EEN STELREGEL
voor het dagelijksche leven.
LEERREDE
DOOI!
Dr. J. J, P. VALETON,
DuD-f-fOOGLEERAAR.
Uitg.we van LA RlVlKliK ^ VOORHOEVl-:. ZWOLLK. 1802.
H.
amp;-
\lt;{%
EEN STELREGEL
t) 49quot;
voor het dagelijksohe leven.
LEERREDE
DOOR
-âs.. .
Dr. J. J. P. VALETON,
Uitgave van LA RIV1ÃRE amp; VOORHOEVE. ZWOLLE. 1802.
Deze Leerrede, den 8sten November 1891 le Zwolle en den 22sten d. a. v te Gouda uitgesproken, wordt op verzoek uitgegeven.
Gelezen werd Filipp. II : 1â11 en
Gezongen Ps. lil : 1, 5; Gez. 50 : 1, 2; Ps. 119 : 1, 3 Gez. 274 : 2, 6.
EEN STELREGEL
voor het dagelijksehe leven.
Tekst \ Kor. X : 23, 24.
«Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. Niemand zoeke, dat zijns zelfs is; maar een iegelijk [zoeke] dat des anderen is.quot;
Geachte Toehoorders!
In een vroeger gedeelte van zijnen brief aan de Korin-thiërs (het 8st0 hoofdstuk) had Paulus de vraag behandeld, die te Korinthe in de gemeente was voorgekomen, in hoeverre het geoorloofd was vleesch van offerdieren, die aan de afgoden gewijd waren, te eten, hetzij aan den offermaaltijd in den tempel, hetzij bij vrienden in eene bijzondere woning, hetzij op de markt openlijk te koop geboden. In het gedeelte van den brief, waartoe onze tekst behoort, komt de apostel op dit onderwerp terug, ten gevolge van zijne vermaning om allen afgodendienst te vlieden. Op beide plaatsen steunt zijne beantwoording der vraag op eenen algemeenen stelregel, die in onzen tekst op de duidelijkste wijze is uitgedrukt. De vraag omtrent het gebruik van het vleesch van offerdieren, de afgodendienst in het algemeen, heeft voor ons geen bijzonder belang meer. Maar de door Paulus aangegeven stelregel, die ook op velerlei andere gevallen toepasselijk is, is nog voor ons van het hoogste belang. Laat ons in
4
de eerste plaats dien stelregel van naderbij beschouwen en nagaan op welken grond die steunt, en in de tweede plaats over de toepassing spreken, waarvoor die vatbaar is, naar de behoeften van onzen tijd.
»Alle dingen zijn mij geoorloofd,quot; zegt Paulus, of zoo als er in 'toorspronkelijk eigenlijk staat: «Alles is geoorloofd.quot; En hoeveel gewicht de apostel aan dezen stelregel hecht, kan daaruit blijken, dat hij dien niet alleen in onzen tekst nadrukkelijk herhaalt, maar ook reeds bij eene vroegere gelegenheid (VI : 12) deze zelfde woorden bij herhaling ter neer schrijft. Maar het spreekt van zelf, dat hij daarmede niet die dingen bedoelt, die met Gods bepaalden wil en bekende ordeningen in strijd zijn en als zoodanig met den naam van zonden moeten gebrandmerkt worden. Ware het mogelijk daaraan te twijfelen, dan zou ik u slechts behoeven te wijzen op de woorden, die even voor de laatst aangehaalde plaats voorkomen (VI: 10), en ik zal ze u voorlezen, omdat het waarlijk niet goed is zulke vermaningen met eenen mantel van preutschheid te bedekken, maar hoog noodig ze, ook bij de Christelijke gemeente, gedurig in herinnering te brengen: «Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch over-spelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, geene dronkaards, geene roovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.quot;
Hieruit volgt klaarblijkelijk, dat Paulus, als hij zegt: «Alles is geoorloofd,quot; zulke dingen bedoelt, die tot het dagelij ksche, huiselijke of maatschappelijke leven behooren, en die men even goed kan doen en nalaten, zonder zich door die handelwijze zelve aan zonde schuldig te maken. Men noemt ze daarom gewoonlijk onverschillige. Toch zijn er omstandigheden, waarin zij niet geheel onverschillig zijn, en daarom wijst Paulus den maatstaf aan, naar welken zij door den Christen moeten beoordeeld worden. Even krachtig als hij, hier en op vele andere plaatsen, de Christelijke
5
vrijheid handhaaft, even sterk dringt hij er op aan, dat de Christen zelf zich in het gebruik dier vrijheid wete te beperken; en naar welk beginsel? Naar dat der Christelijke liefde, der liefde jegens den naaste. Wat toch volgt er in onzen tekst ?
«Alle dingen zijn geoorloofd, maar â alle dingen zijn niet oorbaar,quot; dat wil zeggen: doen geen nut, namelijk zooals uit het vervolg blijkt, aan den naaste. »Alle dingen zijn geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.quot; dat is: dragen niet bij tot het optrekken van het Godsgebouw, tot de uitbreiding van het Godsrijk, door anderen tot bekeering en geloof op te wekken en te dringen, of ook anderen in het geloof te versterken en in het leiden van een Christelijk leven behulpzaam te zijn. Daarin toch, en niet in zekere woorden of uitwendige vormen, ligt de ware stichting. Van al die geoorloofde dingen dus is, volgens Paulus, de Christen geroepen al diegene na te laten, die den naaste nadeel zouden kunnen toebrengen, en alleen die te doen, die voor den naaste waarlijk heilzaam en tot bevordering van diens Christelijken zin en wandel dienstig zijn. Paulus zelf was altijd bereid naar dien regel te handelen; hij had macht, hij was bevoegd, om van het evangelie te leven, maar hij wilde liever dag en nacht met de handen arbeiden, ten einde niemand lastig te zijn; hij had macht om eene zuster in Christus, evenals Petrus deed, als vrouw op zijne reizen mede te nemen, maar hij maakte er geen gebruik van, om in zijnen arbeid niet belemmerd te worden. En nu stelt hij dit levensbeginsel, dat het richtsnoer ook zijner eigene handelwijze was, zoo algemeen mogelijk voor, daarbij in onzen tekst laat volgen: «Niemand zoeke dat zijns zelfs is, maar een iegelijk [zoeke] dat des anderen is,quot; met andere woorden, die het oorspronkelijke juister teruggeven: «Niemand zoeke zijn eigen [belang], maar dat van den naaste.quot; En ook dit heeft hij nog elders in gelijksoortige uitdrukkingen gepredikt (Fil. II :4): «Niet
6
een iegelijk zijn eigen, maar ook elkanders belang op het oog hebbende.quot; Het is alles de weerklank van het woord van den Heer zelf, die als tweede gebod, met het eerste en grootste gelijkstaande, had aangewezen; ))Gij znlt uwen naaste liefhebben als u zelf.quot; Dat wil niet zeggen; ))Gij zult u zelf liefhebben en zoo ook uw naaste.quot; De zelfliefde wordt hier niet geboden, maar ondersteld. »Gelijk gij, natuurlijk zondig mensch, u zelf lief hebt en alles voor u zelf wilt doen, zóó moet gij, Christen, volgeling van Jezus, uwen naaste liefhebben en alles voor hem over hebben, als of hij vi zelf was.quot; Dit klinkt wellicht voor velen veel-eischend, overdreven, zelfs gestreng. Hoe, zich zelf geheel te vergeten en alleen aan anderen te denken, voor anderen te leven, alleen het heil van anderen te behartigen? De Heer en zijne apostelen hebben het zeer zeker niet anders bedoeld. En het gebod der liefde is ook, uit zijnen aard, nooit gestreng. Integendeel het wordt uit liefde gegeven; lief te hebben is de hoogste zaligheid. Letten wij slechts op 'tgeen den grondslag uitmaakt van dit gebod.
»Een nieuw gebod geef ik u,quot; zoo sprak Jezus den laatsten avond van zijn leven, «dat gij, mijne discipelen» elkander liefhebt; gelijk ik u lief gehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.quot; Waarop steunt dan dit gebod? Op het woord van den Meester, die met gezag zijne bevelen uitdeelt en gehoorzaamheid eischt? Op het voorbeeld van den Heer, die wil dat de zijnen Hern navolgen? â Neen. neen, op veel dieper en vaster grond: op de liefde, die Hij zelf betoond heeft, op het verlossingswerk, dat Hij zelf uit liefde heeft volbracht. G. T. Dat is het evangelie, dat altijd moet gepredikt worden en waaruit al onze verdere prediking te allen tijde voortvloeit en hare kracht ontleent. Gij kent het, dat evangelie van Christus en dien gekruist. Het is ook tot 11 gekomen. Maar â is het ook in uw hart doorgedrongen? Hebt gij er de kracht van in uw binnenste ondervonden en gevoeld? Hebt gij
7
ooit beseft, is het u ooit tot bewustzijn gekomen, wat het zegt, dat God de wereld, de zondige, de ondankbare, de van Hem afgevallene, maar juist daardoor diep ellendige wereld â want wat er ook tegen schijne op te wegen, hoe men het ook bedekke, hoe men er zich ook over verblinde of tegen verharde, de wereld is diep ellendig, voor menschenmacht onherstelbaar ellendig â dat God die wereld zoo lief heeft, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon voor haar heeft overgegeven? Dat die Zoon, het uitgedrukte beeld des Vaders en één met den Vader in liefde, zich zelf voor haar ten offer gebracht heeft? Gij kent de lijdensgeschiedenis, maar hebt gij ooit eenige voorstelling gehad van 'tgeen Jezus Christus niet slechts in dien laatsten dag van zijn leven, maar gedurende de drie jaren zijner openbare werkzaamheid (om nu van den vroegeren tijd niet te spreken) in zijne ziel geleden heeft door het aanschouwen van zoo vele hemeltergende zonden, door de afkeerigheid der menschen van den hemelschen Vader, dien Hij zoo liefhad; door de onverschilligheid, door den tegenstand, dien Hij bij zoo velen ondervond, als Hij hun van dien Vader sprak en hun den weg wees tot ware geestelijke aanbidding en heiligmaking, zooals die den Vader alleen kan behagen; door de vijandschap, die men Hem betoonde en waardoor men Hem, toen men Hem verwierp en veroordeelde, het gansche gewicht der zonde deed dragen; door de verzoekingen, waaraan li ij onder dat alles was blootgesteld; door het gevoel bovenal van de diepe ellende, waarin dat menschdom gedompeld is, aan 'twelk Hij zich zoo nauw had verbonden, waarvan Hij deel uitmaakte en dat Hij zoo innig liefhad, gelijk uit al zijne gedragingen, zijn geduld, zijne zachtmoedigheid, zijne hulpvaardigheid bleek â hebt gij ooit in uw hart iets van dat lijden medegeleden en is daarbij ooit de gedachte in u opgekomen: ))Dat is voor mij geschied; tot dién prijs is mij de vergeving mijner zonden verworven; door dat bloed zijn zij uitgewischt; door
8
dat offer ben ik met God veizoend?quot; En als gij u dan tot Hem, die dit alles voor u deed, aangetrokken gevoeldet, en althans den wensch begont te koesteren om Hem ook lief te hebben, gelijk Hij u lief heeft, en Hem uw hart te geven en uw leven te wijden, hebt gij dan ooit bedacht, dat gij niet het eenige voorwerp dier goddelijke liefde zijt, dat de broeder of zuster, die daar naast u zit, die u onverschillig is, tegen wie gij eenigen tegenzin koestert, over wie gij u wellicht te beklagen hebt, er evenzeer in deelt; dat uw Heiland ook voor hem of haar geleefd, gearbeid, geleden heeft en gestorven is; en dat Hij het is, die nu, ook tot u beide en tot allen zegt, welke Hem kennen en Hem wenschen toe te behooren: »Hebt elkander lief, gelijk ik u heb lief gehad?quot;
O geliefde Broeders en Zusters, als er iets van dien aard zich in uw boezem begint te bewegen, dan kan het gebod der liefde, om u zelve te vergeten en met voorbijgaan van uw eigen belang, het belang van uwen naaste te behartigen, u niet vreemd, niet hard, niet moeilijk schijnen. Weet gij u dooi' de zelfopofferende liefde uws Verlossers behouden, dan is niet alleen het gebod van dien Heer u heilig, ja dierbaar, maar dan wordt ook die zelfopofferende liefde, waarvan Hij zelf en, op een afstand gewis, zijne apostelen en andere verlosten, het voorbeeld gegeven hebben, het ideaal waarnaar gij streeft. Dan is de nieuwe menscb in u geboren, de nieuwe menscb, die het beeld des tweeden Adams, liet beeld Gods, wenscht te dragen en die strijd voert tegen den ouden, zondigen, zelfzuchtigen menscb. Dan ligt dat voorbeeld van den Heer, dat gij anders te vergeefs zoudt pogen na te volgen, niet meer geheel buiten uw bereik; want dan weet gij, waar gij kracht kunt erlangen in den strijd, dan vraagt gij gedurig en met steeds toe-nemenden aandrang, dat de Heer zelf u van zijnen Geest mededeele, die een geest niet alleen van waarheid, reinheid, heiligheid, maar ook van liefde is, en u alzoo in staat
9
stelle in zijne voetstappen te wandelen, gelijk Hij u een voorbeeld gegeven heeft. Geliefde toehoorders, ik hoop, ik vertrouw, dat er eenigen, velen in uw midden zijn, die ervaren hebben en getuigen kunnen, dat die bede nooit vruchteloos is. Maar dan wordt ongetwijfeld, ook nu reeds aanvankelijk, in u het woord des Heeren bevestigd (Matth. X : 39): »Die zijne ziel vindt, zal ze verliezen,quot; de zell-zuchtige zondaar, die slechts voor zich zelf leeft, aan eigen lust en 'begeerte voldoet, gaat verloren, «en die zijne ziel verloren heeft om mijnentwil, zal ze vinden,quot; al wie uit liefde tot mij zich zelf verloochent, zich zelf vergeet, die zal juist daarin vinden wat hij niet gezocht heeft, de hoogste voldoening, volkomen zaligheid. Dan zult gij gaarne en blijmoedig getuigen, al blijft ook de wensch in u leven, dat die getuigenis nog voller, nog krachtiger mocht zijn, dat gij â niet in uwe eigene liefde, maar in den Heer, aan wien gij u gegeven hebt en voor wien gij leeft, onuitsprekelijk gelukkig zijt. En â dan vraagt gij er slechts naar, hoe gij dat beginsel des èeuwigen levens, in uw geheele aardsche leven meer en meer in toepassing brengen zult.
En nu de toepassing. Mijne Hoorders.
Voorwaar, dat is eene zware taak, zwaarder dan iemand zich wellicht voorstelt. Vooreerst, omdat men altijd gevaar loopt, door het beginsel tot de uiterste consequentie te drijven, dat wil zeggen, door er met afgetrokken verstandelijke redeneering alle mogelijke gevolgtrekkingen uit af te leiden, den hoorders een juk op te leggen, dat men zelf niet dragen kan, en alzoo, het onmogelijke eischende, niets te verkrijgen; maar ook omdat men, al doet men zulks niet, al poogt men ten minste binnen de juiste grenzen te blijven, toch gevaar loopt, dat menig hoorder juist dat, wat hij gevoelt op zich toepasselijk te zijn, den
10
prediker kwalijk afneemt en in plaats van daarmee in zijn eigen binnenste in te gaan, uit ontevredenheid van de ge-heele prediking, de eva«(/eheverkondiging, waarop alles steunt, niet hooren wil en het Woord Gods tot eigen verderf verwerpt. Och, mocht God u allen daarvoor behoeden en mij er voor bewaren, dat ik er aanleiding toe geve. Ten andere is de toepassing eene zware taak, omdat zij zoo veelomvattend is. Zij strekt zich eigenlijk over het geheele leven en alle bijzonderheden er van uit, ook waar men zulks dikwerf het minst vermoedt. Ik streef dan ook niet naar volledigheid, ik wil slechts eenige categoriën, eenige soorten van omstandigheden even aanstippen, waaruit men dan ook licht voor andere een besluit opmaken kan.
Daar valt mijne aandacht in de eerste plaats op de velerlei ambten en betrekkingen van hoogeren of lageren rang in de regeering van land of gewest of gemeente, in de verschillende takken der administratie, in de rechtsbe-deeling, bij de krijgsmacht, in het onderwijs, in de geneeskunde en wat dies meer zij. Met- welk doel worden deze gewoonlijk gezocht en waargenomen? Grootendeels natuurlijk tot levensonderhoud, maar is het ook niet veelal, ook met het oog daarop, met den toeleg om vooruit te komen, hooger op te klimmen, de inkomsten te vermeerderen, in eer, invloed, macht te winnen? In dat alles ligt, voorwaar, op zich zelf geene zonde, maar â zou het werkelijk voldoende zijn, zoo men, met dat doel voor oogen, of zelfs maar om over zich zelf tevreden zijn, naar wet en voorschrift zijn plicht betracht, zoodat men van niemand eenig verwijt te vreezen heeft? Moet er niet in de rechtvaardigheid, billijkheid, getrouwheid, die men in acht neemt â om aan de bedoeling van den apostel, van den Heer zelf te beantwoorden â een bestanddeel van liefde aanwezig zijn, van warme belangstelling, van toewijding â niet aan de maatschappij, aan het vaderland in 't algemeen, ook daarin ligt een beginsel van zelfzucht, maar â aan
41
het heil. het tijdelijk en (verliest dit niet uit het oog!) het eeuwig heil van ieder persoon met wien men te doen heeft, van ieder mensch, die in een of ander opzicht aan onze zorg is toevertrouwd? Ik wil hierover niet verder uitweiden; ik wensch het slechts in uwen en mijnen boezem neer te leggen, opdat wij er mee in ons zei ven inkeeren en ons zelve onderzoeken, in hoeverre wij in het geloof zijn in dien Heiland, die uit liefde voor ons gestorven is.
Ik denk ten tweede aan andere middelen van bestaan: aan koophandel in 't groot of klein, aan nijverheid, aan landbouw. Hier voorzeker is de erkende drijfveer winstbejag. Is dat verkeerd ? Is het zonde, als ieder voor de belangen van zijn eigen bedrijf ijvert? Voorwaar neen, zonder dat zouden deze dingen niet kunnen bestaan, en zij zijn toch, langs den weg van natuurlijke ontwikkeling, onder het aanbiddelijk Godsbestuur ontstaan. Maar â is dat behartigen van eigen belang voldoende? Mag dat eigenbelang uitsluitend gelden? Waartoe leidt het? Vele jaren geleden heb ik eene vergadering bijgewoond, bij welker opening de voorzitter luide verkondigde: «Eén belang ver-eenigt ons.quot; Maar, helaas! weinige uren later, toen het bleek, dat er strijdige belangen in 'tspel waren, waren de sporen van oneenigheid maar al te zichtbaar. De liefde alleen kan duurzame vereeniging bewerken. En zou die niet bij alle deze dingen kunnen bestaan? Zou het niet mogelijk zijn, dat ook hier, naar het woord des apostels, een iegelijk niet zijn eigen belang, maar dat zijns naasten in de eerste plaats behartigde? Ik vermeld niet eens, dat eerlijkheid in maat en gewicht, reeds in 't Oude Testament voorgeschreven, daarvoor een vereischte is. Maar moest niet ieder zich ten regel stellen de best mogelijke waar te leveren, te vervaardigen, te kweeken, tegen den geringst mogelijken prijs? Moest niet ieder, gedrongen door de liefde van Christus, uit liefde tot den naaste, zich ten strengste wachten niet alleen eenigc waar te vervalschen, maar ook
12
het dooi' anderen vervalschte te verkoopen, al moest hij zich dan ook een meer of min aanzienlijk winstverlies getroosten ?
Doch genoeg ook hiervan. Ik spreek ten derde van het vermogen dat wij bezitten, 'tzij dan van ouders of voorouders geërfd, hetzij door eigen eerlijken arbeid verworven, van de inkomsten, hetzij aanzienlijk of gering, uit welke bron dan ook verkregen. Dat wij daarover vrijelijk mogen beschikken, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. Maar voor den Christen kan het niet onverschillig zijn, welk gebruik hij daarvan maakt. Ik heb eene schatrijke dame gekend â zij is reeds sinds 25 jaar in den hemel â die eens tot mij zeide: «Och, professor, dat rentmeesterschap, dat rentmeesterschap valt mij zoo zwaar!quot; Zij was hoogst weldadig, maar had ook kinderen en kindskinderen en nu viel het haar somtijds zwaar te beslissen, hoe verre zij naar een of anderen kant gaan moest. Dit is het, mijne hoorders, het rentmeesterschap. Hoe veel of hoe weinig wij ook aan bezitting of inkomen hebben mogen, wij zijn er de eigenaren niet van. Het is alles toevertrouwd goed, en dat voor een tijd,, die spoedig voorbij is. Van gierigheid kan geene sprake zijn, de gierigheid is afgoderij; het vonnis over gierigaards hebben wij ons zoo even nog herinnerd. Maar is het met de liefde bestaanbaar alles of zelfs het meeste van 'tgeen wij bezitten tot eigen genot te besteden? Hebben wij ook hier niet in de eerste plaats aan anderen te denken, terwijl rondom ons zoo onuitsprekelijk vele en groote behoeften bestaan? Dat wil niet zeggen, dat het (jeven van geld hier vooral op den voorgrond moet gesteld worden, 'twelk, helaas! maar al te dikwerf een wegwerpen van geld is. Ach, het is zoo gemakkelijk, als men niet al te gierig is, wanneer men af en toe voor het een of ander wordt aangesproken, er zich met eene kleinere of grootere gift of bijdrage van af te maken. Waar het vooral op aan komt, is een belangstellend, deelnemend kennis nemen
13
van 'tgeen voor anderen kan gedaan worden en van de beste wijze om dat te doen. Ik zeg niet van alles â dat zou menschenvermogen te boven gaan â maar ten minste van 'tgeen het naast voor de hand ligt of waarop, onder Gods bestuur, onze aandacht wellicht gevestigd wordt. En dan moet men niet, als 'top geld aankomt, vragen of er? nadat eigen lust en neiging voldaan zijn, nog wat overschiet, gelijk mij wel eens is voorgekomen, maar of er^ nadat al het mogelijke ten behoeve van anderen gedaan is, nog iets voor ons zelve overschiet. Ik vrees, dat dit somtijds niet veel zal wezen, maar 'thart zal er te meer om verblijd zijn, dat men iets voor anderen heeft mogen doen. En dat geldt niet alleen de rijken. Schrijft niet Paulus ook aan hen die met de handen. arbeiden: »Die gestolen heeft stele niet meer, maar arbeide liever, werkende wat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen dengene die nood heeft?quot;
Eindelijk, ten vierde, kom ik tot zeer alledaagsche zaken: kleeding, woning en huisraad, vermaak of uitspanning of tijdverdrijf, ofschoon dit laatste woord, bij het snelle voortspoeden van den tijd, zeker niet gelukkig gekozen is, ook spijs en drank. Wie zal niet erkennen, dat hier van zeer noodzakelijke dingen sprake is, waaraan de mensch naar Gods ordening behoefte heeft? Wie zal hierop het: »Alles is geoorloofd,quot; niet toepasselijk achten? Wie zal niet gevoelen, dat het geen plicht kan zijn zich tot het volstrekt onmisbare te bepalen, maar dat de mildheid Gods hier eene rijke bron van genietingen voor ons geopend heeft? De oudheid heeft een wijsgeer gekend, die met opzet zich in een armoedig gewaad hulde en in een ton woonde, alles verachtende, wat slechts in de verte naar weelde zweemde^ en wiens volgelingen dan ook Cynische, dat is hondsche wijsgeeren genoemd werden. En ook andere volken en godsdiensten hebben diergelijke voorbeelden van eigenwillige armoede opgeleverd. Maar de mensch is nu een-
14
maal geen hond, geen redeloos dier. De mensch heeft van God het vermogen ontvangen om zijn geest te ontwikkelen, zijn smaak te veredelen en door het bezit van dingen, die zouden kunnen ontbeerd worden, gelukkig te zijn. Maar â zou ook hier de liefde tot anderen in het hart van den geloovige niet hare rechten doen gelden? Zou men bij het genot dier betrekkelijke weelde, die zells nog in de minst vermogende klasse der maatschappij aanwezig is, niet in de eerste plaats aan anderen moeten denken en zich gaarne iets, ja veel ontzeggen, om anderen wel te doen. Hoe kan men dien opschik dragen, waarmee slechts gepronkt, de ij delheid gestreeld wordt, als men denkt aan den arme, die zijne leden te nauwernood met lompen dekt? Hoe kan men zicli hechten aan kleingeestige, maar kostbare liefhebberijen, aan nuttelooze verzamelingen? Maar de weelde kan ook kunst en wetenschap bevorderen, die kostelijke gaven, die God ons geschonken heeft, en waar men dat op het oog heeft, hoe zou die weelde niet geoorloofd, niet plichtmatig zijn? Maar op het beginsel komt het aan: hoovaardij of liefde. En zoo is het ook met alles, wat tot ontspanning van den geest, tot verkwikking en vernieuwing van kracht dienstig is. Ach, hoe vele feesten worden er gevierd, zelfs die onder den schijn van weldadigheid doorgaan, waarvan louter zelfzucht de drijfveer is! De Christen, ik zeg het met volle overtuiging, verspille er zijn tijd, zijne krachten, zijn geld niet aan. Door liefde gedrongen, kan hij er beter gebruik van maken tot anderer heil.
Ik heb ten slotte van spijs en drank te spreken, en jeder zal licht gevoelen, dat ook hier de stelregel des apostels; «Niemand zoeke zijn eigen belang, maar dat des naasten,quot; van toepassing is. De tijd verbiedt mij daarover uit te weiden. Maar hoe zou ik kunnen zwijgen. Geliefde Toehoorders, van iets waaromtrent tegenwoordig van alle kanten stemmen rondom ons opgaan en dat wellicht van
15
alle zaken, die aan de orde van den dag zijn, de belangrijkste, de noodzakelijkste is? Ik bedoel de heerschende drinkgewoonten, het gebruik, dagelijks en bij alle mogelijke gelegenheden, van dranken, welker eigenschap het is den mensch te bedwelmen. Ook hierop, voorzeker, mag de Christen het: «Alle dingen zijn mij geooi'loofd.quot; toepassen. Maar gij zult mij toestemmen, Waarde Toehoorders, dat hier ook het; «Maar alle dingen stichten niet,quot; van toepassing is; dat deze drinkgewoonten voorwaar niet tot versterking van geloof en godzaligheid, tot uitbreiding van het Godsrijk dienstig zijn. Ik erken, dat er, Gode zij dank! nog velen zijn, die er slechts matig gebruik van maken. Maar is het u niet bekend, dat er, in ons kleine vaderland naar matige raming, 30000 volslagene dronkaards zijn, om van de duizenden bij duizenden niet te gewagen, die, zonder dronkaards te zijn, er toch in allen deele de nadeelige gevolgen van ondervinden? «Dat is hun eigen schuld,quot; zult gij zeggen. Dat is zoo, hunne schuld is groot, maar des te meer beklagenswaardig zijn zij. En is 't wel alleen hunne schuld ? Ligt niet de naaste aanleiding-tot hunne zonde (althans grootendeels, want er heeft in alle eeuwen dronkenschap bestaan) in de heerschende drinkgewoonten? En wat heeft de Christelijke gemeente daaraan gedaan, 'tzij dan om te redden of om te voorkomen? Weten wij dan niet, dat die duizenden ellendigen ook voor onze rekening zijn? En indien er nu eens geen ander middel bestond om die heillooze drinkgewoonten te breken, dan ons geheel van bedwelmende dranken te onthouden, zouden wij er dan niet toe geroepen zijn? Dat zou een offer zijn, het is waar, voor velen wellicht een zwaar offer. Maar, Broeders en Zusters, zoudt gij niet bereid zijn, dat offer te brengen ter liefde van Hem, die om onzentwil het kruis gedragen en de schande veracht heeft, die ons heeft liefgehad tot in den dood, die het offer der verzoening gebracht heeft voor ons â en voor hen.
o \ S ? ^ i
16
Is Paulus zelf ons ook hierin niet voorgegaan? «Indien de spijs mijn broeder ergert, hem aanleiding geeft om te zondigen â en is dat juist niet wat onze drinkgewoonten doen? â zoo zal ik in eeuwigheid geen vleesch eten,quot; zegt Paulus. Hebben wij ongelijk, als wij er bij voegen, gelijk hijzelf elders gedaan heeft: »geen wijn drinken of iets anders dat bedwelmt?quot;
Geliefde Broeders en Zusters, liet is hier de plaats en de tijd niet om deze dingen uitvoerig te bespreken, gij kunt er elders de gelegenheid toe vinden. En is er nu wellicht iets in uw binnenste, dat u zegt: «Hier komt eene roeping-Gods tot mij in Christus' naamquot; â ik heb de volle vrijheid er toe uit te noodigen: «Komt en hoort!quot; Geve God slechts, dat gij dagelijks leeren moogt nieuwe toepassingen te maken van het woord des apostels: «Niemand zoeke zijn eigen belang, maar dat van den naaste!quot;
Amen.
B!BL!OT;«£EK NEO. HERV. KÃRK