Vak 54
DE LIEFDE VAN CHRISTUS.
AFSO!IRII)SW()()!!!),
op 30 April 1893 te 's Qravenhage iiitgesprokeu
IK )Oli
C, B. OORTHUIJS.
UitgcgBvcn ten voordeele van het Godsdienstonderwijs in de Gemeente.
*r;i; \YI;xiia(ÃK,
\\ A. B13 S(! 11 O() R,
I 89:;.
326
/S- /- i)1/ j ⢠/
DK LIEFDE VAN CHRISTUS.
AFSCHEIDSWOORD,
op 30 April 1893 te ;s Gravenhage uitgesproken
DOOR
C. B. 00RTHU1JS,
Uitgegeven ten voordeele van het Godsdienstonderwijs in de Gemeente.
'S GRAVENHAGE, W. A. BESCHOOR,
I 89:1.
GKDRUKT BIJ DE SWAKT EN ZOON.
De liefde vim velen lieeft zich geuil in de vraag om mijn afscheidswoord. Met. hartelijke wederliefde wordt daaraan voldaan, zooal niet woordelijk, dan toch in hoofdzaak. Mijne aanteekeningen zijn beknopt en niet berekend om in druk te worden gegeven. Wordt ééne ter gedachtenis uitgeplant, de ontvangst er van zij in zachtmoedigheid. De Heere make er door Zijnen Geesl een ingeplant woord van, bevorderlijk aan uwe vertroosting en zaligheid.
Uw Oud-Lne.raar, C. B. O O RT HU IJS.
VOORZANG; Psalm 95 ; 2, 4. VOORLEZING: Johannes 15 : 1âIt).
Opent uwen mond,
Eisclil van Mij vrijmoedig. Op mijn trouwverbond; Al wal u ontbreekt,
Schenk Ik, zot, gij 't smeekt. Mild en overvloedig.
Gemeente van 's Graven hag e!
Eene ure is aangebroken, waartegen ik zeer heb opgezien. Het is oi' van verscbillende zijden stemmen tol mij spreken, wel geschikt om rnij in de engte te drijven.
Er gaal eene slem op uit hel arbeidsveld, waar de Heere mij gebracht heeft. Zij wijst mij op de beteekenis van hel werk mij opgedragen, en ik ben mij bewust dat er iets met mij gebeurt, nu God er mij uitleidt.
Daarbij spreken de banden, welke hier zijn geworden. Gods wegen zijn wonderlijk; voor enkele jaren kenden wij elkanders namen niet en hoe voegde de Heere ons in de liefde te zamen. Nu gevoelen wij dat scheiden wee doet, ook al weten wij dat de gemeenschap blijft.
Maar bovenal, er spreekt eene stem, die mij tot verantwoording roept. Mijn Zender zegt tot mij: «Het
6
was mijn werk, dat ik li te doen gaf; lioe hebt gij liet volbracht?» En wat zal ik daarop antwoorden?
Gemeente, één ding weet ik; moest heden de taak worden begonnen welke nu eindigt, geen ander evangelie zou ik u kunnen prediken, dan hetgeen ik u gebracht heb. Den vollen raad Gods u te verkondigen is, onder biddend opzien, steeds mijn hartelijk streven geweest. Maar, als die vier en een half jaren nog eens moesten worden doorleefd, ik zou van den Heere be-geeren grooter getrouwheid, meer ijver in het benaarstigen, dieper indringen in het geschonken Woord onzes Gods.
Van uwe zijde zegt gij; «Daar ontbreekt bij ons ook zooveel aan». Doe dan de Heere er genadig verzoening over in het dierbaar bloed, dat van alle zonden reinigt.
Onder al deze stemmen rijst de gedachte bij mij: als ik nu eens niet wist in Gods weg te zijn met het genomen besluit, hoe zou het mij dan wel te moede zijn ? Maar dit geeft mij kracht onder elke bestrijding; als ik heden weder voor dezelfde keuze gesteld werd, ik zou niet anders handelen dan het nu is geschied.
Sommigen hebben gezegd: « Bij het afscheidswoord zal de leeraar ons mededeelen, wat hem bewogen heeft ons te verlaten ». En daartoe ben ik volkomen bereid. De reden is eenvoudig; God roept en ik volg.
Maar geliefden, de Heere blijft en Hij schenke u de volle ontplooiing zijner belofte: «Ziet, ik ben met ulieden alle de dagen, tot de voleinding der wereld.»
7
Eu hu zegt gij: «lal zal dan de afscheidstekst zijn?
Naar den inhoud wei, naar de letter niet. Dien kunt gij vinden ;
Romeinen 8 : 35a.
Wie zal ons schoulou van do liefde van Christus?
Welk is het beste oogenblik in het leven des Christens? Zeker wel dat. waarin het gansche hart ligt ouder beslag van Jezus' koninklijke lieerschappij. Dan toch vertoont zich alles in een ander liclit. Donkere nevelen breken, zware lasten worden licht, lieflijke uitzichten worden geopend. Het wordt zoo wonderlijk stil en rustig daar binnen, als de Heere er op den troon is gezeten, om zijn machtwoord tc spreken: * Ziet ik maak alle dingen nieuw.»
Opdat dit ook zoo zij in deze scheidensure, valt, te midden van vele gedachten welke hoofd on hart vervullen, de vraag van ons tekstwoord: «.Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?))
Zij ordene wat wellicht in ons harte verstrooid is; zij richte het oog hemelwaarts en leide alles daartoe; niemand te zien dan Jezus alleen.
De liefde van Christus.
Het is mijne behoefte van haar nog eenmaal tot u te mogen getuigen, u wijzende op hare onmisbaarheid en macht; op hare gestrengheid en zegepraal.
En waarom noemen wij de liefde van Christus onmisbaar 1 Omdat elkeen en alles, zoo het er op aankomt,
8
gemist worden kan, alléén de liefde van Clirislus niet. Denk de zon uit de schepping weg en de aarde is een donkere chaos. Denk de liefde van Christus uit de wereld weg en de aarde is een levende hel. Om den zondeval draagt zij den vloek van een heilig God en daardoor distels en doornen, lijden en smart. Onbewust zucht het gansche schepsel daaronder, zooals de apostel Paulus in dit hoofdstuk het uitdrukt, doordat het der ijdelheid onderworpen is. De menschen zuchten ook mede en dat wel tweeledig. Bewust, als zij deel hebben aan den Heiligen Geest, die hen hunne diepe ellende leert zien en hen doet roepen om onttieffing van den vloek, opdat God aan zijne eer kome. Onbewust, als zij slechts zuchten over het lijden zelf; maar niet omdat de eere Gods door de zonde gekrenkt is. De geestelijke dood heeft zijnen stempel gedrukt op ons gansche natuurlijk zijn; want de zondeval heeft niet slechts het beeld Gods in den mensch verduisterd, neen vernietigd geheel en al. Wel zijn er vormen overgelaten van het eertijds zoo sclioon geheel; doch gelijk de doppen van het kaf als het koren er uit is. Wel bleven vermogens en krachten over; maar aan hunne bestemming onttrokken en om in brieschend verzet zich te keeren tegen den Schepper, die te prijzen is in dei-eeuwigheid. Wel houdt het geweten als Gods stedehouder van binnen de wacht; maar zonder dat de mensch zijn vijandschap tegen zijnen Maker verliest, terwijl schrille aanklachten er uit oprijzen, als profetiën van het naderend wee â de buitenste duisternis. De gansche wereld ligt verdoemelijk voor God.
9
Eu ziel nu do wonderen van 'sHeeren ontferming. Er zijn gedachten des vredes in het hart onzes Gods. Zondaren te behouden, goddeloozen om niet te rechtvaardigen, vijanden met zich te verzoenen, dat heeft het aanbiddelijk Wezen zich ten doei gesteld, uit kracht van zijn eeuwigen vrederaad. Het hoogste offer moet worden gebracht, geen wenk alleen, geen bemoeiing slechts, neen, de gave en overgave van zijnen eigenen, eeniggeboren Zoon; en Hij heeft het gebracht tot onze redding en zaligheid.
Welke is nu de liefde van Christus? Deze dat de Zone Gods zich geven en overgeven laat, tot in den dood, ja lot in den dood aan het kruis. Immers als Hij komt in menschelijk vleesch, den broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde, komt Hij niet om gediend Ie worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven lot een rantsoen voor velen. Al de zonde neemt Hij op zich, al de smart, al de straf, ja den dood, de helen Gods heiligen toorn, om dan ook op le staan, zonde, dood en hel overwinnend, en al wat zijn hand vastgreep uil den poel des verderfs, in zijne hemelvaart rnet zich le verheerlijken aan 's Vaders rechterhand.
Wij noemden die liefde onmisbaar. Is zij het ook ons? Voor Paulus wel. Doorgehold zou hij hebben op zijnen weg van God af, als die liefde hem niet had staande gehouden, ontdekt en overgebracht uit de duisternis in Gods wonderbaar licht. Doch, nu weet Hij ook wat het is, niets te zijn zonder die liefde zijns Heeren. Dat blijkt ons duidelijk uit den brief aan de Romeinen. Waarom peilt hij zoo diep de ellende
10
«Ier wereld uit in de eersle hoofdstukken? Omdat liij er zich zeiven in kent als den grootsten der zondaren. En daarom kon hij ook zoo helder de genade beschrijven. Nooit kan zij verdiend worden, onmogelijk kan men zich haar waardig maken. Zoodra van verdienen sprake is, kan genade geen genade meet' zijn. Genade valt vrij. En doordat hij haar heeft leeren kennen, zoo koninklijk, zoo goddelijk, zoo algenoegzaam, harst aan het begin van ons hoofdstuk de jubeltoon uit zijne ziel: « Zoo is er dan yeene verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn-», straks herhaald in ile uitdaging: «Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt1? Christus is het die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.quot;) Alles, alles kan hij nu missen, ja alle dingen schade en drek achten, als hij die liefde van Christus maar gewinnen en behouden mag.
Onmisbaar â maar dan ook in dien zin, dat van de eerste zucht tot den hoogsten jubeltoon, alles liefde's werk is. Hoort hoe hij daarvan onomwonden getuigt; « Want, die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn; en die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft deze heeft Hij ook verheerlijkt! r) Zoo wordt geen vrijheid overgelaten, om aan den mensch, ook zelfs het geringste, toe te kennen, wat tot zijne geestelijke ver-
11
nieuwing of loehrenging dienen kan. Het is één kelen met vele schalmpjes, waarin elk schalmpje en elke samenvoeging het werk is van de lielde van Christus alléén. En welken waarlijk geloovigen wij ontmoeten, in welken toestand of waar dan ook, hij zal het erkennen; niet mijne bekeering, niet mijn geloof heeft het gedaan, hel is Gods liefde in Christus, welke mij opzocht, staande hield, ontdekte en loehracht; ik roem in vrije gunst alleen. Voor de zoodanigen komt het de eere Gods te na in de redding van zondaren ook slechts het geringste aan den mensch toe te schrijven.
Wie persoonlijk langs dezen weg zijn geleid, zien dan ook de macht van Jezus liefde klaar lijk voor oog en. In de ellende des doods lagen zij neer, onrein, hardnekkig, onwillig, onmachtig, vijandig. En toch zag God naar hen om, en toch ging de Heiland hen voorbij als zij vertreden lagen in hun bloed, om tot. hen te spreken: leef, ja leef. Dan is er ook mogelijkheid dat de diepst gezonkene gered wordt. Daarom wanhoopt Gods volk niet aan de behoudenis van den zondaar. En Gods gezanten gaan uit en zij verkondigen de liefde van Christus naar het bevel des Heeren: (^Predikt het evangelie aan alle kreaturen.» Zij bekeeren niet, zij kunnen het niet. Ook als zij meenen het te kunnen, leeren zij het met schaamte en schande wel af. Zij brengen de boodschap van Gods wege en de Heere doet het werk. Zoo is dan hij die plant, noch hij die nat maakt iets; het is God die den wasdom geeft! Moest iets van den mensch geeischt worden in het bekeeren of in het bekeerd worden, het zoude hopeloos staan. Voor den
12
Hoere echter is niets te wonderbaar en wal onmogelijk is bij de menschen, dat is mogelijk hij Hem. Ziet, daar worden zondaren in hel hart gegrepen bij het woord der prediking, daar worden zondaressen gered en verlost. Dal is de macht van Jezus liefde en Vader', Zoon en Heilige Geest worden in die liei'de verheerlijkt.
Ã, gij in ons midden die nog onbekeerd daarhenen leeil, moest gij eene zucht tol uwe zaligheid toedoen, hel ware voor eeuwig afgesneden; doch nu is er mogelijkheid. De Heiland is hier. Hij heeft er de macht toe, Hij redt en verlost.
Ook is de liefde van Christus machtig om te bewaren en te bevestigen wat door haar is gewrocht. Paulus vraagt, wie zal scheiden van haar? Hij spreekt triomfantelijk. Niemand en nials ter wereld, bedoelt hij.
Zegt nu niet: dat was van Paulus te wachten, hij had zijnen Heiland zoo innig lief en wist wel dat hij Hem niet meer koude verlaten. Als gij zoo in zijn aangezicht spreken kondt, gij zoudt er een gloed van verontwaardiging op lezen tol u sprekend: «Gij lastert God.» Niet ik â maar Christus, zoo zou zijn antwoord zijn. Hij heelt mij gegrepen en laat mij niet los; daarom alleen zal niels van zijne liefde mij scheiden. Geene verdrukking; want mijn Heiland komt er in om mij te sterken; geene benauwdheid want in al onze benauwdheid is Hij benauwd geweest; geene vervolging, want zijne genade vuurt aan en zijne kracht wordt in zwakheid volbracht; geen honger want Jezus is de verzadiging; geene naaktheid, want mijn Borg bekleedt mij; geen gevaar want in Hem ben ik veilig; geen zwaard, want
13
het heeft Hem getroffen. Hem, den Henier die Gods medgezel is, opdat geen zwaard ons zou deren in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. «In dit alles, zegt hij, zijn wij overwinnaars, neen, meer dan overwinnaars, in Hem die ons heeft liefgehad.»
Zoo weet de Heere zijn volk te bewaren en te sterken. Hij zal hen zelf bevestigen en schragen. Dat. doen de leeraren niet. Zij getuigen slechts van Hem, wiens het koninkrijk is en de kracht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid.
Ook is de liefde van Christus machtig tot samensnoering in de heiligste banden. Let slechts op het woordje ons door den apostel gebruikt. Welk eene gemeenschap, die zich daarin aan ons oog voordoet. Waar was de apostel al niet geweest in zijn leven; en overal waar hij kwam werden zondaars bekeerd en gemeenten gesticht. In welk eene teedere betrekking stond de apostel nu tot die allen; want die uit God geboren is heeft ook lief degenen die uit God geboren zijn. Ja, als hij maar hoorde dat hier of daar geloovigen waren, hoe gevoelde hij zich één met hen in zijnen Koning en Heer. A.1 was hij dan ook nog zoo ver van de Christenen te Rome verwijderd , voor zijn geest vielen alle afstanden weg. Paulus zag de strijdende en de triompheerende Kerk geschaard rondom den levenden Borg en Middelaar. In den staat zijner verhooging trekt Hij allen tot zich en hoe sterker Hij trekt, des te dichter zijn alle leden bijeen, in Hem die het Hoofd is.
Iets gevoel ik daarvan, zoo vaak ik denk aan mijne vorige gemeenten, waar God mij in de bediening gesteld
14
heeft. Hoe innig blijf ik mij verbonden weten aün hen die den Heere leerden kennen, ook al zie en spreek ik hen niet. Hoeveel te meer verkwikt het mijn hart er ook van hen hier te zien en te weten dat zij God hebben gebeden mij in deze ure te sterken.
En wat ons nu betreft, Gemeente, in de verhouding waarin wij tot elkander staan: ik ben Donderdagavond door den Kerkeraad van u losgemaakt. Maar de Voorzitter heeft mij verstaan toen ik hem vraagde: Maak mij niet al te los. In zijne hartelijke toespraak gedacht hij de banden , die nimmer vergaan. Ja, als een bundeltje blijven allen die gelooven samengebonden in de liefde van Christus; en al was de afstand nog grooter die ons voortaan zal scheiden, voor den troon van God vallen alle afstanden weg. Wij gelooven de gemeenschap der heiligen.
Welk eene machtige liefde is de liefde van Christus. Zij redt, zij bewaart, zij vereenigt en legt ons te zamen het lied op de lippen:
Jezus leeft, dat is gewis,
Waar ons pad ook heen moog leiden.
Zelfs geen macht der duisternis,
Niets zal ons van Jezus scheiden.
't Steunen op zijn mogendheen .
Dit is onze troost alleen.
Jezus leeft, zijns is het Rijk,
Kik moet Hem als Koning eeren;
Wij ook zullen. Hem gelijk,
Eeuwig eens met Hem regeeren.
Zou Gods woord ooit wank'len ? Neen!
Dit is onze troost alleen.
De liefde van Chribtus is eene onmisbare en machtige liefde, en welgelukzalig de mensch die uit deze heilfontein drinkt! Drinken wij allen daaruit, wij, de inwoners van deze groote gemeente; wij, deze schare hier nu vergaderd? Helaas, hoe wordt 's Heeren liefde miskend en vertreden.
En daarom hebben wij ook op hare gestrengheid te letten.
Met droefheid denken wij aan de groote menigte, welke bezig is zich te ontkersteren en, zoo mogelijk, in het heidendom terug te zinken. Daar is geen Bijbel meer noodig, geen gebed, geen Zaligmaker, geen God. Niets kan men missen wat genot of weelde betreft; alleen Jezus' liefde heeft men niet noodig, men kan haar missen, al te goed. Ik weet het wel, dezulken zijn niet gewoon liet bedehuis te bezoeken, maar toch konden enkelen hedenavond aanwezig zijn. En dan heb ik een woord voor u, uit naam van den Heere. Staat eens een oogen-blik stil in den geest om antwoord te geven op de vraag: «Van waar komt gij en waai' zult gij henen gaan»? Bedenk! hoeveel liefde gij op uwen levensweg hebt vertreden, liefde welke in zoo menige leiding, vermaning en roepstem uw behoud heeft gezocht. Daarbij, al wat ge hebt en wat ge nog zijt, ge hebt het aan Jezus liefde te danken. Door zijn tusschentreden ontvangt ge van God het brood dat ge eet, den dronk water dien gij geniet, het kleed dat u dekt en hoeveel er nog bij. Die gaven ontvangt gij en hoe meer maar hoe liever; doch Hein zeiven verwerpt gij, zoo ruwen zoo koud. Ondankbaren ! Beeft van wege de ellende die over n komen zal in den toorn des Lams. Wij allen moeten geopenbaard
14
heeft. Hoe innig blijf ik mij ver bonden weten a;in hen die den Heere leerden kennen, ook al zie en spreek ik hen niet. Hoeveel te meer verkwikt het mijn hart er ook van hen hier te zien en te weten dat zij God hebben gebeden mij in deze ure te sterken.
En wat ons nu betreft, Gemeente, in de verhouding waarin wij tol elkander staan: ik ben Donderdagavond door den Kerkeraad van u losgemaakt. Maar de Voorzitter heeft mij verstaan toen ik hem vraagde: Maak mij niet ai te los. In zijne hartelijke toespraak gedacht hij de banden , die nimmer vergaan Ja, als een bundeltje blijven allen die gelooven samengebonden in de liefde van Christus; en al was de afstand nog grooter die ons voortaan zal scheiden, voor- den troon van God vallen alle afstanden weg. Wij gelooven de gemeenschap der-heiligen.
Welk eene machtige liefde is de liefde van Christus. Zij redt, zij bewaar t, zij vereenigt en legt ons te zamen het lied op de lippen;
Jezus leeft, dat is gewis,
Waar ons pad ook heen moog leiden.
Zelfs geen macht der duisternis,
Niets zal ons van Jezus scheiden.
't Steunen op zijn mogeudheen .
Bit is onze troost alleen.
Jezus leeft, zijns is het Rijk,
Elk moet Hem als Koning eeren;
Wij ook zullen. Hem gelijk,
Eeuwig eens met Hem regeeren.
Zon Gods woord ooit wank'len ? Neen!
Dit is onze troost alleen.
De liefde van Christus is eene onmisbare en machtige liefde, en welgelukzalig de mensch die uit deze heilfontein drinkt! Drinken wij allen daaruit, wij, de inwoners van deze groote gemeente; wij, deze schare hier nu vergaderd? Helaas, hoe wordt 's Heeren liefde miskend en vertreden.
En daarom hebben wij ook op hare gestrengheid te letten.
Met droefheid denken wij aan de groote menigte, welke bezig is zich te ontkersteren en, zoo mogelijk, in het heidendom terug te zinken. Daar is geen Rijbel meer noodig, geen gebed, geen Zaligmaker, geen Golt;l. Niets kan meti missen wat genot of weelde betreft; alleen Jezus' liefde heeft men niet noodig, men kan haar missen, al te goed. Ik weet het wel, dezulken zijn niet gewoon het bedehuis te bezoeken, maar toch konden enkelen hedenavond aanwezig zijn. En dan heb ik een woord voor u, uit naam van den Heere. Staat eens een oogen-blik stil in den geest om antwoord te geven op de vraag: «Van waar komt gij en waai' zult gij henen gaan»? Bedenk! hoeveel liefde gij op uwen levensweg hebt vertreden, liefde welke in zoo menige leiding, vermaning en roepstem uw behoud heelt gezocht. Daarbij, al wat ge hebt en wat ge nog zijt, ge hebt het aan Jezus liefde te danken. Door zijn tusschentreden ontvangt ge van God het brood dat ge eet, den dronk water dien gij geniet, het kleed dat u dekt en hoeveel er nog bij. Die gaven ontvangt gij en hoe meer maar hoe liever; doch Hern zeiven verwerpt, gij, zoo ruwen zoo koud. Ondankbaren! Beeft van wege de ellende die over u komen zal in den toorn des Lams. Wij allen moeten geopenbaard
16
worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar hij gedaan heeft het zij goed, het zij kwaad. Laat het daar niet op aankomen. Het is nu nog de gestrengheid der liefde van Christus welke n waarschuwt eer liet straks enkel gestrengheid zal zijn. Zonder bekeering en geloof zal het er niet komen. De mond der waarheid heeft gesproken: « Wie niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden ». Gelooft en bekeert u! Dat zijn de eischen der roeping welke u aanwijzen wat er bij u gebeuren moet zult ge behouden worden. Maar. het zijn tevens do beloften van Gods eeuwige ontferming; want in de liefde1 van Christus is alles aanwezig om u daartoe te bereiden. Niemand is te ver afgeweken, te zondig, te veel vervreemd om te worden gered; en als ge gered wordt is het vrije gunst, genade alleen. Verwerpt dit laatste woord van den scheidenden leeraar niet. Neem het mede van hier en het worde geheiligd aan uw hart, opdat er blijdschap zij in den Hemel over eenen zondaar, eene zondares die zich bekeert.
Welk een aantal belangstellenden doen zich nu aan mij voor en zij zeggen: «Wij doen zoo niet, wij eerbiedigen Gods woord en stellen prijs op de sacramenten; onze plaatsen staan nooit ledig in het huis des gebeds en wij arbeiden, waar wij kunnen, aan de belangen van Gods koninkrijk; ook achten en eeren wij de leeraren, als gezanten van Gods wege tot ons gezonden ».
En ik moet terstond zeggen dat dit waarlijk zoo is. In de gemeente 's Gravenhage is een ijver om God te dienen, gelijk die in weinige plaatsen van ons vaderland
-17
govonden wordt. Hoe liehben velen ook mij gesteund in den wijkarbeid, bij zoovele zaken, die eigentlijk niet bebooren tot de bediening des woords, maar er nu eenmaal bij zijn geschoven. Eiken winter mocht ik ontvangen wat tot leniging van veler behoeften kon strekken en altijd waart ge bereid als het op helpen aankwam. Zal ik de persoonlijke blijken van liefde vermelden jegens mij en de mijnen, nooit kan ik daarvan genoeg, altijd te weinig zeggen. Ontvangt voor alles onzen bartelijken dank. Lastertongen hebben gemeend, dat de oorzaak van mijn vertrek Ie vinden is in moaie-lijkheden mij aangedaan van uit de gemeente, zelfs van kerkeraadfleden en leeraren. Ik kan er niet anders van zeggen dan dat zulke redeneeringen schandelijk zijn. Daarmede juist heeft men mij bemoeielijkt. Vaak waren wij verlegen over de liefde die ons van alle zijden steeds bleef omringen. Evenwel â meegedaan is nog niet ingegaan. Er is een beker koud water in den
naam eens profeten toegereikt, welke nog ter gedachtenis
*
opkomt voor den troon van God, uit het boek des levens des Lams. Dit geschiedt, waar het vrucht des geloofs is en de liefde van Christus dringt. Overigens: al wat uit het geloof niet is dat is zonde. Er zijn goede werken welke voor God zelfs blinkende zonden zijn. Onderzoekt u zeiven. Hoe erkentelijk ik ook blijf voor zoo veel hulp en steun, wij mogen dit elkander niet verhelen. Als er smart in het heengaan is, zal het wel bovenal deze zijn, eens zich voor eeuwig gescheiden te denken van hen met wie wij hebben verkeerd in dit leven en die ons op allerlei wijze met hunne liefde hebben omringd. Het
48
is niet te halen met lieve woordjes en met vriendelijke daden. Reken met de gestrengheid der liefde die zegt: «Voorwaar, voorwaar, ten zij dat iemand wederom «geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien «en niet ingaan». Wal eigengerechtigheid is moet over boord, daar helpt niets aan; wilt gij bewaard worden voor het Jammerlijke lot dergenen die zeggen zullen: « Heere, Ileere, hebben wij niet op uwe straten gepro-«feleerd en in uwen naam duivelen uitgeworpen en vele «krachten gedaan», terwijl het ontzaglijke antwoord zal klinken: a Gaat weg van mij ik heb u nooit gekend, a gij die de ongerechtigheid 1 verlet ». Hrenge de geslreng-heid vati Jezus liefde u er toe, om als een arm zondaar behouden te worden, voor gij met een schijngeloof, als een brave vergaat.
En nu ben ik bewust al Gods kinderen aan mijne zijde te trekken in deze waarschuwing, ook hen, die al wat ze hebben en zijn, beschikbaar stellen voor den Heere en voor zijn Koninkrijk. Hoe meer toch het. geestelijk leven ontplooiing erlangt, des te meer gevoelen wij hoe niets in rekening komt van onze zijde. Alles valt weg, alleen de liefde van Christus blijft over.
Geloovigen, zijt gij daar altijd tevreden mede? O, zijne liefde trekt ook soms zoo gestreng met zijn volk door. Dat is in den tegenwoordigen tijd in onze Nederduitsch Hervormde Kerk zoo te ervaren. Er is heelwat dat beknelt en benauwt in de schandelijke ver-eeniging van geloof en ongeloof. Wat al toestanden, waarop wij vaak elkander wezen, toestanden die onbe-slaanbaar zijn en toch blijven bestaan ; en or zijn te eken en
!9
in (ic leiding der kerk, waarbij hel dreigt al erger te worden. Bij een volharden in de ongehoorzaamheid bloeit hel geestelijk leven niet op en dit is ook onmogelijk. Men kan wel op hooge toonen lofliederen aanheffen; maai' men juicht daarmede de ongehoorzaamheid niet weg. Dan is een eerlijke zucht nog meer naar den eisch der waarheid. Duch als er eene donkerheid over alles ligt uitgespreid, billijkt gij dan de gestrengheid van de liefde van Christus daarin? 01' doel gij als velen, die mecnen de gestrengheid van 's Heeren liefde te ontkomen door hunne toevlucht te nemen tot andere kerkelijke samenbindingen, waar alles meer geordend is naar den regel van Gods woord? Maar daar is uw plaats niet. Er is nog wat te doen in 's Heeren naam binnen den kring, waarin de Heer u gebracht heel*. Uaar moet worden getuigd, daar moeten de breuken worden aangewezen, daar moet worden aangedrongen om als een eenig man te komen voor het aangezicht Gods mei de belijdenis; wij en onze vaderen hebben gezondigd. Want de liefde des Heeren blijft machtig om op zijn tijd eene uitkomst te geven, door niemand te voren bedacht en alzoo na den weg der gestrengheid , welken Hij hield met zijn volk, licht te doen da^en midden uit de duisternis.
Wij worden door eene ferme hand geregeerd en geleid; in het persoonlijk leven des Christens zijn daarvan eiken dag de duidelijke blijken aanwezig. De troetelingen waarop de kinderen zoo gesteld zijn, neemt de Heiland vaak weg, om ons te oefenen door gemis en ontbering. O, die tijden zijn soms zoo bang, niet waar,
20
broeder of zuster? Maar ze zijn toch zoo nuttig. Dan worden de bannen openbaar en de schandelijke afzweringen. Er wordt een uitvluchten en een wederkeeren geboren en wij danken den Heere dal Hij toornig op ons geweest is; want zijn toorn wordt weggenomen en Hij verzoent ons.
Soms ook komt de Heere wegnemen in zijne gestrengheid, datgene waai' ons harte aan hangt. Dan komen de tegenspoeden, dan vallen de slagen, dan gaan vrienden ons verlaten aan wie wij ons even innig verbonden gevoelen als zij aan ons. Doch hel is opdat de Heere aan zijne eer kome en Hij meer in alles het leven van ons leven zij. Eene geloovige, die zich niet vinden kon in eenen moeilijken weg, welken God met haar hield, verblijdde zich dezer dagen hij voorbaat in de wetenschap, dat de Heere het toch van haar winnen zou.
Ja, wij zijn in goede handen, geliefden. Vergissing, daarvan is bij onzen Koning geen sprake. Hij weel wal Hij met de Zijnen voor heeft en wal ook wankele of hezwijke, de zegepraal Zijner eeuwige liefde staal vast. k Hebl goeden moed», zoo heeft Hij gesproken, alk heb de wereld overwonnen». En dan weder heet het: « De oogst is wel groot) maar de arbeiders zijn weinige; daarom bidt den Heere des oogsles dat Hij arbeiders in zijn oogst uilsloote». Hier is niet slechts van een arbeidsveld sprake; maar van gerijpte vrucht, welke de Heere reeds ziet voor den arbeid. Alzoo kan het werk, in 's Heeren naam nooit ijdel zijn in den Heere. Gods woord keert niet ledig weder, maai' doet wat
'gt;-1
Hem behaagt en is voorspoedig in hetgeen waartoe Hij het zendt. Als er ééne zaak is welke moed geeft in de bediening des Woords, dan is het wel deze. Tn die verwachting mocht ik tot u komen op den dag mijner intrede met Gods belofte: «Het welbehagen des Heer en zal door Zijne hand gelukkig lijk voortgaan.)-) Gelukkiglijk â door Zijne hand zeide ik toen, en niet door de onze en zoo blijft het ook nu ik u weder verlaat. De toekomst des Heeren is zeker, de overwinning van Jezus' liefde staat vast.
Hooggeachte medebroeders in de bediening des Evangelies! Dit zij en blijve uw aller steun en kracht in het werk, waarin onze God u nog lang moge sparen. Naar de verscheidenheid der gaven hebben wij te zamen aan de belangen van Gods Koninkrijk gearbeid. Wij deden dat in broederlijken zin en open genoeg om bij verschil elkander niets te verhelen. Gij hebt mij in liefde in uwen kring opgenomen en gedragen; ik blijf u daar dankbaar voor. In elke gemeenschap is na en naast. Zoo heb ik behoefte het uit te spreken dat de tegenwoordigheid van den oudsten der broederen door mij op beogen prijs wordt gesteld. Krone de Heer uwen levensavond met zegen en vrede. Ook kan ik het hier niet verzwijgen, broeder van Hoogstraten , wat gij voor ons zijt geweest en nog zijt. Dank voor uwe liefdeblijken, te veel om te noemen. Gij hebt mij weten te bemoedigen en te vertroosten, ten tijde als het mij bang en zwaar gevallen was. Voorts, u allen, broeders, blijf ik in liefde gedenken. Weest trouwe wachters op Zions muren. De vrucht van
22
'k Heeren werk is verzekerd. Wie met tranen zaaien zullen maaien met gejuich.
Onder dezen heilgroet besluit ik ook de godsdienstonderwijzers en onderwijzeres. Gij zelf en ook de gemeente weten maar half, tot welk eenen steun ge ons zijt in uwen stillen werkkring, waarin, hoe weinig ook opgemerkt, toch zooveel omgaat.
Gemeente, denk aan deze broederen en aan deze zuster! Met het fonds voor godsdienstonderwijs is het niet rooskleurig gesteld. Bij de toenemende bevolking onzer Gemeente is uitbreiding van dezen arbeid brood noodig en de fondsen laten slechts inkrimping toe. Dat is niet naar den aard van deze gemeente, waar zoo groote bereidwilligheid is voor de geestelijke belangen. Hartelijk hoop ik dat hierin verandering kome en ieder uwer leeraren zich eerlang moge verblijden in de hulp van eenen godsdienstonderwijzer, bij de uitgestrektheid der wijken. Legge de Heere een rijken zegen op al hunne werkzaamheden.
De broeders ouderlingen zeg ik dank voor hun opzicht over mij. Wij hebben behoefte door u gehoord te worden, maar dan ook van u te hooren of onze prediking overeenkomstig Gods Woord is. Voor zoover dit door u is geschied was het mij welkom. Gaaft ge eene opmerking over wat niet was naar Gods Woord, ik heb die ter harte genomen. Waren er opmerkingen tegen Gods Woord in, ik heb die bestreden. Wij zijn bedienaren des Woords en dit moet geschieden onder uw opzicht. Ook gaat uw opzicht over de Gemeente Uw taak is groot naar den inhoud van het Formulier uwer beves-
23
tiging, dat door u is beaamd. Make God u getrouw. De mij toegevoegde ouderlingen Wijsman en van Hamersvelt hebben mij krachtig ter zdjde gestaan. Wat ik zonder u had moeten beginnen in mijn groote zesde wijk, verklaar ik niet te weten. Ook onze ongezochte samenwerking was van den Heer. Dank voor uwe liefde en toewijding. De Heere bereide nog vrucht op hetgeen onder veel gebrek en zwakheid, maar toch in Zijnen naam is geschied.
Wat den Diaconalen arbeid betreft: het eersf. bracht mijn werk mij in aanraking met broeders Regenten, door de mij opgedragen taak als predikant in het Weeshuis. Ik leerde een tak van arbeid kennen, welke, in zulk eenen omvang althans, tot hiertoe door mij nog niet zoo van nabij was gade geslagen. Uw groote toewijding en ijver in deze belangen heb ik steeds met de meeste waardeering gevolgd. Herziening van het geestelijk gehalte in de leiding der gestichten is in den laatsten tijd vaak onderling besproken. In mijn afscheid van u spreek ik den wensch uit dat het daartoe moge komen en dit voor het welzijn der gestichtbewoners ten goede zij. Voor uwen steun bij den arbeid in het Weeshuis betuig ik mijnen dank. Het valt mij moeilijk daarvan te scheiden. Weezen, blijve de Heere u nabij! Ik zal u geene weezen laten. Ik kom weder tot u, worde deze belofte des Heeren rijkelijk ook aan u vervuld en leide de liefde van Christus u tot de vertroostende belijdenis: «Vader en moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen ».
24
Broeders wijkdiakenen verkeeren in een moeielijken toestand. De nood neemt toe en de kas is ledig. Dit geeft veel te denken. Er ligt een wenk van den Heere in, welke behartiging verdient. De stotfelijke bron sluit de Heere dicht; kan het niet zijn opdat wij ons eerst tot de geestelijke bron zouden wenden? Wellicht is in het wijkbezoek de geestelijke nood wat veel ter zijde gesteld. Nu wijst de Heere dat het daarheen terug moet. Er is een zegepraal in de liefde van Christus, ook voor den nood der armen; maar deze komt van de geestelijke zijde uit en moet ook van daar worden begeerd. Welke g^est heerscht in uwe vergaderingen? Maar hier richt ik mij tot den ganschen breeden Kei-keraad. Is het niel zoo dat onze vergaderingen vaak door eene ontzettende doodheid gekenmerkt zijn, en alle opbouwingskracht ten eenenmale missen? Moet daarvan het werk uitgaan, het kan niet anders of het zal dienzeltden stempel dragen. Wat zal ons scheiden van ile liefde van Christus? Worde dit meer het uitgangspunt. De Heere is nog rijk en gewillig genoeg om in alle nooden der armen meer dan overvloedig te voorzien.
Gemachtigden en stemgerechtigden dragen de verantwoordelijkheid bij belangrijke benoemingen in de Gemeente. Moge dit werk, met biddend opzien tot het Hoofd der Gemeente, verricht worden. Van kiesvereeni-gingen heb ik nooit veel goeds verwacht. Zij leggen te veel pressie op de stemmers en brengen eene binding, waar de Geest des Heeren tot vrijheid roept. Bewaart uwe stem in zelfstandige afhankelijkheid. Vraagt
25
u zeiven af^ in welke kerk ben ik en welke is van die kerk de belijdenis. Wanneer ge dan bet geschonken lalent uwer stem neerlegt voor Gods aangezicbt, met de vraag boe ge er mede bandelen moet, zal de Heere bet aan wijsheid niet laten ontbreken. Langs dien weg bereidt de Heere aan de gemeente verrassingen, meer dan wanneer menscbelijke afspraak de kraebt is.
Aan Kerkvoogden en Notabelen blijf ik erkentelijk voor de zorg in bet sterfelijke over mij geoefend. De kerkelijke belangen door u behartigd zijn dan ook meest van stolfelijken aard. Veel dank wordt daarbij niet ingeoogst. Sterke God u tot getrouwe toewijding. Ge kunt er niets tegen bebben, dat, bij de zegepraal van Jezus liefde in zijne toekomst, geen kerken en geen leeraren meer noodig zijn. Geve God u genade om in dien tempel eenmaal te mogen aanbidden.
Met verschillende vereenigingen en corporatieën in de gemeente kwam ik in aanraking. Slechts namen kan ik aanstippen, als; de Christelijke scholen, Nederlandsch Evangelisch Protestantscbe Vereeniging, Militair ïe Huis, Diaconessen- en Kinderziekenhuis, kinderbuis Christine en Werkliedenvereeniging Patrimonium. Stelle God alle overige vereenigingen van Christelijken aard tot eenen rijken zegen. Met de hier genoemde werd ik nauwer verbonden en bartelijk bid ik al bare vertegenwoordigers toe, dat eens openbaai' worde hoe zij steenen waren op den eenigen grondslag, door de levendmakende liefde van Christus.
Ook met allen die op eene of andere wijze werkzaam waren in de stichting der Gemeente stond ik in goede
26
verstandhouding. De liefde van Christus dringe u in ilien gemeenscliappelijken arbeid waarin lt;le grootste, zoowel als de kleinste plaats hare beteekenis heeft Hoe kun het orgelspel en de voorlezing van Gods Woord de onderlinge stichting bevorderen , of ook tegenwerken. In dit kerkgebouw gaat ulles met orde en eerbied Voor zoover dit in andere kerkgebouwen ook het geval is, zette de Heere er het zegel zijner goedkeuring op.
in onze aardsche kerken vervullen ook de dorpel-wachlers, zoowel als de stovenzelslers hun vaak zoo moeielijk werk. Wie in het kleine getrouw zijn, worden eens over het meerdere gesteld, naar 'sHeeren belofte.
En nu heb ik niets meer te zeggen , Gemeente! Ik heb mijn gansche hart voor u uitgestort, 's Heeren genade wone overvloedig in uw midden, in uw aller harten en huizen. Mijne leerlingen ! Denkt aan de vermaningen die ik vaak tot u richten mocht en leide en bevestige Jezus liefde u veilig door de verzoekingen heen, die ii aan alle zijden omringen. Gedenkt uwen Schepper in de dagen uwer jeugd. Do Heere beware uwe jonkheid. Lieve weezen, vaartwel! Ik eindig met het oude spreekwoord; «Gods kinderen zien elkander nooit voor 't laatst». Tot weerzien dan, als het wezen mag in uwe bedehuizen. Uwe predikanten hebben mij gezegd dat hun kansel voor mij openstaat, als ik gelegenheid heb nog eens de boodschap des heils u te brengen. Evenwel, het leven is broos. Hoe spoedig kan ons einde daar zijn. Dan, toch tot weerziens, gij allen, die de liefde van Christus voor u onmisbaar weet In de heerlijkheid vinden allen die gelooven elkander weer.
Ja, ik ben verzekerd dat dood noch leven, engelen noch overheden noch machten, tegenwoordige noch toekomende dingen, hoogte noch diepte noch eenig iinder schepsel ons zal kunnen scheiden van fio liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere. Amen.
Leer mij, o God van zaligheden,
Mijn leven in uw dienst besteden.
Ciij zijl mijn God, val gij mijn liand.
Uw goede Geest bestier' mijn schreden,
Kn leid' mij in een elïen land.