HET OM DE ANDERE
IN ONS
NOTENSCHRIFT,
VOLGENS
HET SYSTEEM-DE SONNAVILLE.
vjs? «SS?
DRUKKERIJ G. F. THÃONVILLE, LEIDEN.
41 K73
HET OM DE ANDERE
IN ONS
NOTENSCHRIFT,
VOLGENS
HET SYSTEEM-DE SONNAV1LLE.
3042 417 4
lt;r
DKUKKKRIJ G. F. TMKÃNVILI E, I.BIDEN.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
L. DE SONNAVILLE, S.J.
OFFICIER IN DE ORDE VAN ORANJE-NASSAU, MUZIEK-DIRECTEUR VAN HET COLLEGIE TE KATWIJK AAN DEN RIJN.
Constructie van 2 gewone notenbalken.
Als leerstof van elementair onderricht voor iedereen gaat hier een bloote constructie van 2 gewone notenbalken de nieuwe theorie der Notenleer in haar geheel vooraf.
Het notengebied bestaat uit een bovenhelft. Discant, en een benedenhelft, Bax.
De stamtonen C - D - E - F - G - A - B, op verschillende toonhoogte herhaald, vormen octaven, waarvan de lagere aanvang-C, de prime, en de hoogere slot-C de octaaf genoemd worden. Het octaaf is de toonschaal met de octaaf er bij.
Als prime opent de middelste C van het notenstelsel den Discant, en als octaaf sluit diezelfde C den Bas. Bijgevolg is deze C, in haar dubbele beteekenis, het uityangz-punt, vanwaar de Discant op- en de Bas «/'klimt. Als middelpunt noem ik haar notenplaats 't Centraallijntje, te onthouden als eerste hulplijntje hoeeu den F-balk en onder den G-balk.
Het cijfer 1 wordt er hier als volgnummer bijgezet om de lagere en hoogere Cs met 2 en 3 te kunnen nummeren. Dit zijn de Octanfcijfers der Cs tanden, die. om de andere, zich voor doen als lijnnoot en tusschennoot, en telkens over 3 lijnen heen. De oneven G's zijn lijnnoten, de even Cs tusschennoten.
Het merktoeken van den Bashalk is de F-sleutel op de 4e lijn, en van den VioolhaJk de G-sleutel op de 2e lijn.
In teekening komen deze gegevens, die geheel aan-
schouwelijk en zonder hoofdbreken te leeren zijn, hier op neer:
3t
Voor de kennis der overige notenplaatsen dient de
regel der Systeem rijtjes: âIn elk octaaf zijn E-G-B
omhootj gelijkvormig met de lage C-prime, en A ⢠F - D omlaag met de hooge C-octaaf.quot;
i
r
Basbalk.
/jB
2
f
A/
Volwassenen zullen een en ander terstond genoegzaam begrijpen, om er zich verder in te kunnen oefenen: en laat men kinderen eenige malen nateekenen wat men hun vóórteekent, dan zullen zij er ook spoedig in t' huis komen. De leerstof' in vragen en antwoorden zal het leeren vergemakkelijken.
5
Hetzelfde in vragen en antwoorden.
I. Wat zijn Bas en Discant?
De beneden- en boven-helft van het notenstelsel.
v W-it Win
J C-D-E-P-G - A - B '
De letters van de stamtoonschaal met haar volgnummers.
3. Wat zijn C - E - G - B en D - F - A ?
Het oneven en even toonsi haaivijl'e, of de letters om »le andere.
4. Wat zijn octaven?
Do stamtoonschaal op verschillende toonhoogten.
5. Wat zijn lt;le prime en de octaaf'?
Do lage aanvang-c en de hooge slot-c van oen toonschaal. 0. Wat is do middelste C van het notenstolsol ?
Ontsluiter van den Discant en sluiter van don Bas.
7. Wat is haar notonplaats?
Het uitgangspunt, vanwaar de Discant op- en de Bas afklimt.
8. Hoe heet haar lijn?
Het ccntraaUijnlje,
tf. Welk is haar volgnummer?
Het cijfer 1.
J0. Wat zijn octaafcijfers'!
De volgnummers der gezamenlijke Cquot;s 1, 2, 3 in Discant en Bas.
II. Hoe heeten de twee gewone notenbalken?
De Basbalk en de Vioolbalk.
12. Welk zijn hun merkteekens?
Do P-sleutel op de 4e lijn van den Basbalk en de G-sleutel op de 2e lijn van den Vioolbalk.
13. Hoe zijn de notenplaatsen sletselnudiy te leeren?
Met behulp van de regels der C-stanclen en der Si/sleemrijljes.
14. Hoe luidt de regel der C-standen?
Over 3 lijnen heen, zijn alle Cs, op- en afwaarts, om de andere, lijnnoot en tusschennoot.
15. Hoe luidt de regel der Systeemrijljes?
In elk octaaf, zijn E - G - B opwaarts gelijkvormig met do lage C-pnme, en A - P - D afwaarts met de hooge C-octaaf.
IB. Hoe zijn de C-noten makkelijk te onthouden?
Door te denken aan 't centraallijntje voor C ', aan de tusschen-ruimte onder en boven de middelste balklijn voor C en aan de 2e hulplijn onder den Basbalk en boven den Vioolbalk voor C â¢!. 17. Hoe kan men zich deze gegevens vlug eigen maken?
Door ze langzamerhand correct te leeren teekenen.
6
N. B. Het om de andere is ook toepasselijk aan de piano; want, van eiken C-toets uit â den witten links van elk zwart tweetal â vindt men, om den anderen naar rechts, E - G - B en D - F - A er tusschen.
Consequenter nog en zeer leerzaam is het, middenin te beginnen, met C - E - G - B en D - F - A er tusschen naar rechts, en met A - F - D en B - G - E - C er tusschen naar links 1).
Het spreekt van zelf, dat men kinderen in de theorie der notenleer practisch moet oefenen. Dit kan op verschillende manieren geschieden:
Een noot, die vertoond wordt, laten noemen.
Gedicteerde noten laten teekenen.
Een opgegeven noot mondelings of schriftelijk laten omschrijven.
Rhythmisch notenlezen met rustig handgebaar 2).
1
âVoorbereidende klavieroefeningen, in verband met mijn notenleerquot;, D. Bolle, Rotterdam.
2
..Noten en rhythmusquot;. Joh. Vetli. Wagenaar, Utrecht.
Het om de andere in ons Notenschrift.
Het is te begrijpen, dat leeraren, die hun notenkennis langs den ouden weg hebben opgedaan, zich de nieuwe leerwijze niet zoo makkelijk eigen maken als kinderen; maar leggen zij er zich op toe, dan zullen zij ook spoedig inzien, dat de leergang nu niet meer op los zand staat, gelijk vroeger.
Het zal dus geen ondankbaar werk wezen voor volwassenen, mijn nieuwe en oorspronkelijke 1) beginselen te bestudeeren, om er het eigenaardige en .stelselmatige van te leeron kennen.
Tof nu toe was het aamjeven can lijnen en noten met sleutels als uityanfjspnnten niets meer dan teekens laten zien, die zich wel ordelijk voordoen, maar wier beteekenis toch, eigenlijk gezegd, lang raadselachtig blijft.
Kiemann, die zoo vindingrijk is in zijn onderricht en tevens uitmunt in het nemen van initiatief, bekent ronduit, dat het leeren van de notenfiguren, na de beste verklaring, toch nog maar grillig memoriewerk heeten mag. Geen wonder derhalve, dat mijn theorie, die ik mondelings in zijn tegenwoordigheid behandeld heb. hem verraste en dat hij mij aanspoorde in die richting voort te gaan.
Natuurlijk kan mijn Systeem, in al zijn bijzonderheden, geen Iserstof zijn voor kinderen, daarom heb ik hier ook de voorstelling van een beknopte constructie laten voorafgaan ; maar in 't belang van de algemeene muziekleer heeft
1
Dus niet ontleend aan Zarlino, of Quirinus van Blankenburg, zooals sommigen ton onrechte beweren.
8
't zijn nut, mijn studie van het eeuwen oude lijnen-systeem, als een afgerond geheel, in het licht te stellen 1).
Hebben leeraren het fijne van het Systeem zelf goed beet, dan zullen zij, met de noodige discretie, de onder-deelen, naar omstandigheden, gemakkelijk zóó ten berde weten te brengen, dat hun leerlingen, niet in lange redeneeringen, maar in het aanschouwelijk verband der nieuwe gegevens, duidelijk te zien krijgen, hoe zij te werk moeten gaan, om stap voor stap de beginselen toe te passen op kleine of grootere schaal, naar gelang het noodig is.
Men moet echter niet denken, dat het beter zijn zou, den notenbalk in den G-sleutel afzonderlijk te laten vóórgaan, of eerst het luttel beetje noten, dat kinderen te zingen of te spelen hebben, als memoriewerk op te geven, want zoo komen die eerste notenfiguren te veel op den voorgrond te staan, met het onvermijdelijk gevolg, dat zij den baas blijven spelen in hun fantasie, als er later meer noten bij komen. De F- en G-balk van gewonen omvang moeten dus gelijktijdig op touw gezet worden, want hun Si/inetrie leidt er toe, dat zij den indruk geven van twee deelen, die elkaar, zonder de minste tegenstrijdigheid, aanvullen.
1. Het om de andere der C-noten.
D-E-F-G-A-B, - de 6 noten der Stamtoonschaal tusschen 2 Cs in, beslaan altoos 3 lijnen en 3 tusschen-ruimten, en twee noten meer vorderen er van zelf nog één lijn en één tusschenruimte bij. Komen dus bij het zestal D-E-F-G-A-B de C-prirne en de C-octaaf. dan zal blijkbaar een der twee Cs lijnnoot en de andere tusschennoot zijn; maar in alle octaven is deze logische
1
Het eigenaardige van het om de andere in de studie der tonaliteit en der accoordenleer wordt in een andere brochure behandeld.
Brochures en leermiddelen zijn verkrijgbaar te Katwijk a d. R.
9
verhouding eender, derhalve moeten alh' Cs, over â gt; lijnen heen, om de andere lijn- en tnsschennoot wezen. De C-stonden leeren teekenen is zeer raadzaam.
A
5^
3
4
ct CQ
Mijn octaafcijfers zijn de volgnummers der Cs, wier naam en schrijfwijze is;
Contra Groot Klein Een-, Tiree-, Drie-, Viergestreept
C.C.c.c. C.C. C 4.3.2.1.2.3. i
2. Omschrijving van de C-standen.
De C-noten zijn makkelijk te omschrijven, en die omschrijving moeten niet alleen kinderen, maar ook volwassenen langzamerhand van buiten kennen en correct leeren opzeggen, om haar levendig voor. den geest te hebben, bij dictee en rhythmisch notenlezen op groote schaal, een noodzakelijke oefening voor de jeugd, omdat zingen slechts weinig noten en altijd dezelfde te zien geeft.
10
(J 1 is lijnnoot van het m^ma/Iijntje boven den F- en
onder den G-balk.
C2 is tusschennoot onder de middelste balklijn in den
F- en er boven in den G-sleutel.
C 3 is lijnnoot van de 21' hulplijn onder den Bas- en boven den Viool balk.
C 4 is tusschennoot onder de 5quot; hulplijn van den F- en
boven de 5e van den G-balk.
C 213 in den F-sleutel en C3B in den G-sleutel zijn tnsschen-noot, boven en onder de 4e hulplijn der respectieve balken. Zij komen zelden voor.
De Si/metrie van de notenplaatsen der Cs, in Bas en Discant, is opvallend en geeft steun voor hechte notenkennis.
3. Het om de andere der Toonschaalletters.
De letters der Stamtoonschaal C-D-E-F-G-A-B, vergezeld van haar volgnummers,
1-2-3-4-5-6-7 C-D-E-F-G-A-B
laten duidelijk zien, dat C - E - G - B de - 3e - 5e en 7e, D - F - A de 2e - 4e en 6e letter zijn, maar 1-3-5-7 en 2-4-6 zijn het oneven en even volgrijtje der cijfers om de andere, wij mogen dus ook C-E-G-B en D-F-A het oneven en even rijtje der toonschaalletters, om de andere, noemen. Dit zijn mijn zoogenaamde Systeemrijtjes, waarmee alle notenplaatsen stelselmatig te bepalen zijn, gelijk verder zal blijken.
Men moet er aan denken dat C-E-G-B met D-F-A er boven of A - F - D er onder, ook het eigenaardige Olll (Ie andere hebben, zoodat de lijnnoten en de tusschennoten van twee octaven, die op elkaar volgen, er in eens door kunnen bepaald worden.
11
r.B-Oiquot;- . â.C-B-Si®
(3. - ^ ________X) * ^ quot;
Geen nood, dat door die ontwikkeling der gescheiden toontrappen, het bewustzijn der vereenigde toontrappen gevaar lijdt, want in onze tonen leer, komen deze tot hun recht, als de melodie van den welluidenden diatonisch en klankladder behandeld wordt.
4. De 3 sleutels.
Daar de gezamenlijke octaven uit een benedenhelft. Bas, en een bovenhelft, Discant, bestaan, is de centrale, of middelste C, feitelijk de ontsluifer ran den Discant en de sluiter van den Bas. Vandaar heet ook het merkteeken der centraalbalken Discantsleutel, ontsluiter van den Discant. Zijn sleutelnoot C wijst haar onderquint F en haar boven-qnint Gr aan, als de sleutelnoten van den laagsten en hoogsten notenbalk, den Bas- en Vioolhalk.
De gewone lijnen der sleutelnoten zijn de F-lijn, -4« balklijn van den Basbalk, en de G-lijn, 2® balklijn van den Viool-balk. De C-lijn van den Discantsleutel is afhankelijk van de toonhoogte der partijen, maar het is en blijft altijd de centraallijn, waaronder of waarboven zich meer of minder balklijnen vertoonen, naarmate de partij laag of hoog is.
Het lezen in de 3 sleutels kan men op mijn manier zoo makkelijk leeren, dat ik niet nalaten mag, hier ook een stelselmatige constructie te geven voor de notenbalken der 7 muziekpartijen te zamen.
5. De 7 classieke muziekpartijen.
Het karig gebruik van de 7 classieke muziekpartijen: Bas, Bariton, Tenor, Alt, Mezzosopraan, Sopraan en Viool is een reden te meer, om te ijveren voor haar behoud;
12
maar wij zijn niet gebonden aan de gewone leerwijze van het elf lijn ig systeem, dat onpractisch wordt, bij de groote vermeerdering van hulplijnen boven den Bus- en onder den Vioolhalk in moderne muziek.
AI stippelt of kleurt men ook de 6« lijn, het blijven balklijnen of niet. Blijven zij het. dan is er geen plaats voor hulplijnen, blijven zij het niet, dan verdwijnt de eigenaardigheid van het elflijnig geheel.
Bovendien is het denken aan de sleutelnoten van de 4o, 6« en 8e lijn een omweg, daar het geknutsel met de lijnen toch altoos uitloopt op een splitsing van de 11 lijnen in twee vijflijnigc balken, waardoor de beteekenis van de 6o en 8e lijn vervalt.
Wat de 7 partijen betreft, het zegt weinig, dat haar 7 balken te zamen 11 lijnen van verschillende toonhoogte hebben. Ik geloof dus, dat het verstandiger is, dit bekrompen Systeem hier stil te laten rusten.
Wil men er echter van spreken, omdat het historische waarde heeft, dan kan men den voor- en nadeeligen kant er van in deze teekening laten zien:
|
^--â | |
|
A--1- | |
|
^â |
-y-iâ |
|
-ÃV- | |
|
-- |
De vijflijnige balken der 7 partijen hebben geleidelijk één balklijn verschil, omdat de partijen zelve geleidelijk een terts in toonhoogte verschillen.
Gelijk reeds gezegd is, staan de beide uiterste partijen, de Bas en Viool, in den F- en G-sleutel, de 5 centrale in den C-sleutel.
l)e Bariton staat ook m den F-sleutel, maar dit rijmt
13
niet met de gewoonte van F-halk en Bashalh voor synoniem te houden.
In overeenstemming met de bestaande gegevens kunnen wij de 7 balken zoo voorstellen :
ê
fat
Bar.
Bas
6. Het om de andere in de constructie van de 7 muziekpartijen.
Geen betere toetssteen voor de practische waarde van het om de andere dan het feit, dat de 7 balken er onder elk opzicht stelselmatig mee tot hun recht komen, ïen bewijze:
1. Het staat vast, dat de 7 balken een terts verschillen en dat de middelste lijn van den middelsten balk, de Alt, centraallijn is, dus de notenplaats van den C-sleutel.
2. De Systeemrijtjes, van C uit met E - G - B omhoog-en A - F - D omlaag, zijn ook tertsen. Is C dus de middelste lijn van de Alt. dan moeten E - G - B de middelste lijnen wezen van de 3 hoogere, de Mezzosopraan, Sopraan en Viool, en A - F - D van de 3 lagere, de Tenor, Bariton en Bas.
Viool.
Sopr.
M. Sop.
^Er
Bar.
Bas
Ten. /1 Alt.
3. Worden nu de balken voltooid met 2 lijnen onder en boven de middelste, dan zijn die lijnen, van de reeds bekende middelste uit (zonder den sleutel te zien) strlsrl-
14
matig te noemen met behulp van het 0111 de andere (lor
Systeem-rijtjes.
4. De balken met den F-slentel op de 4e lijn en den G-sleutel op de 2e zijn als Bas- en Vioolbalk in de muziekleer aangenomen. De lijn van den C-sleutel der overige balken hangt af van de toonhoogte der partij, gelijk op het einde van het artikel der 3 sleutels verklaard is.
Barit,
Bas
ê:
3^
-k
9^?
Alt.
'-Â¥r.
B-
Tenor. 8 aCE
A
7. Merkwaardig gevolg van deze constructie-
Naar eigen keuze kan men C, D, E, F, G, A of B, door elk dor 11 notenplaatsen van een vijflijnigon balk, laten aanwijzen.
Wil men b.v. dat do 2e lijn F is, dan beslist het om den andere der Systeemrijtjes, dat de 3 lijnen opwaarts A - C - E zijn; maar G op de 4e lijn kenmerkt den ïenor-halk; ik zet er dus den C-sleutol neer en de noot der 2e lijn is blijkbaar de verlangde F
|
-f- |
ê c | |
|
Ti | ||
|
W J_' | ||
F gevraagil De Systeemrijtjes De sloutellijn
op de 2e lijn. toegepast. gevonden.
Geldt de vraag een tusschenruimte, dan kent men aanstonds de onmiddellijk voorafgaande of volgende lijnnoot; vandaar kan men nu op- of afklimmen met de Systeemrijtjes ter bepaling der overige lijnnoten, waarvan er één ook
15
de sleutelnoot wordt, zooals in het voorbeeld is gebleken.
Na wat oefening is deze gedetailleerde bewerking niet meer noodig, omdat het levendig voor den geest hebben van de Systeemrijtjes de sleutellijn der partij direct doet ontdekken 1).
8. Het om de andere kort en bondig.
De Cs en de toonschaalletters zijn, gelijk wij gezien hebben, door haar volgmunmers om de andere, in een oneven en even cijferreeks, te onderscheiden.
Nu combineer ik de beide cijferreeksen, gelijk zij in de oneven en even C-noten en toonschaalletters mij voor den geest staan, en ik zeg: âLijnnoten zijn de reeks, waarin het octaafcijfer is, tusschennoten omgekeerd.quot;
Hooi- ik b.v. C 8 D noemen, dan denk ik: 3 (het octaaf-cijfer) is in 1-3-5-7 (C - E - G - B), en C 3 is lijnnoot van de 2c hulplijn, derhalve is G :i lijnnoot van de 4c hulplijn.
Is dit goed begrepen dan kan men ook het kort en hondif/e begrijpen der 4 woorden âBeeksovereenkomst lijnnoten, reeks verschil tusschennotenquot; â¢, want door overeenkomst en verschil versta ik, dat (van hetzelfde voorbeeld) het octaafcijfer 3 wel aanwezig is in 1-3-5-7 (C - E - G - B) en niet aanwezig is in 2-4-6 (D - F - A).
Het wel aanwezig zijn in beide cijferreeksen zegt dus reeksovereenkomst, het niet aanwezig zijn in beide cijferreeksen zegt reeksverschil.
Dit bondig schema is korter te zeggen dan te beschrijven, maar, voor de practijk der theorie mijner volledige noten-leer in de 3 sleutels, lost zich alles op in de twee woorden : overeenkomst, verschil.
Bij voorbaat mijn compliment aan allen, die het zoo ver brengen, want zij hebben deze bladzijden, ten nutte
1
Dc vierlijnigo balkon van Kerkmuziek worden behandeld in âNotenleev voor Seminaristenquot;, Thóonville, Leiden.
16
van algemeen stelselmatige notenleer, goed bestudeerd. En al iieef't zulk een mathematisch zekere notenkennis geen actueel nut voor iedereen, mannen van wetenschap en eruditie zullen toch, hoop ik, bij het waardeeren van het om de andere der C-statlden en der Systeemrijtjes, beseffen, dat het verminken der sleutelleer een leelijke knak gegeven heeft aan ons notenschrift, ten kosto vooral van vlug partituur lezen en transpositie 1).
Het is te verhelpen, of stemmen onze paedagogen misschien liever in met het oude zelfverwijt: â Video i/ieliora proboque, deteriora sec/nor: al zie en heaam ik verbetering, ik volg verbastering!quot;
Katwijk a d Rijn.
1
Hierover meer in âHet Systeem-de Sonnavillequot; of het systeem der toonschaalrijtjes, Thóonville, Leiden.