ocr page 1

/cpsr y/.

/Q-

ocr page 2
ocr page 3

WAAROM

werd Ds. ALEX. H. H. BECHGER

w Rnoiscli priester Ffolestaülscli leeraar ?

noon

triCi

Een Katholiek.

(Antiroord op de brochure ,,Vaii Roomscli priester tot Frotestantach

leeraar enz.quot;)

AMERSFOORT,

g. j. slothouwer, 1895.

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

WAAROM

werd Ds. ALEX. H. H. BECHGER

vaD Roomscli priester Protestantscl leeraar?

DOOR

^EN j^ATHOLIEK.

(Antwoord op de brochure „Vau Roomscli priester tot Protestantscb

leeraar enz.quot;)

AMERSFOORT,

O. J. SLOTHOUWER, 1895.

ocr page 8
ocr page 9

In een brochure getiteld „van Roomsch priester tot Pratestantsch leeraarquot; worden (met aangehaalde woorden) de redenen vermeld, waarom Ds. Alex. H. H. Becliger „het priesterschap en de K.kerkquot; verlaten heeft. Ook wordt daar meegedeeld een rede door Ds. Bechger te Velp BI Jan. 1.1. gehouden, waarin hij rekenschap geeft van den door hem gedanen stap. Een zelfde rede, waarbij het verhaal van Paulus' bekeering tot tekst gekozen was, hebber» wij te Amersfoort gehoord. Maar gelijk dat gesproken woord, zoo heeft ook de lezing van genoemde brochure ons niet kunnen bevredigen. Moesten wij het toejuichen, dat de voormalige Roomsche priester den moed bezat voor zijn overtuiging uit te komen; vonden wij het begrijpelijk, dat een man met de levenservaring als Ds. B. bezat, in de Roomsche kerk zooals zij is en steeds meer wordt geen rust en vrede voor hart en hoofd, voor gemoed en verstand vinden kon; de aangegeven gronden kwamen ons zeer onvoldoende voor.

Wij kregen den indruk, dat hier weer „met het waschwater het kind wordt weggeworpen,quot; dat in den strijd tegen misbruiken mede ook veel aangetast en verworpen wordt wat waar en goed is. Oorzaak hiervan is, meenen wij, de vereenzelviging van „Roomsche kerkquot; met „kath. kerkquot;. Deze beide toch vinden wij, soms nog met een derde „de kerkquot;, afwisselend gebruikt tot aanduiding van eenzelfde kerk. Tengevolge daarvan wordt hetzelfde nu eens aan de Roomsche, dan weer aan de katholieke kerk toegeschreven, en dat gaat toch niet aan; dit zou alleen geoorloofd zijn, wanneer de Roomsche kerk in alle opzichten katholiek was, wanneer dus Roomsch en katholiek woorden waren voor eenzelfde begrip. Onbegrijpelijk is het ons, dat Ds. B,, die volgens zijn eigen zeggen nimmer een echte Roomsche (in merg en been) is geweest, geen onderscheid heeft weten te maken tusschen Roomsch en katholiek en dus geen middelweg heeft kunnen vinden tusschen Roomsch en Protestant. Op het bestaan van dien

ocr page 10

4

middelweg kunnen wij de aandacht vestigen, terwijl wij kortelings de door ds, B. aangevoerde gronden beschouwen. Hiertoe zouden wij wellicht niet zijn overgegaan, zoo niet onjuiste voorstellingen ons tot een zelfverdediging genoopt hadden, üeze moge hier voorafgaan.

I.

Op bladz. 15 lezen wij: „Is ds. Bechger's optreden alleen gericht tegen de Katholieke kerk? Neen, daar zijn er die haar hebben verlaten, maar toch nog steeds aan de Roomsche hierarchie en aan het misoffer als een goddelijke instelling vasthouden. Om de een of andere leerstelling hebben zij zich van Rome afgescheiden, maar ze staan nog op denzelfden grondslag. Dit geldt zoowel de oud-Lutherschen, die zich aan vormen hechten als de Oud-Katho lieken in Duitschland, en de. ritualistische High Church in Engeland. Vooi: die allen is het spreekwoord waar: Alle wegen leiden naar Rome. Het ageeren dier kerken tegen Rome vindt zijn oorzaak in het verstand maar is niet het gevolg van een behoefte des harten, van een verlangen naar Christus en naar Hem alleen.quot;

Hetgeen daar van de Oud-katholieken in Duitschland gezegd wordt zou evenzeer gelden van die in Nederland, van wier bestaan de schrijver onkundig schijnt te zijn.

Van die oud-katholieken wordt gezegd, dat zij de kath. kerk verlaten hebben; het wordt hen als verwijt of inkonsekwentie aangerekend, dat zy aan de „Roomsche hierarchie en aan het misoffer als een goddelijke instellingquot; vasthouden; er wordt beweerd, dat zy op denzelfden grondslag staan als Rome, en dat hun strijd tegen Rome zyn oorzaak vindt in het verstand, niet in een behoefte des harten Om te kunnen beoordeelen of deze bewerinsen al dan niet waar zijn, moet men weten op welk standpunt de oud-katholieken staan, wat zij zijn en wat zij willen.

Met een oud spreekwoord zeggen wij: Christen is onze naam, Katholiek onze bijnaam. Omdat echter de naam Katholiek zelfs een politieke partijnaam geworden is, en dikwyls beschouwd wordt als van gelijke beteekenis met Roomsch katholiek of Roomsch, hebben wy ten einde verwarring te voorkomen het woord „oudquot; er bijgevoegd. Hiermede wordt ons standpunt juister bepaald. Dat woord wijst ons n.1. op die Katholieke kerk, die niet slechts nu bestaat, maar wier bestaan dagteekent van Christus' tijd.

ocr page 11

5

Onder kerk verstaan wy de vergadering of vereeniging van de door God in Christus geroepenen, die de gemeente is van den levenden God, de pilaar en de vaste stijl der waarheid (1 Tim. 3, 15), het heilig volk dat verkondigen zou de deugden desgenen, die het uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht. (1 Petr. 2, 9) Katholiek is de kerk van Christus, omdat zij overal hetzelfde wezen hebben moet, den Geest des Heeren, omdat zij de heils-inrichting voor allen, voor de geheele menschheid is; dat katholiek ziet dus op algeineenheid van plaats en ook van tijd. Daar, waar Christus Jezus is, daar is de katholieke kerk.

In die kerk heeft het rijk Gods een voor allen zichtbaren vorm aangenomen, door haren Goddelijken stichter is zij, zoowel ten opzichte van haar bestuur als van de waarheid, die in haar is nedergelegd, en van de heilmiddelen, die haar geschonken zijn, naar de behoeften van alle volken en tijden ingericht.

De Oud-katholieken nu willen tot die kerk behooren, daar z\j zich houden aan de katholieke leer, nl. aan hetgeen altijd, overal en door allen geleerd is. Daarom hebben zij zich ook immer verzet tegen de heillooze nieuwigheden in geloofs- en zedeleer, die door de Roomsch of Nieuw-Katholieken onvoorwaardelijk werden aangenomen. Onder die nieuwigheden bedoelen wij vooral de dogma's van de onbevlekte ontvangenis en van de pauselijke onfeilbaarheid. Deze dogma's zijn in strijd met de leer van het Nieuwe Testament, zijn door de oude katholieke kerk nimmer geleerd. Van deze en de overige tallooze dwalingen der Roomsche kerk hebben de Oud-Katholieken niets willen weten, maar zij beijverden zich, de Christelijke katholieke leer rein en onvervalscht te bewaren. Kan men nu zeggen, dat zij de Katholieke kerk hebben verlaten? Natuurlijk evenmin als gezegd kan worden, dat de mensch, die al wat den mensch onwaardig is van zich weert, opgehouden heeft mensch te zijn. — Neen, wij zijn gebleven in de Katholieke waarheid en kerk.

Het Ultramontaansche systeem, dat in de Roomsche kerk geldend is, wordt door de Oud-Katholieken verworpen, daar het beslist niet Katholiek is. Daarom werd ook op het tweede internationaal congres der Oud-Katholieken in Lucern in 1892 deze these aangenomen; „Terwijl wij erkennen, dat in de Roomsche kerk ook nu nog een groot aantal geloovige Katholieken is, verklaren wij echter, dat het op het Vaticaansche Concilie tot offi-

ocr page 12

6

cieel dogma verhevene en thans geldende Ultramontaansche systeem de oud-kerkelijke eerenaam „Katholiekquot; niet verdient, welke den belyders van het algemeen Christelijk geloot' der oude onverdeelde kerk toekomt.

Alle Protestanten noodigen wij daarom uit, niet aan het offi-cieele systeem der Roomsche kerk den naam van Katholieke kerk te geven en allerminst daarin alleen de Katholieke kerk te zien, daar het noch de algemeene leer der oude kerk vertegenwoordigt, noch hare algemeene christelijke zedeleer en tucht.quot;

Het ware te wenschen, dat de Protestanten steeds aan deze uit noodiging gevolg gaven, en dat zij niet uit het oog verloren het groote onderscheid tusschen Katholiek en Roomsch of Ultramon-taansch. Dan zou iemand hunner er niet toe komen, om te zeggen dat de Oud-Katholieken de Kathol, kerk verlaten hebben, dus om hun de katholiciteit te ontzeggen. Wie van -hen beter weet zegt het ook niet. Op het Congres der Duitsche Oud-Katholieken te Crefeld in 1884 was ook de in Nederland goed bekende prof. Nippold tegenwoordig, om ook uit naam van meerdere Protestanten getuigenis af fe leggen van de achting, de sympathie, die zij hadden voor de Oud-Katholieken in hun streven, Hy gaf daar zyn blijdschap te kennen, dat de naam „Katholiekquot; nu in het oog der Protestanten geen hatelijke partijnaam meer was; hy moedigde de Oud-Katholieken aan Katholiek te blijven, gelijk zy waren, en gaf zijn hoop en vertrouwen te kennen, dat op dien grond der katholiciteit, waarop de Oud Katholieken nu staan, èn Protestanten èn Roomschen, na verloop van tijd, tot elkander zouden kunnen naderen. Bij gelegenheid van het derde Internat. Congres der Oud-Kath. te Rotterdam in Aug. '94 uitte prof. N. dezelfde gevoelens, en evenzoo andere aanwezige protestanten. Dr. H. Gr. Hagen, de voorzitter der Evang. Maatsch. zei o. a. „Indien er ooit iemand mocht opstaan, die het recht der Oud-Katholieken op dien naam zou willen betwisten, dan zou ik u willen verdedigen.quot; Omstreeks denzelfden tijd schreef prof. W. Beyschlag: „Ik wensch, dat de Oud-Katholieken in hun historisciien en idealen zin Katholieken blijven, ter wille van de zending, die ik hun toevertrouwde niet alleen tegenover de Roomsch-Katholie-ken, maar ook tegenover ons. Mogen zij bij toeneming voortgaan, dat evangelisch Katholicisme ons voor te houden, dat in oecumenischen zin, in het op den voorgrond stellen van het alge-

ocr page 13

7

meen-Christelijke, in trouwe bewaring van onverouderde schatten der Christelijke oudheid, in het streven naar een vereeniging der kerken in de toekomst zijne eigenaardige kenmerken heeft, die ook ons ten voorbeeld zijn.quot;

Wij beroepen ons hier op het getuigenis van deze uitstekenden onder de Protestanten om te doen zien, dat wel ingelichte Protestanten niet aan onze katholiciteit zullen twijfelen, daar zij wel. weten, dat niet wij uit de Katholieke Kerk zijn gegaan, maar dat integendeel de Roomschen de Katholieke leer verduisterd en onder een menigte van dwalingen en wanbegrippen hebben bedolven.

Daar wij niet Roomsch maar Katholiek zijn, staan wij dus niet met de Roomschen op „denzelfdenquot; maar op Katholieken grondslag.

Dat wij nog steeds aan de Roomscbe hierarchie en aan het Misoffer als een Goddelijke instelling vasthouden, is waar, doch met eenig voorbehoud. Het woord ..Roomscbequot; moet weggelaten, want een hierarchie met een onfeilbaren paus en universeel bisschop aan de spits kennen wij niet. Niet een met goddelijke voorrechten toegerusten paus, maar alleen een primus inter pares, een eersten bisschop onder de bisschoppen van de Westersche kerk erkent de Kathol, kerk.

Wij houden vast aan hierarchie en evenzoo aan het „misofferquot; maar in Katholieken zin. Straks hierover nader.

Hoe nu hier het spreekwoord waar zou zijn : „Alle wegen leidén naar Romequot; dit gaat boven onze bevatting.

En wat nu de oorzaak is van het „ageerenquot; der Oud-Katholieken tegen Rome? Laten wij allereerst dat „ageerenquot; door „strijdenquot; mogen vervangen. En dan kunnen wij niet beter doen dan de woorden aan te halen, eens gesproken door een der hoofden van de Oud-Katholieke kerk, om de polemiek tegen Rome te rechtvaardigen.

„Wij strijden niet uit lust tot strijden. Wij hebben alleen behagen in de waarheid; wij strijden niet tegen de personen: wij strijden alleen tegen het Roomscbe systeem, en als wij dien strijd opgaven, en uit behoefte aan rust, alleen maar dachten aan de vreugde van het evangelie, dan waren wij niet warm en niet koud, dan waren wij tijne egoïsten, maar geen navolgers van de apostelen. *

ocr page 14

8

De waarheid leeft altijd op voet van oorlog en daai-om zegt Mirza Schaffy terecht: „Hoort, wat de volksmond spreekt; Die de waarheid mint, di^ moet reeds zijn paard bij den teugel hebben; die de waarheid denkt, die moet reeds zijn voet in den stijgbeugel hebben; die de waarheid spreekt, die moet, in plaats van armen, vleugels hebben; en toch zingt Mirza Schaffy: die liegt, die moet ^van den knuppel hebben.quot;

De paus heeft in de kerk een grondwet ingevoerd, die hij niet kan in stand houden zonder het offer des verstands. God heeft alleen die inrichting in zijne kerk gewild, waarvan Christus zelf een voorbeeld gegeven heeft in zijn omgang met zijne discipelen. Een monarchale absolute grondwet heeft Grod nooit gewild, daarom moeten wij strijd voeren.

Het geloof is een gave des hemels, die ons verlicht en verheft, het is een verheffing, geen onderwerping. Rome stelt zwijgen en blinde gehoorzaamheid in de plaats van het geloof Als wij het grondbeginsel van de Katholieke overlevering verklaren, zoo moeten wij teruggaan op het woord der apostelen ; maar toen men den paus zei, dat hij volgens de overlevering niet onfeilbaar was, toen sprak hij: „De overlevering ben ik.quot;

Het evangelie zegt: Bemin God bovenal en uwen naaste als u zeiven, — maar millioenen zeggen: dat beteekent alles niets, zoo men den paus niet wilieloos gehoorzaamt. .Aioeten wij daar niet tegen strijden?

Alleen daar, waar geen polemiek thuis behoort, op den kansel, daar moet zij ook niet komen, omdat de kansel moet dienen tot stichting en opbouwing. Maar in schriften en redevoeringen buiten de kerk, daar moet zij aangewend worden; en daarom richten zich de pijlen onzer tegenpartij op onze personen om minachting van ons en daardoor verachting van onze oud-Katholieke zaak te kweeken.

Dit zijn wel gronden genoeg om onze polemiek te rechtvaardigen. Wij laten ons niet aan het wankelen brengen, maar trekken de wapenrusting van den apostel Paulus aan, en strijden met geestelijk zwaard en schild tot verdediging der waarheid. Op godsdienstig en kerkelijk gebied, oorlog aan de leugen! Vrede aan de naastenliefde!

Vindt de strijd op de hier beschreven wijze gevoerd allean zijn oorzaak in het verstand, of is hij ook, en nog wel in de eerste

ocr page 15

9

plaats, liet gevolg van een behoefte des harten ? Zeer zeker, wanneer wij ons niet bedriegen.

Wij strijden voor de waarheid uit liefde voor de waarheid; niemand minder dan onze goddelyke Zaligmaker heeft ons daartoe geroepen en is ons daarin voorgegaan.

Onze strijd is onder de banier van den Koning der Waarheid, uit liefde tot Hem, omdat Hij het wil. Hij, die Zijn leven voor de waarheid ten offer bracht, opdat allen daardoor geheiligd zouden worden, heeft het ons ingeprent, dat wij geen overwinning grootsch moeten achten, indien zij niet de zegepraal der Waarheid ten doel heeft.

En wij weten het, dat er zonder de liefde geen oprechte overwinning is, dat niets groot is zonder de liefde. Den strijd van het verstand alleen achten wij vergeefsch, wanneer niet tevens het hart bezield is met de ware lieide voor de waarheid, die uit Grod is, die God zelf is. Die strijd, om de waarheid tot de overwinning te brengen, om het rijk van Christus uit te breiden, waarvan anders is hij het gevolg dan alleen van „een verlangen naar Christus en naar Hem alleen?quot;

Wij strijden voor die geloofsleer, die naar onze overtuiging de onontbeerlijke grondslag en zekerste waarborg is voor een reine en goede Christelijke zedeleer. Docli wij hebben ook de heilige overtuiging, dat niet de geloofsleer — niet zij toch, maar wel het geloof maakt den waren Christen, — het hoofddoel is van het Christendom.

Hoofddoel toch van het Christendom is en blijft de verwezenlijking van zijn doel in het leven.

Het en het hoe van het strijdvoeren der Oud-Katholie

ken bij ervaring kennende, werd op bovengenoemd Congres alweer door een Protestant de verklaring afgelegd; Welke voorstelling men zich ook make van de bedoelingen van dit deel der Christenheid, wanneer het zal blijven arbeiden in den heiligen geest dei-liefde, dan wenschte ik en dan spreek ik als mijn innige hoop uit, dat eenmaal alle Christenen in het Noorden en in het Zuiden, in het Oosten en in het Westen Oud Katholiek zullen worden.

Juist van Protestanten hebben wij enkele getuigenissen aangehaald, opdat diegenen onder de Protestanten, aan wie ons antwoord gericht is, zouden weten, dat eigen mannen, die hier bevoegd zijn tot oordeelen, zoo geheel anders over ons spreken als zij.

ocr page 16

10

Moge dan het weinige, dat wij tot toelichting van ons standpunt gezegd hebben, voldoende zijn om voor het vervolg onjuiste voorstellingen te voorkomen.

II.

Na de voorafgaande zelfverdediging zal men ons beter verstaan als wij zeggen, waarom de door Ds. Bechger aangevoerde gronden voor zijn overgang ons onvoldoende voorkomen.

Wij durven beweren, dat Ds. B. de Katholieke leer over verschillende punten niet gekend heeft; want waar hij over punten der geloofsleer spreekt, noemt hij meestal enkel Roomsche leeringen, en daar voor hem Roomsche en Kathol, kerk blijkbaar hetzelfde is, kent hij geen andere, betere opvatting van die leerstukken Wij kunnen Ds. B. hierover niet zoo hard vallen, omdat wij wel weten, dat de eenzijdige en gebrekkige opleiding der Roomsche priesters die zorgvuldig worden afgericht naar het Jezuietische en Ultra-montaansche systeem, hier de grootste schuld draagt. Ongetwijfeld zeer moeilijk en ook uiterst zeldzaam zal onder hen iemand tot het juiste inzicht van de waarheid komen. Wanneer wij denken aan die Duitsche bisschoppen, die in 1870 geprotesteerd hebben tegen de afkondiging van het dogma der onfeilbaarheid, omdat zij er geen grond voor vonden in schriftuur en overlevering, en omdat zij de aanneming met hun geweten niet konden overeenbrengen, — maar die daarna niet geschroomd hebben ter wille van den vrede (?) aan de waarheid verraad te plegen; ja, dan hebben wij, he aas, weinig verwachting van de na '7ü gekweekte geestelijken.

Dat Ds. B. niet blind voor waarheid gebleven is; en dat hij ook den moed gehad heeft tegen dwaling en leugen zijn stem te verheffen, nog eens, wij juichen het van harte toe, en wenschen, dat velen zijn voorbeeld volgen.

Maar om welke redenen heeft nu Ds. B. „het priesterschap en de K. Kerk verlaten.quot;

„Het Concilie van Trente heeft bepaald, dat aan de overlevering gelijk gezag toekomt als aan de Heilige Schrift. Vandaar dat het den Roomschen priester, die zich blindelings aan de „onfeilbarequot; uitspraken van de Kerk onderwerpt, onverschillig is of hij met bijbel of overlevering te doen heeft.quot; (hl. 5.)

Vooraf moeten wij zeggen, dat een uitspraak van het concilie

ocr page 17

11

van Trente niet direct a!s norma geldt voor de Katholieke leer. Het concilie mag als algemeen gelden voor de Roomsche kerk, niet voor de Katholieke kerk, want na de scheuring tusschen Ooster-sche en Westersche kerk, dus na het jaar duizend, is er geen algemeen concilie geweest. De Katholiek kan alleen zeggen, dat hij de dogmatische besluiten van Trente aanneemt, in zooverre deze met de leer der oude kerk overeenstemmen. En als zoodanig kan hij nu de bepaling aannemen, dat aan de overlevering gelijk gezag toekomt als aan de Heilige Schrift.

De Christelijke overlevering was er vóórdat er nog een evangelie bestond; zij was er toen onze evangeliën vervaardigd waren. Daarom werden, gelijk bekend is, in den oudsten tijd plaatsen uit het evangelie vrij aangehaald, men hing niet aan den letter, omdat de overgeleverde leer der apostelen overal in de gemeenten voorhanden was. De canonieke evangeliën zijn de algemeen in de kerk voor authentiek erkende uitdrukking van die apostolische overlevering. Daarom zegt Augustinus; ik zou het evangelie niet gelooven, als liet gezag der Kathol, kerk er mij niet toe drong. Het Nieuwe Testament moet noodzakelijk beschouwd worden in het licht der kerkelijke overlevering; de oude kerk heeft daarom dezen regel opgesteld, dat de H. Schrift verklaard moet worden in zaken van geloof en zeden, naar het overeenstemmend gevoelen van de vaders.

Uit den Bijbel alleen kan men alles en niets bewijzen; het is een boek, waarin ieder zijn dogma's zoekt en waarin ieder ook zijn dogma's vindt; met het woord Gods wordt het woord Gods bestreden. — En hebben de Hervormers inderdaad niets goeds in de overlevering erkend? Waarom heeft Luther dan de drie symbola, den kinderdoop en de grondtrekken der liturgie vastgehouden? Vond hij dat alles gereed in het Nieuwe Testament? Immers neen. Trouwens Protestanten zelf hebben erkend, dat niet het Nieuwe Testament alleen voor Luther de summa dogmatica geweest is. Men moet hier weer onderscheid maken tusschen de Katholieke en de Roomsche opvatting van overlevering.

Het woord van Goii wordt hierdoor tegen verkeerde opvatting gevrijwaard, dat de kerk het is, die de H. Schrift verklaart. Die kerk is het lichaam des Heeren, zijn eeuwige openbaring. De geest van het Christendom wordt in die kerk van geslacht tot geslacht overgeleverd. De overlevering is het voortdurend in de-

ocr page 18

12

harten der geloovigen levende woord; aan het geheel dier geloo-vigen is de uitlegging der H. Schrift toebetrouwd.

De overlevering is tweeledig: subjectief of formeel en objectief of materieel. In den laatsten zin is zij het geloof der kerk door alle eeuwen heen en wordt zij gewoonlijk het richtsnoer der schriftverklaring, de geloofsregel genoemd. Een stuk van deze overlevering was liet z.g.n. geloofsbegrip der apostelen, dat gemeengoed voor alle Christenen werd, en waarin zoo beknopt mogelijk het geloof dei-Katholieke Kerk was neergelegd. Dat symbolum werd regel des geloofs of der overlevering genoemd, en de belijdenis hiervan was voor ieder het kenmerk van zijn lidmaatschap der kerk. En voor ieder, van welke ontwikkeling ook, lag de onmetelijke schat dei-openbaring, de groote rijkdom der II. Schrift bescliikbaar, om daaruit te putten, en om daarin dieper door tf dringen. Door die studie kon meer en meer de regel der overlevering in een helderder licht verschijnen, maar nieuwe dogma's konden niet door die studie worden voortgebracht.

Niet aldus, en dus niet katholiek, denkt de tegenwoordige Roomsche Kerk er over. De school-meeningen zijn voor haar een onuitputtelijke bron voor nieuwe dogma's, die met den ouden regel der overlevering niets meer te maken hebben.

De overlevering waarvan wij hier spraken, is het kerkelijk bewustzijn, het leven'le geloofswoord, waarnaar het schriftelijke is te verklaren; beide zijn wat inhoud betreft gelijk.

Nu zegt de Katholieke Kerk, dat bovendien nog enkele zaken haar door de apostelen zijn overgeleverd, die niet in de H Schrift vervat of daarin slechts aangeduid zijn. Tot deze overlevering behoort o. a. de leer van den canon en van de inspiratie der N.T. geschriften. Hier komt in beschouwing de formeele zijde der traditie, ook traditie-principe genoemd. Niet ieder kan maar in die overlevering leggen wat hij wil; er moet een algemeen geldend beginsel zijn, dat antwoord geeft op de vraag: wat behoort tot de eigenlijke geloofsleer? Het beginsel is door Vincentius van Lerin aldus geformuleerd: „hetgeen overal, hetgeen altijd, hetgeen door allen geloofd is, dat is katholieke leer.quot; Hetzelfde beginsel, hoewel met andere woorden, hadden reeds Tertullianus, Augustinus e. a. opgesteld. Van die drie bepalingen „overal, altijd, door allenquot; is natuurlijk het „altijdquot; het voornaamste. Algemeenheid en overeenstemming, maar bovenal noodwendig is de oudheid, die

ocr page 19

13

tnt de apostflen ranet teruggaan. Wanneer men bij een leerstuk ^gt;.7 zicb beroepen kan op algemeenheid en overeenstemming, maar

aangetoond kan worden, dat er een tijd geweest is, waarin die leer geheel onbekend was, ot' een tijdstip na de apostelen kan aangewezen worden, waarin die leer nieuw is ingevoerd, dan kan deze leer niet Katholiek en geen dogma zyn. Langs dezen weg kan onomstootelijk worden aangetoond, dat de dogmata der onbevlekte ontvangenis van Maria, der pauselijke onfeilbaarheid en meer leeringen der Roomsche kerk, die bovendien nog met de H. Schrift in duidelijke tegenspraak zijn, onmogelijk voor katholieke leer kunnen gehouden worden. Zoover is de Roomsche kerk afgedwaald, omdat zij het katholiek beginsel der overlevering heeft prijsgegeven, omdat zij den paus Pius IX liet zeggen: „De overlevering ben ikquot;, omdat zij dit „gevleugeld woordquot; in i870 tot dogma verheven heeft. Kerk, schriftuur en overlevering zijn sedert in dat ultramontaansche systeem ijdele klanken; alles concen-■ treert zich in den paus, en zijne onderhoorlge bisschoppen, priesters

en leeken nemen met kadaver-gehoorzaamheid in ontvangst al wat uit die bron opwelt. Ds. B. geeft met juistheid de Roomsche leer weer, waar hij zegt: (bladz. 5) „De paus als plaatsbekleeder van Christus op aarde, als opperste leeraar der Roomsche kerk, kan eene of andere waarheid als geloofsartikel openbaren. Hy bezit de volheid des H. Geestes, zijn uitspraken worden onmidde-lijk Ingegeven door den H. Greest. Aan het woord van den paus te gelooven staat daarom gelijk aan het geloof in Christus en Zijn evangelie.quot;

Maar hij vergete niet, dat dit alleen Roomsche, en geenszins Katholieke leer Is.

De paus moge de bevoegdheid hebben nieuwe dogma's te fa-brlceeren, de Katholieke Kerk kan dat niet. Zij houdt de leer, haar van de apostelen overgeleverd. Zij duldt geen nieuwigheden. Leerstukken kunnen meer bedlept, maar niet veranderd worden; de kennis der geloofsleer mag toenemen, niet hare Inhoud. Zoo heeft de Katholieke Kerk altijd gedacht; zij was en is overtuigd, dat zelfs een oecumenisch concilie nimmer de Christenheld met nieuwe openbaringen verrassen, maar alleen de juiste overlevering vaststellen kan. Zij was altijd overtuigd, dat de Openbaring in Christus afgesloten is, dat er geen nieuwe openbaring zijn kan.

In de Roomsche kerk wordt er anders over gedacht, maar dat

ocr page 20

14

is niet katholiek. Daar weet men telkens van nieuwe openbaringen te spreken. De vereering van het hart van Jezus, — aan dat hart hebben Franschen Frankrijk en heeft Pius IX de geheele wereld toegewijd — berust op een openbaring die 16 Juni 1675 de non Maria Alacoque zou hebben ontvangen. Voorwerp van die aanbidding is volgens officieele Roomsche leer bepaald het lichamelijke hart van Jezus. Zou iemand daartoe kunnen komen, die waarlijk Jezus kent? Het gebruik van scapulieren rozekrans, vele Maria-feesten berusten op z.g.n. nieuwe openbaringen. Talrijke bedevaartplaatsen moeten aan zulke openbaringen herinneren, en in de eerste plaats Lourdes, waar Maria verschenen zou zijn en gezegd zou hebben : Ik ben dc onbevlekte ontvangenis.quot; Is er, nog afgezien van de onwaarheid, grooter onzin denkbaar!

Het nieuwste op dit gebied is het feest ter eere van de „onbevlekte h. maagd van de heilige medaillequot;, welks instelling ook alweer berust op een openbaring. Deze is te curieus om hier niet vermeld te worden. Aan een liefdezuster te Parijs verscheen in 1830 de h. Maagd, geheel in 't wit gekleed, met een blauwen mantel en een rooden sluier (dus de Fransche driekleur). Uit hare handen straalden lichtbundels met ongemeenen glans, en de begenadigde vernam de woorden: Deze stralen zijn een zinnebeeld van de genaden, die Maria voor de menschen afsmeekt. Rond het beeld

O '

was te lezen: O Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u nemen. Eenige oogenblikken later keerde het beeld zich om en op den rug was de letter M te zien met een kruis in het midden en de oeide heilige harten van Jezus en Maria er onder. Nadat zij alles opmerkzaam beschouwd had, sprak dezelfde stem weer tot haar: Laat naar dit voorbeeld een medaille slaan. Wie haar gewijd draagt en de korte aanroeping met aandacht naspreekt, zal met een bizondere bescherming der moeder Gods verwaardigd worden.

De medaille werd spoedig verspreid, merkwaardige genezingen en wonderbare bekeeringen volgden.

Thans zijn minstens oO millioen van die medailles verspreid. Onder de bekeeringen is vooral merkwaardig die van den Jood Alphons Ratisbonne in 1842. Het bovenstaande kan men uitvoeriger vinden in een te Paderborn met bisschoppelijke goedkeuring verschenen boek „Die Erscheinungen und Offenbarungen der Mutter Grottes.quot; Uit erkentelijkheid voor het vele goede, door die

ocr page 21

15

medailles gewerkt, heeft de verlichte paus Leo XIII verleden jaar het feest der „openbaring der onbevlekte maagd Maria van de heilige medaillequot; op 27 November vastgesteld, en een officium voor het brevier en een formulier voor het misboek goedgekeurd, en aan de viering van dat feest groote aflaten verbonden. Jammer dat de kalender slechts 365 dagen telt, want er zijn voor de nieuwe feesten bijna geen vrije dagen meer te vinden!

Met betrekking tot de geloofs- en zedeleer en den cultus heeft de Roomsche kerk het katholiek beginsel der overlevering verlaten; de geschiedenis wordt verloochend, de waarheid met voeten getreden,

Ds. B. vond, (bladz. 6) dat het katholiek beginsel der overlevering op de Roomsche leer en instellingen niet kon toegepast worden; dit verwondert ons niet, want die regel is alleen van toepassing op de katholieke leer, die inderdaad slechts datgene als apostolische overlevering vasthoudt, wat overal, altijd en door allen geloofd werd.

Wat Ds. 13. zegt (p. 7) van het Bijbellezen in de Roomsche kerk, het is maar al te waar.

Dat Rome ongaarne den bijbel ziet lezen en waar het mogelijk is dit verbiedt, het kan ons niet bevreemden. Wij gelooven met Ds. B., dat de oorzaak hierin ligt, „dat men bang is voor opkomenden twijfel aan de vele kerkelijke leerstellingen, die niet in den bijbel te vinden zijn.quot;

Doch niet waar is het, wat Ds. B. zegt, dat de kerk den bijbel in de hand der leeken als een gevaarlijk boek beschouwt, en de Bijbelgenootschappen voor een pest heeft verklaard. Integendeel, de kerk, de Katholieke kerk, heeft steeds aangedrongen op het ijverig lezen van den bijbel, omdat zij met Ds. B. de overtuiging koestert, dat „de Christen nog geboren moet worden, voor wien de Bijbel geen levensbron is, als hij met de vereischte gesteltenis des harten dit goddelijk boek raadpleegt.quot;

Van de „Misquot; zegt Ds. B. (bladz. 26) „Het is een duiveluitquot; vinding, waardoor het offer van Christus wordt vernietigd!quot; Op bladz. 12 lezen wij: „Nóch van een onbloedig offer, nóch van eenig offerend priesterschap vond Ds. B. iets in de H. S. Paulus kent nóch het een nóch het ander.quot; Op bladz. 1-i: „De brief aan

ocr page 22

10

de Hebreeën mocht hem (Ds. B.) echter overtuigen, dat het eenige Priesterschap, het eenige Kruisoffer en het eenige Middelaarschap rust op Jezus Christus alleen, den eenigen Hoogepriester van het Nieuwe Verbond.quot;

„Opdat de vergeving (der zonden door Christus) daadwerkelijk worde in bizondere gevallen, moet de priester opnieuw het onbloedig offer opdragen. Zonder hulp des priesters dus geen vergeving door Christus! Christus werk dus niet voltooid.quot; Op bladz. 15 noemt Ds. B. het „misoffer volslagen in tegenspraak met wat de Hebreeënbrief leert.quot; En als slot staat op bladz. 15: „Hij (Ds. B.) kwam tot de overtuiging, dat de instellingen van het altaar-sacrament en liet misoffer niet in den geest der Heilige Schrift zijn.quot;

Niet ten onrechte zegt Ds. B., dat hij de opvolging dei- brokstukken, overgenomen uit zijn werkje over het „Priesterschapquot;) geheel voor rekening van den uitgever laat. Want de welwillende uitgever geeft ons een waar amalgama, waarin het moeielijk is de juiste meening van Ds, B. te ontdekken. Zijne, door ons aangehaalde, uitspraken doen evenwel zijn meening omtrent het „misofferquot; voldoende kennen. Wat hij daar als verwerpelijk aanvoert is weer niet in alles katholieke leer; en waar hij ook de katholieke leer meent te moeten verwerpen, zijn wij het vanzelf niet met hem eens.

Misbruiken hebben hier alweer aanleiding gegeven tot misvatting.

De mishandel en vele praktijken bij de mis gepleegd door de Roomsche kerk hebben aan vele leeken — wij willen aannemen, dat de geestelijken beter weten, — en aan hen, die de Katholieke leer niet kennen, den indruk gegeven, dat de „misquot; gehouden wordt voor een onbloedige herhaling van het kruisoff. En nog andere misvattingen worden door de Roomsche praktijk begunstigd. Stellen wij de Katholieke leer hier tegenover. In September 1 gt;89 werd dooi- de Oud-Katholieke bisschoppen van Holland, Duitsch-land en Zwitserland in een „verklaring aan de Katholieke kerkquot; de Katholieke leer op enkele voorname punten in 't kort samen gevat. In die verklaring werd aangaande de „misquot; het volgende gezegd :

,.Tti aanmerking genomen, dat de heilige Eucharistie in de Katholieke kerk van ouds het ware middelpimt van den godsdienst uitmaakt, houden wij het voor onzen plicht ook te verklaren, dat wij het oude Katholieke geloof omtrent het heilig sacrament des

ocr page 23

17

altaars in alle getrouwheid ongeschonden vasthouden, terwijl wij gelooven. dat wij het Lichaam en het Bloed onzes Heeren Jezus Christus zelf onder de gedaanten van brood en wijn ontvangen. De viering der Eucharistie in de kerk is niet eene voortdurende herhaling ot vernieuwing van het zoenoffer, dat Christus eens voor al op het kruis opgedragen heeft; maar haar offerkarakter bestaat daarin, dat zij de blijvende gedachtenis daarvan is en eene op aarde plaats hebbende wezenlijke vertegenwoordiging van die ééne offerande van Christus voor het heil der verloste menschheid, welke (volgens Hebr. IX: 11, 12) voortdurend in den hemel door Christus opgedragen wordt, terwijl hij nu voor ons verschijnt voor het aanschijn Grods (Hebr. IX : 24). Terwijl dit het karakter is der Eucharistie ten opzichte van het offer van Christus, is zij tegelijk een geheiligd offermaal, waarin de geloovigen, het Lichaam en het Boed des Heeren ontvangende, gemeenschap met elkander hebben (1 Kor. X ; 17).''

Hierin vindt ds. 3. de Katholieke leer omtrent het „misofferquot; duidelijk uitgesproken. Dat deze leer geheel op de H. Schrift gegrond is, kunnen wij in dit boekje thans niet uitvoeriger aan-toonen; wij zouden dan ook verder gaan dan onze bedoeling bij dit schrijven veroorlooft.

Doch een enkele bijvoeging is noodzakelijk. De avondsmaals-viering heeft in haren geleidelijk ontwikkelden vorm bij toeval den naam van „Misquot; gekregen. Die Mis is niets anders als de in een dramatischen vorm gekleede avondmaalsviering, wier hoofdpunten in bovengegeven verklaring nader omschreven zijn. Bij die Mis is Christus offer en offeraar tevens. Hij de eenige Middelaar en de eenige Hoogepriester van het Nieuwe Verbond. Natuurlijk is niet de dienstdoende priester de eigenlijke offeraar, hij is de liturg, zijn werk is het te doen wat Jezus bevolen heeft te doen; hij bidt, dat zijne dienstverrichting Gode aangenaam moge zijn, met en uit raam van de gemeente smeekt hij om genade, prijst en dankt hij God in Christus Jezus. Wanneer ds. B. nauwkeurig en in het licht der geschiedenis de mis liturgie beschouwt, dan zal hij nergens vinden, dat de priester de offeraar is bij het offer van Christus; waar van offeren door den priester sprake is, daar ziet dit overal op de offergaven van brood en wijn, die weleer door de geloovigen benevens andere spijsen en dranken werden aangt-boden. Alleen in dezen zin kunnen wij den priester offeraar noe-

ocr page 24

18

men, dat liij met de gemeente God wijst op ons groote zoenoffer, hetwelk Christus voor ons gegeven heeft, en mede aan God dat offer aanbiedt. Tusschen dat „opdragenquot; van den priester en dat van den eenigen Hoogepriester is dus een oneindig groot onderscheid.

Wil dus ds. B. alleen de katholieke leer omtrent het mis offer op het oog hebben, dan valt een deel zijner bezwaren dadelijk weg. Wat de dan nog overblijvende bezwaren aangaat een enkele bemerking-

Door het mis-offer wordt het offer van Christus niet vernietigd, niet vernieuwd, wordt het werk van Christus niet onvoltooid gemaakt, daar het de werkelijke, onbloedige, vertegenwoordiging is van het eenige Kruisoffer. Kent de apostel Paulus dit mis-offer niet, en is het in volslagen tegenspraak met hetgeen de Hebreeënbrief leert? Denkt Paulus niet aan dat offer en het offermaal, waar hij in het 10de hoofdstuk van den eersten Corinther brief de tafel des Heeren stelt tegenover de tafel der duivelen ter bekrachtiging van zijn verbod om niet te eten van der afgoden offerspijs, daar die de offeranden eten gemeenschap hebben met het altaar? Kan het avondmaal anders gedacht worden dan als een offermaal ?

„Voor Paulus (zegt Ds. B. op bladz. 11) is het Heilige Avondmaal een sacrament des geloofs. Niet uit kracht van dat sacrament wordt de Christen geheiligd en ten nauwste met den Heer ver-eenigd, maar het levendmakende beginsel in hem van het zaligend geloof verheft die stoffelijke teekenen van brood en wijn tot ware zinnebeelden van Christus' vleesch en bloed; Christus met Zijn H. Geest door het geloof in hem wonende herschept het Avondmaal tot eene geestelijk lichamelijke gemeenschap met zijn verheerlijkt lichaam. Het Avondmaal voedt en versterkt het geloofj en het geloof' herschept den menscli in den Christen quot; Als Paulus gelooft, dat niet uit kracht van het sacrament zelf heiliging gewerkt wordt, en dat brood en wijn na de woorden van Christus daarover uitgesproken slechts stoffelijke teekenen en bloot zinnebeelden zijn, hoe kan hij dan zeggen (1 Cor. XI: 23 vlg.j: „D'e er onwaardig van eet of drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed des Heeren, die eet en drinkt zich het oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.quot;? Hier kent Paulus wel degelijk kracht toe aan het sacrament zelf. Maar of het ontvangen van dat sacrament tot heiliging dan wel tot veroordeeling zal strekken, zeer zeker dit hangt af van de gesteldheid van den ontvanger. Bij dezen moet het geloof aanwezig zijn, en

ocr page 25

19

wel een geloof zooals dat in den brief aan de Eomeinen en in dien van Jacobus beschreven wordt, een geloof dat door de liefde werkt, dat in den levenswandel, in de practijk tot uitdrukking komt. De waarde van dat levend geloof kunnen ook wij niet te hoog schatten.

Wat leert de Hebreënbrief, waarmede het misoffer in strijdzou zijn ?

De schrijver van dezen brief wil zijne lezers, Christenen uit de Joden, in het Christelijk geloof versterken en voor den terugkeer naar het Jodendom behoeden. Daartoe beschrijft hij de ver boven de engelen verheven waardigheid van Clmstus, die de ware en volmaakte Hoogepriester voor de menschen geworden is. Ook Mozes en Jozua hebben aan het uitverkoren volk het ware hei! niet kunnen bezorgen, dat alleen uit het geloof in Christus verkregen wordt. Het Hoogepriesterschap van Jezus als van den tweeden Melchisédech overtreft verre dat van het Oude Verbond, daar door Zijn ééne offer, éénmaal gebracht, de geheeie offerdienst van het Oude Verbond vervuld is. Doch evenals reeds onder het Oude Verbond, zoo kan de mensch ook onder het Nieuwe Verbond alleen door het geloof tot de beloofde goederen geraken. Dit is de korte inhoud van den brief.

Het éénmaal gebrachte en voor alle tijden voldoende offer van den Hoogepriester van het Nieuwe Verbond wordt gesteld tegenover den langdurigen maar steeds onvolkomenen offerdienst van het Oude; daardoor moest de voortreffelijkheid van het Nieuwe Verbond boven het Oude, van het Christendom boven het Jodendom duidelijk in het licht gesteld worden. In het verband van den schoo-nen brief valt groote nadruk op die éénige offerande, voor de zonden door welke Plij in eeuwigheid volmaakt heeft degenen die geheiligd worden. Maar is nu de leer van het mis-offer „zoo volslagen in tegenspraakquot; met hetgeen hier geleerd wordt ?quot; Ongetwijfeld, wanneer dat mis-offer was een herhaling, een vernieuwing van die ééne offer ande van den Goddelijken Hoogepriester, wanneer dat misoffer was een op zichzelf staand offer. De Katholiek Kerk leert echter, dat het offerkarakter der Eucharistie daarin bestaat, dat zij de blijvende gedachtenis, de wezenlijke vertegenwoordiging is van die ééne offerande, welke Christus, de „priester in der eeuwigheid,quot; voortdurend in den hemel opdraagt, terwijl Hij nu voor ons verschijnt voor het aanschijn Gods. De leer van het mis-offer, aldus naar de katholieke opvatting, is geenszins in strijd met den brief aan de Hebreen. Die leer is niet in strjjd met hetgeen wij hoofd-

ocr page 26

20

stuk 10: 18 lezen: „Waar nu vergeving der zonden is, daar is geen offerande meer voor de zonde.quot; Immers, met deze woorden, in hun verhand beschouwd, wil de apostel alleen dit zeggen: Zal God, gelijk de profeet zegt (vgl. vs. 17), onze zonden niet meer gedenken, dan heeft Hij ze ook vergeven. Waar echter de zonden vergeven zijn, daar houdt de voortdurende verzoening van zelf op. Waar door de ééne offerande, te voren genoemd, de zonden vergeven zijn, daar hebben andere offeranden voor de zonde, gelijk de Jooclsche priesters die opdroegen (die echter nooit de zonden konden wegnemen), thans in 't geheel geen reden van bestaan meer. (Vergelijk vooral vs 11 en 12).

In dit IS^e vers vinden wij het resultaat van al het geen te voren is gezegd. Met dit vers wordt het eerste gedeelte van den brief gesloten, waarin bewezen is, dat het Nieuwe Verbond door zijn Middelaar, Hoogepriester en Offer hoog verheven is boven het Oude.

Dit vers bewijst dus niets tegen de katholieke leer van het misoffer.

„Dezelfde brief (lezen wij op bladz. 14) spreekt van een volko-mene zaligheid en dus een volkomene vergeving van zonden aan al degenen „die door Hem tot God gaan.quot; Niets dus van een bemiddelend optreden des priesters maar rechtstreeks tot Christus!quot;

Wij beamen dit ten volle in denzelfden zin, dien de schrijver blijkbaar aan deze woorden gehecht heeft. Wij zien ook niet in de werkzaamheid van den priester als liturg eenig middelaarschap, en wij kunnen het woord „bemiddelendquot; slechts in zooverre aanvaarden, als het ook gezegd kan worden van den predikant, waar deze als voorganger en liturg optreedt bij de bediening van het H. Avondmaal.

Wij zijn nu genaderd tot de leer aangaande priesterschap en hierarchie. Hieromtrent zegt Ds. B (op bladz 26): „De pripster in de Roomsche kerk neemt een valsche stelling in en toch — op deze stelling bekleedt hij een hooger plaats dan de Czaar aller Russen. Hij wordt beschouwd als een halfgod (terwijl hij zelf weet hoe ellendig hij is) en zijn geloofsgenooten zien op hem als op Christus zelve, als hij in plaats van Christus de zonde moet vergeven of het misoffer opdragen.quot; Wy lezen op bladz 8: „Het concilie van Trente stelde het volgende dogma vast: „Indien iemand

ocr page 27

21

zegt dat de orde (d. i. bet priesterschap) niet in waarheid en eigenlijk eer. sacrament is door Christus ingesteld, die zij vervloekt.quot; De priester is de tolk en de middelaar tusschen God er; de men-schen; hij is vóór alles offeraar van het lichaam en het bloed van Christus en het is krachtens deze macht, dat hij wettelijk alle andere bedieningen kan uitoefenen, door Christus aan Zijn kerk geschonken. De Heer heeft aan de apostelen en aan hunne opvolgers in het priesterschap de macht gegeven om Zijn lichaam en bloed aan de geloovigen toe te dienen.quot; Op bladz. 11: „Het Ka

pittel van den eersten Corintherbrief levert geen enkel bewijs op voor het werkelijk bestaan van een priesterschap in de Kerk van Corinthe.quot; Op bladz. 12: „Waar Paulus de kerkelijke bedieningen opsomt, noemt hij geen bisschoppen of priesters. Dat ambt behoorde niet tot het leerambt in Paulus' tijd, maai de dragers van den naam ouderling hadden alleen opzicht over de gemeente; wat niet uitsloot, dat zij wel mochten leeren (daar ieder dit mocht) maar het geen ambtsplicht was. Paulus noemt vervolgens apostel, bedienaar van de verkondiging des Evangelies, profeet, wier werk niet was voorzeggen, maar „stichten, vermanen en troostenquot; en ten derde leeraar. Ook het leeraarschap was geen ambt, maar „behoorde tot de verscheidene gaven, naar de genade die ons gegeven is.'' Niemand der gemeenteleden was van de uitoefening dier bedieningen uitgesloten. Nóch de apostelen, noch de bedienaren der gemeente vormen een priesterkaste, die bemiddelend tusschen Christus en Zijn volk staat. Het Oude Testament spreekt van een bepaald, bet Nieuwe van een algemeen priesterschap in breeder en volmaakter zin, toegepast op alle christenen die door het geloof een onmiddelijken toegang tot Christus hebben, en Hem dagelijks hunne lichamen tot een levende, welbehagelijke offerande stellen. (Kom. 12 : 1).quot; Eindelijk lezen wij op bladz. 14: „De brief aan de Hebreen mocht hem (ds. B.) echter overtuigen, dat het eenige Priesterschap, het eenige Kruisoffer en het eenige Middelaarschap rust op Jezus Christus alleen, den eenigen Hoogepriester van het Nieuwe Verbond.quot;

Op grond van hetgeen wij boven van den brief aan de Hebreen gezegd hebben is bet duidelijk, dat wij met de laatste aanhaling kunnen instemmen. Ook wij zijn overtuigd, dat Jezus Christus de eenige Middelaar en Hoogepriester is van het Nieuwe Verbond, en dat Zijn offer het eenige is Maar de Katholieke

ocr page 28

22

kerk leert ook niet anders; en wij kunnen in den bedoelden brief niets vinden, dat met het Katholiek priesterambt in strijd zou zijn. Met éénige Priesterschap van Christus sluit dat andere niet uit; het woord priester beteekent toch in beide gevallen niet hetzelfde. Men vergelijke hetgeen wij vroeger over het misoffer gezegd hebben.

Hetgeen Ds. B. zegt van de stelling des priesters in de Room-sche kerk is dikwijls zeker maar al te waar; de priester wordt soms op een voetstuk geplaatst, dat geen mensch toekomt. Een voorbeeld hiervan werd zeer onlangs gegeven.

De kardinaalpriester Krementz, Aartsbisschop van Keulen, heeft 3 Maart 1.1. aan de nieuw te wijden priesters de vermaning gericht, dat zij zich bij de viering van hun eerste h. Mis van wereldlijk feestgewoel moeten onthouden. Dit is voorzeker goed. Maar zijn vermaning bekrachtigt hij hoofdzakelijk hiermede, dat het priesterschap „een bovennatuurlijke en bijna goddelijke waardigheid is, die den priester adelt.quot; Als deze voorstelling den jongen heeren naar het hoofd stijgt, dan kan dat bijna nog gevaarlijker worden dan voorbijgaand wereldlijk feestgeruisch

Overigens willen wij tegenover de aanhalingen van Ds. B. eenvoudig de Katholieke leer aangaande het priesterschap en de hierarchic in het kort neerschrijven.

Het concilie van Trente beweert sess. 1.3 can. 6, dat er in de Katholieke kerk is een hierarchic door Goddelijke beschikking-ingesteld (divina ordinatione instituta), die bestaat uit bisschoppen, priesters en dienaars. Exegetisch of geschiedkundig kan echter niet bewezen worden, dat Christus deze ambten ingesteld heeft, maar zij berusten op apostolische instelling. De ondergeschiktheid der priesters onder den bisschop is zeer oud en bestond in het midden der tweede eeuw in de geheele kerk. Deze hiërarchie is in den geest van de kerk, lag in de bedoeling van Christus en de apostelen, en kan daarom in ruimer zin een goddelijke instelling genoemd worden. De leden der gemeente, die geen wijding ontvangen hebben, de leeken, zijn van de bepaald geestelijke functies, maar niet van het leerambt en van het bestuur der gemeente uitgesloten. Wat de Katholieke kerk leert van een geestelijken stand is niet strijdig met het idee van een „algemeen priesterdom.quot; De Christenen heeten overdrachtelijk „een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volkquot; (1 Petr. 2 : 9), evenals de

ocr page 29

23

Israëlieten (Exod. 19 :6) een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk. (ral. 3 : 26—28 is sprake van de verhouding van ieder mensch tot God en van ieders aanspraak op zaligheid, maar niet wordt aan ieder een gelyke plaats aangewezen in de door Christus gestichte kerk.

Een enkel woord over het ontstaan en de ontwikkeling der hierarchie.

Behalve apostelen worden in het Nieuwe Testament profeten en leeraars genoemd, die echter na de organisatie der gemeenten op den achtergrond zyn getreden. Dan ook en vooral de door de apostelen aangestelde opzieners der gemeenten, die nu eens presbyters dan weer episkopen worden genoemd. Aan het hoofd van een gemeente stonden meerdere van deze mannen, in het N. T. wordt nergens één opziener van een gemeente vermeld. In het algemeen kan men zeggen, dat in den apostolischen tyd aan het hoofd ^ an de gemeente stond een college van opzieners of presbyters. In zoo n college kan zeker een de voornaamste geweest zijn, een die door zyn persoonlijke gaven of zedelyk overwicht eigenlijk de opperste leiding in handen had. Ter bewaring van de eenheid en tot onvervalschte voortplanting van het overgele-veide werd het noodig, dat het kerkelijk ambt monarchaal werd, vooral toen dwaalleeren het hoofd opstaken en de eenheid bedreigden. Toen was de tijd gekomen, dat in het college van opzieners, dat aan 't hoofd der gemeente stond, voor één de ove-ligen terugtraden, om als bresbyters met beperkte volmachten onder zijne leiding zich te plaatsen. In de gemeenten van Klein-Azië moet dat monarchaal bestuur welhaast van den aanvang af bestaan hebben. Een bewijs hiervoor is wellicht te vinden in die zeven brieven in Johannes' Openbaring (hoofdst. 2 en 3), wanneer de daar genoemde „engelenquot;, de vertegenwoordigers der zeven gemeenten, tevens symbolische figuren van de hoofden dier gemeenten zyn. Jacobus en Symeon worden als elkander opvolgende hoofden van de gemeente te Jeruzalem genoemd. En duidelijk blykt uit verschillende plaatsen in de brieven van Ignatius van Antiochio (gestorven in 't begin der tweede eeuw), dat er in de gemeenten van Klein-Azië bisschoppen waren onderscheiden van de presbyters. In het Westen is dat monarchaal bestuur niet zoo spoedig tot volle ontwikkeling gekomen, althans in Rome bestond het op het einde der eerste eeuw nog niet, wel wordt het daar gevonden omstreeks het midden der tweede eeuw.

ocr page 30

24

Dat de apostel Petrus in Rome geweest en daar als martelaai gestorven is (In 67), is een door de geheele kerkelijke oudheid eenstemmig betuigde overlevering. Maar hy is daar gekomen zeker niet vóór het jaar 58, doch eerst omstreeks het jaar G3. Hij is niet de stichter van de gemeente te Rome, zijn 25 jarig episcopaat is een sage. Hij is ook in Rome niet als bisschop maar als apostel werkzaam geweest. In die waardigheid van apostel heeft hij geen eigenlijk opvolger gehad. Het ambt der apostelen hield niet de twaalven op. De bisschoppen kunnen maar in oneigenlijken zin hun opvolgers genoemd worden. Alleen in zooverre zij leeraais en leiders der kerk waren konden de apostelen opvolgers hebben; het apostolaat was een universeel, het episcopaat is een plaatselijk ambt. De hierarchie in de oude kerk kan men het best beschreven vinden in de werken van den kerkvader Cyprianus van Carthago, vooral in zijn boek over „de eenheid der kerk.quot; De lezing van dat boek kunnen wij ook de Roomschen ten zeerste aanbevelen, omdat zij daarin zien kunnen hoe het in de derde eeuw met het primaatschap van den paus geschapen stond; laten zij er echter voor zorgen, dat zij een goede uitgave in handen krijgen, want in sommige uitgaven zijn niet zonder bedoeling eenige plaatsen vervalscht.

Bij de ontwikkeling der hierarchie moest noodwendig een primaatschap ontstaan, het was een gevolg van historische ontwikkeling. Na den ondergang der moederkerk te Jeruzalem, trad de kerk van Rome meer en meer op den voorgrond en aan de spits der geheele kerk. Tijdsomstandigheden en toestanden hebben daartoe gunstig meegewerkt. Die eerevoorrang van de kerk te Rome was geenszins gegrond op het feit, dat de apostel Petrus te Rome geweest en daar den marteldood gestorven is, hoewel dit feit mede een aanleiding geweest is. Petrus was voorzeker onder de apostelen de primus inter pares, onder gelijken had hij den voorrang. Echter kan niet bewezen worden, evenmin uit de geschiedenis als uit de H. Schrift en de overlevering, dat die voorrang van Petrus van dien aard was, dat hij kon overgaan op opvolgers, d. w. z op bisschoppen van een bepaalde door hem te kiezen stad, waardoor dezen alleen de volle apostolische macht en daarmede een voorrang boven allen zouden bezitten. In de oudheid verstond men onder Cathedra Petri de bisschoppelijke volmacht. Het primaatschap is niet per se aan de kerk van

ocr page 31

25

Rome gebonden; het is Kaar echter toegekend, maar, helaas! het is haar gevaarlijk geworden, een aanleiding tot val.

De geschiedenis van de Roomsche kerk leert, hoe zij van den beginne af niet tevreden geweest is met dien eerevoorrang, maar er steeds meer naar gestreefd heeft een macht, ja de macht te zijn in de kerk. Met de middelen is zij niet kieskeurig geweest; ver-valsching der overlevering en der geschiedenis op groote schaal was een dier middelen. Tn 1870 is de kroon gezet op dit heilloos werk. Alle kerkelijke macht is in de hand van den paus vereenigd; hij beslist alleen en onfeilbaar in zaken van geloof en zeden; hij heeft bisschoppelijke macht over alle deelen der kerk, elk bisschop is slechts zijn mandataris; alleen door pauselijke bevestiging erlangt de bisschop de macht over zijn diocees; de paus kan bisschoppen afzetten, kan hun macht door reservationes beperken; sedert den dood der apostelen berust de apostolische macht in haar geheelen omvang slechts bij den paus; concilies zijn niet meer noodig. De paus is de overlevering, de paus is de Kerk. Niet Jezus alleen is het hoofd van de kerk, Zijn mystisch lichaam; die kerk heeft twee hoofden, een onzichtbaar en een zichtbaar, het laatste is de paus. (Dus een zichtbaar hoofd op een mystiek lichaam!?) —

In de vroeger genoemde verklaring der Oud-Katholieke bisschoppen, gegeven te Utrecht in 18-9, werd gezegd: „Als met het geloof der oude kerk in tegenspraak en de oude kerkelijke grondwet vernietigend verwerpen wij de vaticaansche besluiten van 18 Juli 1870 ovei de onfeilbaarheid en het alomvattend bisschopsambt of de kerkelijke oppermacht van den paus van Rome. Dat belet ons echtei' niet het historische primaatschap te erkennen, zooals verscheidene oecumenische conciliën en de vaders van de oude kerk dat aan den bisschop van Rome als den Primus inter pares toegekend hebben met toestemming van de gansche kerk der eerste tien eeuwen quot; Een ander primaatschap kan de Katholiek niet aannemen.

quot;Wellicht kan nu Ds. B op zijn beurt niet aannemen de leer aangaande, priesterschap en hiërarchie, die wij als Katholieken vasthouden, n.1. wanneer hij zich op Protestantsch standpunt plaatst.

Dit kan ons niet bevreemden. Wie toch het Nieuwe Testament als de summa doginatica en als het corpus iurus canonici beschouwt, kan onmogelijk van de juistheid der Katholieke opvatting overtuigd zyn. Hier staan dan Katholicisme en Protestantisme tegen-

ocr page 32

26

over elkaar. Wij als Katholieken zijn van meening, dat de Hervorming voornamelijk een gevolg was van de menigte misbruiken in de Roomsche kerk van de zestiende eeuw; door die misbruiken werd de Katholieke leer voorbijgezien. Wij meenen, dat de hoofdfout der Hervormers deze geweest is; dat zij den toestand van het Christendom in den tijd van zijn ontstaan en eerste ontwikkeling als den toestand besclvouwd hebben, waaraan tot bet einde der tijden onvoorwaardelijk moet vastgehouden worden. Iedere poging, gelijk die der Montanisten, om geheel en al tot den apostoliscben tijd terug te gaan en dien tijd te vereeuwigen, heeft schipbreuk geleden, omdat zij geen rekening hield met de natuurwet der historische ontwikkeling. Doch over de tegenstelling van Protestantisme en Katholicisme hebben wij hier niet verder te spreken. Het was alleen ons doel, ds. B. opmerkzaam te maken op het ondei'scheid tusschen Katholieke en Roomsche leer, tusschen Katholieke en Roomsche kerk. Daar hij deze beide blijkbaar vereenzelvigd heeft, kan ons zijn overgang tot het Protestantisme niet bevreemden.

Het zou echter de vraag zijn of die overgang zou hebben plaats gehad, wanneer hij wel dat onderscheid had weten te maken. Kon hij zijn Bijbel en zijn Heiland in de Roomsche kerk niet vinden, omdat de godsdienst van Jezus daar op den achtergrond gedrongen is, — in de Katholieke kerk had hij kunnen vinden waarnaar zijn hart verlangde.

Op de voornaamste punten hebben wij de voor ons liggende brochure besproken; nog op enkele bijzonderheden zouden wij kunnen wijzen, b.v. hierop, dat niet volgens Katholieke leer de priester het is die de zonden vergeeft (vgl. bladz. 14 en 15), dat niet in de leerstellingen der Kerk bepalingen voorkomen die met elkander in tweestrijd zijn; want een uitspraak van een paus (vgl. bladz. 10) mag niet zoo maar als een uitspraak van de Kerk aangehaald worden. Wij meenen echter voor ons doel, en als antwoord op een brochure, uitvoerig genoeg geweest te zijn. Mocht het evenwel noodig zijn, dan zijn wij gaarne bereid, een of moer der aangeroerde punten meer uitvoerig te behandelen.

ocr page 33

27

Wij gevoelen nog behoefte een paar woorden aan het voorgaande toe te voegen.

Iemand heeft gezegd, dat wij allen eilanden zyn, die elkaar leugens toeschreeuwen over zeeën van misverstand.

Zoo ergens dan is dit gezegde waar op het gebied van theologie en godsdienst. Ds besproken brochure gat er opnieuw een bewijs van. O, waren wij slechts zoover gevorderd, dat wy elkander geen verkeerde meeningen toedichtten, wij waren dan ongetwyfeld reeds ver gevorderd. Dan was een vergelijk, een verzoening, waar het noodzakelijk is, lichter te bereiken. Maar dan moeten eerst zelfgenoegzaamheid en geloof aan eigen onfeilbaarheid verdwijnen, en moet verkettering van iedere meening, welke niet met de onze zich verdraagt, ophouden. Laat mij hier mogen meededen wat een vriend mij dezer dagen schreef over „verschil van meening.quot;

„Alle bloemkelkjes zoeken het zonlicht; maar ze zyn niet alle op één stond tegelijk gekeerd naar de kern van het licht. Zelfs als er een roept „gevonden!quot; dan is 't nog de vraag, of het volle licht tot in zyn bodem doordrong; kelk en kroon onderschepten het allicht nog ten deele. Maar ook, zou er een eens het zonlicht ten volle ontvangen, die heeft nog geen recht, om gestoord te zijn op de andere, die, zich in licht vermeiend, van de kern, de bron des lichts nog staan afgewend. Zie, hoe zij zoeken, en het kopje opbuigen in 't besef, dat wat zij als licht zien nog de zon zelve niet is; bij knakken at zal de stengel moeten overhellen. En misschien daalt de avond eer een straal, zoo uit den boezem der zon, dat zoekend bloempje verheugt. Dat ze echter blijven, die bloemen, in hetzelfde perk. Ze vormen een waardig, schoon geheel.

Wy menschen, wy zoeken óók zoo. Ik geloof, dat er zyn, die de Christelyke waarheid kennen, De Kerk des Heeren zelve staat, door den Geest der Waarheid bijgestaan, in het volle Licht, voorzoover dit de aarde beschijnen kan. Het hemelsch Licht wordt eerst in den Hemel geschonken. Maar zoolang nu de mensch zelf voor zich nog zoekt, welaan hij zoeke, maar kenne zich het recht van berispen niet toe, als een ander nog niet vond, waar hy reeds zegepralend „gevonden!quot; kon roepen.quot;

Dit herinnert ons aan een ander beeld door Tholuck gebezigd, „Zijn niet al die afdeelingen der Christelyke kerk vertrekken en

ocr page 34

28

kamers van het groote paleis, boven hetwelk tot opschrift geschreven staat: Daar is geene zaligheid, daar is ook geen andere naam den menschen gegeven, waardoor zij zalig kunnen worden, dan de naam van Jezus Christus? Moge in het eene vertrek het licht flauwer en in het andere meer helder vallen — waar dit hunne belijdenis is: Geen heil buiten Christus!quot; is het toch dezelfde genadezon, die hare stralen in meer rechte of meer ge-brokene richtingen in allen verspreidt.quot;

Wy zijn het hiermede eens, maar wenschen nog bovendien, dat die scheidsmuren tusschen de verschillende vertrekken mochten wegvallen, opdat alle bewoners van het groote paleis als broeders in liefde samenwonen. Of die bewoners allen nu reeds voor die samcn-vvoning rijp zijn? Ziende op den tegenwoordigen strijd op kerkelijk gebied, kunnen wij deze vraag niet bevestigend beantwoorden. Zoolang - er nog zoovelen zijn, die wanen, dat zij alleen in het volle licht van den middag wandelen, maar anderen in volslagen duisternis rondtasten, zoolang is er geen hoop, dat wij aan den avond staan van den dag, waarop de zon der Christelijke eenheid ons beschijnen zal.

Christenen! laat het ons toch ernst zijn. Het Christendom bestaat 1800 jaren, en onder de 1600 millioen menschen, die op aarde leven, zijn er nog geen 400 millioen Christenen. Dat de Christelijke wereld het in dien langen tijd met de bekeering der volkeren, met het werk dat haar uitdrukkelijk is opgelegd, niet verder gebracht heeft, strekt haar niet tot eer. Maar aan wie de schuld? Wat is de oorzaak? In de eerste plaats onze onderlinge tweedracht en onverdraagzaamheid. Moet het feit, dat de predikers van liet Evangelie verdeeld zyn, op degenen wien het verkondigd wordt niet een zeer slechten indruk maken. Is het alleen hun schuld, wanneer zij ongeloovig en onbekeerd biyven? Ja, wij moeten het innig wenschen: waren wij het onder elkander meer eens, konden wij den Heidenen tezamen het ééne Evangelie brengen! De oogst zou allicht grooter zgn.

De oud-Katholieken wenschen niets liever dan mede te werken tot de vervulling van dat woord: dat het eenmaal één kudde en één Herder worden moge. Zij hebben het zich tot taak gesteld aan de Christen-wereld het Katholiek geloot voor te houden, zooals zij dat rein en onvervalscht bewaard hebben.

De Oud-Katholieke bisschoppen hebben in meergenoemde Verklaring hieromtrent het volgende gezegd: „Wij hopen, dat het

ocr page 35

29

aan de bemoeiingen der godgeleerden gelukken zal, onder handhaving van het geloof der onverdeelde kerk, eene overeenstemming te verkrijgen omtrent de geschillen, die sedert de scheuringen in de kerk ontstaan zijn. Wij vermanen de aan ons bestuur onderworpen geestelijken, in de preek en bij het onderricht op de wezenlijke Christelijke geloofswaarheden, die de kerkelijk gescheiden gezindten gemeenschappelijk belijden, in de eerste plaats nadruk te leggen; bij de bespreking van nog bestaande afwijkende leerstellingen elke krenking van de waarheid en van de liefde zorgvuldig te vermijden en de leden onzer gemeenten door woord en voorbeeld aan te sporen, om tegenover andersdenkenden zich zoo te gedragen, als met den Geest van Jezus Christus overeenkomt, die ons aller Verlosser is.quot;

Op de Unions Conferenzen, gehouden te Bonn in 1874 en 1875 op uitnoodiging van prof. Doliinger, waar leden van verschillen de kerken uit alle deelen der wereld tot onderlinge bespreking samenkwamen, is gebleken, dat het niet onmogelyk is de kloven tusschen de verschillende kerken te overbruggen. Sedert zijn reeds vele misverstanden uit den weg geruimd, en daarmede moge men voortgaan. Die pogingen tot vereeniging, getuigende van een edel streven, zullen niet vergeefsch zijn hopen wij; niet vergeefsch ook voor Nederland, dat op kerkelijk gebied maar al te zeer verdeeld is.

Dat ook op dit getuigenis een zegen moge rusten, is de wensch van

EEN KATHOLIEK.

ocr page 36
ocr page 37
ocr page 38

.' -^ ■ : ■. ; :: ■' ^mtkl

^ -■ quot; : ■::: :-y

■■ ■ • -■■'.■ ■ • -■quot;Wïf

^ - ^.r ' „^ ■: ;

:- - quot; ' ■ - ■ ■;' ■:/ ■ v ■ ■ -■•■-. -1, - ■ '■

.' .v - • ^ ■■-. ;. - - ., - ;•.- • • . ■■■ ■•...••gt;.•:• gt;r^m,

'-'{ ^: :X:-r-----:. r ' ^ . r- ^ : W'M,

{~r -^1-.*:%.

W'amp;. -WSê^Z

■,!. s . ■ - ;.' . ... , . • .. '.• ■ '- -■•;•gt; . ..- -■-- • -• ;..■■' , •. ,- •

É, J: \'

!', ■■ Pè; ■: v- • :V--

. '

■ . ,v . --■ - ,- a ,-

' ' gt; ■ ' quot; quot;'U; 7

1-4 ;; i ■

iquot;;

• quot;,quot;' Jgt;.V,

• • . i ... - - . - ■,.-,,. • r-;V ' •■ -v

' '■' -:gt;w. quot; 1. ' • • r • •

v4':- '■

tv.- : i. '

mmm smsmM

quot; -V - 'quot;l-.'• V- W:'-^ O

-fT?

■ quot; . -quot; • . .. . / ' : V.... ..-•JT'.-

, ;;:r • V-'

^ ■ 'V:V' ! fÊk

y.i -'^

^■V

■AS;

mm

:v- : ■ • - -. ; 'quot; ,-; -- -

- . . ., - , .. ■ : - - ,„ . , ..quot;- ^ : . : - . ■

■-■.■ ■ •' %. ■

: - •- S •. ■ : -- ■•. ■-■: r

; ^ ' - . ■ ^ ■ -. ./

;■ ^ • ■- ■ v, ■ .■ -•: :; •■ - -■ , ■ . :f; ; - ■ ■, -;

^ / - * ■' . £*,■*,rf

quot;V - C - ■■ ■ ; ■ }-■ ■' vS-l

BBi^—■ 5;-:;.:;■ .V^-m

«V quot; : : -■■ V ■ : :5- r ï'■; .^V ■quot;• : :--:M

--■ 4 ' - - - ^ -M

- ■ : ' ■ - . . ' ' r •- ^

V ■:---' quot; /■- ; .v.v T-; v'Si/: : •■' ^ ^

(■ »■ • .'. '■•r.

• ■' • - ■ :-- -'- - / : ■: ' - v ■i

'M a

ocr page 39
ocr page 40