ocr page 1

DE KINDERDOOP

KX

HET GENADEVERBOND

in verband met de Volkskerk,

DOOR

Dr. I3. J. Ivromsigt,

J'i'cdiknui te W'icrclcn.

V TR KC II T ,

K E M 1 N K \ Z 0 O N ,

(Over do Domkerk). I SI) !).

ocr page 2
ocr page 3

L-^ C. 21! Kjyk .

a L.44

DE KINDERDOOP

EX

HET GENADEVERBOND

in verband met de Volkskerk.

DOOR

Di'. !P. J. K-i^omsigt gt;

Predikant te Wierden.

: r*gt;.

BIBLIOTHEEK NED. HERV. KERK

2 L

UTRECHT,

KEMINK amp; ZOON,

(Over de Domkerk).

189 9.


ocr page 4
ocr page 5

ï

■-?

VOORBERICHT

Do Doopersclie strooming met hare schijnbare zachtmoedigheid doch feitelijk revolutionaire strekking, waartegen onze vaderen menigen heftigen principieelen strijd moesten bestaan en die na den reformatietijd als invloed oefenende kracht vrij wel onderdrukt scheen, komt in onze dagen in allerlei kringen weer met nieuwe kracht op. In kringen, die met Gods Woord gebroken hebben, doet zij zich gelden in den vorm van Anarchisme en ïolstoiïsme, in kringen, die aan Gods Woord vasthouden, in den vorm van het BVrije-Kerkenquot;-systeem (niet te verwarren met de kringen, die Ledeboer volgen, die nog aan het oude Gereformeerde ideaal van kerk en overheid vasthouden) mot zijn beperking van de taak der overheid tot de tweede tafel dor goddelijke Wet (strijd tegen art. 36 onzer Geloofsbelijdenis). Voorts loopt deze strooming door de geheele nieuwe theologie met hare verzwakking van het recht in allerlei vormen heen.

Ook in onze Ned. Herv. Kerk stuit men gedurig op kringen, die bewust of onbewust meer uit Dooporsche dan uit Gereformeerde, d. i. in dit verband kerkelijke sympathiën leven. Daardoor wordt tot onberekenbare schade van ons volksleven (bepaaldelijk in zijn nationale eenheid) het geheele kerkelijke leven ondermijnd. Daardoor ruilt men het Gereformeerde, Bijbelsche begrip „ware Kerkquot; uit voor dat van „zuivere Kerkquot;. Daardoor kan men er tegenwoordig duizenden vinden in ons land, die, zooals iemand het eens eigenaardig uitdrukte, „nog veel gemakkelijker van de eene kerk naar de andere dan van de eene kamer in hunne woning naar de andore verhuizenquot;. Hot is mijne vaste

ocr page 6

overtuiging, dat vele ijveraars voor onze Ned. Herv. Kerk door hunne Doopersche sympathiën onbewust bezig zijn die Kerk te ondermijnen en alzoo hen in de hand werken, die met alle macht bezig zijn om de „Pilaar en Vastigheid der Waarheidquot; (1 Tim. 3 :15) uit ons volksleven weg te nemen om er het ongeloof of het hijgéloof voor in de plaats te stellen. Daarom was mij de gelegenheid, die mij aangeboden werd, aangenaam om op de tltrechtsche predikantenvergadering (den 27sten April 11. gehouden) temidden van vele ambtsbroeders de Gereformeerde opvatting van den Kinderdoop , in verband met het Genadeverbond en de Volkskerk, te mogen bepleiten. Wat hier volgt, is het referaat, daar gehouden, met eenige aanteekeningen. Moge het aanleiding geven tot nadere overdenking en bespreking van de zoo gewichtige vraagstukken, hierin behandeld. Wat ik gaf, is slechts eene zeer bescheidene dogmatische proeve. Niettemin meende ik tot deze afzonderlijke uitgave te moeten besluiten om althans in ruimeren kring het gewicht dezer zaken eens te laten gevoelen.

Moge de Heere ons volk nog genadig zijn en het terug brengen in het oude, beproefde spoor van Zijn Woord, Hij zegene daartoe ook de volgende bladzijden nog voor menig hart.

P. J. Kromsigt.

Wierden, October 1899.

ocr page 7

quot;De Kinderdoop en het öenadeverbond in verband met de Volkskerk O-

M, H., geachte medebroeders in de bediening ries Woords. Het onderwerp, waarvan mij de behandeling door liet mode-ramen dezer vergadering is verzocht, is alleszins gewichtig te noemen en van verreikende strekking: „De kinderdoop, in betrekking tot de leer van het genadeverbondquot;1). Niet zonder aarzeling, maar toch met genoegen nam ik dan ook de vereerende en door mij zeer gewaardeerde uitnoodiging van het moderamen aan om de inleiding van dit onderwerp op mij te nemen. Ik ben mij de moeilijkheid ervan wel bewust, maar meende toch het verzoek niet te mogen afslaan, daar het mij verblijdde, dat juist zulk een onderwerp, dat naar mijn vaste overtuiging met heel het wezen en het welwezen onzer kerk in zoo nauw verband staat, de aandacht had getrokken.

Dit valt toch aanstonds in het oog, dat de leer van Doop en Genadeverbond heel het kerkelijk leven, ja, heel het volksleven raakt. Wormser gevoelde dit, toen hij zeide: „leer de natie haren doop verstaan en zij is geredquot;. Zooals

1

De ontwikkeling van het opgegeven onderwerp gaf mij aanleiding den titel eenigsziiis te wijzigen.

ocr page 8

6

iemands doopsbegrip is, zoo is ziju kerkbegrip. Eq dit kerkbegrip oefent weer zeer grooteu invloed uit op uw staatsbegrip.

Do h. doop is de grondslag voor de geheels kerk. Immers, do doop is, van hare uitwendige zijde bezien, de zichtbare inlijving iu de zichtbare kerk. Wanneer wij dus over den doop sprnken, spreken we over een der meest fundanienteele stukken , volgens hetwelk verder uw geheele kerkbegrip zal worden opgebouwd. Eu zooals de opvatting is van den doop, zoo zal ook de geheele kerkelijke praktijk, ja ook ue geheele prediki7ig wezen. Alles grijpt hier dus ook aanstonds in het leven in. Wij hebben hier niet met eene afgetrokkene kwestie te doen, maar inderdaad met eene levenskwestie voor de kerk, eene „question brülantequot;. De doopskwestie hangt dan ook nauw samen met de kwestie der afscheiding, waarom het niet te verwonderen is, dat zij juist in de laatste jaren met toenemende kracht is geponeerd. Terecht zegt Dr. Kuyper dan ook in E Voto Dordraceno, sprekende over de vraag, wie gedoopt moeten worden, wie onder het zaad der kerk te rekenen zijn: „De vraag, waar we thans aan toe zijn, is van het uiterste gewicht èn voor de zuiverheid der Belijdenis, èn voor de praktijk van het christelijke leven, èn voor de toekomstige ontwikkeling der christelijke kerk op aardequot; (deel III, bl. 4Ü).

Maar daarom is het dan ook principieel verkeerd om te zeggen: omdat het N. ï. nu eenmaal geen letterlijk gebod bevat om ook kinderen te doopen, maar slechts een algemeen gebod om te doopen, moeten wij in de kerken der Hervorming aan de Doopersche en aan de Protestantsch-kerkelijke (d. i. Gereformeerde en Luthersche) beschouwing gelijk recht van bestaan toekennen. Juist dit zich angstvallig vastklemmen aan de letter met verloochening van de analogie des geloofs getuigt reeds van een mechanische opvatting der openbaring, bepaaldelijk der Schriftinspiratie, getuigt dus reeds van Doopersche sympathiën. Wanneer beide opvattingen, zoowel de Doopersche als de niet-Doopersche als van gelijken rechte in de kerk gehuldigd worden, dan kan het kerkelijke leven

ocr page 9

7

nooit uitkomen boven een gestadig heon en weer dobberen, waaraan het door de beide elkander uitsluitende beginselen is prijsgegeven, en dat de kracht van het kerkelijke leven op allerlei gebied breekt. Neen, men heeft bier bepaald, na ernstig Schriftonderzoek, voor de eene of de andere opvatting partij te kiezen en dan daarnaar de kerk, die waarlijk Gereformeerd wil zijn, ook te reforraeeren. Hebben de Anabaptisten en vroegere sekten gelijk gehad in hunne opvatting der H. Schrift op dit punt, dan moet ook naar die opvatting de kerk worden gereformeerd, want dan geldt ook ons het woord, dat ook wij zoo vaak tegenover Rome gebruiken: „Tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijnquot;. Dan hebben wij te denken aan het bekende: „ecclesia reformanda, quia reformataquot; [„de kerk moet gereformeerd worden, omdat zij gereformeerd isquot;].

Twee woorden des Heilands zijn ons bewaard gebleven, waarin ons de instelling van den h. doop wordt bericht, Mc. 16 : 15 en 16; „Gaat heen in de geheele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd wordenquot;, en Mt. 28: 19: „Gaat dan henen, onderwijst alle volken, dezelven doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden hebquot;. De zin van deze woorden des Hi.eren wordt ons voorts toegelicht door de praktijk der door Hem aangestelde, door den H. Geest bestuurde apostelen, door wat deze over den doop geschreven hebben, en voorts ook door het O. T., aangezien wij O. en N. Verbond niet mogen scheiden overeenkomstig 'sHeeren eigen woord (Mt. 5: 17): „Meent niet, dat ik gekomen ben om de wet of de proleten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullenquot;. Alleen het schaduwachtige in het O. T. en wat daarmee in blijkbare betrekking staat, verdwijnt dus (vg. Hebr. 8:13), nadat het lichaam, d. i. Christus, gekomen is (omdat het in Hem in hoogeren zin blijft, Col. 2: 17), maar al het andere blijft. Alleen zóó toch is het mogelijk ernst te maken

l»

ocr page 10

8

met wat Jezus verder zegt: „Want voorwaar zeg ik u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschiedquot;. Alleen indien aan dit beginsel streng wordt vastgehouden, zal de historische beschouwing der Openbaring, waartoe God blijkbaar in onze dagen Zijne kerk onderwijst, niet door de zonde van ons, menschen, verloopen in een ■zo.vtz pel [„alles vloeitquot;], waaruit ieder willekeurig als blijvend neemt wat hem goeddunkt en waarbij alle vastheid teloor gaat. Alleen zóó zal het moeilijke, maar voor ons gansche kerkelijke en staatkundige leven zoo belangrijke vraagstuk van de verhouding van O. en N. Bedeeling op de rechte, door de Schrift zelve aangewezene wijze kunnen worden opgelost.

Wij leggen hier eenigen nadruk op, omdat dit vooral sinds Schleiermacher met zijne blijkbare onderschatting van het O. T., sinds de inwerking van de overgeestelijke en daarom minder O. Tisclie Puriteinen, Piëtisten en Methodisten, in 't algemeen ook sinds de meer historische dan dogmatische denkrichting der nieuwere tijden noodzakelijk is geworden.

Door de praktijk der apostelen en door wat zij erover geschreven hebben, in verband met de instellingswoorden des Heeren zelven zien wij, dat de doop moet worden beschouwd als het sacrament der inlijving in de Gemeente van Christus. Wanneer iemand geloofde, dan werd hij overeenkomstig Jezus' bevel gedoopt. Dat was de eerste handeling, waaraan hij zich had te onderwerpen. Daarom noemde Christus juist het gedoopt worden als teeken vaa het discipelschap: „Gaat dan heen, onderwijst alle volken dezelve doopendequot;, het Grieksch heeft hier, zooals bekend is, /AocOyTsvsTe, d. i. maakt alle volken tot Mijne discipelen door hen te doopen en door hen te leeren onderhouden alles wat Ik u geboden heb.

Deze doop was echter niet alleen een teeken, dat men bij het christen worden ontving. Hij was meer dan een „nudum signumquot; [„bloot teekenquot;]. Dit volgt reeds uit den aard der zaak, uit de plechtige wijze, waarop Christus zoowel

ocr page 11

9

den doop als liet avondmaal als de twee sacramenten dei-gemeente instelde. Beiden dragen hetzelfde karakter, nl. dat van teekenen en zegelen. Als de doop geen zegel was, ware een opzettelijke instelling onnoodig. De Zwiagliaansche opvatting van het nudum signum neemt den ernst en de noodzakelijkheid der instelling weg. Het symbool moet in het Koninkrijk Gods met realiteit verbonden zijn. Dit blijkt ook uit de inzettingswoordeu: „in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestesquot;, letterlijk tot in den naam (sh) d. w. z. waar naam hier voor het wezen gebruikt wordt: „tot de gemeenschap met den Vader en den Zoon en den H. Geestquot;. Dit blijkt ook uit de wijze, waarop over den doop menigmaal in de H. S. gesproken wordt. Telkens wordt de doop met de zaak, welke hij beteekent, ten nauwste verbonden, ja bijna vereenzelvigd, terwijl ons herhaaldelijk meegedeeld wordt, dat gedoopten terstond na hunnen doop den H. Geest ontvingen. 2'oo zegt bv. Petrus tot de schare op den Pinksterdag: „Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus lot vergeving der zonden en gij zult de gave des H. Geestes ontvangenquot;. De doop is dus voor den gedoopte een zegel van de vergeving zijner zouden, een zegel van zijn deelgenootschap aan Christus, uitwendig door het pand, dat hem van Godswege in den doop geschonken wordt, maar ook inwendig door eene mystieke werking des H. Geestes, eene werking, die strekt tot bevestiging van zijne inlijving in Christus en alzoo tot versterking van zijn geloof, bepaaldelijk, zooals Dr. Kuyper dit, naar het mij voorkomt, terecht heeft aangewezen, tot versterking van zijn geloofsvennogen 1).

1

Van zijn gelooysven/iogen, niet v.in ziju dadelijk geloof. Immers de doop geschiedt maiir eenmaal en moet dus wel versterking van den wortel des geloofs bedoelen, niet maar een versterking van het dadelijk geloof, die slechts eenigen tijd nut zou doen en dan weer zijn kracht verliezen. Evenals het bv. iemand, die moeilijk spreken kan, weinig baten zou, of ge al voor eenige oogeublikken hem wat duidelijker liet spreken. Alleen als ge versterkend werkt op zijn spraakcemoyew,

ocr page 12

10

De Doop wordt dan ook in het N. T. in het nauwste verband gebracht met de rechtvaardig making en met de heilig-

don hebt ge hem dour clie eene handeling voor heel ziju leven geholpen. Zóó hebben wij dus ook bij den doop te denken asm een versterking vnn het geloofsverinogen, juist omdat de doop manr éénmaal plaats grijpt en dus wel zulk een eigenaardige versterking van hut geloof moet bedoelen, die geheel het leven bijblijft. Vg. E. Voto (1£. bl. 544). liitussclieu moet hierbij opgemerkt worden, dat de doop, die zulk eeny versterking bedoelt, niet altoos aanstonds ook die versterking behoeft te geven. Danroai moeten wij ouder-scheiden lusschen den doop en de uitwerking van den doop {.^efficacia baptismiquot;). Bij volwassenen moeten wij natuurlijk gelooven , dat de bedoelde versterking op het eigen oogenblik van den doop plaats grijpt. Doch bij kinderen moeten wij wel. willen wij niet tegen alle ervaring ingaan, tweeërlei gevallen veronderstellen. Er zijn Obadja's, die ,.den Heere dienen van den jeugd aanquot;. Er zijn ook anderen, die als een Mnnasse langen tijd blijkbaar in onwedergeboren en ongeloovigen toestand verkeeren en wien dan op lateren leeftijd door God ds wedergeboone en het geloof geschonken wordt. De eersten kunnen wedergeboren zijn geweest reeds vóór den doop, gelijk wij b.v. leztu van Johannes den Dooper, dat hij geheiligd was „van zijns moeders schoot aanquot;. Bij ben wordt dus bij den doop door een werking des H. Geestes het geloof;vermogen, dat aij reeds op dezelfde wijze als bv. het spraakvermogen bezitten, versterkt op dat eigen oogen-blik. Voor de anderen is de doop slechts een zegel of pand zonder oogenhlikkelijke uitwerking, maar waarain die uitwerking zekerlijk verbonden is. Straks, terstond nadat zij het geloof vnn God hebben ontvangen, volgt dan ook de versterking van hun geloofsvevmogen door den H. Geest ten gevolge van den vroeger ontvangen doop. Voor niemand zij deze gedachte een bezwaar tegen den kinderdoop, want bij de besnijdenis rijst natuurlijk precics dezelfde kwestie. Daarom zegt ook Calvijn terecht in zijne Institutie (IV, XVI, § 21): ,. zij [die met 1 Petr 3 : 21 („vraag van een goed gewetenquot;) den kinderdoop bestrijden] dwalen door deze misvat ling, dat zij willen, dat de betee-kende zaak altijd in tijdsorde aan het teeken zal voorafgaan. Want ouk de waarheid der besnijdenis bestond in datzelfde getuigenis van eun goed geweten. Indien dit nu noodzakelijk had moeten voorafgaan . zouden de kinderkens nooit op Gjds bevel zyn besneden ge-

ocr page 13

11

making, waarom onze Catechismus ook zegt, flat de 'loop is de toezegging en verzegeling van de afwassching onzer zonden door het hloed en den Geest van Christus, waarbij het eerste natuurlijk ziet op de rechlvaardigmaking of vergeving der zonden, het tweede op de wedergeboorte en heiligmaking. De symboliek van den doop als een wassching (zoowel van schuld als van smet) wijst hier ook van zelve op. Uitvoerige verwijzing naar teksten is hier onnoodig. Alleen zij u herinnerd, wat het eerste, de vergeving der zonden (of wellicht ook beide), betreft, aan het woord van Ananias tot Paulus (Hand 22 : 16); „Laat u doopen en uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Heerenquot; (vg. Op. 1:5, 7 : 14), en wat het tweede, de wedergeboorte en heiligmaking, betreft, aan Tit. 3:5, waar de doop „het bad der wedergeboortequot; wordt genoemd, en aan 1 Kor. 12: 13; „want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één lichaam gedooptquot;, en eindelijk nog aan het woord van Petrus tot de schare op den Pinksterdag, dat wij reeds noemden en waarin wij beide vereeni?d vinden: „Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus lot vergeving der zonden; en gij zult de gave des H. Geestes ontvangenquot;. Nog zij herinnerd, hoe bij Paulus vooral de unio

wordenquot;. — Vraagt iemand ten slolte nog, wat de doop dnü is voor degenen, die niet tot geloof en bekecring komen, dan antwoorden wij: hetzelfde, wat de besnijdenis was voor degenen, die niet tot geloof en bekeering kwamen. De doop is voor dezulken alleen een teeken, geen zegel. Het zegel i^eldt dan alleen voor de ouders en voor de gemeente als een bevestiging van Gods verbondsbelofte in het algemeen, niet met toepassing op dat bepaalde kind. Voor dat kind is de doop alleen een teeken, dat hem teekent als uit christenouders geboren, dat hem straks herinnert aan Gods beloften voor eeu iegelijk, die gelooft, en dat hem dus aldoor roept tot geloof en bekeering, waardoor echter ook, daar die roepstem in den wind wordt geslagen, het oordeel voor dien gedoopte wordt verzwaard (Vg. Jezus' woord over Sodom en Gomorra tegenover Kapernmim).

ocr page 14

12

mystica met Christus als door den doop bezegeld, het dooiden doop met Christus begraven en opgestaan zijn, wordt geleerd. Op allerlei wijze blijkt dus, dat wij recht hadden den doop te noemen het sacrament der inlijving in de gemeente van Christus en alzoo een zegel van het deelgenootschap aan Zijne heilgoederen.

Intusschen rijst de vraag: moeten in Christus' kerk wellicht alleen de volwassenen gedoopt worden? Zou het volgens de bedoeling van Christus zijn, indien alleen de volwassenen gedoopt werden ? Het antwoord hierop kan niet met directe Schriftwoorden gegeven worden. Opgemerkt moet intusschen worden, dat de kinderdoop evenmin door een direct woord des Heeren wordt verboden als geboden. Dat toch het woord: „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig wordenquot;, den kinderdoop niet uitsluit, is duidelijk, daar de Heere Jezus hier, sprekende over het „prediken aan alle creaturenquot;, vanzelf het eerst en het meest aan de te bekeeren volwassene heidenen dacht. Er blijft hier dus niets anders over dan de analogie der Schrift te raadplegen en in verband daarmee de feiten te beschouwen, die ons nog worden meegedeeld.

En die analogie der Schrift nu spreekt zoo sterk mogelijk voor den kinderdoop. Immers evenals het avondmaal door Jezus op 't einde van het Paaschmrval werd ingesteld, kennelijk met de bedoeling om aan te wijzen, hoe het eerste thans in de plaats van het tweede trad, zóó is ook blijkbaar de doop gekomen in de plaats der besnijdenis. Paulus vergelijkt hem dan ook met de besnijdenis in Col. 2: 11 en 12: „in welken (nl. Christus) gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder banden geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus; zijnde met hem begraven in den doop, in welken gij ook met hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeftquot;. Beiden, besnijdenis en doop, zien ook op geheel dezelfde zaak, zooals wij lezen Rom. 4:11: „Abraham heeft het teeken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid

ocr page 15

13

des geloofsquot;. Wij zagen boven reeds, dut ook de doop een zegel is der rechtvaardigmaking. Duidelijk is het dus, dat deze doop onder de N. Bedeeling in de plaats is gekomen van de besnijdenis onder de O. Bedeeling.

Indien dit nu alzoo is, dan ligt het ook voor de hand, dat niet alleen de volwassene geloovigen, maar ook hunne kinderen moesten en moeten gedoopt worden, dat geen expresselijk gebod noodig was om bepaaldelijk den kinderdoop in te stellen, maar wel dat een expresselijk verbod noodig zou zijn geweest en voor ons althans een expresselijk bericht, dat het tegenovergestelde geschied was, indien de Heere de kinderen der geloovigen van dit Z'?gel had willen uitsluiten. Immers, het beroep op de besnijdenis lag voor de hand en bovendien was de leer van het genadeverbond: „u en uwen zade na zulk een fundamenteel stuk der gansche openbaring totnutoe, dat het inderdaad een omkeering der ge-heele heilsorde als het ware zou geweest zijn, indien deze eens getrokken lijn onder de N. Bedeeling niet ware voortgezet geworden. In het licht hiervan krijgt het dan ook beteekenis, dat wij eenige malen lezen van geheele huisgezinnen, die gedoopt werden. Dat daar toevallig alleen volwassenen waren, wordt ons niet gemeld en voor de hand liggend is het dus om daarbij ook aan kinderen te denken. In elk geval wordt ons door het woord „huisgezinquot; en „al de zijnenquot; als het ware een wenk gegeven om ons te doen zien, hoe ook hier onder de N. Bedeeling de lijn van het genadeverbond doorging, zooals Paulus ons trouwens opzettelijk heeft geleerd, toen hij Abraham in Rom. 4 en elders schetste als den vader der geloovigen. De bedoelde plaatsen zijn Hand. 16:33, waar van den stokbewaarder wordt gezegd: „bij werd gedoopt en al de zijnenquot;, Hand. 16:15, waar van Lydia bericht wordt: „als zij gedoopt was en haar huisquot;, 1 Kor. 1:16, waar Paulus getuigt: „Ik heb ook het huisgezin van Stefanas gedooptquot;, waarbij nog gevoegd kan worden Hand. 18:8 „En Chrispus, de overste der synagoge, geloofde aan den Heere met geheel zijn huisquot;, van wien Paulus in 1 Kor. 1 bericht, dat hij hem gedoopt heeft,

ocr page 16

14

en ook wat ons van Cornelius wordt bericht (Hanrl 10: 18; 11 :14).

Ik geloof dus, dat het recht van den kinderdoop duidelijk door de H. Schrift wordt geleerd en dat deze dus ook in de bedoeling van Jezus moet hebben gelegen. De strijd tegen den kinderdoop vindt dan ook ra. i. zijn grond niet in een poging om de H. Schrift meer tot haar recht te laten komen, maar in eene voorstelling der goddelijke heilsoeco-nomie, die in strijd is met de heilsgedachten Gods, zooals ons die in de H. Schrift zijn geopenbaard. Dit wensohen wij in de tweede plaats toe te lichten om alzoo tevens te komen tot eene nadere uiteenzetting van de beteekenis van de leer van het genadeverbond.

Die leer toch is het, die feitelijk door de Dooperschen (onder dezen algemeenen naam vatten wij alle opposanten tegen den kinderdoop samen) wordt ontkend. Evenals de Roomsche nadruk legt op de letter in het: „Dit is mijn lichaamquot;, terwijl dit slechts moet dienen om eene dogmatische dwaling (noodzakelijkheid der gedurige offerande van Christus) te introduceeren, — zóó legt ook de Doopersche nadruk op het ontbreken van de letter ten opzichte van den kinderdoop en op de letter van het uit het verband gerukte „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijnquot;, om zijne dogmatische dwaling van miskenning van de leer van het genade-verbond binnen te loodsen.

De Doopersche toch is individualist en in verband daarmede pelagiaansch. Dit blijkt aanstonds, zoodra ge zijn systeem nader beziet. Ziju individualisme blijkt uit de doorgaande loochening bij Dooperschgezinden van de erfschuld. Zijn pela-gianisme blijkt uit zijne ondiepe opvatting der zonde. De zonde is van dien aard, dat de genade niet onwederstandelijk behoeft te zijn om den zondaar te redden. In verband met de ondiepe opvatting der zonde staat dus een ondiepe opvatting der genade, loochening dus der verkiezing. In verband nu zoowel met het eene als met het andere, zoowel met het individualisme als met het pelagianisme, staat de loochening van de leer van het verbond der genade en dus verwerping

ocr page 17

15

van den kinderdoop. Deze loochening van het genadeverbond toch miskent den band der geslachten, dat is haar individualisme, en zij verduistert Gods genade, dat is haar pela-gianisme.

Het Baptisme miskent den band der geslachten, die juist in de H. S. zoo op allerlei wijze op den voorgrond treedt, en wordt reeds daardoor in zijn onschriftuurlijk karakter openbaar. Daardoor kan het ook geen eigenlijke kerk stichten, een kerk namelijk, die een toekomst heeft1), een kerk, die het voorgeslacht aan het nageslacht verbindt, en is dus in den diepsten grond miskenning van het woord des Heeren; „Ik ben met u alle de dagen tot aan de voleinding der wereldquot;. De Doopersche werkt alleen voor het oogenblik. Hij ziet alleen wat voor oogen is. Hij maakt geen ernst met de belofte; „om voor u te zijn tot een God en voor uw zaad na uquot;. De Doopersche kerk moet eigenlijk aldoor opnieuw geplant worden, gevolg van het Doopersche atomisme. Tot een krachtig kerkelijk leven kan het op zulk een bodem dus niet komen. De gedachte der Schrift van eene kerk, die „van den beginne der wereld tot aan het eindequot; (vg. Geloofsbelijdenis art. 27) bestaat, wordt hier dus verijdeld. Het kerkelijk gebouw der Dooperschen is altijd meer oppervlakkig over het volksleven heen gebouwd dan daarin vast geworteld.

Het historisch bewijs voor de hier gegevene theoretische beschouwing vindt ge in de geschiedenis der hervorming in ons vaderland, waar in den beginne de Doopersche strooming zoo machtig was. Zoodra naast de Doopersche de Gereformeerde kerkbouw begon, bleek het, dat in de Gereformeerde consistoriën en dassen en synoden de kracht school, die de toekomst had. De Doopersche kerkbouw kromp spoedig tot een gering overblijfsel ineen. De Dooperschen hadden slechts eene vereeniging, een „broederschapquot;, kunnen vormen, de Gereformeerden bouwden eene kerk.

1

Vg. mijn Jokn Knox als Kerkhervormer, bl, 337.

ocr page 18

10

Het baptisme verduistert in de tweede plaats Gods genade, juist door die genade te beperken tot de volwassenen alleen. Gelijk het Gods genade te ondiep opvat in de loochening der verkiezing, zoo doet het dit ook in de beperking van die genade tot de volwassen geloovigen en dus in de miskenning van het verbond der genade. God zegt tot Abraham en in hem tot alle geloovigen, zooals Paulus ons duidelijk aanwijst (Rom. 4): „Ik zal mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond om u te zijn tot een God en uwen zade na uquot; (Gen. 17:7).

Dit is juist Gods overvloeiende genade, dat Hij Zijne belofte geeft niet alleen aan den geloovige, maar ook aan zijne kinderen, ja, aan zijn geslacht. God de Heere weet wel, dat zijne kinderen den mensch het dierbaarst zijn. Dat is de nauwste, de teederste band, en daarom zegt Hij tot hem op het eigen oogenblik, dat Hij hem zeiven het geloof schenkt: „Ik wil uw God zijn en de God van uw zaad na uquot;.

Maar zoo behooren dan ook de kinderen, die zelf met hunne ouders overeenkomstig de belofte Gods aan het verbond der genade deel hebben, gedoopt te worden. Immers wie behooren tot het verbond der genade, die behooren ook tot de gemeente van Christus, hetzij nog slechts in ideëelen zin (d. i. naar de gedachte Gods), hetzij reeds in reëelen zin (d. i. door feitelijke wedergeboorte, door reëele inlijving in Christus). En nu hebben wij natuurlijk voor de ideëele gemeente de aanwijzing Gods te volgen en dat is hier de belofte van Gods Woord: „u en uwen zade na uquot;. Maar zoo is het dan ook betamelijk, gelijk onze vaderen plachten te zeggen, dat „de bondgenooten ook het teeken en zegel des verbonds ontvangenquot; en dat dus ook de jeugdige bondgenooten, de kinderen, gedoopt worden. Doopen wij hen niet, dan geven wij hieruiede feitelijk te kennen, dat wij niet gelooven aan de waarachtigheid van Gods belofte, dat wij eerst de vervulling willen afwachten, aleer wij doopen, dat wij dus (zooals ik straks als kenmerk van den Dooper-

ocr page 19

17

sche het noemde) slechts letten op „wat voor oogen isquot;, zonder door het geloof te grijpen miar de dingen, „die nog niet gezien wordenquot;.

Dat de verbondsbelofte in de eerste plaats betrekking heeft op de kinderen in het eerste lid, spreekt van zelf. Intusschen moet hierbij, in verband met wat de openbaring Gods ons verder leert, tweeërlei worden opgemerkt. Vooreerst, dat het verbond niet met volstrekte zekerheid op elk kind, hoofd voor hoofd, door den geloovige mag worden betrokken, omdat er staat in 't algemeen: „en uwen zade na uquot;. In de tweede plaats, dat het verbond ook niet willekeurig tot het eerste lid des geslachts mag worden beperkt, wederom omdat er staat: „en uwen zade na uquot;.

Onze eerste opmerking geeft ons aanleiding om te spreken over het verband tusschen de leer der verkiezing en de leer van het verbond der genade. Het kan namelijk op het eerste gezicht schijnen, dat deze twee met elkander strijden. Menigmaal wordt dan ook eenzijdig de nadruk gelegd op het verbond der genade; dit leidt dan tot een verkeerde doopsleer en tot invoering van een bedekt semi-pelagianisme. Ik zelf heb mij nog in mijne dissertatie, helaas, niet van deze dwaling vrijgehouden. Later heb ik evenwel leeren inzien, dat alzoo de grondslag der religie wordt ontwricht. Daarom is vooral op dit punt nadere toelichting noodig.

De II. Schrift zelf nu geeft de duidelijke oplossing van de hier bedoelde kwestie in Rom. 9. Daar toch leert de Apostel ons in vs. 6 en 7: „die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izak zal u het zaad genoemd wordenquot;. En dit verklaart hij dan in het volgende vers nader, zeggende: „Dat is, niet de kinderen des vleesches, die zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften is worden voor het zaad gerekendquot;. De kinderen der beloftenis, d. w. z. de uitverkorenen, zijn dus het eigenlijke, het geestelijke zaad, in wie de belofte hare vervulling vindt.

Intusschen heeft de geloovige het recht en den plicht al zijne kinderen te beschouwen en te behandelen als uitver-

ocr page 20

IS

korenen op grond van Gods belofte zóólang, totdat het tegendeel blijkt, en hij heeft ze dus allen te laten doop en Hij heeft ze aldoor aan te zien in het licht der verbonds-belofte, opdat hij rust moge hebben te bunnen opzichte voor zijn eigen hart en opdat hij den rechten prikkel moge hebben voor hunue opvoeding in de vreeze des Heeren. Danrom is de doop ook voor de ouders van zoo groot gewicht, omdat zij daarin een zegel ontvangen in bun kind van de vastheid van Gods verbondsbelofte ten opzichte van hun zaad. Maar zoo is dan ook de verkiezing (niet de wedergeboorte '), zooals Dr. Kuyper wil) de stilzwijgende vrome (d. w. z. aan de verbondsbelofte zich vastklemmende) veronderstelling bij den doop. Daarom zegt ook een Zwitsersch belijdenisschrift, dat de hier rijzende moeilijkheid wel gevoelde (de Confessio Basiliensis posterior): „omtrent hunne verkiezing moet men vrome vermoedens koesterenquot; („de eorum electione pie est praesumendumquot;). Daarom gaat ook ons Doopsformulier stilzwijgend van de verkiezing der kinderen uit, wanneer het zegt, sprekende over de toeëigening van Christus' weldaden door den H. Geest: „totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen onbevlekt zullen gesteld wordenquot;. Wij zouden natuurlijk tot zoo hoog eene veronder-stellitig geen recht hebben, wanneer God zelf door Zijne verbondsbelofte en door de praktijk der besnijdenis (eene praktijk nu dus even ruim door ons bij den doop toe te passen) ons dat recht niet gegeven had.

Geheel hiermede overeenkomstig is het dan ook, dat de Dordsche leerregels aangaande de vroegstervende kinderen der geloovigen leeren (I, § 17); „Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar

1) Niet de wedergeboorte, want Schrift en ervaring leeren, dat vele uitverkorenen pas op lateren leeftijd tot bekcering komen, terwijl vóór dien lijd alle sporen van leven worden gemist, zoodut ook gecu nog niet ontloken wedergeboorte bij dezulken ma^ worden verondersteld [1 Job. 3 : 9).

ocr page 21

19

uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouderen begrepen zijn, zoo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindschheid uit dit leven wegneemtquot;. Worden kinderen namelijk in hunne kindschheid weggenomen, dan is er niets anders om hen naar te beoordeelen dan de verbondsbelofte en deze spreekt hen zalig. Is echter zulk een kind tot de jaren des onderscheids gekomen, dan komt de zaak anders te staan, dan mag de verbondsbelofte niet met dezelfde volstrekte zekerheid v/orden toegepast, maar dan komt naast de verbondsbelofte het woord der Schrift te staan, dat dan evenzeer in rekening kan en dus moet worden gebracht: „aan hunne vruchten zult gij ze kennenquot;, Is iemand in blijkbaar onbekeerden toestand gestorven, dan blijkt, dat hij niet behoord heeft tot het eigenlijke zaad der belofte. Door Gods goedheid blijkt dit zelden en dan altijd pas bij den dood met volstrekte zekerheid, zoodat meestal een meer of minder dikke sluier het ontzettende voor het oog van geloovige ouders bedekt. Zoolang de kinderen in leven zijn, moeten zij ook bij afkeerigheid van hart toch als kinderen der belofte worden beschouwd, waartoe een geschiedenis als van den moordenaar aan het kruis ons te meer mag en moet aansporen. Alle berekening is hier uit den booze. De liefde geloove hier vooral alle dingen, hoewel het mogelijk is (dit moet in. i. worden toegegeven), dat God, hoewel Hij niet laat inzien in Zijne geheimenissen, toch een geloovigen ouder langzamerhand voorbereidt op een scheiding van zijn kind niet alleen naar het vleesch, maar ook naar den geest. Wij moeten niet vergeten, dat juist ook voor dit meest ontzettende geval het woord des Heeren geldt: „Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardigquot; (Mt. 10; 37).

Wij mogen intusschen, wij zeiden het reeds, de verbondsbelofte ook niet willekeurig beperken tot het eerste lid. Hoewel de toepassing op het eerste lid de meest gewone zal zijn, zoo is het toch mogelijk, dat de verbondslijn pas in

ocr page 22

20

het tweede of derde, ja ook in een volgend geslacht wordt voortgezet. Wij hebben ook hier vooral niet te veel te theo-retiseeren, maar te vragen naar de gegevens, die de H. Schrift ons ook in dit opzicht biedt, daar toch de Schrift zelf hare eigene uitlegster moet wezen. En dan is in dit opzicht van groot gewicht, wat wij lezen in Ez. 16: 20 en 21, waar de Heere ook de kinderen van afgodische Israëlieten nog noemt „Mijne kinderenquot; en dus wil, dat ook zulke kinderen nog als „heiligquot;, Hem „geheiligdquot;, zullen beschouwd worden. „Verder hebt gijquot;, zoo lezen we daar, „uwe zonen en uwe dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzelven [den beelden] geofferd om te verteeren: is het wat kleins van uwe hoererijen, dat gij Mijne kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan?quot;

Indien wij nu letten op deze ruime toepassing der verbonds-belofte en terecht met Maresius ineenen, dat de genade onder het N. Verbond eer ruimer dan euger dan onder het O. Verbond moet worden opgevat1), dan blijkt ons hieruit, dat wij ook onder de N. Bedeeling zulke kinderen nog als „heiligquot;, d. w. z. als hel zaad der kerk, mogen beschouwen en dus mogen doopen, die geboren zijn uit ongeloovige ouders, indien het voorgeslacht geloovig was. Dit brengt dus mee een ruime doopspraktijk. Alles wijst er ons op in de H. S., dat de Heere wil, dat wij het verbond eer te ruim dan te eng zullen opvatten. Ook de besnijdenis geschiedde zoo ruim mogelijk, aan eiken geboren Israëliet, hoewel toch ook de besnijdenis even goed als de doop niet maar een uitwendig teeken, maar het teeken en zegel was van een geestelijke zaak. De gedachte aan de verkiezing mag ons geen oogenblik belemmeren en mag ons niet dringen tot een angstvallig enge opvatting van het verbond. Wanneer God zelf vrijheid gaf en geeft om het zegel van besnijdenis en doop ruim toe te passen, dan behoeven wij niet te

1

cf. Maresins, Breve Si/slema, ed. stc. p. oi l-.

ocr page 23

21

vreezen door een ruime doopspraktijk het sacrament te zullen ontheiligen. Wij hebben hierbij te letten niet op Gods verborgen raad, maar op Gods geopenbaarden wil, d. i. op Zijne verbondsbelofte. Daarom komt ook de beperking van den doop, die Dr. Kuyper wil1), in verband met ziju strijd

2

1

Volgens Dr. Kuyper hebben al onze oude gereformeerde vaderen zich op dit gewichtige punt vergist. Zij waren in hunne doopspraktijk, die hen tot eene volkskerk bracht, veel te ruim. „Heel het denkbeeld van zulk een volkskerk, nationale kerk of vaderiandsche kerk is niets dan een Joodsch inkruipsel, een mengen vau een Oud-Testamentisch denkbeeld in de zaken des Nieuwen Verbondsquot;. De Dooperschen dachten op dit punt veel zuiverder. „In zooverre nu de vroegere Anabaptisten en tegenwoordige Doopers voor deze zonde der kerk [dat vermengen van Oud en Nieuw Testament nl.] een open oog hadden, moet hun verzet tegen den kinderdoop niet geminacht, maar gewaardeerd' {E Voto, III, bl. 42, uitgegeven in 1894). Alleen namen zij een verkeerden maatstaf bij hun engere doopspraktijk en lieten zij ten onrechte het verbond geheel los. Dr. K. wil zóó ver niet gaan, doch hij wil, dat men met de lijn des verbonds toch niet verder zal opklimmen dan tot de grootouders. De ouders mogen desnoods nog ongeloovigen zijn, maar zijn de grootouders ook onge-loovigen (hebben zij geleefd „zonder den Bondsdisch gezocht te hebbenquot;), dan mag zulk een kind niet gedoopt worden. Dit grondt Dr. K. dan op Jes. 59:21, „waar de Heere van de dagen des Nieuwen Verbonds profeteerende, met zoovele woorden zegt: „Mijn Geest, die op u is, en mijne woorden, die Ik ia uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaadsquot; (E Voto, III, bl. 45). Of inderdaad deze expresselijke beperking in het profetische woord ligt, moge hij beslissen, die den voiledigen tekst vergelijkt, waar we lezen: „noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toequot;1quot;1. Ons dunkt, juist deze laatste toevoeging geeft duidelijk te kennen, dat het allerminst de bedoeling der H. Schrift is om hier een precies voorschrift te geven aangaande het voortloopen van de lijn des verbonds niet verder dan tot en met het tweede geslacht. Duidelijk blijkt hier intusschen, hoe Dr. K. hier in flagrunten strijd komt met de iu 't vervolg besproken opvulling

ocr page 24

tegen de volkskerk m. i. voort uit Doopersche sympathiën (een teveel nadruk leggen op het subjectieve [„om het geloof te versterkenquot;] en teweinig op het objectieve [„om het verbond te verzegelenquot;]), uit een opgeven van het volk als volk, uit moedeloosheid, voortvloeiend uit miskenning van de heerlijke ruimte der verbondsbelofte, uit een achterstellen voor de praktijk des levens van Gods geopenbaarden wil bij Gods verborgen raad.

Dat ook Calvijn deze ruime beschouwing van het verbond der genade en van de doopspraktijk deelde, blijkt uit een brief aan Knox, waarin hij schreef: „Omdat bij het rechte

Viiu Calviju eu in 't algemeen van de Gerefonneerile kerk. Hoewel in het afgetrokkene moet worden toegegeven, dat de mogelijkheid bestaat, dat Dr. K. op dit punt en in zake art. 36, dat er natuurlijk nauw mee samenhangt, gelijk zou kunnen hebben, zoo is het toch reeds a priori onwaarschijnlijk te achten, dat de Gereformeerde kerk zich op twee zulke aangelegen punten juist in haar krachtigen bloeitijd zou hebben vergist. Merkwaardig is het, dat Dr. Kuyper vóór de doleantie in dit opzicht nog liep in het Gereformeerde spoor, doch dat daarna zijne denkbeelden zich wijzigden. In 1886 gaf hij nog een overdruk van vroegere Herautartikelen (van welk jaar geeft de voorrede, helaas, niet aan), waarin we lezen, hoewel nu naar de andere zijde wat overdreven, toch in Gereformeerden geest: „Onze derde grief is tegen predikanten, die den heiligen Doop weigeren,

indien de ouders kerkelijk niet gaaf staan...... Hiertegen nu geldt:

1° Dat een pre.likant nooit den Doop mag weigeren. De doop is eeu schat der gemeente, waarover de kerkeraad, niet de prediker beschikt. Maar ook 2° dat de regel der kerk is: „Doopen al wat het doophuis inkomtquot;! Doop mag eigenlijk nooit, dan in zeer bijzondere gevallen, geweigerd. De gemeente stoot niet af, maar trekt aan, ze verstrooit niet, maar vergadert [wij cursiveeren]. Stel dus het ergste, stel dat er een kind ten Doop wordt aangeboden uit heidenen. Turken of Joden geboren, dan moet het toch gedoopt, indien eenig lid der gemeente er gebiedenls over heeft, er voor op wil treden [als getuige nl.] of ook de kerkeraad (d. i. de gemeente geconcentreerd) er macht over krijgtquot; [Vit het Woord, Tweede serie. Derde bundel, Fraktijk der godzaligheid, bl. 65),

ocr page 25

23

gebruik van den Doop het gezag Gods moet gelden en Zijne instelling moet beslissen, wat recht is, moet men in de eerste plaats vragen, wie God met Zijne slem lot den doop roept. Nu omvat de belofte niet alleen het zaad van elk der geloovigen in het eerste geslacht, maar zij wordt uitgestrekt over duizend geslachten. Waardoor het ook geschied is, dat de onderbreking der vroomheid, die onder het pausdom is ingeslopen, de kracht en de uitwerking van den doop niet heeft weggenomen. Want men moet op den oorsprong letten, het wezen en de natuur van den doop moet uit de belofte worden afgeleid. Daarom behoort ook het nakroost van vrome voorouders tot het lichaam der kerk, ook al zijn de grootvaders of vaders afvalligen geweest. Want hoewel het een dwaas bijgeloof is van het pausdom om kinderen van Joden en Turken te stelen of van hen weg te nemen en aanstonds te doopen, zoo worden toch ook overal, waar de belijdenis van het Christendom niet geheel en al uitge-bluscht was („ubicunque non prorsus intercidit vel exstincta fuit christianismi professioquot;), de kinderen van hun wettig recht beroofd, als zij van het gemeenschappelijk leeken worden geweerdquot; 1).

Dat ook onze vaderen inderdaad deze ruime doopspraktijk hebben gevolgd en alzoo tot stichting eener volkskerk hebben kunnen komen, daarvan kan ons reeds een vluchtige inzage van de door Reitsma en van Veen uitgegeven Acta der Provinciale en Particuliere Synoden overtuigen2). Ten slotte

2»

1

Zie Corpus Reformatorum, Op. Calv.. vol. XVII, p. 666 sq. Vg. mijne dissertatie John Knox als Kerkhervormer, bl. 236.

2

Deel II, bi. 145. „Op de vraghe van die van Dordrecht, of men de kinderen der afghesneden van der gemeynte doopen mach. K. Ja met conditie, dat men de ghevaders vaster in de belofte van die kinder ghetrouweiick te ondenvijsen verbindequot;, bl. 203: „Ende aengaende de kynder, als sij nyet van Joden oft Turcken etc. syn, soe moet se een dienaar doopenquot;. Deel IV, bl. 20: Aangaande onechte kinderen: „Men sail die kinder doopen und haer die onordenungh der elteren niet misgelden laeten, maer niet te weinigeu sal men die

ocr page 26

24

zij hier nog herinnerd, wat Maresius in zijn aan de academiën langen tijd gebruikt Breve Systerna kort en zaakrijk over deze materie heeft gezegd (Ed. sec. p. 512): „de naam van bondgenooten moet hier zoo algemeen mogelijk worden opgevat, zóó dat de kinderen van Rooraschen of van andere ketters, die den christelijken naam nog behouden, niet moeten geweerd worden van den doop in de orthodoxe kerk, indien de ouders dit begeerd hebben, of indien zij, die hen ten doop houden (hetgeen echter eene zaak is louter van kerkelijke orde), willen waken voor hunne onderwijzing, wanneer zij opgroeien.......En ook moet de doop niet geweigerd worden aan de kinderen van geëxcommuniceerden, daar deze den christennaam nog niet geheel hebben afgezworen, en omdat de kinderen niet moeten dragen de ongerechtigheid der oudersquot;. Ook zegt hij nog: „ik meen, dat hetzelfde voorrecht (van den doop) wordt uitgestrekt1) tot die kinderen, die door bondgenooten als de hunne zijn aangenomen, daar de haat moet worden weggenomen en de weldaden moeten worden vermeerderd, en de aanneming eenigszins in de plaats treedt van de natuurlijke voortbrenging.

elteren in den kercken opentlick straffen ende ernstlick vermaeaen, dat sie sich der ordenungh begevenquot;, bh 135: „Antwoort de syno-

dus, dat men ..... die kinderen der ghenigen, die selfs gedoopt

syn, van den sacramenle niet en zal weirenquot;, bl. 206: ,,Wort ge-vraecht, hoe sich een kerckendienaer houden sal, indien enige lant-lopers, die sich heydenen noemen [Zigeuners], begeeren haere kinderen in de Gereformeerde kercke te laeten dopen? Kesp. Dewijl susdanige landlopers gene onchristenen maer meestendeels christenen, jae oock enige derselffsten lantsaten syn, aoo sal men goede achtinge geven, off die olders stiffs gedoopt syn ende off oock die kinderen tevoren ergens waer anders gedoopt syn. Indien het eerste jae, ende het ander neen bevonden wert ende die olders beloven haere kinderen in de christelicke religie op te trecken, soo sal men se doopenquot;. Zie verder het zaakregister op „Doopquot;.

1) Dit werd echter door andere Gereformeerden ontkend, vandaar dut M. liet inleidt met: „ik meenquot;.

ocr page 27

25

En ook moeten bastaarden en onechte kinderen niet van den doop geweerd worden, daar ook Zera en Peres, in het huis van Juda uit hoererij geboren zijnde, en Isnaël in het huis van Abraham uit een bijwijf geboren, toch besneden zijn gewordenquot;.

Men ziet hieruit, hoe ruim onze vaderen, en dat op geheel Schriftuurlijke gronden, den doop hebben opgevat. Zij huldigden blijkbaar deze opvatting, dat evenals Israël onder het O, Verbond zoo nu ook, inzonderheid na de hervorming, het Nederlandsche volk als volk met God den Heere in verbond stond en dat dus alleen in zeer enkele gevallen, wanneer een tak blijkbaar geheel verdorde en den christennaam weigerde en den doop voor zijn kroost niet meer begeerde, de doop moest worden nagelaten. En een tekst als Ez. 16:20 en 21 evenals de geheele verbondsgedachte in de Schrift gaf hun ongetwijfeld recht tot deze opvatting.

Het vasthouden aan de verkiezing als aan een duidelijk geopenbaarde waarheid Gods mag ons namelijk niet doen voorbijzien, dat God wil, dat wij in de praktijk (zoolang zich Zijn verborgen wil immers nog niet heeft geopenbaard) zullen te werk gaan naar Zijn geopenbaarden wil, d. i. naar Zijne verbondsbelofte, en wel blijkbaar naar die belofte, zoo ruim mogelijk opgavat. Het is nu eenmaal de bedoeling Gods, dat onkruid en tarwe tezamen zullen opwassen tot den oogst. God wil blijkbaar, dat Zijne Gemeente in deze wereld zich zal vertoonen als een betrekkelijk kleine kern temidden van een zwaren bast. Men denke aan de geschiedenis van Israël en aan de geschiedenis der christelijke Kerk. Men denke aan Jezus' woord over de „velen, die wandelen op den breeden, en weinigen, die wandelen op den smallen wegquot;, en aan dat andere; „velen zijn geroepen, weinigen uitverkorenquot;. Nu mogen wij niet die bast (der uitwendig geroepenen) willekeurig wat dunner willen maken, maar wij moeten vrede nemen met Gods beschikkingen en Zijne wijsheid ook daarin opmerken en eerbiedigen. Want hierin, dat er zooveel onkruid met de tarwe opwast, ligt nog een zegen,

ocr page 28

26

die wij niet uit overgeestelijkheid mogen minachten, eon zegen nl. tot bedwinging van het kwade en dus tot vermindering van het oordeel, en ook tot bewaring van de uitwendige vruchten van het christendom voor de maatschappij.

Indien wij toch op Labadistische en Doopersche wijze de kern van de bast willen scheiden, dan zullen wij vooreerst hierin gedurig mistasten, omdat wij dan op echt Doopersche wijze slechts zien op „wat voor oogen isquot; en niet op wat God in 't verborgene nog doet of uit kracht van Zijn verbond nog zal doen, en dan zullen wij alzoo vaak scheuren datgene, wat bijeenhoort. Maar ook, indien het ons al tot op zekere hoogte gelukte, dan zou het slechts ten gevolge hebben, dat de goddeloozen en ongeloovigen temeer in zonden losbraken. God wil, dat onkruid en tarwe tezamen zullen opwassen tot den oogst, dat de tarwe alzoo de kracht van het onkruid breken zal Maar wanneer nu de tarwe tegen het bestel Gods zich op ééne plaats vereenigt, dan kan ook het onkruid zich zoo machtig ontwikkelen, dat het straks in overgroote overmacht het kleine groepje tarwe als verplettert, tenzij God het nog verhoede. Zoo zal ook de uitbreking der zonde bij velen nog worden bevorderd en alzoo hun oordeel verzwaard, terwijl zij zich nu althans nog uitwendig, d. i.: geveinsdelijk 1) voor Christus buigen (Vg. Deut. 33 : 29, Ps. 66 ; 3) en alzoo de uitwendige zegeningen van het Christendom nog in de maatschappij blijven heerschen (vg. de uitwendige zegen als gevolg van de uitwendige vernedering van Achab, 1 Kon. 21:29, en de terughouding van het oordeel wegens het nog niet „volkomen zijnquot; der ongerechtigheid. Gen, 15: 16»).

1

üe Gereformeerden onderscheidden daarom tusschen openbare oijanden (die met alles gebroken hadden), hypocr.eten of geveinsden (die uitwendig zich bij de kerk voegden) en ware geloovigen. Deze principieel juiste onderscheiding verdient aanbeveling, omdat zij een prikkel slaat iu de geiveteus.

ocr page 29

27

De kerk moet dus ruim zijn in het opnemen van kinderen, die immers hun ongeloof nog niet hebben geopenbaard. In een christenland geldt dus van die kinderen hetzelfde, dat God door Ezechiël tot de Israëlieten zeide: het zijn „de kinderen, die gij Mij gebaard hebtquot;, het zijn „Mijne kinderenquot;. Zij moeten dus, zooals Calvijn zeide, „van het gemeenschappelijk leeken worden voorzienquot;; wij voegen erbij: evenals de Israëlieten, ook al weten wij niet van tevoren evenmin als de Israëlieten, bij wie dit teeken tevens zal blijken te zijn „een zegel der rechtvaardigheid des geloofsquot; voor hen persoonlijk. Wij moeten hiervan eenvoudig, ziende op de verbondsbelofte, het beste hopen, ook ai weten wij, dat „niet allen Israël zijn, die uit Israël zijnquot;. De gedachte aan de verkiezing mag ons hierbij geen oogenblik belemmeren. De H. Schrift geeft ons overal hiervan het voorbeeld door een ruime aanbieding des hei Is!) en door den ruimen

1) Vg. Calnjns verklaring van Hand. 3:21: .(Wo moeten ook letten op het algemeene partikel „alvviequot;. Want Gud laat, zouiler onderscheid des persoons, alien tot zich toe en op deze wijze noodigt lly ze tot de zaligheid, gelijk ook Paulus getuigt (Bom. 10 : 20). En van tevoren was het ook reeds door den profeet gezegd: „Gij Heere hoort het gebed, tot U zal alle vleesch komenquot; (Ps. 63 : 3). Dewijl dan niemand uitgesloten wordt van de aanroeping Gods, zoo staat de deur der zaligheid voor allen open en niets is er dat ons verhindert in te gaan, dan ons eigen ongeloof. Ik bedoel allen aan wie God zich door Zijn evangelie heeft geopenbaardquot;. Wie de Gereformeerde gedachte eenigs/.ins verstaat, weet wel, dat zulk een zeggen niet in strijd is met de volmondige erkenning van een verborgen raad Gods. Doch om zich deze gedachten in te denken, moet men eerst de Eemonstrantsche carricaturen der Gereformeerde leer uit zijn hoofd gebannen hebben, moet men ernst gemaakt hebben met wat, bv. Dr. Bavinck in zijne Gereformeerde Dogmatiek zoo uitnemend heelt ontwikkeld: „AU maar eerst het recht en de eere Gods waren erkend, rieden alle Gereformeerden de voorzichtigste en teederste behandeling van de leer der praedestinatie aan, en waarschuwden tegen ijdele en nieuwsgierige onderzoekingenquot; (II, bl. 373), en: Daarom is dit besluit ook geen fatum [noodlot^, dat den mensch tegen zijnen

ocr page 30

28

vorm, waarin de belofte van het verbond der genade tot ons komt: „en uwen zade na isquot;. De Raad Gods is de mystieke achtergrond der dingen, die dus van zelf voor de praktijk des levens ook voor ons bewustzijn op den achter-grond moet treden '). Dit geldt niet alleen ten opzichte der

wil voortdrijft; geen Damocleszwaard, dat dreigend boven zijn hoofd hangt. liet is niet anders dan de Goddelijke idee van de werkelijkheid zelve. In het besluit liggen oorzaken en gevolgen, voorwaarde en vervulling, ligt heel het verhand der dingen juist zoo aaneengeschakeld, als we dat in de werkelijkheid aanschouwen. Zonde, schuld, ellende, straf hebben in het besluit diezelfde natuur en diezelfde onderlinge verhouding als in de wereld der dingen zelve. Wij zien dat besluit, dat ons niet van tevoren is geopenbaard, allengs ia zijn gansche volheid zich ontvouwen in de historie; bij ons is het en moet het zijn de zuivere reflex in ons bewustzijn van de werkelijkheid. Wij denken de dingen nadat ze zijn. Maar bij God is het besluit de eeuwige idee van de werkelijkheid, gelijk die allengs in den tijd zich ontplooit. Zijne gedachten der dingen gaan aan huu zijn voorafquot; (II, bl. 375). Vg. ook Ed. Böhl, Dogmatik, bl. 545: „Uit het gezegde is het duidelijk, dat de verwerping zich in het leveu voltrekt eu hier een veel verstaanbaarder en verdragelijker aanzien verkrijgt dan in de magere theorie of de doode afgetrokkenheid van het systeemquot;.

1) Sommigen, in de war gebracht vooral door de in dit opzicht te weinig eenvoudige latere Voetianen (der IS4* eeuw), meenen, dat mijne voorstelling hier te ruim is. Doch men leze maar eens de exegetische geschriften en preeken van Calvijn. Deze bewegen zich uit den aard der zaak meer op praktisch terrein dan zijne Institutie en deze gaan geheel van de hier gegeven voorstelling uit. Dit was geen inconsequentie (vg. boven het citaat uit Böhl), zooals men 't veelal voorstelt, maar een welbewuste. Schriftuurlijke wijze van praktisch optreden. Men vergete toch niet bij zijn onderzoek naar de eigenlijke Gereformeerde theologie het woord van wijlen Prof. Kleyn in zijne Bijzonderheden uit de Nederlandsche Kerkgeschiedenis (meegedeeld in de Kerkelijke Courant van 1896), u0. XVII: „De leer-heiligheid, door de Arminiaansche Twisten gekweekt, was nog niet daar, veel minder de praktijk der Godzaligheid, die met de leer-

ocr page 31

29

verkiezing (men lette hier wel op), maar dit geldt feitelijk ten opzichte van alle dingen voor een ieder, die aan de

heiligheid tegelijk de Reformatorische beginselen op den achtergrond heeft geschovenquot;,

Men kan op het hier bedoelde punt niet eenvoudig, kinderlijk genoeg zijn (Matth. 6 : 22). Om nog enkele voorbeelden te geven van Calvijn, bij Matth. 33 : 37 teekent hij aan: „Dat nu de drogredenaars deze plaats aangrepen om te bewijzen dat de wil vrij is, en ter bestrijding van de verborgene voorbestemming Gods, laat zich gemakkelijk weerleggen. God wil, zeggen zij, allen bijeen vergaderen ; het staat derhalve allen vrij te komen, en hun wil hangt niet af van de uitverkiezing Gods. Ik antwoord, dat de wil van God, waarvan hier melding gemaakt wordt, beschouwd moet worder; in verband met diens uitwerking. Want aangezien Hij door Zijn Woord allen zonder onderscheid tot de zaligheid roept, en dit het doel der prediking is, dat allen tot zijne hoede en zijne trouw de toevlucht nemen, heet het terecht dat Hij allen tot zich vergaderen wil. Niet het verborgen raadsbesluit Gods, maar zijn wil, die uit den aard zijns JFoords gekend wordt, wordt ons hier derhalve beschreven. Want ongetwijfeld trekt Hij degenen, die Hij krachtdadig vergaderen wil, inwendig door zijnen Geest, en noodigt hen niet blootelijk door het uitwendig woord der prediking. Werpt iemand tegen, dat het ongerijmd is zich in God een tweevoudigen wil te denken, zoo antwoord ik, dat wij gelooven dat zijn wil één en ondeelbaar is, maar dat Gods wil ons naar onze weinige vatbaarheid als tweevoudig voorgesteld wordt, omdat ons verstand in den diepen afgrond der verborgene uitverkiezing niet doordringen kan. Ook verwondert het mij dat sommigen de anthropopathie [het toeschrijven van menschelijke gewaarwordingen aan God], die in de Schrift veelvuldig voorkomt zonder dat zij er zich aan stooten, alleen in dit geval niet willen toelaten. Daar ik echter deze bewijsgrond elders uitvoeriger behandeld heb, zal ik thans om geen noodeloos werk te doen slechts kortelijk opmerken, dat zoodra de leer, die als het ware het vaandel der eenheid is, openlijk uitgesproken wordt. God allen wil bijeenvergaderen , opdat degenen die niet komen geen reden tot verschooning hebbenquot;. Bij Jezus' bede in Gethsemane: „Doch de vraag rijst hier, hoe Hij vragen kan dat het eeuwig raadsbesluit des Vaders, waarvan Hij niet onkundig is, veranderd worde? Want al

ocr page 32

30

Voorzienigheirl Gods en aan een Raad Gods gelooft, „die bestaan zalquot;, voor ieder, die gelooft, „dat er geen muschje op aarde valt zonder den wil zijns hemelschen Vadersquot;. Onze vaderen drukten dit aldus uit: wij hebben ons te richten niet naar Gods verborgen, maar naar Gods geopen-

voegt Hij er de voorwaarde bij: indien het mogelijk is, toch schijnt het ongerijmd, dat Hij een wending in het plan Gods ïou willen brengen. Immers, dit moet onomstootelijk vaststaan, dat God onmogelijk zijn raadsbesluit kon veranderen. Bij Markus schijnt het, dat Christus Gods macht tegenover zijn raadsbesluit stt-lt: alle dingen zijn u mogelijk, zegt Hij. Doch het zou verkeerd zijn de macht Gods in zulk een uitgcstrekten zin te nemen, dat Hij er veranderlijk en voor omkeering vatbaar door worden, en alzoo zijne waarachtigheid schade lijden zou. Op deze bedenking antwoord ik, dat er peen ongerijmdheid in is, dat Christus, ffelvjk alle vromen gewoon zijn te doen, zonder op het goddelijk raadsbesluit te zien, zijne vurige begeerte in den schoot des Vaders nederlegdequot;. Bij Luk. 19:41: „Men heeft gemeend, dat het ongerijmd was, dat Christus

weende over een kwaad, welks genezing in zijne macht stond......

Ik stem toe, Hij was God; maar zoo dikwerf Hij het ambt van leer aar vervullen moest russte en verborg zich zijne Godheid in zekeren zin [dit geldt ook voor menschelijke leeraars ten opzichte van de gedachte aan Gods verborgen raad] om de taak van den Middelaar [leeraar] niet in den weg staanquot;. Deze voorbeelden zouden met vele te vermeerderen zijn. — Ditzelfde ruime standpunt vindt men nog in § 16 van hoofdstuk I der Dordsche leerregels, in welks licht de verkiezing en verwerping altijd behoorden beschouwd en gepredikt te worden: „Die het levendig geloof in Christus of het zeker vertrouwen des harten, den vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus in zich nog niet krachtiglijk gevoelen, en nochthans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet mismoedig worden, wanneer zij van de verwerping hooren gewagen, noch zichzehen onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan, naar den tijd van overvloediger genade vuriglijk verlangen, en dezelve met eerbiedinge en ootmoedigheid verwachten. Veel min behooren voor deze leer van de verwerping verschrikt te worden degenen, die ernstiglijk begeeren

ocr page 33

31

baarden wil1). Eu daarom, wil iemand de vraag der verkiezing stellen, dan geldt ten opzichte van allen, met wie

zicli tot God te bekeeren, Hem alleen te behagen en van het lichaam des doods verlost te worden, en nochtans in den weg der godzaligheid en des geloofs zoo ver nog niet kunnen komen als zij wel wilden. Gemerkt, de barmhartige God beloofd heeft, dat Hij „de rookende vlaswiek niet zal uitblusschen en het gekrookte riet niet zal verbreken''. Maar deze leer is met recht schrikkelijk dengenen, die God en Christus den Zaligmaker niet achtende, zichzehen den zorgvuldigheden der wereld en den wellusten des vleesches geheel hebben overgegeven, zoolanq zij zich met ernst tot God niet bekeeren''.

Ij Voor velen is een dergelijke redeneering in onze dagen, helaas, onverstaanbaar. Dit komt, omilat men aan de Gereformeerde wijze van denken en voorstellen geheel ontwend is. Dit komt, omdat men zich door het Kemonstrantsche dringen op zoogenaamde consequentie op dit punt de eenvoudigheid en spontaanheid des geestes, die voor elk handelen en inzonderheid voor elk gebed, ja, ook voor de ineenzetting van een levend dogmatisch systeem noodigzijn, heeft laten ontnemen. Men worstelt met den verborgen raad Gods, neemt dien niet eenvoudig aan en kan zoo niet komen tot het spontane handelen, lot de eenvoudige uitstorting des gemoeds en tot het ware weergeven der levende werkelijkheid. Hier is de beurt aan de Gereformeerden om de Kemonstranten en Reraonstrantschgeziuden te beschuldigen, dat zij te diep willen doordringen in Gods verborgenheden. Terecht zegt Dr. A. Kuyper (Uit het woord, le serie, 2e deel, 2 dr. bi. 191): „Vindt de Hervormde kerk in de ééne Schrift eenerzijds de stellige openbaring van Gods uitverkiezingen, doch andererzijds de even stellige openbaring van 's menschen schuld en verantwoordelijkheid; naast het: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekke'', het even stellig gebod: „Bekeert uquot;, — dan erkent ze beide feiten, beide verklaringen, ook al begrijpt ze nog ter wereld niets ran den samenhang, die beide feiten vereenigt. Het is onze kerk niet om een welgeordend sgsteem, niet om een prachtige constructie der gedachten te doen, maar om werkelijkheid, om kennisse van het leven Gods gelijk het is. Ze heeft met de Kemoiistranteu niet een wedstrijd gestreden, wie het fijnst de kiem eener gedachte uitpluizen en ontleden kon, maar er zich tegen verzet, dat men een daad Gods zou wegcijferen, die er was, en daardoor

ocr page 34

32

men ook in aanraking komt: „de eorum electione pie est praesumendumquot; [„omtrent hunne verkiezing moet men vrome vermoedens koesterenquot;]. De liefde geloove ook hier alle dingen. Het is precies hetzelfde als wanneer een geloovig geneesheer staat tegenover zijne kranken. Hoewel hij gelooft, dat de levensduur van eiken mensch bij God is bepaald, ja hoewel hij in het algemeen weet, dat hij niet al zijne kranken behouden zal, zoo zal hij toch, waar hij staat tegenover éénen kranke persoonlijk, van hem het beste hopen en doen al wat zijne hand vindt om te doen, opdat hij hem behouden mocht, omdat de liefde zijns harten hem dringt. En dit geldt nog zooveel te meer op geestelijk gebied, juist omdat hier van wege Gods overvloeiende genade ook de ergste symptomen nog geen teekenen van niet-verkiezing zijn, zooals ons de geschiedenis van den moordenaar aan het kruis leert!).

den blik op het eeuwige zou vervalschen. Wil men, dan moet erkend, dat de Dordsche Vaders zoo inconsequent mogelijk waren. Ze leerden, dat de verkiezing vim eeuwigheid was, en toch 's menschen val is zijn zonde, zijn eigen wel bewezen schuld. Ze leerden, dal het geloof, ook iu zijn eerste roerselen een gave Gods is, en tuch dat de ongeloovige schuldig staat, dat hij niet gelooft. Het was er hun niet om te doen, om de eerepalrn der zuiverheid van denken weg te dragen, of als volleerde meesters in het knutselen van systemen bij het nageslacht te boek te staan, maar om aan de gemeente die na hen kwam, trouwelijk en naar waarheid de Openbaring der Schrift over te leveren en onverkort den heiligen vrede gunnen, die in de belijdenis dezer waarheid te genieten isquot;. Zóó is het; gij hebt niet te vragen naar een zoogenaamde consequentie, maar alleen, of de verschillende waarheden der H. Schrift met hunne verschillende onder-ling'i relaties, zoover het ons gegeven is, in uw systeem zoo zuiver en zoo volledig mogelijk zijn weergegeven, en wanneer in uw systeem niets van „het dwaze Godsquot; wordt bespeurd, dan is het zeker niet in orde (1 Kor. 1:25, Kom. 11:33).

1) Dit heilig optimisme viudt men bij alle Gereformeerden uit den bloeitijd; vg. ook bv. Ursinus, Schalboek (Zondag 21}: „Ten laatste, wat de anderen aangaat, hoewel het ons niet toekomt de bijzondere

ocr page 35

33

De kerk zij dus ruim in hare doopspraktijk, want is zij dit niet, dan geeft zij langzamerhand hel volk ak volk prijs, dan snijdt zij, reeds bij voorbaat, voor Jat het ongeloof zich heeft geopenbaard, op echt Doopersche wijze dezulken af, die nog volgens Gods belofte tot het verbond behooren, die dus nog op eenigerlei wijze (d, i. ideëel [naar de gedachte Gods] of reëel [door wedergeboorte] of ook slechts door uitwendige verbandsheiligheid zooals vele niet-uitverkoren Israëlieten [vg. 1 Kor. 7 : 14 „want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouwquot;]) „heiligquot;1) zijn, dan verduistert zij dus Gods genade. Maar waar de kerk wel voor heeft te zorgen, wil zij haar beslag op het volk als volk, ook op de geveinsden, d. i. de bloot-uitwendige belijders (want hunne geveinsdheid komt natuurlijk voor hunne eigene rekening), niet verliezen, dat is: voor de opvoeding der jong opgenomen leden. Zorgt zij daarvoor niet, dan wordt zij terecht beschuldigd slechts een volks-, een massakerk te willen zijn in den slechten zin des woords, en alzoo niet te wandelen overeenkomstig Gods verbond. Daarom zegt ook Mare-

1

:4. Van de verwerping of van zichzelven of van iemand anders moet niemand uitspraak doen; xoant God wil niet, dat iemand zichzelven achte een verworpene te zijn, maar Hij wil, dat zij allen het evangelie zullen gelooven en zich hekeeren. En van anderen toil Hij dat wij het leste zullen hopen, want wie nog niet bekeerd is, die kan uog bekeerd worden voor bet einde zijns levens. Want daar zijn twaalf uren in den dag, waarin God Zijne uitverkorenen roept, gelijk het Hem behaagt, zooals de gelijkenis vau den wijngaard leert, Matth. 20quot;.

1) Het begrip „heiligquot; evenals „in Christus geheiligdquot; in ons Doopsformulier is dus een perspectievisch begrip (zooals er vele in de H. Schrift gevonden worden), dat in meer dan één beteekeuis kan en moet worden opgevat, in algemeeneren of in slrengeren zin.

ocr page 36

34

sius, sprekende over het doopen van Christenkinderen, die door anderen ten doop worden gehouden, dat „deze moeten zorg dragen voor hun onderwijs, wanneer zij opgroeienquot;. Waarborg voor de opvoeding moet er dus altijd zijn, zooals trouwens ook uit de vragen van ons Doopsformulier duidelijk blijkt.

Waar de reformatie onzer kerk in onze dagen dus heeft in te grijpen, dat is niet bij den doop. Want dan maakt zij zich de taak gemakkelijk door afsnijding hij voorbaat. Maar dat is: bij de opvoeding. De kerk moet trachten hare gedoopte leden weer bijeen te verzamelen en te bereiken door haar woord, liefst langs kerkelijken weg door een zuiveren dienst des Woords, door catechisatie en door huisbezoek ook in de groote steden, en waar dit voorloopig nog niet anders kan langs den weg van particulier initiatief door evangelisatie, colportage als anderszins, doch alzoo dat aangestuurd worde op eene meer kerkelijke wijze van arbeiden. Dit laatste moet er zeer bepaald bijgezegd worden, want het is niets dan „eigenwillige godsdienstquot; om allerlei ver-eenigiugen te willen stellen in de plaats van die Vereeniging, die Organisatie, die God tot kerstening van het volksleven, d. i. (principieel) tot opvoeding der goeden en (accidenteel) tot in bedwang houding der boozen (Matth. 13:30® „laat ze beiden tezamen opwassenquot;) besteld heeft, nl. de Kerk.

Doch bij de opvoeding door het Woordt komt dan ook bij de volwassenen de tucht. Men mag niet bij voorbaat afsnijden. Tegenover de jeugdigen, de doopelingen, zij men dus ruim. Maar indien bij de volwassenen het ongeloof en de goddeloosheid zich openbaart en hardnekkig blijft openbaren, dan moet afsnijding volgen, hetzij censuur, d. i. voor-loopige afsnijding van de gemeenschap, hetzij de bai, d. i. algeheele afsnijding. Tot deze opvoeding en tuchtoefening is de kerk verplicht mede door den door haar voorgestanen kinderdoop.

Intusschen kan en mag op een tuchteloozen tijd niet op eenmaal een tijd van gestrenge tucht volgen, „opdat men nietquot;, gelijk onze vaderen plachten te zeggen, „het lichaam

ocr page 37

35

(d. i. de kerk) doode in plaats van Let te genezenquot;. Ook de hervormers hebben daarmede terecht in de eerste dagen der hervorming gerekend. Ook wij hebben er dus vooral in onze dagen op te letten, dat de eerste sleutel van het Koninkrijk Gods, d. i. de dienst des Woords, aan de tweede sleutel, d. i. de uitoefening der lucht, behoort vooraf te gaan, evenals in een goed geordend huisgezin opvoeding aan tucht voorafgaat ').

Evenwel blijft het dus onze dure plicht om nog met de gebrekkige hulpmiddelen, die wij hebben, zoo goed mogelijk tucht (levenstucht) te oefenen en intusschen aan te sturen op zulk eene organisatie onzer kerk, waarbij alleen eene volledige (leer en leven betreffende) Schriftuurlijke tuchtoefening mogelijk wordt, d. i. dus de presbyteriale organisatie, want wij mogen een „malum bene positumquot; [„goed ingeworteld kwaadquot;], d. i. de tuchteloosheid, niet laten bestaan, ook omdat alzoo alle waarborg voor de goede opvoeding der ge-doopten zoowel door de ouders als door de kerk zelve gaat ontbreken.

Want hoewel het recht om te doopen zijn grond vindt in het verbond, zoo neemt dit de dure verplichting der doop-houders en dus der gansche kerk ten opzichte van de ge-doopten niet weg. Waar wij op echt-evangelische wijze met

1) Om nu te zeggen: wij zullen de volkskerk prijsgeven en een kring van vromen vormen en voorts trachten uit tie gedeformecnle volkskerk zooveel mogelijk geloovigen te winnen, die zich bij onzen kring, onze ,,kerkquot;, aansluiten en wij zullen trachten om alzoo op nieuw de kerk in ons volksleven te planten en op deze wijze ons volk te kerstenen, — dal is, zoo.ils men gevoelt, juist de Dooper-sc/ie wijze van reformatie, die het volk als volk prijsgeeft om van nieuws af aan als in een heidensch land te beginnen, en dit is dus in den grond eene miskenning van het verhond der genade. Dit is uiet de Gereformeerde wijze van reformatie, die juist geheel uitgaat van hel verbond, zooals uit den boven geciteerden brief van Calvijn eu uit geheel het reformatorisch optreden onzer vaderen overduidelijk blijkt.

ocr page 38

36

onze Gereformeerde vaderen een ruime doopspraktijk wenschen te handhaven, daar hebben wij te toonen, dat ook deze evangelische leer geen kerkrechtelijk godilelooze en zorge-looze menschen maakt, maar inderdaad menschen, die in het geloof, in de kracht huns Heeren „doen wat hunne hand vindt om te doen met hunne machtquot;, opdat zij nog behouden mochten „heel de kerk en heel het volkquot;.

ocr page 39

'•i ^ WÜ .4

bibliotheek

1 NED. HERV. KEf^K

ocr page 40