ocr page 1

/ 1-

ï'-i- t ? I ? /

^ G c

ocr page 2
ocr page 3

I\ r U r n s r h a I gt;.

( gt;

l' l; A A K

ij tlrr

l 1 iu\rt ralnls i ui sus \ ;in 18(jS (}().

.1 u v; u im N i N

ocr page 4

-■ : - ■ o-- V- ; - v^.-- ■■■ ■ ■

. gt;.. -u; -f y-, ../i;.;

wm

■■ mmm

m

msÊm quot;

mÊÊÊÊ%MiÊMÊi

- ■ -v.. ^ ■. ' gt;::. •: * , ' ^. -. . • • -, • quot; ' . :

MüJ

____

■ i' .

ocr page 5

Rekonscliap.

ocr page 6
ocr page 7

Rekenschap.

TOESPRAAK

ter opening zijner lesseq

VOOR DEN

Universiteits-cursus van 1898/99,

DOOR

J. H. GUNNING.

ocr page 8
ocr page 9

Mijne Heeren en Vrienden!

Beginnen wij met uit te spreken wat in ons aller hart is, eene hulde, eene zegenbede voor onze pasge-kroonde Koningin.

Godsdienst en vrijheid zijn overal één, maar de strijd voor beide is in ons Vaderland innig met het Stamhuis van Oranje verbonden. Onder dat Stamhuis — vergeten we het nooit — zijn wij verwaardigd geweest, dien strijd te voeren niet slechts in ons vaderlandsch belang, maar in dat der geheele menschheid. Door de geheele geschiedenis gaat het streven om een albe-heerschende wereldmonarchie te vestigen: een streven dat, naar de profetie des N. T., eindelijk een korte poos gelukken en dan voor het waar en eeuwig Koningrijk plaats maken zal. In den tegenstand tegen dit streven ligt de beteekenis der schoonste bladzijden onzer historie. Zonder het manmoedig verzet onzer Vaderen zou het huis van Oostenrijk in Spanje, met dat in Duitschland vereenigd, naar den mensch gesproken, geslaagd zijn in de vestiging eener algemeens Monarchie. Dit is o. a. ingezien door den Franschen Ambassadeur d'Espesses, die .de Vergadering der Staten-Generaal in zijn rede van rouwbeklag over den dood van Prins Maurits op 26 April 1625 aldus toesprak: „Het is redelijkerwijze te verwachten dat, zoolang gij quot;uw gewonen gang volgt, mits gij nzelve niet verzaakt, gij

ocr page 10

6

niet alleen een bloeiende Staat zult blijven, maar meer en meer in voorspoed zult toenemen, en de eer handhaven van door God te zijn uitverkoren om, in zwakheid en verdrukking, onverdroten weerstand te bieden aan de heerschzuchtige Mogendheid die de christenheid poogt in te zwelgen; en zulks op niet min wonderlijke wijze dan uwe dijken en die kleine zandhoopen, op het strand verstrooid, het geweld des onstuimigen Oceaans vermogen te keeren.quot; 1)

„Mits gij uzelve niet verzaakt.quot; Laat ons dat woord des vreemdelings ter harte nemen. In de gemeenschap des geloofs en der vrijheidsliefde met ons Stamhuis en onze Vaderen scharen wij ons eendrachtig om den Troon onzer Koningin, en beginnen ook onzen arbeid aan de Hoogeschool voor dit jaar met de bede des harten: God zegene met zijn rijkste gunst de regeering van Wilhelmina van Oranje!

Ik ga over tot mijn eigenlijk onderwerp.

Bij de opening der lessen in het volgend jaar zal in mijne plaats een ander vóór u staan. Daarom mag dit woord van Rekenschap over den tijd dat ik mijn atnpt in uw midden bekleedde, meer over mijzelf handelen dan anders zou oirbaar zijn. Ik spreek tot u, tot mijn vroegere leerlingen hier en in den welbeminden, on-vergeten kring te Amsterdam, en tot de Gemeente zoover zij dit woord zal lezen.

De bedoeling waarmee ik tot u kwam was, voor mijn deel u te vormen tot Voorgangers der Kerk. Niet tot geleerden, want dat ben ik zelf niet, hoe hoog ik

1

Medegedeeld door Prof. Brill in zijn Voorlezingen over de Geschiedenis des Vaderlands, waarin hij tneermulen de boven opgegeven beteekcnis van Nederlands historie bewijst en toelicht.

ocr page 11

7

de gave der geleerdheid ook voor leeraren schat. Maar tot Voorgangers die de Kerk waarin zij geboren zijn, in trouwe liefde dienen en een open oog hebben voor de behoefte des tijds. In mijn inaugureele Rede (1889, bi. 5 en 6) zeide ik: „Iemand treedt voor u op die, afgezien van eigen persoonlijke zwakheid, niets anders doet dan wat bij een gelegenheid als deze iedereen evenzeer als hij doet, namelijk dat hij uit zijn geloof handelt. Dit heeft voor hem deze beteeke-nis dat hij, nu eenmaal deze roeping niet door hem kon afgeslagen worden, ook in dit Staatsampt de Gemeente wil dienen wier belijdenis van den Christus der heilige Schriften hij als de zijne erkent.quot; Verder aid. bi. 26: „Ik maak niet de geringste aanspraak op de gave, de wetenschap vooruit te brengen; alleen op die van, gedragen door het beginsel dat ik beschreef en aan welks eeuwige vastheid ik geloof, in stilheid het verkeer der wetenschap met de Kerk die ik liefheb te bevorderen.quot; Deze houding was noch in strijd met de Staatswet die ik bezwoer, noch met de wetenschap zelve. Meermalen is tegen mij aangevoerd dat onze Staatswet op het Hooger Onderwijs ook bij de Faculteit van godgeleerdheid slechts op het oog had de „zuivere,quot; d. i. onvooringenomen, ook door het geloof niet vooringenomen Wetenschap, en mijn optreden op de beschreven wijze daarmee streed. Dit moet ik loochenen. Genoemde Wet tracht wel de Godgeleerdheid tot Godsdienstwetenschap te maken (1) maar de stof is tegen deze onnatuurlijke misvorming weerbarstig. In de meeste vakken, (2) ook in die welke ik doceerde, blijft de theologische, d. i. van het geloof uitgaande, behandeling wettig. Ik heb u ook altoos als geloo-vigen toegesproken, die herwaarts kwaamt om door studie het geloof — niet te verwerven maar te verdiepen en te verhelderen. Immers niemand studeert

ocr page 12

8

theologie dan om Voorganger der Gemeente te worden. De jonge man die zich als „Student in de godgeleerdheidquot; laat inschrijven, doet dus daarmee professie, niet slechts van deelgenoot te zijn van het geloof' waardoor de Gemeente leeft, maar ook van de begeerte, daarin zelfs vóór te gaan. En de gewetenloosheid van niet slechts lid maar zelfs Voorganger der Kerk te-willen zijn zonder dat geloof, heb ik bij niemand uwer vooruit aangenomen. Wel wist ik dat velen uwer van het geloof een geheel andere opvatting hadden dan ik. En dit ignoreerde ik zoo weinig, dat ik altoos waar dit conflict zich voordeed, eerst zorgvuldig mijn wetenschappelijk recht handhaafde. Dit deed ik vooreerst door u steeds uit te noodigen, op het oogenblik of na later nadenken de bezwaren die zich bij u mochten voordoen, uit te spreken opdat ik ze mocht behandelen — waarvan tot mijn groot genoegen, vooral in het begin, door velen een ruim gebruik werd gemaakt. Ten andere wees ik zelf in tdj zonderheden altoos aan — niet dat het geloof zich wetenschappelijk laat bewijzen (wat ik ontken) maar dat de tegenwerpingen, door de „wetenschapquot; tegen het geloof ingebracht, geen grond hadden. Dat ik „van het geloof uitgingquot; beteekent dan ook in geenen deele, dat mijn onderricht niet aan de strengste eischen der wetenschap voldeed. Dat ik geen geleerde ben en niet daarvoor wil gelden, zeg ik ook niet met die valsche nederigheid welke op 't geen zij verklaart eigenlijk een averecht-schen roem draagt of heimelijk tegenspraak hoopt, maar alleen om aan te duiden dat men wetenschappelijk kan zijn (wat voor ieder heilige plicht is) zonder geleerde te wezen; en om dus ook mijn leerlingen, zoover de kostelijke gave der geleerdheid voor hen niet is weggelegd, te waarschuwen, zoowel voor traagheid in het onderzoeken van aard en grenzen der wetenschap, als

ocr page 13

9

voor moedeloosheid die aarzelt om het geloof eenvoudig en in God verzekerd te midden der „wetenschappelijkequot; wereld te doen gelden. Alleen diep ingaan in de al-gemeene behoefte der menschheid autoriseert om eiken toestand waarin de Christus der Schriften niet gekend is, een „tijd der onwetendheidquot; te noemen; maar d a n mag en moet men het ook op den Areopagus en in 't gezicht van het Parthenon doen. (Hand. 17.) Het Evangelie van Christus naar de H. Schriften is volle echte wetenschap, al erkent de meerderheid dit thans niet. Het kan den strengsten toets doorstaan, ja het eischt hem; want het vreest slechts de halve kritiek, d. i. die welke, he'tzij dan positief of negatief in resultaat, slechts het object des onderzoeks kritiseert; niet de g e h e e 1 e kritiek welke zich ook, en allereerst, over het subject uitstrekt en vraagt welke de geestelijke gesteldheid des onderzoekers zijn moet, zal zijn kritiek inderdaad de waarheid vinden. Want het zelfbedrog dat in de sterrekande vóór Kopernikus door het geocentrische standpunt, in de wijsbegeerte vóór Kant door het dogmatische (3) de denkende wereld verblindde, beheerscht nog van nature de zondige wereld ook in de wetenschap, en heeft, om overwonnen te worden, zelfbezinning, kritiek, bekeering noodig. Van hen die Christus kruisigen geldt ook in de wetenschap: „zij weten niet wat zij doen,quot; zij zijn veel te vooringenomen om den eisch der onvooringenomenheid, dien zij ter goeder trouw stellen, te verstaan. (1)

1

Hier kan ik dit beginsel .slechts aanstippen. Maar voor de eischen die er in liggen, dien der congenialiteit des onderzoekers met zijn voorwerp, en dien der gebondenheid van elke wetenschap aan haar eigen object, dus der godgeleerdheid aan Gods openbaring, verwijs ik gaarne naar Dr. Ph. J. Hoedemaker //Christus voor de rechtbank der moderne wetenschapquot;, te Rotterdam, ü. A. Daamen, 1898. Veelvuldig heel't D. Ch. de la Saussaye aangetoond dat iu deze gebondenheid juist de vrijheid der wetenschap bestaat,

ocr page 14

10

Hoedanig was dan de inhoud van hetgeen ik u voordroeg ?

De grondtoon mijner ziel is, persoonlijk voor mijzelve en in mijn betrekking tot u, blijdschap, onuitsprekelijke blijdschap. Want God heeft zich geopenbaard: God zelf heeft gesproken, zich ons medegedeeld, is in gemeenschap met ons getreden. „Hetgeen van den beginne (niet „werdquot; zooals de dingen , der wereld, maar) was, de eeuwige Wezenlijkheid zelve, dat hebben wij met onze handen getast, met onze ooreu gehoord. Wij zeggen niet meer: al onze kennis is subjectief. Wij leven in het objectieve, waarachtige, in de eeuwige volmaakte wereld.

Dit maakt onze blijdschap volkomen, 1 Joh. 1,1—4. Niemand heeft het mij beter uitgelegd in leering en omgang, dan mijn ontslapen vriend D. Ch. de la Saussaye, de man Gods op wiens graf ik na 24 jaren, ( 1874) zelf weldra uit het openbaar leven scheidende, een krans van eerbiedige hulde en nimmer eindigende dankbaarheid nederleg. Na hem ging de diepste invloed op mij uit van Spinoza's Ethica, die mijn hooggeschatte leermeester Opzoomer mij deed kennen. Ook sints ik na kortstondige bedwelming met hem brak en de talrijke verkeerdheden, vooral in de bewijsvoering, mij niet meer boeiden, zag ik steeds in Spinoza's stelsel de heerlijkste waarheden schuilen, slechts los te maken uit het pantheïstisch verband. Als een gewijde orgeltoon begeleidde mij in leven en denken zijn woord: de natura rationis est, omnia sub quadam aeternitatis specie contemplari — d. i. alles in God gegrond zien, |in den Drieëenige die door de Verlossing heen de volle harmonie van het natuurlijke en het heilige, van de tegenwoordige en de toekomende wereld waarborgt. Zoo is de resumtie van het geheele Evangelie deze: alles ontvangt zijn natuurlijk aangeschapen recht, alles

ocr page 15

11

komt, zoover het wil, in hooger orde terug op de plaats waaruit het door den val wegzonk: alles wordt weder (ó va) in Christus als onder één Hoofd samengevat. (Ef. 1, 10). Orde, eenheid: peccare nihil aliud est (zegt Dante, de Monarchia) quam. ex spreta unitate in diversitatem delabi.

Ja, dit goed is gemeenschappelijk. Van der jeugd af was, zoover de beperktheid van tijd bij overwegend praktischen arbeid veroorloofde, de algeraeene geschiedenis, inzonderheid voor het gebied van beschaving, wijsbegeerte, wetenschap en kunst, mijn hartstocht. Zij leerde mij dat niets tot het waarachtig geloof kan behooren wat niet deze gemeenschappelijkheid, deze eenheid verkondigt door als een pythagoreïsche muziek den natuurgrond der dingen uit te spreken — dus wat niet door alle menschen maar b. v. slechts door boekmannen, door geleerden, kan worden geloofd. Wat ons niet met alle menschen verbindt, behoort tot de kunstige, onnatuurlijke zondaarsgedachten, niet tot de waarheid Gods. In die waarheid te staan is, niet bij metaphorische of dichterlijke manier van spreken maar streng logisch, hetzelfde als één te zijn met allen, ja met het gansch heelal (4). Die niet lief heeft, kent God, den God der openbaring, niet. Is Christus de verzoening voor onze zonden en voor de geheele wereld, heeft Hij dus allen lief tot stervens toe, dan is: één mensch niet lief te hebben, in den grond hetzelfde als Christus te verloochenen. In Christus zijn alle dingen gegrond, hebben hun samenhang, hun sy-steem (Col. 1, 17) in hem. En hij heeft met den Vader den Heiligen Geest gegeven waardoor die eenheid, voor allen die gelooven, tot zijn Lichaam, de Kerk is verhoogd.

De eenheid der Kerk ligt dus niet in haar zelve, maar in hem die „hooger dan de Kerk,quot; die haar

ocr page 16

12

Hoofd is. Hare eenheid is niet volkomen zonder werkelijke wedervereeniging met haar Hoofd. Daarom is het verlangen naar zijn Wederkomst niet een apart zondering dogma der oudste Kerk, maar natuurlijke levensbeweging der liefhebbende geloovigen. Op die eenheid der Kerk wees ik u in de laatste jaren met toenemenden nadruk. Zekerheid dat de Heer onze scheuringen in grieksche, roomsche en protestantsche kerken niet erkent, beheerscht mijn geheele overtuiging.

Nous vivons du parfum cTun vase vidé, zegtRenan; het christendom heeft afgedaan, wij leven nog slechts van zijn nawerkingen. Hij overdrijft; doch waar is dat niet de scherf, maar slechts de geheele vaas den balsemgeur bewaart. De eenheid der Kerk is dan ook niet iets „wenschelijksquot;, een na te streven „ideaal;quot; maar de van den Heer gegeven, door onze zonde onkenbaar geworden, vóór alle andere dingen weer te erkennen werkelijkheid. Wij zonken zoo diep dat wij het genoemd worden — niet naar Paulus of Apollos, want daar is een tekst tegen, maar — naai' Luther of Calvijn,. omdat het (ongetwijfeld!) historisch noodzakelijk was, ook wettig achten als „straalbrekingen die den rijkdom van het ééne Licht des te helderder doen blinken.quot; Wij meenen den kaakslag dien onze scheuringen den Doornekroondrager toebrengen, te verzoeten door tegelijk zijn volheid te roemen als „te groot om in één vorm saam te vatten.quot; Maar de heilige Apostel noemt dit scheuring van zijn heiligen Tempel, die de Gemeente zelve is, 1 Cor. 8. De Heer heft ons tot de heilige universaliteit dat wij om vergeving onzer (aller) schulden en om ons genoegzaam brood kunnen bidden, wat het meevoelen van den éénen polsslag des ge-meenschappelijken levens onderstelt — omdat Hij ons tot Volwassenen („volmaaktenquot;) herschept; wij echter dragen roem op het jaloersch afbakenen van mijn en

ocr page 17

13

dijn, den „kinderenquot; eigen die Paulus (t. d. p.) „vlee-schelijkquot; noemt. De Heer heeft gebeden dat de eenheid die den Vader en den Zoon verbindt, ook zijn ieden met hem en den Vader mocht verbinden, en dat die éénheid de wereld tot geloof mocht brengen, dus zichtbaar zou zijn. Joh. 17, 21. De heiligheid der Kerk zou niet zijn iets onbereikbaars, boven-menschelijks, maar het eigen wezen des menschen, gelijk wij protestanten (5) belijden. God wil gemeenschap met ons, en die kan slechts met werkelijk heiligen bestaan. Deze heiligheid moet alzoo ons eigen vrij werk zijn; derhalve kan zij slechts Gods genadegave wezen, niet te verklaren uit de noodzakelijkheid, uit de wereld. Wie met den Schepper zeiven gemeenschap hebben, staan daardoor allen op dezelfde hoogte, zijn onderling één. „Gemeenschap metquot; — op dien term, in zijn waarheid opgevat, kan niets anders dan „Godquot; sluiten ; en dan bestaat die eenheid even zoozeer voor allen die haar mede deelachtig zijn, met elkander (1 Joh. 1, 1—4-) als volkomen blijdschap, de blijdschap dei-Bruid, straks der Vrouw des Lams.

Heb ik u daarmee, M. H. H! van de bepaalde kerkgemeenschap die gij dienen wilt, af en naar een abstracte onvindbare Eenheid gewezen? Neen, als Protestanten moeten wij noodzakelijk tot die eenheid voortgaan. Bij alle gebreken van het protestantisme blijft het zijn onmetelijk voorrecht, uitteraard de eenheid der Kerk te willen, (zie b.v. onze Nederl. Geloofsbelijdenis). De roomsche Kerk verheft die eenheid hemelhoog, en wij huldigen die bedoeling van harte. Maar we zagen voor twee jaren (6) hoe de roomsche Kerk, door die eenheid tot haarzelve te beperken en alle anderen onder zich te willen vergaderen, juist de eenheid der Kerk ten sterkste verloochent, in „roomschquot; en „katholiekquot; onverzoenlijke termen tegen elkaar

ocr page 18

14

over stelt en dus deze eenheid onmogeliik maakt. De protestantsche christenheid daarentegen wil, volgens haar beginsel, de eenheid der Kerk van Christus. Bekeering, diepe, het gansche leven doordringende boete was haar leuze, naar Luther's eerste thesis te Wittenberg. Aangrijpen van het kindschap in God, terugkeer naar het Vaderhuis op grond van het eeuwig Doopverbond. „Daarin is geen onderscheidquot;, zij hebben allen gezondigd, zij zijn allen om niet gerechtvaardigd. Reeds vroeg heeft de Kerk dit heerlijk kindsbesef verloren. Eeuwen lang was zij dei-wereld gelijkvormig en drukte dit uit door de geestelijkheid, als draagster der heiligheid die de Kerk als geheel toonen moest, hoog boven de Gemeente te heffen. De Hervorming herstelde de onmiddelijke betrekking der ziel tot haren Heiland. De „onvervalschte melkquot; des evangelies, boete en bekeering als Gods genadegave, werd weêr den zondaar toegereikt. In die leer lagen ook rijke schatten van waarheid, door de leerstelsels onzer Vaderen ontvouwd. Maar deze leer is niet een onpersoonlijke, op zichzelf staande zaak die men in een boek, b.v. een Belijdenis, volledig zou kunnen neerleggen. Zij is levensbeschrijving van een Lichaam, buiten welks aanschouwing zij abstract en fragmentair blijft; zij woont in de Gemeente des levenden Gods, en verklaart waartoe dat geheele Lichaam verlost is en waartoe de Heer het nu als werktuig wil gebruiken. Onmiddelijke betrekking der enkele ziel tot den Heiland is dus niet genoeg, er moet onmiddelijke betrekking des geheelen Lichaams tot het Hoofd zijn. En die bestaat niet anders dan door van den Heer zeiven uitgaande en verordende organen, door het Ampt, door dienaren, niet van men-schen noch door menschen (Gal. 1, 1), maar onmidde-lijk door den Heer zeiven geroepen, 1 Joh. 1, 3. Deze

ocr page 19

15

hebben de roeping, de onmiddelijke betrekking des Geheels voor te bereiden, d. i. de reine Bruid den Bruidegom voor te stellen als de zijne 2 Cor. 11, 2. Daarom is, we zagen het reeds, met het geloof aan de eenheid der Kerk ten innigste de verwachting van 's Heeren wederkomst verbonden. Want vóór die wederkomst blijft deze eenheid onvoltooid gelijk een huwelijk vóórdat de man werkelijk der Bruid de hand heeft gereikt. Dat de Gemeente 's Heeren Bruid is (Ef. 5) mag niet individualistisch verstaan worden. Dan ontstaat de ongezonde mystiek b. v. van Catharina van Siena en anderen, die de enkele „zielquot; voor de Bruid van Christus houden. Of wel, omdat hier op aarde slechts ééne Bruid zich met éénen Man verbindt, houdt men dan de benaming „Bruidquot; voor een ovei--drachtelijke spreekwijs; alle innigheid, persoonlijke warmte en bezieling der liefde wordt dan naar de zijde der aardsche verbinding overgebracht, en voor de ver-eeniging met Christus blijft dan slechts een „geestelijke,quot; heilige, statige geloofsonderwerping over, wier voltooiing „in den hemelquot; men met gelatenheid, maar zonder verrukking, tegemoet ziet. Doch in de O. T. en N. T. gedachte van de „Bruidquot; ligt, daar de Bruid gewis slechts ééne is, de aanduiding eener eenheid met Christus en met elkander, die het hemelsch, en toch innig menschelijk karakter van de eenheid dei-Kerk ten heerlijkste doet uitkomen. Daarom is — niet het dogma van, maar — het verlangen naar de wederkomst des Heeren toetssteen voor de waarachtigheid van het leven der Gemeente. Is het waar dat alles aan Christus hangt, dan is zijn wederkomst het leven zelf der liefhebbende Bruid. Verlangt zij er niet naar, dan heeft zij aan de geschenken des Bruidegoms genoeg, hem zei ven begeert zij niet, zij is ontrouw geworden. _

ocr page 20

16

Het is die ontrouw der Kerk als Geheel voor welke mij, door de eigen ontrouw en daaruit gevolgde zwakheid, de oogen allengs zijn opengegaan. Die ontrouw draagt in onze dagen, ook in kerk en theologie, den vorm van individualisme, waardoor ieder op zich zelf staat, en van daaruit voortvloeiend subjectivisme, waardoor men zelfzuchtig op eigen vroomheid, niet op Gods Raad en Eere let.

Wat ik daarover in vroegere toespraken, die gedrukt zijn, tot u zeide, herhaal ik hier niet. Van den aanvang af is de Kerk ontrouw geweest. De „Rechtvaardiging uit het geloof,quot; het duidelijkst door Paulus maar evenzeer door den Heer zeiven en zijn andere Getuigen verkondigd, stelt het objectieve, Gods Raad en eere, en daardoor tevens het subjectieve, ons geloofsleven, vast. „Daardoor tevens;quot; want niet dat wij het subjectieve, onze vroomheid, ook maar in 't allerminst geringer zouden achten dan het subjectivisme doet; neen, door te zeggen; „niet op vroomheid des harten maar op Gods Raad en eere komt het aan !quot; handhaven wij juist die vroomheid, verhinderen haar den objectieven grondslag te verliezen en zich tot ij dele „vrije vroomheidquot; te vervluchtigen. Doch van den aanvang af is (1) de aandacht afgewend van het Objectieve, van God en zijn openbaring, op het subjectieve, onze beandwoording daaraan, onze vroomheid, ons geestelijk leven. De kerkgeschiedenis leert u door welke tusschen-stadiën heen, nadat de Hervorming, doch slechts tijdelijk, het objectieve hersteld had, dit subjectivisme eindelijk tot duidelijke zelfsbewustheid, tot systematische vestiging kwam in den grooten geest van Schleiermacher. Dit subjectivisme is tevens indi-

1

Zooals b. v. Ritschl den //Aanvang der Kathol. Kerkquot; (2e uitg.) terecht in oen verzwakt Paulinisine ziet.

ocr page 21

17

vidualisrae. Wel werd bij Schleiermacher en de op hem volgende theologie tevens sterke nadruk op „de gemeentequot; gelegd wier „geestquot; voor alle beleden waarheid de dragende, bezielende bodem en tevens de toetssteen was. Doch die „geest,quot; dat „leven,quot; dat „zedelijk besefquot; waaraan men deze waarheid toetste, Avas niet de Heilige Geest als God, maar het eigen besef des menschen, dus aan ieders individueele vrijheid ondergeschikt.

Dit individualisme nu heeft ook (1) in onze protes-tantsche kerk alles doorkankerd. Tegen onze voorstelling van de eenheid der Kerk en de heilige Tucht des Geestes die haar bewaart, spreekt het als volgt;

„Ja, die eenheid is een heerlijk ideaal. Eens zal het bereikt worden. Wij wachten dit in lijdzaamheid, want die gelooven haasten niet: Deus est patiens quia aeternus. Ja, niet wij, de Heer alleen zal te zijner tijd die eenheid openbaren. Geen ijver des vleesches! Niet door kracht, niet door geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden, spreekt de Heere. En Hij doet het reeds voor het oog des Geestes. Zie, ouder alle bedroevende scheuringen blijft daar toch de verborgen eenheid, de onzichtbare Kerk der ware geloovigen uit alle belijdenissen. Wat deeren ons vormen en staketsels, alle waarachtig geloovigen zijn immers in Christus één. Wij kleingeloovigen vreezen, maar de

1

//Ook,quot; wtint ten onrechte meent de roomsche kei-k het dooide schijnbaar zoo krachtige eenheid en objectiviteit waarop zij roem draagt, overwonnen te hebben. De individualiteit wordt in haar niet tot zelfstandigheid in Christus opgevoed: zoo is de eenheid slechts dwang, en slaat over tot individualistische willekeur zoodra die dwang wordt verbroken. Dit ziet men aan iederen geëmancipeerden roomsche, die de protestantsche vrijheid niet leerde kennen. Op gelijke wijze, naar dezelfde inwendige noodzakelijkheid, slaat het socialisme, zoodra een krachtige geest zijn ijzeren band verbreekt, tot anarchisme over: zie mijn toespraak: //Anarchisme.quot;

2

ocr page 22

18

Heer is in den storm, in den strijd der geesten, die wel gevaarvol maar noodzakelijk is. Terwijl wij versagen volvoert Hij stil maar heerlijk zijn werk; bet zaad ontkiemt, niet ter onzer maar te z ij n e r ure. Ieder doe eenvoudig zijn plicht waar hij staat, en late de zorg voor plan en bouw den oppersten Bouwmeester over. (1) Op ieders persoonlijke vroomheid des harten komt het aan; voor het groot Geheel zal God zorgen!quot;

Zulke beschouwingen hebben recht tegenover ieder die zelf de Kerk wil herstellen of vanmenschelijkemaatregelen heil wacht. Dit echter willen wij niet. Ook wij willen alles den Heere overlaten. Daarom willen wij gehoorzamen de aanwijzing van zijn Woord, dat niet allengs alles, ouder strijd en geboortesmarten, ten slotte toch ten goede uitkomt, maar dat de groote Afval steeds voorgaat en ten slotte zich in de heerschappij van den Antichrist zal voltooien. (7). Die Antichrist zal geenzins onvroom, maar de kroon, het toppunt van het vroom subjectivisme zijn. Reeds bij Schleiermacher beschikt het „volstrekt af hankelijkheids-

1

Zoo sprekende meent liet individualisme gewoolijk, bescheiden en nederig te zijn tegenover den hoogmoed van onrustige geesten. Maar liet vergeet dat ieder, wie liij ook zij, en ol' liij wil of niet, toch uit een zeker Geheel van beschouwing leeft. Ter goeder trouw zegt men; //ik houd mij bij mijn eigen roeping, en koester niet de dwaze aanmatiging van het Geheel te overzien.quot; üit is zelfsmisleiding. Van nature is de zondige mensch zelfzuchtig dat is: h ij denkt zie h (ook onbewust) de geheels wereld als iets waarvan hijzelf het middelpunt is. Christus verlost ons daarvan, door ons //te trekken uit de macht der duisternis en over te zetten in het Koningrijk.quot; Ja, ïn het Koningrijk — in een groot Geheel waar wi j voortaan met bewustheid in verkeeren. Het is een ontzachlijke omzetting des levens, het Onze Vader in waarheid te kunnen bidden: in waarheid allereerst daaraan behoefte te leeren gevoelen dat Gods Naam geheiligd worde, zijn Koningrijk kome, zijn wil geschiede op aarde (over de geheele aarde, voor welke men zich dus voortaan interesseert) gelijk in den hemel.

ocr page 23

19

gevoel,quot; door een eigenaardige ironie, oppermachtig over alle waarheid Gods. In het gedachtenverband van dezen uitnemenden christen bleef dit echter zonder gevaar. Doch in de nieuwere philosophic zien wij hoe de menschelijke geest, aanvankelijk door Kant tot erkenning van zijn subjectiviteit en onkunde op hooger gebied, en dus schijnbaar tot bescheidenheid gedrongen, allengs, naar logischen voortgang, als de absolute geest optreedt die in Nietzsche zich openhartig als Antichrist aandient.

O M. H. H.! meent toch niet dat wij de subjectieve oprechtheid onzer vrome individualisten verdenken, of ook den zegen, die op hun arbeid rust, miskennen zouden. Neen, eerbiedig huldigen wij de trouwe predikers, de machtige Getuigen die daar op vele plaatsen, ieder als middelpunt van een eigen kleiner of grooter kring arbeiden. Met vreugde erkennen wij dat de prediking des Evangelies naar Gods Woord aller-wege veld wint. Daarbij een rijke, geweldige ontplooiing van de macht der liefde. Vrije vereenigingen zonder tal dringen tot de diepste schuilhoeken der ellende door. De zending doet haar wonderen der zelfverloochening in de heidenwereld, de kerken zijn weêr machten waarmee de Staat, de Kunst, de quot;Wetenschap rekent. Dit alles erkennen wij met eerbiedigen dank. Maar zie, dit alles verkondigt en handhaaft wat de mensch, de vrome of ter vroomheid geroepen mensch behoeft, doch niet wat God behoeft.

„Wat God behoeft?quot; Is dat niet laster tegen Hem die „niet van menschen gediend wordt als iets behoe-„vende, alzoo Hij zelf alleen alles geeft?quot; Zóó sprak - Paulus terecht tegen de eigenwillige godsdienstigheid der Atheners, en daarmee tegen elke godsdienstigheid en vroomheid die buiten Gods Raad en Woord omgaat. Maar het aanbiddelijk mysterie der Liefde is, dat God

ocr page 24

20

zich heeft nedergelaten, is afgedaald, is geopenbaard in het vleesch. Niet alleen is Hij de almachtige Schepper, de Opperheer die, gewis, niets behoeft, Wien wij niets kunnen toebrengen uit onszelve, daar wij toch uit ons-zelve niets anders kunnen clan wat gruwel is in zijn heilig oog. Niet alleen is God dat. Maar Hij is die God die in oneindige ontferming heeft willen mensch worden. Beseft gij, mijne vrienden! iets van de diepte dezer verkondiging ? O wie ben ik, wie is de hoogste en heiligste, wie is de Seraf die diepgebogen in aanbidding er van durft te stamelen ? Toch i s het zoo, en al hebben wij noodig dat de Heilige Geest ons bij die prediking ontzondige en ondersteune, toch moeten wij haar uitspreken. Ja, de Bruidegom wil de Bruid die hij eenmaal in ondoor-grondbaar welbehagen om zijnszelfswille uit vrije liefde verkoren heeft. Hij wil haar liefhebben, dat is; Hij wil behoefte hebben aan haar hart, hare liefde. De „tweede Adamquot; wil de Eva, de Kerk, de ééne en ondeelbare Bruid, waarlijk vleesch van zijn vleesch en been van zijn gebeente (Ef. 5). Dat, dat is de Raad en de Eere Gods welke wij naar Gods quot;Woord willen dat vóór onze vroomheid ga. Dat is Gods behoefte die vóór onze behoefte geldt. Al die heerlijke godvruchtige en vrome werkzaamheden, zoo even genoemd en geroemd, zij vragen wat de menschen behoeven, hoe de menschen zalig worden, hoe de menschen kunnen vroom zijn. Maar boven al die menschen is, naar Gods Woord en ook naar de diepste behoefte dier menschen zelve, dat Hart, dat één groot goddelijk Hart dat van liefde brak om onze verlorenheid in den vloek der zonde en des doods. Dit is de eere Gods waarvan het individualisme niets beseft, dat zijn hart, zijn liefde, zich in volle eenheid vereenige met de uitverkoren Bruid. Dit is de beteekenis van Christus' wederkomst en der „eerste opstanding,quot; dat Hij niet wil dat zijne

ocr page 25

21

Bruid geslagen worde door den Antichrist: dat Hij haar- en met haar de menschheid, en met de mensch-heid de aarde, en met de aarde het Heelal, in zijn gemeenschap en heerlijkheid wil doen deelen. De hoogste poëzie aan het slot der Divina Commedia zingt haar Hallelujah daarover uit de verte:

All* aita fantasia qui manco possa.

Ma gia movea il raio disiro e'1 veile,

. Siccome ruota ch'igualmente è mossa,

L'Amor che muove il sole e l'altre stelle (').

Maar beter spreekt er van de heilige stille aanbidding in het hart van Gods kinderen. En indien de Heilige Geest mij heeft ondersteund om U deze dingen niet te zeer te verdonkeren, dan hebt gij een zwakke aanduiding ontvangen van wat de Eenheid der Kerk naar Gods Woord beteekent.

Dan zult gij u ook niet aansluiten, M. H. H.! bij hen die liet streven om de kerkgemeeenschap waarin wij leven, zoo veel mogelijk in die heilige Eenheid in te voegen, beschouwen als nuttelooze bemoeiing om een vorm, eene uitwendigheid, terwijl toch de geest, de geest! alleen gelden mag. En dan zult gij in de Eekenschap die ik voortga u te geven, begrijpen waarom ik zoo vele jaren op de Kerk gewezen en steeds getracht heb, haar als Kerk tot de belijdenis van den Naam des Heeren Jezus Christus, en uit kracht dier belijdenis tot betere organisatie te bewegen.

Ik had en heb daarbij herstel onzer Hervormde Kerk,

(1) Hier vermocht de fantasie, lioe lioog opgestegen, niets meer. Maar nu, bij de aanschouwing des Drieëenigen, tot welke ik werd verwaardigd, werd mijn begeeren en willen, gelijk een rad in eenparige wenteling, vervuld van de eeuwige Liefde die de zon en liet gansch Heelal beweegt.

ocr page 26

22

niet als doel maar als middel, op het oog. Zij moet als Kerk den Naam des Heeren Jezus belijden, niet om daar in te berusten, maar om dan in te zien dat ons aller Hoofd ook van haar eischt dat zij zich zoo veel mogelijk tot invoeging in het Geheel dat Hij weder te voorschijn brengen wil, toebereide. Ik had daarbij echter niet minder ook uwe opleiding tot Voorgangers op het oog. Ook daarover moet ik dus in dit mijn woord van Rekenschap spreken.

Wie ook maar iets beseft van de heilige hoogte waarop de Schrift het Ampt des Voorgangers in de Gemeente Gods plaatst, heeft geen aanwijzing noodig dat onze universitaire opleiding daartoe niet dient. De beginsellooze samenlegging van wetenschappen door de Wet van 1876 op welke ik reeds blz. 7 wees, kan geen geestdrift wekken, hoe uitstekend ook ieder dier vakken op zich zelf wordt gedoceerd. Dit verwijt treft niet den Staat die, in zijn tegenwoordige betrekking tot de Kerk, den halfslachtigen toestand bezwaarlijk anders kon regelen, maar de Kerk die, door in zulk een opleiding voor haar aanstaande dienaren te berusten (8), haar ongevoel voor eigen behoefte allerdroevigst aan den dag legt. Alleen indien de Kerk hare eenheid erkent, zal zij dienaren naar haren eisch kunnen opleiden. Die eenheid in het levend Hoofd brengt met zich dat Hijzelf zijne dienaren zendt en door den Heiligen Geest bekwaam maakt. Reeds wees ik er u op (blz. 14) dat, bij de onmiddellijke betrekking van elk geloovige tot Christus, door de Hervorming op de roomsche Kerk heroverd, noodwendig behoort de onmiddellijke betrekking des Geheels, des Li-chaams, tot het Hoofd. Dit is van den beginne zoo geweest. De Heer, als levend Hoofd in den hemel, „heeft gegeven Apostelen, Profeten, Evangelisten, herders en leeraars.quot; Hierin bestond de profetische on-

ocr page 27

23

middelijkheid iti de Kerk. Door de Profeten verhief de Heilige Geest, alles uit Jezus' volheid nemende, zijn vermanende, vertroostende, onderwijzende stem, en riep ook hen die het ampt begeerden, tot verschillende kerkelijke bedieningen. Door den Heiligen Geest en met zijn onontbeerlijke hulpe volbrachten evangelisten, herders en leeraars hun roeping, maar door de Profeten sprak de Heilige Geest zelf. De Heer had inderdaad een tweeledig werk des H. Geestes toegezegd: niet alleen het werk van bekeering en innerlijke heiliging (waar het individualisme alles op reduceert), maar ook een wonderbaar, zichtbaar werk. „De H. Geest zal van mij getuigen, en Gij zult óók getuigen.quot; (Joh. 15, 26, 27). Zoo verklaart ook Petrus voor den jood-schen Piaad: „wij zijn getuigen van deze dingen, alsmede de H. Geest, Hand. 5, 32. En aan de Hebreen wordt (2, 4) als kenmerk van de hoogere bedeeling des N. Verbonds genoemd dat God door krachten en wonderbare teekenen mede getuigde met de persoonlijke getuigenissen; terwijl de Openb. v. Joh. de getuigenis van Jezus den Geest der profetie noemt, en Paulus de getuigenis van Christus daarin onder de Corinthiërs bevestigd ziet, dat het hun aan geen gave ontbrak. Wel beweert het individualisme, eenvoudig tegen de Schrift in, dat deze wonderbare gaven aüeeu voor den eersten tijd waren en dat alleen het ampt van Oudste en Leeraar voor ons ter leiding der Gemeente noodig is. En zoo vergeestelijkt het dan ook wat de Schrift omtrent de profetie zegt, tot subjectieve warmte, geestdrift, „profetischequot; welsprekendheid van een prediker. Maar ik bid ü, M. H. H! leest onbevangen b.v. het 14° Hoofdst. v. 1 Cor. en daarin vs. 24 en 25; „Profeteeren allen in uwe gemeentelijke bijeenkomst, en treedt er een ongeloovige of ongeoefende binnen, hij wordt door allen bestraft, door allen

ocr page 28

24

geoordeeld; het verborgene zijns harten wordt openbaar, en zoo zal hij op ziin aangezicht vallen en God aanbidden en verkondigen dat God waarlijk onder ii is.quot;

O het gaat niet aan te loochenen dat hier iets is wat aan onze samenkomsten ontbreekt en door het zuiverste geloof en de vurigste welsprekendheid niet is te vergoeden; de onmiddelijke tegenwoordigheid des levenden Gods, die ieder wiens gemoed voor de werking van het eigen persoonlijk woord des Heeren ontvankelijk was, overweldigd deed neder-vallen en aanbidden. Waarom ontbreekt ons dit? Ook hierom, omdat onzen Voorgangeren ontbreekt het een-heidsverband der Kerk waarin naast hen staat het Ampt en woord der Profetie, der profetie die met een woord van onmiddelijk goddelijk gezag hun leerend woord bezielt en de eenheid der Kerk daarin zichtbaar maakt. En zoo is ook de Tucht, dat heilig noodzakelijk levensbestanddeel der Kerk, ontbloot van haar sterksten steun, de aanbiddende vreeze, door zulk eene stem Gods gewekt. De geleerde theoloog, de aanzienlijke man der wereld zou thans de tucht van een eenvoudigen kerkeraad, indien zij waagde te voorschijn te treden, als dwaze aanmatiging met opgekrulde lip voorbijgaan. Maar hij zou — tenzij hij als een verharde zichzelven buitensloot — zwichten voorde onmiddelijk optredende Majesteit Gods, voor de stem des Geestes die hem in het binnenste van schuld overtuigde of wel den onheilige die tegen Hem durfde liegen, met ontzachlijke gerichten ter aarde wierp!

Ik geef hier slechts losse aanduidingen, mijne vrienden, die het mij thans niet doenlijk is volledig op te helderen. Maar als gij onze kerkelijke toestanden zooals zij bestaan, vergelijkt met de eischen des Woords, en dóórdenkt hoe het ontbreken van besef omtrent de

ocr page 29

25

éénheid der Kerk in Christus uwe opleiding om tot de daar geteekende hoogte te naderen onmogelijk maakt, dan voelt gij althans eenigzins het recht mijner Rekenschap in dezen (9).

Toch weet ik zeker dat deze gedachten, hoe eenvoudig ook aan de Schrift ontleend, den meesten uwer zonderling zullen voorkomen. Vooreerst meenen velen dat de eenheid der Kerk, gelijk wij haar volgens Gods Woord teekenden, strijdt met de eenheid in verscheidenheid die, naar zij terecht beweeren, de eisch van alle leven en alle ware schoonheid is. Zij dwalen: want eenheid is geen eenvormigheid. Pluriformiteit is onontbeerlijk; ja zij is in de leden van een levend lichaam des te grooter en schooner naar mate dat organisme hooger ontwikkeld is. Maar dan waardeer en en steunen de leden elkander, gevoelende dat niemand hunner op zijn eigen plaats voor de eenheid des Geheels kan gemist worden. En dit is niet zoo bij de vele afdeelingen der christelijke Kerk, die elkaar fel bestrijden en zoover uit elkander gaan, dat men zelfs in de „Geschiedenis der godsdienstenquot; van „het christendomquot; als van eene „groep van godsdienstenquot; spreekt. In een organisme erkent zich ieder lid, zoolang het op zichzelf zou staan, als eenzijdig en onregelmatig, en eerst waarlijk zichzelf wordende door verbinding met de anderen tot één Geheel. Ware pluriformiteit, we herhalen het, is volstrekt noodig; ware het geheele lichaam oog, waar zou het gehoor zijn? Uniform, eentoonig, is de room-sche Kerk met haar onderdrukking der nationale verscheidenheden door het latijn; gelijk de protestantsche Kerk door het optreden van den éénen Leeraar in plaats van ' de rijke diyersiteit der Ampten en gaven die, naar de Schrift, niet van buiten door menschelijk goedvinden tot de Kerk zijn toegevoegd, maar uit haar

ocr page 30

26

leven zelf te voorschijn gegroeid. De Heilige Geest doet den rijkdom der vatbaarheden en vermogens die in het natuurlijke schuilen, uitkomen en zijn eisch ontvangen. Verscheidenheid van gaven is er juist omdat er één Geest is.

Maar ten andere — reeds noemde ik het — bevreemdt ons dan ook weder de veelheid der Amp-ten die de Schrift, niet slechts in een of anderen tekst, maar overal in de historie, door haar medegedeeld, ons voorstelt. Wij zijn zoo gewoon, van geen ander Ampt dan dat der Leeraren (nevens Ouderlingen en Diakenen) te weten, dat de gedachte van het profetisch Ampt en nog meer die van het vierledige waarin naar de Schrift het apostolisch ampt zich ontvouwt, ons een wonderlijke nieuwigheid schijnt. Onze hervormde Kerk kende oudtijds nog (b.v. bij de Synoden van Wesel en Emden) het „profetischquot; ampt; maar het toenemend individualisme deed ook dit wegvallen (10), en nu kennen wij slechts de leeraars die, ieder voor zich, middelpunten zijn van een kring, groot er of kleiner, warmer of koeler naarmate hunne „gavenquot; aantrekkelijk zijn, maar overigens in geen ander verband dan een zonder goddelijk gezag, ja meestal zonder geestelijk karakter. Het is omdat wij, tegen den eisch van het heerlijk Schriftbeginsel der Hervorming, bij de „eerste beginselen,quot; de „melkquot; des Evangelies (Hebr. 5,10—6, 3; 1 Cor. 3, 2) de prediking der bekeering en rechtvaardiging in Christus, gebleven zijn. Wel vormt bij onze predikers uitgebreide theologische wetenschap, groote menschenkennis, machtige welsprekendheid dikwerf den achtergrond. Maar de prediking, van verre de meesten blijft subjectief, individualistisch bij de zielkundige ontwikkeling der Schriftwoorden staan; tot het objectieve, den Raad Gods, het hemelsch Hooge-priesterschap van Christus als Hoofd der Kerk en te

ocr page 31

27

verwachten Bruidegom, — kortom tot wat de Schrift de „vaste spijzequot;, de leer der volwassenen (volmaakten) noemt, varen zij niet voort. En zulks wegens onze verdeeldheid, onze scheuringen, 1 Cor. 3, want „wie den broeder niet liefheeft, kan God niet liefhebbenquot; in zijn geopenbaarde heerlijkheid. Men roeme toch niet dat de oude namen Luther, Calvijn, enz. hun beteekenis verloren hebben. Waar dit zoo is, staat de gemeente over 't geheel in ernst van belijdenis en leven bij de confessioneelen achter, die deze namen hoog houden; slechts uit gewoonte of nationale en maatschappelijke motieven houdt men aan zijn bijzondere kerk vast, maar drijft overigens op de liberalistische of pantheïstische stroomingen des tijds af, in tailooze individualistische nuangen wèl van elkander maar niet van de wereld onderscheiden. Zoo ontwent men aan de „vaste spijze.quot; Die vaste spijze, van welke 's Heeren Lichaam als éénheid leeft, is dat wij een hemelschen Hoogepriester hebben die ons niet alleen heeft verzoend en gereinigd door de oneindige kracht zijns Bloeds, maar die ons ook verkoren en gemaakt heeft tot zijn priesterlijk Volk voor tijd en eeuwigheid. De leer van de Eenheid der Kerk, waar wij telkens op terugkouien, betreft niet slechts de vraag of er ééne, of wel twee of drie Kerken mogen zijn. Dit is slechts haar uitwendige vorm. Maar het eigenlijke dezer leer is dit: dat de Kerk zóó nauw met haar Hoofd verbonden is,- dat Zijne volheid werkelijk in haar overgaat, en zij dus werkelijk met Hem één is. Niet op roomsche wijze, waarbij (*) Christus eigenlijk abdiceert en de Kerk zelfstandig wordt. Doch ook niet op pro-testantsche wijze, zóó, dat men in de prediking, bij

{*) Zie Holtzmann, Kanon und Tradition.

ocr page 32

28

allen rijkdom van wetenschap en welsprekendheid, toch blijft bij de „eerste beginselenquot; der „bekeering van doode werkenquot; of van het „komen tot Jezus.quot; Neen, als Lichaam des Heeren moet de Kerk ontvangen wat de Brief aan de Hebreen de vaste spijze noemt, namelijk de leering van het Hoogepriesterschap van Christus. Want zij moet (Rom. 5. 10) niet slechts verzoend zijn maar ook behouden (Gr. tot haar ongeschonden geheelheid hersteld) worden door deelneming aan Christus' opstandingsleven. De vraag: „ben ik wel behouden, of hoe word ik het?quot; moet ach telden Gedoopte liggen; zijne vraag moet zijn: „waartoe, tot welk doel, ben ik bèhouden?quot; En het andwoord is: „om Christus, ons Hoofd, ten Lichaam, tot organen, te dienen; om Hem gelegenheid te geven, zijn leven door den H. Geest in de wereld die Hem toebehoort, te laten werken. Want niet wij op onszelve, Christus alleen is het, die in en door ons alles doet. Eén heerlijke Godsdienst geschiedt er, schoon naar de ruimte nog in tweeën gesplitst, in hemel en op aarde, of liever, Hijzelf zet dien in ons voort. Hij geeft zijn Lichaam deel aan zijn dienst, Hebr. 3. 14; deel aan zijn Voorbede, 1 Tim. 2, 1 — 4, aan zijn dienen in waarheid, Joh. 4, 23 : 17, 18, 19. Hij zendt de zijnen gelijk Hijzelf gezonden is, om als licht der wereld (Matth. 5, 14. 16) de geheele wereld en alle volken te zegenen en eerlang met hem de wereld en de Engelen te oordeelen (1 Cor. 6, 2 en 8). Dat is de vaste spijze des Woords. Ik kon er u, M. H. H! in mijn verkeer met U slechts gebrekkige aanduiding van geven. Maar van de smart onzes Hoogepriesters dat zijn volk over het geheel deze heerlijke spijze tot vrome „stichtelijkheidquot; leert verdunnen en aldus in zichzelve zwak, tegenover de wereld machteloos blijft om zijn heerlijkheid te toonen — van

ocr page 33

29

die smart meen ik zeer uit de verte iets te hebben medegevoeld.

Ja, iets heb ik mede geleden; in deze „Eekenschapquot; moet ik het uitspreken. Het voegt niet, de worstelingen der binnenkamer in het openbaar te beschrijven: maar laat mij sober zeggen dat ik persoonlijk voor mij zelve, als zwak en zondig mensch, begonnen ben den steun eener Kerk die mij droeg, van een Gezag dat, als tegenbeeld van pauselijken of partij-hoofdsdwang, van 'sHeeren wege boven mij stond, smartelijk te missen. Ik heb den grooten Calvijn gedankt als ik in het 4e deel zijner Institutie las dat „de deelneming aan de Kerk zooveel vermag, dat zij ons in Gods gemeenschap houdtof als hij bij Ef. 4,11 aanteekent; „wij zien hoe God, die de zijnen in één oogenblik zou kunnen volmaken, hen niet tot mannelijke volwassenheid wil doen opgroeien dan door de opvoeding der Kerk.quot; Ik heb daarna bevonden dat herstel der Kerk niet slechts als hulpmiddel tegen mijne en veler zwakheid, maar allereerst om de eere des Heeren, naar den eisch zijns Woords, moet worden gezocht, ook voor de opleiding der aanstaande Voorgangers tot welke ik mede geroepen werd. En eindelijk heb ik uit Schrift en historie geleerd dat de Kerk, het Lichaam van Christus, even als elk ander lichaam niet in één afzonderlijk deel kan genezen worden tenzij het ge-heele lichaam naar 's Heeren ordening worde hersteld — maar dat zulk een herstelling buiten onze macht ligt en alleen Gods eigen werk kan zijn: wij kunnen er niets aan doen.

„Wij kunnen er niets aan doen!quot; Men kan dit uitspreken als eenvoudig historisch feit. „Ieder

ocr page 34

30

„onzer wordt geboren in een afdeeling der Kerk die „hijzelf niet gemaakt heeft, die met aanwijsbare historische noodzakelijkheid tot stand kwam. Nu moge „men, van'een „ideaalquot; standpunt uit, deze verdeeldheid „der Kerk betreuren, maar intusschen aanvaardt een „verstandig mensch het voorhandene, dat immers onder „Gods Voorzienigheid zóó werd als het is. Ja, zulk „aanvaarden is juist eisch des geloofs. Het geloof „toch buigt zich onder Gods hooge beschikking, erkent „gaarne wat er goeds in het bestaande overbleef, en „tracht het kwade te overwinnen door, zooveel mogelijk, „Gods wil daarin tot gelding te brengen.quot;

Zulke taal is plichtmatig op elk terrein waar wij geen bepaalde Openbaring Gods voor hebben. Bij voorbeeld: in den staat die onder den invloed der Revolutie werd wat hij is, moeten wij beginnen met dien toestand te aanvaarden. In die revolutie een welverdiend oordeel Gods over het „ancien régime,quot; dus een historische noodzakelijkheid erkennende, hebben wij den modernen staat in den geloove aan te nemen en, door Gode te geven wat Gods is, te leeren met juistheid den Keizer te geven wat des Keizers is. Want ons is niet van Godswege geopenbaard hoe de staat moet zijn. Slechts de groote beginselen van den dienst van God en de gerechtigheid gelden hier, op het terrein der Wet. Voor den staat kunnen wij dus ons een ideaal vormen, dat wel nog nooit in werkelijkheid trad, maar dat wij toch naar eigen ernstig doordacht inzicht kunnen vormen en nastreven. Maar voor de Kerk mogen wij ons geen „ideaalquot; vormen, hoe ernstig ook doordacht. Hier hebben wij, als van God geopenbaard, hoe Hij het hebben wil en hoe het werkelijk geweest is. Ook'hier geldt, zonder twijfel, de historische noodzakelijkheid met welke wij de verscheuring dei-Kerk erkennen als wèl tegen Gods wil, maar toch onder

ocr page 35

31

Gods besturing geworden. Wij beginnen dan ook met die historische noodzakelijkheid te erkennen en te zeggen: „de toestand is zóó, wij kunnen er niets aan doen.quot; Maar in één adem voegen wij daaraan toe: „doch de Heer kan en wil er wèl aan doen, en wij moeten voor Hem daartoe ruimte maken.quot; Ruimte maken — hoe? Door onze onmacht als onze gemeenschappelijke schuld te erkennen en te belijden. De overgeërfde historische toestanden, vooral ook de kerkelijke, zijn niet natuurlijk zoo geworden. Wat natuurlijk zoo geworden is, dat is doordringbaar voor God, want Hij is almachtig. Maar hier hebben wij met zonde en (schoon onder veel goeds gemengden) afval te doen, en die stelt zich ondoordringbaar tegen God. Het „bedenkenquot; (het zijn en de aard) der natuur is afhankelijkheid van God: maar het bedenken des vleesches is vijandschap tegen Hem. Dus, dat wij „er niets aan kunnen doenquot; is eene schuld: een ontzache-lijke schuld, niet van ons alleen die dezen toestand gevonden hebben, maar van alle geslachten van den beginne aan, rust op ons. Gelijk wij godvruchtige mannen als Daniël en Ezra, persoonlijk aan Israels schuld niet medeplichtig in den gewonen zin, toch naar waarheid voor God hoeren belijden: „wij liggen in onze schande, onze schuld overdekt ons, want wij hebben tegen den Heer onzen God gezondigd, wij en onze Vaderen, gelijk het is te dezen dage.quot; Met deze boete begon het protestantisme. Dat het de Eenheid dei-Kerk, die de verborgen drijfkracht dier boete was, niet terstond in klare gedachte voor oogen had, is te begrijpen. Als een huis brandt, kan men niet op orde en inrichting der afzonderlijke ruimten bedacht zijn. De zielen moesten gered, uit het verstikkend verband eener ontaardde Kerk in de vrije lucht gebracht worden. Maar nu — die boete is gestremd: dat werk is

ocr page 36

32

niet voortgezet. De eenheid der Kerk, eerst niet klaar bedacht, werd daarna verzaakt: elk deel, Roomschen, Lutherschen, Calvinisten en onderdeelen, stelden zich schrap tegenover elkander. Noodzakelijk ontstond daaruit de tijd der orthodoxie. Hiertegen reageerde de leuze: „niet de leer, maar het leven !quot; Doch dit „levenquot; was niet het leven van het Hoofd des Lichaams, maar het subjectief-individueele leven der vroomheid. Zoo bevestigde het de verbrokkeling, en van de onmidde-lijke betrekking van iedere ziel tot den Verlosser werd de voortgang tot de onmiddelijke, d. i. van Christus zeiven uitgaande, betrekking des geheelen Lichaams tot het Hoofd niet gemaakt- Dat (met insluiting van al de dwalingen en machteloosheid die er in liggen) dat is de schuld die wij als gemeenschappelijke voor elkander en voor God hebben te belijden. Deze schuldbelijdenis is voor het op zich zelf staand individu, hoe vroom en diepgevoelend ook, niet mogelijk. Gelijk het erkennen der liefde van Christus niet mogelijk is dan „met alle heiligenquot; (Ef. 3, 18), zoo kan ook eerst waaide eenheid der Kerk in de gemeenschap ook der zonden, in ons persoonlijk lids-aandeel aan de zonde des geheelen Lichaams erkend wordt, de verpletterende beteekenis van het: „vergeef ons onze schulden!quot; duidelijk, en het „vergeven onzen schuldenaren,quot; het goddelijk wonder der algemeene liefde, weder realiteit worden. Hier is geen teruggaan tot eenige belijdenis, hoe eerwaardig ook, voldoende. Evenmin een teruggaan tot de Kerk zooals Christus haar door den Heiligen Geest in de eerste dagen deed voortkomen. Want repristinatie baat niet, de historie laat zich niet nog eens maken. Maar teruggang tot Christus zeiven, ons levend Hoofd, om. Hem samen te voet vallende, te belijden: „wij weten geen raad, wij kunnen niets en willen ook niets maken naar onze theorie of inzicht.

ocr page 37

33

doch Gij weet raad en zijt ook almachtig om in te grijpen.quot;

Waar het dus op aan komt, dat is de gezindheid van Israel in Aegypte, toen het, bereid en geschoeid, den staf in de hand, gereed stond om op 's Heer en wenk uit te trekken. Gelijk Zinzendorf eens zeide: „ik hoop dat de broeders die mij volgen, ten allen tijde bereid zullen zijn, voor een beteren kerktoestand, als hij zich mocht voordoen, mijn werk te laten varen.quot; Echt protestantsch is het, bij het protestantisme niet te blijven staan. Op den bodem der Gemeente is het deïsme in de God s-leer overwonnen: het keere niet weder in onze Christus-leer, alsof Hij niet even goed als in de eerste dagen kon wonderen doen zonder dat wij ze als een „nieuwe openbaring, terwijl de oude immers genoeg is!quot; — zouden wantrouwen of (ach!) als een ontrouwe Bruid zouden ontstellen over de zalige tijding: „uw Bruidegom is nabij!quot; — naar welke de geheele creatuur zuchtend uitziet (Rom. 8, 22) met de kinderen Gods van alle tijden. Rome heeft een kerk zonder den waarachtigen Christus: wij protestanten hebben den waarachtigen Christus zonder Kerk. Maar het stil heilig verlangen der edelsten van ons geslacht ging ten allen tijde uit naar de hoogere eenheid van Hoofd en Lichaam, in Israels profetie aangeduid. Ik leidde U met voorliefde in, M. H. H! tot den heerlijken geest van Plato, den grooten Ziener der menschheid die, beseffende dat ons denken het Absolute als eenheid van zijn en beweging, van natuur en geest niet vatten kan, alles concentreert op een Lichaam, den Staat, de Polis waar Gerechtigheid de hoogste wet zou zijn, en tot wier stichting hij een bijzondere goddelijke hulp noodig achtte (11). Dit was een voorbesef van het Koningrijk Gods dat wij met de Wederkomst van Christus verwachten. Want alle

3

ocr page 38

34

beloften van Gods Woord, zoo fantastisch zij aan het verstand des boek-mans voorkomen, blijken het alge-meen-menschelijke, het waarlijk-natuurlijke uit te di ukken zoodra wij slechts universeel denken, het leven der groote Meuschheid in de historie medevoelen; der Menschheid die, ondanks haren val, toch door alle eeuwen heen te krachtig leefde om niet in den Godsdienst, en geenszins in zijn ontkenning, de zoogenaamde „godsdienstigheidquot; of „vrije vroomheid,quot; te ademen (12).

Tegenover deze godsdienstigheid - en zoo keer ik aan het slot mijner Rekenschap tot haar begin terug — tegenover haar heb ik u betuigd (bi. 10) dat God zich persoonlijk en rechtstreeks heeft geopenbaard, heeft gesproken, is in gemeenschap met ons getreden. Ik leerde u, en zal dit, zoo God wil, nog dit jaar onder u voortzetten, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Jezus Christus, het levend Hoofd wiens Lichaam wij zijn. Op dat Lichaam, de ééne Kerk, heb ik allen nadruk gelegd, niet uit zekere overdreven kerkelijkheid, maar omdat de Christus zonder zijne Kerk geen Christus meer is. Ik ging u voor in onbepaalde onderwerping aan de H. Schrift, niet slechts als „Oorkonde der openbaringquot; maar als Gods Woord zelf, Gods persoonlijk woord door zijn gezanten en dienaren (13). Mitsdien wees ik u op de Kerk des Heeren, zijn Lichaam, den tijdelijken vorm des Koningrijks dat openbaai zal worden in zijn aanstaande Wederkomst. Vóór die openbaring moeten „zware tijdenquot; komen ter zifting der met de wereld gemengde Kerk. Uwe taak zal zijn, als Voorgangers te „ijveren met een ijver Gods om de Gemeente als reine Bruid den Heer toe te voeren. Met de Gemeente is daarbij de menschheid, met de menschheid de Aarde, met de aarde het heelal verbonden. De godsdienst - ik herhaal de woorden van een beminden leermeester aan wien ik diepe verplichting

ocr page 39

blijf gevoelen, Prof. Brill — de godsdienst is niet een inrichting in liet leven, maar de ware richting van het leven zelf. Vat gij, naar Gods Woord, uwe levenstaak zóó op, dan bezwijkt de ziel bij het indenken der ontzachlijkheid van die roeping, doch springt in heilige verrukking weêr op bij de gedachte dat niet wij haar vervullen, maar de Heer door ons.

Als ik weldra mijn werk van mede u daartoe te bereiden nederleg. zal ik het doen in diep besef dat alles, volstrekt alles wat ik daarbij voor u vermocht te zijn, genade is. Ik schroom, dit met sterke woorden te betuigen opdat ik niet nederig schijne; slechts zij gezegd dat sedert ik het, herwaarts komende, voor mijn God uitsprak, ik bijzondere herinneringen bij mij omdraag die meer dan genoeg voor zelfverheffing bewaren. Wat mij machtig steunde was de liefde van diegenen uwer, die mijn woord aannamen of die, als zij dit niet konden doen, het toch eener ernstige toetsing waardig keurden. In die liefde, die toetsing, zoo noodig ook in Uwe vrijmoedige tegenspraak, en door dat alles in Uw persoonlijk mede-abeiden beveel ik mij aan voor den tijd die nog rest. Onder ons, hoogleeraren en studenten der Leidsche Faculteit van godgeleerdheid, bestaat de goede traditie van een toegenegen omgang tusschen de volgers van zeer verschillende overtuigingen. Of ik tot die aangename verstandhouding ook heb bijgedragen, mogen anderen beoordeelen. Aan mijn hooggeachte Amptgenooten (met weemoed sluit ik de mij onvergetelijke ontslapenen. Kueneu, Acquoy en Kosters, hier bij in) geef ik dankbaar getuigenis dat zij dit steeds gedaan hebben. Laat onder ons die „broederlijke liefde blijvenquot; (Hbr. 13, 1) niet ondanks maar wegens het onoverkomelijke der klove die tusschen de overtuigingen gaapt (14). De ernst der tegenstellingen die niet alleen ons klein vreedzaam schoolgebied maar de

ocr page 40

36

harten der volken en de Rijken der geheele wereld verdeelen, zal spoedig genoeg in ontzachlijke omkeerin-gen openbaar worden. Dit leeren ook mij de teekenen der tijden.

Desniettemin is mijn beschouwing van het Geheel onzer toestanden hoopvol. Ik zie het onkruid maar ook het goede zaad op den wereldakker rijpen. Ik zie den Antichrist zijn groeiende leden in den zwangeren schoot der menschheid bewegen, maar ook overal in het zwellen der knoppen en der bladeren een nieuwen lentetijd aanbreken. In alle afdeelingen der Kerk ontwaakt nieuw leven, een nieuwe ernst van belijdenis en liefdebetoon, en daarmee ook een nieuw ontwakend besef van de eenheid der Kerk. Komt men nu slechts tot waarachtige belijdenis dat wij hierin niets, de Heer alleen alles kan en wil doen, dan kan het niet missen of aller blikken richten zich meer en meer op zijn beloofde Wederkomst en naar die mate komen de harten dichter tot elkander.

Voor wie blijft in Christus, het Hoofd zijns Lichaams, der Gemeente, is het thans een heerlijk uitzicht, als voorganger te mogen arbeiden. Gaat voort, u daartoe met alle inspanning te bereiden, M. H. H. en vrienden ! en dient eerlang de Kerk ter plaatse en in den toestand waar God u deed geboren worden. De blik. op het Geheel doet niet in nevelige onbepaaldheid zweven, maar maakt juist, door ware orienteering, liefdevol en nauwgezet in het bijzondere. Hij doet getrouw zijn in het kleine en daardoor dan ook in het groote. Want de eenheid der Kerk in Christus is de grond van alle verdere eenheid in de wereld; des huis-gezins, der maatschappij, der groote menschheid, des heelals dat in het eeuwig Woord is geschapen (15). Erfgenamen der wereld (Rom. 4, 13) zijn wij in Christus, „Erfgenamen der wereld!quot; die belofte is niet slechts

ocr page 41

37

in extensieven, maar vooral in intensieven zin bedoeld. Een Apostel wenscht (Ef. 1, 18) den christenen, d. i. hun die reeds door den Heiligen Geest tot vernieuwing ook der kennis zijn gekomen, toch nog toe „verlichte oogen uws verstands, opdat gij moogt weten welke zij de hoop van 's Heeren roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van zijne erfenis in de heiligen.quot; Want de „zalving van den Heiligequot; doet ons „alle dingen weten.quot; Wij zijn, ook voor de kennis, in den verbevensten zin tot universaliteit geroepen. Ik hield u voor, M. H. H! dat bet geloof aan de Eenheid der Kerk ten nauwste samenhangt met de verwachting van de Toekomst, de Wederkomst des Heeren Jezus Christus om zijn Koningrijk op te richten. Deze verwachting schijnt vele geloovigen fantastisch, zonderling, ja een ongerijmd breken met alle ontwikkeling, met den overwinnendon voortgang der wereldbeschaving. Met het oog op de ontdekkingen, die in onze eeuw bijkans op elk gebied elkaar verdringen, op de nieuwe gezichtspunten en methoden schier in elke wetenschap, zeggen zij niet zonder reden: „zou de wereld oud zijn, te niet gaan? neen, veeleer is de wereld jong, de eigenlijke ontwikkeling begint pas.quot; Wij deelen dit gevoel met hen; maar de verwachting van 's Heeren Toekomst strijdt daar niet tegen, maakt integendeel deze zwevende beseffen tot klare, verzekerde hoop. Gelijk het Koningrijk van Christus de verwezenlijking is der idealen waarvan alle voorafgaande Staatsorganismen slechts zwakke voor-beelden schetsten, zoo worden ook in dat Rijk de ware, duurzame vruchten van de wetenschap en cultuur der eeuwen niet ter zijde gesteld maar in het juist verband opgenomen en tot volle waarheid verheven. Deze verwachting is redelijk in den allerhoogsten zin. De oplossing van het wereldraadsel is — niet de idee slechts, maar de

ocr page 42

38

werkelijkheid der Gerechtigheid. De zedelijkheid zou niet meer bestaan, zou in het natuurlijk leven reeds zijn opgenomen, indien de algemeene Orde, door de Rede geëischt, reeds aanwezig ware. Maar dit is nog niet zoo. Hetgeen is, blijft nog eerst op te nemen in hetgeen moet zijn. Het Goede, de hoogste Orde, de Gerechtigheid, is voor het denken nog slechts een hypothese: men bewijst haar niet, men rechtvaardigt haar praktisch door aanwijzing dat zij alleen aan de eischen der Rede voldoet. Dit voorloopige nu wordt door Christus in zijn toekomst tot het definitieve gemaakt. Dan zal de Rede blijken redelijk te zijn. De tegenwoordige werkelijkheid der gevallen wereld is een berg: het geloof verzet hem met sidderenden eisch in het hart van de zee, maar Christus komt zijn armen belijder te hulp en voert het zegevierend uit. Dit Rijk is ook het rijk der schoonheid. Elke betrekkelijke schoonheid der Kunst die als een haut-relief uit den muur der bestaande wanorde vooruitkomt, kondigt aan dat „onze oogen den Koning zullen zien in zijn schoonheid,quot; en dat de rechtvaardigen in zijn Koningrijk niet alleen zullen heilig en machtig zijn, maar ook zullen „blinken als de zon.quot; De verwarde kreten onzer begeerten en der zuchtingen van de creatuur zullen worden tot een harmonieuzen lofzang waarin het individueele niet wordt opgelost, maar ieder zijn eigen klank hoort. Voluntas atque intel-lectus idem sunt — ook dit woord van Spinoza, onwaar in zijn pantheistisch verband, is slechts profetie van de belofte: „God zal alle tranen van de oogen afwisschen.quot; In één woord: de toekomst van Christus die wij verwachten, zal niet zijn het „vergaan der wereldquot; waarvan een angstig bijgeloof droomt, maar een te voorschijn treden van de ware, de van den aanvang af door God bedoelde wereld; een bewijs dat

ocr page 43

39

deze wereld, juist omdat hare gedaante (niet zijzelve!) voorbijgaat, geenszins Satans maar des Heeren eigendom is. Die hope leert dus de duizend hooggewichtige probleemen waar onze tijd onder zwoegt, niet verachten noch verwaaiioozen, maar met warme belangstelling aanzien en met moed aan hun oplossing medewerken; omdat elk waarheidsbestanddeel, ook daarin gelijk in alles, ten slotte toch aan den Koning der waarheid en zijn getrouwen toevalt. Hun die in naam der alzijdigheid het leven dezer wereld omklemmen, die een dramatische tegenstelling van goed en kwaad als slagschaduw onontbeerlijk en de volle heiligheid vreugdeloos eentoonig achten — hun andwoorden wij dat de toekomende wereld in geen enkel opzicht zal armer zijn dan de tegenwoordige. Op verren afstand, M. H. H! zeg ik het daarom den edelen Richard Rothe (IB) na; „Ik heb uit eigen ervaring het praktisch moment van het Bijbelsch chiliasme leeren verstaan, en zou voor alles in de wereld de belofte van een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde en wat ons de Profeeten zoo heerlijk daarvan zeggen, niet willen missen.quot;

Zoo is dan deze verwachting niet een afbreken maar een overwinnend tot gelding brengen van de aspiratiën aller tijden, ook onzes tijds. Getuige daarvoor te zijn is de hoogste taak der menschheid. Den dienaar des Woords is zij bij uitnemendheid opgedragen. Dit te bedenken, dit biddende, studeerende, uzelf offerende te bedoelen, is Uwe levensroeping.

Nog eene poos wensch ik mede ü daartoe op te leiden; dan scheiden wij voor een tijd. Hetzij voor die korte wijle dat wij nog samenzijn, hetzij later voor ieder onzer op zijn weg, — blijdschap, trouw, hoopvolle liefde zij onze leus. Wat mij aangaat, hooger loon

ocr page 44

40

kan ik mij niet denken, clan verwaardigd te worden met het woord: „gij hadt kleine kracht, maar gij hebt mijn Woord bewaard en mijnen Naam niet verloochend.quot;

Leiden, Sept. 1898.

ocr page 45

AANTEEKENINGEN.

(1) Welk onderscheid tusschen „godgeleerdheidquot; en ,,godsdienstwetenschapquot; bestaat, heb ik meermalen op mijn collegie over de Encyclopedie uiteengezet, en in enkele mijner vroegere Toespraken b\j hst begin van een cursus; ook in een afzonderlijk geschrift dat deze beide termen tot titel heeft.

(2) Niet in alle vakken. Bepaaldelijk de zoogenoemde „wijsbegeerte van den godsdienstquot;, d. i. de „onvooringenomenquot;, alge-meengeldige, beschouwing van den godsdienst kan, zoo men niet transigeert, niet anders dan door een „onvooringenomenquot; of dusgenoemd „modernquot; man behandeld worden. Ik ontken dan ook het bestaansrecht dezer „wetenschapquot;. De zeer belangrijke dingen welke zij hervoort brengt behooren alle of tot de naar den eisch onzer dagen opgevatte Dogmatiek of tot de „Geschiedenis der godsdienstenquot; wier kennis, even als die van b.v. de algemeene geschiedenis, wel tot de vorming van den theoloog maar niet tot de wetenschap der theologie behoort, gelijk ik bij de behandeling der encyclopaedie betoogde.

(3) Kant heeft zelf zijn wijsgeerige daad herhaaldelijk met de bekende daad van Copernicus vergeleken. De gewone mensch, ook in de toonaangevende wetenschap, houdt onbewust, dogmatisch kritiekloos, het voorwerp van zijn eigen werkzaamheid bij het vormen van zijn geheele voorstellingswereld voor een werkelijk zóó bestaand object, gelijk hij in het heelal de beweging van vreemde wereldlichamen ziet inplaats van de beweging der eigen aarde. Hieruit volgt dan noodzakelijk hot dogmatisch bijgeloof van de ontkenning der vrijheid en des wonders, en de geheele organische wereldbeschouwing die, hoewel door de natuurwetenschap der laatste 50 jaren overwonnen, toch in de moderne

ocr page 46

42

theologie, op dit standpunt van schuidige kritiekioosheid, gehandhaafd blijft.

(4) Ed. von Hartmann meent dit uit te drukken door zijn „concreet monisme.quot; Doch wat eerst door vernieuwing des harten tot stand komt, houdt hij voor van zelf, van nature reeds zoo zijnde.

(5) Tegenover Roomschen en Socinianen, zie Dorner, Gesch. der Lehre v. d. Pers. Christi 2, p. 766.

(6) Zie mijne Toespraak „de Eenheid der Kerk,quot; naar aanleiding der Encykliek van Paus Leo XIII over dit onderwerp.

(7) Wie met ons op grond der N. T. profetie het naderen der openbaring van den Antichrist ziet, wordt veelal voor een fantastisch letterknecht gehouden. Maar ook denkers, onverdacht van de bevangenheid des geloofs, verkondigen dit. Wie deze profetie van Jezus of Paulus niet wil aannemen, neemt haar wellicht van Ed. v. Hartmann aan die (Phil, des Unbew. Cap. 12) schrijft: zichtbaar winnen de wereldsche bemoeingen aan macht, uitbreiding en belangstelling, zichtbaar grijpt de Antichrist verder en verder om zich heen, en weldra zal het christendom nog maar eene schaduw zijner middeleeuwsche grootheid en slechts de laatste troost der armen en ellendigen zijn, gelijk bij zijn ontstaanquot;. Ik zou een uitgebreide bloemlezing uit gevierde schrijvers onzer dagen hier bij kunnen voegen,

(8) Mij is het tot zelfverwijt, dat ik destijds mijne stem niet tegen de wet van 1876 heb verheven. Des te meer huldig ik prof. P. D. Ch. de la Sausaye Jr. die verleden jaar op de predikanten-Vereeniging te Utrecht de noodzakelijkheid betoogde dat onze hervormde Kerk zelve de opleiding harer Dienaren ter harte neme: en prof. Valeton Jr. die in zijn rectorale Rede van dit jaar te Utrecht een warm woord tegen de geestelijke strekking der Wet sprak. In een doorwrocht Rapport werd zij reeds voor eenige jaren door Prof. A. Kuyper bestreden. Ook van „modernequot; zijde wees men meermalen op de beginselloosheid der wet, die aan de „zuiverequot; wetenschap en aan de Kerk tegelijk wil voldoen. De Staat kan op zijn standpunt niet anders doen dan eene Faculteit van „Godsdienstwetenschapquot; oprichten, — in mijn oog geen wetenschap, in dat der „Modernenquot; wèl. Ontneemt echter de staat aan zijn Universiteiten de Faculteit der godgeleerdheid, zoo vernietigt hij ze als universiteiten door ze tot vakscholen te de-gradeeren. Alleen by erkenning van de Eenheid der Kerk zal ook deze kwestie waardiglijk kunnen opgelost worden.

ocr page 47

43

(9) Zie mijn Blikken in de Openbaring, Deel I bl. 242 enz.

(10) Onze gereformeerde Vaderen onderscheidden tusschen het bijzondere ampt der Apostelen en der Profeten, en de gedurige ampten van herders en leeraars, ouderlingen en diakenen. Maar de H. Schrift geeft geen aanduiding dat deze „bijzonderequot; ampten moesten ophouden, evenmin als de bijzondere wondergaven des H. Geestes; wèl geeft zy, door den aard dei-Kerk als Lichaam des Heeren, aanduiding van het tegendeel.

(11) Alle stelsels van godsdienst en wijsbegeerte die wij in de „Geschiedenis der leer aangaande Godquot; leeren kennen, wijzen op de behoefte aan een geestelijk, universeel koningschap. Wat Aristoteles zegt, dat hetgeen het eerste is als oorzaak het laatste is in ontdekt te worden (to tiqwxov aïnov èoyarov èv tT/ ei'QsoEt) dat herhaalt Paulus aan de Efeziërs in zijn woord: „gij zijt geschapen in Christus vóór de grondlegging der wereld.quot; Op universeele gemeenschap is de menschheid aangelegd. De Kerk, waarborg en handhaving van die gemeenschap, heeft tot teeken den H. Doop. Dit verbonds-teeken zegt dat alle individualisme, alle pogingen der menschen om zichzelve tot aparte eenlingen te maken, zondig zijn. De eenheid onder de menschen rust op de eenheid van Vader, Zoon en Heiligen Geest. Wy zijn door den Doop vernieuwd alleen in Christus ons Hoofd, niet in eene ons inhaerente hoedanigheid zooals de Roomschen leeren. De werking van den H. Geest is, ons onophoudelijk uit onszelve uit te trekken. Wij hebben geen recht, omtrent onszelve den leugen te gelooven dat wij buiten Christus zouden zijn. Wie dit doet loopt liet ontzettend gevaar, Hebr. 6, 4 enz. beschreven.

(12) Gods-dienst is allereerst de dienst der genade dien God ons bewijst door zijn openbaring, indaling, vleeschwording des Woords. De „onafhankelijkequot; vroomheid ontkent die (bijzondere, persoonlijke) openbaring Gods. Met dankenswaarde openheid verklaart haar Eauwenhofï in zijn „Wijsbegeerte van den godsdienstquot; voor ongerijmd in de oogen der hedendaagsche beschaving. En Hoekstra in „Gedachten over het wezen en de methode van de godsdienstleerquot; (Theol. ïijdschr. 1873); „Ons eenig point de depart is de godsdienst zelve, en wel, naar wording en wezen, als psychologisch verschijnsel, als phaenomenon in onzen geest en in ons gemoed. Van eene wetenschap over God of de bovenzinnelijke wereld, van elders verkregen, willen wij niet meer hooren.quot; [Hier wordt wel hot woord „godsdienst'»

ocr page 48

44

voor godsdienstigheid gebruikt, maar ten onrechte: in de u n i-v e r s e e 1 e, allen volken eigen beschonwing is „godsdienstquot; altoos met rechtstreeksche openbai'ing verbonden]. Doze godsdienstigheid nu is uit haren aard — geenszins in werkelijkheid bft hare belijders die in de atmosfeer van den godsdienst blijven ademen — pantheistisch d. i. tegen den godsdienst gekant. Het vroom gevoel leert geen transcendenteu God, maar slechts dat wij absoluut van „Godquot; afhankelijk zijn, en dat de afzonderlijke dingen der wereld van elkander afhangen in een samenhang die voor geen vrijheid plaats laat. Duidelijk ontvouwt dit Schleier-macher in § 46 van zijn Christl. Glaube. Hier wordt dus aangenomen het algemeene Worden dat de organische natuur-en wereldbeschouwing leert. De mechanische daarentegen, die wel in de natuurwetenschap maar nog niet in de theologie de organische overwonnen heeft, blijft staan bij de veelheid der dingen, sluit het samenvattend denkbeeld „wereldquot; met Kant buiten de wetenschap, en eert het bestaande als een z ij n, naar welks laatste oorzaak men niet vragen mag: want dat zou wezen het als een worde n, niet als een z y n te beschouwen. Hier blijft dus plaats voor de aanbidding van God, voor den godsdienst. En de godsdienst is niet resultaat van evolutie, maar stelt den mensch, als persoonlijk, boven de natuur. Hij eert zelfs niet een abstracte zedewet, maar alleen den persoonlijken God die des menschen wil beheerscht. De „vrijequot; vroomheid daarentegen is uitteraard pantheïstisch. Zij kan geen kennis van God hebben, en doet zich daarom, als in het „Evangelium einer armen Seelequot;, of in Multatuli's Gebed van den onwetende, of in de Genestet's „Daar is geen priester die U verklaartquot;, of in duizend roemreden op de edele, ver boven traag dogmatisme verheven zoekenden, op hare nederigheid te goed. Kennis toch kan alleen van God zelf komen: de natuur en ons hart leeren ons slechts een gevoel: maar een ovei-tuiging, een kennis omtrent God kan slechts bestaan door zijn eigen openbaring. Met recht ontvouwt dan ook Dr. A. Kuyper in zijn „Encyclopedie der heilige Godgeleerdheid II p. 264, hoe de „godsdienstquot;, als hij slechts een psychologische functie zonder persoonlijke Openbaring Gods is, afhankelijk is van dephy-siologie, en deze de menschelijke natuur leert beschouwen als product van de ontwikkeling der anorganische natuur, en zoo het naturalisme den „godsdienstquot; wettig vernietigt.

(13) Dit karakter van persoonlijkheid ligt reeds in den ge-

ocr page 49

45

m

ringen omvang vooral der N. T. Schriften. Een omvangrijk boek wil door zichzelf onderwijzen, is als het ware onpersoonlijk. Het kleine geschrift, b.v. ook de brochure onzer dagen, w;jst op den lévenden persoon des schrijvers terug. De gemeenschap der geloovigen, als lichaam, met den Heer is door de Apostelen, 1 Joh. 1, 1 — 3. In hun schriften en die der overige N. Tsche schrijvers voelt men den persoon, het Ampt als achtergrond, den samenhang der Kerk die allen draagt en zonder welken die Schriften niet te verstaan zijn. Velen zeggen: „ampten en ordeningen zyn niet noodig, wij hebben aan den Bijbel genoeg.'' Wij and woorden : zeker, wij hebben aan den Bijbel genoeg: laat ons hem dus gehoorzamen in al zijn leeringen, oamp;k in die dat de Kerk niet gegrond is op een Boek maar op levende personen, op Apostelen en profeten terwijl Jezus Christus de hoeksteen is, op Wien de geheele Bouw, bekwamelijk saamgevoegd, opwast tot een heiligen Tempjl in den Heere.

(14) Broeders in Christus (niet in het geloof in Christus) zijn alle gedoopten, van welke overtuigingen ook. Zij blijven ranken van den Wijnstok zoolang de Landman zelf hen niet afsnydt (Joh. 15, 2). Hierbij behoort noodzakelijk de Tucht door het Ampt waarin de Heer zijn Lichaam regeert. Maar zoolang die tucht niet geoefend wordt waag ik het niet, door persoonlijk oordeel die tucht zelf in handen te nemen, of partij of pers daarin te volgen. De klove tusschen den Godsdienst en de godsdienstigheid of „vrijequot; vroomheid is inderdaad onoverkomelijk (zie Noot 12). Dieptragisch is het, b.v. de Synode onzer Hervormde Kerk in vruchtelooze pogingen tot vereffening haar beste krachten jaar op jaar te zien verteeren, omdat op den bodem eener afzonderlyke kerk, die geen door den He er zeiven gegeven Ampt heeft, die vereffening niet mogelijk is dan door ongeoorloofd overwicht b.v. van getalsmeerderheid. Paus, partijhoofd of wetenschappelijke coterie. Maar juist het inzicht in de onoverkoombaarheid dezer klove wekt de liefde op om, bij vast en trouw getuigenis tegen des broeders dwaling, hem zei ven zoo lang mogelijk boven haar verheven te achten en hem niet te beoordeelen. Dat iemand een vijand van het kruis van Christus is, mag alleen een Amptsdrager in zyn hoedanigheid, dus het wettig oordeel der Kerk, weenende tot de ge mee nte zeggen (Phil. 3, 18): en d a n zal ik het ook, in dezelfde droefheid dei-ziel, herhalen.

(15) Twee Ryken vormen zich door de geheele historie heen.

■■«■■■Ml

ocr page 50

4H

Hot ongeloof (d. i. het geloof aan deze wereld, door miskenning van de zonde) het ongeloof decomponeert alles, huisgezin, maatschappij, enz. tot volkomen individualistische anarchie. In deze vorming is de subjectivistische „vrijequot; vroomheid, het welgemeend individualisme, een voorbijgaande phase. Ten slotte worden al deze Atomen door den Antichrist in ijzeren band tot één groot Rijk samengevat: een rijk, niet van atheïsme, maar van vurig godsdienstige vereering van hem die (2 Thess. 2, 4) „in den Tempel Gods zittende, zich zal vertoonen dat hij God is.quot; Daartegenover dan het eeuwig Koningrijk van Christus, die hem overwinnen zal. Hoogmerkwaardig en van eengroote schuld der christenheid getuigende, is de kreet naar Gerechtigheid op aarde, die in de anarchistische woelingen om een paradijs hier op aarde roept. Uit duizend dergelijke stemmen wijs ik als voorbeeld op het gesprek tusschen de broeders Guil-laume en Pierre Froment in Zola's „Romequot; (Livre II, Chap. 5). Universaliteit is de eisch bij alles aan beide zij den. De tusschen-schakels, de middelleden vallen weg. De groote waarheid dat de eenheid der Kerk in Christus de grond is van alle verdere eenheid, en zoo van al wat groot, goed en geestdriftvol is onder de menschen, is vooral door F. D. Maurice gepredikt. Zie zijne werken: „de zedelijke grondslag der maatschappij,quot; met een inleiding van mijne hand bij den Uitgever dezes verschenen: verder zijn „The Kingdom of Christ,quot; en vele zijner brieven, in „Life and letters of F. D. Mauricequot;, door zijn zoon uitgegeven. Ook mijn boekje: „Wat is het geloof?quot; 2e uitg. by den Uitgever dezes.

(16) Zie zijne door Nippold uitgegeven Brieven (Wittenberg 1873) I. p. 473.

ocr page 51
ocr page 52
ocr page 53
ocr page 54