingen.

Bij de Nota van Wijzigingen wordt voorgesteld een nieuw artikel, hetwelk de bovenbedoelde voorschriften bevat, tusschen de artt. 2 en 3 van het ontwerp in te voegen.

De maatregelen van voorbereiding, welke moeten worden getroffen vóór dat tot het in gebruik nemen van eigendommen tot het voorbereiden of het stellen van militaire inunda-


ocr page 9

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2™ LID, GW. [ALG. BESCH.] 9

scheen dus verduidelijking noodig, terwijl, om aan het voorschrift van art. 152, 2de lid, gevolg te geven, eene regeling van de verhouding tusschen de militaire overheid en de beheerders van openbare werken niet scheen te mogen ontbreken.

Art. '187 der Grondwet geeft den wetgever de bevoegdheid om met betrekking tot den staat van oorlog en van beleg te bepalen, dat de burgerlijke overheid aan de militaire ondergeschikt zal zijn. Art. 152, 2de lid, geeft vrijheid om iets dergelijks te verordenen ten einde de rechten der beheerders van openbare werken ter zijde te stellen ten behoeve van het voorbereiden en stellen van militaire inundatiën. Maar de wet dient dit dan toch duidelijk te zeggen en behoorlijk te regelen.

Gevorderd mag worden, dat de militaire overheid, indien tijd en gelegenheid het toelaten, in overleg trede met de beheerders der werken, opdat de te nemen maatregelen zoo geschieden dat niet meer schade aan waterkeeringen, dijken enz. worde toegebracht dan noodig is. Aan den anderen kant behoort aan de beheerders van openbare werken de verplichting te worden opgelegd om aan de militaire overheid inlichtingen te verstrekken betreffende den waterstaatkundigen toestand van de landen, die onder hun beheer staan. Ook moet gezorgd worden, dat zij wegens feitelijk en lijdelijk verzet tegen de rechtmatige handelingen der militaire overheid voor den strafrechter gebracht kunnen worden. Ziehier bepalingen, zonder welke eene wet tot uitvoering van art. 152, 2de lid, der Grondwet dien naam niet scheen te verdienen.

tien kan worden overgegaan, vallen buiten het kader der wet, ter uitvoering van art. 152, 2de lid, der Grondwet.

Zoo zullen b.v. alle inlichtingen, welke het legerbestuur reeds in tijd van vrede noodig heeft om, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, zoo spoedig mogelijk tot het voorbereiden en het stellen der inundatiën te kunnen overgaan, op de gewone wijze — dat is door tusschenkomst van de betrokken Departementen van Algemeen Bestuur — moeten worden ingewonnen, terwijl op gelijken voet ook het noodige overleg met besturen van waterschappen, polders, enz., zal moeten plaats hebben omtrent alle maatregelen, welke reeds in tijd van vrede kunnen worden getrofi'en in het belang der militaire inundatiën.

Eene bepaling, dat de militaire overheid, alvorens tot de ingebruikneming van eigendommen over te gaan, indien tijd en gelegenheid het toelaten, in overleg moet treden met de eigenaars en gebruikers dier eigendommen, zou niets anders zijn, dan een voorschrift om de Eegeeringstaak op verstandige wijze uit te voeren. De naleving er van zou niet kunnen worden verzekerd en opneming van zoodanige bepaling in de wet schijnt derhalve onnoodig, doch het is ondenkbaar, dat dit overleg, zoo het mogelijk is, zal worden nagelaten.

Ten slotte zij opgemerkt, dat in het wetsontwerp geene bepaling behoeft te worden opgenomen, welke strafbaar stelt het feitelijk of lijdelijk verzet tegen de rechtmatige handelingen der militaire overheid, daar de artikelen 180, 181, 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht op bedoeld verzet van toepassing zijn.


§ 2. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de Eegeering het beginsel aangenomen dat de schade, door het gebruik van eigendom ten behoeve van militaire inundatiën veroorzaakt, aan de belanghebbenden volledig moet worden vergoed. Dit beginsel wordt dan ook toegepast in de artikelen 3 en 4 van het ontwerp. Nevens de erkenning van het recht op schadeloosstelling vindt men daar zelfs bepaald, dat de Staat, indien zulks verlangd wordt, verplicht zal zijn »het gebruikte eigendomquot; zooveel mogelijk terug te brengen in den toestand waarin het zich vóór de ingebruikne-

ocr page 10

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

ming bevond, terwijl tevens het erlangen van een voorschot op de te verkenen schadeloosstelling in uitzicht gesteld wordt.

De vraag mag intusschen gedaan worden of er, ook met het oog op hetgeen vroeger met betrekking tot militaire inundatiën is geschied, wel voldoende redenen bestaan om het door de Kegeering vooropgestelde beginsel aan te nemen.

Men zou het zeer bepaaldelijk moeten ontkennen, indien als richtsnoer wordt aangenomen de beslissing te dien aanzien bij de wet van 9 Mei 1846 {Staatsblad n0. 40) genomen ter zake der in 1830 en volgende jaren in Noordbrabant, Zeeland en Limburg gestelde inundatiën.

Uit de omtrent die wet gewisselde stukken (Gedrukte stukken 1845— 184G nquot;. 19) blijkt, dat bij Koninklijk besluit van 5 December 1838 n0. 84 (zie Bijvoegsel tot bet Staatsblad 10 Juli 1839 n0. 183) naar aanleiding van aan den Koning gerichte verzoekschriften werd verklaard: »dat er aan het verleenen eener eigenlijk gezegde schadevergoeding te dezen aanzien niet kan worden gedacht, en dat deswege geenszins kon worden afgeweken van het bij Ons besluit van 5 Januari 1815 n0. 22 ') aangenomen beginsel, volgens hetwelk de schaden door de gemeene rampen en onafscheidbare gevolgen van den oorlog, aan bijzondere ingezetenen toegebracht, niet van wege het Gouvernement zullen worden vergoed;quot; en verder: ■vjdat echter, uit aanmerking van den onvoorzienen langen tijd, gedurende welken inzonderheid de inundatiën in stand zijn of worden gehouden, — Wij ons laten gevallen, dat ter zake van geledene verliezen door de inundatiën met rivier- of ander binnenlandsch water langer dan een jaar gedurende, of door inundatiën met zeewater eenige tegemoetkoming bij wege van bijzondere gunst zal kunnen verleend worden, te welken einde door de zorg van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Oorlog het noodige onderzoek zal worden gedaan omtrent de voorbedoelde verliezen en welke de personen zijn, die tot het genot van zoodanige tegemoetkoming zouden kunnen worden toegelaten.quot;

Nadat dit onderzoek had plaats gehad, droeg de Eegeering een wetsontwerp voor, hetwelk geworden is de wet van 9 Mei 184(3 (S'lt;aalt;sbiarf n0. 40). In de Memorie van Toelichting ging de Eegeering in overeenstemming met het aangehaald besluit van 5 December 1838 uit van de meening, dat er geen recht op schadeloosstelling bestond, maar dat de billijkheid eischte eene tegemoetkoming in het geleden verlies toe te kennen.

Terwijl de schade voor de drie genoemde provinciën geschat werd op eene totale som van ongeveer 13 ton gouds, werd bij het wetsontwerp eene som van 6 ton gouds (daaronder begrepen kosten van opneming en taxatie) beschikbaar gesteld om in evenredigheid tot elks geleden en getaxeerde schade te worden verdeeld onder de belanghebbende «ingezetenen des Eijksquot;.

Bij de op 20 en 21 April 1846 gevoerde belangrijke beraadslagingen 1) werd de vraag in hoeverre er gronden van recht of van billijkheid bestonden om schadeloosstelling te verleenen uitvoerig besproken. En ofschoon alle leden, die meenden dat hier inderdaad recht op volledige vergoeding van geleden schade bestond, zich voor de wet verklaarden, werd het ontwerp toch slechts met meerderheid van ééne stem aangenomen. Dat er recht op schadeloosstelling zou bestaan, werd derhalve destijds èn door de Eegeering èn door een groot aantal leden der Tweede Kamer ontkend. Uit

10

1

Zie de Staatscourant van 1846, n0. 107—113 en 115.

ocr page 11

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2UE LID, GW. [ALG. BESCH.] 11

de beraadslagingen blijkt, dat in vorige eeuwen in sommige gevallen schadeloosstelling te dezer zake is toegezegd of gegeven, maar dat zoodanige vergoeding in andere weder geweigerd is. Men beriep zich in die ook nu nog alleszins lezenswaardige discussiën op de meening, door rechtsgeleerden van naam over de quaestie uitgesproken. Of die aanhalingen wel altijd ter zake dienende waren, mag worden betwijfeld, omdat de meeste daarvan niet betrekking hadden op schade, geleden ten gevolge van militaire inundatiën; belangrijk is intusschen de volgende plaats uit BiJNkERSHOEK, Quaestiones Juris pu-blici Lib. II, caput XV in fine: »Maar zouden wij in het algemeen niet moeten aannemen, dat alle schade, die bijzondere personen lijden voor gemeenen nood of nut, als iets gemeens beschouwd, en derhalve uit de openbare schatkist vergoed moet worden? Die vraag is wel is waar bevestigend beantwoord in het Ne-derlandsche Adviesboek, Advies n0. 182, maar toen in het jaar 1672 de dijken waren doorgestoken en het water in Holland was ingelaten, ten einde den vijand tegen te houden, vreesde diezelfde adviesgever, dat de Staten de aan de landen berokkende schade niet zouden vergoeden, omdat, zeide hij, wanneer landen worden in bezit genomen voor het maken van versterkingen, de waarde aan de eigenaren niet wordt teruggegeven. Het feit is juist, maar het argument dat hij aanvoerde, minder juist. Zijne vrees bleek niet ongegrond met betrekking tot de schade, door het ingevloeide water toegebracht, niet alleen omdat er in de schatkist der Staten geen geld genoeg was om de waterschade te vergoeden, maar omdat dat nadeel geacht kan worden eene gewone oorlogsschade te zijn, gelijkstaande met het geval, dat men goedvindt op de eene of andere plaats met den vijand te vechten, of eene legerplaats op te slaan en wat dies meer zij. Schade door oorlogsrampen ontstaan, moet

Vervolg van de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over Ontw. I.

§ 2. Het behoeft geen betoog, dat het in deze paragraaf behandelde onderwerp, namelijk het al dan niet verstrekken van vergoeding of schadeloosstelling in geval van gebruik van eigendom ten behoeve van militaire inundatiën, zeer moeilijk is.

Van de eene zijde namelijk is het niet mogelijk, alle gevolgen van den oorlog — waaronder er zijn, die, zelfs uit financieel oogpunt, veel schadelijker zija dan onderwaterzetting — door allen gelijkelijk te doen dragen.

Van den anderen kant treedt steeds meer het beginsel op den voorgrond, dat de lasten, die de overheid in aller belang moet opleggen, zooveel mogelijk gelijkelijk op allen moeten drukken en derhalve hij, die de eigenlijke schade lijdt, moet worden geïndemniseerd.

Nauwlettende overweging — ook van hetgeen ten opzichte van de onderwerpelijke aangelegenheid vroeger is aangenomen geworden — heeft de Kegeering er toe geleid, om dengenen, aan wie, door het in gebruik nemen van eigendom ten behoeve van militaire inundatiën, schade is toegebracht, aanspraak op vergoeding der door hen geleden schade toe te kennen en zulks daargelaten de vraag, of bedoelde aanspraak zich grondt op de billijkheid, dan wel op een rechtsbeginsel.

Dat omtrent deze vraag groot verschil van gevoelen bestaat, blijkt zoowel uit de onderwerpelijke paragraaf van het Voorloopig Verslag als uit de beraadslagingen over het ontwerp van wet, hetwelk heeft geleid tot de wet van 9 Mei 1846 (Staatsblad n0. 40).

Naar de meening van de onder-geteekenden gaat het niet aan, alle aanspraak op schadevergoeding ten deze te ontkennen, op grond dat de schade, veroorzaakt door het voorbereiden of het stellen van inundatiën, moet worden gerangschikt onder


ocr page 12

wet van 15 april 1896. Stbl. n0. 71.

12

door alle onderdanen met gelatenheid gedragen worden, en daarvoor wordt nimmer vergoeding gegeven. Maar wat de adviesgever zegt, dat de waarde van landen die worden in bezit genomen ten behoeve van versterkingen, niet wordt vergoed, dit moge juist zijn, als de oorlog woedt, zoolang de wapenen aan de wetten het zwijgen opleggen, of wanneer de versterkingen in der haast worden gemaakt of voor een tiidelijk doel; maar wanneer zij voor goed worden gebouwd, kan ik niet aannemen dat hij gelijk heeft. Met zijne meening strijden de wetten, die ik in dit en het vorige hoofdstuk heb aangehaald, strijden de gewoonten, hier te lande en bij andere volken geldende. De Spanjaarden hebben althans in 1607, toen zij de landen van sommigen bij Brussel in bezit hadden genomen om die plaats te versterken, openlijk bekend gemaakt, dat ieder de schade, die hij mocht geleden hebben, uit de schatkist zou vergoed krijgen. Ik herinner dat de Franschen in 1099 te Straatsburg hetzelfde gedaan hebben. Maar er zijn hiervan voorbeelden te overquot; ').

Uit deze beschouwing blijkt, dat men in 1672, — met instemming van Bijnkershoek, wat het reehtspunt betreft — gelijk in 1838 en 1840, de door inundatiën geleden schade heeft beschouwd als een sgemeene ramp en onafscheidbaar gevolg van den oorlogquot;, waarvoor niemand aanspraak op vergoeding kon maken. Daaruit blijkt tevens dat er na de inundatiën van 1672 geen geld ge-de schaden, door de gemeene rampen en onafscheidbare gevolgen van den oorlog aan bijzondere personen toegebracht, welke niet vanwege den Staat worden vergoed.

Tusschen een en ander bestaat groot verschil, gelijk o. a. bij gelegenheid van bovengemelde beraadslagingen, in de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 20 April 1846, door den heer Mutsaeks werd in het licht gesteld.

sHier is hetquot; zeide genoemd lid der Kamer, »de plaats om te onderscheiden tusschen eigenlijk gezegde oorlogsschade, welke door den vijand aan de ingezetenen van eenen vreemden Staat wordt berokkend, en de zoodanige die het gevolg is niet van eene daad des vijands maar van eenen met overleg gepleegden en tot zelfbehoud aangewenden maatregel van den eigenen Staat ten laste van zijne eigene ingezetenen; de eerste is een gevolg van het eigenlijke jus belli; de force majeure, die haar door eene vreemde en vijandige hand veroorzaakte, ontslaat den Staat, waar de schade viel, van alle verplichting tot vergoeding; de andere daarentegen is het gevolg van het gebruik maken van het jus dominii emi-nentis; zij is daarom geen eigenlijke oorlogsschade; zij mist in betrekking tot den Staat die ze aanbrengt, het kenmerk van force majeure; zij wordt met recht aangebracht, maar met zoodanig recht waar tegenover staat de verplichting tot vergoeding.quot;

Dit beginsel wordt reeds gehuldigd


1) Sed quidni generaliter statuamus, omne damnum, quod privati ferunt pro necessitate vel utilitate communi, commune et proinde ex area publica resarciendum esse? Ita sane responsum «:st Consil. b. T. 1. Consil. in fin. Sed quum anno 1G72 ruptis aggeribus aqna iu Ilollandiam esset immissa ad arcendos liostcs, metuebat ille consultor, ne Ordines damnum, agris datum, nou resarcirent, quia, inquit, agris ad munitiones captis, nullum dominis pretium refunditur. lies ipsa vera est, ratio minus vera. De damno, per aquam immissam dato, non frustra metuit, non mode, quod ne tantum quidem Ordinum fuerit in loculis, unde aquae illud damnum resarcirent, sed quod id damnum videatur damnum belli vulgare, ut si placuerit ibi potius, quam alibi cum boste confligere, castra metari, et quae sunt id genus alia. Damnum, quod oritur ex calamitate belli, oportet, ut omnes subditi aequo animo ferant, nec ejus ulla unquam fit restitutio. Sed quod ait consultor, non refundi pretium agrorum, qui muniendi ergo capiuntur, fortasse verum est fervente bello, quamdiu legibus silentium impouunt anna, aut cum munitiones liunt tumultuariae, et ad tempus, sed cum exstruuntur in perpetuum, id verum esse nondum potui animadverterc. llepugnant leges, quas hoc et praecedenti capite attuli, repugnant mores, bic et alibi gentium recepti. Ilispani certe anno 1G67, agris quorundam prope Bruxellas, muniendi causa captis, publico edixerunt, quantum damni quisque cepisset, ex Aerario publico reciperet. Recorder et Francos anno 1699 Argentorati idem edixisse. Sed ubique exemplorum abunde est.

ocr page 13

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN AKT. 152, LID, GW. [ALG. BESCH.] 13

noeg in de schatkist was om de ge leden schade te vergoeden.

Van andere zijde werd echter gewezen op de den 22sten April 1672 vastgestelde »Conditiën waarop de Gecommitteerden van de Heere Staten van Holland en Westvriesland ten eenre en van de Heere Staten 's Lands van Utrecht ten andere zijde, overeengekomen zijn, om van Vrees-wijck, genaamd de Vaert, langs de stad Utrecht tot aan de Zuidersee werken van fortificatiën te maken.quot; Daarin vindt men onder meer: «Onder de kosten van de te maken wercken sullen worden gereeckent het vergoeden van de schade, die de eygenaars of bruyckers van de gronden, waarop deselve worden ge-lecht, sullen komen te lyden, alsmede diegeene, die door het water met gemeen goetvinden van de Gecom'1™ van beyde de provintiën in te laten ende op te stoppen, vooraleer de vyand zoude wezen genadert, sal worden veroorsaeckt, mits dat de wercken niet als met onderlinge communicatie, ende goetvinden zullen worden gedemolieert.quot; Al kwam het toen niet tot de uitvoering van het voorgenomen plan, dat «wederom op gansch erroneuse fondamenten van jalousie werd gerenverseertquot; ') zoo blijkt toch uit de gesloten overeenkomst dat het beginsel van geven van vergoeding aan eigenaars en gebruikers voor de door het stellen der inundatiën geleden schade door de Staten van Holland, Westvriesland en Utrecht was aangenomen, al zij het hier dan ook wellicht alleen geschied om tot eene overeenkomst te geraken,

Bij de publicatie der Staten van Holland van 14 Februari 1793 werd eveneens ter zake van de toen voorgenomen inundatiën bepaald, dat de geleden schade aan de landlieden en andere ingezetenen sin alle redelijkheid zal worden vergoed.quot; (Zie Gr. Placaetboek B IX bl. 78.) in artikel 38 van Titel I der wet van 10 Juli 1791, volgens hetwelk de particulieren, wier eigendommen zijn beschadigd ten gevolge van inundatiën, welke zijn gesteld overeenkomstig de dienaangaande gegeven voorschriften, uit 's liijks schatkist zullen worden schadeloos gesteld.

Op dit beginsel berusten ook de bepalingen van artikel 151, 3de lid, en artikel 18(3, 3de lid, der Grondwet, volgens welke ook bij onteigening en requisitiën in geval van oorlog schadeloosstelling moet worden gegeven, terwijl — gelijk reeds in het Verslag wordt opgemerkt — ook in de wet van 21 Decemberl853 {Staatsblad n0. 128) hetzelfde beginsel is aangenomen.

Dat, in het algemeen, de Neder-landsche wetgeving de verplichting erkent, om, waar in uet publiek belang inbreuk wordt gemaakt op bet recht van eigendom, de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden, blijkt verder uit de bepalingen der wetten van iO Juli 1870 (.SiaafsWaci n0. 131), 4 December 1872(S£aats-blad n°. 134) en 2 Juni 1875 [Staatsblad n0. 94), terwijl ook het eerste lid van artikel 152 der Grondwet bedoelde verplichting als algemeenen regel stelt.

Bij de wetten van 26 December 18ü3 (Staatsblad n°. 201), 7 Augustus 1865 (Staatsblad n0.100) en 30 December 1865 [Staatsblad n0.192) is de wetgever zelfs zoo ver gegaan van schadeloosstelling van 's Rijkswege toe te kennen aan de eigenaren van zeil- en stoomvaartuigen, welke ingericht moeten worden ten einde onder de vaste bruggen bij Kuilenburg, Bommel, Venlo en Crevecoeur te kunnen doorvaren.

Met het oog op al het bovenstaande hebben de ondergeteekenden gemeend in het wetsontwerp de bepaling te moeten opnemen, volgens welke de schade, veroorzaakt door het in gebruik nemen van eigendommen ten


1

Zie Van Sypksteyn en De Bordes. De verdediging van Nederland in 1675 en 1673. 1850. Ilde deel bladz. 11 en Bijlade VII.

ocr page 14

1890, STBL. N0. 71.

WET VAN 15 APRIL

u

Sommige leden achten de aanneming van het beginsel van volledige Kchadevergoeding alleszins billijk, omdat de lasten aan het voorbereiden en stellen van inundatiën verbonden naar hunne meening volkomen gelijk staan met andere lasten van 's lands defensie, als de uitgaven voor het bouwen van vestingen en het aanschalfen van wapenen. Daarbij komt, dat er geen beter middel is om eventueel verzet van de zijde der personen, wier belangen rechtstreeks bij het stellen van'inundatiën betrokken zijn, te voorkomen, clan eene wetsbepaling, welke hun vooral' volledige vergoeding van de te lijden schade verzekert; men herinnerde daarbij aan den last en het nadeel in 1672 door het verzet der boeren ondervonden '). Zij wezen er ook op, dat het beginsel, waarvan deze voordracht uitgaat, eveneens in do artt. 5 en 20 van de wet van 21 December 1853 (Staatsblad n0.128) oir.trent het bouwen, planten enz. in de nabijheid van vestingwerken is aangenomen.

Andere leden merkten evenwel op, dat het in die wet vergoedingen geldt, waarvan het bedrag voor de financiën des Kijks niet drukkend kan zijn, maar dat men, dit ontwerp aannemende, den Staat zou verbinden tot het doen van uitgaven, die inderdaad zeer bezwarend kunnen worden, vooral wanneer zij zouden moeten worden gedaan na een oorlog, waardoor de krachten van het volk zijn uitgeput en het krediet van den Staat is geschokt.

Eenmaal op gronden van recht cn billijkheid schadevergoeding verlee-nende ter zake van inundatiën, zou men bovendien nog veel verder moeten gaan. Indien men enkel op de billijkheid let, bestaat er toch evenveel reden voor het verleenen van vergoeding voor door enkelen ten gevolge van oorlog geleden schade als voor het toekennen der in het wetsontwerp bedoelde schadeloosstel-behoeve van het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën, aan de belanghebbenden zal worden vergoed, in welke bepaling — gelijk in het Verslag reeds wordt opgemerkt — tevens het beste middel gelegen is, om eventueel verzet van de zijde der personen, wier belangen rechtstreeks bij het stellen van inundatiën betrokken zijn, te voorkomen.

Het valt niet te ontkennen, dat, bij de toepassing der wet, het in het ontwerp nedergelegde beginsel tot moeilijkbeden zal aanleiding geven, daar hot — zooals het in het Verslag wordt uitgedrukt — niet wel mogelijk is, aan genoemd beginsel eene uitwerking te geven, welke geëigend is voor alle voorziene en niet voorziene gevallen van beschadiging, onbruikbaarmaking of vernietiging van onroerend of roerend eigendom.

Dit mag er evenwel, naar de meening van de ondergeteekenden, niet toe leiden, om — wordt het beginsel als juist erkend — de moeilijkheden te verplaatsen cn de oplossing daarvan over te laten aan latere wetten, door — gelijk in het Voorloopig Verslag wordt aangegeven — in het ontwerp alleen te bepalen, dat in elk voorkomend geval bij de wet zal worden geregeld, in hoeverre en op welken voet schadeloosstelling ter zake van militaire inundatiën zal worden verleend.

Zeer zeker zou eene dergelijke oplossing gemakkelijker zijn, doch omtrent het onderhavige punt mag geene onzekerheid bestaan, wil de maatregel doeltreffend zijn. Door overeenkomstig het in het Verslag geopperde denkbeeld te handelen, zou het groote voordeel worden gemist, waarop boven werd gewezen, namelijk dat de zekerheid van het ontvangen van volledige schadeloosstelling, eventueel verzet van hen, aan wie schade wordt toegebracht, zal doen voorkomen.

ïen slotte is het niet onbelangrijk


1) Zie bijv. Van Sypesteyn cn De BoaoES lij veldaiaarschalk WiaTz, ibidem blad/. 45.

bladz. 43, 44, 55, 56, 63, 79 cn den brief van don

ocr page 15

BEPALINGEN TEK UITVOEItINO VAN AUT. 152, '2quot;K I.II), (IW. | AI.O. I1ESCII.] 1 .r)

ling. Dit klemt voor ons land te meer, omdat een groot deel van onn grondgebied naar liet vigeerende stolsel van verdediging zoo goed als open blijft liggen voor den vijand. Juist omdat men daar goene innn-datiën stelt, zjjn de ingezetenen in dat gedeelte blootgesteld aan schade, door don binnentrekkenden vijand toegebracht. Vergoedt men dus de schade door inundatiën veroorzaakt, dan is het zeker niet billjjlc vergoeding van schade, door hot ontbreken van dat verdedigingsmiddel ontstaan, te weigeren. Maar de wetgever heeft niet enkel op do billijkheid te letten; met name mag daarnevens do linan-cieele draagkracht van den Staat in aanmerking komen,

Nu is het waar, dat do diepte van militaire onderwaterzettingen in vele gevallen slechts 0,'2 ü 1 motor zal bedragen, en dat, indien de inundatiën zich bepalen tot de nieuwe Jlollandscho linie, de schadevergoedingen waarschijnlijk niet zoo groote uitgaven zouden vereischen, dat zij ook onder ongunstige omstandigheden niet door eene loening zouden kunnen worden bextreden, althans indien de inundatiën gedurende niet al te langen tijd worden gehandhaafd. Maar do mogelijkheid bestaat, dat het daarbij niet blijft; dat na het verlies der genoemde linie uitgestrekte inundatiën gesteld zullen moeten worden in streken, die niet altijd zonder zeer groote kosten weder zullen kunnen worden drooggelegd. Mocht dat geschieden, dan zouden inderdaad met volledig herstel der geleden schade tal vun mil-lioenen gemoeid kunnen zijn en het kwam aan deze ledon daarom niet zonder bedenking voor een onvoorwaardelijk recht op volledige schadeloosstelling toe te kennen.

Daarbij kwam huns inziens nog het bezwaar, dat bet zeer moeilijk is dat recht op behoorlijke wijze te omschrijven en te begrenzen. Uit de opmerkingen op de artt. 4—7, welke hierachter worden vermeld, zal blijken dat men, afgezien van de juistheid hier do aandacht- io vestigen op hetgeen in Frankrjjk ton aanzien van schadeloosstelling wegens oorlogsrampen geldt en na don oorlog met Duitschland gegolden heeft. Iletgo-meene recht, nodergelogd in do, boven reeds genoemde, wet van 10 Juli 17!)! on in het Keizerlijk Decreet van 10 Augustus 18511 bevat eene onderscheiding, wolko in do volgende bewoordingen kan worden samengevat.

Wanneer de vernietigingen, terrein-bezettingen en andere schadeberok-kenende handelingen uit een oogpunt van voorzorg, vrijwillig door de overheid zijn verricht, zal de schade worden vergood. Doch wanneer deze maatregelen het gevolg zijn van den feitelijken oorlogstoestand en /.ij geboden zjjn door «Ie onmiddellijke behoefte bij een aanval op of van de verdediging togen den vijand en zij overigens niet hot karakter oener blijvende inbezitneming dragen, bestaat er geen recht op schadevergoeding.

Met uitdrukkelijke verklaring, dat men aan de beginselen van het ge-moeno recht niet wenschte te dero-geeron, zijn, na don oorlog van 1K70, bij drie wetten nog bijzondere schadeloosstellingen toegekend.

Eene wet van O September 1871 (loi, qui fait supporter par touto la Nation Franijaise les contributions do guerre, requisitions, et dommages rnatériels de touto nature causes par l'invasion) stelde beschikbaar eene som van honderd rnillioen francs (fr. 100 000 000) ten einde te worden verdeeld entra les viclimea les jdus nécessileuses de la guerre el les communes les plus obérées, en oeno som van zes rnillioen francs (fr. 6 000 000) al:s schadeloosstelling voor hen, r/ui onl le plus soufjert des operations d'attaque dirigêes par l'armee (ran';aise pour rentrer dans Paris.

Hij de wet van 7 April 1H7o werden eene som van honderd en veertig millioen francs (fr. 140 000 000) aan de stad Parijs en eene som van


ocr page 16

1896, Stbl. n0. 71.

wet van 15 april

IG

van het beginsel, tegen de wijze, waarop de verplichting van den Staat zou worden gevestigd, verschillende bedenkingen inbracht. En al wordt aan deze bezwaren tegemoetgekomen door wijziging van het wetsontwerp, zal het wel niet mogelijk zijn aan het genoemde beginsel eene uitwerking te geven, welke geëigend is voor alle voorziene en niet voorziene gevallen van beschadiging, onbruik-baarmaking of vernietiging van onroerend of roerend eigendom.

Met het oog op deze bezwaren werd het denkbeeld geopperd om in dit ontwerp enkel te bepalen, dat in elk voorkomend geval bij de wet zal worden geregeld, in hoeverre en op welken voet schadeloosstelling ter zake van militaire inundatiën zal worden verleend. Met den geest van het eerste lid van art. 152 der Grondwet jcto art. V der Add. artikelen scheen zoodanige bepaling niet te strijden. Immers waar de Grondwet toelaat het geven van schadevergoeding voor onbruikbaarmaking of vernietiging van eigendom geheel uit te sluiten, kan de mindere bevoegdheid om de regeling der vergoeding aan eene nadere wet op te dragen den wetgever zeker niet ontzegd worden. Men zou dan, als het geval zich voordeed, naar de omstandigheden kunnen beoordeelen in hoeverre het billijk en mogelijk is de geleden schade te vergoeden.

§ 3. Het wetsontwerp betreft niet alleen de militaire inundatiën die wegens oorlogsgevaar, maar ook die wegens oorlog worden gevorderd. In dit laatste geval zal het nemen van die maatregelen veelal geschieden in gedeelten des lands, welke zijn verklaard in staat van oorlog of van beleg te zijn, terwijl de afkondiging van den staat van oorlog en van beleg ook plaats kan vinden waar nog slechts oorlogsgevaar aanwezig is. De bevoegdheden der militaire autoriteiten zullen in die gevallen grooter zijn dan in normale tijden, en deze verandering kan ook met betrekking honderd en twintig millioen francs (fr. 120 000 000) aan de bezette departementen toegekend, om daaruit verder de door het beleg en den oorlog veroorzaakte schade te vergoeden.

Daarna is nog, bij de wet van 28 Juli 1874 (loi, qui accorde un de-dommagement aux personnes qui ont éprouvé prejudice lors des destructions opérées par le génie militaire pour les besoins de la défense nationale) schadevergoeding toegekend aan tous ceux qui justifier ont avoir, comme propriétaires au occupants, subi pendant la guerre de 1870— 1871, dam les places fortes ou par-tout aüleurs, en dedans ou en dehors de toute zóne de servitudes müitaires, un prejudice materiel et direct resultant des mesures de défense qui ont été prises par Vautorité militaire francaise.

Opmerking verdient nog, dat in de evengemelde Fransche wetten de vaststelling van de bedragen dei-schadevergoedingen is opgedragen aan daarvoor ingestelde commissiën, terwijl, in artikel 2 van de wet van 28 Juli 1874 voornoemd, is bepaald, dat voor het ontvangen van de bij de wet toegekende schadeloosstelling o. a. niet in aanmerking zouden komen ceux, qui ne renonceraient pas d toute action devant les tri-bunaux judiciaires ou admini-stratifs.

§ 3. Het in deze paragraaf bedoelde ontwerp van wet, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 187 der Grondwet, heeft thans de Tweede Kamer der Staten-Gene-raal bereikt, zoodat de gelegenheid om de beide wetsontwerpen in onderling verband te beschouwen aanwezig is.

Bij die beschouwing moet echter niet uit het oog worden verloren, dat de bepalingen van de onder-werpelijke wetsvoordracht moeten kunnen worden toegepast niet alleen in staat van oorlog of van beleg, maar ook — en wel voornamelijk —


ocr page 17

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ALG. BESCH.] 17

tot de zaak der inundatiën van belang wezen. Verscheidene leden betreurden daarom, dat de Kegeering nog niet een wet tot uitvoering van art. 187 der Grondwet heeft voorgedragen, en de gelegenheid om het aanhangige ontwerp in verband met dat andere ontwerp te beschouwen dus ontbroken heeft.

in geval van oorlog of oorlogsgevaar zonder dat het gedeelte van het grondgebied des Rijks, waarin het te gebruiken eigendom gelegen is, in staat van oorlog of van beleg is verklaard en bedoeld gedeelte derhalve nog in staat van vrede verkeert.


Voorloopig: Verslag der Tweede Kamer over Ontw. II.

§ 1. Het in dit wetsontwerp aangenomen beginsel om de rechtstreeksche schade, door het voorbereiden en stellen van militaire inundatiën veroorzaakt, volledig te vergoeden, vond van verschillende zijden ernstige bestrijding. Geeft het uitbreken van oorlog tusschen ons land en eenig ander Rijk aanleiding tot het voorbereiden of stellen van inundatiën, dan zal in den regel de schade, welke de ingezetenen ondervinden, zich geenszins bepalen tot die, ontstaan ten gevolge van onderwaterzettingen, en integendeel deze schade verre overtroffen worden door de schade, welke in het algemeen aan de gebouwde en ongebouwde eigendommen wordt toegebracht. Nu moge op doctrinaire gronden betoogd worden dat volledige schadevergoeding gegeven behoort te worden, waar de schade het gevolg is van maatregelen, door de overheid des lands krachtens haar overheidsrecht genomen, niet waar de schade, tegen den wil der overheid, door den vijand wordt toegebracht, men dient hier wel in het oog te houden, dat er in het algemeen geen recht bestaat op schadevergoeding voor benadeeling ten gevolge van rechtmatige regeeringshandelingen en dat zoodanig recht ook in art. 152 der Grondwet niet wordt erkend.

Het is dus enkel de vraag, in hoeverre op gronden van billijkheid vergoeding van door inundatiën toegebrachte schade zal worden gegeven. En dan was het naar het inzien dezer leden niet wel te begrijpen, waarom men hem, die schade leed door eene inundatie en wiens schade zich in menig geval zal bepalen tot tijdelijk gemis van het gebruik van den grond, zou schadeloosstellen, en men anderen, wier eigendommen ten gevolge van den oorlog voorgoed zijn vernietigd, geenerlei vergoeding voor het geleden verlies zou toekennen. Zoodanig verschil van behandeling scheen te onbillijker, waar juist het localiseeren van den strijd in een bepaald gedeelte des lands, waar op groote schaal verwoesting van eigendom plaats heeft, het overig gedeelte van het land voor schade, ook ten gevolge van inundatiën, kan hebben gevrijwaard.

Wil men vergoeding toekennen voor oorlogsschade, dan scheen het dus een onafwijsbare eisch van billijkheid, dat men haar verleene niet enkel voor gevallen van inundatie, maar evenzeer voor andere benadeeling, welke het gevolg van den oorlog is. Maar hieruit volgt dan weder, dat afgezien moet worden van het toekennen van aanspraak op volledige vergoeding, want zulk eene vergoeding zou, na een kostbaren oorlog, allicht de finan-eieele krachten van den Staat te boven gaan. Men zal zich dan moeten bepalen tot beschikbaarstelling van eene bepaalde som gelds ten einde de geleden schade voor zoodanig deel te vergoeden, als de toestand van 's lands financiën zal toelaten. Verscheidene leden achtten het zeer bedenkelijk door de aanneming van dit wetsontwerp eene financieele verplichting aan den W. '96. Sb. 71 2

ocr page 18

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

Staat op te leggen, waarvan de omvang niet is te bepalen en waaraan de Staat in sommige gevallen ook met den besten wil onvermogend kan zijn te voldoen.

Bovendien werd tegen het beginsel van het ontwerp aangevoerd, dat, waar tot dusverre geen recht op schadeloosstelling voor inundatie-schade is erkend, de verplichting om die schade, als zij zich mocht voordoen, te dragen, beschouwd moest worden als een last, aan het bezit of gebruik van grond verbonden.

Die schade moest, evenals andere oorlogsschade, beschouwd worden als een ongeluk, dat iemand treft en dat men ter wille van het algemeen heeft te dragen.

Sommige dezer leden voegden hieraan uitdrukkelijk toe, dat deze bezwaren tegen het beginsel van het wetsontwerp naar hunne meening niet golden met betrekking tot gevallen van oorlogsgevaar, welke niet door oorlog worden gevolgd Wordt wegens oorlogsgevaar het stellen van inundatiën bevolen, dan kan dit het gevolg zijn van de omstandigheid,

dat de Eegeering zich het gevaar grooter voorstelde dan het inderdaad is; het is ook mogelijk, dat juist het stellen van inundatiën, blijk gevende van gezindheid tot ernstige verdediging des lands, een beraamden aanval doet uitblijven. In zoodanige gevallen en trouwens in alle gevallen, waarin het oorlogsgevaar niet wordt gevolgd door een oorlog,

18

Memorie van jVntwoord op het Voorloopig quot;Verslag der Tweede Kamer over Oiitw. II.

§ 1. De bezwaren, welke worden aangevoerd tegen het in het wetsontwerp aangenomen beginsel om de rechtstreeksche schade, door het voorbereiden en stellen van militaire inundatiën veroorzaakt, volledig te vergoeden, zijn in hoofdzaak dezelfde als die, welke zijn vermeld in § 2 der Algemeene Beschouwingen van het Voorloopig Verslag betreffende het oorspronkelijk ontwerp van wet, houdende bepalingen ter uitvoering van art. 152, 2de lid, der Grondwet {Gedrukte stukken, Zitting 1889— 1890, 79, n0. 4). l)ie bezwaren werden in de daarop gevolgde Memorie van Beantwoording uitvoerig wederlegd (Gedrukte stukken, Zitting 1890— 1891,19, n0.l). [Zie hierv.blz.9—16.] Met de in die Memorie aangevoerde gronden kunnen de ondergeteeken-den zich geheel vereenigen.

Bij de beoordeeling dezer materie moet niet uit het oog worden verloren dat omtrent de wijze waarop in geval van oorlog hot vaderland zal worden verdedigd en, in geval van oorlogsgevaar, de in verband daarmede noodige voorbereidende maatregelen zullen worden genomen, beslist wordt door de Regeering.

Wel is waar brengt de eigenaardige gesteldheid van ons vaderland mede, dat het stellen van militaire inundatiën als een door de natuur aangewezen krachtdadig hulpmiddel voor de verdediging moet worden aangemerkt, doch men kan zich ook een stelsel van verdediging zonder bedoelde inundatiën denken.

Een oorlog op het grondgebied des Bijks zonder schade door den vijand aangebracht is daarentegen niet denk-

zullen zij, die door de inundatiën benadeeld worden, in den regel de eenigen zijn die schade lijden. Voor volledige vergoeding van deze schade bestonden naar de meening dezer leden voldoende redenen, terwijl men ook niet behoefde te vreezen, dat in zulke gevallen de uitkeering van volledige vergoeding de financiën van den Staat te zeer zou bezwaren.

Andere leden konden zich met het beginsel van het ontwerp wèl vereenigen. Zij achtten het billijk dat, waar in het algemeen belang inundatiën gesteld worden, de daardoor veroorzaakte schade door de gemeenschap worde gedragen. Het wetsontwerp ging geenszins van een nieuw beginsel uit, maar paste slechts op

ocr page 19

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ALG. BESCH.] 19

inundatieschade toe hetzelfde beginsel, dat ten aanzien van andere ter wille van het algemeen belang geleden schade, met name bij onteigeningen en bij requisitiën, reeds geldt. En nu moge dit beginsel al niet toegepast kunnen worden ten aanzien van alle oorlogsschade, het is dan toch ook niet hetzelfde, of de schade het gevolg is van een bevel der Eegee-ring tot het stellen van inundatiën, dan wel van vernieling van eigendom dooi- den vijand. Aan de kansen van zoodanige vermeiing staan alle eigendommen bloot, terwijl het stellen van inundatiën bepaalde perceelen treft.

Voorts werd met nadruk aangevoerd, ook van de zijde van sommige van de leden, die in beginsel voor erkenning van een recht op schadevergoeding geen voldoenden grond zagen, dat voor de aanneming van het wetsontwerp krachtige redenen van utiliteit pleiten. Toekenning van aanspraak op volledige vergoeding kon moeilijk gemist worden, waar het van groot belang is feitelijk en lijdelijk verzet van belanghebbenden tegen het stellen van inundatiën te voorkomen. De geschiedenis leert, hoe groot bezwaar zulk verzet kan opleveren en het eenige middel om het met zekerheid te voorkomen is wel, dat de wet het recht op volledige vergoeding boven allen twijfel stelt. Alleen dan zal men mogen verwachten, dat de militaire autoriteiten, die met den waterstaatstoestand niet zoo goed bekend zijn als de ter plaatse woonachtige ingezetenen, bij dezen de gewillige medewerking zullen vinden, waaraan zij voor het welslagen der maatregelen tot inundatie behoefte kunnen hebben. En vinden zij in plaats van medewerking, tegenwerking en verzet, dan kunnen zelfs alleszins doeltreffende maatregelen gemakkelijk het beoogde doel missen: het doorsteken van een enkelen dijk kan somtijds het wegloopen van het op het land gebrachte water ten gevolge hebben.

baar. Laatstgemelde schade is dus een absoluut noodzakelijk gevolg van den oorlog; de schade, veroorzaakt door het voorbereiden en stellen van militaire inundatiën, is daartegen niet als zoodanig aan te merken.

Beide gevallen zijn dus niet op eene lijn te stellen. De bovenvermelde gronden — welke naar de meening van de ondergeteekenden niet «doctrinairquot; kunnen worden genoemd — zijn, naar hun gevoelen, voldoende om aan te nemen, dat voor de in dit wetsontwerp bedoelde schade vergoeding moet worden gegeven, evenals zulks ten aanzien van onteigeningen en requisitiën plaats heeft, doch dat dit ten aanzien van schade, door den vijand aangericht, niet behoeft te geschieden.

Dat de kans bestaat dat het bedrag der volgens dit ontwerp toe te kennen schadevergoedingen tot een hoog cijfer zal kunnen klimmen valt niet te ontkennen, doch dit mag, naar het gevoelen der ondergeteekenden, er niet toe leiden, om, waar het beginsel, dat schade, ten gevolge van eene, zij het ook volkomen gerechtvaardigde, handeling der Eegeering geleden, moet worden vergoed, als juist wordt aangenomen, die vergoeding niet toe te kennen of wel — gelijk in het Voorloopig Verslag wordt voorgesteld — daarvoor slechts eene bepaalde som beschikbaar te stellen.

Om de boven aangegeven reden kunnen de ondergeteekenden zich evenmin vereenigen met het denkbeeld om alleen vergoeding te verkenen voor de schade, veroorzaakt door het stellen van inundatiën in geval van oorlogsgevaar, niet door een oorlog gevolgd.

De wenschelijkheid om, door het toekennen van een recht op schadevergoeding, niet alleen feitelijk of lijdelijk verzet van belanghebbenden te voorkomen, maar zelfs hunne wellicht noodige medewerking in deze te verkrijgen, is, gelijk sommige leden zeer te recht aanmerkten, een krachtig argument voor het in het wetsontwerp gehuldigde stelsel.


ocr page 20

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

§ 2. Nopens het ontwerp van wet, houdende bepalingen ter uitvoering van art. 187 der Grondwet, heeft reeds gedurende geruimen tijd overleg plaats tusschen de Departementen van Oorlog, van Justitie en van Binnen-landsche Zaken. Omtrent de vraag, of aan de in bedoeld wetsontwerp vervatte regeling meer behoefte is dan aan de onderwerpelijke, kan natuurlijk verschil van meening bestaan, doch, wat hiervan ook moge zijn, het ligt voor de hand, dat het onderwerpelijke wetsvoorstel vroeger kon worden ingediend, vermits de

behandeling van het vorige gewijzigd ontwerp in de zitting der Tweede Kamer van 1890/91 reeds zoo ver was gevorderd, dat daaromtrent een Eindverslag was uitgebracht, en dus voor de wederindiening minder arbeid vereischt werd dan voor de behandeling van het, nog niet in voorschreven stadium verkeerende en bovendien veel meer omvangrijke wetsontwerp betreffende den staat van oorlog en den staat vnn beleg.

Beraadslaging in de Tweede liamer.

(10 Maart 1896.)

De heer van Karnelieek: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb gewichtige bezwaren tegen dit wetsontwerp, waarmede ik mij, naar ik vrees, niet zal kunnen veroenigen. Ik acht het gevaarlijk en niet raadzaam van te voren bij de wet te bepalen, dat volledige schadevergoeding zal gegeven worden in geval van maatregelen, die genomen worden om het land te beveiligen tegen een vijand.

Ik zal betrekkelijk dit punt, breedvoerig in de stukken ontwikkeld, zeer kort zijn, en alleen zeggen dat naar het mij voorkomt, het eenige goede stelsel in dezs is, dat hetwelk in zooverre op de practijk berust, dat het reeds in Frankrijk is quot;toegepast geworden, na den laatsten grooten oorlog, het stelsel namelijk dat wel het denkbeeld huldigt van het geven van schadevergoeding, maar de beslissing over de toepassing daarvan voorbehoudt aan speciale wetten, na iederen oorlog vast te stellen, een denkbeeld aangegeven op bladz. 7 van het Voorloopig Verslag, op het eerste ontwerp dat over deze materie door eene vorige Regeering is

ingediend [hiervóór, blz. 16].

Ik vrees dat liet niet mogelijk zal zijn om deze Regeering tot dit denkbeeld te bekeeren, en ik zou niet weten hoe deze verandering, by amendement, in dit wetsontwerp aan te brengen. Mij zal dus wel niets anders overschieten dan tegen het wetsontwerp te stemmen.

Mijn tweede bezwaar, voor mij evenzeer van overwegend gewicht, is dat in dit wetsontwerp het stelsel van het vroegere wetsontwerp, om over de eventueel verlangde schadeloosstelling door speciale commissiën te laten beslissen, vervallen is.

Ik acht het niet goed en practisch, zooals dit wetsontwerp doet, de deur open te zetten voor tal van processen, die zeer lastig kunnen zijn en lang kunnen duren. Ik geloof dat het veel beter is terug te keeren tot het denkbeeld van het

20

§ 2. Verscheidene leden betreurden, dat niet gelijk met deze voordracht tevens weder was ingediend een wetsontwerp betreffende den staat van oorlog en beleg. Men verwees hierbij naar hetgeen werd opgemerkt in § 3 van het Voorloopig Verslag omtrent het vorig wetsontwerp omtrent de militaire inundatiën [hierv. blz. 16], Sommige van deze leden voegden hieraan toe, dat aan eene wettelijke regeling van den staat van oorlog en beleg huns inziens meer behoefte bestaat dan aan eene regeling van de gevolgen van militaire inundatiën.

ocr page 21

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ALG. BESCH.] 21

eerste wetsontwerp, in navolging van hetgeen in Frankrijk na den oorlog van 1870 heeft plaats gehad, namelijk om allo quaestiën, die met de schadevergoeding in verband staan — het bedrag daarvan, de quaestie ia hoeverre zij verleend behoort te worden in elk individueel geval enz. — over te laten aan de beslissing van speciale commissiën, samengesteld op de wijze, zooals de vorige Regoering in het eerste wetsontwerp heeft voorgesteld, of op andere wijze, zoo die nog beter mocht geoordeeld worden. Maar ook op dit punt zie ik geen kans om het wetsontwerp in mijn geest te wijzigen, zoodat mij ook hier wel niets anders zal overblijven dan tegen het wetsontwerp te stemmen.

De heer Bastert: Mijnheer de Voorzitter! Ofschoon het naar mijne bescheiden meening eenigszins te betreuren is, dat niet te gelijkertijd in behandeling zijn gebracht de wet die krachtens art. 187 van de Grondwet wordt gevorderd, met het wetsontwerp dat ons nu bezighoudt, naar aanleiding van art. 152 der Grondwet, 2de lid, zoo is op zich zelf dat ontbreken van dat tweede gedeelte der regeling geen reden om ons niet opzettelijk en nadrukkelijk bezig te houden met wat ons voorgesteld wordt ten aanzien van de eischen van billijkheid en rechtvaardigheid bij het stellen van militaire inundatiën.

Nu doet het mij leed dat mijne opvatting te dezer zake in flagrante tegenspraak is met die van mijn geachten mede-afgevaardigde uit Utrecht, den geachten spreker die mij voorafging.

Wij vinden in de Memorie van Tcelichting [lees: Beantwoording] van de Regeering', bestaan hebbende uit de Ministers Havelaar, Bergansius en de Savornin Lohman, een zeer uitvoerig exposé tot verdediging van die billijkheidsgronden. De heeren kennen dat stuk, en ik zal er dus geen voorlezing van doen, maar wil alleen in herinnering brengen, dat men zich daarin ook beroept op het voorbeeld van Frankrijk, bladz. 4 der Memorie van Beantwoording van 9 Februari 1891, alwaar ik lees: //Wanneer de vernielingen, terreinbezettingen en andere schade-berokkenende handelingen, uit een oogpunt van voorzorg, vrijwillig door de overheid zijn verricht, zal de schade worden vergoed.quot; [Hiervóór, blz. 15.]

Datzelfde stelsel is aangenomen geworden in de Memorie van Beantwoording, die van deze Ministers is uitgegaan. Daarin staat te lezen [hierv. blz. 18 onderaan]:

//Een oorlog op het grondgebied des Rijks zonder schade door den vijand aangebracht, is daarentegen niet denkbaar. Laatstgemelde schade is dus een absoluut noodzakelijk gevolg van den oorlog; schade, veroorzaakt door het voorbereiden en stellen van militaire inundatiën, is daarentegen niet als zoodanig aan te merken.

//Beide gevallen zijn dus niet op ééne lijn te stellen.quot;

Met die verklaring ben ik het volkomen eens. Het zal voor deze Kamer geen opzettelijk betoog behoeven, dat de gevallen werkelijk niet gelijkstaan. quot; Wanneer er vernietiging van eigendom, of schade aan perceelen of panden plaats heeft door oorlogstoestanden, dan weet men nooit vooraf welke eigenaren dat treffen zal en welke deelen van het land daaraan het meest blootgesteld zullen worden.

Geheel iets anders is het ten aanzien van het stellen van militaire inundatiën. Daarvoor zijn bepaalde kringen aangewezen.

Eu wanneer nu, hetzij bij het intreden van oorlogsgevaar, hetzij bij het werkelijk uitbreken van een oorlog, de militaire inundatiën gesteld worden, dan geschiedt dat tot behoud van het geheel, en is dat een maatregel van Regeerings-wege, met het doel om den oorlog te voorkomen, of den aanval voor ons land in eene goede richting te dwingen.

ocr page 22

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71,

Ik kan niet begrijpen hoe men die beiden gevallen over één kam kan scheren.

Zelfs zonder de utiliteitsgronden die in het Voorloopig Verslag zijn opgegeven, waarin gezegd wordt dat, wanneer men de schadevergoeding in de wet nederlegt, het voor het Departement van Oorlog zooveel gemakkelijker zal zijn de maatregelen vast te stellen die ten- aanzien van waterschapsbesturen, bij het stellen van inundatiën te pas kunnen komen — van welke utiliteitsgronden ik de waarde niet ontkennen zal — acht ik dat de eischen van billijkheid en rechtvaardigheid, die dit wetsontwerp op het voetspoor eener vorige Regeering wil in acht nemen, alle aanbeveling verdienen.

De heer van Houten, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! Het punt hetwelk door de beide geachte afgevaardigden is besproken, betreft meer bepaald het gedeelte van het ontwerp dat van juridischen aard is. Eigenlijk zou de Regoering kunnen zwijgen omdat de eene afgevaardigde uit Utrecht door den anderen volkomen is beantwoord en omdat door den tweeden geachten spreker dezelfde argumenten zijn aangevoerd welke de Regeering hebben gemoveerd om haar voorstel in te dienen.

De Regeering is zich, evenals de heer van Karnebeek, bewust dat deze wet, onder omstandigheden waarin de Staat zijne verplichtingen toch reeds moeilijk zal kunnen vervullen, aan den Staat belangrijke flaancieele lasten oplegt, maar aan den anderen kant bestaan daarvoor zoo onomstootelijke rechtsgronden en even onomstootelijke utiliteitsgronden, dat deze beide gronden de Regeering hebben gemoveerd het voorstel te doen gelijk het daar ligt. De Regecring is tevens uitgegaan van de onderstelling dat de vorderingen, die ontstaan door een door den Staat bevolen aantasting van den eigendom, onder de allerbillijkste vorderingen behooren die ooit kunnen bestaan, en dat zij bij andere financieele vorderingen, welke tegen den Staat kunnen worden gedaan, niet behooren achter te staan.

De heer van KarnebeeU: Mijnheer de Voorzitter! Ik moet na de bestrijding die mijne meening ondervonden heeft bij mijn mede-afgevaardigde uit Utrecht en ook bij den Minister nog een oogenblik daarop terugkomen.

De spreker uit Utrecht heeft er op gewezen dat het hier maatregelen geldt tot behoud van het geheele vaderland genomen, en meent dat het stellen van inundatiën in dit opzicht een bijzonder karakter heeft in vergelijking met andere verdedigingsmaatregelen, die in geval van oorlog tegen den vijand genomen zouden kunnen worden.

Ik geloof dat dit niet juist gezien is. Iedere maatregel tot verdediging van het vaderland in geval van oorlog zal wel zijn een maatregel, eene daad, tot behoud van het geheel, en dus geloof ik niet dat in dit opzicht het stellen van inundation een bijzonder karakter heeft.

De Minister heeft gezegd; men moet daar waar door den Staat de eigendom wordt aangetast in het algemeen belang, schadevergoeding verleenen, maar uit de bepalingen van de Grondwet blijkt, dat toch ook de grondwetgever zelf gevoeld heeft, dat in geval van oorlog en oorlogsgevaar, de zaak wel eenigszins van karakter verandert.

Hij heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de quaestie van de schadevergoeding in dergelijke gevallen zou worden geregeld door eene speciale wet. Nu heb ik er niets tegen dat het principe van schadevergoeding tot op zekere hoogte in deze wet wordt nedergelegd; ik heb er alleen tegen dat de schadevergoeding

22

ocr page 23

BEPALINGEN TER UITVOERING TAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ALG. BESCH.] 23

in dit geval worde geregeld alsof deze schadevergoeding, door den Staat te geven, op eene lijn is te stellen met alle andere gevallen waarin door den Staat de private eigendom zou worden aangetast en desnoods vernietigd. Ik wil alleen dat de regeling, zooals de practijk in andere landen heeft aangetoond dat met succes geschieden kan, worde voorbehouden voor ieder speciaal geval aan eene speciale wet. Ik geloof dat dit veel practischer is. Daardoor zal voorzien kunnen worden in de eigenaardige behoeften en eischen van ieder speciaal geval.

En wat nu de utiliteitsgronden aangaat, wil ik niet ontkennen, dat daarvoor iets te zeggen is. Ik geloof ook, dat wanneer de bepaling in deze wet wordt opgenomen, dat volledige schadeloosstelling zal gegeven worden, men wel op eenige medewerking zal kunnen rekenen van degenen, die door den maatregel van inundatie zullen kunnen getroffen worden, maar. Mijnheer de Voorzitter, in mijn stelsel wordt toch ook het uitzicht op schadevergoeding volstrekt niet afgesneden, doch integendeel geopend. De schadevergoeding zal alleen niet van te voren worden geregeld voor omstandigheden, die niet te voren kunnen worden berekend, de omstandigheden namelijk waarin de Staat zal kunnen verkceren na het voeren van een oorloge er wordt in dat stelsel niet reeds nu bepaald wat alsdan zal moeten geschieden, maar aan het oordeel over de omstandigheden, waarin wij ons dan zullen bevinden, wordt die beslissing voorbehouden.

Wat betreft de medewerking die van belanghebbenden in verband net het stelsel van dit wetsontwerp verwacht wordt, maar die misschien toch als het er op aan komt nog wel iets te wenschen zal overlaten, meen ik nog op één punt opmerkzaam te moeten maken.

Men heeft herinnerd in de gewisselde stukken aan de moeilijkbeden, die zich vroeger, blijkens onze historie, bij het stellen van inundation hebben voorgedaan en er op gewezen, dat indien men niet op de volledige medewerking van belanghebbenden kon rekenen, do onwil van sommigen groot nadeel voor de lauds verdediging zou kunnen doen ontstaan. Wanneer bijv. een dijk werd doorgestoken door een onwilligen belanghebbende en hei water afliep van een deel des lands, dat door dc inundatie ontoegankelijk voor den vijand moest worden gemaakt, dan zou dit de verdediging zeer belemmeren.

Maar, Mijnheer de Voorzitter, hetzelfde kan toch gebeuren ook onder het stelsel van het wetsontwerp en wanneer dat gebeurt, wanneer onder vigueur van deze wet door kwaadwilligen, die liever hun land droog willen zien dan zich te troosten met het uitzicht op eene schadevergoeding, de inundatie verstoord wordt, dan zullen deze gevaarlijke en onvaderlandslievende kwaadwilligen toch later nog recht hebben op vergoeding der schade door het water aangericht, al heeft dit hun eigendom niet zoo lang bedekt als de Staat bedoelde en voor 's lands verdediging noodig was. Ik blijf dus ook na het betoog van mijn geachten medeafgevaardigde en van den Minister, bij mijne bezwaren tegen dit wetsontwerp volharden.

Wat de commissiën aangaat, daaromtrent heeft zich de Minister niet nader uitgelaten, hoewel dit punt toch van te meer gewicht is, omdat het in het oorspronkelijk voorstel eener vorige Regeering geheel anders geregeld was en wel zooals ik het wensch en zooals de praktijk van Frankrijk na den oorlog van 1870 ons ten voorbeeld heeft gesteld.

Ik blijf dus ook op dit punt mijne bezwaren volhouden.

De heer viiii Houten, Minister van Bimenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter ! Bij de grondwetsherziening is deze bepaling op voorstel van den heer

ocr page 24

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

Rooseboom opgenomen; daardoor is voorgeschreven, dat op dit onderwerp afzonderlijk eene -wettelijke regeling zal worden gemaakt, maar de gedachte dat daardoor bij de toekenning van schadeloosstelling andere rechtsbeginselen en bij de regeling van die schadeloosstelling eene andere procedure zou worden gevolgd, is aan de discussie over dat amendement vreemd gebleven. Het voorgestelde amendement ging van de onderstelling uit, dat bij de afzonderlijke regeling de schadeloosstelling evenzeer zou worden geregeld als in bet algemeen bij art. 152 Grondwet is voorgeschreven en in de onteigeningswet bedoeld bij art. 151 geschiedt voor de gewone onteigening.

De geachte afgevaardigde verschilt met de Regeering in tweeërlei opzicht. Het eerste is dat de schadeloosstelling, welke de geachte afgevaardigde aan de belanghebbenden wil geven, is eene niet verzekerde, slechts nevelachtig in uitzicht gestelde, van toekomstige wetten, gezindheden, omstandigheden en toestanden afhankelijke, terwijl de Regeering meent dat waar dit artikel toepassing vindt schending van het privaat eigendomsrecht plaats heeft, al is die schending door het algemeen belang gerechtvaardigd, waartegen een recht op schadeloosstelling behoort over te staan. Ik geloof dat wanneer men aan het beginsel van eigendomsrecht hecht, men meer gezind moet zijne mede te gaan met de zienswijze der Regeering dan met die van den geachten afgevaardigde.

Wanneer de geachte afgevaardigde zegt dat volgens zijn denkbeeld de menscben evenzeer zullen medewerken tot de inundatie wanneer men hun slechts voorspiegelt eene latere schadeloosstelling, als wanneer men hun een recht daarop verzekert, dan. Mijnheer de Voorzitter, waag ik dit naar mijne kennis van de menschelijke natuur te moeten betwijfelen.

Wie prijsstelt op medewerking, althans zich niet aan tegenwerking wil blootstellen, behoort eene zekerheid, een recht op schadevergoeding te geven. Dit beginsel is ook gevolgd bij de onlangs aangenomen wet op het afmaken van vee. Ook op utiliteitsgronden is het toekennen van een recht noodig. De beslissingen over te nemen maatregelen vallen in den regel op een tijdstip waarop elk uur kostbaar is. Aan de eene zijde moet de Regecring niet worden teruggehouden door de vrees om vele ingezetenen te benadeelen en te ontstemmen en aan de andere zijde moeten die ingezetenen niet tot tegenwerking worden uitgelokt. Wanneer eenmaal de oorlog is uitgebroken, gaat alles zooals het in zulke tijden gaat; bij de hedendaagsche snelle bewegingen moeten echter de noodige maatregelen, om tijdig te worden genomen, reeds vroeger worden voorbereid. Aan de eene zijde moet dus de Regeering, omdat zij verplicht is volledige schadeloosstelling te geven, spoedig en krachtig durven handelen, en aan de andere zijde moeten de belanghebbenden geneigd zijn de inbreuk op hunne rechten te gedoogen, omdat hun de schadeloosstelling verzekerd is.

Van dat beginsel uitgaande, komt men dan ook tot de wijze van procedure, welke hier wordt voorgeschreven; zij hangt daarmede samen. Wanneer men slecbts in het algemeen de bedoeling heeft om later eene schadeloosstelling te geven, doch niet het recht daarop verzekert, dan kan daarbij op eene wijze worden te werk gegaan, die niet door de Grondwet is geregeld en niet aan de gewone rechtsregelen is gebonden; men kan dan bij wijze van gratificatie, al is het eene gratificatie met sterken zedelijken grond, door administratieve commissiën eene zekere som doen verdoelen en dan ook meer of minder volledig schadeloosstelling verleenen. Maar staat men aan de zijde van de Regeering, wil men het recht op schadevergoeding verzekeren, dan kan men de procedure niet ontgaan zooals die in het ontwerp is opgenomen. Waar een recht is verleend moet de toegang tot

24

ocr page 25

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DI: LID, GW. [ALG. BESCH.] 25

den rechter openstaan en moeten de commissien niet worden georganiseerd in den geest welken de geachte afgevaardigde daaraan wenscht te geven.

Commissiën zullen toch wel noodig zijn. De militaire autoriteiten die dc maatregelen moeten nemen zullen zich toch wel door commissiën op de hoogte moeten blijven houden van de schade die vergoed dient te worden. In de rapporten dier commissiën zullen zij den grondslag vinden voor het aanbod dat vanwege den Staat aan belanghebbenden zal worden gedaan. Doch indien met dat aanbod geen genoegen wordt genomen, kan de weg naar den rechter in den gedachtengang der Regeering niet worden afgesneden.

quot;Voorloopig Verslag der .ICerste Kamer.

§ 1. Bij het afdeelingsonderzoek betuigden een aantal leden hunne ingenomenheid met de wederindiening van dit wetsvoorstel. Intusschen verklaarden eenigen van hen, dat zij nog niet geheel voldaan waren en meer van de Eegeering verlangden, namelijk een ontwerp van wet regelende den staat van oorlog en beleg als gevorderd door artikel 187 der Grondwet, hoedanig ontwerp door eene vorige Eegeering ingediend, sedert is ingetrokken.

Memorie van Antwoord.

§ i. Met waardeering hebben de ondergeteekenden kennis genomen van de mededeeling, dat bi; het af-deelingsonderzoek een aantal leden hunne ingenomenheid betuigden met de wederindiening van het ontwerp van wet, houdende bepalingen ter uitvoering van art. quot;152, 2de lid der Grondwet.

Ten aanzien van de verklaring van eenige leden, dat zij door die indiening nog niet geheel voldaan waren en van de Eegeering tevens verlangden een nader ontwerp van wet, regelende den staat van oorlog en van beleg, hoedanig ontwerp, door eene vorige Kegeering ingediend, sedert was ingetrokken, meenen de ondergeteekenden te mogen verwijzen naar hetgeen door hen, met betrekking tot eene in het Voorloopig Verslag der Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het onderwerpelijke wetsontwerp voorkomende opmerking van gelijke strekking, als thans door bovenbedoelde leden wordt gemaakt, is te kennen gegeven in § 2 der Memorie van Antwoord op gemeld VoorloopigVerslag (Gedrukte stukkenl894—1895,117, n0. 5) [hiervóór, blz. 20.].

Vervolg van het Voorloopig Verslag der Eerste Kamer.

§ 2. In eene afdeeling waren eenige leden van gevoelen, dat het voordeel van den Staat gelegen in deze wetsvoordracht bestond in de wettelijke erkenning, dat ook publiek eigendom in gebruik kan worden genomen en in de wettelijke regeling der verhouding van de beheerders van zoodanig eigendom tot de militaire overheid. Enkele leden betreurden het echter, dat het vraagstuk betreffende het toekennen van schadeloosstelling aan deze regeling verbonden werd. De Grondwet toch eischt het verleenen van schadeloosstelling niet, want artikel 152, 2de lid, noemt alleen «regeling van gebruik van eigendomquot;. Buitendien kan toch door den oorlog nog veel schade berokkend worden, die buiten het kader van dit wetsontwerp valt. Liever dan eene regeling van dit bijzonder punt krachtens bet tweede lid van art. 152 zouden deze leden

de indiening van een ontwerp gezien rmolg quot;m de Mmori' van A'ltmord-

hebben als uitvloeisel van het eerste § 2. Naar aanleiding van de in lid van genoemd artikel. Bij zoodanig deze paragraaf voorkomende be-

ocr page 26

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

26

ontwerp, ook met het oog op de bepaling van art. 5 der Additionneele artikelen dringend noodzakelijk, had de regeling vollediger kunnen geschieden.

Daarbij zoude het beginsel, gehuldigd in het Pransche Keizerlijk Decreet van 10 Augustus 1853 aanbeveling verdienen, waarbij voor schade berokkenende handelingen uit voorzorg, vrijwillig door de overheid verricht, vergoeding kan worden verleend, maar schade, welke het gevolg is van feitelijken oorlogstoestand, van handelingen geboden door onmiddellijke behoefte bij aanval of verdediging, geen recht op vergoeding geeft.

Wat aangaat het beginsel van het verleenen van schadevergoeding zooals dat in het ontwerp is opgenomen, kwam het dezen leden'.niet gewenscht voor een onvoorwaardelijk recht en dat nog wel op volledige schadevergoeding toe te kennen dat door de Grondwet noch in art. 152, noch in art. 151, noch in artikel 186 gehuldigd wordt.

De noodzakelijkheid daartoe scheen te minder aanwezig daar ten onzent in 1838 bij Koninklijk besluit van 5 December n0. 84 (men zie ook de Fransche wetten van 1871,1873 en 1874), gebleken was, dat de overheid bereid is billijke aanspraken op schadeloosstelling in aanmerking te nemen. Het utiliteits-argument dooide Kegeering aangevoerd scheen dezen leden niet voldoende, omdat eener-zijds, wanneer het land werkelijk in gevaar is het verzet van belanghebbenden niet noemenswaard zal zijn, anderzijds het verzet van enkele kwaadwilligen er niet door voorkomen zal worden.

Het gevoelen werd geuit, dat het door de Eegeering voorgestelde beginsel den Staat zeer duur zoude te staan komen, waartegen dan ook ernstig bezwaar werd ingebracht.

§ 3. In eene andere afdeeling werd de vraag gedaan of niet dit wetsontwerp voor zoover het de schadeloosstelling regelt, berust op art. 152, schouwingen meenen de ondergetee-kenden er de aandacht op te moeten vestigen, dat het wetsontwerp de, bij artikel 152, 2de lid, door de Grondwet voorgeschreven regeling bevat en de quaestie der schadeloosstelling een onderdeel dier regeling is. Het wetsontwerp dient dus in geenen deele ter uitvoering van het eerste lid van artikel 152 der Grondwet, en mitsdien zou ook eene bespreking over de wijze, waarop een wetsontwerp ter uitvoering van die grondwetsbepaling zou moeten worden ingericht, buiten het thans behandelde onderwerp liggen.

Dat de Eegeering ook zonder eene wettelijke verplichting tot schadeloosstelling bereid zou zijn, kan nimmer een bezwaar tegen de wettelijke regeling opleveren, en het schijnt haar niet twijfelachtig, dat tegenwerking van noodige maatregelen, al mogen zij kunnen worden overwonnen — hetgeen, wegens den spoed waarmede eventueel de maatregelen moeten worden genomen, minstens twijfelachtig geacht mag worden — in elk geval minder te duchten zal zijn indien het recht op schadeloosstelling bij de wet is toegekend, dan wanneer dit geheel afhankelijk werd gelaten van het goedvinden van bet tijdelijk Bewind.

De ondergeteekenden geven toe, dat de kosten,verbonden aan het in het wetsontwerp nedergelegde beginsel, ongetwijfeld belangrijk kunnen zijn, doch hierbij mag niet worden voorbijgezien, eensdeels, dat het slechts tijdelijke onttrekking aan nuttig gebruik, geene onteigening geldt, anderdeels, dat juist als belangrijke schade wordt toegebracht, deze billijker gedragen wordt door de gemeenschap dan door degenen, aan wie, in het algemeen belang, die schade door de overheid wordt berokkend.

§ 3. Met betrekking tot de hier gedane vraag, meenen de ondergeteekenden te kunnen volstaan met te doen opmerken, dat artikel V der


ocr page 27

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ALG. BESCH.] 27

eerste lid, en zoo ja, of dan in dat Additionneele Bepalingen der Grond-opzicht art. 5 der Additionneele wet alleen op het eerste lid van artikelen tegen de aanneming daar- artikel 452 betrekking heeft en dat, van geen bezwaar oplevert. gelijk boven reeds is te kennen ge

geven, de schadeloosstelling bij dit wetsontwerp toegezegd, niet berust op het bepaalde bij dat eerste lid.

Beraadslaging in de Eerste Kamer.

De heer Scliimmelpenninck van der Oye: Mijnheer de Voorzitter! Ik behoor tot die leden, die er voor den Staat een belangrijk praotisch voordeel in zien, dat bij dit wetsontwerp geregeld wordt het gebruik ten bate der verdediging, niet alleen van particulier, maar ook van publick eigendom, en dat de beheerders van de publieke eigendommen gehouden zijn de bevelen op te volgen van de militaire autoriteiten betreffende het stellen en in stand houden van militaire inundatiën. In het Voorloopig Verslag, uitgebracht gedurende de zitting 1889—1890 [hiervóór, blz. 4—9], werd die vraag zeer uitvoerig behandeld en door de Regeering in de Memorie van Antwoord, uitgebracht in de zitting van 1890—1891, zoo duidelijk mogelijk in bevestigenden zin beantwoord. In het oorsponkelijk ontwerp werd dan ook een in dien zin nieuw art. 3 inge-lascht. Conflicten tusschen verschillende administratieve autoriteiten, die in tijden van oorlog en oorlogsgevaar (en ik voeg er bij, in tijden van stormweer en hooge vloeden) noodlottig kunnen worden, zijn daardoor voor een goed deel voorkomen.

Niet dat ik persoonlijk ondervinding heb gehad van dergelijke conflicten. Integendeel, ik herinner mij nog altijd met zeer veel genoegen, dat toen in 1870 tijdens de mobilisatie de linie Spees-Ochten in de Neder-Betuwe in staat van verdediging moest worden gebracht en daartoe het peil van de polders zoo hoog mogelijk opgezet en een stuwdam in de Linge werd gelegd, ik daarbij van het bestuur van Neder-Betuwe de meest mogelijke medewerking ondervond. En ik behoef niet te zeggen, dat, wanneer in de hoofdwaterleiding van dergelijk waterschap als de Linge een stuw moet worden aangebracht, dit voor het bestuur allerminst eene kleinigheid is.

Toch zou het soms anders kunnen zijn, en ik geloof dus werkelijk, dat het zeer is in het belang des lands dat deze aangelegenheid wettelijk wordt geregeld. Die regeling is dan ook een overwegend voordeel ten gunste van dit wetsontwerp.

Intusschen ik zie ook eene groote schaduwzijde, en wel speciaal ten aanzien van de quaestie der schadeloosstelling; een lastig onderwerp, ik erken het gaarne.

Dat de billijkheid van schadeloosstelling onder bepaalde omstandigheden wordt aangenomen, blijkt uit menige plaats in onze wetgeving, maar die billijkheid sluit daarom nog geen recht in, en evenmin, of nog veel minder, zou ik zeggen, recht op volledige vergoeding.

In het Voorloopig Verslag van 1889/90 [hiervóór, blz. 10] wordt de vraag gedaan of het toekennen van een recht op schadeloosstelling een goed beginsel is, en de Regeering antwoordt daarop [hiervóór, blz. 11], dat er aanspraak op vergoeding wegens inundatie wordt gegeven, daargelaten de vraag of die aanspraak zich grondt op de billijkheid of op een rechtsbeginsel. Deze Regeering schijnt een stap verder te gaan; althans bij de opmerking in het Voorloopig Verslag van 189é/95 van sommige leden, dat de toekenning van aanspraak op volledige vergoeding

ocr page 28

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

moeilijk gemist kon 'worden, waar het van groot belang is feitelijk en lijdelijk verzet van belanghebbenden tegen het stellen van inundatiën te voorkomen [hiervóór, blz. 19] antwoordt de Regeering in de Memorie van Beantwoording in dezelfde zitting [t. a. p.]: //De •wensehelijkheid om, door het toekennen van een recht op seliadevergoeding, niet alleen feitelijk of lijdelijk verzet van belanghebbenden te voorkomen, maar zelfs hunne wellieht noodige medewerking in deze te verkrijgen, is, gelijk sommige leden zeer te recht aanmerkten, een krachtig argument voor het in [het wetsontwerp gehuldigde stelsel.quot;

Waar de leden dus slechts spreken van eene aanspraak op vergoeding, gewaagt de Regeeriug van een recht. Toch spreekt de Grondwet nergens zoo absoluut van een recht. Lid 2 van art. 152 spreekt in het geheel niet van schadeloosstelling, maar alleen van „regeling va,n het gebruik van eigendommenquot;. De Regeering zegt wel in de Memorie van Beantwoording die wij mochten ontvangen: „Naar aanleiding van de in deze paragraaf voorkomende beschouwingen meenen de on-dergeteekenden er de aandacht op te moeten vestigen, dat het wetsontwerp de, bij artikel 152, 2de lid, door de Grondwet voorgeschreven regeling bevat en de quaestie dor schadeloosstelling een onderdeel dier regeling isquot;, maar naar mijne bescheiden meening is het krachtens de bewoordingen van de Grondwet zeker geen onmisbaar onderdeel daarvan en kan de eene zaak onafhankelijk van de andere worden geregeld.

Art. 152, 1ste lid, zegt dat de wet kan bepalen dat geene schadeloosstelling wordt verleend; schadeloosstelling wordt verleend, staat er, voor zoover door de wet niet het tegendeel wordt bepaald. Art. 151 maakt voor het vooraf verzekeren van schadeloosstelling bij aankoop, bij onteigening, reserves voor oorlog, oorlogsgevaar, enz.

Art. 186 maakt voor het defroyeeren van leverantien enz. reserves voor oorlog, oorlogsgevaar en andere buitengewone omstandigheden Naar mijne meening was het dus zeker niet noodzakelijk om bij deze gelegenheid, ter voldoening aan het 2de lid van art. 152, een recht te statueeren dat zeer ver reikende gevolgen zal hebben.

Te minder noodig schijnt mij dit toe, omdat de overheid steeds getoond heeft, waar schade berokkend werd, de billijkheid in acht te willen nemen. De geschiedenis toont dit herhaaldelijk aan. Het bleek onder andere van de zijde der Spanjaarden in 1667, van de zijde der Franschen in 1699, ten onzent bleek het in 1673, in 1793 en laatstelijk weder in 1838.

In het Koninklijk besluit van 5 December 1838 wordt verklaard dat er aan het verleenen van eene eigenlijk gezegde schadevergoeding niet kan worden gedacht, dat desniettemin eenige tegemoetkoming ter zake van geledene verliezen wegens den langen duur der inundeering zal worden verleend. Men vindt bedoeld besluit uitvoerig gerelateerd in het Voorloopig Verslag van 1889/90.

Het totaal der schade werd begroot op 13 ton gouds, waarop bij de wet van 9 Mei 1846 {Staatsblad n0. 40) aan belanghebbenden 6 ton werd vergoed, in evenredigheid van de geleden schade.

In frankrijk werd na den oorlog van 1870, behalve krachtens het beginsel van het gemeene recht, neergelegd in het Keizerlijk decreet van 10 Augustus 1853, nog bij de wetten van 1871, 1873 en 1874 eene bijzondere schadeloosstelling toegekend. Het is intusschen eigenaardig, dat voor de laatste schadevergoeding niet in aanmerking zouden komen, ceux, qui ne renonceraient pas a toute action devant les trihmaux judiciaires ou administratifs.

Ik betreur het dan ook, dat de Regeering gemeend heeft bij deze gelegenheid

28

ocr page 29

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2D,! LID, GW. [ALG. BESCH.] 29

den knoop te moeten doorhakken, en had de ontwarring daarvan liever gezien bij eene wet, gegrond op het eerste lid van art. 152.

Dan had ook de regeling mijns inziens vollediger kunnen geschieden.

De Regeering zegt wel in hare Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer, dat de schade door inundatie niet is aan te merken als een absoluut noodzakelijk gevolg van den oorlog, de schade door den vijand aangebracht daarentegen wel; dat de eerstgenoemde schade dus moet vergoed worden,de laatstgenoemde niet; maar de Minister van Oorlog zal mij wel toegeven, dat behalve door inundatie en door opruiming binnen de verboden kringen (waarvoor krachtens art. 5 van de wet van 1853 schadevergoeding kan worden gevorderd) nog op velerlei andere wijze door den verdediger schade kan worden aangebracht, bijv. door het nemen van stellingen, bij het in staat van verdediging brengen van terremvoorwerpen of terrcinstrooken en zelfs bij het opruimen rondom vestingen, waarbij zeker de afstand van 1000 M. menigmaal niet voldoende zal blijken.

Daarbij hadden dan wellicht als grondslag kunnen dienen de beginselen van het gemeene recht, in het genoemd Keizerlijke decreet neergelegd eninhetVoor-loopig Verslag dezer Kamer gememoreerd.

Ik kom thans niet terug op de commissiën, bedoeld bij an. 6. Ik ben het met den Minister van Binnenlandsche Zaken eens, waar hij aanvoerde in de andere Kamer, dat feitelijk de zaak geen groot verschil oplevert en dat ook de Minister wel deskundigen zal raadplegen, alvorens de schadevergoeding vast te stellen. Evenmin maak ik bezwaar tegen de slotalinea van art. 6, want het is logisch, dat daar, waar een recht op schadevergoeding wordt aangenomen, de mogelijkheid moet open blijven ten. slotte ook bij den rechter te recht te komen. Maar de aanneming van dit recht kan voor den Staat zeer zware financieele offers medebrengen en ik vrees, dat desniettemin het doel slechts onvolledig zal worden bereikt. Steeds zullen er toch velen overblijven, die door den oorlog groote nadeelen ondervonden hebben, zonder in de termen van schadevergoeding te vallen.

Ik wensch dan ook mijne stem over dit wetsontwerp nog voor te behouden en eerst te hooren, wat door den Minister of door andere leden ten gunste van dit wetsontwerp zal worden aangevoerd.

De heer vau Houten, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! De geachte spreker heeft gelijk, wanneer hij zegt, dat door de Grondwet niet volstrekt geboden is de schadevergoeding te verleenen, welke door dit wetsontwerp in geval van inundatie wordt toegezegd. Het wetsontwerp bevat de regeling, bedoeld bij art. 152, tweede lid, der Grondwet. De schadeloosstelling is naar het oordeel van de Regeering een onderdeel van die regeling, maar het is waar, het is niet een noodzakelijk onderdeel. De wetgever is vrij om die schadeloosstelling te regelen zooals de Regeering haar voorstelt; hij is ook vrij dit recht op schadeloosstelling in beperkte mate toe te staan of het geheel te onthouden. De schadeloosstelling wordt dan ook door de Regeering alleen verdedigd als in overeenstemming met de billijkheid en met het Staatsbelang.

In overeenstemming met de billijkheid. Dit wordt ook door den geachten afgevaardigde erkend, want hij heeft het geprezen, dat verschillende Regeeringen op verschillende tijden dit beginsel van schadeloosstelling hebben gehuldigd.

Maar indien dit beginsel wordt gehuldigd, waarom het dan op een halfje en niet ten volle toegepast? Daarop komt toch, kortweg uitgedrukt, het betoog van den geachten afgevaardigde neêr.

De schadeloosstelling is billijk, maar zij kost veel geld en vandaar dat hij niet

ocr page 30

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

moeilijk gemist kon worden, waar liet van groot belang is feitelijk en lijdelijk verzet van belanghebbenden tegen het stellen van inundatiën te voorkomen [hiervóór, blz. 19] antwoordt de Regeering in de Memorie van Beantwoording in dezelfde zitting [t. a. p.]: wDe wensehelijkheid om, door het toekennen van een reuht op schadevergoeding, niet alleen feitelijk of lijdelijk verzet van belanghebbenden te voorkomen, maar zelfs hunne wellicht noodige medewerking in deze te verkrijgen, is, gelijk sommige leden zeer te recht aanmerkten, een krachtig argument voor het in ^het wetsontwerp gehuldigde stelsel.quot;

Waar de leden dus slechts spreken van eeue aanspraak op vergoeding, gewaagt de Regeering van een recht. Toch spreekt de Grondwet nergens zoo absoluut van een recht. Lid 2 van art. 152 spreekt in het geheel niet van schadeloosstelling, maar alleen van „regeling van het gebruik van eigendommenquot;. De Regcering zegt wel in de Memorie van Beantwoording die wij mochten ontvangen: „Naar aanleiding van de in deze paragraaf voorkomende beschouwingen meenen de on-dergeteekenden er de aandacht op te moeten vestigen, dat het wetsontwerp de, bij artikel 152, 2de lid, door de Grondwet voorgeschreven regeling bevat en de quaestie der schadeloosstelling een onderdeel dier regeling isquot;, maar naar mijne bescheiden meening is het krachtens de bewoordingen van de Grondwet zeker geen onmisbaar onderdeel daarvan en kan de eene zaak onafhankelijk van de andere worden geregeld.

Art. 152, 1ste lid, zegt dat de wet kan bepalen dat ge.ene schadeloosstelling wordt verleend; schadeloosstelling wordt verleend, staat er, voor zoover door de wet niet het tegendeel wordt bepaald. Art. 151 maakt voor het vooraf verzekeren van schadeloosstelling bij aankoop, bij onteigening, reserves voor oorlog, oorlogsgevaar, enz.

Art. 186 maakt voor het defroyeeren van leverantien enz. reserves voor oorlog, oorlogsgevaar en andere buitengewone omstandigheden Naar mijne meeniug was het dus zeker niet noodzakelijk om bij deze gelegenheid, ter voldoening aan het 2de lid van art. 152, een recht te statueeren dat zeer ver reikende gevolgen zal hebben.

ïe minder noodig schijnt mij dit toe, omdat de overheid steeds getoond heeft, waar schade berokkend werd, de billijkheid in acht te willen nemen. De geschiedenis toont dit herhaaldelijk aan. Het bleek onder andere van de zijde der Spanjaarden in 1667, van de zijde der Pranschen in 1699, ten onzent bleek het in 1672, in 1793 en laatstelijk weder in 1838.

In het Koninklijk besluit van 5 December 1838 wordt verklaard oat er aan het verleenen van eene eigenlijk gezegde schadevergoeding niet kan worden gedacht, dat desniettemin eenige tegemoetkoming ter zake van geledene verliezen wegens den langen duur der inundeering zal worden verleend. Men vindt bedoelc besluit uitvoerig gerelateerd in het Voorloopig Verslag van 1889/90.

Het totaal der schade werd begroot op 13 ton gouds, waarop bij de wet van 9 Mei 18é6 [Staatsblad nquot;. 40) aan belanghebbenden 6 ton werd vergoed, in evenredigheid van de geleden schade.

In Frankrijk werd na den oorlog van 1870, behalve krachtens het beginsel van het gemeene recht, neergelegd in het Keizerlijk decreet van 10 Augustus 1853, nog bij de wetten van 1871, 1873 en 1874 eene bijzondere schadeloosstelling toegekend. Het is intusschen eigenaardig, dat voor de laatste schadevergoeding niet in aanmerking zouden komen, ceux, qui ne renonceraient pas a toute action devani les trihmam judiciaires oti administratifs.

Ik betreur het dan ook, dat de Regeering gemeend heeft bij deze gelegenheid

28

ocr page 31

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LtD, GW. [ALG. BESCH.] 29

den knoop te moeten doorhakken, en had de, ontwarring daarvan liever gezien bij eene wet, gegrond op het eerste lid van art. 153.

Dan had ook de regeling mijns inziens vollediger kunnen geschieden.

De Regeering zegt wel in hare Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer, dat de schade door inundatie niet is aan te merken als een absoluut noodzakelijk gevolg van den oorlog, de schade door den vijand aangebracht daarentegen wol; dat de eerstgenoemde schade dus moet vergoed worden, de laatstgenoemde niet; maar de Minister van Oorlog zal mij wel toegeven, dat behalve door inundatie en door opruiming binnen de verboden kringen (waarvoor krachtens art. 5 van de wet van 1853 schadevergoeding kan worden gevorderd) nog op velerlei andere wijze door den verdediger schade kan worden aangebracht, bijv. door het nemen van stellingen, bij het in staat van verdediging brengen van terreinvoorwerpen of terreinstrooken en zelfs bij hot opruimen rondom vestingen, waarbij zeker de afstand van 1000 M. menigmaal niet voldoende zal blijken.

Daarbij hadden dan wellicht als grondslag kunnen dienon de beginselen van het gemeeue recht, in het genoemd Keizerlijke decreet neergelegd eninhet Voor-loopig Verslag dozer Kamer gememoreerd.

Ik kom thans niet torug op de commission, bedoeld bij art, 6. Ik ben hot met don Minister van Binnenlandsche Zaken eens, waar hij aanvoerde in de andere Kamer, dat feitelijk do zaak geen groot verschil oplevert en dat ook de Minister wel deskundigen zal raadplegen, alvorens do schadevergoeding vast te stellen. Evenmin maak ik bezwaar tegen do slotalinea van art. 6, want het is logisch, dat daar, waar een recht op schadevergoeding wordt aangenomen, de mogelijkheid moet open blijven ten slotte ook bij den rechter te recht te komen. Maar de aai.-neming van dit recht kan voor don Staat zeer zware finaucieelo offers medebrengen en ik vrees, dat desniettemin het doel slechts onvolledig zal worden bereikt. Steeds zullen er toch velen overblijven, die door den oorlog groote nadoelen ondervonden hebben, zonder in de termen van schadevergoeding te vallen.

Ik wensch dan ook mijne stem over dit wetsontwerp nog voor te behouden en eerst te hooren, wat door den Minister of door andere leden ten gunste van dit wetsontwerp zal worden aangevoerd.

De heer v»u Houten, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! De geachte spreker hooft gelijk, wanneer hij zegt, dat door de Grondwet niet volstrekt geboden is de schadevergoeding te verleenen, welke door dit wetsontwerp in geval van inundatie wordt toegezegd. Het wetsontwerp bevat do regeling, bedoeld bij art. 152, tweede lid, der Grondwet. De schadeloosstelling is naar hot oordeel van de Regeering een onderdeel van die regeling, maar hot is waar, hot is niet een noodzakelijk onderdeel. Do wetgever is vrij om die schadeloosstelling te regelen zooals de Regeering haar voorstelt; hij is ook vrij dit recht op schadeloosstelling in beperkte mate toe te staan of het geheel te onthouden. Do schadeloosstelling wordt dan ook door de Regeering alleen verdedigd als in overeenstemming met de billijkheid en mot het Staatsbelang.

In ovoroonstemming met do billijkheid. Dit wordt ook door den geachten afgevaardigde erkend, want hij heeft hot geprezen, dat verschillende Rogeoringen op verschillende tijden dit beginsel van schadeloosstelling hebben gehuldigd.

Maar indien dit beginsel wordt gehuldigd, waarom het dan op een halfje en niet ten volle toegepast? Daarop komt toch, kortweg uitgedrukt, het betoog van den geachten afgevaardigde neêr.

De schadeloosstolling is billijk, maar zij kost veel geld en vandaar dat hij niet

ocr page 32

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

wil toekennen een recht op schadeloosstelling, maar slechts eene zekere aanspraak, welke men ten halve kan bevredigen en waardoor men zich toch meent te kunnen vleien de billijkheid te hebben betracht.

Het beginsel van schadeloosstelling wordt door de Grondwet gehuldigd, daar waar eigendomsovergang noodig is. In dat geval wordt, krachtens art. 151 en de daarop gebaseerde onteigeningswet, de schadeloosstelling ten volle toegekend. Waarom zou men nu hetzelfde beginsel niet laten gelden daar waar eigendom wel niet geheel, maar toch tijdelijk wordt ontnomen en dus in het wezen der zaak geen verschil is?

Moet men aannemen dat hier eene verplichting op den Staat wordt gelegd welke onmogelijk ten volle is te vervullen? Dit is niet aan te nemen. De schadeloosstelling strekt zich wel uit over groote terreinen, maar betreft toch slechts het gebruik voor korten tijd. De kosten van den oorlog in onzen tijd zijn zoo groot, dat het op het geheele bedrag van de oorlogskosten wel geen groot verschil kan maken of men ten volle de aanspraak op schadeloosstelling te dier zake erkent, dan wel of men, gelijk de geachte afgevaardigde wil, het in de hand houdt om naar omstandigheden ten volle of ten deele schadeloos te stellen.

Het Staatsbelang noopt om ruim te zijn niet alleen in de toekenning, maar ook in de toezegging der schadeloosstelling. Wanneer het onzeker is of men schadeloosstelling zal krijgen en of die ten volle of ten deele zal worden gegeven, mist men de medewerking of althans de niet-tegenwerking der belanghebbenden, welke naar mijne meening voor iedere militaire autoriteit van het alleruiterste belang is.

Bij de snelheid waarmede gehandeld moet worden kan geenerlei vertraging worden geduld. Neemt men in aanmerking dat deze handelingen ook gepleegd moeten worden in vredestijd en alleen ter voorbereiding van mogelijk verweer en dat men dan dus nog in den toestand verkeert waarin een regelmatig beroep op den rechter kan worden gedaan, dan begrijpt men dat het gevaar voor tegenwerking van de maatregelen der militaire autoriteit niet gering geschat kan worden. Het geldt hier, mocht het geval zich voordoen, omstandigheden waarin zelfs de uren kostbaar zijn, en het zou verkeerde zuinigheid zijn dan niet te zeggen: ik zal u geheel, maar ik zal u later misschien gedeeltelijk schadeloos stellen. Het is veel beter den militairen gezaghebbers de wettelijke volmacht te geven om te zeggen: wij moeten handelen, maar gij ontvangt volledige schadeloosstelling.

Het Staatsbelang vordert daarom, naar mijne overtuiging, die volkomen gedeeld wordt door den Minister van Oorlog, dat de militaire autoriteit volledige schadeloosstelling kan toezeggen.

De heer Kist: In het Yoorloopig Verslag is in de laatste paragraaf de volgende vraag tot de Regeering gericht: //of niet dit wetsontwerp voor zoover het de schadeloosstelling regelt, berust op art. 152, eerste lid, en zoo ja, of dan in dat opzicht art. V der Additioneele Artikelen tegen de aanneming daarvan geen bezwaar oplevertquot;.

Die vraag is kort gedaan en door de llegeering ook kort, negatief beantwoord. De Regeering heeft gezegd: de schadeloosstelling bij deze wet berust niet op art. 152, alin. I, maar uitsluitend op art. 152, alin. 2, en omdat dit het geval is, is ook hier geen sprake van de bepalingen van art. V der Additioneele Artikelen, waarin wordt gezegd, dat het beginsel van schadeloosstelling voor vernietiging en tijdelijke of voortdurende onbruikbaarmaking van eigendom buiten werking wordt gesteld, totdat in het leven zal zijn geroepen die bijzondere wet, die zal bepalen

30

ocr page 33

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ALG. BESCH.] 31

voor welke onbruikbaarmaking of vernietiging geen schadevergoeding zal worden bepaald.

Ik geloof, dat het der moeite waard is dit punt eenigszins nader te bezien, omdat hot mij inderdaad toch voorkomt dat er ineer twijfel bestaat dan de Regeering meent en ik het in het belang der zaak wensehelijk zou achten, dat de Regeering dien twijfel geheel en al ophief.

Br is mijns inziens toch veel te zeggen voor de meening, dat art. 152, alin. 1, volkomen regelt het beginsel van schadeloosstelling voor vernietiging en voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom in zijn geheel, en dat dit artikel volgens de bedoeling van den grondwetgever slaat op alle schade door vernietiging en onbruikbaarmaking aan eigendommen veroorzaakt, ook wat betreft inundatie.

quot;Wanneer dit het geval is, dan zou schadevergoeding voor inundatie ook moeten begrepen zijn in het eerste lid van art. 152 en dan zou toepasselijk zijn art. V van de Additioneele Artikelen, dat zegt, dat het eerste lid van art. 152 van de Grondwet buiten toepassing blijft, totdat de wettelijke regeling omtrent de gevallen, waarin geen schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking zal worden verleend, in werking zal zijn getreden. Dan zou dit wetsontwerp, niet in zijn geheel, maar wat beide laatste artt. 5 en 6 aangaat voorbarig zijn; geboren, voordat de conditiën van de geboorte dat'.rvan in het leven zijn getreden, en ik word in die meening eenigszins bevestigd door hetgeen zooeven door den Minister is gezegd en erkend tegenover de beweringen van het geachte lid uit Gelderland. Hij heeft gezegd: ik erken dat de regeling van schadevergoeding hij dit ontwerp niet noodzakelijk was, met andere woorden: hij erkent, dat de regeling van de schadevergoeding ook bij afzonderlijke wet zal kunnen worden daargesteld.

Wanneer dit het geval is, zou ik willen vragen: op welke bepaling van de Grondwet dan de schadevergoeding voor inundatiën zoude steunen ? Deze zou dan zeker berusten op art. 152, 1ste lid.

Wanneer men de wordingsgeschiedenis van art. 152, eerste en tweede lid, nagaat, dan krijgt men den indruk, dat het eerste lid regelt de schadevergoeding in haar geheel, ook voor inundatiën, en het tweede lid uitsluitend bedoelt eeu bevel tot wettelijke regeling van het stellen van inundatiën, de schadevergoeding aan het eerste lid overlatende.

Het is bekend, en de Minister van Binnenlandsche Zaken weet dat ook uit eigen ervaring en uit zijne herinning, dat dat tweede lid van art. 152, hangende de beraadslaging over de Grondwet, is aangebracht door een amendement van den heer Rooseboom. Daartegen heeft zich destijds de toenmalige Minister van Binnenlandsche Zaken, de hoer Heemskerk, zeer krachtig verzet. Hij hield daarbij vol dat do sohadovergoeding voor inundatiën in hot voorgedragene artikel begrepen was. Om dat artikel (nu het eerste lid van art. 152) meer toepasselijk te maken op de materie van inundatiën, heeft hij, waar oorspronkelijk gesproken werd van nonbruikbaarmakingquot;, dit veranderd in: nuoortdurende of tijdelijke onbruikbaarmakingquot;. Deze woorden zijn opzettelijk ter wille van de inundatiën in het artikel gebracht.

Ton slotte voegde de Minister Heemskerk den heer Roosoboom toe: wat wilt gij nog moorP Het eerste lid voldoet aan al uwe behoeften. Neen, zeide deze daartegen, dat is nog niet het geval, want wel is nu voorzien in de schadeloosstelling, maar nog mist hot legerbestuur de noodige macht om bij het stellen van inundatiën op te treden, bepaaldelijk tegenover de waterschappon. Deze discussie

ocr page 34

wet van -15 april 1896, Stbl. n0. 71.

kan men vinden op bladz. 1531 der Handelingen van 3 Mei 1887. De heer Rooseboom zeide onder andere het volgende: „Ook heb ik dankbaar erkend dat door de wijziging, door de Regeering in haar artikel gebracht, er ook geen bezwaar is met betrekking tot de terreinen, waar de inundatiën gesteld zullen worden. Maar wat heeft men daaraan, als de waterschappen zeggen: gij blijft van onze sluizen af? Dan hebben wij immers geen macht om de inundatiën voor te bereiden of te stellen? Dat bezwaar is nog niet opgelost. Noch de Minister van Binnen-landsehe Zaken, noch de Minister van Oorlog heeft daarover een woord gezegd. Toch is het noodig dat bezwaar op te lossen.quot;

En verder op bladz. 1532:

„Mijn amendement moet dienen als aanvulling van het Regecringsvoorstel; de bedoeling is niet het in de plaats daarvan te doen treden.quot;

Wat was alzoo de strekking van het amendement van den heer Rooseboom? (thans art. 152, tweede lid.) Niet om regeling der schadeloosstelling, maar hoofdzakelijk om macht te verkrijgen tegenover de waterschappen.

Ik zeg dit niet omdat ik er volkomen zeker van ben dat mijne opvatting de juiste is. maar omdat ik meen bij den bestaanden twijfel den Minister in de gelegenheid te moeten stellen, zijne meening toe te lichten en zoo mogelijk de overtuiging te vestigen, dat deze wet niet in strijd is met art. V der Additioneele Bepalingen.

Dat is ook de bedoeling der vraag, in het Voorloopig Verslag gedaan. Is de zetel van de schadevergoeding ook voor inundatiën niet begrepen in de eerste alinea, en is niet de bedoeling der tweede uitsluitend: 1quot;. het beginsel van wettelijke regeling dezer materie in de Grondwet op te nemen, en 2°. het verkrijgen van de noodige macht tegenover de waterschappen?

En wanneer die vragen bevestigend beantwoord zouden moeten worden is het dan. gerechtvaardigd thans reeds, terwijl de wet in de Additioneele Artikelen genoemd er nog niet is, het punt der schadeloosstelling te regelen en daardoor indirect uitvoering te geven aan art. 152, 1ste lid?

Ik breng deze vraag in verband met den wenseh dai de Regeering er toe overga, om ons de wet, bedoeld bij art. 152, eerste lid, der Grondwet, aanwijzende in welke gevallen yeene schadeloosstelling zal gegeven worden, die nu reeds acht jaren op zich laat wachten, zoo spoedig mogelijk te schenken.

De heer Schiinmelpenninck van der Oye: Mijnheer de Voorzitter! Slechts een paar woorden naar aanleiding van hetgeen door den Minister van Binnenlandsche Zaken in het midden is gebracht.

De Minister geeft vooral twee redenen aan ter aanbeveling van dit wetsontwerp, nl. de billijkheid en het Staatsbelang. Ik ontken geenszins dat er redenen van billijkheid zijn aan te voeren voor het geven van schadeloosstelling, maar billijkheid is iets anders dan het scheppen van een recht, terwijl bovendien, zooals ook door den heer Kist is opgemerkt, het niet noodzakelijk was bij deze wet de schadeloosstelling te behandelen. Ook ik had wel gewenscht, dat de Regeering deze moeilijke aangelegenheid niet partieel had begonnen te regelen.

Bij het Staatsbelang geldt voor de Regeering voornamelijk de utiliteitsreden, dat het verzet waarschijnlijk minder zal voorkomen zoodra er een recht op schadeloosstelling bestaat. Wat dat verzet betreft ben ik niet zeer pessimistisch gezind, wel kan de geschiedenis voorbeelden aanwijzen dat er verzet is geweest, maar wanneer eenmaal het land in gevaar is en de oorlogstoestand bestaat, dan is vooreerst iedereen min of meer onder den indruk daarvan en zijn verder de

32

ocr page 35

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN' ART. 152, 2n,' LID, GW. [ALG. BESCII,] 33

middelen meer bij de hand dan in gewone tijden om verzet tegen te gaan. Mijne persoonlijke ondervinding is dan ook dat er veeleer medewerking is, ook bij den landbouwenden stand, bij de onmiddellijke belanghebbenden, dan tegenwerking. Aan enkele kwaadwilligen of wantrouwenden zal het wel nooit geheel ontbreken, zelfs onder toezegging van schadevergoeding.

Buitendien is het stellen van inundatiën slechts een van de vele phasen, die zich bij oorlogstoestand kunnen voordoen. Er zullen honderden andere gevallen zijn waarbij verzet evenzeer gevaarlijk kan worden. Waarom dan bij deze gelegenheid speciaal de inundatiën in het oog gevat en niet den geheelen oorlogstoestand krachtens het 1ste lid van art. 152?

De Minister zegt, dat de kosten niet zoo groot zullen wezen vergeleken bij de lasten, die door een oorlog worden opgelegd! Ja, Mijnheer de Voorzitter, alles is relatief in de wsreld, maar wanneer meu hier een recht in het leven roept, zal het toch wel minst genomen billijk zijn alle mogelijke overige schaden in rekening te brengen. En wil men zoover gaan om alle oorlogsschade te vergoeden, dan geloof ik dat men een zeer zwaren last zal leggen op den Staat.

Om die verschillende redenen had ik liever gezien dat de regeüng van dit punt hier achterwege gebleven ware. Maar wij zijn niet met het recht van amendement toegerust en hebben slechts te overwegen of de voordeden van een wetsontwerp in zijn geheel zwaarder wegen dan de nadeelen.

En aangezien het mijns inziens van veel waarde is dat de verhouding van de verschillende autoriteiten en beheerders van publieke eigendommen geregeld worde, zal ik, al wordt er eene quaestie in behandeld op eene wijze die ik liever anders gezien had, mijne stem aan dit wetsontwerp niet onthouden.

De heer van Houten, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! Ik kan inderdaad niet inzien dat, vooral van het standpunt waarop de laatste geachte spreker staat, die het ook vvenschelijk acht dat tijdig, wanneer dit noodzakelijk is, eventueel militaire toebereidselen kunnen getroffen worden, het als een nadeel kan beschouwd worden dat het beginsel van schadeloosstelling in de wet gehuldigd wordt.

Voor de militaire toebereidselen kan het toekennen van recht op schadeloosstelling nooit nadeelig zijn.

De geachte spreker maakt zich echter bezorgd dat het beginsel in dit wetsontwerp gehuldigd, zou medebrengen vergoeding door den Staat van alle oorlogsschade.

Ja, Mijnheer de Voorzitter, indien dit het geval was, zou ook ik huiverig zijn om dit beginsel te aanvaarden; maar dat is niet het geval. Bij oorlogsschade is een groot deel van toevallige omstandigheden afhankelijk, zoowel wat betreft de schade in de bezittingen als in het bedrijf der ingezetenen. Dat is geen schade bedoe'd bij het 2de lid van art. 132 Grondwet; daar staat men slechts tegenover het geval dat men tijdelijk over eigendommen beschikken moet.

Het recht van tijdelijke beschikking wordt erkend, maar wordt in dat artikel beperkt door regeling bij de wet.

Nu meent de geachte spreker dat die regeling zich slechts moet bepalen tot het toekennen van het recht, zooals dat in de andere onderdeelen van het wetsontwerp wordt verleend.

Onder regeling versta ik echter ook het bepalen van de voorwaarden, waaronder het gebruik zal plaats hebben; daaronder versta ik niet alleen het beginsel uit te spreken in de wet, maar ook de gevolgen te regelen en de rechten te bepalen welke uit toepassing van het beginsel worden ontleend.

W. '96. Sb. 71. 3

ocr page 36

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

Vandaar dat hot mij voorkomt, en daarin zijn mijne ambtgenooten het geheel met mij eens, dat deze zaak op zich zelve, geheel afgescheiden van het 1ste lid van art. 152, met hot daarmede verband houdende art. V der Additioneele Bepalingen, beschouwd moet worden.

Indien ik het betoog van den geachten afgevaardigde uit Noordhollaud wel begrepen heb, ligt er wel op den bodem van zijne bedenkingen een grondwettelijk bezwaar, maar dan is toch de strekking zijner rede voornamelijk deze, dat door de regeling van dit onderdeel het belang bij eene spoedige regeling van het onderwerp van het eerste lid van artikel 152 voor een goed deel zal verloren gaan.

Wat het laatste punt betreft, de wensohelijkheid daarvan zal ik niet tegenspreken. Inzonderheid wat betreft de medische politie, waarop dat 1ste lid vooral betrekking heeft, mist men wel de regeling in art. 152, 1ste lid, van de Grondwet bedoeld. Vernietiging en onbruikbaarmaking van voorwerpen en eigendommen wordt dikwijls belemmerd door gemis aan die wettelijke regeling.

Overigens heeft de bepaling van art. V der Additioneele Artikelen mijns inziens eene meer beperkte strekking dan daaraan door den geachten afgevaardigde wordt toegekend.

Naar mijn oordeel is art. V voornamelijk geschreven om het denkbeeld uit te sluiteu, dat aanvaarding van het beginsel van schadeloosstelling door de Grondwet op zich zelf reeds aanspraken zou geveu. Men heeft in het 1ste lid van art. 152 het beginsel van schadeloosstelling erkend en gewenscht dat alleen door den wetgever zou vastgesteld worden, in welke gevallen het niet zou verleend worden.

De argumentatie van den geachten spreker is niet geheel van grond ontbloot, maar het grondwettig bezwaar schijnt mij toch wat ver gezocht.

De Regeering die indertijd aanvankelijk artikel 152 voorstelde, meende dat het eerste lid de zaak volledig regelde, ook voor de militaire inundatiën. De voorsteller van liet amendement tot toevoeging van het tweede lid nam een ander standpunt in en meende dat het onderdeel der militaire inundatiën afzonderlijk moest geregeld worden.

Hoe moet nu do door het amendement gewijzigde bepaling geïnterpreteerd worden? Naar de toelichting van den Minister, die meende dat zijn voorstel volledig was, of naar de meening van hem die het amendement voorstelde. Ik meen in laatstgenoemden zin. En nu er een algemeen en een speciaal gebod van regeling naaist elkander staan, geldt voor het speciale onderwerp alleen het laatstgenoemde, volgens den regel dat eene speciale bepaling derogeert aan de algemeene. Te meer omdat de Regeering, het geamendeerde artikel aanvaardende, de correspondeerende bepaling van art. V der Additioneele Bepalingen alleen op het 1ste lid van art. 1.52 toepasselijk heeft verklaard.

Ik zou denken dat dus de grondwettige bedenking, die de geachte afgevaardigde schijnt te opperen, ongegrond is. Dat het overigens wenschelijk is dat ook uitvoering gegeven worde aan het eerste lid van art. 151, moet ik met den geachten afgevaardigde beamen.

Artikel 1.

Wanneer, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, militaire inundatiën moeten worden voorbereid of gesteld, kan zulks niet dan op last of krachtens machtiging van den Minister van Oorlog geschieden.

34

ocr page 37

bepvlingen tek uitvoering van art. 152, 2DE lid, gw. [art. 1.] 35

ontw. I. art. i. Wanneer, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, militaire inundatiën moeten worden voorbereid of gesteld, kan daartoe op last van Onzen Minister van Oorlog worden overgegaan.

In geval van oorlogsgevaar wordt echter voor het verstrekken van bedoelden last Onze voorafgaande machtiging vereischt.

Memorie van Toelichting bij Ontw. I.

In dit artikel wordt bepaald door wien, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, de last tot het voorbereiden of stellen van militaire inundatiën kan worden gegeven.

Daarbij is onderscheid gemaakt tusschen het geval van oorlog en dat van oorlogsgevaar.

Voor het gevai van oorlog wordt de Minister van Oorlog reeds bij deze wet bevoegd verklaard daartoe onmiddellijk den last te verstrekker.

Beden hiertoe bestaat voor het geval van oorlogsgevaar niet.

Opdat alsdan door den Minister van Oorlog de bovenbedoelde last zal kunnen worden verstrekt, zal hij daartoe vooraf door den Koning moeten zijn gemachtigd.

Memorie van Antwoord op tiet quot;Voorloopig Verslas der Tweede Kamer over Ontw. I.

Eerste lid. üit de beschouwingen, welke met betrekking tot deze bepaling in het Voorloopig Verslag zijn opgenomen, is den ondergeteekenden gebleken, dat omtrent de bedoeling en strekking daarvan eenig misverstand heerscht.

Het voorschrift, dat, wanneer in geval van oorlog of oorlogsgevaar, militaire inundatiën moeten worden voorbereid of gesteld, daartoe op last van den Minister van Oorlog kan worden overgegaan, valt strikt genomen buiten het kader der wet

quot;Voorloopig quot;Verslag der Tweede Kamer over Ontw. I.

Eerste lid. Volgens deze bepaling kan tot het voorbereiden en stellen van inundatiën worden overgegaan op last van den Minister van Oorlog, terwijl volgens art. 2 tot het gebruik maken van eigendom kan worden overgegaan op last van de hoogste militaire overheid ter plaatse. Beteekent in art. 2, 6den regel, het woord last zonder twijfel bevel, — welke naar het eerste lid van art. 1 de verhouding zal zijn tusschen den Minister van Oorlog en de militaire overheid ter plaatse aanwezig, werd door vele leden niet duidelijk geacht. Is last in art. 1 en in art. 2, eersten regel, genomen in den zin van bevel of van machtiging? Duidt het woordje kan aan, dat de militaire overheid steeds vrij blijft aan de aanschrijving al dan niet gevolg te geven? Sommigen meenden dat de bedoeling was aan den Minister van Oorlog de leiding der verdediging voor te behouden. Alleen zóó opgevat, zou het artikel huns inziens een waarborg aan de ingezetenen geven tegen wellicht geheel onnoodige onderwaterzetting door den in loco bevelvoerenden militair.

Hiertegen werd intusschen aangevoerd, dat indien de militaire bevelhebber ten deze de bevelen van den Minister van Oorlog eenvoudig had af te wachten, zijne vrijheid tot handelen op bedenkelijke wijze zou worden verlamd. Er waren verschei-

ocr page 38

1896, STBL. N0. 71.

WET VAN 15 APK1L

36

dene leden, die, ook met het oog op de mogelijkheid van de verbreking der communicatie met het Departement van Oorlog, daarin een zoo groot kwaad zagen dat zij het verre verkieselijk rekenden om voor de hoogst ernstige omstandigheden, waarvoor deze wet geschreven wordt, op duidelijke wijze aan den militairen bevelhebber, ter zijner verantwoordelijkheid, volle vrijheid tot handelen te geven ter zake van inundatiën in de plaats waarvan hem de verdediging is toevertrouwd. Verder werd opgemerkt dat een energiek bevelhebber zich casu quo noch aan wettelijke, noch aan andere voorschriften zou storen; hij zou doen en laten wat de nood hem zou voorkomen te eischen; en anders handelende zou hij toonen niet geschikt te zijn voor den post dien hij bekleedt. Moest het besef dezer waarheid het echter niet tamelijk onverschillig doen achten, hoe men deze wettelijke bepalingen, die derhalve in vele van de gevallen, waarvoor zij geschreven zijn, toch ter zijde zouden worden geschoven, zou inrichten ? Enkelen beantwoordden die vraag toestemmend. Anderen waren daarentegen van oordeel dat de wet zelve aan den militairen bevelhebber de vrijheid moest toekennen, die hij zich anders veelal in 's lands belang wel zou moeten aanmatigen. Zou op die wijze het krachtdadig optreden van energieke bevelhebbers gesteund worden, het brengen der beslissing in handen van den Minister van Oorlog had daarentegen het nadeel, dat minder energieke bevelhebbers hunne verantwoordelijkheid zouden kunnen dekken door het beroep op den inhoud van ministerieele bevelen of op het, ontbreken daarvan.

Het woord last werd nog in een ander opzicht min duidelijk geacht. Zal die last zijn een algemeene, of zullen daarin de speciale inundatiën die de Minister noodig acht, moeten aangewezen worden ?

Ten opzichte dezer verschillende beschouwingen werd door andere ter uitvoering van art. 152, 2de lid, der Grondwet, volgens welke moet worden geregeld het gebruik van eigendom, tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën gevorderd.

Üe uitvoeringswet behoeft dus niet te regelen door wie, wanneer en hoe de militaire inundatiën kunnen of moeten worden voorbereid of gesteld.

Niettemin is het der Kegeering wenschelijk voorgekomen, de bepaling van art. 1, 1ste lid, in het ontwerp op te nemen, doch alleen om hen, die bij de toepassing van art. 2 betrokken zijn, te waarborgen, dat tot den daarin vervatten, voor hen ontegenzeggelijk zeer bezwarenden maatregel niet zal worden overgegaan, dan wanneer zulks bepaald noodig is.

In dit licht beschouwd, is het duidelijk, dat de onderwerpelijke wetsbepaling niet bedoelt, aan den Minister van Oorlog de leiding van de landsverdediging voor te behouden, en evenmin bedoelt, eenig voorschrift te geven nopens de verhouding van den Minister van Oorlog

D o

tot de militaire overheid, die de militaire inundatie moet voorbereiden of stellen.

Tevens volgt echter uit het bovenstaande, dat het woord vlastquot;, hetwelk tot het meerendeel der in het Voorloopig Verslag met betrekking tot het 1ste lid van art. i voorkomende beschouwingen en opmerkingen heeft aanleiding gegeven, te beperkt is en twijfel doet rijzen omtrent de juiste bedoeling der wetsbepaling.

De ondergeteekenden hebben het dan ook wenschelijk geacht de redactie van de onderwerpelijke zinsnede, blijkens nevenstaande Nota van Wijzigingen, te veranderen, en wel in dier voege, dat zal worden gelezen;

»Wanneer, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, militaire inundatiën moeten worden voorbereid of gesteld, kan zulks niet dan op last of krachtens machtiging van den Minister van Oorlog geschieden.quot;


ocr page 39

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ABT. '152, 2DE LID, GW. [ART. 1.] 37

leden de meening geuit, dat zij meer betreffen de inrichting en de leiding van 's lands verdediging dan het onderwerp van dit wetsvoorstel. Zij betoogden verder, dat het in sommige gevallen noodig kan zijn aan de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig de beslissing omtrent het voorbereiden en stellen van iuundatiën over te laten; in andere gevallen zon die noodzakelijkheid echter niet bestaan. Met de verschillende omstandigheden, die zich kunnen voordoen, zal degene, die de opperste leiding der defensie heeft, rekening houden; zijn last zal kunnen zijn een bevel, hij kan ook zijn eene machtiging; hij kan zijn algemeen, hij kan ook zijn speciaal. Meent men dat de voorgestelde bepaling twijfel omtrent de bedoeling overlaat, dan zou zij naar het gevoelen dezer leden kunnen luiden als volgt:

«Wanneer in geval van oorlog of oorlogsgevaar militaire inundatiën moeten worden voorbereid of gesteld, kan Onze Minister van Oorlog de daartoe noodige maatregelen verordenen.quot;

Voorts meenden vele leden, dat het noemen van den Minister van Oorlog in dit artikel praejudicieert op de beslissing der quaestie, of aan hem, ook in geval van oorlog, de opperste leiding der defensie zou toekomen; dit achtte men geenszins gewenscht en men gaf daarom in overweging in het artikel te spreken van »den opperbevelhebber der strijdkrachten, en zoo deze niet benoemd mocht zijn, den Minister van Oorlogquot;.

Tweede lid. Het voorbereiden en stellen van militaire inundatiën kan noodig zijn in tijden van oorlogsgevaar, terwijl er nog eene groote kans bestaat, dat er van het uitbreken van oorlog niets komen zal. Met het oog op internationale verhoudingen scheen het niet wenschelgk juist voor die gevallen eene machtiging van den Koning te vorderen. Maar daarenboven werd het uit een

Door deze gewijzigde redactie wordt de bedoeling van de bepaling met juistheid aangegeven en tegemoet gekomen aan de bedenkingen, waartoe de oorspronkelijke redactie aanleiding gaf.

Dit laatste zou niet het geval zijn, wanneer gevolg werd gegeven aan den wensch van die leden, die in overweging geven, om de eerste zinsnede van art. 1 te doen luiden;

«Wanneer, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, militaire inundatiën moeten worden voorbereid of gesteld, kan de Minister van Oorlog de daartoe noodige maatregelen vererdenen.quot;

Werd deze bepaling in de wet opgenomen, dan zou aan den Minister van Oorlog de geheele leiding van het voorbereiden en het stellen der militaire inundatiën worden opgedragen, hetgeen — dit behoeft geen betoog — niet wenschelijk, ja zelfs niet mogelijk is.

Eene bepaling in de wet op te nomen, volgens welke de in het eerste lid van art. 1 bedoelde bevoegdheid alleen dan aan den Minister van Oorlog zou toekomen, wanneer en zoolang er geen opperbevelhebber der strijdkrachten benoemd mocht zijn, komt — daargelaten, dat tegen eene zoodanige bepaling bezwaar bestaat — niet noodig voor na de wijziging, welke in het artikel is aangebracht.

Is er namelijk een opperbevelhebber der strijdkrachten benoemd, dan kan de Minister van Oorlog aan dezen machtiging verleenen, het noodige te verrichten tot het voorbereiden en het stellen der inundatiën.

Tweede lid. Om de in de Memorie van Toelichting vermelde reden achtten de ondergeteekenden het niet noodig, dat, voor het geval van oorlogsgevaar, de Minister van Oorlog reeds bij de onderwerpelijke wet bevoegd werd verklaard, den last of de machtiging tot het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën te verstrekken, doch meenden zij — ten einde de belangen der


ocr page 40

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

ingezetenen zooveel mogelijk te waarborgen — eene speciale Koninklijke machtiging tot het verstrekken van evenbedoelden last of machtiging te moeten vorderen.

Het is dan ook niet geheel juist, dat ten gevolge van de onderwerpe-lijke bepaling, gelijk in het Voorloopig Verslag wordt opgemerkt, voor dezelfde zaak nu eens een last van den Minister van Oorlog, dan weder daarnevens eene voorafgaande Koninklijke machtiging zou worden geëischt.

Hoewel ook in de andere bezwaren, welke tegen bovenbedoelde speciale Koninklijke machtiging in het Voorloopig Verslag zijn aangevoerd, door de ondergeteekenden niet wordt gedeeld, bestaat er bij hen geene overwegende bedenking tegen het weglaten der tweede alinea van het artikel, nu het verlangen daartoe wordt te kennen gegeven, en zulks te minder daar door bedoelde weglating het spoedig nemen der vereischte maatregelen kan worden bevorderd.

Memorie van Antwoord op het quot;Voorloopig Verslag der Tweede Karn er over Ontw. II.

De in artikel 1, al. 2, van het oorspronkelijk wetsontwerp voorkomende bepaling, dat, in geval van oorlogsgevaar, de last tot het stellen van militaire inundatiën door den

gewijz. ontw. I en ontw. II. art. 1 = art. 1 der wet.

Voorloopig quot;Verslag der Tweede Kamer over Ontw. II.

Volgens het oorspronkelijk ontwerp van het vorige Kabinet kon, in geval van oorlogsgevaar, de last tot het voorbereiden of stellen van inundatiën door den Minister van Oorlog slechts verstrekt worden na voorafgaande machtiging des Konings. Bij het gewijzigd ontwerp verviel de eisch van voorafgaande Koninklijke machtiging, en ook naar het thans ingediende wetsontwerp zal het voorbereiden of stellen van inundatiën, zoowel in geval van oorlog als in geval van oorlogsgevaar, geschieden op last of krachtens machtiging van den Minister van Oorlog. Het vervallen van den eisch der Koninklijke machtiging voor hot geval van oorlogsgevaar ontmoette bezwaar bij sommige leden, die meenden dat voor het verleenen dier machtiging het contraseign van de drie Ministers, die de wet zullen contrasigneeren, noodig zou wezen. Deze leden waren van oordeel, dat, als de beslissing enkel aan den Minister van Oorlog werd overgelaten, zijne verantwoordelijkheid zoo zwaar zou zijn, dat hij niet dan in de uiterste noodzakelijkheid tot het bevelen van inundatiën zou overgaan en daarom het bevel licht te laat zou gegeven worden. Anderen opperden daarentegen het bezwaar, dat de Minister van Oorlog het gevaar te ernstig zou kunnen inzien en achtten samenwerking der drie Ministers wensche-lijk om overijlde bevelen te voorkomen.

Hiertegenover werd, met herinne-

38

constitutioneel oogpunt zeer zonderling geacht voor dezelfde zaak nu eens een last van den Minister van Oorlog, dan weder daarnevens eene voorafgaande machtiging des Konings te eischen. Naar het oordeel van vele leden behoorde deze alinea om deze redenen te vervallen. Zij vonden voor die weglating des te meer grond, daar deze wet nooit zal kunnen toegepast worden dan op zijn minst in geval van oorlogsgevaar, terwijl de beslissing of dit geval aanwszig is, volgens art. 186, 4de lid, der Grondwet, steeds bij den Koning berust.

ocr page 41

bepalingen ter uitvoering van

ring aan het betoogde in het quot;Voor-loopig Verslag omtrent het vorig wetsontwerp, opgemerkt, dat het met het oog op internationale verhoudingen niet wenschelijk is om juist ingeval er nog kans bestaat, dat er van het uitbreken van oorlog niets komen zal, eene machtiging van den Koning te vorderen. Wel heeft de Koning te beslissen of er oorlogsgevaar bestaat, maar deze beslissing kan aan geene Mogendheid aanleiding geven tot beklag. Anders is bet evenwel gesteld met inundatiën in eene bepaalde streek des lands.

art. 15'2, 2D1! lil), gw. [art. S.] 39

Minister van Oorlog slechts kan worden verstrekt met voorafgaande Koninklijke machtiging, werd in het gewijzigd wetsontwerp (Gedrukte stukken, Zitting 1890—91,19, n0. 3) niet overgenomen naar aanleiding van eene opmerking in het Voorloo-pig Verslag betreffende het oorspronkelijk wetsontwerp.

Op de gronden, aangevoerd in het onderwerpelijk Voorlcopig Verslag, zijn de ondergeteekenden van meening, dat opneming dier bepaling niet wenschelijk is.


Artikel 3.

Wanneer, tot het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën ten gevolge van den last of krachtens de machtiging in artikel 1 bedoeld, het gebruik van eigendom wordt gevorderd , al dan niet gepaard gaande met wijziging, tijdelijke of voortdurende onbruikbaarmaking of vernietiging van dat eigendom, kan, op last van de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig, onmiddellijk tot dat gebruik worden overgegaan.

Deze zorgt onverwijld voor openbare bekendmaking ter plaatse.

ontw. i. art. 2. Wanneer, ten gevolge van den in art. 1 bedoelden last, tot het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën door den Staat het gebruik van eigendom wordt gevorderd, al dan niet gepaard gaande met wijziging, tijdelijke of voortdurende onbruikbaarmaking of vernietiging van dat eigendom, kan, op last van de hoogste militaire overheid ter plaatse, onmiddellijk tot dat gebruik worden overgegaan.

Deze zorgt onverwijld voor openbare bekendmaking ter plaatse.

Memorie van. Toeliclitiiig lgt;ij Ontw. I.

Dat, in verband met de militaire inundatiën, aan eenig eigendom veranderingen moeten kunnen worden aangebracht, spreekt als 't ware vanzelf.

Doch bedoeld gebruik kan zelfs medebrengen, dat het eigendom wordt onbruikbaar gemaakt of vernietigd.

Om allen twijfel op te heffen, of onder het ^gebruikenquot; ook wordt ver-

ocr page 42

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

staan vliet wijzigen, onbruikbaar maken of vernietigen van het in gebruik genomen eigendomquot;, is het noodig voorgekomen, in het artikel op te nemen de woorden: Tgt;al dan niet gepaard gaande met wijziging, tijdelijke of voortdurende onbruikbaarmaking of vernietiging van dat eigendomquot;.

De bepaling, dat de ingebruikneming kan geschieden op last van de hoogste militaire overheid ter plaatse, is aldus gesteld in navolging van hetgeen is voorgeschreven bij artikel 73, 1ste lid, der wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad n°. 125), regelende de onteigening ten algemeenen nutte.

Ten einde te bereiken, dat de eigenaren en andere rechthebbenden, voor zooveel zulks mogelijk is, worden in kennis gesteld met het in gebruik nemen van de voor het voorbereiden of stellen der inundatiën noodige eigendommen, is de bepaling opgenomen, dat de militaire overheid die tot de ingebruikneming doet overgaan, onverwijld voor openbare bekendmaking daarvan ter plaatse zorgt.

40

Voorloopig quot;Verslag der Tweede üamer over Ontw. I.

In dit artikel is sprake van gebruik van eigendom, gepaard gaande met wijziging, tijdelijke of voortdurende onbruikbaarmaking of vernietiging van dat eigendom. Het is reeds opgemerkt, dat men, van onbruikbaarmaking of vernietiging van eigendom gewagende, het terrein betreedt van art. 152, 1ste lid, der Grondwet, en dat dus, ook in verband met de volgende artikelen van het ontwerp, aanvulling van de considerans met eene verwijzing naar die bepaling noodig is. De vraag werd echter gedaan of aan een gebruik, dat gepaard gaat met onbruikbaarmaking of vernietiging, die naam nog wel gegeven kan worden. Naar het gewone spraakgebruik verstaat men onder )igebruikenquot;: »het zich van iets bedienenquot;; maar wie onbruikbaar maakt of vernietigt, kan bezwaarlijk gezegd worden te gebruiken. Iets anders is het wanneer de militaire overheid beschikt over openbare werken voor het voorbereiden en stellen van inundatiën. Waar men slooten opzet, een dijk doorsteekt, eene sluis gesloten houdt, daar kan inderdaad van gebruik sprake zijn, al is het doel van dat gebruik ook een ander dan dat waartoe die zaken in gewone gevallen dienen.

Memorie van Antwoord.

Wat betreft de opmerking, dat het artikel, door te gewagen van onbruikbaarmaking of vernietiging van eigendom, het terrein zou betreden van het eerste lid van artikel 152 der Grondwet, en dat dientengevolge aanvulling van de considerans met eene verwijzing naar die grondwetsbepaling noodig zou zijn, meenen de ondergeteekenden te kunnen volstaan met te verwijzen naar hetgeen te dezen aanzien hierboven bij de »Algemeene Beschouwingen^ [hiervóór, blz. 6] is medegedeeld.

Wijders wordt in het Voorloopig Verslag de vraag gedaan of aan een gebruik, dat gepaard gaat met onbruikbaarmaking of vernietiging, die naam nog wel kan worden gegeven, daar, wie onbruikbaar maakt of vernietigt, bezwaarlijk kan gezegd worden te gebruiken.

In het midden latende, of, naar het gewone spraakgebruik, niet dikwijls het woord ^gebruikenquot; wordt gebezigd voor eene handeling, waardoor hetgeen men gebruikt onbruikbaar wordt of te niet gaat, wenschen de ondergeteekenden met betrekking tot bovenstaande vraag, te doen opmerken dat het gebruik, in artikel 2 bedoeld, in zich moet bevatten alles, wat noodig is om het doel, waar-


ocr page 43

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. quot;152, 2DE LID, GW. [ART. 3.] 41

Welke is verder ten opzichte van in bezit genomen roerend goed de verhouding van dit wetsontwerp tot art. 73 der onteigeningswet? Volgens laatstgenoemd artikel gaat bij inbezitneming door de overheid de eigendom over en wordt voor het verlies van den eigendom schadevergoeding gegeven. Volgens dit wetsontwerp wordt het goed slechts in gebruik genomen, en gaat het, zoo mogelijk, na afloop van dat gebruik terug met vergoeding voor de door het gebruik veroorzaakte schade. Welke dier beide regels zal in eenig bepaald geval gelden? Wie beslist daaromtrent? En krachtens welke wetsbepaling kan die beslissing genomen worden?

Volgens het artikel gaat de last tot het in gebruik nemen van eigendom uit van »de hoogste militaire overheid ter plaatsequot;. In hare toelichting zegt de Regeering, dat deze uitdrukking is overgenomen uit art. 73 der onteigeningswet, maar dit geeft omtrent de juiste beteekenis van de gebezigde uitdrukking geen licht. Moet men haar zoo verstaan dat tot het geven van last bevoegd zal zijn de kapitein, de luitenant of de sergeant, die op eene gegeven plaats en op een bepaald oogenblik meer of minder toevallig bij den aanwezigen militairen troep de hoogste in rang is?

Hierop werd geantwoord, dat naar de regelen der militaire hierarchic de bedoeling inderdaad geen andere kan zijn. Indien ter plaatse geene hoogere militaire autoriteit aanwezig is, zal ook een sergeant bij de toepassing van dit artikel naar gelang van de volgens art. i gegeven in-structiën hebben te handelen. In-tusschen is de bedoeling der Eegee-ring naar het inzien dezer leden niet juist uitgedrukt. In art. 73 der onteigeningswet is sprake van »de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezigquot;, en het weglaten van het laatste woord maakt de beteekenis der uitdrukking twijfelachtig, het-voor de ingebruikneming geschiedt, te bereiken.

Dat doel kan medebrengen, niet alleen dat het eigendom tegen zijne oorspronkelijke bestemming wordt gebruikt, maar zelfs dat daaraan die bestemming geheel wordt ontnomen

Vandaar, dat het niet voldoende is, dat de militaire overheid het voor de inundatie benoodigde eigendom gebruikt in den zin daaraan in het Voorloopig Verslag gegeven; vandaar ook, dat eene bevoegdheid tot wijziging van het eigendom niet voldoende is, doch dat ook onbruik-baarmaking en zelfs vernietiging moet kunnen plaats hebben.

Ten aanzien van de in het Verslag voorkomende vragen omtrent de verhouding van het onderwerpe-lijke wetsontwerp tot artikel 73 der onteigeningswet, achten de onderge-teekenden het voldoende er op te wijzen, dat juist krachtens artikel 15'2, 2de lid, der Grondwet de Staat eenig eigendom — hetzij roerend hetzij onroerend goed — mag gebruiken zonder zich vooraf eigenaar van dat eigendom te maken, terwijl artikel 73 der onteigeningswet het oog heeft op die gevallen, waarin eigendomsovergang moet plaats hebben voordat tot het gebruik van het benoodigd roerend of onroerend goed mag worden overgegaan.

Door «hoogste militaire overheid ter plaatsequot; moet —- gelijk reeds in het Voorloopig Verslag wordt opgemerkt — worden verstaan de militaire autoriteit, die de hoogste in rang is ter plaatse waar tot het gebruik van het benoodigd eigendom moet worden overgegaan.

De mogelijkheid bestaat, dat die autoriteit een sergeant is. Hierbij verlieze men evenwel niet uit het oog, dat het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën volgens een vastgesteld plan geschiedt, zoodat, mocht het geval zich voordoen, dat de hierbedoelde last door


ocr page 44

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

eene militaire overheid van lagen rang moet worden gegeven, deze last een gevolg is van bevelen van eene boven die overheid geplaatste hoogere militaire autoriteit.

Tegen de toevoeging van het woord Daanwezigquot; achter Dter plaatsequot; bestaat — gelijk uit het bovenstaande volgt — geen bezwaar.

Daarentegen bestaat er wel bedenking tegen het opnemen van eene bepaling, volgens welke de militaire overheid de eigendommen, welke zij in gebruik neemt, vooraf moet doen opnemen en taxeeren.

Door eenen zoo tijdroovenden maatregel voor te schrijven, zou het doel van het wetsontwerp in vele gevallen geheel worden gemist.

Wanneer de evenbedoelde maatregel wordt beperkt tot de gevallen, )) waarin tijd en gelegenheid het toelatenquot;, dan wordt de waarborg, welke klaarblijkelijk wordt verlangd, niet verkregen, dewijl — daargelaten dat de tijd voor het opnemen en taxeeren in den regel zal ontbreken — alsdan geheel aan de zienswijze van de militaire overheid blijft overgelaten, of het geval, waarin het opnemen en taxeeren van het eigendom moet geschieden, aanwezig is.

Bestaan er alzoo geen termen, om een voorschrift, als in het Voorloopig Verslag wordt aangegeven, in het ontwerp op te nemen, het behoeft aan der anderen kant geen betoog, dat, in voorkomende gevallen, zoo eenigs-zins mogelijk, dienovereenkomstig zal worden gehandeld. Dat blijkt o. a. uit de in het ontwerp voorkomende bepaling nopens het verstrekken van voorschot op de door den Staat te betalen schadevergoeding.

Overeenkomstig de gemaakte opmerking zijn de woorden vdoor den Staatquot; uit het artikel weggelaten.

Ten gevolge van deze wijziging en de veranderde redactie van artikel '1, komt de aanhef van het eerste lid van artikel 2 te luiden, als in nevensgaande Nota van Wijzigingen is aangegeven.

gew. ontw. I en ontw. II. art. 2 = art. 2 der wet.

Artikel 3.

Te rekenen van het tijdstip der in het vorige artikel bedoelde openbare bekendmaking zijn de beheerders van waterstaatswerken, gelegen binnen het te inundeeren gebied

42

geen de Eegeering echter blijkbaar over het hoofd heeft gezien. Onder de hoogste militaire overheid ter plaatse kan ook worden verstaan de militaire bevelhebber der linie of wel de opperbevelhebber van het leger ; deze autoriteiten oefenen ster plaatsequot; gezag uit, al zijn zij daar niet aanwezig. Toevoeging van het woord )gt;aanwezigquot; achter de woorden ; shoogste militaire overheid ter plaatsequot; is dus noodig.

Behoort overigens voor de gevallen waarin tijd en gelegenheid het toelaten, niet voorgeschreven te worden dat de militaire overheid de zaken welke zij in gebruik neemt, vooraf doet opnemen en taxeeren?

Nog werd opgemerkt dat de woorden : »door den Staatquot; overbodig zijn en zonder eenig bezwaar uit dit artikel kunnen vervallen.

ocr page 45

bepalingen ter uitvoering van art. 152, 2DJ! lid, gw. [art. 3.] 43

of welke in betrekking staan met het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën, verplicht de bevelen na te komen, welke hun, in verband met het voorbereiden of het stellen van de inundatiën, met betrekking tot hun beheer worden gegeven door de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig, en zijn evengemelde beheerders alsmede de eigenaren en gebruikers van binnen dat gebied gelegen eigendommen verplicht aan genoemde militaire overheid, desverlangd, de voor het voorbereiden of stellen der inundatiën noodige inlichtingen te verstrekken.

In ontw. I ontbrak deze bepaling. De gronden, die tot hare opneming in het gewuz. ontw. I hebben geleid, zijn te vinden in het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over Ontw. I en de Memorie van Antwoord daarop, Algemeene Beschouwingen, § 1 , hiervóór, blz. 8 en 7.

gewuz. ontw. I en ontw. II. art. 3 = art. 3 der wet.

Memorie van Antwoord.

Het opnemen eener bepaling als in het Voorloopig Verslag wordt voorgesteld komt aan de onderge-teekenden niet alleen niet noodig maar zelfs bedenkelijk voor.

Tot de plichten van de waterschapsbesturen behoort niet minder de eerbiediging der wet dan de handhaving hunner keuren of verordeningen, in het huishoudelijk belang van het waterschap gemaakt, welke toch niet kunnen worden gehandhaafd tegen de wet in, die deze besturen verplicht om, met betrekking tot hun beheer van waterstaatswerken, in het geval bij art. 3 bedoeld, de bevelen der militaire overheid na te komen, terwijl de strafbaarheid van eene overtreding der keur, die plaats heeft ter uitvoering van het voorschrift der wet door de artt. 42 en 43 van het Wetboek van Strafrecht is uitgesloten.

Voorloopig quot;Verslag der Tweede Kamer over Ontw. II.

De opmerking werd gemaakt, dat de voornaamste plicht, die op de waterschapsbesturen rust, is de handhaving van de keuren en verordeningen op de aan hunne zorg toevertrouwde waterstaatswerken. Men deed de vraag of het niet wensche-lijk is in de wet eene bepaling op te nemen, waarbij die besturen, voor het geval dat inundatiën gesteld worden, uitdrukkelijk van dien plicht ontheven worden.

ocr page 46

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

Artikel 4.

Zoodra het gebruik, bedoeld in artikel 2 , niet meer noodig is, wordt het gebruikte eigendom door of vanwege den Minister van Oorlog weder geheel ter beschikking van de rechthebbenden gesteld. De wederbeschikbaarstelling wordt door genoemden Minister ter algemeene kennis gebracht.

De Minister van Oorlog is bevoegd, voor rekening van den Staat, het gebruikte eigendom terug te brengen inden toestand, waarin het zich vóór de ingebruikneming bevond.

Ontw. I. art. 3. Zoodra het gebruik, bedoeld in artikel 2, niet meer noodig is, wordt bet gebruikte eigendom door den Staat weder geheel ter beschikking van de rechthebbenden gesteld. Van de weder beschikbaarstelling wordt hun door Onzen Minister van Oorlog kennis gegeven.

Bijaldien zulks wordt verlangd, zal het gebruikte eigendom, voor rekening van den Staat, zooveel mogelijk worden teruggebracht in den toestand, waarin het zich vóór de ingebruikneming bevond.

Het in de vorige zinsnede bedoelde verlangen moet aan Onzen voornoemden Minister worden kenbaar gemaakt binnen eene maand na de dag-teekening der in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving.

Memorie van Toelichting b\j Ontw. 1.

De bepalingen van dit artikel zijn uit haar zelve voldoende duidelijk.

Alleen zij opgemerkt, dat de Regeering heeft gemeend, de bepaling te moeten opnemen, dat alleen bijaldien zulks wordt verlangd, het gebruikte eigendom voor rekening van den Staat in den vorigen toestand zal worden teruggebracht.

De mogelijkheid toch bestaat, dat de van Staatswege aan het eigendom aangebrachte veranderingen er den rechthebbende de voorkeur aan doen geven het in den nieuwen toestand te behouden.

Daar evenwel het geval denkbaar is dat, ten gevolge van het, gebruik, door den Staat eenig eigendom onmogelijk kan worden teruggebracht geheel in den toestand waarin het zich vóór het gebruik bevond, is de bepaling opgenomen, dat aan bovenbedoeld verlangen zooveel mogelijk zal worden voldaan.

Kan slechts ten deele aan voorschreven verlangen worden voldaan, dan zal echter in evenredigheid schadevergoeding worden verleend.

44

ocr page 47

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ART. 4.] 45

quot;Voorloopis Verslag der T

Eerste lid. Wat is hier onder staan? Zijn bij onroerende goederen de eigenaars dan wel de pachters of bruikers bedoeld?

Van de wederbeschikbaarstelling zal shunquot; (den rechthebbenden) door den Minister van Oorlog kennis gegeven worden. Wanneer hier, gelijk het woordje hun denken doet, eene individueele kennisgeving bedoeld is, dau zal wel gelezen moeten worden: »door of van wage den Minister van Oorlogquot;. Maar zal het mogelijk zijn aan ieder «rechthebbendequot; eene kennisgeving te zenden ? Hoe zal de militaire overheid zich op de hoogte kunnen stellen van alle rechten op een zoo groot aantal onroerende en roerende zaken, als bij het stellen eener belangrijke inundatie betrokken kunnen zijn? Het scheen uit een practisch oogpunt noodzakelijk zich tot eene algemeene kennisgeving te bepalen en het woord »hunquot; te doen vervallen.

Tweede lid. Aan den Staat de verplichting op te leggen om een eigendom, dat veranderd, onbruikbaar gemaakt, ten deele vernield is, zooveel mogelijk weder in den vroe-geren toestand te brengen scheen velen leden, afgescheiden van de in de algemeene beschouwingen besproken vraag, of recht op volledig herstel van schade moet worden toegekend, zeer bedenkelijk.

De mogelijkheid om zoodanig eigendom in den vroegeren toestand terug te brengen is in den tegenwoordigen tijd wel is waar schier nergens uitgesloten, maar met de verwezenlijking van die mogelijkheid kunnen vrij wat meer kosten gemoeid zijn dan de geheele zaak waard was, toen en zooals zij in gebruik genomen werd. Ligt hierin niet eene aanleiding tot min gewenschte speculatiën. en is het dus wel wenschelijk om, hoe geneigd men dan ook zij om werkelijke schade te vergoeden, waar dit

de Kamer- over Ontw. I.

woord: «rechthebbendenquot; te ver-

IVIemorie van Antwoord.

Art. 3 (nieuw 4). Eerste lid. Onder het woord «rechthebbendenquot; zijn te verstaan zoowel eigenaars, als pachters en bruikers.

Het is niet de bedoeling, aan al de rechthebbenden individueel kennis te geven. Lichtelijk zou de een of ander worden voorbijgegaan, gelijk te recht in het Voorloopig Verslag wordt opgemerkt. Ter verduidelijking wordt echter voorgesteld, de laatste zinsnede van het eerste lid in dier voege te wijzigen, dat daaruit duidelijk blijkt, dat eene algemeene kennisgeving wordt bedoeld.

Dewijl het, bij nadere overweging, wenschelijk is voorgekomen ook in de eerste zinsnede van het eerste I'd van het artikel eene wijziging in de redactie aan te brengen, wordt bij de Nota van Wijzigingen voorgesteld, dit lid, in zijn geheel, te doen luiden als volgt:

s Zoodra het gebruik, bedoeld in art. 2, niet meer noodig is, wordt het gebruikte eigendom door of vanwege den Minister van Oorlog weder geheel ter beschikking van de rechthebbenden gesteld, üe weder beschikbaarstelling wordt door genoemden Minister ter algemeene kennis gebracht.quot;

Tweede lid. De strekking van de in dit lid opgenomen bepaling was zoowel om de rechthebbenden als om den Staat te gemoet te komen. In-tusschen kan de Regeering zich het

O O

gewicht der tegen de bepaling aangevoerde bezwaren niet ontveinzen.

Het zou werkelijk mogelijk zjjn, dat hetgeen ten behoeve der rechthebbenden wordt voorgesteld, feitelijk te hunnen nadeele kwam, of den Staat in een voor hem zeer bezwa-renden toestand bracht.

Beter schijnt het, de beslissing der vraag, of het eigendom weder in den


ocr page 48

1896, STBL. Nquot;. 71.

46

WET VAN 15 APRIL

redelijkerwijze voeg heeft, een zóó bindend voorschrift te stellen?

Er zijn nog andere bezwaren. Is het niet denkbaar, dat de herstelling in den vorigen toestand, op het verlangen van A tot stand gebracht, noodwendig óók ten goede komt aan B, C of D, en zulks, terwijl deze alleen met vergoeding in geld willen genoegen nemen, iets waartoe zij zonder twijfel gerechtigd zouden zijn ?

En wie zal bevoegd zijn het terugbrengen in den vroegeren toestand te verlangen ? Het artikel zegt het niet. Zal het bij onroerende goederen zijn de eigenaar, dan wel de vruchtgebruiker, pachter, hypotheekhouder, enz. ? Of zullen die verschillende belanghebbenden daartoe moeten samenwerken?

Vele leden achtten de bepaling zóó bedenkelijk, dat zij haar gaarne zouden zien vervallen.

Derde lid. Overigens waren sommige leden van oordeel, dat een termijn van ééne maand voor bet kenbaar maken van het hierbedoelde «verlangenquot; te kort zou zijn.

vorigen toestand behoort te worden teruggebracht, geheel over te laten aan de Regeering. Vindt deze daarin haar voordeel, dan doet zij het, en de belanghebbenden, die het gebruikte eigendom in den oorspronke-lijken toestand terugontvangen, hebben niet te klagen.

Evenmin bestaat er voor dezen tot klachten aanleiding, indien de Eegeering hun, in plaats van het gebruikte eigendom, eene in allen deele billijke schadeloosstelling ter hand stelt.

In verband met het bovenstaande wordt alsnu voorgesteld het tweede lid van het artikel te doen luiden:

»üe Minister van Oorlog is bevoegd, voor rekening van den Staat, het gebruikte eigendom terug te brengen in den toestand, waarin het zich vóór de in gebruikneming bevond.quot;

Derde lid. Ten gevolge van de wijziging, in het tweede lid aangebracht, komt het derde lid van het artikel te vervallen.


GEWIJZ. ONTW. I en ONTW. II. ART. 4 = ART. 4 DER WET.

Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over Oniw. II.

Gevraagd werd, welke beteekenis gehecht moest worden aan de uitdrukking: ster algemeene kennis gebrachtquot;. Zal mededeeling in de S(aats-courant voldoende zijn ? Zoo neen, op welke wijze zal dan de bekendmaking moeten plaats hebben? De zaak is van belang, aangezien de aanvrage om schadevergoeding alleen ontvankelijk is, wanneer zij binnen eene maand na de hierbedoelde kennisgeving wordt ingediend.

Voorts rees de vraag of de bedoeling is dat deze kennisgeving zal zijn eene algemeene, betrekking hebbende op alle eigendommen in de geïnundeerde streek, dan wel eene bijzondere, betrefiende bepaalde perceelen. Het eerste scheen niet aannemelijk, want het zou niet wenschelijk zijn met deze kennisgeving te wachten totdat alle perceelen in eene streek te gelijker tijd weder beschikbaar gesteld kunnen worden. Inzonderheid zal die beschikbaarstelling vertraging kunnen ondervinden bij eigendommen, welke de Minister van Oorlog krachtens het tweede lid van het artikel in den toestand, waarin zij zich vóór de ingebruikneming bevonden, wil terugbrengen, tenzij die herstelling geschiede na de beschikbaarstelling. Maar dit laatste schijnt niet in de bedoeling der Eegeering te liggen, zooals

ocr page 49

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 'i1115 LID,GW. [ART. 4= EN 5.] 47

blijkt niet alleen uit het Verslag dei-Commissie van Rapporteurs over het vorige wetsontwerp (Zitting 1890— 1891, 19, n0. 4), maar ook uit art 5 van dit wetsontwerp, want laatstgenoemd artikel, dat aanspraak op schadevergoeding voor eigendommen, die in den vorigen toestand zijn teruggebracht, niet uitsluit, zegt dat de aanvrage om schadevergoeding binnen eene maand na de kennisgeving van art. 4 moet worden ingediend, en hoe zouden belanghebbenden kunnen nagaan, in hoeverre zij ondanks de terugbrenging in vorigen toestand reden hebben schadevergoeding te vragen, indien binnen die maand de werkzaamheden tot herstelling niet zijn afgeloopen? De bedoeling van art. 4 schijnt dus niet te zijn dat ten aanzien van alle eigendommen der geïnundeerde streek ééne kennisgeving zou geschieden, maar veeleer dat de kennisgeving telkens, als daarvoor termen zgn, zal uitgaan ten aanzien van bepaalde perceelen; voorts dat de beschikbaarstelling van perceelen, die voor rekening van den Staat in den vorigen toestand worden teruggebracht, eerst zal geschieden, nadat de daarvoor noodige werkzaamheden zijn afgeloopen. Sommige leden meenden dat de beschikbaarstelling van perceelen, die de Regeering in den vorigen toestand wil terugbrengen, niet behoeft te wachten op die terugbrenging, maar dan behoort de bij art. 5 gestelde termijn voor deze perceelen te loopen van den dag, waarop de herstelling in vorigen staat zal zijn tot stand gekomen. Gaarne zou men omtrent deze punten het gevoelen der Eegeering vernemen.

IVXemorie van A.ntwoorcl op het Voorloopig Verslas der Tweede Kamer over Ontw. II,

Het ligt in de bedoeling de we-derbeschikbaarstelling ter algemeene kennis te brengen door het plaatsen eener aankondiging in de Staatscourant en in een der dagbladen der betrokken provincie en gemeente of, bij het ontbreken daarvan, in dat eener naburige plaats, en die beschikbaarstelling bovendien op de gebruikelijke wijze door de hoofden der gemeentebesturen ter kennis van de ingezetenen te doen brengen, een en ander als ten aanzien van onteigeningen geschiedt.

De bedoelde kennisgeving zal voorts niet zijn eene algemeene, betrekking hebbende op alle eigendommen in de geïnundeerde streek, maar zal geleidelijk geschieden, naarmate het gebruik van een eigendom, of van meerdere eigendommen te gelijk, niet meer noodig blijkt te zijn.

De ondergeteekenden zijn van meening dat — evenals blijkens den inhoud van het Verslag betreifende het vorige gewijzigd wetsontwerp (Gedrukte stukken, Zitting 1890—1891, li), n0. 4), destijds door de Eegeering werd te kennen gegeven — wanneer de Minister van Oorlog gebruik maakt van de bij art. 4, alinea 2, verleende bevoegdheid, het eigendom niet ter beschikking van den rechthebbende kan komen vóórdat de herstellings-vverkzaamheden door het Eijk zijn voltooid, en dat dus de kennisgeving, waarnaar art. 5, alinea 2, verwijst, niet vóór dat tijdstip kan geschieden.


Artikel a.

Wanneer door het voorbereiden of het stellen van de militaire inundatiën in de vorige artikelen bedoeld, eigendommen worden beschadigd of aan de vrije beschikking van rechthebbenden of huurders onttrokken, wordt aan

ocr page 50

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

hen, op hunne aanvrage, de schade, welke daardoor mocht zijn geleden, vergoed, voor zoover die schade als het onmiddellijke en dadelyke gevolg van het voorbereiden of het stellen der inundatiën moet worden beschouwd, en voor zoover daarin niet door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 4, is of wordt voorzien.

De hierbedoelde aanvrage moet aan den Minister van Oorlog worden ingediend binnen eene maand na de dag-teekening van de in het vorige artikel bedoelde kennisgeving.

Door de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig kan, bijaldien zulks wordt verlangd, op de schadevergoeding voorschot worden verstrekt.

ONTW. I ART. 4. Schade, veroorzaakt door en ten gevolge van gebruik, als in de voorgaande artikelen bedoeld, wordt, op aanvrage van belanghebbenden, door den Staat vergoed, voor zooveel hierin, door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3, niet wordt voorzien.

De hierbedoelde aanvrage moet aan Onzen Minister van Oorlog worden ingediend binnen eene maand na de dagteekening van de in het vorige artikel bedoelde kennisgeving.

Desverlangd wordt, door de hoogste militaire overheid ter plaatse, voor zooveel mogelijk op de schadeloosstelling voorschot verstrekt.

Memorie van Xoelicliting bij Ontw. I,

Door de bepaling van dit artikel zal, in den ruimsten zin, worden ver-goed alle schade, welke wordt geleden zoowel door als ten gevolge van het in de vorige artikelen bedoelde gebruik door den Staat, en dus ook de schade, welke is veroorzaakt doordien eigendommen aan de vrije beschikking van belanghebbenden zijn onttrokken.

Wanneer eenig eigendom door den Staat in den vorigen toestand is hersteld, dan is het mogelijk, dat door die herstelling geheel in de toegebrachte schade is voorzien. Is zulks echter niet het geval, dan is her. niet meer dan billijk, dat bij het bepalen van het bedrag der schadevergoeding de door den Staat gedane herstelling in aanmerking worde genomen.

Daar het echter, uit den aard der zaak, veelvuldig zal voorkomen, dat het bedrag der door den Staat te betalen schadeloosstelling eerst geruioien tijd na de ingebruikneming kan worden vastgesteld en de belanghebbenden, in die gevallen, wellicht zeer lang op de vergoeding der hun toegebrachte schade zullen moeten wachten, is in dit artikel de bevoegdheid toegekend om, waar zulks mogelijk is, op aanvrage van den belanghebbende, voorschot op de schadeloosstelling te verstrekken.

48

ocr page 51

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ART. 5.] 49

Memorie van Antwoord.

Art. 4 (nieuw 5). Eerste lid. Gelijk boven reeds is opgemerkt, ligt het in de bedoeling van het wetsontwerp, om alle schade, welke wordt geleden door en ten gevolge van het in gebruik nemen van eigendommen voor het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën, te vergoeden.

De schade moet echter — gelijk in de Memorie van Toelichting op dit artikel reeds werd aangeteekend — óf zijn toegebracht aan de eigendommen zelve, óf zijn geleden doordien de eigendommen aan de vrije beschikking van belanghebbenden zijn onttrokken.

quot;Wordt dit in het oog gehouden, dan is het duidelijk, dat in het mee-rendeel der gevallen, in het Verslag als voorbeelden aangehaald, geen aanspraak op schadevergoeding kan worden gemaakt.

De ondergeteekenden willen echter niet ontkennen, dat de redactie van het eerste lid van het artikel aanleiding kan geven tot eene uitlegging, als daaraan in het Verslag is toegekend, hoewel de bedoeling van de bepaling niet twijfelachtig is, als ze wordt beschouwd in verband met artikel G (nieuw 7).

Om echter eiken twijfel ten deze weg te nemen, hebben de ondergeteekenden gemeend, de redactie te moeten wijzigen in den zin als in de Nota van Wijzigingen is aangegeven.

Voorioopig quot;Verslag der Tweede Kamer over Ontw. I.

Eerste lid. Volgens dit artikel zal aan alle belanghebbenden de schade vergoed worden, welke zij door het beschikken over hun eigendom ten behoeve van militaire inundatiën hebben geleden, en onder die vergoeding zal, zooals in de Memorie van Toelichting uitdrukkelijk wordt gezegd, ook begrepen zijn de vergoeding van die schade, »welke is veroorzaakt, doordien eigendommen aan de vrije beschikking van belanghebbenden zijn onttrokkenquot;, Door het gebruik van het woord «belanghebbendenquot; zal de bepaling ook omvatten de indirecte schade, ten gevolge van militaire inundatiën geleden. Als belanghebbende zal zich voor schadevergoeding kunnen aanmelden iedereen, die daardoor eenig nadeel heeft ondervonden, bijv. degene die ten gevolge van de inundatie een grootea omweg heeft moeten maken om te komen daar, waar hij gelegenheid had eene voor hem voor-deelige zaak te doen, doch die ten gevolge van het maken Tan dien omweg te laat is aangekomen; de-gene, wiens schip door in vaarwater gelegde dammen werd tegengehouden ; degene, die op het geïnundeerde land te velde staande vruchten gekocht had en die schade leed omdat de verkooper hem die niet meer kon leveren ; degene, die ten gevolge van het stellen der inundatiën water in zijn kelder had, enz enz. Evenzeer zal recht op schadevergoeding verkrijgen degene, aan wien door de elders gestelde inundatie water werd onttrokken en wiens bouw- of weiland daardoor uitdroogt of wiens fabriek daardoor stilstond. Wil men de regeling der quaestie van de schadevergoeding niet aan eene latere wet overlaten, zooals in het slot van § 2 werd aangegeven, dan werd toch beperking van het recht daarop tot eigenaars en bruikers van de eigendommen, welke ten behoeve van de militaire inundatiën in gebruik genomen zijn, door verscheidene leden noodig geacht, maar naar hunne meening zou daarbij kunnen gevoegd worden, dat aan andere belanghebbenden eene schadevergoeding kan gegeven worden, indien daartoe, na onderzoek van elk geval, termen blijken te bestaan.

Is voorts bij de toekenning van het recht op geldelijke vergoeding en op voorschot op die vergoeding wel gedacht aan de rechten van hypotheekhouders? Zal de debiteureigenaar van onder water gezet polderland, of zijn cessionaris zich door

W. '96. Sb. 7U

ocr page 52

1896, Stel. n0. 71.

wet van 15 april

50

den Staat de schade, en dat kan soms schier de geheele waarde van den grond zijn, in contanten kunnen laten uitbetalen, zonder dat voor de belanden van den hypothecairen schuldeischer, die zich de hem door de inschrijving van Staatswege gewaarborgde zekerheid bijna geheel ziet ontnemen, op eenigerlei wijze wordt gezorgd?

Tweede lid. In de Memorie van Toelichting wordt de mogelijkheid ondersteld, dat met de herstelling van het gebruikte eigendom in den vorigen toestand geheel in de toegebrachte schade is voorzien. Dit zal echter meestal niet voorkomen, aangezien het gemis van gebruik van het eigendom gedurende de beschikbaarstelling ten behoeve van 's lands verdediging in den regel tot schade aanleiding zal geven. Er wordt dan trouwens in de toelichting ook bijgevoegd, dat, indien de herstelling niet geheel in de schade voorziet, bij het bepalen der schadevergoeding de door den Staat gedane herstelling in aanmerking zal worden genomen. Maar hoe zal het nu mogelijk zijn in zoodanig geval eene aanvrage om schadeloosstelling in te dienen binnen eene maand na de dagteekening der in art. 3 bedoelde kennisgeving ? In de hier bedoelde gevallen zal de termijn van eene maand, die overigens in het algemeen veel te kort werd geacht, moeten loopen van de teruggave der herstelde zaak aan den rechthebbende.

Ook werd gevraagd, of de bedoeling is dat aanvragen om schadeloosstelling, inkomende na het verstrijken van den gestelden termijn, als ongeldig zullen worden ter zijde gelegd. Zoo ja, dan is het noodig dit in het artikel te zeggen, wil men geen gevaar loopen dat de rechter, die omtrent het verleenen der schadeloosstelling heeft te beslissen, uitmaakt dat het recht door het niet inacht-nemen van den termijn niet is vervallen.

Zeer zeker is bij het ontwerpen van de hierbedoelde wetsbepaling gedacht aan de rechten van hypotheekhouders en bezitters van andere zakelijke rechten. Het is den onder-geteekende evenwel voorgekomen, dat het niet doenlijk is, ten aanzien van bedoelde personen eenig voorschrift in de wet op te nemen. Ook in Titel III der onteigeningswet en in de wet van 21 December 1853 (Staatsblad n0. 128) is de onder-werpelijke aangelegenheid — welke zich ook daar kan voordoen — niet geregeld.

Op de belangen van de bovenbedoelde rechthebbenden zal, in elk voorkomend geval, mits zij zich tijdig tot het bekomen van schadevergoeding aanmelden, bij het vaststellen van het bedrag der vergoeding en der voorwaarden, waaronder zij wordt uitgekeerd, kunnen worden gelet.

Ook de rechthebbenden bezitten rechtsmiddelen om de terugbetaling te verzekeren. In vele gevallen zullen de hypotheekhouders op de toegekende schadeloosstelling geen aanspraak kunnen maken; in den regel toch heeft er geen vernietiging van het eigendom plaats.

Tweede lid. De bezwaren, aangevoerd tegen de in dit lid opgenomen betaling, voor het geval, dat een gebruikt eigendom van Eijkswege wordt hersteld en door dat herstel de schade niet geheel wordt vergoed, zijn, naar de meening der onderge-teekenden, opgeheven door de wijziging, in het tweede lid van artikel 3 (nieuw 4) aangebracht.

Ten slotte wordt gevraagd, of het de bedoeling is, dat aanvragen om schadeloosstelling, inkomende na het verstrijken van den gestelden termijn, als ongeldig zullen worden ter zijde gelegd.

Deze vraag wordt, zonder eenig voorbehoud, door de ondergeteeken-den toestemmend beantwoord.

Het komt hun echter niet noodig voor, eene uitdrukkelijke bepaling in dien zin in het ontwerp op te


ocr page 53

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN AKT. 152, 2DE LID, GW. [ART. 5.] 51

Berde lid. Het motief, voor het verleenen van voorschotten in de Memorie van Toelichting aangevoerd, is op zich zelf niet zonder gewicht, maar gaat het toch wel aan dat verleenen als verplichting op te leggen aan de militaire overheid,voor zoover het haar mogelijk is? En op welke mogelijkheid doelt de bepaling? Heeft men enkel gedacht aan den kasvoor-raad? Of ook aan het bedrag, dat in verband met de schade, die bij de taxatie zal blijken geleden te zijn, als voorschot kan beschouwd worden? Zal, indien de militaire overheid te veel mocht hebben uitbetaald, het te veel betaalde kannen teruggevorderd worden? De zaak kan in elk geval niet eenvoudig aan het wel-meenen van de militaire overheid, die op zeker oogenblik de hoogste ter plaatse aanwezig is, worden overgelaten en nadere regeling van het ontwerp bij algemeenen maatregel van bestuur zou moeten worden voorbehouden. Kan echter, althans zoolang de bevoegdheid tot het verleenen van voorschot wordt toegekend aan de in het artikel genoemde autoriteit, regeling bij algemeenen maatregel wel de noodige waarborgen geven? Het werd ten zeerste betwijfeld.

Verscheidene leden achtten deze bezwaren zoo overwegend, dat huns inziens geen andere weg openbleef dan de bepalingen omtrent het verleenen van voorschot geheel uit het wetsontwerp te doen vervallen. Geschiedde dit, dan was naar hunne meening nog niet uitgesloten, dat voorschotten als de bedoelde, buiten de wet om, in bijzondere gevallen werden toegestaan. Dit is geheel iets anders dan het toekennen van een recht op voorschot, te verleenen door eene militaire autoriteit van wellicht zeer ondergeschikten rang, onder geene andere beperking dan die kan gelegen zijn in het gebruik dei-woorden: ))voor zooveel mogelijkquot;.

Overigens werd nog de vraag gedaan of het nemen van voorschot, stel vóór den afloop van het gebruik nemen, dewijl door het woord «moetquot; het imperatieve van het voorschrift voldoende wordt aangeduid.

Derde lid. De ondergeteekenden achten het verstrekken van voorschot op de schadeloosstelling zoozeer in het belang van de personen, die aanspraak op schadevergoeding kunnen maken, dat zij ongaarne de daaromtrent in het ontwerp opgenomen bepalingen zouden doen vervallen. Het is evenwel niet te ontkennen, dat aan de uitvoering van het hierbedoelde voorschrift bezwaren verbonden zijn, daar dit voorschrift, naar de meening der Eegeering, niet anders kan inhouden dan het toekennen van de bevoegdheid aan de militaire overheid om voorschot te verstrekken, ingeval zulks mogelijk is en het verlangen daartoe wordt te kennen gegeven. Het hierbedoelde punt meer in bijzonderheden te zegelen, hetzij in de wet zelve, hetzij bij algemeenen maatregel van bestuur, achten de ondergeteekenden niet wel mogelijk. De militaire overheid zal, in elk voorkomend geval, naar omstandigheden moeten handelen en zal daarbij hebben te letten, zoowel op den kasvoorraad als op het bedrag, hetwelk, in verband met de geleden schade, als voorschol kan worden beschouwd.

Ten einde duidelijk te doen uitkomen, dat door de onderwerpelijke wetsbepaling niet wordt toegekend een recht op voorschot onder geene andere beperking dan die gelegen kan zijn in de woorden «i'oor zooveel mogelijkquot;, is de redactie, bij de Nota van Wijzigingen, in dier voege veranderd, dat alleen van eene gunst sprake is.

Hierdoor wordt aan de, in het Voorloopig Verslag aangevoerde, bezwaren grooten deels te gemoet gekomen en wordt langs wettigen weg hetzelfde doel bereikt, hetwelk beoogd wordt door de leden, die wensch-ten, dat de bepalingen omtrent het verleenen van voorschot uit het wetsontwerp zouden vervallen, en des-


ocr page 54

52 WET VA.N 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

van het eigendom door de militaire autoriteit, het recht om herstelling van het eigendom in zijn vorigen toestand te vragen zou doen verloren gaan.

niettegenstaande voorschotten als de bedoelde, buiten de wet om, in bijzondere gevallen zouden worden toegestaan.


gewuz. ontw. I. art. 5. Schade, welke door of ten gevolge van het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën als in de vorige artikelen bedoeld, wordt toegebracht aan eigendommen of wordt geleden doordien eigendommen aan de vrije beschikking van daarop rechthebbenden zijn onttrokken, wordt op aanvrage van belanghebbenden, door den den Staat vergoed, voor zooveel hierin, door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 4, niet wordt voorzien.

tweede en derde lid = in de wet.

Eindverslag der Tweede Kamer over Ontw. I, na nader schriftelijk: overleg met de Regeering.

In de eerste plaats merkte de Commissie op dat, volgens hetgeen in de Memorie van Antwoord ad art. 4 (nieuw art. 5) naar aanleiding van in het Voorloopig Verslag gemaakte opmerkingen gezegd wordt, de door het voorbereiden of stellen van inundatiën veroorzaakte schade moet zijn toegebracht aan de eigendommen zelve of zijn geleden doordien de eigendommen aan de vrije beschikking van belanghebbenden zijn onttrokken. Zij vroeg of het, ten einde de bedoeling duidelijk uit te drukken, niet wenschelijk ware den aanhef van het artikel te lezen als volgt: »Schade, welke door of ten gevolge van het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën als in de vorige artikelen bedoeld, wordt toegebracht aan eigendommen of door de daarop rechthebbenden wordt geleden, doordien eigendommen aan hunne vrije beschikking zijn onttrokkenquot;, enz.

De Regeering antwoordde: »Met het voorstel der Commissie tot wijziging van art. 5 (nieuw) kunnen de ondergeteekenden zich niet vereenigen, vermits daardoor de redactie van het artikel, naar hunne meening, niet alleen aeene verbetering zou ondergaan, maar de strekking er van bovendien meer zou worden beperkt dan in de bedoeling ligt.

»Bij wijziging toch van het artikel in bovenbedoelden zin zou geene andere schade kunnen worden vergoed dan die, welke geleden wordt door de op eigendommen rechthebbenden, en dan nog alleen door de rechthebbenden op zoodanige eigendommen, aan welke schade wordt toegebracht.

»De redactie van het ontwerp is echter ruimer en schijnt ook voldoende duidelijk.

))Met opzet is het woord ^belanghebbendenquot; gekozen, om te doen uitkomen, dat ook anderen dan rechthebbenden op eigendommen (als bijv. huurders) daaronder vallen.

»Hierin voorziet, naar de meening der ondergeteekenden, de door de Commissie voorgestelde redactie niet.

»Het geval kan zich wijders voordoen, dat bijv. schade wordt toegebracht

ocr page 55

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2-* LID, GW. [ART. 5.] 53

aan eene sluis van een waterschap, en dat door het langdurig geopend zijn van die sluis schade wordt geleden door de ingelanden, wier landerijen daardoor overstroomd bleven, de schade namelijk, veroorzaakt doordien deze eigendommen aan de vrije beschikking der ingelanden zijn onttrokken geweest. Bij aanneming der door de Commissie voorgestelde redactie zouden die ingelanden niet daaronder vallen; immers zij zijn niet rechthebbenden op de sluis en volgens die redactie komt alleen in aanmerking de schade door het onttrekken van eigendom aan de vrije beschikking van hen, die op de sluis recht hebben, en niet de schade door de ingelanden geleden.quot;

In de tweede plaats vroeg de Commissie of het, in verband met het tweede lid van art 4 (nieuw), niet noodig is aan het tweede lid van art. 5 (nieuw) toe te voegen: ))of bij toepassing van het tweede lid van dat artikel binnen eene maand nadat het in den vorigen toestand herstelde eigendom weder ter beschikking van den rechthebbende is gesteld.quot;

De Regeering antwoordde: »Ook de hier voorgestelde wijziging komt den ondergeteekenden niet noodig voor.

«Wanneer de Minister van Oorlog gebruik maakt van de bij art. 4, al. 2, verleende bevoegdheid, kan het eigendom niet ter beschikking van den rechthebbende komen, vóórdat de herstellingswerkzaamheden door het Kijk zijn voltooid en kan dus ook de kennisgeving, waarnaar art. 5, al. 2, verwijst, niet vóór dat tijdstip geschieden.

»In het stelsel der Commissie, waarbij wordt uitgegaan van het denkbeeld dat de Minister een terrein, waarover hij geen beschikking meer heeft, alsnog in den vorigen toestand zal mogen terugbrengen, zou een termijn moeten worden bepaald, binnen welken hij zich omtrent het al dan niet gebruik maken van de bij art. 4, al. 2, gegeven bevoegdheid zal moeten verklaren; anders toch zou niet zijn aangegeven, op welk tijdstip de termijn, bedoeld bij art. 5, al. 2, aanvangt te loopen.quot;

ontw. II. art. 5. Wanneer bij het voorbereiden of het stellen van de militaire inundatiën in de vorige artikelen bedoeld, eigendommen worden beschadigd of aan de vrije beschikking van rechthebbenden of huurders onttrokken, wordt aan hen, aan wie daardoor schade werd toegebracht, op hunne aanvrage de geleden schade vergoed, voor zoover die schade als het onmiddellijke en dadelijke gevolg van het voorbereiden of het stellen der inundatiën moet worden beschouwd, en daarin niet door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 4, is of wordt voorzien.

tweede en derde lid = in de wet.

IMemorie van Toelichting b\j Ontw. II.

De uitdrukking vdoor of ten gevolge vanquot; in het eerste lid van art. 5 van het vorige gewijzigde ontwerp, scheen te ruim; daardoor toch zou het toekennen van schadevergoeding verplichtend zgn geworden in vele gevallen, waarin het niet de bedoeling is schadevergoeding te verleenen.

Het scheen derhalve verkieslijk, in deze de bewoordingen van art. 1284

ocr page 56

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

van het Burgerlijk Wetboek te volgen en te spreken van de schade, welke als een onmiddellijk en dadelijk gevolg van het voorbereiden of het stellen der inundatiën moet worden beschouwd.

Overigens is hier rekening gehouden met de redactie, aangegeven in het Verslag der Commissie van Rapporteurs dd. 31 Augustus 1891, met dien verstande echter, dat ook uitdrukkelijk de huurders van eigendommen zijn vermeld, ten einde te doen uitkomen, dat ook deze eventueel aanspraak op schadevergoeding kunnen doen gelden.

54

geacht; dit artikel toch regelt in verband met artikel 1283 de vergoeding, te praesteeren indien de niet-nakoming eener civiele verbintenis te wijten is aan arglist van den schuldenaar. Het schijnt gezocht de schade ontstaande door inundatie, een van overheidswege in het algemeen belang bevolen maatregel, gelijk te stellen met die, welke ontstaat, indien een arglistig debiteur in gebreke blijft zijne verplichting na te komen. Zoowel de beperking van art. 1283 B. W. (tot de schade, die men heeft kunnen voorzien) als die van art. 1284 B. W. (tot de schade, die een onmiddellijk en dadelijk gevolg is) hebben een geheel anderen grond. De rechtsgrond der verplichting tot schadevergoeding in cas van inundatiën is zeker niet gelegen in arglist van den Staat; zij berust daarentegen op gronden van billijkheid en utiliteit; het is billijk dat het algemeen betale, wat in het algemeen belang wordt beschadigd, en het is nuttig, misschien noodig, volledige vergoeding te geven, omdat dit het beste middel is om aan de militaire overheid de medewerking

Memorie van Antwoord.

Art. 5, eerste lid. De ondergetee-kenden blijven het wenschelijk achten, de thans gekozen omschrijving der te vergoeden schade te behouden. Eenig gevaar voor verzet blijft er altijd, zoolang er mogelijkheid bestaat van nadeel; doch dat gevaar geheel weg te nemen, is ondoenlijk, daar alsdan de bepaling in te ruimen zin zou moeten worden geredigeerd.

De opmerking, dat de schade, ten gevolge van inundatie geleden, niet kan worden gelijk gesteld met die, welke het gevolg is van arglist van een debiteur, is juist, maar wanneer in de hierbedoelde omstandigheden evenveel schadeloosstelling wordr. toegekend als in het geval van arglist, kan niet worden beweerd, damp;t zij niet ruim genoeg zou zijn.

Het is, naar de meening van de ondergeteekenden, wenschelijk, ter omschrijving van den omvang der schadeloosstelling eene formule te kiezen, die reeds in ons recht is opgenomen, en in het belang van hem, die schade lijdt, kan men zeer zeker niet beter handelen dan hem zooveel

Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over Ontw. II.

Art. 5, eerste lid. Verscheidene leden gaven de voorkeur aan de bepaling van het vorige wetsontwerp, waarbij een veel ruimer recht op schadevergoeding erkend en voor elke schade, toegebracht »door of ten gevolgequot; van het gebruik van bijzonder eigendom, vergoeding toegezegd werd. Men meende, dat deze beperking van de aanspraak op volledige vergoeding een ongunstigen invloed zou hebben op de medewerking, welke de belanghebbenden aan de militaire macht zouden verleenen; de twijfel omtrent de vraag, of de te verwachten schade wel zou vallen binnen de termen van het gewijzigd artikel, zou aanleiding kunnen geven tot lydelijk of zelfs feitelijk verzet. Het beroep dat in de Memorie van Toelichting gedaan wordt op artikel 1284 van het Burgerljjk Wetboek werd geheel ongegrond toch regelt


ocr page 57

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152. 2DE LID,GW. [ART. 5.] 55

van belanghebbenden te verzekeren. De Eegeering zegt in de toelichting, dat de vroegere redactie zou leiden tot het toekennen van schadeloosstelling, in vele gevallen, waarin het niet de bedoeling is schadevergoeding te verleenen. Men zou gaarne vernemen, welke gevallen de Eegeering hier op het oog heeft, maar men zag voorshands niet in, dat die redactie verder gaat dan door de eischen der billijkheid wordt gevorderd.

Vele andere leden meenden daarentegen dat de redactie van het vorig ontwerp te ruim was en tot allerlei ongerechtvaardigde en twijfelachtige eischen om schadevergoeding aanleiding zou geven. Men herinnerde aan hetgeen te dien aanzien in het Voorloopig Verslag betreffende dat wetsontwerp is aangevoerd.

Onder de leden, die de vorige redactie te ruim achtten, waren er intusschen, die de nieuwe lezing te beperkt rekenden, in zoo verre uit de uitdrukking: »hij het voorbereiden of het stellen van de militaire in-undatiën in de vorige artikelen bedoeldquot; afgeleid zou kunnen worden, dat schade, rechtstreeks uit die in-undatiën voortvloeiende, maar eerst ontstaande, nadat de maatregelen tot het voorbereiden of stellen daarvan genomen zijn, bijv. ten gevolge van het later doorbreken van een dijk of van gedurende de inundatiën ontstaande verzakkingen van werken en gebouwen, niet zouden worden vergoed. Dit zou denkelijk niet overeenstemmen met de bedoeling der Eegeering; daarom werd in overweging gegeven in plaats van het woordje »bijquot; te lezen: sdoorquot;.

De bedoeling der bepaling is, naar men meende, alleen aanspraak op vergoeding te geven aan rechthebbenden op, of huurders van eigendommen. Maar dan scheen het wen-schelijk om de woorden ))wordt aan hen, aan wie daardoor schade werd toegebrachtquot; te vervangen door; »wordt aan dezen, indien hun daardoor schade werd toegebrachtquot;.

toe te kennen als hij van een arglisti-gen debiteur zou kunnen vorderen.

Gelijk reeds door velen werd opgemerkt, zijn in het Voorloopig Verslag betreffende het oorspronkelijk wetsontwerp (Gedrukte stukken, Zitting 1889-1890, 79, n0. 4), [hiervóór, blz. 49], verschillende gevallen vermeld, waarin, volgens de vorige redactie van art. 4 (thans art. 5), schadevergoeding zou moeten worden gegeven in strijd met de bedoeling van het wetsontwerp.

Tegen het vervangen van het woord ygt;bijquot; door het woord »doorquot; bestaat bij de ondergeteekenden geen bezwaar. Bij de hiernevensgaande Nota van Wijzigingen wordt voorgesteld, de bedoelde redactie-verandering in het artikel aan te brengen.

Het is werkelijk de bedoeling, alleen aanspraak op vergoeding te geven aan rechthebbenden op of huurders van eigendommen.

Naar de meening van de ondergeteekenden zullen echter de woorden : ygt; wordt aan hen, aan wie daardoor schade wordt toegebrachtquot; moeten worden behouden.

Die woorden behooren nl. bij het daaraan voorafgaande: d Wanneer bij het voorbereiden of het stellen van de militaire inundatiën, in de vorige artikelen bedoeld, eigendommen worden beschadigd of aan de vrije beschikking van rechthebbenden of huurders onttrokken.quot;

De voorgestelde redactie zou, door het woord: sdezenquot;, alleen slaan op het laatste gedeelte der aangehaalde woorden: »of aan de vrije beschikking van rechthebbenden of huurders onttrokkenquot;.

Met de uitdrukking: ^rechthebbendenquot; zijn inderdaad bedoeld allen die een zakelijk recht hebben, zoodat, behalve de huurders, zij, die slechts door eene persoonlijke rechtsbetrekking bij de zaak betrokken zijn, geene schadeloosstelling kunnen vorderen wegens de onttrekking der zaak aan hunne vrije beschikking. De eigenaar kan, indien daartoe termen zijn, op die schadeloosstelling


ocr page 58

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

56

Voorts werd gevraagd, of met de uitdrukking »rechthebbendenquot; bedoeld zijn allen, die een zakelijk recht hebben, dus ook de vruchtgebruiker, en of derhalve allen, die een persoonlijk recht hebben, met uitzondering van de huurders, geene aanspraak op vergoeding zullen erlangen.

Verder zou men gaarne vernemen, of wegens schade, veroorzaakt tengevolge van het inlaten van zout water, aan rechthebbenden of huurders vergoeding verschuldigd zal zijn.

Overigens achtten enkele leden het wenschelijk om ter wille van de duidelijkheid de woorden: »voor zooverquot; te herhalen vóór de woorden: »daarin niet door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van art. 4 is of wordt voorzienquot;.

Tweede [lees: Derde] lid. Verscheidene leden achtten het noch noodig noch wenschelijk a voorschottenquot; te geven op te verleenen schadevergoedingen. De bevoegdheid tot het geven van die voorschotten wordt gegeven aan de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig en die hoogste autoriteit kan zijn een luitenant of een sergeant. Men betwijfelde of het voor de militaire autoriteiten mogelijk zou zijn bij de toepassing der bepaling anders dan op geheel willekeurige wijze te werk te gaan. Het gevaar scheen ook niet uitgesloten, dat een hooger voorschot gegeven werd dan later wegens schadevergoeding blijkt verschuldigd te zijn. Andere leden achtten het niet waarschijnlijk dat, al werd de bepaling in de wet opgenomen, de militaire overheid van de haar toegekende bevoegdheid gebruik zou maken, terwijl er ook leden waren, die de bevoegdheid van die overheid wilden beperken tot vergoedingen voor huur en de rechten van gebruik en genot.

Overigens werd betwijfeld, of de uitdrukking «voorschotquot; wel kan gebezigd worden, waar de aanspraak op schadevergoeding nog niet is erkend aanspraak maken en op dezen kan de derde partij de door haar geleden schade verhalen, zoo zij door hare persoonlijke rechtsbetrekking tot den eigenaar daarop aanspraak heeft.

Alleen wegens schade, veroorzaakt door het stellen van militaire inun-datiën, wordt vergoeding toegekend. Wanneer dus zout water wordt ingelaten, zonder dat er sprake is van eenigen inundatiemaatregel als waarop het wetsontwerp betrekking heeft, zal deswege geene schadevergoeding worden gegeven.

De ondergeteekenden hebben er geen bezwaar tegen, om, vóór de woorden: Ddaarin niet door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 4, is of wordt voorzienquot;, de woorden: ygt;voor zooverquot; te herhalen (zie Nota van Wijzigingen).

Art. 5, derde lid. Ten aanzien van de bezwaren geopperd tegen de bepaling, vervat in het derde lid van dit artikel (in het Voorloopig Verslag abusievelijk als tweede lid aangeduid), meenen de ondergeteekenden te kunnen verwijzen naar het gestelde in de Memorie van Beantwoording van het Voorloopig Verslag betrefi'ende het oorspronkelijk wetsontwerp, ad art. 4 (nieuw 5), derde lid (Gedrukte stukken, Zitting 1890 -1891,19, n0.1) [hierv. blz. 51],

Bovendien moet niet uit het oog worden verloren, dat de belanghebbenden in vele gevallen geruimen tijd zullen moeten wachten op de uitbetaling der hun toekomende schadevergoeding en het dus niet meer dan billijk is, dat, door het scheppen van de mogelijkheid tot het verkrijgen van voorschot, aan bedoeld bezwaar eenigszins wordt te gemoet gekomen.

Vermits de militaire autoriteit bij het bepalen van het bedrag van het te geven voorschot rekening zal moeten houden met den kasvoorraad en inet het vermoedelijk bedrag der geleden schade, behoeft er, naar de meening van de ondergeteekenden geene vrees voor te bestaan, dat een


ocr page 59

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2DE LID, GW. [ART. 5.] 57

en het bedrag daarvan nog niet is 1 hooger voorschot zal worden gegeven vastgesteld. j dan later wegens schadevergoeding

zal blijken verschuldigd te zijn.

Dat het woord ^voorschotquot; hier niet juist zou zijn gekozen, kunnen de ondergeteekenden niet toegeven, te minder waar het voor de hand ligt, dat de militaire autoriteit zeer zeker niets zal uitbetalen ingeval de aanspraak op schadevergoeding quaestieus is.

Nota van quot;Wijzigingen.

In den eersten regel van artikel 5 wordt in plaats van; d Wanneer hijquot;, gelezen: ygt; Wanneer doorquot;.

In den voorlaatsten regel der eerste alinea van artikel 5 worden tusschen de woorden: ygt;eaquot; en vdaariri', ingevoegd de woorden: evoor zooverquot;.

Beraadslaging in de Tweede Kamer.

(10 Maart 1896.)

Beraadslaging over art. 5, luidende

quot;Wanneer door het voorbereiden of liet stellen van de militaire inundatiën in de vorige artike'en bedoeld, eigendommen uorden beschadigd of aan de vrije beschikking van rechthebbenden of huurders onttrokken, wordt aan hen, aan wie daardoor schade werd toegebracht, op hunne aanvrage de geleden schade vergoed, voor zoover die schade als het onmiddellijke en dadelijke gevolg van het voorbereiden of het stellen der inundatiën moet worden beschouwd, en daarin niet door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 4, is of wordt voorzien.

TWEEDE EN DERDE LID = IN DE WET.

De heer van Oennep: Mijuheer de Voorzitter! Ik wensch eene kleine aanmerking te maken op de redactie van dit artikel, eene redactie, welke reeds tot verschil van mecning aanleiding heeft gegeven en zeker zal geven, wanneer, wat ik niet hoop, de omstandigheden er toe mochten leiden, dat het wegruimen van inundatiën aan do orde zal zijn.

Mijne aanmerking geldt de woorden: «wordt aan hen, aan wie daardoor schade werd toegebracht, op hunne aanvrage, de geleden schade vergoedquot;. In het Voor-loopig Verslag is reeds gezegd, dat hierdoor niet zeker is wie bedoeld worden: de voorafgaande rechthebbenden of hiuirders, dan wel in het algemeen allen, aan wie schade werd toegebracht door de inundatie.

De Regeering heeft in haar antwoord verklaard, dat alleen zij bedoeld worden, die zakelijke rechten hebben op den grond of die huurders zijn, en dit neem ik dus aan als de bedoeling van de wet. Doch ik betwijfel of dit wel duidelijk in de wet te lezen staat, en aangezien de rechter steeds meer den tekst van de wet tot grondslag van zijne uitspraak neemt, desnoods met ter-zijde-stelling van de toelichting, acht ik eene kleine wijziging noodig.

Ik meen, dat met de redactie, zooals zij thans luidt, beweerd kan worden, dat het woordje hen niet slechts omvat de voorafgaande rechthebbenden of huurders, maar in het algemeen hen, die schade geleden hebben. Er is zelfs aanleiding om aan te nemen, dat eene meer algcmeene categorie bedoeld wordt, want sloeg het woordje hen alleen op de voorafgaande categorie van rechthebbenden of huurders, dan konden de woorden: „aan wie daardoor schade werd toegebrachtquot; gerust weggelaten worden. Men zou dan eenvoudig kunnen lezen: „wordt

ocr page 60

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

aan hen op hunne aanvrage, de daardoor geledenquot; schade vergoed. Men vergoedt toch geen geleden schade, wanneer geen schade is toegebracht. Het is echter mogelijk dat de Regeering met die overtollige woorden heeft willen voorkomen de meening dat er per se schade moet zijn toegebracht.

Daarom acht ik het beter eene gewijzigde lezing voor te stellen, waardoor ook aan dit bezwaar wordt te gemoet gekomen en zou ik in plaats van de in het artikel gebezigde woorden willen lezen: //wordt aan hen op hunne aanvrage de schade, welke daardoor mocht zijn geleden, vergoedquot;.

Door die gewijzigde lezing komt de nadere definitie van //henquot; weg te vallen en kan dit woord slechts slaan op de voorafgaande huurders en rechthebbenden.

Ik maak er echter geen amendement van, omdat ik eerst wensch te vernemen, of de Regeering tegen deie redactie bezwaar heeft.

De heer van Houten, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter ! De bedenking is in de stukken beantwoord en de Regeering heeft haar niet van genoegzaam gewicht geacht om daarvoor de voordracht te wijzigen.

Het scheen bij de beoordeeling van de bedenking, in het Verslag geopperd, der Regeering toe dat hier wel ietwat spitsvondig geargumenteerd werd.

Wanneer een rechtsgeleerde als de heer van Gennep zich niettegenstaande de herhaalde verzekering van de Regeering tot tolk maakt van dat bezwaar, moet het eenigen grond hebben.

De geachte afgevaardigde heeft inderdaad gelijk, dat er eenige grond in de redactie te vinden is door de woorden: //die daardoor schade hebben geledenquot;, welke echter volgens de Regeering geen ander doel hebben, dan om het denkbeeld uit te sluiten, alsof in alle gevallen en onder alle omstandigheden schade moet zijn geleden en te vergoeden is.

De geachte afgevaardigde had de vriendelijkheid mij vóór de discussie de door hem aangegeven redactie in overweging te geven. Door deze redactie wordt uitgesloten dat een spitsvondig belanghebbende niet-huurder, en niet-rechthebbende op den grond, iemand die echter bij de inundatie indirect op eenigerlei wijze schade heeft geleden, zou kunnen beweren begrepen te zijn onder hen, die, schade geleden hebbende, uit deze wet aanspraken tegen den Staat kunnen putten.

In zoover is de redactie, voorgesteld door den heer van Gennep, beter en wordt de twijfel weggenomen. Noch bij mij noch bij mijne ambtegenooten is tegen de door hem voorgestelde redactie bedenking gerezen.

Onder die omstandigheden heb ik de eer de wijziging door den geachten afgevaardigde aan de hand gedaan, in het ontwerp aan te brengen.

De Voorzitter: Door de Regeering wordt in overeenstemming met het denkbeeld van den heer van Gennep eene wijziging gebracht in art. 5, ten gevolge waarvan in plaats van de woorden //wordt aan hen, aan wie daardoor schade werd toegebracht, op hunne aanvrage dc geleden schade vergoedquot;, wordt gelezen: //wordt aan hen, op hunne aanvrage, de schade welke daardoor mocht zijn geleden, vergoedquot;.

Ik ben zoo vrij de meening van de Commissie van Rapporteurs te vragen over de wijziging door de Regeering in het artikel gebracht.

De heer JE. 5facka.y, voorzitter der Commissie van Rapporteurs'. De Commissie is van oordcel dat er tegen de aangebrachte wijziging geen bezwaar bestaat.

De beraadslaging wordt gesloten en het gewijzigd art. 5 zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

58

ocr page 61

bepalingen ter uitvoering van art. 152, 2D]i lid, gw. [art. 6.] 59

Artikel 6.

Binnen twee maanden nadat de in artikel 5 vermelde aanvrage bij het Departement van Oorlog is ontvangen, biedt de Minister van Oorlog aan den belanghebbende eene bepaalde som gelds aan ter vergoeding der geleden schade. Is binnen den gestelden termijn geen aanbod door den belanghebbende ontvangen , of acht hij de aangeboden schadevergoeding niet voldoende, dan kan hij het geschil op de gewone wyze bij dagvaarding bij den burgerlijken rechter aanbrengen.

ontw. I. art. 5. Ingeval geene minnelijke overeenkomst kan worden getroffen, hetzij omtrent de toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3, hetzij omtrent het bedrag der schadevergoeding, bedoeld in artikel 4, wordt de beslissing omtrent een en ander opgedragen aan eene commissie, samengesteld als in het volgende artikel is bepamp;ald.

Nadat daartoe door belanghebbenden het verzoek is gedaan, wordt bedoelde beslissing zoo spoedig mogelijk door Onzen Minister van Ooriog ingeroepen.

art. 6. De commissie, in het voorgaande artikel bedoeld, bestaat uit vijf leden, waarvan twee, te benoemen door Onzen Minister van Oorlog; twee, te benoemen door Gedeputeerde Staten der provincie, waarin het gebruikte eigendom gelegen is, en een, te benoemen door de arrondissementsrechtbank, gevestigd in de hoofdplaats der ovengenoemde provincie.

art. 7. De regelen betreffende het zitting houden en de werkzaamheden van, alsmede de vergoedingen, toe te kennen aan de commissie, in de artikelen 5 en 6 bedoeld worden door Ons, bij algemeenen maatregel van bestuur, vastgesteld.

Memorie van Toelieliting quot;bü Ontw. I.

Ad artl. 5 en 6. Door de wijze van samenstelling der commissie, in de artikelen 5 en 6 bedoeld, is getracht eene zoo onpartijdig mogelijke beslissing te verkrijgen, terwijl daaraan tevens het voordeel is verbonden, dat de verzoeken om schadevergoeding, voor alle eigendommen in eene en dezelfde provincie gelegen, door dezelfde personen worden behandeld, waardoor waarborg wordt verkregen, dat gelijksoortige belangen op gelijke wijze worden behartigd.

Ad art. 7. Het is den ondergeteekenden beter voorgekomen, dat de ten aanzien van de hierbedoelde onderwerpen vast te stellen regelen worden

ocr page 62

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

60

opgenomen in eenen algemeenen maatregel van bestuur, dan dat bedoelde punten alle bij de wet worden geregeld, en zulks met bet oog op eventueel daarin aan te brengen door de praktijk gevorderde veranderingen.

quot;Voorloopig ^Verslag der

Tweede Kamer over Ontw. I.

Artl. 5—7. Het denkbeeld om, bij gebreke van minnelijke schikking, de beslissing omtrent het bedrag der schadevergoeding aan provinciale commissiën op te dragen, lachte velen leden toe, omdat daardoor althans voor elke provincie eene gelijkmatige taxatie kon worden verkregen. In dien gedachtengang zou volgens sommigen het aanstellen van ééne commissie voor het geheele Eijk nog de voorkeur verdienen. Ofschoon overigens het opnemen van door belanghebbenden gekozen leden in dergelijke commissiën wenschelijk werd geacht, begreep men dat dit bij het groot aantal belanghebbenden, dat, wellicht op verschillende tijdstippen, schadevergoeding kan komen vragen, niet doenlijk zou wezen.

Dat de Eegeering bedoelt voor elke provincie ééne commissie te doen benoemen wordt vermeld in de Memorie van Toelichting, maar staat :in het wetsontwerp niet te lezen. Ook in andere opzichten zijn de voorgestelde bepalingen niet duidelijk. Yolgens het tweede lid van art. 5 wordt, nadat «daartoequot; (waartoe?) door belanghebbenden het verzoek is gedaan, de beslissing der commissie zoo spoedig mogelijk door den Minister van Oorlog ingeroepen. Maar voordat dit geschiedt, dient dan toch de benoeming der commissie geregeld te worden. Art. 6 zegt alleen, wie de vijf leden der commissie zal benoemen. Maar wanneer zal het geschieden? Zoodra een der belanghebbenden, met de minnelijk aangeboden som geen genoegen nemende, daarop aandringt? Zoo ja, zal dan de voor dit speciale geval benoemde commissie ook over alle verdere gevallen in dezelfde provincie te beslissen hebben? Wat zal gelden in-

Memorie van Antwoord.

Artt. 5—7 (nieuw 6—8). Het was den ondergeteekenden aangenaam te ontwaren, dat het denkbeeld om, bij gebreke van minnelijke schikking, de beslissing omtrent het bedrag der schadevergoeding aan provinciale commissiën op te dragen, velen leden toelachte, omdat daardoor althans voor elke provincie eene gelijkmatige taxatie kan worden verkregen.

Dat echter in dien gedachtengang het aanstellen van ééne commissie voor het geheele Rijk nog de voorkeur zou verdienen, kan niet worden beaamd. Niet alleen zouden de werkzaamheden voor ééne commissie allicht veel te uitgebreid kunnen zijn, doch daarenboven zouden de leden dier commissie geen voldoende kennis van de locale toestanden over het geheele Eijk hebben, om de toegebrachte schade met juistheid te bepalen.

Bij de samenstelling van het ontwerp heeft het ook bij de Eegeering een punt van overweging uitgemaakt, of het niet wenschelijk zou zijn, in de commissiën leden op te nemen, die door de belanghebbenden werden gekozen, doch dit denkbeeld is verworpen om dezelfde reden, als in het Voorloopig Verslag wordt aangevoerd, namelijk dat eene bepaling in dien zin zou blijken, in de toepassing aan onoverkomelijke bezwaren onderhevig te zijn.

Hoewel uit artikel 6 (nieuw 7), naar de meening van de ondergeteekenden, rechtstreeks volgt dat voor elke provincie, waarin beschadigde eigendommen gelegen zijn, eene commissie zal worden benoemd, bestaat er volstrekt geen bezwaar tegen om, ter voorkoming van eiken


ocr page 63

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, 2D1! LID, GW. [ART. 6.J 61

dien het eigendom in twee provinciën gelegen is? En welk college van Gedeputeerde Staten zal dan twee leden der commissie hebben te benoemen? Wat zal de commissie te beslissen hebben omtrent »de toepassing van bet bepaalde in het tweede lid van art. 3quot;? Men tast hier in vele opzichten in het duister. Daarenboven wordt omtrent de behandeling der zaken bij de commission niets anders verordend, dan dat de regelen betreffende het zitting houden en de werkzaamheden van die coin-missiën zullen worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. Is dit voldoende? Daarmede wordt geen verdere bevoegdheid gegeven dan tot regeling van den in-wendigen werkkring der commissie, maar welke rechten zal zij naar buiten kunnen uitoefenen? Wat zal gelden ten aanzien van bet inbrengen van memoriën en bezwaren, het vorderen en geven van inlichtingen, het hooren van getuigen en deskundigen, de verplichting om als getuige op te komen, de toelichting van eisch en bestrijding, de te volgen handelwijze, indien het eigendom is vernietigd zonder vooraf getaxeerd te zijn, enz Omtrent dit alles zwijgt zoowel het ontwerp als de toelichting.

Blijkt uit de medegedeelde bedenkingen dat de voorgestelde regeling onvoldoende is, vrij algemeen was men daarenboven van meening dat zij strijdt met de Grondwet. Indien men eenmaal een recht op vergoeding voor ter zake van militaire inun-datiën geleden schade erkent, dan zijn alle geschillen daaromtrent twistgedingen in den zin van art. 153 of van art. 154 der Grondwet; en dan moet de beslissing daarvan opgedragen worden hetzij aan den gewonen rechter, hetzij aan een collegie met administratieve rechtsmacht belast, waarop, als het in hoogste ressort beslist, art. 106, 5de lid, der Grondwet toepasselijk is. Leden van commissiën, voor een bepaald doel benoemd door den Minister van Oor-mogelijken twijfel, artikel 5 (nieuw 6) in dezen zin te verduidelijken.

De ondergeteekenden kunnen echter niet inzien, dat het noodig is in de wet eenige bepaling op te nemen nopens het tijdstip, waarop de commissie moet worden benoemd. Gelijk in het Verslag te recht wordt opgemerkt, moet zij benoemd zijn op het oogenblik, dat een geschil aan haar oordeel wordt onderworpen. Maar of met de benoeming kan worden gewacht tot het feit zich voordoet, dat een belanghebbende geen genoegen neemt met de hem minnelijk aangeboden vergoeding, dan wel of tot de benoeming reeds vroeger moet worden overgegaan, en derhalve op een oogenblik, dat er nog geen geschil bestaat, waarover de commissie zal hebben te oordeelen, behoeft, naar de meening der Regeering, nóch in de wet, nèch in den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in het laatste artikel van het ontwerp, te worden bepaald

Is echter eene commissie benoemd, dan zal deze te oordeelen hebben over alle geschillen, welke zich voordoen in de provincie, waarover zich baar werkkring uitstrekt.

Verder wordt in het Verslag gevraagd. wat gelden zal, indien een eigendom in twee provinciën is gelegen.

Ten aanzien van dit punt zij opgemerkt, dat, ten gevolge van de inrichting van het kadaster, het niet kan voorkomen, dat een en betzelfde kadastrale perceel voor een deel in ééne provincie en voor het overige in oene andere gelegen is.

Mocht eventueel eene combinatie van perceelen, aan éénen eigenaar toebehoorende, in twee of meer provinciën gelegen zijn, dan bestaat er geen bezwaar tegen, dat de schade, aan die perceelen toegebracht, pro-vinciesgewijze door verschillende commissiën wordt beoordeeld.

Ten einde aan de bezwaren, welke met betrekking tot het laatste artikel van het ontwerp zijn gerezen,


ocr page 64

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. N0. 71.

tegemoet te komen, wordt bij de Nota van Wijzigingen voorgesteld in het artikel ook melding te maken van »de behandeling van zaken door de commissiequot;. Dewijl het den on-dergeteekenden wijders wenschelijk is voorgekomen, dat in den alge-meenen maatregel van bestuur ook het bijeenroepen der commissie zal worden geregeld, is in de Nota van Wijzigingen ook dienaangaande eene aanvulling van het artikel opgenomen.

Is, blijkens het bovenstaande, de in het ontwerp nedergelegde regeling, naar de meening van de on-dergeteekenden, niet onvoldoende, evenmin kunnen zij toegeven, dat deze zou moeten geacht worden in strijd te zijn met de Grondwet.

Ten einde echter omtrent dit laatste punt eiken twijfel op te heffen, hebben zij gemeend in het wetsontwerp, door het opnemen van een nieuw artikel (9), uitdrukkelijk te doen uitkomen, dat aan de belanghebbenden die geen genoegen nemen met het bedrag der schadeloosstelling, zooals dit door de commissie is vastgesteld, de weg van rechten openstaat

In verband hiermede is in artikel 5 (nieuw 6) de noodige wijziging aangebracht, in welk artikel thans tevens êën termijn voor het tot stand komen der minnelijke overeenkomst betreffende de schadevergoeding is opgenomen.

Door eene regeling, als thans wordt voorgesteld, worden de bezwamp;ren, in het Voorloopig Verslag tegen de artt. 5 —7 van het ontwerp aangevoerd, geheel opgeheven en worden de belangen der beide bij de zaak betrokken partijen (den Staat en dengene aan wien schade is toegebracht) in allen deele gewaarborgd. Immers, na eene poging tot minnelijke schikking, komt eene taxatie door eene alleszins onpartijdige commissie en volgt eindelijk — nadat die commissie het bedrag der vergoeding heeft begroot — des verlangd de beslissing door den rechter.

Om dit laatste middel evenwel niet te gemakkelijk te maken, hebben de ondergeteekenden gemeend, in het nieuwe artikel (9) de bepaling te moeten opnemen, dat ten deze de gewone procedure moet worden gevolgd.

Met het oog op de verschillende veranderingen, welke bij nevensgaande Nota van Wijzigingen in het ontwerp van wet zijn aangebracht, hebben de ondergeteekenden gemeend, een Gewijzigd ontwerp van wet hierbij te moeten voegen, bij welk stuk tevens het formulier van afkondiging voor zooveel noodig is veranderd. [Het eerste ontwerp was namelijk nog bij het leven van 'Koning Willem 111 ingediend.]

62

log, de Gedeputeerde Staten en eene arrondiasements-rechtbank, kunnen dus wel dienst doen als tusschenper-sonen om tusschen de Eegeering en de belanghebbenden bemiddelend op te treden, maar eene eindbeslissing kan hun nooit worden opgedragen. Men herinnerde hierbij dat ook de beslissing omtrent de schadevergoedingen, bedoeld in de wet van 21 December 1853 (Staatsblad n0.128), aan de rechterlijke macht is opgedragen.

Indien nu de beslissing van de bedoelde geschillen opgedragen werd aan de rechterlijke macht, moest men naar de meening van verscheidene leden die zaken doen beslissen door een zoo klein mogelijk aantal colleges, opdat zooveel mogelijk gelijkmatige taxatie zou worden verkregen. Was het ondoenlijk alle de geschillen bij één college te brengen, dan scheen het aanwijzen van ééne rechtbank voor elke provincie aanbeveling te verdienen.

Overigens wordt hier nog herinnerd dat, wanneer aan het denkbeeld, ontwikkeld in het slot van § 2 van dit Verslag, gevolg gegeven wordt, de erkenning op het recht van schadeloosstelling vervallen zou en van regeling van daaromtrent opkomende geschillen geen sprake zou zijn.

ocr page 65

bepalingen ter uitvoering van art. 452, 2DE lid, gw. [art. «.] 63

gewijz. ontw. I. art. 6. Ingeval, binnen twee maanden nadat de in artikel 5 vermelde aanvrage bij het Departement van Oorlog is ontvangen, geene minnelijke overeenkomst kan worden getroffen omtrent het bedrag der schadevergoeding, in dat artikel bedoeld, wordt de schade begroot door eene commissie, voor elke provincie samengesteld als in het volgende artikel is bepaald.

art. 7. De commissie, in het voorgaande artikel bedoeid, bestaat uit vijf leden, waarvan twee, te benoemen door den Minister van Oorlog, twee, te benoemen door Gedeputeerde Staten der provincie, waarin het gebruikte eigendom gelegen is, en een, te benoemen door de arrondissementsrechtbank, gevestigd in de hoofdplaats der ovengenoemde provincie.

art. 8. De regelen betreffende het bijeenroepen, het zitting houden en de werkzaamheden van, alsmede de behandeling van zaken door en de vergoedingen, toe te kennen aan de commissie, in de artikelen 6 en 7 bedoeld, worden bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

art. 9. Acht de belanghebbende de schadevergoeding door de commissie begroot, onvoldoende, dan kan hij haar doen begroeten door den bevoegden rechter, voor wien het geschil bij gewone dagvaarding wordt aangebracht.

Eindverslag der Tweede Kamer over Ontw. I, na nader schriftelijk overleg met de Regeering.

In de derde plaats vroeg de Commissie, of het vaststellen van regelen betreffende de behandeling van zaken wel geheel geschieden kan bij algemeenen maatregel van bestuur, gelijk bij art. 8 wordt voorgesteld, en of ten aanzien van deze zaken niet wettelijke bepalingen noodig zijn van gelijksoortigen aard als vervat zijn in de wet van 19 Januari 1890 {Staatsblad n°. 1).

De Eegeering antwoordde; »De hier voorgestelde regeling schijnt niet wenschelijk.

«Volgens het stelsel van het ontwerp is de commissie eene commissie van bemiddeling. Door de aanbevolen regeling zou men haar een quasi-rechterlijk karakter toekennen, hetgeen in strijd is met de bedoeling van de wijzigingen, welke het ontwerp in dit opzicht heeft ondergaan, terwijl èn aan de commissie èn aan bijzondere personen verplichtingen zouden worden opgelegd, welke in de meeste gevallen onnoodig zullen zijn.

slndien naar het oordeel van belanghebbenden in een gegeven geval de door de Commissie van Rapporteurs bedoelde waarborgen noodig zijn, kan van art. 9 worden gebruik gemaakt. Het zou bedenkelijk zijn, naast de behandeling volgens art. 9 eene quasi-rechterlijke procedure in te voeren.

»Hoe zou bijv. bij strijd tusschen de beëedigde verklaringen van denzelfden persoon moeten worden gehandeld ^

»Bij hooger beroep beslist in dergelijk geval altijd de hoogere rechter, maar daarvan is hier geen sprake.quot;

ocr page 66

wet van 15 april 1896, Stbl. n0. 71.

ONTW. II. ART. 6. Binnen twee maanden nadat de in artikel 5 vermelde aanvrage bij het Departement van Oorlog is ontvangen, biedt de Minister van Oorlog aan den belanghebbende eene bepaalde sotn gelds aan ter vergoeding der geleden schade. Acht de belanghebbende die schadevergoeding onvoldoende, dan kan hij baar doen begrooten door den bevoegden rechter, voor wien het geschil bij gewone dagvaarding wordt aangebracht.

Memorie van Toelichting by Ontw. II.

De ondergeteekenden hebben gemeend, de in het vorige gewijzigde ontwerp voorkomende bepalingen omtrent de instelling eener commissie voor elke provincie, welke zal worden belast met het begrooten van de eventueel geleden schade, ingeval geen minnelijke overeenkomst is kunnen worden getroffen omtrent het bedrag der te verleenen vergoeding, niet te moeten behouden.

Dit behoeft, naar hunne meening, niet bij de wet te worden bepaald.

Indien de Minister van Oorlog bet noodig mocht vinden, zich door eene commissie omtrent het bedrag der toe te kennen vergoeding te doen voorlichten, of dat bedrag, voor zooveel het Departement van Oorlog betreft, definitief door eene commissie te doen vaststellen, zal hem dit vrijstaan, ook zonder dat dit bij de wet is voorgeschreven, terwijl het de onderhandelingen met belanghebbenden zal vergemakkelijken indien de Minister niet gebonden is aan de beslissing dier commissie.

Naar de meening der ondergeteekenden behoeft de wet niet anders te regelen dan de wederzijdsche verplichtingen van de Eegeering eenerzijds en de belanghebbenden anderzijds. Daarom moet in het ontwerp eene bepaling behouden blijven, volgens welke de Minister van Oorlog verplicht wordt, binnen den termijn in artikel 6 genoemd, aan belanghebbenden een bod te doen omtrent het bedrag der schadevergoeding, terwijl ook de bepaling omtrent bet beroep op den rechter niet kan worden gemist.

Deze laatste bepaling, voorkomende in art. 9 van het vorige gewijzigde ontwerp, is thans mede in art. 6 opgenomen, terwijl in verband met bet bovenstaande de artt. 7 en 8 van evengemeld ontwerp zijn komen te vervallen.

quot;Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over Ontw. II,

Van verschillende zijden werd betreurd, dat in dit wetsontwerp niet zijn behouden de commissiën, waaraan naar het vorig ontwerp de begrooting der geleden schade was opgedragen. Wel is waar wordt in de Memorie van Toelichting gezegd, dat benoeming eener commissie ter voorlichting van de Regeering mogelijk blijft, al wordt het niet bij de wet voorgeschreven, maar een wettelijk voorschrift werd gewenscht ten einde de Eegeering tot benoeming der commissiën te verplichten.

Men voerde hiervoor in de eerste plaats aan, dat van deze uit deskundigen zamengestelde commissiën juister en onpartijdiger schattingen verwacht kunnen worden dan van het Departement van Oorlog. In de tweede plaats zou het onderzoek eener commissie, wier werkzaamheid zich over eene geheele provincie uitstrekt, de gelijkmatigheid der schattingen be-

64

ocr page 67

BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ART. 152, S™5 LID, GW. [ART. 6.] 65

vorderen, terwijl wanneer de belanghebbenden rechtstreeks met de administratie onderhandelen, het gevaar groot is dat zij, die vertrouwen op de juistheid van het hun gedane aanbod, te weinig — en zij, die het der administratie lastig maken, te veel zullen ontvangen.

Voorts werd het wenschelijk geacht aan deze commissiën de eindbeslissing omtrent het bedrag der schadeloosstelling toe te kennen. Daardoor zouden talrijke en langdurige processen vermeden worden, terwijl de belangen der rechtzoekenden geenszins zouden worden benadeeld, waar hunne vergoeding bepaald wordt door eene commissie van onpartijdige deskundigen. Ook bij behandeling der zaken voor den rechter hangt toch de beslissing bijna geheel af van de begrooting der in elke zaak benoemde deskundigen, maar deze deskundigen beschouwen eikei zaak op zichzelve en daarom levert bepaling van de vergoeding door den rechter minder waarborg op voor gelijkmatige schattingen dan begrooting door eene Commissie, die alle vergoedingen in dezelfde provincie in onderling verband overweegt en vaststelt.

Dat het naar de Grondwet ongeoorloofd zou zijn hier den weg tot den rechter af te snijden, kan door deze leden geenszins worden toegegeven. De Grondwet toch laat den wetgever geheel vrij al dan niet schadevergoeding voor inundatie-schade toe te kennen en de wetgever is volkomen bevoegd aan belanghebbenden vergoeding te verzekeren tot zoodanig bedrag als door de commissiën zal worden begroot. Bij zoodanige regeling kan, gelijk van zelf spreekt, van rechtskrenking door de beslissingen der commissiën geen sprake zijn. De beslissing der commissie zal den belanghebbenden doen erlangen al datgene, waarop zij naaide wet aanspraak kunnen maken.

Andere leden waren daarentegen van meening, dat, wordt in het wetsontwerp eenmaal een recht op schadevergoeding erkend, beroep op den rechter tegen de beslissingen der commissiën niet mag worden uitgesloten. Men verwees naar hetgeen omtrent dit punt in het Voorloopig Verslag omtrent het vorige wetsontwerp werd opgemerkt.

Voorts werd gevraagd of het niet wenschelijk is art. 98 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten deze toepasselijk te verklaren.

W. '96 Sb. 71

Memorie van Antwoord, op het quot;Voorloopig Verslag der

Tweede Kamer over Ontw. II-

Het nut eener verplichting tot het benoemen van commissiën, belast niet het begroeten der geleden schade, wordt door de ondergeteekenden niet ingezien. Degelijke gronden daarvoor ontbreken. Het bezwaar, dat de Eegeering aan de beslissing van zoodanige commissie gebonden zou zijn en de benadeelde partij niet, wordt in het Voorloopig Verslag niet we-derlegd. De gelijkmatigheid der schatting wordt, naar de meening der ondergeteekenden, eer bevorderd dan bedreigd wanneer ze uitgaat van het Departement van Oorlog; in zoo groote mate wordt ze zelfs niet bereikt door de provinciale commissiën, waarvan gesproken wordt.

Het belang van hen, die schade hebben geleden, wordt door het ontbreken van eene dergelijke commissie op geenerlei wijze bedreigd, terwijl de Eegeering zulk eene commissie kan benoemen overal waar zij noodig mocht blijken te zijn.

Het kan, naar de Eegeering vermeent, geene goedkeuring verdienen aan de hierbedoelde commissiën de eindbeslissing omtrent het bedrag der schadeloosstelling toe te kennen. De voorgedragen regeling is in het belang der bijzondere personen, aan wie alle waarborgen worden gelaten, welke zij volgens het gewone recht bezitten.

De ondergeteekenden deelen geheel in het gevoelen der leden die van meening waren, dat, nu de Regeering het recht op schadeloosstelling erkent, beslissing van den rechter

A

ocr page 68

1896, STBL. N0. 71.

WET VAN 15 APRIL

66

Ook zou men gaarne vernemen of in den laatsten regel het woord »ge-wonequot; niet kan vervallen.

Ten aanzien van de redactie van het artikel werden de volgende opmerkingen gemaakt. In de eerste plaats scheen de redactie van den tweeden volzin minder juist; men wenschte haar te lezen als volgt: »Acht de belanghebbende de schadevergoeding onvoldoende, dan wordt het geschil bij gewone dagvaarding bij den burgerlijken rechter aangebracht.quot; In de tweede plaats werd opgemerkt, dat niet geregeld is het geval, dat de Minister van Oorlog binnen den gestelden termijn geen aanbod doet aan de belanghebbenden. Men wenschte daarom den aanhef van den tweeden volzin te lezen: »Is binnen den gestelden termijn geen aanbod door den belanghebbende ontvangen of acht hij de aangeboden schadevergoeding onvoldoende.quot; niet mag worden uitgesloten. Artikel 98 van het Wetboek van Burgerlijke Eechtsvordering betreft uitsluitend de procedure voor den kantonrechter. Waar gevallen als hierbedoeld dikwijls, zoo niet meestal, tot de competentie der rechtbank zullen behoo-ren, heeft de aanhaling van genoemd artikel naar de meening der onder-geteekenden geen zin.

In verband met de in het slot van het Voorloopig Verslag gemaakte opmerkingen is de slotzinsnede van art. 6 thans geredigeerd als volgt;

»Is binnen den gestelden termijn geen aanbod door den belanghebbende ontvangen, of acht hij de aangeboden schadevergoeding niet voldoende, dan kan hij het geschil op de gewone wijze bij dagvaarding bij den burgerlijken rechter aanbrengen.quot;

De hier aangegeven redactie-verandering is mede opgenomen in de, bij deze Memorie gevoegde, Nota van Wijzigingen.


Nota van. quot;Wijzigingen-

De tweede zinsnede van artikel 6 wordt gelezen als volgt;

sis binnen den gestelden termijn geen aanbod door den belanghebbende ontvangen, of acht hij de aangeboden schadevergoeding niet voldoende, dan kan hij het geschil op de gewone wijze bij dagvaarding bij den burgerlijken rechter aanbrengen.quot;

ïSeraadslasinquot;; in de 'l1 weetic Kamer.

(10 Maart IS'JC.)

De heer JK. Jlacltay: Reeds bij de algemeene beschouwingen is de geachte afgevaardigde uit Utrecht met den Minister in woordenwisseling getreden omtrent de wijze waarop de schade moet worden geregeld ingeval de oorlog ten einde is en omtrent de vraag door wien het bedrag der schade moet worden bepaald. [Zie hiervóór, blz. 20 en volg.]

Het eerst ingediende wetsontwerp stelde voor daarvoor eene commissie te benoemen, doch deze Regeering meent dat het beter was deze zaak aan de rechterlijke macht op te dragen.

Ik kan mij daarmede niet vereenigen. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft te recht opgemerkt dat bij de bepaling der Grondwet, die aan dit -wetsontwerp ten grondslag ligt, do regeling van de schade en de wijze waarop zij begroot zal worden aan den wetgever is overgelaten, zoodat wij de volle vrijheid hebben den weg in te slaan die als de beste beschouwd wordt.

ocr page 69

BKPALTNGEN TER UITVOERING VAN ART. lö'i, 2DE LID, GW, [ART, C.] 67

En waarom geef ik nu de voorkeur aan eene commissie? Men moet hier niet uit het oog verliezen dat de inundatie plaats heeft over groote uitgestrektheden gronds, die echter niet in ééne hand zijn, maar in tallocze peroeelen verdeeld, aan een groot getal eigenaren toebehooren.

Het ligt in den aard der zaak, dat, wanneer eenmaal de schade bepaald moet worden, de eigenaars het zeer dikwijls niet eens zullen zijn met het aanbod der Regeering.

Een mogelijk gevolg hiervan is, dat er evenveel processen zullen zijn, evenveel rechtsgedingen betrekkelijk het vaststellen van de schade, als eigenaars, of althans dat dat aantal zeer groot zal zijn.

Nu weet een ieder, die eenigermate met processen bekend is , dat juist die betrekkelijk het vaststellen van schadevergoeding over het algemeen zeer kostbaar zijn; in den regel heeft men eene enquête en eene contra-enquête, rapporten van deskundigen enz.

Wanneer men dus deze zaak wil regelen zooals de Regeering voorstelt, dan zal of de Staat, behalve de schadeloosstelling, eene zeer groote som moeten betalen voor de proceskosten, of, indien de Staat de processen wint, een overgroot gedeelte van het geld voor de schadeloosstelling bestemd, niet in den zak van de eigenaren, maar in den zak van degenen, die bijstand in rechten hebben verleend, te recht komen. Ik misgun het deze personen niet, maar meen toch, dat daarop wel mag gedacht worden.

Wanneer men nu kon zeggen, dat er voordeel aan verbonden is, om de beslissing aan de recnterlijke macht op te dragen, dan kon ik er nog overheen stappen, maar het tegendeel is waar.

Elke zaak zal afzonderlijk en op zich zelf door den rechter behandeld worden. Br zullen iu elke zaak andere getuigen, misschien ook andere deskundigen, gehoord moeten worden. Verschillende rechtscolleges of wel dezelfde colleges, maar samengesteld uit een verschillend personeel, zullen moeten beslissen. Als gevolg hiervan zal er natuurlijk volstrekt geen eenheid van beslissing zijn in geheel gelijksoortige gevallen. Het groote voordeel nu, dat er bestaat in het benoemen van eene onpartijdige commissie, zal zijn, dat als de zaken gelijktijdig in haar geheel worden overzien en beoordeeld, de schadeloosstelling zoo zal kunnen worden vastgesteld dat de een niet meer in verhouding ontvangt dan de ander.

Nu heeft men wel een bezwaar hiertegen gemaakt, dat, wijl de commissiën provinciaal zullen worden gevormd, het mogelijk is dat er niet één maar twee commissiën zullen zijn, maar ik kan dit bezwaar niet deelen, daar de commissiën uitgaan van de Regeering, van het centraal bestuur, en het dus niet zoo onmogelijk is dat de leden der commissiën een en denzelfden maatstaf bij hunne beoordeeling zullen aannemen.

Ik meen derhalve dat het uit verschillende oogpunten niet wensehelijk en ongeraden is om deze zaak te brengen onder de rechterlijke macht en het eenige goede zal zijn eene commissie te vormen, die de schade zal begrooten, waarmede de betrokken particulieren genoegen zullen moeten nemen. Ik vind dit punt zóó gewichtig, dat ik mij met het wetsontwerp, indien het op dit punt ongewijzigd blijft, niet zal kunnen vereenigen.

De heer vau Houten, Minister ran Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter ! Deze zaak heeft bij de achtereenvolgende Regeeringen eene geschiedenis.

Inderdaad heeft de geachte afgevaardigde, toen hij op mijne tegenwoordige plaats gezeten was, een wetsontwerp ingediend, waarin de beginselen waren be-

ocr page 70

WET VAN 15 APRIL 1896, STBL. Nn. 71.

liohaamd, welke hij thans in de Kamer heeft ontwikkeld, maar het kan den ge-achten afgevaardigde ook niet ontgaan zijn, dat hij toenmaals stuitte op bezwaren bij de groote meerderheid der toenmalige Kamer.

In het Voorloopig Verslag over het door dien geachten afgevaardigde met zijne ambtgenooten voorgesteld wetsontwerp, lees ik [hiervóór, blz. 61];

//Blijkt uit de medegedeelde bedenkingen dat de voorgestelde regeling onvoldoende is, vrij algemeen was men daarenboven van meening dat zij strijdt met de Grondwet Indien men eenmaal een recht op vergoeding voor ter zake van militaire inundatiën geleden schade erkent, dan zijn alle geschillen daaromtrent twistgedingen in den zin van art. 153 of van art. 154 der Grondwet; en dan moet de beslissing daarvan opgedragen worden hetzij aan den gewonen rechter, hetzij aan een collegie met administratieve rechtsmacht belast.quot;

Het gevolg van die bedenking was, dat hetzelfde Kabinet, waarin de geachte afgevaardigde zitting had, maar toen op eene andere plaats, daaraan toegaf, en, bij Nota van Wijziging, nadat de commission hun aanbod zouden hebben gedaan, aan de belanghebbenden, die daarmede geen genoegen namen, den weg tot den rechter openstelde.

Het laatste artikel [lees; Do laatste zinsnede van het laatste artikel] van het gewijzigd ontwerp van het zittingjaar 1890—1891, nquot;. lO, luidde aldus [lees: ongeveer aldus]; //Acht de belanghebbende de schadevergoeding door de commissie begroot, onvoldoende, dan kan hij haar doen begrooten door den bevoegden rechter, voor wien het geschil bij gewone dagvaarding wordt aaugebracht.quot;' [Zie hiervóór blz. 64.] Een principieel verschil blijkt in den boezem van het Kabinet destijds over dat voorstel niet te hebben bestaan.

Wat nu betreft de ontzettende gevolgen, die de geachte afgevaardigde heeft geschilderd, wanneer het stelsel, door deze Regeering in overeenstemming met dat van den Minister de Savornin Lohman voorgesteld, wet wordt,zij opgemerkt dat, van het oogenblik dat die commissiën geen wettelijke bevoegdheid meer hebben, zij niet meer in de wet te huis behooren. Waar in de wet wordt vastgesteld dat van de zijde van den Minister van Oorlog een aanbod wordt gedaan, daar spreekt het van zelf, gelijk ik reeds opmerkte, dat die Minister zich doet voorlichten door commissiën van zaakkundige personen en dat bij het doen van een aanbod van de zijde der Regeering natuurlijk uniforme beginselen zullen worden gevolgd.

Gesteld nu eens, dat hetgeen de geachte afgevaardigde zegt, feitelijk waar is — en dat kan ook in sommige streken zeer goed het geval zijn, — dat men nl. met tallooze kleine eigenaren te doen heeft, waarom zouden dan al die eigenaren processen beginnen, om ten slotte het geld te doen terechtkomen in den zak hunner raadgevers? Daarvoor is immers geen serieus motief. Wanneer men, zooals in dit geval, waar de Staat niet door de Grondwet gebonden is, schadeloosstelling toezegt en van de zijde van den Staat dus natuurlijk met billijkheid een aanbod zal worden gedaan, waarom zou er dan juist zulk een bijzonder genoegen ontstaan om te procedeeren, vooral met de wetenschap dat processen over schadevergoeding kostbaar zijn? Dat kan ik niet inzien. Ik zou veeleer denken, dat juist de omslag en de kosten aan eene dergelijke procedure verbonden, eene aanleiding zullen zijn dat, al is in ons systeem de weg tot den rechter opengelaten, toch de aanbiedingen, op rapport van eene billijke commissie gedaan, werkelijk de maatstaf zullen zijn voor de schadevergoeding, welke de belanghebbenden, indien dat niet al te zeer met hunne inzichten strijdt, zeer geneigd zullen zijn aan te nemen.

De beraadslaging wordt gesloten en art. 6 zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

68

ocr page 71

bepalingen ter uitvoering van art. 152, 2Di: lid, gw. [art. 6.] 69

Het wetsontwerp is aangenomen: in de Tweede Kamer met 52 tegen 4. stemmen, — in de Eerste Kamer zonder hoofdelijke stemming.

Lasten en bevelen , dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten , Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zuilen houden.

Gegeven te 's Gravenhage, den 15(len April 1896.

Be Minister van Oorlog, EMMA.

Schneider.

Be Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,

VAN DER SlEYDEN.

De Minister van Binnenlandse/te Zaken,

van Houten.

Uitgegeven den vier en twintigsten April 1896.

De Minister van Justitie, van der Kaay.

ocr page 72