______C^/QC^jS.
REGKEMEHT
VA.V
Administratie
VOOR HET
Grootburger-Weeshuis
IN DE
Gemeente Kampen, s
STnoMDRrK â Laubêxs vax Hllst. â Kampen.
esch. â V
'ntftuut voor RechssgsschMenb -i'^sunlverskeit te Utredu
(L
'Kthaut voor RechtsPesdifcden!
^'i -uiu'versltelt te Utm*,
REGLEMENT VAN ADMINISTRATIE
voor het
Grootburger-W eeshuis
in de Gemeente Kampen.
Art. 1.
Behoudens do bepalingen der wet van den 28 Juni 1854, Staatsblad No. 100, gewijzigd bij die van den 1 Juni 1870, Staatsblad No. 85, wordt onder toezicht van het Gemeentebestuur, het aan het hoofd dezes genoemde instelling beheerd door een collegie van bestuurders.
Abt. 2.
De bestuurders zijn rekening en verantwoording verschuldigd aan den Raad en gezamenlijk, doch niet hoofdelijk, voor hun beheer verantwoordelijk, behalve voor die handelingen, waartoe zij bewijzen kunnen niet te hebben medegewerkt.
Art. 3.
Het getal bestuurders wordt bepaald op minstens vijf, doch kan door den Raad, na ingewonnen advies, of op voorstel van het tijdelijk bestuur, worden vermeerderd.
Art. 4.
De bestuurders worden door den Baad benoemd en ontslagen.
Zij mogen elkander niet nader bestaan dan in den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.
Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft, vóór den afloop van zijn tijd van zitting, niet af te treden.
'./30
£(10 V
ö
f
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0709 72
2
De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte.
Zij hebben zitting gedurende vijf jaren en zijn herkiesbaar.
Jaarlijks treedt met den laatsten December, volgens den daarvan opgemaakten rooster, een van de bestuurders af.
Die ter vervulling eener, buiten den bij den rooster bepaalden tijd, opengevallen plaats benoemd is, treedt af op het tijdstip, waarop hij, in wiens plaats hij benoemd is, moest aftreden.
Akt. 5.
Bij vacatures zijn de bestuurders bevoegd aan den Eaad eene aanbevelingslijst van minstens een dubbeltal personen aan te bieden, mits dit bij gewone vacatures minstens zes weken vóór het tijdstip der aftreding, bij buitengewone uiterlijk zes weken na het ontstaan der vacatures plaats hebbe.
Aet. 6.
De bestuurders nemen hunne betrekking kosteloos waar, tenzij dit door den Raad anders mocht worden bepaald.
Ter bestrijding van hunne vertering binnen de stad en tot dekking van alle andere uitgaven, die zij niet in rekening mogen brengen, kan voor iederen bestuurder jaarlijks Æ 60.â voor het gesticht in rekening worden gebracht, waarvan geen verantwoording wordt gevorderd. Reis- en verblijfkosten in het belang van het gesticht mogen zij in rekening brengen.
Art. 7.
Noch de bestuurders, noch zij, die hen in den eersten ot tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan, of één huisgezin met hen uitmaken mogen voor de instelling als advocaat, procureur, notaris of geneesheer weikzaam zijn, tenzij zonder berekening van salaris, door wien dat salaris dan ook betaald moge worden, middellijk of onmiddellijk deel nemen aan onderhandsche pacht of huur van goederen der instelling, aan leveringen, aannemingen of
3
andere bezoldigde diensten, of aan het koopen van betwiste vorderingen ten haren laste.
Art. 8.
De bestuurders mogen hunne werkzaamheden onderling zoodanig verdeelen als zij goedvinden.
Zij benoemen uit hun midden, telkens voor den tijd van één jaar, een president en evenzoo een secretaris.
Het laatste lid van Art. 4 is ook op deze benoemingen toepasselijk.
Art. 9.
Alle stukken, die van het bestuur uitgaan, worden, behoudens nader te vermelden uitzonderingen, door den president en secretaris, geteekend.
Art. 10.
De bestuurders zijn verplicht te houden:
1°. een of meer kasboeken, zoodanig ingericht, dat alle ontvangsten en uitgaven kunnen geboekt worden op den dienst waartoe zij behooren, en dat zij gemakkelijk kunnen worden vergeleken met de jaarlijksche rekening en verantwoording,
2°. een register van alle personen, die door de instelling worden verpleegd, vermeldende hunne namen en voornamen, de dagteekening hunner geboorte en die van hunne opneming, en verder die bijzonderheden, die naar den aard van elke instelling nuttig bevonden, of bij bijzondere wetten en reglementen gevorderd worden ;
3°. voor zooveel toepasselijk een rekening-courantboek met de verpleegden, van hunne bezittingen, die door het bestuur voor hen beheerd, en aan hen weder uitgekeerd moeten worden;
4°. een of meer door het gemeentebestuur gewaarmerkte registers van alle aan de instelling behoorende vaste goederen, vermeldende hunne gewone benaming, kadastrale sectie, nummers en grootte; benevens van alle vaste inkomsten van de instelling, als: grondrenten, erfpachten, renten van
4
kapitalen enz., met omschrijving van de titels, zoover die bestaan, en ten aanzien van zakelijke rechten, van de in- of overschrijving daarvan ten kantore van hypotheken, met aanhaling van dagteekening, deel en nummer.
Al deze registers worden geregeld bijgehouden.
Art. 11.
In de gestichten, in welke eene bestuurderskamer aanwezig is, worden alle titels, effecten en gelden, bewaard in eene brandvrije ijzeren kast of kist, of eene afdeeling daarvan, met ten minste twee verschillend werkende sloten, waarvan de sleutels zoodanig onder de bestuurders worden verdeeld, dat geen hunner van meer dan één slot een sleutel in bewaring heeft.
Art. 12.
Jaarlijks vóór den 1 Juli leveren de bestuurders de begrooting der vermoedelijke ontvangsten en uitgaven van het volgende dienstjaar in dubbel aan het gemeentebestuur in.
Na goedkeuring wordt één exemplaar van de begrooting met de memorie van toelichting in het archief van het gemeentebestuur, en het andere in dat van de instelling bewaard.
Art. 13.
De begrooting wordt verdeeld in de volgende hoofdstukken en artikelen:
OIVTVA1VGSTEX.
HOOFDSTUK I.
ONTVANGSTEN WEGENS VROEGERE DIENSTJAREN.
Art. :
Batig slot der rekening van het dienstjaar 18 voor zoover daarover niet reeds op eene andere wijze is beschikt.
Ontvangsten tot vroegere dienstjaren behoorende, doch eerst na het sluiten van de rekeningen over die jaren ingekomen.
O
HOOFDSTUK 11.
GEWONE ONTVANGSTEN.
Art. :
Grondrenten, erfpachten, recognitiën wegens rechten van opstal.
Opbrengst van tinzen.
Huur van huizen en andere gebouwen.
Pacht en andere opbrengst van landgoederen.
Renten van belegde kapitalen.
Kostgelden of verpleegkosten.
Verdiensten der verpleegden.
Verkoop van roerende goederen.
Subsidiën voor den gewonen dieast.
Alle andere gewone ontvangsten niet tot de voorgaande behoorende.
HOOFDSTUK III.
BUITENGEWONE ONTVANGSTEN.
Kostverkoopingen en intrede-gelden.
Inkomsten van de bezittingen der verpleegden.
Aflossing van belegde kapitalen.
Opgenomen gelden.
Verkoop van vaste goederen.
Buitengewone subsidiën.
Voorschotten, borgtochten en andere gelden, bij het gesticht in bewaring, om later aan de rechthebbenden terug te geven.
Terug ontvangen voorschotten.
Verkoop van belegde kapitalen.
Alle andere buitengewone ontvangsten niet tot de voorgaande behoorende.
6
UITGAVE W.
HOOFDSTUK I.
UITGAVEN WEGENS VROEGERE DIENSTJAREN. Art.:
Nadeelig slot der rekening van het dienstjaar 18 Uitgaven tot vroegere dienstjaren behoorende, doch eerst na het sluiten der rekeningen over die jaren betaald.
HOOFDSTUK II.
GEWONE UITGAVEN.
Jaarwedden en loonen.
Toelage aan Regenten.
Administratiekosten.
Belastingen.
Renten van opgenomen gelden.
Onderhoud van de gebouwen en tuinen van het gesticht. Onderhoud van huizen en andere gebouwen, niet bij het gesticht in gebruik.
Onderhoud van landgoederen.
Kosten van verzekering tegen brandschade.
Aankoop en onderhoud van roerende goederen.
Aankoop en onderhoud van kleeding- en liggingstukken.
Kostgelden en andere uitkeeringen.
Kosten van onderwijs.
Levensmiddelen.
Brandstoffen en licht.
Geneesmiddelen.
Begrafeniskosten.
Kosten van uitspanning en tot veraangenaming van het lot der verpleegden. ,
Kosten van verhuringen en verpachtingen.
Alle andere gewone uitgaven, niet tot de voorgaande behoorende.
7
HOOFDSTUK III.
BUITENGEWONE UITGAVEN.
Belegging van kapitalen.
Aflossing van opgenomen gelden.
Aankoop van vaste goederen.
Stichting van gebouwen en met vernieuwing gelijk staande herstellingen daaraan.
Verbeteringen aan landgoederen.
Kosten aan de bezittingen der verpleegden.
Teruggaaf van voorschotten, borgtochten en andere gelden, bij het gesticht in bewaring geweest.
Voorgeschoten gelden.
Alle andere buitengewone uitgaven, niet tot de voorgaande behoorende.
HOOFDSTUK IV.
Tot aanvulling van posten, die zulks vereischen, en lot instelling van nieuwe artikelen, die in den loop des jaars noodzakelijk worden.
Art. 14.
Van de boven omschreven artikelen van ontvangst en uitgaaf worden in de begrootingen alleen die opgenomen, welke naar den aard van elke instelling te pas komen.
Wanneer daarentegen bij deze instelling ontvangsten of uitgaven mochten voorkomen, niet vallende in de omschrijving van een der boven opgenoemde artikelen, zullen de bestuurders daarvoor op de meest geschikte plaatsen de vereischte artikelen op de begrooting tusschenvoegen.
De uitgetrokken artikelen worden doorloopend genummerd. De ontvangsten en uitgaven worden ieder op zich zelf genummerd.
Art. 15.
De artikelen kunnen door bestuurders naar goedvinden in paragrafen worden onderverdeeld.
Art. 16.
De begrooting gaat vergezeld van eene memorie van toelichting, houdende eene aanwijzing van al wat tot eene juiste beoordeeling der geraamde sommen in staat kan stellen, hetzij eene opgaaf van de redenen, die tot eene hoogere of lagere raming dan vroegere jaren geleid hebben, hetzij eene zooveel mogelijk nauwkeurige specificatie van de daarvoor vatbare artikelen.
Bij ontvangsten en uitgaven, die bij besluiten van hoogere machten zijn geregeld of goedgekeurd, worden die besluiten, met vermelding van dagteekening en nummer, in de memorie van toelichting aangehaald.
Art. 17.
Als eerste post, hetzij in ontvangst, hetzij in uitgaaf, wordt op de begrooting gebracht het batig of nadeelig slot dei-goedgekeurde rekening van het voorlaatst afgeloopen dienstjaar. Het batig slot der rekening van het laatst afgeloopen dienstjaar kan, op verzoek van het betrokken bestuur, dooiden Raad geheel of gedeeltelijk worden beschikbaar gesteld tot dekking der uitgaven van den loopenden dienst, waarop bij de begrooting niet was gerekend, of tot aanvulling van mindere ontvangsten dan bij de begrooting geraamd waren.
Art. 18.
Op elke begrooting worden de volgende memorieposten uitgetrokken:
Een art. wegens ontvangsten tot vroegere dienstjaren be-hoorende, doch eerst na het sluiten van de rekeningen over die jaren ingekomen, en
Uitgaven tot vroegere dienstjaren behoorende, doch eerst na het sluiten der rekeningen over die jaren betaald.
Art. 19.
Buiten de begrooting mag geene uitgaaf geschieden.
Ook mogen de werkelijke uitgaven niet te boven gaan de sommen, voor elk artikel in het bijzonder bij do begrooting
9
toegestaan. â Worden deze, tengevolge van omstandigheden, bij het opmaken van de begrooting niet to voorzien, in den loop van het dienstjaar ontoereikend bevonden, zoo kan het betrokken bestuur door den Raad worden gemachtigd om die artikelen met het ontbrekende te verhoogen en het vierde hoofdstuk met een gelijk bedrag te verminderen. Is dit daartoe ontoereikend, zoo kan de Raad machtiging ver-leenen om het ontbrekende af te schrijven van andere artikelen, waarop overschotten bestaan. Kan ook op deze wijze in meerdere uitgaven niet worden voorzien, zoo be-hooren bij het verzoek om machtiging tot verhooging tevens de middelen tot dekking daarvan te worden aangewezen, en zijn deze insgelijks onderworpen aan de goedkeuring van den Raad, voor zoover de wet die niet aan de goedkeuring van andere machten onderwerpt.
Art. 20.
Uit het vierde hoofdstuk der begrooting van uitgaven mogen geene directe betalingen plaats hebben.
Art. 21.
Jaarlijks vóór 1 Mei leveren de bestuurders eene rekening en verantwoording van de ontvangsten en uitgaven over het afgeloopen dienstjaar in dubbel aan het gemeentebestuur in.
Na goedkeuring wordt één exemplaar van de rekening in het archief van het gemeentebestuur, en het andere in dat van de instelling bewaard.
Wanneer de bestuurders ook elk voor zich een goedgekeurd exemplaar van de rekening tot hunne ontlasting begeeren, zenden zij daarvan zooveel meer exemplaren in als het getal bestuurders bedraagt, die dit verlangen, met inachtneming der wetten op het recht van zegel.
Art. 22.
De rekening bevat:
Dezelfde hoofdstukken in ontvangst en uitgaaf als voor de begrooting zijn voorgeschreven bij art. 13.
10
Aan het slot der rekening wordt gevoegd eene verzameling .van de totalen der verschillende artikelen, eene optelling van ieder hoofdstuk afzonderlijk, het totaal bedrag van alle ontvangsten en uitgaven, het verschil tusschen elk hoofdstuk in ontvangst, en het daarmede overeenstemmende hoofdstuk in uitgaaf, en het batig of nadeelig slot der geheele rekening.
Art. 23.
De rekening gaat vergezeld van eene memorie van toelichting, houdende opgaaf van de besluiten, waarbij machtiging is verleend tot verhooging van artikelen of tot instelling van nieuwe artikelen op de begrooting, en tot handelingen, waartoe bij de wet of dit reglement machtiging van hoogere machten gevorderd wordt;
Vermelding van al wat de bestuurders ter hunner verantwoording, dienstig achten; eene opgaaf van alle uitgaven, die naar het oordeel van de bestuurders als geldbelegging te beschouwen zijn of daarmede gelijk te staan, en van de ontvangsten, die als vervreemding van kapitaal kunnen beschouwd worden of daarmede gelijk staan, en van het verschil tusschen deze beide.
Uitgaven of ontvangsten, die slechts gedeeltelijk als belegging of vervreemding te beschouwen zijn, worden in deze opgaaf slechts voor zoodanig gedeelte opgenomen.
Akt. 24.
Elk artikel betreft slechts ontvangsten of uitgaven van eenerlei aard.
Art. 25.
Als bescheiden, tot staving der ontvangsten of uitgaven worden bij de rekening overgelegd:
«. de besluiten, waarbij machtiging is verleend tot de handelingen, waarvan de in rekening gebrachte ontvangst of uitgaaf het gevolg is, voor zoover die besluiten niet van het gemeentebestuur zelve afkomstig zijn;
b. de bewijzen van afschrijving in de grootboeken der Nederlandsche schuld;
11
c. de overeenkomsten, waaruit de ontvangsten of uitgaven voortvloeien, of eenvoudige, door den secretaris van het bestuur, geteekende afschriften of uittreksels daarvan;
d. verklaringen van den bouwmeester of opzichter, dat de aannemer heeft voldaan aan alle verplichtingen, in het bestek omschreven;
e. specifieke rekeningen, door een der bestuurders onderzocht en voor gezien geteekend;
f. kwitantiën.
Deze bescheiden worden tegelijk met de goedgekeurde rekening aan de bestuurders teruggezonden, om in het archief van de instelling te worden bewaard.
Indien de rekening niet is opgenomen en goedgekeurd vóór het einde van het jaar waarin zij werd ingeleverd, zijn de bestuurders bevoegd in alle geval de overgelegde bescheiden na het einde van dat jaar terug te vorderen, onder gehoudenheid, om die op nieuw over te leggen op de eerste aanvraag van Burgemeester en Wethouders
Art. 26,
Alle ontvangsten en uitgaven worden verantwoord in de rekening van het dienstjaar waartoe zij behooren.
Grondrenten, erfpachten, recognitiën wegens rechten van opstal, huur- en pachtpenningen, behooren tot den dienst van het jaar, waarin de schuld volgens overeenkomst invorderbaar is.
Renten behooren tot den dienst van het jaar waarin zij verschijnen. De rente echter, loopende over een tijdvak, dat met den laatsten December eindigt, behoort tot den dienst van dat tijdvak, ook zelfs dan wanneer zij eerst in het volgende jaar opvorderbaar is.
Kostgelden en verpleegkosten behooren tot den dienst van het jaar, waarin de verpleging heeft plaats gehad.
Van aannemingsprijzen, in termijnen betaalbaar, behoort elke termijn tot den dienst van het jaar, waarin hij volgens de overeenkomst invorderbaar is, ook dan wanneer de be-
12
taling daarvan, tengevolge van bijkomende omstandigheden, eerst later heeft plaats gehad.
Betalingen voor verrichte werken of gedane leveringen, behooren tot den dienst van het jaar, waarin het werk verricht of de levering gedaan is.
Begrafeniskosten behooren tot den dienst van het jaar, waarin het overlijden heeft plaats gehad.
Art. 27.
Ontvangsten bij het sluiten der rekening van het dienstjaar, waartoe zij behooren, nog niet ingekomen, worden in de rekening van het volgende jaar verantwoord onder het tweede artikel van het eerste hoofdstuk.
Dat gedeelte van elke schuldvordering, dat kwijtgescholden of oninvorderbaar verklaard is, wordt afzonderlijk verantwoord.
Schulden, bij het sluiten der rekening van het dienstjaar, waartoe zij behooren, nog niet verevend, of om andere redenen nog onvoldaan gebleven, worden in de rekening van het volgende jaar verantwoord onder het tweede artikel van het eerste hoofdstuk.
Schulden, tot een vroeger dienstjaar behooren de, die niet of tot een minder bedrag, op voorschreven^ wijze, in de rekening van dat jaar zijn opgegeven, worden niet dan na verkregen machtiging van den Raad, uit het tweede artikel van het eerste hoofdstuk der rekening van een volgend dienstjaar voldaan.
Art. 28.
Alle schuldvorderingen, die niet op den verschijndag voldaan zijn, worden binnen negen maanden daarna, door de bestuurders in rechten ingevorderd, op straffe van die uit eigen beurs aan de instelling te vergoeden, ten ware hun de vereischte machtiging tot het vceren van het rechtsgeding mocht geweigerd zijn, of de Eaad hun, op een met redenen omkleed verzoek, daarmede uitstel mocht hebben verleend.
13
Art. 29.
Geene posten mogen als oninvorderbaar in de rekening worden gebracht, dan tengevolge eener machtiging van den Raad, voor zoover de wet daartoe geene andere machten heeft aangewezen.
Abt. 30.
Te min verantwoorde ontvangsten, of te veel in rekening gebrachte uitgaven, die in de rekening niet worden goedgekeurd, worden in de rekening van het eerstvolgend dienstjaar in ontvangst verantwoord onder het tweede artikel van het eerste hoofdstuk.
Art. 81.
De begrooting en de daarbij behoorende memorie van toelichting, benevens de jaarlijksche rekening worden getee-kend door alle bestuurders, die niet door wettige oorzaken verhinderd worden.
Art. 32.
Voor zoover daaromtrent bij dit reglement, of bij andere door den Kaad vastgestelde of goedgekeurde reglementen of irstructiën niet anders is bepaald, worden de ambtenaren en bedienden der instellingen door de bestuurders benoemd, geschorst en ontslagen.
Art. 33.
Het getal, de jaarwedden en emolumenten van de ambtenaren en bedienden der instellingen, worden door een Raad geregeld, op voorstel of na ingewonnen advies van de bestuurders.
De instructiën der ambtenaren en bedienden, door bestuurders vast te stellen, zijn onderworpen aan de goedkeuring van den Raad.
14
Art. 34.
De voorwaarden en de wijze, waarop de te verplegen personen bij de instellingen worden opgenomen, worden door den Raad vastgesteld.
Voor de opneming behoeven bestuurders de machtiging vau Burgemeester en Wethouders. Gelijke machtiging wordt vereischt, wanneer in eenig opzicht, om bijzondere redenen, van de gewone voorwaarden moet worden afgeweken.
De bestaande voorwaarden blijven van kracht totdat zij door andere, overeenkomstig dit reglement, zijn vervangen.
Art. 35.
Bijzondere voorschriiten omtrent het inwendig beheer dezer instelling en de wijze van verplegen der hierin opgenomen personen, worden, zooveel noodig, gegeven bij bijzondere reglementen, ontworpen door de bestuurders of bij weigering van deze door Burgemeester en Wethouders, of eene Commissie uit den Raad en door den Raad vast te stellen.
Daarbij wordt tevens de wijze geregeld, waarop de president en secretaris, bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis, worden vervangen.
Aldus vastgesteld door den Raad der gemeente Kampen in zijne vergadering van den 24 Februari 1892 N0. 34 en medegedeeld aan heeren Gedeputeerde Staten der provincie Overijsel blijkens hun bericht d.d. 10 Maart 1892, 3e afd. N0* 7!)3/ó97 en nader gewijzigd vastgesteld door den Raad der gemeente Kampen, den 31 Juli 1894, N0. 169 en medegedeeld aan heeren Gedeputeerde Staten der provincie Overijsel, blijkens hun bericht d.d. 9 Augustus 1894, 3e afd.
XTO 3126/
⢠/2166*
|
J. G. HISSINK, Secretaris. |
EBBINGE, Burgemeester. |
REGLEMENT ter aanvulling van het âReglement van Administratiequot; voor het Grootburger Weeshuis in de Gemeente Kampen, vastgesteld door den Raad dezer Gemeente in zijne vergadering van den 24 Februari 1892.
Art. 1.
In het Grootburger-Weeshuis kunnen, na verkregen machtiging van Burgemeester en Wethouders, worden opgenomen:
1°. Weezen, waarvan de ouders beide of een van beide Grootburgers waren;
2°. Weezen, van wie de langstlevende ouders, hoewel geen van beide Grootburgers minstens vijt achtereenvolgende jaren in de Gemeente Kampen heeft gewoond en bij overlijden als nog in die Gemeente met der woon gevestigd was, mits voor iederen (iedere) wees bij de opneming ten behoeve van het Gesticht wordt betaald een bedrag van 500 gld.
Bij gelijktijdige aanvraag tot opneming van Weezen, be-hoorende tot de verschillende rubrieken in dit artikel bedoeld, hebben die sub 1° genoemd den voorrang boven die sub 2°.
De sub 2° genoemde bijdragen kunnen, wanneer ze eenmaal gestort zijn, nimmer worden teruggevorderd.
De Weezen moeten, om in het Gesticht te worden opgenomen, den leeftijd van drie jaren reeds en mogen dien van zeventien jaar nog niet hebben bereikt. Weezen, beneden de drie jaar oud, worden op kosten van het Gesticht elders verpleegd, totdat zij den leeftijd van drie jaar hebben verkregen.
16
Art, 2.
De Weezen, die in het Grootburger Weeshuis worden opgenomen, zullen gerekend worden te behooren tot dat kerkgenootschap, waarin zij door de samenwerking hunner eigen ouders zijn gebracht. In den regel zal dit worden aangewezen door de Kerk, waarin zij zijn gedoopt; zijn zij niet gedoopt, of hebben de ouders zich als lidmaten van de Kerk, waarin de kinderen gedoopt zijn, laten schrappen, dan worden deze geacht te behooren tot het Kerkgenootschap waartoe hunne eigen ouders behoorden, zoo lang deze beide in leven waren; ontbreekt ook deze aanwijzing, dan zullen de Regenten, als de wettige voogden der kinderen, beslissen van welk kerkgenootschap deze de cathechisaties en godsdienstoefeningen zullen bijwonen.
Alleen Eoomsch-Catholieke of Israëlitische Weezen, aan wier verblijf in het Grootburger-Weeshuis eigenaardige moeielijkheden verbonden zijn, kunnen op kosten van het Gesticht worden uitbesteed, bij voorkeur in een Weeshuis van de religie, waartoe zij behooren.
Art. 3.
Het is regel, dat de Weezen in het Gesticht verblijven, of, zoo noodig, uit de fondsen daarvan worden ondersteund tot aan hunne meerderjarigheid. Indien echter een verpleegde door lichamelijke zwakte of beperkte geestvermogens geheel buiten staat is om zoodanige mate van zelfstandigheid te verkrijgen, dat hij (zij) in zijn (haar) onderhoud kan voorzien, dan zal van dezen regel kunnen worden afgeweken, hetzij door het toestaan van een langer verblijf, hetzij door uitbesteding op kosten van het Weeshuis in de eene of andere verplegings-inrichting.
Art. 4.
Wanneer een jongen, tot de verpleegden in het Gesticht behoorende, bij de loting voor de nationale militie een dienstplichtig nummer trekt en later, nog minderjarig zijnde,
17
uit den werkelijken dienst gaat, zal het aan het oordeel van Regenten worden overgelaten, of hij weder in het Weeshuis zal worden opgenomen.
Art. 5.
Een wees, die eenmaal het Gesticht heeft verlaten en later, nog minderjarig zijnde, op de eene of andere wijze buiten betrekking geraakt, zal alleen dan weder tijdelijk in het Weeshuis worden toegelaten, wanneer daartegen bij Regenten geen bedenking bestaat.
Art. 6.
Mocht een der Weezen zich zoodanig misdragen of zulke verkeerde eigenschappen van aard en karakter bezitten en vertoonen, dat daarvan een nadeelige invloed op de andere Weezen te vreezen ware, dan zal hem of haar het verder verblijf in het Gesticht kunnen worden ontzegd. Geeft bij dergelijke verwijdering uit het Gesticht de leeftijd van den (de) wees daartoe aanleiding, dan zullen Regenten er toe kunnen overgaan den (de) verwijderde op kosten van het Weeshuis in eene daarvoor geschikte Inrichting of bij particulieren uit te besteden.
Art. 7.
Wanneer een wees bij zijne (hare) opneming in het Weeshuis in het bezit is van eenig kapitaal, of het gedurende zijn (haar) verblijf aldaar door erfenis verkrijgt, dan zal dit indien het bedrag daartoe groot genoeg is, worden belegd in soliede binnenlandsche Staats-Obligatiën, terwijl kleinere bedragen zoo spoedig mogelijk ten name van den (de) wees in de Rijks- of Nutsspaarbank zullen worden gedeponeerd. Deze effecten eèrYn de Spaarbank gestorte gelden blijven het eigendom van den (de) wees en worden hem (haar) bij zijne (hare) meerderjarigheid uitgekeerd, tenzij hij (zij) mocht wenschen, dat die uitkeeringstermijn werd verschoven en Regenten daartegen geen bezwaar hebben. De renten echter
18
komen ten bate van het Gesticht, zoolang de verpleegde daarin verblijft, of daarvan ondei steuning geniet.
Abt. 8.
Aan de Weezen zal een wekelijksch zakgeld worden verstrekt, naar hun leeftijd geregeld en vastgesteld door de Regenten tot een maximum van 50 cents. Dit zakgeld zal echter, wanneer de Wees zich niet goed gedraagt, door de Regenten tijdelijk kunnen worden verminderd of ingetrokken, terwijl er tevens op zal worden toegezien, dat dit geld op behoorlijke wijze wordt gebruikt en gedeeltelijk bespaard.
Art. 9.
Wanneer de Weezen, de school verlaten hebbende, worden opgeleid tot eenig handwerk of beroep en daaruit eenige geldelijke verdiensten beginnen te trekken, komen deze verdiensten ten bate van het Weeshuis.
Art. 10.
Deze bepaling geldt slechts zoo lang de Wees in het Gesticht verblijft. Heeft hij (zij) echter vóór zijne (hare) meerderjarigheid het Gesticht verlaten, teiwijl zijne (haie) verdiensten ontoereikend zijn om geheel in zijne (hare) behoeften te voorzien, dan zal het ontbrekende uit de fondsen van het Weeshuis worden aangevuld.
Art. 11.
Bij het verlaten van het Gesticht, hetzij op drieëntwintigjarigen leeftijd, hetzij vroeger, wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zal aan ieder der Weezen een behoorlijk uitzet worden verstrekt, waarvan de waarde echter het bedrag van f 150 niet zal te boven gaan.
Art. 12.
De Regenten worden door hunne Echtgenooten als Regentessen bijgestaan in de behartiging en behandeling van die
19
zaken, het Weeshuis betreffende, welke meer eigenaardig tot den werkkring der vrouwen behooren.
Abt. 13.
De Regenten houden, zooveel mogelijk eenmaal per week vergadering en verkiezen in de laatste bijeenkomst in ieder jaar uit hun midden een Voorzitter, vice-Voorzitter, Secretaris, vice-Secretaris en Penningmeester voor den dienst van het volgende jaar. De aftredenden zijn herkiesbaar.
Akt. 14.
Alle besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Staken de stemmen, dan heeft in de eerstvolgende vergadering eene nieuwe stemming plaats, als wanneer bij nieuwe staking het voorstel, waarover is gestemd, wordt geacht te zijn verworpen. Stemnaing over zaken geschiedt mondeling; verkiezing van personen bij ongeteekende briefjes.
Art. 15.
Waar dit noodig mocht zijn, wordt het Gesticht in rechten vertegenwoordigd door den Voorzitter met den Secretaris.
Opgemaakt door Regenten van het Grootburger-Weeshuis te Kampen in hunne vergadering van den 24 Juni 1897.
JULES VAN HASSELT, Voorzitter.
H. STOEL, Secretaris.
Vastgesteld door den Raad der Gemeente Kampen in zijne Vergadering van 27 Juli 1897.
v. BLOMMESTEIN, Voorzitter. J. G. HISSINK, Secretaris.
dar Rijkiuniv;TSittit ütredv:
' â quot;v â¢
;
â
â ssm
,
-.- ' , IP ' r,i.' '$. , ';.-.;i'
â
â
,
.
I
ÃN';
ij' «i I L ', . . ;â -. :
I
# â â - : â¢
I