(fh*-lO C«MlfS.
Itmèsafstki.taEfcjdié.
AFSCHEIDSREDE
VOOR DE
DOOPSGEZINDE GEMEENTE TE 'S-GRAYENHAGE,
uitgesproken op 7 October 1894,
DOOK
S. DE WAARD.
(Uitgegeven ten bate der armen van de Doopsgezinde Gemeente.)
'S-GRAVEN!IA0E.
G. C. VISSER. 1894.
DE ÃRE DES AFSCHEIDS, EES DRE DES GEBEDS.
.
.
.
â
Ie n k afsclÃ, hi ore k plé.
AFSCHEIDSREDE
VOOR DE
DOOPSGEZINDE GEMEENTE TE 'S-GRAVENHAGE, uitgesproken op 7 October 1894,
DOOR
S. DE WAARD.
(Uitgegeven ten bate der armen van de Doopsgezinde Gemeente.)
'S-GRAVENHAGE,
v G. C. VISSER. 1S94.
Typ. Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij, 's-Gravenhage.
Op vriendelijk verzoek van velen maak ik mijn afscheidswoord door den druk openbaar. Opdat er niets aan de herinnering van het gesprokene worde te-kort gedaan, geef ik de toespraak geheel, zooals ik haar heb uitgesproken. Men zal bij het lezen dan ook wel in het oog willen houden, dat dit woord oorspronkelijk werd opgesteld, als alleen voor den kansel, en niet voor de pers bestemd, 't Wil ook niet meer zijn dan een afscheidswoord, een, kan het zyn, vriendelijk aandenken, aan mijne vrienden te 's-Gravenhage achtergelaten.
S. DE WAARD.
Utrecht, 1 November 1894.
-
Mijne Vrienden!
Gij zult mij wel willen gelooven, niet waar, zoo ik u zeg, dat ik tegen deze ure zeer heb opgezien. Ach, dat oude lied, zoo diep weemoedig, het lied van komen en gaan, het klonk in deze dagen zoo menigmaal in mij en om mij ; het klonk op allerlei toon, doch immer vol hartelijkheid en sympathie. En daar is in zulke uren in ons binnenste een strijd, of wij dergelijke aandoeningen, als dan ons aangrijpen, begeerlijk moeten achten, of moeten pogen die van ons te zetten; een mengeling van dank voor al wat die ontroeringen te voorschijn roept en van smart, als zij te voorschijn geroepen zijn. Dat is de eeuwige weemoed van het leven, het bedroefd en blijde, bitter en zoet zich mengend in de ziel van al wie een hart heeft om te gevoelen. Ik voor mij, ik schaam mij den traan van weemoed in zulk een1 stond niet; ik roem in de aandoening, die nu mij ontroert, en, hoeveel zij mij ook koste, ik zou deze ure niet willen missen. Ik voor mij, ik wil het nu allerminst vergeten, dat, zoo er reden is van scheidingssmart, er allereerst moet geweest zijn dankensstof. Ik voor mij, ik zou mij aan grove ondankbaarheid schuldig maken, zoo ik niet gewaagde van het licht, waarvan op dezen dag de herinnering, de
8
weerglans is in mijne ziel, en waarbij de ontroering van het heengaan slechts eene lichte schaduw vormt. Ach, wat zeggen onze droefenissen, onze bekommernissen, bij strijd en scheidingssmart ons opgelegd, wat zeggen ze bij de genade Gods ons geschonken, dat wij mogen zijn dragers Zijner liefde, kinderen van Zyn welbehagen; en dat dit is in ons een licht, dat niet wordt uitgebluscht, een goede deel dat, bij al het wisselende en voorbijgaande in het leven, niet wordt weggenomen? Neen, wij ontveinzen ons den weemoed van deze ure niet. Toch, o, ik bid u, nu niet alleen een scheidingslied met al het smartelijke daarvan; nu allereerst een; âloof, loof den Heer, mijne ziel, en vergeet geen van Zijne weldaden.quot; Wij zijn dat als godsdienstige wezens verplicht. Waar is ons geloof, als de weemoed de overhand verkrijgt over onze ziel en het laatste woord niet immer is aan de profetie: âhet gras verdort, de bloem valt af, doch het woord Gods blijft in eeuwigheid quot; ?
En wat zal ik nu doen, M. V. ? U nog eens de redenen ontvouwen, waarom ik, ondanks mijne gehechtheid aan deze gemeente, toch gemeend heb de beroeping naar Utrecht te moeten aannemen ? Ach waartoe ?.. . ik heb u die redenen meegedeeld, toen ik bekend maakte die roepstem niet te hebben afgewezen. Ik heb daarover sints met velen uwer gesproken; en hoewel ik weet, en ook dat is mij eene vriendelijke gedachte, dat er onder u zijn, die met mijn besluit geen vrede hebben, o, ik bid u, neemt mijne verzekering aan, dat dit besluit niet overijld, niet onnadenkend genomen is, doch vrucht is der overweging, wat in dezen mijn plicht meebracht èn tegenover mijzelven èn bij de taak, die mij in het leven is opgelegd; ik bid u
9
met vert~juwen bezield te zijn, nu vooral, voor de gemeente die u lief is. Als gij dan meent, dat ik nog iets had kunnen zijn voor de gemeente, die ik nu ga verlaten, weest gij dan voortaan met te meer ijver voor haar vervuld; blijft gelooven in hare roeping, schoon en heerlijk, verheven boven alle wisseling van personen. Alweer â wat is er van uw geloof, als daaraan afbreuk gedaan wordt door eene scheidings-smart, hoe hartelijk ook gemeend ?
Wat zal ik doen? Nog eens met u nagaan de hoofdbeginselen , waarop mijne prediking voor a heeft gerust gedurende den tijd, dat het mij vergund was onder u te verkeeren? Ik zal dat niet doen. Deze ure is daartoe niet geëigend; het moet nu zijn een hartelijk afscheidswoord, â meer niet. Ik zou te veel willen aanroeren en het daardoor zeker niet goed zeggen. Bovendien: ik heb gepoogd in onze jongste samenkomsten op die beginselen van ons Christelijk-gods-dienstig leven nog eens de aandacht te vestigen; sprekende tot u van God, den Onbekende en toch Bekend, omdat wij in Hem ons bewegen en leven en zijn; van Christus, die zich zeiven arm heeft gemaakt, opdat wij door zijne armoede rijk zouden zijn; van den mensch, in wiens hart de uitgangen des levens zijn. Voor wie mij kennen en mijne prediking hebben gevolgd behoef ik nu waarlijk niet, als ter elfder ure, mijne geloofsbelijdenis te formuleeren.
Een hartelijk woord van afscheid.... moge het zijn in den geest van het afscheid, zoo als gij dat beschreven vindt in het woord:
Handelingen XXI : 5, 6«:
â Toen wij nu die dagen ten einde gebracht hadden, vertrokken wij en reisden heen, terwijl allen met vrouwen
10
en kinderen ons uitgeleide deden tot buiten de stad; en nadat wij, op den oever nedexgeknield, geleden hadden, groetten wij elkander.quot; â
Dit is een deel van het reisverhaal omtrent Panlns en de zijnen, wanneer zij op weg zijn naar Jeruzalem. De man, van wiens hand de beschrijving dezer reize is, zoo als zij in het boek der Handelingrn is inge-lascht, was iemand met een gevoelig hart. Hij was een der gezellen van den Apostel, en de heugenis was hem bijgebleven van menig moeilijk afscheid, dat op den weg naar de tempelstad was genomen. Nog is hij ontroerd, als hij daaraan terugdenkt en zwijgen wil hij niet van die weemoedsvolle oogenblikken, als hjj de lotgevallen van den Apostel en de zijnen te boek stelt. Zóó, in het vorige hoofdstuk, de aandoenlijke afscheidsrede tot de oudsten van Efeze, die zij te Milete hadden ontmoet; en aan het eind daarvan, Paulus neerknielende en met zijne vrienden biddende. En hier desgelijks: in ïyrus toeven zij zeven dagen bij de geestverwanten, en aan het eind daarvan, vóór Paulus en de zijnen het schip beklimmen, dat hen verder zal voeren, zie, hoe zij samen neerknielen aan het strand en met elkander bidden. Treffend tafereel; geen wonder, dat het gegrift is scherp inde heugenis van Paulus' metgezel. Het is zoo echt natuurlijk, zoo waar dat telkens herhaalde: ziet, hoe zij samen bidden, Paulus en zijne vrienden. â
Zoo moet het zijn, zal 't goed wezen, in moeitevolle afscheidsure; het gebed is dan de schoone vorm, de innigste vertolking van wat er leeft in de ziel aan ernst, aan dank en weemoed, aan innige wenschen. Het gebed
11
is de uiting van het teerste, het intiemste, wat in 's menschen hart kan opkomen, de vorm, waarin de hoogste spankracht der ziel, al wat haar aan energie gegeven is, wordt neergelegd. Het gebed is de hoogste, heiligste kunstvorm, waarover de mensch te beschikken heeft; immers, het verbindt hemel en aarde, het strengelt samen wat ons geloof ons van Gods hulpe doet verwachten en wat onze liefde voor menschen ons doet hopen; het is de uiting der waarachtige religie, die immers is het besef van den band tusschen God en mensch, en tusschen de menschen onderling, en deze twee één. Wat wonder, dat het er is telkens weêr in het leven in kinderlijk, naïef gestamel of in de machtige klanken eener gloedvolle poëzie; dat het er is, zoo vaak het hart ontroerd is door blijdschap of smart, door ernst of dank. Wees kind, met al de argeloosheid die des kinds is, wees man, met al de levenswijsheid u toebedeeld.... eer gij het weet is er een gebed u op de lippen; gij kunt niet anders, kind der aarde als ge zijt en kind van God, en begeerig deze twee in u tot eenheid, tot harmonie te brengen. 0, zegt toch niet, dat het gebed niet meer van dezen tijd is, gewraakt wordt door uwe wereldbeschouwing, dat gij niet meer kunt bidden. Want door zulk spreken miskent gij den adel des gebeds; onderschat het, door het te maken öf tot een bloote opsomming uwer wenschen öf tot een mysticisme, een geheimzinnig ingrijpen door hooger macht, 't welk alleenlijk uwe machteloosheid zoü ten goede komen. Alsof het gebed niet iets veel heerlijkers, veel intiemers ware: inkeer tot u zeiven, zelfbeproeving, een staan met al wat het leven u brengt als voor het oog van God, den Heilige .... een danken, ongetwijfeld, voor
12
al 't goede u, onverdiend, geschonken, maar ook een vragen waartoe strijd en beproeving u zullen dienen, vragen naar Gods wil voor n, smeekend om kracht en vertrouwen om dien wil te volvoeren.
Bidden is vol erkentelijkheid de heugenis van het verleden wakker roepen, doch ook met den machtigen durf des geloofs vooruitzien, doordringen in de toekomst, vol toevoorzicht. Bidden is gemeenschapsoefening met God.... een Hem tot ons roepen.... niet opdat Hij daardoor zou veranderd worden â in Hem is geene verandering, noch schaduwe van ommekeer â doch opdat wij er door zouden veranderd worden, bemoedigd, getroost, geheiligd, verrijkt in zielekracht. Bidden is een invocatie, een inroepen van des Vaders kracht en wijsheid in de ziel van het zwakke, schuldbewuste kind, zoodat ons leven wordt een arbeiden, een liefhebben, moet het zijn, een strijden en dulden in Hem, in Zijnen Naam. Bidden is energie, krachtsontwikkeling. âGij kunt niet bidden,quot; zegt gij? Ik zeg u, gij moet bidden, als gij een hart hebt om te gevoelen. Uw gebed behoort bij uw wezen, zoo goed als de trilling van uw' zenuw, als de klop van uw hart.
Dan, als het jubelt in u bij zooveel teers en reins u geboden, en gij het wel beseft, dat het beste, wat uw leven schoon doet zijn meer is, dan menschenhan-den voor u kunnen wrochten; dan, als aandoeningen in u worden gewekt, vergezichten u geopend, heerlijker dan gij ooit had vermoed, dat u zouden te beurt vallen; dan, als de profeten van het schoone, priesters bij de gratie Gods, uwe ziel meevoeren door hun woord, hun klank, het wonder in vorm en kleur, dat hun genie voor u boetseert, en gij de handen daarnaar uitstrekt, innig begeerig, om dat schoone in
13
u op te nemen, het gestalte in u te doen verkrijgen; dan, als uw hart indrinkt de taal der profeten, ge-loovig in den mensch, wijl zij in den Vader hadden leeren gelooven, luisterend naar hun ,zalig, zalig,quot; dat daar als een blijde boodschap tot u komt, en dit den ootmoed in u wekt over uw ânog niet gegrepen hebben quot;, doch ook het vast vertrouwen, dat dit beste u niet behoeft onthouden te blijven; dan, als er is in het leven wat u met erbarming en ontferming vervult, en gij siddert beide van ontzetting over zooveel ellende en duisternis er nog is, doch ook van begeerte om daaraan tegemoet te komen, verlossend, heiligend; dan, als gij u zwak gevoelt bij zooveel wat u bestormt en u wil ontrouw doen worden aan wat rein is en waar en grootmoedig, en gij u ellendig gevoelt, zoo gij zijt bezweken en gij smeekt om erbarming, smeekt om kracht om terug te keeren tot uwe eerste liefde; dan, als er is, wat uwe ziel in u neerbuigt, wat u wondt, eene diepe schaduw werpt op uw pad en gij uitziet naar troost en verzoening, en gij durft hopen op licht en vrede altijd weer, wijl gij daaraan de innige, diepe behoefte gevoelt; dan â bij dat alles wat u ontroert, dan bidt gij, want dan spreekt God tot u, dan raakt Hij u aan, Hij de Machtige uit wien alle dingen zijn, die door dat alles u wil opvoeden, tot zich trekken; dan gaat uw hart tot Hem uit, dan is er gemeenschapsoefening tusschen Hem en u, dan is voor u de Jacobsladder opgericht; dan gaat daarvan kracht uit op uw leven; dan is er gebedsver-hooring.
Zoo is het gebed de heiligste zielestemming; zoo is er bidden ook voor en met elkander. Ons bidden voor elkander, het is tegader de uiting van een blijmoedig
14
Godsvertrouwen en de reinste, innigste vertolking onzer liefde; het is geloof in God en geloof in elkander tot één schoon geheel vervlochten; het is te weten: daar is een band tusschen God en 't hart van hen die wij liefhebben, daar is een toekomst hun bereid, daar is een goddelijke wil, die ook hen leidt, hen liefheeft â-en dit gewijd door het teerste, wat in ons hart voor anderen kan leven: de innige zielewensch, dat die band voor hen meer en meer versterkt worde, die toekomst voor hen vervuld, zij in dien wil mogen leeren opgaan. Wat zal onze vriendschap, onze sympathie voor elkander beter wenschen, dan dat haar voorwerp zich al meer bewust worde van Gods heiligende en vertroostende gemeenschap? In onze beste oogenblikken, de uren onzer teerste genegenheid, gaan onze harten in die bede met en voor elkander op, één als zij zich gevoelen in God.
Zietdaar, Mijne Vrienden, ik heb toch nog eene geloofsbelijdenis voor u afgelegd. Want dit is immer het brandpunt van mijne prediking voor u geweest: daar is, hoezeer ook de masjesteit van Zijn wezen, de weg Zijner openbaring voor ons verborgen zij, daar is gemeenschap tusschen God en mensch, tusschen hemel en aarde; op die mystiek van het godsdienstig leven, doch die voor ons de hoogste werkelijkheid vormt, op ojj die religie heb ik immer den nadruk gelegd. Voor mij is de kern van allen godsdienst deze belijdenis; God heeft u lief, â gij zoekt Hem nooit tevergeefs; daar staat voor elk hart een heilige der heiligen open. Het gebed is godsdienstzin, religie, vroomheid in haar teersten, edelsten vorm. Het gebed vormt den reli-gieusen mensch, is het waarmerk van zijn geloof. Van dat gebed, die gemeenschapsoefening met den
15
Allerhoogste gaat kracht, zegen uit; er is gebedsver-hooring.
0, ik weet wel, en ik heb het in mijne prediking voor n nooit verheeld â alle bovennatuurlijk ingrijpen in der wereld loop, in 'smenschen lot, alle wondergeloof staat buiten het gebied van het religieuse leven; ik heb daarmee als godsdienstig wezen niet van doen. Doch dit geestelijk mysterie, de voor het kleine men-scbenverstand geheimzinnige, onnaspeurlijke, en toch zoo levende invloed die er geoefend wordt van God, den boven alles Machtige en Liefdevolle, op onze naar Hem dorstende ziel, zoodat daarvan uitgaat verzoening, vertroosting, bezieling boven bidden en denken, dat wij zelf niet weten hoe en het een wonder is in onze oogen, â deze mystiek acht ik te zijn de kern van alle geloof, zijne onmisbare voorwaarde; â en dat niet als eene theorie, eene redeneering, doch als eene blijde ervaring. quot;Wat er aan mijne prediking onder u moge ontbroken hebben, niet de telkens herhaalde belijdenis van dat geloof in de macht van Gods liefde over onze ziel, van Zijnen wil, waardoor Hij ons tot zich roept, niet de dank voor de gave des gebeds ons geschonken. En in dat geloof, dat gebed vinden wij elkander, vloeien in dit uur onze innigste wenschen en aandoeningen in één. In God vereend zoeken, verstaan wij elkander; te zamen hebben wij Hem te danken voor wat Hij goeds ons schonk; te zamen durven wij de toekomst tegemoet zien, vertrouwend op Zijne liefde. Zijne hulp; te zamen hefién wij de harten tot Hem omhoog bij al wat liefdevols en teers ons beweegt. Van die ure van het gemeenschappelijk gebed gaat zegen uit. Daar is gebedsverhooring.
Zoo hebben zij neergeknield, Paulus en de zijnen
16
op Klein-Azië's strand. Zoo kloppen onze harten samen, mijne vrienden, in deze scheidingsure vol weemoed en dank. Laat het deze biddende stemming zijn, waarin wij, na deze onze geloofsbeliidenis op den voorgrond te hebben gesteld, nog voor eene korte wijle het oog slaan op wat geweest is en wat komen zal, â onze bede makend tot een dank voor 't geen ons geschonken werd en een vertrouwensvol verlangen voor de toekomst.
Ik heb zoo even aangestipt in welken zin het ook voor ons waar kan worden, gelijk voor Paulus en de zijnen, dat wij in deze ure samen neerknielen en bidden. Welnu, indien dan, naar ik vertrouw, die biddende stemming waarlijk in ons is, wat zal dan nu in deze ure, de laatste dat wij als gemeente en leeraar samen zijn, wat zal de inhoud van onze bede zijn?
0, als ik op den tijd terug zie, waarin ik onder u mocht werkzaam zijn, een spanne van bijna twaalf jaren, hoe klopt mijn hart van dank voor 't vele goede dat mij onder n gewerd, neen, hoe kloppen onze harten van dank voor den zegen ons geschonken, ook in ons gemeenteleven. Toen ben ik tot u gekomen met het woord: âde liefde hoopt alle dingenquot; .. . gekomen ben ik in vreeze en beven, te jong , naar mij dacht, met te weinig ervaring voor eene taak, als toen mij werd geboden. Maar de liefde, zoo als God die wekt in ons hart, het besef Zijne medearbeiders, Zijne kinderen te zijn in al wat, naar Zijnen wil, de harten doet kloppen van lust voor wat schoon is en edel en hen samenbrengt en hen voor elkander Zijne nabijheid doet gevoelen, en dies den godsdienst maakt tot eene
17
zaak van de gemeenschap, evenzeer als tot eene van de binnenkamer; die liefde, die wil opbouwen, stichten, bezielen, die liefde tot God en menschen als een onaf-scheidelijk geheel, zij â krachtens hare souvereine macht, â zij ziet vertrouwend vooruit, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen. Overmoedig is zij te-met, te nabij de vervulling harer wenschen zich denkende, blind voor de gevaren, de schaduwen, die komen kunnen . .. doch nooit leugenachtig, nooit eene illusie, eene kwelling des geestes. Want â zij is uit God; en wat Hij in haar belooft, het zal niet falen.
0, toen wy vóór twaalf jaren samen kwamen, gij, mijne geliefde Haagsche gemeente en ik, jong waart gij, staande aan den aanvang van eene nieuwe levensperiode, jong ik, een kind in vele dingen in wijsheid en ervaring. Doch met al het vuur der jeugd, brui-schend in onze ziel, hebben wij onze blijde hoop voor de toekomst van onze gemeente, voor 't geen wij daarin voor elkander konden zijn, voor den zegen die in onzen kring, in de stad onzer inwoning, daarvan kon uitgaan voor elkander uitgesproken. Is die hope verwezenlijkt ? 0, goddank dat wij het zeggen kunnen, voor een goed deel wel. Niet in allen deele zeker, â daarvoor is het de hoop, meer omvattend, verder reikend dan bij onze zwakke krachten, de korte spanne ons gegeven, verwezenlijkt kan worden; onze verlangens zijn onze vermogens immer verre vooruit. En hoe zouden wij het in deze ure des gebeds niet ootmoedig belijden: onze hope is niet vervuld ook door onze tekortkomingen, door ons gebrek aan toewijding, door onze traagheid. 0, ik gevoel het zoo diep, juist nu in den laatsten tijd op beschamende wijze mij zooveel vriendschap en sympathie werden bewezen, hoeveel ik ben te
2
18
kort gekomen in mijnen dienst voor deze gemeente, voor hoevelen ik meer had kunnen geweest zijn, als ik maar had gewild. Neen, hier geen verontschuldigingen, dat het ook zooveel is, wat in eene groote gemeente, in eene stad als de onze van den leeraar gevergd wordt; geen ietwat ondeugende vraag, of het wellicht ook de tijd voor u ware, om hier in steê van één twee predikanten te beroepen, die hier beiden ruimschoots hun werk zouden vinden. Ik ook had menigmalen velen uwer met meer kracht, meer trouwhartigheid , meer broederliefde kunnen tegemoet treden dan ik nu gedaan heb, zoodat mijn arbeid onder u vruchtbaarder had kunnen zijn, â God moge het mij vergeven! En gij ook, gij hadt u meer aan de gemeente kunnen laten gelegen liggen, dan gij vaak gedaan hebt. Er is onder u nog geen gemeenschap, nog geene solidariteit genoeg; nog niet genoeg van de verwezen-lijking van de gemeente als Let ééne lichaam van Christus met de vele leden, van het âEén is uw Meester, en gij zijt allen broeders.quot; Dit is de schaduwzijde van eene gemeente, die onder de tijdsomstandigheden, als waarin wij hier leefden, in eene groote' stad, waar de menschen elkander weinig kennen en hnnne belangen uitéénloopen, zoo snel zich ontwikkelt, als de onze zich in die jaren gedaan heeft. Dan verliest men wel eens in de diepte, wat men in de breedte wint. Onvermijdelijk in velen deele, ik geef het toe, en ik behoor waarlijk niet tot de pessimisten, die zulk eene ontwikkeling met wantrouwend oog gadeslaan , â toch, daar kon ook hier van uwe zijde meer broederzin, meer begeerte tot onderlinge aanraking, meer besef van gemeenschap en onderlinge verantwoordelijkheid getoond worden dan nu velen uwer
19
doen; gij behoort immers tot de Doopsgezinde âbroederschapquot; ?
Doch wat spreek ik van deze dingen, waar zoo vele andere mijn hart vervullen en vragen om eene vertolking voor u in deze ure! Dingen, die stof geven tot ootmoedigen dank, die een âloof, loof den Heerquot; op de lippen brengen, 0, bij alle tekortkomingen en teleurstellingen, â in die twaalf jaren, welk een zegen ook! Zegen, waar ik door Gods liefde in staat gesteld werd hier iets voor de gemeente te zijn, haar leidsman en vriend, en waarbij ik gedragen werd door zooveler daarbij onmisbare steun en sympathie.
Wij predikers, die in dezen tijd voor u optreden, wy hebben eene schoone, doch veelszins moeilijke taak; ik spreek niet van veler laatdunkendheid en miskenning van onzen arbeid: doch dit is het moeitevolle, dat, wat wij hebben te spreken en te doen raakt het intiemste van het menschenleven; heilige belangen, nooden, verlangens , die met 's menschen geluk op het nauwst samenhangen. En wij kunnen daarbij niet meer zijn de verkondigers eener officieele waarheid, wij vermogen niet meer in een priesterwoord of een sacrament eene bron van vertroosting te ontsluiten; wij kunnen niet meer geven dan ons zeiven, onze overtuiging, gewekt, bezield door zoo velerlei profetie als door Gods liefde ons hart beroert, â maar toch altijd slechts onze ervaring, onzen blik op de dingen. Hoe zouden wij voor de verantwoordelijkheid daarbij terugdeinzen, zoo wij niet hadden twéé dingen; God die ons roept, ons steunt, ons Zijn woord te spreken geeft, ons geloof in onze gemeenschap met Hem, â èn de liefde, de sympathie van hen, tot wie wij ons richten, de begeerte bij dezen,
20
om door eigen nadenken en voelen onze prediking zich eigen te maken, hun geloof, dat met het onze samenkomt. Door die wisselwerking, die gemeenschapsoefening moet er zegen uitgaan van het leeraarsambt in dezen tijd.
Nu, mijne vrienden, ik heb dien zegen hier gevonden. Gij zijt mij in mijne zwakheid, maar ook in mijne begeerte om iets voor u te zijn, tegemoetgekomen. Gij hebt mij met belangstelling aangehoord en uit menigen mond heb ik het mogen vernemen, dat wij samen hadden nagedacht over al wat in het leven het hart doet kloppen van jubel en weemoed, van schuldbesef en heilig verlangen, dat wij samen Gods aangezicht hadden gezocht. Gij hebt met mij de gemeente tot bloei gebracht; gij hebt begrepen, dat het onze gezamentlijke roeping was, om tegemoet te komen aan wat zij tot hare instandhouding van noode had. En ik behoef ons ledenboek slechts in te zien, uitgedyd in dien tijd tot het vijfvoudige van wat het was, toen wij tot elkander kwamen; ik behoef slechts te denken aan de plek, waar wij hier samenzijn, het vriendelijk kerkgebouw dat ons herbergt; ik behoef slechts te zien op ons orgel, de Godsstem, dragende ons lied tot Hem; ik behoef slechts na te gaan wat wij vermogen, om in den nood onzer behoeftigen te voorzien; â te gedenken dat al in ons midden in die jaren gesticht, om het met blijden dank te erkennen: ja, daar was zegen , groote zegen op onzen arbeid voor de gemeente, die ons lief was; zegen ook door uwe belangstelling, uwe sympathie, uwe offervaardigheid.
Maar dit niet alleen hebt gij gedaan. Gij hebt mij ook uwe kinderen toevertrouwd, opdat ik met de kennis, de levenswijsheid die mij ten dienste stonden
21
iets voor hun jong gemoed zou zijn, hun gevende wat verrijkt geest en hart, zoodat daardoor de ernst des levens wordt gewekt, maar ook de dank er voor, het goed vertrouwen er in wordt te voorschijn geroepen. Gij hebt mij vergund de vriend, de leidsman te zijn uwer kinderen. Gij hebt mij meê verantwoordelijk gesteld voor 't geen hunne ziel aan blijmoedigheid, aan geloof behoeft. Dank voor dat vertrouwen, grooter dan eenig ander in mij gesteld, wijl het zulk een groot belang geldt voor u en de uwen. Daar was zegen ook op dien arbeid, zegen daar vooral, waar men het begreep, dat ook hierbij samenwerking tusschen ouders en leeraar onmisbaar is; waar men het niet liet aankomen op het ééne catechisatieuur in de week en waande daarmee den tol betaald te hebben aan wat het godsdienstig belang der jonge zielen vraagt, doch waar het leeuwendeel van het godsdienstig onderwijs berustte in handen der ouders, begeerig hun kinderen te spreken van God; Zijnen wil, Zijne liefde, en de catechisatie dus slechts leiding, aanvulling behoefde te geven aan wat te-huis was gehoord; â de beste godsdienstleeraar is het liefhebbend ouderhart. Dank voor uwe hulp, uwe tegemoetkoming daarbij. Nu gedenk ik het, hoe, bezield door denzelfden geest als hem geschonken was, die de kinderkens tot zich riep, ik zulke goede uren in mijn catechisatiekamer heb doorgebracht; hoe ik daar, al leerende, zelf onderwezen , beter werd. Daar heb ik harten mogen winnen, daar vrienden en vriendinnen gemaakt; daar leeren danken voor de gave, om tot het kinderhart door te dringen ; daar ook het begrepen, hoe het den menschen-zoon bij zijn roepen van de kinderkens tot zich er om te doen was, niet alleen die kleinen te zegenen.
22
maar om ook zelf door hunne nabijheid gezegend, verkwikt te worden. Laat daar al eens een onoplettend knaapjen of een babbelziek meisken onder geweest zijn,. ... gemeenlijk was de omgang met uwe kinderen mij lief. Dank voor 't geen gij mij in hen gaaft. En indien iets in staat is mij de moeilijkheid van 't scheiden te verlichten, het is dit, dat uw kerkeraad mij vergund heeft voorhands het godsdienstonderwijs met uwe kinderen voort te zetten, totdat mijn opvolger zal gekomen zijn.
Meer nog deedt gij. Velen uwer hebben mij toegelaten in hunnen kring, opdat ik blijde zou zijn met de blijden en treuren met de treurenden. Gij hebt mij vergund met een woord van bemoediging, van troost tot u te komen. Grij hebt mij een' blik gegeven in uwe ziel, mij bekend gemaakt met uwe nooden, uwe bekommernissen, uwen twijfel; gij hebt mij toegestaan dan als uw leeraar, uw vriend tot u te komen. En schoon ik â hoe zou ik het hebben vermocht? â niet allen twijfel kon oplossen, noch alle schaduw wegvagen, â toch, ook dat vertrouwelijk spreken met elkander was immers niet zonder zegen? Er is dan wel menigmalen wat moed en licht in de zielen gekomen. 0, gelooft mij, M. V., en hebt er dank voor, dat zoo ik iets voor uwe stichting en vertroosting heb mogen doen, gij eveneens voor de mijne door uw vertrouwen, uwe toewyding. De liefde kwam hier waarlijk niet van één' kant; gij ook hebt mijn geloof versterkt, mijnen blik verruimd, mijn hart verrijkt. Goede uren heb ik daardoor in uwe woning doorgebracht; goede, waar ik tot u trad in dagen van licht en blijdschap, maar goede uren ook in die van kommer en rouw; goed., wijl wij dan iets voor
23
elkander konden zijn tot vertroosting, wijzende op het ééne, dat blijft te midden van al het vergankelijke: Gods liefde, Zijne gemeenschap; voor elkander vertolkend het eeuwig heerlijk Paasch-Evangelie, dat vertrouwensvol doet schouwen, ook over dood en graf henen. Tot elkander brachten wij de blijde boodschap van Gods ontferming. Zijne genade. Zijne barmhartigheid; tot elkander het beeld van den menschenzoon, groot in dienende liefde, â en dat bindt.
0, wat al harten, van welke ik weet, dat zij daardoor hier klopten met het mijne, wat al vrienden! Het scheiden uit uw midden zou mij immers niet zoo moeilijk vallen, als die er niet waren. Ik gedenk hen in dezen stond de velen, die op mijn levenspad der laatste jaren mij hebben goed gedaan, en voor zoover zij hier aanwezig zijn roep ik hun mijnen innigen dank voor dat alles toe. Ik gedenk hen de ouderen, vergrijsd in 's levens ervaring, mijne meerderen in kennis en wijsheid en die toch vroegen naar mijnen omgang, mijn woord, zoodat ik er vaak verlegen, beschaamd onder werd; de jongeren, die mij met hun vertrouwen te gemoet kwamen. Ik gedenk hen, de afwezigen, doch van wier vriendenhart ik weet, dat zij in deze ure in den geest met ons zijn. Ik gedenk hen, die reeds van hunne aardsche taak zijn afgeroepen en die eenmaal mij door hunne sympathie hebben gedragen.. .. ach, wat een lange, lange lijst zou de opsomming hunner namen vormen, wat al trouwe gezichten verdwenen! Ik gedenk hen, de mannen, wier steun en raad mij
bij mijne taak onontbeerlijk zijn geweest...... 0,
waar ik dit alles mij voor den geest roep, hoe klopt mij het hart van innigen dank; hoe klopt ons hart samen, niet waar, in een: ^o goedheid Gods, nooit
24
recht geprezenquot;, een jubel, machtiger dan alle schei-dingssmart, bij al wat wij voor elkander hebben kunnen zijn, bij de stichting die wij elkander hebben mogen brengen, bij al wat wij samen voor de gemeente hebben kunnen doen. En niet om ons, niet om onze verdienste gaat het; wij zijn slechts dienstknechten, doende, wat wij moeten doen, minder dan ons was opgelegd .... nu, in deze ernstige, weemoedige ure, nu een; ,Gode, Gode alleen de eer!quot;'
Zoo hebben ze neergeknield Paulus en de zynen te Milete en aan Tyrus' strand; gedenkende, hoe Gods trouw groote dingen onder hen had gedaan. Zoo knielen ook wij neer in den geest en stamelen: âheb dank. Vader, voor 't geen Gij in ons midden wïldet wrochten, voor 't geen Gij ons vergundet voor elkander te zijn.quot;
Zij hebben gedacht aan wat geweest was, de Apostel en de zijnen, doch â kon het anders ? â zij hebben gedacht ook aan wat komen zou. Dat doet elk gebed; het richt zich vol dank op het verleden, het richt zich ook vol vertrouwen op de toekomst. Daarvoor is het een gebed, uiting van het geloof, dat vooruit moet zien, zich een toekomst schept, gemeenschapsoefening met God, den Heer der eeuwen. En dat gebed, zich uitstrekkende naar 't geen komen zal, het zal, zoo het een waarachtig gebed is, vol zijn van energie en toevoorzicht, maar 't zal ook wel eens trillen van angst, van bezorgdheid, juist dan, als het hart zich vereent met dat van wie het liefheeft. Daar kan geen innig gevoeld gebed zijn van den kleinen, zwakken mensch, het kind van éénen dag, of het gewaagt ook van zorgen en bekommernissen, of het zal sprake
25
geven van eenen lijdensbeker, die wacht en van welken wij zouden willen, dat hij werd weggenomen. Als Panlus met de zijnen neerknielt, dan is veler ziel bedroefd ten doode toe bij de gevaren die hunnen vriend beiden in zijn opgaan naar Jeruzalem; ach, zullen zij zijn aangezicht wel ooit terugzien? Zoo is het in mijn neerknielen met u in deze ure niet. Goddank, men-schelijkerwijze gesproken ga ik ook in mijne nieuwe gemeente te Utrecht eene goede toekomst tegemoet; daar is geen plicht, waartegen ik met een bezwaard gemoed behoef op te zien; geene tegenkanting, gereed my te bemoeilijken, geen pijnigende strijd; ook daar kloppen harten die mij met sympathie en vertrouwen willen ontvangen, ... . ik zal in 't Sticht waarlijk niet komen als een vereenzaamde, een verlatene, een van allen mistrouwde, gelijk Paulus in Jeruzalem. Die toekomst is goed. Maar in deze ure, hier gaat mijn hart met het uwe mee naar de toekomst van u en uwe gemeente; hier scheid ik mij van u niet; hier bidden wij nog eens samen, dat het in die toekomst aan kracht en licht niet ontbreke.
Ons gebed, eene smeeking van wat wij verwachten, o, 't omvat zeker meer dan wat in het verleden ons deel was; en toch, als het er op aankomt den inhoud dier bede weer te geven, dan staan wij verlegen. Want die toekomst, omsluierd als zij nog is, wij kunnen haar niet omschrijven gelijk het verleden, waarvan wij weten, wat het ons bracht. Het is een wenschen, een hopen wat wij doen, maar een wenschen, een hopen in Godes kracht.... ook nu nog, â o Goddank, dat mijn geloof niet is bezweken â de liefde die alle dingen doet hopen, evenals toen ik vóór twaalf jaren tot u kwam.
26
Mijn wensch voor u, gelijk de uwe voor mij, onze bede in dit uur is zeker deze, ongeveinsd, van harte gevoeld, dat het u wel ga; wèl, niet in dezen zin, dat alle leed en beproeving u moge bespaard blijven, â dat zou een slechte wensch zijn, dan zou u eerst uw hart moeten worden ontnomen; maar wèl in dezen zin, dat gij het geloof moogt behouden in den Vader, in Wiens hand uw lot rust en die u alle dingen, vreugde en leed, wil doen medewerken ten goede. Veel voorspoed wenschen wij elkander toe, â waarom niet? â maar dezen besten zegen vooral: kracht tot den goeden strijd, lust tot den plicht door God gewild , troost in het leed, dat komt van Hem, zonder Wiens wil er geen muschjen ter aarde valt. 0, indien ooit, nu in dezen ernstigen stond, nu ons hart zoo vol is van teedere aandoeningen, van reine gedachten, nu gaat aller ziel uit tot Hem, die levend met Zijnen liefdegeest in allen ook allen samenbrengt; die wil, dat wij elkander zullen begrypen, leeren, steunen; en onze smeeking, rijzend tot Hem voor ons aller heil zal niet onverhoord blijven; kracht gaat er uit van deze ure des gebeds.
Mijne bede voor u is deze: âhebt zout in u zeiven; bewaart het pand u toebetrouwd.quot; Dit immers is mee de vrucht geweest van ons gemeenteleven, ons onderwijs , onze onderlinge samenkomsten, dat wij als echte kinderen van het Protestantisme, neen, als Christenen, als kinderen Gods op den godsdienst des harten, de religie die daar leeft, de vroomheid die daar wortelt, de aandacht hebben gevestigd. âDe Christen krachtens zijn geloof vrij, doch door de liefde aller dienaar.quot; â Er kan geen ander fundament gelegd worden dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christusquot;
27
â zooals hij, het Godskind bij uitnemendheid, ons aan ons zei ven heeft ontdekt, ons gelegd heeft aan Gods vaderhart. Zoo gij dat Evangelie hebt verstaan, zoo het mij vergund is geweest het met u te doen worden tot een kracht Gods tot zaligheid in de harten , â bewaart dan dat pand, houdt hoog het vaandel der vrije vroomheid; niet andersdenkenden miskennende, doch ook niet uw geloof aan banden latende leggen. Hebt zout in u zeiven; het Koninkrijk Gods is binnen in u. In uw hart ligt door Gods genade de uitgang ten leven, tot vrede en zaligheid. Onze smeekstem voor elkander tot God in deze scheidingsure is deze, dat dat geloof niet bezwijke!
Mijne bede voor u en met u is voor den voortdu-renden bloei en opbouw uwer gemeente. Dezer dagen werd mij door iemand, die der gemeente geen kwaad hart toedraagt, doch die wel eens wat somber over hare toekomst gestemd is, dit gezegd: ânu zal het moeten; blijken, welke kracht er in de gemeente zelve schuilt, nu gij henengaat die uit den aard van uwe taak geroepen waart om aan alles leiding te geven; nu zal er voor ons een proeftijd aanbreken.quot; Zorgt gij er voor, dat de twijfel, die zich eeniger-mate in die uiting openbaarde, beschaamd worde. Ik heb goeden moed, dat het zoo zijn zal; ik zou met de verlammende gedachte van u moeten henengaan, tevergeefs te hebben gearbeid, als ik dat vertrouwen niet bezat. Zeker â en het is goed ons dat niet te ontveinzen â de gemeente heeft voor haar verder leven nog veel leiding, wijsheid, kracht van noode, gelijk al wat jong is; de band der eenheid is nog niet hecht genoeg gestrengeld; er moet nog meer besef komen van onderlinge verantwoordelijkheid.
28
Doch te meer, zoo gij 't goed met de gemeente meent, zal dan uw ijver zich betoonen in wat haren bloei kan bevorderen. 0, ik stel de vriendelijke gehechtheid van velen uwer aan mijn persoon op hoogen prijs, â maar gij moogt niet vervreemden van de gemeente, waartoe gij behoort. Zij ook is de tolk, de draagster van het Evangelie des Koninkrijks, dat naar Gods wil komen moet; en dit onveranderlijk Koninkrijk, staande in zijn heerlijk doel boven alle komen en gaan van menschen en dingen, is uwe volle toewijding waard. Als gij dan waarlijk met en voor mij bidt, dan zal zeker de wensch leven in uw hart om ook door u, onder Gods hulp, te doen bloeien de gemeente, die mij lief was, den godsdienst, waarvan zij de bevordering beoogt. Gij dan geeft acht op elkander ter opscherping van liefde en goede werken; laat de onderlinge samemkomsten niet na; weest vurig van geest, ijverig in het dienen, sticht de een den ander. Rijk in den zegen, die u gewerd gaat uwe bede uit tot Hem, die u tot Zijne bouwlieden heeft verkoren, en die het u zal doen gelukken, als gij voortgaat ook onderling, in uwe gemeenschap. Zijn aangezicht te zoeken. Nog heeft de gemeente eene schoone taak te volvoeren; nog kan zy in den nood der tijden, bij de bekommernissen des levens, bij de macht der zonde zijn eene kweekplaats tot reinheid en gerechtigheid, tot kracht en troost. Arbeidt gij daaraan mede. Laat ook deze gemeente een stuksken zijn van den zuurdesem , die het gansche vat meel moet doordringen. Nu, in dezen stond, nu onze harten vol zijn van teederheid, vol ernst en geloof, nu rijst ons aller bede: âHeer, onze Vader die in de Hemelen zijt. Uw Koninkrijk Kome!quot;
29
En nu, Mijne Vrienden, leden der gemeente en allen die mij immer gedragen hebt door uwe sympathie, â vaart wel! Wij zullen elkander niet vergeten, 't Zal niet zijn, âuit het oog, uit het hart.quot; God zij met u en de uwen. Zijn licht der liefde schijne op uw pad, in uwe woning! Zijne kracht steuue u in vreugde en in droefheid, heilige die, doe het u al ten goede medewerken! Onze beste wenschen, onze beden zijn voor elkander. Menigmalen zullen wij elkander nog ontmoeten als in den geest; die geheimzinnige, maar warme, levende kracht der sympathie blijft ons samenstrengelen, blijft ons veel voor elkander doen zijn. Er is voor het gebed, dat nu in ons leeft ge-bedsverhooring. Ook zal ik nog wel eens tot u mogen komen, niet waar, om als van ouds een geloofswoord tot u te spreken.
âGij dan, gedraagt u het Evangelie van Christus waardig, opdat ik, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben aangaande u hooren moge, dat gij vaststaat in éénen geest, met één gemoed te zamen strijdt door het geloof des Evangeliesquot;.
Amen.